summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78337-0.txt
blob: 03ca8ef3a9788d81ec1be89bb6a81df0d56342ae (plain)
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
151
152
153
154
155
156
157
158
159
160
161
162
163
164
165
166
167
168
169
170
171
172
173
174
175
176
177
178
179
180
181
182
183
184
185
186
187
188
189
190
191
192
193
194
195
196
197
198
199
200
201
202
203
204
205
206
207
208
209
210
211
212
213
214
215
216
217
218
219
220
221
222
223
224
225
226
227
228
229
230
231
232
233
234
235
236
237
238
239
240
241
242
243
244
245
246
247
248
249
250
251
252
253
254
255
256
257
258
259
260
261
262
263
264
265
266
267
268
269
270
271
272
273
274
275
276
277
278
279
280
281
282
283
284
285
286
287
288
289
290
291
292
293
294
295
296
297
298
299
300
301
302
303
304
305
306
307
308
309
310
311
312
313
314
315
316
317
318
319
320
321
322
323
324
325
326
327
328
329
330
331
332
333
334
335
336
337
338
339
340
341
342
343
344
345
346
347
348
349
350
351
352
353
354
355
356
357
358
359
360
361
362
363
364
365
366
367
368
369
370
371
372
373
374
375
376
377
378
379
380
381
382
383
384
385
386
387
388
389
390
391
392
393
394
395
396
397
398
399
400
401
402
403
404
405
406
407
408
409
410
411
412
413
414
415
416
417
418
419
420
421
422
423
424
425
426
427
428
429
430
431
432
433
434
435
436
437
438
439
440
441
442
443
444
445
446
447
448
449
450
451
452
453
454
455
456
457
458
459
460
461
462
463
464
465
466
467
468
469
470
471
472
473
474
475
476
477
478
479
480
481
482
483
484
485
486
487
488
489
490
491
492
493
494
495
496
497
498
499
500
501
502
503
504
505
506
507
508
509
510
511
512
513
514
515
516
517
518
519
520
521
522
523
524
525
526
527
528
529
530
531
532
533
534
535
536
537
538
539
540
541
542
543
544
545
546
547
548
549
550
551
552
553
554
555
556
557
558
559
560
561
562
563
564
565
566
567
568
569
570
571
572
573
574
575
576
577
578
579
580
581
582
583
584
585
586
587
588
589
590
591
592
593
594
595
596
597
598
599
600
601
602
603
604
605
606
607
608
609
610
611
612
613
614
615
616
617
618
619
620
621
622
623
624
625
626
627
628
629
630
631
632
633
634
635
636
637
638
639
640
641
642
643
644
645
646
647
648
649
650
651
652
653
654
655
656
657
658
659
660
661
662
663
664
665
666
667
668
669
670
671
672
673
674
675
676
677
678
679
680
681
682
683
684
685
686
687
688
689
690
691
692
693
694
695
696
697
698
699
700
701
702
703
704
705
706
707
708
709
710
711
712
713
714
715
716
717
718
719
720
721
722
723
724
725
726
727
728
729
730
731
732
733
734
735
736
737
738
739
740
741
742
743
744
745
746
747
748
749
750
751
752
753
754
755
756
757
758
759
760
761
762
763
764
765
766
767
768
769
770
771
772
773
774
775
776
777
778
779
780
781
782
783
784
785
786
787
788
789
790
791
792
793
794
795
796
797
798
799
800
801
802
803
804
805
806
807
808
809
810
811
812
813
814
815
816
817
818
819
820
821
822
823
824
825
826
827
828
829
830
831
832
833
834
835
836
837
838
839
840
841
842
843
844
845
846
847
848
849
850
851
852
853
854
855
856
857
858
859
860
861
862
863
864
865
866
867
868
869
870
871
872
873
874
875
876
877
878
879
880
881
882
883
884
885
886
887
888
889
890
891
892
893
894
895
896
897
898
899
900
901
902
903
904
905
906
907
908
909
910
911
912
913
914
915
916
917
918
919
920
921
922
923
924
925
926
927
928
929
930
931
932
933
934
935
936
937
938
939
940
941
942
943
944
945
946
947
948
949
950
951
952
953
954
955
956
957
958
959
960
961
962
963
964
965
966
967
968
969
970
971
972
973
974
975
976
977
978
979
980
981
982
983
984
985
986
987
988
989
990
991
992
993
994
995
996
997
998
999
1000
1001
1002
1003
1004
1005
1006
1007
1008
1009
1010
1011
1012
1013
1014
1015
1016
1017
1018
1019
1020
1021
1022
1023
1024
1025
1026
1027
1028
1029
1030
1031
1032
1033
1034
1035
1036
1037
1038
1039
1040
1041
1042
1043
1044
1045
1046
1047
1048
1049
1050
1051
1052
1053
1054
1055
1056
1057
1058
1059
1060
1061
1062
1063
1064
1065
1066
1067
1068
1069
1070
1071
1072
1073
1074
1075
1076
1077
1078
1079
1080
1081
1082
1083
1084
1085
1086
1087
1088
1089
1090
1091
1092
1093
1094
1095
1096
1097
1098
1099
1100
1101
1102
1103
1104
1105
1106
1107
1108
1109
1110
1111
1112
1113
1114
1115
1116
1117
1118
1119
1120
1121
1122
1123
1124
1125
1126
1127
1128
1129
1130
1131
1132
1133
1134
1135
1136
1137
1138
1139
1140
1141
1142
1143
1144
1145
1146
1147
1148
1149
1150
1151
1152
1153
1154
1155
1156
1157
1158
1159
1160
1161
1162
1163
1164
1165
1166
1167
1168
1169
1170
1171
1172
1173
1174
1175
1176
1177
1178
1179
1180
1181
1182
1183
1184
1185
1186
1187
1188
1189
1190
1191
1192
1193
1194
1195
1196
1197
1198
1199
1200
1201
1202
1203
1204
1205
1206
1207
1208
1209
1210
1211
1212
1213
1214
1215
1216
1217
1218
1219
1220
1221
1222
1223
1224
1225
1226
1227
1228
1229
1230
1231
1232
1233
1234
1235
1236
1237
1238
1239
1240
1241
1242
1243
1244
1245
1246
1247
1248
1249
1250
1251
1252
1253
1254
1255
1256
1257
1258
1259
1260
1261
1262
1263
1264
1265
1266
1267
1268
1269
1270
1271
1272
1273
1274
1275
1276
1277
1278
1279
1280
1281
1282
1283
1284
1285
1286
1287
1288
1289
1290
1291
1292
1293
1294
1295
1296
1297
1298
1299
1300
1301
1302
1303
1304
1305
1306
1307
1308
1309
1310
1311
1312
1313
1314
1315
1316
1317
1318
1319
1320
1321
1322
1323
1324
1325
1326
1327
1328
1329
1330
1331
1332
1333
1334
1335
1336
1337
1338
1339
1340
1341
1342
1343
1344
1345
1346
1347
1348
1349
1350
1351
1352
1353
1354
1355
1356
1357
1358
1359
1360
1361
1362
1363
1364
1365
1366
1367
1368
1369
1370
1371
1372
1373
1374
1375
1376
1377
1378
1379
1380
1381
1382
1383
1384
1385
1386
1387
1388
1389
1390
1391
1392
1393
1394
1395
1396
1397
1398
1399
1400
1401
1402
1403
1404
1405
1406
1407
1408
1409
1410
1411
1412
1413
1414
1415
1416
1417
1418
1419
1420
1421
1422
1423
1424
1425
1426
1427
1428
1429
1430
1431
1432
1433
1434
1435
1436
1437
1438
1439
1440
1441
1442
1443
1444
1445
1446
1447
1448
1449
1450
1451
1452
1453
1454
1455
1456
1457
1458
1459
1460
1461
1462
1463
1464
1465
1466
1467
1468
1469
1470
1471
1472
1473
1474
1475
1476
1477
1478
1479
1480
1481
1482
1483
1484
1485
1486
1487
1488
1489
1490
1491
1492
1493
1494
1495
1496
1497
1498
1499
1500
1501
1502
1503
1504
1505
1506
1507
1508
1509
1510
1511
1512
1513
1514
1515
1516
1517
1518
1519
1520
1521
1522
1523
1524
1525
1526
1527
1528
1529
1530
1531
1532
1533
1534
1535
1536
1537
1538
1539
1540
1541
1542
1543
1544
1545
1546
1547
1548
1549
1550
1551
1552
1553
1554
1555
1556
1557
1558
1559
1560
1561
1562
1563
1564
1565
1566
1567
1568
1569
1570
1571
1572
1573
1574
1575
1576
1577
1578
1579
1580
1581
1582
1583
1584
1585
1586
1587
1588
1589
1590
1591
1592
1593
1594
1595
1596
1597
1598
1599
1600
1601
1602
1603
1604
1605
1606
1607
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 ***




                              OPA EN INEKE

                                  DOOR
                        ANNA HUBERT VAN BEUSEKOM
                  SCHRIJFSTER VAN: JANNEKE EN DE KLOK.

                    MET PLATEN VAN NANS VAN LEEUWEN


                              TWEEDE DRUK


                       GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN








INHOUD.


                            Blz.
    Opa en Ineke           5–64
    Uit logeeren          67–80








OPA EN INEKE.


„Ineke, Ineke, schei nu eens uit. ’t Is heusch bedtijd, hoor! Denk er
aan, dat je morgen al zoo vroeg op moet. Kom, kind,” en mevrouw Van
West boog zich over haar dochtertje, dat aan tafel zat te lezen en
legde haar hand liefkoozend op Ineke’s blonde krullen.

„Ja, Moes!” Ineke sloot met een lach en een zucht tegelijk „De
Sprookjes van Andersen”, waarin ze zóó verdiept was geweest, dat ze
alles om zich heen vergat. Niets had ze gehoord van de wilde kreten uit
den tuin, waar Vader met Gijs en Duco aan ’t ravotten was, zóó leefde
ze mee met de geschiedenis van „De kleine Zeemeermin”, die ze wel al
lang kende, maar altijd weer met hetzelfde plezier overlas.

Ze was in den afgeloopen winter ernstig ziek geweest, had daarna langen
tijd moeten liggen en ’t eene verhaal vóór en ’t andere nà gelezen,
telkens weer grijpend naar het boek, dat ze van Opa kreeg en waar niet
alleen zulke mooie sprookjes, maar ook zulke beeldige plaatjes in
stonden. Die goeie, lieve Opa! Wel vier maal was hij overgekomen om
Ineke, z’n eenige kleindochter, op te zoeken en toen hij hoorde, dat de
dokter de frissche buitenlucht het allerbeste geneesmiddel voor haar
vond, had Opa onmiddellijk gezegd: „Weet je wat, Ineke, dan kom je maar
zoo gauw mogelijk bij mij op „Eiken-rode” logeeren. Vacantie of géén
vacantie, je komt maar. Misschien wil meester Hoogstra je dan wel een
poosje op de dorpsschool nemen, dan gaat de geleerdheid niet achteruit
en kan je waarschijnlijk toch wel overgaan naar de vijfde klasse.”

Ineke had bij dit heerlijk vooruitzicht in haar handen geklapt en
juichend uitgeroepen:

„O ja! Dat zou heerlijk zijn, Opa! Nu zult u ’s zien, hoè gauw ik beter
ben,” en van dien tijd af had ze moedig haar leelijk-bittere drankje
geslikt en erg haar best gedaan met eten, zoodat de dokter iederen dag
tevredener werd en al gauw verklaarde „dat ze nu maar de wei inmoest.”

„Eiken-rode”, het gezellig-ouderwetsche buiten, waar Vader en de Ooms
als kleine jongens gewoond hadden, was voor de kleinkinderen het
heerlijkste plekje, dat er bestond en Gijs en Duco, Ineke’s oudere
broertjes, zeiden dan ook telkens, hoewel ze ’t hun zusje, waarvan ze
veel hielden, van harte gunden: „Nou maar Ien, jij treft ’t hoor!”

Duco had zelfs beweerd, dat hij best ook ziek zou willen worden, als
hij daarna bij Opa mocht gaan logeeren. Maar in de groote vacantie,
zouden ze er met z’n allen een poosje gaan doorbrengen. Dan konden de
jongens hun schade inhalen! Fietsen, visschen en zwemmen in de beek, in
hun tuintjes werken, die Andries, tegen hun komst in orde maakte, en
mee gaan hooien en koren halen op ’t land! Zàlig, boven op zoo’n
hoogopgetaste, schommelende kar! En ’s Zondags, als Andries den tijd
had, vliegers oplaten op de hei! Nergens ging dat zóó goed als dààr,
waar je overal de vrije, wije ruimte om je heen hadt, zonder dat je één
oogenblik bang behoefde te zijn, dat je vlieger ergens vast bleef
zitten.

Dien middag, terwijl Moes haar koffer pakte, had ’t Ineke geduizeld van
al de boodschappen, die de broers haar opdroegen: vragen of Andries
vooral zonnebloemen in hun tuintjes zou zetten; of hij ’t vischtuig wou
nazien en er voor zorgen zou, dat de schommel en de ringen van nieuwe
touwen werden voorzien en of hij er aan wou denken, dat ’t roeiboot je
bij tijds in den vijver kwam te liggen, zoodat de naden goed
dichttrokken en er geen water meer inliep.

„’t Is geweldig, Ien, wat jij allemaal te onthouden krijgt. Ik zal ’t
maar voor je opschrijven, anders vergeet je de helft,” en meneer Van
West was zijn dochtertje lachend met papier en potlood te hulp gekomen
en had een heele „boodschappenlijst” voor haar gemaakt, die Ineke had
weggestoken in haar reismandje. Ze beloofde Andries, zoo gauw ze hem
zag, ’t gewichtig papier te overhandigen en Moeder had op haar beurt ’t
een en ander voor juffrouw Doortje, de huishoudster, die al jaren sinds
Oma’s dood, de huishouding op „Eiken-rode” bestuurde, maar vond ’t bij
nader inzien beter, haar maar zelf een brief te schrijven. Juf zou de
zorg voor Ineke grootendeels op zich nemen en daarom had mevrouw Van
West daarin precies verteld, hoe dikwijls per dag Ineke haar drankje
nog nemen moest, hoe lang ze gewoon was te rusten en hoeveel melk ze op
dokters-bevel dronk. Vooral aan ’t laatste moest streng de hand
gehouden worden en Ineke beloofde dan ook, onder ’t naar boven gaan nog
eens aan Moes, dat ze heusch de zes groote glazen drinken zou en dat ze
haar uiterste best zou doen bij meester Hoogstra.

Op school was Ineke volstrekt niet dom, maar ze las liever, dan dat ze
huiswerk maakte en schreef haar thema’s en sommen dikwijls zóó slordig,
dat ze ’t thuis over moest doen en slechte aanteekeningen kreeg. Ook
dàcht ze wel eens, dat ze haar les kende en dan bleek deze er bij ’t
overhooren nog heelemaal niet vast in te zitten. Gauw, gauw even ’t
leerboek inkijken, of de sommen maken en dan lezen tot ze er bijna suf
van werd. Dat was zoo Ineke’s manier van doen, en dat ’t geen goede
manier was, kwam dan aan ’t einde der maand uit, als ze haar rapport
mee naar huis bracht.... Door haar ziek-zijn was ze nu buiten haar
schuld een heel eind achtergeraakt, maar de directrice had gezegd, dat
ze wel geloofde, dat Ineke, als ze een poosje werd bijgewerkt, naar de
vijfde klasse zou kunnen overgaan en omdat ze ’t zelf toch wel akelig
vond te blijven zitten en niet meer met haar vriendinnetjes, Nancy en
Margotje, in dezelfde klasse te zijn, nam ze zich voor, flink haar best
te doen en ijverig te werken. Ze kende meester Hoogstra wel van
aanzien. ’t Was een goedige, oude man met een grooten gouden bril op,
steeds gewapend met een reusachtigen, rooden zakdoek, waarmee hij
gewoon was zich telkens langs ’t gezicht te vegen. Hij was jong
hulp-onderwijzer, toen Ineke’s vader als kleine jongen de dorpsschool
bezocht, werd er later hoofd van en had met de grootste
bereidwilligheid aan de directrice der meisjesschool geschreven om zich
geheel op de hoogte te stellen, hoe ver Ineke zijn moest, om na de
groote vacantie tot een hoogere klasse te worden toegelaten. Na eenig
heen-en-weer-geschrijf was er toen besloten, dat Ineke in de morgenuren
de dorpsschool bezoeken zou en daar in de zesde klasse geplaatst zou
worden, die ongeveer met de vierde der stadsschool gelijk stond. Met
een beetje extra-huiswerk kon ze dan ’s middags thuisblijven, om den
verderen dag te rusten en zooveel mogelijk in de buitenlucht te zijn.
Inplaats van schoonschrijven en handwerken wilde meester Hoogstra haar
zelf Fransche les geven, want Fransch werd er op zijn school niet
onderwezen, en elke drie weken zou haar rapport worden opgezonden, dan
kon de directrice daaruit zien, of haar leerlinge voldoende
vooruitging. Dit alles had meester Hoogstra breedvoerig met Ineke’s
grootvader zitten bepraten en terwijl hij zich met zijn rooden zakdoek
langs ’t voorhoofd streek, had meester Hoogstra gezegd:

„En burgemeester, nou weet u niet hoe aardig ik ’t vind, om les te
geven aan het dochtertje van uw zoon Willem, die indertijd een van mijn
allereerste leerlingen was, toen ik als jong onderwijzer begon. Ik ken
haar wel van aanzien, want in de vacanties komt zij nogal eens in ’t
dorp. Ineke heet ze, nietwaar?”

„Ja zeker. Ze heet naar mijn eenige dochter Ina, die op haar veertiende
jaar gestorven is. Ineke is mijn eenige kleindochter en daarom begrijpt
u zeker wel, dat ik alles wil doen, om ’t mijn kleine meid zoo goed en
zoo prettig mogelijk te maken, als ze hier alleen bij me komt logeeren.
Ze was dezen winter ernstig ziek. O, ik heb me dikwijls zoo angstig
gemaakt; maar nu is ze gelukkig heelemaal beter, alleen wat slapjes
nog, en hier in de gezonde buitenlucht zal ze wel gauw weer de oude
worden, hoop ik.”

„Natuurlijk, natuurlijk, burgemeester. Nu, wat mij betreft, ik zal mijn
best doen, haar zoo weinig mogelijk huiswerk te geven. Als ze niet
moeilijk leert, zal ’t met dat overgaan wel losloopen.”

„O, Ineke is vlug genoeg. Ze kan heel goed als ze wil,” had meneer Van
West gezegd, er maar niet bijvoegend, dat ’t werk van zijn kleindochter
er nu niet altijd zóó netjes uitzag als ’t behoorde en dat de lessen er
wel eens niet zoo héél vast inzaten. Hij hoopte en verwachtte stellig,
dat Ineke op „Eiken-rode”, waar ze zooveel vrijheid genieten zou, haar
uiterste best zou doen en Ineke zelf was dan ook niet anders van plan.

Keurig had ze haar boeken gekaft en met Moes was ze den vorigen dag een
paar nieuwe schriften gaan koopen, een doos pennen en een nieuwen
penhouder, waar ze nu heusch eens niet op zou bijten, zoodat hij er na
een paar dagen als een onooglijk, af gekloven houtje uitzag.... Het
kussen met de kruisjessteken, dat ze voor Vaders verjaardag maakte, lag
ook in den koffer. Daar kon ze op regendagen aan vorderen. Juf zou er
haar wel mee terecht helpen als ze er eens niet alleen aan voort kon.

„O, Moes, ik vind ’t toch zoo dól om te gaan. Ik hou zóóveel van Opa,
dat ik ’t niet zeggen kan,” zei Ineke, toen ze er eindelijk inlag.

„Dan hoef ik zeker niet te vragen, of je zult zorgen, dat Juf en
meester Hoogstra geen klachten over je hebben?”

„Nee, natuurlijk niet, Moes. Ik zal zóó goed oppassen, want ik zou ’t
vreeselijk vinden Opa verdriet te doen. Ik wil u en Vader natuurlijk
ook geen verdriet doen, maar voor Opa vind ik ’t nog.... nog zieliger.
’k Weet zelf niet goed waarom. Misschien wel omdat Opa al zoo oud is.”

„Zóó oud is Opa nog niet. Drie en zestig is hij pas!”

„Denkt u dan, dat Opa wel heel oud zal worden? Tachtig bijvoorbeeld?”

„Lieve kind, hoe kan ik dat nu weten? Opa is flink en krachtig voor
zijn leeftijd. We willen allemaal hopen van wel en nu niet tobben, maar
gauw gaan slapen, hoor. Morgenochtend zal ik je nog wel even helpen met
’t laatste goed in te pakken,” en mevrouw Van West kuste haar
dochtertje, dat ze intusschen lekker had ingestopt, goedennacht.

                                   ⁂

Dat was me een geschiedenis den volgenden ochtend!

De familie Van West zat net aan ’t ontbijt, toen er een telegram
bezorgd werd. Meneer Tielens, een vriend van Ineke’s vader, moest dezen
dienzelfden morgen nog dringend spreken en rekende er op, hem tegen
tien uur op zijn kantoor in de stad aan te treffen, als er geen
tegenbericht kwam. En kwart over tien vertrok de trein, waarmee meneer
Van West zijn dochtertje naar Opa brengen zou....

Daar mevrouw Van West juist twee van haar zusters, die buiten de stad
woonden, op de koffie kreeg, kon zij ook niet van huis om Ineke weg te
brengen, inplaats van haar man.

Goede raad was duur.

„Als we Opa dan maar eens telefoneerden, dat Ineke morgen komt, want
die zaak van meneer Tielens is heel dringend. Er is geen questie van,
dat ik nu uit de stad kan, en Moeder kan de tantes ook niet meer
af-telegrafeeren,” begon meneer Van West.

„Hè, Vàder!” Ineke’s lip trilde vervaarlijk en de tranen schoten haar
in de oogen.

„Maar poesje, is dàt nu zoo erg? Eén dagje later, want morgen breng ik
je zéker!”

„Ja, o ja, ik vind ’t zoo.... zoo vrééselijk jammer. En Opa natuurlijk
ook. Ik h.... had er zoo vast op ge.... gerekend,” snikte Ineke in haar
servetje, en Duco, die medelijden met zijn zusje kreeg, zei: „Kom, laat
Ien dan alleen reizen. Ik ben verleden jaar Paschen, toen ik net zoo
oud was als zij nou, immers ook alleen naar „Eiken-rode” gegaan.”

„Als we ’r hier op den trein zetten en Opa haalt ’r ginds van ’t
station, komt ze d’r immers best. Ze is toch al negen en een half en er
is niks geen kunst aan. Als ze nou nog over moest stappen onderweg!”
viel Gijs ook bij.

„En wat zegt Moeder er van,” vroeg meneer Van West aan z’n vrouw.

„Wel, als jij er niets tegen hebt, vind ik ’t goed, want net als de
jongens zeggen: er is eigenlijk niets aan als ze gebracht en afgehaald
wordt, en bovendien heeft ze dit reisje al zóó dikwijls met ons gedaan,
dat ze ’t langzamerhand wel droomen kan.”

„En wat vindt ons Ineke er zèlf van,” knipoogde haar vader, neerziende
op de kleine snikkende en snuivende gedaante naast zich aan tafel.

„O!” Ineke hief haar behuild gezichtje, nog nat van de tranen, ineens
op uit haar servet en glimlachte: „O, als dàt mag!”

„Nou, dan màg ’t. Maar pas op, als ik dan ook nog één traan zie! Zoo’n
kleine huilebalk! En dàt wil alléén reizen,” plaagde meneer Van West,
zijn dochtertje aan een van haar glanzende krullen trekkend. Maar de
kleine huilebalk had haar tranen gauw gedroogd en voelde zich wat
gewichtig in ’t vooruitzicht alleen te mogen reizen. Hoewel ze niet
veel honger had, at ze toch moedig haar havermout op en toen Gijs en
Duco naar school gingen, omhelsde ze haar broertjes, die ’t zoo aardig
voor haar hadden opgenomen, hartelijk. Ze kusten elkaar anders niet
dikwijls; alleen eigenlijk met verjaardagen, maar dit was toch óók een
bizondere dag, vonden ze alle drie, nu Ien zoo lang weg ging en alléén
reisde!

Hoewel ze ’t voor geen geld ter wereld bekend zou hebben, leek ’t Ineke
toch wel een heel klein beetje griezelig en haar hartje bonsde, toen om
kwart over negen ’t rijtuig voorkwam, haar koffer werd opgeladen en
vader en moeder met haar instapten.

Maar vader, die dit nog net kon waarnemen voor hij op zijn kantoor
meneer Tielens ontving, praatte zóó bedaard over ’t reisje, dat Ineke
’t per slot toch weer heel leuk en gewichtig ging vinden.

Zelf mocht ze aan het loket haar kaartje nemen. Ze ging mee naar ’t
hokje, waar de bagage werd ingeschreven en ’t bewijsje van haar
koffer—’t reçu—stopte ze secuur weg, heelemaal onder in haar beursje.
Ze wist wel, dat ze bij haar aankomst dit papiertje dadelijk aan
Harmen, den besteller, moest geven. Dan zou deze haar koffer wel op
„Eiken-rode” bezorgen. Ook moest ze beloven even naar huis te
telegrafeeren. Hè, wat kwam er nog een boel kijken als je op reis ging.
Maar ’t was toch wel prettig en heel goed om jezelf te leeren redden,
al vond Ineke ’t een heele geruststelling, toen ze eindelijk met haar
reismandje veilig en wel in de coupé zat, met een aardigen ouden heer
en dame tegenover zich, die haar zóó vriendelijk toeknikten, of ze haar
kenden.

Vader en Moeder stonden op ’t perron en Vader kocht van een arm
bloemen-verkoopstertje een mooie, roode roos, die Moeder nog gauw in ’t
knoopsgat van Ineke’s grijze manteltje vaststak. Heerlijk rook die roos
en zoo feestelijk stond het!

„Ik zal ’m dadelijk in ’t water zetten, als ik op „Eiken-rode” kom. Dan
blijft-ie een heele poos goed,” had Ineke nog net tijd om te zeggen.
Toen werden de portieren gesloten en na een schril gefluit zette de
trein zich in beweging.

„Daar ga je, Ien!”

„Goeie reis hoor!” riepen Vader en Moeder en Ineke, voor ’t raampje
staande, wuifde met haar zakdoek, tot ze haar ouders niet meer zien
kon. Toen zette ze zich in een hoekje en ging prettig zitten uitkijken.
Helder scheen de jonge Mei-zon op de frissche, groene weilanden, vol
bloemen. ’t Vee stond er op sommige plekken tot de knieën toe in te
grazen. Jonge veulentjes dartelden elkaar achterna met de dolste
sprongen. In een sloot stond een peinzende reiger doodstil, net of hij
was opgezet, en op ’t dak van een boerenhofstede nestelden ooievaars.
Later kwamen de dennebosschen en de hei aan de beurt, waar de
bremstruiken vol goud-gele vlindertjes zaten. Zoo vroolijk stond dat!
Ineke neuriede zachtjes voor zich heen, terwijl ze naar buiten keek. Af
en toe praatte ze even met haar medereizigers, waarbij nog een dame met
een klein kindje gekomen waren, en ze kreeg ulevellen en chocolade,
waarvoor ze vriendelijk bedankte. De tijd schoot verbazend op, vond ze.
Nog één stationnetje voorbij en dan zou ze er zijn. Ze trok haar
reismandje vast naar zich toe en voelde naar haar beursje en kaartje in
haar mantelzak. Ja hoor, alles in orde! Toen zette ze haar grooten
stroohoed recht, deed haar handschoen aan en rook eens aan de roos, die
er nog heel frisch uitzag en heerlijk geurde. Ze was zoo benieuwd Opa’s
gezicht te zien, als ze daar parmantig alleen uit den trein stapte! Hij
zou er eerst niets van begrijpen. Hij rekende er vast op, dat Vader
haar brengen zou! Daar minderde de trein zijn vaart al. Kijk, daar
had-je den dorpstoren en daar zag je in de verte tusschen de boomen
„Eiken-rode” liggen. Gezellig, ouderwetsch huis toch met die witte
muren en groene latjes-blinden! Ineke wendde zich snel om en knikte
haar medereizigers goedendag, want de trein was ’t kleine station
genaderd. Daar stond Opa al, vlak onder de klok! Hij zag haar dadelijk
en Ineke zwaaide met haar mandje. Open ging ’t portier en met een
juichkreetje sprong ze regelrecht in Opa’s armen.

„Dag Ineke, dag m’n kleine meid! Hoe is ’t er mee? Niet te moe van de
reis? En waar is Vader?” De oude heer Van West, die er niets van
begreep, wierp snel een blik in de coupé, of zijn zoon er soms nog in
was achtergebleven. Ineke verkneukelde zich en lachte:

„Nee, nee, Opa, kijk maar niet! Vader kreeg vanmorgen ineens een
telegram, Meneer Tielens moest hem noodzakelijk spreken en toen mocht
ik alleen reizen!”

„Jongens nog toe, Ineke! Ben je warempel al een jongedame geworden, die
alleen reist? ’t Is niet te gelooven!”

„’t Is toch heuschjes waar,” verzekerde Ineke, terwijl de trein zich
weer in beweging zette. „Kijk, Opa, daar staat mijn koffer op ’t
perron. Zal ik Harmen ’t reçu geven, dat hij hem thuisbezorgt?”

„Ja kindje, dat is best, en dan moeten we toch zeker even naar huis
telegrafeeren, hè?”

„Ja, dat wilden Vader en Moeder wel graag,” zei Ineke, en nadat ze het
telegram: „Goed aangekomen. Veel liefs van Opa en Ineke,” verzonden
hadden, verlieten ze ’t station en sloegen den zonnigen landweg in, die
regelrecht naar „Eiken-rode” voerde. Het was warm, maar er woei toch
een zacht windje. De oude heer Van West nam al gauw zijn hoed af en
liet den wind vrij door zijn grijze haren spelen en Ineke liet dadelijk
op Opa’s voorbeeld haar hoed aan ’t wijde elastiek achterover op haar
rug zakken.

„Dan verbrand ik vast lekker van de zon,” zei ze, vroolijk naast hem
voorthuppelend, en ze vervolgde: „O, Opa, hoe dòl om weer hier bij u te
zijn. En dat ik zóó lang blijven mag! Als ’t op den duur maar niet te
druk voor u is, zegt Moeder.”

„Welnee. Ik vind ’t heerlijk mijn kleine meid weer eens bij me te
hebben. Als je nu maar zorgt, dat je in September met dikke, roode
wangen naar huis gaat, want je bent na je ziek-zijn wel lang en mager
geworden. ’t Is niet heelemáál voor je pleizier, dat je hier komt
logeeren, maar vooral om flink aan te sterken,” plaagde Opa.

„O, maar bij u is àlles prettig,” lachte Ineke.

„Dan zullen we maar hopen, dat ’t hier op de dorpsschool bij meester
Hoogstra ook mee zal vallen, want nietwaar, je zult toch maken, dat je
overgaat na de vacantie?”

„O, maar natuurlijk! Als ik goed mijn best doe, haal ik de schade
stellig in, heeft de directrice gezegd. Kijk ’s Opa,” en Ineke bleef
midden op den weg stilstaan: „dit heele eind heeft Moes mijn jurk
moeten verlengen! Zooveel ben ik gegroeid sinds verleden zomer,” en ze
wees naar den rok van haar rose katoenen jurkje, waar een rand
borduursel van wel een hand-breedte tusschen gezet was.

„’t Is kolossaal,” lachte Opa, z’n kleindochter aan een van haar blonde
krullen trekkend. „Je zult me nog heelemaal over ’t hoofd groeien,
meiske!”

Maar daar was Ineke niet bang voor.

’t Piepend knarsen van een kruiwagen deed hen allebei tegelijk omzien.
Harmen, de besteller, kwam hun met den koffer achterop gereden.

„Dag, burgemeester, dag jongejuffer! Doar kom ik al an met de
pakkoazie! Werm weerke, hé?” De stralen gutsten den goeden man langs ’t
voorhoofd.

„Harmen, jongen, kalm aan maar. Zoo’n haast is er niet bij. Zeg maar
aan Sien, dat ze je zoo-met-een een flinken kop koffie geeft.”

„Asteblief, burgemeester,” en Harmen reed hun na een tikje aan zijn pet
voorbij.

„Kijk, daar heb je Bello en Fokkie! Zouden ze me nog herkennen? Dag
jongens, dag brave honden!” riep Ineke tegen den taks en den kleinen
fox-terrier, die den weg kwamen afgerend en toen als bezetenen om den
baas en ’t kleine meisje heensprongen, blaffend, dat hooren en zien je
verging.

„Bedaard, bedaard toch! We zouden over jullie vallen. Foei, foei, wat
een stof,” beknorde meneer Van West het tweetal, dat zich om strijd
door Ineke liet aanhalen en toen ineens weer op ’t hek van „Eiken-rode”
aanstoof, alsof ’t de komst van grootvader en kleindochter vast wilde
aankondigen. Juffrouw Doortje, of Juf, zooals ze gewoonlijk genoemd
werd, kwam tenminste dadelijk van achter de breede, groene voordeur te
voorschijn en wuifde Ineke met den theedoek een vroolijk welkom toe. En
Ineke zwaaide haar mandje en liep op een drafje naar haar toe:

„Dag Juf, hoe gaat ’t met u? Wat zegt u er wel van: ik ben alleen naar
hier gekomen!”

„Wel, wel, en ik heb juist voor vier personen de koffietafel gedekt. Er
is toch geen zwarigheid bij je thuis, dat Vader niet meekomt?”

„O nee,” en Ineke legde gauw ’t geval uit, terwijl ze voorzichtig de
roos uit haar knoopsgat nam en zich, geholpen door Juf, verder ontdeed
van handschoenen, hoed en mantel in de koele, wit-marmeren vestibule.
„Hè, wat is ’t hier lekker,” zei ze handenwasschend aan ’t fonteintje.

Meneer Van West rekende intusschen met Harmen af, die, uitblazend op ’t
keukenstoepje, zijn kom koffie zat te drinken.

Een oogenblik later zetten ze zich aan tafel in de gezellige eetkamer,
grenzende aan de serre vol bloeiende planten, waarvan de glazen deuren
aan de tuinzijde wijd-open stonden. Een bouquet heerlijk-geurende
lelietjes van dalen prijkte voor Ineke’s bord. Ze stak er de roos
tusschen en rook aan de bloemen en Opa zei: „Die heeft Andries
vanmorgen al voor je gebracht. Een paar er van zijn uit je eigen
tuintje.”

„O, hoe leuk! Heb ik er lelietjes in dit jaar?” juichte Ineke en een
kleur van plezier overtoog haar bleek gezichtje.

„’k Geloof, dat je eigenlijk wel een beetje moe bent, hè,” informeerde
Juf en Ineke bekende:

„’n Klein beetje wel, maar na de koffie moet ik rusten van den dokter.
En als ik gerust heb, trek ik weer heelemaal bij, zegt Moes altijd,” en
Ineke hapte dapper in haar boterham, want ze had toch honger, al voelde
ze zich wat opgewonden en ze moest erg lachen om Bello en Fokkie, die
niet bedelden, maar ieder op hun plaatsje aan weerszijden van ’t groote
eikenhouten buffet, trillend van ongeduld zaten te wachten tot Sien hun
uit de keuken hun eten bracht, waarop ze dadelijk gulzig aanvielen.

„Ik wou, dat jij altijd zoo’n honger hadt,” zei Opa tot Ineke, maar ze
liet zich niet onbetuigd! ’t Smaakte haar best na de reis en ze at vier
dikke boterhammen en een ei en ledigde zonder zuchten haar grooten
melkbeker, waar Juf een klein scheutje koffie door geroerd had.

„En nu een, twee, drie mee naar boven. Ik zal je koffer wel uitpakken,
dan ga jij maar vast op bed liggen. Ik heb ’t balkonkamertje voor je in
orde gemaakt, dat vond Opa gezelliger voor je dan die groote
logeerkamer,” zei Juffrouw Doortje, terwijl ze voor Ineke uit de trap
opging. „Dit is nu, zoolang je hier bent, je eigen kamertje. Ik hoop
dat je er netjes op zijn zult,” en Juf opende de deur van ’t
vriendelijk-zonnige vertrekje met het lichte bloembehangsel, de rieten
meubeltjes en ’t lage, Engelsche ledikant.

Gijs had hier vroeger wel eens geslapen, maar Ineke nog nooit en ze nam
zich dan ook voor, dat ’t er nooit rommelig uit zou zien. Op ’t
balkonnetje, net groot genoeg om er met een stoel en tafeltje te kunnen
zitten, bloeiden rose en witte geraniums in bakken en je hadt er een
prachtig uitzicht over de korenvelden en de eerste schilderachtige,
roodgelakte huisjes van het dorp.

„Hè, wat is ’t hier toch heerlijk! U weet niet, Juf, hoe dòl ik ’t vind
om hier te zijn,” zei Ineke, terwijl ze zich, na haar laarsjes te
hebben uitgedaan, bovenop ’t bed liet ploffen, waarvan Juf eerst
zorgvuldig de sprei had opgevouwen.

„Dan zullen we maar hopen, dat je ’t hier aan ’t eind van de vacantie
nog net zoo prettig vindt als nu,” en juffrouw Doortje bukte zich over
den koffer en begon Ineke’s goed uit te pakken.

„Kijk, Ien, je jurken zal ik in de muurkast ophangen en je ondergoed in
’t kastje onder de waschtafel leggen. Je naaidoosje en leesboeken moet
je straks maar zelf op je tafeltje schikken en je schoolboeken en
schriften leg ik hier zoolang op den stoel bij je bed. Die kan je dan
zelf mee naar beneden nemen en in ’t kastje in ’t spreekkamertje
opbergen. Dan heb je ze altijd bij de hand.”

„Ja, Juf,” antwoordde Ineke flauwtjes, want ze werd opeens heel
slaperig en juffrouw Doortje, die ’t merkte, zei maar niets meer,
bewoog zich muisstil door ’t vertrekje tot alles was opgeborgen.... Nog
voor ze naar beneden ging was Ineke vast in slaap en toen Opa om drie
uur heel zachtjes naar haar ging kijken, sliep ze nog. Hij liet haar
stil liggen en ging zoolang in de serre zitten lezen, tot ze na een
half uurtje, heelemaal opgefrischt, uit zichzelf naar beneden kwam.

„Zoo, braaf opgepast hoor,” prees Opa, toen Ineke met een vuurrood
kleurtje en een schoone schort aan naast hem stond. „Drink nu maar gauw
je melk, dan krijg je van Juf een koekje en dan gaan we saampjes voor
’t eten nog een beetje wandelen,” en Opa en Ineke togen er op uit.

Even werd er een kort bezoek aan ’t tuinmanshuis gebracht, waar Aaltje,
de vrouw van Andries, ijverig zat kousen te stoppen. Andries zelf was
met zijn drie-jarig zoontje in den moestuin bezig. Keesje, een aardig,
blond manneke met een blozend appelen-gezichtje en vervaarlijk kromme
beenen, kroop eerst gauw achter zijn vader weg, maar werd toch al
dadelijk vrijmoediger en Ineke moest van de jonge worteltjes en de
aardbeien uit de bakken proeven en zien hoe mooi de bessen en frambozen
stonden. En Andries vond ’t knap van haar, dat ze nog precies wist, hoe
spinazie en postelein er uitzagen.

„O Andries, nou heb ik de lijst met alles wat de jongens je te vragen
hadden, boven op mijn kamertje laten liggen,” bedacht Ineke zich.

„Da’s niks, kind, die krijg ik dan vanavond of morgen wel. ’k Heb ’t
nou tòch te druk met den tuin, op ’t oogenblik. Ga liever effentjes mee
na’ de kindertuintjes. ’t Jouwe is al heelemaal in orde,” en Andries
rustte niet, voor meneer Van West en Ineke hem volgden heelemaal achter
in den moestuin, waar vlak tegen de heg drie perkjes waren aangelegd.
In het middelste, dat Ineke toebehoorde, bloeiden lelietjes,
margrieten, primula’s en violen en het rozenstruikje in ’t midden droeg
een menigte kleine knopjes. Bij Gijs en Duco was er nog niets bizonders
te zien. Daar had Andries met opzet planten gezaaid, die pas later in
den zomer zouden bloeien, juist als ze met de vacantie over waren.

Ineke, opgetogen over haar tuintje, bedankte Andries hartelijk, plukte
de mooiste viool af, die ze vinden kon, en stak die Opa in zijn
knoopsgat en toen gingen ze samen op weg, achtervolgd door Bello en
Fokkie, die zoo gauw ze den baas en Ineke ’t hek van „Eiken-rode” zagen
uitgaan, hen luid-blaffend achterna stoven. De wandeling leidde naar ’t
dorp, waar Opa even op ’t raadhuis wezen moest en dan zouden ze langs
de mooie, nieuwe villa van dokter Wilminck naar huis terug wandelen. De
familie Wilminck woonde nog niet lang in ’t dorp, maar Ineke wist toch,
dat er een meisje en een jongen van haar leeftijd waren. Freda en Hans
heetten ze, en mevrouw Wilminck had tegen meneer Van West gezegd, dat
ze hoopte, dat hij eens met zijn kleindochtertje aan zou komen. Ineke
zou misschien een goed vriendinnetje voor Freda zijn, die hier in ’t
dorp tot haar groote spijt zoo weinig kennisjes van haar eigen leeftijd
had. Wiesje van den dominé was wel drie jaar ouder en met Greta en
Leentje van den notaris, die een klasse lager zaten bij haar op school,
kon Freda niet al te best overweg.

’t Trof heel toevallig, dat Opa en Ineke, toen ze langs „De Merel”—zoo
heette dokter Wilminck’s villa—kwamen, de doktersfamilie juist in den
voor-tuin op ’t grasveld zagen zitten. Meneer Van West groette en
ineens kwam er een meisje in een rood-katoenen jurk naar ’t hek hollen
en een hoog, schel stemmetje riep:

„Dàg! Zeg, ben jij op „Eiken-rode” gelogeerd? Hè toe, meneer, mag ze
even meekomen, dan kunnen we vast kennismaken!”

En nog voor dat Ineke goed en wel wist, wat er gebeurde, had ’t vreemde
meisje met de groote, donkere oogen en ’t kortgeknipt zwarte haar, haar
meegetroond naar de theedrinkende familie op ’t grasveld. Meneer Van
West volgde glimlachend met Bello en Fokkie achter zich aan en mevrouw
Wilminck liep haar onverwachte gasten tegemoet, duizend
verontschuldigingen makend over het „ongepaste” optreden van haar
dochtertje.

„Maar ziet u, burgemeester, Freda was ook zoo verlangend met uw
kleindochter kennis te maken, want meester Hoogstra heeft verteld, dat
ze bij Freda in de klas komt te zitten. Wel, en hoe heet je?” vroeg
mevrouw Wilminck, zich tot Ineke wendend.

„Ina van West, mevrouw, maar ik wordt meestal Ineke genoemd,” zei
Ineke, mevrouw een hand gevend en vervolgens handen schuddend met den
dokter en met Hans, Freda’s jongere broertje, dat net zulke donkere
oogen had.

„En ik heet eigenlijk Frédérique, maar ze zeggen altijd Freda tegen me.
Ik vind ’t leuk, dat je hier op ’t dorp gelogeerd bent. Den heelen
middag heb ik al naar je zitten uitkijken,” en Freda trok Ineke naast
zich op de witte tuinbank, terwijl de dokter voor meneer Van West een
grooten rieten leunstoel aanschoof en Hans tusschen Bello en Fokkie in
op ’t gras ging zitten, ’n arm om elken hond.

„’t Spijt me, dat ik geen thee meer heb. Als u even geduld hebt, zet ik
nieuwe,” bood mevrouw aan, maar meneer Van West beweerde slechts even
tijd te hebben:

„Dank u wel. ’t Is heel vriendelijk, maar Ineke en ik moeten om zes uur
aan tafel zijn, anders krijgen we brommen van Juffrouw Doortje. We
kunnen maar eventjes. Een ander maal héél graag.”

„Hè, Ma, Mààtje! Toe, laten we dan ineens een dag afspreken, dat Ineke
hier op visite komt,” smeekte Freda, terwijl mevrouw Ineke de
koekjestrommel voorhield.

„Hè ja, dan kunnen we roovertje spelen. Fijn!” viel Hans opgewonden
bij, maar hun vader sprak bedarend:

„Stil nu toch eens jullie allebei! Meneer Van West heeft me verteld,
dat Ineke pas een heelen tijd ziek geweest is, ’s morgens alleen naar
school gaat en ’s middags een paar uur moet rusten, omdat ze zich nog
niet te veel mag vermoeien.”

„Ja, ze is niet voor haar plezier bij me,” plaagde meneer Van West.

„O, maar dan mag ze toch ’s middags wel komen als ze gerust heeft en
bij ons blijven eten. Woensdagmiddag bijvoorbeeld. Wij zorgen er dan
wel voor, dat ze niet te laat thuiskomt, of u komt hier ’s avonds als
’t mooi weer is theedrinken en neemt zelf u kleindochtertje weer mee,”
stelde mevrouw voor.

„Hè ja, hè ja,” juichten Freda en Hans en meneer Van West zei lachend:
„Nu Ien, wat denk je er van? Zullen we dat dan maar aannemen?”

„O, Opa, ik wil wàt graag!” Ineke kreeg een kleurtje van opgetogenheid,
want ze had er dadelijk dolle lust in. Freda en Hans leken haar erg
aardig en hun ouders waren zoo hartelijk en vriendelijk, dat Ineke zich
al heelemaal op haar gemak voelde en toen ze een oogenblik later met
Opa naar huis wandelde, nadat ze zich wel drie maal had omgekeerd om
Freda en Hans, die bij ’t hek stonden, toe te knikken, zei ze tot
meneer Van West:

„’t Is net, of ik ze al veel langer ken!”

„Ja, jullie waren dadelijk op dreef samen en dat doet me veel plezier,
want zoo heelemaal zonder kennissen van je eigen leeftijd zou ’t op
„Eiken-rode” een saaie partij voor je worden op den duur.”

„O, nee, Opa! Dàt moet u niet zeggen. Ik heb u toch. U blijft toch
altijd mijn beste kameraad,” en Ineke’s handje kroop gauw weg in Opa’s
groote hand.

                                   ⁂

Het was half Juni en op een enkelen regendag na altijd mooi weer
geweest, zoolang Ineke op „Eiken-rode” logeerde. Ze zag er dan ook zoo
gezond uit, dat ’t een lust was. Heelemaal bruingebrand door de zon en
daarbij at ze uitstekend, ondanks de zes groote glazen melk, die ze nog
steeds drinken moest van dokter Wilminck. Maar ’t drankje was
afgeschaft en ’t rusten na de koffie tot drie kwartier ingekrompen, tot
Ineke’s groote vreugd. Vader, die den vorigen Zondag overkwam, beweerde
zijn dochtertje bijna niet meer te herkennen, zóó goed zag ze er uit.

„En hoe gaat ’t op school? Is meester Hoogstra tevreden en zou je
overgaan?” was een van zijn eerste vragen.

„O, ja, ’t gaat best. Eerst was ’t natuurlijk nog wat vreemd, maar nu
ben ik heelemaal gewend. Met rekenen had ik in ’t begin wel moeite,
maar met taal en aardrijkskunde was ik vóór en met Fransch ben ik nu
heelemaal gelijk met mijn eigen school. Meester Hoogstra geeft heel
prettig les,” vertelde Ineke en toen ze meester Hoogstra op de
wandeling tegenkwamen had hij Ineke’s vader aangesproken en gezegd, dat
zijn leerlingetje zoo haar best deed en er stellig komen zou, als ze
zoo voortging.

Vader vond ’t prettig, dat hij zulk goed nieuws mee naar huis kon nemen
en als belooning zond Moeder een paar dagen later bij de nieuwe jurk,
die ze met de huisnaaister gemaakt had, een groote doos pralines, die
Ineke met Freda en Hans Wilminck in één enkelen middag soldaat maakte.
Ze zag haar nieuwe vriendjes veel. ’s Woensdags en Zaterdags kwamen ze
geregeld bij elkaar op „De Merel,” of op „Eiken-rode,” hoewel juffrouw
Doortje wel eens zuur keek als de serre en de vestibule vol ingeloopen
zand lagen, de stoelen schots en scheef door de beneden-kamers zwierden
en er telkens glaasjes limonade of kopjes thee omvielen. Mevrouw
Wilminck bleek in dit opzicht gemakkelijker en Ineke was er versteld
van, zooveel vrijheid als Freda en Hans gewend waren. Die mochten nu
letterlijk alles! Klom Freda bijvoorbeeld in een boom en scheurde ze
haar jurk, dan kreeg ze niet eens een standje.

„Je moet ’m tòch dragen,” zei haar moeder alleen en dan werd de scheur
zoo goed mogelijk door de oude kindermeid gestopt en Freda liep weer
vroolijk met haar verstelde jurk rond. ’t Kon haar niets schelen hoe ze
er uitzag. Ze was een echte wildebras en soms vreeselijk ongehoorzaam,
maar toch mochten de meeste menschen haar, omdat ze zoo eerlijk en
goedhartig was. Hans, iets kalmer van aard, hield veel van lezen, net
als Ineke, en kon uren met een boekje in een hoekje zitten. Freda
daarentegen vond alle verhaaltjes en sprookjes „vervelende nonsens,
waar je tòch niets aan hadt,” en maakte liever keukelkunsten aan rek en
ringen. Heel lenig was ze en ze kon harder loopen dan alle jongens uit
haar klasse en hoewel haar vader ’t volstrekt niet hebben wilde,
fietste ze, als ze even haar kans schoon zag, als een bezetene op haar
fiets den dorpsweg af en had een pret van belang, als iedereen
verschrikt voor haar op zij stoof. Ze hield veel van bloemen en dieren
en zat, als ze bij Ineke op visite kwam, geregeld met Fokkie en Bello
op schoot, tot verontwaardiging van juffrouw Doortje, die er maar niets
meer van zei, nadat ze Freda een paar maal gewaarschuwd en tot antwoord
gekregen had: „O, ze mogen best. Mijn jurk kan gewasschen worden!”

De keurige juffrouw Doortje had niet erg met Freda op en liet altijd
duidelijk blijken, dat ze Hans veel aardiger vond, maar Ineke vond
Freda „’t leukste kind, dat ze kende.”

„Ik moet zoo vreeselijk om haar lachen, Opa, en ze is zóó goedig! Alles
geeft ze weg en ze helpt me altijd met mijn sommen. Dat mág ze van
meester Hoogstra. Kijk eens, deze grappige, glazen penhouder met dat
vischje er in heb ik van haar gekregen. ’k Wou ’m eerst heelemaal niet
hebben, maar ik mòest ’m aannemen. Ze zeurde net zoo lang, tot ik ’t
deed en nu heb ik haar bloemen uit mijn tuintje gebracht,” vertelde
Ineke op een avond aan meneer Van West, die ’t kleine, wilde meisje,
met haar groote, donkere oogen graag lijden mocht en altijd partij voor
haar trok, als Juf iets minder aardigs van haar zei. Freda, op haar
beurt, was erg op meneer Van West gesteld, noemde hem soms voor de grap
ook Opa, maar Juf vond ze „een ouwe zeur” en Ineke zat dikwijls in
angst, dat Freda brutaal tegen haar zijn zou. Gelukkig was dat echter
nog niet voorgekomen en beloofde Freda telkens:

„O, wees maar gerust, ik zàl niks zeggen. ’t Heele mensch kan me niks
schelen. ’t Is een spóók! Maar je grootvader wil ik geen verdriet doen
als jij zegt, dat hij ’t naar vindt, als ik onaardig tegen haar ben.
Jou Opa is een snoes van een man. Ik wou, dat ik ook zoo’n grootvader
had.”

En Ineke, die ’t altijd zoo heerlijk vond, als ze merkte, hoeveel de
menschen van hem hielden, had beweerd:

„Opa vind jou ook aardig, hoor, en hij is blij dat ik, nu ik jou hier
heb, niet zooveel meer lees als vroeger. Hij zei altijd, dat ik er een
ronden rug en een suf hoofd van kreeg.”

„Natuurlijk,” lachte Freda, „al dat malle gelees over dingen, die toch
nooit gebeurd zijn!”

Maar daar was Ineke ’t niet mee eens. Ze vond lezen nu eenmaal
heerlijk, doch de twee kleine meisjes, hoe verschillend van aard ook,
waren toch een heele aanwinst voor elkaar. Meneer Van West zei wel
eens, dat een paar zusjes niet beter met elkaar over weg zouden kunnen
dan Ineke en Freda, want ze kibbelden zelden samen en hadden bijna
altijd pret. Misschien wel een beetje te veel! Als Opa geweten had, dat
’t schoolwerk er onder begon te lijden en Ineke in de afgeloopen week
twee maal een les niet kende en van de vijf sommen, die ze voor
huiswerk opkreeg, er maar twee goed maakte, zou hij zijn kleindochter
niet geprezen hebben. Gelukkig, dat hij de laatste dagen meester
Hoogstra niet gesproken had, dacht Ineke, die eigenlijk heelemaal niet
tegen een prijsje kon, want sinds de doos met pralines, die Moeder
stuurde, had ze ’t er met ’t leeren maar zoo’n beetje op aan laten
komen. ’t Ging immers goed en nu zou ’t vanzelf wel zoo blijven gaan.
Maar, o, lieve help, wat viel dàt tegen! Zonder dat ze ’t zichzelf
bekennen wilde, merkte ze wel, dat ze, als ze niet haar uiterste best
deed, dadelijk achter raakte met die halve schooldagen. Ze maakte
zichzelf echter wijs, dat ze een ongelukkige bui had gehad en dat die
wel weer voorbij zou trekken. Iedereen kende wel eens z’n les niet en
die sommen waren ook zoo lastig. Doch ze keek gauw voor zich, toen
meester Hoogstra haar op een morgen over zijn bril heen aanzag en
hoofdschuddend zei, terwijl hij haar sommenschrift teruggaf:

„Ineke, Ineke, je werkt niet meer zoo goed als in ’t begin!”

Nu, met de komende repetitie, zou ze haar schade inhalen, had ze zich
vast voorgenomen. Dan bracht ze toch nog wel een tamelijk goede lijst
mee aan ’t eind van de maand, want anders zou Opa er verdriet van
hebben en Opa verdriet doen, dat wòu Ineke niet. Den heelen
Woensdagmiddag ging ze hard op haar aardrijkskunde leeren en de
moeilijke sommen nog eens overdoen. Dan zou ze er zich Donderdag wel
goed doorheen slaan.

Woensdagmiddag kwam en Ineke zat nog met Opa en Juf aan de koffie, toen
Freda onverwachts binnenstapte:

„Dag meneer, dag Juf, dag Ien! Zeg, ik kwam daarnet op den weg Andries
tegen. Hij gaat hooi halen op ’t land en we mogen mee terug rijden op
de volle kar, als Opa ’t goed vindt.”

„We mogen wel, hé Opa? We zijn gauw weer terug!”

„Ja, kinderen, gaan jullie je gang maar. Maar moet je niet eerst je
aardbeien opeten, Ineke? Zoo gauw zal de kar niet opgetast zijn. Juf,
geeft u Freda ook maar een portie,” zei meneer Van West met een
knipoogje, en nadat ze ieder volop gesmuld hadden van de heerlijke
vruchten, die dat jaar zoo overvloedig in den moestuin groeiden, toog
het tweetal op weg, dwars de velden door naar de weide, waar Andries
aan ’t hooien was. De kar stond nog maar half opgetast, zoodat ze een
poosje in een groote hoop hooi midden in de wei gingen liggen tot ze
geheel was opgeladen. Toen hielp Andries de beide meisjes vlug naar
boven klimmen.

„’t Lijkt wel een bed,” lachte Ineke, terwijl ze zich languit naast
Freda uitstrekte, maar Andries zei:

„Voorzichtig jullie! En je vasthouën an ’t touw, hoor, dat ik er over
gespannen heb, anders zou je d’r wel ’s af kunnen schieten.”

Maar zoo’n vaart liep ’t niet. ’t Oude paard kon de zware vracht
slechts langzaam trekken, zoodat ’t niet veel harder dan stapvoets naar
„Eiken-rode” terug ging. Toch was ’t heerlijk en zouden de
vriendinnetjes er volstrekt geen bezwaar tegen gehad hebben, als de
tocht wat langer geduurd had. Ineke, met de beste plannen voor de
repetitie van den volgenden morgen bezield, stelde bij haar thuiskomst
echter dadelijk voor:

„Zeg, zullen we nu samen de plaatsen aan de groote rivieren repeteeren?
’k Heb mijn atlas in ’t spreekkamertje liggen.”

Maar Freda schudde beslist haar donker hoofdje.

„Kan je begrijpen! Nee, hoor, ’t is veel te warm om te leeren. ’k Zal
’t vanavond of morgenochtend voor ’t ontbijt nog wel ’s nakijken.”

„En weet je de som van die Kilogrammen en Hectogrammen nog goed? Die
vond ik laatst zoo moeilijk,” hield Ineke vol.

„O, daar is niks an. Misschien krijgen we zoo’n soort som heelemaal wel
niet. Zeur niet over die nare repetitie en laten we nu pret hebben.
Dáár is je vrije Woensdagmiddag toch voor,” en ze vervolgde, met een
arm om Ineke’s schouder: „Zeg, Ien, weet je wat we moesten doen?”

„Nou, wat dan?”

„Een leuk tochtje maken! Achter ’t weiland, waar de eikenboschjes
beginnen, maakt de beek ’n groote bocht en een eind verderop weet ik
een plek, die gewoon bláúw ziet van de vergeet-mij-nietjes. In de
boschjes zelf wemelt ’t van de kamperfoelie, ’k heb er een paar dagen
geleden al bossen vandaan gehaald met Hans. Laten we nu met ons beidjes
een reuzenbouquet voor Opa gaan plukken. Hij houdt er dolveel van, want
laatst, toen ik een takje gestoken had op ’t borduursel van m’n jurk,
om eens echt te genieten van de lekkere lucht, zei Opa, dat hij ook
geen enkele bloem wist, die zóó lekker ruikt als kamperfoelie!”

„Maar ’t is al over tweeën en ik wou m’n repetitie graag goed maken,”
aarzelde Ineke.

„Dan kijk je vanavond je boel nog eens na. Heusch, zoo’n repetitie is
zoo erg niet. ’t Is enkel rekenen en aardrijkskunde morgen. Je komt er
best klaar mee, als je dadelijk na ’t eten begint en desnoods sta je
morgen een half uur vroeger op, dan zit ’t er allemaal versch in. Dat
doe ik ook altijd. Kom, ga nou mee!”

En Ineke, die er toch eigenlijk erge lust in had, zwichtte en ging uit
de vestibule haar grooten stroohoed halen. Ze hield er niet van lang
achtereen blootshoofds door de brandende zon te loopen, zooals Freda,
die alleen Zondags een hoed droeg. Juist kwam Juf met een stapel schoon
servetgoed de trap af.

„Zoo, zijn jullie terug? Was ’t prettig? Maar wat is dàt, ga je nu wéér
uit, Ineke, en je hadt toch gezegd, dat je zooveel te leeren hebt voor
morgen!”

„O, dat doe ik vanavond wel,” zei Ineke zoo luchtig mogelijk.

„’t Is pas overmorgen repetitie,” jokte Freda er gauw achter aan.

„Je moet ’t zelf maar weten, maar geen minuut later dan kwart voor acht
is ’t bedtijd vanavond hoor! Je hebt vanmiddag niet gerust na de koffie
en gisteren en eergisteren ook niet. Als je daar ’t handje mee licht,
moet je ’s avonds maar eerder naar bed,” zei juffrouw Doortje streng.

Ineke mompelde iets onverstaanbaars.

„Als je maar zorgt bij tijds thuis te zijn, want Sientje moet naar haar
naaikrans en dan kan er niet later dan kwart voor zes gegeten worden.
Goed begrepen?”

„Ja, Juf,” en Ineke holde Freda achterna, die bij ’t hek op haar stond
te wachten.

De beide meisjes zetten er dadelijk flink den pas in, ondanks de groote
warmte, want des te eerder waren ze op den breeden straatweg, waar ’t
onder de hooge olmen veel koeler was. Toen ze dien voor een gedeelte
gevolgd hadden, sloegen ze af naar de wei, waar heel aan ’t einde de
beek haar bocht maakte.

„Oef, wat is ’t warm, hier,” zuchtte Ineke, met haar hoed op haar neus.
„Freda, hoe houd jij dàt uit, met je bloote hoofd in de zon!”

„O, ’t is maar eventjes. ’k Kan er best tegen. Straks, als we bij de
beek zijn, doen we onze schoenen en kousen uit en gaan lekkertjes door
’t water loopen. Zóó komen we ’t best bij de vergeet-mij-nieten. Hans
en ik doen ’t dikwijls op warme dagen.”

„Hè ja, net als in Scheveningen,” stemde Ineke grif toe, en zoo gauw ze
aan de bocht kwamen, waar ’t beekje de wei verliet en midden tusschen
de lage eiken-boschjes door stroomde, zetten ze zich in ’t gras om hun
schoenen en kousen uit te trekken.

„Zie je, ’t is hier ’t makkelijkste plekje om er in te komen. Verderop
bij de boschjes zijn er zooveel braamstruiken en boomstronken, waar je
je voeten aan bezeert. Leg je kousen en schoenen maar naast de mijne,
dan doen we ze straks hier weer aan en hoeven er niet aldoor mee rond
te sjouwen. Doe’t maar gerust, hoor, er komt toch geen mensch. Ziezoo,
daar ga ik,” en Freda liet zich handig langs den tamelijk steilen oever
in ’t water. „Zalig,” juichte ze, haar rokken hoog opsjorrend, „kom
Ien, geef me maar ’n hand,” en ze hielp Ineke, die ’t toch wel een
beetje ongewoon en griezelig vond, te water. „Ik zal wel voorop gaan!
Ik weet hier precies alle plekjes. Hou daar aan ’t eind van de bocht je
rokken goed hoog op, want daar gaan we er wel tot onze knieën in.
Verderop is ’t weer heel ondiep. Toe, kijk niet zoo angstig! Je zult
niet verdrinken,” plaagde Freda.

„Maar ik bèn heelemaal niet bang. Ik vind ’t juist heerlijk,”
verzekerde Ineke, die na de eerste stappen in de beek geheel op dreef
raakte en vol vertrouwen waadde ze achter Freda aan, door de diepe
plaatsen.

’t Was werkelijk een verrukkelijk tochtje, vooral verderop, waar in de
lage boschjes aan den oever een paar nachtegalen hun hoogste lied
zongen. De een antwoordde telkens den ander. „Je zult ze niet veel meer
horen. Ze scheiden er nu gauw uit met zingen,” fluisterde Freda, en de
beide meisjes bleven even staan om te luisteren. Vlugge waterspinnen
huppelden vroolijk over de oppervlakte van ’t beekje en vluchtten
ijlings naar de kanten als Freda en Ineke plonsend naderden, en een
paar prachtige blauwe libellen dartelden voor hen uit.

Ineens gaf Ineke een schreeuw van verrukking, toen ze tegen een der
oeverkanten een plekje ontdekte, dat vol vergeet-mij-nieten stond.

„Wat ’n boel!” jubelde ze, er met volle handen van plukkend, „en wat
zijn ze groot! Kijk, deze hebben rose knopjes bovenaan.”

„Verderop staan er nog veel meer. Kijk daar eens, daar bloeit
kamperfoelie en daar wilde spirea en valeriaan. Valeriaan heeft ’n naar
luchtje, maar ’t zijn zulke mooie bloemen. Ik doe er toch een paar in
mijn bouquet. De kamperfoelie ruikt zoo sterk, dat je ’t vieze luchtje
haast niet merkt,” beweerde Freda, maar Ineke wilde ze niet hebben.

„Daar zijn genoeg andere bloemen,” zei ze, een paar witte doovenetels
afplukkend, en meteen schrikte ze vreeselijk van een konijntje, dat uit
de struiken boven haar hoofd wegsprong.

Freda lachte dat ze schaterde, en Ineke lachte mee.

„Dat zal nog wel ’s meer gebeuren,” plaagde Freda. „Er zijn hier een
hóóp konijnen en laatst hebben Hans en ik hier in de buurt een egel
gevangen. Hij rolde zich als een bal op en zette al zijn stekels
overeind, toen Hans hem pakken wou, maar toen hebben we ’m heel
voorzichtig in een zakdoek gerold, zoodat hij ons niet steken kon, en
’m zoo mee naar huis genomen. Vader zei, dat egels zooveel van melk
houden en daarom gaven we ’t beest dadelijk een schoteltje vol, maar
hij bleef als een bal liggen en taalde er niet naar, en den volgenden
morgen, toen we ’t zij-hokje van ’t groote kippenhok opendeden, was
meneer verdwenen en ’t schoteltje leeg! We denken, dat hij zich onder
’t hok doorgegraven heeft.”

„Hè, hoe jammer; hadden jullie ’m niet graag willen houden?” vroeg
Ineke, maar Freda beweerde er niet rouwig om te zijn.

„Och, eigenlijk heb je toch niks aan zoo’n beest, dat alleen maar
steken kan en muizen vangen. Misschien was hij op den duur wel tam
geworden, maar buiten in de bosschen hebben ze toch een veel prettiger
leven. Hè, ik wou, dat ik ook altijd in de bosschen kon zijn! Vroeger
toen we nog in de stad woonden, had ik lang niet zoo’n schik in mijn
leven als hier. Alleen had ik dáár vriendinnetjes, maar sinds jij hier
bent, mis ik die niet meer,” en Freda, even stilstaande, schopte naar
een groote spin, zoodat de fonkelende waterdruppels hoog opspatten.

„Kind, je jurk drijft! Pas op, je maakt mij ook nat,” waarschuwde Ineke
verschrikt en lachend tegelijk.

„O, dat droogt in een wip, maar we zullen nu langzamerhand maar
omkeeren, want we moeten dat heele eind nog terug, en eer jij goed en
wel op „Eiken-rode” bent, zal ’t wel vijf uur zijn. Dan kan je je nog
net verkleeden en een beetje leeren,” en met bloemen beladen zochten de
beide meisjes de plaats weer op, waar ze hun kousen en schoenen hadden
achtergelaten.

„Ziezoo, nu leggen we onze bloemen tegen den kant, met de stelen in ’t
water en gaan zelf in ’t gras zitten. Dan laten we de zon op onze
beenen schijnen. Je zult eens zien hoe gauw we droog zijn,” zei Freda
en ze scharrelde ’t water uit tegen den oever op, reikte Ineke een hand
en trok haar op ’t droge. Toen strekten ze zich naast elkaar in ’t gras
uit.

„O, wat is ’t warm, nu we weer uit ’t water zijn,” zei Ineke, haar hoed
over haar oogen trekkend, maar Freda vond ’t heerlijk en liet zich
stoven.

„Als je maar niks hoeft uit te voeren is ’t wàt lekker,” zuchtte ze
lui.

Plotseling klonk er een dof gerommel in de verte.

„Hoor je dat; ’t gaat onweeren,” zei Ineke ongerust en ze kwam dadelijk
overeind, maar Freda antwoordde:

„Geeft niks! We zijn niet zoo ver van ons huis en de bui is nog ver
af.”

Maar toen ’t voor de tweede maal rommelde en kort daarop een felle
bliksemstraal de lucht doorkliefde, haastte ze zich toch, evenals
Ineke, om zoo spoedig mogelijk haar kousen en schoenen aan te krijgen
en op een drafje holden ze met hun bloemen de wei door. Juist toen ze
den straatweg bereikt hadden, vielen de eerste regendruppels. Het werd
een stevige plasbui en hun dunne jurken waren in een oogenblik
doorweekt. Freda’s korte haren hingen in druipende piekjes om haar
hoofd en van Ineke’s hoed gutste het water in stralen omlaag.

„We zien er uit als een paar verdronken katten,” lachte Freda, maar
Ineke keek bedrukt, want ze zag wel op tegen ’t standje van Juf, dat ze
zeker krijgen zou en dan.... de repetitie.

„Ben je mal, je gaat natuurlijk met mij mee. We zijn nu vlak bij „De
Merel” en vóór jij thuis bent, zie je d’r uit, of je heelemaal in ’t
water gelegen hebt. Dan zal je die vervelende zeur van ’n Doortje ’s
hooren,” waarschuwde Freda, toen haar vriendinnetje links inplaats van
rechts wilde afslaan en zuchtend besloot Ineke daarop maar met Freda
mee te gaan. ’t Was ook zóó’n weer.

„Kijk, daar heb je onze vagebonden! Moeder, je mag ze wel dadelijk
droog goed geven,” riep dokter Wilminck tegen zijn vrouw, toen hij van
uit de serre het tweetal zag aankomen.

„Kinderen, kinderen, wat zien jullie er uit! Maar wie had ook gedacht,
dat ’t zóó zou gaan onweeren en regenen! Freda, kind, je lijkt wel een
natte poedel,” lachte mevrouw Wilminck en ze joeg de beide druipende
meisjes voor zich uit naar boven, waar ze op de badkamer ieder een
schoon pak aankregen, na duchtig met ruige handdoeken te zijn
drooggewreven.

Toen ze beneden kwamen hadden dokter Wilminck en Hans juist
gloeiend-heete thee ingeschonken en terwijl Freda en Ineke zich deze
goed lieten smaken en de halve koekjestrommel leeg aten, moesten ze
vertellen van hun tocht door de beek en werden Freda’s bloemen in een
wijde Keulsche kan geschikt, die een eereplaats kreeg op de serretafel.

„Die van Ineke heb ik apart in den gieter gezet. Kijk ze ’s opstijven,”
wees Hans, die ’t jammer vond, dat hij den tocht ook niet had
meegemaakt.

„Hoe laat is ’t al, mevrouw,” informeerde Ineke na een oogenblik en ze
keek bedenkelijk naar buiten, waar ’t nog steeds plasregende.

„Kwart over vijf, kindje. Wat is er, wou je naar huis? Maar ’t is zoo’n
weer! Daar kan je niet door. Weet je wat, je blijft hier eten en ik
telefoneer zoo dadelijk even naar je Grootvader.”

„’t Is erg vriendelijk van u en.... en ik zou ook heel graag blijven,
maar, ziet u.... ik, ik moet mijn aardrijkskunde en een paar moeilijke
sommen nog nazien voor de repetitie van morgen,” stotterde Ineke.

„O, dat kan je hier ook wel doen. Freda heeft immers dezelfde boeken,”
zei dokter Wilminck luchtig en Freda, die Ineke wel erg overdreven
vond, maar zag hoe ze er over in zat, ging goedig haar tasch halen.

„Hier kind, hier heb je alle geleerdheid bij mekaar, behalve mijn
atlas, want die kan er niet in.”

„Leer jij dan aardrijkskunde zónder atlas,” vroeg Ineke verwonderd.

„O ja, haast altijd! Dan zoek ik op school, vóór de les begint nog wel
gauw de voornaamste dingen op.”

„Freda, Freda, dat is weer net iets voor jou. Hoe is ’t mogelijk!”

Mevrouw schudde haar hoofd, maar Freda liep, lachend haar schouders
ophalend, naar de telefoon, die juist belde.

„’t Is meneer Van West. Hij vraagt of Ien hier is. Komt u even,
Moeder,” vroeg ze en mevrouw Wilminck haastte zich naar ’t toestel.

Meneer Van West was blij te hooren, dat zijn kleindochter veilig op „De
Merel” zat en vond ’t uitstekend, dat ze daar bleef eten. Hij zou haar
zelf tegen half acht komen halen, als ’t weer opklaarde en anders werd
Ineke wel met de dokterssjees naar huis gebracht, ofschoon Vera—’t
paard—dien dag nogal een grooten tocht achter den rug had.

En zoo blééf Ineke dus, hoewel ze natuurlijk veel liever naar huis zou
zijn gegaan, om daar op haar gemak te werken. Dadelijk na ’t eten, toen
’t weer opklaarde en Freda en Hans den tuin introkken, kroop ze met
Freda’s boeken en schriften in een hoekje van de serre. Ze sloeg het
aardrijkskundeboekje open, maar ’t wilde niet vlotten.... Zònder atlas
kon zij geen aardrijkskunde leeren. Ze begreep niet hoe Freda dat deed.
’t Beste zou zijn morgenochtend vroeg op te staan, zonder dat Juf ’t
merkte. Anders zou ’t uitkomen, dat ’t die dag repetitie was en niet
pas de volgende, zooals Freda gejokt had, om haar vriendinnetje mee te
krijgen.... Vervelend, dat alles zoo tegenliep. Ineke wou de schade zóó
graag inhalen en met een niet àl te slechte lijst thuiskomen, aan ’t
eind van de volgende week.... Dat nàre onweer ook! Als dat niet gekomen
was, zat ze nu rustig op haar eigen balkon-kamertje. Dan kènde ze alles
al bijna! Die aardrijkskunde was niet eens zoo moeilijk. Kom, nu maar
aan de sommen! Maar Freda had ze zoo raar en slordig in haar schrift
staan, dat ze er niet uit wijs kon, en er haar naar vragen wou Ineke
niet. Freda was met Hans aan ’t stelten-loopen en dus heelemaal niet in
een bui om sommen uit te leggen en Ineke, moe en knorrig op zichzelf,
stopte zuchtend de boeken en schriften weer weg in de tasch en
drentelde lusteloos den tuin in, verlangend naar Opa, die zich niet
lang wachten liet gelukkig.

Meneer Van West vond zijn kleindochtertje stil dien avond, vooral onder
’t naar huis gaan, en maakte zich heusch een weinig ongerust, dat het
tochtje in de beek niet dienstig voor haar geweest was en toen Ineke
eindelijk in bed lag, bleef ze tegen haar gewoonte lang liggen woelen
en tobben en eindelijk ingeslapen, droomde ze heel vermoeiend en
verward van meester Hoogstra, die door de beek wandelde, van
akelig-groote konijnen, die gezichten tegen haar trokken en van een lei
met sommen, die niet wilden uitkomen....

                                   ⁂

Den volgenden ochtend werd ze pas bij zevenen wakker. IJlings vloog ze
overeind en begon zich te wasschen en te kleeden. Haar haar was al
uitgekamd toen Juf haar kwam roepen en ze kon „de plaatsen langs de
groote rivieren in Nederland” gelukkig nog alle opzoeken en zich in ’t
hoofd prenten.... maar de sommen schoten er bij in. Ze hoopte vurig,
dat ze die moeilijke van de Kilo- en Hectogrammen niet zouden krijgen
en dat ’t rekenen mee zou vallen. Dat kòn toch, trachtte Ineke zichzelf
moed in te spreken, maar helaas, toen ze om tien minuten over twaalf
uit school kwam, wist ze zèker, dat ze alles behalve gelukkig geweest
was!.....

Boven op haar kamertje, waar ze zich altijd ging opknappen voor ’t
koffiedrinken, viel ze op een stoel neer en dacht na.

De sommen gingen heelemaal mis.... Van de zes waren er twee goed en het
laatste uur, toen ze voor de kaart moest komen, had ze zich vergist met
de plaatsen aan de Boven- en Beneden-Merwede. Ook had ze Coevorden
inplaats van Meppel aangewezen, maar gelukkig wist ze de plaatsen langs
den Ouden Rijn zonder haperen te liggen. Daardoor was haar
aardrijkskunde-cijfer voldoende geworden. Maar voor rekenen kreeg ze
onvoldoende.... Dat stond als een paal boven water. Meester Hoogstra
had ’t zelf gezegd. Ook vond hij haar taalwerk van de laatste weken
zooveel minder en zoo slordig geschreven. Deze drie-wekelijksche lijst,
hoewel met geen verdere „onvoldoendes” dan rekenen, zou er zéér, zéér
magertjes uitzien.... Ineke durfde haast niet aan den komenden Zaterdag
te denken, als Opa weten zou, hoe ze was achteruit gegaan. Wat zou hij
er een verdriet van hebben en ze had hem juist een pleziertje willen
doen met die bloemen, die frisch en geurig in een tinnen kan op zijn
bureau prijkten. Opa had er haar zóó voor bedankt, maar Ineke wist heel
goed, dat hij veel meer in zijn schik geweest zou zijn met een mooi
rapport.... Trouwens, de bloemen waren volstrekt niet alleen de schuld
van de slechte lijst. ’t Was den laatsten tijd alles maar: gauw, gauw
gegaan om zooveel mogelijk met Freda te zijn. Zelfs ’t lezen was er de
laatste weken bijna bij ingeschoten. Alleen Zondag toen ’t zoo regende,
had ze den heelen middag verdiept gezeten in de sprookjes van Grimm en
Andersen. O, als ze tenminste toen maar in plaats van te lezen, sommen
gemaakt had, dan was die leelijke twee voor rekenen misschien nog een
„min drie” of drie geworden. Doch nu was ’t te laat. Niets, niets viel
er meer aan te doen en Zaterdag, als ze uit school kwam, zou ze Opa,
die ’t in de verste verte niet vermoedde, die onaangename verrassing
moeten bereiden.... Opa, die haar altijd plezier deed.... en thuis
zouden ze ook zoo teleurgesteld zijn en o, als de directrice van haar
school, aan wie de lijst altijd getoond werd, nu maar niet besloot haar
nog een jaar in de vierde klasse te laten. Blijven zitten zou Ineke
vrééselijk vinden.... De tranen sprongen haar in de oogen. Opa, en
Vader en Moeder, alle drie zouden ze verdriet hebben door haar schuld!

Nog één heelen dag hoefde niemand iets te weten. Morgen was ’t pas
Vrijdag, bedacht Ineke en ze zuchtte even van verlichting, wischte de
waterlanders weg en stond op, om haar handen te wasschen en een schoon
schort aan te doen. Ze zou zich voorloopig nog maar heel gewoon houden
en niets zeggen en toen de gong voor ’t koffie drinken door ’t huis
klonk, liep ze op een holletje naar beneden en gedroeg zich, alsof er
geen koudje aan de lucht was.

„Ineke, kind, ik heb een verrassing voor je,” begon meneer Van West,
zoo gauw ze aan tafel zat en hij zag zijn kleindochter lachend aan.

Ineke bloosde tot achter haar ooren.

„Een verrassing, Opa,” vroeg ze flauwtjes.

„Ja, kind! Je wou immers zoo graag een poesje hebben? Nou, bij boer
Staps op de Heikamp is een poes met zes allersnoeperigste kleintjes,
zwarte, gevlekte en grijze. Zelden zag ik zoo’n mooi nest, maar
natuurlijk kan Staps ze niet allemaal houden. Voor vier er van zoekt
hij een baas en als je wilt, mag jij er een van hebben. Wat zou je
zeggen, als we er vanmiddag, als je gerust hebt, eens samen op
uitgingen en er een mee naar huis brachten,” en meneer Van West, niet
anders denkend, dan Ineke, die al zoo lang naar een eigen poesje
verlangde, een groot genoegen te doen, was hoogst verbaasd toen zijn
kleindochter met een heel benepen stemmetje en neergeslagen oogen
antwoordde:

„Heel graag, Opa!”

„Ineke, kind, wat is er? Scheelt er iets aan?”

Juffrouw Doortje zag van achter ’t koffieblad nu ook met bevreemding
naar Ineke, die zich ineens niet meer goed kon houden en in huilen
uitbarstte. ’t Was te veel voor haar: Opa, die weer iets verzonnen had
om haar plezier te doen, terwijl zij hem overmorgen door haar eigen
schuld zóó zou moeten teleurstellen!

Haar tranen stróómden, heesche snikken snoven door de kamer. Heelemaal
over stuur raakte ze.

„Kind, kindje toch! Toe, drink eens.” Juf ook al ongerust, was
opgestaan om haar een glas water in te schenken en Opa’s goedig gezicht
boog bezorgd over Ineke, die maar niet tot bedaren kon komen.

„Kom, ga maar eens mee den tuin in. De lucht zal je goed doen,” en Opa
troonde Ineke zacht mee naar buiten.

Dáár, met kleine stapjes wandelend om ’t rozenperk naast Opa, die haar
als een klein kindje bij de hand hield, bedaarde Ineke en begon, eerst
nog snikkend, al vegend met Opa’s grooten zakdoek over haar behuild
gezicht, maar van lieverlede toch wat kalmer, te vertellen van school
en van de ongeluks-repetitie.

Meneer Van West zei niets, maar luisterde oplettend naar Ineke’s
verhaal, dat er met horten en stooten uitkwam, doch dat hij toch wel
begreep.

„Jongens, Ineke, wat spijt me dat! Wie had dàt nu kunnen denken! Had ’t
me maar eerder verteld. Of zag je ’t eerst zelf niet zoo ernstig in,”
vroeg Opa, toen Ineke zweeg.

„Ik wist allang, dat dit rapport veel minder zou zijn, dan het vorige,
maar.... maar ik had zóó gehoopt, dat ik tenminste voldoende voor alles
zou krijgen.” Ineke’s roodbehuilde oogen zagen Opa smeekend aan en ze
vervolgde: „Toe, Opa, verzin er iets op!”

„Er iets op verzinnen? Als ik maar wist wàt! Ik kan helaas je slechte
cijfers niet mooi maken. De eenige, die dat kan, ben jij zelf. Jij kunt
zorgen, dat je rapport er de volgende maand beter uitziet! Maar weet
je, wat ik doen kan? Ik zal vanmiddag naar meester Hoogstra gaan en
eens met hem praten over de questie. We kunnen dan natuurlijk niet naar
de Heikamp.”

„Nee, en dat woù ik ook liever niet, Opa, want.... want ziet u, ik vind
niet, dat ik het poesje verdiend heb. Ik.... ik moest er juist zoo om
huilen, dat u altijd zoo lief voor mij bent.... en ik....” Ineke bleef
steken en haar lippen begonnen op nieuw verraderlijk te trillen.

„Kom, kindlief, nu niet wéér beginnen. Gauw je boterham opeten! ’t Is
al kwart over een,” en Opa en Ineke traden door de openstaande serre de
eetkamer weer binnen en Ineke, o zoo blij, dat ze nu niet meer met
zoo’n bezwaard hart rond behoefde te loopen, at met smaak haar bord
leeg en ging toen gedwee rusten.

Dien middag tegen etenstijd keerde meneer Van West van zijn bezoek aan
meester Hoogstra terug en Ineke, die met haar rekenboek en
sommenschrift in de serre zat, vloog Opa tegemoet.

„Ja, kindje, meneer Hoogstra was, net als jij me verteld hebt, heel
ontevreden over je, maar ’t viel hem, geloof ik, nogal mee, dat je me
alles eerlijk hebt opgebiecht. We hopen er nu iets op gevonden te
hebben, waardoor je laatste rapport, dat je vijftien Juli met de
vacantie meekrijgt, er weer goed uit zal zien, zoodat je op je eigen
school zult kunnen overgaan. Je bent nu weer sterk en gezond en daarom
vond meester Hoogstra ’t maar ’t best, dat je nu de laatste weken ook
’s middags op school komt. Hij zal je wat extra-huiswerk opgeven en ’s
middags na schooltijd moet je dan maar je drie kwartier rusten. Van
spelen met Freda zal er nu wel niet veel kunnen komen, maar Freda moet
ook harder werken, zegt meester Hoogstra. In de vacantie kunnen jullie
dan je schade inhalen. Wat zeg je van dit plan?”

Nu, Ineke was ’t er heelemaal mee eens en wàt blij, dat de kans om
alles in ’t eind nog goed te maken niet verkeken was. Opa zond een paar
dagen later het slechte rapport met een brief, waarin hij alles
uitlegde, aan Ineke’s ouders....

Heel veel antwoordden die er niet op, maar Ineke snapte toch wel uit de
enkele zinnen, die zij er in hun brief-terug over schreven, dat ze zeer
teleurgesteld waren en dat spoorde haar dubbel aan, op school haar
uiterste best te doen. Ze ging er zelfs die laatste drie weken iets
minder goed uitzien, maar den vijftienden Juli kwam ze stralend van
opgetogenheid met een werkelijk bizonder mooie lijst bij Opa. Voor alle
vakken had ze vieren en vijven en meester Hoogstra had er met
duidelijke letters onder geschreven:


    „Ondergeteekende verklaart, dat zijn leerlinge Ina van West met
    vrucht het onderwijs op zijn school van den 10en Mei tot den 15en
    Juli gevolgd heeft, zoodat er zijns inziens geen enkel bezwaar
    bestaat, haar op haar eigen school tot een hoogere klasse te
    bevorderen.

                                        C. J. P. HOOGSTRA,
                                            Hoofd-onderwijzer.”


„Mooi zoo, Ien! Nu is de schade ingehaald! Nu kan je met hart en ziel
van je vacantie genieten, als morgen Vader en Moeder met de broers
komen,” en Opa omhelsde zijn kleindochter hartelijk.

„Ik ben zóó blij, zóó blij,” juichte Ineke, „vooral omdat Freda ook
overgaat. Ze heeft alleen een taak voor aardrijkskunde, maar dat komt,
omdat ze nooit een atlas gebruikt. Ik zal er haar wel mee terecht
helpen,” en Ineke rende van louter plezier met Bello en Fokkie achter
zich aan den tuin in, overgelukkig dat alles zoo goed was afgeloopen.

Zelf mocht ze naar huis telefoneeren om ’t goede nieuws vast mee te
deelen en nog dienzelfden middag gingen Opa en Ineke naar boer Staps op
de Heikamp, om daar een poesje uit te zoeken, waarvoor juffrouw Doortje
in alle stilte al een grappig, lichtblauw halsbandje met een belletje
er aan gemaakt had.








UIT LOGEEREN.


Hè, wat was dat?

Was ’t nou al morgen?

Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed, rekte zich al geeuwend
uit, beide armen boven haar hoofdje. Helder scheen de zon door een kier
van de gordijnen de kamer in en in een wip was Wiesje ’t bed uit, om op
haar bloote voetjes voor ’t raam uit te kijken in den tuin, waar de
duiven druk en vroolijk zaten te koeren op ’t lage, grijze muurtje.

Kijk, daar vlogen er een paar weg, hoog hóóg de blauwe lucht in!

Wiesje trok de gordijnen wijder open, schoof ’t raam wat meer op en
ging er op haar knieën voor liggen. Een heerlijke geur van versch
gemaaid gras stroomde de kamer in. O, kijk, daar kwam Cobus, de
tuinmansjongen, aan met een mand vol koolblaren. Zeker voor de
konijnen.

Wat was ’t heerlijk hier buiten! Heel anders dan op ’t bovenhuis in ’t
warme, drukke Amsterdam, waar Wiesje woonde. Twee weken zou ze nu hier
mogen blijven bij Oom Willem en Tante Lida! Zalig! Gisteren toen Vader
haar wegbracht, had ’t Wiesje wel lang geleken om veertien heele dagen
en nachten van huis te zijn.... Ze was al een groote meid van tien
jaar, maar nog nooit alleen uit logeeren geweest en toen ze van Moes en
kleinen Broer afscheid nam, had ze wel even een raar, propperig gevoel
in haar keel gehad, net of ze zou gaan huilen....

Maar in den trein was ze ’t gauw vergeten en toen Vader ’s avonds
wegging, voelde Wiesje zich bij Oom en Tante en bij Suus en Dolf en
Bert zóó thuis, dat ze er niet over dacht één traantje te storten. En
ze had Vader bij zijn vertrek nog nageroepen:

„Zeg maar aan Moes, dat ’t hier dól is en dat ik heusch zoet zal zijn.”

En toen de kinderen kort daarop alle vier naar boven moesten—om acht
uur sloeg onverbiddellijk ’t klokje van gehoorzaamheid—en Tante haar
had toegedekt, was ze geen vijf minuten daarna rustig in slaap
gevallen.

Hoe verbazend gauw ging zoo’n nacht voorbij!

’t Was zeker nog heel vroeg, dacht Wies je. Je hoorde nog heelemaal
geen leven in huis. Nee, mis hoor! Daar kwam Suus aan de kamerdeur:

„Zeg, Wies, sta je op, ’t is zeven uur.”

„’k Ben d’r al uit,” riep Wiesje vroolijk.

Suus kwam binnen, ook in haar nachtjaponnetje en van louter plezier
dansten ze toen de kamer door, tot ze allebei buiten adem op een stoel
neerploften.

„Zoo leuk... dat je... hier bent,” hijgde Suus en Wiesje knikte
lachend, niet in staat een woord te zeggen.

„De jongens zijn al bijna klaar. Laten wij ook voortmaken, dan kunnen
we voor ’t ontbijt nog even naar buiten,” stelde Suus voor, zoo gauw ze
wat bekomen waren.

„Goed, wie ’t eerst klaar is,” en Wiesje sprong op, schonk vlug water
in de waschkom en begon dapper te plassen. Een goed kwartiertje later
waren ze beneden. Allebei tegelijk!

In de tuinkamer was Tante Lida al bezig voor ’t ontbijt te zorgen. De
glazen tuindeuren stonden wijd-open en de zon scheen vroolijk naar
binnen en deed den koperen theeketel, die gezellig raasde, blinken of
hij van goud was. Midden op tafel prijkte een vaasje met reseda en
kleine, gele roosjes.

„Die zijn van Dolf. Uit z’n eigen tuintje,” vertelde Tante toen Wiesje,
die heel veel van bloemen hield, er haar wipneusje in begroef om diep
den fijnen geur in te ademen.

„Mogen we nog even den tuin in, Moeke,” vroeg Suus.

„Ja, maar dadelijk komen als er gebeld wordt. Hier is wat oudbakken
brood, strooi dat maar voor de vogels.”

Suus nam ’t bordje met ’t in kleine stukjes gesneden brood aan en
gearmd gingen zij en Wiesje naar buiten, waar de musschen luid sjilpend
kwamen aanvliegen en zich flink te goed deden, totdat een paar
hongerige duiven, die er ook wat van hebben wilden, ze uit elkander
dreven.

De beide meisjes hadden nog net tijd om even naar de konijnen te gaan
kijken; toen luidde de bel voor ’t ontbijt. De anderen waren al binnen.

„Ik heb zoo’n honger,” zei Bert, die vuurrood zag van ’t werken in zijn
tuintje. „’t Onkruid is er allemaal uit. Nou zullen jullie ’s zien hoe
mooi mijn reseda wordt! Moeke, over één weekje krijgt u net zulke mooie
van mij, als u nu van Dolf hebt!”

„Kun je begrijpen. Je hadt al veel eerder moeten wieden,” zei Dolf een
beetje minachtend. „Jij laat alles altijd maar staan.”

„Niet waar! Maandag heb ik er nog een hóóp uitgehaald en mijn violieren
waren toch lekker veel mooier dan de jouwe.”

„Och,” kwam Dolf weer, zijn schouders ophalend, maar Oom, die ineens
van achter zijn courant opdook, maakte een eind aan de opkomende
kibbelpartij door te zeggen:

„Stil jongens! Wat moet Wies wel denken? Die is zulke kemphanen
heelemaal niet gewend, of kibbel jij thuis wel eens met Broer, Wies?”

„Nee,” lachte Wiesje. „Broer is nog veel te klein. Die kan nog niet
eens praten.”

„Nou maar, onze jongens kunnen mekaar geducht in de haren zitten. Ze
meenen ’t wel niet zoo kwaad, maar ’t is toch niet heel aardig om aan
te hooren. Dat zul je wel merken,” zei Oom met een plagend knipoogje
naar Dolf en Bert, die groote happen van hun boterhammen namen en voor
zich keken, want ze schaamden zich wel wat voor hun nichtje.

Maar Wiesje lachte er om en na ’t ontbijt toen Oom zijn zieken ging
bezoeken—hij was dokter op ’t dorp waar ze woonden—gingen ze met hun
viertjes prettig buiten spelen. Ze schoten goed op samen. De jongens
kibbelden wel eens af en toe—dat kónden ze nu eenmaal niet laten—maar
’t duurde nooit lang, of ze verzoenden zich weer met elkaar. De dag was
om voor ze het wisten, en Wies schreef dien avond een langen brief naar
huis, zoodat Vader en Moes den volgenden ochtend al met verheugde
gezichten lazen van al de pret, die hun dochtertje daarginds had.



En nu was ’t de avond van den vijfden dag, dien Wiesje bij Oom Willem
en Tante Lida doorbracht.

Meer dan een half uur geleden had Tante haar ingestopt en nóg kon
Wiesje den slaap maar niet vatten. Telkens keerde ze zich om en om in
’t groote logeerbed.... Zelf wist ze maar al te goed wat er aan
haperde.... Ze had iets heel leelijks gedaan, waar ze nu o, zoo’n spijt
van had en ’t ergste was, dat Cobus de tuinmansjongen, er morgen
waarschijnlijk de schuld van zou krijgen.

Iedereen dacht dat hij ’t gedaan had. O, ’t was verschrikkelijk. Wiesje
wist geen raad....

Zóó was ’t gebeurd.

Ze speelden met hun vieren verstoppertje. Bert „was ’m” en omdat hij
zoo gauw telde, waren Suus en Dolf en zij zoo hard ze konden ieder een
anderen kant uitgehold. Wiesje, die ’t vlugst was, had zich verstopt
achter in den tuin bij ’t schuurtje en Bert kón haar maar niet vinden.
Die zocht alleen op plekjes dicht in de buurt en Wiesje had in zichzelf
een pret van belang. Ze besloot nog een poosje rustig in haar
schuilhoekje te blijven voor ze zich vertoonde, want hoe later je
gevonden werd, hoe meer eer!

Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom, die tegen
den muur van het schuurtje geleid was en waaraan een massa prachtige
perziken zaten. De meeste waren nog niet heel rijp, maar juist onderaan
hingen er een paar heerlijk in ’t zonnetje te stoven. Die zagen er net
zoo rood en donzig uit als Wiesjes eigen wangen....

Ze ging er vlak bij staan, voelde er toen heel voorzichtig met één
vinger aan.... Hè, die twee daar vlak tegen elkaar waren heelemaal warm
van de zon.... Nog even voelen en Wiesje kwam er nog eens aan. Maar, o
wee, daar ploften ze ineens allebei op den grond. Vlak voor Wiesjes
voeten vielen ze in ’t gras. Haar hartje bonsde van schrik en haar
wangen werden nog rooder dan de perziken.

Zóó had ze ’t niet bedoeld, nee waarlijk niet!

Wat zou ze doen? Ze stil in ’t gras laten liggen, of ze gauw naar Tante
Lida brengen en eerlijk vertellen wat er gebeurd was?

Ze raapte ze op, rook er eens aan.... Een had al een gekneusd
plekje.... Het sap liep haar langs de vingers. Kom, er zaten nog
zooveel perziken aan den boom. Ze kon deze eigenlijk best opeten. Een
paar meer of minder gaf niks, niemand zou ’t merken....

Schuw keek ze om zich heen en ineens zette ze haar tanden in de
overrijpe vruchten en at ze gulzig met schil en al op. De pitten,
waarin ze zich bijna verslikte, wierp ze in ’t gras en haar mond en
haar kleverige vingers veegde ze snel aan haar zakdoek af. Toen luidde
de etensbel en ze holde naar huis op de verwonderde vragen: „Waar heb
jij gezeten,” brutaalweg antwoordend:

„Dat zeg ik nou ’s lekkertjes niet!”

Maar aan tafel was ze stil geweest, had ze niet zoo flink gegeten als
anders en de schrik sloeg haar om ’t hart, toen Oom tegen ’t
theedrinken binnenkwam met twee perzikpitten in zijn hand. Je kon hem
aanzien, dat hij heel ontstemd was.

„Heeft iemand van jullie aan de perziken gezeten? Ik wou enkele mooie
rijpe, die onderaan hingen en waar ik alle dagen een oogje op hield
naar vrouw Bos brengen, die zoo ziek is, maar jawel, ze waren er af
toen ik daarnet ging kijken en de pitten vond ik tusschen ’t gras. Er
is dus iemand aan geweest. Een van jullie soms?”

„Nee, Vader,” riepen de kinderen als uit één mond.

„Nee Oom,” zei ook Wiesje.

Ze kreeg een kleur als vuur en trilde op haar beenen, maar ’t begon al
donker te worden en ze stond achter in de kamer. Niemand sloeg bizonder
acht op haar.

„’t Spijt me, dat ik zooiets denken moet, maar dan ben ik bang, dat
Cobus ’t gedaan heeft. Hij deed den laatsten tijd zóó zijn best en ik
vind ’t heel jammer, maar als hij niet van ’t fruit kan afblijven, zal
ik genoodzaakt zijn ernstige maatregelen met hem te nemen.”

„Hè,” zuchtte Tante, „’t zou wel heel ondeugend zijn van een jongen,
die ’t zóó goed bij ons heeft.”

„Nu, we zullen er niet verder op doorgaan voor ’t oogenblik. Cobus is
al naar huis. Ik zal hem morgenochtend wel onder handen nemen,” zei
Oom.

„De kinderen wilden graag wat zingen, is ’t niet,” en Tante ging aan de
piano zitten, terwijl Dolf met de muziek kwam aandragen.

’t Waren aardige, vroolijke liedjes en Wiesje kende er verscheidene
van. Toch was ’t haar niet mogelijk mee te zingen; dan zou ze zeker
zijn gaan huilen. Stil en lusteloos stond ze er bij. Ze dúrfde ’t niet
zeggen, omdat ze zich zoo vreeselijk schaamde. Hoe ze zich den heelen
avond had goedgehouden begreep ze zelf niet. Zelfs toen Tante Lida haar
bij ’t toedekken vroeg: „Zeg, Wies, scheelt er iets aan? Je was zoo
stil,” had ze geantwoord met haar hoofdje naar den muur gewend:

„Nee, niks Tante, ik ben alleen erg moe.”

Toen was Tante na haar een nachtzoen gegeven te hebben heengegaan, bij
zichzelf denkend, dat ’t kind wel vreemd en stil geweest was den heelen
avond en plotseling dacht ze met schrik aan die perziken.... Nee, dat
kón niet zijn. Tot zoo iets was Wies niet in staat. Misschien verlangde
ze naar huis. Ze was vroeger immers nooit alleen uit logeeren geweest.
En toch.... Nu ze zou over een uurtje nog maar eens gaan kijken of
Wiesje sliep en Tante Lida waschte den theeboel om en begon aan haar
verstelwerk.

Intusschen lag Wiesje boven te woelen in ’t groote bed. Van slapen kwam
maar niets; hoe stijf ze haar oogen ook toekneep en hoe dikwijls ze tot
zichzelf zei: „Nou wil ik er niet meer aan denken,” ze moest er aan
denken, ze kón niet anders.

Cobus zou de schuld krijgen van iets wat zij gedaan had. Misschien
moest hij wel weg.... Cobus, die zoo aardig voor haar geweest was en
haar bal tot tweemaal toe voor haar uit de sloot gevischt had, zelf
gevaar loopend van er in te vallen. Ze zag Cobus’ verbaasde en
bedroefde gezicht al, als Oom over de perziken zou beginnen. Oom zou
hem toch niet kunnen gelooven als Cobus zei, dat hij ’t niet gedaan
had.... O, ’t was vreeselijk!

Ze huilde zachtjes met haar hoofd in ’t kussen, begon toen al harder,
zoodat ’t bed schudde en haar sloop nat werd van al de tranen.

Wat moest ze toch doen? O, was Moes maar bij haar. Aan Moes zou ze ’t
wel durven zeggen, maar ze schaamde zich zoo voor Oom en Tante en voor
Suus en de jongens, die ’t natuurlijk ook zouden weten. Nog nooit had
ze zoo’n spijt, zoo’n verdriet gehad, als nu door haar eigen schuld.

Langzamerhand werd ze toch wat kalmer. Ze zag duidelijk in, dat ze ’t
moest gaan vertellen, al zag ze er nog zoo tegenop. Hoe eerder ze ging,
hoe beter en net wou ze ’t dek wegslaan en uit bed komen, toen de deur
geopend werd en Tante Lida zachtjes binnenkwam. Bevend zakte Wiesje
achterover in ’t kussen, maar Tante sprak niet, ging alleen stil op den
rand van ’t bed zitten, zei toen eindelijk heel zacht:

„Wies, ik dacht, dat je me nóu misschien wel iets wilt zeggen.”

En Wiesje, o zoo blij, dat Tante’s stem zoo vriendelijk klonk en dat ze
nu zou kunnen uitspreken wat haar zoo bezwaarde, deed met een heesch
stemmetje ’t heele verhaal.

Tante liet haar vertellen, viel haar geen enkele maal in de rede. Ze
vond ’t heel erg, maar had toch wel medelijden met Wiesje, omdat ’t
kind zoo’n innig berouw toonde.

„Gelukkig dat we ’t nu weten; anders had Oom Cobus morgenochtend onder
handen genomen en hoe vreeselijk zou dat voor den armen jongen geweest
zijn! Ga nu maar liggen, dan zal ik ’t wel vast voor je aan Oom zeggen.
Morgen kan je er dan zelf met hem over praten,” zei Tante, Wiesjes
verwarde haren gladstrijkend en Wiesje, moe van ’t huilen, liet zich
gewillig instoppen en viel spoedig daarop vast in slaap.

Den volgenden ochtend was ze al vroeg bij de hand, vóór de anderen nog
gekleed waren en zoo gauw ze Oom naar beneden hoorde gaan, liep ze hem
achterna, de studeerkamer in.

„Oom,” begon ze bevend met neergeslagen oogen....

Oom nam Wiesjes gezicht tusschen zijn beide groote handen en zag haar
ernstig, maar niet onvriendelijk aan, want hij begreep wel, dat ze heel
veel verdriet had van hetgeen er was voorgevallen. Oplettend luisterde
hij naar alles wat ze te vertellen had. Nee, Wiesje spaarde zichzelf
niet. Ze zag wel in hoe groot haar schuld was en daarom zei hij maar
niet veel en beloofde om ’t voor haar aan de kinderen te zeggen. Die
moesten ’t natuurlijk weten, omdat ze er anders Cobus op aan zouden
zien.

’t Was een moeilijk oogenblik voor Wies toen ze de tuinkamer instapte,
terwijl de anderen, die ’t nu allemaal wisten, al aan tafel zaten.

Onhoorbaar sloop ze naar haar plaats en niemand sprak een woord, totdat
Dolf ruw-goedig ineens zei:

„Wies, ’t was gemeen van je, maar je hebt ’t eerlijk bekend en dat
vinden we flink,” en toen gaven ze haar alle drie een hand.

Verder werd er niet meer over gesproken, maar vergeten kon Wies ’t
natuurlijk niet.

Enkele maanden later, ’t was op Sinterklaas-avond, kwam er een pakje
voor Cobus, heelemaal uit Amsterdam. Er zat een keurig-gebreide
bouffante in, waar hij dolblij mee was, maar hij is er nooit achter
gekomen, wie hem die gestuurd heeft.









*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 ***