summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78680-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorwww-data <www-data@mail.pglaf.org>2026-05-14 07:52:49 -0700
committerwww-data <www-data@mail.pglaf.org>2026-05-14 07:52:49 -0700
commitf0aa6f830fdbb19c915c4495f82af7284386fdf0 (patch)
treec92d3708ca0e99c72718779e4aa407e45d90bc57 /78680-0.txt
Initial commit of ebook 78680 filesHEADmain
Diffstat (limited to '78680-0.txt')
-rw-r--r--78680-0.txt3313
1 files changed, 3313 insertions, 0 deletions
diff --git a/78680-0.txt b/78680-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..987d854
--- /dev/null
+++ b/78680-0.txt
@@ -0,0 +1,3313 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78680 ***
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 46 VEREENIGING TER BEVORDERING DER GOEDE ZEDEN.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VEREENIGING TER BEVORDERING DER GOEDE ZEDEN
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+BAXTER WORDT PRESIDENT.
+
+
+De inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, de almachtige chef
+van de Londensche recherche, was zeer ontstemd op zijn bureau gekomen
+en ergerde zich, omdat zijn secretaris Marholm, of zooals de Londensche
+misdadigers hem noemden, de Vloo, niet aanwezig was.
+
+Zelfs het genot van zijn pijpje kon hem niet in de goede stemming
+terugbrengen.
+
+Onmiddellijk drukte Baxter op het knopje van de electrische bel op zijn
+schrijftafel, waarop uit het aangrenzende vertrek een der dienstdoende
+agenten binnentrad.
+
+„Waar is secretaris Marholm?” snauwde Baxter hem toe.
+
+Het antwoord luidde:
+
+„Secretaris Marholm heeft een brief gezonden, die op de schrijftafel
+van den inspecteur ligt”.
+
+Terwijl de politieagent nog wachtte, opende Baxter den brief en las:
+
+
+ „Waarde inspecteur!
+
+ De vorige week zijt gij drie dagen ziek geweest en ik moest toen uw
+ dienst alleen waarnemen. Daar het vandaag ook zulk prachtig weer
+ is, neem ik de vrijheid, eveneens ziek te zijn en verzoek u mijn
+ werk er bij te willen doen. Met beste groeten.
+
+ Marholm.”
+
+
+Een oogenblik staarde Baxter onafgewend naar den brief.
+
+Daarop barstte hij los:
+
+„Een dergelijke onbeschaamdheid heb ik nog nooit beleefd. Deze
+brutaliteit overtreft alles! Daarenboven ligt er hier een hoop werk
+voor hem. Dat zou hij wel willen, dat ik ging zitten om zijn werk te
+doen!
+
+„De duivel hale dien kerel, ik zou graag een anderen secretaris willen
+hebben, maar helaas — —”
+
+Hij zuchtte woedend.
+
+„Ik kan onder die domme beambten geen enkelen vinden, die in staat is
+een acte te schrijven, die leesbaar is en zonder taalfouten.”
+
+„Met woest rollende oogen wendde hij zich tot den bij de deur staanden
+politieagent:
+
+„Zend onmiddellijk mijn secretaris naar het bureau!”
+
+„Tot uw dienst, inspecteur!” klonk het terug.
+
+Baxter ging nu aan zijn schrijftafel zitten en begon de ingekomen
+stukken te lezen.
+
+De tweede brief, dien hij opende, droeg het gedrukte opschrift:
+
+
+ „Vereeniging ter bevordering der goede zeden.
+
+ Geachte heer!
+
+ Ondergeteekende, president Sir Edwin Harper, heeft de eer u te
+ verzoeken, tweede voorzitter te worden van de Vereeniging ter
+ bevordering der goede zeden in Engeland.
+
+ Zooals u waarschijnlijk bekend is, staat onze Vereeniging onder
+ bescherming van Z. K. H. den hertog van Norfolk.
+
+ Onder zijn voorzitterschap heeft aanstaanden Donderdag een
+ feestmaal plaats ter viering van het tienjarig bestaan, in hotel
+ Cecilia.
+
+ De president is zoo vrij, u tot dezen feestmaaltijd uit te noodigen
+ en verzoekt u op de bijeenkomst den hertog van Norfolk te willen
+ mededeelen, dat gij het tweede voorzitterschap aanvaardt.
+
+ Een eeretoelage van 500 pond sterling per jaar is aan deze
+ betrekking verbonden, ten einde de onkosten te dekken, welke de
+ werkzaamheden medebrengen.
+
+ Op voorstel van verschillende onzer leden is de keus op u gevallen
+ voor het vervullen van deze betrekking en het zou ons verheugen,
+ een toestemmende beslissing te mogen vernemen.
+
+ De president
+ Edwin Harper.”
+
+
+De misnoegde uitdrukking was van het gelaat van den inspecteur
+verdwenen.
+
+Zijn ijdelheid was door dit aanbod in de hoogste mate gestreeld en
+zacht mompelde hij:
+
+„Natuurlijk neem ik dat aan! Ik zou wel dwaas zijn, als ik het afsloeg!
+Men moet altijd trachten, relaties te krijgen met menschen, die hooger
+staan dan wijzelf en de hertog van Norfolk is, voor zoover ik weet, een
+intiem vriend van den koning. Ik zal den president onmiddellijk
+antwoorden. — —
+
+„Marholm!”
+
+Hij keek paar de ledige plaats van zijn secretaris en had geheel
+vergeten, dat deze niet aanwezig was! Hij keek weer ontstemd en
+vloekte:
+
+„Het is eenvoudig ongelooflijk. Altijd als men dien man noodig heeft,
+is hij er niet.
+
+„De duivel moge hem halen!
+
+„Er zal mij niets anders overblijven dan den president zelf te
+schrijven.”
+
+Hij nam een vel papier, doopte zijn pen in en dacht na.
+
+Na eenige minuten begon hij:
+
+
+ „Hooggeachte heer president!”
+
+
+Verder kwam hij niet.
+
+„Als ik nu maar wist, of de president dit kan lezen. Het is echter mijn
+schuld niet, maar die van mijn leeraren, die het mij niet beter hebben
+geleerd.
+
+„Ik betwijfel werkelijk, of iemand het zal kunnen lezen,” mompelde hij
+nadenkend. „Ik zal het nog eens probeeren!”
+
+Hij nam een ander velletje en begon opnieuw, zorgvuldig de pen
+hanteerend:
+
+
+ „Hooggeachte heer president!”
+
+
+Daarop vergeleek hij de beide stukken met elkaar en bekeek ze op
+eenigen afstand.
+
+Geen der twee vond hij goed genoeg en beide zoo onleesbaar, dat alleen
+hij, die het had geschreven, het lezen kon.
+
+Het waren merkwaardig onduidelijke letters, die hem toegrijnsden.
+
+Opnieuw begon hij op Marholm te vloeken, daarop nam hij, om zijn woede
+te luchten, de beide velletjes papier, kneep ze in elkaar en slingerde
+ze in de papiermand.
+
+Op dit oogenblik werd de deur geopend en de vurig verlangde Marholm
+trad met een glimlach op het gelaat de kamer binnen.
+
+„Goeden morgen, inspecteur”, riep hij, „wat is er aan de hand?”
+
+„Voor den duivel, Sir!” schreeuwde Baxter, „wat bezielt je eigenlijk?
+Ik ben verbaasd over zooveel brutaliteit, hoe durf je het wagen?”
+
+„Ik ben ziek,” antwoordde de Vloo, steeds vroolijk glimlachend.
+
+„Ziek? Zijt gij ziek? Gij straalt van gezondheid en lacht zoo vroolijk,
+alsof gij van het een of andere prettige feestje kwaamt. Welke ziekte
+hebt gij? Wilt gij mij dat eens opgeven?”
+
+„Jawel,” antwoordde Marholm lachend, „ik heb rheumatiek!”
+
+„Rheumatiek?” vroeg Baxter. „Al hadt gij dat, dan zou dat nog geen
+reden zijn om uit het bureau weg te blijven.”
+
+„Natuurlijk,” antwoordde de secretaris, „ik ben niet in staat om dienst
+te doen.”
+
+„Hoor eens,” schreeuwde de inspecteur, „als alle menschen, die
+rheumatiek hebben, zoo flink op hun beenen staan als gij, dan zou ik
+die kwaal wel willen hebben.”
+
+„Wie zegt u, dat mijn knieën niet knikken?” vroeg de Vloo.
+
+„Waar hebt u pijn?”
+
+„In den arm!”
+
+„In welken? Toch niet in den rechter?”
+
+„Ik had nooit gedacht, dat gij zoo goed zoudt kunnen raden,” lachte
+Marholm.
+
+Baxter sloeg met zijn vuist op de schrijftafel.
+
+„Gij wilt mij zenuwachtig maken, man, gij liegt natuurlijk!”
+
+„Volstrekt niet,” klonk het op drogen toon. „Ik kan geen pen
+vasthouden. Ik kan mijn eigen naam niet eens zetten!”
+
+„Een mooie toestand!” kermde Baxter, „maar—” zijn gelaat helderde
+plotseling op— —
+
+Hij ging naar Marholm toe en hield hem, zooals hij dat gewend was, bij
+een van zijn jasknoopen vast.
+
+„Luister eens, Marholm,” sprak hij, terwijl hij den knoop begon rond te
+draaien.
+
+„Ja, ik luister,” antwoordde de Vloo, „maar ik verzoek u vriendelijk,
+mijn knoop te laten zitten!”
+
+„Gij zijt een slecht mensch,” sprak Baxter, „ik heb u op bedrog
+betrapt!”
+
+„Nonsens!” riep de secretaris uit. „Ik zal er niet invliegen. Gij wilt
+zeker probeeren, mij beet te nemen.”
+
+„En toch is het waar?”
+
+De Vloo keek ongeloovig en haalde de schouders op.
+
+„Wilt gij mij eens verklaren,” vervolgde de inspecteur, „als gij
+rheumatiek in den rechterarm hebt en geen pen kunt hanteeren, wie dan
+hedenmorgen dien brief voor u heeft geschreven?”
+
+„Wel, ikzelf natuurlijk,” antwoordde de secretaris.
+
+„Allright,” knikte Baxter, „en gij wilt mij wijsmaken, dat gij
+rheumatiek in den rechterarm hebt? Neen, mijn waarde heer! Wie zulke
+brieven kan schrijven, lijdt daar niet aan. Neem nu aan de schrijftafel
+plaats en schrijf, wat ik u zal dicteeren.”
+
+„Onmogelijk,” antwoordde de secretaris hoofdschuddend. „Toen ik den
+brief schreef, had ik nog geen rheumatiek, maar een zeker geprikkel in
+de vingertoppen voorspelde mij, dat ik het zou krijgen en dat is
+uitgekomen ook!”
+
+„Gij zijt onverbeterlijk!”
+
+Deze woorden warden met groote zelfbeheersching uitgesproken want de
+chef van Scotland Yard spande zich in om niet woedend te worden, omdat
+hij brandde van verlangen om den brief aan den president te dicteeren.
+
+„Maar,” vervolgde hij. „Misschien staat uw ziekte u toe, een klein
+briefje voor mij te beantwoorden. Lees eens, welk schrijven ik
+ontving.”
+
+Hij overhandigde Marholm den brief en terwijl deze las, stak hij een
+sigaar op. Zoodoende kon hij het vroolijke lachje niet zien, dat bij
+het lezen van den brief om den mond van de Vloo speelde.
+
+Marholm legde den brief neer en trok zijn overjas uit.
+
+Toen Baxter dat zag, kwam een zucht van verlichting over zijn lippen.
+
+„Als gij werkelijk rheumatiek hebt, mijn beste Marholm,” sprak hij op
+vaderlijk bezorgden toon, „dan verzoek ik je om, nadat je dezen brief
+hebt geschreven, weer naar huis te gaan. Gij kunt dan morgen wel
+inhalen, wat er vandaag te doen was.
+
+„Ik weet uit eigen ervaring, hoe men onder die ziekte kan lijden.
+
+„Dus, zooals afgesproken, gij zult den brief voor mij schrijven,
+nietwaar?”
+
+„Als gij het wilt aannemen, ben ik er gaarne toe bereid.”
+
+Marholm sprak op een eigenaardigen, ironischen toon, maar Baxter merkte
+het niet. Hij zette zijn borst vooruit en begon te dicteeren:
+
+
+ „Hooggeachte heer president!
+
+ Uw aanbod om het tweede voorzitterschap der Vereeniging ter
+ bevordering der goede zeden aan te nemen, is mij een buitengewone
+ eer.
+
+ Ik ben gaarne bereid erop in te gaan. Niet alleen ter wille van het
+ aangename gezelschap en de relatie met mannen uit de hoogste
+ kringen, welke deze positie meebrengt, maar vóór alles, omdat ik
+ zelf sinds jaren een ijverig voorstander ben van deugd en
+ zedelijkheid.”
+
+
+— —„Au!”— —riep Marholm op luiden toon, zoodat zijn chef verbaasd
+opkeek.
+
+„Wat is er?” vroeg Baxter verschrikt.
+
+„Mijn rheumatiek werd veel erger, inspecteur en ik heb op deugd en
+zedelijkheid een groote inktvlek laten vallen. Nu moet ik den brief nog
+eens schrijven!”
+
+„Wees toch voorzichtig,” sprak de inspecteur. „Gooi geen vlekken op
+deugd en zedelijkheid. Hebt gij nog zoo’n pijn, wacht dan liever even—
+—Maar—waarom lacht gij eigenlijk?”
+
+„Dat doe ik om mijn pijn te verbijten,” antwoordde Marholm.
+
+„Wacht dus een oogenblik, inspecteur, totdat ik den brief
+overgeschreven heb.”
+
+Na eenige minuten, terwijl Baxter nieuwsgierig toekeek, of de brief
+niet weer door inktvlekken bezoedeld werd, had de secretaris den
+laatsten zin geschreven, waarna hij op het verdere wachtte.
+
+Zijn chef kuchte en begon verder te dicteeren:
+
+„Met alle kracht doe ik mijn best om de onzedelijkheid in Londen uit te
+roeien!”— — —
+
+„Ha, ha, ha, ha, ha,” klonk het van Marholms lippen, zoodat Baxter
+verbaasd uitriep:
+
+„Mijn hemel, wat hebt gij toch!”
+
+„Ha, ha, ha, ha”, lachte Marholm, „o, inspecteur, die vervloekte
+rheumatiek......”
+
+„Maak mij toch niet zoo verschrikt! Roep dan liever: Au!”
+
+„Dat gaat niet!” antwoordde de Vloo. „Als ik „au!” roep, dan maak ik
+weer kladden!”
+
+„Nu—verder!” sprak Baxter, hoofdschuddend.
+
+
+ „Ik zal Donderdag gedurende het diner in hotel Cecilia de eer
+ hebben, persoonlijk met u kennis te maken en verblijf hoogachtend
+
+ Baxter,
+
+ Inspecteur van politie, chef van het hoofdbureau Scotland Yard.”
+
+
+Met een tevreden glimlach nam Baxter nu den brief van de schrijftafel,
+las hem nog eens door, sloot hem in een couvert en sprak:
+
+„Schrijf nu het adres.”
+
+„Ja, mijnheer de voorzitter,” knikte de Vloo.
+
+„Wat?” vroeg Baxter. „Hoe noemt gij mij?”
+
+„Wel, gij zijt nu immers: Voorzitter der Vereeniging voor deugd en
+zedelijkheid?”
+
+„Zeer zeker,” antwoordde Baxter, „maar nog buiten dienst!”
+
+„Juist!” lachte de Vloo, „dat had ik bijna vergeten! Met den dienst
+hebben deugd en zedelijkheid niets te maken!”
+
+„Gij kunt wel heengaan!”
+
+Met deze woorden draaide Baxter hem den rug toe en met een vlugheid,
+die volstrekt geen rheumatiek deed vermoeden, nam Marholm zijn jas van
+den kapstok en ging heen.
+
+Eenigen tijd later verliet ook de tweede voorzitter der Vereeniging ter
+bevordering der goede zeden het hoofdbureau van politie, om den brief
+persoonlijk op de post te bezorgen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EEN FEESTAVOND.
+
+
+In hotel Cecilia was in een der zalen de tafel gedekt voor de leden van
+de Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland en de gasten
+zaten in feestgewaad met witte, driekantige mutsen op het hoofd, witte
+schorten, waarop in gouden letters „deugd” was geborduurd en witzijden,
+breede linten over de borst, waarop in roode zijde het woord
+„zedelijkheid” was aangebracht, rondom de tafel, aan wier hoofd het
+eerelid de hertog van Norfolk, presideerde.
+
+Aan zijn rechterzijde zat de voorzitter, Sir Edward Harper en daarnaast
+de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard.
+
+Om de vergadering te openen nam de voorzitter het woord en hield, onder
+diep stilzwijgen der aanwezigen, de volgende rede:
+
+„Hooggeachte leden van onze Vereeniging!
+
+„Ik heet u allen welkom en ben verheugd, dat gij in zoo grooten getale
+zijt verschenen om door trouwen arbeid ons werk voort te zetten.”
+
+Een algemeen handgeklap volgde op deze woorden.
+
+Daarop vervolgde hij:
+
+„Gij ziet hier aan mijn zijde den hooggeachten inspecteur van politie
+Baxter van Scotland Yard, op wien onze keus is gevallen voor de functie
+van tweeden voorzitter onzer Vereeniging.”
+
+Wederom weerklonk luid en langdurig applaus, waarop Baxter gevleid
+boog.
+
+De president veegde met zijn servet het zweet van zijn vet gezicht en
+keek met een vriendelijk lachje, zoodat zijn wangen nog dikker schenen,
+naar Baxter, terwijl hij sprak:
+
+„Ja, hooggeachte heeren leden! Onze keus is een uitstekende geweest,
+want Sir Baxter heeft, hoewel hij niet behoorde tot onze Vereeniging
+ter bevordering der goede zeden in Engeland, reeds oneindig veel goeds
+gedaan.
+
+„Gij weet, dat hij onze theaterstukken heeft te beoordeelen, dat de
+censuur bij hem berust, dat hij moet beslissen, of een dergelijk stuk
+zedig en niet van verderfelijken invloed is.
+
+„Wij danken onzen hooggeachten inspecteur Baxter de betere handhaving
+der censuur in Engeland en wij hebben het steeds vol vreugde aangezien,
+wanneer wederom een van de vele stukken, die voedsel geven aan de
+wellust en de echtbreuk in de hand werken, of wel een loflied zingen
+voor de ondeugd, verboden werd.”
+
+„Bravo! Bravo!” klonk het van alle kanten en Baxter maakte weer een
+diepe buiging.
+
+„Het is te hopen,” vervolgde de president, „dat wij onder de leiding
+van inspecteur Baxter nog strenger en energieker onzen veldtocht tegen
+de onzedelijkheid zullen kunnen houden.
+
+„In de eerste plaats moet op krachtige wijze gestreden worden tegen de
+vergiftiging van onze jeugd, van politiewege moet toezicht worden
+gehouden op de lectuur voor onze jongens en meisjes.
+
+„Hoeveel kwaad wordt hierdoor berokkend?
+
+„Een geheel leger misdadigers wordt telken jare op deze wijze
+aangekweekt.
+
+„Inspecteur Baxter zal dit wel met ons eens zijn en zijn ervaringen in
+Scotland Yard zullen het bewijs leveren— — —
+
+„Niet waar, inspecteur?”
+
+Baxter had slechts met een half oor naar de laatste woorden geluisterd
+en antwoordde met een vriendelijk lachje:
+
+„Gij hebt gelijk, mijnheer de voorzitter. Bij mij in Scotland Yard
+worden dergelijke boeken ook gelezen”.
+
+Doodelijke stilte volgde.
+
+Het gelaat van den president geleek op dat van zijn Chineesch
+afgodsbeeld, toen hij vroeg:
+
+„Hoe, mijnheer de inspecteur! versta ik u goed? Men leest ze bij u in
+Scotland Yard?”
+
+Eerst nu bemerkte Baxter, dat hij zich op glad ijs had begeven.
+
+„Ja!” knikte hij en vervolgde: „Helaas! Men leest ze!”
+
+„O, wat een schande!” zuchtte de president en de geheele vergadering
+zuchtte.
+
+Daarop vroeg Sir Harper:
+
+„En de misdadigers, die gij gevangen neemt...?”
+
+De Vloo zou gezegd hebben:
+
+„Eerst moeten wij ze te pakken kunnen krijgen.”
+
+Maar Baxter antwoordde:
+
+„De misdadigers worden allemaal achter slot en grendel gebracht!”
+
+„Neen, neen,” sprak de president, „ik bedoel of die misdadigers ook
+dergelijke boeken lezen?”
+
+„Welneen, dat is onmogelijk,” antwoordde Baxter, „ik kan u bezweren,
+mijne heeren, dat zij dergelijke boeken niet te lezen krijgen. Zulke
+lectuur is in de gevangenisbibliotheek niet voorhanden.”
+
+„Gij begrijpt mij verkeerd,” riep de president uit. „Ik wensch te
+weten, of de gevangenen niet vóór hun arrestatie die boeken hebben
+gelezen en daardoor op het slechte pad zijn gekomen. In de laatste
+verhandelingen van de politiebladen gaven de misdadigers het lezen van
+dergelijke boeken steeds op als verontschuldiging voor hun daden.”
+
+„Dan liegen die kerels,” sprak Baxter, „want nog pas eenige dagen
+geleden vertelde mijn secretaris mij, dat hij tot zijn groote ergernis
+die boeken altijd moest koopen. Geen enkele van de schurken, die
+opgebracht werden, had er een bij zich.
+
+„Ik moet bovendien den geachten voorzitter op dit punt tegenspreken!
+
+„Mijn beambten zijn ontegenzeggelijk nette menschen en lezen toch,
+zooals ik nogmaals moet constateeren, bij voorkeur spannende verhalen.
+In alle bureaux van Scotland Yard vind ik ze.”
+
+„Dat is merkwaardig. Daarvan wisten wij niets,” merkte Sir Harper
+verbaasd op. „Die misstand moet onmiddellijk worden opgeheven,
+inspecteur! Uw beambten moet leerzame en hoogstaande lectuur worden
+verstrekt. Wij zullen u morgen uit onze bibliotheek een groot aantal
+van zulke boeken doen toekomen!
+
+„En om nu op een ander onderwerp over te gaan: door Zijne Hoogheid den
+hertog van Norfolk is de volgende wensch geuit:
+
+„De hertog beveelt om het dorp Sandram in Schotland onder streng
+politietoezicht te stellen, opdat er een eind kome aan de daar
+heerschende ontucht.”
+
+„Wat is daar dan voorgevallen?” vroeg een der leden, die aan het
+ondereind van de tafel zat, waarna alle aanwezigen in een luid gelach
+losbarstten.
+
+„Sir,” antwoordde de president, „weet gij niet, dat uit het dorp
+Sandram alle minnen voor het geheele koninkrijk komen? Hebt gij nog
+nooit een min noodig gehad?”
+
+„Neen, het spijt mij, maar ik ben ongehuwd,” antwoordde het lid der
+Vereeniging.
+
+„Dus,” vervolgde de voorzitter, „het kweeken van minnen, of liever de
+ontucht moet eindigen in dat dorp.”
+
+„Ja, maar,” opperde een der leden, „wat moet men dan doen, als men er
+een noodig heeft in zijn familie?”
+
+Nu stond de hertog op, klemde zijn monocle in de holte van zijn
+rechteroog en sprak langzaam en op plechtigen toon:
+
+„Sir, dan behelpt men zich zonder min. Er zijn, zooveel middelen, welke
+dagelijks worden geannonceerd, dat het ten eenemale overbodig is, een
+kind door een min te laten grootbrengen. Ik verzoek nogmaals de geachte
+vergadering om mijn wensch, de minnen uit te roeien, te willen
+vervullen.”
+
+„Laten wij het voorstel van Zijne Hoogheid in stemming brengen,” sprak
+de voorzitter.
+
+Voor dit doel moesten de leden, die er vóór waren, van hun zetels
+opstaan.
+
+Allen verhieven zich.—
+
+Ook de ongehuwden.
+
+Zijne Hoogheid knikte met een tevreden glimlachje en de voorzitter
+sprak:
+
+„Het voorstel van Zijne Hoogheid is met algemeene stemmen aangenomen.
+
+„Als verder onderdeel onzer besprekingen komen de advertenties in de
+kranten aan de orde en moeten wij een wet in het leven zien te roepen
+om hieraan een einde te maken.
+
+„Geheele pagina’s onzer dagbladen zijn gevuld met afschuwelijke
+onzedelijkheid.
+
+„In de eerste plaats zijn het de advertenties van onze
+gummifabrikanten, verder die betreffende geneesmiddelen voor allerlei
+geheime ziekten, gevolgen van jeugdzonden en dergelijke, in de derde
+plaats de advertenties, waarin men onze dames een schoonen boezem wil
+bezorgen.
+
+„Ik bid u, mijne heeren, werkt niet reeds het woord boezem onzedelijke
+voorstellingen op?
+
+„Men kan gerust aannemen, dat dergelijke aankondigingen verderfelijk op
+onze jeugd werken en aanleiding geven tot allerlei ondeugden.
+
+„Er moest dus voor gezorgd worden, dat door de een of andere wet deze
+advertenties worden verboden en dat de kranten, die ze toch
+publiceeren, met een hooge geldboete of met de gevangenis worden
+gestraft. Ik verzoek u, dit voorstel in stemming te willen nemen”.
+
+Weer stonden alle aanwezigen op.
+
+De president vervolgde:
+
+„Zeer zeker zijn de kranten—uitgezonderd de berichten omtrent het hof
+en de politiek—het verderf van onzen tijd. Alle soorten misdaden, ik
+noem bijvoorbeeld de vergoding van John Raffles— — —”
+
+„Zeer juist!” riep Baxter uit.
+
+De president zag zich genoodzaakt om te herhalen:
+
+„De vergoding van John Raffles. Het beschrijven van allerlei wandaden
+is gevaarlijker dan alle mogelijke sensatieromans, want bij deze
+laatste twijfelt men er aan, of dat, wat men leest, tot de
+mogelijkheden behoort, maar wat in de kranten staat, is helaas
+werkelijkheid.
+
+„Ik bid u, mijne heeren, welken invloed moet het hebben op het karakter
+van een jong meisje van tien jaar, wanneer het des morgens in de
+kranten leest over een vergrijp tegen de goede zeden of op een
+jeugdigen knaap, die op de hoogte wordt gesteld van de intimiteiten uit
+het particuliere leven van de een of andere hooggeplaatste
+persoonlijkheid! Is het niet waar, mijne heeren, dat is een groot
+schandaal, het is publieke onzedelijkheid, welke voor iedereen te lezen
+staat.
+
+„Aan dit alles moet een einde worden gemaakt en daarover wenschte ik te
+beraadslagen.”
+
+De hertog stond op en allen luisterden vol eerbied.
+
+„De oplossing van dit vraagstuk zou heel eenvoudig zijn”, sprak hij,
+„wanneer er geen misdaden meer gepleegd werden.”
+
+„Bravo! bravo!” riepen de aanwezigen, terwijl de spreker weer plaats
+nam.
+
+„Heeft nog iemand zijn oordeel hierover uit te spreken?” vroeg de
+voorzitter en daar niemand het waagde, na den hertog nog iets in het
+midden te brengen, verklaarde de voorzitter het zakelijke gedeelte voor
+afgedaan en gaf tot algemeene vreugde het teeken om te gaan eten.
+
+Met een honger als wolven wierpen allen zich op de voorgediende
+spijzen.
+
+Na korten tijd stond de hertog op en verliet het gezelschap.
+
+Eerst nog had hij Baxter, als hooge onderscheiding, een handdruk
+gegeven en deze voelde zich hierdoor zoo vereerd, dat hij vol diep
+respect naar zijn hand keek.
+
+Nadat de hertog was vertrokken, begon volgens Engelsch gebruik een
+zwelgpartij. Het was reeds na middernacht, toen Baxter, arm in arm met
+den president, het hotel verliet om zich op straat te begeven.
+
+„Gaat gij al naar huis?” vroeg Sir Harper den inspecteur.
+
+„Ik ben gewend”, antwoordde deze, „bijtijds te gaan slapen. Mijn dienst
+is inspannend!”
+
+„Kom!”, lachte de president, „dan maakt gij heden een uitzondering. Ik
+ken hier in de buurt een klein Fransch restaurant, waar uitstekende
+champagne wordt geschonken en waar men zich kostelijk amuseert. Gij
+moet dat leeren kennen.”
+
+„Natuurlijk!” antwoordde de chef van Scotland Yard, „als gij erop
+gesteld zijt, dat ik u vergezel. Ik ben geen spelbreker.”
+
+Zij behoefden niet ver te loopen en gingen van het Strand een kleine
+zijstraat in. Zij bleven staan voor een huis, waaraan in geen enkel
+opzicht te zien was, dat er nog leven in heerschte.
+
+Aan de deur bevond zich een ouderwetsche klopper, dien zij meermalen in
+beweging moesten zetten.
+
+Na eenig wachten werd de deur geopend en een oude man, die er uitzag
+als een kamerdienaar, maakte een buiging en sprak in het Fransch:
+
+„Goeden avond, heeren!”
+
+Daarop gingen zij binnen, terwijl de bediende de deur geruischloos
+achter hen sloot.
+
+Beide heeren ontdeden zich in de deftig ingerichte, met zware tapijten
+belegde voorkamer van hun overjassen en Baxter hoorde het gedempte
+lachen van vrouwenstemmen, het klinken van wijnglazen en de zachte,
+welluidende tonen van een Zigeunerkapel.
+
+Baxter keek verbaasd om zich heen, wat de president zag.
+
+„Ja, ziet gij, mijn waarde”, sprak deze, terwijl hij voor een der
+spiegels zijn haar in orde maakte, dat zich uiterst spaarzaam op zijn
+spiegelgladden schedel vertoonde, „telkens na zulk een vermoeiende
+vergadering voel ik er behoefte aan, mij een kleine afleiding te
+gunnen. Ik verzeker u, dat gij u heerlijk zult amuseeren in dezen
+kleinen tempel.”
+
+Hij nam Baxters arm, de kamerdienaar, die eerbiedig bij een met
+Perzische gordijnen versierde deur stond, sloeg de portières terug,
+opende een kleine vleugeldeur en beide heeren traden een salon binnen.
+
+Daar wachtte een andere bediende, die ook een buiging maakte en hun
+tegelijkertijd een zilveren blad voorhield.
+
+„O, drommels”, mompelde Baxter, „ik heb geen visitekaartje bij mij.”
+
+De president lachte.
+
+„Een visitekaartje? Neen, mijn waarde, dat is ook niet noodig, maar een
+bankbiljet van een pond. Mocht gij er geen bij u hebben, dan ben ik
+bereid, u er aan te helpen.”
+
+Terwijl de inspecteur zijn portefeuille te voorschijn haalde om het
+verlangde geld op het blad te leggen, fluisterde hij:
+
+„Tot welk doel betaalt men hier?”
+
+„Dat zult gij dadelijk in de zaal wel zien. Ik verzeker u, mijn beste
+heer, dat het er heerlijk is.”
+
+Hij trok Baxter met zich mee.
+
+De portière van een tweede deur werd weggeslagen, een vleugeldeur
+geopend en beide heeren traden een schitterend verlichte zaal binnen,
+waar bij de muziek van een kleine kapel verscheiden paren dansten,
+terwijl rondom aan de muren uit een menigte nissen het vroolijke lachen
+en schertsen van dames en heeren weerklonk.
+
+Overal brandden roode lampen en stonden rijk bekleede fauteuils.
+
+Eenige der intiemste plekjes waren door blauw fluweelen gordijnen aan
+de blikken der gasten onttrokken, andere waren half of gedeeltelijk
+geopend en Baxter zag daarin alleenzittende dames, die hem met haar
+waaier wenkten en hem allerliefst toelachten.
+
+De president scheen hier een bekende persoonlijkheid te zijn.
+
+„Er moeten hier een paar nieuwelingen zijn”, fluisterde hij den
+inspecteur toe. „Luister naar mijn raad en neem niet een der oudjes.
+Ziet gij daarginds dat kleine zwartje, dat is een nieuwe. Hoe vindt gij
+haar? Of houdt gij meer van blondines met rijpere vormen?”
+
+Baxter wist van verbazing niet wat hij zou antwoorden.
+
+Zonder dat hem verder iets werd gevraagd, schoof de president hem naar
+een dame en sprak:
+
+„Lady, het zal dezen heer een genoegen zijn, met u te soupeeren.”
+
+Hij zelf verdween in een der nissen.
+
+Toen de inspecteur vele uren later in een cab naar huis reed, had hij
+zooveel champagne gedronken, dat hij in de beste stemming zachtjes zong
+en eerst toen hij thuis was, herinnerde hij zich, dat hij om 6 uur des
+morgens dienst had en dat het nu tien minuten vóór 5 was.
+
+Zoo goed als het hem mogelijk was, trok hij zijn frack uit en kleedde
+zich in zijn dienstjas.
+
+In hetzelfde rijtuig, dat hem naar huis had gebracht, liet hij zich
+naar het hoofdbureau van politie brengen.
+
+De Vloo had juist een kopje morgenkoffie voor zich staan en een pijpje
+gestopt, toen Baxter binnentrad. Hij had moeite, op de been te blijven
+en liep waggelend naar zijn schrijftafel.
+
+„Wel, inspecteur”, riep de Vloo lachend, „waar komt gij vandaan?”
+
+„Gij moet mij vervangen”, stotterde zijn chef met moeite. „Gij weet
+immers, dat ik vergadering had van de Vereeniging voor ontucht van
+minnen en gummi-artikelen—en—en—en— — —”
+
+Marholm lachte luidkeels, maar antwoordde niet.
+
+„Ik zal u later alles vertellen...... voorloopig moet ik slapen, mijn
+lieve Marholm.”
+
+Hij liet zich door de Vloo naar de kleine kamer naast het bureau
+brengen, waar een lederen sofa stond en nauwelijks lag hij, of hij
+sliep ook al.
+
+Marholm echter sprak tot zichzelf:
+
+„Jammer, dat John Raffles den inspecteur van politie niet heeft gezien;
+wat zou hij een pret hebben gehad!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+HET KLAVERBLAD VAN VIER.
+
+
+Lord Edward Lister, of, zooals hij zichzelf noemde, John C. Raffles,
+was juist met zijn vriend Charly Brand, die reeds verscheiden jaren
+zijn assistent was en den Grooten Onbekende als zijn meester
+beschouwde, van een Europeesche reis naar Londen teruggekeerd.
+
+De deftige kleine villa in Hydepark, welke hij onder den naam van baron
+Walkerfield had gehuurd en volgens zijn smaak op voorname manier
+ingericht, was door den kamerdienaar, den ouden Joe, op voorbeeldige
+wijze onderhouden.
+
+Met een verheugden glimlach had hij zijn heer ontvangen, die zich
+gedurende verscheiden weken in Parijs had opgehouden.
+
+„Nu zijn wij weer thuis, mijn jongen”, sprak John Raffles tot Charly
+Brand. „Ik moet je eerlijk bekennen, dat ik altijd, als ik eenige
+maanden uit Londen weg ben geweest, heimwee naar onze stad krijg met
+haar rustelooze menschenmassa.”
+
+Charly Brand zette een nadenkend en zeer ontevreden gezicht.
+
+„Ik moet zeggen”, sprak hij, een sigaret aanstekende, „dat ik altijd
+verlang naar den dag, waarop je mij mededeelt, dat wij Londen gaan
+verlaten. Ik sidder op dezen bodem, die altijd gevaar voor jou
+oplevert.”
+
+John Raffles lachte vroolijk.
+
+„Je bent toch niet bang voor inspecteur Baxter?”
+
+Hij nam zijn sigarettenkoker en stak er ook een aan. „Mijn beste
+jongen, die krenkt mij geen haar. Hij is blij, dat ik hem niets doe.”
+
+„Wie weet”, antwoordde Charly, „misschien heeft hij je met opzet
+jarenlang van een zekere veiligheid laten genieten om er zich op een
+goeden dag, als hij ze gevangen heeft genomen, op te kunnen beroemen,
+dat het alleen hem, den alom gevreesden inspecteur Baxter van Scotland
+Yard, is gelukt, om jou den genialen amateur-roofridder, eindelijk
+onschadelijk te maken.”
+
+„Geloof je dat werkelijk, mijn beste, jongen?” vroeg zijn vriend. „Ik
+verzeker je, zoolang als ik op kalme wijze mijn eigenaardige sport
+blijf uitoefenen, is mijn beroep absoluut ongevaarlijk. Alleen dan
+wordt het een halsbrekend bedrijf, als ik lichtzinnig ga handelen.
+
+„Dan gebeurt mij precies hetzelfde als dat elken zakenman of burger
+passeert: ik ga over den kop!”— —
+
+John Raffles nam, nadat hij deze woorden had gezegd, aan de groote
+empire-schrijftafel plaats en begon een mededeeling te schrijven aan
+zijn club, waarvan hij lid was, eveneens onder dien naam van baron
+Walkerfield, dat hij weer van zijn reis was teruggekeerd.
+
+Charly Brand had zich intusschen met de kranten bezig gehouden, welke
+juist door den kamerdienaar waren gebracht en las de nieuwstijdingen.
+
+Toen zijn vriend den brief af had, belde hij en gaf een kamerdienaar
+den brief ter bezorging.
+
+Daarop nam ook hij de kranten en vroeg of Charly iets interessants had
+gevonden.
+
+„Steeds hetzelfde,” antwoordde deze, „dezelfde misdaden, dezelfde
+ongelukken, dezelfde sportberichten. Alleen de namen der persoonen
+veranderen. Er is niet veel nieuws onder de zon.”
+
+„Stop!” riep Raffles. „Jij bent nog een onervaren jongmensch, mijn
+lieve Charly. Er is een groote massa nieuws, waarvan wij soms niet het
+flauwste vermoeden hebben.”
+
+Hij bladerde daarna de kranten door en sprak daarop, met een blik op
+het blad, dat Charly in de hand hield:
+
+„Je hebt daar zeker het blad, waarin de nieuwtjes staan uit de
+Londensche hoogere kringen. Geef het mij eens.”
+
+Charly Brand blies met aandacht den rook van zijn sigaret in de lucht,
+nadat hij zijn vriend het nieuwsblad had gegeven, en sprak:
+
+„Je bent een eigenaardig mensch, lieve Edward; ieder ander leest eerst
+het werkelijk interessante, wat er in de wereld voorvalt:
+politiek—eventueele oorlogsberichten en dergelijke. Jij daarentegen— —”
+
+„Wees maar gerust”, viel John Raffles hem in de rede. „Je jeugd speelt
+je alweer parten. Ik verzeker je, mijn jongen, deze schijnbaar droge
+berichtjes, die mij vertellen, dat lord X met de dochter van den
+Amerikaanschen beurskoning Smith uit Chicago is getrouwd, of dat
+mevrouw v. Z. een eisch tot echtscheiding heeft ingediend tegen haar
+echtgenoot, of dat de eigendommen van den Schotsen baron Y. zijn
+verkocht—al die berichten zijn voor mij veel interessanter dan wat de
+kranten verder op uitvoerige wijze hun lezers vertellen. Dat, wat jij
+daar leest is voor de alledaagsche groote massa.
+
+„Maar deze klein gedrukte mededeelingen zijn de werkelijk groote
+treurspelen, welke in het geheim worden opgevoerd.
+
+„Toe, stoor mij nu eens een oogenblik niet.”
+
+Hij nam de krant en begon te lezen.
+
+Nauwelijks had hij een paar seconden lang de berichten doorgekeken, of
+hij liet plotseling het blad vallen en brak los in een luid gelach.
+
+Charly Brand sprong verschrikt op en liet zijn sigaret vallen.
+
+„Wat is er, Edward? Je doet mij werkelijk schrikken!”
+
+„Neen maar, het is kostelijk, lieve Charly!” riep John Raffles uit. „O,
+wat ik hier heb gelezen— —Je moet dit bericht uitknippen.”
+
+„Allright!” sprak Charly Brand. Hij hield namelijk reeds jarenlang als
+secretaris van zijn vriend een archief bij, waarin hij alle berichten
+uit de kranten verzamelde, evenals alle mogelijke mededeelingen en
+opmerkingen, welke op eenigerlei wijze betrekking hadden op Raffles en
+welke hij alle zorgvuldig registreerde.
+
+John Raffles had het bericht nogmaals gelezen en lachte opnieuw.
+
+„Zou je mij niet willen vertellen,” vroeg Charly Brand, „waarom je zoo
+vroolijk bent? Je schijnt buitengewoon veel plezier te hebben.”
+
+„Zeker,” lachte John Raffles. „Alleen de Engelsche natie bezit zulke
+grappenmakers, zulke komieke lui, onze Falstaffs, zooals Shakespeare ze
+heeft geteekend.
+
+„Een type daarvan is onze politie-inspecteur Baxter!
+
+„Luister eens, wat hier staat: De Vereeniging ter bevordering der goede
+zeden in Engeland vierde eergisteren in hotel Cecilia haar tienjarig
+bestaan— —mooi, he?”
+
+Charly Brand antwoordde glimlachend:
+
+„Ik heb nog nooit iets gehoord van het bestaan eene dergelijke
+vereeniging.”
+
+„Ik ook niet,” antwoordde Raffles, „en ik had ook nu misschien nog
+niets erover gelezen, wanneer een naam mijn aandacht niet had
+getrokken.
+
+„Deze naam is het grappige van de geschiedenis.
+
+„Luister naar hetgeen hier verder staat:
+
+„Op den feestavond, waaraan ook werd deelgenomen door den beschermheer
+der Vereeniging, den hertog van Norfolk, werd door den president Sir
+Edwin Harper, den nieuwen tweeden voorzitter der Vereeniging
+geïnstalleerd: den inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard— —
+—”
+
+Nu barstte ook Charly Brand in een luid gelach uit, waar zijn vriend
+opnieuw mee instemde.
+
+Daarop riep deze uit:
+
+„Dat is een mop, zooals men geen betere kan uithalen in de Vereenigde
+Koninkrijken! Men moet Baxter zoo goed kennen als wij, om de
+geestigheid, die in deze keus ligt opgesloten, te snappen.
+
+„Deze drinker, om niet te zeggen zuiper, deze Don Juan, deze man, voor
+wien deugd eenvoudig niet bestaat— — —die troont nu als president aan
+het hoofd van een vereeniging ter bevordering van deugd en
+zedelijkheid.
+
+„Mijn hemel, wat een prachtige geschiedenis! Laat ons verder lezen!
+
+„Luister:
+
+„De Vereeniging nam voor het nieuwe jaar de volgende werkzaamheden op
+zich:
+
+„Het indienen van een wetsvoorstel betreffende afschaffing der
+onzedelijke advertenties, verscherping der theatercensuur en— — —”
+
+John Raffles moest plotseling naar lucht happen en riep, terwijl dikke
+tranen van het lachen over zijn wangen rolden:
+
+„Charly, Charly, de minnen zullen worden afgeschaft! De minnen zijn
+onzedelijk! Heb je ooit dergelijken nonsens gehoord? Deze mop is bijna
+even goed als die, om Baxter te benoemen tot president der Vereeniging—
+— —”
+
+„Hoe kan het mogelijk zijn geweest, dat men hem voor een dergelijke
+functie uitkoos?” vroeg Charly Brand.
+
+Raffles dacht even na en sprak:
+
+„O, ik geloof, dat die oplossing heel eenvoudig is! Baxter is immer
+onze theater-censor en zorgt er, in die hoedanigheid, al sinds jaren
+voor, dat wij op het tooneel zoo weinig mogelijk gemeenheden te hooren
+en te zien krijgen.”
+
+„Och,” antwoordde Charly Brand, „daar mankeerde het anders niet aan. Ik
+herinner mij nog, een paar maanden geleden in een onzer schouwburgen
+dingen gezien en gehoord te hebben, die iemand een blos van schaamte op
+de kaken tooveren.”
+
+„Nu ja,” antwoordde Raffles, „de directeuren zullen wel over de brug
+zijn gekomen om toestemming te krijgen, hun stukken op te voeren.—Ja,
+ik herinner mij zelfs, dat de inspecteur een liaison had met een dame,
+die verbonden was aan een onzer voornaamste variété-theaters.
+
+„Maar dit heeft natuurlijk niets met zedelijkheid of deugd te maken.
+
+„Doch nu genoeg.
+
+„Kleed je aan en laat ons een wandeling in ons geliefde Londen gaan
+maken. Ik verheug er mij op, door de straten te flaneeren!”
+
+„Het is nog een beetje vroeg,” sprak Charly Brand.
+
+„Je hebt gelijk!” knikte zijn vriend. „Wij kunnen nog wachten totdat
+het tijd wordt voor de schouwburgen. Ik stel je voor om den avond door
+te brengen in het Lyceum-theater en daarna op echt Engelsche wijze
+ergens te gaan eten.”
+
+Voordat Raffles zijn woning verliet, voorzag hij zich, daar sinds zijn
+laatste zaakje zijn uiterlijk bekend was geworden, van een baard.
+
+Tot dat doel begaf hij zich naar een cabinet naast zijn slaapkamer,
+waarin een groote drie dubbele spiegel stond, welke van den vloer tot
+aan het plafond van de kamer reikte.
+
+Daarvoor waren electrische lichten aangebracht, zoodat de Groote
+Onbekende, als hij voor den spiegel stond, elke lijn van zijn gelaat
+kon onderscheiden.
+
+Aan den eenen kant van de kamer stond een groote kast, die uit
+verschillende deelen bestond en waarin costuums werden bewaard. Als
+deze geopend was, meende men, een theatergarderobe voor zich te zien.
+
+Aan den anderen muur bevonden zich langwerpige kasten, waarin allerlei
+soorten schmink en gummimaskers lagen. Verder bevonden zich daarin
+allerlei baarden.
+
+De Groote Onbekende overlegde een tijdlang, voordat hij besloot, welke
+verkleeding hij zou kiezen. Daarop ging hij naar de kast en nam het
+costuum van een voornaam Chinees eruit.
+
+Dit had hij met veel andere zaken van zijn laatste reis meegebracht en
+er viel niet aan de echtheid te twijfelen.
+
+Zelfs de naphtalinelucht, die gewoonlijk aan dergelijke kleeren hangt,
+ontbrak niet.
+
+Met de uiterste zorgvuldigheid trok Lord Lister het costuum aan en
+vergat zelfs de daarbij behoorende onderkleeren niet. Daarop trok hij
+de vilten schoenen aan, die er bij pasten en begon zich te schminken.
+
+Daar zijn huid van nature bruin was en door de laatste zeereis nog
+donkerder dan gewoonlijk was geworden, had hij in het geheel geen
+schmink noodig, maar maakte alleen met een zwarte kleurstof zijn
+wenkbrauwen iets langer, zoodat hierdoor de stand der oogen schijnbaar
+een andere werd.
+
+Daarop nam hij een in goud gevatten bril, die aan zijn gelaat het
+uiterlijk gaf van een Chineesch geleerde.
+
+Ten slotte zette hij het in China gebruikelijke zwartzijden mutsje op,
+waaraan een zwarte staart was bevestigd. Daarop stak hij aan zijn
+vingers eenige ringen, nam een waaier in de hand en verliet door een
+zijdeur het cabinet.
+
+Langs een kleine trap kon hij in de gang van het huis komen, zonder de
+studeerkamer, waarin Charly Brand zich bevond, door te gaan.
+
+Toen de Groote Onbekende in de gang stond, opende hij zacht de deur en
+belde. Er verliep eenige tijd, daarop werd hem door den ouden
+kamerdienaar Joe opengedaan.
+
+John Raffles amuseerde zich over het verbaasde gezicht, waarmee de
+trouwe bediende hem aankeek.
+
+Nauwkeurig het neusgeluid van een voornamen Chinees nabootsend, sprak
+Lord Lister:
+
+„Ik zij een goed vriend van uw heer baron Walkerfield. Mijn naam is
+Su-Ki-Bit-Wou-Wang. Hier mijn kaartje.”
+
+De bediende nam het kaartje, dat de Chinees hem overhandigde en
+antwoordde:
+
+„Ik kan niet zeggen, Mr. Su-ki Bat Bung”— —
+
+„Su-Ki-Bit-Wou-Wang”, verbeterde Raffles op nasalen toon.
+
+De oude, welopgevoede man sprak:
+
+„Pardon, Sir, de naam is wel een beetje lang en tamelijk moeilijk voor
+mij.”
+
+„O,” sprak Raffles, „wij hebben in China nog veel langere namen. Dit is
+maar een heel kleine.”
+
+„Ik zal eens hooren,” antwoordde de kamerdienaar met een buiging, „of
+mijnheer de baron u kan ontvangen.”
+
+„O,” zei Raffles, „hij zijn een goed vriend— —ik met u mee ga. Hij zeer
+blij zal zijn, wanneer hij mij ziet.”
+
+Joe wist niet, wat hij moest doen. Maar daar het bezoek zeker geen
+onaangenaamheden voor zijn heer kon hebben, stond hij toe, dat de
+Chinees hem vergezelde.
+
+Charly Brand sprong verschrikt uit zijn fauteuil op, toen de
+kamerdienaar met den Chinees binnentrad.
+
+„Pardon, Mr. Brand,” sprak de bediende, „deze gentleman zegt, dat hij
+een goed vriend van mijnheer den baron is en dat mijnheer zeer verheugd
+zal zijn hem te zien.”
+
+„Ja,” bevestigde Raffles met onuitstaanbaar neusgeluid en met een
+vreeselijk accent, „hij heel blij zal zijn, mij te zien. Wij veel te
+zamen beleefd hebben in Peking.”
+
+De kamerdienaar ging heen en de secretaris maakte een beleefde buiging
+voor den Chinees en sprak:
+
+„Mijn naam is Brand. Ik ben de vriend en vertrouwde van baron
+Walkerfield!”
+
+„O, ik dat weten!” antwoordde de Chinees. „Heeft dikwijls de baron
+verteld van zijn vriend.”
+
+„Zeer vleiend voor mij,” sprak Charly. „Mag ik vragen met wien ik de
+eer heb?”
+
+„Zeer goed,” antwoordde de Chinees, „men mij noemen
+Su-Ki-Bit-Wou-Wang”.
+
+Charly Brand maakte weer een buiging. Hij had al het andere verstaan,
+alleen den naam van den vermeenden bezoeker niet.
+
+Hij wees met zijn hand naar een fauteuil en verzocht:
+
+„Wees zoo goed, plaats te nemen, Sir, totdat mijn vriend komt. Ik
+verwacht hem oogenblikkelijk.”
+
+„Ik zal wachten,” antwoordde de Chinees, terwijl hij plaats nam.
+
+Charly Brand zag, dat de vreemdeling oplettend in de kamer rondkeek.
+
+Na eenige minuten van het diepste stilzwijgen sprak de Chinees:
+
+„Gij wonen zeer mooi hier in Londen. Ik had niet gedacht in China, dat
+men hier zooveel als bij ons bij elkaar kon stelen.”
+
+Pats!— — —
+
+De stoel, waarop Charly Brand zat, werd minstens een halven meter
+achteruitgeschoven.
+
+Met groote oogen staarde Charly Brand den zoon van het Hemelsche Rijk
+aan.
+
+Was de kerel gek of wat bezielde hem?
+
+Waarschijnlijk kende hij niet genoeg Engelsch en bedoelde hij een ander
+woord voor „stelen”.
+
+„Gij staat mij zeker toe, Sir, dat ik u verbeter. De meubelen zijn niet
+gestolen, maar gekocht.”
+
+„Ik weten alles,” glimlachte de Chinees. „De meubelen gekocht zijn,
+maar het geld, dat ervoor noodig, zijn gestolen.”
+
+„Sir!” stoof Charly Brand op, „gij bevindt u in het huis van een
+gentleman, van een baron!”
+
+De Mongool glimlachte geheimzinnig en sprak door zijn neus:
+
+„Ik weten alles! Ik zelf dief ben en gij klein diefje zijn. Gij nog
+niet geslepen genoeg zijn!”
+
+De jonge man wist niet of de grond links of rechts onder hem draaide.
+Hij begreep niets van dien geheimzinnigen bezoeker en wist niet, wat
+hij moest doen. Zenuwachtig keek hij naar den Chinees, die was
+opgestaan en uit een sigarettenétui, dat Raffles had laten liggen, een
+sigaret nam.
+
+Op zijn gemak begon hij te rooken en bekeek onderwijl het kostbare, met
+diamanten en robijnen bezette étui.
+
+Charly Brand werd bleek van schrik, toen de Chinees met zijn vervelend
+geluid sprak:
+
+„Zeer schoon étui, ik zulk werk mooi vinden en meenemen.”
+
+Op hetzelfde oogenblik had hij het étui in een der zakken van zijn wijd
+bruinzijden overkleed laten glijden.
+
+Nu werd het den secretaris al te erg. Hij ging naar den Chinees toe,
+legde zijn hand op diens arm en sprak:
+
+„Ik hoop, Sir, dat gij schertst. Het étui moogt gij u niet toeëigenen.”
+
+„O, waarom niet?” vroeg de Chinees op kalmen, onverschilligen toon. „Uw
+vriend, Mr. Raffles, kunnen zich immers een nieuw stelen.”
+
+De jonge man greep den arm van den Chinees met ijzeren vuist beet en
+trachtte hem het étui met de vrijgebleven hand weer uit den zak te
+halen.
+
+„Laat mij los!” klonk het dreigend terug, „of gij kunnen vliegen als
+een elastieken bal in den hoek.”
+
+„Vervloekt!” schreeuwde Charly Brand, „een dergelijke brutaliteit heb
+ik nog nooit beleefd. Geef het étui terug of ik neem het met geweld.”
+
+In het volgende oogenblik echter vloog hij als een voetbal midden door
+de kamer en viel in een hoek op het tapijt neer.
+
+Maar als een kat sprong hij weer op, haalde een Browningpistool uit
+zijn zak te voorschijn en hield dat den Chinees dreigend voor.
+
+„Geef het ding terug of ik schiet!”
+
+„Gij zijt weinig beleefd,” sprak de Mongool, kalm doorrookend.
+
+„Hoe komt gij ertoe om mij nog te sarren, nu gij u eerst op een manier
+hebt gedragen, die u werkelijk het recht beneemt, een ander te
+critiseeren? Gij steelt het étui van mijn vriend, gij gooit mij als een
+elastieken bal in den hoek en zegt dan nog tegen mij, dat ik niet
+beleefd genoeg ben tegenover u.”
+
+Daar barstte de Chinees plotseling in een luid gelach uit. Charly Brand
+keek verbaasd op, want dit lachen kwam hem buitengewoon bekend voor.
+
+En nu klonk, inplaats van het neusgeluid van den bezoeker de welbekende
+stem van zijn vriend, die uitriep:
+
+„Steek die proppenschieter weer in je zak, mijn beste jongen. Ik heb
+maar eens willen zien, of mijn vermomming onberispelijk is. Ik zie, dat
+het in orde is en dat jij noch Joe mij hebben herkend!”
+
+„Ben je het werkelijk?” vroeg Charly Brand en liep aarzelend, nog
+steeds het wapen in de hand houdend, naar Raffles toe.
+
+„Ja, ik ben het werkelijk!” herhaalde deze, „en ik ben blij, dat ik
+zulk een schitterend succes had als Su-Ki-Bit-Wou-Wang.”
+
+„Ongelooflijk!” sprak Charly, „wat zou jij een groot tooneelspeler zijn
+geworden, Edward!”
+
+„Mijn lieve Charly, om een groot tooneelspeler te zijn, is het
+noodzakelijk, dat men op de planken staat en beschilderde coulissen van
+linnen als milieu heeft. Ik ben van meening, dat men in het werkelijke
+leven een veel grooter acteur moet zijn, als men succes wil hebben.
+
+„Doch maak je nu gereed en steek je in de uniform van een
+gardeluitenant, dan gaan wij—”
+
+Een half uur later verliet het tweetal in een cab de woning van Lord
+Lister om zich naar den schouwburg te begeven.
+
+De Londenaren, die gewend zijn, vreemdelingen te zien, keken gedurende
+de voorstelling toch vol belangstelling naar den Chinees, die naast een
+gardeluitenant in een loge dichtbij het tooneel zat.
+
+John Raffles interesseerde zich intusschen het meest voor een zijloge,
+waarin een zwartharige dame zat met fonkelende oogen, die blijkbaar in
+de beste stemming den naast haar zittenden gentleman pikante dingen in
+het oor fluisterde, waarover deze, zonder op zijn omgeving te letten,
+luidkeels lachte.
+
+„Wie is die dame? Ken je haar?” vroeg Charly Brand op zachten toon.
+
+„Ja!” sprak de Chinees door zijn neus. „Het is een der sterren van ons
+Drury Lane theater, Miss Martha Raabe.”
+
+„En wie is de heer, die naast haar zit?”
+
+„Ik heb haar den naam een paar keer hooren noemen. Dat is de beroemde
+Edwin Harper, de voorzitter der Vereeniging ter bevordering der goede
+zeden. Daar ontbreekt Mr. Baxter nog maar aan om een waardig klaverblad
+te vormen.”
+
+„Het zou ook een klaverblad van vieren kunnen worden,” sprak Charly
+Brand, „als Baxter ook met een dame kwam!”
+
+Op dit oogenblik ging de deur open en—politie-inspecteur Baxter trad
+binnen in smoking, met een roode anjer in het knoopsgat, terwijl aan
+zijn arm zweefde een slanke sylphide met eigenaardige roodblonde
+krulletjes, een brutaal wipneusje en met zulke slanke vormen, dat zij
+veel overeenkomst vertoonde met een Engelsche rijzweep.
+
+Ook zij was buitengewoon vroolijk, klopte den inspecteur voortdurend op
+den schouder en noemde hem „mijn dikkertje”, terwijl hij haar teeder
+met „schatje” aansprak.
+
+Mr. Harper begroette haar met een vertrouwelijk lachje en hij sprak met
+zijn dikke stem:
+
+„Goeden avond, Miss Hansch.”
+
+Daarop wendde hij zich tot Baxter, dien hij reeds met jij en jou
+aansprak:
+
+„Zeg eens, doe mij het genoegen, hier naast mij te komen zitten, opdat
+Martha niet meer naar die loge daar kan kijken, waar die vervloekte
+Chinees zit. Zij stelt, geloof ik, veel te veel belang in de
+slangenoogen van dien kerel.”
+
+„Allright,” antwoordde de inspecteur en nam op den aangewezen stoel
+plaats, zoodat zijn arm dien van Raffles bijna aanraakte.
+
+De tooneelspeelster met de zwarte schitteroogen sprak op eenigszins
+beleedigden toon:
+
+„Je maakt je belachelijk, Edwin, denk je heusch, dat ik verliefd zal
+worden op een Chinees?”
+
+De slanke Miss Hansch lachte spottend en sprak:
+
+„Nu, hoor eens, jij doet precies alsof Mr. Harper knapper was dan de
+Chinees. Ik denk, dat wij het eerst verliefd worden op den persoon, die
+het meeste geld heeft.”
+
+De gentleman wierp haar een woedenden blik toe, dien zij met een
+brutaal lachje beantwoordde.
+
+Daarop sprak hij:
+
+„Wel, als het op het meeste geld aankomt, dan denk ik mij wel met den
+Chinees te kunnen meten. Ik heb Miss Martha vandaag 1000 pond sterling
+gegeven.”
+
+De oogen van Miss Hansch fonkelden van hebzucht, toen zij die hooge som
+hoorde noemen.
+
+„Is dat waar, Martha?” vroeg zij op spijtigen toon.
+
+„Natuurlijk,” antwoordde deze, „waarvoor is hij anders bankier?”
+
+Daarop wendde Miss Hansch zich tot Baxter met de woorden:
+
+„Heb je gehoord, hoe netjes je vriend zich tegenover mijn vriendin
+heeft gedragen?”
+
+De inspecteur knikte toestemmend en sprak:
+
+„Zeker, mijn kind, hij is bankier en heeft het geld er voor!”
+
+„Och kom,” lachte het meisje spottend, „met de bankiers is het lang
+niet altijd zuiver spel. Ik heb al verscheiden van hen uit Londen zien
+verdwijnen, nadat zij den armen menschen hier hun geld afhandig hadden
+gemaakt.
+
+„Ik moet ook zoo eentje zien te vinden.
+
+„Jij bent gierig. Welk beroep heb je eigenlijk?”
+
+De inspecteur van politie, die de kleine actrice pas sinds een paar
+dagen kende, durfde haar zijn werkelijke betrekking niet noemen en daar
+hij niet wist, wat hij zou antwoorden, sprak hij:
+
+„Ik ben president!”
+
+Beide dames keken hem met scherpe blikken aan, daarop sprak Miss
+Hansch:
+
+„Wat voor een soort van president?”
+
+„Dat komt er niet op aan,” antwoordde Baxter.
+
+„Ja,” lachte Harper, „als je dat zoudt hooren, zou je vreeselijk
+schrikken en misschien hard wegloopen.”
+
+„Zoo?” lachten zij beiden, „is hij misschien president van de
+rechtbank?”
+
+„Och, vraag toch niet verder,” weerde Baxter af, „kijkt nu naar de
+voorstelling en dan gaan wij soupeeren.”
+
+„Zeg”, vroeg Miss Raabe haar vriendin, „heb jij wel eens een verhouding
+gehad met een Chinees?”
+
+„Neen,” antwoordde de andere, „jij?”
+
+„Ik zou het graag eens willen,” antwoordde Miss Raabe. „Als men dan
+valsch haar noodig heeft, neemt men er doodeenvoudig de vlecht van den
+Chinees bij! die zou verrukkelijk bij mijn haar passen.”
+
+„Houdt op met die flauwe aardigheden!” riep Harper uit, „jelui bent
+niet erg beleefd. Sinds ik je vandaag dat geld heb gegeven, schijn je
+te denken, dat je mijn vriendschap niet meer noodig hebt.”
+
+Miss Raabe lachte.
+
+„Wat is 1000 pond!” sprak zij. „Ik had verleden jaar een vereerder, met
+wien ik in Monte Carlo en Nizza ben geweest, die heeft mij zijn geheele
+vermogen vermaakt.”
+
+„En wat is er van dien man geworden?” vroeg Baxter.
+
+„Hetzelfde, wat ik met het geld deed. Beide gingen aan den rol. Hij is
+nu ergens in Amerika als glazenwasscher.
+
+„Maar dezen keer ben ik verstandiger. Ik laat het geld niet weer door
+mijn vingers gaan en als ik 10.000 pond bij elkaar heb, ga ik stil
+leven als een voorname dame.”
+
+„Wel”, knikte de bankier, „die 10,000 pond zal je wel gauw bij elkaar
+hebben. Van mij alleen heb je tot dusverre 7000 gehad.”
+
+„7000 pond? Drommels, dat is veel geld!”
+
+„Hij heeft het er immers voor,” lachte het meisje, „hij is immers
+bankier!”
+
+Bij die woorden maakte zij de beweging van iemand, die geld wegneemt,
+zoodat de drie anderen lachten.
+
+„Een net klaverblad,” fluisterde Charly Brand, wien geen woord van het
+gevoerde gesprek was ontgaan.
+
+Zijn vriend knikte toestemmend.
+
+Toen John Raffles den schouwburg verliet, sprak hij tot Charly Brand:
+
+„Mijn beste jongen, wil je wel gelooven, dat men Londen werkelijk een
+dienst bewees, wanneer men die Vereeniging ter bevordering der
+zedelijkheid eens ging ontleden?
+
+„Die Vereeniging moet ontbonden worden, men moet de leden ontmaskeren.
+
+„Men walgt letterlijk, als men bedenkt, dat dit de mannen zijn, die
+zedepreeken houden voor het volk. Met deze beide broeders moet ik mij
+nader bezighouden.”
+
+Daarop gingen zij soupeeren en reden al vroeg naar huis terug.
+
+Voordat de Groote Onbekende zich ter ruste begaf, sprak hij:
+
+„Ik heb een schitterend plan gemaakt en zal voorloopig als Chinees in
+Londen leven.
+
+„Onthoud goed mijn naam: Su-Ki-Bit-Wou-Wang!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+SU-KI-BIT-WOU-WANG IN DE KAST.
+
+
+Het was den volgenden morgen tegen tien uur, toen bij bankier Harper,
+die een kleine zaak had in de Regentstreet, de boekhouder een kaartje
+afgaf, dat de bankier eenige seconden bekeek.
+
+Eindelijk spelde hij: Su-Ki-Bit-Wou-Wang.
+
+Een vage voorstelling van een Chinees, die den vorigen avond in een
+loge naast hem had gezeten, vloog door zijn hoofd.
+
+Tegelijkertijd kwam een gevoel van jaloerschheid in hem op, daar zijn
+geliefde, Miss Raabe, te veel belang in den Mongool had gesteld.
+
+Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij den man zou ontvangen of niet
+en besloot toen tot het eerste.
+
+„Su-Ki-Bit-Wou-Wang!” stelde de Chinees zich voor in zijn nasaal
+Engelsch, toen hij tegenover Harper stond.
+
+„Ik komen uit Peking.”
+
+De bankier fronste de wenkbrauwen en wierp den bezoeker een niet zeer
+vriendelijken blik toe.
+
+Het was werkelijk de man, aan wien hij zich in den schouwburg had
+moeten ergeren.
+
+„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij op korten toon. „Het is beurstijd
+en ik heb het zeer druk.”
+
+„O, dat niets hindert,” sprak de Chinees. „Bij ons in Peking wij doen
+alle zaken gedurende de beurs. Wij daar hebben veel tijd!”
+
+„Dat is best mogelijk,” antwoordde Harper. „Wij in Londen hebben zeer
+weinig tijd. Zeg mij in korte woorden wat gij wenscht!”
+
+De zoon van het Hemelsche Rijk maakte een buiging en sprak:
+
+„Ik vernemen, dat gij president van de schoone Vereeniging der
+bevorderde zedelijkheid en deugd. Ik zou willen verzoeken, als
+vreemdeling, in de Vereeniging te worden opgenomen.”
+
+„Dan moet gij u tot den tweeden voorzitter wenden,” antwoordde Harper
+onvriendelijk. „Hij moet voor dergelijke dingen zorgen.”
+
+„Hoe heeten de tweede president?”
+
+„Politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard.”
+
+„Ik dank u zeer, maar ik niet weten de adres van dezen man. Ik u
+verzoeken, mij eenige regels voor dien man mee te geven.”
+
+Harper, die blij was, dat hij den onwelkomen bezoeker zoo gauw mogelijk
+weer kwijt raakte, nam een blad papier, schreef het adres en een paar
+woorden erop, met verzoek aan Baxter om den Chinees voor het volgende
+diner der Vereeniging, dat weer op Donderdag in hotel Cecilia gehouden
+zou worden, een uitnoodigingskaart te verstrekken.
+
+Met veel buigingen ging de Chinees heen en Harper begaf zich naar de
+beurs.
+
+Hij speculeerde den laatsten tijd op zeer twijfelachtige wijze om te
+trachten zijn inkomsten te vermeerderen, daar, ten gevolge van zijn
+levenswandel, zijn kas zeer gedund was.
+
+De Chinees was intusschen naar het hoofdbureau van politie gegaan en
+verwekte daar groot opzien bij de beambten.
+
+Baxter was juist in het bureau gekomen en daar hij zware hoofdpijn had
+wegens te weinig slaap, trachtte hij zijn slechte bui te koelen op zijn
+secretaris Marholm.
+
+Deze luisterde doodkalm naar de scheldwoorden van zijn chef en stopte
+zijn kort pijpje, alsof hij niets van al het gevloek van Baxter hoorde.
+
+„Wat is er voor nieuws?” vroeg hij de Vloo op barschen toon.
+
+„Dat wilde ik u juist vragen,” antwoordde Marholm. „Gij ziet eruit,
+alsof gij heel wat te vertellen hebt.”
+
+„Houdt uw b....!” brulde Baxter. „Ik heb geen zin om flauwe aardigheden
+aan te hooren.”
+
+„Dat is ook niet noodig, inspecteur,” antwoordde de secretaris. „Gij
+schijnt flink katterig te zijn!”
+
+„Wat gaat u dat aan?”
+
+„Met uw verlof, heel veel! Gij schijnt mij als een soort zondebok te
+beschouwen. Raas en tier tegen iemand anders, alstublieft. Uw gevloek
+maakt op mij geen indruk!”
+
+„Wilt gij mij de les lezen?” vroeg Baxter op scherpen toon.
+
+„De hemel beware mij! Ik denk er niet aan,” antwoordde de Vloo. „Dat
+zou vergeefsche moeite zijn.”
+
+„Sir!” stoof Baxter weer op, zijn oogen woest latende rollen.
+
+Als antwoord blies de Vloo hem een dikke rookwolk in het gezicht.
+
+Daar trad een politie-agent binnen en meldde:
+
+„Een Chinees wenscht inspecteur Baxter te spreken.”
+
+Vol verbazing keek Baxter den agent aan.
+
+„Een Chinees? Wat moet die hier doen?”
+
+De agent haalde de schouders op en Marholm mompelde iets.
+
+„Breng den Chinaman hier!” beval de chef.
+
+Eenige oogenblikken later trad de Chinees het bureau binnen, neeg
+driemaal en sprak in de bloemrijke taal van zijn land:
+
+„Ik zie de zon opgaan en voel mij gelukkig, den hoogen politiemandarijn
+van Londen, de geweldige vuist van het Engelsche Rijk, voor mij te
+zien. O, ik mij voelen zeer gelukkig!”
+
+„Wat is dat voor gekkentaal?” sprak de Vloo en keek den vreemdeling vol
+belangstelling aan, die op iemand, dien hij kende, scheen te gelijken.
+Tevergeefs bedacht hij echter, wie het kon zijn.
+
+Ook Baxter kwam de Chinees bekend voor.
+
+De vele champagne van den vorigen nacht had alle herinnering van het
+theater bij hem uitgewischt.
+
+Maar hij sprak:
+
+„Ik moet u reeds meer hebben gezien, Mister—”
+
+„Su-Ki-Bit-Wou-Wang uit Peking!”
+
+„Juist, Sir Stucki-Kit-Sting-Stang,” antwoordde Baxter.
+
+„No, no,” verbeterde de Chinees, „Su-Ki-Bit-Wou-Wang! Geen mensch hier
+in Londen mijn naam kan uitspreken.”
+
+„Ja,” lachte de Vloo, „daar is ook groote vaardigheid voor noodig.”
+
+Baxter stelde voor om den naam af te korten en eenvoudig Mister Wang te
+zeggen.
+
+Nu overhandigde de Chinees hem den brief van Sir Harper.
+
+„Allright!” antwoordde Baxter, nadat hij hem had gelezen. „Hier hebt
+gij een kaart, het zal ons een groote eer zijn, u als onze gast bij ons
+te zien.”
+
+De Chinees glimlachte gevleid en antwoordde:
+
+„O, ik hopen, dat daar nog meer zijn zulke schoone dames.”— —
+
+„Dames?”
+
+Baxter kreeg een schrik. Nu herinnerde hij zich plotseling, dat hij den
+zoon van het Hemelsche Rijk in den schouwburg had gezien.
+
+„Ja, dames,” knikte de Chinees. „Ik u immers gisteravond zag met dames,
+met zeer schoone dames in den schouwburg.”
+
+Baxter werd rood. Hij had den Mongool graag een oorvijg gegeven.
+
+„Gij vergist u, dat waren onze dames niet,” antwoordde hij, om zijn
+figuur tegenover de Vloo te redden.
+
+„O, ik begrijpen,” glimlachte de Chinees, „dat waren gekochte dames,
+niet echtgenooten. O, ik zoo graag weten wilde, hoe duur zulke dames
+zijn!”
+
+„Juist,” sprak Baxter, die begreep, dat Marholm vol inwendig genoegen
+zat te luisteren, „nu herinner ik mij eerst, wat gij bedoelt. Het was
+mijn zuster en de echtgenoote van een mijner vrienden, die met ons in
+de loge zat.”
+
+„Zeer schoone zuster, zeer schoone vrouw! Nu, ik wil niet verder
+storen, ik gaarne weerkomen aanstaanden Donderdag. Tot weerziens!”
+
+„Tot weerziens!” sprak Baxter en herademde, toen de onaangename
+bezoeker eindelijk het bureau verliet.
+
+Nauwelijks was de deur achter hem gesloten, of de Vloo vertrok zijn
+gelaat tot den breedsten glimlach, dien hij te voorschijn kon brengen.
+
+„Waarom grijnst gij zoo?” vroeg zijn chef, die dit lachen kende.
+
+„Waarom zou ik niet grijnzen?” antwoordde Marholm, „ik amuseer mij!”
+
+„Hopelijk niet over mij!” barstte Baxter los. „Ik bedank daarvoor.”
+
+„Gij moet u niet alles dadelijk zoo aantrekken,” sprak de Vloo, „ik had
+nooit gedacht, dat gij zoo aantrekkelijk waart!”
+
+De chef rolde met zijn oogen en daar Marholm kalm en behaaglijk bleef
+glimlachen, sloeg hij met de vuist op tafel en schreeuwde:
+
+„Wilt gij nu eindelijk eens ernstig kijken?”
+
+„Ik denk er niet aan,” antwoordde de Vloo, „in de dienstvoorschriften
+staat nergens, wat voor een gezicht men moet zetten!”
+
+„Vervloekte kerel!” riep Baxter uit en toen hij Marholm nog steeds
+vroolijk zag lachen, sprong hij van zijn stoel op en sprak:
+
+„Als gij nu nog doorgaat met uw gegrijns, gooi ik u de deur uit!”
+
+„Gelukkig!” zuchtte de Vloo, „ik verlang onuitsprekelijk naar frissche
+lucht! Gij riekt namelijk naar—”
+
+„Wat zegt gij, ik riek?” schreeuwde Baxter, hem in de rede vallend.
+
+„Ja, zeker,” bevestigde de secretaris. „Gij schijnt flink katterig te
+zijn! De Chinees schijnt u gisteravond goed opgenomen te hebben.
+Gelooft gij zelf iets van die vrouw en zuster?”
+
+„Wat? Of ik daaraan geloof? Gij hoordet immers, dat ik het zelf
+vertelde!”
+
+„Dat is immers juist het grappige”, lachte Marholm. „Gelooft gij, wat
+gij zelf hebt verteld?”
+
+„Ik geloof altijd, wat ik zelf vertel”, riep de inspecteur vol trots
+uit.
+
+Inplaats van te antwoorden, vertrok Marholm weer zijn gelaat tot dien
+breeden grijns, die Baxter woedend maakte.
+
+Weer barstte hij los en verbood Marholm te lachen.
+
+Daar de Vloo echter geen aanstalten maakte, om ernstig te kijken, kon
+Baxter zich niet meer bedwingen en schreeuwde:
+
+„Ik ontsla u zoolang uit den dienst, totdat gij weer een ernstig gelaat
+vertoont.
+
+„Er uit!”
+
+De inspecteur had nauwelijks het laatste woord gesproken, of Marholm
+sprong zoo vlug mogelijk van zijn stoel op, greep zijn hoed en snelde
+naar de deur.
+
+Daar keerde hij zich nog eens om en vertoonde, voordat hij het bureau
+verliet, den chef van politie zijn breedlachenden mond en met een
+knipoogje, dat veelbeteekenend was, nam hij afscheid van Baxter.
+
+De deur viel achter hem in het slot en—dat was geen oogenblik te vroeg,
+want Baxter had een inktpot opgenomen en hem dien nagegooid.
+
+
+
+Ook John Raffles had met een veelzeggend glimlachje het hoofdbureau van
+politie verlaten.
+
+Hij nam een cab en reed naar het Drury Lane theater.
+
+Nadat hij den portier een fooi had gegeven, vernam hij van dezen het
+adres der actrice Miss Raabe.
+
+Hij gaf den koetsier den naam der straat en het nummer op en bevond
+zich een kwartier later voor het kleine huis met één verdieping, waar
+een voorname rust heerschte.
+
+Lord Lister behoefde niet lang te wachten. Een aardig kamermeisje vroeg
+hem, wat hij wenschte en glimlachte vroolijk bij het zien van den
+Chinees.
+
+John Raffles gaf ook haar zijn Chineesch visitekaartje, waarmee zij
+verdween.
+
+Reeds de vestibule, waarin Raffles zich bevond, getuigde ervan, dat de
+bewoonster van het huis een uitstekenden smaak moest hebben, gepaard
+gaande aan grooten rijkdom, of wel, en Raffles wist, dat dit laatste
+het geval was, dat zij schatrijke aanbidders had.
+
+Terwijl hij de meubelen en curiositeiten bewonderde, die de vestibule
+versierden, kwam het kamermeisje terug en sprak:
+
+„Miss Raabe verzoekt u, binnen te komen.”
+
+Zij geleidde den bezoeker langs een trap naar boven en liet hem binnen
+in een boudoir, waaraan een grooten muzieksalon grensde.
+
+Hier heerschte buitengewone weelde, die bijna iets parvenuachtigs had.
+
+Nauwelijks was de Chinees het boudoir binnengegaan, of hij hoorde het
+ruischen van een zijden sleep in het muzieksalon en een oogenblik later
+trad Miss Raabe in een met kanten bezet ochtendkleed binnen, dat haar
+lichaam als een glinsterende elastieke slangenhuid gaf.
+
+Onmiddellijk herkende zij den Chinees uit het Lyceumtheater van den
+vorigen avond en, terwijl zij glimlachend haar sneeuwwitte goed
+verzorgde tanden liet zien, riep zij uit:
+
+„O, dat is charmant, Mr. Jucki-Bit! Ach kom! Die naam is prachtig, ik
+zal u eenvoudig Mr. Jucki noemen— —Mijn lieve Mr. Jucki, ik ben zeer,
+zeer verheugd, kennis met u te maken en ik hoop, dat gij voldoende
+Engelsch verstaat, om elkaar te kunnen begrijpen.”
+
+„O, zeer zeker, wij elkaar zullen begrijpen,” antwoordde Raffles, „en
+als gij niet mijn Engelsch verstaat, zult gij mijn Chineesch wel
+begrijpen. In de liefde Engelsch en Chineesch volkomen gelijk zijn. Ik
+ben zeer vol geestdrift voor uw schoon gelaat!”
+
+„Zoo?” glimlachte Miss Raabe gevleid, „maar gij hebt gelijk! Mr.
+Harper, een goed vriend van mij, zei onlangs, dat mijn gelaat een
+ongeschreven gedicht was.”
+
+„Nu, dat betwijfelen ik moet. Men ziet lijnen, waarop een gedicht te
+schrijven men zou kunnen!”
+
+„Foei, hoe hatelijk!” riep Miss Raabe uit met een koket lachje.
+
+„Ik weet, dat ik ben hatelijk, maar daarvoor is mijn geld zeer goed,”
+antwoordde de Chinees. „Men houden daarom van mij veel en zeggen, dat
+ik een zeer net mensen zijn. Gij zult dat ook nog van mij zeggen.”
+
+Miss Raabe keek hem met een smachtenden blik aan en lispelde:
+
+„Als gij heel lief voor mij wilt zijn! Maar gij moet mij niet te lang
+laten wachten, anders zeg ik het tegendeel. Voor alles, mijnheer, ben
+ik dol op brillanten.”
+
+„Daarmee kan ik van dienst zijn!” antwoordde Raffles, „ik niets ken van
+brillanten, maar ik goede cheques heb en daarvoor mijn vriendinnen
+brillanten kunnen koopen. Dan kunnen zij mij niet verwijten, wanneer
+zij door Engelsche koopmannen bedrogen worden.”
+
+„Gij hebt gelijk.” knikte de schoone. „Hebt gij misschien toevallig
+zoo’n cheque bij u?”
+
+„Ik die dragen altijd bij mij. Zouden gij gaarne een willen hebben?”
+
+Miss Raabe antwoordde zuchtend.
+
+„Ja, mijnheer, ik verlang er naar. Maar gij schertst zeker?”
+
+„O neen,” verzekerde de Chinees, „ik schertsen niet over zulke
+onderwerpen,” en met de onverschilligheid van iemand, die over
+millioenen beschikt, haalde hij zijn chequeboek uit zijn zak en vroeg:
+
+„Hoe groot wenschen gij, vriendin van mijn hart, een cheque?”
+
+Miss Raabe keek haar bezoeker verbaasd aan. Een dergelijke
+edelmoedigheid was haar vreemd. Zij wist niet, wat zij zou antwoorden.
+
+Maar de Chinees kwam haar te hulp en sprak:
+
+„Ik denken, dat een net brillanten sieraad zullen kosten 1000 pond
+sterling?”
+
+De hebzucht ontwaakte in Miss Raabe.
+
+Iemand, die haar zonder slag of stoot 1000 pond sterling wilde geven,
+zou ook meer voor haar over hebben.
+
+„Ik merk wel, dat gij nog geen brillanten sieraden hebt gekocht, Mr.
+Jucki, anders moest gij weten, dat men voor een dergelijk bedrag geen
+mooie steenen koopt.”
+
+„Gij gelijk hebben,” sprak de Chinaman, „ik werkelijk in mijn leven nog
+nooit brillanten gekocht hebben.”
+
+Met deze woorden sprak de Groote Onbekende de waarheid, want alle
+brillanten, die hij tot dusverre had bezeten, had hij den eigenaar
+afgenomen.
+
+„Mooi”, sprak hij, „zeg dan, hoeveel geld men noodig voor brillanten.”
+
+Miss Raabe was dicht naast den Chinees gaan zitten en zijn hand
+streelende, sprak zij:
+
+„Mijn lieve, bruine Jucki— —nietwaar, gij zijt immers mijn lieve,
+bruine Jucki? Reeds gisteren in den schouwburg stelde ik belang in u en
+bewonderde uw mooie zwarte vlecht.”
+
+Zij streek met haar zachte hand over den gitzwarten glanzenden haartooi
+van haar nieuwen vriend.
+
+„Ik wilde weten, hoeveel kosten brillanten!”
+
+„Ja, ziet gij, mijn lieve Jucki, ik weet niet, of gij genoeg van mij
+houdt. Ik heb een aanbidder, die mij 10,000 pond sterling heeft
+beloofd, als ik hem mijn liefde wilde schenken!”
+
+„Beloofd!” riep Raffles uit, „ik niet beloven, maar geven!”
+
+„Hij heeft mij al 7000 pond gegeven, lieve Jucki!”
+
+Zij liet reeds het woordje „Mister” weg, wat de Groote Onbekende met
+genoegen opmerkte.
+
+„O, ik u ook kan geven zooveel en nog meer. Ik u geven wil een cheque
+op de Bank van Peking van 10,000 pond sterling, als de schoone miss mij
+wil schenken haar liefde.”
+
+Zij reikte hem haar hand, die schitterde van de juweelen en sprak:
+
+„Geef mij uw cheque en ik zal zooveel van u houden, dat gij niet naar
+China wenscht terug te keeren.”
+
+„Allright, Miss Raabe,” sprak de Chinees, „hier is mijn cheque.”
+
+Hij vulde een formulier in en gaf het haar.
+
+Nauwkeurig las zij het en vroeg:
+
+„Moet ik de cheque naar de Bank van Peking zenden?”
+
+„Gij hem niet moeten zenden. Gij kunnen cheque geven aan Engelsche Bank
+en na vier weken geld laten uitbetalen. De Bank zullen zich het geld
+van Peking laten komen.”
+
+„Dat is lang,” antwoordde Miss Raabe, „vier weken! dan moet gij ook nog
+vier weken wachten voordat ik u mijn liefde schenk.”
+
+„Ik gaarne wachten,” sprak de Chinees, „ik echter hoop, u te mogen
+bezoeken.”
+
+„O ja,” lachte Miss Raabe, „dat moogt gij. Ik sta u zelfs toe, mij naar
+den schouwburg te vergezellen, soupers voor mij te bestellen, gij moogt
+met mij gaan wandelen en kleine rekeningen, die ik hier en daar in
+winkels heb, voor mij betalen.”
+
+„Ik met grootste genoegen dat doen zullen”, antwoordde John Raffles.
+
+Op dit oogenblik hoorde men het getoeter van een auto voor het huis en
+Miss Raabe snelde naar het raam.
+
+Nauwelijks had zij een blik naar buiten geworpen, of zij sprak zeer
+ontsteld:
+
+„O mijn hemel, wat moet ik nu doen! Daar komt mijn vriend Mr. Harper en
+wanneer hij u en mij hier samenvindt, zou hij u uit jaloezie misschien
+doodschieten.”
+
+De Chinees sprong verschrikt op en riep:
+
+„O neen, laat mij niet doodschieten! Ik zeer bang zijn daarvoor!”
+
+Men hoorde reeds de huisdeur open- en dichtgaan en er was niet veel
+tijd te verliezen.
+
+Gejaagd sprak Miss Raabe:
+
+„Kom gauw mee, gij moet u verbergen in mijn kleerkast. Ik heb daar een
+schuilplaats laten aanbrengen, waar niemand u kan vinden.”
+
+Zij voerde hem door het salon, waaraan haar slaapkamer grensde en
+hierdoor naar een kleedkamer, waarin aan den muur een groote kleerkast
+met drie deuren stond.
+
+Zij opende echter geen dezer deuren, maar drukte aan een der zijkanten
+op een lijst en geruischloos opende zich een smalle deur, die echter
+juist breed genoeg was om een mensen van gewonen omvang door te laten.
+
+Daarachter bevond zich een geheel afgescheiden ruimte, waarin zelfs een
+zitplaats was aangebracht.
+
+„Hier moet gij wachten, mijn lieve Jucki, totdat ik er u weer uitlaat.”
+
+„De zaak er gevaarlijk uitzien”, meende de Chinees; „maar ik hopen, dat
+gij mij niet te lang zullen laten wachten. Is Mr. Harper werkelijk zoo
+gevaarlijk een man?”
+
+„Zeer gevaarlijk, mijn lieve Jucki! Haast u nu, ik hoor hem al in het
+salon.”
+
+In het volgende oogenblik bevond Raffles zich in de kast en nauwelijks
+was de deur achter hem gesloten, of hij hoorde door de dunne houten
+deur de woedende stem van Harper:
+
+„Waar zit je eigenlijk?”
+
+„In mijn kleedkamer”, antwoordde Miss Raabe. „Waarom schreeuw je zoo?
+Je gedraagt je sinds eenigen tijd niet zeer „gentlemanlike”.”
+
+De bankier was binnengekomen en keek met wantrouwende blikken om zich
+heen.
+
+„Ben je alleen?” vroeg hij.
+
+„Natuurlijk! Wat beteekent die gekke vraag?”
+
+„Omdat ik weet, dat je bezoek hadt!”
+
+„Bezoek?” vroeg zij, zacht lachend. „Ik geloof, dat je spoken ziet!”
+
+„Spoken? Dan zeker van vleesch en bloed! Waar is de man, die je heeft
+bezocht?”
+
+„Houd nu toch op! Als ik je zeg, dat er niemand bij mij is, dan is dat
+zoo!”
+
+John Raffles hoorde, hoe Harper naar de kleerkast ging en die opende.
+
+„Wat zoek je onder mijn kleeren?” vroeg de schoone. „Interesseeren mijn
+rokken je? of wil je je er persoonlijk van overtuigen, dat mijn
+toiletten, zooals ik je reeds herhaaldelijk vertelde, noodig moeten
+worden verbeterd? Je moest mij een paar nieuwe koopen bij Peter
+Robinson! Ik heb iedere japon al gedragen en zou graag weer eens nieuwe
+costuums willen hebben.”
+
+Harper had de kleeren op zij geschoven en ging nu naar het met zware
+zijden damastgordijnen behangen bed, dat hij eveneens doorzocht.
+
+Zij lachte opnieuw hoonend en met een woedende stem sprak hij:
+
+„Ik heb in je salon het bewijs gevonden, dat er iemand bij je is, wil
+je nog ontkennen?”
+
+„Bah!” antwoordde zij en haalde minachtend de schouders op.
+
+„Ik ben zeer nieuwsgierig, wat je gevonden hebt.”
+
+„Kijk,” sprak hij en hield haar het visitekaartje van den Chinees voor
+de oogen, „ken je dit kaartje?”
+
+„Ach— —dat— — —” antwoordde zij langzaam, „natuurlijk ken ik dat
+kaartje. Die malle Chinees kwam vanmorgen, maakte mij zijn opwachting
+en ik was blij, toen ik hem weer kwijt was. Je ziet dus, dat ik op nog
+meer mannen indruk maak dan op jou!”
+
+„Tart mij niet!” schreeuwde hij woedend, „of ik zou mijzelf kunnen
+vergeten. Is het werkelijk waar, dat de Chinees niet meer bij je is?”
+
+Weer antwoordde zij minachtend: „Bah!” en vervolgde:
+
+„Ik zou niet weten, waarom ik de aanwezigheid van dien heer, als hij
+nog hier was, zou verzwijgen. Ik ben je daarover toch geen rekenschap
+verschuldigd!”
+
+„Zoo?” sprak hij.
+
+„Is het kapitaal, dat ik tot heden aan je heb opgeofferd, niet de
+moeite waard?”
+
+„Je hebt niets aan mij opgeofferd, want het geld behoort aan je vrouw,”
+sprak zij op ijskouden toon.
+
+„Bewijs mij eerst, dat je inderdaad een offer voor mij kunt brengen.”
+
+Hij drukte haar arm zoo hartstochtelijk tegen zich aan, dat zij een
+kreet van pijn gaf. Daarop haalde hij een pakket uit zijn borstzak, dat
+1000 pond aan bankpapier bevatte en riep uit:
+
+„Zottin, geloof je werkelijk, dat ik geen offer voor je zou kunnen
+brengen? Hier, neem dit geld! Je verlangdet 10,000 pond van mij. 7000
+heb ik je al gegeven en wel, zooals je weet, het geld van mijn vrouw.
+
+„De rest hoopte ik te winnen door beursspeculaties, maar dat is
+mislukt.
+
+„Om echter aan je wenschen te voldoen, heb ik de gelden van mijn
+cliënten uit mijn brandkast genomen en voor je meegebracht. Je ziet
+dus...”
+
+Zij vlijde zich nu tegen hem aan als een groote witte kat en,
+liefkoozend fluisterend, sprak zij:
+
+„Ik wist het wel, dat je liefde grenzeloos is. Nu zal je vanavond de
+belooning ervoor krijgen. Ik zal je zoo lief hebben als nog geen enkele
+vrouw het heeft gedaan.
+
+„Kom, laat ons nu gaan soupeeren!
+
+„Ik zal al je zorgen verdrijven en het geld, dat je je cliënten hebt
+onteigend, zal je wel gauw terug verdienen.”
+
+Zij trok Harper, die nog eens met onderzoekende blikken rondkeek, in
+het salon en begaf zich met hem naar een kleine eetkamer aan de
+achterzijde van het huis.
+
+Nauwelijks had het tweetal de kamer verlaten, of Raffles opende de kast
+van binnen en trad er uit te voorschijn.
+
+Zacht sloop hij door de slaapkamer rond en ontdekte naast het bed een
+kleine ijzeren geldkist, die geopend was en waarin brillanten van
+groote waarde lagen.
+
+Daarin lag ook, in kleine pakjes verdeeld, een bedrag van bijna 10,000
+pond, die Miss Raabe zelf bewaarde, daar zij een hekel aan Banken had.
+
+Later vernam Raffles, dat zij zoo slecht schreef, dat zij zich geneerde
+om haar naam onder een cheque te plaatsen en om die reden het geld
+thuis bewaarde.
+
+Met onderzoekende blikken bekeek Raffles dit alles en mompelde:
+
+„Het is de moeite waard, met deze kleine een liefdesgeschiedenis te
+beginnen; een dergelijke gevaarlijke slang moet onschadelijk worden
+gemaakt.”
+
+Een geluid in de eetkamer deed hem haastig in de kast terugkeeren.
+
+Toen hij er weer in zat, ontdekte hij, dat een roset van het
+houtsnijwerk verschoven kon worden, zoodat men in de kamer kon kijken.
+
+Harper en zijn geliefde kwamen weer binnen en hij kon duidelijk zien,
+hoe de schoone het geld in het kistje borg.
+
+Daarop verlieten zij de kamer weer.
+
+De Groote Onbekende hoorde Harper zeggen:
+
+„Ik zal dus precies om zeven uur bij je zijn en verzoek je, mij niet
+lang te laten wachten. Wij zullen naar het Criterium-Theater gaan. En
+dan moet ik in elk geval tegen 10 uur een uurtje naar de vergadering.”
+
+„Ach ja,” antwoordde zij, „ik heb er mij al op verheugd. Er moet een
+mooie klucht worden gegeven. Ik blijf natuurlijk in den schouwburg!”
+
+Zij glimlachte spottend, wat hij niet opmerkte.
+
+Hierna verlieten zij de kamer en Raffles wachtte geduldig op de dingen,
+die zouden komen.
+
+Ongeveer tien minuten later werd de geheime deur door de geliefde van
+den bankier geopend.
+
+Zij keek hem schalksch aan met haar zwarte oogen en met een overmoedig
+lachje riep zij:
+
+„Ik heb den ouden gek naar huis gestuurd. Hij had geen honger en nu
+moet gij met mij soupeeren, mijn lieve Jucki”.
+
+Zij sloeg haar arm om Raffles’ hals en trok hem met zich mee.
+
+„Zeer schoone hand, zeer schoone arm,” fluisterde de Chinees,
+schijnbaar vol verrukking. „Ik houden van schoone vrouwenarmen.”
+
+„Allright!” lachte zij, „als je heel lief bent, laat ik je na het
+souper mijn geheelen arm zien.”
+
+„Zeer groote kostbaarheid voor mij zal dat zijn!”
+
+„Je bent een vleier,” antwoordde zij, „maar kom nu. Ik heb honger. Nu
+zullen wij ongestoord zijn!”
+
+Terwijl zij den bouillon dronk, die door het kamermeisje was gebracht,
+sprak zij:
+
+„Hij is namelijk getrouwd, mijn vriend, dien ik wegstuurde. Hij heeft
+een oude, gierige vrouw en als hij niet stipt om 2 uur aan tafel
+verschijnt, maakt zij hem het leven tot een hel.
+
+„Ben jij ook getrouwd, lieve Jucki? Ik vind getrouwde vrouwen
+afschuwelijk!”
+
+„Ik ook,” antwoordde de Chinees. „Ik vinden een vrouw heel akelig. Wij
+in China meer vrouwen hebben.”
+
+„Zoo,” antwoordde zij op scherpen toon, „maar als je mijn vriend wilt
+worden, mag je geen tweede vrouw hebben. Ik wil je alleen liefhebben,
+ik verzeker je, dat jij de eenige man bent, dien ik liefheb!”
+
+„Gij mij maken zeer gelukkig,” fluisterde de Chinees. „Maar gij zijn
+een kleine slang. Alle vrouwen kleine slangen zijn, zoolang men ze niet
+opsluit. Wij in China onze vrouwen opgesloten houden.”
+
+„Hier in Londen bestaat dat niet,” legde zij hem uit, waarop hij
+antwoordde:
+
+„Zeer dom is dat!”
+
+Nadat zij hadden gesoupeerd, sprak zij:
+
+„Lieve Jucki, nu moet je gaan. Morgenochtend tusschen 11 en 1 kun je
+terugkomen. Dan is „hij” altijd naar de beurs en zoodra ik het geld heb
+van de Bank mag je bij mij komen wonen. Ik bekommer mij dan niet meer
+om den ouden kaffer.”
+
+„Allright, Lady,” antwoordde hij opstaande, „ik nu zal gaan en
+terugkomen.”
+
+Zij gaf hem glimlachend een hand ten afscheid, die hij voorzichtig
+kuste. Ter verontschuldiging sprak hij:
+
+„Wij Chineezen het kussen niet verstaan.”
+
+„Ik zal het je leeren!” sprak zij, terwijl zij hem tot de voordeur
+vergezelde— — —
+
+Zeer voldaan over zijn bezoek keerde John Raffles naar huis terug en
+sprak tot Charly Brand, die hem vroeg, waar hij was geweest:
+
+„Ik heb de Vereeniging ter bevordering van ondeugd en onzedelijkheid
+bestudeerd.
+
+„Ik was op het hoofdbureau van politie en heb bij een demi-mondaine
+gesoupeerd.
+
+„Ik verzeker je, mijn lieve Charly, het wordt een prachtig zaakje, dat
+ik op touw heb gezet! Daaruit zou een uitstekend comediestuk te maken
+zijn!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE MOORDENAAR.
+
+
+Mr. Harper bezat in het westen van Londen een eenvoudige, bescheiden
+woning.
+
+Mrs. Harper, een magere slanke vrouw, met verwelkte trekken, zat met
+haar twee kinderen, een jongen en een meisje van 6 en 8 jaren, aan de
+eenvoudig gedekte tafel en wachtte tot de bankier thuis kwam.
+
+Misschien reeds voor den tienden keer vermaande zij de kinderen:
+
+„Weest heel bedaard, als papa komt, hij zal wel vermoeid zijn.”
+
+Zij vermoedde niets van het slechte leven van haar man en meende, dat
+zijn voortdurende vermoeidheid het gevolg was van hard werken.
+
+Een half uur later verscheen Harper en nam met een boos gezicht en
+nauwelijks groetend aan tafel plaats.
+
+Hij zag niet de bezorgde blikken van zijn vrouw, die naar zijn vermoeid
+uiterlijk keek.
+
+De kinderen zaten stil op hun plaats en durfden hun bord bijna niet
+aanraken, omdat hun vader dat geluid niet kon verdragen.
+
+Niets smaakte hem.
+
+Hoewel het eten uitstekend was klaargemaakt, had hij overal iets op aan
+te merken, en stond eindelijk van tafel op en begaf zich naar zijn
+studeerkamer om daar op den divan te gaan slapen.
+
+Een uur later belde hij om koffie. Zijn vrouw bracht hem die zelf en
+toen zij het kopje neerzette, riep hij uit:
+
+„Waarom stuur je het dienstmeisje niet? Ik ben blij, als ik je gelaat,
+dat er altijd bleek en huilerig uitziet, niet voor mij heb.”
+
+„Ik kan mijn gezicht niet veranderen,” antwoordde zij op bescheiden
+toon. „Als ik mij niet zoo bezorgd maakte om jou, zou ik er beter
+uitzien.”
+
+„Maak je bezorgd om wien je wilt, alleen niet om mij. Ik wensch je
+medelijden niet.”
+
+Zij wilde bescheiden de kamer verlaten, maar bleef bij de deur
+aarzelend staan.
+
+„Wat wil je nog?” beet hij haar toe.
+
+„Ik heb wat huishoudgeld noodig,” antwoordde zij op zachten toon, „wees
+zoo vriendelijk, mij een paar pond te geven.”
+
+„Wat?” schreeuwde hij, „alweer geld? Eergisteren heb ik je pas 5 pond
+gegeven. Zijn die alweer op? Je schijnt aardig huis te houden!”
+
+„Ik moest onzen jongen broekjes en kousen koopen”, antwoordde zij, „en
+Erna, ons dochtertje, had eenige schoolboeken noodig.”
+
+„Laat mij met rust,” bromde hij, „de zaken worden met den dag slechter,
+de duivel mag weten, hoe dat moet eindigen. Denk je, dat ik geld kan
+maken? Kijk zelf maar, hoe je aan geld komt”.
+
+„Daar zie ik geen kans toe. Mijn ouders zijn dood en alles, wat ik
+bezat, heb ik jou gegeven.”
+
+„Wil je mij verwijten maken?”
+
+„Dat niet, maar het zou mij aangenaam zijn, als je werkelijk zoo het
+land aan mij hebt, dat je mij het geld terug gaaft, opdat ik daarvan
+voor de kinderen en mijzelf kon zorgen.”
+
+„Dat zou je wel willen”, lachte hij hoonend, „neen, mijn lieve, dat kan
+ik beter gebruiken. Gelukkig, dat ik zoo verstandig ben geweest om het
+in mijn zaak te steken.
+
+„En stoor mij nu niet langer, want ik moet brieven schrijven.”
+
+„Je bent hard,” sprak zij. „Ik weet niet, waarvan ik het avondeten voor
+de kinderen en mij moet koopen.”
+
+„Ik ook niet,” antwoordde hij kortaf.
+
+Plotseling kleurde een blos de bleeke wangen der vrouw, de zachte
+uitdrukking verdween van haar gelaat en met gebalde vuisten riep zij
+uit:
+
+„Nu is het genoeg! Ik heb nu lang genoeg gezwegen en mij door jou erger
+dan een slavin laten behandelen. Voor mij komt het er niet op aan, dat
+ik niets te eten krijg, maar de kinderen mogen geen honger lijden en ik
+zeg je dit—ik verlaat deze woning en ga onderdak zoeken met de kinderen
+bij onze vroegere keukenmeid.
+
+„Al het verdere tusschen ons zal mijn advocaat regelen.
+
+„Binnen de 24 uur zal ik je door de wet laten dwingen, mij het mij
+toekomende vermogen, dat ik je in bewaring heb gegeven, en waarvan ik
+gelukkig een quitantie bezit, terug te betalen.
+
+„Het doet mij leed, dat ik den kinderen hun vader moet ontnemen, maar
+beter geen vader dan zulk een ruw, harteloos mensch als jij bent!”
+
+Gedurende de lange jaren van haar huwelijk had de vrouw nooit
+tegengesproken.
+
+Als stom van verbazing keek hij haar aan, totdat plotseling een
+zinnelooze woede zich van hem meester maakte.
+
+„Wat?” riep hij uit, „jij durft mij trotseeren, mij dreigen? Je wilt je
+verzetten tegen mij, je echtgenoot? Doodslaan zal ik je!”
+
+Hij was opgesprongen en had een zwaren, metalen kandelaar gegrepen,
+waarmee hij haar een slag op het hoofd wilde geven.
+
+Maar hij had zijn vrouw onderschat.
+
+Hoewel hij een breede, forsche man was en zij maar klein en mager te
+noemen was, sprong zij als een kleine, lenige kat naar hem toe, sloeg
+hem met haar vuist in het gelaat en stiet hem zoo hevig voor de borst,
+dat hij terug wankelde.
+
+„Als mijn kinderen er niet waren,” sprak zij, „zou ik mij kalm door je
+dood laten slaan, maar voor mijn kinderen moet ik leven. Mijn zoon zal
+mij eenmaal wreken! Ik zal het in de kranten laten publiceeren, wat
+voor een karakter de president van de Vereeniging ter bevordering der
+goede zeden heeft!”
+
+Op het volgende oogenblik vloog de zware ijzeren kandelaar door de
+kamer. Hoewel zij zich bukte, trof hij haar toch aan het hoofd.
+
+Een oogenblik dreigde zij neer te vallen, maar daarop maakte oneindige
+woede zich meester van de kleine vrouw.
+
+„Je durft het wagen, de moeder van je kinderen zoo te behandelen?” riep
+zij uit.
+
+Zij trok de kast open, waarvoor zij stond en nam er eenige boeken uit.
+
+„Daar!” riep zij, terwijl zij de boeken naar hem toeslingerde. „Daar
+zijn je huichelachtige, leugenachtige boeken over deugd en
+zedelijkheid, waarmee je de wereld bedriegt!
+
+„De menschen moesten je schrijftafel eens zien, die gevuld is met
+gemeene, onzedelijke prullen!
+
+„Foei, jij slechte kerel!
+
+„Maar dit is het allerlaatste! Je zult mij niet terugzien!”
+
+(Zie het titelblad.)
+
+Terwijl zij deze woorden sprak, had zij tientallen van vrome,
+stichtelijke boeken, sommige zoo dik als een bijbel, naar zijn hoofd
+geslingerd en zoo snel, dat hij zich niet kon verdedigen.
+
+Met een slag vloog de deur achter haar toe en als een overwonnene stond
+de president der Vereeniging ter bevordering der goede zeden te midden
+van een hoop verscheurde vrome geschriften en werken en knarste op de
+tanden van woede.
+
+Hij liep naar zijn schrijftafel en haalde uit een der laden een geladen
+revolver.
+
+Met een duivelschen grijns mompelde hij:
+
+„De heks zal eraan gelooven en de kinderen ook. Het is nu toch uit met
+mij. Mijn zaken zijn geheel en al in de war, het restant van de gelden
+mijner cliënten heb ik Miss Raabe gegeven. Een paar duizend pond heb ik
+nog in mijn zak en met dat geld zal ik naar Amerika gaan, na hier eerst
+schoon schip te hebben gemaakt. Daar ginds kunnen zij mannen, als mij,
+gebruiken.”
+
+Hij verliet het vertrek en begaf zich naar de eetkamer.
+
+Toen hij deze leeg vond, sloop hij zacht, als een roofdier, naar de
+slaapkamer en bleef een oogenblik luisterend staan.
+
+Hij hoorde zijn vrouw zacht snikken en de knaap, die tot haar zei:
+
+„Schrei niet, mama, wij zullen gauw weggaan. Ik wil geen vader hebben,
+die mijn moeder slaat. Als ik groot ben, zal ik hem terugslaan! En als
+wij niets te eten hebben, lief moedertje, zal ik, zooals andere
+jongens, kranten verkoopen en laarzen poetsen— — —”
+
+„En ik zal wel dienstmeisje worden en dan zullen wij samen zorgen, dat
+u brood hebt,” sprak het zusje.
+
+Nu trok Harper de deur open, zijn revolver in zijn broekzak
+gereedhoudende.
+
+Met een kreet van schrik keken de kinderen hem aan.
+
+„Wat wil je nog?” vroeg zijn vrouw, die onheil vermoedde.
+
+„Wat ik wil? Dat zal je dadelijk zien! Een mooie opvoeding geef jij je
+kinderen!”
+
+Nu kwam de kleine jongen met gebalde vuisten voor hem staan en riep:
+
+„Pas op, als u mijn moeder slaat, zal ik u ook slaan!”
+
+Een duivelsche lach als van een krankzinnige kwam van de lippen van den
+ellendeling, hij haalde de revolver te voorschijn en hield die tegen
+het voorhoofd van den knaap.
+
+„Ik zal je leeren, wat slaan beteekent. Jij zult de eerste zijn, die op
+reis naar de eeuwigheid gaat.”
+
+Als verlamd, doodsbleek, staarde zijn vrouw naar dit ontzettende
+tooneel. Van schrik kon zij geen geluid geven en zich niet verroeren,
+zij kon geen hand uitsteken om haar jongen te redden.
+
+Een gil kwam over de lippen van den knaap, een tweede en derde volgden
+en aarzelend liet de ellendeling het wapen zinken.
+
+Nu schreeuwde ook het meisje om hulp en bliksemsnel sprong de knaap als
+een hond naar zijn vader toe en beet hem met zijn scherpe tandjes in de
+hand, zoodat deze woedend van pijn het wapen liet vallen.
+
+Maar een oogenblik later kreeg de kleine held een vuistslag en viel
+bewusteloos neer.
+
+De moordenaar wilde zich nu bukken om het wapen op te nemen, maar er
+was nu beweging gekomen in de moeder.
+
+Zij was vlugger dan haar echtgenoot, greep het wapen, richtte het op
+haar man en riep:
+
+„Ik tel tot drie en als je dan de kamer niet hebt verlaten, schiet
+ik!—Er uit!”
+
+Tandeknarsend en met een blik vol woede en haat wendde Harper zich naar
+de deur en mompelde:
+
+„Wacht maar, heks, daarvoor zal je boeten!”
+
+Het volgend oogenblik had hij de kamer verlaten en de deur achter zich
+dichtgetrokken.
+
+Zijn vrouw schoof de grendel er voor, snelde naar de waschtafel en
+legde een koudwatercompres op het hoofd van haar lieveling.
+
+Na eenige minuten kreeg het kind zijn bewustzijn terug en herinnerde
+zich onmiddellijk het voorgevallene.
+
+Hij keek om zich heen en toen hij zag, dat zijn vader de kamer had
+verlaten, lachte de kleine held en sprak:
+
+„Ziet u, mama, dat heb ik goed gedaan, nietwaar?”
+
+„Je bent een held, mijn jongen,” antwoordde de moeder met tranen in de
+oogen en kuste hem.
+
+„En nu, lieve kinderen, zullen wij ons kleeden en naar de oude Marie
+gaan. Zij zal ons wel een paar dagen bij zich willen houden.”
+
+Zij sloot den koffer, waarin zij linnengoed en kleeren voor zichzelf en
+de kinderen had gepakt, belde en gaf het dienstmeisje bevel, een
+rijtuig te bestellen.
+
+Verbaasd keek het dienstmeisje naar de koffer en vroeg:
+
+„Gaat mevrouw op reis?”
+
+„Ja, voor eenige dagen.”
+
+Eenige minuten later kwam een rijtuig voor en de koetsier bracht den
+koffer op zijn schouders naar beneden. De vrouw van den bankier nam
+haar kinderen bij de hand en volgde hem.
+
+Voordat zij het huis verliet, gaf zij de revolver, die zij in een doek
+had gepakt, aan het dienstmeisje en sprak:
+
+„Geef dit pakje aan mijnheer, hij wil het misschien als aandenken
+bewaren.”
+
+Het meisje schudde verbaasd het hoofd en keek het wegrollende rijtuig
+na, zoolang zij het kon zien.
+
+Toen zij de kamer van Mr. Harper binnentrad, zag zij daar een
+ontzettende wanorde.
+
+De heer des huizes keek ontstemd op, toen het meisje hem kwam storen en
+nam zwijgend het pakje uit haar handen.
+
+Met een hoonlach pakte hij de revolver uit en stak deze toen in een der
+zakken van zijn jas.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DETECTIVE-TRUC.
+
+
+Het was slechts een kleine bestuursvergadering, die dezen avond plaats
+had in de Vereeniging ter bevordering der goede zeden.
+
+Meneer Harper verscheen even over tienen en vond de heeren al voltallig
+bij elkaar.
+
+Zijn gelaat straalde van zelfvoldoening en van het geluk, dat hij de
+laatste paar uren aan de zijde der bekoorlijke Miss Raabe had genoten.
+
+Terwijl hij de vergadering leidde, wachtte zij beneden in de leeszaal
+van het hotel.
+
+Om de verveling te verdrijven, bladerde zij de daar neergelegde
+couranten door.
+
+Plotseling zag ze midden door de zaal Su-Ki-Bit-Wou-Wang aankomen.
+
+„Hallo!” riep zij, „Mr. Jucki, waar wilt ge naar toe?”
+
+De Chinees deed eerst erg verlegen, doch sprak toen, zijn gelaat
+plooiend tot een beminnelijk glimlachje:
+
+„O, ik zijn zeer verheugd, u te zien, mooie Miss Raabe, ik wil gaan
+naar de „bevordering der goede zeden”
+
+„Och zoo,” lachte zij, „gij bedoelt die Vereeniging!”
+
+Hij knikte: „Yes, naar die Vereeniging!”
+
+Zij klopte hem op de schouders en zei: „Weet wel, lieve Jucki, dat ge
+daar niet veel wijzer zult worden. Ze bevorderen daar alleen de zeden
+van anderen, aan zichzelf denken ze niet.”
+
+„Dat hindert niets!” antwoordde de Chinees, „ik moet kennen leeren, of
+hier bij u in Engeland ook zulke onzedelijkheden als in China. Ik
+geloof, wij zijn even fatsoenlijke menschen!”
+
+„Veel fatsoenlijker,” lachte Miss Raabe, „geloof me, ik heb er
+ondervinding van. Ik ken de Londensche mannen.”
+
+„Ik niet daaraan twijfel en weet u, ik ook veel liever in uw gezelschap
+was dan in dat zedelijk gezelschap.”
+
+„Ik heb een idee,” hernam Miss Raabe, „blijf gij bij mij en laten we
+den avond ergens gaan doorbrengen. Ik verveel mij dood in gezelschap
+van Harper.”
+
+„O, hij is een zeer nette mensch, niet waar?”
+
+„Gij bedoelt, omdat hij mij verveelt?”
+
+„O ja, ik dat bedoel.”
+
+„Dan vergist gij u,” lachte de schoone, „hij is het absolute tegendeel
+van netheid. Gij begrijpt, dat men ook wel graag eens wat anders hoort,
+en ik zou blij zijn, in fatsoenlijk gezelschap te verkeeren. Daarom zou
+ik u willen verzoeken, den avond met elkaar door te brengen.”
+
+„Allright,” knikte Su-Ki-Bit-Wou-Wang. „Ik gaarne bereid ben daartoe.
+Maar wij wat doen?”
+
+„Ik weet wat. Vis-a-vis het hotel is een oestersalon. Net rechts
+tegenover het Strand. Daar zal ik op u wachten, als de vergadering is
+afgeloopen.”
+
+„Allright,” zei de Chinees.
+
+Het tweetal reikte elkaar de hand, waarna hij zich naar de aan het eind
+der gang gelegen kleine zaal begaf, waarin de vergadering plaats had.
+
+Bij zijn binnentreden keken alle aanwezigen hem nieuwsgierig aan.
+
+Baxter had de aanwezigen al meegedeeld, dat hij zou komen, en allen
+wachten in spanning zijn komst af.
+
+Een vroolijk lachje kwam op het gelaat der heeren, toen de Chinees
+volgens landsgebruik zijn vilten schoenen uittrok, driemaal op zijn
+knieën sloeg en eenige grappige buigingen maakte.
+
+„Dat is zijn begroeting”, fluisterden de Engelschen tot elkaar, stonden
+daarna op en maakten een stijve buiging.
+
+De Chinees trad naderbij, schudde ieder de hand en noemde zijn naam:
+Su-Ki-Bit-Wou-Wang.
+
+Toen hij bij Baxter en Harper was gekomen, wilde hij met hen volgens
+Chineesch gebruik gaan neus wrijven, hetwelk deze echter op hoffelijke
+wijze afweerden door hem te verklaren, dat zij van zijn toegenegenheid
+waren overtuigd, ook al gaf hij hun slechts volgens gebruik de hand.
+
+Men bood daarop Su-Ki-Bit-Wou-Wang een stoel aan en de vergadering werd
+voortgezet— —
+
+Gedurende een kleine pauze vroeg de naast den Chinees zittende
+Engelschman, hoe het hem in hunne vergadering beviel.
+
+„O”, zei Su-Ki-Bit-Wou-Wang, „als straks komen de kleine meisjes, zal
+het zeer aardig worden!”
+
+De Engelschman, een predikant van streng rechtzinnige beginselen, week
+ontsteld achteruit en kon zijn ooren bijna niet gelooven. Doch eenige
+andere leden hadden de nogal luid gesproken woorden eveneens verstaan
+en, als echte Engelschen, wel van een grapje houdend, vroegen zij:
+
+„Wat voor kleine meisjes bedoelt u, Mr. Wang?”
+
+„O,” gaf de Chinees ten antwoord, „ik bedoel de kleine meisjes, bij wie
+ik mijne vrienden, de heeren presidenten, in den schouwburg zag
+zitten!”
+
+Opeens werd het ijzig stil als in een kerk. Harper en Baxter zaten als
+aan den grond genageld.
+
+Alle aanwezigen keken hen aan met een verwijtenden blik, die hen als
+het ware doorboorde. Vooral de predikant zette een gezicht, alsof hij
+de heilige aartsengel in eigen persoon was, die Gods oordeel
+verkondigde.
+
+Hij was dan ook de eerste, die het stilzwijgen verbrak en aan Mr.
+Harper vroeg:
+
+„Wat hebt gij op de merkwaardige woorden van dezen geachten gast te
+antwoorden, meneer de president?”
+
+Harper was zoo rood als een kreeft van opgewondenheid. Het zweet
+druppelde in dikke parelen van zijn voorhoofd. Hij stond op, want hij
+begreep, dat hij wat antwoorden moest.
+
+„Mijne heeren,” aldus begon hij, „Mr. Wang heeft gelijk, wanneer hij
+zegt, dat hij de presidenten van de Vereeniging ter bevordering der
+goede zeden in gezelschap heeft aangetroffen van twee meisjes, die
+helaas tot de verworpelingen van de maatschappij zijn te rekenen.”
+
+Een luid „Foei” klonk rondom de tafel, hetwelk Harper met een
+handbeweging bezwoer, waarna hij vervolgde:
+
+„Gij vergist u, mijne heeren, wanneer ge meent u over de houding van
+uwe presidenten ongerust te moeten maken; wij waren slechts in onze
+hoedanigheid van trouwe strijders voor de goede zeden in gezelschap van
+die dames.
+
+„We hebben beproefd haar van haar slechten levenswandel terug te
+brengen en haar weer het pad des deugd en zedelijkheid te doen
+betreden.
+
+„En het is mij gelukt een der zondaressen in een christelijk Tehuis
+onder dak te brengen. Zij zal voor liefdezuster worden opgeleid.”
+
+Nu weerklonk een luid „Bravo!”, terwijl de predikant sprak:
+
+„Ik verzoek u uit naam van mijn vrienden aan deze tafel om vergiffenis.
+De hemel moge uwen verderen strijd met zegen kronen.”
+
+De president boog en met tranen van ontroering in de oogen ging hij
+weer zitten om Baxter onder de tafel ongemerkt de hand te drukken.
+
+Men zou nu gaan confereeren over het verbod van de verkoop van sommige
+humoristische bladen.
+
+De predikant had het voorstel gedaan een der schendbladen voor ondeugd
+en onzedelijkheid van den Engelschen bodem te verbannen.
+
+Opeens stond Su-Ki-Bit-Wou-Wang op.
+
+„Pardon, heeren,” zei hij, „doch ik vinden deze vergadering zonder
+kleine meisjes te oninteressant! Ik zal weer vertrekken. Bij ons in
+China zorgen altijd kleine meisjes voor conversatie in
+heerengezelschap.”
+
+Opnieuw klonk een onrustbarend luid „Foei!” door de zaal.
+
+Toen greep Harper, die eindelijk gelegenheid vond zich op zijn
+aanvaller te wreken, den presidentshamer, gebood daarmee stilte en
+riep, op Su-Ki-Bit-Wou-Wang wijzend: „Eruit gij, immoreel en onzedelijk
+wezen! Waag het niet u ooit weer in ons midden te vertoonen. Gij zijt
+een liederlijk mensch!”
+
+„Liederlijk mensch!” riepen alle Engelschen tegelijk en spuwden op
+Engelsche wijze naar Su-Ki-Bit-Wou-Wang op den grond.
+
+Toen hij de zaal had verlaten, zei de predikant met ten hemel gerichte
+oogen:
+
+„Laten we opstaan van onze zitplaatsen, beste vrienden, en den hemel
+danken, dat hij den duivel, die in de gedaante van dien vuilen Chinees
+tot ons kwam, te rechter tijd uit onzen edelen deugdzamen kring heeft
+verdreven.”
+
+Allen stonden op, sloegen met den predikant de oogen op en gingen
+daarna weer zitten.
+
+Nadat men het er, na een kort debat, over eens was geworden, dat het
+bedoelde tijdschrift een schendblad van het ergste allooi was, dat
+stelselmatig, niet alleen de jeugd, doch ook de ouderen ten verderve
+voerde, en daarom moest verboden worden, verklaarde Mr. Harper de
+zitting voor gesloten, en, zakelijke bezigheid voorwendend, verliet hij
+de vergadering.
+
+Toen hij in de leeszaal kwam, om zijn geliefde af te halen, keek hij
+vergeefs rond.
+
+Een voorgevoel zei hem, dat zij misschien dien vervloekten Chinees had
+ontmoet en met hem het hotel had verlaten.
+
+Als een woedende stier snelde hij naar haar huis en toen hem niet werd
+opengedaan, liep hij voortdurend daarvoor op en neer.— —
+
+Miss Raabe zoowel als Su-Ki-Bit-Wou-Wang hadden ondertusschen samen
+gesoupeerd. Tegen twee uur ’s nachts verklaarde zij gaarne naar huis te
+willen gaan.
+
+„Ik ben bang,” zei zij, „lieve Jucki!” (Ze waren nu al zeer intiem.)
+„Geloof mij, die jaloersche man, Mr. Harper, zal bepaald voor mijn huis
+staan om mij op te wachten. Ik ben bang, direct naar huis te gaan.”
+
+„Ik zal dien man wel weg werken,” antwoordde Raffles.
+
+Hij liet zich door den kellner papier en enveloppe brengen en schreef
+een paar bladzijden. Daarna liet hij door den kellner een nacht-kruier
+ontbieden.
+
+Dezen overhandigde hij den brief, nadat hij op geheimzinnige wijze
+verscheiden minuten met hem had gesproken. Na verloop van een kwartier
+zei de Groote Onbekende:
+
+„Ik zal u nu naar huis brengen, Miss Raabe, ge kunt volkomen gerust
+zijn.”
+
+„Is Harper er niet meer? Dat is mij een raadsel!” meende zij, „ik weet
+niet, hoe ge dat hebt klaar gespeeld.”
+
+Su-Ki-Bit-Wou-Wang glimlachte slechts, doch gaf geen antwoord.
+
+
+
+Terzelfder tijd trad een nacht-kruier op den bankier toe, die nog
+steeds voor het huis op en neer wandelde, en, zijn pet afnemend, zei
+hij:
+
+„Is u Mr. Harper?”
+
+„Jawel”, antwoordde deze, „dat ben ik. Wat wenscht ge van mij?”
+
+„Ik moet u een brief overhandigen.”
+
+Hij gaf Mr. Harper het schrijven.
+
+„Van wien komt die brief?” vroeg hij.
+
+„Van den inspecteur van politie Baxter,” antwoordde de kruier.
+
+Zonder verder antwoord af te wachten, verliet hij den bankier en
+verdween in het nachtelijk duister.
+
+Harper echter snelde naar een straatlantaarn, scheurde den brief open
+en las:
+
+
+ „Dear Sir!
+
+ Ik ontving juist een alarmeerend bericht. Een van mijn detectives
+ deelde mij mede, dat men ontdekt had, dat gij de deposito’s van uw
+ klanten hebt verduisterd. Neem u in acht!”
+
+
+De brief was niet onderteekend.
+
+De straat begon opeens te draaien voor Harpers oogen. Hij viel bijna
+neer als een dronken man en moest zich aan een straatlantaarn
+vasthouden.
+
+Daarna frommelde hij het blad papier ineen, stak het in zijn zak en
+snelde weg. Zijn slecht geweten begon geweldig te knagen.
+
+Hij voelde zich als door den duivel bezeten. Als een schaduw vluchtte
+hij weg in de duisternis— —
+
+Terzelfder tijd hield een rijtuig voor het huis stil.
+
+De Chinees stapte uit en hielp Miss Raabe uit het rijtuig.
+
+„Gij moet mij in mijn woning begeleiden,” zei zij, „ik ben vreeselijk
+bang. Mogelijk loert die man daar op mij.”
+
+„Ik zijn zeer moe,” antwoordde de Chinees, „ik hier zal wachten, totdat
+gij woning doorzoekt en dan naar huis rijden. Ik graag in gevaar met
+jonge dames mag samen zijn.”
+
+Daar zij om den Chinees persoonlijk weinig gaf, doch slechts op zijn
+geld aasde, zei zij hem vluchtig goeden nacht, sloot het huis open en
+trad naar binnen.
+
+Raffles wachtte nog een paar minuten, daarna werd op de eerste etage
+een raam geopend, Miss Raabe verscheen, wenkte hem met haar zakdoek en
+riep:
+
+„Hier is niemand, ik dank u, lieve Jucki, goeden nacht!”
+
+De Chinees sprak door zijn neus een onwelluidend „Goeden nacht”, stapte
+in zijn rijtuig en reed weg.
+
+
+
+Den volgenden morgen had Raffles het tot Charly Brands verbazing
+merkwaardig druk.
+
+Door middel van een advertentie in de courant had hij een stenographe
+in dienst genomen en begon deze een comediespel te dicteeren.
+
+Onvermoeid was hij daarmee bezig en rustte niet, voordat hij den
+éénacter in twee dagen klaar had.
+
+„Wil je mij het stuk niet voorlezen?” vroeg Charly Brand, die
+nieuwsgierig was naar den inhoud.
+
+„Dat is onnoodig, jongen, je zult het gauw genoeg op de planken zien.”
+
+John Raffles kende door zijn club den directeur van den
+Garrick-Schouwburg en bracht hem een bezoek.
+
+„Er is me zeer veel aan gelegen,” wendde hij zich tot den directeur,
+„dat ge dezen éénacter al over een paar dagen op de planken laat
+spelen.
+
+„Ik ben bereid alle aan de uitvoering verbonden kosten voor mijn
+rekening te nemen. Het geldt hier een privé-genoegen voor mij
+persoonlijk, en om te zien, of ik werkelijk de gave bezit, succesvolle
+theaterstukken te schrijven.”
+
+De directeur kende Lord Lister onder den naam Baron von Walkerfield.
+Hij bladerde het stuk door, en nadat hij het in een goed kwartier
+vluchtig had gelezen, verklaarde hij zich bereid, het stuk door zijn
+tooneelspelers in drie dagen te laten instudeeren en de première reeds
+over vier dagen te doen plaats hebben.
+
+Eén moeilijkheid was aan de zaak verbonden, en dat was de censuur der
+politie.
+
+„Hoe kunnen we dat klaarspelen?” vroeg Raffles.
+
+„Heel eenvoudig, beste baron”, antwoordde de schouwburgdirecteur, „ik
+zal een vriendelijk briefje schrijven aan den censor en er voorzichtig
+een biljet van 100 pond bij insluiten.”
+
+„Fameus,” lachte Raffles, „dan zijn we klaar, nietwaar?”
+
+„Jawel,” gaf de directeur ten antwoord, „ik heb echter nog één vraag,
+namelijk wie zal de rol van den Chinees Su-Ki-Bit-Wou-Wang spelen in
+het stuk?”
+
+John Raffles begon opnieuw te lachen en sprak:
+
+„Bijna had ik het voornaamste nog vergeten; die rol speel ik zelf.”
+
+„Gij zelf? Hebt gij den moed als tooneelspeler op te treden?”
+
+„Wel natuurlijk,” knikte de Groote Onbekende. „Ik speel in het gewone
+leven nog meer comedie dan op de planken noodig is.
+
+„Ik verzeker u, mijn beste directeur, nog afgezien van het feit, dat ik
+de kosten der opvoering betaal, zult ge schitterende zaken maken met
+het kleine tooneelspel.
+
+„Ik zou durven wedden, dat geheel Londen hierheen komt om het stuk te
+zien.”
+
+„Dat ware te wenschen,” lachte de directeur, „ik heb op ’t oogenblik
+juist geen goed stuk. Laten we dus het beste hopen.”
+
+John Raffles nam afscheid en reeds den volgenden morgen begon de
+directeur met de voorbereidingen. Hij verklaarde den baron, dat deze
+hierbij zijn medewerking moest verleenen.
+
+Eenige uren later ontving Baxter, die, zooals vermeld, het ambt van
+censor voor tooneelspelen in Londen uitoefende, d.w.z. hij moest nagaan
+of de stukken ook gevaar opleverden voor de goede zeden, een brief van
+den directeur van den Garrick-schouwburg, benevens een blauwe
+portefeuille, waarin zich het tooneelstuk bevond.
+
+Baxter scheurde den brief open en las:
+
+
+ Beste Inspecteur!
+
+ Hierbij een stuk voor de censuur, waarbij zeer veel haast is.
+
+ Met vriendelijke groeten,
+
+ Uw
+ GARRICK.
+
+
+Tegelijkertijd had de inspecteur het bankbiljet van honderd pond
+gevonden en stak dit met een inwendig lachje in zijn vestjeszak. Hij
+kon het juist goed gebruiken, daar hij door zijne verhouding tot de
+vriendin van Miss Raabe, de kleine Trude Hansch, veel geld had
+uitgegeven.
+
+Hij nam het voorgeschreven politiestempel, dat het verlof tot de
+opvoering bekrachtigde, sloeg de klep der portefeuille op en drukte het
+zegel op den omslag van het tooneelstuk, zonder er verder naar om te
+zien.
+
+Daarna schelde hij een bode en liet het toegelaten stuk naar den
+directeur van den Garrick-schouwburg brengen.
+
+De Vloo had stilzwijgend toegezien en zei nu:
+
+„Weet ge, inspecteur, als ik me niet vergis, hebt ge daar juist weer
+toestemming verleend tot het opvoeren van een tooneelstuk, dat ge
+heelemaal niet kent. Ge zult u op een goeden keer nog eens gevoelig de
+vingers branden.”
+
+Baxter keek zijn secretaris woedend aan en sprak:
+
+„Veroorloof u geen kritiek op mijn handelingen. Daar hebt gij niet het
+recht toe. Overigens vergist gij u. Ik ken het tooneelstuk al. Het was
+dus niet noodig het nog eens door te zien. Ik zou dus gaarne verschoond
+blijven van uwe opmerkingen.”
+
+De Vloo boog zijn hoofd over de voor hem liggende acte en ging verder
+met zijn werk, terwijl Baxter een courant nam en begon te lezen.
+
+Midden in zijn lectuur werd hij gestoord. Een detective-sergeant trad
+binnen, bleef bij de deur staan en salueerde.
+
+„Wat wenscht gij?” vroeg Baxter.
+
+„Heb een gebeurtenis te melden, meneer de inspecteur,” rapporteerde de
+beambte. „De zaak van den bankier Harper is sedert gisteren gesloten,
+en heeft groote opgewondenheid te weeg gebracht onder de klanten van
+den bankier.”
+
+Baxter schrok hevig. Wat was er met Harper gebeurd? Zou hem iets
+overkomen zijn?
+
+„Is bankier Harper niet te vinden?” vroeg hij.
+
+„Neen, meneer de inspecteur,” antwoordde de sergeant. „We hebben in
+zijn woning en bij verscheiden bekenden al een onderzoek ingesteld. Het
+laatst is de bankier twee dagen geleden in hotel Cecilia gezien. ’s
+Avonds 10 uur.”
+
+„Dat klopt,” zei Baxter, „ik was er persoonlijk met hem.”
+
+„Ook aan zijn woning vernamen wij van het dienstmeisje, dat de bankier
+sedert twee nachten niet thuis was gekomen en ook mevrouw en de
+kinderen het huis sedert eenige dagen hadden verlaten.
+
+„De klanten van den bankier eischen, dat de zaak van politiewege wordt
+geopend en de deposito’s teruggegeven.”
+
+Baxter dacht een paar seconden na.
+
+Vergeefs brak hij zich het hoofd, wat er wel met Harper kon gebeurd
+zijn. Daarna wendde hij zich tot Marholm:
+
+„Neem een cab en rijd naar Lyttonstreet 16. Daar woont een
+tooneelspeelster, Miss Raabe. Vraag aan die dame, of zij iets weet
+omtrent het verblijf van den bankier Harper. Maak vlug voort, want
+voordat gij met haar antwoord hier zijt, kan ik niets beginnen.”
+
+Zonder een woord te antwoorden, verliet de Vloo de kamer, terwijl de
+detective-sergeant in het voorvertrek wachtte.
+
+Baxter echter liep onrustig heen en weer. De affaire scheen hem vreemd
+toe. Hij had een onbepaald voorgevoel, dat er iets gebeurd zou zijn,
+waar hij ook in betrokken zou worden. Tevergeefs probeerde hij zich te
+kalmeeren, door het rooken van een sigaar. Ten slotte begon hij weer te
+lezen.
+
+Er kon ongeveer een half uur verloopen zijn, toen Marholm, die zich
+zeer gehaast had, daar hij eveneens iets bijzonders vermoedde,
+terugkwam met de mededeeling, dat de bankier sedert verscheiden dagen
+niet in het huis der tooneelspeelster was geweest.
+
+Nu bleef Baxter niets anders over dan zijn recherche-afdeeling mobiel
+te maken en met de beambten naar de zaak van den bankier te rijden,
+deze te openen en te doorzoeken.
+
+De ijzeren luiken van het kleine kantoor waren stevig gesloten, toen
+Baxter met zijn beambten aankwam.
+
+De portier, dien Baxter liet roepen, beduidde hem, dat de meegebrachte
+slotenmaker een deur van de gang naar de zaak gemakkelijker zou kunnen
+open maken dan de ijzeren roljalousiën.
+
+In korten tijd was de deur open, en de portier, die in de zaak bekend
+was, draaide het electrische licht op.
+
+Nauwelijks was de ruimte helder verlicht of de portier liet een kreet
+van schrik hooren en lokte alle beambten naar zich toe.
+
+„Wat is er, wat gebeurt er!” riep de inspecteur en trok zijn revolver.
+
+Doch hij behoefde geen antwoord meer op zijn vraag.
+
+Midden in het vertrek, voor de geopende brandkast lag de gezochte
+bankier Harper op den grond en staarde met verglaasde oogen naar de
+zoldering.
+
+Geronnen bloed uit zijn slapen bedekte de eene helft van zijn hoofd en
+den grond. De rechterhand hield nog krampachtig de revolver omklemd,
+waarmee de ellendeling zich had doodgeschoten.
+
+Een oogenblik stonden de beambten zwijgend om den doode, doch daarna
+zei Baxter tot de Vloo:
+
+„Ga zitten en maak het proces-verbaal op. Waar is de lijkschouwer?”
+
+Deze was juist aangekomen en drong naar voren.
+
+„Is hij dood?” vroeg Baxter, waarop de dokter antwoordde:
+
+„Dat zou ik meenen.”
+
+En Marholm voegde er aan toe:
+
+„Die wordt door geen moraal weer levend gemaakt.”
+
+De gebruikelijke wettelijke formaliteiten werden door de beambten
+verricht, waarna Baxter zich met zijn beambten overtuigde, dat, behalve
+een paar duizend pond sterling, die de zelfmoordenaar in zijn zak
+droeg, zich geen enkel deposito in de brandkast bevond.
+
+Deze bevinding deelde hij aan de voor de deur wachtende klanten van den
+bankier mee.
+
+Vloeken en verwenschingen werden geuit, toen het lichaam van den doode
+in een ontboden lijkwagen der politie werd weggebracht.
+
+Des avonds stond in de Londensche couranten „De zelfmoord van den
+bankier!” kalmweg verteld. Slechts de korte bijvoeging, dat den
+volgenden dag verdere ophelderingen zouden volgen, hield de
+nieuwsgierigheid der lezers gespannen.
+
+Baxter wenschte liever waar ook dan in Londen te wonen, en deze opinie
+werd gedeeld door de andere leden van de Vereeniging ter bevordering
+der goede zeden.
+
+Het was een zware slag voor de Vereeniging, door den dood van haar
+president veroorzaakt.
+
+Alleen Su-Ki-Bit-Wou-Wang was over het verloop zeer tevreden, en toen
+hij bij Miss Raabe kwam, veroorloofde deze zich zelfs grove scherts.
+Wel beschouwd had zij tenminste eenige bedroefdheid over den dood van
+haren vereerder moeten voorwenden.
+
+Ze zag niet den blik vol afschuw, dien de Chinees haar toewierp.
+
+Reeds den volgenden dag begonnen de couranten op ironischen en
+spottenden toon de verhouding van Harper tot de Vereeniging ter
+bevordering der goede zeden te critiseeren. Ook de hertog van Norfolk
+en de inspecteur van politie kregen hun aandeel.
+
+Baxter wond zich zoodanig op, dat hij niet op het bureau verscheen en
+de Vloo weer eens alleen de zaken moest afdoen.
+
+Hij heeft weer moreele Katzenjammer, lachte Marholm vergenoegd in
+zichzelf en rookte de eene pijp na de andere.— —
+
+Eerst op den avond van den dag, waarop de courantenstorm was bedaard,
+verscheen Baxter weer op het bureau.
+
+Hij vond verscheiden brieven, waaronder de mededeeling van den
+directeur van den Garrick-schouwburg, dat over twee dagen de première
+zou plaats hebben van den éénacter „Bevordering der goede zeden”.
+
+De uitdrukking „goede zeden” werkte thans op Baxter als een rood doek.
+
+„Goddam,” vloekte hij in zichzelf, doch zoo luid, dat de Vloo het
+hoorde, „als ik dat geweten had, zou ik dat stuk niet hebben
+toegelaten.”
+
+„Ziet ge wel,” zei de Vloo, „waarom hebt ge niet naar mij geluisterd.
+Als het kalf verdronken is, dempt gij den put. Ge hadt liever met uw
+vingers van die goede zeden moeten afblijven.”
+
+„Ja, ge hebt gelijk,” zuchtte Baxter, „daaruit komt niets anders voort
+dan een reusachtige katterigheid. Men dorscht daar het leege stroo en
+praat over dingen die niet bestaan.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE INBRAAK.
+
+
+Miss Raabe wachtte Su-Ki-Bit-Wou-Wang tamelijk onverschillig op.
+Tevergeefs keek zij ieder oogenblik door de ruiten op straat om te zien
+of hij ook kwam, nu eerst herinnerde zij zich, dat zij nog nooit in
+zijn woning was geweest.
+
+Zij besloot vanavond de schade in te halen, en ontwierp een plan om den
+Chinees verder in haar netten te vangen, want na den dood van Harper
+had zij een nieuwen geldschieter noodig.
+
+Su-Ki-Bit-Wou-Wang kwam ’s avonds echter niet.
+
+Tegen middernacht besloot zij het wachten op te geven en trok zich
+terug in haar slaapkamer.
+
+Zooals gewoonlijk nam zij ook nu een slaapmiddel in en sliep weldra
+vast.
+
+De schemerlamp wierp haar getemperd licht op de kostbare, zijde dekens,
+waaronder de tooneelspeelster rustte, toen opeens de geheime deur der
+kleerkast open ging en de donkere gestalte van een man te voorschijn
+trad.
+
+Hij schreed de slaapkamer binnen tot aan het bed der slaapster. Het
+gelaat van den man was met een zijden masker bedekt, waaruit alleen
+twee donkere oogen fonkelden.
+
+De gemaskerde sloop naar het ijzeren kistje, dicht bij het bed en had
+weldra van een sleutelbos den passenden sleutel gevonden, waarmede hij
+het kistje openmaakte.
+
+Daarin bevonden zich diamanten, edelgesteenten en ringen, alsook meer
+dan 10,000 pond in bankpapier.
+
+De kostbaarheden en bankbiljetten waren spoedig in een leeren taschje
+gepakt en na zijn visitekaartje in het kistje te hebben gelegd, verliet
+de gemaskerde even stil als hij gekomen was de kamer.— —
+
+
+
+Den volgenden morgen tegen 11 uur vloog de tooneelspeelster Miss Raabe
+als een krankzinnige bij Baxter het bureau binnen met den uitroep: „Ik
+ben door Raffles bestolen, heeren!”
+
+Verschrikt sprong Baxter op en riep: „Wat schreeuwt ge toch, Madam,
+door wien zijt ge bestolen?”
+
+„Door Raffles!” schreeuwde de miss opnieuw opgewonden. „Meer dan 10,000
+pond aan bankbiljetten en evenveel waarde aan diamanten. Lieve
+inspecteur, help mij toch uit vriendschap.”
+
+„Pardon,” sprak Baxter, „gij zijt hier in het bureau van den inspecteur
+van politie! Laat mijn persoon er dus buiten.”
+
+Hij wilde voor de Vloo zijne betrekkingen tot de wereld verbergen.
+
+„Waar hebt ge Raffles leeren kennen?” vroeg hij aan Miss Raabe.
+
+„Ik heb hem nog nooit gezien,” antwoordde deze schouderophalend.
+
+„Maar hij moest toch weten, dat gij uw geld en sieraden thuis bewaart.
+De Groote Onbekende zal geen inbraak plegen zonder zich te
+oriënteeren.”
+
+„Misschien is hij onder een anderen naam bij u geweest,” viel de Vloo
+in de rede.
+
+„Ik ontvang geen heeren,” antwoordde de tooneelspeelster, „en heb
+trouwens maar één vriend, een buitenlander, die in het geheel niet in
+aanmerking komt.”
+
+„Een buitenlander is zeer verdacht. Wilt gij ons zijn naam noemen?”
+vroeg Baxter.
+
+„Dat heeft geen doel, heeren,” antwoordde de bestolene, „doch wanneer
+gij er bijzonder op staat en u zelf wilt overtuigen, het is een Chinees
+en hij heet Su-Ki-Bit-Wou-Wang”.
+
+„Zoo, zoo!” meende de Vloo, „als die Chinees Raffles maar niet is.”
+
+„Gij zijt en blijft een idioot, Marholm,” stoof de inspecteur op, en
+zich daarna tot Miss Raabe wendend:
+
+„Hoe weet ge, dat het Raffles was, die de inbraak pleegde?”
+
+„Hier is zijn visitekaartje, dat in het kistje lag,” antwoordde zij.
+
+Op dit oogenblik belde de telephoon en Baxter riep:
+
+„Hallo, wie daar?”
+
+„Spreek ik met inspecteur Baxter?”
+
+„Ja, wat wenscht u?”
+
+„Is Miss Raabe ook bij u?”
+
+„Ja, de Lady is hier op het bureau.”
+
+„Wel, groet haar dan van mij.”
+
+„Wie zijt ge dan?”
+
+Toen klonk langzaam en duidelijk door de telephoon:
+
+„John C. Raffles!”
+
+„De duivel hale u!” schreeuwde Baxter, waarop het lachend terugklonk:
+„Dat zal gebeuren!”
+
+De telephoon ophangend riep Baxter: „Dat is weer echt zijn brutaliteit.
+De kerel belt me op en drijft den spot met ons. Kon ik hem toch
+eindelijk eens pakken.”
+
+„Is die man dan werkelijk niet te pakken?” vroeg Miss Raabe.
+
+Baxter haalde de schouders op, doch de Vloo verklaarde:
+
+„Door ons niet, dat is zeker.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+DE TOONEELVOORSTELLING.
+
+
+Het publiek, dat de première ging bijwonen in den Garrick-schouwburg,
+amuseerde zich vóór de voorstelling met het berichtje in de avondbladen
+betreffende de inbraak bij de tooneelspeelster. Daarna las men het
+programma van de voorstelling.
+
+Hoe meer men tuurde op de rollen, die in het nieuwe stuk voorkwamen,
+hoe meer het stuk hun verdacht voorkwam, temeer, daar de titel hen al
+herinnerde aan de jongste gebeurtenissen en de rollen van bankier,
+hertog en inspecteur van politie sterke gelijkenis toonden met de
+personen der zedelijkheidsvereeniging.
+
+Verder trof men onder de rollen die van een Chinees,
+Su-Ki-Bit-Wou-Wang, verder een tooneelspeelster, een danseres, en ten
+laatste als clou, als buitengewone sensatie, stond vermeld de naam:
+Raffles.
+
+De tooneelkijkers werden nieuwsgierig naar de loge gericht, waarin de
+inspecteur van politie Baxter met eenige andere politiebeambten zat.
+Deze had geen vermoeden, dat hij het middelpunt der belangstelling van
+het publiek was geworden.
+
+Zenuwachtig wachtten de ongeduldigen tot het belletje klonk, het
+gordijn omhoog ging en men een nauwkeurige copie van een der zalen uit
+hotel Cecilia op het tooneel zag.
+
+De redevoeringen der zoogenaamde bevorderaars der goede zeden wekten
+den algemeenen lachlust op, behalve bij Baxter, die zich nauwkeurig
+nagebootst op de planken zag, en zijne verbazing bereikte het toppunt,
+toen de bekende Su-Ki-Bit-Wou-Wang ten tooneele verscheen.
+
+Deze speelde zijn rol meesterlijk en het publiek genoot volop, toen hij
+uit de vergadering der zedelijke heeren werd verwijderd.
+
+Nu veranderde het tooneel. Dames der demi-monde traden binnen, en men
+kreeg tooneeltjes te aanschouwen, die in de Vereeniging ter bevordering
+der goede zeden allesbehalve thuis behoorden.
+
+Zoo werd achtereenvolgens al het gebeurde met Harper, Miss Raabe en den
+Chinees voor het voetlicht gebracht, tot zelfs de inbraak bij de
+tooneelspeelster en de vermakelijke scène op het bureau van den
+inspecteur Baxter.
+
+Het publiek riep enthusiast om den schrijver, waarna plotseling het
+gordijn vaneen ging, de Chinees verscheen en boog.
+
+Allen stonden verbluft.
+
+Baxter had den schouwburg allang verlaten met zijn beambten.
+
+Toen werd er van de galerij geroepen:
+
+„Masker af! We willen zien hoe gij er uitziet!”
+
+De Chinees gebood met een handgebaar stilte en sprak:
+
+„Ik ben zeer blij, dat het stuk u is bevallen, en voldoe gaarne aan uw
+wensch, mij zonder masker te zien. De inspecteur Baxter is toch niet
+meer in de zaal! Een oogenblik slechts!”
+
+Even later keerde hij terug als volmaakte heer, met gladgeschoren
+gelaat, monocle in het oog en in eleganten rok gekleed.
+
+„Raffles! Raffles!” klonk het van alle kanten.
+
+„En sta mij nu toe, dat ik mij aan u voorstel. Gij zult het
+begrijpelijk vinden, dat ik dadelijk daarna vertrek. Mijn naam is......
+John C. Raffles......”
+
+Het publiek stormde op het tooneel toe, doch Raffles was al verdwenen.
+
+Het gebeurde ging als een loopend vuurtje door Londen en niet het minst
+van allen was Baxter verbaasd, toen hij vernam, hoe de afloop was
+geweest na zijn vertrek uit den schouwburg, en dat Raffles had
+aangekondigd, dat het einde van het stuk morgen in de couranten te
+lezen zou zijn.
+
+
+
+En werkelijk bevatten de middagbladen van den volgenden dag in vet
+gedrukte letters op de eerste bladzijde het volgende artikel:
+
+
+ „De schuldige aan den moord van den bankier Harper. Raffles’
+ inbraak uit medelijden. Raffles een weldoener.
+
+ De weduwe van den bankier Harper, die zich voor een paar dagen van
+ het leven beroofde wegens verliezen op de beurs, ontving heden van
+ Raffles 7000 pond sterling met de mededeeling, dat hij dit
+ ontstolen had aan een tooneelspeelster, die de beminde van den
+ bankier was geweest. De bankier zou dit geld aan zijn beminde
+ hebben cadeau gegeven— —
+
+ Tegelijkertijd ontving het kantongerecht te Hampton Road 3000 pond
+ sterling, zijnde de verduisterde deposito’s, welke door Raffles
+ werden ter beschikking gesteld.
+
+ De weduwe, die met haar twee kinderen in armoede verkeerde, is door
+ deze daad tegen hongerlijden en ellende beschermd.
+
+ Wij koesteren de hoop, dat Raffles onze stad nog dikwijls moge
+ zegenen met dergelijke inbraken.”
+
+
+„Hij heeft alweer een standbeeld verdiend”, zei de Vloo, toen hij het
+artikel las.
+
+Baxter echter was het een pak van het hart en hij dacht: „Raffles is
+toch een fatsoenlijk mensch.”
+
+„Ik ben blij, dat eindelijk van u te hooren”, sprak de Vloo.
+
+Daarna vroeg hij: „Blijft gij voorzitter van de Vereeniging ter
+bevordering der goede zeden?”
+
+„Ik heb maling aan de goede zeden”, schreeuwde Baxter, „de duivel moge
+ze halen!”
+
+„Hoerah!” riep de Vloo, „ik geloof, dat gij verstandig wordt en dat
+hebt gij alleen aan Raffles te danken.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78680 ***