diff options
| author | www-data <www-data@mail.pglaf.org> | 2026-04-01 13:51:56 -0700 |
|---|---|---|
| committer | www-data <www-data@mail.pglaf.org> | 2026-04-01 13:51:56 -0700 |
| commit | 298d7d2b24e61ae57d442b8fe406034f5c309d34 (patch) | |
| tree | 3f8c5f7671898c83ab21600e8e08b08a2c6db2c4 /78337-0.txt | |
Diffstat (limited to '78337-0.txt')
| -rw-r--r-- | 78337-0.txt | 1607 |
1 files changed, 1607 insertions, 0 deletions
diff --git a/78337-0.txt b/78337-0.txt new file mode 100644 index 0000000..03ca8ef --- /dev/null +++ b/78337-0.txt @@ -0,0 +1,1607 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 *** + + + + + OPA EN INEKE + + DOOR + ANNA HUBERT VAN BEUSEKOM + SCHRIJFSTER VAN: JANNEKE EN DE KLOK. + + MET PLATEN VAN NANS VAN LEEUWEN + + + TWEEDE DRUK + + + GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN + + + + + + + + +INHOUD. + + + Blz. + Opa en Ineke 5–64 + Uit logeeren 67–80 + + + + + + + + +OPA EN INEKE. + + +„Ineke, Ineke, schei nu eens uit. ’t Is heusch bedtijd, hoor! Denk er +aan, dat je morgen al zoo vroeg op moet. Kom, kind,” en mevrouw Van +West boog zich over haar dochtertje, dat aan tafel zat te lezen en +legde haar hand liefkoozend op Ineke’s blonde krullen. + +„Ja, Moes!” Ineke sloot met een lach en een zucht tegelijk „De +Sprookjes van Andersen”, waarin ze zóó verdiept was geweest, dat ze +alles om zich heen vergat. Niets had ze gehoord van de wilde kreten uit +den tuin, waar Vader met Gijs en Duco aan ’t ravotten was, zóó leefde +ze mee met de geschiedenis van „De kleine Zeemeermin”, die ze wel al +lang kende, maar altijd weer met hetzelfde plezier overlas. + +Ze was in den afgeloopen winter ernstig ziek geweest, had daarna langen +tijd moeten liggen en ’t eene verhaal vóór en ’t andere nà gelezen, +telkens weer grijpend naar het boek, dat ze van Opa kreeg en waar niet +alleen zulke mooie sprookjes, maar ook zulke beeldige plaatjes in +stonden. Die goeie, lieve Opa! Wel vier maal was hij overgekomen om +Ineke, z’n eenige kleindochter, op te zoeken en toen hij hoorde, dat de +dokter de frissche buitenlucht het allerbeste geneesmiddel voor haar +vond, had Opa onmiddellijk gezegd: „Weet je wat, Ineke, dan kom je maar +zoo gauw mogelijk bij mij op „Eiken-rode” logeeren. Vacantie of géén +vacantie, je komt maar. Misschien wil meester Hoogstra je dan wel een +poosje op de dorpsschool nemen, dan gaat de geleerdheid niet achteruit +en kan je waarschijnlijk toch wel overgaan naar de vijfde klasse.” + +Ineke had bij dit heerlijk vooruitzicht in haar handen geklapt en +juichend uitgeroepen: + +„O ja! Dat zou heerlijk zijn, Opa! Nu zult u ’s zien, hoè gauw ik beter +ben,” en van dien tijd af had ze moedig haar leelijk-bittere drankje +geslikt en erg haar best gedaan met eten, zoodat de dokter iederen dag +tevredener werd en al gauw verklaarde „dat ze nu maar de wei inmoest.” + +„Eiken-rode”, het gezellig-ouderwetsche buiten, waar Vader en de Ooms +als kleine jongens gewoond hadden, was voor de kleinkinderen het +heerlijkste plekje, dat er bestond en Gijs en Duco, Ineke’s oudere +broertjes, zeiden dan ook telkens, hoewel ze ’t hun zusje, waarvan ze +veel hielden, van harte gunden: „Nou maar Ien, jij treft ’t hoor!” + +Duco had zelfs beweerd, dat hij best ook ziek zou willen worden, als +hij daarna bij Opa mocht gaan logeeren. Maar in de groote vacantie, +zouden ze er met z’n allen een poosje gaan doorbrengen. Dan konden de +jongens hun schade inhalen! Fietsen, visschen en zwemmen in de beek, in +hun tuintjes werken, die Andries, tegen hun komst in orde maakte, en +mee gaan hooien en koren halen op ’t land! Zàlig, boven op zoo’n +hoogopgetaste, schommelende kar! En ’s Zondags, als Andries den tijd +had, vliegers oplaten op de hei! Nergens ging dat zóó goed als dààr, +waar je overal de vrije, wije ruimte om je heen hadt, zonder dat je één +oogenblik bang behoefde te zijn, dat je vlieger ergens vast bleef +zitten. + +Dien middag, terwijl Moes haar koffer pakte, had ’t Ineke geduizeld van +al de boodschappen, die de broers haar opdroegen: vragen of Andries +vooral zonnebloemen in hun tuintjes zou zetten; of hij ’t vischtuig wou +nazien en er voor zorgen zou, dat de schommel en de ringen van nieuwe +touwen werden voorzien en of hij er aan wou denken, dat ’t roeiboot je +bij tijds in den vijver kwam te liggen, zoodat de naden goed +dichttrokken en er geen water meer inliep. + +„’t Is geweldig, Ien, wat jij allemaal te onthouden krijgt. Ik zal ’t +maar voor je opschrijven, anders vergeet je de helft,” en meneer Van +West was zijn dochtertje lachend met papier en potlood te hulp gekomen +en had een heele „boodschappenlijst” voor haar gemaakt, die Ineke had +weggestoken in haar reismandje. Ze beloofde Andries, zoo gauw ze hem +zag, ’t gewichtig papier te overhandigen en Moeder had op haar beurt ’t +een en ander voor juffrouw Doortje, de huishoudster, die al jaren sinds +Oma’s dood, de huishouding op „Eiken-rode” bestuurde, maar vond ’t bij +nader inzien beter, haar maar zelf een brief te schrijven. Juf zou de +zorg voor Ineke grootendeels op zich nemen en daarom had mevrouw Van +West daarin precies verteld, hoe dikwijls per dag Ineke haar drankje +nog nemen moest, hoe lang ze gewoon was te rusten en hoeveel melk ze op +dokters-bevel dronk. Vooral aan ’t laatste moest streng de hand +gehouden worden en Ineke beloofde dan ook, onder ’t naar boven gaan nog +eens aan Moes, dat ze heusch de zes groote glazen drinken zou en dat ze +haar uiterste best zou doen bij meester Hoogstra. + +Op school was Ineke volstrekt niet dom, maar ze las liever, dan dat ze +huiswerk maakte en schreef haar thema’s en sommen dikwijls zóó slordig, +dat ze ’t thuis over moest doen en slechte aanteekeningen kreeg. Ook +dàcht ze wel eens, dat ze haar les kende en dan bleek deze er bij ’t +overhooren nog heelemaal niet vast in te zitten. Gauw, gauw even ’t +leerboek inkijken, of de sommen maken en dan lezen tot ze er bijna suf +van werd. Dat was zoo Ineke’s manier van doen, en dat ’t geen goede +manier was, kwam dan aan ’t einde der maand uit, als ze haar rapport +mee naar huis bracht.... Door haar ziek-zijn was ze nu buiten haar +schuld een heel eind achtergeraakt, maar de directrice had gezegd, dat +ze wel geloofde, dat Ineke, als ze een poosje werd bijgewerkt, naar de +vijfde klasse zou kunnen overgaan en omdat ze ’t zelf toch wel akelig +vond te blijven zitten en niet meer met haar vriendinnetjes, Nancy en +Margotje, in dezelfde klasse te zijn, nam ze zich voor, flink haar best +te doen en ijverig te werken. Ze kende meester Hoogstra wel van +aanzien. ’t Was een goedige, oude man met een grooten gouden bril op, +steeds gewapend met een reusachtigen, rooden zakdoek, waarmee hij +gewoon was zich telkens langs ’t gezicht te vegen. Hij was jong +hulp-onderwijzer, toen Ineke’s vader als kleine jongen de dorpsschool +bezocht, werd er later hoofd van en had met de grootste +bereidwilligheid aan de directrice der meisjesschool geschreven om zich +geheel op de hoogte te stellen, hoe ver Ineke zijn moest, om na de +groote vacantie tot een hoogere klasse te worden toegelaten. Na eenig +heen-en-weer-geschrijf was er toen besloten, dat Ineke in de morgenuren +de dorpsschool bezoeken zou en daar in de zesde klasse geplaatst zou +worden, die ongeveer met de vierde der stadsschool gelijk stond. Met +een beetje extra-huiswerk kon ze dan ’s middags thuisblijven, om den +verderen dag te rusten en zooveel mogelijk in de buitenlucht te zijn. +Inplaats van schoonschrijven en handwerken wilde meester Hoogstra haar +zelf Fransche les geven, want Fransch werd er op zijn school niet +onderwezen, en elke drie weken zou haar rapport worden opgezonden, dan +kon de directrice daaruit zien, of haar leerlinge voldoende +vooruitging. Dit alles had meester Hoogstra breedvoerig met Ineke’s +grootvader zitten bepraten en terwijl hij zich met zijn rooden zakdoek +langs ’t voorhoofd streek, had meester Hoogstra gezegd: + +„En burgemeester, nou weet u niet hoe aardig ik ’t vind, om les te +geven aan het dochtertje van uw zoon Willem, die indertijd een van mijn +allereerste leerlingen was, toen ik als jong onderwijzer begon. Ik ken +haar wel van aanzien, want in de vacanties komt zij nogal eens in ’t +dorp. Ineke heet ze, nietwaar?” + +„Ja zeker. Ze heet naar mijn eenige dochter Ina, die op haar veertiende +jaar gestorven is. Ineke is mijn eenige kleindochter en daarom begrijpt +u zeker wel, dat ik alles wil doen, om ’t mijn kleine meid zoo goed en +zoo prettig mogelijk te maken, als ze hier alleen bij me komt logeeren. +Ze was dezen winter ernstig ziek. O, ik heb me dikwijls zoo angstig +gemaakt; maar nu is ze gelukkig heelemaal beter, alleen wat slapjes +nog, en hier in de gezonde buitenlucht zal ze wel gauw weer de oude +worden, hoop ik.” + +„Natuurlijk, natuurlijk, burgemeester. Nu, wat mij betreft, ik zal mijn +best doen, haar zoo weinig mogelijk huiswerk te geven. Als ze niet +moeilijk leert, zal ’t met dat overgaan wel losloopen.” + +„O, Ineke is vlug genoeg. Ze kan heel goed als ze wil,” had meneer Van +West gezegd, er maar niet bijvoegend, dat ’t werk van zijn kleindochter +er nu niet altijd zóó netjes uitzag als ’t behoorde en dat de lessen er +wel eens niet zoo héél vast inzaten. Hij hoopte en verwachtte stellig, +dat Ineke op „Eiken-rode”, waar ze zooveel vrijheid genieten zou, haar +uiterste best zou doen en Ineke zelf was dan ook niet anders van plan. + +Keurig had ze haar boeken gekaft en met Moes was ze den vorigen dag een +paar nieuwe schriften gaan koopen, een doos pennen en een nieuwen +penhouder, waar ze nu heusch eens niet op zou bijten, zoodat hij er na +een paar dagen als een onooglijk, af gekloven houtje uitzag.... Het +kussen met de kruisjessteken, dat ze voor Vaders verjaardag maakte, lag +ook in den koffer. Daar kon ze op regendagen aan vorderen. Juf zou er +haar wel mee terecht helpen als ze er eens niet alleen aan voort kon. + +„O, Moes, ik vind ’t toch zoo dól om te gaan. Ik hou zóóveel van Opa, +dat ik ’t niet zeggen kan,” zei Ineke, toen ze er eindelijk inlag. + +„Dan hoef ik zeker niet te vragen, of je zult zorgen, dat Juf en +meester Hoogstra geen klachten over je hebben?” + +„Nee, natuurlijk niet, Moes. Ik zal zóó goed oppassen, want ik zou ’t +vreeselijk vinden Opa verdriet te doen. Ik wil u en Vader natuurlijk +ook geen verdriet doen, maar voor Opa vind ik ’t nog.... nog zieliger. +’k Weet zelf niet goed waarom. Misschien wel omdat Opa al zoo oud is.” + +„Zóó oud is Opa nog niet. Drie en zestig is hij pas!” + +„Denkt u dan, dat Opa wel heel oud zal worden? Tachtig bijvoorbeeld?” + +„Lieve kind, hoe kan ik dat nu weten? Opa is flink en krachtig voor +zijn leeftijd. We willen allemaal hopen van wel en nu niet tobben, maar +gauw gaan slapen, hoor. Morgenochtend zal ik je nog wel even helpen met +’t laatste goed in te pakken,” en mevrouw Van West kuste haar +dochtertje, dat ze intusschen lekker had ingestopt, goedennacht. + + ⁂ + +Dat was me een geschiedenis den volgenden ochtend! + +De familie Van West zat net aan ’t ontbijt, toen er een telegram +bezorgd werd. Meneer Tielens, een vriend van Ineke’s vader, moest dezen +dienzelfden morgen nog dringend spreken en rekende er op, hem tegen +tien uur op zijn kantoor in de stad aan te treffen, als er geen +tegenbericht kwam. En kwart over tien vertrok de trein, waarmee meneer +Van West zijn dochtertje naar Opa brengen zou.... + +Daar mevrouw Van West juist twee van haar zusters, die buiten de stad +woonden, op de koffie kreeg, kon zij ook niet van huis om Ineke weg te +brengen, inplaats van haar man. + +Goede raad was duur. + +„Als we Opa dan maar eens telefoneerden, dat Ineke morgen komt, want +die zaak van meneer Tielens is heel dringend. Er is geen questie van, +dat ik nu uit de stad kan, en Moeder kan de tantes ook niet meer +af-telegrafeeren,” begon meneer Van West. + +„Hè, Vàder!” Ineke’s lip trilde vervaarlijk en de tranen schoten haar +in de oogen. + +„Maar poesje, is dàt nu zoo erg? Eén dagje later, want morgen breng ik +je zéker!” + +„Ja, o ja, ik vind ’t zoo.... zoo vrééselijk jammer. En Opa natuurlijk +ook. Ik h.... had er zoo vast op ge.... gerekend,” snikte Ineke in haar +servetje, en Duco, die medelijden met zijn zusje kreeg, zei: „Kom, laat +Ien dan alleen reizen. Ik ben verleden jaar Paschen, toen ik net zoo +oud was als zij nou, immers ook alleen naar „Eiken-rode” gegaan.” + +„Als we ’r hier op den trein zetten en Opa haalt ’r ginds van ’t +station, komt ze d’r immers best. Ze is toch al negen en een half en er +is niks geen kunst aan. Als ze nou nog over moest stappen onderweg!” +viel Gijs ook bij. + +„En wat zegt Moeder er van,” vroeg meneer Van West aan z’n vrouw. + +„Wel, als jij er niets tegen hebt, vind ik ’t goed, want net als de +jongens zeggen: er is eigenlijk niets aan als ze gebracht en afgehaald +wordt, en bovendien heeft ze dit reisje al zóó dikwijls met ons gedaan, +dat ze ’t langzamerhand wel droomen kan.” + +„En wat vindt ons Ineke er zèlf van,” knipoogde haar vader, neerziende +op de kleine snikkende en snuivende gedaante naast zich aan tafel. + +„O!” Ineke hief haar behuild gezichtje, nog nat van de tranen, ineens +op uit haar servet en glimlachte: „O, als dàt mag!” + +„Nou, dan màg ’t. Maar pas op, als ik dan ook nog één traan zie! Zoo’n +kleine huilebalk! En dàt wil alléén reizen,” plaagde meneer Van West, +zijn dochtertje aan een van haar glanzende krullen trekkend. Maar de +kleine huilebalk had haar tranen gauw gedroogd en voelde zich wat +gewichtig in ’t vooruitzicht alleen te mogen reizen. Hoewel ze niet +veel honger had, at ze toch moedig haar havermout op en toen Gijs en +Duco naar school gingen, omhelsde ze haar broertjes, die ’t zoo aardig +voor haar hadden opgenomen, hartelijk. Ze kusten elkaar anders niet +dikwijls; alleen eigenlijk met verjaardagen, maar dit was toch óók een +bizondere dag, vonden ze alle drie, nu Ien zoo lang weg ging en alléén +reisde! + +Hoewel ze ’t voor geen geld ter wereld bekend zou hebben, leek ’t Ineke +toch wel een heel klein beetje griezelig en haar hartje bonsde, toen om +kwart over negen ’t rijtuig voorkwam, haar koffer werd opgeladen en +vader en moeder met haar instapten. + +Maar vader, die dit nog net kon waarnemen voor hij op zijn kantoor +meneer Tielens ontving, praatte zóó bedaard over ’t reisje, dat Ineke +’t per slot toch weer heel leuk en gewichtig ging vinden. + +Zelf mocht ze aan het loket haar kaartje nemen. Ze ging mee naar ’t +hokje, waar de bagage werd ingeschreven en ’t bewijsje van haar +koffer—’t reçu—stopte ze secuur weg, heelemaal onder in haar beursje. +Ze wist wel, dat ze bij haar aankomst dit papiertje dadelijk aan +Harmen, den besteller, moest geven. Dan zou deze haar koffer wel op +„Eiken-rode” bezorgen. Ook moest ze beloven even naar huis te +telegrafeeren. Hè, wat kwam er nog een boel kijken als je op reis ging. +Maar ’t was toch wel prettig en heel goed om jezelf te leeren redden, +al vond Ineke ’t een heele geruststelling, toen ze eindelijk met haar +reismandje veilig en wel in de coupé zat, met een aardigen ouden heer +en dame tegenover zich, die haar zóó vriendelijk toeknikten, of ze haar +kenden. + +Vader en Moeder stonden op ’t perron en Vader kocht van een arm +bloemen-verkoopstertje een mooie, roode roos, die Moeder nog gauw in ’t +knoopsgat van Ineke’s grijze manteltje vaststak. Heerlijk rook die roos +en zoo feestelijk stond het! + +„Ik zal ’m dadelijk in ’t water zetten, als ik op „Eiken-rode” kom. Dan +blijft-ie een heele poos goed,” had Ineke nog net tijd om te zeggen. +Toen werden de portieren gesloten en na een schril gefluit zette de +trein zich in beweging. + +„Daar ga je, Ien!” + +„Goeie reis hoor!” riepen Vader en Moeder en Ineke, voor ’t raampje +staande, wuifde met haar zakdoek, tot ze haar ouders niet meer zien +kon. Toen zette ze zich in een hoekje en ging prettig zitten uitkijken. +Helder scheen de jonge Mei-zon op de frissche, groene weilanden, vol +bloemen. ’t Vee stond er op sommige plekken tot de knieën toe in te +grazen. Jonge veulentjes dartelden elkaar achterna met de dolste +sprongen. In een sloot stond een peinzende reiger doodstil, net of hij +was opgezet, en op ’t dak van een boerenhofstede nestelden ooievaars. +Later kwamen de dennebosschen en de hei aan de beurt, waar de +bremstruiken vol goud-gele vlindertjes zaten. Zoo vroolijk stond dat! +Ineke neuriede zachtjes voor zich heen, terwijl ze naar buiten keek. Af +en toe praatte ze even met haar medereizigers, waarbij nog een dame met +een klein kindje gekomen waren, en ze kreeg ulevellen en chocolade, +waarvoor ze vriendelijk bedankte. De tijd schoot verbazend op, vond ze. +Nog één stationnetje voorbij en dan zou ze er zijn. Ze trok haar +reismandje vast naar zich toe en voelde naar haar beursje en kaartje in +haar mantelzak. Ja hoor, alles in orde! Toen zette ze haar grooten +stroohoed recht, deed haar handschoen aan en rook eens aan de roos, die +er nog heel frisch uitzag en heerlijk geurde. Ze was zoo benieuwd Opa’s +gezicht te zien, als ze daar parmantig alleen uit den trein stapte! Hij +zou er eerst niets van begrijpen. Hij rekende er vast op, dat Vader +haar brengen zou! Daar minderde de trein zijn vaart al. Kijk, daar +had-je den dorpstoren en daar zag je in de verte tusschen de boomen +„Eiken-rode” liggen. Gezellig, ouderwetsch huis toch met die witte +muren en groene latjes-blinden! Ineke wendde zich snel om en knikte +haar medereizigers goedendag, want de trein was ’t kleine station +genaderd. Daar stond Opa al, vlak onder de klok! Hij zag haar dadelijk +en Ineke zwaaide met haar mandje. Open ging ’t portier en met een +juichkreetje sprong ze regelrecht in Opa’s armen. + +„Dag Ineke, dag m’n kleine meid! Hoe is ’t er mee? Niet te moe van de +reis? En waar is Vader?” De oude heer Van West, die er niets van +begreep, wierp snel een blik in de coupé, of zijn zoon er soms nog in +was achtergebleven. Ineke verkneukelde zich en lachte: + +„Nee, nee, Opa, kijk maar niet! Vader kreeg vanmorgen ineens een +telegram, Meneer Tielens moest hem noodzakelijk spreken en toen mocht +ik alleen reizen!” + +„Jongens nog toe, Ineke! Ben je warempel al een jongedame geworden, die +alleen reist? ’t Is niet te gelooven!” + +„’t Is toch heuschjes waar,” verzekerde Ineke, terwijl de trein zich +weer in beweging zette. „Kijk, Opa, daar staat mijn koffer op ’t +perron. Zal ik Harmen ’t reçu geven, dat hij hem thuisbezorgt?” + +„Ja kindje, dat is best, en dan moeten we toch zeker even naar huis +telegrafeeren, hè?” + +„Ja, dat wilden Vader en Moeder wel graag,” zei Ineke, en nadat ze het +telegram: „Goed aangekomen. Veel liefs van Opa en Ineke,” verzonden +hadden, verlieten ze ’t station en sloegen den zonnigen landweg in, die +regelrecht naar „Eiken-rode” voerde. Het was warm, maar er woei toch +een zacht windje. De oude heer Van West nam al gauw zijn hoed af en +liet den wind vrij door zijn grijze haren spelen en Ineke liet dadelijk +op Opa’s voorbeeld haar hoed aan ’t wijde elastiek achterover op haar +rug zakken. + +„Dan verbrand ik vast lekker van de zon,” zei ze, vroolijk naast hem +voorthuppelend, en ze vervolgde: „O, Opa, hoe dòl om weer hier bij u te +zijn. En dat ik zóó lang blijven mag! Als ’t op den duur maar niet te +druk voor u is, zegt Moeder.” + +„Welnee. Ik vind ’t heerlijk mijn kleine meid weer eens bij me te +hebben. Als je nu maar zorgt, dat je in September met dikke, roode +wangen naar huis gaat, want je bent na je ziek-zijn wel lang en mager +geworden. ’t Is niet heelemáál voor je pleizier, dat je hier komt +logeeren, maar vooral om flink aan te sterken,” plaagde Opa. + +„O, maar bij u is àlles prettig,” lachte Ineke. + +„Dan zullen we maar hopen, dat ’t hier op de dorpsschool bij meester +Hoogstra ook mee zal vallen, want nietwaar, je zult toch maken, dat je +overgaat na de vacantie?” + +„O, maar natuurlijk! Als ik goed mijn best doe, haal ik de schade +stellig in, heeft de directrice gezegd. Kijk ’s Opa,” en Ineke bleef +midden op den weg stilstaan: „dit heele eind heeft Moes mijn jurk +moeten verlengen! Zooveel ben ik gegroeid sinds verleden zomer,” en ze +wees naar den rok van haar rose katoenen jurkje, waar een rand +borduursel van wel een hand-breedte tusschen gezet was. + +„’t Is kolossaal,” lachte Opa, z’n kleindochter aan een van haar blonde +krullen trekkend. „Je zult me nog heelemaal over ’t hoofd groeien, +meiske!” + +Maar daar was Ineke niet bang voor. + +’t Piepend knarsen van een kruiwagen deed hen allebei tegelijk omzien. +Harmen, de besteller, kwam hun met den koffer achterop gereden. + +„Dag, burgemeester, dag jongejuffer! Doar kom ik al an met de +pakkoazie! Werm weerke, hé?” De stralen gutsten den goeden man langs ’t +voorhoofd. + +„Harmen, jongen, kalm aan maar. Zoo’n haast is er niet bij. Zeg maar +aan Sien, dat ze je zoo-met-een een flinken kop koffie geeft.” + +„Asteblief, burgemeester,” en Harmen reed hun na een tikje aan zijn pet +voorbij. + +„Kijk, daar heb je Bello en Fokkie! Zouden ze me nog herkennen? Dag +jongens, dag brave honden!” riep Ineke tegen den taks en den kleinen +fox-terrier, die den weg kwamen afgerend en toen als bezetenen om den +baas en ’t kleine meisje heensprongen, blaffend, dat hooren en zien je +verging. + +„Bedaard, bedaard toch! We zouden over jullie vallen. Foei, foei, wat +een stof,” beknorde meneer Van West het tweetal, dat zich om strijd +door Ineke liet aanhalen en toen ineens weer op ’t hek van „Eiken-rode” +aanstoof, alsof ’t de komst van grootvader en kleindochter vast wilde +aankondigen. Juffrouw Doortje, of Juf, zooals ze gewoonlijk genoemd +werd, kwam tenminste dadelijk van achter de breede, groene voordeur te +voorschijn en wuifde Ineke met den theedoek een vroolijk welkom toe. En +Ineke zwaaide haar mandje en liep op een drafje naar haar toe: + +„Dag Juf, hoe gaat ’t met u? Wat zegt u er wel van: ik ben alleen naar +hier gekomen!” + +„Wel, wel, en ik heb juist voor vier personen de koffietafel gedekt. Er +is toch geen zwarigheid bij je thuis, dat Vader niet meekomt?” + +„O nee,” en Ineke legde gauw ’t geval uit, terwijl ze voorzichtig de +roos uit haar knoopsgat nam en zich, geholpen door Juf, verder ontdeed +van handschoenen, hoed en mantel in de koele, wit-marmeren vestibule. +„Hè, wat is ’t hier lekker,” zei ze handenwasschend aan ’t fonteintje. + +Meneer Van West rekende intusschen met Harmen af, die, uitblazend op ’t +keukenstoepje, zijn kom koffie zat te drinken. + +Een oogenblik later zetten ze zich aan tafel in de gezellige eetkamer, +grenzende aan de serre vol bloeiende planten, waarvan de glazen deuren +aan de tuinzijde wijd-open stonden. Een bouquet heerlijk-geurende +lelietjes van dalen prijkte voor Ineke’s bord. Ze stak er de roos +tusschen en rook aan de bloemen en Opa zei: „Die heeft Andries +vanmorgen al voor je gebracht. Een paar er van zijn uit je eigen +tuintje.” + +„O, hoe leuk! Heb ik er lelietjes in dit jaar?” juichte Ineke en een +kleur van plezier overtoog haar bleek gezichtje. + +„’k Geloof, dat je eigenlijk wel een beetje moe bent, hè,” informeerde +Juf en Ineke bekende: + +„’n Klein beetje wel, maar na de koffie moet ik rusten van den dokter. +En als ik gerust heb, trek ik weer heelemaal bij, zegt Moes altijd,” en +Ineke hapte dapper in haar boterham, want ze had toch honger, al voelde +ze zich wat opgewonden en ze moest erg lachen om Bello en Fokkie, die +niet bedelden, maar ieder op hun plaatsje aan weerszijden van ’t groote +eikenhouten buffet, trillend van ongeduld zaten te wachten tot Sien hun +uit de keuken hun eten bracht, waarop ze dadelijk gulzig aanvielen. + +„Ik wou, dat jij altijd zoo’n honger hadt,” zei Opa tot Ineke, maar ze +liet zich niet onbetuigd! ’t Smaakte haar best na de reis en ze at vier +dikke boterhammen en een ei en ledigde zonder zuchten haar grooten +melkbeker, waar Juf een klein scheutje koffie door geroerd had. + +„En nu een, twee, drie mee naar boven. Ik zal je koffer wel uitpakken, +dan ga jij maar vast op bed liggen. Ik heb ’t balkonkamertje voor je in +orde gemaakt, dat vond Opa gezelliger voor je dan die groote +logeerkamer,” zei Juffrouw Doortje, terwijl ze voor Ineke uit de trap +opging. „Dit is nu, zoolang je hier bent, je eigen kamertje. Ik hoop +dat je er netjes op zijn zult,” en Juf opende de deur van ’t +vriendelijk-zonnige vertrekje met het lichte bloembehangsel, de rieten +meubeltjes en ’t lage, Engelsche ledikant. + +Gijs had hier vroeger wel eens geslapen, maar Ineke nog nooit en ze nam +zich dan ook voor, dat ’t er nooit rommelig uit zou zien. Op ’t +balkonnetje, net groot genoeg om er met een stoel en tafeltje te kunnen +zitten, bloeiden rose en witte geraniums in bakken en je hadt er een +prachtig uitzicht over de korenvelden en de eerste schilderachtige, +roodgelakte huisjes van het dorp. + +„Hè, wat is ’t hier toch heerlijk! U weet niet, Juf, hoe dòl ik ’t vind +om hier te zijn,” zei Ineke, terwijl ze zich, na haar laarsjes te +hebben uitgedaan, bovenop ’t bed liet ploffen, waarvan Juf eerst +zorgvuldig de sprei had opgevouwen. + +„Dan zullen we maar hopen, dat je ’t hier aan ’t eind van de vacantie +nog net zoo prettig vindt als nu,” en juffrouw Doortje bukte zich over +den koffer en begon Ineke’s goed uit te pakken. + +„Kijk, Ien, je jurken zal ik in de muurkast ophangen en je ondergoed in +’t kastje onder de waschtafel leggen. Je naaidoosje en leesboeken moet +je straks maar zelf op je tafeltje schikken en je schoolboeken en +schriften leg ik hier zoolang op den stoel bij je bed. Die kan je dan +zelf mee naar beneden nemen en in ’t kastje in ’t spreekkamertje +opbergen. Dan heb je ze altijd bij de hand.” + +„Ja, Juf,” antwoordde Ineke flauwtjes, want ze werd opeens heel +slaperig en juffrouw Doortje, die ’t merkte, zei maar niets meer, +bewoog zich muisstil door ’t vertrekje tot alles was opgeborgen.... Nog +voor ze naar beneden ging was Ineke vast in slaap en toen Opa om drie +uur heel zachtjes naar haar ging kijken, sliep ze nog. Hij liet haar +stil liggen en ging zoolang in de serre zitten lezen, tot ze na een +half uurtje, heelemaal opgefrischt, uit zichzelf naar beneden kwam. + +„Zoo, braaf opgepast hoor,” prees Opa, toen Ineke met een vuurrood +kleurtje en een schoone schort aan naast hem stond. „Drink nu maar gauw +je melk, dan krijg je van Juf een koekje en dan gaan we saampjes voor +’t eten nog een beetje wandelen,” en Opa en Ineke togen er op uit. + +Even werd er een kort bezoek aan ’t tuinmanshuis gebracht, waar Aaltje, +de vrouw van Andries, ijverig zat kousen te stoppen. Andries zelf was +met zijn drie-jarig zoontje in den moestuin bezig. Keesje, een aardig, +blond manneke met een blozend appelen-gezichtje en vervaarlijk kromme +beenen, kroop eerst gauw achter zijn vader weg, maar werd toch al +dadelijk vrijmoediger en Ineke moest van de jonge worteltjes en de +aardbeien uit de bakken proeven en zien hoe mooi de bessen en frambozen +stonden. En Andries vond ’t knap van haar, dat ze nog precies wist, hoe +spinazie en postelein er uitzagen. + +„O Andries, nou heb ik de lijst met alles wat de jongens je te vragen +hadden, boven op mijn kamertje laten liggen,” bedacht Ineke zich. + +„Da’s niks, kind, die krijg ik dan vanavond of morgen wel. ’k Heb ’t +nou tòch te druk met den tuin, op ’t oogenblik. Ga liever effentjes mee +na’ de kindertuintjes. ’t Jouwe is al heelemaal in orde,” en Andries +rustte niet, voor meneer Van West en Ineke hem volgden heelemaal achter +in den moestuin, waar vlak tegen de heg drie perkjes waren aangelegd. +In het middelste, dat Ineke toebehoorde, bloeiden lelietjes, +margrieten, primula’s en violen en het rozenstruikje in ’t midden droeg +een menigte kleine knopjes. Bij Gijs en Duco was er nog niets bizonders +te zien. Daar had Andries met opzet planten gezaaid, die pas later in +den zomer zouden bloeien, juist als ze met de vacantie over waren. + +Ineke, opgetogen over haar tuintje, bedankte Andries hartelijk, plukte +de mooiste viool af, die ze vinden kon, en stak die Opa in zijn +knoopsgat en toen gingen ze samen op weg, achtervolgd door Bello en +Fokkie, die zoo gauw ze den baas en Ineke ’t hek van „Eiken-rode” zagen +uitgaan, hen luid-blaffend achterna stoven. De wandeling leidde naar ’t +dorp, waar Opa even op ’t raadhuis wezen moest en dan zouden ze langs +de mooie, nieuwe villa van dokter Wilminck naar huis terug wandelen. De +familie Wilminck woonde nog niet lang in ’t dorp, maar Ineke wist toch, +dat er een meisje en een jongen van haar leeftijd waren. Freda en Hans +heetten ze, en mevrouw Wilminck had tegen meneer Van West gezegd, dat +ze hoopte, dat hij eens met zijn kleindochtertje aan zou komen. Ineke +zou misschien een goed vriendinnetje voor Freda zijn, die hier in ’t +dorp tot haar groote spijt zoo weinig kennisjes van haar eigen leeftijd +had. Wiesje van den dominé was wel drie jaar ouder en met Greta en +Leentje van den notaris, die een klasse lager zaten bij haar op school, +kon Freda niet al te best overweg. + +’t Trof heel toevallig, dat Opa en Ineke, toen ze langs „De Merel”—zoo +heette dokter Wilminck’s villa—kwamen, de doktersfamilie juist in den +voor-tuin op ’t grasveld zagen zitten. Meneer Van West groette en +ineens kwam er een meisje in een rood-katoenen jurk naar ’t hek hollen +en een hoog, schel stemmetje riep: + +„Dàg! Zeg, ben jij op „Eiken-rode” gelogeerd? Hè toe, meneer, mag ze +even meekomen, dan kunnen we vast kennismaken!” + +En nog voor dat Ineke goed en wel wist, wat er gebeurde, had ’t vreemde +meisje met de groote, donkere oogen en ’t kortgeknipt zwarte haar, haar +meegetroond naar de theedrinkende familie op ’t grasveld. Meneer Van +West volgde glimlachend met Bello en Fokkie achter zich aan en mevrouw +Wilminck liep haar onverwachte gasten tegemoet, duizend +verontschuldigingen makend over het „ongepaste” optreden van haar +dochtertje. + +„Maar ziet u, burgemeester, Freda was ook zoo verlangend met uw +kleindochter kennis te maken, want meester Hoogstra heeft verteld, dat +ze bij Freda in de klas komt te zitten. Wel, en hoe heet je?” vroeg +mevrouw Wilminck, zich tot Ineke wendend. + +„Ina van West, mevrouw, maar ik wordt meestal Ineke genoemd,” zei +Ineke, mevrouw een hand gevend en vervolgens handen schuddend met den +dokter en met Hans, Freda’s jongere broertje, dat net zulke donkere +oogen had. + +„En ik heet eigenlijk Frédérique, maar ze zeggen altijd Freda tegen me. +Ik vind ’t leuk, dat je hier op ’t dorp gelogeerd bent. Den heelen +middag heb ik al naar je zitten uitkijken,” en Freda trok Ineke naast +zich op de witte tuinbank, terwijl de dokter voor meneer Van West een +grooten rieten leunstoel aanschoof en Hans tusschen Bello en Fokkie in +op ’t gras ging zitten, ’n arm om elken hond. + +„’t Spijt me, dat ik geen thee meer heb. Als u even geduld hebt, zet ik +nieuwe,” bood mevrouw aan, maar meneer Van West beweerde slechts even +tijd te hebben: + +„Dank u wel. ’t Is heel vriendelijk, maar Ineke en ik moeten om zes uur +aan tafel zijn, anders krijgen we brommen van Juffrouw Doortje. We +kunnen maar eventjes. Een ander maal héél graag.” + +„Hè, Ma, Mààtje! Toe, laten we dan ineens een dag afspreken, dat Ineke +hier op visite komt,” smeekte Freda, terwijl mevrouw Ineke de +koekjestrommel voorhield. + +„Hè ja, dan kunnen we roovertje spelen. Fijn!” viel Hans opgewonden +bij, maar hun vader sprak bedarend: + +„Stil nu toch eens jullie allebei! Meneer Van West heeft me verteld, +dat Ineke pas een heelen tijd ziek geweest is, ’s morgens alleen naar +school gaat en ’s middags een paar uur moet rusten, omdat ze zich nog +niet te veel mag vermoeien.” + +„Ja, ze is niet voor haar plezier bij me,” plaagde meneer Van West. + +„O, maar dan mag ze toch ’s middags wel komen als ze gerust heeft en +bij ons blijven eten. Woensdagmiddag bijvoorbeeld. Wij zorgen er dan +wel voor, dat ze niet te laat thuiskomt, of u komt hier ’s avonds als +’t mooi weer is theedrinken en neemt zelf u kleindochtertje weer mee,” +stelde mevrouw voor. + +„Hè ja, hè ja,” juichten Freda en Hans en meneer Van West zei lachend: +„Nu Ien, wat denk je er van? Zullen we dat dan maar aannemen?” + +„O, Opa, ik wil wàt graag!” Ineke kreeg een kleurtje van opgetogenheid, +want ze had er dadelijk dolle lust in. Freda en Hans leken haar erg +aardig en hun ouders waren zoo hartelijk en vriendelijk, dat Ineke zich +al heelemaal op haar gemak voelde en toen ze een oogenblik later met +Opa naar huis wandelde, nadat ze zich wel drie maal had omgekeerd om +Freda en Hans, die bij ’t hek stonden, toe te knikken, zei ze tot +meneer Van West: + +„’t Is net, of ik ze al veel langer ken!” + +„Ja, jullie waren dadelijk op dreef samen en dat doet me veel plezier, +want zoo heelemaal zonder kennissen van je eigen leeftijd zou ’t op +„Eiken-rode” een saaie partij voor je worden op den duur.” + +„O, nee, Opa! Dàt moet u niet zeggen. Ik heb u toch. U blijft toch +altijd mijn beste kameraad,” en Ineke’s handje kroop gauw weg in Opa’s +groote hand. + + ⁂ + +Het was half Juni en op een enkelen regendag na altijd mooi weer +geweest, zoolang Ineke op „Eiken-rode” logeerde. Ze zag er dan ook zoo +gezond uit, dat ’t een lust was. Heelemaal bruingebrand door de zon en +daarbij at ze uitstekend, ondanks de zes groote glazen melk, die ze nog +steeds drinken moest van dokter Wilminck. Maar ’t drankje was +afgeschaft en ’t rusten na de koffie tot drie kwartier ingekrompen, tot +Ineke’s groote vreugd. Vader, die den vorigen Zondag overkwam, beweerde +zijn dochtertje bijna niet meer te herkennen, zóó goed zag ze er uit. + +„En hoe gaat ’t op school? Is meester Hoogstra tevreden en zou je +overgaan?” was een van zijn eerste vragen. + +„O, ja, ’t gaat best. Eerst was ’t natuurlijk nog wat vreemd, maar nu +ben ik heelemaal gewend. Met rekenen had ik in ’t begin wel moeite, +maar met taal en aardrijkskunde was ik vóór en met Fransch ben ik nu +heelemaal gelijk met mijn eigen school. Meester Hoogstra geeft heel +prettig les,” vertelde Ineke en toen ze meester Hoogstra op de +wandeling tegenkwamen had hij Ineke’s vader aangesproken en gezegd, dat +zijn leerlingetje zoo haar best deed en er stellig komen zou, als ze +zoo voortging. + +Vader vond ’t prettig, dat hij zulk goed nieuws mee naar huis kon nemen +en als belooning zond Moeder een paar dagen later bij de nieuwe jurk, +die ze met de huisnaaister gemaakt had, een groote doos pralines, die +Ineke met Freda en Hans Wilminck in één enkelen middag soldaat maakte. +Ze zag haar nieuwe vriendjes veel. ’s Woensdags en Zaterdags kwamen ze +geregeld bij elkaar op „De Merel,” of op „Eiken-rode,” hoewel juffrouw +Doortje wel eens zuur keek als de serre en de vestibule vol ingeloopen +zand lagen, de stoelen schots en scheef door de beneden-kamers zwierden +en er telkens glaasjes limonade of kopjes thee omvielen. Mevrouw +Wilminck bleek in dit opzicht gemakkelijker en Ineke was er versteld +van, zooveel vrijheid als Freda en Hans gewend waren. Die mochten nu +letterlijk alles! Klom Freda bijvoorbeeld in een boom en scheurde ze +haar jurk, dan kreeg ze niet eens een standje. + +„Je moet ’m tòch dragen,” zei haar moeder alleen en dan werd de scheur +zoo goed mogelijk door de oude kindermeid gestopt en Freda liep weer +vroolijk met haar verstelde jurk rond. ’t Kon haar niets schelen hoe ze +er uitzag. Ze was een echte wildebras en soms vreeselijk ongehoorzaam, +maar toch mochten de meeste menschen haar, omdat ze zoo eerlijk en +goedhartig was. Hans, iets kalmer van aard, hield veel van lezen, net +als Ineke, en kon uren met een boekje in een hoekje zitten. Freda +daarentegen vond alle verhaaltjes en sprookjes „vervelende nonsens, +waar je tòch niets aan hadt,” en maakte liever keukelkunsten aan rek en +ringen. Heel lenig was ze en ze kon harder loopen dan alle jongens uit +haar klasse en hoewel haar vader ’t volstrekt niet hebben wilde, +fietste ze, als ze even haar kans schoon zag, als een bezetene op haar +fiets den dorpsweg af en had een pret van belang, als iedereen +verschrikt voor haar op zij stoof. Ze hield veel van bloemen en dieren +en zat, als ze bij Ineke op visite kwam, geregeld met Fokkie en Bello +op schoot, tot verontwaardiging van juffrouw Doortje, die er maar niets +meer van zei, nadat ze Freda een paar maal gewaarschuwd en tot antwoord +gekregen had: „O, ze mogen best. Mijn jurk kan gewasschen worden!” + +De keurige juffrouw Doortje had niet erg met Freda op en liet altijd +duidelijk blijken, dat ze Hans veel aardiger vond, maar Ineke vond +Freda „’t leukste kind, dat ze kende.” + +„Ik moet zoo vreeselijk om haar lachen, Opa, en ze is zóó goedig! Alles +geeft ze weg en ze helpt me altijd met mijn sommen. Dat mág ze van +meester Hoogstra. Kijk eens, deze grappige, glazen penhouder met dat +vischje er in heb ik van haar gekregen. ’k Wou ’m eerst heelemaal niet +hebben, maar ik mòest ’m aannemen. Ze zeurde net zoo lang, tot ik ’t +deed en nu heb ik haar bloemen uit mijn tuintje gebracht,” vertelde +Ineke op een avond aan meneer Van West, die ’t kleine, wilde meisje, +met haar groote, donkere oogen graag lijden mocht en altijd partij voor +haar trok, als Juf iets minder aardigs van haar zei. Freda, op haar +beurt, was erg op meneer Van West gesteld, noemde hem soms voor de grap +ook Opa, maar Juf vond ze „een ouwe zeur” en Ineke zat dikwijls in +angst, dat Freda brutaal tegen haar zijn zou. Gelukkig was dat echter +nog niet voorgekomen en beloofde Freda telkens: + +„O, wees maar gerust, ik zàl niks zeggen. ’t Heele mensch kan me niks +schelen. ’t Is een spóók! Maar je grootvader wil ik geen verdriet doen +als jij zegt, dat hij ’t naar vindt, als ik onaardig tegen haar ben. +Jou Opa is een snoes van een man. Ik wou, dat ik ook zoo’n grootvader +had.” + +En Ineke, die ’t altijd zoo heerlijk vond, als ze merkte, hoeveel de +menschen van hem hielden, had beweerd: + +„Opa vind jou ook aardig, hoor, en hij is blij dat ik, nu ik jou hier +heb, niet zooveel meer lees als vroeger. Hij zei altijd, dat ik er een +ronden rug en een suf hoofd van kreeg.” + +„Natuurlijk,” lachte Freda, „al dat malle gelees over dingen, die toch +nooit gebeurd zijn!” + +Maar daar was Ineke ’t niet mee eens. Ze vond lezen nu eenmaal +heerlijk, doch de twee kleine meisjes, hoe verschillend van aard ook, +waren toch een heele aanwinst voor elkaar. Meneer Van West zei wel +eens, dat een paar zusjes niet beter met elkaar over weg zouden kunnen +dan Ineke en Freda, want ze kibbelden zelden samen en hadden bijna +altijd pret. Misschien wel een beetje te veel! Als Opa geweten had, dat +’t schoolwerk er onder begon te lijden en Ineke in de afgeloopen week +twee maal een les niet kende en van de vijf sommen, die ze voor +huiswerk opkreeg, er maar twee goed maakte, zou hij zijn kleindochter +niet geprezen hebben. Gelukkig, dat hij de laatste dagen meester +Hoogstra niet gesproken had, dacht Ineke, die eigenlijk heelemaal niet +tegen een prijsje kon, want sinds de doos met pralines, die Moeder +stuurde, had ze ’t er met ’t leeren maar zoo’n beetje op aan laten +komen. ’t Ging immers goed en nu zou ’t vanzelf wel zoo blijven gaan. +Maar, o, lieve help, wat viel dàt tegen! Zonder dat ze ’t zichzelf +bekennen wilde, merkte ze wel, dat ze, als ze niet haar uiterste best +deed, dadelijk achter raakte met die halve schooldagen. Ze maakte +zichzelf echter wijs, dat ze een ongelukkige bui had gehad en dat die +wel weer voorbij zou trekken. Iedereen kende wel eens z’n les niet en +die sommen waren ook zoo lastig. Doch ze keek gauw voor zich, toen +meester Hoogstra haar op een morgen over zijn bril heen aanzag en +hoofdschuddend zei, terwijl hij haar sommenschrift teruggaf: + +„Ineke, Ineke, je werkt niet meer zoo goed als in ’t begin!” + +Nu, met de komende repetitie, zou ze haar schade inhalen, had ze zich +vast voorgenomen. Dan bracht ze toch nog wel een tamelijk goede lijst +mee aan ’t eind van de maand, want anders zou Opa er verdriet van +hebben en Opa verdriet doen, dat wòu Ineke niet. Den heelen +Woensdagmiddag ging ze hard op haar aardrijkskunde leeren en de +moeilijke sommen nog eens overdoen. Dan zou ze er zich Donderdag wel +goed doorheen slaan. + +Woensdagmiddag kwam en Ineke zat nog met Opa en Juf aan de koffie, toen +Freda onverwachts binnenstapte: + +„Dag meneer, dag Juf, dag Ien! Zeg, ik kwam daarnet op den weg Andries +tegen. Hij gaat hooi halen op ’t land en we mogen mee terug rijden op +de volle kar, als Opa ’t goed vindt.” + +„We mogen wel, hé Opa? We zijn gauw weer terug!” + +„Ja, kinderen, gaan jullie je gang maar. Maar moet je niet eerst je +aardbeien opeten, Ineke? Zoo gauw zal de kar niet opgetast zijn. Juf, +geeft u Freda ook maar een portie,” zei meneer Van West met een +knipoogje, en nadat ze ieder volop gesmuld hadden van de heerlijke +vruchten, die dat jaar zoo overvloedig in den moestuin groeiden, toog +het tweetal op weg, dwars de velden door naar de weide, waar Andries +aan ’t hooien was. De kar stond nog maar half opgetast, zoodat ze een +poosje in een groote hoop hooi midden in de wei gingen liggen tot ze +geheel was opgeladen. Toen hielp Andries de beide meisjes vlug naar +boven klimmen. + +„’t Lijkt wel een bed,” lachte Ineke, terwijl ze zich languit naast +Freda uitstrekte, maar Andries zei: + +„Voorzichtig jullie! En je vasthouën an ’t touw, hoor, dat ik er over +gespannen heb, anders zou je d’r wel ’s af kunnen schieten.” + +Maar zoo’n vaart liep ’t niet. ’t Oude paard kon de zware vracht +slechts langzaam trekken, zoodat ’t niet veel harder dan stapvoets naar +„Eiken-rode” terug ging. Toch was ’t heerlijk en zouden de +vriendinnetjes er volstrekt geen bezwaar tegen gehad hebben, als de +tocht wat langer geduurd had. Ineke, met de beste plannen voor de +repetitie van den volgenden morgen bezield, stelde bij haar thuiskomst +echter dadelijk voor: + +„Zeg, zullen we nu samen de plaatsen aan de groote rivieren repeteeren? +’k Heb mijn atlas in ’t spreekkamertje liggen.” + +Maar Freda schudde beslist haar donker hoofdje. + +„Kan je begrijpen! Nee, hoor, ’t is veel te warm om te leeren. ’k Zal +’t vanavond of morgenochtend voor ’t ontbijt nog wel ’s nakijken.” + +„En weet je de som van die Kilogrammen en Hectogrammen nog goed? Die +vond ik laatst zoo moeilijk,” hield Ineke vol. + +„O, daar is niks an. Misschien krijgen we zoo’n soort som heelemaal wel +niet. Zeur niet over die nare repetitie en laten we nu pret hebben. +Dáár is je vrije Woensdagmiddag toch voor,” en ze vervolgde, met een +arm om Ineke’s schouder: „Zeg, Ien, weet je wat we moesten doen?” + +„Nou, wat dan?” + +„Een leuk tochtje maken! Achter ’t weiland, waar de eikenboschjes +beginnen, maakt de beek ’n groote bocht en een eind verderop weet ik +een plek, die gewoon bláúw ziet van de vergeet-mij-nietjes. In de +boschjes zelf wemelt ’t van de kamperfoelie, ’k heb er een paar dagen +geleden al bossen vandaan gehaald met Hans. Laten we nu met ons beidjes +een reuzenbouquet voor Opa gaan plukken. Hij houdt er dolveel van, want +laatst, toen ik een takje gestoken had op ’t borduursel van m’n jurk, +om eens echt te genieten van de lekkere lucht, zei Opa, dat hij ook +geen enkele bloem wist, die zóó lekker ruikt als kamperfoelie!” + +„Maar ’t is al over tweeën en ik wou m’n repetitie graag goed maken,” +aarzelde Ineke. + +„Dan kijk je vanavond je boel nog eens na. Heusch, zoo’n repetitie is +zoo erg niet. ’t Is enkel rekenen en aardrijkskunde morgen. Je komt er +best klaar mee, als je dadelijk na ’t eten begint en desnoods sta je +morgen een half uur vroeger op, dan zit ’t er allemaal versch in. Dat +doe ik ook altijd. Kom, ga nou mee!” + +En Ineke, die er toch eigenlijk erge lust in had, zwichtte en ging uit +de vestibule haar grooten stroohoed halen. Ze hield er niet van lang +achtereen blootshoofds door de brandende zon te loopen, zooals Freda, +die alleen Zondags een hoed droeg. Juist kwam Juf met een stapel schoon +servetgoed de trap af. + +„Zoo, zijn jullie terug? Was ’t prettig? Maar wat is dàt, ga je nu wéér +uit, Ineke, en je hadt toch gezegd, dat je zooveel te leeren hebt voor +morgen!” + +„O, dat doe ik vanavond wel,” zei Ineke zoo luchtig mogelijk. + +„’t Is pas overmorgen repetitie,” jokte Freda er gauw achter aan. + +„Je moet ’t zelf maar weten, maar geen minuut later dan kwart voor acht +is ’t bedtijd vanavond hoor! Je hebt vanmiddag niet gerust na de koffie +en gisteren en eergisteren ook niet. Als je daar ’t handje mee licht, +moet je ’s avonds maar eerder naar bed,” zei juffrouw Doortje streng. + +Ineke mompelde iets onverstaanbaars. + +„Als je maar zorgt bij tijds thuis te zijn, want Sientje moet naar haar +naaikrans en dan kan er niet later dan kwart voor zes gegeten worden. +Goed begrepen?” + +„Ja, Juf,” en Ineke holde Freda achterna, die bij ’t hek op haar stond +te wachten. + +De beide meisjes zetten er dadelijk flink den pas in, ondanks de groote +warmte, want des te eerder waren ze op den breeden straatweg, waar ’t +onder de hooge olmen veel koeler was. Toen ze dien voor een gedeelte +gevolgd hadden, sloegen ze af naar de wei, waar heel aan ’t einde de +beek haar bocht maakte. + +„Oef, wat is ’t warm, hier,” zuchtte Ineke, met haar hoed op haar neus. +„Freda, hoe houd jij dàt uit, met je bloote hoofd in de zon!” + +„O, ’t is maar eventjes. ’k Kan er best tegen. Straks, als we bij de +beek zijn, doen we onze schoenen en kousen uit en gaan lekkertjes door +’t water loopen. Zóó komen we ’t best bij de vergeet-mij-nieten. Hans +en ik doen ’t dikwijls op warme dagen.” + +„Hè ja, net als in Scheveningen,” stemde Ineke grif toe, en zoo gauw ze +aan de bocht kwamen, waar ’t beekje de wei verliet en midden tusschen +de lage eiken-boschjes door stroomde, zetten ze zich in ’t gras om hun +schoenen en kousen uit te trekken. + +„Zie je, ’t is hier ’t makkelijkste plekje om er in te komen. Verderop +bij de boschjes zijn er zooveel braamstruiken en boomstronken, waar je +je voeten aan bezeert. Leg je kousen en schoenen maar naast de mijne, +dan doen we ze straks hier weer aan en hoeven er niet aldoor mee rond +te sjouwen. Doe’t maar gerust, hoor, er komt toch geen mensch. Ziezoo, +daar ga ik,” en Freda liet zich handig langs den tamelijk steilen oever +in ’t water. „Zalig,” juichte ze, haar rokken hoog opsjorrend, „kom +Ien, geef me maar ’n hand,” en ze hielp Ineke, die ’t toch wel een +beetje ongewoon en griezelig vond, te water. „Ik zal wel voorop gaan! +Ik weet hier precies alle plekjes. Hou daar aan ’t eind van de bocht je +rokken goed hoog op, want daar gaan we er wel tot onze knieën in. +Verderop is ’t weer heel ondiep. Toe, kijk niet zoo angstig! Je zult +niet verdrinken,” plaagde Freda. + +„Maar ik bèn heelemaal niet bang. Ik vind ’t juist heerlijk,” +verzekerde Ineke, die na de eerste stappen in de beek geheel op dreef +raakte en vol vertrouwen waadde ze achter Freda aan, door de diepe +plaatsen. + +’t Was werkelijk een verrukkelijk tochtje, vooral verderop, waar in de +lage boschjes aan den oever een paar nachtegalen hun hoogste lied +zongen. De een antwoordde telkens den ander. „Je zult ze niet veel meer +horen. Ze scheiden er nu gauw uit met zingen,” fluisterde Freda, en de +beide meisjes bleven even staan om te luisteren. Vlugge waterspinnen +huppelden vroolijk over de oppervlakte van ’t beekje en vluchtten +ijlings naar de kanten als Freda en Ineke plonsend naderden, en een +paar prachtige blauwe libellen dartelden voor hen uit. + +Ineens gaf Ineke een schreeuw van verrukking, toen ze tegen een der +oeverkanten een plekje ontdekte, dat vol vergeet-mij-nieten stond. + +„Wat ’n boel!” jubelde ze, er met volle handen van plukkend, „en wat +zijn ze groot! Kijk, deze hebben rose knopjes bovenaan.” + +„Verderop staan er nog veel meer. Kijk daar eens, daar bloeit +kamperfoelie en daar wilde spirea en valeriaan. Valeriaan heeft ’n naar +luchtje, maar ’t zijn zulke mooie bloemen. Ik doe er toch een paar in +mijn bouquet. De kamperfoelie ruikt zoo sterk, dat je ’t vieze luchtje +haast niet merkt,” beweerde Freda, maar Ineke wilde ze niet hebben. + +„Daar zijn genoeg andere bloemen,” zei ze, een paar witte doovenetels +afplukkend, en meteen schrikte ze vreeselijk van een konijntje, dat uit +de struiken boven haar hoofd wegsprong. + +Freda lachte dat ze schaterde, en Ineke lachte mee. + +„Dat zal nog wel ’s meer gebeuren,” plaagde Freda. „Er zijn hier een +hóóp konijnen en laatst hebben Hans en ik hier in de buurt een egel +gevangen. Hij rolde zich als een bal op en zette al zijn stekels +overeind, toen Hans hem pakken wou, maar toen hebben we ’m heel +voorzichtig in een zakdoek gerold, zoodat hij ons niet steken kon, en +’m zoo mee naar huis genomen. Vader zei, dat egels zooveel van melk +houden en daarom gaven we ’t beest dadelijk een schoteltje vol, maar +hij bleef als een bal liggen en taalde er niet naar, en den volgenden +morgen, toen we ’t zij-hokje van ’t groote kippenhok opendeden, was +meneer verdwenen en ’t schoteltje leeg! We denken, dat hij zich onder +’t hok doorgegraven heeft.” + +„Hè, hoe jammer; hadden jullie ’m niet graag willen houden?” vroeg +Ineke, maar Freda beweerde er niet rouwig om te zijn. + +„Och, eigenlijk heb je toch niks aan zoo’n beest, dat alleen maar +steken kan en muizen vangen. Misschien was hij op den duur wel tam +geworden, maar buiten in de bosschen hebben ze toch een veel prettiger +leven. Hè, ik wou, dat ik ook altijd in de bosschen kon zijn! Vroeger +toen we nog in de stad woonden, had ik lang niet zoo’n schik in mijn +leven als hier. Alleen had ik dáár vriendinnetjes, maar sinds jij hier +bent, mis ik die niet meer,” en Freda, even stilstaande, schopte naar +een groote spin, zoodat de fonkelende waterdruppels hoog opspatten. + +„Kind, je jurk drijft! Pas op, je maakt mij ook nat,” waarschuwde Ineke +verschrikt en lachend tegelijk. + +„O, dat droogt in een wip, maar we zullen nu langzamerhand maar +omkeeren, want we moeten dat heele eind nog terug, en eer jij goed en +wel op „Eiken-rode” bent, zal ’t wel vijf uur zijn. Dan kan je je nog +net verkleeden en een beetje leeren,” en met bloemen beladen zochten de +beide meisjes de plaats weer op, waar ze hun kousen en schoenen hadden +achtergelaten. + +„Ziezoo, nu leggen we onze bloemen tegen den kant, met de stelen in ’t +water en gaan zelf in ’t gras zitten. Dan laten we de zon op onze +beenen schijnen. Je zult eens zien hoe gauw we droog zijn,” zei Freda +en ze scharrelde ’t water uit tegen den oever op, reikte Ineke een hand +en trok haar op ’t droge. Toen strekten ze zich naast elkaar in ’t gras +uit. + +„O, wat is ’t warm, nu we weer uit ’t water zijn,” zei Ineke, haar hoed +over haar oogen trekkend, maar Freda vond ’t heerlijk en liet zich +stoven. + +„Als je maar niks hoeft uit te voeren is ’t wàt lekker,” zuchtte ze +lui. + +Plotseling klonk er een dof gerommel in de verte. + +„Hoor je dat; ’t gaat onweeren,” zei Ineke ongerust en ze kwam dadelijk +overeind, maar Freda antwoordde: + +„Geeft niks! We zijn niet zoo ver van ons huis en de bui is nog ver +af.” + +Maar toen ’t voor de tweede maal rommelde en kort daarop een felle +bliksemstraal de lucht doorkliefde, haastte ze zich toch, evenals +Ineke, om zoo spoedig mogelijk haar kousen en schoenen aan te krijgen +en op een drafje holden ze met hun bloemen de wei door. Juist toen ze +den straatweg bereikt hadden, vielen de eerste regendruppels. Het werd +een stevige plasbui en hun dunne jurken waren in een oogenblik +doorweekt. Freda’s korte haren hingen in druipende piekjes om haar +hoofd en van Ineke’s hoed gutste het water in stralen omlaag. + +„We zien er uit als een paar verdronken katten,” lachte Freda, maar +Ineke keek bedrukt, want ze zag wel op tegen ’t standje van Juf, dat ze +zeker krijgen zou en dan.... de repetitie. + +„Ben je mal, je gaat natuurlijk met mij mee. We zijn nu vlak bij „De +Merel” en vóór jij thuis bent, zie je d’r uit, of je heelemaal in ’t +water gelegen hebt. Dan zal je die vervelende zeur van ’n Doortje ’s +hooren,” waarschuwde Freda, toen haar vriendinnetje links inplaats van +rechts wilde afslaan en zuchtend besloot Ineke daarop maar met Freda +mee te gaan. ’t Was ook zóó’n weer. + +„Kijk, daar heb je onze vagebonden! Moeder, je mag ze wel dadelijk +droog goed geven,” riep dokter Wilminck tegen zijn vrouw, toen hij van +uit de serre het tweetal zag aankomen. + +„Kinderen, kinderen, wat zien jullie er uit! Maar wie had ook gedacht, +dat ’t zóó zou gaan onweeren en regenen! Freda, kind, je lijkt wel een +natte poedel,” lachte mevrouw Wilminck en ze joeg de beide druipende +meisjes voor zich uit naar boven, waar ze op de badkamer ieder een +schoon pak aankregen, na duchtig met ruige handdoeken te zijn +drooggewreven. + +Toen ze beneden kwamen hadden dokter Wilminck en Hans juist +gloeiend-heete thee ingeschonken en terwijl Freda en Ineke zich deze +goed lieten smaken en de halve koekjestrommel leeg aten, moesten ze +vertellen van hun tocht door de beek en werden Freda’s bloemen in een +wijde Keulsche kan geschikt, die een eereplaats kreeg op de serretafel. + +„Die van Ineke heb ik apart in den gieter gezet. Kijk ze ’s opstijven,” +wees Hans, die ’t jammer vond, dat hij den tocht ook niet had +meegemaakt. + +„Hoe laat is ’t al, mevrouw,” informeerde Ineke na een oogenblik en ze +keek bedenkelijk naar buiten, waar ’t nog steeds plasregende. + +„Kwart over vijf, kindje. Wat is er, wou je naar huis? Maar ’t is zoo’n +weer! Daar kan je niet door. Weet je wat, je blijft hier eten en ik +telefoneer zoo dadelijk even naar je Grootvader.” + +„’t Is erg vriendelijk van u en.... en ik zou ook heel graag blijven, +maar, ziet u.... ik, ik moet mijn aardrijkskunde en een paar moeilijke +sommen nog nazien voor de repetitie van morgen,” stotterde Ineke. + +„O, dat kan je hier ook wel doen. Freda heeft immers dezelfde boeken,” +zei dokter Wilminck luchtig en Freda, die Ineke wel erg overdreven +vond, maar zag hoe ze er over in zat, ging goedig haar tasch halen. + +„Hier kind, hier heb je alle geleerdheid bij mekaar, behalve mijn +atlas, want die kan er niet in.” + +„Leer jij dan aardrijkskunde zónder atlas,” vroeg Ineke verwonderd. + +„O ja, haast altijd! Dan zoek ik op school, vóór de les begint nog wel +gauw de voornaamste dingen op.” + +„Freda, Freda, dat is weer net iets voor jou. Hoe is ’t mogelijk!” + +Mevrouw schudde haar hoofd, maar Freda liep, lachend haar schouders +ophalend, naar de telefoon, die juist belde. + +„’t Is meneer Van West. Hij vraagt of Ien hier is. Komt u even, +Moeder,” vroeg ze en mevrouw Wilminck haastte zich naar ’t toestel. + +Meneer Van West was blij te hooren, dat zijn kleindochter veilig op „De +Merel” zat en vond ’t uitstekend, dat ze daar bleef eten. Hij zou haar +zelf tegen half acht komen halen, als ’t weer opklaarde en anders werd +Ineke wel met de dokterssjees naar huis gebracht, ofschoon Vera—’t +paard—dien dag nogal een grooten tocht achter den rug had. + +En zoo blééf Ineke dus, hoewel ze natuurlijk veel liever naar huis zou +zijn gegaan, om daar op haar gemak te werken. Dadelijk na ’t eten, toen +’t weer opklaarde en Freda en Hans den tuin introkken, kroop ze met +Freda’s boeken en schriften in een hoekje van de serre. Ze sloeg het +aardrijkskundeboekje open, maar ’t wilde niet vlotten.... Zònder atlas +kon zij geen aardrijkskunde leeren. Ze begreep niet hoe Freda dat deed. +’t Beste zou zijn morgenochtend vroeg op te staan, zonder dat Juf ’t +merkte. Anders zou ’t uitkomen, dat ’t die dag repetitie was en niet +pas de volgende, zooals Freda gejokt had, om haar vriendinnetje mee te +krijgen.... Vervelend, dat alles zoo tegenliep. Ineke wou de schade zóó +graag inhalen en met een niet àl te slechte lijst thuiskomen, aan ’t +eind van de volgende week.... Dat nàre onweer ook! Als dat niet gekomen +was, zat ze nu rustig op haar eigen balkon-kamertje. Dan kènde ze alles +al bijna! Die aardrijkskunde was niet eens zoo moeilijk. Kom, nu maar +aan de sommen! Maar Freda had ze zoo raar en slordig in haar schrift +staan, dat ze er niet uit wijs kon, en er haar naar vragen wou Ineke +niet. Freda was met Hans aan ’t stelten-loopen en dus heelemaal niet in +een bui om sommen uit te leggen en Ineke, moe en knorrig op zichzelf, +stopte zuchtend de boeken en schriften weer weg in de tasch en +drentelde lusteloos den tuin in, verlangend naar Opa, die zich niet +lang wachten liet gelukkig. + +Meneer Van West vond zijn kleindochtertje stil dien avond, vooral onder +’t naar huis gaan, en maakte zich heusch een weinig ongerust, dat het +tochtje in de beek niet dienstig voor haar geweest was en toen Ineke +eindelijk in bed lag, bleef ze tegen haar gewoonte lang liggen woelen +en tobben en eindelijk ingeslapen, droomde ze heel vermoeiend en +verward van meester Hoogstra, die door de beek wandelde, van +akelig-groote konijnen, die gezichten tegen haar trokken en van een lei +met sommen, die niet wilden uitkomen.... + + ⁂ + +Den volgenden ochtend werd ze pas bij zevenen wakker. IJlings vloog ze +overeind en begon zich te wasschen en te kleeden. Haar haar was al +uitgekamd toen Juf haar kwam roepen en ze kon „de plaatsen langs de +groote rivieren in Nederland” gelukkig nog alle opzoeken en zich in ’t +hoofd prenten.... maar de sommen schoten er bij in. Ze hoopte vurig, +dat ze die moeilijke van de Kilo- en Hectogrammen niet zouden krijgen +en dat ’t rekenen mee zou vallen. Dat kòn toch, trachtte Ineke zichzelf +moed in te spreken, maar helaas, toen ze om tien minuten over twaalf +uit school kwam, wist ze zèker, dat ze alles behalve gelukkig geweest +was!..... + +Boven op haar kamertje, waar ze zich altijd ging opknappen voor ’t +koffiedrinken, viel ze op een stoel neer en dacht na. + +De sommen gingen heelemaal mis.... Van de zes waren er twee goed en het +laatste uur, toen ze voor de kaart moest komen, had ze zich vergist met +de plaatsen aan de Boven- en Beneden-Merwede. Ook had ze Coevorden +inplaats van Meppel aangewezen, maar gelukkig wist ze de plaatsen langs +den Ouden Rijn zonder haperen te liggen. Daardoor was haar +aardrijkskunde-cijfer voldoende geworden. Maar voor rekenen kreeg ze +onvoldoende.... Dat stond als een paal boven water. Meester Hoogstra +had ’t zelf gezegd. Ook vond hij haar taalwerk van de laatste weken +zooveel minder en zoo slordig geschreven. Deze drie-wekelijksche lijst, +hoewel met geen verdere „onvoldoendes” dan rekenen, zou er zéér, zéér +magertjes uitzien.... Ineke durfde haast niet aan den komenden Zaterdag +te denken, als Opa weten zou, hoe ze was achteruit gegaan. Wat zou hij +er een verdriet van hebben en ze had hem juist een pleziertje willen +doen met die bloemen, die frisch en geurig in een tinnen kan op zijn +bureau prijkten. Opa had er haar zóó voor bedankt, maar Ineke wist heel +goed, dat hij veel meer in zijn schik geweest zou zijn met een mooi +rapport.... Trouwens, de bloemen waren volstrekt niet alleen de schuld +van de slechte lijst. ’t Was den laatsten tijd alles maar: gauw, gauw +gegaan om zooveel mogelijk met Freda te zijn. Zelfs ’t lezen was er de +laatste weken bijna bij ingeschoten. Alleen Zondag toen ’t zoo regende, +had ze den heelen middag verdiept gezeten in de sprookjes van Grimm en +Andersen. O, als ze tenminste toen maar in plaats van te lezen, sommen +gemaakt had, dan was die leelijke twee voor rekenen misschien nog een +„min drie” of drie geworden. Doch nu was ’t te laat. Niets, niets viel +er meer aan te doen en Zaterdag, als ze uit school kwam, zou ze Opa, +die ’t in de verste verte niet vermoedde, die onaangename verrassing +moeten bereiden.... Opa, die haar altijd plezier deed.... en thuis +zouden ze ook zoo teleurgesteld zijn en o, als de directrice van haar +school, aan wie de lijst altijd getoond werd, nu maar niet besloot haar +nog een jaar in de vierde klasse te laten. Blijven zitten zou Ineke +vrééselijk vinden.... De tranen sprongen haar in de oogen. Opa, en +Vader en Moeder, alle drie zouden ze verdriet hebben door haar schuld! + +Nog één heelen dag hoefde niemand iets te weten. Morgen was ’t pas +Vrijdag, bedacht Ineke en ze zuchtte even van verlichting, wischte de +waterlanders weg en stond op, om haar handen te wasschen en een schoon +schort aan te doen. Ze zou zich voorloopig nog maar heel gewoon houden +en niets zeggen en toen de gong voor ’t koffie drinken door ’t huis +klonk, liep ze op een holletje naar beneden en gedroeg zich, alsof er +geen koudje aan de lucht was. + +„Ineke, kind, ik heb een verrassing voor je,” begon meneer Van West, +zoo gauw ze aan tafel zat en hij zag zijn kleindochter lachend aan. + +Ineke bloosde tot achter haar ooren. + +„Een verrassing, Opa,” vroeg ze flauwtjes. + +„Ja, kind! Je wou immers zoo graag een poesje hebben? Nou, bij boer +Staps op de Heikamp is een poes met zes allersnoeperigste kleintjes, +zwarte, gevlekte en grijze. Zelden zag ik zoo’n mooi nest, maar +natuurlijk kan Staps ze niet allemaal houden. Voor vier er van zoekt +hij een baas en als je wilt, mag jij er een van hebben. Wat zou je +zeggen, als we er vanmiddag, als je gerust hebt, eens samen op +uitgingen en er een mee naar huis brachten,” en meneer Van West, niet +anders denkend, dan Ineke, die al zoo lang naar een eigen poesje +verlangde, een groot genoegen te doen, was hoogst verbaasd toen zijn +kleindochter met een heel benepen stemmetje en neergeslagen oogen +antwoordde: + +„Heel graag, Opa!” + +„Ineke, kind, wat is er? Scheelt er iets aan?” + +Juffrouw Doortje zag van achter ’t koffieblad nu ook met bevreemding +naar Ineke, die zich ineens niet meer goed kon houden en in huilen +uitbarstte. ’t Was te veel voor haar: Opa, die weer iets verzonnen had +om haar plezier te doen, terwijl zij hem overmorgen door haar eigen +schuld zóó zou moeten teleurstellen! + +Haar tranen stróómden, heesche snikken snoven door de kamer. Heelemaal +over stuur raakte ze. + +„Kind, kindje toch! Toe, drink eens.” Juf ook al ongerust, was +opgestaan om haar een glas water in te schenken en Opa’s goedig gezicht +boog bezorgd over Ineke, die maar niet tot bedaren kon komen. + +„Kom, ga maar eens mee den tuin in. De lucht zal je goed doen,” en Opa +troonde Ineke zacht mee naar buiten. + +Dáár, met kleine stapjes wandelend om ’t rozenperk naast Opa, die haar +als een klein kindje bij de hand hield, bedaarde Ineke en begon, eerst +nog snikkend, al vegend met Opa’s grooten zakdoek over haar behuild +gezicht, maar van lieverlede toch wat kalmer, te vertellen van school +en van de ongeluks-repetitie. + +Meneer Van West zei niets, maar luisterde oplettend naar Ineke’s +verhaal, dat er met horten en stooten uitkwam, doch dat hij toch wel +begreep. + +„Jongens, Ineke, wat spijt me dat! Wie had dàt nu kunnen denken! Had ’t +me maar eerder verteld. Of zag je ’t eerst zelf niet zoo ernstig in,” +vroeg Opa, toen Ineke zweeg. + +„Ik wist allang, dat dit rapport veel minder zou zijn, dan het vorige, +maar.... maar ik had zóó gehoopt, dat ik tenminste voldoende voor alles +zou krijgen.” Ineke’s roodbehuilde oogen zagen Opa smeekend aan en ze +vervolgde: „Toe, Opa, verzin er iets op!” + +„Er iets op verzinnen? Als ik maar wist wàt! Ik kan helaas je slechte +cijfers niet mooi maken. De eenige, die dat kan, ben jij zelf. Jij kunt +zorgen, dat je rapport er de volgende maand beter uitziet! Maar weet +je, wat ik doen kan? Ik zal vanmiddag naar meester Hoogstra gaan en +eens met hem praten over de questie. We kunnen dan natuurlijk niet naar +de Heikamp.” + +„Nee, en dat woù ik ook liever niet, Opa, want.... want ziet u, ik vind +niet, dat ik het poesje verdiend heb. Ik.... ik moest er juist zoo om +huilen, dat u altijd zoo lief voor mij bent.... en ik....” Ineke bleef +steken en haar lippen begonnen op nieuw verraderlijk te trillen. + +„Kom, kindlief, nu niet wéér beginnen. Gauw je boterham opeten! ’t Is +al kwart over een,” en Opa en Ineke traden door de openstaande serre de +eetkamer weer binnen en Ineke, o zoo blij, dat ze nu niet meer met +zoo’n bezwaard hart rond behoefde te loopen, at met smaak haar bord +leeg en ging toen gedwee rusten. + +Dien middag tegen etenstijd keerde meneer Van West van zijn bezoek aan +meester Hoogstra terug en Ineke, die met haar rekenboek en +sommenschrift in de serre zat, vloog Opa tegemoet. + +„Ja, kindje, meneer Hoogstra was, net als jij me verteld hebt, heel +ontevreden over je, maar ’t viel hem, geloof ik, nogal mee, dat je me +alles eerlijk hebt opgebiecht. We hopen er nu iets op gevonden te +hebben, waardoor je laatste rapport, dat je vijftien Juli met de +vacantie meekrijgt, er weer goed uit zal zien, zoodat je op je eigen +school zult kunnen overgaan. Je bent nu weer sterk en gezond en daarom +vond meester Hoogstra ’t maar ’t best, dat je nu de laatste weken ook +’s middags op school komt. Hij zal je wat extra-huiswerk opgeven en ’s +middags na schooltijd moet je dan maar je drie kwartier rusten. Van +spelen met Freda zal er nu wel niet veel kunnen komen, maar Freda moet +ook harder werken, zegt meester Hoogstra. In de vacantie kunnen jullie +dan je schade inhalen. Wat zeg je van dit plan?” + +Nu, Ineke was ’t er heelemaal mee eens en wàt blij, dat de kans om +alles in ’t eind nog goed te maken niet verkeken was. Opa zond een paar +dagen later het slechte rapport met een brief, waarin hij alles +uitlegde, aan Ineke’s ouders.... + +Heel veel antwoordden die er niet op, maar Ineke snapte toch wel uit de +enkele zinnen, die zij er in hun brief-terug over schreven, dat ze zeer +teleurgesteld waren en dat spoorde haar dubbel aan, op school haar +uiterste best te doen. Ze ging er zelfs die laatste drie weken iets +minder goed uitzien, maar den vijftienden Juli kwam ze stralend van +opgetogenheid met een werkelijk bizonder mooie lijst bij Opa. Voor alle +vakken had ze vieren en vijven en meester Hoogstra had er met +duidelijke letters onder geschreven: + + + „Ondergeteekende verklaart, dat zijn leerlinge Ina van West met + vrucht het onderwijs op zijn school van den 10en Mei tot den 15en + Juli gevolgd heeft, zoodat er zijns inziens geen enkel bezwaar + bestaat, haar op haar eigen school tot een hoogere klasse te + bevorderen. + + C. J. P. HOOGSTRA, + Hoofd-onderwijzer.” + + +„Mooi zoo, Ien! Nu is de schade ingehaald! Nu kan je met hart en ziel +van je vacantie genieten, als morgen Vader en Moeder met de broers +komen,” en Opa omhelsde zijn kleindochter hartelijk. + +„Ik ben zóó blij, zóó blij,” juichte Ineke, „vooral omdat Freda ook +overgaat. Ze heeft alleen een taak voor aardrijkskunde, maar dat komt, +omdat ze nooit een atlas gebruikt. Ik zal er haar wel mee terecht +helpen,” en Ineke rende van louter plezier met Bello en Fokkie achter +zich aan den tuin in, overgelukkig dat alles zoo goed was afgeloopen. + +Zelf mocht ze naar huis telefoneeren om ’t goede nieuws vast mee te +deelen en nog dienzelfden middag gingen Opa en Ineke naar boer Staps op +de Heikamp, om daar een poesje uit te zoeken, waarvoor juffrouw Doortje +in alle stilte al een grappig, lichtblauw halsbandje met een belletje +er aan gemaakt had. + + + + + + + + +UIT LOGEEREN. + + +Hè, wat was dat? + +Was ’t nou al morgen? + +Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed, rekte zich al geeuwend +uit, beide armen boven haar hoofdje. Helder scheen de zon door een kier +van de gordijnen de kamer in en in een wip was Wiesje ’t bed uit, om op +haar bloote voetjes voor ’t raam uit te kijken in den tuin, waar de +duiven druk en vroolijk zaten te koeren op ’t lage, grijze muurtje. + +Kijk, daar vlogen er een paar weg, hoog hóóg de blauwe lucht in! + +Wiesje trok de gordijnen wijder open, schoof ’t raam wat meer op en +ging er op haar knieën voor liggen. Een heerlijke geur van versch +gemaaid gras stroomde de kamer in. O, kijk, daar kwam Cobus, de +tuinmansjongen, aan met een mand vol koolblaren. Zeker voor de +konijnen. + +Wat was ’t heerlijk hier buiten! Heel anders dan op ’t bovenhuis in ’t +warme, drukke Amsterdam, waar Wiesje woonde. Twee weken zou ze nu hier +mogen blijven bij Oom Willem en Tante Lida! Zalig! Gisteren toen Vader +haar wegbracht, had ’t Wiesje wel lang geleken om veertien heele dagen +en nachten van huis te zijn.... Ze was al een groote meid van tien +jaar, maar nog nooit alleen uit logeeren geweest en toen ze van Moes en +kleinen Broer afscheid nam, had ze wel even een raar, propperig gevoel +in haar keel gehad, net of ze zou gaan huilen.... + +Maar in den trein was ze ’t gauw vergeten en toen Vader ’s avonds +wegging, voelde Wiesje zich bij Oom en Tante en bij Suus en Dolf en +Bert zóó thuis, dat ze er niet over dacht één traantje te storten. En +ze had Vader bij zijn vertrek nog nageroepen: + +„Zeg maar aan Moes, dat ’t hier dól is en dat ik heusch zoet zal zijn.” + +En toen de kinderen kort daarop alle vier naar boven moesten—om acht +uur sloeg onverbiddellijk ’t klokje van gehoorzaamheid—en Tante haar +had toegedekt, was ze geen vijf minuten daarna rustig in slaap +gevallen. + +Hoe verbazend gauw ging zoo’n nacht voorbij! + +’t Was zeker nog heel vroeg, dacht Wies je. Je hoorde nog heelemaal +geen leven in huis. Nee, mis hoor! Daar kwam Suus aan de kamerdeur: + +„Zeg, Wies, sta je op, ’t is zeven uur.” + +„’k Ben d’r al uit,” riep Wiesje vroolijk. + +Suus kwam binnen, ook in haar nachtjaponnetje en van louter plezier +dansten ze toen de kamer door, tot ze allebei buiten adem op een stoel +neerploften. + +„Zoo leuk... dat je... hier bent,” hijgde Suus en Wiesje knikte +lachend, niet in staat een woord te zeggen. + +„De jongens zijn al bijna klaar. Laten wij ook voortmaken, dan kunnen +we voor ’t ontbijt nog even naar buiten,” stelde Suus voor, zoo gauw ze +wat bekomen waren. + +„Goed, wie ’t eerst klaar is,” en Wiesje sprong op, schonk vlug water +in de waschkom en begon dapper te plassen. Een goed kwartiertje later +waren ze beneden. Allebei tegelijk! + +In de tuinkamer was Tante Lida al bezig voor ’t ontbijt te zorgen. De +glazen tuindeuren stonden wijd-open en de zon scheen vroolijk naar +binnen en deed den koperen theeketel, die gezellig raasde, blinken of +hij van goud was. Midden op tafel prijkte een vaasje met reseda en +kleine, gele roosjes. + +„Die zijn van Dolf. Uit z’n eigen tuintje,” vertelde Tante toen Wiesje, +die heel veel van bloemen hield, er haar wipneusje in begroef om diep +den fijnen geur in te ademen. + +„Mogen we nog even den tuin in, Moeke,” vroeg Suus. + +„Ja, maar dadelijk komen als er gebeld wordt. Hier is wat oudbakken +brood, strooi dat maar voor de vogels.” + +Suus nam ’t bordje met ’t in kleine stukjes gesneden brood aan en +gearmd gingen zij en Wiesje naar buiten, waar de musschen luid sjilpend +kwamen aanvliegen en zich flink te goed deden, totdat een paar +hongerige duiven, die er ook wat van hebben wilden, ze uit elkander +dreven. + +De beide meisjes hadden nog net tijd om even naar de konijnen te gaan +kijken; toen luidde de bel voor ’t ontbijt. De anderen waren al binnen. + +„Ik heb zoo’n honger,” zei Bert, die vuurrood zag van ’t werken in zijn +tuintje. „’t Onkruid is er allemaal uit. Nou zullen jullie ’s zien hoe +mooi mijn reseda wordt! Moeke, over één weekje krijgt u net zulke mooie +van mij, als u nu van Dolf hebt!” + +„Kun je begrijpen. Je hadt al veel eerder moeten wieden,” zei Dolf een +beetje minachtend. „Jij laat alles altijd maar staan.” + +„Niet waar! Maandag heb ik er nog een hóóp uitgehaald en mijn violieren +waren toch lekker veel mooier dan de jouwe.” + +„Och,” kwam Dolf weer, zijn schouders ophalend, maar Oom, die ineens +van achter zijn courant opdook, maakte een eind aan de opkomende +kibbelpartij door te zeggen: + +„Stil jongens! Wat moet Wies wel denken? Die is zulke kemphanen +heelemaal niet gewend, of kibbel jij thuis wel eens met Broer, Wies?” + +„Nee,” lachte Wiesje. „Broer is nog veel te klein. Die kan nog niet +eens praten.” + +„Nou maar, onze jongens kunnen mekaar geducht in de haren zitten. Ze +meenen ’t wel niet zoo kwaad, maar ’t is toch niet heel aardig om aan +te hooren. Dat zul je wel merken,” zei Oom met een plagend knipoogje +naar Dolf en Bert, die groote happen van hun boterhammen namen en voor +zich keken, want ze schaamden zich wel wat voor hun nichtje. + +Maar Wiesje lachte er om en na ’t ontbijt toen Oom zijn zieken ging +bezoeken—hij was dokter op ’t dorp waar ze woonden—gingen ze met hun +viertjes prettig buiten spelen. Ze schoten goed op samen. De jongens +kibbelden wel eens af en toe—dat kónden ze nu eenmaal niet laten—maar +’t duurde nooit lang, of ze verzoenden zich weer met elkaar. De dag was +om voor ze het wisten, en Wies schreef dien avond een langen brief naar +huis, zoodat Vader en Moes den volgenden ochtend al met verheugde +gezichten lazen van al de pret, die hun dochtertje daarginds had. + + + +En nu was ’t de avond van den vijfden dag, dien Wiesje bij Oom Willem +en Tante Lida doorbracht. + +Meer dan een half uur geleden had Tante haar ingestopt en nóg kon +Wiesje den slaap maar niet vatten. Telkens keerde ze zich om en om in +’t groote logeerbed.... Zelf wist ze maar al te goed wat er aan +haperde.... Ze had iets heel leelijks gedaan, waar ze nu o, zoo’n spijt +van had en ’t ergste was, dat Cobus de tuinmansjongen, er morgen +waarschijnlijk de schuld van zou krijgen. + +Iedereen dacht dat hij ’t gedaan had. O, ’t was verschrikkelijk. Wiesje +wist geen raad.... + +Zóó was ’t gebeurd. + +Ze speelden met hun vieren verstoppertje. Bert „was ’m” en omdat hij +zoo gauw telde, waren Suus en Dolf en zij zoo hard ze konden ieder een +anderen kant uitgehold. Wiesje, die ’t vlugst was, had zich verstopt +achter in den tuin bij ’t schuurtje en Bert kón haar maar niet vinden. +Die zocht alleen op plekjes dicht in de buurt en Wiesje had in zichzelf +een pret van belang. Ze besloot nog een poosje rustig in haar +schuilhoekje te blijven voor ze zich vertoonde, want hoe later je +gevonden werd, hoe meer eer! + +Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom, die tegen +den muur van het schuurtje geleid was en waaraan een massa prachtige +perziken zaten. De meeste waren nog niet heel rijp, maar juist onderaan +hingen er een paar heerlijk in ’t zonnetje te stoven. Die zagen er net +zoo rood en donzig uit als Wiesjes eigen wangen.... + +Ze ging er vlak bij staan, voelde er toen heel voorzichtig met één +vinger aan.... Hè, die twee daar vlak tegen elkaar waren heelemaal warm +van de zon.... Nog even voelen en Wiesje kwam er nog eens aan. Maar, o +wee, daar ploften ze ineens allebei op den grond. Vlak voor Wiesjes +voeten vielen ze in ’t gras. Haar hartje bonsde van schrik en haar +wangen werden nog rooder dan de perziken. + +Zóó had ze ’t niet bedoeld, nee waarlijk niet! + +Wat zou ze doen? Ze stil in ’t gras laten liggen, of ze gauw naar Tante +Lida brengen en eerlijk vertellen wat er gebeurd was? + +Ze raapte ze op, rook er eens aan.... Een had al een gekneusd +plekje.... Het sap liep haar langs de vingers. Kom, er zaten nog +zooveel perziken aan den boom. Ze kon deze eigenlijk best opeten. Een +paar meer of minder gaf niks, niemand zou ’t merken.... + +Schuw keek ze om zich heen en ineens zette ze haar tanden in de +overrijpe vruchten en at ze gulzig met schil en al op. De pitten, +waarin ze zich bijna verslikte, wierp ze in ’t gras en haar mond en +haar kleverige vingers veegde ze snel aan haar zakdoek af. Toen luidde +de etensbel en ze holde naar huis op de verwonderde vragen: „Waar heb +jij gezeten,” brutaalweg antwoordend: + +„Dat zeg ik nou ’s lekkertjes niet!” + +Maar aan tafel was ze stil geweest, had ze niet zoo flink gegeten als +anders en de schrik sloeg haar om ’t hart, toen Oom tegen ’t +theedrinken binnenkwam met twee perzikpitten in zijn hand. Je kon hem +aanzien, dat hij heel ontstemd was. + +„Heeft iemand van jullie aan de perziken gezeten? Ik wou enkele mooie +rijpe, die onderaan hingen en waar ik alle dagen een oogje op hield +naar vrouw Bos brengen, die zoo ziek is, maar jawel, ze waren er af +toen ik daarnet ging kijken en de pitten vond ik tusschen ’t gras. Er +is dus iemand aan geweest. Een van jullie soms?” + +„Nee, Vader,” riepen de kinderen als uit één mond. + +„Nee Oom,” zei ook Wiesje. + +Ze kreeg een kleur als vuur en trilde op haar beenen, maar ’t begon al +donker te worden en ze stond achter in de kamer. Niemand sloeg bizonder +acht op haar. + +„’t Spijt me, dat ik zooiets denken moet, maar dan ben ik bang, dat +Cobus ’t gedaan heeft. Hij deed den laatsten tijd zóó zijn best en ik +vind ’t heel jammer, maar als hij niet van ’t fruit kan afblijven, zal +ik genoodzaakt zijn ernstige maatregelen met hem te nemen.” + +„Hè,” zuchtte Tante, „’t zou wel heel ondeugend zijn van een jongen, +die ’t zóó goed bij ons heeft.” + +„Nu, we zullen er niet verder op doorgaan voor ’t oogenblik. Cobus is +al naar huis. Ik zal hem morgenochtend wel onder handen nemen,” zei +Oom. + +„De kinderen wilden graag wat zingen, is ’t niet,” en Tante ging aan de +piano zitten, terwijl Dolf met de muziek kwam aandragen. + +’t Waren aardige, vroolijke liedjes en Wiesje kende er verscheidene +van. Toch was ’t haar niet mogelijk mee te zingen; dan zou ze zeker +zijn gaan huilen. Stil en lusteloos stond ze er bij. Ze dúrfde ’t niet +zeggen, omdat ze zich zoo vreeselijk schaamde. Hoe ze zich den heelen +avond had goedgehouden begreep ze zelf niet. Zelfs toen Tante Lida haar +bij ’t toedekken vroeg: „Zeg, Wies, scheelt er iets aan? Je was zoo +stil,” had ze geantwoord met haar hoofdje naar den muur gewend: + +„Nee, niks Tante, ik ben alleen erg moe.” + +Toen was Tante na haar een nachtzoen gegeven te hebben heengegaan, bij +zichzelf denkend, dat ’t kind wel vreemd en stil geweest was den heelen +avond en plotseling dacht ze met schrik aan die perziken.... Nee, dat +kón niet zijn. Tot zoo iets was Wies niet in staat. Misschien verlangde +ze naar huis. Ze was vroeger immers nooit alleen uit logeeren geweest. +En toch.... Nu ze zou over een uurtje nog maar eens gaan kijken of +Wiesje sliep en Tante Lida waschte den theeboel om en begon aan haar +verstelwerk. + +Intusschen lag Wiesje boven te woelen in ’t groote bed. Van slapen kwam +maar niets; hoe stijf ze haar oogen ook toekneep en hoe dikwijls ze tot +zichzelf zei: „Nou wil ik er niet meer aan denken,” ze moest er aan +denken, ze kón niet anders. + +Cobus zou de schuld krijgen van iets wat zij gedaan had. Misschien +moest hij wel weg.... Cobus, die zoo aardig voor haar geweest was en +haar bal tot tweemaal toe voor haar uit de sloot gevischt had, zelf +gevaar loopend van er in te vallen. Ze zag Cobus’ verbaasde en +bedroefde gezicht al, als Oom over de perziken zou beginnen. Oom zou +hem toch niet kunnen gelooven als Cobus zei, dat hij ’t niet gedaan +had.... O, ’t was vreeselijk! + +Ze huilde zachtjes met haar hoofd in ’t kussen, begon toen al harder, +zoodat ’t bed schudde en haar sloop nat werd van al de tranen. + +Wat moest ze toch doen? O, was Moes maar bij haar. Aan Moes zou ze ’t +wel durven zeggen, maar ze schaamde zich zoo voor Oom en Tante en voor +Suus en de jongens, die ’t natuurlijk ook zouden weten. Nog nooit had +ze zoo’n spijt, zoo’n verdriet gehad, als nu door haar eigen schuld. + +Langzamerhand werd ze toch wat kalmer. Ze zag duidelijk in, dat ze ’t +moest gaan vertellen, al zag ze er nog zoo tegenop. Hoe eerder ze ging, +hoe beter en net wou ze ’t dek wegslaan en uit bed komen, toen de deur +geopend werd en Tante Lida zachtjes binnenkwam. Bevend zakte Wiesje +achterover in ’t kussen, maar Tante sprak niet, ging alleen stil op den +rand van ’t bed zitten, zei toen eindelijk heel zacht: + +„Wies, ik dacht, dat je me nóu misschien wel iets wilt zeggen.” + +En Wiesje, o zoo blij, dat Tante’s stem zoo vriendelijk klonk en dat ze +nu zou kunnen uitspreken wat haar zoo bezwaarde, deed met een heesch +stemmetje ’t heele verhaal. + +Tante liet haar vertellen, viel haar geen enkele maal in de rede. Ze +vond ’t heel erg, maar had toch wel medelijden met Wiesje, omdat ’t +kind zoo’n innig berouw toonde. + +„Gelukkig dat we ’t nu weten; anders had Oom Cobus morgenochtend onder +handen genomen en hoe vreeselijk zou dat voor den armen jongen geweest +zijn! Ga nu maar liggen, dan zal ik ’t wel vast voor je aan Oom zeggen. +Morgen kan je er dan zelf met hem over praten,” zei Tante, Wiesjes +verwarde haren gladstrijkend en Wiesje, moe van ’t huilen, liet zich +gewillig instoppen en viel spoedig daarop vast in slaap. + +Den volgenden ochtend was ze al vroeg bij de hand, vóór de anderen nog +gekleed waren en zoo gauw ze Oom naar beneden hoorde gaan, liep ze hem +achterna, de studeerkamer in. + +„Oom,” begon ze bevend met neergeslagen oogen.... + +Oom nam Wiesjes gezicht tusschen zijn beide groote handen en zag haar +ernstig, maar niet onvriendelijk aan, want hij begreep wel, dat ze heel +veel verdriet had van hetgeen er was voorgevallen. Oplettend luisterde +hij naar alles wat ze te vertellen had. Nee, Wiesje spaarde zichzelf +niet. Ze zag wel in hoe groot haar schuld was en daarom zei hij maar +niet veel en beloofde om ’t voor haar aan de kinderen te zeggen. Die +moesten ’t natuurlijk weten, omdat ze er anders Cobus op aan zouden +zien. + +’t Was een moeilijk oogenblik voor Wies toen ze de tuinkamer instapte, +terwijl de anderen, die ’t nu allemaal wisten, al aan tafel zaten. + +Onhoorbaar sloop ze naar haar plaats en niemand sprak een woord, totdat +Dolf ruw-goedig ineens zei: + +„Wies, ’t was gemeen van je, maar je hebt ’t eerlijk bekend en dat +vinden we flink,” en toen gaven ze haar alle drie een hand. + +Verder werd er niet meer over gesproken, maar vergeten kon Wies ’t +natuurlijk niet. + +Enkele maanden later, ’t was op Sinterklaas-avond, kwam er een pakje +voor Cobus, heelemaal uit Amsterdam. Er zat een keurig-gebreide +bouffante in, waar hij dolblij mee was, maar hij is er nooit achter +gekomen, wie hem die gestuurd heeft. + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 *** |
