diff options
Diffstat (limited to '76280-0.txt')
| -rw-r--r-- | 76280-0.txt | 9324 |
1 files changed, 9324 insertions, 0 deletions
diff --git a/76280-0.txt b/76280-0.txt new file mode 100644 index 0000000..643151c --- /dev/null +++ b/76280-0.txt @@ -0,0 +1,9324 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 *** + + + + + + WONDERREIZEN + + + JULES VERNE + + + MATHIAS SANDORF + + EEN VERIJDELDE SAMENZWERING + DOKTER ANTEKIRRT + + + + AMSTERDAM + UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER” + 1916 + + + + + + + + +I. + +DE REISDUIF. + + +Triëst, de hoofdplaats van Illyrië, wordt verdeeld in twee gedeelten, +die zeer weinig gelijkenis met elkander hebben; het eene is nieuw en +rijk, Theresienstadt genaamd, keurig netjes en regelmatig gebouwd langs +de boorden van die fraaie baai, waarvoor een deel door den mensch aan +de golven ontwoekerd werd; het andere gedeelte is eene oude en arme +stad, die geheel onregelmatig opgetrokken werd en besloten ligt +tusschen het Corso, waardoor zij van de Theresienstadt afgescheiden +wordt, en de hellingen van den Karstberg, welks top bekroond is met +eene citadel, die een schilderachtig uiterlijk heeft. + +De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks +nabijheid de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. Daar vormen zich +gemakkelijk en soms in onrustbarend aantal, groepen van die +straatslijpers, van die bohemers, zooals zij wel genoemd worden, van +die kerels zonder dak, welker jassen, broeken en vesten waarachtig geen +zakken noodig hebben, omdat hunne eigenaren nooit iets gehad hebben en +nooit iets zullen hebben, om er in te bergen. + +Evenwel op den dag, waarop dit verhaal begint—den 18den Mei 1867—zou +men te midden van die landloopers twee personen opgemerkt hebben, die +een weinig beter gekleed waren dan hunne omgeving. Of ze ooit veel last +hadden of hebben zouden van de guldens of kreutzers, die zij bezaten, +was weinig waarschijnlijk, tenzij de kansrekening ten hunnen gunste +uitviel. Het is waar dat het een paar kerels waren, die in staat geacht +moesten worden, alles te doen om de fortuin de hand te reiken en haar +gunstig te stemmen. + +De een heette Sarcany, die beweerde dat hij van Tripoli afkomstig was. +De andere was op Sicilië geboren en heette Zirone. Beiden, na den +havendam voor den tienden keer op en neer gedrenteld te hebben, waren +op zijn uiteinde blijven stilstaan. Van dat punt onderzochten zij den +gezichteinder op zee ten westen van de baai van Triëst, alsof daar aan +de kim een schip moest opduiken, hetwelk hun een vermogen zou +aanbrengen! + +„Hoe laat is het?” vroeg Zirone in het Italiaansch, dat zijn makker +even vlug en vloeiend sprak als al de andere tongvallen, die rondom de +Middellandsche Zee gesproken worden. + +Sarcany antwoordde niet. + +„Och, ben ik niet dom, met zoo’n vraag te doen!” riep de Siciliaan uit. +„Men weet altijd hoe laat het is, wanneer men den honger gevoelt, als +men niets te ontbijten heeft gehad!” + +De Oostenrijksche, Italiaansche en Slavonische bestanddeelen der +maatschappij zijn in dit gedeelte van het Oostenrijksch-Hongaarsche +koninkrijk zoodanig vermengd, dat de aanwezigheid van die twee +personen, hoewel zij blijkbaar vreemdelingen in de stad waren, +volstrekt niet de aandacht trok. En al hadden zij ook al leege zakken +en al waren zij ook arm als Job, zoo kon dat niemand raden, daar zij +onder den bruinen mantel, die hen tot op de hielen viel, een hooge +borst zetten, alsof zij wonder veel in de melk te brokken hadden. + +Sarcany, de jongste dier beide mannen, was van middelbare gestalte, +maar evenredig gebouwd. Hij bezat aangename manieren en een bevalligen +gang en was vijf en twintig jaren oud. Hij heette Sarcany, zonder meer. +Geen voornaam, geen doopnaam. En inderdaad, hij was niet gedoopt, omdat +hij zeer waarschijnlijk van Afrikaansche herkomst was, van Tripoli of +Tunis. Maar hoewel zijne huid gebruind was, deden zijne regelmatige +trekken hem eerder voor een blanke dan voor een neger doorgaan. + +Wanneer ooit het uiterlijk bedriegelijk was, dan was het wel dat van +Sarcany. Men moest wel een ervaren opmerker zijn om uit dat regelmatige +gelaat, met die schoone zwarte oogen, met dien fijngevormden neus, met +dien keurig geteekenden mond, die door een fijn kneveltje beschaduwd +werd, de diepe sluwheid van dien jongen man op te maken. Geen nog zoo +scherpziend oog zou op dat strakke, ijskoude gelaat die kenmerken van +diepe verachting en van peilloozen afkeer hebben kunnen ontdekken, die +uit een voortdurenden opstand en strijd tegen de maatschappij geboren +worden. Wanneer de gelaatkundigen, en in zeer vele gevallen terecht, +beweren, dat ieder bedrieger in weerwil van zijne behendigheid tegen +zich zelven getuigt, zoo zou Sarcany die bewering volkomen +gelogenstraft hebben. Niemand zou op het eerste gezicht van dien man +hebben kunnen gissen, wie hij was of wat hij geweest was. Hij ontlokte +dien onweerstaanbaren afkeer niet, die door schurken en bedriegers +opgewekt wordt. Hij was er des te gevaarlijker door. + +Hoe of wat was de kindsheid van Sarcany geweest? Dat wist niemand te +vertellen. Ongetwijfeld die van een verlaten, verstooten wezen. Hoe was +hij opgevoed geworden? En door wien? In welk Tripolitaansch gat bracht +hij zijne eerste kinderjaren door? Door welke zorgen ontsnapte hij aan +de zoovele oorzaken van verdelging en vernietiging onder die +noodlottige klimaatsinvloeden? Waarlijk niemand—hij zelf waarschijnlijk +ook niet—zou op die vragen antwoord hebben kunnen geven. Het toeval had +hem het aanzijn geschonken, het toeval sleepte hem voort en hij was +bestemd afhankelijk van het toeval te leven! Toch had hij in zijne +jeugd eenig practisch onderricht genoten, hetwelk hij daaraan +waarschijnlijk verschuldigd was, dat hij door de wereld had moeten +rondzwerven, dat hij met allerhande slag van menschen had moeten +omgaan, en dat hij er steeds op bedacht had moeten zijn om kunstmiddel +op kunstmiddel uit te denken, al ware het maar om zijn dagelijksch +onderhoud machtig te worden. Daardoor en door nog verschillende andere +omstandigheden was hij sedert eenige jaren in aanraking gekomen met een +der rijkste huizen van Triëst, met het bankiershuis van Silas +Toronthal, wiens naam innig samengeweven zal zijn met den draad dezer +geschiedenis. + +Wat den makker van Sarcany, den Italiaan Zirone, betreft, och, men +heeft in hem slechts te zien een dier mannen zonder god of gebod, een +avonturier, in staat om alles te doen, om alles ter hand te nemen, +iemand die ter beschikking is van den eerste den beste die goed +betaalt, om dien te verraden ter wille van een ander, die nog beter +afschuift. Hij was, zooals reeds gezegd is, op Sicilië geboren en +ongeveer dertig jaar oud. Hij was er de man naar, om zoowel slechten +raad te geven als dien te ontvangen. Vooral evenwel zorgde hij voor de +uitvoering daarvan. In welke plaats was hij geboren? Misschien zou hij +die vraag beantwoord hebben als hij het geweten had. Maar in ieder +geval bekende hij ongaarne waar hij woonde, als hij wel te verstaan +ergens woonde. Het was op Sicilië dat het toeval van zijn zwervend +leven hem in aanraking met Sarcany gebracht had. En zoo gingen zij de +wereld door en trachtten door alle geoorloofde en ongeoorloofde +middelen uit hun beider slecht gesternte munt te slaan en de fortuin te +beproeven. Zirone evenwel, een groote, gebaarde kerel, met zeer bruine +huid en zeer zwart haar, zou eenige moeite hebben om zijne aangeborene +schelmachtigheid te bemantelen, die uit zijne steeds half gesloten +oogen straalde en door zijn voortdurend hoofdschudden aangeduid werd. + +Alleen hij poogde zijne sluwheid achter eene luidruchtige +babbelachtigheid te verbergen. Hij was daarenboven eerder vroolijk dan +droevig van aard en veel meer mededeelzaam dan zijn makker. + +Dien dag sprak Zirone evenwel met eene soort van omzichtigheid. +Klaarblijkelijk verontrustte hem zijne hongerigheid. Den vorigen dag +had hij een laatste partij gespeeld in een speelhol van zeer laag +allooi, waarbij de fortuin hem onbarmhartig stiefmoederlijk behandeld +had, en hij de laatste hulpmiddelen van Sarcany verspeeld had. Geen +hunner wist dan ook hoe aan eten te komen. Ze konden en mochten slechts +op het toeval rekenen, en daar die bedelaars-voorzienigheid zich niet +haastte om hun de hand te reiken daar op dien havendam van San Carlo, +zoo besloten zij haar een eindje tegemoet te treden, door de nieuwe +stad in te stappen. + +Daar op de pleinen, op de kaden, op de wandelwegen, zoowel aan deze als +aan gene zijde van de haven, langs het groote kanaal, dat geheel Triëst +doorsnijdt, daar gaat, komt en verdringt zich, in den ijver om zaken te +doen, eene bevolking van zeventig duizend zielen van Italiaanschen +oorsprong, welker taaldialect, hetwelk dat van Venetië is, zich oplost +in de kosmopolitische spraakverwarring van al die zeelieden, +handelaren, geëmployeerden, beambten, die een mengelmoes doen hooren, +dat uit Duitsch, Fransch, Engelsch en Slavonisch bestaat. + +Hoewel beweerd kan worden, dat die nieuwe stad rijk is, zoo moet +daaruit de gevolgtrekking niet gemaakt worden dat allen, die daar op de +straten ronddrentelen, gelukkige stervelingen genoemd kunnen worden. +Neen, waarachtig niet. De meest-vermogenden zouden onmogelijk hebben +kunnen wedijveren met die Engelsche, Armenische, Grieksche en Joodsche +handelaren, die te Triëst den baas spelen en welker weelderige +huishouding de hoofdstad van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk +overwaardig zou zijn. Maar die buiten rekening gelaten, hoeveel arme +drommels, die van ’s morgens tot ’s avonds zwerven door die +handelslanen, welke door hooge gebouwen omgeven zijn, die gesloten +worden als geldkisten en waarin allerhande koopwaren, welke naar die +vrijhaven, die zoo gunstig in dien uithoek van de Adriatische Zee +gelegen is, gebracht worden, opgestapeld liggen. Hoeveel lieden +drentelen daar niet, die niet ontbeten hebben, die misschien niet +zullen middagmalen, opgehouden als zij zullen worden op de havenkaden, +waar de schepen van de machtigste maritieme maatschappij van Europa, de +Oostenrijksche Lloyd, zooveel rijkdom, van al de streken der aarde +bijeengebracht, ontladen. Hoeveel rampzaligen eindelijk, zooals er bij +honderden in Londen, Liverpool, Amsterdam, Rotterdam, Marseille, Havre, +Antwerpen, Livorno, in één woord in alle handelssteden, tusschen rijke +reeders en cargadoors rondkrioelen in de nabijheid dier pakhuizen, +welker ingang voor hen gesloten is, op de beurspleinen dier steden, +gebouwen aan Mercurius gewijd, die zich nimmer voor hen zullen +ontsluiten, bewegen zich niet ook hier te Triëst beneden aan die +trappen van dat Tergesteum, waar de Lloyd hare kantoren gevestigd +heeft, hare leeszalen bezit, en in volmaakte overeenkomst met de Kamer +van Koophandel leeft. + +Het is onbetwistbaar dat in al de groote zeesteden van de oude en +nieuwe wereld, een klasse van ongelukkigen rondkrioelt, die aan die +groote handelscentra eigen zijn. Vanwaar zij komen, weet niemand. Hoe +dat lot hun beschoren werd, evenmin. Waar zij het hoofd neerleggen +zullen, weten zij zelven niet. Onder hen worden aangetroffen die van +hooger standpunt weggedrongen werden. Het zijn meestal vreemdelingen +bovendien. De spoortreinen en de koopvaardijschepen brachten hen aan en +wierpen hen op het perron of op de kaden als colli’s vrachtgoederen +zonder waarde, en zij vormen een ware belemmering op den openbaren weg, +vanwaar de politie hen te vergeefs zoekt te verdrijven. + +Sarcany en Zirone, na nog een blik over de baai tot aan den vuurtoren, +die op de uiterste punt van Sint Theresia opgericht is, geworpen te +hebben, verlieten alzoo den havendam en namen hun weg tusschen het +Teatro Comunale en de kade door en bereikten zoo de Piazza Grande, waar +zij gedurende een kwartieruur slenterden in de nabijheid van de +fontein, die opgetrokken werd van steenen, welke uit den naburigen +Karstberg gehaald waren, en in de nabijheid van het standbeeld van +Karel VI. + +Beiden sloegen toen links af. Intusschen bekeek Zirone de +voorbijgangers met onderzoekenden blik, alsof hij van het +onweerstaanbare plan zwanger ging te willen zakkenrollen. Daarna +slenterden zij rondom het groote vierkant van Tergesteum, juist op het +oogenblik dat de beurstijd eindigde. + +„De beurs is nu leeg.... zooals de onze!” meende de Siciliaan met een +glimlach te moeten opmerken, hoewel hij volstrekt geen trek in lachen +had. + +Maar de onverschillige Sarcany scheen zelfs het geestige woordenspel +van zijn makker niet gehoord te hebben. Deze evenwel rekte zich de +ledematen uit en geeuwde van honger. + +Daarna stapten zij het driehoekige plein over, waarop zich het bronzen +standbeeld van keizer Leopold I verheft. Een scherp gefluit van Zirone, +die dat als een echte straatjongen kon, deed een vlucht blauwe duiven +opvliegen, die onder de boogvormige afdaken van de oude Beurs +koekeloeren, zooals de grijsachtige duiven doen tusschen de Procuraties +van het Sint-Markusplein te Venetië. Niet ver van daar ontwikkelde zich +het Corso, dat het nieuwe Triëst van het oude scheidt. + +Dat Corso is een breede straat, die evenwel zonder bevalligheid is, +waarin goedbeklante magazijnen aangetroffen worden, die evenwel +smakeloos genoemd moeten worden. Die straat doet eerder denken aan de +Regentstreet van Londen of de Broadway van New-York, dan aan de +Boulevards des Italiens te Parijs. Een groot aantal voorbijgangers +wordt er steeds aangetroffen. Ook het aantal rijtuigen is er +aanmerkelijk, die van de Piazza Grande naar de Piazza della Legna +rijden.—Die namen duiden aan dat de stad haren Italiaanschen oorsprong +nog niet vergeten is. + +Wanneer Sarcany den schijn aannam ongevoelig te zijn voor iedere +verzoeking, zoo ging Zirone toch die rijke winkels niet voorbij zonder +er dien bijzonderen afgunstigen blik in te werpen, die van hen uitgaat, +die de middelen missen naar binnen te kunnen gaan. Daar waren toch +zaken in overvloed aanwezig, die zij wel zouden hebben kunnen +gebruiken, vooral bij de kooplieden in eetwaren en in de „bièreries” +waar het bier meer overvloedig stroomt dan in eenige andere stad van +het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk. + +„Ik gevoel nog meer honger dan dorst op dit Corso,” merkte de Siciliaan +op, terwijl hij met de tong tusschen zijn verdroogde lippen smakte, +alsof hij een kleppermansratel liet hooren. + +Die opmerking werd door Sarcany met een eenvoudig schouderophalen +beantwoord. + +Beiden sloegen toen de eerste straat links in, en toen zij op de oevers +van het kanaal waren aangekomen, op het punt waar de Ponto Rosso—eene +fraaie draaibrug—overgang verleende, stapten zij die kaden langs, waar +zelfs schepen van grooten diepgang kunnen vastmeeren. Daar werden zij +veel minder verlokt en gepijnigd door de uitstalling van allerlei +lekkernijen. Ter hoogte van de kerk Sant-Antonio gekomen, sloeg Sarcany +plotseling rechtsom. Zijn makker volgde hem zonder eenige bemerking te +maken. Daarna staken zij weer het Corso over en drentelden thans door +de oude stad, welker straten zeer smal en onbruikbaar voor rijtuigen +zijn, wanneer zij althans die eerste hellingen van den Karstberg +bereiken en daartegen als het ware willen opklimmen. Die straten nemen +in den regel zulke richting, dat zij niet door den schrikkelijken +Borawind—zoo wordt een stevige noordoostelijke bries genoemd—bestreken +kunnen worden. Hier in dat oude Triëst zouden Zirone en Sarcany als +ware platzakken, zich meer te huis gevoelen dan in de rijke en +prachtige kwartieren van de nieuwe stad. + +Zij logeerden dan ook inderdaad achter in een zeer bescheiden +passantenhuis, niet ver van de kerk van Santa Maria Magiore, en hadden +daar reeds hun intrek genomen bij hunne aankomst in de hoofdplaats van +Illyrië. Maar daar de logementhouder nog nooit eenig geldstuk van hen +te zien had gekregen en steeds dringender werd om zijne rekening, die +iederen dag al grooter en grooter werd, betaald te krijgen, vermeden +zij die gevaarlijke kaap, staken het plein over en flaneerden gedurende +eenigen tijd rondom de Arco di Riccardo. + +Maar op den keper beschouwd, de studie van die overblijfselen van +vermeende bouwkunst kon hen niet bevredigen. Daar dus het toeval dezen +keer blijkbaar zich niet haastte om hen te midden van die slecht +befaamde straten te hulp te komen, begonnen zij, de een gevolgd door +den ander, de steile stegen te beklimmen, die bijna tot op den top van +den Karstberg, naar het plein der kathedraal voerden. + +„Een zonderling denkbeeld om daar naar boven te klimmen,” mompelde +Zirone, terwijl hij onderwijl zijn mantel om zijn middel vaster +aantrok. + +Maar al pruttelde hij ook, hij verliet zijn makker niet, en van beneden +gezien, had men kunnen waarnemen, hoe zij zich langs die trappen, die +oneigenaardig straten genoemd worden en langs de hellingen van den +Karstberg aangelegd zijn, opheschen. Tien minuten later hadden zij, +hongeriger en dorstiger dan te voren, het plein daarboven bereikt. + +Dat van dit hooge standpunt het vergezicht zich prachtig uitstrekte +over de baai van Triëst tot aan de volle zee, over de zoo levendige +haven door het heen en weer varen der visschersvaartuigen, door het in- +en uitstevenen der oorlogs-stoomers en der koopvaardijschepen; dat de +blik kon waren over de geheele stad, over hare voorsteden, over de +laatste huizen, die op de hellingen gelegen waren, over de villa’s, die +verspreid op de hoogten verrezen, neen, dat alles kon onze twee +avonturiers volstrekt niet meer boeien. Zij hadden in hun leven wel wat +anders gezien en bovendien, hoe dikwijls hadden zij niet op die hoogte +met hunne ellende en met hunne verveling rondgewandeld? Zirone vooral +had veel liever langs de rijke winkels van het Corso gedrenteld. Maar +wat er aan te doen! Nu zij toch het toeval en zijne onvoorziene +weldadigheden daar boven waren komen zoeken, moesten zij die zonder al +te veel ongeduld afwachten. + +Er stond daar bij het uiteinde van de trap, die toegang tot het terras, +dicht bij de Byzantijnsche Kathedraal van Sint Justus verleende, eene +omheinde ruimte, die vroeger een kerkhof was, maar thans als museum van +oudheden te bezichtigen was. Het waren geen graven meer, die er +aangetroffen werden, maar brokstukken van grafsteenen, die onder de +lage takken van zeer fraaie boomen verscholen lagen, Romeinsche +obeliskvormige monolithen, voetstukken uit de middeleeuwen, stukken van +Dorische friezen en anderen, afkomstig uit den Renaissance-stijl, +verglaasde cubussen, waarop nog steeds de sporen van vuur en asch te +bespeuren waren. Dat alles lag daar door elkander in het gras. + +De deur van die omheinde ruimte was niet gesloten. Sarcany had slechts +de moeite te nemen haar open te duwen. Hij trad, gevolgd door Zirone, +binnen, die evenwel deze meewarige opmerking niet kon onderdrukken: + +„Wanneer wij het denkbeeld koesterden om een einde aan ons leven te +maken, dan zou waarachtig de plek uitstekend gekozen zijn.” + +„En als men u voorsloeg dat te doen?” vroeg Sarcany met spottende stem. + +„Wel, daar zou ik hartelijk voor danken, kameraad! Als men mij slechts +één gelukkigen dag op de tien verschaft, och, dan ben ik tevreden, ik +vraag niet meer.” + +„Dien gelukkigen dag zal men je verschaffen—en wellicht beter dan dat.” + +„Dat je alle heiligen, die door de Italianen vereerd worden, verhooren. +En toch weet God alleen dat die gelukzaligen bij honderden geteld +worden.” + +„Kom steeds voort!” hernam Sarcany. + +„Waarheen?” + +„Kom maar.” + +Beiden volgden nu eene halfcirkelvormige laan, welke tusschen +grafsteenen en eene dubbele rij urnen doorliep, en gingen zitten op een +grooten steen, die in den vorm van een Romaansche roos uitgebeiteld en +met den vloer gelijk was. + +Eerst namen zij een diep stilzwijgen in acht, dat Sarcany scheen te +bevallen, maar zijnen makker volstrekt niet beviel. Zirone sprak dan +ook weldra, terwijl hij een paar krampachtige spiertrekkingen der +kaakbeenderen niet kon onderdrukken: + +„Hel en duivel, het toeval, waarop wij als echte dwazen rekenen, haast +zich niet om ons te hulp te komen!” + +Sarcany antwoordde niet. + +„Maar welk denkbeeld dan ook,” ging Zirone voort, „om tot hier te +midden van die bouwvallen te komen! Ik geloof, kameraad, dat wij een +verkeerd pad ingeslagen hebben. Wie, duivel, zou hier het toeval de +hand willen komen reiken, hier op dit oud kerkhof iemand komen +verplichten? De zielen der overledenen kunnen het toeval best missen, +die hebben niets meer noodig, sedert zij hun aardsch omhulsel +verlieten. En wanneer ik zoover gekomen zal zijn, och, dan zal mij een +vertraagd diner of een souper dat niet komt, bitter weinig kunnen +schelen! Kom, laat ons heengaan!” + +Sarcany was nog in zijne overdenkingen verdiept en had den blik als het +ware in de ruimte verloren. Hij bewoog dan ook geen vin. + +Zirone bleef nog een poos zonder verder te spreken. Daarop hernam zijne +gewone babbelzucht weer hare rechten. + +„Sarcany,” zei hij, „wilt gij weten onder welke gedaante ik thans dat +toeval, hetwelk ons, zijn beste klanten, zoo liederlijk in den steek +laat, zou willen zien verschijnen? In de gedaante van een der +kassiersloopers van het huis Toronthal, die hier zou aankomen met eene +portefeuille opgepropt met bankbiljetten en die ons die portefeuille +uit naam van den genoemden bankier zou toevertrouwen, onder bijvoeging +van duizend verontschuldigingen, dat hij ons zoo lang heeft laten +wachten.” + +„Luister, Zirone,” sprak Sarcany, wiens wenkbrauwen geweldig fronsten. +„Ik zeg je voor de laatste maal, dat wij niets meer van Silas Toronthal +te hopen of te verwachten hebben.” + +„Zijt gij er zeker van?” + +„Ja, het geheele krediet dat ik bij hem hebben kon, is thans uitgeput +en op mijne laatste aanvragen heeft hij met een formeele en afdoende +weigering geantwoord.” + +„Te drommmel, dat ’s gek!” + +„Zeer gek, maar het is niet anders!” + +„Maar.... als uw krediet uitgeput is,” hernam Zirone, „dan is dat toch +het bewijs dat ge krediet gehad hebt. Wat was er de grondslag van? +Waarop berustte het? Daarop, nietwaar, dat ge herhaaldelijk uwe +verstandelijke vermogens en uw ijver ten dienste van het bankiershuis +bij het behandelen van sommige teergevoelige zaken gesteld hebt.... +Daarom is Toronthal gedurende de eerste maanden van ons verblijf te +Triëst niet al te weerstrevend geweest op het gebied van +geldverstrekken! Maar ik acht het voor onmogelijk dat ge hem niet meer +op de een of andere wijze in uwe macht zoudt hebben, en door hem te +bedreigen....” + +„Geloof mij, als dat mogelijk ware, zou het reeds geschied zijn,” +antwoordde Sarcany, terwijl hij de schouders optrok, „en zoudt ge thans +niet verplicht zijn rond te loopen om een diner te zoeken. Neen, bij +God! ik heb dien Toronthal niet in mijne macht! Maar wat niet is, kan +nog wel gebeuren, en dien dag dan zal hij mij èn kapitaal, èn +interessen èn interessen van interessen van al hetgeen hij mij nu +weigert, uitbetalen! Ik verbeeld mij, en misschien niet zonder reden, +dat de zaken van zijn kantoor voor het tegenwoordige eenigszins in de +war zijn en dat hij fondsen in wankelende zaken gestoken heeft, die erg +gevaar loopen. De weeromstuit van verscheidene faillissementen in +Duitschland, te Berlijn en te Munchen, heeft zich tot hier in Triëst +doen gevoelen, en wat hij ook heeft mogen beweren, zoo scheen mij Silas +Toronthal zeer onrustig, toen ik hem den laatsten keer bezocht! Kom, +laten wij het water troebel laten worden.... en als dat gebeurd zal +zijn....” + +„Welnu, ja,” riep Zirone uit, „dat ’s goed! Maar intusschen hebben wij +nog slechts water om te drinken. Ziet ge, Sarcany, ik ben van meening +dat gij nog een poging bij Toronthal moest wagen. Gij moest nog een +keer bij zijne kas aankloppen om te trachten, al was het maar zooveel +te verkrijgen, ten einde naar Sicilië via Malta terug te kunnen +keeren....” + +„Maar wat wilt ge in Sicilië uitvoeren?” + +„Dat is mijn zaak. Dat land ken ik en ik zou een troepje Maltezers, +flinke kerels, zonder vooroordeelen, waar wat van te maken zoude zijn, +er heen kunnen voeren. Welnu, voor den drommel! als hier niets meer te +beproeven valt, laten wij dan heengaan, maar laten wij alvorens dien +verwenschten bankier noodzaken ons reisgeld te verschaffen. Hoe weinig +gij ook van hem schijnt te weten, zal dat toch wel voldoende zijn om +hem te doen inzien, dat het voor hem veiliger zal wezen, dat gij u +overal elders dan te Triëst zult bevinden!” + +Sarcany schudde het hoofd. + +„Kom, vooruit! Het kan onmogelijk lang meer duren,” hernam Zirone. „Wij +zijn geheel blut!” + +Hij was opgestaan, en stampte met den voet op den grond, zooals hij +eene stiefmoeder zou gedaan hebben die hem stiefmoederlijk zoude +behandeld hebben. + +In dit oogenblik werd zijn blik geboeid door een vogel, die buiten de +omheinde ruimte slechts met moeite scheen te kunnen vliegen. Het was +eene duif, wier vermoeide vleugelen ternauwernood nog klapwieken konden +en die naar den grond streek. + +Zirone had, zonder zich af te vragen, tot welke der honderd zeven en +zeventig soorten van duiven, thans in de ornithologische naamlijst +opgenomen, die vogel behoorde, slechts ééne zaak voor oogen, namelijk +dat hij tot de eetbare soorten behoorde. Hij wees hem dan ook met den +vinger aan zijn makker en verslond hem met den blik. + +De vogel was klaarblijkelijk uitgeput en het einde zijner krachten +nabij. Hij poogde zich vast te klemmen aan de uitstekende gedeelten van +de kathedraal, welker voorgevel geflankeerd is door een vierkanten +toren, die van oude dagteekening is. Toen hij zich niet meer kon houden +en op het punt was naar beneden te vallen, kwam hij zich eerst +neerzetten op het dakwerk van eene kleine nis, waaronder het beeld van +den heiligen Justus prijkte; maar de vermoeide pootjes van de duif +weigerden hun dienst; zij kon zich niet vastklemmen en liet zich +glijden tot op het kapiteelwerk van eene oude zuil, die in den hoek +stond, welke door dien toren en dien voorgevel gevormd werd. + +Al volgde Sarcany, die steeds onbeweeglijk en stilzwijgend daar neer +zat, de duif in hare vlucht niet, zoo verloor haar Zirone daarentegen +niet uit het oog. Zij was uit noordelijke richting gekomen. Een lange +tocht had haar geheel en al uitgeput. Klaarblijkelijk zette haar +instinct haar aan om een nog verder gelegen doel te bereiken. Zij +hernam dan ook bijna dadelijk hare vlucht en volgde eene gebogen +richtingslijn, die haar noodzaakte tot eene nieuwe halt, juist op de +benedentakken van een der boomen van het oude kerkhof. + +Toen besloot Zirone de duif te bemachtigen. Hij sloop dan ook zachtkens +en langs den grond kruipende naar den boom. Weldra had hij den +geknoesten stam bereikt, die gelegenheid te over aanbood om de +vorkvormige vertakking van de kruin te kunnen bereiken. Daar bleef hij +onbewegelijk en stom in de houding van een speurhond, die eenig wild +bespiedt, dat boven zijn hoofd gezeten is. + +De duif, die hem niet bemerkt had, wilde toen hare vlucht hervatten, +maar hare krachten verlieten haar andermaal, zoodat zij op weinige +passen verder op den grond viel. + +Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de +hand grijpen, dat was voor den Siciliaan het werk van een ondeelbaar +oogenblik. En hij was heel natuurlijk op het punt om de arme duif te +verworgen, toen hij zich plotseling weerhield, een kreet van +verwondering uitstiet en in allerijl bij Sarcany terugkwam. + +„Eene reisduif!” zei hij. + +„Waarlijk, dat is dan een reiziger, die zijn laatste reis afgelegd +heeft!” antwoordde Sarcany. + +„Ongetwijfeld” hernam Zirone, „en des te erger voor hen, aan wie het +briefje is gericht, dat onder den vleugel der duif vastgemaakt zit.” + +„Een briefje!” riep Sarcany uit. „Wacht Zirone, wacht! Zoo iets dwingt +tot uitstel van executie!” + +Hij weerhield de hand van zijn makker, die reeds den hals van de arme +duif omkneld hield. Daarna nam hij het zakje dat Zirone reeds +losgemaakt had, opende het en haalde er een briefje uit dat een +raadselschrift vertoonde: + + + ghfhna dalant ltenka + aohhzk aenzse lsnivi + rnryoo tnpees seyehe + lxosde soelnl sglpte + veknni ilarna lotasa + yareah uezmtl rradae + + +Omtrent de plaats van vertrek en omtrent de bestemmingsplaats van het +briefje geen enkel woord. Wat die achttien woorden betreft, die ieder +uit een gelijk aantal letters samengesteld waren, zoude het mogelijk +zijn, de beteekenis daarvan te weten te komen zonder den sleutel te +kennen? Dat was al zeer onwaarschijnlijk, tenzij een hunner een +behendig oplosser van raadsels mocht heeten en dan moest nog het geval +bestaan dat het schrift ontraadselbaar was. + +Tegenover dat geheimschrift, dat voor hen niets beteekende, bleef +Sarcany eerst teleurgesteld, daarna zeer beteuterd in gedachten +verzonken staan. Zou dat briefje een belangrijk, maar vooral een +compromitteerend bericht behelzen? Dat kon, dat moest aangenomen +worden. Dat duidden de voorzorgen genoegzaam aan, die genomen waren, +dat het, wanneer het bij ongeluk in verkeerde handen viel, door niemand +anders kon gelezen worden dan door hen, voor wie het bestemd was. Ook +gaf het vervoermiddel achterdocht. Door toch noch van den postdienst, +noch van de telegraaf gebruik te maken, maar integendeel het +wonderlijke instinct van de reisduif te bezigen, was het duidelijk, dat +het eene zaak gold, die zeer geheimzinnig behandeld moest worden. + +„Wellicht,” zei Sarcany, „schuilt er in die regels een geheim, dat ons +een vermogen zou kunnen bezorgen!” + +„Dan zou die duif,” hernam Zirone, „de vertegenwoordigster van het +toeval zijn, dat wij sedert heden ochtend zoo opgespoord hebben. +Duivels! ik die het arme dier wilde worgen!.... Maar alles goed en wel +beschouwd, is het briefje toch het meest belangwekkende, zoodat er zich +niets tegen verzet om den briefbesteller te braden.” + +„Haast je maar niet, Zirone,” antwoordde Sarcany, die dezen keer +andermaal het leven der duif redde. „Misschien kunnen wij door middel +dier duif te weten komen, aan wien dat briefje gericht is, wel te +verstaan, wanneer die te Triëst woont.” + +„En daarna? Dat zal je toch het middel niet aan de hand doen om te +kunnen lezen wat in dat briefje staat, Sarcany!” + +„Neen, Zirone.” + +„Ook niet om te weten, van waar dat briefje komt!” + +„Ook dat niet! Maar als het mij lukt van twee correspondenten een te +leeren kennen, dan verbeeld ik mij, dat dat wel eene vingerwijzing zou +kunnen wezen om ook achter den ander te komen, nietwaar?” + +„Ja.... zoo beschouwd....” + +„In plaats dan van die duif te dooden en te braden, moeten wij er ons +integendeel op toeleggen haar hare krachten terug te bezorgen, opdat +zij hare bestemming bereiken kunne!” + +„Met het briefje?” vroeg Zirone. + +„Met het briefje, waarvan ik evenwel alvorens een nauwkeurig afschrift +zal maken, dat ik bewaren zal, tot het oogenblik zal gekomen zijn om er +gebruik van te maken!” + +Sarcany haalde vervolgens een aanteekeningsboekje uit zijn zak te +voorschijn en nam met het daarin aanwezige potlood een afschrift van +het briefje. Daar hij wist dat bij de meeste raadselschriften niets +verwaarloosd mag worden omtrent hunne daadwerkelijke rangschikking, zoo +zorgde hij dat de stand der woorden onderling onaangetast bleef. Toen +hij daarmee klaar was, borg hij dit afschrift in zijn notitieboekje op, +herplaatste het briefje in het zakje en het zakje onder den vleugel der +duif. + +Zirone keek aandachtig toe, zonder evenwel bijster veel hoop te +koesteren omtrent een vermogen, dat door dit toeval verworven zou +moeten worden. + +„En thans?” vroeg hij. + +„Thans,” antwoordde Sarcany, „is het zaak om den brievenbesteller goed +te verzorgen.” + +En dat was inderdaad noodig; want de duif was meer uitgeput door den +honger dan door de vermoeienis. Hare vleugels waren ongeschonden, +zonder een enkele beleediging of breuk, en bewezen dan ook ten volle, +dat de kortstondige flauwte, die het dier overvallen had, noch aan +eenige hagelkorrels van den een of anderen jager, noch aan een +steenworp van den een of anderen boosaardigen straatjongen te wijten +was. De vogel had honger, maar vooral dorst. + +Zirone zocht dus en vond op den grond eenige zaadkorrels, die de duif +met gretigheid oppikte. Eindelijk leschte hij haren dorst bij een +plasje water, dat van den laatst gevallen regen in een scherf van een +antieke vaas van gebakken steen achtergebleven was, zoodat een half +uur, nadat de duif gevangen was geworden, zij, zoo gekoesterd, geheel +hersteld, in staat was haar onderbroken reis te hervatten. + +„Als zij nog ver moet vliegen, als zij verder dan Triëst moet zijn, dan +kan het ons minder schelen of die duif onderweg omkomt,” zei Sarcany, +„daar wij haar alsdan uit het oog zullen verliezen en wij haar +onmogelijk zullen kunnen volgen. Wanneer zij evenwel in een der huizen +van Triëst verwacht wordt en daar de eindpaal harer reis is, dan zullen +haar de krachten niet ontbreken om dat te bereiken, want zij heeft dan +nog maar een paar minuten te vliegen.” + +„Ge hebt volkomen gelijk,” antwoordde de Siciliaan, „maar zullen wij +haar met onzen blik kunnen volgen tot de plek waar haar duivenslag +staat, al zou het ook zijn, dat die te Triëst aangetroffen werd?” + +„Wij zullen in ieder geval ons best daarvoor doen en onze maatregelen +daartoe nemen,” antwoordde Sarcany leuk. + +En ziehier wat hij deed: + +De kathedraal, welke uit twee oude Romaansche kerken bestond, die de +eene aan de H. Maagd en de andere aan Sint Justus, den beschermheilige +van Triëst, gewijd waren, wordt gesteund door een hoogen toren, die +zich op den vleugel verhief van dien frontgevel, waarin eene groote, +roosvormige versiering prijkte, welke boven de hoofddeur van het gebouw +aangebracht was. Die toren beheerschte de geheele topvlakte van den +Karstberg, en de stad ontwikkelt zich daar beneden als een uitermate +fraaie reliëfkaart. Van dit verheven punt ontwaart men al de vierkante +vlakken, gevormd door de daken der huizen van de stad, van de +heuvelhellingen af tot aan den oever der baai toe. Het zou dus niet +onmogelijk zijn de duif in hare vlucht te volgen, wanneer men haar op +den top van den toren losliet. Ongetwijfeld zou dan het huis te +herkennen zijn, waarop zij zou neerstrijken, wanneer zij namelijk +Triëst en geen andere stad of dorp van Illyrië tot bestemming had. + +Die poging kon slagen en zij was wel waard om beproefd te worden. Men +had slechts de duif in vrijheid te stellen. + +Sarcany en Zirone verlieten dan ook dit oude kerkhof, staken het kleine +plein, vóór de kerk gelegen, over en stapten op den toren toe. Een der +ogiefvormige deuren, juist dezelfde, die onder het voetstuk van de nis +van den Heiligen Justus aangebracht was, stond open. Beiden traden +binnen en begonnen met de ruwe treden van de wenteltrap, die naar boven +leidde, te bestijgen. + +Zij hadden vier of vijf minuten noodig om den top des torens, die in +een spits dak eindigt en dus geen plat heeft, te bereiken. Maar daar +aangekomen, bemerkten zij twee vensters op ieder front van het hooge +gebouw, die veroorloofden den blik langs den geheelen gezichteinder, +zoowel langs de heuvelen als langs de zee, te laten waren. + +Sarcany en Zirone namen plaats aan dat venster, hetwelk direct uitzicht +op Triëst in noordwestelijke richting verleende. + +Het sloeg toen vier uren op de torenklok van het kasteel, dat in de +zestiende eeuw gebouwd werd op het hoogste punt van den Karstberg, vlak +achter de kathedraal. Het was nog volle dag. De zon daalde langzaam te +midden van een uiterst zuiveren dampkring naar de wateren van de +Adriatische Zee, en het meerendeel der huizen ontving hare stralen op +de voorgevels, die naar den kant van den toren gekeerd waren. + +De omstandigheden waren dus zeer gunstig. + +Sarcany nam de duif tusschen zijne beide handen, streelde haar nog een +poos en gaf haar toen de vrijheid. + +De vogel klapwiekte, daalde eerst snel genoeg om te doen vreezen, dat +hij met een ongelukkigen val zijne loopbaan als luchtbrievenbesteller +zou eindigen. + +Vandaar dan ook dat de Siciliaan een waren kreet van teleurstelling +uitstiet. Hij was zeer opgewonden en stond te trappelen van ongeduld. + +„Zij valt, zij valt!” riep hij uit. + +„Neen, zij hervat zich,” antwoordde Sarcany. + +En inderdaad, de duif had haar evenwicht in de lagere luchtlagen +hernomen; daarna maakte zij een scherpen hoek en wendde zich in +schuinsche richting naar het noordwestelijke gedeelte der stad. + +Sarcany en Zirone volgden haar met de oogen. + +Er werd bij de vlucht van den vogel, die door een bewonderenswaardig +instinct geleid werd, geene enkele aarzeling waargenomen. Men gevoelde +dat hij recht afvloog op het doel waar hij wezen moest, op het doel +waar hij reeds sedert een uur had moeten aangekomen zijn, zonder dat +ongewenschte oponthoud onder de boomen van het oude kerkhof. + +Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige +oplettendheid waar. Zij vroegen zich af of de duif de muren der stad +niet zou overschrijden, hetgeen hunne vooruitzichten verijdelen zou. + +Neen, dat gebeurde niet. + +„Ik zie haar nog!.... Ik zie haar steeds!” riep Zirone, wiens +gezichtsvermogen buitengewoon sterk was. + +„Waar?.... Waar?.... vroeg Sarcany, die haar scheen uit het oog +verloren te hebben. + +„Daar!.... daar!” antwoordde Zirone, de richting met den vinger +aanwijzend. „Daar!....” + +„O ja, ik zie haar weer,” hernam Sarcany met voldoening. „Wat vooral +goed opgemerkt moet worden, is de plek waar de duif gaat neerstrijken. +Wij moeten er de juiste ligging goed van opnemen.” + +Eenige minuten na haar vertrek streek de duif op een huis neer, welks +scherpe nok al de anderen beheerschte en zich te midden van een groep +boomen verhief. Dat huis was in het stadsgedeelte gelegen, hetwelk aan +den kant van het gasthuis en van den openbaren tuin aangetroffen wordt. +Daar verdween zij door een dakvenster, hetwelk toen uitermate zichtbaar +was, daar het door een ijzeren windwijzer, die kunstig à jour bewerkt +was, aangeduid werd. Dat ijzeren kunstwerk was zoo sierlijk +vervaardigd, dat het aan Quentijn Matsys had kunnen toegeschreven +worden, wanneer Triëst eene Vlaamsche stad ware geweest. + +De algemeene richting van dat huis vastgesteld zijnde, moest het niet +zeer moeilijk zijn, wanneer men dien windwijzer als baken in het oog +hield, om de nok weer te vinden, waaronder het bedoelde dakvenster was +aangebracht en derhalve ook het huis, door den persoon bewoond, voor +wien het briefje bestemd was. + +Sarcany en Zirone daalden dadelijk de trappen des torens af en na ook +de hellingen van den Karstberg verlaten te hebben, volgden zij eene +aaneenschakeling van kleine nauwe straten, die hen eindelijk toegang +tot de Piazza della Legna verleenden. Daar waren zij verplicht zich te +oriënteeren, om de huizengroep te verkennen, die het oosterkwartier van +de stad uitmaakte. + +Toen zij aan de samenvloeiing van de twee groote gemeenschapsaderen, +de Corso Stadion, die naar den openbaren wandeltuin voert, en de +Acquedotto, een fraaie laan van geboomte, die naar de groote brouwerij +van Boschetto leidt, aangekomen waren, ondervonden de beide avonturiers +eenige aarzeling omtrent de verder te volgen richting. Moest men rechts +of links inslaan? Instinctmatig kozen zij rechts, met het doel om al de +huizen der laan nauwkeurig gade te slaan, waarboven zij den windwijzer, +dien zij opgemerkt hadden, zouden kunnen bespeuren. + +Zij schreden dus voort en namen de verscheidene daknokken van de +Acquedotto in oogenschouw, zonder evenwel die te ontdekken, welke zij +zochten. Eindelijk waren zij aan het einde van de laan aangekomen. + +„Daar is hij!” riep eindelijk Zirone uit. + +En hij wees op een windwijzer, dien de zeewind op zijne ijzeren as deed +knarsen, die boven een dakvenster geplaatst was, waar rondom juist +eenige duiven vlogen. + +Er was dus geene vergissing mogelijk. Daar was wel degelijk de duif +neergestreken. + +Het huis had een bescheiden uiterlijk, onderscheidde zich in niets van +de overige die tot hetzelfde blok behoorden, en was even als die langs +de Acquedotto gelegen. + +Sarcany verschafte zich inlichtingen in een paar naburige winkels en +wist al spoedig hetgeen hij voorshands wenschte te weten. + +Dat huis behoorde sinds lange jaren aan den graaf Ladislas Zathmar en +strekte hem tot woning. + +„Wie is graaf Zathmar?” vroeg Zirone, wien die naam geheel vreemd was. + +„Wel, dat is graaf Zathmar,” antwoordde Sarcany kortweg. + +„Ja, maar zouden wij geen inlichtingen omtrent hem kunnen vragen?....” + +„Later, Zirone, laten wij niet overijld handelen. Laten wij kalmte +betrachten en de zaak overdenken. Kom, wij keeren thans naar onze +herberg terug.” + +„Ja wel!.... Het is etenstijd en de table d’hôte staat gedekt voor hen, +die het recht koopen kunnen er plaats aan te nemen,” merkte Zirone +schamper op. + +„Als wij heden niet dineeren,” antwoordde Sarcany, „dan is het toch +mogelijk dat wij morgen zullen smullen.” + +„Bij wien?” + +„Bij wien, vraagt gij?” zei Sarcany schier gedachteloos. + +„Ja, dat vraag ik.” + +„Wel, waarschijnlijk bij graaf Zathmar.” + +Beiden drentelden langzaam voort. Waarom zich ook te haasten? Toch +hadden zij al te spoedig hun bescheiden hôtel bereikt, dat helaas! nog +te weelderig voor hen was, daar zij hun verblijf onmogelijk konden +betalen. + +Maar welke verrassing was hun daar bereid?.... Een brief, die aan +Sarcany gericht was, was aangekomen. + +Die brief bevatte een bankbiljet van twee honderd gulden, met de +woorden, die kort maar beteekenisvol waren: + + +„Hierbij ingesloten het laatste geld, dat gij van mij ontvangen zult. +Het zal voldoende zijn om naar Sicilië weer te keeren. Vertrek en dat +ik nimmermeer iets van u hoore.” + +„Silas Toronthal.” + + +„Duivels!” riep Zirone uit, „de bankier komt juist van pas op zijn +besluit terug. Waarachtig, men moet de finantie-luidjes in waarde +houden en nimmer omtrent hen wanhopen.” + +„Dat ’s ook mijne meening,” betuigde Sarcany. + +„En dat geld zal ons dienen om Triëst te verlaten?....” + +„God beware! Het zal ons integendeel dienen om er te blijven!” + + + + + + + + +II. + +GRAAF MATHIAS SANDORF. + + +De Hongaren, dat zijn de Magyaren, die het land kwamen bevolken zoo +ongeveer in de negende eeuw van de Christelijke tijdrekening. Zij maken +tegenwoordig het derde gedeelte van de geheele bevolking van Hongarije +uit en tellen ongeveer iets meer dan vijf millioen zielen. Of zij van +Spaanschen, of Egyptischen, of Tartaarschen oorsprong zijn, of zij van +de Hunnen van Attala of van de Finnen uit het noorden afstammen, dat +zijn alle twistvragen, die ons weinig kunnen schelen. Wat evenwel +opgemerkt moet worden, is, dat het geene Slavoniërs, dat het geene +Duitschers zijn, en dat het hun waarschijnlijk niet zou smaken, het te +worden. + +Die Hongaren hebben dan ook hun godsdienst ongeschonden behouden en +zijn vurige Katholieken gebleven van de elfde eeuw af, het tijdstip +waarop zij tot de nieuwe geloofsbelijdenis overgingen. Daarenboven +spreken zij nog hunne taal van weleer, eene stamtaal, die zachtvloeiend +en harmonisch klinkt, die zich geheel en al tot de bekoorlijkheid der +dichterlijke wendingen leent, die minder rijk aan woorden dan het +Duitsch, evenwel scherper begrensd van uitdrukking en krachtvoller is, +eene taal, die van af de vijftiende tot de zestiende eeuw bij het geven +van wetten en het slaan van ordonnantiën het latijn verving, in +afwachting dat zij tot de nationale taal verheven zoude worden. + +Het was op den 21sten Januari 1699 dat het verdrag van Carlowitz het +bezit van Hongarije en Transsylvanië aan de kroon van Oostenrijk +verzekerde. + +Twintig jaren later werd bij de pragmatieke sanctie solemneel +vastgesteld, dat de staten, die het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk +vormden, steeds onafscheidelijk aan elkander verbonden zouden zijn. Bij +gebrek aan zonen, zou de dochter volgens rangschikking van het +eerstgeboorterecht op den troon kunnen opvolgen. En dank zij die nieuwe +bepalingen, erfde Maria Theresia de kroon van haren vader, Karel de +Zesde, laatste mannelijke spruit uit het huis van Oostenrijk. + +De Hongaren moesten voor de overmacht bukken, maar honderdvijftig jaar +later werden nog mannen uit alle standen en van alle rangen +aangetroffen, die noch van de pragmatieke sanctie, noch van het verdrag +van Carlowitz iets wilden weten. + +Op het tijdstip, waarop dit verhaal begint, leefde een Hongaar van +hooge geboorte, wiens geheele leven zich in deze twee gevoelens +oploste, namelijk: in den haat voor alles wat van Germaansche afkomst +was en in de hoop nog eenmaal aan zijn land de zelfstandige regeering +van vroeger weer te geven. In zijne jeugd had hij Kossuth gekend en +hoewel door zijne geboorte en door zijne opvoeding een scheidsmuur +tusschen hen opgetrokken moest zijn, zoo koesterde hij toch eene zekere +bewondering voor het groote hart van dien vaderlander. + +Graaf Mathias Sandorf bewoonde in een der comitaten van Transsylvanië +in het district Fagaras, een oud kasteel van feodalen oorsprong. Het +was gebouwd op de hellingen van de noordelijke uitloopers van het +oostelijk Karpatisch gebergte, die de grens uitmaken tusschen +Transsylvanië en Walachyë, en verhief dit kasteel zich in al zijne +woeste fierheid op dien steilen bergketen, als een van die +schuilplaatsen in den laatsten stond, waar samenzweerders tot hun +laatsten snik aan hunne vijanden weerstand kunnen bieden. + +Naburige mijnen, rijk aan ijzer- en kopererts, die zorgvuldig ontgind +werden, verschaften aan den eigenaar van het kasteel Artenick een zeer +aanzienlijk vermogen. Dat domein besloeg een groot gedeelte van het +district Fagaras, hetwelk door eene bevolking bewoond werd, die niet +minder dan honderd twee- en zestigduizend inwoners telde. Deze, hetzij +zij stedelingen of landlieden waren, maakten er geen geheim van dat zij +voor graaf Sandorf eene toewijding koesterden, die iedere proef +doorstaan kon; dat zij hem eene onbegrensde erkentelijkheid toedroegen, +voor al het goede dat hij in het land teweeg bracht. Dat kasteel was +dan ook het voorwerp van een bijzonder toezicht, dat door de kanselarij +van Hongarije te Weenen, welke geheel en al van de overige +administratiën van het Keizerrijk onafhankelijk bleef, in het leven +geroepen was. Men kende in de hoogste kringen de denkbeelden van den +gebieder van Artenick, en die denkbeelden baarden onrust, al gaf men +ook voor omtrent den persoon van den graaf gerust te zijn. + +Mathias Sandorf was toen vijf en dertig jaren oud. Het was een man van +eene iets meer dan middelmatige gestalte, die eene groote spierkracht +verried. Op zijne schouders rustte een edel en fier gedragen hoofd. +Zijn gelaat, dat warm getint en een weinig vierkant van vorm was, +vertoonde het Magyaarsche type in zijne volkomene zuiverheid. De +levendigheid zijner bewegingen, de juist gekozen uitdrukkingen van zijn +woord, de blik van zijn kalm en onverschrokken oog, de werkdadige +bloedsomloop, die aan zijne neusvleugels en aan zijne mondhoeken eene +lichte trilling verleende, de glimlach die gewoonlijk op zijne lippen +zetelde en als onloochenbaar teeken zijner goedhartigheid kon gelden, +een zekere losheid in zijne taal en gebaren, dat alles duidde op eene +vrijmoedige natuur. Men meent opgemerkt te hebben, dat er eene groote +overeenkomst bestaat tusschen het Fransche karakter en het Magyaarsche. +Graaf Sandorf was daar het levende bewijs van. + +Een van de meest te voorschijn tredende karaktertrekken van graaf +Sandorf was, dat hij, hoewel vrij onverschillig voor al hetgeen hem +zelf betrof en hij dus als de gelegenheid zich voordeed er licht over +dacht, wanneer een of ander ongelijk hem alleen trof, nimmer eene +beleediging zoude vergeven hebben, die zijne vrienden aangedaan was. +Hij bezat in de hoogste mate den rechtvaardigheidszin en koesterde een +innigen haat voor alles wat trouweloos kon heeten. Vandaar dat hij +behebt was met eene impersoneele onverzoenlijkheid. Hij behoorde niet +tot hen, die aan God alleen de zorg overlaten om op deze aarde te +straffen. + +Er moet hier bijgevoegd worden, dat graaf Mathias Sandorf eene zeer +ernstige opvoeding had genoten. In plaats van het werkelooze leven te +genieten, dat hem door zijn groot vermogen gewaarborgd was, had hij er +behagen in gevonden, de physische wetenschappen en de geneeskundige +studiën te beoefenen. Hij zou een beroemd geneesheer zijn geworden, een +geneesheer van groot talent, wanneer de eischen des levens hem +gedwongen hadden zich met de verzorging van lijders te belasten. Hij +vergenoegde zich een scheikundige te zijn, die door de geleerde wereld +zeer gezien was en gewaardeerd werd. De universiteit te Pest, de +wetenschappelijke Academie te Presburg, de Koninklijke Mijnschool te +Schemnitz, de normaalschool te Temeswar, hadden hem ieder op hare beurt +onder de meest vlijtige leerlingen geteld. Dat leerrijke bestaan vormde +en bestendigde als het ware zijne natuurlijke eigenschappen. Het deed +hem man worden in de volle beteekenis des woords. Hij werd dan ook voor +zoodanig gehouden door allen, die hem kenden, maar voornamelijk door +zijne professoren dier verschillende scholen en universiteiten van het +koninkrijk, die zijne vrienden gebleven waren. + +Vroeger heerschte er in het kasteel Artenick vroolijkheid, +levendigheid, beweging. Op die ruwe nokken van de Karpathen, kwamen de +Transsylvaansche jagers gaarne te zamen. Zij volvoerden dan groote en +gevaarlijke klopjachten, waarin graaf Sandorf als het ware afleiding +zocht voor zijne strijdlustige geaardheid, die hij op het staatkundig +schaakbord niet kon botvieren. Want hij hield zich ter zijde en sloeg +den gang van zaken van nabij gade. Hij scheen slechts te leven voor +zijne studiën en voor de jacht, twee hartstochten, waaraan hij zich met +zijn vermogen onbekrompen kon overgeven. Op dat tijdstip leefde de +gravin Rena Sandorf nog. Zij was de ziel der bijeenkomsten in het +kasteel Artenick. Vijftien maanden vóór het begin van deze geschiedenis +had de dood weggerukt haar die gevierd was om hare jeugdige schoonheid, +terwijl zij slechts een klein meisje achterliet, dat thans twee jaar +oud was. + +Graaf Sandorf was door dien slag wreed getroffen en helaas! hij zou +steeds ontroostbaar blijven. Het kasteel werd stil en eenzaam. Sedert +dien dag leefde de eigenaar, onder den invloed van eene diepgevoelde +smart, in dat prachtige gebouw als in een klooster. Zijn geheele leven +drong zich op één punt samen, namelijk op zijn kind, dat aan de zorgen +van Rosena Lendeck, de echtgenoote van des graven intendant, +toevertrouwd werd. Die edelaardige vrouw, welke nog jong was, wijdde +zich geheel en al aan de eenige erfdochter der Sandorfs en verzorgde +haar alsof het haar eigen kind ware. De eigen moeder van de gravin had +niet teerder kunnen wezen. + +Graaf Sandorf verliet gedurende de eerste maanden van zijn +weduwnaarschap het kasteel van Artenick niet. Hij leefde afgetrokken en +als in zijne herinneringen aan het verleden verzonken. Daarna namen de +denkbeelden omtrent zijn vaderland, dat in een soort van vernederenden +toestand te midden van de Europeesche staten geplaatst was, weer de +overhand. + +En daar waren wel redenen voor! De Fransch-Italiaansche oorlog van 1859 +had toch een schrikkelijken slag toegebracht aan de Oostenrijksche +macht. + +Die slag was zeven jaren later, in 1866, door een nog schrikkelijker +gevolgd geworden, namelijk door dien van Sadowa. Het was niet alleen +meer aan het Oostenrijk, dat van zijne Italiaansche bezittingen beroofd +was geworden, dat Hongarije zich vastgekluisterd gevoelde, maar ook aan +het Oostenrijk, dat aan twee kanten overwonnen en aan Duitschland +ondergeschikt gemaakt werd. De Hongaren gevoelden zich in hunnen trots +vernederd, en dat gevoel laat zich niet wegredeneeren, wanneer het in +het bloed zit. In hun oog konden de overwinningen te Custozza en te +Lissa geene vergoeding voor de nederlaag te Sadowa bieden. + +Graaf Sandorf had gedurende het geheele jaar, dat op die +krijgsgebeurtenis gevolgd was, uiterst nauwgezet het staatkundig +terrein bestudeerd en was tot de erkenning gekomen, dat eene beweging +tot afscheiding van zijn vaderland goede kansen van slagen had. + +Het oogenblik van handelen was dus volgens hem gekomen. + +Den 3en Mei van het jaar 1867 vertrok graaf Sandorf, na zijn +dochtertje, hetwelk hij onder de hoede van Rosena Lendeck goed verzorgd +achterliet, van het kasteel Artenick naar Pest, waar hij zich in +betrekking stelde met zijne vrienden en partijgenooten, en daar eenige +voorloopige beschikkingen nam. Vervolgens reisde hij eenige dagen later +af naar Triëst, om daar den loop der gebeurtenissen af te wachten. + +Daar moest het voorname middelpunt van de samenzwering zijn. Vandaar +zouden alle draden, die in de hand van graaf Sandorf te zamen kwamen, +uitstralen. In die stad zouden de samenzweerders, aan minder +achterdocht blootgesteld, met meer vrijheid en veiligheid kunnen +handelen om hunne vaderlandslievende poging tot een goed einde te +brengen. + +Twee der meest innige vrienden van Mathias Sandorf woonden te Triëst. +Zij waren bezield met denzelfden geest als hij, en vast besloten om hem +bij die onderneming trouw te volgen. Graaf Ladislas Zathmar en +professor Stephanus Bathory waren Magyaren en van adellijke geboorte. +Beiden waren ongeveer een tiental jaren ouder dan Mathias Sandorf, maar +bezaten hoegenaamd geen vermogen. De een genoot een gering inkomen van +een klein landgoed, in het consulaat Lipte, aan de overzijde van den +Donau gelegen. De andere gaf onderwijs in de natuurkundige +wetenschappen te Triëst en kon met de opbrengst zijner lessen ter +nauwernood rondkomen. + +Ladislas Zathmar bewoonde het huis, hetwelk kort geleden door onze twee +bekenden, Sarcany en Zirone, in de Acquedotto verkend was geworden. Dat +huis, eene bescheiden woning, was door graaf Sandorf ter zijner +beschikking gesteld, gedurende al den tijd dat deze buiten zijn kasteel +Artenick zou verblijven, dat wil zeggen totdat de geprojecteerde +beweging tot uitvoering gebracht zoude zijn, welke dan ook de uitslag +er van zoude wezen. Een Hongaar, Borik genaamd, die ongeveer vijf en +vijftig jaren oud was, vertegenwoordigde het geheele bediendenpersoneel +van het huis. Het was een man, die zijn meester evenveel toewijding +toedroeg als de intendant Lendeck voor graaf Sandorf koesterde. + +Stephanus Bathory betrok een niet minder bescheidene woning in de +Corsia Stadionstraat, nagenoeg in hetzelfde stadskwartier gelegen als +die van graaf Zathmar. Daar sleet hij zijn leven tusschen zijne vrouw +en zijn zoon Piet, die toen ongeveer acht jaren oud was. + +Stephanus Bathory behoorde onbetwistbaar en onloochenbaar, hoewel in +verren graad, tot de nakomelingschap van die Magyaarsche vorsten, die +in de zestiende eeuw den troon van Transsylvanië bestegen. De +verwantschap had zich sedert dat tijdstip gesplitst en was in talrijke +vertakkingen verloren gegaan; men zou ongetwijfeld verwonderd gestaan +hebben, wanneer men vernomen had, dat een der nakomelingen dier +machtige familie van weleer, in dien eenvoudigen professor bij de +Rijks-Academie te Presburg weer te vinden was. Maar dat daargelaten, +Stephanus Bathory was een geleerde van den eersten rang, een van +diegenen, die teruggetrokken leven, maar die door hunne werken beroemd +zijn. In clusum labor illustrat. „Zijn verborgen arbeid maakt hem +beroemd”, dit devies van den zijdeworm zou het zijne kunnen genoemd +worden. Op zekeren dag werd hij door zijn staatkundige gevoelens, die +hij niet onder stoelen of banken verborg, genoodzaakt om zijn ontslag +te nemen. Toen kwam hij als onafhankelijk leeraar te Triëst wonen met +zijne gade, die hem moedig bij alle beproevingen ter zijde gestaan en +geschraagd had. + +Het was in de woning van graaf Ladislas Zathmar, dat de drie vrienden +sedert de aankomst van graaf Mathias Sandorf te zamen kwamen; hoewel +deze laatste er in het oog loopend op gestaan had een vertrek in het +Palazzo Modello—thans het hôtel Delòrme—op de Piazza Grande te +betrekken. + +De politie was er dan ook ver van verwijderd eenige achterdocht te +koesteren, dat dit huis op de Acquedotto het middelpunt was van eene +samenzwering, die talrijke deelgenooten telde in de voornaamste steden +des rijks. + +Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory waren zonder eenige aarzeling de +vurigste aanhangers van Mathias Sandorf geworden. Evenals hij hadden +zij erkend, dat de tijdsomstandigheden zich er toe leenden om eene +beweging mogelijk te maken, die Hongarije den rang onder de Europeesche +staten kon doen hernemen, welke door dat rijk begeerd werd. Daarvoor +brachten zij hun leven in gevaar, dat wisten zij, maar dat kon hen niet +weerhouden. + +Het huis op de Acquedotto werd dus de vergaderplaats van de voornaamste +hoofden der samenzwering. Vele der deelgenooten, van de verschillende +punten van het Koninkrijk opgeroepen, kwamen er maatregelen beramen en +bespreken, of kwamen er bevelen ontvangen. Een postdienst van +reisduiven, die briefjes overbrachten, stelde een snel en veilig +verkeersmiddel daar tusschen Triëst en de voornaamste steden van het +Hongaarsche land en van Transsylvanië, wanneer het instructiën gold, +die noch aan de posterijen, noch aan den telegraafdienst toevertrouwd +konden worden. + +Om kort te gaan, alle voorzorgsmaatregelen waren zoo goed getroffen, +dat de samenzweerders tot heden toe iedere achterdocht, hoe gering ook, +ontgaan waren. + +Men zag het: de briefwisseling daarenboven had slechts in geheimschrift +plaats, dat door zijne moeilijke oplossing de geheimzinnigheid +bevorderde en derhalve de veiligheid der samenzweerders zeer in de hand +werkte. + +Drie dagen na de aankomst van de reisduif, wier briefje door Sarcany en +Zirone onderschept was, dus op den 21sten Mei, bevonden zich graaf +Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory tegen acht uur des avonds bij +elkander in het werkvertrek en wachtten daar de terugkomst van graaf +Mathias Sandorf af. De eigen zaken van laatstgenoemde hadden hem +genoodzaakt naar zijn kasteel Artenick in Transsylvanië weer te keeren; +maar hij had die reis kunnen dienstbaar maken, om met zijne vrienden te +Klausenburg, hoofdplaats der rijksprovincie, te beraadslagen en hij +moest dienzelfden dag terugkomen, na aan de deelgenooten den inhoud van +die dépêche, waarvan Sarcany afschrift genomen had, medegedeeld te +hebben. + +Sedert het vertrek van Mathias Sandorf, waren andere correspondentiën +gewisseld geworden tusschen Triëst en Buda-Pest en verscheidene +briefjes in geheimschrift waren door duiven aangebracht. In hetzelfde +oogenblik zelfs hield graaf Ladislas Zathmar zich onledig om het +raadselachtig schrift daarvan in verstaanbaren tekst door middel van +een toestel, onder den naam van „rooster” bekend, over te brengen. + +Die dépêches waren inderdaad volgens een zeer eenvoudig stelsel, +namelijk dat der verplaatsing van de letters, samengesteld. In dat +stelsel behoudt iedere letter hare eigene alphabetische waarde, dat wil +zeggen dat bijvoorbeeld een b een b, een o een o blijft beteekenen enz. +Maar de letters worden achtereenvolgens verplaatst volgens de open of +de gesloten vakken van een rooster, die op de dépêche gelegd, slechts +die letters laat ontwaren, welke gelezen moeten worden, terwijl anderen +bedekt en dus onzichtbaar blijven. + +Dat roostersysteem, vroeger veel in zwang, was zeer gebrekkig, maar is +sedert veel verbeterd door den kolonel Fleissner. Het is nu nog de +allerbeste manier en de veiligste ook, wanneer het geldt een +onoplosbaar geheimschrift te erlangen. Bij alle andere stelsels, hetzij +met een onveranderlijken grondslag of met enkelen sleutel, waarbij +iedere letter van het alphabet steeds door een en hetzelfde teeken +voorgesteld wordt,—hetzij met veranderlijken grondslag of met dubbelen +sleutel, waarbij men bij iedere letter als het ware van alphabet +verandert, is de veiligheid niet volkomen. Verscheidene lieden toch, +die zich op het ontraadselen van geheimschrift toeleggen, zijn in staat +wonderen bij die soort van nasporingen te verrichten, hetzij door eene +berekening van waarschijnlijkheden, hetzij door een ijverigen arbeid +van tasten en beproeven. Slechts door zich te gronden op de letters, +die het meest voorkomen in zulk een geheimschrift—als de e in de +Fransche, Engelsche, Duitsche en Nederlandsche, de o in de Spaansche, +de a in de Russische, de e en i in de Italiaansche talen—geraken zij er +toe de letters van den tekst uit het geheimschrift hare ware beteekenis +in den verklaarden tekst weer te geven. Er bestaan dan ook weinig +dépêches, volgens die stelsels vervaardigd, die aan de scherpzinnige +gevolgtrekkingen van die naspoorders ontsnappen. + +Het schijnt dus dat de roosters of de sleutelwoordenboeken—dat wil +zeggen diegene, waarin zekere vaak gebruikelijke woorden, geheele +volzinnen beteekenende, door getallen aangegeven zijn—de meest volkomen +waarborgen moeten geven van onoplosbaarheid. Maar die beide stelsels +hebben eene ernstige schaduwzijde: zij vereischen eene volkomene +geheimhouding, of beter, zij vorderen de noodzakelijkheid van nimmer de +toestellen of boeken, die dienen om hen te vormen, in handen van +oningewijden te laten vallen. Want inderdaad, is het zonder dien +rooster of zonder dat woordenboek onmogelijk die dépêches te lezen, zoo +is dat daarentegen gemakkelijk voor hen in wier handen die rooster of +dat woordenboek zich bevindt. + +Het was dus door middel van een rooster, dat wil zeggen een vierkant +van bordpapier, schaakvormig in ruiten verdeeld, waarvan sommige vakken +weggeknipt waren, dat de brieven, tusschen graaf Sandorf en zijne +partijgangers gewisseld, opgelost werden. Maar uit overmaat van +voorzorg werden alle stukken, na gelezen te zijn, van weerszijden +verbrand en vernietigd. Gebeurde het dus dat die rooster, dien hij en +zijn vrienden gebruikten, verloren geraakte of gestolen werd, dan kon +daaruit geen nadeel voortvloeien. Er zou dan nimmer eenig spoor van dat +komplot overblijven, waarin de edelste heeren, de aanzienlijkste +magnaten van Hongarije, gemeenschappelijk verbonden met de voornaamste +vertegenwoordigers der burgerij en van het volk, betrokken waren en hun +hoofd waagden. + +Juist had Ladislas Zathmar de laatst ontvangen berichten verbrand, toen +iemand bescheiden op de deur van het vertrek klopte. + +Het was Borik, die graaf Mathias Sandorf aanmeldde, welk zoo even te +voet van het naburige station aangekomen was. + +Ladislas Zathmar trad dadelijk op hem toe. + +„Uwe reis, Mathias?....” vroeg hij met de haast van iemand die vóór +alles gerust gesteld wil zijn. + +„Is volkomen geslaagd, Zathmar,” antwoordde graaf Sandorf. „Ik kan niet +twijfelen aan de gevoelens onzer vrienden in Transsylvanië en hunne +medewerking is ons thans verzekerd.” + +„Hebt gij hen dat bericht, hetwelk ons drie dagen geleden van Pest +toegezonden werd, medegedeeld?” vroeg Stephanus Bathory, voor wien +Sandorf groote vriendschap koesterde. + +„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn +gewaarschuwd. Ook zijn zij gereed! Zij zullen op het eerste sein +opstaan. In twee uren zullen wij meester van Buda en van Pest zijn, in +een halven dag van de voornaamste comitaten aan deze en gene zijde van +de Theiss, en in een geheelen dag van Transsylvanië en van het +gouvernement der Militaire Grenzen. En dan zullen acht millioen +Hongaren hunne onafhankelijkheid herwonnen hebben!” + +„En de rijksraad?” + +„Onze partijgenooten hebben er de meerderheid in,” antwoordde Mathias +Sandorf. „Zij zullen dadelijk het nieuwe gouvernement samenstellen, +hetwelk de teugels van het bestuur in handen moet nemen. Alles zal +regelmatig en gemakkelijk gaan, daar de comitaten, wat hunne +administratie betreft, nauwelijks van de Kroon van Oostenrijk +afhankelijk zijn en dat hunne hoofden hunne eigene politie hebben.” + +„Maar de raad van het Vice-Koningschap van het rijk, die door den prins +palatijn te Buda voorgezeten wordt?....” vroeg Ladislas Zathmar. + +„De palatijn en de raad zullen onmiddellijk bij het uitbreken der +beweging in de onmogelijkheid gesteld worden om te handelen....” + +„En ook in de onmogelijkheid om met de kanselarij van Hongarije te +Weenen te correspondeeren?” + +„Ja, alle onze maatregelen zijn zoodanig getroffen, dat de eenparigheid +hunner uitvoering den goeden uitslag waarborgt.” + +„Den goeden uitslag?” zei Stephanus Bathory. + +„Ja, den goeden uitslag!” antwoordde graaf Sandorf. „In het leger +behooren allen ons, wien ons bloed, dat wil zeggen het Hongaarsche +bloed door de aderen vloeit. Waar is de nakomeling der oude Magyaren, +wiens hart niet klopt bij het zien van de vlag der Rodolphen en der +Corvijnen!” + +En Mathias sprak die woorden met al de geestdrift van een vurig +vaderlander uit. + +„Maar in afwachting dat dit uur komen zal,” ging hij voort, „laat ons +geen enkelen maatregel verzuimen om iedere achterdocht te ontgaan. Laat +ons voorzichtig zijn, wij zullen er slechts te sterker door zijn!—Hebt +gij niets verdachts te Triëst vernomen?” + +„Neen,” antwoordde Ladislas Zathmar. „Men heeft hier slechts ooren en +oogen voor de werken, die de Staat te Pola doet uitvoeren en waarvoor +het grootste gedeelte der werklieden aangenomen zijn.” + +En werkelijk, sedert een vijftiental jaren had het Oostenrijksch +gouvernement, in het vooruitzicht van Venetië mogelijk te moeten +verliezen—hetgeen inderdaad gebeurd is—het plan opgevat om te Pola, aan +het uiteinde van het Istrische schiereiland, uitgestrekte arsenalen en +eene oorlogshaven te stichten, om dat punt van de Adriatische zee te +kunnen beheerschen. In weerwil van het protest van Triëst, wier +maritieme belangrijkheid daardoor verminderd werd, waren de werken met +koortsachtigen ijver vervolgd geworden. Mathias Sandorf en zijne +vrienden konden dus denken, dat de bewoners van Triëst geneigd zouden +zijn hen te volgen, in geval de afscheidingsbeweging zich tot daar +zoude uitbreiden. + +Wat er ook van aan zij, het geheim van die samenzwering ten voordeele +van de Hongaarsche onafhankelijkheid was goed bewaard geworden. Niets +had aanleiding gegeven, dat de politie zou hebben kunnen gissen dat de +voornaamste samenzweerders toen in dat bescheiden huis van de +Acquedottolaan vereenigd waren. + +Zoo scheen tot het welslagen van die onderneming alles voorzien te zijn +en had men niets anders te doen dan het juiste oogenblik af te wachten +om handelend te kunnen optreden. + +De correspondentie in geheimschrift, tusschen Triëst en de voornaamste +steden van Hongarije en van Transsylvanië, werd al meer zeldzaam en zou +zelfs geheel ophouden, tenzij gewichtige gebeurtenissen voorvielen. De +reisduiven hadden voortaan geene dépêches meer over te brengen, daar de +laatste maatregelen vastgesteld waren. Uit overmaat van voorzichtigheid +dus had men de voorzorg genomen, hun toevluchtsoord op het huis van +Ladislas Zathmar te sluiten. + +Er moet hier bijgevoegd worden, dat wanneer het geld de zenuw des +oorlogs is, het dat ook is voor de samenzweringen. Het is van zeer +groot belang, dat het den komplotmakers niet ontbreekt. En bij deze +gelegenheid zou het inderdaad niet ontbreken. + +Men weet het, dat al konden graaf Ladislas Zathmar en professor +Stephanus Bathory hun leven voor de onafhankelijkheid van hun vaderland +opofferen, zij evenwel geen vermogen hadden om ten offer te brengen; +want het is den lezer bekend: zij bezaten slechts zeer beperkte +middelen. Maar graaf Mathias Sandorf was rijk, zelfs onmetelijk rijk, +en met zijn leven was hij gereed ook geheel zijn vermogen op het spel +te zetten voor die zaak. Sedert verscheidene maanden dan ook had hij, +door tusschenkomst van zijn intendant Lendeck, groote sommen op zijne +landerijen opgenomen, meer dan twee en een half millioen gulden. + + +Maar het was noodig dat die som steeds ter zijner beschikking gehouden +werd en dat hij haar ieder oogenblik kon ontvangen. Te dien einde was +zij gedeponeerd geworden bij een bankiershuis te Triëst, waarvan de +goede naam onbesproken, en de soliditeit tegen iedere gebeurlijkheid +bestand was. Dat was het huis Toronthal, waarover Sarcany en Zirone +juist gesproken hadden, terwijl zij op het kerkhof der bovenstad +vertoefden. + +Welnu, die buiten alle berekening vallende gebeurtenis, zou de +gewichtigste gevolgen na zich slepen, zooals men zien zal uit den loop +van deze geschiedenis. + +Bij de vermelding van dat geld, waarvan een oogenblik sprake was +geweest gedurende hun laatste gesprek, zei graaf Sandorf tot graaf +Zathmar en tot Stephanus Bathory, dat het zijn voornemen was om +eerstdaags een bezoek aan den bankier Silas Toronthal te brengen, om +hem te verwittigen, dat hij het geld binnen den kortst mogelijken tijd +te zijner beschikking te stellen had. + +En waarlijk, de gebeurtenissen zouden weldra graaf Sandorf er toe +aanzetten om het van Triëst verwachte signaal te geven, te meer nog nu +hij dien eigen avond meende bespeurd te hebben, dat het huis van graaf +Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen werd. En dat +verontrustte hem. + +Toen graaf Sandorf en Stephanus Bathory tegen tien uur naar buiten +traden, de een om zich naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat te +begeven, de andere om naar het hôtel Delòrme weer te keeren, meenden +zij twee mannen te ontwaren, die hen in het donker bespiedden, hen op +eenigen afstand volgden en alle moeite deden om niet gezien te worden. + +Mathias Sandorf en zijn metgezel, vast besloten om te weten te komen +wat er gaande was, aarzelden geen oogenblik om op die zoo verdachte +personen toe te treden. Maar toen dezen hen bespeurden, verdwenen zij +bij den hoek van de Sint Antonius-kerk, bij het uiteinde van het groote +kanaal, vóór dat het mogelijk geweest was hen in te halen. + + + + + + + + +III. + +HET BANKIERSHUIS TORONTHAL. + + +Te Triëst bestaat eigenlijk geen gezelschapsband. Tusschen +verschillende rassen bestaat geene gezelligheid, evenmin als tusschen +verschillende kusten. De Oostenrijksche beambten koesteren de +verwaandheid om te meenen, dat zij de hoogste sport op de +maatschappelijke ladder innemen, welke ook de plaats zij, welke zij in +het administratieve werktuig bekleeden. Over het algemeen zijn dat +voorname lieden, die goed onderwezen en zeer welwillend zijn. Hunne +bezoldiging is evenwel mager en schraal en ver beneden hun +maatschappelijk standpunt, zoodat zij niet wedijveren kunnen met de +handels- of met de finantie-mannen. Deze laatsten zijn genoodzaakt, +daar de bijeenkomsten bij de rijke familiën zeldzaam zijn, maar +zeldzamer nog de officieele vereenigingen, hun toevlucht te nemen tot +weelderigheid buitenshuis—oogenweelderigheid zou men het kunnen +noemen—zooals bij het verschijnen op de straten door de pracht hunner +equipages, of in den schouwburg door den rijkdom der toiletten, door +den overvloed van diamanten, welke hunne dames in de loges van het +Teatro Comunale of van de Armonia tentoonstellen. + +Onder al die rijke familiën werd voornamelijk die van den bankier Silas +Toronthal opgemerkt. + +Het hoofd van dat bankiershuis, waarvan het crediet zich verre over de +grenzen van het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk uitstrekte, was +toen zeven-en-dertig jaren oud. Hij bewoonde met mevrouw Toronthal, die +eenige jaren jonger was dan hij, een prachtig huis in de +Acquedottolaan. + +Silas Toronthal ging door voor zeer rijk te zijn, en dat moest hij ook +wezen. Stoutmoedige en zeer gelukkige beursspeculatiën, een breede +grondslag van zaken met de maatschappij van de Oostenrijksche Lloyd en +met andere groote huizen, belangrijke leeningen, waarvan de uitgifte +hem toevertrouwd was, dat alles kon slechts veel geld in zijne kas +gebracht hebben. Vandaar dat hij groote sier gemaakt had, hetgeen wel +het oog op hem deed vallen. + +Evenwel was het toch mogelijk, zooals Sarcany tot Zirone gezegd had, +dat de zaken van Silas Toronthal toentertijd eenigermate belemmering +ondervonden, ten minste voor het oogenblik. Dat hij zeven jaren vroeger +den weerslag ondervonden had van de verwarring bij de Bank en op de +beurs teweeg gebracht door den oorlog van Frankrijk en Italië tegen +Oostenrijk, daarna en nog slechts kort geleden, door den veldtocht, die +met de ramp van Sadowa beëindigd werd, dat hij op dat tijdstip zware +verliezen geleden had door de daling der fondsen op de voornaamste +plaatsen van Europa, maar vooral op die van het +Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk, zooals Weenen, Pest en Triëst, dat +kon niet anders. Toen zou hij, wanneer hij verplicht ware geworden, de +kapitalen, die bij hem in rekening-courant waren gedeponeerd, terug te +betalen, in ernstige ongelegenheid zijn geraakt. Maar dat was niet +geschied en hij had zich voorzeker weer na die crisis hersteld. Maar +wanneer het waar was, wat Sarancy beweerde, had hij gewaagde +speculatiën moeten ondernemen, waardoor de soliditeit van zijn huis op +losse schroeven gesteld zoude zijn. + +En inderdaad sedert eenige maanden was Silas Toronthal—zedelijk +althans—veel veranderd. Hoezeer hij de uitingen zijner gevoelens ook in +bedwang had, zoo was zijn uiterlijk toch zijns ondanks gewijzigd. +Kenteekenen begonnen hem te verraden. Hij was niet meer zooals vroeger. +Opmerkers zouden bespeurd hebben, dat hij de menschen niet meer +openlijk in het gelaat durfde aanschouwen, zooals hij vroeger gewoon +was te doen; maar hen van ter zijde aankeek, met half gesloten oogen. +Die beginnende kenmerken waren zelfs aan mevrouw Toronthal niet +ontsnapt, die eene ziekelijke vrouw was zonder eenige geestkracht, +daarenboven zeer onderworpen aan den wil van haren echtgenoot en die +slechts weinig en dan nog zeer oppervlakkig met zijne zaken bekend was. + +Nu kon er op gerekend worden, en het moet wel bekend worden, dat +wanneer een ramp zijne bankierszaken bedreigde, Silas Toronthal geen +medelijden van de openbare meening te verwachten had. Dat hij vele +klanten zoowel in de stad als in het rijk had, was waar; maar hij had +weinig vrienden. Het hooge gevoel, dat hij van zijne maatschappelijke +positie koesterde, zijne aangeboren ijdelheid, het voorkomen van +meerderheid, hetwelk hij jegens iedereen en bij alles aannam, dat alles +was niet geschikt om de menschen buiten den kring zijner zaken aan te +trekken. Daarenboven de Triëstenaren hielden hem voor een vreemdeling, +daar hij afkomstig van Ragusa, dus een Dalmaat van geboorte was. Geen +familiebanden bonden hem derhalve aan die stad, waarin hij een +vijftiental jaren geleden gekomen was om er de grondslagen van zijn +vermogen te vestigen. + +Zoo was toen de toestand van het huis Toronthal. Hoewel Sarcany te dien +opzichte eenige achterdocht koesterde, zoo bestond er nog niets, +hetgeen veroorloofde het gerucht te beamen, dat de zaken van den rijken +bankier ernstig bedreigd werden. Zijn crediet was evenwel volstrekt +niet aangetast, openlijk althans. Graaf Mathias Sandorf had dan ook +geen oogenblik geaarzeld, na zijne fondsen te gelde gemaakt te hebben, +hem eene zeer aanzienlijke som toe te vertrouwen, eene som die steeds +ter zijner beschikking moest gehouden worden, op voorwaarde, dat vier +en twintig uren te voren gewaarschuwd moest worden, wanneer uitbetaling +verlangd werd. + +Misschien zal de lezer zich verwonderen, dat punten van aanraking, ja +dat betrekkingen hadden kunnen ontstaan tusschen dat bankiershuis, +hetwelk onder de meest geachte aangeteekend stond, en een persoon als +Sarcany was. Toch was het zoo, en die betrekking dagteekende reeds van +twee of drie jaren geleden. + +Op dat tijdstip had Silas Toronthal zeer belangrijke zaken te +verhandelen gehad met het regentschap Tripoli. Sarcany, die een soort +makelaar in allerhande zaken en zeer ervaren in de kunst van cijferen +was, slaagde er in om als tusschenpersoon in die zaken op te treden, +die—het moet er bij gezegd worden—van zeer verdachten aard waren. Er +waren daarbij transactiën gesloten, die het daglicht niet mochten zien, +omtrent omkoopingen, omtrent twijfelachtige commissieloonen, omtrent +weinig eerlijke heffingen, waarin de Triëster bankier niet in persoon +had willen optreden. In die omstandigheden was Sarcany op den voorgrond +getreden. Hij werd agent bij die knoeierige combinatiën en bewees +daarbij en ook bij andere zaken van denzelfden aard, goede diensten aan +Silas Toronthal. Daaruit werd heel natuurlijk de gelegenheid geboren om +toegang tot het bankiershuis te hebben. Hij had er voet, werd gezegd, +hij had er de hand: ware beter uitgedrukt. En inderdaad, nadat die +smerige zaken afgeloopen waren en hij Tripoli verlaten had, hield +Sarcany niet op eene soort geldafpersing op den Triëster bankier toe te +passen. Niet dat Silas Toronthal geheel en al aan de genade van dien +schoft overgeleverd was. Van die compromitteerende operatiën bestond +geen enkel feitelijk bewijs. Maar de toestand van een bankier is van +teederen aard. Eén enkel woord kan hem benadeelen. En nu wist Sarcany +genoeg, om het geraden te achten, rekening met hem te houden. + +En dat deed Silas Toronthal ook. Het kostte hem zelfs belangrijke +sommen, die zoo bijzonder vlug opgemaakt en voornamelijk in kroegen +verspild werden, als dat slechts door een gelukzoeker geschieden kan, +die omtrent de toekomst geene zorgen hoegenaamd koestert. Sarcany werd +eindelijk, nadat hij den bankier tot in Triëst opgezocht had, zoo +lastig, zoo veeleischend, dat het den bankier begon te vervelen en deze +hem eindelijk ieder crediet weigerde. Sarcany dreigde. Silas Toronthal +hield vol. En daarin had hij gelijk, daar die volleerde geldafperser +eindelijk bij zichzelven tot de bekentenis moest komen, dat hij bij +gebrek aan deugdelijke bewijzen, tamelijk ongewapend tegenover den +bankier stond. + +Ziedaar de redenen waarom Sarcany en zijn eerlijke makker Zirone zich +sedert eenigen tijd zonder middelen bevonden, en zoodanig zonder geld +waren, dat zij in de onmogelijkheid waren de stad te verlaten om elders +hun geluk te beproeven. Maar men weet ook, dat Silas Toronthal, met het +doel om zich geheel en al van hen te ontdoen, hen eene som gelds als +laatste hulp had toegezonden. Die som zou hen in staat stellen om +Triëst te verlaten en naar Sicilië weer te keeren, waar Zirone +geaffiliëerd was aan een schrikwekkend gezelschap, dat de oostelijke en +de middenprovinciën van dat eiland exploiteerde. De bankier mocht dus +hopen zijn makelaar in Tripolitaansche zaken nimmer weer te zien, en +dat hij nimmermeer van hem zou hooren spreken. Daarbij vergiste hij +zich, wat hem bij andere zaken ook wel eens overkwam. + +Het was in den avond van den 18den Mei dat de tweehonderd gulden, +vergezeld van het bekende korte briefje door Silas Toronthal verzonden +en door de twee gelukzoekers in hun logement, alwaar zij verblijf +hielden, ontvangen waren. + +Zes dagen later, dus den 24sten van dezelfde maand, belde Sarcany bij +het bankiershuis aan en verzocht om Silas Toronthal te spreken; zijn +aandringen was van zoodanigen aard, dat deze inwilligde hem te +ontvangen. + +De bankier was op zijn kantoor, waarvan Sarcany de deur zorgvuldig +sloot, zoodra hij binnengekomen was. + +„Gij alweer! En nog hier!” riep Silas Toronthal eerst uit. „Wat komt +gij hier doen? Ik heb u voor de laatste maal eene som geld toegezonden, +die toereikend moet zijn om Triëst te kunnen verlaten. Gij zult +nimmermeer iets van mij krijgen, wat gij mij ook zult willen vertellen +of wat gij ook uitvoeren wilt! Waarom zijt gij niet vertrokken? Ik +waarschuw u, dat ik mijne maatregelen zal nemen om uwe lastige bezoeken +voortaan tegen te gaan!—Wat wilt ge thans van mij?” + +Sarcany had dien woordenvloed, waarop hij voorbereid was, koelbloedig +aangehoord. Zijne houding was dezelfde niet meer, welke hij gewoonlijk +aannam, namelijk brutaal en uitdagend, zooals hij bij zijne laatste +bezoeken aan het bankiershuis geweest was. + +Hij bleef zichzelven niet alleen geheel en al meester, maar hij bleef +ook ernstig. Hij greep een stoel, zonder dat hij de uitnoodiging +ontvangen had om te gaan zitten; nam plaats en wachtte daarna dat de +booze luim van den bankier zich in luidruchtige verwijtingen lucht +gegeven en uitgeput zoude hebben om hem te antwoorden. + +„Welnu, zult ge spreken?” hernam Silas Toronthal, die, na zijn kabinet +eenige malen op en neer geloopen te hebben, op zijn beurt was gaan +zitten, evenwel zonder er in geslaagd te zijn meer bedaard te worden. + +„Ik wacht tot gij kalmer zult zijn,” antwoordde Sarcany vreedzaam, „en +ik zal al den tijd wachten, die daartoe noodig zal zijn.” + +„Of ik kalm ben of niet, wat kan dat schelen? Voor de laatste maal, wat +wilt gij van mij?” + +„Silas Toronthal, ik heb u eene zaak voor te stellen.” + +„Eene zaak?” + +„Ja.” + +„Ik wil over geen zaken spreken met u, ik wil geen zaken met u doen of +daarover onderhandelen!” riep de bankier uit. „Wij hebben niets gemeens +meer met elkander en ik wil dat gij Triëst terstond, heden nog verlaat, +om er nooit terug te komen.” + +„Ik denk te vertrekken en Triëst te verlaten,” antwoordde Sarcany, +„maar ik wil niet vertrekken zonder mijne schuld aan uw huis +aangezuiverd te hebben.” + +„Uwe schuld?.... Aanzuiveren!.... Gij?.... mij betalen?” + +„Ja, u betalen interest, kapitaal, alles, ongerekend een deel in de +winsten van....” + +Silas Toronthal trok verachtelijk de schouders op bij dat onverwachte +voorstel, komende van Sarcany. + +„De sommen, die ik u voorgeschoten heb, heb ik op mijne verliesrekening +gebracht,” zeide hij. „Ik scheld u die kwijt en heb dus niets van u te +vorderen.” + +Sarcany glimlachte. + +„Ik ben boven die nietigheden verheven,” ging de bankier voort. + +„Maar als het mij belieft uw schuldenaar te blijven?” + +„Dat kan slechts gelden, als het mij belieft uw schuldeischer te zijn!” + +Bij die woorden keken Silas Toronthal en Sarcany elkander in het +gelaat. Daarop trok deze laatste op zijne beurt de schouders op. + +„Volzinnen slechts, niets anders dan volzinnen! Woorden, anders niets,” +hernam Sarcany. „Ik herhaal, dat ik u eene zeer ernstige zaak kom +voorstellen.” + +„Even smerig als ernstig, ongetwijfeld?” + +„Hé, hé, het zou voor de eerste maal niet zijn, dat gij u tot mij +wendet, om....” + +„Sarcany!” riep de bankier uit. + +„Neen, niet de eerste maal, dat gij mijne....” + +„Woorden, niets dan woorden,” herhaalde Silas Toronthal op zijne beurt. +Hij wist niets anders te zeggen om de brutale uiting, die den anderen +op de lippen lag, te stuiten. + +„Hoor naar mij,” zei Sarcany, „ik zal kort zijn.” + +„En daar zult ge goed aan doen.” + +„Indien hetgeen ik u ga voorstellen, niet van uwe gading zal zijn, +zullen wij er niet meer over spreken en zal ik van hier vertrekken.” + +„Van hier of van Triëst?” + +„Van hier en van Triëst!” + +„Morgen reeds?” + +„Heden avond reeds!” + +„Spreek dan.” + +„Ziehier wat het geldt.” zei Sarcany. „Maar....” voegde hij er bij, +terwijl hij overal rondkeek, „zijt gij er zeker van dat niemand ons +hooren kan?” + +„Gij staat er dus op, dat ons onderhoud geheim zal blijven?” antwoordde +de bankier met ietwat spotachtigs in zijne stem. + +„Ja, Silas Toronthal, want wij beiden, gij en ik, zullen het leven van +hooge personen in de hand hebben!” + +„Gij misschien! Ik, neen!” + +„Oordeel er over! Ik ben op het spoor van eene samenzwering. Wat haar +doel is? Dat weet ik nog niet. Maar sedert de partij, die te midden van +de vlakte van Sadowa afgespeeld werd, sedert den slag van Sadowa heeft +ieder niet-Oostenrijker fraai spel tegen Oostenrijk. Nu heb ik wel +redenen om te meenen, dat eene beweging voorbereid wordt, eene beweging +ten voordeele van Hongarije, waaruit wij munt kunnen slaan.” + +Silas Toronthal vergenoegde zich deze enkele woorden op spottenden toon +tot antwoord te geven: + +„Er valt niets te halen van eene samenzwering.” + +„Waarachtig wel! Meer dan waarschijnlijk.” + +„Hoe dan?” + +„Door haar te verraden.” + +„Komaan, laat hooren. Verklaar u nader.” + +„Luister dan,” zei Sarcany. + +Daarop verhaalde hij, wat er op het oude kerkhof van Triëst gebeurd +was, hoe hij eene reisduif bemachtigd had, de wijze waarop het briefje +in geheimschrift—waarvan hij een afschrift gehouden had—in zijne handen +gevallen was en hoe hij met de woning van hem, voor wien het briefje +bestemd was, bekend was geworden. Hij voegde er bij dat hij en Zirone +de laatste vijf dagen doorgebracht hadden met alles te bespieden, zoo +niet wat binnen dat huis omging, dan toch het uiterlijke en den omtrek +daarvan. Eenige personen, die altijd dezelfde waren, kwamen er steeds +des avonds bijeen en traden niet zonder groote voorzorgen binnen. +Andere duiven waren van daar vertrokken, andere waren weer aangekomen. +De eerste vlogen noordwaarts, de overigen kwamen daar vandaan. De deur +dezer woning werd door een ouden dienstbode bewaakt, die haar ongaarne +ontsloot en steeds de naderenden nauwgezet gadesloeg. Sarcany en zijn +makker hadden zelfs met eene zekere omzichtigheid moeten te werk gaan, +om de aandacht van dien man niet te trekken. En nog vreesden zij, zijne +achterdocht sedert eenige dagen te hebben opgewekt. + +Silas Toronthal begon meer aandacht aan het verhaal te wijden, dat +Sarcany hem deed. Hij vroeg zich af, wat er waars kon zijn in dat +alles. Zijn oude makelaar was niet zoo geheel te vertrouwen. Hij vroeg +zich ook af op welke wijze deze meende dat hij zich in de zaak zou +mengen, om er eenig voordeel uit te behalen. + +Toen het verhaal uit was en toen Sarcany nogmaals en voor den laatsten +keer verzekerd had, dat het eene samenzwering tegen den Staat betrof en +dat het zeker gewin moest opleveren, wanneer men de geheimen van dat +komplot zoude weten te benuttigen, vergenoegde zich de bankier hem de +navolgende vragen te stellen: + +„Waar is dat huis gelegen?” + +„In de Acquedottolaan.” + +„Nummer?” + +„Nummer 89.” + +„Aan wien behoort die woning?” + +„Aan een Hongaarsch edelman.” + +„Een Hongaar?” + +„Ja.” + +„En die heet?” + +„Graaf Ladislas Zathmar.” + +„En welke personen bezoeken hem?” + +„Het zijn voornamelijk twee.” + +„Slechts twee?” + +„Ja. Beiden zijn van Hongaarsche afkomst.” + +„En de eene heet?” + +„De eene is een professor hier ter stede en heet Stephanus Bathory.” + +„En de andere?” + +„Graaf Mathias Sandorf.” + +„Weet gij dat zeker?” + +„Ja, zeer zeker.” + +Bij dien laatstgenoemden naam was een licht gebaar van verwondering aan +Silas Toronthal ontsnapt, hetgeen Sarcany niet ontging. Wat die drie +namen betreft, die deze laatste genoemd had, het was hem gemakkelijk +gevallen die te weten te komen. Hij was beiden gevolgd, professor +Stephanus Bathory zoowel als graaf Sandorf, den eersten, toen hij naar +zijne woning in de Corsia Stadionstraat wederkeerde, den andere toen +hij zich naar het hôtel Delòrme begaf. + +„Gij ziet het, Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „dat zijn namen, die +ik geen oogenblik geaarzeld heb u te openbaren. Gij zult daaruit wel +willen ontwaren, dat ik u niet wil bedriegen, of ook maar tegenover u +wil veinzen.” + +„Dat alles is wel nevelachtig en onbestemd,” antwoordde de bankier, die +klaarblijkelijk meer van de zaak wenschte te weten, alvorens er op in +te gaan. + +„Nevelachtig en onbestemd?” vroeg Sarcany. + +„Zeker! Gij hebt eigenlijk niets wat op een daadwerkelijk bewijs +gelijkt.” + +„En dit dan?” + +„Wat?” + +„Dat briefje?” + +Daarbij reikte Sarcany het afschrift van het geheimschrift aan Silas +Toronthal over. + +„Dat vod?” + +De bankier bekeek en onderzocht het niet zonder nieuwsgierigheid, hoe +onverschillig hij de woorden „dat vod” ook had uitgesproken; maar die +geheimzinnige woorden konden geen zin voor hem hebben en er was geen +enkele aanwijzing, dat zij de belangrijkheid bezaten, die Sarcany hen +toeschreef. Wanneer die zaak van zoodanigen aard was om zijne +belangstelling op te wekken, dan was het dat zij graaf Mathias Sandorf +betrof, die een goede klant van zijn huis was en wiens toestand van +schuldeischer jegens hem, hem verontrustte, wanneer deze een dadelijke +uitkeering der fondsen, bij het bankiershuis gestort, vergde. + +„Welnu?” vroeg Sarcany, nadat Silas Toronthal het papier had ingekeken. + +„Welnu,” antwoordde deze, „mijne meening is, dat de zaak nevelachtig en +onbestemd is en door dat biljet dat al meer en meer wordt.” + +„Mij dunkt integendeel, dat zij duidelijk en helder is,” was het +wederantwoord van Sarcany, die zich door de aangenomen houding van den +bankier niet liet uit het veld slaan. + +„Hebt gij dat geheimschrift kunnen ontraadselen?” + +„Neen, Silas Toronthal, maar....” + +„Maar wat?” + +„Ik zal het weten te lezen als de tijd daar zal zijn.” + +„En hoe?” + +„Ik heb mij wel meer met dergelijke evenals ook met andere zaken +beziggehouden,” antwoordde Sarcany, „en ik heb nog al brieven en +stukken, in geheimschrift gesteld, in handen gehad, dat verzeker ik u. +Nu heeft een nauwgezet onderzoek van dit briefje mij helder en klaar +overtuigd, dat de sleutel er van noch op een getal, noch op een vooraf +overeengekomen alphabet berust, die aan ieder der letters eene andere +beduidenis dan hare ware verleent. Ja, in dit biljet is een s een s, +een p een p en een r een r; maar deze letters zijn in eene volgorde +gesteld die niet kan hersteld worden dan door middel van een rooster.” + +De lezer weet reeds dat Sarcany zich niet vergiste. Dat was inderdaad +het stelsel hetwelk bij die briefwisseling gebruikt was. Hij weet ook, +dat het daardoor des te moeilijker was, dat geheimschrift te +ontraadselen. + +„Ik wil aannemen,” sprak de bankier, „en niet loochenen, dat gij gelijk +hebt; maar zonder dien rooster is het toch onmogelijk dat briefje te +lezen.” + +„Inderdaad.” + +„En hoe zult gij u dien rooster verschaffen?” + +„Dat weet ik nog niet,” antwoordde Sarcany; „maar wees gerust, ik zal +hem mij wel verschaffen.” + +„Waarlijk?” vroeg de bankier spottend. + +„Ongetwijfeld,” antwoordde de andere ernstig. + +„Welnu, Sarcany, als ik in uwe plaats was, dan zou ik mij zoo veel +moeite niet geven.” + +„Ik zal er de moeite toe nemen, die noodig is.” + +„Waartoe zou dat dienen? Ik zou mij eenvoudig vergenoegen met aan de +politie uwe meeningen en achterdocht mede te deelen en haar dat briefje +overhandigen.” + +„Op zijn tijd zal ik dat doen, Silas Toronthal, maar niet op eenvoudige +vooronderstellingen,” antwoordde Sarcany koeltjes. „Wat ik wil trachten +te erlangen, alvorens te spreken, dat zijn daadwerkelijke en derhalve +onbetwistbare bewijzen. Ik heb mij in het hoofd gezet, mij meester van +die samenzwering te maken, ja, meester! meester in de volle beteekenis +van het woord, om er al de voordeelen uit te trekken, die ik u aanbied +samen te deelen. En.... wie weet of het nog niet het voordeeligst zoude +zijn ééne lijn met de samenzweerders te trekken, in plaats van ons +tegen hen te stellen!” + +Een zoodanige taal kon Silas Toronthal niet verwonderen. Hij wist, +waartoe Sarcany met zijn schranderen kop, maar met zijn slecht hart, in +staat was. Maar als die man niet aarzelde zich zoo tegenover den +Triëster bankier uit te laten, dan was dat met de wetenschap van zijn +kant, dat men alles aan Silas Toronthal kon voorstellen, daar diens +rekbaar geweten op iedere zaak, hoe schurkachtig ook, inging, wanneer +zij maar grove winsten beloofde. Daarenboven, het kon niet genoeg +herhaald worden, Sarcany kende hem al sedert lang, en hij had +buitendien redenen om te gelooven, dat de toestand van het bankiershuis +sedert eenigen tijd verward en wankelend was. Zou nu de onthulling van +die samenzwering, behendig gebezigd, hem niet kunnen veroorloven zijne +zaken te herstellen? Het was op dergelijke beschouwingen, dat Sarcany +eenigermate rekende. + +Van zijn kant poogde Silas Toronthal in dit oogenblik gesloten spel met +zijn vroegeren makelaar in Tripolitaansche zaken te spelen. Dat er eene +kiem van samenzwering tegen het Oostenrijksche gouvernement bestond en +dat Sarcany die op het spoor was, kon hij wel aannemen. Dat huis van +graaf Ladislas Zathmar, waarin de geheime samenkomsten plaats hadden, +die briefwisseling in geheimschrift, de buitensporig groote som geld +bij hem door graaf Sandorf gestort, met aanbeveling haar steeds ter +zijner beschikking te houden, dat alles begon hem zeer verdacht voor te +komen. Sarcany had zeer waarschijnlijk bij die omstandigheden de zaken +juist ingezien. Maar de bankier, er nog meer van wenschende te vernemen +en meer inzicht in het spel van den gelukzoeker wenschende te hebben, +wilde nog niet dadelijk toetreden. Hij vergenoegde zich dan ook zoo +onverschillig mogelijk te antwoorden: + +„En daarna, aangenomen dat gij er in slaagt dat geheimschrift te +ontraadselen, waaraan ik twijfel, dan zult gij zien, dat het eenvoudig +particuliere zaken, zaken zonder eenig belang betreft, en waaruit dan +noch voor u noch voor mij eenig voordeel zal zijn te halen.” + +„Neen!” riep Sarcany met al het vuur eener vast gevestigde overtuiging +uit. „Neen! Ik ben op het spoor van eene zeer ernstige en zeer +gewichtige samenzwering, die door mannen van hoogen rang en hooge +maatschappelijke positie aangevoerd wordt en ik voeg er bij, Silas +Toronthal, dat gij er evenmin aan twijfelt als ik.” + +„Maar wat wilt gij dan eindelijk van mij?” vroeg de bankier, ditmaal +recht op den man af. + +Sarcany stond op en antwoordde met zacht fluisterende stem, terwijl hij +den bankier strak in de oogen keek: + +„Wat ik van u wil,” en hij legde bijzonderen nadruk op dit laatste +woord. „Ziehier: Ik wil zoo spoedig mogelijk toegang tot het huis van +den graaf Ladislas Zathmar hebben, onverschillig onder welk +voorwendsel, om daarna zijn vertrouwen te winnen. Eenmaal in de plaats +genesteld, waarin mij niemand kent, zal ik dien rooster wel weten +machtig te worden en dat raadselschrift ontcijferen, om er dat gebruik +van te maken, hetwelk het meest met onze belangen zal overeenkomen.” + +„Met onze belangen?” herhaalde Silas Toronthal. + +„Ja, onze belangen.” + +„Waarom zijt gij er zoo op gesteld mij in die zaak te mengen?” + +„Omdat zij der moeite waard is, en....” + +„Oho!” riep de bankier uit. + +„En gij er groote voordeden bij behalen zult!” + +„Waarom onderneemt gij die zaak niet alleen?” + +„Waarom?” + +„Ja, waarom?” + +„Wel, omdat ik uwe medewerking noodig heb.” + +„Mijne medewerking?” + +„Inderdaad.” + +„Kom dan toch tot verklaring.” + +„Luister. Om mijn doel te bereiken, heb ik tijd noodig; en om te kunnen +wachten, moet ik in de gelegenheid zijn te kunnen leven. Ik heb dus +geld noodig. En dat bezit ik niet meer!” + +„Uw crediet bij mij is uitgeput, dat weet ge.” + +„Ja; maar....” + +„Maar wat? Maak toch voort.” + +„Gij kunt mij een ander crediet openen!” + +„Wat zal ik daarmee kunnen winnen?” + +„Dit: Van die drie mannen, die ik u straks noemde, zijn twee zonder +vermogen, dat zijn graaf Zathmar en professor Bathory; maar de derde is +rijk, buitengewoon rijk zelfs. De goederen, die hij in Transsylvanië +bezit, zijn zeer aanzienlijk. Nu weet gij zeer goed, dat wanneer hij +als samenzweerder gevat en veroordeeld wordt, zijne verbeurd verklaarde +goederen voor het grootste gedeelte hun toegewezen worden, die de +samenzwering ontdekt en aangebracht hebben!.... En dat zullen wij zijn, +ik en gij, Silas Toronthal. Geloof mij, wij zullen eerlijk deelen.” + +Sarcany zweeg. De bankier antwoordde niet. Hij overpeinsde hetgeen men +van hem als inzet van die partij eischte. Hij was daarenboven de man +niet, om zich persoonlijk in eene zaak van dien aard bloot te geven. +Maar hij gevoelde dat Sarcany als zijn agent wel mans genoeg was om de +taak van hun beiden op zich te nemen. Wanneer hij mocht besluiten aan +die kuiperij deel te nemen, dan zou hij dezen wel zoodanig door een +contract weten te verbinden, dat hem geheel en al aan zijne genade zou +overleveren, dat hij, hoewel op den achtergrond blijvende, het grootste +deel der winsten zou opstrijken.... Toch aarzelde hij. Maar alles wel +beschouwd, wat waagde hij toch? Hij zou in die verachtelijke daad niet +optreden, hij zou er alleen de winst van genieten, groote winst, die +den toestand van zijn huis geheel zou kunnen herstellen. + +„Welnu?....” vroeg Sarcany. + +„Gij vraagt mijne beslissing?” + +„Ja.” + +„Welnu, neen,” antwoordde Silas Toronthal, vooral afgeschrikt door het +denkbeeld zulk een deelgenoot te hebben, of om een beter woord te +bezigen: zoo’n medeplichtige. + +„Gij weigert?” + +„Ja, ik weiger.... Ik geloof bovendien niet aan den goeden uitslag van +uwe combinatiën!” + +„Pas op, Silas Toronthal!” riep Sarcany, zonder zich ditmaal te +bedwingen, op dreigenden toon uit. + +„Oppassen, voor wat, alsjeblieft?” + +„Ik weet zekere zaken....” + +„De deur uit, Sarcany!” antwoordde de bankier. + +„Ik zal weten u te noodzaken....” + +„De deur uit!” + +In dit oogenblik werd licht op de deur van het kantoor getikt. Terwijl +Sarcany zijn gelaat vlug naar den kant van het venster gewend had, was +de deur opengegaan op het „binnen” van den bankier. Een bediende +verscheen en sprak met luider stem: + +„Graaf Sandorf verzoekt den heer Silas Toronthal een oogenblik gehoor!” + +Daarna ging hij heen. + +„Graaf Sandorf?” riep Sarcany uit. + +Van den eenen kant kon de bankier niet anders dan zeer verstoord zijn, +dat Sarcany van dat bezoek onderricht werd, en van den anderen kant +begreep hij dat groote moeilijkheden gingen voortvloeien uit die +onverwachte komst van den graaf. + +„He! he! wat komt graaf Sandorf hier doen?” vroeg Sarcany op scherp +spotachtigen toon. „Staat gij dus in betrekking met de samenzweerders +van het huis Zathmar. Inderdaad, ik geloof dat ik mij tot een hunner +gewend heb.” + +„Zult gij eindelijk heengaan?” + +„Neen, Silas Toronthal, ik zal niet heengaan. Ik wil weten wat graaf +Sandorf hier komt doen!” + +Toen hij die woorden uitgesproken had, wierp hij zich ijlings in een +kabinet, dat aan het kantoor grensde en welks voorhang achter hem +neerviel. + +Silas Toronthal was op het punt om iemand te roepen, teneinde den +indringer te doen wegjagen, toen hij plotseling van gedachte +veranderde. + +„Neen,” zei hij, „het is, alles wel beschouwd, waarschijnlijk beter, +dat Sarcany hoore wat hier gesproken zal worden.” + +De bankier schelde den bediende en beval hem graaf Sandorf onmiddellijk +binnen te geleiden. + +Mathias Sandorf trad het kantoor binnen en beantwoordde geheel +overeenkomstig zijn karakter, de beleefde buigingen van Silas Toronthal +koel. Daarna nam hij in een leuningstoel plaats, dien de bediende +bijgeschoven had. + +„Heer graaf,” zei de bankier, „ik mocht op de eer van uw bezoek niet +hopen, daar ik meende dat gij niet te Triëst waart. Maar gij weet het, +in het huis Toronthal zijt gij steeds welkom en uwe tegenwoordigheid +wordt hier hoogst gewaardeerd.” + +„Mijnheer,” antwoordde Mathias Sandorf, „ik ben slechts een der meest +bescheidene uwer klanten, daar ik, zooals gij weet, geene zaken drijf. +Toch ben ik u dank schuldig dat gij wel de fondsen, die ik disponibel +had, in deposito hebt willen nemen.” + +„Heer graaf, vergeef mij wanneer ik u herinner,” hernam Silas +Toronthal, „dat die fondsen in rekening courant door mij opgenomen +zijn, zoodat gij niet vergeten moogt, dat zij u renten opbrengen.” + +„Ik weet het, mijnheer....” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar ik +herhaal wat ik u destijds zeide, dat ik geene geldbelegging bij uw huis +beoogde, slechts een eenvoudig deposito.” + +„Het zij zoo, heer graaf,” hernam Silas Toronthal. „Maar het geld is in +deze tijden duur en het zou niet billijk wezen, wanneer het uwe +improductief bleef liggen. Een finantieele crisis dreigt over het +geheele land zich uit te strekken. De toestanden zijn in het binnenland +zeer moeilijk. De zaken zijn als het ware geheel verlamd. Eenige +bankbreuken van belangrijke huizen hebben het openbaar crediet +geschokt, terwijl er nog andere verwacht worden....” + +„Maar uw huis is solied, nietwaar, mijnheer?” vroeg Mathias Sandorf en +vervolgde zonder antwoord daarop af te wachten: „Ik weet uit goede +bron, dat het slechts zeer weinig geleden heeft door de reactie van die +bankbreuken.” + +„O, zeer weinig,” antwoordde Silas Toronthal met de grootste kalmte. +„De handel op de Adriatische zee verzekert ons bovendien een stroom van +maritieme zaken, die der huizen van Pest of van Weenen ontvalt, zoodat +de crisis ons slechts weinig gedeerd heeft. Wij zijn dus niet te +beklagen, heer graaf en beklagen ons ook niet.” + +„Ik kan niet anders dan u geluk wenschen, mijnheer,” betuigde Mathias +Sandorf. „Ik meen u evenwel te moeten vragen, of tengevolge van die +crisis zich binnenslands geene verwikkelingen voorgedaan hebben?” + +Hoewel graaf Sandorf die vraag gesteld had op een toon, alsof hij er +geen het minste belang in stelde, zoo wekte zij toch de aandacht van +Silas Toronthal op, die den graaf dan ook meer nauwkeurig gadesloeg. +Die vraag kon toch inderdaad betrekking hebben op hetgeen hij van +Sarcany vernam. + +„Ik weet niets dienaangaande,” antwoordde Silas Toronthal, „en ik heb +niet vernomen dat het Oostenrijksche gouvernement te dien opzichte +eenige vrees koesterde. Zoudt gij, heer graaf, redenen meenen te hebben +om te denken dat aanstaande gebeurtenissen....” + +„Volstrekt niet!” viel Mathias Sandorf in; „maar in hooge sferen van +het bankwezen is men soms met zaken bekend, die het publiek eerst later +verneemt. Ziedaar de reden, waarom ik u die vraag stelde, maar uwe +vrijheid onaangetast liet om haar, al naar dat u geraden voorkwam, met +ja of met neen te beantwoorden.” + +„Ik heb in dien zin niets vernomen,” hernam Silas Toronthal. „Wees +intusschen verzekerd, heer graaf, dat ik mij niet het recht zou mogen +aanmatigen om met een klant als gij zijt, geheimzinnig of stilzwijgend +te zijn, daar uwe belangen daardoor zouden kunnen lijden!” + +„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf, „en ik meen uwe +gevoelens te kunnen deelen, dat er noch van het binnenland, noch van +het buitenland iets te vreezen is. Ik ga dan ook Triëst weldra verlaten +om in Transsylvanië weer te keeren, waarheen mij dringende zaken +roepen.” + +„Zoo, gaat gij heen, heer graaf?” vroeg Silas Toronthal met +levendigheid. + +„Ja.... zoo omstreeks over veertien dagen, op zijn laatst.” + +„Maar gij komt toch naar Triëst terug?” + +„Dat geloof ik niet, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf. „Maar vóórdat +ik vertrek, wenschte ik de geheele comptabiliteit van het kasteel +Artenick, die eenigszins in de war is, in orde te brengen. Ik heb van +mijn intendant tal van nota’s, pachtcedulen, boschcontracten ontvangen, +die ik haast geen tijd heb om na te gaan. Kent gij geen comptabel, of +zoudt gij niet een uwer geëmployeerden kunnen missen, die mij dien +dienst zou willen bewijzen?” + +„Niets zal gemakkelijker gaan, heer graaf.” + +„Inderdaad?” + +„Ja, zeker.” + +„Ik zal u wel verplicht wezen.” + +„O, de verplichting is aan mijn kant. Wanneer hebt gij dien comptabel +noodig?” + +„Zoo gauw mogelijk.” + +„En waar moet hij zich aanmelden?” + +„Zich aanmelden?” + +„Ja, bij wien?” + +„Bij mijn vriend graaf Zathmar, wiens huis in de Acquedottolaan nummer +89 gelegen is.” + +„Hoe zegt ge.... nummer....?” + +„Nummer 89 van de Acquedottolaan.” + +„Dat ’s afgesproken.” + +„Het zal een werk van een tiental dagen wezen, en ik zal, wanneer die +zaken behoorlijk geregeld zijn, daarna naar het kasteel Artenick kunnen +vertrekken. Ik verzoek u dus om de fondsen, die ik bij u heb staan, ter +mijner beschikking te houden.” + +Silas Toronthal kon bij die woorden een gebaar van schrik niet +weerhouden. Gelukkig zag de graaf het niet. + +„Op welken dag verlangt gij, dat u die fondsen zullen worden ter hand +gesteld, heer graaf?” vroeg de bankier. + +„Op den 8en van de volgende maand.” + +„Dan zult gij ze hebben.” + +Daarop stond graaf Sandorf op en ging heen terwijl de bankier hem tot +aan de deur van het vertrek begeleidde. + +Toen Silas Toronthal in zijn kantoor terugkeerde, vond hij er Sarcany, +die slechts deze woorden sprak: + +„Ik moet binnen twee dagen in het huis van graaf Zathmar werkzaam +zijn.” + +„Ja, dat moet inderdaad!” antwoordde Silas Toronthal. + + + + + + + + +IV. + +HET GEHEIMSCHRIFT. + + +Sarcany was inderdaad twee dagen later in het huis van graaf Ladislas +Zathmar geïnstalleerd. Hij was door Silas Toronthal aanbevolen geworden +bij graaf Sandorf, die met de plaatsing van dien man onmiddellijk +genoegen had genomen. + +Zoo was de medeplichtigheid van den bankier met zijn agent bij de +kuiperijen, door hem op ’t getouw gezet, behoorlijk tot stand gekomen. +Hun doel was: de ontdekking van een geheim, die het leven van de +hoofden van de samenzwering kon kosten. Het resultaat dat verwacht +werd, zou zijn: dat als prijs hunner aanbrenging een vermogen hun ten +deel viel, voor de helft aan een gelukzoeker, die tot alles in staat +was om zijn zak gevuld te krijgen; voor de andere helft aan een +bankier, die zoover gekomen was, dat hij niet meer aan zijne +verbintenissen kon voldoen. + +Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat een verdrag tusschen +Silas Toronthal en Sarcany gesloten was, waarbij de waarschijnlijk +geachte winsten in twee gelijke portiën verdeeld werden. Bovendien zou +Sarcany al het geld ontvangen, benoodigd om met zijn makker Zirone +fatsoenlijk te Triëst te kunnen leven en om zijne onkosten te kunnen +betalen, die zijne bemoeiingen in die zaak vereischen zouden. +Daartegenover had hij als waarborg de copie van het briefje, dat het +geheim der samenzwering bevatte, waaraan hij niet twijfelde, aan den +bankier moeten overgeven. + +Men zal misschien geneigd zijn graaf Mathias Sandorf van +onvoorzichtigheid te beschuldigen. En inderdaad, in zulke +omstandigheden een vreemdeling binnen te leiden in dat huis, waarin +zulke gewichtige belangen behandeld werden, in den vooravond van den +dag waarop het sein tot uitbarsting van een komplot ieder oogenblik kon +gegeven worden, kon niet anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Maar +het was slechts door de ijzeren noodzakelijkheid, dat de graaf zoo +gehandeld had. + +Vooreerst toch had hij er een dringend belang bij, dat zijne personeele +zaken in orde gebracht werden, op een oogenblik dat hij zich in die +gevaarlijke zaak stortte, waarin hij zijn leven, op zijn allerminst +zijne verbanning waagde, wanneer hij bij nietslagen gevangen genomen of +tot de vlucht genoodzaakt zou worden. Van een anderen kant meende hij +door het opnemen van een vreemdeling in het huis van graaf Zathmar, +juist de achterdocht, die mocht gerezen zijn, af te wenden. Hij had +sedert eenige dagen meenen te zien—en de lezer weet dat het juist +is—dat eenige spionnen in de Acquedottolaan rondslopen. Die spionnen +waren niemand anders dan Sarcany en Zirone geweest. Maar de graaf vroeg +zich af, of de politie hem en zijne vrienden gadesloeg en hunne +handelingen nauwgezet naging? Mathias Sandorf moest het gelooven, ja +vreezen. Wanneer de vergaderplaats der samenzweerders, die tot dien dag +voor alle oningewijden hermetisch gesloten was gebleven, achterdocht +opwekte, dan was er geen beter middel om de verdenking op een valsch +spoor te brengen, dan door die afsluiting op te heffen, en het huis +voor een commies te openen, die er zich inderdaad slechts met +comptabiliteits-zaken onledig zou houden. Zou de tegenwoordigheid van +dien commies een gevaar voor graaf Ladislas Zathmar en voor zijne +makkers kunnen daarstellen? Neen, in geen geval. Er werden geene +brieven in geheimschrift tusschen Triëst en de andere steden van het +Hongaarsche koninkrijk gewisseld. Al de papieren, die op de ophanden +zijnde beweging betrekking hadden, waren vernietigd. Er bleef geen +enkel geschreven spoor van de samenzwering over. De maatregelen waren +genomen, daaraan was niets meer te veranderen. Er behoefden geen nieuwe +genomen te worden. Graaf Sandorf had slechts het sein te geven, wanneer +het gunstige oogenblik daar zou zijn. Dus de aanneming van een nieuwen +geëmployeerde in dat huis zou, wanneer het gouvernement achterdocht +koesterde, iedere verdenking verwijderen. + +Ja, de redeneering was juist en de voorzorg zou goed genomen moeten +genoemd worden, wanneer die commies niet Sarcany en zijn borg niet +Silas Toronthal geweest waren! + +Sarcany, die een meester in dubbelhartigheid was, genoot evenwel de +voordeelen van zijn uiterlijk. Hij had toch een openhartig en +vrijmoedig gelaat, terwijl zijn geheele persoon eenvoudigheid en +trouwhartigheid scheen te kenmerken. Graaf Sandorf en zijne vrienden +werden er door bedrogen en beetgenomen. De jeugdige comptabel betoonde +zich ijverig, dienstvaardig, vriendelijk en uiterst behendig bij het +nazien van die rekeningen en nota’s, die hij moest in het reine +brengen. Niets bovendien zou hem hebben kunnen doen gissen, wanneer hij +het niet geweten had, dat hij zich in tegenwoordigheid van de hoofden +eener samenzwering bevond, die gereed was het Hongaarsche ras tegen het +Duitsche op te zweepen. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas +Zathmar schenen zich slechts bij hunne bijeenkomsten met +wetenschappelijke vraagstukken of met kunstkwestiën bezig te houden. +Geen geheime briefwisselingen meer, geen geheimzinnig heen en weer +loopen rondom het huis. Dat alles was uit. Maar Sarcany wist waaraan +zich te houden. De gelegenheid, die hij zocht, moest zich voordoen en +hij wachtte diensvolgens geduldig. + +Toen Sarcany het huis van Ladislas Zathmar betrad, had hij slechts ééne +gedachte, namelijk den rooster machtig te worden, die diende om het +geheimschrift te ontcijferen. Nu er evenwel geen dergelijke stukken +meer te Triëst aankwamen, vroeg hij zich af of die rooster niet uit +overmaat van voorzichtigheid kon vernietigd zijn. Dat denkbeeld +verontrustte hem, want het geheele gebouw zijner kuiperijen berustte +daarop, dat hij het briefje door de reisduif aangebracht, en waarvan +hij afschrift genomen had, zou kunnen lezen. + +Dus terwijl hij zich onledig hield met de zaken van Mathias Sandorf te +regelen, keek hij rond, nam hij waar, bespiedde hij alles. De toegang +tot het kantoorvertrek, waarin Ladislas Zathmar en zijne makkers te +zamen kwamen, was voor hem niet afgesloten. Hij werkte er zelfs +somtijds geheel alleen in. En dan waren zijne oogen en zijne handen met +geheel iets anders bezig, dan met het onder elkander stellen van +cijfers of met rekeningen uit te pluizen. Hij snuffelde dan in de +papieren, hij opende de laden met een soort haak, dien Zirone hem als +zaakkundige bij dergelijke bedrijven, ter hand had gesteld na dien zelf +gemaakt te hebben. Hij nam toch intusschen zeer goed in acht, dat hij +bij dien arbeid niet door Borik zoude bespeurd worden; want hij +ontveinsde het zich niet, dat hij dezen niet de geringste sympathie +inboezemde. + +Gedurende de vijf eerste dagen waren Sarcany’s nasporingen volkomen +vruchteloos. Hij trad iederen morgen dat huis binnen bezield met de +hoop van te zullen slagen; en iederen avond keerde hij naar zijn hôtel +terug met het bewustzijn, een vergeefschen dag doorgebracht te hebben. +Hij begon aan het welslagen zijner onderneming te wanhopen. En +inderdaad, de omwenteling, wanneer het eene samenzwering gold,—en +daaraan twijfelde hij geen oogenblik—kon iederen dag uitbreken, dat wil +zeggen: alvorens hij haar ontdekt en bij gevolg aangebracht had. + +„Eerder dan het voordeel van die aanbrenging te verliezen,” zeide +Zirone, „zal het verkieselijk zijn, al is het zonder bewijzen, de +politie te waarschuwen en haar daarbij het afschrift in handen te +spelen.” + +„Ja,” antwoordde Sarcany, „dat zal ik doen, als het noodig wordt.” + +Het zal wel overbodig zijn te vertellen, dat hij Silas Toronthal op de +hoogte van zijne nasporingen hield, dat hij waarlijk veel moeite had om +diens ongeduld te temperen. + +Maar het toeval zou hem te hulp komen. Dat had hem een eerste maal +gediend door hem het geheimzinnig briefje in handen te spelen; het zou +hem andermaal dienen door hem in staat te stellen dat raadselschrift te +ontcijferen. + +Men was op het einde van de maand Mei gekomen, en het was ongeveer vier +uren in den namiddag. Sarcany zou volgens gewoonte, tegen vijf uren het +huis van graaf Ladislas Zathmar verlaten. Hij was te meer kregelig, +daar hij niet verder gevorderd was dan op den eersten dag dat hij in +dienst van graaf Sandorf trad, om diens comptabiliteit in orde te +brengen, een arbeid dien hij bijna geëindigd had. Wanneer hij daaraan +de laatste hand zou gelegd hebben, dan zou hij ongetwijfeld betaald en +bedankt worden; waardoor hem de gelegenheid ontvallen zou om zich +voortaan in dat huis te kunnen vertoonen. + +In dat gegeven oogenblik bevonden zich Ladislas Zathmar en zijne beide +vrienden buitenshuis. Er was niemand in de woning aanwezig dan Borik, +die toen in een zaal op de eerste verdieping bezig was. Sarcany had +volledige vrijheid tot handelen en besloot dan ook om de slaapkamer van +graaf Zathmar binnen te dringen,—waarin hij nog nimmer geweest was—om +daar zijne nasporingen op het nauwkeurigst voort te zetten. + +De deur was gesloten, maar met zijn haak slaagde Sarcany haar te +openen, waarna hij binnentrad. + +Tusschen de beide vensters, die op de straat uitzagen, stond een +secretair-bureau, waarvan de verjaarde vorm een liefhebber van oude +meubelen verrukt zoude hebben. Het schuifblad van den cilinder was +neergeslagen, zoodat van de innerlijke inrichting niets kon bespeurd +worden. + +Dat was wel de eerste maal, dat het Sarcany vergund was om dit +meubelstuk te onderzoeken en hij was er de man niet naar, om die +gelegenheid te laten ontsnappen, om de verschillende laden er van te +kunnen doorsnuffelen, hetgeen hij met zijn haak ten uitvoer bracht, +zonder dat daarvan eenig spoor op het slot zichtbaar was. + +In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak +papieren, die voor hem waardeloos waren, een soort kaart, die +onregelmatig van vierkante gaten voorzien was. Die kaart boeide +dadelijk zijne aandacht. + +„De rooster!” zei hij tot zichzelven. + +Hij vergiste zich waarlijk niet. + +De eerste gedachte, die hem inviel, was om die kaart mede te nemen. +Maar na eenig beraad zei hij tot zichzelven, dat het verdwijnen van +dien rooster achterdocht kon opwekken, wanneer graaf Ladislas Zathmar +dit bespeurde. + +„Kom,” sprak hij, „ik heb wel afschrift van het briefje genomen, waarom +zou ik dien rooster niet kunnen namaken? Dan kunnen Toronthal en ik de +dépêche geheel op ons gemak lezen.” + +Die rooster was eenvoudig een vierkant van bordpapier van zes +centimeters lang en even zoo breed, die in zes en dertig gelijke ruiten +verdeeld was, welke ieder een vierkante centimeter groot waren. Van die +zes en dertig ruiten of vakken, die op zes horizontale en zes verticale +rijen geplaatst waren, evenals die van een tafel van Pythagoras, welke +voor zes cijfers ingericht zoude zijn, waren zeven en twintig vol en +negen leeg—dat wil zeggen, dat ter plaatse van die negen vakken de +kaart op negen plaatsen uitgeknipt was. + +Waarvan Sarcany zich het eerst moest vergewissen, dat was eerstens: van +de nauwkeurige oppervlakte van dat blad bordpapier of rooster en +tweedens van de juiste plaatsing daarop van de negen ledige vakken. + +De oppervlakte bracht hij over, door met een potlood den omtrek op een +vel wit papier na te trekken, waarbij hij zorg droeg op de plaat de +plek te merken, waar een kruisje met inkt gemaakt was, hetgeen den +bovenkant van den rooster scheen aan te duiden. + +De plaats der negen vakken bracht hij over door het papier, waarop hij +den omtrek nageteekend had, op de gewilde plekken, die zichtbaar waren, +door te prikken. Dat waren op de eerste rij drie ledige plekken, die de +vakken 2, 4 en 6 lieten ontwaren; op de tweede rij een ledige plek, die +vak 5 innam; op de derde rij een ledige plek die vak 3 innam; op de +vierde rij twee ledige plekken, die de vakken 2 en 5 innamen; op de +vijfde rij een ledige plek, die vak 6 innam; en eindelijk op de zesde +of laatste rij een ledige plek, die vak 4 liet zien. + +Ziehier bovendien dien rooster, in natuurlijke grootte, waarvan Sarcany +en zijn medeplichtige, de bankier Silas Toronthal, een zoo misdadig +gebruik zouden maken. In dezen afdruk stellen de witte vakken de +uitgeknipte en de zwarte de gevulde vakken voor. Dat is duidelijk, +nietwaar? + +Eenige minuten waren voor Sarcany voldoende om het volgende figuur te +verkrijgen. + + + + +---+---+---+---+---+---+ + |###| |###| |###| | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###| |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| |###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| |###|###| |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###|###| | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###| |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + + +Hij twijfelde er niet aan, dat met behulp van dien rooster, dien hij +gemakkelijk uit een stuk bordpapier, dat hij uitknippen zou, +vervaardigen kon, het hem zou gelukken nu het afschrift van het +briefje, dat hij in handen van Silas Toronthal achtergelaten had, te +ontraadselen. Hij plaatste dus den rooster weer in de lade onder de +papieren, die hem bedekt hadden, en verliet daarna de slaapkamer van +Ladislas Zathmar en vervolgens het huis. Hij had haast om in zijn hôtel +weer te keeren. + +Zirone zag hem een kwartieruur later hunne gemeenschappelijke kamer met +zulk een zegevierend uiterlijk binnenstappen, dat hij niet nalaten kon +luidkeels uit te roepen: + +„Wat is er toch aan de hand, kameraad? Neem je in acht! Gij weet meer +behendig een verdriet dan wel een vreugde te bemantelen, en men +verraadt zich zelven even zoo goed door zich over te geven aan....” + +„Schei uit met je gezeur, Zirone,” antwoordde Sarcany, „en aan het werk +zonder eene minuut verloren te laten gaan.” + +„Vóór ons avondmaal nog?” + +„Ja!” + +Zirone zuchtte, maar Sarcany stoorde zich daaraan niet. Deze nam een +stuk bordpapier van geringe dikte. Hij sneed dat volgens zijne calque, +zoodanig dat hij een vierkant verkreeg, die zuiver de afmeting had van +den rooster en vergat daarbij niet het kruisje bij den bovenrand te +plaatsen. Daarna nam hij eene liniaal en verdeelde zijn vierkant in zes +en dertig vakken allen van gelijke grootte. + +Toen werden van die zes en dertig vakken negen gemerkt ter plaatse, +welke zij op de calque innamen. Daarna werden die met de punt van een +pennemes zoodanig uitgesneden, dat zij in hunne ontstane ledige plekken +de letters of teekens lieten bespeuren van het een of andere briefje of +stuk, waarop de zoo verkregen rooster neergelegd werd. + +Zirone stond voor Sarcany en keek met groote verwonderde oogen toe, +terwijl hij van nieuwsgierigheid trilde. Hij stelde te meer belang in +dien arbeid, daar hij zeer goed het stelsel van geheimschrift begrepen +had, waarop de onderhavige briefwisseling berustte. Alleen hij bezat +den sleutel niet. + +„Het is vernuftig,” zei hij, „uiterst vernuftig en zoo iets kan mij +dienen! Als ik bedenk, dat de waarde van ieder van die vakken een +millioen kan bedragen....” + +„En meer!” antwoordde Sarcany. + +Toen het werk beëindigd was, stond Sarcany op, na het uitgesneden stuk +bordpapier in zijn brieventasch opgeborgen te hebben. + +„Morgen ochtend zal ik zoo vroeg mogelijk bij Toronthal zijn,” zei hij. + +„Hij moge oppassen voor zijn kas!” + +„Als hij het briefje heeft, dan heb ik den rooster!” + +„Dat is waar, maar....” + +„Geen maren; dat is ontegenzeggelijk!” + +„En ditmaal zal hij wel moeten afschuiven!” + +„Ja, dat zal hij moeten!” + +„Kunnen wij dus thans avondmalen?” + +„Ja, dat kunnen wij.” + +„Welnu, aan den gang!” + +En Zirone, die steeds eetlust had, deed het heerlijke maal, dat hij met +zorg besteld had, alle eer aan. + +Den volgenden morgen, den 1sten Juni, vertoonde Sarcany zich reeds te +acht uren aan het bankiershuis. Hoe vroeg het ook nog was, toch gaf +Silas Toronthal bevel om hem dadelijk bij zich in zijn kabinet toe te +laten. + +„Daar is de rooster,” vergenoegde zich Sarcany slechts te zeggen, +terwijl hij het stuk bordpapier overreikte, dat hij te voren +uitgesneden had. + +De bankier nam het aan, draaide en keerde het, terwijl hij het hoofd +schudde, hetgeen te kennen moest geven, dat hij het vertrouwen van zijn +deelgenoot niet erg deelde. + +„Laten wij maar probeeren!” zei Sarcany. + +„Dat kunnen wij altijd doen.” + +Silas Toronthal nam het afschrift van het briefje, dat in een der laden +van zijn schrijftafel opgesloten lag, en plaatste het op de tafel. + +Dat briefje—de lezer zal zich nog wel herinneren—bevatte achttien +woorden, ieder bestaande uit zes letters, woorden die evenwel volmaakt +onverstaanbaar waren. Het was boven alles waarschijnlijk, dat iedere +letter van de woorden overeen moest komen met de zes ledige of gevulde +vakken, die iedere rij van den rooster vormden. Men kon bijgevolg +vooreerst al vast aannemen, dat de zes eerste woorden van het briefje, +samengesteld uit zes en dertig letters, achtereenvolgens verkregen +waren door middel van die zes en dertig vakken. + +Het was inderdaad gemakkelijk in te zien, dat de schikking der ledige +vakken zoo vernuftig bij de vervaardiging van dien rooster uitgedacht +was, dat wanneer men hem vier malen een kwart toer liet keeren, die +ledige vakken opvolgend de plaats der volle innamen zonder ooit +tweemalen dezelfde letter te laten ontwaren. + +Men ziet dadelijk in, dat het zoo zijn moet. Bij voorbeeld, wanneer men +bij eene eerste toepassing van den rooster op een stuk wit papier de +cijfers van 1 tot 9 in ieder leeg vak invult, vervolgens den rooster +een kwart omwenteling laat maken en op gelijke wijze handelt en de +getallen van af 10 tot en met 18 invult; daarna een tweede kwart +omwenteling volbrengt en de getallen van af 19 tot en met 27 +inschrijft; vervolgens den rooster een derde kwart omwenteling doet +maken en de getallen van af 28 tot en met 36 ter neer te schrijven, +zoodat men eindelijk op het papier de getallen van 1 tot 36 zal +bevinden, in de zes en dertig vakken geplaatst die den rooster vormen. + +Sarcany werd dus natuurlijk er toegebracht om de eerste zes woorden van +het briefje te behandelen met de vier opvolgende toepassingen van den +rooster. Hij had daarbij het voornemen om diezelfde bewerking te +herhalen met de twee volgende zes woorden en eindelijk een derde maal +met de laatste zes woorden, hetgeen in het geheel de achttien woorden +zou bedragen, waaruit het geheimschrift bestond. + +Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat de hierboven vermelde +redeneeringen door Sarcany tegenover den bankier Silas Toronthal +gehouden werden en dat deze hare volmaakte nauwkeurigheid erkend en +zeer gewaardeerd had. + +Zou nu de praktijk de geuite theorie bevestigen? Daarin bestond toch de +geheele belangrijkheid van de bewerking. + +Ziehier welke de achttien woorden van het briefje waren. Het zal +voorzeker noodig zijn ze andermaal onder de oogen van den lezer te +brengen: + + + ghfhna dalant ltenka + aohhzk aenzse tsnivi + znrijoo tnpees seijehe + lxosde soelnl sglpte + veknni ilarna lotasa + ijareah nezmtl rradae + + +Het kwam er vooreerst op aan, de eerste zes woorden te ontraadselen. Om +daartoe te geraken, schreef Sarcany ze op een vel papier, daarbij zorg +dragende de letters zoodanig van elkander te schrijven, dat ieder +hunner overeenkwam met een der vakken van den rooster. + +Dat gaf de volgende uitkomst: + + + g h f h n a + a o h h z k + z n r ij o o + l x o s d e + v e k n n i + ij a r e a h + + +Daarna werd de rooster zoodanig op dat samenstel geplaatst, dat de +zijde met het kruisje gemerkt bovenaan stond. Toen lieten de leege +vakken de volgende negen letters zien, terwijl de zeven en twintig +anderen door de volle vakken van het bordpapier bedekt bleven. Zoo + + + + + +---+---+---+---+---+---+ + |###| h |###| h |###| a | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###| z |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| r |###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| x |###|###| d |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###|###| i | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###| e |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + + +Sarcany liet daarna den rooster een kwart omwenteling volbrengen van de +linker- naar de rechterzijde, zoodanig dat de bovenkant ditmaal de +rechterkant werd. Bij die tweede toepassing waren het de navolgende +letters, die in de ledige vakken te voorschijn traden: + + + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| h |###|###| k | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|ij |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + + | l |###|###|###|###| e | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| k |###| n |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| a |###|###|###| h | + +---+---+---+---+---+---+ + + +Bij de derde toepassing werden de navolgende letters zichtbaar, die +evenals de vorigen net zorg opgeteekend werden: + + + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| f |###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + | a |###|###|###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| n |###|###| o |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###| s |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| e |###|###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |ij |###| r |###| a |###| + +---+---+---+---+---+---+ + + + +Wat Silas Toronthal en ook Sarcany al dadelijk uitermate verbaasd had, +was dat de woorden, zooals zij zich achtereenvolgens vormden, geen zin +hadden. Zij hadden verwacht hen vloeiend te hebben kunnen lezen, dewijl +zij door de opeenvolgende toepassingen van den rooster verkregen waren, +en toch waren die woorden even raadselachtig als die van het +geheimzinnige briefje. Zou dat lorrige vod onoplosbaar blijven? + +De vierde toepassing van den rooster leverde het navolgende resultaat +op: + + +---+---+---+---+---+---+ + | g |###|###|###| n |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| o |###| h |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + | z |###|###|###|###| o | + + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| o |###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + | v |###|###| n |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + + +Ook dat was even duister, even raadselachtig. + +En waarlijk, de vier woorden, die verkregen waren door de vier +verschillende toepassingen van den rooster, waren de navolgende: + + + hhazrxdie, + hkijleknah, + fanoseijra, + gnohroovn, + + +waaruit volstrekt niets te maken was. + +Sarcany kon zijn toorn niet verbergen, door die teleurstelling +teweeggebracht. De bankier vergenoegde zich met het hoofd te schudden +en niet zonder spotternij te zeggen: + +„Misschien is het die rooster niet, welken de samenzweerders bij hunne +briefwisseling gebruikt hebben!” + +Die bemerking deed Sarcany opspringen. + +„Laat mij voortgaan!” riep hij uit. + +„Ga voort!” antwoordde Silas Toronthal. + +Toen het Sarcany gelukt was de zenuwachtige beweging, die hem bevangen +had, te boven te komen en te bedwingen, hervatte hij de bewerking met +de volgende zes woorden, die de tweede kolom van het briefje vormden. +Vier malen paste hij den rooster op de woorden toe, door hem telkenmale +een kwart omwenteling te laten maken, en verkreeg daardoor die +verzameling van letters, die ook volstrekt geen zin hadden: + + + aatsponam, + neeslanel, + lanelluzt, + dneztseir. + + +Sarcany wierp ditmaal den rooster verwoed op tafel en vloekte als een +koopvaardijmatroos. + +Als zonderlinge tegenstelling had Silas Toronthal zijne koelbloedigheid +geheel en al bewaard. Hij bestudeerde die zoo verkregen woorden sedert +het begin der roosterbewerking en bleef stil peinzend zitten. + +„Naar den drommel dien rooster en zij die er gebruik van maken!” riep +Sarcany uit, terwijl hij van zijn stoel opvloog. + +„Hoe dwaas!” zei Silas Toronthal. + +„Dwaas?” vroeg Sarcany verwoed. + +„Ga weer zitten,” zei de bankier kalm. + +„Gaan zitten?....” + +„Ja, ga zitten en ga voort!” + +Sarcany keek Silas Toronthal aan. Daarna hernam hij plaats en greep +weer den rooster, om hem op de zes laatste woorden van het briefje toe +te passen. Maar hij deed dat geheel werktuigelijk als iemand, die geen +bewustzijn heeft van hetgeen hij verricht. + +Ziehier de woorden, die door die vier laatste toepassingen van den +rooster verkregen werden: + + + tnavijgtad, + niesetsre, + etehporaa, + lksisella. + + +Maar die vier laatste woorden beteekenden evenmin iets als de vorige +acht. + +Sarcany was uitermate verwoed. Hij greep het vel papier, waarop die +zotklinkende woorden geschreven stonden en die door den rooster +achtereenvolgens te voorschijn waren gebracht, om het te verscheuren. + +Silas Toronthal weerhield hem. + +„Kalmte,” zei hij. + +„Och,” riep Sarcany uit, „wat is er uit te voeren met dat prul?” + +„Schrijf eens al die woorden aan elkander gehecht ter neer,” antwoordde +de bankier bedaard. + +„Waarom?” + +„Om te zien.” + +Sarcany gehoorzaamde en hij kreeg de aaneenschakeling van de navolgende +letters: + +h h a z r x d i e h k ij l e k n a h f a n o s e ij r a g n o h r o o v +n a a t s p o n a m n e e s l a n e l l a n e l l u z t d n e z t s e i +r t n a v ij g t a d n i e s e t s r e e t e h p o r a a l k s i s e l +l a. + +Nauwelijks waren die letters ter neer geschreven, of Silas Toronthal +rukte het papier onder de handen van Sarcany weg. Hij bekeek het en +stiet een kreet uit. Hij was het thans, die op zijne beurt de kalmte +verloor. + +Sarcany vroeg zich waarachtig af of de bankier niet plotseling +krankzinnig was geworden. + +„Man, lees dan toch!” riep Silas Toronthal uit, terwijl hij het papier +aan Sarcany overreikte. „Lees dan toch!” + +„Lezen?” + +„Ja, lezen!” + +„Maar wat dan?” + +„Wel, ziet gij dan niet, dat de correspondenten van graaf Mathias +Sandorf, alvorens hunne woorden met behulp van den rooster saam te +stellen, den volzin het achterste voor geschreven hebben.” + +Sarcany greep ijlings het papier en ziehier wat hij las, toen hij die +letters, met de laatste te beginnen, ontraadselde. + + + „Alles is klaar. Op het eerste sein dat gij van Triëst + zendt, zullen allen als een man opstaan voor Hongarijes + onafhankelijkheid. X r z a h h.” + + +„En die laatste zes letters?” riep hij uit. + +„Dat is eene vooraf overeengekomen onderteekening,” antwoordde Silas +Toronthal. + +„Nu hebben wij hen te pakken!....” + +„Maar dat kan de politie nog niet zeggen.” + +„Dat’s mijne zaak.” + +„Zoo?” + +„Ja!” + +„Maar gij zult zoo geheimzinnig mogelijk te werk gaan?” + +„Dat’s mijne zaak,” herhaalde Sarcany voor den tweeden keer. „De +gouverneur van Triëst alleen zal de namen der twee eerlijke +vaderlandslievende mannen vernemen, die eene samenzwering tegen +Oostenrijk in hare geboorte gesmoord zullen hebben!” + +Terwijl hij zoo sprak, liet die ellendeling door toon en gebaar +genoegzaam de bijtende scherts ontwaren, die hem bij het uitbrengen +dier woorden bezielde. + +„Dan zal ik mij dus met niets te bemoeien hebben?” vroeg de bankier +koel. + +„Met niets anders,” antwoordde Sarcany, „dan met het opstrijken van de +helft der winsten in die zaak.” + +„Wanneer?” + +„Hoe, wanneer?” + +„Wanneer die verdeeling van winsten?” + +„Wel wanneer onder de bijl drie hoofden gevallen zullen zijn, die ons +ieder meer dan een millioen zullen opbrengen.” + +Silas Toronthal en Sarcany scheidden. Als zij voordeel wilden trekken +uit het geheim, hetwelk het toeval hen in handen gespeeld had, door de +samenzweerders te verraden vóórdat de omwenteling uitgebarsten was, dan +moesten zij zich haasten. + +Sarcany evenwel ging, zooals hij gewoon was te doen, naar de woning van +Ladislas Zathmar terug. Hij had zijn comptabiliteits-arbeid hervat en +was daarmede bijna ten einde. Graaf Sandorf zelf zeide hem, terwijl hij +hem voor zijne betoonde vlijt bedankte, dat hij over acht dagen zijne +diensten niet meer noodig had. + +Volgens Sarcany’s opvatting beduidde dat klaarblijkelijk, dat het sein, +hetwelk van Triëst verwacht werd, op dat tijdstip aan de voornaamste +steden van Hongarije zou gegeven worden. + +Sarcany ging dus voort om alles, wat in het huis van graaf Ladislas +Zathmar voorviel, ten nauwkeurigste waar te nemen, zonder evenwel de +geringste achterdocht op te wekken. Hij was daarenboven gebleken zoo +vernuftig, zoo met de vrijzinnige denkbeelden ingenomen te zijn, hij +had een zoo onbewimpelden afkeer aan den dag gelegd, dien hij voor het +Duitsche ras koesterde, in één woord: hij had zijne komedie zoo goed +gespeeld, dat graaf Sandorf het voornemen had opgevat hem later, +wanneer de omwenteling Hongarije vrij zou hebben gemaakt, aan zich te +verbinden. Tot zelfs Borik was door hem gewonnen en had de +vooringenomenheid afgelegd, die hij eerst voor dien jongman gekoesterd +had. + +Sarcany was dus zijn doel nabij. + +Graaf Sandorf was met zijne twee vrienden overeengekomen, dat het sein +tot den opstand op den 8sten Juni zou gegeven worden, en die dag was +daar. + +Maar toen was ook het aanbrengingsplan volbracht. + +Dien avond overrompelde de politie van Triëst plotseling het huis van +graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. Graaf Mathias +Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Bathory, Sarcany zelfs, +die geen enkel woord van protest liet hooren, en Borik werden gevangen +genomen, zonder dat iemand iets van het bevel tot inhechtenisneming +vernomen had. + + + + + + + + +V. + +VOOR, GEDURENDE EN NA DE TERECHTZITTING. + + +Istrië, dat door de tractaten van 1815 aan het +Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk toegevoegd is geworden, is een +driehoekig schiereiland, welks landengte het grondvlak over de grootste +breedte van dien driehoek vormt. Dat schiereiland strekt zich van de +golf van Triëst af tot de golf van Quarnero uit, en worden langs die +kust vrij talrijke havenplaatsen aangetroffen. Onder deze kan als de +voornaamste opgesomd worden, de haven van Pola, die aan de Zuiderpunt +van bedoeld schiereiland gelegen is. + +Die provincie Istrië, vooral wat hare westelijke kusten betreft, is +zeer Italiaansch, zelfs Venetiaansch gebleven, zoowel door hare +gebruiken en gewoonten, als door hare taal. Het is waar, dat er het +Slavonisch element een soort tegenwicht vormt; maar wat zeker is, dat +is dat het Duitsche element zich er met moeite tusschen die twee rassen +kan handhaven. + +Verscheidene belangrijke steden langs de kust of in het binnenland +gelegen, schenken leven aan die streek, die door de wateren der +Adriatische Zee bespoeld wordt. Zoo als daar zijn Capo d’Istria en +Pirano, welker bevolking bijna uitsluitend de groote +zoutaanmaakbeddingen bewerkt, die aan de monding der Risano en der +Corna Lunga gelegen zijn; verder Parenzo, de residentieplaats van de +vertegenwoordiging van Istrië en van den bisschop; nog verder Rovigno, +hetwelk zijne rijkdommen uit zijne olijfaanplantingen trekt; eindelijk +Pola, waar de toeristen de prachtige monumenten van Romeinschen +oorsprong gaan zien en die bestemd is de meest belangrijke +oorlogshavenplaats van geheel de Adriatische zee te worden. + +Maar geen dezer steden heeft het recht de hoofdplaats van Istrië +genoemd te worden. Het is eigenlijk Pisino, dat in het midden van den +bedoelden driehoek gelegen is, dat dien naam draagt, en het was +daarheen dat de gevangenen na hunne geheime inhechtenisneming gebracht +werden zonder dat zij er iets van wisten. + +Voor de deur van het huis van graaf Ladislas Zathmar stond een +postrijtuig te wachten. Alle vier stegen in en twee Oostenrijksche +maréchaussées—van die lieden welke behoorlijk voor de veiligheid in de +Istrische velden zorgen—namen bij hen plaats. Het was hun dus niet +geraden om gedurende de geheele reis een enkel woord te wisselen, dat +gevaarlijk kon zijn; of eenige overeenkomst van gemeenschappelijk +handelen te bespreken, betreffende hun verschijnen voor den rechter. + +Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard, die onder de bevelen +van een luitenant stonden, reed voor, achter en bij de portieren van +het rijtuig, dat tien minuten later de stad verlaten had. Wat Borik +betreft, die was dadelijk naar de gevangenis van Triëst gebracht +geworden en daar in eene cel, afgezonderd van een ieder opgesloten. + +Waar bracht men de gevangenen heen? In welke vesting zou het +Oostenrijksche gouvernement hen opsluiten, daar het kasteel van Triëst +daartoe niet genoegzaam scheen? Dat was wel belangrijk voor graaf +Sandorf en zijne vrienden; maar dat kregen zij niet te weten, welke +moeite zij daartoe ook aanwendden. + +De nacht was donker. Ternauwernood konden de lantaarns van het rijtuig +den weg verlichten tot bij de eerste rij der ruiters van de bedekking. +Men reed snel vooruit. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas +Zathmar hielden zich stil en zwijgend in hunne hoeken. Ook Sarcany +poogde dat stilzwijgen niet te verbreken, noch om tegen zijne +inhechtenisneming te protesteeren, noch om te vragen, waarom deze +geschied was. + +Na Triëst verlaten te hebben, veranderde het postrijtuig zoodanig van +richting, dat het in schuinsche strekking naar de zeekust teruggevoerd +werd. Graaf Sandorf kon toch te midden van het leven, door de hoeven +der paarden, door de wielen van het rijtuig, door het geklikklak der +sabels veroorzaakt, in de verte het gedruisch van de branding op de +rotsen van het strand vernemen. Eenige lichten schitterden gedurende +enkele oogenblikken in den nacht, maar verdwenen weer dadelijk. Het was +een klein vlek, Muggia genaamd, hetwelk het postrijtuig doorgereden had +zonder halt te houden. Daarna meende graaf Sandorf dat hun weg weer +landwaarts in voerde. + +Te elf uur in den avond, stond het rijtuig stil om te verspannen. Er +was niets anders te zien dan eene soort hoeve, waar de paarden +wachtten, geheel en al gereed om aangespannen te worden. Het was de +gewone pleisterplaats voor de postrijtuigen niet. Men had vermeden, die +van Capo d’Istria aan te doen. + +De bedekking reed weer vooruit. Het rijtuig volgde thans een weg, die +tusschen wijngaarden door liep, wiens slingerloten zich aan de takken +der moerbeziënboomen als festoenen vasthechtten. Men bleef steeds in de +vlakte, hetgeen veroorloofde zeer snel te rijden. De duisternis was des +te zwarter, daar verscheidene dikke wolken, door een stevigen +zuidwesten wind voortgejaagd, het geheele uitspansel innamen en +bedekten. Hoewel de glasramen der portieren van tijd tot tijd +neergelaten werden om de lucht in het rijtuig eenigszins te +ververschen,—want de zomernachten zijn zoel in Istrië—zoo was het toch +onmogelijk iets te kunnen onderscheiden, zelfs binnen zeer beperkten +straal. + +Welke aandacht graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en +Stephanus Bathory ook inspanden om zich de geringste aanwijzingen, die +zich onderweg voordeden op te teekenen, zooals de richting van den +wind, den verloopen tijd sedert hun vertrek, zoo gelukte het hun toch +niet te weten in welke richting het postrijtuig reed. Men wilde +ongetwijfeld dat het gerechtelijk onderzoek in deze zaak in het +grootste geheim en op eene plaats die onbekend voor het volk moest +blijven, zou geschieden. + +Tegen twee uren in den morgen verspande men voor den tweeden keer. +Evenals bij de eerste verspanning duurde zij ternauwernood vijf +minuten. + +Graaf Sandorf meende in het donker eenige huizen te bespeuren, die een +groepje aan het uiteinde van een weg vormden en bijgevolg de uiterste +huizen van een voorstad konden zijn. + +Dat was Baja, de hoofdplaats van het district van dien naam, welke op +ongeveer een twintigtal mijlen van Muggia gelegen is. + +Zoodra de versche paarden aangespannen waren, fluisterde de luitenant +der maréchaussées den postiljon iets in het oor, waarop het postrijtuig +in galop vertrok. + +Tegen half vier zou de dag aanbreken. De gevangenen zouden een uur +later, door de opkomende zon, zich eenigermate rekenschap hebben kunnen +geven van de hoofdrichting, die zij tot nu toe gevolgd hadden. Zij +zouden ten minste kunnen bepalen of zij noord- of zuid-, oost- of +westwaarts gereden hadden. Maar toen sloten de maréchaussées de +raamkleppen dicht, zoodat het innerlijke van het rijtuig in diepe +duisternis gedompeld was. + +Noch graaf Sandorf, noch zijne beide vrienden lieten zich eene enkele +opmerking ontvallen. Er zou toch niet naar geluisterd zijn, dat was +maar al te zeker. Beter was het dus maar volkomen te berusten en te +wachten. + +Een of een paar uur later—het zou moeilijk geweest zijn den tijd te +schatten,—hield het rijtuig voor de laatste maal stil en verspande bij +het vlek Visinada. + +Alles wat men van dat punt af kon waarnemen, was dat de weg zeer +moeilijk werd. Het geschreeuw van den postiljon, het klappen der zweep, +moedigde de paarden aan, wier hoefijzers op den ongelijken +steenachtigen bodem van die bergachtige landstreek weerklonken. Eenige +heuvels, met kleine bosschen overdekt, die een grijsachtig voorkomen +vertoonden, hadden den gezichtseinder zeer begrensd. De gevangenen +hadden twee of drie maal de tonen eener fluit kunnen vernemen. Dat +waren jeugdige herders, die hunne vreemdsoortige melodieën bliezen, +terwijl zij hunne kudden zwarte geiten hoedden. Maar dat was wel eene +onvoldoende aanduiding van de landstreek, die men doorreed, en men +moest zich tevreden stellen met niets te zien. + +Het kon zoo ongeveer negen uur in den morgen geweest zijn, toen het +postrijtuig een geheel anderen gang aannam. Men kon zich daarin niet +vergissen, het rolde toen snel langs eene helling naar beneden, na +eerst het hoogste punt van den weg bereikt te hebben. Die snelheid was +zeer groot, zoodat zelfs de wielen herhaaldelijk geremd moesten worden. + +En inderdaad, na eerst in dat geaccidenteerde terrein, hetwelk door den +berg Major beheerscht wordt, gestegen te zijn, daalde de weg schuins +naar beneden, toen hij Pisino naderde. Hoewel die stad nog vrij hoog +boven de oppervlakte der zee verheven is, zoo schijnt zij toch in een +dal begraven te liggen, wanneer men omliggende hoogten in aanmerking +neemt. Lang alvorens haar te bereiken, kan men reeds het torentje +bespeuren, dat boven de groep harer huizen, welke schilderachtig +amphitheatersgewijs gebouwd zijn, uitsteekt. + +Pisino is de districtshoofdplaats en telt eene bevolking van ongeveer +vijf en twintig duizend zielen. Zij is nagenoeg in het midden van dat +driehoekig schiereiland gelegen, en de Morlakken, de Slavoniërs van +verschillende stammen, zelfs de Tsiganen wemelen in die stad, vooral +tegen het tijdstip der jaarmarkten, wanneer een aanzienlijke handel +gedreven wordt. + +Als oude stad heeft de hoofdplaats van Istrië haar feodaal karakter +behouden. Dat komt vooral in haar versterkt kasteel uit, hetwelk eenige +nieuwere militaire etablissementen, waarin de administratieve bureaux +van het Oostenrijksche Gouvernement gevestigd zijn, beheerscht. + +Het was op de binnenplaats van dat kasteel, dat het postrijtuig op den +9den Juni des voormiddags te tien uren ongeveer, na eene reis van ruim +vijftien uren, stilstond. Graaf Sandorf met zijne beide makkers, alsook +Sarcany moesten toen uitstijgen. Eenige oogenblikken later waren zij +ieder afzonderlijk gekerkerd in de gewelfde vertrekken van dat gebouw, +welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een +groote trap opgeklommen te zijn. + +Het was de geheime opsluiting in hare volle gestrengheid. + +Hoewel zij hoegenaamd geene gemeenschap met elkander hadden en zij +derhalve niet van gedachten wisselen konden, zoo hadden Mathias +Sandorf, Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory slechts één denkbeeld, +hetwelk hun brein martelde: Hoe was het geheim der samenzwering ontdekt +geworden? + +Was ’t het toeval, dat de politie op het spoor gebracht had? + +Maar niets had naar buiten kunnen uitlekken! Geen briefwisseling had +meer plaats tusschen Triëst en de voornaamste steden van Hongarije en +Transsylvanië. + +Was er dus verraad in het spel? + +Maar wie was dan de verrader? + +Nooit was eene vertrouwelijke mededeeling aan wien ook gedaan geworden! + +Onmogelijk had eenig papier in de handen van een spion kunnen vallen! + +Alle documenten waren steeds vernietigd. En al had men ook het huis in +de Acquedottolaan in alle hoeken en gaten doorzocht, al had men het ook +het onderste boven gekeerd, dan zou men niets verdachts gevonden +hebben! + +En dat was zelfs gebeurd. De politieagenten hadden gezocht, gezocht, +maar niets anders gevonden dan den rooster, die door graaf Zathmar niet +vernietigd was, want het kon toch mogelijk zijn, dat hij nog zou moeten +dienen. Ongelukkiglijk zou die rooster als overtuigingsbewijs opgenomen +worden, waarvan het gebruik onmogelijk anders verklaard kon worden, dan +dat hij gebezigd werd voor eene geheime briefwisseling. + +De lezer weet, wat de gevangenen nog niet wisten, dat alleen op het +afschrift van het briefje, hetwelk Sarcany in medeplichtigheid met +Silas Toronthal aan den gouverneur van Triëst ter hand gesteld had, na +er eerst de duidelijke beteekenis bijgevoegd te hebben, de +inhechtenisneming geschied was. Dat was evenwel voldoende om daarop +eene beschuldiging van complot tegen de veiligheid van den Staat te +grondvesten. Meer was dus niet noodig om graaf Sandorf en zijne +vrienden voor eene afzonderlijke rechtbank, voor een krijgsraad te +brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen. + +Er bestond evenwel een verrader en die was niet verre. Door zich, +zonder een woord te zeggen, in hechtenis te laten nemen, door zich +zelfs te laten veroordeelen, natuurlijk met de nevengedachte om later +wel gratie te verwerven, ontkwam die verrader aan iedere achterdocht. +Dat was Sarcany’s spel en hij speelde die komedie met al den ernst en +de koelbloedigheid die hij bij alles aan den dag legde. + +Daarenboven graaf Sandorf, die door dien schurk bedrogen was—en wie ter +wereld zou het niet geweest zijn in zijne plaats?—was besloten om alles +aan te wenden, om hem buiten het geding te houden. Het zou hem niet +moeilijk vallen, zoo dacht hij, te bewijzen, dat Sarcany geen deel aan +de samenzwering genomen had, dat hij slechts een eenvoudig comptabel +was, die eerst kort geleden toegang tot het huis van Ladislas Zathmar +verkregen had en slechts belast was geweest met de personeele zaken van +den graaf, die in geen verband hoegenaamd met de samenzwering stonden. +Als het noodig zou zijn, zou hij Silas Toronthal als getuige oproepen, +om de onschuld van den jongen man te bewijzen. Hij twijfelde er dan ook +niet aan, of Sarcany zou wel worden vrijgesproken, zoowel wat aangaat +de hoofdbeschuldiging als van die der medeplichtigheid, in het geval +dat men er toe geraken mocht eene ernstige beschuldiging in te stellen, +hetgeen hem nog niet geloofbaar voorkwam. + +Alles wel beschouwd, kon het Oostenrijksche gouvernement, behalve de +complotmakers van Triëst, onmogelijk iets van de samenzwering weten. +Hunne deelgenooten in Hongarije en Transsylvanië waren geheel onbekend. +Er bestond geen enkel spoor van hunne medeplichtigheid. Mathias +Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hadden dus dienaangaande +geene zorgen te koesteren. + +Wat hen betreft, zij waren vast besloten alles te loochenen, zoolang +hun geen daadwerkelijk bewijs werd voorgehouden. In dat geval zouden +zij weten hun leven op te offeren. Anderen zouden den een of anderen +dag de mislukte beweging hervatten. De onafhankelijkheidszaak zou later +wel weer nieuwe aanvoerders vinden. Zij zouden, wanneer zij overtuigd +werden, hunne gevoelens en hun hoop belijden. Zij zouden het doel +aanwijzen, hetwelk zij beoogden, een doel dat den een of anderen dag +bereikt zou worden. Zij zouden zelfs de moeite niet nemen zich te +verdedigen, zij zouden slechts de partij, die zij verloren hadden, +ridderlijk en edelaardig betalen. + +Het was niet zonder reden, dat graaf Sandorf en zijne vrienden +vermeenden, dat de werkkring der politie in deze zaak zeer beperkt was. +Te Buda, te Pest, te Klausenburg, in één woord: in al de steden waarin +de beweging zou hebben kunnen losbarsten, wanneer het signaal daartoe +van Triëst gegeven ware, hadden agenten de sporen van het complot +opgezocht, maar te vergeefs. Daarom had het gouvernement de +inhechtenisstelling der drie Triëster opperhoofden zoo geheimzinnig +doen ten uitvoer leggen. Dat zij in de kasematten van het versterkt +kasteel te Pisino gekerkerd waren, dat men niet wilde dat iets van die +zaak ruchtbaar werd, vóórdat zij een eindbeslag had, had zijn grond +daarin, dat men hoopte dat de een of andere omstandigheid de stellers +van het briefje in geheimschrift, hetwelk naar de hoofdplaats van +Istrië verzonden was, maar waarvan men de herkomst niet kende, aan het +licht zoude brengen. + +Die hoop werd niet verwezenlijkt. Het verwachte sein kwam niet, het zou +niet komen. De beweging was geremd, voorshands althans. Het +Oostenrijksch gouvernement moest zich vergenoegen met graaf Sandorf en +zijne medeplichtigen onder de beschuldiging van hoogverraad jegens den +Staat te doen terechtstaan. + +Die nasporingen hadden evenwel verscheidene dagen gevorderd. Het was +dan ook eerst tegen den 20en Juni, dat de instructie der zaak begon, +door de beschuldigden te verhooren. Zij werden zelfs niet met elkander +geconfronteerd en zij zouden elkander slechts voor hunne rechters +weerzien. + +Het gouvernement had aan een krijgsraad de opdracht gedaan, om de +opperhoofden der Triëster samenzwering te berechten. Men weet hoe +beknopt en oppervlakkig de instructie eener zaak gevoerd wordt, wanneer +zij aan de beslissing van zulk een buitengewoon rechtslichaam +onderworpen wordt; hoe snel de debatten geleid worden, met hoeveel +overhaasting het vonnis uitgesproken en ten uitvoer gelegd wordt. + +Zoo geschiedde het ook bij deze gelegenheid. + +Den 25en Juni vergaderde de krijgsraad in een der lage zalen van het +versterkt kasteel te Pisino en dienzelfden dag verschenen de +beschuldigden voor die militaire rechtbank. + +De debatten zouden noch lang, noch belangrijk wezen, want geen enkel +voorval zou hen kenmerken. + +De krijgsraad nam zitting tegen negen uur des morgens. Graaf Sandorf, +graaf Zathmar, professor Bathory en Sarcany zagen elkander toen voor de +eerste maal sedert hunne inhechtenisneming weer. De handdruk dien graaf +Sandorf met zijne vrienden op de bank der beschuldigden wisselde, was +als eene nieuwe betuiging, een nieuwe overeenkomst betreffende de +gevoelens, die hen verbond. Een gebaar van graaf Ladislas Zathmar en +van Stephanus Bathory deed graaf Sandorf begrijpen, dat zij hem de taak +overlieten om voor den raad het woord te voeren. Noch hij, noch de +anderen hadden den dienst van een verdediger willen aannemen. Wat graaf +Sandorf tot heden gedaan had, was wèl gedaan. Wat hij noodig oordeelde +tot de rechters te zeggen, zou wèl gezegd zijn. + +De zitting was publiek, in dien zin opgenomen, dat de deuren van de +raadkamer openstonden. Weinige personen evenwel waren tegenwoordig; +want de zaak was niet naar buiten uitgelekt. Hoogstens waren een +twintigtal personen aanwezig, die nog tot den dienst van het kasteel +behoorden. + +De identiteit der beschuldigden werd vooraf geconstateerd. Graaf +Sandorf vroeg daarop aan den voorzitter van den krijgsraad den naam van +de plaats, waarheen hij en zijne makkers gevoerd waren om terecht te +staan; maar op die vraag kreeg hij geen antwoord. + +De identiteit van Sarcany werd ook gesteld, maar deze sprak geen woord, +waardoor hij te kennen kon geven, dat hij zijne zaak van die der andere +beschuldigden wenschte af te scheiden. + +Alsnu werd mededeeling van het afschrift van het briefje, dat zoo +verraderlijk aan de politie overgeleverd werd, aan de beschuldigden +gedaan. + +Toen de auditeur militair hen deed afvragen of zij bekenden het +origineele van dat briefje, waarvan het afschrift hun vertoond werd, +ontvangen te hebben, antwoordden zij dat het de plicht der +beschuldigers was daarvan het bewijs te leveren. + +Na dat antwoord vertoonde men hen den rooster, die in de kamer van +graaf Ladislas Zathmar gevonden was. + +Noch graaf Sandorf noch zijne metgezellen konden ontkennen dat die +rooster in hun bezit geweest was. Zij poogden dat zelfs niet. Er viel +tegenover dat feitelijk bewijs niets te antwoorden. Daar de toepassing +van dien rooster het lezen van dat briefje in geheimschrift mogelijk +maakte, werd daaruit de gevolgtrekking gemaakt, dat dit briefje door de +beschuldigden behoorlijk ontvangen was. + +Toen vernamen dezen eerst hoe de samenzwering ontdekt was en op welken +grondslag de beschuldiging rustte. + +Van dit oogenblik af werden de vragen en antwoorden uiterst helder en +duidelijk van weerskanten gedaan en gegeven. + +Graaf Sandorf kon niet meer ontkennen. Hij sprak dus in naam van +zichzelven en van zijne beide vrienden. Eene beweging was door hen +voorbereid, waardoor de scheiding tusschen Hongarije en Oostenrijk +teweeg zou gebracht worden, waarna de zelfregeering van het koninkrijk +der oude Magyaren hersteld zoude geworden zijn. Zonder hunne +terechtstelling zou de beweging reeds uitgebroken zijn en Hongarije zou +zijne onafhankelijkheid reeds herwonnen hebben. Mathias Sandorf maakte +zich als opperhoofd der samenzwering bekend en wees zijnen +medebeschuldigden slechts eene ondergeschikte rol toe. Maar deze +protesteerden tegen de woorden van den graaf en eischten met de eer ook +het gevaar op èn van de medeplichtigheid in de samenzwering èn van het +samengaan naar het schavot. + +Het debat kon nu niet lang meer zijn. Toen daarenboven de voorzitter +van den krijgsraad de beschuldigden over hunne medeplichtigen buiten +Triëst ondervroeg, weigerden zij te antwoorden. + +Geen naam werd genoemd en zou dat ook niet worden. + +„Gij hebt onze drie hoofden in uw macht,” antwoordde graaf Mathias +Sandorf op kalmen en eenvoudigen toon, „weest daarmede tevreden.” + +Drie hoofden slechts.... want graaf Sandorf stelde zich toen tot taak +om de onschuld van Sarcany aan het daglicht te doen treden. Hij +verhaalde hoe hij den jongen man als comptabel op aanbeveling van den +bankier Silas Toronthal ten huize van graaf Ladislas Zathmar had in +dienst gesteld. + +Sarcany kon dat beweren van graaf Sandorf slechts bevestigen. Hij wist +niets van de samenzwering. Hij was wel het meeste verbaasd geweest, +toen hij vernam dat daar in dat stille huis in de Acquedottolaan een +complot tegen de veiligheid van den Staat gesmeed werd. Dat hij niet +bij zijne inhechtenisneming geprotesteerd had, kwam alleen daarvandaan, +dat hij niet begrepen had, wat er gaande was. + +Noch graaf Sandorf, noch hij ondervonden moeilijkheden bij het +vaststellen van dien staat van zaken, en het mag wel waarschijnlijk +geacht worden, dat de krijgsraad dienaangaande reeds een vooraf +gevestigde meening bezat. Op het advies van den auditeur militair werd +dan ook de beschuldiging, tegen Sarcany ingebracht, ingetrokken en van +verdere vervolging afgezien. + +Tegen twee uren in den namiddag waren de debatten afgeloopen en werd in +dezelfde zitting het vonnis geslagen. + +Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus +Bathory werden, als overtuigd van hoogverraad jegens den Staat, ter +dood veroordeeld. + +De veroordeelden zouden op de binnenplaats van de vesting zelve +doodgeschoten worden. + +Het vonnis zou binnen twee maal vier en twintig uur voltrokken worden. + +Sarcany werd vrijgesproken, maar hij zou naar de gevangenis +teruggevoerd worden, tot de bekrachtiging van zijn vonnis van +vrijlating, hetgeen denzelfden dag van de terechtstelling der drie +schuldigen zou geschieden. + +Hetzelfde vonnis sprak ook de verbeurdverklaring der goederen van de +drie veroordeelden uit. + +Daarop werd bevel gegeven om graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas +Zathmar en professor Stephanus Bathory naar hunnen kerker terug te +voeren. + +Sarcany werd in de cel teruggebracht, die hij betrokken had aan het +uiteinde van een elliptische gang, die op de tweede verdieping van den +vestingtoren gelegen was. + +Graaf Sandorf en zijne beide vrienden werden gedurende de laatste uren, +die zij nog te leven hadden, ingekerkerd in eene vrij ruime cel, die op +dezelfde verdieping aan het uiteinde van de groote as van bedoelde +ellips, welke door de gang beschreven werd, gelegen was. Ditmaal was +het bevel tot afzondering opgeheven. De veroordeelden zouden bij +elkander blijven totdat het oogenblik van sterven gekomen zou zijn. + +Toen zij eindelijk alleen gelaten waren, was dat een troost, ja, zelfs +een vreugde voor hen. Toen konden zij zich vrijelijk overgeven aan +hunne gemoedsaandoeningen; toen konden zij hunne gevoelens vrij den +teugel laten vieren. In tegenwoordigheid hunner rechters hadden zij +zich weten te bedwingen; de terugwerking deed zich thans evenwel gelden +en daar zonder getuigen openden zij de armen voor elkander en klemden +elkander aan hunne mannelijke borst. + +„Vrienden,” sprak graaf Sandorf, „ik zal de schuld van uwen dood zijn! +Maar ik onthoud mij er u vergiffenis voor te vragen! Het gold +Hongarije’s onafhankelijkheid! Onze zaak was eene rechtvaardige zaak! +Het was onze plicht voor hare verdediging op te treden! Het zal eene +eer zijn het leven voor haar te laten!” + +„Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory, „wij bedanken u integendeel, +dat ge ons deel hebt laten nemen aan dat vaderlandslievende werk, dat +de kroon op geheel ons leven zal stellen...” + +„Wij zullen elkanders deelgenooten tot in den dood zijn!” antwoordde +graaf Zathmar koelbloedig. + +Daarna bekeken de drie vrienden, na een poos van stilzwijgen, de akelig +sombere cel, waarin zij hunne laatste levensuren zouden doorbrengen. +Een smal venster, dat in de dikke muren van den vestingtoren op eene +hoogte van vier of vijf voeten ingesneden was, verschafte ternauwernood +genoegzaam daglicht. Zij bevatte drie ijzeren ledikanten, eenige +stoelen, eene tafel en eenige muurtafeltjes, die aan de wanden +vastgeklonken waren en waarop allerlei voorwerpen stonden. + +Terwijl Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory zich natuurlijk genoeg +aan hunne sombere overpeinzingen overgaven, wandelde graaf Mathias +Sandorf de cel op en neer. + +Ladislas Zathmar, die zich alleen ter wereld bevond, had niet veel te +beweenen. Slechts één persoon op deze aarde zou om hem treuren en dat +was zijn knecht Borik. + +Zoo was het niet met Stephanus Bathory gesteld. Zijn dood trof niet hem +slechts. Hij had eene vrouw en een zoon, die door dien slag ook +getroffen zouden worden. Die dierbare wezens zouden er door geschokt +worden, konden er van sterven! En... wanneer zij hem overleefden, welk +bestaan wachtte hen dan! Welke toekomst voor die onbemiddelde vrouw met +een kind van ternauwernood acht jaren oud! Wanneer bovendien Stephanus +Bathory eenig vermogen bezeten had, wat zou daarvan dan nog aan haar, +na een vonnis, hetwelk de verbeurdverklaring van al de goederen der +drie ter dood veroordeelden uitsprak, verbleven zijn? + +Wat graaf Sandorf betrof, het was zijn geheel verleden, hetwelk hem +voor den geest trad! Het was zijne vrouw, wier beeld hij steeds in zijn +hart omdroeg! Het was zijn dochtertje, een kind van twee jaren, hetwelk +aan de goede zorgen van den intendant achtergelaten was, en wien thans +de taak toeviel om haar op te voeden! Het waren zijne vrienden, die hij +in het ongeluk gesleept had! Hij vroeg zich af, of hij wel goed +gehandeld had, of hij niet verder gegaan was dan de plicht jegens het +vaderland gebood, nu de straf verder reikte, nu zij onschuldigen trof! + +„Neen!... neen!... ik heb mijn plicht slechts gedaan!” herhaalde hij +voortdurend bij zich zelven. „Neen!... het vaderland voor alles, boven +alles!” + +Een gevangenbewaarder trad tegen vijf uren de cel binnen, zette het +eten voor de drie veroordeelden op de tafel neer en ging weer heen +zonder een enkel woord gesproken te hebben. Mathias Sandorf evenwel had +wel willen weten, waar hij zich bevond, hoe de vesting heette, waarin +hij opgesloten was. Maar op de vraag, die hij daaromtrent aan den +voorzitter van den krijgsraad gedaan had, had deze gemeend niet te +moeten antwoorden en voorzeker zou de gevangenbewaarder, daartoe door +een bevel genoodzaakt, wel evenmin geantwoord hebben. + +De drie veroordeelden raakten het eten, dat hun voorgediend was, +ternauwernood aan. Zij brachten den dag door met over allerhande zaken +te praten, over de hoop dat de verijdelde omwenteling den een of +anderen tijd hervat zoude worden. Toen kwamen zij herhaaldelijk op de +bijzonderheden der zaak terug. + +„Wij weten thans,” zei graaf Ladislas Zathmar, „waarom wij gevangen +genomen zijn en hoe de politie alles door dat briefje, hetwelk haar in +handen is gevallen, te weten is gekomen”. + +„Ongetwijfeld, Ladislas,” antwoordde graaf Sandorf, „maar in wiens +handen is dat briefje, een der laatsten, die wij ontvangen hebben, toch +gevallen en door wien is er afschrift van genomen?” + +„En hoe is, nadat het briefje bemachtigd was, de rooster gevonden, om +dat briefje te kunnen ontraadselen?” sprak Stephanus Bathory op zijne +beurt. + +„Die rooster moet ons dus, al was het maar voor een oogenblik, +ontstolen zijn,” zei graaf Sandorf. + +„Ontstolen!... Door wien?” vroeg Ladislas Zathmar. „Op den dag onzer +gevangenneming lag hij nog in de lade van de schrijflessenaar op mijne +slaapkamer. Daar hebben hem toch de politieagenten gevonden, niet +waar?” + +Het was inderdaad onverklaarbaar. Dat het briefje aan den hals van de +reisduif, die het overbracht, gevonden was, dat er nauwkeurig afschrift +van was gemaakt, alvorens naar zijne bestemming doorgezonden te zijn, +dat het huis van bestemming ontdekt was, dat alles kon en moest +aangenomen worden. Maar dat de letters van het geheimschrift op hunne +ware plaats hadden kunnen hersteld worden, zonder het instrumentje +waarmede het tot stand gebracht was, dat was onverklaarbaar, dat was +onbegrijpelijk. + +„En toch is dat briefje ontraadseld en gelezen geworden,” hernam graaf +Sandorf, „daaromtrent zijn wij zeker, niet waar? En het is niet zonder +den rooster kunnen ontcijferd worden! Het is dat briefje, hetwelk de +politie op het spoor van het complot gebracht heeft en het is op dat +briefje alleen, dat de geheele beschuldiging gegrondvest is!” + +„Och, wat kan het ons toch schelen!” antwoordde Stephanus Bathory. + +„O! het kan ons integendeel veel schelen!” riep graaf Sandorf uit. „Wij +zijn misschien verraden geworden! En als er een verrader in het spel +is, dan.... is het zaak.... te....” + +Graaf Sandorf stokte. Sarcany’s naam kwam hem voor den geest. Maar hij +verbande die gedachte ver, zeer ver, zonder haar zelfs aan zijne +vrienden mede te deelen. + +Mathias Sandorf en zijne twee vrienden gingen zoo voort met praten over +dat onverklaarbare in die zaak en zoo werd het langzamerhand laat in +den nacht. + +Zij werden den volgenden morgen uit een vrij diepen slaap gewekt, door +het binnenkomen van den gevangenbewaarder. Het was de morgen van hun +voorlaatsten dag. De terechtstelling was op vier en twintig uren later +bepaald. + +Stephanus Bathory vroeg aan den gevangenbewaarder of het hem geoorloofd +zoude zijn, zijn gezin te zien. + +De gevangenbewaarder antwoordde, dat hij dienaangaande geene bevelen +had. Het was evenwel niet waarschijnlijk, dat het Oostenrijksch +gouvernement den veroordeelden die laatste vertroosting zou toestaan. +De geheele zaak was toch tot op den dag van het vonnis zoo geheim +mogelijk gehouden geworden. Zelfs de naam van de vesting, die den +veroordeelden tot gevangenis diende, was geheim gebleven. + +„Kunnen wij ten minste schrijven, en zullen onze brieven hunne +bestemming bereiken?” vroeg graaf Sandorf. + +„Ik zal u papier, pen en inkt geven,” antwoordde de gevangenbewaarder, +„en ik beloof u, uwe brieven aan den gouverneur ter hand te zullen +stellen.” + +„Wij danken u, vriend,” antwoordde graaf Sandorf, „voor hetgeen gij +doen wilt en wat gij alleen doen kunt! Wij kunnen u niet voor uwe +moeite beloonen; maar....” + +„Uw dank is voor mij genoeg, heeren,” hernam de gevangenbewaarder, die +zijne ontroering niet kon verbergen. + +Die brave man bracht dadelijk het noodige schrijfgereedschap. De +veroordeelden brachten een gedeelte van den dag door met het nemen +hunner laatste beschikkingen. Van den kant van graaf Sandorf waren het +de meest gemoedelijke raadgevingen voor zijn dochtertje, dat als wees +zou achterblijven, welke uit het hart eens vaders konden opwellen. Van +den kant van Stephanus Bathory waren het de vurigste +liefdesbetuigingen, die deze in zijn laatst vaarwel aan zijne +echtgenoote en aan zijn zoon deed vernemen. Van den kant van Ladislas +Zathmar waren het innige aanhankelijkheidsbewijzen, die een heer voor +zijn ouden knecht, voor zijn laatsten vriend kon koesteren. + +Maar hoe afgetrokken waren zij niet dien dag, hoe herhaaldelijk hadden +de gevangenen de ooren niet gespitst! Hoe menigmaal poogden zij niet te +ontwaren, of er geen ver gedruisch door de lange gangen van den +vestingtoren tot hen doordrong. Hoe menigmaal scheen het hun niet, dat +de deur van die cel zou opengaan en dat het hun veroorloofd zou zijn +voor de laatste maal eene gade, eene dochter, een zoon te omarmen! Dat +zou eene vertroosting geweest zijn. Maar, in waarheid, was het niet +beter dat een wreed onvermurwbaar verbod, dat laatste vaarwel, hetgeen +zoo hartverscheurend zoude zijn, belette? + +De deur ging niet open. Ongetwijfeld wisten noch mevrouw Bathory, noch +haar zoon, noch de intendant Lendek, aan wien het dochtertje van graaf +Mathias Sandorf toevertrouwd was, waarheen de gevangenen na hunne +inhechtenisneming overgebracht waren, evenmin als Borik, die nog steeds +in de gevangenis te Triëst opgesloten zat. Allen wisten ongetwijfeld +ook niet, welk vonnis over de hoofden der samenzwering uitgesproken +was. De veroordeelden, zoo was bepaald, zouden hunne dierbaren vóór de +ten uitvoerlegging van het vonnis niet wederzien. + +De eerste uren van dien dag snelden zoo voorbij. Soms praatten Mathias +Sandorf en zijne beide vrienden te zamen. Soms ook vervielen zij in een +langdurig stilzwijgen en waren zij in zichzelven gekeerd. In die +oogenblikken gleed alles met eene schrikkelijke, bovennatuurlijke +nauwkeurigheid in het geheugen voorbij. Het was alsdan niet in het +verledene dat zij terugtraden. Alles wat de herinnering in het brein +terugriep, ontplooide zich in den vorm van het tegenwoordige. Was dat +als een voorgevoel van de eeuwigheid, die zich opende van dien +onbegrijpelijken en onmetelijken toestand, dien men het oneindige +noemt? + +Intusschen, terwijl Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar zich zoo +zonder stoornis aan hunne overpeinzingen overgaven, werd het brein van +Mathias Sandorf onweerstaanbaar beheerscht door eene gedachte, die er +als het ware post in had gevat. Hij twijfelde er niet aan, of in die +geheimzinnige zaak had het verraad zijne treurige rol vervuld. Nu was +voor een man van zijn karakter, sterven zonder den verrader, wie hij +ook zijn mocht, gestraft te hebben, zonder zelfs te weten wie de +verrader was, als het ware tweemaal sterven. Wie had dat briefje, +waaraan de politie de ontdekking van de samenzwering en de +inhechtenisneming der hoofdschuldigen te danken had, bemachtigd? Wie +had de middelen ontdekt om het te kunnen lezen? Wie had het aan de +politie overgeleverd, verkocht wellicht?.... Tegenover dat onoplosbaar +vraagstuk waren de opgewonden hersenen van graaf Sandorf ten prooi aan +eene soort koorts. + +Terwijl zijne vrienden dan ook schreven of daar stilzwijgend ter neer +zaten en zich onbeweeglijk hielden, liep hij onrustig langs de muren +der cel als een wild dier in zijne kooi op en neer. + +Een zonderling maar volkomen door de wetten der geluidsleer +verklaarbaar natuurverschijnsel, zou hem het geheim mededeelen, juist +toen hij wanhopen moest het ooit te vernemen. + +Verscheidene malen had graaf Sandorf stilgestaan bij den hoek van het +vertrek, die door den binnenmuur gevormd werd met den buitenmuur van de +gang, waarop de verschillende cellen van deze verdieping van den +vestingtoren uitkwamen. In dien hoek, in welks nabijheid de deur +aangebracht was, meende hij een gemurmel gehoord te hebben als van +verwijderde stemmen, dat nog niet verstaanbaar was. Eerst sloeg hij er +geen acht op, maar.... plotseling hoorde hij een naam uitspreken.... +den zijnen.... en dat deed hem het oor spitsen. + +Klaarblijkelijk werd daar hetzelfde natuurverschijnsel te voorschijn +geroepen, gelijk aan dat, hetwelk onder boogvormige gangen of onder +gewelven met ellipsvormige constructie waargenomen wordt. De stem, die +van een der zijden van de ellips uitgaat, doet zich na den omtrek der +muren gevolgd te hebben in het andere brandpunt vernemen, zonder op +hare baan ergens waarneembaar te zijn geweest. Zulk een +natuurverschijnsel wordt in de onderaardsche gewelven van het Panthéon +te Parijs, in de binnenruimte van den koepel van de Sint Pieterskerk te +Rome, in de „whispering gallery” de weerklinkende galerij van de Sint +Paulskerk te Londen waargenomen. Onder dergelijke omstandigheden wordt +het geringste woord, zelfs wanneer het fluisterend uitgesproken wordt, +duidelijk verstaan in het tegenovergestelde brandpunt. + +Er viel hier niet aan te twijfelen. Twee of meer personen praatten, +hetzij in de gang, hetzij in een der cellen aan het einde van zijn +doorsnede gelegen, en het brandpunt bevond zich bij de deur van de cel, +waarin Mathias Sandorf opgesloten was. + +Met een enkel gebaar riep hij zijne makkers tot zich. En daar stonden +zij alle drie met gespitste ooren te luisteren. + +Brokstukken van volzinnen bereikten hun oor zeer duidelijk. De +volzinnen werden afgebroken, wanneer de sprekers zich, al was het ook +nog maar zoo weinig, van het brandpunt verwijderden, dat wil zeggen van +dat punt, waarvan de ligging het natuurverschijnsel deed geboren +worden. + +En ziehier de woorden, die zij met herhaalde tusschenpoozen opvingen: + +............................................................... + +„Morgen na de terechtstelling zult ge vrij zijn................ +............................................................... + +„En dan zullen de goederen van graaf Sandorf, eerlijk verdeeld. +............................................................... + +„Zonder mij zoudt ge dat briefje niet hebben kunnen ontraadselen. +............................................................... + +„En zonder mij, die het aan den hals van de postduif gevonden heb, +zoudt gij het nooit in handen gekregen hebben.................. +............................................................... + +„Hoe het ook zij, niemand kan eenige verdenking koesteren, dat wij de +politie........................................................ +............................................................... + +„En als de veroordeelden nu ook al eenige achterdocht.......... +............................................................... + +„Noch bloedverwanten, noch vrienden kunnen meer tot hen +doordringen.................................................... +............................................................... + +„Tot morgen, Sarcany”.......................................... + +„Tot morgen, Silas Toronthal!”................................. +............................................................... + +Daarna zwegen de stemmen en het geluid eener deur die toesloeg, werd +vernomen. + +„Sarcany!.... Silas Toronthal!....” riep graaf Sandorf uit. „Zij!.... +Zij zijn het!” + +Hij werd doodsbleek en keek zijne vrienden met een van verbijstering +glinsterend oog aan. Zijn hart had een oogenblik opgehouden met +kloppen. Zijne oogleden stonden wijd opengespalkt, zijn hals was stijf +en zijn hoofd was tusschen zijne schouders teruggedrongen. Alles duidde +er op, dat die geestkrachtvolle natuur door een schrikkelijken toorn +beroerd werd. + +„Zij!.... De ellendelingen!....” herhaalde hij woest brullende. + +Hij richtte eindelijk zijne gebogen gestalte op en keek rond, terwijl +hij de cel met groote passen op en neer liep. + +„Vluchten!.... Vluchten!” riep hij uit. „Wij moeten vluchten!” + +En die man, die enkele minuten vroeger gereed was om weinige uren later +den dood manmoedig tegemoet te treden, die man, die er zelfs niet aan +gedacht had om den beul zijn hoofd te betwisten, die man had thans +slechts ééne gedachte: leven, om die twee verraders Silas Toronthal en +Sarcany te straffen! + +„Ja, ons wreken!” riepen Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar uit. + +„Ons wreken? Neen!.... Gerechtigheid uitoefenen!” + +Het geheele karakter van graaf Sandorf lag in die woorden opgesloten. + + + + + + + + +VI. + +DE VESTINGTOREN VAN PISINO. + + +De vesting Pisino is een van de meest merkwaardige van die stevige +gebouwen, welke in de middeleeuwen verrezen. Zij ziet er zeer goed uit +met haar feodaal uiterlijk. Er ontbreken slechts ridders in die +gewelfde zalen, slechts edelvrouwen, met bonte japonnen gekleed en +getooid met puntmutsen, aan de ogiefvormige vensterramen, slechts +boogschutters op de transen van de gecreneleerde muren, in de +schietgaten van de vooruitspringende gedeelten, bij de Spaansche +ruiters, die de ophaalbruggen moeten verdedigen. Het kunstwerk van +steen is nog onaangetast; maar de vestinggouverneur met zijn +Oostenrijksch uniform, de soldaten met hunne moderne tenue, de +gevangenbewaarders en de sleuteldragers, die niets meer vertoonen van +dat costuum uit den ouden tijd, half geel, half rood, die allen geven +een valschen toon aan te midden van die prachtige overblijfselen van +een ander tijdvak. + +Het was uit den toren van die vesting, dat graaf Sandorf zich vermeette +te willen ontvluchten en dat nog wel gedurende de laatste uren, die de +terechtstelling voorafgingen. Dwaze poging voorzeker, daar de +gevangenen niet eens wisten, welke vesting hen tot kerker diende, daar +zij niets van het omgelegen land kenden, waardoor zij toch na hunne +ontvluchting heen moesten trekken. + +O, wellicht kon het voor een geluk gelden, dat zij niets van die +omgeving wisten. Beter onderricht, zouden zij misschien voor de +moeilijkheden, om niet te spreken van de onmogelijkheid van zulk eene +onderneming teruggedeinsd zijn. + +Niet dat deze Istrische provincie geene voordeelige kansen voor eene +ontsnapping zou aanbieden, dewijl iedere richting, door de +vluchtelingen genomen, naar een punt van hare kuststreek zou voeren en +dat binnen weinige uren. Ook niet dat de straten van de stad Pisino zoo +streng zouden bewaakt zijn, dat men bij de eerste stappen gevaar zou +loopen gevat te worden. Neen; maar ontsnappen uit die vesting, +voornamelijk uit den toren, door de gevangenen bewoond, dat was tot +heden als volstrekt onmogelijk beschouwd geworden. Het denkbeeld +daarvan kon zelfs niet opkomen. + +Ziehier inderdaad de toestand en het uiterlijk voorkomen van dien toren +in de vesting Pisino. + +Die toren beslaat eene zijde van een bergplat, alwaar de stad +plotseling als het ware eindigt. Wanneer men op den ringmuur van dat +plat leunt, dan boort de blik in een breede en diepe kolk, waarvan de +steile wanden niet eens bedekt zijn met lange afhangende lianen. Niets +steekt van dien loodrechten rotsmuur uit. Geen enkele trede om naar +boven te klimmen of om naar beneden te dalen. Geen portaal om er even +halt te houden. Geen enkel standpunt, waar ook. Niets dan grillige +uitschuringen, niets dan gladde onzekere streepen, die de schuinsche +ligging der rotslagen aangeven. In één woord is het een afgrond, die +aantrekt, die meesleept en niets teruggeeft van hetgeen er in mocht +vallen. + +Het was boven dezen afgrond dat een der zijmuren zich verhief. In dien +muur waren eenige vensters ingesneden, die de cellen op de +verschillende verdiepingen moesten verlichten. Wanneer een gevangene +zich door een van die openingen voorover gebogen had, dan zou hij vol +afgrijzen achteruit gedeinsd zijn, tenzij duizelingen hem in de diepte +zouden hebben doen storten! En wanneer hij viel, wat dan? Of het +lichaam zou op de rotsen van den bodem te pletter storten, òf het zou +door den bergvloed medegevoerd worden, wiens stroom onweerstaanbaar is +in het tijdperk van hoog water. + +Die afgrond, dat is de Buco, zoo als hij in dat land genoemd wordt. Hij +dient tot afleiding van het overtollige water van eene rivier, die +Foïba heet. Die rivier erlangt slechts toegang door eene onderaardsche +spelonk, die zij zich zelve langzamerhand door de rotsmassa’s uitgehold +heeft, en waarin zij zich met de kracht van een waterval stort. Waar +stroomt zij dan heen, terwijl zij onder de stad doorgaat? Dat weet men +niet. Waar verschijnt zij weer? Dat weet men evenmin. Niemand kent de +lengte noch de hoogte van die spelonk, die in de krijtsteen- en +leisteenlagen uitgeschuurd is. Wie kan zeggen of de stroom daaronder +zich niet met geweld breekt op scherpe kanten, op puntige hoeken, of +hij niet gestuit wordt door een woud van pilaren, die het kolossale +gevaarte der vesting en ook de geheele stad schragen? Koene +onderzoekers hadden beproefd de Foïba af te zakken in een tijdperk, dat +de middelbare waterstand gedoogde een licht vaartuig te gebruiken, maar +de laagte van het rotsgewelf had hen een onoverkomelijke hinderpaal in +den weg gesteld. In werkelijkheid wist men niets omtrent den toestand +van die onderaardsche rivier. Misschien verloor zij zich wel in eene +aardspleet, die onder de oppervlakte van de Adriatische zee uitkwam. + +Dat was de Buco, welks bestaan graaf Sandorf zelfs niet giste. Daar nu +eene ontsnapping niet anders kon geschieden dan door het eenige raam +zijner cel, hetwelk boven de Buco openging, zoo was het voor hem even +zeker den dood tegemoet te gaan, als wanneer hij zich was komen +plaatsen voor het peloton soldaten, dat hem moest doodschieten. + +Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory wachtten slechts het gunstige +oogenblik af om te handelen. Zij waren bereid te blijven, wanneer het +noodig was; zij waren bereid zich op te offeren om graaf Sandorf te +hulp te komen; zij waren bereid hem te volgen, wanneer hunne vlucht de +zijne niet kon benadeelen. + +„Alle drie zullen wij vluchten,” zei graaf Mathias Sandorf, „hoewel het +wellicht noodig zal worden om ons te scheiden, wanneer wij eenmaal +buiten gekomen zullen zijn.” + +Het was reeds avond en op den kerktoren sloeg het reeds acht uur. De +veroordeelden hadden nog slechts twaalf uren te leven. + +De nacht viel in en zooals men opmerken kon, zou hij zeer donker zijn. +Dikke wolken, die bijna onbewegelijk bleven, bedekten het uitspansel. +De lucht was zwaar, zij maakte de ademhaling moeilijk en was met +electriciteit bezwangerd. Een hevig onweder was in aantocht. Wel +schoten de bliksemstralen nog niet door de ruimte, nog niet door die +dikke dampen, die daar als zoovele accumulatoren aanwezig waren; maar +het gerommel van den donder liet zich reeds heel in de verte vernemen +en werd langs de bergtoppen van de hoogten, die Pisino omgeven, +overgebracht. + +Eene ontsnapping, onder die omstandigheden ondernomen, zou dus eenige +kansen van welslagen hebben kunnen aanbieden, wanneer niet een +bedriegelijke afgrond onder de voeten der vluchtelingen geweest ware. +De nacht zou zwart zijn, men zou derhalve niet gezien worden. Bij het +geraas van den donder zou men niet gehoord worden. + +Zooals graaf Sandorf reeds dadelijk erkend had, zou de vlucht mogelijk +zijn door het venster van de cel. De deur open te breken, of die +stevige bladen van eikenhout, die daarenboven geheel met ijzer beslagen +waren, aan te tasten, daaraan kon zelfs niet gedacht worden. +Buitendien, de stap van een schildwacht weerklonk op de vloersteenen +van de gang. En gesteld dat men buiten de celdeur geraakte, hoe zou men +den weg vinden in de doolgangen van de vesting? Hoe zou men de poort +uit, de valbrug over komen? Die zouden toch wel door posten soldaten +bewaakt zijn! Aan den kant van den Buco was ten minste geen schildwacht +te bespeuren. Maar de Buco bewaakte die zijde van den vestingtoren +beter dan een geheele keten schildwachten. + +Graaf Sandorf onderzocht dus in de eerste plaats, of het venster ruimte +genoeg aanbood, om hen doortocht te verleenen. + +Dat raam meette ongeveer drie en een halve voet hoogte op twee voet +breedte. Het verliep trechtersgewijze door den muur, welks dikte op dit +punt op vier voet geschat kon worden. Een stevig kruis van ijzer +verdedigde den toegang. Dat was in den steen dicht bij de binnenopening +geklonken. Er waren geen houten schuttingen of koekoeken aangebracht, +die het licht slechts van boven laten binnenvallen. Die zouden onnoodig +geweest zijn, daar de schikking van de opening den blik belette in den +afgrond van de Buco te dringen. Wanneer men er dus in slaagde dat +ijzeren kruis uit te rukken of van zijne plaats te wringen, dan zou het +gemakkelijk zijn zich door dat raam te laten glijden, dat veel geleek +op een schietgat van de vesting. + +Maar, als men eenmaal uit dat raam geklommen was, hoe zou men dan +buiten naar omlaag dalen langs den loodrechten muur? Eene ladder? Ja, +die bezaten de gevangenen niet; ook konden zij die niet vervaardigen. +Hunne beddelakens gebruiken? Zij hadden niets dan dikke wollen dekens, +die hunne matrassen op de ijzeren kribben dekten, welke laatsten +daarenboven in de wanden van de cel vastgeklonken waren. Het zou dus +bepaald onmogelijk zijn door het venster te ontsnappen, wanneer graaf +Sandorf niet eene ketting of beter een ijzeren kabel opgemerkt had, die +buiten hing en de ontsnapping kon vergemakkelijken. + +Die kabel was de bliksemafleider, die op den daknok bevestigd was boven +de zijflank van den vestingtoren, maar die zich boven den Buco +loodrecht verhief. + +„Gij ziet dien kabel,” zei graaf Sandorf tot zijne vrienden. „Daarvan +zullen wij ons bedienen om te ontsnappen. Maar daartoe behoort moed!” + +„O, moed bezitten wij,” antwoordde graaf Ladislas Zathmar. „Maar zullen +wij de kracht hebben?” + +„Om het even!” sprak Stephanus Bathory. „Als de krachten te kort +schieten, zullen wij slechts eenige uren vroeger sterven. Dat is +alles!” + +„Wij moeten niet sterven, Stephanus,” antwoordde graaf Sandorf. +„Luister goed en gij ook, Ladislas, laat geen enkel mijner woorden u +ontgaan. Wanneer wij een touw bezaten, dan zouden wij geen oogenblik +aarzelen om het buiten het venster te hangen om ons daarlangs tot op +den bodem te laten afglijden. Nu is die ijzeren kabel beter dan een +touw; door zijne onbuigzaamheid zal hij de afdaling zeer +vergemakkelijken. Evenals alle bliksemafleiders zal hij met ijzeren +haken aan den gevelmuur bevestigd zijn. Die haken zullen steunpunten +vormen, waarop onze voeten zullen kunnen rusten. Wij zullen geene +slingeringen te vreezen hebben, daar de kabel aan den muur bevestigd +is. Wij zullen geen duizelingen kunnen ondervinden, daar het nacht is +en wij dus niets zullen kunnen zien. Derhalve, wanneer wij slechts +buiten dat venster geraken, dan met koelbloedigheid en met moed kunnen +wij de vrijheid herwinnen. Dat wij ons leven wagen, is zeer goed +mogelijk. Maar al bestonden slechts tien kansen op honderd, dan nog... +daar wij honderd kansen op honderd zullen hebben om te sterven, wanneer +de gevangenbewaarders ons morgen ochtend in deze cel terugvinden.” + +„Dat is zoo,” antwoordde Ladislas Zathmar. + +„Waar komt die ketting terecht?” vroeg Stephanus Bathory. + +„In den een of anderen put waarschijnlijk; maar zeker buiten den +vestingtoren,” antwoordde graaf Sandorf. „En meer hebben wij niet +noodig. Ik wil niets anders weten of begrijpen, dan dat daar aan het +uiteinde van dien ketting de vrijheid voor ons waarschijnlijk te vinden +is.” + +Graaf Sandorf vergiste zich niet, toen hij beweerde, dat die +bliksemafleider van afstand tot afstand met ijzeren haken aan den muur +bevestigd was. Dat veroorzaakte eene groote gemakkelijkheid om af te +dalen, daar de vluchtelingen die haken als de treden eener ladder +konden bezigen, die hen tegen te snel afglijden behoeden moesten. Maar, +wat zij niet wisten en ook niet weten konden, dat was dat die kabel, na +den rand van het bergplat bereikt te hebben, langs den muur van den +vestingtoren vrij en onbedwongen in de ruimte afdaalde en zijn uiteinde +de wateren der Foïba beroerden, die toen door de laatste regens zeer +gezwollen waren. Daar waar zij onder in dien afgrond rekenen konden den +vasten bodem te bereiken, daar was slechts een bergstroom, die zich +onstuimig in de spelonk van den Buco stortte. Maar al hadden zij dat +ook geweten, zouden zij dan nog wel teruggedeinsd hebben voor hunne +poging tot ontsnapping? + +Voorzeker neen! + +„Hier sterven of straks daar ginds!” sprak graaf Mathias Sandorf. „Als +wij sterven moeten, dan zullen wij ten minste alles gedaan hebben om +het leven te redden!” + +Maar eerst moest men dat ijzeren kruis in de doorgang van het venster +opruimen. Dat moest uitgebroken worden. Zou dit mogelijk zijn zonder +breekijzer, zonder koevoet, zonder eenig gereedschap? De gevangenen +bezaten zelfs geen mes. + +„Het overige zal slechts moeilijk zijn,” zei graaf Mathias Sandorf, +„maar dit is wellicht het onmogelijke! Kom, mede aan den arbeid!” + +Toen hij dat gezegd had, heesch graaf Sandorf zich tot aan het venster, +greep den ijzeren kruisrooster met de hand en voelde dat wellicht geen +al te groote krachtsinspanning noodig zou zijn, om hem uit te rukken. + +De ijzeren stangen, waaruit hij bestond, bewogen zich inderdaad +eenigermate in hare sponningen. De steen was bij de hoeken gebarsten en +kon dus slechts een middelmatigen tegenstand bieden. Zeer +waarschijnlijk was de geleiding van den bliksemafleider, voordat hij +zekere herstellingen ondergaan had, niet zeer volmaakt geweest. +Mogelijk was het geweest dat vonken van het electrische vuur, door dien +ijzeren rooster aangetrokken, den muur zelven aangetast hadden en men +weet dat de kracht van dat vuur om zoo te zeggen onbegrensd is. Vandaar +die barsten en breuken bij de sponningen, waarin het uiteinde der +ijzeren staven rustte. De steen was daar verteerd, vergaan en in +sponsachtigen staat, alsof hij door de electriciteit met millioenen +gaatjes doorboord ware. + +Professor Stephanus Bathory gaf in weinige woorden den uitleg van dat +verschijnsel, onmiddellijk nadat hij het waargenomen had. + +Maar het gold thans niet te oreeren, te doceeren of te leeraren; men +moest zonder aarzelen aan het werk. Geen oogenblik mocht verloren +worden. Wanneer men, na de hoeken van de sponningen te hebben +uitgebroken, de uiteinden van die staven kon losmaken, dan zou het +waarschijnlijk gemakkelijk zijn den rooster tot aan de +buitenoppervlakte van den muur te dringen, dewijl de vensteropening van +binnen naar buiten waaiersgewijze verliep. Men zou hem dan naar buiten +in den afgrond kunnen laten vallen. Het geluid van dien val zou door +het hevige geratel van den donder overstemd en bijgevolg niet gehoord +worden. De onweerswolk was nader gekomen en reeds rolden de +donderslagen en plantten zich onverpoosd en zonder ophouden in de +lagere luchtlagen voort. + +„Wij kunnen dien steen toch niet met onze handen verbrijzelen,” zei +graaf Ladislas Zathmar. + +„Neen!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij zouden een stuk ijzer, een lem +of zoo iets moeten hebben...” + +Dat was inderdaad noodig. Hoe vergaan de steen in de nabijheid der +sponningen ook was, de nagels zouden toch daarbij te kort geschoten +zijn, de vingers zouden, bij de poging om hem tot stof te wrijven, zich +te vergeefs bloedig verwond hebben. Men zou niet slagen zonder +werktuig, al ware het ook maar een spijker. + +Graaf Sandorf keek rondom zich bij het zwakke schijnsel, hetwelk van +uit de gang, die zelf spaarzaam verlicht was, in de cel door eene +kleine opening, boven de deur aangebracht, drong. Hij betastte de muren +met beide handen. Het kon toch zijn, dat men ergens een spijker +ingeklopt had. Hij vond echter niets. + +Toen kreeg hij een inval. Hij bedacht dat het wellicht niet onmogelijk +was een der pooten van de ijzeren kribben, die in den wand +vastgeklonken waren, los te wringen. Alle drie gingen aan het werk en +weldra brak Stephanus Bathory den arbeid af en riep zijne makkers met +zachte stem tot zich. + +Een klinknagel van een der ijzeren strooken, die, onderling behoorlijk +gekruist en verbonden, de kriblagen vormden, was losgemaakt. Het was nu +voldoende die strook bij het uiteinde, dat thans vrij was, te grijpen +en haar herhaalde malen heen en weer te buigen om den anderen +klinknagel te doen losspringen. + +Dat was in een ommezien geschied. Graaf Sandorf bezat toen een ijzeren +band van vijf duim lang en een duim breed, dien hij bij het uiteinde +met zijn halsdas omwikkelde. Daarna kwam hij bij het venster terug en +begon den steen bij de sponningen los te breken. + +Dat kon niet geheel en al zonder gedruisch geschieden. Gelukkig werd +dat overstemd door het geratel van den donder. Hield dat soms bij +tusschenpoozen op, dan staakte graaf Sandorf zijn arbeid om hem daarna +dadelijk weer te hervatten. Het werk vorderde flink. Stephanus Bathory +en Ladislas Zathmar hadden bij de deur post gevat, teneinde graaf +Sandorf te waarschuwen om den arbeid te staken, wanneer de schildwacht +de deur der cel naderbij trad. + +Plotseling ontsnapte een zacht „chut”... aan de lippen van Ladislas +Zathmar, waarop de arbeid dadelijk ophield. + +„Wat is er?” vroeg Stephanus Bathory. + +„Luister,” antwoordde Ladislas. + +Hij had juist het oor bij den rand van de ellipsoïdale helling gehouden +en andermaal werd het acoustieke verschijnsel vernomen, dat den +gevangenen bekend had gemaakt met het geheime verraad, ten hunnen +opzichte gepleegd. + +Ziehier de afgebroken volzinnen, die bij korte tusschenpoozen nog +opgevangen konden worden: + +„Morgen... in vrijheid... gesteld...” +............................................................... + +„Ja... wanneer het bevel tot invrijheidstelling zal ontvangen zijn...” +............................................................... + +„... Na de terechtstelling... Daarna... ga ik mijn makker Zirone +opzoeken, die mij op Sicilië wacht...” +............................................................... + +„Gij zult niet lang gezeten hebben in den vestingtoren van...” +............................................................... + +Het was klaarblijkelijk Sarcany, die met een gevangenbewaarder praatte. +Eene bijzonderheid: Sarcany had den naam van een zekeren Zirone +genoemd, die in deze geheele zaak gemengd moest zijn. Graaf Mathias +Sandorf onthield dien naam. + +Ongelukkig bereikte het laatste woord, waarvan de kennisname voor de +gevangenen zoo nuttig ware geweest, hun oor niet. Bij het einde van den +volzin, kraakte een geweldige donderslag en terwijl de electrische +stroom de geleiding van den bliksemafleider volgde ontsnapten +vuurstralen en vuurpluimen uit den ijzeren band, die graaf Sandorf in +de hand hield. Zonder den zijden halsdas, die het metaal omwikkelde, +zou de graaf door den stroom getroffen zijn. + +Het laatste woord alzoo, de naam van die vesting, was door het +ontzaglijk geraas van den donder verloren gegaan. De gevangenen hadden +dien naam niet kunnen vernemen. En toch, wat zou de kennis in welke +vesting zij opgesloten zaten, door welke streek zij vluchten moesten, +de kansen hunner ontsnapping, die onder zoo moeilijke omstandigheden +ondernomen moest worden, niet hebben vermeerderd! + +Graaf Sandorf had den arbeid ijverig hervat. Van de vier sponningen +waren er reeds drie zoodanig uitgebroken, dat de uiteinden der ijzeren +staven uitgelicht konden worden. De vierde werd door het vuur der +bliksemstralen, die het hemelruim onophoudelijk verlichtten aangetast. + +De arbeid was tegen half elf uur geëindigd. + +De ijzeren vensterrooster was geheel en al uit de sponningen losgemaakt +en kon door de vensterruimte in den muur naar buiten geschoven worden. +Men had thans slechts te duwen, om hem te doen vallen. Dit werd +verricht, toen Ladislas Zathmar waargenomen had, dat de schildwacht +zich bij zijn heen en weer wandelen naar het uiteinde van de gang +begeven had. + +Door een forschen stoot bewogen, buitelde de rooster en verdween. + +Dit geschiedde in een oogenblik, toen de donder en het windgehuil +zwegen. Graaf Sandorf luisterde om het geluid te vernemen, dat dit +zware lichaam bij zijn val en zijn neerkomen op den grond zou maken. + +Maar hij hoorde niets. + +„De vestingtoren zal waarschijnlijk op een hooge rots gebouwd zijn, die +het dal beheerscht,” merkte Stephanus Bathory op. + +„Och, wat kan ons de hoogte schelen!” antwoordde graaf Sandorf. +„Ongetwijfeld reikt de ketting van den bliksemafleider tot aan den +grond. Langs dien zullen wij den bodem wel bereiken, zonder gevaar te +loopen van te vallen.” + +Dat was in het algemeen gesproken eene volkomen juiste redeneering, die +evenwel in het gegeven geval valsch was; want het uiteinde van den +bliksemafleider bereikte niet den bodem, maar de wateren van de Foïba. + +Toen men met het venster klaar was, was het oogenblik om te vluchten +daar. + +„Vrienden,” zei Mathias Sandorf. „Ziehier hoe wij het moeten aanleggen. +Ik ben de jongste en ik geloof de krachtigste. Ik moet dus het eerst +pogen langs dien kabel naar beneden te komen. Voor het geval dat zich +een of andere hinderpaal voordoet, dan zal ik wellicht de kracht hebben +om mij weer naar boven tot bij het venster te hijschen. Twee minuten +later laat gij, Stephanus, u naar beneden glijden om u bij mij te +voegen. Weer twee minuten later moet gij, Ladislas, denzelfden weg +volgen. Als wij alle drie aan den voet van den vestingtoren vereenigd +zijn, zullen wij naar omstandigheden moeten handelen.” + +„Wij gehoorzamen u, Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory. „Wij zullen +uitvoeren wat gij bevelen zult; wij zullen gaan waarheen gij ons zeggen +zult onze schreden te wenden. Maar wij willen niet dat uw deel van het +gevaar groot er zal zijn dan het onze....” + +„Ons leven is het uwe niet waard!” vulde graaf Ladislas Zathmar aan. + +„Voor de rechtspleging, die wij te voltrekken hebben, heeft ons leven +gelijke waarde!” antwoordde graaf Sandorf. „Wanneer een onzer ontsnapt, +dan moet die de uitvoerder van de gerechtigheid zijn. Kom vrienden, +vrienden, laten wij elkander omhelzen.” + +De drie mannen omarmden elkander innig en het scheen dat zij eene +groote geestkracht uit die omhelzing geput hadden. + +Toen kroop graaf Sandorf, terwijl Ladislas Zathmar bij de deur der cel +op post stond om tegen onraad te waarschuwen, door de vensteropening +die in den muur uitgesneden was. Een oogenblik later was hij buiten en +hing hij in het ijle. Toen liet hij zich zakken, terwijl hij met de +knieën den ketting van den bliksemafleider omklemde. Hij verplaatste +daarbij beurtelings de eene hand onder de andere, terwijl hij met de +voeten de haken zocht, waarmede de geleider vastgemaakt was, om daarop +te steunen. + +Het onweder woedde toen in zijn volle kracht. Het regende niet, maar de +wind stormde met ongehoord geweld. De eene bliksemstraal wachtte niet +totdat de voorgaande in het hemelruim verdwenen was. Hare zigzaggen +kruisten elkander boven den vestingtoren, die haar door zijne eenzame +ligging op die hoogte aantrok. De punt van den bliksemafleider +schitterde met een witachtig licht, dat er door den electrischen stroom +als eene pluim opgehoopt werd, terwijl de stang schudde onder het +geweld van den wind. + +Men begrijpt welk gevaar er in gelegen was, aan dien geleidketting te +hangen, waarlangs de electrische stroom voortdurend afvloeide om zich +in de wateren van den Buco te verliezen. Wanneer het toestel in goeden +staat geweest ware, dan was er geen gevaar om getroffen te worden; want +de volmaakte geleidbaarheid van het metaal vergeleken met die van het +menschelijk lichaam, die veel minder is, zou den koenen waaghals, die +aan den kabel hing, beveiligen; maar was de punt van den +bliksemafleider hoe gering ook afgestompt, was er eene breuk hoe klein +ook in den kabel, waardoor de stroom verbroken werd, dan was een +ongeluk mogelijk, dan kwamen de twee stroomingen, de negatieve en de +positieve te zamen, zelfs zonder dat de bliksem op den geleider +insloeg, alleen door de spanning van den stroom, die in het gebrekkige +toestel opgehoopt werd. + +Zoo werd in 1793 Richeman door eene electrische vonk van de dikte eener +vuist gedood, hoewel hij zich op eenigen afstand van den +bliksemafleider bevond, waarvan hij het geleidvermogen verbroken had. + +Graaf Sandorf was zeer goed bekend met het gevaar, waaraan hij zich +blootstelde, maar een gevoel krachtiger dan dat van zelfbehoud deed hem +alles trotseeren. Hij daalde langzaam en voorzichtig te midden van de +electrische afstrooming, die hem geheel en al omgaf. Zijn voet zocht +langs den muur iederen haak en rustte daarop een poos. Dan poogde hij, +wanneer een bliksemstraal den afgrond, die onder hem gaapte, +verlichtte, er de diepte van te peilen. Maar steeds te vergeefs. + +Toen Mathias Sandorf zoo een zestig voeten, sedert hij het venster der +cel verlaten had, gedaald was, voelde hij een veiliger steunpunt onder +den voet. Dat was een soort banket, slechts weinige duimen breed, +hetwelk buiten den voet van den muur uitstak. De bliksemafleider +eindigde daar ter plaatse niet, hij daalde lager, en in waarheid,—wat +de vluchteling nog niet weten kon,—van dat punt af golfde de ketting in +de lucht, nu eens langs den loodrechten rotswand, dan weer slingerde +hij in het ijle en klotste daarbij tegen eenige der uitstekende deelen, +die boven den afgrond hingen. + +Graaf Sandorf hield halt om even adem te scheppen. Zijne beide voeten +steunden op het smalle boord van het banket; met zijne handen hield hij +steeds den ijzeren kabel vast. Hij begreep dat hij de bovenlaag van het +fondament van den vestingtoren bereikt had. Maar van welke hoogte +beheerschte dit het beneden-dal? Dat was door hem niet te schatten. + +„Dat moet diep zijn,” dacht hij. + +Inderdaad, groote vogels, verschrikt en verblind door de schelheid der +bliksemstralen, vlogen met angstigen wiekslag rondom hem en doken in de +diepte, in stede van hare vlucht opwaarts te richten. De gevolgtrekking +daarvan was duidelijk. Er was daar een afgrond onder zijne voeten. + +In dit oogenblik vernam hij eenig gerucht aan het boveneinde van den +ijzeren kabel. Bij de vluchtige verlichting door eene bliksemstraal, +zag graaf Sandorf eene onduidelijke massa, die zich van den muur +afscheidde. + +Het was Stephanus Bathory, die het venster der cel uitschoof en zich +langzaam liet afglijden, om zich bij Mathias Sandorf te voegen. Deze +wachtte hem af, terwijl hij de voeten stevig op het steenen uitsteeksel +gesteund hield. Daar moest Stephanus Bathory op zijn beurt halt houden, +terwijl zijn makker de reis naar beneden verder zou vervolgen. + +Binnen weinige oogenblikken waren zij bij elkander, waarbij zij op het +banket rustten. + +Zoodra het gerommel van den donder een poos ophield, konden zij spreken +en elkander verstaan. + +„En Ladislas?” vroeg graaf Sandorf. + +„Die zal over eene minuut hier zijn.” + +„Is er geen onraad boven?” + +„Neen.” + +„Goed. Ik ga plaats voor Ladislas maken. En gij, Stephanus, gij zult +hier wachten tot dat hij u bereikt heeft.” + +„Dat ’s afgesproken.” + +Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen beiden in dit oogenblik. Zij +gevoelden zich alsof de electrische stroom, langs het ijzer vloeiende, +tot in hunne spieren gedrongen was en meenden door den bliksem +getroffen te zijn. + +„Mathias!.... Mathias!....” riep Stephanus onder den indruk van een +onnoemelijken en onoverwinnelijken angst uit. + +„Kalmte en koelbloedigheid!” antwoordde graaf Sandorf.... „Ik ga verder +afdalen.... en gij moet mij volgen!” + +Reeds had hij den kabel gegrepen, om zich tot aan den eersten haak naar +onderen te laten afglijden. Daar wilde hij wachten tot dat zijn makker +ook de reis aanvaard had. + +Plotseling werden kreten boven in den vestingtoren vernomen. Zij +schenen van den kant van het venster der cel te komen. Duidelijk +weerklonken de woorden: + +„Vlucht! Redt u!” + +Het was de stem van Ladislas Zathmar. + +Terstond daarop spoot als het ware een helder licht uit den muur en +werd gevolgd door eene kort afgebroken losbranding zonder echo. Het was +ditmaal niet de gehakkelde lijn van eene bliksemschicht, die zich op +het zwart kleed van den nacht voordeed. Het was geen electrische vonk, +die geknetterd had. Het was een geweerschot, dat ongetwijfeld op goed +geluk af door het eene of andere schietgat van den vestingtoren gelost +was. Of het een signaal voor de gevangenbewaarders of wel een kogel, +bestemd voor de vluchtelingen was, om het even, de vlucht was thans +ontdekt. + +Een schildwacht, die eenig gerucht meende te hooren, had inderdaad om +hulp geroepen, waarop vijf of zes gevangenbewaarders de cel +binnengestormd waren. Het ontbreken van twee gevangenen was natuurlijk +dadelijk ontdekt. De toestand van het venster duidde genoegzaam aan, +dat zij slechts langs dien weg hadden kunnen ontsnappen. Het was toen +dat Ladislas Zathmar vóórdat men dit had kunnen beletten, zich buiten +de vensteropening voorover gebogen en den alarmkreet uitgestooten had. + +„De ongelukkige!” riep Stephanus Bathory uit. „Moeten wij hem +achterlaten?.... Mathias!.... Zeg.... achterlaten?” + +Een tweede geweerschot werd gelost en ditmaal vermengde zich de +losbranding met het rollen van den donder. + +„God zij hem genadig!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij moeten +vluchten.... al ware het maar om hem te wreken!.... Kom Stephanus, +kom!” + +Het was meer dan tijd. Ook andere vensters van de benedenverdieping van +den vestingtoren werden geopend. Nieuwe losbrandingen verlichtten hen. +Ook hoorde men luidruchtige stemmen. Het waren misschien +gevangenbewaarders, die langs het banket, hetwelk den voet van den +vestingtoren omgaf, voortschrijdende, den weg voor de vluchtelingen +konden afsnijden! Zij konden ook waarschijnlijk getroffen worden door +geweerschoten, die uit andere gedeelten der vesting gelost werden! + +„Kom!” riep graaf Sandorf voor de laatste maal. + +En hij liet zich afglijden langs den kabel, die daarop dadelijk door +Stephanus Bathory gegrepen werd. + +Toen eerst bemerkten beiden, dat die kabel onder het banket in het +ledige, in het ijle slingerde. Er bestonden geen rustpunten, geen haken +meer, die den kabel vasthechtten. Beiden slingerden met dien ketting +mede, die hun de handen verwondde. Zij daalden, zij omklemden den kabel +met de knieën, maar waren onmachtig hunne snelheid te temperen, terwijl +in dat vreeselijke oogenblik hun de geweerkogels langs de ooren floten. + +Zoo daalden, neen stortten zij binnen een minuut ruim tachtig voeten +naar beneden. Zij vroegen zich af, of die afgrond, waarin zij als het +ware vielen, bodemloos was. Het geloei van stormachtig opgezweepte +wateren bereikte hun gehoor. Toen begrepen zij dat de geleidketting van +den bliksemafleider in den een of anderen bergstroom eindigde. Maar.... +om het even.... de dood daar boven, de dood hier beneden.... dan was de +laatste voor de rampzaligen het meest verkieselijk. + +Een vreeselijke bliksemstraal verscheurde in dit oogenblik te midden +van eene machtige electrische verlichting de wolken. Hoewel de stang +boven op den vestingtoren niet middellijk door den electrischen stroom +getroffen was, zoo was de spanning van dien stroom, die zich +voortdurend langs den ketting ontlastte, zoodanig, dat zij de schalmen +bij haren overgang wit gloeiend maakte, zooals met een platina draad +geschiedt onder de ontlading van eene electrische batterij. + +Stephanus Bathory stiet een kreet van smart uit en liet de handen los. + +Mathias Sandorf zag hem voorbij zich vallen, waarbij zij elkander +schier aanraakten. De ongelukkige had de armen uitgestrekt. + +Op zijn beurt moest ook hij den kabel, die hem de handen verschroeide, +loslaten. Hij viel van eene hoogte van ruim veertig voeten in den +bergstroom van Foïba, in dien onbekenden afgrond van den Buco. + + + + + + + + +VII. + +DE BERGSTROOM VAN FOÏBA. + + +Het was ongeveer elf uren in den nacht. De onweerswolken begonnen zich +in hevige stortregens op te lossen. De regen werd vermengd met dikke +hagelsteenen, die de oppervlakte der Foïba mitrailleerden en op de +naburige rotsen kletterden. + +De geweerschoten, die uit de schietgaten gelost werden, waren gestaakt. +Waarom zooveel kogels, zooveel lood jegens de vluchtelingen te +verspillen? De Foïba zou slechts lijken weergeven, wanneer zij althans +iets weergaf! + +Nauwelijks was graaf Mathias Sandorf in den bergstroom gestort en onder +de oppervlakte geschoten, toen hij zich plotseling meegesleept +gevoelde. Van uit het schitterende licht, waarmede de electrische +losbarsting den afgrond vervuld had, was hij overgegaan in den +zwartsten nacht. Het geloei der wateren had het geratel van den donder +vervangen. De ondoordringbare spelonk liet van buiten, noch geluid, +noch licht, noch iets bespeuren. + +„Help....” + +Opeens werd die kreet vernomen! Het was Stephanus Bathory, die hem +geslaakt had. De kilheid van het water had hem tot het leven +teruggeroepen; maar hij kon zich niet aan de oppervlakte handhaven. Hij +zou zeker verdronken zijn, wanneer hem niet een stevige hand gegrepen +had op het oogenblik, dat hij ging verdwijnen. + +„Ik ben hier.... Stephanus!.... Houd moed!” + +Graaf Sandorf ondersteunde zijn makker met de eene hand, terwijl hij +met de andere zwom. + +De toestand was zeer kritiek. Stephanus Bathory kon ter nauwernood +zijne ledematen bewegen, verlamd als zij waren door den doorgang van +den electrischen stroom. Voelde hij ook al de brandwonden aan zijne +handen in de koude wateren niet, toch kon hij door die verlamming er +zich niet van bedienen. Als graaf Sandorf hem slechts een oogenblik +losgelaten had, zou hij onmiddellijk gezonken zijn. En toch had de +graaf genoeg met zich zelven te stellen. + +Dan nog verkeerde men in volslagen onzekerheid omtrent de richting, die +deze bergstroom volgde. In welke streek kwam hij uit? In welke rivier, +of in welke zee zou hij uitmonden? Wanneer Mathias Sandorf ook al +geweten had, dat die bergstroom de Foïba was, dan nog was zijn toestand +even wanhopig geweest, dewijl niemand weet waar zijne wateren blijven, +waarin hij zich uitstort. Men had gesloten flesschen bij den ingang van +de spelonk in de Foïba geworpen, en nimmer waren zij ergens in een der +wateren van het Istrische schiereiland te voorschijn getreden. Het kon +zijn, dat zij onderweg gebroken waren bij dien onderaardschen doorgang, +maar het kon ook zijn, dat die watermassa hen medegesleept had in de +een of andere spleet van de aardkorst. + +De vluchtelingen werden intusschen met groote snelheid medegevoerd. Dit +was eene omstandigheid, die het hun gemakkelijk maakte om aan de +oppervlakte te blijven. Stephanus Bathory had zijn bewustzijn verloren. +Hij was als een machteloos lichaam in de handen van graaf Sandorf. Deze +kampte voor twee, maar hij gevoelde dat hij weldra uitgeput geraakte. +Bij de gevaren om tegen de een of andere vooruitstekende rotspunt, +hetzij van de wanden, hetzij hangende van het verwulf te stooten, kwam +nog een ander, dat veel grooter genoemd moest worden. Dat was van in +een dier draaikolken te geraken, die veroorzaakt werden door de +veelvuldige tegenstroomingen, welke daar gevormd worden, waar een wand +plotseling afbrak of een vooruitstekend stuk de regelmatige strooming +verstoorde. Twintig malen voelde Mathias zich met zijn makker in een +van die vloeibare zuigers opgenomen, die hem door hunne ronddraaiende +beweging evenals een maalstroom tot zich trokken. Zij werden dan door +een rondgaande beweging vervoerd en eindelijk naar den buitenrand van +de kolk geworpen, zoo als met een steen uit een slinger zou geschieden, +en konden er niet uitkomen dan door een tegenstroom geholpen. + +Zoo verliep onder die omstandigheden een half uur, waarin de dood hen +iedere minuut, iedere seconde aangrijnsde. Mathias Sandorf, met eene +bovenmenschelijke geestkracht begaafd, had nog geen oogenblik van +zwakte ondervonden. Het was, alles goed beschouwd, gelukkig, dat zijn +makker nagenoeg bewusteloos was. Als het gevoel van zelfbehoud wakker +ware geweest, dan zou hij gesparteld hebben. Dan zou er gestreden +moeten worden om hem te bedwingen, om hem tot onmacht te noodzaken. En +dan zou graaf Sandorf waarschijnlijk genoodzaakt zijn geweest, om hem +aan zijn lot over te laten, om niet beiden te verdrinken. + +Die toestand kon evenwel niet lang blijven duren. De krachten van +Mathias Sandorf begonnen merkbaar af te nemen. In sommige oogenblikken +dook zijn hoofd onder, wanneer hij dat van Stephanus Bathory boven de +watervlakte ophief. Dan was de ademhaling plotseling verbroken. Dan +hijgde hij, dan hoestte, dan kuchte hij, dan werd hij benauwd; want dan +had hij te doen met een begin van verstikking. + +Hij moest zelfs verscheidene malen zijn makker loslaten, wiens hoofd +dan dadelijk onder water dook, maar steeds slaagde hij er in hem weer +te vatten en dat te midden van dien zwaren stroom, die door de +gezwollen wateren nog sterker dan gewoonlijk was en met afgrijselijk +geluid rondom hem loeide. + +Graaf Sandorf voelde dan ook weldra, dat hij verloren was. Het lichaam +van Stephanus Bathory ontsnapte hem eindelijk geheel... Wel trachtte +hij het, als laatste uiting van zijn wilskracht, nog te grijpen; maar +hij vond het niet meer en zelf werd hij onder den waterspiegel +medegesleept. + +Een hevige schok kneusde hem pijnlijk den schouder. Hij stak +instinctmatig de hand uit. Zijne vingeren grepen en omsloten een bundel +wortels, die in het water hingen. + +Die wortels behoorden tot een boomstronk, die door den bergstroom +medegevoerd werd. Mathias Sandorf klemde zich stevig aan dat wrakstuk +vast en kwam toen aan de oppervlakte der Foïba terug. Hij hield zich +vast met de eene hand, maar zocht zijn makker met de andere. + +Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te +grijpen en werkte hem met veel inspanning op den boomstronk, waarna hij +naast hem plaats nam. Beiden waren nu buiten dadelijk gevaar van te +verdrinken, maar zij waren nu aan het lot van dat wrakstuk verbonden en +aan de grillen van de stroomingen en versnellingen van den Buco +overgeleverd. + +Graaf Sandorf was gedurende een oogenblik buiten kennis geraakt. Zijn +eerste zorg was, toen hij weer bijkwam, om maatregelen te nemen dat +Stephanus Bathory niet van den boomstam kon glijden. Uit overmaat van +voorzorg plaatste hij zich achter hem, zoodanig dat hij hem kon +ondersteunen. Toen dat geschied was, keek hij rondom zich, om waar te +nemen of niet eenig daglicht in de grot drong. Hij zou dan den toestand +bij het verlaten van die spelonk kunnen overzien. Maar niets duidde +aan, dat de uitgang van dat eindeloos kanaal nabij was. + +Toch was de toestand der vluchtelingen eenigermate verbeterd. Die +boomstronk was ongeveer tien voet lang en zijn wortels, die op de +watervlakte rustten, moesten verhinderen dat hij zich onverwacht +omkeerde. Wanneer zich geene geweldige schokken zouden voordoen, dan +scheen zijne stabiliteit verzekerd, hoewel de watermassa met kracht als +langs een hellend vlak schoot. Zijne snelheid kon dan ook gerekend +worden op tien mijlen in het uur, en was gelijk aan die van den +bergstroom, die hen meesleepte. + +Mathias Sandorf had inmiddels zijne geheele koelbloedigheid +teruggekregen. Hij poogde toen zijn makker, wiens hoofd op zijne knieën +rustte, tot bewustzijn terug te brengen. Hij vergewiste zich dat zijn +hart nog klopte, maar hij merkte daarbij op, dat hij ter nauwernood nog +maar adem haalde. Hij bukte zich over hem heen, sloot zijne lippen op +die van zijn vriend en blies zoo meerdere lucht in zijne longen. +Misschien zou de eerste inwerking van de ondergane verstikking nog geen +onherstelbare verwoestingen op de edele deelen aangericht hebben. + +En inderdaad, Stephanus Bathory begon zich te bewegen. Diepere en +langere ademhalingen verhieven zijne borstkas en openden zijne lippen. +Eindelijk ontsnapten enkele woorden aan zijn mond. + +„Mijne vrouw!.... Mijn zoon!.... Mathias!” + +Geheel zijn bestaan lag in die woorden opgesloten. + +„Stephanus, hoort ge me?.... hoort ge me?” vroeg graaf Sandorf, die te +midden van het geloei van den bergstroom, hetwelk de gewelven van den +Buco vervulde, schreeuwen moest. + +„Ja!.... Ja....!” + +„Stephanus!.... Stephanus!.... hoort ge mij?” herhaalde graaf Sandorf, +die wellicht de twee woorden van zijn vriend niet verstaan had. + +„Ja!.... Ja!....” herhaalde deze. „Ik hoor u!.... Spreek!.... Mijne +hand in de uwe!....” + +Nu had Mathias verstaan; want hij had zich voorovergebogen en zijn oor +bij den mond van zijn vriend gebracht. + +„Stephanus,” vervolgde hij, „wij zijn niet meer in onmiddellijk gevaar. +Wij hebben een wrakstuk dat ons torscht.... Waarheen?... Dat kan ik +niet zeggen. Maar dat stuk hout zal ons niet ontbreken!” + +„Mathias.... en de vestingtoren?....” + +„Daar zijn wij reeds ver van daan! Men zal in de vesting gelooven, dat +wij den dood in de wateren van deze kolk gevonden hebben en men zal er +voorzeker niet aan denken om ons te achtervolgen! Waar die bergstroom +ook zijne monding heeft, in zee of in eene rivier, zal hij ons toch +eene uitkomst leveren en wij zullen dan levend aanlanden. Laat den moed +dus niet zinken, Stephanus! Ik waak over je! Rust nog maar en herneem +krachten, want die zult ge weldra noodig hebben. Binnen weinige uren +zijn we gered!....” + +„Gered?....” + +„Ja gered!.... en vrij!” + +„Gered en vrij?” + +„Ja, voorzeker!” + +„En Ladislas?” + +Graaf Mathias Sandorf beantwoordde die vraag niet. + +Wat zou hij er in Gods naam op hebben kunnen antwoorden? + +Ladislas Zathmar had slechts tijd gehad om zijne makkers den +alarmkreet, dien hij door het venster der cel geslaakt had, te doen +hooren. Onmiddellijk daarop was hem de vlucht onmogelijk gemaakt. Hij +was gegrepen geworden en werd van toen af streng bewaakt. Als zijne +makkers voor hunnen persoon ook in de mogelijkheid daartoe geweest +waren, zouden zij toch niets hebben kunnen uitrichten. + +Stephanus Bathory had zijn hoofd achterover laten vallen. De physieke +kracht ontbrak hem om de loomheid, die hem bevangen had, te overwinnen. +Maar Mathias Sandorf waakte over hem en was op alles voorbereid, zelfs +om het wrakhout te verlaten, wanneer dat tegen een der hinderpalen, die +te midden van de dikke duisternis, welke alom heerschte, niet te +voorzien en niet te vermijden waren, mocht verbrijzeld worden. + +Het kon ongeveer twee uur in den morgen zijn, toen de snelheid van den +stroom en dus ook die van den boomstronk aanmerkelijk scheen te +minderen. Ongetwijfeld werd dat onderaardsche kanaal gaandeweg breeder, +waardoor de wateren een meer vrijen doortocht tusschen die rotswanden +vonden. Hun gang was dan ook meer regelmatig. Men mocht daaruit +wellicht de gevolgtrekking maken, dat het uiteinde van dat +onderaardsche hol niet ver meer verwijderd kon zijn. + +Maar weken de wanden terzijde uit, dan toonde het gewelf ter zelfder +tijd eene neiging om te dalen. Wanneer graaf Mathias Sandorf de hand +ophief, dan raakte die de onregelmatige krijtlagen en leisteenen, die +boven zijn hoofd welfden. Soms hoorde hij een gedruisch als van eene +wrijving... dat was de een of andere worteltak van den boom, die, +loodrecht omhoog staande, met het uiteinde het gewelf aanraakte. Dan +ontstonden hevige schokken, die aan den stam medegedeeld werden, +waardoor deze schommelde en zwaaide en waardoor hij telkens van +richting veranderde. Nu eens lag hij dwars in den stroom, dan weer +draaide hij om zijn lengte-as, dan weer om zijne breedte-as, zoodat de +vrees om er afgesleurd te worden niet ongegrond was. + +Toen dat gevaar, hetwelk zich herhaaldelijk voorgedaan had, voorbij +was, bleef er een ander over, waarvan graaf Sandorf alle de gevolgen +koelbloedig berekende. Dat was de waarschijnlijkheid, dat het gewelf +der grot van den Buco bleef dalen. De drenkeling had reeds de aanraking +met dat rotsgewelf niet anders kunnen ontwijken, dan door zich +plotseling achterover uit te strekken, wanneer zijne hand eene +uitstekende rots ontmoette. Zou men dus weer in den stroom moeten +dompelen? Wat hem betrof, dat zou nog gaan, maar zou hij er in slagen +om ook zijn makker boven water of hem zelfs onder de wateroppervlakte +bij zich te houden? En als dat onderaardsche kanaal zonder bovenruimte +zich over een langen afstand uitstrekte? Zou er dan mogelijkheid +bestaan er levend uit te komen? Neen!... neen!... dat zou +onherroepelijk het einde zijn, na zooveel doodstrijd reeds doorworsteld +te hebben. + +Hoe geestkrachtvol Mathias Sandorf ook was, hij voelde de doodsangst +hem de keel dichtsnoeren. Hij begreep dat het kritiekste oogenblik, het +uiteinde naderde. De wortels van den boomstam wreven krachtiger tegen +de rotssteenen van het gewelf en soms werd hij met het vooreinde +zoodanig onder water geduwd, dat zijne geheele oppervlakte overstroomd +werd. + +„Toch kan de uitgang van die spelonk thans niet ver meer zijn!” +mompelde graaf Sandorf in zich zelf. + +En dan trachtte hij uit te kijken, of geene lichtstraal daar voor hem +uit de dikke duisternis doorbrak. De nacht zou nu wel reeds zoo ver +gevorderd zijn, dat de duisternis daarbuiten zoo sterk niet meer was. +Misschien verlichtten de bliksemstralen nog het ruim daarbuiten den +Buco. In dat geval zou wel een weinig licht in dit kanaal kunnen +indringen, dat de afgevoerd wordende wateren der Foïba niet meer scheen +te kunnen bevatten. + +Maar niets! Steeds niets! + +Steeds volkomen duisternis. + +Steeds het geloei van den bergstroom, welks schuim nog altijd zwart +bleef. + +Plotseling werd een vreeselijke schok ondervonden. De boomstronk had +met zijn vooreinde tegen een grooten steen, die van het gewelf afhing, +gestooten. Onder dien stoot keerde de boom geheel en al om, maar graaf +Sandorf liet hem niet los. Met de eene hand klemde hij zich wanhopig +aan de wortels vast, met de andere hand had hij zijn makker gegrepen +juist op het oogenblik, dat deze op het punt was om medegesleept te +worden. Daarna liet hij zich in het water glijden, dat thans tegen het +gewelf brak. + +Zoo ging eene minuut voorbij. Mathias Sandorf had een gevoel alsof hij +verloren was. Instinctmatig weerhield hij zijn adem, om het weinigje +lucht, dat in zijne longen nog besloten was, zooveel mogelijk te +sparen. + +Plotseling ondervond hij te midden van de watermassa, hoewel hij de +oogen gesloten hield, een gevoel, alsof een schel licht op zijne +oogleden inwerkte. Een bliksemstraal had geschitterd en werd +onmiddellijk daarop gevolgd door het geratel van den donder. + +Eindelijk!.... daar was licht! + +De Foïba had inderdaad dat sombere onderaardsche kanaal verlaten en +stroomde thans onder den blooten hemel. Maar naar welk punt der kust +stroomde zij? In welke zee zou hare monding uitkomen? + +Dat was steeds het onoplosbare vraagstuk. + +En toch was ’t het vraagstuk van leven en dood. + +De boomstam was ook op de wateroppervlakte teruggekomen. Stephanus +Bathory werd steeds stevig vastgehouden door Mathias Sandorf, die er +eindelijk door eene buitengewone krachtsinspanning in slaagde om hem +weer op het wrakstuk uit te strekken en achter hem plaats te nemen. + +Daarna keek hij vooruit, rondom zich, boven zich. + +Achter hem begon eene zwarte massa in de nevelen te verdwijnen, alsof +zij uitgewischt werd. Dat was de kolossale rotsklomp, die den Buco +vormt en waardoor het onderaardsche hol liep, hetwelk doorgang aan de +wateren der Foïba verleende. De dag werd reeds door een zwak licht +aangekondigd, dat in het zenith waargenomen werd, en nog ijl was als +die sterren-nevelvlekken, welke het oog ter nauwernood gedurende de +helderste winternachten kan bespeuren. Van tijd tot tijd werden de +achtergelegen vakken van den gezichteinder door bliksemstralen +verlicht, terwijl de donder statig maar dof rolde. Het onweer +verwijderde zich of was uitgeraasd, nadat het al de electrische stof, +in het ruim voorhanden, verbruikt had. + +Mathias Sandorf liet zijne blikken niet zonder angst rechts en links +rondwaren. Hij kon toen bemerken, dat de rivier steeds met groote +snelheid tusschen steile rotswanden voortstroomde. + +Het was dus eene stroomversnelling, die de vluchtelingen te midden van +stroomingen, tegenstroomingen en kolken medevoerde. Maar het +uitspansel, het oneindige strekte zich boven hun hoofd uit en niet meer +dat lage gewelf, hetwelk hen ieder oogenblik dreigde den schedel te +verbrijzelen. Er was evenwel geen oever, geen strand, waarop zij vasten +voet zouden kunnen verkrijgen, zelfs geen talud, geene helling, waarop +zij aan land hadden kunnen gaan. De Foïba was als het ware tusschen +twee steile muren ingekist. Het was een smal kanaal met loodrechte +wanden, die door de wateren glad geschuurd waren. + +De laatste indompeling had tot gevolg gehad, om Stephanus Bathory tot +bewustzijn te doen terugkeeren. Zijne hand had die van Mathias Sandorf +gezocht en natuurlijk gevonden. + +Deze boog zich over zijn vriend en sprak hem toe: + +„Gered!” + +Maar.... had hij wel het recht dat woord uit te spreken? + +Gered?.... Hij wist niet eens waarheen die bergstroom hen voerde! + +Gered?.... Hij wist niet eens door welke landstreek zij dreven! + +Gered?.... Hij kon niet weten, wanneer hij dat wrakhout zou kunnen +verlaten! + +En toch, de graaf was zoodanig door geestkracht bezield, dat hij, +terwijl hij zich overeind op den boomstronk oprichtte, drie malen met +krachtige stem dat woord herhaalde: + +„Gered! Gered! Gered!” + +Ja, die woorden klonken luid. Maar om het even, wie zou ze hier hooren? +Niemand was op de naakte rotsen te ontdekken, waarop zelfs ietwat +humus, ietwat teelaarde ontbrak, en waarop slechts rotssteenen, keien +en leisteenen aangetroffen werden, waar zelfs niet zooveel grond +aanwezig was, om eenige struikjes te voeden. De landstreek, die zich +achter die hooge oevernokken uitstrekte, kon geen enkel menschelijk +wezen lokken. Het was eene rampzalige streek, waardoor de Foïba +stroomde, die ingekerkerd was, zooals slechts een afwateringskanaal +tusschen zijne granietmuren kan zijn. Geen enkel beekje kwam onderweg +den stroom voeden. Geen vogel schoor over de watervlakte, zelfs geen +enkele visch waagde zich in die te snelvlietende wateren. Hier en daar +staken boven de oppervlakte groote rotsen uit, welker volkomen droge +brokken genoegzaam aanduidden, dat het heerschende geweld van dien +waterstroom slechts aan eene kortstondige rijzing te danken was, welke +door de laatstgevallen regens veroorzaakt werd. + +In gewone tijden kon de bedding der Foïba niets meer dan een diep +ingesneden ravijn zijn. + +Het was daarenboven niet te vreezen, dat de boomstronk op de rotstoppen +geworpen werd. Hij vermeed ze uit zichzelven, door den stroomdraad te +volgen, die er omheen voerde. Het zou ook onmogelijk geweest zijn het +vervoermiddel der vluchtelingen uit dien stroomdraad te brengen, ook om +zijne snelheid te remmen, om bijvoorbeeld eenig punt des oevers aan te +doen, voor het geval dat de mogelijkheid bestond om aan wal te gaan. + +Zoo ging in die omstandigheden nog een uur voorbij, zonder dat men zich +om een onmiddellijk gevaar had te bekommeren. De laatste +bliksemschichten waren van den hemel verdwenen. In de verte werd van +het onweder niets anders vernomen, dan een dof gerommel, dat door de +hoogere wolken, die boven aan het uitspansel lange vederachtige strepen +vormden, afgestompt werd. + +Het daagde reeds bij de kim en een wit licht bleekte het donkere azuur +van de lucht, die door de nachtelijke buien geheel gezuiverd was. + +Stephanus Bathory zat half overeind en rustte in de armen van graaf +Sandorf, die voor hem waakte. + +In dit oogenblik werd eene verwijderde losbranding in zuidwestelijke +richting vernomen. + +„Wat kan dat zijn?” vroeg Mathias Sandorf zich af. „Is het een +kanonschot, dat de dageraad en de opening van de een of andere haven +aankondigt?” + +In dat geval zouden zij niet ver van de kust verwijderd zijn. Dat moest +hij erkennen. + +Welke haven kon dat wezen? Triëst? + +Neen! want daar is het oosten, daar aan dien kant, waar de zon op het +punt is te verschijnen. + +Zou het Pola zijn, de haven, die op het zuidelijke uiteinde van Istrië +gelegen is? + +Maar... dan is... + +Een tweede losbarsting weerklonk en werd dadelijk daarop door eene +derde gevolgd. + +„Drie kanonschoten?” vroeg graaf Sandorf zich zelven af. „Zou dat het +sein niet eerder zijn van een embargo voor de schepen, die uit zeilen +willen?” + +En na eenig nadenken, mompelde hij: + +„Zou dat in verband staan met onze ontvluchting?” + +Dat was inderdaad te vreezen. + +De autoriteiten hadden voorzeker geen enkele voorzorg verwaarloosd om +de vluchtelingen het verdere ontsnappen te beletten, wanneer het hun +gelukken mocht een vaartuig te bereiken. + +„Dat God ons thans te hulp kome!” mompelde graaf Sandorf. „Hij alleen +kan ons helpen!” + +De hooge rotswanden, die de Foïba omgaven, begonnen langzamerhand lager +te worden, terwijl zij zich verder van elkander verwijderden. Toch was +er nog niets van het omliggende land te verkennen. Plotselinge +buigingen, scherpe hoeken maskeerden den horizon en begrensden den +gezichtskring tot eenige honderden voeten. Onder die omstandigheden was +het oriënteeren totaal onmogelijk. + +Het bed der rivier, dat thans zeer verbreed was, bleef steeds stil en +eenzaam en veroorloofde de wateren met minder snelheid voort te stuwen. +Eenige boomstammen, die bovenstrooms ontworteld waren, volgden den +stroomdraad statig en bijna langzaam. Die Juni-ochtend was vrij frisch. +De vluchtelingen klappertandden en bibberden onder hunne doornatte +kleeding. Het werd hoog tijd dat zij eene schuilplaats vonden, waar de +zon hunne vodden kon drogen. + +Tegen vijf uur werden de laatste uitloopers van het gebergte vervangen +door lage oevers, die zich in eene effen en kale landstreek +ontwikkelden. De Foïba liep toen langs eene bedding, die zeker eene +halve mijl breed was en ging weldra in eene groote uitgestrektheid +water over, die den naam van meer of ten minste van meertje verdiend +zou nebben. Geheel aan het uiteinde in het westen werden eenige +visschersvaartuigen ontwaard, sommige nog voor anker liggende, andere +bezig met zeil te zetten om van de lichte morgenbries gebruik te maken; +zij schenen er op te wijzen dat dit meertje een havenkom was, die breed +uitgesneden in de kust voorkwam. + +De zee kon dus niet ver meer af zijn, het was dus onze vluchtelingen +als aangewezen om haar op te zoeken. Het zou evenwel niet voorzichtig +genoemd kunnen worden eene schuilplaats aan die visschers te gaan +verzoeken. Zich aan hun toevertrouwen, zou, voor het geval zij van de +ontvluchting kennis droegen, groot gevaar opleveren, om aan de +Oostenrijksche maréchaussées, die toch de landstreek doorzoeken +moesten, uitgeleverd te worden. + +Graaf Mathias Sandorf wist waarachtig niet waartoe te besluiten, toen +de boomstronk tegen een anderen stiet, die ternauwernood met de +wateroppervlakte gelijk bij den linkeroever van het meertje in de +modder vastgeklonken lag en bewegingloos bleef liggen, alsof hij voor +anker gekomen was. Zijne wortels verwarden zich zoo stevig in een +boschje struikgewas, dat zij daarin vast bleven zitten en de boomstronk +langs den oever gleed als eene sloep, die het touw, waarmede zij +vastgelegd is, strak loopt. + +Graaf Sandorf stapte op den oever over, evenwel niet zonder eenige +voorzorgsmaatregelen genomen te hebben. Hij verzekerde zich, dat +niemand hem kon bespeuren. + +Zoo ver zijn blik ook droeg, zag hij geen enkel menschelijk wezen, +visscher of iemand anders op of langs dit gedeelte van het meertje. + +En toch lag er een man op het zand op minder dan tweehonderd passen +uitgestrekt, die vandaar de beide vluchtelingen zeer goed kon +waarnemen. + +Toen graaf Sandorf vermeende, dat hij veilig was, stapte hij weer op +den boomstronk, tilde zijn makker in zijne armen op en lei hem zacht op +den oever neer, steeds zonder iets te weten van de streek, waarin hij +zich bevond, noch van de richting die men zou moeten inslaan. + +De uitgestrektheid water, die de Foïba tot monding strekte, was noch +een meertje, noch een meer, maar een haft. Men noemt haar daar ter +plaatse het kanaal van Léma. Het heeft gemeenschap met de Adriatische +zee door eene smalle insnijding, welke tusschen Orsera en Rovigno op de +westkust van het Istrische schiereiland gelegen was. Maar men wist toen +niet dat het de wateren der Foïba waren, die, na de spelonk van den +Buco doorstroomd te hebben, dat haft kwamen voeden. + +Op weinige passen van den oever stond eene jagershut. Graaf Sandorf en +Stephanus Bathory traden er in, om eenige rust te genieten en om hunne +krachten te herstellen. Daar ontdeden zij zich van hunne kleederen, die +in de stralen van de warme Juni-zon spoedig zouden gedroogd zijn. +Daarna wachtten zij. + +De visschersvaartuigen hadden het kanaal van Léma verlaten en, zoover +het oog peilen kon, was de kust eenzaam en stil. + +In dit oogenblik stond de man, die dat schouwspel gadegeslagen had, op, +naderde de hut, alsof hij er de ligging goed van wilde opnemen; daarna +verdween hij in zuidelijke richting, terwijl hij een ietwat verheven +kusthoek omsloeg. + +Drie uren later hadden graaf Sandorf en zijn makker hunne kleederen +weer kunnen aantrekken, die evenwel nog vochtig waren. Maar het werd +tijd om te vertrekken. + +„Wij kunnen niet langer in die hut blijven,” zei Stephanus Bathory. + +„Voelt ge u sterk genoeg om de reis te aanvaarden?” vroeg Mathias +Sandorf. + +„Ik ben flauw en uitgeput door den honger.” + +„Laten wij de kuststrook volgen. Wellicht dat wij er in slagen ons +eenig voedsel te verschaffen, ook om ons in te schepen! Kom, +Stephanus!” + +Beiden verlieten de hut, maar gevoelden zich klaarblijkelijk meer +verzwakt door de ontbering dan door de vermoeienis. + +Het plan van graaf Sandorf was, om den zuidelijken oever van het kanaal +van Léma te volgen, teneinde de zeekust te bereiken. + +Maar was ook al de landstreek eenzaam en verlaten, zoo krioelde zij +toch van beken, die allen naar het haft stroomden. Onder den invloed +van dat vochtige net, was dit gedeelte van den oever slechts een vast +moeras, waarvan de papachtige bodem geen enkel steunpunt aanbood. Men +moest dat dus omtrekken door zuidwaarts af te houden. Die richting was +gemakkelijk waar te nemen bij de klimmende baan der zon. De +vluchtelingen schreden zoo gedurende twee uren voort, zonder een enkel +menschelijk wezen te ontmoeten, maar ook zonder den honger, die hen +teisterde, te kunnen stillen. + +Later werd het land langzamerhand minder schraal. Een weg vertoonde +zich, die van het oosten naar het westen liep. De vluchtelingen +bespeurden een mijlsteen, die niets omtrent de landstreek, waarin zich +graaf Sandorf en Stephanus Bathory blindelings waagden, te kennen gaf. +Evenwel eenige moerbeziënheggen en verder een sorgho-veld veroorloofde +hen zoo niet hunnen honger te stillen, dan toch de behoefte van hun +maag bedriegelijk tevreden te stellen. De rauwe sorgho, die zoo maar +uit de vuist verorberd werd, de frissche moerbeien waren evenwel +voldoende om te beletten van honger neer te vallen, vóórdat zij de kust +bereikt hadden. + +Maar nu die landstreek meer bewoonbaar werd, nu eenige akkers bewezen +dat een menschenhand aan het werk geweest was, nu moest men ook +verwachten bewoners te ontmoeten. + +Dat gebeurde inderdaad zoo tegen het middaguur. + +Vijf of zes voetgangers verschenen op den weg. Voorzichtigheidshalve +wilde graaf Mathias Sandorf zich niet laten bemerken. Gelukkig +ontwaarde hij eene heining om den bouwval van eene pachthoeve, die op +ongeveer vijftig passen ter linkerzij van den weg gelegen was. Daar +vonden hij en zijn makker, nog vóórdat zij ontdekt waren, eene +schuilplaats in een donker vertrek. Er bestond veel kans, dat zij niet +ontdekt werden wanneer de een of andere voorbijganger bij die +pachthoeve stil hield, en zij konden er desnoods, tot de nacht +ingevallen was, blijven. + +Die voetgangers waren boeren en zoutvervaardigers. De meesten hunner +dreven troepen ganzen naar de markt van eene stad of van een dorp, dat +niet ver verwijderd van het kanaal van Léma lag. Mannen en vrouwen +waren volgens de Istrische mode gekleed met de juweelen, medailles, +oorbellen, borstkruizen, horlogekettingen met aanhangselen, die de +kleederdrachten der beide geslachten versierden. Wat de +zoutvervaardigers betrof, zij waren eenvoudig gekleed; zij droegen een +randsel op den rug, een knuppel in de hand, en begaven zich naar de +naburige zoutpannen, wellicht naar de meer belangrijke te Stagnon of te +Pirano, in het westen van de provincie gelegen. + +Sommigen stonden, bij de pachthoeve aangekomen, een oogenblik stil, +anderen zetten zich op den drempel neder en praatten niet zonder +levendigheid met elkander, evenwel slechts over zaken, die op hunnen +handel betrekking hadden. + +De beide vluchtelingen, in hun hoek verscholen, luisterden. + +Misschien droegen die lieden reeds kennis van hunne ontvluchting en +zouden zij er over praten. + +Misschien zouden zij zich ook woorden laten ontvallen, waaruit graaf +Sandorf kon opmaken in welke landstreek van Istrië zijn makker en hij +zich bevonden. + +Geen enkel woord evenwel werd over dat onderwerp gewisseld en men moest +zich dus steeds met gissingen tevreden stellen. + +„Daar de lieden over onze ontvluchting niet spreken,” zei graaf +Sandorf, „valt daaruit op te maken, dat zij nog niet ter hunner kennis +gekomen is.” + +„Dat zou als bewijs kunnen opgenomen worden, dat wij reeds ver van de +vesting verwijderd zijn.” + +„Ja, zeker!” + +„Rekent men de snelheid van den bergstroom, die ons door zijn +onderaardsche gang gedurende zes volle uren meesleurde, dan kunnen wij +er niet verbaasd over zijn.” + +„Neen zeker niet!” antwoordde graaf Sandorf. + +„En het moet zoo zijn,” sprak Bathory. + +Evenwel twee uren later hoorden zij eenige zoutvervaardigers, die de +pachthoeve voorbij stapten, zonder zich op te houden, praten over eene +brigade maréchaussées, die zij bij de poort van de stad ontmoet hadden. + +Welke stad?.... + +Die werd niet genoemd. + +Dat bericht was volstrekt niet geschikt, om onze vluchtelingen gerust +te stellen. + +Wanneer maréchaussées de streek doorkruisten, dan was dat +waarschijnlijk met het doel om hen op te sporen. + +„En toch,” zei Stephanus Bathory, „naar de omstandigheden, waaronder +wij ontsnapt zijn, moet men meenen dat wij dood zijn en van eene +opsporing afzien....” + +„Men zal slechts aan onzen dood gelooven, wanneer men onze lijken +gevonden zal hebben,” antwoordde Mathias Sandorf. + +Hoe het ook zij, dat was buiten kijf, dat de politie op de been was en +de vluchtelingen zocht. Zij besloten dan ook om in de pachthoeve +verscholen te blijven, totdat de nacht ingevallen zou zijn. De honger +kwelde hen; maar zij durfden hunne schuilplaats niet verlaten en daar +deden zij goed aan. + +Dien avond tegen vijf uren, naderde inderdaad een kleine ruiterbende. +Men kon den hoefslag op den weg hooren weerklinken. + +Graaf Sandorf, die, over den grond kruipende, de deur van de omheining +genaderd was, keerde haastig naar zijn makker weder en trok hem met +zich voort tot in den donkersten hoek van het vertrek. + +Daar schuilden beiden onder een hoop struiken weg en hielden zich zoo +onbewegelijk mogelijk. + +Een zestal maréchaussées, aangevoerd door een brigadier, reden langs +den weg en richtten zich oostwaarts. „Zouden zij bij de pachthoeve stil +houden?” vroeg graaf Sandorf zich niet zonder angst af. Wanneer de +maréchaussées dien bouwval doorzochten, dan kon het niet missen, of zij +moesten de verscholenen ontdekken. + +Zij hielden bij die plaats stil. De brigadier commandeerde halt. Twee +maréchaussées en hij stegen van het paard, terwijl de anderen in het +zadel bleven. + +Deze kregen bevel om de streek in de nabijheid van het kanaal van Léma +te doorzoeken en daarna op de pachthoeve terug te trekken, waar men hen +tot des avonds zeven uren wachten zou. + +De vier maréchaussées verwijderden zich en reden den weg op. De +brigadier en de twee anderen bonden hunne paarden aan de spijlen van +een half vergane omheining vast, die de pachthoeve omgaf. Daarna gingen +zij buiten het gebouw zitten en begonnen te praten. De vluchtelingen +konden van uit het vertrek, waar zij verscholen waren, alles hooren. + +„Ja, hedenavond moeten wij naar de stad terugkeeren,” antwoordde de +brigadier op eene vraag, die door een zijner maréchaussées gedaan was. +„Daar zullen wij instructies voor den nachtdienst erlangen. De +telegraaf zal waarschijnlijk wel nieuws van Triëst aangebracht hebben.” + +De besproken stad was dus Triëst niet. Dat was eene bijzonderheid, die +graaf Sandorf niet ontging. + +„Is het niet te vreezen, dat de vluchtelingen, terwijl wij hen hier +zoeken, het kanaal van Quernaro bereikt hebben?” vroeg een der +maréchaussées. + +„Dat’s zeer goed mogelijk,” antwoordde de andere. + +„Waarom?” vroeg de brigadier. + +„Omdat zij daar beter in veiligheid zijn dan hier.” + +„Als zij daarheen getrokken zijn, loopen zij hetzelfde gevaar om +ontdekt te worden als hier.” + +„Meent ge, brigadier?” + +„Voorzeker; want de geheele kust van het eene einde van de provincie +tot het andere wordt bewaakt.” + +Een tweede bijzonderheid, die niet vergeten mocht worden. Graaf Sandorf +en zijn makker bevonden zich dus wel degelijk op de westkust van +Istrië, dat wil zeggen bij den oever van de Adriatische zee en niet op +den oever van het tegenovergelegen kanaal, dat tot Fiuma en +waarschijnlijk verder reikt. + +„Ik denk dat men ook wel nasporingen in de zoutpannen van Pirano en van +Capo d’Istria zal verrichten,” hernam de brigadier. „Men kan zich daar +gemakkelijker schuil houden, en een vaartuig bemachtigen om de +Adriatische zee over te steken.” + +„Ho, ho! brigadier!” riep een der maréchaussées uit. + +„Rimini of Venetië zijn niet ver.” + +„Zij hadden beter gedaan, stil den dood in hunne cel af te wachten,” +antwoordde de andere maréchaussée wijsgeerig. + +„Ja”, meende de andere, „vroeg of laat zal men hen toch wel snappen, +als men hunne lijken niet uit den Buco opvischt! Dan was het uit. En +dan hadden wij bij die hitte het land niet af te loopen, wat geen +baantje is.” + +„En wie zegt je dat het niet uit is?” hernam de brigadier. „De Foïba +heeft zich waarschijnlijk belast met de terechtstelling, en de +veroordeelden konden geen slechteren weg dan dien kiezen om uit den +vestingtoren van de citatel van Pisino te geraken, dan toen de wateren +zoo gezwollen waren!” + +De Foïba, dat was dus de naam der rivier, die graaf Sandorf en zijn +lotgenoot meêgesleurd had. + +De citadel van Pisino, dat was de vesting waarin zij, na hunne +gevangenneming, gekerkerd, verhoord en veroordeeld waren! + +Daar was het, dat zij zouden zijn doodgeschoten. + +Het was uit den vestingtoren van die citadel, dat zij ontsnapt waren! + +Graaf Sandorf kende de stad Pisino goed. Hij was dus omtrent dit voor +hen zoo belangrijke punt ingelicht en het zou alzoo aan het toeval +overgelaten moeten worden, hoe en waarheen zij het Istrische +schiereiland doortrekken zouden, wanneer namelijk de vlucht nog +mogelijk geoordeeld werd. + +Het gesprek der maréchaussées ging niet verder; maar door die weinige +woorden hadden de vluchtelingen alles vernomen wat belangrijk voor hen +was te weten. Alleen hadden zij nog niet vernomen, welke stad het meest +nabij het kanaal van Léma op de kust van de Adriatische zee gelegen +was. + +De brigadier was intusschen opgestaan. Hij stapte langs de omheining +van de pachthoeve op en neer en keek of de uitgezonden manschappen nog +niet terugkwamen. Hij trad twee of drie malen in de bouwvallige woning +en bezocht er al de kamers van, eer uit gewoonte aan zijn vak eigen, +dan uit achterdocht. Hij kwam zelfs tot bij de deur van het vertrek, +waarin de vluchtelingen zaten, en zij zouden zeker ontdekt zijn, +wanneer er geen dikke duisternis geheerscht had. De brigadier trad +zelfs binnen en raakte met het benedeneinde van zijn sabelschede +lichtelijk den hoop struiken aan, waaronder zij verscholen waren. In +dit oogenblik ondervonden graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory +eene afwisselende reeks van angstige gevoelens, die onmogelijk te +beschrijven zijn. + +Zij waren evenwel vast besloten om hun leven zoo nadrukkelijk mogelijk +te verdedigen, wanneer zij zouden ontdekt worden. O, in dat geval +zouden zij voor niets terugdeinzen. Zij zouden zich dan op den +brigadier werpen, zij zouden dan van zijne verrassing en schrik gebruik +maken om hem zijne wapens te ontrukken, zij zouden hem en zijne +manschappen aanvallen, hen dooden of zelf vallen. Dat alles dwarrelde +door hun brein. + +De brigadier werd evenwel een oogenblik later naar buiten geroepen, +zoodat hij het vertrek verliet, zonder er iets verdachts bespeurd te +hebben. De vier maréchaussées, die op verkenning uitgezonden werden, +waren op de pachthoeve teruggekeerd. In weerwil van hunnen ijver, +hadden zij van de vluchtelingen geen spoor ontdekt in die geheele +streek, besloten tusschen de kust en het kanaal van Léma. Zij kwamen +evenwel niet alleen terug. Een man vergezelde hen. + +Dat was een Spanjool, die dagelijks in de zoutpannen in den omtrek +arbeidde. Hij was op weg om naar de stad terug te keeren, toen de +maréchaussées hem ontmoet hadden. Daar hij hen vertelde dat hij de +landstreek tusschen de stad en de zoutpannen doorgetrokken was, +besloten zij hem bij hunnen brigadier te brengen, opdat deze hem zou +kunnen ondervragen. + +Die man weigerde volstrekt niet om hen te volgen. + +Toen hij in de tegenwoordigheid van den brigadier gekomen was, vroeg +deze hem of hij of andere zoutmakers de aanwezigheid van twee vreemde +personen opgemerkt hadden. + +„Neen, brigadier,” antwoordde de man, „maar heden ochtend, een uur +nadat ik de stad verlaten had, heb ik twee mannen waargenomen, die bij +de punt van het kanaal van Léma aan wal kwamen. + +„Twee mannen, zegt ge?” vroeg de brigadier. + +„Ja; maar daar men in den omtrek meende dat de terechtstelling +hedenochtend in de vesting van Pisino had plaats gehad en daar men van +de ontsnapping nog niets wist, heb ik geene aandacht aan die mannen +gewijd. Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen, +wanneer dat de vluchtelingen waren.” + +Graaf Sandorf en Stephanus, steeds in hun donker vertrek verscholen, +hoorden woord voor woord dat gesprek, hetwelk zoo belangrijk voor hen +was. Dus op het oogenblik, dat zij op den oever van het kanaal Léma +voet aan wal zetten, waren zij bespeurd geworden. + +„Hoe heet ge?” vroeg de brigadier. + +„Ik?” + +„Ja, gij.” + +„Wat hebt ge met mijn naam te maken? Ik ben niet ontvlucht.” + +„Om het even. Ik moet dien weten.” + +„Welnu, ik heet Carpena.” + +„En uw beroep?” + +„Mijn beroep?” vroeg Carpena aarzelend. + +„Ja, uw beroep. Kom, maak voort.” + +„Ik ben arbeider in de zoutpannen van dit land.” + +„Uw geboorteland?” + +„Wat hebt ge daar toch mee te maken?” + +„Antwoord slechts, het waarom gaat u niet aan.” + +„Welnu, ik ben Spanjaard.” + +„Waar geboren?” + +„Te Catana, eene plaats aan de Middellandsche Zee.” + +De brigadier, die schrijfgereedschap voor den dag gehaald had, teekende +dat alles op. + +„Zoudt gij die mannen herkennen?” ging hij voort met vragen. + +„Welke mannen?” + +„Houd je nu niet dom. Die mannen, die ge hedenochtend op den oever van +het kanaal van Léma gezien hebt?” + +„Herkennen?.... Dat is maar zoo wat.” + +„Herinner je goed.” + +„Ik heb hen zoo niet gadegeslagen.” + +„Kom, met wat goeden wil.” + +„Nu, ik meen ja.” + +„Ja, wat?” + +„Dat ik ze herkennen zou.” + +„Welnu, dan moet ge naar de stad gaan en daar uwe verklaring bij de +politie afleggen en u ter harer beschikking stellen. + +„Maar....” + +„Doe wat ik je beveel.” + +„Ik zal het doen.” + +„Weet ge dat er vijfduizend gulden belooning uitgeloofd zijn...” + +„Vijfduizend guldens,” vroeg Carpena verbaasd. + +„Ja, vijfduizend gulden, voor hem die de vluchtelingen opspoort”. + +„Het is een mooie som,” sprak de Spanjaard met hebzuchtige stem. + +„En de galeien voor hem, die hen eene schuilplaats verleent.” + +„Drommels, dat is geen gekheid.” + +„Neen, zeker niet.” + +„Het is goed dat ik het weet.” + +„Ga nu,” zei de brigadier. + +„Maar die vijfduizend guldens....” + +„Kom, geen praatjes,” zei de vertegenwoordiger der openbare macht, „ga +nu dadelijk naar de stad.” + +De mededeeling door den Spanjaard gedaan, had tot dadelijk gevolg dat +de maréchaussées zich verwijderden. + +De brigadier gelastte zijne manschappen om op te stijgen. Daarna +vertrok hij, in weerwil dat de nacht reeds ingevallen was, om de +boorden van het kanaal van Léma meer nauwgezet te gaan doorzoeken. + +Wat Carpena betrof, deze ging dadelijk den weg naar de stad op, terwijl +hij in zichzelven mompelde, dat met een beetje geluk, de gevangenneming +van de vluchtelingen hem een aardige som geld kon opbrengen, die wel op +den inboedel van graaf Sandorf gevonden zou worden. + +Mathias Sandorf en Stephanus Bathory bleven evenwel nog een geruimen +tijd verscholen en verlieten het donkere vertrek niet, dat hun tot +schuilplaats gestrekt had. + +Zij dachten na. En daarvoor bestonden waarlijk alle redenen. De +maréchaussées zaten hen achterna, zij waren gezien geworden en konden +herkend worden. De Istrische provinciën boden hun dus geene veiligheid +aan. Zij moesten derhalve dit land binnen den kortst mogelijken tijd +verlaten, hetzij door de Adriatische zee over te steken om zich naar +Italië te begeven, hetzij door Dalmatië en de militaire grenzen door te +trekken, om zoo buiten de landpalen van Oostenrijk te geraken. + +Het eerste plan bood veel meer kansen van welslagen aan, wanneer +namelijk de vluchtelingen zich van een vaartuig konden meester maken, +of dat zij den een of anderen visscher konden overreden om hen naar de +Italiaansche kust over te zetten. + +Dat plan werd dan ook aangenomen en tot die poging besloten. + +Om dat ten uitvoer te brengen, richtten graaf Mathias Sandorf en +Stephanus Bathory zich, nadat zij tegen half acht ongeveer, toen de +duisternis dik genoeg was, den bouwval van de pachthoeve verlaten +hadden, westwaarts, met het doel om de kust van de Adriatische zee te +bereiken. Zij waren reeds dadelijk verplicht om den weg te volgen, ten +einde niet in de moerassen van de Léma te geraken. + +Wanneer zij evenwel die hun onbekende baan volgden, zouden zij dan niet +in de stad terecht komen, die natuurlijk in verbinding stond met het +binnenland van Istrië? + +Gingen zij daardoor niet het grootste gevaar tegemoet? + +Zeker, was het dat. Maar hoe konden zij anders handelen? + +Het was omstreeks negen uur, toen de zwarte omtrekken eener stad zich +ongeveer op een kwartmijl afstand in het donker voordeden. Het zou +moeilijk geweest zijn dat niet te ontwaren. + +Het was eene opeenhooping van huizen, die zich lomp verhieven op eene +rotsmassa, die de zee beheerschte als ook een havenkom, die diep in de +kust ingesneden was. Het geheel werd beheerscht door een soort vlot, +dat zich, in somberen stijl gebouwd, vertoonde en waaraan de duisternis +onmogelijke afmetingen verleende. + +Mathias Sandorf was vast besloten om die stad niet binnen te treden, +waar de aankomst van beide vreemdelingen dadelijk bekend zoude worden. + +Het kwam er dus op aan om haar om te trekken, om zoo mogelijk een der +kustpunten te bereiken. + +Maar dat kon niet uitgevoerd worden, zonder dat de beide vluchtelingen +buiten hun medeweten gevolgd werden door dienzelfden man, die hen reeds +op den oever van het kanaal van Léma bespied had, toen zij voet aan wal +zetten. Dat was dezelfde Carpena, wiens verklaring aan den brigadier +van de maréchaussées zij hadden hooren afleggen. Inderdaad had de +Spanjaard, verlekkerd door de uitgeloofde premie, zich ter zijde +opgesteld, toen hij naar huis wilde terugkeeren, om zoo den weg beter +waar te nemen. Het toeval was hem gunstig, voor de arme vluchtelingen +echter ongunstig geweest; want het lot had hem op het spoor der +rampzaligen gebracht. + +In hetzelfde oogenblik bijna dreigde een bende politie-agenten, die +door een der stadspoorten naar buiten stapten, de vluchtelingen den weg +af te snijden. Zij hadden ternauwernood den tijd om zich ter zijde te +werpen. Daarna richtten zij zich ijlings naar het strand, daarbij den +buitenmuur der buitenhaven volgende. + +Daar stond eene bescheiden visschershut met hare kleine vensters, +waardoor het licht scheen. De deur stond op een kier open. + +Wanneer Mathias Sandorf en Stephanus Bathory daar geene schuilplaats +vonden, wanneer men weigerde hen op te nemen, dan waren zij reddeloos +verloren. + +Daarin eene toevlucht zoeken, was waarlijk alles op één worp wagen! + +Maar konden zij, mochten zij in de omstandigheden, waarin zij zich +bevonden, aarzelen? + +Graaf Sandorf en zijn lotgenoot liepen naar de deur toe en bleven op +den drempel stil staan. + +In het binnenvertrek hield een man zich onledig bij het scherpe licht +eener lantaarn, met het herstellen van netten. Hij scheen bij zijn werk +te mijmeren; want hij schrikte als het ware op toen eene stem zich liet +hooren: + +„Vriend....” sprak graaf Sandorf. + +„Wat.... wat is er?” + +„Vriend, hoe heet deze stad?” + +„Deze stad?” + +„Ja.” + +„Dat is Rovigno.” + +„In wiens huis zijn wij hier?” + +„Waarom wilt gij dat weten?” + +„Zeg het ons maar.” + +„Als ik u daarmede genoegen kan doen?....” + +„Voorzeker, doet ge dat.” + +„Wel, ik heet Andreas Ferrato.” + +„Wat is uw beroep?” + +„Ik ben visscher en dit huis is het mijne.” + +Dat werd met eene onnavolgbare kalmte en fierheid gezegd. Een vorst zou +met niet meer waardigheid het: ik ben koning hebben kunnen uitspreken. +Toch geschiedde het met den meesten eenvoud en natuurlijkheid. + +„Zou de visscher Andreas Ferrato ons voor dezen nacht een onderdak +willen verleenen?” + +Andreas Ferrato keek hen met een doordringenden blik aan. Daarna stond +hij op, stapte, naar de deur en keek naar buiten. In dat ondeelbare +oogenblik bespeurde hij de bende politie-agenten, die den hoek van den +havenmuur omsloegen. Toen raadde, toen begreep hij ongetwijfeld alles. +Hij zag in wie zij waren, die hem gastvrijheid afsmeekten. Hij zag met +een oogopslag, dat wanneer hij eene seconde draalde met hun te +antwoorden, die mannen verloren waren. + +„Komt binnen,” sprak hij. + +De twee vluchtelingen haastten zich intusschen niet om dien deurdrempel +te overschrijden. + +„Vriend,” zei graaf Sandorf.... + +„Wat is er? Ik zeg u om binnen te komen.” + +„Vriend, er zijn vijfduizend gulden belooning uitgeloofd aan hem, die +de gevangenen, welke den vestingtoren van Pisino ontvlucht zijn, +uitlevert.” + +„Ik weet dit.” + +„De galeien staan er op, voor hem die hun eene toevlucht verleent.” + +„De galeien?” + +„Ja, vriend, de galeien!” + +„Ik weet dit.” + +„Gij kunt ons overleveren....” + +„Ik?....” + +„De som is niet gering....” + +„Ik!.... een verrader!....” + +„En het gevaar is groot!....” + +„Ik heb u gezegd: komt binnen, ik herhaal die uitnoodiging!” antwoordde +de visscher. + +Beiden traden binnen. + +Andreas Ferrato sloot juist zijne deur dicht, toen de bende +politiedienaren zijn huis voorbijtrokken. + + + + + + + + +VIII. + +DE HUT VAN DEN VISSCHER FERRATO. + + +Andreas Ferrato was Corsicaan van oorsprong en geboren te Santa Manza, +eene kleine havenplaats in het arrondissement Sartène, die achter eene +ombuiging van de zuidelijke punt van het eiland gelegen was. + +De havenplaats met die van Bastia en die van Porto Vecchio waren de +eenigen, die ettelijke duizenden jaren geleden toegang tot de oostkust +van het eiland gaven, welks kustlijn daar toen zoo grillig en +fantastisch ingesneden was, maar die nu meer effen geworden is door het +voortdurend afknabbelen èn door de bergstroomen èn door de zeegolven, +die allengs de voorgebergten en kapen hebben doen instorten en hen +verzwolgen, waardoor zijne baaien en kreeken uitgewischt werden. + +Het was daar te Santa Manza dat Andreas Ferrato, op dat gedeelte der +Middellandsche zee, hetwelk zich tusschen Corsica en het Italiaansche +vasteland uitstrekt, zijn visschersbedrijf uitoefende. Hij waagde zich +soms te midden van de rotsen van de Straat van Bonifacio op de kusten +van Sardinië. + +Het visschersbedrijf is een ruw, moeitevol leven, vooral wanneer de +koraalvisscherij aan de vischvangst gepaard gaat. De koralen toch +moeten op de onderzeesche banken op de slechtste plaatsen van de Straat +of van de zeeëngten gezocht worden. + +Maar Andreas Ferrato was een moedige kerel, die bovendien stevig +gebouwd en onvermoeibaar was. Hij wist zich even behendig van zijne +vischnetten te bedienen, als van zijne dreg. Zijne zaken bloeiden dan +ook. En geen wonder! Zijne vrouw was arbeidzaam en schrander, en stond +als eene ware heldin aan het hoofd van het kleine gezin van Santa +Manza. Beiden konden lezen, schrijven en rekenen en waren bijgevolg +betrekkelijk goed onderwezen, althans wanneer men hen vergeleek met de +honderd vijftig duizend ongeletterden, die nog steeds door de +statistiek opgegeven worden onder de twee honderd zestig duizend +bewoners van het eiland. + +Bovendien was Andreas Ferrato—misschien wel tengevolge van die meerdere +kennis—in zijne denkbeelden en in zijn hart zeer Franschgezind, hoewel +hij, zooals zijn naam reeds aanduidt en zooals trouwens alle Corsicanen +zijn, van Italiaanschen oorsprong was. Die Franschgezindheid had hem op +dat tijdstip menige vijandschap in het kanton op den hals gehaald. + +Dat kanton, dat op het zuidelijk uiteinde van het eiland, ver van +Bastia, ver van Ajaccio, ver van de administratieve en rechterlijke +middelpunten gelegen is, moet inderdaad als zeer weerstrevend wegens +ieder die niet Italiaansch of Sardinisch gezind is, beschouwd worden. +Dit is eene betreurenswaardige staat van zaken, die niet eindigen zal +dan tengevolge van eene betere opvoeding der latere geslachten. + +Zooals gezegd is, bestond er steeds eene verborgen vijandschap jegens +het gezin Ferrato. Nu is op Corsica de afstand tusschen vijandschap en +haat niet groot en van haat tot gewelddadigheden is hij nog minder. +Eenige omstandigheden verergerden dien toestand nog. + +Op een dag dat Andreas Ferrato zijn geduld uitgeput gevoelde, had hij +in eene opwelling van drift en toorn, eene „huid gesneden,” een +„knoopsgat gemaakt.” Hij doodde een schavuit uit die streek, maar... +was toen verplicht te vluchten. + +Andreas Ferrato was er evenwel de man niet naar om zich in de bergen te +verschuilen, om daar in dagelijkschen strijd te leven zoowel tegen de +politie als tegen de verwanten, makkers en vrienden van den gedoodde, +en daardoor de reeks wraaknemingen, die ook de zijnen zouden treffen, +te vergrooten. Hij besloot dadelijk om zijn vaderland te verlaten. Hij +vertrok heimelijk van Corsica, om eene schuilplaats op de Sardinische +kust te zoeken. Toen zijne vrouw hunne geringe bezittingen had te gelde +gemaakt, het huis overgedaan en de meubels, het vaartuig en vischnetten +verkocht had, vertrok zij ook derwaarts met hare dochter. + +Andreas Ferrato had het besluit genomen, om nooit meer in zijn +vaderland terug te keeren. + +Daarenboven drukte die moord, hoewel hij uit zelfverdediging geschied +was, het geweten van Andreas Ferrato. Met zijn eenigszins bijgeloovig +karakter, zijnen landaard zoo eigen, stelde hij zich tot taak die daad +te vergoeden. Hij meende dat de moord van dien man hem niet zou +vergeven worden, dan wanneer hij het leven van een ander mensch met +gevaar van zijn eigen bestaan zou gered hebben. En hij was vast +besloten dat te doen, wanneer de gelegenheid zich daartoe zou +aanbieden. + +Andreas Ferrato was evenwel, nadat hij Corsica verlaten had, slechts +korten tijd in Sardinië gebleven, waar hij gemakkelijk ontdekt en +herkend kon worden. Hij was een moedig en geestkrachtvol man. Hij +beefde dan niet voor zijn persoon, maar wel voor de zijnen, die door de +weerwraak van de verwanten van den verslagene getroffen konden worden. + +Hij wachtte het oogenblik af, dat hij zich verwijderen kon, zonder +achterdocht op te wekken, en trok toen Italië door. Toen hij te Ancona +aangekomen was, deed zich eene gelegenheid voor om de Adriatische zee +over te steken en de Istrische kust te bereiken. Hij nam haar gretig +waar. + +Ziedaar de redenen waarom en de omstandigheden waarin die Corsicaan +zich bij de kleine havenplaats Rovigno gevestigd had. Hij woonde daar +sedert zeventien jaren, en had er het visschersbedrijf hervat. Dat had +tengevolge dat hij de vroeger genoten gegoedheid terug verdiende. Negen +jaren na zijne aankomst was hem een zoon geboren, die Luigi genoemd +werd, en wiens geboorte zijne moeder het leven kostte. + +Sedert hij weduwnaar was, leefde Andreas Ferrato slechts voor zijne +dochter en zijn zoon. Maria was toen achttien jaren oud en strekte den +jongeren broeder, die toen zijn achtste jaar bereikte, tot moeder. En +ware het de droefheid niet geweest, van zijne wakkere levensgezellin +verloren te hebben, die zich steeds nijpend deed gevoelen, dan zou die +visscher van Rovigno zoo gelukkig geweest zijn als iemand het kan zijn, +die door zijn arbeid zijn brood verdient en die de genoegdoening +gevoelt zijnen plicht gedaan te hebben. + +De lezer weet dat hij ten rechte geroemd werd als zeer behendig in het +uitoefenen van zijn handwerk. Te midden van die lange rijen rotsen, die +de stranden van Istrië dekken, had hij zijne vischvangst in de baai +Santa Manza of in de Straat van Bonifacio niet te betreuren. +Daarenboven was hij goed bekend geworden in die streek, waar dezelfde +taal als in Corsica gesproken werd. + +De voordeelen, welke hij behaalde door schepen te loodsen op de kust +van Pola af tot Triëst, werden nog vermeerderd met de verdiensten van +het visschersbedrijf in die vischrijke wateren. In zijn huis vonden de +arme lieden dan ook altijd een onderkomen of een goede aalmoes, en in +die liefdadigheidswerken werd hij zooveel slechts mogelijk was geholpen +door zijne dochter Maria. + +Maar de visscher van Santa Manza vergat daardoor de gelofte niet, die +hij weleer afgelegd had: leven om leven! Hij had het leven aan een +wezen ontnomen; hij zou het leven van anderen redden. Ziedaar de reden +waarom hij zonder de minste aarzeling tot de vreemdelingen zei: „Komt +binnen,” toen zij zich aan zijne deur vertoonden, hoewel hij raadde wie +zij waren en hoewel hij wist aan welke straf hij zich blootstelde. + +Ja, dat „komt binnen” had hij flinkweg uitgesproken; maar in zijn +binnenste had hij er bijgevoegd: + +„En dat God ons onder Zijne hoede neme!” + +Intusschen was de bende politie-agenten de deur van het huis van +Andreas Ferrato voorbijgestapt, zonder er op te houden. Graaf Mathias +Sandorf en Stephanus Bathory konden dus meenen dat zij voor ettelijke +nachtelijke uren in het huis van den Corsicaanschen visscher in +betrekkelijke veiligheid waren. + +Dat huis was niet in de stad gebouwd, maar op een afstand van ongeveer +vijfhonderd passen van de stadsmuren en buiten de haven, op eene +rotsbedding, die het strand beheerschte. Daar buiten die strook, waar, +op minder dan eene kabellengte, de golven tegen de klippen van het +kustland braken, strekte zich de onmetelijke gezichteinder der zee uit. +Naar den kant van het zuidwesten werd het voorgebergte ontwaard, dat in +een afgeronde en omgebogen punt eindigde en door welker kromming de +kleine reede van Rovigno op de Adriatische Zee omsloten wordt. + +Het geheele huis van Andreas Ferrato bevatte slechts eene gelijkvloers +verdieping, die bestond uit vier kamers, twee aan de voorgevelzijde en +twee aan den achterkant, en een getralied houten bijgebouwtje, waarin +men de gereedschappen tot de vischvangst opborg. + +Zijn visschersboot was een soort logger, slechts voorzien van één mast. +Dat vaartuig was dertig voet lang, maar had een breeden bijna +vierkanten voorsteven, hetgeen voor de koraalvisscherij met de dreg +zeer gemakkelijk was. Wanneer het vaartuig niet gebezigd werd, lag het +binnen en volkomen vrij van de rotsen geankerd, en werd de gemeenschap +met den wal onderhouden door eene kleine jol, die thans aan het strand +op het droge getrokken was. + +Achter dat huis strekte zich een omheinde tuin van een halven bunder +uit, waarin eenige groenten te midden van moerbeziënboomen, olijfboomen +en van wijnstokken geteeld werden. Eene dichte heg scheidde dien tuin +van eene beek, die vijf of zes voeten breed was en de grens aan den +kant van het veld vormde. + +Ziedaar de nederige gastvrije woning, waarin de Voorzienigheid de +vluchtelingen gevoerd had. + +Ziedaar de gastheer, die zijne vrijheid waagde, om hun een +toevluchtsoord te verschaffen. + +Zoodra de deur achter hen dicht gesloten was, keken graaf Sandorf en +Stephanus Bathory rond in de kamer, waarin de visscher hen ontvangen +had. + +Dat was wel het voornaamste vertrek van de geheele woning. Het was +slechts spaarzaam gemeubeld; maar wat er in stond, was zindelijk +onderhouden en duidde de hand en den smaak aan van eene degelijke en +zorgzame huisvrouw. + +„Vóór alles moet gij thans eten, niet waar?” vroeg Andreas Ferrato. + +„Ja, wij sterven van honger,” antwoordde graaf Sandorf. „Wij hebben +hoegenaamd geen voedsel in de laatste vier en twintig uren gehad.” + +„Ge hoort het, Maria?” hernam de visscher. + +„Ja, vader,” sprak het meisje. + +En een oogenblik later had zij een stuk gezouten varkensvleesch, een +schotel gekookte visch, eene flinke portie brood, een flesch landwijn +met twee glazen, een schoteltje rozijnen, een helder wit tafellaken en +twee borden met de noodige vorken en messen op de tafel geplaatst. + +Een „reglione,” eene soort olielamp met drie pitten, verlichtte het +vertrek. + +Graaf Sandorf en Stephanus Bathory namen dadelijk aan tafel plaats. Zij +waren waarlijk op het punt van in onmacht te vallen. + +„En gij?” vroegen zij aan den visscher. + +„Ik?” + +„Ja, gij. Doet gij niet mede?” + +„Wij hebben reeds geavondmaald,” antwoordde Andreas Ferrato. + +Die twee uitgehongerden verslonden—ja, dat is het woord,—de spijzen, +die hun met zooveel eenvoud en zoo goedhartig voorgezet waren. + +Maar terwijl zij aten, sloegen zij voortdurend den visscher, zijne +dochter en zijn zoon gade, welke laatste in een hoek gezeten was. Allen +keken de vreemdelingen aan, zonder evenwel een woord te spreken. + +Andreas Ferrato kon toen twee en veertig jaar oud zijn. Het was een man +met een ernstig, ja zelfs eenigszins droevig gelaat. Hoewel zijn +gezicht door de zon gebruind was, had hij gelaatstrekken vol +uitdrukking, waarbij zwarte oogen met levendigen blik. Hij droeg de +kleeding der visschers van de Adriatische zee, waaronder een edele +borst klopte, terwijl zich daarin eene flink ontwikkelde gestalte liet +ontwaren. + +Maria—welker gestalte en gelaat aan die harer moeder herinnerde—was +groot van stuk, welgemaakt en zeer schoon. Zij had vurige zwarte oogen, +bruine haren en eene huid, die door het Corsicaansche bloed, dat door +hare aderen vloeide, warm getint was. Zij had een ernstig karakter, als +gevolg van de verplichtingen, die zij van hare prilste jeugd op zich +had voelen rusten. In hare houding, in hare bewegingen spreidde zij die +kalmte ten toon, die eene bedachtzame geaardheid eigen is. Alles duidde +bij dit jonge meisje op eene geestkracht, die haar nimmer in den steek +zou laten, welke ook de omstandigheden zouden zijn, waarin zij zich zou +kunnen bevinden. + +Zij was herhaaldelijk door jeugdige visschers uit den omtrek ten +huwelijk gevraagd, maar zij had daaraan nimmer het oor geleend. +Behoorde haar leven niet aan haren vader toe, en aan dat kind, dat zij +zoo innig, innig liefhad? + +Wat Luigi betrof, dat was een flinke vastberaden jongen, een moedig en +degelijk visscher. Hij was reeds volkomen met den werkkring van zeeman +bekend. Hij vergezelde Andreas Ferrato, zijn vader, bij zijne +visscherijen en bij zijne loodsdiensten en was daarbij steeds +blootshoofds, onverschillig of het waaide en of het regende. Hij +beloofde een stevige, gezonde kerel te zullen worden, die meer dan +stoutmoedig, die koen ja roekeloos zou zijn. Hij was tegen alle +guurheden van het weder gehard en had hoegenaamd geen oog voor eenig +gevaar. Hij had zijn vader lief en aanbad zijne zuster. + +Graaf Mathias Sandorf had die drie wezens, die door zoo innige banden +aan elkander verbonden waren, nauwkeurig gadeslagen. Hij koesterde dan +ook geen twijfel, dat hij zich bij eerlijke, brave lieden bevond, die +hij volkomen vertrouwen kon. + +Toen het maal afgeloopen en de honger verzadigd was, stond Andreas +Ferrato op en naderde graaf Mathias Sandorf. + +„Gaat nu slapen, heeren,” zei hij op eenvoudigen toon. + +„Slapen?” vroegen de vluchtelingen. + +„Ja, slapen, rusten,” hernam de visscher. + +„Dat kunnen wij niet.” + +„Niemand weet dat gij hier zijt.” + +„Dat ’s waar; maar....” + +„Morgen zullen wij zien, wat ons verder te doen staat.” + +„Neen, Andreas Ferrato, neen!” antwoordde graaf Sandorf. + +„Dat kan niet.” + +„Wat kan niet?” + +„Dat wij heden nacht hier blijven.” + +„Ah bah!” + +„Onze honger is gestild. Onze krachten zijn weergekeerd. Wij moeten nu +dadelijk dit huis verlaten!” + +„Daar valt niet aan te denken!” + +„Onze tegenwoordigheid veroorzaakt voor u en de uwen te groot gevaar!” +zei Mathias Sandorf. + +„Ja, wij moeten vertrekken,” beaamde Stephanus Bathory. „En dat God u +beloone voor hetgeen gij voor ons gedaan hebt.” + +„Gaat slapen! Dat is voorshands het noodzakelijkste,” hernam de +visscher. + +„Wij kunnen niet,” antwoordde graaf Sandorf. + +„De kust wordt heden avond bewaakt.” + +„O, God!” + +„Men heeft een embargo op alle schepen van al de havens van deze streek +gelegd.” + +„Onmogelijk!” + +„Heden nacht is niets te beproeven, dat verzeker ik u.” + +„Maar....” + +„Gaat slapen,” herhaalde Andreas Ferrato. + +„Als gij het dan wilt. Het zij zoo,” antwoordde graaf Mathias Sandorf. + +„Ja, ik wil het!” + +„Een woord evenwel nog!” + +„En dat is?” + +„Wanneer is onze ontsnapping bekend geworden?....” + +„Sedert dezen morgen,” antwoordde Andreas Ferrato. „Maar...” + +„Maar, wat?” vroeg graaf Sandorf, toen hij de aarzeling van den +visscher bemerkte. + +„Gij waart met uw vieren gevangen in den vestingtoren van Pisino?” + +„Ja.” + +„Gij zijt slechts met u beiden hier?” + +„Helaas!” + +„Men zegt,” ging Andreas Ferrato voort, „dat de derde in vrijheid +gesteld zal worden.” + +„Sarcany!” riep Mathias Sandorf toornig uit, vóórdat hij dat gevoel van +woede, alleen door de gedachte aan dien verafschuwden man opgewekt, had +kunnen bedwingen. + +„En de vierde?”.... vroeg Stephanus Bathory aarzelend, zonder zijn +volzin te durven eindigen. + +„De vierde is nog in leven,” antwoordde Andreas Ferrato. + +„In leven?” riep Stephanus Bathory uit. + +„Ja, de terechtstelling is verdaagd,” zei de visscher. + +„Nog in leven?” herhaalde Stephanus Bathory. + +„Ja, ik herhaal....” wilde Andreas Ferrato zeggen. + +„Is het mogelijk?” riep Bathory steeds ontzet uit. + +„Wel zeker,” hernam graaf Sandorf spottend. „Men wil wachten tot dat +men ons opgespoord en gesnapt zal hebben, om ons de vreugde te bereiden +te zamen te sterven.” + +„Mathias!” kreet Stephanus Bathory. + +„Maria,” zei Andreas Ferrato bedaard, „wijs onze gasten hunne kamer. Ge +weet wel die aan de achterzijde, die op het bijgebouwtje uitgang +verleent.” + +„Ja, vader,” antwoordde het jonge meisje. + +„Maar geen licht opsteken, hoor,” ging hij voort. + +„Goed, vader.” + +„Heden avond moet dat raam niet verlicht wezen.” + +„Ja, vader.” + +„Dat zou achterdocht kunnen opwekken.” + +„Kom, heeren,” sprak het jonge meisje. + +Een oogenblik later wisselden graaf Sandorf en zijn makker een +hartelijken handdruk met den visscher. Daarna traden zij hunne kamer +binnen, waar hun twee goede matrassen of beter stroozakken met +maïsbladeren gevuld, wachtten, waarop zij van hunne vermoeienissen, die +zij zoo ruimschoots verduurd hadden, konden uitrusten. + +Maar Andreas Ferrato en zijn zoon Luigi hadden reeds het huis verlaten. +Zij wilden zich overtuigen dat niemand in den omtrek rondzwierf, noch +op het strand, noch in het veld aan de overzijde van de beek. De +vluchtelingen konden dus gerust tot het aanbreken van den dag slapen. + +De nacht ging zonder bijzondere voorvallen voorbij. De visscher was +herhaaldelijk naar buiten getreden. Hij had evenwel niets verdachts +bespeurd. + +Den volgenden morgen, den 18en Juni, ging Andreas Ferrato, terwijl +zijne gasten nog sliepen, op kondschap uit tot in het midden der stad, +als ook op de kaden van de haven. Op verscheidene punten trof hij +samenscholingen aan van nieuwsgierigen en leegloopers. Een +aanplakbiljet, sedert den vorigen dag reeds op de daarvoor bestemde +plaatsen bevestigd, gaf kennis van de ontsnapping, van de straffen, die +op het verleenen van hulp aan de vluchtelingen stond, van de premie die +uitgeloofd was. Dat maakte natuurlijk het onderwerp uit van alle +gesprekken. Men babbelde, men vertelde nieuwtjes, men herhaalde het +gehoorde niet altijd nauwkeurig, soms zeer onjuist en men wist het +juiste evenmin als tevoren. + +Niets duidde aan dat graaf Sandorf en zijn lotgenoot in den omtrek +gezien waren, of dat men zelfs hunne aanwezigheid in de provincie +vermoedde. Toch verspreidde zich tegen tien uren in den morgen, toen de +brigadier der maréchaussées met zijne manschappen na hunne nachtelijke +ronde te Rovigno waren teruggekeerd, het gerucht, dat twee +vreemdelingen vier en twintig uren te voren gezien waren op de oevers +van het kanaal van Léma. Men had de geheele landstreek tot aan de zee +doorzocht, om hun spoor terug te vinden, maar zonder gevolg. Er was +niets op te merken van hunnen doortocht. + +Hadden zij dus de kuststreek kunnen bereiken en een vaartuig +bemachtigd? + +Of hadden zij zich naar een ander punt van Istrië begeven? + +Of wel, hadden zij de Oostenrijksche grens overschreden? + +Alles was mogelijk. + +„Mooi!” werd gezegd. „Dat zullen al vast vijf duizend gulden zijn, die +voor de schatkist bewaard blijven.” + +„Een geld dat beter besteed kan worden dan om hatelijke verklikkerijen +te beloonen!” + +„Ja zeker! + +„God geve dat de arme vluchtelingen mogen ontsnappen!” + +„Ontsnappen!....” + +„Ik hoop het!” + +„Och, dat zal wel reeds geschied zijn!” + +„Zij zullen wel reeds in veiligheid aan de andere zijde van de +Adriatische zee zijn!” + +Afgaande op dat gepraat, dat in het meerendeel der groepen van boeren, +burgers en arbeiders, die voor de aanplakbiljetten stilstonden, +gehouden werd, was de openbare meening, zooals men ziet, zeer ten +gunste van de veroordeelden, ten minste onder de bewoners van Istrië, +schier allen Slavoniërs en Italianen van geboorte. De Oostenrijksche +beambten konden dus niet op eene verklikking van dien kant rekenen. +Niets werd dan ook nagelaten of verzuimd om de vluchtelingen weer te +vinden. Al de benden politie-agenten, al de brigades maréchaussées +waren sedert den vorigen dag op de been en er werden onophoudelijk +telegrammen tusschen Rovigno, Pisino en Triëst gewisseld. + +Toen Andreas Ferrato tegen elf uur tehuis kwam, deelde hij die +berichten, die eerder goed dan slecht waren, mede. + +Graaf Sandorf en Stephanus Bathory, die door Maria in de kamer, waarin +zij overnacht hadden, bediend werden, hadden juist in dat oogenblik hun +ontbijt verorberd. + +Die eenige uren rust, dat heerlijke maal, die goede verpleging had hen +geheel en al van hunne uitputting hersteld. + +„Welnu, vriend?” vroeg graaf Sandorf, zoodra de deur achter Andreas +Ferrato gesloten was. + +„Ik geloof niet, heeren,” antwoordde de visscher, „dat gij voor het +oogenblik iets te vreezen hebt.” + +„Maar wat wordt er in de stad verteld?” vroeg Stephanus Bathory. + +„Ja, wat wordt er verteld? Zeg ons dat,” herhaalde ook graaf Sandorf. + +„Men spreekt wel van twee vreemdelingen, die gisterenochtend gezien +zijn, op het oogenblik, dat....” + +„Ga voort, wat ik u bidden mag,” zei graaf Sandorf bij de aarzeling van +den visscher. + +„Op het oogenblik,” vervolgde deze, „dat zij op den oever van het +kanaal van Léma voet aan wal zetten.... En....” + +„En wat?” vroeg Stephanus Bathory ongeduldig. + +„En als gij het zijt.... heeren....” + +„Ga voort. Wij zijn het inderdaad,” zei Stephanus Bathory. „Een man, +een zoutarbeider van den omtrek, heeft ons gezien en aangebracht.” + +Toen werd Andreas Ferrato op de hoogte gebracht van hetgeen in den +bouwval der pachthoeve voorgevallen was, terwijl de vluchtelingen er +verscholen waren. + +„En weet gij niet, wie die verklikker is?” vroeg de visscher met +aandrang. + +„Neen,” antwoordde Bathory. + +„Wij hebben hem niet kunnen zien,” vulde graaf Sandorf verder aan; „wij +hebben slechts zijne stem kunnen vernemen.” + +„Dat is een betreurenswaardige omstandigheid,” hernam Andreas Ferrato. +„Het voornaamste en gewichtigste evenwel is, dat men uw spoor verloren +heeft. Bovendien al ware het dat men omtrent uwe aanwezigheid in mijne +woning achterdocht had, dan geloof ik niet dat er eene verklikking te +vreezen is.” + +„Zoo?” vroeg Stephanus Bathory verbaasd. „Waarom niet?” + +„Omdat alle menschen hier in Rovigno ten uwen voordeele zijn!” + +„Ja, daarover verwonder ik mij niet,” hernam graaf Sandorf. „Het is +eene moedige en eerlijke bevolking in deze provinciën! Toch moet het +oog op de Oostenrijksche autoriteiten gehouden worden. Zij zullen voor +niets terugdeinzen om ons weer in hunne macht te krijgen.” + +„Wat u geruststellen moet, heeren,” sprak de visscher, „dat is dat de +meening, waarin men verkeert, luidt, dat gij reeds de overzijde van de +Adriatische zee hebt kunnen bereiken.” + +„Och, God gave dat het zoo ware!” zuchtte Maria, die de handen gevouwen +en de oogen ten hemel geslagen had, alsof zij een gebed slaakte. + +„Het zal zoo worden, lief kind,” antwoordde graaf Sandorf op den toon +der vurigste overtuiging. „Ja, met Gods hulp zullen wij ontsnappen....” + +„En met de mijne, heer graaf!” hernam Andreas Ferrato. „Ik ga nu aan +mijne bezigheden. Men is gewoon ons, Luigi en mij, bezig te zien met +het herstel onzer netten op het strand, of met het schoonmaken van ons +vaartuig. Wij moeten niets aan den gewonen gang van zaken veranderen.” + +„Voorzeker niet,” zei Stephanus Bathory. + +„Ik heb bovendien noodig om mij omtrent den toestand van het weer te +vergewissen, alvorens een besluit te nemen. Blijft dus in deze kamer. +Verlaat haar onder geen voorwendsel. Doet, om alle achterdocht te +vermijden, het venster open, dat op onzen tuin uitzicht verleent, maar +blijft in het achterste gedeelte van het vertrek en vooral vertoont u +niet.” + +„Neen, neen, wees gerust!” + +„Ik ben over een paar uren terug.” + +Daarop verliet Andreas Ferrato met zijn zoon Luigi het huis, terwijl +Maria zich voor de deur met hare gewone bezigheden onledig hield. + +Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. Andreas Ferrato +trachtte bij wijze van voorzorg een praatje met hen te maken, alvorens +hij zijne netten op het zandige strand uitstrekte. + +„De westewind is goed doorgekomen,” zei een hunner. + +„Ja, antwoordde Andreas Ferrato, „het onweder van eergisteren heeft de +lucht flink gezuiverd.” + +„Ongetwijfeld,” hernam een ander. „Toch zou het kunnen gebeuren dat de +wind meer en meer opstak bij het vallen van den avond, en tot buien +overging, wanneer de „bora” zich er bij voegt.” + +„Och, het zal steeds een landwind zijn en de zee kan dan niet onstuimig +tusschen de rotsen wezen.” + +„Dat staat te bezien.” + +„Gaat gij dezen nacht visschen, Andreas?” + +„Ongetwijfeld.” + +„Als het weer het toelaat, niet waar?” + +„Dat spreekt van zelf.” + +„Maar het embargo.”.... + +„Het embargo?”.... + +„Ja.” + +„Dat is slechts op de groote schepen gelegd en niet op de +visschersvaartuigen, die zich niet van de kust verwijderen.” + +„Zijt gij daar zeker van?” + +„Ja, zeer zeker.” + +„Welnu, des te beter; want men heeft scholen tonijnen geseind, die uit +het zuiden komen. Wij mogen niet dralen om onze fuiken te stellen.” + +„Mooi!” zei Andreas Ferrato. „Maar er is nog geen tijd verloren.” + +„Misschien. Wie weet?” + +„Neen, geloof mij. Als ik heden nacht uitzeil, dan ga ik de tonijnen +opwachten bij Orsera of naar de kust van Parenzo.” + +„Dat moet gij weten; maar wij zullen onze fuiken aan den voet der +rotsen stellen + +„Dat is uwe zaak!” + +Toen gingen Andreas Ferrato en Luigi hunne netten uit het bijgebouwtje +halen, spreidden ze op het mulle zand uit, om ze in de zon te laten +drogen. Twee uren later keerde de visscher naar zijne woning terug, na +zijn zoon aanbevolen te hebben, de haken klaar te houden, die dienen om +de visschen te dooden. + +Nadat hij gedurende ongeveer tien minuten zijne pijp op den drempel +zijner deur gerookt had, begaf zij zich naar de kamer zijner gasten, +terwijl Maria met haar werk voor de deur voortging. + +„Heer graaf,” sprak de visscher, „de wind waait van de landzijde, +zoodat volgens mijne meening de zee dezen nacht niet hol zal staan. Nu +zal het ’t meest eenvoudige middel zijn om te vluchten, zonder eenig +spoor na te laten, om u met mij in te schepen. Wanneer gij daartoe +besluit, dan zal het ’t beste zijn, heden avond tegen tien uren te +vertrekken. Alsdan zult gij tusschen de rotsen tot aan den rand der +branding moeten voortsluipen. Niemand zal u zien. Mijne jol zal u tot +bij mijn vaartuig brengen, waarna wij dadelijk zee zullen kiezen zonder +de opmerkzaamheid op te wekken, daar men weet, dat ik dezen nacht zal +uitzeilen. Als de wind te zeer mocht opsteken, dan zal ik langs de kust +houden en u aan de andere zijde van de Oostenrijksche grens buiten de +mondingen van den Cattaro ontschepen.” + +„Maar als de wind niet opsteekt, wat zijt gij dan voornemens te doen?” +vroeg graaf Sandorf. + +„Dan zullen wij volle zee halen,” antwoordde de visscher. „Dan zullen +wij de Adriatische zee oversteken en dan zal ik u hetzij te Rimini, +hetzij bij de uitwatering van de Po aan land zetten.” + +„Is uw vaartuig bestand voor zulk een overtocht,” vroeg Stephanus +Bathory. + +„Ja, zeker. Het is een flinke boot, die een half dek heeft en waarmede +mijn zoon en ik zeer slecht weder getrotseerd hebben. Daarenboven, wij +moeten wel wat wagen, nietwaar?” + +„Dat wij gevaar loopen,” antwoordde graaf Sandorf, „wij wier leven op +het spel staat, dat is niet meer dan natuurlijk. Maar dat gij, gij, +mijn vriend, uw leven waagt....” + +„Dat is mijn zaak, heer graaf,” hernam Andreas Ferrato. „Ik doe slechts +mijn plicht door u te redden.” + +„Uw plicht?....” + +„Ja!” + +Andreas Ferrato verhaalde daarop dat gedeelte van zijne +levensgeschiedenis, tengevolge waarvan hij Santa Manza en zelfs Corsica +had moeten verlaten, en hoe het goede, hetwelk hij op het punt stond te +doen, slechts de vergelding was van het kwaad, dat hij bedreven had. + +„Edel hart!” riep graaf Sandorf uit, die door dat verhaal bewogen was. + +Daarop hernam hij: + +„Maar, hetzij wij naar de mondingen van den Cattaro stevenen, hetzij +wij naar de Italiaansche kust gaan, zoo zal toch zulk eene reis eene +vrij langdurige afwezigheid van uwe zijde veroorzaken, die de bewoners +van Rovigno verwonderen moet. Het mag niet gebeuren, dat gij, na ons in +veiligheid gebracht te hebben, bij uwen terugkeer gevangen genomen +wordt....” + +„Vrees niets, heer graaf,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ik blijf +somtijds tegen het tijdstip der groote visscherijen vijf of zes dagen +op zee. Ik herhaal het bovendien: dat zijn mijne zaken. Zoo moet +gehandeld worden en zoo zullen wij handelen.” + +Er viel na die beslissing van den visscher niet meer te twisten. Het +plan van Andreas Ferrato was klaarblijkelijk het beste en daarenboven +het meest gemakkelijke om uitgevoerd te worden, daar het +visschersvaartuig—zooals ten minste gehoopt werd—niets van de +stormachtigheid der zee zou te vreezen hebben. Er waren geene +voorzorgsmaatregelen te treffen dan op het oogenblik van inscheping. De +nacht zou evenwel somber en zonder maan zijn. Zeer waarschijnlijk zou +bij het vallen van den avond daarenboven een van die dikke nevels +opstijgen, die de kust bedekken, maar in volle zee niet waargenomen +worden. Op dat uur zou het strand eenzaam en verlaten zijn. Behalve een +paar grensbeambten, die hun kustgebied afliepen, zou men niemand +ontmoeten. Wat de overige visschers, de buren van Andreas Ferrato +betreft, zij zouden, zooals zij zelf verteld hadden, zich onledig +houden om hunne fuiken op de piketten te spannen, buiten de +rotsengroep, dat wil zeggen op twee of drie mijlen ten zuiden van +Rovigno. Wanneer die het visschersvaartuig van Andreas Ferrato zouden +ontwaren, gesteld dat dit gebeurde, dan zou het reeds te ver in zee +zijn om iemand aan boord te kunnen herkennen. Daarenboven zouden de +vluchtelingen zich onder het halfdek verscholen houden. + +„Op hoeveel afstand rekent gij de haven van Rovigno van het +naastbijgelegen punt van de Italiaansche kust?” vroeg toen Stephanus +Bathory. + +„Op vijftig mijlen ongeveer.” + +„Hoeveel tijd is er benoodigd om dien afstand af te leggen?” + +„Dat ’s moeilijk te zeggen,” antwoordde de visscher voorzichtig. + +„Maar er is toch wel eene gissing, een raming te maken, niet waar?” + +„Ja, als deze wind blijft doorstaan, dan kunnen wij in een twaalftal +uren overkomen. Maar....” + +„Gij aarzelt, vriend?” vroeg graaf Sandorf. + +„Gij zijt zonder geld, niet waar?” + +„Ja, helaas!” antwoordde Stephanus Bathory met een zucht. + +„En toch is dat onmisbaar!” + +„Dat valt niet te ontkennen.” + +„Welnu,” vervolgde Andreas Ferrato, „neemt dezen gordel, daarin zitten +drie honderd gulden. Doet hem zoo.... kijk zoo, om het lijf.” + +„Vriend!....” zei Mathias Sandorf. + +„Gij zult mij dat later teruggeven,” hernam de visscher. + +„Teruggeven? Later? Wanneer?” vroeg graaf Sandorf met aarzeling in +zijne stem. + +„Wanneer gij in veiligheid zijt. Zoodra het u schikt. Kom, dat is +afgesproken, niet waar? Wacht mij nu slechts.” + +Toen dat alles afdoende geregeld was, ging Andreas Ferrato heen en +hernam zijne gewone bezigheden met nu eens op het strand te arbeiden en +zich dan weer eens in huis onledig te houden. Het gelukte Luigi om, +zonder dat dit opgemerkt werd, eenige levensmiddelen, genoeg voor +verscheidene dagen, aan boord van het visschersvaartuig te brengen. Hij +had ze eenvoudig in een reserve-zeil gewikkeld en zoo overgevoerd. Geen +enkele achterdochtige gedachte kon de plannen van Andreas Ferrato komen +dwarsboomen. Hij dreef de voorzorgsmaatregelen zoo ver, dat hij zijne +gasten gedurende het overige gedeelte van den dag niet meer wilde +terugzien. Graaf Mathias Sandorf en professor Stephanus Bathory bleven +in de kleine kamer verscholen, waarvan het venster evenwel geopend +bleef. Wanneer het tijd zou zijn om die gastvrije woning te verlaten, +zou de visscher hen waarschuwen. + +In den namiddag kwamen ettelijke buren met hem over visscherijzaken +praten, voornamelijk over de verschijning der tonijnen langs de kusten +van Istrië. Andreas Ferrato ontving hen in zijne huishoudkamer en bood +hen volgens gewoonte een ververschingsdronk aan. + +Zoo ging het grootste gedeelte van den dag met heen en weer te +drentelen en in verschillende gesprekken voorbij. Soms liep het gesprek +over de vluchtelingen. Het gerucht was toch verspreid, dat zij in de +nabijheid van het kanaal van Quarnero op de tegenovergestelde kust van +Istrië gevat waren geworden. Dat gerucht werd evenwel kort daarop +weersproken. + +Alles scheen dus zoo goed mogelijk te gaan. Dat de kuststrook met meer +nauwkeurigheid dan vroeger, hetzij door de ambtenaren der in- en +uitgaande rechten, hetzij door de politie-agenten, hetzij door de +maréchaussées, zou gadegeslagen worden, kon als zeker aangenomen +worden. Maar het zou zoo moeilijk niet zijn die waakzaamheid te +verschalken, wanneer het nacht geworden zou zijn. + +Het embargo was, zooals de lezer zich herinneren zal, slechts op de +groote schepen of op de kustvaarders van de Adriatische en +Middellandsche zeeën gelegd, niet op de visschersschuiten die bij den +oever blijven. Het uitzeilen van het vaartuig van Andreas Ferrato kon +dus geschieden zonder achterdocht op te wekken. + +Andreas Ferrato had evenwel op het bezoek niet gerekend, dat hem zoo +tegen zes uren des avonds gebracht werd. Dat bezoek verwonderde hem, +hoewel het hem nog niet verontrustte. Hij zou er de dreigende +beteekenis eerst van begrijpen, toen de bezoeker weer vertrokken was. + +Acht uren waren geslagen. Maria hield zich onledig met het gereed maken +van het avondmaal en de tafels waren reeds gedekt in de huishoudkamer, +toen tweemalen op de huisdeur geklopt werd. Andreas Ferrato aarzelde +geen oogenblik om te openen. Hij was zeer verbaasd toen hij zich +tegenover den Spanjaard Carpena bevond. + +Die Carpena was geboren te Almavate, eene kleine stad in de provincie +Malaga. Hij had waarschijnlijk Spanje om eene zelfde reden verlaten, +waarom Andreas Ferrato Corsica vaarwel had gezegd, en had zich in +Istrië gevestigd. Daar had hij het zoutwerkers-ambacht ter hand genomen +en hield zich voornamelijk onledig met de opbrengst der zoutpannen op +de westkust naar het binnenland te vervoeren. Dat was een ondankbare +arbeid, waarmede hij ter nauwernood zooveel verdienen kon om zijn +ellendig bestaan te rekken. + +Carpena was een stevige kerel en nog jong, daar hij nog niet ten volle +vijf en twintig jaren telde. Hij was klein van gestalte, maar breed van +schouders, had een dik hoofd, met gekroesd grof zwart haar bedekt, en +een gelaat als een bulhond, dat volstrekt niets geruststellends had. +Hij was niet gezellig van aard, doch haatdragend, wraakzuchtig en +daarenboven nog lafhartig. Met zulke hoedanigheden begaafd, kon het +niet vreemd heeten, dat hij in de buurt geenszins bemind was. Niemand +wist, waarom hij zijn vaderland verlaten had. Hij had meermalen twist +met zijne makkers, zoutarbeiders, gehad, waarbij bedreigingen geuit +waren, waarbij zelfs vechtpartijen voorgevallen waren, en dat alles had +hem volstrekt geen goeden naam bezorgd. Men liet hem volgaarne ter +zijde. + +Toch koesterde Carpena geen ongunstige meening over zijn eigen persoon. +Verre van daar. Dat kan voldoende verklaring geven en men zal vernemen +waarom hij gepoogd had met Andreas Ferrato in aanraking te komen. Het +is waar, reeds bij het begin van die relatiën had hij vanwege den +visscher geen aanlokkend onthaal ondervonden. Dat zal genoegzaam +begrepen worden, wanneer de pretentiën van dien man in het volgende +gesprek ontsluierd zullen zijn. + +Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas +Ferrato hield hem tegen, terwijl hij vroeg: + +„Wat komt gij hier doen?” + +„Ik drentelde voorbij. Daar ik licht zag, heb ik aangeklopt.” + +„Waarom?” + +„Wel, om u als buurman een bezoek te brengen.” + +„Uwe bezoeken mishagen mij, dat weet ge wel.” + +„Gewoonlijk,” antwoordde de Spanjaard, „is dat zoo; maar heden.... Dat +zal wel anders zijn.” + +Andreas Ferrato begreep dat niet en kon ook de beteekenis van die +raadselachtige woorden niet gissen. In den mond van Carpena waren zij +evenwel onrustwekkend. Een vluchtige trilling kon de huisheer dan ook +niet bemantelen en die ontging den bezoeker niet. Deze had de deur +gesloten. + +„Ik moet u spreken,” zei hij. + +„Neen!” + +„Jawel!” + +„Gij hebt mij niets te zeggen.” + +„Jawel.... Ik moet u afzonderlijk spreken,” vervolgde de Spanjaard, +terwijl hij fluisterend sprak. + +„Och kom!” + +„Geloof me.” + +„Nu, kom dan,” antwoordde de visscher, die dien dag goede redenen had +om niemand den toegang tot zijn huis te weigeren. Op een teeken van +Andreas Ferrato stapte Carpena de huishoudkamer door en volgde hem in +zijne slaapkamer. + +Die kamer was slechts door een zeer dun beschot van het vertrek +gescheiden, waarin graaf Sandorf en zijn lotgenoot Stephanus Bathory +verscholen waren. De eene kamer had uitzicht op de straat, de andere op +het omheinde erf achter de woning. Toen zij alleen waren, vroeg de +visscher: + +„Wat wilt ge van mij?” + +„Buurman,” antwoordde Carpena, „ik kom nog een beroep op uw goede +vriendschap doen.” + +„Vriendschap?.....” vroeg Andreas Ferrato smalend. + +„Ja, vriendschap!” + +„En ter zake van wat?” + +„Ter zake van uwe dochter.” + +„Daarover geen woord meer!” + +„Maar hoor dan toch!....” + +„Geen woord! geen enkel woord!” + +„Gij weet dat ik Maria bemin, en....” + +„Zwijg!” + +„En dat het mijn vurigste wensch is, dat zij mijne vrouw wordt.” + +Ja, dat was het droombeeld van Carpena. + +Sedert verscheidene maanden vervolgde hij het jonge meisje met zijne +oplettendheden. Zooals de lezer wel begrijpen zal, werd hij daarbij +eerder door baatzucht dan door liefde gedreven. Andreas Ferrato kon +welgesteld heeten en was dat ook in den kring der visschers, waarin hij +verkeerde. Hij mocht rijk genoemd worden in vergelijking met den +Spanjaard, die niets ter wereld bezat. + +Niets was dus natuurlijker dan dat Carpena de gedachte gekoesterd had, +om de schoonzoon te worden van dien bemiddelde; maar niets was +daartegenover ook natuurlijker, dan dat de visscher hem steeds en +onveranderlijk afgescheept had. Een zoodanig sujet kon hem niet +behagen. + +„Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato koeltjes, „gij hebt u eerst tot +mijne dochter gewend en die heeft „neen” gezegd. Daarop zijt gij tot +mij gekomen en ik heb eveneens „neen” geantwoord. Gij komt heden +andermaal op uw verzoek terug; ik antwoord u „neen!” voor de laatste +maal.” + +Het gelaat van den Spanjaard verwrong vreeselijk. Zijn lippen krulden +om en lieten zijne tanden zien. Zijne oogen rolden woest en schoten +vuurstralen. Maar de kamer, waarin de beide mannen zich bevonden, was +slecht verlicht, zoodat Andreas Ferrato dat onheilspellend gelaat niet +kon zien. + +„Is dat uw laatste woord?” vroeg Carpena. + +„Ja!” + +„Onherroepelijk? + +„Ja, onherroepelijk mijn laatste woord, wanneer het de laatste maal zal +zijn, dat gij uw aanzoek herhaalt,” antwoordde de visscher. „Komt gij +er evenwel op terug, dan zult gij steeds hetzelfde antwoord ontvangen.” + +„Ik zal er op terugkomen!....” + +„Dat is volmaakt noodeloos!” + +„Ja, ik zal er op terugkomen, wanneer Maria mij zeggen zal om het te +doen.” + +„Zij?....” + +„Ja, zij!” + +„Zij!....” riep Andreas Ferrato uit. „Zij! Gij weet wel dat mijne +dochter noch vriendschap, noch achting voor u koestert!” + +„Hare gevoelens kunnen veranderen, wanneer....” + +„Kom, loop heen.” + +„Wanneer ik een onderhoud met haar gehad zal hebben.” + +„Een onderhoud?” + +„Ja, Ferrato, ik wensch haar te spreken.” + +„Wanneer?” + +„Dadelijk!.... Hoort ge?.... Ik moet haar dadelijk spreken...” + +„Moet?” vroeg de visscher toornig. + +„Ja, ik moet. En dat nog wel heden avond.” + +„Ik weiger voor haar!” + +„Pas op!” + +„Geen bedreigingen!” + +„Pas op!” herhaalde Carpena, die thans luider sprak. „Pas op!” + +„Waarop?” + +„Ik zal mij wreken!” + +„Ha, ha, ha!” + +„Ja, ik zal mij wreken!” + +„Welnu, wreek je, als ge kunt en als ge durft, Carpena,” antwoordde +Andreas Ferrato, die nog meer toornig werd. + +„Sar me niet!” + +„Wreek je; je bedreigingen jagen mij geen angst aan, dat weet je wel!” + +De Spanjaard knarsetandde. + +„En nu de deur uit!” ging Andreas Ferrato voort. „Of ik smijt je naar +buiten!” + +Het bloed steeg Carpena naar het hoofd. Hij was op het punt om geweld +tegen den visscher te begaan; maar het gelukte hem zich te bedwingen, +en na de deur met kracht opengesmeten te hebben, vloog hij de huiskamer +door en het huis uit zonder een woord gesproken te hebben. + +Nauwelijks was hij buiten, toen de deur der naburige kamer, waarin de +vluchtelingen verborgen waren, openging. Graaf Sandorf, wien niets van +dat onderhoud ontgaan was, verscheen op den drempel, en op Andreas +Ferrato toetredende, zei hij op fluisterenden toon: + +„Dat is de man, die ons aan den brigadier der maréchaussées verraden +heeft. Hij kent ons. Hij heeft ons gezien, toen wij op den oever van +het kanaal van Léma voet aan wal zetten. Hij heeft ons tot Rovigno +gevolgd. Hij weet blijkbaar, dat gij ons eene schuilplaats in uw huis +verleend hebt. Laat ons dan dadelijk vluchten, anders zijn wij +verloren, en.... gij met ons!” + + + + + + + + +IX. + +LAATSTE POGINGEN IN EEN LAATSTEN STRIJD. + + +Andreas Ferrato hoorde dat stilzwijgend aan. + +Hij had niets in zijn brein gevonden om graaf Sandorf te antwoorden. +Zijn Corsicaansch bloed kookte in hem. Hij had de beide vluchtelingen +vergeten, voor welker redding hij zooveel op het spel gezet had. Hij +dacht slechts aan den Spanjaard; hij zag slechts Carpena! + +„Die ellendeling! O, die ellendeling!” mompelde hij eindelijk. „Ja! hij +weet alles! Wij hangen geheel en al van zijne genade af! ik had het +moeten begrijpen!” + +Mathias Sandorf en Stephanus Bathory keken den visscher met een beklemd +gevoel aan. Zij wachtten reikhalzend wat hij zeggen, wat hij doen zou. +Er mocht geen enkel oogenblik verloren gaan. Er moest gehandeld, +dadelijk gehandeld worden. Het verraad, dat werk des duivels, was +waarschijnlijk reeds geschied. + +„Heer graaf,” sprak eindelijk Andreas Ferrato, „de politie kan ieder +oogenblik mijne woning overvallen en binnenstormen. Ja! die ellendige +bedelaar moet alles weten of ten minste moet hij onderstellen dat +gijlieden hier zijt! Het is een koop, dien hij mij heeft komen +voorstellen! Mijne dochter tot prijs voor zijne stilzwijgendheid. Hij +zal u ten val brengen om zich op mij te wreken! Helaas, wanneer de +politie-agenten komen, zal het onmogelijk zijn te ontsnappen en dan +zult gij andermaal gevangen genomen worden. Ja, inderdaad, gij moet +dadelijk vluchten!” + +„Gij hebt gelijk, Andreas Ferrato,” antwoordde graaf Mathias Sandorf, +„maar vóórdat wij scheiden, laat mij u bedanken voor al hetgeen gij +voor ons gedaan hebt, en voor hetgeen gij voor ons doen wildet....” + +„Wat ik doen wilde, wil ik nog doen,” sprak Andreas Ferrato hoogst +ernstig. + +„Dat weigeren wij!” antwoordde Stephanus Bathory. + +„Ja, dat weigeren wij,” vulde graaf Sandorf aan. „Gij hebt u reeds te +veel blootgegeven en in gevaar gesteld! Wanneer men ons bij u ontdekt, +dan veroordeelt men u tot de galeien!” + +„Om het even!” riep de visscher uit. + +„Kom Stephanus, laten wij deze woning verlaten om te vermijden dat wij +er den ondergang en het ongeluk brengen!” + +„Maar, heer graaf....” + +„Laten wij vluchten, dat ’s goed; maar alleen vluchten!” + +Andreas Ferrato greep den graaf bij de hand. + +„Waar zoudt gij heen gaan? Al de autoriteiten des lands zijn op de been +en waakzaam. De politieagenten en de maréchaussées doorkruisen nacht en +dag het veld in den omtrek. Er is geen enkel veilig punt op de kust, +waar gij u zoudt kunnen inschepen, er bestaat geen enkel voetpad, +waarlangs gij de grens veilig zoudt kunnen bereiken! Zonder mij +vertrekken, is zeker den dood tegemoet snellen!” + +„Volgt mijn vader, heeren,” voegde Maria er bij. „Wat er ook geschiede, +hij doet zijn plicht door te pogen u te redden!” + +„Goed zoo, mijne dochter,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ja waarlijk, +het is slechts mijn plicht, dierbaar kind! Uw broeder wacht ons reeds +bij de jol. De nacht is zeer donker. Vóórdat wij ontdekt zullen wezen, +zullen wij in volle zee zijn. Omhels mij, Maria, omhels mij, kindlief, +en heeren, laten wij vertrekken!” + +Toch wilden graaf Sandorf en zijn lotgenoot niet toegeven. Zij +weigerden een dergelijk offer aan te nemen. Zij wilden dat huis wel +dadelijk verlaten, om den visscher niet verder in gevaar te brengen. Ja +zeker. Maar vertrekken onder zijne leiding, wanneer er de galeien op +stonden! Neen! dat wilden zij niet! + +„Kom dan toch!” zei Mathias Sandorf tot Stephanus Bathory, terwijl hij +hem meetrok. „Als wij eenmaal buiten zijn, dan valt er alleen voor ons +zelven te vreezen!” + +En beiden waren op het punt om door het geopende venster te ontwijken, +om over het kleine erf hetzij de kust te bereiken, hetzij zich naar het +inwendige der provincie te begeven toen Luigi binnen stormde. + +„De politieagenten!” zei hij. + +„Vaarwel!” riep graaf Sandorf uit. + +En gevolgd door zijn lotgenoot sprong hij het venster uit. + +Juist in dat oogenblik drong een bende politiedienaren de huiskamer van +den visscher binnen. + +Carpena geleidde hen. + +„Ellendeling!” zeide Andreas Ferrato. + +„Dat ’s mijn antwoord op uwe weigering!” + +De visscher werd gegrepen en in een ondeelbaar oogenblik gebonden. +Terzelfder tijd hadden de agenten de woning bezet en al de kamers +daarvan onderzocht. Het open raam wees hen den weg aan, dien de +vluchtelingen genomen hadden. Zij ijlden dadelijk ter hunner vervolging +naar buiten. + +De beide rampzaligen bereikten toen juist de heg, die het erf omheinde +en van de kleine beek afscheidde. Graaf Sandorf was er in één sprong +over, daarna hielp hij Stephanus Bathory, die minder vlug was, om er +over te klauteren. Een geweerschot weerklonk op nog geen vijftig passen +van hen. + +Stephanus was door een geweerkogel aan den schouder getroffen, hoewel +niet levensgevaarlijk. Maar zijn arm was verlamd en hij was onmachtig +de pogingen van zijn makker te ondersteunen. + +„Vlucht,” riep hij hem toe. „Vlucht Mathias.” + +„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven,” antwoordde graaf +Sandorf, na andermaal beproefd te hebben zijn gewonden makker in zijne +armen op te tillen. + +„Vlucht, Mathias!” herhaalde Stephanus Bathory. + +„Neen! neen!” + +„Vlucht en leef om de verraders te straffen!” + +Die laatste woorden klonken als een bevel in de ooren van graaf +Sandorf. + +De magnaat van Transsylvanië, de samenzweerder van Triëst, de makker en +deelgenoot van Stephanus Bathory en van Ladislas Zathmar moest plaats +maken voor den straffenden rechter! + +De politieagenten, die op hunne beurt het uiteinde van het kleine erf +bereikt hadden, wierpen zich in dit oogenblik op den gekwetste. Wanneer +graaf Sandorf nog eene enkele seconde aarzelde, dan moest ook hij in +hunne handen vallen! + +„Vaarwel, Stephanus, vaarwel!” riep hij uit. + +En met een vervaarlijken sprong wipte hij over de beek, die langs de +heg vloot en verdween hij in de duisternis. + +Vijf of zes geweerschoten werden in die richting afgeschoten; maar de +kogels troffen den vluchteling niet. Hij sprong terzijde en liep +ijlings naar den kant der zee. + +De politieagenten zaten hem evenwel op de hielen. Daar zij hem in het +donker niet ontwaren konden, was het onmogelijk om hem voor te komen. +Zij verspreidden zich, om hem den pas af te snijden, zoowel naar het +innerlijke des lands, als naar den kant van de stad en van het +voorgebergte, hetwelk de baai ten noorden van Rovigno omgeeft. + +Een brigade maréchaussées schoot hen te hulp en bewoog zich zoo, dat +graaf Sandorf geen andere weg open bleef, dan naar de kust. Maar daar, +bij den rand der klippen aangekomen, wat zou hij daar doen? + +Zou hij er in slagen eene sloep te bemachtigen, om zich daarmede op de +Adriatische zee te wagen? + +Daartoe zou hij den tijd niet hebben; want vóórdat hij het touw, +waarmede ze aan den oever vast lag, losgemaakt zou hebben, zou hij +onder de geweerkogels, die op hem afgezonden zouden worden, vallen. + +Hij begreep evenwel al heel spoedig, dat de vlucht naar het oosten hem +afgesneden zou zijn. Het geweervuur, de kreten door de politieagenten +en door de maréchaussées uitgestooten, terwijl zij naderden, duidden +hem genoegzaam aan, dat hij van achteren, naar den kant van het strand, +omsingeld was. + +Hij kon slechts naar de zee heenijlen en daarlangs ontvluchten. + +Dat was ongetwijfeld een zekeren dood tegemoet loopen; maar was het +niet beter die in de golven te vinden, dan ze af te wachten voor het +executie-peloton op het binnenplein van de vesting te Pisino. + +Graaf Sandorf spoedde zich dus naar het strand. In weinige sprongen had +hij de eerste kabbelingen bereikt, die de branding tegen het strand +opjoeg. Hij voelde als ’t ware de politieagenten achter zich. De +geweerkogels, die in den blinde op hem afgevuurd werden, gingen +rakelings zijn hoofd voorbij. + +Op een kleinen afstand van het strand staken hier op de kust van Istrië +eene menigte rotstoppen uit zee op. Dat waren afzonderlijke klippen, +die den oever dekten. Tusschen die klippen werden talrijke waterpoelen +aangetroffen, die de uithollingen van den oever vulden. De meeste dier +poelen waren diep, maar er waren er ook, waarin het water ternauwernood +tot aan den enkel reikte. + +Dat was de laatste uitweg, die nog voor graaf Mathias Sandorf +openstond. Hoewel hij er niet aan twijfelen kon, dat hij den dood aan +het uiteinde daarvan zou vinden, aarzelde hij geen oogenblik dien in te +slaan. + +Hij doorwaadde dan die poelen en sprong van rots tot rots. Maar daarbij +werd zijn omtrek meer zichtbaar op den minder donkeren achtergrond van +den gezichteinder. Dadelijk weerklonken kreten om hem aan te duiden, +waarna de politieagenten hem achterna snelden. + +Graaf Sandorf was vast besloten niet levend in hunne handen te vallen. +Als de zee hem zou aanspoelen, dan zou het slechts zijn lijk zijn. + +Die moeilijke jacht op die onvaste en gladde steenen, bedekt met +glibberige zeegewassen, door die waterpoelen, waarin iedere pas eene +struikeling of een val kon ten gevolge hebben, duurde meer dan een half +uur. Het was den vluchteling gelukt een voorsprong te behouden, maar de +vaste grond zou hem weldra ontbreken. + +En inderdaad, hij kwam op een der laatste rotsen van de klippen-bank +aan. Twee of drie politie-agenten waren nog slechts op tien passen van +hem. De anderen volgden op ongeveer twintig schreden. + +Graaf Sandorf verhief zijne gestalte toen. Een laatste kreet ontsnapte +hem, een laatste kreet als vaarwel tot den hemel gericht. En op het +oogenblik dat een aantal geweerschoten op hem gelost werden, sprong hij +in zee. + +Toen de politie-agenten bij het uiteinde der rotsbank gekomen waren, +ontwaarden zij niets meer dan het hoofd van den vluchteling, dat +slechts als een zwart punt verscheen en naar volle zee gekeerd was. + +Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias +Sandorf opspatten. En ongetwijfeld moesten een of meer kogels hem +getroffen hebben, want hij dook onder de golven om niet meer te +voorschijn te komen. + +Neen, niets, niets was meer te ontwaren! + +De maréchaussées en de politie-agenten bleven, totdat de dag +aangebroken was, de rotsbank, de klippen en het strand van het +voorgebergte af ten noorden van de baai gelegen, tot voorbij het fort +van Rovigno nauwkeurig bewaken. + +Het was te vergeefs. + +Niets duidde er op, dat graaf Sandorf ergens op die kust voet aan wal +gezet had. + +Iedereen was dan ook overtuigd, dat zoo hij niet door een kogel +getroffen werd, hij verdronken was; dat hij in ieder geval dood was. + +Intusschen met welke nauwgezetheid de nasporingen ook geleid en +uitgevoerd werden, geen lijk werd in de branding ontwaard, noch op de +kust gevonden. En toch strekten die nasporingen zich over eene +kuststrook uit van meer dan twee uren gaans. Maar daar de wind van den +kant van het land woei en de stroom naar het zuidwesten voerde, zoo +bestond er geen twijfel of het lijk van den vluchteling was naar volle +zee gedreven. + +Graaf Sandorf, de Hongaarsche magnaat, had dus zijn graf in de golven +van de Adriatische zee gevonden! + +Dat was de meening, die na een zeer nauwkeurig onderzoek, als de meest +natuurlijke door het Oostenrijksche gouvernement aangenomen werd. + +Het recht moest dan ook zijn loop hebben. + +Stephanus was, de lezer weet onder welke omstandigheden, gevat +geworden. Hij werd gedurende den nacht, en vergezeld van een sterk +bewakings-detachement, naar den vestingtoren van Pisino teruggevoerd. +Daar werd hij, helaas! voor slechts weinige uren, in gezelschap van +graaf Ladislas Zathmar opgesloten. + +De terechtstelling werd toen vastgesteld op den volgenden dag, den +30sten Juni. + +Stephanus Bathory had voorzeker gedurende die noodlottige uren zijne +vrouw en zijn kind voor de laatste maal hebben kunnen weerzien. +Ladislas Zathmar zou een laatsten handdruk van zijn getrouwen dienaar +hebben kunnen ontvangen; want het bevel om hen in den vestingtoren te +Pisino toe te laten, was behoorlijk gegeven. + +Maar èn mevrouw Bathory met haren zoon, èn Borik, die uit de gevangenis +losgelaten was, hadden Triëst verlaten. Niet wetende waarheen de +gevangenen gevoerd waren, daar de inhechtenisneming zeer geheim was +gehouden, waren zij in Hongarije en zelfs tot in Oostenrijk gaan +zoeken; en toen het vonnis uitgesproken was, kon men hen natuurlijk +niet bijtijds weêrvinden. + +Stephanus Bathory moest dus die laatste vertroosting ontberen om zijn +gade en zijn kind weer te zien. Hij kon hen den naam der verraders, die +zijn leven verkocht hadden, niet mededeelen. + +Alleen de gerechtigheid van graaf Mathias Sandorf zou die kunnen +treffen. + +Professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar werden te vijf +uren op het binnenplein der vesting doodgeschoten. Zij stierven als +mannen, die hun leven voor hun vaderland ten offer brachten. + +Silas Toronthal en Sarcany konden de hoop koesteren, dat zij tegen +iedere weerwraak beveiligd waren. En inderdaad, het geheim van hun +verraad was slechts bekend bij hen alleen en bij den gouverneur van +Triëst. + +Dat verraad, die snoode daad werd hen betaald met de helft der +bezittingen van graaf Mathias Sandorf. + +De andere helft werd als buitengewone gunst opgespaard en bewaard voor +de erfgenamen van den graaf, wanneer zij hun achttiende jaar bereikt +zouden hebben. + +Noch Silas Toronthal noch Sarcany ondervonden eenige wroeging over +hunne schandelijke daad. Zij konden dan ook in rust en vrede genieten +van de rijkdommen, door dat afschuwelijk verraad verkregen. + +Eene ander verrader scheen ook niets te vreezen te hebben. Dat was de +Spanjaard Carpena, wien de bloedprijs, de premie van vijf duizend +gulden, die aan den verklikker uitgeloofd werd, uitgereikt was. + +Maar konden de bankier Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany in +Triëst met opgeheven hoofde rondwandelen, daar hun geheim bewaard was +gebleven, Carpena moest onder het gewicht der algemeene afkeuring en +verontwaardiging de wijk nemen en Rovigno verlaten. Maar wat kon hem +dat schelen! Hij had niets meer te vreezen, zelfs niet de wraak van +Andreas Ferrato. + +De visscher was inderdaad gevangen genomen, terechtgesteld en tot +levenslange galeistraf veroordeeld geworden, omdat hij eene +schuilplaats aan de vluchtelingen verleend had. Maria was thans met +haren jongeren broeder Luigi alleen. Helaas, armoede en ellende +wachtten hen in dat huis, waaruit de vader gesleurd was, zonder er weer +te keeren! + +Zoodat drie ellendelingen, alleen uit een hebzuchtig gevoel, zonder dat +een zweem van haat hen tegen hunne slachtoffers in het harnas +joeg,—Carpena hiervan misschien uitgezonderd—de een om zijn wankelende +bankierszaken te herstellen, de twee anderen om rijkdommen te +verwerven, niet waren teruggedeinsd om zulk een gruwel te beramen en te +bedrijven. + +Zou zulk een schandelijke daad op aarde ongestraft blijven? + +Helaas! Gods rechtvaardigheid wordt niet altijd bespeurd. + +Zouden graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor +Stephanus Bathory, die drie vaderlandslievende mannen, zoude Andreas +Ferrato, de nederige visscher, het edele hart, ongewroken blijven? + +Het antwoord daarop blijft aan de toekomst over. + + + EINDE VAN HET VOORSPEL. + + + + + + + + + + + DOKTER ANTEKIRRT + + +I. + +PESCADOSPUNT EN KAAP MATIFOU. + + +Vijftien jaren zijn verloopen sedert de laatste gebeurtenissen, bij het +einde van het voorspel dezer geschiedenis verhaald, voorgevallen waren. + +Het was den 24en Mei 1882 een feestdag te Ragusa, een der voornaamste +steden van de Dalmatische provinciën. + +Dalmatië is slechts een smalle landtong, welke tusschen het noorder +gedeelte der Dinarische Alpen, tusschen Herzegowina en de Adriatische +zee gelegen is. Er is daar juist plaats voor eene bevolking van vier of +vijf maal honderd zielen, die evenwel wat opeengehoopt moeten leven. + +De Dalmaten vormen een fraai ras, dat zeer sober in die dorre schrale +landstreek, waar de teelgrond zeldzaam aangetroffen wordt, leeft. Zij +zijn fier gebleven te midden der staatkundige beroeringen, welke zij +ondergaan hebben; zij zijn uiterst trotsch tegenover Oostenrijk, +waaraan zij vastgeklonken werden door het verdrag van Campo Formio, +hetwelk op dat punt bij den vrede van Parijs in 1815 bevestigd werd. +Zij zijn eerlijk als goud, en hebben ten volle verdiend dat hun land, +volgens eene vleiende uitdrukking van den heer Yriartes, „het land der +deuren zonder sloten” genoemd werd! + +Dalmatië wordt in vier kringen verdeeld, die op hunne beurt in +districten onderverdeeld zijn. Dat zijn: de kringen van Zara, van +Spolato, van Cattaro en van Ragusa. De gouverneur-generaal heeft zijne +residentie te Zara, welke stad dientengevolge de hoofdplaats van de +provincie is. Te Zara komt de Landdag bijeen, waarvan enkele leden deel +uitmaken van de Kamer van vertegenwoordiging te Weenen. + +De tijden zijn wel veranderd sedert de XVIde eeuw, toen de Uskoken, die +niets anders dan gevluchte Turken waren, in open oorlog zoowel met de +Muzelmannen als met de Christenen verkeerden, zoowel met den Sultan van +Constantinopel als met den Doge van Venetië. Zij waren de schrik der +Adriatische zee. Maar de Uskoken zijn verdwenen en men vindt van dien +volksstam nergens anders een spoor terug dan in de Carniòla. De +Adriatische zee is dus heden ten dage even veilig als eenig ander +gedeelte van die prachtige en dichterlijke Middellandsche zee. + +Ragusa of beter gezegd: de kleine staat Ragusa, is langen tijd +republikeinschgezind geweest en was dat voor Venetië, dat wil zeggen, +reeds sedert de IXde eeuw. Het was eerst bij decreet van Napoleon I dat +Ragusa in 1809 bij het koninkrijk Illyrië gevoegd werd, om het als +hertogdom aan den maarschalk Marmont te schenken. + +Reeds in de IXde eeuw vertoonden zich de schepen van Ragusa in alle de +Levantsche zeeën en hadden den alleenhandel met de ongeloovigen tot +zich getrokken. De Heilige Stoel had dien alleenhandel goedgekeurd, +waardoor aan Ragusa een groote voorrang geschonken werd te midden van +die kleine republieken van Zuid-Europa. Maar Ragusa onderscheidde zich +nog door andere meer edele hoedanigheden. De goede naam harer +geleerden, de roem van hare letterkundigen, de goede smaak van hare +kunstbeoefenaars, hadden haar den naam van Slavonisch Athene verschaft. + +Evenwel voor den handel ter zee is een goede haven met diepen +ankergrond noodig, die schepen van groote tonnenmaat kan opnemen. Maar +die haven ontbreekt aan Ragusa. Hare haven is smal en gevaarlijk van +wege de rotsen, die nagenoeg met de waterlijn gelijk liggen, zoodat +niets anders dan kustvaarders en visschersschuiten eene veilige +ligplaats vinden. + +Gelukkig heeft de natuur als altijd, op een half uur afstands ten +noorden, in een van die inkeepingen van de baai van Ombla Fiumera, +grillig een van die overheerlijke havenkommen gevormd, die de meest +mogelijke hulpmiddelen en gemakken aan de meest ontwikkelde scheepvaart +aanbieden. Die havenplaats ligt te Gravosa, de beste wellicht van de +geheele Dalmatische kust. Daar is water genoeg voor de meest diepgaande +bodems, zelfs voor oorlogsschepen; daar ontbreekt de ruimte niet voor +het krengen en voor het dokken der schepen, ook niet voor de +scheepstimmerwerven. Daar eindelijk kunnen die groote pakketbooten +aanleggen, die der wereld in het tweede gedeelte dezer eeuw deelachtig +zijn geworden. + +Daaruit volgt dus dat op het tijdstip van dit verhaal, de weg van +Ragusa naar Gravosa een ware boulevard was geworden, die ter +weerszijden met fraaie boomen beplant en omzoomd was met heerlijke +villa’s, terwijl de geheele bevolking der stad, die toen op zestien- of +zeventienduizend inwoners kon gerekend worden, zich langs dien weg +verdrong. + +Nu kon men dien dag tegen vier uren in den namiddag bespeuren, dat de +bewoners van Ragusa, na een heerlijken lente-ochtend genoten te hebben, +zich naar Gravosa begaven. + +In die voorstad—en zoo kon Gravosa, bij de poorten der stad gelegen, +toch inderdaad genoemd worden, niet waar?—was er toen feest. +Verscheidene tenten en kermiskramen waren daar aanwezig, muziek en +danspartijen in de open lucht hadden daar plaats, terwijl kwakzalvers, +kunstenmakers, koorddansers, steltloopers, wier geschreeuw en gekakel, +wier muziekinstrumenten en liederen groot spektakel in de straten, ja +tot op de haven maakten, allerwege aangetroffen werden. + +Voor een vreemdeling zou die dag een buitenkansje geweest zijn, om de +verschillende typen van het Slavonische ras, dat zich daar vermengd met +Bohemers van allerlei gehalte verdrong, te bestudeeren. Niet alleen +waren de Nomadische bevolkingen toegestroomd, om er de nieuwsgierigheid +van de ingezetenen te ontginnen, maar ook de boerenlui en de +bergbewoners waren komen opdagen, om hun deel van de openbare +vermakelijkheden te genieten. + +Het vrouwelijk geslacht was er in groot getal vertegenwoordigd: dames +uit de stad, boerinnen uit den omtrek, visschersvrouwen van de kust, +die allen wemelden door elkander. Bij de eerstbedoelden was de poging +merkbaar, om hare kleeding met de laatste mode van Westelijk Europa te +doen overeenstemmen. Wat de anderen betreft, hare tooi verschilde +minstens in eene bijzonderheid, naarmate van het district, vanwaar de +draagsters afkomstig waren. Hier zag men witte hemdjes met geborduurde +mouwen en borstrokken, elders jakken met veelkleurige figuren versierd, +dan weer fraaie gordels met honderden ja duizenden zilveren +spijkerkopjes bezaaid. Het alles geleek op een mozaïekwerk, waarin de +kleuren in elkander vloeiden als op een fraai Perzisch tapijt. Hier +werd een wit mutsje op dichte haarvlechten ontwaard, dat met +veelkleurige linten getooid was; daar eene „okronga,” een soort sluier, +die naar achteren afvalt, zooals de „puskul” van den Oosterschen +tulband; en overal beenbekleeders en schoeisel, aan het been en aan den +voet met bandwerk van stroo gevlochten vastgemaakt. En om al dien tooi +en opschik te volmaken, blonken juweelen, in den vorm van armbanden, +halssnoeren, of diademen van geldstukjes, op de meest kunstige wijze +vervaardigd, om hals, armen, borst en midden te versieren. Die juweelen +werden zelfs bij de kleeding van de landlieden aangetroffen, die ook +den glinsterenden zoom van borduursels niet versmaden, waarmede de +onderkant hunner japonnen versierd was. + +Maar onder die verscheidene kleederdrachten der Ragusasche bevolking, +welke door allen, zelfs door de zeelieden van de haven en de kust met +smaak gedragen werden, was toch die der commissionnairs of +boodschaploopers—een bevoorrecht gild—wel het meest geschikt om de +aandacht te boeien. Die pakjesdragers zijn inderdaad als ware +Oosterlingen uitgedost met tulband, vest, bovenkleed, gordel, breede +Turksche pantalon en babouchen of sloffen. Zij zouden op de kaden van +Galata of op het plein Top’hané te Constantinopel volstrekt niet +misplaatst zijn. + +De feestvreugde was toen tot haar toppunt geklommen en de +luidruchtigheid het hoogst. De kramen zoowel in de straten als op de +kaden waren overvuld. Er bestond bovendien nog eene bijzondere +aantrekkingskracht, die wel geschikt was om een zeker aantal +nieuwsgierigen, leegloopers en lanterfanten te verleiden en meê te +slepen, en dat was het te water laten van eene „trabucolo,” een soort +vaartuig, dat alleen in de Adriatische zee aangetroffen wordt en twee +masten ieder met twee zeilen voert, welke op schuin oploopende ra’s +aangeslagen zijn. + +Het te water laten zou tegen zes uren in den avond plaats hebben, en de +romp der trabucolo was reeds bevrijd van de steunpalen en wachtte +slechts op het wegnemen van de sleutelwiggen, om te water te loopen. + +Maar tot op dat uur wedijverden de kunsten- en potsenmakers met de +rondreizende muzikanten en met de koorddansers in talent of +behendigheid, tot groot genoegen van de menigte. + +Het waren toen de muzikanten, die het meest de toeschouwers tot zich +trokken. Onder hen bevonden zich guzlars of bespelers van de guzla en +die haalden het meeste geld op. Terwijl zij zich met hunne zonderlinge +speeltuigen begeleidden, zongen zij met eene keelgeluidachtige stem +hunne nationale gezangen en liederen, en die waren inderdaad wel waard, +dat men een oogenblik stilstond om ze te hooren. + +De guzla, waarvan die straatkunstenaars zich bedienen, is een +instrument met een langen hals, waarover verscheidene snaren gespannen +zijn en waarop zij eenvoudig met een enkelen kattendarm zagen. Wat de +stem der zangers betreft, deze laatsten loopen geen gevaar, dat hun de +noten ontbreken zullen, want zij gaan ze zoowel boven in hun hoofd als +beneden in de borstholte zoeken. + +Een van die zangers,—een groote lummel, met gele huid en bruin +haar,—hield zijn instrument tusschen zijne knieën evenals een oude +violoncel, die uitgeteerd zoude zijn. Hij zong en mimeerde door houding +en gebaren eene canzonetta, waarvan hieronder de vertaling volgt: + + + Wanneer weerklinkt het lied, + Het lied der Singare; + U ontsnappe dan niet, + Hoe zij zingt dat haar lied + Want: Beware! + Pas op voor de Singare! + Blijft ge echter ver van haar + Van haar verteerende blikken + Dan is er weinig gevaar + Dan kunt ge het nog ontglippen! + + +Na dat eerste couplet trad de zanger met het traditioneele bakje in de +hand op de menigte toe, om hun de gift van een paar kleine koperen +muntstukken af te bedelen. Maar hetgeen hij opgehaald had, bedroeg, +scheen het, niet veel, want hij keerde naar zijne plaats terug en +poogde zijn gehoor te verteederen met een tweede couplet van de +canzonetta. + +Een man, ongeveer vijftig jaren oud, hoorde dat gezang dier Bohemers +rustig aan. Maar hij scheen weinig gevoelig voor zooveel dichterlijke +verleidingen; want zijne beurs bleef tot nu toe opgeborgen en gesloten. +Het is waar, dat de Singare zelve, waarvan de canzonetta sprak, met +hare verteerende blikken niet gezongen had, maar wel de lange lummel, +die zich tot haren tolk gemaakt had. Hij was dan ook op het punt om +heen te gaan, zonder iets betaald te hebben, toen een jong meisje, die +den toehoorder begeleidde, hem weerhield met de woorden: + +„Vader, ik heb geen geld bij mij. Ik bid u, geef toch iets aan dien +braven man.” + +Dat was de reden, waarom de guzlar vier of vijf kreutzer meer ontving +dan wel geschied zou zijn zonder de tusschenkomst van het jonge meisje. +Niet dat haar vader, die zeer rijk was, zulk een gierigaard genoemd kon +worden, dat hij een aalmoes zou weigeren aan een kermismuzikant. Neen, +maar waarschijnlijk behoorde hij niet tot hen, die door de menschelijke +ellende bewogen kunnen worden. + +Beiden drongen door de menigte heen en gingen naar de andere kramen, +waar het niet minder luidruchtig toeging, terwijl de guzla-bespelers +zich in de nabij gelegen herbergen en kroegen verspreidden, om het +ontvangen geld in vocht voor de keel om te zetten. Zij gingen dan ook +niet zuinig om met de „slivo-vitza”, een soort zeer sterke brandewijn, +die door de distillatie van pruimen verkregen wordt en die in weerwil +van zijne alcoholische kracht, als stroop door die Bohemer kelen vloot. + +Die kunstbeoefenaars in de open lucht, hetzij het zangers, hetzij het +koorddansers of grappenmakers waren, erlangden niet allen even +gelijkelijk de gunsten van het publiek. Onder de minstbegunstigden kon +men twee acrobaten ontwaren, die te vergeefs hunne kunsten op eene +verhevenheid van planken aan den man poogden te brengen. Zij hadden +evenwel geen toeschouwers. + +Boven die verhevenheid prijkten afbeeldingen met schreeuwende kleuren +besmeerd en in vrij slechten staat verkeerende, waarop verscheurende +dieren, in waterverf gekleurd en bedeeld met de meest grillige +omtrekken, voorgesteld waren. Men zag daar leeuwen, jakhalzen, hyena’s, +tijgers, boa’s enz. enz., die te midden van een onwaarschijnlijk, ja +onmogelijk landschap sprongen of zich ontrolden. + +Achter die verhevenheid stond eene kleine ronde tent, van oud zeildoek +vervaardigd, die met zooveel gaten doorboord was, dat de nieuwsgierigen +en onbescheidenen de verleiding niet konden weerstaan om er het oog bij +te brengen en er door te gluren, hetgeen nadeelig voor de ontvangst +moest zijn. + +Vóór de verhevenheid stond een slecht bevestigde paal, waaraan eene +oude leelijke plank vastgespijkerd was, die als het ware de kinderjaren +van de uithangborden vertegenwoordigde en waarop deze vijf woorden grof +en lomp met houtskool geschreven waren: + + + PESCADOS EN MATIFOU. + + Fransche acrobaten. + + +Uit een lichamelijk oogpunt beschouwd,—en ongetwijfeld ook uit een +zedelijk oogpunt,—verschilden die twee mannen zoo sterk van elkander +als dat twee menschelijke wezens doen kunnen. Alleen had hun +gemeenschappelijke oorsprong het kunnen bij elkander brengen om de +wereld rond te trekken en den strijd des levens te zamen te aanvaarden. +Beiden waren in de Provence geboren. + +Hoe kwamen zij aan die zonderlinge namen, die waarschijnlijk daar ginds +in hun ver verwijderd geboorteland eenige vermaardheid hadden? + +Hadden zij die ontleend aan die twee geographische punten, waartusschen +de baai van Algiers ingesneden is, namelijk tusschen kaap Matifou en +kaap Pescados? Ja, zeker, en die namen pasten hen inderdaad volkomen, +evenals die van Atlas aan een kermisreus of aan een straat-Hercules. + +Kaap Matifou is een groote, stevige onwrikbare heuvel, die op het +noordwestelijke uiteinde van de uitgestrekte reede van Algiers +verrijst, alsof hij de ontketende elementen tartte en daardoor het +gezegde der dichters verdiend heeft: + +„Zijn onvernietigbare massa heeft den tijd vermoeid.” + +Zoodanig was de athleet Matifou, een Alcides, een Porthos, een +gelukkige mededinger van een Ompdrailles, van een Nikolaas Crestes en +van andere beroemde worstelaars, die tot sieraad strekten van de +zuidelijke worstelperken. + +Die reus, zooals men hem noemde, en men moest hem gezien hebben om het +te gelooven, was meer dan zes voet hoog, had een omvangrijk hoofd en +daaraan geëvenredigde schouders, eene borstkas als een smids-blaasbalg, +beenen als boomstammen van twaalf jaren oud, armen als drijfstangen van +een stoomwerktuig, en handen als nijptangen. In dien man zag men de +menschelijke spierkracht in hare geheele heerlijkheid, en wanneer men +naar zijn ouderdom vernomen had,—dien hij, tusschen twee haakjes +gezegd, zelf niet wist,—dan zou men met verbazing gehoord hebben, dat +hij ternauwernood zijn twee en twintigste jaar ingetreden was. + +Dat kolossale wezen was stomp van begrip, maar had daarentegen +ongetwijfeld een goed hart en een eenvoudig en zacht karakter. Hij +kende noch haat noch gramschap. Hij zou nimmer iemand kwaad doen. Hij +durfde ter nauwernood de hand te drukken, die hem gereikt werd, uit +vrees van ze in de zijne te vermorselen. In den grond van zijne natuur, +die zoo machtig was, bestond niets van den aard eens tijgers, waarvan +hij toch de kracht bezat. + +Hij gehoorzaamde dan ook op een woord of een wenk van zijnen makker, +alsof een gril van den Schepper hem tot kolossalen zoon van dien +mageren sprinkhaan geschapen had. + +Als tegenstelling lag aan het westelijk uiteinde van de Algerijnsche +baai, kaap Pescados, vlak tegenover kaap Matifou. Die landtong is smal, +uitgerafeld, en bestaat slechts uit eene dunne rotsbank, die zich ver +in zee uitstrekt. Vandaar de naam van Pescados, welke gegeven was aan +dien jongen van twintig jaren, die klein, mager en tenger was en niet +eens het vierde gedeelte in oude ponden woog, van hetgeen de andere +kilogrammen op de weegschaal haalde. Maar hij was lenig, uitermate vlug +in zijne bewegingen en had een schranderen geest en een onaantastbaar +gelijkmatig humeur, zoowel in voor- als tegenspoed. Hij was een +wijsgeer op zijn manier, daarbij vindingrijk en in de hoogste mate +practisch. Hij kon het best vergeleken worden bij een aap, zonder diens +boosaardigheid evenwel. Hij was door het toeval met onverbreekbare +banden aan zijn makker, aan dien goeden, grooten, vetten dikhuid +verbonden, dien hij door al de wisselvalligheden van een +straatkunstenaarsleven geleidde. + +Beiden waren acrobaten van beroep en liepen de kermissen af. + +Matifou, of beter Kaap Matifou,—zooals hij gewoonlijk genoemd +werd,—worstelde in de strijdperken, verrichtte allerhande daden van +krachtsbetoon, boog ijzeren staven op zijn elleboogsbeen, tilde met +stijf uitgestrekte armen de zwaarste personen van het gezelschap +toeschouwers op en maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker, alsof +dat een eenvoudige biljardbal ware geweest. + +Pescados of Pescados-punt,—zooals de andere in de wandeling genoemd +werd,—paradeerde, zong, speelde voor hansworst, vermaakte het publiek +als pailjas door zijne geestige gezegden. Nimmer bleef hij steken of +het antwoord schuldig en hij verbaasde de menigte door zijne +evenwichtstoeren, die hij uiterst behendig ten uitvoer bracht. Als hij +dat niet deed, dan lokte hij aller goedkeuring uit, door goochelstukjes +met kaarten, waarin hij inderdaad aan den meest behendigen +prestidigitateur een lesje had kunnen geven. Zoo nam hij zonder +aarzelen op zich, om het even welk spel het betrof,—hetzij een +berekenings- of een hazardspel—steeds te zullen winnen. + +„Ik heb mijn „candidaats-examen” afgelegd!” zeide hij en herhaalde hij +gaarne. + +Maar, waarom, zult ge mij zeggen,—in navolging van eene gemeenzame +uitdrukking van vriend Pescadospunt—waarom zagen die twee arme drommels +zich dien dag door de toeschouwers verlaten, terwijl deze zich rondom +andere tenten en kramen verdrongen? Waarom, zult ge me zeggen, dreigde +die geringe inkomst, die zij toch zoo noodig hadden, hen te ontvallen? +Dat was inderdaad onverklaarbaar. + +De taal, welke zij bezigden, een mengelmoes van het Provençaalsche en +het Italiaansche dialect—was meer dan voldoende om zich door het +Dalmatisch publiek te doen verstaan en begrijpen. Sedert zij den +Provençaalschen geboortegrond verlaten hadden, waren zij, ouderloos als +zij waren, en hunne ouders zelfs nimmer gekend hebbende en als ware +producten eener spontane generatie, er in geslaagd rond te komen. Zij +zochten de jaarmarkten en de kermissen op, leefden eer armoedig dan +weelderig. Zij ontbeten niet iederen dag en hadden meestal slechts een +schraal stuk brood tot avondmaal. Dat was genoeg; want, beweerde en +herhaalde de opgeruimde Pescadospunt: + +„Men moet nimmer het onmogelijke vergen!” + +En toch, al vergde dien dag die goedige lummel het onmogelijke niet, +zoo poogde hij toch een paar dozijn toeschouwers, die voor zijn kraam +stonden te gapen, tot zich te lokken, in de hoop dat zij besluiten +zouden zijne ellendige tent te bezoeken. Maar noch zijne geestige +gezegden, die door zijn vreemden tongval al zeer koddig klonken, noch +zijne kwinkslagen, die een blijspel-schrijver beroemd en rijk gemaakt +zouden hebben, noch de potsierlijke gezichten, die hij trok en die een +heilige van steen of brons, in eene nis der domkerk staande, aan het +lachen zouden gebracht hebben, noch zijne ledematenbewegingen en +heupontwrichtingen, ware kunststukken van lenigheid; noch het grappige +spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was en welker +staarteinde op de roode stof van zijne buis bengelde, noch zijne +komieke uitvallen, die den beroemden Pulcinello van Rome overwaardig +zouden geweest zijn, konden het publiek bekoren. + +En toch werd dat Slavonisch publiek door hem en zijn makker sedert +verscheidene maanden geëxploiteerd. + +Na de Provence verlaten te hebben, waren de twee vrienden de landstreek +der Maritieme Alpen, het Milaansche, het Lombardijsche en daarna het +Venetiaansche grondgebied doorgetrokken, waarbij als het ware de een de +volmaking van den anderen was. Beiden waren beroemd: Kaap Matifou door +zijne kracht, Pescadospunt door zijne vlugheid. Hunne vermaardheid had +hun tot Triëst, in Illyrië gelegen, gelokt. Van Triëst waren zij door +Istrië langs de kust van Dalmatië naar Zara, naar Salona, naar Ragusa +afgezakt, terwijl zij meer profijt er in vonden om steeds voorwaarts te +schrijden dan om achterwaarts terug te keeren. + +Achterwaarts waren zij genoten, ja versleten. Voor zich uit brachten +zij steeds een geheel nieuw programma voor het publiek, waaruit dan zoo +goed en zoo kwaad als het ging munt geslagen werd. + +Thans helaas, zij zagen het maar al te goed in, dreigde de tocht, dien +zij maakten en die toch nimmer schitterend geweest was, zeer slecht te +worden. Die arme drommels koesterden dan ook maar één wensch, dien zij +waarachtig niet wisten hoe te verwezenlijken, namelijk om naar hun +vaderland terug te keeren, om de Provence weer te zien, en deden +daarbij de gelofte: zich nimmer meer zoo ver van den geboortegrond te +verwijderen. Maar zij voelden den kogel aan hun voet geklonken, den +kogel der armoede en der ellende, en met zoo’n kogel aan het been is +het afleggen van honderden uren gaans een lastig en moeilijk werk. + +Evenwel, alvorens aan de toekomst te kunnen denken, moest aan het heden +gedacht worden, dat wil zeggen: aan het maal, dat zij hedenavond zouden +genieten. En wat daartoe in uitzicht zich vertoonde, was jammerlijk +schraal. Zij hadden geen kreutzer in kas, wanneer men aan den slip van +den zakdoek, waarin Pescadospunt gewoonlijk het gezamenlijke vermogen +der beide vennooten opborg, den weidschen naam van kas mag geven. Te +vergeefs bewoog hij zich en liep hij op zijne verhevenheid heen en +weder. Te vergeefs liet hij wanhopige uitroepingen en aanmoedigingen +door de lucht weerklinken. Te vergeefs stelde Kaap Matifou zijn +reuzenarmen ten toon, waarvan de aderen en spieren zich slingerden en +uitkwamen als de vertakkingen van eene klimopplant rondom een +knoestigen stam! Maar geen enkel toeschouwer liet iets bespeuren van +eenige neiging om die linnen tent binnen te treden. + +„Drommels, zij zijn hard in den bek, die duivelsche Dalmatiërs,” zei +Pescadospunt. + +„Als keisteenen zoo hard,” vulde Kaap Matifou aan. + +„Waarlijk, ik geloof dat wij moeite zullen hebben om heden ons eerste +geld te verdienen! Zie je, Kaap Matifou, wij zullen moeten opbreken!” + +„Om waar heen te gaan?” + +„Je bent wel nieuwsgierig!” antwoordde Pescadospunt. + +„Spreek maar op.” + +„Welnu, wat zou je denken van een land, waar men verzekerd is om eens +per dag te kunnen eten?” + +„Waar ligt dat land, Pescadospunt?” + +„O ver, heel ver, zeer ver.... zelfs verder dan zeer ver, Kaap +Matifou!” + +„Aan het uiteinde der aarde?” + +„De aarde heeft geen uiteinde,” antwoordde Pescadospunt machtspreukig. +„Wanneer zij een uiteinde had, dan zou zij niet rond zijn; wanneer zij +niet rond was, dan zou zij niet kunnen draaien. Wanneer zij niet +draaide, zou zij onbewegelijk zijn, en wanneer zij zij onbewegelijk +was....” + +„Welnu?”.... vroeg Kaap Matifou. + +„Welnu.... dan zou ze op de zon vallen in minder tijd dan ik noodig heb +om een konijn weg te goochelen!” + +„En dan?....” + +„En dan zou gebeuren wat iederen onhandigen kunstenmaker overkomt, +wanneer twee zijner ballen zich in de lucht ontmoeten en klotsten! +Krak! Alles breekt, alles valt en het publiek fluit hem uit en vraagt +zijn geld terug. Hij geeft het terug, maar dan.... dan heeft hij dien +avond niets te eten!” + +„Zoodat,” vroeg de reus, „wanneer de aarde op de zon viel, dan kregen +wij niet te eten?” + +„Neen, voorwaar!” + +Kaap Matifou verloor zich na dat antwoord in zeer wijdloopige +overpeinzingen. Hij zat in een hoek der verhevenheid, met zijne armen +gekruist over zijne borst, die met een vleeschkleurig geweven hemd +bedekt was. Hij bewoog het hoofd heen en weer als een porceleinen +Chineesch beeldje; hij zei niets meer, hij zag niets meer, hij hoorde +niets meer. Hij werd bestormd door de meest onmogelijke vermenging van +denkbeelden. Alles hoste en klotste in die groote hersenkas en daarbij +voelde hij in het binnenste van zijn wezen iets, alsof daar een afgrond +geboord werd. Toen scheen het hem toe, alsof hij hoog, heel hoog, zeer +hoog.... hooger dan zeer hoog steeg. Die uitdrukking, door Pescadospunt +gebezigd voor de verwijdering der voorwerpen, had hem getroffen. Maar +toen had hij een gevoel alsof men hem gedurende die stijging plotseling +losliet, waarbij hij viel.... viel in zijn eigen maag, dat wil zeggen +in de ledige ruimte. + +Dat was eene ware nachtmerrie. Het rampzalige wezen sprong met +uitgestrekte armen en als verblind van zijn stoeltje op. Nog ééne +seconde, dan zou hij van boven zijn verhevenheid neergevallen zijn. + +„Hé! Kaap Matifou, wat scheelt je toch?” riep Pescadospunt uit, terwijl +hij zijn makker bij de hand greep en er in slaagde, evenwel niet zonder +moeite, om hem achteruit te trekken. + +„Wat? Mij?....” antwoordde de reus geheel beteuterd. „Wat mij +scheelt?....” + +„Ja, u!” + +„Mij scheelt....” zeide Kaap Matifou, terwijl hij zijn denkvermogen +bijeen raapte, een moeilijk werk, hoewel zijne denkbeelden niet zeer +talrijk waren. „Mij scheelt.... anders niets dan dat ik je spreken +moet, Pescadospunt!” + +„Spreek dan, Kaap van mijn hart! en vrees niet dat ge beluisterd zoudt +kunnen worden; want het publiek is weg! Weg! Verstoven!” + +De reus liet zich op zijn stoeltje neervallen en trok met zijn +machtigen arm, maar toch zacht, zeer zacht, alsof hij bang was hem te +breken, zijnen braven makker tot zich. + + + + + + + + +II. + +HET TE WATER LATEN VAN DE TRABUCOLO. + + +„Dus het gaat niet?” begon Kaap Matifou. + +„Wat gaat niet?” + +„De zaken!” + +„Zij konden beter gaan, dat valt niet te betwisten; maar zij konden ook +nog slechter gaan!” + +„Pescadospunt?” + +„Kaap Matifou!” + +„Neem mij niet kwalijk, hetgeen ik je zeggen ga!” + +„Ik zal het je integendeel wel kwalijk nemen, wanneer het dat verdienen +zal!” + +„Welnu.... ge moest mij verlaten,” zei de reus. + +„Wat bedoel je met dat: mij verlaten.... Je in den steek laten?” vroeg +Pescadospunt. + +„Ja!” + +„Ga voort, o Hercules mijner droomen! Ga voort. Waarachtig, je boezemt +me belang in.” + +„Zie,” antwoordde de reus, „ik ben er zeker van, dat wanneer ge alleen +waart, ge er wel komen zoudt.... Ik hinder je, en zonder mij zou +je....” + +„Zeg eens, Kaap Matifou,” antwoordde Pescadospunt ernstig. „Je bent +dik, niet waar?” + +„Ja.” + +„Welnu, hoe dik en hoe lang en hoe groot ge ook wezen moogt, begrijp ik +niet, dat je machtige omvang de domheid heeft kunnen bevatten, die je +daar uitgekraamd hebt.” + +„Waarom dan toch, Pescadospunt?” + +„Omdat die domheid nog dikker, nog grooter is dan jij bent, Kaap +Matifou! Ik zou je verlaten! Jij mijn schoothondje, mijn dierbaar lief +beestje! Maar zeg eens, als ik weg was, met wien zou je je toeren +uitvoeren?” + +„Met wien?....” + +„Wie zou er zijn, die den gevaarlijken sprong op je achterhoofd kon +uitvoeren?” + +„Ja, maar....” + +„Wie zou den toer met „de beenen uit elkander” tusschen je armen kunnen +volbrengen?” + +„Drommels!....” antwoordde de reus, die door die dringende vragen in de +war raakte. + +„Ja.... de beenen uit elkander.... voor een stormachtig opgewonden +publiek.... wanneer er bij toeval publiek aanwezig is!” + +„Een publiek?” mompelde Kaap Matifou. + +„Dus,” hernam Pescadospunt, „houd je mond en laten wij slechts daaraan +denken, dat wij zooveel geld verdienen moeten om heden avond te kunnen +eten!” + +„Ik heb geen honger!” + +„Jij, je hebt altijd honger, Kaap Matifou; dus.... nu heb je ook +honger,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij met zijne beide handen de +kolossale kakebeenen opende van zijn makker, die de verstandskies niet +afgewacht had om zijne twee en dertig tanden voltallig te hebben. „Ik +zie dat aan je oogtanden, die de lengte bezitten van de haken van een +buldog! Je hebt honger, zeg ik je, en als wij nu maar zoo gelukkig zijn +om slechts een halven gulden, kom, slechts een kwartje te verdienen, +dan zal je eten!” + +„Maar jij, kleine Pescadospunt?” + +„Ik, voor mij is een graankorrel genoeg! Ik behoef niet sterk te zijn, +terwijl jij zoonlief.... Volg nu wel mijne redeneering. Hoe meer je +eet, te vetter zal je worden. Hoe vetter je wordt, te meer zal je een +wonderverschijnsel zijn!.... Een wonderverschijnsel, ja....” + +„Ik integendeel, hoe minder ik eet, te meer ik vermager. En hoe meer ik +vermager, te meer word ik ook een wonderverschijnsel op mijne beurt. Is +dat waar of niet?” + +„Dat is waar,” antwoordde Kaap Matifou zoo kinderlijk eenvoudig +mogelijk. „Dus, Pescadospunt, in mijn belang moet ik eten?” + +„Het is zooals gij zegt, mijn dikke vent! In uw belang, terwijl ik in +mijn belang niet moet eten!” + +„Zoodat, wanneer er slechts voor één te eten was....” + +„Dat voor jou zou zijn!” + +„Maar wanneer voorraad voor twee was?” + +„Dan zou die ook voor jou zijn! Wat duivel, Kaap Matifou, je staat wel +twee mannen?” + +„Vier.... zes.... tien!....” riep de reus uit, die inderdaad door tien +mannen niet zou te bedwingen zijn. + +Wanneer wij de overdrijving, zoo eigen aan de Herculessen van den ouden +en van den nieuweren tijd ter zijde laten, dan valt toch als +onomstootelijke waarheid mede te deelen, dat Kaap Matifou het van alle +de worstelaars, die met hem in het strijdperk getreden waren, gewonnen +had. + +Men verhaalde van hem twee stukken, die inderdaad zijn buitensporige +kracht bewezen. + +Op een avond bevond hij zich te Nîmes in een circus, die in hout +opgetrokken was. Een der steunbalken, die de kap van het dak torschten, +bezweek. Een hevig gekraak verschrikte de toeschouwers, die gevaar +liepen onder het vallende dak verpletterd te worden, of zich zelven +dood te dringen, door de poging om langs de smalle uitgangen te +ontsnappen. Maar Kaap Matifou was er! Met één sprong was hij bij den +steunbalk, die reeds uit de loodlijn geweken was, en schraagde hem met +zijne krachtige schouders juist op het oogenblik, dat de dakstoel zou +neerkomen, en dat gedurende den geheelen tijd, die noodig was om de +zaal te ontruimen. Daarna volvoerde hij een vervaarlijken sprong en +stormde naar buiten, juist toen het dak achter hem instortte. + +Dat, dat was eene krachtsontwikkeling der schouders geweest; ziet hier +nu eene van de armen. + +Eens ontsnapte in de vlakte van Camargue een woedende stier uit de +omheining, waarin hij opgesloten was; hij vervolgde en verwondde +verscheidene personen. Zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, zou +hij de grootste ongelukken veroorzaakt hebben. De reus liep op het dier +toe, wachtte het, toen het op hem aankwam, met gestrekte knieën af, +greep het, toen het met voorover gebogen kop op hem losstormde, bij de +hoorns, wierp het met een krachtige armbeweging omver en weerhield het +in dien stand, terwijl het met de vier hoeven in de lucht spartelde, +totdat het overmeesterd, gebonden en buiten staat gesteld was om verder +nadeel te kunnen aanrichten. + +Van die bovenmenschelijke lichaamskracht zouden nog meer bewijzen bij +te brengen zijn. De medegedeelde zijn evenwel voldoende om niet alleen +de spierkracht van Kaap Matifou begrijpelijk te maken, maar ook om een +denkbeeld te geven, van zijn moed en zijne toewijding en +zelfopoffering, daar hij nooit vreesde zijn leven te wagen, wanneer het +gold zijn evenmensch te hulp te komen. Hij was dus een even goedhartig +wezen als hij sterk was. Evenwel om niets van zijne spierkracht te +verliezen, moest de reus, zooals Pescadospunt herhaaldelijk verzekerde, +eten, en zijn makker noodzaakte hem daartoe en leed zelf gebrek, +wanneer er slechts voor één zelfs voor twee voorraad was. Dien avond +evenwel verscheen het avondmaal—voor een zelfs—niet aan den +gezichteinder. + +„Er zijn nevelen aan de kim,” zeide Pescadospunt herhaaldelijk. + +En om die nevelen te verdrijven, hervatte die edele kerel zijne +geestigheden en zette potsierlijke gezichten. Hij liep zijne +verhevenheid op en neer, hij draaide rechts en links, hij ontwrichtte +zijne heupen, hij liep op zijne handen als hij dat niet op zijne voeten +deed. Volgens eene zijner wijsgeerige opmerkingen, had men minder +honger, wanneer men met het hoofd omlaag heen en weer wandelde. Hij +herhaalde in zijn eigenaardig bargoens, dat half uit Provençaalsche, +half uit Slavonische uitdrukkingen bestond, die eeuwige grappen, die +net zoo lang gebruikelijk zullen zijn als een pailjas zal bestaan, om +ze aan de menigte van leegloopers en maangapers toe te schreeuwen en +zoo lang als die leegloopers zullen samenstroomen om ze aan te hooren. + +„Treedt binnen, heeren, treedt binnen!” riep Pescadospunt. „Men betaalt +slechts, wanneer men de tent verlaat, en.... dan nog maar de +kleinigheid van een kreutzer!” + +Maar om de tent te kunnen verlaten, moest men haar eerst binnentreden, +en geene der vijf of zes personen, die voor de geschilderde zeilen +stonden te lanterfanten, scheen tot het besluit te kunnen komen om +binnen te treden. + +Toen wees Pescadospunt met trillenden stok op de merkwaardigheden, die +op dat zeildoek geschilderd stonden. Niet dat hij eene diergaarde aan +het publiek te vertoonen had! Neen! Die schrikwekkende beesten leefden +ergens in den achterhoek van Afrika of van Indië. Maar.... wanneer Kaap +Matifou hen ooit mocht ontmoeten, dan zou hij er slechts een hap van +maken. + +En daarop volgden de gewone kluchten, die door den reus met zware +slagen op de groote trom, die als kanonschoten weerklonken, afgebroken +werden. + +„De hyena, heeren! Ziet hier de hyena! Hij is afkomstig van de Kaap de +Goede Hoop. Het is een vlug en bloeddorstig dier. Hij springt de +ringmuren der kerkhoven over en zoekt daar zijn prooi!” + +En naar eene andere zijde van het geschilderde doek wijzende, waarop +een geelachtig water te midden van blauwe en groene grassoorten +afgebeeld was. + +„Ziet hier! Een jeugdige en belangwekkende neushoorn, die slechts +vijftien maanden oud is! Dat dier werd op Sumatra geboren en opgevoed, +waar het met zijn schrikkelijken hoorn het vaartuig gedurende den +overtocht in gevaar bracht van te stranden!” + +Daarna op een groenachtigen hoop beenderen van rampzalige slachtoffers +op den voorgrond wijzende: + +„Ziet, heeren, ziet! De schrikkelijke leeuw van den Atlas. Hij bewoont +het innerlijke van de Sahara! In het brandende zand van de woestijn! Op +het oogenblik van de tropische hitte, kruipt hij in rotsholen! Als hij +eenige druppels water vindt, dan stort hij er zich in en komt er +druipstaartend uit!” + +Maar al dat aanmoedigende redenaarstalent liep gevaar geheel nutteloos +te worden uitgekraamd. Pescadospunt schreeuwde als een bezetene, maar +te vergeefs. En te vergeefs sloeg Kaap Matifou op de groote trom, alsof +hij het vel wilde stuk slaan! + +Het was wanhopig! + +Eindelijk bleven toch verscheidene Dalmatiërs, stevige bergbewoners, +stilstaan, om, zooals het scheen, den athleet Kaap Matifou met +bewondering te aanschouwen. + +Dadelijk meende Pescadospunt een middel gevonden te hebben. Hij wilde +die brave lieden tot een worstelstrijd uitdagen. + +„Treedt binnen, heeren! Treedt binnen! Het oogenblik is gekomen! Groote +worstelstrijd van man tegen man! De strijd zal met geopende hand plaats +vinden! De schouders moeten elkander raken! Kaap Matifou neemt op zich +om al de liefhebbers te overwinnen, die hem de eer willen aandoen zich +met hem te meten! Een katoenen zwembroekje zal de eereprijs zijn voor +zijn overwinnaar! Zult gij dat zijn, heeren?” + +Die vraag werd gedaan aan drie kolossale boeren, die hem met domme +verbaasde oogen aankeken. + +Maar die kolossale boeren hadden geen lust om zich aan dien +worstelstrijd, die toch zeer eervol voor de beide tegenstanders zou +geweest zijn, te onderwerpen. Pescadospunt ging toen tot de +aankondiging over, dat bij gebrek aan liefhebbers de strijd toch zou +plaats hebben, maar nu tusschen Kaap Matifou en hem. Ja, waarlijk! De +behendigheid zou zich meten met de kracht! + +„Treedt binnen, heeren. Treedt dan toch binnen! Volgt elkaar maar!” +riep de arme Pescadospunt met eene kracht, alsof hij zijne longen +verscheuren wilde. „Gij zult hier zien, wat gij nog nimmer gezien hebt! +Een gevecht van Pescadospunt met Kaap Matifou! Een strijd tusschen de +twee Provençaalsche tweelingen!.... Ja.... tweelingen!.... natuurlijk +niet even oud.... ook niet uit dezelfde moeder geboren.... Maar wij +zijn tweelingen!.... Kijk maar, hoe wij elkander gelijken!.... Wij zijn +even dik!.... Ik vooral!” + +Een jongmensch was voor de tent blijven stilstaan en hoorde alle die +oudbakken aardigheden met den grootsten ernst aan. + +Die jongeling was hoogstens twee en twintig jaren oud en had eene +gestalte, die weinig meer dan eene middelmatige was. Zijne fraaie +gelaatstrekken schenen vermoeid door den arbeid, zijn geheel uiterlijk +ademde ernst en duidde op eene nadenkende geaardheid. Het kon wel zijn, +dat die man veel ondervinding in de lijdensschool had opgedaan. Zijne +groote zwarte oogen, zijn baard, dien hij vol maar kort afgeknipt +droeg, zijn mond, die de plooi van een glimlach niet had, maar die +fijntjes onder een nog fijner geteekenden knevel uitkwam. Dat alles +duidde op eene Hongaarsche afkomst, op eene afkomst, waarin het +Magyaarsche bloed voortheerschte. Hij was zeer eenvoudig gekleed in een +modern kostuum, zonder evenwel den schijn op zich te laden een modegek +te wezen. Zijn uiterlijk liet geen twijfel over: in dien jongeling was +de man reeds aanwezig! + +Hij luisterde, zooals reeds gezegd is, naar de nuttelooze geestigheden +van Pescadospunt. Hij zag niet zonder weemoed zijne bewegingen op die +verhevenheid. Hij had zelf veel geleden en ongetwijfeld was hij niet +ongevoelig voor het lijden van anderen. + +„Het zijn twee Franschen!” mompelde hij. „Arme drommels! Zij beuren +heden niets.” + +Toen kwam de gedachte bij hem op om geheel alleen een publiek +toeschouwers daar te stellen, alleen een betalend publiek te willen +zijn. Dat zou niets anders dan eene aalmoes, maar toch eene bedekte, +eene verborgen aalmoes zijn; en het was zeer waarschijnlijk dat die van +pas zou komen. Hij trad dus op de deur toe, dat wil zeggen op de +opening der tent, die door het ophouden van een hoek van het zeildoek +gevormd werd. + +„Treed binnen, mijnheer! Treed binnen! Men begint dadelijk!” + +„Maar.... ik ben alleen....” merkte het jongmensch met de meest +mogelijke welwillendheid in zijne stem op. + +„Mijnheer!” antwoordde Pescadospunt met koddige fierheid op, „ware +kunstenaars letten meer op de qualiteit dan op de quantiteit der +toeschouwers!” + +„Gij zult mij middelerwijl veroorloven?” zei de jongeling, terwijl hij +zijne beurs uithaalde. + +Hij nam twee gulden daar uit, die hij in den tinnen schotel neerlei, +die in een hoek der verhevenheid stond. + +„Een edel hart!” mompelde Pescadospunt. + +En zich tot zijn makker wendende: + +„Kom, vooruit, Kaap Matifou! Vooruit! Wij zullen hem voor zijn geld +bedienen!” + +Maar ziet, juist op het oogenblik van binnen te zullen treden, +ontwaarde de eenige bezoeker van de Fransche en Provençaalsche tent een +jong meisje, dat in gezelschap van haren vader een kwartier vroeger was +blijven stilstaan voor de groep guzlas-zangers. Die jongeling en dat +jeugdige meisje waren, zonder dat zij het wisten, door een en dezelfde +gedachte bewogen om een liefdewerk te volvoeren. De eene had eene +aalmoes gewijd aan die straatzangers, de andere aan deze acrobaten. + +Maar ongetwijfeld was deze ontmoeting den jongman niet voldoende; want +hij vergat, zoodra hij het lieve kind bespeurde, zijne rol van +toeschouwer, alsook den prijs, dien hij betaald had, en stoof den kant +uit, waar de liefelijke verschijning zich in de menigte verloor. + +„Hé, mijnheer!.... mijnheer!....” riep Pescadospunt. „En uw geld +dan?.... Wat drommel, dat hebben wij niet verdiend!.... Maar waar is +hij?.... Verdwenen!.... Hé, mijnheer!....” + +Maar hij poogde te vergeefs „zijn publiek”, dat weggeloopen was, te +ontwaren. Daar nu bekeek hij Kaap Matifou, die niet minder +verbouwereerd was dan hij, en met open mond stond te kijken. + +„Juist op het oogenblik, dat wij zouden beginnen,” zei eindelijk de +reus. „Waarachtig, wij hebben geen geluk.” + +„Laten wij toch maar beginnen,” zei Pescadospunt, terwijl hij het +trapje afklom, dat naar de verhevenheid voerde. + +Zoo zouden zij, door slechts voor de ledige banken—die er trouwens ook +niet waren—te spelen, ten minste het ontvangen geld verdienen. + +Maar in dat oogenblik ontstond een hevig rumoer op de kaden der haven. +De menigte scheen eene beslist aangeduide beweging te volgen, die haar +naar den kant van de zee voerde, en de woorden, die door honderd, door +duizend monden herhaald werden, weerklonken: + +„De Trabucolo!.... de Trabucolo!” + +Het oogenblik was inderdaad gekomen, dat het kleine vaartuig te water +zou gelaten worden. Dat schouwspel is altijd aantrekkelijk en steeds +van dien aard om de publieke nieuwsgierigheid op te wekken. Het plein +en de kaden, waarop de menigte zich een oogenblik te voren verdrong, +waren weldra verlaten en alles stroomde naar de scheepstimmerwerf, waar +de handeling zou plaats hebben. + +Pescadospunt en Kaap Matifou begrepen dat er ten minste in het eerste +halfuur niet meer op publiek te rekenen viel. Zij waren daarenboven +uiterst begeerig om den eenigen toeschouwer die op het punt was geweest +om hunne tent binnen te treden, terug te vinden. Zij verlieten hun hok +dan ook, zonder het te sluiten,—waarom ook te sluiten, er was niets weg +te nemen?—en gingen naar den kant van de werf. + +Die scheepstimmerwerf was aan het uiteinde van eene landspits buiten de +havenkom van Gravosa, op een hellend terrein gelegen, dat door de +branding als met eene zilveren franje van verblindend wit schuim +omgeven werd. + +Pescadospunt en Kaap Matifou baanden zich een weg met hunne ellebogen +en slaagden er in een plaatsje in de eerste rijen der toeschouwers te +veroveren. Zoo had zich nimmer, zelfs bij benefietvoorstellingen de +menigte voor hunne tent verdrongen! Ja, de kunst ontaardde! zoo +verklaarden zij. + +De Trabucolo was reeds van de zijstelten bevrijd, die hare flanken +steunden, en was gereed om de helling af te loopen. Het anker hing ter +gewenschter plaats; het zou voldoende zijn om het te laten vallen, +wanneer de romp te water zoude zijn, ten einde de vaart te temperen, +die het scheepje te ver in het havenkanaal zou kunnen voeren. Hoewel de +Trabucolo slechts een vijftig tonnen meette, was het toch een zoo +aanzienlijk gevaarte, dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen moesten +genomen worden. Twee werklieden der helling stonden op het dek van het +achterschip bij den stok, waaraan de Dalmatische vlag woei, terwijl +twee anderen op het voorschip klaar bij het anker stonden. + +Het was achteruit, zooals gewoonlijk bij dergelijke operatiën +geschiedde, dat de Trabucolo te water zoude glijden. Haar kiel rustte +op de met zeep besmeerde helling en werd nog slechts tegengehouden door +het sluitstuk. Het was voldoende dat dit weggenomen werd, om de +afglijding te doen plaats hebben; daarna zou de snelheid door de in +beweging gebrachte massa aangroeien en het kleine vaartuig zou van zelf +naar zijn natuurlijk element toeijlen. + +Reeds waren een half dozijn timmerlieden, met ijzeren knodsen gewapend, +bezig met het inslaan van wiggen, die onder de kiel van het voorschip +aangebracht werden, om het een weinig op te tillen om zoo nog meer +helling te verkrijgen, ten einde het afglijden naar de zee te +vergemakkelijken. + +Een ieder volgde dien arbeid, te midden eener algemeene en diepe +stilte, met de levendigste belangstelling. + +Juist in dat oogenblik verscheen bij de ombuiging van de landspits, die +in het zuiden de havengang van Gravosa dekte, een pleizierjacht. Het +was een goelet, die ongeveer drie honderd vijftig tonnen inhoud kon +meten. Dat vaartuig poogde, door te laveeren, den kant, waarop de +scheepstimmerwerf lag, te boven te komen, om zoo den haveningang open +te krijgen. Daar de bries uit het noordwesten woei, liep het jacht +scherp bij den wind, bakboord overhellende, en stuurde zoodanig, dat +het slechts af te houden had, om op de gewilde ankerplaats te komen. +Binnen tien minuten zou dat vaartuig in de onmiddellijke nabijheid +gekomen zijn. Het werd al grooter en grooter voor het oog, alsof men +het door een verrekijker bekeek, waarvan de buis door eene langzame +maar gestadige beweging uitgeschoven werd. + +Nu moest de goelet, om de haven binnen te kunnen loopen, voorbij de +scheepshelling stevenen, alwaar het te water laten van de Trabucolo +voorbereid werd. Zoodra zij dan ook geseind werd, werd het raadzaam +geacht, om ieder ongeval te voorkomen, de handeling uit te stellen. Men +zou haar voortzetten, wanneer het vaartuig voorbij gestevend zoude +zijn. Eene aanvaring tusschen die beide vaartuigen, waarvan het een +dwars voor het andere, dat met alle snelheid vooruitschoof, gekomen zou +zijn, zou voorzeker noodlottig voor het jacht moeten uitvallen. + +De werklieden hielden dus op met tegen de wiggen te slaan, en de man, +die bij het sluitstuk stond, kreeg bevel om nog te wachten. Dat was dus +een uitstel van slechts weinige minuten. + +De goelet naderde intusschen snel. Men kon reeds met het bloote oog de +voorbereidselen van het ten anker gaan waarnemen. De beide kluivers +werden ingenomen en men had den schoot van het grootzeil opgegeid, +terwijl het fokkezeil weggenomen werd. Maar de snelheid, waarmede het +vaartuig voortdreef, was nog vrij groot. + +Ieders blik was op dat bevallig scheepje gevestigd, waarvan de nog +bijstaande zeilen door de schuine stralen der zon als verguld werden. +De matrozen verrichtten hun werk aan boord in hun Levantijnsch pak, met +de roode muts op het hoofd; terwijl de kapitein op het achterschip bij +den man aan het roer stond, en vandaar kalm en waardig zijne bevelen +gaf. + +Weldra bevond zich het jacht, waaraan niet meer plaats overbleef dan +noodig was om den slag te maken, die het tot voorbij de landspits, +welke de haven dekte, moest brengen, dwars van de sleephelling. + +Plotseling weerklonk een schrikkelijke kreet. De Trabucolo was in +beweging geraakt. Door de een of andere oorzaak was het sluitstuk uit +zijne sponning gesprongen en bewoog het schip zich juist op het +oogenblik, dat het jacht zijne stuurboordzijde aanbood. + +De botsing tusschen de beide vaartuigen scheen dus onvermijdelijk. Tijd +en middelen, om haar te beletten, ontbraken. Er viel niets te doen. Op +het geschreeuw van de toeschouwers antwoordde een kreet van schrik, +door de bemanning van de goelet geslaakt. + +De kapitein, die zijne koelbloedigheid niet verloor, deed het roer te +boord leggen, maar het was onmogelijk dat het vaartuig vlug genoeg zou +kunnen wenden of voorbijschieten, om den schok te vermijden. + +Want inderdaad, de Trabucolo gleed van de helling. Een witte rook, door +de sterke wrijving veroorzaakt, werd bij den voorsteven waargenomen, +terwijl de achtersteven reeds in het water der baai dook. + +Plotseling sprong een man vooruit. Hij greep een eind touw, dat aan het +voorschip afhing. Maar te vergeefs poogde hij het vaartuig te +weerhouden door zich, op gevaar af van meegesleept te worden, tegen den +grond te stutten. + +Er stond een ijzeren kanonstuk, dat als meerpaal gebruikt werd, in den +grond geplant. In een oogwenk is het om dat kanon geslagen en viert +langzaam af, terwijl de man het touw weerhoudt op gevaar van gegrepen +en verpletterd te worden. Hij spande alle krachten in; de spieren +zijner armen en beenen zwollen als koorden op. Hij weerstond den +aandrang met bovenmenschelijke kracht. Dit duurde tien seconden. + +Maar toen brak, toen knapte de tros. Maar die tien seconden waren +voldoende. De Trabucolo had de wateren der baai bereikt, dook onder, +maar richtte zich weer op met eene beweging alsof zij stampte. Zij +snelde naar den ingang der haven en stoof rakelings—op geen voet +afstand—den achterspiegel der goelet voorbij, stevende voort totdat het +anker in den grond viel, deed haren ketting strak loopen en stuitte zoo +de vaart. + +De goelet was gered! + +Die man, wien niemand, door gebrek aan tijd—zoo bliksemsnel en +onverwacht was alles in zijn werk gegaan—te hulp had kunnen komen, was +de heldhaftige Kaap Matifou. + +„Mooi!.... zeer mooi zoo!” riep Pescadospunt uit, terwijl hij op den +reus toetrad. + +Deze nam hem op, niet om met hem toeren te verrichten, maar om hem te +omhelzen, zooals hij dat slechts doen kon, namelijk tot stikkens toe. + +Toen barstten van alle kanten toejuichingen en handgeklap los. De +geheele menigte verdrong zich om dien Hercules, die niet minder +bescheiden was dan de befaamde uitvoerder van de twaalf kunststukken +uit de fabelleer en niets omtrent die geestdrift van het publiek +begreep. + +Vijf minuten later was de goelet op hare ankerplaats te midden van de +havenkom aangekomen. Daarna zette een sierlijke sloep, door zes +roeiriemen bewogen, den eigenaar van dat jacht op de kade aan wal. + +Dat was een man van hooge gestalte, ongeveer vijftig jaren oud, met +schier witte haren en grijzenden baard, welke laatste op Oostersche +wijze geknipt was en gedragen werd. Groote zwarte vragende oogen, die +eene bewegelijke ziel aanduidden, verlevendigden zijn gelaat, dat wel +ietwat door de zon gebruind was, maar regelmatige en schoone trekken +vertoonde. Wat vooral dadelijk trof, dat was dat adellijk uiterlijk, +hetwelk zelfs van grootheid getuigde, die zijn geheele persoon +uitstraalde. Zijne scheepskleeding, een donkerblauwe pantalon, een +pijjakker van dezelfde kleur maar met blinkende knoopen versierd, een +zwarte ceintuurband, die hem het middel onder den pijjakker omsloot, +zijn lichte hoed van bruin linnen vervaardigd, dat alles stond hem goed +en liet een krachtig lichaam uitkomen, dat, uitmuntend gevormd, nog +niet door den ouderdom aangetast was. + +Zoodra die persoon, waarin men voelde dat een geestkrachtvolle en +machtige geest huisde, voet aan wal gezet had, stapte hij op de beide +acrobaten toe, die nog steeds door de menigte omringd en toegejuicht +werden. + +Men drong op zijde om voor hem plaats te maken. + +Toen hij nabij Kaap Matifou gekomen was, was zijn eerste gebaar niet om +zijne beurs te voorschijn te halen en daaruit eene rijke aalmoes te +nemen! Neen! hij reikte den reus de hand en sprak tot hem in het +Italiaansch: + +„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!” + +Kaap Matifou was waarachtig geheel onthutst over zooveel eer voor zulk +eene geringe daad. + +„Ja!.... het was mooi!.... het was prachtig, Kaap Matifou,” vulde +Pescadospunt met de helder klinkende stembuiging van zijn Provençaalsch +dialect aan. + +„Zijt gijlieden Franschen?” vroeg de vreemdeling. + +„Zoo Fransch mogelijk!” antwoordde Pescadospunt niet zonder trots. +„Franschen uit het zuiden van Frankrijk!” + +De vreemdeling bekeek hen met waarachtige ingenomenheid, die met eenige +aandoening vermengd was. Hunne ellende was te klaarblijkelijk om zich +te kunnen vergissen. Hij zag daar wel degelijk twee arme kunstenaars +voor zich staan, waarvan een hem met groot gevaar van zijn leven, een +belangrijken dienst bewezen had, want eene botsing tusschen de +Trabucolo en de goelet, zou rampvol geweest zijn en vele slachtoffers +gemaakt hebben. + +„Komt mij aan boord opzoeken,” zei hij hen. + +„Wanneer het u schikt, Prins!” antwoordde Pescadospunt, terwijl de +beminnelijkste glimlach, dien hij te voorschijn tooveren kon, zijne +lippen krulde. + +„Morgen ochtend, zoo vroeg mogelijk.” + +„Zoo vroeg mogelijk! Wij zullen er zijn!” antwoordde Pescadospunt, +terwijl Kaap Matifou zijn kolossaal hoofd slechts op en neer bewoog ten +teeken dat ook hij instemde. + +Intusschen bleef de menigte den held van dit avontuur steeds omringen. +Zij zou hem ongetwijfeld in triomf rondgedragen hebben, waren de meest +vastberadenen en de stevigsten niet afgeschrikt geweest door zijn +gewicht. Maar Pescadospunt, die steeds bij de pinken was, meende dat +het juiste oogenblik gekomen was, om de gunstige stemming van zoo’n +publiek te benuttigen. Zoodra dan ook de vreemdeling, na hun nogmaals +de hand toegestoken en met een vriendelijk gebaar toegewuifd te hebben, +naar de kade gestapt was, riep hij met zijne guitige en aantrekkelijke +stem: + +„De worsteling, heeren! De worsteling tusschen Kaap Matifou en +Pescadospunt. Treedt binnen, heeren, treedt binnen!... Men betaalt +slechts bij het heengaan of bij het binnenkomen, naar ieders +verkiezing!” + +Dien dag was de tent veel te klein! Men moest menschen afwijzen! Men +moest die hun geld teruggeven! + +Wat den vreemdeling betrof, nauwelijks had deze eenige schreden in de +richting van de kade gedaan, toen hij zich plotseling voor het jonge +meisje en haren vader bevond, die dat geheele tooneel bijgewoond +hadden. + +De jongeman, die hen op eenigen afstand gevolgd was en wiens groet door +den vader slechts uit de hoogte beantwoord was, hield zich op een +zekeren afstand. De vreemdeling had gelegenheid dat op te merken. + +Toen deze zich in de tegenwoordigheid van dien man bevond, ondervond +hij een gevoel, waarvan hij de uiting ter nauwernood kon bedwingen. Het +was een gevoel van afkeer voor dien persoon, hetwelk hem beheerschte, +en onwillekeurig schitterde een dreigende bliksemstraal in zijn oog. + +Die man, de vader van het jonge meisje, naderde hem en zeide zeer +beleefd: + +„Gij zijt, dank zij den moed van dien acrobaat, aan een groot gevaar +ontkomen, mijnheer!” + +„Inderdaad, mijnheer!” antwoordde de vreemdeling, wiens stem, willens +of onwillens, eene onbedwingbare ontroering te kennen gaf. + +En zich tot den vader wendende, vroeg hij: + +„Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?” + +„Ik ben Silas Toronthal van Ragusa,” antwoordde de gewezen bankier van +Triëst. „Mag ik op mijne beurt weten, wie de eigenaar is van dat fraaie +pleiziervaartuig?” + +„Ik ben dokter Antekirrt,” antwoordde de vreemdeling. + +Beiden wisselden een groet en gingen in verschillende richtingen huns +weegs, terwijl het gejuich en het handgeklap in de tent der Fransche +acrobaten bleef aanhouden. + +Dien avond at Kaap Matifou niet alleen naar volle genoegen, dat wil +zeggen dat hij voor vier personen verslond, maar er bleef ook nog een +portie over. En die was voldoende voor het avondmaal van zijnen braven +kleinen makker, voor Pescadospunt. + + + + + + + + +III. + +DOKTER ANTEKIRRT. + + +Er zijn menschen, die de Faam wel de handen vol te doen geven. Toch is +zij eene ware orchest-vrouw met honderd monden, die den gewilden naam +door haar trompetten aan de vier hoeken der aarde verkondigen. + +Een zoodanige was dokter Antekirrt, die zoo even in de haven van +Gravosa aangekomen was. Er was omtrent hem in dat legendarische +Oosterland een zeker geheimzinnig verhaal ontstaan. In Azië, van de +Dardanellen af tot aan het Suezkanaal; in Afrika van Suez af tot aan de +uiterste grenzen van Tunis; in de Roode zee, langs de geheele Arabische +kuststrook, werd zijn naam genoemd en herhaald als die van een +buitengewoon man, zeer ervaren in de natuurkundige wetenschappen, als +van een soort alweter, een „taleb”, die in de uiterste geheimen van al +het geschapene gedrongen was. In den bijbelschen tijd, of beter in den +tijd van de Tale Canaäns, zou hij Epiphanes geheeten hebben. In de +omstreken van den Euphrates zou men hem voor een afstammeling van de +oude Perzische wijzen gehouden hebben. + +Welke overdrijving heerschte er bij die beroemdheid? Al de +overdrijving, die van een Perzischen wijze een toovenaar wil maken; al +de overdrijving, die een geleerd man tot een bovenmenschelijk wezen wil +verheffen. Ja, de waarheid is, dat dokter Antekirrt slechts een mensch, +niets anders dan een mensch was, die wel is waar, gezonde en degelijke +geestvermogens en een helder doorzicht bezat, die zeer oordeelkundig en +met een bewonderenswaardig scherpen blik begaafd was, maar die ook door +de omstandigheden buitengewoon voortgeholpen was. Zoo was het hem in +een der binnenprovinciën van Klein-Azië gelukt de geheele bevolking +tegen een schrikkelijke ziekte, die voor zeer besmettelijk gehouden +werd en waarvoor hij het geneesmiddel gevonden had, te beveiligen. +Vandaar zijne onvergelijkelijke beroemdheid. + +Wat er vooral toe bijdroeg om hem die beroemdheid te verleenen, was het +ondoordringbare geheimzinnige, waarin zijn persoon gehuld was. Vanwaar +kwam hij? Dat wist niemand. Wat wist men omtrent zijn verleden? Niets. +Waar en onder welke omstandigheden had hij geleefd? Niemand kon daar +antwoord op geven. Men bevestigde slechts, dat die dokter Antekirrt om +zoo te zeggen aangebeden was door de bevolkingen van Klein-Azië en van +Oost-Afrika, dat hij doorging voor een knappen geneesheer, wiens +buitengewone genezingen indruk hadden gemaakt tot bij de beroemdste +wetenschappelijke vereenigingen van Europa; dat hij zijne zorgen zoowel +aan de armste lieden als aan de rijken en machtigen der aarde wijdde. +Men had hem evenwel nimmer in de landstreken van het Westen gezien en +zelfs was men sedert eenige jaren geheel en al onbekend met de plaats +van zijn verblijf. Vandaar de neiging om hem van den een of anderen +geheimzinnigen „avatar” te doen afstammen, om hem als het product van +den een of anderen Hindoeschen god te beschouwen, om er een +bovenaardsch wezen van te maken, die door bovennatuurlijke middelen kon +genezen. + +Maar al had dokter Antekirrt zijne kunst nog niet in de voornaamste +staten van Europa uitgeoefend, zoo was zijn roem hem daar toch +vooruitgesneld. Hoewel hij te Ragusa slechts als gewoon reiziger +aangekomen was, als vermogende toerist, die met zijn jacht rondreisde +om de voornaamste plaatsen, aan de Middellandsche zee gelegen, te +bezoeken, zoo had zich zijn naam toch dadelijk door de stad verbreid. +In afwachting dan ook, dat men den dokter, zelf zou kunnen aanschouwen, +had de goelet middelerwijl veel bekijks. Het gevaar, dat door den moed +van Kaap Matifou afgewend was, zou trouwens voldoende geweest zijn om +de algemeene aandacht op te wekken. + +Inderdaad, dat jacht zou zelfs den meest rijken, den meest +prachtlievenden gentleman van de zeilvereenigingen van Amerika, van +Engeland en Frankrijk eer aangedaan hebben! Zijne beide masten stonden +rechtop en dicht bij het midden van het vaartuig geplaatst, hetgeen +veroorloofde eene groote ontwikkeling aan het grootzeil en aan het +fokkezeil te geven. De lengte van zijn boegspriet, die twee kleine +kluivers voerde, de afmeting der vierkante zeilen, die aan den +fokkemast aangeslagen waren, de hoogte der stengen en de geheele +inrichting van het want moesten hem eene bewonderenswaardige snelheid +bij iedere weersgesteldheid verleenen. Die goelet meette drie honderd +vijftig tonnen. Zij was lang en rank, had eene gunstige ronding en +verhief zich bevallig boven de waterlijn. Zij had diepgang genoeg om +rustig op het watervlak te liggen. Het was wat men noemde een +zeewaardig vaartuig, dat nauwkeurig naar den wil van den stuurman +luisterde, en tot vier streken scherp bij den wind kon zeilen. Hetzij +de goelet met volle zeilen, hetzij zij in den wind opliep, zij was +niets verlegen, om, wanneer er een hevige bries woei, hare dertien en +een halve mijl in de wacht af te leggen. + +De Boadice, de Gaëtana, of de Mordon, die beroemde Engelsche +pleiziervaartuigen, zouden het onderwerpelijke jacht niet de loef +afgestoken hebben bij eene internationale match. + +Wat de uiterlijke en innerlijke fraaiheid van het jacht betrof, de +meest-eischende sportsman zou niets beter hebben kunnen uitdenken. Zijn +hagelwit dek was van Canadeesche pijnboomenbalkjes zonder kwasten +vervaardigd; het innerlijke van het vaartuig was met ware +schrijnwerkersvaardigheid afgewerkt. De kappen, de trappen en de +paneelen waren van djattihout en met gepolijst koperen banden versierd, +die als goud blonken; het beeldhouwwerk van het stuurrad was keurig, +terwijl de blokken van mahoniehout scherp afstaken bij de masten, +welker onderdeel in wit geverfde omhulsels geborgen was, en bij het +touwwerk van het want, dat van gegalvaniseerd ijzerdraad vervaardigd +was, en bij de helderwitte sloepen, die rank en bevallig in de davids +hingen. Dat alles deed een ontwikkelden smaak en eene volmaakte +sierlijkheid uitkomen. + +Het is noodig, dat wij het innerlijke van dat jacht zoowel als het +uiterlijke leeren kennen, daar het toch het drijvende verblijf was van +den geheimzinnigen persoon, die de held van het verhaal zal uitmaken. +Het was evenwel niet toegankelijk voor bezoekers. Maar de +romanschrijver is als het ware met een soort helderziendheid behebt, +die hem veroorlooft zelfs datgene te beschrijven, wat hij nooit gezien +heeft. + +In het innerlijke van die goelet dong de weelde met de gemakzucht om +den voorrang. De vertrekken en de hutten, de salons, de eetzaal, die +allen waren kostbaar en zeer fraai geschilderd. De kleeden, de +draperiën, in een woord alles wat tot het ameublement behoorde, was +uiterst kunstvaardig tot die pleizierscheepvaart aangewend. De +welbegrepen inrichting werd niet alleen in de vertrekken van den +kapitein en der scheepsofficieren aangetroffen, maar ook in de +bergplaats van het komaliewant, waarin het zilverwerk en het +porceleinen tafelgoed tegen het slingeren en stampen van het vaartuig +beveiligd lagen; ook in de keuken of kombuis, waarin eene Hollandsche +reinheid heerschte, en in het vooruit, waar de hangmatten der bemanning +ruimte genoeg hadden om ongehinderd heen en weer te wiegelen. De +bemanning telde een twintigtal matrozen, die het bevallige kostuum van +de Maltheser zeelieden droegen, korte broek met zeelaarzen, gestreept +hemd, bruine gordel, roode muts en blauwe pijjakker, waarop de +beginletters van den naam van de goelet en van haar eigenaar in het wit +gekarteld waren. + +Maar tot welke haven behoorde dat jacht? Waar was de monsterrol +afgeteekend? In welke plaats van de Middellandsche zee werden de +winterkwartieren betrokken? Tot welke nationaliteit behoorde dat +vaartuig ten slotte? Men wist daaromtrent evenmin iets als omtrent de +nationaliteit van den dokter. Een groene vlag met rood kruis in den +bovenhoek wapperde aan de gaffel. Men zou die vlag te vergeefs gezocht +hebben onder de zoo talrijke vlaggen, die langs de zeeën van den +geheelen aardbol zwerven. + +In ieder geval, vóórdat dokter Antekirrt voet aan wal gezet had, waren +de scheepspapieren aan den havenmeester overhandigd en door dezen +ongetwijfeld in orde bevonden, daar de reiziger verlof gekregen had om, +nadat de geneeskundige zeedienst zijn bezoek aan boord gebracht had, +vrijelijk naar den wal te gaan. + +Wat den naam van de goelet betrof, die prijkte in gulden letters op een +schild aan den spiegel aangebracht. Die naam, die niets omtrent de +haven van herkomst meldde, was Savarena. + +Dat was het bewonderenswaardige pleiziervaartuig, dat men thans in de +haven van Gravosa bewonderen kon. Pescadospunt en Kaap Matifou, die den +volgenden morgen door dokter Antekirrt aan boord ontvangen zouden +worden, bekeken het met de meeste nieuwsgierigheid, maar zelfs met meer +ontroering dan de overige zeelieden van de havenplaats. In hunne +hoedanigheid van inboorlingen van de Provence, waren zij uiterst +gevoelig voor alles wat zeeaangelegenheden betrof. Pescadospunt vooral, +die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte, was verrukt. +De beide vrienden brachten den geheelen avond na hunne voorstelling +daarmede door. + +„Ah,” zei Kaap Matifou. + +„Ho!” antwoordde Pescadospunt. + +„Hè! Wat zeg je er van, Pescadospunt?” + +„Ik zeg er niets van, Kaap Matifou!” + +„Maar je denkt er het jouwe van, niet waar?” + +En dat gesprek, hetwelk meer op bewondering uitdrukkende +tusschenwerpsels in den mond van die twee armoedige acrobaten geleek, +had grooter beduidenis dan menige lange redevoering. + +Alle de manoeuvres, die het ten anker gaan opvolgen, waren aan boord +van de Savarena geëindigd: de zeilen waren geborgen en op de ra’s +bevestigd, het tuig en touwwerk was op zijne plaats en met zorg strak +gezet, de zonnetent was over het achterdek uitgestrekt enz. De goelet +was in een hoek van de havenkom ten anker gebracht, hetgeen aanduidde, +dat zij er op rekende het verblijf van eenigen duur te doen zijn. + +Overigens vergenoegde dokter Antekirrt zich met het maken van eene +eenvoudige wandeling in den omtrek van Gravosa. Terwijl Silas Toronthal +met zijne dochter in hun rijtuig, dat hen op de kade gewacht had, naar +Ragusa terugkeerde, en terwijl de jonkman, waarvan hierboven sprake +was, door de groote laan derwaarts wandelde, bezocht de dokter de +haven. Dat is een der besten van de kust en op dat tijdstip bevond zich +daarin een vrij groot aantal vaartuigen van verschillende +nationaliteiten. + +Na de stad verlaten te hebben, volgde hij de oevers van de baai van +Ombla Fiumera, die een bocht vormt van twaalf mijlen uitgestrektheid, +tot aan de monding van de kleine Ombla rivier, die diep genoeg is om +vaartuigen zelfs van grooten diepgang te veroorlooven haar op te varen +tot bij den voet van het Vlastizagebergte. Hij kwam tegen negen uren op +den havendam terug en woonde de aankomst van een groote pakketboot van +den Oostenrijkschen Lloyd bij, die van de Indische zee aankwam. +Eindelijk keerde hij naar boord terug, begaf zich naar zijn vertrek, +hetwelk door twee lampen verlicht was en bleef tot den volgenden +ochtend alleen. + +Dat was zoo zijne gewoonte en de kapitein van de Savarena—een zeeman +van ongeveer veertig jaren oud, die Narsos heette—had order om den +dokter nimmer in die uren van eenzaamheid te storen. + +Hier moet bij verteld worden, dat noch de officieren noch de bemanning +iets afwisten van het verleden van dien persoon. Toch waren zij hem met +ziel en lichaam toegewijd. Al gedoogde dokter Antekirrt geen enkele +inbreuk op den tucht aan boord, zoo was hij toch goed voor allen en +verleende zijne hulp en gaf zijn geld uit zonder tellen. Ieder matroos +trachtte dan ook in de rol van de Savarena opgenomen te worden. Nimmer +viel er eene berisping uit te deelen, nimmer eene bestraffing op te +leggen, nimmer eene verwijdering uit te voeren. Zij die deel uitmaakten +van de bemanning der goelet, vormden als het ware één gezin. + +Nadat de dokter aan boord teruggekeerd was, werden alle beschikkingen +voor den nacht getroffen. De seinlichten werden voor en achter +ontstoken, de manschappen der wacht betrokken hunne posten en weldra +heerschte de diepste stilte. + +Dokter Antekirrt had op een breeden divan plaats genomen, die in den +hoek van het vertrek aangebracht was. Op eene tafel waren eenige +dagbladen neergelegd, die zijn knecht te Gravosa was gaan koopen. De +dokter doorliep ze met een verstrooiden blik en las eerder de gemengde +berichten dan wel de hoofdartikelen. Vooral keek hij naar de aankomst +en het vertrek der vaartuigen, naar het vertrek van de notabiliteiten +der provincie tot het maken van een buitenlandsch reisje. Tegen elf uur +ging hij, zonder de hulp van zijn kamerknecht ingeroepen te hebben, te +bed; maar het duurde lang alvorens hij kon inslapen. + +Indien iemand de gedachte had kunnen lezen, die hem het meest +vervolgde, zou hij wellicht verwonderd zijn geweest te ontwaren, dat +die de navolgende vraag inhield: + +„Wie was die jonge man, die Silas Toronthal op de kade van Gravosa +groette?” + +Den volgenden morgen kwam dokter Antekirrt tegen acht uren op het dek. +Het weder liet zich heerlijk aanzien. De zon verguldde reeds de bergen, +die den achtergrond van de baai vormden. Het nachtelijke duister +verdween van de haven, alsof het over het watervlak heengleed. De +Savarena bevond zich weldra in het volle licht. + +Kapitein Narsos naderde den dokter, om zijne bevelen te vernemen, welke +deze laatste in korte woorden gaf, evenwel niet dan na hem eerst goeden +morgen gewenscht te hebben. + +Een oogenblik later stak eene sloep, bemand met zes roeiers en een +bootsman, van boord af, en voer naar de kade, waar Pescadospunt en Kaap +Matifou, zooals overeengekomen was, zouden wachten. + +Het was een groote dag, een gewichtig oogenblik in het zwervend bestaan +van die twee eerlijke kerels, die zoo ver van hun vaderland gelokt +waren en zich op eenige honderd mijlen van de Provence verwijderd +bevonden, die zij zoo zeer wenschten terug te zien! + +Beiden stonden op de kade te wachten. Zij hadden hun +kunstenmakerskostuum uitgetrokken en waren nu in een armoedig en +versleten maar toch proper pak gestoken. Zij bekeken het jacht, terwijl +zij het evenals daags te voren bewonderden. Beiden bevonden zich in +eene aangename stemming. Niet alleen hadden Kaap Matifou en +Pescadospunt den vorigen dag heerlijk geavondmaald, maar zij hadden ook +dienzelfden ochtend ontbeten. Eene overdaad, eene ware dwaasheid, die +hare oorzaak vond in de omstandigheid, dat zij daags te voren eene +buitengewoon groote ontvangst gehad hadden. Denk eens: twee en veertig +gulden! Maar men moet niet gelooven, dat zij al dat geld verbrast +hadden! Neen, Pescadospunt was voorzichtig, geregeld van levenswijs en +zorgende voor den dag van morgen. Daardoor was hun bestaan voor +minstens tien dagen verzekerd. + +„En dat zijn wij u verschuldigd, Kaap Matifou!” + +„Oh, Pescadospunt!” + +„Ja, aan u, groot man!” + +„Welnu, ja.... aan mij.... als je dat pleizier kan doen!” antwoordde +Kaap Matifou. + +In dat oogenblik landde de sloep bij de kade. Toen stond de bootsman op +en berichtte hen met de muts in de hand, dat hij zich ter beschikking +van „de heeren” stelde. + +„Van de heeren!” riep Pescadospunt uit. „Van welke heeren?” + +„Van uzelven,” antwoordde de bootsman. „Dokter Antekirrt wacht u bij +hem aan boord.” + +„Mooi! Wij zijn reeds heeren!” zei Pescadospunt. „Je zult zien, dat we +nog graven en baronnen zullen worden!” + +Kaap Matifou zette vreeselijk groote oogen en verkreukte in zijne +verlegenheid zijn hoed ergerlijk. + +„Wanneer de heeren gelieven in te stappen!” zei de bootsman. + +„Zeker, zeker, het gelieft ons!” zei Pescadospunt met een vriendelijk +gebaar. + +Een oogenblik later zaten onze beide vrienden zoo gemakkelijk mogelijk +op het donkere tapijt met rood geboord, dat de bank der sloep bedekte, +terwijl de bootsman achter hen plaats nam. + +Het behoeft, dunkt ons, niet vermeld te worden, dat het vaartuigje +onder het gewicht van den Hercules, die aan boord stapte, twee of drie +duimen onder hare waterlijn zonk. Men moest zelfs de hoeken van het +tapijt opnemen, opdat zij niet in het water sleurden. + +Op een schellen fluitstoot van den bootsman, vielen zes riemen +tegelijkertijd te water en schoot de sloep vooruit in de richting van +de Savarena. + +Het mag erkend worden, daar het de waarheid is, dat die twee arme +drommels zich eenigermate aangedaan, om niet te zeggen verlegen of +beschaamd gevoelden. Zoo veel eer voor kunstenmakers! Kaap Matifou +durfde zich niet bewegen. Pescadospunt kon, in weerwil van zijne +verlegenheid, een goedhartigen glimlach, die zijn fijn en schrander +gelaat verhelderde, niet verbergen. + +De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de +stuurboordsvalreep aan. Dat was de eerezijde! + +De beide vrienden stegen de bewegelijke trap, wiens krammen onder het +gewicht van Kaap Matifou doorbogen, omhoog en waren weldra op het dek +aangekomen. Daar werden zij dadelijk naar den dokter gebracht, die hen +op het achterschip wachtte. + +Na een hartelijken groet waren er nog wel eenige plichtplegingen +noodig, alvorens Pescadospunt en Kaap Matifou besluiten konden te gaan +zitten. Maar eindelijk geschiedde dat toch. + +De dokter keek hen een oogenblik aan zonder te spreken. Zijn koel maar +schoon gelaat maakte indruk op hen. Maar, en daarin kon men zich niet +vergissen, was er ook al geen glimlach op zijne lippen, die glimlach +zetelde toch in zijn hart. + +„Vrienden,” zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een +groot gevaar beveiligd. Ik heb u daarvoor nogmaals willen bedanken en +daarom heb ik u verzocht om aan boord te komen.” + +„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, die een weinig van zijne +vrijmoedigheid terugkreeg, „gij zijt zeer goed; maar het gebeurde is de +moeite niet waard. Mijn makker heeft niets anders gedaan dan ieder +ander in zijne plaats en met zijne kracht verricht zoude hebben. Niet +waar, Kaap Matifou?” + +Deze knikte bevestigend, door zijn dik hoofd op en neer te bewegen. + +„Dat moge zoo zijn,” antwoordde de dokter, „maar uw makker en niet +ieder ander heeft zijn leven gewaagd en ik ben hem daarvoor veel +verplicht!” + +„O heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „gij zult mijn ouden Kaap +doen blozen en volbloedig als hij reeds is, is het nadeelig voor hem, +wanneer hem het bloed naar het hoofd stijgt....” + +„Alles wel, vrienden,” hernam de dokter. „Ik zie dat gijlieden niet van +complimenten houdt. Ik zal dus ook niet verder aandringen. Maar, daar +iedere dienst beloond....” + +„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „vergeef mij dat ik u in de +rede val. Maar, iedere goede daad draagt hare belooning in zichzelve, +ten minste zooals de zedeboeken leeren; en.... reeds zijn wij beloond!” + +„Reeds! Hoe?” vroeg de dokter, die vreesde, dat iemand hem voor was. + +„Zeker!” hernam Pescadospunt. „Na dit buitengewone bewijs van +spierkracht van mijn Hercules, heeft het publiek hem verder in andere +kunstvaardige oefeningen willen beoordeelen. In groote menigte is men +naar ons Provençaalsche worstelperk gedrongen. Kaap Matifou heeft een +half dozijn van de sterkste bergbewoners en van de stevigste +pakkendragers van Gravosa van de been gelicht en wij hebben eene +overgroote ontvangst gemaakt.” + +„Overgroote?” + +„Ja, zonder voorbeeld gedurende onze acrobatische omzwervingen!” + +„En hoeveel hebt gij wel ontvangen?” + +„Twee en veertig gulden!” + +„Ah! Waarlijk!.... Maar ik wist niet”.... antwoordde dokter Antekirrt +met goedige stem. „Als ik geweten had, dat gij voorstellingen gaaft, +dan zou ik het mij niet alleen tot plicht gesteld hebben, maar het zou +mij ook een waar genoegen geweest zijn een daarvan bij te wonen. Gij +zult mij dus veroorloven mijne plaats te betalen....” + +„Hedenavond, heer dokter, hedenavond,” antwoordde Pescadospunt, +„wanneer gij onze voorstelling met uwe tegenwoordigheid zult willen +vereeren.” + +Kaap Matifou boog beleefd en deed daarbij zijne breede schouders +zwaaien, die, zooals Pescadospunt steeds luide verkondigde, nimmer den +grond aangeraakt hadden. + +Dokter Antekirrt zag wel in, dat hij de beide acrobaten er niet toe zou +kunnen brengen om eene belooning, ten minste eene geldelijke, aan te +nemen. Hij besloot dus anders te werk te gaan. Daarenboven had hij +sedert den vorigen dag een vastgesteld plan met betrekking tot die twee +mannen in het hoofd. Inlichtingen, die hij den vorigen avond had doen +inwinnen, hadden tot uitslag gehad, dat de twee kunstenmakers eerlijke +menschen waren, die ten volle vertrouwen verdienden. + +„Hoe heet gij?” vroeg hij. + +„De eenige naam, dien ik ken, heer dokter, is Pescadospunt.” + +„En gij?” + +„Ik heet Matifou,” antwoordde de Hercules. + +„Dat wil zeggen Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt aan, niet weinig +hoogmoedig dien naam, die zoo beroemd in al de worstelperken van +Zuidelijk Frankrijk was, te kunnen noemen. + +„Maar dat zijn bijnamen,”.... merkte de dokter op. + +„Wij hebben geen anderen,” antwoordde Pescadospunt, „of, hebben wij er +ooit een gehad, dan hebben wij hem onderweg verloren, wat niet te +verwonderen is: onze zakken zijn slecht en versleten.” + +„En.... uwe bloedverwanten?” + +„Bloedverwanten, heer dokter?.... Onze middelen hebben ons nooit dat +weelde-artikel veroorloofd! Maar mochten wij ooit rijk worden, dan +zullen er wel gevonden worden, die erven willen.” + +„Gij zijt Franschen? Van welk gedeelte van Frankrijk zijt gij +afkomstig?” + +„Wij zijn Provençalen!” antwoordde Pescadospunt fier. „Dat wil zeggen, +dat wij tweemalen Franschen zijn!” + +„Gij hebt een opgeruimd humeur, mijnheer Pescadospunt.” + +„Het ambacht brengt dat mede. Stelt u voor, heer dokter, een paljas, +een roodstaart, een kermisgrappenmaker, die een droefgeestig humeur +had! Hij zou meer gebakken appelen in een uur om de ooren krijgen, dan +hij zijn geheele leven zou kunnen verorberen! Ja, ik ben opgeruimd, +vroolijk zelfs, zeer vroolijk, dat beken ik!” + +„En Kaap Matifou?” + +„O, die is meer ernstig, meer nadenkend, meer in zich zelf gekeerd!” +antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zijn makker een hartelijken +vriendschappelijken klap op den schouder gaf, zooals een ander den hals +van een paard zou streelen. „Dat ’s ook het ambacht hetwelk dat +medebrengt. Wanneer men toeren maakt met gewichten van vijftig, dan +moet men zeer ernstig wezen. Wanneer men worstelt, dan doet men dat +niet alleen met de armen, maar ook en vooral met het hoofd! En Kaap +Matifou heeft steeds geworsteld.... zelfs tegen de ellende! En die +heeft hem nog niet van de been kunnen brengen!” + +Dokter Antekirrt hoorde met belangstelling dat braaf klein wezen, +waarvoor het noodlot tot heden zoo hard was geweest, en dat toch niet +verbitterd was. Hij gevoelde dat in dat teedere omhulsel evenveel hart +als geest schuilde, en dacht er over na wat van hem had kunnen worden, +wanneer aan de materieele eischen van het leven niet dadelijk na zijn +geboorte was te kort geschoten. + +„En waarheen trekt gij thans?” + +„Waarheen? Recht voor ons uit! Op goed geluk af,” antwoordde +Pescadospunt. „Het toeval is niet altijd een slechte gids en over het +algemeen kent het den weg. Alleen, ik vrees dat wij ditmaal te ver van +ons land af gedwaald zijn! Maar.... alles wel beschouwd, is dat onze +schuld! Wij hadden het toeval moeten vragen waarheen het ons leiden +wilde.” + +Dokter Antekirrt sloeg hen beiden gedurende een poos gade. Toen hernam +hij met aandrang: + +„Wat zou ik voor ulieden kunnen doen?” + +„Maar niets, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „niets.... dat +verzeker ik u....” + +„Koestert gij het verlangen niet om in uwe Provence weer te keeren?” + +De oogen der beide acrobaten glinsterden tegelijkertijd. + +„Ik zou er u kunnen brengen,” hernam de dokter. + +„Dat, dat zou merkwaardig wezen!” zei Pescadospunt. + +En zich tot zijn makker wendende: + +„Kaap Matifou, zou je naar ginds willen terugkeeren?” + +„Ja.... als ge meegaat, Pescadospunt.” + +„Maar, wat zullen wij er uitvoeren? Waarvan zullen wij leven?” + +Kaap Matifou krabde zich achter het oor. Dat deed hij bij ieder lastig +geval. + +„Wij zullen.... wij zullen....” mompelde hij. + +„Je weet er niets van.... en ik ook niet!.... Maar, het is ons +vaderland! Is het niet zonderling, heer dokter, dat arme drommels, +zooals wij zijn, een vaderland hebben; dat arme ellendigen, die geen +ouders hebben, ergens geboren zijn! Ziet, dat is voor mij steeds +onverklaarbaar geweest.” + +„Zoudt gij beiden kunnen besluiten steeds bij mij te blijven?” vroeg +dokter Antekirrt. + +Op dat onverwachte voorstel was Pescadospunt vlug opgesprongen, terwijl +de Hercules hem verbaasd aankeek, niet wetende of hij ook zou moeten +opstaan. + +„Bij u blijven, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt eindelijk. „Maar +waartoe zouden wij te gebruiken zijn? Kunststukken uitvoeren, toeren +van kracht en behendigheid.... dat alles is, wat wij in ons leven +gedaan hebben. En tenzij het was om u gedurende uwe zeetochten of in uw +land te verstrooien....” + +„Luistert naar mij,” hernam dokter Antekirrt. „Ik heb moedige, +behendige en schrandere mannen noodig, mannen vol toewijding, die +genegen zijn het bereiken van mijne plannen te bevorderen. Er is niets, +wat u hier terughoudt, niets wat u daar ginder roept. Wilt gij tot die +mannen behooren?” + +„Maar wanneer uwe plannen bereikt zijn?”.... vroeg Pescadospunt. + +„Als het u bij mij bevalt, zult gij mij niet meer verlaten”, antwoordde +de dokter glimlachend, „dan kunt gij bij mij aan boord blijven. En +kijk, gij zult aan mijne bemanning les op het slappe koord kunnen +geven! En wanneer het u integendeel zou lijken naar uw vaderland weer +te keeren, dan zal ik er u brengen en zorgen dat u een zekere +gegoedheid voor uw geheele leven verzekerd is.” + +„Oh! heer dokter!” riep Pescadospunt uit. „Maar het is toch uwe meening +niet, ons niets te laten uitvoeren. Tot niets goed te zijn, zou ons +niemendal lijken!” + +„Ik beloof u arbeid, en van dusdanigen aard, dat hij u tevreden zal +stellen.” + +„Waarlijk,” zei Pescadospunt, „dan is het aanbod zeer verleidelijk.” + +„Hebt gij nog tegenwerpingen te maken?”. + +„Nog eene enkele. Gij ziet ons beiden, Kaap Matifou en mij! Wij zijn +afkomstig van hetzelfde vaderland en wij zouden ongetwijfeld tot +dezelfde familie behooren, wanneer wij eene familie bezaten. Wij zijn +broeders volgens het hart! Kaap Matifou zou niet zonder Pescadospunt en +Pescadospunt niet zonder Kaap Matifou kunnen leven! Verbeeld u de +Siameesche tweelingen! Men heeft hen nimmer kunnen scheiden, niet waar, +omdat eene scheiding hun het leven zou gekost hebben. Welnu, wij zijn +als die Siameezen. Wij hebben elkander lief, heer dokter.” + +Pescadospunt had, terwijl hij zoo sprak, de hand aan Kaap Matifou +toegestoken, die hem naar zich toetrok en hem aan zijne borst drukte, +zooals hij met een kind gedaan zou hebben. + +„Vrienden,” zei dokter Antekirrt, „er is geen quaestie van ulieden te +scheiden en het zal steeds mijn wensch zijn, dat gij mij niet zult +verlaten!” + +„Dan zou het kunnen gaan, heer dokter, als....” + +„Als?” + +„Als Kaap Matifou zijne toestemming geeft.” + +„Zeg ja, Pescadospunt,” mompelde de Hercules, „dan hebt gij voor ons +beiden geantwoord!” + +„Welnu,” zei de dokter, „dat is dan afgesproken en gij zult geen berouw +over uw besluit ondervinden. Bekommert u van heden af om niets meer!” + +„O, heer dokter, pas op!” hernam Pescadospunt. „Gij verbindt u daar tot +meer dan gij wel denkt!” + +„Hoezoo?” + +„Ziet, wij zullen dure gasten zijn, vooral Kaap Matifou. Dat is een +groote eter en gij zoudt hem in uwen dienst zijne spierkracht niet +willen laten verliezen, al was dat nog zoo weinig maar.” + +„Ik beoog integendeel, dat hij die krachten verdubbelen zal.” + +„Dan zal hij u te gronde richten!” + +„Men richt mij niet te grande, Pescadospunt.” + +„Evenwel.... twee.... drie maaltijden per dag....” + +„Vijf, zes, tien, als hij zulks verkiezen zal,” antwoordde dokter +Antekirrt glimlachend. „Er zal steeds open tafel voor hem zijn!” + +„Hè, Kaap, wat zeg je er van?” riep Pescadospunt guitig uit. „Ge zult +dan steeds volop kunnen eten!” + +„En gij ook, Pescadospunt!” + +„O, ik! Een vogel!—Maar zou ik u mogen vragen, of wij ter zee zullen +varen?” + +„Dikwijls, vriend. Ik zal thans aan de vier hoeken van de +Middellandsche zee te doen krijgen. Mijn praktijk zal zoo wat overal +langs de kusten bestaan. Ik hoop de geneeskunde te kunnen uitoefenen op +eene internationale wijze. Wanneer een zieke mij naar Tanger, of naar +de Balearische eilanden roept, wanneer ik mij te Suez of te Smyrna +bevind, zal ik hem dan niet moeten gaan bezoeken? Wat een geneesheer in +eene groote stad van het eene kwartier tot het andere uitvoert, zal ik +van de Straat van Gibraltar naar den Griekschen Archipel, van de +Adriatische zee naar de Leeuwengolf, van de Jonische zee naar de baai +van Gabés verrichten! Ik bezit nog andere vaartuigen, tien malen +vlugger dan die goelet en.... bij die tochten zult gijlieden mij +meestal vergezellen.” + +„Dat lijkt ons, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zich +in de handen wreef. + +„Zijt gijlieden niet bang voor de zee?” + +„Neen!” riep Pescadospunt uit. „Wij bang? Wij kinderen van de Provence! +Als straatjongens speelden en rolden wij in de sloepen op het strand! +Neen, wij zijn niet bang voor de zee, ook niet voor de zoogenaamde +zeeziekte! Door de gewoonte, die wij hebben, om met het hoofd omlaag en +de beenen omhoog te loopen, zijn wij tegen die ongesteldheid +gevrijwaard. Wanneer de heeren en dames, alvorens zich in te schepen, +slechts eenige maanden lang die lichaamsoefening betrachtten, dan +zouden zij nimmer noodig hebben hunnen neus gedurende den overtocht +boven hunne lampetkom te houden! Komt binnen, heeren en dames! Komt +binnen! Volgt slechts de menigte!” + +Men ziet het, de goedhartige Pescadospunt verviel weer bij zijne +blijdschap in zijne gewone kwinkslagen, net alsof hij zich nog op de +verhevenheid zijner kermistent bevond. + +„Goed zoo, Pescadospunt!” zei de dokter. „Wij zullen elkander +uitmuntend verstaan. Bovenal beveel ik u aan, niets van uwe +opgeruimdheid te verliezen. Lacht, mijn jongen, lacht en zingt, zooveel +ge verkiest. De toekomst zal wellicht genoeg droefgeestige +gebeurtenissen opleveren, om uwe vroolijkheid onderweg te doen +waardeeren.” + +Terwijl hij die laatste woorden sprak, was dokter Antekirrt zeer +ernstig geworden. Pescadospunt, die hem gadesloeg, had als een +voorgevoel, dat die man in vroegere dagen veel geleden had en dat zij +de oorzaak daarvan wel eens zouden vernemen. + +„Heer dokter,” zei hij toen, „van heden af behooren wij u met ziel en +lichaam toe.” + +„En van heden af,” antwoordde de dokter, „kunt gij u in uwe hutten +inrichten. Waarschijnlijk zal ik eenige dagen te Gravosa en te Ragusa +blijven; maar het zal goed zijn, dat gij de gewoonte aanneemt om aan +boord van de Savarena te leven.” + +„Tot het oogenblik, dat gij ons in uw vaderland zult gevoerd hebben!” +liet Pescadospunt volgen. + +„Ik heb geen vaderland,” antwoordde de dokter, „of beter, ik heb, als +gij wilt, een vaderland van eigen maaksel, dat ook het uwe zal worden!” + +„Kom, Kaap Matifou,” riep Pescadospunt uit. „Kom laten wij ons +handelshuis gaan liquideeren. Wees gerust, wij zijn niemand iets +schuldig en zullen niet failliet gaan!” + +Daarop daalden de twee vrienden, na afscheid van dokter Antekirrt +genomen te hebben, in de sloep af, die hen wachtte en waarmede zij naar +de kade van Gravosa teruggevoerd werden. + +Daar hadden zij in nog geen twee volle uren, hunnen inventaris +opgemaakt en hunne kermistent, hunne geschilderde kunststukken, hunne +groote en kleine trom, die hunne geheele bezitting daarstelden, aan een +confrater overgedaan. Dat duurde niet lang en leverde ook geene +moeilijkheid op. Ook zouden hunne zakken niet overmatig bezwaard worden +door de weinige guldens, die zij daarin opbergden. + +Toch stond Pescadospunt er op om zijn kunstenmakerspak en zijne +pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet en zijn +worstelaarspak te bewaren. Zij zouden anders te veel verdriet gehad +hebben, door het scheiden van die werktuigen en die vodden, die hen aan +zoovele uren van succes en zegepraal herinnerden. Die kleedingstukken +werden op den bodem van eene kist geborgen, welke hun ameublement, +hunne garderobe en geheel hun materieel bevatte. + +Tegen een uur in den namiddag waren Pescadospunt en Kaap Matifou aan +boord van de Savarena terug. + +Een groote hut in het vooronder werd ter hunner beschikking gesteld. +Het was eene gemakkelijke en ruime hut die van alles voorzien was, „ook +om te kunnen schrijven,” zei de snaak. + +De bemanning ontving de nieuwe kameraden, wien zij te danken hadden, +aan een groot ongeluk ontsnapt te zijn, recht hartelijk. + +Reeds bij hunne aankomst konden Pescadospunt en Kaap Matifou proeven, +dat de kombuisproducten aan boord hen de keukens der Provençaalsche +kermistenten niet zouden doen betreuren. + +„Zie je, Kaap Matifou,” zei en herhaalde Pescadospunt, terwijl hij een +glas heerlijken Asti-wijn slurpte, „zie je, met goed gedrag komt men +tot alles! Maar, dat moet er zijn!” + +Kaap Matifou, wiens mond toen met een flink stuk ham gevuld was, dat +met twee gebakken eieren in de onpeilbare diepte van zijne maagholte +verdween, antwoordde slechts met een hoofdknik. + +„Welke ontvangst wel te maken zou zijn, wanneer het publiek je kon zien +eten, Kaap Matifou!” + + + + + + + + +IV. + +DE WEDUWE VAN STEPHANUS BATHORY. + + +De tijding der aankomst van dokter Antekirrt had zich spoedig, niet +alleen te Ragusa, maar ook in de geheele Dalmatische provincie +verbreid. De dagbladen wierpen zich als het ware op die prooi, die hen +eene serie van pikante berichten in het vooruitzicht stelde, en +begonnen met de aankomst van de goelet in de haven van Gravosa aan te +kondigen. De eigenaar van de Savarena kon dus niet ontsnappen aan het +eerbetoon, maar ook niet aan de bezwaren, aan dergelijke beroemdheid +onvermijdelijk verbonden. Zijne persoonlijkheid lag als het ware op +ieders lippen. De legende maakte zich van hem meester. Men wist niet +wie hij was, vanwaar hij kwam en waarheen hij ging. Dat kon slechts de +publieke nieuwsgierigheid te meer prikkelen. En, natuurlijk, wanneer +men niets weet, dan is het veld der onderstellingen des te +uitgebreider, de verbeelding benuttigt dat en dan.... dan schijnt het +een wedren te zijn voor allen, die het best ingelicht meenen te zijn. + +De reporters, bij hun streven om hunne lezers ter wille te zijn, waren +met spoed naar Gravosa getrokken. Sommigen hunner begaven zich zelfs +aan boord van de goelet. Zij kregen evenwel den persoon, die in de +openbare meening zooveel opgang maakte, niet te zien. De bevelen +daaromtrent waren stellig. De dokter ontving niemand. De antwoorden, +die kapitein Narsos aan de bezoekers gaf, waren dan ook onveranderlijk +dezelfde: + +„Maar, vanwaar komt die dokter?” + +„Vanwaar het hem gelieft.” + +„En waarheen gaat hij?” + +„Waarheen hem dat aanstaat.” + +„Maar, wie is hij?” + +„Dat weet niemand en hij wellicht nog minder dan zij, die het vragen.” + +Hoe nu in Godsnaam een reporterartikel met dergelijke gegevens te +schrijven? + +Het gevolg daarvan was, dat de verbeelding vrij spel had en zich dan +ook geen banden liet aanleggen om in volle fantasie op te gaan. Van +dokter Antekirrt maakte men alles wat men maar verlangde. Hij was alles +geweest wat die kroniekschrijvers maar geliefden te verzinnen. Voor den +eenen was hij een zeeschuimers-hoofdman. Voor den anderen was hij de +koning van een uitgestrekt Afrikaansch rijk, die incognito reisde met +het doel om te leeren. Verder beweerde men, dat het een staatkundige +banneling was; elders weer dat het een vorst was, die door eene +omwenteling uit zijne staten verjaagd werd en nu als wijsgeerig toerist +de wereld rondreisde. Men ziet, er was volledige keus. Wat den titel +van dokter betrof, waarmede hij zich tooide, daaromtrent waren de +meeningen van hen, die den titel voor echt aannamen, ook verdeeld. +Volgens de meening van sommigen was hij een groot geneeskundige, die +bewonderenswaardige genezingen in de meest wanhopige gevallen verricht +had; en volgens die van anderen was hij de koning der kwakzalvers, die +in moeilijkheid geraken zou, wanneer men zijn diploma opvorderde. + +Maar in ieder geval, de geneeskundigen van Gravosa en van Ragusa konden +geene vervolging tegen hem doen instellen wegens onwettige uitoefening +van de geneeskunde. Dokter Antekirrt hield zich bescheiden buiten schot +en was niet te spreken, wanneer men hem als geneesheer wilde +raadplegen. + +Daarenboven, de eigenaar van de Savarena nam zijn intrek niet aan den +wal. Hij stapte zelfs niet in een der hôtels van de stad af. +Ternauwernood begaf hij zich gedurende de twee dagen, welke hij te +Gravosa doorbracht, tot dicht bij Ragusa. Hij bepaalde zijne uitstappen +tot eenige wandelingen in den omtrek, waarbij hij twee of drie malen +Pescadospunt meenam, wiens aangeboren schranderheid hij waardeerde. + +Maar ging hijzelf niet naar Ragusa, dan ging Pescadospunt toch eens +voor hem er heen. De brave jongen, wien een opdracht van vertrouwen +gedaan was—wie weet, wellicht eene inlichting in te +winnen!—beantwoordde de vragen, die hem bij zijn terugkeer gedaan +werden, als volgt: + +„Dus die woont in de Stradonalaan?” + +„Ja, heer dokter. Dat wil zeggen in de fraaiste straat der stad. Hij +bewoont een hôtel, niet ver van de plaats, waar men de reizigers het +paleis van den ouden doge aanwijst. Het is een prachtig hôtel met een +talrijk bediendenpersoneel, met rijtuigen enz. In één woord: hij volgt +de levenswijze van een millionnair!” + +„En de andere?” + +„De andere of liever de anderen?” antwoordde Pescadospunt. „Die bewonen +hetzelfde stadskwartier, maar hunne woning is moeilijk te vinden in een +van die klimmende, smalle en slingerende stegen—ware ladders—die meer +bescheiden woningen bevatten.” + +„En hunne woning?” + +„Hunne woning is nederig, klein, droefgeestig van uiterlijk aan de +buitenzijde, hoewel ik mij verbeeld dat zij binnenshuis netjes gehouden +moet zijn, heer dokter. Men gevoelt, dat zij bewoond is door arme maar +hooghartige lieden.” + +„Die dame?....” + +„Ik heb haar niet gezien. Men zeide, dat zij bijna nimmer de +Marinella-straat verliet.” + +„En haar zoon?....” + +„Dien heb ik gezien, heer dokter, op het oogenblik dat hij bij zijne +moeder binnentrad.” + +„Hoe zag hij er uit?....” + +„Hij scheen afgetrokken, onrustig zelfs. Men zou zeggen, dat die +jeugdige man reeds veel geleden heeft!.... Dat kenmerkt zich trouwens +genoegzaam!” + +„Maar, ook gij Pescadospunt, hebt geleden, en dat kenmerkt zich niet.” + +„Lichamelijk lijden is geen zedelijk lijden, heer dokter! Daarom kon ik +het verhelen en er zelfs om lachen.” + +Zooals men ziet, sprak dokter Antekirrt reeds gemeenzaam met +Pescadospunt. Met Kaap Matifou ging dat nog niet; want inderdaad, die +Hercules was van te indrukwekkend uiterlijk, om zich zoo gauw eenige +gemeenzaamheid te mogen veroorloven. + +Toen de dokter die vragen gedaan en die antwoorden bekomen had, staakte +hij zijne wandelingen in de omstreken van Gravosa. Hij scheen iemand te +verwachten, wiens ontmoeting hij door zijn gaan naar Ragusa niet had +willen uitlokken, daar de tijding van de aankomst der Savarena +genoegzaam bekend moest zijn. Hij bleef dus aan boord en hetgeen hij +verwachtte, gebeurde. + +Den 29en Mei gaf de dokter, na de kade van Gravosa met het gewapend oog +geruimen tijd gadegeslagen te hebben, tegen elf uren in den voormiddag +bevel om de sloepen klaar te maken; toen steeg hij er in en liet zich +naar den havendam overbrengen, waar een man stond, die hem scheen te +bespieden. + +„Dat is hij,” mompelde de dokter binnensmonds.... „Hij is het wel +degelijk!.... Ik herken hem, al is hij nog zoo veranderd.” + +Die man was een grijsaard, door den ouderdom gebogen, hoewel hij +slechts zeventig jaren telde. Zijne witte haren dekten spaarzaam het +hoofd, dat ter aarde gebogen was. Zijn gelaat was ernstig, droefgeestig +en ternauwernood verlevendigd door een matten blik, die dikwijls door +tranen geheel verduisterd moet geweest zijn. Hij stond onbewegelijk op +de kade en verloor de sloep niet uit het oog, van het oogenblik dat van +boord was afgestoken. + +De dokter wilde den schijn niet geven dien grijsaard te bespeuren, nog +minder hem te herkennen. Hij deed dus, alsof hij zijne tegenwoordigheid +niet ontwaardde. Maar nauwelijks had hij eenige passen op den havendam +afgelegd, toen de grijsaard op hem toetrad, nederig zijn hoed afnam en +vroeg: + +„Zijt gij dokter Antekirrt?” + +„Ja, die ben ik,” antwoordde de dokter, die dien man aankeek, wiens +oogleden zelfs niet trilden, toen hij den blik op hem wierp. Daarna +vervolgde hij: + +„Wie zijt gij vriend, en wat wilt gij van mij?” + +„Ik heet Borik en ik ben in dienst van mevrouw Bathory. Ik kom u uit +haar naam eene samenkomst verzoeken....” + +„Mevrouw Bathory?” herhaalde de dokter vragend. „Is dat de weduwe van +dien Hongaar, die zijne vaderlandsliefde met zijn leven betaalde?” + +„Dezelfde,” antwoordde de grijsaard. „En hoewel gij haar nimmer zaagt, +is het toch onmogelijk, dat gij haar niet kent, juist omdat gij dokter +Antekirrt zijt.” + +Deze hoorde den ouden dienaar, wiens oogen steeds neergeslagen bleven, +aandachtig aan. Hij vroeg zich af of onder deze woorden niet eene +nevengedachte verscholen was. Daarop hernam hij: + +„Wat kan mevrouw Bathory van mij willen?” + +„Om redenen, die gij wel begrijpen zult, wenschte zij een onderhoud met +u, heer dokter.” + +„Ik zal haar een bezoek brengen.” + +„Zij wenschte liever bij u aan boord te komen.” + +„Waarom?” + +„Het is noodzakelijk, dat haar onderhoud met u geheim blijft.” + +„Geheim?.... Voor wien?” + +„Voor haren zoon! Mijnheer Piet mag niet weten, dat mevrouw Bathory u +bezocht heeft.” + +Dit antwoord scheen den dokter te verrassen; hij liet er evenwel niets +van aan Borik blijken. + +„Ik geef de voorkeur aan een bezoek ten huize van mevrouw Bathory,” +hernam hij. „Zou dat niet kunnen geschieden bij afwezigheid van haren +zoon?” + +„Dat kan, heer dokter, wanneer gij morgen wilt komen. Piet Bathory moet +heden avond naar Zara afreizen en zal niet binnen vier en twintig uur +terug zijn.” + +„Wat voert Piet Bathory uit?” + +„Hij is tot ingenieur gepromoveerd; maar tot heden heeft hij nog geene +plaatsing kunnen vinden. O, het leven is zoo moeitevol voor hem en voor +zijne moeder!” + +„Moeitevol!....” viel dokter Antekirrt in. „Bezit mevrouw Bathory dan +geen middelen?”.... + +Hij hield op. De grijsaard had het hoofd gebogen, terwijl zijn borst +bewoog onder de snikken, die hij niet kon bedwingen. + +„Heer dokter,” zei hij eindelijk, „ik kan en mag u niets meer zeggen. +In het onderhoud, dat mevrouw Bathory van u verzoekt, zal zij u alles +mededeelen, wat gij recht hebt te weten.” + +De dokter moest wel meester over zijn gemoed zijn, om zijne aandoening +te kunnen bedwingen. + +„Waar woont mevrouw Bathory?” vroeg hij. + +„Te Ragusa, in het Stradona-kwartier, op nummer 17 van de +Marinella-straat.” + +„Zal ik mevrouw Bathory morgen in den namiddag tusschen een en twee uur +kunnen ontmoeten?” + +„Voorzeker, heer dokter, en ik zal het zijn, die u zal aandienen.” + +„Zeg dan aan mevrouw Bathory, dat zij op mijne nauwgezetheid kan +rekenen.” + +„Ik dank u in haren naam.” + +En na eenige aarzeling: + +„Gij zoudt kunnen meenen, dat het een dienst betreft, die mevrouw u +vragen wil....” + +„En wanneer dat zoo was?” vroeg de dokter levendig. + +„Toch is het niet zoo,” antwoordde Borik. + +En na nederig gebogen te hebben, ging hij den weg op, die van Gravosa +naar Ragusa voert. + +Klaarblijkelijk hadden de laatste woorden van den ouden dienaar dokter +Antekirrt eenigermate verwonderd. Hij bleef onbeweeglijk op de kade +staan en tuurde Borik na. Toen hij aan boord teruggekomen was, schonk +hij aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou verlof om aan den wal te gaan. +Daarna sloot hij zich in zijne kamer op. Hij wilde er de laatste uren +van dien dag geheel alleen doorbrengen. + +Pescadospunt en Kaap Matifou maakten zich dus als echte renteniers, die +zij ook waren, dat verlof ten nutte. Zij veroorloofden zich zelfs het +genoegen, op het kermisterrein eenige kramen binnen te treden. Wanneer +wij beweren zouden, dat de lenige clown geen aanvechtingen gevoelde om +den een of anderen onhandigen kunstenmaker terecht te zetten; dat de +machtige voorvechter de zucht niet voelde opkomen om aan die +athleetworstelingen deel te nemen, dan zouden wij der waarheid te kort +doen. Maar beiden herinnerden zich ter rechter tijd, dat zij de eer +hadden tot de bemanning van de Savarena te behooren. Zij vergaten hun +rol van toeschouwers niet en waren niet karig met hunne toejuichingen, +wanneer die verdiend waren. + +Den volgenden ochtend liet de dokter zich even vóór het middaguur aan +wal zetten. Na zijne sloep naar boord teruggezonden te hebben, ging hij +den weg op, die het verbindingsmiddel daarstelt tusschen de haven van +Gravosa en de stad Ragusa. Dat is eene fraaie laan, die kornisvormig +aangelegd, met twee rijen villa’s omzoomd en over eene lengte van twee +kilometers heerlijk beschaduwd was. + +Die laan was nog niet levendig, zooals zij het weinige uren later zou +zijn, door het heen en weer rijden der equipages, door de menigte +wandelaars, zoowel te paard als te voet. + +De dokter volgde, terwijl hij aan die samenkomst met mevrouw Bathory +dacht, eene nevenlaan en was weldra bij Borgo Pillo, een soort steenen +uitwas, die zich buiten de drievoudige omwalling der versterkingen van +Ragusa uitstrekt. De poort was open en verleende dwars door dien +drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad. + +De Stradona is eene prachtige flink bestrate hartader der stad, die +zich van Borgo Pillo af tot de voorstad Plocca uitstrekt en de geheele +stad doorsnijdt. Zij ontwikkelt zich aan den voet van een heuvel, die +met een geheel gevaarte van huizen, amphitheatersgewijze gebouwd, +overdekt is. Aan het einde verheft zich het paleis der oude doges, een +fraai monument uit de XVde eeuw, met eene ruime binnenplaats, met een +portiek in renaissance-stijl, met boogvensters, welker slanke zuiltjes +aan het beste tijdperk herinneren van Toskaansche bouwkunst. + +De dokter behoefde niet tot bij dat paleis voort te gaan. De +Marinella-straat, die Borik hem daags te voren opgegeven had, komt +zoowat op de helft van de Stradonalaan uit. Hij vertraagde evenwel zijn +gang een weinig op het oogenblik, dat hij een vluchtigen blik op eene +groote woning wierp, die in graniet opgetrokken was en welker rijke +voorgevel met de daaraan rechthoekig aansluitende bijgebouwen zich +statig verhief. De poort van de binnenplaats stond open en liet een +uiterst fraai eigen rijtuig ontwaren met een paar prachtige paarden +bespannen. De koetsier zat deftig op den bok en de lakkei wachtte voor +het perron, dat door eene bevallige veranda overkapt was. + +Juist in dit oogenblik steeg een man in dat rijtuig. De paarden vlogen +de plaats over en de poort door, waarna de deuren dichtsloegen. + +Die persoon was dezelfde, die drie dagen te voren dokter Antekirrt op +de kade van Gravosa aangesproken had. Het was de vroegere bankier Silas +Toronthal. + +De dokter, eene ontmoeting wenschende te vermijden, was ijlings +achteruitgetreden en schreed eerst voort, toen het vlugge rijtuig bij +het uiteinde der Stradonalaan uit het oog verdwenen was. + +„Beiden in dezelfde stad!” mompelde hij. „O, dat is zuiver het toeval! +Daaraan heb ik geen part of deel.” + +De stegen, ter linkerzijde op de Stradonalaan uitkomende, die hij door +te gaan had, waren smal, stil en slecht bestraat. + +Dat de lezer zich een breeden stroom verbeelde, die aan eenen kant +slechts bergstroomen als schatplichtige rivieren zou hebben. Om een +weinig lucht te kunnen bemachtigen, kruipen de huizen als het ware +rakelings de eene op de anderen. Zij kijken inderdaad elkaar in de +oogen, als men zoo mag spreken van de vensters en tochtgaten, die in +hunne voorgevels aangebracht zijn. Zij stijgen zoo op den nok van een +der twee heuvelen, welker toppen door de forten van Mincetto en San +Lorenzo bekroond zijn. Onmogelijk zou er een rijtuig kunnen doorkomen. +Al ontbreekt, behalve bij gelegenheid van zware regens, de bergstroom, +zoo moet zoo’n steeg toch een ravijn genoemd worden, en alle die +hellingen en al die terrassen heeft men moeten stutten met keerdammen +en bokken, en moet men door middel van trappen bestijgen. Een scherp +contrast bestaat tusschen die minder dan bescheiden woningen en de +prachtige huizen en paleizen op de Stradonalaan. + +De dokter bereikte den ingang van de Marinella-steeg en begon de +oneindige trap, die tot straat dient, te bestijgen. Zoo moest hij meer +dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken. + +Daar werd dadelijk eene deur geopend. De oude Borik wachtte den dokter. +Hij geleidde hem naar binnen zonder een woord te spreken en bracht hem +in een vertrek, dat uiterst zindelijk maar armoedig gemeubeld was. + +De dokter nam plaats. Niets kon de meening doen ontstaan, dat hij +eenige aandoening in dat huis ondervond—zelfs niet toen mevrouw Bathory +binnentrad en tot hem zeide: + +„Heer dokter Antekirrt.” + +„Die ben ik, mevrouw,” antwoordde de dokter, terwijl hij opstond. + +„Ik had u de moeite willen sparen,” hernam mevrouw Bathory, „om zoover +te komen en zoo hoog te stijgen!” + +„Ik stond er op om u een bezoek te brengen, mevrouw; en ik bid u mij +als geheel ter uwer beschikking te beschouwen.” + +„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „gisteren eerst vernam ik uwe +aankomst te Gravosa en ik heb dadelijk Borik gezonden, ten einde u tot +een onderhoud uit te noodigen.” + +„Mevrouw, ik stel mij ter uwer beschikking.” + +„Ik zal heengaan,” zei de grijsaard. + +„Neen, Borik, blijf!” antwoordde mevrouw Bathory. „Gij zijt de eenige +vriend der familie. Gij weet alles, wat ik dokter Antekirrt te zeggen +heb.” + +Mevrouw Bathory ging zitten, de dokter nam vlak voor haar plaats, +terwijl Borik bij het venster staan bleef. + +De weduwe van professor Stephanus Bathory was toen zestig jaren oud. +Maar richtte zich ook al hare gestalte, in weerwil van den last der +jaren, recht op, zoo verraadde toch haar sneeuwwit hoofd, haar met +rimpels gegroeid gelaat genoegzaam den strijd, dien zij tegen het +verdriet en tegen de ellende gevoerd had. Maar men gevoelde het, zij +was nog even geestkrachtvol als vroeger. O, in haar school nog immer de +moedige levensgezellin, de innige vertrouwelinge van dien man, die +alles opgeofferd had aan hetgeen hij zijnen plicht meende te zijn; in +haar school nog immer zijn medeplichtige, toen hij tot de samenzwering +met Mathias Sandorf en Ladislas Zathmar toetrad. + +„Mijnheer,” zeide zij met eene stem, waarvan zij de aandoening te +vergeefs zou hebben pogen te bemantelen, „daar gij dokter Antekirrt +zijt, ben ik u veel verplicht, en ben ik u het verhaal verschuldigd van +hetgeen vijftien jaren geleden te Triëst voorgevallen is....” + +„Mevrouw, juist omdat ik dokter Antekirrt ben, verzoek ik u, om u en +mij een verhaal te besparen, dat voor u te treurig moet zijn! Dat +verhaal ken ik en ik voeg er bij—juist alweer omdat ik dokter Antekirrt +ben—dat ik uw geheel bestaan ken sedert dien onvergeetbaren datum van +den 30en Juni 1867.” + +„Mag ik u dan vragen, mijnheer,” hernam mevrouw Bathory, „aan welke +motieven gij de belangstelling ontleent, die gij in mijn levensloop +gesteld hebt?” + +„Die belangstelling, mevrouw, is die, welke ieder gevoelig en +rechtschapen mensch verschuldigd is aan de weduwe van den +vaderlandslievenden Magyaar, die niet geaarzeld heeft alles voor de +onafhankelijkheid van zijn vaderland ten offer te brengen!” + +„Hebt gij professor Stephanus Bathory gekend?” vroeg de weduwe met +ietwat bevende stem. + +„Ja, mevrouw, ik heb hem gekend en ik vereer allen welke dien naam +dragen!” + +„Behoort gij ook tot dat vaderland, waarvoor hij zijn bloed gestort +heeft?” + +„Ik, ik heb geen vaderland, mevrouw!” + +„Maar wie zijt gij dan?” + +„Een overledene, die nog geen graf heeft kunnen vinden!” antwoordde +dokter Antekirrt koel. + +Mevrouw Bathory en Borik ijsden bij dat zoo onverwachte antwoord; maar +de dokter haastte zich te vervolgen: + +„Evenwel, mevrouw, dat verhaal, hetwelk ik u verzocht niet uit te +spreken, moet ik leveren, want al weet gij ook sommige bijzonderheden, +zoo zijn er toch anderen, die u onbekend zijn, en die onkunde mag niet +langer blijven bestaan.” + +„Ik luister, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory. + +„Mevrouw,” hernam de dokter, „het is nu vijftien jaren geleden, dat +drie edele harten, zich aan het hoofd stelden van eene samenzwering, +die tot doel had aan Hongarije zijne onafhankelijkheid weer te geven. +Dat waren graaf Mathias Sandorf, professor Stephanus Bathory en graaf +Ladislas Zathmar, drie vrienden, die sedert lang dezelfde hoop +koesterden, drie verschillende wezens met slechts één hart. + +„Den 8en Juni 1867, daags vóórdat het sein zou gegeven worden voor den +opstand, die zich over geheel Hongarije en tot in Transsylvanië zou +uitstrekken, werd het huis van graaf Zathmar te Triëst, waarin de +hoofden der samenzwering vergaderd waren, door de Oostenrijksche +politie overvallen. Graaf Sandorf werd met zijne beide makkers gevat en +dienzelfden nacht nog in den vestingtoren van Pisino gekerkerd. Weinige +weken later waren zij ter dood veroordeeld. + +„Een jeugdig boekhouder, Sarcany genaamd, die terzelfder tijd in het +huis van graaf Zathmar gevangen genomen werd, maar geheel vreemd aan de +samenzwering was, werd weldra buiten alle vervolging en na de +beëindiging der zaak, op vrije voeten gesteld. + +„Daags vóórdat het vonnis zou voltrokken worden, poogden de gevangenen, +die in dezelfde cel opgesloten waren, te ontsnappen. Graaf Sandorf en +Stephanus Bathory slaagden er in, langs de staven van een +bliksemafleider uit den vestingtoren van Pisino te ontvluchten en +vielen in den Foïba-bergstroom, op hetzelfde oogenblik dat Ladislas +Zathmar, door den gevangenbewaarder gegrepen, in de onmogelijkheid +gesteld werd om zijne makkers te volgen. + +„Hoewel er weinig kansen bestonden, dat de vluchtelingen aan den dood +ontsnappen zouden, daar een onderaardsche stroom hen medesleepte, te +midden van eene landstreek, die hen geheel onbekend was, zoo slaagden +zij er toch in, den oever van het kanaal van Léma en daarna de stad +Rovigno te bereiken, waar zij eene toevlucht vonden in het huis van den +visscher Andreas Ferrato. + +„Die visscher—een braaf en eerlijk hart—had alles klaargemaakt om hen +aan de overzijde van de Adriatische zee te brengen, toen een Spanjaard, +Carpena genaamd, die de schuilplaats der vluchtelingen ontdekt had, uit +persoonlijke wraakzucht de arme ellendigen bij de politie van Rovigno +aangaf. Andermaal poogden zij te ontsnappen; maar Stephanus Bathory +viel in handen der agenten. Wat Mathias Sandorf betreft, hij werd tot +aan den zeeoever vervolgd en viel onder een kogelregen. De Adriatische +zee heeft zijn lijk niet weergegeven. + +„Twee dagen later werden Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar in de +citadel van Pisino doodgeschoten. De visscher Andreas Ferrato werd, ter +zake van huisvesting aan de vluchtelingen verleend te hebben, tot +levenslange galeistraf veroordeeld en naar het bagno van Stein +gezonden.” + +Mevrouw Bathory zat daar met diepgebogen hoofd. Zij had het verhaal van +den dokter met een beklemd hart, maar zonder hem een enkele maal in de +rede te vallen, aangehoord. + +„Hadt gij die bijzonderheden vernomen, mevrouw?” vroeg hij. + +„Ja, mijnheer, door de dagbladen, zooals gij ze waarschijnlijk ook +vernomen hebt.” + +„Ja, mevrouw, door de dagbladen,” antwoordde de dokter, „maar wat de +dagbladen niet konden mededeelen, daar de instructie dier zaak in het +grootste geheim geschiedde, heb ik, dank zij de babbelzucht van een +gevangenbewaarder van de citadel, vernomen en dat zal ik u mededeelen.” + +„Spreek, mijnheer,” zei mevrouw Bathory. + +„Dat graaf Sandorf en Bathory ontdekt en gevat werden in de woning van +den visscher Ferrato, werd veroorzaakt door het verraad van den +Spanjaard Carpena. Maar dat zij drie weken te voren te Triëst in de +woning van graaf Zathmar gevat werden, was het werk van verraders, die +hen aan de agenten der Oostenrijksche politie verklikt hadden.” + +„Verraders!” mompelde mevrouw Bathory. + +„Ja, mevrouw, en het bewijs van het verraad bleek uit de debatten van +het proces. Eerst hadden die snoodaards een briefje in geheimschrift, +aan den hals eener postduif gebonden, ontdekt, dat aan graaf Sandorf +gezonden was en waarvan zij een afschrift namen. Een andere maal +slaagden zij er in, in het huis van graaf Zathmar zelve een afdruk van +den rooster te verkrijgen, die diende om dat geheimschrift te +ontraadselen. Daarna, toen zij kennis van den inhoud van het briefje +genomen hadden, hebben zij het geheim aan den gouverneur van Triëst +bekend gemaakt. Ongetwijfeld zou een gedeelte der verbeurdverklaarde +goederen van graaf Sandorf dienen om hun verraad te beloonen.” + +„En kent men die ellendelingen?” vroeg mevrouw Bathory, wier stem van +aandoening beefde. + +„Neen, mevrouw,” antwoordde de dokter; „maar wellicht kenden hen de +drie veroordeelden, en zouden zij hunne namen bekend gemaakt hebben, +wanneer zij hun gezin voor de laatste maal alvorens te sterven hadden +kunnen weerzien.” + +Inderdaad, noch mevrouw Bathory, die toen met haren zoon afwezig was, +noch Borik, die in de gevangenis van Triëst opgesloten zat, hadden de +veroordeelden in hunne laatste oogenblikken kunnen bijstaan. + +„Zal men nooit de namen van die ellendelingen te weten komen?” vroeg +mevrouw Bathory. + +„Mevrouw,” antwoordde dokter Antekirrt, „de verraders eindigen steeds +met zichzelven te verraden! Ziehier wat ik ten slotte nog bij dat +verhaal te voegen heb: Gij bleeft als weduwe met een kindje van acht +jaren nagenoeg zonder middelen achter. Borik, de bediende van graaf +Zathmar, wilde u na den dood van zijn meester niet verlaten; maar hij +was arm en bezat niets anders dan zijne toewijding. + +„Toen, mevrouw, hebt gij Triëst verlaten, om deze nederige woning te +Ragusa te betrekken. Gij hebt handenarbeid verricht om zoowel in de +behoeften van het materieele als van het zieleleven te voorzien. Gij +verlangdet toch dat uw zoon het pad der wetenschap, dat zoo roemrijk +door zijn vader betreden was, zoude volgen. Maar, welken strijd hebt +gij daarbij te voeren gehad! Welke ellende moest daarbij moedig het +hoofd geboden worden! O, ik buig met eerbied het hoofd voor de +edelaardige vrouw, die zooveel geestkracht getoond heeft, voor de +moeder, door wiens zorgen haar zoon een man geworden is!” + +Terwijl de dokter die woorden sprak, was hij van zijn stoel opgestaan +en werd zijne ontroering, in weerwil van zijne gewone koelheid, +duidelijk merkbaar. + +Mevrouw Bathory antwoordde niet. Zij wachtte in het onzekere of de +dokter zijn verhaal geëindigd had of het zou voortzetten. Het kon toch +zijn, dat hij feiten, die hem persoonlijk betroffen, wilde mededeelen +en dat dit de beweegreden was, waarom hij een onderhoud verlangd had. + +„Intusschen, mevrouw,” hernam de dokter, die hare gedachten raadde, +„hebben de menschelijke krachten hare grenzen, en, hoewel ziek en +uitgeput door zooveel beproevingen, zoudt gij bij uwe taak bezweken +zijn, wanneer een onbekende, neen, een vriend van professor Bathory, u +niet ter hulp gesneld ware. Nimmer zou ik u daarover gesproken hebben, +wanneer uw oude dienaar mij uwen wensch niet had geopenbaard om mij te +willen ontmoeten.” + +„Inderdaad, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „ben ik dan dokter +Antekirrt niet veel dank schuldig?” + +„Waarom, mevrouw? Omdat dokter Antekirrt vijf of zes jaren geleden, bij +de herinnering aan de vriendschap, die hem aan graaf Sandorf en aan +zijne beide makkers verbond, en, om u bij uwe taak behulpzaam te zijn, +u eene som van honderd duizend gulden heeft doen toekomen? Gevoelde hij +zich niet zeer gelukkig, dat geld ter uwer beschikking te kunnen +stellen? + +„Neen, mevrouw, ik ben het integendeel, die u dank schuldig ben, omdat +gij dat geld wel hebt willen aannemen, omdat gij mij veroorloofd hebt +de weduwe en den zoon van Stephanus Bathory ter hulp te komen.” + +De weduwe had het hoofd gebogen en antwoordde: + +„Hoe het ook zij, mijnheer, ik voelde behoefte om u mijne dankbaarheid +te betuigen. Dat was de eerste beweegreden van dat bezoek, hetwelk ik u +brengen wilde. Maar er was eene tweede....” + +„En die is, mevrouw?” + +„Ik wilde.... u die som teruggeven....” + +„Hoe mevrouw?” zei de dokter, „gij hebt die som niet willen aannemen?” + +„Mijnheer, ik meende het recht niet te hebben over die som te +beschikken. Ik kende dokter Antekirrt niet. Ik had nimmer zijn naam +hooren noemen. Die som kon een soort aalmoes zijn, komende van hen, die +mijn man bestreden hadden en wier erbarmen mij hatelijk toescheen! Ik +heb die som dus niet gebezigd, zelfs voor het doel niet, waarvoor +dokter Antekirrt haar bestemd had.” + +„Dus.... dat geld....?” + +„Is onaangeroerd.” + +„En uw zoon?” + +„Zal aan niemand anders verplichting hebben dan aan zichzelven....” + +„En aan zijne moeder!” vulde de dokter aan, die door zooveel grootheid +van ziel, door zooveel karakter, zooveel geestkracht niet anders dan +tot bewondering gestemd kon worden en dan ook vol eerbied voor de +waardige vrouw stond. + +Ook mevrouw Bathory was opgestaan en op een kistje toegetreden, dat +gesloten was. Zij nam er een bundel bankbiljetten uit, die zij den +dokter overreikte. + +„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u, en +ontvang den dank eener moeder, die verplichting aan u heeft, alsof zij +er gebruik van gemaakt had, om haar zoon op te voeden!” + +„Dat geld behoort mij niet meer toe, mevrouw!” antwoordde dokter +Antekirrt, terwijl hij de bankbiljetten met een gebaar afwees. + +„Ik herhaal, dat het mij nimmer had moeten toebehooren!” + +„Maar als Piet Bathory het zou willen gebruiken....” + +„Mijn zoon zal eindigen met de betrekking te vinden, die hij waardig +zal zijn. Ik zal dan op hem kunnen rekenen, zooals hij op mij heeft +kunnen vertrouwen!” + +„Hij zal niet weigeren, hetgeen een vriend van zijn vader aandringt dat +hij zal aannemen! + +„Jawel, hij zal weigeren!” + +„Laat mij dan ten minste beproeven, mevrouw....” + +„Ik bid u die proef niet te nemen, heer dokter,” antwoordde mevrouw +Bathory, „mijn zoon weet zelfs niet dat ik dat geld ontvangen heb, en +ik verlang, dat hij daaromtrent steeds onkundig blijve!” + +„Het zij zoo, mevrouw!.... Ik begrijp de gevoelens, die u zoo doen +handelen, daar ik slechts een onbekende voor u was en ben!.... Ja, ik +begrijp en bewonder ze!.... Maar ik herhaal het, als dat geld uw +eigendom niet is, dan is het het mijne ook niet!” + +Dokter Antekirrt was op het punt om heen te gaan. De weigering van +mevrouw Bathory kon hem niet kwetsen. Hare kieschheid wekte slechts een +gevoel van diepen eerbied bij hem op. Hij groette de weduwe en wilde +heengaan, toen eene laatste vraag hem weerhield. + +„Mijnheer,” zei mevrouw Bathory, „gij hebt gesproken over onwaardige +handelingen, die den dood van Ladislas Zathmar, van Stephanus Bathory +en van den graaf Sandorf veroorzaakt hebben?” + +„Ik heb verhaald, wat er gebeurd is, mevrouw.” + +„Maar kent niemand die onmenschen?” + +„Ja, mevrouw!” + +„Wie dan?” + +„God!” + +Na dat woord boog dokter Antekirrt voor den laatsten keer voor de +weduwe en verliet hare woning. + +Mevrouw Bathory bleef in gedachten verzonken. Zij voelde zich door eene +geheime sympathie, waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven tot +dien geheimzinnigen persoon, die zoo ingewijd was in de meest verborgen +gebeurtenissen van haar leven, aangetrokken. Zou zij hem ooit +terugzien? En wanneer hij met de Savarena te Ragusa aangekomen was +alleen met het doel om haar dat bezoek te brengen, zou hij dan niet +zeewaarts gaan om niet meer terug te keeren? + +Den volgenden morgen deelden de dagbladen mede, dat een onbekende eene +gift van honderd duizend gulden aan de gasthuizen van de stad vermaakt +had. + +Dat was de gift van dokter Antekirrt. Maar was het ook niet de aalmoes +der weduwe, die zij zoowel voor haar als voor haren zoon van de hand +gewezen had? + + + EINDE VAN DOKTER ANTEKIRRT. + + + + + + + + +INHOUD. + + + EENE VERIJDELDE SAMENZWERING. + + BLADZ. + I. De reisduif 1 + II. Graaf Mathias Sandorf 22 + III. Het bankiershuis Toronthal 36 + IV. Het geheimschrift 55 + V. Voor, gedurende en na de terechtzitting 73 + VI. De vestingtoren van Pisino 91 + VII. De bergstroom van Foïba 104 + VIII. De hut van den visscher Ferrato 127 + IX. Laatste pogingen in een laatsten strijd 148 + + + DOKTER ANTEKIRRT. + + I. Pescadospunt en Kaap Matifou 159 + II. Het te water laten van de Trabucolo 171 + III. Dokter Antekirrt 187 + IV. De weduwe van Stephanus Bathory 204 + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 *** |
