summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78337-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '78337-0.txt')
-rw-r--r--78337-0.txt1607
1 files changed, 1607 insertions, 0 deletions
diff --git a/78337-0.txt b/78337-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..03ca8ef
--- /dev/null
+++ b/78337-0.txt
@@ -0,0 +1,1607 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 ***
+
+
+
+
+ OPA EN INEKE
+
+ DOOR
+ ANNA HUBERT VAN BEUSEKOM
+ SCHRIJFSTER VAN: JANNEKE EN DE KLOK.
+
+ MET PLATEN VAN NANS VAN LEEUWEN
+
+
+ TWEEDE DRUK
+
+
+ GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+ Opa en Ineke 5–64
+ Uit logeeren 67–80
+
+
+
+
+
+
+
+
+OPA EN INEKE.
+
+
+„Ineke, Ineke, schei nu eens uit. ’t Is heusch bedtijd, hoor! Denk er
+aan, dat je morgen al zoo vroeg op moet. Kom, kind,” en mevrouw Van
+West boog zich over haar dochtertje, dat aan tafel zat te lezen en
+legde haar hand liefkoozend op Ineke’s blonde krullen.
+
+„Ja, Moes!” Ineke sloot met een lach en een zucht tegelijk „De
+Sprookjes van Andersen”, waarin ze zóó verdiept was geweest, dat ze
+alles om zich heen vergat. Niets had ze gehoord van de wilde kreten uit
+den tuin, waar Vader met Gijs en Duco aan ’t ravotten was, zóó leefde
+ze mee met de geschiedenis van „De kleine Zeemeermin”, die ze wel al
+lang kende, maar altijd weer met hetzelfde plezier overlas.
+
+Ze was in den afgeloopen winter ernstig ziek geweest, had daarna langen
+tijd moeten liggen en ’t eene verhaal vóór en ’t andere nà gelezen,
+telkens weer grijpend naar het boek, dat ze van Opa kreeg en waar niet
+alleen zulke mooie sprookjes, maar ook zulke beeldige plaatjes in
+stonden. Die goeie, lieve Opa! Wel vier maal was hij overgekomen om
+Ineke, z’n eenige kleindochter, op te zoeken en toen hij hoorde, dat de
+dokter de frissche buitenlucht het allerbeste geneesmiddel voor haar
+vond, had Opa onmiddellijk gezegd: „Weet je wat, Ineke, dan kom je maar
+zoo gauw mogelijk bij mij op „Eiken-rode” logeeren. Vacantie of géén
+vacantie, je komt maar. Misschien wil meester Hoogstra je dan wel een
+poosje op de dorpsschool nemen, dan gaat de geleerdheid niet achteruit
+en kan je waarschijnlijk toch wel overgaan naar de vijfde klasse.”
+
+Ineke had bij dit heerlijk vooruitzicht in haar handen geklapt en
+juichend uitgeroepen:
+
+„O ja! Dat zou heerlijk zijn, Opa! Nu zult u ’s zien, hoè gauw ik beter
+ben,” en van dien tijd af had ze moedig haar leelijk-bittere drankje
+geslikt en erg haar best gedaan met eten, zoodat de dokter iederen dag
+tevredener werd en al gauw verklaarde „dat ze nu maar de wei inmoest.”
+
+„Eiken-rode”, het gezellig-ouderwetsche buiten, waar Vader en de Ooms
+als kleine jongens gewoond hadden, was voor de kleinkinderen het
+heerlijkste plekje, dat er bestond en Gijs en Duco, Ineke’s oudere
+broertjes, zeiden dan ook telkens, hoewel ze ’t hun zusje, waarvan ze
+veel hielden, van harte gunden: „Nou maar Ien, jij treft ’t hoor!”
+
+Duco had zelfs beweerd, dat hij best ook ziek zou willen worden, als
+hij daarna bij Opa mocht gaan logeeren. Maar in de groote vacantie,
+zouden ze er met z’n allen een poosje gaan doorbrengen. Dan konden de
+jongens hun schade inhalen! Fietsen, visschen en zwemmen in de beek, in
+hun tuintjes werken, die Andries, tegen hun komst in orde maakte, en
+mee gaan hooien en koren halen op ’t land! Zàlig, boven op zoo’n
+hoogopgetaste, schommelende kar! En ’s Zondags, als Andries den tijd
+had, vliegers oplaten op de hei! Nergens ging dat zóó goed als dààr,
+waar je overal de vrije, wije ruimte om je heen hadt, zonder dat je één
+oogenblik bang behoefde te zijn, dat je vlieger ergens vast bleef
+zitten.
+
+Dien middag, terwijl Moes haar koffer pakte, had ’t Ineke geduizeld van
+al de boodschappen, die de broers haar opdroegen: vragen of Andries
+vooral zonnebloemen in hun tuintjes zou zetten; of hij ’t vischtuig wou
+nazien en er voor zorgen zou, dat de schommel en de ringen van nieuwe
+touwen werden voorzien en of hij er aan wou denken, dat ’t roeiboot je
+bij tijds in den vijver kwam te liggen, zoodat de naden goed
+dichttrokken en er geen water meer inliep.
+
+„’t Is geweldig, Ien, wat jij allemaal te onthouden krijgt. Ik zal ’t
+maar voor je opschrijven, anders vergeet je de helft,” en meneer Van
+West was zijn dochtertje lachend met papier en potlood te hulp gekomen
+en had een heele „boodschappenlijst” voor haar gemaakt, die Ineke had
+weggestoken in haar reismandje. Ze beloofde Andries, zoo gauw ze hem
+zag, ’t gewichtig papier te overhandigen en Moeder had op haar beurt ’t
+een en ander voor juffrouw Doortje, de huishoudster, die al jaren sinds
+Oma’s dood, de huishouding op „Eiken-rode” bestuurde, maar vond ’t bij
+nader inzien beter, haar maar zelf een brief te schrijven. Juf zou de
+zorg voor Ineke grootendeels op zich nemen en daarom had mevrouw Van
+West daarin precies verteld, hoe dikwijls per dag Ineke haar drankje
+nog nemen moest, hoe lang ze gewoon was te rusten en hoeveel melk ze op
+dokters-bevel dronk. Vooral aan ’t laatste moest streng de hand
+gehouden worden en Ineke beloofde dan ook, onder ’t naar boven gaan nog
+eens aan Moes, dat ze heusch de zes groote glazen drinken zou en dat ze
+haar uiterste best zou doen bij meester Hoogstra.
+
+Op school was Ineke volstrekt niet dom, maar ze las liever, dan dat ze
+huiswerk maakte en schreef haar thema’s en sommen dikwijls zóó slordig,
+dat ze ’t thuis over moest doen en slechte aanteekeningen kreeg. Ook
+dàcht ze wel eens, dat ze haar les kende en dan bleek deze er bij ’t
+overhooren nog heelemaal niet vast in te zitten. Gauw, gauw even ’t
+leerboek inkijken, of de sommen maken en dan lezen tot ze er bijna suf
+van werd. Dat was zoo Ineke’s manier van doen, en dat ’t geen goede
+manier was, kwam dan aan ’t einde der maand uit, als ze haar rapport
+mee naar huis bracht.... Door haar ziek-zijn was ze nu buiten haar
+schuld een heel eind achtergeraakt, maar de directrice had gezegd, dat
+ze wel geloofde, dat Ineke, als ze een poosje werd bijgewerkt, naar de
+vijfde klasse zou kunnen overgaan en omdat ze ’t zelf toch wel akelig
+vond te blijven zitten en niet meer met haar vriendinnetjes, Nancy en
+Margotje, in dezelfde klasse te zijn, nam ze zich voor, flink haar best
+te doen en ijverig te werken. Ze kende meester Hoogstra wel van
+aanzien. ’t Was een goedige, oude man met een grooten gouden bril op,
+steeds gewapend met een reusachtigen, rooden zakdoek, waarmee hij
+gewoon was zich telkens langs ’t gezicht te vegen. Hij was jong
+hulp-onderwijzer, toen Ineke’s vader als kleine jongen de dorpsschool
+bezocht, werd er later hoofd van en had met de grootste
+bereidwilligheid aan de directrice der meisjesschool geschreven om zich
+geheel op de hoogte te stellen, hoe ver Ineke zijn moest, om na de
+groote vacantie tot een hoogere klasse te worden toegelaten. Na eenig
+heen-en-weer-geschrijf was er toen besloten, dat Ineke in de morgenuren
+de dorpsschool bezoeken zou en daar in de zesde klasse geplaatst zou
+worden, die ongeveer met de vierde der stadsschool gelijk stond. Met
+een beetje extra-huiswerk kon ze dan ’s middags thuisblijven, om den
+verderen dag te rusten en zooveel mogelijk in de buitenlucht te zijn.
+Inplaats van schoonschrijven en handwerken wilde meester Hoogstra haar
+zelf Fransche les geven, want Fransch werd er op zijn school niet
+onderwezen, en elke drie weken zou haar rapport worden opgezonden, dan
+kon de directrice daaruit zien, of haar leerlinge voldoende
+vooruitging. Dit alles had meester Hoogstra breedvoerig met Ineke’s
+grootvader zitten bepraten en terwijl hij zich met zijn rooden zakdoek
+langs ’t voorhoofd streek, had meester Hoogstra gezegd:
+
+„En burgemeester, nou weet u niet hoe aardig ik ’t vind, om les te
+geven aan het dochtertje van uw zoon Willem, die indertijd een van mijn
+allereerste leerlingen was, toen ik als jong onderwijzer begon. Ik ken
+haar wel van aanzien, want in de vacanties komt zij nogal eens in ’t
+dorp. Ineke heet ze, nietwaar?”
+
+„Ja zeker. Ze heet naar mijn eenige dochter Ina, die op haar veertiende
+jaar gestorven is. Ineke is mijn eenige kleindochter en daarom begrijpt
+u zeker wel, dat ik alles wil doen, om ’t mijn kleine meid zoo goed en
+zoo prettig mogelijk te maken, als ze hier alleen bij me komt logeeren.
+Ze was dezen winter ernstig ziek. O, ik heb me dikwijls zoo angstig
+gemaakt; maar nu is ze gelukkig heelemaal beter, alleen wat slapjes
+nog, en hier in de gezonde buitenlucht zal ze wel gauw weer de oude
+worden, hoop ik.”
+
+„Natuurlijk, natuurlijk, burgemeester. Nu, wat mij betreft, ik zal mijn
+best doen, haar zoo weinig mogelijk huiswerk te geven. Als ze niet
+moeilijk leert, zal ’t met dat overgaan wel losloopen.”
+
+„O, Ineke is vlug genoeg. Ze kan heel goed als ze wil,” had meneer Van
+West gezegd, er maar niet bijvoegend, dat ’t werk van zijn kleindochter
+er nu niet altijd zóó netjes uitzag als ’t behoorde en dat de lessen er
+wel eens niet zoo héél vast inzaten. Hij hoopte en verwachtte stellig,
+dat Ineke op „Eiken-rode”, waar ze zooveel vrijheid genieten zou, haar
+uiterste best zou doen en Ineke zelf was dan ook niet anders van plan.
+
+Keurig had ze haar boeken gekaft en met Moes was ze den vorigen dag een
+paar nieuwe schriften gaan koopen, een doos pennen en een nieuwen
+penhouder, waar ze nu heusch eens niet op zou bijten, zoodat hij er na
+een paar dagen als een onooglijk, af gekloven houtje uitzag.... Het
+kussen met de kruisjessteken, dat ze voor Vaders verjaardag maakte, lag
+ook in den koffer. Daar kon ze op regendagen aan vorderen. Juf zou er
+haar wel mee terecht helpen als ze er eens niet alleen aan voort kon.
+
+„O, Moes, ik vind ’t toch zoo dól om te gaan. Ik hou zóóveel van Opa,
+dat ik ’t niet zeggen kan,” zei Ineke, toen ze er eindelijk inlag.
+
+„Dan hoef ik zeker niet te vragen, of je zult zorgen, dat Juf en
+meester Hoogstra geen klachten over je hebben?”
+
+„Nee, natuurlijk niet, Moes. Ik zal zóó goed oppassen, want ik zou ’t
+vreeselijk vinden Opa verdriet te doen. Ik wil u en Vader natuurlijk
+ook geen verdriet doen, maar voor Opa vind ik ’t nog.... nog zieliger.
+’k Weet zelf niet goed waarom. Misschien wel omdat Opa al zoo oud is.”
+
+„Zóó oud is Opa nog niet. Drie en zestig is hij pas!”
+
+„Denkt u dan, dat Opa wel heel oud zal worden? Tachtig bijvoorbeeld?”
+
+„Lieve kind, hoe kan ik dat nu weten? Opa is flink en krachtig voor
+zijn leeftijd. We willen allemaal hopen van wel en nu niet tobben, maar
+gauw gaan slapen, hoor. Morgenochtend zal ik je nog wel even helpen met
+’t laatste goed in te pakken,” en mevrouw Van West kuste haar
+dochtertje, dat ze intusschen lekker had ingestopt, goedennacht.
+
+ ⁂
+
+Dat was me een geschiedenis den volgenden ochtend!
+
+De familie Van West zat net aan ’t ontbijt, toen er een telegram
+bezorgd werd. Meneer Tielens, een vriend van Ineke’s vader, moest dezen
+dienzelfden morgen nog dringend spreken en rekende er op, hem tegen
+tien uur op zijn kantoor in de stad aan te treffen, als er geen
+tegenbericht kwam. En kwart over tien vertrok de trein, waarmee meneer
+Van West zijn dochtertje naar Opa brengen zou....
+
+Daar mevrouw Van West juist twee van haar zusters, die buiten de stad
+woonden, op de koffie kreeg, kon zij ook niet van huis om Ineke weg te
+brengen, inplaats van haar man.
+
+Goede raad was duur.
+
+„Als we Opa dan maar eens telefoneerden, dat Ineke morgen komt, want
+die zaak van meneer Tielens is heel dringend. Er is geen questie van,
+dat ik nu uit de stad kan, en Moeder kan de tantes ook niet meer
+af-telegrafeeren,” begon meneer Van West.
+
+„Hè, Vàder!” Ineke’s lip trilde vervaarlijk en de tranen schoten haar
+in de oogen.
+
+„Maar poesje, is dàt nu zoo erg? Eén dagje later, want morgen breng ik
+je zéker!”
+
+„Ja, o ja, ik vind ’t zoo.... zoo vrééselijk jammer. En Opa natuurlijk
+ook. Ik h.... had er zoo vast op ge.... gerekend,” snikte Ineke in haar
+servetje, en Duco, die medelijden met zijn zusje kreeg, zei: „Kom, laat
+Ien dan alleen reizen. Ik ben verleden jaar Paschen, toen ik net zoo
+oud was als zij nou, immers ook alleen naar „Eiken-rode” gegaan.”
+
+„Als we ’r hier op den trein zetten en Opa haalt ’r ginds van ’t
+station, komt ze d’r immers best. Ze is toch al negen en een half en er
+is niks geen kunst aan. Als ze nou nog over moest stappen onderweg!”
+viel Gijs ook bij.
+
+„En wat zegt Moeder er van,” vroeg meneer Van West aan z’n vrouw.
+
+„Wel, als jij er niets tegen hebt, vind ik ’t goed, want net als de
+jongens zeggen: er is eigenlijk niets aan als ze gebracht en afgehaald
+wordt, en bovendien heeft ze dit reisje al zóó dikwijls met ons gedaan,
+dat ze ’t langzamerhand wel droomen kan.”
+
+„En wat vindt ons Ineke er zèlf van,” knipoogde haar vader, neerziende
+op de kleine snikkende en snuivende gedaante naast zich aan tafel.
+
+„O!” Ineke hief haar behuild gezichtje, nog nat van de tranen, ineens
+op uit haar servet en glimlachte: „O, als dàt mag!”
+
+„Nou, dan màg ’t. Maar pas op, als ik dan ook nog één traan zie! Zoo’n
+kleine huilebalk! En dàt wil alléén reizen,” plaagde meneer Van West,
+zijn dochtertje aan een van haar glanzende krullen trekkend. Maar de
+kleine huilebalk had haar tranen gauw gedroogd en voelde zich wat
+gewichtig in ’t vooruitzicht alleen te mogen reizen. Hoewel ze niet
+veel honger had, at ze toch moedig haar havermout op en toen Gijs en
+Duco naar school gingen, omhelsde ze haar broertjes, die ’t zoo aardig
+voor haar hadden opgenomen, hartelijk. Ze kusten elkaar anders niet
+dikwijls; alleen eigenlijk met verjaardagen, maar dit was toch óók een
+bizondere dag, vonden ze alle drie, nu Ien zoo lang weg ging en alléén
+reisde!
+
+Hoewel ze ’t voor geen geld ter wereld bekend zou hebben, leek ’t Ineke
+toch wel een heel klein beetje griezelig en haar hartje bonsde, toen om
+kwart over negen ’t rijtuig voorkwam, haar koffer werd opgeladen en
+vader en moeder met haar instapten.
+
+Maar vader, die dit nog net kon waarnemen voor hij op zijn kantoor
+meneer Tielens ontving, praatte zóó bedaard over ’t reisje, dat Ineke
+’t per slot toch weer heel leuk en gewichtig ging vinden.
+
+Zelf mocht ze aan het loket haar kaartje nemen. Ze ging mee naar ’t
+hokje, waar de bagage werd ingeschreven en ’t bewijsje van haar
+koffer—’t reçu—stopte ze secuur weg, heelemaal onder in haar beursje.
+Ze wist wel, dat ze bij haar aankomst dit papiertje dadelijk aan
+Harmen, den besteller, moest geven. Dan zou deze haar koffer wel op
+„Eiken-rode” bezorgen. Ook moest ze beloven even naar huis te
+telegrafeeren. Hè, wat kwam er nog een boel kijken als je op reis ging.
+Maar ’t was toch wel prettig en heel goed om jezelf te leeren redden,
+al vond Ineke ’t een heele geruststelling, toen ze eindelijk met haar
+reismandje veilig en wel in de coupé zat, met een aardigen ouden heer
+en dame tegenover zich, die haar zóó vriendelijk toeknikten, of ze haar
+kenden.
+
+Vader en Moeder stonden op ’t perron en Vader kocht van een arm
+bloemen-verkoopstertje een mooie, roode roos, die Moeder nog gauw in ’t
+knoopsgat van Ineke’s grijze manteltje vaststak. Heerlijk rook die roos
+en zoo feestelijk stond het!
+
+„Ik zal ’m dadelijk in ’t water zetten, als ik op „Eiken-rode” kom. Dan
+blijft-ie een heele poos goed,” had Ineke nog net tijd om te zeggen.
+Toen werden de portieren gesloten en na een schril gefluit zette de
+trein zich in beweging.
+
+„Daar ga je, Ien!”
+
+„Goeie reis hoor!” riepen Vader en Moeder en Ineke, voor ’t raampje
+staande, wuifde met haar zakdoek, tot ze haar ouders niet meer zien
+kon. Toen zette ze zich in een hoekje en ging prettig zitten uitkijken.
+Helder scheen de jonge Mei-zon op de frissche, groene weilanden, vol
+bloemen. ’t Vee stond er op sommige plekken tot de knieën toe in te
+grazen. Jonge veulentjes dartelden elkaar achterna met de dolste
+sprongen. In een sloot stond een peinzende reiger doodstil, net of hij
+was opgezet, en op ’t dak van een boerenhofstede nestelden ooievaars.
+Later kwamen de dennebosschen en de hei aan de beurt, waar de
+bremstruiken vol goud-gele vlindertjes zaten. Zoo vroolijk stond dat!
+Ineke neuriede zachtjes voor zich heen, terwijl ze naar buiten keek. Af
+en toe praatte ze even met haar medereizigers, waarbij nog een dame met
+een klein kindje gekomen waren, en ze kreeg ulevellen en chocolade,
+waarvoor ze vriendelijk bedankte. De tijd schoot verbazend op, vond ze.
+Nog één stationnetje voorbij en dan zou ze er zijn. Ze trok haar
+reismandje vast naar zich toe en voelde naar haar beursje en kaartje in
+haar mantelzak. Ja hoor, alles in orde! Toen zette ze haar grooten
+stroohoed recht, deed haar handschoen aan en rook eens aan de roos, die
+er nog heel frisch uitzag en heerlijk geurde. Ze was zoo benieuwd Opa’s
+gezicht te zien, als ze daar parmantig alleen uit den trein stapte! Hij
+zou er eerst niets van begrijpen. Hij rekende er vast op, dat Vader
+haar brengen zou! Daar minderde de trein zijn vaart al. Kijk, daar
+had-je den dorpstoren en daar zag je in de verte tusschen de boomen
+„Eiken-rode” liggen. Gezellig, ouderwetsch huis toch met die witte
+muren en groene latjes-blinden! Ineke wendde zich snel om en knikte
+haar medereizigers goedendag, want de trein was ’t kleine station
+genaderd. Daar stond Opa al, vlak onder de klok! Hij zag haar dadelijk
+en Ineke zwaaide met haar mandje. Open ging ’t portier en met een
+juichkreetje sprong ze regelrecht in Opa’s armen.
+
+„Dag Ineke, dag m’n kleine meid! Hoe is ’t er mee? Niet te moe van de
+reis? En waar is Vader?” De oude heer Van West, die er niets van
+begreep, wierp snel een blik in de coupé, of zijn zoon er soms nog in
+was achtergebleven. Ineke verkneukelde zich en lachte:
+
+„Nee, nee, Opa, kijk maar niet! Vader kreeg vanmorgen ineens een
+telegram, Meneer Tielens moest hem noodzakelijk spreken en toen mocht
+ik alleen reizen!”
+
+„Jongens nog toe, Ineke! Ben je warempel al een jongedame geworden, die
+alleen reist? ’t Is niet te gelooven!”
+
+„’t Is toch heuschjes waar,” verzekerde Ineke, terwijl de trein zich
+weer in beweging zette. „Kijk, Opa, daar staat mijn koffer op ’t
+perron. Zal ik Harmen ’t reçu geven, dat hij hem thuisbezorgt?”
+
+„Ja kindje, dat is best, en dan moeten we toch zeker even naar huis
+telegrafeeren, hè?”
+
+„Ja, dat wilden Vader en Moeder wel graag,” zei Ineke, en nadat ze het
+telegram: „Goed aangekomen. Veel liefs van Opa en Ineke,” verzonden
+hadden, verlieten ze ’t station en sloegen den zonnigen landweg in, die
+regelrecht naar „Eiken-rode” voerde. Het was warm, maar er woei toch
+een zacht windje. De oude heer Van West nam al gauw zijn hoed af en
+liet den wind vrij door zijn grijze haren spelen en Ineke liet dadelijk
+op Opa’s voorbeeld haar hoed aan ’t wijde elastiek achterover op haar
+rug zakken.
+
+„Dan verbrand ik vast lekker van de zon,” zei ze, vroolijk naast hem
+voorthuppelend, en ze vervolgde: „O, Opa, hoe dòl om weer hier bij u te
+zijn. En dat ik zóó lang blijven mag! Als ’t op den duur maar niet te
+druk voor u is, zegt Moeder.”
+
+„Welnee. Ik vind ’t heerlijk mijn kleine meid weer eens bij me te
+hebben. Als je nu maar zorgt, dat je in September met dikke, roode
+wangen naar huis gaat, want je bent na je ziek-zijn wel lang en mager
+geworden. ’t Is niet heelemáál voor je pleizier, dat je hier komt
+logeeren, maar vooral om flink aan te sterken,” plaagde Opa.
+
+„O, maar bij u is àlles prettig,” lachte Ineke.
+
+„Dan zullen we maar hopen, dat ’t hier op de dorpsschool bij meester
+Hoogstra ook mee zal vallen, want nietwaar, je zult toch maken, dat je
+overgaat na de vacantie?”
+
+„O, maar natuurlijk! Als ik goed mijn best doe, haal ik de schade
+stellig in, heeft de directrice gezegd. Kijk ’s Opa,” en Ineke bleef
+midden op den weg stilstaan: „dit heele eind heeft Moes mijn jurk
+moeten verlengen! Zooveel ben ik gegroeid sinds verleden zomer,” en ze
+wees naar den rok van haar rose katoenen jurkje, waar een rand
+borduursel van wel een hand-breedte tusschen gezet was.
+
+„’t Is kolossaal,” lachte Opa, z’n kleindochter aan een van haar blonde
+krullen trekkend. „Je zult me nog heelemaal over ’t hoofd groeien,
+meiske!”
+
+Maar daar was Ineke niet bang voor.
+
+’t Piepend knarsen van een kruiwagen deed hen allebei tegelijk omzien.
+Harmen, de besteller, kwam hun met den koffer achterop gereden.
+
+„Dag, burgemeester, dag jongejuffer! Doar kom ik al an met de
+pakkoazie! Werm weerke, hé?” De stralen gutsten den goeden man langs ’t
+voorhoofd.
+
+„Harmen, jongen, kalm aan maar. Zoo’n haast is er niet bij. Zeg maar
+aan Sien, dat ze je zoo-met-een een flinken kop koffie geeft.”
+
+„Asteblief, burgemeester,” en Harmen reed hun na een tikje aan zijn pet
+voorbij.
+
+„Kijk, daar heb je Bello en Fokkie! Zouden ze me nog herkennen? Dag
+jongens, dag brave honden!” riep Ineke tegen den taks en den kleinen
+fox-terrier, die den weg kwamen afgerend en toen als bezetenen om den
+baas en ’t kleine meisje heensprongen, blaffend, dat hooren en zien je
+verging.
+
+„Bedaard, bedaard toch! We zouden over jullie vallen. Foei, foei, wat
+een stof,” beknorde meneer Van West het tweetal, dat zich om strijd
+door Ineke liet aanhalen en toen ineens weer op ’t hek van „Eiken-rode”
+aanstoof, alsof ’t de komst van grootvader en kleindochter vast wilde
+aankondigen. Juffrouw Doortje, of Juf, zooals ze gewoonlijk genoemd
+werd, kwam tenminste dadelijk van achter de breede, groene voordeur te
+voorschijn en wuifde Ineke met den theedoek een vroolijk welkom toe. En
+Ineke zwaaide haar mandje en liep op een drafje naar haar toe:
+
+„Dag Juf, hoe gaat ’t met u? Wat zegt u er wel van: ik ben alleen naar
+hier gekomen!”
+
+„Wel, wel, en ik heb juist voor vier personen de koffietafel gedekt. Er
+is toch geen zwarigheid bij je thuis, dat Vader niet meekomt?”
+
+„O nee,” en Ineke legde gauw ’t geval uit, terwijl ze voorzichtig de
+roos uit haar knoopsgat nam en zich, geholpen door Juf, verder ontdeed
+van handschoenen, hoed en mantel in de koele, wit-marmeren vestibule.
+„Hè, wat is ’t hier lekker,” zei ze handenwasschend aan ’t fonteintje.
+
+Meneer Van West rekende intusschen met Harmen af, die, uitblazend op ’t
+keukenstoepje, zijn kom koffie zat te drinken.
+
+Een oogenblik later zetten ze zich aan tafel in de gezellige eetkamer,
+grenzende aan de serre vol bloeiende planten, waarvan de glazen deuren
+aan de tuinzijde wijd-open stonden. Een bouquet heerlijk-geurende
+lelietjes van dalen prijkte voor Ineke’s bord. Ze stak er de roos
+tusschen en rook aan de bloemen en Opa zei: „Die heeft Andries
+vanmorgen al voor je gebracht. Een paar er van zijn uit je eigen
+tuintje.”
+
+„O, hoe leuk! Heb ik er lelietjes in dit jaar?” juichte Ineke en een
+kleur van plezier overtoog haar bleek gezichtje.
+
+„’k Geloof, dat je eigenlijk wel een beetje moe bent, hè,” informeerde
+Juf en Ineke bekende:
+
+„’n Klein beetje wel, maar na de koffie moet ik rusten van den dokter.
+En als ik gerust heb, trek ik weer heelemaal bij, zegt Moes altijd,” en
+Ineke hapte dapper in haar boterham, want ze had toch honger, al voelde
+ze zich wat opgewonden en ze moest erg lachen om Bello en Fokkie, die
+niet bedelden, maar ieder op hun plaatsje aan weerszijden van ’t groote
+eikenhouten buffet, trillend van ongeduld zaten te wachten tot Sien hun
+uit de keuken hun eten bracht, waarop ze dadelijk gulzig aanvielen.
+
+„Ik wou, dat jij altijd zoo’n honger hadt,” zei Opa tot Ineke, maar ze
+liet zich niet onbetuigd! ’t Smaakte haar best na de reis en ze at vier
+dikke boterhammen en een ei en ledigde zonder zuchten haar grooten
+melkbeker, waar Juf een klein scheutje koffie door geroerd had.
+
+„En nu een, twee, drie mee naar boven. Ik zal je koffer wel uitpakken,
+dan ga jij maar vast op bed liggen. Ik heb ’t balkonkamertje voor je in
+orde gemaakt, dat vond Opa gezelliger voor je dan die groote
+logeerkamer,” zei Juffrouw Doortje, terwijl ze voor Ineke uit de trap
+opging. „Dit is nu, zoolang je hier bent, je eigen kamertje. Ik hoop
+dat je er netjes op zijn zult,” en Juf opende de deur van ’t
+vriendelijk-zonnige vertrekje met het lichte bloembehangsel, de rieten
+meubeltjes en ’t lage, Engelsche ledikant.
+
+Gijs had hier vroeger wel eens geslapen, maar Ineke nog nooit en ze nam
+zich dan ook voor, dat ’t er nooit rommelig uit zou zien. Op ’t
+balkonnetje, net groot genoeg om er met een stoel en tafeltje te kunnen
+zitten, bloeiden rose en witte geraniums in bakken en je hadt er een
+prachtig uitzicht over de korenvelden en de eerste schilderachtige,
+roodgelakte huisjes van het dorp.
+
+„Hè, wat is ’t hier toch heerlijk! U weet niet, Juf, hoe dòl ik ’t vind
+om hier te zijn,” zei Ineke, terwijl ze zich, na haar laarsjes te
+hebben uitgedaan, bovenop ’t bed liet ploffen, waarvan Juf eerst
+zorgvuldig de sprei had opgevouwen.
+
+„Dan zullen we maar hopen, dat je ’t hier aan ’t eind van de vacantie
+nog net zoo prettig vindt als nu,” en juffrouw Doortje bukte zich over
+den koffer en begon Ineke’s goed uit te pakken.
+
+„Kijk, Ien, je jurken zal ik in de muurkast ophangen en je ondergoed in
+’t kastje onder de waschtafel leggen. Je naaidoosje en leesboeken moet
+je straks maar zelf op je tafeltje schikken en je schoolboeken en
+schriften leg ik hier zoolang op den stoel bij je bed. Die kan je dan
+zelf mee naar beneden nemen en in ’t kastje in ’t spreekkamertje
+opbergen. Dan heb je ze altijd bij de hand.”
+
+„Ja, Juf,” antwoordde Ineke flauwtjes, want ze werd opeens heel
+slaperig en juffrouw Doortje, die ’t merkte, zei maar niets meer,
+bewoog zich muisstil door ’t vertrekje tot alles was opgeborgen.... Nog
+voor ze naar beneden ging was Ineke vast in slaap en toen Opa om drie
+uur heel zachtjes naar haar ging kijken, sliep ze nog. Hij liet haar
+stil liggen en ging zoolang in de serre zitten lezen, tot ze na een
+half uurtje, heelemaal opgefrischt, uit zichzelf naar beneden kwam.
+
+„Zoo, braaf opgepast hoor,” prees Opa, toen Ineke met een vuurrood
+kleurtje en een schoone schort aan naast hem stond. „Drink nu maar gauw
+je melk, dan krijg je van Juf een koekje en dan gaan we saampjes voor
+’t eten nog een beetje wandelen,” en Opa en Ineke togen er op uit.
+
+Even werd er een kort bezoek aan ’t tuinmanshuis gebracht, waar Aaltje,
+de vrouw van Andries, ijverig zat kousen te stoppen. Andries zelf was
+met zijn drie-jarig zoontje in den moestuin bezig. Keesje, een aardig,
+blond manneke met een blozend appelen-gezichtje en vervaarlijk kromme
+beenen, kroop eerst gauw achter zijn vader weg, maar werd toch al
+dadelijk vrijmoediger en Ineke moest van de jonge worteltjes en de
+aardbeien uit de bakken proeven en zien hoe mooi de bessen en frambozen
+stonden. En Andries vond ’t knap van haar, dat ze nog precies wist, hoe
+spinazie en postelein er uitzagen.
+
+„O Andries, nou heb ik de lijst met alles wat de jongens je te vragen
+hadden, boven op mijn kamertje laten liggen,” bedacht Ineke zich.
+
+„Da’s niks, kind, die krijg ik dan vanavond of morgen wel. ’k Heb ’t
+nou tòch te druk met den tuin, op ’t oogenblik. Ga liever effentjes mee
+na’ de kindertuintjes. ’t Jouwe is al heelemaal in orde,” en Andries
+rustte niet, voor meneer Van West en Ineke hem volgden heelemaal achter
+in den moestuin, waar vlak tegen de heg drie perkjes waren aangelegd.
+In het middelste, dat Ineke toebehoorde, bloeiden lelietjes,
+margrieten, primula’s en violen en het rozenstruikje in ’t midden droeg
+een menigte kleine knopjes. Bij Gijs en Duco was er nog niets bizonders
+te zien. Daar had Andries met opzet planten gezaaid, die pas later in
+den zomer zouden bloeien, juist als ze met de vacantie over waren.
+
+Ineke, opgetogen over haar tuintje, bedankte Andries hartelijk, plukte
+de mooiste viool af, die ze vinden kon, en stak die Opa in zijn
+knoopsgat en toen gingen ze samen op weg, achtervolgd door Bello en
+Fokkie, die zoo gauw ze den baas en Ineke ’t hek van „Eiken-rode” zagen
+uitgaan, hen luid-blaffend achterna stoven. De wandeling leidde naar ’t
+dorp, waar Opa even op ’t raadhuis wezen moest en dan zouden ze langs
+de mooie, nieuwe villa van dokter Wilminck naar huis terug wandelen. De
+familie Wilminck woonde nog niet lang in ’t dorp, maar Ineke wist toch,
+dat er een meisje en een jongen van haar leeftijd waren. Freda en Hans
+heetten ze, en mevrouw Wilminck had tegen meneer Van West gezegd, dat
+ze hoopte, dat hij eens met zijn kleindochtertje aan zou komen. Ineke
+zou misschien een goed vriendinnetje voor Freda zijn, die hier in ’t
+dorp tot haar groote spijt zoo weinig kennisjes van haar eigen leeftijd
+had. Wiesje van den dominé was wel drie jaar ouder en met Greta en
+Leentje van den notaris, die een klasse lager zaten bij haar op school,
+kon Freda niet al te best overweg.
+
+’t Trof heel toevallig, dat Opa en Ineke, toen ze langs „De Merel”—zoo
+heette dokter Wilminck’s villa—kwamen, de doktersfamilie juist in den
+voor-tuin op ’t grasveld zagen zitten. Meneer Van West groette en
+ineens kwam er een meisje in een rood-katoenen jurk naar ’t hek hollen
+en een hoog, schel stemmetje riep:
+
+„Dàg! Zeg, ben jij op „Eiken-rode” gelogeerd? Hè toe, meneer, mag ze
+even meekomen, dan kunnen we vast kennismaken!”
+
+En nog voor dat Ineke goed en wel wist, wat er gebeurde, had ’t vreemde
+meisje met de groote, donkere oogen en ’t kortgeknipt zwarte haar, haar
+meegetroond naar de theedrinkende familie op ’t grasveld. Meneer Van
+West volgde glimlachend met Bello en Fokkie achter zich aan en mevrouw
+Wilminck liep haar onverwachte gasten tegemoet, duizend
+verontschuldigingen makend over het „ongepaste” optreden van haar
+dochtertje.
+
+„Maar ziet u, burgemeester, Freda was ook zoo verlangend met uw
+kleindochter kennis te maken, want meester Hoogstra heeft verteld, dat
+ze bij Freda in de klas komt te zitten. Wel, en hoe heet je?” vroeg
+mevrouw Wilminck, zich tot Ineke wendend.
+
+„Ina van West, mevrouw, maar ik wordt meestal Ineke genoemd,” zei
+Ineke, mevrouw een hand gevend en vervolgens handen schuddend met den
+dokter en met Hans, Freda’s jongere broertje, dat net zulke donkere
+oogen had.
+
+„En ik heet eigenlijk Frédérique, maar ze zeggen altijd Freda tegen me.
+Ik vind ’t leuk, dat je hier op ’t dorp gelogeerd bent. Den heelen
+middag heb ik al naar je zitten uitkijken,” en Freda trok Ineke naast
+zich op de witte tuinbank, terwijl de dokter voor meneer Van West een
+grooten rieten leunstoel aanschoof en Hans tusschen Bello en Fokkie in
+op ’t gras ging zitten, ’n arm om elken hond.
+
+„’t Spijt me, dat ik geen thee meer heb. Als u even geduld hebt, zet ik
+nieuwe,” bood mevrouw aan, maar meneer Van West beweerde slechts even
+tijd te hebben:
+
+„Dank u wel. ’t Is heel vriendelijk, maar Ineke en ik moeten om zes uur
+aan tafel zijn, anders krijgen we brommen van Juffrouw Doortje. We
+kunnen maar eventjes. Een ander maal héél graag.”
+
+„Hè, Ma, Mààtje! Toe, laten we dan ineens een dag afspreken, dat Ineke
+hier op visite komt,” smeekte Freda, terwijl mevrouw Ineke de
+koekjestrommel voorhield.
+
+„Hè ja, dan kunnen we roovertje spelen. Fijn!” viel Hans opgewonden
+bij, maar hun vader sprak bedarend:
+
+„Stil nu toch eens jullie allebei! Meneer Van West heeft me verteld,
+dat Ineke pas een heelen tijd ziek geweest is, ’s morgens alleen naar
+school gaat en ’s middags een paar uur moet rusten, omdat ze zich nog
+niet te veel mag vermoeien.”
+
+„Ja, ze is niet voor haar plezier bij me,” plaagde meneer Van West.
+
+„O, maar dan mag ze toch ’s middags wel komen als ze gerust heeft en
+bij ons blijven eten. Woensdagmiddag bijvoorbeeld. Wij zorgen er dan
+wel voor, dat ze niet te laat thuiskomt, of u komt hier ’s avonds als
+’t mooi weer is theedrinken en neemt zelf u kleindochtertje weer mee,”
+stelde mevrouw voor.
+
+„Hè ja, hè ja,” juichten Freda en Hans en meneer Van West zei lachend:
+„Nu Ien, wat denk je er van? Zullen we dat dan maar aannemen?”
+
+„O, Opa, ik wil wàt graag!” Ineke kreeg een kleurtje van opgetogenheid,
+want ze had er dadelijk dolle lust in. Freda en Hans leken haar erg
+aardig en hun ouders waren zoo hartelijk en vriendelijk, dat Ineke zich
+al heelemaal op haar gemak voelde en toen ze een oogenblik later met
+Opa naar huis wandelde, nadat ze zich wel drie maal had omgekeerd om
+Freda en Hans, die bij ’t hek stonden, toe te knikken, zei ze tot
+meneer Van West:
+
+„’t Is net, of ik ze al veel langer ken!”
+
+„Ja, jullie waren dadelijk op dreef samen en dat doet me veel plezier,
+want zoo heelemaal zonder kennissen van je eigen leeftijd zou ’t op
+„Eiken-rode” een saaie partij voor je worden op den duur.”
+
+„O, nee, Opa! Dàt moet u niet zeggen. Ik heb u toch. U blijft toch
+altijd mijn beste kameraad,” en Ineke’s handje kroop gauw weg in Opa’s
+groote hand.
+
+ ⁂
+
+Het was half Juni en op een enkelen regendag na altijd mooi weer
+geweest, zoolang Ineke op „Eiken-rode” logeerde. Ze zag er dan ook zoo
+gezond uit, dat ’t een lust was. Heelemaal bruingebrand door de zon en
+daarbij at ze uitstekend, ondanks de zes groote glazen melk, die ze nog
+steeds drinken moest van dokter Wilminck. Maar ’t drankje was
+afgeschaft en ’t rusten na de koffie tot drie kwartier ingekrompen, tot
+Ineke’s groote vreugd. Vader, die den vorigen Zondag overkwam, beweerde
+zijn dochtertje bijna niet meer te herkennen, zóó goed zag ze er uit.
+
+„En hoe gaat ’t op school? Is meester Hoogstra tevreden en zou je
+overgaan?” was een van zijn eerste vragen.
+
+„O, ja, ’t gaat best. Eerst was ’t natuurlijk nog wat vreemd, maar nu
+ben ik heelemaal gewend. Met rekenen had ik in ’t begin wel moeite,
+maar met taal en aardrijkskunde was ik vóór en met Fransch ben ik nu
+heelemaal gelijk met mijn eigen school. Meester Hoogstra geeft heel
+prettig les,” vertelde Ineke en toen ze meester Hoogstra op de
+wandeling tegenkwamen had hij Ineke’s vader aangesproken en gezegd, dat
+zijn leerlingetje zoo haar best deed en er stellig komen zou, als ze
+zoo voortging.
+
+Vader vond ’t prettig, dat hij zulk goed nieuws mee naar huis kon nemen
+en als belooning zond Moeder een paar dagen later bij de nieuwe jurk,
+die ze met de huisnaaister gemaakt had, een groote doos pralines, die
+Ineke met Freda en Hans Wilminck in één enkelen middag soldaat maakte.
+Ze zag haar nieuwe vriendjes veel. ’s Woensdags en Zaterdags kwamen ze
+geregeld bij elkaar op „De Merel,” of op „Eiken-rode,” hoewel juffrouw
+Doortje wel eens zuur keek als de serre en de vestibule vol ingeloopen
+zand lagen, de stoelen schots en scheef door de beneden-kamers zwierden
+en er telkens glaasjes limonade of kopjes thee omvielen. Mevrouw
+Wilminck bleek in dit opzicht gemakkelijker en Ineke was er versteld
+van, zooveel vrijheid als Freda en Hans gewend waren. Die mochten nu
+letterlijk alles! Klom Freda bijvoorbeeld in een boom en scheurde ze
+haar jurk, dan kreeg ze niet eens een standje.
+
+„Je moet ’m tòch dragen,” zei haar moeder alleen en dan werd de scheur
+zoo goed mogelijk door de oude kindermeid gestopt en Freda liep weer
+vroolijk met haar verstelde jurk rond. ’t Kon haar niets schelen hoe ze
+er uitzag. Ze was een echte wildebras en soms vreeselijk ongehoorzaam,
+maar toch mochten de meeste menschen haar, omdat ze zoo eerlijk en
+goedhartig was. Hans, iets kalmer van aard, hield veel van lezen, net
+als Ineke, en kon uren met een boekje in een hoekje zitten. Freda
+daarentegen vond alle verhaaltjes en sprookjes „vervelende nonsens,
+waar je tòch niets aan hadt,” en maakte liever keukelkunsten aan rek en
+ringen. Heel lenig was ze en ze kon harder loopen dan alle jongens uit
+haar klasse en hoewel haar vader ’t volstrekt niet hebben wilde,
+fietste ze, als ze even haar kans schoon zag, als een bezetene op haar
+fiets den dorpsweg af en had een pret van belang, als iedereen
+verschrikt voor haar op zij stoof. Ze hield veel van bloemen en dieren
+en zat, als ze bij Ineke op visite kwam, geregeld met Fokkie en Bello
+op schoot, tot verontwaardiging van juffrouw Doortje, die er maar niets
+meer van zei, nadat ze Freda een paar maal gewaarschuwd en tot antwoord
+gekregen had: „O, ze mogen best. Mijn jurk kan gewasschen worden!”
+
+De keurige juffrouw Doortje had niet erg met Freda op en liet altijd
+duidelijk blijken, dat ze Hans veel aardiger vond, maar Ineke vond
+Freda „’t leukste kind, dat ze kende.”
+
+„Ik moet zoo vreeselijk om haar lachen, Opa, en ze is zóó goedig! Alles
+geeft ze weg en ze helpt me altijd met mijn sommen. Dat mág ze van
+meester Hoogstra. Kijk eens, deze grappige, glazen penhouder met dat
+vischje er in heb ik van haar gekregen. ’k Wou ’m eerst heelemaal niet
+hebben, maar ik mòest ’m aannemen. Ze zeurde net zoo lang, tot ik ’t
+deed en nu heb ik haar bloemen uit mijn tuintje gebracht,” vertelde
+Ineke op een avond aan meneer Van West, die ’t kleine, wilde meisje,
+met haar groote, donkere oogen graag lijden mocht en altijd partij voor
+haar trok, als Juf iets minder aardigs van haar zei. Freda, op haar
+beurt, was erg op meneer Van West gesteld, noemde hem soms voor de grap
+ook Opa, maar Juf vond ze „een ouwe zeur” en Ineke zat dikwijls in
+angst, dat Freda brutaal tegen haar zijn zou. Gelukkig was dat echter
+nog niet voorgekomen en beloofde Freda telkens:
+
+„O, wees maar gerust, ik zàl niks zeggen. ’t Heele mensch kan me niks
+schelen. ’t Is een spóók! Maar je grootvader wil ik geen verdriet doen
+als jij zegt, dat hij ’t naar vindt, als ik onaardig tegen haar ben.
+Jou Opa is een snoes van een man. Ik wou, dat ik ook zoo’n grootvader
+had.”
+
+En Ineke, die ’t altijd zoo heerlijk vond, als ze merkte, hoeveel de
+menschen van hem hielden, had beweerd:
+
+„Opa vind jou ook aardig, hoor, en hij is blij dat ik, nu ik jou hier
+heb, niet zooveel meer lees als vroeger. Hij zei altijd, dat ik er een
+ronden rug en een suf hoofd van kreeg.”
+
+„Natuurlijk,” lachte Freda, „al dat malle gelees over dingen, die toch
+nooit gebeurd zijn!”
+
+Maar daar was Ineke ’t niet mee eens. Ze vond lezen nu eenmaal
+heerlijk, doch de twee kleine meisjes, hoe verschillend van aard ook,
+waren toch een heele aanwinst voor elkaar. Meneer Van West zei wel
+eens, dat een paar zusjes niet beter met elkaar over weg zouden kunnen
+dan Ineke en Freda, want ze kibbelden zelden samen en hadden bijna
+altijd pret. Misschien wel een beetje te veel! Als Opa geweten had, dat
+’t schoolwerk er onder begon te lijden en Ineke in de afgeloopen week
+twee maal een les niet kende en van de vijf sommen, die ze voor
+huiswerk opkreeg, er maar twee goed maakte, zou hij zijn kleindochter
+niet geprezen hebben. Gelukkig, dat hij de laatste dagen meester
+Hoogstra niet gesproken had, dacht Ineke, die eigenlijk heelemaal niet
+tegen een prijsje kon, want sinds de doos met pralines, die Moeder
+stuurde, had ze ’t er met ’t leeren maar zoo’n beetje op aan laten
+komen. ’t Ging immers goed en nu zou ’t vanzelf wel zoo blijven gaan.
+Maar, o, lieve help, wat viel dàt tegen! Zonder dat ze ’t zichzelf
+bekennen wilde, merkte ze wel, dat ze, als ze niet haar uiterste best
+deed, dadelijk achter raakte met die halve schooldagen. Ze maakte
+zichzelf echter wijs, dat ze een ongelukkige bui had gehad en dat die
+wel weer voorbij zou trekken. Iedereen kende wel eens z’n les niet en
+die sommen waren ook zoo lastig. Doch ze keek gauw voor zich, toen
+meester Hoogstra haar op een morgen over zijn bril heen aanzag en
+hoofdschuddend zei, terwijl hij haar sommenschrift teruggaf:
+
+„Ineke, Ineke, je werkt niet meer zoo goed als in ’t begin!”
+
+Nu, met de komende repetitie, zou ze haar schade inhalen, had ze zich
+vast voorgenomen. Dan bracht ze toch nog wel een tamelijk goede lijst
+mee aan ’t eind van de maand, want anders zou Opa er verdriet van
+hebben en Opa verdriet doen, dat wòu Ineke niet. Den heelen
+Woensdagmiddag ging ze hard op haar aardrijkskunde leeren en de
+moeilijke sommen nog eens overdoen. Dan zou ze er zich Donderdag wel
+goed doorheen slaan.
+
+Woensdagmiddag kwam en Ineke zat nog met Opa en Juf aan de koffie, toen
+Freda onverwachts binnenstapte:
+
+„Dag meneer, dag Juf, dag Ien! Zeg, ik kwam daarnet op den weg Andries
+tegen. Hij gaat hooi halen op ’t land en we mogen mee terug rijden op
+de volle kar, als Opa ’t goed vindt.”
+
+„We mogen wel, hé Opa? We zijn gauw weer terug!”
+
+„Ja, kinderen, gaan jullie je gang maar. Maar moet je niet eerst je
+aardbeien opeten, Ineke? Zoo gauw zal de kar niet opgetast zijn. Juf,
+geeft u Freda ook maar een portie,” zei meneer Van West met een
+knipoogje, en nadat ze ieder volop gesmuld hadden van de heerlijke
+vruchten, die dat jaar zoo overvloedig in den moestuin groeiden, toog
+het tweetal op weg, dwars de velden door naar de weide, waar Andries
+aan ’t hooien was. De kar stond nog maar half opgetast, zoodat ze een
+poosje in een groote hoop hooi midden in de wei gingen liggen tot ze
+geheel was opgeladen. Toen hielp Andries de beide meisjes vlug naar
+boven klimmen.
+
+„’t Lijkt wel een bed,” lachte Ineke, terwijl ze zich languit naast
+Freda uitstrekte, maar Andries zei:
+
+„Voorzichtig jullie! En je vasthouën an ’t touw, hoor, dat ik er over
+gespannen heb, anders zou je d’r wel ’s af kunnen schieten.”
+
+Maar zoo’n vaart liep ’t niet. ’t Oude paard kon de zware vracht
+slechts langzaam trekken, zoodat ’t niet veel harder dan stapvoets naar
+„Eiken-rode” terug ging. Toch was ’t heerlijk en zouden de
+vriendinnetjes er volstrekt geen bezwaar tegen gehad hebben, als de
+tocht wat langer geduurd had. Ineke, met de beste plannen voor de
+repetitie van den volgenden morgen bezield, stelde bij haar thuiskomst
+echter dadelijk voor:
+
+„Zeg, zullen we nu samen de plaatsen aan de groote rivieren repeteeren?
+’k Heb mijn atlas in ’t spreekkamertje liggen.”
+
+Maar Freda schudde beslist haar donker hoofdje.
+
+„Kan je begrijpen! Nee, hoor, ’t is veel te warm om te leeren. ’k Zal
+’t vanavond of morgenochtend voor ’t ontbijt nog wel ’s nakijken.”
+
+„En weet je de som van die Kilogrammen en Hectogrammen nog goed? Die
+vond ik laatst zoo moeilijk,” hield Ineke vol.
+
+„O, daar is niks an. Misschien krijgen we zoo’n soort som heelemaal wel
+niet. Zeur niet over die nare repetitie en laten we nu pret hebben.
+Dáár is je vrije Woensdagmiddag toch voor,” en ze vervolgde, met een
+arm om Ineke’s schouder: „Zeg, Ien, weet je wat we moesten doen?”
+
+„Nou, wat dan?”
+
+„Een leuk tochtje maken! Achter ’t weiland, waar de eikenboschjes
+beginnen, maakt de beek ’n groote bocht en een eind verderop weet ik
+een plek, die gewoon bláúw ziet van de vergeet-mij-nietjes. In de
+boschjes zelf wemelt ’t van de kamperfoelie, ’k heb er een paar dagen
+geleden al bossen vandaan gehaald met Hans. Laten we nu met ons beidjes
+een reuzenbouquet voor Opa gaan plukken. Hij houdt er dolveel van, want
+laatst, toen ik een takje gestoken had op ’t borduursel van m’n jurk,
+om eens echt te genieten van de lekkere lucht, zei Opa, dat hij ook
+geen enkele bloem wist, die zóó lekker ruikt als kamperfoelie!”
+
+„Maar ’t is al over tweeën en ik wou m’n repetitie graag goed maken,”
+aarzelde Ineke.
+
+„Dan kijk je vanavond je boel nog eens na. Heusch, zoo’n repetitie is
+zoo erg niet. ’t Is enkel rekenen en aardrijkskunde morgen. Je komt er
+best klaar mee, als je dadelijk na ’t eten begint en desnoods sta je
+morgen een half uur vroeger op, dan zit ’t er allemaal versch in. Dat
+doe ik ook altijd. Kom, ga nou mee!”
+
+En Ineke, die er toch eigenlijk erge lust in had, zwichtte en ging uit
+de vestibule haar grooten stroohoed halen. Ze hield er niet van lang
+achtereen blootshoofds door de brandende zon te loopen, zooals Freda,
+die alleen Zondags een hoed droeg. Juist kwam Juf met een stapel schoon
+servetgoed de trap af.
+
+„Zoo, zijn jullie terug? Was ’t prettig? Maar wat is dàt, ga je nu wéér
+uit, Ineke, en je hadt toch gezegd, dat je zooveel te leeren hebt voor
+morgen!”
+
+„O, dat doe ik vanavond wel,” zei Ineke zoo luchtig mogelijk.
+
+„’t Is pas overmorgen repetitie,” jokte Freda er gauw achter aan.
+
+„Je moet ’t zelf maar weten, maar geen minuut later dan kwart voor acht
+is ’t bedtijd vanavond hoor! Je hebt vanmiddag niet gerust na de koffie
+en gisteren en eergisteren ook niet. Als je daar ’t handje mee licht,
+moet je ’s avonds maar eerder naar bed,” zei juffrouw Doortje streng.
+
+Ineke mompelde iets onverstaanbaars.
+
+„Als je maar zorgt bij tijds thuis te zijn, want Sientje moet naar haar
+naaikrans en dan kan er niet later dan kwart voor zes gegeten worden.
+Goed begrepen?”
+
+„Ja, Juf,” en Ineke holde Freda achterna, die bij ’t hek op haar stond
+te wachten.
+
+De beide meisjes zetten er dadelijk flink den pas in, ondanks de groote
+warmte, want des te eerder waren ze op den breeden straatweg, waar ’t
+onder de hooge olmen veel koeler was. Toen ze dien voor een gedeelte
+gevolgd hadden, sloegen ze af naar de wei, waar heel aan ’t einde de
+beek haar bocht maakte.
+
+„Oef, wat is ’t warm, hier,” zuchtte Ineke, met haar hoed op haar neus.
+„Freda, hoe houd jij dàt uit, met je bloote hoofd in de zon!”
+
+„O, ’t is maar eventjes. ’k Kan er best tegen. Straks, als we bij de
+beek zijn, doen we onze schoenen en kousen uit en gaan lekkertjes door
+’t water loopen. Zóó komen we ’t best bij de vergeet-mij-nieten. Hans
+en ik doen ’t dikwijls op warme dagen.”
+
+„Hè ja, net als in Scheveningen,” stemde Ineke grif toe, en zoo gauw ze
+aan de bocht kwamen, waar ’t beekje de wei verliet en midden tusschen
+de lage eiken-boschjes door stroomde, zetten ze zich in ’t gras om hun
+schoenen en kousen uit te trekken.
+
+„Zie je, ’t is hier ’t makkelijkste plekje om er in te komen. Verderop
+bij de boschjes zijn er zooveel braamstruiken en boomstronken, waar je
+je voeten aan bezeert. Leg je kousen en schoenen maar naast de mijne,
+dan doen we ze straks hier weer aan en hoeven er niet aldoor mee rond
+te sjouwen. Doe’t maar gerust, hoor, er komt toch geen mensch. Ziezoo,
+daar ga ik,” en Freda liet zich handig langs den tamelijk steilen oever
+in ’t water. „Zalig,” juichte ze, haar rokken hoog opsjorrend, „kom
+Ien, geef me maar ’n hand,” en ze hielp Ineke, die ’t toch wel een
+beetje ongewoon en griezelig vond, te water. „Ik zal wel voorop gaan!
+Ik weet hier precies alle plekjes. Hou daar aan ’t eind van de bocht je
+rokken goed hoog op, want daar gaan we er wel tot onze knieën in.
+Verderop is ’t weer heel ondiep. Toe, kijk niet zoo angstig! Je zult
+niet verdrinken,” plaagde Freda.
+
+„Maar ik bèn heelemaal niet bang. Ik vind ’t juist heerlijk,”
+verzekerde Ineke, die na de eerste stappen in de beek geheel op dreef
+raakte en vol vertrouwen waadde ze achter Freda aan, door de diepe
+plaatsen.
+
+’t Was werkelijk een verrukkelijk tochtje, vooral verderop, waar in de
+lage boschjes aan den oever een paar nachtegalen hun hoogste lied
+zongen. De een antwoordde telkens den ander. „Je zult ze niet veel meer
+horen. Ze scheiden er nu gauw uit met zingen,” fluisterde Freda, en de
+beide meisjes bleven even staan om te luisteren. Vlugge waterspinnen
+huppelden vroolijk over de oppervlakte van ’t beekje en vluchtten
+ijlings naar de kanten als Freda en Ineke plonsend naderden, en een
+paar prachtige blauwe libellen dartelden voor hen uit.
+
+Ineens gaf Ineke een schreeuw van verrukking, toen ze tegen een der
+oeverkanten een plekje ontdekte, dat vol vergeet-mij-nieten stond.
+
+„Wat ’n boel!” jubelde ze, er met volle handen van plukkend, „en wat
+zijn ze groot! Kijk, deze hebben rose knopjes bovenaan.”
+
+„Verderop staan er nog veel meer. Kijk daar eens, daar bloeit
+kamperfoelie en daar wilde spirea en valeriaan. Valeriaan heeft ’n naar
+luchtje, maar ’t zijn zulke mooie bloemen. Ik doe er toch een paar in
+mijn bouquet. De kamperfoelie ruikt zoo sterk, dat je ’t vieze luchtje
+haast niet merkt,” beweerde Freda, maar Ineke wilde ze niet hebben.
+
+„Daar zijn genoeg andere bloemen,” zei ze, een paar witte doovenetels
+afplukkend, en meteen schrikte ze vreeselijk van een konijntje, dat uit
+de struiken boven haar hoofd wegsprong.
+
+Freda lachte dat ze schaterde, en Ineke lachte mee.
+
+„Dat zal nog wel ’s meer gebeuren,” plaagde Freda. „Er zijn hier een
+hóóp konijnen en laatst hebben Hans en ik hier in de buurt een egel
+gevangen. Hij rolde zich als een bal op en zette al zijn stekels
+overeind, toen Hans hem pakken wou, maar toen hebben we ’m heel
+voorzichtig in een zakdoek gerold, zoodat hij ons niet steken kon, en
+’m zoo mee naar huis genomen. Vader zei, dat egels zooveel van melk
+houden en daarom gaven we ’t beest dadelijk een schoteltje vol, maar
+hij bleef als een bal liggen en taalde er niet naar, en den volgenden
+morgen, toen we ’t zij-hokje van ’t groote kippenhok opendeden, was
+meneer verdwenen en ’t schoteltje leeg! We denken, dat hij zich onder
+’t hok doorgegraven heeft.”
+
+„Hè, hoe jammer; hadden jullie ’m niet graag willen houden?” vroeg
+Ineke, maar Freda beweerde er niet rouwig om te zijn.
+
+„Och, eigenlijk heb je toch niks aan zoo’n beest, dat alleen maar
+steken kan en muizen vangen. Misschien was hij op den duur wel tam
+geworden, maar buiten in de bosschen hebben ze toch een veel prettiger
+leven. Hè, ik wou, dat ik ook altijd in de bosschen kon zijn! Vroeger
+toen we nog in de stad woonden, had ik lang niet zoo’n schik in mijn
+leven als hier. Alleen had ik dáár vriendinnetjes, maar sinds jij hier
+bent, mis ik die niet meer,” en Freda, even stilstaande, schopte naar
+een groote spin, zoodat de fonkelende waterdruppels hoog opspatten.
+
+„Kind, je jurk drijft! Pas op, je maakt mij ook nat,” waarschuwde Ineke
+verschrikt en lachend tegelijk.
+
+„O, dat droogt in een wip, maar we zullen nu langzamerhand maar
+omkeeren, want we moeten dat heele eind nog terug, en eer jij goed en
+wel op „Eiken-rode” bent, zal ’t wel vijf uur zijn. Dan kan je je nog
+net verkleeden en een beetje leeren,” en met bloemen beladen zochten de
+beide meisjes de plaats weer op, waar ze hun kousen en schoenen hadden
+achtergelaten.
+
+„Ziezoo, nu leggen we onze bloemen tegen den kant, met de stelen in ’t
+water en gaan zelf in ’t gras zitten. Dan laten we de zon op onze
+beenen schijnen. Je zult eens zien hoe gauw we droog zijn,” zei Freda
+en ze scharrelde ’t water uit tegen den oever op, reikte Ineke een hand
+en trok haar op ’t droge. Toen strekten ze zich naast elkaar in ’t gras
+uit.
+
+„O, wat is ’t warm, nu we weer uit ’t water zijn,” zei Ineke, haar hoed
+over haar oogen trekkend, maar Freda vond ’t heerlijk en liet zich
+stoven.
+
+„Als je maar niks hoeft uit te voeren is ’t wàt lekker,” zuchtte ze
+lui.
+
+Plotseling klonk er een dof gerommel in de verte.
+
+„Hoor je dat; ’t gaat onweeren,” zei Ineke ongerust en ze kwam dadelijk
+overeind, maar Freda antwoordde:
+
+„Geeft niks! We zijn niet zoo ver van ons huis en de bui is nog ver
+af.”
+
+Maar toen ’t voor de tweede maal rommelde en kort daarop een felle
+bliksemstraal de lucht doorkliefde, haastte ze zich toch, evenals
+Ineke, om zoo spoedig mogelijk haar kousen en schoenen aan te krijgen
+en op een drafje holden ze met hun bloemen de wei door. Juist toen ze
+den straatweg bereikt hadden, vielen de eerste regendruppels. Het werd
+een stevige plasbui en hun dunne jurken waren in een oogenblik
+doorweekt. Freda’s korte haren hingen in druipende piekjes om haar
+hoofd en van Ineke’s hoed gutste het water in stralen omlaag.
+
+„We zien er uit als een paar verdronken katten,” lachte Freda, maar
+Ineke keek bedrukt, want ze zag wel op tegen ’t standje van Juf, dat ze
+zeker krijgen zou en dan.... de repetitie.
+
+„Ben je mal, je gaat natuurlijk met mij mee. We zijn nu vlak bij „De
+Merel” en vóór jij thuis bent, zie je d’r uit, of je heelemaal in ’t
+water gelegen hebt. Dan zal je die vervelende zeur van ’n Doortje ’s
+hooren,” waarschuwde Freda, toen haar vriendinnetje links inplaats van
+rechts wilde afslaan en zuchtend besloot Ineke daarop maar met Freda
+mee te gaan. ’t Was ook zóó’n weer.
+
+„Kijk, daar heb je onze vagebonden! Moeder, je mag ze wel dadelijk
+droog goed geven,” riep dokter Wilminck tegen zijn vrouw, toen hij van
+uit de serre het tweetal zag aankomen.
+
+„Kinderen, kinderen, wat zien jullie er uit! Maar wie had ook gedacht,
+dat ’t zóó zou gaan onweeren en regenen! Freda, kind, je lijkt wel een
+natte poedel,” lachte mevrouw Wilminck en ze joeg de beide druipende
+meisjes voor zich uit naar boven, waar ze op de badkamer ieder een
+schoon pak aankregen, na duchtig met ruige handdoeken te zijn
+drooggewreven.
+
+Toen ze beneden kwamen hadden dokter Wilminck en Hans juist
+gloeiend-heete thee ingeschonken en terwijl Freda en Ineke zich deze
+goed lieten smaken en de halve koekjestrommel leeg aten, moesten ze
+vertellen van hun tocht door de beek en werden Freda’s bloemen in een
+wijde Keulsche kan geschikt, die een eereplaats kreeg op de serretafel.
+
+„Die van Ineke heb ik apart in den gieter gezet. Kijk ze ’s opstijven,”
+wees Hans, die ’t jammer vond, dat hij den tocht ook niet had
+meegemaakt.
+
+„Hoe laat is ’t al, mevrouw,” informeerde Ineke na een oogenblik en ze
+keek bedenkelijk naar buiten, waar ’t nog steeds plasregende.
+
+„Kwart over vijf, kindje. Wat is er, wou je naar huis? Maar ’t is zoo’n
+weer! Daar kan je niet door. Weet je wat, je blijft hier eten en ik
+telefoneer zoo dadelijk even naar je Grootvader.”
+
+„’t Is erg vriendelijk van u en.... en ik zou ook heel graag blijven,
+maar, ziet u.... ik, ik moet mijn aardrijkskunde en een paar moeilijke
+sommen nog nazien voor de repetitie van morgen,” stotterde Ineke.
+
+„O, dat kan je hier ook wel doen. Freda heeft immers dezelfde boeken,”
+zei dokter Wilminck luchtig en Freda, die Ineke wel erg overdreven
+vond, maar zag hoe ze er over in zat, ging goedig haar tasch halen.
+
+„Hier kind, hier heb je alle geleerdheid bij mekaar, behalve mijn
+atlas, want die kan er niet in.”
+
+„Leer jij dan aardrijkskunde zónder atlas,” vroeg Ineke verwonderd.
+
+„O ja, haast altijd! Dan zoek ik op school, vóór de les begint nog wel
+gauw de voornaamste dingen op.”
+
+„Freda, Freda, dat is weer net iets voor jou. Hoe is ’t mogelijk!”
+
+Mevrouw schudde haar hoofd, maar Freda liep, lachend haar schouders
+ophalend, naar de telefoon, die juist belde.
+
+„’t Is meneer Van West. Hij vraagt of Ien hier is. Komt u even,
+Moeder,” vroeg ze en mevrouw Wilminck haastte zich naar ’t toestel.
+
+Meneer Van West was blij te hooren, dat zijn kleindochter veilig op „De
+Merel” zat en vond ’t uitstekend, dat ze daar bleef eten. Hij zou haar
+zelf tegen half acht komen halen, als ’t weer opklaarde en anders werd
+Ineke wel met de dokterssjees naar huis gebracht, ofschoon Vera—’t
+paard—dien dag nogal een grooten tocht achter den rug had.
+
+En zoo blééf Ineke dus, hoewel ze natuurlijk veel liever naar huis zou
+zijn gegaan, om daar op haar gemak te werken. Dadelijk na ’t eten, toen
+’t weer opklaarde en Freda en Hans den tuin introkken, kroop ze met
+Freda’s boeken en schriften in een hoekje van de serre. Ze sloeg het
+aardrijkskundeboekje open, maar ’t wilde niet vlotten.... Zònder atlas
+kon zij geen aardrijkskunde leeren. Ze begreep niet hoe Freda dat deed.
+’t Beste zou zijn morgenochtend vroeg op te staan, zonder dat Juf ’t
+merkte. Anders zou ’t uitkomen, dat ’t die dag repetitie was en niet
+pas de volgende, zooals Freda gejokt had, om haar vriendinnetje mee te
+krijgen.... Vervelend, dat alles zoo tegenliep. Ineke wou de schade zóó
+graag inhalen en met een niet àl te slechte lijst thuiskomen, aan ’t
+eind van de volgende week.... Dat nàre onweer ook! Als dat niet gekomen
+was, zat ze nu rustig op haar eigen balkon-kamertje. Dan kènde ze alles
+al bijna! Die aardrijkskunde was niet eens zoo moeilijk. Kom, nu maar
+aan de sommen! Maar Freda had ze zoo raar en slordig in haar schrift
+staan, dat ze er niet uit wijs kon, en er haar naar vragen wou Ineke
+niet. Freda was met Hans aan ’t stelten-loopen en dus heelemaal niet in
+een bui om sommen uit te leggen en Ineke, moe en knorrig op zichzelf,
+stopte zuchtend de boeken en schriften weer weg in de tasch en
+drentelde lusteloos den tuin in, verlangend naar Opa, die zich niet
+lang wachten liet gelukkig.
+
+Meneer Van West vond zijn kleindochtertje stil dien avond, vooral onder
+’t naar huis gaan, en maakte zich heusch een weinig ongerust, dat het
+tochtje in de beek niet dienstig voor haar geweest was en toen Ineke
+eindelijk in bed lag, bleef ze tegen haar gewoonte lang liggen woelen
+en tobben en eindelijk ingeslapen, droomde ze heel vermoeiend en
+verward van meester Hoogstra, die door de beek wandelde, van
+akelig-groote konijnen, die gezichten tegen haar trokken en van een lei
+met sommen, die niet wilden uitkomen....
+
+ ⁂
+
+Den volgenden ochtend werd ze pas bij zevenen wakker. IJlings vloog ze
+overeind en begon zich te wasschen en te kleeden. Haar haar was al
+uitgekamd toen Juf haar kwam roepen en ze kon „de plaatsen langs de
+groote rivieren in Nederland” gelukkig nog alle opzoeken en zich in ’t
+hoofd prenten.... maar de sommen schoten er bij in. Ze hoopte vurig,
+dat ze die moeilijke van de Kilo- en Hectogrammen niet zouden krijgen
+en dat ’t rekenen mee zou vallen. Dat kòn toch, trachtte Ineke zichzelf
+moed in te spreken, maar helaas, toen ze om tien minuten over twaalf
+uit school kwam, wist ze zèker, dat ze alles behalve gelukkig geweest
+was!.....
+
+Boven op haar kamertje, waar ze zich altijd ging opknappen voor ’t
+koffiedrinken, viel ze op een stoel neer en dacht na.
+
+De sommen gingen heelemaal mis.... Van de zes waren er twee goed en het
+laatste uur, toen ze voor de kaart moest komen, had ze zich vergist met
+de plaatsen aan de Boven- en Beneden-Merwede. Ook had ze Coevorden
+inplaats van Meppel aangewezen, maar gelukkig wist ze de plaatsen langs
+den Ouden Rijn zonder haperen te liggen. Daardoor was haar
+aardrijkskunde-cijfer voldoende geworden. Maar voor rekenen kreeg ze
+onvoldoende.... Dat stond als een paal boven water. Meester Hoogstra
+had ’t zelf gezegd. Ook vond hij haar taalwerk van de laatste weken
+zooveel minder en zoo slordig geschreven. Deze drie-wekelijksche lijst,
+hoewel met geen verdere „onvoldoendes” dan rekenen, zou er zéér, zéér
+magertjes uitzien.... Ineke durfde haast niet aan den komenden Zaterdag
+te denken, als Opa weten zou, hoe ze was achteruit gegaan. Wat zou hij
+er een verdriet van hebben en ze had hem juist een pleziertje willen
+doen met die bloemen, die frisch en geurig in een tinnen kan op zijn
+bureau prijkten. Opa had er haar zóó voor bedankt, maar Ineke wist heel
+goed, dat hij veel meer in zijn schik geweest zou zijn met een mooi
+rapport.... Trouwens, de bloemen waren volstrekt niet alleen de schuld
+van de slechte lijst. ’t Was den laatsten tijd alles maar: gauw, gauw
+gegaan om zooveel mogelijk met Freda te zijn. Zelfs ’t lezen was er de
+laatste weken bijna bij ingeschoten. Alleen Zondag toen ’t zoo regende,
+had ze den heelen middag verdiept gezeten in de sprookjes van Grimm en
+Andersen. O, als ze tenminste toen maar in plaats van te lezen, sommen
+gemaakt had, dan was die leelijke twee voor rekenen misschien nog een
+„min drie” of drie geworden. Doch nu was ’t te laat. Niets, niets viel
+er meer aan te doen en Zaterdag, als ze uit school kwam, zou ze Opa,
+die ’t in de verste verte niet vermoedde, die onaangename verrassing
+moeten bereiden.... Opa, die haar altijd plezier deed.... en thuis
+zouden ze ook zoo teleurgesteld zijn en o, als de directrice van haar
+school, aan wie de lijst altijd getoond werd, nu maar niet besloot haar
+nog een jaar in de vierde klasse te laten. Blijven zitten zou Ineke
+vrééselijk vinden.... De tranen sprongen haar in de oogen. Opa, en
+Vader en Moeder, alle drie zouden ze verdriet hebben door haar schuld!
+
+Nog één heelen dag hoefde niemand iets te weten. Morgen was ’t pas
+Vrijdag, bedacht Ineke en ze zuchtte even van verlichting, wischte de
+waterlanders weg en stond op, om haar handen te wasschen en een schoon
+schort aan te doen. Ze zou zich voorloopig nog maar heel gewoon houden
+en niets zeggen en toen de gong voor ’t koffie drinken door ’t huis
+klonk, liep ze op een holletje naar beneden en gedroeg zich, alsof er
+geen koudje aan de lucht was.
+
+„Ineke, kind, ik heb een verrassing voor je,” begon meneer Van West,
+zoo gauw ze aan tafel zat en hij zag zijn kleindochter lachend aan.
+
+Ineke bloosde tot achter haar ooren.
+
+„Een verrassing, Opa,” vroeg ze flauwtjes.
+
+„Ja, kind! Je wou immers zoo graag een poesje hebben? Nou, bij boer
+Staps op de Heikamp is een poes met zes allersnoeperigste kleintjes,
+zwarte, gevlekte en grijze. Zelden zag ik zoo’n mooi nest, maar
+natuurlijk kan Staps ze niet allemaal houden. Voor vier er van zoekt
+hij een baas en als je wilt, mag jij er een van hebben. Wat zou je
+zeggen, als we er vanmiddag, als je gerust hebt, eens samen op
+uitgingen en er een mee naar huis brachten,” en meneer Van West, niet
+anders denkend, dan Ineke, die al zoo lang naar een eigen poesje
+verlangde, een groot genoegen te doen, was hoogst verbaasd toen zijn
+kleindochter met een heel benepen stemmetje en neergeslagen oogen
+antwoordde:
+
+„Heel graag, Opa!”
+
+„Ineke, kind, wat is er? Scheelt er iets aan?”
+
+Juffrouw Doortje zag van achter ’t koffieblad nu ook met bevreemding
+naar Ineke, die zich ineens niet meer goed kon houden en in huilen
+uitbarstte. ’t Was te veel voor haar: Opa, die weer iets verzonnen had
+om haar plezier te doen, terwijl zij hem overmorgen door haar eigen
+schuld zóó zou moeten teleurstellen!
+
+Haar tranen stróómden, heesche snikken snoven door de kamer. Heelemaal
+over stuur raakte ze.
+
+„Kind, kindje toch! Toe, drink eens.” Juf ook al ongerust, was
+opgestaan om haar een glas water in te schenken en Opa’s goedig gezicht
+boog bezorgd over Ineke, die maar niet tot bedaren kon komen.
+
+„Kom, ga maar eens mee den tuin in. De lucht zal je goed doen,” en Opa
+troonde Ineke zacht mee naar buiten.
+
+Dáár, met kleine stapjes wandelend om ’t rozenperk naast Opa, die haar
+als een klein kindje bij de hand hield, bedaarde Ineke en begon, eerst
+nog snikkend, al vegend met Opa’s grooten zakdoek over haar behuild
+gezicht, maar van lieverlede toch wat kalmer, te vertellen van school
+en van de ongeluks-repetitie.
+
+Meneer Van West zei niets, maar luisterde oplettend naar Ineke’s
+verhaal, dat er met horten en stooten uitkwam, doch dat hij toch wel
+begreep.
+
+„Jongens, Ineke, wat spijt me dat! Wie had dàt nu kunnen denken! Had ’t
+me maar eerder verteld. Of zag je ’t eerst zelf niet zoo ernstig in,”
+vroeg Opa, toen Ineke zweeg.
+
+„Ik wist allang, dat dit rapport veel minder zou zijn, dan het vorige,
+maar.... maar ik had zóó gehoopt, dat ik tenminste voldoende voor alles
+zou krijgen.” Ineke’s roodbehuilde oogen zagen Opa smeekend aan en ze
+vervolgde: „Toe, Opa, verzin er iets op!”
+
+„Er iets op verzinnen? Als ik maar wist wàt! Ik kan helaas je slechte
+cijfers niet mooi maken. De eenige, die dat kan, ben jij zelf. Jij kunt
+zorgen, dat je rapport er de volgende maand beter uitziet! Maar weet
+je, wat ik doen kan? Ik zal vanmiddag naar meester Hoogstra gaan en
+eens met hem praten over de questie. We kunnen dan natuurlijk niet naar
+de Heikamp.”
+
+„Nee, en dat woù ik ook liever niet, Opa, want.... want ziet u, ik vind
+niet, dat ik het poesje verdiend heb. Ik.... ik moest er juist zoo om
+huilen, dat u altijd zoo lief voor mij bent.... en ik....” Ineke bleef
+steken en haar lippen begonnen op nieuw verraderlijk te trillen.
+
+„Kom, kindlief, nu niet wéér beginnen. Gauw je boterham opeten! ’t Is
+al kwart over een,” en Opa en Ineke traden door de openstaande serre de
+eetkamer weer binnen en Ineke, o zoo blij, dat ze nu niet meer met
+zoo’n bezwaard hart rond behoefde te loopen, at met smaak haar bord
+leeg en ging toen gedwee rusten.
+
+Dien middag tegen etenstijd keerde meneer Van West van zijn bezoek aan
+meester Hoogstra terug en Ineke, die met haar rekenboek en
+sommenschrift in de serre zat, vloog Opa tegemoet.
+
+„Ja, kindje, meneer Hoogstra was, net als jij me verteld hebt, heel
+ontevreden over je, maar ’t viel hem, geloof ik, nogal mee, dat je me
+alles eerlijk hebt opgebiecht. We hopen er nu iets op gevonden te
+hebben, waardoor je laatste rapport, dat je vijftien Juli met de
+vacantie meekrijgt, er weer goed uit zal zien, zoodat je op je eigen
+school zult kunnen overgaan. Je bent nu weer sterk en gezond en daarom
+vond meester Hoogstra ’t maar ’t best, dat je nu de laatste weken ook
+’s middags op school komt. Hij zal je wat extra-huiswerk opgeven en ’s
+middags na schooltijd moet je dan maar je drie kwartier rusten. Van
+spelen met Freda zal er nu wel niet veel kunnen komen, maar Freda moet
+ook harder werken, zegt meester Hoogstra. In de vacantie kunnen jullie
+dan je schade inhalen. Wat zeg je van dit plan?”
+
+Nu, Ineke was ’t er heelemaal mee eens en wàt blij, dat de kans om
+alles in ’t eind nog goed te maken niet verkeken was. Opa zond een paar
+dagen later het slechte rapport met een brief, waarin hij alles
+uitlegde, aan Ineke’s ouders....
+
+Heel veel antwoordden die er niet op, maar Ineke snapte toch wel uit de
+enkele zinnen, die zij er in hun brief-terug over schreven, dat ze zeer
+teleurgesteld waren en dat spoorde haar dubbel aan, op school haar
+uiterste best te doen. Ze ging er zelfs die laatste drie weken iets
+minder goed uitzien, maar den vijftienden Juli kwam ze stralend van
+opgetogenheid met een werkelijk bizonder mooie lijst bij Opa. Voor alle
+vakken had ze vieren en vijven en meester Hoogstra had er met
+duidelijke letters onder geschreven:
+
+
+ „Ondergeteekende verklaart, dat zijn leerlinge Ina van West met
+ vrucht het onderwijs op zijn school van den 10en Mei tot den 15en
+ Juli gevolgd heeft, zoodat er zijns inziens geen enkel bezwaar
+ bestaat, haar op haar eigen school tot een hoogere klasse te
+ bevorderen.
+
+ C. J. P. HOOGSTRA,
+ Hoofd-onderwijzer.”
+
+
+„Mooi zoo, Ien! Nu is de schade ingehaald! Nu kan je met hart en ziel
+van je vacantie genieten, als morgen Vader en Moeder met de broers
+komen,” en Opa omhelsde zijn kleindochter hartelijk.
+
+„Ik ben zóó blij, zóó blij,” juichte Ineke, „vooral omdat Freda ook
+overgaat. Ze heeft alleen een taak voor aardrijkskunde, maar dat komt,
+omdat ze nooit een atlas gebruikt. Ik zal er haar wel mee terecht
+helpen,” en Ineke rende van louter plezier met Bello en Fokkie achter
+zich aan den tuin in, overgelukkig dat alles zoo goed was afgeloopen.
+
+Zelf mocht ze naar huis telefoneeren om ’t goede nieuws vast mee te
+deelen en nog dienzelfden middag gingen Opa en Ineke naar boer Staps op
+de Heikamp, om daar een poesje uit te zoeken, waarvoor juffrouw Doortje
+in alle stilte al een grappig, lichtblauw halsbandje met een belletje
+er aan gemaakt had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+UIT LOGEEREN.
+
+
+Hè, wat was dat?
+
+Was ’t nou al morgen?
+
+Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed, rekte zich al geeuwend
+uit, beide armen boven haar hoofdje. Helder scheen de zon door een kier
+van de gordijnen de kamer in en in een wip was Wiesje ’t bed uit, om op
+haar bloote voetjes voor ’t raam uit te kijken in den tuin, waar de
+duiven druk en vroolijk zaten te koeren op ’t lage, grijze muurtje.
+
+Kijk, daar vlogen er een paar weg, hoog hóóg de blauwe lucht in!
+
+Wiesje trok de gordijnen wijder open, schoof ’t raam wat meer op en
+ging er op haar knieën voor liggen. Een heerlijke geur van versch
+gemaaid gras stroomde de kamer in. O, kijk, daar kwam Cobus, de
+tuinmansjongen, aan met een mand vol koolblaren. Zeker voor de
+konijnen.
+
+Wat was ’t heerlijk hier buiten! Heel anders dan op ’t bovenhuis in ’t
+warme, drukke Amsterdam, waar Wiesje woonde. Twee weken zou ze nu hier
+mogen blijven bij Oom Willem en Tante Lida! Zalig! Gisteren toen Vader
+haar wegbracht, had ’t Wiesje wel lang geleken om veertien heele dagen
+en nachten van huis te zijn.... Ze was al een groote meid van tien
+jaar, maar nog nooit alleen uit logeeren geweest en toen ze van Moes en
+kleinen Broer afscheid nam, had ze wel even een raar, propperig gevoel
+in haar keel gehad, net of ze zou gaan huilen....
+
+Maar in den trein was ze ’t gauw vergeten en toen Vader ’s avonds
+wegging, voelde Wiesje zich bij Oom en Tante en bij Suus en Dolf en
+Bert zóó thuis, dat ze er niet over dacht één traantje te storten. En
+ze had Vader bij zijn vertrek nog nageroepen:
+
+„Zeg maar aan Moes, dat ’t hier dól is en dat ik heusch zoet zal zijn.”
+
+En toen de kinderen kort daarop alle vier naar boven moesten—om acht
+uur sloeg onverbiddellijk ’t klokje van gehoorzaamheid—en Tante haar
+had toegedekt, was ze geen vijf minuten daarna rustig in slaap
+gevallen.
+
+Hoe verbazend gauw ging zoo’n nacht voorbij!
+
+’t Was zeker nog heel vroeg, dacht Wies je. Je hoorde nog heelemaal
+geen leven in huis. Nee, mis hoor! Daar kwam Suus aan de kamerdeur:
+
+„Zeg, Wies, sta je op, ’t is zeven uur.”
+
+„’k Ben d’r al uit,” riep Wiesje vroolijk.
+
+Suus kwam binnen, ook in haar nachtjaponnetje en van louter plezier
+dansten ze toen de kamer door, tot ze allebei buiten adem op een stoel
+neerploften.
+
+„Zoo leuk... dat je... hier bent,” hijgde Suus en Wiesje knikte
+lachend, niet in staat een woord te zeggen.
+
+„De jongens zijn al bijna klaar. Laten wij ook voortmaken, dan kunnen
+we voor ’t ontbijt nog even naar buiten,” stelde Suus voor, zoo gauw ze
+wat bekomen waren.
+
+„Goed, wie ’t eerst klaar is,” en Wiesje sprong op, schonk vlug water
+in de waschkom en begon dapper te plassen. Een goed kwartiertje later
+waren ze beneden. Allebei tegelijk!
+
+In de tuinkamer was Tante Lida al bezig voor ’t ontbijt te zorgen. De
+glazen tuindeuren stonden wijd-open en de zon scheen vroolijk naar
+binnen en deed den koperen theeketel, die gezellig raasde, blinken of
+hij van goud was. Midden op tafel prijkte een vaasje met reseda en
+kleine, gele roosjes.
+
+„Die zijn van Dolf. Uit z’n eigen tuintje,” vertelde Tante toen Wiesje,
+die heel veel van bloemen hield, er haar wipneusje in begroef om diep
+den fijnen geur in te ademen.
+
+„Mogen we nog even den tuin in, Moeke,” vroeg Suus.
+
+„Ja, maar dadelijk komen als er gebeld wordt. Hier is wat oudbakken
+brood, strooi dat maar voor de vogels.”
+
+Suus nam ’t bordje met ’t in kleine stukjes gesneden brood aan en
+gearmd gingen zij en Wiesje naar buiten, waar de musschen luid sjilpend
+kwamen aanvliegen en zich flink te goed deden, totdat een paar
+hongerige duiven, die er ook wat van hebben wilden, ze uit elkander
+dreven.
+
+De beide meisjes hadden nog net tijd om even naar de konijnen te gaan
+kijken; toen luidde de bel voor ’t ontbijt. De anderen waren al binnen.
+
+„Ik heb zoo’n honger,” zei Bert, die vuurrood zag van ’t werken in zijn
+tuintje. „’t Onkruid is er allemaal uit. Nou zullen jullie ’s zien hoe
+mooi mijn reseda wordt! Moeke, over één weekje krijgt u net zulke mooie
+van mij, als u nu van Dolf hebt!”
+
+„Kun je begrijpen. Je hadt al veel eerder moeten wieden,” zei Dolf een
+beetje minachtend. „Jij laat alles altijd maar staan.”
+
+„Niet waar! Maandag heb ik er nog een hóóp uitgehaald en mijn violieren
+waren toch lekker veel mooier dan de jouwe.”
+
+„Och,” kwam Dolf weer, zijn schouders ophalend, maar Oom, die ineens
+van achter zijn courant opdook, maakte een eind aan de opkomende
+kibbelpartij door te zeggen:
+
+„Stil jongens! Wat moet Wies wel denken? Die is zulke kemphanen
+heelemaal niet gewend, of kibbel jij thuis wel eens met Broer, Wies?”
+
+„Nee,” lachte Wiesje. „Broer is nog veel te klein. Die kan nog niet
+eens praten.”
+
+„Nou maar, onze jongens kunnen mekaar geducht in de haren zitten. Ze
+meenen ’t wel niet zoo kwaad, maar ’t is toch niet heel aardig om aan
+te hooren. Dat zul je wel merken,” zei Oom met een plagend knipoogje
+naar Dolf en Bert, die groote happen van hun boterhammen namen en voor
+zich keken, want ze schaamden zich wel wat voor hun nichtje.
+
+Maar Wiesje lachte er om en na ’t ontbijt toen Oom zijn zieken ging
+bezoeken—hij was dokter op ’t dorp waar ze woonden—gingen ze met hun
+viertjes prettig buiten spelen. Ze schoten goed op samen. De jongens
+kibbelden wel eens af en toe—dat kónden ze nu eenmaal niet laten—maar
+’t duurde nooit lang, of ze verzoenden zich weer met elkaar. De dag was
+om voor ze het wisten, en Wies schreef dien avond een langen brief naar
+huis, zoodat Vader en Moes den volgenden ochtend al met verheugde
+gezichten lazen van al de pret, die hun dochtertje daarginds had.
+
+
+
+En nu was ’t de avond van den vijfden dag, dien Wiesje bij Oom Willem
+en Tante Lida doorbracht.
+
+Meer dan een half uur geleden had Tante haar ingestopt en nóg kon
+Wiesje den slaap maar niet vatten. Telkens keerde ze zich om en om in
+’t groote logeerbed.... Zelf wist ze maar al te goed wat er aan
+haperde.... Ze had iets heel leelijks gedaan, waar ze nu o, zoo’n spijt
+van had en ’t ergste was, dat Cobus de tuinmansjongen, er morgen
+waarschijnlijk de schuld van zou krijgen.
+
+Iedereen dacht dat hij ’t gedaan had. O, ’t was verschrikkelijk. Wiesje
+wist geen raad....
+
+Zóó was ’t gebeurd.
+
+Ze speelden met hun vieren verstoppertje. Bert „was ’m” en omdat hij
+zoo gauw telde, waren Suus en Dolf en zij zoo hard ze konden ieder een
+anderen kant uitgehold. Wiesje, die ’t vlugst was, had zich verstopt
+achter in den tuin bij ’t schuurtje en Bert kón haar maar niet vinden.
+Die zocht alleen op plekjes dicht in de buurt en Wiesje had in zichzelf
+een pret van belang. Ze besloot nog een poosje rustig in haar
+schuilhoekje te blijven voor ze zich vertoonde, want hoe later je
+gevonden werd, hoe meer eer!
+
+Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom, die tegen
+den muur van het schuurtje geleid was en waaraan een massa prachtige
+perziken zaten. De meeste waren nog niet heel rijp, maar juist onderaan
+hingen er een paar heerlijk in ’t zonnetje te stoven. Die zagen er net
+zoo rood en donzig uit als Wiesjes eigen wangen....
+
+Ze ging er vlak bij staan, voelde er toen heel voorzichtig met één
+vinger aan.... Hè, die twee daar vlak tegen elkaar waren heelemaal warm
+van de zon.... Nog even voelen en Wiesje kwam er nog eens aan. Maar, o
+wee, daar ploften ze ineens allebei op den grond. Vlak voor Wiesjes
+voeten vielen ze in ’t gras. Haar hartje bonsde van schrik en haar
+wangen werden nog rooder dan de perziken.
+
+Zóó had ze ’t niet bedoeld, nee waarlijk niet!
+
+Wat zou ze doen? Ze stil in ’t gras laten liggen, of ze gauw naar Tante
+Lida brengen en eerlijk vertellen wat er gebeurd was?
+
+Ze raapte ze op, rook er eens aan.... Een had al een gekneusd
+plekje.... Het sap liep haar langs de vingers. Kom, er zaten nog
+zooveel perziken aan den boom. Ze kon deze eigenlijk best opeten. Een
+paar meer of minder gaf niks, niemand zou ’t merken....
+
+Schuw keek ze om zich heen en ineens zette ze haar tanden in de
+overrijpe vruchten en at ze gulzig met schil en al op. De pitten,
+waarin ze zich bijna verslikte, wierp ze in ’t gras en haar mond en
+haar kleverige vingers veegde ze snel aan haar zakdoek af. Toen luidde
+de etensbel en ze holde naar huis op de verwonderde vragen: „Waar heb
+jij gezeten,” brutaalweg antwoordend:
+
+„Dat zeg ik nou ’s lekkertjes niet!”
+
+Maar aan tafel was ze stil geweest, had ze niet zoo flink gegeten als
+anders en de schrik sloeg haar om ’t hart, toen Oom tegen ’t
+theedrinken binnenkwam met twee perzikpitten in zijn hand. Je kon hem
+aanzien, dat hij heel ontstemd was.
+
+„Heeft iemand van jullie aan de perziken gezeten? Ik wou enkele mooie
+rijpe, die onderaan hingen en waar ik alle dagen een oogje op hield
+naar vrouw Bos brengen, die zoo ziek is, maar jawel, ze waren er af
+toen ik daarnet ging kijken en de pitten vond ik tusschen ’t gras. Er
+is dus iemand aan geweest. Een van jullie soms?”
+
+„Nee, Vader,” riepen de kinderen als uit één mond.
+
+„Nee Oom,” zei ook Wiesje.
+
+Ze kreeg een kleur als vuur en trilde op haar beenen, maar ’t begon al
+donker te worden en ze stond achter in de kamer. Niemand sloeg bizonder
+acht op haar.
+
+„’t Spijt me, dat ik zooiets denken moet, maar dan ben ik bang, dat
+Cobus ’t gedaan heeft. Hij deed den laatsten tijd zóó zijn best en ik
+vind ’t heel jammer, maar als hij niet van ’t fruit kan afblijven, zal
+ik genoodzaakt zijn ernstige maatregelen met hem te nemen.”
+
+„Hè,” zuchtte Tante, „’t zou wel heel ondeugend zijn van een jongen,
+die ’t zóó goed bij ons heeft.”
+
+„Nu, we zullen er niet verder op doorgaan voor ’t oogenblik. Cobus is
+al naar huis. Ik zal hem morgenochtend wel onder handen nemen,” zei
+Oom.
+
+„De kinderen wilden graag wat zingen, is ’t niet,” en Tante ging aan de
+piano zitten, terwijl Dolf met de muziek kwam aandragen.
+
+’t Waren aardige, vroolijke liedjes en Wiesje kende er verscheidene
+van. Toch was ’t haar niet mogelijk mee te zingen; dan zou ze zeker
+zijn gaan huilen. Stil en lusteloos stond ze er bij. Ze dúrfde ’t niet
+zeggen, omdat ze zich zoo vreeselijk schaamde. Hoe ze zich den heelen
+avond had goedgehouden begreep ze zelf niet. Zelfs toen Tante Lida haar
+bij ’t toedekken vroeg: „Zeg, Wies, scheelt er iets aan? Je was zoo
+stil,” had ze geantwoord met haar hoofdje naar den muur gewend:
+
+„Nee, niks Tante, ik ben alleen erg moe.”
+
+Toen was Tante na haar een nachtzoen gegeven te hebben heengegaan, bij
+zichzelf denkend, dat ’t kind wel vreemd en stil geweest was den heelen
+avond en plotseling dacht ze met schrik aan die perziken.... Nee, dat
+kón niet zijn. Tot zoo iets was Wies niet in staat. Misschien verlangde
+ze naar huis. Ze was vroeger immers nooit alleen uit logeeren geweest.
+En toch.... Nu ze zou over een uurtje nog maar eens gaan kijken of
+Wiesje sliep en Tante Lida waschte den theeboel om en begon aan haar
+verstelwerk.
+
+Intusschen lag Wiesje boven te woelen in ’t groote bed. Van slapen kwam
+maar niets; hoe stijf ze haar oogen ook toekneep en hoe dikwijls ze tot
+zichzelf zei: „Nou wil ik er niet meer aan denken,” ze moest er aan
+denken, ze kón niet anders.
+
+Cobus zou de schuld krijgen van iets wat zij gedaan had. Misschien
+moest hij wel weg.... Cobus, die zoo aardig voor haar geweest was en
+haar bal tot tweemaal toe voor haar uit de sloot gevischt had, zelf
+gevaar loopend van er in te vallen. Ze zag Cobus’ verbaasde en
+bedroefde gezicht al, als Oom over de perziken zou beginnen. Oom zou
+hem toch niet kunnen gelooven als Cobus zei, dat hij ’t niet gedaan
+had.... O, ’t was vreeselijk!
+
+Ze huilde zachtjes met haar hoofd in ’t kussen, begon toen al harder,
+zoodat ’t bed schudde en haar sloop nat werd van al de tranen.
+
+Wat moest ze toch doen? O, was Moes maar bij haar. Aan Moes zou ze ’t
+wel durven zeggen, maar ze schaamde zich zoo voor Oom en Tante en voor
+Suus en de jongens, die ’t natuurlijk ook zouden weten. Nog nooit had
+ze zoo’n spijt, zoo’n verdriet gehad, als nu door haar eigen schuld.
+
+Langzamerhand werd ze toch wat kalmer. Ze zag duidelijk in, dat ze ’t
+moest gaan vertellen, al zag ze er nog zoo tegenop. Hoe eerder ze ging,
+hoe beter en net wou ze ’t dek wegslaan en uit bed komen, toen de deur
+geopend werd en Tante Lida zachtjes binnenkwam. Bevend zakte Wiesje
+achterover in ’t kussen, maar Tante sprak niet, ging alleen stil op den
+rand van ’t bed zitten, zei toen eindelijk heel zacht:
+
+„Wies, ik dacht, dat je me nóu misschien wel iets wilt zeggen.”
+
+En Wiesje, o zoo blij, dat Tante’s stem zoo vriendelijk klonk en dat ze
+nu zou kunnen uitspreken wat haar zoo bezwaarde, deed met een heesch
+stemmetje ’t heele verhaal.
+
+Tante liet haar vertellen, viel haar geen enkele maal in de rede. Ze
+vond ’t heel erg, maar had toch wel medelijden met Wiesje, omdat ’t
+kind zoo’n innig berouw toonde.
+
+„Gelukkig dat we ’t nu weten; anders had Oom Cobus morgenochtend onder
+handen genomen en hoe vreeselijk zou dat voor den armen jongen geweest
+zijn! Ga nu maar liggen, dan zal ik ’t wel vast voor je aan Oom zeggen.
+Morgen kan je er dan zelf met hem over praten,” zei Tante, Wiesjes
+verwarde haren gladstrijkend en Wiesje, moe van ’t huilen, liet zich
+gewillig instoppen en viel spoedig daarop vast in slaap.
+
+Den volgenden ochtend was ze al vroeg bij de hand, vóór de anderen nog
+gekleed waren en zoo gauw ze Oom naar beneden hoorde gaan, liep ze hem
+achterna, de studeerkamer in.
+
+„Oom,” begon ze bevend met neergeslagen oogen....
+
+Oom nam Wiesjes gezicht tusschen zijn beide groote handen en zag haar
+ernstig, maar niet onvriendelijk aan, want hij begreep wel, dat ze heel
+veel verdriet had van hetgeen er was voorgevallen. Oplettend luisterde
+hij naar alles wat ze te vertellen had. Nee, Wiesje spaarde zichzelf
+niet. Ze zag wel in hoe groot haar schuld was en daarom zei hij maar
+niet veel en beloofde om ’t voor haar aan de kinderen te zeggen. Die
+moesten ’t natuurlijk weten, omdat ze er anders Cobus op aan zouden
+zien.
+
+’t Was een moeilijk oogenblik voor Wies toen ze de tuinkamer instapte,
+terwijl de anderen, die ’t nu allemaal wisten, al aan tafel zaten.
+
+Onhoorbaar sloop ze naar haar plaats en niemand sprak een woord, totdat
+Dolf ruw-goedig ineens zei:
+
+„Wies, ’t was gemeen van je, maar je hebt ’t eerlijk bekend en dat
+vinden we flink,” en toen gaven ze haar alle drie een hand.
+
+Verder werd er niet meer over gesproken, maar vergeten kon Wies ’t
+natuurlijk niet.
+
+Enkele maanden later, ’t was op Sinterklaas-avond, kwam er een pakje
+voor Cobus, heelemaal uit Amsterdam. Er zat een keurig-gebreide
+bouffante in, waar hij dolblij mee was, maar hij is er nooit achter
+gekomen, wie hem die gestuurd heeft.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 ***