diff options
Diffstat (limited to '78680-0.txt')
| -rw-r--r-- | 78680-0.txt | 3313 |
1 files changed, 3313 insertions, 0 deletions
diff --git a/78680-0.txt b/78680-0.txt new file mode 100644 index 0000000..987d854 --- /dev/null +++ b/78680-0.txt @@ -0,0 +1,3313 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78680 *** + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 46 VEREENIGING TER BEVORDERING DER GOEDE ZEDEN. + + + + + + + + +VEREENIGING TER BEVORDERING DER GOEDE ZEDEN + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +BAXTER WORDT PRESIDENT. + + +De inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, de almachtige chef +van de Londensche recherche, was zeer ontstemd op zijn bureau gekomen +en ergerde zich, omdat zijn secretaris Marholm, of zooals de Londensche +misdadigers hem noemden, de Vloo, niet aanwezig was. + +Zelfs het genot van zijn pijpje kon hem niet in de goede stemming +terugbrengen. + +Onmiddellijk drukte Baxter op het knopje van de electrische bel op zijn +schrijftafel, waarop uit het aangrenzende vertrek een der dienstdoende +agenten binnentrad. + +„Waar is secretaris Marholm?” snauwde Baxter hem toe. + +Het antwoord luidde: + +„Secretaris Marholm heeft een brief gezonden, die op de schrijftafel +van den inspecteur ligt”. + +Terwijl de politieagent nog wachtte, opende Baxter den brief en las: + + + „Waarde inspecteur! + + De vorige week zijt gij drie dagen ziek geweest en ik moest toen uw + dienst alleen waarnemen. Daar het vandaag ook zulk prachtig weer + is, neem ik de vrijheid, eveneens ziek te zijn en verzoek u mijn + werk er bij te willen doen. Met beste groeten. + + Marholm.” + + +Een oogenblik staarde Baxter onafgewend naar den brief. + +Daarop barstte hij los: + +„Een dergelijke onbeschaamdheid heb ik nog nooit beleefd. Deze +brutaliteit overtreft alles! Daarenboven ligt er hier een hoop werk +voor hem. Dat zou hij wel willen, dat ik ging zitten om zijn werk te +doen! + +„De duivel hale dien kerel, ik zou graag een anderen secretaris willen +hebben, maar helaas — —” + +Hij zuchtte woedend. + +„Ik kan onder die domme beambten geen enkelen vinden, die in staat is +een acte te schrijven, die leesbaar is en zonder taalfouten.” + +„Met woest rollende oogen wendde hij zich tot den bij de deur staanden +politieagent: + +„Zend onmiddellijk mijn secretaris naar het bureau!” + +„Tot uw dienst, inspecteur!” klonk het terug. + +Baxter ging nu aan zijn schrijftafel zitten en begon de ingekomen +stukken te lezen. + +De tweede brief, dien hij opende, droeg het gedrukte opschrift: + + + „Vereeniging ter bevordering der goede zeden. + + Geachte heer! + + Ondergeteekende, president Sir Edwin Harper, heeft de eer u te + verzoeken, tweede voorzitter te worden van de Vereeniging ter + bevordering der goede zeden in Engeland. + + Zooals u waarschijnlijk bekend is, staat onze Vereeniging onder + bescherming van Z. K. H. den hertog van Norfolk. + + Onder zijn voorzitterschap heeft aanstaanden Donderdag een + feestmaal plaats ter viering van het tienjarig bestaan, in hotel + Cecilia. + + De president is zoo vrij, u tot dezen feestmaaltijd uit te noodigen + en verzoekt u op de bijeenkomst den hertog van Norfolk te willen + mededeelen, dat gij het tweede voorzitterschap aanvaardt. + + Een eeretoelage van 500 pond sterling per jaar is aan deze + betrekking verbonden, ten einde de onkosten te dekken, welke de + werkzaamheden medebrengen. + + Op voorstel van verschillende onzer leden is de keus op u gevallen + voor het vervullen van deze betrekking en het zou ons verheugen, + een toestemmende beslissing te mogen vernemen. + + De president + Edwin Harper.” + + +De misnoegde uitdrukking was van het gelaat van den inspecteur +verdwenen. + +Zijn ijdelheid was door dit aanbod in de hoogste mate gestreeld en +zacht mompelde hij: + +„Natuurlijk neem ik dat aan! Ik zou wel dwaas zijn, als ik het afsloeg! +Men moet altijd trachten, relaties te krijgen met menschen, die hooger +staan dan wijzelf en de hertog van Norfolk is, voor zoover ik weet, een +intiem vriend van den koning. Ik zal den president onmiddellijk +antwoorden. — — + +„Marholm!” + +Hij keek paar de ledige plaats van zijn secretaris en had geheel +vergeten, dat deze niet aanwezig was! Hij keek weer ontstemd en +vloekte: + +„Het is eenvoudig ongelooflijk. Altijd als men dien man noodig heeft, +is hij er niet. + +„De duivel moge hem halen! + +„Er zal mij niets anders overblijven dan den president zelf te +schrijven.” + +Hij nam een vel papier, doopte zijn pen in en dacht na. + +Na eenige minuten begon hij: + + + „Hooggeachte heer president!” + + +Verder kwam hij niet. + +„Als ik nu maar wist, of de president dit kan lezen. Het is echter mijn +schuld niet, maar die van mijn leeraren, die het mij niet beter hebben +geleerd. + +„Ik betwijfel werkelijk, of iemand het zal kunnen lezen,” mompelde hij +nadenkend. „Ik zal het nog eens probeeren!” + +Hij nam een ander velletje en begon opnieuw, zorgvuldig de pen +hanteerend: + + + „Hooggeachte heer president!” + + +Daarop vergeleek hij de beide stukken met elkaar en bekeek ze op +eenigen afstand. + +Geen der twee vond hij goed genoeg en beide zoo onleesbaar, dat alleen +hij, die het had geschreven, het lezen kon. + +Het waren merkwaardig onduidelijke letters, die hem toegrijnsden. + +Opnieuw begon hij op Marholm te vloeken, daarop nam hij, om zijn woede +te luchten, de beide velletjes papier, kneep ze in elkaar en slingerde +ze in de papiermand. + +Op dit oogenblik werd de deur geopend en de vurig verlangde Marholm +trad met een glimlach op het gelaat de kamer binnen. + +„Goeden morgen, inspecteur”, riep hij, „wat is er aan de hand?” + +„Voor den duivel, Sir!” schreeuwde Baxter, „wat bezielt je eigenlijk? +Ik ben verbaasd over zooveel brutaliteit, hoe durf je het wagen?” + +„Ik ben ziek,” antwoordde de Vloo, steeds vroolijk glimlachend. + +„Ziek? Zijt gij ziek? Gij straalt van gezondheid en lacht zoo vroolijk, +alsof gij van het een of andere prettige feestje kwaamt. Welke ziekte +hebt gij? Wilt gij mij dat eens opgeven?” + +„Jawel,” antwoordde Marholm lachend, „ik heb rheumatiek!” + +„Rheumatiek?” vroeg Baxter. „Al hadt gij dat, dan zou dat nog geen +reden zijn om uit het bureau weg te blijven.” + +„Natuurlijk,” antwoordde de secretaris, „ik ben niet in staat om dienst +te doen.” + +„Hoor eens,” schreeuwde de inspecteur, „als alle menschen, die +rheumatiek hebben, zoo flink op hun beenen staan als gij, dan zou ik +die kwaal wel willen hebben.” + +„Wie zegt u, dat mijn knieën niet knikken?” vroeg de Vloo. + +„Waar hebt u pijn?” + +„In den arm!” + +„In welken? Toch niet in den rechter?” + +„Ik had nooit gedacht, dat gij zoo goed zoudt kunnen raden,” lachte +Marholm. + +Baxter sloeg met zijn vuist op de schrijftafel. + +„Gij wilt mij zenuwachtig maken, man, gij liegt natuurlijk!” + +„Volstrekt niet,” klonk het op drogen toon. „Ik kan geen pen +vasthouden. Ik kan mijn eigen naam niet eens zetten!” + +„Een mooie toestand!” kermde Baxter, „maar—” zijn gelaat helderde +plotseling op— — + +Hij ging naar Marholm toe en hield hem, zooals hij dat gewend was, bij +een van zijn jasknoopen vast. + +„Luister eens, Marholm,” sprak hij, terwijl hij den knoop begon rond te +draaien. + +„Ja, ik luister,” antwoordde de Vloo, „maar ik verzoek u vriendelijk, +mijn knoop te laten zitten!” + +„Gij zijt een slecht mensch,” sprak Baxter, „ik heb u op bedrog +betrapt!” + +„Nonsens!” riep de secretaris uit. „Ik zal er niet invliegen. Gij wilt +zeker probeeren, mij beet te nemen.” + +„En toch is het waar?” + +De Vloo keek ongeloovig en haalde de schouders op. + +„Wilt gij mij eens verklaren,” vervolgde de inspecteur, „als gij +rheumatiek in den rechterarm hebt en geen pen kunt hanteeren, wie dan +hedenmorgen dien brief voor u heeft geschreven?” + +„Wel, ikzelf natuurlijk,” antwoordde de secretaris. + +„Allright,” knikte Baxter, „en gij wilt mij wijsmaken, dat gij +rheumatiek in den rechterarm hebt? Neen, mijn waarde heer! Wie zulke +brieven kan schrijven, lijdt daar niet aan. Neem nu aan de schrijftafel +plaats en schrijf, wat ik u zal dicteeren.” + +„Onmogelijk,” antwoordde de secretaris hoofdschuddend. „Toen ik den +brief schreef, had ik nog geen rheumatiek, maar een zeker geprikkel in +de vingertoppen voorspelde mij, dat ik het zou krijgen en dat is +uitgekomen ook!” + +„Gij zijt onverbeterlijk!” + +Deze woorden warden met groote zelfbeheersching uitgesproken want de +chef van Scotland Yard spande zich in om niet woedend te worden, omdat +hij brandde van verlangen om den brief aan den president te dicteeren. + +„Maar,” vervolgde hij. „Misschien staat uw ziekte u toe, een klein +briefje voor mij te beantwoorden. Lees eens, welk schrijven ik +ontving.” + +Hij overhandigde Marholm den brief en terwijl deze las, stak hij een +sigaar op. Zoodoende kon hij het vroolijke lachje niet zien, dat bij +het lezen van den brief om den mond van de Vloo speelde. + +Marholm legde den brief neer en trok zijn overjas uit. + +Toen Baxter dat zag, kwam een zucht van verlichting over zijn lippen. + +„Als gij werkelijk rheumatiek hebt, mijn beste Marholm,” sprak hij op +vaderlijk bezorgden toon, „dan verzoek ik je om, nadat je dezen brief +hebt geschreven, weer naar huis te gaan. Gij kunt dan morgen wel +inhalen, wat er vandaag te doen was. + +„Ik weet uit eigen ervaring, hoe men onder die ziekte kan lijden. + +„Dus, zooals afgesproken, gij zult den brief voor mij schrijven, +nietwaar?” + +„Als gij het wilt aannemen, ben ik er gaarne toe bereid.” + +Marholm sprak op een eigenaardigen, ironischen toon, maar Baxter merkte +het niet. Hij zette zijn borst vooruit en begon te dicteeren: + + + „Hooggeachte heer president! + + Uw aanbod om het tweede voorzitterschap der Vereeniging ter + bevordering der goede zeden aan te nemen, is mij een buitengewone + eer. + + Ik ben gaarne bereid erop in te gaan. Niet alleen ter wille van het + aangename gezelschap en de relatie met mannen uit de hoogste + kringen, welke deze positie meebrengt, maar vóór alles, omdat ik + zelf sinds jaren een ijverig voorstander ben van deugd en + zedelijkheid.” + + +— —„Au!”— —riep Marholm op luiden toon, zoodat zijn chef verbaasd +opkeek. + +„Wat is er?” vroeg Baxter verschrikt. + +„Mijn rheumatiek werd veel erger, inspecteur en ik heb op deugd en +zedelijkheid een groote inktvlek laten vallen. Nu moet ik den brief nog +eens schrijven!” + +„Wees toch voorzichtig,” sprak de inspecteur. „Gooi geen vlekken op +deugd en zedelijkheid. Hebt gij nog zoo’n pijn, wacht dan liever even— +—Maar—waarom lacht gij eigenlijk?” + +„Dat doe ik om mijn pijn te verbijten,” antwoordde Marholm. + +„Wacht dus een oogenblik, inspecteur, totdat ik den brief +overgeschreven heb.” + +Na eenige minuten, terwijl Baxter nieuwsgierig toekeek, of de brief +niet weer door inktvlekken bezoedeld werd, had de secretaris den +laatsten zin geschreven, waarna hij op het verdere wachtte. + +Zijn chef kuchte en begon verder te dicteeren: + +„Met alle kracht doe ik mijn best om de onzedelijkheid in Londen uit te +roeien!”— — — + +„Ha, ha, ha, ha, ha,” klonk het van Marholms lippen, zoodat Baxter +verbaasd uitriep: + +„Mijn hemel, wat hebt gij toch!” + +„Ha, ha, ha, ha”, lachte Marholm, „o, inspecteur, die vervloekte +rheumatiek......” + +„Maak mij toch niet zoo verschrikt! Roep dan liever: Au!” + +„Dat gaat niet!” antwoordde de Vloo. „Als ik „au!” roep, dan maak ik +weer kladden!” + +„Nu—verder!” sprak Baxter, hoofdschuddend. + + + „Ik zal Donderdag gedurende het diner in hotel Cecilia de eer + hebben, persoonlijk met u kennis te maken en verblijf hoogachtend + + Baxter, + + Inspecteur van politie, chef van het hoofdbureau Scotland Yard.” + + +Met een tevreden glimlach nam Baxter nu den brief van de schrijftafel, +las hem nog eens door, sloot hem in een couvert en sprak: + +„Schrijf nu het adres.” + +„Ja, mijnheer de voorzitter,” knikte de Vloo. + +„Wat?” vroeg Baxter. „Hoe noemt gij mij?” + +„Wel, gij zijt nu immers: Voorzitter der Vereeniging voor deugd en +zedelijkheid?” + +„Zeer zeker,” antwoordde Baxter, „maar nog buiten dienst!” + +„Juist!” lachte de Vloo, „dat had ik bijna vergeten! Met den dienst +hebben deugd en zedelijkheid niets te maken!” + +„Gij kunt wel heengaan!” + +Met deze woorden draaide Baxter hem den rug toe en met een vlugheid, +die volstrekt geen rheumatiek deed vermoeden, nam Marholm zijn jas van +den kapstok en ging heen. + +Eenigen tijd later verliet ook de tweede voorzitter der Vereeniging ter +bevordering der goede zeden het hoofdbureau van politie, om den brief +persoonlijk op de post te bezorgen. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN FEESTAVOND. + + +In hotel Cecilia was in een der zalen de tafel gedekt voor de leden van +de Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland en de gasten +zaten in feestgewaad met witte, driekantige mutsen op het hoofd, witte +schorten, waarop in gouden letters „deugd” was geborduurd en witzijden, +breede linten over de borst, waarop in roode zijde het woord +„zedelijkheid” was aangebracht, rondom de tafel, aan wier hoofd het +eerelid de hertog van Norfolk, presideerde. + +Aan zijn rechterzijde zat de voorzitter, Sir Edward Harper en daarnaast +de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard. + +Om de vergadering te openen nam de voorzitter het woord en hield, onder +diep stilzwijgen der aanwezigen, de volgende rede: + +„Hooggeachte leden van onze Vereeniging! + +„Ik heet u allen welkom en ben verheugd, dat gij in zoo grooten getale +zijt verschenen om door trouwen arbeid ons werk voort te zetten.” + +Een algemeen handgeklap volgde op deze woorden. + +Daarop vervolgde hij: + +„Gij ziet hier aan mijn zijde den hooggeachten inspecteur van politie +Baxter van Scotland Yard, op wien onze keus is gevallen voor de functie +van tweeden voorzitter onzer Vereeniging.” + +Wederom weerklonk luid en langdurig applaus, waarop Baxter gevleid +boog. + +De president veegde met zijn servet het zweet van zijn vet gezicht en +keek met een vriendelijk lachje, zoodat zijn wangen nog dikker schenen, +naar Baxter, terwijl hij sprak: + +„Ja, hooggeachte heeren leden! Onze keus is een uitstekende geweest, +want Sir Baxter heeft, hoewel hij niet behoorde tot onze Vereeniging +ter bevordering der goede zeden in Engeland, reeds oneindig veel goeds +gedaan. + +„Gij weet, dat hij onze theaterstukken heeft te beoordeelen, dat de +censuur bij hem berust, dat hij moet beslissen, of een dergelijk stuk +zedig en niet van verderfelijken invloed is. + +„Wij danken onzen hooggeachten inspecteur Baxter de betere handhaving +der censuur in Engeland en wij hebben het steeds vol vreugde aangezien, +wanneer wederom een van de vele stukken, die voedsel geven aan de +wellust en de echtbreuk in de hand werken, of wel een loflied zingen +voor de ondeugd, verboden werd.” + +„Bravo! Bravo!” klonk het van alle kanten en Baxter maakte weer een +diepe buiging. + +„Het is te hopen,” vervolgde de president, „dat wij onder de leiding +van inspecteur Baxter nog strenger en energieker onzen veldtocht tegen +de onzedelijkheid zullen kunnen houden. + +„In de eerste plaats moet op krachtige wijze gestreden worden tegen de +vergiftiging van onze jeugd, van politiewege moet toezicht worden +gehouden op de lectuur voor onze jongens en meisjes. + +„Hoeveel kwaad wordt hierdoor berokkend? + +„Een geheel leger misdadigers wordt telken jare op deze wijze +aangekweekt. + +„Inspecteur Baxter zal dit wel met ons eens zijn en zijn ervaringen in +Scotland Yard zullen het bewijs leveren— — — + +„Niet waar, inspecteur?” + +Baxter had slechts met een half oor naar de laatste woorden geluisterd +en antwoordde met een vriendelijk lachje: + +„Gij hebt gelijk, mijnheer de voorzitter. Bij mij in Scotland Yard +worden dergelijke boeken ook gelezen”. + +Doodelijke stilte volgde. + +Het gelaat van den president geleek op dat van zijn Chineesch +afgodsbeeld, toen hij vroeg: + +„Hoe, mijnheer de inspecteur! versta ik u goed? Men leest ze bij u in +Scotland Yard?” + +Eerst nu bemerkte Baxter, dat hij zich op glad ijs had begeven. + +„Ja!” knikte hij en vervolgde: „Helaas! Men leest ze!” + +„O, wat een schande!” zuchtte de president en de geheele vergadering +zuchtte. + +Daarop vroeg Sir Harper: + +„En de misdadigers, die gij gevangen neemt...?” + +De Vloo zou gezegd hebben: + +„Eerst moeten wij ze te pakken kunnen krijgen.” + +Maar Baxter antwoordde: + +„De misdadigers worden allemaal achter slot en grendel gebracht!” + +„Neen, neen,” sprak de president, „ik bedoel of die misdadigers ook +dergelijke boeken lezen?” + +„Welneen, dat is onmogelijk,” antwoordde Baxter, „ik kan u bezweren, +mijne heeren, dat zij dergelijke boeken niet te lezen krijgen. Zulke +lectuur is in de gevangenisbibliotheek niet voorhanden.” + +„Gij begrijpt mij verkeerd,” riep de president uit. „Ik wensch te +weten, of de gevangenen niet vóór hun arrestatie die boeken hebben +gelezen en daardoor op het slechte pad zijn gekomen. In de laatste +verhandelingen van de politiebladen gaven de misdadigers het lezen van +dergelijke boeken steeds op als verontschuldiging voor hun daden.” + +„Dan liegen die kerels,” sprak Baxter, „want nog pas eenige dagen +geleden vertelde mijn secretaris mij, dat hij tot zijn groote ergernis +die boeken altijd moest koopen. Geen enkele van de schurken, die +opgebracht werden, had er een bij zich. + +„Ik moet bovendien den geachten voorzitter op dit punt tegenspreken! + +„Mijn beambten zijn ontegenzeggelijk nette menschen en lezen toch, +zooals ik nogmaals moet constateeren, bij voorkeur spannende verhalen. +In alle bureaux van Scotland Yard vind ik ze.” + +„Dat is merkwaardig. Daarvan wisten wij niets,” merkte Sir Harper +verbaasd op. „Die misstand moet onmiddellijk worden opgeheven, +inspecteur! Uw beambten moet leerzame en hoogstaande lectuur worden +verstrekt. Wij zullen u morgen uit onze bibliotheek een groot aantal +van zulke boeken doen toekomen! + +„En om nu op een ander onderwerp over te gaan: door Zijne Hoogheid den +hertog van Norfolk is de volgende wensch geuit: + +„De hertog beveelt om het dorp Sandram in Schotland onder streng +politietoezicht te stellen, opdat er een eind kome aan de daar +heerschende ontucht.” + +„Wat is daar dan voorgevallen?” vroeg een der leden, die aan het +ondereind van de tafel zat, waarna alle aanwezigen in een luid gelach +losbarstten. + +„Sir,” antwoordde de president, „weet gij niet, dat uit het dorp +Sandram alle minnen voor het geheele koninkrijk komen? Hebt gij nog +nooit een min noodig gehad?” + +„Neen, het spijt mij, maar ik ben ongehuwd,” antwoordde het lid der +Vereeniging. + +„Dus,” vervolgde de voorzitter, „het kweeken van minnen, of liever de +ontucht moet eindigen in dat dorp.” + +„Ja, maar,” opperde een der leden, „wat moet men dan doen, als men er +een noodig heeft in zijn familie?” + +Nu stond de hertog op, klemde zijn monocle in de holte van zijn +rechteroog en sprak langzaam en op plechtigen toon: + +„Sir, dan behelpt men zich zonder min. Er zijn, zooveel middelen, welke +dagelijks worden geannonceerd, dat het ten eenemale overbodig is, een +kind door een min te laten grootbrengen. Ik verzoek nogmaals de geachte +vergadering om mijn wensch, de minnen uit te roeien, te willen +vervullen.” + +„Laten wij het voorstel van Zijne Hoogheid in stemming brengen,” sprak +de voorzitter. + +Voor dit doel moesten de leden, die er vóór waren, van hun zetels +opstaan. + +Allen verhieven zich.— + +Ook de ongehuwden. + +Zijne Hoogheid knikte met een tevreden glimlachje en de voorzitter +sprak: + +„Het voorstel van Zijne Hoogheid is met algemeene stemmen aangenomen. + +„Als verder onderdeel onzer besprekingen komen de advertenties in de +kranten aan de orde en moeten wij een wet in het leven zien te roepen +om hieraan een einde te maken. + +„Geheele pagina’s onzer dagbladen zijn gevuld met afschuwelijke +onzedelijkheid. + +„In de eerste plaats zijn het de advertenties van onze +gummifabrikanten, verder die betreffende geneesmiddelen voor allerlei +geheime ziekten, gevolgen van jeugdzonden en dergelijke, in de derde +plaats de advertenties, waarin men onze dames een schoonen boezem wil +bezorgen. + +„Ik bid u, mijne heeren, werkt niet reeds het woord boezem onzedelijke +voorstellingen op? + +„Men kan gerust aannemen, dat dergelijke aankondigingen verderfelijk op +onze jeugd werken en aanleiding geven tot allerlei ondeugden. + +„Er moest dus voor gezorgd worden, dat door de een of andere wet deze +advertenties worden verboden en dat de kranten, die ze toch +publiceeren, met een hooge geldboete of met de gevangenis worden +gestraft. Ik verzoek u, dit voorstel in stemming te willen nemen”. + +Weer stonden alle aanwezigen op. + +De president vervolgde: + +„Zeer zeker zijn de kranten—uitgezonderd de berichten omtrent het hof +en de politiek—het verderf van onzen tijd. Alle soorten misdaden, ik +noem bijvoorbeeld de vergoding van John Raffles— — —” + +„Zeer juist!” riep Baxter uit. + +De president zag zich genoodzaakt om te herhalen: + +„De vergoding van John Raffles. Het beschrijven van allerlei wandaden +is gevaarlijker dan alle mogelijke sensatieromans, want bij deze +laatste twijfelt men er aan, of dat, wat men leest, tot de +mogelijkheden behoort, maar wat in de kranten staat, is helaas +werkelijkheid. + +„Ik bid u, mijne heeren, welken invloed moet het hebben op het karakter +van een jong meisje van tien jaar, wanneer het des morgens in de +kranten leest over een vergrijp tegen de goede zeden of op een +jeugdigen knaap, die op de hoogte wordt gesteld van de intimiteiten uit +het particuliere leven van de een of andere hooggeplaatste +persoonlijkheid! Is het niet waar, mijne heeren, dat is een groot +schandaal, het is publieke onzedelijkheid, welke voor iedereen te lezen +staat. + +„Aan dit alles moet een einde worden gemaakt en daarover wenschte ik te +beraadslagen.” + +De hertog stond op en allen luisterden vol eerbied. + +„De oplossing van dit vraagstuk zou heel eenvoudig zijn”, sprak hij, +„wanneer er geen misdaden meer gepleegd werden.” + +„Bravo! bravo!” riepen de aanwezigen, terwijl de spreker weer plaats +nam. + +„Heeft nog iemand zijn oordeel hierover uit te spreken?” vroeg de +voorzitter en daar niemand het waagde, na den hertog nog iets in het +midden te brengen, verklaarde de voorzitter het zakelijke gedeelte voor +afgedaan en gaf tot algemeene vreugde het teeken om te gaan eten. + +Met een honger als wolven wierpen allen zich op de voorgediende +spijzen. + +Na korten tijd stond de hertog op en verliet het gezelschap. + +Eerst nog had hij Baxter, als hooge onderscheiding, een handdruk +gegeven en deze voelde zich hierdoor zoo vereerd, dat hij vol diep +respect naar zijn hand keek. + +Nadat de hertog was vertrokken, begon volgens Engelsch gebruik een +zwelgpartij. Het was reeds na middernacht, toen Baxter, arm in arm met +den president, het hotel verliet om zich op straat te begeven. + +„Gaat gij al naar huis?” vroeg Sir Harper den inspecteur. + +„Ik ben gewend”, antwoordde deze, „bijtijds te gaan slapen. Mijn dienst +is inspannend!” + +„Kom!”, lachte de president, „dan maakt gij heden een uitzondering. Ik +ken hier in de buurt een klein Fransch restaurant, waar uitstekende +champagne wordt geschonken en waar men zich kostelijk amuseert. Gij +moet dat leeren kennen.” + +„Natuurlijk!” antwoordde de chef van Scotland Yard, „als gij erop +gesteld zijt, dat ik u vergezel. Ik ben geen spelbreker.” + +Zij behoefden niet ver te loopen en gingen van het Strand een kleine +zijstraat in. Zij bleven staan voor een huis, waaraan in geen enkel +opzicht te zien was, dat er nog leven in heerschte. + +Aan de deur bevond zich een ouderwetsche klopper, dien zij meermalen in +beweging moesten zetten. + +Na eenig wachten werd de deur geopend en een oude man, die er uitzag +als een kamerdienaar, maakte een buiging en sprak in het Fransch: + +„Goeden avond, heeren!” + +Daarop gingen zij binnen, terwijl de bediende de deur geruischloos +achter hen sloot. + +Beide heeren ontdeden zich in de deftig ingerichte, met zware tapijten +belegde voorkamer van hun overjassen en Baxter hoorde het gedempte +lachen van vrouwenstemmen, het klinken van wijnglazen en de zachte, +welluidende tonen van een Zigeunerkapel. + +Baxter keek verbaasd om zich heen, wat de president zag. + +„Ja, ziet gij, mijn waarde”, sprak deze, terwijl hij voor een der +spiegels zijn haar in orde maakte, dat zich uiterst spaarzaam op zijn +spiegelgladden schedel vertoonde, „telkens na zulk een vermoeiende +vergadering voel ik er behoefte aan, mij een kleine afleiding te +gunnen. Ik verzeker u, dat gij u heerlijk zult amuseeren in dezen +kleinen tempel.” + +Hij nam Baxters arm, de kamerdienaar, die eerbiedig bij een met +Perzische gordijnen versierde deur stond, sloeg de portières terug, +opende een kleine vleugeldeur en beide heeren traden een salon binnen. + +Daar wachtte een andere bediende, die ook een buiging maakte en hun +tegelijkertijd een zilveren blad voorhield. + +„O, drommels”, mompelde Baxter, „ik heb geen visitekaartje bij mij.” + +De president lachte. + +„Een visitekaartje? Neen, mijn waarde, dat is ook niet noodig, maar een +bankbiljet van een pond. Mocht gij er geen bij u hebben, dan ben ik +bereid, u er aan te helpen.” + +Terwijl de inspecteur zijn portefeuille te voorschijn haalde om het +verlangde geld op het blad te leggen, fluisterde hij: + +„Tot welk doel betaalt men hier?” + +„Dat zult gij dadelijk in de zaal wel zien. Ik verzeker u, mijn beste +heer, dat het er heerlijk is.” + +Hij trok Baxter met zich mee. + +De portière van een tweede deur werd weggeslagen, een vleugeldeur +geopend en beide heeren traden een schitterend verlichte zaal binnen, +waar bij de muziek van een kleine kapel verscheiden paren dansten, +terwijl rondom aan de muren uit een menigte nissen het vroolijke lachen +en schertsen van dames en heeren weerklonk. + +Overal brandden roode lampen en stonden rijk bekleede fauteuils. + +Eenige der intiemste plekjes waren door blauw fluweelen gordijnen aan +de blikken der gasten onttrokken, andere waren half of gedeeltelijk +geopend en Baxter zag daarin alleenzittende dames, die hem met haar +waaier wenkten en hem allerliefst toelachten. + +De president scheen hier een bekende persoonlijkheid te zijn. + +„Er moeten hier een paar nieuwelingen zijn”, fluisterde hij den +inspecteur toe. „Luister naar mijn raad en neem niet een der oudjes. +Ziet gij daarginds dat kleine zwartje, dat is een nieuwe. Hoe vindt gij +haar? Of houdt gij meer van blondines met rijpere vormen?” + +Baxter wist van verbazing niet wat hij zou antwoorden. + +Zonder dat hem verder iets werd gevraagd, schoof de president hem naar +een dame en sprak: + +„Lady, het zal dezen heer een genoegen zijn, met u te soupeeren.” + +Hij zelf verdween in een der nissen. + +Toen de inspecteur vele uren later in een cab naar huis reed, had hij +zooveel champagne gedronken, dat hij in de beste stemming zachtjes zong +en eerst toen hij thuis was, herinnerde hij zich, dat hij om 6 uur des +morgens dienst had en dat het nu tien minuten vóór 5 was. + +Zoo goed als het hem mogelijk was, trok hij zijn frack uit en kleedde +zich in zijn dienstjas. + +In hetzelfde rijtuig, dat hem naar huis had gebracht, liet hij zich +naar het hoofdbureau van politie brengen. + +De Vloo had juist een kopje morgenkoffie voor zich staan en een pijpje +gestopt, toen Baxter binnentrad. Hij had moeite, op de been te blijven +en liep waggelend naar zijn schrijftafel. + +„Wel, inspecteur”, riep de Vloo lachend, „waar komt gij vandaan?” + +„Gij moet mij vervangen”, stotterde zijn chef met moeite. „Gij weet +immers, dat ik vergadering had van de Vereeniging voor ontucht van +minnen en gummi-artikelen—en—en—en— — —” + +Marholm lachte luidkeels, maar antwoordde niet. + +„Ik zal u later alles vertellen...... voorloopig moet ik slapen, mijn +lieve Marholm.” + +Hij liet zich door de Vloo naar de kleine kamer naast het bureau +brengen, waar een lederen sofa stond en nauwelijks lag hij, of hij +sliep ook al. + +Marholm echter sprak tot zichzelf: + +„Jammer, dat John Raffles den inspecteur van politie niet heeft gezien; +wat zou hij een pret hebben gehad!” + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +HET KLAVERBLAD VAN VIER. + + +Lord Edward Lister, of, zooals hij zichzelf noemde, John C. Raffles, +was juist met zijn vriend Charly Brand, die reeds verscheiden jaren +zijn assistent was en den Grooten Onbekende als zijn meester +beschouwde, van een Europeesche reis naar Londen teruggekeerd. + +De deftige kleine villa in Hydepark, welke hij onder den naam van baron +Walkerfield had gehuurd en volgens zijn smaak op voorname manier +ingericht, was door den kamerdienaar, den ouden Joe, op voorbeeldige +wijze onderhouden. + +Met een verheugden glimlach had hij zijn heer ontvangen, die zich +gedurende verscheiden weken in Parijs had opgehouden. + +„Nu zijn wij weer thuis, mijn jongen”, sprak John Raffles tot Charly +Brand. „Ik moet je eerlijk bekennen, dat ik altijd, als ik eenige +maanden uit Londen weg ben geweest, heimwee naar onze stad krijg met +haar rustelooze menschenmassa.” + +Charly Brand zette een nadenkend en zeer ontevreden gezicht. + +„Ik moet zeggen”, sprak hij, een sigaret aanstekende, „dat ik altijd +verlang naar den dag, waarop je mij mededeelt, dat wij Londen gaan +verlaten. Ik sidder op dezen bodem, die altijd gevaar voor jou +oplevert.” + +John Raffles lachte vroolijk. + +„Je bent toch niet bang voor inspecteur Baxter?” + +Hij nam zijn sigarettenkoker en stak er ook een aan. „Mijn beste +jongen, die krenkt mij geen haar. Hij is blij, dat ik hem niets doe.” + +„Wie weet”, antwoordde Charly, „misschien heeft hij je met opzet +jarenlang van een zekere veiligheid laten genieten om er zich op een +goeden dag, als hij ze gevangen heeft genomen, op te kunnen beroemen, +dat het alleen hem, den alom gevreesden inspecteur Baxter van Scotland +Yard, is gelukt, om jou den genialen amateur-roofridder, eindelijk +onschadelijk te maken.” + +„Geloof je dat werkelijk, mijn beste, jongen?” vroeg zijn vriend. „Ik +verzeker je, zoolang als ik op kalme wijze mijn eigenaardige sport +blijf uitoefenen, is mijn beroep absoluut ongevaarlijk. Alleen dan +wordt het een halsbrekend bedrijf, als ik lichtzinnig ga handelen. + +„Dan gebeurt mij precies hetzelfde als dat elken zakenman of burger +passeert: ik ga over den kop!”— — + +John Raffles nam, nadat hij deze woorden had gezegd, aan de groote +empire-schrijftafel plaats en begon een mededeeling te schrijven aan +zijn club, waarvan hij lid was, eveneens onder dien naam van baron +Walkerfield, dat hij weer van zijn reis was teruggekeerd. + +Charly Brand had zich intusschen met de kranten bezig gehouden, welke +juist door den kamerdienaar waren gebracht en las de nieuwstijdingen. + +Toen zijn vriend den brief af had, belde hij en gaf een kamerdienaar +den brief ter bezorging. + +Daarop nam ook hij de kranten en vroeg of Charly iets interessants had +gevonden. + +„Steeds hetzelfde,” antwoordde deze, „dezelfde misdaden, dezelfde +ongelukken, dezelfde sportberichten. Alleen de namen der persoonen +veranderen. Er is niet veel nieuws onder de zon.” + +„Stop!” riep Raffles. „Jij bent nog een onervaren jongmensch, mijn +lieve Charly. Er is een groote massa nieuws, waarvan wij soms niet het +flauwste vermoeden hebben.” + +Hij bladerde daarna de kranten door en sprak daarop, met een blik op +het blad, dat Charly in de hand hield: + +„Je hebt daar zeker het blad, waarin de nieuwtjes staan uit de +Londensche hoogere kringen. Geef het mij eens.” + +Charly Brand blies met aandacht den rook van zijn sigaret in de lucht, +nadat hij zijn vriend het nieuwsblad had gegeven, en sprak: + +„Je bent een eigenaardig mensch, lieve Edward; ieder ander leest eerst +het werkelijk interessante, wat er in de wereld voorvalt: +politiek—eventueele oorlogsberichten en dergelijke. Jij daarentegen— —” + +„Wees maar gerust”, viel John Raffles hem in de rede. „Je jeugd speelt +je alweer parten. Ik verzeker je, mijn jongen, deze schijnbaar droge +berichtjes, die mij vertellen, dat lord X met de dochter van den +Amerikaanschen beurskoning Smith uit Chicago is getrouwd, of dat +mevrouw v. Z. een eisch tot echtscheiding heeft ingediend tegen haar +echtgenoot, of dat de eigendommen van den Schotsen baron Y. zijn +verkocht—al die berichten zijn voor mij veel interessanter dan wat de +kranten verder op uitvoerige wijze hun lezers vertellen. Dat, wat jij +daar leest is voor de alledaagsche groote massa. + +„Maar deze klein gedrukte mededeelingen zijn de werkelijk groote +treurspelen, welke in het geheim worden opgevoerd. + +„Toe, stoor mij nu eens een oogenblik niet.” + +Hij nam de krant en begon te lezen. + +Nauwelijks had hij een paar seconden lang de berichten doorgekeken, of +hij liet plotseling het blad vallen en brak los in een luid gelach. + +Charly Brand sprong verschrikt op en liet zijn sigaret vallen. + +„Wat is er, Edward? Je doet mij werkelijk schrikken!” + +„Neen maar, het is kostelijk, lieve Charly!” riep John Raffles uit. „O, +wat ik hier heb gelezen— —Je moet dit bericht uitknippen.” + +„Allright!” sprak Charly Brand. Hij hield namelijk reeds jarenlang als +secretaris van zijn vriend een archief bij, waarin hij alle berichten +uit de kranten verzamelde, evenals alle mogelijke mededeelingen en +opmerkingen, welke op eenigerlei wijze betrekking hadden op Raffles en +welke hij alle zorgvuldig registreerde. + +John Raffles had het bericht nogmaals gelezen en lachte opnieuw. + +„Zou je mij niet willen vertellen,” vroeg Charly Brand, „waarom je zoo +vroolijk bent? Je schijnt buitengewoon veel plezier te hebben.” + +„Zeker,” lachte John Raffles. „Alleen de Engelsche natie bezit zulke +grappenmakers, zulke komieke lui, onze Falstaffs, zooals Shakespeare ze +heeft geteekend. + +„Een type daarvan is onze politie-inspecteur Baxter! + +„Luister eens, wat hier staat: De Vereeniging ter bevordering der goede +zeden in Engeland vierde eergisteren in hotel Cecilia haar tienjarig +bestaan— —mooi, he?” + +Charly Brand antwoordde glimlachend: + +„Ik heb nog nooit iets gehoord van het bestaan eene dergelijke +vereeniging.” + +„Ik ook niet,” antwoordde Raffles, „en ik had ook nu misschien nog +niets erover gelezen, wanneer een naam mijn aandacht niet had +getrokken. + +„Deze naam is het grappige van de geschiedenis. + +„Luister naar hetgeen hier verder staat: + +„Op den feestavond, waaraan ook werd deelgenomen door den beschermheer +der Vereeniging, den hertog van Norfolk, werd door den president Sir +Edwin Harper, den nieuwen tweeden voorzitter der Vereeniging +geïnstalleerd: den inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard— — +—” + +Nu barstte ook Charly Brand in een luid gelach uit, waar zijn vriend +opnieuw mee instemde. + +Daarop riep deze uit: + +„Dat is een mop, zooals men geen betere kan uithalen in de Vereenigde +Koninkrijken! Men moet Baxter zoo goed kennen als wij, om de +geestigheid, die in deze keus ligt opgesloten, te snappen. + +„Deze drinker, om niet te zeggen zuiper, deze Don Juan, deze man, voor +wien deugd eenvoudig niet bestaat— — —die troont nu als president aan +het hoofd van een vereeniging ter bevordering van deugd en +zedelijkheid. + +„Mijn hemel, wat een prachtige geschiedenis! Laat ons verder lezen! + +„Luister: + +„De Vereeniging nam voor het nieuwe jaar de volgende werkzaamheden op +zich: + +„Het indienen van een wetsvoorstel betreffende afschaffing der +onzedelijke advertenties, verscherping der theatercensuur en— — —” + +John Raffles moest plotseling naar lucht happen en riep, terwijl dikke +tranen van het lachen over zijn wangen rolden: + +„Charly, Charly, de minnen zullen worden afgeschaft! De minnen zijn +onzedelijk! Heb je ooit dergelijken nonsens gehoord? Deze mop is bijna +even goed als die, om Baxter te benoemen tot president der Vereeniging— +— —” + +„Hoe kan het mogelijk zijn geweest, dat men hem voor een dergelijke +functie uitkoos?” vroeg Charly Brand. + +Raffles dacht even na en sprak: + +„O, ik geloof, dat die oplossing heel eenvoudig is! Baxter is immer +onze theater-censor en zorgt er, in die hoedanigheid, al sinds jaren +voor, dat wij op het tooneel zoo weinig mogelijk gemeenheden te hooren +en te zien krijgen.” + +„Och,” antwoordde Charly Brand, „daar mankeerde het anders niet aan. Ik +herinner mij nog, een paar maanden geleden in een onzer schouwburgen +dingen gezien en gehoord te hebben, die iemand een blos van schaamte op +de kaken tooveren.” + +„Nu ja,” antwoordde Raffles, „de directeuren zullen wel over de brug +zijn gekomen om toestemming te krijgen, hun stukken op te voeren.—Ja, +ik herinner mij zelfs, dat de inspecteur een liaison had met een dame, +die verbonden was aan een onzer voornaamste variété-theaters. + +„Maar dit heeft natuurlijk niets met zedelijkheid of deugd te maken. + +„Doch nu genoeg. + +„Kleed je aan en laat ons een wandeling in ons geliefde Londen gaan +maken. Ik verheug er mij op, door de straten te flaneeren!” + +„Het is nog een beetje vroeg,” sprak Charly Brand. + +„Je hebt gelijk!” knikte zijn vriend. „Wij kunnen nog wachten totdat +het tijd wordt voor de schouwburgen. Ik stel je voor om den avond door +te brengen in het Lyceum-theater en daarna op echt Engelsche wijze +ergens te gaan eten.” + +Voordat Raffles zijn woning verliet, voorzag hij zich, daar sinds zijn +laatste zaakje zijn uiterlijk bekend was geworden, van een baard. + +Tot dat doel begaf hij zich naar een cabinet naast zijn slaapkamer, +waarin een groote drie dubbele spiegel stond, welke van den vloer tot +aan het plafond van de kamer reikte. + +Daarvoor waren electrische lichten aangebracht, zoodat de Groote +Onbekende, als hij voor den spiegel stond, elke lijn van zijn gelaat +kon onderscheiden. + +Aan den eenen kant van de kamer stond een groote kast, die uit +verschillende deelen bestond en waarin costuums werden bewaard. Als +deze geopend was, meende men, een theatergarderobe voor zich te zien. + +Aan den anderen muur bevonden zich langwerpige kasten, waarin allerlei +soorten schmink en gummimaskers lagen. Verder bevonden zich daarin +allerlei baarden. + +De Groote Onbekende overlegde een tijdlang, voordat hij besloot, welke +verkleeding hij zou kiezen. Daarop ging hij naar de kast en nam het +costuum van een voornaam Chinees eruit. + +Dit had hij met veel andere zaken van zijn laatste reis meegebracht en +er viel niet aan de echtheid te twijfelen. + +Zelfs de naphtalinelucht, die gewoonlijk aan dergelijke kleeren hangt, +ontbrak niet. + +Met de uiterste zorgvuldigheid trok Lord Lister het costuum aan en +vergat zelfs de daarbij behoorende onderkleeren niet. Daarop trok hij +de vilten schoenen aan, die er bij pasten en begon zich te schminken. + +Daar zijn huid van nature bruin was en door de laatste zeereis nog +donkerder dan gewoonlijk was geworden, had hij in het geheel geen +schmink noodig, maar maakte alleen met een zwarte kleurstof zijn +wenkbrauwen iets langer, zoodat hierdoor de stand der oogen schijnbaar +een andere werd. + +Daarop nam hij een in goud gevatten bril, die aan zijn gelaat het +uiterlijk gaf van een Chineesch geleerde. + +Ten slotte zette hij het in China gebruikelijke zwartzijden mutsje op, +waaraan een zwarte staart was bevestigd. Daarop stak hij aan zijn +vingers eenige ringen, nam een waaier in de hand en verliet door een +zijdeur het cabinet. + +Langs een kleine trap kon hij in de gang van het huis komen, zonder de +studeerkamer, waarin Charly Brand zich bevond, door te gaan. + +Toen de Groote Onbekende in de gang stond, opende hij zacht de deur en +belde. Er verliep eenige tijd, daarop werd hem door den ouden +kamerdienaar Joe opengedaan. + +John Raffles amuseerde zich over het verbaasde gezicht, waarmee de +trouwe bediende hem aankeek. + +Nauwkeurig het neusgeluid van een voornamen Chinees nabootsend, sprak +Lord Lister: + +„Ik zij een goed vriend van uw heer baron Walkerfield. Mijn naam is +Su-Ki-Bit-Wou-Wang. Hier mijn kaartje.” + +De bediende nam het kaartje, dat de Chinees hem overhandigde en +antwoordde: + +„Ik kan niet zeggen, Mr. Su-ki Bat Bung”— — + +„Su-Ki-Bit-Wou-Wang”, verbeterde Raffles op nasalen toon. + +De oude, welopgevoede man sprak: + +„Pardon, Sir, de naam is wel een beetje lang en tamelijk moeilijk voor +mij.” + +„O,” sprak Raffles, „wij hebben in China nog veel langere namen. Dit is +maar een heel kleine.” + +„Ik zal eens hooren,” antwoordde de kamerdienaar met een buiging, „of +mijnheer de baron u kan ontvangen.” + +„O,” zei Raffles, „hij zijn een goed vriend— —ik met u mee ga. Hij zeer +blij zal zijn, wanneer hij mij ziet.” + +Joe wist niet, wat hij moest doen. Maar daar het bezoek zeker geen +onaangenaamheden voor zijn heer kon hebben, stond hij toe, dat de +Chinees hem vergezelde. + +Charly Brand sprong verschrikt uit zijn fauteuil op, toen de +kamerdienaar met den Chinees binnentrad. + +„Pardon, Mr. Brand,” sprak de bediende, „deze gentleman zegt, dat hij +een goed vriend van mijnheer den baron is en dat mijnheer zeer verheugd +zal zijn hem te zien.” + +„Ja,” bevestigde Raffles met onuitstaanbaar neusgeluid en met een +vreeselijk accent, „hij heel blij zal zijn, mij te zien. Wij veel te +zamen beleefd hebben in Peking.” + +De kamerdienaar ging heen en de secretaris maakte een beleefde buiging +voor den Chinees en sprak: + +„Mijn naam is Brand. Ik ben de vriend en vertrouwde van baron +Walkerfield!” + +„O, ik dat weten!” antwoordde de Chinees. „Heeft dikwijls de baron +verteld van zijn vriend.” + +„Zeer vleiend voor mij,” sprak Charly. „Mag ik vragen met wien ik de +eer heb?” + +„Zeer goed,” antwoordde de Chinees, „men mij noemen +Su-Ki-Bit-Wou-Wang”. + +Charly Brand maakte weer een buiging. Hij had al het andere verstaan, +alleen den naam van den vermeenden bezoeker niet. + +Hij wees met zijn hand naar een fauteuil en verzocht: + +„Wees zoo goed, plaats te nemen, Sir, totdat mijn vriend komt. Ik +verwacht hem oogenblikkelijk.” + +„Ik zal wachten,” antwoordde de Chinees, terwijl hij plaats nam. + +Charly Brand zag, dat de vreemdeling oplettend in de kamer rondkeek. + +Na eenige minuten van het diepste stilzwijgen sprak de Chinees: + +„Gij wonen zeer mooi hier in Londen. Ik had niet gedacht in China, dat +men hier zooveel als bij ons bij elkaar kon stelen.” + +Pats!— — — + +De stoel, waarop Charly Brand zat, werd minstens een halven meter +achteruitgeschoven. + +Met groote oogen staarde Charly Brand den zoon van het Hemelsche Rijk +aan. + +Was de kerel gek of wat bezielde hem? + +Waarschijnlijk kende hij niet genoeg Engelsch en bedoelde hij een ander +woord voor „stelen”. + +„Gij staat mij zeker toe, Sir, dat ik u verbeter. De meubelen zijn niet +gestolen, maar gekocht.” + +„Ik weten alles,” glimlachte de Chinees. „De meubelen gekocht zijn, +maar het geld, dat ervoor noodig, zijn gestolen.” + +„Sir!” stoof Charly Brand op, „gij bevindt u in het huis van een +gentleman, van een baron!” + +De Mongool glimlachte geheimzinnig en sprak door zijn neus: + +„Ik weten alles! Ik zelf dief ben en gij klein diefje zijn. Gij nog +niet geslepen genoeg zijn!” + +De jonge man wist niet of de grond links of rechts onder hem draaide. +Hij begreep niets van dien geheimzinnigen bezoeker en wist niet, wat +hij moest doen. Zenuwachtig keek hij naar den Chinees, die was +opgestaan en uit een sigarettenétui, dat Raffles had laten liggen, een +sigaret nam. + +Op zijn gemak begon hij te rooken en bekeek onderwijl het kostbare, met +diamanten en robijnen bezette étui. + +Charly Brand werd bleek van schrik, toen de Chinees met zijn vervelend +geluid sprak: + +„Zeer schoon étui, ik zulk werk mooi vinden en meenemen.” + +Op hetzelfde oogenblik had hij het étui in een der zakken van zijn wijd +bruinzijden overkleed laten glijden. + +Nu werd het den secretaris al te erg. Hij ging naar den Chinees toe, +legde zijn hand op diens arm en sprak: + +„Ik hoop, Sir, dat gij schertst. Het étui moogt gij u niet toeëigenen.” + +„O, waarom niet?” vroeg de Chinees op kalmen, onverschilligen toon. „Uw +vriend, Mr. Raffles, kunnen zich immers een nieuw stelen.” + +De jonge man greep den arm van den Chinees met ijzeren vuist beet en +trachtte hem het étui met de vrijgebleven hand weer uit den zak te +halen. + +„Laat mij los!” klonk het dreigend terug, „of gij kunnen vliegen als +een elastieken bal in den hoek.” + +„Vervloekt!” schreeuwde Charly Brand, „een dergelijke brutaliteit heb +ik nog nooit beleefd. Geef het étui terug of ik neem het met geweld.” + +In het volgende oogenblik echter vloog hij als een voetbal midden door +de kamer en viel in een hoek op het tapijt neer. + +Maar als een kat sprong hij weer op, haalde een Browningpistool uit +zijn zak te voorschijn en hield dat den Chinees dreigend voor. + +„Geef het ding terug of ik schiet!” + +„Gij zijt weinig beleefd,” sprak de Mongool, kalm doorrookend. + +„Hoe komt gij ertoe om mij nog te sarren, nu gij u eerst op een manier +hebt gedragen, die u werkelijk het recht beneemt, een ander te +critiseeren? Gij steelt het étui van mijn vriend, gij gooit mij als een +elastieken bal in den hoek en zegt dan nog tegen mij, dat ik niet +beleefd genoeg ben tegenover u.” + +Daar barstte de Chinees plotseling in een luid gelach uit. Charly Brand +keek verbaasd op, want dit lachen kwam hem buitengewoon bekend voor. + +En nu klonk, inplaats van het neusgeluid van den bezoeker de welbekende +stem van zijn vriend, die uitriep: + +„Steek die proppenschieter weer in je zak, mijn beste jongen. Ik heb +maar eens willen zien, of mijn vermomming onberispelijk is. Ik zie, dat +het in orde is en dat jij noch Joe mij hebben herkend!” + +„Ben je het werkelijk?” vroeg Charly Brand en liep aarzelend, nog +steeds het wapen in de hand houdend, naar Raffles toe. + +„Ja, ik ben het werkelijk!” herhaalde deze, „en ik ben blij, dat ik +zulk een schitterend succes had als Su-Ki-Bit-Wou-Wang.” + +„Ongelooflijk!” sprak Charly, „wat zou jij een groot tooneelspeler zijn +geworden, Edward!” + +„Mijn lieve Charly, om een groot tooneelspeler te zijn, is het +noodzakelijk, dat men op de planken staat en beschilderde coulissen van +linnen als milieu heeft. Ik ben van meening, dat men in het werkelijke +leven een veel grooter acteur moet zijn, als men succes wil hebben. + +„Doch maak je nu gereed en steek je in de uniform van een +gardeluitenant, dan gaan wij—” + +Een half uur later verliet het tweetal in een cab de woning van Lord +Lister om zich naar den schouwburg te begeven. + +De Londenaren, die gewend zijn, vreemdelingen te zien, keken gedurende +de voorstelling toch vol belangstelling naar den Chinees, die naast een +gardeluitenant in een loge dichtbij het tooneel zat. + +John Raffles interesseerde zich intusschen het meest voor een zijloge, +waarin een zwartharige dame zat met fonkelende oogen, die blijkbaar in +de beste stemming den naast haar zittenden gentleman pikante dingen in +het oor fluisterde, waarover deze, zonder op zijn omgeving te letten, +luidkeels lachte. + +„Wie is die dame? Ken je haar?” vroeg Charly Brand op zachten toon. + +„Ja!” sprak de Chinees door zijn neus. „Het is een der sterren van ons +Drury Lane theater, Miss Martha Raabe.” + +„En wie is de heer, die naast haar zit?” + +„Ik heb haar den naam een paar keer hooren noemen. Dat is de beroemde +Edwin Harper, de voorzitter der Vereeniging ter bevordering der goede +zeden. Daar ontbreekt Mr. Baxter nog maar aan om een waardig klaverblad +te vormen.” + +„Het zou ook een klaverblad van vieren kunnen worden,” sprak Charly +Brand, „als Baxter ook met een dame kwam!” + +Op dit oogenblik ging de deur open en—politie-inspecteur Baxter trad +binnen in smoking, met een roode anjer in het knoopsgat, terwijl aan +zijn arm zweefde een slanke sylphide met eigenaardige roodblonde +krulletjes, een brutaal wipneusje en met zulke slanke vormen, dat zij +veel overeenkomst vertoonde met een Engelsche rijzweep. + +Ook zij was buitengewoon vroolijk, klopte den inspecteur voortdurend op +den schouder en noemde hem „mijn dikkertje”, terwijl hij haar teeder +met „schatje” aansprak. + +Mr. Harper begroette haar met een vertrouwelijk lachje en hij sprak met +zijn dikke stem: + +„Goeden avond, Miss Hansch.” + +Daarop wendde hij zich tot Baxter, dien hij reeds met jij en jou +aansprak: + +„Zeg eens, doe mij het genoegen, hier naast mij te komen zitten, opdat +Martha niet meer naar die loge daar kan kijken, waar die vervloekte +Chinees zit. Zij stelt, geloof ik, veel te veel belang in de +slangenoogen van dien kerel.” + +„Allright,” antwoordde de inspecteur en nam op den aangewezen stoel +plaats, zoodat zijn arm dien van Raffles bijna aanraakte. + +De tooneelspeelster met de zwarte schitteroogen sprak op eenigszins +beleedigden toon: + +„Je maakt je belachelijk, Edwin, denk je heusch, dat ik verliefd zal +worden op een Chinees?” + +De slanke Miss Hansch lachte spottend en sprak: + +„Nu, hoor eens, jij doet precies alsof Mr. Harper knapper was dan de +Chinees. Ik denk, dat wij het eerst verliefd worden op den persoon, die +het meeste geld heeft.” + +De gentleman wierp haar een woedenden blik toe, dien zij met een +brutaal lachje beantwoordde. + +Daarop sprak hij: + +„Wel, als het op het meeste geld aankomt, dan denk ik mij wel met den +Chinees te kunnen meten. Ik heb Miss Martha vandaag 1000 pond sterling +gegeven.” + +De oogen van Miss Hansch fonkelden van hebzucht, toen zij die hooge som +hoorde noemen. + +„Is dat waar, Martha?” vroeg zij op spijtigen toon. + +„Natuurlijk,” antwoordde deze, „waarvoor is hij anders bankier?” + +Daarop wendde Miss Hansch zich tot Baxter met de woorden: + +„Heb je gehoord, hoe netjes je vriend zich tegenover mijn vriendin +heeft gedragen?” + +De inspecteur knikte toestemmend en sprak: + +„Zeker, mijn kind, hij is bankier en heeft het geld er voor!” + +„Och kom,” lachte het meisje spottend, „met de bankiers is het lang +niet altijd zuiver spel. Ik heb al verscheiden van hen uit Londen zien +verdwijnen, nadat zij den armen menschen hier hun geld afhandig hadden +gemaakt. + +„Ik moet ook zoo eentje zien te vinden. + +„Jij bent gierig. Welk beroep heb je eigenlijk?” + +De inspecteur van politie, die de kleine actrice pas sinds een paar +dagen kende, durfde haar zijn werkelijke betrekking niet noemen en daar +hij niet wist, wat hij zou antwoorden, sprak hij: + +„Ik ben president!” + +Beide dames keken hem met scherpe blikken aan, daarop sprak Miss +Hansch: + +„Wat voor een soort van president?” + +„Dat komt er niet op aan,” antwoordde Baxter. + +„Ja,” lachte Harper, „als je dat zoudt hooren, zou je vreeselijk +schrikken en misschien hard wegloopen.” + +„Zoo?” lachten zij beiden, „is hij misschien president van de +rechtbank?” + +„Och, vraag toch niet verder,” weerde Baxter af, „kijkt nu naar de +voorstelling en dan gaan wij soupeeren.” + +„Zeg”, vroeg Miss Raabe haar vriendin, „heb jij wel eens een verhouding +gehad met een Chinees?” + +„Neen,” antwoordde de andere, „jij?” + +„Ik zou het graag eens willen,” antwoordde Miss Raabe. „Als men dan +valsch haar noodig heeft, neemt men er doodeenvoudig de vlecht van den +Chinees bij! die zou verrukkelijk bij mijn haar passen.” + +„Houdt op met die flauwe aardigheden!” riep Harper uit, „jelui bent +niet erg beleefd. Sinds ik je vandaag dat geld heb gegeven, schijn je +te denken, dat je mijn vriendschap niet meer noodig hebt.” + +Miss Raabe lachte. + +„Wat is 1000 pond!” sprak zij. „Ik had verleden jaar een vereerder, met +wien ik in Monte Carlo en Nizza ben geweest, die heeft mij zijn geheele +vermogen vermaakt.” + +„En wat is er van dien man geworden?” vroeg Baxter. + +„Hetzelfde, wat ik met het geld deed. Beide gingen aan den rol. Hij is +nu ergens in Amerika als glazenwasscher. + +„Maar dezen keer ben ik verstandiger. Ik laat het geld niet weer door +mijn vingers gaan en als ik 10.000 pond bij elkaar heb, ga ik stil +leven als een voorname dame.” + +„Wel”, knikte de bankier, „die 10,000 pond zal je wel gauw bij elkaar +hebben. Van mij alleen heb je tot dusverre 7000 gehad.” + +„7000 pond? Drommels, dat is veel geld!” + +„Hij heeft het er immers voor,” lachte het meisje, „hij is immers +bankier!” + +Bij die woorden maakte zij de beweging van iemand, die geld wegneemt, +zoodat de drie anderen lachten. + +„Een net klaverblad,” fluisterde Charly Brand, wien geen woord van het +gevoerde gesprek was ontgaan. + +Zijn vriend knikte toestemmend. + +Toen John Raffles den schouwburg verliet, sprak hij tot Charly Brand: + +„Mijn beste jongen, wil je wel gelooven, dat men Londen werkelijk een +dienst bewees, wanneer men die Vereeniging ter bevordering der +zedelijkheid eens ging ontleden? + +„Die Vereeniging moet ontbonden worden, men moet de leden ontmaskeren. + +„Men walgt letterlijk, als men bedenkt, dat dit de mannen zijn, die +zedepreeken houden voor het volk. Met deze beide broeders moet ik mij +nader bezighouden.” + +Daarop gingen zij soupeeren en reden al vroeg naar huis terug. + +Voordat de Groote Onbekende zich ter ruste begaf, sprak hij: + +„Ik heb een schitterend plan gemaakt en zal voorloopig als Chinees in +Londen leven. + +„Onthoud goed mijn naam: Su-Ki-Bit-Wou-Wang!” + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +SU-KI-BIT-WOU-WANG IN DE KAST. + + +Het was den volgenden morgen tegen tien uur, toen bij bankier Harper, +die een kleine zaak had in de Regentstreet, de boekhouder een kaartje +afgaf, dat de bankier eenige seconden bekeek. + +Eindelijk spelde hij: Su-Ki-Bit-Wou-Wang. + +Een vage voorstelling van een Chinees, die den vorigen avond in een +loge naast hem had gezeten, vloog door zijn hoofd. + +Tegelijkertijd kwam een gevoel van jaloerschheid in hem op, daar zijn +geliefde, Miss Raabe, te veel belang in den Mongool had gesteld. + +Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij den man zou ontvangen of niet +en besloot toen tot het eerste. + +„Su-Ki-Bit-Wou-Wang!” stelde de Chinees zich voor in zijn nasaal +Engelsch, toen hij tegenover Harper stond. + +„Ik komen uit Peking.” + +De bankier fronste de wenkbrauwen en wierp den bezoeker een niet zeer +vriendelijken blik toe. + +Het was werkelijk de man, aan wien hij zich in den schouwburg had +moeten ergeren. + +„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij op korten toon. „Het is beurstijd +en ik heb het zeer druk.” + +„O, dat niets hindert,” sprak de Chinees. „Bij ons in Peking wij doen +alle zaken gedurende de beurs. Wij daar hebben veel tijd!” + +„Dat is best mogelijk,” antwoordde Harper. „Wij in Londen hebben zeer +weinig tijd. Zeg mij in korte woorden wat gij wenscht!” + +De zoon van het Hemelsche Rijk maakte een buiging en sprak: + +„Ik vernemen, dat gij president van de schoone Vereeniging der +bevorderde zedelijkheid en deugd. Ik zou willen verzoeken, als +vreemdeling, in de Vereeniging te worden opgenomen.” + +„Dan moet gij u tot den tweeden voorzitter wenden,” antwoordde Harper +onvriendelijk. „Hij moet voor dergelijke dingen zorgen.” + +„Hoe heeten de tweede president?” + +„Politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard.” + +„Ik dank u zeer, maar ik niet weten de adres van dezen man. Ik u +verzoeken, mij eenige regels voor dien man mee te geven.” + +Harper, die blij was, dat hij den onwelkomen bezoeker zoo gauw mogelijk +weer kwijt raakte, nam een blad papier, schreef het adres en een paar +woorden erop, met verzoek aan Baxter om den Chinees voor het volgende +diner der Vereeniging, dat weer op Donderdag in hotel Cecilia gehouden +zou worden, een uitnoodigingskaart te verstrekken. + +Met veel buigingen ging de Chinees heen en Harper begaf zich naar de +beurs. + +Hij speculeerde den laatsten tijd op zeer twijfelachtige wijze om te +trachten zijn inkomsten te vermeerderen, daar, ten gevolge van zijn +levenswandel, zijn kas zeer gedund was. + +De Chinees was intusschen naar het hoofdbureau van politie gegaan en +verwekte daar groot opzien bij de beambten. + +Baxter was juist in het bureau gekomen en daar hij zware hoofdpijn had +wegens te weinig slaap, trachtte hij zijn slechte bui te koelen op zijn +secretaris Marholm. + +Deze luisterde doodkalm naar de scheldwoorden van zijn chef en stopte +zijn kort pijpje, alsof hij niets van al het gevloek van Baxter hoorde. + +„Wat is er voor nieuws?” vroeg hij de Vloo op barschen toon. + +„Dat wilde ik u juist vragen,” antwoordde Marholm. „Gij ziet eruit, +alsof gij heel wat te vertellen hebt.” + +„Houdt uw b....!” brulde Baxter. „Ik heb geen zin om flauwe aardigheden +aan te hooren.” + +„Dat is ook niet noodig, inspecteur,” antwoordde de secretaris. „Gij +schijnt flink katterig te zijn!” + +„Wat gaat u dat aan?” + +„Met uw verlof, heel veel! Gij schijnt mij als een soort zondebok te +beschouwen. Raas en tier tegen iemand anders, alstublieft. Uw gevloek +maakt op mij geen indruk!” + +„Wilt gij mij de les lezen?” vroeg Baxter op scherpen toon. + +„De hemel beware mij! Ik denk er niet aan,” antwoordde de Vloo. „Dat +zou vergeefsche moeite zijn.” + +„Sir!” stoof Baxter weer op, zijn oogen woest latende rollen. + +Als antwoord blies de Vloo hem een dikke rookwolk in het gezicht. + +Daar trad een politie-agent binnen en meldde: + +„Een Chinees wenscht inspecteur Baxter te spreken.” + +Vol verbazing keek Baxter den agent aan. + +„Een Chinees? Wat moet die hier doen?” + +De agent haalde de schouders op en Marholm mompelde iets. + +„Breng den Chinaman hier!” beval de chef. + +Eenige oogenblikken later trad de Chinees het bureau binnen, neeg +driemaal en sprak in de bloemrijke taal van zijn land: + +„Ik zie de zon opgaan en voel mij gelukkig, den hoogen politiemandarijn +van Londen, de geweldige vuist van het Engelsche Rijk, voor mij te +zien. O, ik mij voelen zeer gelukkig!” + +„Wat is dat voor gekkentaal?” sprak de Vloo en keek den vreemdeling vol +belangstelling aan, die op iemand, dien hij kende, scheen te gelijken. +Tevergeefs bedacht hij echter, wie het kon zijn. + +Ook Baxter kwam de Chinees bekend voor. + +De vele champagne van den vorigen nacht had alle herinnering van het +theater bij hem uitgewischt. + +Maar hij sprak: + +„Ik moet u reeds meer hebben gezien, Mister—” + +„Su-Ki-Bit-Wou-Wang uit Peking!” + +„Juist, Sir Stucki-Kit-Sting-Stang,” antwoordde Baxter. + +„No, no,” verbeterde de Chinees, „Su-Ki-Bit-Wou-Wang! Geen mensch hier +in Londen mijn naam kan uitspreken.” + +„Ja,” lachte de Vloo, „daar is ook groote vaardigheid voor noodig.” + +Baxter stelde voor om den naam af te korten en eenvoudig Mister Wang te +zeggen. + +Nu overhandigde de Chinees hem den brief van Sir Harper. + +„Allright!” antwoordde Baxter, nadat hij hem had gelezen. „Hier hebt +gij een kaart, het zal ons een groote eer zijn, u als onze gast bij ons +te zien.” + +De Chinees glimlachte gevleid en antwoordde: + +„O, ik hopen, dat daar nog meer zijn zulke schoone dames.”— — + +„Dames?” + +Baxter kreeg een schrik. Nu herinnerde hij zich plotseling, dat hij den +zoon van het Hemelsche Rijk in den schouwburg had gezien. + +„Ja, dames,” knikte de Chinees. „Ik u immers gisteravond zag met dames, +met zeer schoone dames in den schouwburg.” + +Baxter werd rood. Hij had den Mongool graag een oorvijg gegeven. + +„Gij vergist u, dat waren onze dames niet,” antwoordde hij, om zijn +figuur tegenover de Vloo te redden. + +„O, ik begrijpen,” glimlachte de Chinees, „dat waren gekochte dames, +niet echtgenooten. O, ik zoo graag weten wilde, hoe duur zulke dames +zijn!” + +„Juist,” sprak Baxter, die begreep, dat Marholm vol inwendig genoegen +zat te luisteren, „nu herinner ik mij eerst, wat gij bedoelt. Het was +mijn zuster en de echtgenoote van een mijner vrienden, die met ons in +de loge zat.” + +„Zeer schoone zuster, zeer schoone vrouw! Nu, ik wil niet verder +storen, ik gaarne weerkomen aanstaanden Donderdag. Tot weerziens!” + +„Tot weerziens!” sprak Baxter en herademde, toen de onaangename +bezoeker eindelijk het bureau verliet. + +Nauwelijks was de deur achter hem gesloten, of de Vloo vertrok zijn +gelaat tot den breedsten glimlach, dien hij te voorschijn kon brengen. + +„Waarom grijnst gij zoo?” vroeg zijn chef, die dit lachen kende. + +„Waarom zou ik niet grijnzen?” antwoordde Marholm, „ik amuseer mij!” + +„Hopelijk niet over mij!” barstte Baxter los. „Ik bedank daarvoor.” + +„Gij moet u niet alles dadelijk zoo aantrekken,” sprak de Vloo, „ik had +nooit gedacht, dat gij zoo aantrekkelijk waart!” + +De chef rolde met zijn oogen en daar Marholm kalm en behaaglijk bleef +glimlachen, sloeg hij met de vuist op tafel en schreeuwde: + +„Wilt gij nu eindelijk eens ernstig kijken?” + +„Ik denk er niet aan,” antwoordde de Vloo, „in de dienstvoorschriften +staat nergens, wat voor een gezicht men moet zetten!” + +„Vervloekte kerel!” riep Baxter uit en toen hij Marholm nog steeds +vroolijk zag lachen, sprong hij van zijn stoel op en sprak: + +„Als gij nu nog doorgaat met uw gegrijns, gooi ik u de deur uit!” + +„Gelukkig!” zuchtte de Vloo, „ik verlang onuitsprekelijk naar frissche +lucht! Gij riekt namelijk naar—” + +„Wat zegt gij, ik riek?” schreeuwde Baxter, hem in de rede vallend. + +„Ja, zeker,” bevestigde de secretaris. „Gij schijnt flink katterig te +zijn! De Chinees schijnt u gisteravond goed opgenomen te hebben. +Gelooft gij zelf iets van die vrouw en zuster?” + +„Wat? Of ik daaraan geloof? Gij hoordet immers, dat ik het zelf +vertelde!” + +„Dat is immers juist het grappige”, lachte Marholm. „Gelooft gij, wat +gij zelf hebt verteld?” + +„Ik geloof altijd, wat ik zelf vertel”, riep de inspecteur vol trots +uit. + +Inplaats van te antwoorden, vertrok Marholm weer zijn gelaat tot dien +breeden grijns, die Baxter woedend maakte. + +Weer barstte hij los en verbood Marholm te lachen. + +Daar de Vloo echter geen aanstalten maakte, om ernstig te kijken, kon +Baxter zich niet meer bedwingen en schreeuwde: + +„Ik ontsla u zoolang uit den dienst, totdat gij weer een ernstig gelaat +vertoont. + +„Er uit!” + +De inspecteur had nauwelijks het laatste woord gesproken, of Marholm +sprong zoo vlug mogelijk van zijn stoel op, greep zijn hoed en snelde +naar de deur. + +Daar keerde hij zich nog eens om en vertoonde, voordat hij het bureau +verliet, den chef van politie zijn breedlachenden mond en met een +knipoogje, dat veelbeteekenend was, nam hij afscheid van Baxter. + +De deur viel achter hem in het slot en—dat was geen oogenblik te vroeg, +want Baxter had een inktpot opgenomen en hem dien nagegooid. + + + +Ook John Raffles had met een veelzeggend glimlachje het hoofdbureau van +politie verlaten. + +Hij nam een cab en reed naar het Drury Lane theater. + +Nadat hij den portier een fooi had gegeven, vernam hij van dezen het +adres der actrice Miss Raabe. + +Hij gaf den koetsier den naam der straat en het nummer op en bevond +zich een kwartier later voor het kleine huis met één verdieping, waar +een voorname rust heerschte. + +Lord Lister behoefde niet lang te wachten. Een aardig kamermeisje vroeg +hem, wat hij wenschte en glimlachte vroolijk bij het zien van den +Chinees. + +John Raffles gaf ook haar zijn Chineesch visitekaartje, waarmee zij +verdween. + +Reeds de vestibule, waarin Raffles zich bevond, getuigde ervan, dat de +bewoonster van het huis een uitstekenden smaak moest hebben, gepaard +gaande aan grooten rijkdom, of wel, en Raffles wist, dat dit laatste +het geval was, dat zij schatrijke aanbidders had. + +Terwijl hij de meubelen en curiositeiten bewonderde, die de vestibule +versierden, kwam het kamermeisje terug en sprak: + +„Miss Raabe verzoekt u, binnen te komen.” + +Zij geleidde den bezoeker langs een trap naar boven en liet hem binnen +in een boudoir, waaraan een grooten muzieksalon grensde. + +Hier heerschte buitengewone weelde, die bijna iets parvenuachtigs had. + +Nauwelijks was de Chinees het boudoir binnengegaan, of hij hoorde het +ruischen van een zijden sleep in het muzieksalon en een oogenblik later +trad Miss Raabe in een met kanten bezet ochtendkleed binnen, dat haar +lichaam als een glinsterende elastieke slangenhuid gaf. + +Onmiddellijk herkende zij den Chinees uit het Lyceumtheater van den +vorigen avond en, terwijl zij glimlachend haar sneeuwwitte goed +verzorgde tanden liet zien, riep zij uit: + +„O, dat is charmant, Mr. Jucki-Bit! Ach kom! Die naam is prachtig, ik +zal u eenvoudig Mr. Jucki noemen— —Mijn lieve Mr. Jucki, ik ben zeer, +zeer verheugd, kennis met u te maken en ik hoop, dat gij voldoende +Engelsch verstaat, om elkaar te kunnen begrijpen.” + +„O, zeer zeker, wij elkaar zullen begrijpen,” antwoordde Raffles, „en +als gij niet mijn Engelsch verstaat, zult gij mijn Chineesch wel +begrijpen. In de liefde Engelsch en Chineesch volkomen gelijk zijn. Ik +ben zeer vol geestdrift voor uw schoon gelaat!” + +„Zoo?” glimlachte Miss Raabe gevleid, „maar gij hebt gelijk! Mr. +Harper, een goed vriend van mij, zei onlangs, dat mijn gelaat een +ongeschreven gedicht was.” + +„Nu, dat betwijfelen ik moet. Men ziet lijnen, waarop een gedicht te +schrijven men zou kunnen!” + +„Foei, hoe hatelijk!” riep Miss Raabe uit met een koket lachje. + +„Ik weet, dat ik ben hatelijk, maar daarvoor is mijn geld zeer goed,” +antwoordde de Chinees. „Men houden daarom van mij veel en zeggen, dat +ik een zeer net mensen zijn. Gij zult dat ook nog van mij zeggen.” + +Miss Raabe keek hem met een smachtenden blik aan en lispelde: + +„Als gij heel lief voor mij wilt zijn! Maar gij moet mij niet te lang +laten wachten, anders zeg ik het tegendeel. Voor alles, mijnheer, ben +ik dol op brillanten.” + +„Daarmee kan ik van dienst zijn!” antwoordde Raffles, „ik niets ken van +brillanten, maar ik goede cheques heb en daarvoor mijn vriendinnen +brillanten kunnen koopen. Dan kunnen zij mij niet verwijten, wanneer +zij door Engelsche koopmannen bedrogen worden.” + +„Gij hebt gelijk.” knikte de schoone. „Hebt gij misschien toevallig +zoo’n cheque bij u?” + +„Ik die dragen altijd bij mij. Zouden gij gaarne een willen hebben?” + +Miss Raabe antwoordde zuchtend. + +„Ja, mijnheer, ik verlang er naar. Maar gij schertst zeker?” + +„O neen,” verzekerde de Chinees, „ik schertsen niet over zulke +onderwerpen,” en met de onverschilligheid van iemand, die over +millioenen beschikt, haalde hij zijn chequeboek uit zijn zak en vroeg: + +„Hoe groot wenschen gij, vriendin van mijn hart, een cheque?” + +Miss Raabe keek haar bezoeker verbaasd aan. Een dergelijke +edelmoedigheid was haar vreemd. Zij wist niet, wat zij zou antwoorden. + +Maar de Chinees kwam haar te hulp en sprak: + +„Ik denken, dat een net brillanten sieraad zullen kosten 1000 pond +sterling?” + +De hebzucht ontwaakte in Miss Raabe. + +Iemand, die haar zonder slag of stoot 1000 pond sterling wilde geven, +zou ook meer voor haar over hebben. + +„Ik merk wel, dat gij nog geen brillanten sieraden hebt gekocht, Mr. +Jucki, anders moest gij weten, dat men voor een dergelijk bedrag geen +mooie steenen koopt.” + +„Gij gelijk hebben,” sprak de Chinaman, „ik werkelijk in mijn leven nog +nooit brillanten gekocht hebben.” + +Met deze woorden sprak de Groote Onbekende de waarheid, want alle +brillanten, die hij tot dusverre had bezeten, had hij den eigenaar +afgenomen. + +„Mooi”, sprak hij, „zeg dan, hoeveel geld men noodig voor brillanten.” + +Miss Raabe was dicht naast den Chinees gaan zitten en zijn hand +streelende, sprak zij: + +„Mijn lieve, bruine Jucki— —nietwaar, gij zijt immers mijn lieve, +bruine Jucki? Reeds gisteren in den schouwburg stelde ik belang in u en +bewonderde uw mooie zwarte vlecht.” + +Zij streek met haar zachte hand over den gitzwarten glanzenden haartooi +van haar nieuwen vriend. + +„Ik wilde weten, hoeveel kosten brillanten!” + +„Ja, ziet gij, mijn lieve Jucki, ik weet niet, of gij genoeg van mij +houdt. Ik heb een aanbidder, die mij 10,000 pond sterling heeft +beloofd, als ik hem mijn liefde wilde schenken!” + +„Beloofd!” riep Raffles uit, „ik niet beloven, maar geven!” + +„Hij heeft mij al 7000 pond gegeven, lieve Jucki!” + +Zij liet reeds het woordje „Mister” weg, wat de Groote Onbekende met +genoegen opmerkte. + +„O, ik u ook kan geven zooveel en nog meer. Ik u geven wil een cheque +op de Bank van Peking van 10,000 pond sterling, als de schoone miss mij +wil schenken haar liefde.” + +Zij reikte hem haar hand, die schitterde van de juweelen en sprak: + +„Geef mij uw cheque en ik zal zooveel van u houden, dat gij niet naar +China wenscht terug te keeren.” + +„Allright, Miss Raabe,” sprak de Chinees, „hier is mijn cheque.” + +Hij vulde een formulier in en gaf het haar. + +Nauwkeurig las zij het en vroeg: + +„Moet ik de cheque naar de Bank van Peking zenden?” + +„Gij hem niet moeten zenden. Gij kunnen cheque geven aan Engelsche Bank +en na vier weken geld laten uitbetalen. De Bank zullen zich het geld +van Peking laten komen.” + +„Dat is lang,” antwoordde Miss Raabe, „vier weken! dan moet gij ook nog +vier weken wachten voordat ik u mijn liefde schenk.” + +„Ik gaarne wachten,” sprak de Chinees, „ik echter hoop, u te mogen +bezoeken.” + +„O ja,” lachte Miss Raabe, „dat moogt gij. Ik sta u zelfs toe, mij naar +den schouwburg te vergezellen, soupers voor mij te bestellen, gij moogt +met mij gaan wandelen en kleine rekeningen, die ik hier en daar in +winkels heb, voor mij betalen.” + +„Ik met grootste genoegen dat doen zullen”, antwoordde John Raffles. + +Op dit oogenblik hoorde men het getoeter van een auto voor het huis en +Miss Raabe snelde naar het raam. + +Nauwelijks had zij een blik naar buiten geworpen, of zij sprak zeer +ontsteld: + +„O mijn hemel, wat moet ik nu doen! Daar komt mijn vriend Mr. Harper en +wanneer hij u en mij hier samenvindt, zou hij u uit jaloezie misschien +doodschieten.” + +De Chinees sprong verschrikt op en riep: + +„O neen, laat mij niet doodschieten! Ik zeer bang zijn daarvoor!” + +Men hoorde reeds de huisdeur open- en dichtgaan en er was niet veel +tijd te verliezen. + +Gejaagd sprak Miss Raabe: + +„Kom gauw mee, gij moet u verbergen in mijn kleerkast. Ik heb daar een +schuilplaats laten aanbrengen, waar niemand u kan vinden.” + +Zij voerde hem door het salon, waaraan haar slaapkamer grensde en +hierdoor naar een kleedkamer, waarin aan den muur een groote kleerkast +met drie deuren stond. + +Zij opende echter geen dezer deuren, maar drukte aan een der zijkanten +op een lijst en geruischloos opende zich een smalle deur, die echter +juist breed genoeg was om een mensen van gewonen omvang door te laten. + +Daarachter bevond zich een geheel afgescheiden ruimte, waarin zelfs een +zitplaats was aangebracht. + +„Hier moet gij wachten, mijn lieve Jucki, totdat ik er u weer uitlaat.” + +„De zaak er gevaarlijk uitzien”, meende de Chinees; „maar ik hopen, dat +gij mij niet te lang zullen laten wachten. Is Mr. Harper werkelijk zoo +gevaarlijk een man?” + +„Zeer gevaarlijk, mijn lieve Jucki! Haast u nu, ik hoor hem al in het +salon.” + +In het volgende oogenblik bevond Raffles zich in de kast en nauwelijks +was de deur achter hem gesloten, of hij hoorde door de dunne houten +deur de woedende stem van Harper: + +„Waar zit je eigenlijk?” + +„In mijn kleedkamer”, antwoordde Miss Raabe. „Waarom schreeuw je zoo? +Je gedraagt je sinds eenigen tijd niet zeer „gentlemanlike”.” + +De bankier was binnengekomen en keek met wantrouwende blikken om zich +heen. + +„Ben je alleen?” vroeg hij. + +„Natuurlijk! Wat beteekent die gekke vraag?” + +„Omdat ik weet, dat je bezoek hadt!” + +„Bezoek?” vroeg zij, zacht lachend. „Ik geloof, dat je spoken ziet!” + +„Spoken? Dan zeker van vleesch en bloed! Waar is de man, die je heeft +bezocht?” + +„Houd nu toch op! Als ik je zeg, dat er niemand bij mij is, dan is dat +zoo!” + +John Raffles hoorde, hoe Harper naar de kleerkast ging en die opende. + +„Wat zoek je onder mijn kleeren?” vroeg de schoone. „Interesseeren mijn +rokken je? of wil je je er persoonlijk van overtuigen, dat mijn +toiletten, zooals ik je reeds herhaaldelijk vertelde, noodig moeten +worden verbeterd? Je moest mij een paar nieuwe koopen bij Peter +Robinson! Ik heb iedere japon al gedragen en zou graag weer eens nieuwe +costuums willen hebben.” + +Harper had de kleeren op zij geschoven en ging nu naar het met zware +zijden damastgordijnen behangen bed, dat hij eveneens doorzocht. + +Zij lachte opnieuw hoonend en met een woedende stem sprak hij: + +„Ik heb in je salon het bewijs gevonden, dat er iemand bij je is, wil +je nog ontkennen?” + +„Bah!” antwoordde zij en haalde minachtend de schouders op. + +„Ik ben zeer nieuwsgierig, wat je gevonden hebt.” + +„Kijk,” sprak hij en hield haar het visitekaartje van den Chinees voor +de oogen, „ken je dit kaartje?” + +„Ach— —dat— — —” antwoordde zij langzaam, „natuurlijk ken ik dat +kaartje. Die malle Chinees kwam vanmorgen, maakte mij zijn opwachting +en ik was blij, toen ik hem weer kwijt was. Je ziet dus, dat ik op nog +meer mannen indruk maak dan op jou!” + +„Tart mij niet!” schreeuwde hij woedend, „of ik zou mijzelf kunnen +vergeten. Is het werkelijk waar, dat de Chinees niet meer bij je is?” + +Weer antwoordde zij minachtend: „Bah!” en vervolgde: + +„Ik zou niet weten, waarom ik de aanwezigheid van dien heer, als hij +nog hier was, zou verzwijgen. Ik ben je daarover toch geen rekenschap +verschuldigd!” + +„Zoo?” sprak hij. + +„Is het kapitaal, dat ik tot heden aan je heb opgeofferd, niet de +moeite waard?” + +„Je hebt niets aan mij opgeofferd, want het geld behoort aan je vrouw,” +sprak zij op ijskouden toon. + +„Bewijs mij eerst, dat je inderdaad een offer voor mij kunt brengen.” + +Hij drukte haar arm zoo hartstochtelijk tegen zich aan, dat zij een +kreet van pijn gaf. Daarop haalde hij een pakket uit zijn borstzak, dat +1000 pond aan bankpapier bevatte en riep uit: + +„Zottin, geloof je werkelijk, dat ik geen offer voor je zou kunnen +brengen? Hier, neem dit geld! Je verlangdet 10,000 pond van mij. 7000 +heb ik je al gegeven en wel, zooals je weet, het geld van mijn vrouw. + +„De rest hoopte ik te winnen door beursspeculaties, maar dat is +mislukt. + +„Om echter aan je wenschen te voldoen, heb ik de gelden van mijn +cliënten uit mijn brandkast genomen en voor je meegebracht. Je ziet +dus...” + +Zij vlijde zich nu tegen hem aan als een groote witte kat en, +liefkoozend fluisterend, sprak zij: + +„Ik wist het wel, dat je liefde grenzeloos is. Nu zal je vanavond de +belooning ervoor krijgen. Ik zal je zoo lief hebben als nog geen enkele +vrouw het heeft gedaan. + +„Kom, laat ons nu gaan soupeeren! + +„Ik zal al je zorgen verdrijven en het geld, dat je je cliënten hebt +onteigend, zal je wel gauw terug verdienen.” + +Zij trok Harper, die nog eens met onderzoekende blikken rondkeek, in +het salon en begaf zich met hem naar een kleine eetkamer aan de +achterzijde van het huis. + +Nauwelijks had het tweetal de kamer verlaten, of Raffles opende de kast +van binnen en trad er uit te voorschijn. + +Zacht sloop hij door de slaapkamer rond en ontdekte naast het bed een +kleine ijzeren geldkist, die geopend was en waarin brillanten van +groote waarde lagen. + +Daarin lag ook, in kleine pakjes verdeeld, een bedrag van bijna 10,000 +pond, die Miss Raabe zelf bewaarde, daar zij een hekel aan Banken had. + +Later vernam Raffles, dat zij zoo slecht schreef, dat zij zich geneerde +om haar naam onder een cheque te plaatsen en om die reden het geld +thuis bewaarde. + +Met onderzoekende blikken bekeek Raffles dit alles en mompelde: + +„Het is de moeite waard, met deze kleine een liefdesgeschiedenis te +beginnen; een dergelijke gevaarlijke slang moet onschadelijk worden +gemaakt.” + +Een geluid in de eetkamer deed hem haastig in de kast terugkeeren. + +Toen hij er weer in zat, ontdekte hij, dat een roset van het +houtsnijwerk verschoven kon worden, zoodat men in de kamer kon kijken. + +Harper en zijn geliefde kwamen weer binnen en hij kon duidelijk zien, +hoe de schoone het geld in het kistje borg. + +Daarop verlieten zij de kamer weer. + +De Groote Onbekende hoorde Harper zeggen: + +„Ik zal dus precies om zeven uur bij je zijn en verzoek je, mij niet +lang te laten wachten. Wij zullen naar het Criterium-Theater gaan. En +dan moet ik in elk geval tegen 10 uur een uurtje naar de vergadering.” + +„Ach ja,” antwoordde zij, „ik heb er mij al op verheugd. Er moet een +mooie klucht worden gegeven. Ik blijf natuurlijk in den schouwburg!” + +Zij glimlachte spottend, wat hij niet opmerkte. + +Hierna verlieten zij de kamer en Raffles wachtte geduldig op de dingen, +die zouden komen. + +Ongeveer tien minuten later werd de geheime deur door de geliefde van +den bankier geopend. + +Zij keek hem schalksch aan met haar zwarte oogen en met een overmoedig +lachje riep zij: + +„Ik heb den ouden gek naar huis gestuurd. Hij had geen honger en nu +moet gij met mij soupeeren, mijn lieve Jucki”. + +Zij sloeg haar arm om Raffles’ hals en trok hem met zich mee. + +„Zeer schoone hand, zeer schoone arm,” fluisterde de Chinees, +schijnbaar vol verrukking. „Ik houden van schoone vrouwenarmen.” + +„Allright!” lachte zij, „als je heel lief bent, laat ik je na het +souper mijn geheelen arm zien.” + +„Zeer groote kostbaarheid voor mij zal dat zijn!” + +„Je bent een vleier,” antwoordde zij, „maar kom nu. Ik heb honger. Nu +zullen wij ongestoord zijn!” + +Terwijl zij den bouillon dronk, die door het kamermeisje was gebracht, +sprak zij: + +„Hij is namelijk getrouwd, mijn vriend, dien ik wegstuurde. Hij heeft +een oude, gierige vrouw en als hij niet stipt om 2 uur aan tafel +verschijnt, maakt zij hem het leven tot een hel. + +„Ben jij ook getrouwd, lieve Jucki? Ik vind getrouwde vrouwen +afschuwelijk!” + +„Ik ook,” antwoordde de Chinees. „Ik vinden een vrouw heel akelig. Wij +in China meer vrouwen hebben.” + +„Zoo,” antwoordde zij op scherpen toon, „maar als je mijn vriend wilt +worden, mag je geen tweede vrouw hebben. Ik wil je alleen liefhebben, +ik verzeker je, dat jij de eenige man bent, dien ik liefheb!” + +„Gij mij maken zeer gelukkig,” fluisterde de Chinees. „Maar gij zijn +een kleine slang. Alle vrouwen kleine slangen zijn, zoolang men ze niet +opsluit. Wij in China onze vrouwen opgesloten houden.” + +„Hier in Londen bestaat dat niet,” legde zij hem uit, waarop hij +antwoordde: + +„Zeer dom is dat!” + +Nadat zij hadden gesoupeerd, sprak zij: + +„Lieve Jucki, nu moet je gaan. Morgenochtend tusschen 11 en 1 kun je +terugkomen. Dan is „hij” altijd naar de beurs en zoodra ik het geld heb +van de Bank mag je bij mij komen wonen. Ik bekommer mij dan niet meer +om den ouden kaffer.” + +„Allright, Lady,” antwoordde hij opstaande, „ik nu zal gaan en +terugkomen.” + +Zij gaf hem glimlachend een hand ten afscheid, die hij voorzichtig +kuste. Ter verontschuldiging sprak hij: + +„Wij Chineezen het kussen niet verstaan.” + +„Ik zal het je leeren!” sprak zij, terwijl zij hem tot de voordeur +vergezelde— — — + +Zeer voldaan over zijn bezoek keerde John Raffles naar huis terug en +sprak tot Charly Brand, die hem vroeg, waar hij was geweest: + +„Ik heb de Vereeniging ter bevordering van ondeugd en onzedelijkheid +bestudeerd. + +„Ik was op het hoofdbureau van politie en heb bij een demi-mondaine +gesoupeerd. + +„Ik verzeker je, mijn lieve Charly, het wordt een prachtig zaakje, dat +ik op touw heb gezet! Daaruit zou een uitstekend comediestuk te maken +zijn!” + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE MOORDENAAR. + + +Mr. Harper bezat in het westen van Londen een eenvoudige, bescheiden +woning. + +Mrs. Harper, een magere slanke vrouw, met verwelkte trekken, zat met +haar twee kinderen, een jongen en een meisje van 6 en 8 jaren, aan de +eenvoudig gedekte tafel en wachtte tot de bankier thuis kwam. + +Misschien reeds voor den tienden keer vermaande zij de kinderen: + +„Weest heel bedaard, als papa komt, hij zal wel vermoeid zijn.” + +Zij vermoedde niets van het slechte leven van haar man en meende, dat +zijn voortdurende vermoeidheid het gevolg was van hard werken. + +Een half uur later verscheen Harper en nam met een boos gezicht en +nauwelijks groetend aan tafel plaats. + +Hij zag niet de bezorgde blikken van zijn vrouw, die naar zijn vermoeid +uiterlijk keek. + +De kinderen zaten stil op hun plaats en durfden hun bord bijna niet +aanraken, omdat hun vader dat geluid niet kon verdragen. + +Niets smaakte hem. + +Hoewel het eten uitstekend was klaargemaakt, had hij overal iets op aan +te merken, en stond eindelijk van tafel op en begaf zich naar zijn +studeerkamer om daar op den divan te gaan slapen. + +Een uur later belde hij om koffie. Zijn vrouw bracht hem die zelf en +toen zij het kopje neerzette, riep hij uit: + +„Waarom stuur je het dienstmeisje niet? Ik ben blij, als ik je gelaat, +dat er altijd bleek en huilerig uitziet, niet voor mij heb.” + +„Ik kan mijn gezicht niet veranderen,” antwoordde zij op bescheiden +toon. „Als ik mij niet zoo bezorgd maakte om jou, zou ik er beter +uitzien.” + +„Maak je bezorgd om wien je wilt, alleen niet om mij. Ik wensch je +medelijden niet.” + +Zij wilde bescheiden de kamer verlaten, maar bleef bij de deur +aarzelend staan. + +„Wat wil je nog?” beet hij haar toe. + +„Ik heb wat huishoudgeld noodig,” antwoordde zij op zachten toon, „wees +zoo vriendelijk, mij een paar pond te geven.” + +„Wat?” schreeuwde hij, „alweer geld? Eergisteren heb ik je pas 5 pond +gegeven. Zijn die alweer op? Je schijnt aardig huis te houden!” + +„Ik moest onzen jongen broekjes en kousen koopen”, antwoordde zij, „en +Erna, ons dochtertje, had eenige schoolboeken noodig.” + +„Laat mij met rust,” bromde hij, „de zaken worden met den dag slechter, +de duivel mag weten, hoe dat moet eindigen. Denk je, dat ik geld kan +maken? Kijk zelf maar, hoe je aan geld komt”. + +„Daar zie ik geen kans toe. Mijn ouders zijn dood en alles, wat ik +bezat, heb ik jou gegeven.” + +„Wil je mij verwijten maken?” + +„Dat niet, maar het zou mij aangenaam zijn, als je werkelijk zoo het +land aan mij hebt, dat je mij het geld terug gaaft, opdat ik daarvan +voor de kinderen en mijzelf kon zorgen.” + +„Dat zou je wel willen”, lachte hij hoonend, „neen, mijn lieve, dat kan +ik beter gebruiken. Gelukkig, dat ik zoo verstandig ben geweest om het +in mijn zaak te steken. + +„En stoor mij nu niet langer, want ik moet brieven schrijven.” + +„Je bent hard,” sprak zij. „Ik weet niet, waarvan ik het avondeten voor +de kinderen en mij moet koopen.” + +„Ik ook niet,” antwoordde hij kortaf. + +Plotseling kleurde een blos de bleeke wangen der vrouw, de zachte +uitdrukking verdween van haar gelaat en met gebalde vuisten riep zij +uit: + +„Nu is het genoeg! Ik heb nu lang genoeg gezwegen en mij door jou erger +dan een slavin laten behandelen. Voor mij komt het er niet op aan, dat +ik niets te eten krijg, maar de kinderen mogen geen honger lijden en ik +zeg je dit—ik verlaat deze woning en ga onderdak zoeken met de kinderen +bij onze vroegere keukenmeid. + +„Al het verdere tusschen ons zal mijn advocaat regelen. + +„Binnen de 24 uur zal ik je door de wet laten dwingen, mij het mij +toekomende vermogen, dat ik je in bewaring heb gegeven, en waarvan ik +gelukkig een quitantie bezit, terug te betalen. + +„Het doet mij leed, dat ik den kinderen hun vader moet ontnemen, maar +beter geen vader dan zulk een ruw, harteloos mensch als jij bent!” + +Gedurende de lange jaren van haar huwelijk had de vrouw nooit +tegengesproken. + +Als stom van verbazing keek hij haar aan, totdat plotseling een +zinnelooze woede zich van hem meester maakte. + +„Wat?” riep hij uit, „jij durft mij trotseeren, mij dreigen? Je wilt je +verzetten tegen mij, je echtgenoot? Doodslaan zal ik je!” + +Hij was opgesprongen en had een zwaren, metalen kandelaar gegrepen, +waarmee hij haar een slag op het hoofd wilde geven. + +Maar hij had zijn vrouw onderschat. + +Hoewel hij een breede, forsche man was en zij maar klein en mager te +noemen was, sprong zij als een kleine, lenige kat naar hem toe, sloeg +hem met haar vuist in het gelaat en stiet hem zoo hevig voor de borst, +dat hij terug wankelde. + +„Als mijn kinderen er niet waren,” sprak zij, „zou ik mij kalm door je +dood laten slaan, maar voor mijn kinderen moet ik leven. Mijn zoon zal +mij eenmaal wreken! Ik zal het in de kranten laten publiceeren, wat +voor een karakter de president van de Vereeniging ter bevordering der +goede zeden heeft!” + +Op het volgende oogenblik vloog de zware ijzeren kandelaar door de +kamer. Hoewel zij zich bukte, trof hij haar toch aan het hoofd. + +Een oogenblik dreigde zij neer te vallen, maar daarop maakte oneindige +woede zich meester van de kleine vrouw. + +„Je durft het wagen, de moeder van je kinderen zoo te behandelen?” riep +zij uit. + +Zij trok de kast open, waarvoor zij stond en nam er eenige boeken uit. + +„Daar!” riep zij, terwijl zij de boeken naar hem toeslingerde. „Daar +zijn je huichelachtige, leugenachtige boeken over deugd en +zedelijkheid, waarmee je de wereld bedriegt! + +„De menschen moesten je schrijftafel eens zien, die gevuld is met +gemeene, onzedelijke prullen! + +„Foei, jij slechte kerel! + +„Maar dit is het allerlaatste! Je zult mij niet terugzien!” + +(Zie het titelblad.) + +Terwijl zij deze woorden sprak, had zij tientallen van vrome, +stichtelijke boeken, sommige zoo dik als een bijbel, naar zijn hoofd +geslingerd en zoo snel, dat hij zich niet kon verdedigen. + +Met een slag vloog de deur achter haar toe en als een overwonnene stond +de president der Vereeniging ter bevordering der goede zeden te midden +van een hoop verscheurde vrome geschriften en werken en knarste op de +tanden van woede. + +Hij liep naar zijn schrijftafel en haalde uit een der laden een geladen +revolver. + +Met een duivelschen grijns mompelde hij: + +„De heks zal eraan gelooven en de kinderen ook. Het is nu toch uit met +mij. Mijn zaken zijn geheel en al in de war, het restant van de gelden +mijner cliënten heb ik Miss Raabe gegeven. Een paar duizend pond heb ik +nog in mijn zak en met dat geld zal ik naar Amerika gaan, na hier eerst +schoon schip te hebben gemaakt. Daar ginds kunnen zij mannen, als mij, +gebruiken.” + +Hij verliet het vertrek en begaf zich naar de eetkamer. + +Toen hij deze leeg vond, sloop hij zacht, als een roofdier, naar de +slaapkamer en bleef een oogenblik luisterend staan. + +Hij hoorde zijn vrouw zacht snikken en de knaap, die tot haar zei: + +„Schrei niet, mama, wij zullen gauw weggaan. Ik wil geen vader hebben, +die mijn moeder slaat. Als ik groot ben, zal ik hem terugslaan! En als +wij niets te eten hebben, lief moedertje, zal ik, zooals andere +jongens, kranten verkoopen en laarzen poetsen— — —” + +„En ik zal wel dienstmeisje worden en dan zullen wij samen zorgen, dat +u brood hebt,” sprak het zusje. + +Nu trok Harper de deur open, zijn revolver in zijn broekzak +gereedhoudende. + +Met een kreet van schrik keken de kinderen hem aan. + +„Wat wil je nog?” vroeg zijn vrouw, die onheil vermoedde. + +„Wat ik wil? Dat zal je dadelijk zien! Een mooie opvoeding geef jij je +kinderen!” + +Nu kwam de kleine jongen met gebalde vuisten voor hem staan en riep: + +„Pas op, als u mijn moeder slaat, zal ik u ook slaan!” + +Een duivelsche lach als van een krankzinnige kwam van de lippen van den +ellendeling, hij haalde de revolver te voorschijn en hield die tegen +het voorhoofd van den knaap. + +„Ik zal je leeren, wat slaan beteekent. Jij zult de eerste zijn, die op +reis naar de eeuwigheid gaat.” + +Als verlamd, doodsbleek, staarde zijn vrouw naar dit ontzettende +tooneel. Van schrik kon zij geen geluid geven en zich niet verroeren, +zij kon geen hand uitsteken om haar jongen te redden. + +Een gil kwam over de lippen van den knaap, een tweede en derde volgden +en aarzelend liet de ellendeling het wapen zinken. + +Nu schreeuwde ook het meisje om hulp en bliksemsnel sprong de knaap als +een hond naar zijn vader toe en beet hem met zijn scherpe tandjes in de +hand, zoodat deze woedend van pijn het wapen liet vallen. + +Maar een oogenblik later kreeg de kleine held een vuistslag en viel +bewusteloos neer. + +De moordenaar wilde zich nu bukken om het wapen op te nemen, maar er +was nu beweging gekomen in de moeder. + +Zij was vlugger dan haar echtgenoot, greep het wapen, richtte het op +haar man en riep: + +„Ik tel tot drie en als je dan de kamer niet hebt verlaten, schiet +ik!—Er uit!” + +Tandeknarsend en met een blik vol woede en haat wendde Harper zich naar +de deur en mompelde: + +„Wacht maar, heks, daarvoor zal je boeten!” + +Het volgend oogenblik had hij de kamer verlaten en de deur achter zich +dichtgetrokken. + +Zijn vrouw schoof de grendel er voor, snelde naar de waschtafel en +legde een koudwatercompres op het hoofd van haar lieveling. + +Na eenige minuten kreeg het kind zijn bewustzijn terug en herinnerde +zich onmiddellijk het voorgevallene. + +Hij keek om zich heen en toen hij zag, dat zijn vader de kamer had +verlaten, lachte de kleine held en sprak: + +„Ziet u, mama, dat heb ik goed gedaan, nietwaar?” + +„Je bent een held, mijn jongen,” antwoordde de moeder met tranen in de +oogen en kuste hem. + +„En nu, lieve kinderen, zullen wij ons kleeden en naar de oude Marie +gaan. Zij zal ons wel een paar dagen bij zich willen houden.” + +Zij sloot den koffer, waarin zij linnengoed en kleeren voor zichzelf en +de kinderen had gepakt, belde en gaf het dienstmeisje bevel, een +rijtuig te bestellen. + +Verbaasd keek het dienstmeisje naar de koffer en vroeg: + +„Gaat mevrouw op reis?” + +„Ja, voor eenige dagen.” + +Eenige minuten later kwam een rijtuig voor en de koetsier bracht den +koffer op zijn schouders naar beneden. De vrouw van den bankier nam +haar kinderen bij de hand en volgde hem. + +Voordat zij het huis verliet, gaf zij de revolver, die zij in een doek +had gepakt, aan het dienstmeisje en sprak: + +„Geef dit pakje aan mijnheer, hij wil het misschien als aandenken +bewaren.” + +Het meisje schudde verbaasd het hoofd en keek het wegrollende rijtuig +na, zoolang zij het kon zien. + +Toen zij de kamer van Mr. Harper binnentrad, zag zij daar een +ontzettende wanorde. + +De heer des huizes keek ontstemd op, toen het meisje hem kwam storen en +nam zwijgend het pakje uit haar handen. + +Met een hoonlach pakte hij de revolver uit en stak deze toen in een der +zakken van zijn jas. + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN DETECTIVE-TRUC. + + +Het was slechts een kleine bestuursvergadering, die dezen avond plaats +had in de Vereeniging ter bevordering der goede zeden. + +Meneer Harper verscheen even over tienen en vond de heeren al voltallig +bij elkaar. + +Zijn gelaat straalde van zelfvoldoening en van het geluk, dat hij de +laatste paar uren aan de zijde der bekoorlijke Miss Raabe had genoten. + +Terwijl hij de vergadering leidde, wachtte zij beneden in de leeszaal +van het hotel. + +Om de verveling te verdrijven, bladerde zij de daar neergelegde +couranten door. + +Plotseling zag ze midden door de zaal Su-Ki-Bit-Wou-Wang aankomen. + +„Hallo!” riep zij, „Mr. Jucki, waar wilt ge naar toe?” + +De Chinees deed eerst erg verlegen, doch sprak toen, zijn gelaat +plooiend tot een beminnelijk glimlachje: + +„O, ik zijn zeer verheugd, u te zien, mooie Miss Raabe, ik wil gaan +naar de „bevordering der goede zeden” + +„Och zoo,” lachte zij, „gij bedoelt die Vereeniging!” + +Hij knikte: „Yes, naar die Vereeniging!” + +Zij klopte hem op de schouders en zei: „Weet wel, lieve Jucki, dat ge +daar niet veel wijzer zult worden. Ze bevorderen daar alleen de zeden +van anderen, aan zichzelf denken ze niet.” + +„Dat hindert niets!” antwoordde de Chinees, „ik moet kennen leeren, of +hier bij u in Engeland ook zulke onzedelijkheden als in China. Ik +geloof, wij zijn even fatsoenlijke menschen!” + +„Veel fatsoenlijker,” lachte Miss Raabe, „geloof me, ik heb er +ondervinding van. Ik ken de Londensche mannen.” + +„Ik niet daaraan twijfel en weet u, ik ook veel liever in uw gezelschap +was dan in dat zedelijk gezelschap.” + +„Ik heb een idee,” hernam Miss Raabe, „blijf gij bij mij en laten we +den avond ergens gaan doorbrengen. Ik verveel mij dood in gezelschap +van Harper.” + +„O, hij is een zeer nette mensch, niet waar?” + +„Gij bedoelt, omdat hij mij verveelt?” + +„O ja, ik dat bedoel.” + +„Dan vergist gij u,” lachte de schoone, „hij is het absolute tegendeel +van netheid. Gij begrijpt, dat men ook wel graag eens wat anders hoort, +en ik zou blij zijn, in fatsoenlijk gezelschap te verkeeren. Daarom zou +ik u willen verzoeken, den avond met elkaar door te brengen.” + +„Allright,” knikte Su-Ki-Bit-Wou-Wang. „Ik gaarne bereid ben daartoe. +Maar wij wat doen?” + +„Ik weet wat. Vis-a-vis het hotel is een oestersalon. Net rechts +tegenover het Strand. Daar zal ik op u wachten, als de vergadering is +afgeloopen.” + +„Allright,” zei de Chinees. + +Het tweetal reikte elkaar de hand, waarna hij zich naar de aan het eind +der gang gelegen kleine zaal begaf, waarin de vergadering plaats had. + +Bij zijn binnentreden keken alle aanwezigen hem nieuwsgierig aan. + +Baxter had de aanwezigen al meegedeeld, dat hij zou komen, en allen +wachten in spanning zijn komst af. + +Een vroolijk lachje kwam op het gelaat der heeren, toen de Chinees +volgens landsgebruik zijn vilten schoenen uittrok, driemaal op zijn +knieën sloeg en eenige grappige buigingen maakte. + +„Dat is zijn begroeting”, fluisterden de Engelschen tot elkaar, stonden +daarna op en maakten een stijve buiging. + +De Chinees trad naderbij, schudde ieder de hand en noemde zijn naam: +Su-Ki-Bit-Wou-Wang. + +Toen hij bij Baxter en Harper was gekomen, wilde hij met hen volgens +Chineesch gebruik gaan neus wrijven, hetwelk deze echter op hoffelijke +wijze afweerden door hem te verklaren, dat zij van zijn toegenegenheid +waren overtuigd, ook al gaf hij hun slechts volgens gebruik de hand. + +Men bood daarop Su-Ki-Bit-Wou-Wang een stoel aan en de vergadering werd +voortgezet— — + +Gedurende een kleine pauze vroeg de naast den Chinees zittende +Engelschman, hoe het hem in hunne vergadering beviel. + +„O”, zei Su-Ki-Bit-Wou-Wang, „als straks komen de kleine meisjes, zal +het zeer aardig worden!” + +De Engelschman, een predikant van streng rechtzinnige beginselen, week +ontsteld achteruit en kon zijn ooren bijna niet gelooven. Doch eenige +andere leden hadden de nogal luid gesproken woorden eveneens verstaan +en, als echte Engelschen, wel van een grapje houdend, vroegen zij: + +„Wat voor kleine meisjes bedoelt u, Mr. Wang?” + +„O,” gaf de Chinees ten antwoord, „ik bedoel de kleine meisjes, bij wie +ik mijne vrienden, de heeren presidenten, in den schouwburg zag +zitten!” + +Opeens werd het ijzig stil als in een kerk. Harper en Baxter zaten als +aan den grond genageld. + +Alle aanwezigen keken hen aan met een verwijtenden blik, die hen als +het ware doorboorde. Vooral de predikant zette een gezicht, alsof hij +de heilige aartsengel in eigen persoon was, die Gods oordeel +verkondigde. + +Hij was dan ook de eerste, die het stilzwijgen verbrak en aan Mr. +Harper vroeg: + +„Wat hebt gij op de merkwaardige woorden van dezen geachten gast te +antwoorden, meneer de president?” + +Harper was zoo rood als een kreeft van opgewondenheid. Het zweet +druppelde in dikke parelen van zijn voorhoofd. Hij stond op, want hij +begreep, dat hij wat antwoorden moest. + +„Mijne heeren,” aldus begon hij, „Mr. Wang heeft gelijk, wanneer hij +zegt, dat hij de presidenten van de Vereeniging ter bevordering der +goede zeden in gezelschap heeft aangetroffen van twee meisjes, die +helaas tot de verworpelingen van de maatschappij zijn te rekenen.” + +Een luid „Foei” klonk rondom de tafel, hetwelk Harper met een +handbeweging bezwoer, waarna hij vervolgde: + +„Gij vergist u, mijne heeren, wanneer ge meent u over de houding van +uwe presidenten ongerust te moeten maken; wij waren slechts in onze +hoedanigheid van trouwe strijders voor de goede zeden in gezelschap van +die dames. + +„We hebben beproefd haar van haar slechten levenswandel terug te +brengen en haar weer het pad des deugd en zedelijkheid te doen +betreden. + +„En het is mij gelukt een der zondaressen in een christelijk Tehuis +onder dak te brengen. Zij zal voor liefdezuster worden opgeleid.” + +Nu weerklonk een luid „Bravo!”, terwijl de predikant sprak: + +„Ik verzoek u uit naam van mijn vrienden aan deze tafel om vergiffenis. +De hemel moge uwen verderen strijd met zegen kronen.” + +De president boog en met tranen van ontroering in de oogen ging hij +weer zitten om Baxter onder de tafel ongemerkt de hand te drukken. + +Men zou nu gaan confereeren over het verbod van de verkoop van sommige +humoristische bladen. + +De predikant had het voorstel gedaan een der schendbladen voor ondeugd +en onzedelijkheid van den Engelschen bodem te verbannen. + +Opeens stond Su-Ki-Bit-Wou-Wang op. + +„Pardon, heeren,” zei hij, „doch ik vinden deze vergadering zonder +kleine meisjes te oninteressant! Ik zal weer vertrekken. Bij ons in +China zorgen altijd kleine meisjes voor conversatie in +heerengezelschap.” + +Opnieuw klonk een onrustbarend luid „Foei!” door de zaal. + +Toen greep Harper, die eindelijk gelegenheid vond zich op zijn +aanvaller te wreken, den presidentshamer, gebood daarmee stilte en +riep, op Su-Ki-Bit-Wou-Wang wijzend: „Eruit gij, immoreel en onzedelijk +wezen! Waag het niet u ooit weer in ons midden te vertoonen. Gij zijt +een liederlijk mensch!” + +„Liederlijk mensch!” riepen alle Engelschen tegelijk en spuwden op +Engelsche wijze naar Su-Ki-Bit-Wou-Wang op den grond. + +Toen hij de zaal had verlaten, zei de predikant met ten hemel gerichte +oogen: + +„Laten we opstaan van onze zitplaatsen, beste vrienden, en den hemel +danken, dat hij den duivel, die in de gedaante van dien vuilen Chinees +tot ons kwam, te rechter tijd uit onzen edelen deugdzamen kring heeft +verdreven.” + +Allen stonden op, sloegen met den predikant de oogen op en gingen +daarna weer zitten. + +Nadat men het er, na een kort debat, over eens was geworden, dat het +bedoelde tijdschrift een schendblad van het ergste allooi was, dat +stelselmatig, niet alleen de jeugd, doch ook de ouderen ten verderve +voerde, en daarom moest verboden worden, verklaarde Mr. Harper de +zitting voor gesloten, en, zakelijke bezigheid voorwendend, verliet hij +de vergadering. + +Toen hij in de leeszaal kwam, om zijn geliefde af te halen, keek hij +vergeefs rond. + +Een voorgevoel zei hem, dat zij misschien dien vervloekten Chinees had +ontmoet en met hem het hotel had verlaten. + +Als een woedende stier snelde hij naar haar huis en toen hem niet werd +opengedaan, liep hij voortdurend daarvoor op en neer.— — + +Miss Raabe zoowel als Su-Ki-Bit-Wou-Wang hadden ondertusschen samen +gesoupeerd. Tegen twee uur ’s nachts verklaarde zij gaarne naar huis te +willen gaan. + +„Ik ben bang,” zei zij, „lieve Jucki!” (Ze waren nu al zeer intiem.) +„Geloof mij, die jaloersche man, Mr. Harper, zal bepaald voor mijn huis +staan om mij op te wachten. Ik ben bang, direct naar huis te gaan.” + +„Ik zal dien man wel weg werken,” antwoordde Raffles. + +Hij liet zich door den kellner papier en enveloppe brengen en schreef +een paar bladzijden. Daarna liet hij door den kellner een nacht-kruier +ontbieden. + +Dezen overhandigde hij den brief, nadat hij op geheimzinnige wijze +verscheiden minuten met hem had gesproken. Na verloop van een kwartier +zei de Groote Onbekende: + +„Ik zal u nu naar huis brengen, Miss Raabe, ge kunt volkomen gerust +zijn.” + +„Is Harper er niet meer? Dat is mij een raadsel!” meende zij, „ik weet +niet, hoe ge dat hebt klaar gespeeld.” + +Su-Ki-Bit-Wou-Wang glimlachte slechts, doch gaf geen antwoord. + + + +Terzelfder tijd trad een nacht-kruier op den bankier toe, die nog +steeds voor het huis op en neer wandelde, en, zijn pet afnemend, zei +hij: + +„Is u Mr. Harper?” + +„Jawel”, antwoordde deze, „dat ben ik. Wat wenscht ge van mij?” + +„Ik moet u een brief overhandigen.” + +Hij gaf Mr. Harper het schrijven. + +„Van wien komt die brief?” vroeg hij. + +„Van den inspecteur van politie Baxter,” antwoordde de kruier. + +Zonder verder antwoord af te wachten, verliet hij den bankier en +verdween in het nachtelijk duister. + +Harper echter snelde naar een straatlantaarn, scheurde den brief open +en las: + + + „Dear Sir! + + Ik ontving juist een alarmeerend bericht. Een van mijn detectives + deelde mij mede, dat men ontdekt had, dat gij de deposito’s van uw + klanten hebt verduisterd. Neem u in acht!” + + +De brief was niet onderteekend. + +De straat begon opeens te draaien voor Harpers oogen. Hij viel bijna +neer als een dronken man en moest zich aan een straatlantaarn +vasthouden. + +Daarna frommelde hij het blad papier ineen, stak het in zijn zak en +snelde weg. Zijn slecht geweten begon geweldig te knagen. + +Hij voelde zich als door den duivel bezeten. Als een schaduw vluchtte +hij weg in de duisternis— — + +Terzelfder tijd hield een rijtuig voor het huis stil. + +De Chinees stapte uit en hielp Miss Raabe uit het rijtuig. + +„Gij moet mij in mijn woning begeleiden,” zei zij, „ik ben vreeselijk +bang. Mogelijk loert die man daar op mij.” + +„Ik zijn zeer moe,” antwoordde de Chinees, „ik hier zal wachten, totdat +gij woning doorzoekt en dan naar huis rijden. Ik graag in gevaar met +jonge dames mag samen zijn.” + +Daar zij om den Chinees persoonlijk weinig gaf, doch slechts op zijn +geld aasde, zei zij hem vluchtig goeden nacht, sloot het huis open en +trad naar binnen. + +Raffles wachtte nog een paar minuten, daarna werd op de eerste etage +een raam geopend, Miss Raabe verscheen, wenkte hem met haar zakdoek en +riep: + +„Hier is niemand, ik dank u, lieve Jucki, goeden nacht!” + +De Chinees sprak door zijn neus een onwelluidend „Goeden nacht”, stapte +in zijn rijtuig en reed weg. + + + +Den volgenden morgen had Raffles het tot Charly Brands verbazing +merkwaardig druk. + +Door middel van een advertentie in de courant had hij een stenographe +in dienst genomen en begon deze een comediespel te dicteeren. + +Onvermoeid was hij daarmee bezig en rustte niet, voordat hij den +éénacter in twee dagen klaar had. + +„Wil je mij het stuk niet voorlezen?” vroeg Charly Brand, die +nieuwsgierig was naar den inhoud. + +„Dat is onnoodig, jongen, je zult het gauw genoeg op de planken zien.” + +John Raffles kende door zijn club den directeur van den +Garrick-Schouwburg en bracht hem een bezoek. + +„Er is me zeer veel aan gelegen,” wendde hij zich tot den directeur, +„dat ge dezen éénacter al over een paar dagen op de planken laat +spelen. + +„Ik ben bereid alle aan de uitvoering verbonden kosten voor mijn +rekening te nemen. Het geldt hier een privé-genoegen voor mij +persoonlijk, en om te zien, of ik werkelijk de gave bezit, succesvolle +theaterstukken te schrijven.” + +De directeur kende Lord Lister onder den naam Baron von Walkerfield. +Hij bladerde het stuk door, en nadat hij het in een goed kwartier +vluchtig had gelezen, verklaarde hij zich bereid, het stuk door zijn +tooneelspelers in drie dagen te laten instudeeren en de première reeds +over vier dagen te doen plaats hebben. + +Eén moeilijkheid was aan de zaak verbonden, en dat was de censuur der +politie. + +„Hoe kunnen we dat klaarspelen?” vroeg Raffles. + +„Heel eenvoudig, beste baron”, antwoordde de schouwburgdirecteur, „ik +zal een vriendelijk briefje schrijven aan den censor en er voorzichtig +een biljet van 100 pond bij insluiten.” + +„Fameus,” lachte Raffles, „dan zijn we klaar, nietwaar?” + +„Jawel,” gaf de directeur ten antwoord, „ik heb echter nog één vraag, +namelijk wie zal de rol van den Chinees Su-Ki-Bit-Wou-Wang spelen in +het stuk?” + +John Raffles begon opnieuw te lachen en sprak: + +„Bijna had ik het voornaamste nog vergeten; die rol speel ik zelf.” + +„Gij zelf? Hebt gij den moed als tooneelspeler op te treden?” + +„Wel natuurlijk,” knikte de Groote Onbekende. „Ik speel in het gewone +leven nog meer comedie dan op de planken noodig is. + +„Ik verzeker u, mijn beste directeur, nog afgezien van het feit, dat ik +de kosten der opvoering betaal, zult ge schitterende zaken maken met +het kleine tooneelspel. + +„Ik zou durven wedden, dat geheel Londen hierheen komt om het stuk te +zien.” + +„Dat ware te wenschen,” lachte de directeur, „ik heb op ’t oogenblik +juist geen goed stuk. Laten we dus het beste hopen.” + +John Raffles nam afscheid en reeds den volgenden morgen begon de +directeur met de voorbereidingen. Hij verklaarde den baron, dat deze +hierbij zijn medewerking moest verleenen. + +Eenige uren later ontving Baxter, die, zooals vermeld, het ambt van +censor voor tooneelspelen in Londen uitoefende, d.w.z. hij moest nagaan +of de stukken ook gevaar opleverden voor de goede zeden, een brief van +den directeur van den Garrick-schouwburg, benevens een blauwe +portefeuille, waarin zich het tooneelstuk bevond. + +Baxter scheurde den brief open en las: + + + Beste Inspecteur! + + Hierbij een stuk voor de censuur, waarbij zeer veel haast is. + + Met vriendelijke groeten, + + Uw + GARRICK. + + +Tegelijkertijd had de inspecteur het bankbiljet van honderd pond +gevonden en stak dit met een inwendig lachje in zijn vestjeszak. Hij +kon het juist goed gebruiken, daar hij door zijne verhouding tot de +vriendin van Miss Raabe, de kleine Trude Hansch, veel geld had +uitgegeven. + +Hij nam het voorgeschreven politiestempel, dat het verlof tot de +opvoering bekrachtigde, sloeg de klep der portefeuille op en drukte het +zegel op den omslag van het tooneelstuk, zonder er verder naar om te +zien. + +Daarna schelde hij een bode en liet het toegelaten stuk naar den +directeur van den Garrick-schouwburg brengen. + +De Vloo had stilzwijgend toegezien en zei nu: + +„Weet ge, inspecteur, als ik me niet vergis, hebt ge daar juist weer +toestemming verleend tot het opvoeren van een tooneelstuk, dat ge +heelemaal niet kent. Ge zult u op een goeden keer nog eens gevoelig de +vingers branden.” + +Baxter keek zijn secretaris woedend aan en sprak: + +„Veroorloof u geen kritiek op mijn handelingen. Daar hebt gij niet het +recht toe. Overigens vergist gij u. Ik ken het tooneelstuk al. Het was +dus niet noodig het nog eens door te zien. Ik zou dus gaarne verschoond +blijven van uwe opmerkingen.” + +De Vloo boog zijn hoofd over de voor hem liggende acte en ging verder +met zijn werk, terwijl Baxter een courant nam en begon te lezen. + +Midden in zijn lectuur werd hij gestoord. Een detective-sergeant trad +binnen, bleef bij de deur staan en salueerde. + +„Wat wenscht gij?” vroeg Baxter. + +„Heb een gebeurtenis te melden, meneer de inspecteur,” rapporteerde de +beambte. „De zaak van den bankier Harper is sedert gisteren gesloten, +en heeft groote opgewondenheid te weeg gebracht onder de klanten van +den bankier.” + +Baxter schrok hevig. Wat was er met Harper gebeurd? Zou hem iets +overkomen zijn? + +„Is bankier Harper niet te vinden?” vroeg hij. + +„Neen, meneer de inspecteur,” antwoordde de sergeant. „We hebben in +zijn woning en bij verscheiden bekenden al een onderzoek ingesteld. Het +laatst is de bankier twee dagen geleden in hotel Cecilia gezien. ’s +Avonds 10 uur.” + +„Dat klopt,” zei Baxter, „ik was er persoonlijk met hem.” + +„Ook aan zijn woning vernamen wij van het dienstmeisje, dat de bankier +sedert twee nachten niet thuis was gekomen en ook mevrouw en de +kinderen het huis sedert eenige dagen hadden verlaten. + +„De klanten van den bankier eischen, dat de zaak van politiewege wordt +geopend en de deposito’s teruggegeven.” + +Baxter dacht een paar seconden na. + +Vergeefs brak hij zich het hoofd, wat er wel met Harper kon gebeurd +zijn. Daarna wendde hij zich tot Marholm: + +„Neem een cab en rijd naar Lyttonstreet 16. Daar woont een +tooneelspeelster, Miss Raabe. Vraag aan die dame, of zij iets weet +omtrent het verblijf van den bankier Harper. Maak vlug voort, want +voordat gij met haar antwoord hier zijt, kan ik niets beginnen.” + +Zonder een woord te antwoorden, verliet de Vloo de kamer, terwijl de +detective-sergeant in het voorvertrek wachtte. + +Baxter echter liep onrustig heen en weer. De affaire scheen hem vreemd +toe. Hij had een onbepaald voorgevoel, dat er iets gebeurd zou zijn, +waar hij ook in betrokken zou worden. Tevergeefs probeerde hij zich te +kalmeeren, door het rooken van een sigaar. Ten slotte begon hij weer te +lezen. + +Er kon ongeveer een half uur verloopen zijn, toen Marholm, die zich +zeer gehaast had, daar hij eveneens iets bijzonders vermoedde, +terugkwam met de mededeeling, dat de bankier sedert verscheiden dagen +niet in het huis der tooneelspeelster was geweest. + +Nu bleef Baxter niets anders over dan zijn recherche-afdeeling mobiel +te maken en met de beambten naar de zaak van den bankier te rijden, +deze te openen en te doorzoeken. + +De ijzeren luiken van het kleine kantoor waren stevig gesloten, toen +Baxter met zijn beambten aankwam. + +De portier, dien Baxter liet roepen, beduidde hem, dat de meegebrachte +slotenmaker een deur van de gang naar de zaak gemakkelijker zou kunnen +open maken dan de ijzeren roljalousiën. + +In korten tijd was de deur open, en de portier, die in de zaak bekend +was, draaide het electrische licht op. + +Nauwelijks was de ruimte helder verlicht of de portier liet een kreet +van schrik hooren en lokte alle beambten naar zich toe. + +„Wat is er, wat gebeurt er!” riep de inspecteur en trok zijn revolver. + +Doch hij behoefde geen antwoord meer op zijn vraag. + +Midden in het vertrek, voor de geopende brandkast lag de gezochte +bankier Harper op den grond en staarde met verglaasde oogen naar de +zoldering. + +Geronnen bloed uit zijn slapen bedekte de eene helft van zijn hoofd en +den grond. De rechterhand hield nog krampachtig de revolver omklemd, +waarmee de ellendeling zich had doodgeschoten. + +Een oogenblik stonden de beambten zwijgend om den doode, doch daarna +zei Baxter tot de Vloo: + +„Ga zitten en maak het proces-verbaal op. Waar is de lijkschouwer?” + +Deze was juist aangekomen en drong naar voren. + +„Is hij dood?” vroeg Baxter, waarop de dokter antwoordde: + +„Dat zou ik meenen.” + +En Marholm voegde er aan toe: + +„Die wordt door geen moraal weer levend gemaakt.” + +De gebruikelijke wettelijke formaliteiten werden door de beambten +verricht, waarna Baxter zich met zijn beambten overtuigde, dat, behalve +een paar duizend pond sterling, die de zelfmoordenaar in zijn zak +droeg, zich geen enkel deposito in de brandkast bevond. + +Deze bevinding deelde hij aan de voor de deur wachtende klanten van den +bankier mee. + +Vloeken en verwenschingen werden geuit, toen het lichaam van den doode +in een ontboden lijkwagen der politie werd weggebracht. + +Des avonds stond in de Londensche couranten „De zelfmoord van den +bankier!” kalmweg verteld. Slechts de korte bijvoeging, dat den +volgenden dag verdere ophelderingen zouden volgen, hield de +nieuwsgierigheid der lezers gespannen. + +Baxter wenschte liever waar ook dan in Londen te wonen, en deze opinie +werd gedeeld door de andere leden van de Vereeniging ter bevordering +der goede zeden. + +Het was een zware slag voor de Vereeniging, door den dood van haar +president veroorzaakt. + +Alleen Su-Ki-Bit-Wou-Wang was over het verloop zeer tevreden, en toen +hij bij Miss Raabe kwam, veroorloofde deze zich zelfs grove scherts. +Wel beschouwd had zij tenminste eenige bedroefdheid over den dood van +haren vereerder moeten voorwenden. + +Ze zag niet den blik vol afschuw, dien de Chinees haar toewierp. + +Reeds den volgenden dag begonnen de couranten op ironischen en +spottenden toon de verhouding van Harper tot de Vereeniging ter +bevordering der goede zeden te critiseeren. Ook de hertog van Norfolk +en de inspecteur van politie kregen hun aandeel. + +Baxter wond zich zoodanig op, dat hij niet op het bureau verscheen en +de Vloo weer eens alleen de zaken moest afdoen. + +Hij heeft weer moreele Katzenjammer, lachte Marholm vergenoegd in +zichzelf en rookte de eene pijp na de andere.— — + +Eerst op den avond van den dag, waarop de courantenstorm was bedaard, +verscheen Baxter weer op het bureau. + +Hij vond verscheiden brieven, waaronder de mededeeling van den +directeur van den Garrick-schouwburg, dat over twee dagen de première +zou plaats hebben van den éénacter „Bevordering der goede zeden”. + +De uitdrukking „goede zeden” werkte thans op Baxter als een rood doek. + +„Goddam,” vloekte hij in zichzelf, doch zoo luid, dat de Vloo het +hoorde, „als ik dat geweten had, zou ik dat stuk niet hebben +toegelaten.” + +„Ziet ge wel,” zei de Vloo, „waarom hebt ge niet naar mij geluisterd. +Als het kalf verdronken is, dempt gij den put. Ge hadt liever met uw +vingers van die goede zeden moeten afblijven.” + +„Ja, ge hebt gelijk,” zuchtte Baxter, „daaruit komt niets anders voort +dan een reusachtige katterigheid. Men dorscht daar het leege stroo en +praat over dingen die niet bestaan.” + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE INBRAAK. + + +Miss Raabe wachtte Su-Ki-Bit-Wou-Wang tamelijk onverschillig op. +Tevergeefs keek zij ieder oogenblik door de ruiten op straat om te zien +of hij ook kwam, nu eerst herinnerde zij zich, dat zij nog nooit in +zijn woning was geweest. + +Zij besloot vanavond de schade in te halen, en ontwierp een plan om den +Chinees verder in haar netten te vangen, want na den dood van Harper +had zij een nieuwen geldschieter noodig. + +Su-Ki-Bit-Wou-Wang kwam ’s avonds echter niet. + +Tegen middernacht besloot zij het wachten op te geven en trok zich +terug in haar slaapkamer. + +Zooals gewoonlijk nam zij ook nu een slaapmiddel in en sliep weldra +vast. + +De schemerlamp wierp haar getemperd licht op de kostbare, zijde dekens, +waaronder de tooneelspeelster rustte, toen opeens de geheime deur der +kleerkast open ging en de donkere gestalte van een man te voorschijn +trad. + +Hij schreed de slaapkamer binnen tot aan het bed der slaapster. Het +gelaat van den man was met een zijden masker bedekt, waaruit alleen +twee donkere oogen fonkelden. + +De gemaskerde sloop naar het ijzeren kistje, dicht bij het bed en had +weldra van een sleutelbos den passenden sleutel gevonden, waarmede hij +het kistje openmaakte. + +Daarin bevonden zich diamanten, edelgesteenten en ringen, alsook meer +dan 10,000 pond in bankpapier. + +De kostbaarheden en bankbiljetten waren spoedig in een leeren taschje +gepakt en na zijn visitekaartje in het kistje te hebben gelegd, verliet +de gemaskerde even stil als hij gekomen was de kamer.— — + + + +Den volgenden morgen tegen 11 uur vloog de tooneelspeelster Miss Raabe +als een krankzinnige bij Baxter het bureau binnen met den uitroep: „Ik +ben door Raffles bestolen, heeren!” + +Verschrikt sprong Baxter op en riep: „Wat schreeuwt ge toch, Madam, +door wien zijt ge bestolen?” + +„Door Raffles!” schreeuwde de miss opnieuw opgewonden. „Meer dan 10,000 +pond aan bankbiljetten en evenveel waarde aan diamanten. Lieve +inspecteur, help mij toch uit vriendschap.” + +„Pardon,” sprak Baxter, „gij zijt hier in het bureau van den inspecteur +van politie! Laat mijn persoon er dus buiten.” + +Hij wilde voor de Vloo zijne betrekkingen tot de wereld verbergen. + +„Waar hebt ge Raffles leeren kennen?” vroeg hij aan Miss Raabe. + +„Ik heb hem nog nooit gezien,” antwoordde deze schouderophalend. + +„Maar hij moest toch weten, dat gij uw geld en sieraden thuis bewaart. +De Groote Onbekende zal geen inbraak plegen zonder zich te +oriënteeren.” + +„Misschien is hij onder een anderen naam bij u geweest,” viel de Vloo +in de rede. + +„Ik ontvang geen heeren,” antwoordde de tooneelspeelster, „en heb +trouwens maar één vriend, een buitenlander, die in het geheel niet in +aanmerking komt.” + +„Een buitenlander is zeer verdacht. Wilt gij ons zijn naam noemen?” +vroeg Baxter. + +„Dat heeft geen doel, heeren,” antwoordde de bestolene, „doch wanneer +gij er bijzonder op staat en u zelf wilt overtuigen, het is een Chinees +en hij heet Su-Ki-Bit-Wou-Wang”. + +„Zoo, zoo!” meende de Vloo, „als die Chinees Raffles maar niet is.” + +„Gij zijt en blijft een idioot, Marholm,” stoof de inspecteur op, en +zich daarna tot Miss Raabe wendend: + +„Hoe weet ge, dat het Raffles was, die de inbraak pleegde?” + +„Hier is zijn visitekaartje, dat in het kistje lag,” antwoordde zij. + +Op dit oogenblik belde de telephoon en Baxter riep: + +„Hallo, wie daar?” + +„Spreek ik met inspecteur Baxter?” + +„Ja, wat wenscht u?” + +„Is Miss Raabe ook bij u?” + +„Ja, de Lady is hier op het bureau.” + +„Wel, groet haar dan van mij.” + +„Wie zijt ge dan?” + +Toen klonk langzaam en duidelijk door de telephoon: + +„John C. Raffles!” + +„De duivel hale u!” schreeuwde Baxter, waarop het lachend terugklonk: +„Dat zal gebeuren!” + +De telephoon ophangend riep Baxter: „Dat is weer echt zijn brutaliteit. +De kerel belt me op en drijft den spot met ons. Kon ik hem toch +eindelijk eens pakken.” + +„Is die man dan werkelijk niet te pakken?” vroeg Miss Raabe. + +Baxter haalde de schouders op, doch de Vloo verklaarde: + +„Door ons niet, dat is zeker.” + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +DE TOONEELVOORSTELLING. + + +Het publiek, dat de première ging bijwonen in den Garrick-schouwburg, +amuseerde zich vóór de voorstelling met het berichtje in de avondbladen +betreffende de inbraak bij de tooneelspeelster. Daarna las men het +programma van de voorstelling. + +Hoe meer men tuurde op de rollen, die in het nieuwe stuk voorkwamen, +hoe meer het stuk hun verdacht voorkwam, temeer, daar de titel hen al +herinnerde aan de jongste gebeurtenissen en de rollen van bankier, +hertog en inspecteur van politie sterke gelijkenis toonden met de +personen der zedelijkheidsvereeniging. + +Verder trof men onder de rollen die van een Chinees, +Su-Ki-Bit-Wou-Wang, verder een tooneelspeelster, een danseres, en ten +laatste als clou, als buitengewone sensatie, stond vermeld de naam: +Raffles. + +De tooneelkijkers werden nieuwsgierig naar de loge gericht, waarin de +inspecteur van politie Baxter met eenige andere politiebeambten zat. +Deze had geen vermoeden, dat hij het middelpunt der belangstelling van +het publiek was geworden. + +Zenuwachtig wachtten de ongeduldigen tot het belletje klonk, het +gordijn omhoog ging en men een nauwkeurige copie van een der zalen uit +hotel Cecilia op het tooneel zag. + +De redevoeringen der zoogenaamde bevorderaars der goede zeden wekten +den algemeenen lachlust op, behalve bij Baxter, die zich nauwkeurig +nagebootst op de planken zag, en zijne verbazing bereikte het toppunt, +toen de bekende Su-Ki-Bit-Wou-Wang ten tooneele verscheen. + +Deze speelde zijn rol meesterlijk en het publiek genoot volop, toen hij +uit de vergadering der zedelijke heeren werd verwijderd. + +Nu veranderde het tooneel. Dames der demi-monde traden binnen, en men +kreeg tooneeltjes te aanschouwen, die in de Vereeniging ter bevordering +der goede zeden allesbehalve thuis behoorden. + +Zoo werd achtereenvolgens al het gebeurde met Harper, Miss Raabe en den +Chinees voor het voetlicht gebracht, tot zelfs de inbraak bij de +tooneelspeelster en de vermakelijke scène op het bureau van den +inspecteur Baxter. + +Het publiek riep enthusiast om den schrijver, waarna plotseling het +gordijn vaneen ging, de Chinees verscheen en boog. + +Allen stonden verbluft. + +Baxter had den schouwburg allang verlaten met zijn beambten. + +Toen werd er van de galerij geroepen: + +„Masker af! We willen zien hoe gij er uitziet!” + +De Chinees gebood met een handgebaar stilte en sprak: + +„Ik ben zeer blij, dat het stuk u is bevallen, en voldoe gaarne aan uw +wensch, mij zonder masker te zien. De inspecteur Baxter is toch niet +meer in de zaal! Een oogenblik slechts!” + +Even later keerde hij terug als volmaakte heer, met gladgeschoren +gelaat, monocle in het oog en in eleganten rok gekleed. + +„Raffles! Raffles!” klonk het van alle kanten. + +„En sta mij nu toe, dat ik mij aan u voorstel. Gij zult het +begrijpelijk vinden, dat ik dadelijk daarna vertrek. Mijn naam is...... +John C. Raffles......” + +Het publiek stormde op het tooneel toe, doch Raffles was al verdwenen. + +Het gebeurde ging als een loopend vuurtje door Londen en niet het minst +van allen was Baxter verbaasd, toen hij vernam, hoe de afloop was +geweest na zijn vertrek uit den schouwburg, en dat Raffles had +aangekondigd, dat het einde van het stuk morgen in de couranten te +lezen zou zijn. + + + +En werkelijk bevatten de middagbladen van den volgenden dag in vet +gedrukte letters op de eerste bladzijde het volgende artikel: + + + „De schuldige aan den moord van den bankier Harper. Raffles’ + inbraak uit medelijden. Raffles een weldoener. + + De weduwe van den bankier Harper, die zich voor een paar dagen van + het leven beroofde wegens verliezen op de beurs, ontving heden van + Raffles 7000 pond sterling met de mededeeling, dat hij dit + ontstolen had aan een tooneelspeelster, die de beminde van den + bankier was geweest. De bankier zou dit geld aan zijn beminde + hebben cadeau gegeven— — + + Tegelijkertijd ontving het kantongerecht te Hampton Road 3000 pond + sterling, zijnde de verduisterde deposito’s, welke door Raffles + werden ter beschikking gesteld. + + De weduwe, die met haar twee kinderen in armoede verkeerde, is door + deze daad tegen hongerlijden en ellende beschermd. + + Wij koesteren de hoop, dat Raffles onze stad nog dikwijls moge + zegenen met dergelijke inbraken.” + + +„Hij heeft alweer een standbeeld verdiend”, zei de Vloo, toen hij het +artikel las. + +Baxter echter was het een pak van het hart en hij dacht: „Raffles is +toch een fatsoenlijk mensch.” + +„Ik ben blij, dat eindelijk van u te hooren”, sprak de Vloo. + +Daarna vroeg hij: „Blijft gij voorzitter van de Vereeniging ter +bevordering der goede zeden?” + +„Ik heb maling aan de goede zeden”, schreeuwde Baxter, „de duivel moge +ze halen!” + +„Hoerah!” riep de Vloo, „ik geloof, dat gij verstandig wordt en dat +hebt gij alleen aan Raffles te danken.” + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78680 *** |
