summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--76280-0.txt9324
-rw-r--r--76280-h/76280-h.htm10120
-rw-r--r--76280-h/images/backcover.jpgbin0 -> 331409 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/frontcover.jpgbin0 -> 394097 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/ornament.pngbin0 -> 13276 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p005.jpgbin0 -> 434261 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p009.jpgbin0 -> 563069 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p013.jpgbin0 -> 561864 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p017.jpgbin0 -> 478323 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p021.jpgbin0 -> 461793 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p025.jpgbin0 -> 539362 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p029.jpgbin0 -> 487686 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p033.jpgbin0 -> 443987 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p037.jpgbin0 -> 466939 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p041.jpgbin0 -> 490193 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p045.jpgbin0 -> 507333 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p049.jpgbin0 -> 520223 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p053.jpgbin0 -> 499267 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p057.jpgbin0 -> 514252 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p061.jpgbin0 -> 492771 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p062.pngbin0 -> 48301 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p065.jpgbin0 -> 530704 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p067-1.pngbin0 -> 46539 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p067-2.pngbin0 -> 43548 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p068-1.pngbin0 -> 45178 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p068-2.pngbin0 -> 46595 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p071.jpgbin0 -> 537093 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p077.jpgbin0 -> 527632 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p081.jpgbin0 -> 525413 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p089.jpgbin0 -> 526184 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p097.jpgbin0 -> 488459 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p105.jpgbin0 -> 510855 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p113.jpgbin0 -> 487182 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p121.jpgbin0 -> 529132 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p129.jpgbin0 -> 500117 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p135.jpgbin0 -> 492299 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p141.jpgbin0 -> 508801 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p145.jpgbin0 -> 455933 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p153.jpgbin0 -> 494373 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p161.jpgbin0 -> 458908 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p167.jpgbin0 -> 536268 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p173.jpgbin0 -> 507323 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p177.jpgbin0 -> 486287 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p181.jpgbin0 -> 533755 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p185.jpgbin0 -> 449200 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p189.jpgbin0 -> 439028 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p193.jpgbin0 -> 472767 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p197.jpgbin0 -> 493886 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p201.jpgbin0 -> 508207 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p205.jpgbin0 -> 472896 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/p209.jpgbin0 -> 490263 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/spine.jpgbin0 -> 63031 bytes
-rw-r--r--76280-h/images/titlepage1916.pngbin0 -> 227851 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
56 files changed, 19461 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/76280-0.txt b/76280-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..643151c
--- /dev/null
+++ b/76280-0.txt
@@ -0,0 +1,9324 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 ***
+
+
+
+
+
+ WONDERREIZEN
+
+
+ JULES VERNE
+
+
+ MATHIAS SANDORF
+
+ EEN VERIJDELDE SAMENZWERING
+ DOKTER ANTEKIRRT
+
+
+
+ AMSTERDAM
+ UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER”
+ 1916
+
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+DE REISDUIF.
+
+
+Triëst, de hoofdplaats van Illyrië, wordt verdeeld in twee gedeelten,
+die zeer weinig gelijkenis met elkander hebben; het eene is nieuw en
+rijk, Theresienstadt genaamd, keurig netjes en regelmatig gebouwd langs
+de boorden van die fraaie baai, waarvoor een deel door den mensch aan
+de golven ontwoekerd werd; het andere gedeelte is eene oude en arme
+stad, die geheel onregelmatig opgetrokken werd en besloten ligt
+tusschen het Corso, waardoor zij van de Theresienstadt afgescheiden
+wordt, en de hellingen van den Karstberg, welks top bekroond is met
+eene citadel, die een schilderachtig uiterlijk heeft.
+
+De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks
+nabijheid de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. Daar vormen zich
+gemakkelijk en soms in onrustbarend aantal, groepen van die
+straatslijpers, van die bohemers, zooals zij wel genoemd worden, van
+die kerels zonder dak, welker jassen, broeken en vesten waarachtig geen
+zakken noodig hebben, omdat hunne eigenaren nooit iets gehad hebben en
+nooit iets zullen hebben, om er in te bergen.
+
+Evenwel op den dag, waarop dit verhaal begint—den 18den Mei 1867—zou
+men te midden van die landloopers twee personen opgemerkt hebben, die
+een weinig beter gekleed waren dan hunne omgeving. Of ze ooit veel last
+hadden of hebben zouden van de guldens of kreutzers, die zij bezaten,
+was weinig waarschijnlijk, tenzij de kansrekening ten hunnen gunste
+uitviel. Het is waar dat het een paar kerels waren, die in staat geacht
+moesten worden, alles te doen om de fortuin de hand te reiken en haar
+gunstig te stemmen.
+
+De een heette Sarcany, die beweerde dat hij van Tripoli afkomstig was.
+De andere was op Sicilië geboren en heette Zirone. Beiden, na den
+havendam voor den tienden keer op en neer gedrenteld te hebben, waren
+op zijn uiteinde blijven stilstaan. Van dat punt onderzochten zij den
+gezichteinder op zee ten westen van de baai van Triëst, alsof daar aan
+de kim een schip moest opduiken, hetwelk hun een vermogen zou
+aanbrengen!
+
+„Hoe laat is het?” vroeg Zirone in het Italiaansch, dat zijn makker
+even vlug en vloeiend sprak als al de andere tongvallen, die rondom de
+Middellandsche Zee gesproken worden.
+
+Sarcany antwoordde niet.
+
+„Och, ben ik niet dom, met zoo’n vraag te doen!” riep de Siciliaan uit.
+„Men weet altijd hoe laat het is, wanneer men den honger gevoelt, als
+men niets te ontbijten heeft gehad!”
+
+De Oostenrijksche, Italiaansche en Slavonische bestanddeelen der
+maatschappij zijn in dit gedeelte van het Oostenrijksch-Hongaarsche
+koninkrijk zoodanig vermengd, dat de aanwezigheid van die twee
+personen, hoewel zij blijkbaar vreemdelingen in de stad waren,
+volstrekt niet de aandacht trok. En al hadden zij ook al leege zakken
+en al waren zij ook arm als Job, zoo kon dat niemand raden, daar zij
+onder den bruinen mantel, die hen tot op de hielen viel, een hooge
+borst zetten, alsof zij wonder veel in de melk te brokken hadden.
+
+Sarcany, de jongste dier beide mannen, was van middelbare gestalte,
+maar evenredig gebouwd. Hij bezat aangename manieren en een bevalligen
+gang en was vijf en twintig jaren oud. Hij heette Sarcany, zonder meer.
+Geen voornaam, geen doopnaam. En inderdaad, hij was niet gedoopt, omdat
+hij zeer waarschijnlijk van Afrikaansche herkomst was, van Tripoli of
+Tunis. Maar hoewel zijne huid gebruind was, deden zijne regelmatige
+trekken hem eerder voor een blanke dan voor een neger doorgaan.
+
+Wanneer ooit het uiterlijk bedriegelijk was, dan was het wel dat van
+Sarcany. Men moest wel een ervaren opmerker zijn om uit dat regelmatige
+gelaat, met die schoone zwarte oogen, met dien fijngevormden neus, met
+dien keurig geteekenden mond, die door een fijn kneveltje beschaduwd
+werd, de diepe sluwheid van dien jongen man op te maken. Geen nog zoo
+scherpziend oog zou op dat strakke, ijskoude gelaat die kenmerken van
+diepe verachting en van peilloozen afkeer hebben kunnen ontdekken, die
+uit een voortdurenden opstand en strijd tegen de maatschappij geboren
+worden. Wanneer de gelaatkundigen, en in zeer vele gevallen terecht,
+beweren, dat ieder bedrieger in weerwil van zijne behendigheid tegen
+zich zelven getuigt, zoo zou Sarcany die bewering volkomen
+gelogenstraft hebben. Niemand zou op het eerste gezicht van dien man
+hebben kunnen gissen, wie hij was of wat hij geweest was. Hij ontlokte
+dien onweerstaanbaren afkeer niet, die door schurken en bedriegers
+opgewekt wordt. Hij was er des te gevaarlijker door.
+
+Hoe of wat was de kindsheid van Sarcany geweest? Dat wist niemand te
+vertellen. Ongetwijfeld die van een verlaten, verstooten wezen. Hoe was
+hij opgevoed geworden? En door wien? In welk Tripolitaansch gat bracht
+hij zijne eerste kinderjaren door? Door welke zorgen ontsnapte hij aan
+de zoovele oorzaken van verdelging en vernietiging onder die
+noodlottige klimaatsinvloeden? Waarlijk niemand—hij zelf waarschijnlijk
+ook niet—zou op die vragen antwoord hebben kunnen geven. Het toeval had
+hem het aanzijn geschonken, het toeval sleepte hem voort en hij was
+bestemd afhankelijk van het toeval te leven! Toch had hij in zijne
+jeugd eenig practisch onderricht genoten, hetwelk hij daaraan
+waarschijnlijk verschuldigd was, dat hij door de wereld had moeten
+rondzwerven, dat hij met allerhande slag van menschen had moeten
+omgaan, en dat hij er steeds op bedacht had moeten zijn om kunstmiddel
+op kunstmiddel uit te denken, al ware het maar om zijn dagelijksch
+onderhoud machtig te worden. Daardoor en door nog verschillende andere
+omstandigheden was hij sedert eenige jaren in aanraking gekomen met een
+der rijkste huizen van Triëst, met het bankiershuis van Silas
+Toronthal, wiens naam innig samengeweven zal zijn met den draad dezer
+geschiedenis.
+
+Wat den makker van Sarcany, den Italiaan Zirone, betreft, och, men
+heeft in hem slechts te zien een dier mannen zonder god of gebod, een
+avonturier, in staat om alles te doen, om alles ter hand te nemen,
+iemand die ter beschikking is van den eerste den beste die goed
+betaalt, om dien te verraden ter wille van een ander, die nog beter
+afschuift. Hij was, zooals reeds gezegd is, op Sicilië geboren en
+ongeveer dertig jaar oud. Hij was er de man naar, om zoowel slechten
+raad te geven als dien te ontvangen. Vooral evenwel zorgde hij voor de
+uitvoering daarvan. In welke plaats was hij geboren? Misschien zou hij
+die vraag beantwoord hebben als hij het geweten had. Maar in ieder
+geval bekende hij ongaarne waar hij woonde, als hij wel te verstaan
+ergens woonde. Het was op Sicilië dat het toeval van zijn zwervend
+leven hem in aanraking met Sarcany gebracht had. En zoo gingen zij de
+wereld door en trachtten door alle geoorloofde en ongeoorloofde
+middelen uit hun beider slecht gesternte munt te slaan en de fortuin te
+beproeven. Zirone evenwel, een groote, gebaarde kerel, met zeer bruine
+huid en zeer zwart haar, zou eenige moeite hebben om zijne aangeborene
+schelmachtigheid te bemantelen, die uit zijne steeds half gesloten
+oogen straalde en door zijn voortdurend hoofdschudden aangeduid werd.
+
+Alleen hij poogde zijne sluwheid achter eene luidruchtige
+babbelachtigheid te verbergen. Hij was daarenboven eerder vroolijk dan
+droevig van aard en veel meer mededeelzaam dan zijn makker.
+
+Dien dag sprak Zirone evenwel met eene soort van omzichtigheid.
+Klaarblijkelijk verontrustte hem zijne hongerigheid. Den vorigen dag
+had hij een laatste partij gespeeld in een speelhol van zeer laag
+allooi, waarbij de fortuin hem onbarmhartig stiefmoederlijk behandeld
+had, en hij de laatste hulpmiddelen van Sarcany verspeeld had. Geen
+hunner wist dan ook hoe aan eten te komen. Ze konden en mochten slechts
+op het toeval rekenen, en daar die bedelaars-voorzienigheid zich niet
+haastte om hun de hand te reiken daar op dien havendam van San Carlo,
+zoo besloten zij haar een eindje tegemoet te treden, door de nieuwe
+stad in te stappen.
+
+Daar op de pleinen, op de kaden, op de wandelwegen, zoowel aan deze als
+aan gene zijde van de haven, langs het groote kanaal, dat geheel Triëst
+doorsnijdt, daar gaat, komt en verdringt zich, in den ijver om zaken te
+doen, eene bevolking van zeventig duizend zielen van Italiaanschen
+oorsprong, welker taaldialect, hetwelk dat van Venetië is, zich oplost
+in de kosmopolitische spraakverwarring van al die zeelieden,
+handelaren, geëmployeerden, beambten, die een mengelmoes doen hooren,
+dat uit Duitsch, Fransch, Engelsch en Slavonisch bestaat.
+
+Hoewel beweerd kan worden, dat die nieuwe stad rijk is, zoo moet
+daaruit de gevolgtrekking niet gemaakt worden dat allen, die daar op de
+straten ronddrentelen, gelukkige stervelingen genoemd kunnen worden.
+Neen, waarachtig niet. De meest-vermogenden zouden onmogelijk hebben
+kunnen wedijveren met die Engelsche, Armenische, Grieksche en Joodsche
+handelaren, die te Triëst den baas spelen en welker weelderige
+huishouding de hoofdstad van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk
+overwaardig zou zijn. Maar die buiten rekening gelaten, hoeveel arme
+drommels, die van ’s morgens tot ’s avonds zwerven door die
+handelslanen, welke door hooge gebouwen omgeven zijn, die gesloten
+worden als geldkisten en waarin allerhande koopwaren, welke naar die
+vrijhaven, die zoo gunstig in dien uithoek van de Adriatische Zee
+gelegen is, gebracht worden, opgestapeld liggen. Hoeveel lieden
+drentelen daar niet, die niet ontbeten hebben, die misschien niet
+zullen middagmalen, opgehouden als zij zullen worden op de havenkaden,
+waar de schepen van de machtigste maritieme maatschappij van Europa, de
+Oostenrijksche Lloyd, zooveel rijkdom, van al de streken der aarde
+bijeengebracht, ontladen. Hoeveel rampzaligen eindelijk, zooals er bij
+honderden in Londen, Liverpool, Amsterdam, Rotterdam, Marseille, Havre,
+Antwerpen, Livorno, in één woord in alle handelssteden, tusschen rijke
+reeders en cargadoors rondkrioelen in de nabijheid dier pakhuizen,
+welker ingang voor hen gesloten is, op de beurspleinen dier steden,
+gebouwen aan Mercurius gewijd, die zich nimmer voor hen zullen
+ontsluiten, bewegen zich niet ook hier te Triëst beneden aan die
+trappen van dat Tergesteum, waar de Lloyd hare kantoren gevestigd
+heeft, hare leeszalen bezit, en in volmaakte overeenkomst met de Kamer
+van Koophandel leeft.
+
+Het is onbetwistbaar dat in al de groote zeesteden van de oude en
+nieuwe wereld, een klasse van ongelukkigen rondkrioelt, die aan die
+groote handelscentra eigen zijn. Vanwaar zij komen, weet niemand. Hoe
+dat lot hun beschoren werd, evenmin. Waar zij het hoofd neerleggen
+zullen, weten zij zelven niet. Onder hen worden aangetroffen die van
+hooger standpunt weggedrongen werden. Het zijn meestal vreemdelingen
+bovendien. De spoortreinen en de koopvaardijschepen brachten hen aan en
+wierpen hen op het perron of op de kaden als colli’s vrachtgoederen
+zonder waarde, en zij vormen een ware belemmering op den openbaren weg,
+vanwaar de politie hen te vergeefs zoekt te verdrijven.
+
+Sarcany en Zirone, na nog een blik over de baai tot aan den vuurtoren,
+die op de uiterste punt van Sint Theresia opgericht is, geworpen te
+hebben, verlieten alzoo den havendam en namen hun weg tusschen het
+Teatro Comunale en de kade door en bereikten zoo de Piazza Grande, waar
+zij gedurende een kwartieruur slenterden in de nabijheid van de
+fontein, die opgetrokken werd van steenen, welke uit den naburigen
+Karstberg gehaald waren, en in de nabijheid van het standbeeld van
+Karel VI.
+
+Beiden sloegen toen links af. Intusschen bekeek Zirone de
+voorbijgangers met onderzoekenden blik, alsof hij van het
+onweerstaanbare plan zwanger ging te willen zakkenrollen. Daarna
+slenterden zij rondom het groote vierkant van Tergesteum, juist op het
+oogenblik dat de beurstijd eindigde.
+
+„De beurs is nu leeg.... zooals de onze!” meende de Siciliaan met een
+glimlach te moeten opmerken, hoewel hij volstrekt geen trek in lachen
+had.
+
+Maar de onverschillige Sarcany scheen zelfs het geestige woordenspel
+van zijn makker niet gehoord te hebben. Deze evenwel rekte zich de
+ledematen uit en geeuwde van honger.
+
+Daarna stapten zij het driehoekige plein over, waarop zich het bronzen
+standbeeld van keizer Leopold I verheft. Een scherp gefluit van Zirone,
+die dat als een echte straatjongen kon, deed een vlucht blauwe duiven
+opvliegen, die onder de boogvormige afdaken van de oude Beurs
+koekeloeren, zooals de grijsachtige duiven doen tusschen de Procuraties
+van het Sint-Markusplein te Venetië. Niet ver van daar ontwikkelde zich
+het Corso, dat het nieuwe Triëst van het oude scheidt.
+
+Dat Corso is een breede straat, die evenwel zonder bevalligheid is,
+waarin goedbeklante magazijnen aangetroffen worden, die evenwel
+smakeloos genoemd moeten worden. Die straat doet eerder denken aan de
+Regentstreet van Londen of de Broadway van New-York, dan aan de
+Boulevards des Italiens te Parijs. Een groot aantal voorbijgangers
+wordt er steeds aangetroffen. Ook het aantal rijtuigen is er
+aanmerkelijk, die van de Piazza Grande naar de Piazza della Legna
+rijden.—Die namen duiden aan dat de stad haren Italiaanschen oorsprong
+nog niet vergeten is.
+
+Wanneer Sarcany den schijn aannam ongevoelig te zijn voor iedere
+verzoeking, zoo ging Zirone toch die rijke winkels niet voorbij zonder
+er dien bijzonderen afgunstigen blik in te werpen, die van hen uitgaat,
+die de middelen missen naar binnen te kunnen gaan. Daar waren toch
+zaken in overvloed aanwezig, die zij wel zouden hebben kunnen
+gebruiken, vooral bij de kooplieden in eetwaren en in de „bièreries”
+waar het bier meer overvloedig stroomt dan in eenige andere stad van
+het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk.
+
+„Ik gevoel nog meer honger dan dorst op dit Corso,” merkte de Siciliaan
+op, terwijl hij met de tong tusschen zijn verdroogde lippen smakte,
+alsof hij een kleppermansratel liet hooren.
+
+Die opmerking werd door Sarcany met een eenvoudig schouderophalen
+beantwoord.
+
+Beiden sloegen toen de eerste straat links in, en toen zij op de oevers
+van het kanaal waren aangekomen, op het punt waar de Ponto Rosso—eene
+fraaie draaibrug—overgang verleende, stapten zij die kaden langs, waar
+zelfs schepen van grooten diepgang kunnen vastmeeren. Daar werden zij
+veel minder verlokt en gepijnigd door de uitstalling van allerlei
+lekkernijen. Ter hoogte van de kerk Sant-Antonio gekomen, sloeg Sarcany
+plotseling rechtsom. Zijn makker volgde hem zonder eenige bemerking te
+maken. Daarna staken zij weer het Corso over en drentelden thans door
+de oude stad, welker straten zeer smal en onbruikbaar voor rijtuigen
+zijn, wanneer zij althans die eerste hellingen van den Karstberg
+bereiken en daartegen als het ware willen opklimmen. Die straten nemen
+in den regel zulke richting, dat zij niet door den schrikkelijken
+Borawind—zoo wordt een stevige noordoostelijke bries genoemd—bestreken
+kunnen worden. Hier in dat oude Triëst zouden Zirone en Sarcany als
+ware platzakken, zich meer te huis gevoelen dan in de rijke en
+prachtige kwartieren van de nieuwe stad.
+
+Zij logeerden dan ook inderdaad achter in een zeer bescheiden
+passantenhuis, niet ver van de kerk van Santa Maria Magiore, en hadden
+daar reeds hun intrek genomen bij hunne aankomst in de hoofdplaats van
+Illyrië. Maar daar de logementhouder nog nooit eenig geldstuk van hen
+te zien had gekregen en steeds dringender werd om zijne rekening, die
+iederen dag al grooter en grooter werd, betaald te krijgen, vermeden
+zij die gevaarlijke kaap, staken het plein over en flaneerden gedurende
+eenigen tijd rondom de Arco di Riccardo.
+
+Maar op den keper beschouwd, de studie van die overblijfselen van
+vermeende bouwkunst kon hen niet bevredigen. Daar dus het toeval dezen
+keer blijkbaar zich niet haastte om hen te midden van die slecht
+befaamde straten te hulp te komen, begonnen zij, de een gevolgd door
+den ander, de steile stegen te beklimmen, die bijna tot op den top van
+den Karstberg, naar het plein der kathedraal voerden.
+
+„Een zonderling denkbeeld om daar naar boven te klimmen,” mompelde
+Zirone, terwijl hij onderwijl zijn mantel om zijn middel vaster
+aantrok.
+
+Maar al pruttelde hij ook, hij verliet zijn makker niet, en van beneden
+gezien, had men kunnen waarnemen, hoe zij zich langs die trappen, die
+oneigenaardig straten genoemd worden en langs de hellingen van den
+Karstberg aangelegd zijn, opheschen. Tien minuten later hadden zij,
+hongeriger en dorstiger dan te voren, het plein daarboven bereikt.
+
+Dat van dit hooge standpunt het vergezicht zich prachtig uitstrekte
+over de baai van Triëst tot aan de volle zee, over de zoo levendige
+haven door het heen en weer varen der visschersvaartuigen, door het in-
+en uitstevenen der oorlogs-stoomers en der koopvaardijschepen; dat de
+blik kon waren over de geheele stad, over hare voorsteden, over de
+laatste huizen, die op de hellingen gelegen waren, over de villa’s, die
+verspreid op de hoogten verrezen, neen, dat alles kon onze twee
+avonturiers volstrekt niet meer boeien. Zij hadden in hun leven wel wat
+anders gezien en bovendien, hoe dikwijls hadden zij niet op die hoogte
+met hunne ellende en met hunne verveling rondgewandeld? Zirone vooral
+had veel liever langs de rijke winkels van het Corso gedrenteld. Maar
+wat er aan te doen! Nu zij toch het toeval en zijne onvoorziene
+weldadigheden daar boven waren komen zoeken, moesten zij die zonder al
+te veel ongeduld afwachten.
+
+Er stond daar bij het uiteinde van de trap, die toegang tot het terras,
+dicht bij de Byzantijnsche Kathedraal van Sint Justus verleende, eene
+omheinde ruimte, die vroeger een kerkhof was, maar thans als museum van
+oudheden te bezichtigen was. Het waren geen graven meer, die er
+aangetroffen werden, maar brokstukken van grafsteenen, die onder de
+lage takken van zeer fraaie boomen verscholen lagen, Romeinsche
+obeliskvormige monolithen, voetstukken uit de middeleeuwen, stukken van
+Dorische friezen en anderen, afkomstig uit den Renaissance-stijl,
+verglaasde cubussen, waarop nog steeds de sporen van vuur en asch te
+bespeuren waren. Dat alles lag daar door elkander in het gras.
+
+De deur van die omheinde ruimte was niet gesloten. Sarcany had slechts
+de moeite te nemen haar open te duwen. Hij trad, gevolgd door Zirone,
+binnen, die evenwel deze meewarige opmerking niet kon onderdrukken:
+
+„Wanneer wij het denkbeeld koesterden om een einde aan ons leven te
+maken, dan zou waarachtig de plek uitstekend gekozen zijn.”
+
+„En als men u voorsloeg dat te doen?” vroeg Sarcany met spottende stem.
+
+„Wel, daar zou ik hartelijk voor danken, kameraad! Als men mij slechts
+één gelukkigen dag op de tien verschaft, och, dan ben ik tevreden, ik
+vraag niet meer.”
+
+„Dien gelukkigen dag zal men je verschaffen—en wellicht beter dan dat.”
+
+„Dat je alle heiligen, die door de Italianen vereerd worden, verhooren.
+En toch weet God alleen dat die gelukzaligen bij honderden geteld
+worden.”
+
+„Kom steeds voort!” hernam Sarcany.
+
+„Waarheen?”
+
+„Kom maar.”
+
+Beiden volgden nu eene halfcirkelvormige laan, welke tusschen
+grafsteenen en eene dubbele rij urnen doorliep, en gingen zitten op een
+grooten steen, die in den vorm van een Romaansche roos uitgebeiteld en
+met den vloer gelijk was.
+
+Eerst namen zij een diep stilzwijgen in acht, dat Sarcany scheen te
+bevallen, maar zijnen makker volstrekt niet beviel. Zirone sprak dan
+ook weldra, terwijl hij een paar krampachtige spiertrekkingen der
+kaakbeenderen niet kon onderdrukken:
+
+„Hel en duivel, het toeval, waarop wij als echte dwazen rekenen, haast
+zich niet om ons te hulp te komen!”
+
+Sarcany antwoordde niet.
+
+„Maar welk denkbeeld dan ook,” ging Zirone voort, „om tot hier te
+midden van die bouwvallen te komen! Ik geloof, kameraad, dat wij een
+verkeerd pad ingeslagen hebben. Wie, duivel, zou hier het toeval de
+hand willen komen reiken, hier op dit oud kerkhof iemand komen
+verplichten? De zielen der overledenen kunnen het toeval best missen,
+die hebben niets meer noodig, sedert zij hun aardsch omhulsel
+verlieten. En wanneer ik zoover gekomen zal zijn, och, dan zal mij een
+vertraagd diner of een souper dat niet komt, bitter weinig kunnen
+schelen! Kom, laat ons heengaan!”
+
+Sarcany was nog in zijne overdenkingen verdiept en had den blik als het
+ware in de ruimte verloren. Hij bewoog dan ook geen vin.
+
+Zirone bleef nog een poos zonder verder te spreken. Daarop hernam zijne
+gewone babbelzucht weer hare rechten.
+
+„Sarcany,” zei hij, „wilt gij weten onder welke gedaante ik thans dat
+toeval, hetwelk ons, zijn beste klanten, zoo liederlijk in den steek
+laat, zou willen zien verschijnen? In de gedaante van een der
+kassiersloopers van het huis Toronthal, die hier zou aankomen met eene
+portefeuille opgepropt met bankbiljetten en die ons die portefeuille
+uit naam van den genoemden bankier zou toevertrouwen, onder bijvoeging
+van duizend verontschuldigingen, dat hij ons zoo lang heeft laten
+wachten.”
+
+„Luister, Zirone,” sprak Sarcany, wiens wenkbrauwen geweldig fronsten.
+„Ik zeg je voor de laatste maal, dat wij niets meer van Silas Toronthal
+te hopen of te verwachten hebben.”
+
+„Zijt gij er zeker van?”
+
+„Ja, het geheele krediet dat ik bij hem hebben kon, is thans uitgeput
+en op mijne laatste aanvragen heeft hij met een formeele en afdoende
+weigering geantwoord.”
+
+„Te drommmel, dat ’s gek!”
+
+„Zeer gek, maar het is niet anders!”
+
+„Maar.... als uw krediet uitgeput is,” hernam Zirone, „dan is dat toch
+het bewijs dat ge krediet gehad hebt. Wat was er de grondslag van?
+Waarop berustte het? Daarop, nietwaar, dat ge herhaaldelijk uwe
+verstandelijke vermogens en uw ijver ten dienste van het bankiershuis
+bij het behandelen van sommige teergevoelige zaken gesteld hebt....
+Daarom is Toronthal gedurende de eerste maanden van ons verblijf te
+Triëst niet al te weerstrevend geweest op het gebied van
+geldverstrekken! Maar ik acht het voor onmogelijk dat ge hem niet meer
+op de een of andere wijze in uwe macht zoudt hebben, en door hem te
+bedreigen....”
+
+„Geloof mij, als dat mogelijk ware, zou het reeds geschied zijn,”
+antwoordde Sarcany, terwijl hij de schouders optrok, „en zoudt ge thans
+niet verplicht zijn rond te loopen om een diner te zoeken. Neen, bij
+God! ik heb dien Toronthal niet in mijne macht! Maar wat niet is, kan
+nog wel gebeuren, en dien dag dan zal hij mij èn kapitaal, èn
+interessen èn interessen van interessen van al hetgeen hij mij nu
+weigert, uitbetalen! Ik verbeeld mij, en misschien niet zonder reden,
+dat de zaken van zijn kantoor voor het tegenwoordige eenigszins in de
+war zijn en dat hij fondsen in wankelende zaken gestoken heeft, die erg
+gevaar loopen. De weeromstuit van verscheidene faillissementen in
+Duitschland, te Berlijn en te Munchen, heeft zich tot hier in Triëst
+doen gevoelen, en wat hij ook heeft mogen beweren, zoo scheen mij Silas
+Toronthal zeer onrustig, toen ik hem den laatsten keer bezocht! Kom,
+laten wij het water troebel laten worden.... en als dat gebeurd zal
+zijn....”
+
+„Welnu, ja,” riep Zirone uit, „dat ’s goed! Maar intusschen hebben wij
+nog slechts water om te drinken. Ziet ge, Sarcany, ik ben van meening
+dat gij nog een poging bij Toronthal moest wagen. Gij moest nog een
+keer bij zijne kas aankloppen om te trachten, al was het maar zooveel
+te verkrijgen, ten einde naar Sicilië via Malta terug te kunnen
+keeren....”
+
+„Maar wat wilt ge in Sicilië uitvoeren?”
+
+„Dat is mijn zaak. Dat land ken ik en ik zou een troepje Maltezers,
+flinke kerels, zonder vooroordeelen, waar wat van te maken zoude zijn,
+er heen kunnen voeren. Welnu, voor den drommel! als hier niets meer te
+beproeven valt, laten wij dan heengaan, maar laten wij alvorens dien
+verwenschten bankier noodzaken ons reisgeld te verschaffen. Hoe weinig
+gij ook van hem schijnt te weten, zal dat toch wel voldoende zijn om
+hem te doen inzien, dat het voor hem veiliger zal wezen, dat gij u
+overal elders dan te Triëst zult bevinden!”
+
+Sarcany schudde het hoofd.
+
+„Kom, vooruit! Het kan onmogelijk lang meer duren,” hernam Zirone. „Wij
+zijn geheel blut!”
+
+Hij was opgestaan, en stampte met den voet op den grond, zooals hij
+eene stiefmoeder zou gedaan hebben die hem stiefmoederlijk zoude
+behandeld hebben.
+
+In dit oogenblik werd zijn blik geboeid door een vogel, die buiten de
+omheinde ruimte slechts met moeite scheen te kunnen vliegen. Het was
+eene duif, wier vermoeide vleugelen ternauwernood nog klapwieken konden
+en die naar den grond streek.
+
+Zirone had, zonder zich af te vragen, tot welke der honderd zeven en
+zeventig soorten van duiven, thans in de ornithologische naamlijst
+opgenomen, die vogel behoorde, slechts ééne zaak voor oogen, namelijk
+dat hij tot de eetbare soorten behoorde. Hij wees hem dan ook met den
+vinger aan zijn makker en verslond hem met den blik.
+
+De vogel was klaarblijkelijk uitgeput en het einde zijner krachten
+nabij. Hij poogde zich vast te klemmen aan de uitstekende gedeelten van
+de kathedraal, welker voorgevel geflankeerd is door een vierkanten
+toren, die van oude dagteekening is. Toen hij zich niet meer kon houden
+en op het punt was naar beneden te vallen, kwam hij zich eerst
+neerzetten op het dakwerk van eene kleine nis, waaronder het beeld van
+den heiligen Justus prijkte; maar de vermoeide pootjes van de duif
+weigerden hun dienst; zij kon zich niet vastklemmen en liet zich
+glijden tot op het kapiteelwerk van eene oude zuil, die in den hoek
+stond, welke door dien toren en dien voorgevel gevormd werd.
+
+Al volgde Sarcany, die steeds onbeweeglijk en stilzwijgend daar neer
+zat, de duif in hare vlucht niet, zoo verloor haar Zirone daarentegen
+niet uit het oog. Zij was uit noordelijke richting gekomen. Een lange
+tocht had haar geheel en al uitgeput. Klaarblijkelijk zette haar
+instinct haar aan om een nog verder gelegen doel te bereiken. Zij
+hernam dan ook bijna dadelijk hare vlucht en volgde eene gebogen
+richtingslijn, die haar noodzaakte tot eene nieuwe halt, juist op de
+benedentakken van een der boomen van het oude kerkhof.
+
+Toen besloot Zirone de duif te bemachtigen. Hij sloop dan ook zachtkens
+en langs den grond kruipende naar den boom. Weldra had hij den
+geknoesten stam bereikt, die gelegenheid te over aanbood om de
+vorkvormige vertakking van de kruin te kunnen bereiken. Daar bleef hij
+onbewegelijk en stom in de houding van een speurhond, die eenig wild
+bespiedt, dat boven zijn hoofd gezeten is.
+
+De duif, die hem niet bemerkt had, wilde toen hare vlucht hervatten,
+maar hare krachten verlieten haar andermaal, zoodat zij op weinige
+passen verder op den grond viel.
+
+Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de
+hand grijpen, dat was voor den Siciliaan het werk van een ondeelbaar
+oogenblik. En hij was heel natuurlijk op het punt om de arme duif te
+verworgen, toen hij zich plotseling weerhield, een kreet van
+verwondering uitstiet en in allerijl bij Sarcany terugkwam.
+
+„Eene reisduif!” zei hij.
+
+„Waarlijk, dat is dan een reiziger, die zijn laatste reis afgelegd
+heeft!” antwoordde Sarcany.
+
+„Ongetwijfeld” hernam Zirone, „en des te erger voor hen, aan wie het
+briefje is gericht, dat onder den vleugel der duif vastgemaakt zit.”
+
+„Een briefje!” riep Sarcany uit. „Wacht Zirone, wacht! Zoo iets dwingt
+tot uitstel van executie!”
+
+Hij weerhield de hand van zijn makker, die reeds den hals van de arme
+duif omkneld hield. Daarna nam hij het zakje dat Zirone reeds
+losgemaakt had, opende het en haalde er een briefje uit dat een
+raadselschrift vertoonde:
+
+
+ ghfhna dalant ltenka
+ aohhzk aenzse lsnivi
+ rnryoo tnpees seyehe
+ lxosde soelnl sglpte
+ veknni ilarna lotasa
+ yareah uezmtl rradae
+
+
+Omtrent de plaats van vertrek en omtrent de bestemmingsplaats van het
+briefje geen enkel woord. Wat die achttien woorden betreft, die ieder
+uit een gelijk aantal letters samengesteld waren, zoude het mogelijk
+zijn, de beteekenis daarvan te weten te komen zonder den sleutel te
+kennen? Dat was al zeer onwaarschijnlijk, tenzij een hunner een
+behendig oplosser van raadsels mocht heeten en dan moest nog het geval
+bestaan dat het schrift ontraadselbaar was.
+
+Tegenover dat geheimschrift, dat voor hen niets beteekende, bleef
+Sarcany eerst teleurgesteld, daarna zeer beteuterd in gedachten
+verzonken staan. Zou dat briefje een belangrijk, maar vooral een
+compromitteerend bericht behelzen? Dat kon, dat moest aangenomen
+worden. Dat duidden de voorzorgen genoegzaam aan, die genomen waren,
+dat het, wanneer het bij ongeluk in verkeerde handen viel, door niemand
+anders kon gelezen worden dan door hen, voor wie het bestemd was. Ook
+gaf het vervoermiddel achterdocht. Door toch noch van den postdienst,
+noch van de telegraaf gebruik te maken, maar integendeel het
+wonderlijke instinct van de reisduif te bezigen, was het duidelijk, dat
+het eene zaak gold, die zeer geheimzinnig behandeld moest worden.
+
+„Wellicht,” zei Sarcany, „schuilt er in die regels een geheim, dat ons
+een vermogen zou kunnen bezorgen!”
+
+„Dan zou die duif,” hernam Zirone, „de vertegenwoordigster van het
+toeval zijn, dat wij sedert heden ochtend zoo opgespoord hebben.
+Duivels! ik die het arme dier wilde worgen!.... Maar alles goed en wel
+beschouwd, is het briefje toch het meest belangwekkende, zoodat er zich
+niets tegen verzet om den briefbesteller te braden.”
+
+„Haast je maar niet, Zirone,” antwoordde Sarcany, die dezen keer
+andermaal het leven der duif redde. „Misschien kunnen wij door middel
+dier duif te weten komen, aan wien dat briefje gericht is, wel te
+verstaan, wanneer die te Triëst woont.”
+
+„En daarna? Dat zal je toch het middel niet aan de hand doen om te
+kunnen lezen wat in dat briefje staat, Sarcany!”
+
+„Neen, Zirone.”
+
+„Ook niet om te weten, van waar dat briefje komt!”
+
+„Ook dat niet! Maar als het mij lukt van twee correspondenten een te
+leeren kennen, dan verbeeld ik mij, dat dat wel eene vingerwijzing zou
+kunnen wezen om ook achter den ander te komen, nietwaar?”
+
+„Ja.... zoo beschouwd....”
+
+„In plaats dan van die duif te dooden en te braden, moeten wij er ons
+integendeel op toeleggen haar hare krachten terug te bezorgen, opdat
+zij hare bestemming bereiken kunne!”
+
+„Met het briefje?” vroeg Zirone.
+
+„Met het briefje, waarvan ik evenwel alvorens een nauwkeurig afschrift
+zal maken, dat ik bewaren zal, tot het oogenblik zal gekomen zijn om er
+gebruik van te maken!”
+
+Sarcany haalde vervolgens een aanteekeningsboekje uit zijn zak te
+voorschijn en nam met het daarin aanwezige potlood een afschrift van
+het briefje. Daar hij wist dat bij de meeste raadselschriften niets
+verwaarloosd mag worden omtrent hunne daadwerkelijke rangschikking, zoo
+zorgde hij dat de stand der woorden onderling onaangetast bleef. Toen
+hij daarmee klaar was, borg hij dit afschrift in zijn notitieboekje op,
+herplaatste het briefje in het zakje en het zakje onder den vleugel der
+duif.
+
+Zirone keek aandachtig toe, zonder evenwel bijster veel hoop te
+koesteren omtrent een vermogen, dat door dit toeval verworven zou
+moeten worden.
+
+„En thans?” vroeg hij.
+
+„Thans,” antwoordde Sarcany, „is het zaak om den brievenbesteller goed
+te verzorgen.”
+
+En dat was inderdaad noodig; want de duif was meer uitgeput door den
+honger dan door de vermoeienis. Hare vleugels waren ongeschonden,
+zonder een enkele beleediging of breuk, en bewezen dan ook ten volle,
+dat de kortstondige flauwte, die het dier overvallen had, noch aan
+eenige hagelkorrels van den een of anderen jager, noch aan een
+steenworp van den een of anderen boosaardigen straatjongen te wijten
+was. De vogel had honger, maar vooral dorst.
+
+Zirone zocht dus en vond op den grond eenige zaadkorrels, die de duif
+met gretigheid oppikte. Eindelijk leschte hij haren dorst bij een
+plasje water, dat van den laatst gevallen regen in een scherf van een
+antieke vaas van gebakken steen achtergebleven was, zoodat een half
+uur, nadat de duif gevangen was geworden, zij, zoo gekoesterd, geheel
+hersteld, in staat was haar onderbroken reis te hervatten.
+
+„Als zij nog ver moet vliegen, als zij verder dan Triëst moet zijn, dan
+kan het ons minder schelen of die duif onderweg omkomt,” zei Sarcany,
+„daar wij haar alsdan uit het oog zullen verliezen en wij haar
+onmogelijk zullen kunnen volgen. Wanneer zij evenwel in een der huizen
+van Triëst verwacht wordt en daar de eindpaal harer reis is, dan zullen
+haar de krachten niet ontbreken om dat te bereiken, want zij heeft dan
+nog maar een paar minuten te vliegen.”
+
+„Ge hebt volkomen gelijk,” antwoordde de Siciliaan, „maar zullen wij
+haar met onzen blik kunnen volgen tot de plek waar haar duivenslag
+staat, al zou het ook zijn, dat die te Triëst aangetroffen werd?”
+
+„Wij zullen in ieder geval ons best daarvoor doen en onze maatregelen
+daartoe nemen,” antwoordde Sarcany leuk.
+
+En ziehier wat hij deed:
+
+De kathedraal, welke uit twee oude Romaansche kerken bestond, die de
+eene aan de H. Maagd en de andere aan Sint Justus, den beschermheilige
+van Triëst, gewijd waren, wordt gesteund door een hoogen toren, die
+zich op den vleugel verhief van dien frontgevel, waarin eene groote,
+roosvormige versiering prijkte, welke boven de hoofddeur van het gebouw
+aangebracht was. Die toren beheerschte de geheele topvlakte van den
+Karstberg, en de stad ontwikkelt zich daar beneden als een uitermate
+fraaie reliëfkaart. Van dit verheven punt ontwaart men al de vierkante
+vlakken, gevormd door de daken der huizen van de stad, van de
+heuvelhellingen af tot aan den oever der baai toe. Het zou dus niet
+onmogelijk zijn de duif in hare vlucht te volgen, wanneer men haar op
+den top van den toren losliet. Ongetwijfeld zou dan het huis te
+herkennen zijn, waarop zij zou neerstrijken, wanneer zij namelijk
+Triëst en geen andere stad of dorp van Illyrië tot bestemming had.
+
+Die poging kon slagen en zij was wel waard om beproefd te worden. Men
+had slechts de duif in vrijheid te stellen.
+
+Sarcany en Zirone verlieten dan ook dit oude kerkhof, staken het kleine
+plein, vóór de kerk gelegen, over en stapten op den toren toe. Een der
+ogiefvormige deuren, juist dezelfde, die onder het voetstuk van de nis
+van den Heiligen Justus aangebracht was, stond open. Beiden traden
+binnen en begonnen met de ruwe treden van de wenteltrap, die naar boven
+leidde, te bestijgen.
+
+Zij hadden vier of vijf minuten noodig om den top des torens, die in
+een spits dak eindigt en dus geen plat heeft, te bereiken. Maar daar
+aangekomen, bemerkten zij twee vensters op ieder front van het hooge
+gebouw, die veroorloofden den blik langs den geheelen gezichteinder,
+zoowel langs de heuvelen als langs de zee, te laten waren.
+
+Sarcany en Zirone namen plaats aan dat venster, hetwelk direct uitzicht
+op Triëst in noordwestelijke richting verleende.
+
+Het sloeg toen vier uren op de torenklok van het kasteel, dat in de
+zestiende eeuw gebouwd werd op het hoogste punt van den Karstberg, vlak
+achter de kathedraal. Het was nog volle dag. De zon daalde langzaam te
+midden van een uiterst zuiveren dampkring naar de wateren van de
+Adriatische Zee, en het meerendeel der huizen ontving hare stralen op
+de voorgevels, die naar den kant van den toren gekeerd waren.
+
+De omstandigheden waren dus zeer gunstig.
+
+Sarcany nam de duif tusschen zijne beide handen, streelde haar nog een
+poos en gaf haar toen de vrijheid.
+
+De vogel klapwiekte, daalde eerst snel genoeg om te doen vreezen, dat
+hij met een ongelukkigen val zijne loopbaan als luchtbrievenbesteller
+zou eindigen.
+
+Vandaar dan ook dat de Siciliaan een waren kreet van teleurstelling
+uitstiet. Hij was zeer opgewonden en stond te trappelen van ongeduld.
+
+„Zij valt, zij valt!” riep hij uit.
+
+„Neen, zij hervat zich,” antwoordde Sarcany.
+
+En inderdaad, de duif had haar evenwicht in de lagere luchtlagen
+hernomen; daarna maakte zij een scherpen hoek en wendde zich in
+schuinsche richting naar het noordwestelijke gedeelte der stad.
+
+Sarcany en Zirone volgden haar met de oogen.
+
+Er werd bij de vlucht van den vogel, die door een bewonderenswaardig
+instinct geleid werd, geene enkele aarzeling waargenomen. Men gevoelde
+dat hij recht afvloog op het doel waar hij wezen moest, op het doel
+waar hij reeds sedert een uur had moeten aangekomen zijn, zonder dat
+ongewenschte oponthoud onder de boomen van het oude kerkhof.
+
+Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige
+oplettendheid waar. Zij vroegen zich af of de duif de muren der stad
+niet zou overschrijden, hetgeen hunne vooruitzichten verijdelen zou.
+
+Neen, dat gebeurde niet.
+
+„Ik zie haar nog!.... Ik zie haar steeds!” riep Zirone, wiens
+gezichtsvermogen buitengewoon sterk was.
+
+„Waar?.... Waar?.... vroeg Sarcany, die haar scheen uit het oog
+verloren te hebben.
+
+„Daar!.... daar!” antwoordde Zirone, de richting met den vinger
+aanwijzend. „Daar!....”
+
+„O ja, ik zie haar weer,” hernam Sarcany met voldoening. „Wat vooral
+goed opgemerkt moet worden, is de plek waar de duif gaat neerstrijken.
+Wij moeten er de juiste ligging goed van opnemen.”
+
+Eenige minuten na haar vertrek streek de duif op een huis neer, welks
+scherpe nok al de anderen beheerschte en zich te midden van een groep
+boomen verhief. Dat huis was in het stadsgedeelte gelegen, hetwelk aan
+den kant van het gasthuis en van den openbaren tuin aangetroffen wordt.
+Daar verdween zij door een dakvenster, hetwelk toen uitermate zichtbaar
+was, daar het door een ijzeren windwijzer, die kunstig à jour bewerkt
+was, aangeduid werd. Dat ijzeren kunstwerk was zoo sierlijk
+vervaardigd, dat het aan Quentijn Matsys had kunnen toegeschreven
+worden, wanneer Triëst eene Vlaamsche stad ware geweest.
+
+De algemeene richting van dat huis vastgesteld zijnde, moest het niet
+zeer moeilijk zijn, wanneer men dien windwijzer als baken in het oog
+hield, om de nok weer te vinden, waaronder het bedoelde dakvenster was
+aangebracht en derhalve ook het huis, door den persoon bewoond, voor
+wien het briefje bestemd was.
+
+Sarcany en Zirone daalden dadelijk de trappen des torens af en na ook
+de hellingen van den Karstberg verlaten te hebben, volgden zij eene
+aaneenschakeling van kleine nauwe straten, die hen eindelijk toegang
+tot de Piazza della Legna verleenden. Daar waren zij verplicht zich te
+oriënteeren, om de huizengroep te verkennen, die het oosterkwartier van
+de stad uitmaakte.
+
+Toen zij aan de samenvloeiing van de twee groote gemeenschapsaderen,
+de Corso Stadion, die naar den openbaren wandeltuin voert, en de
+Acquedotto, een fraaie laan van geboomte, die naar de groote brouwerij
+van Boschetto leidt, aangekomen waren, ondervonden de beide avonturiers
+eenige aarzeling omtrent de verder te volgen richting. Moest men rechts
+of links inslaan? Instinctmatig kozen zij rechts, met het doel om al de
+huizen der laan nauwkeurig gade te slaan, waarboven zij den windwijzer,
+dien zij opgemerkt hadden, zouden kunnen bespeuren.
+
+Zij schreden dus voort en namen de verscheidene daknokken van de
+Acquedotto in oogenschouw, zonder evenwel die te ontdekken, welke zij
+zochten. Eindelijk waren zij aan het einde van de laan aangekomen.
+
+„Daar is hij!” riep eindelijk Zirone uit.
+
+En hij wees op een windwijzer, dien de zeewind op zijne ijzeren as deed
+knarsen, die boven een dakvenster geplaatst was, waar rondom juist
+eenige duiven vlogen.
+
+Er was dus geene vergissing mogelijk. Daar was wel degelijk de duif
+neergestreken.
+
+Het huis had een bescheiden uiterlijk, onderscheidde zich in niets van
+de overige die tot hetzelfde blok behoorden, en was even als die langs
+de Acquedotto gelegen.
+
+Sarcany verschafte zich inlichtingen in een paar naburige winkels en
+wist al spoedig hetgeen hij voorshands wenschte te weten.
+
+Dat huis behoorde sinds lange jaren aan den graaf Ladislas Zathmar en
+strekte hem tot woning.
+
+„Wie is graaf Zathmar?” vroeg Zirone, wien die naam geheel vreemd was.
+
+„Wel, dat is graaf Zathmar,” antwoordde Sarcany kortweg.
+
+„Ja, maar zouden wij geen inlichtingen omtrent hem kunnen vragen?....”
+
+„Later, Zirone, laten wij niet overijld handelen. Laten wij kalmte
+betrachten en de zaak overdenken. Kom, wij keeren thans naar onze
+herberg terug.”
+
+„Ja wel!.... Het is etenstijd en de table d’hôte staat gedekt voor hen,
+die het recht koopen kunnen er plaats aan te nemen,” merkte Zirone
+schamper op.
+
+„Als wij heden niet dineeren,” antwoordde Sarcany, „dan is het toch
+mogelijk dat wij morgen zullen smullen.”
+
+„Bij wien?”
+
+„Bij wien, vraagt gij?” zei Sarcany schier gedachteloos.
+
+„Ja, dat vraag ik.”
+
+„Wel, waarschijnlijk bij graaf Zathmar.”
+
+Beiden drentelden langzaam voort. Waarom zich ook te haasten? Toch
+hadden zij al te spoedig hun bescheiden hôtel bereikt, dat helaas! nog
+te weelderig voor hen was, daar zij hun verblijf onmogelijk konden
+betalen.
+
+Maar welke verrassing was hun daar bereid?.... Een brief, die aan
+Sarcany gericht was, was aangekomen.
+
+Die brief bevatte een bankbiljet van twee honderd gulden, met de
+woorden, die kort maar beteekenisvol waren:
+
+
+„Hierbij ingesloten het laatste geld, dat gij van mij ontvangen zult.
+Het zal voldoende zijn om naar Sicilië weer te keeren. Vertrek en dat
+ik nimmermeer iets van u hoore.”
+
+„Silas Toronthal.”
+
+
+„Duivels!” riep Zirone uit, „de bankier komt juist van pas op zijn
+besluit terug. Waarachtig, men moet de finantie-luidjes in waarde
+houden en nimmer omtrent hen wanhopen.”
+
+„Dat ’s ook mijne meening,” betuigde Sarcany.
+
+„En dat geld zal ons dienen om Triëst te verlaten?....”
+
+„God beware! Het zal ons integendeel dienen om er te blijven!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+GRAAF MATHIAS SANDORF.
+
+
+De Hongaren, dat zijn de Magyaren, die het land kwamen bevolken zoo
+ongeveer in de negende eeuw van de Christelijke tijdrekening. Zij maken
+tegenwoordig het derde gedeelte van de geheele bevolking van Hongarije
+uit en tellen ongeveer iets meer dan vijf millioen zielen. Of zij van
+Spaanschen, of Egyptischen, of Tartaarschen oorsprong zijn, of zij van
+de Hunnen van Attala of van de Finnen uit het noorden afstammen, dat
+zijn alle twistvragen, die ons weinig kunnen schelen. Wat evenwel
+opgemerkt moet worden, is, dat het geene Slavoniërs, dat het geene
+Duitschers zijn, en dat het hun waarschijnlijk niet zou smaken, het te
+worden.
+
+Die Hongaren hebben dan ook hun godsdienst ongeschonden behouden en
+zijn vurige Katholieken gebleven van de elfde eeuw af, het tijdstip
+waarop zij tot de nieuwe geloofsbelijdenis overgingen. Daarenboven
+spreken zij nog hunne taal van weleer, eene stamtaal, die zachtvloeiend
+en harmonisch klinkt, die zich geheel en al tot de bekoorlijkheid der
+dichterlijke wendingen leent, die minder rijk aan woorden dan het
+Duitsch, evenwel scherper begrensd van uitdrukking en krachtvoller is,
+eene taal, die van af de vijftiende tot de zestiende eeuw bij het geven
+van wetten en het slaan van ordonnantiën het latijn verving, in
+afwachting dat zij tot de nationale taal verheven zoude worden.
+
+Het was op den 21sten Januari 1699 dat het verdrag van Carlowitz het
+bezit van Hongarije en Transsylvanië aan de kroon van Oostenrijk
+verzekerde.
+
+Twintig jaren later werd bij de pragmatieke sanctie solemneel
+vastgesteld, dat de staten, die het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk
+vormden, steeds onafscheidelijk aan elkander verbonden zouden zijn. Bij
+gebrek aan zonen, zou de dochter volgens rangschikking van het
+eerstgeboorterecht op den troon kunnen opvolgen. En dank zij die nieuwe
+bepalingen, erfde Maria Theresia de kroon van haren vader, Karel de
+Zesde, laatste mannelijke spruit uit het huis van Oostenrijk.
+
+De Hongaren moesten voor de overmacht bukken, maar honderdvijftig jaar
+later werden nog mannen uit alle standen en van alle rangen
+aangetroffen, die noch van de pragmatieke sanctie, noch van het verdrag
+van Carlowitz iets wilden weten.
+
+Op het tijdstip, waarop dit verhaal begint, leefde een Hongaar van
+hooge geboorte, wiens geheele leven zich in deze twee gevoelens
+oploste, namelijk: in den haat voor alles wat van Germaansche afkomst
+was en in de hoop nog eenmaal aan zijn land de zelfstandige regeering
+van vroeger weer te geven. In zijne jeugd had hij Kossuth gekend en
+hoewel door zijne geboorte en door zijne opvoeding een scheidsmuur
+tusschen hen opgetrokken moest zijn, zoo koesterde hij toch eene zekere
+bewondering voor het groote hart van dien vaderlander.
+
+Graaf Mathias Sandorf bewoonde in een der comitaten van Transsylvanië
+in het district Fagaras, een oud kasteel van feodalen oorsprong. Het
+was gebouwd op de hellingen van de noordelijke uitloopers van het
+oostelijk Karpatisch gebergte, die de grens uitmaken tusschen
+Transsylvanië en Walachyë, en verhief dit kasteel zich in al zijne
+woeste fierheid op dien steilen bergketen, als een van die
+schuilplaatsen in den laatsten stond, waar samenzweerders tot hun
+laatsten snik aan hunne vijanden weerstand kunnen bieden.
+
+Naburige mijnen, rijk aan ijzer- en kopererts, die zorgvuldig ontgind
+werden, verschaften aan den eigenaar van het kasteel Artenick een zeer
+aanzienlijk vermogen. Dat domein besloeg een groot gedeelte van het
+district Fagaras, hetwelk door eene bevolking bewoond werd, die niet
+minder dan honderd twee- en zestigduizend inwoners telde. Deze, hetzij
+zij stedelingen of landlieden waren, maakten er geen geheim van dat zij
+voor graaf Sandorf eene toewijding koesterden, die iedere proef
+doorstaan kon; dat zij hem eene onbegrensde erkentelijkheid toedroegen,
+voor al het goede dat hij in het land teweeg bracht. Dat kasteel was
+dan ook het voorwerp van een bijzonder toezicht, dat door de kanselarij
+van Hongarije te Weenen, welke geheel en al van de overige
+administratiën van het Keizerrijk onafhankelijk bleef, in het leven
+geroepen was. Men kende in de hoogste kringen de denkbeelden van den
+gebieder van Artenick, en die denkbeelden baarden onrust, al gaf men
+ook voor omtrent den persoon van den graaf gerust te zijn.
+
+Mathias Sandorf was toen vijf en dertig jaren oud. Het was een man van
+eene iets meer dan middelmatige gestalte, die eene groote spierkracht
+verried. Op zijne schouders rustte een edel en fier gedragen hoofd.
+Zijn gelaat, dat warm getint en een weinig vierkant van vorm was,
+vertoonde het Magyaarsche type in zijne volkomene zuiverheid. De
+levendigheid zijner bewegingen, de juist gekozen uitdrukkingen van zijn
+woord, de blik van zijn kalm en onverschrokken oog, de werkdadige
+bloedsomloop, die aan zijne neusvleugels en aan zijne mondhoeken eene
+lichte trilling verleende, de glimlach die gewoonlijk op zijne lippen
+zetelde en als onloochenbaar teeken zijner goedhartigheid kon gelden,
+een zekere losheid in zijne taal en gebaren, dat alles duidde op eene
+vrijmoedige natuur. Men meent opgemerkt te hebben, dat er eene groote
+overeenkomst bestaat tusschen het Fransche karakter en het Magyaarsche.
+Graaf Sandorf was daar het levende bewijs van.
+
+Een van de meest te voorschijn tredende karaktertrekken van graaf
+Sandorf was, dat hij, hoewel vrij onverschillig voor al hetgeen hem
+zelf betrof en hij dus als de gelegenheid zich voordeed er licht over
+dacht, wanneer een of ander ongelijk hem alleen trof, nimmer eene
+beleediging zoude vergeven hebben, die zijne vrienden aangedaan was.
+Hij bezat in de hoogste mate den rechtvaardigheidszin en koesterde een
+innigen haat voor alles wat trouweloos kon heeten. Vandaar dat hij
+behebt was met eene impersoneele onverzoenlijkheid. Hij behoorde niet
+tot hen, die aan God alleen de zorg overlaten om op deze aarde te
+straffen.
+
+Er moet hier bijgevoegd worden, dat graaf Mathias Sandorf eene zeer
+ernstige opvoeding had genoten. In plaats van het werkelooze leven te
+genieten, dat hem door zijn groot vermogen gewaarborgd was, had hij er
+behagen in gevonden, de physische wetenschappen en de geneeskundige
+studiën te beoefenen. Hij zou een beroemd geneesheer zijn geworden, een
+geneesheer van groot talent, wanneer de eischen des levens hem
+gedwongen hadden zich met de verzorging van lijders te belasten. Hij
+vergenoegde zich een scheikundige te zijn, die door de geleerde wereld
+zeer gezien was en gewaardeerd werd. De universiteit te Pest, de
+wetenschappelijke Academie te Presburg, de Koninklijke Mijnschool te
+Schemnitz, de normaalschool te Temeswar, hadden hem ieder op hare beurt
+onder de meest vlijtige leerlingen geteld. Dat leerrijke bestaan vormde
+en bestendigde als het ware zijne natuurlijke eigenschappen. Het deed
+hem man worden in de volle beteekenis des woords. Hij werd dan ook voor
+zoodanig gehouden door allen, die hem kenden, maar voornamelijk door
+zijne professoren dier verschillende scholen en universiteiten van het
+koninkrijk, die zijne vrienden gebleven waren.
+
+Vroeger heerschte er in het kasteel Artenick vroolijkheid,
+levendigheid, beweging. Op die ruwe nokken van de Karpathen, kwamen de
+Transsylvaansche jagers gaarne te zamen. Zij volvoerden dan groote en
+gevaarlijke klopjachten, waarin graaf Sandorf als het ware afleiding
+zocht voor zijne strijdlustige geaardheid, die hij op het staatkundig
+schaakbord niet kon botvieren. Want hij hield zich ter zijde en sloeg
+den gang van zaken van nabij gade. Hij scheen slechts te leven voor
+zijne studiën en voor de jacht, twee hartstochten, waaraan hij zich met
+zijn vermogen onbekrompen kon overgeven. Op dat tijdstip leefde de
+gravin Rena Sandorf nog. Zij was de ziel der bijeenkomsten in het
+kasteel Artenick. Vijftien maanden vóór het begin van deze geschiedenis
+had de dood weggerukt haar die gevierd was om hare jeugdige schoonheid,
+terwijl zij slechts een klein meisje achterliet, dat thans twee jaar
+oud was.
+
+Graaf Sandorf was door dien slag wreed getroffen en helaas! hij zou
+steeds ontroostbaar blijven. Het kasteel werd stil en eenzaam. Sedert
+dien dag leefde de eigenaar, onder den invloed van eene diepgevoelde
+smart, in dat prachtige gebouw als in een klooster. Zijn geheele leven
+drong zich op één punt samen, namelijk op zijn kind, dat aan de zorgen
+van Rosena Lendeck, de echtgenoote van des graven intendant,
+toevertrouwd werd. Die edelaardige vrouw, welke nog jong was, wijdde
+zich geheel en al aan de eenige erfdochter der Sandorfs en verzorgde
+haar alsof het haar eigen kind ware. De eigen moeder van de gravin had
+niet teerder kunnen wezen.
+
+Graaf Sandorf verliet gedurende de eerste maanden van zijn
+weduwnaarschap het kasteel van Artenick niet. Hij leefde afgetrokken en
+als in zijne herinneringen aan het verleden verzonken. Daarna namen de
+denkbeelden omtrent zijn vaderland, dat in een soort van vernederenden
+toestand te midden van de Europeesche staten geplaatst was, weer de
+overhand.
+
+En daar waren wel redenen voor! De Fransch-Italiaansche oorlog van 1859
+had toch een schrikkelijken slag toegebracht aan de Oostenrijksche
+macht.
+
+Die slag was zeven jaren later, in 1866, door een nog schrikkelijker
+gevolgd geworden, namelijk door dien van Sadowa. Het was niet alleen
+meer aan het Oostenrijk, dat van zijne Italiaansche bezittingen beroofd
+was geworden, dat Hongarije zich vastgekluisterd gevoelde, maar ook aan
+het Oostenrijk, dat aan twee kanten overwonnen en aan Duitschland
+ondergeschikt gemaakt werd. De Hongaren gevoelden zich in hunnen trots
+vernederd, en dat gevoel laat zich niet wegredeneeren, wanneer het in
+het bloed zit. In hun oog konden de overwinningen te Custozza en te
+Lissa geene vergoeding voor de nederlaag te Sadowa bieden.
+
+Graaf Sandorf had gedurende het geheele jaar, dat op die
+krijgsgebeurtenis gevolgd was, uiterst nauwgezet het staatkundig
+terrein bestudeerd en was tot de erkenning gekomen, dat eene beweging
+tot afscheiding van zijn vaderland goede kansen van slagen had.
+
+Het oogenblik van handelen was dus volgens hem gekomen.
+
+Den 3en Mei van het jaar 1867 vertrok graaf Sandorf, na zijn
+dochtertje, hetwelk hij onder de hoede van Rosena Lendeck goed verzorgd
+achterliet, van het kasteel Artenick naar Pest, waar hij zich in
+betrekking stelde met zijne vrienden en partijgenooten, en daar eenige
+voorloopige beschikkingen nam. Vervolgens reisde hij eenige dagen later
+af naar Triëst, om daar den loop der gebeurtenissen af te wachten.
+
+Daar moest het voorname middelpunt van de samenzwering zijn. Vandaar
+zouden alle draden, die in de hand van graaf Sandorf te zamen kwamen,
+uitstralen. In die stad zouden de samenzweerders, aan minder
+achterdocht blootgesteld, met meer vrijheid en veiligheid kunnen
+handelen om hunne vaderlandslievende poging tot een goed einde te
+brengen.
+
+Twee der meest innige vrienden van Mathias Sandorf woonden te Triëst.
+Zij waren bezield met denzelfden geest als hij, en vast besloten om hem
+bij die onderneming trouw te volgen. Graaf Ladislas Zathmar en
+professor Stephanus Bathory waren Magyaren en van adellijke geboorte.
+Beiden waren ongeveer een tiental jaren ouder dan Mathias Sandorf, maar
+bezaten hoegenaamd geen vermogen. De een genoot een gering inkomen van
+een klein landgoed, in het consulaat Lipte, aan de overzijde van den
+Donau gelegen. De andere gaf onderwijs in de natuurkundige
+wetenschappen te Triëst en kon met de opbrengst zijner lessen ter
+nauwernood rondkomen.
+
+Ladislas Zathmar bewoonde het huis, hetwelk kort geleden door onze twee
+bekenden, Sarcany en Zirone, in de Acquedotto verkend was geworden. Dat
+huis, eene bescheiden woning, was door graaf Sandorf ter zijner
+beschikking gesteld, gedurende al den tijd dat deze buiten zijn kasteel
+Artenick zou verblijven, dat wil zeggen totdat de geprojecteerde
+beweging tot uitvoering gebracht zoude zijn, welke dan ook de uitslag
+er van zoude wezen. Een Hongaar, Borik genaamd, die ongeveer vijf en
+vijftig jaren oud was, vertegenwoordigde het geheele bediendenpersoneel
+van het huis. Het was een man, die zijn meester evenveel toewijding
+toedroeg als de intendant Lendeck voor graaf Sandorf koesterde.
+
+Stephanus Bathory betrok een niet minder bescheidene woning in de
+Corsia Stadionstraat, nagenoeg in hetzelfde stadskwartier gelegen als
+die van graaf Zathmar. Daar sleet hij zijn leven tusschen zijne vrouw
+en zijn zoon Piet, die toen ongeveer acht jaren oud was.
+
+Stephanus Bathory behoorde onbetwistbaar en onloochenbaar, hoewel in
+verren graad, tot de nakomelingschap van die Magyaarsche vorsten, die
+in de zestiende eeuw den troon van Transsylvanië bestegen. De
+verwantschap had zich sedert dat tijdstip gesplitst en was in talrijke
+vertakkingen verloren gegaan; men zou ongetwijfeld verwonderd gestaan
+hebben, wanneer men vernomen had, dat een der nakomelingen dier
+machtige familie van weleer, in dien eenvoudigen professor bij de
+Rijks-Academie te Presburg weer te vinden was. Maar dat daargelaten,
+Stephanus Bathory was een geleerde van den eersten rang, een van
+diegenen, die teruggetrokken leven, maar die door hunne werken beroemd
+zijn. In clusum labor illustrat. „Zijn verborgen arbeid maakt hem
+beroemd”, dit devies van den zijdeworm zou het zijne kunnen genoemd
+worden. Op zekeren dag werd hij door zijn staatkundige gevoelens, die
+hij niet onder stoelen of banken verborg, genoodzaakt om zijn ontslag
+te nemen. Toen kwam hij als onafhankelijk leeraar te Triëst wonen met
+zijne gade, die hem moedig bij alle beproevingen ter zijde gestaan en
+geschraagd had.
+
+Het was in de woning van graaf Ladislas Zathmar, dat de drie vrienden
+sedert de aankomst van graaf Mathias Sandorf te zamen kwamen; hoewel
+deze laatste er in het oog loopend op gestaan had een vertrek in het
+Palazzo Modello—thans het hôtel Delòrme—op de Piazza Grande te
+betrekken.
+
+De politie was er dan ook ver van verwijderd eenige achterdocht te
+koesteren, dat dit huis op de Acquedotto het middelpunt was van eene
+samenzwering, die talrijke deelgenooten telde in de voornaamste steden
+des rijks.
+
+Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory waren zonder eenige aarzeling de
+vurigste aanhangers van Mathias Sandorf geworden. Evenals hij hadden
+zij erkend, dat de tijdsomstandigheden zich er toe leenden om eene
+beweging mogelijk te maken, die Hongarije den rang onder de Europeesche
+staten kon doen hernemen, welke door dat rijk begeerd werd. Daarvoor
+brachten zij hun leven in gevaar, dat wisten zij, maar dat kon hen niet
+weerhouden.
+
+Het huis op de Acquedotto werd dus de vergaderplaats van de voornaamste
+hoofden der samenzwering. Vele der deelgenooten, van de verschillende
+punten van het Koninkrijk opgeroepen, kwamen er maatregelen beramen en
+bespreken, of kwamen er bevelen ontvangen. Een postdienst van
+reisduiven, die briefjes overbrachten, stelde een snel en veilig
+verkeersmiddel daar tusschen Triëst en de voornaamste steden van het
+Hongaarsche land en van Transsylvanië, wanneer het instructiën gold,
+die noch aan de posterijen, noch aan den telegraafdienst toevertrouwd
+konden worden.
+
+Om kort te gaan, alle voorzorgsmaatregelen waren zoo goed getroffen,
+dat de samenzweerders tot heden toe iedere achterdocht, hoe gering ook,
+ontgaan waren.
+
+Men zag het: de briefwisseling daarenboven had slechts in geheimschrift
+plaats, dat door zijne moeilijke oplossing de geheimzinnigheid
+bevorderde en derhalve de veiligheid der samenzweerders zeer in de hand
+werkte.
+
+Drie dagen na de aankomst van de reisduif, wier briefje door Sarcany en
+Zirone onderschept was, dus op den 21sten Mei, bevonden zich graaf
+Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory tegen acht uur des avonds bij
+elkander in het werkvertrek en wachtten daar de terugkomst van graaf
+Mathias Sandorf af. De eigen zaken van laatstgenoemde hadden hem
+genoodzaakt naar zijn kasteel Artenick in Transsylvanië weer te keeren;
+maar hij had die reis kunnen dienstbaar maken, om met zijne vrienden te
+Klausenburg, hoofdplaats der rijksprovincie, te beraadslagen en hij
+moest dienzelfden dag terugkomen, na aan de deelgenooten den inhoud van
+die dépêche, waarvan Sarcany afschrift genomen had, medegedeeld te
+hebben.
+
+Sedert het vertrek van Mathias Sandorf, waren andere correspondentiën
+gewisseld geworden tusschen Triëst en Buda-Pest en verscheidene
+briefjes in geheimschrift waren door duiven aangebracht. In hetzelfde
+oogenblik zelfs hield graaf Ladislas Zathmar zich onledig om het
+raadselachtig schrift daarvan in verstaanbaren tekst door middel van
+een toestel, onder den naam van „rooster” bekend, over te brengen.
+
+Die dépêches waren inderdaad volgens een zeer eenvoudig stelsel,
+namelijk dat der verplaatsing van de letters, samengesteld. In dat
+stelsel behoudt iedere letter hare eigene alphabetische waarde, dat wil
+zeggen dat bijvoorbeeld een b een b, een o een o blijft beteekenen enz.
+Maar de letters worden achtereenvolgens verplaatst volgens de open of
+de gesloten vakken van een rooster, die op de dépêche gelegd, slechts
+die letters laat ontwaren, welke gelezen moeten worden, terwijl anderen
+bedekt en dus onzichtbaar blijven.
+
+Dat roostersysteem, vroeger veel in zwang, was zeer gebrekkig, maar is
+sedert veel verbeterd door den kolonel Fleissner. Het is nu nog de
+allerbeste manier en de veiligste ook, wanneer het geldt een
+onoplosbaar geheimschrift te erlangen. Bij alle andere stelsels, hetzij
+met een onveranderlijken grondslag of met enkelen sleutel, waarbij
+iedere letter van het alphabet steeds door een en hetzelfde teeken
+voorgesteld wordt,—hetzij met veranderlijken grondslag of met dubbelen
+sleutel, waarbij men bij iedere letter als het ware van alphabet
+verandert, is de veiligheid niet volkomen. Verscheidene lieden toch,
+die zich op het ontraadselen van geheimschrift toeleggen, zijn in staat
+wonderen bij die soort van nasporingen te verrichten, hetzij door eene
+berekening van waarschijnlijkheden, hetzij door een ijverigen arbeid
+van tasten en beproeven. Slechts door zich te gronden op de letters,
+die het meest voorkomen in zulk een geheimschrift—als de e in de
+Fransche, Engelsche, Duitsche en Nederlandsche, de o in de Spaansche,
+de a in de Russische, de e en i in de Italiaansche talen—geraken zij er
+toe de letters van den tekst uit het geheimschrift hare ware beteekenis
+in den verklaarden tekst weer te geven. Er bestaan dan ook weinig
+dépêches, volgens die stelsels vervaardigd, die aan de scherpzinnige
+gevolgtrekkingen van die naspoorders ontsnappen.
+
+Het schijnt dus dat de roosters of de sleutelwoordenboeken—dat wil
+zeggen diegene, waarin zekere vaak gebruikelijke woorden, geheele
+volzinnen beteekenende, door getallen aangegeven zijn—de meest volkomen
+waarborgen moeten geven van onoplosbaarheid. Maar die beide stelsels
+hebben eene ernstige schaduwzijde: zij vereischen eene volkomene
+geheimhouding, of beter, zij vorderen de noodzakelijkheid van nimmer de
+toestellen of boeken, die dienen om hen te vormen, in handen van
+oningewijden te laten vallen. Want inderdaad, is het zonder dien
+rooster of zonder dat woordenboek onmogelijk die dépêches te lezen, zoo
+is dat daarentegen gemakkelijk voor hen in wier handen die rooster of
+dat woordenboek zich bevindt.
+
+Het was dus door middel van een rooster, dat wil zeggen een vierkant
+van bordpapier, schaakvormig in ruiten verdeeld, waarvan sommige vakken
+weggeknipt waren, dat de brieven, tusschen graaf Sandorf en zijne
+partijgangers gewisseld, opgelost werden. Maar uit overmaat van
+voorzorg werden alle stukken, na gelezen te zijn, van weerszijden
+verbrand en vernietigd. Gebeurde het dus dat die rooster, dien hij en
+zijn vrienden gebruikten, verloren geraakte of gestolen werd, dan kon
+daaruit geen nadeel voortvloeien. Er zou dan nimmer eenig spoor van dat
+komplot overblijven, waarin de edelste heeren, de aanzienlijkste
+magnaten van Hongarije, gemeenschappelijk verbonden met de voornaamste
+vertegenwoordigers der burgerij en van het volk, betrokken waren en hun
+hoofd waagden.
+
+Juist had Ladislas Zathmar de laatst ontvangen berichten verbrand, toen
+iemand bescheiden op de deur van het vertrek klopte.
+
+Het was Borik, die graaf Mathias Sandorf aanmeldde, welk zoo even te
+voet van het naburige station aangekomen was.
+
+Ladislas Zathmar trad dadelijk op hem toe.
+
+„Uwe reis, Mathias?....” vroeg hij met de haast van iemand die vóór
+alles gerust gesteld wil zijn.
+
+„Is volkomen geslaagd, Zathmar,” antwoordde graaf Sandorf. „Ik kan niet
+twijfelen aan de gevoelens onzer vrienden in Transsylvanië en hunne
+medewerking is ons thans verzekerd.”
+
+„Hebt gij hen dat bericht, hetwelk ons drie dagen geleden van Pest
+toegezonden werd, medegedeeld?” vroeg Stephanus Bathory, voor wien
+Sandorf groote vriendschap koesterde.
+
+„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn
+gewaarschuwd. Ook zijn zij gereed! Zij zullen op het eerste sein
+opstaan. In twee uren zullen wij meester van Buda en van Pest zijn, in
+een halven dag van de voornaamste comitaten aan deze en gene zijde van
+de Theiss, en in een geheelen dag van Transsylvanië en van het
+gouvernement der Militaire Grenzen. En dan zullen acht millioen
+Hongaren hunne onafhankelijkheid herwonnen hebben!”
+
+„En de rijksraad?”
+
+„Onze partijgenooten hebben er de meerderheid in,” antwoordde Mathias
+Sandorf. „Zij zullen dadelijk het nieuwe gouvernement samenstellen,
+hetwelk de teugels van het bestuur in handen moet nemen. Alles zal
+regelmatig en gemakkelijk gaan, daar de comitaten, wat hunne
+administratie betreft, nauwelijks van de Kroon van Oostenrijk
+afhankelijk zijn en dat hunne hoofden hunne eigene politie hebben.”
+
+„Maar de raad van het Vice-Koningschap van het rijk, die door den prins
+palatijn te Buda voorgezeten wordt?....” vroeg Ladislas Zathmar.
+
+„De palatijn en de raad zullen onmiddellijk bij het uitbreken der
+beweging in de onmogelijkheid gesteld worden om te handelen....”
+
+„En ook in de onmogelijkheid om met de kanselarij van Hongarije te
+Weenen te correspondeeren?”
+
+„Ja, alle onze maatregelen zijn zoodanig getroffen, dat de eenparigheid
+hunner uitvoering den goeden uitslag waarborgt.”
+
+„Den goeden uitslag?” zei Stephanus Bathory.
+
+„Ja, den goeden uitslag!” antwoordde graaf Sandorf. „In het leger
+behooren allen ons, wien ons bloed, dat wil zeggen het Hongaarsche
+bloed door de aderen vloeit. Waar is de nakomeling der oude Magyaren,
+wiens hart niet klopt bij het zien van de vlag der Rodolphen en der
+Corvijnen!”
+
+En Mathias sprak die woorden met al de geestdrift van een vurig
+vaderlander uit.
+
+„Maar in afwachting dat dit uur komen zal,” ging hij voort, „laat ons
+geen enkelen maatregel verzuimen om iedere achterdocht te ontgaan. Laat
+ons voorzichtig zijn, wij zullen er slechts te sterker door zijn!—Hebt
+gij niets verdachts te Triëst vernomen?”
+
+„Neen,” antwoordde Ladislas Zathmar. „Men heeft hier slechts ooren en
+oogen voor de werken, die de Staat te Pola doet uitvoeren en waarvoor
+het grootste gedeelte der werklieden aangenomen zijn.”
+
+En werkelijk, sedert een vijftiental jaren had het Oostenrijksch
+gouvernement, in het vooruitzicht van Venetië mogelijk te moeten
+verliezen—hetgeen inderdaad gebeurd is—het plan opgevat om te Pola, aan
+het uiteinde van het Istrische schiereiland, uitgestrekte arsenalen en
+eene oorlogshaven te stichten, om dat punt van de Adriatische zee te
+kunnen beheerschen. In weerwil van het protest van Triëst, wier
+maritieme belangrijkheid daardoor verminderd werd, waren de werken met
+koortsachtigen ijver vervolgd geworden. Mathias Sandorf en zijne
+vrienden konden dus denken, dat de bewoners van Triëst geneigd zouden
+zijn hen te volgen, in geval de afscheidingsbeweging zich tot daar
+zoude uitbreiden.
+
+Wat er ook van aan zij, het geheim van die samenzwering ten voordeele
+van de Hongaarsche onafhankelijkheid was goed bewaard geworden. Niets
+had aanleiding gegeven, dat de politie zou hebben kunnen gissen dat de
+voornaamste samenzweerders toen in dat bescheiden huis van de
+Acquedottolaan vereenigd waren.
+
+Zoo scheen tot het welslagen van die onderneming alles voorzien te zijn
+en had men niets anders te doen dan het juiste oogenblik af te wachten
+om handelend te kunnen optreden.
+
+De correspondentie in geheimschrift, tusschen Triëst en de voornaamste
+steden van Hongarije en van Transsylvanië, werd al meer zeldzaam en zou
+zelfs geheel ophouden, tenzij gewichtige gebeurtenissen voorvielen. De
+reisduiven hadden voortaan geene dépêches meer over te brengen, daar de
+laatste maatregelen vastgesteld waren. Uit overmaat van voorzichtigheid
+dus had men de voorzorg genomen, hun toevluchtsoord op het huis van
+Ladislas Zathmar te sluiten.
+
+Er moet hier bijgevoegd worden, dat wanneer het geld de zenuw des
+oorlogs is, het dat ook is voor de samenzweringen. Het is van zeer
+groot belang, dat het den komplotmakers niet ontbreekt. En bij deze
+gelegenheid zou het inderdaad niet ontbreken.
+
+Men weet het, dat al konden graaf Ladislas Zathmar en professor
+Stephanus Bathory hun leven voor de onafhankelijkheid van hun vaderland
+opofferen, zij evenwel geen vermogen hadden om ten offer te brengen;
+want het is den lezer bekend: zij bezaten slechts zeer beperkte
+middelen. Maar graaf Mathias Sandorf was rijk, zelfs onmetelijk rijk,
+en met zijn leven was hij gereed ook geheel zijn vermogen op het spel
+te zetten voor die zaak. Sedert verscheidene maanden dan ook had hij,
+door tusschenkomst van zijn intendant Lendeck, groote sommen op zijne
+landerijen opgenomen, meer dan twee en een half millioen gulden.
+
+
+Maar het was noodig dat die som steeds ter zijner beschikking gehouden
+werd en dat hij haar ieder oogenblik kon ontvangen. Te dien einde was
+zij gedeponeerd geworden bij een bankiershuis te Triëst, waarvan de
+goede naam onbesproken, en de soliditeit tegen iedere gebeurlijkheid
+bestand was. Dat was het huis Toronthal, waarover Sarcany en Zirone
+juist gesproken hadden, terwijl zij op het kerkhof der bovenstad
+vertoefden.
+
+Welnu, die buiten alle berekening vallende gebeurtenis, zou de
+gewichtigste gevolgen na zich slepen, zooals men zien zal uit den loop
+van deze geschiedenis.
+
+Bij de vermelding van dat geld, waarvan een oogenblik sprake was
+geweest gedurende hun laatste gesprek, zei graaf Sandorf tot graaf
+Zathmar en tot Stephanus Bathory, dat het zijn voornemen was om
+eerstdaags een bezoek aan den bankier Silas Toronthal te brengen, om
+hem te verwittigen, dat hij het geld binnen den kortst mogelijken tijd
+te zijner beschikking te stellen had.
+
+En waarlijk, de gebeurtenissen zouden weldra graaf Sandorf er toe
+aanzetten om het van Triëst verwachte signaal te geven, te meer nog nu
+hij dien eigen avond meende bespeurd te hebben, dat het huis van graaf
+Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen werd. En dat
+verontrustte hem.
+
+Toen graaf Sandorf en Stephanus Bathory tegen tien uur naar buiten
+traden, de een om zich naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat te
+begeven, de andere om naar het hôtel Delòrme weer te keeren, meenden
+zij twee mannen te ontwaren, die hen in het donker bespiedden, hen op
+eenigen afstand volgden en alle moeite deden om niet gezien te worden.
+
+Mathias Sandorf en zijn metgezel, vast besloten om te weten te komen
+wat er gaande was, aarzelden geen oogenblik om op die zoo verdachte
+personen toe te treden. Maar toen dezen hen bespeurden, verdwenen zij
+bij den hoek van de Sint Antonius-kerk, bij het uiteinde van het groote
+kanaal, vóór dat het mogelijk geweest was hen in te halen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+HET BANKIERSHUIS TORONTHAL.
+
+
+Te Triëst bestaat eigenlijk geen gezelschapsband. Tusschen
+verschillende rassen bestaat geene gezelligheid, evenmin als tusschen
+verschillende kusten. De Oostenrijksche beambten koesteren de
+verwaandheid om te meenen, dat zij de hoogste sport op de
+maatschappelijke ladder innemen, welke ook de plaats zij, welke zij in
+het administratieve werktuig bekleeden. Over het algemeen zijn dat
+voorname lieden, die goed onderwezen en zeer welwillend zijn. Hunne
+bezoldiging is evenwel mager en schraal en ver beneden hun
+maatschappelijk standpunt, zoodat zij niet wedijveren kunnen met de
+handels- of met de finantie-mannen. Deze laatsten zijn genoodzaakt,
+daar de bijeenkomsten bij de rijke familiën zeldzaam zijn, maar
+zeldzamer nog de officieele vereenigingen, hun toevlucht te nemen tot
+weelderigheid buitenshuis—oogenweelderigheid zou men het kunnen
+noemen—zooals bij het verschijnen op de straten door de pracht hunner
+equipages, of in den schouwburg door den rijkdom der toiletten, door
+den overvloed van diamanten, welke hunne dames in de loges van het
+Teatro Comunale of van de Armonia tentoonstellen.
+
+Onder al die rijke familiën werd voornamelijk die van den bankier Silas
+Toronthal opgemerkt.
+
+Het hoofd van dat bankiershuis, waarvan het crediet zich verre over de
+grenzen van het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk uitstrekte, was
+toen zeven-en-dertig jaren oud. Hij bewoonde met mevrouw Toronthal, die
+eenige jaren jonger was dan hij, een prachtig huis in de
+Acquedottolaan.
+
+Silas Toronthal ging door voor zeer rijk te zijn, en dat moest hij ook
+wezen. Stoutmoedige en zeer gelukkige beursspeculatiën, een breede
+grondslag van zaken met de maatschappij van de Oostenrijksche Lloyd en
+met andere groote huizen, belangrijke leeningen, waarvan de uitgifte
+hem toevertrouwd was, dat alles kon slechts veel geld in zijne kas
+gebracht hebben. Vandaar dat hij groote sier gemaakt had, hetgeen wel
+het oog op hem deed vallen.
+
+Evenwel was het toch mogelijk, zooals Sarcany tot Zirone gezegd had,
+dat de zaken van Silas Toronthal toentertijd eenigermate belemmering
+ondervonden, ten minste voor het oogenblik. Dat hij zeven jaren vroeger
+den weerslag ondervonden had van de verwarring bij de Bank en op de
+beurs teweeg gebracht door den oorlog van Frankrijk en Italië tegen
+Oostenrijk, daarna en nog slechts kort geleden, door den veldtocht, die
+met de ramp van Sadowa beëindigd werd, dat hij op dat tijdstip zware
+verliezen geleden had door de daling der fondsen op de voornaamste
+plaatsen van Europa, maar vooral op die van het
+Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk, zooals Weenen, Pest en Triëst, dat
+kon niet anders. Toen zou hij, wanneer hij verplicht ware geworden, de
+kapitalen, die bij hem in rekening-courant waren gedeponeerd, terug te
+betalen, in ernstige ongelegenheid zijn geraakt. Maar dat was niet
+geschied en hij had zich voorzeker weer na die crisis hersteld. Maar
+wanneer het waar was, wat Sarancy beweerde, had hij gewaagde
+speculatiën moeten ondernemen, waardoor de soliditeit van zijn huis op
+losse schroeven gesteld zoude zijn.
+
+En inderdaad sedert eenige maanden was Silas Toronthal—zedelijk
+althans—veel veranderd. Hoezeer hij de uitingen zijner gevoelens ook in
+bedwang had, zoo was zijn uiterlijk toch zijns ondanks gewijzigd.
+Kenteekenen begonnen hem te verraden. Hij was niet meer zooals vroeger.
+Opmerkers zouden bespeurd hebben, dat hij de menschen niet meer
+openlijk in het gelaat durfde aanschouwen, zooals hij vroeger gewoon
+was te doen; maar hen van ter zijde aankeek, met half gesloten oogen.
+Die beginnende kenmerken waren zelfs aan mevrouw Toronthal niet
+ontsnapt, die eene ziekelijke vrouw was zonder eenige geestkracht,
+daarenboven zeer onderworpen aan den wil van haren echtgenoot en die
+slechts weinig en dan nog zeer oppervlakkig met zijne zaken bekend was.
+
+Nu kon er op gerekend worden, en het moet wel bekend worden, dat
+wanneer een ramp zijne bankierszaken bedreigde, Silas Toronthal geen
+medelijden van de openbare meening te verwachten had. Dat hij vele
+klanten zoowel in de stad als in het rijk had, was waar; maar hij had
+weinig vrienden. Het hooge gevoel, dat hij van zijne maatschappelijke
+positie koesterde, zijne aangeboren ijdelheid, het voorkomen van
+meerderheid, hetwelk hij jegens iedereen en bij alles aannam, dat alles
+was niet geschikt om de menschen buiten den kring zijner zaken aan te
+trekken. Daarenboven de Triëstenaren hielden hem voor een vreemdeling,
+daar hij afkomstig van Ragusa, dus een Dalmaat van geboorte was. Geen
+familiebanden bonden hem derhalve aan die stad, waarin hij een
+vijftiental jaren geleden gekomen was om er de grondslagen van zijn
+vermogen te vestigen.
+
+Zoo was toen de toestand van het huis Toronthal. Hoewel Sarcany te dien
+opzichte eenige achterdocht koesterde, zoo bestond er nog niets,
+hetgeen veroorloofde het gerucht te beamen, dat de zaken van den rijken
+bankier ernstig bedreigd werden. Zijn crediet was evenwel volstrekt
+niet aangetast, openlijk althans. Graaf Mathias Sandorf had dan ook
+geen oogenblik geaarzeld, na zijne fondsen te gelde gemaakt te hebben,
+hem eene zeer aanzienlijke som toe te vertrouwen, eene som die steeds
+ter zijner beschikking moest gehouden worden, op voorwaarde, dat vier
+en twintig uren te voren gewaarschuwd moest worden, wanneer uitbetaling
+verlangd werd.
+
+Misschien zal de lezer zich verwonderen, dat punten van aanraking, ja
+dat betrekkingen hadden kunnen ontstaan tusschen dat bankiershuis,
+hetwelk onder de meest geachte aangeteekend stond, en een persoon als
+Sarcany was. Toch was het zoo, en die betrekking dagteekende reeds van
+twee of drie jaren geleden.
+
+Op dat tijdstip had Silas Toronthal zeer belangrijke zaken te
+verhandelen gehad met het regentschap Tripoli. Sarcany, die een soort
+makelaar in allerhande zaken en zeer ervaren in de kunst van cijferen
+was, slaagde er in om als tusschenpersoon in die zaken op te treden,
+die—het moet er bij gezegd worden—van zeer verdachten aard waren. Er
+waren daarbij transactiën gesloten, die het daglicht niet mochten zien,
+omtrent omkoopingen, omtrent twijfelachtige commissieloonen, omtrent
+weinig eerlijke heffingen, waarin de Triëster bankier niet in persoon
+had willen optreden. In die omstandigheden was Sarcany op den voorgrond
+getreden. Hij werd agent bij die knoeierige combinatiën en bewees
+daarbij en ook bij andere zaken van denzelfden aard, goede diensten aan
+Silas Toronthal. Daaruit werd heel natuurlijk de gelegenheid geboren om
+toegang tot het bankiershuis te hebben. Hij had er voet, werd gezegd,
+hij had er de hand: ware beter uitgedrukt. En inderdaad, nadat die
+smerige zaken afgeloopen waren en hij Tripoli verlaten had, hield
+Sarcany niet op eene soort geldafpersing op den Triëster bankier toe te
+passen. Niet dat Silas Toronthal geheel en al aan de genade van dien
+schoft overgeleverd was. Van die compromitteerende operatiën bestond
+geen enkel feitelijk bewijs. Maar de toestand van een bankier is van
+teederen aard. Eén enkel woord kan hem benadeelen. En nu wist Sarcany
+genoeg, om het geraden te achten, rekening met hem te houden.
+
+En dat deed Silas Toronthal ook. Het kostte hem zelfs belangrijke
+sommen, die zoo bijzonder vlug opgemaakt en voornamelijk in kroegen
+verspild werden, als dat slechts door een gelukzoeker geschieden kan,
+die omtrent de toekomst geene zorgen hoegenaamd koestert. Sarcany werd
+eindelijk, nadat hij den bankier tot in Triëst opgezocht had, zoo
+lastig, zoo veeleischend, dat het den bankier begon te vervelen en deze
+hem eindelijk ieder crediet weigerde. Sarcany dreigde. Silas Toronthal
+hield vol. En daarin had hij gelijk, daar die volleerde geldafperser
+eindelijk bij zichzelven tot de bekentenis moest komen, dat hij bij
+gebrek aan deugdelijke bewijzen, tamelijk ongewapend tegenover den
+bankier stond.
+
+Ziedaar de redenen waarom Sarcany en zijn eerlijke makker Zirone zich
+sedert eenigen tijd zonder middelen bevonden, en zoodanig zonder geld
+waren, dat zij in de onmogelijkheid waren de stad te verlaten om elders
+hun geluk te beproeven. Maar men weet ook, dat Silas Toronthal, met het
+doel om zich geheel en al van hen te ontdoen, hen eene som gelds als
+laatste hulp had toegezonden. Die som zou hen in staat stellen om
+Triëst te verlaten en naar Sicilië weer te keeren, waar Zirone
+geaffiliëerd was aan een schrikwekkend gezelschap, dat de oostelijke en
+de middenprovinciën van dat eiland exploiteerde. De bankier mocht dus
+hopen zijn makelaar in Tripolitaansche zaken nimmer weer te zien, en
+dat hij nimmermeer van hem zou hooren spreken. Daarbij vergiste hij
+zich, wat hem bij andere zaken ook wel eens overkwam.
+
+Het was in den avond van den 18den Mei dat de tweehonderd gulden,
+vergezeld van het bekende korte briefje door Silas Toronthal verzonden
+en door de twee gelukzoekers in hun logement, alwaar zij verblijf
+hielden, ontvangen waren.
+
+Zes dagen later, dus den 24sten van dezelfde maand, belde Sarcany bij
+het bankiershuis aan en verzocht om Silas Toronthal te spreken; zijn
+aandringen was van zoodanigen aard, dat deze inwilligde hem te
+ontvangen.
+
+De bankier was op zijn kantoor, waarvan Sarcany de deur zorgvuldig
+sloot, zoodra hij binnengekomen was.
+
+„Gij alweer! En nog hier!” riep Silas Toronthal eerst uit. „Wat komt
+gij hier doen? Ik heb u voor de laatste maal eene som geld toegezonden,
+die toereikend moet zijn om Triëst te kunnen verlaten. Gij zult
+nimmermeer iets van mij krijgen, wat gij mij ook zult willen vertellen
+of wat gij ook uitvoeren wilt! Waarom zijt gij niet vertrokken? Ik
+waarschuw u, dat ik mijne maatregelen zal nemen om uwe lastige bezoeken
+voortaan tegen te gaan!—Wat wilt ge thans van mij?”
+
+Sarcany had dien woordenvloed, waarop hij voorbereid was, koelbloedig
+aangehoord. Zijne houding was dezelfde niet meer, welke hij gewoonlijk
+aannam, namelijk brutaal en uitdagend, zooals hij bij zijne laatste
+bezoeken aan het bankiershuis geweest was.
+
+Hij bleef zichzelven niet alleen geheel en al meester, maar hij bleef
+ook ernstig. Hij greep een stoel, zonder dat hij de uitnoodiging
+ontvangen had om te gaan zitten; nam plaats en wachtte daarna dat de
+booze luim van den bankier zich in luidruchtige verwijtingen lucht
+gegeven en uitgeput zoude hebben om hem te antwoorden.
+
+„Welnu, zult ge spreken?” hernam Silas Toronthal, die, na zijn kabinet
+eenige malen op en neer geloopen te hebben, op zijn beurt was gaan
+zitten, evenwel zonder er in geslaagd te zijn meer bedaard te worden.
+
+„Ik wacht tot gij kalmer zult zijn,” antwoordde Sarcany vreedzaam, „en
+ik zal al den tijd wachten, die daartoe noodig zal zijn.”
+
+„Of ik kalm ben of niet, wat kan dat schelen? Voor de laatste maal, wat
+wilt gij van mij?”
+
+„Silas Toronthal, ik heb u eene zaak voor te stellen.”
+
+„Eene zaak?”
+
+„Ja.”
+
+„Ik wil over geen zaken spreken met u, ik wil geen zaken met u doen of
+daarover onderhandelen!” riep de bankier uit. „Wij hebben niets gemeens
+meer met elkander en ik wil dat gij Triëst terstond, heden nog verlaat,
+om er nooit terug te komen.”
+
+„Ik denk te vertrekken en Triëst te verlaten,” antwoordde Sarcany,
+„maar ik wil niet vertrekken zonder mijne schuld aan uw huis
+aangezuiverd te hebben.”
+
+„Uwe schuld?.... Aanzuiveren!.... Gij?.... mij betalen?”
+
+„Ja, u betalen interest, kapitaal, alles, ongerekend een deel in de
+winsten van....”
+
+Silas Toronthal trok verachtelijk de schouders op bij dat onverwachte
+voorstel, komende van Sarcany.
+
+„De sommen, die ik u voorgeschoten heb, heb ik op mijne verliesrekening
+gebracht,” zeide hij. „Ik scheld u die kwijt en heb dus niets van u te
+vorderen.”
+
+Sarcany glimlachte.
+
+„Ik ben boven die nietigheden verheven,” ging de bankier voort.
+
+„Maar als het mij belieft uw schuldenaar te blijven?”
+
+„Dat kan slechts gelden, als het mij belieft uw schuldeischer te zijn!”
+
+Bij die woorden keken Silas Toronthal en Sarcany elkander in het
+gelaat. Daarop trok deze laatste op zijne beurt de schouders op.
+
+„Volzinnen slechts, niets anders dan volzinnen! Woorden, anders niets,”
+hernam Sarcany. „Ik herhaal, dat ik u eene zeer ernstige zaak kom
+voorstellen.”
+
+„Even smerig als ernstig, ongetwijfeld?”
+
+„Hé, hé, het zou voor de eerste maal niet zijn, dat gij u tot mij
+wendet, om....”
+
+„Sarcany!” riep de bankier uit.
+
+„Neen, niet de eerste maal, dat gij mijne....”
+
+„Woorden, niets dan woorden,” herhaalde Silas Toronthal op zijne beurt.
+Hij wist niets anders te zeggen om de brutale uiting, die den anderen
+op de lippen lag, te stuiten.
+
+„Hoor naar mij,” zei Sarcany, „ik zal kort zijn.”
+
+„En daar zult ge goed aan doen.”
+
+„Indien hetgeen ik u ga voorstellen, niet van uwe gading zal zijn,
+zullen wij er niet meer over spreken en zal ik van hier vertrekken.”
+
+„Van hier of van Triëst?”
+
+„Van hier en van Triëst!”
+
+„Morgen reeds?”
+
+„Heden avond reeds!”
+
+„Spreek dan.”
+
+„Ziehier wat het geldt.” zei Sarcany. „Maar....” voegde hij er bij,
+terwijl hij overal rondkeek, „zijt gij er zeker van dat niemand ons
+hooren kan?”
+
+„Gij staat er dus op, dat ons onderhoud geheim zal blijven?” antwoordde
+de bankier met ietwat spotachtigs in zijne stem.
+
+„Ja, Silas Toronthal, want wij beiden, gij en ik, zullen het leven van
+hooge personen in de hand hebben!”
+
+„Gij misschien! Ik, neen!”
+
+„Oordeel er over! Ik ben op het spoor van eene samenzwering. Wat haar
+doel is? Dat weet ik nog niet. Maar sedert de partij, die te midden van
+de vlakte van Sadowa afgespeeld werd, sedert den slag van Sadowa heeft
+ieder niet-Oostenrijker fraai spel tegen Oostenrijk. Nu heb ik wel
+redenen om te meenen, dat eene beweging voorbereid wordt, eene beweging
+ten voordeele van Hongarije, waaruit wij munt kunnen slaan.”
+
+Silas Toronthal vergenoegde zich deze enkele woorden op spottenden toon
+tot antwoord te geven:
+
+„Er valt niets te halen van eene samenzwering.”
+
+„Waarachtig wel! Meer dan waarschijnlijk.”
+
+„Hoe dan?”
+
+„Door haar te verraden.”
+
+„Komaan, laat hooren. Verklaar u nader.”
+
+„Luister dan,” zei Sarcany.
+
+Daarop verhaalde hij, wat er op het oude kerkhof van Triëst gebeurd
+was, hoe hij eene reisduif bemachtigd had, de wijze waarop het briefje
+in geheimschrift—waarvan hij een afschrift gehouden had—in zijne handen
+gevallen was en hoe hij met de woning van hem, voor wien het briefje
+bestemd was, bekend was geworden. Hij voegde er bij dat hij en Zirone
+de laatste vijf dagen doorgebracht hadden met alles te bespieden, zoo
+niet wat binnen dat huis omging, dan toch het uiterlijke en den omtrek
+daarvan. Eenige personen, die altijd dezelfde waren, kwamen er steeds
+des avonds bijeen en traden niet zonder groote voorzorgen binnen.
+Andere duiven waren van daar vertrokken, andere waren weer aangekomen.
+De eerste vlogen noordwaarts, de overigen kwamen daar vandaan. De deur
+dezer woning werd door een ouden dienstbode bewaakt, die haar ongaarne
+ontsloot en steeds de naderenden nauwgezet gadesloeg. Sarcany en zijn
+makker hadden zelfs met eene zekere omzichtigheid moeten te werk gaan,
+om de aandacht van dien man niet te trekken. En nog vreesden zij, zijne
+achterdocht sedert eenige dagen te hebben opgewekt.
+
+Silas Toronthal begon meer aandacht aan het verhaal te wijden, dat
+Sarcany hem deed. Hij vroeg zich af, wat er waars kon zijn in dat
+alles. Zijn oude makelaar was niet zoo geheel te vertrouwen. Hij vroeg
+zich ook af op welke wijze deze meende dat hij zich in de zaak zou
+mengen, om er eenig voordeel uit te behalen.
+
+Toen het verhaal uit was en toen Sarcany nogmaals en voor den laatsten
+keer verzekerd had, dat het eene samenzwering tegen den Staat betrof en
+dat het zeker gewin moest opleveren, wanneer men de geheimen van dat
+komplot zoude weten te benuttigen, vergenoegde zich de bankier hem de
+navolgende vragen te stellen:
+
+„Waar is dat huis gelegen?”
+
+„In de Acquedottolaan.”
+
+„Nummer?”
+
+„Nummer 89.”
+
+„Aan wien behoort die woning?”
+
+„Aan een Hongaarsch edelman.”
+
+„Een Hongaar?”
+
+„Ja.”
+
+„En die heet?”
+
+„Graaf Ladislas Zathmar.”
+
+„En welke personen bezoeken hem?”
+
+„Het zijn voornamelijk twee.”
+
+„Slechts twee?”
+
+„Ja. Beiden zijn van Hongaarsche afkomst.”
+
+„En de eene heet?”
+
+„De eene is een professor hier ter stede en heet Stephanus Bathory.”
+
+„En de andere?”
+
+„Graaf Mathias Sandorf.”
+
+„Weet gij dat zeker?”
+
+„Ja, zeer zeker.”
+
+Bij dien laatstgenoemden naam was een licht gebaar van verwondering aan
+Silas Toronthal ontsnapt, hetgeen Sarcany niet ontging. Wat die drie
+namen betreft, die deze laatste genoemd had, het was hem gemakkelijk
+gevallen die te weten te komen. Hij was beiden gevolgd, professor
+Stephanus Bathory zoowel als graaf Sandorf, den eersten, toen hij naar
+zijne woning in de Corsia Stadionstraat wederkeerde, den andere toen
+hij zich naar het hôtel Delòrme begaf.
+
+„Gij ziet het, Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „dat zijn namen, die
+ik geen oogenblik geaarzeld heb u te openbaren. Gij zult daaruit wel
+willen ontwaren, dat ik u niet wil bedriegen, of ook maar tegenover u
+wil veinzen.”
+
+„Dat alles is wel nevelachtig en onbestemd,” antwoordde de bankier, die
+klaarblijkelijk meer van de zaak wenschte te weten, alvorens er op in
+te gaan.
+
+„Nevelachtig en onbestemd?” vroeg Sarcany.
+
+„Zeker! Gij hebt eigenlijk niets wat op een daadwerkelijk bewijs
+gelijkt.”
+
+„En dit dan?”
+
+„Wat?”
+
+„Dat briefje?”
+
+Daarbij reikte Sarcany het afschrift van het geheimschrift aan Silas
+Toronthal over.
+
+„Dat vod?”
+
+De bankier bekeek en onderzocht het niet zonder nieuwsgierigheid, hoe
+onverschillig hij de woorden „dat vod” ook had uitgesproken; maar die
+geheimzinnige woorden konden geen zin voor hem hebben en er was geen
+enkele aanwijzing, dat zij de belangrijkheid bezaten, die Sarcany hen
+toeschreef. Wanneer die zaak van zoodanigen aard was om zijne
+belangstelling op te wekken, dan was het dat zij graaf Mathias Sandorf
+betrof, die een goede klant van zijn huis was en wiens toestand van
+schuldeischer jegens hem, hem verontrustte, wanneer deze een dadelijke
+uitkeering der fondsen, bij het bankiershuis gestort, vergde.
+
+„Welnu?” vroeg Sarcany, nadat Silas Toronthal het papier had ingekeken.
+
+„Welnu,” antwoordde deze, „mijne meening is, dat de zaak nevelachtig en
+onbestemd is en door dat biljet dat al meer en meer wordt.”
+
+„Mij dunkt integendeel, dat zij duidelijk en helder is,” was het
+wederantwoord van Sarcany, die zich door de aangenomen houding van den
+bankier niet liet uit het veld slaan.
+
+„Hebt gij dat geheimschrift kunnen ontraadselen?”
+
+„Neen, Silas Toronthal, maar....”
+
+„Maar wat?”
+
+„Ik zal het weten te lezen als de tijd daar zal zijn.”
+
+„En hoe?”
+
+„Ik heb mij wel meer met dergelijke evenals ook met andere zaken
+beziggehouden,” antwoordde Sarcany, „en ik heb nog al brieven en
+stukken, in geheimschrift gesteld, in handen gehad, dat verzeker ik u.
+Nu heeft een nauwgezet onderzoek van dit briefje mij helder en klaar
+overtuigd, dat de sleutel er van noch op een getal, noch op een vooraf
+overeengekomen alphabet berust, die aan ieder der letters eene andere
+beduidenis dan hare ware verleent. Ja, in dit biljet is een s een s,
+een p een p en een r een r; maar deze letters zijn in eene volgorde
+gesteld die niet kan hersteld worden dan door middel van een rooster.”
+
+De lezer weet reeds dat Sarcany zich niet vergiste. Dat was inderdaad
+het stelsel hetwelk bij die briefwisseling gebruikt was. Hij weet ook,
+dat het daardoor des te moeilijker was, dat geheimschrift te
+ontraadselen.
+
+„Ik wil aannemen,” sprak de bankier, „en niet loochenen, dat gij gelijk
+hebt; maar zonder dien rooster is het toch onmogelijk dat briefje te
+lezen.”
+
+„Inderdaad.”
+
+„En hoe zult gij u dien rooster verschaffen?”
+
+„Dat weet ik nog niet,” antwoordde Sarcany; „maar wees gerust, ik zal
+hem mij wel verschaffen.”
+
+„Waarlijk?” vroeg de bankier spottend.
+
+„Ongetwijfeld,” antwoordde de andere ernstig.
+
+„Welnu, Sarcany, als ik in uwe plaats was, dan zou ik mij zoo veel
+moeite niet geven.”
+
+„Ik zal er de moeite toe nemen, die noodig is.”
+
+„Waartoe zou dat dienen? Ik zou mij eenvoudig vergenoegen met aan de
+politie uwe meeningen en achterdocht mede te deelen en haar dat briefje
+overhandigen.”
+
+„Op zijn tijd zal ik dat doen, Silas Toronthal, maar niet op eenvoudige
+vooronderstellingen,” antwoordde Sarcany koeltjes. „Wat ik wil trachten
+te erlangen, alvorens te spreken, dat zijn daadwerkelijke en derhalve
+onbetwistbare bewijzen. Ik heb mij in het hoofd gezet, mij meester van
+die samenzwering te maken, ja, meester! meester in de volle beteekenis
+van het woord, om er al de voordeelen uit te trekken, die ik u aanbied
+samen te deelen. En.... wie weet of het nog niet het voordeeligst zoude
+zijn ééne lijn met de samenzweerders te trekken, in plaats van ons
+tegen hen te stellen!”
+
+Een zoodanige taal kon Silas Toronthal niet verwonderen. Hij wist,
+waartoe Sarcany met zijn schranderen kop, maar met zijn slecht hart, in
+staat was. Maar als die man niet aarzelde zich zoo tegenover den
+Triëster bankier uit te laten, dan was dat met de wetenschap van zijn
+kant, dat men alles aan Silas Toronthal kon voorstellen, daar diens
+rekbaar geweten op iedere zaak, hoe schurkachtig ook, inging, wanneer
+zij maar grove winsten beloofde. Daarenboven, het kon niet genoeg
+herhaald worden, Sarcany kende hem al sedert lang, en hij had
+buitendien redenen om te gelooven, dat de toestand van het bankiershuis
+sedert eenigen tijd verward en wankelend was. Zou nu de onthulling van
+die samenzwering, behendig gebezigd, hem niet kunnen veroorloven zijne
+zaken te herstellen? Het was op dergelijke beschouwingen, dat Sarcany
+eenigermate rekende.
+
+Van zijn kant poogde Silas Toronthal in dit oogenblik gesloten spel met
+zijn vroegeren makelaar in Tripolitaansche zaken te spelen. Dat er eene
+kiem van samenzwering tegen het Oostenrijksche gouvernement bestond en
+dat Sarcany die op het spoor was, kon hij wel aannemen. Dat huis van
+graaf Ladislas Zathmar, waarin de geheime samenkomsten plaats hadden,
+die briefwisseling in geheimschrift, de buitensporig groote som geld
+bij hem door graaf Sandorf gestort, met aanbeveling haar steeds ter
+zijner beschikking te houden, dat alles begon hem zeer verdacht voor te
+komen. Sarcany had zeer waarschijnlijk bij die omstandigheden de zaken
+juist ingezien. Maar de bankier, er nog meer van wenschende te vernemen
+en meer inzicht in het spel van den gelukzoeker wenschende te hebben,
+wilde nog niet dadelijk toetreden. Hij vergenoegde zich dan ook zoo
+onverschillig mogelijk te antwoorden:
+
+„En daarna, aangenomen dat gij er in slaagt dat geheimschrift te
+ontraadselen, waaraan ik twijfel, dan zult gij zien, dat het eenvoudig
+particuliere zaken, zaken zonder eenig belang betreft, en waaruit dan
+noch voor u noch voor mij eenig voordeel zal zijn te halen.”
+
+„Neen!” riep Sarcany met al het vuur eener vast gevestigde overtuiging
+uit. „Neen! Ik ben op het spoor van eene zeer ernstige en zeer
+gewichtige samenzwering, die door mannen van hoogen rang en hooge
+maatschappelijke positie aangevoerd wordt en ik voeg er bij, Silas
+Toronthal, dat gij er evenmin aan twijfelt als ik.”
+
+„Maar wat wilt gij dan eindelijk van mij?” vroeg de bankier, ditmaal
+recht op den man af.
+
+Sarcany stond op en antwoordde met zacht fluisterende stem, terwijl hij
+den bankier strak in de oogen keek:
+
+„Wat ik van u wil,” en hij legde bijzonderen nadruk op dit laatste
+woord. „Ziehier: Ik wil zoo spoedig mogelijk toegang tot het huis van
+den graaf Ladislas Zathmar hebben, onverschillig onder welk
+voorwendsel, om daarna zijn vertrouwen te winnen. Eenmaal in de plaats
+genesteld, waarin mij niemand kent, zal ik dien rooster wel weten
+machtig te worden en dat raadselschrift ontcijferen, om er dat gebruik
+van te maken, hetwelk het meest met onze belangen zal overeenkomen.”
+
+„Met onze belangen?” herhaalde Silas Toronthal.
+
+„Ja, onze belangen.”
+
+„Waarom zijt gij er zoo op gesteld mij in die zaak te mengen?”
+
+„Omdat zij der moeite waard is, en....”
+
+„Oho!” riep de bankier uit.
+
+„En gij er groote voordeden bij behalen zult!”
+
+„Waarom onderneemt gij die zaak niet alleen?”
+
+„Waarom?”
+
+„Ja, waarom?”
+
+„Wel, omdat ik uwe medewerking noodig heb.”
+
+„Mijne medewerking?”
+
+„Inderdaad.”
+
+„Kom dan toch tot verklaring.”
+
+„Luister. Om mijn doel te bereiken, heb ik tijd noodig; en om te kunnen
+wachten, moet ik in de gelegenheid zijn te kunnen leven. Ik heb dus
+geld noodig. En dat bezit ik niet meer!”
+
+„Uw crediet bij mij is uitgeput, dat weet ge.”
+
+„Ja; maar....”
+
+„Maar wat? Maak toch voort.”
+
+„Gij kunt mij een ander crediet openen!”
+
+„Wat zal ik daarmee kunnen winnen?”
+
+„Dit: Van die drie mannen, die ik u straks noemde, zijn twee zonder
+vermogen, dat zijn graaf Zathmar en professor Bathory; maar de derde is
+rijk, buitengewoon rijk zelfs. De goederen, die hij in Transsylvanië
+bezit, zijn zeer aanzienlijk. Nu weet gij zeer goed, dat wanneer hij
+als samenzweerder gevat en veroordeeld wordt, zijne verbeurd verklaarde
+goederen voor het grootste gedeelte hun toegewezen worden, die de
+samenzwering ontdekt en aangebracht hebben!.... En dat zullen wij zijn,
+ik en gij, Silas Toronthal. Geloof mij, wij zullen eerlijk deelen.”
+
+Sarcany zweeg. De bankier antwoordde niet. Hij overpeinsde hetgeen men
+van hem als inzet van die partij eischte. Hij was daarenboven de man
+niet, om zich persoonlijk in eene zaak van dien aard bloot te geven.
+Maar hij gevoelde dat Sarcany als zijn agent wel mans genoeg was om de
+taak van hun beiden op zich te nemen. Wanneer hij mocht besluiten aan
+die kuiperij deel te nemen, dan zou hij dezen wel zoodanig door een
+contract weten te verbinden, dat hem geheel en al aan zijne genade zou
+overleveren, dat hij, hoewel op den achtergrond blijvende, het grootste
+deel der winsten zou opstrijken.... Toch aarzelde hij. Maar alles wel
+beschouwd, wat waagde hij toch? Hij zou in die verachtelijke daad niet
+optreden, hij zou er alleen de winst van genieten, groote winst, die
+den toestand van zijn huis geheel zou kunnen herstellen.
+
+„Welnu?....” vroeg Sarcany.
+
+„Gij vraagt mijne beslissing?”
+
+„Ja.”
+
+„Welnu, neen,” antwoordde Silas Toronthal, vooral afgeschrikt door het
+denkbeeld zulk een deelgenoot te hebben, of om een beter woord te
+bezigen: zoo’n medeplichtige.
+
+„Gij weigert?”
+
+„Ja, ik weiger.... Ik geloof bovendien niet aan den goeden uitslag van
+uwe combinatiën!”
+
+„Pas op, Silas Toronthal!” riep Sarcany, zonder zich ditmaal te
+bedwingen, op dreigenden toon uit.
+
+„Oppassen, voor wat, alsjeblieft?”
+
+„Ik weet zekere zaken....”
+
+„De deur uit, Sarcany!” antwoordde de bankier.
+
+„Ik zal weten u te noodzaken....”
+
+„De deur uit!”
+
+In dit oogenblik werd licht op de deur van het kantoor getikt. Terwijl
+Sarcany zijn gelaat vlug naar den kant van het venster gewend had, was
+de deur opengegaan op het „binnen” van den bankier. Een bediende
+verscheen en sprak met luider stem:
+
+„Graaf Sandorf verzoekt den heer Silas Toronthal een oogenblik gehoor!”
+
+Daarna ging hij heen.
+
+„Graaf Sandorf?” riep Sarcany uit.
+
+Van den eenen kant kon de bankier niet anders dan zeer verstoord zijn,
+dat Sarcany van dat bezoek onderricht werd, en van den anderen kant
+begreep hij dat groote moeilijkheden gingen voortvloeien uit die
+onverwachte komst van den graaf.
+
+„He! he! wat komt graaf Sandorf hier doen?” vroeg Sarcany op scherp
+spotachtigen toon. „Staat gij dus in betrekking met de samenzweerders
+van het huis Zathmar. Inderdaad, ik geloof dat ik mij tot een hunner
+gewend heb.”
+
+„Zult gij eindelijk heengaan?”
+
+„Neen, Silas Toronthal, ik zal niet heengaan. Ik wil weten wat graaf
+Sandorf hier komt doen!”
+
+Toen hij die woorden uitgesproken had, wierp hij zich ijlings in een
+kabinet, dat aan het kantoor grensde en welks voorhang achter hem
+neerviel.
+
+Silas Toronthal was op het punt om iemand te roepen, teneinde den
+indringer te doen wegjagen, toen hij plotseling van gedachte
+veranderde.
+
+„Neen,” zei hij, „het is, alles wel beschouwd, waarschijnlijk beter,
+dat Sarcany hoore wat hier gesproken zal worden.”
+
+De bankier schelde den bediende en beval hem graaf Sandorf onmiddellijk
+binnen te geleiden.
+
+Mathias Sandorf trad het kantoor binnen en beantwoordde geheel
+overeenkomstig zijn karakter, de beleefde buigingen van Silas Toronthal
+koel. Daarna nam hij in een leuningstoel plaats, dien de bediende
+bijgeschoven had.
+
+„Heer graaf,” zei de bankier, „ik mocht op de eer van uw bezoek niet
+hopen, daar ik meende dat gij niet te Triëst waart. Maar gij weet het,
+in het huis Toronthal zijt gij steeds welkom en uwe tegenwoordigheid
+wordt hier hoogst gewaardeerd.”
+
+„Mijnheer,” antwoordde Mathias Sandorf, „ik ben slechts een der meest
+bescheidene uwer klanten, daar ik, zooals gij weet, geene zaken drijf.
+Toch ben ik u dank schuldig dat gij wel de fondsen, die ik disponibel
+had, in deposito hebt willen nemen.”
+
+„Heer graaf, vergeef mij wanneer ik u herinner,” hernam Silas
+Toronthal, „dat die fondsen in rekening courant door mij opgenomen
+zijn, zoodat gij niet vergeten moogt, dat zij u renten opbrengen.”
+
+„Ik weet het, mijnheer....” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar ik
+herhaal wat ik u destijds zeide, dat ik geene geldbelegging bij uw huis
+beoogde, slechts een eenvoudig deposito.”
+
+„Het zij zoo, heer graaf,” hernam Silas Toronthal. „Maar het geld is in
+deze tijden duur en het zou niet billijk wezen, wanneer het uwe
+improductief bleef liggen. Een finantieele crisis dreigt over het
+geheele land zich uit te strekken. De toestanden zijn in het binnenland
+zeer moeilijk. De zaken zijn als het ware geheel verlamd. Eenige
+bankbreuken van belangrijke huizen hebben het openbaar crediet
+geschokt, terwijl er nog andere verwacht worden....”
+
+„Maar uw huis is solied, nietwaar, mijnheer?” vroeg Mathias Sandorf en
+vervolgde zonder antwoord daarop af te wachten: „Ik weet uit goede
+bron, dat het slechts zeer weinig geleden heeft door de reactie van die
+bankbreuken.”
+
+„O, zeer weinig,” antwoordde Silas Toronthal met de grootste kalmte.
+„De handel op de Adriatische zee verzekert ons bovendien een stroom van
+maritieme zaken, die der huizen van Pest of van Weenen ontvalt, zoodat
+de crisis ons slechts weinig gedeerd heeft. Wij zijn dus niet te
+beklagen, heer graaf en beklagen ons ook niet.”
+
+„Ik kan niet anders dan u geluk wenschen, mijnheer,” betuigde Mathias
+Sandorf. „Ik meen u evenwel te moeten vragen, of tengevolge van die
+crisis zich binnenslands geene verwikkelingen voorgedaan hebben?”
+
+Hoewel graaf Sandorf die vraag gesteld had op een toon, alsof hij er
+geen het minste belang in stelde, zoo wekte zij toch de aandacht van
+Silas Toronthal op, die den graaf dan ook meer nauwkeurig gadesloeg.
+Die vraag kon toch inderdaad betrekking hebben op hetgeen hij van
+Sarcany vernam.
+
+„Ik weet niets dienaangaande,” antwoordde Silas Toronthal, „en ik heb
+niet vernomen dat het Oostenrijksche gouvernement te dien opzichte
+eenige vrees koesterde. Zoudt gij, heer graaf, redenen meenen te hebben
+om te denken dat aanstaande gebeurtenissen....”
+
+„Volstrekt niet!” viel Mathias Sandorf in; „maar in hooge sferen van
+het bankwezen is men soms met zaken bekend, die het publiek eerst later
+verneemt. Ziedaar de reden, waarom ik u die vraag stelde, maar uwe
+vrijheid onaangetast liet om haar, al naar dat u geraden voorkwam, met
+ja of met neen te beantwoorden.”
+
+„Ik heb in dien zin niets vernomen,” hernam Silas Toronthal. „Wees
+intusschen verzekerd, heer graaf, dat ik mij niet het recht zou mogen
+aanmatigen om met een klant als gij zijt, geheimzinnig of stilzwijgend
+te zijn, daar uwe belangen daardoor zouden kunnen lijden!”
+
+„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf, „en ik meen uwe
+gevoelens te kunnen deelen, dat er noch van het binnenland, noch van
+het buitenland iets te vreezen is. Ik ga dan ook Triëst weldra verlaten
+om in Transsylvanië weer te keeren, waarheen mij dringende zaken
+roepen.”
+
+„Zoo, gaat gij heen, heer graaf?” vroeg Silas Toronthal met
+levendigheid.
+
+„Ja.... zoo omstreeks over veertien dagen, op zijn laatst.”
+
+„Maar gij komt toch naar Triëst terug?”
+
+„Dat geloof ik niet, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf. „Maar vóórdat
+ik vertrek, wenschte ik de geheele comptabiliteit van het kasteel
+Artenick, die eenigszins in de war is, in orde te brengen. Ik heb van
+mijn intendant tal van nota’s, pachtcedulen, boschcontracten ontvangen,
+die ik haast geen tijd heb om na te gaan. Kent gij geen comptabel, of
+zoudt gij niet een uwer geëmployeerden kunnen missen, die mij dien
+dienst zou willen bewijzen?”
+
+„Niets zal gemakkelijker gaan, heer graaf.”
+
+„Inderdaad?”
+
+„Ja, zeker.”
+
+„Ik zal u wel verplicht wezen.”
+
+„O, de verplichting is aan mijn kant. Wanneer hebt gij dien comptabel
+noodig?”
+
+„Zoo gauw mogelijk.”
+
+„En waar moet hij zich aanmelden?”
+
+„Zich aanmelden?”
+
+„Ja, bij wien?”
+
+„Bij mijn vriend graaf Zathmar, wiens huis in de Acquedottolaan nummer
+89 gelegen is.”
+
+„Hoe zegt ge.... nummer....?”
+
+„Nummer 89 van de Acquedottolaan.”
+
+„Dat ’s afgesproken.”
+
+„Het zal een werk van een tiental dagen wezen, en ik zal, wanneer die
+zaken behoorlijk geregeld zijn, daarna naar het kasteel Artenick kunnen
+vertrekken. Ik verzoek u dus om de fondsen, die ik bij u heb staan, ter
+mijner beschikking te houden.”
+
+Silas Toronthal kon bij die woorden een gebaar van schrik niet
+weerhouden. Gelukkig zag de graaf het niet.
+
+„Op welken dag verlangt gij, dat u die fondsen zullen worden ter hand
+gesteld, heer graaf?” vroeg de bankier.
+
+„Op den 8en van de volgende maand.”
+
+„Dan zult gij ze hebben.”
+
+Daarop stond graaf Sandorf op en ging heen terwijl de bankier hem tot
+aan de deur van het vertrek begeleidde.
+
+Toen Silas Toronthal in zijn kantoor terugkeerde, vond hij er Sarcany,
+die slechts deze woorden sprak:
+
+„Ik moet binnen twee dagen in het huis van graaf Zathmar werkzaam
+zijn.”
+
+„Ja, dat moet inderdaad!” antwoordde Silas Toronthal.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+HET GEHEIMSCHRIFT.
+
+
+Sarcany was inderdaad twee dagen later in het huis van graaf Ladislas
+Zathmar geïnstalleerd. Hij was door Silas Toronthal aanbevolen geworden
+bij graaf Sandorf, die met de plaatsing van dien man onmiddellijk
+genoegen had genomen.
+
+Zoo was de medeplichtigheid van den bankier met zijn agent bij de
+kuiperijen, door hem op ’t getouw gezet, behoorlijk tot stand gekomen.
+Hun doel was: de ontdekking van een geheim, die het leven van de
+hoofden van de samenzwering kon kosten. Het resultaat dat verwacht
+werd, zou zijn: dat als prijs hunner aanbrenging een vermogen hun ten
+deel viel, voor de helft aan een gelukzoeker, die tot alles in staat
+was om zijn zak gevuld te krijgen; voor de andere helft aan een
+bankier, die zoover gekomen was, dat hij niet meer aan zijne
+verbintenissen kon voldoen.
+
+Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat een verdrag tusschen
+Silas Toronthal en Sarcany gesloten was, waarbij de waarschijnlijk
+geachte winsten in twee gelijke portiën verdeeld werden. Bovendien zou
+Sarcany al het geld ontvangen, benoodigd om met zijn makker Zirone
+fatsoenlijk te Triëst te kunnen leven en om zijne onkosten te kunnen
+betalen, die zijne bemoeiingen in die zaak vereischen zouden.
+Daartegenover had hij als waarborg de copie van het briefje, dat het
+geheim der samenzwering bevatte, waaraan hij niet twijfelde, aan den
+bankier moeten overgeven.
+
+Men zal misschien geneigd zijn graaf Mathias Sandorf van
+onvoorzichtigheid te beschuldigen. En inderdaad, in zulke
+omstandigheden een vreemdeling binnen te leiden in dat huis, waarin
+zulke gewichtige belangen behandeld werden, in den vooravond van den
+dag waarop het sein tot uitbarsting van een komplot ieder oogenblik kon
+gegeven worden, kon niet anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Maar
+het was slechts door de ijzeren noodzakelijkheid, dat de graaf zoo
+gehandeld had.
+
+Vooreerst toch had hij er een dringend belang bij, dat zijne personeele
+zaken in orde gebracht werden, op een oogenblik dat hij zich in die
+gevaarlijke zaak stortte, waarin hij zijn leven, op zijn allerminst
+zijne verbanning waagde, wanneer hij bij nietslagen gevangen genomen of
+tot de vlucht genoodzaakt zou worden. Van een anderen kant meende hij
+door het opnemen van een vreemdeling in het huis van graaf Zathmar,
+juist de achterdocht, die mocht gerezen zijn, af te wenden. Hij had
+sedert eenige dagen meenen te zien—en de lezer weet dat het juist
+is—dat eenige spionnen in de Acquedottolaan rondslopen. Die spionnen
+waren niemand anders dan Sarcany en Zirone geweest. Maar de graaf vroeg
+zich af, of de politie hem en zijne vrienden gadesloeg en hunne
+handelingen nauwgezet naging? Mathias Sandorf moest het gelooven, ja
+vreezen. Wanneer de vergaderplaats der samenzweerders, die tot dien dag
+voor alle oningewijden hermetisch gesloten was gebleven, achterdocht
+opwekte, dan was er geen beter middel om de verdenking op een valsch
+spoor te brengen, dan door die afsluiting op te heffen, en het huis
+voor een commies te openen, die er zich inderdaad slechts met
+comptabiliteits-zaken onledig zou houden. Zou de tegenwoordigheid van
+dien commies een gevaar voor graaf Ladislas Zathmar en voor zijne
+makkers kunnen daarstellen? Neen, in geen geval. Er werden geene
+brieven in geheimschrift tusschen Triëst en de andere steden van het
+Hongaarsche koninkrijk gewisseld. Al de papieren, die op de ophanden
+zijnde beweging betrekking hadden, waren vernietigd. Er bleef geen
+enkel geschreven spoor van de samenzwering over. De maatregelen waren
+genomen, daaraan was niets meer te veranderen. Er behoefden geen nieuwe
+genomen te worden. Graaf Sandorf had slechts het sein te geven, wanneer
+het gunstige oogenblik daar zou zijn. Dus de aanneming van een nieuwen
+geëmployeerde in dat huis zou, wanneer het gouvernement achterdocht
+koesterde, iedere verdenking verwijderen.
+
+Ja, de redeneering was juist en de voorzorg zou goed genomen moeten
+genoemd worden, wanneer die commies niet Sarcany en zijn borg niet
+Silas Toronthal geweest waren!
+
+Sarcany, die een meester in dubbelhartigheid was, genoot evenwel de
+voordeelen van zijn uiterlijk. Hij had toch een openhartig en
+vrijmoedig gelaat, terwijl zijn geheele persoon eenvoudigheid en
+trouwhartigheid scheen te kenmerken. Graaf Sandorf en zijne vrienden
+werden er door bedrogen en beetgenomen. De jeugdige comptabel betoonde
+zich ijverig, dienstvaardig, vriendelijk en uiterst behendig bij het
+nazien van die rekeningen en nota’s, die hij moest in het reine
+brengen. Niets bovendien zou hem hebben kunnen doen gissen, wanneer hij
+het niet geweten had, dat hij zich in tegenwoordigheid van de hoofden
+eener samenzwering bevond, die gereed was het Hongaarsche ras tegen het
+Duitsche op te zweepen. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas
+Zathmar schenen zich slechts bij hunne bijeenkomsten met
+wetenschappelijke vraagstukken of met kunstkwestiën bezig te houden.
+Geen geheime briefwisselingen meer, geen geheimzinnig heen en weer
+loopen rondom het huis. Dat alles was uit. Maar Sarcany wist waaraan
+zich te houden. De gelegenheid, die hij zocht, moest zich voordoen en
+hij wachtte diensvolgens geduldig.
+
+Toen Sarcany het huis van Ladislas Zathmar betrad, had hij slechts ééne
+gedachte, namelijk den rooster machtig te worden, die diende om het
+geheimschrift te ontcijferen. Nu er evenwel geen dergelijke stukken
+meer te Triëst aankwamen, vroeg hij zich af of die rooster niet uit
+overmaat van voorzichtigheid kon vernietigd zijn. Dat denkbeeld
+verontrustte hem, want het geheele gebouw zijner kuiperijen berustte
+daarop, dat hij het briefje door de reisduif aangebracht, en waarvan
+hij afschrift genomen had, zou kunnen lezen.
+
+Dus terwijl hij zich onledig hield met de zaken van Mathias Sandorf te
+regelen, keek hij rond, nam hij waar, bespiedde hij alles. De toegang
+tot het kantoorvertrek, waarin Ladislas Zathmar en zijne makkers te
+zamen kwamen, was voor hem niet afgesloten. Hij werkte er zelfs
+somtijds geheel alleen in. En dan waren zijne oogen en zijne handen met
+geheel iets anders bezig, dan met het onder elkander stellen van
+cijfers of met rekeningen uit te pluizen. Hij snuffelde dan in de
+papieren, hij opende de laden met een soort haak, dien Zirone hem als
+zaakkundige bij dergelijke bedrijven, ter hand had gesteld na dien zelf
+gemaakt te hebben. Hij nam toch intusschen zeer goed in acht, dat hij
+bij dien arbeid niet door Borik zoude bespeurd worden; want hij
+ontveinsde het zich niet, dat hij dezen niet de geringste sympathie
+inboezemde.
+
+Gedurende de vijf eerste dagen waren Sarcany’s nasporingen volkomen
+vruchteloos. Hij trad iederen morgen dat huis binnen bezield met de
+hoop van te zullen slagen; en iederen avond keerde hij naar zijn hôtel
+terug met het bewustzijn, een vergeefschen dag doorgebracht te hebben.
+Hij begon aan het welslagen zijner onderneming te wanhopen. En
+inderdaad, de omwenteling, wanneer het eene samenzwering gold,—en
+daaraan twijfelde hij geen oogenblik—kon iederen dag uitbreken, dat wil
+zeggen: alvorens hij haar ontdekt en bij gevolg aangebracht had.
+
+„Eerder dan het voordeel van die aanbrenging te verliezen,” zeide
+Zirone, „zal het verkieselijk zijn, al is het zonder bewijzen, de
+politie te waarschuwen en haar daarbij het afschrift in handen te
+spelen.”
+
+„Ja,” antwoordde Sarcany, „dat zal ik doen, als het noodig wordt.”
+
+Het zal wel overbodig zijn te vertellen, dat hij Silas Toronthal op de
+hoogte van zijne nasporingen hield, dat hij waarlijk veel moeite had om
+diens ongeduld te temperen.
+
+Maar het toeval zou hem te hulp komen. Dat had hem een eerste maal
+gediend door hem het geheimzinnig briefje in handen te spelen; het zou
+hem andermaal dienen door hem in staat te stellen dat raadselschrift te
+ontcijferen.
+
+Men was op het einde van de maand Mei gekomen, en het was ongeveer vier
+uren in den namiddag. Sarcany zou volgens gewoonte, tegen vijf uren het
+huis van graaf Ladislas Zathmar verlaten. Hij was te meer kregelig,
+daar hij niet verder gevorderd was dan op den eersten dag dat hij in
+dienst van graaf Sandorf trad, om diens comptabiliteit in orde te
+brengen, een arbeid dien hij bijna geëindigd had. Wanneer hij daaraan
+de laatste hand zou gelegd hebben, dan zou hij ongetwijfeld betaald en
+bedankt worden; waardoor hem de gelegenheid ontvallen zou om zich
+voortaan in dat huis te kunnen vertoonen.
+
+In dat gegeven oogenblik bevonden zich Ladislas Zathmar en zijne beide
+vrienden buitenshuis. Er was niemand in de woning aanwezig dan Borik,
+die toen in een zaal op de eerste verdieping bezig was. Sarcany had
+volledige vrijheid tot handelen en besloot dan ook om de slaapkamer van
+graaf Zathmar binnen te dringen,—waarin hij nog nimmer geweest was—om
+daar zijne nasporingen op het nauwkeurigst voort te zetten.
+
+De deur was gesloten, maar met zijn haak slaagde Sarcany haar te
+openen, waarna hij binnentrad.
+
+Tusschen de beide vensters, die op de straat uitzagen, stond een
+secretair-bureau, waarvan de verjaarde vorm een liefhebber van oude
+meubelen verrukt zoude hebben. Het schuifblad van den cilinder was
+neergeslagen, zoodat van de innerlijke inrichting niets kon bespeurd
+worden.
+
+Dat was wel de eerste maal, dat het Sarcany vergund was om dit
+meubelstuk te onderzoeken en hij was er de man niet naar, om die
+gelegenheid te laten ontsnappen, om de verschillende laden er van te
+kunnen doorsnuffelen, hetgeen hij met zijn haak ten uitvoer bracht,
+zonder dat daarvan eenig spoor op het slot zichtbaar was.
+
+In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak
+papieren, die voor hem waardeloos waren, een soort kaart, die
+onregelmatig van vierkante gaten voorzien was. Die kaart boeide
+dadelijk zijne aandacht.
+
+„De rooster!” zei hij tot zichzelven.
+
+Hij vergiste zich waarlijk niet.
+
+De eerste gedachte, die hem inviel, was om die kaart mede te nemen.
+Maar na eenig beraad zei hij tot zichzelven, dat het verdwijnen van
+dien rooster achterdocht kon opwekken, wanneer graaf Ladislas Zathmar
+dit bespeurde.
+
+„Kom,” sprak hij, „ik heb wel afschrift van het briefje genomen, waarom
+zou ik dien rooster niet kunnen namaken? Dan kunnen Toronthal en ik de
+dépêche geheel op ons gemak lezen.”
+
+Die rooster was eenvoudig een vierkant van bordpapier van zes
+centimeters lang en even zoo breed, die in zes en dertig gelijke ruiten
+verdeeld was, welke ieder een vierkante centimeter groot waren. Van die
+zes en dertig ruiten of vakken, die op zes horizontale en zes verticale
+rijen geplaatst waren, evenals die van een tafel van Pythagoras, welke
+voor zes cijfers ingericht zoude zijn, waren zeven en twintig vol en
+negen leeg—dat wil zeggen, dat ter plaatse van die negen vakken de
+kaart op negen plaatsen uitgeknipt was.
+
+Waarvan Sarcany zich het eerst moest vergewissen, dat was eerstens: van
+de nauwkeurige oppervlakte van dat blad bordpapier of rooster en
+tweedens van de juiste plaatsing daarop van de negen ledige vakken.
+
+De oppervlakte bracht hij over, door met een potlood den omtrek op een
+vel wit papier na te trekken, waarbij hij zorg droeg op de plaat de
+plek te merken, waar een kruisje met inkt gemaakt was, hetgeen den
+bovenkant van den rooster scheen aan te duiden.
+
+De plaats der negen vakken bracht hij over door het papier, waarop hij
+den omtrek nageteekend had, op de gewilde plekken, die zichtbaar waren,
+door te prikken. Dat waren op de eerste rij drie ledige plekken, die de
+vakken 2, 4 en 6 lieten ontwaren; op de tweede rij een ledige plek, die
+vak 5 innam; op de derde rij een ledige plek die vak 3 innam; op de
+vierde rij twee ledige plekken, die de vakken 2 en 5 innamen; op de
+vijfde rij een ledige plek, die vak 6 innam; en eindelijk op de zesde
+of laatste rij een ledige plek, die vak 4 liet zien.
+
+Ziehier bovendien dien rooster, in natuurlijke grootte, waarvan Sarcany
+en zijn medeplichtige, de bankier Silas Toronthal, een zoo misdadig
+gebruik zouden maken. In dezen afdruk stellen de witte vakken de
+uitgeknipte en de zwarte de gevulde vakken voor. Dat is duidelijk,
+nietwaar?
+
+Eenige minuten waren voor Sarcany voldoende om het volgende figuur te
+verkrijgen.
+
+ +
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| |###| |###| |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###| |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| |###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| |###|###| |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###|###| |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###| |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+
+
+Hij twijfelde er niet aan, dat met behulp van dien rooster, dien hij
+gemakkelijk uit een stuk bordpapier, dat hij uitknippen zou,
+vervaardigen kon, het hem zou gelukken nu het afschrift van het
+briefje, dat hij in handen van Silas Toronthal achtergelaten had, te
+ontraadselen. Hij plaatste dus den rooster weer in de lade onder de
+papieren, die hem bedekt hadden, en verliet daarna de slaapkamer van
+Ladislas Zathmar en vervolgens het huis. Hij had haast om in zijn hôtel
+weer te keeren.
+
+Zirone zag hem een kwartieruur later hunne gemeenschappelijke kamer met
+zulk een zegevierend uiterlijk binnenstappen, dat hij niet nalaten kon
+luidkeels uit te roepen:
+
+„Wat is er toch aan de hand, kameraad? Neem je in acht! Gij weet meer
+behendig een verdriet dan wel een vreugde te bemantelen, en men
+verraadt zich zelven even zoo goed door zich over te geven aan....”
+
+„Schei uit met je gezeur, Zirone,” antwoordde Sarcany, „en aan het werk
+zonder eene minuut verloren te laten gaan.”
+
+„Vóór ons avondmaal nog?”
+
+„Ja!”
+
+Zirone zuchtte, maar Sarcany stoorde zich daaraan niet. Deze nam een
+stuk bordpapier van geringe dikte. Hij sneed dat volgens zijne calque,
+zoodanig dat hij een vierkant verkreeg, die zuiver de afmeting had van
+den rooster en vergat daarbij niet het kruisje bij den bovenrand te
+plaatsen. Daarna nam hij eene liniaal en verdeelde zijn vierkant in zes
+en dertig vakken allen van gelijke grootte.
+
+Toen werden van die zes en dertig vakken negen gemerkt ter plaatse,
+welke zij op de calque innamen. Daarna werden die met de punt van een
+pennemes zoodanig uitgesneden, dat zij in hunne ontstane ledige plekken
+de letters of teekens lieten bespeuren van het een of andere briefje of
+stuk, waarop de zoo verkregen rooster neergelegd werd.
+
+Zirone stond voor Sarcany en keek met groote verwonderde oogen toe,
+terwijl hij van nieuwsgierigheid trilde. Hij stelde te meer belang in
+dien arbeid, daar hij zeer goed het stelsel van geheimschrift begrepen
+had, waarop de onderhavige briefwisseling berustte. Alleen hij bezat
+den sleutel niet.
+
+„Het is vernuftig,” zei hij, „uiterst vernuftig en zoo iets kan mij
+dienen! Als ik bedenk, dat de waarde van ieder van die vakken een
+millioen kan bedragen....”
+
+„En meer!” antwoordde Sarcany.
+
+Toen het werk beëindigd was, stond Sarcany op, na het uitgesneden stuk
+bordpapier in zijn brieventasch opgeborgen te hebben.
+
+„Morgen ochtend zal ik zoo vroeg mogelijk bij Toronthal zijn,” zei hij.
+
+„Hij moge oppassen voor zijn kas!”
+
+„Als hij het briefje heeft, dan heb ik den rooster!”
+
+„Dat is waar, maar....”
+
+„Geen maren; dat is ontegenzeggelijk!”
+
+„En ditmaal zal hij wel moeten afschuiven!”
+
+„Ja, dat zal hij moeten!”
+
+„Kunnen wij dus thans avondmalen?”
+
+„Ja, dat kunnen wij.”
+
+„Welnu, aan den gang!”
+
+En Zirone, die steeds eetlust had, deed het heerlijke maal, dat hij met
+zorg besteld had, alle eer aan.
+
+Den volgenden morgen, den 1sten Juni, vertoonde Sarcany zich reeds te
+acht uren aan het bankiershuis. Hoe vroeg het ook nog was, toch gaf
+Silas Toronthal bevel om hem dadelijk bij zich in zijn kabinet toe te
+laten.
+
+„Daar is de rooster,” vergenoegde zich Sarcany slechts te zeggen,
+terwijl hij het stuk bordpapier overreikte, dat hij te voren
+uitgesneden had.
+
+De bankier nam het aan, draaide en keerde het, terwijl hij het hoofd
+schudde, hetgeen te kennen moest geven, dat hij het vertrouwen van zijn
+deelgenoot niet erg deelde.
+
+„Laten wij maar probeeren!” zei Sarcany.
+
+„Dat kunnen wij altijd doen.”
+
+Silas Toronthal nam het afschrift van het briefje, dat in een der laden
+van zijn schrijftafel opgesloten lag, en plaatste het op de tafel.
+
+Dat briefje—de lezer zal zich nog wel herinneren—bevatte achttien
+woorden, ieder bestaande uit zes letters, woorden die evenwel volmaakt
+onverstaanbaar waren. Het was boven alles waarschijnlijk, dat iedere
+letter van de woorden overeen moest komen met de zes ledige of gevulde
+vakken, die iedere rij van den rooster vormden. Men kon bijgevolg
+vooreerst al vast aannemen, dat de zes eerste woorden van het briefje,
+samengesteld uit zes en dertig letters, achtereenvolgens verkregen
+waren door middel van die zes en dertig vakken.
+
+Het was inderdaad gemakkelijk in te zien, dat de schikking der ledige
+vakken zoo vernuftig bij de vervaardiging van dien rooster uitgedacht
+was, dat wanneer men hem vier malen een kwart toer liet keeren, die
+ledige vakken opvolgend de plaats der volle innamen zonder ooit
+tweemalen dezelfde letter te laten ontwaren.
+
+Men ziet dadelijk in, dat het zoo zijn moet. Bij voorbeeld, wanneer men
+bij eene eerste toepassing van den rooster op een stuk wit papier de
+cijfers van 1 tot 9 in ieder leeg vak invult, vervolgens den rooster
+een kwart omwenteling laat maken en op gelijke wijze handelt en de
+getallen van af 10 tot en met 18 invult; daarna een tweede kwart
+omwenteling volbrengt en de getallen van af 19 tot en met 27
+inschrijft; vervolgens den rooster een derde kwart omwenteling doet
+maken en de getallen van af 28 tot en met 36 ter neer te schrijven,
+zoodat men eindelijk op het papier de getallen van 1 tot 36 zal
+bevinden, in de zes en dertig vakken geplaatst die den rooster vormen.
+
+Sarcany werd dus natuurlijk er toegebracht om de eerste zes woorden van
+het briefje te behandelen met de vier opvolgende toepassingen van den
+rooster. Hij had daarbij het voornemen om diezelfde bewerking te
+herhalen met de twee volgende zes woorden en eindelijk een derde maal
+met de laatste zes woorden, hetgeen in het geheel de achttien woorden
+zou bedragen, waaruit het geheimschrift bestond.
+
+Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat de hierboven vermelde
+redeneeringen door Sarcany tegenover den bankier Silas Toronthal
+gehouden werden en dat deze hare volmaakte nauwkeurigheid erkend en
+zeer gewaardeerd had.
+
+Zou nu de praktijk de geuite theorie bevestigen? Daarin bestond toch de
+geheele belangrijkheid van de bewerking.
+
+Ziehier welke de achttien woorden van het briefje waren. Het zal
+voorzeker noodig zijn ze andermaal onder de oogen van den lezer te
+brengen:
+
+
+ ghfhna dalant ltenka
+ aohhzk aenzse tsnivi
+ znrijoo tnpees seijehe
+ lxosde soelnl sglpte
+ veknni ilarna lotasa
+ ijareah nezmtl rradae
+
+
+Het kwam er vooreerst op aan, de eerste zes woorden te ontraadselen. Om
+daartoe te geraken, schreef Sarcany ze op een vel papier, daarbij zorg
+dragende de letters zoodanig van elkander te schrijven, dat ieder
+hunner overeenkwam met een der vakken van den rooster.
+
+Dat gaf de volgende uitkomst:
+
+
+ g h f h n a
+ a o h h z k
+ z n r ij o o
+ l x o s d e
+ v e k n n i
+ ij a r e a h
+
+
+Daarna werd de rooster zoodanig op dat samenstel geplaatst, dat de
+zijde met het kruisje gemerkt bovenaan stond. Toen lieten de leege
+vakken de volgende negen letters zien, terwijl de zeven en twintig
+anderen door de volle vakken van het bordpapier bedekt bleven. Zoo
+
+
+ +
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| h |###| h |###| a |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###| z |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| r |###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| x |###|###| d |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###|###| i |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###| e |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+
+
+Sarcany liet daarna den rooster een kwart omwenteling volbrengen van de
+linker- naar de rechterzijde, zoodanig dat de bovenkant ditmaal de
+rechterkant werd. Bij die tweede toepassing waren het de navolgende
+letters, die in de ledige vakken te voorschijn traden:
+
+
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| h |###|###| k |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|ij |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+ +
+ | l |###|###|###|###| e |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| k |###| n |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| a |###|###|###| h |
+ +---+---+---+---+---+---+
+
+
+Bij de derde toepassing werden de navolgende letters zichtbaar, die
+evenals de vorigen net zorg opgeteekend werden:
+
+
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| f |###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ | a |###|###|###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| n |###|###| o |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###| s |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| e |###|###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |ij |###| r |###| a |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ +
+
+Wat Silas Toronthal en ook Sarcany al dadelijk uitermate verbaasd had,
+was dat de woorden, zooals zij zich achtereenvolgens vormden, geen zin
+hadden. Zij hadden verwacht hen vloeiend te hebben kunnen lezen, dewijl
+zij door de opeenvolgende toepassingen van den rooster verkregen waren,
+en toch waren die woorden even raadselachtig als die van het
+geheimzinnige briefje. Zou dat lorrige vod onoplosbaar blijven?
+
+De vierde toepassing van den rooster leverde het navolgende resultaat
+op:
+
+ +---+---+---+---+---+---+
+ | g |###|###|###| n |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| o |###| h |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ | z |###|###|###|###| o |
+ + +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| o |###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ | v |###|###| n |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+
+
+Ook dat was even duister, even raadselachtig.
+
+En waarlijk, de vier woorden, die verkregen waren door de vier
+verschillende toepassingen van den rooster, waren de navolgende:
+
+
+ hhazrxdie,
+ hkijleknah,
+ fanoseijra,
+ gnohroovn,
+
+
+waaruit volstrekt niets te maken was.
+
+Sarcany kon zijn toorn niet verbergen, door die teleurstelling
+teweeggebracht. De bankier vergenoegde zich met het hoofd te schudden
+en niet zonder spotternij te zeggen:
+
+„Misschien is het die rooster niet, welken de samenzweerders bij hunne
+briefwisseling gebruikt hebben!”
+
+Die bemerking deed Sarcany opspringen.
+
+„Laat mij voortgaan!” riep hij uit.
+
+„Ga voort!” antwoordde Silas Toronthal.
+
+Toen het Sarcany gelukt was de zenuwachtige beweging, die hem bevangen
+had, te boven te komen en te bedwingen, hervatte hij de bewerking met
+de volgende zes woorden, die de tweede kolom van het briefje vormden.
+Vier malen paste hij den rooster op de woorden toe, door hem telkenmale
+een kwart omwenteling te laten maken, en verkreeg daardoor die
+verzameling van letters, die ook volstrekt geen zin hadden:
+
+
+ aatsponam,
+ neeslanel,
+ lanelluzt,
+ dneztseir.
+
+
+Sarcany wierp ditmaal den rooster verwoed op tafel en vloekte als een
+koopvaardijmatroos.
+
+Als zonderlinge tegenstelling had Silas Toronthal zijne koelbloedigheid
+geheel en al bewaard. Hij bestudeerde die zoo verkregen woorden sedert
+het begin der roosterbewerking en bleef stil peinzend zitten.
+
+„Naar den drommel dien rooster en zij die er gebruik van maken!” riep
+Sarcany uit, terwijl hij van zijn stoel opvloog.
+
+„Hoe dwaas!” zei Silas Toronthal.
+
+„Dwaas?” vroeg Sarcany verwoed.
+
+„Ga weer zitten,” zei de bankier kalm.
+
+„Gaan zitten?....”
+
+„Ja, ga zitten en ga voort!”
+
+Sarcany keek Silas Toronthal aan. Daarna hernam hij plaats en greep
+weer den rooster, om hem op de zes laatste woorden van het briefje toe
+te passen. Maar hij deed dat geheel werktuigelijk als iemand, die geen
+bewustzijn heeft van hetgeen hij verricht.
+
+Ziehier de woorden, die door die vier laatste toepassingen van den
+rooster verkregen werden:
+
+
+ tnavijgtad,
+ niesetsre,
+ etehporaa,
+ lksisella.
+
+
+Maar die vier laatste woorden beteekenden evenmin iets als de vorige
+acht.
+
+Sarcany was uitermate verwoed. Hij greep het vel papier, waarop die
+zotklinkende woorden geschreven stonden en die door den rooster
+achtereenvolgens te voorschijn waren gebracht, om het te verscheuren.
+
+Silas Toronthal weerhield hem.
+
+„Kalmte,” zei hij.
+
+„Och,” riep Sarcany uit, „wat is er uit te voeren met dat prul?”
+
+„Schrijf eens al die woorden aan elkander gehecht ter neer,” antwoordde
+de bankier bedaard.
+
+„Waarom?”
+
+„Om te zien.”
+
+Sarcany gehoorzaamde en hij kreeg de aaneenschakeling van de navolgende
+letters:
+
+h h a z r x d i e h k ij l e k n a h f a n o s e ij r a g n o h r o o v
+n a a t s p o n a m n e e s l a n e l l a n e l l u z t d n e z t s e i
+r t n a v ij g t a d n i e s e t s r e e t e h p o r a a l k s i s e l
+l a.
+
+Nauwelijks waren die letters ter neer geschreven, of Silas Toronthal
+rukte het papier onder de handen van Sarcany weg. Hij bekeek het en
+stiet een kreet uit. Hij was het thans, die op zijne beurt de kalmte
+verloor.
+
+Sarcany vroeg zich waarachtig af of de bankier niet plotseling
+krankzinnig was geworden.
+
+„Man, lees dan toch!” riep Silas Toronthal uit, terwijl hij het papier
+aan Sarcany overreikte. „Lees dan toch!”
+
+„Lezen?”
+
+„Ja, lezen!”
+
+„Maar wat dan?”
+
+„Wel, ziet gij dan niet, dat de correspondenten van graaf Mathias
+Sandorf, alvorens hunne woorden met behulp van den rooster saam te
+stellen, den volzin het achterste voor geschreven hebben.”
+
+Sarcany greep ijlings het papier en ziehier wat hij las, toen hij die
+letters, met de laatste te beginnen, ontraadselde.
+
+
+ „Alles is klaar. Op het eerste sein dat gij van Triëst
+ zendt, zullen allen als een man opstaan voor Hongarijes
+ onafhankelijkheid. X r z a h h.”
+
+
+„En die laatste zes letters?” riep hij uit.
+
+„Dat is eene vooraf overeengekomen onderteekening,” antwoordde Silas
+Toronthal.
+
+„Nu hebben wij hen te pakken!....”
+
+„Maar dat kan de politie nog niet zeggen.”
+
+„Dat’s mijne zaak.”
+
+„Zoo?”
+
+„Ja!”
+
+„Maar gij zult zoo geheimzinnig mogelijk te werk gaan?”
+
+„Dat’s mijne zaak,” herhaalde Sarcany voor den tweeden keer. „De
+gouverneur van Triëst alleen zal de namen der twee eerlijke
+vaderlandslievende mannen vernemen, die eene samenzwering tegen
+Oostenrijk in hare geboorte gesmoord zullen hebben!”
+
+Terwijl hij zoo sprak, liet die ellendeling door toon en gebaar
+genoegzaam de bijtende scherts ontwaren, die hem bij het uitbrengen
+dier woorden bezielde.
+
+„Dan zal ik mij dus met niets te bemoeien hebben?” vroeg de bankier
+koel.
+
+„Met niets anders,” antwoordde Sarcany, „dan met het opstrijken van de
+helft der winsten in die zaak.”
+
+„Wanneer?”
+
+„Hoe, wanneer?”
+
+„Wanneer die verdeeling van winsten?”
+
+„Wel wanneer onder de bijl drie hoofden gevallen zullen zijn, die ons
+ieder meer dan een millioen zullen opbrengen.”
+
+Silas Toronthal en Sarcany scheidden. Als zij voordeel wilden trekken
+uit het geheim, hetwelk het toeval hen in handen gespeeld had, door de
+samenzweerders te verraden vóórdat de omwenteling uitgebarsten was, dan
+moesten zij zich haasten.
+
+Sarcany evenwel ging, zooals hij gewoon was te doen, naar de woning van
+Ladislas Zathmar terug. Hij had zijn comptabiliteits-arbeid hervat en
+was daarmede bijna ten einde. Graaf Sandorf zelf zeide hem, terwijl hij
+hem voor zijne betoonde vlijt bedankte, dat hij over acht dagen zijne
+diensten niet meer noodig had.
+
+Volgens Sarcany’s opvatting beduidde dat klaarblijkelijk, dat het sein,
+hetwelk van Triëst verwacht werd, op dat tijdstip aan de voornaamste
+steden van Hongarije zou gegeven worden.
+
+Sarcany ging dus voort om alles, wat in het huis van graaf Ladislas
+Zathmar voorviel, ten nauwkeurigste waar te nemen, zonder evenwel de
+geringste achterdocht op te wekken. Hij was daarenboven gebleken zoo
+vernuftig, zoo met de vrijzinnige denkbeelden ingenomen te zijn, hij
+had een zoo onbewimpelden afkeer aan den dag gelegd, dien hij voor het
+Duitsche ras koesterde, in één woord: hij had zijne komedie zoo goed
+gespeeld, dat graaf Sandorf het voornemen had opgevat hem later,
+wanneer de omwenteling Hongarije vrij zou hebben gemaakt, aan zich te
+verbinden. Tot zelfs Borik was door hem gewonnen en had de
+vooringenomenheid afgelegd, die hij eerst voor dien jongman gekoesterd
+had.
+
+Sarcany was dus zijn doel nabij.
+
+Graaf Sandorf was met zijne twee vrienden overeengekomen, dat het sein
+tot den opstand op den 8sten Juni zou gegeven worden, en die dag was
+daar.
+
+Maar toen was ook het aanbrengingsplan volbracht.
+
+Dien avond overrompelde de politie van Triëst plotseling het huis van
+graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. Graaf Mathias
+Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Bathory, Sarcany zelfs,
+die geen enkel woord van protest liet hooren, en Borik werden gevangen
+genomen, zonder dat iemand iets van het bevel tot inhechtenisneming
+vernomen had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+VOOR, GEDURENDE EN NA DE TERECHTZITTING.
+
+
+Istrië, dat door de tractaten van 1815 aan het
+Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk toegevoegd is geworden, is een
+driehoekig schiereiland, welks landengte het grondvlak over de grootste
+breedte van dien driehoek vormt. Dat schiereiland strekt zich van de
+golf van Triëst af tot de golf van Quarnero uit, en worden langs die
+kust vrij talrijke havenplaatsen aangetroffen. Onder deze kan als de
+voornaamste opgesomd worden, de haven van Pola, die aan de Zuiderpunt
+van bedoeld schiereiland gelegen is.
+
+Die provincie Istrië, vooral wat hare westelijke kusten betreft, is
+zeer Italiaansch, zelfs Venetiaansch gebleven, zoowel door hare
+gebruiken en gewoonten, als door hare taal. Het is waar, dat er het
+Slavonisch element een soort tegenwicht vormt; maar wat zeker is, dat
+is dat het Duitsche element zich er met moeite tusschen die twee rassen
+kan handhaven.
+
+Verscheidene belangrijke steden langs de kust of in het binnenland
+gelegen, schenken leven aan die streek, die door de wateren der
+Adriatische Zee bespoeld wordt. Zoo als daar zijn Capo d’Istria en
+Pirano, welker bevolking bijna uitsluitend de groote
+zoutaanmaakbeddingen bewerkt, die aan de monding der Risano en der
+Corna Lunga gelegen zijn; verder Parenzo, de residentieplaats van de
+vertegenwoordiging van Istrië en van den bisschop; nog verder Rovigno,
+hetwelk zijne rijkdommen uit zijne olijfaanplantingen trekt; eindelijk
+Pola, waar de toeristen de prachtige monumenten van Romeinschen
+oorsprong gaan zien en die bestemd is de meest belangrijke
+oorlogshavenplaats van geheel de Adriatische zee te worden.
+
+Maar geen dezer steden heeft het recht de hoofdplaats van Istrië
+genoemd te worden. Het is eigenlijk Pisino, dat in het midden van den
+bedoelden driehoek gelegen is, dat dien naam draagt, en het was
+daarheen dat de gevangenen na hunne geheime inhechtenisneming gebracht
+werden zonder dat zij er iets van wisten.
+
+Voor de deur van het huis van graaf Ladislas Zathmar stond een
+postrijtuig te wachten. Alle vier stegen in en twee Oostenrijksche
+maréchaussées—van die lieden welke behoorlijk voor de veiligheid in de
+Istrische velden zorgen—namen bij hen plaats. Het was hun dus niet
+geraden om gedurende de geheele reis een enkel woord te wisselen, dat
+gevaarlijk kon zijn; of eenige overeenkomst van gemeenschappelijk
+handelen te bespreken, betreffende hun verschijnen voor den rechter.
+
+Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard, die onder de bevelen
+van een luitenant stonden, reed voor, achter en bij de portieren van
+het rijtuig, dat tien minuten later de stad verlaten had. Wat Borik
+betreft, die was dadelijk naar de gevangenis van Triëst gebracht
+geworden en daar in eene cel, afgezonderd van een ieder opgesloten.
+
+Waar bracht men de gevangenen heen? In welke vesting zou het
+Oostenrijksche gouvernement hen opsluiten, daar het kasteel van Triëst
+daartoe niet genoegzaam scheen? Dat was wel belangrijk voor graaf
+Sandorf en zijne vrienden; maar dat kregen zij niet te weten, welke
+moeite zij daartoe ook aanwendden.
+
+De nacht was donker. Ternauwernood konden de lantaarns van het rijtuig
+den weg verlichten tot bij de eerste rij der ruiters van de bedekking.
+Men reed snel vooruit. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas
+Zathmar hielden zich stil en zwijgend in hunne hoeken. Ook Sarcany
+poogde dat stilzwijgen niet te verbreken, noch om tegen zijne
+inhechtenisneming te protesteeren, noch om te vragen, waarom deze
+geschied was.
+
+Na Triëst verlaten te hebben, veranderde het postrijtuig zoodanig van
+richting, dat het in schuinsche strekking naar de zeekust teruggevoerd
+werd. Graaf Sandorf kon toch te midden van het leven, door de hoeven
+der paarden, door de wielen van het rijtuig, door het geklikklak der
+sabels veroorzaakt, in de verte het gedruisch van de branding op de
+rotsen van het strand vernemen. Eenige lichten schitterden gedurende
+enkele oogenblikken in den nacht, maar verdwenen weer dadelijk. Het was
+een klein vlek, Muggia genaamd, hetwelk het postrijtuig doorgereden had
+zonder halt te houden. Daarna meende graaf Sandorf dat hun weg weer
+landwaarts in voerde.
+
+Te elf uur in den avond, stond het rijtuig stil om te verspannen. Er
+was niets anders te zien dan eene soort hoeve, waar de paarden
+wachtten, geheel en al gereed om aangespannen te worden. Het was de
+gewone pleisterplaats voor de postrijtuigen niet. Men had vermeden, die
+van Capo d’Istria aan te doen.
+
+De bedekking reed weer vooruit. Het rijtuig volgde thans een weg, die
+tusschen wijngaarden door liep, wiens slingerloten zich aan de takken
+der moerbeziënboomen als festoenen vasthechtten. Men bleef steeds in de
+vlakte, hetgeen veroorloofde zeer snel te rijden. De duisternis was des
+te zwarter, daar verscheidene dikke wolken, door een stevigen
+zuidwesten wind voortgejaagd, het geheele uitspansel innamen en
+bedekten. Hoewel de glasramen der portieren van tijd tot tijd
+neergelaten werden om de lucht in het rijtuig eenigszins te
+ververschen,—want de zomernachten zijn zoel in Istrië—zoo was het toch
+onmogelijk iets te kunnen onderscheiden, zelfs binnen zeer beperkten
+straal.
+
+Welke aandacht graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en
+Stephanus Bathory ook inspanden om zich de geringste aanwijzingen, die
+zich onderweg voordeden op te teekenen, zooals de richting van den
+wind, den verloopen tijd sedert hun vertrek, zoo gelukte het hun toch
+niet te weten in welke richting het postrijtuig reed. Men wilde
+ongetwijfeld dat het gerechtelijk onderzoek in deze zaak in het
+grootste geheim en op eene plaats die onbekend voor het volk moest
+blijven, zou geschieden.
+
+Tegen twee uren in den morgen verspande men voor den tweeden keer.
+Evenals bij de eerste verspanning duurde zij ternauwernood vijf
+minuten.
+
+Graaf Sandorf meende in het donker eenige huizen te bespeuren, die een
+groepje aan het uiteinde van een weg vormden en bijgevolg de uiterste
+huizen van een voorstad konden zijn.
+
+Dat was Baja, de hoofdplaats van het district van dien naam, welke op
+ongeveer een twintigtal mijlen van Muggia gelegen is.
+
+Zoodra de versche paarden aangespannen waren, fluisterde de luitenant
+der maréchaussées den postiljon iets in het oor, waarop het postrijtuig
+in galop vertrok.
+
+Tegen half vier zou de dag aanbreken. De gevangenen zouden een uur
+later, door de opkomende zon, zich eenigermate rekenschap hebben kunnen
+geven van de hoofdrichting, die zij tot nu toe gevolgd hadden. Zij
+zouden ten minste kunnen bepalen of zij noord- of zuid-, oost- of
+westwaarts gereden hadden. Maar toen sloten de maréchaussées de
+raamkleppen dicht, zoodat het innerlijke van het rijtuig in diepe
+duisternis gedompeld was.
+
+Noch graaf Sandorf, noch zijne beide vrienden lieten zich eene enkele
+opmerking ontvallen. Er zou toch niet naar geluisterd zijn, dat was
+maar al te zeker. Beter was het dus maar volkomen te berusten en te
+wachten.
+
+Een of een paar uur later—het zou moeilijk geweest zijn den tijd te
+schatten,—hield het rijtuig voor de laatste maal stil en verspande bij
+het vlek Visinada.
+
+Alles wat men van dat punt af kon waarnemen, was dat de weg zeer
+moeilijk werd. Het geschreeuw van den postiljon, het klappen der zweep,
+moedigde de paarden aan, wier hoefijzers op den ongelijken
+steenachtigen bodem van die bergachtige landstreek weerklonken. Eenige
+heuvels, met kleine bosschen overdekt, die een grijsachtig voorkomen
+vertoonden, hadden den gezichtseinder zeer begrensd. De gevangenen
+hadden twee of drie maal de tonen eener fluit kunnen vernemen. Dat
+waren jeugdige herders, die hunne vreemdsoortige melodieën bliezen,
+terwijl zij hunne kudden zwarte geiten hoedden. Maar dat was wel eene
+onvoldoende aanduiding van de landstreek, die men doorreed, en men
+moest zich tevreden stellen met niets te zien.
+
+Het kon zoo ongeveer negen uur in den morgen geweest zijn, toen het
+postrijtuig een geheel anderen gang aannam. Men kon zich daarin niet
+vergissen, het rolde toen snel langs eene helling naar beneden, na
+eerst het hoogste punt van den weg bereikt te hebben. Die snelheid was
+zeer groot, zoodat zelfs de wielen herhaaldelijk geremd moesten worden.
+
+En inderdaad, na eerst in dat geaccidenteerde terrein, hetwelk door den
+berg Major beheerscht wordt, gestegen te zijn, daalde de weg schuins
+naar beneden, toen hij Pisino naderde. Hoewel die stad nog vrij hoog
+boven de oppervlakte der zee verheven is, zoo schijnt zij toch in een
+dal begraven te liggen, wanneer men omliggende hoogten in aanmerking
+neemt. Lang alvorens haar te bereiken, kan men reeds het torentje
+bespeuren, dat boven de groep harer huizen, welke schilderachtig
+amphitheatersgewijs gebouwd zijn, uitsteekt.
+
+Pisino is de districtshoofdplaats en telt eene bevolking van ongeveer
+vijf en twintig duizend zielen. Zij is nagenoeg in het midden van dat
+driehoekig schiereiland gelegen, en de Morlakken, de Slavoniërs van
+verschillende stammen, zelfs de Tsiganen wemelen in die stad, vooral
+tegen het tijdstip der jaarmarkten, wanneer een aanzienlijke handel
+gedreven wordt.
+
+Als oude stad heeft de hoofdplaats van Istrië haar feodaal karakter
+behouden. Dat komt vooral in haar versterkt kasteel uit, hetwelk eenige
+nieuwere militaire etablissementen, waarin de administratieve bureaux
+van het Oostenrijksche Gouvernement gevestigd zijn, beheerscht.
+
+Het was op de binnenplaats van dat kasteel, dat het postrijtuig op den
+9den Juni des voormiddags te tien uren ongeveer, na eene reis van ruim
+vijftien uren, stilstond. Graaf Sandorf met zijne beide makkers, alsook
+Sarcany moesten toen uitstijgen. Eenige oogenblikken later waren zij
+ieder afzonderlijk gekerkerd in de gewelfde vertrekken van dat gebouw,
+welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een
+groote trap opgeklommen te zijn.
+
+Het was de geheime opsluiting in hare volle gestrengheid.
+
+Hoewel zij hoegenaamd geene gemeenschap met elkander hadden en zij
+derhalve niet van gedachten wisselen konden, zoo hadden Mathias
+Sandorf, Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory slechts één denkbeeld,
+hetwelk hun brein martelde: Hoe was het geheim der samenzwering ontdekt
+geworden?
+
+Was ’t het toeval, dat de politie op het spoor gebracht had?
+
+Maar niets had naar buiten kunnen uitlekken! Geen briefwisseling had
+meer plaats tusschen Triëst en de voornaamste steden van Hongarije en
+Transsylvanië.
+
+Was er dus verraad in het spel?
+
+Maar wie was dan de verrader?
+
+Nooit was eene vertrouwelijke mededeeling aan wien ook gedaan geworden!
+
+Onmogelijk had eenig papier in de handen van een spion kunnen vallen!
+
+Alle documenten waren steeds vernietigd. En al had men ook het huis in
+de Acquedottolaan in alle hoeken en gaten doorzocht, al had men het ook
+het onderste boven gekeerd, dan zou men niets verdachts gevonden
+hebben!
+
+En dat was zelfs gebeurd. De politieagenten hadden gezocht, gezocht,
+maar niets anders gevonden dan den rooster, die door graaf Zathmar niet
+vernietigd was, want het kon toch mogelijk zijn, dat hij nog zou moeten
+dienen. Ongelukkiglijk zou die rooster als overtuigingsbewijs opgenomen
+worden, waarvan het gebruik onmogelijk anders verklaard kon worden, dan
+dat hij gebezigd werd voor eene geheime briefwisseling.
+
+De lezer weet, wat de gevangenen nog niet wisten, dat alleen op het
+afschrift van het briefje, hetwelk Sarcany in medeplichtigheid met
+Silas Toronthal aan den gouverneur van Triëst ter hand gesteld had, na
+er eerst de duidelijke beteekenis bijgevoegd te hebben, de
+inhechtenisneming geschied was. Dat was evenwel voldoende om daarop
+eene beschuldiging van complot tegen de veiligheid van den Staat te
+grondvesten. Meer was dus niet noodig om graaf Sandorf en zijne
+vrienden voor eene afzonderlijke rechtbank, voor een krijgsraad te
+brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen.
+
+Er bestond evenwel een verrader en die was niet verre. Door zich,
+zonder een woord te zeggen, in hechtenis te laten nemen, door zich
+zelfs te laten veroordeelen, natuurlijk met de nevengedachte om later
+wel gratie te verwerven, ontkwam die verrader aan iedere achterdocht.
+Dat was Sarcany’s spel en hij speelde die komedie met al den ernst en
+de koelbloedigheid die hij bij alles aan den dag legde.
+
+Daarenboven graaf Sandorf, die door dien schurk bedrogen was—en wie ter
+wereld zou het niet geweest zijn in zijne plaats?—was besloten om alles
+aan te wenden, om hem buiten het geding te houden. Het zou hem niet
+moeilijk vallen, zoo dacht hij, te bewijzen, dat Sarcany geen deel aan
+de samenzwering genomen had, dat hij slechts een eenvoudig comptabel
+was, die eerst kort geleden toegang tot het huis van Ladislas Zathmar
+verkregen had en slechts belast was geweest met de personeele zaken van
+den graaf, die in geen verband hoegenaamd met de samenzwering stonden.
+Als het noodig zou zijn, zou hij Silas Toronthal als getuige oproepen,
+om de onschuld van den jongen man te bewijzen. Hij twijfelde er dan ook
+niet aan, of Sarcany zou wel worden vrijgesproken, zoowel wat aangaat
+de hoofdbeschuldiging als van die der medeplichtigheid, in het geval
+dat men er toe geraken mocht eene ernstige beschuldiging in te stellen,
+hetgeen hem nog niet geloofbaar voorkwam.
+
+Alles wel beschouwd, kon het Oostenrijksche gouvernement, behalve de
+complotmakers van Triëst, onmogelijk iets van de samenzwering weten.
+Hunne deelgenooten in Hongarije en Transsylvanië waren geheel onbekend.
+Er bestond geen enkel spoor van hunne medeplichtigheid. Mathias
+Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hadden dus dienaangaande
+geene zorgen te koesteren.
+
+Wat hen betreft, zij waren vast besloten alles te loochenen, zoolang
+hun geen daadwerkelijk bewijs werd voorgehouden. In dat geval zouden
+zij weten hun leven op te offeren. Anderen zouden den een of anderen
+dag de mislukte beweging hervatten. De onafhankelijkheidszaak zou later
+wel weer nieuwe aanvoerders vinden. Zij zouden, wanneer zij overtuigd
+werden, hunne gevoelens en hun hoop belijden. Zij zouden het doel
+aanwijzen, hetwelk zij beoogden, een doel dat den een of anderen dag
+bereikt zou worden. Zij zouden zelfs de moeite niet nemen zich te
+verdedigen, zij zouden slechts de partij, die zij verloren hadden,
+ridderlijk en edelaardig betalen.
+
+Het was niet zonder reden, dat graaf Sandorf en zijne vrienden
+vermeenden, dat de werkkring der politie in deze zaak zeer beperkt was.
+Te Buda, te Pest, te Klausenburg, in één woord: in al de steden waarin
+de beweging zou hebben kunnen losbarsten, wanneer het signaal daartoe
+van Triëst gegeven ware, hadden agenten de sporen van het complot
+opgezocht, maar te vergeefs. Daarom had het gouvernement de
+inhechtenisstelling der drie Triëster opperhoofden zoo geheimzinnig
+doen ten uitvoer leggen. Dat zij in de kasematten van het versterkt
+kasteel te Pisino gekerkerd waren, dat men niet wilde dat iets van die
+zaak ruchtbaar werd, vóórdat zij een eindbeslag had, had zijn grond
+daarin, dat men hoopte dat de een of andere omstandigheid de stellers
+van het briefje in geheimschrift, hetwelk naar de hoofdplaats van
+Istrië verzonden was, maar waarvan men de herkomst niet kende, aan het
+licht zoude brengen.
+
+Die hoop werd niet verwezenlijkt. Het verwachte sein kwam niet, het zou
+niet komen. De beweging was geremd, voorshands althans. Het
+Oostenrijksch gouvernement moest zich vergenoegen met graaf Sandorf en
+zijne medeplichtigen onder de beschuldiging van hoogverraad jegens den
+Staat te doen terechtstaan.
+
+Die nasporingen hadden evenwel verscheidene dagen gevorderd. Het was
+dan ook eerst tegen den 20en Juni, dat de instructie der zaak begon,
+door de beschuldigden te verhooren. Zij werden zelfs niet met elkander
+geconfronteerd en zij zouden elkander slechts voor hunne rechters
+weerzien.
+
+Het gouvernement had aan een krijgsraad de opdracht gedaan, om de
+opperhoofden der Triëster samenzwering te berechten. Men weet hoe
+beknopt en oppervlakkig de instructie eener zaak gevoerd wordt, wanneer
+zij aan de beslissing van zulk een buitengewoon rechtslichaam
+onderworpen wordt; hoe snel de debatten geleid worden, met hoeveel
+overhaasting het vonnis uitgesproken en ten uitvoer gelegd wordt.
+
+Zoo geschiedde het ook bij deze gelegenheid.
+
+Den 25en Juni vergaderde de krijgsraad in een der lage zalen van het
+versterkt kasteel te Pisino en dienzelfden dag verschenen de
+beschuldigden voor die militaire rechtbank.
+
+De debatten zouden noch lang, noch belangrijk wezen, want geen enkel
+voorval zou hen kenmerken.
+
+De krijgsraad nam zitting tegen negen uur des morgens. Graaf Sandorf,
+graaf Zathmar, professor Bathory en Sarcany zagen elkander toen voor de
+eerste maal sedert hunne inhechtenisneming weer. De handdruk dien graaf
+Sandorf met zijne vrienden op de bank der beschuldigden wisselde, was
+als eene nieuwe betuiging, een nieuwe overeenkomst betreffende de
+gevoelens, die hen verbond. Een gebaar van graaf Ladislas Zathmar en
+van Stephanus Bathory deed graaf Sandorf begrijpen, dat zij hem de taak
+overlieten om voor den raad het woord te voeren. Noch hij, noch de
+anderen hadden den dienst van een verdediger willen aannemen. Wat graaf
+Sandorf tot heden gedaan had, was wèl gedaan. Wat hij noodig oordeelde
+tot de rechters te zeggen, zou wèl gezegd zijn.
+
+De zitting was publiek, in dien zin opgenomen, dat de deuren van de
+raadkamer openstonden. Weinige personen evenwel waren tegenwoordig;
+want de zaak was niet naar buiten uitgelekt. Hoogstens waren een
+twintigtal personen aanwezig, die nog tot den dienst van het kasteel
+behoorden.
+
+De identiteit der beschuldigden werd vooraf geconstateerd. Graaf
+Sandorf vroeg daarop aan den voorzitter van den krijgsraad den naam van
+de plaats, waarheen hij en zijne makkers gevoerd waren om terecht te
+staan; maar op die vraag kreeg hij geen antwoord.
+
+De identiteit van Sarcany werd ook gesteld, maar deze sprak geen woord,
+waardoor hij te kennen kon geven, dat hij zijne zaak van die der andere
+beschuldigden wenschte af te scheiden.
+
+Alsnu werd mededeeling van het afschrift van het briefje, dat zoo
+verraderlijk aan de politie overgeleverd werd, aan de beschuldigden
+gedaan.
+
+Toen de auditeur militair hen deed afvragen of zij bekenden het
+origineele van dat briefje, waarvan het afschrift hun vertoond werd,
+ontvangen te hebben, antwoordden zij dat het de plicht der
+beschuldigers was daarvan het bewijs te leveren.
+
+Na dat antwoord vertoonde men hen den rooster, die in de kamer van
+graaf Ladislas Zathmar gevonden was.
+
+Noch graaf Sandorf noch zijne metgezellen konden ontkennen dat die
+rooster in hun bezit geweest was. Zij poogden dat zelfs niet. Er viel
+tegenover dat feitelijk bewijs niets te antwoorden. Daar de toepassing
+van dien rooster het lezen van dat briefje in geheimschrift mogelijk
+maakte, werd daaruit de gevolgtrekking gemaakt, dat dit briefje door de
+beschuldigden behoorlijk ontvangen was.
+
+Toen vernamen dezen eerst hoe de samenzwering ontdekt was en op welken
+grondslag de beschuldiging rustte.
+
+Van dit oogenblik af werden de vragen en antwoorden uiterst helder en
+duidelijk van weerskanten gedaan en gegeven.
+
+Graaf Sandorf kon niet meer ontkennen. Hij sprak dus in naam van
+zichzelven en van zijne beide vrienden. Eene beweging was door hen
+voorbereid, waardoor de scheiding tusschen Hongarije en Oostenrijk
+teweeg zou gebracht worden, waarna de zelfregeering van het koninkrijk
+der oude Magyaren hersteld zoude geworden zijn. Zonder hunne
+terechtstelling zou de beweging reeds uitgebroken zijn en Hongarije zou
+zijne onafhankelijkheid reeds herwonnen hebben. Mathias Sandorf maakte
+zich als opperhoofd der samenzwering bekend en wees zijnen
+medebeschuldigden slechts eene ondergeschikte rol toe. Maar deze
+protesteerden tegen de woorden van den graaf en eischten met de eer ook
+het gevaar op èn van de medeplichtigheid in de samenzwering èn van het
+samengaan naar het schavot.
+
+Het debat kon nu niet lang meer zijn. Toen daarenboven de voorzitter
+van den krijgsraad de beschuldigden over hunne medeplichtigen buiten
+Triëst ondervroeg, weigerden zij te antwoorden.
+
+Geen naam werd genoemd en zou dat ook niet worden.
+
+„Gij hebt onze drie hoofden in uw macht,” antwoordde graaf Mathias
+Sandorf op kalmen en eenvoudigen toon, „weest daarmede tevreden.”
+
+Drie hoofden slechts.... want graaf Sandorf stelde zich toen tot taak
+om de onschuld van Sarcany aan het daglicht te doen treden. Hij
+verhaalde hoe hij den jongen man als comptabel op aanbeveling van den
+bankier Silas Toronthal ten huize van graaf Ladislas Zathmar had in
+dienst gesteld.
+
+Sarcany kon dat beweren van graaf Sandorf slechts bevestigen. Hij wist
+niets van de samenzwering. Hij was wel het meeste verbaasd geweest,
+toen hij vernam dat daar in dat stille huis in de Acquedottolaan een
+complot tegen de veiligheid van den Staat gesmeed werd. Dat hij niet
+bij zijne inhechtenisneming geprotesteerd had, kwam alleen daarvandaan,
+dat hij niet begrepen had, wat er gaande was.
+
+Noch graaf Sandorf, noch hij ondervonden moeilijkheden bij het
+vaststellen van dien staat van zaken, en het mag wel waarschijnlijk
+geacht worden, dat de krijgsraad dienaangaande reeds een vooraf
+gevestigde meening bezat. Op het advies van den auditeur militair werd
+dan ook de beschuldiging, tegen Sarcany ingebracht, ingetrokken en van
+verdere vervolging afgezien.
+
+Tegen twee uren in den namiddag waren de debatten afgeloopen en werd in
+dezelfde zitting het vonnis geslagen.
+
+Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus
+Bathory werden, als overtuigd van hoogverraad jegens den Staat, ter
+dood veroordeeld.
+
+De veroordeelden zouden op de binnenplaats van de vesting zelve
+doodgeschoten worden.
+
+Het vonnis zou binnen twee maal vier en twintig uur voltrokken worden.
+
+Sarcany werd vrijgesproken, maar hij zou naar de gevangenis
+teruggevoerd worden, tot de bekrachtiging van zijn vonnis van
+vrijlating, hetgeen denzelfden dag van de terechtstelling der drie
+schuldigen zou geschieden.
+
+Hetzelfde vonnis sprak ook de verbeurdverklaring der goederen van de
+drie veroordeelden uit.
+
+Daarop werd bevel gegeven om graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas
+Zathmar en professor Stephanus Bathory naar hunnen kerker terug te
+voeren.
+
+Sarcany werd in de cel teruggebracht, die hij betrokken had aan het
+uiteinde van een elliptische gang, die op de tweede verdieping van den
+vestingtoren gelegen was.
+
+Graaf Sandorf en zijne beide vrienden werden gedurende de laatste uren,
+die zij nog te leven hadden, ingekerkerd in eene vrij ruime cel, die op
+dezelfde verdieping aan het uiteinde van de groote as van bedoelde
+ellips, welke door de gang beschreven werd, gelegen was. Ditmaal was
+het bevel tot afzondering opgeheven. De veroordeelden zouden bij
+elkander blijven totdat het oogenblik van sterven gekomen zou zijn.
+
+Toen zij eindelijk alleen gelaten waren, was dat een troost, ja, zelfs
+een vreugde voor hen. Toen konden zij zich vrijelijk overgeven aan
+hunne gemoedsaandoeningen; toen konden zij hunne gevoelens vrij den
+teugel laten vieren. In tegenwoordigheid hunner rechters hadden zij
+zich weten te bedwingen; de terugwerking deed zich thans evenwel gelden
+en daar zonder getuigen openden zij de armen voor elkander en klemden
+elkander aan hunne mannelijke borst.
+
+„Vrienden,” sprak graaf Sandorf, „ik zal de schuld van uwen dood zijn!
+Maar ik onthoud mij er u vergiffenis voor te vragen! Het gold
+Hongarije’s onafhankelijkheid! Onze zaak was eene rechtvaardige zaak!
+Het was onze plicht voor hare verdediging op te treden! Het zal eene
+eer zijn het leven voor haar te laten!”
+
+„Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory, „wij bedanken u integendeel,
+dat ge ons deel hebt laten nemen aan dat vaderlandslievende werk, dat
+de kroon op geheel ons leven zal stellen...”
+
+„Wij zullen elkanders deelgenooten tot in den dood zijn!” antwoordde
+graaf Zathmar koelbloedig.
+
+Daarna bekeken de drie vrienden, na een poos van stilzwijgen, de akelig
+sombere cel, waarin zij hunne laatste levensuren zouden doorbrengen.
+Een smal venster, dat in de dikke muren van den vestingtoren op eene
+hoogte van vier of vijf voeten ingesneden was, verschafte ternauwernood
+genoegzaam daglicht. Zij bevatte drie ijzeren ledikanten, eenige
+stoelen, eene tafel en eenige muurtafeltjes, die aan de wanden
+vastgeklonken waren en waarop allerlei voorwerpen stonden.
+
+Terwijl Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory zich natuurlijk genoeg
+aan hunne sombere overpeinzingen overgaven, wandelde graaf Mathias
+Sandorf de cel op en neer.
+
+Ladislas Zathmar, die zich alleen ter wereld bevond, had niet veel te
+beweenen. Slechts één persoon op deze aarde zou om hem treuren en dat
+was zijn knecht Borik.
+
+Zoo was het niet met Stephanus Bathory gesteld. Zijn dood trof niet hem
+slechts. Hij had eene vrouw en een zoon, die door dien slag ook
+getroffen zouden worden. Die dierbare wezens zouden er door geschokt
+worden, konden er van sterven! En... wanneer zij hem overleefden, welk
+bestaan wachtte hen dan! Welke toekomst voor die onbemiddelde vrouw met
+een kind van ternauwernood acht jaren oud! Wanneer bovendien Stephanus
+Bathory eenig vermogen bezeten had, wat zou daarvan dan nog aan haar,
+na een vonnis, hetwelk de verbeurdverklaring van al de goederen der
+drie ter dood veroordeelden uitsprak, verbleven zijn?
+
+Wat graaf Sandorf betrof, het was zijn geheel verleden, hetwelk hem
+voor den geest trad! Het was zijne vrouw, wier beeld hij steeds in zijn
+hart omdroeg! Het was zijn dochtertje, een kind van twee jaren, hetwelk
+aan de goede zorgen van den intendant achtergelaten was, en wien thans
+de taak toeviel om haar op te voeden! Het waren zijne vrienden, die hij
+in het ongeluk gesleept had! Hij vroeg zich af, of hij wel goed
+gehandeld had, of hij niet verder gegaan was dan de plicht jegens het
+vaderland gebood, nu de straf verder reikte, nu zij onschuldigen trof!
+
+„Neen!... neen!... ik heb mijn plicht slechts gedaan!” herhaalde hij
+voortdurend bij zich zelven. „Neen!... het vaderland voor alles, boven
+alles!”
+
+Een gevangenbewaarder trad tegen vijf uren de cel binnen, zette het
+eten voor de drie veroordeelden op de tafel neer en ging weer heen
+zonder een enkel woord gesproken te hebben. Mathias Sandorf evenwel had
+wel willen weten, waar hij zich bevond, hoe de vesting heette, waarin
+hij opgesloten was. Maar op de vraag, die hij daaromtrent aan den
+voorzitter van den krijgsraad gedaan had, had deze gemeend niet te
+moeten antwoorden en voorzeker zou de gevangenbewaarder, daartoe door
+een bevel genoodzaakt, wel evenmin geantwoord hebben.
+
+De drie veroordeelden raakten het eten, dat hun voorgediend was,
+ternauwernood aan. Zij brachten den dag door met over allerhande zaken
+te praten, over de hoop dat de verijdelde omwenteling den een of
+anderen tijd hervat zoude worden. Toen kwamen zij herhaaldelijk op de
+bijzonderheden der zaak terug.
+
+„Wij weten thans,” zei graaf Ladislas Zathmar, „waarom wij gevangen
+genomen zijn en hoe de politie alles door dat briefje, hetwelk haar in
+handen is gevallen, te weten is gekomen”.
+
+„Ongetwijfeld, Ladislas,” antwoordde graaf Sandorf, „maar in wiens
+handen is dat briefje, een der laatsten, die wij ontvangen hebben, toch
+gevallen en door wien is er afschrift van genomen?”
+
+„En hoe is, nadat het briefje bemachtigd was, de rooster gevonden, om
+dat briefje te kunnen ontraadselen?” sprak Stephanus Bathory op zijne
+beurt.
+
+„Die rooster moet ons dus, al was het maar voor een oogenblik,
+ontstolen zijn,” zei graaf Sandorf.
+
+„Ontstolen!... Door wien?” vroeg Ladislas Zathmar. „Op den dag onzer
+gevangenneming lag hij nog in de lade van de schrijflessenaar op mijne
+slaapkamer. Daar hebben hem toch de politieagenten gevonden, niet
+waar?”
+
+Het was inderdaad onverklaarbaar. Dat het briefje aan den hals van de
+reisduif, die het overbracht, gevonden was, dat er nauwkeurig afschrift
+van was gemaakt, alvorens naar zijne bestemming doorgezonden te zijn,
+dat het huis van bestemming ontdekt was, dat alles kon en moest
+aangenomen worden. Maar dat de letters van het geheimschrift op hunne
+ware plaats hadden kunnen hersteld worden, zonder het instrumentje
+waarmede het tot stand gebracht was, dat was onverklaarbaar, dat was
+onbegrijpelijk.
+
+„En toch is dat briefje ontraadseld en gelezen geworden,” hernam graaf
+Sandorf, „daaromtrent zijn wij zeker, niet waar? En het is niet zonder
+den rooster kunnen ontcijferd worden! Het is dat briefje, hetwelk de
+politie op het spoor van het complot gebracht heeft en het is op dat
+briefje alleen, dat de geheele beschuldiging gegrondvest is!”
+
+„Och, wat kan het ons toch schelen!” antwoordde Stephanus Bathory.
+
+„O! het kan ons integendeel veel schelen!” riep graaf Sandorf uit. „Wij
+zijn misschien verraden geworden! En als er een verrader in het spel
+is, dan.... is het zaak.... te....”
+
+Graaf Sandorf stokte. Sarcany’s naam kwam hem voor den geest. Maar hij
+verbande die gedachte ver, zeer ver, zonder haar zelfs aan zijne
+vrienden mede te deelen.
+
+Mathias Sandorf en zijne twee vrienden gingen zoo voort met praten over
+dat onverklaarbare in die zaak en zoo werd het langzamerhand laat in
+den nacht.
+
+Zij werden den volgenden morgen uit een vrij diepen slaap gewekt, door
+het binnenkomen van den gevangenbewaarder. Het was de morgen van hun
+voorlaatsten dag. De terechtstelling was op vier en twintig uren later
+bepaald.
+
+Stephanus Bathory vroeg aan den gevangenbewaarder of het hem geoorloofd
+zoude zijn, zijn gezin te zien.
+
+De gevangenbewaarder antwoordde, dat hij dienaangaande geene bevelen
+had. Het was evenwel niet waarschijnlijk, dat het Oostenrijksch
+gouvernement den veroordeelden die laatste vertroosting zou toestaan.
+De geheele zaak was toch tot op den dag van het vonnis zoo geheim
+mogelijk gehouden geworden. Zelfs de naam van de vesting, die den
+veroordeelden tot gevangenis diende, was geheim gebleven.
+
+„Kunnen wij ten minste schrijven, en zullen onze brieven hunne
+bestemming bereiken?” vroeg graaf Sandorf.
+
+„Ik zal u papier, pen en inkt geven,” antwoordde de gevangenbewaarder,
+„en ik beloof u, uwe brieven aan den gouverneur ter hand te zullen
+stellen.”
+
+„Wij danken u, vriend,” antwoordde graaf Sandorf, „voor hetgeen gij
+doen wilt en wat gij alleen doen kunt! Wij kunnen u niet voor uwe
+moeite beloonen; maar....”
+
+„Uw dank is voor mij genoeg, heeren,” hernam de gevangenbewaarder, die
+zijne ontroering niet kon verbergen.
+
+Die brave man bracht dadelijk het noodige schrijfgereedschap. De
+veroordeelden brachten een gedeelte van den dag door met het nemen
+hunner laatste beschikkingen. Van den kant van graaf Sandorf waren het
+de meest gemoedelijke raadgevingen voor zijn dochtertje, dat als wees
+zou achterblijven, welke uit het hart eens vaders konden opwellen. Van
+den kant van Stephanus Bathory waren het de vurigste
+liefdesbetuigingen, die deze in zijn laatst vaarwel aan zijne
+echtgenoote en aan zijn zoon deed vernemen. Van den kant van Ladislas
+Zathmar waren het innige aanhankelijkheidsbewijzen, die een heer voor
+zijn ouden knecht, voor zijn laatsten vriend kon koesteren.
+
+Maar hoe afgetrokken waren zij niet dien dag, hoe herhaaldelijk hadden
+de gevangenen de ooren niet gespitst! Hoe menigmaal poogden zij niet te
+ontwaren, of er geen ver gedruisch door de lange gangen van den
+vestingtoren tot hen doordrong. Hoe menigmaal scheen het hun niet, dat
+de deur van die cel zou opengaan en dat het hun veroorloofd zou zijn
+voor de laatste maal eene gade, eene dochter, een zoon te omarmen! Dat
+zou eene vertroosting geweest zijn. Maar, in waarheid, was het niet
+beter dat een wreed onvermurwbaar verbod, dat laatste vaarwel, hetgeen
+zoo hartverscheurend zoude zijn, belette?
+
+De deur ging niet open. Ongetwijfeld wisten noch mevrouw Bathory, noch
+haar zoon, noch de intendant Lendek, aan wien het dochtertje van graaf
+Mathias Sandorf toevertrouwd was, waarheen de gevangenen na hunne
+inhechtenisneming overgebracht waren, evenmin als Borik, die nog steeds
+in de gevangenis te Triëst opgesloten zat. Allen wisten ongetwijfeld
+ook niet, welk vonnis over de hoofden der samenzwering uitgesproken
+was. De veroordeelden, zoo was bepaald, zouden hunne dierbaren vóór de
+ten uitvoerlegging van het vonnis niet wederzien.
+
+De eerste uren van dien dag snelden zoo voorbij. Soms praatten Mathias
+Sandorf en zijne beide vrienden te zamen. Soms ook vervielen zij in een
+langdurig stilzwijgen en waren zij in zichzelven gekeerd. In die
+oogenblikken gleed alles met eene schrikkelijke, bovennatuurlijke
+nauwkeurigheid in het geheugen voorbij. Het was alsdan niet in het
+verledene dat zij terugtraden. Alles wat de herinnering in het brein
+terugriep, ontplooide zich in den vorm van het tegenwoordige. Was dat
+als een voorgevoel van de eeuwigheid, die zich opende van dien
+onbegrijpelijken en onmetelijken toestand, dien men het oneindige
+noemt?
+
+Intusschen, terwijl Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar zich zoo
+zonder stoornis aan hunne overpeinzingen overgaven, werd het brein van
+Mathias Sandorf onweerstaanbaar beheerscht door eene gedachte, die er
+als het ware post in had gevat. Hij twijfelde er niet aan, of in die
+geheimzinnige zaak had het verraad zijne treurige rol vervuld. Nu was
+voor een man van zijn karakter, sterven zonder den verrader, wie hij
+ook zijn mocht, gestraft te hebben, zonder zelfs te weten wie de
+verrader was, als het ware tweemaal sterven. Wie had dat briefje,
+waaraan de politie de ontdekking van de samenzwering en de
+inhechtenisneming der hoofdschuldigen te danken had, bemachtigd? Wie
+had de middelen ontdekt om het te kunnen lezen? Wie had het aan de
+politie overgeleverd, verkocht wellicht?.... Tegenover dat onoplosbaar
+vraagstuk waren de opgewonden hersenen van graaf Sandorf ten prooi aan
+eene soort koorts.
+
+Terwijl zijne vrienden dan ook schreven of daar stilzwijgend ter neer
+zaten en zich onbeweeglijk hielden, liep hij onrustig langs de muren
+der cel als een wild dier in zijne kooi op en neer.
+
+Een zonderling maar volkomen door de wetten der geluidsleer
+verklaarbaar natuurverschijnsel, zou hem het geheim mededeelen, juist
+toen hij wanhopen moest het ooit te vernemen.
+
+Verscheidene malen had graaf Sandorf stilgestaan bij den hoek van het
+vertrek, die door den binnenmuur gevormd werd met den buitenmuur van de
+gang, waarop de verschillende cellen van deze verdieping van den
+vestingtoren uitkwamen. In dien hoek, in welks nabijheid de deur
+aangebracht was, meende hij een gemurmel gehoord te hebben als van
+verwijderde stemmen, dat nog niet verstaanbaar was. Eerst sloeg hij er
+geen acht op, maar.... plotseling hoorde hij een naam uitspreken....
+den zijnen.... en dat deed hem het oor spitsen.
+
+Klaarblijkelijk werd daar hetzelfde natuurverschijnsel te voorschijn
+geroepen, gelijk aan dat, hetwelk onder boogvormige gangen of onder
+gewelven met ellipsvormige constructie waargenomen wordt. De stem, die
+van een der zijden van de ellips uitgaat, doet zich na den omtrek der
+muren gevolgd te hebben in het andere brandpunt vernemen, zonder op
+hare baan ergens waarneembaar te zijn geweest. Zulk een
+natuurverschijnsel wordt in de onderaardsche gewelven van het Panthéon
+te Parijs, in de binnenruimte van den koepel van de Sint Pieterskerk te
+Rome, in de „whispering gallery” de weerklinkende galerij van de Sint
+Paulskerk te Londen waargenomen. Onder dergelijke omstandigheden wordt
+het geringste woord, zelfs wanneer het fluisterend uitgesproken wordt,
+duidelijk verstaan in het tegenovergestelde brandpunt.
+
+Er viel hier niet aan te twijfelen. Twee of meer personen praatten,
+hetzij in de gang, hetzij in een der cellen aan het einde van zijn
+doorsnede gelegen, en het brandpunt bevond zich bij de deur van de cel,
+waarin Mathias Sandorf opgesloten was.
+
+Met een enkel gebaar riep hij zijne makkers tot zich. En daar stonden
+zij alle drie met gespitste ooren te luisteren.
+
+Brokstukken van volzinnen bereikten hun oor zeer duidelijk. De
+volzinnen werden afgebroken, wanneer de sprekers zich, al was het ook
+nog maar zoo weinig, van het brandpunt verwijderden, dat wil zeggen van
+dat punt, waarvan de ligging het natuurverschijnsel deed geboren
+worden.
+
+En ziehier de woorden, die zij met herhaalde tusschenpoozen opvingen:
+
+...............................................................
+
+„Morgen na de terechtstelling zult ge vrij zijn................
+...............................................................
+
+„En dan zullen de goederen van graaf Sandorf, eerlijk verdeeld.
+...............................................................
+
+„Zonder mij zoudt ge dat briefje niet hebben kunnen ontraadselen.
+...............................................................
+
+„En zonder mij, die het aan den hals van de postduif gevonden heb,
+zoudt gij het nooit in handen gekregen hebben..................
+...............................................................
+
+„Hoe het ook zij, niemand kan eenige verdenking koesteren, dat wij de
+politie........................................................
+...............................................................
+
+„En als de veroordeelden nu ook al eenige achterdocht..........
+...............................................................
+
+„Noch bloedverwanten, noch vrienden kunnen meer tot hen
+doordringen....................................................
+...............................................................
+
+„Tot morgen, Sarcany”..........................................
+
+„Tot morgen, Silas Toronthal!”.................................
+...............................................................
+
+Daarna zwegen de stemmen en het geluid eener deur die toesloeg, werd
+vernomen.
+
+„Sarcany!.... Silas Toronthal!....” riep graaf Sandorf uit. „Zij!....
+Zij zijn het!”
+
+Hij werd doodsbleek en keek zijne vrienden met een van verbijstering
+glinsterend oog aan. Zijn hart had een oogenblik opgehouden met
+kloppen. Zijne oogleden stonden wijd opengespalkt, zijn hals was stijf
+en zijn hoofd was tusschen zijne schouders teruggedrongen. Alles duidde
+er op, dat die geestkrachtvolle natuur door een schrikkelijken toorn
+beroerd werd.
+
+„Zij!.... De ellendelingen!....” herhaalde hij woest brullende.
+
+Hij richtte eindelijk zijne gebogen gestalte op en keek rond, terwijl
+hij de cel met groote passen op en neer liep.
+
+„Vluchten!.... Vluchten!” riep hij uit. „Wij moeten vluchten!”
+
+En die man, die enkele minuten vroeger gereed was om weinige uren later
+den dood manmoedig tegemoet te treden, die man, die er zelfs niet aan
+gedacht had om den beul zijn hoofd te betwisten, die man had thans
+slechts ééne gedachte: leven, om die twee verraders Silas Toronthal en
+Sarcany te straffen!
+
+„Ja, ons wreken!” riepen Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar uit.
+
+„Ons wreken? Neen!.... Gerechtigheid uitoefenen!”
+
+Het geheele karakter van graaf Sandorf lag in die woorden opgesloten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+DE VESTINGTOREN VAN PISINO.
+
+
+De vesting Pisino is een van de meest merkwaardige van die stevige
+gebouwen, welke in de middeleeuwen verrezen. Zij ziet er zeer goed uit
+met haar feodaal uiterlijk. Er ontbreken slechts ridders in die
+gewelfde zalen, slechts edelvrouwen, met bonte japonnen gekleed en
+getooid met puntmutsen, aan de ogiefvormige vensterramen, slechts
+boogschutters op de transen van de gecreneleerde muren, in de
+schietgaten van de vooruitspringende gedeelten, bij de Spaansche
+ruiters, die de ophaalbruggen moeten verdedigen. Het kunstwerk van
+steen is nog onaangetast; maar de vestinggouverneur met zijn
+Oostenrijksch uniform, de soldaten met hunne moderne tenue, de
+gevangenbewaarders en de sleuteldragers, die niets meer vertoonen van
+dat costuum uit den ouden tijd, half geel, half rood, die allen geven
+een valschen toon aan te midden van die prachtige overblijfselen van
+een ander tijdvak.
+
+Het was uit den toren van die vesting, dat graaf Sandorf zich vermeette
+te willen ontvluchten en dat nog wel gedurende de laatste uren, die de
+terechtstelling voorafgingen. Dwaze poging voorzeker, daar de
+gevangenen niet eens wisten, welke vesting hen tot kerker diende, daar
+zij niets van het omgelegen land kenden, waardoor zij toch na hunne
+ontvluchting heen moesten trekken.
+
+O, wellicht kon het voor een geluk gelden, dat zij niets van die
+omgeving wisten. Beter onderricht, zouden zij misschien voor de
+moeilijkheden, om niet te spreken van de onmogelijkheid van zulk eene
+onderneming teruggedeinsd zijn.
+
+Niet dat deze Istrische provincie geene voordeelige kansen voor eene
+ontsnapping zou aanbieden, dewijl iedere richting, door de
+vluchtelingen genomen, naar een punt van hare kuststreek zou voeren en
+dat binnen weinige uren. Ook niet dat de straten van de stad Pisino zoo
+streng zouden bewaakt zijn, dat men bij de eerste stappen gevaar zou
+loopen gevat te worden. Neen; maar ontsnappen uit die vesting,
+voornamelijk uit den toren, door de gevangenen bewoond, dat was tot
+heden als volstrekt onmogelijk beschouwd geworden. Het denkbeeld
+daarvan kon zelfs niet opkomen.
+
+Ziehier inderdaad de toestand en het uiterlijk voorkomen van dien toren
+in de vesting Pisino.
+
+Die toren beslaat eene zijde van een bergplat, alwaar de stad
+plotseling als het ware eindigt. Wanneer men op den ringmuur van dat
+plat leunt, dan boort de blik in een breede en diepe kolk, waarvan de
+steile wanden niet eens bedekt zijn met lange afhangende lianen. Niets
+steekt van dien loodrechten rotsmuur uit. Geen enkele trede om naar
+boven te klimmen of om naar beneden te dalen. Geen portaal om er even
+halt te houden. Geen enkel standpunt, waar ook. Niets dan grillige
+uitschuringen, niets dan gladde onzekere streepen, die de schuinsche
+ligging der rotslagen aangeven. In één woord is het een afgrond, die
+aantrekt, die meesleept en niets teruggeeft van hetgeen er in mocht
+vallen.
+
+Het was boven dezen afgrond dat een der zijmuren zich verhief. In dien
+muur waren eenige vensters ingesneden, die de cellen op de
+verschillende verdiepingen moesten verlichten. Wanneer een gevangene
+zich door een van die openingen voorover gebogen had, dan zou hij vol
+afgrijzen achteruit gedeinsd zijn, tenzij duizelingen hem in de diepte
+zouden hebben doen storten! En wanneer hij viel, wat dan? Of het
+lichaam zou op de rotsen van den bodem te pletter storten, òf het zou
+door den bergvloed medegevoerd worden, wiens stroom onweerstaanbaar is
+in het tijdperk van hoog water.
+
+Die afgrond, dat is de Buco, zoo als hij in dat land genoemd wordt. Hij
+dient tot afleiding van het overtollige water van eene rivier, die
+Foïba heet. Die rivier erlangt slechts toegang door eene onderaardsche
+spelonk, die zij zich zelve langzamerhand door de rotsmassa’s uitgehold
+heeft, en waarin zij zich met de kracht van een waterval stort. Waar
+stroomt zij dan heen, terwijl zij onder de stad doorgaat? Dat weet men
+niet. Waar verschijnt zij weer? Dat weet men evenmin. Niemand kent de
+lengte noch de hoogte van die spelonk, die in de krijtsteen- en
+leisteenlagen uitgeschuurd is. Wie kan zeggen of de stroom daaronder
+zich niet met geweld breekt op scherpe kanten, op puntige hoeken, of
+hij niet gestuit wordt door een woud van pilaren, die het kolossale
+gevaarte der vesting en ook de geheele stad schragen? Koene
+onderzoekers hadden beproefd de Foïba af te zakken in een tijdperk, dat
+de middelbare waterstand gedoogde een licht vaartuig te gebruiken, maar
+de laagte van het rotsgewelf had hen een onoverkomelijke hinderpaal in
+den weg gesteld. In werkelijkheid wist men niets omtrent den toestand
+van die onderaardsche rivier. Misschien verloor zij zich wel in eene
+aardspleet, die onder de oppervlakte van de Adriatische zee uitkwam.
+
+Dat was de Buco, welks bestaan graaf Sandorf zelfs niet giste. Daar nu
+eene ontsnapping niet anders kon geschieden dan door het eenige raam
+zijner cel, hetwelk boven de Buco openging, zoo was het voor hem even
+zeker den dood tegemoet te gaan, als wanneer hij zich was komen
+plaatsen voor het peloton soldaten, dat hem moest doodschieten.
+
+Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory wachtten slechts het gunstige
+oogenblik af om te handelen. Zij waren bereid te blijven, wanneer het
+noodig was; zij waren bereid zich op te offeren om graaf Sandorf te
+hulp te komen; zij waren bereid hem te volgen, wanneer hunne vlucht de
+zijne niet kon benadeelen.
+
+„Alle drie zullen wij vluchten,” zei graaf Mathias Sandorf, „hoewel het
+wellicht noodig zal worden om ons te scheiden, wanneer wij eenmaal
+buiten gekomen zullen zijn.”
+
+Het was reeds avond en op den kerktoren sloeg het reeds acht uur. De
+veroordeelden hadden nog slechts twaalf uren te leven.
+
+De nacht viel in en zooals men opmerken kon, zou hij zeer donker zijn.
+Dikke wolken, die bijna onbewegelijk bleven, bedekten het uitspansel.
+De lucht was zwaar, zij maakte de ademhaling moeilijk en was met
+electriciteit bezwangerd. Een hevig onweder was in aantocht. Wel
+schoten de bliksemstralen nog niet door de ruimte, nog niet door die
+dikke dampen, die daar als zoovele accumulatoren aanwezig waren; maar
+het gerommel van den donder liet zich reeds heel in de verte vernemen
+en werd langs de bergtoppen van de hoogten, die Pisino omgeven,
+overgebracht.
+
+Eene ontsnapping, onder die omstandigheden ondernomen, zou dus eenige
+kansen van welslagen hebben kunnen aanbieden, wanneer niet een
+bedriegelijke afgrond onder de voeten der vluchtelingen geweest ware.
+De nacht zou zwart zijn, men zou derhalve niet gezien worden. Bij het
+geraas van den donder zou men niet gehoord worden.
+
+Zooals graaf Sandorf reeds dadelijk erkend had, zou de vlucht mogelijk
+zijn door het venster van de cel. De deur open te breken, of die
+stevige bladen van eikenhout, die daarenboven geheel met ijzer beslagen
+waren, aan te tasten, daaraan kon zelfs niet gedacht worden.
+Buitendien, de stap van een schildwacht weerklonk op de vloersteenen
+van de gang. En gesteld dat men buiten de celdeur geraakte, hoe zou men
+den weg vinden in de doolgangen van de vesting? Hoe zou men de poort
+uit, de valbrug over komen? Die zouden toch wel door posten soldaten
+bewaakt zijn! Aan den kant van den Buco was ten minste geen schildwacht
+te bespeuren. Maar de Buco bewaakte die zijde van den vestingtoren
+beter dan een geheele keten schildwachten.
+
+Graaf Sandorf onderzocht dus in de eerste plaats, of het venster ruimte
+genoeg aanbood, om hen doortocht te verleenen.
+
+Dat raam meette ongeveer drie en een halve voet hoogte op twee voet
+breedte. Het verliep trechtersgewijze door den muur, welks dikte op dit
+punt op vier voet geschat kon worden. Een stevig kruis van ijzer
+verdedigde den toegang. Dat was in den steen dicht bij de binnenopening
+geklonken. Er waren geen houten schuttingen of koekoeken aangebracht,
+die het licht slechts van boven laten binnenvallen. Die zouden onnoodig
+geweest zijn, daar de schikking van de opening den blik belette in den
+afgrond van de Buco te dringen. Wanneer men er dus in slaagde dat
+ijzeren kruis uit te rukken of van zijne plaats te wringen, dan zou het
+gemakkelijk zijn zich door dat raam te laten glijden, dat veel geleek
+op een schietgat van de vesting.
+
+Maar, als men eenmaal uit dat raam geklommen was, hoe zou men dan
+buiten naar omlaag dalen langs den loodrechten muur? Eene ladder? Ja,
+die bezaten de gevangenen niet; ook konden zij die niet vervaardigen.
+Hunne beddelakens gebruiken? Zij hadden niets dan dikke wollen dekens,
+die hunne matrassen op de ijzeren kribben dekten, welke laatsten
+daarenboven in de wanden van de cel vastgeklonken waren. Het zou dus
+bepaald onmogelijk zijn door het venster te ontsnappen, wanneer graaf
+Sandorf niet eene ketting of beter een ijzeren kabel opgemerkt had, die
+buiten hing en de ontsnapping kon vergemakkelijken.
+
+Die kabel was de bliksemafleider, die op den daknok bevestigd was boven
+de zijflank van den vestingtoren, maar die zich boven den Buco
+loodrecht verhief.
+
+„Gij ziet dien kabel,” zei graaf Sandorf tot zijne vrienden. „Daarvan
+zullen wij ons bedienen om te ontsnappen. Maar daartoe behoort moed!”
+
+„O, moed bezitten wij,” antwoordde graaf Ladislas Zathmar. „Maar zullen
+wij de kracht hebben?”
+
+„Om het even!” sprak Stephanus Bathory. „Als de krachten te kort
+schieten, zullen wij slechts eenige uren vroeger sterven. Dat is
+alles!”
+
+„Wij moeten niet sterven, Stephanus,” antwoordde graaf Sandorf.
+„Luister goed en gij ook, Ladislas, laat geen enkel mijner woorden u
+ontgaan. Wanneer wij een touw bezaten, dan zouden wij geen oogenblik
+aarzelen om het buiten het venster te hangen om ons daarlangs tot op
+den bodem te laten afglijden. Nu is die ijzeren kabel beter dan een
+touw; door zijne onbuigzaamheid zal hij de afdaling zeer
+vergemakkelijken. Evenals alle bliksemafleiders zal hij met ijzeren
+haken aan den gevelmuur bevestigd zijn. Die haken zullen steunpunten
+vormen, waarop onze voeten zullen kunnen rusten. Wij zullen geene
+slingeringen te vreezen hebben, daar de kabel aan den muur bevestigd
+is. Wij zullen geen duizelingen kunnen ondervinden, daar het nacht is
+en wij dus niets zullen kunnen zien. Derhalve, wanneer wij slechts
+buiten dat venster geraken, dan met koelbloedigheid en met moed kunnen
+wij de vrijheid herwinnen. Dat wij ons leven wagen, is zeer goed
+mogelijk. Maar al bestonden slechts tien kansen op honderd, dan nog...
+daar wij honderd kansen op honderd zullen hebben om te sterven, wanneer
+de gevangenbewaarders ons morgen ochtend in deze cel terugvinden.”
+
+„Dat is zoo,” antwoordde Ladislas Zathmar.
+
+„Waar komt die ketting terecht?” vroeg Stephanus Bathory.
+
+„In den een of anderen put waarschijnlijk; maar zeker buiten den
+vestingtoren,” antwoordde graaf Sandorf. „En meer hebben wij niet
+noodig. Ik wil niets anders weten of begrijpen, dan dat daar aan het
+uiteinde van dien ketting de vrijheid voor ons waarschijnlijk te vinden
+is.”
+
+Graaf Sandorf vergiste zich niet, toen hij beweerde, dat die
+bliksemafleider van afstand tot afstand met ijzeren haken aan den muur
+bevestigd was. Dat veroorzaakte eene groote gemakkelijkheid om af te
+dalen, daar de vluchtelingen die haken als de treden eener ladder
+konden bezigen, die hen tegen te snel afglijden behoeden moesten. Maar,
+wat zij niet wisten en ook niet weten konden, dat was dat die kabel, na
+den rand van het bergplat bereikt te hebben, langs den muur van den
+vestingtoren vrij en onbedwongen in de ruimte afdaalde en zijn uiteinde
+de wateren der Foïba beroerden, die toen door de laatste regens zeer
+gezwollen waren. Daar waar zij onder in dien afgrond rekenen konden den
+vasten bodem te bereiken, daar was slechts een bergstroom, die zich
+onstuimig in de spelonk van den Buco stortte. Maar al hadden zij dat
+ook geweten, zouden zij dan nog wel teruggedeinsd hebben voor hunne
+poging tot ontsnapping?
+
+Voorzeker neen!
+
+„Hier sterven of straks daar ginds!” sprak graaf Mathias Sandorf. „Als
+wij sterven moeten, dan zullen wij ten minste alles gedaan hebben om
+het leven te redden!”
+
+Maar eerst moest men dat ijzeren kruis in de doorgang van het venster
+opruimen. Dat moest uitgebroken worden. Zou dit mogelijk zijn zonder
+breekijzer, zonder koevoet, zonder eenig gereedschap? De gevangenen
+bezaten zelfs geen mes.
+
+„Het overige zal slechts moeilijk zijn,” zei graaf Mathias Sandorf,
+„maar dit is wellicht het onmogelijke! Kom, mede aan den arbeid!”
+
+Toen hij dat gezegd had, heesch graaf Sandorf zich tot aan het venster,
+greep den ijzeren kruisrooster met de hand en voelde dat wellicht geen
+al te groote krachtsinspanning noodig zou zijn, om hem uit te rukken.
+
+De ijzeren stangen, waaruit hij bestond, bewogen zich inderdaad
+eenigermate in hare sponningen. De steen was bij de hoeken gebarsten en
+kon dus slechts een middelmatigen tegenstand bieden. Zeer
+waarschijnlijk was de geleiding van den bliksemafleider, voordat hij
+zekere herstellingen ondergaan had, niet zeer volmaakt geweest.
+Mogelijk was het geweest dat vonken van het electrische vuur, door dien
+ijzeren rooster aangetrokken, den muur zelven aangetast hadden en men
+weet dat de kracht van dat vuur om zoo te zeggen onbegrensd is. Vandaar
+die barsten en breuken bij de sponningen, waarin het uiteinde der
+ijzeren staven rustte. De steen was daar verteerd, vergaan en in
+sponsachtigen staat, alsof hij door de electriciteit met millioenen
+gaatjes doorboord ware.
+
+Professor Stephanus Bathory gaf in weinige woorden den uitleg van dat
+verschijnsel, onmiddellijk nadat hij het waargenomen had.
+
+Maar het gold thans niet te oreeren, te doceeren of te leeraren; men
+moest zonder aarzelen aan het werk. Geen oogenblik mocht verloren
+worden. Wanneer men, na de hoeken van de sponningen te hebben
+uitgebroken, de uiteinden van die staven kon losmaken, dan zou het
+waarschijnlijk gemakkelijk zijn den rooster tot aan de
+buitenoppervlakte van den muur te dringen, dewijl de vensteropening van
+binnen naar buiten waaiersgewijze verliep. Men zou hem dan naar buiten
+in den afgrond kunnen laten vallen. Het geluid van dien val zou door
+het hevige geratel van den donder overstemd en bijgevolg niet gehoord
+worden. De onweerswolk was nader gekomen en reeds rolden de
+donderslagen en plantten zich onverpoosd en zonder ophouden in de
+lagere luchtlagen voort.
+
+„Wij kunnen dien steen toch niet met onze handen verbrijzelen,” zei
+graaf Ladislas Zathmar.
+
+„Neen!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij zouden een stuk ijzer, een lem
+of zoo iets moeten hebben...”
+
+Dat was inderdaad noodig. Hoe vergaan de steen in de nabijheid der
+sponningen ook was, de nagels zouden toch daarbij te kort geschoten
+zijn, de vingers zouden, bij de poging om hem tot stof te wrijven, zich
+te vergeefs bloedig verwond hebben. Men zou niet slagen zonder
+werktuig, al ware het ook maar een spijker.
+
+Graaf Sandorf keek rondom zich bij het zwakke schijnsel, hetwelk van
+uit de gang, die zelf spaarzaam verlicht was, in de cel door eene
+kleine opening, boven de deur aangebracht, drong. Hij betastte de muren
+met beide handen. Het kon toch zijn, dat men ergens een spijker
+ingeklopt had. Hij vond echter niets.
+
+Toen kreeg hij een inval. Hij bedacht dat het wellicht niet onmogelijk
+was een der pooten van de ijzeren kribben, die in den wand
+vastgeklonken waren, los te wringen. Alle drie gingen aan het werk en
+weldra brak Stephanus Bathory den arbeid af en riep zijne makkers met
+zachte stem tot zich.
+
+Een klinknagel van een der ijzeren strooken, die, onderling behoorlijk
+gekruist en verbonden, de kriblagen vormden, was losgemaakt. Het was nu
+voldoende die strook bij het uiteinde, dat thans vrij was, te grijpen
+en haar herhaalde malen heen en weer te buigen om den anderen
+klinknagel te doen losspringen.
+
+Dat was in een ommezien geschied. Graaf Sandorf bezat toen een ijzeren
+band van vijf duim lang en een duim breed, dien hij bij het uiteinde
+met zijn halsdas omwikkelde. Daarna kwam hij bij het venster terug en
+begon den steen bij de sponningen los te breken.
+
+Dat kon niet geheel en al zonder gedruisch geschieden. Gelukkig werd
+dat overstemd door het geratel van den donder. Hield dat soms bij
+tusschenpoozen op, dan staakte graaf Sandorf zijn arbeid om hem daarna
+dadelijk weer te hervatten. Het werk vorderde flink. Stephanus Bathory
+en Ladislas Zathmar hadden bij de deur post gevat, teneinde graaf
+Sandorf te waarschuwen om den arbeid te staken, wanneer de schildwacht
+de deur der cel naderbij trad.
+
+Plotseling ontsnapte een zacht „chut”... aan de lippen van Ladislas
+Zathmar, waarop de arbeid dadelijk ophield.
+
+„Wat is er?” vroeg Stephanus Bathory.
+
+„Luister,” antwoordde Ladislas.
+
+Hij had juist het oor bij den rand van de ellipsoïdale helling gehouden
+en andermaal werd het acoustieke verschijnsel vernomen, dat den
+gevangenen bekend had gemaakt met het geheime verraad, ten hunnen
+opzichte gepleegd.
+
+Ziehier de afgebroken volzinnen, die bij korte tusschenpoozen nog
+opgevangen konden worden:
+
+„Morgen... in vrijheid... gesteld...”
+...............................................................
+
+„Ja... wanneer het bevel tot invrijheidstelling zal ontvangen zijn...”
+...............................................................
+
+„... Na de terechtstelling... Daarna... ga ik mijn makker Zirone
+opzoeken, die mij op Sicilië wacht...”
+...............................................................
+
+„Gij zult niet lang gezeten hebben in den vestingtoren van...”
+...............................................................
+
+Het was klaarblijkelijk Sarcany, die met een gevangenbewaarder praatte.
+Eene bijzonderheid: Sarcany had den naam van een zekeren Zirone
+genoemd, die in deze geheele zaak gemengd moest zijn. Graaf Mathias
+Sandorf onthield dien naam.
+
+Ongelukkig bereikte het laatste woord, waarvan de kennisname voor de
+gevangenen zoo nuttig ware geweest, hun oor niet. Bij het einde van den
+volzin, kraakte een geweldige donderslag en terwijl de electrische
+stroom de geleiding van den bliksemafleider volgde ontsnapten
+vuurstralen en vuurpluimen uit den ijzeren band, die graaf Sandorf in
+de hand hield. Zonder den zijden halsdas, die het metaal omwikkelde,
+zou de graaf door den stroom getroffen zijn.
+
+Het laatste woord alzoo, de naam van die vesting, was door het
+ontzaglijk geraas van den donder verloren gegaan. De gevangenen hadden
+dien naam niet kunnen vernemen. En toch, wat zou de kennis in welke
+vesting zij opgesloten zaten, door welke streek zij vluchten moesten,
+de kansen hunner ontsnapping, die onder zoo moeilijke omstandigheden
+ondernomen moest worden, niet hebben vermeerderd!
+
+Graaf Sandorf had den arbeid ijverig hervat. Van de vier sponningen
+waren er reeds drie zoodanig uitgebroken, dat de uiteinden der ijzeren
+staven uitgelicht konden worden. De vierde werd door het vuur der
+bliksemstralen, die het hemelruim onophoudelijk verlichtten aangetast.
+
+De arbeid was tegen half elf uur geëindigd.
+
+De ijzeren vensterrooster was geheel en al uit de sponningen losgemaakt
+en kon door de vensterruimte in den muur naar buiten geschoven worden.
+Men had thans slechts te duwen, om hem te doen vallen. Dit werd
+verricht, toen Ladislas Zathmar waargenomen had, dat de schildwacht
+zich bij zijn heen en weer wandelen naar het uiteinde van de gang
+begeven had.
+
+Door een forschen stoot bewogen, buitelde de rooster en verdween.
+
+Dit geschiedde in een oogenblik, toen de donder en het windgehuil
+zwegen. Graaf Sandorf luisterde om het geluid te vernemen, dat dit
+zware lichaam bij zijn val en zijn neerkomen op den grond zou maken.
+
+Maar hij hoorde niets.
+
+„De vestingtoren zal waarschijnlijk op een hooge rots gebouwd zijn, die
+het dal beheerscht,” merkte Stephanus Bathory op.
+
+„Och, wat kan ons de hoogte schelen!” antwoordde graaf Sandorf.
+„Ongetwijfeld reikt de ketting van den bliksemafleider tot aan den
+grond. Langs dien zullen wij den bodem wel bereiken, zonder gevaar te
+loopen van te vallen.”
+
+Dat was in het algemeen gesproken eene volkomen juiste redeneering, die
+evenwel in het gegeven geval valsch was; want het uiteinde van den
+bliksemafleider bereikte niet den bodem, maar de wateren van de Foïba.
+
+Toen men met het venster klaar was, was het oogenblik om te vluchten
+daar.
+
+„Vrienden,” zei Mathias Sandorf. „Ziehier hoe wij het moeten aanleggen.
+Ik ben de jongste en ik geloof de krachtigste. Ik moet dus het eerst
+pogen langs dien kabel naar beneden te komen. Voor het geval dat zich
+een of andere hinderpaal voordoet, dan zal ik wellicht de kracht hebben
+om mij weer naar boven tot bij het venster te hijschen. Twee minuten
+later laat gij, Stephanus, u naar beneden glijden om u bij mij te
+voegen. Weer twee minuten later moet gij, Ladislas, denzelfden weg
+volgen. Als wij alle drie aan den voet van den vestingtoren vereenigd
+zijn, zullen wij naar omstandigheden moeten handelen.”
+
+„Wij gehoorzamen u, Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory. „Wij zullen
+uitvoeren wat gij bevelen zult; wij zullen gaan waarheen gij ons zeggen
+zult onze schreden te wenden. Maar wij willen niet dat uw deel van het
+gevaar groot er zal zijn dan het onze....”
+
+„Ons leven is het uwe niet waard!” vulde graaf Ladislas Zathmar aan.
+
+„Voor de rechtspleging, die wij te voltrekken hebben, heeft ons leven
+gelijke waarde!” antwoordde graaf Sandorf. „Wanneer een onzer ontsnapt,
+dan moet die de uitvoerder van de gerechtigheid zijn. Kom vrienden,
+vrienden, laten wij elkander omhelzen.”
+
+De drie mannen omarmden elkander innig en het scheen dat zij eene
+groote geestkracht uit die omhelzing geput hadden.
+
+Toen kroop graaf Sandorf, terwijl Ladislas Zathmar bij de deur der cel
+op post stond om tegen onraad te waarschuwen, door de vensteropening
+die in den muur uitgesneden was. Een oogenblik later was hij buiten en
+hing hij in het ijle. Toen liet hij zich zakken, terwijl hij met de
+knieën den ketting van den bliksemafleider omklemde. Hij verplaatste
+daarbij beurtelings de eene hand onder de andere, terwijl hij met de
+voeten de haken zocht, waarmede de geleider vastgemaakt was, om daarop
+te steunen.
+
+Het onweder woedde toen in zijn volle kracht. Het regende niet, maar de
+wind stormde met ongehoord geweld. De eene bliksemstraal wachtte niet
+totdat de voorgaande in het hemelruim verdwenen was. Hare zigzaggen
+kruisten elkander boven den vestingtoren, die haar door zijne eenzame
+ligging op die hoogte aantrok. De punt van den bliksemafleider
+schitterde met een witachtig licht, dat er door den electrischen stroom
+als eene pluim opgehoopt werd, terwijl de stang schudde onder het
+geweld van den wind.
+
+Men begrijpt welk gevaar er in gelegen was, aan dien geleidketting te
+hangen, waarlangs de electrische stroom voortdurend afvloeide om zich
+in de wateren van den Buco te verliezen. Wanneer het toestel in goeden
+staat geweest ware, dan was er geen gevaar om getroffen te worden; want
+de volmaakte geleidbaarheid van het metaal vergeleken met die van het
+menschelijk lichaam, die veel minder is, zou den koenen waaghals, die
+aan den kabel hing, beveiligen; maar was de punt van den
+bliksemafleider hoe gering ook afgestompt, was er eene breuk hoe klein
+ook in den kabel, waardoor de stroom verbroken werd, dan was een
+ongeluk mogelijk, dan kwamen de twee stroomingen, de negatieve en de
+positieve te zamen, zelfs zonder dat de bliksem op den geleider
+insloeg, alleen door de spanning van den stroom, die in het gebrekkige
+toestel opgehoopt werd.
+
+Zoo werd in 1793 Richeman door eene electrische vonk van de dikte eener
+vuist gedood, hoewel hij zich op eenigen afstand van den
+bliksemafleider bevond, waarvan hij het geleidvermogen verbroken had.
+
+Graaf Sandorf was zeer goed bekend met het gevaar, waaraan hij zich
+blootstelde, maar een gevoel krachtiger dan dat van zelfbehoud deed hem
+alles trotseeren. Hij daalde langzaam en voorzichtig te midden van de
+electrische afstrooming, die hem geheel en al omgaf. Zijn voet zocht
+langs den muur iederen haak en rustte daarop een poos. Dan poogde hij,
+wanneer een bliksemstraal den afgrond, die onder hem gaapte,
+verlichtte, er de diepte van te peilen. Maar steeds te vergeefs.
+
+Toen Mathias Sandorf zoo een zestig voeten, sedert hij het venster der
+cel verlaten had, gedaald was, voelde hij een veiliger steunpunt onder
+den voet. Dat was een soort banket, slechts weinige duimen breed,
+hetwelk buiten den voet van den muur uitstak. De bliksemafleider
+eindigde daar ter plaatse niet, hij daalde lager, en in waarheid,—wat
+de vluchteling nog niet weten kon,—van dat punt af golfde de ketting in
+de lucht, nu eens langs den loodrechten rotswand, dan weer slingerde
+hij in het ijle en klotste daarbij tegen eenige der uitstekende deelen,
+die boven den afgrond hingen.
+
+Graaf Sandorf hield halt om even adem te scheppen. Zijne beide voeten
+steunden op het smalle boord van het banket; met zijne handen hield hij
+steeds den ijzeren kabel vast. Hij begreep dat hij de bovenlaag van het
+fondament van den vestingtoren bereikt had. Maar van welke hoogte
+beheerschte dit het beneden-dal? Dat was door hem niet te schatten.
+
+„Dat moet diep zijn,” dacht hij.
+
+Inderdaad, groote vogels, verschrikt en verblind door de schelheid der
+bliksemstralen, vlogen met angstigen wiekslag rondom hem en doken in de
+diepte, in stede van hare vlucht opwaarts te richten. De gevolgtrekking
+daarvan was duidelijk. Er was daar een afgrond onder zijne voeten.
+
+In dit oogenblik vernam hij eenig gerucht aan het boveneinde van den
+ijzeren kabel. Bij de vluchtige verlichting door eene bliksemstraal,
+zag graaf Sandorf eene onduidelijke massa, die zich van den muur
+afscheidde.
+
+Het was Stephanus Bathory, die het venster der cel uitschoof en zich
+langzaam liet afglijden, om zich bij Mathias Sandorf te voegen. Deze
+wachtte hem af, terwijl hij de voeten stevig op het steenen uitsteeksel
+gesteund hield. Daar moest Stephanus Bathory op zijn beurt halt houden,
+terwijl zijn makker de reis naar beneden verder zou vervolgen.
+
+Binnen weinige oogenblikken waren zij bij elkander, waarbij zij op het
+banket rustten.
+
+Zoodra het gerommel van den donder een poos ophield, konden zij spreken
+en elkander verstaan.
+
+„En Ladislas?” vroeg graaf Sandorf.
+
+„Die zal over eene minuut hier zijn.”
+
+„Is er geen onraad boven?”
+
+„Neen.”
+
+„Goed. Ik ga plaats voor Ladislas maken. En gij, Stephanus, gij zult
+hier wachten tot dat hij u bereikt heeft.”
+
+„Dat ’s afgesproken.”
+
+Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen beiden in dit oogenblik. Zij
+gevoelden zich alsof de electrische stroom, langs het ijzer vloeiende,
+tot in hunne spieren gedrongen was en meenden door den bliksem
+getroffen te zijn.
+
+„Mathias!.... Mathias!....” riep Stephanus onder den indruk van een
+onnoemelijken en onoverwinnelijken angst uit.
+
+„Kalmte en koelbloedigheid!” antwoordde graaf Sandorf.... „Ik ga verder
+afdalen.... en gij moet mij volgen!”
+
+Reeds had hij den kabel gegrepen, om zich tot aan den eersten haak naar
+onderen te laten afglijden. Daar wilde hij wachten tot dat zijn makker
+ook de reis aanvaard had.
+
+Plotseling werden kreten boven in den vestingtoren vernomen. Zij
+schenen van den kant van het venster der cel te komen. Duidelijk
+weerklonken de woorden:
+
+„Vlucht! Redt u!”
+
+Het was de stem van Ladislas Zathmar.
+
+Terstond daarop spoot als het ware een helder licht uit den muur en
+werd gevolgd door eene kort afgebroken losbranding zonder echo. Het was
+ditmaal niet de gehakkelde lijn van eene bliksemschicht, die zich op
+het zwart kleed van den nacht voordeed. Het was geen electrische vonk,
+die geknetterd had. Het was een geweerschot, dat ongetwijfeld op goed
+geluk af door het eene of andere schietgat van den vestingtoren gelost
+was. Of het een signaal voor de gevangenbewaarders of wel een kogel,
+bestemd voor de vluchtelingen was, om het even, de vlucht was thans
+ontdekt.
+
+Een schildwacht, die eenig gerucht meende te hooren, had inderdaad om
+hulp geroepen, waarop vijf of zes gevangenbewaarders de cel
+binnengestormd waren. Het ontbreken van twee gevangenen was natuurlijk
+dadelijk ontdekt. De toestand van het venster duidde genoegzaam aan,
+dat zij slechts langs dien weg hadden kunnen ontsnappen. Het was toen
+dat Ladislas Zathmar vóórdat men dit had kunnen beletten, zich buiten
+de vensteropening voorover gebogen en den alarmkreet uitgestooten had.
+
+„De ongelukkige!” riep Stephanus Bathory uit. „Moeten wij hem
+achterlaten?.... Mathias!.... Zeg.... achterlaten?”
+
+Een tweede geweerschot werd gelost en ditmaal vermengde zich de
+losbranding met het rollen van den donder.
+
+„God zij hem genadig!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij moeten
+vluchten.... al ware het maar om hem te wreken!.... Kom Stephanus,
+kom!”
+
+Het was meer dan tijd. Ook andere vensters van de benedenverdieping van
+den vestingtoren werden geopend. Nieuwe losbrandingen verlichtten hen.
+Ook hoorde men luidruchtige stemmen. Het waren misschien
+gevangenbewaarders, die langs het banket, hetwelk den voet van den
+vestingtoren omgaf, voortschrijdende, den weg voor de vluchtelingen
+konden afsnijden! Zij konden ook waarschijnlijk getroffen worden door
+geweerschoten, die uit andere gedeelten der vesting gelost werden!
+
+„Kom!” riep graaf Sandorf voor de laatste maal.
+
+En hij liet zich afglijden langs den kabel, die daarop dadelijk door
+Stephanus Bathory gegrepen werd.
+
+Toen eerst bemerkten beiden, dat die kabel onder het banket in het
+ledige, in het ijle slingerde. Er bestonden geen rustpunten, geen haken
+meer, die den kabel vasthechtten. Beiden slingerden met dien ketting
+mede, die hun de handen verwondde. Zij daalden, zij omklemden den kabel
+met de knieën, maar waren onmachtig hunne snelheid te temperen, terwijl
+in dat vreeselijke oogenblik hun de geweerkogels langs de ooren floten.
+
+Zoo daalden, neen stortten zij binnen een minuut ruim tachtig voeten
+naar beneden. Zij vroegen zich af, of die afgrond, waarin zij als het
+ware vielen, bodemloos was. Het geloei van stormachtig opgezweepte
+wateren bereikte hun gehoor. Toen begrepen zij dat de geleidketting van
+den bliksemafleider in den een of anderen bergstroom eindigde. Maar....
+om het even.... de dood daar boven, de dood hier beneden.... dan was de
+laatste voor de rampzaligen het meest verkieselijk.
+
+Een vreeselijke bliksemstraal verscheurde in dit oogenblik te midden
+van eene machtige electrische verlichting de wolken. Hoewel de stang
+boven op den vestingtoren niet middellijk door den electrischen stroom
+getroffen was, zoo was de spanning van dien stroom, die zich
+voortdurend langs den ketting ontlastte, zoodanig, dat zij de schalmen
+bij haren overgang wit gloeiend maakte, zooals met een platina draad
+geschiedt onder de ontlading van eene electrische batterij.
+
+Stephanus Bathory stiet een kreet van smart uit en liet de handen los.
+
+Mathias Sandorf zag hem voorbij zich vallen, waarbij zij elkander
+schier aanraakten. De ongelukkige had de armen uitgestrekt.
+
+Op zijn beurt moest ook hij den kabel, die hem de handen verschroeide,
+loslaten. Hij viel van eene hoogte van ruim veertig voeten in den
+bergstroom van Foïba, in dien onbekenden afgrond van den Buco.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+DE BERGSTROOM VAN FOÏBA.
+
+
+Het was ongeveer elf uren in den nacht. De onweerswolken begonnen zich
+in hevige stortregens op te lossen. De regen werd vermengd met dikke
+hagelsteenen, die de oppervlakte der Foïba mitrailleerden en op de
+naburige rotsen kletterden.
+
+De geweerschoten, die uit de schietgaten gelost werden, waren gestaakt.
+Waarom zooveel kogels, zooveel lood jegens de vluchtelingen te
+verspillen? De Foïba zou slechts lijken weergeven, wanneer zij althans
+iets weergaf!
+
+Nauwelijks was graaf Mathias Sandorf in den bergstroom gestort en onder
+de oppervlakte geschoten, toen hij zich plotseling meegesleept
+gevoelde. Van uit het schitterende licht, waarmede de electrische
+losbarsting den afgrond vervuld had, was hij overgegaan in den
+zwartsten nacht. Het geloei der wateren had het geratel van den donder
+vervangen. De ondoordringbare spelonk liet van buiten, noch geluid,
+noch licht, noch iets bespeuren.
+
+„Help....”
+
+Opeens werd die kreet vernomen! Het was Stephanus Bathory, die hem
+geslaakt had. De kilheid van het water had hem tot het leven
+teruggeroepen; maar hij kon zich niet aan de oppervlakte handhaven. Hij
+zou zeker verdronken zijn, wanneer hem niet een stevige hand gegrepen
+had op het oogenblik, dat hij ging verdwijnen.
+
+„Ik ben hier.... Stephanus!.... Houd moed!”
+
+Graaf Sandorf ondersteunde zijn makker met de eene hand, terwijl hij
+met de andere zwom.
+
+De toestand was zeer kritiek. Stephanus Bathory kon ter nauwernood
+zijne ledematen bewegen, verlamd als zij waren door den doorgang van
+den electrischen stroom. Voelde hij ook al de brandwonden aan zijne
+handen in de koude wateren niet, toch kon hij door die verlamming er
+zich niet van bedienen. Als graaf Sandorf hem slechts een oogenblik
+losgelaten had, zou hij onmiddellijk gezonken zijn. En toch had de
+graaf genoeg met zich zelven te stellen.
+
+Dan nog verkeerde men in volslagen onzekerheid omtrent de richting, die
+deze bergstroom volgde. In welke streek kwam hij uit? In welke rivier,
+of in welke zee zou hij uitmonden? Wanneer Mathias Sandorf ook al
+geweten had, dat die bergstroom de Foïba was, dan nog was zijn toestand
+even wanhopig geweest, dewijl niemand weet waar zijne wateren blijven,
+waarin hij zich uitstort. Men had gesloten flesschen bij den ingang van
+de spelonk in de Foïba geworpen, en nimmer waren zij ergens in een der
+wateren van het Istrische schiereiland te voorschijn getreden. Het kon
+zijn, dat zij onderweg gebroken waren bij dien onderaardschen doorgang,
+maar het kon ook zijn, dat die watermassa hen medegesleept had in de
+een of andere spleet van de aardkorst.
+
+De vluchtelingen werden intusschen met groote snelheid medegevoerd. Dit
+was eene omstandigheid, die het hun gemakkelijk maakte om aan de
+oppervlakte te blijven. Stephanus Bathory had zijn bewustzijn verloren.
+Hij was als een machteloos lichaam in de handen van graaf Sandorf. Deze
+kampte voor twee, maar hij gevoelde dat hij weldra uitgeput geraakte.
+Bij de gevaren om tegen de een of andere vooruitstekende rotspunt,
+hetzij van de wanden, hetzij hangende van het verwulf te stooten, kwam
+nog een ander, dat veel grooter genoemd moest worden. Dat was van in
+een dier draaikolken te geraken, die veroorzaakt werden door de
+veelvuldige tegenstroomingen, welke daar gevormd worden, waar een wand
+plotseling afbrak of een vooruitstekend stuk de regelmatige strooming
+verstoorde. Twintig malen voelde Mathias zich met zijn makker in een
+van die vloeibare zuigers opgenomen, die hem door hunne ronddraaiende
+beweging evenals een maalstroom tot zich trokken. Zij werden dan door
+een rondgaande beweging vervoerd en eindelijk naar den buitenrand van
+de kolk geworpen, zoo als met een steen uit een slinger zou geschieden,
+en konden er niet uitkomen dan door een tegenstroom geholpen.
+
+Zoo verliep onder die omstandigheden een half uur, waarin de dood hen
+iedere minuut, iedere seconde aangrijnsde. Mathias Sandorf, met eene
+bovenmenschelijke geestkracht begaafd, had nog geen oogenblik van
+zwakte ondervonden. Het was, alles goed beschouwd, gelukkig, dat zijn
+makker nagenoeg bewusteloos was. Als het gevoel van zelfbehoud wakker
+ware geweest, dan zou hij gesparteld hebben. Dan zou er gestreden
+moeten worden om hem te bedwingen, om hem tot onmacht te noodzaken. En
+dan zou graaf Sandorf waarschijnlijk genoodzaakt zijn geweest, om hem
+aan zijn lot over te laten, om niet beiden te verdrinken.
+
+Die toestand kon evenwel niet lang blijven duren. De krachten van
+Mathias Sandorf begonnen merkbaar af te nemen. In sommige oogenblikken
+dook zijn hoofd onder, wanneer hij dat van Stephanus Bathory boven de
+watervlakte ophief. Dan was de ademhaling plotseling verbroken. Dan
+hijgde hij, dan hoestte, dan kuchte hij, dan werd hij benauwd; want dan
+had hij te doen met een begin van verstikking.
+
+Hij moest zelfs verscheidene malen zijn makker loslaten, wiens hoofd
+dan dadelijk onder water dook, maar steeds slaagde hij er in hem weer
+te vatten en dat te midden van dien zwaren stroom, die door de
+gezwollen wateren nog sterker dan gewoonlijk was en met afgrijselijk
+geluid rondom hem loeide.
+
+Graaf Sandorf voelde dan ook weldra, dat hij verloren was. Het lichaam
+van Stephanus Bathory ontsnapte hem eindelijk geheel... Wel trachtte
+hij het, als laatste uiting van zijn wilskracht, nog te grijpen; maar
+hij vond het niet meer en zelf werd hij onder den waterspiegel
+medegesleept.
+
+Een hevige schok kneusde hem pijnlijk den schouder. Hij stak
+instinctmatig de hand uit. Zijne vingeren grepen en omsloten een bundel
+wortels, die in het water hingen.
+
+Die wortels behoorden tot een boomstronk, die door den bergstroom
+medegevoerd werd. Mathias Sandorf klemde zich stevig aan dat wrakstuk
+vast en kwam toen aan de oppervlakte der Foïba terug. Hij hield zich
+vast met de eene hand, maar zocht zijn makker met de andere.
+
+Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te
+grijpen en werkte hem met veel inspanning op den boomstronk, waarna hij
+naast hem plaats nam. Beiden waren nu buiten dadelijk gevaar van te
+verdrinken, maar zij waren nu aan het lot van dat wrakstuk verbonden en
+aan de grillen van de stroomingen en versnellingen van den Buco
+overgeleverd.
+
+Graaf Sandorf was gedurende een oogenblik buiten kennis geraakt. Zijn
+eerste zorg was, toen hij weer bijkwam, om maatregelen te nemen dat
+Stephanus Bathory niet van den boomstam kon glijden. Uit overmaat van
+voorzorg plaatste hij zich achter hem, zoodanig dat hij hem kon
+ondersteunen. Toen dat geschied was, keek hij rondom zich, om waar te
+nemen of niet eenig daglicht in de grot drong. Hij zou dan den toestand
+bij het verlaten van die spelonk kunnen overzien. Maar niets duidde
+aan, dat de uitgang van dat eindeloos kanaal nabij was.
+
+Toch was de toestand der vluchtelingen eenigermate verbeterd. Die
+boomstronk was ongeveer tien voet lang en zijn wortels, die op de
+watervlakte rustten, moesten verhinderen dat hij zich onverwacht
+omkeerde. Wanneer zich geene geweldige schokken zouden voordoen, dan
+scheen zijne stabiliteit verzekerd, hoewel de watermassa met kracht als
+langs een hellend vlak schoot. Zijne snelheid kon dan ook gerekend
+worden op tien mijlen in het uur, en was gelijk aan die van den
+bergstroom, die hen meesleepte.
+
+Mathias Sandorf had inmiddels zijne geheele koelbloedigheid
+teruggekregen. Hij poogde toen zijn makker, wiens hoofd op zijne knieën
+rustte, tot bewustzijn terug te brengen. Hij vergewiste zich dat zijn
+hart nog klopte, maar hij merkte daarbij op, dat hij ter nauwernood nog
+maar adem haalde. Hij bukte zich over hem heen, sloot zijne lippen op
+die van zijn vriend en blies zoo meerdere lucht in zijne longen.
+Misschien zou de eerste inwerking van de ondergane verstikking nog geen
+onherstelbare verwoestingen op de edele deelen aangericht hebben.
+
+En inderdaad, Stephanus Bathory begon zich te bewegen. Diepere en
+langere ademhalingen verhieven zijne borstkas en openden zijne lippen.
+Eindelijk ontsnapten enkele woorden aan zijn mond.
+
+„Mijne vrouw!.... Mijn zoon!.... Mathias!”
+
+Geheel zijn bestaan lag in die woorden opgesloten.
+
+„Stephanus, hoort ge me?.... hoort ge me?” vroeg graaf Sandorf, die te
+midden van het geloei van den bergstroom, hetwelk de gewelven van den
+Buco vervulde, schreeuwen moest.
+
+„Ja!.... Ja....!”
+
+„Stephanus!.... Stephanus!.... hoort ge mij?” herhaalde graaf Sandorf,
+die wellicht de twee woorden van zijn vriend niet verstaan had.
+
+„Ja!.... Ja!....” herhaalde deze. „Ik hoor u!.... Spreek!.... Mijne
+hand in de uwe!....”
+
+Nu had Mathias verstaan; want hij had zich voorovergebogen en zijn oor
+bij den mond van zijn vriend gebracht.
+
+„Stephanus,” vervolgde hij, „wij zijn niet meer in onmiddellijk gevaar.
+Wij hebben een wrakstuk dat ons torscht.... Waarheen?... Dat kan ik
+niet zeggen. Maar dat stuk hout zal ons niet ontbreken!”
+
+„Mathias.... en de vestingtoren?....”
+
+„Daar zijn wij reeds ver van daan! Men zal in de vesting gelooven, dat
+wij den dood in de wateren van deze kolk gevonden hebben en men zal er
+voorzeker niet aan denken om ons te achtervolgen! Waar die bergstroom
+ook zijne monding heeft, in zee of in eene rivier, zal hij ons toch
+eene uitkomst leveren en wij zullen dan levend aanlanden. Laat den moed
+dus niet zinken, Stephanus! Ik waak over je! Rust nog maar en herneem
+krachten, want die zult ge weldra noodig hebben. Binnen weinige uren
+zijn we gered!....”
+
+„Gered?....”
+
+„Ja gered!.... en vrij!”
+
+„Gered en vrij?”
+
+„Ja, voorzeker!”
+
+„En Ladislas?”
+
+Graaf Mathias Sandorf beantwoordde die vraag niet.
+
+Wat zou hij er in Gods naam op hebben kunnen antwoorden?
+
+Ladislas Zathmar had slechts tijd gehad om zijne makkers den
+alarmkreet, dien hij door het venster der cel geslaakt had, te doen
+hooren. Onmiddellijk daarop was hem de vlucht onmogelijk gemaakt. Hij
+was gegrepen geworden en werd van toen af streng bewaakt. Als zijne
+makkers voor hunnen persoon ook in de mogelijkheid daartoe geweest
+waren, zouden zij toch niets hebben kunnen uitrichten.
+
+Stephanus Bathory had zijn hoofd achterover laten vallen. De physieke
+kracht ontbrak hem om de loomheid, die hem bevangen had, te overwinnen.
+Maar Mathias Sandorf waakte over hem en was op alles voorbereid, zelfs
+om het wrakhout te verlaten, wanneer dat tegen een der hinderpalen, die
+te midden van de dikke duisternis, welke alom heerschte, niet te
+voorzien en niet te vermijden waren, mocht verbrijzeld worden.
+
+Het kon ongeveer twee uur in den morgen zijn, toen de snelheid van den
+stroom en dus ook die van den boomstronk aanmerkelijk scheen te
+minderen. Ongetwijfeld werd dat onderaardsche kanaal gaandeweg breeder,
+waardoor de wateren een meer vrijen doortocht tusschen die rotswanden
+vonden. Hun gang was dan ook meer regelmatig. Men mocht daaruit
+wellicht de gevolgtrekking maken, dat het uiteinde van dat
+onderaardsche hol niet ver meer verwijderd kon zijn.
+
+Maar weken de wanden terzijde uit, dan toonde het gewelf ter zelfder
+tijd eene neiging om te dalen. Wanneer graaf Mathias Sandorf de hand
+ophief, dan raakte die de onregelmatige krijtlagen en leisteenen, die
+boven zijn hoofd welfden. Soms hoorde hij een gedruisch als van eene
+wrijving... dat was de een of andere worteltak van den boom, die,
+loodrecht omhoog staande, met het uiteinde het gewelf aanraakte. Dan
+ontstonden hevige schokken, die aan den stam medegedeeld werden,
+waardoor deze schommelde en zwaaide en waardoor hij telkens van
+richting veranderde. Nu eens lag hij dwars in den stroom, dan weer
+draaide hij om zijn lengte-as, dan weer om zijne breedte-as, zoodat de
+vrees om er afgesleurd te worden niet ongegrond was.
+
+Toen dat gevaar, hetwelk zich herhaaldelijk voorgedaan had, voorbij
+was, bleef er een ander over, waarvan graaf Sandorf alle de gevolgen
+koelbloedig berekende. Dat was de waarschijnlijkheid, dat het gewelf
+der grot van den Buco bleef dalen. De drenkeling had reeds de aanraking
+met dat rotsgewelf niet anders kunnen ontwijken, dan door zich
+plotseling achterover uit te strekken, wanneer zijne hand eene
+uitstekende rots ontmoette. Zou men dus weer in den stroom moeten
+dompelen? Wat hem betrof, dat zou nog gaan, maar zou hij er in slagen
+om ook zijn makker boven water of hem zelfs onder de wateroppervlakte
+bij zich te houden? En als dat onderaardsche kanaal zonder bovenruimte
+zich over een langen afstand uitstrekte? Zou er dan mogelijkheid
+bestaan er levend uit te komen? Neen!... neen!... dat zou
+onherroepelijk het einde zijn, na zooveel doodstrijd reeds doorworsteld
+te hebben.
+
+Hoe geestkrachtvol Mathias Sandorf ook was, hij voelde de doodsangst
+hem de keel dichtsnoeren. Hij begreep dat het kritiekste oogenblik, het
+uiteinde naderde. De wortels van den boomstam wreven krachtiger tegen
+de rotssteenen van het gewelf en soms werd hij met het vooreinde
+zoodanig onder water geduwd, dat zijne geheele oppervlakte overstroomd
+werd.
+
+„Toch kan de uitgang van die spelonk thans niet ver meer zijn!”
+mompelde graaf Sandorf in zich zelf.
+
+En dan trachtte hij uit te kijken, of geene lichtstraal daar voor hem
+uit de dikke duisternis doorbrak. De nacht zou nu wel reeds zoo ver
+gevorderd zijn, dat de duisternis daarbuiten zoo sterk niet meer was.
+Misschien verlichtten de bliksemstralen nog het ruim daarbuiten den
+Buco. In dat geval zou wel een weinig licht in dit kanaal kunnen
+indringen, dat de afgevoerd wordende wateren der Foïba niet meer scheen
+te kunnen bevatten.
+
+Maar niets! Steeds niets!
+
+Steeds volkomen duisternis.
+
+Steeds het geloei van den bergstroom, welks schuim nog altijd zwart
+bleef.
+
+Plotseling werd een vreeselijke schok ondervonden. De boomstronk had
+met zijn vooreinde tegen een grooten steen, die van het gewelf afhing,
+gestooten. Onder dien stoot keerde de boom geheel en al om, maar graaf
+Sandorf liet hem niet los. Met de eene hand klemde hij zich wanhopig
+aan de wortels vast, met de andere hand had hij zijn makker gegrepen
+juist op het oogenblik, dat deze op het punt was om medegesleept te
+worden. Daarna liet hij zich in het water glijden, dat thans tegen het
+gewelf brak.
+
+Zoo ging eene minuut voorbij. Mathias Sandorf had een gevoel alsof hij
+verloren was. Instinctmatig weerhield hij zijn adem, om het weinigje
+lucht, dat in zijne longen nog besloten was, zooveel mogelijk te
+sparen.
+
+Plotseling ondervond hij te midden van de watermassa, hoewel hij de
+oogen gesloten hield, een gevoel, alsof een schel licht op zijne
+oogleden inwerkte. Een bliksemstraal had geschitterd en werd
+onmiddellijk daarop gevolgd door het geratel van den donder.
+
+Eindelijk!.... daar was licht!
+
+De Foïba had inderdaad dat sombere onderaardsche kanaal verlaten en
+stroomde thans onder den blooten hemel. Maar naar welk punt der kust
+stroomde zij? In welke zee zou hare monding uitkomen?
+
+Dat was steeds het onoplosbare vraagstuk.
+
+En toch was ’t het vraagstuk van leven en dood.
+
+De boomstam was ook op de wateroppervlakte teruggekomen. Stephanus
+Bathory werd steeds stevig vastgehouden door Mathias Sandorf, die er
+eindelijk door eene buitengewone krachtsinspanning in slaagde om hem
+weer op het wrakstuk uit te strekken en achter hem plaats te nemen.
+
+Daarna keek hij vooruit, rondom zich, boven zich.
+
+Achter hem begon eene zwarte massa in de nevelen te verdwijnen, alsof
+zij uitgewischt werd. Dat was de kolossale rotsklomp, die den Buco
+vormt en waardoor het onderaardsche hol liep, hetwelk doorgang aan de
+wateren der Foïba verleende. De dag werd reeds door een zwak licht
+aangekondigd, dat in het zenith waargenomen werd, en nog ijl was als
+die sterren-nevelvlekken, welke het oog ter nauwernood gedurende de
+helderste winternachten kan bespeuren. Van tijd tot tijd werden de
+achtergelegen vakken van den gezichteinder door bliksemstralen
+verlicht, terwijl de donder statig maar dof rolde. Het onweer
+verwijderde zich of was uitgeraasd, nadat het al de electrische stof,
+in het ruim voorhanden, verbruikt had.
+
+Mathias Sandorf liet zijne blikken niet zonder angst rechts en links
+rondwaren. Hij kon toen bemerken, dat de rivier steeds met groote
+snelheid tusschen steile rotswanden voortstroomde.
+
+Het was dus eene stroomversnelling, die de vluchtelingen te midden van
+stroomingen, tegenstroomingen en kolken medevoerde. Maar het
+uitspansel, het oneindige strekte zich boven hun hoofd uit en niet meer
+dat lage gewelf, hetwelk hen ieder oogenblik dreigde den schedel te
+verbrijzelen. Er was evenwel geen oever, geen strand, waarop zij vasten
+voet zouden kunnen verkrijgen, zelfs geen talud, geene helling, waarop
+zij aan land hadden kunnen gaan. De Foïba was als het ware tusschen
+twee steile muren ingekist. Het was een smal kanaal met loodrechte
+wanden, die door de wateren glad geschuurd waren.
+
+De laatste indompeling had tot gevolg gehad, om Stephanus Bathory tot
+bewustzijn te doen terugkeeren. Zijne hand had die van Mathias Sandorf
+gezocht en natuurlijk gevonden.
+
+Deze boog zich over zijn vriend en sprak hem toe:
+
+„Gered!”
+
+Maar.... had hij wel het recht dat woord uit te spreken?
+
+Gered?.... Hij wist niet eens waarheen die bergstroom hen voerde!
+
+Gered?.... Hij wist niet eens door welke landstreek zij dreven!
+
+Gered?.... Hij kon niet weten, wanneer hij dat wrakhout zou kunnen
+verlaten!
+
+En toch, de graaf was zoodanig door geestkracht bezield, dat hij,
+terwijl hij zich overeind op den boomstronk oprichtte, drie malen met
+krachtige stem dat woord herhaalde:
+
+„Gered! Gered! Gered!”
+
+Ja, die woorden klonken luid. Maar om het even, wie zou ze hier hooren?
+Niemand was op de naakte rotsen te ontdekken, waarop zelfs ietwat
+humus, ietwat teelaarde ontbrak, en waarop slechts rotssteenen, keien
+en leisteenen aangetroffen werden, waar zelfs niet zooveel grond
+aanwezig was, om eenige struikjes te voeden. De landstreek, die zich
+achter die hooge oevernokken uitstrekte, kon geen enkel menschelijk
+wezen lokken. Het was eene rampzalige streek, waardoor de Foïba
+stroomde, die ingekerkerd was, zooals slechts een afwateringskanaal
+tusschen zijne granietmuren kan zijn. Geen enkel beekje kwam onderweg
+den stroom voeden. Geen vogel schoor over de watervlakte, zelfs geen
+enkele visch waagde zich in die te snelvlietende wateren. Hier en daar
+staken boven de oppervlakte groote rotsen uit, welker volkomen droge
+brokken genoegzaam aanduidden, dat het heerschende geweld van dien
+waterstroom slechts aan eene kortstondige rijzing te danken was, welke
+door de laatstgevallen regens veroorzaakt werd.
+
+In gewone tijden kon de bedding der Foïba niets meer dan een diep
+ingesneden ravijn zijn.
+
+Het was daarenboven niet te vreezen, dat de boomstronk op de rotstoppen
+geworpen werd. Hij vermeed ze uit zichzelven, door den stroomdraad te
+volgen, die er omheen voerde. Het zou ook onmogelijk geweest zijn het
+vervoermiddel der vluchtelingen uit dien stroomdraad te brengen, ook om
+zijne snelheid te remmen, om bijvoorbeeld eenig punt des oevers aan te
+doen, voor het geval dat de mogelijkheid bestond om aan wal te gaan.
+
+Zoo ging in die omstandigheden nog een uur voorbij, zonder dat men zich
+om een onmiddellijk gevaar had te bekommeren. De laatste
+bliksemschichten waren van den hemel verdwenen. In de verte werd van
+het onweder niets anders vernomen, dan een dof gerommel, dat door de
+hoogere wolken, die boven aan het uitspansel lange vederachtige strepen
+vormden, afgestompt werd.
+
+Het daagde reeds bij de kim en een wit licht bleekte het donkere azuur
+van de lucht, die door de nachtelijke buien geheel gezuiverd was.
+
+Stephanus Bathory zat half overeind en rustte in de armen van graaf
+Sandorf, die voor hem waakte.
+
+In dit oogenblik werd eene verwijderde losbranding in zuidwestelijke
+richting vernomen.
+
+„Wat kan dat zijn?” vroeg Mathias Sandorf zich af. „Is het een
+kanonschot, dat de dageraad en de opening van de een of andere haven
+aankondigt?”
+
+In dat geval zouden zij niet ver van de kust verwijderd zijn. Dat moest
+hij erkennen.
+
+Welke haven kon dat wezen? Triëst?
+
+Neen! want daar is het oosten, daar aan dien kant, waar de zon op het
+punt is te verschijnen.
+
+Zou het Pola zijn, de haven, die op het zuidelijke uiteinde van Istrië
+gelegen is?
+
+Maar... dan is...
+
+Een tweede losbarsting weerklonk en werd dadelijk daarop door eene
+derde gevolgd.
+
+„Drie kanonschoten?” vroeg graaf Sandorf zich zelven af. „Zou dat het
+sein niet eerder zijn van een embargo voor de schepen, die uit zeilen
+willen?”
+
+En na eenig nadenken, mompelde hij:
+
+„Zou dat in verband staan met onze ontvluchting?”
+
+Dat was inderdaad te vreezen.
+
+De autoriteiten hadden voorzeker geen enkele voorzorg verwaarloosd om
+de vluchtelingen het verdere ontsnappen te beletten, wanneer het hun
+gelukken mocht een vaartuig te bereiken.
+
+„Dat God ons thans te hulp kome!” mompelde graaf Sandorf. „Hij alleen
+kan ons helpen!”
+
+De hooge rotswanden, die de Foïba omgaven, begonnen langzamerhand lager
+te worden, terwijl zij zich verder van elkander verwijderden. Toch was
+er nog niets van het omliggende land te verkennen. Plotselinge
+buigingen, scherpe hoeken maskeerden den horizon en begrensden den
+gezichtskring tot eenige honderden voeten. Onder die omstandigheden was
+het oriënteeren totaal onmogelijk.
+
+Het bed der rivier, dat thans zeer verbreed was, bleef steeds stil en
+eenzaam en veroorloofde de wateren met minder snelheid voort te stuwen.
+Eenige boomstammen, die bovenstrooms ontworteld waren, volgden den
+stroomdraad statig en bijna langzaam. Die Juni-ochtend was vrij frisch.
+De vluchtelingen klappertandden en bibberden onder hunne doornatte
+kleeding. Het werd hoog tijd dat zij eene schuilplaats vonden, waar de
+zon hunne vodden kon drogen.
+
+Tegen vijf uur werden de laatste uitloopers van het gebergte vervangen
+door lage oevers, die zich in eene effen en kale landstreek
+ontwikkelden. De Foïba liep toen langs eene bedding, die zeker eene
+halve mijl breed was en ging weldra in eene groote uitgestrektheid
+water over, die den naam van meer of ten minste van meertje verdiend
+zou nebben. Geheel aan het uiteinde in het westen werden eenige
+visschersvaartuigen ontwaard, sommige nog voor anker liggende, andere
+bezig met zeil te zetten om van de lichte morgenbries gebruik te maken;
+zij schenen er op te wijzen dat dit meertje een havenkom was, die breed
+uitgesneden in de kust voorkwam.
+
+De zee kon dus niet ver meer af zijn, het was dus onze vluchtelingen
+als aangewezen om haar op te zoeken. Het zou evenwel niet voorzichtig
+genoemd kunnen worden eene schuilplaats aan die visschers te gaan
+verzoeken. Zich aan hun toevertrouwen, zou, voor het geval zij van de
+ontvluchting kennis droegen, groot gevaar opleveren, om aan de
+Oostenrijksche maréchaussées, die toch de landstreek doorzoeken
+moesten, uitgeleverd te worden.
+
+Graaf Mathias Sandorf wist waarachtig niet waartoe te besluiten, toen
+de boomstronk tegen een anderen stiet, die ternauwernood met de
+wateroppervlakte gelijk bij den linkeroever van het meertje in de
+modder vastgeklonken lag en bewegingloos bleef liggen, alsof hij voor
+anker gekomen was. Zijne wortels verwarden zich zoo stevig in een
+boschje struikgewas, dat zij daarin vast bleven zitten en de boomstronk
+langs den oever gleed als eene sloep, die het touw, waarmede zij
+vastgelegd is, strak loopt.
+
+Graaf Sandorf stapte op den oever over, evenwel niet zonder eenige
+voorzorgsmaatregelen genomen te hebben. Hij verzekerde zich, dat
+niemand hem kon bespeuren.
+
+Zoo ver zijn blik ook droeg, zag hij geen enkel menschelijk wezen,
+visscher of iemand anders op of langs dit gedeelte van het meertje.
+
+En toch lag er een man op het zand op minder dan tweehonderd passen
+uitgestrekt, die vandaar de beide vluchtelingen zeer goed kon
+waarnemen.
+
+Toen graaf Sandorf vermeende, dat hij veilig was, stapte hij weer op
+den boomstronk, tilde zijn makker in zijne armen op en lei hem zacht op
+den oever neer, steeds zonder iets te weten van de streek, waarin hij
+zich bevond, noch van de richting die men zou moeten inslaan.
+
+De uitgestrektheid water, die de Foïba tot monding strekte, was noch
+een meertje, noch een meer, maar een haft. Men noemt haar daar ter
+plaatse het kanaal van Léma. Het heeft gemeenschap met de Adriatische
+zee door eene smalle insnijding, welke tusschen Orsera en Rovigno op de
+westkust van het Istrische schiereiland gelegen was. Maar men wist toen
+niet dat het de wateren der Foïba waren, die, na de spelonk van den
+Buco doorstroomd te hebben, dat haft kwamen voeden.
+
+Op weinige passen van den oever stond eene jagershut. Graaf Sandorf en
+Stephanus Bathory traden er in, om eenige rust te genieten en om hunne
+krachten te herstellen. Daar ontdeden zij zich van hunne kleederen, die
+in de stralen van de warme Juni-zon spoedig zouden gedroogd zijn.
+Daarna wachtten zij.
+
+De visschersvaartuigen hadden het kanaal van Léma verlaten en, zoover
+het oog peilen kon, was de kust eenzaam en stil.
+
+In dit oogenblik stond de man, die dat schouwspel gadegeslagen had, op,
+naderde de hut, alsof hij er de ligging goed van wilde opnemen; daarna
+verdween hij in zuidelijke richting, terwijl hij een ietwat verheven
+kusthoek omsloeg.
+
+Drie uren later hadden graaf Sandorf en zijn makker hunne kleederen
+weer kunnen aantrekken, die evenwel nog vochtig waren. Maar het werd
+tijd om te vertrekken.
+
+„Wij kunnen niet langer in die hut blijven,” zei Stephanus Bathory.
+
+„Voelt ge u sterk genoeg om de reis te aanvaarden?” vroeg Mathias
+Sandorf.
+
+„Ik ben flauw en uitgeput door den honger.”
+
+„Laten wij de kuststrook volgen. Wellicht dat wij er in slagen ons
+eenig voedsel te verschaffen, ook om ons in te schepen! Kom,
+Stephanus!”
+
+Beiden verlieten de hut, maar gevoelden zich klaarblijkelijk meer
+verzwakt door de ontbering dan door de vermoeienis.
+
+Het plan van graaf Sandorf was, om den zuidelijken oever van het kanaal
+van Léma te volgen, teneinde de zeekust te bereiken.
+
+Maar was ook al de landstreek eenzaam en verlaten, zoo krioelde zij
+toch van beken, die allen naar het haft stroomden. Onder den invloed
+van dat vochtige net, was dit gedeelte van den oever slechts een vast
+moeras, waarvan de papachtige bodem geen enkel steunpunt aanbood. Men
+moest dat dus omtrekken door zuidwaarts af te houden. Die richting was
+gemakkelijk waar te nemen bij de klimmende baan der zon. De
+vluchtelingen schreden zoo gedurende twee uren voort, zonder een enkel
+menschelijk wezen te ontmoeten, maar ook zonder den honger, die hen
+teisterde, te kunnen stillen.
+
+Later werd het land langzamerhand minder schraal. Een weg vertoonde
+zich, die van het oosten naar het westen liep. De vluchtelingen
+bespeurden een mijlsteen, die niets omtrent de landstreek, waarin zich
+graaf Sandorf en Stephanus Bathory blindelings waagden, te kennen gaf.
+Evenwel eenige moerbeziënheggen en verder een sorgho-veld veroorloofde
+hen zoo niet hunnen honger te stillen, dan toch de behoefte van hun
+maag bedriegelijk tevreden te stellen. De rauwe sorgho, die zoo maar
+uit de vuist verorberd werd, de frissche moerbeien waren evenwel
+voldoende om te beletten van honger neer te vallen, vóórdat zij de kust
+bereikt hadden.
+
+Maar nu die landstreek meer bewoonbaar werd, nu eenige akkers bewezen
+dat een menschenhand aan het werk geweest was, nu moest men ook
+verwachten bewoners te ontmoeten.
+
+Dat gebeurde inderdaad zoo tegen het middaguur.
+
+Vijf of zes voetgangers verschenen op den weg. Voorzichtigheidshalve
+wilde graaf Mathias Sandorf zich niet laten bemerken. Gelukkig
+ontwaarde hij eene heining om den bouwval van eene pachthoeve, die op
+ongeveer vijftig passen ter linkerzij van den weg gelegen was. Daar
+vonden hij en zijn makker, nog vóórdat zij ontdekt waren, eene
+schuilplaats in een donker vertrek. Er bestond veel kans, dat zij niet
+ontdekt werden wanneer de een of andere voorbijganger bij die
+pachthoeve stil hield, en zij konden er desnoods, tot de nacht
+ingevallen was, blijven.
+
+Die voetgangers waren boeren en zoutvervaardigers. De meesten hunner
+dreven troepen ganzen naar de markt van eene stad of van een dorp, dat
+niet ver verwijderd van het kanaal van Léma lag. Mannen en vrouwen
+waren volgens de Istrische mode gekleed met de juweelen, medailles,
+oorbellen, borstkruizen, horlogekettingen met aanhangselen, die de
+kleederdrachten der beide geslachten versierden. Wat de
+zoutvervaardigers betrof, zij waren eenvoudig gekleed; zij droegen een
+randsel op den rug, een knuppel in de hand, en begaven zich naar de
+naburige zoutpannen, wellicht naar de meer belangrijke te Stagnon of te
+Pirano, in het westen van de provincie gelegen.
+
+Sommigen stonden, bij de pachthoeve aangekomen, een oogenblik stil,
+anderen zetten zich op den drempel neder en praatten niet zonder
+levendigheid met elkander, evenwel slechts over zaken, die op hunnen
+handel betrekking hadden.
+
+De beide vluchtelingen, in hun hoek verscholen, luisterden.
+
+Misschien droegen die lieden reeds kennis van hunne ontvluchting en
+zouden zij er over praten.
+
+Misschien zouden zij zich ook woorden laten ontvallen, waaruit graaf
+Sandorf kon opmaken in welke landstreek van Istrië zijn makker en hij
+zich bevonden.
+
+Geen enkel woord evenwel werd over dat onderwerp gewisseld en men moest
+zich dus steeds met gissingen tevreden stellen.
+
+„Daar de lieden over onze ontvluchting niet spreken,” zei graaf
+Sandorf, „valt daaruit op te maken, dat zij nog niet ter hunner kennis
+gekomen is.”
+
+„Dat zou als bewijs kunnen opgenomen worden, dat wij reeds ver van de
+vesting verwijderd zijn.”
+
+„Ja, zeker!”
+
+„Rekent men de snelheid van den bergstroom, die ons door zijn
+onderaardsche gang gedurende zes volle uren meesleurde, dan kunnen wij
+er niet verbaasd over zijn.”
+
+„Neen zeker niet!” antwoordde graaf Sandorf.
+
+„En het moet zoo zijn,” sprak Bathory.
+
+Evenwel twee uren later hoorden zij eenige zoutvervaardigers, die de
+pachthoeve voorbij stapten, zonder zich op te houden, praten over eene
+brigade maréchaussées, die zij bij de poort van de stad ontmoet hadden.
+
+Welke stad?....
+
+Die werd niet genoemd.
+
+Dat bericht was volstrekt niet geschikt, om onze vluchtelingen gerust
+te stellen.
+
+Wanneer maréchaussées de streek doorkruisten, dan was dat
+waarschijnlijk met het doel om hen op te sporen.
+
+„En toch,” zei Stephanus Bathory, „naar de omstandigheden, waaronder
+wij ontsnapt zijn, moet men meenen dat wij dood zijn en van eene
+opsporing afzien....”
+
+„Men zal slechts aan onzen dood gelooven, wanneer men onze lijken
+gevonden zal hebben,” antwoordde Mathias Sandorf.
+
+Hoe het ook zij, dat was buiten kijf, dat de politie op de been was en
+de vluchtelingen zocht. Zij besloten dan ook om in de pachthoeve
+verscholen te blijven, totdat de nacht ingevallen zou zijn. De honger
+kwelde hen; maar zij durfden hunne schuilplaats niet verlaten en daar
+deden zij goed aan.
+
+Dien avond tegen vijf uren, naderde inderdaad een kleine ruiterbende.
+Men kon den hoefslag op den weg hooren weerklinken.
+
+Graaf Sandorf, die, over den grond kruipende, de deur van de omheining
+genaderd was, keerde haastig naar zijn makker weder en trok hem met
+zich voort tot in den donkersten hoek van het vertrek.
+
+Daar schuilden beiden onder een hoop struiken weg en hielden zich zoo
+onbewegelijk mogelijk.
+
+Een zestal maréchaussées, aangevoerd door een brigadier, reden langs
+den weg en richtten zich oostwaarts. „Zouden zij bij de pachthoeve stil
+houden?” vroeg graaf Sandorf zich niet zonder angst af. Wanneer de
+maréchaussées dien bouwval doorzochten, dan kon het niet missen, of zij
+moesten de verscholenen ontdekken.
+
+Zij hielden bij die plaats stil. De brigadier commandeerde halt. Twee
+maréchaussées en hij stegen van het paard, terwijl de anderen in het
+zadel bleven.
+
+Deze kregen bevel om de streek in de nabijheid van het kanaal van Léma
+te doorzoeken en daarna op de pachthoeve terug te trekken, waar men hen
+tot des avonds zeven uren wachten zou.
+
+De vier maréchaussées verwijderden zich en reden den weg op. De
+brigadier en de twee anderen bonden hunne paarden aan de spijlen van
+een half vergane omheining vast, die de pachthoeve omgaf. Daarna gingen
+zij buiten het gebouw zitten en begonnen te praten. De vluchtelingen
+konden van uit het vertrek, waar zij verscholen waren, alles hooren.
+
+„Ja, hedenavond moeten wij naar de stad terugkeeren,” antwoordde de
+brigadier op eene vraag, die door een zijner maréchaussées gedaan was.
+„Daar zullen wij instructies voor den nachtdienst erlangen. De
+telegraaf zal waarschijnlijk wel nieuws van Triëst aangebracht hebben.”
+
+De besproken stad was dus Triëst niet. Dat was eene bijzonderheid, die
+graaf Sandorf niet ontging.
+
+„Is het niet te vreezen, dat de vluchtelingen, terwijl wij hen hier
+zoeken, het kanaal van Quernaro bereikt hebben?” vroeg een der
+maréchaussées.
+
+„Dat’s zeer goed mogelijk,” antwoordde de andere.
+
+„Waarom?” vroeg de brigadier.
+
+„Omdat zij daar beter in veiligheid zijn dan hier.”
+
+„Als zij daarheen getrokken zijn, loopen zij hetzelfde gevaar om
+ontdekt te worden als hier.”
+
+„Meent ge, brigadier?”
+
+„Voorzeker; want de geheele kust van het eene einde van de provincie
+tot het andere wordt bewaakt.”
+
+Een tweede bijzonderheid, die niet vergeten mocht worden. Graaf Sandorf
+en zijn makker bevonden zich dus wel degelijk op de westkust van
+Istrië, dat wil zeggen bij den oever van de Adriatische zee en niet op
+den oever van het tegenovergelegen kanaal, dat tot Fiuma en
+waarschijnlijk verder reikt.
+
+„Ik denk dat men ook wel nasporingen in de zoutpannen van Pirano en van
+Capo d’Istria zal verrichten,” hernam de brigadier. „Men kan zich daar
+gemakkelijker schuil houden, en een vaartuig bemachtigen om de
+Adriatische zee over te steken.”
+
+„Ho, ho! brigadier!” riep een der maréchaussées uit.
+
+„Rimini of Venetië zijn niet ver.”
+
+„Zij hadden beter gedaan, stil den dood in hunne cel af te wachten,”
+antwoordde de andere maréchaussée wijsgeerig.
+
+„Ja”, meende de andere, „vroeg of laat zal men hen toch wel snappen,
+als men hunne lijken niet uit den Buco opvischt! Dan was het uit. En
+dan hadden wij bij die hitte het land niet af te loopen, wat geen
+baantje is.”
+
+„En wie zegt je dat het niet uit is?” hernam de brigadier. „De Foïba
+heeft zich waarschijnlijk belast met de terechtstelling, en de
+veroordeelden konden geen slechteren weg dan dien kiezen om uit den
+vestingtoren van de citatel van Pisino te geraken, dan toen de wateren
+zoo gezwollen waren!”
+
+De Foïba, dat was dus de naam der rivier, die graaf Sandorf en zijn
+lotgenoot meêgesleurd had.
+
+De citadel van Pisino, dat was de vesting waarin zij, na hunne
+gevangenneming, gekerkerd, verhoord en veroordeeld waren!
+
+Daar was het, dat zij zouden zijn doodgeschoten.
+
+Het was uit den vestingtoren van die citadel, dat zij ontsnapt waren!
+
+Graaf Sandorf kende de stad Pisino goed. Hij was dus omtrent dit voor
+hen zoo belangrijke punt ingelicht en het zou alzoo aan het toeval
+overgelaten moeten worden, hoe en waarheen zij het Istrische
+schiereiland doortrekken zouden, wanneer namelijk de vlucht nog
+mogelijk geoordeeld werd.
+
+Het gesprek der maréchaussées ging niet verder; maar door die weinige
+woorden hadden de vluchtelingen alles vernomen wat belangrijk voor hen
+was te weten. Alleen hadden zij nog niet vernomen, welke stad het meest
+nabij het kanaal van Léma op de kust van de Adriatische zee gelegen
+was.
+
+De brigadier was intusschen opgestaan. Hij stapte langs de omheining
+van de pachthoeve op en neer en keek of de uitgezonden manschappen nog
+niet terugkwamen. Hij trad twee of drie malen in de bouwvallige woning
+en bezocht er al de kamers van, eer uit gewoonte aan zijn vak eigen,
+dan uit achterdocht. Hij kwam zelfs tot bij de deur van het vertrek,
+waarin de vluchtelingen zaten, en zij zouden zeker ontdekt zijn,
+wanneer er geen dikke duisternis geheerscht had. De brigadier trad
+zelfs binnen en raakte met het benedeneinde van zijn sabelschede
+lichtelijk den hoop struiken aan, waaronder zij verscholen waren. In
+dit oogenblik ondervonden graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory
+eene afwisselende reeks van angstige gevoelens, die onmogelijk te
+beschrijven zijn.
+
+Zij waren evenwel vast besloten om hun leven zoo nadrukkelijk mogelijk
+te verdedigen, wanneer zij zouden ontdekt worden. O, in dat geval
+zouden zij voor niets terugdeinzen. Zij zouden zich dan op den
+brigadier werpen, zij zouden dan van zijne verrassing en schrik gebruik
+maken om hem zijne wapens te ontrukken, zij zouden hem en zijne
+manschappen aanvallen, hen dooden of zelf vallen. Dat alles dwarrelde
+door hun brein.
+
+De brigadier werd evenwel een oogenblik later naar buiten geroepen,
+zoodat hij het vertrek verliet, zonder er iets verdachts bespeurd te
+hebben. De vier maréchaussées, die op verkenning uitgezonden werden,
+waren op de pachthoeve teruggekeerd. In weerwil van hunnen ijver,
+hadden zij van de vluchtelingen geen spoor ontdekt in die geheele
+streek, besloten tusschen de kust en het kanaal van Léma. Zij kwamen
+evenwel niet alleen terug. Een man vergezelde hen.
+
+Dat was een Spanjool, die dagelijks in de zoutpannen in den omtrek
+arbeidde. Hij was op weg om naar de stad terug te keeren, toen de
+maréchaussées hem ontmoet hadden. Daar hij hen vertelde dat hij de
+landstreek tusschen de stad en de zoutpannen doorgetrokken was,
+besloten zij hem bij hunnen brigadier te brengen, opdat deze hem zou
+kunnen ondervragen.
+
+Die man weigerde volstrekt niet om hen te volgen.
+
+Toen hij in de tegenwoordigheid van den brigadier gekomen was, vroeg
+deze hem of hij of andere zoutmakers de aanwezigheid van twee vreemde
+personen opgemerkt hadden.
+
+„Neen, brigadier,” antwoordde de man, „maar heden ochtend, een uur
+nadat ik de stad verlaten had, heb ik twee mannen waargenomen, die bij
+de punt van het kanaal van Léma aan wal kwamen.
+
+„Twee mannen, zegt ge?” vroeg de brigadier.
+
+„Ja; maar daar men in den omtrek meende dat de terechtstelling
+hedenochtend in de vesting van Pisino had plaats gehad en daar men van
+de ontsnapping nog niets wist, heb ik geene aandacht aan die mannen
+gewijd. Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen,
+wanneer dat de vluchtelingen waren.”
+
+Graaf Sandorf en Stephanus, steeds in hun donker vertrek verscholen,
+hoorden woord voor woord dat gesprek, hetwelk zoo belangrijk voor hen
+was. Dus op het oogenblik, dat zij op den oever van het kanaal Léma
+voet aan wal zetten, waren zij bespeurd geworden.
+
+„Hoe heet ge?” vroeg de brigadier.
+
+„Ik?”
+
+„Ja, gij.”
+
+„Wat hebt ge met mijn naam te maken? Ik ben niet ontvlucht.”
+
+„Om het even. Ik moet dien weten.”
+
+„Welnu, ik heet Carpena.”
+
+„En uw beroep?”
+
+„Mijn beroep?” vroeg Carpena aarzelend.
+
+„Ja, uw beroep. Kom, maak voort.”
+
+„Ik ben arbeider in de zoutpannen van dit land.”
+
+„Uw geboorteland?”
+
+„Wat hebt ge daar toch mee te maken?”
+
+„Antwoord slechts, het waarom gaat u niet aan.”
+
+„Welnu, ik ben Spanjaard.”
+
+„Waar geboren?”
+
+„Te Catana, eene plaats aan de Middellandsche Zee.”
+
+De brigadier, die schrijfgereedschap voor den dag gehaald had, teekende
+dat alles op.
+
+„Zoudt gij die mannen herkennen?” ging hij voort met vragen.
+
+„Welke mannen?”
+
+„Houd je nu niet dom. Die mannen, die ge hedenochtend op den oever van
+het kanaal van Léma gezien hebt?”
+
+„Herkennen?.... Dat is maar zoo wat.”
+
+„Herinner je goed.”
+
+„Ik heb hen zoo niet gadegeslagen.”
+
+„Kom, met wat goeden wil.”
+
+„Nu, ik meen ja.”
+
+„Ja, wat?”
+
+„Dat ik ze herkennen zou.”
+
+„Welnu, dan moet ge naar de stad gaan en daar uwe verklaring bij de
+politie afleggen en u ter harer beschikking stellen.
+
+„Maar....”
+
+„Doe wat ik je beveel.”
+
+„Ik zal het doen.”
+
+„Weet ge dat er vijfduizend gulden belooning uitgeloofd zijn...”
+
+„Vijfduizend guldens,” vroeg Carpena verbaasd.
+
+„Ja, vijfduizend gulden, voor hem die de vluchtelingen opspoort”.
+
+„Het is een mooie som,” sprak de Spanjaard met hebzuchtige stem.
+
+„En de galeien voor hem, die hen eene schuilplaats verleent.”
+
+„Drommels, dat is geen gekheid.”
+
+„Neen, zeker niet.”
+
+„Het is goed dat ik het weet.”
+
+„Ga nu,” zei de brigadier.
+
+„Maar die vijfduizend guldens....”
+
+„Kom, geen praatjes,” zei de vertegenwoordiger der openbare macht, „ga
+nu dadelijk naar de stad.”
+
+De mededeeling door den Spanjaard gedaan, had tot dadelijk gevolg dat
+de maréchaussées zich verwijderden.
+
+De brigadier gelastte zijne manschappen om op te stijgen. Daarna
+vertrok hij, in weerwil dat de nacht reeds ingevallen was, om de
+boorden van het kanaal van Léma meer nauwgezet te gaan doorzoeken.
+
+Wat Carpena betrof, deze ging dadelijk den weg naar de stad op, terwijl
+hij in zichzelven mompelde, dat met een beetje geluk, de gevangenneming
+van de vluchtelingen hem een aardige som geld kon opbrengen, die wel op
+den inboedel van graaf Sandorf gevonden zou worden.
+
+Mathias Sandorf en Stephanus Bathory bleven evenwel nog een geruimen
+tijd verscholen en verlieten het donkere vertrek niet, dat hun tot
+schuilplaats gestrekt had.
+
+Zij dachten na. En daarvoor bestonden waarlijk alle redenen. De
+maréchaussées zaten hen achterna, zij waren gezien geworden en konden
+herkend worden. De Istrische provinciën boden hun dus geene veiligheid
+aan. Zij moesten derhalve dit land binnen den kortst mogelijken tijd
+verlaten, hetzij door de Adriatische zee over te steken om zich naar
+Italië te begeven, hetzij door Dalmatië en de militaire grenzen door te
+trekken, om zoo buiten de landpalen van Oostenrijk te geraken.
+
+Het eerste plan bood veel meer kansen van welslagen aan, wanneer
+namelijk de vluchtelingen zich van een vaartuig konden meester maken,
+of dat zij den een of anderen visscher konden overreden om hen naar de
+Italiaansche kust over te zetten.
+
+Dat plan werd dan ook aangenomen en tot die poging besloten.
+
+Om dat ten uitvoer te brengen, richtten graaf Mathias Sandorf en
+Stephanus Bathory zich, nadat zij tegen half acht ongeveer, toen de
+duisternis dik genoeg was, den bouwval van de pachthoeve verlaten
+hadden, westwaarts, met het doel om de kust van de Adriatische zee te
+bereiken. Zij waren reeds dadelijk verplicht om den weg te volgen, ten
+einde niet in de moerassen van de Léma te geraken.
+
+Wanneer zij evenwel die hun onbekende baan volgden, zouden zij dan niet
+in de stad terecht komen, die natuurlijk in verbinding stond met het
+binnenland van Istrië?
+
+Gingen zij daardoor niet het grootste gevaar tegemoet?
+
+Zeker, was het dat. Maar hoe konden zij anders handelen?
+
+Het was omstreeks negen uur, toen de zwarte omtrekken eener stad zich
+ongeveer op een kwartmijl afstand in het donker voordeden. Het zou
+moeilijk geweest zijn dat niet te ontwaren.
+
+Het was eene opeenhooping van huizen, die zich lomp verhieven op eene
+rotsmassa, die de zee beheerschte als ook een havenkom, die diep in de
+kust ingesneden was. Het geheel werd beheerscht door een soort vlot,
+dat zich, in somberen stijl gebouwd, vertoonde en waaraan de duisternis
+onmogelijke afmetingen verleende.
+
+Mathias Sandorf was vast besloten om die stad niet binnen te treden,
+waar de aankomst van beide vreemdelingen dadelijk bekend zoude worden.
+
+Het kwam er dus op aan om haar om te trekken, om zoo mogelijk een der
+kustpunten te bereiken.
+
+Maar dat kon niet uitgevoerd worden, zonder dat de beide vluchtelingen
+buiten hun medeweten gevolgd werden door dienzelfden man, die hen reeds
+op den oever van het kanaal van Léma bespied had, toen zij voet aan wal
+zetten. Dat was dezelfde Carpena, wiens verklaring aan den brigadier
+van de maréchaussées zij hadden hooren afleggen. Inderdaad had de
+Spanjaard, verlekkerd door de uitgeloofde premie, zich ter zijde
+opgesteld, toen hij naar huis wilde terugkeeren, om zoo den weg beter
+waar te nemen. Het toeval was hem gunstig, voor de arme vluchtelingen
+echter ongunstig geweest; want het lot had hem op het spoor der
+rampzaligen gebracht.
+
+In hetzelfde oogenblik bijna dreigde een bende politie-agenten, die
+door een der stadspoorten naar buiten stapten, de vluchtelingen den weg
+af te snijden. Zij hadden ternauwernood den tijd om zich ter zijde te
+werpen. Daarna richtten zij zich ijlings naar het strand, daarbij den
+buitenmuur der buitenhaven volgende.
+
+Daar stond eene bescheiden visschershut met hare kleine vensters,
+waardoor het licht scheen. De deur stond op een kier open.
+
+Wanneer Mathias Sandorf en Stephanus Bathory daar geene schuilplaats
+vonden, wanneer men weigerde hen op te nemen, dan waren zij reddeloos
+verloren.
+
+Daarin eene toevlucht zoeken, was waarlijk alles op één worp wagen!
+
+Maar konden zij, mochten zij in de omstandigheden, waarin zij zich
+bevonden, aarzelen?
+
+Graaf Sandorf en zijn lotgenoot liepen naar de deur toe en bleven op
+den drempel stil staan.
+
+In het binnenvertrek hield een man zich onledig bij het scherpe licht
+eener lantaarn, met het herstellen van netten. Hij scheen bij zijn werk
+te mijmeren; want hij schrikte als het ware op toen eene stem zich liet
+hooren:
+
+„Vriend....” sprak graaf Sandorf.
+
+„Wat.... wat is er?”
+
+„Vriend, hoe heet deze stad?”
+
+„Deze stad?”
+
+„Ja.”
+
+„Dat is Rovigno.”
+
+„In wiens huis zijn wij hier?”
+
+„Waarom wilt gij dat weten?”
+
+„Zeg het ons maar.”
+
+„Als ik u daarmede genoegen kan doen?....”
+
+„Voorzeker, doet ge dat.”
+
+„Wel, ik heet Andreas Ferrato.”
+
+„Wat is uw beroep?”
+
+„Ik ben visscher en dit huis is het mijne.”
+
+Dat werd met eene onnavolgbare kalmte en fierheid gezegd. Een vorst zou
+met niet meer waardigheid het: ik ben koning hebben kunnen uitspreken.
+Toch geschiedde het met den meesten eenvoud en natuurlijkheid.
+
+„Zou de visscher Andreas Ferrato ons voor dezen nacht een onderdak
+willen verleenen?”
+
+Andreas Ferrato keek hen met een doordringenden blik aan. Daarna stond
+hij op, stapte, naar de deur en keek naar buiten. In dat ondeelbare
+oogenblik bespeurde hij de bende politie-agenten, die den hoek van den
+havenmuur omsloegen. Toen raadde, toen begreep hij ongetwijfeld alles.
+Hij zag in wie zij waren, die hem gastvrijheid afsmeekten. Hij zag met
+een oogopslag, dat wanneer hij eene seconde draalde met hun te
+antwoorden, die mannen verloren waren.
+
+„Komt binnen,” sprak hij.
+
+De twee vluchtelingen haastten zich intusschen niet om dien deurdrempel
+te overschrijden.
+
+„Vriend,” zei graaf Sandorf....
+
+„Wat is er? Ik zeg u om binnen te komen.”
+
+„Vriend, er zijn vijfduizend gulden belooning uitgeloofd aan hem, die
+de gevangenen, welke den vestingtoren van Pisino ontvlucht zijn,
+uitlevert.”
+
+„Ik weet dit.”
+
+„De galeien staan er op, voor hem die hun eene toevlucht verleent.”
+
+„De galeien?”
+
+„Ja, vriend, de galeien!”
+
+„Ik weet dit.”
+
+„Gij kunt ons overleveren....”
+
+„Ik?....”
+
+„De som is niet gering....”
+
+„Ik!.... een verrader!....”
+
+„En het gevaar is groot!....”
+
+„Ik heb u gezegd: komt binnen, ik herhaal die uitnoodiging!” antwoordde
+de visscher.
+
+Beiden traden binnen.
+
+Andreas Ferrato sloot juist zijne deur dicht, toen de bende
+politiedienaren zijn huis voorbijtrokken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+DE HUT VAN DEN VISSCHER FERRATO.
+
+
+Andreas Ferrato was Corsicaan van oorsprong en geboren te Santa Manza,
+eene kleine havenplaats in het arrondissement Sartène, die achter eene
+ombuiging van de zuidelijke punt van het eiland gelegen was.
+
+De havenplaats met die van Bastia en die van Porto Vecchio waren de
+eenigen, die ettelijke duizenden jaren geleden toegang tot de oostkust
+van het eiland gaven, welks kustlijn daar toen zoo grillig en
+fantastisch ingesneden was, maar die nu meer effen geworden is door het
+voortdurend afknabbelen èn door de bergstroomen èn door de zeegolven,
+die allengs de voorgebergten en kapen hebben doen instorten en hen
+verzwolgen, waardoor zijne baaien en kreeken uitgewischt werden.
+
+Het was daar te Santa Manza dat Andreas Ferrato, op dat gedeelte der
+Middellandsche zee, hetwelk zich tusschen Corsica en het Italiaansche
+vasteland uitstrekt, zijn visschersbedrijf uitoefende. Hij waagde zich
+soms te midden van de rotsen van de Straat van Bonifacio op de kusten
+van Sardinië.
+
+Het visschersbedrijf is een ruw, moeitevol leven, vooral wanneer de
+koraalvisscherij aan de vischvangst gepaard gaat. De koralen toch
+moeten op de onderzeesche banken op de slechtste plaatsen van de Straat
+of van de zeeëngten gezocht worden.
+
+Maar Andreas Ferrato was een moedige kerel, die bovendien stevig
+gebouwd en onvermoeibaar was. Hij wist zich even behendig van zijne
+vischnetten te bedienen, als van zijne dreg. Zijne zaken bloeiden dan
+ook. En geen wonder! Zijne vrouw was arbeidzaam en schrander, en stond
+als eene ware heldin aan het hoofd van het kleine gezin van Santa
+Manza. Beiden konden lezen, schrijven en rekenen en waren bijgevolg
+betrekkelijk goed onderwezen, althans wanneer men hen vergeleek met de
+honderd vijftig duizend ongeletterden, die nog steeds door de
+statistiek opgegeven worden onder de twee honderd zestig duizend
+bewoners van het eiland.
+
+Bovendien was Andreas Ferrato—misschien wel tengevolge van die meerdere
+kennis—in zijne denkbeelden en in zijn hart zeer Franschgezind, hoewel
+hij, zooals zijn naam reeds aanduidt en zooals trouwens alle Corsicanen
+zijn, van Italiaanschen oorsprong was. Die Franschgezindheid had hem op
+dat tijdstip menige vijandschap in het kanton op den hals gehaald.
+
+Dat kanton, dat op het zuidelijk uiteinde van het eiland, ver van
+Bastia, ver van Ajaccio, ver van de administratieve en rechterlijke
+middelpunten gelegen is, moet inderdaad als zeer weerstrevend wegens
+ieder die niet Italiaansch of Sardinisch gezind is, beschouwd worden.
+Dit is eene betreurenswaardige staat van zaken, die niet eindigen zal
+dan tengevolge van eene betere opvoeding der latere geslachten.
+
+Zooals gezegd is, bestond er steeds eene verborgen vijandschap jegens
+het gezin Ferrato. Nu is op Corsica de afstand tusschen vijandschap en
+haat niet groot en van haat tot gewelddadigheden is hij nog minder.
+Eenige omstandigheden verergerden dien toestand nog.
+
+Op een dag dat Andreas Ferrato zijn geduld uitgeput gevoelde, had hij
+in eene opwelling van drift en toorn, eene „huid gesneden,” een
+„knoopsgat gemaakt.” Hij doodde een schavuit uit die streek, maar...
+was toen verplicht te vluchten.
+
+Andreas Ferrato was er evenwel de man niet naar om zich in de bergen te
+verschuilen, om daar in dagelijkschen strijd te leven zoowel tegen de
+politie als tegen de verwanten, makkers en vrienden van den gedoodde,
+en daardoor de reeks wraaknemingen, die ook de zijnen zouden treffen,
+te vergrooten. Hij besloot dadelijk om zijn vaderland te verlaten. Hij
+vertrok heimelijk van Corsica, om eene schuilplaats op de Sardinische
+kust te zoeken. Toen zijne vrouw hunne geringe bezittingen had te gelde
+gemaakt, het huis overgedaan en de meubels, het vaartuig en vischnetten
+verkocht had, vertrok zij ook derwaarts met hare dochter.
+
+Andreas Ferrato had het besluit genomen, om nooit meer in zijn
+vaderland terug te keeren.
+
+Daarenboven drukte die moord, hoewel hij uit zelfverdediging geschied
+was, het geweten van Andreas Ferrato. Met zijn eenigszins bijgeloovig
+karakter, zijnen landaard zoo eigen, stelde hij zich tot taak die daad
+te vergoeden. Hij meende dat de moord van dien man hem niet zou
+vergeven worden, dan wanneer hij het leven van een ander mensch met
+gevaar van zijn eigen bestaan zou gered hebben. En hij was vast
+besloten dat te doen, wanneer de gelegenheid zich daartoe zou
+aanbieden.
+
+Andreas Ferrato was evenwel, nadat hij Corsica verlaten had, slechts
+korten tijd in Sardinië gebleven, waar hij gemakkelijk ontdekt en
+herkend kon worden. Hij was een moedig en geestkrachtvol man. Hij
+beefde dan niet voor zijn persoon, maar wel voor de zijnen, die door de
+weerwraak van de verwanten van den verslagene getroffen konden worden.
+
+Hij wachtte het oogenblik af, dat hij zich verwijderen kon, zonder
+achterdocht op te wekken, en trok toen Italië door. Toen hij te Ancona
+aangekomen was, deed zich eene gelegenheid voor om de Adriatische zee
+over te steken en de Istrische kust te bereiken. Hij nam haar gretig
+waar.
+
+Ziedaar de redenen waarom en de omstandigheden waarin die Corsicaan
+zich bij de kleine havenplaats Rovigno gevestigd had. Hij woonde daar
+sedert zeventien jaren, en had er het visschersbedrijf hervat. Dat had
+tengevolge dat hij de vroeger genoten gegoedheid terug verdiende. Negen
+jaren na zijne aankomst was hem een zoon geboren, die Luigi genoemd
+werd, en wiens geboorte zijne moeder het leven kostte.
+
+Sedert hij weduwnaar was, leefde Andreas Ferrato slechts voor zijne
+dochter en zijn zoon. Maria was toen achttien jaren oud en strekte den
+jongeren broeder, die toen zijn achtste jaar bereikte, tot moeder. En
+ware het de droefheid niet geweest, van zijne wakkere levensgezellin
+verloren te hebben, die zich steeds nijpend deed gevoelen, dan zou die
+visscher van Rovigno zoo gelukkig geweest zijn als iemand het kan zijn,
+die door zijn arbeid zijn brood verdient en die de genoegdoening
+gevoelt zijnen plicht gedaan te hebben.
+
+De lezer weet dat hij ten rechte geroemd werd als zeer behendig in het
+uitoefenen van zijn handwerk. Te midden van die lange rijen rotsen, die
+de stranden van Istrië dekken, had hij zijne vischvangst in de baai
+Santa Manza of in de Straat van Bonifacio niet te betreuren.
+Daarenboven was hij goed bekend geworden in die streek, waar dezelfde
+taal als in Corsica gesproken werd.
+
+De voordeelen, welke hij behaalde door schepen te loodsen op de kust
+van Pola af tot Triëst, werden nog vermeerderd met de verdiensten van
+het visschersbedrijf in die vischrijke wateren. In zijn huis vonden de
+arme lieden dan ook altijd een onderkomen of een goede aalmoes, en in
+die liefdadigheidswerken werd hij zooveel slechts mogelijk was geholpen
+door zijne dochter Maria.
+
+Maar de visscher van Santa Manza vergat daardoor de gelofte niet, die
+hij weleer afgelegd had: leven om leven! Hij had het leven aan een
+wezen ontnomen; hij zou het leven van anderen redden. Ziedaar de reden
+waarom hij zonder de minste aarzeling tot de vreemdelingen zei: „Komt
+binnen,” toen zij zich aan zijne deur vertoonden, hoewel hij raadde wie
+zij waren en hoewel hij wist aan welke straf hij zich blootstelde.
+
+Ja, dat „komt binnen” had hij flinkweg uitgesproken; maar in zijn
+binnenste had hij er bijgevoegd:
+
+„En dat God ons onder Zijne hoede neme!”
+
+Intusschen was de bende politie-agenten de deur van het huis van
+Andreas Ferrato voorbijgestapt, zonder er op te houden. Graaf Mathias
+Sandorf en Stephanus Bathory konden dus meenen dat zij voor ettelijke
+nachtelijke uren in het huis van den Corsicaanschen visscher in
+betrekkelijke veiligheid waren.
+
+Dat huis was niet in de stad gebouwd, maar op een afstand van ongeveer
+vijfhonderd passen van de stadsmuren en buiten de haven, op eene
+rotsbedding, die het strand beheerschte. Daar buiten die strook, waar,
+op minder dan eene kabellengte, de golven tegen de klippen van het
+kustland braken, strekte zich de onmetelijke gezichteinder der zee uit.
+Naar den kant van het zuidwesten werd het voorgebergte ontwaard, dat in
+een afgeronde en omgebogen punt eindigde en door welker kromming de
+kleine reede van Rovigno op de Adriatische Zee omsloten wordt.
+
+Het geheele huis van Andreas Ferrato bevatte slechts eene gelijkvloers
+verdieping, die bestond uit vier kamers, twee aan de voorgevelzijde en
+twee aan den achterkant, en een getralied houten bijgebouwtje, waarin
+men de gereedschappen tot de vischvangst opborg.
+
+Zijn visschersboot was een soort logger, slechts voorzien van één mast.
+Dat vaartuig was dertig voet lang, maar had een breeden bijna
+vierkanten voorsteven, hetgeen voor de koraalvisscherij met de dreg
+zeer gemakkelijk was. Wanneer het vaartuig niet gebezigd werd, lag het
+binnen en volkomen vrij van de rotsen geankerd, en werd de gemeenschap
+met den wal onderhouden door eene kleine jol, die thans aan het strand
+op het droge getrokken was.
+
+Achter dat huis strekte zich een omheinde tuin van een halven bunder
+uit, waarin eenige groenten te midden van moerbeziënboomen, olijfboomen
+en van wijnstokken geteeld werden. Eene dichte heg scheidde dien tuin
+van eene beek, die vijf of zes voeten breed was en de grens aan den
+kant van het veld vormde.
+
+Ziedaar de nederige gastvrije woning, waarin de Voorzienigheid de
+vluchtelingen gevoerd had.
+
+Ziedaar de gastheer, die zijne vrijheid waagde, om hun een
+toevluchtsoord te verschaffen.
+
+Zoodra de deur achter hen dicht gesloten was, keken graaf Sandorf en
+Stephanus Bathory rond in de kamer, waarin de visscher hen ontvangen
+had.
+
+Dat was wel het voornaamste vertrek van de geheele woning. Het was
+slechts spaarzaam gemeubeld; maar wat er in stond, was zindelijk
+onderhouden en duidde de hand en den smaak aan van eene degelijke en
+zorgzame huisvrouw.
+
+„Vóór alles moet gij thans eten, niet waar?” vroeg Andreas Ferrato.
+
+„Ja, wij sterven van honger,” antwoordde graaf Sandorf. „Wij hebben
+hoegenaamd geen voedsel in de laatste vier en twintig uren gehad.”
+
+„Ge hoort het, Maria?” hernam de visscher.
+
+„Ja, vader,” sprak het meisje.
+
+En een oogenblik later had zij een stuk gezouten varkensvleesch, een
+schotel gekookte visch, eene flinke portie brood, een flesch landwijn
+met twee glazen, een schoteltje rozijnen, een helder wit tafellaken en
+twee borden met de noodige vorken en messen op de tafel geplaatst.
+
+Een „reglione,” eene soort olielamp met drie pitten, verlichtte het
+vertrek.
+
+Graaf Sandorf en Stephanus Bathory namen dadelijk aan tafel plaats. Zij
+waren waarlijk op het punt van in onmacht te vallen.
+
+„En gij?” vroegen zij aan den visscher.
+
+„Ik?”
+
+„Ja, gij. Doet gij niet mede?”
+
+„Wij hebben reeds geavondmaald,” antwoordde Andreas Ferrato.
+
+Die twee uitgehongerden verslonden—ja, dat is het woord,—de spijzen,
+die hun met zooveel eenvoud en zoo goedhartig voorgezet waren.
+
+Maar terwijl zij aten, sloegen zij voortdurend den visscher, zijne
+dochter en zijn zoon gade, welke laatste in een hoek gezeten was. Allen
+keken de vreemdelingen aan, zonder evenwel een woord te spreken.
+
+Andreas Ferrato kon toen twee en veertig jaar oud zijn. Het was een man
+met een ernstig, ja zelfs eenigszins droevig gelaat. Hoewel zijn
+gezicht door de zon gebruind was, had hij gelaatstrekken vol
+uitdrukking, waarbij zwarte oogen met levendigen blik. Hij droeg de
+kleeding der visschers van de Adriatische zee, waaronder een edele
+borst klopte, terwijl zich daarin eene flink ontwikkelde gestalte liet
+ontwaren.
+
+Maria—welker gestalte en gelaat aan die harer moeder herinnerde—was
+groot van stuk, welgemaakt en zeer schoon. Zij had vurige zwarte oogen,
+bruine haren en eene huid, die door het Corsicaansche bloed, dat door
+hare aderen vloeide, warm getint was. Zij had een ernstig karakter, als
+gevolg van de verplichtingen, die zij van hare prilste jeugd op zich
+had voelen rusten. In hare houding, in hare bewegingen spreidde zij die
+kalmte ten toon, die eene bedachtzame geaardheid eigen is. Alles duidde
+bij dit jonge meisje op eene geestkracht, die haar nimmer in den steek
+zou laten, welke ook de omstandigheden zouden zijn, waarin zij zich zou
+kunnen bevinden.
+
+Zij was herhaaldelijk door jeugdige visschers uit den omtrek ten
+huwelijk gevraagd, maar zij had daaraan nimmer het oor geleend.
+Behoorde haar leven niet aan haren vader toe, en aan dat kind, dat zij
+zoo innig, innig liefhad?
+
+Wat Luigi betrof, dat was een flinke vastberaden jongen, een moedig en
+degelijk visscher. Hij was reeds volkomen met den werkkring van zeeman
+bekend. Hij vergezelde Andreas Ferrato, zijn vader, bij zijne
+visscherijen en bij zijne loodsdiensten en was daarbij steeds
+blootshoofds, onverschillig of het waaide en of het regende. Hij
+beloofde een stevige, gezonde kerel te zullen worden, die meer dan
+stoutmoedig, die koen ja roekeloos zou zijn. Hij was tegen alle
+guurheden van het weder gehard en had hoegenaamd geen oog voor eenig
+gevaar. Hij had zijn vader lief en aanbad zijne zuster.
+
+Graaf Mathias Sandorf had die drie wezens, die door zoo innige banden
+aan elkander verbonden waren, nauwkeurig gadeslagen. Hij koesterde dan
+ook geen twijfel, dat hij zich bij eerlijke, brave lieden bevond, die
+hij volkomen vertrouwen kon.
+
+Toen het maal afgeloopen en de honger verzadigd was, stond Andreas
+Ferrato op en naderde graaf Mathias Sandorf.
+
+„Gaat nu slapen, heeren,” zei hij op eenvoudigen toon.
+
+„Slapen?” vroegen de vluchtelingen.
+
+„Ja, slapen, rusten,” hernam de visscher.
+
+„Dat kunnen wij niet.”
+
+„Niemand weet dat gij hier zijt.”
+
+„Dat ’s waar; maar....”
+
+„Morgen zullen wij zien, wat ons verder te doen staat.”
+
+„Neen, Andreas Ferrato, neen!” antwoordde graaf Sandorf.
+
+„Dat kan niet.”
+
+„Wat kan niet?”
+
+„Dat wij heden nacht hier blijven.”
+
+„Ah bah!”
+
+„Onze honger is gestild. Onze krachten zijn weergekeerd. Wij moeten nu
+dadelijk dit huis verlaten!”
+
+„Daar valt niet aan te denken!”
+
+„Onze tegenwoordigheid veroorzaakt voor u en de uwen te groot gevaar!”
+zei Mathias Sandorf.
+
+„Ja, wij moeten vertrekken,” beaamde Stephanus Bathory. „En dat God u
+beloone voor hetgeen gij voor ons gedaan hebt.”
+
+„Gaat slapen! Dat is voorshands het noodzakelijkste,” hernam de
+visscher.
+
+„Wij kunnen niet,” antwoordde graaf Sandorf.
+
+„De kust wordt heden avond bewaakt.”
+
+„O, God!”
+
+„Men heeft een embargo op alle schepen van al de havens van deze streek
+gelegd.”
+
+„Onmogelijk!”
+
+„Heden nacht is niets te beproeven, dat verzeker ik u.”
+
+„Maar....”
+
+„Gaat slapen,” herhaalde Andreas Ferrato.
+
+„Als gij het dan wilt. Het zij zoo,” antwoordde graaf Mathias Sandorf.
+
+„Ja, ik wil het!”
+
+„Een woord evenwel nog!”
+
+„En dat is?”
+
+„Wanneer is onze ontsnapping bekend geworden?....”
+
+„Sedert dezen morgen,” antwoordde Andreas Ferrato. „Maar...”
+
+„Maar, wat?” vroeg graaf Sandorf, toen hij de aarzeling van den
+visscher bemerkte.
+
+„Gij waart met uw vieren gevangen in den vestingtoren van Pisino?”
+
+„Ja.”
+
+„Gij zijt slechts met u beiden hier?”
+
+„Helaas!”
+
+„Men zegt,” ging Andreas Ferrato voort, „dat de derde in vrijheid
+gesteld zal worden.”
+
+„Sarcany!” riep Mathias Sandorf toornig uit, vóórdat hij dat gevoel van
+woede, alleen door de gedachte aan dien verafschuwden man opgewekt, had
+kunnen bedwingen.
+
+„En de vierde?”.... vroeg Stephanus Bathory aarzelend, zonder zijn
+volzin te durven eindigen.
+
+„De vierde is nog in leven,” antwoordde Andreas Ferrato.
+
+„In leven?” riep Stephanus Bathory uit.
+
+„Ja, de terechtstelling is verdaagd,” zei de visscher.
+
+„Nog in leven?” herhaalde Stephanus Bathory.
+
+„Ja, ik herhaal....” wilde Andreas Ferrato zeggen.
+
+„Is het mogelijk?” riep Bathory steeds ontzet uit.
+
+„Wel zeker,” hernam graaf Sandorf spottend. „Men wil wachten tot dat
+men ons opgespoord en gesnapt zal hebben, om ons de vreugde te bereiden
+te zamen te sterven.”
+
+„Mathias!” kreet Stephanus Bathory.
+
+„Maria,” zei Andreas Ferrato bedaard, „wijs onze gasten hunne kamer. Ge
+weet wel die aan de achterzijde, die op het bijgebouwtje uitgang
+verleent.”
+
+„Ja, vader,” antwoordde het jonge meisje.
+
+„Maar geen licht opsteken, hoor,” ging hij voort.
+
+„Goed, vader.”
+
+„Heden avond moet dat raam niet verlicht wezen.”
+
+„Ja, vader.”
+
+„Dat zou achterdocht kunnen opwekken.”
+
+„Kom, heeren,” sprak het jonge meisje.
+
+Een oogenblik later wisselden graaf Sandorf en zijn makker een
+hartelijken handdruk met den visscher. Daarna traden zij hunne kamer
+binnen, waar hun twee goede matrassen of beter stroozakken met
+maïsbladeren gevuld, wachtten, waarop zij van hunne vermoeienissen, die
+zij zoo ruimschoots verduurd hadden, konden uitrusten.
+
+Maar Andreas Ferrato en zijn zoon Luigi hadden reeds het huis verlaten.
+Zij wilden zich overtuigen dat niemand in den omtrek rondzwierf, noch
+op het strand, noch in het veld aan de overzijde van de beek. De
+vluchtelingen konden dus gerust tot het aanbreken van den dag slapen.
+
+De nacht ging zonder bijzondere voorvallen voorbij. De visscher was
+herhaaldelijk naar buiten getreden. Hij had evenwel niets verdachts
+bespeurd.
+
+Den volgenden morgen, den 18en Juni, ging Andreas Ferrato, terwijl
+zijne gasten nog sliepen, op kondschap uit tot in het midden der stad,
+als ook op de kaden van de haven. Op verscheidene punten trof hij
+samenscholingen aan van nieuwsgierigen en leegloopers. Een
+aanplakbiljet, sedert den vorigen dag reeds op de daarvoor bestemde
+plaatsen bevestigd, gaf kennis van de ontsnapping, van de straffen, die
+op het verleenen van hulp aan de vluchtelingen stond, van de premie die
+uitgeloofd was. Dat maakte natuurlijk het onderwerp uit van alle
+gesprekken. Men babbelde, men vertelde nieuwtjes, men herhaalde het
+gehoorde niet altijd nauwkeurig, soms zeer onjuist en men wist het
+juiste evenmin als tevoren.
+
+Niets duidde aan dat graaf Sandorf en zijn lotgenoot in den omtrek
+gezien waren, of dat men zelfs hunne aanwezigheid in de provincie
+vermoedde. Toch verspreidde zich tegen tien uren in den morgen, toen de
+brigadier der maréchaussées met zijne manschappen na hunne nachtelijke
+ronde te Rovigno waren teruggekeerd, het gerucht, dat twee
+vreemdelingen vier en twintig uren te voren gezien waren op de oevers
+van het kanaal van Léma. Men had de geheele landstreek tot aan de zee
+doorzocht, om hun spoor terug te vinden, maar zonder gevolg. Er was
+niets op te merken van hunnen doortocht.
+
+Hadden zij dus de kuststreek kunnen bereiken en een vaartuig
+bemachtigd?
+
+Of hadden zij zich naar een ander punt van Istrië begeven?
+
+Of wel, hadden zij de Oostenrijksche grens overschreden?
+
+Alles was mogelijk.
+
+„Mooi!” werd gezegd. „Dat zullen al vast vijf duizend gulden zijn, die
+voor de schatkist bewaard blijven.”
+
+„Een geld dat beter besteed kan worden dan om hatelijke verklikkerijen
+te beloonen!”
+
+„Ja zeker!
+
+„God geve dat de arme vluchtelingen mogen ontsnappen!”
+
+„Ontsnappen!....”
+
+„Ik hoop het!”
+
+„Och, dat zal wel reeds geschied zijn!”
+
+„Zij zullen wel reeds in veiligheid aan de andere zijde van de
+Adriatische zee zijn!”
+
+Afgaande op dat gepraat, dat in het meerendeel der groepen van boeren,
+burgers en arbeiders, die voor de aanplakbiljetten stilstonden,
+gehouden werd, was de openbare meening, zooals men ziet, zeer ten
+gunste van de veroordeelden, ten minste onder de bewoners van Istrië,
+schier allen Slavoniërs en Italianen van geboorte. De Oostenrijksche
+beambten konden dus niet op eene verklikking van dien kant rekenen.
+Niets werd dan ook nagelaten of verzuimd om de vluchtelingen weer te
+vinden. Al de benden politie-agenten, al de brigades maréchaussées
+waren sedert den vorigen dag op de been en er werden onophoudelijk
+telegrammen tusschen Rovigno, Pisino en Triëst gewisseld.
+
+Toen Andreas Ferrato tegen elf uur tehuis kwam, deelde hij die
+berichten, die eerder goed dan slecht waren, mede.
+
+Graaf Sandorf en Stephanus Bathory, die door Maria in de kamer, waarin
+zij overnacht hadden, bediend werden, hadden juist in dat oogenblik hun
+ontbijt verorberd.
+
+Die eenige uren rust, dat heerlijke maal, die goede verpleging had hen
+geheel en al van hunne uitputting hersteld.
+
+„Welnu, vriend?” vroeg graaf Sandorf, zoodra de deur achter Andreas
+Ferrato gesloten was.
+
+„Ik geloof niet, heeren,” antwoordde de visscher, „dat gij voor het
+oogenblik iets te vreezen hebt.”
+
+„Maar wat wordt er in de stad verteld?” vroeg Stephanus Bathory.
+
+„Ja, wat wordt er verteld? Zeg ons dat,” herhaalde ook graaf Sandorf.
+
+„Men spreekt wel van twee vreemdelingen, die gisterenochtend gezien
+zijn, op het oogenblik, dat....”
+
+„Ga voort, wat ik u bidden mag,” zei graaf Sandorf bij de aarzeling van
+den visscher.
+
+„Op het oogenblik,” vervolgde deze, „dat zij op den oever van het
+kanaal van Léma voet aan wal zetten.... En....”
+
+„En wat?” vroeg Stephanus Bathory ongeduldig.
+
+„En als gij het zijt.... heeren....”
+
+„Ga voort. Wij zijn het inderdaad,” zei Stephanus Bathory. „Een man,
+een zoutarbeider van den omtrek, heeft ons gezien en aangebracht.”
+
+Toen werd Andreas Ferrato op de hoogte gebracht van hetgeen in den
+bouwval der pachthoeve voorgevallen was, terwijl de vluchtelingen er
+verscholen waren.
+
+„En weet gij niet, wie die verklikker is?” vroeg de visscher met
+aandrang.
+
+„Neen,” antwoordde Bathory.
+
+„Wij hebben hem niet kunnen zien,” vulde graaf Sandorf verder aan; „wij
+hebben slechts zijne stem kunnen vernemen.”
+
+„Dat is een betreurenswaardige omstandigheid,” hernam Andreas Ferrato.
+„Het voornaamste en gewichtigste evenwel is, dat men uw spoor verloren
+heeft. Bovendien al ware het dat men omtrent uwe aanwezigheid in mijne
+woning achterdocht had, dan geloof ik niet dat er eene verklikking te
+vreezen is.”
+
+„Zoo?” vroeg Stephanus Bathory verbaasd. „Waarom niet?”
+
+„Omdat alle menschen hier in Rovigno ten uwen voordeele zijn!”
+
+„Ja, daarover verwonder ik mij niet,” hernam graaf Sandorf. „Het is
+eene moedige en eerlijke bevolking in deze provinciën! Toch moet het
+oog op de Oostenrijksche autoriteiten gehouden worden. Zij zullen voor
+niets terugdeinzen om ons weer in hunne macht te krijgen.”
+
+„Wat u geruststellen moet, heeren,” sprak de visscher, „dat is dat de
+meening, waarin men verkeert, luidt, dat gij reeds de overzijde van de
+Adriatische zee hebt kunnen bereiken.”
+
+„Och, God gave dat het zoo ware!” zuchtte Maria, die de handen gevouwen
+en de oogen ten hemel geslagen had, alsof zij een gebed slaakte.
+
+„Het zal zoo worden, lief kind,” antwoordde graaf Sandorf op den toon
+der vurigste overtuiging. „Ja, met Gods hulp zullen wij ontsnappen....”
+
+„En met de mijne, heer graaf!” hernam Andreas Ferrato. „Ik ga nu aan
+mijne bezigheden. Men is gewoon ons, Luigi en mij, bezig te zien met
+het herstel onzer netten op het strand, of met het schoonmaken van ons
+vaartuig. Wij moeten niets aan den gewonen gang van zaken veranderen.”
+
+„Voorzeker niet,” zei Stephanus Bathory.
+
+„Ik heb bovendien noodig om mij omtrent den toestand van het weer te
+vergewissen, alvorens een besluit te nemen. Blijft dus in deze kamer.
+Verlaat haar onder geen voorwendsel. Doet, om alle achterdocht te
+vermijden, het venster open, dat op onzen tuin uitzicht verleent, maar
+blijft in het achterste gedeelte van het vertrek en vooral vertoont u
+niet.”
+
+„Neen, neen, wees gerust!”
+
+„Ik ben over een paar uren terug.”
+
+Daarop verliet Andreas Ferrato met zijn zoon Luigi het huis, terwijl
+Maria zich voor de deur met hare gewone bezigheden onledig hield.
+
+Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. Andreas Ferrato
+trachtte bij wijze van voorzorg een praatje met hen te maken, alvorens
+hij zijne netten op het zandige strand uitstrekte.
+
+„De westewind is goed doorgekomen,” zei een hunner.
+
+„Ja, antwoordde Andreas Ferrato, „het onweder van eergisteren heeft de
+lucht flink gezuiverd.”
+
+„Ongetwijfeld,” hernam een ander. „Toch zou het kunnen gebeuren dat de
+wind meer en meer opstak bij het vallen van den avond, en tot buien
+overging, wanneer de „bora” zich er bij voegt.”
+
+„Och, het zal steeds een landwind zijn en de zee kan dan niet onstuimig
+tusschen de rotsen wezen.”
+
+„Dat staat te bezien.”
+
+„Gaat gij dezen nacht visschen, Andreas?”
+
+„Ongetwijfeld.”
+
+„Als het weer het toelaat, niet waar?”
+
+„Dat spreekt van zelf.”
+
+„Maar het embargo.”....
+
+„Het embargo?”....
+
+„Ja.”
+
+„Dat is slechts op de groote schepen gelegd en niet op de
+visschersvaartuigen, die zich niet van de kust verwijderen.”
+
+„Zijt gij daar zeker van?”
+
+„Ja, zeer zeker.”
+
+„Welnu, des te beter; want men heeft scholen tonijnen geseind, die uit
+het zuiden komen. Wij mogen niet dralen om onze fuiken te stellen.”
+
+„Mooi!” zei Andreas Ferrato. „Maar er is nog geen tijd verloren.”
+
+„Misschien. Wie weet?”
+
+„Neen, geloof mij. Als ik heden nacht uitzeil, dan ga ik de tonijnen
+opwachten bij Orsera of naar de kust van Parenzo.”
+
+„Dat moet gij weten; maar wij zullen onze fuiken aan den voet der
+rotsen stellen
+
+„Dat is uwe zaak!”
+
+Toen gingen Andreas Ferrato en Luigi hunne netten uit het bijgebouwtje
+halen, spreidden ze op het mulle zand uit, om ze in de zon te laten
+drogen. Twee uren later keerde de visscher naar zijne woning terug, na
+zijn zoon aanbevolen te hebben, de haken klaar te houden, die dienen om
+de visschen te dooden.
+
+Nadat hij gedurende ongeveer tien minuten zijne pijp op den drempel
+zijner deur gerookt had, begaf zij zich naar de kamer zijner gasten,
+terwijl Maria met haar werk voor de deur voortging.
+
+„Heer graaf,” sprak de visscher, „de wind waait van de landzijde,
+zoodat volgens mijne meening de zee dezen nacht niet hol zal staan. Nu
+zal het ’t meest eenvoudige middel zijn om te vluchten, zonder eenig
+spoor na te laten, om u met mij in te schepen. Wanneer gij daartoe
+besluit, dan zal het ’t beste zijn, heden avond tegen tien uren te
+vertrekken. Alsdan zult gij tusschen de rotsen tot aan den rand der
+branding moeten voortsluipen. Niemand zal u zien. Mijne jol zal u tot
+bij mijn vaartuig brengen, waarna wij dadelijk zee zullen kiezen zonder
+de opmerkzaamheid op te wekken, daar men weet, dat ik dezen nacht zal
+uitzeilen. Als de wind te zeer mocht opsteken, dan zal ik langs de kust
+houden en u aan de andere zijde van de Oostenrijksche grens buiten de
+mondingen van den Cattaro ontschepen.”
+
+„Maar als de wind niet opsteekt, wat zijt gij dan voornemens te doen?”
+vroeg graaf Sandorf.
+
+„Dan zullen wij volle zee halen,” antwoordde de visscher. „Dan zullen
+wij de Adriatische zee oversteken en dan zal ik u hetzij te Rimini,
+hetzij bij de uitwatering van de Po aan land zetten.”
+
+„Is uw vaartuig bestand voor zulk een overtocht,” vroeg Stephanus
+Bathory.
+
+„Ja, zeker. Het is een flinke boot, die een half dek heeft en waarmede
+mijn zoon en ik zeer slecht weder getrotseerd hebben. Daarenboven, wij
+moeten wel wat wagen, nietwaar?”
+
+„Dat wij gevaar loopen,” antwoordde graaf Sandorf, „wij wier leven op
+het spel staat, dat is niet meer dan natuurlijk. Maar dat gij, gij,
+mijn vriend, uw leven waagt....”
+
+„Dat is mijn zaak, heer graaf,” hernam Andreas Ferrato. „Ik doe slechts
+mijn plicht door u te redden.”
+
+„Uw plicht?....”
+
+„Ja!”
+
+Andreas Ferrato verhaalde daarop dat gedeelte van zijne
+levensgeschiedenis, tengevolge waarvan hij Santa Manza en zelfs Corsica
+had moeten verlaten, en hoe het goede, hetwelk hij op het punt stond te
+doen, slechts de vergelding was van het kwaad, dat hij bedreven had.
+
+„Edel hart!” riep graaf Sandorf uit, die door dat verhaal bewogen was.
+
+Daarop hernam hij:
+
+„Maar, hetzij wij naar de mondingen van den Cattaro stevenen, hetzij
+wij naar de Italiaansche kust gaan, zoo zal toch zulk eene reis eene
+vrij langdurige afwezigheid van uwe zijde veroorzaken, die de bewoners
+van Rovigno verwonderen moet. Het mag niet gebeuren, dat gij, na ons in
+veiligheid gebracht te hebben, bij uwen terugkeer gevangen genomen
+wordt....”
+
+„Vrees niets, heer graaf,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ik blijf
+somtijds tegen het tijdstip der groote visscherijen vijf of zes dagen
+op zee. Ik herhaal het bovendien: dat zijn mijne zaken. Zoo moet
+gehandeld worden en zoo zullen wij handelen.”
+
+Er viel na die beslissing van den visscher niet meer te twisten. Het
+plan van Andreas Ferrato was klaarblijkelijk het beste en daarenboven
+het meest gemakkelijke om uitgevoerd te worden, daar het
+visschersvaartuig—zooals ten minste gehoopt werd—niets van de
+stormachtigheid der zee zou te vreezen hebben. Er waren geene
+voorzorgsmaatregelen te treffen dan op het oogenblik van inscheping. De
+nacht zou evenwel somber en zonder maan zijn. Zeer waarschijnlijk zou
+bij het vallen van den avond daarenboven een van die dikke nevels
+opstijgen, die de kust bedekken, maar in volle zee niet waargenomen
+worden. Op dat uur zou het strand eenzaam en verlaten zijn. Behalve een
+paar grensbeambten, die hun kustgebied afliepen, zou men niemand
+ontmoeten. Wat de overige visschers, de buren van Andreas Ferrato
+betreft, zij zouden, zooals zij zelf verteld hadden, zich onledig
+houden om hunne fuiken op de piketten te spannen, buiten de
+rotsengroep, dat wil zeggen op twee of drie mijlen ten zuiden van
+Rovigno. Wanneer die het visschersvaartuig van Andreas Ferrato zouden
+ontwaren, gesteld dat dit gebeurde, dan zou het reeds te ver in zee
+zijn om iemand aan boord te kunnen herkennen. Daarenboven zouden de
+vluchtelingen zich onder het halfdek verscholen houden.
+
+„Op hoeveel afstand rekent gij de haven van Rovigno van het
+naastbijgelegen punt van de Italiaansche kust?” vroeg toen Stephanus
+Bathory.
+
+„Op vijftig mijlen ongeveer.”
+
+„Hoeveel tijd is er benoodigd om dien afstand af te leggen?”
+
+„Dat ’s moeilijk te zeggen,” antwoordde de visscher voorzichtig.
+
+„Maar er is toch wel eene gissing, een raming te maken, niet waar?”
+
+„Ja, als deze wind blijft doorstaan, dan kunnen wij in een twaalftal
+uren overkomen. Maar....”
+
+„Gij aarzelt, vriend?” vroeg graaf Sandorf.
+
+„Gij zijt zonder geld, niet waar?”
+
+„Ja, helaas!” antwoordde Stephanus Bathory met een zucht.
+
+„En toch is dat onmisbaar!”
+
+„Dat valt niet te ontkennen.”
+
+„Welnu,” vervolgde Andreas Ferrato, „neemt dezen gordel, daarin zitten
+drie honderd gulden. Doet hem zoo.... kijk zoo, om het lijf.”
+
+„Vriend!....” zei Mathias Sandorf.
+
+„Gij zult mij dat later teruggeven,” hernam de visscher.
+
+„Teruggeven? Later? Wanneer?” vroeg graaf Sandorf met aarzeling in
+zijne stem.
+
+„Wanneer gij in veiligheid zijt. Zoodra het u schikt. Kom, dat is
+afgesproken, niet waar? Wacht mij nu slechts.”
+
+Toen dat alles afdoende geregeld was, ging Andreas Ferrato heen en
+hernam zijne gewone bezigheden met nu eens op het strand te arbeiden en
+zich dan weer eens in huis onledig te houden. Het gelukte Luigi om,
+zonder dat dit opgemerkt werd, eenige levensmiddelen, genoeg voor
+verscheidene dagen, aan boord van het visschersvaartuig te brengen. Hij
+had ze eenvoudig in een reserve-zeil gewikkeld en zoo overgevoerd. Geen
+enkele achterdochtige gedachte kon de plannen van Andreas Ferrato komen
+dwarsboomen. Hij dreef de voorzorgsmaatregelen zoo ver, dat hij zijne
+gasten gedurende het overige gedeelte van den dag niet meer wilde
+terugzien. Graaf Mathias Sandorf en professor Stephanus Bathory bleven
+in de kleine kamer verscholen, waarvan het venster evenwel geopend
+bleef. Wanneer het tijd zou zijn om die gastvrije woning te verlaten,
+zou de visscher hen waarschuwen.
+
+In den namiddag kwamen ettelijke buren met hem over visscherijzaken
+praten, voornamelijk over de verschijning der tonijnen langs de kusten
+van Istrië. Andreas Ferrato ontving hen in zijne huishoudkamer en bood
+hen volgens gewoonte een ververschingsdronk aan.
+
+Zoo ging het grootste gedeelte van den dag met heen en weer te
+drentelen en in verschillende gesprekken voorbij. Soms liep het gesprek
+over de vluchtelingen. Het gerucht was toch verspreid, dat zij in de
+nabijheid van het kanaal van Quarnero op de tegenovergestelde kust van
+Istrië gevat waren geworden. Dat gerucht werd evenwel kort daarop
+weersproken.
+
+Alles scheen dus zoo goed mogelijk te gaan. Dat de kuststrook met meer
+nauwkeurigheid dan vroeger, hetzij door de ambtenaren der in- en
+uitgaande rechten, hetzij door de politie-agenten, hetzij door de
+maréchaussées, zou gadegeslagen worden, kon als zeker aangenomen
+worden. Maar het zou zoo moeilijk niet zijn die waakzaamheid te
+verschalken, wanneer het nacht geworden zou zijn.
+
+Het embargo was, zooals de lezer zich herinneren zal, slechts op de
+groote schepen of op de kustvaarders van de Adriatische en
+Middellandsche zeeën gelegd, niet op de visschersschuiten die bij den
+oever blijven. Het uitzeilen van het vaartuig van Andreas Ferrato kon
+dus geschieden zonder achterdocht op te wekken.
+
+Andreas Ferrato had evenwel op het bezoek niet gerekend, dat hem zoo
+tegen zes uren des avonds gebracht werd. Dat bezoek verwonderde hem,
+hoewel het hem nog niet verontrustte. Hij zou er de dreigende
+beteekenis eerst van begrijpen, toen de bezoeker weer vertrokken was.
+
+Acht uren waren geslagen. Maria hield zich onledig met het gereed maken
+van het avondmaal en de tafels waren reeds gedekt in de huishoudkamer,
+toen tweemalen op de huisdeur geklopt werd. Andreas Ferrato aarzelde
+geen oogenblik om te openen. Hij was zeer verbaasd toen hij zich
+tegenover den Spanjaard Carpena bevond.
+
+Die Carpena was geboren te Almavate, eene kleine stad in de provincie
+Malaga. Hij had waarschijnlijk Spanje om eene zelfde reden verlaten,
+waarom Andreas Ferrato Corsica vaarwel had gezegd, en had zich in
+Istrië gevestigd. Daar had hij het zoutwerkers-ambacht ter hand genomen
+en hield zich voornamelijk onledig met de opbrengst der zoutpannen op
+de westkust naar het binnenland te vervoeren. Dat was een ondankbare
+arbeid, waarmede hij ter nauwernood zooveel verdienen kon om zijn
+ellendig bestaan te rekken.
+
+Carpena was een stevige kerel en nog jong, daar hij nog niet ten volle
+vijf en twintig jaren telde. Hij was klein van gestalte, maar breed van
+schouders, had een dik hoofd, met gekroesd grof zwart haar bedekt, en
+een gelaat als een bulhond, dat volstrekt niets geruststellends had.
+Hij was niet gezellig van aard, doch haatdragend, wraakzuchtig en
+daarenboven nog lafhartig. Met zulke hoedanigheden begaafd, kon het
+niet vreemd heeten, dat hij in de buurt geenszins bemind was. Niemand
+wist, waarom hij zijn vaderland verlaten had. Hij had meermalen twist
+met zijne makkers, zoutarbeiders, gehad, waarbij bedreigingen geuit
+waren, waarbij zelfs vechtpartijen voorgevallen waren, en dat alles had
+hem volstrekt geen goeden naam bezorgd. Men liet hem volgaarne ter
+zijde.
+
+Toch koesterde Carpena geen ongunstige meening over zijn eigen persoon.
+Verre van daar. Dat kan voldoende verklaring geven en men zal vernemen
+waarom hij gepoogd had met Andreas Ferrato in aanraking te komen. Het
+is waar, reeds bij het begin van die relatiën had hij vanwege den
+visscher geen aanlokkend onthaal ondervonden. Dat zal genoegzaam
+begrepen worden, wanneer de pretentiën van dien man in het volgende
+gesprek ontsluierd zullen zijn.
+
+Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas
+Ferrato hield hem tegen, terwijl hij vroeg:
+
+„Wat komt gij hier doen?”
+
+„Ik drentelde voorbij. Daar ik licht zag, heb ik aangeklopt.”
+
+„Waarom?”
+
+„Wel, om u als buurman een bezoek te brengen.”
+
+„Uwe bezoeken mishagen mij, dat weet ge wel.”
+
+„Gewoonlijk,” antwoordde de Spanjaard, „is dat zoo; maar heden.... Dat
+zal wel anders zijn.”
+
+Andreas Ferrato begreep dat niet en kon ook de beteekenis van die
+raadselachtige woorden niet gissen. In den mond van Carpena waren zij
+evenwel onrustwekkend. Een vluchtige trilling kon de huisheer dan ook
+niet bemantelen en die ontging den bezoeker niet. Deze had de deur
+gesloten.
+
+„Ik moet u spreken,” zei hij.
+
+„Neen!”
+
+„Jawel!”
+
+„Gij hebt mij niets te zeggen.”
+
+„Jawel.... Ik moet u afzonderlijk spreken,” vervolgde de Spanjaard,
+terwijl hij fluisterend sprak.
+
+„Och kom!”
+
+„Geloof me.”
+
+„Nu, kom dan,” antwoordde de visscher, die dien dag goede redenen had
+om niemand den toegang tot zijn huis te weigeren. Op een teeken van
+Andreas Ferrato stapte Carpena de huishoudkamer door en volgde hem in
+zijne slaapkamer.
+
+Die kamer was slechts door een zeer dun beschot van het vertrek
+gescheiden, waarin graaf Sandorf en zijn lotgenoot Stephanus Bathory
+verscholen waren. De eene kamer had uitzicht op de straat, de andere op
+het omheinde erf achter de woning. Toen zij alleen waren, vroeg de
+visscher:
+
+„Wat wilt ge van mij?”
+
+„Buurman,” antwoordde Carpena, „ik kom nog een beroep op uw goede
+vriendschap doen.”
+
+„Vriendschap?.....” vroeg Andreas Ferrato smalend.
+
+„Ja, vriendschap!”
+
+„En ter zake van wat?”
+
+„Ter zake van uwe dochter.”
+
+„Daarover geen woord meer!”
+
+„Maar hoor dan toch!....”
+
+„Geen woord! geen enkel woord!”
+
+„Gij weet dat ik Maria bemin, en....”
+
+„Zwijg!”
+
+„En dat het mijn vurigste wensch is, dat zij mijne vrouw wordt.”
+
+Ja, dat was het droombeeld van Carpena.
+
+Sedert verscheidene maanden vervolgde hij het jonge meisje met zijne
+oplettendheden. Zooals de lezer wel begrijpen zal, werd hij daarbij
+eerder door baatzucht dan door liefde gedreven. Andreas Ferrato kon
+welgesteld heeten en was dat ook in den kring der visschers, waarin hij
+verkeerde. Hij mocht rijk genoemd worden in vergelijking met den
+Spanjaard, die niets ter wereld bezat.
+
+Niets was dus natuurlijker dan dat Carpena de gedachte gekoesterd had,
+om de schoonzoon te worden van dien bemiddelde; maar niets was
+daartegenover ook natuurlijker, dan dat de visscher hem steeds en
+onveranderlijk afgescheept had. Een zoodanig sujet kon hem niet
+behagen.
+
+„Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato koeltjes, „gij hebt u eerst tot
+mijne dochter gewend en die heeft „neen” gezegd. Daarop zijt gij tot
+mij gekomen en ik heb eveneens „neen” geantwoord. Gij komt heden
+andermaal op uw verzoek terug; ik antwoord u „neen!” voor de laatste
+maal.”
+
+Het gelaat van den Spanjaard verwrong vreeselijk. Zijn lippen krulden
+om en lieten zijne tanden zien. Zijne oogen rolden woest en schoten
+vuurstralen. Maar de kamer, waarin de beide mannen zich bevonden, was
+slecht verlicht, zoodat Andreas Ferrato dat onheilspellend gelaat niet
+kon zien.
+
+„Is dat uw laatste woord?” vroeg Carpena.
+
+„Ja!”
+
+„Onherroepelijk?
+
+„Ja, onherroepelijk mijn laatste woord, wanneer het de laatste maal zal
+zijn, dat gij uw aanzoek herhaalt,” antwoordde de visscher. „Komt gij
+er evenwel op terug, dan zult gij steeds hetzelfde antwoord ontvangen.”
+
+„Ik zal er op terugkomen!....”
+
+„Dat is volmaakt noodeloos!”
+
+„Ja, ik zal er op terugkomen, wanneer Maria mij zeggen zal om het te
+doen.”
+
+„Zij?....”
+
+„Ja, zij!”
+
+„Zij!....” riep Andreas Ferrato uit. „Zij! Gij weet wel dat mijne
+dochter noch vriendschap, noch achting voor u koestert!”
+
+„Hare gevoelens kunnen veranderen, wanneer....”
+
+„Kom, loop heen.”
+
+„Wanneer ik een onderhoud met haar gehad zal hebben.”
+
+„Een onderhoud?”
+
+„Ja, Ferrato, ik wensch haar te spreken.”
+
+„Wanneer?”
+
+„Dadelijk!.... Hoort ge?.... Ik moet haar dadelijk spreken...”
+
+„Moet?” vroeg de visscher toornig.
+
+„Ja, ik moet. En dat nog wel heden avond.”
+
+„Ik weiger voor haar!”
+
+„Pas op!”
+
+„Geen bedreigingen!”
+
+„Pas op!” herhaalde Carpena, die thans luider sprak. „Pas op!”
+
+„Waarop?”
+
+„Ik zal mij wreken!”
+
+„Ha, ha, ha!”
+
+„Ja, ik zal mij wreken!”
+
+„Welnu, wreek je, als ge kunt en als ge durft, Carpena,” antwoordde
+Andreas Ferrato, die nog meer toornig werd.
+
+„Sar me niet!”
+
+„Wreek je; je bedreigingen jagen mij geen angst aan, dat weet je wel!”
+
+De Spanjaard knarsetandde.
+
+„En nu de deur uit!” ging Andreas Ferrato voort. „Of ik smijt je naar
+buiten!”
+
+Het bloed steeg Carpena naar het hoofd. Hij was op het punt om geweld
+tegen den visscher te begaan; maar het gelukte hem zich te bedwingen,
+en na de deur met kracht opengesmeten te hebben, vloog hij de huiskamer
+door en het huis uit zonder een woord gesproken te hebben.
+
+Nauwelijks was hij buiten, toen de deur der naburige kamer, waarin de
+vluchtelingen verborgen waren, openging. Graaf Sandorf, wien niets van
+dat onderhoud ontgaan was, verscheen op den drempel, en op Andreas
+Ferrato toetredende, zei hij op fluisterenden toon:
+
+„Dat is de man, die ons aan den brigadier der maréchaussées verraden
+heeft. Hij kent ons. Hij heeft ons gezien, toen wij op den oever van
+het kanaal van Léma voet aan wal zetten. Hij heeft ons tot Rovigno
+gevolgd. Hij weet blijkbaar, dat gij ons eene schuilplaats in uw huis
+verleend hebt. Laat ons dan dadelijk vluchten, anders zijn wij
+verloren, en.... gij met ons!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+LAATSTE POGINGEN IN EEN LAATSTEN STRIJD.
+
+
+Andreas Ferrato hoorde dat stilzwijgend aan.
+
+Hij had niets in zijn brein gevonden om graaf Sandorf te antwoorden.
+Zijn Corsicaansch bloed kookte in hem. Hij had de beide vluchtelingen
+vergeten, voor welker redding hij zooveel op het spel gezet had. Hij
+dacht slechts aan den Spanjaard; hij zag slechts Carpena!
+
+„Die ellendeling! O, die ellendeling!” mompelde hij eindelijk. „Ja! hij
+weet alles! Wij hangen geheel en al van zijne genade af! ik had het
+moeten begrijpen!”
+
+Mathias Sandorf en Stephanus Bathory keken den visscher met een beklemd
+gevoel aan. Zij wachtten reikhalzend wat hij zeggen, wat hij doen zou.
+Er mocht geen enkel oogenblik verloren gaan. Er moest gehandeld,
+dadelijk gehandeld worden. Het verraad, dat werk des duivels, was
+waarschijnlijk reeds geschied.
+
+„Heer graaf,” sprak eindelijk Andreas Ferrato, „de politie kan ieder
+oogenblik mijne woning overvallen en binnenstormen. Ja! die ellendige
+bedelaar moet alles weten of ten minste moet hij onderstellen dat
+gijlieden hier zijt! Het is een koop, dien hij mij heeft komen
+voorstellen! Mijne dochter tot prijs voor zijne stilzwijgendheid. Hij
+zal u ten val brengen om zich op mij te wreken! Helaas, wanneer de
+politie-agenten komen, zal het onmogelijk zijn te ontsnappen en dan
+zult gij andermaal gevangen genomen worden. Ja, inderdaad, gij moet
+dadelijk vluchten!”
+
+„Gij hebt gelijk, Andreas Ferrato,” antwoordde graaf Mathias Sandorf,
+„maar vóórdat wij scheiden, laat mij u bedanken voor al hetgeen gij
+voor ons gedaan hebt, en voor hetgeen gij voor ons doen wildet....”
+
+„Wat ik doen wilde, wil ik nog doen,” sprak Andreas Ferrato hoogst
+ernstig.
+
+„Dat weigeren wij!” antwoordde Stephanus Bathory.
+
+„Ja, dat weigeren wij,” vulde graaf Sandorf aan. „Gij hebt u reeds te
+veel blootgegeven en in gevaar gesteld! Wanneer men ons bij u ontdekt,
+dan veroordeelt men u tot de galeien!”
+
+„Om het even!” riep de visscher uit.
+
+„Kom Stephanus, laten wij deze woning verlaten om te vermijden dat wij
+er den ondergang en het ongeluk brengen!”
+
+„Maar, heer graaf....”
+
+„Laten wij vluchten, dat ’s goed; maar alleen vluchten!”
+
+Andreas Ferrato greep den graaf bij de hand.
+
+„Waar zoudt gij heen gaan? Al de autoriteiten des lands zijn op de been
+en waakzaam. De politieagenten en de maréchaussées doorkruisen nacht en
+dag het veld in den omtrek. Er is geen enkel veilig punt op de kust,
+waar gij u zoudt kunnen inschepen, er bestaat geen enkel voetpad,
+waarlangs gij de grens veilig zoudt kunnen bereiken! Zonder mij
+vertrekken, is zeker den dood tegemoet snellen!”
+
+„Volgt mijn vader, heeren,” voegde Maria er bij. „Wat er ook geschiede,
+hij doet zijn plicht door te pogen u te redden!”
+
+„Goed zoo, mijne dochter,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ja waarlijk,
+het is slechts mijn plicht, dierbaar kind! Uw broeder wacht ons reeds
+bij de jol. De nacht is zeer donker. Vóórdat wij ontdekt zullen wezen,
+zullen wij in volle zee zijn. Omhels mij, Maria, omhels mij, kindlief,
+en heeren, laten wij vertrekken!”
+
+Toch wilden graaf Sandorf en zijn lotgenoot niet toegeven. Zij
+weigerden een dergelijk offer aan te nemen. Zij wilden dat huis wel
+dadelijk verlaten, om den visscher niet verder in gevaar te brengen. Ja
+zeker. Maar vertrekken onder zijne leiding, wanneer er de galeien op
+stonden! Neen! dat wilden zij niet!
+
+„Kom dan toch!” zei Mathias Sandorf tot Stephanus Bathory, terwijl hij
+hem meetrok. „Als wij eenmaal buiten zijn, dan valt er alleen voor ons
+zelven te vreezen!”
+
+En beiden waren op het punt om door het geopende venster te ontwijken,
+om over het kleine erf hetzij de kust te bereiken, hetzij zich naar het
+inwendige der provincie te begeven toen Luigi binnen stormde.
+
+„De politieagenten!” zei hij.
+
+„Vaarwel!” riep graaf Sandorf uit.
+
+En gevolgd door zijn lotgenoot sprong hij het venster uit.
+
+Juist in dat oogenblik drong een bende politiedienaren de huiskamer van
+den visscher binnen.
+
+Carpena geleidde hen.
+
+„Ellendeling!” zeide Andreas Ferrato.
+
+„Dat ’s mijn antwoord op uwe weigering!”
+
+De visscher werd gegrepen en in een ondeelbaar oogenblik gebonden.
+Terzelfder tijd hadden de agenten de woning bezet en al de kamers
+daarvan onderzocht. Het open raam wees hen den weg aan, dien de
+vluchtelingen genomen hadden. Zij ijlden dadelijk ter hunner vervolging
+naar buiten.
+
+De beide rampzaligen bereikten toen juist de heg, die het erf omheinde
+en van de kleine beek afscheidde. Graaf Sandorf was er in één sprong
+over, daarna hielp hij Stephanus Bathory, die minder vlug was, om er
+over te klauteren. Een geweerschot weerklonk op nog geen vijftig passen
+van hen.
+
+Stephanus was door een geweerkogel aan den schouder getroffen, hoewel
+niet levensgevaarlijk. Maar zijn arm was verlamd en hij was onmachtig
+de pogingen van zijn makker te ondersteunen.
+
+„Vlucht,” riep hij hem toe. „Vlucht Mathias.”
+
+„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven,” antwoordde graaf
+Sandorf, na andermaal beproefd te hebben zijn gewonden makker in zijne
+armen op te tillen.
+
+„Vlucht, Mathias!” herhaalde Stephanus Bathory.
+
+„Neen! neen!”
+
+„Vlucht en leef om de verraders te straffen!”
+
+Die laatste woorden klonken als een bevel in de ooren van graaf
+Sandorf.
+
+De magnaat van Transsylvanië, de samenzweerder van Triëst, de makker en
+deelgenoot van Stephanus Bathory en van Ladislas Zathmar moest plaats
+maken voor den straffenden rechter!
+
+De politieagenten, die op hunne beurt het uiteinde van het kleine erf
+bereikt hadden, wierpen zich in dit oogenblik op den gekwetste. Wanneer
+graaf Sandorf nog eene enkele seconde aarzelde, dan moest ook hij in
+hunne handen vallen!
+
+„Vaarwel, Stephanus, vaarwel!” riep hij uit.
+
+En met een vervaarlijken sprong wipte hij over de beek, die langs de
+heg vloot en verdween hij in de duisternis.
+
+Vijf of zes geweerschoten werden in die richting afgeschoten; maar de
+kogels troffen den vluchteling niet. Hij sprong terzijde en liep
+ijlings naar den kant der zee.
+
+De politieagenten zaten hem evenwel op de hielen. Daar zij hem in het
+donker niet ontwaren konden, was het onmogelijk om hem voor te komen.
+Zij verspreidden zich, om hem den pas af te snijden, zoowel naar het
+innerlijke des lands, als naar den kant van de stad en van het
+voorgebergte, hetwelk de baai ten noorden van Rovigno omgeeft.
+
+Een brigade maréchaussées schoot hen te hulp en bewoog zich zoo, dat
+graaf Sandorf geen andere weg open bleef, dan naar de kust. Maar daar,
+bij den rand der klippen aangekomen, wat zou hij daar doen?
+
+Zou hij er in slagen eene sloep te bemachtigen, om zich daarmede op de
+Adriatische zee te wagen?
+
+Daartoe zou hij den tijd niet hebben; want vóórdat hij het touw,
+waarmede ze aan den oever vast lag, losgemaakt zou hebben, zou hij
+onder de geweerkogels, die op hem afgezonden zouden worden, vallen.
+
+Hij begreep evenwel al heel spoedig, dat de vlucht naar het oosten hem
+afgesneden zou zijn. Het geweervuur, de kreten door de politieagenten
+en door de maréchaussées uitgestooten, terwijl zij naderden, duidden
+hem genoegzaam aan, dat hij van achteren, naar den kant van het strand,
+omsingeld was.
+
+Hij kon slechts naar de zee heenijlen en daarlangs ontvluchten.
+
+Dat was ongetwijfeld een zekeren dood tegemoet loopen; maar was het
+niet beter die in de golven te vinden, dan ze af te wachten voor het
+executie-peloton op het binnenplein van de vesting te Pisino.
+
+Graaf Sandorf spoedde zich dus naar het strand. In weinige sprongen had
+hij de eerste kabbelingen bereikt, die de branding tegen het strand
+opjoeg. Hij voelde als ’t ware de politieagenten achter zich. De
+geweerkogels, die in den blinde op hem afgevuurd werden, gingen
+rakelings zijn hoofd voorbij.
+
+Op een kleinen afstand van het strand staken hier op de kust van Istrië
+eene menigte rotstoppen uit zee op. Dat waren afzonderlijke klippen,
+die den oever dekten. Tusschen die klippen werden talrijke waterpoelen
+aangetroffen, die de uithollingen van den oever vulden. De meeste dier
+poelen waren diep, maar er waren er ook, waarin het water ternauwernood
+tot aan den enkel reikte.
+
+Dat was de laatste uitweg, die nog voor graaf Mathias Sandorf
+openstond. Hoewel hij er niet aan twijfelen kon, dat hij den dood aan
+het uiteinde daarvan zou vinden, aarzelde hij geen oogenblik dien in te
+slaan.
+
+Hij doorwaadde dan die poelen en sprong van rots tot rots. Maar daarbij
+werd zijn omtrek meer zichtbaar op den minder donkeren achtergrond van
+den gezichteinder. Dadelijk weerklonken kreten om hem aan te duiden,
+waarna de politieagenten hem achterna snelden.
+
+Graaf Sandorf was vast besloten niet levend in hunne handen te vallen.
+Als de zee hem zou aanspoelen, dan zou het slechts zijn lijk zijn.
+
+Die moeilijke jacht op die onvaste en gladde steenen, bedekt met
+glibberige zeegewassen, door die waterpoelen, waarin iedere pas eene
+struikeling of een val kon ten gevolge hebben, duurde meer dan een half
+uur. Het was den vluchteling gelukt een voorsprong te behouden, maar de
+vaste grond zou hem weldra ontbreken.
+
+En inderdaad, hij kwam op een der laatste rotsen van de klippen-bank
+aan. Twee of drie politie-agenten waren nog slechts op tien passen van
+hem. De anderen volgden op ongeveer twintig schreden.
+
+Graaf Sandorf verhief zijne gestalte toen. Een laatste kreet ontsnapte
+hem, een laatste kreet als vaarwel tot den hemel gericht. En op het
+oogenblik dat een aantal geweerschoten op hem gelost werden, sprong hij
+in zee.
+
+Toen de politie-agenten bij het uiteinde der rotsbank gekomen waren,
+ontwaarden zij niets meer dan het hoofd van den vluchteling, dat
+slechts als een zwart punt verscheen en naar volle zee gekeerd was.
+
+Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias
+Sandorf opspatten. En ongetwijfeld moesten een of meer kogels hem
+getroffen hebben, want hij dook onder de golven om niet meer te
+voorschijn te komen.
+
+Neen, niets, niets was meer te ontwaren!
+
+De maréchaussées en de politie-agenten bleven, totdat de dag
+aangebroken was, de rotsbank, de klippen en het strand van het
+voorgebergte af ten noorden van de baai gelegen, tot voorbij het fort
+van Rovigno nauwkeurig bewaken.
+
+Het was te vergeefs.
+
+Niets duidde er op, dat graaf Sandorf ergens op die kust voet aan wal
+gezet had.
+
+Iedereen was dan ook overtuigd, dat zoo hij niet door een kogel
+getroffen werd, hij verdronken was; dat hij in ieder geval dood was.
+
+Intusschen met welke nauwgezetheid de nasporingen ook geleid en
+uitgevoerd werden, geen lijk werd in de branding ontwaard, noch op de
+kust gevonden. En toch strekten die nasporingen zich over eene
+kuststrook uit van meer dan twee uren gaans. Maar daar de wind van den
+kant van het land woei en de stroom naar het zuidwesten voerde, zoo
+bestond er geen twijfel of het lijk van den vluchteling was naar volle
+zee gedreven.
+
+Graaf Sandorf, de Hongaarsche magnaat, had dus zijn graf in de golven
+van de Adriatische zee gevonden!
+
+Dat was de meening, die na een zeer nauwkeurig onderzoek, als de meest
+natuurlijke door het Oostenrijksche gouvernement aangenomen werd.
+
+Het recht moest dan ook zijn loop hebben.
+
+Stephanus was, de lezer weet onder welke omstandigheden, gevat
+geworden. Hij werd gedurende den nacht, en vergezeld van een sterk
+bewakings-detachement, naar den vestingtoren van Pisino teruggevoerd.
+Daar werd hij, helaas! voor slechts weinige uren, in gezelschap van
+graaf Ladislas Zathmar opgesloten.
+
+De terechtstelling werd toen vastgesteld op den volgenden dag, den
+30sten Juni.
+
+Stephanus Bathory had voorzeker gedurende die noodlottige uren zijne
+vrouw en zijn kind voor de laatste maal hebben kunnen weerzien.
+Ladislas Zathmar zou een laatsten handdruk van zijn getrouwen dienaar
+hebben kunnen ontvangen; want het bevel om hen in den vestingtoren te
+Pisino toe te laten, was behoorlijk gegeven.
+
+Maar èn mevrouw Bathory met haren zoon, èn Borik, die uit de gevangenis
+losgelaten was, hadden Triëst verlaten. Niet wetende waarheen de
+gevangenen gevoerd waren, daar de inhechtenisneming zeer geheim was
+gehouden, waren zij in Hongarije en zelfs tot in Oostenrijk gaan
+zoeken; en toen het vonnis uitgesproken was, kon men hen natuurlijk
+niet bijtijds weêrvinden.
+
+Stephanus Bathory moest dus die laatste vertroosting ontberen om zijn
+gade en zijn kind weer te zien. Hij kon hen den naam der verraders, die
+zijn leven verkocht hadden, niet mededeelen.
+
+Alleen de gerechtigheid van graaf Mathias Sandorf zou die kunnen
+treffen.
+
+Professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar werden te vijf
+uren op het binnenplein der vesting doodgeschoten. Zij stierven als
+mannen, die hun leven voor hun vaderland ten offer brachten.
+
+Silas Toronthal en Sarcany konden de hoop koesteren, dat zij tegen
+iedere weerwraak beveiligd waren. En inderdaad, het geheim van hun
+verraad was slechts bekend bij hen alleen en bij den gouverneur van
+Triëst.
+
+Dat verraad, die snoode daad werd hen betaald met de helft der
+bezittingen van graaf Mathias Sandorf.
+
+De andere helft werd als buitengewone gunst opgespaard en bewaard voor
+de erfgenamen van den graaf, wanneer zij hun achttiende jaar bereikt
+zouden hebben.
+
+Noch Silas Toronthal noch Sarcany ondervonden eenige wroeging over
+hunne schandelijke daad. Zij konden dan ook in rust en vrede genieten
+van de rijkdommen, door dat afschuwelijk verraad verkregen.
+
+Eene ander verrader scheen ook niets te vreezen te hebben. Dat was de
+Spanjaard Carpena, wien de bloedprijs, de premie van vijf duizend
+gulden, die aan den verklikker uitgeloofd werd, uitgereikt was.
+
+Maar konden de bankier Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany in
+Triëst met opgeheven hoofde rondwandelen, daar hun geheim bewaard was
+gebleven, Carpena moest onder het gewicht der algemeene afkeuring en
+verontwaardiging de wijk nemen en Rovigno verlaten. Maar wat kon hem
+dat schelen! Hij had niets meer te vreezen, zelfs niet de wraak van
+Andreas Ferrato.
+
+De visscher was inderdaad gevangen genomen, terechtgesteld en tot
+levenslange galeistraf veroordeeld geworden, omdat hij eene
+schuilplaats aan de vluchtelingen verleend had. Maria was thans met
+haren jongeren broeder Luigi alleen. Helaas, armoede en ellende
+wachtten hen in dat huis, waaruit de vader gesleurd was, zonder er weer
+te keeren!
+
+Zoodat drie ellendelingen, alleen uit een hebzuchtig gevoel, zonder dat
+een zweem van haat hen tegen hunne slachtoffers in het harnas
+joeg,—Carpena hiervan misschien uitgezonderd—de een om zijn wankelende
+bankierszaken te herstellen, de twee anderen om rijkdommen te
+verwerven, niet waren teruggedeinsd om zulk een gruwel te beramen en te
+bedrijven.
+
+Zou zulk een schandelijke daad op aarde ongestraft blijven?
+
+Helaas! Gods rechtvaardigheid wordt niet altijd bespeurd.
+
+Zouden graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor
+Stephanus Bathory, die drie vaderlandslievende mannen, zoude Andreas
+Ferrato, de nederige visscher, het edele hart, ongewroken blijven?
+
+Het antwoord daarop blijft aan de toekomst over.
+
+
+ EINDE VAN HET VOORSPEL.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DOKTER ANTEKIRRT
+
+
+I.
+
+PESCADOSPUNT EN KAAP MATIFOU.
+
+
+Vijftien jaren zijn verloopen sedert de laatste gebeurtenissen, bij het
+einde van het voorspel dezer geschiedenis verhaald, voorgevallen waren.
+
+Het was den 24en Mei 1882 een feestdag te Ragusa, een der voornaamste
+steden van de Dalmatische provinciën.
+
+Dalmatië is slechts een smalle landtong, welke tusschen het noorder
+gedeelte der Dinarische Alpen, tusschen Herzegowina en de Adriatische
+zee gelegen is. Er is daar juist plaats voor eene bevolking van vier of
+vijf maal honderd zielen, die evenwel wat opeengehoopt moeten leven.
+
+De Dalmaten vormen een fraai ras, dat zeer sober in die dorre schrale
+landstreek, waar de teelgrond zeldzaam aangetroffen wordt, leeft. Zij
+zijn fier gebleven te midden der staatkundige beroeringen, welke zij
+ondergaan hebben; zij zijn uiterst trotsch tegenover Oostenrijk,
+waaraan zij vastgeklonken werden door het verdrag van Campo Formio,
+hetwelk op dat punt bij den vrede van Parijs in 1815 bevestigd werd.
+Zij zijn eerlijk als goud, en hebben ten volle verdiend dat hun land,
+volgens eene vleiende uitdrukking van den heer Yriartes, „het land der
+deuren zonder sloten” genoemd werd!
+
+Dalmatië wordt in vier kringen verdeeld, die op hunne beurt in
+districten onderverdeeld zijn. Dat zijn: de kringen van Zara, van
+Spolato, van Cattaro en van Ragusa. De gouverneur-generaal heeft zijne
+residentie te Zara, welke stad dientengevolge de hoofdplaats van de
+provincie is. Te Zara komt de Landdag bijeen, waarvan enkele leden deel
+uitmaken van de Kamer van vertegenwoordiging te Weenen.
+
+De tijden zijn wel veranderd sedert de XVIde eeuw, toen de Uskoken, die
+niets anders dan gevluchte Turken waren, in open oorlog zoowel met de
+Muzelmannen als met de Christenen verkeerden, zoowel met den Sultan van
+Constantinopel als met den Doge van Venetië. Zij waren de schrik der
+Adriatische zee. Maar de Uskoken zijn verdwenen en men vindt van dien
+volksstam nergens anders een spoor terug dan in de Carniòla. De
+Adriatische zee is dus heden ten dage even veilig als eenig ander
+gedeelte van die prachtige en dichterlijke Middellandsche zee.
+
+Ragusa of beter gezegd: de kleine staat Ragusa, is langen tijd
+republikeinschgezind geweest en was dat voor Venetië, dat wil zeggen,
+reeds sedert de IXde eeuw. Het was eerst bij decreet van Napoleon I dat
+Ragusa in 1809 bij het koninkrijk Illyrië gevoegd werd, om het als
+hertogdom aan den maarschalk Marmont te schenken.
+
+Reeds in de IXde eeuw vertoonden zich de schepen van Ragusa in alle de
+Levantsche zeeën en hadden den alleenhandel met de ongeloovigen tot
+zich getrokken. De Heilige Stoel had dien alleenhandel goedgekeurd,
+waardoor aan Ragusa een groote voorrang geschonken werd te midden van
+die kleine republieken van Zuid-Europa. Maar Ragusa onderscheidde zich
+nog door andere meer edele hoedanigheden. De goede naam harer
+geleerden, de roem van hare letterkundigen, de goede smaak van hare
+kunstbeoefenaars, hadden haar den naam van Slavonisch Athene verschaft.
+
+Evenwel voor den handel ter zee is een goede haven met diepen
+ankergrond noodig, die schepen van groote tonnenmaat kan opnemen. Maar
+die haven ontbreekt aan Ragusa. Hare haven is smal en gevaarlijk van
+wege de rotsen, die nagenoeg met de waterlijn gelijk liggen, zoodat
+niets anders dan kustvaarders en visschersschuiten eene veilige
+ligplaats vinden.
+
+Gelukkig heeft de natuur als altijd, op een half uur afstands ten
+noorden, in een van die inkeepingen van de baai van Ombla Fiumera,
+grillig een van die overheerlijke havenkommen gevormd, die de meest
+mogelijke hulpmiddelen en gemakken aan de meest ontwikkelde scheepvaart
+aanbieden. Die havenplaats ligt te Gravosa, de beste wellicht van de
+geheele Dalmatische kust. Daar is water genoeg voor de meest diepgaande
+bodems, zelfs voor oorlogsschepen; daar ontbreekt de ruimte niet voor
+het krengen en voor het dokken der schepen, ook niet voor de
+scheepstimmerwerven. Daar eindelijk kunnen die groote pakketbooten
+aanleggen, die der wereld in het tweede gedeelte dezer eeuw deelachtig
+zijn geworden.
+
+Daaruit volgt dus dat op het tijdstip van dit verhaal, de weg van
+Ragusa naar Gravosa een ware boulevard was geworden, die ter
+weerszijden met fraaie boomen beplant en omzoomd was met heerlijke
+villa’s, terwijl de geheele bevolking der stad, die toen op zestien- of
+zeventienduizend inwoners kon gerekend worden, zich langs dien weg
+verdrong.
+
+Nu kon men dien dag tegen vier uren in den namiddag bespeuren, dat de
+bewoners van Ragusa, na een heerlijken lente-ochtend genoten te hebben,
+zich naar Gravosa begaven.
+
+In die voorstad—en zoo kon Gravosa, bij de poorten der stad gelegen,
+toch inderdaad genoemd worden, niet waar?—was er toen feest.
+Verscheidene tenten en kermiskramen waren daar aanwezig, muziek en
+danspartijen in de open lucht hadden daar plaats, terwijl kwakzalvers,
+kunstenmakers, koorddansers, steltloopers, wier geschreeuw en gekakel,
+wier muziekinstrumenten en liederen groot spektakel in de straten, ja
+tot op de haven maakten, allerwege aangetroffen werden.
+
+Voor een vreemdeling zou die dag een buitenkansje geweest zijn, om de
+verschillende typen van het Slavonische ras, dat zich daar vermengd met
+Bohemers van allerlei gehalte verdrong, te bestudeeren. Niet alleen
+waren de Nomadische bevolkingen toegestroomd, om er de nieuwsgierigheid
+van de ingezetenen te ontginnen, maar ook de boerenlui en de
+bergbewoners waren komen opdagen, om hun deel van de openbare
+vermakelijkheden te genieten.
+
+Het vrouwelijk geslacht was er in groot getal vertegenwoordigd: dames
+uit de stad, boerinnen uit den omtrek, visschersvrouwen van de kust,
+die allen wemelden door elkander. Bij de eerstbedoelden was de poging
+merkbaar, om hare kleeding met de laatste mode van Westelijk Europa te
+doen overeenstemmen. Wat de anderen betreft, hare tooi verschilde
+minstens in eene bijzonderheid, naarmate van het district, vanwaar de
+draagsters afkomstig waren. Hier zag men witte hemdjes met geborduurde
+mouwen en borstrokken, elders jakken met veelkleurige figuren versierd,
+dan weer fraaie gordels met honderden ja duizenden zilveren
+spijkerkopjes bezaaid. Het alles geleek op een mozaïekwerk, waarin de
+kleuren in elkander vloeiden als op een fraai Perzisch tapijt. Hier
+werd een wit mutsje op dichte haarvlechten ontwaard, dat met
+veelkleurige linten getooid was; daar eene „okronga,” een soort sluier,
+die naar achteren afvalt, zooals de „puskul” van den Oosterschen
+tulband; en overal beenbekleeders en schoeisel, aan het been en aan den
+voet met bandwerk van stroo gevlochten vastgemaakt. En om al dien tooi
+en opschik te volmaken, blonken juweelen, in den vorm van armbanden,
+halssnoeren, of diademen van geldstukjes, op de meest kunstige wijze
+vervaardigd, om hals, armen, borst en midden te versieren. Die juweelen
+werden zelfs bij de kleeding van de landlieden aangetroffen, die ook
+den glinsterenden zoom van borduursels niet versmaden, waarmede de
+onderkant hunner japonnen versierd was.
+
+Maar onder die verscheidene kleederdrachten der Ragusasche bevolking,
+welke door allen, zelfs door de zeelieden van de haven en de kust met
+smaak gedragen werden, was toch die der commissionnairs of
+boodschaploopers—een bevoorrecht gild—wel het meest geschikt om de
+aandacht te boeien. Die pakjesdragers zijn inderdaad als ware
+Oosterlingen uitgedost met tulband, vest, bovenkleed, gordel, breede
+Turksche pantalon en babouchen of sloffen. Zij zouden op de kaden van
+Galata of op het plein Top’hané te Constantinopel volstrekt niet
+misplaatst zijn.
+
+De feestvreugde was toen tot haar toppunt geklommen en de
+luidruchtigheid het hoogst. De kramen zoowel in de straten als op de
+kaden waren overvuld. Er bestond bovendien nog eene bijzondere
+aantrekkingskracht, die wel geschikt was om een zeker aantal
+nieuwsgierigen, leegloopers en lanterfanten te verleiden en meê te
+slepen, en dat was het te water laten van eene „trabucolo,” een soort
+vaartuig, dat alleen in de Adriatische zee aangetroffen wordt en twee
+masten ieder met twee zeilen voert, welke op schuin oploopende ra’s
+aangeslagen zijn.
+
+Het te water laten zou tegen zes uren in den avond plaats hebben, en de
+romp der trabucolo was reeds bevrijd van de steunpalen en wachtte
+slechts op het wegnemen van de sleutelwiggen, om te water te loopen.
+
+Maar tot op dat uur wedijverden de kunsten- en potsenmakers met de
+rondreizende muzikanten en met de koorddansers in talent of
+behendigheid, tot groot genoegen van de menigte.
+
+Het waren toen de muzikanten, die het meest de toeschouwers tot zich
+trokken. Onder hen bevonden zich guzlars of bespelers van de guzla en
+die haalden het meeste geld op. Terwijl zij zich met hunne zonderlinge
+speeltuigen begeleidden, zongen zij met eene keelgeluidachtige stem
+hunne nationale gezangen en liederen, en die waren inderdaad wel waard,
+dat men een oogenblik stilstond om ze te hooren.
+
+De guzla, waarvan die straatkunstenaars zich bedienen, is een
+instrument met een langen hals, waarover verscheidene snaren gespannen
+zijn en waarop zij eenvoudig met een enkelen kattendarm zagen. Wat de
+stem der zangers betreft, deze laatsten loopen geen gevaar, dat hun de
+noten ontbreken zullen, want zij gaan ze zoowel boven in hun hoofd als
+beneden in de borstholte zoeken.
+
+Een van die zangers,—een groote lummel, met gele huid en bruin
+haar,—hield zijn instrument tusschen zijne knieën evenals een oude
+violoncel, die uitgeteerd zoude zijn. Hij zong en mimeerde door houding
+en gebaren eene canzonetta, waarvan hieronder de vertaling volgt:
+
+
+ Wanneer weerklinkt het lied,
+ Het lied der Singare;
+ U ontsnappe dan niet,
+ Hoe zij zingt dat haar lied
+ Want: Beware!
+ Pas op voor de Singare!
+ Blijft ge echter ver van haar
+ Van haar verteerende blikken
+ Dan is er weinig gevaar
+ Dan kunt ge het nog ontglippen!
+
+
+Na dat eerste couplet trad de zanger met het traditioneele bakje in de
+hand op de menigte toe, om hun de gift van een paar kleine koperen
+muntstukken af te bedelen. Maar hetgeen hij opgehaald had, bedroeg,
+scheen het, niet veel, want hij keerde naar zijne plaats terug en
+poogde zijn gehoor te verteederen met een tweede couplet van de
+canzonetta.
+
+Een man, ongeveer vijftig jaren oud, hoorde dat gezang dier Bohemers
+rustig aan. Maar hij scheen weinig gevoelig voor zooveel dichterlijke
+verleidingen; want zijne beurs bleef tot nu toe opgeborgen en gesloten.
+Het is waar, dat de Singare zelve, waarvan de canzonetta sprak, met
+hare verteerende blikken niet gezongen had, maar wel de lange lummel,
+die zich tot haren tolk gemaakt had. Hij was dan ook op het punt om
+heen te gaan, zonder iets betaald te hebben, toen een jong meisje, die
+den toehoorder begeleidde, hem weerhield met de woorden:
+
+„Vader, ik heb geen geld bij mij. Ik bid u, geef toch iets aan dien
+braven man.”
+
+Dat was de reden, waarom de guzlar vier of vijf kreutzer meer ontving
+dan wel geschied zou zijn zonder de tusschenkomst van het jonge meisje.
+Niet dat haar vader, die zeer rijk was, zulk een gierigaard genoemd kon
+worden, dat hij een aalmoes zou weigeren aan een kermismuzikant. Neen,
+maar waarschijnlijk behoorde hij niet tot hen, die door de menschelijke
+ellende bewogen kunnen worden.
+
+Beiden drongen door de menigte heen en gingen naar de andere kramen,
+waar het niet minder luidruchtig toeging, terwijl de guzla-bespelers
+zich in de nabij gelegen herbergen en kroegen verspreidden, om het
+ontvangen geld in vocht voor de keel om te zetten. Zij gingen dan ook
+niet zuinig om met de „slivo-vitza”, een soort zeer sterke brandewijn,
+die door de distillatie van pruimen verkregen wordt en die in weerwil
+van zijne alcoholische kracht, als stroop door die Bohemer kelen vloot.
+
+Die kunstbeoefenaars in de open lucht, hetzij het zangers, hetzij het
+koorddansers of grappenmakers waren, erlangden niet allen even
+gelijkelijk de gunsten van het publiek. Onder de minstbegunstigden kon
+men twee acrobaten ontwaren, die te vergeefs hunne kunsten op eene
+verhevenheid van planken aan den man poogden te brengen. Zij hadden
+evenwel geen toeschouwers.
+
+Boven die verhevenheid prijkten afbeeldingen met schreeuwende kleuren
+besmeerd en in vrij slechten staat verkeerende, waarop verscheurende
+dieren, in waterverf gekleurd en bedeeld met de meest grillige
+omtrekken, voorgesteld waren. Men zag daar leeuwen, jakhalzen, hyena’s,
+tijgers, boa’s enz. enz., die te midden van een onwaarschijnlijk, ja
+onmogelijk landschap sprongen of zich ontrolden.
+
+Achter die verhevenheid stond eene kleine ronde tent, van oud zeildoek
+vervaardigd, die met zooveel gaten doorboord was, dat de nieuwsgierigen
+en onbescheidenen de verleiding niet konden weerstaan om er het oog bij
+te brengen en er door te gluren, hetgeen nadeelig voor de ontvangst
+moest zijn.
+
+Vóór de verhevenheid stond een slecht bevestigde paal, waaraan eene
+oude leelijke plank vastgespijkerd was, die als het ware de kinderjaren
+van de uithangborden vertegenwoordigde en waarop deze vijf woorden grof
+en lomp met houtskool geschreven waren:
+
+
+ PESCADOS EN MATIFOU.
+
+ Fransche acrobaten.
+
+
+Uit een lichamelijk oogpunt beschouwd,—en ongetwijfeld ook uit een
+zedelijk oogpunt,—verschilden die twee mannen zoo sterk van elkander
+als dat twee menschelijke wezens doen kunnen. Alleen had hun
+gemeenschappelijke oorsprong het kunnen bij elkander brengen om de
+wereld rond te trekken en den strijd des levens te zamen te aanvaarden.
+Beiden waren in de Provence geboren.
+
+Hoe kwamen zij aan die zonderlinge namen, die waarschijnlijk daar ginds
+in hun ver verwijderd geboorteland eenige vermaardheid hadden?
+
+Hadden zij die ontleend aan die twee geographische punten, waartusschen
+de baai van Algiers ingesneden is, namelijk tusschen kaap Matifou en
+kaap Pescados? Ja, zeker, en die namen pasten hen inderdaad volkomen,
+evenals die van Atlas aan een kermisreus of aan een straat-Hercules.
+
+Kaap Matifou is een groote, stevige onwrikbare heuvel, die op het
+noordwestelijke uiteinde van de uitgestrekte reede van Algiers
+verrijst, alsof hij de ontketende elementen tartte en daardoor het
+gezegde der dichters verdiend heeft:
+
+„Zijn onvernietigbare massa heeft den tijd vermoeid.”
+
+Zoodanig was de athleet Matifou, een Alcides, een Porthos, een
+gelukkige mededinger van een Ompdrailles, van een Nikolaas Crestes en
+van andere beroemde worstelaars, die tot sieraad strekten van de
+zuidelijke worstelperken.
+
+Die reus, zooals men hem noemde, en men moest hem gezien hebben om het
+te gelooven, was meer dan zes voet hoog, had een omvangrijk hoofd en
+daaraan geëvenredigde schouders, eene borstkas als een smids-blaasbalg,
+beenen als boomstammen van twaalf jaren oud, armen als drijfstangen van
+een stoomwerktuig, en handen als nijptangen. In dien man zag men de
+menschelijke spierkracht in hare geheele heerlijkheid, en wanneer men
+naar zijn ouderdom vernomen had,—dien hij, tusschen twee haakjes
+gezegd, zelf niet wist,—dan zou men met verbazing gehoord hebben, dat
+hij ternauwernood zijn twee en twintigste jaar ingetreden was.
+
+Dat kolossale wezen was stomp van begrip, maar had daarentegen
+ongetwijfeld een goed hart en een eenvoudig en zacht karakter. Hij
+kende noch haat noch gramschap. Hij zou nimmer iemand kwaad doen. Hij
+durfde ter nauwernood de hand te drukken, die hem gereikt werd, uit
+vrees van ze in de zijne te vermorselen. In den grond van zijne natuur,
+die zoo machtig was, bestond niets van den aard eens tijgers, waarvan
+hij toch de kracht bezat.
+
+Hij gehoorzaamde dan ook op een woord of een wenk van zijnen makker,
+alsof een gril van den Schepper hem tot kolossalen zoon van dien
+mageren sprinkhaan geschapen had.
+
+Als tegenstelling lag aan het westelijk uiteinde van de Algerijnsche
+baai, kaap Pescados, vlak tegenover kaap Matifou. Die landtong is smal,
+uitgerafeld, en bestaat slechts uit eene dunne rotsbank, die zich ver
+in zee uitstrekt. Vandaar de naam van Pescados, welke gegeven was aan
+dien jongen van twintig jaren, die klein, mager en tenger was en niet
+eens het vierde gedeelte in oude ponden woog, van hetgeen de andere
+kilogrammen op de weegschaal haalde. Maar hij was lenig, uitermate vlug
+in zijne bewegingen en had een schranderen geest en een onaantastbaar
+gelijkmatig humeur, zoowel in voor- als tegenspoed. Hij was een
+wijsgeer op zijn manier, daarbij vindingrijk en in de hoogste mate
+practisch. Hij kon het best vergeleken worden bij een aap, zonder diens
+boosaardigheid evenwel. Hij was door het toeval met onverbreekbare
+banden aan zijn makker, aan dien goeden, grooten, vetten dikhuid
+verbonden, dien hij door al de wisselvalligheden van een
+straatkunstenaarsleven geleidde.
+
+Beiden waren acrobaten van beroep en liepen de kermissen af.
+
+Matifou, of beter Kaap Matifou,—zooals hij gewoonlijk genoemd
+werd,—worstelde in de strijdperken, verrichtte allerhande daden van
+krachtsbetoon, boog ijzeren staven op zijn elleboogsbeen, tilde met
+stijf uitgestrekte armen de zwaarste personen van het gezelschap
+toeschouwers op en maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker, alsof
+dat een eenvoudige biljardbal ware geweest.
+
+Pescados of Pescados-punt,—zooals de andere in de wandeling genoemd
+werd,—paradeerde, zong, speelde voor hansworst, vermaakte het publiek
+als pailjas door zijne geestige gezegden. Nimmer bleef hij steken of
+het antwoord schuldig en hij verbaasde de menigte door zijne
+evenwichtstoeren, die hij uiterst behendig ten uitvoer bracht. Als hij
+dat niet deed, dan lokte hij aller goedkeuring uit, door goochelstukjes
+met kaarten, waarin hij inderdaad aan den meest behendigen
+prestidigitateur een lesje had kunnen geven. Zoo nam hij zonder
+aarzelen op zich, om het even welk spel het betrof,—hetzij een
+berekenings- of een hazardspel—steeds te zullen winnen.
+
+„Ik heb mijn „candidaats-examen” afgelegd!” zeide hij en herhaalde hij
+gaarne.
+
+Maar, waarom, zult ge mij zeggen,—in navolging van eene gemeenzame
+uitdrukking van vriend Pescadospunt—waarom zagen die twee arme drommels
+zich dien dag door de toeschouwers verlaten, terwijl deze zich rondom
+andere tenten en kramen verdrongen? Waarom, zult ge me zeggen, dreigde
+die geringe inkomst, die zij toch zoo noodig hadden, hen te ontvallen?
+Dat was inderdaad onverklaarbaar.
+
+De taal, welke zij bezigden, een mengelmoes van het Provençaalsche en
+het Italiaansche dialect—was meer dan voldoende om zich door het
+Dalmatisch publiek te doen verstaan en begrijpen. Sedert zij den
+Provençaalschen geboortegrond verlaten hadden, waren zij, ouderloos als
+zij waren, en hunne ouders zelfs nimmer gekend hebbende en als ware
+producten eener spontane generatie, er in geslaagd rond te komen. Zij
+zochten de jaarmarkten en de kermissen op, leefden eer armoedig dan
+weelderig. Zij ontbeten niet iederen dag en hadden meestal slechts een
+schraal stuk brood tot avondmaal. Dat was genoeg; want, beweerde en
+herhaalde de opgeruimde Pescadospunt:
+
+„Men moet nimmer het onmogelijke vergen!”
+
+En toch, al vergde dien dag die goedige lummel het onmogelijke niet,
+zoo poogde hij toch een paar dozijn toeschouwers, die voor zijn kraam
+stonden te gapen, tot zich te lokken, in de hoop dat zij besluiten
+zouden zijne ellendige tent te bezoeken. Maar noch zijne geestige
+gezegden, die door zijn vreemden tongval al zeer koddig klonken, noch
+zijne kwinkslagen, die een blijspel-schrijver beroemd en rijk gemaakt
+zouden hebben, noch de potsierlijke gezichten, die hij trok en die een
+heilige van steen of brons, in eene nis der domkerk staande, aan het
+lachen zouden gebracht hebben, noch zijne ledematenbewegingen en
+heupontwrichtingen, ware kunststukken van lenigheid; noch het grappige
+spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was en welker
+staarteinde op de roode stof van zijne buis bengelde, noch zijne
+komieke uitvallen, die den beroemden Pulcinello van Rome overwaardig
+zouden geweest zijn, konden het publiek bekoren.
+
+En toch werd dat Slavonisch publiek door hem en zijn makker sedert
+verscheidene maanden geëxploiteerd.
+
+Na de Provence verlaten te hebben, waren de twee vrienden de landstreek
+der Maritieme Alpen, het Milaansche, het Lombardijsche en daarna het
+Venetiaansche grondgebied doorgetrokken, waarbij als het ware de een de
+volmaking van den anderen was. Beiden waren beroemd: Kaap Matifou door
+zijne kracht, Pescadospunt door zijne vlugheid. Hunne vermaardheid had
+hun tot Triëst, in Illyrië gelegen, gelokt. Van Triëst waren zij door
+Istrië langs de kust van Dalmatië naar Zara, naar Salona, naar Ragusa
+afgezakt, terwijl zij meer profijt er in vonden om steeds voorwaarts te
+schrijden dan om achterwaarts terug te keeren.
+
+Achterwaarts waren zij genoten, ja versleten. Voor zich uit brachten
+zij steeds een geheel nieuw programma voor het publiek, waaruit dan zoo
+goed en zoo kwaad als het ging munt geslagen werd.
+
+Thans helaas, zij zagen het maar al te goed in, dreigde de tocht, dien
+zij maakten en die toch nimmer schitterend geweest was, zeer slecht te
+worden. Die arme drommels koesterden dan ook maar één wensch, dien zij
+waarachtig niet wisten hoe te verwezenlijken, namelijk om naar hun
+vaderland terug te keeren, om de Provence weer te zien, en deden
+daarbij de gelofte: zich nimmer meer zoo ver van den geboortegrond te
+verwijderen. Maar zij voelden den kogel aan hun voet geklonken, den
+kogel der armoede en der ellende, en met zoo’n kogel aan het been is
+het afleggen van honderden uren gaans een lastig en moeilijk werk.
+
+Evenwel, alvorens aan de toekomst te kunnen denken, moest aan het heden
+gedacht worden, dat wil zeggen: aan het maal, dat zij hedenavond zouden
+genieten. En wat daartoe in uitzicht zich vertoonde, was jammerlijk
+schraal. Zij hadden geen kreutzer in kas, wanneer men aan den slip van
+den zakdoek, waarin Pescadospunt gewoonlijk het gezamenlijke vermogen
+der beide vennooten opborg, den weidschen naam van kas mag geven. Te
+vergeefs bewoog hij zich en liep hij op zijne verhevenheid heen en
+weder. Te vergeefs liet hij wanhopige uitroepingen en aanmoedigingen
+door de lucht weerklinken. Te vergeefs stelde Kaap Matifou zijn
+reuzenarmen ten toon, waarvan de aderen en spieren zich slingerden en
+uitkwamen als de vertakkingen van eene klimopplant rondom een
+knoestigen stam! Maar geen enkel toeschouwer liet iets bespeuren van
+eenige neiging om die linnen tent binnen te treden.
+
+„Drommels, zij zijn hard in den bek, die duivelsche Dalmatiërs,” zei
+Pescadospunt.
+
+„Als keisteenen zoo hard,” vulde Kaap Matifou aan.
+
+„Waarlijk, ik geloof dat wij moeite zullen hebben om heden ons eerste
+geld te verdienen! Zie je, Kaap Matifou, wij zullen moeten opbreken!”
+
+„Om waar heen te gaan?”
+
+„Je bent wel nieuwsgierig!” antwoordde Pescadospunt.
+
+„Spreek maar op.”
+
+„Welnu, wat zou je denken van een land, waar men verzekerd is om eens
+per dag te kunnen eten?”
+
+„Waar ligt dat land, Pescadospunt?”
+
+„O ver, heel ver, zeer ver.... zelfs verder dan zeer ver, Kaap
+Matifou!”
+
+„Aan het uiteinde der aarde?”
+
+„De aarde heeft geen uiteinde,” antwoordde Pescadospunt machtspreukig.
+„Wanneer zij een uiteinde had, dan zou zij niet rond zijn; wanneer zij
+niet rond was, dan zou zij niet kunnen draaien. Wanneer zij niet
+draaide, zou zij onbewegelijk zijn, en wanneer zij zij onbewegelijk
+was....”
+
+„Welnu?”.... vroeg Kaap Matifou.
+
+„Welnu.... dan zou ze op de zon vallen in minder tijd dan ik noodig heb
+om een konijn weg te goochelen!”
+
+„En dan?....”
+
+„En dan zou gebeuren wat iederen onhandigen kunstenmaker overkomt,
+wanneer twee zijner ballen zich in de lucht ontmoeten en klotsten!
+Krak! Alles breekt, alles valt en het publiek fluit hem uit en vraagt
+zijn geld terug. Hij geeft het terug, maar dan.... dan heeft hij dien
+avond niets te eten!”
+
+„Zoodat,” vroeg de reus, „wanneer de aarde op de zon viel, dan kregen
+wij niet te eten?”
+
+„Neen, voorwaar!”
+
+Kaap Matifou verloor zich na dat antwoord in zeer wijdloopige
+overpeinzingen. Hij zat in een hoek der verhevenheid, met zijne armen
+gekruist over zijne borst, die met een vleeschkleurig geweven hemd
+bedekt was. Hij bewoog het hoofd heen en weer als een porceleinen
+Chineesch beeldje; hij zei niets meer, hij zag niets meer, hij hoorde
+niets meer. Hij werd bestormd door de meest onmogelijke vermenging van
+denkbeelden. Alles hoste en klotste in die groote hersenkas en daarbij
+voelde hij in het binnenste van zijn wezen iets, alsof daar een afgrond
+geboord werd. Toen scheen het hem toe, alsof hij hoog, heel hoog, zeer
+hoog.... hooger dan zeer hoog steeg. Die uitdrukking, door Pescadospunt
+gebezigd voor de verwijdering der voorwerpen, had hem getroffen. Maar
+toen had hij een gevoel alsof men hem gedurende die stijging plotseling
+losliet, waarbij hij viel.... viel in zijn eigen maag, dat wil zeggen
+in de ledige ruimte.
+
+Dat was eene ware nachtmerrie. Het rampzalige wezen sprong met
+uitgestrekte armen en als verblind van zijn stoeltje op. Nog ééne
+seconde, dan zou hij van boven zijn verhevenheid neergevallen zijn.
+
+„Hé! Kaap Matifou, wat scheelt je toch?” riep Pescadospunt uit, terwijl
+hij zijn makker bij de hand greep en er in slaagde, evenwel niet zonder
+moeite, om hem achteruit te trekken.
+
+„Wat? Mij?....” antwoordde de reus geheel beteuterd. „Wat mij
+scheelt?....”
+
+„Ja, u!”
+
+„Mij scheelt....” zeide Kaap Matifou, terwijl hij zijn denkvermogen
+bijeen raapte, een moeilijk werk, hoewel zijne denkbeelden niet zeer
+talrijk waren. „Mij scheelt.... anders niets dan dat ik je spreken
+moet, Pescadospunt!”
+
+„Spreek dan, Kaap van mijn hart! en vrees niet dat ge beluisterd zoudt
+kunnen worden; want het publiek is weg! Weg! Verstoven!”
+
+De reus liet zich op zijn stoeltje neervallen en trok met zijn
+machtigen arm, maar toch zacht, zeer zacht, alsof hij bang was hem te
+breken, zijnen braven makker tot zich.
+
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+HET TE WATER LATEN VAN DE TRABUCOLO.
+
+
+„Dus het gaat niet?” begon Kaap Matifou.
+
+„Wat gaat niet?”
+
+„De zaken!”
+
+„Zij konden beter gaan, dat valt niet te betwisten; maar zij konden ook
+nog slechter gaan!”
+
+„Pescadospunt?”
+
+„Kaap Matifou!”
+
+„Neem mij niet kwalijk, hetgeen ik je zeggen ga!”
+
+„Ik zal het je integendeel wel kwalijk nemen, wanneer het dat verdienen
+zal!”
+
+„Welnu.... ge moest mij verlaten,” zei de reus.
+
+„Wat bedoel je met dat: mij verlaten.... Je in den steek laten?” vroeg
+Pescadospunt.
+
+„Ja!”
+
+„Ga voort, o Hercules mijner droomen! Ga voort. Waarachtig, je boezemt
+me belang in.”
+
+„Zie,” antwoordde de reus, „ik ben er zeker van, dat wanneer ge alleen
+waart, ge er wel komen zoudt.... Ik hinder je, en zonder mij zou
+je....”
+
+„Zeg eens, Kaap Matifou,” antwoordde Pescadospunt ernstig. „Je bent
+dik, niet waar?”
+
+„Ja.”
+
+„Welnu, hoe dik en hoe lang en hoe groot ge ook wezen moogt, begrijp ik
+niet, dat je machtige omvang de domheid heeft kunnen bevatten, die je
+daar uitgekraamd hebt.”
+
+„Waarom dan toch, Pescadospunt?”
+
+„Omdat die domheid nog dikker, nog grooter is dan jij bent, Kaap
+Matifou! Ik zou je verlaten! Jij mijn schoothondje, mijn dierbaar lief
+beestje! Maar zeg eens, als ik weg was, met wien zou je je toeren
+uitvoeren?”
+
+„Met wien?....”
+
+„Wie zou er zijn, die den gevaarlijken sprong op je achterhoofd kon
+uitvoeren?”
+
+„Ja, maar....”
+
+„Wie zou den toer met „de beenen uit elkander” tusschen je armen kunnen
+volbrengen?”
+
+„Drommels!....” antwoordde de reus, die door die dringende vragen in de
+war raakte.
+
+„Ja.... de beenen uit elkander.... voor een stormachtig opgewonden
+publiek.... wanneer er bij toeval publiek aanwezig is!”
+
+„Een publiek?” mompelde Kaap Matifou.
+
+„Dus,” hernam Pescadospunt, „houd je mond en laten wij slechts daaraan
+denken, dat wij zooveel geld verdienen moeten om heden avond te kunnen
+eten!”
+
+„Ik heb geen honger!”
+
+„Jij, je hebt altijd honger, Kaap Matifou; dus.... nu heb je ook
+honger,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij met zijne beide handen de
+kolossale kakebeenen opende van zijn makker, die de verstandskies niet
+afgewacht had om zijne twee en dertig tanden voltallig te hebben. „Ik
+zie dat aan je oogtanden, die de lengte bezitten van de haken van een
+buldog! Je hebt honger, zeg ik je, en als wij nu maar zoo gelukkig zijn
+om slechts een halven gulden, kom, slechts een kwartje te verdienen,
+dan zal je eten!”
+
+„Maar jij, kleine Pescadospunt?”
+
+„Ik, voor mij is een graankorrel genoeg! Ik behoef niet sterk te zijn,
+terwijl jij zoonlief.... Volg nu wel mijne redeneering. Hoe meer je
+eet, te vetter zal je worden. Hoe vetter je wordt, te meer zal je een
+wonderverschijnsel zijn!.... Een wonderverschijnsel, ja....”
+
+„Ik integendeel, hoe minder ik eet, te meer ik vermager. En hoe meer ik
+vermager, te meer word ik ook een wonderverschijnsel op mijne beurt. Is
+dat waar of niet?”
+
+„Dat is waar,” antwoordde Kaap Matifou zoo kinderlijk eenvoudig
+mogelijk. „Dus, Pescadospunt, in mijn belang moet ik eten?”
+
+„Het is zooals gij zegt, mijn dikke vent! In uw belang, terwijl ik in
+mijn belang niet moet eten!”
+
+„Zoodat, wanneer er slechts voor één te eten was....”
+
+„Dat voor jou zou zijn!”
+
+„Maar wanneer voorraad voor twee was?”
+
+„Dan zou die ook voor jou zijn! Wat duivel, Kaap Matifou, je staat wel
+twee mannen?”
+
+„Vier.... zes.... tien!....” riep de reus uit, die inderdaad door tien
+mannen niet zou te bedwingen zijn.
+
+Wanneer wij de overdrijving, zoo eigen aan de Herculessen van den ouden
+en van den nieuweren tijd ter zijde laten, dan valt toch als
+onomstootelijke waarheid mede te deelen, dat Kaap Matifou het van alle
+de worstelaars, die met hem in het strijdperk getreden waren, gewonnen
+had.
+
+Men verhaalde van hem twee stukken, die inderdaad zijn buitensporige
+kracht bewezen.
+
+Op een avond bevond hij zich te Nîmes in een circus, die in hout
+opgetrokken was. Een der steunbalken, die de kap van het dak torschten,
+bezweek. Een hevig gekraak verschrikte de toeschouwers, die gevaar
+liepen onder het vallende dak verpletterd te worden, of zich zelven
+dood te dringen, door de poging om langs de smalle uitgangen te
+ontsnappen. Maar Kaap Matifou was er! Met één sprong was hij bij den
+steunbalk, die reeds uit de loodlijn geweken was, en schraagde hem met
+zijne krachtige schouders juist op het oogenblik, dat de dakstoel zou
+neerkomen, en dat gedurende den geheelen tijd, die noodig was om de
+zaal te ontruimen. Daarna volvoerde hij een vervaarlijken sprong en
+stormde naar buiten, juist toen het dak achter hem instortte.
+
+Dat, dat was eene krachtsontwikkeling der schouders geweest; ziet hier
+nu eene van de armen.
+
+Eens ontsnapte in de vlakte van Camargue een woedende stier uit de
+omheining, waarin hij opgesloten was; hij vervolgde en verwondde
+verscheidene personen. Zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, zou
+hij de grootste ongelukken veroorzaakt hebben. De reus liep op het dier
+toe, wachtte het, toen het op hem aankwam, met gestrekte knieën af,
+greep het, toen het met voorover gebogen kop op hem losstormde, bij de
+hoorns, wierp het met een krachtige armbeweging omver en weerhield het
+in dien stand, terwijl het met de vier hoeven in de lucht spartelde,
+totdat het overmeesterd, gebonden en buiten staat gesteld was om verder
+nadeel te kunnen aanrichten.
+
+Van die bovenmenschelijke lichaamskracht zouden nog meer bewijzen bij
+te brengen zijn. De medegedeelde zijn evenwel voldoende om niet alleen
+de spierkracht van Kaap Matifou begrijpelijk te maken, maar ook om een
+denkbeeld te geven, van zijn moed en zijne toewijding en
+zelfopoffering, daar hij nooit vreesde zijn leven te wagen, wanneer het
+gold zijn evenmensch te hulp te komen. Hij was dus een even goedhartig
+wezen als hij sterk was. Evenwel om niets van zijne spierkracht te
+verliezen, moest de reus, zooals Pescadospunt herhaaldelijk verzekerde,
+eten, en zijn makker noodzaakte hem daartoe en leed zelf gebrek,
+wanneer er slechts voor één zelfs voor twee voorraad was. Dien avond
+evenwel verscheen het avondmaal—voor een zelfs—niet aan den
+gezichteinder.
+
+„Er zijn nevelen aan de kim,” zeide Pescadospunt herhaaldelijk.
+
+En om die nevelen te verdrijven, hervatte die edele kerel zijne
+geestigheden en zette potsierlijke gezichten. Hij liep zijne
+verhevenheid op en neer, hij draaide rechts en links, hij ontwrichtte
+zijne heupen, hij liep op zijne handen als hij dat niet op zijne voeten
+deed. Volgens eene zijner wijsgeerige opmerkingen, had men minder
+honger, wanneer men met het hoofd omlaag heen en weer wandelde. Hij
+herhaalde in zijn eigenaardig bargoens, dat half uit Provençaalsche,
+half uit Slavonische uitdrukkingen bestond, die eeuwige grappen, die
+net zoo lang gebruikelijk zullen zijn als een pailjas zal bestaan, om
+ze aan de menigte van leegloopers en maangapers toe te schreeuwen en
+zoo lang als die leegloopers zullen samenstroomen om ze aan te hooren.
+
+„Treedt binnen, heeren, treedt binnen!” riep Pescadospunt. „Men betaalt
+slechts, wanneer men de tent verlaat, en.... dan nog maar de
+kleinigheid van een kreutzer!”
+
+Maar om de tent te kunnen verlaten, moest men haar eerst binnentreden,
+en geene der vijf of zes personen, die voor de geschilderde zeilen
+stonden te lanterfanten, scheen tot het besluit te kunnen komen om
+binnen te treden.
+
+Toen wees Pescadospunt met trillenden stok op de merkwaardigheden, die
+op dat zeildoek geschilderd stonden. Niet dat hij eene diergaarde aan
+het publiek te vertoonen had! Neen! Die schrikwekkende beesten leefden
+ergens in den achterhoek van Afrika of van Indië. Maar.... wanneer Kaap
+Matifou hen ooit mocht ontmoeten, dan zou hij er slechts een hap van
+maken.
+
+En daarop volgden de gewone kluchten, die door den reus met zware
+slagen op de groote trom, die als kanonschoten weerklonken, afgebroken
+werden.
+
+„De hyena, heeren! Ziet hier de hyena! Hij is afkomstig van de Kaap de
+Goede Hoop. Het is een vlug en bloeddorstig dier. Hij springt de
+ringmuren der kerkhoven over en zoekt daar zijn prooi!”
+
+En naar eene andere zijde van het geschilderde doek wijzende, waarop
+een geelachtig water te midden van blauwe en groene grassoorten
+afgebeeld was.
+
+„Ziet hier! Een jeugdige en belangwekkende neushoorn, die slechts
+vijftien maanden oud is! Dat dier werd op Sumatra geboren en opgevoed,
+waar het met zijn schrikkelijken hoorn het vaartuig gedurende den
+overtocht in gevaar bracht van te stranden!”
+
+Daarna op een groenachtigen hoop beenderen van rampzalige slachtoffers
+op den voorgrond wijzende:
+
+„Ziet, heeren, ziet! De schrikkelijke leeuw van den Atlas. Hij bewoont
+het innerlijke van de Sahara! In het brandende zand van de woestijn! Op
+het oogenblik van de tropische hitte, kruipt hij in rotsholen! Als hij
+eenige druppels water vindt, dan stort hij er zich in en komt er
+druipstaartend uit!”
+
+Maar al dat aanmoedigende redenaarstalent liep gevaar geheel nutteloos
+te worden uitgekraamd. Pescadospunt schreeuwde als een bezetene, maar
+te vergeefs. En te vergeefs sloeg Kaap Matifou op de groote trom, alsof
+hij het vel wilde stuk slaan!
+
+Het was wanhopig!
+
+Eindelijk bleven toch verscheidene Dalmatiërs, stevige bergbewoners,
+stilstaan, om, zooals het scheen, den athleet Kaap Matifou met
+bewondering te aanschouwen.
+
+Dadelijk meende Pescadospunt een middel gevonden te hebben. Hij wilde
+die brave lieden tot een worstelstrijd uitdagen.
+
+„Treedt binnen, heeren! Treedt binnen! Het oogenblik is gekomen! Groote
+worstelstrijd van man tegen man! De strijd zal met geopende hand plaats
+vinden! De schouders moeten elkander raken! Kaap Matifou neemt op zich
+om al de liefhebbers te overwinnen, die hem de eer willen aandoen zich
+met hem te meten! Een katoenen zwembroekje zal de eereprijs zijn voor
+zijn overwinnaar! Zult gij dat zijn, heeren?”
+
+Die vraag werd gedaan aan drie kolossale boeren, die hem met domme
+verbaasde oogen aankeken.
+
+Maar die kolossale boeren hadden geen lust om zich aan dien
+worstelstrijd, die toch zeer eervol voor de beide tegenstanders zou
+geweest zijn, te onderwerpen. Pescadospunt ging toen tot de
+aankondiging over, dat bij gebrek aan liefhebbers de strijd toch zou
+plaats hebben, maar nu tusschen Kaap Matifou en hem. Ja, waarlijk! De
+behendigheid zou zich meten met de kracht!
+
+„Treedt binnen, heeren. Treedt dan toch binnen! Volgt elkaar maar!”
+riep de arme Pescadospunt met eene kracht, alsof hij zijne longen
+verscheuren wilde. „Gij zult hier zien, wat gij nog nimmer gezien hebt!
+Een gevecht van Pescadospunt met Kaap Matifou! Een strijd tusschen de
+twee Provençaalsche tweelingen!.... Ja.... tweelingen!.... natuurlijk
+niet even oud.... ook niet uit dezelfde moeder geboren.... Maar wij
+zijn tweelingen!.... Kijk maar, hoe wij elkander gelijken!.... Wij zijn
+even dik!.... Ik vooral!”
+
+Een jongmensch was voor de tent blijven stilstaan en hoorde alle die
+oudbakken aardigheden met den grootsten ernst aan.
+
+Die jongeling was hoogstens twee en twintig jaren oud en had eene
+gestalte, die weinig meer dan eene middelmatige was. Zijne fraaie
+gelaatstrekken schenen vermoeid door den arbeid, zijn geheel uiterlijk
+ademde ernst en duidde op eene nadenkende geaardheid. Het kon wel zijn,
+dat die man veel ondervinding in de lijdensschool had opgedaan. Zijne
+groote zwarte oogen, zijn baard, dien hij vol maar kort afgeknipt
+droeg, zijn mond, die de plooi van een glimlach niet had, maar die
+fijntjes onder een nog fijner geteekenden knevel uitkwam. Dat alles
+duidde op eene Hongaarsche afkomst, op eene afkomst, waarin het
+Magyaarsche bloed voortheerschte. Hij was zeer eenvoudig gekleed in een
+modern kostuum, zonder evenwel den schijn op zich te laden een modegek
+te wezen. Zijn uiterlijk liet geen twijfel over: in dien jongeling was
+de man reeds aanwezig!
+
+Hij luisterde, zooals reeds gezegd is, naar de nuttelooze geestigheden
+van Pescadospunt. Hij zag niet zonder weemoed zijne bewegingen op die
+verhevenheid. Hij had zelf veel geleden en ongetwijfeld was hij niet
+ongevoelig voor het lijden van anderen.
+
+„Het zijn twee Franschen!” mompelde hij. „Arme drommels! Zij beuren
+heden niets.”
+
+Toen kwam de gedachte bij hem op om geheel alleen een publiek
+toeschouwers daar te stellen, alleen een betalend publiek te willen
+zijn. Dat zou niets anders dan eene aalmoes, maar toch eene bedekte,
+eene verborgen aalmoes zijn; en het was zeer waarschijnlijk dat die van
+pas zou komen. Hij trad dus op de deur toe, dat wil zeggen op de
+opening der tent, die door het ophouden van een hoek van het zeildoek
+gevormd werd.
+
+„Treed binnen, mijnheer! Treed binnen! Men begint dadelijk!”
+
+„Maar.... ik ben alleen....” merkte het jongmensch met de meest
+mogelijke welwillendheid in zijne stem op.
+
+„Mijnheer!” antwoordde Pescadospunt met koddige fierheid op, „ware
+kunstenaars letten meer op de qualiteit dan op de quantiteit der
+toeschouwers!”
+
+„Gij zult mij middelerwijl veroorloven?” zei de jongeling, terwijl hij
+zijne beurs uithaalde.
+
+Hij nam twee gulden daar uit, die hij in den tinnen schotel neerlei,
+die in een hoek der verhevenheid stond.
+
+„Een edel hart!” mompelde Pescadospunt.
+
+En zich tot zijn makker wendende:
+
+„Kom, vooruit, Kaap Matifou! Vooruit! Wij zullen hem voor zijn geld
+bedienen!”
+
+Maar ziet, juist op het oogenblik van binnen te zullen treden,
+ontwaarde de eenige bezoeker van de Fransche en Provençaalsche tent een
+jong meisje, dat in gezelschap van haren vader een kwartier vroeger was
+blijven stilstaan voor de groep guzlas-zangers. Die jongeling en dat
+jeugdige meisje waren, zonder dat zij het wisten, door een en dezelfde
+gedachte bewogen om een liefdewerk te volvoeren. De eene had eene
+aalmoes gewijd aan die straatzangers, de andere aan deze acrobaten.
+
+Maar ongetwijfeld was deze ontmoeting den jongman niet voldoende; want
+hij vergat, zoodra hij het lieve kind bespeurde, zijne rol van
+toeschouwer, alsook den prijs, dien hij betaald had, en stoof den kant
+uit, waar de liefelijke verschijning zich in de menigte verloor.
+
+„Hé, mijnheer!.... mijnheer!....” riep Pescadospunt. „En uw geld
+dan?.... Wat drommel, dat hebben wij niet verdiend!.... Maar waar is
+hij?.... Verdwenen!.... Hé, mijnheer!....”
+
+Maar hij poogde te vergeefs „zijn publiek”, dat weggeloopen was, te
+ontwaren. Daar nu bekeek hij Kaap Matifou, die niet minder
+verbouwereerd was dan hij, en met open mond stond te kijken.
+
+„Juist op het oogenblik, dat wij zouden beginnen,” zei eindelijk de
+reus. „Waarachtig, wij hebben geen geluk.”
+
+„Laten wij toch maar beginnen,” zei Pescadospunt, terwijl hij het
+trapje afklom, dat naar de verhevenheid voerde.
+
+Zoo zouden zij, door slechts voor de ledige banken—die er trouwens ook
+niet waren—te spelen, ten minste het ontvangen geld verdienen.
+
+Maar in dat oogenblik ontstond een hevig rumoer op de kaden der haven.
+De menigte scheen eene beslist aangeduide beweging te volgen, die haar
+naar den kant van de zee voerde, en de woorden, die door honderd, door
+duizend monden herhaald werden, weerklonken:
+
+„De Trabucolo!.... de Trabucolo!”
+
+Het oogenblik was inderdaad gekomen, dat het kleine vaartuig te water
+zou gelaten worden. Dat schouwspel is altijd aantrekkelijk en steeds
+van dien aard om de publieke nieuwsgierigheid op te wekken. Het plein
+en de kaden, waarop de menigte zich een oogenblik te voren verdrong,
+waren weldra verlaten en alles stroomde naar de scheepstimmerwerf, waar
+de handeling zou plaats hebben.
+
+Pescadospunt en Kaap Matifou begrepen dat er ten minste in het eerste
+halfuur niet meer op publiek te rekenen viel. Zij waren daarenboven
+uiterst begeerig om den eenigen toeschouwer die op het punt was geweest
+om hunne tent binnen te treden, terug te vinden. Zij verlieten hun hok
+dan ook, zonder het te sluiten,—waarom ook te sluiten, er was niets weg
+te nemen?—en gingen naar den kant van de werf.
+
+Die scheepstimmerwerf was aan het uiteinde van eene landspits buiten de
+havenkom van Gravosa, op een hellend terrein gelegen, dat door de
+branding als met eene zilveren franje van verblindend wit schuim
+omgeven werd.
+
+Pescadospunt en Kaap Matifou baanden zich een weg met hunne ellebogen
+en slaagden er in een plaatsje in de eerste rijen der toeschouwers te
+veroveren. Zoo had zich nimmer, zelfs bij benefietvoorstellingen de
+menigte voor hunne tent verdrongen! Ja, de kunst ontaardde! zoo
+verklaarden zij.
+
+De Trabucolo was reeds van de zijstelten bevrijd, die hare flanken
+steunden, en was gereed om de helling af te loopen. Het anker hing ter
+gewenschter plaats; het zou voldoende zijn om het te laten vallen,
+wanneer de romp te water zoude zijn, ten einde de vaart te temperen,
+die het scheepje te ver in het havenkanaal zou kunnen voeren. Hoewel de
+Trabucolo slechts een vijftig tonnen meette, was het toch een zoo
+aanzienlijk gevaarte, dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen moesten
+genomen worden. Twee werklieden der helling stonden op het dek van het
+achterschip bij den stok, waaraan de Dalmatische vlag woei, terwijl
+twee anderen op het voorschip klaar bij het anker stonden.
+
+Het was achteruit, zooals gewoonlijk bij dergelijke operatiën
+geschiedde, dat de Trabucolo te water zoude glijden. Haar kiel rustte
+op de met zeep besmeerde helling en werd nog slechts tegengehouden door
+het sluitstuk. Het was voldoende dat dit weggenomen werd, om de
+afglijding te doen plaats hebben; daarna zou de snelheid door de in
+beweging gebrachte massa aangroeien en het kleine vaartuig zou van zelf
+naar zijn natuurlijk element toeijlen.
+
+Reeds waren een half dozijn timmerlieden, met ijzeren knodsen gewapend,
+bezig met het inslaan van wiggen, die onder de kiel van het voorschip
+aangebracht werden, om het een weinig op te tillen om zoo nog meer
+helling te verkrijgen, ten einde het afglijden naar de zee te
+vergemakkelijken.
+
+Een ieder volgde dien arbeid, te midden eener algemeene en diepe
+stilte, met de levendigste belangstelling.
+
+Juist in dat oogenblik verscheen bij de ombuiging van de landspits, die
+in het zuiden de havengang van Gravosa dekte, een pleizierjacht. Het
+was een goelet, die ongeveer drie honderd vijftig tonnen inhoud kon
+meten. Dat vaartuig poogde, door te laveeren, den kant, waarop de
+scheepstimmerwerf lag, te boven te komen, om zoo den haveningang open
+te krijgen. Daar de bries uit het noordwesten woei, liep het jacht
+scherp bij den wind, bakboord overhellende, en stuurde zoodanig, dat
+het slechts af te houden had, om op de gewilde ankerplaats te komen.
+Binnen tien minuten zou dat vaartuig in de onmiddellijke nabijheid
+gekomen zijn. Het werd al grooter en grooter voor het oog, alsof men
+het door een verrekijker bekeek, waarvan de buis door eene langzame
+maar gestadige beweging uitgeschoven werd.
+
+Nu moest de goelet, om de haven binnen te kunnen loopen, voorbij de
+scheepshelling stevenen, alwaar het te water laten van de Trabucolo
+voorbereid werd. Zoodra zij dan ook geseind werd, werd het raadzaam
+geacht, om ieder ongeval te voorkomen, de handeling uit te stellen. Men
+zou haar voortzetten, wanneer het vaartuig voorbij gestevend zoude
+zijn. Eene aanvaring tusschen die beide vaartuigen, waarvan het een
+dwars voor het andere, dat met alle snelheid vooruitschoof, gekomen zou
+zijn, zou voorzeker noodlottig voor het jacht moeten uitvallen.
+
+De werklieden hielden dus op met tegen de wiggen te slaan, en de man,
+die bij het sluitstuk stond, kreeg bevel om nog te wachten. Dat was dus
+een uitstel van slechts weinige minuten.
+
+De goelet naderde intusschen snel. Men kon reeds met het bloote oog de
+voorbereidselen van het ten anker gaan waarnemen. De beide kluivers
+werden ingenomen en men had den schoot van het grootzeil opgegeid,
+terwijl het fokkezeil weggenomen werd. Maar de snelheid, waarmede het
+vaartuig voortdreef, was nog vrij groot.
+
+Ieders blik was op dat bevallig scheepje gevestigd, waarvan de nog
+bijstaande zeilen door de schuine stralen der zon als verguld werden.
+De matrozen verrichtten hun werk aan boord in hun Levantijnsch pak, met
+de roode muts op het hoofd; terwijl de kapitein op het achterschip bij
+den man aan het roer stond, en vandaar kalm en waardig zijne bevelen
+gaf.
+
+Weldra bevond zich het jacht, waaraan niet meer plaats overbleef dan
+noodig was om den slag te maken, die het tot voorbij de landspits,
+welke de haven dekte, moest brengen, dwars van de sleephelling.
+
+Plotseling weerklonk een schrikkelijke kreet. De Trabucolo was in
+beweging geraakt. Door de een of andere oorzaak was het sluitstuk uit
+zijne sponning gesprongen en bewoog het schip zich juist op het
+oogenblik, dat het jacht zijne stuurboordzijde aanbood.
+
+De botsing tusschen de beide vaartuigen scheen dus onvermijdelijk. Tijd
+en middelen, om haar te beletten, ontbraken. Er viel niets te doen. Op
+het geschreeuw van de toeschouwers antwoordde een kreet van schrik,
+door de bemanning van de goelet geslaakt.
+
+De kapitein, die zijne koelbloedigheid niet verloor, deed het roer te
+boord leggen, maar het was onmogelijk dat het vaartuig vlug genoeg zou
+kunnen wenden of voorbijschieten, om den schok te vermijden.
+
+Want inderdaad, de Trabucolo gleed van de helling. Een witte rook, door
+de sterke wrijving veroorzaakt, werd bij den voorsteven waargenomen,
+terwijl de achtersteven reeds in het water der baai dook.
+
+Plotseling sprong een man vooruit. Hij greep een eind touw, dat aan het
+voorschip afhing. Maar te vergeefs poogde hij het vaartuig te
+weerhouden door zich, op gevaar af van meegesleept te worden, tegen den
+grond te stutten.
+
+Er stond een ijzeren kanonstuk, dat als meerpaal gebruikt werd, in den
+grond geplant. In een oogwenk is het om dat kanon geslagen en viert
+langzaam af, terwijl de man het touw weerhoudt op gevaar van gegrepen
+en verpletterd te worden. Hij spande alle krachten in; de spieren
+zijner armen en beenen zwollen als koorden op. Hij weerstond den
+aandrang met bovenmenschelijke kracht. Dit duurde tien seconden.
+
+Maar toen brak, toen knapte de tros. Maar die tien seconden waren
+voldoende. De Trabucolo had de wateren der baai bereikt, dook onder,
+maar richtte zich weer op met eene beweging alsof zij stampte. Zij
+snelde naar den ingang der haven en stoof rakelings—op geen voet
+afstand—den achterspiegel der goelet voorbij, stevende voort totdat het
+anker in den grond viel, deed haren ketting strak loopen en stuitte zoo
+de vaart.
+
+De goelet was gered!
+
+Die man, wien niemand, door gebrek aan tijd—zoo bliksemsnel en
+onverwacht was alles in zijn werk gegaan—te hulp had kunnen komen, was
+de heldhaftige Kaap Matifou.
+
+„Mooi!.... zeer mooi zoo!” riep Pescadospunt uit, terwijl hij op den
+reus toetrad.
+
+Deze nam hem op, niet om met hem toeren te verrichten, maar om hem te
+omhelzen, zooals hij dat slechts doen kon, namelijk tot stikkens toe.
+
+Toen barstten van alle kanten toejuichingen en handgeklap los. De
+geheele menigte verdrong zich om dien Hercules, die niet minder
+bescheiden was dan de befaamde uitvoerder van de twaalf kunststukken
+uit de fabelleer en niets omtrent die geestdrift van het publiek
+begreep.
+
+Vijf minuten later was de goelet op hare ankerplaats te midden van de
+havenkom aangekomen. Daarna zette een sierlijke sloep, door zes
+roeiriemen bewogen, den eigenaar van dat jacht op de kade aan wal.
+
+Dat was een man van hooge gestalte, ongeveer vijftig jaren oud, met
+schier witte haren en grijzenden baard, welke laatste op Oostersche
+wijze geknipt was en gedragen werd. Groote zwarte vragende oogen, die
+eene bewegelijke ziel aanduidden, verlevendigden zijn gelaat, dat wel
+ietwat door de zon gebruind was, maar regelmatige en schoone trekken
+vertoonde. Wat vooral dadelijk trof, dat was dat adellijk uiterlijk,
+hetwelk zelfs van grootheid getuigde, die zijn geheele persoon
+uitstraalde. Zijne scheepskleeding, een donkerblauwe pantalon, een
+pijjakker van dezelfde kleur maar met blinkende knoopen versierd, een
+zwarte ceintuurband, die hem het middel onder den pijjakker omsloot,
+zijn lichte hoed van bruin linnen vervaardigd, dat alles stond hem goed
+en liet een krachtig lichaam uitkomen, dat, uitmuntend gevormd, nog
+niet door den ouderdom aangetast was.
+
+Zoodra die persoon, waarin men voelde dat een geestkrachtvolle en
+machtige geest huisde, voet aan wal gezet had, stapte hij op de beide
+acrobaten toe, die nog steeds door de menigte omringd en toegejuicht
+werden.
+
+Men drong op zijde om voor hem plaats te maken.
+
+Toen hij nabij Kaap Matifou gekomen was, was zijn eerste gebaar niet om
+zijne beurs te voorschijn te halen en daaruit eene rijke aalmoes te
+nemen! Neen! hij reikte den reus de hand en sprak tot hem in het
+Italiaansch:
+
+„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!”
+
+Kaap Matifou was waarachtig geheel onthutst over zooveel eer voor zulk
+eene geringe daad.
+
+„Ja!.... het was mooi!.... het was prachtig, Kaap Matifou,” vulde
+Pescadospunt met de helder klinkende stembuiging van zijn Provençaalsch
+dialect aan.
+
+„Zijt gijlieden Franschen?” vroeg de vreemdeling.
+
+„Zoo Fransch mogelijk!” antwoordde Pescadospunt niet zonder trots.
+„Franschen uit het zuiden van Frankrijk!”
+
+De vreemdeling bekeek hen met waarachtige ingenomenheid, die met eenige
+aandoening vermengd was. Hunne ellende was te klaarblijkelijk om zich
+te kunnen vergissen. Hij zag daar wel degelijk twee arme kunstenaars
+voor zich staan, waarvan een hem met groot gevaar van zijn leven, een
+belangrijken dienst bewezen had, want eene botsing tusschen de
+Trabucolo en de goelet, zou rampvol geweest zijn en vele slachtoffers
+gemaakt hebben.
+
+„Komt mij aan boord opzoeken,” zei hij hen.
+
+„Wanneer het u schikt, Prins!” antwoordde Pescadospunt, terwijl de
+beminnelijkste glimlach, dien hij te voorschijn tooveren kon, zijne
+lippen krulde.
+
+„Morgen ochtend, zoo vroeg mogelijk.”
+
+„Zoo vroeg mogelijk! Wij zullen er zijn!” antwoordde Pescadospunt,
+terwijl Kaap Matifou zijn kolossaal hoofd slechts op en neer bewoog ten
+teeken dat ook hij instemde.
+
+Intusschen bleef de menigte den held van dit avontuur steeds omringen.
+Zij zou hem ongetwijfeld in triomf rondgedragen hebben, waren de meest
+vastberadenen en de stevigsten niet afgeschrikt geweest door zijn
+gewicht. Maar Pescadospunt, die steeds bij de pinken was, meende dat
+het juiste oogenblik gekomen was, om de gunstige stemming van zoo’n
+publiek te benuttigen. Zoodra dan ook de vreemdeling, na hun nogmaals
+de hand toegestoken en met een vriendelijk gebaar toegewuifd te hebben,
+naar de kade gestapt was, riep hij met zijne guitige en aantrekkelijke
+stem:
+
+„De worsteling, heeren! De worsteling tusschen Kaap Matifou en
+Pescadospunt. Treedt binnen, heeren, treedt binnen!... Men betaalt
+slechts bij het heengaan of bij het binnenkomen, naar ieders
+verkiezing!”
+
+Dien dag was de tent veel te klein! Men moest menschen afwijzen! Men
+moest die hun geld teruggeven!
+
+Wat den vreemdeling betrof, nauwelijks had deze eenige schreden in de
+richting van de kade gedaan, toen hij zich plotseling voor het jonge
+meisje en haren vader bevond, die dat geheele tooneel bijgewoond
+hadden.
+
+De jongeman, die hen op eenigen afstand gevolgd was en wiens groet door
+den vader slechts uit de hoogte beantwoord was, hield zich op een
+zekeren afstand. De vreemdeling had gelegenheid dat op te merken.
+
+Toen deze zich in de tegenwoordigheid van dien man bevond, ondervond
+hij een gevoel, waarvan hij de uiting ter nauwernood kon bedwingen. Het
+was een gevoel van afkeer voor dien persoon, hetwelk hem beheerschte,
+en onwillekeurig schitterde een dreigende bliksemstraal in zijn oog.
+
+Die man, de vader van het jonge meisje, naderde hem en zeide zeer
+beleefd:
+
+„Gij zijt, dank zij den moed van dien acrobaat, aan een groot gevaar
+ontkomen, mijnheer!”
+
+„Inderdaad, mijnheer!” antwoordde de vreemdeling, wiens stem, willens
+of onwillens, eene onbedwingbare ontroering te kennen gaf.
+
+En zich tot den vader wendende, vroeg hij:
+
+„Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?”
+
+„Ik ben Silas Toronthal van Ragusa,” antwoordde de gewezen bankier van
+Triëst. „Mag ik op mijne beurt weten, wie de eigenaar is van dat fraaie
+pleiziervaartuig?”
+
+„Ik ben dokter Antekirrt,” antwoordde de vreemdeling.
+
+Beiden wisselden een groet en gingen in verschillende richtingen huns
+weegs, terwijl het gejuich en het handgeklap in de tent der Fransche
+acrobaten bleef aanhouden.
+
+Dien avond at Kaap Matifou niet alleen naar volle genoegen, dat wil
+zeggen dat hij voor vier personen verslond, maar er bleef ook nog een
+portie over. En die was voldoende voor het avondmaal van zijnen braven
+kleinen makker, voor Pescadospunt.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+DOKTER ANTEKIRRT.
+
+
+Er zijn menschen, die de Faam wel de handen vol te doen geven. Toch is
+zij eene ware orchest-vrouw met honderd monden, die den gewilden naam
+door haar trompetten aan de vier hoeken der aarde verkondigen.
+
+Een zoodanige was dokter Antekirrt, die zoo even in de haven van
+Gravosa aangekomen was. Er was omtrent hem in dat legendarische
+Oosterland een zeker geheimzinnig verhaal ontstaan. In Azië, van de
+Dardanellen af tot aan het Suezkanaal; in Afrika van Suez af tot aan de
+uiterste grenzen van Tunis; in de Roode zee, langs de geheele Arabische
+kuststrook, werd zijn naam genoemd en herhaald als die van een
+buitengewoon man, zeer ervaren in de natuurkundige wetenschappen, als
+van een soort alweter, een „taleb”, die in de uiterste geheimen van al
+het geschapene gedrongen was. In den bijbelschen tijd, of beter in den
+tijd van de Tale Canaäns, zou hij Epiphanes geheeten hebben. In de
+omstreken van den Euphrates zou men hem voor een afstammeling van de
+oude Perzische wijzen gehouden hebben.
+
+Welke overdrijving heerschte er bij die beroemdheid? Al de
+overdrijving, die van een Perzischen wijze een toovenaar wil maken; al
+de overdrijving, die een geleerd man tot een bovenmenschelijk wezen wil
+verheffen. Ja, de waarheid is, dat dokter Antekirrt slechts een mensch,
+niets anders dan een mensch was, die wel is waar, gezonde en degelijke
+geestvermogens en een helder doorzicht bezat, die zeer oordeelkundig en
+met een bewonderenswaardig scherpen blik begaafd was, maar die ook door
+de omstandigheden buitengewoon voortgeholpen was. Zoo was het hem in
+een der binnenprovinciën van Klein-Azië gelukt de geheele bevolking
+tegen een schrikkelijke ziekte, die voor zeer besmettelijk gehouden
+werd en waarvoor hij het geneesmiddel gevonden had, te beveiligen.
+Vandaar zijne onvergelijkelijke beroemdheid.
+
+Wat er vooral toe bijdroeg om hem die beroemdheid te verleenen, was het
+ondoordringbare geheimzinnige, waarin zijn persoon gehuld was. Vanwaar
+kwam hij? Dat wist niemand. Wat wist men omtrent zijn verleden? Niets.
+Waar en onder welke omstandigheden had hij geleefd? Niemand kon daar
+antwoord op geven. Men bevestigde slechts, dat die dokter Antekirrt om
+zoo te zeggen aangebeden was door de bevolkingen van Klein-Azië en van
+Oost-Afrika, dat hij doorging voor een knappen geneesheer, wiens
+buitengewone genezingen indruk hadden gemaakt tot bij de beroemdste
+wetenschappelijke vereenigingen van Europa; dat hij zijne zorgen zoowel
+aan de armste lieden als aan de rijken en machtigen der aarde wijdde.
+Men had hem evenwel nimmer in de landstreken van het Westen gezien en
+zelfs was men sedert eenige jaren geheel en al onbekend met de plaats
+van zijn verblijf. Vandaar de neiging om hem van den een of anderen
+geheimzinnigen „avatar” te doen afstammen, om hem als het product van
+den een of anderen Hindoeschen god te beschouwen, om er een
+bovenaardsch wezen van te maken, die door bovennatuurlijke middelen kon
+genezen.
+
+Maar al had dokter Antekirrt zijne kunst nog niet in de voornaamste
+staten van Europa uitgeoefend, zoo was zijn roem hem daar toch
+vooruitgesneld. Hoewel hij te Ragusa slechts als gewoon reiziger
+aangekomen was, als vermogende toerist, die met zijn jacht rondreisde
+om de voornaamste plaatsen, aan de Middellandsche zee gelegen, te
+bezoeken, zoo had zich zijn naam toch dadelijk door de stad verbreid.
+In afwachting dan ook, dat men den dokter, zelf zou kunnen aanschouwen,
+had de goelet middelerwijl veel bekijks. Het gevaar, dat door den moed
+van Kaap Matifou afgewend was, zou trouwens voldoende geweest zijn om
+de algemeene aandacht op te wekken.
+
+Inderdaad, dat jacht zou zelfs den meest rijken, den meest
+prachtlievenden gentleman van de zeilvereenigingen van Amerika, van
+Engeland en Frankrijk eer aangedaan hebben! Zijne beide masten stonden
+rechtop en dicht bij het midden van het vaartuig geplaatst, hetgeen
+veroorloofde eene groote ontwikkeling aan het grootzeil en aan het
+fokkezeil te geven. De lengte van zijn boegspriet, die twee kleine
+kluivers voerde, de afmeting der vierkante zeilen, die aan den
+fokkemast aangeslagen waren, de hoogte der stengen en de geheele
+inrichting van het want moesten hem eene bewonderenswaardige snelheid
+bij iedere weersgesteldheid verleenen. Die goelet meette drie honderd
+vijftig tonnen. Zij was lang en rank, had eene gunstige ronding en
+verhief zich bevallig boven de waterlijn. Zij had diepgang genoeg om
+rustig op het watervlak te liggen. Het was wat men noemde een
+zeewaardig vaartuig, dat nauwkeurig naar den wil van den stuurman
+luisterde, en tot vier streken scherp bij den wind kon zeilen. Hetzij
+de goelet met volle zeilen, hetzij zij in den wind opliep, zij was
+niets verlegen, om, wanneer er een hevige bries woei, hare dertien en
+een halve mijl in de wacht af te leggen.
+
+De Boadice, de Gaëtana, of de Mordon, die beroemde Engelsche
+pleiziervaartuigen, zouden het onderwerpelijke jacht niet de loef
+afgestoken hebben bij eene internationale match.
+
+Wat de uiterlijke en innerlijke fraaiheid van het jacht betrof, de
+meest-eischende sportsman zou niets beter hebben kunnen uitdenken. Zijn
+hagelwit dek was van Canadeesche pijnboomenbalkjes zonder kwasten
+vervaardigd; het innerlijke van het vaartuig was met ware
+schrijnwerkersvaardigheid afgewerkt. De kappen, de trappen en de
+paneelen waren van djattihout en met gepolijst koperen banden versierd,
+die als goud blonken; het beeldhouwwerk van het stuurrad was keurig,
+terwijl de blokken van mahoniehout scherp afstaken bij de masten,
+welker onderdeel in wit geverfde omhulsels geborgen was, en bij het
+touwwerk van het want, dat van gegalvaniseerd ijzerdraad vervaardigd
+was, en bij de helderwitte sloepen, die rank en bevallig in de davids
+hingen. Dat alles deed een ontwikkelden smaak en eene volmaakte
+sierlijkheid uitkomen.
+
+Het is noodig, dat wij het innerlijke van dat jacht zoowel als het
+uiterlijke leeren kennen, daar het toch het drijvende verblijf was van
+den geheimzinnigen persoon, die de held van het verhaal zal uitmaken.
+Het was evenwel niet toegankelijk voor bezoekers. Maar de
+romanschrijver is als het ware met een soort helderziendheid behebt,
+die hem veroorlooft zelfs datgene te beschrijven, wat hij nooit gezien
+heeft.
+
+In het innerlijke van die goelet dong de weelde met de gemakzucht om
+den voorrang. De vertrekken en de hutten, de salons, de eetzaal, die
+allen waren kostbaar en zeer fraai geschilderd. De kleeden, de
+draperiën, in een woord alles wat tot het ameublement behoorde, was
+uiterst kunstvaardig tot die pleizierscheepvaart aangewend. De
+welbegrepen inrichting werd niet alleen in de vertrekken van den
+kapitein en der scheepsofficieren aangetroffen, maar ook in de
+bergplaats van het komaliewant, waarin het zilverwerk en het
+porceleinen tafelgoed tegen het slingeren en stampen van het vaartuig
+beveiligd lagen; ook in de keuken of kombuis, waarin eene Hollandsche
+reinheid heerschte, en in het vooruit, waar de hangmatten der bemanning
+ruimte genoeg hadden om ongehinderd heen en weer te wiegelen. De
+bemanning telde een twintigtal matrozen, die het bevallige kostuum van
+de Maltheser zeelieden droegen, korte broek met zeelaarzen, gestreept
+hemd, bruine gordel, roode muts en blauwe pijjakker, waarop de
+beginletters van den naam van de goelet en van haar eigenaar in het wit
+gekarteld waren.
+
+Maar tot welke haven behoorde dat jacht? Waar was de monsterrol
+afgeteekend? In welke plaats van de Middellandsche zee werden de
+winterkwartieren betrokken? Tot welke nationaliteit behoorde dat
+vaartuig ten slotte? Men wist daaromtrent evenmin iets als omtrent de
+nationaliteit van den dokter. Een groene vlag met rood kruis in den
+bovenhoek wapperde aan de gaffel. Men zou die vlag te vergeefs gezocht
+hebben onder de zoo talrijke vlaggen, die langs de zeeën van den
+geheelen aardbol zwerven.
+
+In ieder geval, vóórdat dokter Antekirrt voet aan wal gezet had, waren
+de scheepspapieren aan den havenmeester overhandigd en door dezen
+ongetwijfeld in orde bevonden, daar de reiziger verlof gekregen had om,
+nadat de geneeskundige zeedienst zijn bezoek aan boord gebracht had,
+vrijelijk naar den wal te gaan.
+
+Wat den naam van de goelet betrof, die prijkte in gulden letters op een
+schild aan den spiegel aangebracht. Die naam, die niets omtrent de
+haven van herkomst meldde, was Savarena.
+
+Dat was het bewonderenswaardige pleiziervaartuig, dat men thans in de
+haven van Gravosa bewonderen kon. Pescadospunt en Kaap Matifou, die den
+volgenden morgen door dokter Antekirrt aan boord ontvangen zouden
+worden, bekeken het met de meeste nieuwsgierigheid, maar zelfs met meer
+ontroering dan de overige zeelieden van de havenplaats. In hunne
+hoedanigheid van inboorlingen van de Provence, waren zij uiterst
+gevoelig voor alles wat zeeaangelegenheden betrof. Pescadospunt vooral,
+die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte, was verrukt.
+De beide vrienden brachten den geheelen avond na hunne voorstelling
+daarmede door.
+
+„Ah,” zei Kaap Matifou.
+
+„Ho!” antwoordde Pescadospunt.
+
+„Hè! Wat zeg je er van, Pescadospunt?”
+
+„Ik zeg er niets van, Kaap Matifou!”
+
+„Maar je denkt er het jouwe van, niet waar?”
+
+En dat gesprek, hetwelk meer op bewondering uitdrukkende
+tusschenwerpsels in den mond van die twee armoedige acrobaten geleek,
+had grooter beduidenis dan menige lange redevoering.
+
+Alle de manoeuvres, die het ten anker gaan opvolgen, waren aan boord
+van de Savarena geëindigd: de zeilen waren geborgen en op de ra’s
+bevestigd, het tuig en touwwerk was op zijne plaats en met zorg strak
+gezet, de zonnetent was over het achterdek uitgestrekt enz. De goelet
+was in een hoek van de havenkom ten anker gebracht, hetgeen aanduidde,
+dat zij er op rekende het verblijf van eenigen duur te doen zijn.
+
+Overigens vergenoegde dokter Antekirrt zich met het maken van eene
+eenvoudige wandeling in den omtrek van Gravosa. Terwijl Silas Toronthal
+met zijne dochter in hun rijtuig, dat hen op de kade gewacht had, naar
+Ragusa terugkeerde, en terwijl de jonkman, waarvan hierboven sprake
+was, door de groote laan derwaarts wandelde, bezocht de dokter de
+haven. Dat is een der besten van de kust en op dat tijdstip bevond zich
+daarin een vrij groot aantal vaartuigen van verschillende
+nationaliteiten.
+
+Na de stad verlaten te hebben, volgde hij de oevers van de baai van
+Ombla Fiumera, die een bocht vormt van twaalf mijlen uitgestrektheid,
+tot aan de monding van de kleine Ombla rivier, die diep genoeg is om
+vaartuigen zelfs van grooten diepgang te veroorlooven haar op te varen
+tot bij den voet van het Vlastizagebergte. Hij kwam tegen negen uren op
+den havendam terug en woonde de aankomst van een groote pakketboot van
+den Oostenrijkschen Lloyd bij, die van de Indische zee aankwam.
+Eindelijk keerde hij naar boord terug, begaf zich naar zijn vertrek,
+hetwelk door twee lampen verlicht was en bleef tot den volgenden
+ochtend alleen.
+
+Dat was zoo zijne gewoonte en de kapitein van de Savarena—een zeeman
+van ongeveer veertig jaren oud, die Narsos heette—had order om den
+dokter nimmer in die uren van eenzaamheid te storen.
+
+Hier moet bij verteld worden, dat noch de officieren noch de bemanning
+iets afwisten van het verleden van dien persoon. Toch waren zij hem met
+ziel en lichaam toegewijd. Al gedoogde dokter Antekirrt geen enkele
+inbreuk op den tucht aan boord, zoo was hij toch goed voor allen en
+verleende zijne hulp en gaf zijn geld uit zonder tellen. Ieder matroos
+trachtte dan ook in de rol van de Savarena opgenomen te worden. Nimmer
+viel er eene berisping uit te deelen, nimmer eene bestraffing op te
+leggen, nimmer eene verwijdering uit te voeren. Zij die deel uitmaakten
+van de bemanning der goelet, vormden als het ware één gezin.
+
+Nadat de dokter aan boord teruggekeerd was, werden alle beschikkingen
+voor den nacht getroffen. De seinlichten werden voor en achter
+ontstoken, de manschappen der wacht betrokken hunne posten en weldra
+heerschte de diepste stilte.
+
+Dokter Antekirrt had op een breeden divan plaats genomen, die in den
+hoek van het vertrek aangebracht was. Op eene tafel waren eenige
+dagbladen neergelegd, die zijn knecht te Gravosa was gaan koopen. De
+dokter doorliep ze met een verstrooiden blik en las eerder de gemengde
+berichten dan wel de hoofdartikelen. Vooral keek hij naar de aankomst
+en het vertrek der vaartuigen, naar het vertrek van de notabiliteiten
+der provincie tot het maken van een buitenlandsch reisje. Tegen elf uur
+ging hij, zonder de hulp van zijn kamerknecht ingeroepen te hebben, te
+bed; maar het duurde lang alvorens hij kon inslapen.
+
+Indien iemand de gedachte had kunnen lezen, die hem het meest
+vervolgde, zou hij wellicht verwonderd zijn geweest te ontwaren, dat
+die de navolgende vraag inhield:
+
+„Wie was die jonge man, die Silas Toronthal op de kade van Gravosa
+groette?”
+
+Den volgenden morgen kwam dokter Antekirrt tegen acht uren op het dek.
+Het weder liet zich heerlijk aanzien. De zon verguldde reeds de bergen,
+die den achtergrond van de baai vormden. Het nachtelijke duister
+verdween van de haven, alsof het over het watervlak heengleed. De
+Savarena bevond zich weldra in het volle licht.
+
+Kapitein Narsos naderde den dokter, om zijne bevelen te vernemen, welke
+deze laatste in korte woorden gaf, evenwel niet dan na hem eerst goeden
+morgen gewenscht te hebben.
+
+Een oogenblik later stak eene sloep, bemand met zes roeiers en een
+bootsman, van boord af, en voer naar de kade, waar Pescadospunt en Kaap
+Matifou, zooals overeengekomen was, zouden wachten.
+
+Het was een groote dag, een gewichtig oogenblik in het zwervend bestaan
+van die twee eerlijke kerels, die zoo ver van hun vaderland gelokt
+waren en zich op eenige honderd mijlen van de Provence verwijderd
+bevonden, die zij zoo zeer wenschten terug te zien!
+
+Beiden stonden op de kade te wachten. Zij hadden hun
+kunstenmakerskostuum uitgetrokken en waren nu in een armoedig en
+versleten maar toch proper pak gestoken. Zij bekeken het jacht, terwijl
+zij het evenals daags te voren bewonderden. Beiden bevonden zich in
+eene aangename stemming. Niet alleen hadden Kaap Matifou en
+Pescadospunt den vorigen dag heerlijk geavondmaald, maar zij hadden ook
+dienzelfden ochtend ontbeten. Eene overdaad, eene ware dwaasheid, die
+hare oorzaak vond in de omstandigheid, dat zij daags te voren eene
+buitengewoon groote ontvangst gehad hadden. Denk eens: twee en veertig
+gulden! Maar men moet niet gelooven, dat zij al dat geld verbrast
+hadden! Neen, Pescadospunt was voorzichtig, geregeld van levenswijs en
+zorgende voor den dag van morgen. Daardoor was hun bestaan voor
+minstens tien dagen verzekerd.
+
+„En dat zijn wij u verschuldigd, Kaap Matifou!”
+
+„Oh, Pescadospunt!”
+
+„Ja, aan u, groot man!”
+
+„Welnu, ja.... aan mij.... als je dat pleizier kan doen!” antwoordde
+Kaap Matifou.
+
+In dat oogenblik landde de sloep bij de kade. Toen stond de bootsman op
+en berichtte hen met de muts in de hand, dat hij zich ter beschikking
+van „de heeren” stelde.
+
+„Van de heeren!” riep Pescadospunt uit. „Van welke heeren?”
+
+„Van uzelven,” antwoordde de bootsman. „Dokter Antekirrt wacht u bij
+hem aan boord.”
+
+„Mooi! Wij zijn reeds heeren!” zei Pescadospunt. „Je zult zien, dat we
+nog graven en baronnen zullen worden!”
+
+Kaap Matifou zette vreeselijk groote oogen en verkreukte in zijne
+verlegenheid zijn hoed ergerlijk.
+
+„Wanneer de heeren gelieven in te stappen!” zei de bootsman.
+
+„Zeker, zeker, het gelieft ons!” zei Pescadospunt met een vriendelijk
+gebaar.
+
+Een oogenblik later zaten onze beide vrienden zoo gemakkelijk mogelijk
+op het donkere tapijt met rood geboord, dat de bank der sloep bedekte,
+terwijl de bootsman achter hen plaats nam.
+
+Het behoeft, dunkt ons, niet vermeld te worden, dat het vaartuigje
+onder het gewicht van den Hercules, die aan boord stapte, twee of drie
+duimen onder hare waterlijn zonk. Men moest zelfs de hoeken van het
+tapijt opnemen, opdat zij niet in het water sleurden.
+
+Op een schellen fluitstoot van den bootsman, vielen zes riemen
+tegelijkertijd te water en schoot de sloep vooruit in de richting van
+de Savarena.
+
+Het mag erkend worden, daar het de waarheid is, dat die twee arme
+drommels zich eenigermate aangedaan, om niet te zeggen verlegen of
+beschaamd gevoelden. Zoo veel eer voor kunstenmakers! Kaap Matifou
+durfde zich niet bewegen. Pescadospunt kon, in weerwil van zijne
+verlegenheid, een goedhartigen glimlach, die zijn fijn en schrander
+gelaat verhelderde, niet verbergen.
+
+De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de
+stuurboordsvalreep aan. Dat was de eerezijde!
+
+De beide vrienden stegen de bewegelijke trap, wiens krammen onder het
+gewicht van Kaap Matifou doorbogen, omhoog en waren weldra op het dek
+aangekomen. Daar werden zij dadelijk naar den dokter gebracht, die hen
+op het achterschip wachtte.
+
+Na een hartelijken groet waren er nog wel eenige plichtplegingen
+noodig, alvorens Pescadospunt en Kaap Matifou besluiten konden te gaan
+zitten. Maar eindelijk geschiedde dat toch.
+
+De dokter keek hen een oogenblik aan zonder te spreken. Zijn koel maar
+schoon gelaat maakte indruk op hen. Maar, en daarin kon men zich niet
+vergissen, was er ook al geen glimlach op zijne lippen, die glimlach
+zetelde toch in zijn hart.
+
+„Vrienden,” zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een
+groot gevaar beveiligd. Ik heb u daarvoor nogmaals willen bedanken en
+daarom heb ik u verzocht om aan boord te komen.”
+
+„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, die een weinig van zijne
+vrijmoedigheid terugkreeg, „gij zijt zeer goed; maar het gebeurde is de
+moeite niet waard. Mijn makker heeft niets anders gedaan dan ieder
+ander in zijne plaats en met zijne kracht verricht zoude hebben. Niet
+waar, Kaap Matifou?”
+
+Deze knikte bevestigend, door zijn dik hoofd op en neer te bewegen.
+
+„Dat moge zoo zijn,” antwoordde de dokter, „maar uw makker en niet
+ieder ander heeft zijn leven gewaagd en ik ben hem daarvoor veel
+verplicht!”
+
+„O heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „gij zult mijn ouden Kaap
+doen blozen en volbloedig als hij reeds is, is het nadeelig voor hem,
+wanneer hem het bloed naar het hoofd stijgt....”
+
+„Alles wel, vrienden,” hernam de dokter. „Ik zie dat gijlieden niet van
+complimenten houdt. Ik zal dus ook niet verder aandringen. Maar, daar
+iedere dienst beloond....”
+
+„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „vergeef mij dat ik u in de
+rede val. Maar, iedere goede daad draagt hare belooning in zichzelve,
+ten minste zooals de zedeboeken leeren; en.... reeds zijn wij beloond!”
+
+„Reeds! Hoe?” vroeg de dokter, die vreesde, dat iemand hem voor was.
+
+„Zeker!” hernam Pescadospunt. „Na dit buitengewone bewijs van
+spierkracht van mijn Hercules, heeft het publiek hem verder in andere
+kunstvaardige oefeningen willen beoordeelen. In groote menigte is men
+naar ons Provençaalsche worstelperk gedrongen. Kaap Matifou heeft een
+half dozijn van de sterkste bergbewoners en van de stevigste
+pakkendragers van Gravosa van de been gelicht en wij hebben eene
+overgroote ontvangst gemaakt.”
+
+„Overgroote?”
+
+„Ja, zonder voorbeeld gedurende onze acrobatische omzwervingen!”
+
+„En hoeveel hebt gij wel ontvangen?”
+
+„Twee en veertig gulden!”
+
+„Ah! Waarlijk!.... Maar ik wist niet”.... antwoordde dokter Antekirrt
+met goedige stem. „Als ik geweten had, dat gij voorstellingen gaaft,
+dan zou ik het mij niet alleen tot plicht gesteld hebben, maar het zou
+mij ook een waar genoegen geweest zijn een daarvan bij te wonen. Gij
+zult mij dus veroorloven mijne plaats te betalen....”
+
+„Hedenavond, heer dokter, hedenavond,” antwoordde Pescadospunt,
+„wanneer gij onze voorstelling met uwe tegenwoordigheid zult willen
+vereeren.”
+
+Kaap Matifou boog beleefd en deed daarbij zijne breede schouders
+zwaaien, die, zooals Pescadospunt steeds luide verkondigde, nimmer den
+grond aangeraakt hadden.
+
+Dokter Antekirrt zag wel in, dat hij de beide acrobaten er niet toe zou
+kunnen brengen om eene belooning, ten minste eene geldelijke, aan te
+nemen. Hij besloot dus anders te werk te gaan. Daarenboven had hij
+sedert den vorigen dag een vastgesteld plan met betrekking tot die twee
+mannen in het hoofd. Inlichtingen, die hij den vorigen avond had doen
+inwinnen, hadden tot uitslag gehad, dat de twee kunstenmakers eerlijke
+menschen waren, die ten volle vertrouwen verdienden.
+
+„Hoe heet gij?” vroeg hij.
+
+„De eenige naam, dien ik ken, heer dokter, is Pescadospunt.”
+
+„En gij?”
+
+„Ik heet Matifou,” antwoordde de Hercules.
+
+„Dat wil zeggen Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt aan, niet weinig
+hoogmoedig dien naam, die zoo beroemd in al de worstelperken van
+Zuidelijk Frankrijk was, te kunnen noemen.
+
+„Maar dat zijn bijnamen,”.... merkte de dokter op.
+
+„Wij hebben geen anderen,” antwoordde Pescadospunt, „of, hebben wij er
+ooit een gehad, dan hebben wij hem onderweg verloren, wat niet te
+verwonderen is: onze zakken zijn slecht en versleten.”
+
+„En.... uwe bloedverwanten?”
+
+„Bloedverwanten, heer dokter?.... Onze middelen hebben ons nooit dat
+weelde-artikel veroorloofd! Maar mochten wij ooit rijk worden, dan
+zullen er wel gevonden worden, die erven willen.”
+
+„Gij zijt Franschen? Van welk gedeelte van Frankrijk zijt gij
+afkomstig?”
+
+„Wij zijn Provençalen!” antwoordde Pescadospunt fier. „Dat wil zeggen,
+dat wij tweemalen Franschen zijn!”
+
+„Gij hebt een opgeruimd humeur, mijnheer Pescadospunt.”
+
+„Het ambacht brengt dat mede. Stelt u voor, heer dokter, een paljas,
+een roodstaart, een kermisgrappenmaker, die een droefgeestig humeur
+had! Hij zou meer gebakken appelen in een uur om de ooren krijgen, dan
+hij zijn geheele leven zou kunnen verorberen! Ja, ik ben opgeruimd,
+vroolijk zelfs, zeer vroolijk, dat beken ik!”
+
+„En Kaap Matifou?”
+
+„O, die is meer ernstig, meer nadenkend, meer in zich zelf gekeerd!”
+antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zijn makker een hartelijken
+vriendschappelijken klap op den schouder gaf, zooals een ander den hals
+van een paard zou streelen. „Dat ’s ook het ambacht hetwelk dat
+medebrengt. Wanneer men toeren maakt met gewichten van vijftig, dan
+moet men zeer ernstig wezen. Wanneer men worstelt, dan doet men dat
+niet alleen met de armen, maar ook en vooral met het hoofd! En Kaap
+Matifou heeft steeds geworsteld.... zelfs tegen de ellende! En die
+heeft hem nog niet van de been kunnen brengen!”
+
+Dokter Antekirrt hoorde met belangstelling dat braaf klein wezen,
+waarvoor het noodlot tot heden zoo hard was geweest, en dat toch niet
+verbitterd was. Hij gevoelde dat in dat teedere omhulsel evenveel hart
+als geest schuilde, en dacht er over na wat van hem had kunnen worden,
+wanneer aan de materieele eischen van het leven niet dadelijk na zijn
+geboorte was te kort geschoten.
+
+„En waarheen trekt gij thans?”
+
+„Waarheen? Recht voor ons uit! Op goed geluk af,” antwoordde
+Pescadospunt. „Het toeval is niet altijd een slechte gids en over het
+algemeen kent het den weg. Alleen, ik vrees dat wij ditmaal te ver van
+ons land af gedwaald zijn! Maar.... alles wel beschouwd, is dat onze
+schuld! Wij hadden het toeval moeten vragen waarheen het ons leiden
+wilde.”
+
+Dokter Antekirrt sloeg hen beiden gedurende een poos gade. Toen hernam
+hij met aandrang:
+
+„Wat zou ik voor ulieden kunnen doen?”
+
+„Maar niets, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „niets.... dat
+verzeker ik u....”
+
+„Koestert gij het verlangen niet om in uwe Provence weer te keeren?”
+
+De oogen der beide acrobaten glinsterden tegelijkertijd.
+
+„Ik zou er u kunnen brengen,” hernam de dokter.
+
+„Dat, dat zou merkwaardig wezen!” zei Pescadospunt.
+
+En zich tot zijn makker wendende:
+
+„Kaap Matifou, zou je naar ginds willen terugkeeren?”
+
+„Ja.... als ge meegaat, Pescadospunt.”
+
+„Maar, wat zullen wij er uitvoeren? Waarvan zullen wij leven?”
+
+Kaap Matifou krabde zich achter het oor. Dat deed hij bij ieder lastig
+geval.
+
+„Wij zullen.... wij zullen....” mompelde hij.
+
+„Je weet er niets van.... en ik ook niet!.... Maar, het is ons
+vaderland! Is het niet zonderling, heer dokter, dat arme drommels,
+zooals wij zijn, een vaderland hebben; dat arme ellendigen, die geen
+ouders hebben, ergens geboren zijn! Ziet, dat is voor mij steeds
+onverklaarbaar geweest.”
+
+„Zoudt gij beiden kunnen besluiten steeds bij mij te blijven?” vroeg
+dokter Antekirrt.
+
+Op dat onverwachte voorstel was Pescadospunt vlug opgesprongen, terwijl
+de Hercules hem verbaasd aankeek, niet wetende of hij ook zou moeten
+opstaan.
+
+„Bij u blijven, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt eindelijk. „Maar
+waartoe zouden wij te gebruiken zijn? Kunststukken uitvoeren, toeren
+van kracht en behendigheid.... dat alles is, wat wij in ons leven
+gedaan hebben. En tenzij het was om u gedurende uwe zeetochten of in uw
+land te verstrooien....”
+
+„Luistert naar mij,” hernam dokter Antekirrt. „Ik heb moedige,
+behendige en schrandere mannen noodig, mannen vol toewijding, die
+genegen zijn het bereiken van mijne plannen te bevorderen. Er is niets,
+wat u hier terughoudt, niets wat u daar ginder roept. Wilt gij tot die
+mannen behooren?”
+
+„Maar wanneer uwe plannen bereikt zijn?”.... vroeg Pescadospunt.
+
+„Als het u bij mij bevalt, zult gij mij niet meer verlaten”, antwoordde
+de dokter glimlachend, „dan kunt gij bij mij aan boord blijven. En
+kijk, gij zult aan mijne bemanning les op het slappe koord kunnen
+geven! En wanneer het u integendeel zou lijken naar uw vaderland weer
+te keeren, dan zal ik er u brengen en zorgen dat u een zekere
+gegoedheid voor uw geheele leven verzekerd is.”
+
+„Oh! heer dokter!” riep Pescadospunt uit. „Maar het is toch uwe meening
+niet, ons niets te laten uitvoeren. Tot niets goed te zijn, zou ons
+niemendal lijken!”
+
+„Ik beloof u arbeid, en van dusdanigen aard, dat hij u tevreden zal
+stellen.”
+
+„Waarlijk,” zei Pescadospunt, „dan is het aanbod zeer verleidelijk.”
+
+„Hebt gij nog tegenwerpingen te maken?”.
+
+„Nog eene enkele. Gij ziet ons beiden, Kaap Matifou en mij! Wij zijn
+afkomstig van hetzelfde vaderland en wij zouden ongetwijfeld tot
+dezelfde familie behooren, wanneer wij eene familie bezaten. Wij zijn
+broeders volgens het hart! Kaap Matifou zou niet zonder Pescadospunt en
+Pescadospunt niet zonder Kaap Matifou kunnen leven! Verbeeld u de
+Siameesche tweelingen! Men heeft hen nimmer kunnen scheiden, niet waar,
+omdat eene scheiding hun het leven zou gekost hebben. Welnu, wij zijn
+als die Siameezen. Wij hebben elkander lief, heer dokter.”
+
+Pescadospunt had, terwijl hij zoo sprak, de hand aan Kaap Matifou
+toegestoken, die hem naar zich toetrok en hem aan zijne borst drukte,
+zooals hij met een kind gedaan zou hebben.
+
+„Vrienden,” zei dokter Antekirrt, „er is geen quaestie van ulieden te
+scheiden en het zal steeds mijn wensch zijn, dat gij mij niet zult
+verlaten!”
+
+„Dan zou het kunnen gaan, heer dokter, als....”
+
+„Als?”
+
+„Als Kaap Matifou zijne toestemming geeft.”
+
+„Zeg ja, Pescadospunt,” mompelde de Hercules, „dan hebt gij voor ons
+beiden geantwoord!”
+
+„Welnu,” zei de dokter, „dat is dan afgesproken en gij zult geen berouw
+over uw besluit ondervinden. Bekommert u van heden af om niets meer!”
+
+„O, heer dokter, pas op!” hernam Pescadospunt. „Gij verbindt u daar tot
+meer dan gij wel denkt!”
+
+„Hoezoo?”
+
+„Ziet, wij zullen dure gasten zijn, vooral Kaap Matifou. Dat is een
+groote eter en gij zoudt hem in uwen dienst zijne spierkracht niet
+willen laten verliezen, al was dat nog zoo weinig maar.”
+
+„Ik beoog integendeel, dat hij die krachten verdubbelen zal.”
+
+„Dan zal hij u te gronde richten!”
+
+„Men richt mij niet te grande, Pescadospunt.”
+
+„Evenwel.... twee.... drie maaltijden per dag....”
+
+„Vijf, zes, tien, als hij zulks verkiezen zal,” antwoordde dokter
+Antekirrt glimlachend. „Er zal steeds open tafel voor hem zijn!”
+
+„Hè, Kaap, wat zeg je er van?” riep Pescadospunt guitig uit. „Ge zult
+dan steeds volop kunnen eten!”
+
+„En gij ook, Pescadospunt!”
+
+„O, ik! Een vogel!—Maar zou ik u mogen vragen, of wij ter zee zullen
+varen?”
+
+„Dikwijls, vriend. Ik zal thans aan de vier hoeken van de
+Middellandsche zee te doen krijgen. Mijn praktijk zal zoo wat overal
+langs de kusten bestaan. Ik hoop de geneeskunde te kunnen uitoefenen op
+eene internationale wijze. Wanneer een zieke mij naar Tanger, of naar
+de Balearische eilanden roept, wanneer ik mij te Suez of te Smyrna
+bevind, zal ik hem dan niet moeten gaan bezoeken? Wat een geneesheer in
+eene groote stad van het eene kwartier tot het andere uitvoert, zal ik
+van de Straat van Gibraltar naar den Griekschen Archipel, van de
+Adriatische zee naar de Leeuwengolf, van de Jonische zee naar de baai
+van Gabés verrichten! Ik bezit nog andere vaartuigen, tien malen
+vlugger dan die goelet en.... bij die tochten zult gijlieden mij
+meestal vergezellen.”
+
+„Dat lijkt ons, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zich
+in de handen wreef.
+
+„Zijt gijlieden niet bang voor de zee?”
+
+„Neen!” riep Pescadospunt uit. „Wij bang? Wij kinderen van de Provence!
+Als straatjongens speelden en rolden wij in de sloepen op het strand!
+Neen, wij zijn niet bang voor de zee, ook niet voor de zoogenaamde
+zeeziekte! Door de gewoonte, die wij hebben, om met het hoofd omlaag en
+de beenen omhoog te loopen, zijn wij tegen die ongesteldheid
+gevrijwaard. Wanneer de heeren en dames, alvorens zich in te schepen,
+slechts eenige maanden lang die lichaamsoefening betrachtten, dan
+zouden zij nimmer noodig hebben hunnen neus gedurende den overtocht
+boven hunne lampetkom te houden! Komt binnen, heeren en dames! Komt
+binnen! Volgt slechts de menigte!”
+
+Men ziet het, de goedhartige Pescadospunt verviel weer bij zijne
+blijdschap in zijne gewone kwinkslagen, net alsof hij zich nog op de
+verhevenheid zijner kermistent bevond.
+
+„Goed zoo, Pescadospunt!” zei de dokter. „Wij zullen elkander
+uitmuntend verstaan. Bovenal beveel ik u aan, niets van uwe
+opgeruimdheid te verliezen. Lacht, mijn jongen, lacht en zingt, zooveel
+ge verkiest. De toekomst zal wellicht genoeg droefgeestige
+gebeurtenissen opleveren, om uwe vroolijkheid onderweg te doen
+waardeeren.”
+
+Terwijl hij die laatste woorden sprak, was dokter Antekirrt zeer
+ernstig geworden. Pescadospunt, die hem gadesloeg, had als een
+voorgevoel, dat die man in vroegere dagen veel geleden had en dat zij
+de oorzaak daarvan wel eens zouden vernemen.
+
+„Heer dokter,” zei hij toen, „van heden af behooren wij u met ziel en
+lichaam toe.”
+
+„En van heden af,” antwoordde de dokter, „kunt gij u in uwe hutten
+inrichten. Waarschijnlijk zal ik eenige dagen te Gravosa en te Ragusa
+blijven; maar het zal goed zijn, dat gij de gewoonte aanneemt om aan
+boord van de Savarena te leven.”
+
+„Tot het oogenblik, dat gij ons in uw vaderland zult gevoerd hebben!”
+liet Pescadospunt volgen.
+
+„Ik heb geen vaderland,” antwoordde de dokter, „of beter, ik heb, als
+gij wilt, een vaderland van eigen maaksel, dat ook het uwe zal worden!”
+
+„Kom, Kaap Matifou,” riep Pescadospunt uit. „Kom laten wij ons
+handelshuis gaan liquideeren. Wees gerust, wij zijn niemand iets
+schuldig en zullen niet failliet gaan!”
+
+Daarop daalden de twee vrienden, na afscheid van dokter Antekirrt
+genomen te hebben, in de sloep af, die hen wachtte en waarmede zij naar
+de kade van Gravosa teruggevoerd werden.
+
+Daar hadden zij in nog geen twee volle uren, hunnen inventaris
+opgemaakt en hunne kermistent, hunne geschilderde kunststukken, hunne
+groote en kleine trom, die hunne geheele bezitting daarstelden, aan een
+confrater overgedaan. Dat duurde niet lang en leverde ook geene
+moeilijkheid op. Ook zouden hunne zakken niet overmatig bezwaard worden
+door de weinige guldens, die zij daarin opbergden.
+
+Toch stond Pescadospunt er op om zijn kunstenmakerspak en zijne
+pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet en zijn
+worstelaarspak te bewaren. Zij zouden anders te veel verdriet gehad
+hebben, door het scheiden van die werktuigen en die vodden, die hen aan
+zoovele uren van succes en zegepraal herinnerden. Die kleedingstukken
+werden op den bodem van eene kist geborgen, welke hun ameublement,
+hunne garderobe en geheel hun materieel bevatte.
+
+Tegen een uur in den namiddag waren Pescadospunt en Kaap Matifou aan
+boord van de Savarena terug.
+
+Een groote hut in het vooronder werd ter hunner beschikking gesteld.
+Het was eene gemakkelijke en ruime hut die van alles voorzien was, „ook
+om te kunnen schrijven,” zei de snaak.
+
+De bemanning ontving de nieuwe kameraden, wien zij te danken hadden,
+aan een groot ongeluk ontsnapt te zijn, recht hartelijk.
+
+Reeds bij hunne aankomst konden Pescadospunt en Kaap Matifou proeven,
+dat de kombuisproducten aan boord hen de keukens der Provençaalsche
+kermistenten niet zouden doen betreuren.
+
+„Zie je, Kaap Matifou,” zei en herhaalde Pescadospunt, terwijl hij een
+glas heerlijken Asti-wijn slurpte, „zie je, met goed gedrag komt men
+tot alles! Maar, dat moet er zijn!”
+
+Kaap Matifou, wiens mond toen met een flink stuk ham gevuld was, dat
+met twee gebakken eieren in de onpeilbare diepte van zijne maagholte
+verdween, antwoordde slechts met een hoofdknik.
+
+„Welke ontvangst wel te maken zou zijn, wanneer het publiek je kon zien
+eten, Kaap Matifou!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+DE WEDUWE VAN STEPHANUS BATHORY.
+
+
+De tijding der aankomst van dokter Antekirrt had zich spoedig, niet
+alleen te Ragusa, maar ook in de geheele Dalmatische provincie
+verbreid. De dagbladen wierpen zich als het ware op die prooi, die hen
+eene serie van pikante berichten in het vooruitzicht stelde, en
+begonnen met de aankomst van de goelet in de haven van Gravosa aan te
+kondigen. De eigenaar van de Savarena kon dus niet ontsnappen aan het
+eerbetoon, maar ook niet aan de bezwaren, aan dergelijke beroemdheid
+onvermijdelijk verbonden. Zijne persoonlijkheid lag als het ware op
+ieders lippen. De legende maakte zich van hem meester. Men wist niet
+wie hij was, vanwaar hij kwam en waarheen hij ging. Dat kon slechts de
+publieke nieuwsgierigheid te meer prikkelen. En, natuurlijk, wanneer
+men niets weet, dan is het veld der onderstellingen des te
+uitgebreider, de verbeelding benuttigt dat en dan.... dan schijnt het
+een wedren te zijn voor allen, die het best ingelicht meenen te zijn.
+
+De reporters, bij hun streven om hunne lezers ter wille te zijn, waren
+met spoed naar Gravosa getrokken. Sommigen hunner begaven zich zelfs
+aan boord van de goelet. Zij kregen evenwel den persoon, die in de
+openbare meening zooveel opgang maakte, niet te zien. De bevelen
+daaromtrent waren stellig. De dokter ontving niemand. De antwoorden,
+die kapitein Narsos aan de bezoekers gaf, waren dan ook onveranderlijk
+dezelfde:
+
+„Maar, vanwaar komt die dokter?”
+
+„Vanwaar het hem gelieft.”
+
+„En waarheen gaat hij?”
+
+„Waarheen hem dat aanstaat.”
+
+„Maar, wie is hij?”
+
+„Dat weet niemand en hij wellicht nog minder dan zij, die het vragen.”
+
+Hoe nu in Godsnaam een reporterartikel met dergelijke gegevens te
+schrijven?
+
+Het gevolg daarvan was, dat de verbeelding vrij spel had en zich dan
+ook geen banden liet aanleggen om in volle fantasie op te gaan. Van
+dokter Antekirrt maakte men alles wat men maar verlangde. Hij was alles
+geweest wat die kroniekschrijvers maar geliefden te verzinnen. Voor den
+eenen was hij een zeeschuimers-hoofdman. Voor den anderen was hij de
+koning van een uitgestrekt Afrikaansch rijk, die incognito reisde met
+het doel om te leeren. Verder beweerde men, dat het een staatkundige
+banneling was; elders weer dat het een vorst was, die door eene
+omwenteling uit zijne staten verjaagd werd en nu als wijsgeerig toerist
+de wereld rondreisde. Men ziet, er was volledige keus. Wat den titel
+van dokter betrof, waarmede hij zich tooide, daaromtrent waren de
+meeningen van hen, die den titel voor echt aannamen, ook verdeeld.
+Volgens de meening van sommigen was hij een groot geneeskundige, die
+bewonderenswaardige genezingen in de meest wanhopige gevallen verricht
+had; en volgens die van anderen was hij de koning der kwakzalvers, die
+in moeilijkheid geraken zou, wanneer men zijn diploma opvorderde.
+
+Maar in ieder geval, de geneeskundigen van Gravosa en van Ragusa konden
+geene vervolging tegen hem doen instellen wegens onwettige uitoefening
+van de geneeskunde. Dokter Antekirrt hield zich bescheiden buiten schot
+en was niet te spreken, wanneer men hem als geneesheer wilde
+raadplegen.
+
+Daarenboven, de eigenaar van de Savarena nam zijn intrek niet aan den
+wal. Hij stapte zelfs niet in een der hôtels van de stad af.
+Ternauwernood begaf hij zich gedurende de twee dagen, welke hij te
+Gravosa doorbracht, tot dicht bij Ragusa. Hij bepaalde zijne uitstappen
+tot eenige wandelingen in den omtrek, waarbij hij twee of drie malen
+Pescadospunt meenam, wiens aangeboren schranderheid hij waardeerde.
+
+Maar ging hijzelf niet naar Ragusa, dan ging Pescadospunt toch eens
+voor hem er heen. De brave jongen, wien een opdracht van vertrouwen
+gedaan was—wie weet, wellicht eene inlichting in te
+winnen!—beantwoordde de vragen, die hem bij zijn terugkeer gedaan
+werden, als volgt:
+
+„Dus die woont in de Stradonalaan?”
+
+„Ja, heer dokter. Dat wil zeggen in de fraaiste straat der stad. Hij
+bewoont een hôtel, niet ver van de plaats, waar men de reizigers het
+paleis van den ouden doge aanwijst. Het is een prachtig hôtel met een
+talrijk bediendenpersoneel, met rijtuigen enz. In één woord: hij volgt
+de levenswijze van een millionnair!”
+
+„En de andere?”
+
+„De andere of liever de anderen?” antwoordde Pescadospunt. „Die bewonen
+hetzelfde stadskwartier, maar hunne woning is moeilijk te vinden in een
+van die klimmende, smalle en slingerende stegen—ware ladders—die meer
+bescheiden woningen bevatten.”
+
+„En hunne woning?”
+
+„Hunne woning is nederig, klein, droefgeestig van uiterlijk aan de
+buitenzijde, hoewel ik mij verbeeld dat zij binnenshuis netjes gehouden
+moet zijn, heer dokter. Men gevoelt, dat zij bewoond is door arme maar
+hooghartige lieden.”
+
+„Die dame?....”
+
+„Ik heb haar niet gezien. Men zeide, dat zij bijna nimmer de
+Marinella-straat verliet.”
+
+„En haar zoon?....”
+
+„Dien heb ik gezien, heer dokter, op het oogenblik dat hij bij zijne
+moeder binnentrad.”
+
+„Hoe zag hij er uit?....”
+
+„Hij scheen afgetrokken, onrustig zelfs. Men zou zeggen, dat die
+jeugdige man reeds veel geleden heeft!.... Dat kenmerkt zich trouwens
+genoegzaam!”
+
+„Maar, ook gij Pescadospunt, hebt geleden, en dat kenmerkt zich niet.”
+
+„Lichamelijk lijden is geen zedelijk lijden, heer dokter! Daarom kon ik
+het verhelen en er zelfs om lachen.”
+
+Zooals men ziet, sprak dokter Antekirrt reeds gemeenzaam met
+Pescadospunt. Met Kaap Matifou ging dat nog niet; want inderdaad, die
+Hercules was van te indrukwekkend uiterlijk, om zich zoo gauw eenige
+gemeenzaamheid te mogen veroorloven.
+
+Toen de dokter die vragen gedaan en die antwoorden bekomen had, staakte
+hij zijne wandelingen in de omstreken van Gravosa. Hij scheen iemand te
+verwachten, wiens ontmoeting hij door zijn gaan naar Ragusa niet had
+willen uitlokken, daar de tijding van de aankomst der Savarena
+genoegzaam bekend moest zijn. Hij bleef dus aan boord en hetgeen hij
+verwachtte, gebeurde.
+
+Den 29en Mei gaf de dokter, na de kade van Gravosa met het gewapend oog
+geruimen tijd gadegeslagen te hebben, tegen elf uren in den voormiddag
+bevel om de sloepen klaar te maken; toen steeg hij er in en liet zich
+naar den havendam overbrengen, waar een man stond, die hem scheen te
+bespieden.
+
+„Dat is hij,” mompelde de dokter binnensmonds.... „Hij is het wel
+degelijk!.... Ik herken hem, al is hij nog zoo veranderd.”
+
+Die man was een grijsaard, door den ouderdom gebogen, hoewel hij
+slechts zeventig jaren telde. Zijne witte haren dekten spaarzaam het
+hoofd, dat ter aarde gebogen was. Zijn gelaat was ernstig, droefgeestig
+en ternauwernood verlevendigd door een matten blik, die dikwijls door
+tranen geheel verduisterd moet geweest zijn. Hij stond onbewegelijk op
+de kade en verloor de sloep niet uit het oog, van het oogenblik dat van
+boord was afgestoken.
+
+De dokter wilde den schijn niet geven dien grijsaard te bespeuren, nog
+minder hem te herkennen. Hij deed dus, alsof hij zijne tegenwoordigheid
+niet ontwaardde. Maar nauwelijks had hij eenige passen op den havendam
+afgelegd, toen de grijsaard op hem toetrad, nederig zijn hoed afnam en
+vroeg:
+
+„Zijt gij dokter Antekirrt?”
+
+„Ja, die ben ik,” antwoordde de dokter, die dien man aankeek, wiens
+oogleden zelfs niet trilden, toen hij den blik op hem wierp. Daarna
+vervolgde hij:
+
+„Wie zijt gij vriend, en wat wilt gij van mij?”
+
+„Ik heet Borik en ik ben in dienst van mevrouw Bathory. Ik kom u uit
+haar naam eene samenkomst verzoeken....”
+
+„Mevrouw Bathory?” herhaalde de dokter vragend. „Is dat de weduwe van
+dien Hongaar, die zijne vaderlandsliefde met zijn leven betaalde?”
+
+„Dezelfde,” antwoordde de grijsaard. „En hoewel gij haar nimmer zaagt,
+is het toch onmogelijk, dat gij haar niet kent, juist omdat gij dokter
+Antekirrt zijt.”
+
+Deze hoorde den ouden dienaar, wiens oogen steeds neergeslagen bleven,
+aandachtig aan. Hij vroeg zich af of onder deze woorden niet eene
+nevengedachte verscholen was. Daarop hernam hij:
+
+„Wat kan mevrouw Bathory van mij willen?”
+
+„Om redenen, die gij wel begrijpen zult, wenschte zij een onderhoud met
+u, heer dokter.”
+
+„Ik zal haar een bezoek brengen.”
+
+„Zij wenschte liever bij u aan boord te komen.”
+
+„Waarom?”
+
+„Het is noodzakelijk, dat haar onderhoud met u geheim blijft.”
+
+„Geheim?.... Voor wien?”
+
+„Voor haren zoon! Mijnheer Piet mag niet weten, dat mevrouw Bathory u
+bezocht heeft.”
+
+Dit antwoord scheen den dokter te verrassen; hij liet er evenwel niets
+van aan Borik blijken.
+
+„Ik geef de voorkeur aan een bezoek ten huize van mevrouw Bathory,”
+hernam hij. „Zou dat niet kunnen geschieden bij afwezigheid van haren
+zoon?”
+
+„Dat kan, heer dokter, wanneer gij morgen wilt komen. Piet Bathory moet
+heden avond naar Zara afreizen en zal niet binnen vier en twintig uur
+terug zijn.”
+
+„Wat voert Piet Bathory uit?”
+
+„Hij is tot ingenieur gepromoveerd; maar tot heden heeft hij nog geene
+plaatsing kunnen vinden. O, het leven is zoo moeitevol voor hem en voor
+zijne moeder!”
+
+„Moeitevol!....” viel dokter Antekirrt in. „Bezit mevrouw Bathory dan
+geen middelen?”....
+
+Hij hield op. De grijsaard had het hoofd gebogen, terwijl zijn borst
+bewoog onder de snikken, die hij niet kon bedwingen.
+
+„Heer dokter,” zei hij eindelijk, „ik kan en mag u niets meer zeggen.
+In het onderhoud, dat mevrouw Bathory van u verzoekt, zal zij u alles
+mededeelen, wat gij recht hebt te weten.”
+
+De dokter moest wel meester over zijn gemoed zijn, om zijne aandoening
+te kunnen bedwingen.
+
+„Waar woont mevrouw Bathory?” vroeg hij.
+
+„Te Ragusa, in het Stradona-kwartier, op nummer 17 van de
+Marinella-straat.”
+
+„Zal ik mevrouw Bathory morgen in den namiddag tusschen een en twee uur
+kunnen ontmoeten?”
+
+„Voorzeker, heer dokter, en ik zal het zijn, die u zal aandienen.”
+
+„Zeg dan aan mevrouw Bathory, dat zij op mijne nauwgezetheid kan
+rekenen.”
+
+„Ik dank u in haren naam.”
+
+En na eenige aarzeling:
+
+„Gij zoudt kunnen meenen, dat het een dienst betreft, die mevrouw u
+vragen wil....”
+
+„En wanneer dat zoo was?” vroeg de dokter levendig.
+
+„Toch is het niet zoo,” antwoordde Borik.
+
+En na nederig gebogen te hebben, ging hij den weg op, die van Gravosa
+naar Ragusa voert.
+
+Klaarblijkelijk hadden de laatste woorden van den ouden dienaar dokter
+Antekirrt eenigermate verwonderd. Hij bleef onbeweeglijk op de kade
+staan en tuurde Borik na. Toen hij aan boord teruggekomen was, schonk
+hij aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou verlof om aan den wal te gaan.
+Daarna sloot hij zich in zijne kamer op. Hij wilde er de laatste uren
+van dien dag geheel alleen doorbrengen.
+
+Pescadospunt en Kaap Matifou maakten zich dus als echte renteniers, die
+zij ook waren, dat verlof ten nutte. Zij veroorloofden zich zelfs het
+genoegen, op het kermisterrein eenige kramen binnen te treden. Wanneer
+wij beweren zouden, dat de lenige clown geen aanvechtingen gevoelde om
+den een of anderen onhandigen kunstenmaker terecht te zetten; dat de
+machtige voorvechter de zucht niet voelde opkomen om aan die
+athleetworstelingen deel te nemen, dan zouden wij der waarheid te kort
+doen. Maar beiden herinnerden zich ter rechter tijd, dat zij de eer
+hadden tot de bemanning van de Savarena te behooren. Zij vergaten hun
+rol van toeschouwers niet en waren niet karig met hunne toejuichingen,
+wanneer die verdiend waren.
+
+Den volgenden ochtend liet de dokter zich even vóór het middaguur aan
+wal zetten. Na zijne sloep naar boord teruggezonden te hebben, ging hij
+den weg op, die het verbindingsmiddel daarstelt tusschen de haven van
+Gravosa en de stad Ragusa. Dat is eene fraaie laan, die kornisvormig
+aangelegd, met twee rijen villa’s omzoomd en over eene lengte van twee
+kilometers heerlijk beschaduwd was.
+
+Die laan was nog niet levendig, zooals zij het weinige uren later zou
+zijn, door het heen en weer rijden der equipages, door de menigte
+wandelaars, zoowel te paard als te voet.
+
+De dokter volgde, terwijl hij aan die samenkomst met mevrouw Bathory
+dacht, eene nevenlaan en was weldra bij Borgo Pillo, een soort steenen
+uitwas, die zich buiten de drievoudige omwalling der versterkingen van
+Ragusa uitstrekt. De poort was open en verleende dwars door dien
+drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad.
+
+De Stradona is eene prachtige flink bestrate hartader der stad, die
+zich van Borgo Pillo af tot de voorstad Plocca uitstrekt en de geheele
+stad doorsnijdt. Zij ontwikkelt zich aan den voet van een heuvel, die
+met een geheel gevaarte van huizen, amphitheatersgewijze gebouwd,
+overdekt is. Aan het einde verheft zich het paleis der oude doges, een
+fraai monument uit de XVde eeuw, met eene ruime binnenplaats, met een
+portiek in renaissance-stijl, met boogvensters, welker slanke zuiltjes
+aan het beste tijdperk herinneren van Toskaansche bouwkunst.
+
+De dokter behoefde niet tot bij dat paleis voort te gaan. De
+Marinella-straat, die Borik hem daags te voren opgegeven had, komt
+zoowat op de helft van de Stradonalaan uit. Hij vertraagde evenwel zijn
+gang een weinig op het oogenblik, dat hij een vluchtigen blik op eene
+groote woning wierp, die in graniet opgetrokken was en welker rijke
+voorgevel met de daaraan rechthoekig aansluitende bijgebouwen zich
+statig verhief. De poort van de binnenplaats stond open en liet een
+uiterst fraai eigen rijtuig ontwaren met een paar prachtige paarden
+bespannen. De koetsier zat deftig op den bok en de lakkei wachtte voor
+het perron, dat door eene bevallige veranda overkapt was.
+
+Juist in dit oogenblik steeg een man in dat rijtuig. De paarden vlogen
+de plaats over en de poort door, waarna de deuren dichtsloegen.
+
+Die persoon was dezelfde, die drie dagen te voren dokter Antekirrt op
+de kade van Gravosa aangesproken had. Het was de vroegere bankier Silas
+Toronthal.
+
+De dokter, eene ontmoeting wenschende te vermijden, was ijlings
+achteruitgetreden en schreed eerst voort, toen het vlugge rijtuig bij
+het uiteinde der Stradonalaan uit het oog verdwenen was.
+
+„Beiden in dezelfde stad!” mompelde hij. „O, dat is zuiver het toeval!
+Daaraan heb ik geen part of deel.”
+
+De stegen, ter linkerzijde op de Stradonalaan uitkomende, die hij door
+te gaan had, waren smal, stil en slecht bestraat.
+
+Dat de lezer zich een breeden stroom verbeelde, die aan eenen kant
+slechts bergstroomen als schatplichtige rivieren zou hebben. Om een
+weinig lucht te kunnen bemachtigen, kruipen de huizen als het ware
+rakelings de eene op de anderen. Zij kijken inderdaad elkaar in de
+oogen, als men zoo mag spreken van de vensters en tochtgaten, die in
+hunne voorgevels aangebracht zijn. Zij stijgen zoo op den nok van een
+der twee heuvelen, welker toppen door de forten van Mincetto en San
+Lorenzo bekroond zijn. Onmogelijk zou er een rijtuig kunnen doorkomen.
+Al ontbreekt, behalve bij gelegenheid van zware regens, de bergstroom,
+zoo moet zoo’n steeg toch een ravijn genoemd worden, en alle die
+hellingen en al die terrassen heeft men moeten stutten met keerdammen
+en bokken, en moet men door middel van trappen bestijgen. Een scherp
+contrast bestaat tusschen die minder dan bescheiden woningen en de
+prachtige huizen en paleizen op de Stradonalaan.
+
+De dokter bereikte den ingang van de Marinella-steeg en begon de
+oneindige trap, die tot straat dient, te bestijgen. Zoo moest hij meer
+dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken.
+
+Daar werd dadelijk eene deur geopend. De oude Borik wachtte den dokter.
+Hij geleidde hem naar binnen zonder een woord te spreken en bracht hem
+in een vertrek, dat uiterst zindelijk maar armoedig gemeubeld was.
+
+De dokter nam plaats. Niets kon de meening doen ontstaan, dat hij
+eenige aandoening in dat huis ondervond—zelfs niet toen mevrouw Bathory
+binnentrad en tot hem zeide:
+
+„Heer dokter Antekirrt.”
+
+„Die ben ik, mevrouw,” antwoordde de dokter, terwijl hij opstond.
+
+„Ik had u de moeite willen sparen,” hernam mevrouw Bathory, „om zoover
+te komen en zoo hoog te stijgen!”
+
+„Ik stond er op om u een bezoek te brengen, mevrouw; en ik bid u mij
+als geheel ter uwer beschikking te beschouwen.”
+
+„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „gisteren eerst vernam ik uwe
+aankomst te Gravosa en ik heb dadelijk Borik gezonden, ten einde u tot
+een onderhoud uit te noodigen.”
+
+„Mevrouw, ik stel mij ter uwer beschikking.”
+
+„Ik zal heengaan,” zei de grijsaard.
+
+„Neen, Borik, blijf!” antwoordde mevrouw Bathory. „Gij zijt de eenige
+vriend der familie. Gij weet alles, wat ik dokter Antekirrt te zeggen
+heb.”
+
+Mevrouw Bathory ging zitten, de dokter nam vlak voor haar plaats,
+terwijl Borik bij het venster staan bleef.
+
+De weduwe van professor Stephanus Bathory was toen zestig jaren oud.
+Maar richtte zich ook al hare gestalte, in weerwil van den last der
+jaren, recht op, zoo verraadde toch haar sneeuwwit hoofd, haar met
+rimpels gegroeid gelaat genoegzaam den strijd, dien zij tegen het
+verdriet en tegen de ellende gevoerd had. Maar men gevoelde het, zij
+was nog even geestkrachtvol als vroeger. O, in haar school nog immer de
+moedige levensgezellin, de innige vertrouwelinge van dien man, die
+alles opgeofferd had aan hetgeen hij zijnen plicht meende te zijn; in
+haar school nog immer zijn medeplichtige, toen hij tot de samenzwering
+met Mathias Sandorf en Ladislas Zathmar toetrad.
+
+„Mijnheer,” zeide zij met eene stem, waarvan zij de aandoening te
+vergeefs zou hebben pogen te bemantelen, „daar gij dokter Antekirrt
+zijt, ben ik u veel verplicht, en ben ik u het verhaal verschuldigd van
+hetgeen vijftien jaren geleden te Triëst voorgevallen is....”
+
+„Mevrouw, juist omdat ik dokter Antekirrt ben, verzoek ik u, om u en
+mij een verhaal te besparen, dat voor u te treurig moet zijn! Dat
+verhaal ken ik en ik voeg er bij—juist alweer omdat ik dokter Antekirrt
+ben—dat ik uw geheel bestaan ken sedert dien onvergeetbaren datum van
+den 30en Juni 1867.”
+
+„Mag ik u dan vragen, mijnheer,” hernam mevrouw Bathory, „aan welke
+motieven gij de belangstelling ontleent, die gij in mijn levensloop
+gesteld hebt?”
+
+„Die belangstelling, mevrouw, is die, welke ieder gevoelig en
+rechtschapen mensch verschuldigd is aan de weduwe van den
+vaderlandslievenden Magyaar, die niet geaarzeld heeft alles voor de
+onafhankelijkheid van zijn vaderland ten offer te brengen!”
+
+„Hebt gij professor Stephanus Bathory gekend?” vroeg de weduwe met
+ietwat bevende stem.
+
+„Ja, mevrouw, ik heb hem gekend en ik vereer allen welke dien naam
+dragen!”
+
+„Behoort gij ook tot dat vaderland, waarvoor hij zijn bloed gestort
+heeft?”
+
+„Ik, ik heb geen vaderland, mevrouw!”
+
+„Maar wie zijt gij dan?”
+
+„Een overledene, die nog geen graf heeft kunnen vinden!” antwoordde
+dokter Antekirrt koel.
+
+Mevrouw Bathory en Borik ijsden bij dat zoo onverwachte antwoord; maar
+de dokter haastte zich te vervolgen:
+
+„Evenwel, mevrouw, dat verhaal, hetwelk ik u verzocht niet uit te
+spreken, moet ik leveren, want al weet gij ook sommige bijzonderheden,
+zoo zijn er toch anderen, die u onbekend zijn, en die onkunde mag niet
+langer blijven bestaan.”
+
+„Ik luister, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory.
+
+„Mevrouw,” hernam de dokter, „het is nu vijftien jaren geleden, dat
+drie edele harten, zich aan het hoofd stelden van eene samenzwering,
+die tot doel had aan Hongarije zijne onafhankelijkheid weer te geven.
+Dat waren graaf Mathias Sandorf, professor Stephanus Bathory en graaf
+Ladislas Zathmar, drie vrienden, die sedert lang dezelfde hoop
+koesterden, drie verschillende wezens met slechts één hart.
+
+„Den 8en Juni 1867, daags vóórdat het sein zou gegeven worden voor den
+opstand, die zich over geheel Hongarije en tot in Transsylvanië zou
+uitstrekken, werd het huis van graaf Zathmar te Triëst, waarin de
+hoofden der samenzwering vergaderd waren, door de Oostenrijksche
+politie overvallen. Graaf Sandorf werd met zijne beide makkers gevat en
+dienzelfden nacht nog in den vestingtoren van Pisino gekerkerd. Weinige
+weken later waren zij ter dood veroordeeld.
+
+„Een jeugdig boekhouder, Sarcany genaamd, die terzelfder tijd in het
+huis van graaf Zathmar gevangen genomen werd, maar geheel vreemd aan de
+samenzwering was, werd weldra buiten alle vervolging en na de
+beëindiging der zaak, op vrije voeten gesteld.
+
+„Daags vóórdat het vonnis zou voltrokken worden, poogden de gevangenen,
+die in dezelfde cel opgesloten waren, te ontsnappen. Graaf Sandorf en
+Stephanus Bathory slaagden er in, langs de staven van een
+bliksemafleider uit den vestingtoren van Pisino te ontvluchten en
+vielen in den Foïba-bergstroom, op hetzelfde oogenblik dat Ladislas
+Zathmar, door den gevangenbewaarder gegrepen, in de onmogelijkheid
+gesteld werd om zijne makkers te volgen.
+
+„Hoewel er weinig kansen bestonden, dat de vluchtelingen aan den dood
+ontsnappen zouden, daar een onderaardsche stroom hen medesleepte, te
+midden van eene landstreek, die hen geheel onbekend was, zoo slaagden
+zij er toch in, den oever van het kanaal van Léma en daarna de stad
+Rovigno te bereiken, waar zij eene toevlucht vonden in het huis van den
+visscher Andreas Ferrato.
+
+„Die visscher—een braaf en eerlijk hart—had alles klaargemaakt om hen
+aan de overzijde van de Adriatische zee te brengen, toen een Spanjaard,
+Carpena genaamd, die de schuilplaats der vluchtelingen ontdekt had, uit
+persoonlijke wraakzucht de arme ellendigen bij de politie van Rovigno
+aangaf. Andermaal poogden zij te ontsnappen; maar Stephanus Bathory
+viel in handen der agenten. Wat Mathias Sandorf betreft, hij werd tot
+aan den zeeoever vervolgd en viel onder een kogelregen. De Adriatische
+zee heeft zijn lijk niet weergegeven.
+
+„Twee dagen later werden Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar in de
+citadel van Pisino doodgeschoten. De visscher Andreas Ferrato werd, ter
+zake van huisvesting aan de vluchtelingen verleend te hebben, tot
+levenslange galeistraf veroordeeld en naar het bagno van Stein
+gezonden.”
+
+Mevrouw Bathory zat daar met diepgebogen hoofd. Zij had het verhaal van
+den dokter met een beklemd hart, maar zonder hem een enkele maal in de
+rede te vallen, aangehoord.
+
+„Hadt gij die bijzonderheden vernomen, mevrouw?” vroeg hij.
+
+„Ja, mijnheer, door de dagbladen, zooals gij ze waarschijnlijk ook
+vernomen hebt.”
+
+„Ja, mevrouw, door de dagbladen,” antwoordde de dokter, „maar wat de
+dagbladen niet konden mededeelen, daar de instructie dier zaak in het
+grootste geheim geschiedde, heb ik, dank zij de babbelzucht van een
+gevangenbewaarder van de citadel, vernomen en dat zal ik u mededeelen.”
+
+„Spreek, mijnheer,” zei mevrouw Bathory.
+
+„Dat graaf Sandorf en Bathory ontdekt en gevat werden in de woning van
+den visscher Ferrato, werd veroorzaakt door het verraad van den
+Spanjaard Carpena. Maar dat zij drie weken te voren te Triëst in de
+woning van graaf Zathmar gevat werden, was het werk van verraders, die
+hen aan de agenten der Oostenrijksche politie verklikt hadden.”
+
+„Verraders!” mompelde mevrouw Bathory.
+
+„Ja, mevrouw, en het bewijs van het verraad bleek uit de debatten van
+het proces. Eerst hadden die snoodaards een briefje in geheimschrift,
+aan den hals eener postduif gebonden, ontdekt, dat aan graaf Sandorf
+gezonden was en waarvan zij een afschrift namen. Een andere maal
+slaagden zij er in, in het huis van graaf Zathmar zelve een afdruk van
+den rooster te verkrijgen, die diende om dat geheimschrift te
+ontraadselen. Daarna, toen zij kennis van den inhoud van het briefje
+genomen hadden, hebben zij het geheim aan den gouverneur van Triëst
+bekend gemaakt. Ongetwijfeld zou een gedeelte der verbeurdverklaarde
+goederen van graaf Sandorf dienen om hun verraad te beloonen.”
+
+„En kent men die ellendelingen?” vroeg mevrouw Bathory, wier stem van
+aandoening beefde.
+
+„Neen, mevrouw,” antwoordde de dokter; „maar wellicht kenden hen de
+drie veroordeelden, en zouden zij hunne namen bekend gemaakt hebben,
+wanneer zij hun gezin voor de laatste maal alvorens te sterven hadden
+kunnen weerzien.”
+
+Inderdaad, noch mevrouw Bathory, die toen met haren zoon afwezig was,
+noch Borik, die in de gevangenis van Triëst opgesloten zat, hadden de
+veroordeelden in hunne laatste oogenblikken kunnen bijstaan.
+
+„Zal men nooit de namen van die ellendelingen te weten komen?” vroeg
+mevrouw Bathory.
+
+„Mevrouw,” antwoordde dokter Antekirrt, „de verraders eindigen steeds
+met zichzelven te verraden! Ziehier wat ik ten slotte nog bij dat
+verhaal te voegen heb: Gij bleeft als weduwe met een kindje van acht
+jaren nagenoeg zonder middelen achter. Borik, de bediende van graaf
+Zathmar, wilde u na den dood van zijn meester niet verlaten; maar hij
+was arm en bezat niets anders dan zijne toewijding.
+
+„Toen, mevrouw, hebt gij Triëst verlaten, om deze nederige woning te
+Ragusa te betrekken. Gij hebt handenarbeid verricht om zoowel in de
+behoeften van het materieele als van het zieleleven te voorzien. Gij
+verlangdet toch dat uw zoon het pad der wetenschap, dat zoo roemrijk
+door zijn vader betreden was, zoude volgen. Maar, welken strijd hebt
+gij daarbij te voeren gehad! Welke ellende moest daarbij moedig het
+hoofd geboden worden! O, ik buig met eerbied het hoofd voor de
+edelaardige vrouw, die zooveel geestkracht getoond heeft, voor de
+moeder, door wiens zorgen haar zoon een man geworden is!”
+
+Terwijl de dokter die woorden sprak, was hij van zijn stoel opgestaan
+en werd zijne ontroering, in weerwil van zijne gewone koelheid,
+duidelijk merkbaar.
+
+Mevrouw Bathory antwoordde niet. Zij wachtte in het onzekere of de
+dokter zijn verhaal geëindigd had of het zou voortzetten. Het kon toch
+zijn, dat hij feiten, die hem persoonlijk betroffen, wilde mededeelen
+en dat dit de beweegreden was, waarom hij een onderhoud verlangd had.
+
+„Intusschen, mevrouw,” hernam de dokter, die hare gedachten raadde,
+„hebben de menschelijke krachten hare grenzen, en, hoewel ziek en
+uitgeput door zooveel beproevingen, zoudt gij bij uwe taak bezweken
+zijn, wanneer een onbekende, neen, een vriend van professor Bathory, u
+niet ter hulp gesneld ware. Nimmer zou ik u daarover gesproken hebben,
+wanneer uw oude dienaar mij uwen wensch niet had geopenbaard om mij te
+willen ontmoeten.”
+
+„Inderdaad, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „ben ik dan dokter
+Antekirrt niet veel dank schuldig?”
+
+„Waarom, mevrouw? Omdat dokter Antekirrt vijf of zes jaren geleden, bij
+de herinnering aan de vriendschap, die hem aan graaf Sandorf en aan
+zijne beide makkers verbond, en, om u bij uwe taak behulpzaam te zijn,
+u eene som van honderd duizend gulden heeft doen toekomen? Gevoelde hij
+zich niet zeer gelukkig, dat geld ter uwer beschikking te kunnen
+stellen?
+
+„Neen, mevrouw, ik ben het integendeel, die u dank schuldig ben, omdat
+gij dat geld wel hebt willen aannemen, omdat gij mij veroorloofd hebt
+de weduwe en den zoon van Stephanus Bathory ter hulp te komen.”
+
+De weduwe had het hoofd gebogen en antwoordde:
+
+„Hoe het ook zij, mijnheer, ik voelde behoefte om u mijne dankbaarheid
+te betuigen. Dat was de eerste beweegreden van dat bezoek, hetwelk ik u
+brengen wilde. Maar er was eene tweede....”
+
+„En die is, mevrouw?”
+
+„Ik wilde.... u die som teruggeven....”
+
+„Hoe mevrouw?” zei de dokter, „gij hebt die som niet willen aannemen?”
+
+„Mijnheer, ik meende het recht niet te hebben over die som te
+beschikken. Ik kende dokter Antekirrt niet. Ik had nimmer zijn naam
+hooren noemen. Die som kon een soort aalmoes zijn, komende van hen, die
+mijn man bestreden hadden en wier erbarmen mij hatelijk toescheen! Ik
+heb die som dus niet gebezigd, zelfs voor het doel niet, waarvoor
+dokter Antekirrt haar bestemd had.”
+
+„Dus.... dat geld....?”
+
+„Is onaangeroerd.”
+
+„En uw zoon?”
+
+„Zal aan niemand anders verplichting hebben dan aan zichzelven....”
+
+„En aan zijne moeder!” vulde de dokter aan, die door zooveel grootheid
+van ziel, door zooveel karakter, zooveel geestkracht niet anders dan
+tot bewondering gestemd kon worden en dan ook vol eerbied voor de
+waardige vrouw stond.
+
+Ook mevrouw Bathory was opgestaan en op een kistje toegetreden, dat
+gesloten was. Zij nam er een bundel bankbiljetten uit, die zij den
+dokter overreikte.
+
+„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u, en
+ontvang den dank eener moeder, die verplichting aan u heeft, alsof zij
+er gebruik van gemaakt had, om haar zoon op te voeden!”
+
+„Dat geld behoort mij niet meer toe, mevrouw!” antwoordde dokter
+Antekirrt, terwijl hij de bankbiljetten met een gebaar afwees.
+
+„Ik herhaal, dat het mij nimmer had moeten toebehooren!”
+
+„Maar als Piet Bathory het zou willen gebruiken....”
+
+„Mijn zoon zal eindigen met de betrekking te vinden, die hij waardig
+zal zijn. Ik zal dan op hem kunnen rekenen, zooals hij op mij heeft
+kunnen vertrouwen!”
+
+„Hij zal niet weigeren, hetgeen een vriend van zijn vader aandringt dat
+hij zal aannemen!
+
+„Jawel, hij zal weigeren!”
+
+„Laat mij dan ten minste beproeven, mevrouw....”
+
+„Ik bid u die proef niet te nemen, heer dokter,” antwoordde mevrouw
+Bathory, „mijn zoon weet zelfs niet dat ik dat geld ontvangen heb, en
+ik verlang, dat hij daaromtrent steeds onkundig blijve!”
+
+„Het zij zoo, mevrouw!.... Ik begrijp de gevoelens, die u zoo doen
+handelen, daar ik slechts een onbekende voor u was en ben!.... Ja, ik
+begrijp en bewonder ze!.... Maar ik herhaal het, als dat geld uw
+eigendom niet is, dan is het het mijne ook niet!”
+
+Dokter Antekirrt was op het punt om heen te gaan. De weigering van
+mevrouw Bathory kon hem niet kwetsen. Hare kieschheid wekte slechts een
+gevoel van diepen eerbied bij hem op. Hij groette de weduwe en wilde
+heengaan, toen eene laatste vraag hem weerhield.
+
+„Mijnheer,” zei mevrouw Bathory, „gij hebt gesproken over onwaardige
+handelingen, die den dood van Ladislas Zathmar, van Stephanus Bathory
+en van den graaf Sandorf veroorzaakt hebben?”
+
+„Ik heb verhaald, wat er gebeurd is, mevrouw.”
+
+„Maar kent niemand die onmenschen?”
+
+„Ja, mevrouw!”
+
+„Wie dan?”
+
+„God!”
+
+Na dat woord boog dokter Antekirrt voor den laatsten keer voor de
+weduwe en verliet hare woning.
+
+Mevrouw Bathory bleef in gedachten verzonken. Zij voelde zich door eene
+geheime sympathie, waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven tot
+dien geheimzinnigen persoon, die zoo ingewijd was in de meest verborgen
+gebeurtenissen van haar leven, aangetrokken. Zou zij hem ooit
+terugzien? En wanneer hij met de Savarena te Ragusa aangekomen was
+alleen met het doel om haar dat bezoek te brengen, zou hij dan niet
+zeewaarts gaan om niet meer terug te keeren?
+
+Den volgenden morgen deelden de dagbladen mede, dat een onbekende eene
+gift van honderd duizend gulden aan de gasthuizen van de stad vermaakt
+had.
+
+Dat was de gift van dokter Antekirrt. Maar was het ook niet de aalmoes
+der weduwe, die zij zoowel voor haar als voor haren zoon van de hand
+gewezen had?
+
+
+ EINDE VAN DOKTER ANTEKIRRT.
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ EENE VERIJDELDE SAMENZWERING.
+
+ BLADZ.
+ I. De reisduif 1
+ II. Graaf Mathias Sandorf 22
+ III. Het bankiershuis Toronthal 36
+ IV. Het geheimschrift 55
+ V. Voor, gedurende en na de terechtzitting 73
+ VI. De vestingtoren van Pisino 91
+ VII. De bergstroom van Foïba 104
+ VIII. De hut van den visscher Ferrato 127
+ IX. Laatste pogingen in een laatsten strijd 148
+
+
+ DOKTER ANTEKIRRT.
+
+ I. Pescadospunt en Kaap Matifou 159
+ II. Het te water laten van de Trabucolo 171
+ III. Dokter Antekirrt 187
+ IV. De weduwe van Stephanus Bathory 204
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 ***
diff --git a/76280-h/76280-h.htm b/76280-h/76280-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..998da49
--- /dev/null
+++ b/76280-h/76280-h.htm
@@ -0,0 +1,10120 @@
+<!DOCTYPE HTML>
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2025-06-12T19:23:09Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
+<html lang="nl">
+<head>
+<title>Een verijdelde samenzwering | Project Gutenberg</title>
+<meta charset="utf-8">
+<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
+<meta name="author" content="Jules Verne (1828–1905)">
+<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg">
+<link rel="icon" href="images/frontcover.jpg" type="image/x-cover">
+<meta name="DC.Title" content="Mathias Sandorf: Een verijdelde samenzwering; Dokter Antekirrt">
+<meta name="DC.Creator" content="Jules Verne (1828–1905)">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<style> /* <![CDATA[ */
+html {
+line-height: 1.3;
+}
+body {
+margin: 0;
+}
+main {
+display: block;
+}
+h1 {
+font-size: 2em;
+margin: 0.67em 0;
+}
+hr {
+height: 0;
+overflow: visible;
+}
+pre {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+a {
+background-color: transparent;
+}
+abbr[title] {
+border-bottom: none;
+text-decoration: underline;
+}
+b, strong {
+font-weight: bolder;
+}
+code, kbd, samp {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+small {
+font-size: 80%;
+}
+sub, sup {
+font-size: 67%;
+line-height: 0;
+position: relative;
+vertical-align: baseline;
+}
+sub {
+bottom: -0.25em;
+}
+sup {
+top: -0.5em;
+}
+img {
+border-style: none;
+}
+body {
+font-family: serif;
+font-size: 100%;
+text-align: left;
+margin-top: 2.4em;
+}
+div.front, div.body {
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+div.back {
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div0 {
+margin-top: 7.2em;
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+.div1 {
+margin-top: 5.6em;
+margin-bottom: 5.6em;
+}
+.div2 {
+margin-top: 4.8em;
+margin-bottom: 4.8em;
+}
+.div3 {
+margin-top: 3.6em;
+margin-bottom: 3.6em;
+}
+.div4 {
+margin-top: 2.4em;
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div5, .div6, .div7 {
+margin-top: 1.44em;
+margin-bottom: 1.44em;
+}
+.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
+.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
+margin-bottom: 0;
+}
+blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
+.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
+margin-top: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3 {
+font-size: 1.2em;
+}
+h3.label {
+font-size: 1em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h4, .h4 {
+font-size: 1em;
+}
+.alignleft {
+text-align: left;
+}
+.alignright {
+text-align: right;
+}
+.alignblock {
+text-align: justify;
+}
+p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb {
+margin: 1.6em auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
+font-size: 0.9em;
+text-indent: 0;
+}
+p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
+margin: 1.58em 10%;
+}
+.opener, .address {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph {
+font-size: 0.9em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl {
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer {
+clear: both;
+margin-top: 3.6em;
+}
+span.abbr, abbr {
+white-space: nowrap;
+}
+span.parNum {
+font-weight: bold;
+}
+span.corr, span.gap {
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+span.num, span.trans {
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+span.measure {
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+.ex {
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc {
+font-variant: small-caps;
+}
+.asc {
+font-variant: small-caps;
+text-transform: lowercase;
+}
+.uc {
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt {
+font-family: monospace;
+}
+.underline {
+text-decoration: underline;
+}
+.overline, .overtilde {
+text-decoration: overline;
+}
+.rm {
+font-style: normal;
+}
+.red {
+color: red;
+}
+hr {
+clear: both;
+border: none;
+border-bottom: 1px solid black;
+width: 45%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+margin-top: 1em;
+text-align: center;
+}
+hr.dotted {
+border-bottom: 2px dotted black;
+}
+hr.dashed {
+border-bottom: 2px dashed black;
+}
+.aligncenter {
+text-align: center;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5;
+}
+h1.label, h2.label {
+font-size: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h5, h6 {
+font-size: 1em;
+font-style: italic;
+}
+p, .par {
+text-indent: 0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
+text-transform: uppercase;
+}
+.hangq {
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq {
+text-indent: -0.42em;
+}
+.hangqqq {
+text-indent: -0.84em;
+}
+p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0 0.05em 0 0;
+padding: 0;
+line-height: 0.8;
+font-size: 420%;
+vertical-align: super;
+}
+blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
+font-size: 0.9em;
+margin: 1.58em 5%;
+}
+.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
+text-decoration: none;
+}
+.advertisement, .advertisements {
+background-color: #FFFEE0;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+span.accent {
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
+line-height: 0.40em;
+}
+span.accent span.top {
+font-weight: bold;
+font-size: 5pt;
+}
+span.accent span.base {
+display: block;
+}
+.footnotes .body, .footnotes .div1 {
+padding: 0;
+}
+.fnarrow {
+color: #AAAAAA;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+}
+.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
+color: #660000;
+}
+.fnreturn {
+color: #AAAAAA;
+font-size: 80%;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+a {
+text-decoration: none;
+}
+a:hover {
+text-decoration: underline;
+background-color: #e9f5ff;
+}
+a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
+font-size: 67%;
+vertical-align: super;
+text-decoration: none;
+margin-left: 0.1em;
+}
+.externalUrl {
+font-size: small;
+font-family: monospace;
+color: gray;
+}
+.displayfootnote {
+display: none;
+}
+div.footnotes {
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep {
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote, .par.footnote {
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
+float: left;
+margin-left: -0.1em;
+min-width: 1.0em;
+padding-right: 0.4em;
+}
+.apparatusnote {
+text-decoration: none;
+}
+.apparatusnote:target, .fndiv:target {
+background-color: #eaf3ff;
+}
+table.tocList {
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocText {
+padding-top: 2em;
+padding-bottom: 1em;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum {
+text-align: right;
+min-width: 10%;
+border-width: 0;
+white-space: nowrap;
+}
+td.tocDivNum {
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+vertical-align: top;
+}
+td.tocPageNum {
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+vertical-align: bottom;
+}
+td.tocDivTitle {
+width: auto;
+}
+p.tocPart, .par.tocPart {
+margin: 1.58em 0;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter, .par.tocChapter {
+margin: 1.58em 0;
+}
+p.tocSection, .par.tocSection {
+margin: 0.7em 5%;
+}
+table.tocList td {
+vertical-align: top;
+}
+table.tocList td.tocPageNum {
+vertical-align: bottom;
+}
+table.inner {
+display: inline-table;
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+td.itemNum {
+text-align: right;
+min-width: 5%;
+padding-right: 0.8em;
+}
+td.innerContainer {
+padding: 0;
+margin: 0;
+}
+.index {
+font-size: 80%;
+}
+.index p {
+text-indent: -1em;
+margin-left: 1em;
+}
+.indexToc {
+text-align: center;
+}
+.transcriberNote {
+background-color: #DDE;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+font-family: sans-serif;
+font-size: 80%;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+.missingTarget {
+text-decoration: line-through;
+color: red;
+}
+.correctionTable {
+width: 75%;
+}
+.width20 {
+width: 20%;
+}
+.width40 {
+width: 40%;
+}
+p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
+color: #666666;
+font-size: 80%;
+}
+span.musictime {
+vertical-align: middle;
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
+padding: 1px 0.5px;
+font-size: xx-small;
+font-weight: bold;
+line-height: 0.7em;
+}
+span.musictime span.bottom {
+display: block;
+}
+audio {
+height: 20px;
+margin-left: 0.5em;
+margin-right: 0.5em;
+}
+ul {
+list-style-type: none;
+}
+.splitListTable {
+margin-left: 0;
+}
+.splitListTable td {
+vertical-align: top;
+}
+.numberedItem {
+text-indent: -3em;
+margin-left: 3em;
+}
+.numberedItem .itemNumber {
+float: left;
+position: relative;
+left: -3.5em;
+width: 3em;
+display: inline-block;
+text-align: right;
+}
+.itemGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.itemGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.itemGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+.titlePage {
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0 7em;
+padding: 5em 10% 6em;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle {
+line-height: 1.7;
+margin: 2em 0;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle {
+font-size: 1.8em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle,
+.titlePage .docTitle .seriesTitle,
+.titlePage .docTitle .volumeTitle {
+font-size: 1.44em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .byline {
+margin: 2em 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure {
+margin: 2em auto;
+}
+.titlePage .docImprint {
+margin: 4em 0 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+div.figure, div.figureGroup {
+text-align: center;
+}
+table.figureGroupTable {
+width: 80%;
+border-collapse: collapse;
+}
+.figure, .figureGroup {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft {
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight {
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead, .par.figureHead {
+font-size: 100%;
+text-align: center;
+}
+.figAnnotation {
+font-size: 80%;
+position: relative;
+margin: 0 auto;
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft {
+float: left;
+}
+.figTopRight, .figBottomRight {
+float: right;
+}
+.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par {
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+img {
+border-width: 0;
+}
+td.galleryFigure {
+text-align: center;
+vertical-align: middle;
+}
+td.galleryCaption {
+text-align: center;
+vertical-align: top;
+}
+tr, td, th {
+vertical-align: top;
+}
+tr.bottom, td.bottom, th.bottom {
+vertical-align: bottom;
+}
+td.label, tr.label td {
+font-weight: bold;
+}
+td.unit, tr.unit td {
+font-style: italic;
+}
+td.leftbrace, td.rightbrace {
+vertical-align: middle;
+}
+span.sum {
+padding-top: 2px;
+border-top: solid black 1px;
+}
+table.inlineTable {
+display: inline-table;
+}
+table.borderOutside {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderOutside td {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+}
+table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellHeadBottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellBottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.verticalBorderInside td {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border-left: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellBottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
+border-left: 0 solid black;
+}
+table.borderAll,
+table.rtlBorderAll {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderAll td,
+table.rtlBorderAll td {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop,
+table.rtlBorderAll .cellHeadTop, table.rtlBorderAll .cellTop {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellHeadBottom,
+table.rtlBorderAll .cellHeadBottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cellBottom,
+table.rtlBorderAll .cellBottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellLeft,
+table.borderAll .cellHeadLeft {
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cellRight,
+table.borderAll .cellHeadRight {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.rtlBorderAll .cellLeft,
+table.rtlBorderAll .cellHeadLeft {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.rtlBorderAll .cellRight,
+table.rtlBorderAll .cellHeadRight {
+border-left: 2px solid black;
+}
+tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop {
+border-top: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight {
+border-right: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft {
+border-left: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom {
+border-bottom: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal {
+border-top: 1px solid black !important;
+border-bottom: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical {
+border-right: 1px solid black !important;
+border-left: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll {
+border: 1px solid black !important;
+}
+tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop {
+border-top: none !important;
+}
+tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight {
+border-right: none !important;
+}
+tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft {
+border-left: none !important;
+}
+tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom {
+border-bottom: none !important;
+}
+tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal {
+border-top: none !important;
+border-bottom: none !important;
+}
+tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical {
+border-right: none !important;
+border-left: none !important;
+}
+tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll {
+border: none !important;
+}
+.cellDoubleUp {
+border-width: 0 !important;
+width: 1em;
+}
+.cellDummy {
+border-width: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalIntegerPart {
+text-align: right;
+border-right: none !important;
+padding-right: 0 !important;
+margin-right: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalFractionPart {
+text-align: left;
+border-left: none !important;
+padding-left: 0 !important;
+margin-left: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalNotNumber {
+text-align: center;
+}
+.lgouter {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+display: table;
+}
+.lg {
+text-align: left;
+padding: .5em 0;
+}
+.lg h4, .lgouter h4 {
+font-weight: normal;
+}
+.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
+color: #777;
+font-size: 90%;
+left: 16%;
+margin: 0;
+position: absolute;
+text-align: center;
+text-indent: 0;
+top: auto;
+width: 1.75em;
+}
+p.line, .par.line {
+margin: 0;
+}
+span.hemistich {
+visibility: hidden;
+}
+.verseNum {
+font-weight: bold;
+}
+.speaker {
+font-weight: bold;
+margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line {
+margin: 0 10%;
+text-align: left;
+}
+.castlist, .castitem {
+list-style-type: none;
+}
+.castGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.castGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.castGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+body {
+padding: 1.58em 16%;
+}
+.pageNum {
+display: inline;
+font-size: 8.4pt;
+font-style: normal;
+margin: 0;
+padding: 0;
+position: absolute;
+right: 1%;
+text-align: right;
+letter-spacing: normal;
+}
+.marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+left: 1%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+}
+.right-marginnote {
+font-size: 0.8em;
+height: 0;
+right: 3%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+text-align: right;
+width: 11%
+}
+.cut-in-left-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: left;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
+}
+.cut-in-right-note {
+font-size: 0.8em;
+left: 1%;
+float: right;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: right;
+padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
+}
+span.tocPageNum, span.flushright {
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+text-indent: 0;
+}
+.pglink::after {
+content: "\0000A0\01F4D8";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.catlink::after {
+content: "\0000A0\01F4C7";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
+content: "\0000A0\002197\00FE0F";
+color: blue;
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.pglink:hover {
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover {
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body {
+background: #FFFFFF;
+font-family: serif;
+}
+body, a.hidden {
+color: black;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline {
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
+text-align: left;
+}
+.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
+font-weight: normal;
+}
+table {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+td.tocText {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.tableCaption {
+text-align: center;
+}
+.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
+.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
+.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
+.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
+.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
+/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
+.xs {
+font-size: x-small;
+}
+.small {
+font-size: small;
+}
+.large {
+font-size: large;
+}
+.vam {
+vertical-align: middle;
+}
+.center {
+text-align: center;
+}
+/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
+.cover-imagewidth {
+width:505px;
+}
+.titlepage-imagewidth {
+width:471px;
+}
+.p005width {
+width:511px;
+}
+.p009width {
+width:510px;
+}
+.p013width {
+width:512px;
+}
+.p017width {
+width:507px;
+}
+.p021width {
+width:506px;
+}
+.p025width {
+width:506px;
+}
+.p029width {
+width:506px;
+}
+.p033width {
+width:508px;
+}
+.p037width {
+width:502px;
+}
+.p041width {
+width:506px;
+}
+.p045width {
+width:508px;
+}
+.p049width {
+width:506px;
+}
+.p053width {
+width:507px;
+}
+.p057width {
+width:506px;
+}
+.p061width {
+width:506px;
+}
+.p062width {
+width:332px;
+}
+.p065width {
+width:501px;
+}
+.p067-1width {
+width:334px;
+}
+.p067-2width {
+width:361px;
+}
+.p068-1width {
+width:332px;
+}
+.p068-2width {
+width:367px;
+}
+.p071width {
+width:509px;
+}
+.p077width {
+width:506px;
+}
+.p081width {
+width:504px;
+}
+.p089width {
+width:508px;
+}
+.p097width {
+width:507px;
+}
+.p105width {
+width:504px;
+}
+.p113width {
+width:503px;
+}
+.p121width {
+width:506px;
+}
+.p129width {
+width:508px;
+}
+.p135width {
+width:505px;
+}
+.p141width {
+width:505px;
+}
+.p145width {
+width:501px;
+}
+.p153width {
+width:500px;
+}
+.p161width {
+width:503px;
+}
+.xd33e3159 {
+text-indent:2em;
+}
+.p167width {
+width:504px;
+}
+.p173width {
+width:503px;
+}
+.p177width {
+width:502px;
+}
+.p181width {
+width:502px;
+}
+.p185width {
+width:506px;
+}
+.p189width {
+width:501px;
+}
+.p193width {
+width:505px;
+}
+.p197width {
+width:510px;
+}
+.p201width {
+width:501px;
+}
+.p205width {
+width:499px;
+}
+.p209width {
+width:509px;
+}
+.spinewidth {
+width:90px;
+}
+.backcoverwidth {
+width:499px;
+}
+/* ]]> */ </style>
+</head>
+<body>
+<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 ***</div>
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/frontcover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="505" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center large">MATHIAS SANDORF
+</p>
+<p class="center">EEN VERIJDELDE SAMENZWERING<br>
+DOKTER ANTEKIRRT
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage1916.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="471" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<div class="seriesTitle">WONDERREIZEN</div>
+</div>
+<div class="byline"><span class="docAuthor">JULES VERNE</span></div>
+<div class="docTitle">
+<h1 class="mainTitle"><span class="sc">Mathias Sandorf</span></h1>
+<div class="mainTitle">EEN VERIJDELDE SAMENZWERING<br>
+DOKTER ANTEKIRRT</div>
+</div>
+<div class="docImprint">AMSTERDAM<br>
+UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER”<br>
+<span class="docDate">1916</span></div>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="body">
+<div class="div0 part">
+<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4100">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="I." width="569" height="86"></div>
+<h2 class="label">I.</h2>
+<h2 class="main">DE REISDUIF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Triëst, de hoofdplaats van Illyrië, wordt <span class="corr" id="xd33e148" title="Bron: verdeeldin">verdeeld in</span> twee gedeelten, die zeer weinig gelijkenis met elkander hebben; het eene is nieuw
+en rijk, Theresienstadt genaamd, keurig netjes en regelmatig gebouwd langs de boorden
+van die fraaie baai, waarvoor een deel door den mensch aan de golven ontwoekerd werd;
+het andere gedeelte is eene oude en arme stad, die geheel onregelmatig opgetrokken
+werd en besloten ligt tusschen het Corso, waardoor zij van de Theresienstadt afgescheiden
+wordt, en de hellingen van den Karstberg, welks top bekroond is met eene citadel,
+die een schilderachtig uiterlijk heeft.
+</p>
+<p>De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks nabijheid de
+koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. Daar vormen zich gemakkelijk en soms in onrustbarend
+aantal, groepen van die straatslijpers, van die bohemers, zooals zij wel genoemd worden,
+van die kerels zonder dak, welker jassen, broeken en vesten waarachtig geen zakken
+noodig hebben, omdat hunne eigenaren nooit iets gehad hebben en nooit iets zullen
+hebben, om er in te bergen.
+</p>
+<p>Evenwel op den dag, waarop dit verhaal begint—den 18den Mei 1867—zou men te midden
+van die landloopers twee personen opgemerkt hebben, die een weinig beter gekleed waren
+dan hunne omgeving. Of ze ooit veel last hadden of hebben zouden van de guldens of
+kreutzers, die zij bezaten, was weinig waarschijnlijk, tenzij de kansrekening ten
+hunnen gunste uitviel. Het is waar dat het een paar kerels waren, die in staat geacht
+moesten worden, alles te doen om de fortuin de hand te reiken en haar gunstig te stemmen.
+</p>
+<p>De een heette Sarcany, die beweerde dat hij van Tripoli afkomstig was. De andere was
+op Sicilië geboren en heette Zirone. Beiden, na den havendam voor den tienden keer
+op en neer gedrenteld te hebben, waren op zijn uiteinde blijven stilstaan. Van dat
+punt onderzochten zij den gezichteinder op zee ten westen van de baai van <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>Triëst, alsof daar aan de kim een schip moest opduiken, hetwelk hun een vermogen zou
+aanbrengen!
+</p>
+<p>„Hoe laat is het?” vroeg Zirone in het Italiaansch, dat zijn makker even vlug en vloeiend
+sprak als al de andere tongvallen, die rondom de Middellandsche Zee gesproken worden.
+</p>
+<p>Sarcany antwoordde niet.
+</p>
+<p>„Och, ben ik niet dom, met zoo’n vraag te doen!” riep de Siciliaan uit. „Men weet
+altijd hoe laat het is, wanneer men den honger gevoelt, als men niets te ontbijten
+heeft gehad!”
+</p>
+<p>De Oostenrijksche, Italiaansche en Slavonische bestanddeelen der maatschappij zijn
+in dit gedeelte van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk zoodanig vermengd, dat
+de aanwezigheid van die twee personen, hoewel zij blijkbaar vreemdelingen in de stad
+waren, volstrekt niet de aandacht trok. En al hadden zij ook al leege zakken en al
+waren zij ook arm als Job, zoo kon dat niemand raden, daar zij onder den bruinen mantel,
+die hen tot op de hielen viel, een hooge borst zetten, alsof zij wonder veel in de
+melk te brokken hadden.
+</p>
+<p>Sarcany, de jongste dier beide mannen, was van middelbare gestalte, maar evenredig
+gebouwd. Hij bezat aangename manieren en een bevalligen gang en was vijf en twintig
+jaren oud. Hij heette Sarcany, zonder meer. Geen voornaam, geen doopnaam. En inderdaad,
+hij was niet gedoopt, omdat hij zeer waarschijnlijk van Afrikaansche herkomst was,
+van Tripoli of Tunis. Maar hoewel zijne huid gebruind was, deden zijne regelmatige
+trekken hem eerder voor een blanke dan voor een neger doorgaan.
+</p>
+<p>Wanneer ooit het uiterlijk bedriegelijk was, dan was het wel dat van Sarcany. Men
+moest wel een ervaren opmerker zijn om uit dat regelmatige gelaat, met die schoone
+zwarte oogen, met dien fijngevormden neus, met dien keurig geteekenden mond, die door
+een fijn kneveltje beschaduwd werd, de diepe sluwheid van dien jongen man op te maken.
+Geen nog zoo scherpziend oog zou op dat strakke, ijskoude gelaat die kenmerken van
+diepe verachting en van peilloozen afkeer hebben kunnen ontdekken, die uit een voortdurenden
+opstand en strijd tegen de maatschappij geboren worden. Wanneer de gelaatkundigen,
+en in zeer vele gevallen terecht, beweren, dat ieder bedrieger in weerwil van zijne
+behendigheid tegen zich zelven getuigt, zoo zou Sarcany die bewering volkomen gelogenstraft
+hebben. Niemand zou op het eerste gezicht van dien man hebben kunnen gissen, wie hij
+was of wat hij geweest was. Hij ontlokte dien onweerstaanbaren afkeer niet, die door
+schurken en bedriegers opgewekt wordt. Hij was er des te gevaarlijker door.
+</p>
+<p>Hoe of wat was de kindsheid van Sarcany geweest? Dat wist niemand te vertellen. Ongetwijfeld
+die van een verlaten, verstooten <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>wezen. Hoe was hij opgevoed geworden? En door wien? In welk Tripolitaansch gat bracht
+hij zijne eerste kinderjaren door? Door welke zorgen ontsnapte hij aan de zoovele
+oorzaken van verdelging en vernietiging onder die noodlottige klimaatsinvloeden? Waarlijk
+niemand—hij zelf waarschijnlijk ook niet—zou op die vragen antwoord hebben kunnen
+geven. Het toeval had hem het aanzijn geschonken, het toeval sleepte hem voort en
+hij was bestemd afhankelijk van het toeval te leven! Toch had hij in zijne jeugd eenig
+practisch onderricht genoten, hetwelk hij daaraan waarschijnlijk verschuldigd was,
+dat hij door de wereld had moeten rondzwerven, dat hij met allerhande slag van menschen
+had moeten omgaan, en dat <span class="corr" id="xd33e168" title="Bron: hij hij">hij</span> er steeds op bedacht had moeten zijn om kunstmiddel op kunstmiddel uit te denken,
+al ware het maar om zijn dagelijksch onderhoud machtig te worden. Daardoor en door
+nog verschillende andere omstandigheden was hij sedert eenige jaren in aanraking gekomen
+met een der rijkste huizen van Triëst, met het bankiershuis van Silas Toronthal, wiens
+naam innig samengeweven zal zijn met den draad dezer geschiedenis.
+</p>
+<p>Wat den makker van Sarcany, den Italiaan Zirone, betreft, och, men heeft in hem slechts
+te zien een dier mannen zonder god of gebod, een avonturier, in staat om alles te
+doen, om alles ter hand te nemen, iemand die ter beschikking is van den eerste den
+beste die goed betaalt, om dien te verraden ter wille van een ander, die nog beter
+afschuift. Hij was, zooals reeds gezegd is, op Sicilië geboren en ongeveer dertig
+jaar oud. Hij was er de man naar, om zoowel slechten raad te geven als dien te ontvangen.
+Vooral evenwel zorgde hij voor de uitvoering daarvan. In welke plaats was hij geboren?
+Misschien zou hij die vraag beantwoord hebben als hij het geweten had. Maar in ieder
+geval bekende hij ongaarne waar hij woonde, als hij wel te verstaan ergens woonde.
+Het was op Sicilië dat het toeval van zijn zwervend leven hem in aanraking met Sarcany
+gebracht had. En zoo gingen zij de wereld door en trachtten door alle geoorloofde
+en ongeoorloofde middelen uit hun beider slecht gesternte munt te slaan en de fortuin
+te beproeven. Zirone evenwel, een groote, gebaarde kerel, met zeer bruine huid en
+zeer zwart haar, zou eenige moeite hebben om zijne aangeborene schelmachtigheid te
+bemantelen, die uit zijne <span class="corr" id="xd33e173" title="Bron: steed">steeds</span> half gesloten oogen straalde en door zijn voortdurend hoofdschudden aangeduid werd.
+</p>
+<p>Alleen hij poogde zijne sluwheid achter eene luidruchtige babbelachtigheid te verbergen.
+Hij was daarenboven eerder vroolijk dan droevig van aard en veel meer mededeelzaam
+dan zijn makker.
+</p>
+<p>Dien dag sprak Zirone evenwel met eene soort van omzichtigheid. Klaarblijkelijk verontrustte
+hem zijne hongerigheid. Den vorigen dag had hij een laatste partij gespeeld in een
+speelhol van <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>zeer laag allooi, waarbij de fortuin hem onbarmhartig stiefmoederlijk behandeld had,
+en hij de laatste hulpmiddelen van Sarcany verspeeld had. Geen hunner wist dan ook
+hoe aan eten te komen. Ze konden en mochten slechts op het toeval rekenen, en daar
+die bedelaars-voorzienigheid zich niet haastte om hun de hand te reiken daar op dien
+havendam van San Carlo, zoo besloten zij haar een eindje tegemoet te treden, door
+de nieuwe stad in te stappen.
+</p>
+<p>Daar op de pleinen, op de kaden, op de wandelwegen, zoowel aan deze als aan gene zijde
+van de haven, langs het groote kanaal, dat geheel Triëst doorsnijdt, daar gaat, komt
+en verdringt zich, in den ijver om zaken te doen, eene bevolking van zeventig duizend
+zielen van Italiaanschen oorsprong, welker taaldialect, hetwelk dat van Venetië is,
+zich oplost in de kosmopolitische spraakverwarring van al die zeelieden, handelaren,
+geëmployeerden, beambten, die een mengelmoes doen hooren, dat uit Duitsch, Fransch,
+Engelsch en Slavonisch bestaat.
+</p>
+<p>Hoewel beweerd kan worden, dat die nieuwe stad rijk is, zoo moet daaruit de gevolgtrekking
+niet gemaakt worden dat allen, die daar op de straten ronddrentelen, gelukkige stervelingen
+genoemd kunnen worden. Neen, waarachtig niet. De meest-vermogenden zouden onmogelijk
+hebben kunnen wedijveren met die Engelsche, Armenische, Grieksche en Joodsche handelaren,
+die te Triëst den baas spelen en welker weelderige huishouding de hoofdstad van het
+Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk overwaardig zou zijn. Maar die buiten rekening
+gelaten, hoeveel arme drommels, die van <span class="corr" id="xd33e184" title="Bron: ’smorgens">’s morgens</span> tot ’s avonds zwerven door die handelslanen, welke door hooge gebouwen omgeven zijn,
+die gesloten worden als geldkisten en waarin allerhande koopwaren, welke naar die
+vrijhaven, die zoo gunstig in dien uithoek van de Adriatische Zee gelegen is, gebracht
+worden, opgestapeld liggen. Hoeveel lieden drentelen daar niet, die niet ontbeten
+hebben, die misschien niet zullen middagmalen, opgehouden als zij zullen worden op
+de havenkaden, waar de schepen van de machtigste maritieme maatschappij van Europa,
+de Oostenrijksche Lloyd, zooveel rijkdom, van al de streken der aarde bijeengebracht,
+ontladen. Hoeveel rampzaligen eindelijk, zooals er bij honderden in Londen, Liverpool,
+Amsterdam, Rotterdam, Marseille, Havre, Antwerpen, Livorno, in één woord in alle handelssteden,
+tusschen rijke reeders en cargadoors rondkrioelen in de nabijheid dier pakhuizen,
+welker ingang voor hen gesloten is, op de beurspleinen dier steden, gebouwen aan Mercurius
+gewijd, die zich nimmer voor hen zullen ontsluiten, bewegen zich niet ook hier te
+Triëst beneden aan die trappen van dat Tergesteum, waar de Lloyd hare kantoren gevestigd
+heeft, hare leeszalen bezit, en in volmaakte overeenkomst met de Kamer van Koophandel
+leeft.
+<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p005width"><img src="images/p005.jpg" alt="De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks nabijheid de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. (Bladz. I.)" width="511" height="720"><p class="figureHead">De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks nabijheid de
+koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. (Bladz. I.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p>
+<p>Het is onbetwistbaar dat in al de groote zeesteden van de oude en nieuwe wereld, een
+klasse van ongelukkigen rondkrioelt, die aan die groote handelscentra eigen zijn.
+Vanwaar zij komen, weet niemand. Hoe dat lot hun beschoren werd, evenmin. Waar zij
+het hoofd neerleggen zullen, weten zij zelven niet. Onder hen worden aangetroffen
+die van hooger standpunt weggedrongen werden. Het zijn meestal vreemdelingen bovendien.
+De spoortreinen en de koopvaardijschepen brachten hen aan en wierpen hen op het perron
+of op de kaden als colli’s vrachtgoederen zonder waarde, en zij vormen een ware belemmering
+op den openbaren weg, vanwaar de politie hen te vergeefs zoekt te verdrijven.
+</p>
+<p>Sarcany en Zirone, na nog een blik over de baai tot aan den vuurtoren, die op de uiterste
+punt van Sint Theresia opgericht is, geworpen te hebben, verlieten alzoo den havendam
+en namen hun weg tusschen het <span class="corr" id="xd33e196" title="Bron: Theatro Communale">Teatro Comunale</span> en de kade door en bereikten zoo de Piazza Grande, waar zij gedurende een kwartieruur
+slenterden in de nabijheid van de fontein, die opgetrokken werd van steenen, welke
+uit den naburigen Karstberg gehaald waren, en in de nabijheid van het standbeeld van
+Karel VI.
+</p>
+<p>Beiden sloegen toen links af. Intusschen bekeek Zirone de voorbijgangers met onderzoekenden
+blik, alsof hij van het onweerstaanbare plan zwanger ging te willen zakkenrollen.
+Daarna slenterden zij rondom het groote vierkant van Tergesteum, juist op het oogenblik
+dat de beurstijd eindigde.
+</p>
+<p>„De beurs is nu leeg.… zooals de onze!” meende de Siciliaan met een glimlach te moeten
+opmerken, hoewel hij volstrekt geen trek in lachen had.
+</p>
+<p>Maar de onverschillige Sarcany scheen zelfs het geestige woordenspel van zijn makker
+niet gehoord te hebben. Deze evenwel rekte zich de ledematen uit en geeuwde van honger.
+</p>
+<p>Daarna stapten zij het driehoekige plein over, waarop zich het bronzen standbeeld
+van keizer Leopold I verheft. Een scherp gefluit van Zirone, die dat als een echte
+straatjongen kon, deed een vlucht blauwe duiven opvliegen, die onder de boogvormige
+afdaken van de oude Beurs koekeloeren, zooals de grijsachtige duiven doen tusschen
+de Procuraties van het Sint-Markusplein te Venetië. Niet ver van daar ontwikkelde
+zich het Corso, dat het nieuwe Triëst van het oude scheidt.
+</p>
+<p>Dat Corso is een breede straat, die evenwel zonder bevalligheid is, waarin goedbeklante
+magazijnen aangetroffen worden, die evenwel smakeloos genoemd moeten worden. Die straat
+doet eerder denken aan de Regentstreet van Londen of de Broadway van New-York, dan
+aan de <span lang="fr">Boulevards des Italiens</span> te Parijs. Een groot aantal voorbijgangers wordt er steeds aangetroffen. Ook het
+aantal <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>rijtuigen is er aanmerkelijk, die van de Piazza Grande naar de Piazza della Legna
+rijden.—Die namen duiden aan dat de stad haren Italiaanschen oorsprong nog niet vergeten
+is.
+</p>
+<p>Wanneer Sarcany den schijn aannam ongevoelig te zijn voor iedere verzoeking, zoo ging
+Zirone toch die rijke winkels niet voorbij zonder er dien bijzonderen afgunstigen
+blik in te werpen, die van hen uitgaat, die de middelen missen naar binnen te kunnen
+gaan. Daar waren toch zaken in overvloed aanwezig, die zij wel zouden hebben kunnen
+gebruiken, vooral bij de kooplieden in eetwaren en in de „bièreries” waar het bier
+meer overvloedig stroomt dan in eenige andere stad van het Oostenrijksch-Hongaarsche
+koninkrijk.
+</p>
+<p>„Ik gevoel nog meer honger dan dorst op dit Corso,” merkte de Siciliaan op, terwijl
+hij met de tong tusschen zijn verdroogde lippen smakte, alsof hij een kleppermansratel
+liet hooren.
+</p>
+<p>Die opmerking werd door Sarcany met een eenvoudig schouderophalen beantwoord.
+</p>
+<p>Beiden sloegen toen de eerste straat links in, en toen zij op de oevers van het kanaal
+waren aangekomen, op het punt waar de Ponto Rosso—eene fraaie draaibrug—overgang verleende,
+stapten zij die kaden langs, waar zelfs schepen van grooten diepgang kunnen vastmeeren.
+Daar werden zij veel minder verlokt en gepijnigd door de uitstalling van allerlei
+lekkernijen. Ter hoogte van de kerk Sant-Antonio gekomen, sloeg Sarcany plotseling
+rechtsom. Zijn makker volgde hem zonder eenige bemerking te maken. Daarna staken zij
+weer het Corso over en drentelden thans door de oude stad, welker straten zeer smal
+en onbruikbaar voor rijtuigen zijn, wanneer zij althans die eerste hellingen van den
+Karstberg bereiken en daartegen als het ware willen opklimmen. Die straten nemen in
+den regel zulke richting, dat zij niet door den schrikkelijken Borawind—zoo wordt
+een stevige noordoostelijke bries genoemd—bestreken kunnen worden. Hier in dat oude
+Triëst zouden Zirone en Sarcany als ware platzakken, zich meer te huis gevoelen dan
+in de rijke en prachtige kwartieren van de nieuwe stad.
+</p>
+<p>Zij logeerden dan ook inderdaad achter in een zeer bescheiden passantenhuis, niet
+ver van de kerk van Santa Maria Magiore, en hadden daar reeds hun intrek genomen bij
+hunne aankomst in de hoofdplaats van Illyrië. Maar daar de logementhouder nog nooit
+eenig geldstuk van hen te zien had gekregen en steeds dringender werd om zijne rekening,
+die iederen dag al grooter en grooter werd, betaald te krijgen, vermeden zij die gevaarlijke
+kaap, staken het plein over en flaneerden gedurende eenigen tijd rondom de Arco di
+Riccardo.
+</p>
+<p>Maar op den keper beschouwd, de studie van die overblijfselen van vermeende bouwkunst
+kon hen niet bevredigen. Daar dus het <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>toeval dezen keer blijkbaar zich niet haastte om hen te midden van die slecht befaamde
+straten te hulp te komen, begonnen zij, de een gevolgd door den ander, de steile stegen
+te beklimmen, die bijna tot op den top van den Karstberg, naar het plein der kathedraal
+voerden.
+</p>
+<p>„Een zonderling denkbeeld om daar naar boven te klimmen,” mompelde Zirone, terwijl
+hij onderwijl zijn mantel om zijn middel vaster aantrok.
+</p>
+<p>Maar al pruttelde hij ook, hij verliet zijn makker niet, en van beneden gezien, had
+men kunnen waarnemen, hoe zij zich langs die trappen, die oneigenaardig straten genoemd
+worden en langs de hellingen van den Karstberg aangelegd zijn, opheschen. Tien minuten
+later hadden zij, hongeriger en dorstiger dan te voren, het plein daarboven bereikt.
+</p>
+<p>Dat van dit hooge standpunt het vergezicht zich prachtig uitstrekte over de baai van
+Triëst tot aan de volle zee, over de zoo levendige haven door het heen en weer varen
+der visschersvaartuigen, door het in- en uitstevenen der oorlogs-stoomers en der koopvaardijschepen;
+dat de blik kon waren over de geheele stad, over hare voorsteden, over de laatste
+huizen, die op de hellingen gelegen waren, over de villa’s, die verspreid op de hoogten
+verrezen, neen, dat alles kon onze twee avonturiers volstrekt niet meer boeien. Zij
+hadden in hun leven wel wat anders gezien en bovendien, hoe dikwijls hadden zij niet
+op die hoogte met hunne ellende en met hunne verveling rondgewandeld? Zirone vooral
+had veel liever langs de rijke winkels van het Corso gedrenteld. Maar wat er aan te
+doen! Nu zij toch het toeval en zijne onvoorziene weldadigheden daar boven waren komen
+zoeken, moesten zij die zonder al te veel ongeduld afwachten.
+</p>
+<p>Er stond daar bij het uiteinde van de trap, die toegang tot het terras, dicht bij
+de Byzantijnsche Kathedraal van Sint Justus verleende, eene omheinde ruimte, die vroeger
+een kerkhof was, maar thans als museum van oudheden te bezichtigen was. Het waren
+geen graven meer, die er aangetroffen werden, maar brokstukken van grafsteenen, die
+onder de lage takken van zeer fraaie boomen verscholen lagen, Romeinsche obeliskvormige
+monolithen, voetstukken uit de middeleeuwen, stukken van Dorische friezen en anderen,
+afkomstig uit den Renaissance-stijl, verglaasde cubussen, waarop nog steeds de sporen
+van vuur en asch te bespeuren waren. Dat alles lag daar door elkander in het gras.
+</p>
+<p>De deur van die omheinde ruimte was niet gesloten. Sarcany had slechts de moeite te
+nemen haar open te duwen. Hij trad, gevolgd door Zirone, binnen, die evenwel deze
+meewarige opmerking niet kon onderdrukken:
+<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p009width"><img src="images/p009.jpg" alt="En gingen zitten op een grooten steen, die in den vorm van eene Romaansche roos uitgebeiteld was. (Bladz. 10.)" width="510" height="720"><p class="figureHead">En gingen zitten op een grooten steen, die in den vorm van eene Romaansche roos uitgebeiteld
+was. (Bladz. 10.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p>
+<p>„Wanneer wij het denkbeeld koesterden om een einde aan ons leven te maken, dan zou
+waarachtig de plek uitstekend gekozen zijn.”
+</p>
+<p>„En als men u voorsloeg dat te doen?” vroeg Sarcany met spottende stem.
+</p>
+<p>„Wel, daar zou ik hartelijk voor danken, kameraad! Als men mij slechts één gelukkigen
+dag op de tien verschaft, och, dan ben ik tevreden, ik vraag niet meer.”
+</p>
+<p>„Dien gelukkigen dag zal men je verschaffen—en wellicht beter dan dat.”
+</p>
+<p>„Dat je alle heiligen, die door de Italianen vereerd worden, verhooren. En toch weet
+God alleen dat die gelukzaligen bij honderden geteld worden.”
+</p>
+<p>„Kom steeds voort!” hernam Sarcany.
+</p>
+<p>„Waarheen?”
+</p>
+<p>„Kom maar.”
+</p>
+<p>Beiden volgden nu eene halfcirkelvormige laan, welke tusschen grafsteenen en eene
+dubbele rij urnen doorliep, en gingen zitten op een grooten steen, die in den vorm
+van een Romaansche roos uitgebeiteld en met den vloer gelijk was.
+</p>
+<p>Eerst namen zij een diep stilzwijgen in acht, dat Sarcany scheen te bevallen, maar
+zijnen makker volstrekt niet beviel. Zirone sprak dan ook weldra, terwijl hij een
+paar krampachtige spiertrekkingen der kaakbeenderen niet kon onderdrukken:
+</p>
+<p>„Hel en duivel, het toeval, waarop wij als echte dwazen rekenen, haast zich niet om
+ons te hulp te komen!”
+</p>
+<p>Sarcany antwoordde niet.
+</p>
+<p>„Maar welk denkbeeld dan ook,” ging Zirone voort, „om tot hier te midden van die bouwvallen
+te komen! Ik geloof, kameraad, dat wij een verkeerd pad ingeslagen hebben. Wie, duivel,
+zou hier het toeval de hand willen komen reiken, hier op dit oud kerkhof iemand komen
+verplichten? De zielen der overledenen kunnen het toeval best missen, die hebben niets
+meer noodig, sedert zij hun aardsch omhulsel verlieten. En wanneer ik zoover gekomen
+zal zijn, och, dan zal mij een vertraagd diner of een souper dat niet komt, bitter
+weinig kunnen schelen! Kom, laat ons heengaan!”
+</p>
+<p>Sarcany was nog in zijne overdenkingen verdiept en had den blik als het ware in de
+ruimte verloren. Hij bewoog dan ook geen vin.
+</p>
+<p>Zirone bleef nog een poos zonder verder te spreken. Daarop hernam zijne gewone babbelzucht
+weer hare rechten.
+</p>
+<p>„Sarcany,” zei hij, „wilt gij weten onder welke gedaante ik thans dat toeval, hetwelk
+ons, zijn beste klanten, zoo liederlijk in den steek laat, zou willen zien verschijnen?
+In de gedaante van een der kassiersloopers van het huis Toronthal, die hier zou aankomen
+met <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>eene portefeuille opgepropt met bankbiljetten en die ons die portefeuille uit naam
+van den genoemden bankier zou toevertrouwen, onder bijvoeging van duizend verontschuldigingen,
+dat hij ons zoo lang heeft laten wachten.”
+</p>
+<p>„Luister, Zirone,” sprak Sarcany, wiens wenkbrauwen geweldig fronsten. „Ik zeg je
+voor de laatste maal, dat wij niets meer van Silas Toronthal te hopen of te verwachten
+hebben.”
+</p>
+<p>„Zijt gij er zeker van?”
+</p>
+<p>„Ja, het geheele krediet dat ik bij hem hebben kon, is thans uitgeput en op mijne
+laatste aanvragen heeft hij met een formeele en afdoende weigering geantwoord.”
+</p>
+<p>„Te drommmel, dat ’s gek!”
+</p>
+<p>„Zeer gek, maar het is niet anders!”
+</p>
+<p>„Maar.… als uw krediet uitgeput is,” hernam Zirone, „dan is dat toch het bewijs dat
+ge krediet gehad hebt. Wat was er de grondslag van? Waarop berustte het? Daarop, nietwaar,
+dat ge herhaaldelijk uwe verstandelijke vermogens en uw ijver ten dienste van het
+bankiershuis bij het behandelen van sommige teergevoelige zaken gesteld hebt.… Daarom
+is Toronthal gedurende de eerste maanden van ons verblijf te Triëst niet al te weerstrevend
+geweest op het gebied van geldverstrekken! Maar ik acht het voor onmogelijk dat ge
+hem niet meer op de een of andere wijze in uwe macht zoudt hebben, en door hem te
+bedreigen.…”
+</p>
+<p>„Geloof mij, als dat mogelijk ware, zou het reeds geschied zijn,” antwoordde Sarcany,
+terwijl hij de schouders optrok, „en zoudt ge thans niet verplicht zijn rond te loopen
+om een diner te zoeken. Neen, bij God! ik heb dien Toronthal niet in mijne macht!
+Maar wat niet is, kan nog wel gebeuren, en dien dag dan zal hij mij èn kapitaal, èn
+interessen èn interessen van interessen van al hetgeen hij mij nu weigert, uitbetalen!
+Ik verbeeld mij, en misschien niet zonder reden, dat de zaken van zijn kantoor voor
+het tegenwoordige eenigszins in de war zijn en dat hij fondsen in wankelende zaken
+gestoken heeft, die erg gevaar loopen. De weeromstuit van verscheidene faillissementen
+in Duitschland, te Berlijn en te Munchen, heeft zich tot hier in Triëst doen gevoelen,
+en wat hij ook heeft mogen beweren, zoo scheen mij Silas Toronthal zeer onrustig,
+toen ik hem den laatsten keer bezocht! Kom, laten wij het water troebel laten worden.…
+en als dat gebeurd zal zijn.…”
+</p>
+<p>„Welnu, ja,” riep Zirone uit, „dat ’s goed! Maar intusschen hebben wij nog slechts
+water om te drinken. Ziet ge, Sarcany, ik ben van meening dat gij nog een poging bij
+Toronthal moest wagen. Gij moest nog een keer bij zijne kas aankloppen om te trachten,
+al was het maar zooveel te verkrijgen, ten einde naar Sicilië via Malta terug te kunnen
+keeren.…”
+<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p>
+<p>„Maar wat wilt ge in Sicilië uitvoeren?”
+</p>
+<p>„Dat is mijn zaak. Dat land ken ik en ik zou een troepje Maltezers, flinke kerels,
+zonder vooroordeelen, waar wat van te maken zoude zijn, er heen kunnen voeren. Welnu,
+voor den drommel! als hier niets meer te beproeven valt, laten wij dan heengaan, maar
+laten wij alvorens dien verwenschten bankier noodzaken ons reisgeld te verschaffen.
+Hoe weinig gij ook van hem schijnt te weten, zal dat toch wel voldoende zijn om hem
+te doen inzien, dat het voor hem veiliger zal wezen, dat gij u overal elders dan te
+Triëst zult bevinden!”
+</p>
+<p>Sarcany schudde het hoofd.
+</p>
+<p>„Kom, vooruit! Het kan onmogelijk lang meer duren,” hernam Zirone. „Wij zijn geheel
+blut!”
+</p>
+<p>Hij was opgestaan, en stampte met den voet op den grond, zooals hij eene stiefmoeder
+zou gedaan hebben die hem stiefmoederlijk zoude behandeld hebben.
+</p>
+<p>In dit oogenblik werd zijn blik geboeid door een vogel, die buiten de omheinde ruimte
+slechts met moeite scheen te kunnen vliegen. Het was eene duif, wier vermoeide vleugelen
+ternauwernood nog klapwieken konden en die naar den grond streek.
+</p>
+<p>Zirone had, zonder zich af te vragen, tot welke der honderd zeven en zeventig soorten
+van duiven, thans in de ornithologische naamlijst opgenomen, die vogel behoorde, slechts
+ééne zaak voor oogen, namelijk dat hij tot de eetbare soorten behoorde. Hij wees hem
+dan ook met den vinger aan zijn makker en verslond hem met den blik.
+</p>
+<p>De vogel was klaarblijkelijk uitgeput en het einde zijner krachten nabij. Hij poogde
+zich vast te klemmen aan de uitstekende gedeelten van de kathedraal, welker voorgevel
+geflankeerd is door een vierkanten toren, die van oude dagteekening is. Toen hij zich
+niet meer kon houden en op het punt was naar beneden te vallen, kwam hij zich eerst
+neerzetten op het dakwerk van eene kleine nis, waaronder het beeld van den heiligen
+Justus prijkte; maar de vermoeide pootjes van de duif weigerden hun dienst; zij kon
+zich niet vastklemmen en liet zich glijden tot op het kapiteelwerk van eene oude zuil,
+die in den hoek stond, welke door dien toren en dien voorgevel gevormd werd.
+</p>
+<p>Al volgde Sarcany, die steeds onbeweeglijk en stilzwijgend daar neer zat, de duif
+in hare vlucht niet, zoo verloor haar Zirone daarentegen niet uit het oog. Zij was
+uit noordelijke richting gekomen. Een lange tocht had haar geheel en al uitgeput.
+Klaarblijkelijk zette haar instinct haar aan om een nog verder gelegen doel te bereiken.
+Zij hernam dan ook bijna dadelijk hare vlucht en volgde eene gebogen richtingslijn,
+die haar noodzaakte tot eene <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>nieuwe halt, juist op de benedentakken van een der boomen van het oude kerkhof.
+<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p013width"><img src="images/p013.jpg" alt="Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de hand grijpen. (Bladz. 14.)" width="512" height="720"><p class="figureHead">Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de hand grijpen.
+(Bladz. 14.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb14a">[<a href="#pb14a">14</a>]</span></p>
+<p>Toen besloot Zirone de duif te bemachtigen. Hij sloop dan ook zachtkens en langs den
+grond kruipende naar den boom. Weldra had hij den geknoesten stam bereikt, die gelegenheid
+te over aanbood om de vorkvormige vertakking van de kruin te kunnen bereiken. Daar
+bleef hij onbewegelijk en stom in de houding van een speurhond, die eenig wild bespiedt,
+dat boven zijn hoofd gezeten is.
+</p>
+<p>De duif, die hem niet bemerkt had, wilde toen hare vlucht hervatten, maar hare krachten
+verlieten haar andermaal, zoodat zij op weinige passen verder op den grond viel.
+</p>
+<p>Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de hand grijpen,
+dat was voor den Siciliaan het werk van een ondeelbaar oogenblik. En hij was heel
+natuurlijk op het punt om de arme duif te verworgen, toen hij zich plotseling weerhield,
+een kreet van verwondering uitstiet en in allerijl bij Sarcany terugkwam.
+</p>
+<p>„Eene reisduif!” zei hij.
+</p>
+<p>„Waarlijk, dat is dan een reiziger, die zijn laatste reis afgelegd heeft!” antwoordde
+Sarcany.
+</p>
+<p>„Ongetwijfeld” hernam Zirone, „en des te erger voor hen, aan wie het briefje is gericht,
+dat onder den vleugel der duif vastgemaakt zit.”
+</p>
+<p>„Een briefje!” riep Sarcany uit. „Wacht Zirone, wacht! Zoo iets dwingt tot uitstel
+van executie!”
+</p>
+<p>Hij weerhield de hand van zijn makker, die reeds den hals van de arme duif omkneld
+hield. Daarna nam hij het zakje dat Zirone reeds losgemaakt had, opende het en haalde
+er een briefje uit dat een raadselschrift vertoonde:
+</p>
+<div class="table" lang="zxx">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-top"><i>ghfhna</i> </td>
+<td class="cell-top"><i>dalant</i> </td>
+<td class="cell-right cell-top"><i>ltenka</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>aohhzk</i> </td>
+<td><i>aenzse</i> </td>
+<td class="cell-right"><i><span class="corr" id="xd33e311" title="Bron: lsnivï">lsnivi</span></i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>rnryoo</i> </td>
+<td><i>tnpees</i> </td>
+<td class="cell-right"><i>seyehe</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>lxosde</i> </td>
+<td><i>soelnl</i> </td>
+<td class="cell-right"><i>sglpte</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>veknni</i> </td>
+<td><i>ilarna</i> </td>
+<td class="cell-right"><i>lotasa</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-bottom"><i>yareah</i> </td>
+<td class="cell-bottom"><i>uezmtl</i> </td>
+<td class="cell-right cell-bottom"><i>rradae</i></td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+<p>Omtrent de plaats van vertrek en omtrent de bestemmingsplaats van het briefje geen
+enkel woord. Wat die achttien woorden betreft, die ieder uit een gelijk aantal letters
+samengesteld waren, zoude het mogelijk zijn, de beteekenis daarvan te weten te komen
+zonder den sleutel te kennen? Dat was al zeer onwaarschijnlijk, tenzij een hunner
+een behendig oplosser van raadsels mocht heeten en dan moest nog het geval bestaan
+dat het schrift ontraadselbaar was.
+<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p>
+<p>Tegenover dat geheimschrift, dat voor hen niets beteekende, bleef Sarcany eerst teleurgesteld,
+daarna zeer beteuterd in gedachten verzonken staan. Zou dat briefje een belangrijk,
+maar vooral een compromitteerend bericht behelzen? Dat kon, dat moest aangenomen worden.
+Dat duidden de voorzorgen genoegzaam aan, die genomen waren, dat het, wanneer het
+bij ongeluk in verkeerde handen viel, door niemand anders kon gelezen worden dan door
+hen, voor wie het bestemd was. Ook gaf het vervoermiddel achterdocht. Door toch noch
+van den postdienst, noch van de telegraaf gebruik te maken, maar integendeel het wonderlijke
+instinct van de reisduif te bezigen, was het duidelijk, dat het eene zaak gold, die
+zeer geheimzinnig behandeld moest worden.
+</p>
+<p>„Wellicht,” zei Sarcany, „schuilt er in die regels een geheim, dat ons een vermogen
+zou kunnen bezorgen!”
+</p>
+<p>„Dan zou die duif,” hernam Zirone, „de vertegenwoordigster van het toeval zijn, dat
+wij sedert heden ochtend zoo opgespoord hebben<span class="corr" id="xd33e358" title="Niet in bron">.</span> Duivels! ik die het arme dier wilde worgen!.… Maar alles goed en wel beschouwd, is
+het briefje toch het meest belangwekkende, zoodat er zich niets tegen verzet om den
+briefbesteller te braden.”
+</p>
+<p>„Haast je maar niet, Zirone,” antwoordde Sarcany, die dezen keer andermaal het leven
+der duif redde. „Misschien kunnen wij door middel dier duif te weten komen, aan wien
+dat briefje gericht is, wel te verstaan, wanneer die te Triëst woont.”
+</p>
+<p>„En daarna? Dat zal je toch het middel niet aan de hand doen om te kunnen lezen wat
+in dat briefje staat, Sarcany!”
+</p>
+<p>„Neen, Zirone.”
+</p>
+<p>„Ook niet om te weten, van waar dat briefje komt!”
+</p>
+<p>„Ook dat niet! Maar als het mij lukt van twee correspondenten een te leeren kennen,
+dan verbeeld ik mij, dat dat wel eene vingerwijzing zou kunnen wezen om ook achter
+den ander te komen, nietwaar?”
+</p>
+<p>„Ja.… zoo beschouwd.…”
+</p>
+<p>„In plaats dan van die duif te dooden en te braden, moeten wij er ons integendeel
+op toeleggen haar hare krachten terug te bezorgen, opdat zij hare bestemming bereiken
+kunne!”
+</p>
+<p>„Met het briefje?” vroeg Zirone.
+</p>
+<p>„Met het briefje, waarvan ik evenwel alvorens een nauwkeurig afschrift zal maken,
+dat ik bewaren zal, tot het oogenblik zal gekomen zijn om er gebruik van te maken!”
+</p>
+<p>Sarcany haalde vervolgens een aanteekeningsboekje uit zijn zak te voorschijn en nam
+met het daarin aanwezige potlood een afschrift van het briefje. Daar hij wist dat
+bij de meeste raadselschriften niets verwaarloosd mag worden omtrent hunne daadwerkelijke
+rangschikking, zoo zorgde hij dat de stand der woorden onderling <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>onaangetast bleef. Toen hij daarmee klaar was, borg hij dit afschrift in zijn notitieboekje
+op, herplaatste het briefje in het zakje en het zakje onder den vleugel der duif.
+</p>
+<p>Zirone keek aandachtig toe, zonder evenwel bijster veel hoop te koesteren omtrent
+een vermogen, dat door dit toeval verworven zou moeten worden.
+</p>
+<p>„En thans?” vroeg hij.
+</p>
+<p>„Thans,” antwoordde Sarcany, „is het zaak om den brievenbesteller goed te verzorgen.”
+</p>
+<p>En dat was inderdaad noodig; want de duif was meer uitgeput door den honger dan door
+de vermoeienis. Hare vleugels waren ongeschonden, zonder een enkele beleediging of
+breuk, en bewezen dan ook ten volle, dat de kortstondige flauwte, die het dier overvallen
+had, noch aan eenige hagelkorrels van den een of anderen jager, noch aan een steenworp
+van den een of anderen boosaardigen straatjongen te wijten was. De vogel had honger,
+maar vooral dorst.
+</p>
+<p>Zirone zocht dus en vond op den grond eenige zaadkorrels, die de duif met gretigheid
+oppikte. Eindelijk leschte hij haren dorst bij een plasje water, dat van den laatst
+gevallen regen in een scherf van een antieke vaas van gebakken steen achtergebleven
+was, zoodat een half uur, nadat de duif gevangen was geworden, zij, zoo gekoesterd,
+geheel hersteld, in staat was haar onderbroken reis te hervatten.
+</p>
+<p>„Als zij nog ver moet vliegen, als zij verder dan Triëst moet zijn, dan kan het ons
+minder schelen of die duif onderweg omkomt,” zei Sarcany, „daar wij haar alsdan uit
+het oog zullen verliezen en wij haar onmogelijk zullen kunnen volgen. Wanneer zij
+evenwel in een der huizen van Triëst verwacht wordt en daar de eindpaal harer reis
+is, dan zullen haar de krachten niet ontbreken om dat te bereiken, want zij heeft
+dan nog maar een paar minuten te vliegen.”
+</p>
+<p>„Ge hebt volkomen gelijk,” antwoordde de Siciliaan, „maar zullen wij haar met onzen
+blik kunnen volgen tot de plek waar haar duivenslag staat, al zou het ook zijn, dat
+die te Triëst aangetroffen werd?”
+</p>
+<p>„Wij zullen in ieder geval ons best daarvoor doen en onze maatregelen daartoe nemen,”
+antwoordde Sarcany leuk.
+<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p017width"><img src="images/p017.jpg" alt="Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige oplettendheid waar. (Bladz. 19.)" width="507" height="720"><p class="figureHead">Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige oplettendheid waar.
+(Bladz. 19.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb16a">[<a href="#pb16a">16</a>]</span></p>
+<p>En ziehier wat hij deed:
+</p>
+<p>De kathedraal, welke uit twee oude Romaansche kerken bestond, die de eene aan de H.
+Maagd en de andere aan Sint Justus, den beschermheilige van Triëst, gewijd waren,
+wordt gesteund door een hoogen toren, die zich op den vleugel verhief van dien frontgevel,
+waarin eene groote, roosvormige versiering prijkte, welke boven de hoofddeur van het
+gebouw aangebracht was. Die toren beheerschte <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>de geheele topvlakte van den Karstberg, en de stad ontwikkelt zich daar beneden als
+een uitermate fraaie <span class="corr" id="xd33e395" title="Bron: reliefkaart">reliëfkaart</span>. Van dit verheven punt ontwaart men al de vierkante vlakken, gevormd door de daken
+der huizen van de stad, van de heuvelhellingen af tot aan den oever der baai toe.
+Het zou dus niet onmogelijk zijn de duif in hare vlucht te volgen, wanneer men haar
+op den top van den toren losliet. Ongetwijfeld zou dan het huis te herkennen zijn,
+waarop zij zou neerstrijken, wanneer zij namelijk Triëst en geen andere stad of dorp
+van Illyrië tot bestemming had.
+</p>
+<p>Die poging kon slagen en zij was wel waard om beproefd te worden. Men had slechts
+de duif in vrijheid te stellen.
+</p>
+<p>Sarcany en Zirone verlieten dan ook dit oude kerkhof, staken het kleine plein, vóór
+de kerk gelegen, over en stapten op den toren toe. Een der ogiefvormige deuren, juist
+dezelfde, die onder het voetstuk van de nis van den Heiligen Justus aangebracht was,
+stond open. Beiden traden binnen en begonnen met de ruwe treden van de wenteltrap,
+die naar boven leidde, te bestijgen.
+</p>
+<p>Zij hadden vier of vijf minuten noodig om den top des torens, die in een spits dak
+eindigt en dus geen plat heeft, te bereiken. Maar daar aangekomen<span class="corr" id="xd33e402" title="Bron: .">,</span> bemerkten zij twee vensters op ieder front van het hooge gebouw, die veroorloofden
+den blik langs den geheelen gezichteinder, zoowel langs de heuvelen als langs de zee,
+te laten waren.
+</p>
+<p>Sarcany en Zirone namen plaats aan dat venster, hetwelk direct uitzicht op Triëst
+in noordwestelijke richting verleende.
+</p>
+<p>Het sloeg toen vier uren op de torenklok van het kasteel, dat in de zestiende eeuw
+gebouwd werd op het hoogste punt van den Karstberg, vlak achter de kathedraal. Het
+was nog volle dag. De zon daalde langzaam te midden van een uiterst zuiveren dampkring
+naar de wateren van de Adriatische Zee, en het meerendeel der huizen ontving hare
+stralen op de voorgevels, die naar den kant van den toren gekeerd waren.
+</p>
+<p>De omstandigheden waren dus zeer gunstig.
+</p>
+<p>Sarcany nam de duif tusschen zijne beide handen, streelde haar nog een poos en gaf
+haar toen de vrijheid.
+</p>
+<p>De vogel klapwiekte, daalde eerst snel genoeg om te doen vreezen, dat hij met een
+ongelukkigen val zijne loopbaan als luchtbrievenbesteller zou eindigen.
+</p>
+<p>Vandaar dan ook dat de Siciliaan een waren kreet van teleurstelling uitstiet. Hij
+was zeer opgewonden en stond te trappelen van ongeduld.
+</p>
+<p>„Zij valt, zij valt!” riep hij uit.
+</p>
+<p>„Neen, zij hervat zich,” antwoordde Sarcany.
+</p>
+<p>En inderdaad, de duif had haar evenwicht in de lagere luchtlagen <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>hernomen; daarna maakte zij een scherpen hoek en wendde zich in schuinsche richting
+naar het noordwestelijke gedeelte der stad.
+</p>
+<p>Sarcany en Zirone volgden haar met de oogen.
+</p>
+<p>Er werd bij de vlucht van den vogel, die door een bewonderenswaardig instinct geleid
+werd, geene enkele aarzeling waargenomen. Men gevoelde dat hij recht afvloog op het
+doel waar hij wezen moest, op het doel waar hij reeds sedert een uur had moeten aangekomen
+zijn, zonder dat ongewenschte oponthoud onder de boomen van het oude kerkhof.
+</p>
+<p>Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige oplettendheid waar.
+Zij vroegen zich af of de duif de muren der stad niet zou overschrijden, hetgeen hunne
+vooruitzichten verijdelen zou.
+</p>
+<p>Neen, dat gebeurde niet.
+</p>
+<p>„Ik zie haar nog!.… Ik zie haar steeds!” riep Zirone, wiens gezichtsvermogen buitengewoon
+sterk was.
+</p>
+<p>„Waar?.… Waar?.… vroeg Sarcany, die haar scheen uit het oog verloren te hebben.
+</p>
+<p>„Daar!.… daar!” antwoordde Zirone, de richting met den vinger aanwijzend. „Daar!.…”
+</p>
+<p>„O ja, ik zie haar weer,” hernam Sarcany met voldoening. „Wat vooral goed opgemerkt
+moet worden, is de plek waar de duif gaat neerstrijken. Wij moeten er de juiste ligging
+goed van opnemen<span class="corr" id="xd33e427" title="Niet in bron">.”</span>
+</p>
+<p>Eenige minuten na haar vertrek streek de duif op een huis neer, welks scherpe nok
+al de anderen beheerschte en zich te midden van een groep boomen verhief. Dat huis
+was in het stadsgedeelte gelegen, hetwelk aan den kant van het gasthuis en van den
+openbaren tuin aangetroffen wordt. Daar verdween zij door een dakvenster, hetwelk
+toen uitermate zichtbaar was, daar het door een ijzeren windwijzer, die kunstig <i lang="fr">à jour</i> bewerkt was, aangeduid werd. Dat ijzeren kunstwerk was zoo sierlijk vervaardigd,
+dat het aan Quentijn Matsys had kunnen toegeschreven worden, wanneer Triëst eene Vlaamsche
+stad ware geweest.
+</p>
+<p>De algemeene richting van dat huis vastgesteld zijnde, moest het niet zeer <span class="corr" id="xd33e437" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> zijn, wanneer men dien windwijzer als baken in het oog hield, om de nok weer te vinden,
+waaronder het bedoelde dakvenster was aangebracht en derhalve ook het huis, door den
+persoon bewoond, voor wien het briefje bestemd was.
+</p>
+<p>Sarcany en Zirone daalden dadelijk de trappen des torens af en na ook de hellingen
+van den Karstberg verlaten te hebben, volgden zij eene aaneenschakeling van kleine
+nauwe straten, die hen eindelijk toegang tot de Piazza della Legna verleenden. Daar
+waren zij verplicht zich te <span class="corr" id="xd33e442" title="Bron: orienteeren">oriënteeren</span>, om de huizengroep te verkennen, die het oosterkwartier van de stad uitmaakte.
+<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p>
+<p>Toen zij aan de samenvloeiing van de twee groote gemeenschapsaderen, de Corso Stadion,
+die naar den openbaren wandeltuin voert, en de Acquedotto, een fraaie laan van geboomte,
+die naar de groote brouwerij van Boschetto leidt, aangekomen waren, ondervonden de
+beide avonturiers eenige aarzeling omtrent de verder te volgen richting. Moest men
+rechts of links inslaan? Instinctmatig kozen zij rechts, met het doel om al de huizen
+der laan nauwkeurig gade te slaan, waarboven zij den windwijzer, dien zij opgemerkt
+hadden, zouden kunnen bespeuren.
+</p>
+<p>Zij schreden dus voort en namen de verscheidene daknokken van de Acquedotto in oogenschouw,
+zonder evenwel die te ontdekken, welke zij zochten. Eindelijk waren zij aan het einde
+van de laan aangekomen.
+</p>
+<p>„Daar is hij!” riep eindelijk Zirone uit.
+</p>
+<p>En hij wees op een windwijzer, dien de zeewind op zijne ijzeren as deed knarsen, die
+boven een dakvenster geplaatst was, waar rondom juist eenige duiven vlogen.
+</p>
+<p>Er was dus geene vergissing mogelijk. Daar was wel degelijk de duif neergestreken.
+</p>
+<p>Het huis had een bescheiden uiterlijk, onderscheidde zich in niets van de overige
+die tot hetzelfde blok behoorden, en was even als die langs de Acquedotto gelegen.
+</p>
+<p>Sarcany verschafte zich inlichtingen in een paar naburige winkels en wist al spoedig
+hetgeen hij voorshands wenschte te weten.
+</p>
+<p>Dat huis behoorde sinds lange jaren aan den graaf Ladislas Zathmar en strekte hem
+tot woning.
+</p>
+<p>„Wie is graaf Zathmar?” vroeg Zirone, wien die naam geheel vreemd was.
+</p>
+<p>„Wel, dat is graaf Zathmar,” antwoordde Sarcany kortweg.
+</p>
+<p>„Ja, maar zouden wij geen inlichtingen omtrent hem kunnen vragen?.…”
+</p>
+<p>„Later, Zirone, laten wij niet overijld handelen. Laten wij kalmte betrachten en de
+zaak overdenken. Kom, wij keeren thans naar onze herberg terug.”
+</p>
+<p>„Ja wel!.… Het is etenstijd en de table <span class="corr" id="xd33e461" title="Bron: d’hote">d’hôte</span> staat gedekt voor hen, die het recht koopen kunnen er plaats aan te nemen,” merkte
+Zirone schamper op.
+</p>
+<p>„Als wij heden niet dineeren,” antwoordde Sarcany, „dan is het toch mogelijk dat wij
+morgen zullen smullen.”
+</p>
+<p>„Bij wien?”
+</p>
+<p>„Bij wien, vraagt gij?” zei Sarcany schier gedachteloos.
+</p>
+<p>„Ja, dat vraag ik.”
+</p>
+<p>„Wel, waarschijnlijk bij graaf Zathmar.”
+<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p021width"><img src="images/p021.jpg" alt="Eindelijk waren zij aan het einde der laan aangekomen. (Bladz. 20.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Eindelijk waren zij aan het einde der laan aangekomen. (Bladz. 20.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb20a">[<a href="#pb20a">20</a>]</span></p>
+<p>Beiden drentelden langzaam voort. Waarom zich ook te haasten? <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>Toch hadden zij al te spoedig hun bescheiden hôtel bereikt, dat helaas! nog te weelderig
+voor hen was, daar zij hun verblijf onmogelijk konden betalen.
+</p>
+<p>Maar welke verrassing was hun daar bereid?.… Een brief, die aan Sarcany gericht was,
+was aangekomen.
+</p>
+<p>Die brief bevatte een bankbiljet van twee honderd gulden, met de woorden, die kort
+maar beteekenisvol waren:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„Hierbij ingesloten het laatste geld, dat gij van mij ontvangen zult. Het zal voldoende
+zijn om naar Sicilië weer te keeren. Vertrek en dat ik nimmermeer iets van u hoore.”
+</p>
+<p class="signed">„Silas Toronthal.”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>„Duivels!” riep Zirone uit, „de bankier komt juist van pas op zijn besluit terug.
+Waarachtig, men moet de finantie-luidjes in waarde houden en nimmer omtrent hen wanhopen.”
+</p>
+<p>„Dat ’s ook mijne meening,” betuigde Sarcany.
+</p>
+<p>„En dat geld zal ons dienen om Triëst te verlaten?.…”
+</p>
+<p>„God beware! Het zal ons integendeel dienen om er te blijven!”
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4109">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">II.</h2>
+<h2 class="main">GRAAF MATHIAS SANDORF.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De Hongaren, dat zijn de Magyaren, die het land kwamen bevolken zoo ongeveer in de
+negende eeuw van de Christelijke tijdrekening. Zij maken tegenwoordig het derde gedeelte
+van de geheele bevolking van Hongarije uit en tellen ongeveer iets meer dan vijf millioen
+zielen. Of zij van Spaanschen, of Egyptischen, of Tartaarschen oorsprong zijn, of
+zij van de Hunnen van Attala of van de Finnen uit het noorden afstammen, dat zijn
+alle twistvragen, <span class="corr" id="xd33e499" title="Bron: diê">die</span> ons weinig kunnen schelen. Wat evenwel opgemerkt moet worden, is, dat het geene Slavoniërs,
+dat het geene Duitschers zijn, en dat het hun waarschijnlijk niet zou smaken, het
+te worden.
+</p>
+<p>Die Hongaren hebben dan ook hun godsdienst ongeschonden behouden en zijn vurige Katholieken
+gebleven van de elfde eeuw af, het tijdstip waarop zij tot de nieuwe geloofsbelijdenis
+overgingen. Daarenboven spreken zij nog hunne taal van weleer, eene stamtaal, die
+zachtvloeiend en harmonisch klinkt, die zich geheel en al tot de bekoorlijkheid der
+dichterlijke wendingen leent, die minder rijk aan woorden dan het Duitsch, evenwel
+scherper begrensd van uitdrukking en krachtvoller is, eene taal, die van af de vijftiende
+<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>tot de zestiende eeuw bij het geven van wetten en het slaan van ordonnantiën het latijn
+verving, in afwachting dat zij tot de nationale taal verheven zoude worden.
+</p>
+<p>Het was op den 21sten Januari 1699 dat het verdrag van Carlowitz het bezit van Hongarije
+en <span class="corr" id="xd33e508" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> aan de kroon van Oostenrijk verzekerde.
+</p>
+<p>Twintig jaren later werd bij de pragmatieke sanctie solemneel vastgesteld, dat de
+staten, die het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk vormden, steeds onafscheidelijk
+aan elkander verbonden zouden zijn. Bij gebrek aan zonen, zou de dochter volgens rangschikking
+van het eerstgeboorterecht op den troon kunnen opvolgen. En dank zij die nieuwe bepalingen,
+erfde Maria Theresia de kroon van haren vader, Karel de Zesde, laatste mannelijke
+spruit uit het huis van Oostenrijk.
+</p>
+<p>De Hongaren moesten voor de overmacht bukken, maar honderdvijftig jaar later werden
+nog mannen uit alle standen en van alle rangen aangetroffen, die noch van de pragmatieke
+sanctie, noch van het verdrag van Carlowitz iets wilden weten.
+</p>
+<p>Op het tijdstip, waarop dit verhaal begint, leefde een Hongaar van hooge geboorte,
+wiens geheele leven zich in deze twee gevoelens oploste, namelijk: in den haat voor
+alles wat van Germaansche afkomst was en in de hoop nog eenmaal aan zijn land de zelfstandige
+regeering van vroeger weer te geven. In zijne jeugd had hij Kossuth gekend en hoewel
+door zijne geboorte en door zijne opvoeding een scheidsmuur tusschen hen opgetrokken
+moest zijn, zoo koesterde hij toch eene zekere bewondering voor het groote hart van
+dien vaderlander.
+</p>
+<p>Graaf Mathias Sandorf bewoonde in een der comitaten van <span class="corr" id="xd33e516" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> in het district Fagaras, een oud kasteel van feodalen oorsprong. Het was gebouwd
+op de hellingen van de noordelijke uitloopers van het oostelijk Karpatisch gebergte,
+die de grens uitmaken tusschen <span class="corr" id="xd33e519" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> en Walachyë, en verhief dit kasteel zich in al zijne woeste fierheid op dien steilen
+bergketen, als een van die schuilplaatsen in den laatsten stond, waar samenzweerders
+tot hun laatsten snik aan hunne vijanden weerstand kunnen bieden.
+</p>
+<p>Naburige mijnen, rijk aan ijzer- en kopererts, die zorgvuldig ontgind werden, verschaften
+aan den eigenaar van het kasteel Artenick een zeer aanzienlijk vermogen. Dat domein
+besloeg een groot gedeelte van het district Fagaras, hetwelk door eene bevolking bewoond
+werd, die niet minder dan honderd twee- en zestigduizend inwoners telde. Deze, hetzij
+zij stedelingen of landlieden waren, maakten er geen geheim van dat zij voor graaf
+Sandorf eene toewijding koesterden, die iedere proef doorstaan kon; dat zij hem eene
+onbegrensde erkentelijkheid toedroegen, voor al het goede dat hij in <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>het land teweeg bracht. Dat kasteel was dan ook het voorwerp van een bijzonder toezicht,
+dat door de kanselarij van Hongarije te Weenen, welke geheel en al van de overige
+administratiën van het Keizerrijk onafhankelijk bleef, in het leven geroepen was.
+Men kende in de hoogste kringen de denkbeelden van den gebieder van Artenick, en die
+denkbeelden baarden <span class="corr" id="xd33e526" title="Bron: ontrust">onrust</span>, al gaf men ook voor omtrent den persoon van den graaf gerust te zijn.
+</p>
+<p>Mathias Sandorf was toen vijf en dertig jaren oud. Het was een man van eene iets meer
+dan middelmatige gestalte, die eene groote spierkracht verried. Op zijne schouders
+rustte een edel en fier gedragen hoofd. Zijn gelaat, dat warm getint en een weinig
+vierkant van vorm was, vertoonde het Magyaarsche type in zijne volkomene zuiverheid.
+De levendigheid zijner bewegingen, de juist gekozen uitdrukkingen van zijn woord,
+de blik van zijn kalm en onverschrokken oog, de werkdadige bloedsomloop, die aan zijne
+neusvleugels en aan zijne mondhoeken eene lichte trilling verleende, de glimlach die
+gewoonlijk op zijne lippen zetelde en als onloochenbaar teeken zijner goedhartigheid
+kon gelden, een zekere losheid in zijne taal en gebaren, dat alles duidde op eene
+vrijmoedige natuur. Men meent opgemerkt te hebben, dat er eene groote overeenkomst
+bestaat tusschen het Fransche karakter en het Magyaarsche. Graaf Sandorf was daar
+het levende bewijs van.
+</p>
+<p>Een van de meest te voorschijn tredende karaktertrekken van graaf Sandorf was, dat
+hij, hoewel vrij onverschillig voor al hetgeen hem zelf betrof en hij dus als de gelegenheid
+zich voordeed er licht over dacht, wanneer een of ander ongelijk hem alleen trof,
+nimmer eene beleediging zoude vergeven hebben, die zijne vrienden aangedaan was. Hij
+bezat in de hoogste mate den rechtvaardigheidszin en koesterde een innigen haat voor
+alles wat trouweloos kon heeten. Vandaar dat hij behebt was met eene <span class="corr" id="xd33e533" title="Bron: impersonneele">impersoneele</span> onverzoenlijkheid. Hij behoorde niet tot hen, die aan God alleen de zorg overlaten
+om op deze aarde te straffen.
+</p>
+<p>Er moet hier bijgevoegd worden, dat graaf Mathias Sandorf eene zeer ernstige opvoeding
+had genoten. In plaats van het werkelooze leven te genieten, dat hem door zijn groot
+vermogen gewaarborgd was, had hij er behagen in gevonden, de physische wetenschappen
+en de geneeskundige studiën te beoefenen. Hij zou een beroemd geneesheer zijn geworden,
+een geneesheer van groot talent, wanneer de eischen des levens hem gedwongen hadden
+zich met de verzorging van lijders te belasten. Hij vergenoegde zich een scheikundige
+te zijn, die door de geleerde wereld zeer gezien was en gewaardeerd werd. De universiteit
+te <span class="corr" id="xd33e538" title="Bron: Pesth">Pest</span>, de wetenschappelijke Academie te Presburg, de Koninklijke Mijnschool te Schemnitz,
+de normaalschool te Temeswar, hadden hem ieder op hare beurt onder <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>de meest vlijtige leerlingen geteld. Dat leerrijke bestaan vormde en bestendigde als
+het ware zijne natuurlijke eigenschappen. Het deed hem man worden in de volle beteekenis
+des woords. Hij werd dan ook voor zoodanig gehouden door allen, die hem kenden, maar
+voornamelijk door zijne professoren dier verschillende scholen en universiteiten van
+het koninkrijk, die zijne vrienden gebleven waren.
+<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p025width"><img src="images/p025.jpg" alt="En wachtten daar de terugkomst van graaf Mathias Sandorf af. (Bladz. 30.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">En wachtten daar de terugkomst van graaf Mathias Sandorf af. (Bladz. 30.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb26a">[<a href="#pb26a">26</a>]</span></p>
+<p>Vroeger heerschte er in het kasteel Artenick vroolijkheid, levendigheid, beweging.
+Op die ruwe nokken van de Karpathen, kwamen de <span class="corr" id="xd33e551" title="Bron: Transylvaansche">Transsylvaansche</span> jagers gaarne te zamen. Zij volvoerden dan groote en gevaarlijke klopjachten, waarin
+graaf Sandorf als het ware afleiding zocht voor zijne strijdlustige geaardheid, die
+hij op het staatkundig schaakbord niet kon botvieren. Want hij hield zich ter zijde
+en sloeg den gang van zaken van nabij gade. Hij scheen slechts te leven voor zijne
+studiën en voor de jacht, twee hartstochten, waaraan hij zich met zijn vermogen onbekrompen
+kon overgeven. Op dat tijdstip leefde de gravin Rena Sandorf nog. Zij was de ziel
+der bijeenkomsten in het kasteel Artenick. Vijftien maanden vóór het begin van deze
+geschiedenis had de dood weggerukt haar die gevierd was om hare jeugdige schoonheid,
+terwijl zij slechts een klein meisje achterliet, dat thans twee jaar oud was.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf was door dien slag wreed getroffen en helaas! hij zou steeds ontroostbaar
+blijven. Het kasteel werd stil en eenzaam. Sedert dien dag leefde de eigenaar, onder
+den invloed van eene diepgevoelde smart, in dat prachtige gebouw als in een klooster.
+Zijn geheele leven drong zich op één punt samen, namelijk op zijn kind, dat aan de
+zorgen van Rosena Lendeck, de echtgenoote van des graven intendant, toevertrouwd werd.
+Die edelaardige vrouw, welke nog jong was, wijdde zich geheel en al aan de eenige
+erfdochter der Sandorfs en verzorgde haar alsof het haar eigen kind ware. De eigen
+moeder van de gravin had niet teerder kunnen wezen.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf verliet gedurende de eerste maanden van zijn weduwnaarschap het kasteel
+van Artenick niet. Hij leefde afgetrokken en als in zijne herinneringen aan het verleden
+verzonken. Daarna namen de denkbeelden omtrent zijn vaderland, dat in een soort van
+vernederenden toestand te midden van de Europeesche staten geplaatst was, weer de
+overhand.
+</p>
+<p>En daar waren wel redenen voor! De Fransch-Italiaansche oorlog van 1859 had toch een
+schrikkelijken slag toegebracht aan de Oostenrijksche macht.
+</p>
+<p>Die slag was zeven jaren later, in 1866, door een nog schrikkelijker gevolgd geworden,
+namelijk door dien van Sadowa. Het was niet alleen meer aan het Oostenrijk, dat van
+zijne Italiaansche bezittingen beroofd was geworden, dat Hongarije zich vastgekluisterd
+gevoelde, maar ook aan het Oostenrijk, dat aan twee kanten overwonnen <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>en aan Duitschland ondergeschikt gemaakt werd. De Hongaren gevoelden zich in hunnen
+trots vernederd, en dat gevoel laat zich niet wegredeneeren, wanneer het in het bloed
+zit. In hun oog konden de overwinningen te Custozza en te Lissa geene vergoeding voor
+de nederlaag te Sadowa bieden.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf had gedurende het geheele jaar, dat op die krijgsgebeurtenis gevolgd
+was, uiterst nauwgezet het staatkundig terrein bestudeerd en was tot de erkenning
+gekomen, dat eene beweging tot afscheiding van zijn vaderland goede kansen van slagen
+had.
+</p>
+<p>Het oogenblik van handelen was dus volgens hem gekomen.
+</p>
+<p>Den 3en Mei van het jaar 1867 vertrok graaf Sandorf, na zijn dochtertje, hetwelk hij
+onder de hoede van Rosena Lendeck goed verzorgd achterliet, van het kasteel Artenick
+naar <span class="corr" id="xd33e565" title="Bron: Pesth">Pest</span>, waar hij zich in betrekking stelde met zijne vrienden en partijgenooten, en daar
+eenige voorloopige beschikkingen nam. Vervolgens reisde hij eenige dagen later af
+naar Triëst, om daar den loop der gebeurtenissen af te wachten.
+</p>
+<p>Daar moest het voorname middelpunt van de samenzwering zijn. Vandaar zouden alle draden,
+die in de hand van graaf Sandorf te zamen kwamen, uitstralen. In die stad zouden de
+samenzweerders, aan minder achterdocht blootgesteld, met meer vrijheid en veiligheid
+kunnen handelen om hunne vaderlandslievende poging tot een goed einde te brengen.
+</p>
+<p>Twee der meest innige vrienden van Mathias Sandorf woonden te Triëst. Zij waren bezield
+met denzelfden geest als hij, en vast besloten om hem bij die onderneming trouw te
+volgen. Graaf <span class="corr" id="xd33e572" title="Bron: Ladyslas">Ladislas</span> Zathmar en professor <span class="corr" id="xd33e575" title="Bron: Stefanus">Stephanus</span> Bathory waren Magyaren en van adellijke geboorte. Beiden waren ongeveer een tiental
+jaren ouder dan Mathias Sandorf, maar bezaten hoegenaamd geen vermogen. De een genoot
+een gering inkomen van een klein landgoed, in het consulaat Lipte, aan de overzijde
+van den Donau gelegen. De andere gaf onderwijs in de natuurkundige wetenschappen te
+Triëst en kon met de opbrengst zijner lessen ter nauwernood rondkomen.
+</p>
+<p>Ladislas Zathmar bewoonde het huis, hetwelk kort geleden door onze twee bekenden,
+Sarcany en Zirone, in de Acquedotto verkend was geworden. Dat huis, eene bescheiden
+woning, was door graaf Sandorf ter zijner beschikking gesteld, gedurende al den tijd
+dat deze buiten zijn kasteel <span class="corr" id="xd33e580" title="Bron: Artenah">Artenick</span> zou verblijven, dat wil zeggen totdat de geprojecteerde beweging tot uitvoering gebracht
+zoude zijn, welke dan ook de uitslag er van zoude wezen. Een Hongaar, Borik genaamd,
+die ongeveer vijf en vijftig jaren oud was, vertegenwoordigde het geheele bediendenpersoneel
+van het huis. Het was een man, die zijn meester evenveel toewijding toedroeg als de
+intendant Lendeck voor graaf Sandorf koesterde.
+<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p>
+<p>Stephanus Bathory betrok een niet minder bescheidene woning in de Corsia Stadionstraat,
+nagenoeg in hetzelfde stadskwartier gelegen als die van graaf Zathmar. Daar sleet
+hij zijn leven tusschen zijne vrouw en zijn zoon Piet, die toen ongeveer acht jaren
+oud was.
+</p>
+<p>Stephanus Bathory behoorde onbetwistbaar en onloochenbaar, hoewel in verren graad,
+tot de nakomelingschap van die Magyaarsche vorsten, die in de zestiende eeuw den troon
+van <span class="corr" id="xd33e587" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> bestegen. De verwantschap had zich sedert dat tijdstip gesplitst en was in talrijke
+vertakkingen verloren gegaan; men zou ongetwijfeld verwonderd gestaan hebben, wanneer
+men vernomen had, dat een der nakomelingen dier machtige familie van weleer, in dien
+eenvoudigen professor bij de Rijks-Academie te Presburg weer te vinden was. Maar dat
+daargelaten, Stephanus Bathory was een geleerde van den eersten rang, een van diegenen,
+die teruggetrokken leven, maar die door hunne werken beroemd zijn. <i lang="la">In clusum labor illustrat.</i> „Zijn verborgen arbeid maakt hem beroemd”, dit devies van den zijdeworm zou het zijne
+kunnen genoemd worden. Op zekeren dag werd hij door zijn staatkundige gevoelens, die
+hij niet onder stoelen of banken verborg, genoodzaakt om zijn ontslag te nemen. Toen
+kwam hij als onafhankelijk leeraar te Triëst wonen met zijne gade, die hem moedig
+bij alle beproevingen ter zijde gestaan en geschraagd had.
+</p>
+<p>Het was in de woning van graaf Ladislas Zathmar, dat de drie vrienden sedert de aankomst
+van graaf Mathias Sandorf te zamen kwamen; hoewel deze laatste er in het oog loopend
+op gestaan had een vertrek in het Palazzo Modello—thans het <span class="corr" id="xd33e595" title="Bron: hotel De Corme">hôtel Delòrme</span>—op de Piazza Grande te betrekken.
+</p>
+<p>De politie was er dan ook ver van verwijderd eenige achterdocht te koesteren, dat
+dit huis op de Acquedotto het middelpunt was van eene samenzwering, die talrijke deelgenooten
+telde in de voornaamste steden des rijks.
+</p>
+<p>Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory waren zonder eenige aarzeling de vurigste aanhangers
+van Mathias Sandorf geworden. Evenals hij hadden zij erkend, dat de tijdsomstandigheden
+zich er toe leenden om eene beweging mogelijk te maken, die Hongarije den rang onder
+de Europeesche staten kon doen hernemen, welke door dat rijk begeerd werd. Daarvoor
+brachten zij hun leven in gevaar, dat wisten zij, maar dat kon hen niet weerhouden.
+</p>
+<p>Het huis op de Acquedotto werd dus de vergaderplaats van de voornaamste hoofden der
+samenzwering. Vele der deelgenooten, van de verschillende punten van het Koninkrijk
+opgeroepen, kwamen er maatregelen beramen en bespreken, of kwamen er bevelen ontvangen.
+Een postdienst van reisduiven, die briefjes overbrachten, stelde een snel en veilig
+verkeersmiddel daar tusschen Triëst en de <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>voornaamste steden van het Hongaarsche land en van <span class="corr" id="xd33e604" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span>, wanneer het instructiën gold, die noch aan de posterijen, noch aan den telegraafdienst
+toevertrouwd konden worden.
+<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p029width"><img src="images/p029.jpg" alt="„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn gewaarschuwd”. (Bladz. 32.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn gewaarschuwd”. (Bladz.
+32.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb30a">[<a href="#pb30a">30</a>]</span></p>
+<p>Om kort te gaan, alle voorzorgsmaatregelen waren zoo goed getroffen, dat de samenzweerders
+tot heden toe iedere achterdocht, hoe gering ook, ontgaan waren.
+</p>
+<p>Men zag het: de briefwisseling daarenboven had slechts in geheimschrift plaats, dat
+door zijne <span class="corr" id="xd33e616" title="Bron: moeielijke">moeilijke</span> oplossing de geheimzinnigheid bevorderde en derhalve de veiligheid der samenzweerders
+zeer in de hand werkte.
+</p>
+<p>Drie dagen na de aankomst van de reisduif, wier briefje door Sarcany en Zirone onderschept
+was, dus op den 21sten Mei, bevonden zich graaf Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory
+tegen acht uur des avonds bij elkander in het werkvertrek en wachtten daar de terugkomst
+van graaf Mathias Sandorf af. De eigen zaken van laatstgenoemde hadden hem genoodzaakt
+naar zijn kasteel Artenick in <span class="corr" id="xd33e621" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> weer te keeren; maar hij had die reis kunnen dienstbaar maken, om met zijne vrienden
+te Klausenburg, hoofdplaats der rijksprovincie, te beraadslagen en hij moest dienzelfden
+dag terugkomen, na aan de deelgenooten den inhoud van die dépêche, waarvan Sarcany
+afschrift genomen had, medegedeeld te hebben.
+</p>
+<p>Sedert het vertrek van Mathias Sandorf, waren andere correspondentiën gewisseld geworden
+tusschen Triëst en Buda-Pest en verscheidene briefjes in geheimschrift waren door
+duiven aangebracht. In hetzelfde oogenblik zelfs hield graaf Ladislas Zathmar zich
+onledig om het raadselachtig schrift daarvan in verstaanbaren tekst door middel van
+een toestel, onder den naam van „rooster” bekend, over te brengen.
+</p>
+<p>Die dépêches waren inderdaad volgens een zeer eenvoudig stelsel, namelijk dat der
+verplaatsing van de letters, samengesteld. In dat stelsel behoudt iedere letter hare
+eigene alphabetische waarde, dat wil zeggen dat bijvoorbeeld een <i>b</i> een <i>b</i>, een <i>o</i> een <i>o</i> blijft beteekenen enz. Maar de letters worden achtereenvolgens verplaatst volgens
+de open of de gesloten vakken van een rooster, die op de dépêche gelegd, slechts die
+letters laat ontwaren, welke gelezen moeten worden, terwijl anderen bedekt en dus
+onzichtbaar blijven.
+</p>
+<p>Dat roostersysteem, vroeger veel in zwang, was zeer gebrekkig, maar is sedert veel
+verbeterd door den kolonel Fleissner. Het is nu nog de allerbeste manier en de veiligste
+ook, wanneer het geldt een onoplosbaar geheimschrift te erlangen. Bij alle andere
+stelsels, hetzij met een onveranderlijken grondslag of met enkelen sleutel, waarbij
+iedere letter van het <span class="corr" id="xd33e638" title="Bron: alphabeth">alphabet</span> steeds door een en hetzelfde <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>teeken voorgesteld wordt,—hetzij met veranderlijken grondslag of met dubbelen sleutel,
+waarbij men bij iedere letter als het ware van <span class="corr" id="xd33e643" title="Bron: alphabeth">alphabet</span> verandert, is de veiligheid niet volkomen. Verscheidene lieden toch, die zich op
+het ontraadselen van geheimschrift toeleggen, zijn in staat wonderen bij die soort
+van nasporingen te verrichten, hetzij door eene berekening van waarschijnlijkheden,
+hetzij door een ijverigen arbeid van tasten en beproeven. Slechts door zich te gronden
+op de letters, die het meest voorkomen in zulk een geheimschrift—als de <i>e</i> in de Fransche, Engelsche, Duitsche en Nederlandsche, de <i>o</i> in de Spaansche, de <i>a</i> in de Russische, de <i>e</i> en <i>i</i> in de Italiaansche talen—geraken zij er toe de letters van den tekst uit het geheimschrift
+hare ware beteekenis in den verklaarden tekst weer te geven. Er bestaan dan ook weinig
+dépêches, volgens die stelsels vervaardigd, die aan de scherpzinnige gevolgtrekkingen
+van die naspoorders ontsnappen.
+</p>
+<p>Het schijnt dus dat de roosters of de sleutelwoordenboeken—dat wil zeggen diegene,
+waarin zekere vaak gebruikelijke woorden, geheele volzinnen beteekenende, door getallen
+aangegeven zijn—de meest volkomen waarborgen moeten geven van onoplosbaarheid. Maar
+die beide stelsels hebben eene ernstige schaduwzijde: zij vereischen eene volkomene
+geheimhouding, of beter, zij vorderen de noodzakelijkheid van nimmer de toestellen
+of boeken, die dienen om hen te vormen, in handen van oningewijden te laten vallen.
+Want inderdaad, is het zonder dien rooster of zonder dat woordenboek onmogelijk die
+dépêches te lezen, zoo is dat daarentegen gemakkelijk voor hen in wier handen die
+rooster of dat woordenboek zich bevindt.
+</p>
+<p>Het was dus door middel van een rooster, dat wil zeggen een vierkant van bordpapier,
+schaakvormig in ruiten verdeeld, waarvan sommige vakken weggeknipt waren, dat de brieven,
+tusschen graaf Sandorf en zijne partijgangers gewisseld, opgelost werden. Maar uit
+overmaat van voorzorg werden alle stukken, na gelezen te zijn, van weerszijden verbrand
+en vernietigd. Gebeurde het dus dat die rooster, dien hij en zijn vrienden gebruikten,
+verloren geraakte of gestolen werd, dan kon daaruit geen nadeel voortvloeien. Er zou
+dan nimmer eenig spoor van dat komplot overblijven, waarin de edelste heeren, de aanzienlijkste
+magnaten van <span class="corr" id="xd33e660" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span>, gemeenschappelijk verbonden met de voornaamste vertegenwoordigers der burgerij en
+van het volk, betrokken waren en hun hoofd waagden.
+</p>
+<p>Juist had Ladislas Zathmar de laatst ontvangen berichten verbrand, toen iemand bescheiden
+op de deur van het vertrek klopte.
+</p>
+<p>Het was Borik, die graaf Mathias Sandorf aanmeldde, welk zoo even te voet van het
+naburige station aangekomen was.
+</p>
+<p>Ladislas Zathmar trad dadelijk op hem toe.
+<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p>
+<p>„Uwe reis, Mathias?.…” vroeg hij met de haast van iemand die vóór alles gerust gesteld
+wil zijn.
+</p>
+<p>„Is volkomen geslaagd, Zathmar,” antwoordde graaf Sandorf. „Ik kan niet twijfelen
+aan de gevoelens onzer vrienden in <span class="corr" id="xd33e671" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> en hunne medewerking is ons thans verzekerd.”
+</p>
+<p>„Hebt gij hen dat bericht, hetwelk ons drie dagen geleden van Pest toegezonden werd,
+medegedeeld?” vroeg Stephanus Bathory, voor wien Sandorf groote vriendschap koesterde.
+</p>
+<p>„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn gewaarschuwd. Ook zijn
+zij gereed! Zij zullen op het eerste sein opstaan. In twee uren zullen wij meester
+van Buda en van Pest zijn, in een halven dag van de voornaamste comitaten aan deze
+en gene zijde van de Theiss, en in een geheelen dag van <span class="corr" id="xd33e678" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> en van het gouvernement der Militaire Grenzen. En dan zullen acht millioen Hongaren
+hunne onafhankelijkheid herwonnen hebben!”
+</p>
+<p>„En de rijksraad?”
+</p>
+<p>„Onze partijgenooten hebben er de meerderheid in,” antwoordde Mathias Sandorf. „Zij
+zullen dadelijk het nieuwe gouvernement samenstellen, hetwelk de teugels van het bestuur
+in handen moet nemen. Alles zal regelmatig en gemakkelijk gaan, daar de comitaten,
+wat hunne administratie betreft, nauwelijks van de Kroon van Oostenrijk afhankelijk
+zijn en dat hunne hoofden hunne eigene politie hebben.”
+</p>
+<p>„Maar de raad van het Vice-Koningschap van het rijk, die door den prins palatijn te
+Buda voorgezeten wordt?.…” vroeg Ladislas Zathmar.
+</p>
+<p>„De palatijn en de raad zullen onmiddellijk bij het uitbreken der beweging in de onmogelijkheid
+gesteld worden om te handelen.…”
+</p>
+<p>„En ook in de onmogelijkheid om met de kanselarij van <span class="corr" id="xd33e687" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> te Weenen te correspondeeren?”
+</p>
+<p>„Ja, alle onze maatregelen zijn zoodanig getroffen, dat de eenparigheid hunner uitvoering
+den goeden uitslag waarborgt.”
+</p>
+<p>„Den goeden uitslag?” zei Stephanus Bathory.
+</p>
+<p>„Ja, den goeden uitslag!” antwoordde graaf Sandorf. „In het leger behooren allen ons,
+wien ons bloed, dat wil zeggen het Hongaarsche bloed door de aderen vloeit. Waar is
+de nakomeling der oude Magyaren, wiens hart niet klopt bij het zien van de vlag der
+Rodolphen en der Corvijnen!<span class="corr" id="xd33e694" title="Bron: ’">”</span>
+</p>
+<p>En Mathias sprak die woorden met al de geestdrift van een vurig vaderlander uit.
+</p>
+<p>„Maar in afwachting dat dit uur komen zal,<span class="corr" id="xd33e700" title="Bron: „">” </span>ging hij voort, „laat ons geen enkelen maatregel verzuimen om iedere achterdocht te
+ontgaan. Laat ons voorzichtig zijn, wij zullen er slechts te sterker door zijn!—Hebt
+gij niets verdachts te Triëst vernomen?”
+<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p033width"><img src="images/p033.jpg" alt="Om te Pola uitgestrekte arsenalen en eene oorlogshaven te stichten. (Bladz. 34.)" width="508" height="720"><p class="figureHead">Om te Pola uitgestrekte arsenalen en eene oorlogshaven te stichten. (Bladz. 34.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p>
+<p>„Neen,” antwoordde Ladislas Zathmar. „Men heeft hier slechts ooren en oogen voor de
+werken, die de Staat te Pola doet uitvoeren en waarvoor het grootste gedeelte der
+werklieden aangenomen zijn.”
+</p>
+<p>En werkelijk, sedert een vijftiental jaren had het Oostenrijksch gouvernement, in
+het vooruitzicht van Venetië mogelijk te moeten verliezen—hetgeen inderdaad gebeurd
+is—het plan opgevat om te Pola, aan het uiteinde van het Istrische <span class="corr" id="xd33e713" title="Bron: schierleiand">schiereiland</span>, uitgestrekte arsenalen en eene oorlogshaven te stichten, om dat punt van de Adriatische
+zee te kunnen beheerschen. In weerwil van het protest van Triëst, wier maritieme belangrijkheid
+daardoor verminderd werd, waren de werken met koortsachtigen ijver vervolgd geworden.
+Mathias Sandorf en zijne vrienden konden dus denken, dat de bewoners van Triëst geneigd
+zouden zijn hen te volgen, in geval de afscheidingsbeweging zich tot daar zoude uitbreiden.
+</p>
+<p>Wat er ook van aan zij, het geheim van die samenzwering ten voordeele van de Hongaarsche
+onafhankelijkheid was goed bewaard geworden. Niets had aanleiding gegeven, dat de
+politie zou hebben kunnen gissen dat de voornaamste samenzweerders toen in dat bescheiden
+huis van de <span class="corr" id="xd33e718" title="Bron: Acquedotto-laan">Acquedottolaan</span> vereenigd waren.
+</p>
+<p>Zoo scheen tot het welslagen van die onderneming alles voorzien te zijn en had men
+niets anders te doen dan het juiste oogenblik af te wachten om handelend te kunnen
+optreden.
+</p>
+<p>De correspondentie in geheimschrift, tusschen Triëst en de voornaamste steden van
+Hongarije en van <span class="corr" id="xd33e724" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span>, werd al meer zeldzaam en zou zelfs geheel ophouden, tenzij gewichtige gebeurtenissen
+voorvielen. De reisduiven hadden voortaan geene dépêches meer over te brengen, daar
+de laatste maatregelen vastgesteld waren. Uit overmaat van voorzichtigheid dus had
+men de voorzorg genomen, hun toevluchtsoord op het huis van Ladislas Zathmar te sluiten.
+</p>
+<p>Er moet hier bijgevoegd worden, dat wanneer het geld de zenuw des oorlogs is, het
+dat ook is voor de samenzweringen. Het is van zeer groot belang, dat het den komplotmakers
+niet ontbreekt. En bij deze gelegenheid zou het inderdaad niet ontbreken.
+</p>
+<p>Men weet het, dat al konden graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory
+hun leven voor de onafhankelijkheid van hun vaderland opofferen, zij evenwel geen
+vermogen hadden om ten offer te brengen; want het is den lezer bekend: zij bezaten
+slechts zeer beperkte middelen. Maar graaf Mathias Sandorf was rijk, zelfs onmetelijk
+rijk, en met zijn leven was hij gereed ook geheel zijn vermogen op het spel te zetten
+voor die zaak. Sedert verscheidene maanden dan ook had hij, door tusschenkomst van
+zijn intendant Lendeck, groote sommen op zijne landerijen opgenomen, meer dan twee
+en een half millioen gulden.
+<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p>
+<p>Maar het was noodig dat die som steeds ter zijner beschikking gehouden werd en dat
+hij haar ieder oogenblik kon ontvangen. Te dien einde was zij gedeponeerd geworden
+bij een bankiershuis te Triëst, waarvan de goede naam onbesproken, en de soliditeit
+tegen iedere gebeurlijkheid bestand was. Dat was het huis Toronthal, waarover Sarcany
+en Zirone juist gesproken hadden, terwijl zij op het kerkhof der bovenstad vertoefden.
+</p>
+<p>Welnu, die buiten alle berekening vallende gebeurtenis, zou de gewichtigste gevolgen
+na zich slepen, zooals men zien zal uit den loop van deze geschiedenis.
+</p>
+<p>Bij de vermelding van dat geld, waarvan een oogenblik sprake was geweest gedurende
+hun laatste gesprek, zei graaf Sandorf tot graaf Zathmar en tot Stephanus Bathory,
+dat het zijn voornemen was om eerstdaags een bezoek aan den bankier Silas <span class="corr" id="xd33e735" title="Bron: Thoronthal">Toronthal</span> te brengen, om hem te verwittigen, dat hij het geld binnen den kortst mogelijken
+tijd te zijner beschikking te stellen had.
+</p>
+<p>En waarlijk, de gebeurtenissen zouden weldra graaf Sandorf er toe aanzetten om het
+van Triëst verwachte signaal te geven, te meer nog nu hij dien eigen avond meende
+bespeurd te hebben, dat het huis van graaf Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen
+werd. En dat verontrustte hem.
+</p>
+<p>Toen graaf Sandorf en Stephanus Bathory tegen tien uur naar buiten traden, de een
+om zich naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat te begeven, de andere om naar
+het <span class="corr" id="xd33e742" title="Bron: hotel Delorme">hôtel Delòrme</span> weer te keeren, meenden zij twee mannen te ontwaren, die hen in het donker bespiedden,
+hen op eenigen afstand volgden en alle moeite deden om niet gezien te worden.
+</p>
+<p>Mathias Sandorf en zijn metgezel, vast besloten om te weten te komen wat er gaande
+was, aarzelden geen oogenblik om op die zoo verdachte personen toe te treden. Maar
+toen dezen hen bespeurden, verdwenen zij bij den hoek van de Sint Antonius-kerk, bij
+het uiteinde van het groote kanaal, vóór dat het mogelijk geweest was hen in te halen.
+<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4118">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">III.</h2>
+<h2 class="main">HET BANKIERSHUIS TORONTHAL.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Te Triëst bestaat eigenlijk geen gezelschapsband. Tusschen verschillende rassen bestaat
+geene gezelligheid, evenmin als tusschen verschillende kusten. De Oostenrijksche beambten
+koesteren de verwaandheid om te meenen, dat zij de hoogste sport op de maatschappelijke
+ladder innemen, welke ook de plaats zij, welke zij in het administratieve werktuig
+bekleeden. Over het algemeen zijn dat voorname lieden, die goed onderwezen en zeer
+welwillend zijn. Hunne bezoldiging is evenwel mager en schraal en ver beneden hun
+maatschappelijk standpunt, zoodat zij niet wedijveren kunnen met de handels- of met
+de finantie-mannen. Deze laatsten zijn genoodzaakt, daar de bijeenkomsten bij de rijke
+familiën zeldzaam zijn, maar zeldzamer nog de officieele vereenigingen, hun toevlucht
+te nemen tot weelderigheid buitenshuis—oogenweelderigheid zou men het kunnen noemen—zooals
+bij het verschijnen op de straten door de pracht hunner equipages, of in den schouwburg
+door den rijkdom der toiletten, door den overvloed van diamanten, welke hunne dames
+in de loges van het Teatro <span class="corr" id="xd33e754" title="Bron: Communale">Comunale</span> of van de Armonia tentoonstellen.
+</p>
+<p>Onder al die rijke familiën werd voornamelijk die van den bankier Silas Toronthal
+opgemerkt.
+</p>
+<p>Het hoofd van dat bankiershuis, waarvan het crediet zich verre over de grenzen van
+het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk uitstrekte, was toen zeven-en-dertig jaren
+oud. Hij bewoonde met mevrouw Toronthal, die eenige jaren jonger was dan hij, een
+prachtig huis in de <span class="corr" id="xd33e760" title="Bron: Acquedotto-laan">Acquedottolaan</span>.
+</p>
+<p>Silas Toronthal ging door voor zeer rijk te zijn, en dat moest hij ook wezen. Stoutmoedige
+en zeer gelukkige <span class="corr" id="xd33e765" title="Bron: beursspeculatién">beursspeculatiën</span>, een breede grondslag van zaken met de maatschappij van de Oostenrijksche Lloyd en
+met andere groote huizen, belangrijke leeningen, waarvan de uitgifte hem toevertrouwd
+was, dat alles kon slechts veel geld in zijne kas gebracht hebben. Vandaar dat hij
+groote sier gemaakt had, hetgeen wel het oog op hem deed vallen.
+<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p037width"><img src="images/p037.jpg" alt="Dat het huis van graaf Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen werd. (Bladz. 35.)" width="502" height="720"><p class="figureHead">Dat het huis van graaf Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen werd. (Bladz.
+35.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb36a">[<a href="#pb36a">36</a>]</span></p>
+<p>Evenwel was het toch mogelijk, zooals Sarcany tot Zirone gezegd had, dat de zaken
+van Silas Toronthal toentertijd eenigermate belemmering ondervonden, ten minste voor
+het oogenblik. Dat hij zeven jaren vroeger den weerslag ondervonden had van de verwarring
+bij de Bank en op de beurs teweeg gebracht door den oorlog <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>van Frankrijk en Italië tegen Oostenrijk, daarna en nog slechts kort geleden, door
+den veldtocht, die met de ramp van Sadowa beëindigd werd, dat hij op dat tijdstip
+zware verliezen geleden had door de daling der fondsen op de voornaamste plaatsen
+van Europa, maar vooral op die van het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk, zooals
+Weenen, Pest en Triëst, dat kon niet anders. Toen zou hij, wanneer hij verplicht ware
+geworden, de kapitalen, die bij hem in rekening-courant waren gedeponeerd, terug te
+betalen, in ernstige ongelegenheid zijn geraakt. Maar dat was niet geschied en hij
+had zich voorzeker weer na die crisis hersteld. Maar wanneer het waar was, wat Sarancy
+beweerde, had hij gewaagde speculatiën moeten ondernemen, waardoor de soliditeit van
+zijn huis op losse schroeven gesteld zoude zijn.
+</p>
+<p>En inderdaad sedert eenige maanden was Silas <span class="corr" id="xd33e780" title="Bron: Thoronthal">Toronthal</span>—zedelijk althans—veel veranderd. Hoezeer hij de uitingen zijner gevoelens ook in
+bedwang had, zoo was zijn uiterlijk toch zijns ondanks gewijzigd. Kenteekenen begonnen
+hem te verraden. Hij was niet meer zooals vroeger. Opmerkers zouden bespeurd hebben,
+dat hij de menschen niet meer openlijk in het gelaat durfde aanschouwen, zooals hij
+vroeger gewoon was te doen; maar hen van ter zijde aankeek, met half gesloten oogen.
+Die beginnende kenmerken waren zelfs aan mevrouw Toronthal niet ontsnapt, die eene
+ziekelijke vrouw was zonder eenige geestkracht, daarenboven zeer onderworpen aan den
+wil van haren echtgenoot en die slechts weinig en dan nog zeer oppervlakkig met zijne
+zaken bekend was.
+</p>
+<p>Nu kon er op gerekend worden, en het moet wel bekend worden, dat wanneer een ramp
+zijne bankierszaken bedreigde, Silas Toronthal geen medelijden van de openbare meening
+te verwachten had. Dat hij vele klanten zoowel in de stad als in het rijk had, was
+waar; maar hij had weinig vrienden. Het hooge gevoel, dat hij van zijne maatschappelijke
+positie koesterde, zijne aangeboren ijdelheid, het voorkomen van meerderheid, hetwelk
+hij jegens iedereen en bij alles aannam, dat alles was niet geschikt om de menschen
+buiten den kring zijner zaken aan te trekken. Daarenboven de Triëstenaren hielden
+hem voor een vreemdeling, daar hij afkomstig van Ragusa, dus een Dalmaat van geboorte
+was. Geen familiebanden bonden hem derhalve aan die stad, waarin hij een vijftiental
+jaren geleden gekomen was om er de grondslagen van zijn vermogen te vestigen.
+</p>
+<p>Zoo was toen de toestand van het huis Toronthal. Hoewel Sarcany te dien opzichte eenige
+achterdocht koesterde, zoo bestond er nog niets, hetgeen veroorloofde het gerucht
+te beamen, dat de zaken van den rijken bankier ernstig bedreigd werden. Zijn crediet
+was evenwel volstrekt niet aangetast, openlijk althans. <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>Graaf Mathias Sandorf had dan ook geen oogenblik geaarzeld, na zijne fondsen te gelde
+gemaakt te hebben, hem eene zeer aanzienlijke som toe te vertrouwen, eene som die
+steeds ter zijner beschikking moest gehouden worden, op voorwaarde, dat vier en twintig
+uren te voren gewaarschuwd moest worden, wanneer uitbetaling verlangd werd.
+</p>
+<p>Misschien zal de lezer zich verwonderen, dat punten van aanraking, ja dat betrekkingen
+hadden kunnen ontstaan tusschen dat bankiershuis, hetwelk onder de meest geachte aangeteekend
+stond, en een persoon als Sarcany was. Toch was het zoo, en die betrekking dagteekende
+reeds van twee of drie jaren geleden.
+</p>
+<p>Op dat tijdstip had Silas Toronthal zeer belangrijke zaken te verhandelen gehad met
+het regentschap Tripoli. Sarcany, die een soort makelaar in allerhande zaken en zeer
+ervaren in de kunst van cijferen was, slaagde er in om als tusschenpersoon in die
+zaken op te treden, die—het moet er bij gezegd worden—van zeer verdachten aard waren.
+Er waren daarbij transactiën gesloten, die het daglicht niet mochten zien, omtrent
+omkoopingen, omtrent twijfelachtige commissieloonen, omtrent weinig eerlijke heffingen,
+waarin de Triëster bankier niet in persoon had willen optreden. In die omstandigheden
+was Sarcany op den voorgrond getreden. Hij werd agent bij die knoeierige combinatiën
+en bewees daarbij en ook bij andere zaken van denzelfden aard, goede diensten aan
+Silas Toronthal. Daaruit werd heel natuurlijk de gelegenheid geboren om toegang tot
+het bankiershuis te hebben. Hij had er voet, werd gezegd, hij had er de hand: ware
+beter uitgedrukt. En inderdaad, nadat die smerige zaken afgeloopen waren en hij Tripoli
+verlaten had, hield Sarcany niet op eene soort geldafpersing op den Triëster bankier
+toe te passen. Niet dat Silas Toronthal geheel en al aan de genade van dien schoft
+overgeleverd was. Van die compromitteerende operatiën bestond geen enkel feitelijk
+bewijs. Maar de toestand van een bankier is van teederen aard. Eén enkel woord kan
+hem benadeelen. En nu wist Sarcany genoeg, om het geraden te achten, rekening met
+hem te houden.
+</p>
+<p>En dat deed Silas Toronthal ook. Het kostte hem zelfs belangrijke sommen, die zoo
+bijzonder vlug opgemaakt en voornamelijk in kroegen verspild werden, als dat slechts
+door een gelukzoeker geschieden kan, die omtrent de toekomst geene zorgen hoegenaamd
+koestert. Sarcany werd eindelijk, nadat hij den bankier tot in Triëst opgezocht had,
+zoo lastig, zoo veeleischend, dat het den bankier begon te vervelen en deze hem eindelijk
+ieder crediet weigerde. Sarcany dreigde. Silas Toronthal hield vol. En daarin had
+hij gelijk, daar die volleerde geldafperser eindelijk bij zichzelven tot de bekentenis
+moest komen, dat hij bij gebrek aan deugdelijke <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>bewijzen, tamelijk ongewapend tegenover den bankier stond.
+</p>
+<p>Ziedaar de redenen waarom Sarcany en zijn eerlijke makker Zirone zich sedert eenigen
+tijd zonder middelen bevonden, en zoodanig zonder geld waren, dat zij in de onmogelijkheid
+waren de stad te verlaten om elders hun geluk te beproeven. Maar men weet ook, dat
+Silas Toronthal, met het doel om zich geheel en al van hen te ontdoen, hen eene som
+gelds als laatste hulp had toegezonden. Die som zou hen in staat stellen om Triëst
+te verlaten en naar Sicilië weer te keeren, waar Zirone geaffiliëerd was aan een schrikwekkend
+gezelschap, dat de oostelijke en de middenprovinciën van dat eiland exploiteerde.
+De bankier mocht dus hopen zijn makelaar in Tripolitaansche zaken nimmer weer te zien,
+en dat hij nimmermeer van hem zou hooren spreken. Daarbij vergiste hij zich, wat hem
+bij andere zaken ook wel eens overkwam.
+</p>
+<p>Het was in den avond van den 18den Mei dat de tweehonderd gulden, vergezeld van het
+bekende korte briefje door Silas Toronthal verzonden en door de twee gelukzoekers
+in hun logement, alwaar zij verblijf hielden, ontvangen waren.
+</p>
+<p>Zes dagen later, dus den 24sten van dezelfde maand, belde Sarcany bij het bankiershuis
+aan en verzocht om Silas Toronthal te spreken; zijn aandringen was van zoodanigen
+aard, dat deze inwilligde hem te ontvangen.
+</p>
+<p>De bankier was op zijn kantoor, waarvan Sarcany de deur zorgvuldig sloot, zoodra hij
+binnengekomen was.
+</p>
+<p>„Gij alweer! En nog hier!” riep Silas Toronthal eerst uit. „Wat komt gij hier doen?
+Ik heb u voor de laatste maal eene som geld toegezonden, die toereikend moet zijn
+om Triëst te kunnen verlaten. Gij zult nimmermeer iets van mij krijgen, wat gij mij
+ook zult willen vertellen of wat gij ook uitvoeren wilt! Waarom zijt gij niet vertrokken?
+Ik waarschuw u, dat ik mijne maatregelen zal nemen om uwe lastige bezoeken voortaan
+tegen te gaan!—Wat wilt ge thans van mij?”
+</p>
+<p>Sarcany had dien woordenvloed, waarop hij voorbereid was, koelbloedig aangehoord.
+Zijne houding was dezelfde niet meer, welke hij gewoonlijk aannam, namelijk brutaal
+en uitdagend, zooals hij bij zijne laatste bezoeken aan het bankiershuis geweest was.
+</p>
+<p>Hij bleef zichzelven niet alleen geheel en al meester, maar hij bleef ook ernstig.
+Hij greep een stoel, zonder dat hij de uitnoodiging ontvangen had om te gaan zitten;
+nam plaats en wachtte daarna dat de booze luim van den bankier zich in luidruchtige
+verwijtingen lucht gegeven en uitgeput zoude hebben om hem te antwoorden.
+</p>
+<p>„Welnu, zult ge spreken?” hernam Silas Toronthal, die, na zijn kabinet eenige malen
+op en neer geloopen te hebben, op zijn beurt <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>was gaan zitten, evenwel zonder er in geslaagd te zijn meer bedaard te worden.
+<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p041width"><img src="images/p041.jpg" alt="De bankier bekeek het niet zonder nieuwsgierigheid. (Bladz. 46.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">De bankier bekeek het niet zonder nieuwsgierigheid. (Bladz. 46.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb42a">[<a href="#pb42a">42</a>]</span></p>
+<p>„Ik wacht tot gij kalmer zult zijn,” antwoordde Sarcany vreedzaam, „en ik zal al den
+tijd wachten, die daartoe noodig zal zijn.”
+</p>
+<p>„Of ik kalm ben of niet, wat kan dat schelen? Voor de laatste maal, wat wilt gij van
+mij?”
+</p>
+<p>„Silas Toronthal, ik heb u eene zaak voor te stellen.”
+</p>
+<p>„Eene zaak?”
+</p>
+<p>„Ja.”
+</p>
+<p>„Ik wil over geen zaken spreken met u, ik wil geen zaken met u doen of daarover onderhandelen!”
+riep de bankier uit. „Wij hebben niets gemeens meer met elkander en ik wil dat gij
+Triëst terstond, heden nog verlaat, om er nooit terug te komen.”
+</p>
+<p>„Ik denk te vertrekken en Triëst te verlaten,” antwoordde Sarcany, „maar ik wil niet
+vertrekken zonder mijne schuld aan uw huis aangezuiverd te hebben.<span class="corr" id="xd33e821" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>„Uwe schuld?.… Aanzuiveren!.… Gij?.… mij betalen?”
+</p>
+<p>„Ja, u betalen interest, kapitaal, alles, ongerekend een deel in de winsten van.…”
+</p>
+<p>Silas Toronthal trok verachtelijk de schouders op bij dat onverwachte voorstel, komende
+van Sarcany.
+</p>
+<p>„De sommen, die ik u voorgeschoten heb, heb ik op mijne verliesrekening gebracht,”
+zeide hij. „Ik scheld u die kwijt en heb dus niets van u te vorderen.”
+</p>
+<p>Sarcany glimlachte.
+</p>
+<p>„Ik ben boven die nietigheden verheven,” ging de bankier voort.
+</p>
+<p>„Maar als het mij belieft uw schuldenaar te blijven?”
+</p>
+<p>„Dat kan slechts gelden, als het mij belieft uw schuldeischer te zijn!”
+</p>
+<p>Bij die woorden keken Silas Toronthal en Sarcany elkander in het gelaat. Daarop trok
+deze laatste op zijne beurt de schouders op.
+</p>
+<p>„Volzinnen slechts, niets anders dan volzinnen! Woorden, anders niets,” hernam Sarcany.
+„Ik herhaal, dat ik u eene zeer ernstige zaak kom voorstellen.”
+</p>
+<p>„Even smerig als ernstig, ongetwijfeld?”
+</p>
+<p>„Hé, hé, het zou voor de eerste maal niet zijn, dat gij u tot mij wendet, om.…”
+</p>
+<p>„Sarcany!” riep de bankier uit.
+</p>
+<p>„Neen, niet de eerste maal, dat gij mijne.…”
+</p>
+<p>„Woorden, niets dan woorden,” herhaalde Silas Toronthal op zijne beurt. Hij wist niets
+anders te zeggen om de brutale uiting, die den anderen op de lippen lag, te stuiten.
+</p>
+<p>„Hoor naar mij,” zei Sarcany, „ik zal kort zijn.”
+</p>
+<p>„En daar zult ge goed aan doen.”
+<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span></p>
+<p>„Indien hetgeen ik u ga voorstellen, niet van uwe gading zal zijn, zullen wij er niet
+meer over spreken en zal ik van hier vertrekken.”
+</p>
+<p>„Van hier of van Triëst?”
+</p>
+<p>„Van hier en van Triëst!”
+</p>
+<p>„Morgen reeds?”
+</p>
+<p>„Heden avond reeds!”
+</p>
+<p>„Spreek dan.”
+</p>
+<p>„Ziehier wat het geldt.” zei Sarcany. „Maar.…” voegde hij er bij, terwijl hij overal
+rondkeek, „zijt gij er zeker van dat niemand ons hooren kan?”
+</p>
+<p>„Gij staat er dus op, dat ons onderhoud geheim zal blijven?” antwoordde de bankier
+met ietwat spotachtigs in zijne stem.
+</p>
+<p>„Ja, Silas Toronthal, want wij beiden, gij en ik, zullen het leven van hooge personen
+in de hand hebben!<span class="corr" id="xd33e854" title="Bron: ’">”</span>
+</p>
+<p>„Gij misschien! Ik, neen!”
+</p>
+<p>„Oordeel er over! Ik ben op het spoor van eene samenzwering. Wat haar doel is? Dat
+weet ik nog niet. Maar sedert de partij, die te midden van de vlakte van Sadowa afgespeeld
+werd, sedert den slag van Sadowa heeft ieder niet-Oostenrijker fraai spel tegen Oostenrijk.
+Nu heb ik wel redenen om te meenen, dat eene beweging voorbereid wordt, eene beweging
+ten voordeele van Hongarije, waaruit wij munt kunnen slaan.”
+</p>
+<p>Silas Toronthal vergenoegde zich deze enkele woorden op spottenden toon tot antwoord
+te geven:
+</p>
+<p>„Er valt niets te halen van eene samenzwering.”
+</p>
+<p>„Waarachtig wel! Meer dan waarschijnlijk.”
+</p>
+<p>„Hoe dan?”
+</p>
+<p>„Door haar te verraden.”
+</p>
+<p>„Komaan, laat hooren. Verklaar u nader.”
+</p>
+<p>„Luister dan,” zei Sarcany.
+</p>
+<p>Daarop verhaalde hij, wat er op het oude kerkhof van Triëst gebeurd was, hoe hij eene
+reisduif bemachtigd had, de wijze waarop het briefje in geheimschrift—waarvan hij
+een afschrift gehouden had—in zijne handen gevallen was en hoe hij met de woning van
+hem, voor wien het briefje bestemd was, bekend was geworden. Hij voegde er bij dat
+hij en Zirone de laatste vijf dagen doorgebracht hadden met alles te bespieden, zoo
+niet wat binnen dat huis omging, dan toch het uiterlijke en den omtrek daarvan. Eenige
+personen, die altijd dezelfde waren, kwamen er steeds des avonds bijeen en traden
+niet zonder groote voorzorgen binnen. Andere duiven waren van daar vertrokken, andere
+waren weer aangekomen. De eerste vlogen noordwaarts, de overigen kwamen daar vandaan.
+De deur dezer woning werd door een ouden dienstbode bewaakt, <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>die haar ongaarne ontsloot en steeds de naderenden nauwgezet gadesloeg. Sarcany en
+zijn makker hadden zelfs met eene zekere omzichtigheid moeten te werk gaan, om de
+aandacht van dien man niet te trekken. En nog vreesden zij, zijne achterdocht sedert
+eenige dagen te hebben opgewekt.
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd33e872" title="Bron: Silias">Silas</span> Toronthal begon meer aandacht aan het verhaal te wijden, dat Sarcany hem deed. Hij
+vroeg zich af, wat er waars kon zijn in dat alles. Zijn oude makelaar was niet zoo
+geheel te vertrouwen. Hij vroeg zich ook af op welke wijze deze meende dat hij zich
+in de zaak zou mengen, om er eenig voordeel uit te behalen.
+</p>
+<p>Toen het verhaal uit was en toen Sarcany nogmaals en voor den laatsten keer verzekerd
+had, dat het eene samenzwering tegen den Staat betrof en dat het zeker gewin moest
+opleveren, wanneer men de geheimen van dat komplot zoude weten te benuttigen, vergenoegde
+zich de bankier hem de navolgende vragen te stellen:
+</p>
+<p>„Waar is dat huis gelegen?”
+</p>
+<p>„In de Acquedottolaan.”
+</p>
+<p>„Nummer?”
+</p>
+<p>„Nummer 89.”
+</p>
+<p>„Aan wien behoort die woning?”
+</p>
+<p>„Aan een Hongaarsch edelman.”
+</p>
+<p>„Een Hongaar?”
+</p>
+<p>„Ja.”
+</p>
+<p>„En die heet?”
+</p>
+<p>„Graaf Ladislas Zathmar.”
+</p>
+<p>„En welke personen bezoeken hem?”
+</p>
+<p>„Het zijn voornamelijk twee.”
+</p>
+<p>„Slechts twee?”
+</p>
+<p>„Ja. Beiden zijn van Hongaarsche afkomst.”
+</p>
+<p>„En de eene heet?”
+</p>
+<p>„De eene is een professor hier ter stede en heet Stephanus Bathory<span class="corr" id="xd33e895" title="Bron: ”.">.”</span>
+</p>
+<p>„En de andere?”
+</p>
+<p>„Graaf Mathias Sandorf.”
+</p>
+<p>„Weet gij dat zeker?”
+</p>
+<p>„Ja, zeer zeker.”
+</p>
+<p>Bij dien laatstgenoemden naam was een licht gebaar van verwondering aan Silas Toronthal
+ontsnapt, hetgeen Sarcany niet ontging. Wat die drie namen betreft, die deze laatste
+genoemd had, het was hem gemakkelijk gevallen die te weten te komen. Hij was beiden
+gevolgd, professor Stephanus Bathory zoowel als graaf Sandorf, den eersten, toen hij
+naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat wederkeerde, den andere toen hij zich
+naar het <span class="corr" id="xd33e904" title="Bron: hotel Delorme">hôtel Delòrme</span> begaf.
+<span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p045width"><img src="images/p045.jpg" alt="En ging heen, terwijl de bankier hem tot aan de deur van het vertrek begeleidde. (Bladz. 51.)" width="508" height="720"><p class="figureHead">En ging heen, terwijl de bankier hem tot aan de deur van het vertrek begeleidde. (Bladz.
+51<span class="corr" id="xd33e912" title="Bron: ).">.)</span></p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb44a">[<a href="#pb44a">44</a>]</span></p>
+<p>„Gij ziet het, Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „dat zijn namen, <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>die ik geen oogenblik geaarzeld heb u te openbaren. Gij zult daaruit wel willen ontwaren,
+dat ik u niet wil bedriegen, of ook maar tegenover u wil veinzen.”
+</p>
+<p>„Dat alles is wel nevelachtig en onbestemd,” antwoordde de bankier, die klaarblijkelijk
+meer van de zaak wenschte te weten, alvorens er op in te gaan.
+</p>
+<p>„Nevelachtig en onbestemd?” vroeg Sarcany.
+</p>
+<p>„Zeker! Gij hebt eigenlijk niets wat op een daadwerkelijk bewijs gelijkt.”
+</p>
+<p>„En dit dan?”
+</p>
+<p>„Wat?”
+</p>
+<p>„Dat briefje?”
+</p>
+<p>Daarbij reikte Sarcany het afschrift van het geheimschrift aan Silas Toronthal over.
+</p>
+<p>„Dat vod?”
+</p>
+<p>De bankier bekeek en onderzocht het niet zonder nieuwsgierigheid, hoe onverschillig
+hij de woorden „dat vod” ook had uitgesproken; maar die geheimzinnige woorden konden
+geen zin voor hem hebben en er was geen enkele aanwijzing, dat zij de belangrijkheid
+bezaten, die Sarcany hen toeschreef. Wanneer die zaak van zoodanigen aard was om zijne
+belangstelling op te wekken, dan was het dat zij graaf Mathias Sandorf betrof, die
+een goede klant van zijn huis was en wiens toestand van schuldeischer jegens hem,
+hem verontrustte, wanneer deze een dadelijke uitkeering der fondsen, bij het bankiershuis
+gestort, vergde.
+</p>
+<p>„Welnu?” vroeg Sarcany, nadat Silas Toronthal het papier had ingekeken.<span id="xd33e932"></span>
+</p>
+<p>„Welnu,” antwoordde deze, „mijne meening is, dat de zaak nevelachtig en onbestemd
+is en door dat biljet dat al meer en meer wordt.”
+</p>
+<p>„Mij dunkt integendeel, dat zij duidelijk en helder is,” was het wederantwoord van
+Sarcany, die zich door de aangenomen houding van den bankier niet liet uit het veld
+slaan.
+</p>
+<p>„Hebt gij dat geheimschrift kunnen ontraadselen?”
+</p>
+<p>„Neen, Silas Toronthal, maar.…”
+</p>
+<p>„Maar wat?”
+</p>
+<p>„Ik zal het weten te lezen als de tijd daar zal zijn.”
+</p>
+<p>„En hoe?”
+</p>
+<p>„Ik heb mij wel meer met dergelijke evenals ook met andere zaken beziggehouden,” antwoordde
+Sarcany, „en ik heb nog al brieven en stukken, in geheimschrift gesteld, in handen
+gehad, dat verzeker ik u. Nu heeft een nauwgezet onderzoek van dit briefje mij helder
+en klaar overtuigd, dat de sleutel er van noch op een getal, noch op een vooraf overeengekomen
+alphabet berust, die <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>aan ieder der letters eene andere beduidenis dan hare ware verleent. Ja, in dit biljet
+is een <i>s</i> een <i>s</i>, een <i>p</i> een <i>p</i> en een <i>r</i> een <i>r</i>; maar deze letters zijn in eene volgorde gesteld die niet kan hersteld worden dan
+door middel van een rooster.”
+</p>
+<p>De lezer weet reeds dat Sarcany zich niet vergiste. Dat was inderdaad het stelsel
+hetwelk bij die briefwisseling gebruikt was. Hij weet ook, dat het daardoor des te
+<span class="corr" id="xd33e961" title="Bron: moeielijker">moeilijker</span> was, dat geheimschrift te ontraadselen.
+</p>
+<p>„Ik wil aannemen,” sprak de bankier, „en niet loochenen, dat gij gelijk hebt; maar
+zonder dien rooster is het toch onmogelijk dat briefje te lezen.”
+</p>
+<p>„Inderdaad.”
+</p>
+<p>„En hoe zult gij u dien rooster verschaffen?”
+</p>
+<p>„Dat weet ik nog niet,” antwoordde Sarcany; „maar wees gerust, ik zal hem mij wel
+verschaffen.”
+</p>
+<p>„Waarlijk?” vroeg de bankier spottend.
+</p>
+<p>„Ongetwijfeld,” antwoordde de andere ernstig.
+</p>
+<p>„Welnu, Sarcany, als ik in uwe plaats was, dan zou ik mij zoo veel moeite niet geven.”
+</p>
+<p>„Ik zal er de moeite toe nemen, die noodig is.”
+</p>
+<p>„Waartoe zou dat dienen? Ik zou mij eenvoudig vergenoegen met aan de politie uwe meeningen
+en achterdocht mede te deelen en haar dat briefje overhandigen.”
+</p>
+<p>„Op zijn tijd zal ik dat doen, Silas Toronthal, maar niet op eenvoudige vooronderstellingen,”
+antwoordde Sarcany koeltjes. „Wat ik wil trachten te erlangen, alvorens te spreken,
+dat zijn daadwerkelijke en derhalve onbetwistbare bewijzen. Ik heb mij in het hoofd
+gezet, mij meester van die samenzwering te maken, ja, meester! meester in de volle
+beteekenis van het woord, om er al de voordeelen uit te trekken, die ik u aanbied
+samen te deelen. En.… wie weet of het nog niet het voordeeligst zoude zijn ééne lijn
+met de samenzweerders te trekken, in plaats van ons tegen hen te stellen!”
+</p>
+<p>Een zoodanige taal kon Silas Toronthal niet verwonderen. Hij wist, waartoe Sarcany
+met zijn schranderen kop, maar met zijn slecht hart, in staat was. Maar als die man
+niet aarzelde zich zoo tegenover den Triëster bankier uit te laten, dan was dat met
+de wetenschap van zijn kant, dat men alles aan Silas Toronthal kon voorstellen, daar
+diens rekbaar geweten op iedere zaak, hoe schurkachtig ook, inging, wanneer zij maar
+grove winsten beloofde. Daarenboven, het kon niet genoeg herhaald worden, Sarcany
+kende hem al sedert lang, en hij had buitendien redenen om te gelooven, dat de toestand
+van het bankiershuis sedert eenigen tijd verward en wankelend was. Zou nu de onthulling
+van die samenzwering, behendig gebezigd, hem niet kunnen veroorloven zijne zaken te
+<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>herstellen? Het was op dergelijke beschouwingen, dat Sarcany eenigermate rekende.
+</p>
+<p>Van zijn kant poogde Silas Toronthal in dit oogenblik gesloten spel met zijn vroegeren
+makelaar in Tripolitaansche zaken te spelen. Dat er eene kiem van samenzwering tegen
+het Oostenrijksche gouvernement bestond en dat Sarcany die op het spoor was, kon hij
+wel aannemen. Dat huis van graaf Ladislas <span class="corr" id="xd33e981" title="Bron: Zatmar">Zathmar</span>, waarin de geheime samenkomsten plaats hadden, die briefwisseling in geheimschrift,
+de buitensporig groote som geld bij hem door graaf Sandorf gestort, met aanbeveling
+haar steeds ter zijner beschikking te houden, dat alles begon hem zeer verdacht voor
+te komen. Sarcany had zeer waarschijnlijk bij die omstandigheden de zaken juist ingezien.
+Maar de bankier, er nog meer van wenschende te vernemen en meer inzicht in het spel
+van den gelukzoeker wenschende te hebben, wilde nog niet dadelijk toetreden. Hij vergenoegde
+zich dan ook zoo onverschillig mogelijk te antwoorden:
+</p>
+<p>„En daarna, aangenomen dat gij er in slaagt dat geheimschrift te ontraadselen, waaraan
+ik twijfel, dan zult gij zien, dat het eenvoudig particuliere zaken, zaken zonder
+eenig belang betreft, en waaruit dan noch voor u noch voor mij eenig voordeel zal
+zijn te halen.”
+</p>
+<p>„Neen!” riep Sarcany met al het vuur eener vast gevestigde overtuiging uit. „Neen!
+Ik ben op het spoor van eene zeer ernstige en zeer gewichtige samenzwering, die door
+mannen van hoogen rang en hooge maatschappelijke positie aangevoerd wordt en ik voeg
+er bij, Silas Toronthal, dat gij er evenmin aan twijfelt als ik.”
+</p>
+<p>„Maar wat wilt gij dan eindelijk van mij?” vroeg de bankier, ditmaal recht op den
+man af.
+</p>
+<p>Sarcany stond op en antwoordde met zacht fluisterende stem, terwijl hij den bankier
+strak in de oogen keek:
+</p>
+<p>„Wat ik van u <i>wil</i>,” en hij legde bijzonderen nadruk op dit laatste woord. „Ziehier: Ik wil zoo spoedig
+mogelijk toegang tot het huis van den graaf Ladislas Zathmar hebben, onverschillig
+onder welk voorwendsel, om daarna zijn vertrouwen te winnen. Eenmaal in de plaats
+genesteld, waarin mij niemand kent, zal ik dien rooster wel weten machtig te worden
+en dat raadselschrift ontcijferen, om er dat gebruik van te maken, hetwelk het meest
+met onze belangen zal overeenkomen.”
+</p>
+<p>„Met onze belangen?” herhaalde Silas Toronthal.
+</p>
+<p>„Ja, onze belangen.”
+</p>
+<p>„Waarom zijt gij er zoo op gesteld mij in die zaak te mengen?”
+</p>
+<p>„Omdat zij der moeite waard is, en.…”
+</p>
+<p>„Oho!” riep de bankier uit.
+</p>
+<p>„En gij er groote voordeden bij behalen zult!”
+<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p049width"><img src="images/p049.jpg" alt="Eenige spionnen, die in de Acquedottolaan rondslopen. (Bladz. 56.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Eenige spionnen, die in de Acquedottolaan rondslopen. (Bladz. 56<span class="corr" id="xd33e1005" title="Bron: ).">.)</span></p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p>
+<p>„Waarom onderneemt gij die zaak niet alleen?<span class="corr" id="xd33e1011" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>„Waarom?”
+</p>
+<p>„Ja, waarom?”
+</p>
+<p>„Wel, omdat ik uwe medewerking noodig heb.”
+</p>
+<p>„Mijne medewerking?”
+</p>
+<p>„Inderdaad.”
+</p>
+<p>„Kom dan toch tot verklaring.”
+</p>
+<p>„Luister. Om mijn doel te bereiken, heb ik tijd noodig; en om te kunnen wachten, moet
+ik in de gelegenheid zijn te kunnen leven. Ik heb dus geld noodig. En dat bezit ik
+niet meer!”
+</p>
+<p>„Uw crediet bij mij is uitgeput, dat weet ge.”
+</p>
+<p>„Ja; maar.…”
+</p>
+<p>„Maar wat? Maak toch voort.”
+</p>
+<p>„Gij kunt mij een ander crediet openen!”
+</p>
+<p>„Wat zal ik daarmee kunnen winnen?”
+</p>
+<p>„Dit: Van die drie mannen, die ik u straks noemde, zijn twee zonder vermogen, dat
+zijn graaf Zathmar en professor Bathory; maar de derde is rijk, buitengewoon rijk
+zelfs. De goederen, die hij in <span class="corr" id="xd33e1029" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> bezit, zijn zeer aanzienlijk. Nu weet gij zeer goed, dat wanneer hij als samenzweerder
+gevat en veroordeeld wordt, zijne verbeurd verklaarde goederen voor het grootste gedeelte
+hun toegewezen worden, die de samenzwering ontdekt en aangebracht hebben!.… En dat
+zullen wij zijn, ik en gij, Silas Toronthal. Geloof mij, wij zullen eerlijk deelen.”
+</p>
+<p>Sarcany zweeg. De bankier antwoordde niet. Hij overpeinsde hetgeen men van hem als
+inzet van die partij eischte. Hij was daarenboven de man niet, om zich persoonlijk
+in eene zaak van dien aard bloot te geven. Maar hij gevoelde dat Sarcany als zijn
+agent wel mans genoeg was om de taak van hun beiden op zich te nemen. Wanneer hij
+mocht besluiten aan die kuiperij deel te nemen, dan zou hij dezen wel zoodanig door
+een contract weten te verbinden, dat hem geheel en al aan zijne genade zou overleveren,
+dat hij, hoewel op den achtergrond blijvende, het grootste deel der winsten zou opstrijken.…
+Toch aarzelde hij. Maar alles wel beschouwd, wat <span class="corr" id="xd33e1034" title="Bron: vraagde">waagde</span> hij toch? Hij zou in die verachtelijke daad niet optreden, hij zou er alleen de winst
+van genieten, groote winst, die den toestand van zijn huis geheel zou kunnen herstellen.
+</p>
+<p>„Welnu?.…” vroeg Sarcany.
+</p>
+<p>„Gij vraagt mijne beslissing?”
+</p>
+<p>„Ja.”
+</p>
+<p>„Welnu, neen,” antwoordde Silas Toronthal, vooral afgeschrikt door het denkbeeld zulk
+een deelgenoot te hebben, of om een beter woord te bezigen: zoo’n medeplichtige.
+</p>
+<p>„Gij weigert?”
+<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p>
+<p>„Ja, ik weiger.… Ik geloof bovendien niet aan den goeden uitslag van uwe combinatiën!”
+</p>
+<p>„Pas op, Silas Toronthal!” riep Sarcany, zonder zich ditmaal te bedwingen, op dreigenden
+toon uit.
+</p>
+<p>„Oppassen, voor wat, alsjeblieft?”
+</p>
+<p>„Ik weet zekere zaken.…”
+</p>
+<p>„De deur uit, Sarcany!” antwoordde de bankier.
+</p>
+<p>„Ik zal weten u te noodzaken.…”
+</p>
+<p>„De deur uit!”
+</p>
+<p>In dit oogenblik werd licht op de deur van het kantoor getikt. Terwijl Sarcany zijn
+gelaat vlug naar den kant van het venster gewend had, was de deur opengegaan op het
+„binnen” van den bankier. Een bediende verscheen en sprak met luider stem:
+</p>
+<p>„Graaf Sandorf verzoekt den heer Silas Toronthal een oogenblik gehoor!”
+</p>
+<p>Daarna ging hij heen.
+</p>
+<p>„Graaf Sandorf?” riep Sarcany uit.
+</p>
+<p>Van den eenen kant kon de bankier niet anders dan zeer verstoord zijn, dat Sarcany
+van dat bezoek onderricht werd, en van den anderen kant begreep hij dat groote <span class="corr" id="xd33e1058" title="Bron: moeielijkheden">moeilijkheden</span> gingen voortvloeien uit die onverwachte komst van den graaf.
+</p>
+<p>„He! he! wat komt graaf Sandorf hier doen?” vroeg Sarcany op scherp spotachtigen toon.
+„Staat gij dus in betrekking met de samenzweerders van het huis Zathmar. Inderdaad,
+ik geloof dat ik mij tot een hunner gewend heb.”
+</p>
+<p>„Zult gij eindelijk heengaan?”
+</p>
+<p>„Neen, Silas Toronthal, ik zal niet heengaan. Ik wil weten wat graaf Sandorf hier
+komt doen!”
+</p>
+<p>Toen hij die woorden uitgesproken had, wierp hij zich ijlings in een kabinet, dat
+aan het kantoor grensde en welks voorhang achter hem neerviel.
+</p>
+<p>Silas Toronthal was op het punt om iemand te roepen, teneinde den indringer te doen
+wegjagen, toen hij plotseling van gedachte veranderde.
+</p>
+<p>„Neen,” zei hij, „het is, alles wel beschouwd, waarschijnlijk beter, dat Sarcany hoore
+wat hier gesproken zal worden.”
+</p>
+<p>De bankier schelde den bediende en beval hem graaf Sandorf onmiddellijk binnen te
+geleiden.
+</p>
+<p>Mathias Sandorf trad het kantoor binnen en beantwoordde geheel overeenkomstig zijn
+karakter, de beleefde buigingen van Silas Toronthal koel. Daarna nam hij in een leuningstoel
+plaats, dien de bediende bijgeschoven had.
+</p>
+<p>„Heer graaf,” zei de bankier, „ik mocht op de eer van uw bezoek niet hopen, daar ik
+meende dat gij niet te Triëst waart. Maar gij <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>weet het, in het huis Toronthal zijt gij steeds welkom en uwe tegenwoordigheid wordt
+hier hoogst gewaardeerd.”
+</p>
+<p>„Mijnheer,” antwoordde Mathias Sandorf, „ik ben slechts een der meest bescheidene
+uwer klanten, daar ik, zooals gij weet, geene zaken drijf. Toch ben ik u dank schuldig
+dat gij wel de fondsen, die ik disponibel had, in deposito hebt willen nemen.”
+</p>
+<p>„<span class="corr" id="xd33e1077" title="Bron: Hoe">Heer</span> graaf, vergeef mij wanneer ik u herinner,” hernam Silas Toronthal, „dat die fondsen
+in rekening courant door mij opgenomen zijn, zoodat gij niet vergeten moogt, dat zij
+u renten opbrengen.”
+</p>
+<p>„Ik weet het, mijnheer.…” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar ik herhaal wat ik
+u destijds zeide, dat ik geene geldbelegging bij uw huis beoogde, slechts een eenvoudig
+deposito.”
+</p>
+<p>„Het zij zoo, heer graaf,” hernam Silas Toronthal. „Maar het geld is in deze tijden
+duur en het zou niet billijk wezen, wanneer het uwe improductief bleef liggen. Een
+finantieele crisis dreigt over het geheele land zich uit te strekken. De toestanden
+zijn in het binnenland zeer <span class="corr" id="xd33e1083" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span>. De zaken zijn als het ware geheel verlamd. Eenige bankbreuken van belangrijke huizen
+hebben het openbaar crediet geschokt, terwijl er nog andere verwacht worden.…”
+</p>
+<p>„Maar uw huis is solied, nietwaar, mijnheer?” vroeg Mathias Sandorf en vervolgde zonder
+antwoord daarop af te wachten: „Ik weet uit goede bron, dat het slechts zeer weinig
+geleden heeft door de reactie van die bankbreuken.”
+</p>
+<p>„O, zeer weinig,” antwoordde Silas Toronthal met de grootste kalmte. „De handel op
+de Adriatische zee verzekert ons bovendien een stroom van maritieme zaken, die der
+huizen van <span class="corr" id="xd33e1090" title="Bron: Pesth">Pest</span> of van Weenen ontvalt, zoodat de crisis ons slechts weinig gedeerd heeft. Wij zijn
+dus niet te beklagen, heer graaf en beklagen ons ook niet.”
+</p>
+<p>„Ik kan niet anders dan u geluk wenschen, mijnheer,” betuigde Mathias Sandorf. „Ik
+meen u evenwel te moeten vragen, of tengevolge van die crisis zich binnenslands geene
+verwikkelingen voorgedaan hebben?”
+</p>
+<p>Hoewel graaf Sandorf die vraag gesteld had op een toon, alsof hij er geen het minste
+belang in stelde, zoo wekte zij toch de aandacht van Silas Toronthal op, die den graaf
+dan ook meer nauwkeurig gadesloeg. Die vraag kon toch inderdaad betrekking hebben
+op hetgeen hij van Sarcany vernam.
+</p>
+<p>„Ik weet niets dienaangaande,” antwoordde Silas Toronthal, „en ik heb niet vernomen
+dat het Oostenrijksche gouvernement te dien opzichte eenige vrees koesterde. Zoudt
+gij, heer graaf, redenen meenen te hebben om te denken dat aanstaande gebeurtenissen.…”
+<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p053width"><img src="images/p053.jpg" alt="Het gebouw der Oostenrijksche Lloyd te Triëst." width="507" height="720"><p class="figureHead">Het gebouw der Oostenrijksche Lloyd te Triëst.</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb52a">[<a href="#pb52a">52</a>]</span></p>
+<p>„Volstrekt niet!” viel Mathias Sandorf in; „maar in hooge sferen <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>van het bankwezen is men soms met zaken bekend, die het publiek eerst later verneemt.
+Ziedaar de reden, waarom ik u die vraag stelde, maar uwe vrijheid onaangetast liet
+om haar, al naar dat u geraden voorkwam, met ja of met neen te beantwoorden.”
+</p>
+<p>„Ik heb in dien zin niets vernomen,” hernam Silas Toronthal. „Wees intusschen verzekerd,
+heer graaf, dat ik mij niet het recht zou mogen aanmatigen om met een klant als gij
+zijt, geheimzinnig of stilzwijgend te zijn, daar uwe belangen daardoor zouden kunnen
+lijden!”
+</p>
+<p>„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf, „en ik meen uwe gevoelens te kunnen
+deelen, dat er noch van het binnenland, noch van het buitenland iets te vreezen is.
+Ik ga dan ook Triëst weldra verlaten om in <span class="corr" id="xd33e1110" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> weer te keeren, waarheen mij dringende zaken roepen.”
+</p>
+<p>„Zoo, gaat gij heen, heer graaf?” vroeg Silas Toronthal met levendigheid.
+</p>
+<p>„Ja.… zoo omstreeks over veertien dagen, op zijn laatst.”
+</p>
+<p>„Maar gij komt toch naar Triëst terug?”
+</p>
+<p>„Dat geloof ik niet, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf. „Maar vóórdat ik vertrek,
+wenschte ik de geheele comptabiliteit van het kasteel <span class="corr" id="xd33e1118" title="Bron: Artenak">Artenick</span>, die eenigszins in de war is, in orde te brengen. Ik heb van mijn intendant tal van
+nota’s, pachtcedulen, boschcontracten ontvangen, die ik haast geen tijd heb om na
+te gaan. Kent gij geen comptabel, of zoudt gij niet een uwer geëmployeerden kunnen
+missen, die mij dien dienst zou willen bewijzen?”
+</p>
+<p>„Niets zal gemakkelijker gaan, heer graaf.”
+</p>
+<p>„Inderdaad?”
+</p>
+<p>„Ja, zeker.”
+</p>
+<p>„Ik zal u wel verplicht wezen.”
+</p>
+<p>„O, de verplichting is aan mijn kant. Wanneer hebt gij dien comptabel noodig?”
+</p>
+<p>„Zoo gauw mogelijk.”
+</p>
+<p>„En waar moet hij zich aanmelden?”
+</p>
+<p>„Zich aanmelden?”
+</p>
+<p>„Ja, bij wien?”
+</p>
+<p>„Bij mijn vriend graaf Zathmar, wiens huis in de Acquedottolaan nummer 89 gelegen
+is.”
+</p>
+<p>„Hoe zegt ge.… nummer.…?”
+</p>
+<p>„Nummer 89 van de Acquedottolaan.”
+</p>
+<p>„Dat ’s afgesproken.”
+</p>
+<p>„Het zal een werk van een tiental dagen wezen, en ik zal, wanneer die zaken behoorlijk
+geregeld zijn, daarna naar het kasteel <span class="corr" id="xd33e1138" title="Bron: Artenak">Artenick</span> kunnen vertrekken. Ik verzoek u dus om de fondsen, die ik bij u heb staan, ter mijner
+beschikking te houden.”
+<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p>
+<p>Silas Toronthal kon bij die woorden een gebaar van schrik niet weerhouden. Gelukkig
+zag de graaf het niet.
+</p>
+<p>„Op welken dag verlangt gij, dat u die fondsen zullen worden ter hand gesteld, heer
+graaf?” vroeg de bankier.
+</p>
+<p>„Op den 8en van de volgende maand.”
+</p>
+<p>„Dan zult gij ze hebben.”
+</p>
+<p>Daarop stond graaf Sandorf op en ging heen terwijl de bankier hem tot aan de deur
+van het vertrek begeleidde.
+</p>
+<p>Toen Silas Toronthal in zijn kantoor terugkeerde, vond hij er Sarcany, die slechts
+deze woorden sprak:
+</p>
+<p>„Ik moet binnen twee dagen in het huis van graaf Zathmar werkzaam zijn.”
+</p>
+<p>„Ja, dat moet inderdaad!” antwoordde Silas Toronthal.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4127">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">IV.</h2>
+<h2 class="main">HET GEHEIMSCHRIFT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Sarcany was inderdaad twee dagen later in het huis van graaf Ladislas Zathmar geïnstalleerd.
+Hij was door Silas <span class="corr" id="xd33e1156" title="Bron: Thoronthal">Toronthal</span> aanbevolen geworden bij graaf Sandorf, die met de plaatsing van dien man onmiddellijk
+genoegen had genomen.
+</p>
+<p>Zoo was de medeplichtigheid van den bankier met zijn agent bij de kuiperijen, door
+hem op ’t getouw gezet, behoorlijk tot stand gekomen. Hun doel was: de ontdekking
+van een geheim, die het leven van de hoofden van de samenzwering kon kosten. Het resultaat
+dat verwacht werd, zou zijn: dat als prijs hunner aanbrenging een vermogen hun ten
+deel viel, voor de helft aan een gelukzoeker, die tot alles in staat was om zijn zak
+gevuld te krijgen; voor de andere helft aan een bankier, die zoover gekomen was, dat
+hij niet meer aan zijne verbintenissen kon voldoen.
+</p>
+<p>Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat een verdrag tusschen Silas Toronthal
+en Sarcany gesloten was, waarbij de waarschijnlijk geachte winsten in twee gelijke
+portiën verdeeld werden. Bovendien zou Sarcany al het geld ontvangen, benoodigd om
+met zijn makker Zirone fatsoenlijk te Triëst te kunnen leven en om zijne onkosten
+te kunnen betalen, die zijne bemoeiingen in die zaak vereischen zouden. Daartegenover
+had hij als waarborg de copie van het briefje, dat het geheim der samenzwering bevatte,
+waaraan hij niet twijfelde, aan den bankier moeten overgeven.
+<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p>
+<p>Men zal misschien geneigd zijn graaf Mathias Sandorf van onvoorzichtigheid te beschuldigen.
+En inderdaad, in zulke omstandigheden een vreemdeling binnen te leiden in dat huis,
+waarin zulke gewichtige belangen behandeld werden, in den vooravond van den dag waarop
+het sein tot uitbarsting van een komplot ieder oogenblik kon gegeven worden, kon niet
+anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Maar het was slechts door de ijzeren noodzakelijkheid,
+dat de graaf zoo gehandeld had.
+</p>
+<p>Vooreerst toch had hij er een dringend belang bij, dat zijne personeele zaken in orde
+gebracht werden, op een oogenblik dat hij zich in die gevaarlijke zaak stortte, waarin
+hij zijn leven, op zijn allerminst zijne verbanning waagde, wanneer hij bij nietslagen
+gevangen genomen of tot de vlucht genoodzaakt zou worden. Van een anderen kant meende
+hij door het opnemen van een vreemdeling in het huis van graaf Zathmar, juist de achterdocht,
+die mocht gerezen zijn, af te wenden. Hij had sedert eenige dagen meenen te zien—en
+de lezer weet dat het juist is—dat eenige spionnen in de Acquedottolaan rondslopen.
+Die spionnen waren niemand anders dan Sarcany en Zirone geweest. Maar de graaf vroeg
+zich af, of de politie hem en zijne vrienden gadesloeg en hunne handelingen nauwgezet
+naging? Mathias Sandorf moest het gelooven, ja vreezen. Wanneer de vergaderplaats
+der samenzweerders, die tot dien dag voor alle oningewijden hermetisch gesloten was
+gebleven, achterdocht opwekte, dan was er geen beter middel om de verdenking op een
+valsch spoor te brengen, dan door die afsluiting op te heffen, en het huis voor een
+commies te openen, die er zich inderdaad slechts met comptabiliteits-zaken onledig
+zou houden. Zou de tegenwoordigheid van dien commies een gevaar voor graaf Ladislas
+Zathmar en voor zijne makkers kunnen daarstellen? Neen, in geen geval. Er werden geene
+brieven in geheimschrift tusschen Triëst en de andere steden van het Hongaarsche koninkrijk
+gewisseld. Al de papieren, die op de ophanden zijnde beweging betrekking hadden, waren
+vernietigd. Er bleef geen enkel geschreven spoor van de samenzwering over. De maatregelen
+waren genomen, daaraan was niets meer te veranderen. Er behoefden geen nieuwe genomen
+te worden. Graaf Sandorf had slechts het sein te geven, wanneer het gunstige oogenblik
+daar zou zijn. Dus de aanneming van een nieuwen geëmployeerde in dat huis zou, wanneer
+het gouvernement achterdocht koesterde, iedere verdenking verwijderen.
+</p>
+<p>Ja, de redeneering was juist en de voorzorg zou goed genomen moeten genoemd worden,
+wanneer die commies niet Sarcany en zijn borg niet Silas Toronthal geweest waren!
+<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p057width"><img src="images/p057.jpg" alt="In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren. (Bladz. 60.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren. (Bladz.
+60.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb56a">[<a href="#pb56a">56</a>]</span></p>
+<p>Sarcany, die een meester in dubbelhartigheid was, genoot evenwel <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>de voordeelen van zijn uiterlijk. Hij had toch een openhartig en vrijmoedig gelaat,
+terwijl zijn geheele persoon eenvoudigheid en trouwhartigheid scheen te kenmerken.
+Graaf Sandorf en zijne vrienden werden er door bedrogen en beetgenomen. De jeugdige
+comptabel betoonde zich ijverig, dienstvaardig, vriendelijk en uiterst behendig bij
+het nazien van die rekeningen en nota’s, die hij moest in het reine brengen. Niets
+bovendien zou hem hebben kunnen doen gissen, wanneer hij het niet geweten had, dat
+hij zich in tegenwoordigheid van de hoofden eener samenzwering bevond, die gereed
+was het Hongaarsche ras tegen het Duitsche op te zweepen. Mathias Sandorf, Stephanus
+Bathory en Ladislas Zathmar schenen zich slechts bij hunne bijeenkomsten met wetenschappelijke
+vraagstukken of met kunstkwestiën bezig te houden. Geen geheime briefwisselingen meer,
+geen geheimzinnig heen en weer loopen rondom het huis. Dat alles was uit. Maar Sarcany
+wist waaraan zich te houden. De gelegenheid, die hij zocht, moest zich voordoen en
+hij wachtte diensvolgens geduldig.
+</p>
+<p>Toen Sarcany het huis van Ladislas Zathmar betrad, had hij slechts ééne gedachte,
+namelijk den rooster machtig te worden, die diende om het geheimschrift te ontcijferen.
+Nu er evenwel geen dergelijke stukken meer te Triëst aankwamen, vroeg hij zich af
+of die rooster niet uit overmaat van voorzichtigheid kon vernietigd zijn. Dat denkbeeld
+verontrustte hem, want het geheele gebouw zijner kuiperijen berustte daarop, dat hij
+het briefje door de reisduif aangebracht, en waarvan hij afschrift genomen had, zou
+kunnen lezen.
+</p>
+<p>Dus terwijl hij zich onledig hield met de zaken van Mathias Sandorf te regelen, keek
+hij rond, nam hij waar, bespiedde hij alles. De toegang tot het kantoorvertrek, waarin
+Ladislas Zathmar en zijne makkers te zamen kwamen, was voor hem niet afgesloten. Hij
+werkte er zelfs somtijds geheel alleen in. En dan waren zijne oogen en zijne handen
+met geheel iets anders bezig, dan met het onder elkander stellen van cijfers of met
+rekeningen uit te pluizen. Hij snuffelde dan in de papieren, hij opende de laden met
+een soort haak, dien Zirone hem als zaakkundige bij dergelijke bedrijven, ter hand
+had gesteld na dien zelf gemaakt te hebben. Hij nam toch intusschen zeer goed in acht,
+dat hij bij dien arbeid niet door Borik zoude bespeurd worden; want hij ontveinsde
+het zich niet, dat hij dezen niet de geringste sympathie inboezemde.
+</p>
+<p>Gedurende de vijf eerste dagen waren Sarcany’s nasporingen volkomen vruchteloos. Hij
+trad iederen morgen dat huis binnen bezield met de hoop van te zullen slagen; en iederen
+avond keerde hij naar zijn hôtel terug met het bewustzijn, een vergeefschen dag doorgebracht
+te hebben. Hij begon aan het welslagen zijner onderneming <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>te wanhopen. En inderdaad, de omwenteling, wanneer het eene samenzwering gold,—en
+daaraan twijfelde hij geen oogenblik—kon iederen dag uitbreken, dat wil zeggen: alvorens
+hij haar ontdekt en bij gevolg aangebracht had.
+</p>
+<p>„Eerder dan het voordeel van die aanbrenging te verliezen,” zeide Zirone, „zal het
+verkieselijk zijn, al is het zonder bewijzen, de politie te waarschuwen en haar daarbij
+het afschrift in handen te spelen.”
+</p>
+<p>„Ja,” antwoordde Sarcany, „dat zal ik doen, als het noodig wordt.”
+</p>
+<p>Het zal wel overbodig zijn te vertellen, dat hij Silas Toronthal op de hoogte van
+zijne nasporingen hield, dat hij waarlijk veel moeite had om diens ongeduld te temperen.
+</p>
+<p>Maar het toeval zou hem te hulp komen. Dat had hem een eerste maal gediend door hem
+het geheimzinnig briefje in handen te spelen; het zou hem andermaal dienen door hem
+in staat te stellen dat raadselschrift te ontcijferen.
+</p>
+<p>Men was op het einde van de maand Mei gekomen, en het was ongeveer vier uren in den
+namiddag. Sarcany zou volgens gewoonte, tegen vijf uren het huis van graaf Ladislas
+Zathmar verlaten. Hij was te meer kregelig, daar hij niet verder gevorderd was dan
+op den eersten dag dat hij in dienst van graaf Sandorf trad, om diens comptabiliteit
+in orde te brengen, een arbeid dien hij bijna <span class="corr" id="xd33e1190" title="Bron: geeindigd">geëindigd</span> had. Wanneer hij daaraan de laatste hand zou gelegd hebben, dan zou hij ongetwijfeld
+betaald en bedankt worden; waardoor hem de gelegenheid ontvallen zou om zich voortaan
+in dat huis te kunnen vertoonen.
+</p>
+<p>In dat gegeven oogenblik bevonden zich Ladislas Zathmar en zijne beide vrienden buitenshuis.
+Er was niemand in de woning aanwezig dan Borik, die toen in een zaal op de eerste
+verdieping bezig was. Sarcany had volledige vrijheid tot handelen en besloot dan ook
+om de slaapkamer van graaf Zathmar binnen te dringen,—waarin hij nog nimmer geweest
+was—om daar zijne nasporingen op het nauwkeurigst voort te zetten.
+</p>
+<p>De deur was gesloten, maar met zijn haak slaagde Sarcany haar te openen, waarna hij
+binnentrad.
+</p>
+<p>Tusschen de beide vensters, die op de straat uitzagen, stond een secretair-bureau,
+waarvan de verjaarde vorm een liefhebber van oude meubelen verrukt zoude hebben. Het
+schuifblad van den cilinder was neergeslagen, zoodat van de innerlijke inrichting
+niets kon bespeurd worden.
+</p>
+<p>Dat was wel de eerste maal, dat het Sarcany vergund was om dit meubelstuk te onderzoeken
+en hij was er de man niet naar, om die gelegenheid te laten ontsnappen, om de verschillende
+laden er van te kunnen doorsnuffelen, hetgeen hij met zijn haak ten uitvoer bracht,
+zonder dat daarvan eenig spoor op het slot zichtbaar was.
+<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p>
+<p>In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren, die voor
+hem waardeloos waren, een soort kaart, die onregelmatig van vierkante gaten voorzien
+was. Die kaart boeide dadelijk zijne aandacht.
+</p>
+<p>„De rooster!” zei hij tot zichzelven.
+</p>
+<p>Hij vergiste zich waarlijk niet.
+</p>
+<p>De eerste gedachte, die hem inviel, was om die kaart mede te nemen. Maar na eenig
+beraad zei hij tot zichzelven, dat het verdwijnen van dien rooster achterdocht kon
+opwekken, wanneer graaf Ladislas Zathmar dit bespeurde.
+</p>
+<p>„Kom,” sprak hij, „ik heb wel afschrift van het briefje genomen, waarom zou ik dien
+rooster niet kunnen namaken? Dan kunnen Toronthal en ik de dépêche geheel op ons gemak
+lezen.”
+</p>
+<p>Die rooster was eenvoudig een vierkant van bordpapier van zes centimeters lang en
+even zoo breed, die in zes en dertig gelijke ruiten verdeeld was, welke ieder een
+vierkante centimeter groot waren. Van die zes en dertig ruiten of vakken, die op zes
+horizontale en zes verticale rijen geplaatst waren, evenals die van een tafel van
+Pythagoras, welke voor zes cijfers ingericht zoude zijn, waren zeven en twintig vol
+en negen leeg—dat wil zeggen, dat ter plaatse van die negen vakken de kaart op negen
+plaatsen uitgeknipt was.
+</p>
+<p>Waarvan Sarcany zich het eerst moest vergewissen, dat was eerstens: van de nauwkeurige
+oppervlakte van dat blad bordpapier of rooster en tweedens van de juiste plaatsing
+daarop van de negen ledige vakken.
+</p>
+<p>De oppervlakte bracht hij over, door met een potlood den omtrek op een vel wit papier
+na te trekken, waarbij hij zorg droeg op de plaat de plek te merken, waar een kruisje
+met inkt gemaakt was, hetgeen den bovenkant van den rooster scheen aan te duiden.
+</p>
+<p>De plaats der negen vakken bracht hij over door het papier, waarop hij den omtrek
+nageteekend had, op de gewilde plekken, die zichtbaar waren, door te prikken. Dat
+waren op de eerste rij drie ledige plekken, die de vakken 2, 4 en 6 lieten ontwaren;
+op de tweede rij een ledige plek, die vak 5 innam; op de derde rij een ledige plek
+die vak 3 innam; op de vierde rij twee ledige plekken, die de vakken 2 en 5 innamen;
+op de vijfde rij een ledige plek, die vak 6 innam; en eindelijk op de zesde of laatste
+rij een ledige plek, die vak 4 liet zien.
+</p>
+<p>Ziehier bovendien dien rooster, in natuurlijke grootte, waarvan Sarcany en zijn medeplichtige,
+de bankier Silas Toronthal, een zoo misdadig gebruik zouden maken. In dezen afdruk
+stellen de witte vakken de uitgeknipte en de zwarte de gevulde vakken voor. Dat is
+duidelijk, nietwaar?
+<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p061width"><img src="images/p061.jpg" alt="Overrompelde de politie het huis van graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. (Bladz. 74.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Overrompelde de politie het huis van graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was
+onmogelijk. (Bladz. 74.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p>
+<p>Eenige minuten waren voor Sarcany voldoende om het volgende figuur te verkrijgen.
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p062width"><img src="images/p062.png" alt="" data-role="presentation" width="332" height="362"></div><p>
+</p>
+<p>Hij twijfelde er niet aan, dat met behulp van dien rooster, dien hij gemakkelijk uit
+een stuk bordpapier, dat hij uitknippen zou, vervaardigen kon, het hem zou gelukken
+nu het afschrift van het briefje, dat hij in handen van Silas Toronthal achtergelaten
+had, te ontraadselen. Hij plaatste dus den rooster weer in de lade onder de papieren,
+die hem bedekt hadden, en verliet daarna de slaapkamer van Ladislas Zathmar en vervolgens
+het huis. Hij had haast om in zijn hôtel weer te keeren.
+</p>
+<p>Zirone zag hem een kwartieruur later hunne gemeenschappelijke kamer met zulk een zegevierend
+uiterlijk binnenstappen, dat hij niet nalaten kon luidkeels uit te roepen:
+</p>
+<p>„Wat is er toch aan de hand, kameraad? Neem je in acht! Gij weet meer behendig een
+verdriet dan wel een vreugde te bemantelen, en men verraadt zich zelven even zoo goed
+door zich over te geven aan.…”
+</p>
+<p>„Schei uit met je gezeur, Zirone,” antwoordde Sarcany, „en aan het werk zonder eene
+minuut verloren te laten gaan.<span class="corr" id="xd33e1227" title="Bron: ’">”</span>
+</p>
+<p>„Vóór ons avondmaal nog?<span class="corr" id="xd33e1232" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>„Ja!”
+</p>
+<p>Zirone zuchtte, maar Sarcany stoorde zich daaraan niet. Deze <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>nam een stuk bordpapier van geringe dikte. Hij sneed dat volgens zijne calque, zoodanig
+dat hij een vierkant verkreeg, die zuiver de afmeting had van den rooster en vergat
+daarbij niet het kruisje bij den bovenrand te plaatsen. Daarna nam hij eene <span class="corr" id="xd33e1239" title="Bron: lineaal">liniaal</span> en verdeelde zijn vierkant in zes en dertig vakken allen van gelijke grootte.
+</p>
+<p>Toen werden van die zes en dertig vakken negen gemerkt ter plaatse, welke zij op de
+calque innamen. Daarna werden die met de punt van een pennemes zoodanig uitgesneden,
+dat zij in hunne ontstane ledige plekken de letters of teekens lieten bespeuren van
+het een of andere briefje of stuk, waarop de zoo verkregen rooster neergelegd werd.
+</p>
+<p>Zirone stond voor Sarcany en keek met groote verwonderde oogen toe, terwijl hij van
+nieuwsgierigheid trilde. Hij stelde te meer belang in dien arbeid, daar hij zeer goed
+het stelsel van geheimschrift begrepen had, waarop de onderhavige briefwisseling berustte.
+Alleen hij bezat den sleutel niet.
+</p>
+<p>„Het is vernuftig,” zei hij, „uiterst vernuftig en zoo iets kan mij dienen! Als ik
+bedenk, dat de waarde van ieder van die vakken een millioen kan bedragen.…”
+</p>
+<p>„En meer!” antwoordde Sarcany.
+</p>
+<p>Toen het werk beëindigd was, stond Sarcany op, na het uitgesneden stuk bordpapier
+in zijn brieventasch opgeborgen te hebben.
+</p>
+<p>„Morgen ochtend zal ik zoo vroeg mogelijk bij Toronthal zijn,” zei hij.
+</p>
+<p>„Hij moge oppassen voor zijn kas!”
+</p>
+<p>„Als hij het briefje heeft, dan heb ik den rooster!”
+</p>
+<p>„Dat is waar, maar.…”
+</p>
+<p>„Geen maren; dat is ontegenzeggelijk!”
+</p>
+<p>„En ditmaal zal hij wel moeten afschuiven!”
+</p>
+<p>„Ja, dat zal hij moeten!”
+</p>
+<p>„Kunnen wij dus thans avondmalen?”
+</p>
+<p>„Ja, dat kunnen wij.”
+</p>
+<p>„Welnu, aan den gang!”
+</p>
+<p>En Zirone, die steeds eetlust had, deed het heerlijke maal, dat hij met zorg besteld
+had, alle eer aan.
+</p>
+<p>Den volgenden morgen, den 1sten Juni, vertoonde Sarcany zich reeds te acht uren aan
+het bankiershuis. Hoe vroeg het ook nog was, toch gaf Silas Toronthal bevel om hem
+dadelijk bij zich in zijn kabinet toe te laten.
+</p>
+<p>„Daar is de rooster,” vergenoegde zich Sarcany slechts te zeggen, terwijl hij het
+stuk bordpapier overreikte, dat hij te voren uitgesneden had.
+</p>
+<p>De bankier nam het aan, draaide en keerde het, terwijl hij het hoofd schudde, hetgeen
+te kennen moest geven, dat hij het vertrouwen van zijn deelgenoot niet erg deelde.
+<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p>
+<p>„Laten wij maar probeeren!<span class="corr" id="xd33e1267" title="Bron: ’">”</span> zei Sarcany.
+</p>
+<p>„Dat kunnen wij altijd doen.”
+</p>
+<p>Silas Toronthal nam het afschrift van het briefje, dat in een der laden van zijn schrijftafel
+opgesloten lag, en plaatste het op de tafel.
+</p>
+<p>Dat briefje—de lezer zal zich nog wel herinneren—bevatte achttien woorden, ieder bestaande
+uit zes letters, woorden die evenwel volmaakt onverstaanbaar waren. Het was boven
+alles waarschijnlijk, dat iedere letter van de woorden overeen moest komen met de
+zes ledige of gevulde vakken, die iedere rij van den rooster vormden. Men kon bijgevolg
+vooreerst al vast aannemen, dat de zes eerste woorden van het briefje, samengesteld
+uit zes en dertig letters, achtereenvolgens verkregen waren door middel van die zes
+en dertig vakken.
+</p>
+<p>Het was inderdaad gemakkelijk in te zien, dat de schikking der ledige vakken zoo vernuftig
+bij de vervaardiging van dien rooster uitgedacht was, dat wanneer men hem vier malen
+een kwart toer liet keeren, die ledige vakken opvolgend de plaats der volle innamen
+zonder ooit tweemalen dezelfde letter te laten ontwaren.
+</p>
+<p>Men ziet dadelijk in, dat het zoo zijn moet. Bij voorbeeld, wanneer men bij eene eerste
+toepassing van den rooster op een stuk wit papier de cijfers van 1 tot <span class="corr" id="xd33e1276" title="Bron: 2">9</span> in ieder leeg vak invult, vervolgens den rooster een kwart omwenteling laat maken
+en op gelijke wijze handelt en de getallen van af 10 tot en met 18 invult; daarna
+een tweede kwart omwenteling volbrengt en de getallen van af 19 tot en met 27 inschrijft;
+vervolgens den rooster een derde kwart omwenteling doet maken en de getallen van af
+28 tot en met 36 ter neer te schrijven, zoodat men eindelijk op het papier de getallen
+van 1 tot 36 zal bevinden, in de zes en dertig vakken geplaatst die den rooster vormen.
+</p>
+<p>Sarcany werd dus natuurlijk er toegebracht om de eerste zes woorden van het briefje
+te behandelen met de vier opvolgende toepassingen van den rooster. Hij had daarbij
+het voornemen om diezelfde bewerking te herhalen met de twee volgende zes woorden
+en eindelijk een derde maal met de laatste zes woorden, hetgeen in het geheel de achttien
+woorden zou bedragen, waaruit het geheimschrift bestond.
+</p>
+<p>Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat de hierboven vermelde redeneeringen
+door Sarcany tegenover den bankier Silas Toronthal gehouden werden en dat deze hare
+volmaakte nauwkeurigheid erkend en zeer gewaardeerd had.
+</p>
+<p>Zou nu de praktijk de geuite theorie bevestigen? Daarin bestond toch de geheele belangrijkheid
+van de bewerking.
+<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p065width"><img src="images/p065.jpg" alt="Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard reed voor, achter en bij de portieren van het rijtuig. (Bladz. 74.)" width="501" height="720"><p class="figureHead">Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard reed voor, achter en bij de portieren
+van het rijtuig. (Bladz. 74.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb64a">[<a href="#pb64a">64</a>]</span></p>
+<p>Ziehier welke de achttien woorden van het briefje waren. Het <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>zal voorzeker noodig zijn ze andermaal onder de oogen van den lezer te brengen:
+</p>
+<div class="table" lang="zxx">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-top"><i>ghfhna</i> </td>
+<td class="cell-top"><i>dalant</i> </td>
+<td class="cell-right cell-top"><i>ltenka</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>aohhzk</i> </td>
+<td><i>aenzse</i> </td>
+<td class="cell-right"><i>tsnivi</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>znrijoo</i> </td>
+<td><i>tnpees</i> </td>
+<td class="cell-right"><i>seijehe</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>lxosde</i> </td>
+<td><i>soelnl</i> </td>
+<td class="cell-right"><i>sglpte</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>veknni</i> </td>
+<td><i>ilarna</i> </td>
+<td class="cell-right"><i>lotasa</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-bottom"><i>ijareah</i> </td>
+<td class="cell-bottom"><i>nezmtl</i> </td>
+<td class="cell-right cell-bottom"><i>rradae</i></td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+<p>Het kwam er vooreerst op aan, de eerste zes woorden te ontraadselen. Om daartoe te
+geraken, schreef Sarcany ze op een vel papier, daarbij zorg dragende de letters zoodanig
+van elkander te schrijven, dat ieder hunner overeenkwam met een der vakken van den
+rooster.
+</p>
+<p>Dat gaf de volgende uitkomst:
+</p>
+<div class="table" lang="zxx">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-top"><i>g</i> </td>
+<td class="cell-top"><i>h</i> </td>
+<td class="cell-top"><i>f</i> </td>
+<td class="cell-top"><i>h</i> </td>
+<td class="cell-top"><i>n</i> </td>
+<td class="cell-right cell-top"><i>a</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>a</i> </td>
+<td><i>o</i> </td>
+<td><i>h</i> </td>
+<td><i>h</i> </td>
+<td><i>z</i> </td>
+<td class="cell-right"><i>k</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>z</i> </td>
+<td><i>n</i> </td>
+<td><i>r</i> </td>
+<td><i>ij</i> </td>
+<td><i>o</i> </td>
+<td class="cell-right"><i>o</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>l</i> </td>
+<td><i>x</i> </td>
+<td><i>o</i> </td>
+<td><i>s</i> </td>
+<td><i>d</i> </td>
+<td class="cell-right"><i>e</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><i>v</i> </td>
+<td><i>e</i> </td>
+<td><i>k</i> </td>
+<td><i>n</i> </td>
+<td><i>n</i> </td>
+<td class="cell-right"><i>i</i></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-bottom"><i>ij</i> </td>
+<td class="cell-bottom"><i>a</i> </td>
+<td class="cell-bottom"><i>r</i> </td>
+<td class="cell-bottom"><i>e</i> </td>
+<td class="cell-bottom"><i>a</i> </td>
+<td class="cell-right cell-bottom"><i>h</i></td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+<p>Daarna werd de rooster zoodanig op dat samenstel geplaatst, dat de zijde met het kruisje
+gemerkt bovenaan stond. Toen lieten de leege vakken de volgende negen letters zien,
+terwijl de zeven en twintig anderen door de volle vakken van het bordpapier bedekt
+bleven. Zoo
+<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p>
+<p></p>
+<div class="figure p067-1width"><img src="images/p067-1.png" alt="" data-role="presentation" width="334" height="361"></div><p>
+</p>
+<p>Sarcany liet daarna den rooster een kwart omwenteling volbrengen van de linker- naar
+de rechterzijde, zoodanig dat de bovenkant ditmaal de rechterkant werd. Bij die tweede
+toepassing waren het de navolgende letters, die in de ledige vakken te voorschijn
+traden:
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p067-2width"><img src="images/p067-2.png" alt="" data-role="presentation" width="361" height="334"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p>
+<p>Bij de derde toepassing werden de navolgende letters zichtbaar, die evenals de vorigen
+net zorg opgeteekend werden:
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p068-1width"><img src="images/p068-1.png" alt="" data-role="presentation" width="332" height="361"></div><p>
+</p>
+<p>Wat Silas Toronthal en ook Sarcany al dadelijk uitermate verbaasd had, was dat de
+woorden, zooals zij zich achtereenvolgens vormden, geen zin hadden. Zij hadden verwacht
+hen vloeiend te hebben kunnen lezen, dewijl zij door de opeenvolgende toepassingen
+van den rooster verkregen waren, en toch waren die woorden even raadselachtig als
+die van het geheimzinnige briefje. Zou dat lorrige vod onoplosbaar blijven?
+</p>
+<p>De vierde toepassing van den rooster leverde het navolgende resultaat op:
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure p068-2width"><img src="images/p068-2.png" alt="" data-role="presentation" width="367" height="334"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p>
+<p>Ook dat was even duister, even raadselachtig.
+</p>
+<p>En waarlijk, de vier woorden, die verkregen waren door de vier verschillende toepassingen
+van den rooster, waren de navolgende:
+</p>
+<div class="table" lang="zxx">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right cell-top"><i>hhazrxdie</i>,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right"><i>hkijleknah</i>,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right"><i>fanoseijra</i>,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right cell-bottom"><i>gnohroovn</i>,</td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+<p>waaruit volstrekt niets te maken was.
+</p>
+<p>Sarcany kon zijn toorn niet verbergen, door die teleurstelling teweeggebracht. De
+bankier vergenoegde zich met het hoofd te schudden en niet zonder spotternij te zeggen:
+</p>
+<p>„Misschien is het die rooster niet, welken de samenzweerders bij hunne briefwisseling
+gebruikt hebben!”
+</p>
+<p>Die bemerking deed Sarcany opspringen.
+</p>
+<p>„Laat mij voortgaan!” riep hij uit.
+</p>
+<p>„Ga voort!” antwoordde Silas Toronthal.
+</p>
+<p>Toen het Sarcany gelukt was de zenuwachtige beweging, die hem bevangen had, te boven
+te komen en te bedwingen, hervatte hij de bewerking met de volgende zes woorden, die
+de tweede kolom van het briefje vormden. Vier malen paste hij den rooster op de woorden
+toe, door hem telkenmale een kwart omwenteling te laten maken, en verkreeg daardoor
+die verzameling van letters, die ook volstrekt geen zin hadden:
+</p>
+<div class="table" lang="zxx">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right cell-top"><i>aatsponam</i>,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right"><i>neeslanel</i>,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right"><i>lanelluzt</i>,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right cell-bottom"><i>dneztseir</i>.</td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+<p>Sarcany wierp ditmaal den rooster verwoed op tafel en vloekte als een koopvaardijmatroos.
+</p>
+<p>Als zonderlinge tegenstelling had Silas Toronthal zijne koelbloedigheid geheel en
+al bewaard. Hij bestudeerde die zoo verkregen woorden sedert het begin der roosterbewerking
+en bleef stil peinzend zitten.
+</p>
+<p>„Naar den drommel dien rooster en zij die er gebruik van maken!” riep Sarcany uit,
+terwijl hij van zijn stoel opvloog.
+</p>
+<p>„Hoe dwaas!” zei Silas Toronthal.
+</p>
+<p>„Dwaas?” vroeg Sarcany verwoed.
+</p>
+<p>„Ga weer zitten,<span class="corr" id="xd33e1541" title="Bron: ”">” </span>zei de bankier kalm.
+</p>
+<p>„Gaan zitten?.…<span class="corr" id="xd33e1546" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>„Ja, ga zitten en ga voort!”
+</p>
+<p>Sarcany keek Silas Toronthal aan. Daarna hernam hij plaats en greep weer den rooster,
+om hem op de zes laatste woorden van het briefje toe te passen. Maar hij deed dat
+geheel werktuigelijk als iemand, die geen bewustzijn heeft van hetgeen hij verricht.
+<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p>
+<p>Ziehier de woorden, die door die vier laatste toepassingen van den rooster verkregen
+werden:
+</p>
+<div class="table" lang="zxx">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right cell-top"><i><span class="corr" id="xd33e1558" title="Bron: tnayijgtad">tnavijgtad</span></i>,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right"><i>niesetsre</i>,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right"><i>etehporaa</i><span class="corr" id="xd33e1568" title="Niet in bron">,</span></td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-right cell-bottom"><i>lksisella</i>.</td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+<p>Maar die vier laatste woorden beteekenden evenmin iets als de vorige acht.
+</p>
+<p>Sarcany was uitermate verwoed. Hij greep het vel papier, waarop die zotklinkende woorden
+geschreven stonden en die door den rooster achtereenvolgens te voorschijn waren gebracht,
+om het te verscheuren.
+</p>
+<p>Silas Toronthal weerhield hem.
+</p>
+<p>„Kalmte,” zei hij.
+</p>
+<p>„Och,” riep Sarcany uit, „wat is er uit te voeren met dat prul?”
+</p>
+<p>„Schrijf eens al die woorden aan elkander gehecht ter neer,” antwoordde de bankier
+bedaard.
+</p>
+<p>„Waarom?”
+</p>
+<p>„Om te zien.”
+</p>
+<p>Sarcany gehoorzaamde en hij kreeg de aaneenschakeling van de navolgende letters:
+</p>
+<p lang="zxx"><i>h h a z r x d i e h k ij l e k n a h f a n o s e ij r a g n o h r o o v n a a t s
+p o n a m n e e s l a n e l l a n e l l u z t d n e z t s e i r t n a v ij g t a d
+n i e s e t s r e e t e h p o r a a l k s i s e l l a.</i>
+</p>
+<p>Nauwelijks waren die letters ter neer geschreven, of Silas Toronthal rukte het papier
+onder de handen van Sarcany weg. Hij bekeek het en stiet een kreet uit. Hij was het
+thans, die op zijne beurt de kalmte verloor.
+</p>
+<p>Sarcany vroeg zich waarachtig af of de bankier niet plotseling krankzinnig was geworden.
+</p>
+<p>„Man, lees dan toch!” riep Silas Toronthal uit, terwijl hij het papier aan Sarcany
+overreikte. „Lees dan toch!”
+</p>
+<p>„Lezen?”
+</p>
+<p>„Ja, lezen!”
+</p>
+<p>„Maar wat dan?”
+</p>
+<p>„Wel, ziet gij dan niet, dat de correspondenten van graaf Mathias Sandorf, alvorens
+hunne woorden met behulp van den rooster saam te stellen, den volzin het achterste
+voor geschreven hebben<span class="corr" id="xd33e1596" title="Niet in bron">.”</span>
+</p>
+<p>Sarcany greep ijlings het papier en ziehier wat hij las, toen hij die letters, met
+de laatste te beginnen, ontraadselde.
+</p>
+<p>„<i>Alles is klaar. Op het eerste sein dat gij van Triëst zendt, zullen allen als een
+man opstaan voor Hongarijes onafhankelijkheid. X r z a h h.</i>”
+</p>
+<p>„En die laatste zes letters?” riep hij uit.
+<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p071width"><img src="images/p071.jpg" alt="Welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een groote trap opgeklommen te zijn. (Bladz. 78.)" width="509" height="720"><p class="figureHead">Welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een groote trap opgeklommen
+te zijn. (Bladz. 78.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p>
+<p>„Dat is eene vooraf overeengekomen onderteekening,” antwoordde Silas Toronthal.
+</p>
+<p>„Nu hebben wij hen te pakken!.…”
+</p>
+<p>„Maar dat kan de politie nog niet zeggen.”
+</p>
+<p>„Dat’s mijne zaak.”
+</p>
+<p>„Zoo?”
+</p>
+<p>„Ja!”
+</p>
+<p>„Maar gij zult zoo geheimzinnig mogelijk te werk gaan?”
+</p>
+<p>„Dat’s mijne zaak,” herhaalde Sarcany voor den tweeden keer. „De gouverneur van Triëst
+alleen zal de namen der twee eerlijke vaderlandslievende mannen vernemen, die eene
+samenzwering tegen Oostenrijk in hare geboorte gesmoord zullen hebben!”
+</p>
+<p>Terwijl hij zoo sprak, liet die ellendeling door toon en gebaar genoegzaam de bijtende
+scherts ontwaren, die hem bij het uitbrengen dier woorden bezielde.
+</p>
+<p>„Dan zal ik mij dus met niets te bemoeien hebben?” vroeg de bankier koel.
+</p>
+<p>„Met niets anders,” antwoordde Sarcany, „dan met het opstrijken van de helft der winsten
+in die zaak.”
+</p>
+<p>„Wanneer?<span class="corr" id="xd33e1625" title="Bron: ’">”</span>
+</p>
+<p>„Hoe, wanneer?<span class="corr" id="xd33e1630" title="Bron: ’">”</span>
+</p>
+<p>„Wanneer die verdeeling van winsten?”
+</p>
+<p>„Wel wanneer onder de bijl drie hoofden gevallen zullen zijn, die ons ieder meer dan
+een millioen zullen opbrengen.”
+</p>
+<p>Silas Toronthal en Sarcany scheidden. Als zij voordeel wilden trekken uit het geheim,
+hetwelk het toeval hen in handen gespeeld had, door de samenzweerders te verraden
+vóórdat de omwenteling uitgebarsten was, dan moesten zij zich haasten.
+</p>
+<p>Sarcany evenwel ging, zooals hij gewoon was te doen, naar de woning van Ladislas Zathmar
+terug. Hij had zijn comptabiliteits-arbeid hervat en was daarmede bijna ten einde.
+Graaf Sandorf zelf zeide hem, terwijl hij hem voor zijne betoonde vlijt bedankte,
+dat hij over acht dagen zijne diensten niet meer noodig had.
+</p>
+<p>Volgens Sarcany’s opvatting beduidde dat klaarblijkelijk, dat het sein, hetwelk van
+Triëst verwacht werd, op dat tijdstip aan de voornaamste steden van <span class="corr" id="xd33e1640" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> zou gegeven worden.
+</p>
+<p>Sarcany ging dus voort om alles, wat in het huis van graaf Ladislas Zathmar voorviel,
+ten nauwkeurigste waar te nemen, zonder evenwel de geringste achterdocht op te wekken.
+Hij was daarenboven gebleken zoo vernuftig, zoo met de vrijzinnige denkbeelden ingenomen
+te zijn, hij had een zoo onbewimpelden afkeer aan den dag gelegd, dien hij voor het
+Duitsche ras koesterde, in één woord: hij had zijne komedie zoo goed gespeeld, dat
+graaf Sandorf het voornemen had opgevat hem later, wanneer de omwenteling <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span><span class="corr" id="xd33e1646" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> vrij zou hebben gemaakt, aan zich te verbinden. Tot zelfs Borik was door hem gewonnen
+en had de vooringenomenheid afgelegd, die hij eerst voor dien jongman gekoesterd had.
+</p>
+<p>Sarcany was dus zijn doel nabij.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf was met zijne twee vrienden overeengekomen, dat het sein tot den opstand
+op den 8sten Juni zou gegeven worden, en die dag was daar.
+</p>
+<p>Maar toen was ook het aanbrengingsplan volbracht.
+</p>
+<p>Dien avond overrompelde de politie van Triëst plotseling het huis van graaf Ladislas
+Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar
+en professor Bathory, Sarcany zelfs, die geen enkel woord van protest liet hooren,
+en Borik werden gevangen genomen, zonder dat iemand iets van het bevel tot inhechtenisneming
+vernomen had.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4136">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">V.</h2>
+<h2 class="main">VOOR, GEDURENDE EN NA DE TERECHTZITTING.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Istrië, dat door de tractaten van 1815 aan het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk
+toegevoegd is geworden, is een driehoekig schiereiland, welks landengte het grondvlak
+over de grootste breedte van dien driehoek vormt. Dat schiereiland strekt zich van
+de golf van Triëst af tot de golf van Quarnero uit, en worden langs die kust vrij
+talrijke havenplaatsen aangetroffen. Onder deze kan als de voornaamste opgesomd worden,
+de haven van Pola, die aan de Zuiderpunt van bedoeld schiereiland gelegen is.
+</p>
+<p>Die provincie Istrië, vooral wat hare westelijke kusten betreft, is zeer Italiaansch,
+zelfs Venetiaansch gebleven, zoowel door hare gebruiken en gewoonten, als door hare
+taal. Het is waar, dat er het Slavonisch element een soort tegenwicht vormt; maar
+wat zeker is, dat is dat het Duitsche element zich er met moeite tusschen die twee
+rassen kan handhaven.
+</p>
+<p>Verscheidene belangrijke steden langs de kust of in het binnenland gelegen, schenken
+leven aan die streek, die door de wateren der Adriatische Zee bespoeld wordt. Zoo
+als daar zijn Capo d’Istria en Pirano, welker bevolking bijna uitsluitend de groote
+zoutaanmaakbeddingen bewerkt, die aan de monding der Risano en der Corna <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>Lunga gelegen zijn; verder Parenzo, de residentieplaats van de vertegenwoordiging
+van Istrië en van den bisschop; nog verder Rovigno, hetwelk zijne rijkdommen uit zijne
+olijfaanplantingen trekt; eindelijk Pola, waar de toeristen de prachtige monumenten
+van Romeinschen oorsprong gaan zien en die bestemd is de meest belangrijke oorlogshavenplaats
+van geheel de Adriatische zee te worden.
+</p>
+<p>Maar geen dezer steden heeft het recht de hoofdplaats van Istrië genoemd te worden.
+Het is eigenlijk Pisino, dat in het midden van den bedoelden driehoek gelegen is,
+dat dien naam draagt, en het was daarheen dat de gevangenen na hunne geheime inhechtenisneming
+gebracht werden zonder dat zij er iets van wisten.
+</p>
+<p>Voor de deur van het huis van graaf Ladislas Zathmar stond een postrijtuig te wachten.
+Alle vier stegen in en twee Oostenrijksche maréchaussées—van die lieden welke behoorlijk
+voor de veiligheid in de Istrische velden zorgen—namen bij hen plaats. Het was hun
+dus niet geraden om gedurende de geheele reis een enkel woord te wisselen, dat gevaarlijk
+kon zijn; of eenige overeenkomst van gemeenschappelijk handelen te bespreken, betreffende
+hun verschijnen voor den rechter.
+</p>
+<p>Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard, die onder de bevelen van een luitenant
+stonden, reed voor, achter en bij de portieren van het rijtuig, dat tien minuten later
+de stad verlaten had. Wat Borik betreft, die was dadelijk naar de gevangenis van Triëst
+gebracht geworden en daar in eene cel, afgezonderd van een ieder opgesloten.
+</p>
+<p>Waar bracht men de gevangenen heen? In welke vesting zou het Oostenrijksche gouvernement
+hen opsluiten, daar het kasteel van Triëst daartoe niet genoegzaam scheen? Dat was
+wel belangrijk voor graaf Sandorf en zijne vrienden; maar dat kregen zij niet te weten,
+welke moeite zij daartoe ook aanwendden.
+</p>
+<p>De nacht was donker. Ternauwernood konden de lantaarns van het rijtuig den weg verlichten
+tot bij de eerste rij der ruiters van de bedekking. Men reed snel vooruit. Mathias
+Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hielden zich stil en zwijgend in hunne
+hoeken. Ook Sarcany poogde dat stilzwijgen niet te verbreken, noch om tegen zijne
+inhechtenisneming te protesteeren, noch om te vragen, waarom deze geschied was.
+</p>
+<p>Na Triëst verlaten te hebben, veranderde het postrijtuig zoodanig van richting, dat
+het in schuinsche strekking naar de zeekust teruggevoerd werd. Graaf Sandorf kon toch
+te midden van het leven, door de hoeven der paarden, door de wielen van het rijtuig,
+door het geklikklak der sabels veroorzaakt, in de verte het gedruisch van de branding
+op de rotsen van het strand vernemen. <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>Eenige lichten schitterden gedurende enkele oogenblikken in den nacht, maar verdwenen
+weer dadelijk. Het was een klein vlek, Muggia genaamd, hetwelk het postrijtuig doorgereden
+had zonder halt te houden. Daarna meende graaf Sandorf dat hun weg weer landwaarts
+in voerde.
+</p>
+<p>Te elf uur in den avond, stond het rijtuig stil om te verspannen. Er was niets anders
+te zien dan eene soort hoeve, waar de paarden wachtten, geheel en al gereed om aangespannen
+te worden. Het was de gewone pleisterplaats voor de postrijtuigen niet. Men had vermeden,
+die van Capo d’Istria aan te doen.
+</p>
+<p>De bedekking reed weer vooruit. Het rijtuig volgde thans een weg, die tusschen wijngaarden
+door liep, wiens slingerloten zich aan de takken der moerbeziënboomen als festoenen
+vasthechtten. Men bleef steeds in de vlakte, hetgeen veroorloofde zeer snel te rijden.
+De duisternis was des te zwarter, daar verscheidene dikke wolken, door een stevigen
+zuidwesten wind voortgejaagd, het geheele uitspansel innamen en bedekten. Hoewel de
+glasramen der portieren van tijd tot tijd neergelaten werden om de lucht in het rijtuig
+eenigszins te ververschen,—want de zomernachten zijn zoel in Istrië—zoo was het toch
+onmogelijk iets te kunnen onderscheiden, zelfs binnen zeer beperkten straal.
+</p>
+<p>Welke aandacht graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory
+ook inspanden om zich de geringste aanwijzingen, die zich onderweg voordeden op te
+teekenen, zooals de richting van den wind, den verloopen tijd sedert hun vertrek,
+zoo gelukte het hun toch niet te weten in welke richting het postrijtuig reed. Men
+wilde ongetwijfeld dat het gerechtelijk onderzoek in deze zaak in het grootste geheim
+en op eene plaats die onbekend voor het volk moest blijven, zou geschieden.
+</p>
+<p>Tegen twee uren in den morgen verspande men voor den tweeden keer. Evenals bij de
+eerste verspanning duurde zij ternauwernood vijf minuten.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf meende in het donker eenige huizen te bespeuren, die een groepje aan
+het uiteinde van een weg vormden en bijgevolg de uiterste huizen van een voorstad
+konden zijn.
+</p>
+<p>Dat was Baja, de hoofdplaats van het district van dien naam, welke op ongeveer een
+twintigtal mijlen van Muggia gelegen is.
+</p>
+<p>Zoodra de versche paarden aangespannen waren, fluisterde de luitenant der maréchaussées
+den postiljon iets in het oor, waarop het postrijtuig in galop vertrok.
+</p>
+<p>Tegen half vier zou de dag aanbreken. De gevangenen zouden een uur later, door de
+opkomende zon, zich eenigermate rekenschap hebben kunnen geven van de hoofdrichting,
+die zij tot nu toe gevolgd hadden. Zij zouden ten minste kunnen bepalen of zij <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>noord- of zuid-, oost- of westwaarts gereden hadden. Maar toen sloten de maréchaussées
+de raamkleppen dicht, zoodat het innerlijke van het rijtuig in diepe duisternis gedompeld
+was.
+</p>
+<p>Noch graaf Sandorf, noch zijne beide vrienden lieten zich eene enkele opmerking ontvallen.
+Er zou toch niet naar geluisterd zijn, dat was maar al te zeker. Beter was het dus
+maar volkomen te berusten en te wachten.
+</p>
+<p>Een of een paar uur later—het zou <span class="corr" id="xd33e1687" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> geweest zijn den tijd te schatten,—hield het rijtuig voor de laatste maal stil en
+verspande bij het vlek Visinada.
+</p>
+<p>Alles wat men van dat punt af kon waarnemen, was dat de weg zeer <span class="corr" id="xd33e1692" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> werd. Het geschreeuw van den postiljon, het klappen der zweep, moedigde de paarden
+aan, wier hoefijzers op den ongelijken steenachtigen bodem van die bergachtige landstreek
+weerklonken. Eenige heuvels, met kleine bosschen overdekt, die een grijsachtig voorkomen
+vertoonden, hadden den gezichtseinder zeer begrensd. De gevangenen hadden twee of
+drie maal de tonen eener fluit kunnen vernemen. Dat waren jeugdige herders, die hunne
+vreemdsoortige melodieën bliezen, terwijl zij hunne kudden zwarte geiten hoedden.
+Maar dat was wel eene onvoldoende aanduiding van de landstreek, die men doorreed,
+en men moest zich tevreden stellen met niets te zien.
+</p>
+<p>Het kon zoo ongeveer negen uur in den morgen geweest zijn, toen het postrijtuig een
+geheel anderen gang aannam. Men kon zich daarin niet vergissen, het rolde toen snel
+langs eene helling naar beneden, na eerst het hoogste punt van den weg bereikt te
+hebben. Die snelheid was zeer groot, zoodat zelfs de wielen herhaaldelijk geremd moesten
+worden.
+</p>
+<p>En inderdaad, na eerst in dat geaccidenteerde terrein, hetwelk door den berg Major
+beheerscht wordt, gestegen te zijn, daalde de weg schuins naar beneden, toen hij Pisino
+naderde. Hoewel die stad nog vrij hoog boven de oppervlakte der zee verheven is, zoo
+schijnt zij toch in een dal begraven te liggen, wanneer men omliggende hoogten in
+aanmerking neemt. Lang alvorens haar te bereiken, kan men reeds het torentje bespeuren,
+dat boven de groep harer huizen, welke schilderachtig <span class="corr" id="xd33e1699" title="Bron: amphitheaters-gewijs">amphitheatersgewijs</span> gebouwd zijn, uitsteekt.
+</p>
+<p>Pisino is de districtshoofdplaats en telt eene bevolking van ongeveer vijf en twintig
+duizend zielen. Zij is nagenoeg in het midden van dat driehoekig schiereiland gelegen,
+en de Morlakken, de Slavoniërs van verschillende stammen, zelfs de Tsiganen wemelen
+in die stad, vooral tegen het tijdstip der jaarmarkten, wanneer een aanzienlijke handel
+gedreven wordt.
+<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p077width"><img src="images/p077.jpg" alt="Voor een krijgsraad te brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen. (Bladz. 79.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Voor een krijgsraad te brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen. (Bladz.
+79.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb76a">[<a href="#pb76a">76</a>]</span></p>
+<p>Als oude stad heeft de hoofdplaats van Istrië haar feodaal <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>karakter behouden. Dat komt vooral in haar versterkt kasteel uit, hetwelk eenige nieuwere
+militaire etablissementen, waarin de administratieve bureaux van het Oostenrijksche
+Gouvernement gevestigd zijn, beheerscht.
+</p>
+<p>Het was op de binnenplaats van dat kasteel, dat het postrijtuig op den 9den Juni des
+voormiddags te tien uren ongeveer, na eene reis van ruim vijftien uren, stilstond.
+Graaf Sandorf met zijne beide makkers, alsook Sarcany moesten toen uitstijgen. Eenige
+oogenblikken later waren zij ieder afzonderlijk gekerkerd in de gewelfde vertrekken
+van dat gebouw, welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een
+groote trap opgeklommen te zijn.
+</p>
+<p>Het was de geheime opsluiting in hare volle gestrengheid.
+</p>
+<p>Hoewel zij hoegenaamd geene gemeenschap met elkander hadden en zij derhalve niet van
+gedachten wisselen konden, zoo hadden Mathias Sandorf, Ladislas Zathmar en Stephanus
+Bathory slechts één denkbeeld, hetwelk hun brein martelde: Hoe was het geheim der
+samenzwering ontdekt geworden?
+</p>
+<p>Was ’t het toeval, dat de politie op het spoor gebracht had?
+</p>
+<p>Maar niets had naar buiten kunnen uitlekken! Geen briefwisseling had meer plaats tusschen
+Triëst en de voornaamste steden van Hongarije en <span class="corr" id="xd33e1720" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span>.
+</p>
+<p>Was er dus verraad in het spel?
+</p>
+<p>Maar wie was dan de verrader?
+</p>
+<p>Nooit was eene vertrouwelijke mededeeling aan wien ook gedaan geworden!
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd33e1728" title="Bron: Onmogeijk">Onmogelijk</span> had eenig papier in de handen van een spion kunnen vallen!
+</p>
+<p>Alle documenten waren steeds vernietigd. En al had men ook het huis in de Acquedottolaan
+in alle hoeken en gaten doorzocht, al had men het ook het onderste boven gekeerd,
+dan zou men niets verdachts gevonden hebben!
+</p>
+<p>En dat was zelfs gebeurd. De politieagenten hadden gezocht, gezocht, maar niets anders
+gevonden dan den rooster, die door graaf Zathmar niet vernietigd was, want het kon
+toch mogelijk zijn, dat hij nog zou moeten dienen. Ongelukkiglijk zou die rooster
+als overtuigingsbewijs opgenomen worden, waarvan het gebruik onmogelijk anders verklaard
+kon worden, dan dat hij gebezigd werd voor eene geheime briefwisseling.
+</p>
+<p>De lezer weet, wat de gevangenen nog niet wisten, dat alleen op het afschrift van
+het briefje, hetwelk Sarcany in medeplichtigheid met Silas Toronthal aan den gouverneur
+van Triëst ter hand gesteld had, na er eerst de duidelijke beteekenis bijgevoegd te
+hebben, de inhechtenisneming geschied was. Dat was evenwel voldoende om daarop eene
+beschuldiging van complot tegen de veiligheid <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>van den Staat te grondvesten. Meer was dus niet noodig om graaf Sandorf en zijne vrienden
+voor eene afzonderlijke rechtbank, voor een krijgsraad te brengen, die de militaire
+rechtspleging zou toepassen.
+</p>
+<p>Er bestond evenwel een verrader en die was niet verre. Door zich, zonder een woord
+te zeggen, in hechtenis te laten nemen, door zich zelfs te laten veroordeelen, natuurlijk
+met de nevengedachte om later wel gratie te verwerven, ontkwam die verrader aan iedere
+achterdocht. Dat was Sarcany’s spel en hij speelde die komedie met al den ernst en
+de koelbloedigheid die hij bij alles aan den dag legde.
+</p>
+<p>Daarenboven graaf Sandorf, die door dien schurk bedrogen was—en wie ter wereld zou
+het niet geweest zijn in zijne plaats?—was besloten om alles aan te wenden, om hem
+buiten het geding te houden. Het zou hem niet <span class="corr" id="xd33e1740" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> vallen, zoo dacht hij, te bewijzen, dat Sarcany geen deel aan de samenzwering genomen
+had, dat hij slechts een eenvoudig comptabel was, die eerst kort geleden toegang tot
+het huis van Ladislas Zathmar verkregen had en slechts belast was geweest met de personeele
+zaken van den graaf, die in geen verband hoegenaamd met de samenzwering stonden. Als
+het noodig zou zijn, zou hij Silas Toronthal als getuige oproepen, om de onschuld
+van den jongen man te bewijzen. Hij twijfelde er dan ook niet aan, of Sarcany zou
+wel worden vrijgesproken, zoowel wat aangaat de hoofdbeschuldiging als van die der
+medeplichtigheid, in het geval dat men er toe geraken mocht eene ernstige beschuldiging
+in te stellen, hetgeen hem nog niet geloofbaar voorkwam.
+</p>
+<p>Alles wel beschouwd, kon het Oostenrijksche gouvernement, behalve de complotmakers
+van Triëst, onmogelijk iets van de samenzwering weten. Hunne deelgenooten in <span class="corr" id="xd33e1745" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> en <span class="corr" id="xd33e1748" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> waren geheel onbekend. Er bestond geen enkel spoor van hunne medeplichtigheid. Mathias
+Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hadden dus dienaangaande geene zorgen
+te koesteren.
+</p>
+<p>Wat hen betreft, zij waren vast besloten alles te loochenen, zoolang hun geen daadwerkelijk
+bewijs werd voorgehouden. In dat geval zouden zij weten hun leven op te offeren. Anderen
+zouden den een of anderen dag de mislukte beweging hervatten. De onafhankelijkheidszaak
+zou later wel weer nieuwe aanvoerders vinden. Zij zouden, wanneer zij overtuigd werden,
+hunne gevoelens en hun hoop belijden. Zij zouden het doel aanwijzen, hetwelk zij beoogden,
+een doel dat den een of anderen dag bereikt zou worden. Zij zouden zelfs de moeite
+niet nemen zich te verdedigen, zij zouden slechts de partij, die zij verloren hadden,
+ridderlijk en edelaardig betalen.
+</p>
+<p>Het was niet zonder reden, dat graaf Sandorf en zijne vrienden <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>vermeenden, dat de werkkring der politie in deze zaak zeer beperkt was. Te Buda, te
+Pest, te Klausenburg, in één woord: in al de steden waarin de beweging zou hebben
+kunnen losbarsten, wanneer het signaal daartoe van Triëst gegeven ware, hadden agenten
+de sporen van het complot opgezocht, maar te vergeefs. Daarom had het gouvernement
+de inhechtenisstelling der drie Triëster opperhoofden zoo geheimzinnig doen ten uitvoer
+leggen. Dat zij in de kasematten van het versterkt kasteel te Pisino gekerkerd waren,
+dat men niet wilde dat iets van die zaak ruchtbaar werd, vóórdat zij een eindbeslag
+had, had zijn grond daarin, dat men hoopte dat de een of andere omstandigheid de stellers
+van het briefje in geheimschrift, hetwelk naar de hoofdplaats van Istrië verzonden
+was, maar waarvan men de herkomst niet kende, aan het licht zoude brengen.
+</p>
+<p>Die hoop werd niet verwezenlijkt. Het verwachte sein kwam niet, het zou niet komen.
+De beweging was geremd, voorshands althans. Het Oostenrijksch gouvernement moest zich
+vergenoegen met graaf Sandorf en zijne medeplichtigen onder de beschuldiging van hoogverraad
+jegens den Staat te doen terechtstaan.
+</p>
+<p>Die nasporingen hadden evenwel verscheidene dagen gevorderd. Het was dan ook eerst
+tegen den 20en Juni, dat de instructie der zaak begon, door de beschuldigden te verhooren.
+Zij werden zelfs niet met elkander geconfronteerd en zij zouden elkander slechts voor
+hunne rechters weerzien.
+</p>
+<p>Het gouvernement had aan een krijgsraad de opdracht gedaan, om de opperhoofden der
+Triëster samenzwering te berechten. Men weet hoe beknopt en oppervlakkig de instructie
+eener zaak gevoerd wordt, wanneer zij aan de beslissing van zulk een buitengewoon
+rechtslichaam onderworpen wordt; hoe snel de debatten geleid worden, met hoeveel overhaasting
+het vonnis uitgesproken en ten uitvoer gelegd wordt.
+</p>
+<p>Zoo geschiedde het ook bij deze gelegenheid.
+</p>
+<p>Den 25en Juni vergaderde de krijgsraad in een der lage zalen van het versterkt kasteel
+te Pisino en dienzelfden dag verschenen de beschuldigden voor die militaire rechtbank.
+</p>
+<p>De debatten zouden noch lang, noch belangrijk wezen, want geen enkel voorval zou hen
+kenmerken.
+</p>
+<p>De krijgsraad nam zitting tegen negen uur des morgens. Graaf Sandorf, graaf Zathmar,
+professor Bathory en Sarcany zagen elkander toen voor de eerste maal sedert hunne
+inhechtenisneming weer. De handdruk dien graaf Sandorf met zijne vrienden op de bank
+der beschuldigden wisselde, was als eene nieuwe betuiging, een nieuwe overeenkomst
+betreffende de gevoelens, die hen verbond. Een gebaar van graaf Ladislas Zathmar en
+van Stephanus <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>Bathory deed graaf Sandorf begrijpen, dat zij hem de taak overlieten om voor den raad
+het woord te voeren. Noch hij, noch de anderen hadden den dienst van een verdediger
+willen aannemen. Wat graaf Sandorf tot heden gedaan had, was wèl gedaan. Wat hij noodig
+oordeelde tot de rechters te zeggen, zou wèl gezegd zijn.
+<span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p081width"><img src="images/p081.jpg" alt="Pisino en de afgrond der Foïba. (Bladz. 92.)" width="504" height="720"><p class="figureHead">Pisino en de afgrond der Foïba. (Bladz. 92.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb82a">[<a href="#pb82a">82</a>]</span></p>
+<p>De zitting was publiek, in dien zin opgenomen, dat de deuren van de raadkamer openstonden.
+Weinige personen evenwel waren tegenwoordig; want de zaak was niet naar buiten uitgelekt.
+Hoogstens waren een twintigtal personen aanwezig, die nog tot den dienst van het kasteel
+behoorden.
+</p>
+<p>De identiteit der beschuldigden werd vooraf geconstateerd. Graaf Sandorf vroeg daarop
+aan den voorzitter van den krijgsraad den naam van de plaats, waarheen hij en zijne
+makkers gevoerd waren om terecht te staan; maar op die vraag kreeg hij geen antwoord.
+</p>
+<p>De identiteit van Sarcany werd ook gesteld, maar deze sprak geen woord, waardoor hij
+te kennen kon geven, dat hij zijne zaak van die der andere beschuldigden wenschte
+af te scheiden.
+</p>
+<p>Alsnu werd mededeeling van het afschrift van het briefje, dat zoo verraderlijk aan
+de politie overgeleverd werd, aan de beschuldigden gedaan.
+</p>
+<p>Toen de auditeur militair hen deed afvragen of zij bekenden het origineele van dat
+briefje, waarvan het afschrift hun vertoond werd, ontvangen te hebben, antwoordden
+zij dat het de plicht der beschuldigers was daarvan het bewijs te leveren.
+</p>
+<p>Na dat antwoord vertoonde men hen den rooster, die in de kamer van graaf Ladislas
+Zathmar gevonden was.
+</p>
+<p>Noch graaf Sandorf noch zijne metgezellen konden ontkennen dat die rooster in hun
+bezit geweest was. Zij poogden dat zelfs niet. Er viel tegenover dat feitelijk bewijs
+niets te antwoorden. Daar de toepassing van dien rooster het lezen van dat briefje
+in geheimschrift mogelijk maakte, werd daaruit de gevolgtrekking gemaakt, dat dit
+briefje door de beschuldigden behoorlijk ontvangen was.
+</p>
+<p>Toen vernamen dezen eerst hoe de samenzwering ontdekt was en op welken grondslag de
+beschuldiging rustte.
+</p>
+<p>Van dit oogenblik af werden de vragen en antwoorden uiterst helder en duidelijk van
+weerskanten gedaan en gegeven.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf kon niet meer ontkennen. Hij sprak dus in naam van zichzelven en van
+zijne beide vrienden. Eene beweging was door hen voorbereid, waardoor de scheiding
+tusschen <span class="corr" id="xd33e1785" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> en Oostenrijk teweeg zou gebracht worden, waarna de zelfregeering van het koninkrijk
+der oude Magyaren hersteld zoude geworden zijn. Zonder hunne terechtstelling zou de
+beweging reeds uitgebroken zijn en <span class="corr" id="xd33e1788" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> zou zijne onafhankelijkheid reeds herwonnen hebben. Mathias Sandorf maakte zich als
+opperhoofd der <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>samenzwering bekend en wees zijnen medebeschuldigden slechts eene ondergeschikte rol
+toe. Maar deze protesteerden tegen de woorden van den graaf en eischten met de eer
+ook het gevaar op èn van de medeplichtigheid in de samenzwering èn van het samengaan
+naar het schavot.
+</p>
+<p>Het debat kon nu niet lang meer zijn. Toen daarenboven de voorzitter van den krijgsraad
+de beschuldigden over hunne medeplichtigen buiten Triëst ondervroeg, weigerden zij
+te antwoorden.
+</p>
+<p>Geen naam werd genoemd en zou dat ook niet worden.
+</p>
+<p>„Gij hebt onze drie hoofden in uw macht,” antwoordde graaf <span class="corr" id="xd33e1797" title="Bron: Matthias">Mathias</span> Sandorf op kalmen en eenvoudigen toon, „weest daarmede tevreden.”
+</p>
+<p>Drie hoofden slechts.… want graaf Sandorf stelde zich toen tot taak om de onschuld
+van Sarcany aan het daglicht te doen treden. Hij verhaalde hoe hij den jongen man
+als comptabel op aanbeveling van den bankier Silas Toronthal ten huize van graaf Ladislas
+Zathmar had in dienst gesteld.
+</p>
+<p>Sarcany kon dat beweren van graaf Sandorf slechts bevestigen. Hij wist niets van de
+samenzwering. Hij was wel het meeste verbaasd geweest, toen hij vernam dat daar in
+dat stille huis in de Acquedottolaan een complot tegen de veiligheid van den Staat
+gesmeed werd. Dat hij niet bij zijne inhechtenisneming geprotesteerd had, kwam alleen
+daarvandaan, dat hij niet begrepen had, wat er gaande was.
+</p>
+<p>Noch graaf Sandorf, noch hij ondervonden moeilijkheden bij het vaststellen van dien
+staat van zaken, en het mag wel waarschijnlijk geacht worden, dat de krijgsraad dienaangaande
+reeds een vooraf gevestigde meening bezat. Op het advies van den auditeur militair
+werd dan ook de beschuldiging, tegen Sarcany ingebracht, ingetrokken en van verdere
+vervolging afgezien.
+</p>
+<p>Tegen twee uren in den namiddag waren de debatten afgeloopen en werd in dezelfde zitting
+het vonnis geslagen.
+</p>
+<p>Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory werden,
+als overtuigd van hoogverraad jegens den Staat, ter dood veroordeeld.
+</p>
+<p>De veroordeelden zouden op de binnenplaats van de vesting zelve doodgeschoten worden.
+</p>
+<p>Het vonnis zou binnen twee maal vier en twintig uur voltrokken worden.
+</p>
+<p>Sarcany werd vrijgesproken, maar hij zou naar de gevangenis teruggevoerd worden, tot
+de bekrachtiging van zijn vonnis van vrijlating, hetgeen denzelfden dag van de terechtstelling
+der drie schuldigen zou geschieden.
+</p>
+<p>Hetzelfde vonnis sprak ook de verbeurdverklaring der goederen van de drie veroordeelden
+uit.
+<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span></p>
+<p>Daarop werd bevel gegeven om graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor
+Stephanus Bathory naar hunnen kerker terug te voeren.
+</p>
+<p>Sarcany werd in de cel teruggebracht, die hij betrokken had aan het uiteinde van een
+elliptische gang, die op de tweede <span class="corr" id="xd33e1815" title="Bron: verdiepimg">verdieping</span> van den vestingtoren gelegen was.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf en zijne beide vrienden werden gedurende de laatste uren, die zij nog
+te leven hadden, ingekerkerd in eene vrij ruime cel, die op dezelfde verdieping aan
+het uiteinde van de groote as van bedoelde ellips, welke door de gang beschreven werd,
+gelegen was. Ditmaal was het bevel tot afzondering opgeheven. De veroordeelden zouden
+bij elkander blijven totdat het oogenblik van sterven gekomen zou zijn.
+</p>
+<p>Toen zij eindelijk alleen gelaten waren, was dat een troost, ja, zelfs een vreugde
+voor hen. Toen konden zij zich vrijelijk overgeven aan hunne gemoedsaandoeningen;
+toen konden zij hunne gevoelens vrij den teugel laten vieren. In tegenwoordigheid
+hunner rechters hadden zij zich weten te bedwingen; de terugwerking deed zich thans
+evenwel gelden en daar zonder getuigen openden zij de armen voor elkander en klemden
+elkander aan hunne mannelijke borst.
+</p>
+<p>„Vrienden,” sprak graaf Sandorf, „ik zal de schuld van uwen dood zijn! Maar ik onthoud
+mij er u vergiffenis voor te vragen! Het gold Hongarije’s onafhankelijkheid! Onze
+zaak was eene rechtvaardige zaak! Het was onze plicht voor hare verdediging op te
+treden! Het zal eene eer zijn het leven voor haar te laten!”
+</p>
+<p>„Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory, „wij bedanken u integendeel, dat ge ons deel
+hebt laten nemen aan dat <span class="corr" id="xd33e1824" title="Bron: vaderlandschlievende">vaderlandslievende</span> werk, dat de kroon op geheel ons leven zal stellen …”
+</p>
+<p>„Wij zullen elkanders deelgenooten tot in den dood zijn!” antwoordde graaf Zathmar
+koelbloedig.
+</p>
+<p>Daarna bekeken de drie vrienden, na een poos van stilzwijgen, de akelig sombere cel,
+waarin zij hunne laatste levensuren zouden doorbrengen. Een smal venster, dat in de
+dikke muren van den vestingtoren op eene hoogte van vier of vijf voeten ingesneden
+was, verschafte ternauwernood genoegzaam daglicht. Zij bevatte drie ijzeren ledikanten,
+eenige stoelen, eene tafel en eenige muurtafeltjes, die aan de wanden vastgeklonken
+waren en waarop allerlei voorwerpen stonden.
+</p>
+<p>Terwijl Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory zich natuurlijk genoeg aan hunne sombere
+overpeinzingen overgaven, wandelde graaf Mathias Sandorf de cel op en neer.
+</p>
+<p>Ladislas Zathmar, die zich alleen ter wereld bevond, had niet veel te beweenen. Slechts
+één persoon op deze aarde zou om hem treuren en dat was zijn knecht Borik.
+<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p>
+<p>Zoo was het niet met Stephanus Bathory gesteld. Zijn dood trof niet hem slechts. Hij
+had eene vrouw en een zoon, die door dien slag ook getroffen zouden worden. Die dierbare
+wezens zouden er door geschokt worden, konden er van sterven! En … wanneer zij hem
+overleefden, welk bestaan wachtte hen dan! Welke toekomst voor die onbemiddelde vrouw
+met een kind van ternauwernood acht jaren oud! Wanneer bovendien Stephanus Bathory
+eenig vermogen bezeten had, wat zou daarvan dan nog aan haar, na een vonnis, hetwelk
+de verbeurdverklaring van al de goederen der drie ter dood veroordeelden uitsprak,
+verbleven zijn?
+</p>
+<p>Wat graaf Sandorf betrof, het was zijn geheel verleden, hetwelk hem voor den geest
+trad! Het was zijne vrouw, wier beeld hij steeds in zijn hart omdroeg! <span class="corr" id="xd33e1836" title="Bron: Her">Het</span> was zijn dochtertje, een kind van twee jaren, hetwelk aan de goede zorgen van den
+intendant achtergelaten was, en wien thans de taak toeviel om haar op te voeden! Het
+waren zijne vrienden, die hij in het ongeluk gesleept had! Hij vroeg zich af, of hij
+wel goed gehandeld had, of hij niet verder gegaan was dan de plicht jegens het vaderland
+gebood, nu de straf verder reikte<span class="corr" id="xd33e1839" title="Bron: ,">, </span>nu zij onschuldigen trof!
+</p>
+<p>„Neen!… neen!… ik heb mijn plicht slechts gedaan!” herhaalde hij voortdurend bij zich
+zelven. „Neen!… het vaderland voor alles, boven alles!”
+</p>
+<p>Een gevangenbewaarder trad tegen vijf uren de cel binnen, zette het eten voor de drie
+veroordeelden op de tafel neer en ging weer heen zonder een enkel woord gesproken
+te hebben. Mathias Sandorf evenwel had wel willen weten, waar hij zich bevond, hoe
+de vesting heette<span class="corr" id="xd33e1845" title="Bron: ,">, </span>waarin hij opgesloten was. Maar op de vraag<span class="corr" id="xd33e1848" title="Bron: ,">, </span>die hij daaromtrent aan den voorzitter van den krijgsraad gedaan had, had deze gemeend
+niet te moeten antwoorden en voorzeker zou de gevangenbewaarder, daartoe door een
+bevel genoodzaakt, wel evenmin geantwoord hebben.
+</p>
+<p>De drie veroordeelden raakten het eten, dat hun voorgediend was, ternauwernood aan.
+Zij brachten den dag door met over allerhande zaken te praten, over de hoop dat de
+verijdelde omwenteling den een of anderen tijd hervat zoude worden. Toen kwamen zij
+herhaaldelijk op de bijzonderheden der zaak terug.
+</p>
+<p>„Wij weten thans,” zei graaf Ladislas Zathmar, „waarom wij gevangen genomen zijn en
+hoe de politie alles door dat briefje, hetwelk haar in handen is gevallen, te weten
+is gekomen”.
+</p>
+<p>„Ongetwijfeld, Ladislas,” antwoordde graaf Sandorf, <span class="corr" id="xd33e1856" title="Niet in bron">„</span>maar in wiens handen is dat briefje, een der laatsten, die wij ontvangen hebben, toch
+gevallen en door wien is er afschrift van genomen?”
+</p>
+<p>„En hoe is, nadat het briefje bemachtigd was, de rooster gevonden, <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>om dat briefje te kunnen ontraadselen?” sprak Stephanus Bathory op zijne beurt.
+</p>
+<p>„Die rooster moet ons dus, al was het maar voor een oogenblik, ontstolen zijn,” zei
+graaf Sandorf.
+</p>
+<p>„Ontstolen!… Door wien?” vroeg Ladislas Zathmar. „Op den dag onzer gevangenneming
+lag hij nog in de lade van de schrijflessenaar op mijne slaapkamer. Daar hebben hem
+toch de politieagenten gevonden, niet waar?”
+</p>
+<p>Het was inderdaad onverklaarbaar<span class="corr" id="xd33e1866" title="Bron: .">. </span>Dat het briefje aan den hals van de reisduif, die het overbracht, gevonden was, dat
+er nauwkeurig afschrift van was gemaakt, alvorens naar zijne bestemming doorgezonden
+te zijn, dat het huis van bestemming ontdekt was, dat alles kon en moest aangenomen
+worden. Maar dat de letters van het geheimschrift op hunne ware plaats hadden kunnen
+hersteld worden, zonder het instrumentje waarmede het tot stand gebracht was, dat
+was onverklaarbaar, dat was onbegrijpelijk.
+</p>
+<p>„En toch is dat briefje ontraadseld en gelezen geworden,” hernam graaf Sandorf, „daaromtrent
+zijn wij zeker, niet waar? En het is niet zonder den rooster kunnen ontcijferd worden!
+Het is dat briefje, hetwelk de politie op het spoor van het complot gebracht heeft
+en het is op dat briefje alleen, dat de geheele beschuldiging gegrondvest is!”
+</p>
+<p>„Och, wat kan het ons toch schelen!” antwoordde Stephanus Bathory.
+</p>
+<p>„O! het kan ons integendeel veel schelen!” riep graaf Sandorf uit. „Wij zijn misschien
+verraden geworden! En als er een verrader in het spel is, dan.… is het zaak.… te.…”
+</p>
+<p>Graaf Sandorf stokte. Sarcany’s naam kwam hem voor den geest. Maar hij verbande die
+gedachte ver, zeer ver, zonder haar zelfs aan zijne vrienden mede te deelen.
+</p>
+<p>Mathias Sandorf en zijne twee vrienden gingen zoo voort met praten over dat onverklaarbare
+in die zaak en zoo werd het langzamerhand laat in den nacht.
+</p>
+<p>Zij werden den volgenden morgen uit een vrij diepen slaap gewekt, door het binnenkomen
+van den gevangenbewaarder. Het was de morgen van hun voorlaatsten dag. De terechtstelling
+was op vier en twintig uren later bepaald.
+</p>
+<p>Stephanus Bathory vroeg aan den gevangenbewaarder of het hem geoorloofd zoude zijn,
+zijn gezin te zien.
+</p>
+<p>De gevangenbewaarder antwoordde, dat hij dienaangaande geene bevelen had. Het was
+evenwel niet waarschijnlijk, dat het Oostenrijksch gouvernement den veroordeelden
+die laatste vertroosting zou toestaan. De geheele zaak was toch tot op den dag van
+het vonnis zoo geheim mogelijk gehouden geworden. Zelfs de naam van de <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>vesting, die den veroordeelden tot gevangenis diende, was geheim gebleven.
+</p>
+<p>„Kunnen wij ten minste schrijven, en zullen onze brieven hunne bestemming bereiken?”
+vroeg graaf Sandorf.
+</p>
+<p>„Ik zal u papier, pen en inkt geven,” antwoordde de gevangenbewaarder, „en ik beloof
+u, uwe brieven aan den gouverneur ter hand te zullen stellen.”
+</p>
+<p>„Wij danken u, vriend,” antwoordde graaf Sandorf, „voor hetgeen gij doen wilt en wat
+gij alleen doen kunt! Wij kunnen u niet voor uwe moeite beloonen; maar.…”
+</p>
+<p>„Uw dank is voor mij genoeg, heeren,” hernam de gevangenbewaarder, die zijne ontroering
+niet kon verbergen.
+</p>
+<p>Die brave man bracht dadelijk het noodige schrijfgereedschap. De veroordeelden brachten
+een gedeelte van den dag door met het nemen hunner laatste beschikkingen. Van den
+kant van graaf Sandorf waren het de meest gemoedelijke raadgevingen voor zijn dochtertje,
+dat als wees zou achterblijven, welke uit het hart eens vaders konden opwellen. Van
+den kant van Stephanus Bathory waren het de vurigste liefdesbetuigingen, die deze
+in zijn laatst vaarwel aan zijne echtgenoote en aan zijn zoon deed vernemen. Van den
+kant van Ladislas Zathmar waren het innige aanhankelijkheidsbewijzen, die een heer
+voor zijn ouden knecht, voor zijn laatsten vriend kon koesteren.
+</p>
+<p>Maar hoe afgetrokken waren zij niet dien dag, hoe herhaaldelijk hadden de gevangenen
+de ooren niet gespitst! Hoe menigmaal poogden zij niet te ontwaren, of er geen ver
+gedruisch door de lange gangen van den vestingtoren tot hen doordrong. Hoe menigmaal
+scheen het hun niet, dat de deur van die cel zou opengaan en dat het hun veroorloofd
+zou zijn voor de laatste maal eene gade, eene dochter, een zoon te omarmen! Dat zou
+eene vertroosting geweest zijn. Maar, in waarheid, was het niet beter dat een wreed
+onvermurwbaar verbod, dat laatste vaarwel, hetgeen zoo hartverscheurend zoude zijn,
+belette?
+</p>
+<p>De deur ging niet open. Ongetwijfeld wisten noch mevrouw Bathory, noch haar zoon,
+noch de intendant Lendek<span class="corr" id="xd33e1889" title="Bron: .">,</span> aan wien het dochtertje van graaf Mathias Sandorf toevertrouwd was, waarheen de gevangenen
+na hunne inhechtenisneming overgebracht waren, evenmin als Borik, die nog steeds in
+de gevangenis te Triëst opgesloten zat. Allen wisten ongetwijfeld ook niet, welk vonnis
+over de hoofden der samenzwering uitgesproken was. De veroordeelden, zoo was bepaald,
+zouden hunne dierbaren vóór de ten uitvoerlegging van het vonnis niet wederzien.
+</p>
+<p>De eerste uren van dien dag snelden zoo voorbij. Soms praatten Mathias Sandorf en
+zijne beide vrienden te zamen. Soms ook vervielen <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>zij in een langdurig stilzwijgen en waren zij in zichzelven gekeerd. In die oogenblikken
+gleed alles met eene schrikkelijke, bovennatuurlijke nauwkeurigheid in het geheugen
+voorbij. Het was alsdan niet in het verledene dat zij terugtraden. Alles wat de herinnering
+in het brein terugriep, ontplooide zich in den vorm van het tegenwoordige. Was dat
+als een voorgevoel van de eeuwigheid, die zich opende van dien onbegrijpelijken en
+onmetelijken toestand, dien men het oneindige noemt?
+</p>
+<p>Intusschen, terwijl Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar zich zoo zonder stoornis
+aan hunne overpeinzingen overgaven, werd het brein van Mathias Sandorf onweerstaanbaar
+beheerscht door eene gedachte, die er als het ware post in had gevat. Hij twijfelde
+er niet aan, of in die geheimzinnige zaak had het verraad zijne treurige rol vervuld.
+Nu was voor een man van zijn karakter, sterven zonder den verrader, wie hij ook zijn
+mocht, gestraft te hebben, zonder zelfs te weten wie de verrader was, als het ware
+tweemaal sterven. Wie had dat briefje, waaraan de politie de ontdekking van de samenzwering
+en de inhechtenisneming der hoofdschuldigen te danken had, bemachtigd? Wie had de
+middelen ontdekt om het te kunnen lezen? Wie had het aan de politie overgeleverd,
+verkocht wellicht?.… Tegenover dat onoplosbaar vraagstuk waren de opgewonden hersenen
+van graaf Sandorf ten prooi aan eene soort koorts.
+</p>
+<p>Terwijl zijne vrienden dan ook schreven of daar stilzwijgend ter neer zaten en zich
+onbeweeglijk hielden, liep hij <span class="corr" id="xd33e1900" title="Bron: ontrustig">onrustig</span> langs de muren der cel als een wild dier in zijne kooi op en neer.
+</p>
+<p>Een zonderling maar volkomen door de wetten der <span class="corr" id="xd33e1905" title="Bron: geluidleer">geluidsleer</span> verklaarbaar natuurverschijnsel, zou hem het geheim mededeelen, juist toen hij wanhopen
+moest het ooit te vernemen.
+</p>
+<p>Verscheidene malen had graaf Sandorf stilgestaan bij den hoek van het vertrek, die
+door den binnenmuur gevormd werd met den buitenmuur van de gang, waarop de verschillende
+cellen van deze verdieping van den vestingtoren uitkwamen. In dien hoek, in welks
+nabijheid de deur aangebracht was, meende hij een gemurmel gehoord te hebben als van
+verwijderde stemmen, dat nog niet verstaanbaar was. Eerst sloeg hij er geen acht op,
+maar.… plotseling hoorde hij een naam uitspreken.… den zijnen.… en dat deed hem het
+oor spitsen.
+<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p089width"><img src="images/p089.jpg" alt="Graaf Sandorf onderzocht dus of het venster ruimte genoeg aanbood, om hen doortocht te verleenen. (Bladz. 94.)" width="508" height="720"><p class="figureHead">Graaf Sandorf onderzocht dus of het venster ruimte genoeg aanbood, om hen doortocht
+te verleenen. (Bladz. 94.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb88a">[<a href="#pb88a">88</a>]</span></p>
+<p>Klaarblijkelijk werd daar hetzelfde natuurverschijnsel te voorschijn geroepen, gelijk
+aan dat, hetwelk onder boogvormige gangen of onder gewelven met ellipsvormige constructie
+waargenomen wordt. De stem, die van een der zijden van de ellips uitgaat, doet zich
+na den omtrek der muren gevolgd te hebben in het andere brandpunt vernemen, zonder
+op hare baan ergens waarneembaar <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>te zijn geweest. Zulk een natuurverschijnsel wordt in de onderaardsche gewelven van
+het Panthéon te Parijs, in de binnenruimte van den koepel van de Sint Pieterskerk
+te Rome, in de „<span lang="en">whispering <span class="corr" id="xd33e1922" title="Bron: galerij">gallery</span></span>” de weerklinkende galerij van de Sint Paulskerk te Londen waargenomen. Onder dergelijke
+omstandigheden wordt het geringste woord, zelfs wanneer het fluisterend uitgesproken
+wordt, duidelijk verstaan in het tegenovergestelde brandpunt.
+</p>
+<p>Er viel hier niet aan te twijfelen. Twee of meer personen praatten, hetzij in de gang,
+hetzij in een der cellen aan het einde van zijn doorsnede gelegen, en het brandpunt
+bevond zich bij de deur van de cel, waarin Mathias Sandorf opgesloten was.
+</p>
+<p>Met een enkel gebaar riep hij zijne makkers tot zich. En daar stonden zij alle drie
+met gespitste ooren te luisteren.
+</p>
+<p>Brokstukken van volzinnen bereikten hun oor zeer duidelijk. De volzinnen werden afgebroken,
+wanneer de sprekers zich, al was het ook nog maar zoo weinig, van het brandpunt verwijderden,
+dat wil zeggen van dat punt, waarvan de ligging het natuurverschijnsel deed geboren
+worden.
+</p>
+<p>En ziehier de woorden, die zij met herhaalde tusschenpoozen opvingen:
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>„Morgen na de terechtstelling zult ge vrij zijn.……
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>„En dan zullen de goederen van graaf Sandorf, eerlijk verdeeld.
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>„Zonder mij zoudt ge dat briefje niet hebben kunnen ontraadselen.
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>„En zonder mij, die het aan den hals van de postduif gevonden heb, zoudt gij het nooit
+in handen gekregen hebben.…..
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>„Hoe het ook zij, niemand kan eenige verdenking koesteren, dat wij de politie.….….….……
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>„En als de veroordeelden nu ook al eenige achterdocht.…
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>„Noch bloedverwanten, noch vrienden kunnen meer tot hen doordringen.….….….……
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>„Tot morgen, Sarcany”.….….…..
+</p>
+<p>„Tot morgen, Silas Toronthal!”.….……
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>Daarna zwegen de stemmen en het geluid eener deur die toesloeg, werd vernomen.
+<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p>
+<p>„Sarcany!.… Silas Toronthal!.…” riep graaf Sandorf uit. „Zij!.… Zij zijn het!”
+</p>
+<p>Hij werd doodsbleek en keek zijne vrienden met een van verbijstering glinsterend oog
+aan. Zijn hart had een oogenblik opgehouden met kloppen. Zijne oogleden stonden wijd
+opengespalkt, zijn hals was stijf en zijn hoofd was tusschen zijne schouders teruggedrongen.
+Alles duidde er op, dat die geestkrachtvolle natuur door een schrikkelijken toorn
+beroerd werd.
+</p>
+<p>„Zij!.… De ellendelingen!.…” herhaalde hij woest brullende.
+</p>
+<p>Hij richtte eindelijk zijne gebogen gestalte op en keek rond, terwijl hij de cel met
+groote passen op en neer liep.
+</p>
+<p>„Vluchten!.… Vluchten!” riep hij uit. „Wij moeten vluchten!”
+</p>
+<p>En die man, die enkele minuten vroeger gereed was om weinige uren later den dood manmoedig
+tegemoet te treden, die man, die er zelfs niet aan gedacht had om den beul zijn hoofd
+te betwisten, die man had thans slechts ééne gedachte: leven, om die twee verraders
+Silas Toronthal en Sarcany te straffen!
+</p>
+<p>„Ja, ons wreken!” riepen Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar uit.
+</p>
+<p>„Ons wreken? Neen!.… Gerechtigheid uitoefenen!”
+</p>
+<p>Het geheele karakter van graaf Sandorf lag in die woorden opgesloten.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4145">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">VI.</h2>
+<h2 class="main">DE VESTINGTOREN VAN PISINO.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De vesting Pisino is een van de meest merkwaardige van die stevige gebouwen, welke
+in de middeleeuwen verrezen. Zij ziet er zeer goed uit met haar feodaal uiterlijk.
+Er ontbreken slechts ridders in die gewelfde zalen, slechts edelvrouwen, met bonte
+japonnen gekleed en getooid met puntmutsen, aan de ogiefvormige vensterramen, slechts
+boogschutters op de transen van de gecreneleerde muren, in de schietgaten van de vooruitspringende
+gedeelten, bij de Spaansche ruiters, die de ophaalbruggen moeten verdedigen. Het kunstwerk
+van steen is nog onaangetast; maar de vestinggouverneur met zijn Oostenrijksch uniform,
+de soldaten met hunne moderne tenue, de gevangenbewaarders en de sleuteldragers, die
+niets meer vertoonen van dat costuum uit den ouden tijd, half <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>geel, half rood, die allen geven een valschen toon aan te midden van die prachtige
+overblijfselen van een ander tijdvak.
+</p>
+<p>Het was uit den toren van die vesting, dat graaf Sandorf zich vermeette te willen
+ontvluchten en dat nog wel gedurende de laatste uren, die de terechtstelling voorafgingen.
+Dwaze poging voorzeker, daar de gevangenen niet eens wisten, welke vesting hen tot
+kerker diende, daar zij niets van het omgelegen land kenden, waardoor zij toch na
+hunne ontvluchting heen moesten trekken.
+</p>
+<p>O, wellicht kon het voor een geluk gelden, dat zij niets van die omgeving wisten.
+Beter onderricht, zouden zij misschien voor de <span class="corr" id="xd33e1973" title="Bron: moeielijkheden">moeilijkheden</span>, om niet te spreken van de onmogelijkheid van zulk eene onderneming teruggedeinsd
+zijn.
+</p>
+<p>Niet dat deze Istrische provincie geene voordeelige kansen voor eene ontsnapping zou
+aanbieden, dewijl iedere richting, door de vluchtelingen genomen, naar een punt van
+hare kuststreek zou voeren en dat binnen weinige uren. Ook niet dat de straten van
+de stad Pisino zoo streng zouden bewaakt zijn, dat men bij de eerste stappen gevaar
+zou loopen gevat te worden. Neen; maar ontsnappen uit die vesting, voornamelijk uit
+den toren, door de gevangenen bewoond, dat was tot heden als volstrekt onmogelijk
+beschouwd geworden. Het denkbeeld daarvan kon zelfs niet opkomen.
+</p>
+<p>Ziehier inderdaad de toestand en het uiterlijk voorkomen van dien toren in de vesting
+Pisino.
+</p>
+<p>Die toren beslaat eene zijde van een bergplat, alwaar de stad plotseling als het ware
+eindigt. Wanneer men op den ringmuur van dat plat leunt, dan boort de blik in een
+breede en diepe kolk, waarvan de steile wanden niet eens bedekt zijn met lange afhangende
+lianen. Niets steekt van dien loodrechten rotsmuur uit. Geen enkele trede om naar
+boven te klimmen of om naar beneden te dalen. Geen portaal om er even halt te houden.
+Geen enkel standpunt, waar ook. Niets dan grillige uitschuringen, niets dan gladde
+onzekere streepen, die de schuinsche ligging der rotslagen aangeven. In één woord
+is het een afgrond, die aantrekt, die meesleept en niets teruggeeft van hetgeen er
+in mocht vallen.
+</p>
+<p>Het was boven dezen afgrond dat een der zijmuren zich verhief. In dien muur waren
+eenige vensters ingesneden, die de cellen op de verschillende verdiepingen moesten
+verlichten. Wanneer een gevangene zich door een van die openingen voorover gebogen
+had, dan zou hij vol afgrijzen achteruit gedeinsd zijn, tenzij duizelingen hem in
+de diepte zouden hebben doen storten! En wanneer hij viel, wat dan? Of het lichaam
+zou op de rotsen van den bodem te pletter storten, òf het zou door den bergvloed medegevoerd
+worden, wiens stroom onweerstaanbaar is in het tijdperk van hoog water.
+</p>
+<p>Die afgrond, dat is de Buco, zoo als hij in dat land genoemd <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>wordt. Hij dient tot afleiding van het overtollige water van eene rivier, die Foïba
+heet. Die rivier erlangt slechts toegang door eene onderaardsche spelonk, die zij
+zich zelve langzamerhand door de rotsmassa’s uitgehold heeft, en waarin zij zich met
+de kracht van een waterval stort. Waar stroomt zij dan heen, terwijl zij onder de
+stad doorgaat? Dat weet men niet. Waar verschijnt zij weer? Dat weet men evenmin.
+Niemand kent de lengte noch de hoogte van die spelonk, die in de krijtsteen- en leisteenlagen
+uitgeschuurd is. Wie kan zeggen of de stroom daaronder zich niet met geweld breekt
+op scherpe kanten, op puntige hoeken, of hij niet gestuit wordt door een woud van
+pilaren, die het kolossale gevaarte der vesting en ook de geheele stad schragen? Koene
+onderzoekers hadden beproefd de Foïba af te zakken in een tijdperk, dat de middelbare
+waterstand gedoogde een licht vaartuig te gebruiken, maar de laagte van het rotsgewelf
+had hen een onoverkomelijke hinderpaal in den weg gesteld. In werkelijkheid wist men
+niets omtrent den toestand van die onderaardsche rivier. Misschien verloor zij zich
+wel in eene aardspleet, die onder de oppervlakte van de Adriatische zee uitkwam.
+</p>
+<p>Dat was de Buco, welks bestaan graaf Sandorf zelfs niet giste. Daar nu eene ontsnapping
+niet anders kon geschieden dan door het eenige raam zijner cel, hetwelk boven de Buco
+openging, zoo was het voor hem even zeker den dood tegemoet te gaan, als wanneer hij
+zich was komen plaatsen voor het peloton soldaten, dat hem moest doodschieten.
+</p>
+<p>Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory wachtten slechts het gunstige oogenblik af om
+te handelen. Zij waren bereid te blijven, wanneer het noodig was; zij waren bereid
+zich op te offeren om graaf Sandorf te hulp te komen; zij waren bereid hem te volgen,
+wanneer hunne vlucht de zijne niet kon benadeelen.
+</p>
+<p>„Alle drie zullen wij vluchten,” zei graaf Mathias Sandorf, „hoewel het wellicht noodig
+zal worden om ons te scheiden, wanneer wij eenmaal buiten gekomen zullen zijn.”
+</p>
+<p>Het was reeds avond en op den kerktoren sloeg het reeds acht uur. De veroordeelden
+hadden nog slechts twaalf uren te leven.
+</p>
+<p>De nacht viel in en zooals men opmerken kon, zou hij zeer donker zijn. Dikke wolken,
+die bijna onbewegelijk bleven, bedekten het uitspansel. De lucht was zwaar, zij maakte
+de ademhaling <span class="corr" id="xd33e1991" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> en was met electriciteit bezwangerd. Een hevig onweder was in aantocht. Wel schoten
+de bliksemstralen nog niet door de ruimte, nog niet door die dikke dampen, die daar
+als zoovele accumulatoren aanwezig waren; maar het gerommel van den donder liet zich
+reeds heel in de verte vernemen en werd langs de bergtoppen van de hoogten, die Pisino
+omgeven, overgebracht.
+</p>
+<p>Eene ontsnapping, onder die omstandigheden ondernomen, zou <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>dus eenige kansen van welslagen hebben kunnen aanbieden, wanneer niet een bedriegelijke
+afgrond onder de voeten der vluchtelingen geweest ware. De nacht zou zwart zijn, men
+zou derhalve niet gezien worden. Bij het geraas van den donder zou men niet gehoord
+worden.
+</p>
+<p>Zooals graaf Sandorf reeds dadelijk erkend had, zou de vlucht mogelijk zijn door het
+venster van de cel. De deur open te breken, of die stevige bladen van eikenhout, die
+daarenboven geheel met ijzer beslagen waren, aan te tasten, daaraan kon zelfs niet
+gedacht worden. Buitendien, de stap van een schildwacht weerklonk op de vloersteenen
+van de gang. En gesteld dat men buiten de celdeur geraakte, hoe zou men den weg vinden
+in de doolgangen van de vesting? Hoe zou men de poort uit, de valbrug over komen?
+Die zouden toch wel door posten soldaten bewaakt zijn! Aan den kant van den Buco was
+ten minste geen schildwacht te bespeuren. Maar de Buco bewaakte die zijde van den
+vestingtoren beter dan een geheele keten schildwachten.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf onderzocht dus in de eerste plaats, of het venster ruimte genoeg aanbood,
+om hen doortocht te verleenen.
+</p>
+<p>Dat raam meette ongeveer drie en een halve voet hoogte op twee voet breedte. Het verliep
+trechtersgewijze door den muur, welks dikte op dit punt op vier voet geschat kon worden.
+Een stevig kruis van ijzer verdedigde den toegang. Dat was in den steen dicht bij
+de binnenopening geklonken. Er waren geen houten schuttingen of koekoeken aangebracht,
+die het licht slechts van boven laten binnenvallen. Die zouden onnoodig geweest zijn,
+daar de schikking van de opening den blik belette in den afgrond van de Buco te dringen.
+Wanneer men er dus in slaagde dat ijzeren kruis uit te rukken of van zijne plaats
+te wringen, dan zou het gemakkelijk zijn zich door dat raam te laten glijden, dat
+veel geleek op een schietgat van de vesting.
+</p>
+<p>Maar, als men eenmaal uit dat raam geklommen was, hoe zou men dan buiten naar omlaag
+dalen langs den loodrechten muur? Eene ladder? Ja, die bezaten de gevangenen niet;
+ook konden zij die niet vervaardigen. Hunne beddelakens gebruiken? Zij hadden niets
+dan dikke wollen dekens, die hunne matrassen op de ijzeren kribben dekten, welke laatsten
+daarenboven in de wanden van de cel vastgeklonken waren. Het zou dus bepaald onmogelijk
+zijn door het venster te ontsnappen, wanneer graaf Sandorf niet eene ketting of beter
+een ijzeren kabel opgemerkt had, die buiten hing en de ontsnapping kon vergemakkelijken.
+</p>
+<p>Die kabel was de bliksemafleider, die op den daknok bevestigd was boven de zijflank
+van den vestingtoren, maar die zich boven den Buco loodrecht verhief.
+</p>
+<p>„Gij ziet dien kabel,” zei graaf Sandorf tot zijne vrienden. <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>„Daarvan zullen wij ons bedienen om te ontsnappen. Maar daartoe behoort moed!”
+</p>
+<p>„O, moed bezitten wij,” antwoordde graaf Ladislas Zathmar. „Maar zullen wij de kracht
+hebben?”
+</p>
+<p>„Om het even!” sprak Stephanus Bathory. „Als de krachten te kort schieten, zullen
+wij slechts eenige uren vroeger sterven. Dat is alles!”
+</p>
+<p>„Wij moeten niet sterven, Stephanus,” antwoordde graaf Sandorf. „Luister goed en gij
+ook, Ladislas, laat geen enkel mijner woorden u ontgaan. Wanneer wij een touw bezaten,
+dan zouden wij geen oogenblik aarzelen om het buiten het venster te hangen om ons
+daarlangs tot op den bodem te laten afglijden. Nu is die ijzeren kabel beter dan een
+touw; door zijne onbuigzaamheid zal hij de afdaling zeer vergemakkelijken. Evenals
+alle bliksemafleiders zal hij met ijzeren haken aan den gevelmuur bevestigd zijn.
+Die haken zullen steunpunten vormen, waarop onze voeten zullen kunnen rusten. Wij
+zullen geene slingeringen te vreezen hebben, daar de kabel aan den muur bevestigd
+is. Wij zullen geen duizelingen kunnen ondervinden, daar het nacht is en wij dus niets
+zullen kunnen zien. Derhalve, wanneer wij slechts buiten dat venster geraken, dan
+met koelbloedigheid en met moed kunnen wij de vrijheid herwinnen. Dat wij ons leven
+wagen, is zeer goed mogelijk. Maar al bestonden slechts tien kansen op honderd, dan
+nog … daar wij honderd kansen op honderd zullen hebben om te sterven, wanneer de gevangenbewaarders
+ons morgen ochtend in deze cel terugvinden.”
+</p>
+<p>„Dat is zoo,” antwoordde Ladislas Zathmar.
+</p>
+<p>„Waar komt die ketting terecht?” vroeg Stephanus Bathory.
+</p>
+<p>„In den een of anderen put waarschijnlijk; maar zeker buiten den vestingtoren,” antwoordde
+graaf Sandorf. „En meer hebben wij niet noodig. Ik wil niets anders weten of begrijpen,
+dan dat daar aan het uiteinde van dien ketting de vrijheid voor ons waarschijnlijk
+te vinden is.”
+</p>
+<p>Graaf Sandorf vergiste zich niet, toen hij beweerde, dat die bliksemafleider van afstand
+tot afstand met ijzeren haken aan den muur bevestigd was. Dat veroorzaakte eene groote
+gemakkelijkheid om af te dalen, daar de vluchtelingen die haken als de treden eener
+ladder konden bezigen, die hen tegen te snel afglijden behoeden moesten. Maar, wat
+zij niet wisten en ook niet weten konden, dat was dat die kabel, na den rand van het
+bergplat bereikt te hebben, langs den muur van den vestingtoren vrij en onbedwongen
+in de ruimte afdaalde en zijn uiteinde de wateren der <span class="corr" id="xd33e2016" title="Bron: Foiba">Foïba</span> beroerden, die toen door de laatste regens zeer gezwollen waren. Daar waar zij onder
+in dien afgrond rekenen konden den vasten bodem te bereiken, daar was slechts een
+<span class="corr" id="xd33e2019" title="Bron: bergstrooom">bergstroom</span>, die zich onstuimig <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>in de spelonk van den Buco stortte. Maar al hadden zij dat ook geweten, zouden zij
+dan nog wel teruggedeinsd hebben voor hunne poging tot ontsnapping?
+</p>
+<p>Voorzeker neen!
+</p>
+<p>„Hier sterven of straks daar ginds!” sprak graaf Mathias Sandorf. „Als wij sterven
+moeten, dan zullen wij ten minste alles gedaan hebben om het leven te redden!”
+</p>
+<p>Maar eerst moest men dat ijzeren kruis in de doorgang van het venster opruimen. Dat
+moest uitgebroken worden. Zou dit mogelijk zijn zonder breekijzer, zonder koevoet,
+zonder eenig gereedschap? De gevangenen bezaten zelfs geen mes.
+</p>
+<p>„Het overige zal slechts <span class="corr" id="xd33e2029" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> zijn,” zei graaf Mathias Sandorf, „maar dit is wellicht het onmogelijke! Kom, mede
+aan den arbeid!”
+</p>
+<p>Toen hij dat gezegd had, heesch graaf Sandorf zich tot aan het venster, greep den
+ijzeren kruisrooster met de hand en voelde dat wellicht geen al te groote krachtsinspanning
+noodig zou zijn, om hem uit te rukken.
+</p>
+<p>De ijzeren stangen, waaruit hij bestond, bewogen zich inderdaad eenigermate in hare
+sponningen. De steen was bij de hoeken gebarsten en kon dus slechts een middelmatigen
+tegenstand bieden. Zeer waarschijnlijk was de geleiding van den bliksemafleider, voordat
+hij zekere herstellingen ondergaan had, niet zeer volmaakt geweest. Mogelijk was het
+geweest dat vonken van het electrische vuur, door dien ijzeren rooster aangetrokken,
+den muur zelven aangetast hadden en men weet dat de kracht van dat vuur om zoo te
+zeggen onbegrensd is. Vandaar die barsten en breuken bij de sponningen, waarin het
+uiteinde der ijzeren staven rustte. De steen was daar verteerd, vergaan en in sponsachtigen
+staat, alsof hij door de electriciteit met millioenen gaatjes doorboord ware.
+</p>
+<p>Professor Stephanus Bathory gaf in weinige woorden den uitleg van dat verschijnsel,
+onmiddellijk nadat hij het waargenomen had.
+</p>
+<p>Maar het gold thans niet te oreeren, te doceeren of te leeraren; men moest zonder
+aarzelen aan het werk. Geen oogenblik mocht verloren worden. Wanneer men, na de hoeken
+van de sponningen te hebben uitgebroken, de uiteinden van die staven kon losmaken,
+dan zou het waarschijnlijk gemakkelijk zijn den rooster tot aan de buitenoppervlakte
+van den muur te dringen, dewijl de vensteropening van binnen naar buiten waaiersgewijze
+verliep. Men zou hem dan naar buiten in den afgrond kunnen laten vallen. Het geluid
+van dien val zou door het hevige geratel van den donder overstemd en bijgevolg niet
+gehoord worden. De onweerswolk was nader gekomen en reeds rolden de donderslagen en
+plantten zich onverpoosd en zonder ophouden in de lagere luchtlagen voort.
+<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p097width"><img src="images/p097.jpg" alt="Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen in dit oogenblik alle twee. (Bladz. 102.)" width="507" height="720"><p class="figureHead">Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen in dit oogenblik alle twee. (Bladz. 102.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span></p>
+<p>„Wij kunnen dien steen toch niet met onze handen verbrijzelen,” zei graaf Ladislas
+Zathmar.
+</p>
+<p>„Neen!” antwoordde graaf Sandorf. <span class="corr" id="xd33e2047" title="Niet in bron">„</span>Wij zouden een stuk ijzer, een lem of zoo iets moeten hebben …”
+</p>
+<p>Dat was inderdaad noodig. Hoe vergaan de steen in de nabijheid der sponningen ook
+was, de nagels zouden toch daarbij te kort geschoten zijn, de vingers zouden, bij
+de poging om hem tot stof te wrijven, zich te vergeefs bloedig verwond hebben. Men
+zou niet slagen zonder werktuig, al ware het ook maar een spijker.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf keek rondom zich bij het zwakke schijnsel, hetwelk van uit de gang,
+die zelf spaarzaam verlicht was, in de cel door eene kleine opening, boven de deur
+aangebracht, drong. Hij betastte de muren met beide handen. Het kon toch zijn, dat
+men ergens een spijker ingeklopt had. Hij vond echter niets.
+</p>
+<p>Toen kreeg hij een inval. Hij bedacht dat het wellicht niet onmogelijk was een der
+pooten van de ijzeren kribben, die in den wand vastgeklonken waren, los te wringen.
+Alle drie gingen aan het werk en weldra brak Stephanus Bathory den arbeid af en riep
+zijne makkers met zachte stem tot zich.
+</p>
+<p>Een klinknagel van een der ijzeren strooken, die, onderling behoorlijk gekruist en
+verbonden, de kriblagen vormden, was losgemaakt. Het was nu voldoende die strook bij
+het uiteinde, dat thans vrij was, te grijpen en haar herhaalde malen heen en weer
+te buigen om den anderen klinknagel te doen losspringen.
+</p>
+<p>Dat was in een ommezien geschied. Graaf Sandorf bezat toen een ijzeren band van vijf
+duim lang en een duim breed, dien hij bij het uiteinde met zijn halsdas omwikkelde.
+Daarna kwam hij bij het venster terug en begon den steen bij de sponningen los te
+breken.
+</p>
+<p>Dat kon niet geheel en al zonder gedruisch geschieden. Gelukkig werd dat overstemd
+door het geratel van den donder. Hield dat soms bij tusschenpoozen op, dan staakte
+graaf Sandorf zijn arbeid om hem daarna dadelijk weer te hervatten. Het werk vorderde
+flink. Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hadden bij de deur post gevat, teneinde
+graaf Sandorf te waarschuwen om den arbeid te staken, wanneer de schildwacht de deur
+der cel naderbij trad.
+</p>
+<p>Plotseling ontsnapte een zacht „chut”… aan de lippen van Ladislas Zathmar, waarop
+de arbeid dadelijk ophield.
+</p>
+<p>„Wat is er?” vroeg Stephanus Bathory.
+</p>
+<p>„Luister,” antwoordde Ladislas.
+</p>
+<p>Hij had juist het oor bij den rand van de ellipsoïdale helling gehouden en andermaal
+werd het acoustieke verschijnsel vernomen, dat den gevangenen bekend had gemaakt met
+het geheime verraad, ten hunnen opzichte gepleegd.
+<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p>
+<p>Ziehier de afgebroken volzinnen, die bij korte tusschenpoozen nog opgevangen konden
+worden:
+</p>
+<p>„Morgen … in vrijheid … gesteld …”
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>„Ja … wanneer het bevel tot invrijheidstelling zal ontvangen zijn …”
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>„… Na de terechtstelling … Daarna … ga ik mijn makker Zirone opzoeken, die mij op
+Sicilië wacht …”
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>„Gij zult niet lang gezeten hebben in den vestingtoren van …”
+</p>
+<p>.….….….….….….….….….….….….…
+</p>
+<p>Het was klaarblijkelijk Sarcany, die met een gevangenbewaarder praatte. Eene bijzonderheid:
+Sarcany had den naam van een zekeren Zirone genoemd, die in deze geheele zaak gemengd
+moest zijn. Graaf Mathias Sandorf onthield dien naam.
+</p>
+<p>Ongelukkig bereikte het laatste woord, waarvan de kennisname voor de gevangenen zoo
+nuttig ware geweest, hun oor niet. Bij het einde van den volzin, kraakte een geweldige
+donderslag en terwijl de electrische stroom de geleiding van den bliksemafleider volgde
+ontsnapten vuurstralen en vuurpluimen uit den ijzeren band, die graaf Sandorf in de
+hand hield. Zonder den zijden halsdas, die het metaal omwikkelde, zou de graaf door
+den stroom getroffen zijn.
+</p>
+<p>Het laatste woord alzoo, de naam van die vesting, was door het ontzaglijk geraas van
+den donder verloren gegaan. De gevangenen hadden dien naam niet kunnen vernemen. En
+toch, wat zou de kennis in welke vesting zij opgesloten zaten, door welke streek zij
+vluchten moesten, de kansen hunner ontsnapping, die onder zoo moeilijke omstandigheden
+ondernomen moest worden, niet hebben vermeerderd!
+</p>
+<p>Graaf Sandorf had den arbeid ijverig hervat. Van de vier sponningen waren er reeds
+drie zoodanig uitgebroken, dat de uiteinden der ijzeren staven uitgelicht konden worden.
+De vierde werd door het vuur der bliksemstralen, die het hemelruim onophoudelijk verlichtten
+aangetast<span class="corr" id="xd33e2077" title="Bron: ,.">.</span>
+</p>
+<p>De arbeid was tegen half elf uur geëindigd.
+</p>
+<p>De ijzeren vensterrooster was geheel en al uit de sponningen losgemaakt en kon door
+de vensterruimte in den muur naar buiten geschoven worden. Men had thans slechts te
+duwen, om hem te doen vallen. Dit werd verricht, toen Ladislas Zathmar waargenomen
+had, dat de schildwacht zich bij zijn heen en weer wandelen naar het uiteinde van
+de gang begeven had.
+</p>
+<p>Door een forschen stoot bewogen, buitelde de rooster en verdween.
+</p>
+<p>Dit geschiedde in een oogenblik, toen de donder en het windgehuil <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>zwegen. Graaf Sandorf luisterde om het geluid te vernemen, dat dit zware lichaam bij
+zijn val en zijn neerkomen op den grond zou maken.
+</p>
+<p>Maar hij hoorde niets.
+</p>
+<p>„De vestingtoren zal waarschijnlijk op een hooge rots gebouwd zijn, die het dal beheerscht,”
+merkte Stephanus Bathory op.
+</p>
+<p>„Och, wat kan ons de hoogte schelen!” antwoordde graaf Sandorf. „Ongetwijfeld reikt
+de ketting van den bliksemafleider tot aan den grond. Langs dien zullen wij den bodem
+wel bereiken, zonder gevaar te loopen van te vallen.”
+</p>
+<p>Dat was in het algemeen gesproken eene volkomen juiste redeneering, die evenwel in
+het gegeven geval valsch was; want het uiteinde van den bliksemafleider bereikte niet
+den bodem, maar de wateren van de Foïba.
+</p>
+<p>Toen men met het venster klaar was, was het oogenblik om te vluchten daar.
+</p>
+<p>„Vrienden,” zei Mathias Sandorf. „Ziehier hoe wij het moeten aanleggen. Ik ben de
+jongste en ik geloof de krachtigste. Ik moet dus het eerst pogen langs dien kabel
+naar beneden te komen. Voor het geval dat zich een of andere hinderpaal voordoet,
+dan zal ik wellicht de kracht hebben om mij weer naar boven tot bij het venster te
+hijschen. Twee minuten later laat gij, Stephanus, u naar beneden glijden om u bij
+mij te voegen. Weer twee minuten later moet gij, Ladislas, denzelfden weg volgen.
+Als wij alle drie aan den voet van den vestingtoren vereenigd zijn, zullen wij naar
+omstandigheden moeten handelen.”
+</p>
+<p>„Wij gehoorzamen u, Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory. „Wij zullen uitvoeren
+wat gij bevelen zult; wij zullen gaan waarheen gij ons zeggen zult onze schreden te
+wenden. Maar wij willen niet dat uw deel van het gevaar groot er zal zijn dan het
+onze.…”
+</p>
+<p>„Ons leven is het uwe niet waard!” vulde graaf Ladislas <span class="corr" id="xd33e2097" title="Bron: Zathmaar">Zathmar</span> aan.
+</p>
+<p>„Voor de rechtspleging, die wij te voltrekken hebben, heeft ons leven gelijke waarde!”
+antwoordde graaf Sandorf. „Wanneer een onzer ontsnapt, dan moet die de uitvoerder
+van de gerechtigheid zijn. Kom vrienden, vrienden, laten wij elkander omhelzen.”
+</p>
+<p>De drie mannen omarmden elkander innig en het scheen dat zij eene groote geestkracht
+uit die omhelzing geput hadden.
+</p>
+<p>Toen kroop graaf Sandorf, terwijl Ladislas Zathmar bij de deur der cel op post stond
+om tegen onraad te waarschuwen, door de vensteropening die in den muur uitgesneden
+was. Een oogenblik later was hij buiten en hing hij in het ijle. Toen liet hij zich
+zakken, terwijl hij met de knieën den ketting van den bliksemafleider omklemde. Hij
+verplaatste daarbij beurtelings de eene hand onder de <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>andere, terwijl hij met de voeten de haken zocht, waarmede de geleider vastgemaakt
+was, om daarop te steunen.
+</p>
+<p>Het onweder woedde toen in zijn volle kracht. Het regende niet, maar de wind stormde
+met ongehoord geweld. De eene bliksemstraal wachtte niet totdat de voorgaande in het
+hemelruim verdwenen was. Hare zigzaggen kruisten elkander boven den vestingtoren,
+die haar door zijne eenzame ligging op die hoogte aantrok. De punt van den bliksemafleider
+schitterde met een witachtig licht, dat er door den electrischen stroom als eene pluim
+opgehoopt werd, terwijl de stang schudde onder het geweld van den wind.
+</p>
+<p>Men begrijpt welk gevaar er in gelegen was, aan dien geleidketting te hangen, waarlangs
+de electrische stroom voortdurend afvloeide om zich in de wateren van den Buco te
+verliezen. Wanneer het toestel in goeden staat geweest ware, dan was er geen gevaar
+om getroffen te worden; want de volmaakte geleidbaarheid van het metaal vergeleken
+met die van het menschelijk lichaam, die veel minder is, zou den koenen waaghals,
+die aan den kabel hing, beveiligen; maar was de punt van den bliksemafleider hoe gering
+ook afgestompt, was er eene breuk hoe klein ook in den kabel, waardoor de stroom verbroken
+werd, dan was een ongeluk mogelijk, dan kwamen de twee stroomingen, de negatieve en
+de positieve te zamen, zelfs zonder dat de bliksem op den geleider insloeg, alleen
+door de spanning van den stroom, die in het gebrekkige toestel opgehoopt werd.
+</p>
+<p>Zoo werd in 1793 Richeman door eene electrische vonk van de dikte eener vuist gedood,
+hoewel hij zich op eenigen afstand van den bliksemafleider bevond, waarvan hij het
+geleidvermogen verbroken had.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf was zeer goed bekend met het gevaar, waaraan hij zich blootstelde, maar
+een gevoel krachtiger dan dat van zelfbehoud deed hem alles trotseeren. Hij daalde
+langzaam en voorzichtig te midden van de electrische afstrooming, die hem geheel en
+al omgaf. Zijn voet zocht langs den muur iederen haak en rustte daarop een poos. Dan
+poogde hij, wanneer een bliksemstraal den afgrond, die onder hem gaapte, verlichtte,
+er de diepte van te peilen. Maar steeds te vergeefs.
+</p>
+<p>Toen Mathias Sandorf zoo een zestig voeten, sedert hij het venster der cel verlaten
+had, gedaald was, voelde hij een veiliger steunpunt onder den voet. Dat was een soort
+banket, slechts weinige duimen breed, hetwelk buiten den voet van den muur uitstak.
+De bliksemafleider eindigde daar ter plaatse niet, hij daalde lager, en in waarheid,—wat
+de vluchteling nog niet weten kon,—van dat punt af golfde de ketting in de lucht,
+nu eens langs den loodrechten rotswand, dan weer slingerde hij in het ijle en klotste
+daarbij <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>tegen eenige der uitstekende deelen, die boven den afgrond hingen.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf hield halt om even adem te scheppen. Zijne beide voeten steunden op
+het smalle boord van het banket; met zijne handen hield hij steeds den ijzeren kabel
+vast. Hij begreep dat hij de bovenlaag van het fondament van den vestingtoren bereikt
+had. Maar van welke hoogte beheerschte dit het beneden-dal? Dat was door hem niet
+te schatten.
+</p>
+<p>„Dat moet diep zijn,” dacht hij.
+</p>
+<p>Inderdaad, groote vogels, verschrikt en verblind door de schelheid der bliksemstralen,
+vlogen met angstigen wiekslag rondom hem en doken in de diepte, in stede van hare
+vlucht opwaarts te richten. De gevolgtrekking daarvan was duidelijk. Er was daar een
+afgrond onder zijne voeten.
+</p>
+<p>In dit oogenblik vernam hij eenig gerucht aan het boveneinde van den ijzeren kabel.
+Bij de vluchtige verlichting door eene bliksemstraal, zag graaf Sandorf eene onduidelijke
+massa, die zich van den muur afscheidde.
+</p>
+<p>Het was Stephanus Bathory, die het venster der cel uitschoof en zich langzaam liet
+afglijden, om zich bij Mathias Sandorf te voegen. Deze wachtte hem af, terwijl hij
+de voeten stevig op het steenen uitsteeksel gesteund hield. Daar moest Stephanus Bathory
+op zijn beurt halt houden, terwijl zijn makker de reis naar beneden verder zou vervolgen.
+</p>
+<p>Binnen weinige oogenblikken waren zij bij elkander, waarbij zij op het banket rustten.
+</p>
+<p>Zoodra het gerommel van den donder een poos ophield, konden zij spreken en elkander
+verstaan.
+</p>
+<p>„En Ladislas?” vroeg graaf Sandorf.
+</p>
+<p>„Die zal over eene minuut hier zijn.”
+</p>
+<p>„Is er geen onraad boven?”
+</p>
+<p>„Neen.”
+</p>
+<p>„Goed. Ik ga plaats voor Ladislas maken. En gij, Stephanus, gij zult hier wachten
+tot dat hij u bereikt heeft.”
+</p>
+<p>„Dat ’s afgesproken.”
+</p>
+<p>Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen beiden in dit oogenblik. Zij gevoelden zich
+alsof de electrische stroom, langs het ijzer vloeiende, tot in hunne spieren gedrongen
+was en meenden door den bliksem getroffen te zijn.
+</p>
+<p>„Mathias!.… Mathias!.…” riep Stephanus onder den indruk van een onnoemelijken en onoverwinnelijken
+angst uit.
+</p>
+<p>„Kalmte en koelbloedigheid!” antwoordde graaf Sandorf.… „Ik ga verder afdalen.… en
+gij moet mij volgen!”
+</p>
+<p>Reeds had hij den kabel gegrepen, om zich tot aan den eersten <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>haak naar onderen te laten afglijden. Daar wilde hij wachten tot dat zijn makker ook
+de reis aanvaard had.
+</p>
+<p>Plotseling werden kreten boven in den vestingtoren vernomen. Zij schenen van den kant
+van het venster der cel te komen. Duidelijk weerklonken de woorden:
+</p>
+<p>„Vlucht! Redt u!”
+</p>
+<p>Het was de stem van Ladislas Zathmar.
+</p>
+<p>Terstond daarop spoot als het ware een helder licht uit den muur en werd gevolgd door
+eene kort afgebroken losbranding zonder echo. Het was ditmaal niet de gehakkelde lijn
+van eene bliksemschicht, die zich op het zwart kleed van den nacht voordeed. Het was
+geen electrische vonk, die geknetterd had. Het was een geweerschot, dat ongetwijfeld
+op goed geluk af door het eene of andere schietgat van den vestingtoren gelost was.
+Of het een signaal voor de gevangenbewaarders of wel een kogel, bestemd voor de vluchtelingen
+was, om het even, de vlucht was thans ontdekt.
+</p>
+<p>Een schildwacht, die eenig gerucht meende te hooren, had inderdaad om hulp geroepen,
+waarop vijf of zes gevangenbewaarders de cel binnengestormd waren. Het ontbreken van
+twee gevangenen was natuurlijk dadelijk ontdekt. De toestand van het venster duidde
+genoegzaam aan, dat zij slechts langs dien weg hadden kunnen ontsnappen. Het was toen
+dat Ladislas Zathmar vóórdat men dit had kunnen beletten, zich buiten de vensteropening
+voorover gebogen en den alarmkreet uitgestooten had.
+</p>
+<p>„De ongelukkige!” riep Stephanus Bathory uit. „Moeten wij hem achterlaten?.… Mathias!.…
+Zeg.… achterlaten?”
+</p>
+<p>Een tweede geweerschot werd gelost en ditmaal vermengde zich de losbranding met het
+rollen van den donder.
+</p>
+<p>„God zij hem genadig!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij moeten vluchten.… al ware het
+maar om hem te wreken!.… Kom Stephanus, kom!”
+</p>
+<p>Het was meer dan tijd. Ook andere vensters van de benedenverdieping van den vestingtoren
+werden geopend. Nieuwe losbrandingen verlichtten hen. Ook hoorde men luidruchtige
+stemmen. Het waren misschien gevangenbewaarders, die langs het banket, hetwelk den
+voet van den vestingtoren omgaf, voortschrijdende, den weg voor de vluchtelingen konden
+afsnijden! Zij konden ook waarschijnlijk getroffen worden door geweerschoten, die
+uit andere gedeelten der vesting gelost werden!
+</p>
+<p>„Kom!” riep graaf Sandorf voor de laatste maal.
+</p>
+<p>En hij liet zich afglijden langs den kabel, die daarop dadelijk door Stephanus Bathory
+gegrepen werd.
+</p>
+<p>Toen eerst bemerkten beiden, dat die kabel onder het banket in het ledige, in het
+ijle slingerde. Er bestonden geen rustpunten, geen <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>haken meer, die den kabel vasthechtten. Beiden slingerden met dien ketting mede, die
+hun de handen verwondde. Zij daalden, zij omklemden den kabel met de knieën, maar
+waren onmachtig hunne snelheid te temperen, terwijl in dat vreeselijke oogenblik hun
+de geweerkogels langs de ooren floten.
+</p>
+<p>Zoo daalden, neen stortten zij binnen een minuut ruim tachtig voeten naar beneden.
+Zij vroegen zich af, of die afgrond, waarin zij als het ware vielen, bodemloos was.
+Het geloei van stormachtig opgezweepte wateren bereikte hun gehoor. Toen begrepen
+zij dat de geleidketting van den bliksemafleider in den een of anderen bergstroom
+eindigde. Maar.… om het even.… de dood daar boven, de dood hier beneden.… dan was
+de laatste voor de rampzaligen het meest verkieselijk.
+</p>
+<p>Een vreeselijke bliksemstraal verscheurde in dit oogenblik te midden van eene machtige
+electrische verlichting de wolken. Hoewel de stang boven op den vestingtoren niet
+middellijk door den electrischen stroom getroffen was, zoo was de spanning van dien
+stroom, die zich voortdurend langs den ketting ontlastte, zoodanig, dat zij de schalmen
+bij haren overgang wit gloeiend maakte, zooals met een platina draad geschiedt onder
+de ontlading van eene electrische batterij.
+</p>
+<p>Stephanus Bathory stiet een kreet van smart uit en liet de handen los.
+</p>
+<p>Mathias Sandorf zag hem voorbij zich vallen, waarbij zij elkander schier aanraakten.
+De ongelukkige had de armen uitgestrekt.
+</p>
+<p>Op zijn beurt moest ook hij den kabel, die hem de handen verschroeide, loslaten. Hij
+viel van eene hoogte van ruim veertig voeten in den bergstroom van Foïba, in dien
+onbekenden afgrond van den Buco.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4154">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">VII.</h2>
+<h2 class="main">DE BERGSTROOM VAN FOÏBA.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was ongeveer elf uren in den nacht. De onweerswolken begonnen zich in hevige stortregens
+op te lossen. De regen werd vermengd met dikke hagelsteenen, die de oppervlakte der
+Foïba mitrailleerden en op de naburige rotsen kletterden.
+<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p105width"><img src="images/p105.jpg" alt="Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen. (Bladz. 108.)" width="504" height="720"><p class="figureHead">Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen. (Bladz.
+108.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span></p>
+<p>De geweerschoten, die uit de schietgaten gelost werden, waren gestaakt. Waarom zooveel
+kogels, zooveel lood jegens de vluchtelingen te verspillen? De Foïba zou slechts lijken
+weergeven, wanneer zij althans iets weergaf!
+</p>
+<p>Nauwelijks was graaf Mathias Sandorf in den bergstroom gestort en onder de oppervlakte
+geschoten, toen hij zich plotseling meegesleept gevoelde. Van uit het schitterende
+licht, waarmede de electrische losbarsting den afgrond vervuld had, was hij overgegaan
+in den zwartsten nacht. Het geloei der wateren had het geratel van den donder vervangen.
+De ondoordringbare spelonk liet van buiten, noch geluid, noch licht, noch iets bespeuren.
+</p>
+<p>„Help.…”
+</p>
+<p>Opeens werd die kreet vernomen! Het was Stephanus Bathory, die hem geslaakt had. De
+kilheid van het water had hem tot het leven teruggeroepen; maar hij kon zich niet
+aan de oppervlakte handhaven. Hij zou zeker verdronken zijn, wanneer hem niet een
+stevige hand gegrepen had op het oogenblik, dat hij ging verdwijnen.
+</p>
+<p>„Ik ben hier.… Stephanus!.… Houd moed!”
+</p>
+<p>Graaf Sandorf ondersteunde zijn makker met de eene hand, terwijl hij met de andere
+zwom.
+</p>
+<p>De toestand was zeer kritiek. Stephanus Bathory kon ter nauwernood zijne ledematen
+bewegen, verlamd als zij waren door den doorgang van den electrischen stroom. Voelde
+hij ook al de brandwonden aan zijne handen in de koude wateren niet, toch kon hij
+door die verlamming er zich niet van bedienen. Als graaf Sandorf hem slechts een oogenblik
+losgelaten had, zou hij onmiddellijk gezonken zijn. En toch had de graaf genoeg met
+zich zelven te stellen.
+</p>
+<p>Dan nog verkeerde men in volslagen onzekerheid omtrent de richting, die deze bergstroom
+volgde. In welke streek kwam hij uit? In welke rivier, of in welke zee zou hij uitmonden?
+Wanneer Mathias Sandorf ook al geweten had, dat die bergstroom de Foïba was, dan nog
+was zijn toestand even wanhopig geweest, dewijl niemand weet waar zijne wateren blijven,
+waarin hij zich uitstort. Men had gesloten flesschen bij den ingang van de spelonk
+in de Foïba geworpen, en nimmer waren zij ergens in een der wateren van het Istrische
+schiereiland te voorschijn getreden. Het kon zijn, dat zij onderweg gebroken waren
+bij dien onderaardschen doorgang, maar het kon ook zijn, dat die watermassa hen medegesleept
+had in de een of andere spleet van de aardkorst.
+</p>
+<p>De vluchtelingen werden intusschen met groote snelheid medegevoerd. Dit was eene omstandigheid,
+die het hun gemakkelijk maakte om aan de oppervlakte te blijven. Stephanus Bathory
+had <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>zijn bewustzijn verloren. Hij was als een machteloos lichaam in de handen van graaf
+Sandorf. Deze kampte voor twee, maar hij gevoelde dat hij weldra uitgeput geraakte.
+Bij de gevaren om tegen de een of andere vooruitstekende rotspunt, hetzij van de wanden,
+hetzij hangende van het verwulf te stooten, kwam nog een ander, dat veel grooter genoemd
+moest worden. Dat was van in een dier draaikolken te geraken, die veroorzaakt werden
+door de veelvuldige tegenstroomingen, welke daar gevormd worden, waar een wand plotseling
+afbrak of een vooruitstekend stuk de regelmatige strooming verstoorde. Twintig malen
+voelde Mathias zich met zijn makker in een van die vloeibare zuigers opgenomen, die
+hem door hunne ronddraaiende beweging evenals een maalstroom tot zich trokken. Zij
+werden dan door een rondgaande beweging vervoerd en eindelijk naar den buitenrand
+van de kolk geworpen, zoo als met een steen uit een slinger zou geschieden, en konden
+er niet uitkomen dan door een tegenstroom geholpen.
+</p>
+<p>Zoo verliep onder die omstandigheden een half uur, waarin de dood hen iedere minuut,
+iedere seconde aangrijnsde. Mathias Sandorf, met eene bovenmenschelijke geestkracht
+begaafd, had nog geen oogenblik van zwakte ondervonden. Het was, alles goed beschouwd,
+gelukkig, dat zijn makker nagenoeg bewusteloos was. Als het gevoel van zelfbehoud
+wakker ware geweest, dan zou hij gesparteld hebben. Dan zou er gestreden moeten worden
+om hem te bedwingen, om hem tot onmacht te noodzaken. En dan zou graaf Sandorf waarschijnlijk
+genoodzaakt zijn geweest, om hem aan zijn lot over te laten, om niet beiden te verdrinken.
+</p>
+<p>Die toestand kon evenwel niet lang blijven duren. De krachten van Mathias Sandorf
+begonnen merkbaar af te nemen. In sommige oogenblikken dook zijn hoofd onder, wanneer
+hij dat van Stephanus Bathory boven de watervlakte ophief. Dan was de ademhaling plotseling
+verbroken. Dan hijgde hij, dan hoestte, dan kuchte hij, dan werd hij benauwd; want
+dan had hij te doen met een begin van verstikking.
+</p>
+<p>Hij moest zelfs verscheidene malen zijn makker loslaten, wiens hoofd dan dadelijk
+onder water dook, maar steeds slaagde hij er in hem weer te vatten en dat te midden
+van dien zwaren stroom, die door de gezwollen wateren nog sterker dan gewoonlijk was
+en met afgrijselijk geluid rondom hem loeide.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf voelde dan ook weldra, dat hij verloren was. Het lichaam van Stephanus
+Bathory ontsnapte hem eindelijk geheel … Wel trachtte hij het, als laatste uiting
+van zijn wilskracht, nog te grijpen; maar hij vond het niet meer en zelf werd hij
+onder den waterspiegel medegesleept.
+</p>
+<p>Een hevige schok kneusde hem pijnlijk den schouder. Hij stak <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>instinctmatig de hand uit. Zijne vingeren grepen en omsloten een bundel wortels, die
+in het water hingen.
+</p>
+<p>Die wortels behoorden tot een boomstronk, die door den bergstroom medegevoerd werd.
+Mathias Sandorf klemde zich stevig aan dat wrakstuk vast en kwam toen aan de oppervlakte
+der Foïba terug. Hij hield zich vast met de eene hand, maar zocht zijn makker met
+de andere.
+</p>
+<p>Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen en werkte
+hem met veel inspanning op den boomstronk, waarna hij naast hem plaats nam. Beiden
+waren nu buiten dadelijk gevaar van te verdrinken, maar zij waren nu aan het lot van
+dat wrakstuk verbonden en aan de grillen van de stroomingen en versnellingen van den
+Buco overgeleverd.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf was gedurende een oogenblik buiten kennis geraakt. Zijn eerste zorg
+was, toen hij weer bijkwam, om maatregelen te nemen dat Stephanus Bathory niet van
+den boomstam kon glijden. Uit overmaat van voorzorg plaatste hij zich achter hem,
+zoodanig dat hij hem kon ondersteunen. Toen dat geschied was, keek hij rondom zich,
+om waar te nemen of niet eenig daglicht in de grot drong. Hij zou dan den toestand
+bij het verlaten van die spelonk kunnen overzien. Maar niets duidde aan, dat de uitgang
+van dat eindeloos kanaal nabij was.
+</p>
+<p>Toch was de toestand der vluchtelingen eenigermate verbeterd. Die boomstronk was ongeveer
+tien voet lang en zijn wortels, die op de watervlakte rustten, moesten verhinderen
+dat hij zich onverwacht omkeerde. Wanneer zich geene geweldige schokken zouden voordoen,
+dan scheen zijne stabiliteit verzekerd, hoewel de watermassa met kracht als langs
+een hellend vlak schoot. Zijne snelheid kon dan ook gerekend worden op tien mijlen
+in het uur, en was gelijk aan die van den bergstroom, die hen meesleepte.
+</p>
+<p>Mathias Sandorf had inmiddels zijne geheele koelbloedigheid teruggekregen. Hij poogde
+toen zijn makker, wiens hoofd op zijne knieën rustte, tot bewustzijn terug te brengen.
+Hij vergewiste zich dat zijn hart nog klopte, maar hij merkte daarbij op, dat hij
+ter nauwernood nog maar adem haalde. Hij bukte zich over hem heen, sloot zijne lippen
+op die van zijn vriend en blies zoo meerdere lucht in zijne longen. Misschien zou
+de eerste inwerking van de ondergane verstikking nog geen onherstelbare verwoestingen
+op de edele deelen aangericht hebben.
+</p>
+<p>En inderdaad, Stephanus Bathory begon zich te bewegen. Diepere en langere ademhalingen
+verhieven zijne borstkas en openden zijne lippen. Eindelijk ontsnapten enkele woorden
+aan zijn mond.
+</p>
+<p>„Mijne vrouw!.… Mijn zoon!.… Mathias!”
+<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span></p>
+<p>Geheel zijn bestaan lag in die woorden opgesloten.
+</p>
+<p>„Stephanus, hoort ge me?.… hoort ge me?” vroeg graaf Sandorf, die te midden van het
+geloei van den bergstroom, hetwelk de gewelven van den Buco vervulde, schreeuwen moest.
+</p>
+<p>„Ja!.… Ja.…!”
+</p>
+<p>„Stephanus!.… Stephanus!.… hoort ge mij?” herhaalde graaf Sandorf, die wellicht de
+twee woorden van zijn vriend niet verstaan had.
+</p>
+<p>„Ja!.… Ja!.…” herhaalde deze. „Ik hoor u!.… Spreek!.… Mijne hand in de uwe!.…”
+</p>
+<p>Nu had Mathias verstaan; want hij had zich voorovergebogen en zijn oor bij den mond
+van zijn vriend gebracht.
+</p>
+<p>„Stephanus,” vervolgde hij, „wij zijn niet meer in onmiddellijk gevaar. Wij hebben
+een wrakstuk dat ons torscht.… Waarheen?… Dat kan ik niet zeggen. Maar dat stuk hout
+zal ons niet ontbreken!”
+</p>
+<p>„Mathias.… en de vestingtoren?.…”
+</p>
+<p>„Daar zijn wij reeds ver van daan! Men zal in de vesting gelooven, dat wij den dood
+in de wateren van deze kolk gevonden hebben en men zal er voorzeker niet aan denken
+om ons te achtervolgen! Waar die bergstroom ook zijne monding heeft, in zee of in
+eene rivier, zal hij ons toch eene uitkomst leveren en wij zullen dan levend aanlanden.
+Laat den moed dus niet zinken, Stephanus! Ik waak over je! Rust nog maar en herneem
+krachten, want die zult ge weldra noodig hebben. Binnen weinige uren zijn we gered!.…”
+</p>
+<p>„Gered?.…”
+</p>
+<p>„Ja gered!.… en vrij!”
+</p>
+<p>„Gered en vrij?”
+</p>
+<p>„Ja, voorzeker!”
+</p>
+<p>„En Ladislas?”
+</p>
+<p>Graaf Mathias Sandorf beantwoordde die vraag niet.
+</p>
+<p>Wat zou hij er in Gods naam op hebben kunnen antwoorden?
+</p>
+<p>Ladislas Zathmar had slechts tijd gehad om zijne makkers den alarmkreet, dien hij
+door het venster der cel geslaakt had, te doen hooren. Onmiddellijk daarop was hem
+de vlucht onmogelijk gemaakt. Hij was gegrepen geworden en werd van toen af streng
+bewaakt. Als zijne makkers voor hunnen persoon ook in de mogelijkheid daartoe geweest
+waren, zouden zij toch niets hebben kunnen uitrichten.
+</p>
+<p>Stephanus Bathory had zijn hoofd achterover laten vallen. De physieke kracht ontbrak
+hem om de loomheid, die hem bevangen had, te overwinnen. Maar Mathias Sandorf waakte
+over hem en was op alles voorbereid, zelfs om het wrakhout te verlaten, wanneer <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>dat tegen een der hinderpalen, die te midden van de dikke duisternis, welke alom heerschte,
+niet te voorzien en niet te vermijden waren, mocht verbrijzeld worden.
+</p>
+<p>Het kon ongeveer twee uur in den morgen zijn, toen de snelheid van den stroom en dus
+ook die van den boomstronk aanmerkelijk scheen te minderen. Ongetwijfeld werd dat
+onderaardsche kanaal gaandeweg breeder, waardoor de wateren een meer vrijen doortocht
+tusschen die rotswanden vonden. Hun gang was dan ook meer regelmatig. Men mocht daaruit
+wellicht de gevolgtrekking maken, dat het uiteinde van dat onderaardsche hol niet
+ver meer verwijderd kon zijn.
+</p>
+<p>Maar weken de wanden terzijde uit, dan toonde het gewelf ter zelfder tijd eene neiging
+om te dalen. Wanneer graaf Mathias Sandorf de hand ophief, dan raakte die de onregelmatige
+krijtlagen en leisteenen, die boven zijn hoofd welfden. Soms hoorde hij een gedruisch
+als van eene wrijving … dat was de een of andere worteltak van den boom, die, loodrecht
+omhoog staande, met het uiteinde het gewelf aanraakte. Dan ontstonden hevige schokken,
+die aan den stam medegedeeld werden, waardoor deze schommelde en zwaaide en waardoor
+hij telkens van richting veranderde. Nu eens lag hij dwars in den stroom, dan weer
+draaide hij om zijn lengte-as, dan weer om zijne breedte-as, zoodat de vrees om er
+afgesleurd te worden niet ongegrond was.
+</p>
+<p>Toen dat gevaar, hetwelk zich herhaaldelijk voorgedaan had, voorbij was, bleef er
+een ander over, waarvan graaf Sandorf alle de gevolgen koelbloedig berekende. Dat
+was de waarschijnlijkheid, dat het gewelf der grot van den Buco bleef dalen. De drenkeling
+had reeds de aanraking met dat rotsgewelf niet anders kunnen ontwijken, dan door zich
+plotseling achterover uit te strekken, wanneer zijne hand eene uitstekende rots ontmoette.
+Zou men dus weer in den stroom moeten dompelen? Wat hem betrof, dat zou nog gaan,
+maar zou hij er in slagen om ook zijn makker boven water of hem zelfs onder de wateroppervlakte
+bij zich te houden? En als dat onderaardsche kanaal zonder bovenruimte zich over een
+langen afstand uitstrekte? Zou er dan mogelijkheid bestaan er levend uit te komen?
+Neen!… neen!… dat zou onherroepelijk het einde zijn, na zooveel doodstrijd reeds doorworsteld
+te hebben.
+</p>
+<p>Hoe geestkrachtvol Mathias Sandorf ook was, hij voelde de doodsangst hem de keel dichtsnoeren.
+Hij begreep dat het kritiekste oogenblik, het uiteinde naderde. De wortels van den
+boomstam wreven krachtiger tegen de rotssteenen van het gewelf en soms werd hij met
+het vooreinde zoodanig onder water geduwd, dat zijne geheele oppervlakte overstroomd
+werd.
+<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span></p>
+<p>„Toch kan de uitgang van die spelonk thans niet ver meer zijn!” mompelde graaf Sandorf
+in zich zelf.
+</p>
+<p>En dan trachtte hij uit te kijken, of geene lichtstraal daar voor hem uit de dikke
+duisternis doorbrak. De nacht zou nu wel reeds zoo ver gevorderd zijn, dat de duisternis
+daarbuiten zoo sterk niet meer was. Misschien verlichtten de bliksemstralen nog het
+ruim daarbuiten den Buco. In dat geval zou wel een weinig licht in dit kanaal kunnen
+indringen, dat de afgevoerd wordende wateren der Foïba niet meer scheen te kunnen
+bevatten.
+</p>
+<p>Maar niets! Steeds niets!
+</p>
+<p>Steeds volkomen duisternis.
+</p>
+<p>Steeds het geloei van den bergstroom, welks schuim nog altijd zwart bleef.
+</p>
+<p>Plotseling werd een vreeselijke schok ondervonden. De boomstronk had met zijn vooreinde
+tegen een grooten steen, die van het gewelf afhing, gestooten. Onder dien stoot keerde
+de boom geheel en al om, maar graaf Sandorf liet hem niet los. Met de eene hand klemde
+hij zich wanhopig aan de wortels vast, met de andere hand had hij zijn makker gegrepen
+juist op het oogenblik, dat deze op het punt was om medegesleept te worden. Daarna
+liet hij zich in het water glijden, dat thans tegen het gewelf brak.
+</p>
+<p>Zoo ging eene minuut voorbij. Mathias Sandorf had een gevoel alsof hij verloren was.
+Instinctmatig weerhield hij zijn adem, om het weinigje lucht, dat in zijne longen
+nog besloten was, zooveel mogelijk te sparen.
+</p>
+<p>Plotseling ondervond hij te midden van de watermassa, hoewel hij de oogen gesloten
+hield, een gevoel, alsof een schel licht op zijne oogleden inwerkte. Een bliksemstraal
+had geschitterd en werd onmiddellijk daarop gevolgd door het geratel van den donder.
+</p>
+<p>Eindelijk!.… daar was licht!
+</p>
+<p>De Foïba had inderdaad dat sombere onderaardsche kanaal verlaten en stroomde thans
+onder den blooten hemel. Maar naar welk punt der kust stroomde zij? In welke zee zou
+hare monding uitkomen?
+</p>
+<p>Dat was steeds het onoplosbare vraagstuk.
+</p>
+<p>En toch was ’t het vraagstuk van leven en dood.
+</p>
+<p>De boomstam was ook op de wateroppervlakte teruggekomen. Stephanus Bathory werd steeds
+stevig vastgehouden door Mathias Sandorf, die er eindelijk door eene buitengewone
+krachtsinspanning in slaagde om hem weer op het wrakstuk uit te strekken en achter
+hem plaats te nemen.
+</p>
+<p>Daarna keek hij vooruit, rondom zich, boven zich.
+</p>
+<p>Achter hem begon eene zwarte massa in de nevelen te verdwijnen, alsof zij uitgewischt
+werd. Dat was de kolossale rotsklomp, die den <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>Buco vormt en waardoor het onderaardsche hol liep, hetwelk doorgang aan de wateren
+der Foïba verleende. De dag werd reeds door een zwak licht aangekondigd, dat in het
+zenith waargenomen werd, en nog ijl was als die sterren-nevelvlekken, welke het oog
+ter nauwernood gedurende de helderste winternachten kan bespeuren. Van tijd tot tijd
+werden de achtergelegen vakken van den gezichteinder door bliksemstralen verlicht,
+terwijl de donder statig maar dof rolde. Het onweer verwijderde zich of was uitgeraasd,
+nadat het al de electrische stof, in het ruim voorhanden, verbruikt had.
+</p>
+<p>Mathias Sandorf liet zijne blikken niet zonder angst rechts en links rondwaren. Hij
+kon toen bemerken, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen steile rotswanden
+voortstroomde.
+</p>
+<p>Het was dus eene stroomversnelling, die de vluchtelingen te midden van stroomingen,
+tegenstroomingen en kolken medevoerde. Maar het uitspansel, het oneindige strekte
+zich boven hun hoofd uit en niet meer dat lage gewelf, hetwelk hen ieder oogenblik
+dreigde den schedel te verbrijzelen. Er was evenwel geen oever, geen strand, waarop
+zij vasten voet zouden kunnen verkrijgen, zelfs geen talud, geene helling, waarop
+zij aan land hadden kunnen gaan. De Foïba was als het ware tusschen twee steile muren
+ingekist. Het was een smal kanaal met loodrechte wanden, die door de wateren glad
+geschuurd waren.
+</p>
+<p>De laatste indompeling had tot gevolg gehad, om Stephanus Bathory tot bewustzijn te
+doen terugkeeren. Zijne hand had die van Mathias Sandorf gezocht en natuurlijk gevonden.
+</p>
+<p>Deze boog zich over zijn vriend en sprak hem toe:
+</p>
+<p>„Gered!”
+</p>
+<p>Maar.… had hij wel het recht dat woord uit te spreken?
+</p>
+<p>Gered?.… Hij wist niet eens waarheen die bergstroom hen voerde!
+</p>
+<p>Gered?.… Hij wist niet eens door welke landstreek zij dreven!
+</p>
+<p>Gered?.… Hij kon niet weten, wanneer hij dat wrakhout zou kunnen verlaten!
+</p>
+<p>En toch, de graaf was zoodanig door geestkracht bezield, dat hij, terwijl hij zich
+overeind op den boomstronk oprichtte, drie malen met krachtige stem dat woord herhaalde:
+</p>
+<p>„Gered! Gered! Gered!”
+<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p113width"><img src="images/p113.jpg" alt="Hij kon toen ontwaren, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen de steile rotswanden voortstroomde. (Bladz. 112.)" width="503" height="720"><p class="figureHead">Hij kon toen ontwaren, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen de steile
+rotswanden voortstroomde. (Bladz. 112.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb112a">[<a href="#pb112a">112</a>]</span></p>
+<p>Ja, die woorden klonken luid. Maar om het even, wie zou ze hier hooren? Niemand was
+op de naakte rotsen te ontdekken, waarop zelfs ietwat humus, ietwat teelaarde ontbrak,
+en waarop slechts rotssteenen, keien en leisteenen aangetroffen werden, waar zelfs
+niet zooveel grond aanwezig was, om eenige struikjes te voeden. De landstreek, die
+zich achter die hooge oevernokken uitstrekte, kon geen enkel menschelijk wezen lokken.
+Het was eene rampzalige <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>streek, waardoor de Foïba stroomde, die ingekerkerd was, zooals slechts een afwateringskanaal
+tusschen zijne granietmuren kan zijn. Geen enkel beekje kwam onderweg den stroom voeden.
+Geen vogel schoor over de watervlakte, zelfs geen enkele visch waagde zich in die
+te snelvlietende wateren. Hier en daar staken boven de oppervlakte groote rotsen uit,
+welker volkomen droge brokken genoegzaam aanduidden, dat het heerschende geweld van
+dien waterstroom slechts aan eene kortstondige rijzing te danken was, welke door de
+laatstgevallen regens veroorzaakt werd.
+</p>
+<p>In gewone tijden kon de bedding der Foïba niets meer dan een diep ingesneden ravijn
+zijn.
+</p>
+<p>Het was daarenboven niet te vreezen, dat de boomstronk op de rotstoppen geworpen werd.
+Hij vermeed ze uit zichzelven, door den stroomdraad te volgen, die er omheen voerde.
+Het zou ook onmogelijk geweest zijn het vervoermiddel der vluchtelingen uit dien stroomdraad
+te brengen, ook om zijne snelheid te remmen, om bijvoorbeeld eenig punt des oevers
+aan te doen, voor het geval dat de mogelijkheid bestond om aan wal te gaan.
+</p>
+<p>Zoo ging in die omstandigheden nog een uur voorbij, zonder dat men zich om een onmiddellijk
+gevaar had te bekommeren. De laatste bliksemschichten waren van den hemel verdwenen.
+In de verte werd van het onweder niets anders vernomen, dan een dof gerommel, dat
+door de hoogere wolken, die boven aan het uitspansel lange vederachtige strepen vormden,
+afgestompt werd.
+</p>
+<p>Het daagde reeds bij de kim en een wit licht bleekte het donkere azuur van de lucht,
+die door de nachtelijke buien geheel gezuiverd was.
+</p>
+<p>Stephanus Bathory zat half overeind en rustte in de armen van graaf Sandorf, die voor
+hem waakte.
+</p>
+<p>In dit oogenblik werd eene verwijderde losbranding in zuidwestelijke richting vernomen.
+</p>
+<p>„Wat kan dat zijn?” vroeg Mathias Sandorf zich af. „Is het een kanonschot, dat de
+dageraad en de opening van de een of andere haven aankondigt?”
+</p>
+<p>In dat geval zouden zij niet ver van de kust verwijderd zijn. Dat moest hij erkennen.
+</p>
+<p>Welke haven kon dat wezen? Triëst?
+</p>
+<p>Neen! want daar is het oosten, daar aan dien kant, waar de zon op het punt is te verschijnen.
+</p>
+<p>Zou het Pola zijn, de haven, die op het zuidelijke uiteinde van Istrië gelegen is?
+</p>
+<p>Maar … dan is …
+</p>
+<p>Een tweede losbarsting weerklonk en werd dadelijk daarop door eene derde gevolgd.
+<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p>
+<p>„Drie kanonschoten?” vroeg graaf Sandorf zich zelven af. „Zou dat het sein niet eerder
+zijn van een embargo voor de schepen, die uit zeilen willen?”
+</p>
+<p>En na eenig nadenken, mompelde hij:
+</p>
+<p>„Zou dat in verband staan met onze ontvluchting?”
+</p>
+<p>Dat was inderdaad te vreezen.
+</p>
+<p>De autoriteiten hadden voorzeker geen enkele voorzorg verwaarloosd om de vluchtelingen
+het verdere ontsnappen te beletten, wanneer het hun gelukken mocht een vaartuig te
+bereiken.
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd33e2295" title="Niet in bron">„</span>Dat God ons thans te hulp kome!” mompelde graaf Sandorf. „Hij alleen kan ons helpen!”
+</p>
+<p>De hooge rotswanden, die de Foïba omgaven, begonnen langzamerhand lager te worden,
+terwijl zij zich verder van elkander verwijderden. Toch was er nog niets van het omliggende
+land te verkennen. Plotselinge buigingen, scherpe hoeken maskeerden den horizon en
+begrensden den gezichtskring tot eenige honderden voeten. Onder die omstandigheden
+was het <span class="corr" id="xd33e2299" title="Bron: orienteeren">oriënteeren</span> totaal onmogelijk.
+</p>
+<p>Het bed der rivier, dat thans zeer verbreed was, bleef steeds stil en eenzaam en veroorloofde
+de wateren met minder snelheid voort te stuwen. Eenige boomstammen, die bovenstrooms
+ontworteld waren, volgden den stroomdraad statig en bijna langzaam. Die Juni-ochtend
+was vrij frisch. De vluchtelingen klappertandden en bibberden onder hunne doornatte
+kleeding. Het werd hoog tijd dat zij eene schuilplaats vonden, waar de zon hunne vodden
+kon drogen.
+</p>
+<p>Tegen vijf uur werden de laatste uitloopers van het gebergte vervangen door lage oevers,
+die zich in eene effen en kale landstreek ontwikkelden. De Foïba liep toen langs eene
+bedding, die zeker eene halve mijl breed was en ging weldra in eene groote uitgestrektheid
+water over, die den naam van meer of ten minste van meertje verdiend zou nebben. Geheel
+aan het uiteinde in het westen werden eenige visschersvaartuigen ontwaard, sommige
+nog voor anker liggende, andere bezig met zeil te zetten om van de lichte morgenbries
+gebruik te maken; zij schenen er op te wijzen dat dit meertje een havenkom was, die
+breed uitgesneden in de kust voorkwam.
+</p>
+<p>De zee kon dus niet ver meer af zijn, het was dus onze vluchtelingen als aangewezen
+om haar op te zoeken. Het zou evenwel niet voorzichtig genoemd kunnen worden eene
+schuilplaats aan die visschers te gaan verzoeken. Zich aan hun toevertrouwen, zou,
+voor het geval zij van de ontvluchting kennis droegen, groot gevaar opleveren, om
+aan de Oostenrijksche maréchaussées, die toch de landstreek doorzoeken moesten, uitgeleverd
+te worden.
+</p>
+<p>Graaf Mathias Sandorf wist waarachtig niet waartoe te besluiten, toen de boomstronk
+tegen een anderen stiet, die ternauwernood <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>met de wateroppervlakte gelijk bij den linkeroever van het meertje in de modder vastgeklonken
+lag en bewegingloos bleef liggen, alsof hij voor anker gekomen was. Zijne wortels
+verwarden zich zoo stevig in een boschje struikgewas, dat zij daarin vast bleven zitten
+en de boomstronk langs den oever gleed als eene sloep, die het touw, waarmede zij
+vastgelegd is, strak loopt.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf stapte op den oever over, evenwel niet zonder eenige voorzorgsmaatregelen
+genomen te hebben. Hij verzekerde zich, dat niemand hem kon bespeuren.
+</p>
+<p>Zoo ver zijn blik ook droeg, zag hij geen enkel menschelijk wezen, visscher of iemand
+anders op of langs dit gedeelte van het meertje.
+</p>
+<p>En toch lag er een man op het zand op minder dan tweehonderd passen uitgestrekt, die
+vandaar de beide vluchtelingen zeer goed kon waarnemen.
+</p>
+<p>Toen graaf Sandorf vermeende, dat hij veilig was, stapte hij weer op den boomstronk,
+tilde zijn makker in zijne armen op en lei hem zacht op den oever neer, steeds zonder
+iets te weten van de streek, waarin hij zich bevond, noch van de richting die men
+zou moeten inslaan.
+</p>
+<p>De uitgestrektheid water, die de Foïba tot monding strekte, was noch een meertje,
+noch een meer, maar een haft. Men noemt haar daar ter plaatse het kanaal van Léma.
+Het heeft gemeenschap met de Adriatische zee door eene smalle insnijding, welke tusschen
+Orsera en Rovigno op de westkust van het Istrische schiereiland gelegen was. Maar
+men wist toen niet dat het de wateren der Foïba waren, die, na de spelonk van den
+Buco doorstroomd te hebben, dat haft kwamen voeden.
+</p>
+<p>Op weinige passen van den oever stond eene jagershut. Graaf Sandorf en Stephanus Bathory
+traden er in, om eenige rust te genieten en om hunne krachten te herstellen. Daar
+ontdeden zij zich van hunne kleederen, die in de stralen van de warme Juni-zon spoedig
+zouden gedroogd zijn. Daarna wachtten zij.
+</p>
+<p>De visschersvaartuigen hadden het kanaal van Léma verlaten en, zoover het oog peilen
+kon, was de kust eenzaam en stil.
+</p>
+<p>In dit oogenblik stond de man, die dat schouwspel gadegeslagen had, op, naderde de
+hut, alsof hij er de ligging goed van wilde opnemen; daarna verdween hij in zuidelijke
+richting, terwijl hij een ietwat verheven kusthoek omsloeg.
+</p>
+<p>Drie uren later hadden graaf Sandorf en zijn makker hunne kleederen weer kunnen aantrekken,
+die evenwel nog vochtig waren. Maar het werd tijd om te vertrekken.
+</p>
+<p>„Wij kunnen niet langer in die hut blijven,” zei Stephanus Bathory.
+</p>
+<p>„Voelt ge u sterk genoeg om de reis te aanvaarden?” vroeg Mathias Sandorf.
+<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p>
+<p>„Ik ben flauw en uitgeput door den honger.”
+</p>
+<p>„Laten wij de kuststrook volgen. Wellicht dat wij er in slagen ons eenig voedsel te
+verschaffen, ook om ons in te schepen! Kom, Stephanus!”
+</p>
+<p>Beiden verlieten de hut, maar gevoelden zich klaarblijkelijk meer verzwakt door de
+ontbering dan door de vermoeienis.
+</p>
+<p>Het plan van graaf Sandorf was, om den zuidelijken oever van het kanaal van Léma te
+volgen, teneinde de zeekust te bereiken.
+</p>
+<p>Maar was ook al de landstreek eenzaam en verlaten, zoo krioelde zij toch van beken,
+die allen naar het haft stroomden. Onder den invloed van dat vochtige net, was dit
+gedeelte van den oever slechts een vast moeras, waarvan de papachtige bodem geen enkel
+steunpunt aanbood. Men moest dat dus omtrekken door zuidwaarts af te houden. Die richting
+was gemakkelijk waar te nemen bij de klimmende baan der zon. De vluchtelingen schreden
+zoo gedurende twee uren voort, zonder een enkel menschelijk wezen te ontmoeten, maar
+ook zonder den honger, die hen teisterde, te kunnen stillen.
+</p>
+<p>Later werd het land langzamerhand minder schraal. Een weg vertoonde zich, die van
+het oosten naar het westen liep. De vluchtelingen bespeurden een mijlsteen, die niets
+omtrent de landstreek, waarin zich graaf Sandorf en Stephanus Bathory blindelings
+waagden, te kennen gaf. Evenwel eenige moerbeziënheggen en verder een sorgho-veld
+veroorloofde hen zoo niet hunnen honger te stillen, dan toch de behoefte van hun maag
+bedriegelijk tevreden te stellen. De rauwe sorgho, die zoo maar uit de vuist verorberd
+werd, de frissche <span class="corr" id="xd33e2331" title="Bron: moerbeiën">moerbeien</span> waren evenwel voldoende om te beletten van honger neer te vallen, vóórdat zij de
+kust bereikt hadden.
+</p>
+<p>Maar nu die landstreek meer bewoonbaar werd, nu eenige akkers bewezen dat een menschenhand
+aan het werk geweest was, nu moest men ook verwachten bewoners te ontmoeten.
+</p>
+<p>Dat gebeurde inderdaad zoo tegen het middaguur.
+</p>
+<p>Vijf of zes voetgangers verschenen op den weg. Voorzichtigheidshalve wilde graaf Mathias
+Sandorf zich niet laten bemerken. Gelukkig ontwaarde hij eene heining om den bouwval
+van eene pachthoeve, die op ongeveer vijftig passen ter linkerzij van den weg gelegen
+was. Daar vonden hij en zijn makker, nog vóórdat zij ontdekt waren, eene schuilplaats
+in een donker vertrek. Er bestond veel kans, dat zij niet ontdekt werden wanneer de
+een of andere voorbijganger bij die pachthoeve stil hield, en zij konden er desnoods,
+tot de nacht ingevallen was, blijven.
+</p>
+<p>Die voetgangers waren boeren en zoutvervaardigers. De meesten hunner dreven troepen
+ganzen naar de markt van eene stad of van een dorp, dat niet ver verwijderd van het
+kanaal van Léma lag. <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>Mannen en vrouwen waren volgens de Istrische mode gekleed met de juweelen, medailles,
+oorbellen, borstkruizen, horlogekettingen met aanhangselen, die de kleederdrachten
+der beide geslachten versierden. Wat de zoutvervaardigers betrof, zij waren eenvoudig
+gekleed; zij droegen een randsel op den rug, een knuppel in de hand, en begaven zich
+naar de naburige zoutpannen, wellicht naar de meer belangrijke te Stagnon of te Pirano,
+in het westen van de provincie gelegen.
+</p>
+<p>Sommigen stonden, bij de pachthoeve aangekomen, een oogenblik stil, anderen zetten
+zich op den drempel neder en praatten niet zonder levendigheid met elkander, evenwel
+slechts over zaken, die op hunnen handel betrekking hadden.
+</p>
+<p>De beide vluchtelingen, in hun hoek verscholen, luisterden.
+</p>
+<p>Misschien droegen die lieden reeds kennis van hunne ontvluchting en zouden zij er
+over praten.
+</p>
+<p>Misschien zouden zij zich ook woorden laten ontvallen, waaruit graaf Sandorf kon opmaken
+in welke landstreek van Istrië zijn makker en hij zich bevonden.
+</p>
+<p>Geen enkel woord evenwel werd over dat onderwerp gewisseld en men moest zich dus steeds
+met gissingen tevreden stellen.
+</p>
+<p>„Daar de lieden over onze ontvluchting niet spreken,” zei graaf Sandorf, „valt daaruit
+op te maken, dat zij nog niet ter hunner kennis gekomen is.”
+</p>
+<p>„Dat zou als bewijs kunnen opgenomen worden, dat wij reeds ver van de vesting verwijderd
+zijn.”
+</p>
+<p>„Ja, zeker!”
+</p>
+<p>„Rekent men de snelheid van den bergstroom, die ons door zijn onderaardsche gang gedurende
+zes volle uren meesleurde, dan kunnen wij er niet verbaasd over zijn.”
+</p>
+<p>„Neen zeker niet!” antwoordde graaf Sandorf.
+</p>
+<p>„En het moet zoo zijn,” sprak Bathory.
+</p>
+<p>Evenwel twee uren later hoorden zij eenige zoutvervaardigers, die de pachthoeve voorbij
+stapten, zonder zich op te houden, praten over eene brigade maréchaussées, die zij
+bij de poort van de stad ontmoet hadden.
+</p>
+<p>Welke stad?.…
+</p>
+<p>Die werd niet genoemd.
+</p>
+<p>Dat bericht was volstrekt niet geschikt, om onze vluchtelingen gerust te stellen.
+</p>
+<p>Wanneer maréchaussées de streek doorkruisten, dan was dat waarschijnlijk met het doel
+om hen op te sporen.
+</p>
+<p>„En toch,” zei Stephanus Bathory, „naar de omstandigheden, waaronder wij ontsnapt
+zijn, moet men meenen dat wij dood zijn en van eene opsporing afzien.…”
+<span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span></p>
+<p>„Men zal slechts aan onzen dood gelooven, wanneer men onze lijken gevonden zal hebben,”
+antwoordde Mathias Sandorf.
+</p>
+<p>Hoe het ook zij, dat was buiten kijf, dat de politie op de been was en de vluchtelingen
+zocht. Zij besloten dan ook om in de pachthoeve verscholen te blijven, totdat de nacht
+ingevallen zou zijn. De honger kwelde hen; maar zij durfden hunne schuilplaats niet
+verlaten en daar deden zij goed aan.
+</p>
+<p>Dien avond tegen vijf uren, naderde inderdaad een kleine ruiterbende. Men kon den
+hoefslag op den weg hooren weerklinken.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf, die, over den grond kruipende, de deur van de omheining genaderd was,
+keerde haastig naar zijn makker weder en trok hem met zich voort tot in den donkersten
+hoek van het vertrek.
+</p>
+<p>Daar schuilden beiden onder een hoop struiken weg en hielden zich zoo onbewegelijk
+mogelijk.
+</p>
+<p>Een zestal maréchaussées, aangevoerd door een brigadier, reden langs den weg en richtten
+zich oostwaarts. „Zouden zij bij de pachthoeve stil houden?” vroeg graaf Sandorf zich
+niet zonder angst af. Wanneer de maréchaussées dien bouwval doorzochten, dan kon het
+niet missen, of zij moesten de verscholenen ontdekken.
+</p>
+<p>Zij hielden bij die plaats stil. De brigadier commandeerde halt. Twee maréchaussées
+en hij stegen van het paard, terwijl de anderen in het zadel bleven.
+</p>
+<p>Deze kregen bevel om de streek in de nabijheid van het kanaal van Léma te doorzoeken
+en daarna op de pachthoeve terug te trekken, waar men hen tot des avonds zeven uren
+wachten zou.
+</p>
+<p>De vier maréchaussées verwijderden zich en reden den weg op. De brigadier en de twee
+anderen bonden hunne paarden aan de spijlen van een half vergane omheining vast, die
+de pachthoeve omgaf. Daarna gingen zij buiten het gebouw zitten en begonnen te praten.
+De vluchtelingen konden van uit het vertrek, waar zij verscholen waren, alles hooren.
+</p>
+<p>„Ja, hedenavond moeten wij naar de stad terugkeeren,” antwoordde de brigadier op eene
+vraag, die door een zijner maréchaussées gedaan was. „Daar zullen wij instructies
+voor den nachtdienst erlangen. De telegraaf zal waarschijnlijk wel nieuws van Triëst
+aangebracht hebben.”
+</p>
+<p>De besproken stad was dus Triëst niet. Dat was eene bijzonderheid, die graaf Sandorf
+niet ontging.
+</p>
+<p>„Is het niet te vreezen, dat de vluchtelingen, terwijl wij hen hier zoeken, het kanaal
+van Quernaro bereikt hebben?” vroeg een der maréchaussées.
+</p>
+<p>„Dat’s zeer goed mogelijk,” antwoordde de andere.
+</p>
+<p>„Waarom?” vroeg de brigadier.
+<span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span></p>
+<p>„Omdat zij daar beter in veiligheid zijn dan hier.”
+</p>
+<p>„Als zij daarheen getrokken zijn, loopen zij hetzelfde gevaar om ontdekt te worden
+als hier.”
+</p>
+<p>„Meent ge, brigadier?”
+</p>
+<p>„Voorzeker; want de geheele kust van het eene einde van de provincie tot het andere
+wordt bewaakt.”
+</p>
+<p>Een tweede bijzonderheid, die niet vergeten mocht worden. Graaf Sandorf en zijn makker
+bevonden zich dus wel degelijk op de westkust van Istrië, dat wil zeggen bij den oever
+van de Adriatische zee en niet op den oever van het tegenovergelegen kanaal, dat tot
+Fiuma en waarschijnlijk verder reikt.
+</p>
+<p>„Ik denk dat men ook wel nasporingen in de zoutpannen van Pirano en van Capo d’Istria
+zal verrichten,” hernam de brigadier. „Men kan zich daar gemakkelijker schuil houden,
+en een vaartuig bemachtigen om de Adriatische zee over te steken.”
+</p>
+<p>„Ho, ho! brigadier!” riep een der maréchaussées uit.
+</p>
+<p>„Rimini of Venetië zijn niet ver.”
+</p>
+<p>„Zij hadden beter gedaan, stil den dood in hunne cel af te wachten,” antwoordde de
+andere maréchaussée wijsgeerig.
+</p>
+<p>„Ja”, meende de andere, „vroeg of laat zal men hen toch wel snappen, als men hunne
+lijken niet uit den Buco opvischt! Dan was het uit. En dan hadden wij bij die hitte
+het land niet af te loopen, wat geen baantje is.”
+</p>
+<p>„En wie zegt je dat het niet uit is?” hernam de brigadier. „De Foïba heeft zich waarschijnlijk
+belast met de terechtstelling, en de veroordeelden konden geen slechteren weg dan
+dien kiezen om uit den vestingtoren van de citatel van Pisino te geraken, dan toen
+de wateren zoo gezwollen waren!”
+</p>
+<p>De Foïba, dat was dus de naam der rivier, die graaf Sandorf en zijn lotgenoot meêgesleurd
+had.
+</p>
+<p>De citadel van Pisino, dat was de vesting waarin zij, na hunne gevangenneming, gekerkerd,
+verhoord en veroordeeld waren!
+</p>
+<p>Daar was het, dat zij zouden zijn doodgeschoten.
+</p>
+<p>Het was uit den vestingtoren van die citadel, dat zij ontsnapt waren!
+</p>
+<p>Graaf Sandorf kende de stad Pisino goed. Hij was dus omtrent dit voor hen zoo belangrijke
+punt ingelicht en het zou alzoo aan het toeval overgelaten moeten worden, hoe en waarheen
+zij het Istrische schiereiland doortrekken zouden, wanneer namelijk de vlucht nog
+mogelijk geoordeeld werd.
+</p>
+<p>Het gesprek der maréchaussées ging niet verder; maar door die weinige woorden hadden
+de vluchtelingen alles vernomen wat belangrijk voor hen was te weten. Alleen hadden
+zij nog niet <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>vernomen, welke stad het meest nabij het kanaal van Léma op de kust van de Adriatische
+zee gelegen was.
+<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p121width"><img src="images/p121.jpg" alt="Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen, wanneer dat de vluchtelingen waren. (Bladz. 123.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen, wanneer dat de vluchtelingen
+waren. (Bladz. 123.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb122a">[<a href="#pb122a">122</a>]</span></p>
+<p>De brigadier was intusschen opgestaan. Hij stapte langs de omheining van de pachthoeve
+op en neer en keek of de uitgezonden manschappen nog niet terugkwamen. Hij trad twee
+of drie malen in de bouwvallige woning en bezocht er al de kamers van, eer uit gewoonte
+aan zijn vak eigen, dan uit achterdocht. Hij kwam zelfs tot bij de deur van het vertrek,
+waarin de vluchtelingen zaten, en zij zouden zeker ontdekt zijn, wanneer er geen dikke
+duisternis geheerscht had. De brigadier trad zelfs binnen en raakte met het benedeneinde
+van zijn sabelschede lichtelijk den hoop struiken aan, waaronder zij verscholen waren.
+In dit oogenblik ondervonden graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory eene afwisselende
+reeks van angstige gevoelens, die onmogelijk te beschrijven zijn.
+</p>
+<p>Zij waren evenwel vast besloten om hun leven zoo nadrukkelijk mogelijk te verdedigen,
+wanneer zij zouden ontdekt worden. O, in dat geval zouden zij voor niets terugdeinzen.
+Zij zouden zich dan op den brigadier werpen, zij zouden dan van zijne verrassing en
+schrik gebruik maken om hem zijne wapens te ontrukken, zij zouden hem en zijne manschappen
+aanvallen, hen dooden of zelf vallen. Dat alles dwarrelde door hun brein.
+</p>
+<p>De brigadier werd evenwel een oogenblik later naar buiten geroepen, zoodat hij het
+vertrek verliet, zonder er iets verdachts bespeurd te hebben. De vier maréchaussées,
+die op verkenning uitgezonden werden, waren op de pachthoeve teruggekeerd. In weerwil
+van hunnen ijver, hadden zij van de vluchtelingen geen spoor ontdekt in die geheele
+streek, besloten tusschen de kust en het kanaal van Léma. Zij kwamen evenwel niet
+alleen terug. Een man vergezelde hen.
+</p>
+<p>Dat was een Spanjool, die dagelijks in de zoutpannen in den omtrek arbeidde. Hij was
+op weg om naar de stad terug te keeren, toen de maréchaussées hem ontmoet hadden.
+Daar hij hen vertelde dat hij de landstreek tusschen de stad en de zoutpannen doorgetrokken
+was, besloten zij hem bij hunnen brigadier te brengen, opdat deze hem zou kunnen ondervragen.
+</p>
+<p>Die man weigerde volstrekt niet om hen te volgen.
+</p>
+<p>Toen hij in de tegenwoordigheid van den brigadier gekomen was, vroeg deze hem of hij
+of andere zoutmakers de aanwezigheid van twee vreemde personen opgemerkt hadden.
+</p>
+<p>„Neen, brigadier,” antwoordde de man, „maar heden ochtend, een uur nadat ik de stad
+verlaten had, heb ik twee mannen waargenomen, die bij de punt van het kanaal van Léma
+aan wal kwamen.
+</p>
+<p>„Twee mannen, zegt ge?” vroeg de brigadier.
+<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span></p>
+<p>„Ja; maar daar men in den omtrek meende dat de terechtstelling hedenochtend in de
+vesting van Pisino had plaats gehad en daar men van de ontsnapping nog niets wist,
+heb ik geene aandacht aan die mannen gewijd. Nu ik weet wat er van aan is, zou het
+mij niet verwonderen, wanneer dat de vluchtelingen waren.”
+</p>
+<p>Graaf Sandorf en Stephanus, steeds in hun donker vertrek verscholen, hoorden woord
+voor woord dat gesprek, hetwelk zoo belangrijk voor hen was. Dus op het oogenblik,
+dat zij op den oever van het kanaal Léma voet aan wal zetten, waren zij bespeurd geworden.
+</p>
+<p>„Hoe heet ge?” vroeg de brigadier.
+</p>
+<p>„Ik?”
+</p>
+<p>„Ja, gij.”
+</p>
+<p>„Wat hebt ge met mijn naam te maken? Ik ben niet ontvlucht.”
+</p>
+<p>„Om het even. Ik moet dien weten.”
+</p>
+<p>„Welnu, ik heet Carpena.”
+</p>
+<p>„En uw beroep?”
+</p>
+<p>„Mijn beroep?” vroeg Carpena aarzelend.
+</p>
+<p>„Ja, uw beroep. Kom, maak voort.”
+</p>
+<p>„Ik ben arbeider in de zoutpannen van dit land.”
+</p>
+<p>„Uw geboorteland?”
+</p>
+<p>„Wat hebt ge daar toch mee te maken?”
+</p>
+<p>„Antwoord slechts, het waarom gaat u niet aan.”
+</p>
+<p>„Welnu, ik ben Spanjaard.”
+</p>
+<p>„Waar geboren?”
+</p>
+<p>„Te Catana, eene plaats aan de Middellandsche Zee.”
+</p>
+<p>De brigadier, die schrijfgereedschap voor den dag gehaald had, teekende dat alles
+op.
+</p>
+<p>„Zoudt gij die mannen herkennen?” ging hij voort met vragen.
+</p>
+<p>„Welke mannen?”
+</p>
+<p>„Houd je nu niet dom. Die mannen, die ge hedenochtend op den oever van het kanaal
+van Léma gezien hebt?”
+</p>
+<p>„Herkennen?.… Dat is maar zoo wat.”
+</p>
+<p>„Herinner je goed.”
+</p>
+<p>„Ik heb hen zoo niet gadegeslagen.”
+</p>
+<p>„Kom, met wat goeden wil.”
+</p>
+<p>„Nu, ik meen ja.”
+</p>
+<p>„Ja, wat?”
+</p>
+<p>„Dat ik ze herkennen zou.”
+</p>
+<p>„Welnu, dan moet ge naar de stad gaan en daar uwe verklaring bij de politie afleggen
+en u ter harer beschikking stellen.
+</p>
+<p>„Maar.…”
+</p>
+<p>„Doe wat ik je beveel.”
+</p>
+<p>„Ik zal het doen.”
+<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p>
+<p>„Weet ge dat er vijfduizend gulden belooning uitgeloofd zijn …”
+</p>
+<p>„Vijfduizend guldens,” vroeg Carpena verbaasd.
+</p>
+<p>„Ja, vijfduizend gulden, voor hem die de vluchtelingen opspoort”.
+</p>
+<p>„Het is een mooie som,” sprak de Spanjaard met hebzuchtige stem.
+</p>
+<p>„En de galeien voor hem, die hen eene schuilplaats verleent.”
+</p>
+<p>„Drommels, dat is geen gekheid.”
+</p>
+<p>„Neen, zeker niet.”
+</p>
+<p>„Het is goed dat ik het weet.”
+</p>
+<p>„Ga nu,” zei de brigadier.
+</p>
+<p>„Maar die vijfduizend guldens.…”
+</p>
+<p>„Kom, geen praatjes,” zei de vertegenwoordiger der openbare macht, „ga nu dadelijk
+naar de stad.”
+</p>
+<p>De mededeeling door den Spanjaard gedaan, had tot dadelijk gevolg dat de maréchaussées
+zich verwijderden.
+</p>
+<p>De brigadier gelastte zijne manschappen om op te stijgen. Daarna vertrok hij, in weerwil
+dat de nacht reeds ingevallen was, om de boorden van het kanaal van Léma meer nauwgezet
+te gaan doorzoeken.
+</p>
+<p>Wat Carpena betrof, deze ging dadelijk den weg naar de stad op, terwijl hij in zichzelven
+mompelde, dat met een beetje geluk, de gevangenneming van de vluchtelingen hem een
+aardige som geld kon opbrengen, die wel op den inboedel van graaf Sandorf gevonden
+zou worden.
+</p>
+<p>Mathias Sandorf en Stephanus Bathory bleven evenwel nog een geruimen tijd verscholen
+en verlieten het donkere vertrek niet, dat hun tot schuilplaats gestrekt had.
+</p>
+<p>Zij dachten na. En daarvoor bestonden waarlijk alle redenen. De maréchaussées zaten
+hen achterna, zij waren gezien geworden en konden herkend worden. De Istrische provinciën
+boden hun dus geene veiligheid aan. Zij moesten derhalve dit land binnen den kortst
+mogelijken tijd verlaten, hetzij door de Adriatische zee over te steken om zich naar
+Italië te begeven, hetzij door Dalmatië en de militaire grenzen door te trekken, om
+zoo buiten de landpalen van Oostenrijk te geraken.
+</p>
+<p>Het eerste plan bood veel meer kansen van welslagen aan, wanneer namelijk de vluchtelingen
+zich van een vaartuig konden meester maken, of dat zij den een of anderen visscher
+konden overreden om hen naar de Italiaansche kust over te zetten.
+</p>
+<p>Dat plan werd dan ook aangenomen en tot die poging besloten.
+</p>
+<p>Om dat ten uitvoer te brengen, richtten graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory
+zich, nadat zij tegen half acht ongeveer, toen de duisternis dik genoeg was, den bouwval
+van de pachthoeve verlaten hadden, westwaarts, met het doel om de kust van de <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>Adriatische zee te bereiken. Zij waren reeds dadelijk verplicht om den weg te volgen,
+ten einde niet in de moerassen van de Léma te geraken.
+</p>
+<p>Wanneer zij evenwel die hun onbekende baan volgden, zouden zij dan niet in de stad
+terecht komen, die natuurlijk in verbinding stond met het binnenland van Istrië?
+</p>
+<p>Gingen zij daardoor niet het grootste gevaar tegemoet?
+</p>
+<p>Zeker, was het dat. Maar hoe konden zij anders handelen?
+</p>
+<p>Het was omstreeks negen uur, toen de zwarte omtrekken eener stad zich ongeveer op
+een kwartmijl afstand in het donker voordeden. Het zou <span class="corr" id="xd33e2484" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> geweest zijn dat niet te ontwaren.
+</p>
+<p>Het was eene opeenhooping van huizen, die zich lomp verhieven op eene rotsmassa, die
+de zee beheerschte als ook een havenkom, die diep in de kust ingesneden was. Het geheel
+werd beheerscht door een soort vlot, dat zich, in somberen stijl gebouwd, vertoonde
+en waaraan de duisternis onmogelijke afmetingen verleende.
+</p>
+<p>Mathias Sandorf was vast besloten om die stad niet binnen te treden, waar de aankomst
+van beide vreemdelingen dadelijk bekend zoude worden.
+</p>
+<p>Het kwam er dus op aan om haar om te trekken, om zoo mogelijk een der kustpunten te
+bereiken.
+</p>
+<p>Maar dat kon niet uitgevoerd worden, zonder dat de beide vluchtelingen buiten hun
+medeweten gevolgd werden door dienzelfden man, die hen reeds op den oever van het
+kanaal van Léma bespied had, toen zij voet aan wal zetten. Dat was dezelfde Carpena,
+wiens verklaring aan den brigadier van de maréchaussées zij hadden hooren afleggen.
+Inderdaad had de Spanjaard, verlekkerd door de uitgeloofde premie, zich ter zijde
+opgesteld, toen hij naar huis wilde terugkeeren, om zoo den weg beter waar te nemen.
+Het toeval was hem gunstig, voor de arme vluchtelingen echter ongunstig geweest; want
+het lot had hem op het spoor der rampzaligen gebracht.
+</p>
+<p>In hetzelfde oogenblik bijna dreigde een bende politie-agenten, die door een der stadspoorten
+naar buiten stapten, de vluchtelingen den weg af te snijden. Zij hadden ternauwernood
+den tijd om zich ter zijde te werpen. Daarna richtten zij zich ijlings naar het strand,
+daarbij den buitenmuur der buitenhaven volgende.
+</p>
+<p>Daar stond eene bescheiden visschershut met hare kleine vensters, waardoor het licht
+scheen. De deur stond op een kier open.
+</p>
+<p>Wanneer Mathias Sandorf en Stephanus Bathory daar geene schuilplaats vonden, wanneer
+men weigerde hen op te nemen, dan waren zij reddeloos verloren.
+</p>
+<p>Daarin eene toevlucht zoeken, was waarlijk alles op één worp wagen!
+<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p>
+<p>Maar konden zij, mochten zij in de omstandigheden, waarin zij zich bevonden, aarzelen?
+</p>
+<p>Graaf Sandorf en zijn lotgenoot liepen naar de deur toe en bleven op den drempel stil
+staan.
+</p>
+<p>In het binnenvertrek hield een man zich onledig bij het scherpe licht eener lantaarn,
+met het herstellen van netten. Hij scheen bij zijn werk te mijmeren; want hij schrikte
+als het ware op toen eene stem zich liet hooren:
+</p>
+<p>„Vriend.…” sprak graaf Sandorf.
+</p>
+<p>„Wat.… wat is er?”
+</p>
+<p>„Vriend, hoe heet deze stad?”
+</p>
+<p>„Deze stad?”
+</p>
+<p>„Ja.”
+</p>
+<p>„Dat is Rovigno.”
+</p>
+<p>„In wiens huis zijn wij hier?”
+</p>
+<p>„Waarom wilt gij dat weten?”
+</p>
+<p>„Zeg het ons maar.”
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd33e2512" title="Niet in bron">„</span>Als ik u daarmede genoegen kan doen?.…”
+</p>
+<p>„Voorzeker, doet ge dat.”
+</p>
+<p>„Wel, ik heet Andreas Ferrato.”
+</p>
+<p>„Wat is uw beroep?”
+</p>
+<p>„Ik ben visscher en dit huis is het mijne.”
+</p>
+<p>Dat werd met eene onnavolgbare kalmte en fierheid gezegd. Een vorst zou met niet meer
+waardigheid het: ik ben koning hebben kunnen uitspreken. Toch geschiedde het met den
+meesten eenvoud en natuurlijkheid.
+</p>
+<p>„Zou de visscher Andreas Ferrato ons voor dezen nacht een onderdak willen verleenen?”
+</p>
+<p>Andreas Ferrato keek hen met een doordringenden blik aan. Daarna stond hij op, stapte,
+naar de deur en keek naar buiten. In dat ondeelbare oogenblik bespeurde hij de bende
+politie-agenten, die den hoek van den havenmuur omsloegen. Toen raadde, toen begreep
+hij ongetwijfeld alles. Hij zag in wie zij waren, die hem gastvrijheid afsmeekten.
+Hij zag met een oogopslag, dat wanneer hij eene seconde draalde met hun te antwoorden,
+die mannen verloren waren.
+</p>
+<p>„Komt binnen,” sprak hij.
+</p>
+<p>De twee vluchtelingen haastten zich intusschen niet om dien deurdrempel te overschrijden.
+</p>
+<p>„Vriend,” zei graaf Sandorf.…
+</p>
+<p>„Wat is er? Ik zeg u om binnen te komen.”
+</p>
+<p>„Vriend, er zijn vijfduizend gulden belooning uitgeloofd aan hem, die de gevangenen,
+welke den vestingtoren van Pisino ontvlucht zijn, uitlevert.”
+<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p>
+<p>„Ik weet dit.”
+</p>
+<p>„De galeien staan er op, voor hem die hun eene toevlucht verleent.”
+</p>
+<p>„De galeien?”
+</p>
+<p>„Ja, vriend, de galeien!”
+</p>
+<p>„Ik weet dit.”
+</p>
+<p>„Gij kunt ons overleveren.…”
+</p>
+<p>„Ik?.…”
+</p>
+<p>„De som is niet gering.…”
+</p>
+<p>„Ik!.… een verrader!.…”
+</p>
+<p>„En het gevaar is groot!.…”
+</p>
+<p>„Ik heb u gezegd: komt binnen, ik herhaal die uitnoodiging!” antwoordde de visscher.
+</p>
+<p>Beiden traden binnen.
+</p>
+<p>Andreas Ferrato sloot juist zijne deur dicht, toen de bende politiedienaren zijn huis
+voorbijtrokken.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4163">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">VIII.</h2>
+<h2 class="main">DE HUT VAN DEN VISSCHER FERRATO.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Andreas Ferrato was Corsicaan van oorsprong en geboren te Santa Manza, eene kleine
+havenplaats in het arrondissement Sartène, die achter eene ombuiging van de zuidelijke
+punt van het eiland gelegen was.
+</p>
+<p>De havenplaats met die van Bastia en die van Porto Vecchio waren de eenigen, die ettelijke
+duizenden jaren geleden toegang tot de oostkust van het eiland gaven, welks kustlijn
+daar toen zoo grillig en fantastisch ingesneden was, maar die nu meer effen geworden
+is door het voortdurend afknabbelen èn door de bergstroomen èn door de zeegolven,
+die allengs de voorgebergten en kapen hebben doen instorten en hen verzwolgen, waardoor
+zijne baaien en kreeken uitgewischt werden.
+</p>
+<p>Het was daar te Santa Manza dat Andreas Ferrato, op dat gedeelte der Middellandsche
+zee, hetwelk zich tusschen Corsica en het Italiaansche vasteland uitstrekt, zijn visschersbedrijf
+uitoefende. Hij waagde zich soms te midden van de rotsen van de Straat van Bonifacio
+op de kusten van Sardinië.
+</p>
+<p>Het visschersbedrijf is een ruw, moeitevol leven, vooral wanneer de koraalvisscherij
+aan de vischvangst gepaard gaat. De koralen <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>toch moeten op de onderzeesche banken op de slechtste plaatsen van de Straat of van
+de zeeëngten gezocht worden.
+</p>
+<p>Maar Andreas Ferrato was een moedige kerel, die bovendien stevig gebouwd en onvermoeibaar
+was. Hij wist zich even behendig van zijne vischnetten te bedienen, als van zijne
+dreg. Zijne zaken bloeiden dan ook. En geen wonder! Zijne vrouw was arbeidzaam en
+schrander, en stond als eene ware heldin aan het hoofd van het kleine gezin van Santa
+Manza. Beiden konden lezen, schrijven en rekenen en waren bijgevolg betrekkelijk goed
+onderwezen, althans wanneer men hen vergeleek met de honderd vijftig duizend ongeletterden,
+die nog steeds door de statistiek opgegeven worden onder de twee honderd zestig duizend
+bewoners van het eiland.
+</p>
+<p>Bovendien was Andreas Ferrato—misschien wel tengevolge van die meerdere kennis—in
+zijne denkbeelden en in zijn hart zeer Franschgezind, hoewel hij, zooals zijn naam
+reeds aanduidt en zooals trouwens alle Corsicanen zijn, van Italiaanschen oorsprong
+was. Die Franschgezindheid had hem op dat tijdstip menige vijandschap in het kanton
+op den hals gehaald.
+</p>
+<p>Dat kanton, dat op het zuidelijk uiteinde van het eiland, ver van Bastia, ver van
+Ajaccio, ver van de administratieve en rechterlijke middelpunten gelegen is, moet
+inderdaad als zeer weerstrevend wegens ieder die niet Italiaansch of Sardinisch gezind
+is, beschouwd worden. Dit is eene betreurenswaardige staat van zaken, die niet eindigen
+zal dan tengevolge van eene betere opvoeding der latere geslachten.
+</p>
+<p>Zooals gezegd is, bestond er steeds eene verborgen vijandschap jegens het gezin Ferrato.
+Nu is op Corsica de afstand tusschen vijandschap en haat niet groot en van haat tot
+gewelddadigheden is hij nog minder. Eenige omstandigheden verergerden dien toestand
+nog.
+</p>
+<p>Op een dag dat Andreas Ferrato zijn geduld uitgeput gevoelde, had hij in eene opwelling
+van drift en toorn, eene „huid gesneden<span class="corr" id="xd33e2561" title="Niet in bron">,</span>” een „knoopsgat gemaakt.” Hij doodde een schavuit uit die streek, maar … was toen
+verplicht te vluchten.
+</p>
+<p>Andreas Ferrato was er evenwel de man niet naar om zich in de bergen te verschuilen,
+om daar in dagelijkschen strijd te leven zoowel tegen de politie als tegen de verwanten,
+makkers en vrienden van den gedoodde, en daardoor de reeks wraaknemingen, die ook
+de zijnen zouden treffen, te vergrooten. Hij besloot dadelijk om zijn vaderland te
+verlaten. Hij vertrok heimelijk van Corsica, om eene schuilplaats op de Sardinische
+kust te zoeken. Toen zijne vrouw hunne geringe bezittingen had te gelde gemaakt, het
+huis overgedaan en de meubels, het vaartuig en vischnetten verkocht had, vertrok zij
+ook derwaarts met hare dochter.
+<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p129width"><img src="images/p129.jpg" alt="„Voor alles moet gij thans eten, nietwaar?” vroeg Andreas Ferrato. (Bladz. 132.)" width="508" height="720"><p class="figureHead">„Voor alles moet gij thans eten, nietwaar?” vroeg Andreas Ferrato. (Bladz. 132.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p>
+<p>Andreas Ferrato had het besluit genomen, om nooit meer in zijn vaderland terug te
+keeren.
+</p>
+<p>Daarenboven drukte die moord, hoewel hij uit zelfverdediging geschied was, het geweten
+van Andreas Ferrato. Met zijn eenigszins bijgeloovig karakter, zijnen landaard zoo
+eigen, stelde hij zich tot taak die daad te vergoeden. Hij meende dat de moord van
+dien man hem niet zou vergeven worden, dan wanneer hij het leven van een ander mensch
+met gevaar van zijn eigen bestaan zou gered hebben. En hij was vast besloten dat te
+doen, wanneer de gelegenheid zich daartoe zou aanbieden.
+</p>
+<p>Andreas Ferrato was evenwel, nadat hij Corsica verlaten had, slechts korten tijd in
+Sardinië gebleven, waar hij gemakkelijk ontdekt en herkend kon worden. Hij was een
+moedig en geestkrachtvol man. Hij beefde dan niet voor zijn persoon, maar wel voor
+de zijnen, die door de weerwraak van de verwanten van den verslagene getroffen konden
+worden.
+</p>
+<p>Hij wachtte het oogenblik af, dat hij zich verwijderen kon, zonder achterdocht op
+te wekken, en trok toen Italië door. Toen hij te Ancona aangekomen was, deed zich
+eene gelegenheid voor om de Adriatische zee over te steken en de Istrische kust te
+bereiken. Hij nam haar gretig waar.
+</p>
+<p>Ziedaar de redenen waarom en de omstandigheden waarin die Corsicaan zich bij de kleine
+havenplaats Rovigno gevestigd had. Hij woonde daar sedert zeventien jaren, en had
+er het visschersbedrijf hervat. Dat had tengevolge dat hij de vroeger genoten gegoedheid
+terug verdiende. Negen jaren na zijne aankomst was hem een zoon geboren, die Luigi
+genoemd werd, en wiens geboorte zijne moeder het leven kostte.
+</p>
+<p>Sedert hij weduwnaar was, leefde Andreas Ferrato slechts voor zijne dochter en zijn
+zoon. Maria was toen achttien jaren oud en strekte den jongeren broeder, die toen
+zijn achtste jaar bereikte, tot moeder. En ware het de droefheid niet geweest, van
+zijne wakkere levensgezellin verloren te hebben, die zich steeds nijpend deed gevoelen,
+dan zou die visscher van Rovigno zoo gelukkig geweest zijn als iemand het kan zijn,
+die door zijn arbeid zijn brood verdient en die de genoegdoening gevoelt zijnen plicht
+gedaan te hebben.
+</p>
+<p>De lezer weet dat hij ten rechte geroemd werd als zeer behendig in het uitoefenen
+van zijn handwerk. Te midden van die lange rijen rotsen, die de stranden van Istrië
+dekken, had hij zijne vischvangst in de baai Santa Manza of in de Straat van Bonifacio
+niet te betreuren. Daarenboven was hij goed bekend geworden in die streek, waar dezelfde
+taal als in Corsica gesproken werd.
+<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p>
+<p>De voordeelen, welke hij behaalde door schepen te loodsen op de kust van Pola af tot
+Triëst, werden nog vermeerderd met de verdiensten van het visschersbedrijf in die
+vischrijke wateren. In zijn huis vonden de arme lieden dan ook altijd een onderkomen
+of een goede aalmoes, en in die liefdadigheidswerken werd hij zooveel slechts mogelijk
+was geholpen door zijne dochter Maria.
+</p>
+<p>Maar de visscher van Santa Manza vergat daardoor de gelofte niet, die hij weleer afgelegd
+had: leven om leven! Hij had het leven aan een wezen ontnomen; hij zou het leven van
+anderen redden. Ziedaar de reden waarom hij zonder de minste aarzeling tot de vreemdelingen
+zei: „Komt binnen,” toen zij zich aan zijne deur vertoonden, hoewel hij raadde wie
+zij waren en hoewel hij wist aan welke straf hij zich blootstelde.
+</p>
+<p>Ja, dat „komt binnen” had hij flinkweg uitgesproken; maar in zijn binnenste had hij
+er bijgevoegd:
+</p>
+<p>„En dat God ons onder Zijne hoede neme!”
+</p>
+<p>Intusschen was de bende politie-agenten de deur van het huis van Andreas Ferrato voorbijgestapt,
+zonder er op te houden. Graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory konden dus meenen
+dat zij voor ettelijke nachtelijke uren in het huis van den Corsicaanschen visscher
+in betrekkelijke veiligheid waren.
+</p>
+<p>Dat huis was niet in de stad gebouwd, maar op een afstand van ongeveer vijfhonderd
+passen van de stadsmuren en buiten de haven, op eene rotsbedding, die het strand beheerschte.
+Daar buiten die strook, waar, op minder dan eene kabellengte, de golven tegen de klippen
+van het kustland braken, strekte zich de onmetelijke gezichteinder der zee uit. Naar
+den kant van het zuidwesten werd het voorgebergte ontwaard, dat in een afgeronde en
+omgebogen punt eindigde en door welker kromming de kleine reede van Rovigno op de
+Adriatische Zee omsloten wordt.
+</p>
+<p>Het geheele huis van Andreas Ferrato bevatte slechts eene gelijkvloers verdieping,
+die bestond uit vier kamers, twee aan de voorgevelzijde en twee aan den achterkant,
+en een getralied houten bijgebouwtje, waarin men de gereedschappen tot de vischvangst
+opborg.
+</p>
+<p>Zijn visschersboot was een soort logger, slechts voorzien van één mast. Dat vaartuig
+was dertig voet lang, maar had een breeden bijna vierkanten voorsteven, hetgeen voor
+de koraalvisscherij met de dreg zeer gemakkelijk was. Wanneer het vaartuig niet gebezigd
+werd, lag het binnen en volkomen vrij van de rotsen geankerd, en werd de gemeenschap
+met den wal onderhouden door eene kleine jol, die thans aan het strand op het droge
+getrokken was.
+</p>
+<p>Achter dat huis strekte zich een omheinde tuin van een halven bunder uit, waarin eenige
+groenten te midden van moerbeziënboomen, olijfboomen en van wijnstokken geteeld werden.
+Eene <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>dichte heg scheidde dien tuin van eene beek, die vijf of zes voeten breed was en de
+grens aan den kant van het veld vormde.
+</p>
+<p>Ziedaar de nederige gastvrije woning, waarin de Voorzienigheid de vluchtelingen gevoerd
+had.
+</p>
+<p>Ziedaar de gastheer, die zijne vrijheid waagde, om hun een toevluchtsoord te verschaffen.
+</p>
+<p>Zoodra de deur achter hen dicht gesloten was, keken graaf Sandorf en Stephanus Bathory
+rond in de kamer, waarin de visscher hen ontvangen had.
+</p>
+<p>Dat was wel het voornaamste vertrek van de geheele woning. Het was slechts spaarzaam
+gemeubeld; maar wat er in stond, was zindelijk onderhouden en duidde de hand en den
+smaak aan van eene degelijke en zorgzame huisvrouw.
+</p>
+<p>„Vóór alles moet gij thans eten, niet waar?” vroeg Andreas Ferrato.
+</p>
+<p>„Ja, wij sterven van honger,” antwoordde graaf Sandorf. „Wij hebben hoegenaamd geen
+voedsel in de laatste vier en twintig uren gehad.”
+</p>
+<p>„Ge hoort het, Maria?” hernam de visscher.
+</p>
+<p>„Ja, vader,” sprak het meisje.
+</p>
+<p>En een oogenblik later had zij een stuk gezouten varkensvleesch, een schotel gekookte
+visch, eene flinke portie brood, een flesch landwijn met twee glazen, een schoteltje
+rozijnen, een helder wit tafellaken en twee borden met de noodige vorken en messen
+op de tafel geplaatst.
+</p>
+<p>Een „reglione,” eene soort olielamp met drie pitten, verlichtte het vertrek.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf en Stephanus Bathory namen dadelijk aan tafel plaats. Zij waren waarlijk
+op het punt van in onmacht te vallen.
+</p>
+<p>„En gij?” vroegen zij aan den visscher.
+</p>
+<p>„Ik?”
+</p>
+<p>„Ja, gij. Doet gij niet mede?”
+</p>
+<p>„Wij hebben reeds geavondmaald,” antwoordde Andreas Ferrato.
+</p>
+<p>Die twee uitgehongerden verslonden—ja, dat is het woord,—de spijzen, die hun met zooveel
+eenvoud en zoo goedhartig voorgezet waren.
+</p>
+<p>Maar terwijl zij aten, sloegen zij voortdurend den visscher, zijne dochter en zijn
+zoon gade, welke laatste in een hoek gezeten was. Allen keken de vreemdelingen aan,
+zonder evenwel een woord te spreken.
+</p>
+<p>Andreas Ferrato kon toen twee en veertig jaar oud zijn. Het was een man met een ernstig,
+ja zelfs eenigszins droevig gelaat. Hoewel zijn gezicht door de zon gebruind was,
+had hij gelaatstrekken vol uitdrukking, waarbij zwarte oogen met levendigen blik.
+Hij <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>droeg de kleeding der visschers van de Adriatische zee, waaronder een edele borst
+klopte, terwijl zich daarin eene flink ontwikkelde gestalte liet ontwaren.
+</p>
+<p>Maria—welker gestalte en gelaat aan die harer moeder herinnerde—was groot van stuk,
+welgemaakt en zeer schoon. Zij had vurige zwarte oogen, bruine haren en eene huid,
+die door het Corsicaansche bloed, dat door hare aderen vloeide, warm getint was. Zij
+had een ernstig karakter, als gevolg van de verplichtingen, die zij van hare prilste
+jeugd op zich had voelen rusten. In hare houding, in hare bewegingen spreidde zij
+die kalmte ten toon, die eene bedachtzame geaardheid eigen is. Alles duidde bij dit
+jonge meisje op eene geestkracht, die haar nimmer in den steek zou laten, welke ook
+de omstandigheden zouden zijn, waarin zij zich zou kunnen bevinden.
+</p>
+<p>Zij was herhaaldelijk door jeugdige visschers uit den omtrek ten huwelijk gevraagd,
+maar zij had daaraan nimmer het oor geleend. Behoorde haar leven niet aan haren vader
+toe, en aan dat kind, dat zij zoo innig, innig liefhad?
+</p>
+<p>Wat Luigi betrof, dat was een flinke vastberaden jongen, een moedig en degelijk visscher.
+Hij was reeds volkomen met den werkkring van zeeman bekend. Hij vergezelde Andreas
+Ferrato, zijn vader, bij zijne visscherijen en bij zijne loodsdiensten en was daarbij
+steeds blootshoofds, onverschillig of het waaide en of het regende. Hij beloofde een
+stevige, gezonde kerel te zullen worden, die meer dan stoutmoedig, die koen ja roekeloos
+zou zijn. Hij was tegen alle guurheden van het weder gehard en had hoegenaamd geen
+oog voor eenig gevaar. Hij had zijn vader lief en aanbad zijne zuster.
+</p>
+<p>Graaf Mathias Sandorf had die drie wezens, die door zoo innige banden aan elkander
+verbonden waren, nauwkeurig gadeslagen. Hij koesterde dan ook geen twijfel, dat hij
+zich bij eerlijke, brave lieden bevond, die hij volkomen vertrouwen kon.
+</p>
+<p>Toen het maal afgeloopen en de honger verzadigd was, stond Andreas Ferrato op en naderde
+graaf Mathias Sandorf.
+</p>
+<p>„Gaat nu slapen, heeren,” zei hij op eenvoudigen toon.
+</p>
+<p>„Slapen?” vroegen de vluchtelingen.
+</p>
+<p>„Ja, slapen, rusten,” hernam de visscher.
+</p>
+<p>„Dat kunnen wij niet.”
+</p>
+<p>„Niemand weet dat gij hier zijt.”
+</p>
+<p>„Dat ’s waar; maar.…”
+</p>
+<p>„Morgen zullen wij zien, wat ons verder te doen staat.”
+</p>
+<p>„Neen, Andreas Ferrato, neen!” antwoordde graaf Sandorf.
+</p>
+<p>„Dat kan niet.”
+</p>
+<p>„Wat kan niet?”
+</p>
+<p>„Dat wij heden nacht hier blijven.”
+<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p>
+<p>„Ah bah!”
+</p>
+<p>„Onze honger is gestild. Onze krachten zijn weergekeerd. Wij moeten nu dadelijk dit
+huis verlaten!”
+</p>
+<p>„Daar valt niet aan te denken!”
+</p>
+<p>„Onze tegenwoordigheid veroorzaakt voor u en de uwen te groot gevaar!” zei Mathias
+Sandorf.
+</p>
+<p>„Ja, wij moeten vertrekken,” beaamde Stephanus Bathory. „En dat God u beloone voor
+hetgeen gij voor ons gedaan hebt.”
+</p>
+<p>„Gaat slapen! Dat is voorshands het noodzakelijkste,” hernam de visscher.
+</p>
+<p>„Wij kunnen niet,” antwoordde graaf Sandorf.
+</p>
+<p>„De kust wordt heden avond bewaakt.”
+</p>
+<p>„O, God!”
+</p>
+<p>„Men heeft een embargo op alle schepen van al de havens van deze streek gelegd.”
+</p>
+<p>„Onmogelijk!”
+</p>
+<p>„Heden nacht is niets te beproeven, dat verzeker ik u.”
+</p>
+<p>„Maar.…”
+</p>
+<p>„Gaat slapen,” herhaalde Andreas Ferrato.
+</p>
+<p>„Als gij het dan wilt. Het zij zoo,” antwoordde graaf Mathias Sandorf.
+</p>
+<p>„Ja, ik wil het!”
+</p>
+<p>„Een woord evenwel nog!”
+</p>
+<p>„En dat is?”
+</p>
+<p>„Wanneer is onze ontsnapping bekend geworden?.…”
+</p>
+<p>„Sedert dezen morgen,” antwoordde Andreas Ferrato. „Maar …”
+</p>
+<p>„Maar, wat?” vroeg graaf Sandorf, toen hij de aarzeling van den visscher bemerkte.
+</p>
+<p>„Gij waart met uw vieren gevangen <span class="corr" id="xd33e2661" title="Bron: inden">in den</span> vestingtoren van Pisino?”
+</p>
+<p>„Ja.”
+</p>
+<p>„Gij zijt slechts met u beiden hier?”
+</p>
+<p>„Helaas!”
+</p>
+<p>„Men zegt,” ging Andreas Ferrato voort, „dat de derde in vrijheid gesteld zal worden.”
+</p>
+<p>„Sarcany!” riep Mathias Sandorf toornig uit, vóórdat hij dat gevoel van woede, alleen
+door de gedachte aan dien verafschuwden man opgewekt, had kunnen bedwingen.
+</p>
+<p>„En de vierde?”.… vroeg Stephanus Bathory aarzelend, zonder zijn volzin te durven
+eindigen.
+</p>
+<p>„De vierde is nog in leven,” antwoordde Andreas Ferrato.
+</p>
+<p>„In leven?” riep Stephanus Bathory uit.
+</p>
+<p>„Ja, de terechtstelling is verdaagd,” zei de visscher.
+</p>
+<p>„Nog in leven?” herhaalde Stephanus Bathory.
+</p>
+<p>„Ja, ik herhaal.…” wilde Andreas Ferrato zeggen.
+<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p135width"><img src="images/p135.jpg" alt="Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. (Bladz. 139.)" width="505" height="720"><p class="figureHead">Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. (Bladz. 139.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p>
+<p>„Is het mogelijk?” riep Bathory steeds ontzet uit.
+</p>
+<p>„Wel zeker,” hernam graaf Sandorf spottend. „Men wil wachten tot dat men ons opgespoord
+en gesnapt zal hebben, om ons de vreugde te bereiden te zamen te sterven.”
+</p>
+<p>„Mathias!” kreet Stephanus Bathory.
+</p>
+<p>„Maria,” zei Andreas Ferrato bedaard, „wijs onze gasten hunne kamer. Ge weet wel die
+aan de achterzijde, die op het bijgebouwtje uitgang verleent.”
+</p>
+<p>„Ja, vader,” antwoordde het jonge meisje.
+</p>
+<p>„Maar geen licht opsteken, hoor,” ging hij voort.
+</p>
+<p>„Goed, vader.”
+</p>
+<p>„Heden avond moet dat raam niet verlicht wezen.”
+</p>
+<p>„Ja, vader.”
+</p>
+<p>„Dat zou achterdocht kunnen opwekken.”
+</p>
+<p>„Kom, heeren,” sprak het jonge meisje.
+</p>
+<p>Een oogenblik later wisselden graaf Sandorf en zijn makker een hartelijken handdruk
+met den visscher. Daarna traden zij hunne kamer binnen, waar hun twee goede matrassen
+of beter stroozakken met maïsbladeren gevuld, wachtten, waarop zij van hunne vermoeienissen,
+die zij zoo ruimschoots verduurd hadden, konden uitrusten.
+</p>
+<p>Maar Andreas Ferrato en zijn zoon Luigi hadden reeds het huis verlaten. Zij wilden
+zich overtuigen dat niemand in den omtrek rondzwierf, noch op het strand, noch in
+het veld aan de overzijde van de beek. De vluchtelingen konden dus gerust tot het
+aanbreken van den dag slapen.
+</p>
+<p>De nacht ging zonder bijzondere voorvallen voorbij. De visscher was herhaaldelijk
+naar buiten getreden. Hij had evenwel niets verdachts bespeurd.
+</p>
+<p>Den volgenden morgen, den 18en Juni, ging Andreas Ferrato, terwijl zijne gasten nog
+sliepen, op kondschap uit tot in het midden der stad, als ook op de kaden van de haven.
+Op verscheidene punten trof hij samenscholingen aan van nieuwsgierigen en leegloopers.
+Een aanplakbiljet, sedert den vorigen dag reeds op de daarvoor bestemde plaatsen bevestigd,
+gaf kennis van de ontsnapping, van de straffen, die op het verleenen van hulp aan
+de vluchtelingen stond, van de premie die uitgeloofd was. Dat maakte natuurlijk het
+onderwerp uit van alle gesprekken. Men babbelde, men vertelde nieuwtjes, men herhaalde
+het gehoorde niet altijd nauwkeurig, soms zeer onjuist en men wist het juiste evenmin
+als tevoren.
+</p>
+<p>Niets duidde aan dat graaf Sandorf en zijn lotgenoot in den omtrek gezien waren, of
+dat men zelfs hunne aanwezigheid in de provincie vermoedde. Toch verspreidde zich
+tegen tien uren in den morgen, toen de brigadier der maréchaussées met zijne manschappen
+na hunne nachtelijke ronde te Rovigno waren teruggekeerd, het <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>gerucht, dat twee vreemdelingen vier en twintig uren te voren gezien waren op de oevers
+van het kanaal van Léma. Men had de geheele landstreek tot aan de zee doorzocht, om
+hun spoor terug te vinden, maar zonder gevolg. Er was niets op te merken van hunnen
+doortocht.
+</p>
+<p>Hadden zij dus de kuststreek kunnen bereiken en een vaartuig bemachtigd?
+</p>
+<p>Of hadden zij zich naar een ander punt van Istrië begeven?
+</p>
+<p>Of wel, hadden zij de Oostenrijksche grens overschreden?
+</p>
+<p>Alles was mogelijk.
+</p>
+<p>„Mooi!” werd gezegd. „Dat zullen al vast vijf duizend gulden zijn, die voor de schatkist
+bewaard blijven.”
+</p>
+<p>„Een geld dat beter besteed kan worden dan om hatelijke verklikkerijen te beloonen!”
+</p>
+<p>„Ja zeker!
+</p>
+<p>„God geve dat de arme vluchtelingen mogen ontsnappen!”
+</p>
+<p>„Ontsnappen!.…”
+</p>
+<p>„Ik hoop het!”
+</p>
+<p>„Och, dat zal wel reeds geschied zijn!”
+</p>
+<p>„Zij zullen wel reeds in veiligheid aan de andere zijde van de Adriatische zee zijn!”
+</p>
+<p>Afgaande op dat gepraat, dat in het meerendeel der groepen van boeren, burgers en
+arbeiders, die voor de aanplakbiljetten stilstonden, gehouden werd, was de openbare
+meening, zooals men ziet, zeer ten gunste van de veroordeelden, ten minste onder de
+bewoners van Istrië, schier allen Slavoniërs en Italianen van geboorte. De Oostenrijksche
+beambten konden dus niet op eene verklikking van dien kant rekenen. Niets werd dan
+ook nagelaten of verzuimd om de vluchtelingen weer te vinden. Al de benden politie-agenten,
+al de brigades maréchaussées waren sedert den vorigen dag op de been en er werden
+onophoudelijk telegrammen tusschen Rovigno, Pisino en Triëst gewisseld.
+</p>
+<p>Toen Andreas Ferrato tegen elf uur tehuis kwam, deelde hij die berichten, die eerder
+goed dan slecht waren, mede.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf en Stephanus Bathory, die door Maria in de kamer, waarin zij overnacht
+hadden, bediend werden, hadden juist in dat oogenblik hun ontbijt verorberd.
+</p>
+<p>Die eenige uren rust, dat heerlijke maal, die goede verpleging had hen geheel en al
+van hunne uitputting hersteld.
+</p>
+<p>„Welnu, vriend?” vroeg graaf Sandorf, zoodra de deur achter Andreas Ferrato gesloten
+was.
+</p>
+<p>„Ik geloof niet, heeren,” antwoordde de visscher, „dat gij voor het oogenblik iets
+te vreezen hebt.”
+</p>
+<p>„Maar wat wordt er in de stad verteld?” vroeg Stephanus Bathory.
+<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p>
+<p>„Ja, wat wordt er verteld? Zeg ons dat,” herhaalde ook graaf Sandorf.
+</p>
+<p>„Men spreekt wel van twee vreemdelingen, die gisterenochtend gezien zijn, op het oogenblik,
+dat.…<span class="corr" id="xd33e2729" title="Bron: ’">”</span>
+</p>
+<p>„Ga voort, wat ik u bidden mag,” zei graaf Sandorf bij de aarzeling van den visscher.
+</p>
+<p>„Op het oogenblik,” vervolgde deze, „dat zij op den oever van het kanaal van Léma
+voet aan wal zetten.… En.…”
+</p>
+<p>„En wat?” vroeg Stephanus Bathory ongeduldig.
+</p>
+<p>„En als gij het zijt.… heeren.…”
+</p>
+<p>„Ga voort. Wij zijn het inderdaad,” zei Stephanus Bathory. „Een man, een zoutarbeider
+van den omtrek, heeft ons gezien en aangebracht.”
+</p>
+<p>Toen werd Andreas Ferrato op de hoogte gebracht van hetgeen in den bouwval der pachthoeve
+voorgevallen was, terwijl de vluchtelingen er verscholen waren.
+</p>
+<p>„En weet gij niet, wie die verklikker is?” vroeg de visscher met aandrang.
+</p>
+<p>„Neen,” antwoordde Bathory.
+</p>
+<p>„Wij hebben hem niet kunnen zien,” vulde graaf Sandorf verder aan; „wij hebben slechts
+zijne stem kunnen vernemen.”
+</p>
+<p>„Dat is een betreurenswaardige omstandigheid,” hernam Andreas Ferrato. „Het voornaamste
+en gewichtigste evenwel is, dat men uw spoor verloren heeft. Bovendien al ware het
+dat men omtrent uwe aanwezigheid in mijne woning achterdocht had, dan geloof ik niet
+dat er eene verklikking te vreezen is.”
+</p>
+<p>„Zoo?” vroeg Stephanus Bathory verbaasd. „Waarom niet?”
+</p>
+<p>„Omdat alle menschen hier in Rovigno ten uwen voordeele zijn!”
+</p>
+<p>„Ja, daarover verwonder ik mij niet,” hernam graaf Sandorf. „Het is eene moedige en
+eerlijke bevolking in deze provinciën! Toch moet het oog op de Oostenrijksche autoriteiten
+gehouden worden. Zij zullen voor niets terugdeinzen om ons weer in hunne macht te
+krijgen.”
+</p>
+<p>„Wat u geruststellen moet, heeren,” sprak de visscher, „dat is dat de meening, waarin
+men verkeert, luidt, dat gij reeds de overzijde van de Adriatische zee hebt kunnen
+bereiken.”
+</p>
+<p>„Och, God gave dat het zoo ware!” zuchtte Maria, die de handen gevouwen en de oogen
+ten hemel geslagen had, alsof zij een gebed slaakte.
+</p>
+<p>„Het zal zoo worden, lief kind,” antwoordde graaf Sandorf op den toon der vurigste
+overtuiging. „Ja, met Gods hulp zullen wij ontsnappen.…”
+</p>
+<p>„En met de mijne, heer graaf!” hernam Andreas Ferrato. „Ik ga nu aan mijne bezigheden.
+Men is gewoon ons, Luigi en mij, <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>bezig te zien met het herstel onzer netten op het strand, of met het schoonmaken van
+ons vaartuig. Wij moeten niets aan den gewonen gang van zaken veranderen.”
+</p>
+<p>„Voorzeker niet,” zei Stephanus Bathory.
+</p>
+<p>„Ik heb bovendien noodig om mij omtrent den toestand van het weer te vergewissen,
+alvorens een besluit te nemen. Blijft dus in deze kamer. Verlaat haar onder geen voorwendsel.
+Doet, om alle achterdocht te vermijden, het venster open, dat op onzen tuin uitzicht
+verleent, maar blijft in het achterste gedeelte van het vertrek en vooral vertoont
+u niet.”
+</p>
+<p>„Neen, neen, wees gerust!”
+</p>
+<p>„Ik ben over een paar uren terug.”
+</p>
+<p>Daarop verliet Andreas Ferrato met zijn zoon Luigi het huis, terwijl Maria zich voor
+de deur met hare gewone bezigheden onledig hield.
+</p>
+<p>Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. Andreas Ferrato trachtte bij
+wijze van voorzorg een praatje met hen te maken, alvorens hij zijne netten op het
+zandige strand uitstrekte.
+</p>
+<p>„De westewind is goed doorgekomen,” zei een hunner.
+</p>
+<p>„Ja, antwoordde Andreas Ferrato, „het onweder van eergisteren heeft de lucht flink
+gezuiverd.”
+</p>
+<p>„Ongetwijfeld,” hernam een ander. „Toch zou het kunnen gebeuren dat de wind meer en
+meer opstak bij het vallen van den avond, en tot buien overging, wanneer de „bora”
+zich er bij voegt<span class="corr" id="xd33e2765" title="Niet in bron">.</span>”
+</p>
+<p>„Och, het zal steeds een landwind zijn en de zee kan dan niet <span class="corr" id="xd33e2769" title="Bron: ontstuimig">onstuimig</span> tusschen de rotsen wezen.”
+</p>
+<p>„Dat staat te bezien.”
+</p>
+<p>„Gaat gij dezen nacht visschen, Andreas?”
+</p>
+<p>„Ongetwijfeld.”
+</p>
+<p>„Als het weer het toelaat, niet waar?”
+</p>
+<p>„Dat spreekt van zelf.”
+</p>
+<p>„Maar het embargo.”.…
+</p>
+<p>„Het embargo?”.…
+</p>
+<p>„Ja.”
+</p>
+<p>„Dat is slechts op de groote schepen gelegd en niet op de visschersvaartuigen, die
+zich niet van de kust verwijderen.”
+</p>
+<p>„Zijt gij daar zeker van?”
+</p>
+<p>„Ja, zeer zeker.”
+</p>
+<p>„Welnu, des te beter; want men heeft scholen tonijnen geseind, die uit het zuiden
+komen. Wij mogen niet dralen om onze fuiken te stellen.”
+</p>
+<p>„Mooi!” zei Andreas Ferrato. „Maar er is nog geen tijd verloren.”
+</p>
+<p>„Misschien. Wie weet?”
+</p>
+<p>„Neen, geloof mij. Als ik heden nacht uitzeil, dan ga ik de tonijnen opwachten bij
+Orsera of naar de kust van Parenzo.”
+<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p>
+<p>„Dat moet gij weten; maar wij zullen onze fuiken aan den voet der rotsen stellen
+</p>
+<p>„Dat is uwe zaak!”
+</p>
+<p>Toen gingen Andreas Ferrato en Luigi hunne netten uit het bijgebouwtje halen, spreidden
+ze op het mulle zand uit, om ze in de zon te laten drogen. Twee uren later keerde
+de visscher naar zijne woning terug, na zijn zoon aanbevolen te hebben, de haken klaar
+te houden, die dienen om de visschen te dooden.
+</p>
+<p>Nadat hij gedurende ongeveer tien minuten zijne pijp op den drempel zijner deur gerookt
+had, begaf zij zich naar de kamer zijner gasten, terwijl Maria met haar werk voor
+de deur voortging.
+</p>
+<p>„Heer graaf,” sprak de visscher, „de wind waait van de landzijde, zoodat volgens mijne
+meening de zee dezen nacht niet hol zal staan. Nu zal het ’t meest eenvoudige middel
+zijn om te vluchten, zonder eenig spoor na te laten, om u met mij in te schepen. Wanneer
+gij daartoe besluit, dan zal het ’t beste zijn, heden avond tegen tien uren te vertrekken.
+Alsdan zult gij tusschen de rotsen tot aan den rand der branding moeten voortsluipen.
+Niemand zal u zien. Mijne jol zal u tot bij mijn vaartuig brengen, waarna wij dadelijk
+zee zullen kiezen zonder de opmerkzaamheid op te wekken, daar men weet, dat ik dezen
+nacht zal uitzeilen. Als de wind te zeer mocht opsteken, dan zal ik langs de kust
+houden en u aan de andere zijde van de Oostenrijksche grens buiten de mondingen van
+den Cattaro ontschepen.”
+</p>
+<p>„Maar als de wind niet opsteekt, wat zijt gij dan voornemens te doen?” vroeg graaf
+Sandorf.
+</p>
+<p>„Dan zullen wij volle zee halen,” antwoordde de visscher. „Dan zullen wij de Adriatische
+zee oversteken en dan zal ik u hetzij te Rimini, hetzij bij de uitwatering van de
+Po aan land zetten.”
+</p>
+<p>„Is uw vaartuig bestand voor zulk een overtocht,” vroeg Stephanus Bathory.<span id="xd33e2800"></span>
+</p>
+<p>„Ja, zeker. Het is een flinke boot, die een half dek heeft en waarmede mijn zoon en
+ik zeer slecht weder getrotseerd hebben. Daarenboven, wij moeten wel wat wagen, nietwaar?”
+</p>
+<p>„Dat wij gevaar loopen,” antwoordde graaf Sandorf, „wij wier leven op het spel staat,
+dat is niet meer dan natuurlijk. Maar dat gij, gij, mijn vriend, uw leven waagt.…”
+</p>
+<p>„Dat is mijn zaak, heer graaf,” hernam Andreas Ferrato. „Ik doe slechts mijn plicht
+door u te redden.”
+</p>
+<p>„Uw plicht?.…”
+</p>
+<p>„Ja!”
+</p>
+<p>Andreas Ferrato verhaalde daarop dat gedeelte van zijne levensgeschiedenis, tengevolge
+waarvan hij Santa Manza en zelfs Corsica had moeten verlaten, en hoe het goede, hetwelk
+hij op het punt <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>stond te doen, slechts de vergelding was van het kwaad, dat hij bedreven had.
+<span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p141width"><img src="images/p141.jpg" alt="Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas Ferrato hield hem tegen. (Bladz. 144.)" width="505" height="720"><p class="figureHead">Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas Ferrato hield
+hem tegen. (Bladz. 144.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb142a">[<a href="#pb142a">142</a>]</span></p>
+<p>„Edel hart!” riep graaf Sandorf uit, die door dat verhaal bewogen was.
+</p>
+<p>Daarop hernam hij:
+</p>
+<p>„Maar, hetzij wij naar de mondingen van den Cattaro stevenen, hetzij wij naar de Italiaansche
+kust gaan, zoo zal toch zulk eene reis eene vrij langdurige afwezigheid van uwe zijde
+veroorzaken, die de bewoners van Rovigno verwonderen moet. Het mag niet gebeuren,
+dat gij, na ons in veiligheid gebracht te hebben, bij uwen terugkeer gevangen genomen
+wordt.…”
+</p>
+<p>„Vrees niets, heer graaf,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ik blijf somtijds tegen het
+tijdstip der groote visscherijen vijf of zes dagen op zee. Ik herhaal het bovendien:
+dat zijn mijne zaken. Zoo moet gehandeld worden en zoo zullen wij handelen.”
+</p>
+<p>Er viel na die beslissing van den visscher niet meer te twisten. Het plan van Andreas
+Ferrato was klaarblijkelijk het beste en daarenboven het meest gemakkelijke om uitgevoerd
+te worden, daar het visschersvaartuig—zooals ten minste gehoopt werd—niets van de
+stormachtigheid der zee zou te vreezen hebben. Er waren geene voorzorgsmaatregelen
+te treffen dan op het oogenblik van inscheping. De nacht zou evenwel somber en zonder
+maan zijn. Zeer waarschijnlijk zou bij het vallen van den avond daarenboven een van
+die dikke nevels opstijgen, die de kust bedekken, maar in volle zee niet waargenomen
+worden. Op dat uur zou het strand eenzaam en verlaten zijn. Behalve een paar grensbeambten,
+die hun kustgebied afliepen, zou men niemand ontmoeten. Wat de overige visschers,
+de buren van Andreas Ferrato betreft, zij zouden, zooals zij zelf verteld hadden,
+zich onledig houden om hunne fuiken op de piketten te spannen, buiten de rotsengroep,
+dat wil zeggen op twee of drie mijlen ten zuiden van Rovigno. Wanneer die het visschersvaartuig
+van Andreas Ferrato zouden ontwaren, gesteld dat dit gebeurde, dan zou het reeds te
+ver in zee zijn om iemand aan boord te kunnen herkennen. Daarenboven zouden de vluchtelingen
+zich onder het halfdek verscholen houden.
+</p>
+<p>„Op hoeveel afstand rekent gij de haven van Rovigno van het naastbijgelegen punt van
+de Italiaansche kust?” vroeg toen Stephanus Bathory.
+</p>
+<p>„Op vijftig mijlen ongeveer.”
+</p>
+<p>„Hoeveel tijd is er benoodigd om dien afstand af te leggen?”
+</p>
+<p>„Dat ’s <span class="corr" id="xd33e2828" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> te zeggen,” antwoordde de visscher voorzichtig.
+</p>
+<p>„Maar er is toch wel eene gissing, een raming te maken, niet waar?”
+</p>
+<p>„Ja, als deze wind blijft doorstaan, dan kunnen wij in een twaalftal uren overkomen.
+Maar.…”
+<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p>
+<p>„Gij aarzelt, vriend?” vroeg graaf Sandorf.
+</p>
+<p>„Gij zijt zonder geld, niet waar?”
+</p>
+<p>„Ja, helaas!” antwoordde Stephanus Bathory met een zucht.
+</p>
+<p>„En toch is dat onmisbaar!”
+</p>
+<p>„Dat valt niet te ontkennen.”
+</p>
+<p>„Welnu,” vervolgde Andreas Ferrato, „neemt dezen gordel, daarin zitten drie honderd
+gulden. Doet hem zoo.… kijk zoo, om het lijf.”
+</p>
+<p>„Vriend!.…” zei Mathias Sandorf.
+</p>
+<p>„Gij zult mij dat later teruggeven,” hernam de visscher.
+</p>
+<p>„Teruggeven? Later? Wanneer?” vroeg graaf Sandorf met aarzeling in zijne stem.
+</p>
+<p>„Wanneer gij in veiligheid zijt. Zoodra het u schikt. Kom, dat is afgesproken, niet
+waar? Wacht mij nu slechts.”
+</p>
+<p>Toen dat alles afdoende geregeld was, ging Andreas Ferrato heen en hernam zijne gewone
+bezigheden met nu eens op het strand te arbeiden en zich dan weer eens in huis onledig
+te houden. Het gelukte Luigi om, zonder dat dit opgemerkt werd, eenige levensmiddelen,
+genoeg voor verscheidene dagen, aan boord van het visschersvaartuig te brengen. Hij
+had ze eenvoudig in een reserve-zeil gewikkeld en zoo overgevoerd. Geen enkele achterdochtige
+gedachte kon de plannen van Andreas Ferrato komen dwarsboomen. Hij dreef de voorzorgsmaatregelen
+zoo ver, dat hij zijne gasten gedurende het overige gedeelte van den dag niet meer
+wilde terugzien. Graaf <span class="corr" id="xd33e2849" title="Bron: Matthias">Mathias</span> Sandorf en professor Stephanus Bathory bleven in de kleine kamer verscholen, waarvan
+het venster evenwel geopend bleef. Wanneer het tijd zou zijn om die gastvrije woning
+te verlaten, zou de visscher hen waarschuwen.
+</p>
+<p>In den namiddag kwamen ettelijke buren met hem over visscherijzaken praten, voornamelijk
+over de verschijning der tonijnen langs de kusten van Istrië. Andreas Ferrato ontving
+hen in zijne huishoudkamer en bood hen volgens gewoonte een ververschingsdronk aan.
+</p>
+<p>Zoo ging het grootste gedeelte van den dag met heen en weer te drentelen en in verschillende
+gesprekken voorbij. Soms liep het gesprek over de vluchtelingen. Het gerucht was toch
+verspreid, dat zij in de nabijheid van het kanaal van Quarnero op de tegenovergestelde
+kust van Istrië gevat waren geworden. Dat gerucht werd evenwel kort daarop weersproken.
+</p>
+<p>Alles scheen dus zoo goed mogelijk te gaan. Dat de kuststrook met meer nauwkeurigheid
+dan vroeger, hetzij door de ambtenaren der in- en uitgaande rechten, hetzij door de
+politie-agenten, hetzij door de maréchaussées, zou gadegeslagen worden, kon als zeker
+aangenomen worden. Maar het zou zoo moeilijk niet zijn die waakzaamheid te verschalken,
+wanneer het nacht geworden zou zijn.
+<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p>
+<p>Het embargo was, zooals de lezer zich herinneren zal, slechts op de groote schepen
+of op de kustvaarders van de Adriatische en Middellandsche zeeën gelegd, niet op de
+visschersschuiten die bij den oever blijven. Het uitzeilen van het vaartuig van Andreas
+Ferrato kon dus geschieden zonder achterdocht op te wekken.
+</p>
+<p>Andreas Ferrato had evenwel op het bezoek niet gerekend, dat hem zoo tegen zes uren
+des avonds gebracht werd. Dat bezoek verwonderde hem, hoewel het hem nog niet verontrustte.
+Hij zou er de dreigende beteekenis eerst van begrijpen, toen de bezoeker weer vertrokken
+was.
+</p>
+<p>Acht uren waren geslagen. Maria hield zich onledig met het gereed maken van het avondmaal
+en de tafels waren reeds gedekt in de huishoudkamer, toen tweemalen op de huisdeur
+geklopt werd. Andreas Ferrato aarzelde geen oogenblik om te openen. Hij was zeer verbaasd
+toen hij zich tegenover den Spanjaard Carpena bevond.
+</p>
+<p>Die Carpena was geboren te Almavate, eene kleine stad in de provincie Malaga. Hij
+had waarschijnlijk Spanje om eene zelfde reden verlaten, waarom Andreas Ferrato Corsica
+vaarwel had gezegd, en had zich in Istrië gevestigd. Daar had hij het zoutwerkers-ambacht
+ter hand genomen en hield zich voornamelijk onledig met de opbrengst der zoutpannen
+op de westkust naar het binnenland te vervoeren. Dat was een ondankbare arbeid, waarmede
+hij ter nauwernood zooveel verdienen kon om zijn ellendig bestaan te rekken.
+</p>
+<p>Carpena was een stevige kerel en nog jong, daar hij nog niet ten volle vijf en twintig
+jaren telde. Hij was klein van gestalte, maar breed van schouders, had een dik hoofd,
+met gekroesd grof zwart haar bedekt, en een gelaat als een bulhond, dat volstrekt
+niets geruststellends had. Hij was niet gezellig van aard, doch haatdragend, wraakzuchtig
+en daarenboven nog lafhartig. Met zulke hoedanigheden begaafd, kon het niet vreemd
+heeten, dat hij in de buurt geenszins bemind was. Niemand wist, waarom hij zijn vaderland
+verlaten had. Hij had meermalen twist met zijne makkers, zoutarbeiders, gehad, waarbij
+bedreigingen geuit waren, waarbij zelfs vechtpartijen voorgevallen waren, en dat alles
+had hem volstrekt geen goeden naam bezorgd. Men liet hem volgaarne ter zijde.
+</p>
+<p>Toch koesterde Carpena geen ongunstige meening over zijn eigen persoon. Verre van
+daar. Dat kan voldoende verklaring geven en men zal vernemen waarom hij gepoogd had
+met Andreas Ferrato in aanraking te komen. Het is waar, reeds bij het begin van die
+relatiën had hij vanwege den visscher geen aanlokkend onthaal ondervonden. Dat zal
+genoegzaam begrepen worden, wanneer de pretentiën van dien man in het volgende gesprek
+ontsluierd zullen zijn.
+</p>
+<p>Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas Ferrato hield
+hem tegen, terwijl hij vroeg:
+<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p145width"><img src="images/p145.jpg" alt="„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven”, antwoordde graaf Sandorf. (Bladz. 150.)" width="501" height="720"><p class="figureHead">„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven”, antwoordde graaf Sandorf. (Bladz.
+150.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span></p>
+<p>„Wat komt gij hier doen?”
+</p>
+<p>„Ik drentelde voorbij. Daar ik licht zag, heb ik aangeklopt.”
+</p>
+<p>„Waarom?”
+</p>
+<p>„Wel, om u als buurman een bezoek te brengen.”
+</p>
+<p>„Uwe bezoeken mishagen mij, dat weet ge wel.”
+</p>
+<p>„Gewoonlijk,” antwoordde de Spanjaard, „is dat zoo; maar heden.… Dat zal wel anders
+zijn.”
+</p>
+<p>Andreas Ferrato begreep dat niet en kon ook de beteekenis van die raadselachtige woorden
+niet gissen. In den mond van Carpena waren zij evenwel onrustwekkend. Een vluchtige
+trilling kon de huisheer dan ook niet bemantelen en die ontging den bezoeker niet.
+Deze had de deur gesloten.
+</p>
+<p>„Ik moet u spreken,” zei hij.
+</p>
+<p>„Neen!”
+</p>
+<p>„Jawel!”
+</p>
+<p>„Gij hebt mij niets te zeggen.”
+</p>
+<p>„Jawel.… Ik moet u afzonderlijk spreken,” vervolgde de Spanjaard, terwijl hij fluisterend
+sprak.
+</p>
+<p>„Och kom!”
+</p>
+<p>„Geloof me.”
+</p>
+<p>„Nu, kom dan,” antwoordde de visscher, die dien dag goede redenen had om niemand den
+toegang tot zijn huis te weigeren. Op een teeken van Andreas Ferrato stapte Carpena
+de huishoudkamer door en volgde hem in zijne slaapkamer.
+</p>
+<p>Die kamer was slechts door een zeer dun beschot van het vertrek gescheiden, waarin
+graaf Sandorf en zijn lotgenoot Stephanus Bathory verscholen waren. De eene kamer
+had uitzicht op de straat, de andere op het omheinde erf achter de woning. Toen zij
+alleen waren, vroeg de visscher:
+</p>
+<p>„Wat wilt ge van mij?”
+</p>
+<p>„Buurman,” antwoordde Carpena, „ik kom nog een beroep op uw goede vriendschap doen.”
+</p>
+<p>„Vriendschap?.….” vroeg Andreas Ferrato smalend.
+</p>
+<p>„Ja, vriendschap!”
+</p>
+<p>„En ter zake van wat?”
+</p>
+<p>„Ter zake van uwe dochter.”
+</p>
+<p>„Daarover geen woord meer!”
+</p>
+<p>„Maar hoor dan toch!.…”
+</p>
+<p>„Geen woord! geen enkel woord!”
+</p>
+<p>„Gij weet dat ik Maria bemin, en.…”
+</p>
+<p>„Zwijg!”
+</p>
+<p>„En dat het mijn vurigste wensch is, dat zij mijne vrouw wordt.”
+</p>
+<p>Ja, dat was het droombeeld van Carpena.
+</p>
+<p>Sedert verscheidene maanden vervolgde hij het jonge meisje met <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>zijne oplettendheden. Zooals de lezer wel begrijpen zal, werd hij daarbij eerder door
+baatzucht dan door liefde gedreven. Andreas Ferrato kon welgesteld heeten en was dat
+ook in den kring der visschers, waarin hij verkeerde. Hij mocht rijk genoemd worden
+in vergelijking met den Spanjaard, die niets ter wereld bezat.
+</p>
+<p>Niets was dus natuurlijker dan dat Carpena de gedachte gekoesterd had, om de schoonzoon
+te worden van dien bemiddelde; maar niets was daartegenover ook natuurlijker, dan
+dat de visscher hem steeds en onveranderlijk afgescheept had. Een zoodanig sujet kon
+hem niet behagen.
+</p>
+<p>„Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato koeltjes, „gij hebt u eerst tot mijne dochter
+gewend en die heeft „neen” gezegd. Daarop zijt gij tot mij gekomen en ik heb eveneens
+„neen” geantwoord. Gij komt heden andermaal op uw verzoek terug; ik antwoord u „neen!”
+voor de laatste maal.”
+</p>
+<p>Het gelaat van den Spanjaard verwrong vreeselijk. Zijn lippen krulden om en lieten
+zijne tanden zien. Zijne oogen rolden woest en schoten vuurstralen. Maar de kamer,
+waarin de beide mannen zich bevonden, was slecht verlicht, zoodat Andreas Ferrato
+dat onheilspellend gelaat niet kon zien.
+</p>
+<p>„Is dat uw laatste woord?” vroeg Carpena.
+</p>
+<p>„Ja!”
+</p>
+<p>„Onherroepelijk?
+</p>
+<p>„Ja, onherroepelijk mijn laatste woord, wanneer het de laatste maal zal zijn, dat
+gij uw aanzoek herhaalt,” antwoordde de visscher. „Komt gij er evenwel op terug, dan
+zult gij steeds hetzelfde antwoord ontvangen.”
+</p>
+<p>„Ik zal er op terugkomen!.…”
+</p>
+<p>„Dat is volmaakt noodeloos!”
+</p>
+<p>„Ja, ik zal er op terugkomen, wanneer Maria mij zeggen zal om het te doen.”
+</p>
+<p>„Zij?.…”
+</p>
+<p>„Ja, zij!”
+</p>
+<p>„Zij!.…” riep Andreas Ferrato uit. „Zij! Gij weet wel dat mijne dochter noch vriendschap,
+noch achting voor u koestert!”
+</p>
+<p>„Hare gevoelens kunnen veranderen, wanneer.…”
+</p>
+<p>„Kom, loop heen.”
+</p>
+<p>„Wanneer ik een onderhoud met haar gehad zal hebben.”
+</p>
+<p>„Een onderhoud?”
+</p>
+<p>„Ja, Ferrato, ik wensch haar te spreken.”
+</p>
+<p>„Wanneer?”
+</p>
+<p>„Dadelijk!.… Hoort ge?.… Ik moet haar dadelijk spreken …”
+</p>
+<p>„Moet?” vroeg de visscher toornig.
+</p>
+<p>„Ja, ik moet. En dat nog wel heden avond.”
+<span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span></p>
+<p>„Ik weiger voor haar!”
+</p>
+<p>„Pas op!”
+</p>
+<p>„Geen bedreigingen!”
+</p>
+<p>„Pas op!” herhaalde Carpena, die thans luider sprak. „Pas op!”
+</p>
+<p>„Waarop?”
+</p>
+<p>„Ik zal mij wreken!”
+</p>
+<p>„Ha, ha, ha!”
+</p>
+<p>„Ja, ik zal mij wreken!”
+</p>
+<p>„Welnu, wreek je, als ge kunt en als ge durft, Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato,
+die nog meer toornig werd.
+</p>
+<p>„Sar me niet!”
+</p>
+<p>„Wreek je; je bedreigingen jagen mij geen angst aan, dat weet je wel!”
+</p>
+<p>De Spanjaard knarsetandde.
+</p>
+<p>„En nu de deur uit!” ging Andreas Ferrato voort. „Of ik smijt je naar buiten!”
+</p>
+<p>Het bloed steeg Carpena naar het hoofd. Hij was op het punt om geweld tegen den visscher
+te begaan; maar het gelukte hem zich te bedwingen, en na de deur met kracht opengesmeten
+te hebben, vloog hij de huiskamer door en het huis uit zonder een woord gesproken
+te hebben.
+</p>
+<p>Nauwelijks was hij buiten, toen de deur der naburige kamer, waarin de vluchtelingen
+verborgen waren, openging. Graaf Sandorf, wien niets van dat onderhoud ontgaan was,
+verscheen op den drempel, en op Andreas Ferrato toetredende, zei hij op fluisterenden
+toon:
+</p>
+<p>„Dat is de man, die ons aan den brigadier der maréchaussées verraden heeft. Hij kent
+ons. Hij heeft ons gezien, toen wij op den oever van het kanaal van Léma voet aan
+wal zetten. Hij heeft ons tot Rovigno gevolgd. Hij weet blijkbaar, dat gij ons eene
+schuilplaats in uw huis verleend hebt. Laat ons dan dadelijk vluchten, anders zijn
+wij verloren, en.… gij met ons!”
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4172">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">IX.</h2>
+<h2 class="main">LAATSTE POGINGEN IN EEN LAATSTEN STRIJD.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Andreas Ferrato hoorde dat stilzwijgend aan.
+</p>
+<p>Hij had niets in zijn brein gevonden om graaf Sandorf te antwoorden. Zijn Corsicaansch
+bloed kookte in hem. Hij had de beide vluchtelingen vergeten, voor welker redding
+hij zooveel op het spel gezet had. Hij dacht slechts aan den Spanjaard; hij zag slechts
+Carpena!
+<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p>
+<p>„Die ellendeling! O, die ellendeling!” mompelde hij eindelijk. „Ja! hij weet alles!
+Wij hangen geheel en al van zijne genade af! ik had het moeten begrijpen!”
+</p>
+<p>Mathias Sandorf en Stephanus Bathory keken den visscher met een beklemd gevoel aan.
+Zij wachtten reikhalzend wat hij zeggen, wat hij doen zou. Er mocht geen enkel oogenblik
+verloren gaan. Er moest gehandeld, dadelijk gehandeld worden. Het verraad, dat werk
+des duivels, was waarschijnlijk reeds geschied.
+</p>
+<p>„Heer graaf,” sprak eindelijk Andreas Ferrato, <span class="corr" id="xd33e2963" title="Niet in bron">„</span>de<span id="xd33e2965"></span> politie kan ieder oogenblik mijne woning overvallen en binnenstormen. Ja! die ellendige
+bedelaar moet alles weten of ten minste moet hij onderstellen dat gijlieden hier zijt!
+Het is een koop, dien hij mij heeft komen voorstellen! Mijne dochter tot prijs voor
+zijne stilzwijgendheid. Hij zal u ten val brengen om zich op mij te wreken! Helaas,
+wanneer de politie-agenten komen, zal het onmogelijk zijn te ontsnappen en dan zult
+gij andermaal gevangen genomen worden. Ja, inderdaad, gij moet dadelijk vluchten!”
+</p>
+<p>„Gij hebt gelijk, Andreas Ferrato,” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar vóórdat
+wij scheiden, laat mij u bedanken voor al hetgeen gij voor ons gedaan hebt, en voor
+hetgeen gij voor ons doen wildet.…”
+</p>
+<p>„Wat ik doen wilde, wil ik nog doen,” sprak Andreas Ferrato hoogst ernstig.
+</p>
+<p>„Dat weigeren wij!” antwoordde Stephanus Bathory.
+</p>
+<p>„Ja, dat weigeren wij,” vulde graaf Sandorf aan. „Gij hebt u reeds te veel blootgegeven
+en in gevaar gesteld! Wanneer men ons bij u ontdekt, dan veroordeelt men u tot de
+galeien!”
+</p>
+<p>„Om het even!” riep de visscher uit.
+</p>
+<p>„Kom Stephanus, laten wij deze woning verlaten om te vermijden dat wij er den ondergang
+en het ongeluk brengen!”
+</p>
+<p>„Maar, heer graaf.…”
+</p>
+<p>„Laten wij vluchten, dat ’s goed; maar alleen vluchten!”
+</p>
+<p>Andreas Ferrato greep den graaf bij de hand.
+</p>
+<p>„Waar zoudt gij heen gaan? Al de autoriteiten des lands zijn op de been en waakzaam.
+De politieagenten en de maréchaussées doorkruisen nacht en dag het veld in den omtrek.
+Er is geen enkel veilig punt op de kust, waar gij u zoudt kunnen inschepen, er bestaat
+geen enkel voetpad, waarlangs gij de grens veilig zoudt kunnen bereiken! Zonder mij
+vertrekken, is zeker den dood tegemoet snellen!”
+</p>
+<p>„Volgt mijn vader, heeren,” voegde Maria er bij. „Wat er ook geschiede, hij doet zijn
+plicht door te pogen u te redden!”
+</p>
+<p>„Goed zoo, mijne dochter,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ja waarlijk, het is slechts
+mijn plicht, dierbaar kind! Uw broeder wacht ons reeds bij de jol. De nacht is zeer
+donker. Vóórdat wij <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>ontdekt zullen wezen, zullen wij in volle zee zijn. Omhels mij, Maria, omhels mij,
+kindlief, en heeren, laten wij vertrekken!”
+</p>
+<p>Toch wilden graaf Sandorf en zijn lotgenoot niet toegeven. Zij weigerden een dergelijk
+offer aan te nemen. Zij wilden dat huis wel dadelijk verlaten, om den visscher niet
+verder in gevaar te brengen. Ja zeker. Maar vertrekken onder zijne leiding, wanneer
+er de galeien op stonden! Neen! dat wilden zij niet!
+</p>
+<p>„Kom dan toch!” zei Mathias Sandorf tot Stephanus Bathory, terwijl hij hem meetrok.
+„Als wij eenmaal buiten zijn, dan valt er alleen voor ons zelven te vreezen!”
+</p>
+<p>En beiden waren op het punt om door het geopende venster te ontwijken, om over het
+kleine erf hetzij de kust te bereiken, hetzij zich naar het inwendige der provincie
+te begeven toen Luigi binnen stormde.
+</p>
+<p>„De politieagenten!” zei hij.
+</p>
+<p>„Vaarwel!” riep graaf Sandorf uit.
+</p>
+<p>En gevolgd door zijn lotgenoot sprong hij het venster uit.
+</p>
+<p>Juist in dat oogenblik drong een bende politiedienaren de huiskamer van den visscher
+binnen.
+</p>
+<p>Carpena geleidde hen.
+</p>
+<p>„Ellendeling!” zeide Andreas Ferrato.
+</p>
+<p>„Dat ’s mijn antwoord op uwe weigering!”
+</p>
+<p>De visscher werd gegrepen en in een ondeelbaar oogenblik gebonden. Terzelfder tijd
+hadden de agenten de woning bezet en al de kamers daarvan onderzocht. Het open raam
+wees hen den weg aan, dien de vluchtelingen genomen hadden. Zij ijlden dadelijk ter
+hunner vervolging naar buiten.
+</p>
+<p>De beide rampzaligen bereikten toen juist de heg, die het erf omheinde en van de kleine
+beek afscheidde. Graaf Sandorf was er in één sprong over, daarna hielp hij Stephanus
+Bathory, die minder vlug was, om er over te <span class="corr" id="xd33e2997" title="Bron: klouteren">klauteren</span>. Een geweerschot weerklonk op nog geen vijftig passen van hen.
+</p>
+<p>Stephanus was door een geweerkogel aan den schouder getroffen, hoewel niet levensgevaarlijk.
+Maar zijn arm was verlamd en hij was onmachtig de pogingen van zijn makker te ondersteunen.
+</p>
+<p>„Vlucht,” riep hij hem toe. „Vlucht Mathias.”
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd33e3004" title="Niet in bron">„</span>Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven,” antwoordde graaf Sandorf, na
+andermaal beproefd te hebben zijn gewonden makker in zijne armen op te tillen.
+</p>
+<p>„Vlucht, Mathias!” herhaalde Stephanus Bathory.
+</p>
+<p>„Neen! neen!”
+</p>
+<p>„Vlucht en leef om de verraders te straffen!”
+</p>
+<p>Die laatste woorden klonken als een bevel in de ooren van graaf Sandorf.
+<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p>
+<p>De magnaat van <span class="corr" id="xd33e3014" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span>, de samenzweerder van Triëst, de makker en deelgenoot van Stephanus Bathory en van
+Ladislas Zathmar moest plaats maken voor den straffenden rechter!
+</p>
+<p>De politieagenten, die op hunne beurt het <span class="corr" id="xd33e3019" title="Bron: uitenide">uiteinde</span> van het kleine erf bereikt hadden, wierpen zich in dit oogenblik op den gekwetste.
+Wanneer graaf Sandorf nog eene enkele seconde aarzelde, dan moest ook hij in hunne
+handen vallen!
+</p>
+<p>„Vaarwel, Stephanus, vaarwel!” riep hij uit.
+</p>
+<p>En met een vervaarlijken sprong wipte hij over de beek, die langs de heg vloot en
+verdween hij in de duisternis.
+</p>
+<p>Vijf of zes geweerschoten werden in die richting afgeschoten; maar de kogels troffen
+den vluchteling niet. Hij sprong terzijde en liep ijlings naar den kant der zee.
+</p>
+<p>De politieagenten zaten hem evenwel op de hielen. Daar zij hem in het donker niet
+ontwaren konden, was het onmogelijk om hem voor te komen. Zij verspreidden zich, om
+hem den pas af te snijden, zoowel naar het innerlijke des lands, als naar den kant
+van de stad en van het voorgebergte, hetwelk de baai ten noorden van Rovigno omgeeft.
+</p>
+<p>Een brigade maréchaussées schoot hen te hulp en bewoog zich zoo, dat graaf Sandorf
+geen andere weg open bleef, dan naar de kust. Maar daar, bij den rand der klippen
+aangekomen, wat zou hij daar doen?
+</p>
+<p>Zou hij er in slagen eene sloep te bemachtigen, om zich daarmede op de Adriatische
+zee te wagen?
+</p>
+<p>Daartoe zou hij den tijd niet hebben; want vóórdat hij het<span id="xd33e3031"></span> touw, waarmede ze aan den oever vast lag, losgemaakt zou hebben, zou hij onder de
+geweerkogels, die op hem afgezonden zouden worden, vallen.
+</p>
+<p>Hij begreep evenwel al heel spoedig, dat de vlucht naar het oosten hem afgesneden
+zou zijn. Het geweervuur, de kreten door de politieagenten en door de maréchaussées
+uitgestooten, terwijl zij naderden, duidden hem genoegzaam aan, dat hij van achteren,
+naar den kant van het strand, omsingeld was.
+</p>
+<p>Hij kon slechts naar de zee heenijlen en daarlangs ontvluchten.
+</p>
+<p>Dat was ongetwijfeld een zekeren dood tegemoet loopen; maar was het niet beter die
+in de golven te vinden, dan ze af te wachten voor het executie-peloton op het binnenplein
+van de vesting te Pisino.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf spoedde zich dus naar het strand. In weinige sprongen had hij de eerste
+kabbelingen bereikt, die de branding tegen het strand opjoeg. Hij voelde als ’t ware
+de politieagenten achter zich. De geweerkogels, die in den blinde op hem afgevuurd
+werden, gingen rakelings zijn hoofd voorbij.
+<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p>
+<p>Op een kleinen afstand van het strand staken hier op de kust van Istrië eene menigte
+rotstoppen uit zee op. Dat waren afzonderlijke klippen, die den oever dekten. Tusschen
+die klippen werden talrijke waterpoelen aangetroffen, die de uithollingen van den
+oever vulden. De meeste dier poelen waren diep, maar er waren er ook, waarin het water
+ternauwernood tot aan den enkel reikte.
+</p>
+<p>Dat was de laatste uitweg, die nog voor graaf Mathias Sandorf openstond. Hoewel hij
+er niet aan twijfelen kon, dat hij den dood aan het uiteinde daarvan zou vinden, aarzelde
+hij geen oogenblik dien in te slaan.
+</p>
+<p>Hij doorwaadde dan die poelen en sprong van rots tot rots. Maar daarbij werd zijn
+omtrek meer zichtbaar op den minder donkeren achtergrond van den gezichteinder. Dadelijk
+weerklonken kreten om hem aan te duiden, waarna de politieagenten hem achterna snelden.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf was vast besloten niet levend in hunne handen te vallen. Als de zee
+hem zou aanspoelen, dan zou het slechts zijn lijk zijn.
+</p>
+<p>Die <span class="corr" id="xd33e3046" title="Bron: moeielijke">moeilijke</span> jacht op die onvaste en gladde steenen, bedekt met glibberige zeegewassen, door die
+waterpoelen, waarin iedere pas eene struikeling of een val kon ten gevolge hebben,
+duurde meer dan een half uur. Het was den vluchteling gelukt een voorsprong te behouden,
+maar de vaste grond zou hem weldra ontbreken.
+</p>
+<p>En inderdaad, hij kwam op een der laatste rotsen van de klippen-bank aan. Twee of
+drie politie-agenten waren nog slechts op tien passen van hem. De anderen volgden
+op ongeveer twintig schreden.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf verhief zijne gestalte toen. Een laatste kreet ontsnapte hem, een laatste
+kreet als vaarwel tot den hemel gericht. En op het oogenblik dat een aantal geweerschoten
+op hem gelost werden, sprong hij in zee.
+</p>
+<p>Toen de politie-agenten bij het uiteinde der rotsbank gekomen waren, ontwaarden zij
+niets meer dan het hoofd van den vluchteling, dat slechts als een zwart punt verscheen
+en naar volle zee gekeerd was.
+</p>
+<p>Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias Sandorf opspatten.
+En ongetwijfeld moesten een of meer kogels hem getroffen hebben, want hij dook onder
+de golven om niet meer te voorschijn te komen.
+</p>
+<p>Neen, niets, niets was meer te ontwaren!
+</p>
+<p>De maréchaussées en de politie-agenten bleven, totdat de dag aangebroken was, de rotsbank,
+de klippen en het strand van het voorgebergte af ten noorden van de baai gelegen,
+tot voorbij het fort van Rovigno nauwkeurig bewaken.
+<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p153width"><img src="images/p153.jpg" alt="Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias Sandorf opspatten. (Bladz. 152.)" width="500" height="720"><p class="figureHead">Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias Sandorf opspatten.
+(Bladz. 152.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span></p>
+<p>Het was te vergeefs.
+</p>
+<p>Niets duidde er op, dat graaf Sandorf ergens op die kust voet aan wal gezet had.
+</p>
+<p>Iedereen was dan ook overtuigd, dat zoo hij niet door een kogel getroffen werd, hij
+verdronken was; dat hij in ieder geval dood was.
+</p>
+<p>Intusschen met welke nauwgezetheid de nasporingen ook geleid en uitgevoerd werden,
+geen lijk werd in de branding ontwaard, noch op de kust gevonden. En toch strekten
+die nasporingen zich over eene kuststrook uit van meer dan twee uren gaans. Maar daar
+de wind van den kant van het land woei en de stroom naar het zuidwesten voerde, zoo
+bestond er geen twijfel of het lijk van den vluchteling was naar volle zee gedreven.
+</p>
+<p>Graaf Sandorf, de Hongaarsche magnaat, had dus zijn graf in de golven van de Adriatische
+zee gevonden!
+</p>
+<p>Dat was de meening, die na een zeer nauwkeurig onderzoek, als de meest natuurlijke
+door het Oostenrijksche gouvernement aangenomen werd.
+</p>
+<p>Het recht moest dan ook zijn loop hebben.
+</p>
+<p>Stephanus was, de lezer weet onder welke omstandigheden, gevat geworden. Hij werd
+gedurende den nacht, en vergezeld van een sterk bewakings-detachement, naar den vestingtoren
+van Pisino teruggevoerd. Daar werd hij, helaas! voor slechts weinige uren, in gezelschap
+van graaf Ladislas Zathmar opgesloten.
+</p>
+<p>De terechtstelling werd toen vastgesteld op den volgenden dag, den 30sten Juni.
+</p>
+<p>Stephanus Bathory had voorzeker gedurende die noodlottige uren zijne vrouw en zijn
+kind voor de laatste maal hebben kunnen weerzien. Ladislas Zathmar zou een laatsten
+handdruk van zijn getrouwen dienaar hebben kunnen ontvangen; want het bevel om hen
+in den vestingtoren te Pisino toe te laten, was behoorlijk gegeven.
+</p>
+<p>Maar èn mevrouw Bathory met haren zoon, èn Borik, die uit de gevangenis losgelaten
+was, hadden Triëst verlaten. Niet wetende waarheen de gevangenen gevoerd waren, daar
+de inhechtenisneming zeer geheim was gehouden, waren zij in Hongarije en zelfs tot
+in Oostenrijk gaan zoeken; en toen het vonnis uitgesproken was, kon men hen natuurlijk
+niet bijtijds weêrvinden.
+</p>
+<p>Stephanus Bathory moest dus die laatste vertroosting ontberen om zijn gade en zijn
+kind weer te zien. Hij kon hen den naam der verraders, die zijn leven verkocht hadden,
+niet mededeelen.
+</p>
+<p>Alleen de gerechtigheid van graaf Mathias Sandorf zou die kunnen treffen.
+</p>
+<p>Professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar werden te vijf uren op het binnenplein
+der vesting doodgeschoten. Zij stierven als mannen, die hun leven voor hun vaderland
+ten offer brachten.
+<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p>
+<p>Silas <span class="corr" id="xd33e3081" title="Bron: Thoronthal">Toronthal</span> en Sarcany konden de hoop koesteren, dat zij tegen iedere weerwraak beveiligd waren.
+En inderdaad, het geheim van hun verraad was slechts bekend bij hen alleen en bij
+den gouverneur van Triëst.
+</p>
+<p>Dat verraad, die snoode daad werd hen betaald met de helft der bezittingen van graaf
+Mathias Sandorf.
+</p>
+<p>De andere helft werd als buitengewone gunst opgespaard en bewaard voor de erfgenamen
+van den graaf, wanneer zij hun achttiende jaar bereikt zouden hebben.
+</p>
+<p>Noch Silas Toronthal noch Sarcany ondervonden eenige wroeging over hunne schandelijke
+daad. Zij konden dan ook in rust en vrede genieten van de rijkdommen, door dat afschuwelijk
+verraad verkregen.
+</p>
+<p>Eene ander verrader scheen ook niets te vreezen te hebben. Dat was de Spanjaard Carpena,
+wien de bloedprijs, de premie van vijf duizend gulden, die aan den verklikker uitgeloofd
+werd, uitgereikt was.
+</p>
+<p>Maar konden de bankier Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany in Triëst met
+opgeheven hoofde rondwandelen, daar hun geheim bewaard was gebleven, Carpena moest
+onder het gewicht der algemeene afkeuring en verontwaardiging de wijk nemen en Rovigno
+verlaten. Maar wat kon hem dat schelen! Hij had niets meer te vreezen, zelfs niet
+de wraak van Andreas Ferrato.
+</p>
+<p>De visscher was inderdaad gevangen genomen, terechtgesteld en tot levenslange galeistraf
+veroordeeld geworden, omdat hij eene schuilplaats aan de vluchtelingen verleend had.
+Maria was thans met haren jongeren broeder Luigi alleen. Helaas, armoede en ellende
+wachtten hen in dat huis, waaruit de vader gesleurd was, zonder er weer te keeren!
+</p>
+<p>Zoodat drie ellendelingen, alleen uit een hebzuchtig gevoel, zonder dat een zweem
+van haat hen tegen hunne slachtoffers in het harnas joeg,—Carpena hiervan misschien
+uitgezonderd—de een om zijn wankelende bankierszaken te herstellen, de twee anderen
+om rijkdommen te verwerven, niet waren teruggedeinsd om zulk een gruwel te beramen
+en te bedrijven.
+</p>
+<p>Zou zulk een schandelijke daad op aarde ongestraft blijven?
+</p>
+<p>Helaas! Gods rechtvaardigheid wordt niet altijd bespeurd.
+</p>
+<p>Zouden graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory,
+die drie vaderlandslievende mannen, zoude Andreas Ferrato, de nederige visscher, het
+edele hart, ongewroken blijven?
+</p>
+<p>Het antwoord daarop blijft aan de toekomst over.
+</p>
+<p class="trailer center">EINDE VAN HET VOORSPEL.</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0 last-child part">
+<h2 class="main">DOKTER ANTEKIRRT</h2>
+<p><span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span></p>
+<div id="ch2.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4185">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="I." width="569" height="86"></div>
+<h2 class="label">I.</h2>
+<h2 class="main">PESCADOSPUNT EN KAAP MATIFOU.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Vijftien jaren zijn verloopen sedert de laatste gebeurtenissen, bij het einde van
+het voorspel dezer geschiedenis verhaald, voorgevallen waren.
+</p>
+<p>Het was den 24en Mei 1882 een feestdag te Ragusa, een der voornaamste steden van de
+Dalmatische provinciën.
+</p>
+<p>Dalmatië is slechts een smalle landtong, welke tusschen het noorder gedeelte der Dinarische
+Alpen, tusschen Herzegowina en de Adriatische zee gelegen is. Er is daar juist plaats
+voor eene bevolking van vier of vijf maal honderd zielen, die evenwel wat opeengehoopt
+moeten leven.
+</p>
+<p>De Dalmaten vormen een fraai ras, dat zeer sober in die dorre schrale landstreek,
+waar de teelgrond zeldzaam aangetroffen wordt, leeft. Zij zijn fier gebleven te midden
+der staatkundige beroeringen, welke zij ondergaan hebben; zij zijn uiterst trotsch
+tegenover Oostenrijk, waaraan zij vastgeklonken werden door het verdrag van Campo
+Formio, hetwelk op dat punt bij den vrede van Parijs in 1815 bevestigd werd. Zij zijn
+eerlijk als goud, en hebben ten volle verdiend dat hun land, volgens eene vleiende
+uitdrukking van den heer Yriartes, „het land der deuren zonder sloten” genoemd werd!
+</p>
+<p>Dalmatië wordt in vier kringen verdeeld, die op hunne beurt in districten onderverdeeld
+zijn. Dat zijn: de kringen van Zara, van Spolato, van Cattaro en van Ragusa. De gouverneur-generaal
+heeft zijne residentie te Zara, welke stad dientengevolge de hoofdplaats van de provincie
+is. Te Zara komt de Landdag bijeen, waarvan enkele leden deel uitmaken van de Kamer
+van vertegenwoordiging te Weenen.
+</p>
+<p>De tijden zijn wel veranderd sedert de XVIde eeuw, toen de Uskoken, die niets anders
+dan gevluchte Turken waren, in open oorlog zoowel met de Muzelmannen als met de Christenen
+verkeerden, zoowel met den Sultan van Constantinopel als met den Doge van Venetië.
+Zij waren de schrik der Adriatische zee. Maar de Uskoken <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>zijn verdwenen en men vindt van dien <span class="corr" id="xd33e3116" title="Bron: volkstam">volksstam</span> nergens anders een spoor terug dan in de Carniòla. De Adriatische zee is dus heden
+ten dage even veilig als eenig ander gedeelte van die prachtige en dichterlijke Middellandsche
+zee.
+</p>
+<p>Ragusa of beter gezegd: de kleine staat Ragusa, is langen tijd republikeinschgezind
+geweest en was dat voor Venetië, dat wil zeggen, reeds sedert de IXde eeuw. Het was
+eerst bij decreet van Napoleon I dat Ragusa in 1809 bij het koninkrijk Illyrië gevoegd
+werd, om het als hertogdom aan den maarschalk Marmont te schenken.
+</p>
+<p>Reeds in de IXde eeuw vertoonden zich de schepen van Ragusa in alle de Levantsche
+zeeën en hadden den alleenhandel met de ongeloovigen tot zich getrokken. De Heilige
+Stoel had dien alleenhandel goedgekeurd, waardoor aan Ragusa een groote voorrang geschonken
+werd te midden van die kleine republieken van Zuid-Europa. Maar Ragusa onderscheidde
+zich nog door andere meer edele hoedanigheden. De goede naam harer geleerden, de roem
+van hare letterkundigen, de goede smaak van hare kunstbeoefenaars, hadden haar den
+naam van Slavonisch Athene verschaft.
+</p>
+<p>Evenwel voor den handel ter zee is een goede haven met diepen ankergrond noodig, die
+schepen van groote tonnenmaat kan opnemen. Maar die haven ontbreekt aan Ragusa. Hare
+haven is smal en gevaarlijk van wege de rotsen, die nagenoeg met de waterlijn gelijk
+liggen, zoodat niets anders dan kustvaarders en visschersschuiten eene veilige ligplaats
+vinden.
+</p>
+<p>Gelukkig heeft de natuur als altijd, op een half uur afstands ten noorden, in een
+van die inkeepingen van de baai van Ombla <span class="corr" id="xd33e3125" title="Bron: Fumera">Fiumera</span>, grillig een van die overheerlijke havenkommen gevormd, die de meest mogelijke hulpmiddelen
+en gemakken aan de meest ontwikkelde scheepvaart aanbieden. Die havenplaats ligt te
+Gravosa, de beste wellicht van de geheele Dalmatische kust. Daar is water genoeg voor
+de meest diepgaande bodems, zelfs voor <span class="corr" id="xd33e3128" title="Bron: oorlogschepen">oorlogsschepen</span>; daar ontbreekt de ruimte niet voor het krengen en voor het dokken der schepen, ook
+niet voor de scheepstimmerwerven. Daar eindelijk kunnen die groote pakketbooten aanleggen,
+die der wereld in het tweede gedeelte dezer eeuw deelachtig zijn geworden.
+</p>
+<p>Daaruit volgt dus dat op het tijdstip van dit verhaal, de weg van Ragusa naar Gravosa
+een ware boulevard was geworden, die ter weerszijden met fraaie boomen beplant en
+omzoomd was met heerlijke villa’s, terwijl de geheele bevolking der stad, die toen
+op zestien<span class="corr" id="xd33e3133" title="Niet in bron">-</span> of zeventienduizend inwoners kon gerekend worden, zich langs dien weg verdrong.
+</p>
+<p>Nu kon men dien dag tegen vier uren in den namiddag bespeuren, dat de bewoners van
+Ragusa, na een heerlijken lente-ochtend genoten te hebben, zich naar Gravosa begaven.
+<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p161width"><img src="images/p161.jpg" alt="Ragusa. (Bladz. 160.)" width="503" height="720"><p class="figureHead">Ragusa. (Bladz. 160.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p>
+<p>In die voorstad—en zoo kon Gravosa, bij de poorten der stad gelegen, toch inderdaad
+genoemd worden, niet waar?—was er toen feest. Verscheidene tenten en kermiskramen
+waren daar aanwezig, muziek en danspartijen in de open lucht hadden daar plaats, terwijl
+kwakzalvers, kunstenmakers, koorddansers, steltloopers, wier geschreeuw en gekakel,
+wier muziekinstrumenten en liederen groot spektakel in de straten, ja tot op de haven
+maakten, allerwege aangetroffen werden.
+</p>
+<p>Voor een vreemdeling zou die dag een buitenkansje geweest zijn, om de verschillende
+typen van het Slavonische ras, dat zich daar vermengd met Bohemers van allerlei gehalte
+verdrong, te bestudeeren. Niet alleen waren de Nomadische bevolkingen toegestroomd,
+om er de nieuwsgierigheid van de ingezetenen te ontginnen, maar ook de boerenlui en
+de bergbewoners waren komen opdagen, om hun deel van de openbare vermakelijkheden
+te genieten.
+</p>
+<p>Het vrouwelijk geslacht was er in groot getal vertegenwoordigd: dames uit de stad,
+boerinnen uit den omtrek, visschersvrouwen van de kust, die allen wemelden door elkander.
+Bij de eerstbedoelden was de poging merkbaar, om hare kleeding met de laatste mode
+van Westelijk Europa te doen overeenstemmen. Wat de anderen betreft, hare tooi verschilde
+minstens in eene bijzonderheid, naarmate van het district, vanwaar de draagsters afkomstig
+waren. Hier zag men witte hemdjes met geborduurde mouwen en borstrokken, elders jakken
+met veelkleurige figuren versierd, dan weer fraaie gordels met honderden ja duizenden
+zilveren spijkerkopjes bezaaid. Het alles geleek op een mozaïekwerk, waarin de kleuren
+in elkander vloeiden als op een fraai Perzisch tapijt. Hier werd een wit mutsje op
+dichte haarvlechten ontwaard, dat met veelkleurige linten getooid was; daar eene „okronga,”
+een soort sluier, die naar achteren afvalt, zooals de „puskul” van den Oosterschen
+tulband; en overal beenbekleeders en schoeisel, aan het been en aan den voet met bandwerk
+van stroo gevlochten vastgemaakt. En om al dien tooi en opschik te volmaken, blonken
+juweelen, in den vorm van armbanden, halssnoeren, of diademen van geldstukjes, op
+de meest kunstige wijze vervaardigd, om hals, armen, borst en midden te versieren.
+Die juweelen werden zelfs bij de kleeding van de landlieden aangetroffen, die ook
+den glinsterenden zoom van borduursels niet versmaden, waarmede de onderkant hunner
+japonnen versierd was.
+</p>
+<p>Maar onder die verscheidene kleederdrachten der Ragusasche bevolking, welke door allen,
+zelfs door de zeelieden van de haven en de kust met smaak gedragen werden, was toch
+die der commissionnairs of boodschaploopers—een bevoorrecht gild—wel het meest geschikt
+om de aandacht te boeien. Die pakjesdragers zijn inderdaad als ware Oosterlingen uitgedost
+met tulband, vest, bovenkleed, <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>gordel, breede Turksche pantalon en babouchen of sloffen. Zij zouden op de kaden van
+Galata of op het plein Top’hané te Constantinopel volstrekt niet misplaatst zijn.
+</p>
+<p>De feestvreugde was toen tot haar toppunt geklommen en de luidruchtigheid het hoogst.
+De kramen zoowel in de straten als op de kaden waren overvuld. Er bestond bovendien
+nog eene bijzondere aantrekkingskracht, die wel geschikt was om een zeker aantal nieuwsgierigen,
+leegloopers en lanterfanten te verleiden en meê te slepen, en dat was het te water
+laten van eene „trabucolo,” een soort vaartuig, dat alleen in de Adriatische zee aangetroffen
+wordt en twee masten ieder met twee zeilen voert, welke op schuin oploopende ra’s
+aangeslagen zijn.
+</p>
+<p>Het te water laten zou tegen zes uren in den avond plaats hebben, en de romp der trabucolo
+was reeds bevrijd van de steunpalen en wachtte slechts op het wegnemen van de sleutelwiggen,
+om te water te loopen.
+</p>
+<p>Maar tot op dat uur wedijverden de kunsten- en potsenmakers met de rondreizende muzikanten
+en met de koorddansers in talent of behendigheid, tot groot genoegen van de menigte.
+</p>
+<p>Het waren toen de muzikanten, die het meest de toeschouwers tot zich trokken. Onder
+hen bevonden zich guzlars of bespelers van de guzla en die haalden het meeste geld
+op. Terwijl zij zich met hunne zonderlinge speeltuigen begeleidden, zongen zij met
+eene keelgeluidachtige stem hunne nationale gezangen en liederen, en die waren inderdaad
+wel waard, dat men een oogenblik stilstond om ze te hooren.
+</p>
+<p>De guzla, waarvan die straatkunstenaars zich bedienen, is een instrument met een langen
+hals, waarover verscheidene snaren gespannen zijn en waarop zij eenvoudig met een
+enkelen kattendarm zagen. Wat de stem der zangers betreft, deze laatsten loopen geen
+gevaar, dat hun de noten ontbreken zullen, want zij gaan ze zoowel boven in hun hoofd
+als beneden in de borstholte zoeken.
+</p>
+<p>Een van die zangers,—een groote lummel, met gele huid en bruin haar,—hield zijn instrument
+tusschen zijne knieën evenals een oude violoncel, die uitgeteerd zoude zijn. Hij zong
+en mimeerde door houding en gebaren eene canzonetta, waarvan hieronder de vertaling
+volgt:
+</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">Wanneer weerklinkt het lied,
+</p>
+<p class="line xd33e3159">Het lied der Singare;</p>
+<p class="line">U ontsnappe dan niet,</p>
+<p class="line">Hoe zij zingt dat haar lied
+</p>
+<p class="line xd33e3159">Want: Beware!
+</p>
+<p class="line xd33e3159">Pas op voor de Singare!<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p>
+<p class="line">Blijft ge echter ver van haar
+</p>
+<p class="line xd33e3159">Van haar verteerende blikken</p>
+<p class="line">Dan is er weinig gevaar
+</p>
+<p class="line xd33e3159">Dan kunt ge het nog ontglippen!</p>
+</div>
+<p class="first">Na dat eerste couplet trad de zanger met het traditioneele bakje in de hand op de
+menigte toe, om hun de gift van een paar kleine koperen muntstukken af te bedelen.
+Maar hetgeen hij opgehaald had, bedroeg, scheen het, niet veel, want hij keerde naar
+zijne plaats terug en poogde zijn gehoor te verteederen met een tweede couplet van
+de canzonetta.
+</p>
+<p>Een man, ongeveer vijftig jaren oud, hoorde dat gezang dier Bohemers rustig aan. Maar
+hij scheen weinig gevoelig voor zooveel dichterlijke verleidingen; want zijne beurs
+bleef tot nu toe opgeborgen en gesloten. Het is waar, dat de Singare zelve, waarvan
+de canzonetta sprak, met hare verteerende blikken niet gezongen had, maar wel de lange
+lummel, die zich tot haren tolk gemaakt had. Hij was dan ook op het punt om heen te
+gaan, zonder iets betaald te hebben, toen een jong meisje, die den toehoorder begeleidde,
+hem weerhield met de woorden:
+</p>
+<p>„Vader, ik heb geen geld bij mij. Ik bid u, geef toch iets aan dien braven man.”
+</p>
+<p>Dat was de reden, waarom de guzlar vier of vijf kreutzer meer ontving dan wel geschied
+zou zijn zonder de tusschenkomst van het jonge meisje. Niet dat haar vader, die zeer
+rijk was, zulk een gierigaard genoemd kon worden, dat hij een aalmoes zou weigeren
+aan een kermismuzikant. Neen, maar waarschijnlijk behoorde hij niet tot hen, die door
+de menschelijke ellende bewogen kunnen worden.
+</p>
+<p>Beiden drongen door de menigte heen en gingen naar de andere kramen, waar het niet
+minder luidruchtig toeging, terwijl de guzla-bespelers zich in de nabij gelegen herbergen
+en kroegen verspreidden, om het ontvangen geld in vocht voor de keel om te zetten.
+Zij gingen dan ook niet zuinig om met de „slivo-vitza”, een soort zeer sterke brandewijn,
+die door de distillatie van pruimen verkregen wordt en die in weerwil van zijne alcoholische
+kracht, als stroop door die Bohemer kelen vloot.
+</p>
+<p>Die kunstbeoefenaars in de open lucht, hetzij het zangers, hetzij het koorddansers
+of grappenmakers waren, erlangden niet allen even gelijkelijk de gunsten van het publiek.
+Onder de minstbegunstigden kon men twee acrobaten ontwaren, die te vergeefs hunne
+kunsten op eene verhevenheid van planken aan den man poogden te brengen. Zij hadden
+evenwel geen toeschouwers.
+</p>
+<p>Boven die verhevenheid prijkten afbeeldingen met schreeuwende <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>kleuren besmeerd en in vrij slechten staat verkeerende, waarop verscheurende dieren,
+in waterverf gekleurd en bedeeld met de meest grillige omtrekken, voorgesteld waren.
+Men zag daar leeuwen, jakhalzen, hyena’s, tijgers, boa’s enz. enz., die te midden
+van een onwaarschijnlijk, ja onmogelijk landschap sprongen of zich ontrolden.
+</p>
+<p>Achter die verhevenheid stond eene kleine ronde tent, van oud zeildoek vervaardigd,
+die met zooveel gaten doorboord was, dat de nieuwsgierigen en onbescheidenen de verleiding
+niet konden weerstaan om er het oog bij te brengen en er door te gluren, hetgeen nadeelig
+voor de ontvangst moest zijn.
+</p>
+<p>Vóór de verhevenheid stond een slecht bevestigde paal, waaraan eene oude leelijke
+plank vastgespijkerd was, die als het ware de kinderjaren van de uithangborden vertegenwoordigde
+en waarop deze vijf woorden grof en lomp met houtskool geschreven waren:
+</p>
+<p class="center">PESCADOS EN MATIFOU.
+</p>
+<p class="center"><i>Fransche acrobaten.</i>
+</p>
+<p>Uit een lichamelijk oogpunt beschouwd,—en ongetwijfeld ook uit een zedelijk oogpunt,—verschilden
+die twee mannen zoo sterk van elkander als dat twee menschelijke wezens doen kunnen.
+Alleen had hun gemeenschappelijke oorsprong het kunnen bij elkander brengen om de
+wereld rond te trekken en den strijd des levens te zamen te aanvaarden. Beiden waren
+in de Provence geboren.
+</p>
+<p>Hoe kwamen zij aan die zonderlinge namen, die waarschijnlijk daar ginds in hun ver
+verwijderd geboorteland eenige vermaardheid hadden?
+</p>
+<p>Hadden zij die ontleend aan die twee geographische punten, waartusschen de baai van
+Algiers ingesneden is, namelijk tusschen kaap Matifou en kaap Pescados? Ja, zeker,
+en die namen pasten hen inderdaad volkomen, evenals die van Atlas aan een kermisreus
+of aan een straat-Hercules.
+</p>
+<p>Kaap Matifou is een groote, stevige onwrikbare heuvel, die op het noordwestelijke
+uiteinde van de uitgestrekte reede van Algiers verrijst, alsof hij de ontketende elementen
+tartte en daardoor het gezegde der dichters verdiend heeft:
+</p>
+<p>„Zijn onvernietigbare massa heeft den tijd vermoeid.”
+</p>
+<p>Zoodanig was de athleet Matifou, een Alcides, een Porthos, een gelukkige mededinger
+van een Ompdrailles, van een Nikolaas Crestes en van andere beroemde worstelaars,
+die tot sieraad strekten van de zuidelijke worstelperken.
+</p>
+<p>Die reus, zooals men hem noemde, en men moest hem gezien <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>hebben om het te gelooven, was meer dan zes voet hoog, had een omvangrijk hoofd en
+daaraan geëvenredigde schouders, eene borstkas als een smids-blaasbalg, beenen als
+boomstammen van twaalf jaren oud, armen als drijfstangen van een stoomwerktuig, en
+handen als nijptangen. In dien man zag men de menschelijke spierkracht in hare geheele
+heerlijkheid, en wanneer men naar zijn ouderdom vernomen had,—dien hij, tusschen twee
+haakjes gezegd, zelf niet wist,—dan zou men met verbazing gehoord hebben, dat hij
+ternauwernood zijn twee en twintigste jaar ingetreden was.
+</p>
+<p>Dat kolossale wezen was stomp van begrip, maar had daarentegen ongetwijfeld een goed
+hart en een eenvoudig en zacht karakter. Hij kende noch haat noch gramschap. Hij zou
+nimmer iemand kwaad doen. Hij durfde ter nauwernood de hand te drukken, die hem gereikt
+werd, uit vrees van ze in de zijne te vermorselen. In den grond van zijne natuur,
+die zoo machtig was, bestond niets van den aard eens tijgers, waarvan hij toch de
+kracht bezat.
+</p>
+<p>Hij gehoorzaamde dan ook op een woord of een wenk van zijnen makker, alsof een gril
+van den Schepper hem tot kolossalen zoon van dien mageren sprinkhaan geschapen had.
+</p>
+<p>Als tegenstelling lag aan het westelijk uiteinde van de Algerijnsche baai, kaap Pescados,
+vlak tegenover kaap Matifou. Die landtong is smal, uitgerafeld, en bestaat slechts
+uit eene dunne rotsbank, die zich ver in zee uitstrekt. Vandaar de naam van Pescados,
+welke gegeven was aan dien jongen van twintig jaren, die klein, mager en tenger was
+en niet eens het vierde gedeelte in oude ponden woog, van hetgeen de andere kilogrammen
+op de weegschaal haalde. Maar hij was lenig, uitermate vlug in zijne bewegingen en
+had een schranderen geest en een onaantastbaar gelijkmatig humeur, zoowel in voor-
+als tegenspoed. Hij was een wijsgeer op zijn manier, daarbij vindingrijk en in de
+hoogste mate practisch. Hij kon het best vergeleken worden bij een aap, zonder diens
+boosaardigheid evenwel. Hij was door het toeval met onverbreekbare banden aan zijn
+makker, aan dien goeden, grooten, vetten dikhuid verbonden, dien hij door al de wisselvalligheden
+van een straatkunstenaarsleven geleidde.
+</p>
+<p>Beiden waren acrobaten van beroep en liepen de kermissen af.
+</p>
+<p>Matifou, of beter Kaap Matifou,—zooals hij gewoonlijk genoemd werd,—worstelde in de
+strijdperken, verrichtte allerhande daden van krachtsbetoon, boog ijzeren staven op
+zijn elleboogsbeen, tilde met stijf uitgestrekte armen de zwaarste personen van het
+gezelschap toeschouwers op en maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker, alsof
+dat een eenvoudige biljardbal ware geweest.
+<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p167width"><img src="images/p167.jpg" alt="En maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker. (Bladz. 168.)" width="504" height="720"><p class="figureHead">En maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker. (Bladz. 168.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb166a">[<a href="#pb166a">166</a>]</span></p>
+<p>Pescados of Pescados-punt,—zooals de andere in de wandeling genoemd werd,—paradeerde,
+zong, speelde voor hansworst, vermaakte het publiek als pailjas door zijne geestige
+gezegden. Nimmer <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>bleef hij steken of het antwoord schuldig en hij verbaasde de menigte door zijne evenwichtstoeren,
+die hij uiterst behendig ten uitvoer bracht. Als hij dat niet deed, dan lokte hij
+aller goedkeuring uit, door goochelstukjes met kaarten, waarin hij inderdaad aan den
+meest behendigen prestidigitateur een lesje had kunnen geven. Zoo nam hij zonder aarzelen
+op zich, om het even welk spel het betrof,—hetzij een berekenings- of een hazardspel—steeds
+te zullen winnen.
+</p>
+<p>„Ik heb mijn „candidaats-examen” afgelegd!” zeide hij en herhaalde hij gaarne.
+</p>
+<p>Maar, waarom, zult ge mij zeggen,—in navolging van eene gemeenzame uitdrukking van
+vriend Pescadospunt—waarom zagen die twee arme drommels zich dien dag door de toeschouwers
+verlaten, terwijl deze zich rondom andere tenten en kramen verdrongen? Waarom, zult
+ge me zeggen, dreigde die geringe inkomst, die zij toch zoo noodig hadden, hen te
+ontvallen? Dat was inderdaad onverklaarbaar.
+</p>
+<p>De taal, welke zij bezigden, een mengelmoes van het Provençaalsche en het Italiaansche
+dialect—was meer dan voldoende om zich door het Dalmatisch publiek te doen verstaan
+en begrijpen. Sedert zij den Provençaalschen geboortegrond verlaten hadden, waren
+zij, ouderloos als zij waren, en hunne ouders zelfs nimmer gekend hebbende en als
+ware producten eener spontane generatie, er in geslaagd rond te komen. Zij zochten
+de jaarmarkten en de kermissen op, leefden eer armoedig dan weelderig. Zij ontbeten
+niet iederen dag en hadden meestal slechts een schraal stuk brood tot avondmaal. Dat
+was genoeg; want, beweerde en herhaalde de opgeruimde Pescadospunt:
+</p>
+<p>„Men moet nimmer het onmogelijke vergen!”
+</p>
+<p>En toch, al vergde dien dag die goedige lummel het onmogelijke niet, zoo poogde hij
+toch een paar dozijn toeschouwers, die voor zijn kraam stonden te gapen, tot zich
+te lokken, in de hoop dat zij besluiten zouden zijne ellendige tent te bezoeken. Maar
+noch zijne geestige gezegden, die door zijn vreemden tongval al zeer koddig klonken,
+noch zijne kwinkslagen, die een blijspel-schrijver beroemd en rijk gemaakt zouden
+hebben, noch de potsierlijke gezichten, die hij trok en die een heilige van steen
+of brons, in eene nis der domkerk staande, aan het lachen zouden gebracht hebben,
+noch zijne ledematenbewegingen en heupontwrichtingen, ware kunststukken van lenigheid;
+noch het grappige spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was en welker staarteinde
+op de roode stof van zijne buis bengelde, noch zijne komieke uitvallen, die den beroemden
+Pulcinello van Rome overwaardig zouden geweest zijn, konden het publiek bekoren.
+<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p>
+<p>En toch werd dat Slavonisch publiek door hem en zijn makker sedert verscheidene maanden
+geëxploiteerd.
+</p>
+<p>Na de Provence verlaten te hebben, waren de twee vrienden de landstreek der Maritieme
+Alpen, het Milaansche, het Lombardijsche en daarna het Venetiaansche grondgebied doorgetrokken,
+waarbij als het ware de een de volmaking van den anderen was. Beiden waren beroemd:
+Kaap Matifou door zijne kracht, Pescadospunt door zijne vlugheid. Hunne vermaardheid
+had hun tot Triëst, in <span class="corr" id="xd33e3230" title="Bron: Ilyrië">Illyrië</span> gelegen, gelokt. Van Triëst waren zij door Istrië langs de kust van Dalmatië naar
+Zara, naar Salona, naar Ragusa afgezakt, terwijl zij meer profijt er in vonden om
+steeds voorwaarts te schrijden dan om achterwaarts terug te keeren.
+</p>
+<p>Achterwaarts waren zij genoten, ja versleten. Voor zich uit brachten zij steeds een
+geheel nieuw programma voor het publiek, waaruit dan zoo goed en zoo kwaad als het
+ging munt geslagen werd.
+</p>
+<p>Thans helaas, zij zagen het maar al te goed in, dreigde de tocht, dien zij maakten
+en die toch nimmer schitterend geweest was, zeer slecht te worden. Die arme drommels
+koesterden dan ook maar één wensch, dien zij waarachtig niet wisten hoe te verwezenlijken,
+namelijk om naar hun vaderland terug te keeren, om de Provence weer te zien, en deden
+daarbij de gelofte: zich nimmer meer zoo ver van den geboortegrond te verwijderen.
+Maar zij voelden den kogel aan hun voet geklonken, den kogel der armoede en der ellende,
+en met zoo’n kogel aan het been is het afleggen van honderden uren gaans een lastig
+en <span class="corr" id="xd33e3236" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> werk.
+</p>
+<p>Evenwel, alvorens aan de toekomst te kunnen denken, moest aan het heden gedacht worden,
+dat wil zeggen: aan het maal, dat zij hedenavond zouden genieten. En wat daartoe in
+uitzicht zich vertoonde, was jammerlijk schraal. Zij hadden geen kreutzer in kas,
+wanneer men aan den slip van den zakdoek, waarin Pescadospunt gewoonlijk het gezamenlijke
+vermogen der beide vennooten opborg, den weidschen naam van kas mag geven. Te vergeefs
+bewoog hij zich en liep hij op zijne verhevenheid heen en weder. Te vergeefs liet
+hij wanhopige uitroepingen en aanmoedigingen door de lucht weerklinken. Te vergeefs
+stelde Kaap Matifou zijn reuzenarmen ten toon, waarvan de aderen en spieren zich slingerden
+en uitkwamen als de vertakkingen van eene klimopplant rondom een knoestigen stam!
+Maar geen enkel toeschouwer liet iets bespeuren van eenige neiging om die linnen tent
+binnen te treden.
+</p>
+<p>„Drommels, zij zijn hard in den bek, die duivelsche Dalmatiërs,” zei Pescadospunt.
+</p>
+<p>„Als keisteenen zoo hard,” vulde Kaap Matifou aan.
+</p>
+<p>„Waarlijk, ik geloof dat wij moeite zullen hebben om heden ons <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>eerste geld te verdienen! Zie je, Kaap Matifou, wij zullen moeten opbreken!”
+</p>
+<p>„Om waar heen te gaan?”
+</p>
+<p>„Je bent wel nieuwsgierig!” antwoordde Pescadospunt.
+</p>
+<p>„Spreek maar op.”
+</p>
+<p>„Welnu, wat zou je denken van een land, waar men verzekerd is om eens per dag te kunnen
+eten?<span class="corr" id="xd33e3251" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>„Waar ligt dat land, Pescadospunt?<span class="corr" id="xd33e3256" title="Niet in bron">”</span>
+</p>
+<p>„O ver, heel ver, zeer ver.… zelfs verder dan zeer ver, Kaap Matifou!”
+</p>
+<p>„Aan het uiteinde der aarde?”
+</p>
+<p>„De aarde heeft geen uiteinde,” antwoordde Pescadospunt machtspreukig. „Wanneer zij
+een uiteinde had, dan zou zij niet rond zijn; wanneer zij niet rond was, dan zou zij
+niet kunnen draaien. Wanneer zij niet draaide, zou zij onbewegelijk zijn, en wanneer
+zij zij onbewegelijk was.…”
+</p>
+<p>„Welnu?”.… vroeg Kaap Matifou.
+</p>
+<p>„Welnu.… dan zou ze op de zon vallen in minder tijd dan ik noodig heb om een konijn
+weg te goochelen!”
+</p>
+<p>„En dan?.…”
+</p>
+<p>„En dan zou gebeuren wat iederen onhandigen kunstenmaker overkomt, wanneer twee zijner
+ballen zich in de lucht ontmoeten en klotsten! Krak! Alles breekt, alles valt en het
+publiek fluit hem uit en vraagt zijn geld terug. Hij geeft het terug, maar dan.… dan
+heeft hij dien avond niets te eten!”
+</p>
+<p>„Zoodat,” vroeg de reus, „wanneer de aarde op de zon viel, dan kregen wij niet te
+eten?”
+</p>
+<p>„Neen, voorwaar!”
+</p>
+<p>Kaap Matifou verloor zich na dat antwoord in zeer wijdloopige overpeinzingen. Hij
+zat in een hoek der verhevenheid, met zijne armen gekruist over zijne borst, die met
+een vleeschkleurig geweven hemd bedekt was. Hij bewoog het hoofd heen en weer als
+een porceleinen <span class="corr" id="xd33e3269" title="Bron: Chineesche">Chineesch</span> beeldje; hij zei niets meer, hij zag niets meer, hij hoorde niets meer. Hij werd
+bestormd door de meest onmogelijke vermenging van denkbeelden. Alles hoste en klotste
+in die groote hersenkas en daarbij voelde hij in het binnenste van zijn wezen iets,
+alsof daar een afgrond geboord werd. Toen scheen het hem toe, alsof hij hoog, heel
+hoog, zeer hoog.… hooger dan zeer hoog steeg. Die uitdrukking, door Pescadospunt gebezigd
+voor de verwijdering der voorwerpen, had hem getroffen. Maar toen had hij een gevoel
+alsof men hem gedurende die stijging plotseling losliet, waarbij hij viel.… viel in
+zijn eigen maag, dat wil zeggen in de ledige ruimte.
+</p>
+<p>Dat was eene ware nachtmerrie. Het rampzalige wezen sprong <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>met uitgestrekte armen en als verblind van zijn stoeltje op. Nog ééne seconde, dan
+zou hij van boven zijn verhevenheid neergevallen zijn.
+</p>
+<p>„Hé! Kaap Matifou, wat scheelt je toch?” riep Pescadospunt uit, terwijl hij zijn makker
+bij de hand greep en er in slaagde, evenwel niet zonder moeite, om hem achteruit te
+trekken.
+</p>
+<p>„Wat? Mij?.…” antwoordde de reus geheel beteuterd. „Wat mij scheelt?.…”
+</p>
+<p>„Ja, u!”
+</p>
+<p>„Mij scheelt.…” zeide Kaap Matifou, terwijl hij zijn denkvermogen bijeen raapte, een
+<span class="corr" id="xd33e3282" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> werk, hoewel zijne denkbeelden niet zeer talrijk waren. „Mij scheelt.… anders niets
+dan dat ik je spreken moet, Pescadospunt!”
+</p>
+<p>„Spreek dan, Kaap van mijn hart! en vrees niet dat ge beluisterd zoudt kunnen worden;
+want het publiek is weg! Weg! Verstoven!”
+</p>
+<p>De reus liet zich op zijn stoeltje neervallen en trok met zijn machtigen arm, maar
+toch zacht, zeer zacht, alsof hij bang was hem te breken, zijnen braven makker tot
+zich.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4194">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">II.</h2>
+<h2 class="main">HET TE WATER LATEN VAN DE TRABUCOLO.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">„Dus het gaat niet?” begon Kaap Matifou.
+</p>
+<p>„Wat gaat niet?”
+</p>
+<p>„De zaken!”
+</p>
+<p>„Zij konden beter gaan, dat valt niet te betwisten; maar zij konden ook nog slechter
+gaan!”
+</p>
+<p>„Pescadospunt?”
+</p>
+<p>„Kaap Matifou!”
+</p>
+<p>„Neem mij niet kwalijk, hetgeen ik je zeggen ga!”
+</p>
+<p>„Ik zal het je integendeel wel kwalijk nemen, wanneer het dat verdienen zal!”
+</p>
+<p>„Welnu.… ge moest mij verlaten,” zei de reus.
+</p>
+<p>„Wat bedoel je met dat: mij verlaten.… Je in den steek laten?” vroeg Pescadospunt.
+<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p>
+<p>„Ja!”
+</p>
+<p>„Ga voort, o Hercules mijner droomen! Ga voort. Waarachtig, je boezemt me belang in<span class="corr" id="xd33e3307" title="Bron: ”.">.”</span>
+</p>
+<p>„Zie,” antwoordde de reus, „ik ben er zeker van, dat wanneer ge alleen waart, ge er
+wel komen zoudt.… Ik hinder je, en zonder mij zou je.…”
+</p>
+<p>„Zeg eens, Kaap Matifou,” antwoordde Pescadospunt ernstig. „Je bent dik, niet waar?<span class="corr" id="xd33e3313" title="Bron: ’">”</span>
+</p>
+<p>„Ja<span class="corr" id="xd33e3318" title="Bron: ,">.</span>”
+</p>
+<p>„Welnu, hoe dik en hoe lang en hoe groot ge ook wezen moogt, begrijp ik niet, dat
+je machtige omvang de domheid heeft kunnen bevatten, die je daar uitgekraamd hebt.”
+</p>
+<p>„Waarom dan toch, Pescadospunt?”
+</p>
+<p>„Omdat die domheid nog dikker, nog grooter is dan jij bent, Kaap Matifou! Ik zou je
+verlaten! Jij mijn schoothondje, mijn dierbaar lief beestje! Maar zeg eens, als ik
+weg was, met wien zou je je toeren uitvoeren?”
+</p>
+<p>„Met wien?.…”
+</p>
+<p>„Wie zou er zijn, die den gevaarlijken sprong op je achterhoofd kon uitvoeren?”
+</p>
+<p>„Ja, maar.…”
+</p>
+<p>„Wie zou den toer met „de beenen uit elkander” tusschen je armen kunnen volbrengen?”
+</p>
+<p>„Drommels!.…” antwoordde de reus, die door die dringende vragen in de war raakte.
+</p>
+<p>„Ja.… de beenen uit elkander.… voor een stormachtig opgewonden publiek.… wanneer er
+bij toeval publiek aanwezig is!”
+</p>
+<p>„Een publiek?” mompelde Kaap Matifou.
+</p>
+<p>„Dus,” hernam Pescadospunt, „houd je mond en laten wij slechts daaraan denken, dat
+wij zooveel geld verdienen moeten om heden avond te kunnen eten!”
+</p>
+<p>„Ik heb geen honger!”
+</p>
+<p>„Jij, je hebt altijd honger, Kaap Matifou; dus.… nu heb je ook honger,” antwoordde
+Pescadospunt, terwijl hij met zijne beide handen de kolossale kakebeenen opende van
+zijn makker, die de verstandskies niet afgewacht had om zijne twee en dertig tanden
+voltallig te hebben. „Ik zie dat aan je oogtanden, die de lengte bezitten van de haken
+van een buldog! Je hebt honger, zeg ik je, en als wij nu maar zoo gelukkig zijn om
+slechts een halven gulden, kom, slechts een kwartje te verdienen, dan zal je eten!”
+</p>
+<p>„Maar jij, kleine Pescadospunt?”
+</p>
+<p>„Ik, voor mij is een graankorrel genoeg! Ik behoef niet sterk te zijn, terwijl jij
+zoonlief.… Volg nu wel mijne redeneering. Hoe meer je eet, te vetter zal je worden.
+Hoe vetter je wordt, te meer <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>zal je een wonderverschijnsel zijn!.… Een wonderverschijnsel, ja.…”
+<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p173width"><img src="images/p173.jpg" alt="Noch het grappige spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was. (Bladz. 169.)" width="503" height="720"><p class="figureHead">Noch het grappige spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was. (Bladz. 169.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb174a">[<a href="#pb174a">174</a>]</span></p>
+<p>„Ik integendeel, hoe minder ik eet, te meer ik vermager. En hoe meer ik vermager,
+te meer word ik ook een wonderverschijnsel op mijne beurt. Is dat waar of niet?”
+</p>
+<p>„Dat is waar,” antwoordde Kaap Matifou zoo kinderlijk eenvoudig mogelijk. „Dus, Pescadospunt,
+in mijn belang moet ik eten?”
+</p>
+<p>„Het is zooals gij zegt, mijn dikke vent! In uw belang, terwijl ik in mijn belang
+niet moet eten!”
+</p>
+<p>„Zoodat, wanneer er slechts voor één te eten was.…”
+</p>
+<p>„Dat voor jou zou zijn!”
+</p>
+<p>„Maar wanneer voorraad voor twee was?”
+</p>
+<p>„Dan zou die ook voor jou zijn! Wat duivel, Kaap Matifou, je staat wel twee mannen?”
+</p>
+<p>„Vier.… zes.… tien!.…” riep de reus uit, die inderdaad door tien mannen niet zou te
+bedwingen zijn.
+</p>
+<p>Wanneer wij de overdrijving, zoo eigen aan de Herculessen van den ouden en van den
+nieuweren tijd ter zijde laten, dan valt toch als onomstootelijke waarheid mede te
+deelen, dat Kaap Matifou het van alle de worstelaars, die met hem in het strijdperk
+getreden waren, gewonnen had.
+</p>
+<p>Men verhaalde van hem twee stukken, die inderdaad zijn buitensporige kracht bewezen.
+</p>
+<p>Op een avond bevond hij zich te <span class="corr" id="xd33e3359" title="Bron: Nimes">Nîmes</span> in een circus, die in hout opgetrokken was. Een der steunbalken, die de kap van het
+dak torschten, bezweek. Een hevig gekraak verschrikte de toeschouwers, die gevaar
+liepen onder het vallende dak verpletterd te worden, of zich zelven dood te dringen,
+door de poging om langs de smalle uitgangen te ontsnappen. Maar Kaap Matifou was er!
+Met één sprong was hij bij den steunbalk, die reeds uit de loodlijn geweken was, en
+schraagde hem met zijne krachtige schouders juist op het oogenblik, dat de dakstoel
+zou neerkomen, en dat gedurende den geheelen tijd, die noodig was om de zaal te ontruimen.
+Daarna volvoerde hij een vervaarlijken sprong en stormde naar buiten, juist toen het
+dak achter hem instortte.
+</p>
+<p>Dat, dat was eene krachtsontwikkeling der schouders geweest; ziet hier nu eene van
+de armen.
+</p>
+<p>Eens ontsnapte in de vlakte van Camargue een woedende stier uit de omheining, waarin
+hij opgesloten was; hij vervolgde en verwondde verscheidene personen. Zonder de tusschenkomst
+van Kaap Matifou, zou hij de grootste ongelukken veroorzaakt hebben. De reus liep
+op het dier toe, wachtte het, toen het op hem aankwam, met gestrekte knieën af, greep
+het, toen het met voorover gebogen <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>kop op hem losstormde, bij de hoorns, wierp het met een krachtige armbeweging omver
+en weerhield het in dien stand, terwijl het met de vier hoeven in de lucht spartelde,
+totdat het overmeesterd, gebonden en buiten staat gesteld was om verder nadeel te
+kunnen aanrichten.
+</p>
+<p>Van die bovenmenschelijke lichaamskracht zouden nog meer bewijzen bij te brengen zijn.
+De medegedeelde zijn evenwel voldoende om niet alleen de spierkracht van Kaap Matifou
+begrijpelijk te maken, maar ook om een denkbeeld te geven, van zijn moed en zijne
+toewijding en zelfopoffering, daar hij nooit vreesde zijn leven te wagen, wanneer
+het gold zijn evenmensch te hulp te komen. Hij was dus een even goedhartig wezen als
+hij sterk was. Evenwel om niets van zijne spierkracht te verliezen, moest de reus,
+zooals Pescadospunt herhaaldelijk verzekerde, eten, en zijn makker noodzaakte hem
+daartoe en leed zelf gebrek, wanneer er slechts voor één zelfs voor twee voorraad
+was. Dien avond evenwel verscheen het avondmaal—voor een zelfs—niet aan den gezichteinder.
+</p>
+<p>„Er zijn nevelen aan de kim,” zeide Pescadospunt herhaaldelijk.
+</p>
+<p>En om die nevelen te verdrijven, hervatte die edele kerel zijne geestigheden en zette
+potsierlijke gezichten. Hij liep zijne verhevenheid op en neer, hij draaide rechts
+en links, hij ontwrichtte zijne heupen, hij liep op zijne handen als hij dat niet
+op zijne voeten deed. Volgens eene zijner wijsgeerige opmerkingen, had men minder
+honger, wanneer men met het hoofd omlaag heen en weer wandelde. Hij herhaalde in zijn
+eigenaardig bargoens, dat half uit Provençaalsche, half uit Slavonische uitdrukkingen
+bestond, die eeuwige grappen, die net zoo lang gebruikelijk zullen zijn als een pailjas
+zal bestaan, om ze aan de menigte van leegloopers en maangapers toe te schreeuwen
+en zoo lang als die leegloopers zullen samenstroomen om ze aan te hooren.
+</p>
+<p>„Treedt binnen, heeren, treedt binnen!” riep Pescadospunt. „Men betaalt slechts, wanneer
+men de tent verlaat, en.… dan nog maar de kleinigheid van een kreutzer!”
+</p>
+<p>Maar om de tent te kunnen verlaten, moest men haar eerst binnentreden, en geene der
+vijf of zes personen, die voor de geschilderde zeilen stonden te lanterfanten, scheen
+tot het besluit te kunnen komen om binnen te treden.
+</p>
+<p>Toen wees Pescadospunt met trillenden stok op de merkwaardigheden, die op dat zeildoek
+geschilderd stonden. Niet dat hij eene diergaarde aan het publiek te vertoonen had!
+Neen! Die schrikwekkende beesten leefden ergens in den achterhoek van Afrika of van
+Indië. Maar.… wanneer Kaap Matifou hen ooit mocht ontmoeten, dan zou hij er slechts
+een hap van maken.
+</p>
+<p>En daarop volgden de gewone kluchten, die door den reus met <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>zware slagen op de groote trom, die als kanonschoten weerklonken, afgebroken werden.
+</p>
+<p>„De hyena, heeren! Ziet hier de hyena! Hij is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop.
+Het is een vlug en bloeddorstig dier. Hij springt de ringmuren der kerkhoven over
+en zoekt daar zijn prooi!”
+</p>
+<p>En naar eene andere zijde van het geschilderde doek wijzende, waarop een geelachtig
+water te midden van blauwe en groene grassoorten afgebeeld was.
+</p>
+<p>„Ziet hier! Een jeugdige en belangwekkende neushoorn, die slechts vijftien maanden
+oud is! Dat dier werd op Sumatra geboren en opgevoed, waar het met zijn schrikkelijken
+hoorn het vaartuig gedurende den overtocht in gevaar bracht van te stranden!”
+</p>
+<p>Daarna op een groenachtigen hoop beenderen van rampzalige slachtoffers op den voorgrond
+wijzende:
+</p>
+<p>„Ziet, heeren, ziet! De schrikkelijke leeuw van den Atlas. Hij bewoont het innerlijke
+van de Sahara! In het brandende zand van de woestijn! Op het oogenblik van de tropische
+hitte, kruipt hij in rotsholen! Als hij eenige druppels water vindt, dan stort hij
+er zich in en komt er druipstaartend uit!”
+</p>
+<p>Maar al dat aanmoedigende redenaarstalent liep gevaar geheel nutteloos te worden uitgekraamd.
+Pescadospunt schreeuwde als een bezetene, maar te vergeefs. En te vergeefs sloeg Kaap
+Matifou op de groote trom, alsof hij het vel wilde stuk slaan!
+</p>
+<p>Het was wanhopig!
+</p>
+<p>Eindelijk bleven toch verscheidene Dalmatiërs, stevige bergbewoners, stilstaan, om,
+zooals het scheen, den athleet Kaap Matifou met bewondering te aanschouwen.
+</p>
+<p>Dadelijk meende Pescadospunt een middel gevonden te hebben. Hij wilde die brave lieden
+tot een worstelstrijd uitdagen.
+</p>
+<p>„Treedt binnen, heeren! Treedt binnen! Het oogenblik is gekomen! Groote worstelstrijd
+van man tegen man! De strijd zal met geopende hand plaats vinden! De schouders moeten
+elkander raken! Kaap Matifou neemt op zich om al de liefhebbers te overwinnen, die
+hem de eer willen aandoen zich met hem te meten! Een katoenen zwembroekje zal de eereprijs
+zijn voor zijn overwinnaar! Zult gij dat zijn, heeren?”
+</p>
+<p>Die vraag werd gedaan aan drie kolossale boeren, die hem met domme verbaasde oogen
+aankeken.
+</p>
+<p>Maar die kolossale boeren hadden geen lust om zich aan dien worstelstrijd, die toch
+zeer eervol voor de beide tegenstanders zou geweest zijn, te onderwerpen. Pescadospunt
+ging toen tot de aankondiging over, dat bij gebrek aan liefhebbers de strijd toch
+zou plaats hebben, maar nu tusschen Kaap Matifou en hem. Ja, waarlijk! De behendigheid
+zou zich meten met de kracht!
+<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p177width"><img src="images/p177.jpg" alt="Hij spande alle krachten in, de spieren zijner armen en beenen zwollen als koorden op. (Bladz. 183.)" width="502" height="720"><p class="figureHead">Hij spande alle krachten in, de spieren zijner armen en beenen zwollen als koorden
+op. (Bladz. 183.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p>
+<p>„Treedt binnen, heeren. Treedt dan toch binnen! Volgt elkaar maar!” riep de arme Pescadospunt
+met eene kracht, alsof hij zijne longen verscheuren wilde. „Gij zult hier zien, wat
+gij nog nimmer gezien hebt! Een gevecht van Pescadospunt met Kaap Matifou! Een strijd
+tusschen de twee Provençaalsche tweelingen!.… Ja.… tweelingen!.… natuurlijk niet even
+oud.… ook niet uit dezelfde moeder geboren.… Maar wij zijn tweelingen!.… Kijk maar,
+hoe wij elkander gelijken!.… Wij zijn even dik!.… Ik vooral!”
+</p>
+<p>Een jongmensch was voor de tent blijven stilstaan en hoorde alle die oudbakken aardigheden
+met den grootsten ernst aan.
+</p>
+<p>Die jongeling was hoogstens twee en twintig jaren oud en had eene gestalte, die weinig
+meer dan eene middelmatige was. Zijne fraaie gelaatstrekken schenen vermoeid door
+den arbeid, zijn geheel uiterlijk ademde ernst en duidde op eene nadenkende geaardheid.
+Het kon wel zijn, dat die man veel ondervinding in de lijdensschool had opgedaan.
+Zijne groote zwarte oogen, zijn baard, dien hij vol maar kort afgeknipt droeg, zijn
+mond, die de plooi van een glimlach niet had, maar die fijntjes onder een nog fijner
+geteekenden knevel uitkwam. Dat alles duidde op eene Hongaarsche afkomst, op eene
+afkomst, waarin het Magyaarsche bloed voortheerschte. Hij was zeer eenvoudig gekleed
+in een modern kostuum, zonder evenwel den schijn op zich te laden een modegek te wezen.
+Zijn uiterlijk liet geen twijfel over: in dien jongeling was de man reeds aanwezig!
+</p>
+<p>Hij luisterde, zooals reeds gezegd is, naar de nuttelooze geestigheden van Pescadospunt.
+Hij zag niet zonder weemoed zijne bewegingen op die verhevenheid. Hij had zelf veel
+geleden en ongetwijfeld was hij niet ongevoelig voor het lijden van anderen.
+</p>
+<p>„Het zijn twee Franschen!” mompelde hij. „Arme drommels! Zij beuren heden niets.”
+</p>
+<p>Toen kwam de gedachte bij hem op om geheel alleen een publiek toeschouwers daar te
+stellen, alleen een betalend publiek te willen zijn. Dat zou niets anders dan eene
+aalmoes, maar toch eene bedekte, eene verborgen aalmoes zijn; en het was zeer waarschijnlijk
+dat die van pas zou komen. Hij trad dus op de deur toe, dat wil zeggen op de opening
+der tent, die door het ophouden van een hoek van het zeildoek gevormd werd.
+</p>
+<p>„Treed binnen, mijnheer! Treed binnen! Men begint dadelijk!”
+</p>
+<p>„Maar.… ik ben alleen.…” merkte het jongmensch met de meest mogelijke welwillendheid
+in zijne stem op.
+</p>
+<p>„Mijnheer!” antwoordde Pescadospunt met koddige fierheid op, „ware kunstenaars letten
+meer op de qualiteit dan op de quantiteit der toeschouwers!”
+</p>
+<p>„Gij zult mij middelerwijl veroorloven?” zei de jongeling, terwijl hij zijne beurs
+uithaalde.
+<span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span></p>
+<p>Hij nam twee gulden daar uit, die hij in den tinnen schotel neerlei, die in een hoek
+der verhevenheid stond.
+</p>
+<p>„Een edel hart!” mompelde Pescadospunt.
+</p>
+<p>En zich tot zijn makker wendende:
+</p>
+<p>„Kom, vooruit, Kaap Matifou! Vooruit! Wij zullen hem voor zijn geld bedienen!”
+</p>
+<p>Maar ziet, juist op het oogenblik van binnen te zullen treden, ontwaarde de eenige
+bezoeker van de Fransche en Provençaalsche tent een jong meisje, dat in gezelschap
+van haren vader een kwartier vroeger was blijven stilstaan voor de groep guzlas-zangers.
+Die jongeling en dat jeugdige meisje waren, zonder dat zij het wisten, door een en
+dezelfde gedachte bewogen om een liefdewerk te volvoeren. De eene had eene aalmoes
+gewijd aan die straatzangers, de andere aan deze acrobaten.
+</p>
+<p>Maar ongetwijfeld was deze ontmoeting den jongman niet voldoende; want hij vergat,
+zoodra hij het lieve kind bespeurde, zijne rol van toeschouwer, alsook den prijs,
+dien hij betaald had, en stoof den kant uit, waar de liefelijke verschijning zich
+in de menigte verloor.
+</p>
+<p>„Hé, mijnheer!.… mijnheer!.…” riep Pescadospunt. „En uw geld dan?.… Wat drommel, dat
+hebben wij niet verdiend!.… Maar waar is hij?.… Verdwenen!.… Hé, mijnheer!.…”
+</p>
+<p>Maar hij poogde te vergeefs „zijn publiek”, dat weggeloopen was, te ontwaren. Daar
+nu bekeek hij Kaap Matifou, die niet minder verbouwereerd was dan hij, en met open
+mond stond te kijken.
+</p>
+<p>„Juist op het oogenblik, dat wij zouden beginnen,” zei eindelijk de reus. „Waarachtig,
+wij hebben geen geluk.”
+</p>
+<p>„Laten wij toch maar beginnen,” zei Pescadospunt, terwijl hij het trapje afklom, dat
+naar de verhevenheid voerde.
+</p>
+<p>Zoo zouden zij, door slechts voor de ledige banken—die er trouwens ook niet waren—te
+spelen, ten minste het ontvangen geld verdienen.
+</p>
+<p>Maar in dat oogenblik ontstond een hevig rumoer op de kaden der haven. De menigte
+scheen eene beslist aangeduide beweging te volgen, die haar naar den kant van de zee
+voerde, en de woorden, die door honderd, door duizend monden herhaald werden, weerklonken:
+</p>
+<p>„De Trabucolo!.… de Trabucolo!”
+</p>
+<p>Het oogenblik was inderdaad gekomen, dat het kleine vaartuig te water zou gelaten
+worden. Dat schouwspel is altijd aantrekkelijk en steeds van dien aard om de publieke
+nieuwsgierigheid op te wekken. Het plein en de kaden, waarop de menigte zich een oogenblik
+te voren verdrong, waren weldra verlaten en alles stroomde naar de scheepstimmerwerf,
+waar de handeling zou plaats hebben.
+</p>
+<p>Pescadospunt en Kaap Matifou begrepen dat er ten minste in <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>het eerste halfuur niet meer op publiek te rekenen viel. Zij waren daarenboven uiterst
+begeerig om den eenigen toeschouwer die op het punt was geweest om hunne tent binnen
+te treden, terug te vinden. Zij verlieten hun hok dan ook, zonder het te sluiten,—waarom
+ook te sluiten, er was niets weg te nemen?—en gingen naar den kant van de werf.
+</p>
+<p>Die scheepstimmerwerf was aan het uiteinde van eene landspits buiten de havenkom van
+Gravosa, op een hellend terrein gelegen, dat door de branding als met eene zilveren
+franje van verblindend wit schuim omgeven werd.
+</p>
+<p>Pescadospunt en Kaap Matifou baanden zich een weg met hunne ellebogen en slaagden
+er in een plaatsje in de eerste rijen der toeschouwers te veroveren. Zoo had zich
+nimmer, zelfs bij benefietvoorstellingen de menigte voor hunne tent verdrongen! Ja,
+de kunst ontaardde! zoo verklaarden zij.
+</p>
+<p>De Trabucolo was reeds van de zijstelten bevrijd, die hare flanken steunden, en was
+gereed om de helling af te loopen. Het anker hing ter gewenschter plaats; het zou
+voldoende zijn om het te laten vallen, wanneer de romp te water zoude zijn, ten einde
+de vaart te temperen, die het scheepje te ver in het havenkanaal zou kunnen voeren.
+Hoewel de Trabucolo slechts een vijftig tonnen meette, was het toch een zoo aanzienlijk
+gevaarte, dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen moesten genomen worden. Twee werklieden
+der helling stonden op het dek van het achterschip bij den stok, waaraan de Dalmatische
+vlag woei, terwijl twee anderen op het voorschip klaar bij het anker stonden.
+</p>
+<p>Het was achteruit, zooals gewoonlijk bij dergelijke operatiën geschiedde, dat de Trabucolo
+te water zoude glijden. Haar kiel rustte op de met zeep besmeerde helling en werd
+nog slechts tegengehouden door het sluitstuk. Het was voldoende dat dit weggenomen
+werd, om de afglijding te doen plaats hebben; daarna zou de snelheid door de in beweging
+gebrachte massa aangroeien en het kleine vaartuig zou van zelf naar zijn natuurlijk
+element toeijlen.
+</p>
+<p>Reeds waren een half dozijn timmerlieden, met ijzeren knodsen gewapend, bezig met
+het inslaan van wiggen, die onder de kiel van het voorschip aangebracht werden, om
+het een weinig op te tillen om zoo nog meer helling te verkrijgen, ten einde het afglijden
+naar de zee te vergemakkelijken.
+</p>
+<p>Een ieder volgde dien arbeid, te midden eener algemeene en diepe stilte, met de levendigste
+belangstelling.
+<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p181width"><img src="images/p181.jpg" alt="„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!” (Bladz. 184.)" width="502" height="720"><p class="figureHead">„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!” (Bladz. 184.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb180a">[<a href="#pb180a">180</a>]</span></p>
+<p>Juist in dat oogenblik verscheen bij de ombuiging van de landspits, die in het zuiden
+de havengang van Gravosa dekte, een pleizierjacht. Het was een goelet, die ongeveer
+drie honderd vijftig tonnen inhoud kon meten. Dat vaartuig poogde, door te laveeren,
+den <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>kant, waarop de scheepstimmerwerf lag, te boven te komen, om zoo den haveningang open
+te krijgen. Daar de bries uit het noordwesten woei, liep het jacht scherp bij den
+wind, bakboord overhellende, en stuurde zoodanig, dat het slechts af te houden had,
+om op de gewilde ankerplaats te komen. Binnen tien minuten zou dat vaartuig in de
+onmiddellijke nabijheid gekomen zijn. Het werd al grooter en grooter voor het oog,
+alsof men het door een verrekijker bekeek, waarvan de buis door eene langzame maar
+gestadige beweging uitgeschoven werd.
+</p>
+<p>Nu moest de goelet, om de haven binnen te kunnen loopen, voorbij de scheepshelling
+stevenen, alwaar het te water laten van de Trabucolo voorbereid werd. Zoodra zij dan
+ook geseind werd, werd het raadzaam geacht, om ieder ongeval te voorkomen, de handeling
+uit te stellen. Men zou haar voortzetten, wanneer het vaartuig voorbij gestevend zoude
+zijn. Eene aanvaring tusschen die beide vaartuigen, waarvan het een dwars voor het
+andere, dat met alle snelheid vooruitschoof, gekomen zou zijn, zou voorzeker noodlottig
+voor het jacht moeten uitvallen.
+</p>
+<p>De werklieden hielden dus op met tegen de wiggen te slaan, en de man, die bij het
+sluitstuk stond, kreeg bevel om nog te wachten. Dat was dus een uitstel van slechts
+weinige minuten.
+</p>
+<p>De goelet naderde intusschen snel. Men kon reeds met het bloote oog de voorbereidselen
+van het ten anker gaan waarnemen. De beide kluivers werden ingenomen en men had den
+schoot van het grootzeil opgegeid, terwijl het fokkezeil weggenomen werd. Maar de
+snelheid, waarmede het vaartuig voortdreef, was nog vrij groot.
+</p>
+<p>Ieders blik was op dat bevallig scheepje gevestigd, waarvan de nog bijstaande zeilen
+door de schuine stralen der zon als verguld werden. De matrozen verrichtten hun werk
+aan boord in hun Levantijnsch pak, met de roode muts op het hoofd; terwijl de kapitein
+op het achterschip bij den man aan het roer stond, en vandaar kalm en waardig zijne
+bevelen gaf.
+</p>
+<p>Weldra bevond zich het jacht, waaraan niet meer plaats overbleef dan noodig was om
+den slag te maken, die het tot voorbij de landspits, welke de haven dekte, moest brengen,
+dwars van de sleephelling.
+</p>
+<p>Plotseling weerklonk een schrikkelijke kreet. De Trabucolo was in beweging geraakt.
+Door de een of andere oorzaak was het sluitstuk uit zijne sponning gesprongen en bewoog
+het schip zich juist op het oogenblik, dat het jacht zijne stuurboordzijde aanbood.
+</p>
+<p>De botsing tusschen de beide vaartuigen scheen dus onvermijdelijk. Tijd en middelen,
+om haar te beletten, ontbraken. Er viel niets te doen. Op het geschreeuw van de toeschouwers
+antwoordde een kreet van schrik, door de bemanning van de goelet geslaakt.
+<span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span></p>
+<p>De kapitein, die zijne koelbloedigheid niet verloor, deed het roer te boord leggen,
+maar het was onmogelijk dat het vaartuig vlug genoeg zou kunnen wenden of voorbijschieten,
+om den schok te vermijden.
+</p>
+<p>Want inderdaad, de Trabucolo gleed van de helling. Een witte rook, door de sterke
+wrijving veroorzaakt, werd bij den voorsteven waargenomen, terwijl de achtersteven
+reeds in het water der baai dook.
+</p>
+<p>Plotseling sprong een man vooruit. Hij greep een eind touw, dat aan het voorschip
+afhing. Maar te vergeefs poogde hij het vaartuig te weerhouden door zich, op gevaar
+af van meegesleept te worden, tegen den grond te stutten.
+</p>
+<p>Er stond een ijzeren kanonstuk, dat als meerpaal gebruikt werd, in den grond geplant.
+In een oogwenk is het om dat kanon geslagen en viert langzaam af, terwijl de man het
+touw weerhoudt op gevaar van gegrepen en verpletterd te worden. Hij spande alle krachten
+in; de spieren zijner armen en beenen zwollen als koorden op. Hij weerstond den aandrang
+met bovenmenschelijke kracht. Dit duurde tien seconden.
+</p>
+<p>Maar toen brak, toen knapte de tros. Maar die tien seconden waren voldoende. De Trabucolo
+had de wateren der baai bereikt, dook onder, maar richtte zich weer op met eene beweging
+alsof zij stampte. Zij snelde naar den ingang der haven en stoof rakelings—op geen
+voet afstand—den achterspiegel der goelet voorbij, stevende voort totdat het anker
+in den grond viel, deed haren ketting strak loopen en stuitte zoo de vaart.
+</p>
+<p>De goelet was gered!
+</p>
+<p>Die man, wien niemand, door gebrek aan tijd—zoo bliksemsnel en onverwacht was alles
+in zijn werk gegaan—te hulp had kunnen komen, was de heldhaftige Kaap Matifou.
+</p>
+<p>„Mooi!.… zeer mooi zoo!” riep Pescadospunt uit, terwijl hij op den reus toetrad.
+</p>
+<p>Deze nam hem op, niet om met hem toeren te verrichten, maar om hem te omhelzen, zooals
+hij dat slechts doen kon, namelijk tot stikkens toe.
+</p>
+<p>Toen barstten van alle kanten toejuichingen en handgeklap los. De geheele menigte
+verdrong zich om dien Hercules, die niet minder bescheiden was dan de befaamde uitvoerder
+van de twaalf kunststukken uit de fabelleer en niets omtrent die geestdrift van het
+publiek begreep.
+</p>
+<p>Vijf minuten later was de goelet op hare ankerplaats te midden van de havenkom aangekomen.
+Daarna zette een sierlijke sloep, door zes roeiriemen bewogen, den eigenaar van dat
+jacht op de kade aan wal.
+<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p>
+<p>Dat was een man van hooge gestalte, ongeveer vijftig jaren oud, met schier witte haren
+en grijzenden baard, welke laatste op Oostersche wijze geknipt was en gedragen werd.
+Groote zwarte vragende oogen, die eene bewegelijke ziel aanduidden, verlevendigden
+zijn gelaat, dat wel ietwat door de zon gebruind was, maar regelmatige en schoone
+trekken vertoonde. Wat vooral dadelijk trof, dat was dat <span class="corr" id="xd33e3474" title="Bron: adelijk">adellijk</span> uiterlijk, hetwelk zelfs van grootheid getuigde, die zijn geheele persoon uitstraalde.
+Zijne scheepskleeding, een donkerblauwe pantalon, een pijjakker van dezelfde kleur
+maar met blinkende knoopen versierd, een zwarte ceintuurband, die hem het middel onder
+den pijjakker omsloot, zijn lichte hoed van bruin linnen vervaardigd, dat alles stond
+hem goed en liet een krachtig lichaam uitkomen, dat, uitmuntend gevormd, nog niet
+door den ouderdom aangetast was.
+</p>
+<p>Zoodra die persoon, waarin men voelde dat een geestkrachtvolle en machtige geest huisde,
+voet aan wal gezet had, stapte hij op de beide acrobaten toe, die nog steeds door
+de menigte omringd en toegejuicht werden.
+</p>
+<p>Men drong op zijde om voor hem plaats te maken.
+</p>
+<p>Toen hij nabij Kaap Matifou gekomen was, was zijn eerste gebaar niet om zijne beurs
+te voorschijn te halen en daaruit eene rijke aalmoes te nemen! Neen! hij reikte den
+reus de hand en sprak tot hem in het Italiaansch:
+</p>
+<p>„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!”
+</p>
+<p>Kaap Matifou was waarachtig geheel onthutst over zooveel eer voor zulk eene geringe
+daad.
+</p>
+<p>„Ja!.… het was mooi!.… het was prachtig, Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt met de
+helder klinkende stembuiging van zijn Provençaalsch dialect aan.
+</p>
+<p>„Zijt gijlieden Franschen?” vroeg de vreemdeling.
+</p>
+<p>„Zoo Fransch mogelijk!” antwoordde Pescadospunt niet zonder trots. „Franschen uit
+het zuiden van Frankrijk!”
+</p>
+<p>De vreemdeling bekeek hen met waarachtige ingenomenheid, die met eenige aandoening
+vermengd was. Hunne ellende was te klaarblijkelijk om zich te kunnen vergissen. Hij
+zag daar wel degelijk twee arme kunstenaars voor zich staan, waarvan een hem met groot
+gevaar van zijn leven, een belangrijken dienst bewezen had, want eene botsing tusschen
+de Trabucolo en de goelet, zou rampvol geweest zijn en vele slachtoffers gemaakt hebben.
+</p>
+<p>„Komt mij aan boord opzoeken,” zei hij hen.
+</p>
+<p>„Wanneer het u schikt, Prins!” antwoordde Pescadospunt, terwijl de beminnelijkste
+glimlach, dien hij te voorschijn tooveren kon, zijne lippen krulde.
+</p>
+<p>„Morgen ochtend, zoo vroeg mogelijk.”
+<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p185width"><img src="images/p185.jpg" alt="Pescadospunt vooral, die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte, was verrukt. (Bladz. 191.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Pescadospunt vooral, die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte, was
+verrukt. (Bladz. 191.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p>
+<p>„Zoo vroeg mogelijk! Wij zullen er zijn!” antwoordde Pescadospunt, terwijl Kaap Matifou
+zijn kolossaal hoofd slechts op en neer bewoog ten teeken dat ook hij instemde.
+</p>
+<p>Intusschen bleef de menigte den held van dit avontuur steeds omringen. Zij zou hem
+ongetwijfeld in triomf rondgedragen hebben, waren de meest vastberadenen en de stevigsten
+niet afgeschrikt geweest door zijn gewicht. Maar Pescadospunt, die steeds bij de pinken
+was, meende dat het juiste oogenblik gekomen was, om de gunstige stemming van zoo’n
+publiek te benuttigen. Zoodra dan ook de vreemdeling, na hun nogmaals de hand toegestoken
+en met een vriendelijk gebaar toegewuifd te hebben, naar de kade gestapt was, riep
+hij met zijne guitige en aantrekkelijke stem:
+</p>
+<p>„De worsteling, heeren! De worsteling tusschen Kaap Matifou en Pescadospunt. Treedt
+binnen, heeren, treedt binnen!… Men betaalt slechts bij het heengaan of bij het binnenkomen,
+naar ieders verkiezing!”
+</p>
+<p>Dien dag was de tent veel te klein! Men moest menschen afwijzen! Men moest die hun
+geld teruggeven!
+</p>
+<p>Wat den vreemdeling betrof, nauwelijks had deze eenige schreden in de richting van
+de kade gedaan, toen hij zich plotseling voor het jonge meisje en haren vader bevond,
+die dat geheele tooneel bijgewoond hadden.
+</p>
+<p>De jongeman, die hen op eenigen afstand gevolgd was en wiens groet door den vader
+slechts uit de hoogte beantwoord was, hield zich op een zekeren afstand. De vreemdeling
+had gelegenheid dat op te merken.
+</p>
+<p>Toen deze zich in de tegenwoordigheid van dien man bevond, ondervond hij een gevoel,
+waarvan hij de uiting ter nauwernood kon bedwingen. Het was een gevoel van afkeer
+voor dien persoon, hetwelk hem beheerschte, en onwillekeurig schitterde een dreigende
+bliksemstraal in zijn oog.
+</p>
+<p>Die man, de vader van het jonge meisje, naderde hem en zeide zeer beleefd:
+</p>
+<p>„Gij zijt, dank zij den moed van dien acrobaat, aan een groot gevaar ontkomen, mijnheer!”
+</p>
+<p>„Inderdaad, mijnheer!” antwoordde de vreemdeling, wiens stem, willens of onwillens,
+eene onbedwingbare ontroering te kennen gaf.
+</p>
+<p>En zich tot den vader wendende, vroeg hij:
+</p>
+<p>„Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?”
+</p>
+<p>„Ik ben Silas Toronthal van Ragusa,” antwoordde de gewezen bankier van Triëst. „Mag
+ik op mijne beurt weten, wie de eigenaar is van dat fraaie pleiziervaartuig?”
+</p>
+<p>„Ik ben dokter Antekirrt,” antwoordde de vreemdeling.
+</p>
+<p>Beiden wisselden een groet en gingen in verschillende richtingen <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>huns weegs, terwijl het gejuich en het handgeklap in de tent der Fransche acrobaten
+bleef aanhouden.
+</p>
+<p>Dien avond at Kaap Matifou niet alleen naar volle genoegen, dat wil zeggen dat hij
+voor vier personen verslond, maar er bleef ook nog een portie over. En die was voldoende
+voor het avondmaal van zijnen braven kleinen makker, voor Pescadospunt.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4203">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">III.</h2>
+<h2 class="main">DOKTER ANTEKIRRT.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Er zijn menschen, die de Faam wel de handen vol te doen geven. Toch is zij eene ware
+orchest-vrouw met honderd monden, die den gewilden naam door haar trompetten aan de
+vier hoeken der aarde verkondigen.
+</p>
+<p>Een zoodanige was dokter Antekirrt, die zoo even in de haven van Gravosa aangekomen
+was. Er was omtrent hem in dat legendarische Oosterland een zeker geheimzinnig verhaal
+ontstaan. In Azië, van de Dardanellen af tot aan het Suezkanaal; in Afrika van Suez
+af tot aan de uiterste grenzen van Tunis<span class="corr" id="xd33e3524" title="Bron: ,">;</span> in de Roode zee, langs de geheele Arabische kuststrook, werd zijn naam genoemd en
+herhaald als die van een buitengewoon man, zeer ervaren in de natuurkundige wetenschappen,
+als van een soort alweter, een „taleb”, die in de uiterste geheimen van al het geschapene
+gedrongen was. In den bijbelschen tijd, of beter in den tijd van de Tale Canaäns,
+zou hij Epiphanes geheeten hebben. In de omstreken van den Euphrates zou men hem voor
+een afstammeling van de oude Perzische wijzen gehouden hebben.
+</p>
+<p>Welke overdrijving heerschte er bij die beroemdheid? Al de overdrijving, die van een
+Perzischen wijze een toovenaar wil maken; al de overdrijving, die een geleerd man
+tot een bovenmenschelijk wezen wil verheffen. Ja, de waarheid is, dat dokter Antekirrt
+slechts een mensch, niets anders dan een mensch was, die wel is waar, gezonde en degelijke
+geestvermogens en een helder doorzicht bezat, die zeer oordeelkundig en met een bewonderenswaardig
+scherpen blik begaafd was, maar die ook door de omstandigheden buitengewoon voortgeholpen
+was. Zoo was het hem in een der binnenprovinciën van Klein-Azië gelukt de geheele
+bevolking tegen een schrikkelijke ziekte, die voor zeer besmettelijk gehouden werd
+en waarvoor hij het geneesmiddel gevonden had, te beveiligen. Vandaar zijne onvergelijkelijke
+beroemdheid.
+</p>
+<p>Wat er vooral toe bijdroeg om hem die beroemdheid te verleenen, <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>was het ondoordringbare geheimzinnige, waarin zijn persoon gehuld was. Vanwaar kwam
+hij? Dat wist niemand. Wat wist men omtrent zijn verleden? Niets. Waar en onder welke
+omstandigheden had hij geleefd? Niemand kon daar antwoord op geven. Men bevestigde
+slechts, dat die dokter Antekirrt om zoo te zeggen aangebeden was door de bevolkingen
+van Klein-Azië en van Oost-Afrika, dat hij doorging voor een knappen geneesheer, wiens
+buitengewone genezingen indruk hadden gemaakt tot bij de beroemdste wetenschappelijke
+vereenigingen van Europa; dat hij zijne zorgen zoowel aan de armste lieden als aan
+de rijken en machtigen der aarde wijdde. Men had hem evenwel nimmer in de landstreken
+van het Westen gezien en zelfs was men sedert eenige jaren geheel en al onbekend met
+de plaats van zijn verblijf. Vandaar de neiging om hem van den een of anderen geheimzinnigen
+„avatar” te doen afstammen, om hem als het product van den een of anderen Hindoeschen
+god te beschouwen, om er een bovenaardsch wezen van te maken, die door bovennatuurlijke
+middelen kon genezen.
+</p>
+<p>Maar al had dokter Antekirrt zijne kunst nog niet in de voornaamste staten van Europa
+uitgeoefend, zoo was zijn roem hem daar toch vooruitgesneld. Hoewel hij te Ragusa
+slechts als gewoon reiziger aangekomen was, als vermogende toerist, die met zijn jacht
+rondreisde om de voornaamste plaatsen, aan de Middellandsche zee gelegen, te bezoeken,
+zoo had zich zijn naam toch dadelijk door de stad verbreid. In afwachting dan ook,
+dat men den dokter, zelf zou kunnen aanschouwen, had de goelet middelerwijl veel bekijks.
+Het gevaar, dat door den moed van Kaap Matifou afgewend was, zou trouwens voldoende
+geweest zijn om de algemeene aandacht op te wekken.
+</p>
+<p>Inderdaad, dat jacht zou zelfs den meest rijken, den meest prachtlievenden gentleman
+van de zeilvereenigingen van Amerika, van Engeland en Frankrijk eer aangedaan hebben!
+Zijne beide masten stonden rechtop en dicht bij het midden van het vaartuig geplaatst,
+hetgeen veroorloofde eene groote ontwikkeling aan het grootzeil en aan het fokkezeil
+te geven. De lengte van zijn boegspriet, die twee kleine kluivers voerde, de afmeting
+der vierkante zeilen, die aan den fokkemast aangeslagen waren, de hoogte der stengen
+en de geheele inrichting van het want moesten hem eene bewonderenswaardige snelheid
+bij iedere weersgesteldheid verleenen. Die goelet meette drie honderd vijftig tonnen.
+Zij was lang en rank, had eene gunstige ronding en verhief zich bevallig boven de
+waterlijn. Zij had diepgang genoeg om rustig op het watervlak te liggen. Het was wat
+men noemde een zeewaardig vaartuig, dat nauwkeurig naar den wil van den stuurman luisterde,
+en tot vier streken scherp bij den wind kon zeilen. Hetzij de goelet met volle zeilen,
+hetzij zij in <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>den wind opliep, zij was niets verlegen, om, wanneer er een hevige bries woei, hare
+dertien en een halve mijl in de wacht af te leggen.
+<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p189width"><img src="images/p189.jpg" alt="De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de stuurboords valreep aan. (Bladz. 195.)" width="501" height="720"><p class="figureHead">De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de stuurboords valreep aan. (Bladz.
+195.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb190a">[<a href="#pb190a">190</a>]</span></p>
+<p>De <i>Boadice</i>, de <i>Gaëtana</i>, of de <i>Mordon</i>, die beroemde Engelsche pleiziervaartuigen, zouden het onderwerpelijke jacht niet
+de loef afgestoken hebben bij eene internationale match.
+</p>
+<p>Wat de uiterlijke en innerlijke fraaiheid van het jacht betrof, de meest-eischende
+sportsman zou niets beter hebben kunnen uitdenken. Zijn hagelwit dek was van Canadeesche
+pijnboomenbalkjes zonder kwasten vervaardigd; het innerlijke van het vaartuig was
+met ware schrijnwerkersvaardigheid afgewerkt. De kappen, de trappen en de paneelen
+waren van djattihout en met gepolijst koperen banden versierd, die als goud blonken;
+het beeldhouwwerk van het stuurrad was keurig, terwijl de blokken van mahoniehout
+scherp afstaken bij de masten, welker onderdeel in wit geverfde omhulsels geborgen
+was, en bij het touwwerk van het want, dat van gegalvaniseerd ijzerdraad vervaardigd
+was, en bij de helderwitte sloepen, die rank en bevallig in de davids hingen. Dat
+alles deed een ontwikkelden smaak en eene volmaakte sierlijkheid uitkomen.
+</p>
+<p>Het is noodig, dat wij het innerlijke van dat jacht zoowel als het uiterlijke leeren
+kennen, daar het toch het drijvende verblijf was van den geheimzinnigen persoon, die
+de held van het verhaal zal uitmaken. Het was evenwel niet toegankelijk voor bezoekers.
+Maar de romanschrijver is als het ware met een soort helderziendheid behebt, die hem
+veroorlooft zelfs datgene te beschrijven, wat hij nooit gezien heeft.
+</p>
+<p>In het innerlijke van die goelet dong de weelde met de gemakzucht om den voorrang.
+De vertrekken en de hutten, de salons, de eetzaal, die allen waren kostbaar en zeer
+fraai geschilderd. De kleeden, de draperiën, in een woord alles wat tot het ameublement
+behoorde, was uiterst kunstvaardig tot die pleizierscheepvaart aangewend. De welbegrepen
+inrichting werd niet alleen in de vertrekken van den kapitein en der scheepsofficieren
+aangetroffen, maar ook in de bergplaats van het komaliewant, waarin het zilverwerk
+en het porceleinen tafelgoed tegen het slingeren en stampen van het vaartuig beveiligd
+lagen; ook in de keuken of kombuis, waarin eene Hollandsche reinheid heerschte, en
+in het vooruit, waar de hangmatten der bemanning ruimte genoeg hadden om ongehinderd
+heen en weer te wiegelen. De bemanning telde een twintigtal matrozen, die het bevallige
+kostuum van de Maltheser zeelieden droegen, korte broek met zeelaarzen, gestreept
+hemd, bruine gordel, roode muts en blauwe pijjakker, waarop de beginletters van den
+naam van de goelet en van haar eigenaar in het wit gekarteld waren.
+</p>
+<p>Maar tot welke haven behoorde dat jacht? Waar was de monsterrol afgeteekend? In welke
+plaats van de Middellandsche zee werden <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>de winterkwartieren betrokken? Tot welke nationaliteit behoorde dat vaartuig ten slotte?
+Men wist daaromtrent evenmin iets als omtrent de nationaliteit van den dokter. Een
+groene vlag met rood kruis in den bovenhoek wapperde aan de gaffel. Men zou die vlag
+te vergeefs gezocht hebben onder de zoo talrijke vlaggen, die langs de zeeën van den
+geheelen aardbol zwerven.
+</p>
+<p>In ieder geval, vóórdat dokter Antekirrt voet aan wal gezet had, waren de scheepspapieren
+aan den havenmeester overhandigd en door dezen ongetwijfeld in orde bevonden, daar
+de reiziger verlof gekregen had om, nadat de geneeskundige zeedienst zijn bezoek aan
+boord gebracht had, vrijelijk naar den wal te gaan.
+</p>
+<p>Wat den naam van de goelet betrof, die prijkte in gulden letters op een schild aan
+den spiegel aangebracht. Die naam, die niets omtrent de haven van herkomst meldde,
+was <i>Savarena</i>.
+</p>
+<p>Dat was het bewonderenswaardige pleiziervaartuig, dat men thans in de haven van Gravosa
+bewonderen kon. Pescadospunt en Kaap Matifou, die den volgenden morgen door dokter
+Antekirrt aan boord ontvangen zouden worden, bekeken het met de meeste nieuwsgierigheid,
+maar zelfs met meer ontroering dan de overige zeelieden van de havenplaats. In hunne
+hoedanigheid van inboorlingen van de Provence, waren zij uiterst gevoelig voor alles
+wat zeeaangelegenheden betrof. Pescadospunt vooral, die als kenner dat wonder van
+scheepsbouwkunst betrachtte, was verrukt. De beide vrienden brachten den geheelen
+avond na hunne voorstelling daarmede door.
+</p>
+<p>„Ah,” zei Kaap Matifou.
+</p>
+<p>„Ho!” antwoordde Pescadospunt.
+</p>
+<p>„Hè! Wat zeg je er van, Pescadospunt?”
+</p>
+<p>„Ik zeg er niets van, Kaap Matifou!”
+</p>
+<p>„Maar je denkt er het jouwe van, niet waar?”
+</p>
+<p>En dat gesprek, hetwelk meer op bewondering uitdrukkende tusschenwerpsels in den mond
+van die twee armoedige acrobaten geleek, had grooter beduidenis dan menige lange redevoering.
+</p>
+<p>Alle de manoeuvres, die het ten anker gaan opvolgen, waren aan boord van de <i>Savarena</i> geëindigd: de zeilen waren geborgen en op de ra’s bevestigd, het tuig en touwwerk
+was op zijne plaats en met zorg strak gezet, de zonnetent was over het achterdek uitgestrekt
+enz. De goelet was in een hoek van de havenkom ten anker gebracht, hetgeen aanduidde,
+dat zij er op rekende het verblijf van eenigen duur te doen zijn.
+</p>
+<p>Overigens vergenoegde dokter Antekirrt zich met het maken van eene eenvoudige wandeling
+in den omtrek van Gravosa. Terwijl Silas Toronthal met zijne dochter in hun rijtuig,
+dat hen op de kade gewacht had, naar Ragusa terugkeerde, en terwijl de jonkman, <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>waarvan hierboven sprake was, door de groote laan derwaarts wandelde, bezocht de dokter
+de haven. Dat is een der besten van de kust en op dat tijdstip bevond zich daarin
+een vrij groot aantal vaartuigen van verschillende nationaliteiten.
+</p>
+<p>Na de stad verlaten te hebben, volgde hij de oevers van de baai van <span class="corr" id="xd33e3582" title="Bron: Ombra">Ombla</span> Fiumera, die een bocht vormt van twaalf mijlen uitgestrektheid, tot aan de monding
+van de kleine <span class="corr" id="xd33e3585" title="Bron: Ombra">Ombla</span> rivier, die diep genoeg is om vaartuigen zelfs van grooten diepgang te veroorlooven
+haar op te varen tot bij den voet van het Vlastizagebergte. Hij kwam tegen negen uren
+op den havendam terug en woonde de aankomst van een groote pakketboot van den Oostenrijkschen
+Lloyd bij, die van de Indische zee aankwam. Eindelijk keerde hij naar boord terug,
+begaf zich naar zijn vertrek, hetwelk door twee lampen verlicht was en bleef tot den
+volgenden ochtend alleen.
+</p>
+<p>Dat was zoo zijne gewoonte en de kapitein van de <i>Savarena</i>—een zeeman van ongeveer veertig jaren oud, die Narsos heette—had order om den dokter
+nimmer in die uren van eenzaamheid te storen.
+</p>
+<p>Hier moet bij verteld worden, dat noch de officieren noch de bemanning iets afwisten
+van het verleden van dien persoon. Toch waren zij hem met ziel en lichaam toegewijd.
+Al gedoogde dokter Antekirrt geen enkele inbreuk op den tucht aan boord, zoo was hij
+toch goed voor allen en verleende zijne hulp en gaf zijn geld uit zonder tellen. Ieder
+matroos trachtte dan ook in de rol van de <i>Savarena</i> opgenomen te worden. Nimmer viel er eene berisping uit te deelen, nimmer eene bestraffing
+op te leggen, nimmer eene verwijdering uit te voeren. Zij die deel uitmaakten van
+de bemanning der goelet, vormden als het ware één gezin.
+</p>
+<p>Nadat de dokter aan boord teruggekeerd was, werden alle beschikkingen voor den nacht
+getroffen. De seinlichten werden voor en achter ontstoken, de manschappen der wacht
+betrokken hunne posten en weldra heerschte de diepste stilte.
+</p>
+<p>Dokter Antekirrt had op een breeden divan plaats genomen, die in den hoek van het
+vertrek aangebracht was. Op eene tafel waren eenige dagbladen neergelegd, die zijn
+knecht te Gravosa was gaan koopen. De dokter doorliep ze met een verstrooiden blik
+en las eerder de gemengde berichten dan wel de hoofdartikelen. Vooral keek hij naar
+de aankomst en het vertrek der vaartuigen, naar het vertrek van de notabiliteiten
+der provincie tot het maken van een buitenlandsch reisje. Tegen elf uur ging hij,
+zonder de hulp van zijn kamerknecht ingeroepen te hebben<span class="corr" id="xd33e3599" title="Bron: ,">, </span>te bed; maar het duurde lang alvorens hij kon inslapen.
+</p>
+<p>Indien iemand de gedachte had kunnen lezen, die hem het meest vervolgde, zou hij wellicht
+verwonderd zijn geweest te ontwaren, dat die de navolgende vraag inhield:
+<span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p193width"><img src="images/p193.jpg" alt="„Vrienden”, zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een groot gevaar beveiligd.” (Bladz. 195.)" width="505" height="720"><p class="figureHead"><span class="corr" id="xd33e3608" title="Bron: »">„</span>Vrienden”, zei hij, <span class="corr" id="xd33e3611" title="Bron: »">„</span>gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een groot gevaar beveiligd<span class="corr" id="xd33e3614" title="Bron: ”.">.”</span> (Bladz. 195.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span></p>
+<p>„Wie was die jonge man, die Silas Toronthal op de kade van Gravosa groette?”
+</p>
+<p>Den volgenden morgen kwam dokter Antekirrt tegen acht uren op het dek. Het weder liet
+zich heerlijk aanzien. De zon verguldde reeds de bergen, die den achtergrond van de
+baai vormden. Het nachtelijke duister verdween van de haven, alsof het over het watervlak
+heengleed. De <i>Savarena</i> bevond zich weldra in het volle licht.
+</p>
+<p>Kapitein Narsos naderde den dokter, om zijne bevelen te vernemen, welke deze laatste
+in korte woorden gaf, evenwel niet dan na hem eerst goeden morgen gewenscht te hebben.
+</p>
+<p>Een oogenblik later stak eene sloep, bemand met zes roeiers en een bootsman, van boord
+af, en voer naar de kade, waar Pescadospunt en Kaap Matifou, zooals overeengekomen
+was, zouden wachten.
+</p>
+<p>Het was een groote dag, een gewichtig oogenblik in het zwervend bestaan van die twee
+eerlijke kerels, die zoo ver van hun vaderland gelokt waren en zich op eenige honderd
+mijlen van de Provence verwijderd bevonden, die zij zoo zeer wenschten terug te zien!
+</p>
+<p>Beiden stonden op de kade te wachten. Zij hadden hun kunstenmakerskostuum uitgetrokken
+en waren nu in een armoedig en versleten maar toch proper pak gestoken. Zij bekeken
+het jacht, terwijl zij het evenals daags te voren bewonderden. Beiden bevonden zich
+in eene aangename stemming. Niet alleen hadden Kaap Matifou en Pescadospunt den vorigen
+dag heerlijk geavondmaald, maar zij hadden ook dienzelfden ochtend ontbeten. Eene
+overdaad, eene ware dwaasheid, die hare oorzaak vond in de omstandigheid, dat zij
+daags te voren eene buitengewoon groote ontvangst gehad hadden. Denk eens: twee en
+veertig gulden! Maar men moet niet gelooven, dat zij al dat geld verbrast hadden!
+Neen, Pescadospunt was voorzichtig, geregeld van levenswijs en zorgende voor den dag
+van morgen. Daardoor was hun bestaan voor minstens tien dagen verzekerd.
+</p>
+<p>„En dat zijn wij u verschuldigd, Kaap Matifou!”
+</p>
+<p>„Oh, Pescadospunt!”
+</p>
+<p>„Ja, aan u, groot man!”
+</p>
+<p>„Welnu, ja.… aan mij.… als je dat pleizier kan doen!” antwoordde Kaap Matifou.
+</p>
+<p>In dat oogenblik landde de sloep bij de kade. Toen stond de bootsman op en berichtte
+hen met de muts in de hand, dat hij zich ter beschikking van „de heeren” stelde.
+</p>
+<p>„Van de heeren!” riep Pescadospunt uit. „Van welke heeren?”
+</p>
+<p>„Van uzelven,” antwoordde de bootsman. „Dokter Antekirrt wacht u bij hem aan boord.”
+</p>
+<p>„Mooi! Wij zijn reeds heeren!” zei Pescadospunt. „Je zult zien, dat we nog graven
+en baronnen zullen worden!”
+<span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span></p>
+<p>Kaap Matifou zette vreeselijk groote oogen en verkreukte in zijne verlegenheid zijn
+hoed ergerlijk.
+</p>
+<p>„Wanneer de heeren gelieven in te stappen!” zei de bootsman.
+</p>
+<p>„Zeker, zeker, het gelieft ons!” zei Pescadospunt met een vriendelijk gebaar.
+</p>
+<p>Een oogenblik later zaten onze beide vrienden zoo gemakkelijk mogelijk op het donkere
+tapijt met rood geboord, dat de bank der sloep bedekte, terwijl de bootsman achter
+hen plaats nam.
+</p>
+<p>Het behoeft, dunkt ons, niet vermeld te worden, dat het vaartuigje onder het gewicht
+van den Hercules, die aan boord stapte, twee of drie duimen onder hare waterlijn zonk.
+Men moest zelfs de hoeken van het tapijt opnemen, opdat zij niet in het water sleurden.
+</p>
+<p>Op een schellen fluitstoot van den bootsman, vielen <span class="corr" id="xd33e3647" title="Bron: vier">zes</span> riemen tegelijkertijd te water en schoot de sloep vooruit in de richting van de <i>Savarena</i>.
+</p>
+<p>Het mag erkend worden, daar het de waarheid is, dat die twee arme drommels zich eenigermate
+aangedaan, om niet te zeggen verlegen of beschaamd gevoelden. Zoo veel eer voor kunstenmakers!
+Kaap Matifou durfde zich niet bewegen. Pescadospunt kon, in weerwil van zijne verlegenheid,
+een goedhartigen glimlach, die zijn fijn en schrander gelaat verhelderde, niet verbergen.
+</p>
+<p>De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de stuurboordsvalreep aan. Dat
+was de eerezijde!
+</p>
+<p>De beide vrienden stegen de bewegelijke trap, wiens krammen onder het gewicht van
+Kaap Matifou doorbogen, omhoog en waren weldra op het dek aangekomen. Daar werden
+zij dadelijk naar den dokter gebracht, die hen op het achterschip wachtte.
+</p>
+<p>Na een hartelijken groet waren er nog wel eenige plichtplegingen noodig, alvorens
+Pescadospunt en Kaap Matifou besluiten konden te gaan zitten. Maar eindelijk geschiedde
+dat toch.
+</p>
+<p>De dokter keek hen een oogenblik aan zonder te spreken. Zijn koel maar schoon gelaat
+maakte indruk op hen. Maar, en daarin kon men zich niet vergissen, was er ook al geen
+glimlach op zijne lippen, die glimlach zetelde toch in zijn hart.
+</p>
+<p>„Vrienden,” zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een groot gevaar
+beveiligd. Ik heb u daarvoor nogmaals willen bedanken en daarom heb ik u verzocht
+om aan boord te komen.”
+</p>
+<p>„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, die een weinig van zijne vrijmoedigheid terugkreeg,
+„gij zijt zeer goed; maar het gebeurde is de moeite niet waard. Mijn makker heeft
+niets anders gedaan dan ieder ander in zijne plaats en met zijne kracht verricht zoude
+hebben. Niet waar, Kaap Matifou?”
+</p>
+<p>Deze knikte bevestigend, door zijn dik hoofd op en neer te bewegen.
+</p>
+<p>„Dat moge zoo zijn,” antwoordde de dokter, „maar uw makker <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>en niet ieder ander heeft zijn leven gewaagd en ik ben hem daarvoor veel verplicht!”
+</p>
+<p>„O heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „gij zult mijn ouden Kaap doen blozen en
+volbloedig als hij reeds is, is het nadeelig voor hem, wanneer hem het bloed naar
+het hoofd stijgt.…”
+</p>
+<p>„Alles wel, vrienden,” hernam de dokter. „Ik zie dat gijlieden niet van complimenten
+houdt. Ik zal dus ook niet verder aandringen. Maar, daar iedere dienst beloond.…”
+</p>
+<p>„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „vergeef mij dat ik u in de rede val. Maar,
+iedere goede daad draagt hare belooning in zichzelve, ten minste zooals de zedeboeken
+leeren; en.… reeds zijn wij beloond!”
+</p>
+<p>„Reeds! Hoe?” vroeg de dokter, die vreesde, dat iemand hem voor was.
+</p>
+<p>„Zeker!” hernam Pescadospunt. „Na dit buitengewone bewijs van spierkracht van mijn
+Hercules, heeft het publiek hem verder in andere kunstvaardige oefeningen willen beoordeelen.
+In groote menigte is men naar ons Provençaalsche worstelperk gedrongen. Kaap Matifou
+heeft een half dozijn van de sterkste bergbewoners en van de stevigste pakkendragers
+van Gravosa van de been gelicht en wij hebben eene overgroote ontvangst gemaakt.”
+</p>
+<p>„Overgroote?”
+</p>
+<p>„Ja, zonder voorbeeld gedurende onze acrobatische omzwervingen!”
+</p>
+<p>„En hoeveel hebt gij wel ontvangen?”
+</p>
+<p>„Twee en veertig gulden!”
+</p>
+<p>„Ah! Waarlijk!.… Maar ik wist niet”.… antwoordde dokter Antekirrt met goedige stem.
+„Als ik geweten had, dat gij voorstellingen gaaft, dan zou ik het mij niet alleen
+tot plicht gesteld hebben, maar het zou mij ook een waar genoegen geweest zijn een
+daarvan bij te wonen. Gij zult mij dus veroorloven mijne plaats te betalen.…”
+</p>
+<p>„Hedenavond, heer dokter, hedenavond,” antwoordde Pescadospunt, „wanneer gij onze
+voorstelling met uwe tegenwoordigheid zult willen vereeren.”
+</p>
+<p>Kaap Matifou boog beleefd en deed daarbij zijne breede schouders zwaaien, die, zooals
+Pescadospunt steeds luide verkondigde, nimmer den grond aangeraakt hadden.
+</p>
+<p>Dokter Antekirrt zag wel in, dat hij de beide acrobaten er niet toe zou kunnen brengen
+om eene belooning, ten minste eene geldelijke, aan te nemen. Hij besloot dus anders
+te werk te gaan. Daarenboven had hij sedert den vorigen dag een vastgesteld plan met
+betrekking tot die twee mannen in het hoofd. Inlichtingen, die hij den vorigen avond
+had doen inwinnen, hadden tot uitslag <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>gehad, dat de twee kunstenmakers eerlijke menschen waren, die ten volle vertrouwen
+verdienden.
+<span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p197width"><img src="images/p197.jpg" alt="Toch stond Pescadospunt er op om zijne pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet te bewaren. (Bladz. 203.)" width="510" height="720"><p class="figureHead">Toch stond Pescadospunt er op om zijne pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet
+te bewaren. (Bladz. 203.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb198a">[<a href="#pb198a">198</a>]</span></p>
+<p>„Hoe heet gij?” vroeg hij.
+</p>
+<p>„De eenige naam, dien ik ken, heer dokter, is Pescadospunt.”
+</p>
+<p>„En gij?”
+</p>
+<p>„Ik heet Matifou,” antwoordde de Hercules.
+</p>
+<p>„Dat wil zeggen Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt aan, niet weinig hoogmoedig dien
+naam, die zoo beroemd in al de worstelperken van Zuidelijk Frankrijk was, te kunnen
+noemen.
+</p>
+<p>„Maar dat zijn bijnamen,”.… merkte de dokter op.
+</p>
+<p>„Wij hebben geen anderen,” antwoordde Pescadospunt, „of, hebben wij er ooit een gehad,
+dan hebben wij hem onderweg verloren, wat niet te verwonderen is: onze zakken zijn
+slecht en versleten.”
+</p>
+<p>„En.… uwe bloedverwanten?”
+</p>
+<p>„Bloedverwanten, heer dokter?.… Onze middelen hebben ons nooit dat weelde-artikel
+veroorloofd! Maar mochten wij ooit rijk worden, dan zullen er wel gevonden worden,
+die erven willen.”
+</p>
+<p>„Gij zijt Franschen? Van welk gedeelte van Frankrijk zijt gij afkomstig?”
+</p>
+<p>„Wij zijn Provençalen!” antwoordde Pescadospunt fier. „Dat wil zeggen, dat wij tweemalen
+Franschen zijn!”
+</p>
+<p>„Gij hebt een opgeruimd humeur, mijnheer Pescadospunt.”
+</p>
+<p>„Het ambacht brengt dat mede. Stelt u voor, heer dokter, een paljas, een roodstaart,
+een kermisgrappenmaker, die een droefgeestig humeur had! Hij zou meer gebakken appelen
+in een uur om de ooren krijgen, dan hij zijn geheele leven zou kunnen verorberen!
+Ja, ik ben opgeruimd, vroolijk zelfs, zeer vroolijk, dat beken ik!”
+</p>
+<p>„En Kaap Matifou?”
+</p>
+<p>„O, die is meer ernstig, meer nadenkend, meer in zich zelf gekeerd!” antwoordde Pescadospunt,
+terwijl hij zijn makker een hartelijken vriendschappelijken klap op den schouder gaf,
+zooals een ander den hals van een paard zou streelen. „Dat ’s ook het ambacht hetwelk
+dat medebrengt. Wanneer men toeren maakt met gewichten van vijftig, dan moet men zeer
+ernstig wezen. Wanneer men worstelt, dan doet men dat niet alleen met de armen, maar
+ook en vooral met het hoofd! En Kaap Matifou heeft steeds geworsteld.… zelfs tegen
+de ellende! En die heeft hem nog niet van de been kunnen brengen!”
+</p>
+<p>Dokter Antekirrt hoorde met belangstelling dat braaf klein wezen, waarvoor het noodlot
+tot heden zoo hard was geweest, en dat toch niet verbitterd was. Hij gevoelde dat
+in dat teedere omhulsel evenveel hart als geest schuilde, en dacht er over na wat
+van hem had kunnen worden, wanneer aan de materieele eischen van het leven niet dadelijk
+na zijn geboorte was te kort geschoten.
+<span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span></p>
+<p>„En waarheen trekt gij thans?”
+</p>
+<p>„Waarheen? Recht voor ons uit! Op goed geluk af,” antwoordde Pescadospunt. „Het toeval
+is niet altijd een slechte gids en over het algemeen kent het den weg. Alleen, ik
+vrees dat wij ditmaal te ver van ons land af gedwaald zijn! Maar.… alles wel beschouwd,
+is dat onze schuld! Wij hadden het toeval moeten vragen waarheen het ons leiden wilde.”
+</p>
+<p>Dokter Antekirrt sloeg hen beiden gedurende een poos gade. Toen hernam hij met aandrang:
+</p>
+<p>„Wat zou ik voor ulieden kunnen doen?”
+</p>
+<p>„Maar niets, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „niets.… dat verzeker ik u.…”
+</p>
+<p>„Koestert gij het verlangen niet om in uwe Provence weer te keeren?”
+</p>
+<p>De oogen der beide acrobaten glinsterden tegelijkertijd.
+</p>
+<p>„Ik zou er u kunnen brengen,” hernam de dokter.
+</p>
+<p>„Dat, dat zou merkwaardig wezen!” zei Pescadospunt.
+</p>
+<p>En zich tot zijn makker wendende:
+</p>
+<p>„Kaap Matifou, zou je naar ginds willen terugkeeren?”
+</p>
+<p>„Ja.… als ge meegaat, Pescadospunt.”
+</p>
+<p>„Maar, wat zullen wij er uitvoeren? Waarvan zullen wij leven?”
+</p>
+<p>Kaap Matifou krabde zich achter het oor. Dat deed hij bij ieder lastig geval.
+</p>
+<p>„Wij zullen.… wij zullen.…” mompelde hij.
+</p>
+<p>„Je weet er niets van.… en ik ook niet!.… Maar, het is ons vaderland! Is het niet
+zonderling, heer dokter, dat arme drommels, zooals wij zijn, een vaderland hebben;
+dat arme ellendigen, die geen ouders hebben, ergens geboren zijn! Ziet, dat is voor
+mij steeds onverklaarbaar geweest.”
+</p>
+<p>„Zoudt gij beiden kunnen besluiten steeds bij mij te blijven?” vroeg dokter Antekirrt.
+</p>
+<p>Op dat onverwachte voorstel was Pescadospunt vlug opgesprongen, terwijl de Hercules
+hem verbaasd aankeek, niet wetende of hij ook zou moeten opstaan.
+</p>
+<p>„Bij u blijven, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt eindelijk. „Maar waartoe zouden
+wij te gebruiken zijn? Kunststukken uitvoeren, toeren van kracht en behendigheid.…
+dat alles is, wat wij in ons leven gedaan hebben. En tenzij het was om u gedurende
+uwe zeetochten of in uw land te verstrooien.…”
+</p>
+<p>„Luistert naar mij,” hernam dokter Antekirrt. „Ik heb moedige, behendige en schrandere
+mannen noodig, mannen vol toewijding, die genegen zijn het bereiken van mijne plannen
+te bevorderen. Er is niets, wat u hier terughoudt, niets wat u daar ginder roept.
+Wilt gij tot die mannen behooren?”
+<span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span></p>
+<p>„Maar wanneer uwe plannen bereikt zijn?”.… vroeg Pescadospunt.
+</p>
+<p>„Als het u bij mij bevalt, zult gij mij niet meer verlaten”, antwoordde de dokter
+glimlachend, „dan kunt gij bij mij aan boord blijven. En kijk, gij zult aan mijne
+bemanning les op het slappe koord kunnen geven! En wanneer het u integendeel zou lijken
+naar uw vaderland weer te keeren, dan zal ik er u brengen en zorgen dat u een zekere
+gegoedheid voor uw geheele leven verzekerd is.”
+</p>
+<p>„Oh! heer dokter!” riep Pescadospunt uit. „Maar het is toch uwe meening niet, ons
+niets te laten uitvoeren. Tot niets goed te zijn, zou ons niemendal lijken!”
+</p>
+<p>„Ik beloof u arbeid, en van dusdanigen aard, dat hij u tevreden zal stellen.”
+</p>
+<p>„Waarlijk,” zei Pescadospunt, „dan is het aanbod zeer verleidelijk.”
+</p>
+<p>„Hebt gij nog tegenwerpingen te maken?”.
+</p>
+<p>„Nog eene enkele. Gij ziet ons beiden, Kaap Matifou en mij! Wij zijn afkomstig van
+hetzelfde vaderland en wij zouden ongetwijfeld tot dezelfde familie behooren, wanneer
+wij eene familie bezaten. Wij zijn broeders volgens het hart! Kaap Matifou zou niet
+zonder Pescadospunt en Pescadospunt niet zonder Kaap Matifou kunnen leven! Verbeeld
+u de Siameesche tweelingen! Men heeft hen nimmer kunnen scheiden, niet waar, omdat
+eene scheiding hun het leven zou gekost hebben. Welnu, wij zijn als die Siameezen.
+Wij hebben elkander lief, heer dokter.”
+</p>
+<p>Pescadospunt had, terwijl hij zoo sprak, de hand aan Kaap Matifou toegestoken, die
+hem naar zich toetrok en hem aan zijne borst drukte, zooals hij met een kind gedaan
+zou hebben.
+</p>
+<p>„Vrienden,” zei dokter Antekirrt, „er is geen quaestie van ulieden te scheiden en
+het zal steeds mijn wensch zijn, dat gij mij niet zult verlaten!”
+</p>
+<p>„Dan zou het kunnen gaan, heer dokter, als.…”
+</p>
+<p>„Als?”
+</p>
+<p>„Als Kaap Matifou zijne toestemming geeft.”
+</p>
+<p>„Zeg ja, Pescadospunt,” mompelde de Hercules, „dan hebt gij voor ons beiden geantwoord!”
+</p>
+<p>„Welnu,” zei de dokter, „dat is dan afgesproken en gij zult geen berouw over uw besluit
+ondervinden. Bekommert u van heden af om niets meer!”
+</p>
+<p>„O, heer dokter, pas op!” hernam Pescadospunt. „Gij verbindt u daar tot meer dan gij
+wel denkt!”
+</p>
+<p>„Hoezoo?”
+</p>
+<p>„Ziet, wij zullen dure gasten zijn, vooral Kaap Matifou. Dat is een groote eter en
+gij zoudt hem in uwen dienst zijne spierkracht niet willen laten verliezen, al was
+dat nog zoo weinig maar.”
+<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p201width"><img src="images/p201.jpg" alt="De poort was open en verleende dwars door dien drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad. (Bladz. 211.)" width="501" height="720"><p class="figureHead">De poort was open en verleende dwars door dien drievoudigen band toegang tot het binnenste
+der stad. (Bladz. 211.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p>
+<p>„Ik beoog integendeel, dat hij die krachten verdubbelen zal.”
+</p>
+<p>„Dan zal hij u te gronde richten!”
+</p>
+<p>„Men richt mij niet te grande, Pescadospunt.”
+</p>
+<p>„Evenwel.… twee.… drie maaltijden per dag.…”
+</p>
+<p>„Vijf, zes, tien, als hij zulks verkiezen zal,” antwoordde dokter Antekirrt glimlachend.
+„Er zal steeds open tafel voor hem zijn!”
+</p>
+<p>„Hè, Kaap, wat zeg je er van?” riep Pescadospunt guitig uit. „Ge zult dan steeds volop
+kunnen eten!”
+</p>
+<p>„En gij ook, Pescadospunt!”
+</p>
+<p>„O, ik! Een vogel!—Maar zou ik u mogen vragen, of wij ter zee zullen varen?”
+</p>
+<p>„Dikwijls, vriend. Ik zal thans aan de vier hoeken van de Middellandsche zee te doen
+krijgen. Mijn praktijk zal zoo wat overal langs de kusten bestaan. Ik hoop de geneeskunde
+te kunnen uitoefenen op eene internationale wijze. Wanneer een zieke mij naar Tanger,
+of naar de Balearische eilanden roept, wanneer ik mij te Suez of te Smyrna bevind,
+zal ik hem dan niet moeten gaan bezoeken? Wat een geneesheer in eene groote stad van
+het eene kwartier tot het andere uitvoert, zal ik van de Straat van Gibraltar naar
+den Griekschen Archipel, van de Adriatische zee naar de Leeuwengolf, van de Jonische
+zee naar de baai van Gabés verrichten! Ik bezit nog andere vaartuigen, tien malen
+vlugger dan die goelet en.… bij die tochten zult gijlieden mij meestal vergezellen.”
+</p>
+<p>„Dat lijkt ons, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zich in de handen
+wreef.
+</p>
+<p>„Zijt gijlieden niet bang voor de zee?”
+</p>
+<p>„Neen!” riep Pescadospunt uit. „Wij bang? Wij kinderen van de Provence! Als straatjongens
+speelden en rolden wij in de sloepen op het strand! Neen, wij zijn niet bang voor
+de zee, ook niet voor de zoogenaamde zeeziekte! Door de gewoonte, die wij hebben,
+om met het hoofd omlaag en de beenen omhoog te loopen, zijn wij tegen die ongesteldheid
+gevrijwaard. Wanneer de heeren en dames, alvorens zich in te schepen, slechts eenige
+maanden lang die lichaamsoefening betrachtten, dan zouden zij nimmer noodig hebben
+hunnen neus gedurende den overtocht boven hunne lampetkom te houden! Komt binnen,
+heeren en dames! Komt binnen! Volgt slechts de menigte!”
+</p>
+<p>Men ziet het, de goedhartige Pescadospunt verviel weer bij zijne blijdschap in zijne
+gewone kwinkslagen, net alsof hij zich nog op de verhevenheid zijner kermistent bevond.
+</p>
+<p>„Goed zoo, Pescadospunt!” zei de dokter. „Wij zullen elkander uitmuntend verstaan.
+Bovenal beveel ik u aan, niets van uwe opgeruimdheid te verliezen. Lacht, mijn jongen,
+lacht en zingt, zooveel ge verkiest. De toekomst zal wellicht genoeg droefgeestige
+gebeurtenissen <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>opleveren, om uwe vroolijkheid onderweg te doen waardeeren.”
+</p>
+<p>Terwijl hij die laatste woorden sprak, was dokter Antekirrt zeer ernstig geworden.
+Pescadospunt, die hem gadesloeg, had als een voorgevoel, dat die man in vroegere dagen
+veel geleden had en dat zij de oorzaak daarvan wel eens zouden vernemen.
+</p>
+<p>„Heer dokter,” zei hij toen<span class="corr" id="xd33e3778" title="Niet in bron">,</span> „van heden af behooren wij u met ziel en lichaam toe.”
+</p>
+<p>„En van heden af,” antwoordde de dokter, „kunt gij u in uwe hutten inrichten. Waarschijnlijk
+zal ik eenige dagen te Gravosa en te Ragusa blijven; maar het zal goed zijn, dat gij
+de gewoonte aanneemt om aan boord van de <i>Savarena</i> te leven.”
+</p>
+<p>„Tot het oogenblik, dat gij ons in uw vaderland zult gevoerd hebben!” liet Pescadospunt
+volgen.
+</p>
+<p>„Ik heb geen vaderland,” antwoordde de dokter, „of beter, ik heb, als gij wilt, een
+vaderland van eigen maaksel, dat ook het uwe zal worden!”
+</p>
+<p>„Kom, Kaap Matifou,” riep Pescadospunt uit. „Kom laten wij ons handelshuis gaan liquideeren.
+Wees gerust, wij zijn niemand iets schuldig en zullen niet failliet gaan!”
+</p>
+<p>Daarop daalden de twee vrienden, na afscheid van dokter Antekirrt genomen te hebben,
+in de sloep af, die hen wachtte en waarmede zij naar de kade van Gravosa teruggevoerd
+werden.
+</p>
+<p>Daar hadden zij in nog geen twee volle uren, hunnen inventaris opgemaakt en hunne
+kermistent, hunne geschilderde <span class="corr" id="xd33e3791" title="Bron: kunsstukken">kunststukken</span>, hunne groote en kleine trom, die hunne geheele bezitting daarstelden, aan een confrater
+overgedaan. Dat duurde niet lang en leverde ook geene <span class="corr" id="xd33e3794" title="Bron: moeielijkheid">moeilijkheid</span> op. Ook zouden hunne zakken niet overmatig bezwaard worden door de weinige guldens,
+die zij daarin opbergden.
+</p>
+<p>Toch stond Pescadospunt er op om zijn kunstenmakerspak en zijne pistoncornet, en Kaap
+Matifou zijne schuiftrompet en zijn worstelaarspak te bewaren. Zij zouden anders te
+veel verdriet gehad hebben, door het scheiden van die werktuigen en die vodden, die
+hen aan zoovele uren van succes en zegepraal herinnerden. Die kleedingstukken werden
+op den bodem van eene kist geborgen, welke hun ameublement, hunne garderobe en geheel
+hun materieel bevatte.
+</p>
+<p>Tegen een uur in den namiddag waren Pescadospunt en Kaap Matifou aan boord van de
+<i>Savarena</i> terug.
+</p>
+<p>Een groote hut in het vooronder werd ter hunner beschikking gesteld. Het was eene
+gemakkelijke en ruime hut die van alles voorzien was, „ook om te kunnen schrijven,”
+zei de snaak.
+</p>
+<p>De bemanning ontving de nieuwe kameraden, wien zij te danken hadden, aan een groot
+ongeluk ontsnapt te zijn, recht hartelijk.
+</p>
+<p>Reeds bij hunne aankomst konden Pescadospunt en Kaap Matifou <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>proeven, dat de kombuisproducten aan boord hen de keukens der Provençaalsche kermistenten
+niet zouden doen betreuren.
+</p>
+<p>„Zie je, Kaap Matifou,” zei en herhaalde Pescadospunt, terwijl hij een glas heerlijken
+Asti-wijn slurpte, „zie je, met goed gedrag komt men tot alles! Maar, dat moet er
+zijn!”
+</p>
+<p>Kaap Matifou, wiens mond toen met een flink stuk ham gevuld was, dat met twee gebakken
+eieren in de onpeilbare diepte van zijne maagholte verdween, antwoordde slechts met
+een hoofdknik.
+</p>
+<p>„Welke ontvangst wel te maken zou zijn, wanneer het publiek je kon zien eten, Kaap
+Matifou!”
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2.4" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4212">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">IV.</h2>
+<h2 class="main">DE WEDUWE VAN STEPHANUS BATHORY.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De tijding der aankomst van dokter Antekirrt had zich spoedig, niet alleen te Ragusa,
+maar ook in de geheele Dalmatische provincie verbreid. De dagbladen wierpen zich als
+het ware op die prooi, die hen eene serie van pikante berichten in het vooruitzicht
+stelde, en begonnen met de aankomst van de goelet in de haven van Gravosa aan te kondigen.
+De eigenaar van de <i>Savarena</i> kon dus niet ontsnappen aan het eerbetoon, maar ook niet aan de bezwaren, aan dergelijke
+beroemdheid onvermijdelijk verbonden. Zijne persoonlijkheid lag als het ware op ieders
+lippen. De legende maakte zich van hem meester. Men wist niet wie hij was, vanwaar
+hij kwam en waarheen hij ging. Dat kon slechts de publieke nieuwsgierigheid te meer
+prikkelen. En, natuurlijk, wanneer men niets weet, dan is het veld der onderstellingen
+des te uitgebreider, de verbeelding benuttigt dat en dan.… dan schijnt het een wedren
+te zijn voor allen, die het best ingelicht meenen te zijn.
+</p>
+<p>De reporters, bij hun streven om hunne lezers ter wille te zijn, waren met spoed naar
+Gravosa getrokken. Sommigen hunner begaven zich zelfs aan boord van de goelet. Zij
+kregen evenwel den persoon, die in de openbare meening zooveel opgang maakte, niet
+te zien. De bevelen daaromtrent waren stellig. De dokter ontving niemand. De antwoorden,
+die kapitein Narsos aan de bezoekers gaf, waren dan ook onveranderlijk dezelfde:
+</p>
+<p>„Maar, vanwaar komt die dokter?”
+</p>
+<p>„Vanwaar het hem gelieft.”
+</p>
+<p>„En waarheen gaat hij?”
+</p>
+<p>„Waarheen hem dat aanstaat.”
+</p>
+<p>„Maar, wie is hij?”
+<span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p205width"><img src="images/p205.jpg" alt="Zoo moest hij meer dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken. (Bladz. 212.)" width="499" height="720"><p class="figureHead">Zoo moest hij meer dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken.
+(Bladz. 212.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span></p>
+<p>„Dat weet niemand en hij wellicht nog minder dan zij, die het vragen.”
+</p>
+<p>Hoe nu in Godsnaam een reporterartikel met dergelijke gegevens te schrijven?
+</p>
+<p>Het gevolg daarvan was, dat de verbeelding vrij spel had en zich dan ook geen banden
+liet aanleggen om in volle fantasie op te gaan. Van dokter Antekirrt maakte men alles
+wat men maar verlangde. Hij was alles geweest wat die kroniekschrijvers maar geliefden
+te verzinnen. Voor den eenen was hij een zeeschuimers-hoofdman. Voor den anderen was
+hij de koning van een uitgestrekt Afrikaansch rijk, die incognito reisde met het doel
+om te leeren. Verder beweerde men, dat het een staatkundige banneling was; elders
+weer dat het een vorst was, die door eene omwenteling uit zijne staten verjaagd werd
+en nu als wijsgeerig toerist de wereld rondreisde. Men ziet, er was volledige keus.
+Wat den titel van dokter betrof, waarmede hij zich tooide, daaromtrent waren de meeningen
+van hen, die den titel voor echt aannamen, ook verdeeld. Volgens de meening van sommigen
+was hij een groot geneeskundige, die bewonderenswaardige genezingen in de meest wanhopige
+gevallen verricht had; en volgens die van anderen was hij de koning der kwakzalvers,
+die in moeilijkheid geraken zou, wanneer men zijn diploma opvorderde.
+</p>
+<p>Maar in ieder geval, de geneeskundigen van Gravosa en van Ragusa konden geene vervolging
+tegen hem doen instellen wegens onwettige uitoefening van de geneeskunde. Dokter Antekirrt
+hield zich bescheiden buiten schot en was niet te spreken, wanneer men hem als geneesheer
+wilde raadplegen.
+</p>
+<p>Daarenboven, de eigenaar van de <i>Savarena</i> nam zijn intrek niet aan den wal. Hij stapte zelfs niet in een der hôtels van de
+stad af. Ternauwernood begaf hij zich gedurende de twee dagen, welke hij te Gravosa
+doorbracht, tot dicht bij Ragusa. Hij bepaalde zijne uitstappen tot eenige wandelingen
+in den omtrek, waarbij hij twee of drie malen Pescadospunt meenam, wiens aangeboren
+schranderheid hij waardeerde.
+</p>
+<p>Maar ging hijzelf niet naar Ragusa, dan ging Pescadospunt toch eens voor hem er heen.
+De brave jongen, wien een opdracht van vertrouwen gedaan was—wie weet, wellicht eene
+inlichting in te winnen!—beantwoordde de vragen, die hem bij zijn terugkeer gedaan
+werden, als volgt:
+</p>
+<p>„Dus die woont in de Stradonalaan?”
+</p>
+<p>„Ja, heer dokter. Dat wil zeggen in de fraaiste straat der stad. Hij bewoont een hôtel,
+niet ver van de plaats, waar men de reizigers het paleis van den ouden doge aanwijst.
+Het is een prachtig hôtel met een talrijk bediendenpersoneel, met rijtuigen enz. In
+één woord: hij volgt de levenswijze van een millionnair!”
+<span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span></p>
+<p>„En de andere?”
+</p>
+<p>„De andere of liever de anderen?” antwoordde Pescadospunt. „Die bewonen hetzelfde
+stadskwartier, maar hunne woning is <span class="corr" id="xd33e3850" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> te vinden in een van die klimmende, smalle en slingerende stegen—ware ladders—die
+meer bescheiden woningen bevatten.”
+</p>
+<p>„En hunne woning?”
+</p>
+<p>„Hunne woning is nederig, klein, droefgeestig van uiterlijk aan de buitenzijde, hoewel
+ik mij verbeeld dat zij binnenshuis netjes gehouden moet zijn, heer dokter. Men gevoelt,
+dat zij bewoond is door arme maar hooghartige lieden.<span class="corr" id="xd33e3856" title="Bron: ’">”</span>
+</p>
+<p>„Die dame?.…”
+</p>
+<p>„Ik heb haar niet gezien. Men zeide, dat zij bijna nimmer de Marinella-straat verliet.”
+</p>
+<p>„En haar zoon?.…”
+</p>
+<p>„Dien heb ik gezien, heer dokter, op het oogenblik dat hij bij zijne moeder binnentrad.”
+</p>
+<p>„Hoe zag hij er uit?.…”
+</p>
+<p>„Hij scheen afgetrokken, onrustig zelfs. Men zou zeggen, dat die jeugdige man reeds
+veel geleden heeft!.… Dat kenmerkt zich trouwens genoegzaam!”
+</p>
+<p>„Maar, ook gij Pescadospunt, hebt geleden, en dat kenmerkt zich niet.”
+</p>
+<p>„Lichamelijk lijden is geen zedelijk lijden, heer dokter! Daarom kon ik het verhelen
+en er zelfs om lachen.”
+</p>
+<p>Zooals men ziet, sprak dokter Antekirrt reeds gemeenzaam met Pescadospunt. Met Kaap
+Matifou ging dat nog niet; want inderdaad, die Hercules was van te indrukwekkend uiterlijk,
+om zich zoo gauw eenige gemeenzaamheid te mogen veroorloven.
+</p>
+<p>Toen de dokter die vragen gedaan en die antwoorden bekomen had, staakte hij zijne
+wandelingen in de omstreken van Gravosa. Hij scheen iemand te verwachten, wiens ontmoeting
+hij door zijn gaan naar Ragusa niet had willen uitlokken, daar de tijding van de aankomst
+der <i>Savarena</i> genoegzaam bekend moest zijn. Hij bleef dus aan boord en hetgeen hij verwachtte,
+gebeurde.
+</p>
+<p>Den 29en Mei gaf de dokter, na de kade van Gravosa met het gewapend oog geruimen tijd
+gadegeslagen te hebben, tegen elf uren in den voormiddag bevel om de sloepen klaar
+te maken; toen steeg hij er in en liet zich naar den havendam overbrengen, waar een
+man stond, die hem scheen te bespieden.
+</p>
+<p>„Dat is hij,” mompelde de dokter binnensmonds.… „Hij is het wel degelijk!.… Ik herken
+hem, al is hij nog zoo veranderd.”
+</p>
+<p>Die man was een grijsaard, door den ouderdom gebogen, hoewel hij slechts zeventig
+jaren telde. Zijne witte haren dekten spaarzaam het hoofd, dat ter aarde gebogen was.
+Zijn gelaat was ernstig, <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>droefgeestig en ternauwernood verlevendigd door een matten blik, die dikwijls door
+tranen geheel verduisterd moet geweest zijn. Hij stond onbewegelijk op de kade en
+verloor de sloep niet uit het oog, van het oogenblik dat van boord was afgestoken.
+</p>
+<p>De dokter wilde den schijn niet geven dien grijsaard te bespeuren, nog minder hem
+te herkennen. Hij deed dus, alsof hij zijne tegenwoordigheid niet ontwaardde. Maar
+nauwelijks had hij eenige passen op den havendam afgelegd, toen de grijsaard op hem
+toetrad, nederig zijn hoed afnam en vroeg:
+</p>
+<p>„Zijt gij dokter Antekirrt?”
+</p>
+<p>„Ja, die ben ik,” antwoordde de dokter, die dien man aankeek, wiens oogleden zelfs
+niet trilden, toen hij den blik op hem wierp. Daarna vervolgde hij:
+</p>
+<p>„Wie zijt gij vriend, en wat wilt gij van mij?”
+</p>
+<p>„Ik heet Borik en ik ben in dienst van mevrouw Bathory. Ik kom u uit haar naam eene
+samenkomst verzoeken.…”
+</p>
+<p>„Mevrouw Bathory?” herhaalde de dokter vragend. „Is dat de weduwe van dien Hongaar,
+die zijne vaderlandsliefde met zijn leven betaalde?”
+</p>
+<p>„Dezelfde,” antwoordde de grijsaard. „En hoewel gij haar nimmer zaagt, is het toch
+onmogelijk, dat gij haar niet kent, juist omdat gij dokter Antekirrt zijt.”
+</p>
+<p>Deze hoorde den ouden dienaar, wiens oogen steeds neergeslagen bleven, aandachtig
+aan. Hij vroeg zich af of onder deze woorden niet eene nevengedachte verscholen was.
+Daarop hernam hij:
+</p>
+<p>„Wat kan mevrouw Bathory van mij willen?”
+</p>
+<p>„Om redenen, die gij wel begrijpen zult, wenschte zij een onderhoud met u, heer dokter.”
+</p>
+<p>„Ik zal haar een bezoek brengen.”
+</p>
+<p>„Zij wenschte liever bij u aan boord te komen.”
+</p>
+<p>„Waarom?”
+</p>
+<p>„Het is noodzakelijk, dat haar onderhoud met u geheim blijft.”
+</p>
+<p>„Geheim?.… Voor wien?”
+</p>
+<p>„Voor haren zoon! Mijnheer Piet mag niet weten, dat mevrouw Bathory u bezocht heeft.”
+</p>
+<p>Dit antwoord scheen den dokter te verrassen; hij liet er evenwel niets van aan Borik
+blijken.
+</p>
+<p>„Ik geef de voorkeur aan een bezoek ten huize van mevrouw Bathory,” hernam hij. „Zou
+dat niet kunnen geschieden bij afwezigheid van haren zoon?”
+</p>
+<p>„Dat kan, heer dokter, wanneer gij morgen wilt komen. Piet Bathory moet heden avond
+naar Zara afreizen en zal niet binnen vier en twintig uur terug zijn.”
+</p>
+<p>„Wat voert Piet Bathory uit?”
+<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>
+</p>
+<div class="figure p209width"><img src="images/p209.jpg" alt="„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u....” (Bladz. 217.)" width="509" height="720"><p class="figureHead">„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u.…” (Bladz. 217.)</p>
+</div><p>
+<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p>
+<p>„Hij is tot ingenieur gepromoveerd; maar tot heden heeft hij nog geene plaatsing kunnen
+vinden. O, het leven is zoo moeitevol voor hem en voor zijne moeder!”
+</p>
+<p>„Moeitevol!.…” viel dokter Antekirrt in. „Bezit mevrouw Bathory dan geen middelen?”.…
+</p>
+<p>Hij hield op. De grijsaard had het hoofd gebogen, terwijl zijn borst bewoog onder
+de snikken, die hij niet kon bedwingen.
+</p>
+<p>„Heer dokter,” zei hij eindelijk, „ik kan en mag u niets meer zeggen. In het onderhoud,
+dat mevrouw Bathory van u verzoekt, zal zij u alles mededeelen, wat gij recht hebt
+te weten.”
+</p>
+<p>De dokter moest wel meester over zijn gemoed zijn, om zijne aandoening te kunnen bedwingen.
+</p>
+<p>„Waar woont mevrouw Bathory?” vroeg hij.
+</p>
+<p>„Te Ragusa, in het Stradona-kwartier, op nummer 17 van de Marinella-straat.”
+</p>
+<p>„Zal ik mevrouw Bathory morgen in den namiddag tusschen een en twee uur kunnen ontmoeten?”
+</p>
+<p>„Voorzeker, heer dokter, en ik zal het zijn, die u zal aandienen<span class="corr" id="xd33e3919" title="Bron: ”.">.”</span>
+</p>
+<p>„Zeg dan aan mevrouw Bathory, dat zij op mijne nauwgezetheid kan rekenen.”
+</p>
+<p>„Ik dank u in haren naam.”
+</p>
+<p>En na eenige aarzeling:
+</p>
+<p>„Gij zoudt kunnen meenen, dat het een dienst betreft, die mevrouw u vragen wil.…”
+</p>
+<p>„En wanneer dat zoo was?” vroeg de dokter levendig.
+</p>
+<p>„Toch is het niet zoo,” antwoordde Borik.
+</p>
+<p>En na nederig gebogen te hebben, ging hij den weg op, die van Gravosa naar Ragusa
+voert.
+</p>
+<p>Klaarblijkelijk hadden de laatste woorden van den ouden dienaar dokter Antekirrt eenigermate
+verwonderd. Hij bleef onbeweeglijk op de kade staan en tuurde Borik na. Toen hij aan
+boord teruggekomen was, schonk hij aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou verlof om
+aan den wal te gaan. Daarna sloot hij zich in zijne kamer op. Hij wilde er de laatste
+uren van dien dag geheel alleen doorbrengen.
+</p>
+<p>Pescadospunt en Kaap Matifou maakten zich dus als echte renteniers, die zij ook waren,
+dat verlof ten nutte. Zij veroorloofden zich zelfs het genoegen, op het kermisterrein
+eenige kramen binnen te treden. Wanneer wij beweren zouden, dat de lenige clown geen
+aanvechtingen gevoelde om den een of anderen onhandigen kunstenmaker terecht te zetten;
+dat de machtige voorvechter de zucht niet voelde opkomen om aan die athleetworstelingen
+deel te nemen, dan zouden wij der waarheid te kort doen. Maar beiden herinnerden zich
+ter rechter tijd, dat zij de eer hadden tot de bemanning van <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>de <i>Savarena</i> te behooren. Zij vergaten hun rol van toeschouwers niet en waren niet karig met hunne
+toejuichingen, wanneer die verdiend waren.
+</p>
+<p>Den volgenden ochtend liet de dokter zich even vóór het middaguur aan wal zetten.
+Na zijne sloep naar boord teruggezonden te hebben, ging hij den weg op, die het verbindingsmiddel
+daarstelt tusschen de haven van Gravosa en de stad Ragusa. Dat is eene fraaie laan,
+die kornisvormig aangelegd, met twee rijen villa’s omzoomd en over eene lengte van
+twee kilometers heerlijk beschaduwd was.
+</p>
+<p>Die laan was nog niet levendig, zooals zij het weinige uren later zou zijn, door het
+heen en weer rijden der equipages, door de menigte wandelaars, zoowel te paard als
+te voet.
+</p>
+<p>De dokter volgde, terwijl hij aan die samenkomst met mevrouw Bathory dacht, eene nevenlaan
+en was weldra bij Borgo Pillo, een soort steenen uitwas, die zich buiten de drievoudige
+omwalling der versterkingen van Ragusa uitstrekt. De poort was open en verleende dwars
+door dien drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad.
+</p>
+<p>De Stradona is eene prachtige flink bestrate hartader der stad, die zich van Borgo
+Pillo af tot de voorstad Plocca uitstrekt en de geheele stad doorsnijdt. Zij ontwikkelt
+zich aan den voet van een heuvel, die met een geheel gevaarte van huizen, amphitheatersgewijze
+gebouwd, overdekt is. Aan het einde verheft zich het paleis der oude doges, een fraai
+monument uit de XVde eeuw, met eene ruime binnenplaats, met een portiek in renaissance-stijl,
+met boogvensters, welker slanke zuiltjes aan het beste tijdperk herinneren van Toskaansche
+bouwkunst.
+</p>
+<p>De dokter behoefde niet tot bij dat paleis voort te gaan. De Marinella-straat, die
+Borik hem daags te voren opgegeven had, komt zoowat op de helft van de Stradonalaan
+uit. Hij vertraagde evenwel zijn gang een weinig op het oogenblik, dat hij een vluchtigen
+blik op eene groote woning wierp, die in graniet opgetrokken was en welker rijke voorgevel
+met de daaraan rechthoekig aansluitende bijgebouwen zich statig verhief. De poort
+van de binnenplaats stond open en liet een uiterst fraai eigen rijtuig ontwaren met
+een paar prachtige paarden bespannen. De koetsier zat deftig op den bok en de lakkei
+wachtte voor het perron, dat door eene bevallige veranda overkapt was.
+</p>
+<p>Juist in dit oogenblik steeg een man in dat rijtuig. De paarden vlogen de plaats over
+en de poort door, waarna de deuren dichtsloegen.
+</p>
+<p>Die persoon was dezelfde, die drie dagen te voren dokter Antekirrt op de kade van
+Gravosa aangesproken had. Het was de vroegere bankier Silas Toronthal.
+<span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span></p>
+<p>De dokter, eene ontmoeting wenschende te vermijden, was ijlings achteruitgetreden
+en schreed eerst voort, toen het vlugge rijtuig bij het uiteinde der Stradonalaan
+uit het oog verdwenen was.
+</p>
+<p>„Beiden in dezelfde stad!” mompelde hij. „O, dat is zuiver het toeval! Daaraan heb
+ik geen part of deel.”
+</p>
+<p>De stegen, ter linkerzijde op de Stradonalaan uitkomende, die hij door te gaan had,
+waren smal, stil en slecht bestraat.
+</p>
+<p>Dat de lezer zich een breeden stroom verbeelde, die aan eenen kant slechts bergstroomen
+als schatplichtige rivieren zou hebben. Om een weinig lucht te kunnen bemachtigen,
+kruipen de huizen als het ware rakelings de eene op de anderen. Zij kijken inderdaad
+elkaar in de oogen, als men zoo mag spreken van de vensters en tochtgaten, die in
+hunne voorgevels aangebracht zijn. Zij stijgen zoo op den nok van een der twee heuvelen,
+welker toppen door de forten van Mincetto en San Lorenzo bekroond zijn. Onmogelijk
+zou er een rijtuig kunnen doorkomen. Al ontbreekt, behalve bij gelegenheid van zware
+regens, de bergstroom, zoo moet zoo’n steeg toch een ravijn genoemd worden, en alle
+die hellingen en al die terrassen heeft men moeten stutten met keerdammen en bokken,
+en moet men door middel van trappen bestijgen. Een scherp contrast bestaat tusschen
+die minder dan bescheiden woningen en de prachtige huizen en paleizen op de Stradonalaan.
+</p>
+<p>De dokter bereikte den ingang van de Marinella-steeg en begon de oneindige trap, die
+tot straat dient, te bestijgen. Zoo moest hij meer dan zestig treden opklimmen, alvorens
+nummer 17 te kunnen bereiken.
+</p>
+<p>Daar werd dadelijk eene deur geopend. De oude Borik wachtte den dokter. Hij geleidde
+hem naar binnen zonder een woord te spreken en bracht hem in een vertrek, dat uiterst
+zindelijk maar armoedig gemeubeld was.
+</p>
+<p>De dokter nam plaats. Niets kon de meening doen ontstaan, dat hij eenige aandoening
+in dat huis ondervond—zelfs niet toen mevrouw Bathory binnentrad en tot hem zeide:
+</p>
+<p>„Heer dokter Antekirrt.<span class="corr" id="xd33e3956" title="Bron: ’">”</span>
+</p>
+<p>„Die ben ik, mevrouw,” antwoordde de dokter, terwijl hij opstond.
+</p>
+<p>„Ik had u de moeite willen sparen,” hernam mevrouw Bathory, „om zoover te komen en
+zoo hoog te stijgen!”
+</p>
+<p>„Ik stond er op om u een bezoek te brengen, mevrouw; en ik bid u mij als geheel ter
+uwer beschikking te beschouwen.”
+</p>
+<p>„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „gisteren eerst vernam ik uwe aankomst te
+Gravosa en ik heb dadelijk Borik gezonden, ten einde u tot een onderhoud uit te noodigen.”
+</p>
+<p>„Mevrouw, ik stel mij ter uwer beschikking.”
+<span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span></p>
+<p>„Ik zal heengaan,” zei de grijsaard.
+</p>
+<p>„Neen, Borik, blijf!” antwoordde mevrouw Bathory. „Gij zijt de eenige vriend der familie.
+Gij weet alles, wat ik dokter Antekirrt te zeggen heb.”
+</p>
+<p>Mevrouw Bathory ging zitten, de dokter nam vlak voor haar plaats, terwijl Borik bij
+het venster staan bleef.
+</p>
+<p>De weduwe van professor Stephanus Bathory was toen zestig jaren oud. Maar richtte
+zich ook al hare gestalte, in weerwil van den last der jaren, recht op, zoo verraadde
+toch haar sneeuwwit hoofd, haar met rimpels gegroeid gelaat genoegzaam den strijd,
+dien zij tegen het verdriet en tegen de ellende gevoerd had. Maar men gevoelde het,
+zij was nog even geestkrachtvol als vroeger. O, in haar school nog immer de moedige
+levensgezellin, de innige vertrouwelinge van dien man, die alles opgeofferd had aan
+hetgeen hij zijnen plicht meende te zijn; in haar school nog immer zijn medeplichtige,
+toen hij tot de samenzwering met Mathias Sandorf en Ladislas Zathmar toetrad.
+</p>
+<p>„Mijnheer,” zeide zij met eene stem, waarvan zij de aandoening te vergeefs zou hebben
+pogen te bemantelen, „daar gij dokter Antekirrt zijt, ben ik u veel verplicht, en
+ben ik u het verhaal verschuldigd van hetgeen vijftien jaren geleden te Triëst voorgevallen
+is.…”
+</p>
+<p>„Mevrouw, juist omdat ik dokter Antekirrt ben, verzoek ik u, om u en mij een verhaal
+te besparen, dat voor u te treurig moet zijn! Dat verhaal ken ik en ik voeg er bij—juist
+alweer omdat ik dokter Antekirrt ben—dat ik uw geheel bestaan ken sedert dien onvergeetbaren
+datum van den 30en Juni 1867.”
+</p>
+<p>„Mag ik u dan vragen, mijnheer,” hernam mevrouw Bathory, „aan welke motieven gij de
+belangstelling ontleent, die gij in mijn levensloop gesteld hebt?”
+</p>
+<p>„Die belangstelling, mevrouw, is die, welke ieder gevoelig en rechtschapen mensch
+verschuldigd is aan de weduwe van den vaderlandslievenden Magyaar, die niet geaarzeld
+heeft alles voor de onafhankelijkheid van zijn vaderland ten offer te brengen!”
+</p>
+<p>„Hebt gij professor Stephanus Bathory gekend?” vroeg de weduwe met ietwat bevende
+stem.
+</p>
+<p>„Ja, mevrouw, ik heb hem gekend en ik vereer allen welke dien naam dragen!<span class="corr" id="xd33e3979" title="Bron: ‘">”</span>
+</p>
+<p>„Behoort gij ook tot dat vaderland, waarvoor hij zijn bloed gestort heeft?”
+</p>
+<p>„Ik, ik heb geen vaderland, mevrouw!”
+</p>
+<p>„Maar wie zijt gij dan?”
+</p>
+<p>„Een overledene, die nog geen graf heeft kunnen vinden!” antwoordde dokter Antekirrt
+koel.
+<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span></p>
+<p>Mevrouw Bathory en Borik ijsden bij dat zoo onverwachte antwoord; maar de dokter haastte
+zich te vervolgen:
+</p>
+<p>„Evenwel, mevrouw, dat verhaal, hetwelk ik u verzocht niet uit te spreken, moet ik
+leveren, want al weet gij ook sommige bijzonderheden, zoo zijn er toch anderen, die
+u onbekend zijn, en die onkunde mag niet langer blijven bestaan.”
+</p>
+<p>„Ik luister, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory.
+</p>
+<p>„Mevrouw,” hernam de dokter, „het is nu vijftien jaren geleden, dat drie edele harten,
+zich aan het hoofd stelden van eene samenzwering, die tot doel had aan Hongarije zijne
+onafhankelijkheid weer te geven. Dat waren graaf Mathias Sandorf, professor Stephanus
+Bathory en graaf Ladislas Zathmar, drie vrienden, die sedert lang dezelfde hoop koesterden,
+drie verschillende wezens met slechts één hart.
+</p>
+<p>„Den 8en Juni 1867, daags vóórdat het sein zou gegeven worden voor den opstand, die
+zich over geheel Hongarije en tot in <span class="corr" id="xd33e3995" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> zou uitstrekken, werd het huis van graaf Zathmar te Triëst, waarin de hoofden der
+samenzwering vergaderd waren, door de Oostenrijksche politie overvallen. Graaf Sandorf
+werd met zijne beide makkers gevat en dienzelfden nacht nog in den vestingtoren van
+Pisino gekerkerd. Weinige weken later waren zij ter dood veroordeeld.
+</p>
+<p>„Een jeugdig boekhouder, Sarcany genaamd, die terzelfder tijd in het huis van graaf
+Zathmar gevangen genomen werd, maar geheel vreemd aan de samenzwering was, werd weldra
+buiten alle vervolging en na de beëindiging der zaak, op vrije voeten gesteld.
+</p>
+<p>„Daags vóórdat het vonnis zou voltrokken worden, poogden de gevangenen, die in dezelfde
+cel opgesloten waren, te ontsnappen. Graaf Sandorf en Stephanus Bathory slaagden er
+in, langs de staven van een bliksemafleider uit den vestingtoren van Pisino te ontvluchten
+en vielen in den Foïba-bergstroom, op hetzelfde oogenblik dat Ladislas Zathmar, door
+den gevangenbewaarder gegrepen, in de onmogelijkheid gesteld werd om zijne makkers
+te volgen.
+</p>
+<p>„Hoewel er weinig kansen bestonden, dat de vluchtelingen aan den dood ontsnappen zouden,
+daar een onderaardsche stroom hen medesleepte, te midden van eene landstreek, die
+hen geheel onbekend was, zoo slaagden zij er toch in, den oever van het kanaal van
+<span class="corr" id="xd33e4002" title="Bron: Lèma">Léma</span> en daarna de stad Rovigno te bereiken, waar zij eene toevlucht vonden in het huis
+van den visscher Andreas Ferrato.
+</p>
+<p>„Die visscher—een braaf en eerlijk hart—had alles klaargemaakt om hen aan de overzijde
+van de Adriatische zee te brengen, toen een Spanjaard, Carpena genaamd, die de schuilplaats
+der vluchtelingen ontdekt had, uit persoonlijke wraakzucht de arme <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>ellendigen bij de politie van Rovigno aangaf. Andermaal poogden zij te ontsnappen;
+maar Stephanus Bathory viel in handen der agenten. Wat Mathias Sandorf betreft, hij
+werd tot aan den zeeoever vervolgd en viel onder een kogelregen. De Adriatische zee
+heeft zijn lijk niet weergegeven.
+</p>
+<p>„Twee dagen later werden Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar in de citadel van Pisino
+doodgeschoten. De visscher Andreas Ferrato werd, ter zake van huisvesting aan de vluchtelingen
+verleend te hebben, tot levenslange galeistraf veroordeeld en naar het bagno van Stein
+gezonden.”
+</p>
+<p>Mevrouw Bathory zat daar met diepgebogen hoofd. Zij had het verhaal van den dokter
+met een beklemd hart, maar zonder hem een enkele maal in de rede te vallen, aangehoord.
+</p>
+<p>„Hadt gij die bijzonderheden vernomen, mevrouw?” vroeg hij.
+</p>
+<p>„Ja, mijnheer, door de dagbladen, zooals gij ze waarschijnlijk ook vernomen hebt.”
+</p>
+<p>„Ja, mevrouw, door de dagbladen,” antwoordde de dokter, „maar wat de dagbladen niet
+konden mededeelen, daar de instructie dier zaak in het grootste geheim geschiedde,
+heb ik, dank zij de babbelzucht van een gevangenbewaarder van de citadel, vernomen
+en dat zal ik u mededeelen.”
+</p>
+<p>„Spreek, mijnheer,” zei mevrouw Bathory.
+</p>
+<p>„Dat graaf Sandorf en Bathory ontdekt en gevat werden in de woning van den visscher
+Ferrato, werd veroorzaakt door het verraad van den Spanjaard Carpena. Maar dat zij
+drie weken te voren te Triëst in de woning van graaf Zathmar gevat werden, was het
+werk van verraders, die hen aan de agenten der Oostenrijksche politie verklikt hadden.”
+</p>
+<p>„Verraders!” mompelde mevrouw Bathory.
+</p>
+<p>„Ja, mevrouw, en het bewijs van het verraad bleek uit de debatten van het proces.
+Eerst hadden die snoodaards een briefje in geheimschrift, aan den hals eener postduif
+gebonden, ontdekt, dat aan graaf Sandorf gezonden was en waarvan zij een afschrift
+namen. Een andere maal slaagden zij er in, in het huis van graaf Zathmar zelve een
+afdruk van den rooster te verkrijgen, die diende om dat geheimschrift te ontraadselen.
+Daarna, toen zij kennis van den inhoud van het briefje genomen hadden, hebben zij
+het geheim aan den gouverneur van Triëst bekend gemaakt. Ongetwijfeld zou een gedeelte
+der verbeurdverklaarde goederen van graaf Sandorf dienen om hun verraad te beloonen.”
+</p>
+<p>„En kent men die ellendelingen?” vroeg mevrouw Bathory, wier stem van aandoening beefde.
+</p>
+<p>„Neen, mevrouw,” antwoordde de dokter; „maar wellicht kenden hen de drie veroordeelden,
+en zouden zij hunne namen <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>bekend gemaakt hebben, wanneer zij hun gezin voor de laatste maal alvorens te sterven
+hadden kunnen weerzien.”
+</p>
+<p>Inderdaad, noch mevrouw Bathory, die toen met haren zoon afwezig was, noch Borik,
+die in de gevangenis van Triëst opgesloten zat, hadden de veroordeelden in hunne laatste
+oogenblikken kunnen bijstaan.
+</p>
+<p>„Zal men nooit de namen van die ellendelingen te weten komen?” vroeg mevrouw Bathory.
+</p>
+<p>„Mevrouw,” antwoordde dokter Antekirrt, „de verraders eindigen steeds met zichzelven
+te verraden! Ziehier wat ik ten slotte nog bij dat verhaal te voegen heb: Gij bleeft
+als weduwe met een kindje van acht jaren nagenoeg zonder middelen achter. Borik, de
+bediende van graaf Zathmar, wilde u na den dood van zijn meester niet verlaten; maar
+hij was arm en bezat niets anders dan zijne toewijding.
+</p>
+<p>„Toen, mevrouw, hebt gij Triëst verlaten, om deze nederige woning te Ragusa te betrekken.
+Gij hebt handenarbeid verricht om zoowel in de behoeften van het materieele als van
+het zieleleven te voorzien. Gij verlangdet toch dat uw zoon het pad der wetenschap,
+dat zoo roemrijk door zijn vader betreden was, zoude volgen. Maar, welken strijd hebt
+gij daarbij te voeren gehad! Welke ellende moest daarbij moedig het hoofd geboden
+worden! O, ik buig met eerbied het hoofd voor de edelaardige vrouw, die zooveel geestkracht
+getoond heeft, voor de moeder, door wiens zorgen haar zoon een man geworden is!”
+</p>
+<p>Terwijl de dokter die woorden sprak, was hij van zijn stoel opgestaan en werd zijne
+ontroering, in weerwil van zijne gewone koelheid, duidelijk merkbaar.
+</p>
+<p>Mevrouw Bathory antwoordde niet. Zij wachtte in het onzekere of de dokter zijn verhaal
+geëindigd had of het zou voortzetten. Het kon toch zijn, dat hij feiten, die hem persoonlijk
+betroffen, wilde mededeelen en dat dit de beweegreden was, waarom hij een onderhoud
+verlangd had.
+</p>
+<p>„Intusschen, mevrouw,” hernam de dokter, die hare gedachten raadde, „hebben de menschelijke
+krachten hare grenzen, en, hoewel ziek en uitgeput door zooveel beproevingen, zoudt
+gij bij uwe taak bezweken zijn, wanneer een onbekende, neen, een vriend van professor
+Bathory, u niet ter hulp gesneld ware. Nimmer zou ik u daarover gesproken hebben,
+wanneer uw oude dienaar mij uwen wensch niet had geopenbaard om mij te willen ontmoeten.”
+</p>
+<p>„Inderdaad, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „ben ik dan dokter Antekirrt niet
+veel dank schuldig?”
+</p>
+<p>„Waarom, mevrouw? Omdat dokter Antekirrt vijf of zes jaren geleden, bij de herinnering
+aan de vriendschap, die hem aan graaf <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>Sandorf en aan zijne beide makkers verbond, en, om u bij uwe taak behulpzaam te zijn,
+u eene som van honderd duizend gulden heeft doen toekomen? Gevoelde hij zich niet
+zeer gelukkig, dat geld ter uwer beschikking te kunnen stellen?
+</p>
+<p>„Neen, mevrouw, ik ben het integendeel, die u dank schuldig ben, omdat<span id="xd33e4039"></span> gij dat geld wel hebt willen aannemen, omdat gij mij veroorloofd hebt de weduwe en
+den zoon van Stephanus Bathory ter hulp te komen.”
+</p>
+<p>De weduwe had het hoofd gebogen en antwoordde:
+</p>
+<p>„Hoe het ook zij, mijnheer, ik voelde behoefte om u mijne dankbaarheid te betuigen.
+Dat was de eerste beweegreden van dat bezoek, hetwelk ik u brengen wilde. Maar er
+was eene tweede.…”
+</p>
+<p>„En die is, mevrouw?”
+</p>
+<p>„Ik wilde.… u die som teruggeven.…”
+</p>
+<p>„Hoe mevrouw?” zei de dokter, „gij hebt die som niet willen aannemen?”
+</p>
+<p>„Mijnheer, ik meende het recht niet te hebben over die som te beschikken. Ik kende
+dokter Antekirrt niet. Ik had nimmer zijn naam hooren noemen. Die som kon een soort
+aalmoes zijn, komende van hen, die mijn man bestreden hadden en wier erbarmen mij
+hatelijk toescheen! Ik heb die som dus niet gebezigd, zelfs voor het doel niet, waarvoor
+dokter Antekirrt haar bestemd had.”
+</p>
+<p>„Dus.… dat geld.…?”
+</p>
+<p>„Is onaangeroerd.”
+</p>
+<p>„En uw zoon?”
+</p>
+<p>„Zal aan niemand anders verplichting hebben dan aan zichzelven.…”
+</p>
+<p>„En aan zijne moeder!” vulde de dokter aan, die door zooveel grootheid van ziel, door
+zooveel karakter, zooveel geestkracht niet anders dan tot bewondering gestemd kon
+worden en dan ook vol eerbied voor de waardige vrouw stond.
+</p>
+<p>Ook mevrouw Bathory was opgestaan en op een kistje toegetreden, dat gesloten was.
+Zij nam er een bundel bankbiljetten uit, die zij den dokter overreikte.
+</p>
+<p>„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u, en ontvang den dank
+eener moeder, die verplichting aan u heeft, alsof zij er gebruik van gemaakt had,
+om haar zoon op te voeden!”
+</p>
+<p>„Dat geld behoort mij niet meer toe, mevrouw!” antwoordde dokter Antekirrt, terwijl
+hij de bankbiljetten met een gebaar afwees.
+</p>
+<p>„Ik herhaal, dat het mij nimmer had moeten toebehooren!”
+</p>
+<p>„Maar als Piet Bathory het zou willen gebruiken.…”
+</p>
+<p>„Mijn zoon zal eindigen met de betrekking te vinden, die hij waardig zal zijn. Ik
+zal dan op hem kunnen rekenen, zooals hij op mij heeft kunnen vertrouwen!”
+<span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span></p>
+<p>„Hij zal niet weigeren, hetgeen een vriend van zijn vader aandringt dat hij zal aannemen!
+</p>
+<p>„Jawel, hij zal weigeren!”
+</p>
+<p>„Laat mij dan ten minste beproeven, mevrouw.…”
+</p>
+<p>„Ik bid u die proef niet te nemen, heer dokter,” antwoordde mevrouw Bathory, „mijn
+zoon weet zelfs niet dat ik dat geld ontvangen heb, en ik verlang, dat hij daaromtrent
+steeds onkundig blijve!”
+</p>
+<p>„Het zij zoo, mevrouw!.… Ik begrijp de gevoelens, die u zoo doen handelen, daar ik
+slechts een onbekende voor u was en ben!.… Ja, ik begrijp en bewonder ze!.… Maar ik
+herhaal het, als dat geld uw eigendom niet is, dan is het het mijne ook niet!”
+</p>
+<p>Dokter Antekirrt was op het punt om heen te gaan. De weigering van mevrouw Bathory
+kon hem niet kwetsen. Hare kieschheid wekte slechts een gevoel van diepen eerbied
+bij hem op. Hij groette de weduwe en wilde heengaan, toen eene laatste vraag hem weerhield.
+</p>
+<p>„Mijnheer,” zei mevrouw Bathory, „gij hebt gesproken over onwaardige handelingen,
+die den dood van Ladislas Zathmar, van Stephanus Bathory en van den graaf Sandorf
+veroorzaakt hebben?”
+</p>
+<p>„Ik heb verhaald, wat er gebeurd is, mevrouw.”
+</p>
+<p>„Maar kent niemand die onmenschen?”
+</p>
+<p>„Ja, mevrouw!”
+</p>
+<p>„Wie dan?”
+</p>
+<p>„God!”
+</p>
+<p>Na dat woord boog dokter Antekirrt voor den laatsten keer voor de weduwe en verliet
+hare woning.
+</p>
+<p>Mevrouw Bathory bleef in gedachten verzonken. Zij voelde zich door eene geheime sympathie,
+waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven tot dien geheimzinnigen persoon, die
+zoo ingewijd was in de meest verborgen gebeurtenissen van haar leven, aangetrokken.
+Zou zij hem ooit terugzien? En wanneer hij met de <i>Savarena</i> te Ragusa aangekomen was alleen met het doel om haar dat bezoek te brengen, zou hij
+dan niet zeewaarts gaan om niet meer terug te keeren?
+</p>
+<p>Den volgenden morgen deelden de dagbladen mede, dat een onbekende eene gift van honderd
+duizend gulden aan de gasthuizen van de stad vermaakt had.
+</p>
+<p>Dat was de gift van dokter Antekirrt. Maar was het ook niet de aalmoes der weduwe,
+die zij zoowel voor haar als voor haren zoon van de hand gewezen had?
+</p>
+<p class="trailer center">EINDE VAN DOKTER ANTEKIRRT.</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">INHOUD.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">EENE VERIJDELDE SAMENZWERING.
+</p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle">
+</td>
+<td class="tocPageNum xs">BLADZ.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch1" id="xd33e4100">De reisduif</a> </td>
+<td class="tocPageNum">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2" id="xd33e4109">Graaf Mathias Sandorf</a> </td>
+<td class="tocPageNum">22</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch3" id="xd33e4118">Het bankiershuis Toronthal</a> </td>
+<td class="tocPageNum">36</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch4" id="xd33e4127">Het geheimschrift</a> </td>
+<td class="tocPageNum">55</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch5" id="xd33e4136">Voor, gedurende en na de terechtzitting</a> </td>
+<td class="tocPageNum">73</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch6" id="xd33e4145">De vestingtoren van Pisino</a> </td>
+<td class="tocPageNum">91</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VII.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch7" id="xd33e4154">De bergstroom van Foïba</a> </td>
+<td class="tocPageNum">104</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VIII.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch8" id="xd33e4163">De hut van den visscher Ferrato</a> </td>
+<td class="tocPageNum">127</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IX.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch9" id="xd33e4172">Laatste pogingen in een laatsten strijd</a> </td>
+<td class="tocPageNum">148</td>
+</tr>
+</table><p>
+</p>
+<p>DOKTER ANTEKIRRT.
+</p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2.1" id="xd33e4185">Pescadospunt en Kaap Matifou</a> </td>
+<td class="tocPageNum">159</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2.2" id="xd33e4194">Het te water laten van de Trabucolo</a> </td>
+<td class="tocPageNum">171</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2.3" id="xd33e4203">Dokter Antekirrt</a> </td>
+<td class="tocPageNum">187</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2.4" id="xd33e4212">De weduwe van Stephanus Bathory</a> </td>
+<td class="tocPageNum">204</td>
+</tr>
+</table><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first">JULES VERNE’S
+</p>
+<p>GEÏLLUSTREERDE WONDERREIZEN.
+</p>
+<p>Prijs per deel: <b>95</b> cts. ingen., ƒ&nbsp;<b>1.35</b> geb.
+</p>
+<ul>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/11318">DE REIS OM DE WERELD IN 80 DAGEN</a>.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/27309">DE REIS NAAR DE MAAN IN 28 DAGEN</a>.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">3</span> DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Zuid-Amerika.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">4</span> DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Australië.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">5</span> DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Stille Zuidzee.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">6</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/11205">20.000 MIJLEN ONDER ZEE</a>. Oostelijk Halfrond.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">7</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/11393">20.000 MIJLEN ONDER ZEE</a>. Westelijk Halfrond.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">8</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/19086">VIJF WEKEN IN EEN LUCHTBALLON</a>. Ontdekkingsreis in de Binnenlanden van Afrika.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">9</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/20331">HET GEHEIMZINNIGE EILAND</a>. De Luchtschipbreukelingen.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">10</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/22580">HET GEHEIMZINNIGE EILAND</a>. De Verlatene.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">11</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/10349">NAAR HET MIDDELPUNT DER AARDE</a>.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">12</span> MICHAEL STROGOFF, DE KOERIER VAN DEN CZAAR.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">13</span> HET ZWARTE GOUD.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">14</span> HECTOR SERVADAC. De Vulkaanbewoners.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">15</span> HECTOR SERVADAC. De Terugtocht naar de Aarde.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">16</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/39191">AVONTUREN VAN DRIE RUSSEN EN DRIE ENGELSCHEN</a>. Gevolgd door »De Blokkadebrekers”.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">17</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/18425">EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR</a>. De Walvischjagers.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">18</span> EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR. In Slavernij.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">19</span> DE SCHIPBREUK VAN DE CHANCELLOR.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">20</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/24773">WONDERLIJKE AVONTUREN VAN EEN CHINEES</a>.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">21</span> ELDORADO EN HET MONSTERKANON VAN STAALSTAD. Gevolgd door »Meester Zacharias”.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">22</span> HET LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. De Pelterijhandel.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">23</span> HET LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. Het drijvende Eiland<span class="corr" id="xd33e4358" title="Niet in bron">.</span></li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">24</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/33075">HET STOOMHUIS</a>. De IJzeren Reus.
+</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">25</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/38449">HET STOOMHUIS</a>. De Waanzinnige der Nerbudda.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">26</span> REIZEN EN LOTGEVALLEN VAN KAPITEIN HATTERAS. De Engelschen aan de Noordpool.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">27</span> REIZEN EN LOTGEVALLEN VAN KAPITEIN HATTERAS. De IJswoestijn.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">28</span> EENE VLOTREIS. 800 Mijlen op de Amazone.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">29</span> EENE VLOTREIS. Het Raadselschrift.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">30</span> EEN LEERSCHOOL VOOR ROBINSONS.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">31</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/27397">DE WONDERSTRAAL</a>.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">32</span> KERABAN DE STIJFHOOFDIGE. Een Hollander in de Klem.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">33</span> KERABAN DE STIJFHOOFDIGE. Schipbreuk en Redding.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">34</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/17580">DE ZUIDSTER</a>. Het Land der Diamanten.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">35</span> DE ARCHIPEL IN VUUR EN VLAM.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">36</span> DE VONDELING VAN HET FREGAT CYNTHIA.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">37</span> MATHIAS SANDORF. Een verijdelde Samenzwering.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">38</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/69576">MATHIAS SANDORF</a>. De Middellandsche Zee.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">39</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/22908">MATHIAS SANDORF</a>. Een Model-Volksplanting.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">40</span> HET LOTERIJBRIEFJE.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">41</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/19091">ROBUR DE VEROVERAAR</a>.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">42</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/29095">DE STRIJD TUSSCHEN NOORD EN ZUID</a>. Overrompeling eener Plantage.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">43</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/29192">DE STRIJD TUSSCHEN NOORD EN ZUID</a>. De Zwarte Kreek van Texas.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">44</span> 1792. OP WEG NAAR FRANKRIJK.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">45</span> TWEE JAAR VACANTIE. De mislukte Pleiziertocht.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">46</span> TWEE JAAR VACANTIE. Een Knapenkolonie.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">47</span> DE FAMILIE ZONDER NAAM. Het Verraad van Simon Morgaz.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">48</span> DE FAMILIE ZONDER NAAM. De Opstand van 1837.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">49</span> EEN SCHOT IN DE LUCHT.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">50</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/26143">CESAR CASCABEL</a>. De schoone Zwerfster.</li>
+<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">51</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/26395">CESAR CASCABEL</a>. Over het IJs en door de Steppen.</li>
+</ul><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="90" height="720"></div><p>
+</p>
+<p>&nbsp;
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure backcoverwidth"><img src="images/backcover.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="499" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="transcriberNote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
+zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
+dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2025-06-06 Begonnen.
+</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende 171 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctionTable">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+<th>Bewerkingsafstand</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e148">1</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">verdeeldin</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">verdeeld in</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e168">3</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">hij hij</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">hij</td>
+<td class="bottom">4</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e173">3</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">steed</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">steeds</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e184">4</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">’smorgens</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">’s morgens</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e196">6</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Theatro Communale</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Teatro Comunale</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e311">14</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="zxx">lsnivï</td>
+<td class="width40 bottom" lang="zxx">lsnivi</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e358">15</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2765">139</a>, <a class="pageref" href="#xd33e4358">n.v.t.</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e395">18</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">reliefkaart</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">reliëfkaart</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e402">18</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1889">87</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e427">19</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1596">70</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.”</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e437">19</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1083">52</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1687">76</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1692">76</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1740">79</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1991">93</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2029">96</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2484">125</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2828">142</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3236">169</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3282">171</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3850">207</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moeielijk</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moeilijk</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e442">19</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2299">115</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">orienteeren</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">oriënteeren</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e461">20</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">d’hote</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">d’hôte</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e499">22</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">diê</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">die</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e508">23</a>, <a class="pageref" href="#xd33e516">23</a>, <a class="pageref" href="#xd33e519">23</a>, <a class="pageref" href="#xd33e587">28</a>, <a class="pageref" href="#xd33e604">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e621">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e671">32</a>, <a class="pageref" href="#xd33e678">32</a>, <a class="pageref" href="#xd33e724">34</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1029">50</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1110">54</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1720">78</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1748">79</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3014">151</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3995">214</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Transylvanië</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Transsylvanië</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e526">24</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">ontrust</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">onrust</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e533">24</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">impersonneele</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">impersoneele</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e538">24</a>, <a class="pageref" href="#xd33e565">27</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1090">52</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Pesth</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Pest</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e551">26</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Transylvaansche</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Transsylvaansche</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e572">27</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Ladyslas</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Ladislas</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e575">27</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Stefanus</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Stephanus</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e580">27</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Artenah</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Artenick</td>
+<td class="bottom">3</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e595">28</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">hotel De Corme</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">hôtel Delòrme</td>
+<td class="bottom">4 / 2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e616">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3046">152</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moeielijke</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moeilijke</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e638">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e643">31</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">alphabeth</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">alphabet</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e660">31</a>, <a class="pageref" href="#xd33e687">32</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1640">72</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1646">73</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1745">79</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1785">82</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1788">82</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Hongarijë</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Hongarije</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e694">32</a>, <a class="pageref" href="#xd33e854">43</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1227">62</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1267">64</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1625">72</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1630">72</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2729">138</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3313">172</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3856">207</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3956">212</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">’</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e700">32</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl"> „</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">” </td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e713">34</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">schierleiand</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">schiereiland</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e718">34</a>, <a class="pageref" href="#xd33e760">36</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Acquedotto-laan</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Acquedottolaan</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e735">35</a>, <a class="pageref" href="#xd33e780">38</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1156">55</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3081">155</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Thoronthal</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Toronthal</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e742">35</a>, <a class="pageref" href="#xd33e904">44</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">hotel Delorme</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">hôtel Delòrme</td>
+<td class="bottom">2 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e754">36</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Communale</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Comunale</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e765">36</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">beursspeculatién</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">beursspeculatiën</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e821">42</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1011">50</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1232">62</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1546">69</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3251">170</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3256">170</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e872">44</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Silias</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Silas</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e895">44</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3307">172</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3614">193</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3919">210</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”.</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.”</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e912">45</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1005">49</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">).</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.)</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e932">46</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2800">140</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e961">47</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moeielijker</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moeilijker</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e981">48</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Zatmar</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Zathmar</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1034">50</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">vraagde</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">waagde</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1058">51</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1973">92</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moeielijkheden</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moeilijkheden</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1077">52</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Hoe</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Heer</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1118">54</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1138">54</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Artenak</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Artenick</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1190">59</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">geeindigd</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">geëindigd</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1239">63</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">lineaal</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">liniaal</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1276">64</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">2</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">9</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1541">69</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl"> ”</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">” </td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1558">70</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="zxx">tnayijgtad</td>
+<td class="width40 bottom" lang="zxx">tnavijgtad</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1568">70</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2561">128</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3778">203</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="zxx">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="zxx">,</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1699">76</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">amphitheaters-gewijs</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">amphitheatersgewijs</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1728">78</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Onmogeijk</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Onmogelijk</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1797">83</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2849">143</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Matthias</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Mathias</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1815">84</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">verdiepimg</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">verdieping</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1824">84</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">vaderlandschlievende</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">vaderlandslievende</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1836">85</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Her</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Het</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1839">85</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1845">85</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1848">85</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3599">192</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl"> ,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">, </td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1856">85</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2047">98</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2295">115</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2512">126</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2963">149</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3004">150</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1866">86</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl"> .</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">. </td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1900">88</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">ontrustig</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">onrustig</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1905">88</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">geluidleer</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">geluidsleer</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1922">90</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="en">galerij</td>
+<td class="width40 bottom" lang="en">gallery</td>
+<td class="bottom">3</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2016">95</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Foiba</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Foïba</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2019">95</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">bergstrooom</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">bergstroom</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2077">99</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,.</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2097">100</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Zathmaar</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Zathmar</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2331">117</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moerbeiën</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moerbeien</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2661">134</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">inden</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">in den</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2769">139</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">ontstuimig</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">onstuimig</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2965">149</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2997">150</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">klouteren</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">klauteren</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3019">151</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">uitenide</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">uiteinde</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3031">151</a>, <a class="pageref" href="#xd33e4039">217</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3116">160</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">volkstam</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">volksstam</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3125">160</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Fumera</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Fiumera</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3128">160</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">oorlogschepen</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">oorlogsschepen</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3133">160</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">-</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3230">169</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Ilyrië</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Illyrië</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3269">170</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Chineesche</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Chineesch</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3318">172</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3359">174</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Nimes</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Nîmes</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3474">184</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">adelijk</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">adellijk</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3524">187</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">;</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3582">192</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3585">192</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Ombra</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Ombla</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3608">193</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3611">193</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">»</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3647">195</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">vier</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">zes</td>
+<td class="bottom">3</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3791">203</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">kunsstukken</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">kunststukken</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3794">203</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moeielijkheid</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">moeilijkheid</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3979">213</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">‘</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e4002">214</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Lèma</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Léma</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 ***</div>
+</body>
+</html>
+
diff --git a/76280-h/images/backcover.jpg b/76280-h/images/backcover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f39b904
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/backcover.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/frontcover.jpg b/76280-h/images/frontcover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4df9e0c
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/frontcover.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/ornament.png b/76280-h/images/ornament.png
new file mode 100644
index 0000000..9939a24
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/ornament.png
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p005.jpg b/76280-h/images/p005.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f25f696
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p005.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p009.jpg b/76280-h/images/p009.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6b970c4
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p009.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p013.jpg b/76280-h/images/p013.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d56fb60
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p013.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p017.jpg b/76280-h/images/p017.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d00da64
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p017.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p021.jpg b/76280-h/images/p021.jpg
new file mode 100644
index 0000000..5ea94da
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p021.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p025.jpg b/76280-h/images/p025.jpg
new file mode 100644
index 0000000..cbc1428
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p025.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p029.jpg b/76280-h/images/p029.jpg
new file mode 100644
index 0000000..dddd476
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p029.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p033.jpg b/76280-h/images/p033.jpg
new file mode 100644
index 0000000..26c1402
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p033.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p037.jpg b/76280-h/images/p037.jpg
new file mode 100644
index 0000000..5beea54
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p037.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p041.jpg b/76280-h/images/p041.jpg
new file mode 100644
index 0000000..05cd899
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p041.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p045.jpg b/76280-h/images/p045.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b8d4129
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p045.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p049.jpg b/76280-h/images/p049.jpg
new file mode 100644
index 0000000..337d5ae
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p049.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p053.jpg b/76280-h/images/p053.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0f094b9
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p053.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p057.jpg b/76280-h/images/p057.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f484a61
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p057.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p061.jpg b/76280-h/images/p061.jpg
new file mode 100644
index 0000000..be08a22
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p061.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p062.png b/76280-h/images/p062.png
new file mode 100644
index 0000000..ca5f620
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p062.png
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p065.jpg b/76280-h/images/p065.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1e3693c
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p065.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p067-1.png b/76280-h/images/p067-1.png
new file mode 100644
index 0000000..73cc9b5
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p067-1.png
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p067-2.png b/76280-h/images/p067-2.png
new file mode 100644
index 0000000..6274f9b
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p067-2.png
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p068-1.png b/76280-h/images/p068-1.png
new file mode 100644
index 0000000..d03ca5e
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p068-1.png
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p068-2.png b/76280-h/images/p068-2.png
new file mode 100644
index 0000000..5ae38d9
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p068-2.png
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p071.jpg b/76280-h/images/p071.jpg
new file mode 100644
index 0000000..9919fcc
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p071.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p077.jpg b/76280-h/images/p077.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a6d4f21
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p077.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p081.jpg b/76280-h/images/p081.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c1ed639
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p081.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p089.jpg b/76280-h/images/p089.jpg
new file mode 100644
index 0000000..dcdb350
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p089.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p097.jpg b/76280-h/images/p097.jpg
new file mode 100644
index 0000000..27d83dd
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p097.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p105.jpg b/76280-h/images/p105.jpg
new file mode 100644
index 0000000..cb90810
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p105.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p113.jpg b/76280-h/images/p113.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4700b2f
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p113.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p121.jpg b/76280-h/images/p121.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8178416
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p121.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p129.jpg b/76280-h/images/p129.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b2edd35
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p129.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p135.jpg b/76280-h/images/p135.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6411c40
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p135.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p141.jpg b/76280-h/images/p141.jpg
new file mode 100644
index 0000000..bd14dfe
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p141.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p145.jpg b/76280-h/images/p145.jpg
new file mode 100644
index 0000000..01a68f1
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p145.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p153.jpg b/76280-h/images/p153.jpg
new file mode 100644
index 0000000..24aa00a
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p153.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p161.jpg b/76280-h/images/p161.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c82ff23
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p161.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p167.jpg b/76280-h/images/p167.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3e3778c
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p167.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p173.jpg b/76280-h/images/p173.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f9f854a
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p173.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p177.jpg b/76280-h/images/p177.jpg
new file mode 100644
index 0000000..5e9b909
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p177.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p181.jpg b/76280-h/images/p181.jpg
new file mode 100644
index 0000000..31f8086
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p181.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p185.jpg b/76280-h/images/p185.jpg
new file mode 100644
index 0000000..76a5840
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p185.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p189.jpg b/76280-h/images/p189.jpg
new file mode 100644
index 0000000..084e15a
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p189.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p193.jpg b/76280-h/images/p193.jpg
new file mode 100644
index 0000000..704935c
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p193.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p197.jpg b/76280-h/images/p197.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4a3852f
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p197.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p201.jpg b/76280-h/images/p201.jpg
new file mode 100644
index 0000000..aec6ef9
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p201.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p205.jpg b/76280-h/images/p205.jpg
new file mode 100644
index 0000000..703f3c3
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p205.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/p209.jpg b/76280-h/images/p209.jpg
new file mode 100644
index 0000000..768940d
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/p209.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/spine.jpg b/76280-h/images/spine.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1ec7c3a
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/spine.jpg
Binary files differ
diff --git a/76280-h/images/titlepage1916.png b/76280-h/images/titlepage1916.png
new file mode 100644
index 0000000..56ebd6a
--- /dev/null
+++ b/76280-h/images/titlepage1916.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..b5dba15
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This book, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this book outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..23c0cc3
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+book #76280 (https://www.gutenberg.org/ebooks/76280)