summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--78337-0.txt1607
-rw-r--r--78337-h/78337-h.htm2418
-rw-r--r--78337-h/images/front.jpgbin0 -> 358697 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/frontispiece.pngbin0 -> 143346 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/logo-vgz.pngbin0 -> 2244 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p05.pngbin0 -> 112601 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p07.pngbin0 -> 74335 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p10.pngbin0 -> 46456 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p13.pngbin0 -> 68712 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p17.pngbin0 -> 63095 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p20.pngbin0 -> 110728 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p24.pngbin0 -> 36480 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p30.pngbin0 -> 81803 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p36.pngbin0 -> 67353 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p45.pngbin0 -> 112282 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p50.pngbin0 -> 139541 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p52.pngbin0 -> 77421 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p54.pngbin0 -> 65363 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p56.pngbin0 -> 260813 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p64.pngbin0 -> 44921 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p66.pngbin0 -> 26174 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p67.pngbin0 -> 102992 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p69.pngbin0 -> 108139 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p73.pngbin0 -> 95204 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/p80.pngbin0 -> 59275 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/seriestitle.pngbin0 -> 20638 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/spine.jpgbin0 -> 39721 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/titlepage.pngbin0 -> 43840 bytes
-rw-r--r--78337-h/images/tp-image.pngbin0 -> 24784 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
32 files changed, 4041 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/78337-0.txt b/78337-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..03ca8ef
--- /dev/null
+++ b/78337-0.txt
@@ -0,0 +1,1607 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 ***
+
+
+
+
+ OPA EN INEKE
+
+ DOOR
+ ANNA HUBERT VAN BEUSEKOM
+ SCHRIJFSTER VAN: JANNEKE EN DE KLOK.
+
+ MET PLATEN VAN NANS VAN LEEUWEN
+
+
+ TWEEDE DRUK
+
+
+ GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+ Opa en Ineke 5–64
+ Uit logeeren 67–80
+
+
+
+
+
+
+
+
+OPA EN INEKE.
+
+
+„Ineke, Ineke, schei nu eens uit. ’t Is heusch bedtijd, hoor! Denk er
+aan, dat je morgen al zoo vroeg op moet. Kom, kind,” en mevrouw Van
+West boog zich over haar dochtertje, dat aan tafel zat te lezen en
+legde haar hand liefkoozend op Ineke’s blonde krullen.
+
+„Ja, Moes!” Ineke sloot met een lach en een zucht tegelijk „De
+Sprookjes van Andersen”, waarin ze zóó verdiept was geweest, dat ze
+alles om zich heen vergat. Niets had ze gehoord van de wilde kreten uit
+den tuin, waar Vader met Gijs en Duco aan ’t ravotten was, zóó leefde
+ze mee met de geschiedenis van „De kleine Zeemeermin”, die ze wel al
+lang kende, maar altijd weer met hetzelfde plezier overlas.
+
+Ze was in den afgeloopen winter ernstig ziek geweest, had daarna langen
+tijd moeten liggen en ’t eene verhaal vóór en ’t andere nà gelezen,
+telkens weer grijpend naar het boek, dat ze van Opa kreeg en waar niet
+alleen zulke mooie sprookjes, maar ook zulke beeldige plaatjes in
+stonden. Die goeie, lieve Opa! Wel vier maal was hij overgekomen om
+Ineke, z’n eenige kleindochter, op te zoeken en toen hij hoorde, dat de
+dokter de frissche buitenlucht het allerbeste geneesmiddel voor haar
+vond, had Opa onmiddellijk gezegd: „Weet je wat, Ineke, dan kom je maar
+zoo gauw mogelijk bij mij op „Eiken-rode” logeeren. Vacantie of géén
+vacantie, je komt maar. Misschien wil meester Hoogstra je dan wel een
+poosje op de dorpsschool nemen, dan gaat de geleerdheid niet achteruit
+en kan je waarschijnlijk toch wel overgaan naar de vijfde klasse.”
+
+Ineke had bij dit heerlijk vooruitzicht in haar handen geklapt en
+juichend uitgeroepen:
+
+„O ja! Dat zou heerlijk zijn, Opa! Nu zult u ’s zien, hoè gauw ik beter
+ben,” en van dien tijd af had ze moedig haar leelijk-bittere drankje
+geslikt en erg haar best gedaan met eten, zoodat de dokter iederen dag
+tevredener werd en al gauw verklaarde „dat ze nu maar de wei inmoest.”
+
+„Eiken-rode”, het gezellig-ouderwetsche buiten, waar Vader en de Ooms
+als kleine jongens gewoond hadden, was voor de kleinkinderen het
+heerlijkste plekje, dat er bestond en Gijs en Duco, Ineke’s oudere
+broertjes, zeiden dan ook telkens, hoewel ze ’t hun zusje, waarvan ze
+veel hielden, van harte gunden: „Nou maar Ien, jij treft ’t hoor!”
+
+Duco had zelfs beweerd, dat hij best ook ziek zou willen worden, als
+hij daarna bij Opa mocht gaan logeeren. Maar in de groote vacantie,
+zouden ze er met z’n allen een poosje gaan doorbrengen. Dan konden de
+jongens hun schade inhalen! Fietsen, visschen en zwemmen in de beek, in
+hun tuintjes werken, die Andries, tegen hun komst in orde maakte, en
+mee gaan hooien en koren halen op ’t land! Zàlig, boven op zoo’n
+hoogopgetaste, schommelende kar! En ’s Zondags, als Andries den tijd
+had, vliegers oplaten op de hei! Nergens ging dat zóó goed als dààr,
+waar je overal de vrije, wije ruimte om je heen hadt, zonder dat je één
+oogenblik bang behoefde te zijn, dat je vlieger ergens vast bleef
+zitten.
+
+Dien middag, terwijl Moes haar koffer pakte, had ’t Ineke geduizeld van
+al de boodschappen, die de broers haar opdroegen: vragen of Andries
+vooral zonnebloemen in hun tuintjes zou zetten; of hij ’t vischtuig wou
+nazien en er voor zorgen zou, dat de schommel en de ringen van nieuwe
+touwen werden voorzien en of hij er aan wou denken, dat ’t roeiboot je
+bij tijds in den vijver kwam te liggen, zoodat de naden goed
+dichttrokken en er geen water meer inliep.
+
+„’t Is geweldig, Ien, wat jij allemaal te onthouden krijgt. Ik zal ’t
+maar voor je opschrijven, anders vergeet je de helft,” en meneer Van
+West was zijn dochtertje lachend met papier en potlood te hulp gekomen
+en had een heele „boodschappenlijst” voor haar gemaakt, die Ineke had
+weggestoken in haar reismandje. Ze beloofde Andries, zoo gauw ze hem
+zag, ’t gewichtig papier te overhandigen en Moeder had op haar beurt ’t
+een en ander voor juffrouw Doortje, de huishoudster, die al jaren sinds
+Oma’s dood, de huishouding op „Eiken-rode” bestuurde, maar vond ’t bij
+nader inzien beter, haar maar zelf een brief te schrijven. Juf zou de
+zorg voor Ineke grootendeels op zich nemen en daarom had mevrouw Van
+West daarin precies verteld, hoe dikwijls per dag Ineke haar drankje
+nog nemen moest, hoe lang ze gewoon was te rusten en hoeveel melk ze op
+dokters-bevel dronk. Vooral aan ’t laatste moest streng de hand
+gehouden worden en Ineke beloofde dan ook, onder ’t naar boven gaan nog
+eens aan Moes, dat ze heusch de zes groote glazen drinken zou en dat ze
+haar uiterste best zou doen bij meester Hoogstra.
+
+Op school was Ineke volstrekt niet dom, maar ze las liever, dan dat ze
+huiswerk maakte en schreef haar thema’s en sommen dikwijls zóó slordig,
+dat ze ’t thuis over moest doen en slechte aanteekeningen kreeg. Ook
+dàcht ze wel eens, dat ze haar les kende en dan bleek deze er bij ’t
+overhooren nog heelemaal niet vast in te zitten. Gauw, gauw even ’t
+leerboek inkijken, of de sommen maken en dan lezen tot ze er bijna suf
+van werd. Dat was zoo Ineke’s manier van doen, en dat ’t geen goede
+manier was, kwam dan aan ’t einde der maand uit, als ze haar rapport
+mee naar huis bracht.... Door haar ziek-zijn was ze nu buiten haar
+schuld een heel eind achtergeraakt, maar de directrice had gezegd, dat
+ze wel geloofde, dat Ineke, als ze een poosje werd bijgewerkt, naar de
+vijfde klasse zou kunnen overgaan en omdat ze ’t zelf toch wel akelig
+vond te blijven zitten en niet meer met haar vriendinnetjes, Nancy en
+Margotje, in dezelfde klasse te zijn, nam ze zich voor, flink haar best
+te doen en ijverig te werken. Ze kende meester Hoogstra wel van
+aanzien. ’t Was een goedige, oude man met een grooten gouden bril op,
+steeds gewapend met een reusachtigen, rooden zakdoek, waarmee hij
+gewoon was zich telkens langs ’t gezicht te vegen. Hij was jong
+hulp-onderwijzer, toen Ineke’s vader als kleine jongen de dorpsschool
+bezocht, werd er later hoofd van en had met de grootste
+bereidwilligheid aan de directrice der meisjesschool geschreven om zich
+geheel op de hoogte te stellen, hoe ver Ineke zijn moest, om na de
+groote vacantie tot een hoogere klasse te worden toegelaten. Na eenig
+heen-en-weer-geschrijf was er toen besloten, dat Ineke in de morgenuren
+de dorpsschool bezoeken zou en daar in de zesde klasse geplaatst zou
+worden, die ongeveer met de vierde der stadsschool gelijk stond. Met
+een beetje extra-huiswerk kon ze dan ’s middags thuisblijven, om den
+verderen dag te rusten en zooveel mogelijk in de buitenlucht te zijn.
+Inplaats van schoonschrijven en handwerken wilde meester Hoogstra haar
+zelf Fransche les geven, want Fransch werd er op zijn school niet
+onderwezen, en elke drie weken zou haar rapport worden opgezonden, dan
+kon de directrice daaruit zien, of haar leerlinge voldoende
+vooruitging. Dit alles had meester Hoogstra breedvoerig met Ineke’s
+grootvader zitten bepraten en terwijl hij zich met zijn rooden zakdoek
+langs ’t voorhoofd streek, had meester Hoogstra gezegd:
+
+„En burgemeester, nou weet u niet hoe aardig ik ’t vind, om les te
+geven aan het dochtertje van uw zoon Willem, die indertijd een van mijn
+allereerste leerlingen was, toen ik als jong onderwijzer begon. Ik ken
+haar wel van aanzien, want in de vacanties komt zij nogal eens in ’t
+dorp. Ineke heet ze, nietwaar?”
+
+„Ja zeker. Ze heet naar mijn eenige dochter Ina, die op haar veertiende
+jaar gestorven is. Ineke is mijn eenige kleindochter en daarom begrijpt
+u zeker wel, dat ik alles wil doen, om ’t mijn kleine meid zoo goed en
+zoo prettig mogelijk te maken, als ze hier alleen bij me komt logeeren.
+Ze was dezen winter ernstig ziek. O, ik heb me dikwijls zoo angstig
+gemaakt; maar nu is ze gelukkig heelemaal beter, alleen wat slapjes
+nog, en hier in de gezonde buitenlucht zal ze wel gauw weer de oude
+worden, hoop ik.”
+
+„Natuurlijk, natuurlijk, burgemeester. Nu, wat mij betreft, ik zal mijn
+best doen, haar zoo weinig mogelijk huiswerk te geven. Als ze niet
+moeilijk leert, zal ’t met dat overgaan wel losloopen.”
+
+„O, Ineke is vlug genoeg. Ze kan heel goed als ze wil,” had meneer Van
+West gezegd, er maar niet bijvoegend, dat ’t werk van zijn kleindochter
+er nu niet altijd zóó netjes uitzag als ’t behoorde en dat de lessen er
+wel eens niet zoo héél vast inzaten. Hij hoopte en verwachtte stellig,
+dat Ineke op „Eiken-rode”, waar ze zooveel vrijheid genieten zou, haar
+uiterste best zou doen en Ineke zelf was dan ook niet anders van plan.
+
+Keurig had ze haar boeken gekaft en met Moes was ze den vorigen dag een
+paar nieuwe schriften gaan koopen, een doos pennen en een nieuwen
+penhouder, waar ze nu heusch eens niet op zou bijten, zoodat hij er na
+een paar dagen als een onooglijk, af gekloven houtje uitzag.... Het
+kussen met de kruisjessteken, dat ze voor Vaders verjaardag maakte, lag
+ook in den koffer. Daar kon ze op regendagen aan vorderen. Juf zou er
+haar wel mee terecht helpen als ze er eens niet alleen aan voort kon.
+
+„O, Moes, ik vind ’t toch zoo dól om te gaan. Ik hou zóóveel van Opa,
+dat ik ’t niet zeggen kan,” zei Ineke, toen ze er eindelijk inlag.
+
+„Dan hoef ik zeker niet te vragen, of je zult zorgen, dat Juf en
+meester Hoogstra geen klachten over je hebben?”
+
+„Nee, natuurlijk niet, Moes. Ik zal zóó goed oppassen, want ik zou ’t
+vreeselijk vinden Opa verdriet te doen. Ik wil u en Vader natuurlijk
+ook geen verdriet doen, maar voor Opa vind ik ’t nog.... nog zieliger.
+’k Weet zelf niet goed waarom. Misschien wel omdat Opa al zoo oud is.”
+
+„Zóó oud is Opa nog niet. Drie en zestig is hij pas!”
+
+„Denkt u dan, dat Opa wel heel oud zal worden? Tachtig bijvoorbeeld?”
+
+„Lieve kind, hoe kan ik dat nu weten? Opa is flink en krachtig voor
+zijn leeftijd. We willen allemaal hopen van wel en nu niet tobben, maar
+gauw gaan slapen, hoor. Morgenochtend zal ik je nog wel even helpen met
+’t laatste goed in te pakken,” en mevrouw Van West kuste haar
+dochtertje, dat ze intusschen lekker had ingestopt, goedennacht.
+
+ ⁂
+
+Dat was me een geschiedenis den volgenden ochtend!
+
+De familie Van West zat net aan ’t ontbijt, toen er een telegram
+bezorgd werd. Meneer Tielens, een vriend van Ineke’s vader, moest dezen
+dienzelfden morgen nog dringend spreken en rekende er op, hem tegen
+tien uur op zijn kantoor in de stad aan te treffen, als er geen
+tegenbericht kwam. En kwart over tien vertrok de trein, waarmee meneer
+Van West zijn dochtertje naar Opa brengen zou....
+
+Daar mevrouw Van West juist twee van haar zusters, die buiten de stad
+woonden, op de koffie kreeg, kon zij ook niet van huis om Ineke weg te
+brengen, inplaats van haar man.
+
+Goede raad was duur.
+
+„Als we Opa dan maar eens telefoneerden, dat Ineke morgen komt, want
+die zaak van meneer Tielens is heel dringend. Er is geen questie van,
+dat ik nu uit de stad kan, en Moeder kan de tantes ook niet meer
+af-telegrafeeren,” begon meneer Van West.
+
+„Hè, Vàder!” Ineke’s lip trilde vervaarlijk en de tranen schoten haar
+in de oogen.
+
+„Maar poesje, is dàt nu zoo erg? Eén dagje later, want morgen breng ik
+je zéker!”
+
+„Ja, o ja, ik vind ’t zoo.... zoo vrééselijk jammer. En Opa natuurlijk
+ook. Ik h.... had er zoo vast op ge.... gerekend,” snikte Ineke in haar
+servetje, en Duco, die medelijden met zijn zusje kreeg, zei: „Kom, laat
+Ien dan alleen reizen. Ik ben verleden jaar Paschen, toen ik net zoo
+oud was als zij nou, immers ook alleen naar „Eiken-rode” gegaan.”
+
+„Als we ’r hier op den trein zetten en Opa haalt ’r ginds van ’t
+station, komt ze d’r immers best. Ze is toch al negen en een half en er
+is niks geen kunst aan. Als ze nou nog over moest stappen onderweg!”
+viel Gijs ook bij.
+
+„En wat zegt Moeder er van,” vroeg meneer Van West aan z’n vrouw.
+
+„Wel, als jij er niets tegen hebt, vind ik ’t goed, want net als de
+jongens zeggen: er is eigenlijk niets aan als ze gebracht en afgehaald
+wordt, en bovendien heeft ze dit reisje al zóó dikwijls met ons gedaan,
+dat ze ’t langzamerhand wel droomen kan.”
+
+„En wat vindt ons Ineke er zèlf van,” knipoogde haar vader, neerziende
+op de kleine snikkende en snuivende gedaante naast zich aan tafel.
+
+„O!” Ineke hief haar behuild gezichtje, nog nat van de tranen, ineens
+op uit haar servet en glimlachte: „O, als dàt mag!”
+
+„Nou, dan màg ’t. Maar pas op, als ik dan ook nog één traan zie! Zoo’n
+kleine huilebalk! En dàt wil alléén reizen,” plaagde meneer Van West,
+zijn dochtertje aan een van haar glanzende krullen trekkend. Maar de
+kleine huilebalk had haar tranen gauw gedroogd en voelde zich wat
+gewichtig in ’t vooruitzicht alleen te mogen reizen. Hoewel ze niet
+veel honger had, at ze toch moedig haar havermout op en toen Gijs en
+Duco naar school gingen, omhelsde ze haar broertjes, die ’t zoo aardig
+voor haar hadden opgenomen, hartelijk. Ze kusten elkaar anders niet
+dikwijls; alleen eigenlijk met verjaardagen, maar dit was toch óók een
+bizondere dag, vonden ze alle drie, nu Ien zoo lang weg ging en alléén
+reisde!
+
+Hoewel ze ’t voor geen geld ter wereld bekend zou hebben, leek ’t Ineke
+toch wel een heel klein beetje griezelig en haar hartje bonsde, toen om
+kwart over negen ’t rijtuig voorkwam, haar koffer werd opgeladen en
+vader en moeder met haar instapten.
+
+Maar vader, die dit nog net kon waarnemen voor hij op zijn kantoor
+meneer Tielens ontving, praatte zóó bedaard over ’t reisje, dat Ineke
+’t per slot toch weer heel leuk en gewichtig ging vinden.
+
+Zelf mocht ze aan het loket haar kaartje nemen. Ze ging mee naar ’t
+hokje, waar de bagage werd ingeschreven en ’t bewijsje van haar
+koffer—’t reçu—stopte ze secuur weg, heelemaal onder in haar beursje.
+Ze wist wel, dat ze bij haar aankomst dit papiertje dadelijk aan
+Harmen, den besteller, moest geven. Dan zou deze haar koffer wel op
+„Eiken-rode” bezorgen. Ook moest ze beloven even naar huis te
+telegrafeeren. Hè, wat kwam er nog een boel kijken als je op reis ging.
+Maar ’t was toch wel prettig en heel goed om jezelf te leeren redden,
+al vond Ineke ’t een heele geruststelling, toen ze eindelijk met haar
+reismandje veilig en wel in de coupé zat, met een aardigen ouden heer
+en dame tegenover zich, die haar zóó vriendelijk toeknikten, of ze haar
+kenden.
+
+Vader en Moeder stonden op ’t perron en Vader kocht van een arm
+bloemen-verkoopstertje een mooie, roode roos, die Moeder nog gauw in ’t
+knoopsgat van Ineke’s grijze manteltje vaststak. Heerlijk rook die roos
+en zoo feestelijk stond het!
+
+„Ik zal ’m dadelijk in ’t water zetten, als ik op „Eiken-rode” kom. Dan
+blijft-ie een heele poos goed,” had Ineke nog net tijd om te zeggen.
+Toen werden de portieren gesloten en na een schril gefluit zette de
+trein zich in beweging.
+
+„Daar ga je, Ien!”
+
+„Goeie reis hoor!” riepen Vader en Moeder en Ineke, voor ’t raampje
+staande, wuifde met haar zakdoek, tot ze haar ouders niet meer zien
+kon. Toen zette ze zich in een hoekje en ging prettig zitten uitkijken.
+Helder scheen de jonge Mei-zon op de frissche, groene weilanden, vol
+bloemen. ’t Vee stond er op sommige plekken tot de knieën toe in te
+grazen. Jonge veulentjes dartelden elkaar achterna met de dolste
+sprongen. In een sloot stond een peinzende reiger doodstil, net of hij
+was opgezet, en op ’t dak van een boerenhofstede nestelden ooievaars.
+Later kwamen de dennebosschen en de hei aan de beurt, waar de
+bremstruiken vol goud-gele vlindertjes zaten. Zoo vroolijk stond dat!
+Ineke neuriede zachtjes voor zich heen, terwijl ze naar buiten keek. Af
+en toe praatte ze even met haar medereizigers, waarbij nog een dame met
+een klein kindje gekomen waren, en ze kreeg ulevellen en chocolade,
+waarvoor ze vriendelijk bedankte. De tijd schoot verbazend op, vond ze.
+Nog één stationnetje voorbij en dan zou ze er zijn. Ze trok haar
+reismandje vast naar zich toe en voelde naar haar beursje en kaartje in
+haar mantelzak. Ja hoor, alles in orde! Toen zette ze haar grooten
+stroohoed recht, deed haar handschoen aan en rook eens aan de roos, die
+er nog heel frisch uitzag en heerlijk geurde. Ze was zoo benieuwd Opa’s
+gezicht te zien, als ze daar parmantig alleen uit den trein stapte! Hij
+zou er eerst niets van begrijpen. Hij rekende er vast op, dat Vader
+haar brengen zou! Daar minderde de trein zijn vaart al. Kijk, daar
+had-je den dorpstoren en daar zag je in de verte tusschen de boomen
+„Eiken-rode” liggen. Gezellig, ouderwetsch huis toch met die witte
+muren en groene latjes-blinden! Ineke wendde zich snel om en knikte
+haar medereizigers goedendag, want de trein was ’t kleine station
+genaderd. Daar stond Opa al, vlak onder de klok! Hij zag haar dadelijk
+en Ineke zwaaide met haar mandje. Open ging ’t portier en met een
+juichkreetje sprong ze regelrecht in Opa’s armen.
+
+„Dag Ineke, dag m’n kleine meid! Hoe is ’t er mee? Niet te moe van de
+reis? En waar is Vader?” De oude heer Van West, die er niets van
+begreep, wierp snel een blik in de coupé, of zijn zoon er soms nog in
+was achtergebleven. Ineke verkneukelde zich en lachte:
+
+„Nee, nee, Opa, kijk maar niet! Vader kreeg vanmorgen ineens een
+telegram, Meneer Tielens moest hem noodzakelijk spreken en toen mocht
+ik alleen reizen!”
+
+„Jongens nog toe, Ineke! Ben je warempel al een jongedame geworden, die
+alleen reist? ’t Is niet te gelooven!”
+
+„’t Is toch heuschjes waar,” verzekerde Ineke, terwijl de trein zich
+weer in beweging zette. „Kijk, Opa, daar staat mijn koffer op ’t
+perron. Zal ik Harmen ’t reçu geven, dat hij hem thuisbezorgt?”
+
+„Ja kindje, dat is best, en dan moeten we toch zeker even naar huis
+telegrafeeren, hè?”
+
+„Ja, dat wilden Vader en Moeder wel graag,” zei Ineke, en nadat ze het
+telegram: „Goed aangekomen. Veel liefs van Opa en Ineke,” verzonden
+hadden, verlieten ze ’t station en sloegen den zonnigen landweg in, die
+regelrecht naar „Eiken-rode” voerde. Het was warm, maar er woei toch
+een zacht windje. De oude heer Van West nam al gauw zijn hoed af en
+liet den wind vrij door zijn grijze haren spelen en Ineke liet dadelijk
+op Opa’s voorbeeld haar hoed aan ’t wijde elastiek achterover op haar
+rug zakken.
+
+„Dan verbrand ik vast lekker van de zon,” zei ze, vroolijk naast hem
+voorthuppelend, en ze vervolgde: „O, Opa, hoe dòl om weer hier bij u te
+zijn. En dat ik zóó lang blijven mag! Als ’t op den duur maar niet te
+druk voor u is, zegt Moeder.”
+
+„Welnee. Ik vind ’t heerlijk mijn kleine meid weer eens bij me te
+hebben. Als je nu maar zorgt, dat je in September met dikke, roode
+wangen naar huis gaat, want je bent na je ziek-zijn wel lang en mager
+geworden. ’t Is niet heelemáál voor je pleizier, dat je hier komt
+logeeren, maar vooral om flink aan te sterken,” plaagde Opa.
+
+„O, maar bij u is àlles prettig,” lachte Ineke.
+
+„Dan zullen we maar hopen, dat ’t hier op de dorpsschool bij meester
+Hoogstra ook mee zal vallen, want nietwaar, je zult toch maken, dat je
+overgaat na de vacantie?”
+
+„O, maar natuurlijk! Als ik goed mijn best doe, haal ik de schade
+stellig in, heeft de directrice gezegd. Kijk ’s Opa,” en Ineke bleef
+midden op den weg stilstaan: „dit heele eind heeft Moes mijn jurk
+moeten verlengen! Zooveel ben ik gegroeid sinds verleden zomer,” en ze
+wees naar den rok van haar rose katoenen jurkje, waar een rand
+borduursel van wel een hand-breedte tusschen gezet was.
+
+„’t Is kolossaal,” lachte Opa, z’n kleindochter aan een van haar blonde
+krullen trekkend. „Je zult me nog heelemaal over ’t hoofd groeien,
+meiske!”
+
+Maar daar was Ineke niet bang voor.
+
+’t Piepend knarsen van een kruiwagen deed hen allebei tegelijk omzien.
+Harmen, de besteller, kwam hun met den koffer achterop gereden.
+
+„Dag, burgemeester, dag jongejuffer! Doar kom ik al an met de
+pakkoazie! Werm weerke, hé?” De stralen gutsten den goeden man langs ’t
+voorhoofd.
+
+„Harmen, jongen, kalm aan maar. Zoo’n haast is er niet bij. Zeg maar
+aan Sien, dat ze je zoo-met-een een flinken kop koffie geeft.”
+
+„Asteblief, burgemeester,” en Harmen reed hun na een tikje aan zijn pet
+voorbij.
+
+„Kijk, daar heb je Bello en Fokkie! Zouden ze me nog herkennen? Dag
+jongens, dag brave honden!” riep Ineke tegen den taks en den kleinen
+fox-terrier, die den weg kwamen afgerend en toen als bezetenen om den
+baas en ’t kleine meisje heensprongen, blaffend, dat hooren en zien je
+verging.
+
+„Bedaard, bedaard toch! We zouden over jullie vallen. Foei, foei, wat
+een stof,” beknorde meneer Van West het tweetal, dat zich om strijd
+door Ineke liet aanhalen en toen ineens weer op ’t hek van „Eiken-rode”
+aanstoof, alsof ’t de komst van grootvader en kleindochter vast wilde
+aankondigen. Juffrouw Doortje, of Juf, zooals ze gewoonlijk genoemd
+werd, kwam tenminste dadelijk van achter de breede, groene voordeur te
+voorschijn en wuifde Ineke met den theedoek een vroolijk welkom toe. En
+Ineke zwaaide haar mandje en liep op een drafje naar haar toe:
+
+„Dag Juf, hoe gaat ’t met u? Wat zegt u er wel van: ik ben alleen naar
+hier gekomen!”
+
+„Wel, wel, en ik heb juist voor vier personen de koffietafel gedekt. Er
+is toch geen zwarigheid bij je thuis, dat Vader niet meekomt?”
+
+„O nee,” en Ineke legde gauw ’t geval uit, terwijl ze voorzichtig de
+roos uit haar knoopsgat nam en zich, geholpen door Juf, verder ontdeed
+van handschoenen, hoed en mantel in de koele, wit-marmeren vestibule.
+„Hè, wat is ’t hier lekker,” zei ze handenwasschend aan ’t fonteintje.
+
+Meneer Van West rekende intusschen met Harmen af, die, uitblazend op ’t
+keukenstoepje, zijn kom koffie zat te drinken.
+
+Een oogenblik later zetten ze zich aan tafel in de gezellige eetkamer,
+grenzende aan de serre vol bloeiende planten, waarvan de glazen deuren
+aan de tuinzijde wijd-open stonden. Een bouquet heerlijk-geurende
+lelietjes van dalen prijkte voor Ineke’s bord. Ze stak er de roos
+tusschen en rook aan de bloemen en Opa zei: „Die heeft Andries
+vanmorgen al voor je gebracht. Een paar er van zijn uit je eigen
+tuintje.”
+
+„O, hoe leuk! Heb ik er lelietjes in dit jaar?” juichte Ineke en een
+kleur van plezier overtoog haar bleek gezichtje.
+
+„’k Geloof, dat je eigenlijk wel een beetje moe bent, hè,” informeerde
+Juf en Ineke bekende:
+
+„’n Klein beetje wel, maar na de koffie moet ik rusten van den dokter.
+En als ik gerust heb, trek ik weer heelemaal bij, zegt Moes altijd,” en
+Ineke hapte dapper in haar boterham, want ze had toch honger, al voelde
+ze zich wat opgewonden en ze moest erg lachen om Bello en Fokkie, die
+niet bedelden, maar ieder op hun plaatsje aan weerszijden van ’t groote
+eikenhouten buffet, trillend van ongeduld zaten te wachten tot Sien hun
+uit de keuken hun eten bracht, waarop ze dadelijk gulzig aanvielen.
+
+„Ik wou, dat jij altijd zoo’n honger hadt,” zei Opa tot Ineke, maar ze
+liet zich niet onbetuigd! ’t Smaakte haar best na de reis en ze at vier
+dikke boterhammen en een ei en ledigde zonder zuchten haar grooten
+melkbeker, waar Juf een klein scheutje koffie door geroerd had.
+
+„En nu een, twee, drie mee naar boven. Ik zal je koffer wel uitpakken,
+dan ga jij maar vast op bed liggen. Ik heb ’t balkonkamertje voor je in
+orde gemaakt, dat vond Opa gezelliger voor je dan die groote
+logeerkamer,” zei Juffrouw Doortje, terwijl ze voor Ineke uit de trap
+opging. „Dit is nu, zoolang je hier bent, je eigen kamertje. Ik hoop
+dat je er netjes op zijn zult,” en Juf opende de deur van ’t
+vriendelijk-zonnige vertrekje met het lichte bloembehangsel, de rieten
+meubeltjes en ’t lage, Engelsche ledikant.
+
+Gijs had hier vroeger wel eens geslapen, maar Ineke nog nooit en ze nam
+zich dan ook voor, dat ’t er nooit rommelig uit zou zien. Op ’t
+balkonnetje, net groot genoeg om er met een stoel en tafeltje te kunnen
+zitten, bloeiden rose en witte geraniums in bakken en je hadt er een
+prachtig uitzicht over de korenvelden en de eerste schilderachtige,
+roodgelakte huisjes van het dorp.
+
+„Hè, wat is ’t hier toch heerlijk! U weet niet, Juf, hoe dòl ik ’t vind
+om hier te zijn,” zei Ineke, terwijl ze zich, na haar laarsjes te
+hebben uitgedaan, bovenop ’t bed liet ploffen, waarvan Juf eerst
+zorgvuldig de sprei had opgevouwen.
+
+„Dan zullen we maar hopen, dat je ’t hier aan ’t eind van de vacantie
+nog net zoo prettig vindt als nu,” en juffrouw Doortje bukte zich over
+den koffer en begon Ineke’s goed uit te pakken.
+
+„Kijk, Ien, je jurken zal ik in de muurkast ophangen en je ondergoed in
+’t kastje onder de waschtafel leggen. Je naaidoosje en leesboeken moet
+je straks maar zelf op je tafeltje schikken en je schoolboeken en
+schriften leg ik hier zoolang op den stoel bij je bed. Die kan je dan
+zelf mee naar beneden nemen en in ’t kastje in ’t spreekkamertje
+opbergen. Dan heb je ze altijd bij de hand.”
+
+„Ja, Juf,” antwoordde Ineke flauwtjes, want ze werd opeens heel
+slaperig en juffrouw Doortje, die ’t merkte, zei maar niets meer,
+bewoog zich muisstil door ’t vertrekje tot alles was opgeborgen.... Nog
+voor ze naar beneden ging was Ineke vast in slaap en toen Opa om drie
+uur heel zachtjes naar haar ging kijken, sliep ze nog. Hij liet haar
+stil liggen en ging zoolang in de serre zitten lezen, tot ze na een
+half uurtje, heelemaal opgefrischt, uit zichzelf naar beneden kwam.
+
+„Zoo, braaf opgepast hoor,” prees Opa, toen Ineke met een vuurrood
+kleurtje en een schoone schort aan naast hem stond. „Drink nu maar gauw
+je melk, dan krijg je van Juf een koekje en dan gaan we saampjes voor
+’t eten nog een beetje wandelen,” en Opa en Ineke togen er op uit.
+
+Even werd er een kort bezoek aan ’t tuinmanshuis gebracht, waar Aaltje,
+de vrouw van Andries, ijverig zat kousen te stoppen. Andries zelf was
+met zijn drie-jarig zoontje in den moestuin bezig. Keesje, een aardig,
+blond manneke met een blozend appelen-gezichtje en vervaarlijk kromme
+beenen, kroop eerst gauw achter zijn vader weg, maar werd toch al
+dadelijk vrijmoediger en Ineke moest van de jonge worteltjes en de
+aardbeien uit de bakken proeven en zien hoe mooi de bessen en frambozen
+stonden. En Andries vond ’t knap van haar, dat ze nog precies wist, hoe
+spinazie en postelein er uitzagen.
+
+„O Andries, nou heb ik de lijst met alles wat de jongens je te vragen
+hadden, boven op mijn kamertje laten liggen,” bedacht Ineke zich.
+
+„Da’s niks, kind, die krijg ik dan vanavond of morgen wel. ’k Heb ’t
+nou tòch te druk met den tuin, op ’t oogenblik. Ga liever effentjes mee
+na’ de kindertuintjes. ’t Jouwe is al heelemaal in orde,” en Andries
+rustte niet, voor meneer Van West en Ineke hem volgden heelemaal achter
+in den moestuin, waar vlak tegen de heg drie perkjes waren aangelegd.
+In het middelste, dat Ineke toebehoorde, bloeiden lelietjes,
+margrieten, primula’s en violen en het rozenstruikje in ’t midden droeg
+een menigte kleine knopjes. Bij Gijs en Duco was er nog niets bizonders
+te zien. Daar had Andries met opzet planten gezaaid, die pas later in
+den zomer zouden bloeien, juist als ze met de vacantie over waren.
+
+Ineke, opgetogen over haar tuintje, bedankte Andries hartelijk, plukte
+de mooiste viool af, die ze vinden kon, en stak die Opa in zijn
+knoopsgat en toen gingen ze samen op weg, achtervolgd door Bello en
+Fokkie, die zoo gauw ze den baas en Ineke ’t hek van „Eiken-rode” zagen
+uitgaan, hen luid-blaffend achterna stoven. De wandeling leidde naar ’t
+dorp, waar Opa even op ’t raadhuis wezen moest en dan zouden ze langs
+de mooie, nieuwe villa van dokter Wilminck naar huis terug wandelen. De
+familie Wilminck woonde nog niet lang in ’t dorp, maar Ineke wist toch,
+dat er een meisje en een jongen van haar leeftijd waren. Freda en Hans
+heetten ze, en mevrouw Wilminck had tegen meneer Van West gezegd, dat
+ze hoopte, dat hij eens met zijn kleindochtertje aan zou komen. Ineke
+zou misschien een goed vriendinnetje voor Freda zijn, die hier in ’t
+dorp tot haar groote spijt zoo weinig kennisjes van haar eigen leeftijd
+had. Wiesje van den dominé was wel drie jaar ouder en met Greta en
+Leentje van den notaris, die een klasse lager zaten bij haar op school,
+kon Freda niet al te best overweg.
+
+’t Trof heel toevallig, dat Opa en Ineke, toen ze langs „De Merel”—zoo
+heette dokter Wilminck’s villa—kwamen, de doktersfamilie juist in den
+voor-tuin op ’t grasveld zagen zitten. Meneer Van West groette en
+ineens kwam er een meisje in een rood-katoenen jurk naar ’t hek hollen
+en een hoog, schel stemmetje riep:
+
+„Dàg! Zeg, ben jij op „Eiken-rode” gelogeerd? Hè toe, meneer, mag ze
+even meekomen, dan kunnen we vast kennismaken!”
+
+En nog voor dat Ineke goed en wel wist, wat er gebeurde, had ’t vreemde
+meisje met de groote, donkere oogen en ’t kortgeknipt zwarte haar, haar
+meegetroond naar de theedrinkende familie op ’t grasveld. Meneer Van
+West volgde glimlachend met Bello en Fokkie achter zich aan en mevrouw
+Wilminck liep haar onverwachte gasten tegemoet, duizend
+verontschuldigingen makend over het „ongepaste” optreden van haar
+dochtertje.
+
+„Maar ziet u, burgemeester, Freda was ook zoo verlangend met uw
+kleindochter kennis te maken, want meester Hoogstra heeft verteld, dat
+ze bij Freda in de klas komt te zitten. Wel, en hoe heet je?” vroeg
+mevrouw Wilminck, zich tot Ineke wendend.
+
+„Ina van West, mevrouw, maar ik wordt meestal Ineke genoemd,” zei
+Ineke, mevrouw een hand gevend en vervolgens handen schuddend met den
+dokter en met Hans, Freda’s jongere broertje, dat net zulke donkere
+oogen had.
+
+„En ik heet eigenlijk Frédérique, maar ze zeggen altijd Freda tegen me.
+Ik vind ’t leuk, dat je hier op ’t dorp gelogeerd bent. Den heelen
+middag heb ik al naar je zitten uitkijken,” en Freda trok Ineke naast
+zich op de witte tuinbank, terwijl de dokter voor meneer Van West een
+grooten rieten leunstoel aanschoof en Hans tusschen Bello en Fokkie in
+op ’t gras ging zitten, ’n arm om elken hond.
+
+„’t Spijt me, dat ik geen thee meer heb. Als u even geduld hebt, zet ik
+nieuwe,” bood mevrouw aan, maar meneer Van West beweerde slechts even
+tijd te hebben:
+
+„Dank u wel. ’t Is heel vriendelijk, maar Ineke en ik moeten om zes uur
+aan tafel zijn, anders krijgen we brommen van Juffrouw Doortje. We
+kunnen maar eventjes. Een ander maal héél graag.”
+
+„Hè, Ma, Mààtje! Toe, laten we dan ineens een dag afspreken, dat Ineke
+hier op visite komt,” smeekte Freda, terwijl mevrouw Ineke de
+koekjestrommel voorhield.
+
+„Hè ja, dan kunnen we roovertje spelen. Fijn!” viel Hans opgewonden
+bij, maar hun vader sprak bedarend:
+
+„Stil nu toch eens jullie allebei! Meneer Van West heeft me verteld,
+dat Ineke pas een heelen tijd ziek geweest is, ’s morgens alleen naar
+school gaat en ’s middags een paar uur moet rusten, omdat ze zich nog
+niet te veel mag vermoeien.”
+
+„Ja, ze is niet voor haar plezier bij me,” plaagde meneer Van West.
+
+„O, maar dan mag ze toch ’s middags wel komen als ze gerust heeft en
+bij ons blijven eten. Woensdagmiddag bijvoorbeeld. Wij zorgen er dan
+wel voor, dat ze niet te laat thuiskomt, of u komt hier ’s avonds als
+’t mooi weer is theedrinken en neemt zelf u kleindochtertje weer mee,”
+stelde mevrouw voor.
+
+„Hè ja, hè ja,” juichten Freda en Hans en meneer Van West zei lachend:
+„Nu Ien, wat denk je er van? Zullen we dat dan maar aannemen?”
+
+„O, Opa, ik wil wàt graag!” Ineke kreeg een kleurtje van opgetogenheid,
+want ze had er dadelijk dolle lust in. Freda en Hans leken haar erg
+aardig en hun ouders waren zoo hartelijk en vriendelijk, dat Ineke zich
+al heelemaal op haar gemak voelde en toen ze een oogenblik later met
+Opa naar huis wandelde, nadat ze zich wel drie maal had omgekeerd om
+Freda en Hans, die bij ’t hek stonden, toe te knikken, zei ze tot
+meneer Van West:
+
+„’t Is net, of ik ze al veel langer ken!”
+
+„Ja, jullie waren dadelijk op dreef samen en dat doet me veel plezier,
+want zoo heelemaal zonder kennissen van je eigen leeftijd zou ’t op
+„Eiken-rode” een saaie partij voor je worden op den duur.”
+
+„O, nee, Opa! Dàt moet u niet zeggen. Ik heb u toch. U blijft toch
+altijd mijn beste kameraad,” en Ineke’s handje kroop gauw weg in Opa’s
+groote hand.
+
+ ⁂
+
+Het was half Juni en op een enkelen regendag na altijd mooi weer
+geweest, zoolang Ineke op „Eiken-rode” logeerde. Ze zag er dan ook zoo
+gezond uit, dat ’t een lust was. Heelemaal bruingebrand door de zon en
+daarbij at ze uitstekend, ondanks de zes groote glazen melk, die ze nog
+steeds drinken moest van dokter Wilminck. Maar ’t drankje was
+afgeschaft en ’t rusten na de koffie tot drie kwartier ingekrompen, tot
+Ineke’s groote vreugd. Vader, die den vorigen Zondag overkwam, beweerde
+zijn dochtertje bijna niet meer te herkennen, zóó goed zag ze er uit.
+
+„En hoe gaat ’t op school? Is meester Hoogstra tevreden en zou je
+overgaan?” was een van zijn eerste vragen.
+
+„O, ja, ’t gaat best. Eerst was ’t natuurlijk nog wat vreemd, maar nu
+ben ik heelemaal gewend. Met rekenen had ik in ’t begin wel moeite,
+maar met taal en aardrijkskunde was ik vóór en met Fransch ben ik nu
+heelemaal gelijk met mijn eigen school. Meester Hoogstra geeft heel
+prettig les,” vertelde Ineke en toen ze meester Hoogstra op de
+wandeling tegenkwamen had hij Ineke’s vader aangesproken en gezegd, dat
+zijn leerlingetje zoo haar best deed en er stellig komen zou, als ze
+zoo voortging.
+
+Vader vond ’t prettig, dat hij zulk goed nieuws mee naar huis kon nemen
+en als belooning zond Moeder een paar dagen later bij de nieuwe jurk,
+die ze met de huisnaaister gemaakt had, een groote doos pralines, die
+Ineke met Freda en Hans Wilminck in één enkelen middag soldaat maakte.
+Ze zag haar nieuwe vriendjes veel. ’s Woensdags en Zaterdags kwamen ze
+geregeld bij elkaar op „De Merel,” of op „Eiken-rode,” hoewel juffrouw
+Doortje wel eens zuur keek als de serre en de vestibule vol ingeloopen
+zand lagen, de stoelen schots en scheef door de beneden-kamers zwierden
+en er telkens glaasjes limonade of kopjes thee omvielen. Mevrouw
+Wilminck bleek in dit opzicht gemakkelijker en Ineke was er versteld
+van, zooveel vrijheid als Freda en Hans gewend waren. Die mochten nu
+letterlijk alles! Klom Freda bijvoorbeeld in een boom en scheurde ze
+haar jurk, dan kreeg ze niet eens een standje.
+
+„Je moet ’m tòch dragen,” zei haar moeder alleen en dan werd de scheur
+zoo goed mogelijk door de oude kindermeid gestopt en Freda liep weer
+vroolijk met haar verstelde jurk rond. ’t Kon haar niets schelen hoe ze
+er uitzag. Ze was een echte wildebras en soms vreeselijk ongehoorzaam,
+maar toch mochten de meeste menschen haar, omdat ze zoo eerlijk en
+goedhartig was. Hans, iets kalmer van aard, hield veel van lezen, net
+als Ineke, en kon uren met een boekje in een hoekje zitten. Freda
+daarentegen vond alle verhaaltjes en sprookjes „vervelende nonsens,
+waar je tòch niets aan hadt,” en maakte liever keukelkunsten aan rek en
+ringen. Heel lenig was ze en ze kon harder loopen dan alle jongens uit
+haar klasse en hoewel haar vader ’t volstrekt niet hebben wilde,
+fietste ze, als ze even haar kans schoon zag, als een bezetene op haar
+fiets den dorpsweg af en had een pret van belang, als iedereen
+verschrikt voor haar op zij stoof. Ze hield veel van bloemen en dieren
+en zat, als ze bij Ineke op visite kwam, geregeld met Fokkie en Bello
+op schoot, tot verontwaardiging van juffrouw Doortje, die er maar niets
+meer van zei, nadat ze Freda een paar maal gewaarschuwd en tot antwoord
+gekregen had: „O, ze mogen best. Mijn jurk kan gewasschen worden!”
+
+De keurige juffrouw Doortje had niet erg met Freda op en liet altijd
+duidelijk blijken, dat ze Hans veel aardiger vond, maar Ineke vond
+Freda „’t leukste kind, dat ze kende.”
+
+„Ik moet zoo vreeselijk om haar lachen, Opa, en ze is zóó goedig! Alles
+geeft ze weg en ze helpt me altijd met mijn sommen. Dat mág ze van
+meester Hoogstra. Kijk eens, deze grappige, glazen penhouder met dat
+vischje er in heb ik van haar gekregen. ’k Wou ’m eerst heelemaal niet
+hebben, maar ik mòest ’m aannemen. Ze zeurde net zoo lang, tot ik ’t
+deed en nu heb ik haar bloemen uit mijn tuintje gebracht,” vertelde
+Ineke op een avond aan meneer Van West, die ’t kleine, wilde meisje,
+met haar groote, donkere oogen graag lijden mocht en altijd partij voor
+haar trok, als Juf iets minder aardigs van haar zei. Freda, op haar
+beurt, was erg op meneer Van West gesteld, noemde hem soms voor de grap
+ook Opa, maar Juf vond ze „een ouwe zeur” en Ineke zat dikwijls in
+angst, dat Freda brutaal tegen haar zijn zou. Gelukkig was dat echter
+nog niet voorgekomen en beloofde Freda telkens:
+
+„O, wees maar gerust, ik zàl niks zeggen. ’t Heele mensch kan me niks
+schelen. ’t Is een spóók! Maar je grootvader wil ik geen verdriet doen
+als jij zegt, dat hij ’t naar vindt, als ik onaardig tegen haar ben.
+Jou Opa is een snoes van een man. Ik wou, dat ik ook zoo’n grootvader
+had.”
+
+En Ineke, die ’t altijd zoo heerlijk vond, als ze merkte, hoeveel de
+menschen van hem hielden, had beweerd:
+
+„Opa vind jou ook aardig, hoor, en hij is blij dat ik, nu ik jou hier
+heb, niet zooveel meer lees als vroeger. Hij zei altijd, dat ik er een
+ronden rug en een suf hoofd van kreeg.”
+
+„Natuurlijk,” lachte Freda, „al dat malle gelees over dingen, die toch
+nooit gebeurd zijn!”
+
+Maar daar was Ineke ’t niet mee eens. Ze vond lezen nu eenmaal
+heerlijk, doch de twee kleine meisjes, hoe verschillend van aard ook,
+waren toch een heele aanwinst voor elkaar. Meneer Van West zei wel
+eens, dat een paar zusjes niet beter met elkaar over weg zouden kunnen
+dan Ineke en Freda, want ze kibbelden zelden samen en hadden bijna
+altijd pret. Misschien wel een beetje te veel! Als Opa geweten had, dat
+’t schoolwerk er onder begon te lijden en Ineke in de afgeloopen week
+twee maal een les niet kende en van de vijf sommen, die ze voor
+huiswerk opkreeg, er maar twee goed maakte, zou hij zijn kleindochter
+niet geprezen hebben. Gelukkig, dat hij de laatste dagen meester
+Hoogstra niet gesproken had, dacht Ineke, die eigenlijk heelemaal niet
+tegen een prijsje kon, want sinds de doos met pralines, die Moeder
+stuurde, had ze ’t er met ’t leeren maar zoo’n beetje op aan laten
+komen. ’t Ging immers goed en nu zou ’t vanzelf wel zoo blijven gaan.
+Maar, o, lieve help, wat viel dàt tegen! Zonder dat ze ’t zichzelf
+bekennen wilde, merkte ze wel, dat ze, als ze niet haar uiterste best
+deed, dadelijk achter raakte met die halve schooldagen. Ze maakte
+zichzelf echter wijs, dat ze een ongelukkige bui had gehad en dat die
+wel weer voorbij zou trekken. Iedereen kende wel eens z’n les niet en
+die sommen waren ook zoo lastig. Doch ze keek gauw voor zich, toen
+meester Hoogstra haar op een morgen over zijn bril heen aanzag en
+hoofdschuddend zei, terwijl hij haar sommenschrift teruggaf:
+
+„Ineke, Ineke, je werkt niet meer zoo goed als in ’t begin!”
+
+Nu, met de komende repetitie, zou ze haar schade inhalen, had ze zich
+vast voorgenomen. Dan bracht ze toch nog wel een tamelijk goede lijst
+mee aan ’t eind van de maand, want anders zou Opa er verdriet van
+hebben en Opa verdriet doen, dat wòu Ineke niet. Den heelen
+Woensdagmiddag ging ze hard op haar aardrijkskunde leeren en de
+moeilijke sommen nog eens overdoen. Dan zou ze er zich Donderdag wel
+goed doorheen slaan.
+
+Woensdagmiddag kwam en Ineke zat nog met Opa en Juf aan de koffie, toen
+Freda onverwachts binnenstapte:
+
+„Dag meneer, dag Juf, dag Ien! Zeg, ik kwam daarnet op den weg Andries
+tegen. Hij gaat hooi halen op ’t land en we mogen mee terug rijden op
+de volle kar, als Opa ’t goed vindt.”
+
+„We mogen wel, hé Opa? We zijn gauw weer terug!”
+
+„Ja, kinderen, gaan jullie je gang maar. Maar moet je niet eerst je
+aardbeien opeten, Ineke? Zoo gauw zal de kar niet opgetast zijn. Juf,
+geeft u Freda ook maar een portie,” zei meneer Van West met een
+knipoogje, en nadat ze ieder volop gesmuld hadden van de heerlijke
+vruchten, die dat jaar zoo overvloedig in den moestuin groeiden, toog
+het tweetal op weg, dwars de velden door naar de weide, waar Andries
+aan ’t hooien was. De kar stond nog maar half opgetast, zoodat ze een
+poosje in een groote hoop hooi midden in de wei gingen liggen tot ze
+geheel was opgeladen. Toen hielp Andries de beide meisjes vlug naar
+boven klimmen.
+
+„’t Lijkt wel een bed,” lachte Ineke, terwijl ze zich languit naast
+Freda uitstrekte, maar Andries zei:
+
+„Voorzichtig jullie! En je vasthouën an ’t touw, hoor, dat ik er over
+gespannen heb, anders zou je d’r wel ’s af kunnen schieten.”
+
+Maar zoo’n vaart liep ’t niet. ’t Oude paard kon de zware vracht
+slechts langzaam trekken, zoodat ’t niet veel harder dan stapvoets naar
+„Eiken-rode” terug ging. Toch was ’t heerlijk en zouden de
+vriendinnetjes er volstrekt geen bezwaar tegen gehad hebben, als de
+tocht wat langer geduurd had. Ineke, met de beste plannen voor de
+repetitie van den volgenden morgen bezield, stelde bij haar thuiskomst
+echter dadelijk voor:
+
+„Zeg, zullen we nu samen de plaatsen aan de groote rivieren repeteeren?
+’k Heb mijn atlas in ’t spreekkamertje liggen.”
+
+Maar Freda schudde beslist haar donker hoofdje.
+
+„Kan je begrijpen! Nee, hoor, ’t is veel te warm om te leeren. ’k Zal
+’t vanavond of morgenochtend voor ’t ontbijt nog wel ’s nakijken.”
+
+„En weet je de som van die Kilogrammen en Hectogrammen nog goed? Die
+vond ik laatst zoo moeilijk,” hield Ineke vol.
+
+„O, daar is niks an. Misschien krijgen we zoo’n soort som heelemaal wel
+niet. Zeur niet over die nare repetitie en laten we nu pret hebben.
+Dáár is je vrije Woensdagmiddag toch voor,” en ze vervolgde, met een
+arm om Ineke’s schouder: „Zeg, Ien, weet je wat we moesten doen?”
+
+„Nou, wat dan?”
+
+„Een leuk tochtje maken! Achter ’t weiland, waar de eikenboschjes
+beginnen, maakt de beek ’n groote bocht en een eind verderop weet ik
+een plek, die gewoon bláúw ziet van de vergeet-mij-nietjes. In de
+boschjes zelf wemelt ’t van de kamperfoelie, ’k heb er een paar dagen
+geleden al bossen vandaan gehaald met Hans. Laten we nu met ons beidjes
+een reuzenbouquet voor Opa gaan plukken. Hij houdt er dolveel van, want
+laatst, toen ik een takje gestoken had op ’t borduursel van m’n jurk,
+om eens echt te genieten van de lekkere lucht, zei Opa, dat hij ook
+geen enkele bloem wist, die zóó lekker ruikt als kamperfoelie!”
+
+„Maar ’t is al over tweeën en ik wou m’n repetitie graag goed maken,”
+aarzelde Ineke.
+
+„Dan kijk je vanavond je boel nog eens na. Heusch, zoo’n repetitie is
+zoo erg niet. ’t Is enkel rekenen en aardrijkskunde morgen. Je komt er
+best klaar mee, als je dadelijk na ’t eten begint en desnoods sta je
+morgen een half uur vroeger op, dan zit ’t er allemaal versch in. Dat
+doe ik ook altijd. Kom, ga nou mee!”
+
+En Ineke, die er toch eigenlijk erge lust in had, zwichtte en ging uit
+de vestibule haar grooten stroohoed halen. Ze hield er niet van lang
+achtereen blootshoofds door de brandende zon te loopen, zooals Freda,
+die alleen Zondags een hoed droeg. Juist kwam Juf met een stapel schoon
+servetgoed de trap af.
+
+„Zoo, zijn jullie terug? Was ’t prettig? Maar wat is dàt, ga je nu wéér
+uit, Ineke, en je hadt toch gezegd, dat je zooveel te leeren hebt voor
+morgen!”
+
+„O, dat doe ik vanavond wel,” zei Ineke zoo luchtig mogelijk.
+
+„’t Is pas overmorgen repetitie,” jokte Freda er gauw achter aan.
+
+„Je moet ’t zelf maar weten, maar geen minuut later dan kwart voor acht
+is ’t bedtijd vanavond hoor! Je hebt vanmiddag niet gerust na de koffie
+en gisteren en eergisteren ook niet. Als je daar ’t handje mee licht,
+moet je ’s avonds maar eerder naar bed,” zei juffrouw Doortje streng.
+
+Ineke mompelde iets onverstaanbaars.
+
+„Als je maar zorgt bij tijds thuis te zijn, want Sientje moet naar haar
+naaikrans en dan kan er niet later dan kwart voor zes gegeten worden.
+Goed begrepen?”
+
+„Ja, Juf,” en Ineke holde Freda achterna, die bij ’t hek op haar stond
+te wachten.
+
+De beide meisjes zetten er dadelijk flink den pas in, ondanks de groote
+warmte, want des te eerder waren ze op den breeden straatweg, waar ’t
+onder de hooge olmen veel koeler was. Toen ze dien voor een gedeelte
+gevolgd hadden, sloegen ze af naar de wei, waar heel aan ’t einde de
+beek haar bocht maakte.
+
+„Oef, wat is ’t warm, hier,” zuchtte Ineke, met haar hoed op haar neus.
+„Freda, hoe houd jij dàt uit, met je bloote hoofd in de zon!”
+
+„O, ’t is maar eventjes. ’k Kan er best tegen. Straks, als we bij de
+beek zijn, doen we onze schoenen en kousen uit en gaan lekkertjes door
+’t water loopen. Zóó komen we ’t best bij de vergeet-mij-nieten. Hans
+en ik doen ’t dikwijls op warme dagen.”
+
+„Hè ja, net als in Scheveningen,” stemde Ineke grif toe, en zoo gauw ze
+aan de bocht kwamen, waar ’t beekje de wei verliet en midden tusschen
+de lage eiken-boschjes door stroomde, zetten ze zich in ’t gras om hun
+schoenen en kousen uit te trekken.
+
+„Zie je, ’t is hier ’t makkelijkste plekje om er in te komen. Verderop
+bij de boschjes zijn er zooveel braamstruiken en boomstronken, waar je
+je voeten aan bezeert. Leg je kousen en schoenen maar naast de mijne,
+dan doen we ze straks hier weer aan en hoeven er niet aldoor mee rond
+te sjouwen. Doe’t maar gerust, hoor, er komt toch geen mensch. Ziezoo,
+daar ga ik,” en Freda liet zich handig langs den tamelijk steilen oever
+in ’t water. „Zalig,” juichte ze, haar rokken hoog opsjorrend, „kom
+Ien, geef me maar ’n hand,” en ze hielp Ineke, die ’t toch wel een
+beetje ongewoon en griezelig vond, te water. „Ik zal wel voorop gaan!
+Ik weet hier precies alle plekjes. Hou daar aan ’t eind van de bocht je
+rokken goed hoog op, want daar gaan we er wel tot onze knieën in.
+Verderop is ’t weer heel ondiep. Toe, kijk niet zoo angstig! Je zult
+niet verdrinken,” plaagde Freda.
+
+„Maar ik bèn heelemaal niet bang. Ik vind ’t juist heerlijk,”
+verzekerde Ineke, die na de eerste stappen in de beek geheel op dreef
+raakte en vol vertrouwen waadde ze achter Freda aan, door de diepe
+plaatsen.
+
+’t Was werkelijk een verrukkelijk tochtje, vooral verderop, waar in de
+lage boschjes aan den oever een paar nachtegalen hun hoogste lied
+zongen. De een antwoordde telkens den ander. „Je zult ze niet veel meer
+horen. Ze scheiden er nu gauw uit met zingen,” fluisterde Freda, en de
+beide meisjes bleven even staan om te luisteren. Vlugge waterspinnen
+huppelden vroolijk over de oppervlakte van ’t beekje en vluchtten
+ijlings naar de kanten als Freda en Ineke plonsend naderden, en een
+paar prachtige blauwe libellen dartelden voor hen uit.
+
+Ineens gaf Ineke een schreeuw van verrukking, toen ze tegen een der
+oeverkanten een plekje ontdekte, dat vol vergeet-mij-nieten stond.
+
+„Wat ’n boel!” jubelde ze, er met volle handen van plukkend, „en wat
+zijn ze groot! Kijk, deze hebben rose knopjes bovenaan.”
+
+„Verderop staan er nog veel meer. Kijk daar eens, daar bloeit
+kamperfoelie en daar wilde spirea en valeriaan. Valeriaan heeft ’n naar
+luchtje, maar ’t zijn zulke mooie bloemen. Ik doe er toch een paar in
+mijn bouquet. De kamperfoelie ruikt zoo sterk, dat je ’t vieze luchtje
+haast niet merkt,” beweerde Freda, maar Ineke wilde ze niet hebben.
+
+„Daar zijn genoeg andere bloemen,” zei ze, een paar witte doovenetels
+afplukkend, en meteen schrikte ze vreeselijk van een konijntje, dat uit
+de struiken boven haar hoofd wegsprong.
+
+Freda lachte dat ze schaterde, en Ineke lachte mee.
+
+„Dat zal nog wel ’s meer gebeuren,” plaagde Freda. „Er zijn hier een
+hóóp konijnen en laatst hebben Hans en ik hier in de buurt een egel
+gevangen. Hij rolde zich als een bal op en zette al zijn stekels
+overeind, toen Hans hem pakken wou, maar toen hebben we ’m heel
+voorzichtig in een zakdoek gerold, zoodat hij ons niet steken kon, en
+’m zoo mee naar huis genomen. Vader zei, dat egels zooveel van melk
+houden en daarom gaven we ’t beest dadelijk een schoteltje vol, maar
+hij bleef als een bal liggen en taalde er niet naar, en den volgenden
+morgen, toen we ’t zij-hokje van ’t groote kippenhok opendeden, was
+meneer verdwenen en ’t schoteltje leeg! We denken, dat hij zich onder
+’t hok doorgegraven heeft.”
+
+„Hè, hoe jammer; hadden jullie ’m niet graag willen houden?” vroeg
+Ineke, maar Freda beweerde er niet rouwig om te zijn.
+
+„Och, eigenlijk heb je toch niks aan zoo’n beest, dat alleen maar
+steken kan en muizen vangen. Misschien was hij op den duur wel tam
+geworden, maar buiten in de bosschen hebben ze toch een veel prettiger
+leven. Hè, ik wou, dat ik ook altijd in de bosschen kon zijn! Vroeger
+toen we nog in de stad woonden, had ik lang niet zoo’n schik in mijn
+leven als hier. Alleen had ik dáár vriendinnetjes, maar sinds jij hier
+bent, mis ik die niet meer,” en Freda, even stilstaande, schopte naar
+een groote spin, zoodat de fonkelende waterdruppels hoog opspatten.
+
+„Kind, je jurk drijft! Pas op, je maakt mij ook nat,” waarschuwde Ineke
+verschrikt en lachend tegelijk.
+
+„O, dat droogt in een wip, maar we zullen nu langzamerhand maar
+omkeeren, want we moeten dat heele eind nog terug, en eer jij goed en
+wel op „Eiken-rode” bent, zal ’t wel vijf uur zijn. Dan kan je je nog
+net verkleeden en een beetje leeren,” en met bloemen beladen zochten de
+beide meisjes de plaats weer op, waar ze hun kousen en schoenen hadden
+achtergelaten.
+
+„Ziezoo, nu leggen we onze bloemen tegen den kant, met de stelen in ’t
+water en gaan zelf in ’t gras zitten. Dan laten we de zon op onze
+beenen schijnen. Je zult eens zien hoe gauw we droog zijn,” zei Freda
+en ze scharrelde ’t water uit tegen den oever op, reikte Ineke een hand
+en trok haar op ’t droge. Toen strekten ze zich naast elkaar in ’t gras
+uit.
+
+„O, wat is ’t warm, nu we weer uit ’t water zijn,” zei Ineke, haar hoed
+over haar oogen trekkend, maar Freda vond ’t heerlijk en liet zich
+stoven.
+
+„Als je maar niks hoeft uit te voeren is ’t wàt lekker,” zuchtte ze
+lui.
+
+Plotseling klonk er een dof gerommel in de verte.
+
+„Hoor je dat; ’t gaat onweeren,” zei Ineke ongerust en ze kwam dadelijk
+overeind, maar Freda antwoordde:
+
+„Geeft niks! We zijn niet zoo ver van ons huis en de bui is nog ver
+af.”
+
+Maar toen ’t voor de tweede maal rommelde en kort daarop een felle
+bliksemstraal de lucht doorkliefde, haastte ze zich toch, evenals
+Ineke, om zoo spoedig mogelijk haar kousen en schoenen aan te krijgen
+en op een drafje holden ze met hun bloemen de wei door. Juist toen ze
+den straatweg bereikt hadden, vielen de eerste regendruppels. Het werd
+een stevige plasbui en hun dunne jurken waren in een oogenblik
+doorweekt. Freda’s korte haren hingen in druipende piekjes om haar
+hoofd en van Ineke’s hoed gutste het water in stralen omlaag.
+
+„We zien er uit als een paar verdronken katten,” lachte Freda, maar
+Ineke keek bedrukt, want ze zag wel op tegen ’t standje van Juf, dat ze
+zeker krijgen zou en dan.... de repetitie.
+
+„Ben je mal, je gaat natuurlijk met mij mee. We zijn nu vlak bij „De
+Merel” en vóór jij thuis bent, zie je d’r uit, of je heelemaal in ’t
+water gelegen hebt. Dan zal je die vervelende zeur van ’n Doortje ’s
+hooren,” waarschuwde Freda, toen haar vriendinnetje links inplaats van
+rechts wilde afslaan en zuchtend besloot Ineke daarop maar met Freda
+mee te gaan. ’t Was ook zóó’n weer.
+
+„Kijk, daar heb je onze vagebonden! Moeder, je mag ze wel dadelijk
+droog goed geven,” riep dokter Wilminck tegen zijn vrouw, toen hij van
+uit de serre het tweetal zag aankomen.
+
+„Kinderen, kinderen, wat zien jullie er uit! Maar wie had ook gedacht,
+dat ’t zóó zou gaan onweeren en regenen! Freda, kind, je lijkt wel een
+natte poedel,” lachte mevrouw Wilminck en ze joeg de beide druipende
+meisjes voor zich uit naar boven, waar ze op de badkamer ieder een
+schoon pak aankregen, na duchtig met ruige handdoeken te zijn
+drooggewreven.
+
+Toen ze beneden kwamen hadden dokter Wilminck en Hans juist
+gloeiend-heete thee ingeschonken en terwijl Freda en Ineke zich deze
+goed lieten smaken en de halve koekjestrommel leeg aten, moesten ze
+vertellen van hun tocht door de beek en werden Freda’s bloemen in een
+wijde Keulsche kan geschikt, die een eereplaats kreeg op de serretafel.
+
+„Die van Ineke heb ik apart in den gieter gezet. Kijk ze ’s opstijven,”
+wees Hans, die ’t jammer vond, dat hij den tocht ook niet had
+meegemaakt.
+
+„Hoe laat is ’t al, mevrouw,” informeerde Ineke na een oogenblik en ze
+keek bedenkelijk naar buiten, waar ’t nog steeds plasregende.
+
+„Kwart over vijf, kindje. Wat is er, wou je naar huis? Maar ’t is zoo’n
+weer! Daar kan je niet door. Weet je wat, je blijft hier eten en ik
+telefoneer zoo dadelijk even naar je Grootvader.”
+
+„’t Is erg vriendelijk van u en.... en ik zou ook heel graag blijven,
+maar, ziet u.... ik, ik moet mijn aardrijkskunde en een paar moeilijke
+sommen nog nazien voor de repetitie van morgen,” stotterde Ineke.
+
+„O, dat kan je hier ook wel doen. Freda heeft immers dezelfde boeken,”
+zei dokter Wilminck luchtig en Freda, die Ineke wel erg overdreven
+vond, maar zag hoe ze er over in zat, ging goedig haar tasch halen.
+
+„Hier kind, hier heb je alle geleerdheid bij mekaar, behalve mijn
+atlas, want die kan er niet in.”
+
+„Leer jij dan aardrijkskunde zónder atlas,” vroeg Ineke verwonderd.
+
+„O ja, haast altijd! Dan zoek ik op school, vóór de les begint nog wel
+gauw de voornaamste dingen op.”
+
+„Freda, Freda, dat is weer net iets voor jou. Hoe is ’t mogelijk!”
+
+Mevrouw schudde haar hoofd, maar Freda liep, lachend haar schouders
+ophalend, naar de telefoon, die juist belde.
+
+„’t Is meneer Van West. Hij vraagt of Ien hier is. Komt u even,
+Moeder,” vroeg ze en mevrouw Wilminck haastte zich naar ’t toestel.
+
+Meneer Van West was blij te hooren, dat zijn kleindochter veilig op „De
+Merel” zat en vond ’t uitstekend, dat ze daar bleef eten. Hij zou haar
+zelf tegen half acht komen halen, als ’t weer opklaarde en anders werd
+Ineke wel met de dokterssjees naar huis gebracht, ofschoon Vera—’t
+paard—dien dag nogal een grooten tocht achter den rug had.
+
+En zoo blééf Ineke dus, hoewel ze natuurlijk veel liever naar huis zou
+zijn gegaan, om daar op haar gemak te werken. Dadelijk na ’t eten, toen
+’t weer opklaarde en Freda en Hans den tuin introkken, kroop ze met
+Freda’s boeken en schriften in een hoekje van de serre. Ze sloeg het
+aardrijkskundeboekje open, maar ’t wilde niet vlotten.... Zònder atlas
+kon zij geen aardrijkskunde leeren. Ze begreep niet hoe Freda dat deed.
+’t Beste zou zijn morgenochtend vroeg op te staan, zonder dat Juf ’t
+merkte. Anders zou ’t uitkomen, dat ’t die dag repetitie was en niet
+pas de volgende, zooals Freda gejokt had, om haar vriendinnetje mee te
+krijgen.... Vervelend, dat alles zoo tegenliep. Ineke wou de schade zóó
+graag inhalen en met een niet àl te slechte lijst thuiskomen, aan ’t
+eind van de volgende week.... Dat nàre onweer ook! Als dat niet gekomen
+was, zat ze nu rustig op haar eigen balkon-kamertje. Dan kènde ze alles
+al bijna! Die aardrijkskunde was niet eens zoo moeilijk. Kom, nu maar
+aan de sommen! Maar Freda had ze zoo raar en slordig in haar schrift
+staan, dat ze er niet uit wijs kon, en er haar naar vragen wou Ineke
+niet. Freda was met Hans aan ’t stelten-loopen en dus heelemaal niet in
+een bui om sommen uit te leggen en Ineke, moe en knorrig op zichzelf,
+stopte zuchtend de boeken en schriften weer weg in de tasch en
+drentelde lusteloos den tuin in, verlangend naar Opa, die zich niet
+lang wachten liet gelukkig.
+
+Meneer Van West vond zijn kleindochtertje stil dien avond, vooral onder
+’t naar huis gaan, en maakte zich heusch een weinig ongerust, dat het
+tochtje in de beek niet dienstig voor haar geweest was en toen Ineke
+eindelijk in bed lag, bleef ze tegen haar gewoonte lang liggen woelen
+en tobben en eindelijk ingeslapen, droomde ze heel vermoeiend en
+verward van meester Hoogstra, die door de beek wandelde, van
+akelig-groote konijnen, die gezichten tegen haar trokken en van een lei
+met sommen, die niet wilden uitkomen....
+
+ ⁂
+
+Den volgenden ochtend werd ze pas bij zevenen wakker. IJlings vloog ze
+overeind en begon zich te wasschen en te kleeden. Haar haar was al
+uitgekamd toen Juf haar kwam roepen en ze kon „de plaatsen langs de
+groote rivieren in Nederland” gelukkig nog alle opzoeken en zich in ’t
+hoofd prenten.... maar de sommen schoten er bij in. Ze hoopte vurig,
+dat ze die moeilijke van de Kilo- en Hectogrammen niet zouden krijgen
+en dat ’t rekenen mee zou vallen. Dat kòn toch, trachtte Ineke zichzelf
+moed in te spreken, maar helaas, toen ze om tien minuten over twaalf
+uit school kwam, wist ze zèker, dat ze alles behalve gelukkig geweest
+was!.....
+
+Boven op haar kamertje, waar ze zich altijd ging opknappen voor ’t
+koffiedrinken, viel ze op een stoel neer en dacht na.
+
+De sommen gingen heelemaal mis.... Van de zes waren er twee goed en het
+laatste uur, toen ze voor de kaart moest komen, had ze zich vergist met
+de plaatsen aan de Boven- en Beneden-Merwede. Ook had ze Coevorden
+inplaats van Meppel aangewezen, maar gelukkig wist ze de plaatsen langs
+den Ouden Rijn zonder haperen te liggen. Daardoor was haar
+aardrijkskunde-cijfer voldoende geworden. Maar voor rekenen kreeg ze
+onvoldoende.... Dat stond als een paal boven water. Meester Hoogstra
+had ’t zelf gezegd. Ook vond hij haar taalwerk van de laatste weken
+zooveel minder en zoo slordig geschreven. Deze drie-wekelijksche lijst,
+hoewel met geen verdere „onvoldoendes” dan rekenen, zou er zéér, zéér
+magertjes uitzien.... Ineke durfde haast niet aan den komenden Zaterdag
+te denken, als Opa weten zou, hoe ze was achteruit gegaan. Wat zou hij
+er een verdriet van hebben en ze had hem juist een pleziertje willen
+doen met die bloemen, die frisch en geurig in een tinnen kan op zijn
+bureau prijkten. Opa had er haar zóó voor bedankt, maar Ineke wist heel
+goed, dat hij veel meer in zijn schik geweest zou zijn met een mooi
+rapport.... Trouwens, de bloemen waren volstrekt niet alleen de schuld
+van de slechte lijst. ’t Was den laatsten tijd alles maar: gauw, gauw
+gegaan om zooveel mogelijk met Freda te zijn. Zelfs ’t lezen was er de
+laatste weken bijna bij ingeschoten. Alleen Zondag toen ’t zoo regende,
+had ze den heelen middag verdiept gezeten in de sprookjes van Grimm en
+Andersen. O, als ze tenminste toen maar in plaats van te lezen, sommen
+gemaakt had, dan was die leelijke twee voor rekenen misschien nog een
+„min drie” of drie geworden. Doch nu was ’t te laat. Niets, niets viel
+er meer aan te doen en Zaterdag, als ze uit school kwam, zou ze Opa,
+die ’t in de verste verte niet vermoedde, die onaangename verrassing
+moeten bereiden.... Opa, die haar altijd plezier deed.... en thuis
+zouden ze ook zoo teleurgesteld zijn en o, als de directrice van haar
+school, aan wie de lijst altijd getoond werd, nu maar niet besloot haar
+nog een jaar in de vierde klasse te laten. Blijven zitten zou Ineke
+vrééselijk vinden.... De tranen sprongen haar in de oogen. Opa, en
+Vader en Moeder, alle drie zouden ze verdriet hebben door haar schuld!
+
+Nog één heelen dag hoefde niemand iets te weten. Morgen was ’t pas
+Vrijdag, bedacht Ineke en ze zuchtte even van verlichting, wischte de
+waterlanders weg en stond op, om haar handen te wasschen en een schoon
+schort aan te doen. Ze zou zich voorloopig nog maar heel gewoon houden
+en niets zeggen en toen de gong voor ’t koffie drinken door ’t huis
+klonk, liep ze op een holletje naar beneden en gedroeg zich, alsof er
+geen koudje aan de lucht was.
+
+„Ineke, kind, ik heb een verrassing voor je,” begon meneer Van West,
+zoo gauw ze aan tafel zat en hij zag zijn kleindochter lachend aan.
+
+Ineke bloosde tot achter haar ooren.
+
+„Een verrassing, Opa,” vroeg ze flauwtjes.
+
+„Ja, kind! Je wou immers zoo graag een poesje hebben? Nou, bij boer
+Staps op de Heikamp is een poes met zes allersnoeperigste kleintjes,
+zwarte, gevlekte en grijze. Zelden zag ik zoo’n mooi nest, maar
+natuurlijk kan Staps ze niet allemaal houden. Voor vier er van zoekt
+hij een baas en als je wilt, mag jij er een van hebben. Wat zou je
+zeggen, als we er vanmiddag, als je gerust hebt, eens samen op
+uitgingen en er een mee naar huis brachten,” en meneer Van West, niet
+anders denkend, dan Ineke, die al zoo lang naar een eigen poesje
+verlangde, een groot genoegen te doen, was hoogst verbaasd toen zijn
+kleindochter met een heel benepen stemmetje en neergeslagen oogen
+antwoordde:
+
+„Heel graag, Opa!”
+
+„Ineke, kind, wat is er? Scheelt er iets aan?”
+
+Juffrouw Doortje zag van achter ’t koffieblad nu ook met bevreemding
+naar Ineke, die zich ineens niet meer goed kon houden en in huilen
+uitbarstte. ’t Was te veel voor haar: Opa, die weer iets verzonnen had
+om haar plezier te doen, terwijl zij hem overmorgen door haar eigen
+schuld zóó zou moeten teleurstellen!
+
+Haar tranen stróómden, heesche snikken snoven door de kamer. Heelemaal
+over stuur raakte ze.
+
+„Kind, kindje toch! Toe, drink eens.” Juf ook al ongerust, was
+opgestaan om haar een glas water in te schenken en Opa’s goedig gezicht
+boog bezorgd over Ineke, die maar niet tot bedaren kon komen.
+
+„Kom, ga maar eens mee den tuin in. De lucht zal je goed doen,” en Opa
+troonde Ineke zacht mee naar buiten.
+
+Dáár, met kleine stapjes wandelend om ’t rozenperk naast Opa, die haar
+als een klein kindje bij de hand hield, bedaarde Ineke en begon, eerst
+nog snikkend, al vegend met Opa’s grooten zakdoek over haar behuild
+gezicht, maar van lieverlede toch wat kalmer, te vertellen van school
+en van de ongeluks-repetitie.
+
+Meneer Van West zei niets, maar luisterde oplettend naar Ineke’s
+verhaal, dat er met horten en stooten uitkwam, doch dat hij toch wel
+begreep.
+
+„Jongens, Ineke, wat spijt me dat! Wie had dàt nu kunnen denken! Had ’t
+me maar eerder verteld. Of zag je ’t eerst zelf niet zoo ernstig in,”
+vroeg Opa, toen Ineke zweeg.
+
+„Ik wist allang, dat dit rapport veel minder zou zijn, dan het vorige,
+maar.... maar ik had zóó gehoopt, dat ik tenminste voldoende voor alles
+zou krijgen.” Ineke’s roodbehuilde oogen zagen Opa smeekend aan en ze
+vervolgde: „Toe, Opa, verzin er iets op!”
+
+„Er iets op verzinnen? Als ik maar wist wàt! Ik kan helaas je slechte
+cijfers niet mooi maken. De eenige, die dat kan, ben jij zelf. Jij kunt
+zorgen, dat je rapport er de volgende maand beter uitziet! Maar weet
+je, wat ik doen kan? Ik zal vanmiddag naar meester Hoogstra gaan en
+eens met hem praten over de questie. We kunnen dan natuurlijk niet naar
+de Heikamp.”
+
+„Nee, en dat woù ik ook liever niet, Opa, want.... want ziet u, ik vind
+niet, dat ik het poesje verdiend heb. Ik.... ik moest er juist zoo om
+huilen, dat u altijd zoo lief voor mij bent.... en ik....” Ineke bleef
+steken en haar lippen begonnen op nieuw verraderlijk te trillen.
+
+„Kom, kindlief, nu niet wéér beginnen. Gauw je boterham opeten! ’t Is
+al kwart over een,” en Opa en Ineke traden door de openstaande serre de
+eetkamer weer binnen en Ineke, o zoo blij, dat ze nu niet meer met
+zoo’n bezwaard hart rond behoefde te loopen, at met smaak haar bord
+leeg en ging toen gedwee rusten.
+
+Dien middag tegen etenstijd keerde meneer Van West van zijn bezoek aan
+meester Hoogstra terug en Ineke, die met haar rekenboek en
+sommenschrift in de serre zat, vloog Opa tegemoet.
+
+„Ja, kindje, meneer Hoogstra was, net als jij me verteld hebt, heel
+ontevreden over je, maar ’t viel hem, geloof ik, nogal mee, dat je me
+alles eerlijk hebt opgebiecht. We hopen er nu iets op gevonden te
+hebben, waardoor je laatste rapport, dat je vijftien Juli met de
+vacantie meekrijgt, er weer goed uit zal zien, zoodat je op je eigen
+school zult kunnen overgaan. Je bent nu weer sterk en gezond en daarom
+vond meester Hoogstra ’t maar ’t best, dat je nu de laatste weken ook
+’s middags op school komt. Hij zal je wat extra-huiswerk opgeven en ’s
+middags na schooltijd moet je dan maar je drie kwartier rusten. Van
+spelen met Freda zal er nu wel niet veel kunnen komen, maar Freda moet
+ook harder werken, zegt meester Hoogstra. In de vacantie kunnen jullie
+dan je schade inhalen. Wat zeg je van dit plan?”
+
+Nu, Ineke was ’t er heelemaal mee eens en wàt blij, dat de kans om
+alles in ’t eind nog goed te maken niet verkeken was. Opa zond een paar
+dagen later het slechte rapport met een brief, waarin hij alles
+uitlegde, aan Ineke’s ouders....
+
+Heel veel antwoordden die er niet op, maar Ineke snapte toch wel uit de
+enkele zinnen, die zij er in hun brief-terug over schreven, dat ze zeer
+teleurgesteld waren en dat spoorde haar dubbel aan, op school haar
+uiterste best te doen. Ze ging er zelfs die laatste drie weken iets
+minder goed uitzien, maar den vijftienden Juli kwam ze stralend van
+opgetogenheid met een werkelijk bizonder mooie lijst bij Opa. Voor alle
+vakken had ze vieren en vijven en meester Hoogstra had er met
+duidelijke letters onder geschreven:
+
+
+ „Ondergeteekende verklaart, dat zijn leerlinge Ina van West met
+ vrucht het onderwijs op zijn school van den 10en Mei tot den 15en
+ Juli gevolgd heeft, zoodat er zijns inziens geen enkel bezwaar
+ bestaat, haar op haar eigen school tot een hoogere klasse te
+ bevorderen.
+
+ C. J. P. HOOGSTRA,
+ Hoofd-onderwijzer.”
+
+
+„Mooi zoo, Ien! Nu is de schade ingehaald! Nu kan je met hart en ziel
+van je vacantie genieten, als morgen Vader en Moeder met de broers
+komen,” en Opa omhelsde zijn kleindochter hartelijk.
+
+„Ik ben zóó blij, zóó blij,” juichte Ineke, „vooral omdat Freda ook
+overgaat. Ze heeft alleen een taak voor aardrijkskunde, maar dat komt,
+omdat ze nooit een atlas gebruikt. Ik zal er haar wel mee terecht
+helpen,” en Ineke rende van louter plezier met Bello en Fokkie achter
+zich aan den tuin in, overgelukkig dat alles zoo goed was afgeloopen.
+
+Zelf mocht ze naar huis telefoneeren om ’t goede nieuws vast mee te
+deelen en nog dienzelfden middag gingen Opa en Ineke naar boer Staps op
+de Heikamp, om daar een poesje uit te zoeken, waarvoor juffrouw Doortje
+in alle stilte al een grappig, lichtblauw halsbandje met een belletje
+er aan gemaakt had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+UIT LOGEEREN.
+
+
+Hè, wat was dat?
+
+Was ’t nou al morgen?
+
+Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed, rekte zich al geeuwend
+uit, beide armen boven haar hoofdje. Helder scheen de zon door een kier
+van de gordijnen de kamer in en in een wip was Wiesje ’t bed uit, om op
+haar bloote voetjes voor ’t raam uit te kijken in den tuin, waar de
+duiven druk en vroolijk zaten te koeren op ’t lage, grijze muurtje.
+
+Kijk, daar vlogen er een paar weg, hoog hóóg de blauwe lucht in!
+
+Wiesje trok de gordijnen wijder open, schoof ’t raam wat meer op en
+ging er op haar knieën voor liggen. Een heerlijke geur van versch
+gemaaid gras stroomde de kamer in. O, kijk, daar kwam Cobus, de
+tuinmansjongen, aan met een mand vol koolblaren. Zeker voor de
+konijnen.
+
+Wat was ’t heerlijk hier buiten! Heel anders dan op ’t bovenhuis in ’t
+warme, drukke Amsterdam, waar Wiesje woonde. Twee weken zou ze nu hier
+mogen blijven bij Oom Willem en Tante Lida! Zalig! Gisteren toen Vader
+haar wegbracht, had ’t Wiesje wel lang geleken om veertien heele dagen
+en nachten van huis te zijn.... Ze was al een groote meid van tien
+jaar, maar nog nooit alleen uit logeeren geweest en toen ze van Moes en
+kleinen Broer afscheid nam, had ze wel even een raar, propperig gevoel
+in haar keel gehad, net of ze zou gaan huilen....
+
+Maar in den trein was ze ’t gauw vergeten en toen Vader ’s avonds
+wegging, voelde Wiesje zich bij Oom en Tante en bij Suus en Dolf en
+Bert zóó thuis, dat ze er niet over dacht één traantje te storten. En
+ze had Vader bij zijn vertrek nog nageroepen:
+
+„Zeg maar aan Moes, dat ’t hier dól is en dat ik heusch zoet zal zijn.”
+
+En toen de kinderen kort daarop alle vier naar boven moesten—om acht
+uur sloeg onverbiddellijk ’t klokje van gehoorzaamheid—en Tante haar
+had toegedekt, was ze geen vijf minuten daarna rustig in slaap
+gevallen.
+
+Hoe verbazend gauw ging zoo’n nacht voorbij!
+
+’t Was zeker nog heel vroeg, dacht Wies je. Je hoorde nog heelemaal
+geen leven in huis. Nee, mis hoor! Daar kwam Suus aan de kamerdeur:
+
+„Zeg, Wies, sta je op, ’t is zeven uur.”
+
+„’k Ben d’r al uit,” riep Wiesje vroolijk.
+
+Suus kwam binnen, ook in haar nachtjaponnetje en van louter plezier
+dansten ze toen de kamer door, tot ze allebei buiten adem op een stoel
+neerploften.
+
+„Zoo leuk... dat je... hier bent,” hijgde Suus en Wiesje knikte
+lachend, niet in staat een woord te zeggen.
+
+„De jongens zijn al bijna klaar. Laten wij ook voortmaken, dan kunnen
+we voor ’t ontbijt nog even naar buiten,” stelde Suus voor, zoo gauw ze
+wat bekomen waren.
+
+„Goed, wie ’t eerst klaar is,” en Wiesje sprong op, schonk vlug water
+in de waschkom en begon dapper te plassen. Een goed kwartiertje later
+waren ze beneden. Allebei tegelijk!
+
+In de tuinkamer was Tante Lida al bezig voor ’t ontbijt te zorgen. De
+glazen tuindeuren stonden wijd-open en de zon scheen vroolijk naar
+binnen en deed den koperen theeketel, die gezellig raasde, blinken of
+hij van goud was. Midden op tafel prijkte een vaasje met reseda en
+kleine, gele roosjes.
+
+„Die zijn van Dolf. Uit z’n eigen tuintje,” vertelde Tante toen Wiesje,
+die heel veel van bloemen hield, er haar wipneusje in begroef om diep
+den fijnen geur in te ademen.
+
+„Mogen we nog even den tuin in, Moeke,” vroeg Suus.
+
+„Ja, maar dadelijk komen als er gebeld wordt. Hier is wat oudbakken
+brood, strooi dat maar voor de vogels.”
+
+Suus nam ’t bordje met ’t in kleine stukjes gesneden brood aan en
+gearmd gingen zij en Wiesje naar buiten, waar de musschen luid sjilpend
+kwamen aanvliegen en zich flink te goed deden, totdat een paar
+hongerige duiven, die er ook wat van hebben wilden, ze uit elkander
+dreven.
+
+De beide meisjes hadden nog net tijd om even naar de konijnen te gaan
+kijken; toen luidde de bel voor ’t ontbijt. De anderen waren al binnen.
+
+„Ik heb zoo’n honger,” zei Bert, die vuurrood zag van ’t werken in zijn
+tuintje. „’t Onkruid is er allemaal uit. Nou zullen jullie ’s zien hoe
+mooi mijn reseda wordt! Moeke, over één weekje krijgt u net zulke mooie
+van mij, als u nu van Dolf hebt!”
+
+„Kun je begrijpen. Je hadt al veel eerder moeten wieden,” zei Dolf een
+beetje minachtend. „Jij laat alles altijd maar staan.”
+
+„Niet waar! Maandag heb ik er nog een hóóp uitgehaald en mijn violieren
+waren toch lekker veel mooier dan de jouwe.”
+
+„Och,” kwam Dolf weer, zijn schouders ophalend, maar Oom, die ineens
+van achter zijn courant opdook, maakte een eind aan de opkomende
+kibbelpartij door te zeggen:
+
+„Stil jongens! Wat moet Wies wel denken? Die is zulke kemphanen
+heelemaal niet gewend, of kibbel jij thuis wel eens met Broer, Wies?”
+
+„Nee,” lachte Wiesje. „Broer is nog veel te klein. Die kan nog niet
+eens praten.”
+
+„Nou maar, onze jongens kunnen mekaar geducht in de haren zitten. Ze
+meenen ’t wel niet zoo kwaad, maar ’t is toch niet heel aardig om aan
+te hooren. Dat zul je wel merken,” zei Oom met een plagend knipoogje
+naar Dolf en Bert, die groote happen van hun boterhammen namen en voor
+zich keken, want ze schaamden zich wel wat voor hun nichtje.
+
+Maar Wiesje lachte er om en na ’t ontbijt toen Oom zijn zieken ging
+bezoeken—hij was dokter op ’t dorp waar ze woonden—gingen ze met hun
+viertjes prettig buiten spelen. Ze schoten goed op samen. De jongens
+kibbelden wel eens af en toe—dat kónden ze nu eenmaal niet laten—maar
+’t duurde nooit lang, of ze verzoenden zich weer met elkaar. De dag was
+om voor ze het wisten, en Wies schreef dien avond een langen brief naar
+huis, zoodat Vader en Moes den volgenden ochtend al met verheugde
+gezichten lazen van al de pret, die hun dochtertje daarginds had.
+
+
+
+En nu was ’t de avond van den vijfden dag, dien Wiesje bij Oom Willem
+en Tante Lida doorbracht.
+
+Meer dan een half uur geleden had Tante haar ingestopt en nóg kon
+Wiesje den slaap maar niet vatten. Telkens keerde ze zich om en om in
+’t groote logeerbed.... Zelf wist ze maar al te goed wat er aan
+haperde.... Ze had iets heel leelijks gedaan, waar ze nu o, zoo’n spijt
+van had en ’t ergste was, dat Cobus de tuinmansjongen, er morgen
+waarschijnlijk de schuld van zou krijgen.
+
+Iedereen dacht dat hij ’t gedaan had. O, ’t was verschrikkelijk. Wiesje
+wist geen raad....
+
+Zóó was ’t gebeurd.
+
+Ze speelden met hun vieren verstoppertje. Bert „was ’m” en omdat hij
+zoo gauw telde, waren Suus en Dolf en zij zoo hard ze konden ieder een
+anderen kant uitgehold. Wiesje, die ’t vlugst was, had zich verstopt
+achter in den tuin bij ’t schuurtje en Bert kón haar maar niet vinden.
+Die zocht alleen op plekjes dicht in de buurt en Wiesje had in zichzelf
+een pret van belang. Ze besloot nog een poosje rustig in haar
+schuilhoekje te blijven voor ze zich vertoonde, want hoe later je
+gevonden werd, hoe meer eer!
+
+Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom, die tegen
+den muur van het schuurtje geleid was en waaraan een massa prachtige
+perziken zaten. De meeste waren nog niet heel rijp, maar juist onderaan
+hingen er een paar heerlijk in ’t zonnetje te stoven. Die zagen er net
+zoo rood en donzig uit als Wiesjes eigen wangen....
+
+Ze ging er vlak bij staan, voelde er toen heel voorzichtig met één
+vinger aan.... Hè, die twee daar vlak tegen elkaar waren heelemaal warm
+van de zon.... Nog even voelen en Wiesje kwam er nog eens aan. Maar, o
+wee, daar ploften ze ineens allebei op den grond. Vlak voor Wiesjes
+voeten vielen ze in ’t gras. Haar hartje bonsde van schrik en haar
+wangen werden nog rooder dan de perziken.
+
+Zóó had ze ’t niet bedoeld, nee waarlijk niet!
+
+Wat zou ze doen? Ze stil in ’t gras laten liggen, of ze gauw naar Tante
+Lida brengen en eerlijk vertellen wat er gebeurd was?
+
+Ze raapte ze op, rook er eens aan.... Een had al een gekneusd
+plekje.... Het sap liep haar langs de vingers. Kom, er zaten nog
+zooveel perziken aan den boom. Ze kon deze eigenlijk best opeten. Een
+paar meer of minder gaf niks, niemand zou ’t merken....
+
+Schuw keek ze om zich heen en ineens zette ze haar tanden in de
+overrijpe vruchten en at ze gulzig met schil en al op. De pitten,
+waarin ze zich bijna verslikte, wierp ze in ’t gras en haar mond en
+haar kleverige vingers veegde ze snel aan haar zakdoek af. Toen luidde
+de etensbel en ze holde naar huis op de verwonderde vragen: „Waar heb
+jij gezeten,” brutaalweg antwoordend:
+
+„Dat zeg ik nou ’s lekkertjes niet!”
+
+Maar aan tafel was ze stil geweest, had ze niet zoo flink gegeten als
+anders en de schrik sloeg haar om ’t hart, toen Oom tegen ’t
+theedrinken binnenkwam met twee perzikpitten in zijn hand. Je kon hem
+aanzien, dat hij heel ontstemd was.
+
+„Heeft iemand van jullie aan de perziken gezeten? Ik wou enkele mooie
+rijpe, die onderaan hingen en waar ik alle dagen een oogje op hield
+naar vrouw Bos brengen, die zoo ziek is, maar jawel, ze waren er af
+toen ik daarnet ging kijken en de pitten vond ik tusschen ’t gras. Er
+is dus iemand aan geweest. Een van jullie soms?”
+
+„Nee, Vader,” riepen de kinderen als uit één mond.
+
+„Nee Oom,” zei ook Wiesje.
+
+Ze kreeg een kleur als vuur en trilde op haar beenen, maar ’t begon al
+donker te worden en ze stond achter in de kamer. Niemand sloeg bizonder
+acht op haar.
+
+„’t Spijt me, dat ik zooiets denken moet, maar dan ben ik bang, dat
+Cobus ’t gedaan heeft. Hij deed den laatsten tijd zóó zijn best en ik
+vind ’t heel jammer, maar als hij niet van ’t fruit kan afblijven, zal
+ik genoodzaakt zijn ernstige maatregelen met hem te nemen.”
+
+„Hè,” zuchtte Tante, „’t zou wel heel ondeugend zijn van een jongen,
+die ’t zóó goed bij ons heeft.”
+
+„Nu, we zullen er niet verder op doorgaan voor ’t oogenblik. Cobus is
+al naar huis. Ik zal hem morgenochtend wel onder handen nemen,” zei
+Oom.
+
+„De kinderen wilden graag wat zingen, is ’t niet,” en Tante ging aan de
+piano zitten, terwijl Dolf met de muziek kwam aandragen.
+
+’t Waren aardige, vroolijke liedjes en Wiesje kende er verscheidene
+van. Toch was ’t haar niet mogelijk mee te zingen; dan zou ze zeker
+zijn gaan huilen. Stil en lusteloos stond ze er bij. Ze dúrfde ’t niet
+zeggen, omdat ze zich zoo vreeselijk schaamde. Hoe ze zich den heelen
+avond had goedgehouden begreep ze zelf niet. Zelfs toen Tante Lida haar
+bij ’t toedekken vroeg: „Zeg, Wies, scheelt er iets aan? Je was zoo
+stil,” had ze geantwoord met haar hoofdje naar den muur gewend:
+
+„Nee, niks Tante, ik ben alleen erg moe.”
+
+Toen was Tante na haar een nachtzoen gegeven te hebben heengegaan, bij
+zichzelf denkend, dat ’t kind wel vreemd en stil geweest was den heelen
+avond en plotseling dacht ze met schrik aan die perziken.... Nee, dat
+kón niet zijn. Tot zoo iets was Wies niet in staat. Misschien verlangde
+ze naar huis. Ze was vroeger immers nooit alleen uit logeeren geweest.
+En toch.... Nu ze zou over een uurtje nog maar eens gaan kijken of
+Wiesje sliep en Tante Lida waschte den theeboel om en begon aan haar
+verstelwerk.
+
+Intusschen lag Wiesje boven te woelen in ’t groote bed. Van slapen kwam
+maar niets; hoe stijf ze haar oogen ook toekneep en hoe dikwijls ze tot
+zichzelf zei: „Nou wil ik er niet meer aan denken,” ze moest er aan
+denken, ze kón niet anders.
+
+Cobus zou de schuld krijgen van iets wat zij gedaan had. Misschien
+moest hij wel weg.... Cobus, die zoo aardig voor haar geweest was en
+haar bal tot tweemaal toe voor haar uit de sloot gevischt had, zelf
+gevaar loopend van er in te vallen. Ze zag Cobus’ verbaasde en
+bedroefde gezicht al, als Oom over de perziken zou beginnen. Oom zou
+hem toch niet kunnen gelooven als Cobus zei, dat hij ’t niet gedaan
+had.... O, ’t was vreeselijk!
+
+Ze huilde zachtjes met haar hoofd in ’t kussen, begon toen al harder,
+zoodat ’t bed schudde en haar sloop nat werd van al de tranen.
+
+Wat moest ze toch doen? O, was Moes maar bij haar. Aan Moes zou ze ’t
+wel durven zeggen, maar ze schaamde zich zoo voor Oom en Tante en voor
+Suus en de jongens, die ’t natuurlijk ook zouden weten. Nog nooit had
+ze zoo’n spijt, zoo’n verdriet gehad, als nu door haar eigen schuld.
+
+Langzamerhand werd ze toch wat kalmer. Ze zag duidelijk in, dat ze ’t
+moest gaan vertellen, al zag ze er nog zoo tegenop. Hoe eerder ze ging,
+hoe beter en net wou ze ’t dek wegslaan en uit bed komen, toen de deur
+geopend werd en Tante Lida zachtjes binnenkwam. Bevend zakte Wiesje
+achterover in ’t kussen, maar Tante sprak niet, ging alleen stil op den
+rand van ’t bed zitten, zei toen eindelijk heel zacht:
+
+„Wies, ik dacht, dat je me nóu misschien wel iets wilt zeggen.”
+
+En Wiesje, o zoo blij, dat Tante’s stem zoo vriendelijk klonk en dat ze
+nu zou kunnen uitspreken wat haar zoo bezwaarde, deed met een heesch
+stemmetje ’t heele verhaal.
+
+Tante liet haar vertellen, viel haar geen enkele maal in de rede. Ze
+vond ’t heel erg, maar had toch wel medelijden met Wiesje, omdat ’t
+kind zoo’n innig berouw toonde.
+
+„Gelukkig dat we ’t nu weten; anders had Oom Cobus morgenochtend onder
+handen genomen en hoe vreeselijk zou dat voor den armen jongen geweest
+zijn! Ga nu maar liggen, dan zal ik ’t wel vast voor je aan Oom zeggen.
+Morgen kan je er dan zelf met hem over praten,” zei Tante, Wiesjes
+verwarde haren gladstrijkend en Wiesje, moe van ’t huilen, liet zich
+gewillig instoppen en viel spoedig daarop vast in slaap.
+
+Den volgenden ochtend was ze al vroeg bij de hand, vóór de anderen nog
+gekleed waren en zoo gauw ze Oom naar beneden hoorde gaan, liep ze hem
+achterna, de studeerkamer in.
+
+„Oom,” begon ze bevend met neergeslagen oogen....
+
+Oom nam Wiesjes gezicht tusschen zijn beide groote handen en zag haar
+ernstig, maar niet onvriendelijk aan, want hij begreep wel, dat ze heel
+veel verdriet had van hetgeen er was voorgevallen. Oplettend luisterde
+hij naar alles wat ze te vertellen had. Nee, Wiesje spaarde zichzelf
+niet. Ze zag wel in hoe groot haar schuld was en daarom zei hij maar
+niet veel en beloofde om ’t voor haar aan de kinderen te zeggen. Die
+moesten ’t natuurlijk weten, omdat ze er anders Cobus op aan zouden
+zien.
+
+’t Was een moeilijk oogenblik voor Wies toen ze de tuinkamer instapte,
+terwijl de anderen, die ’t nu allemaal wisten, al aan tafel zaten.
+
+Onhoorbaar sloop ze naar haar plaats en niemand sprak een woord, totdat
+Dolf ruw-goedig ineens zei:
+
+„Wies, ’t was gemeen van je, maar je hebt ’t eerlijk bekend en dat
+vinden we flink,” en toen gaven ze haar alle drie een hand.
+
+Verder werd er niet meer over gesproken, maar vergeten kon Wies ’t
+natuurlijk niet.
+
+Enkele maanden later, ’t was op Sinterklaas-avond, kwam er een pakje
+voor Cobus, heelemaal uit Amsterdam. Er zat een keurig-gebreide
+bouffante in, waar hij dolblij mee was, maar hij is er nooit achter
+gekomen, wie hem die gestuurd heeft.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 ***
diff --git a/78337-h/78337-h.htm b/78337-h/78337-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..a537ddf
--- /dev/null
+++ b/78337-h/78337-h.htm
@@ -0,0 +1,2418 @@
+<!DOCTYPE HTML>
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2026-04-01T20:00:06Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
+<html lang="nl">
+<head>
+<title>Opa en Ineke | Project Gutenberg</title>
+<meta charset="utf-8">
+<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
+<meta name="author" content="Anna Hubert van Beusekom (1882–1926)">
+<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
+<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover">
+<meta name="DC.Title" content="Opa en Ineke">
+<meta name="DC.Creator" content="Anna Hubert van Beusekom (1882–1926)">
+<meta name="DC.Contributor" content="Ferdinanda Emilia van Leeuwen (1900–1995)">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<style> /* <![CDATA[ */
+html {
+line-height: 1.3;
+}
+body {
+margin: 0;
+}
+main {
+display: block;
+}
+h1 {
+font-size: 2em;
+margin: 0.67em 0;
+}
+hr {
+height: 0;
+overflow: visible;
+}
+pre {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+a {
+background-color: transparent;
+}
+abbr[title] {
+border-bottom: none;
+text-decoration: underline;
+}
+b, strong {
+font-weight: bolder;
+}
+code, kbd, samp {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+small {
+font-size: 80%;
+}
+sub, sup {
+font-size: 67%;
+line-height: 0;
+position: relative;
+vertical-align: baseline;
+}
+sub {
+bottom: -0.25em;
+}
+sup {
+top: -0.5em;
+}
+img {
+border-style: none;
+}
+body {
+font-family: serif;
+font-size: 100%;
+text-align: left;
+margin-top: 2.4em;
+}
+div.front, div.body {
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+div.back {
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div0 {
+margin-top: 7.2em;
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+.div1 {
+margin-top: 5.6em;
+margin-bottom: 5.6em;
+}
+.div2 {
+margin-top: 4.8em;
+margin-bottom: 4.8em;
+}
+.div3 {
+margin-top: 3.6em;
+margin-bottom: 3.6em;
+}
+.div4 {
+margin-top: 2.4em;
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div5, .div6, .div7 {
+margin-top: 1.44em;
+margin-bottom: 1.44em;
+}
+.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
+.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
+margin-bottom: 0;
+}
+blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
+.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
+margin-top: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3 {
+font-size: 1.2em;
+}
+h3.label {
+font-size: 1em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h4, .h4 {
+font-size: 1em;
+}
+.alignleft {
+text-align: left;
+}
+.alignright {
+text-align: right;
+}
+.alignblock {
+text-align: justify;
+}
+p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb {
+margin: 1.6em auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
+font-size: 0.9em;
+text-indent: 0;
+}
+p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
+margin: 1.58em 10%;
+}
+.opener, .address {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph {
+font-size: 0.9em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl {
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer {
+clear: both;
+margin-top: 3.6em;
+}
+span.abbr, abbr {
+white-space: nowrap;
+}
+span.parNum {
+font-weight: bold;
+}
+span.corr, span.gap {
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+span.num, span.trans {
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+span.measure {
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+.ex {
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc {
+font-variant: small-caps;
+}
+.asc {
+font-variant: small-caps;
+text-transform: lowercase;
+}
+.uc {
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt {
+font-family: monospace;
+}
+.underline {
+text-decoration: underline;
+}
+.overline, .overtilde {
+text-decoration: overline;
+}
+.rm {
+font-style: normal;
+}
+.red {
+color: red;
+}
+hr {
+clear: both;
+border: none;
+border-bottom: 1px solid black;
+width: 45%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+margin-top: 1em;
+text-align: center;
+}
+hr.dotted {
+border-bottom: 2px dotted black;
+}
+hr.dashed {
+border-bottom: 2px dashed black;
+}
+.aligncenter {
+text-align: center;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5;
+}
+h1.label, h2.label {
+font-size: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h5, h6 {
+font-size: 1em;
+font-style: italic;
+}
+p, .par {
+text-indent: 0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
+text-transform: uppercase;
+}
+.hangq {
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq {
+text-indent: -0.42em;
+}
+.hangqqq {
+text-indent: -0.84em;
+}
+p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0 0.05em 0 0;
+padding: 0;
+line-height: 0.8;
+font-size: 420%;
+vertical-align: super;
+}
+blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
+font-size: 0.9em;
+margin: 1.58em 5%;
+}
+.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
+text-decoration: none;
+}
+.advertisement, .advertisements {
+background-color: #FFFEE0;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+span.accent {
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
+line-height: 0.40em;
+}
+span.accent span.top {
+font-weight: bold;
+font-size: 5pt;
+}
+span.accent span.base {
+display: block;
+}
+.footnotes .body, .footnotes .div1 {
+padding: 0;
+}
+.fnarrow {
+color: #AAAAAA;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+}
+.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
+color: #660000;
+}
+.fnreturn {
+color: #AAAAAA;
+font-size: 80%;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+a {
+text-decoration: none;
+}
+a:hover {
+text-decoration: underline;
+background-color: #e9f5ff;
+}
+a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
+font-size: 67%;
+vertical-align: super;
+text-decoration: none;
+margin-left: 0.1em;
+}
+.externalUrl {
+font-size: small;
+font-family: monospace;
+color: gray;
+}
+.displayfootnote {
+display: none;
+}
+div.footnotes {
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep {
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote, .par.footnote {
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
+float: left;
+margin-left: -0.1em;
+min-width: 1.0em;
+padding-right: 0.4em;
+height: 1ex;
+}
+.apparatusnote {
+text-decoration: none;
+}
+.apparatusnote:target, .fndiv:target {
+background-color: #eaf3ff;
+}
+table.tocList {
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocText {
+padding-top: 2em;
+padding-bottom: 1em;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum {
+text-align: right;
+min-width: 10%;
+border-width: 0;
+white-space: nowrap;
+}
+td.tocDivNum {
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+vertical-align: top;
+}
+td.tocPageNum {
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+vertical-align: bottom;
+}
+td.tocDivTitle {
+width: auto;
+}
+p.tocPart, .par.tocPart {
+margin: 1.58em 0;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter, .par.tocChapter {
+margin: 1.58em 0;
+}
+p.tocSection, .par.tocSection {
+margin: 0.7em 5%;
+}
+table.tocList td {
+vertical-align: top;
+}
+table.tocList td.tocPageNum {
+vertical-align: bottom;
+}
+table.inner {
+display: inline-table;
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+td.itemNum {
+text-align: right;
+min-width: 5%;
+padding-right: 0.8em;
+}
+td.innerContainer {
+padding: 0;
+margin: 0;
+}
+.index {
+font-size: 80%;
+}
+.index p {
+text-indent: -1em;
+margin-left: 1em;
+}
+.indexToc {
+text-align: center;
+}
+.transcriberNote {
+background-color: #DDE;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+font-family: sans-serif;
+font-size: 80%;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+.missingTarget {
+text-decoration: line-through;
+color: red;
+}
+.correctionTable {
+width: 75%;
+}
+.width20 {
+width: 20%;
+}
+.width40 {
+width: 40%;
+}
+p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
+color: #666666;
+font-size: 80%;
+}
+span.musictime {
+vertical-align: middle;
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
+padding: 1px 0.5px;
+font-size: xx-small;
+font-weight: bold;
+line-height: 0.7em;
+}
+span.musictime span.bottom {
+display: block;
+}
+audio {
+height: 20px;
+margin-left: 0.5em;
+margin-right: 0.5em;
+}
+ul {
+list-style-type: none;
+}
+.splitListTable {
+margin-left: 0;
+}
+.splitListTable td {
+vertical-align: top;
+}
+.numberedItem {
+text-indent: -3em;
+margin-left: 3em;
+}
+.numberedItem .itemNumber {
+float: left;
+position: relative;
+left: -3.5em;
+width: 3em;
+display: inline-block;
+text-align: right;
+}
+.itemGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.itemGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.itemGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+.titlePage {
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0 7em;
+padding: 5em 10% 6em;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle {
+line-height: 1.7;
+margin: 2em 0;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle {
+font-size: 1.8em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle,
+.titlePage .docTitle .seriesTitle,
+.titlePage .docTitle .volumeTitle {
+font-size: 1.44em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .byline {
+margin: 2em 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure {
+margin: 2em auto;
+}
+.titlePage .docImprint {
+margin: 4em 0 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+div.figure, div.figureGroup {
+text-align: center;
+}
+table.figureGroupTable {
+width: 80%;
+border-collapse: collapse;
+}
+.figure, .figureGroup {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft {
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight {
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead, .par.figureHead {
+font-size: 100%;
+text-align: center;
+}
+.figAnnotation {
+font-size: 80%;
+position: relative;
+margin: 0 auto;
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft {
+float: left;
+}
+.figTopRight, .figBottomRight {
+float: right;
+}
+.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par {
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+img {
+border-width: 0;
+}
+td.galleryFigure {
+text-align: center;
+vertical-align: middle;
+}
+td.galleryCaption {
+text-align: center;
+vertical-align: top;
+}
+body {
+padding: 1.58em 16%;
+}
+.pageNum {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+display: inline;
+font-size: 12.8px;
+font-style: normal;
+margin: 0;
+padding: 0;
+position: absolute;
+right: 1%;
+text-align: right;
+letter-spacing: normal;
+}
+.marginnote {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+height: 0;
+left: 1%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+}
+.right-marginnote {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+height: 0;
+right: 3%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+text-align: right;
+width: 11%
+}
+.cut-in-left-note {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+left: 1%;
+float: left;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
+}
+.cut-in-right-note {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+left: 1%;
+float: right;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: right;
+padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
+}
+span.tocPageNum, span.flushright {
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+text-indent: 0;
+}
+.pglink::after {
+content: "\0000A0\01F4D8";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.catlink::after {
+content: "\0000A0\01F4C7";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
+content: "\0000A0\002197\00FE0F";
+color: blue;
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.pglink:hover {
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover {
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body {
+background: #FFFFFF;
+font-family: serif;
+}
+body, a.hidden {
+color: black;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline {
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
+text-align: left;
+}
+.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
+font-weight: normal;
+}
+table {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+td.tocText {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.tableCaption {
+text-align: center;
+}
+.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
+.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
+.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
+.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
+.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
+/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
+.small {
+font-size: small;
+}
+.large {
+font-size: large;
+}
+.vam {
+vertical-align: middle;
+}
+.center {
+text-align: center;
+}
+.titlePage .epigraph {
+text-align: left; font-size: small;
+}
+/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
+.cover-imagewidth {
+width:529px;
+}
+.seriestitlewidth {
+width:517px;
+}
+.logowidth {
+width:48px;
+}
+.xd33e127 {
+text-align:right;
+}
+.titlepage-imagewidth {
+width:502px;
+}
+.tp-imagewidth {
+width:139px;
+}
+.p07width {
+width:445px;
+}
+.p10width {
+width:206px;
+}
+.p13width {
+width:432px;
+}
+.p17width {
+width:235px;
+}
+.p20width {
+width:263px;
+}
+.p24width {
+width:315px;
+}
+.p30width {
+width:385px;
+}
+.p36width {
+width:320px;
+}
+.p45width {
+width:385px;
+}
+.p50width {
+width:582px;
+}
+.p52width {
+width:383px;
+}
+.p54width {
+width:271px;
+}
+.p56width {
+width:514px;
+}
+.p64width {
+width:392px;
+}
+.p66width {
+width:214px;
+}
+.p67width {
+width:624px;
+}
+.p69width {
+width:317px;
+}
+.p73width {
+width:280px;
+}
+.p80width {
+width:326px;
+}
+.spinewidth {
+width:720px;
+}
+/* ]]> */ </style>
+</head>
+<body>
+<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 ***</div>
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="529" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure seriestitlewidth"><img src="images/seriestitle.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="517" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<div class="seriesTitle">GEZELLIGE UURTJES</div>
+<div class="volumeTitle">XXII</div>
+<h1 class="mainTitle">OPA EN INEKE.</h1>
+</div>
+<div class="docImprint">(6–9 JAAR)
+<br>
+<div class="figure logowidth"><img src="images/logo-vgz.png" alt="Logo G. B. van Goor Zoonen." width="48" height="47"></div>
+</div>
+<div class="epigraph">
+<p class="first">Men kan uit de serie „Gezellige Uurtjes” een greep doen op goed geluk, het is altijd
+in orde.
+</p>
+<p class="xd33e127"><i>Nieuwsbl. v/h Noorden.</i></p>
+</div>
+</div>
+<p></p>
+<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first">
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="502" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<div class="mainTitle">OPA EN INEKE</div>
+</div>
+<div class="byline">DOOR
+<br>
+<span class="docAuthor">ANNA HUBERT VAN BEUSEKOM</span><br>
+SCHRIJFSTER VAN: JANNEKE EN DE KLOK.
+<br>
+MET PLATEN VAN NANS VAN LEEUWEN</div>
+<div class="docImprint">TWEEDE DRUK
+<br>
+<div class="figure tp-imagewidth"><img src="images/tp-image.png" alt="" data-role="presentation" width="139" height="315"></div>
+<br>
+GOUDA—G.&nbsp;B. VAN GOOR ZONEN</div>
+</div>
+<p></p>
+<div id="toc" class="div1 last-child contents"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">INHOUD.</h2>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle">
+</td>
+<td class="tocPageNum">Blz.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#oei" id="xd33e174">Opa en Ineke</a> </td>
+<td class="tocPageNum">5–64</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ul" id="xd33e180">Uit logeeren</a> </td>
+<td class="tocPageNum">67–80</td>
+</tr>
+</table>
+<p><span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="oei" class="div1 story"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e174">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/p05.png" alt="Ineke leest een boek in bed" width="626" height="332"></div>
+<h2 class="main">OPA EN INEKE.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">„Ineke, Ineke, schei nu eens uit. ’t Is heusch bedtijd, hoor! Denk er aan, dat je
+morgen al zoo vroeg op moet. Kom, kind,” en mevrouw Van West boog zich over haar dochtertje,
+dat aan tafel zat te lezen en legde haar hand liefkoozend op Ineke’s blonde krullen.
+</p>
+<p>„Ja, Moes!” Ineke sloot met een lach en een zucht tegelijk „De Sprookjes van Andersen”,
+waarin ze zóó verdiept was geweest, dat ze alles om zich heen vergat. Niets had ze
+gehoord van de wilde kreten uit den tuin, waar Vader met Gijs en Duco aan ’t ravotten
+<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>was, zóó leefde ze mee met de geschiedenis van „De kleine Zeemeermin”, die ze wel
+al lang kende, maar altijd weer met hetzelfde plezier overlas.
+</p>
+<p>Ze was in den afgeloopen winter ernstig ziek geweest, had daarna langen tijd moeten
+liggen en ’t eene verhaal vóór en ’t andere nà gelezen, telkens weer grijpend naar
+het boek, dat ze van Opa kreeg en waar niet alleen zulke mooie sprookjes, maar ook
+zulke beeldige plaatjes in stonden. Die goeie, lieve Opa! Wel vier maal was hij overgekomen
+om Ineke, z’n eenige kleindochter, op te zoeken en toen hij hoorde, dat de dokter
+de frissche buitenlucht het allerbeste geneesmiddel voor haar vond, had Opa onmiddellijk
+gezegd: „Weet je wat, Ineke, dan kom je maar zoo gauw mogelijk bij mij op „Eiken-rode”
+logeeren. Vacantie of géén vacantie, je komt maar. Misschien wil meester Hoogstra
+je dan wel een poosje op de dorpsschool nemen, dan gaat de geleerdheid niet achteruit
+en kan je waarschijnlijk toch wel overgaan naar de vijfde klasse.<span id="xd33e197">”</span>
+</p>
+<p>Ineke had bij dit heerlijk vooruitzicht in haar handen geklapt en juichend uitgeroepen:
+</p>
+<p>„O ja! Dat zou heerlijk zijn, Opa! Nu zult u ’s zien, hoè gauw ik beter ben,” en van
+dien tijd af had ze moedig haar leelijk-bittere drankje geslikt en erg haar best gedaan
+met eten, zoodat de dokter iederen dag <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>tevredener werd en al gauw verklaarde „dat ze nu maar de wei inmoest.”
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p07width"><img src="images/p07.png" alt="Het buiten Eiken-rode." width="445" height="221"></div><p>
+</p>
+<p>„Eiken-rode”, het gezellig-ouderwetsche buiten, waar Vader en de Ooms als kleine jongens
+gewoond hadden, was voor de kleinkinderen het heerlijkste plekje, dat er bestond en
+Gijs en Duco, Ineke’s oudere broertjes, zeiden dan ook telkens, hoewel ze ’t hun zusje,
+waarvan ze veel hielden, van harte gunden: „Nou maar Ien, jij treft ’t hoor!”
+</p>
+<p>Duco had zelfs beweerd, dat hij best ook ziek zou willen worden, als hij daarna bij
+Opa mocht gaan logeeren. Maar in de groote vacantie, zouden ze er met z’n allen een
+poosje gaan doorbrengen. Dan konden de jongens hun schade inhalen! Fietsen, visschen
+en zwemmen in de beek, in hun tuintjes werken, die Andries, tegen hun komst in orde
+maakte, en mee gaan hooien en koren halen op ’t land! Zàlig, boven op zoo’n hoogopgetaste,
+schommelende kar! En <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>’s Zondags, als Andries den tijd had, vliegers oplaten op de hei! Nergens ging dat
+zóó goed als dààr, waar je overal de vrije, wije ruimte om je heen hadt, zonder dat
+je één oogenblik bang behoefde te zijn, dat je vlieger ergens vast bleef zitten.
+</p>
+<p>Dien middag, terwijl Moes haar koffer pakte, had ’t Ineke geduizeld van al de boodschappen,
+die de broers haar opdroegen: vragen of Andries vooral zonnebloemen in hun tuintjes
+zou zetten; of hij ’t vischtuig wou nazien en er voor zorgen zou, dat de schommel
+en de ringen van nieuwe touwen werden voorzien en of hij er aan wou denken, dat ’t
+roeiboot je bij tijds in den vijver kwam te liggen, zoodat de naden goed dichttrokken
+en er geen water meer inliep.
+</p>
+<p>„’t Is geweldig, Ien, wat jij allemaal te onthouden krijgt. Ik zal ’t maar voor je
+opschrijven, anders vergeet je de helft,” en meneer Van West was zijn dochtertje lachend
+met papier en potlood te hulp gekomen en had een heele „boodschappenlijst” voor haar
+gemaakt, die Ineke had weggestoken in haar reismandje. Ze beloofde Andries, zoo gauw
+ze hem zag, ’t gewichtig papier te overhandigen en Moeder had op haar beurt ’t een
+en ander voor juffrouw Doortje, de huishoudster, die al jaren sinds Oma’s dood, de
+huishouding op „Eiken-rode” bestuurde, maar vond ’t bij nader inzien beter, haar maar
+zelf een brief te schrijven. <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>Juf zou de zorg voor Ineke grootendeels op zich nemen en daarom had mevrouw Van West
+daarin precies verteld, hoe dikwijls per dag Ineke haar drankje nog nemen moest, hoe
+lang ze gewoon was te rusten en hoeveel melk ze op dokters-bevel dronk. Vooral aan
+’t laatste moest streng de hand gehouden worden en Ineke beloofde dan ook, onder ’t
+naar boven gaan nog eens aan Moes, dat ze heusch de zes groote glazen drinken zou
+en dat ze haar uiterste best zou doen bij meester Hoogstra.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatLeft p10width"><img src="images/p10.png" alt="Opa, die staand leest." width="206" height="472"></div><p>
+</p>
+<p>Op school was Ineke volstrekt niet dom, maar ze las liever, dan dat ze huiswerk maakte
+en schreef haar thema’s en sommen dikwijls zóó slordig, dat ze ’t thuis over moest
+doen en slechte aanteekeningen kreeg. Ook dàcht ze wel eens, dat ze haar les kende
+en dan bleek deze er bij ’t overhooren nog heelemaal niet vast in te zitten. Gauw,
+gauw even ’t leerboek inkijken, of de sommen maken en dan lezen tot ze er bijna suf
+van werd. Dat was zoo Ineke’s manier van doen, en dat ’t geen goede manier was, kwam
+dan aan ’t einde der maand uit, als ze haar rapport mee naar huis bracht.… Door haar
+ziek-zijn was ze nu buiten haar schuld een heel eind achtergeraakt, maar de directrice
+had gezegd, dat ze wel geloofde, dat Ineke, als ze een poosje werd bijgewerkt, naar
+de vijfde klasse zou kunnen overgaan en omdat ze ’t zelf toch wel akelig vond <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>te blijven zitten en niet meer met haar vriendinnetjes, Nancy en Margotje, in dezelfde
+klasse te zijn, nam ze zich voor, flink haar best te doen en ijverig te werken. Ze
+kende meester Hoogstra wel van aanzien. ’t Was een goedige, oude man met een grooten
+gouden bril op, steeds gewapend met een reusachtigen, rooden zakdoek, waarmee hij
+gewoon was zich telkens langs ’t gezicht te vegen. Hij was jong hulp-onderwijzer,
+toen Ineke’s vader als kleine jongen de dorpsschool bezocht, werd er later hoofd van
+en had met de grootste bereidwilligheid aan de directrice der meisjesschool geschreven
+om zich geheel op de hoogte te stellen, hoe ver Ineke zijn moest, om na de groote
+vacantie tot een hoogere klasse te worden toegelaten. Na eenig heen-en-weer-geschrijf
+was er toen besloten, dat Ineke in de morgenuren de dorpsschool bezoeken zou en daar
+in de zesde klasse geplaatst zou worden, die ongeveer met de vierde der stadsschool
+gelijk stond. Met een beetje extra-huiswerk kon ze <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>dan ’s middags thuisblijven, om den verderen dag te rusten en zooveel mogelijk in
+de buitenlucht te zijn. Inplaats van schoonschrijven en handwerken wilde meester Hoogstra
+haar zelf Fransche les geven, want Fransch werd er op zijn school niet onderwezen,
+en elke drie weken zou haar rapport worden opgezonden, dan kon de directrice daaruit
+zien, of haar leerlinge voldoende vooruitging. Dit alles had meester Hoogstra breedvoerig
+met Ineke’s grootvader zitten bepraten en terwijl hij zich met zijn rooden zakdoek
+langs ’t voorhoofd streek, had meester Hoogstra gezegd:
+</p>
+<p>„En burgemeester, nou weet u niet hoe aardig ik ’t vind, om les te geven aan het dochtertje
+van uw zoon Willem, die indertijd een van mijn allereerste leerlingen was, toen ik
+als jong onderwijzer begon. Ik ken haar wel van aanzien, want in de vacanties komt
+zij nogal eens in ’t dorp. Ineke heet ze, nietwaar?”
+</p>
+<p>„Ja zeker. Ze heet naar mijn eenige dochter Ina, die op haar veertiende jaar gestorven
+is. Ineke is mijn eenige kleindochter en daarom begrijpt u zeker wel, dat ik alles
+wil doen, om ’t mijn kleine meid zoo goed en zoo prettig mogelijk te maken, als ze
+hier alleen bij me komt logeeren. Ze was dezen winter ernstig ziek. O, ik heb me dikwijls
+<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>zoo angstig gemaakt; maar nu is ze gelukkig heelemaal beter, alleen wat slapjes nog,
+en hier in de gezonde buitenlucht zal ze wel gauw weer de oude worden, hoop ik.”
+</p>
+<p>„Natuurlijk, natuurlijk, burgemeester. Nu, wat mij betreft, ik zal mijn best doen,
+haar zoo weinig mogelijk huiswerk te geven. Als ze niet moeilijk leert, zal ’t met
+dat overgaan wel losloopen.”
+</p>
+<p>„O, Ineke is vlug genoeg. Ze kan heel goed als ze wil,” had meneer Van West gezegd,
+er maar niet bijvoegend, dat ’t werk van zijn kleindochter er nu niet altijd zóó netjes
+uitzag als ’t behoorde en dat de lessen er wel eens niet zoo héél vast inzaten. Hij
+hoopte en verwachtte stellig, dat Ineke op „Eiken-rode”, waar ze zooveel vrijheid
+genieten zou, haar uiterste best zou doen en Ineke zelf was dan ook niet anders van
+plan.
+</p>
+<p>Keurig had ze haar boeken gekaft en met Moes was ze den vorigen dag een paar nieuwe
+schriften gaan koopen, een doos pennen en een nieuwen penhouder, waar ze nu heusch
+eens niet op zou bijten, zoodat hij er na een paar dagen als een onooglijk, af gekloven
+houtje uitzag.… Het kussen met de kruisjessteken, dat ze voor Vaders verjaardag maakte,
+lag ook in den koffer. Daar kon ze op regendagen aan vorderen. Juf zou er <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>haar wel mee terecht helpen als ze er eens niet alleen aan voort kon.
+</p>
+<p>„O, Moes, ik vind ’t toch zoo dól om te gaan. Ik hou zóóveel van Opa, dat ik ’t niet
+zeggen kan,” zei Ineke, toen ze er eindelijk inlag.
+</p>
+<p>„Dan hoef ik zeker niet te vragen, of je zult zorgen, dat Juf en meester Hoogstra
+geen klachten over je hebben?”
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatRight p13width"><img src="images/p13.png" alt="Geopende koffer met kleding en schoenen." width="432" height="290"></div><p>
+</p>
+<p>„Nee, natuurlijk niet, Moes. Ik zal zóó goed oppassen, want ik zou ’t vreeselijk vinden
+Opa verdriet te doen. Ik wil u en Vader natuurlijk ook geen verdriet doen, maar voor
+Opa vind ik ’t nog.… nog zieliger. ’k Weet zelf niet goed waarom. Misschien wel omdat
+Opa al zoo oud is.”
+</p>
+<p>„Zóó oud is Opa nog niet. Drie en zestig is hij pas!”
+</p>
+<p>„Denkt u dan, dat Opa wel heel oud zal worden? Tachtig bijvoorbeeld?”
+</p>
+<p>„Lieve kind, hoe kan ik dat nu weten? Opa is flink en krachtig voor zijn leeftijd.
+We willen allemaal hopen van wel en nu niet tobben, maar <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>gauw gaan slapen, hoor. Morgenochtend zal ik je nog wel even helpen met ’t laatste
+goed in te pakken,” en mevrouw Van West kuste haar dochtertje, dat ze intusschen lekker
+had ingestopt, goedennacht.
+</p>
+<p class="tb">⁂</p><p>
+</p>
+<p>Dat was me een geschiedenis den volgenden ochtend!
+</p>
+<p>De familie Van West zat net aan ’t ontbijt, toen er een telegram bezorgd werd. Meneer
+Tielens, een vriend van Ineke’s vader, moest dezen dienzelfden morgen nog dringend
+spreken en rekende er op, hem tegen tien uur op zijn kantoor in de stad aan te treffen,
+als er geen tegenbericht kwam. En kwart over tien vertrok de trein, waarmee meneer
+Van West zijn dochtertje naar Opa brengen zou.…
+</p>
+<p>Daar mevrouw Van West juist twee van haar zusters, die buiten de stad woonden, op
+de koffie kreeg, kon zij ook niet van huis om Ineke weg te brengen, inplaats van haar
+man.
+</p>
+<p>Goede raad was duur.
+</p>
+<p>„Als we Opa dan maar eens telefoneerden, dat Ineke morgen komt, want die zaak van
+meneer Tielens is heel dringend. Er is geen questie van, <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>dat ik nu uit de stad kan, en Moeder kan de tantes ook niet meer af-telegrafeeren,”
+begon meneer Van West.
+</p>
+<p>„Hè, Vàder!” Ineke’s lip trilde vervaarlijk en de tranen schoten haar in de oogen.
+</p>
+<p>„Maar poesje, is dàt nu zoo erg? Eén dagje later, want morgen breng ik je zéker!”
+</p>
+<p>„Ja, o ja, ik vind ’t zoo.… zoo vrééselijk jammer. En Opa natuurlijk ook. Ik h.… had
+er zoo vast op ge.… gerekend,” snikte Ineke in haar servetje, en Duco, die medelijden
+met zijn zusje kreeg, zei: „Kom, laat Ien dan alleen reizen. Ik ben verleden jaar
+Paschen, toen ik net zoo oud was als zij nou, immers ook alleen naar „Eiken-rode”
+gegaan.”
+</p>
+<p>„Als we ’r hier op den trein zetten en Opa haalt ’r ginds van ’t station, komt ze
+d’r immers best. Ze is toch al negen en een half en er is niks geen kunst aan. Als
+ze nou nog over moest stappen onderweg!” viel Gijs ook bij.
+</p>
+<p>„En wat zegt Moeder er van,” vroeg meneer Van West aan z’n vrouw.
+</p>
+<p>„Wel, als jij er niets tegen hebt, vind ik ’t goed, want net als de jongens zeggen:
+er is eigenlijk niets aan als ze gebracht en afgehaald wordt, en bovendien heeft ze
+dit reisje al zóó <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>dikwijls met ons gedaan, dat ze ’t langzamerhand wel droomen kan.”
+</p>
+<p>„En wat vindt ons Ineke er zèlf van,” knipoogde haar vader, neerziende op de kleine
+snikkende en snuivende gedaante naast zich aan tafel.
+</p>
+<p>„O!” Ineke hief haar behuild gezichtje, nog nat van de tranen, ineens op uit haar
+servet en glimlachte: „O, als dàt mag!”
+</p>
+<p>„Nou, dan màg ’t. Maar pas op, als ik dan ook nog één traan zie! Zoo’n kleine huilebalk!
+En dàt wil alléén reizen,” plaagde meneer Van West, zijn dochtertje aan een van haar
+glanzende krullen trekkend. Maar de kleine huilebalk had haar tranen gauw gedroogd
+en voelde zich wat gewichtig in ’t vooruitzicht alleen te mogen reizen. Hoewel ze
+niet veel honger had, at ze toch moedig haar havermout op en toen Gijs en Duco naar
+school gingen, omhelsde ze haar broertjes, die ’t zoo aardig voor haar hadden opgenomen,
+hartelijk. Ze kusten elkaar anders niet dikwijls; alleen eigenlijk met verjaardagen,
+maar dit was toch óók een bizondere dag, vonden ze alle drie, nu Ien zoo lang weg
+ging en alléén reisde!
+</p>
+<p>Hoewel ze ’t voor geen geld ter wereld bekend zou hebben, leek ’t Ineke toch wel een
+heel klein beetje griezelig en haar hartje bonsde, toen om <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>kwart over negen ’t rijtuig voorkwam, haar koffer werd opgeladen en vader en moeder
+met haar instapten.
+</p>
+<p>Maar vader, die dit nog net kon waarnemen voor hij op zijn kantoor meneer Tielens
+ontving, praatte zóó bedaard over ’t reisje, dat Ineke ’t per slot toch weer heel
+leuk en gewichtig ging vinden.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatRight p17width"><img src="images/p17.png" alt="Ineke staat te wachten met haar koffer." width="235" height="505"></div><p>
+</p>
+<p>Zelf mocht ze aan het loket haar kaartje nemen. Ze ging mee naar ’t hokje, waar de
+bagage werd ingeschreven en ’t bewijsje van haar koffer—’t reçu—stopte ze secuur weg,
+heelemaal onder in haar beursje. Ze wist wel, dat ze bij haar aankomst dit papiertje
+dadelijk aan Harmen, den besteller, moest geven. Dan zou deze haar koffer wel op „Eiken-rode”
+bezorgen. Ook moest ze beloven even naar huis te telegrafeeren. Hè, wat kwam er nog
+een boel kijken als je op reis ging. Maar ’t was toch wel prettig en heel goed om
+jezelf te leeren redden, al vond Ineke ’t een heele geruststelling, toen <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>ze eindelijk met haar reismandje veilig en wel in de coupé zat, met een aardigen ouden
+heer en dame <span class="corr" id="xd33e290" title="Bron: over">tegenover</span> zich, die haar zóó vriendelijk toeknikten, of ze haar kenden.
+</p>
+<p>Vader en Moeder stonden op ’t perron en Vader kocht van een arm bloemen-verkoopstertje
+een mooie, roode roos, die Moeder nog gauw in ’t knoopsgat van Ineke’s grijze manteltje
+vaststak. Heerlijk rook die roos en zoo feestelijk stond het!
+</p>
+<p>„Ik zal ’m dadelijk in ’t water zetten, als ik op „Eiken-rode” kom. Dan blijft-ie
+een heele poos goed,” had Ineke nog net tijd om te zeggen. Toen werden de portieren
+gesloten en na een schril gefluit zette de trein zich in beweging.
+</p>
+<p>„Daar ga je, Ien!”
+</p>
+<p>„Goeie reis hoor!” riepen Vader en Moeder en Ineke, voor ’t raampje staande, wuifde
+met haar zakdoek, tot ze haar ouders niet meer zien kon. Toen zette ze zich in een
+hoekje en ging prettig zitten uitkijken. Helder scheen de jonge Mei-zon op de frissche,
+groene weilanden, vol bloemen. ’t Vee stond er op sommige plekken tot de knieën toe
+in te grazen. Jonge veulentjes dartelden elkaar achterna met de dolste sprongen. In
+een sloot stond een peinzende reiger doodstil, net of hij was opgezet, en op ’t dak
+van een boerenhofstede <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>nestelden ooievaars. Later kwamen de dennebosschen en de hei aan de beurt, waar de
+bremstruiken vol goud-gele vlindertjes zaten. Zoo vroolijk stond dat! Ineke neuriede
+zachtjes voor zich heen, terwijl ze naar buiten keek. Af en toe praatte ze even met
+haar medereizigers, waarbij nog een dame met een klein kindje gekomen waren, en ze
+kreeg ulevellen en chocolade, waarvoor ze vriendelijk bedankte. De tijd schoot verbazend
+op, vond ze. Nog één stationnetje voorbij en dan zou ze er zijn. Ze trok haar reismandje
+vast naar zich toe en voelde naar haar beursje en kaartje in haar mantelzak. Ja hoor,
+alles in orde! Toen zette ze haar grooten stroohoed recht, deed haar handschoen aan
+en rook eens aan de roos, die er nog heel frisch uitzag en heerlijk geurde. Ze was
+zoo benieuwd Opa’s gezicht te zien, als ze daar parmantig alleen uit den trein stapte!
+Hij zou er eerst niets van begrijpen. Hij rekende er vast op, dat Vader haar brengen
+zou! Daar minderde de trein zijn vaart al. Kijk, daar had-je den dorpstoren en daar
+zag je in de verte tusschen de boomen „Eiken-rode” liggen. Gezellig, ouderwetsch huis
+toch met die witte muren en groene latjes-blinden! Ineke wendde zich snel om en knikte
+haar medereizigers goedendag, want de trein was ’t <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>kleine station genaderd. Daar stond Opa al, vlak onder de klok! Hij zag haar dadelijk
+en Ineke zwaaide met haar mandje. Open ging ’t portier en met een juichkreetje sprong
+ze regelrecht in Opa’s armen.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatLeft p20width"><img src="images/p20.png" alt="Open ging ’t portier en met een juichkreetje sprong ze regelrecht in Opa’s armen." width="263" height="637"></div><p>
+</p>
+<p>„Dag Ineke, dag m’n kleine meid! Hoe is ’t er mee? Niet te moe van de reis? En waar
+is Vader?” De oude heer Van West, die er niets van begreep, wierp snel een blik in
+de coupé, of zijn zoon er soms nog in was achtergebleven. Ineke verkneukelde zich
+en lachte:
+</p>
+<p>„Nee, nee, Opa, kijk maar niet! Vader kreeg vanmorgen ineens een telegram, Meneer
+Tielens moest hem noodzakelijk spreken en toen mocht ik alleen reizen!”
+</p>
+<p>„Jongens nog toe, Ineke! Ben je warempel al een jongedame geworden, die alleen reist?
+’t Is niet te gelooven!”
+<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p>
+<p>„’t Is toch heuschjes waar,” verzekerde Ineke, terwijl de trein zich weer in beweging
+zette. „Kijk, Opa, daar staat mijn koffer op ’t perron. Zal ik Harmen ’t reçu geven,
+dat hij hem thuisbezorgt?”
+</p>
+<p>„Ja kindje, dat is best, en dan moeten we toch zeker even naar huis telegrafeeren,
+hè?”
+</p>
+<p>„Ja, dat wilden Vader en Moeder wel graag,” zei Ineke, en nadat ze het telegram: „Goed
+aangekomen. Veel liefs van Opa en Ineke,” verzonden hadden, verlieten ze ’t station
+en sloegen den zonnigen landweg in, die regelrecht naar „Eiken-rode” voerde. Het was
+warm, maar er woei toch een zacht windje. De oude heer Van West nam al gauw zijn hoed
+af en liet den wind vrij door zijn grijze haren spelen en Ineke liet dadelijk op Opa’s
+voorbeeld haar hoed aan ’t wijde elastiek achterover op haar rug zakken.
+</p>
+<p>„Dan verbrand ik vast lekker van de zon,” zei ze, vroolijk naast hem voorthuppelend,
+en ze vervolgde: „O, Opa, hoe dòl om weer hier bij u te zijn. En dat ik zóó lang blijven
+mag! Als ’t op den duur maar niet te druk voor u is, zegt Moeder.”
+</p>
+<p>„Welnee. Ik vind ’t heerlijk mijn kleine meid weer eens bij me te hebben. Als je nu
+maar zorgt, dat je in September met dikke, roode wangen <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>naar huis gaat, want je bent na je ziek-zijn wel lang en mager geworden. ’t Is niet
+heelemáál voor je pleizier, dat je hier komt logeeren, maar vooral om flink aan te
+sterken,” plaagde Opa.
+</p>
+<p>„O, maar bij u is àlles prettig,” lachte Ineke.
+</p>
+<p>„Dan zullen we maar hopen, dat ’t hier op de dorpsschool bij meester Hoogstra ook
+mee zal vallen, want nietwaar, je zult toch maken, dat je overgaat na de vacantie?”
+</p>
+<p>„O, maar natuurlijk! Als ik goed mijn best doe, haal ik de schade stellig in, heeft
+de directrice gezegd. Kijk ’s Opa,” en Ineke bleef midden op den weg stilstaan: „dit
+heele eind heeft Moes mijn jurk moeten verlengen! Zooveel ben ik gegroeid sinds verleden
+zomer,” en ze wees naar den rok van haar rose katoenen jurkje, waar een rand borduursel
+van wel een hand-breedte tusschen gezet was.
+</p>
+<p>„’t Is kolossaal,” lachte Opa, z’n kleindochter aan een van haar blonde krullen trekkend.
+„Je zult me nog heelemaal over ’t hoofd groeien, meiske!”
+</p>
+<p>Maar daar was Ineke niet bang voor.
+</p>
+<p>’t Piepend knarsen van een kruiwagen deed hen allebei tegelijk omzien. Harmen, de
+besteller, kwam hun met den koffer achterop gereden.
+</p>
+<p>„Dag, burgemeester, dag jongejuffer! Doar kom <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>ik al an met de pakkoazie! Werm weerke, hé?” De stralen gutsten den goeden man langs
+’t voorhoofd.
+</p>
+<p>„Harmen, jongen, kalm aan maar. Zoo’n haast is er niet bij. Zeg maar aan Sien, dat
+ze je zoo-met-een een flinken kop koffie geeft.”
+</p>
+<p>„Asteblief, burgemeester,” en Harmen reed hun na een tikje aan zijn pet voorbij.
+</p>
+<p>„Kijk, daar heb je Bello en Fokkie! Zouden ze me nog herkennen? Dag jongens, dag brave
+honden!” riep Ineke tegen den taks en den kleinen fox-terrier, die den weg kwamen
+afgerend en toen als bezetenen om den baas en ’t kleine meisje heensprongen, blaffend,
+dat hooren en zien je verging.
+</p>
+<p>„Bedaard, bedaard toch! We zouden over jullie vallen. Foei, foei, wat een stof,” beknorde
+meneer Van West het tweetal, dat zich om strijd door Ineke liet aanhalen en toen ineens
+weer op ’t hek van „Eiken-rode” aanstoof, alsof ’t de komst van grootvader en kleindochter
+vast wilde aankondigen. Juffrouw Doortje, of Juf, zooals ze gewoonlijk genoemd werd,
+kwam tenminste dadelijk van achter de breede, groene voordeur te voorschijn en wuifde
+Ineke met den theedoek een vroolijk welkom toe. En Ineke zwaaide haar mandje en liep
+op een drafje naar haar toe:
+<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p>
+<p>„Dag Juf, hoe gaat ’t met u? Wat zegt u er wel van: <i>ik ben alleen</i> naar hier gekomen!”
+</p>
+<p>„Wel, wel, en ik heb juist voor vier personen de koffietafel gedekt. Er is toch geen
+zwarigheid bij je thuis, dat Vader niet meekomt?”
+</p>
+<p>„O nee,” en Ineke legde gauw ’t geval uit, terwijl ze voorzichtig de roos uit haar
+knoopsgat nam en zich, geholpen door Juf, verder ontdeed van handschoenen, hoed en
+mantel in de koele, wit-marmeren vestibule. „Hè, wat is ’t hier lekker,” zei ze handenwasschend
+aan ’t fonteintje.
+</p>
+<p>Meneer Van West rekende intusschen met Harmen af, die, uitblazend op ’t keukenstoepje,
+zijn kom koffie zat te drinken.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatLeft p24width"><img src="images/p24.png" alt="Een bouquet heerlijk-geurende lelietjes van dalen prijkte voor Ineke’s bord." width="315" height="234"></div><p>
+</p>
+<p>Een oogenblik later zetten ze zich aan tafel in de gezellige eetkamer, grenzende aan
+de serre vol bloeiende planten, waarvan de glazen deuren aan de tuinzijde wijd-open
+stonden. Een bouquet heerlijk-geurende lelietjes van dalen prijkte voor Ineke’s bord.
+Ze stak er de roos tusschen en rook aan de bloemen en Opa zei: „Die heeft Andries
+vanmorgen al voor je gebracht. Een paar er van zijn uit je eigen tuintje.”
+<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p>
+<p>„O, hoe leuk! Heb ik er lelietjes in dit jaar?” juichte Ineke en een kleur van plezier
+overtoog haar bleek gezichtje.
+</p>
+<p>„’k Geloof, dat je eigenlijk wel een beetje moe bent, hè,” informeerde Juf en Ineke
+bekende:
+</p>
+<p>„’n Klein beetje wel, maar na de koffie moet ik rusten van den dokter. En als ik gerust
+heb, trek ik weer heelemaal bij, zegt Moes altijd,” en Ineke hapte dapper in haar
+boterham, want ze had toch honger, al voelde ze zich wat opgewonden en ze moest erg
+lachen om Bello en Fokkie, die niet bedelden, maar ieder op hun plaatsje aan weerszijden
+van ’t groote eikenhouten buffet, trillend van ongeduld zaten te wachten tot Sien
+hun uit de keuken hun eten bracht, waarop ze dadelijk gulzig aanvielen.
+</p>
+<p>„Ik wou, dat jij altijd zoo’n honger hadt,” zei Opa tot Ineke, maar ze liet zich niet
+onbetuigd! ’t Smaakte haar best na de reis en ze at vier dikke boterhammen en een
+ei en ledigde zonder zuchten haar grooten melkbeker, waar Juf een klein scheutje koffie
+door geroerd had.
+</p>
+<p>„En nu een, twee, drie mee naar boven. Ik zal je koffer wel uitpakken, dan ga jij
+maar vast op bed liggen. Ik heb ’t balkonkamertje voor je in orde gemaakt, dat vond
+Opa gezelliger voor <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>je dan die groote logeerkamer,” zei Juffrouw Doortje, terwijl ze voor Ineke uit de
+trap opging. „Dit is nu, zoolang je hier bent, je eigen kamertje. Ik hoop dat je er
+netjes op zijn zult,” en Juf opende de deur van ’t vriendelijk-zonnige vertrekje met
+het lichte bloembehangsel, de rieten meubeltjes en ’t lage, Engelsche ledikant.
+</p>
+<p>Gijs had hier vroeger wel eens geslapen, maar Ineke nog nooit en ze nam zich dan ook
+voor, dat ’t er nooit rommelig uit zou zien. Op ’t balkonnetje, net groot genoeg om
+er met een stoel en tafeltje te kunnen zitten, bloeiden rose en witte geraniums in
+bakken en je hadt er een prachtig uitzicht over de korenvelden en de eerste schilderachtige,
+roodgelakte huisjes van het dorp.
+</p>
+<p>„Hè, wat is ’t hier toch heerlijk! U weet niet, Juf, hoe dòl ik ’t vind om hier te
+zijn,” zei Ineke, terwijl ze zich, na haar laarsjes te hebben uitgedaan, bovenop ’t
+bed liet ploffen, waarvan Juf eerst zorgvuldig de sprei had opgevouwen.
+</p>
+<p>„Dan zullen we maar hopen, dat je ’t hier aan ’t eind van de vacantie nog net zoo
+prettig vindt als nu,” en juffrouw Doortje bukte zich over den koffer en begon Ineke’s
+goed uit te pakken.
+<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p>
+<p>„Kijk, Ien, je jurken zal ik in de muurkast ophangen en je ondergoed in ’t kastje
+onder de waschtafel leggen. Je naaidoosje en leesboeken moet je straks maar zelf op
+je tafeltje schikken en je schoolboeken en schriften leg ik hier zoolang op den stoel
+bij je bed. Die kan je dan zelf mee naar beneden nemen en in ’t kastje in ’t spreekkamertje
+opbergen. Dan heb je ze altijd bij de hand.”
+</p>
+<p>„Ja, Juf,” antwoordde Ineke flauwtjes, want ze werd opeens heel slaperig en juffrouw
+Doortje, die ’t merkte, zei maar niets meer, bewoog zich muisstil door ’t vertrekje
+tot alles was opgeborgen.… Nog voor ze naar beneden ging was Ineke vast in slaap en
+toen Opa om drie uur heel zachtjes naar haar ging kijken, sliep ze nog. Hij liet haar
+stil liggen en ging zoolang in de serre zitten lezen, tot ze na een half uurtje, heelemaal
+opgefrischt, uit zichzelf naar beneden kwam.
+</p>
+<p>„Zoo, braaf opgepast hoor,” prees Opa, toen Ineke met een vuurrood kleurtje en een
+schoone schort aan naast hem stond. „Drink nu maar gauw je melk, dan krijg je van
+Juf een koekje en dan gaan we saampjes voor ’t eten nog een beetje wandelen,” en Opa
+en Ineke togen er op uit.
+<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p>
+<p>Even werd er een kort bezoek aan ’t tuinmanshuis gebracht, waar Aaltje, de vrouw van
+Andries, ijverig zat kousen te stoppen. Andries zelf was met zijn drie-jarig zoontje
+in den moestuin bezig. Keesje, een aardig, blond manneke met een blozend appelen-gezichtje
+en vervaarlijk kromme beenen, kroop eerst gauw achter zijn vader weg, maar werd toch
+al dadelijk vrijmoediger en Ineke moest van de jonge worteltjes en de aardbeien uit
+de bakken proeven en zien hoe mooi de bessen en frambozen stonden. En Andries vond
+’t knap van haar, dat ze nog precies wist, hoe spinazie en postelein er uitzagen.
+</p>
+<p>„O Andries, nou heb ik de lijst met alles wat de jongens je te vragen hadden, boven
+op mijn kamertje laten liggen,” bedacht Ineke zich.
+</p>
+<p>„Da’s niks, kind, die krijg ik dan vanavond of morgen wel. ’k Heb ’t nou tòch te druk
+met den tuin, op ’t oogenblik. Ga liever effentjes mee na’ de kindertuintjes. ’t Jouwe
+is al heelemaal in orde,” en Andries rustte niet, voor meneer Van West en Ineke hem
+volgden heelemaal achter in den moestuin, waar vlak tegen de heg drie perkjes waren
+aangelegd. In het middelste, dat Ineke toebehoorde, bloeiden lelietjes, margrieten,
+primula’s en violen en het rozenstruikje in ’t <span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>midden droeg een menigte kleine knopjes. Bij Gijs en Duco was er nog niets bizonders
+te zien. Daar had Andries met opzet planten gezaaid, die pas later in den zomer zouden
+bloeien, juist als ze met de vacantie over waren.
+</p>
+<p>Ineke, opgetogen over haar tuintje, bedankte Andries hartelijk, plukte de mooiste
+viool af, die ze vinden kon, en stak die Opa in zijn knoopsgat en toen gingen ze samen
+op weg, achtervolgd door Bello en Fokkie, die zoo gauw ze den baas en Ineke ’t hek
+van „Eiken-rode” zagen uitgaan, hen luid-blaffend achterna stoven. De wandeling leidde
+naar ’t dorp, waar Opa even op ’t raadhuis wezen moest en dan zouden ze langs de mooie,
+nieuwe villa van dokter Wilminck naar huis terug wandelen. De familie Wilminck woonde
+nog niet lang in ’t dorp, maar Ineke wist toch, dat er een meisje en een jongen van
+haar leeftijd waren. Freda en Hans heetten ze, en mevrouw Wilminck had tegen meneer
+Van West gezegd, dat ze hoopte, dat hij eens met zijn kleindochtertje aan zou komen.
+Ineke zou misschien een goed vriendinnetje voor Freda zijn, die hier in ’t dorp tot
+haar groote spijt zoo weinig kennisjes van haar eigen leeftijd had. Wiesje van den
+dominé was wel drie jaar ouder en met <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>Greta en Leentje van den notaris, die een klasse lager zaten bij haar op school, kon
+Freda niet al te best overweg.
+</p>
+<p>’t Trof heel toevallig, dat Opa en Ineke, toen ze langs „De Merel”—zoo heette dokter
+Wilminck’s villa—kwamen, de doktersfamilie juist in den voor-tuin op ’t grasveld zagen
+zitten. Meneer Van West groette en ineens kwam er een meisje in een rood-katoenen
+jurk naar ’t hek hollen en een hoog, schel stemmetje riep:
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatRight p30width"><img src="images/p30.png" alt="Ineens kwam er een meisje in een rood-katoenen jurk naar ’t hek hollen." width="385" height="514"></div><p>
+</p>
+<p>„Dàg! Zeg, ben jij op „Eiken-rode” gelogeerd? Hè toe, meneer, mag ze even meekomen,
+dan kunnen we vast kennismaken!”
+</p>
+<p>En nog voor dat Ineke goed en wel wist, wat er gebeurde, had ’t vreemde meisje met
+de groote, donkere oogen en ’t kortgeknipt zwarte <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>haar, haar meegetroond naar de theedrinkende familie op ’t grasveld. Meneer Van West
+volgde glimlachend met Bello en Fokkie achter zich aan en mevrouw Wilminck liep haar
+onverwachte gasten tegemoet, duizend verontschuldigingen makend over het „ongepaste”
+optreden van haar dochtertje.
+</p>
+<p>„Maar ziet u, burgemeester, Freda was ook zoo verlangend met uw kleindochter kennis
+te maken, want meester Hoogstra heeft verteld, dat ze bij Freda in de klas komt te
+zitten. Wel, en hoe heet je?” vroeg mevrouw Wilminck, zich tot Ineke wendend.
+</p>
+<p>„Ina van West, mevrouw, maar ik wordt meestal Ineke genoemd,” zei Ineke, mevrouw een
+hand gevend en vervolgens handen schuddend met den dokter en met Hans, Freda’s jongere
+broertje, dat net zulke donkere oogen had.
+</p>
+<p>„En ik heet eigenlijk Frédérique, maar ze zeggen altijd Freda tegen me. Ik vind ’t
+leuk, dat je hier op ’t dorp gelogeerd bent. Den heelen middag heb ik al naar je zitten
+uitkijken,” en Freda trok Ineke naast zich op de witte tuinbank, terwijl de dokter
+voor meneer Van West een grooten rieten leunstoel aanschoof en Hans tusschen Bello
+en Fokkie in op ’t gras ging zitten, ’n arm om elken hond.
+</p>
+<p>„’t Spijt me, dat ik geen thee meer heb. Als u even <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>geduld hebt, zet ik nieuwe,” bood mevrouw aan, maar meneer Van West beweerde slechts
+even tijd te hebben:
+</p>
+<p>„Dank u wel. ’t Is heel vriendelijk, maar Ineke en ik moeten om zes uur aan tafel
+zijn, anders krijgen we brommen van Juffrouw Doortje. We kunnen maar eventjes. Een
+ander maal héél graag.”
+</p>
+<p>„Hè, Ma, Mààtje! Toe, laten we dan ineens een dag afspreken, dat Ineke hier op visite
+komt,” smeekte Freda, terwijl mevrouw Ineke de koekjestrommel voorhield.
+</p>
+<p>„Hè ja, dan kunnen we roovertje spelen. Fijn!” viel Hans opgewonden bij, maar hun
+vader sprak bedarend:
+</p>
+<p>„Stil nu toch eens jullie allebei! Meneer Van West heeft me verteld, dat Ineke pas
+een heelen tijd ziek geweest is, ’s morgens alleen naar school gaat en ’s middags
+een paar uur moet rusten, omdat ze zich nog niet te veel mag vermoeien.”
+</p>
+<p>„Ja, ze is niet voor haar plezier bij me,” plaagde meneer Van West.
+</p>
+<p>„O, maar dan mag ze toch ’s middags wel komen als ze gerust heeft en bij ons blijven
+eten. Woensdagmiddag bijvoorbeeld. Wij zorgen er dan wel voor, dat ze niet te laat
+thuiskomt, of u komt hier ’s avonds als ’t mooi weer is theedrinken en <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>neemt zelf u kleindochtertje weer mee,” stelde mevrouw voor.
+</p>
+<p>„Hè ja, hè ja,” juichten Freda en Hans en meneer Van West zei lachend: „Nu Ien, wat
+denk je er van? Zullen we dat dan maar aannemen?”
+</p>
+<p>„O, Opa, ik wil wàt graag!” Ineke kreeg een kleurtje van opgetogenheid, want ze had
+er dadelijk dolle lust in. Freda en Hans leken haar erg aardig en hun ouders waren
+zoo hartelijk en vriendelijk, dat Ineke zich al heelemaal op haar gemak voelde en
+toen ze een oogenblik later met Opa naar huis wandelde, nadat ze zich wel drie maal
+had omgekeerd om Freda en Hans, die bij ’t hek stonden, toe te knikken, zei ze tot
+meneer Van West:
+</p>
+<p>„’t Is net, of ik ze al veel langer ken!”
+</p>
+<p>„Ja, jullie waren dadelijk op dreef samen en dat doet me veel plezier, want zoo heelemaal
+zonder kennissen van je eigen leeftijd zou ’t op „Eiken-rode” een saaie partij voor
+je worden op den duur.”
+</p>
+<p>„O, nee, Opa! Dàt moet u niet zeggen. Ik heb u toch. U blijft toch altijd mijn beste
+kameraad,” en Ineke’s handje kroop gauw weg in Opa’s groote hand.
+</p>
+<p class="tb">⁂</p><p>
+<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p>
+<p>Het was half Juni en op een enkelen regendag na altijd mooi weer geweest, zoolang
+Ineke op „Eiken-rode” logeerde. Ze zag er dan ook zoo gezond uit, dat ’t een lust
+was. Heelemaal bruingebrand door de zon en daarbij at ze uitstekend, ondanks de zes
+groote glazen melk, die ze nog steeds drinken moest van dokter Wilminck. Maar ’t drankje
+was afgeschaft en ’t rusten na de koffie tot drie kwartier ingekrompen, tot Ineke’s
+groote vreugd. Vader, die den vorigen Zondag overkwam, beweerde zijn dochtertje bijna
+niet meer te herkennen, zóó goed zag ze er uit.
+</p>
+<p>„En hoe gaat ’t op school? Is meester Hoogstra tevreden en zou je overgaan?” was een
+van zijn eerste vragen.
+</p>
+<p>„O, ja, ’t gaat best. Eerst was ’t natuurlijk nog wat vreemd, maar nu ben ik heelemaal
+gewend. Met rekenen had ik in ’t begin wel moeite, maar met taal en aardrijkskunde
+was ik vóór en met Fransch ben ik nu heelemaal gelijk met mijn eigen school. Meester
+Hoogstra geeft heel prettig les,” vertelde Ineke en toen ze meester Hoogstra op de
+wandeling tegenkwamen had hij Ineke’s vader aangesproken en gezegd, dat zijn leerlingetje
+zoo haar best deed en er stellig komen zou, als ze zoo voortging.
+<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p>
+<p>Vader vond ’t prettig, dat hij zulk goed nieuws mee naar huis kon nemen en als belooning
+zond Moeder een paar dagen later bij de nieuwe jurk, die ze met de huisnaaister gemaakt
+had, een groote doos pralines, die Ineke met Freda en Hans Wilminck in één enkelen
+middag soldaat maakte. Ze zag haar nieuwe vriendjes veel. ’s Woensdags en Zaterdags
+kwamen ze geregeld bij elkaar op „De Merel,” of op „Eiken-rode,” hoewel juffrouw Doortje
+wel eens zuur keek als de serre en de vestibule vol ingeloopen zand lagen, de stoelen
+schots en scheef door de beneden-kamers zwierden en er telkens glaasjes limonade of
+kopjes thee omvielen. Mevrouw Wilminck bleek in dit opzicht gemakkelijker en Ineke
+was er versteld van, zooveel vrijheid als Freda en Hans gewend waren. Die mochten
+nu letterlijk alles! Klom Freda bijvoorbeeld in een boom en scheurde ze haar jurk,
+dan kreeg ze niet eens een standje.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatLeft p36width"><img src="images/p36.png" alt="Freda zit op een trapje met twee honden." width="320" height="397"></div><p>
+</p>
+<p>„Je moet ’m tòch dragen,” zei haar moeder alleen en dan werd de scheur zoo goed mogelijk
+door de oude kindermeid gestopt en Freda liep weer vroolijk met haar verstelde jurk
+rond. ’t Kon haar niets schelen hoe ze er uitzag. Ze was een echte wildebras en soms
+vreeselijk ongehoorzaam, maar toch mochten de meeste menschen haar, <span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span>omdat ze zoo eerlijk en goedhartig was. Hans, iets kalmer van aard, hield veel van
+lezen, net als Ineke, en kon uren met een boekje in een hoekje zitten. Freda daarentegen
+vond alle verhaaltjes en sprookjes „vervelende nonsens, waar je tòch niets aan hadt,”
+en maakte liever keukelkunsten aan rek en ringen. Heel lenig was ze en ze kon harder
+loopen dan alle jongens uit haar klasse en hoewel haar vader ’t volstrekt niet hebben
+wilde, fietste ze, als ze even haar kans schoon zag, als een bezetene op haar fiets
+den dorpsweg af en had een pret van belang, als iedereen verschrikt voor haar op zij
+stoof. Ze hield veel van bloemen en dieren en zat, als ze bij Ineke op visite kwam,
+geregeld met Fokkie en Bello op schoot, tot verontwaardiging van juffrouw Doortje,
+die er maar niets meer van zei, nadat ze Freda een paar maal gewaarschuwd en tot antwoord
+gekregen had: „O, ze mogen best. Mijn jurk kan gewasschen worden!”
+<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span></p>
+<p>De keurige juffrouw Doortje had niet erg met Freda op en liet altijd duidelijk blijken,
+dat ze Hans veel aardiger vond, maar Ineke vond Freda „’t leukste kind, dat ze kende.”
+</p>
+<p>„Ik moet zoo vreeselijk om haar lachen, Opa, en ze is zóó goedig! Alles geeft ze weg
+en ze helpt me altijd met mijn sommen. Dat mág ze van meester Hoogstra. Kijk eens,
+deze grappige, glazen penhouder met dat vischje er in heb ik van haar gekregen. ’k
+Wou ’m eerst heelemaal niet hebben, maar ik mòest ’m aannemen. Ze zeurde net zoo lang,
+tot ik ’t deed en nu heb ik haar bloemen uit mijn tuintje gebracht,” vertelde Ineke
+op een avond aan meneer Van West, die ’t kleine, wilde meisje, met haar groote, donkere
+oogen graag lijden mocht en altijd partij voor haar trok, als Juf iets minder aardigs
+van haar zei. Freda, op haar beurt, was erg op meneer Van West gesteld, noemde hem
+soms voor de grap ook Opa, maar Juf vond ze „een ouwe zeur” en Ineke zat dikwijls
+in angst, dat Freda brutaal tegen haar zijn zou. Gelukkig was dat echter nog niet
+voorgekomen en beloofde Freda telkens:
+</p>
+<p>„O, wees maar gerust, ik zàl niks zeggen. ’t Heele mensch kan me niks schelen. ’t
+Is een <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>spóók! Maar je grootvader wil ik geen verdriet doen als jij zegt, dat hij ’t naar
+vindt, als ik onaardig tegen haar ben. Jou Opa is een snoes van een man. Ik wou, dat
+ik ook zoo’n grootvader had.”
+</p>
+<p>En Ineke, die ’t altijd zoo heerlijk vond, als ze merkte, hoeveel de menschen van
+hem hielden, had beweerd:
+</p>
+<p>„Opa vind jou ook aardig, hoor, en hij is blij dat ik, nu ik jou hier heb, niet zooveel
+meer lees als vroeger. Hij zei altijd, dat ik er een ronden rug en een suf hoofd van
+kreeg.”
+</p>
+<p>„Natuurlijk,” lachte Freda, „al dat malle gelees over dingen, die toch nooit gebeurd
+zijn!”
+</p>
+<p>Maar daar was Ineke ’t niet mee eens. Ze vond lezen nu eenmaal heerlijk, doch de twee
+kleine meisjes, hoe verschillend van aard ook, waren toch een heele aanwinst voor
+elkaar. Meneer Van West zei wel eens, dat een paar zusjes niet beter met elkaar over
+weg zouden kunnen dan Ineke en Freda, want ze kibbelden zelden samen en hadden bijna
+altijd pret. Misschien wel een beetje te veel! Als Opa geweten had, dat ’t schoolwerk
+er onder begon te lijden en Ineke in de afgeloopen week twee maal een les niet kende
+en van de vijf sommen, die ze <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>voor huiswerk opkreeg, er maar twee goed maakte, zou hij zijn kleindochter niet geprezen
+hebben. Gelukkig, dat hij de laatste dagen meester Hoogstra niet gesproken had, dacht
+Ineke, die eigenlijk heelemaal niet tegen een prijsje kon, want sinds de doos met
+pralines, die Moeder stuurde, had ze ’t er met ’t leeren maar zoo’n beetje op aan
+laten komen. ’t Ging immers goed en nu zou ’t vanzelf wel zoo blijven gaan. Maar,
+o, lieve help, wat viel dàt tegen! Zonder dat ze ’t zichzelf bekennen wilde, merkte
+ze wel, dat ze, als ze niet haar uiterste best deed, dadelijk achter raakte met die
+halve schooldagen. Ze maakte zichzelf echter wijs, dat ze een ongelukkige bui had
+gehad en dat die wel weer voorbij zou trekken. Iedereen kende wel eens z’n les niet
+en die sommen waren ook zoo lastig. Doch ze keek gauw voor zich, toen meester Hoogstra
+haar op een morgen over zijn bril heen aanzag en hoofdschuddend zei, terwijl hij haar
+sommenschrift teruggaf:
+</p>
+<p>„Ineke, Ineke, je werkt niet meer zoo goed als in ’t begin!”
+</p>
+<p>Nu, met de komende repetitie, zou ze haar schade inhalen, had ze zich vast voorgenomen.
+Dan bracht ze toch nog wel een tamelijk goede lijst mee aan ’t eind van de maand,
+want anders <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>zou Opa er verdriet van hebben en Opa verdriet doen, dat wòu Ineke niet. Den heelen
+Woensdagmiddag ging ze hard op haar aardrijkskunde leeren en de moeilijke sommen nog
+eens overdoen. Dan zou ze er zich Donderdag wel goed doorheen slaan.
+</p>
+<p>Woensdagmiddag kwam en Ineke zat nog met Opa en Juf aan de koffie, toen Freda onverwachts
+binnenstapte:
+</p>
+<p>„Dag meneer, dag Juf, dag Ien! Zeg, ik kwam daarnet op den weg Andries tegen. Hij
+gaat hooi halen op ’t land en we mogen mee terug rijden op de volle kar, als Opa ’t
+goed vindt.”
+</p>
+<p>„We mogen wel, hé Opa? We zijn gauw weer terug!”
+</p>
+<p>„Ja, kinderen, gaan jullie je gang maar. Maar moet je niet eerst je aardbeien opeten,
+Ineke? Zoo gauw zal de kar niet opgetast zijn. Juf, geeft u Freda ook maar een portie,”
+zei meneer Van West met een knipoogje, en nadat ze ieder volop gesmuld hadden van
+de heerlijke vruchten, die dat jaar zoo overvloedig in den moestuin groeiden, toog
+het tweetal op weg, dwars de velden door naar de weide, waar Andries aan ’t hooien
+was. De kar stond nog maar half opgetast, zoodat ze een poosje in een groote hoop
+<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>hooi midden in de wei gingen liggen tot ze geheel was opgeladen. Toen hielp Andries
+de beide meisjes vlug naar boven klimmen.
+</p>
+<p>„’t Lijkt wel een bed,” lachte Ineke, terwijl ze zich languit naast Freda uitstrekte,
+maar Andries zei:
+</p>
+<p>„Voorzichtig jullie! En je vasthouën an ’t touw, hoor, dat ik er over gespannen heb,
+anders zou je d’r wel ’s af kunnen schieten.”
+</p>
+<p>Maar zoo’n vaart liep ’t niet. ’t Oude paard kon de zware vracht slechts langzaam
+trekken, zoodat ’t niet veel harder dan stapvoets naar „Eiken-rode” terug ging. Toch
+was ’t heerlijk en zouden de vriendinnetjes er volstrekt geen bezwaar tegen gehad
+hebben, als de tocht wat langer geduurd had. Ineke, met de beste plannen voor de repetitie
+van den volgenden morgen bezield, stelde bij haar thuiskomst echter dadelijk voor:
+</p>
+<p>„Zeg, zullen we nu samen de plaatsen aan de groote rivieren repeteeren? ’k Heb mijn
+atlas in ’t spreekkamertje liggen.”
+</p>
+<p>Maar Freda schudde beslist haar donker hoofdje.
+</p>
+<p>„Kan je begrijpen! Nee, hoor, ’t is veel te warm om te leeren. ’k Zal ’t vanavond
+of morgenochtend voor ’t ontbijt nog wel ’s nakijken.”
+</p>
+<p>„En weet je de som van die Kilogrammen en <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>Hectogrammen nog goed? Die vond ik laatst zoo moeilijk,” hield Ineke vol.
+</p>
+<p>„O, daar is niks an. Misschien krijgen we zoo’n soort som heelemaal wel niet. Zeur
+niet over die nare repetitie en laten we nu pret hebben. Dáár is je vrije Woensdagmiddag
+toch voor,” en ze vervolgde, met een arm om Ineke’s schouder: „Zeg, Ien, weet je wat
+we moesten doen?”
+</p>
+<p>„Nou, wat dan?”
+</p>
+<p>„Een leuk tochtje maken! Achter ’t weiland, waar de eikenboschjes beginnen, maakt
+de beek ’n groote bocht en een eind verderop weet ik een plek, die gewoon bláúw ziet
+van de vergeet-mij-nietjes. In de boschjes zelf wemelt ’t van de kamperfoelie, ’k
+heb er een paar dagen geleden al bossen vandaan gehaald met Hans. Laten we nu met
+ons beidjes een reuzenbouquet voor Opa gaan plukken. Hij houdt er dolveel van, want
+laatst, toen ik een takje gestoken had op ’t borduursel van m’n jurk, om eens echt
+te genieten van de lekkere lucht, zei Opa, dat hij ook geen enkele bloem wist, die
+zóó lekker ruikt als kamperfoelie!”
+</p>
+<p>„Maar ’t is al over tweeën en ik wou m’n repetitie graag goed maken,” aarzelde Ineke.
+</p>
+<p>„Dan kijk je vanavond je boel nog eens na. <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>Heusch, zoo’n repetitie is zoo erg niet. ’t Is enkel rekenen en aardrijkskunde morgen.
+Je komt er best klaar mee, als je dadelijk na ’t eten begint en desnoods sta je morgen
+een half uur vroeger op, dan zit ’t er allemaal versch in. Dat doe ik ook altijd.
+Kom, ga nou mee!”
+</p>
+<p>En Ineke, die er toch eigenlijk erge lust in had, zwichtte en ging uit de vestibule
+haar grooten stroohoed halen. Ze hield er niet van lang achtereen blootshoofds door
+de brandende zon te loopen, zooals Freda, die alleen Zondags een hoed droeg. Juist
+kwam Juf met een stapel schoon servetgoed de trap af.
+</p>
+<p>„Zoo, zijn jullie terug? Was ’t prettig? Maar wat is dàt, ga je nu wéér uit, Ineke,
+en je hadt toch gezegd, dat je zooveel te leeren hebt voor morgen!”
+</p>
+<p>„O, dat doe ik vanavond wel,” zei Ineke zoo luchtig mogelijk.
+</p>
+<p>„’t Is pas overmorgen repetitie,” jokte Freda er gauw achter aan.
+</p>
+<p>„Je moet ’t zelf maar weten, maar geen minuut later dan kwart voor acht is ’t bedtijd
+vanavond hoor! Je hebt vanmiddag niet gerust na de koffie en gisteren en eergisteren
+ook niet. Als je daar ’t handje mee licht, moet je <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>’s avonds maar eerder naar bed,” zei juffrouw Doortje streng.
+</p>
+<p>Ineke mompelde iets onverstaanbaars.
+</p>
+<p>„Als je maar zorgt bij tijds thuis te zijn, want Sientje moet naar haar naaikrans
+en dan kan er niet later dan kwart voor zes gegeten worden. Goed begrepen?”
+</p>
+<p>„Ja, Juf,” en Ineke holde Freda achterna, die bij ’t hek op haar stond te wachten.
+</p>
+<p>De beide meisjes zetten er dadelijk flink den pas in, ondanks de groote warmte, want
+des te eerder waren ze op den breeden straatweg, waar ’t onder de hooge olmen veel
+koeler was. Toen ze dien voor een gedeelte gevolgd hadden, sloegen ze af naar de wei,
+waar heel aan ’t einde de beek haar bocht maakte.
+</p>
+<p>„Oef, wat is ’t warm, hier,” zuchtte Ineke, met haar hoed op haar neus. „Freda, hoe
+houd jij dàt uit, met je bloote hoofd in de zon!”
+</p>
+<p>„O, ’t is maar eventjes. ’k Kan er best tegen. Straks, als we bij de beek zijn, doen
+we onze schoenen en kousen uit en gaan lekkertjes door ’t water loopen. Zóó komen
+we ’t best bij de vergeet-mij-nieten. Hans en ik doen ’t dikwijls op warme dagen.”
+</p>
+<p>„Hè ja, net als in Scheveningen,” stemde Ineke <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>grif toe, en zoo gauw ze aan de bocht kwamen, waar ’t beekje de wei verliet en midden
+tusschen de lage eiken-boschjes door stroomde, zetten ze zich in ’t gras om hun schoenen
+en kousen uit te trekken.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatLeft p45width"><img src="images/p45.png" alt="Freda en Ineke waden door een beekje." width="385" height="490"></div><p>
+</p>
+<p>„Zie je, ’t is hier ’t makkelijkste plekje om er in te komen. Verderop bij de boschjes
+zijn er zooveel braamstruiken en boomstronken, waar je je voeten aan bezeert. Leg
+je kousen en schoenen maar naast de mijne, dan doen we ze straks hier weer aan en
+hoeven er niet aldoor mee rond te sjouwen. Doe’t maar gerust, hoor, er komt toch geen
+mensch. Ziezoo, daar ga ik,” en Freda liet zich handig langs den tamelijk steilen
+oever in ’t water. „Zalig,” juichte ze, haar rokken hoog opsjorrend, „kom Ien, geef
+me maar ’n hand,” en ze <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>hielp Ineke, die ’t toch wel een beetje ongewoon en griezelig vond, te water. „Ik
+zal wel voorop gaan! Ik weet hier precies alle plekjes. Hou daar aan ’t eind van de
+bocht je rokken goed hoog op, want daar gaan we er wel tot onze knieën in. Verderop
+is ’t weer heel ondiep. Toe, kijk niet zoo angstig! Je zult niet verdrinken,” plaagde
+Freda.
+</p>
+<p>„Maar ik bèn heelemaal niet bang. Ik vind ’t juist heerlijk,” verzekerde Ineke, die
+na de eerste stappen in de beek geheel op dreef raakte en vol vertrouwen waadde ze
+achter Freda aan, door de diepe plaatsen.
+</p>
+<p>’t Was werkelijk een verrukkelijk tochtje, vooral verderop, waar in de lage boschjes
+aan den oever een paar nachtegalen hun hoogste lied zongen. De een antwoordde telkens
+den ander. „Je zult ze niet veel meer horen. Ze scheiden er nu gauw uit met zingen,”
+fluisterde Freda, en de beide meisjes bleven even staan om te luisteren. Vlugge waterspinnen
+huppelden vroolijk over de oppervlakte van ’t beekje en vluchtten ijlings naar de
+kanten als Freda en Ineke plonsend naderden, en een paar prachtige blauwe libellen
+dartelden voor hen uit.
+</p>
+<p>Ineens gaf Ineke een schreeuw van verrukking, toen ze tegen een der oeverkanten een
+plekje ontdekte, dat vol vergeet-mij-nieten stond.
+<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p>
+<p>„Wat ’n boel!” jubelde ze, er met volle handen van plukkend, „en wat zijn ze groot!
+Kijk, deze hebben rose knopjes bovenaan.”
+</p>
+<p>„Verderop staan er nog veel meer. Kijk daar eens, daar bloeit kamperfoelie en daar
+wilde spirea en valeriaan. Valeriaan heeft ’n naar luchtje, maar ’t zijn zulke mooie
+bloemen. Ik doe er toch een paar in mijn bouquet. De kamperfoelie ruikt zoo sterk,
+dat je ’t vieze luchtje haast niet merkt,” beweerde Freda, maar Ineke wilde ze niet
+hebben.
+</p>
+<p>„Daar zijn genoeg andere bloemen,” zei ze, een paar witte <span class="corr" id="xd33e516" title="Bron: doove netels">doovenetels</span> afplukkend, en meteen schrikte ze vreeselijk van een konijntje, dat uit de struiken
+boven haar hoofd wegsprong.
+</p>
+<p>Freda lachte dat ze schaterde, en Ineke lachte mee.
+</p>
+<p>„Dat zal nog wel ’s meer gebeuren,” plaagde Freda. <span id="xd33e522">„</span>Er zijn hier een hóóp konijnen en laatst hebben Hans en ik hier in de buurt een egel
+gevangen. Hij rolde zich als een bal op en zette al zijn stekels overeind, toen Hans
+hem pakken wou, maar toen hebben we ’m heel voorzichtig in een zakdoek gerold, zoodat
+hij ons niet steken kon, en ’m zoo mee naar huis genomen. Vader zei, dat egels zooveel
+van melk <span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>houden en daarom gaven we ’t beest dadelijk een schoteltje vol, maar hij bleef als
+een bal liggen en taalde er niet naar, en den volgenden morgen, toen we ’t zij-hokje
+van ’t groote kippenhok opendeden, was meneer verdwenen en ’t schoteltje leeg! We
+denken, dat hij zich onder ’t hok doorgegraven heeft.<span id="xd33e526">”</span>
+</p>
+<p>„Hè, hoe jammer; hadden jullie ’m niet graag willen houden?” vroeg Ineke, maar <span id="xd33e530">Freda</span> beweerde er niet rouwig om te zijn.
+</p>
+<p>„Och, eigenlijk heb je toch niks aan zoo’n beest, dat alleen maar steken kan en muizen
+vangen. Misschien was hij op den duur wel tam geworden, maar buiten in de bosschen
+hebben ze toch een veel prettiger leven. Hè, ik wou, dat ik ook altijd in de bosschen
+kon zijn! Vroeger toen we nog in de stad woonden, had ik lang niet zoo’n schik in
+mijn leven als hier. Alleen had ik dáár vriendinnetjes, maar sinds jij hier bent,
+mis ik die niet meer,” en Freda, even stilstaande, schopte naar een groote spin, zoodat
+de fonkelende waterdruppels hoog opspatten.
+</p>
+<p>„Kind, je jurk drijft! Pas op, je maakt mij ook nat,” waarschuwde Ineke verschrikt
+en lachend tegelijk.
+</p>
+<p>„O, dat droogt in een wip, maar we zullen nu <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>langzamerhand maar omkeeren, want we moeten dat heele eind nog terug, en eer jij goed
+en wel op „Eiken-rode” bent, zal ’t wel vijf uur zijn. Dan kan je je nog net verkleeden
+en een beetje leeren,” en met bloemen beladen zochten de beide meisjes de plaats weer
+op, waar ze hun kousen en schoenen hadden achtergelaten.
+</p>
+<p>„Ziezoo, nu leggen we onze bloemen tegen den kant, met de stelen in ’t water en gaan
+zelf in ’t gras zitten. Dan laten we de zon op onze beenen schijnen. Je zult eens
+zien hoe gauw we droog zijn,” zei Freda en ze scharrelde ’t water uit tegen den oever
+op, reikte Ineke een hand en trok haar op ’t droge. Toen strekten ze zich naast elkaar
+in ’t gras uit.
+</p>
+<p>„O, wat is ’t warm, nu we weer uit ’t water zijn,” zei Ineke, haar hoed over haar
+oogen trekkend, maar Freda vond ’t heerlijk en liet zich stoven.
+</p>
+<p>„Als je maar niks hoeft uit te voeren is ’t wàt lekker,” zuchtte ze lui.
+</p>
+<p>Plotseling klonk er een dof gerommel in de verte.
+</p>
+<p>„Hoor je dat; ’t gaat onweeren,” zei Ineke ongerust en ze kwam dadelijk overeind,
+maar Freda antwoordde:
+</p>
+<p>„Geeft niks! We zijn niet zoo ver van ons huis en de bui is nog ver af.”
+</p>
+<p>Maar toen ’t voor de tweede maal rommelde en kort <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>daarop een felle bliksemstraal de lucht doorkliefde, haastte ze zich toch, evenals
+Ineke, om zoo spoedig mogelijk haar kousen en schoenen aan te krijgen en op een drafje
+holden ze met hun bloemen de wei door. Juist toen ze den straatweg bereikt hadden,
+vielen de eerste regendruppels. Het werd een stevige plasbui en hun dunne jurken waren
+in een oogenblik doorweekt. Freda’s korte haren hingen in druipende piekjes om haar
+hoofd en van Ineke’s hoed gutste het water in stralen omlaag.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p50width"><img src="images/p50.png" alt="Op een drafje holden ze met hun bloemen de wei door." width="582" height="444"></div><p>
+</p>
+<p>„We zien er uit als een paar verdronken katten,” <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>lachte Freda, maar Ineke keek bedrukt, want ze zag wel op tegen ’t standje van Juf,
+dat ze zeker krijgen zou en dan.… de repetitie.
+</p>
+<p>„Ben je mal, je gaat natuurlijk met mij mee. We zijn nu vlak bij „De Merel” en vóór
+jij thuis bent, zie je d’r uit, of je heelemaal in ’t water gelegen hebt. Dan zal
+je die vervelende zeur van ’n Doortje ’s hooren,” waarschuwde Freda, toen haar vriendinnetje
+links inplaats van rechts wilde afslaan en zuchtend besloot Ineke daarop maar met
+Freda mee te gaan. ’t Was ook zóó’n weer.
+</p>
+<p>„Kijk, daar heb je onze vagebonden! Moeder, je mag ze wel dadelijk droog goed geven,”
+riep dokter Wilminck tegen zijn vrouw, toen hij van uit de serre het tweetal zag aankomen.
+</p>
+<p>„Kinderen, kinderen, wat zien jullie er uit! Maar wie had ook gedacht, dat ’t zóó
+zou gaan onweeren en regenen! Freda, kind, je lijkt wel een natte poedel,” lachte
+mevrouw Wilminck en ze joeg de beide druipende meisjes voor zich uit naar boven, waar
+ze op de badkamer ieder een schoon pak aankregen, na duchtig met ruige handdoeken
+te zijn drooggewreven.
+</p>
+<p>Toen ze beneden kwamen hadden dokter Wilminck en Hans juist gloeiend-heete thee ingeschonken
+en terwijl Freda en Ineke zich deze goed lieten smaken <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>en de halve koekjestrommel leeg aten, moesten ze vertellen van hun tocht door de beek
+en werden Freda’s bloemen in een wijde Keulsche kan geschikt, die een eereplaats kreeg
+op de serretafel.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatLeft p52width"><img src="images/p52.png" alt="Ineke’s bloemen heb ik apart in den gieter gezet." width="383" height="422"></div><p>
+</p>
+<p>„Die van Ineke heb ik apart in den gieter gezet. Kijk ze ’s opstijven,” wees Hans,
+die ’t jammer vond, dat hij den tocht ook niet had meegemaakt.
+</p>
+<p>„Hoe laat is ’t al, mevrouw,” informeerde Ineke na een oogenblik en ze keek bedenkelijk
+naar buiten, waar ’t nog steeds plasregende.
+</p>
+<p>„Kwart over vijf, kindje. Wat is er, wou je naar huis? Maar ’t is zoo’n weer! Daar
+kan je niet door. Weet je wat, je blijft hier eten en ik telefoneer zoo dadelijk even
+naar je Grootvader.”
+</p>
+<p>„’t Is erg vriendelijk van u en.… en ik zou ook heel graag blijven, maar, ziet u.…
+ik, ik moet mijn aardrijkskunde en een paar moeilijke sommen nog nazien voor de repetitie
+van morgen,” stotterde Ineke.
+<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p>
+<p>„O, dat kan je hier ook wel doen. Freda heeft immers dezelfde boeken,” zei dokter
+Wilminck luchtig en Freda, die Ineke wel erg overdreven vond, maar zag hoe ze er over
+in zat, ging goedig haar tasch halen.
+</p>
+<p>„Hier kind, hier heb je alle geleerdheid bij mekaar, behalve mijn atlas, want die
+kan er niet in.”
+</p>
+<p>„Leer jij dan aardrijkskunde zónder atlas,” vroeg Ineke verwonderd.
+</p>
+<p>„O ja, haast altijd! Dan zoek ik op school, vóór de les begint nog wel gauw de voornaamste
+dingen op.”
+</p>
+<p>„Freda, Freda, dat is weer net iets voor jou. Hoe is ’t mogelijk!”
+</p>
+<p>Mevrouw schudde haar hoofd, maar Freda liep, lachend haar schouders ophalend, naar
+de telefoon, die juist belde.
+</p>
+<p>„’t Is meneer Van West. Hij vraagt of Ien hier is. Komt u even, Moeder,” vroeg ze
+en mevrouw Wilminck haastte zich naar ’t toestel.
+</p>
+<p>Meneer Van West was blij te hooren, dat zijn kleindochter veilig op „De Merel” zat
+en vond ’t uitstekend, dat ze daar bleef eten. Hij zou haar zelf tegen half acht komen
+halen, als ’t weer opklaarde en anders werd Ineke wel met de dokterssjees naar huis
+gebracht, ofschoon Vera—’t paard—dien dag nogal een grooten tocht achter den rug had.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatRight p54width"><img src="images/p54.png" alt="Ze sloeg het aardrijkskundeboekje open, maar ’t wilde niet vlotten...." width="271" height="409"></div><p>
+</p>
+<p>En zoo blééf Ineke dus, hoewel ze natuurlijk veel <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>liever naar huis zou zijn gegaan, om daar op haar gemak te werken. Dadelijk na ’t
+eten, toen ’t weer opklaarde en Freda en Hans den tuin introkken, kroop ze met Freda’s
+boeken en schriften in een hoekje van de serre. Ze sloeg het aardrijkskundeboekje
+open, maar ’t wilde niet vlotten.… Zònder atlas kon <i>zij</i> geen aardrijkskunde leeren. Ze begreep niet hoe Freda dat deed. ’t Beste zou zijn
+morgenochtend vroeg op te staan, zonder dat Juf ’t merkte. Anders zou ’t uitkomen,
+dat ’t die dag repetitie was en niet pas de volgende, zooals Freda gejokt had, om
+haar vriendinnetje mee te krijgen.… Vervelend, dat alles zoo tegenliep. Ineke wou
+de schade zóó graag inhalen en met een niet àl te slechte lijst thuiskomen, aan ’t
+eind van de volgende week.… Dat nàre onweer ook! Als dat niet gekomen was, zat ze
+nu rustig op haar eigen balkon-kamertje. Dan kènde ze alles al bijna! Die aardrijkskunde
+was niet eens zoo moeilijk. Kom, nu maar aan de sommen! Maar Freda had ze zoo raar
+en slordig in haar schrift <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>staan, dat ze er niet uit wijs kon, en er haar naar vragen wou Ineke niet. Freda was
+met Hans aan ’t stelten-loopen en dus heelemaal niet in een bui om sommen uit te leggen
+en Ineke, moe en knorrig op zichzelf, stopte zuchtend de boeken en schriften weer
+weg in de tasch en drentelde lusteloos den tuin in, verlangend naar Opa, die zich
+niet lang wachten liet gelukkig.
+</p>
+<p>Meneer Van West vond zijn kleindochtertje stil dien avond, vooral onder ’t naar huis
+gaan, en maakte zich heusch een weinig ongerust, dat het tochtje in de beek niet dienstig
+voor haar geweest was en toen Ineke eindelijk in bed lag, bleef ze tegen haar gewoonte
+lang liggen woelen en tobben en eindelijk ingeslapen, droomde ze heel vermoeiend en
+verward van meester Hoogstra, die door de beek wandelde, van akelig-groote konijnen,
+die gezichten tegen haar trokken en van een lei met sommen, die niet wilden uitkomen.…
+</p>
+<p class="tb">⁂</p><p>
+</p>
+<p>Den volgenden ochtend werd ze pas bij zevenen wakker. IJlings vloog ze overeind en
+begon zich te wasschen en te kleeden. Haar haar was al uitgekamd toen Juf haar kwam
+roepen en ze kon „de plaatsen langs de groote rivieren in Nederland” gelukkig nog
+<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span>alle opzoeken en zich in ’t hoofd prenten.… maar de sommen schoten er bij in. Ze hoopte
+vurig, dat ze die moeilijke van de Kilo- en Hectogrammen niet zouden krijgen en dat
+’t rekenen mee zou vallen. Dat kòn toch, trachtte Ineke zichzelf moed in te spreken,
+maar helaas, toen ze om tien minuten over twaalf uit school kwam, wist ze zèker, dat
+ze alles behalve gelukkig geweest was!.….
+</p>
+<p>Boven op haar kamertje, waar ze zich altijd ging opknappen voor ’t koffiedrinken,
+viel ze op een stoel neer en dacht na.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p56width"><img src="images/p56.png" alt="Boven op haar kamertje viel ze op een stoel neer en dacht na." width="514" height="720"><p class="figureHead">Boven op haar kamertje viel ze op een stoel neer en dacht na.</p>
+<p class="first">Blz. 56.</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>De sommen gingen heelemaal mis.… Van de zes waren er twee goed en het laatste uur,
+toen ze voor de kaart moest komen, had ze zich vergist met de plaatsen aan de Boven-
+en Beneden-Merwede. Ook had ze Coevorden inplaats van Meppel aangewezen, maar gelukkig
+wist ze de plaatsen langs den Ouden Rijn zonder haperen te liggen. Daardoor was haar
+aardrijkskunde-cijfer voldoende geworden. Maar voor rekenen kreeg ze onvoldoende.…
+Dat stond als een paal boven water. Meester Hoogstra had ’t zelf gezegd. Ook vond
+hij haar taalwerk van de laatste weken zooveel minder en zoo slordig geschreven. Deze
+drie-wekelijksche lijst, hoewel met geen verdere „onvoldoendes” dan rekenen, zou er
+zéér, zéér magertjes uitzien.… Ineke durfde haast niet aan den komenden <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>Zaterdag te denken, als Opa weten zou, hoe ze was achteruit gegaan. Wat zou hij er
+een verdriet van hebben en ze had hem juist een pleziertje willen doen met die bloemen,
+die frisch en geurig in een tinnen kan op zijn bureau prijkten. Opa had er haar zóó
+voor bedankt, maar Ineke wist heel goed, dat hij veel meer in zijn schik geweest zou
+zijn met een mooi rapport.… Trouwens, de bloemen waren volstrekt niet alleen de schuld
+van de slechte lijst. ’t Was den laatsten tijd alles maar: gauw, gauw gegaan om zooveel
+mogelijk met Freda te zijn. Zelfs ’t lezen was er de laatste weken bijna bij ingeschoten.
+Alleen Zondag toen ’t zoo regende, had ze den heelen middag verdiept gezeten in de
+sprookjes van Grimm en Andersen. O, als ze tenminste toen maar in plaats van te lezen,
+sommen gemaakt had, dan was die leelijke twee voor rekenen misschien nog een „min
+drie” of drie geworden. Doch nu was ’t te laat. Niets, niets viel er meer aan te doen
+en Zaterdag, als ze uit school kwam, zou ze Opa, die ’t in de verste verte niet vermoedde,
+die onaangename verrassing moeten bereiden.… Opa, die haar altijd plezier deed.… en
+thuis zouden ze ook zoo teleurgesteld zijn en o, als de directrice van haar school,
+aan wie de lijst altijd getoond werd, nu maar niet besloot haar nog een jaar in de
+vierde klasse te laten. Blijven zitten zou Ineke vrééselijk <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>vinden.… De tranen sprongen haar in de oogen. Opa, en Vader en Moeder, alle drie zouden
+ze verdriet hebben door haar schuld!
+</p>
+<p>Nog één heelen dag hoefde niemand iets te weten. Morgen was ’t pas Vrijdag, bedacht
+Ineke en ze zuchtte even van verlichting, wischte de waterlanders weg en stond op,
+om haar handen te wasschen en een schoon schort aan te doen. Ze zou zich voorloopig
+nog maar heel gewoon houden en niets zeggen en toen de gong voor ’t koffie drinken
+door ’t huis klonk, liep ze op een holletje naar beneden en gedroeg zich, alsof er
+geen koudje aan de lucht was.
+</p>
+<p>„Ineke, kind, ik heb een verrassing voor je,” begon meneer Van West, zoo gauw ze aan
+tafel zat en hij zag zijn kleindochter lachend aan.
+</p>
+<p>Ineke bloosde tot achter haar ooren.
+</p>
+<p>„Een verrassing, Opa,” vroeg ze flauwtjes.
+</p>
+<p>„Ja, kind! Je wou immers zoo graag een poesje hebben? Nou, bij boer Staps op de Heikamp
+is een poes met zes allersnoeperigste kleintjes, zwarte, gevlekte en grijze. Zelden
+zag ik zoo’n mooi nest, maar natuurlijk kan Staps ze niet allemaal houden. Voor vier
+er van zoekt hij een baas en als je wilt, mag jij er een van hebben. Wat zou je zeggen,
+als we er vanmiddag, als je gerust hebt, eens samen op uitgingen en er een mee naar
+huis brachten,” en meneer Van <span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span>West, niet anders denkend, dan Ineke, die al zoo lang naar een eigen poesje verlangde,
+een groot genoegen te doen, was hoogst verbaasd toen zijn kleindochter met een heel
+benepen stemmetje en neergeslagen oogen antwoordde:
+</p>
+<p>„Heel graag, Opa!”
+</p>
+<p>„Ineke, kind, wat is er? Scheelt er iets aan?”
+</p>
+<p>Juffrouw Doortje zag van achter ’t koffieblad nu ook met bevreemding naar Ineke, die
+zich ineens niet meer goed kon houden en in huilen uitbarstte. ’t Was te veel voor
+haar: <i>Opa, die weer iets verzonnen had om haar plezier te doen, terwijl zij hem overmorgen
+door haar eigen schuld zóó zou moeten teleurstellen!</i>
+</p>
+<p>Haar tranen stróómden, heesche snikken snoven door de kamer. Heelemaal over stuur
+raakte ze.
+</p>
+<p>„Kind, kindje toch! Toe, drink eens.” Juf ook al ongerust, was opgestaan om haar een
+glas water in te schenken en Opa’s goedig gezicht boog bezorgd over Ineke, die maar
+niet tot bedaren kon komen.
+</p>
+<p>„Kom, ga maar eens mee den tuin in. De lucht zal je goed doen,” en Opa troonde Ineke
+zacht mee naar buiten.
+</p>
+<p>Dáár, met kleine stapjes wandelend om ’t rozenperk naast Opa, die haar als een klein
+kindje bij de hand hield, bedaarde Ineke en begon, eerst nog snikkend, al vegend met
+Opa’s grooten zakdoek over haar behuild <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>gezicht, maar van lieverlede toch wat kalmer, te vertellen van school en van de ongeluks-repetitie.
+</p>
+<p>Meneer Van West zei niets, maar luisterde oplettend naar Ineke’s verhaal, dat er met
+horten en stooten uitkwam, doch dat hij toch wel begreep.
+</p>
+<p>„Jongens, Ineke, wat spijt me dat! Wie had dàt nu kunnen denken! Had ’t me maar eerder
+verteld. Of zag je ’t eerst zelf niet zoo ernstig in,” vroeg Opa, toen Ineke zweeg.
+</p>
+<p>„Ik wist allang, dat dit rapport veel minder zou zijn, dan het vorige, maar.… maar
+ik had zóó gehoopt, dat ik tenminste voldoende voor alles zou krijgen.” Ineke’s roodbehuilde
+oogen zagen Opa smeekend aan en ze vervolgde: „Toe, Opa, verzin er iets op!”
+</p>
+<p>„Er iets op verzinnen? Als ik maar wist wàt! Ik kan helaas je slechte cijfers niet
+mooi maken. De eenige, die dat kan, ben jij zelf. Jij kunt zorgen, dat je rapport
+er de volgende maand beter uitziet! Maar weet je, wat ik doen kan? Ik zal vanmiddag
+naar meester Hoogstra gaan en eens met hem praten over de questie. We kunnen dan natuurlijk
+niet naar de Heikamp.”
+</p>
+<p>„Nee, en dat woù ik ook liever niet, Opa, want.… want ziet u, ik vind niet, dat ik
+het poesje verdiend heb. Ik.… ik moest er juist zoo om huilen, dat u altijd zoo lief
+voor mij bent.… en ik.…” Ineke <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>bleef steken en haar lippen begonnen op nieuw verraderlijk te trillen.
+</p>
+<p>„Kom, kindlief, nu niet wéér beginnen. Gauw je boterham opeten! ’t Is al kwart over
+een,” en Opa en Ineke traden door de openstaande serre de eetkamer weer binnen en
+Ineke, o zoo blij, dat ze nu niet meer met zoo’n bezwaard hart rond behoefde te loopen,
+at met smaak haar bord leeg en ging toen gedwee rusten.
+</p>
+<p>Dien middag tegen etenstijd keerde meneer Van West van zijn bezoek aan meester Hoogstra
+terug en Ineke, die met haar rekenboek en sommenschrift in de serre zat, vloog Opa
+tegemoet.
+</p>
+<p>„Ja, kindje, meneer Hoogstra was, net als jij me verteld hebt, heel ontevreden over
+je, maar ’t viel hem, geloof ik, nogal mee, dat je me alles eerlijk hebt opgebiecht.
+We hopen er nu iets op gevonden te hebben, waardoor je laatste rapport, dat je vijftien
+Juli met de vacantie meekrijgt, er weer goed uit zal zien, zoodat je op je eigen school
+zult kunnen overgaan. Je bent nu weer sterk en gezond en daarom vond meester Hoogstra
+’t maar ’t best, dat je nu de laatste weken ook ’s middags op school komt. Hij zal
+je wat extra-huiswerk opgeven en ’s middags na schooltijd moet je dan maar je drie
+kwartier rusten. Van spelen met Freda zal er nu wel niet veel kunnen komen, maar Freda
+moet ook harder werken, zegt meester Hoogstra. In <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>de vacantie kunnen jullie dan je schade inhalen. Wat zeg je van dit plan?”
+</p>
+<p>Nu, Ineke was ’t er heelemaal mee eens en wàt blij, dat de kans om alles in ’t eind
+nog goed te maken niet verkeken was. Opa zond een paar dagen later het slechte rapport
+met een brief, waarin hij alles uitlegde, aan Ineke’s ouders.…
+</p>
+<p>Heel veel antwoordden die er niet op, maar Ineke snapte toch wel uit de enkele zinnen,
+die zij er in hun brief-terug over schreven, dat ze zeer teleurgesteld waren en dat
+spoorde haar dubbel aan, op school haar uiterste best te doen. Ze ging er zelfs die
+laatste drie weken iets minder goed uitzien, maar den vijftienden Juli kwam ze stralend
+van opgetogenheid met een werkelijk bizonder mooie lijst bij Opa. Voor alle vakken
+had ze vieren en vijven en meester Hoogstra had er met duidelijke letters onder geschreven:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„<i>Ondergeteekende verklaart, dat zijn leerlinge Ina van West met vrucht het onderwijs
+op zijn school van den 10en Mei tot den 15en Juli gevolgd heeft, zoodat er zijns inziens
+geen enkel bezwaar bestaat, haar op haar eigen school tot een hoogere klasse te bevorderen.</i>
+</p>
+<p class="signed"><i>C.&nbsp;J.&nbsp;P. HOOGSTRA,
+<br>Hoofd-onderwijzer.</i><span id="xd33e667">”</span></p>
+</blockquote><p>
+<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p>
+<p>„Mooi zoo, Ien! Nu is de schade ingehaald! Nu kan je met hart en ziel van je vacantie
+genieten, als morgen Vader en Moeder met de broers komen,” en Opa omhelsde zijn kleindochter
+hartelijk.
+</p>
+<p>„Ik ben zóó blij, zóó blij,” juichte Ineke, „vooral omdat Freda ook overgaat. Ze heeft
+alleen een taak voor aardrijkskunde, maar dat komt, omdat ze nooit een atlas gebruikt.
+Ik zal er haar wel mee terecht helpen,” en Ineke rende van louter plezier met Bello
+en Fokkie achter zich aan den tuin in, overgelukkig dat alles zoo goed was afgeloopen.
+</p>
+<p>Zelf mocht ze naar huis telefoneeren om ’t goede nieuws vast mee te deelen en nog
+dienzelfden middag gingen Opa en Ineke naar boer Staps op de Heikamp, om daar een
+poesje uit te zoeken, waarvoor juffrouw Doortje in alle stilte al een grappig, lichtblauw
+halsbandje met een belletje er aan gemaakt had.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p64width"><img src="images/p64.png" alt="Een poesje met een grappig, lichtblauw halsbandje met een belletje er aan." width="392" height="298"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ul" class="div1 last-child story"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e180">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">UIT LOGEEREN.</h2>
+<p><span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure p66width"><img src="images/p66.png" alt="Koffer met paraplu en tas." width="214" height="126"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span>
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p67width"><img src="images/p67.png" alt="Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed" width="624" height="378"></div><p>
+</p>
+<p>Hè, wat was dat?
+</p>
+<p>Was ’t nou al morgen?
+</p>
+<p>Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed, rekte zich al geeuwend uit, beide armen
+boven haar hoofdje. Helder scheen de zon door een kier van de gordijnen de kamer in
+en in een wip was Wiesje ’t bed uit, om op haar bloote voetjes voor ’t raam uit te
+kijken in den tuin, waar de duiven druk en vroolijk zaten te koeren op ’t lage, grijze
+muurtje.
+</p>
+<p>Kijk, daar vlogen er een paar weg, hoog hóóg de blauwe lucht in!
+</p>
+<p>Wiesje trok de gordijnen wijder open, schoof ’t raam wat meer op en ging er op haar
+knieën voor liggen. Een heerlijke geur van versch gemaaid gras <span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span>stroomde de kamer in. O, kijk, daar kwam Cobus, de tuinmansjongen, aan met een mand
+vol koolblaren. Zeker voor de konijnen.
+</p>
+<p>Wat was ’t heerlijk hier buiten! Heel anders dan op ’t bovenhuis in ’t warme, drukke
+Amsterdam, waar Wiesje woonde. Twee weken zou ze nu hier mogen blijven bij Oom Willem
+en Tante Lida! Zalig! Gisteren toen Vader haar wegbracht, had ’t Wiesje wel lang geleken
+om veertien heele dagen en nachten van huis te zijn.… Ze was al een groote meid van
+tien jaar, maar nog nooit alleen uit logeeren geweest en toen ze van Moes en kleinen
+Broer afscheid nam, had ze wel even een raar, propperig gevoel in haar keel gehad,
+net of ze zou gaan huilen.…
+</p>
+<p>Maar in den trein was ze ’t gauw vergeten en toen Vader ’s avonds wegging, voelde
+Wiesje zich bij Oom en Tante en bij Suus en Dolf en Bert zóó thuis, dat ze er niet
+over dacht één traantje te storten. En ze had Vader bij zijn vertrek nog nageroepen:
+</p>
+<p>„Zeg maar aan Moes, dat ’t hier dól is en dat ik heusch zoet zal zijn.”
+</p>
+<p>En toen de kinderen kort daarop alle vier naar boven moesten—om acht uur sloeg onverbiddellijk
+’t klokje van gehoorzaamheid—en Tante haar had toegedekt, was ze geen vijf minuten
+daarna rustig in slaap gevallen.
+<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p>
+<p>Hoe verbazend gauw ging zoo’n nacht voorbij!
+</p>
+<p>’t Was zeker nog heel vroeg, dacht Wies je. Je hoorde nog heelemaal geen leven in
+huis. Nee, mis hoor! Daar kwam Suus aan de kamerdeur:
+</p>
+<p>„Zeg, Wies, sta je op, ’t is zeven uur.”
+</p>
+<p>„’k Ben d’r al uit,” riep Wiesje vroolijk.
+</p>
+<p>Suus kwam binnen, ook in haar nachtjaponnetje en van louter plezier dansten ze toen
+de kamer door, tot ze allebei buiten adem op een stoel neerploften.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatRight p69width"><img src="images/p69.png" alt="Van louter plezier dansten ze toen de kamer door." width="317" height="576"></div><p>
+</p>
+<p>„Zoo leuk … dat je … hier bent,” hijgde Suus en Wiesje knikte lachend, niet in staat
+een woord te zeggen.
+</p>
+<p>„De jongens zijn al bijna klaar. Laten wij ook voortmaken, dan kunnen we voor ’t ontbijt
+nog even naar buiten,” stelde Suus voor, zoo gauw ze wat bekomen waren.
+</p>
+<p>„Goed, wie ’t eerst klaar is,” en Wiesje sprong op, schonk vlug water in de waschkom
+en begon dapper te plassen. Een goed <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>kwartiertje later waren ze beneden. Allebei tegelijk!
+</p>
+<p>In de tuinkamer was Tante Lida al bezig voor ’t ontbijt te zorgen. De glazen tuindeuren
+stonden wijd-open en de zon scheen vroolijk naar binnen en deed den koperen theeketel,
+die gezellig raasde, blinken of hij van goud was. Midden op tafel prijkte een vaasje
+met reseda en kleine, gele roosjes.
+</p>
+<p>„Die zijn van Dolf. Uit z’n eigen tuintje,” vertelde Tante toen Wiesje, die heel veel
+van bloemen hield, er haar wipneusje in begroef om diep den fijnen geur in te ademen.
+</p>
+<p>„Mogen we nog even den tuin in, Moeke,” vroeg Suus.
+</p>
+<p>„Ja, maar dadelijk komen als er gebeld wordt. Hier is wat oudbakken brood, strooi
+dat maar voor de vogels.”
+</p>
+<p>Suus nam ’t bordje met ’t in kleine stukjes gesneden brood aan en gearmd gingen zij
+en Wiesje naar buiten, waar de musschen luid sjilpend kwamen aanvliegen en zich flink
+te goed deden, totdat een paar hongerige duiven, die er ook wat van hebben wilden,
+ze uit elkander dreven.
+</p>
+<p>De beide meisjes hadden nog net tijd om even naar de konijnen te gaan kijken; toen
+luidde de bel voor ’t ontbijt. De anderen waren al binnen.
+</p>
+<p>„Ik heb zoo’n honger,” zei Bert, die vuurrood zag <span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>van ’t werken in zijn tuintje. „’t Onkruid is er allemaal uit. Nou zullen jullie ’s
+zien hoe mooi mijn reseda wordt! Moeke, over één weekje krijgt u net zulke mooie van
+mij, als u nu van Dolf hebt!”
+</p>
+<p>„Kun je begrijpen. Je hadt al veel eerder moeten wieden,” zei Dolf een beetje minachtend.
+„Jij laat alles altijd maar staan.”
+</p>
+<p>„Niet waar! Maandag heb ik er nog een hóóp uitgehaald en mijn violieren waren toch
+lekker veel mooier dan de jouwe.”
+</p>
+<p>„Och,” kwam Dolf weer, zijn schouders ophalend, maar Oom, die ineens van achter zijn
+courant opdook, maakte een eind aan de opkomende kibbelpartij door te zeggen:
+</p>
+<p>„Stil jongens! Wat moet Wies wel denken? Die is zulke kemphanen heelemaal niet gewend,
+of kibbel jij thuis wel eens met Broer, Wies?”
+</p>
+<p>„Nee,” lachte Wiesje. „Broer is nog veel te klein. Die kan nog niet eens praten.”
+</p>
+<p>„Nou maar, onze jongens kunnen mekaar geducht in de haren zitten. Ze meenen ’t wel
+niet zoo kwaad, maar ’t is toch niet heel aardig om aan te hooren. Dat zul je wel
+merken,” zei Oom met een plagend knipoogje naar Dolf en Bert, die groote happen van
+hun boterhammen namen en voor zich keken, want ze schaamden zich wel wat voor hun
+nichtje.
+<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p>
+<p>Maar Wiesje lachte er om en na ’t ontbijt toen Oom zijn zieken ging bezoeken—hij was
+dokter op ’t dorp waar ze woonden—gingen ze met hun viertjes prettig buiten spelen.
+Ze schoten goed op samen. De jongens kibbelden wel eens af en toe—dat kónden ze nu
+eenmaal niet laten—maar ’t duurde nooit lang, of ze verzoenden zich weer met elkaar.
+De dag was om voor ze het wisten, en Wies schreef dien avond een langen brief naar
+huis, zoodat Vader en Moes den volgenden ochtend al met verheugde gezichten lazen
+van al de pret, die hun dochtertje daarginds had.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>En nu was ’t de avond van den vijfden dag, dien Wiesje bij Oom Willem en Tante Lida
+doorbracht.
+</p>
+<p>Meer dan een half uur geleden had Tante haar ingestopt en nóg kon Wiesje den slaap
+maar niet vatten. Telkens keerde ze zich om en om in ’t groote logeerbed.… Zelf wist
+ze maar al te goed wat er aan haperde.… Ze had iets heel leelijks gedaan, waar ze
+nu o, zoo’n spijt van had en ’t ergste was, dat Cobus de tuinmansjongen, er morgen
+waarschijnlijk de schuld van zou krijgen.
+</p>
+<p>Iedereen dacht dat hij ’t gedaan had. O, ’t was verschrikkelijk. Wiesje wist geen
+raad.…
+</p>
+<p>Zóó was ’t gebeurd.
+</p>
+<p>Ze speelden met hun vieren verstoppertje. Bert <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>„was ’m” en omdat hij zoo gauw telde, waren Suus en Dolf en zij zoo hard ze konden
+ieder een anderen kant uitgehold. Wiesje, die ’t vlugst was, had zich verstopt achter
+in den tuin bij ’t schuurtje en Bert kón haar maar niet vinden. Die zocht alleen op
+plekjes dicht in de buurt en Wiesje had in zichzelf een pret van belang. Ze besloot
+nog een poosje rustig in haar schuilhoekje te blijven voor ze zich vertoonde, want
+hoe later je gevonden werd, hoe meer eer!
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure floatRight p73width"><img src="images/p73.png" alt="Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom waaraan een massa prachtige perziken zaten." width="280" height="630"></div><p>
+</p>
+<p>Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom, die tegen den muur van
+het schuurtje geleid was en waaraan een massa prachtige perziken zaten. De meeste
+waren nog niet heel rijp, maar juist onderaan hingen er een paar heerlijk in ’t zonnetje
+te stoven. Die zagen er net zoo rood en donzig uit als Wiesjes eigen wangen.…
+</p>
+<p>Ze ging er vlak bij staan, <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>voelde er toen heel voorzichtig met één vinger aan.… Hè, die twee daar vlak tegen
+elkaar waren heelemaal warm van de zon.… Nog even voelen en Wiesje kwam er nog eens
+aan. Maar, o wee, daar ploften ze ineens allebei op den grond. Vlak voor Wiesjes voeten
+vielen ze in ’t gras. Haar hartje bonsde van schrik en haar wangen werden nog rooder
+dan de perziken.
+</p>
+<p>Zóó had ze ’t niet bedoeld, nee waarlijk niet!
+</p>
+<p>Wat zou ze doen? Ze stil in ’t gras laten liggen, of ze gauw naar Tante Lida brengen
+en eerlijk vertellen wat er gebeurd was?
+</p>
+<p>Ze raapte ze op, rook er eens aan.… Een had al een gekneusd plekje.… Het sap liep
+haar langs de vingers. Kom, er zaten nog zooveel perziken aan den boom. Ze kon deze
+eigenlijk best opeten. Een paar meer of minder gaf niks, niemand zou ’t merken.…
+</p>
+<p>Schuw keek ze om zich heen en ineens zette ze haar tanden in de overrijpe vruchten
+en at ze gulzig met schil en al op. De pitten, waarin ze zich bijna verslikte, wierp
+ze in ’t gras en haar mond en haar kleverige vingers veegde ze snel aan haar zakdoek
+af. Toen luidde de etensbel en ze holde naar huis op de verwonderde vragen: „Waar
+heb jij gezeten,” brutaalweg antwoordend:
+</p>
+<p>„Dat zeg ik nou ’s lekkertjes niet!”
+</p>
+<p>Maar aan tafel was ze stil geweest, had ze niet zoo <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>flink gegeten als anders en de schrik sloeg haar om ’t hart, toen Oom tegen ’t theedrinken
+binnenkwam met twee perzikpitten in zijn hand. Je kon hem aanzien, dat hij heel ontstemd
+was.
+</p>
+<p>„Heeft iemand van jullie aan de perziken gezeten? Ik wou enkele mooie rijpe, die onderaan
+hingen en waar ik alle dagen een oogje op hield naar vrouw Bos brengen, die zoo ziek
+is, maar jawel, ze waren er af toen ik daarnet ging kijken en de pitten vond ik tusschen
+’t gras. Er is dus iemand aan geweest. Een van jullie soms?”
+</p>
+<p>„Nee, Vader,” riepen de kinderen als uit één mond.
+</p>
+<p>„Nee Oom,” zei ook Wiesje.
+</p>
+<p>Ze kreeg een kleur als vuur en trilde op haar beenen, maar ’t begon al donker te worden
+en ze stond achter in de kamer. Niemand sloeg bizonder acht op haar.
+</p>
+<p>„’t Spijt me, dat ik zooiets denken moet, maar dan ben ik bang, dat Cobus ’t gedaan
+heeft. Hij deed den laatsten tijd zóó zijn best en ik vind ’t heel jammer, maar als
+hij niet van ’t fruit kan afblijven, zal ik genoodzaakt zijn ernstige maatregelen
+met hem te nemen.”
+</p>
+<p>„Hè,” zuchtte Tante, „’t zou wel heel ondeugend zijn van een jongen, die ’t zóó goed
+bij ons heeft.”
+</p>
+<p>„Nu, we zullen er niet verder op doorgaan voor ’t oogenblik. Cobus is al naar huis.
+Ik zal hem morgenochtend <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>wel onder handen nemen,” zei Oom.
+</p>
+<p>„De kinderen wilden graag wat zingen, is ’t niet,” en Tante ging aan de piano zitten,
+terwijl Dolf met de muziek kwam aandragen.
+</p>
+<p>’t Waren aardige, vroolijke liedjes en Wiesje kende er verscheidene van. Toch was
+’t haar niet mogelijk mee te zingen; dan zou ze zeker zijn gaan huilen. Stil en lusteloos
+stond ze er bij. Ze dúrfde ’t niet zeggen, omdat ze zich zoo vreeselijk schaamde.
+Hoe ze zich den heelen avond had goedgehouden begreep ze zelf niet. Zelfs toen Tante
+Lida haar bij ’t toedekken vroeg: „Zeg, Wies, scheelt er iets aan? Je was zoo stil,”
+had ze geantwoord met haar hoofdje naar den muur gewend:
+</p>
+<p>„Nee, niks Tante, ik ben alleen erg moe.”
+</p>
+<p>Toen was Tante na haar een nachtzoen gegeven te hebben heengegaan, bij zichzelf denkend,
+dat ’t kind wel vreemd en stil geweest was den heelen avond en plotseling dacht ze
+met schrik aan die perziken.… Nee, dat kón niet zijn. Tot zoo iets was Wies niet in
+staat. Misschien verlangde ze naar huis. Ze was vroeger immers nooit alleen uit logeeren
+geweest. En toch.… Nu ze zou over een uurtje nog maar eens gaan kijken of Wiesje sliep
+en Tante Lida waschte den theeboel om en begon aan haar verstelwerk.
+</p>
+<p>Intusschen lag Wiesje boven te woelen in ’t groote <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>bed. Van slapen kwam maar niets; hoe stijf ze haar oogen ook toekneep en hoe dikwijls
+ze tot zichzelf zei: „Nou <i>wil</i> ik er niet meer aan denken,” ze <i>moest</i> er aan denken, ze kón niet anders.
+</p>
+<p>Cobus zou de schuld krijgen van iets wat zij gedaan had. Misschien moest hij wel weg.…
+Cobus, die zoo aardig voor haar geweest was en haar bal tot tweemaal toe voor haar
+uit de sloot gevischt had, zelf gevaar loopend van er in te vallen. Ze zag Cobus’
+verbaasde en bedroefde gezicht al, als Oom over de perziken zou beginnen. Oom zou
+hem toch niet kunnen gelooven als Cobus zei, dat hij ’t niet gedaan had.… O, ’t was
+vreeselijk!
+</p>
+<p>Ze huilde zachtjes met haar hoofd in ’t kussen, begon toen al harder, zoodat ’t bed
+schudde en haar sloop nat werd van al de tranen.
+</p>
+<p>Wat moest ze toch doen? O, was Moes maar bij haar. Aan Moes zou ze ’t wel durven zeggen,
+maar ze schaamde zich zoo voor Oom en Tante en voor Suus en de jongens, die ’t natuurlijk
+ook zouden weten. Nog nooit had ze zoo’n spijt, zoo’n verdriet gehad, als nu door
+haar eigen schuld.
+</p>
+<p>Langzamerhand werd ze toch wat kalmer. Ze zag duidelijk in, dat ze ’t moest gaan vertellen,
+al zag ze er nog zoo tegenop. Hoe eerder ze ging, hoe beter en net wou ze ’t dek wegslaan
+en uit bed <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>komen, toen de deur geopend werd en Tante Lida zachtjes binnenkwam. Bevend zakte Wiesje
+achterover in ’t kussen, maar Tante sprak niet, ging alleen stil op den rand van ’t
+bed zitten, zei toen eindelijk heel zacht:
+</p>
+<p>„Wies, ik dacht, dat je me nóu misschien wel iets wilt zeggen.”
+</p>
+<p>En Wiesje, o zoo blij, dat Tante’s stem zoo vriendelijk klonk en dat ze nu zou kunnen
+uitspreken wat haar zoo bezwaarde, deed met een heesch stemmetje ’t heele verhaal.
+</p>
+<p>Tante liet haar vertellen, viel haar geen enkele maal in de rede. Ze vond ’t heel
+erg, maar had toch wel medelijden met Wiesje, omdat ’t kind zoo’n innig berouw toonde.
+</p>
+<p>„Gelukkig dat we ’t nu weten; anders had Oom<span id="xd33e809"></span> Cobus morgenochtend onder handen genomen en hoe vreeselijk zou dat voor den armen
+jongen geweest zijn! Ga nu maar liggen, dan zal ik ’t wel vast voor je aan Oom zeggen.
+Morgen kan je er dan zelf met hem over praten,” zei Tante, Wiesjes verwarde haren
+gladstrijkend en Wiesje, moe van ’t huilen, liet zich gewillig instoppen en viel spoedig
+daarop vast in slaap.
+</p>
+<p>Den volgenden ochtend was ze al vroeg bij de hand, vóór de anderen nog gekleed waren
+en zoo <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>gauw ze Oom naar beneden hoorde gaan, liep ze hem achterna, de studeerkamer in.
+</p>
+<p>„Oom,” begon ze bevend met neergeslagen oogen.…
+</p>
+<p>Oom nam Wiesjes gezicht tusschen zijn beide groote handen en zag haar ernstig, maar
+niet onvriendelijk aan, want hij begreep wel, dat ze heel veel verdriet had van hetgeen
+er was voorgevallen. Oplettend luisterde hij naar alles wat ze te vertellen had. Nee,
+Wiesje spaarde zichzelf niet. Ze zag wel in hoe groot haar schuld was en daarom zei
+hij maar niet veel en beloofde om ’t voor haar aan de kinderen te zeggen. Die moesten
+’t natuurlijk weten, omdat ze er anders Cobus op aan zouden zien.
+</p>
+<p>’t Was een moeilijk oogenblik voor Wies toen ze de tuinkamer instapte, terwijl de
+anderen, die ’t nu allemaal wisten, al aan tafel zaten.
+</p>
+<p>Onhoorbaar sloop ze naar haar plaats en niemand sprak een woord, totdat Dolf ruw-goedig
+ineens zei:
+</p>
+<p>„Wies, ’t was gemeen van je, maar je hebt ’t eerlijk bekend en dat vinden we flink,”
+en toen gaven ze haar alle drie een hand.
+</p>
+<p>Verder werd er niet meer over gesproken, maar vergeten kon Wies ’t natuurlijk niet.
+<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p>
+<p>Enkele maanden later, ’t was op Sinterklaas-avond, kwam er een pakje voor Cobus, heelemaal
+uit Amsterdam. Er zat een keurig-gebreide bouffante in, waar hij dolblij mee was,
+maar hij is er nooit achter gekomen, wie hem die gestuurd heeft.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p80width"><img src="images/p80.png" alt="Cobus met een bouffante (lange gebreide wollen das)." width="326" height="321"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="720" height="75"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="transcriberNote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
+zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
+dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2026-03-28 Begonnen.
+</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende 8 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctionTable">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+<th>Bewerkingsafstand</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e197">6</a>, <a class="pageref" href="#xd33e526">48</a>, <a class="pageref" href="#xd33e667">63</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e290">18</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">over</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">tegenover</td>
+<td class="bottom">5</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e516">47</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">doove netels</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">doovenetels</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e522">47</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e530">48</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Fréda</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Freda</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e809">78</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 ***</div>
+</body>
+</html>
diff --git a/78337-h/images/front.jpg b/78337-h/images/front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b18c47c
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/front.jpg
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/frontispiece.png b/78337-h/images/frontispiece.png
new file mode 100644
index 0000000..6523a20
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/frontispiece.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/logo-vgz.png b/78337-h/images/logo-vgz.png
new file mode 100644
index 0000000..7099c13
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/logo-vgz.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p05.png b/78337-h/images/p05.png
new file mode 100644
index 0000000..b9c5670
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p05.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p07.png b/78337-h/images/p07.png
new file mode 100644
index 0000000..187bc64
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p07.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p10.png b/78337-h/images/p10.png
new file mode 100644
index 0000000..2f47ce5
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p10.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p13.png b/78337-h/images/p13.png
new file mode 100644
index 0000000..1041cf8
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p13.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p17.png b/78337-h/images/p17.png
new file mode 100644
index 0000000..19e3ee4
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p17.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p20.png b/78337-h/images/p20.png
new file mode 100644
index 0000000..2791a68
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p20.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p24.png b/78337-h/images/p24.png
new file mode 100644
index 0000000..3f9ea66
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p24.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p30.png b/78337-h/images/p30.png
new file mode 100644
index 0000000..666a8b6
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p30.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p36.png b/78337-h/images/p36.png
new file mode 100644
index 0000000..0fd9afe
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p36.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p45.png b/78337-h/images/p45.png
new file mode 100644
index 0000000..d7e3410
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p45.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p50.png b/78337-h/images/p50.png
new file mode 100644
index 0000000..6770238
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p50.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p52.png b/78337-h/images/p52.png
new file mode 100644
index 0000000..99bcc30
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p52.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p54.png b/78337-h/images/p54.png
new file mode 100644
index 0000000..85c468d
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p54.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p56.png b/78337-h/images/p56.png
new file mode 100644
index 0000000..450b739
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p56.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p64.png b/78337-h/images/p64.png
new file mode 100644
index 0000000..ccb0a75
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p64.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p66.png b/78337-h/images/p66.png
new file mode 100644
index 0000000..7632edd
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p66.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p67.png b/78337-h/images/p67.png
new file mode 100644
index 0000000..04c2173
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p67.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p69.png b/78337-h/images/p69.png
new file mode 100644
index 0000000..7b21560
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p69.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p73.png b/78337-h/images/p73.png
new file mode 100644
index 0000000..ee628c3
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p73.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/p80.png b/78337-h/images/p80.png
new file mode 100644
index 0000000..4544469
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/p80.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/seriestitle.png b/78337-h/images/seriestitle.png
new file mode 100644
index 0000000..b6ecd83
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/seriestitle.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/spine.jpg b/78337-h/images/spine.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ba75a44
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/spine.jpg
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/titlepage.png b/78337-h/images/titlepage.png
new file mode 100644
index 0000000..965975c
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/titlepage.png
Binary files differ
diff --git a/78337-h/images/tp-image.png b/78337-h/images/tp-image.png
new file mode 100644
index 0000000..d8d68cb
--- /dev/null
+++ b/78337-h/images/tp-image.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6c72794
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This book, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..4c2ab24
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for eBook #78337
+(https://www.gutenberg.org/ebooks/78337)