diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | 76280-0.txt | 9324 | ||||
| -rw-r--r-- | 76280-h/76280-h.htm | 10120 | ||||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/backcover.jpg | bin | 0 -> 331409 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/frontcover.jpg | bin | 0 -> 394097 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/ornament.png | bin | 0 -> 13276 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p005.jpg | bin | 0 -> 434261 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p009.jpg | bin | 0 -> 563069 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p013.jpg | bin | 0 -> 561864 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p017.jpg | bin | 0 -> 478323 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p021.jpg | bin | 0 -> 461793 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p025.jpg | bin | 0 -> 539362 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p029.jpg | bin | 0 -> 487686 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p033.jpg | bin | 0 -> 443987 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p037.jpg | bin | 0 -> 466939 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p041.jpg | bin | 0 -> 490193 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p045.jpg | bin | 0 -> 507333 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p049.jpg | bin | 0 -> 520223 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p053.jpg | bin | 0 -> 499267 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p057.jpg | bin | 0 -> 514252 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p061.jpg | bin | 0 -> 492771 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p062.png | bin | 0 -> 48301 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p065.jpg | bin | 0 -> 530704 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p067-1.png | bin | 0 -> 46539 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p067-2.png | bin | 0 -> 43548 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p068-1.png | bin | 0 -> 45178 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p068-2.png | bin | 0 -> 46595 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p071.jpg | bin | 0 -> 537093 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p077.jpg | bin | 0 -> 527632 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p081.jpg | bin | 0 -> 525413 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p089.jpg | bin | 0 -> 526184 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p097.jpg | bin | 0 -> 488459 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p105.jpg | bin | 0 -> 510855 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p113.jpg | bin | 0 -> 487182 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p121.jpg | bin | 0 -> 529132 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p129.jpg | bin | 0 -> 500117 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p135.jpg | bin | 0 -> 492299 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p141.jpg | bin | 0 -> 508801 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p145.jpg | bin | 0 -> 455933 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p153.jpg | bin | 0 -> 494373 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p161.jpg | bin | 0 -> 458908 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p167.jpg | bin | 0 -> 536268 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p173.jpg | bin | 0 -> 507323 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p177.jpg | bin | 0 -> 486287 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p181.jpg | bin | 0 -> 533755 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p185.jpg | bin | 0 -> 449200 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p189.jpg | bin | 0 -> 439028 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p193.jpg | bin | 0 -> 472767 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p197.jpg | bin | 0 -> 493886 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p201.jpg | bin | 0 -> 508207 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p205.jpg | bin | 0 -> 472896 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/p209.jpg | bin | 0 -> 490263 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 63031 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 76280-h/images/titlepage1916.png | bin | 0 -> 227851 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
56 files changed, 19461 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/76280-0.txt b/76280-0.txt new file mode 100644 index 0000000..643151c --- /dev/null +++ b/76280-0.txt @@ -0,0 +1,9324 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 *** + + + + + + WONDERREIZEN + + + JULES VERNE + + + MATHIAS SANDORF + + EEN VERIJDELDE SAMENZWERING + DOKTER ANTEKIRRT + + + + AMSTERDAM + UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER” + 1916 + + + + + + + + +I. + +DE REISDUIF. + + +Triëst, de hoofdplaats van Illyrië, wordt verdeeld in twee gedeelten, +die zeer weinig gelijkenis met elkander hebben; het eene is nieuw en +rijk, Theresienstadt genaamd, keurig netjes en regelmatig gebouwd langs +de boorden van die fraaie baai, waarvoor een deel door den mensch aan +de golven ontwoekerd werd; het andere gedeelte is eene oude en arme +stad, die geheel onregelmatig opgetrokken werd en besloten ligt +tusschen het Corso, waardoor zij van de Theresienstadt afgescheiden +wordt, en de hellingen van den Karstberg, welks top bekroond is met +eene citadel, die een schilderachtig uiterlijk heeft. + +De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks +nabijheid de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. Daar vormen zich +gemakkelijk en soms in onrustbarend aantal, groepen van die +straatslijpers, van die bohemers, zooals zij wel genoemd worden, van +die kerels zonder dak, welker jassen, broeken en vesten waarachtig geen +zakken noodig hebben, omdat hunne eigenaren nooit iets gehad hebben en +nooit iets zullen hebben, om er in te bergen. + +Evenwel op den dag, waarop dit verhaal begint—den 18den Mei 1867—zou +men te midden van die landloopers twee personen opgemerkt hebben, die +een weinig beter gekleed waren dan hunne omgeving. Of ze ooit veel last +hadden of hebben zouden van de guldens of kreutzers, die zij bezaten, +was weinig waarschijnlijk, tenzij de kansrekening ten hunnen gunste +uitviel. Het is waar dat het een paar kerels waren, die in staat geacht +moesten worden, alles te doen om de fortuin de hand te reiken en haar +gunstig te stemmen. + +De een heette Sarcany, die beweerde dat hij van Tripoli afkomstig was. +De andere was op Sicilië geboren en heette Zirone. Beiden, na den +havendam voor den tienden keer op en neer gedrenteld te hebben, waren +op zijn uiteinde blijven stilstaan. Van dat punt onderzochten zij den +gezichteinder op zee ten westen van de baai van Triëst, alsof daar aan +de kim een schip moest opduiken, hetwelk hun een vermogen zou +aanbrengen! + +„Hoe laat is het?” vroeg Zirone in het Italiaansch, dat zijn makker +even vlug en vloeiend sprak als al de andere tongvallen, die rondom de +Middellandsche Zee gesproken worden. + +Sarcany antwoordde niet. + +„Och, ben ik niet dom, met zoo’n vraag te doen!” riep de Siciliaan uit. +„Men weet altijd hoe laat het is, wanneer men den honger gevoelt, als +men niets te ontbijten heeft gehad!” + +De Oostenrijksche, Italiaansche en Slavonische bestanddeelen der +maatschappij zijn in dit gedeelte van het Oostenrijksch-Hongaarsche +koninkrijk zoodanig vermengd, dat de aanwezigheid van die twee +personen, hoewel zij blijkbaar vreemdelingen in de stad waren, +volstrekt niet de aandacht trok. En al hadden zij ook al leege zakken +en al waren zij ook arm als Job, zoo kon dat niemand raden, daar zij +onder den bruinen mantel, die hen tot op de hielen viel, een hooge +borst zetten, alsof zij wonder veel in de melk te brokken hadden. + +Sarcany, de jongste dier beide mannen, was van middelbare gestalte, +maar evenredig gebouwd. Hij bezat aangename manieren en een bevalligen +gang en was vijf en twintig jaren oud. Hij heette Sarcany, zonder meer. +Geen voornaam, geen doopnaam. En inderdaad, hij was niet gedoopt, omdat +hij zeer waarschijnlijk van Afrikaansche herkomst was, van Tripoli of +Tunis. Maar hoewel zijne huid gebruind was, deden zijne regelmatige +trekken hem eerder voor een blanke dan voor een neger doorgaan. + +Wanneer ooit het uiterlijk bedriegelijk was, dan was het wel dat van +Sarcany. Men moest wel een ervaren opmerker zijn om uit dat regelmatige +gelaat, met die schoone zwarte oogen, met dien fijngevormden neus, met +dien keurig geteekenden mond, die door een fijn kneveltje beschaduwd +werd, de diepe sluwheid van dien jongen man op te maken. Geen nog zoo +scherpziend oog zou op dat strakke, ijskoude gelaat die kenmerken van +diepe verachting en van peilloozen afkeer hebben kunnen ontdekken, die +uit een voortdurenden opstand en strijd tegen de maatschappij geboren +worden. Wanneer de gelaatkundigen, en in zeer vele gevallen terecht, +beweren, dat ieder bedrieger in weerwil van zijne behendigheid tegen +zich zelven getuigt, zoo zou Sarcany die bewering volkomen +gelogenstraft hebben. Niemand zou op het eerste gezicht van dien man +hebben kunnen gissen, wie hij was of wat hij geweest was. Hij ontlokte +dien onweerstaanbaren afkeer niet, die door schurken en bedriegers +opgewekt wordt. Hij was er des te gevaarlijker door. + +Hoe of wat was de kindsheid van Sarcany geweest? Dat wist niemand te +vertellen. Ongetwijfeld die van een verlaten, verstooten wezen. Hoe was +hij opgevoed geworden? En door wien? In welk Tripolitaansch gat bracht +hij zijne eerste kinderjaren door? Door welke zorgen ontsnapte hij aan +de zoovele oorzaken van verdelging en vernietiging onder die +noodlottige klimaatsinvloeden? Waarlijk niemand—hij zelf waarschijnlijk +ook niet—zou op die vragen antwoord hebben kunnen geven. Het toeval had +hem het aanzijn geschonken, het toeval sleepte hem voort en hij was +bestemd afhankelijk van het toeval te leven! Toch had hij in zijne +jeugd eenig practisch onderricht genoten, hetwelk hij daaraan +waarschijnlijk verschuldigd was, dat hij door de wereld had moeten +rondzwerven, dat hij met allerhande slag van menschen had moeten +omgaan, en dat hij er steeds op bedacht had moeten zijn om kunstmiddel +op kunstmiddel uit te denken, al ware het maar om zijn dagelijksch +onderhoud machtig te worden. Daardoor en door nog verschillende andere +omstandigheden was hij sedert eenige jaren in aanraking gekomen met een +der rijkste huizen van Triëst, met het bankiershuis van Silas +Toronthal, wiens naam innig samengeweven zal zijn met den draad dezer +geschiedenis. + +Wat den makker van Sarcany, den Italiaan Zirone, betreft, och, men +heeft in hem slechts te zien een dier mannen zonder god of gebod, een +avonturier, in staat om alles te doen, om alles ter hand te nemen, +iemand die ter beschikking is van den eerste den beste die goed +betaalt, om dien te verraden ter wille van een ander, die nog beter +afschuift. Hij was, zooals reeds gezegd is, op Sicilië geboren en +ongeveer dertig jaar oud. Hij was er de man naar, om zoowel slechten +raad te geven als dien te ontvangen. Vooral evenwel zorgde hij voor de +uitvoering daarvan. In welke plaats was hij geboren? Misschien zou hij +die vraag beantwoord hebben als hij het geweten had. Maar in ieder +geval bekende hij ongaarne waar hij woonde, als hij wel te verstaan +ergens woonde. Het was op Sicilië dat het toeval van zijn zwervend +leven hem in aanraking met Sarcany gebracht had. En zoo gingen zij de +wereld door en trachtten door alle geoorloofde en ongeoorloofde +middelen uit hun beider slecht gesternte munt te slaan en de fortuin te +beproeven. Zirone evenwel, een groote, gebaarde kerel, met zeer bruine +huid en zeer zwart haar, zou eenige moeite hebben om zijne aangeborene +schelmachtigheid te bemantelen, die uit zijne steeds half gesloten +oogen straalde en door zijn voortdurend hoofdschudden aangeduid werd. + +Alleen hij poogde zijne sluwheid achter eene luidruchtige +babbelachtigheid te verbergen. Hij was daarenboven eerder vroolijk dan +droevig van aard en veel meer mededeelzaam dan zijn makker. + +Dien dag sprak Zirone evenwel met eene soort van omzichtigheid. +Klaarblijkelijk verontrustte hem zijne hongerigheid. Den vorigen dag +had hij een laatste partij gespeeld in een speelhol van zeer laag +allooi, waarbij de fortuin hem onbarmhartig stiefmoederlijk behandeld +had, en hij de laatste hulpmiddelen van Sarcany verspeeld had. Geen +hunner wist dan ook hoe aan eten te komen. Ze konden en mochten slechts +op het toeval rekenen, en daar die bedelaars-voorzienigheid zich niet +haastte om hun de hand te reiken daar op dien havendam van San Carlo, +zoo besloten zij haar een eindje tegemoet te treden, door de nieuwe +stad in te stappen. + +Daar op de pleinen, op de kaden, op de wandelwegen, zoowel aan deze als +aan gene zijde van de haven, langs het groote kanaal, dat geheel Triëst +doorsnijdt, daar gaat, komt en verdringt zich, in den ijver om zaken te +doen, eene bevolking van zeventig duizend zielen van Italiaanschen +oorsprong, welker taaldialect, hetwelk dat van Venetië is, zich oplost +in de kosmopolitische spraakverwarring van al die zeelieden, +handelaren, geëmployeerden, beambten, die een mengelmoes doen hooren, +dat uit Duitsch, Fransch, Engelsch en Slavonisch bestaat. + +Hoewel beweerd kan worden, dat die nieuwe stad rijk is, zoo moet +daaruit de gevolgtrekking niet gemaakt worden dat allen, die daar op de +straten ronddrentelen, gelukkige stervelingen genoemd kunnen worden. +Neen, waarachtig niet. De meest-vermogenden zouden onmogelijk hebben +kunnen wedijveren met die Engelsche, Armenische, Grieksche en Joodsche +handelaren, die te Triëst den baas spelen en welker weelderige +huishouding de hoofdstad van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk +overwaardig zou zijn. Maar die buiten rekening gelaten, hoeveel arme +drommels, die van ’s morgens tot ’s avonds zwerven door die +handelslanen, welke door hooge gebouwen omgeven zijn, die gesloten +worden als geldkisten en waarin allerhande koopwaren, welke naar die +vrijhaven, die zoo gunstig in dien uithoek van de Adriatische Zee +gelegen is, gebracht worden, opgestapeld liggen. Hoeveel lieden +drentelen daar niet, die niet ontbeten hebben, die misschien niet +zullen middagmalen, opgehouden als zij zullen worden op de havenkaden, +waar de schepen van de machtigste maritieme maatschappij van Europa, de +Oostenrijksche Lloyd, zooveel rijkdom, van al de streken der aarde +bijeengebracht, ontladen. Hoeveel rampzaligen eindelijk, zooals er bij +honderden in Londen, Liverpool, Amsterdam, Rotterdam, Marseille, Havre, +Antwerpen, Livorno, in één woord in alle handelssteden, tusschen rijke +reeders en cargadoors rondkrioelen in de nabijheid dier pakhuizen, +welker ingang voor hen gesloten is, op de beurspleinen dier steden, +gebouwen aan Mercurius gewijd, die zich nimmer voor hen zullen +ontsluiten, bewegen zich niet ook hier te Triëst beneden aan die +trappen van dat Tergesteum, waar de Lloyd hare kantoren gevestigd +heeft, hare leeszalen bezit, en in volmaakte overeenkomst met de Kamer +van Koophandel leeft. + +Het is onbetwistbaar dat in al de groote zeesteden van de oude en +nieuwe wereld, een klasse van ongelukkigen rondkrioelt, die aan die +groote handelscentra eigen zijn. Vanwaar zij komen, weet niemand. Hoe +dat lot hun beschoren werd, evenmin. Waar zij het hoofd neerleggen +zullen, weten zij zelven niet. Onder hen worden aangetroffen die van +hooger standpunt weggedrongen werden. Het zijn meestal vreemdelingen +bovendien. De spoortreinen en de koopvaardijschepen brachten hen aan en +wierpen hen op het perron of op de kaden als colli’s vrachtgoederen +zonder waarde, en zij vormen een ware belemmering op den openbaren weg, +vanwaar de politie hen te vergeefs zoekt te verdrijven. + +Sarcany en Zirone, na nog een blik over de baai tot aan den vuurtoren, +die op de uiterste punt van Sint Theresia opgericht is, geworpen te +hebben, verlieten alzoo den havendam en namen hun weg tusschen het +Teatro Comunale en de kade door en bereikten zoo de Piazza Grande, waar +zij gedurende een kwartieruur slenterden in de nabijheid van de +fontein, die opgetrokken werd van steenen, welke uit den naburigen +Karstberg gehaald waren, en in de nabijheid van het standbeeld van +Karel VI. + +Beiden sloegen toen links af. Intusschen bekeek Zirone de +voorbijgangers met onderzoekenden blik, alsof hij van het +onweerstaanbare plan zwanger ging te willen zakkenrollen. Daarna +slenterden zij rondom het groote vierkant van Tergesteum, juist op het +oogenblik dat de beurstijd eindigde. + +„De beurs is nu leeg.... zooals de onze!” meende de Siciliaan met een +glimlach te moeten opmerken, hoewel hij volstrekt geen trek in lachen +had. + +Maar de onverschillige Sarcany scheen zelfs het geestige woordenspel +van zijn makker niet gehoord te hebben. Deze evenwel rekte zich de +ledematen uit en geeuwde van honger. + +Daarna stapten zij het driehoekige plein over, waarop zich het bronzen +standbeeld van keizer Leopold I verheft. Een scherp gefluit van Zirone, +die dat als een echte straatjongen kon, deed een vlucht blauwe duiven +opvliegen, die onder de boogvormige afdaken van de oude Beurs +koekeloeren, zooals de grijsachtige duiven doen tusschen de Procuraties +van het Sint-Markusplein te Venetië. Niet ver van daar ontwikkelde zich +het Corso, dat het nieuwe Triëst van het oude scheidt. + +Dat Corso is een breede straat, die evenwel zonder bevalligheid is, +waarin goedbeklante magazijnen aangetroffen worden, die evenwel +smakeloos genoemd moeten worden. Die straat doet eerder denken aan de +Regentstreet van Londen of de Broadway van New-York, dan aan de +Boulevards des Italiens te Parijs. Een groot aantal voorbijgangers +wordt er steeds aangetroffen. Ook het aantal rijtuigen is er +aanmerkelijk, die van de Piazza Grande naar de Piazza della Legna +rijden.—Die namen duiden aan dat de stad haren Italiaanschen oorsprong +nog niet vergeten is. + +Wanneer Sarcany den schijn aannam ongevoelig te zijn voor iedere +verzoeking, zoo ging Zirone toch die rijke winkels niet voorbij zonder +er dien bijzonderen afgunstigen blik in te werpen, die van hen uitgaat, +die de middelen missen naar binnen te kunnen gaan. Daar waren toch +zaken in overvloed aanwezig, die zij wel zouden hebben kunnen +gebruiken, vooral bij de kooplieden in eetwaren en in de „bièreries” +waar het bier meer overvloedig stroomt dan in eenige andere stad van +het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk. + +„Ik gevoel nog meer honger dan dorst op dit Corso,” merkte de Siciliaan +op, terwijl hij met de tong tusschen zijn verdroogde lippen smakte, +alsof hij een kleppermansratel liet hooren. + +Die opmerking werd door Sarcany met een eenvoudig schouderophalen +beantwoord. + +Beiden sloegen toen de eerste straat links in, en toen zij op de oevers +van het kanaal waren aangekomen, op het punt waar de Ponto Rosso—eene +fraaie draaibrug—overgang verleende, stapten zij die kaden langs, waar +zelfs schepen van grooten diepgang kunnen vastmeeren. Daar werden zij +veel minder verlokt en gepijnigd door de uitstalling van allerlei +lekkernijen. Ter hoogte van de kerk Sant-Antonio gekomen, sloeg Sarcany +plotseling rechtsom. Zijn makker volgde hem zonder eenige bemerking te +maken. Daarna staken zij weer het Corso over en drentelden thans door +de oude stad, welker straten zeer smal en onbruikbaar voor rijtuigen +zijn, wanneer zij althans die eerste hellingen van den Karstberg +bereiken en daartegen als het ware willen opklimmen. Die straten nemen +in den regel zulke richting, dat zij niet door den schrikkelijken +Borawind—zoo wordt een stevige noordoostelijke bries genoemd—bestreken +kunnen worden. Hier in dat oude Triëst zouden Zirone en Sarcany als +ware platzakken, zich meer te huis gevoelen dan in de rijke en +prachtige kwartieren van de nieuwe stad. + +Zij logeerden dan ook inderdaad achter in een zeer bescheiden +passantenhuis, niet ver van de kerk van Santa Maria Magiore, en hadden +daar reeds hun intrek genomen bij hunne aankomst in de hoofdplaats van +Illyrië. Maar daar de logementhouder nog nooit eenig geldstuk van hen +te zien had gekregen en steeds dringender werd om zijne rekening, die +iederen dag al grooter en grooter werd, betaald te krijgen, vermeden +zij die gevaarlijke kaap, staken het plein over en flaneerden gedurende +eenigen tijd rondom de Arco di Riccardo. + +Maar op den keper beschouwd, de studie van die overblijfselen van +vermeende bouwkunst kon hen niet bevredigen. Daar dus het toeval dezen +keer blijkbaar zich niet haastte om hen te midden van die slecht +befaamde straten te hulp te komen, begonnen zij, de een gevolgd door +den ander, de steile stegen te beklimmen, die bijna tot op den top van +den Karstberg, naar het plein der kathedraal voerden. + +„Een zonderling denkbeeld om daar naar boven te klimmen,” mompelde +Zirone, terwijl hij onderwijl zijn mantel om zijn middel vaster +aantrok. + +Maar al pruttelde hij ook, hij verliet zijn makker niet, en van beneden +gezien, had men kunnen waarnemen, hoe zij zich langs die trappen, die +oneigenaardig straten genoemd worden en langs de hellingen van den +Karstberg aangelegd zijn, opheschen. Tien minuten later hadden zij, +hongeriger en dorstiger dan te voren, het plein daarboven bereikt. + +Dat van dit hooge standpunt het vergezicht zich prachtig uitstrekte +over de baai van Triëst tot aan de volle zee, over de zoo levendige +haven door het heen en weer varen der visschersvaartuigen, door het in- +en uitstevenen der oorlogs-stoomers en der koopvaardijschepen; dat de +blik kon waren over de geheele stad, over hare voorsteden, over de +laatste huizen, die op de hellingen gelegen waren, over de villa’s, die +verspreid op de hoogten verrezen, neen, dat alles kon onze twee +avonturiers volstrekt niet meer boeien. Zij hadden in hun leven wel wat +anders gezien en bovendien, hoe dikwijls hadden zij niet op die hoogte +met hunne ellende en met hunne verveling rondgewandeld? Zirone vooral +had veel liever langs de rijke winkels van het Corso gedrenteld. Maar +wat er aan te doen! Nu zij toch het toeval en zijne onvoorziene +weldadigheden daar boven waren komen zoeken, moesten zij die zonder al +te veel ongeduld afwachten. + +Er stond daar bij het uiteinde van de trap, die toegang tot het terras, +dicht bij de Byzantijnsche Kathedraal van Sint Justus verleende, eene +omheinde ruimte, die vroeger een kerkhof was, maar thans als museum van +oudheden te bezichtigen was. Het waren geen graven meer, die er +aangetroffen werden, maar brokstukken van grafsteenen, die onder de +lage takken van zeer fraaie boomen verscholen lagen, Romeinsche +obeliskvormige monolithen, voetstukken uit de middeleeuwen, stukken van +Dorische friezen en anderen, afkomstig uit den Renaissance-stijl, +verglaasde cubussen, waarop nog steeds de sporen van vuur en asch te +bespeuren waren. Dat alles lag daar door elkander in het gras. + +De deur van die omheinde ruimte was niet gesloten. Sarcany had slechts +de moeite te nemen haar open te duwen. Hij trad, gevolgd door Zirone, +binnen, die evenwel deze meewarige opmerking niet kon onderdrukken: + +„Wanneer wij het denkbeeld koesterden om een einde aan ons leven te +maken, dan zou waarachtig de plek uitstekend gekozen zijn.” + +„En als men u voorsloeg dat te doen?” vroeg Sarcany met spottende stem. + +„Wel, daar zou ik hartelijk voor danken, kameraad! Als men mij slechts +één gelukkigen dag op de tien verschaft, och, dan ben ik tevreden, ik +vraag niet meer.” + +„Dien gelukkigen dag zal men je verschaffen—en wellicht beter dan dat.” + +„Dat je alle heiligen, die door de Italianen vereerd worden, verhooren. +En toch weet God alleen dat die gelukzaligen bij honderden geteld +worden.” + +„Kom steeds voort!” hernam Sarcany. + +„Waarheen?” + +„Kom maar.” + +Beiden volgden nu eene halfcirkelvormige laan, welke tusschen +grafsteenen en eene dubbele rij urnen doorliep, en gingen zitten op een +grooten steen, die in den vorm van een Romaansche roos uitgebeiteld en +met den vloer gelijk was. + +Eerst namen zij een diep stilzwijgen in acht, dat Sarcany scheen te +bevallen, maar zijnen makker volstrekt niet beviel. Zirone sprak dan +ook weldra, terwijl hij een paar krampachtige spiertrekkingen der +kaakbeenderen niet kon onderdrukken: + +„Hel en duivel, het toeval, waarop wij als echte dwazen rekenen, haast +zich niet om ons te hulp te komen!” + +Sarcany antwoordde niet. + +„Maar welk denkbeeld dan ook,” ging Zirone voort, „om tot hier te +midden van die bouwvallen te komen! Ik geloof, kameraad, dat wij een +verkeerd pad ingeslagen hebben. Wie, duivel, zou hier het toeval de +hand willen komen reiken, hier op dit oud kerkhof iemand komen +verplichten? De zielen der overledenen kunnen het toeval best missen, +die hebben niets meer noodig, sedert zij hun aardsch omhulsel +verlieten. En wanneer ik zoover gekomen zal zijn, och, dan zal mij een +vertraagd diner of een souper dat niet komt, bitter weinig kunnen +schelen! Kom, laat ons heengaan!” + +Sarcany was nog in zijne overdenkingen verdiept en had den blik als het +ware in de ruimte verloren. Hij bewoog dan ook geen vin. + +Zirone bleef nog een poos zonder verder te spreken. Daarop hernam zijne +gewone babbelzucht weer hare rechten. + +„Sarcany,” zei hij, „wilt gij weten onder welke gedaante ik thans dat +toeval, hetwelk ons, zijn beste klanten, zoo liederlijk in den steek +laat, zou willen zien verschijnen? In de gedaante van een der +kassiersloopers van het huis Toronthal, die hier zou aankomen met eene +portefeuille opgepropt met bankbiljetten en die ons die portefeuille +uit naam van den genoemden bankier zou toevertrouwen, onder bijvoeging +van duizend verontschuldigingen, dat hij ons zoo lang heeft laten +wachten.” + +„Luister, Zirone,” sprak Sarcany, wiens wenkbrauwen geweldig fronsten. +„Ik zeg je voor de laatste maal, dat wij niets meer van Silas Toronthal +te hopen of te verwachten hebben.” + +„Zijt gij er zeker van?” + +„Ja, het geheele krediet dat ik bij hem hebben kon, is thans uitgeput +en op mijne laatste aanvragen heeft hij met een formeele en afdoende +weigering geantwoord.” + +„Te drommmel, dat ’s gek!” + +„Zeer gek, maar het is niet anders!” + +„Maar.... als uw krediet uitgeput is,” hernam Zirone, „dan is dat toch +het bewijs dat ge krediet gehad hebt. Wat was er de grondslag van? +Waarop berustte het? Daarop, nietwaar, dat ge herhaaldelijk uwe +verstandelijke vermogens en uw ijver ten dienste van het bankiershuis +bij het behandelen van sommige teergevoelige zaken gesteld hebt.... +Daarom is Toronthal gedurende de eerste maanden van ons verblijf te +Triëst niet al te weerstrevend geweest op het gebied van +geldverstrekken! Maar ik acht het voor onmogelijk dat ge hem niet meer +op de een of andere wijze in uwe macht zoudt hebben, en door hem te +bedreigen....” + +„Geloof mij, als dat mogelijk ware, zou het reeds geschied zijn,” +antwoordde Sarcany, terwijl hij de schouders optrok, „en zoudt ge thans +niet verplicht zijn rond te loopen om een diner te zoeken. Neen, bij +God! ik heb dien Toronthal niet in mijne macht! Maar wat niet is, kan +nog wel gebeuren, en dien dag dan zal hij mij èn kapitaal, èn +interessen èn interessen van interessen van al hetgeen hij mij nu +weigert, uitbetalen! Ik verbeeld mij, en misschien niet zonder reden, +dat de zaken van zijn kantoor voor het tegenwoordige eenigszins in de +war zijn en dat hij fondsen in wankelende zaken gestoken heeft, die erg +gevaar loopen. De weeromstuit van verscheidene faillissementen in +Duitschland, te Berlijn en te Munchen, heeft zich tot hier in Triëst +doen gevoelen, en wat hij ook heeft mogen beweren, zoo scheen mij Silas +Toronthal zeer onrustig, toen ik hem den laatsten keer bezocht! Kom, +laten wij het water troebel laten worden.... en als dat gebeurd zal +zijn....” + +„Welnu, ja,” riep Zirone uit, „dat ’s goed! Maar intusschen hebben wij +nog slechts water om te drinken. Ziet ge, Sarcany, ik ben van meening +dat gij nog een poging bij Toronthal moest wagen. Gij moest nog een +keer bij zijne kas aankloppen om te trachten, al was het maar zooveel +te verkrijgen, ten einde naar Sicilië via Malta terug te kunnen +keeren....” + +„Maar wat wilt ge in Sicilië uitvoeren?” + +„Dat is mijn zaak. Dat land ken ik en ik zou een troepje Maltezers, +flinke kerels, zonder vooroordeelen, waar wat van te maken zoude zijn, +er heen kunnen voeren. Welnu, voor den drommel! als hier niets meer te +beproeven valt, laten wij dan heengaan, maar laten wij alvorens dien +verwenschten bankier noodzaken ons reisgeld te verschaffen. Hoe weinig +gij ook van hem schijnt te weten, zal dat toch wel voldoende zijn om +hem te doen inzien, dat het voor hem veiliger zal wezen, dat gij u +overal elders dan te Triëst zult bevinden!” + +Sarcany schudde het hoofd. + +„Kom, vooruit! Het kan onmogelijk lang meer duren,” hernam Zirone. „Wij +zijn geheel blut!” + +Hij was opgestaan, en stampte met den voet op den grond, zooals hij +eene stiefmoeder zou gedaan hebben die hem stiefmoederlijk zoude +behandeld hebben. + +In dit oogenblik werd zijn blik geboeid door een vogel, die buiten de +omheinde ruimte slechts met moeite scheen te kunnen vliegen. Het was +eene duif, wier vermoeide vleugelen ternauwernood nog klapwieken konden +en die naar den grond streek. + +Zirone had, zonder zich af te vragen, tot welke der honderd zeven en +zeventig soorten van duiven, thans in de ornithologische naamlijst +opgenomen, die vogel behoorde, slechts ééne zaak voor oogen, namelijk +dat hij tot de eetbare soorten behoorde. Hij wees hem dan ook met den +vinger aan zijn makker en verslond hem met den blik. + +De vogel was klaarblijkelijk uitgeput en het einde zijner krachten +nabij. Hij poogde zich vast te klemmen aan de uitstekende gedeelten van +de kathedraal, welker voorgevel geflankeerd is door een vierkanten +toren, die van oude dagteekening is. Toen hij zich niet meer kon houden +en op het punt was naar beneden te vallen, kwam hij zich eerst +neerzetten op het dakwerk van eene kleine nis, waaronder het beeld van +den heiligen Justus prijkte; maar de vermoeide pootjes van de duif +weigerden hun dienst; zij kon zich niet vastklemmen en liet zich +glijden tot op het kapiteelwerk van eene oude zuil, die in den hoek +stond, welke door dien toren en dien voorgevel gevormd werd. + +Al volgde Sarcany, die steeds onbeweeglijk en stilzwijgend daar neer +zat, de duif in hare vlucht niet, zoo verloor haar Zirone daarentegen +niet uit het oog. Zij was uit noordelijke richting gekomen. Een lange +tocht had haar geheel en al uitgeput. Klaarblijkelijk zette haar +instinct haar aan om een nog verder gelegen doel te bereiken. Zij +hernam dan ook bijna dadelijk hare vlucht en volgde eene gebogen +richtingslijn, die haar noodzaakte tot eene nieuwe halt, juist op de +benedentakken van een der boomen van het oude kerkhof. + +Toen besloot Zirone de duif te bemachtigen. Hij sloop dan ook zachtkens +en langs den grond kruipende naar den boom. Weldra had hij den +geknoesten stam bereikt, die gelegenheid te over aanbood om de +vorkvormige vertakking van de kruin te kunnen bereiken. Daar bleef hij +onbewegelijk en stom in de houding van een speurhond, die eenig wild +bespiedt, dat boven zijn hoofd gezeten is. + +De duif, die hem niet bemerkt had, wilde toen hare vlucht hervatten, +maar hare krachten verlieten haar andermaal, zoodat zij op weinige +passen verder op den grond viel. + +Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de +hand grijpen, dat was voor den Siciliaan het werk van een ondeelbaar +oogenblik. En hij was heel natuurlijk op het punt om de arme duif te +verworgen, toen hij zich plotseling weerhield, een kreet van +verwondering uitstiet en in allerijl bij Sarcany terugkwam. + +„Eene reisduif!” zei hij. + +„Waarlijk, dat is dan een reiziger, die zijn laatste reis afgelegd +heeft!” antwoordde Sarcany. + +„Ongetwijfeld” hernam Zirone, „en des te erger voor hen, aan wie het +briefje is gericht, dat onder den vleugel der duif vastgemaakt zit.” + +„Een briefje!” riep Sarcany uit. „Wacht Zirone, wacht! Zoo iets dwingt +tot uitstel van executie!” + +Hij weerhield de hand van zijn makker, die reeds den hals van de arme +duif omkneld hield. Daarna nam hij het zakje dat Zirone reeds +losgemaakt had, opende het en haalde er een briefje uit dat een +raadselschrift vertoonde: + + + ghfhna dalant ltenka + aohhzk aenzse lsnivi + rnryoo tnpees seyehe + lxosde soelnl sglpte + veknni ilarna lotasa + yareah uezmtl rradae + + +Omtrent de plaats van vertrek en omtrent de bestemmingsplaats van het +briefje geen enkel woord. Wat die achttien woorden betreft, die ieder +uit een gelijk aantal letters samengesteld waren, zoude het mogelijk +zijn, de beteekenis daarvan te weten te komen zonder den sleutel te +kennen? Dat was al zeer onwaarschijnlijk, tenzij een hunner een +behendig oplosser van raadsels mocht heeten en dan moest nog het geval +bestaan dat het schrift ontraadselbaar was. + +Tegenover dat geheimschrift, dat voor hen niets beteekende, bleef +Sarcany eerst teleurgesteld, daarna zeer beteuterd in gedachten +verzonken staan. Zou dat briefje een belangrijk, maar vooral een +compromitteerend bericht behelzen? Dat kon, dat moest aangenomen +worden. Dat duidden de voorzorgen genoegzaam aan, die genomen waren, +dat het, wanneer het bij ongeluk in verkeerde handen viel, door niemand +anders kon gelezen worden dan door hen, voor wie het bestemd was. Ook +gaf het vervoermiddel achterdocht. Door toch noch van den postdienst, +noch van de telegraaf gebruik te maken, maar integendeel het +wonderlijke instinct van de reisduif te bezigen, was het duidelijk, dat +het eene zaak gold, die zeer geheimzinnig behandeld moest worden. + +„Wellicht,” zei Sarcany, „schuilt er in die regels een geheim, dat ons +een vermogen zou kunnen bezorgen!” + +„Dan zou die duif,” hernam Zirone, „de vertegenwoordigster van het +toeval zijn, dat wij sedert heden ochtend zoo opgespoord hebben. +Duivels! ik die het arme dier wilde worgen!.... Maar alles goed en wel +beschouwd, is het briefje toch het meest belangwekkende, zoodat er zich +niets tegen verzet om den briefbesteller te braden.” + +„Haast je maar niet, Zirone,” antwoordde Sarcany, die dezen keer +andermaal het leven der duif redde. „Misschien kunnen wij door middel +dier duif te weten komen, aan wien dat briefje gericht is, wel te +verstaan, wanneer die te Triëst woont.” + +„En daarna? Dat zal je toch het middel niet aan de hand doen om te +kunnen lezen wat in dat briefje staat, Sarcany!” + +„Neen, Zirone.” + +„Ook niet om te weten, van waar dat briefje komt!” + +„Ook dat niet! Maar als het mij lukt van twee correspondenten een te +leeren kennen, dan verbeeld ik mij, dat dat wel eene vingerwijzing zou +kunnen wezen om ook achter den ander te komen, nietwaar?” + +„Ja.... zoo beschouwd....” + +„In plaats dan van die duif te dooden en te braden, moeten wij er ons +integendeel op toeleggen haar hare krachten terug te bezorgen, opdat +zij hare bestemming bereiken kunne!” + +„Met het briefje?” vroeg Zirone. + +„Met het briefje, waarvan ik evenwel alvorens een nauwkeurig afschrift +zal maken, dat ik bewaren zal, tot het oogenblik zal gekomen zijn om er +gebruik van te maken!” + +Sarcany haalde vervolgens een aanteekeningsboekje uit zijn zak te +voorschijn en nam met het daarin aanwezige potlood een afschrift van +het briefje. Daar hij wist dat bij de meeste raadselschriften niets +verwaarloosd mag worden omtrent hunne daadwerkelijke rangschikking, zoo +zorgde hij dat de stand der woorden onderling onaangetast bleef. Toen +hij daarmee klaar was, borg hij dit afschrift in zijn notitieboekje op, +herplaatste het briefje in het zakje en het zakje onder den vleugel der +duif. + +Zirone keek aandachtig toe, zonder evenwel bijster veel hoop te +koesteren omtrent een vermogen, dat door dit toeval verworven zou +moeten worden. + +„En thans?” vroeg hij. + +„Thans,” antwoordde Sarcany, „is het zaak om den brievenbesteller goed +te verzorgen.” + +En dat was inderdaad noodig; want de duif was meer uitgeput door den +honger dan door de vermoeienis. Hare vleugels waren ongeschonden, +zonder een enkele beleediging of breuk, en bewezen dan ook ten volle, +dat de kortstondige flauwte, die het dier overvallen had, noch aan +eenige hagelkorrels van den een of anderen jager, noch aan een +steenworp van den een of anderen boosaardigen straatjongen te wijten +was. De vogel had honger, maar vooral dorst. + +Zirone zocht dus en vond op den grond eenige zaadkorrels, die de duif +met gretigheid oppikte. Eindelijk leschte hij haren dorst bij een +plasje water, dat van den laatst gevallen regen in een scherf van een +antieke vaas van gebakken steen achtergebleven was, zoodat een half +uur, nadat de duif gevangen was geworden, zij, zoo gekoesterd, geheel +hersteld, in staat was haar onderbroken reis te hervatten. + +„Als zij nog ver moet vliegen, als zij verder dan Triëst moet zijn, dan +kan het ons minder schelen of die duif onderweg omkomt,” zei Sarcany, +„daar wij haar alsdan uit het oog zullen verliezen en wij haar +onmogelijk zullen kunnen volgen. Wanneer zij evenwel in een der huizen +van Triëst verwacht wordt en daar de eindpaal harer reis is, dan zullen +haar de krachten niet ontbreken om dat te bereiken, want zij heeft dan +nog maar een paar minuten te vliegen.” + +„Ge hebt volkomen gelijk,” antwoordde de Siciliaan, „maar zullen wij +haar met onzen blik kunnen volgen tot de plek waar haar duivenslag +staat, al zou het ook zijn, dat die te Triëst aangetroffen werd?” + +„Wij zullen in ieder geval ons best daarvoor doen en onze maatregelen +daartoe nemen,” antwoordde Sarcany leuk. + +En ziehier wat hij deed: + +De kathedraal, welke uit twee oude Romaansche kerken bestond, die de +eene aan de H. Maagd en de andere aan Sint Justus, den beschermheilige +van Triëst, gewijd waren, wordt gesteund door een hoogen toren, die +zich op den vleugel verhief van dien frontgevel, waarin eene groote, +roosvormige versiering prijkte, welke boven de hoofddeur van het gebouw +aangebracht was. Die toren beheerschte de geheele topvlakte van den +Karstberg, en de stad ontwikkelt zich daar beneden als een uitermate +fraaie reliëfkaart. Van dit verheven punt ontwaart men al de vierkante +vlakken, gevormd door de daken der huizen van de stad, van de +heuvelhellingen af tot aan den oever der baai toe. Het zou dus niet +onmogelijk zijn de duif in hare vlucht te volgen, wanneer men haar op +den top van den toren losliet. Ongetwijfeld zou dan het huis te +herkennen zijn, waarop zij zou neerstrijken, wanneer zij namelijk +Triëst en geen andere stad of dorp van Illyrië tot bestemming had. + +Die poging kon slagen en zij was wel waard om beproefd te worden. Men +had slechts de duif in vrijheid te stellen. + +Sarcany en Zirone verlieten dan ook dit oude kerkhof, staken het kleine +plein, vóór de kerk gelegen, over en stapten op den toren toe. Een der +ogiefvormige deuren, juist dezelfde, die onder het voetstuk van de nis +van den Heiligen Justus aangebracht was, stond open. Beiden traden +binnen en begonnen met de ruwe treden van de wenteltrap, die naar boven +leidde, te bestijgen. + +Zij hadden vier of vijf minuten noodig om den top des torens, die in +een spits dak eindigt en dus geen plat heeft, te bereiken. Maar daar +aangekomen, bemerkten zij twee vensters op ieder front van het hooge +gebouw, die veroorloofden den blik langs den geheelen gezichteinder, +zoowel langs de heuvelen als langs de zee, te laten waren. + +Sarcany en Zirone namen plaats aan dat venster, hetwelk direct uitzicht +op Triëst in noordwestelijke richting verleende. + +Het sloeg toen vier uren op de torenklok van het kasteel, dat in de +zestiende eeuw gebouwd werd op het hoogste punt van den Karstberg, vlak +achter de kathedraal. Het was nog volle dag. De zon daalde langzaam te +midden van een uiterst zuiveren dampkring naar de wateren van de +Adriatische Zee, en het meerendeel der huizen ontving hare stralen op +de voorgevels, die naar den kant van den toren gekeerd waren. + +De omstandigheden waren dus zeer gunstig. + +Sarcany nam de duif tusschen zijne beide handen, streelde haar nog een +poos en gaf haar toen de vrijheid. + +De vogel klapwiekte, daalde eerst snel genoeg om te doen vreezen, dat +hij met een ongelukkigen val zijne loopbaan als luchtbrievenbesteller +zou eindigen. + +Vandaar dan ook dat de Siciliaan een waren kreet van teleurstelling +uitstiet. Hij was zeer opgewonden en stond te trappelen van ongeduld. + +„Zij valt, zij valt!” riep hij uit. + +„Neen, zij hervat zich,” antwoordde Sarcany. + +En inderdaad, de duif had haar evenwicht in de lagere luchtlagen +hernomen; daarna maakte zij een scherpen hoek en wendde zich in +schuinsche richting naar het noordwestelijke gedeelte der stad. + +Sarcany en Zirone volgden haar met de oogen. + +Er werd bij de vlucht van den vogel, die door een bewonderenswaardig +instinct geleid werd, geene enkele aarzeling waargenomen. Men gevoelde +dat hij recht afvloog op het doel waar hij wezen moest, op het doel +waar hij reeds sedert een uur had moeten aangekomen zijn, zonder dat +ongewenschte oponthoud onder de boomen van het oude kerkhof. + +Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige +oplettendheid waar. Zij vroegen zich af of de duif de muren der stad +niet zou overschrijden, hetgeen hunne vooruitzichten verijdelen zou. + +Neen, dat gebeurde niet. + +„Ik zie haar nog!.... Ik zie haar steeds!” riep Zirone, wiens +gezichtsvermogen buitengewoon sterk was. + +„Waar?.... Waar?.... vroeg Sarcany, die haar scheen uit het oog +verloren te hebben. + +„Daar!.... daar!” antwoordde Zirone, de richting met den vinger +aanwijzend. „Daar!....” + +„O ja, ik zie haar weer,” hernam Sarcany met voldoening. „Wat vooral +goed opgemerkt moet worden, is de plek waar de duif gaat neerstrijken. +Wij moeten er de juiste ligging goed van opnemen.” + +Eenige minuten na haar vertrek streek de duif op een huis neer, welks +scherpe nok al de anderen beheerschte en zich te midden van een groep +boomen verhief. Dat huis was in het stadsgedeelte gelegen, hetwelk aan +den kant van het gasthuis en van den openbaren tuin aangetroffen wordt. +Daar verdween zij door een dakvenster, hetwelk toen uitermate zichtbaar +was, daar het door een ijzeren windwijzer, die kunstig à jour bewerkt +was, aangeduid werd. Dat ijzeren kunstwerk was zoo sierlijk +vervaardigd, dat het aan Quentijn Matsys had kunnen toegeschreven +worden, wanneer Triëst eene Vlaamsche stad ware geweest. + +De algemeene richting van dat huis vastgesteld zijnde, moest het niet +zeer moeilijk zijn, wanneer men dien windwijzer als baken in het oog +hield, om de nok weer te vinden, waaronder het bedoelde dakvenster was +aangebracht en derhalve ook het huis, door den persoon bewoond, voor +wien het briefje bestemd was. + +Sarcany en Zirone daalden dadelijk de trappen des torens af en na ook +de hellingen van den Karstberg verlaten te hebben, volgden zij eene +aaneenschakeling van kleine nauwe straten, die hen eindelijk toegang +tot de Piazza della Legna verleenden. Daar waren zij verplicht zich te +oriënteeren, om de huizengroep te verkennen, die het oosterkwartier van +de stad uitmaakte. + +Toen zij aan de samenvloeiing van de twee groote gemeenschapsaderen, +de Corso Stadion, die naar den openbaren wandeltuin voert, en de +Acquedotto, een fraaie laan van geboomte, die naar de groote brouwerij +van Boschetto leidt, aangekomen waren, ondervonden de beide avonturiers +eenige aarzeling omtrent de verder te volgen richting. Moest men rechts +of links inslaan? Instinctmatig kozen zij rechts, met het doel om al de +huizen der laan nauwkeurig gade te slaan, waarboven zij den windwijzer, +dien zij opgemerkt hadden, zouden kunnen bespeuren. + +Zij schreden dus voort en namen de verscheidene daknokken van de +Acquedotto in oogenschouw, zonder evenwel die te ontdekken, welke zij +zochten. Eindelijk waren zij aan het einde van de laan aangekomen. + +„Daar is hij!” riep eindelijk Zirone uit. + +En hij wees op een windwijzer, dien de zeewind op zijne ijzeren as deed +knarsen, die boven een dakvenster geplaatst was, waar rondom juist +eenige duiven vlogen. + +Er was dus geene vergissing mogelijk. Daar was wel degelijk de duif +neergestreken. + +Het huis had een bescheiden uiterlijk, onderscheidde zich in niets van +de overige die tot hetzelfde blok behoorden, en was even als die langs +de Acquedotto gelegen. + +Sarcany verschafte zich inlichtingen in een paar naburige winkels en +wist al spoedig hetgeen hij voorshands wenschte te weten. + +Dat huis behoorde sinds lange jaren aan den graaf Ladislas Zathmar en +strekte hem tot woning. + +„Wie is graaf Zathmar?” vroeg Zirone, wien die naam geheel vreemd was. + +„Wel, dat is graaf Zathmar,” antwoordde Sarcany kortweg. + +„Ja, maar zouden wij geen inlichtingen omtrent hem kunnen vragen?....” + +„Later, Zirone, laten wij niet overijld handelen. Laten wij kalmte +betrachten en de zaak overdenken. Kom, wij keeren thans naar onze +herberg terug.” + +„Ja wel!.... Het is etenstijd en de table d’hôte staat gedekt voor hen, +die het recht koopen kunnen er plaats aan te nemen,” merkte Zirone +schamper op. + +„Als wij heden niet dineeren,” antwoordde Sarcany, „dan is het toch +mogelijk dat wij morgen zullen smullen.” + +„Bij wien?” + +„Bij wien, vraagt gij?” zei Sarcany schier gedachteloos. + +„Ja, dat vraag ik.” + +„Wel, waarschijnlijk bij graaf Zathmar.” + +Beiden drentelden langzaam voort. Waarom zich ook te haasten? Toch +hadden zij al te spoedig hun bescheiden hôtel bereikt, dat helaas! nog +te weelderig voor hen was, daar zij hun verblijf onmogelijk konden +betalen. + +Maar welke verrassing was hun daar bereid?.... Een brief, die aan +Sarcany gericht was, was aangekomen. + +Die brief bevatte een bankbiljet van twee honderd gulden, met de +woorden, die kort maar beteekenisvol waren: + + +„Hierbij ingesloten het laatste geld, dat gij van mij ontvangen zult. +Het zal voldoende zijn om naar Sicilië weer te keeren. Vertrek en dat +ik nimmermeer iets van u hoore.” + +„Silas Toronthal.” + + +„Duivels!” riep Zirone uit, „de bankier komt juist van pas op zijn +besluit terug. Waarachtig, men moet de finantie-luidjes in waarde +houden en nimmer omtrent hen wanhopen.” + +„Dat ’s ook mijne meening,” betuigde Sarcany. + +„En dat geld zal ons dienen om Triëst te verlaten?....” + +„God beware! Het zal ons integendeel dienen om er te blijven!” + + + + + + + + +II. + +GRAAF MATHIAS SANDORF. + + +De Hongaren, dat zijn de Magyaren, die het land kwamen bevolken zoo +ongeveer in de negende eeuw van de Christelijke tijdrekening. Zij maken +tegenwoordig het derde gedeelte van de geheele bevolking van Hongarije +uit en tellen ongeveer iets meer dan vijf millioen zielen. Of zij van +Spaanschen, of Egyptischen, of Tartaarschen oorsprong zijn, of zij van +de Hunnen van Attala of van de Finnen uit het noorden afstammen, dat +zijn alle twistvragen, die ons weinig kunnen schelen. Wat evenwel +opgemerkt moet worden, is, dat het geene Slavoniërs, dat het geene +Duitschers zijn, en dat het hun waarschijnlijk niet zou smaken, het te +worden. + +Die Hongaren hebben dan ook hun godsdienst ongeschonden behouden en +zijn vurige Katholieken gebleven van de elfde eeuw af, het tijdstip +waarop zij tot de nieuwe geloofsbelijdenis overgingen. Daarenboven +spreken zij nog hunne taal van weleer, eene stamtaal, die zachtvloeiend +en harmonisch klinkt, die zich geheel en al tot de bekoorlijkheid der +dichterlijke wendingen leent, die minder rijk aan woorden dan het +Duitsch, evenwel scherper begrensd van uitdrukking en krachtvoller is, +eene taal, die van af de vijftiende tot de zestiende eeuw bij het geven +van wetten en het slaan van ordonnantiën het latijn verving, in +afwachting dat zij tot de nationale taal verheven zoude worden. + +Het was op den 21sten Januari 1699 dat het verdrag van Carlowitz het +bezit van Hongarije en Transsylvanië aan de kroon van Oostenrijk +verzekerde. + +Twintig jaren later werd bij de pragmatieke sanctie solemneel +vastgesteld, dat de staten, die het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk +vormden, steeds onafscheidelijk aan elkander verbonden zouden zijn. Bij +gebrek aan zonen, zou de dochter volgens rangschikking van het +eerstgeboorterecht op den troon kunnen opvolgen. En dank zij die nieuwe +bepalingen, erfde Maria Theresia de kroon van haren vader, Karel de +Zesde, laatste mannelijke spruit uit het huis van Oostenrijk. + +De Hongaren moesten voor de overmacht bukken, maar honderdvijftig jaar +later werden nog mannen uit alle standen en van alle rangen +aangetroffen, die noch van de pragmatieke sanctie, noch van het verdrag +van Carlowitz iets wilden weten. + +Op het tijdstip, waarop dit verhaal begint, leefde een Hongaar van +hooge geboorte, wiens geheele leven zich in deze twee gevoelens +oploste, namelijk: in den haat voor alles wat van Germaansche afkomst +was en in de hoop nog eenmaal aan zijn land de zelfstandige regeering +van vroeger weer te geven. In zijne jeugd had hij Kossuth gekend en +hoewel door zijne geboorte en door zijne opvoeding een scheidsmuur +tusschen hen opgetrokken moest zijn, zoo koesterde hij toch eene zekere +bewondering voor het groote hart van dien vaderlander. + +Graaf Mathias Sandorf bewoonde in een der comitaten van Transsylvanië +in het district Fagaras, een oud kasteel van feodalen oorsprong. Het +was gebouwd op de hellingen van de noordelijke uitloopers van het +oostelijk Karpatisch gebergte, die de grens uitmaken tusschen +Transsylvanië en Walachyë, en verhief dit kasteel zich in al zijne +woeste fierheid op dien steilen bergketen, als een van die +schuilplaatsen in den laatsten stond, waar samenzweerders tot hun +laatsten snik aan hunne vijanden weerstand kunnen bieden. + +Naburige mijnen, rijk aan ijzer- en kopererts, die zorgvuldig ontgind +werden, verschaften aan den eigenaar van het kasteel Artenick een zeer +aanzienlijk vermogen. Dat domein besloeg een groot gedeelte van het +district Fagaras, hetwelk door eene bevolking bewoond werd, die niet +minder dan honderd twee- en zestigduizend inwoners telde. Deze, hetzij +zij stedelingen of landlieden waren, maakten er geen geheim van dat zij +voor graaf Sandorf eene toewijding koesterden, die iedere proef +doorstaan kon; dat zij hem eene onbegrensde erkentelijkheid toedroegen, +voor al het goede dat hij in het land teweeg bracht. Dat kasteel was +dan ook het voorwerp van een bijzonder toezicht, dat door de kanselarij +van Hongarije te Weenen, welke geheel en al van de overige +administratiën van het Keizerrijk onafhankelijk bleef, in het leven +geroepen was. Men kende in de hoogste kringen de denkbeelden van den +gebieder van Artenick, en die denkbeelden baarden onrust, al gaf men +ook voor omtrent den persoon van den graaf gerust te zijn. + +Mathias Sandorf was toen vijf en dertig jaren oud. Het was een man van +eene iets meer dan middelmatige gestalte, die eene groote spierkracht +verried. Op zijne schouders rustte een edel en fier gedragen hoofd. +Zijn gelaat, dat warm getint en een weinig vierkant van vorm was, +vertoonde het Magyaarsche type in zijne volkomene zuiverheid. De +levendigheid zijner bewegingen, de juist gekozen uitdrukkingen van zijn +woord, de blik van zijn kalm en onverschrokken oog, de werkdadige +bloedsomloop, die aan zijne neusvleugels en aan zijne mondhoeken eene +lichte trilling verleende, de glimlach die gewoonlijk op zijne lippen +zetelde en als onloochenbaar teeken zijner goedhartigheid kon gelden, +een zekere losheid in zijne taal en gebaren, dat alles duidde op eene +vrijmoedige natuur. Men meent opgemerkt te hebben, dat er eene groote +overeenkomst bestaat tusschen het Fransche karakter en het Magyaarsche. +Graaf Sandorf was daar het levende bewijs van. + +Een van de meest te voorschijn tredende karaktertrekken van graaf +Sandorf was, dat hij, hoewel vrij onverschillig voor al hetgeen hem +zelf betrof en hij dus als de gelegenheid zich voordeed er licht over +dacht, wanneer een of ander ongelijk hem alleen trof, nimmer eene +beleediging zoude vergeven hebben, die zijne vrienden aangedaan was. +Hij bezat in de hoogste mate den rechtvaardigheidszin en koesterde een +innigen haat voor alles wat trouweloos kon heeten. Vandaar dat hij +behebt was met eene impersoneele onverzoenlijkheid. Hij behoorde niet +tot hen, die aan God alleen de zorg overlaten om op deze aarde te +straffen. + +Er moet hier bijgevoegd worden, dat graaf Mathias Sandorf eene zeer +ernstige opvoeding had genoten. In plaats van het werkelooze leven te +genieten, dat hem door zijn groot vermogen gewaarborgd was, had hij er +behagen in gevonden, de physische wetenschappen en de geneeskundige +studiën te beoefenen. Hij zou een beroemd geneesheer zijn geworden, een +geneesheer van groot talent, wanneer de eischen des levens hem +gedwongen hadden zich met de verzorging van lijders te belasten. Hij +vergenoegde zich een scheikundige te zijn, die door de geleerde wereld +zeer gezien was en gewaardeerd werd. De universiteit te Pest, de +wetenschappelijke Academie te Presburg, de Koninklijke Mijnschool te +Schemnitz, de normaalschool te Temeswar, hadden hem ieder op hare beurt +onder de meest vlijtige leerlingen geteld. Dat leerrijke bestaan vormde +en bestendigde als het ware zijne natuurlijke eigenschappen. Het deed +hem man worden in de volle beteekenis des woords. Hij werd dan ook voor +zoodanig gehouden door allen, die hem kenden, maar voornamelijk door +zijne professoren dier verschillende scholen en universiteiten van het +koninkrijk, die zijne vrienden gebleven waren. + +Vroeger heerschte er in het kasteel Artenick vroolijkheid, +levendigheid, beweging. Op die ruwe nokken van de Karpathen, kwamen de +Transsylvaansche jagers gaarne te zamen. Zij volvoerden dan groote en +gevaarlijke klopjachten, waarin graaf Sandorf als het ware afleiding +zocht voor zijne strijdlustige geaardheid, die hij op het staatkundig +schaakbord niet kon botvieren. Want hij hield zich ter zijde en sloeg +den gang van zaken van nabij gade. Hij scheen slechts te leven voor +zijne studiën en voor de jacht, twee hartstochten, waaraan hij zich met +zijn vermogen onbekrompen kon overgeven. Op dat tijdstip leefde de +gravin Rena Sandorf nog. Zij was de ziel der bijeenkomsten in het +kasteel Artenick. Vijftien maanden vóór het begin van deze geschiedenis +had de dood weggerukt haar die gevierd was om hare jeugdige schoonheid, +terwijl zij slechts een klein meisje achterliet, dat thans twee jaar +oud was. + +Graaf Sandorf was door dien slag wreed getroffen en helaas! hij zou +steeds ontroostbaar blijven. Het kasteel werd stil en eenzaam. Sedert +dien dag leefde de eigenaar, onder den invloed van eene diepgevoelde +smart, in dat prachtige gebouw als in een klooster. Zijn geheele leven +drong zich op één punt samen, namelijk op zijn kind, dat aan de zorgen +van Rosena Lendeck, de echtgenoote van des graven intendant, +toevertrouwd werd. Die edelaardige vrouw, welke nog jong was, wijdde +zich geheel en al aan de eenige erfdochter der Sandorfs en verzorgde +haar alsof het haar eigen kind ware. De eigen moeder van de gravin had +niet teerder kunnen wezen. + +Graaf Sandorf verliet gedurende de eerste maanden van zijn +weduwnaarschap het kasteel van Artenick niet. Hij leefde afgetrokken en +als in zijne herinneringen aan het verleden verzonken. Daarna namen de +denkbeelden omtrent zijn vaderland, dat in een soort van vernederenden +toestand te midden van de Europeesche staten geplaatst was, weer de +overhand. + +En daar waren wel redenen voor! De Fransch-Italiaansche oorlog van 1859 +had toch een schrikkelijken slag toegebracht aan de Oostenrijksche +macht. + +Die slag was zeven jaren later, in 1866, door een nog schrikkelijker +gevolgd geworden, namelijk door dien van Sadowa. Het was niet alleen +meer aan het Oostenrijk, dat van zijne Italiaansche bezittingen beroofd +was geworden, dat Hongarije zich vastgekluisterd gevoelde, maar ook aan +het Oostenrijk, dat aan twee kanten overwonnen en aan Duitschland +ondergeschikt gemaakt werd. De Hongaren gevoelden zich in hunnen trots +vernederd, en dat gevoel laat zich niet wegredeneeren, wanneer het in +het bloed zit. In hun oog konden de overwinningen te Custozza en te +Lissa geene vergoeding voor de nederlaag te Sadowa bieden. + +Graaf Sandorf had gedurende het geheele jaar, dat op die +krijgsgebeurtenis gevolgd was, uiterst nauwgezet het staatkundig +terrein bestudeerd en was tot de erkenning gekomen, dat eene beweging +tot afscheiding van zijn vaderland goede kansen van slagen had. + +Het oogenblik van handelen was dus volgens hem gekomen. + +Den 3en Mei van het jaar 1867 vertrok graaf Sandorf, na zijn +dochtertje, hetwelk hij onder de hoede van Rosena Lendeck goed verzorgd +achterliet, van het kasteel Artenick naar Pest, waar hij zich in +betrekking stelde met zijne vrienden en partijgenooten, en daar eenige +voorloopige beschikkingen nam. Vervolgens reisde hij eenige dagen later +af naar Triëst, om daar den loop der gebeurtenissen af te wachten. + +Daar moest het voorname middelpunt van de samenzwering zijn. Vandaar +zouden alle draden, die in de hand van graaf Sandorf te zamen kwamen, +uitstralen. In die stad zouden de samenzweerders, aan minder +achterdocht blootgesteld, met meer vrijheid en veiligheid kunnen +handelen om hunne vaderlandslievende poging tot een goed einde te +brengen. + +Twee der meest innige vrienden van Mathias Sandorf woonden te Triëst. +Zij waren bezield met denzelfden geest als hij, en vast besloten om hem +bij die onderneming trouw te volgen. Graaf Ladislas Zathmar en +professor Stephanus Bathory waren Magyaren en van adellijke geboorte. +Beiden waren ongeveer een tiental jaren ouder dan Mathias Sandorf, maar +bezaten hoegenaamd geen vermogen. De een genoot een gering inkomen van +een klein landgoed, in het consulaat Lipte, aan de overzijde van den +Donau gelegen. De andere gaf onderwijs in de natuurkundige +wetenschappen te Triëst en kon met de opbrengst zijner lessen ter +nauwernood rondkomen. + +Ladislas Zathmar bewoonde het huis, hetwelk kort geleden door onze twee +bekenden, Sarcany en Zirone, in de Acquedotto verkend was geworden. Dat +huis, eene bescheiden woning, was door graaf Sandorf ter zijner +beschikking gesteld, gedurende al den tijd dat deze buiten zijn kasteel +Artenick zou verblijven, dat wil zeggen totdat de geprojecteerde +beweging tot uitvoering gebracht zoude zijn, welke dan ook de uitslag +er van zoude wezen. Een Hongaar, Borik genaamd, die ongeveer vijf en +vijftig jaren oud was, vertegenwoordigde het geheele bediendenpersoneel +van het huis. Het was een man, die zijn meester evenveel toewijding +toedroeg als de intendant Lendeck voor graaf Sandorf koesterde. + +Stephanus Bathory betrok een niet minder bescheidene woning in de +Corsia Stadionstraat, nagenoeg in hetzelfde stadskwartier gelegen als +die van graaf Zathmar. Daar sleet hij zijn leven tusschen zijne vrouw +en zijn zoon Piet, die toen ongeveer acht jaren oud was. + +Stephanus Bathory behoorde onbetwistbaar en onloochenbaar, hoewel in +verren graad, tot de nakomelingschap van die Magyaarsche vorsten, die +in de zestiende eeuw den troon van Transsylvanië bestegen. De +verwantschap had zich sedert dat tijdstip gesplitst en was in talrijke +vertakkingen verloren gegaan; men zou ongetwijfeld verwonderd gestaan +hebben, wanneer men vernomen had, dat een der nakomelingen dier +machtige familie van weleer, in dien eenvoudigen professor bij de +Rijks-Academie te Presburg weer te vinden was. Maar dat daargelaten, +Stephanus Bathory was een geleerde van den eersten rang, een van +diegenen, die teruggetrokken leven, maar die door hunne werken beroemd +zijn. In clusum labor illustrat. „Zijn verborgen arbeid maakt hem +beroemd”, dit devies van den zijdeworm zou het zijne kunnen genoemd +worden. Op zekeren dag werd hij door zijn staatkundige gevoelens, die +hij niet onder stoelen of banken verborg, genoodzaakt om zijn ontslag +te nemen. Toen kwam hij als onafhankelijk leeraar te Triëst wonen met +zijne gade, die hem moedig bij alle beproevingen ter zijde gestaan en +geschraagd had. + +Het was in de woning van graaf Ladislas Zathmar, dat de drie vrienden +sedert de aankomst van graaf Mathias Sandorf te zamen kwamen; hoewel +deze laatste er in het oog loopend op gestaan had een vertrek in het +Palazzo Modello—thans het hôtel Delòrme—op de Piazza Grande te +betrekken. + +De politie was er dan ook ver van verwijderd eenige achterdocht te +koesteren, dat dit huis op de Acquedotto het middelpunt was van eene +samenzwering, die talrijke deelgenooten telde in de voornaamste steden +des rijks. + +Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory waren zonder eenige aarzeling de +vurigste aanhangers van Mathias Sandorf geworden. Evenals hij hadden +zij erkend, dat de tijdsomstandigheden zich er toe leenden om eene +beweging mogelijk te maken, die Hongarije den rang onder de Europeesche +staten kon doen hernemen, welke door dat rijk begeerd werd. Daarvoor +brachten zij hun leven in gevaar, dat wisten zij, maar dat kon hen niet +weerhouden. + +Het huis op de Acquedotto werd dus de vergaderplaats van de voornaamste +hoofden der samenzwering. Vele der deelgenooten, van de verschillende +punten van het Koninkrijk opgeroepen, kwamen er maatregelen beramen en +bespreken, of kwamen er bevelen ontvangen. Een postdienst van +reisduiven, die briefjes overbrachten, stelde een snel en veilig +verkeersmiddel daar tusschen Triëst en de voornaamste steden van het +Hongaarsche land en van Transsylvanië, wanneer het instructiën gold, +die noch aan de posterijen, noch aan den telegraafdienst toevertrouwd +konden worden. + +Om kort te gaan, alle voorzorgsmaatregelen waren zoo goed getroffen, +dat de samenzweerders tot heden toe iedere achterdocht, hoe gering ook, +ontgaan waren. + +Men zag het: de briefwisseling daarenboven had slechts in geheimschrift +plaats, dat door zijne moeilijke oplossing de geheimzinnigheid +bevorderde en derhalve de veiligheid der samenzweerders zeer in de hand +werkte. + +Drie dagen na de aankomst van de reisduif, wier briefje door Sarcany en +Zirone onderschept was, dus op den 21sten Mei, bevonden zich graaf +Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory tegen acht uur des avonds bij +elkander in het werkvertrek en wachtten daar de terugkomst van graaf +Mathias Sandorf af. De eigen zaken van laatstgenoemde hadden hem +genoodzaakt naar zijn kasteel Artenick in Transsylvanië weer te keeren; +maar hij had die reis kunnen dienstbaar maken, om met zijne vrienden te +Klausenburg, hoofdplaats der rijksprovincie, te beraadslagen en hij +moest dienzelfden dag terugkomen, na aan de deelgenooten den inhoud van +die dépêche, waarvan Sarcany afschrift genomen had, medegedeeld te +hebben. + +Sedert het vertrek van Mathias Sandorf, waren andere correspondentiën +gewisseld geworden tusschen Triëst en Buda-Pest en verscheidene +briefjes in geheimschrift waren door duiven aangebracht. In hetzelfde +oogenblik zelfs hield graaf Ladislas Zathmar zich onledig om het +raadselachtig schrift daarvan in verstaanbaren tekst door middel van +een toestel, onder den naam van „rooster” bekend, over te brengen. + +Die dépêches waren inderdaad volgens een zeer eenvoudig stelsel, +namelijk dat der verplaatsing van de letters, samengesteld. In dat +stelsel behoudt iedere letter hare eigene alphabetische waarde, dat wil +zeggen dat bijvoorbeeld een b een b, een o een o blijft beteekenen enz. +Maar de letters worden achtereenvolgens verplaatst volgens de open of +de gesloten vakken van een rooster, die op de dépêche gelegd, slechts +die letters laat ontwaren, welke gelezen moeten worden, terwijl anderen +bedekt en dus onzichtbaar blijven. + +Dat roostersysteem, vroeger veel in zwang, was zeer gebrekkig, maar is +sedert veel verbeterd door den kolonel Fleissner. Het is nu nog de +allerbeste manier en de veiligste ook, wanneer het geldt een +onoplosbaar geheimschrift te erlangen. Bij alle andere stelsels, hetzij +met een onveranderlijken grondslag of met enkelen sleutel, waarbij +iedere letter van het alphabet steeds door een en hetzelfde teeken +voorgesteld wordt,—hetzij met veranderlijken grondslag of met dubbelen +sleutel, waarbij men bij iedere letter als het ware van alphabet +verandert, is de veiligheid niet volkomen. Verscheidene lieden toch, +die zich op het ontraadselen van geheimschrift toeleggen, zijn in staat +wonderen bij die soort van nasporingen te verrichten, hetzij door eene +berekening van waarschijnlijkheden, hetzij door een ijverigen arbeid +van tasten en beproeven. Slechts door zich te gronden op de letters, +die het meest voorkomen in zulk een geheimschrift—als de e in de +Fransche, Engelsche, Duitsche en Nederlandsche, de o in de Spaansche, +de a in de Russische, de e en i in de Italiaansche talen—geraken zij er +toe de letters van den tekst uit het geheimschrift hare ware beteekenis +in den verklaarden tekst weer te geven. Er bestaan dan ook weinig +dépêches, volgens die stelsels vervaardigd, die aan de scherpzinnige +gevolgtrekkingen van die naspoorders ontsnappen. + +Het schijnt dus dat de roosters of de sleutelwoordenboeken—dat wil +zeggen diegene, waarin zekere vaak gebruikelijke woorden, geheele +volzinnen beteekenende, door getallen aangegeven zijn—de meest volkomen +waarborgen moeten geven van onoplosbaarheid. Maar die beide stelsels +hebben eene ernstige schaduwzijde: zij vereischen eene volkomene +geheimhouding, of beter, zij vorderen de noodzakelijkheid van nimmer de +toestellen of boeken, die dienen om hen te vormen, in handen van +oningewijden te laten vallen. Want inderdaad, is het zonder dien +rooster of zonder dat woordenboek onmogelijk die dépêches te lezen, zoo +is dat daarentegen gemakkelijk voor hen in wier handen die rooster of +dat woordenboek zich bevindt. + +Het was dus door middel van een rooster, dat wil zeggen een vierkant +van bordpapier, schaakvormig in ruiten verdeeld, waarvan sommige vakken +weggeknipt waren, dat de brieven, tusschen graaf Sandorf en zijne +partijgangers gewisseld, opgelost werden. Maar uit overmaat van +voorzorg werden alle stukken, na gelezen te zijn, van weerszijden +verbrand en vernietigd. Gebeurde het dus dat die rooster, dien hij en +zijn vrienden gebruikten, verloren geraakte of gestolen werd, dan kon +daaruit geen nadeel voortvloeien. Er zou dan nimmer eenig spoor van dat +komplot overblijven, waarin de edelste heeren, de aanzienlijkste +magnaten van Hongarije, gemeenschappelijk verbonden met de voornaamste +vertegenwoordigers der burgerij en van het volk, betrokken waren en hun +hoofd waagden. + +Juist had Ladislas Zathmar de laatst ontvangen berichten verbrand, toen +iemand bescheiden op de deur van het vertrek klopte. + +Het was Borik, die graaf Mathias Sandorf aanmeldde, welk zoo even te +voet van het naburige station aangekomen was. + +Ladislas Zathmar trad dadelijk op hem toe. + +„Uwe reis, Mathias?....” vroeg hij met de haast van iemand die vóór +alles gerust gesteld wil zijn. + +„Is volkomen geslaagd, Zathmar,” antwoordde graaf Sandorf. „Ik kan niet +twijfelen aan de gevoelens onzer vrienden in Transsylvanië en hunne +medewerking is ons thans verzekerd.” + +„Hebt gij hen dat bericht, hetwelk ons drie dagen geleden van Pest +toegezonden werd, medegedeeld?” vroeg Stephanus Bathory, voor wien +Sandorf groote vriendschap koesterde. + +„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn +gewaarschuwd. Ook zijn zij gereed! Zij zullen op het eerste sein +opstaan. In twee uren zullen wij meester van Buda en van Pest zijn, in +een halven dag van de voornaamste comitaten aan deze en gene zijde van +de Theiss, en in een geheelen dag van Transsylvanië en van het +gouvernement der Militaire Grenzen. En dan zullen acht millioen +Hongaren hunne onafhankelijkheid herwonnen hebben!” + +„En de rijksraad?” + +„Onze partijgenooten hebben er de meerderheid in,” antwoordde Mathias +Sandorf. „Zij zullen dadelijk het nieuwe gouvernement samenstellen, +hetwelk de teugels van het bestuur in handen moet nemen. Alles zal +regelmatig en gemakkelijk gaan, daar de comitaten, wat hunne +administratie betreft, nauwelijks van de Kroon van Oostenrijk +afhankelijk zijn en dat hunne hoofden hunne eigene politie hebben.” + +„Maar de raad van het Vice-Koningschap van het rijk, die door den prins +palatijn te Buda voorgezeten wordt?....” vroeg Ladislas Zathmar. + +„De palatijn en de raad zullen onmiddellijk bij het uitbreken der +beweging in de onmogelijkheid gesteld worden om te handelen....” + +„En ook in de onmogelijkheid om met de kanselarij van Hongarije te +Weenen te correspondeeren?” + +„Ja, alle onze maatregelen zijn zoodanig getroffen, dat de eenparigheid +hunner uitvoering den goeden uitslag waarborgt.” + +„Den goeden uitslag?” zei Stephanus Bathory. + +„Ja, den goeden uitslag!” antwoordde graaf Sandorf. „In het leger +behooren allen ons, wien ons bloed, dat wil zeggen het Hongaarsche +bloed door de aderen vloeit. Waar is de nakomeling der oude Magyaren, +wiens hart niet klopt bij het zien van de vlag der Rodolphen en der +Corvijnen!” + +En Mathias sprak die woorden met al de geestdrift van een vurig +vaderlander uit. + +„Maar in afwachting dat dit uur komen zal,” ging hij voort, „laat ons +geen enkelen maatregel verzuimen om iedere achterdocht te ontgaan. Laat +ons voorzichtig zijn, wij zullen er slechts te sterker door zijn!—Hebt +gij niets verdachts te Triëst vernomen?” + +„Neen,” antwoordde Ladislas Zathmar. „Men heeft hier slechts ooren en +oogen voor de werken, die de Staat te Pola doet uitvoeren en waarvoor +het grootste gedeelte der werklieden aangenomen zijn.” + +En werkelijk, sedert een vijftiental jaren had het Oostenrijksch +gouvernement, in het vooruitzicht van Venetië mogelijk te moeten +verliezen—hetgeen inderdaad gebeurd is—het plan opgevat om te Pola, aan +het uiteinde van het Istrische schiereiland, uitgestrekte arsenalen en +eene oorlogshaven te stichten, om dat punt van de Adriatische zee te +kunnen beheerschen. In weerwil van het protest van Triëst, wier +maritieme belangrijkheid daardoor verminderd werd, waren de werken met +koortsachtigen ijver vervolgd geworden. Mathias Sandorf en zijne +vrienden konden dus denken, dat de bewoners van Triëst geneigd zouden +zijn hen te volgen, in geval de afscheidingsbeweging zich tot daar +zoude uitbreiden. + +Wat er ook van aan zij, het geheim van die samenzwering ten voordeele +van de Hongaarsche onafhankelijkheid was goed bewaard geworden. Niets +had aanleiding gegeven, dat de politie zou hebben kunnen gissen dat de +voornaamste samenzweerders toen in dat bescheiden huis van de +Acquedottolaan vereenigd waren. + +Zoo scheen tot het welslagen van die onderneming alles voorzien te zijn +en had men niets anders te doen dan het juiste oogenblik af te wachten +om handelend te kunnen optreden. + +De correspondentie in geheimschrift, tusschen Triëst en de voornaamste +steden van Hongarije en van Transsylvanië, werd al meer zeldzaam en zou +zelfs geheel ophouden, tenzij gewichtige gebeurtenissen voorvielen. De +reisduiven hadden voortaan geene dépêches meer over te brengen, daar de +laatste maatregelen vastgesteld waren. Uit overmaat van voorzichtigheid +dus had men de voorzorg genomen, hun toevluchtsoord op het huis van +Ladislas Zathmar te sluiten. + +Er moet hier bijgevoegd worden, dat wanneer het geld de zenuw des +oorlogs is, het dat ook is voor de samenzweringen. Het is van zeer +groot belang, dat het den komplotmakers niet ontbreekt. En bij deze +gelegenheid zou het inderdaad niet ontbreken. + +Men weet het, dat al konden graaf Ladislas Zathmar en professor +Stephanus Bathory hun leven voor de onafhankelijkheid van hun vaderland +opofferen, zij evenwel geen vermogen hadden om ten offer te brengen; +want het is den lezer bekend: zij bezaten slechts zeer beperkte +middelen. Maar graaf Mathias Sandorf was rijk, zelfs onmetelijk rijk, +en met zijn leven was hij gereed ook geheel zijn vermogen op het spel +te zetten voor die zaak. Sedert verscheidene maanden dan ook had hij, +door tusschenkomst van zijn intendant Lendeck, groote sommen op zijne +landerijen opgenomen, meer dan twee en een half millioen gulden. + + +Maar het was noodig dat die som steeds ter zijner beschikking gehouden +werd en dat hij haar ieder oogenblik kon ontvangen. Te dien einde was +zij gedeponeerd geworden bij een bankiershuis te Triëst, waarvan de +goede naam onbesproken, en de soliditeit tegen iedere gebeurlijkheid +bestand was. Dat was het huis Toronthal, waarover Sarcany en Zirone +juist gesproken hadden, terwijl zij op het kerkhof der bovenstad +vertoefden. + +Welnu, die buiten alle berekening vallende gebeurtenis, zou de +gewichtigste gevolgen na zich slepen, zooals men zien zal uit den loop +van deze geschiedenis. + +Bij de vermelding van dat geld, waarvan een oogenblik sprake was +geweest gedurende hun laatste gesprek, zei graaf Sandorf tot graaf +Zathmar en tot Stephanus Bathory, dat het zijn voornemen was om +eerstdaags een bezoek aan den bankier Silas Toronthal te brengen, om +hem te verwittigen, dat hij het geld binnen den kortst mogelijken tijd +te zijner beschikking te stellen had. + +En waarlijk, de gebeurtenissen zouden weldra graaf Sandorf er toe +aanzetten om het van Triëst verwachte signaal te geven, te meer nog nu +hij dien eigen avond meende bespeurd te hebben, dat het huis van graaf +Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen werd. En dat +verontrustte hem. + +Toen graaf Sandorf en Stephanus Bathory tegen tien uur naar buiten +traden, de een om zich naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat te +begeven, de andere om naar het hôtel Delòrme weer te keeren, meenden +zij twee mannen te ontwaren, die hen in het donker bespiedden, hen op +eenigen afstand volgden en alle moeite deden om niet gezien te worden. + +Mathias Sandorf en zijn metgezel, vast besloten om te weten te komen +wat er gaande was, aarzelden geen oogenblik om op die zoo verdachte +personen toe te treden. Maar toen dezen hen bespeurden, verdwenen zij +bij den hoek van de Sint Antonius-kerk, bij het uiteinde van het groote +kanaal, vóór dat het mogelijk geweest was hen in te halen. + + + + + + + + +III. + +HET BANKIERSHUIS TORONTHAL. + + +Te Triëst bestaat eigenlijk geen gezelschapsband. Tusschen +verschillende rassen bestaat geene gezelligheid, evenmin als tusschen +verschillende kusten. De Oostenrijksche beambten koesteren de +verwaandheid om te meenen, dat zij de hoogste sport op de +maatschappelijke ladder innemen, welke ook de plaats zij, welke zij in +het administratieve werktuig bekleeden. Over het algemeen zijn dat +voorname lieden, die goed onderwezen en zeer welwillend zijn. Hunne +bezoldiging is evenwel mager en schraal en ver beneden hun +maatschappelijk standpunt, zoodat zij niet wedijveren kunnen met de +handels- of met de finantie-mannen. Deze laatsten zijn genoodzaakt, +daar de bijeenkomsten bij de rijke familiën zeldzaam zijn, maar +zeldzamer nog de officieele vereenigingen, hun toevlucht te nemen tot +weelderigheid buitenshuis—oogenweelderigheid zou men het kunnen +noemen—zooals bij het verschijnen op de straten door de pracht hunner +equipages, of in den schouwburg door den rijkdom der toiletten, door +den overvloed van diamanten, welke hunne dames in de loges van het +Teatro Comunale of van de Armonia tentoonstellen. + +Onder al die rijke familiën werd voornamelijk die van den bankier Silas +Toronthal opgemerkt. + +Het hoofd van dat bankiershuis, waarvan het crediet zich verre over de +grenzen van het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk uitstrekte, was +toen zeven-en-dertig jaren oud. Hij bewoonde met mevrouw Toronthal, die +eenige jaren jonger was dan hij, een prachtig huis in de +Acquedottolaan. + +Silas Toronthal ging door voor zeer rijk te zijn, en dat moest hij ook +wezen. Stoutmoedige en zeer gelukkige beursspeculatiën, een breede +grondslag van zaken met de maatschappij van de Oostenrijksche Lloyd en +met andere groote huizen, belangrijke leeningen, waarvan de uitgifte +hem toevertrouwd was, dat alles kon slechts veel geld in zijne kas +gebracht hebben. Vandaar dat hij groote sier gemaakt had, hetgeen wel +het oog op hem deed vallen. + +Evenwel was het toch mogelijk, zooals Sarcany tot Zirone gezegd had, +dat de zaken van Silas Toronthal toentertijd eenigermate belemmering +ondervonden, ten minste voor het oogenblik. Dat hij zeven jaren vroeger +den weerslag ondervonden had van de verwarring bij de Bank en op de +beurs teweeg gebracht door den oorlog van Frankrijk en Italië tegen +Oostenrijk, daarna en nog slechts kort geleden, door den veldtocht, die +met de ramp van Sadowa beëindigd werd, dat hij op dat tijdstip zware +verliezen geleden had door de daling der fondsen op de voornaamste +plaatsen van Europa, maar vooral op die van het +Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk, zooals Weenen, Pest en Triëst, dat +kon niet anders. Toen zou hij, wanneer hij verplicht ware geworden, de +kapitalen, die bij hem in rekening-courant waren gedeponeerd, terug te +betalen, in ernstige ongelegenheid zijn geraakt. Maar dat was niet +geschied en hij had zich voorzeker weer na die crisis hersteld. Maar +wanneer het waar was, wat Sarancy beweerde, had hij gewaagde +speculatiën moeten ondernemen, waardoor de soliditeit van zijn huis op +losse schroeven gesteld zoude zijn. + +En inderdaad sedert eenige maanden was Silas Toronthal—zedelijk +althans—veel veranderd. Hoezeer hij de uitingen zijner gevoelens ook in +bedwang had, zoo was zijn uiterlijk toch zijns ondanks gewijzigd. +Kenteekenen begonnen hem te verraden. Hij was niet meer zooals vroeger. +Opmerkers zouden bespeurd hebben, dat hij de menschen niet meer +openlijk in het gelaat durfde aanschouwen, zooals hij vroeger gewoon +was te doen; maar hen van ter zijde aankeek, met half gesloten oogen. +Die beginnende kenmerken waren zelfs aan mevrouw Toronthal niet +ontsnapt, die eene ziekelijke vrouw was zonder eenige geestkracht, +daarenboven zeer onderworpen aan den wil van haren echtgenoot en die +slechts weinig en dan nog zeer oppervlakkig met zijne zaken bekend was. + +Nu kon er op gerekend worden, en het moet wel bekend worden, dat +wanneer een ramp zijne bankierszaken bedreigde, Silas Toronthal geen +medelijden van de openbare meening te verwachten had. Dat hij vele +klanten zoowel in de stad als in het rijk had, was waar; maar hij had +weinig vrienden. Het hooge gevoel, dat hij van zijne maatschappelijke +positie koesterde, zijne aangeboren ijdelheid, het voorkomen van +meerderheid, hetwelk hij jegens iedereen en bij alles aannam, dat alles +was niet geschikt om de menschen buiten den kring zijner zaken aan te +trekken. Daarenboven de Triëstenaren hielden hem voor een vreemdeling, +daar hij afkomstig van Ragusa, dus een Dalmaat van geboorte was. Geen +familiebanden bonden hem derhalve aan die stad, waarin hij een +vijftiental jaren geleden gekomen was om er de grondslagen van zijn +vermogen te vestigen. + +Zoo was toen de toestand van het huis Toronthal. Hoewel Sarcany te dien +opzichte eenige achterdocht koesterde, zoo bestond er nog niets, +hetgeen veroorloofde het gerucht te beamen, dat de zaken van den rijken +bankier ernstig bedreigd werden. Zijn crediet was evenwel volstrekt +niet aangetast, openlijk althans. Graaf Mathias Sandorf had dan ook +geen oogenblik geaarzeld, na zijne fondsen te gelde gemaakt te hebben, +hem eene zeer aanzienlijke som toe te vertrouwen, eene som die steeds +ter zijner beschikking moest gehouden worden, op voorwaarde, dat vier +en twintig uren te voren gewaarschuwd moest worden, wanneer uitbetaling +verlangd werd. + +Misschien zal de lezer zich verwonderen, dat punten van aanraking, ja +dat betrekkingen hadden kunnen ontstaan tusschen dat bankiershuis, +hetwelk onder de meest geachte aangeteekend stond, en een persoon als +Sarcany was. Toch was het zoo, en die betrekking dagteekende reeds van +twee of drie jaren geleden. + +Op dat tijdstip had Silas Toronthal zeer belangrijke zaken te +verhandelen gehad met het regentschap Tripoli. Sarcany, die een soort +makelaar in allerhande zaken en zeer ervaren in de kunst van cijferen +was, slaagde er in om als tusschenpersoon in die zaken op te treden, +die—het moet er bij gezegd worden—van zeer verdachten aard waren. Er +waren daarbij transactiën gesloten, die het daglicht niet mochten zien, +omtrent omkoopingen, omtrent twijfelachtige commissieloonen, omtrent +weinig eerlijke heffingen, waarin de Triëster bankier niet in persoon +had willen optreden. In die omstandigheden was Sarcany op den voorgrond +getreden. Hij werd agent bij die knoeierige combinatiën en bewees +daarbij en ook bij andere zaken van denzelfden aard, goede diensten aan +Silas Toronthal. Daaruit werd heel natuurlijk de gelegenheid geboren om +toegang tot het bankiershuis te hebben. Hij had er voet, werd gezegd, +hij had er de hand: ware beter uitgedrukt. En inderdaad, nadat die +smerige zaken afgeloopen waren en hij Tripoli verlaten had, hield +Sarcany niet op eene soort geldafpersing op den Triëster bankier toe te +passen. Niet dat Silas Toronthal geheel en al aan de genade van dien +schoft overgeleverd was. Van die compromitteerende operatiën bestond +geen enkel feitelijk bewijs. Maar de toestand van een bankier is van +teederen aard. Eén enkel woord kan hem benadeelen. En nu wist Sarcany +genoeg, om het geraden te achten, rekening met hem te houden. + +En dat deed Silas Toronthal ook. Het kostte hem zelfs belangrijke +sommen, die zoo bijzonder vlug opgemaakt en voornamelijk in kroegen +verspild werden, als dat slechts door een gelukzoeker geschieden kan, +die omtrent de toekomst geene zorgen hoegenaamd koestert. Sarcany werd +eindelijk, nadat hij den bankier tot in Triëst opgezocht had, zoo +lastig, zoo veeleischend, dat het den bankier begon te vervelen en deze +hem eindelijk ieder crediet weigerde. Sarcany dreigde. Silas Toronthal +hield vol. En daarin had hij gelijk, daar die volleerde geldafperser +eindelijk bij zichzelven tot de bekentenis moest komen, dat hij bij +gebrek aan deugdelijke bewijzen, tamelijk ongewapend tegenover den +bankier stond. + +Ziedaar de redenen waarom Sarcany en zijn eerlijke makker Zirone zich +sedert eenigen tijd zonder middelen bevonden, en zoodanig zonder geld +waren, dat zij in de onmogelijkheid waren de stad te verlaten om elders +hun geluk te beproeven. Maar men weet ook, dat Silas Toronthal, met het +doel om zich geheel en al van hen te ontdoen, hen eene som gelds als +laatste hulp had toegezonden. Die som zou hen in staat stellen om +Triëst te verlaten en naar Sicilië weer te keeren, waar Zirone +geaffiliëerd was aan een schrikwekkend gezelschap, dat de oostelijke en +de middenprovinciën van dat eiland exploiteerde. De bankier mocht dus +hopen zijn makelaar in Tripolitaansche zaken nimmer weer te zien, en +dat hij nimmermeer van hem zou hooren spreken. Daarbij vergiste hij +zich, wat hem bij andere zaken ook wel eens overkwam. + +Het was in den avond van den 18den Mei dat de tweehonderd gulden, +vergezeld van het bekende korte briefje door Silas Toronthal verzonden +en door de twee gelukzoekers in hun logement, alwaar zij verblijf +hielden, ontvangen waren. + +Zes dagen later, dus den 24sten van dezelfde maand, belde Sarcany bij +het bankiershuis aan en verzocht om Silas Toronthal te spreken; zijn +aandringen was van zoodanigen aard, dat deze inwilligde hem te +ontvangen. + +De bankier was op zijn kantoor, waarvan Sarcany de deur zorgvuldig +sloot, zoodra hij binnengekomen was. + +„Gij alweer! En nog hier!” riep Silas Toronthal eerst uit. „Wat komt +gij hier doen? Ik heb u voor de laatste maal eene som geld toegezonden, +die toereikend moet zijn om Triëst te kunnen verlaten. Gij zult +nimmermeer iets van mij krijgen, wat gij mij ook zult willen vertellen +of wat gij ook uitvoeren wilt! Waarom zijt gij niet vertrokken? Ik +waarschuw u, dat ik mijne maatregelen zal nemen om uwe lastige bezoeken +voortaan tegen te gaan!—Wat wilt ge thans van mij?” + +Sarcany had dien woordenvloed, waarop hij voorbereid was, koelbloedig +aangehoord. Zijne houding was dezelfde niet meer, welke hij gewoonlijk +aannam, namelijk brutaal en uitdagend, zooals hij bij zijne laatste +bezoeken aan het bankiershuis geweest was. + +Hij bleef zichzelven niet alleen geheel en al meester, maar hij bleef +ook ernstig. Hij greep een stoel, zonder dat hij de uitnoodiging +ontvangen had om te gaan zitten; nam plaats en wachtte daarna dat de +booze luim van den bankier zich in luidruchtige verwijtingen lucht +gegeven en uitgeput zoude hebben om hem te antwoorden. + +„Welnu, zult ge spreken?” hernam Silas Toronthal, die, na zijn kabinet +eenige malen op en neer geloopen te hebben, op zijn beurt was gaan +zitten, evenwel zonder er in geslaagd te zijn meer bedaard te worden. + +„Ik wacht tot gij kalmer zult zijn,” antwoordde Sarcany vreedzaam, „en +ik zal al den tijd wachten, die daartoe noodig zal zijn.” + +„Of ik kalm ben of niet, wat kan dat schelen? Voor de laatste maal, wat +wilt gij van mij?” + +„Silas Toronthal, ik heb u eene zaak voor te stellen.” + +„Eene zaak?” + +„Ja.” + +„Ik wil over geen zaken spreken met u, ik wil geen zaken met u doen of +daarover onderhandelen!” riep de bankier uit. „Wij hebben niets gemeens +meer met elkander en ik wil dat gij Triëst terstond, heden nog verlaat, +om er nooit terug te komen.” + +„Ik denk te vertrekken en Triëst te verlaten,” antwoordde Sarcany, +„maar ik wil niet vertrekken zonder mijne schuld aan uw huis +aangezuiverd te hebben.” + +„Uwe schuld?.... Aanzuiveren!.... Gij?.... mij betalen?” + +„Ja, u betalen interest, kapitaal, alles, ongerekend een deel in de +winsten van....” + +Silas Toronthal trok verachtelijk de schouders op bij dat onverwachte +voorstel, komende van Sarcany. + +„De sommen, die ik u voorgeschoten heb, heb ik op mijne verliesrekening +gebracht,” zeide hij. „Ik scheld u die kwijt en heb dus niets van u te +vorderen.” + +Sarcany glimlachte. + +„Ik ben boven die nietigheden verheven,” ging de bankier voort. + +„Maar als het mij belieft uw schuldenaar te blijven?” + +„Dat kan slechts gelden, als het mij belieft uw schuldeischer te zijn!” + +Bij die woorden keken Silas Toronthal en Sarcany elkander in het +gelaat. Daarop trok deze laatste op zijne beurt de schouders op. + +„Volzinnen slechts, niets anders dan volzinnen! Woorden, anders niets,” +hernam Sarcany. „Ik herhaal, dat ik u eene zeer ernstige zaak kom +voorstellen.” + +„Even smerig als ernstig, ongetwijfeld?” + +„Hé, hé, het zou voor de eerste maal niet zijn, dat gij u tot mij +wendet, om....” + +„Sarcany!” riep de bankier uit. + +„Neen, niet de eerste maal, dat gij mijne....” + +„Woorden, niets dan woorden,” herhaalde Silas Toronthal op zijne beurt. +Hij wist niets anders te zeggen om de brutale uiting, die den anderen +op de lippen lag, te stuiten. + +„Hoor naar mij,” zei Sarcany, „ik zal kort zijn.” + +„En daar zult ge goed aan doen.” + +„Indien hetgeen ik u ga voorstellen, niet van uwe gading zal zijn, +zullen wij er niet meer over spreken en zal ik van hier vertrekken.” + +„Van hier of van Triëst?” + +„Van hier en van Triëst!” + +„Morgen reeds?” + +„Heden avond reeds!” + +„Spreek dan.” + +„Ziehier wat het geldt.” zei Sarcany. „Maar....” voegde hij er bij, +terwijl hij overal rondkeek, „zijt gij er zeker van dat niemand ons +hooren kan?” + +„Gij staat er dus op, dat ons onderhoud geheim zal blijven?” antwoordde +de bankier met ietwat spotachtigs in zijne stem. + +„Ja, Silas Toronthal, want wij beiden, gij en ik, zullen het leven van +hooge personen in de hand hebben!” + +„Gij misschien! Ik, neen!” + +„Oordeel er over! Ik ben op het spoor van eene samenzwering. Wat haar +doel is? Dat weet ik nog niet. Maar sedert de partij, die te midden van +de vlakte van Sadowa afgespeeld werd, sedert den slag van Sadowa heeft +ieder niet-Oostenrijker fraai spel tegen Oostenrijk. Nu heb ik wel +redenen om te meenen, dat eene beweging voorbereid wordt, eene beweging +ten voordeele van Hongarije, waaruit wij munt kunnen slaan.” + +Silas Toronthal vergenoegde zich deze enkele woorden op spottenden toon +tot antwoord te geven: + +„Er valt niets te halen van eene samenzwering.” + +„Waarachtig wel! Meer dan waarschijnlijk.” + +„Hoe dan?” + +„Door haar te verraden.” + +„Komaan, laat hooren. Verklaar u nader.” + +„Luister dan,” zei Sarcany. + +Daarop verhaalde hij, wat er op het oude kerkhof van Triëst gebeurd +was, hoe hij eene reisduif bemachtigd had, de wijze waarop het briefje +in geheimschrift—waarvan hij een afschrift gehouden had—in zijne handen +gevallen was en hoe hij met de woning van hem, voor wien het briefje +bestemd was, bekend was geworden. Hij voegde er bij dat hij en Zirone +de laatste vijf dagen doorgebracht hadden met alles te bespieden, zoo +niet wat binnen dat huis omging, dan toch het uiterlijke en den omtrek +daarvan. Eenige personen, die altijd dezelfde waren, kwamen er steeds +des avonds bijeen en traden niet zonder groote voorzorgen binnen. +Andere duiven waren van daar vertrokken, andere waren weer aangekomen. +De eerste vlogen noordwaarts, de overigen kwamen daar vandaan. De deur +dezer woning werd door een ouden dienstbode bewaakt, die haar ongaarne +ontsloot en steeds de naderenden nauwgezet gadesloeg. Sarcany en zijn +makker hadden zelfs met eene zekere omzichtigheid moeten te werk gaan, +om de aandacht van dien man niet te trekken. En nog vreesden zij, zijne +achterdocht sedert eenige dagen te hebben opgewekt. + +Silas Toronthal begon meer aandacht aan het verhaal te wijden, dat +Sarcany hem deed. Hij vroeg zich af, wat er waars kon zijn in dat +alles. Zijn oude makelaar was niet zoo geheel te vertrouwen. Hij vroeg +zich ook af op welke wijze deze meende dat hij zich in de zaak zou +mengen, om er eenig voordeel uit te behalen. + +Toen het verhaal uit was en toen Sarcany nogmaals en voor den laatsten +keer verzekerd had, dat het eene samenzwering tegen den Staat betrof en +dat het zeker gewin moest opleveren, wanneer men de geheimen van dat +komplot zoude weten te benuttigen, vergenoegde zich de bankier hem de +navolgende vragen te stellen: + +„Waar is dat huis gelegen?” + +„In de Acquedottolaan.” + +„Nummer?” + +„Nummer 89.” + +„Aan wien behoort die woning?” + +„Aan een Hongaarsch edelman.” + +„Een Hongaar?” + +„Ja.” + +„En die heet?” + +„Graaf Ladislas Zathmar.” + +„En welke personen bezoeken hem?” + +„Het zijn voornamelijk twee.” + +„Slechts twee?” + +„Ja. Beiden zijn van Hongaarsche afkomst.” + +„En de eene heet?” + +„De eene is een professor hier ter stede en heet Stephanus Bathory.” + +„En de andere?” + +„Graaf Mathias Sandorf.” + +„Weet gij dat zeker?” + +„Ja, zeer zeker.” + +Bij dien laatstgenoemden naam was een licht gebaar van verwondering aan +Silas Toronthal ontsnapt, hetgeen Sarcany niet ontging. Wat die drie +namen betreft, die deze laatste genoemd had, het was hem gemakkelijk +gevallen die te weten te komen. Hij was beiden gevolgd, professor +Stephanus Bathory zoowel als graaf Sandorf, den eersten, toen hij naar +zijne woning in de Corsia Stadionstraat wederkeerde, den andere toen +hij zich naar het hôtel Delòrme begaf. + +„Gij ziet het, Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „dat zijn namen, die +ik geen oogenblik geaarzeld heb u te openbaren. Gij zult daaruit wel +willen ontwaren, dat ik u niet wil bedriegen, of ook maar tegenover u +wil veinzen.” + +„Dat alles is wel nevelachtig en onbestemd,” antwoordde de bankier, die +klaarblijkelijk meer van de zaak wenschte te weten, alvorens er op in +te gaan. + +„Nevelachtig en onbestemd?” vroeg Sarcany. + +„Zeker! Gij hebt eigenlijk niets wat op een daadwerkelijk bewijs +gelijkt.” + +„En dit dan?” + +„Wat?” + +„Dat briefje?” + +Daarbij reikte Sarcany het afschrift van het geheimschrift aan Silas +Toronthal over. + +„Dat vod?” + +De bankier bekeek en onderzocht het niet zonder nieuwsgierigheid, hoe +onverschillig hij de woorden „dat vod” ook had uitgesproken; maar die +geheimzinnige woorden konden geen zin voor hem hebben en er was geen +enkele aanwijzing, dat zij de belangrijkheid bezaten, die Sarcany hen +toeschreef. Wanneer die zaak van zoodanigen aard was om zijne +belangstelling op te wekken, dan was het dat zij graaf Mathias Sandorf +betrof, die een goede klant van zijn huis was en wiens toestand van +schuldeischer jegens hem, hem verontrustte, wanneer deze een dadelijke +uitkeering der fondsen, bij het bankiershuis gestort, vergde. + +„Welnu?” vroeg Sarcany, nadat Silas Toronthal het papier had ingekeken. + +„Welnu,” antwoordde deze, „mijne meening is, dat de zaak nevelachtig en +onbestemd is en door dat biljet dat al meer en meer wordt.” + +„Mij dunkt integendeel, dat zij duidelijk en helder is,” was het +wederantwoord van Sarcany, die zich door de aangenomen houding van den +bankier niet liet uit het veld slaan. + +„Hebt gij dat geheimschrift kunnen ontraadselen?” + +„Neen, Silas Toronthal, maar....” + +„Maar wat?” + +„Ik zal het weten te lezen als de tijd daar zal zijn.” + +„En hoe?” + +„Ik heb mij wel meer met dergelijke evenals ook met andere zaken +beziggehouden,” antwoordde Sarcany, „en ik heb nog al brieven en +stukken, in geheimschrift gesteld, in handen gehad, dat verzeker ik u. +Nu heeft een nauwgezet onderzoek van dit briefje mij helder en klaar +overtuigd, dat de sleutel er van noch op een getal, noch op een vooraf +overeengekomen alphabet berust, die aan ieder der letters eene andere +beduidenis dan hare ware verleent. Ja, in dit biljet is een s een s, +een p een p en een r een r; maar deze letters zijn in eene volgorde +gesteld die niet kan hersteld worden dan door middel van een rooster.” + +De lezer weet reeds dat Sarcany zich niet vergiste. Dat was inderdaad +het stelsel hetwelk bij die briefwisseling gebruikt was. Hij weet ook, +dat het daardoor des te moeilijker was, dat geheimschrift te +ontraadselen. + +„Ik wil aannemen,” sprak de bankier, „en niet loochenen, dat gij gelijk +hebt; maar zonder dien rooster is het toch onmogelijk dat briefje te +lezen.” + +„Inderdaad.” + +„En hoe zult gij u dien rooster verschaffen?” + +„Dat weet ik nog niet,” antwoordde Sarcany; „maar wees gerust, ik zal +hem mij wel verschaffen.” + +„Waarlijk?” vroeg de bankier spottend. + +„Ongetwijfeld,” antwoordde de andere ernstig. + +„Welnu, Sarcany, als ik in uwe plaats was, dan zou ik mij zoo veel +moeite niet geven.” + +„Ik zal er de moeite toe nemen, die noodig is.” + +„Waartoe zou dat dienen? Ik zou mij eenvoudig vergenoegen met aan de +politie uwe meeningen en achterdocht mede te deelen en haar dat briefje +overhandigen.” + +„Op zijn tijd zal ik dat doen, Silas Toronthal, maar niet op eenvoudige +vooronderstellingen,” antwoordde Sarcany koeltjes. „Wat ik wil trachten +te erlangen, alvorens te spreken, dat zijn daadwerkelijke en derhalve +onbetwistbare bewijzen. Ik heb mij in het hoofd gezet, mij meester van +die samenzwering te maken, ja, meester! meester in de volle beteekenis +van het woord, om er al de voordeelen uit te trekken, die ik u aanbied +samen te deelen. En.... wie weet of het nog niet het voordeeligst zoude +zijn ééne lijn met de samenzweerders te trekken, in plaats van ons +tegen hen te stellen!” + +Een zoodanige taal kon Silas Toronthal niet verwonderen. Hij wist, +waartoe Sarcany met zijn schranderen kop, maar met zijn slecht hart, in +staat was. Maar als die man niet aarzelde zich zoo tegenover den +Triëster bankier uit te laten, dan was dat met de wetenschap van zijn +kant, dat men alles aan Silas Toronthal kon voorstellen, daar diens +rekbaar geweten op iedere zaak, hoe schurkachtig ook, inging, wanneer +zij maar grove winsten beloofde. Daarenboven, het kon niet genoeg +herhaald worden, Sarcany kende hem al sedert lang, en hij had +buitendien redenen om te gelooven, dat de toestand van het bankiershuis +sedert eenigen tijd verward en wankelend was. Zou nu de onthulling van +die samenzwering, behendig gebezigd, hem niet kunnen veroorloven zijne +zaken te herstellen? Het was op dergelijke beschouwingen, dat Sarcany +eenigermate rekende. + +Van zijn kant poogde Silas Toronthal in dit oogenblik gesloten spel met +zijn vroegeren makelaar in Tripolitaansche zaken te spelen. Dat er eene +kiem van samenzwering tegen het Oostenrijksche gouvernement bestond en +dat Sarcany die op het spoor was, kon hij wel aannemen. Dat huis van +graaf Ladislas Zathmar, waarin de geheime samenkomsten plaats hadden, +die briefwisseling in geheimschrift, de buitensporig groote som geld +bij hem door graaf Sandorf gestort, met aanbeveling haar steeds ter +zijner beschikking te houden, dat alles begon hem zeer verdacht voor te +komen. Sarcany had zeer waarschijnlijk bij die omstandigheden de zaken +juist ingezien. Maar de bankier, er nog meer van wenschende te vernemen +en meer inzicht in het spel van den gelukzoeker wenschende te hebben, +wilde nog niet dadelijk toetreden. Hij vergenoegde zich dan ook zoo +onverschillig mogelijk te antwoorden: + +„En daarna, aangenomen dat gij er in slaagt dat geheimschrift te +ontraadselen, waaraan ik twijfel, dan zult gij zien, dat het eenvoudig +particuliere zaken, zaken zonder eenig belang betreft, en waaruit dan +noch voor u noch voor mij eenig voordeel zal zijn te halen.” + +„Neen!” riep Sarcany met al het vuur eener vast gevestigde overtuiging +uit. „Neen! Ik ben op het spoor van eene zeer ernstige en zeer +gewichtige samenzwering, die door mannen van hoogen rang en hooge +maatschappelijke positie aangevoerd wordt en ik voeg er bij, Silas +Toronthal, dat gij er evenmin aan twijfelt als ik.” + +„Maar wat wilt gij dan eindelijk van mij?” vroeg de bankier, ditmaal +recht op den man af. + +Sarcany stond op en antwoordde met zacht fluisterende stem, terwijl hij +den bankier strak in de oogen keek: + +„Wat ik van u wil,” en hij legde bijzonderen nadruk op dit laatste +woord. „Ziehier: Ik wil zoo spoedig mogelijk toegang tot het huis van +den graaf Ladislas Zathmar hebben, onverschillig onder welk +voorwendsel, om daarna zijn vertrouwen te winnen. Eenmaal in de plaats +genesteld, waarin mij niemand kent, zal ik dien rooster wel weten +machtig te worden en dat raadselschrift ontcijferen, om er dat gebruik +van te maken, hetwelk het meest met onze belangen zal overeenkomen.” + +„Met onze belangen?” herhaalde Silas Toronthal. + +„Ja, onze belangen.” + +„Waarom zijt gij er zoo op gesteld mij in die zaak te mengen?” + +„Omdat zij der moeite waard is, en....” + +„Oho!” riep de bankier uit. + +„En gij er groote voordeden bij behalen zult!” + +„Waarom onderneemt gij die zaak niet alleen?” + +„Waarom?” + +„Ja, waarom?” + +„Wel, omdat ik uwe medewerking noodig heb.” + +„Mijne medewerking?” + +„Inderdaad.” + +„Kom dan toch tot verklaring.” + +„Luister. Om mijn doel te bereiken, heb ik tijd noodig; en om te kunnen +wachten, moet ik in de gelegenheid zijn te kunnen leven. Ik heb dus +geld noodig. En dat bezit ik niet meer!” + +„Uw crediet bij mij is uitgeput, dat weet ge.” + +„Ja; maar....” + +„Maar wat? Maak toch voort.” + +„Gij kunt mij een ander crediet openen!” + +„Wat zal ik daarmee kunnen winnen?” + +„Dit: Van die drie mannen, die ik u straks noemde, zijn twee zonder +vermogen, dat zijn graaf Zathmar en professor Bathory; maar de derde is +rijk, buitengewoon rijk zelfs. De goederen, die hij in Transsylvanië +bezit, zijn zeer aanzienlijk. Nu weet gij zeer goed, dat wanneer hij +als samenzweerder gevat en veroordeeld wordt, zijne verbeurd verklaarde +goederen voor het grootste gedeelte hun toegewezen worden, die de +samenzwering ontdekt en aangebracht hebben!.... En dat zullen wij zijn, +ik en gij, Silas Toronthal. Geloof mij, wij zullen eerlijk deelen.” + +Sarcany zweeg. De bankier antwoordde niet. Hij overpeinsde hetgeen men +van hem als inzet van die partij eischte. Hij was daarenboven de man +niet, om zich persoonlijk in eene zaak van dien aard bloot te geven. +Maar hij gevoelde dat Sarcany als zijn agent wel mans genoeg was om de +taak van hun beiden op zich te nemen. Wanneer hij mocht besluiten aan +die kuiperij deel te nemen, dan zou hij dezen wel zoodanig door een +contract weten te verbinden, dat hem geheel en al aan zijne genade zou +overleveren, dat hij, hoewel op den achtergrond blijvende, het grootste +deel der winsten zou opstrijken.... Toch aarzelde hij. Maar alles wel +beschouwd, wat waagde hij toch? Hij zou in die verachtelijke daad niet +optreden, hij zou er alleen de winst van genieten, groote winst, die +den toestand van zijn huis geheel zou kunnen herstellen. + +„Welnu?....” vroeg Sarcany. + +„Gij vraagt mijne beslissing?” + +„Ja.” + +„Welnu, neen,” antwoordde Silas Toronthal, vooral afgeschrikt door het +denkbeeld zulk een deelgenoot te hebben, of om een beter woord te +bezigen: zoo’n medeplichtige. + +„Gij weigert?” + +„Ja, ik weiger.... Ik geloof bovendien niet aan den goeden uitslag van +uwe combinatiën!” + +„Pas op, Silas Toronthal!” riep Sarcany, zonder zich ditmaal te +bedwingen, op dreigenden toon uit. + +„Oppassen, voor wat, alsjeblieft?” + +„Ik weet zekere zaken....” + +„De deur uit, Sarcany!” antwoordde de bankier. + +„Ik zal weten u te noodzaken....” + +„De deur uit!” + +In dit oogenblik werd licht op de deur van het kantoor getikt. Terwijl +Sarcany zijn gelaat vlug naar den kant van het venster gewend had, was +de deur opengegaan op het „binnen” van den bankier. Een bediende +verscheen en sprak met luider stem: + +„Graaf Sandorf verzoekt den heer Silas Toronthal een oogenblik gehoor!” + +Daarna ging hij heen. + +„Graaf Sandorf?” riep Sarcany uit. + +Van den eenen kant kon de bankier niet anders dan zeer verstoord zijn, +dat Sarcany van dat bezoek onderricht werd, en van den anderen kant +begreep hij dat groote moeilijkheden gingen voortvloeien uit die +onverwachte komst van den graaf. + +„He! he! wat komt graaf Sandorf hier doen?” vroeg Sarcany op scherp +spotachtigen toon. „Staat gij dus in betrekking met de samenzweerders +van het huis Zathmar. Inderdaad, ik geloof dat ik mij tot een hunner +gewend heb.” + +„Zult gij eindelijk heengaan?” + +„Neen, Silas Toronthal, ik zal niet heengaan. Ik wil weten wat graaf +Sandorf hier komt doen!” + +Toen hij die woorden uitgesproken had, wierp hij zich ijlings in een +kabinet, dat aan het kantoor grensde en welks voorhang achter hem +neerviel. + +Silas Toronthal was op het punt om iemand te roepen, teneinde den +indringer te doen wegjagen, toen hij plotseling van gedachte +veranderde. + +„Neen,” zei hij, „het is, alles wel beschouwd, waarschijnlijk beter, +dat Sarcany hoore wat hier gesproken zal worden.” + +De bankier schelde den bediende en beval hem graaf Sandorf onmiddellijk +binnen te geleiden. + +Mathias Sandorf trad het kantoor binnen en beantwoordde geheel +overeenkomstig zijn karakter, de beleefde buigingen van Silas Toronthal +koel. Daarna nam hij in een leuningstoel plaats, dien de bediende +bijgeschoven had. + +„Heer graaf,” zei de bankier, „ik mocht op de eer van uw bezoek niet +hopen, daar ik meende dat gij niet te Triëst waart. Maar gij weet het, +in het huis Toronthal zijt gij steeds welkom en uwe tegenwoordigheid +wordt hier hoogst gewaardeerd.” + +„Mijnheer,” antwoordde Mathias Sandorf, „ik ben slechts een der meest +bescheidene uwer klanten, daar ik, zooals gij weet, geene zaken drijf. +Toch ben ik u dank schuldig dat gij wel de fondsen, die ik disponibel +had, in deposito hebt willen nemen.” + +„Heer graaf, vergeef mij wanneer ik u herinner,” hernam Silas +Toronthal, „dat die fondsen in rekening courant door mij opgenomen +zijn, zoodat gij niet vergeten moogt, dat zij u renten opbrengen.” + +„Ik weet het, mijnheer....” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar ik +herhaal wat ik u destijds zeide, dat ik geene geldbelegging bij uw huis +beoogde, slechts een eenvoudig deposito.” + +„Het zij zoo, heer graaf,” hernam Silas Toronthal. „Maar het geld is in +deze tijden duur en het zou niet billijk wezen, wanneer het uwe +improductief bleef liggen. Een finantieele crisis dreigt over het +geheele land zich uit te strekken. De toestanden zijn in het binnenland +zeer moeilijk. De zaken zijn als het ware geheel verlamd. Eenige +bankbreuken van belangrijke huizen hebben het openbaar crediet +geschokt, terwijl er nog andere verwacht worden....” + +„Maar uw huis is solied, nietwaar, mijnheer?” vroeg Mathias Sandorf en +vervolgde zonder antwoord daarop af te wachten: „Ik weet uit goede +bron, dat het slechts zeer weinig geleden heeft door de reactie van die +bankbreuken.” + +„O, zeer weinig,” antwoordde Silas Toronthal met de grootste kalmte. +„De handel op de Adriatische zee verzekert ons bovendien een stroom van +maritieme zaken, die der huizen van Pest of van Weenen ontvalt, zoodat +de crisis ons slechts weinig gedeerd heeft. Wij zijn dus niet te +beklagen, heer graaf en beklagen ons ook niet.” + +„Ik kan niet anders dan u geluk wenschen, mijnheer,” betuigde Mathias +Sandorf. „Ik meen u evenwel te moeten vragen, of tengevolge van die +crisis zich binnenslands geene verwikkelingen voorgedaan hebben?” + +Hoewel graaf Sandorf die vraag gesteld had op een toon, alsof hij er +geen het minste belang in stelde, zoo wekte zij toch de aandacht van +Silas Toronthal op, die den graaf dan ook meer nauwkeurig gadesloeg. +Die vraag kon toch inderdaad betrekking hebben op hetgeen hij van +Sarcany vernam. + +„Ik weet niets dienaangaande,” antwoordde Silas Toronthal, „en ik heb +niet vernomen dat het Oostenrijksche gouvernement te dien opzichte +eenige vrees koesterde. Zoudt gij, heer graaf, redenen meenen te hebben +om te denken dat aanstaande gebeurtenissen....” + +„Volstrekt niet!” viel Mathias Sandorf in; „maar in hooge sferen van +het bankwezen is men soms met zaken bekend, die het publiek eerst later +verneemt. Ziedaar de reden, waarom ik u die vraag stelde, maar uwe +vrijheid onaangetast liet om haar, al naar dat u geraden voorkwam, met +ja of met neen te beantwoorden.” + +„Ik heb in dien zin niets vernomen,” hernam Silas Toronthal. „Wees +intusschen verzekerd, heer graaf, dat ik mij niet het recht zou mogen +aanmatigen om met een klant als gij zijt, geheimzinnig of stilzwijgend +te zijn, daar uwe belangen daardoor zouden kunnen lijden!” + +„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf, „en ik meen uwe +gevoelens te kunnen deelen, dat er noch van het binnenland, noch van +het buitenland iets te vreezen is. Ik ga dan ook Triëst weldra verlaten +om in Transsylvanië weer te keeren, waarheen mij dringende zaken +roepen.” + +„Zoo, gaat gij heen, heer graaf?” vroeg Silas Toronthal met +levendigheid. + +„Ja.... zoo omstreeks over veertien dagen, op zijn laatst.” + +„Maar gij komt toch naar Triëst terug?” + +„Dat geloof ik niet, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf. „Maar vóórdat +ik vertrek, wenschte ik de geheele comptabiliteit van het kasteel +Artenick, die eenigszins in de war is, in orde te brengen. Ik heb van +mijn intendant tal van nota’s, pachtcedulen, boschcontracten ontvangen, +die ik haast geen tijd heb om na te gaan. Kent gij geen comptabel, of +zoudt gij niet een uwer geëmployeerden kunnen missen, die mij dien +dienst zou willen bewijzen?” + +„Niets zal gemakkelijker gaan, heer graaf.” + +„Inderdaad?” + +„Ja, zeker.” + +„Ik zal u wel verplicht wezen.” + +„O, de verplichting is aan mijn kant. Wanneer hebt gij dien comptabel +noodig?” + +„Zoo gauw mogelijk.” + +„En waar moet hij zich aanmelden?” + +„Zich aanmelden?” + +„Ja, bij wien?” + +„Bij mijn vriend graaf Zathmar, wiens huis in de Acquedottolaan nummer +89 gelegen is.” + +„Hoe zegt ge.... nummer....?” + +„Nummer 89 van de Acquedottolaan.” + +„Dat ’s afgesproken.” + +„Het zal een werk van een tiental dagen wezen, en ik zal, wanneer die +zaken behoorlijk geregeld zijn, daarna naar het kasteel Artenick kunnen +vertrekken. Ik verzoek u dus om de fondsen, die ik bij u heb staan, ter +mijner beschikking te houden.” + +Silas Toronthal kon bij die woorden een gebaar van schrik niet +weerhouden. Gelukkig zag de graaf het niet. + +„Op welken dag verlangt gij, dat u die fondsen zullen worden ter hand +gesteld, heer graaf?” vroeg de bankier. + +„Op den 8en van de volgende maand.” + +„Dan zult gij ze hebben.” + +Daarop stond graaf Sandorf op en ging heen terwijl de bankier hem tot +aan de deur van het vertrek begeleidde. + +Toen Silas Toronthal in zijn kantoor terugkeerde, vond hij er Sarcany, +die slechts deze woorden sprak: + +„Ik moet binnen twee dagen in het huis van graaf Zathmar werkzaam +zijn.” + +„Ja, dat moet inderdaad!” antwoordde Silas Toronthal. + + + + + + + + +IV. + +HET GEHEIMSCHRIFT. + + +Sarcany was inderdaad twee dagen later in het huis van graaf Ladislas +Zathmar geïnstalleerd. Hij was door Silas Toronthal aanbevolen geworden +bij graaf Sandorf, die met de plaatsing van dien man onmiddellijk +genoegen had genomen. + +Zoo was de medeplichtigheid van den bankier met zijn agent bij de +kuiperijen, door hem op ’t getouw gezet, behoorlijk tot stand gekomen. +Hun doel was: de ontdekking van een geheim, die het leven van de +hoofden van de samenzwering kon kosten. Het resultaat dat verwacht +werd, zou zijn: dat als prijs hunner aanbrenging een vermogen hun ten +deel viel, voor de helft aan een gelukzoeker, die tot alles in staat +was om zijn zak gevuld te krijgen; voor de andere helft aan een +bankier, die zoover gekomen was, dat hij niet meer aan zijne +verbintenissen kon voldoen. + +Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat een verdrag tusschen +Silas Toronthal en Sarcany gesloten was, waarbij de waarschijnlijk +geachte winsten in twee gelijke portiën verdeeld werden. Bovendien zou +Sarcany al het geld ontvangen, benoodigd om met zijn makker Zirone +fatsoenlijk te Triëst te kunnen leven en om zijne onkosten te kunnen +betalen, die zijne bemoeiingen in die zaak vereischen zouden. +Daartegenover had hij als waarborg de copie van het briefje, dat het +geheim der samenzwering bevatte, waaraan hij niet twijfelde, aan den +bankier moeten overgeven. + +Men zal misschien geneigd zijn graaf Mathias Sandorf van +onvoorzichtigheid te beschuldigen. En inderdaad, in zulke +omstandigheden een vreemdeling binnen te leiden in dat huis, waarin +zulke gewichtige belangen behandeld werden, in den vooravond van den +dag waarop het sein tot uitbarsting van een komplot ieder oogenblik kon +gegeven worden, kon niet anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Maar +het was slechts door de ijzeren noodzakelijkheid, dat de graaf zoo +gehandeld had. + +Vooreerst toch had hij er een dringend belang bij, dat zijne personeele +zaken in orde gebracht werden, op een oogenblik dat hij zich in die +gevaarlijke zaak stortte, waarin hij zijn leven, op zijn allerminst +zijne verbanning waagde, wanneer hij bij nietslagen gevangen genomen of +tot de vlucht genoodzaakt zou worden. Van een anderen kant meende hij +door het opnemen van een vreemdeling in het huis van graaf Zathmar, +juist de achterdocht, die mocht gerezen zijn, af te wenden. Hij had +sedert eenige dagen meenen te zien—en de lezer weet dat het juist +is—dat eenige spionnen in de Acquedottolaan rondslopen. Die spionnen +waren niemand anders dan Sarcany en Zirone geweest. Maar de graaf vroeg +zich af, of de politie hem en zijne vrienden gadesloeg en hunne +handelingen nauwgezet naging? Mathias Sandorf moest het gelooven, ja +vreezen. Wanneer de vergaderplaats der samenzweerders, die tot dien dag +voor alle oningewijden hermetisch gesloten was gebleven, achterdocht +opwekte, dan was er geen beter middel om de verdenking op een valsch +spoor te brengen, dan door die afsluiting op te heffen, en het huis +voor een commies te openen, die er zich inderdaad slechts met +comptabiliteits-zaken onledig zou houden. Zou de tegenwoordigheid van +dien commies een gevaar voor graaf Ladislas Zathmar en voor zijne +makkers kunnen daarstellen? Neen, in geen geval. Er werden geene +brieven in geheimschrift tusschen Triëst en de andere steden van het +Hongaarsche koninkrijk gewisseld. Al de papieren, die op de ophanden +zijnde beweging betrekking hadden, waren vernietigd. Er bleef geen +enkel geschreven spoor van de samenzwering over. De maatregelen waren +genomen, daaraan was niets meer te veranderen. Er behoefden geen nieuwe +genomen te worden. Graaf Sandorf had slechts het sein te geven, wanneer +het gunstige oogenblik daar zou zijn. Dus de aanneming van een nieuwen +geëmployeerde in dat huis zou, wanneer het gouvernement achterdocht +koesterde, iedere verdenking verwijderen. + +Ja, de redeneering was juist en de voorzorg zou goed genomen moeten +genoemd worden, wanneer die commies niet Sarcany en zijn borg niet +Silas Toronthal geweest waren! + +Sarcany, die een meester in dubbelhartigheid was, genoot evenwel de +voordeelen van zijn uiterlijk. Hij had toch een openhartig en +vrijmoedig gelaat, terwijl zijn geheele persoon eenvoudigheid en +trouwhartigheid scheen te kenmerken. Graaf Sandorf en zijne vrienden +werden er door bedrogen en beetgenomen. De jeugdige comptabel betoonde +zich ijverig, dienstvaardig, vriendelijk en uiterst behendig bij het +nazien van die rekeningen en nota’s, die hij moest in het reine +brengen. Niets bovendien zou hem hebben kunnen doen gissen, wanneer hij +het niet geweten had, dat hij zich in tegenwoordigheid van de hoofden +eener samenzwering bevond, die gereed was het Hongaarsche ras tegen het +Duitsche op te zweepen. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas +Zathmar schenen zich slechts bij hunne bijeenkomsten met +wetenschappelijke vraagstukken of met kunstkwestiën bezig te houden. +Geen geheime briefwisselingen meer, geen geheimzinnig heen en weer +loopen rondom het huis. Dat alles was uit. Maar Sarcany wist waaraan +zich te houden. De gelegenheid, die hij zocht, moest zich voordoen en +hij wachtte diensvolgens geduldig. + +Toen Sarcany het huis van Ladislas Zathmar betrad, had hij slechts ééne +gedachte, namelijk den rooster machtig te worden, die diende om het +geheimschrift te ontcijferen. Nu er evenwel geen dergelijke stukken +meer te Triëst aankwamen, vroeg hij zich af of die rooster niet uit +overmaat van voorzichtigheid kon vernietigd zijn. Dat denkbeeld +verontrustte hem, want het geheele gebouw zijner kuiperijen berustte +daarop, dat hij het briefje door de reisduif aangebracht, en waarvan +hij afschrift genomen had, zou kunnen lezen. + +Dus terwijl hij zich onledig hield met de zaken van Mathias Sandorf te +regelen, keek hij rond, nam hij waar, bespiedde hij alles. De toegang +tot het kantoorvertrek, waarin Ladislas Zathmar en zijne makkers te +zamen kwamen, was voor hem niet afgesloten. Hij werkte er zelfs +somtijds geheel alleen in. En dan waren zijne oogen en zijne handen met +geheel iets anders bezig, dan met het onder elkander stellen van +cijfers of met rekeningen uit te pluizen. Hij snuffelde dan in de +papieren, hij opende de laden met een soort haak, dien Zirone hem als +zaakkundige bij dergelijke bedrijven, ter hand had gesteld na dien zelf +gemaakt te hebben. Hij nam toch intusschen zeer goed in acht, dat hij +bij dien arbeid niet door Borik zoude bespeurd worden; want hij +ontveinsde het zich niet, dat hij dezen niet de geringste sympathie +inboezemde. + +Gedurende de vijf eerste dagen waren Sarcany’s nasporingen volkomen +vruchteloos. Hij trad iederen morgen dat huis binnen bezield met de +hoop van te zullen slagen; en iederen avond keerde hij naar zijn hôtel +terug met het bewustzijn, een vergeefschen dag doorgebracht te hebben. +Hij begon aan het welslagen zijner onderneming te wanhopen. En +inderdaad, de omwenteling, wanneer het eene samenzwering gold,—en +daaraan twijfelde hij geen oogenblik—kon iederen dag uitbreken, dat wil +zeggen: alvorens hij haar ontdekt en bij gevolg aangebracht had. + +„Eerder dan het voordeel van die aanbrenging te verliezen,” zeide +Zirone, „zal het verkieselijk zijn, al is het zonder bewijzen, de +politie te waarschuwen en haar daarbij het afschrift in handen te +spelen.” + +„Ja,” antwoordde Sarcany, „dat zal ik doen, als het noodig wordt.” + +Het zal wel overbodig zijn te vertellen, dat hij Silas Toronthal op de +hoogte van zijne nasporingen hield, dat hij waarlijk veel moeite had om +diens ongeduld te temperen. + +Maar het toeval zou hem te hulp komen. Dat had hem een eerste maal +gediend door hem het geheimzinnig briefje in handen te spelen; het zou +hem andermaal dienen door hem in staat te stellen dat raadselschrift te +ontcijferen. + +Men was op het einde van de maand Mei gekomen, en het was ongeveer vier +uren in den namiddag. Sarcany zou volgens gewoonte, tegen vijf uren het +huis van graaf Ladislas Zathmar verlaten. Hij was te meer kregelig, +daar hij niet verder gevorderd was dan op den eersten dag dat hij in +dienst van graaf Sandorf trad, om diens comptabiliteit in orde te +brengen, een arbeid dien hij bijna geëindigd had. Wanneer hij daaraan +de laatste hand zou gelegd hebben, dan zou hij ongetwijfeld betaald en +bedankt worden; waardoor hem de gelegenheid ontvallen zou om zich +voortaan in dat huis te kunnen vertoonen. + +In dat gegeven oogenblik bevonden zich Ladislas Zathmar en zijne beide +vrienden buitenshuis. Er was niemand in de woning aanwezig dan Borik, +die toen in een zaal op de eerste verdieping bezig was. Sarcany had +volledige vrijheid tot handelen en besloot dan ook om de slaapkamer van +graaf Zathmar binnen te dringen,—waarin hij nog nimmer geweest was—om +daar zijne nasporingen op het nauwkeurigst voort te zetten. + +De deur was gesloten, maar met zijn haak slaagde Sarcany haar te +openen, waarna hij binnentrad. + +Tusschen de beide vensters, die op de straat uitzagen, stond een +secretair-bureau, waarvan de verjaarde vorm een liefhebber van oude +meubelen verrukt zoude hebben. Het schuifblad van den cilinder was +neergeslagen, zoodat van de innerlijke inrichting niets kon bespeurd +worden. + +Dat was wel de eerste maal, dat het Sarcany vergund was om dit +meubelstuk te onderzoeken en hij was er de man niet naar, om die +gelegenheid te laten ontsnappen, om de verschillende laden er van te +kunnen doorsnuffelen, hetgeen hij met zijn haak ten uitvoer bracht, +zonder dat daarvan eenig spoor op het slot zichtbaar was. + +In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak +papieren, die voor hem waardeloos waren, een soort kaart, die +onregelmatig van vierkante gaten voorzien was. Die kaart boeide +dadelijk zijne aandacht. + +„De rooster!” zei hij tot zichzelven. + +Hij vergiste zich waarlijk niet. + +De eerste gedachte, die hem inviel, was om die kaart mede te nemen. +Maar na eenig beraad zei hij tot zichzelven, dat het verdwijnen van +dien rooster achterdocht kon opwekken, wanneer graaf Ladislas Zathmar +dit bespeurde. + +„Kom,” sprak hij, „ik heb wel afschrift van het briefje genomen, waarom +zou ik dien rooster niet kunnen namaken? Dan kunnen Toronthal en ik de +dépêche geheel op ons gemak lezen.” + +Die rooster was eenvoudig een vierkant van bordpapier van zes +centimeters lang en even zoo breed, die in zes en dertig gelijke ruiten +verdeeld was, welke ieder een vierkante centimeter groot waren. Van die +zes en dertig ruiten of vakken, die op zes horizontale en zes verticale +rijen geplaatst waren, evenals die van een tafel van Pythagoras, welke +voor zes cijfers ingericht zoude zijn, waren zeven en twintig vol en +negen leeg—dat wil zeggen, dat ter plaatse van die negen vakken de +kaart op negen plaatsen uitgeknipt was. + +Waarvan Sarcany zich het eerst moest vergewissen, dat was eerstens: van +de nauwkeurige oppervlakte van dat blad bordpapier of rooster en +tweedens van de juiste plaatsing daarop van de negen ledige vakken. + +De oppervlakte bracht hij over, door met een potlood den omtrek op een +vel wit papier na te trekken, waarbij hij zorg droeg op de plaat de +plek te merken, waar een kruisje met inkt gemaakt was, hetgeen den +bovenkant van den rooster scheen aan te duiden. + +De plaats der negen vakken bracht hij over door het papier, waarop hij +den omtrek nageteekend had, op de gewilde plekken, die zichtbaar waren, +door te prikken. Dat waren op de eerste rij drie ledige plekken, die de +vakken 2, 4 en 6 lieten ontwaren; op de tweede rij een ledige plek, die +vak 5 innam; op de derde rij een ledige plek die vak 3 innam; op de +vierde rij twee ledige plekken, die de vakken 2 en 5 innamen; op de +vijfde rij een ledige plek, die vak 6 innam; en eindelijk op de zesde +of laatste rij een ledige plek, die vak 4 liet zien. + +Ziehier bovendien dien rooster, in natuurlijke grootte, waarvan Sarcany +en zijn medeplichtige, de bankier Silas Toronthal, een zoo misdadig +gebruik zouden maken. In dezen afdruk stellen de witte vakken de +uitgeknipte en de zwarte de gevulde vakken voor. Dat is duidelijk, +nietwaar? + +Eenige minuten waren voor Sarcany voldoende om het volgende figuur te +verkrijgen. + + + + +---+---+---+---+---+---+ + |###| |###| |###| | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###| |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| |###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| |###|###| |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###|###| | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###| |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + + +Hij twijfelde er niet aan, dat met behulp van dien rooster, dien hij +gemakkelijk uit een stuk bordpapier, dat hij uitknippen zou, +vervaardigen kon, het hem zou gelukken nu het afschrift van het +briefje, dat hij in handen van Silas Toronthal achtergelaten had, te +ontraadselen. Hij plaatste dus den rooster weer in de lade onder de +papieren, die hem bedekt hadden, en verliet daarna de slaapkamer van +Ladislas Zathmar en vervolgens het huis. Hij had haast om in zijn hôtel +weer te keeren. + +Zirone zag hem een kwartieruur later hunne gemeenschappelijke kamer met +zulk een zegevierend uiterlijk binnenstappen, dat hij niet nalaten kon +luidkeels uit te roepen: + +„Wat is er toch aan de hand, kameraad? Neem je in acht! Gij weet meer +behendig een verdriet dan wel een vreugde te bemantelen, en men +verraadt zich zelven even zoo goed door zich over te geven aan....” + +„Schei uit met je gezeur, Zirone,” antwoordde Sarcany, „en aan het werk +zonder eene minuut verloren te laten gaan.” + +„Vóór ons avondmaal nog?” + +„Ja!” + +Zirone zuchtte, maar Sarcany stoorde zich daaraan niet. Deze nam een +stuk bordpapier van geringe dikte. Hij sneed dat volgens zijne calque, +zoodanig dat hij een vierkant verkreeg, die zuiver de afmeting had van +den rooster en vergat daarbij niet het kruisje bij den bovenrand te +plaatsen. Daarna nam hij eene liniaal en verdeelde zijn vierkant in zes +en dertig vakken allen van gelijke grootte. + +Toen werden van die zes en dertig vakken negen gemerkt ter plaatse, +welke zij op de calque innamen. Daarna werden die met de punt van een +pennemes zoodanig uitgesneden, dat zij in hunne ontstane ledige plekken +de letters of teekens lieten bespeuren van het een of andere briefje of +stuk, waarop de zoo verkregen rooster neergelegd werd. + +Zirone stond voor Sarcany en keek met groote verwonderde oogen toe, +terwijl hij van nieuwsgierigheid trilde. Hij stelde te meer belang in +dien arbeid, daar hij zeer goed het stelsel van geheimschrift begrepen +had, waarop de onderhavige briefwisseling berustte. Alleen hij bezat +den sleutel niet. + +„Het is vernuftig,” zei hij, „uiterst vernuftig en zoo iets kan mij +dienen! Als ik bedenk, dat de waarde van ieder van die vakken een +millioen kan bedragen....” + +„En meer!” antwoordde Sarcany. + +Toen het werk beëindigd was, stond Sarcany op, na het uitgesneden stuk +bordpapier in zijn brieventasch opgeborgen te hebben. + +„Morgen ochtend zal ik zoo vroeg mogelijk bij Toronthal zijn,” zei hij. + +„Hij moge oppassen voor zijn kas!” + +„Als hij het briefje heeft, dan heb ik den rooster!” + +„Dat is waar, maar....” + +„Geen maren; dat is ontegenzeggelijk!” + +„En ditmaal zal hij wel moeten afschuiven!” + +„Ja, dat zal hij moeten!” + +„Kunnen wij dus thans avondmalen?” + +„Ja, dat kunnen wij.” + +„Welnu, aan den gang!” + +En Zirone, die steeds eetlust had, deed het heerlijke maal, dat hij met +zorg besteld had, alle eer aan. + +Den volgenden morgen, den 1sten Juni, vertoonde Sarcany zich reeds te +acht uren aan het bankiershuis. Hoe vroeg het ook nog was, toch gaf +Silas Toronthal bevel om hem dadelijk bij zich in zijn kabinet toe te +laten. + +„Daar is de rooster,” vergenoegde zich Sarcany slechts te zeggen, +terwijl hij het stuk bordpapier overreikte, dat hij te voren +uitgesneden had. + +De bankier nam het aan, draaide en keerde het, terwijl hij het hoofd +schudde, hetgeen te kennen moest geven, dat hij het vertrouwen van zijn +deelgenoot niet erg deelde. + +„Laten wij maar probeeren!” zei Sarcany. + +„Dat kunnen wij altijd doen.” + +Silas Toronthal nam het afschrift van het briefje, dat in een der laden +van zijn schrijftafel opgesloten lag, en plaatste het op de tafel. + +Dat briefje—de lezer zal zich nog wel herinneren—bevatte achttien +woorden, ieder bestaande uit zes letters, woorden die evenwel volmaakt +onverstaanbaar waren. Het was boven alles waarschijnlijk, dat iedere +letter van de woorden overeen moest komen met de zes ledige of gevulde +vakken, die iedere rij van den rooster vormden. Men kon bijgevolg +vooreerst al vast aannemen, dat de zes eerste woorden van het briefje, +samengesteld uit zes en dertig letters, achtereenvolgens verkregen +waren door middel van die zes en dertig vakken. + +Het was inderdaad gemakkelijk in te zien, dat de schikking der ledige +vakken zoo vernuftig bij de vervaardiging van dien rooster uitgedacht +was, dat wanneer men hem vier malen een kwart toer liet keeren, die +ledige vakken opvolgend de plaats der volle innamen zonder ooit +tweemalen dezelfde letter te laten ontwaren. + +Men ziet dadelijk in, dat het zoo zijn moet. Bij voorbeeld, wanneer men +bij eene eerste toepassing van den rooster op een stuk wit papier de +cijfers van 1 tot 9 in ieder leeg vak invult, vervolgens den rooster +een kwart omwenteling laat maken en op gelijke wijze handelt en de +getallen van af 10 tot en met 18 invult; daarna een tweede kwart +omwenteling volbrengt en de getallen van af 19 tot en met 27 +inschrijft; vervolgens den rooster een derde kwart omwenteling doet +maken en de getallen van af 28 tot en met 36 ter neer te schrijven, +zoodat men eindelijk op het papier de getallen van 1 tot 36 zal +bevinden, in de zes en dertig vakken geplaatst die den rooster vormen. + +Sarcany werd dus natuurlijk er toegebracht om de eerste zes woorden van +het briefje te behandelen met de vier opvolgende toepassingen van den +rooster. Hij had daarbij het voornemen om diezelfde bewerking te +herhalen met de twee volgende zes woorden en eindelijk een derde maal +met de laatste zes woorden, hetgeen in het geheel de achttien woorden +zou bedragen, waaruit het geheimschrift bestond. + +Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat de hierboven vermelde +redeneeringen door Sarcany tegenover den bankier Silas Toronthal +gehouden werden en dat deze hare volmaakte nauwkeurigheid erkend en +zeer gewaardeerd had. + +Zou nu de praktijk de geuite theorie bevestigen? Daarin bestond toch de +geheele belangrijkheid van de bewerking. + +Ziehier welke de achttien woorden van het briefje waren. Het zal +voorzeker noodig zijn ze andermaal onder de oogen van den lezer te +brengen: + + + ghfhna dalant ltenka + aohhzk aenzse tsnivi + znrijoo tnpees seijehe + lxosde soelnl sglpte + veknni ilarna lotasa + ijareah nezmtl rradae + + +Het kwam er vooreerst op aan, de eerste zes woorden te ontraadselen. Om +daartoe te geraken, schreef Sarcany ze op een vel papier, daarbij zorg +dragende de letters zoodanig van elkander te schrijven, dat ieder +hunner overeenkwam met een der vakken van den rooster. + +Dat gaf de volgende uitkomst: + + + g h f h n a + a o h h z k + z n r ij o o + l x o s d e + v e k n n i + ij a r e a h + + +Daarna werd de rooster zoodanig op dat samenstel geplaatst, dat de +zijde met het kruisje gemerkt bovenaan stond. Toen lieten de leege +vakken de volgende negen letters zien, terwijl de zeven en twintig +anderen door de volle vakken van het bordpapier bedekt bleven. Zoo + + + + + +---+---+---+---+---+---+ + |###| h |###| h |###| a | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###| z |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| r |###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| x |###|###| d |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###|###| i | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###| e |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + + +Sarcany liet daarna den rooster een kwart omwenteling volbrengen van de +linker- naar de rechterzijde, zoodanig dat de bovenkant ditmaal de +rechterkant werd. Bij die tweede toepassing waren het de navolgende +letters, die in de ledige vakken te voorschijn traden: + + + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| h |###|###| k | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|ij |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + + | l |###|###|###|###| e | + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| k |###| n |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| a |###|###|###| h | + +---+---+---+---+---+---+ + + +Bij de derde toepassing werden de navolgende letters zichtbaar, die +evenals de vorigen net zorg opgeteekend werden: + + + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| f |###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + | a |###|###|###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| n |###|###| o |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###| s |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| e |###|###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |ij |###| r |###| a |###| + +---+---+---+---+---+---+ + + + +Wat Silas Toronthal en ook Sarcany al dadelijk uitermate verbaasd had, +was dat de woorden, zooals zij zich achtereenvolgens vormden, geen zin +hadden. Zij hadden verwacht hen vloeiend te hebben kunnen lezen, dewijl +zij door de opeenvolgende toepassingen van den rooster verkregen waren, +en toch waren die woorden even raadselachtig als die van het +geheimzinnige briefje. Zou dat lorrige vod onoplosbaar blijven? + +De vierde toepassing van den rooster leverde het navolgende resultaat +op: + + +---+---+---+---+---+---+ + | g |###|###|###| n |###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###| o |###| h |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + | z |###|###|###|###| o | + + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###| o |###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + | v |###|###| n |###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + |###|###|###|###|###|###| + +---+---+---+---+---+---+ + + +Ook dat was even duister, even raadselachtig. + +En waarlijk, de vier woorden, die verkregen waren door de vier +verschillende toepassingen van den rooster, waren de navolgende: + + + hhazrxdie, + hkijleknah, + fanoseijra, + gnohroovn, + + +waaruit volstrekt niets te maken was. + +Sarcany kon zijn toorn niet verbergen, door die teleurstelling +teweeggebracht. De bankier vergenoegde zich met het hoofd te schudden +en niet zonder spotternij te zeggen: + +„Misschien is het die rooster niet, welken de samenzweerders bij hunne +briefwisseling gebruikt hebben!” + +Die bemerking deed Sarcany opspringen. + +„Laat mij voortgaan!” riep hij uit. + +„Ga voort!” antwoordde Silas Toronthal. + +Toen het Sarcany gelukt was de zenuwachtige beweging, die hem bevangen +had, te boven te komen en te bedwingen, hervatte hij de bewerking met +de volgende zes woorden, die de tweede kolom van het briefje vormden. +Vier malen paste hij den rooster op de woorden toe, door hem telkenmale +een kwart omwenteling te laten maken, en verkreeg daardoor die +verzameling van letters, die ook volstrekt geen zin hadden: + + + aatsponam, + neeslanel, + lanelluzt, + dneztseir. + + +Sarcany wierp ditmaal den rooster verwoed op tafel en vloekte als een +koopvaardijmatroos. + +Als zonderlinge tegenstelling had Silas Toronthal zijne koelbloedigheid +geheel en al bewaard. Hij bestudeerde die zoo verkregen woorden sedert +het begin der roosterbewerking en bleef stil peinzend zitten. + +„Naar den drommel dien rooster en zij die er gebruik van maken!” riep +Sarcany uit, terwijl hij van zijn stoel opvloog. + +„Hoe dwaas!” zei Silas Toronthal. + +„Dwaas?” vroeg Sarcany verwoed. + +„Ga weer zitten,” zei de bankier kalm. + +„Gaan zitten?....” + +„Ja, ga zitten en ga voort!” + +Sarcany keek Silas Toronthal aan. Daarna hernam hij plaats en greep +weer den rooster, om hem op de zes laatste woorden van het briefje toe +te passen. Maar hij deed dat geheel werktuigelijk als iemand, die geen +bewustzijn heeft van hetgeen hij verricht. + +Ziehier de woorden, die door die vier laatste toepassingen van den +rooster verkregen werden: + + + tnavijgtad, + niesetsre, + etehporaa, + lksisella. + + +Maar die vier laatste woorden beteekenden evenmin iets als de vorige +acht. + +Sarcany was uitermate verwoed. Hij greep het vel papier, waarop die +zotklinkende woorden geschreven stonden en die door den rooster +achtereenvolgens te voorschijn waren gebracht, om het te verscheuren. + +Silas Toronthal weerhield hem. + +„Kalmte,” zei hij. + +„Och,” riep Sarcany uit, „wat is er uit te voeren met dat prul?” + +„Schrijf eens al die woorden aan elkander gehecht ter neer,” antwoordde +de bankier bedaard. + +„Waarom?” + +„Om te zien.” + +Sarcany gehoorzaamde en hij kreeg de aaneenschakeling van de navolgende +letters: + +h h a z r x d i e h k ij l e k n a h f a n o s e ij r a g n o h r o o v +n a a t s p o n a m n e e s l a n e l l a n e l l u z t d n e z t s e i +r t n a v ij g t a d n i e s e t s r e e t e h p o r a a l k s i s e l +l a. + +Nauwelijks waren die letters ter neer geschreven, of Silas Toronthal +rukte het papier onder de handen van Sarcany weg. Hij bekeek het en +stiet een kreet uit. Hij was het thans, die op zijne beurt de kalmte +verloor. + +Sarcany vroeg zich waarachtig af of de bankier niet plotseling +krankzinnig was geworden. + +„Man, lees dan toch!” riep Silas Toronthal uit, terwijl hij het papier +aan Sarcany overreikte. „Lees dan toch!” + +„Lezen?” + +„Ja, lezen!” + +„Maar wat dan?” + +„Wel, ziet gij dan niet, dat de correspondenten van graaf Mathias +Sandorf, alvorens hunne woorden met behulp van den rooster saam te +stellen, den volzin het achterste voor geschreven hebben.” + +Sarcany greep ijlings het papier en ziehier wat hij las, toen hij die +letters, met de laatste te beginnen, ontraadselde. + + + „Alles is klaar. Op het eerste sein dat gij van Triëst + zendt, zullen allen als een man opstaan voor Hongarijes + onafhankelijkheid. X r z a h h.” + + +„En die laatste zes letters?” riep hij uit. + +„Dat is eene vooraf overeengekomen onderteekening,” antwoordde Silas +Toronthal. + +„Nu hebben wij hen te pakken!....” + +„Maar dat kan de politie nog niet zeggen.” + +„Dat’s mijne zaak.” + +„Zoo?” + +„Ja!” + +„Maar gij zult zoo geheimzinnig mogelijk te werk gaan?” + +„Dat’s mijne zaak,” herhaalde Sarcany voor den tweeden keer. „De +gouverneur van Triëst alleen zal de namen der twee eerlijke +vaderlandslievende mannen vernemen, die eene samenzwering tegen +Oostenrijk in hare geboorte gesmoord zullen hebben!” + +Terwijl hij zoo sprak, liet die ellendeling door toon en gebaar +genoegzaam de bijtende scherts ontwaren, die hem bij het uitbrengen +dier woorden bezielde. + +„Dan zal ik mij dus met niets te bemoeien hebben?” vroeg de bankier +koel. + +„Met niets anders,” antwoordde Sarcany, „dan met het opstrijken van de +helft der winsten in die zaak.” + +„Wanneer?” + +„Hoe, wanneer?” + +„Wanneer die verdeeling van winsten?” + +„Wel wanneer onder de bijl drie hoofden gevallen zullen zijn, die ons +ieder meer dan een millioen zullen opbrengen.” + +Silas Toronthal en Sarcany scheidden. Als zij voordeel wilden trekken +uit het geheim, hetwelk het toeval hen in handen gespeeld had, door de +samenzweerders te verraden vóórdat de omwenteling uitgebarsten was, dan +moesten zij zich haasten. + +Sarcany evenwel ging, zooals hij gewoon was te doen, naar de woning van +Ladislas Zathmar terug. Hij had zijn comptabiliteits-arbeid hervat en +was daarmede bijna ten einde. Graaf Sandorf zelf zeide hem, terwijl hij +hem voor zijne betoonde vlijt bedankte, dat hij over acht dagen zijne +diensten niet meer noodig had. + +Volgens Sarcany’s opvatting beduidde dat klaarblijkelijk, dat het sein, +hetwelk van Triëst verwacht werd, op dat tijdstip aan de voornaamste +steden van Hongarije zou gegeven worden. + +Sarcany ging dus voort om alles, wat in het huis van graaf Ladislas +Zathmar voorviel, ten nauwkeurigste waar te nemen, zonder evenwel de +geringste achterdocht op te wekken. Hij was daarenboven gebleken zoo +vernuftig, zoo met de vrijzinnige denkbeelden ingenomen te zijn, hij +had een zoo onbewimpelden afkeer aan den dag gelegd, dien hij voor het +Duitsche ras koesterde, in één woord: hij had zijne komedie zoo goed +gespeeld, dat graaf Sandorf het voornemen had opgevat hem later, +wanneer de omwenteling Hongarije vrij zou hebben gemaakt, aan zich te +verbinden. Tot zelfs Borik was door hem gewonnen en had de +vooringenomenheid afgelegd, die hij eerst voor dien jongman gekoesterd +had. + +Sarcany was dus zijn doel nabij. + +Graaf Sandorf was met zijne twee vrienden overeengekomen, dat het sein +tot den opstand op den 8sten Juni zou gegeven worden, en die dag was +daar. + +Maar toen was ook het aanbrengingsplan volbracht. + +Dien avond overrompelde de politie van Triëst plotseling het huis van +graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. Graaf Mathias +Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Bathory, Sarcany zelfs, +die geen enkel woord van protest liet hooren, en Borik werden gevangen +genomen, zonder dat iemand iets van het bevel tot inhechtenisneming +vernomen had. + + + + + + + + +V. + +VOOR, GEDURENDE EN NA DE TERECHTZITTING. + + +Istrië, dat door de tractaten van 1815 aan het +Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk toegevoegd is geworden, is een +driehoekig schiereiland, welks landengte het grondvlak over de grootste +breedte van dien driehoek vormt. Dat schiereiland strekt zich van de +golf van Triëst af tot de golf van Quarnero uit, en worden langs die +kust vrij talrijke havenplaatsen aangetroffen. Onder deze kan als de +voornaamste opgesomd worden, de haven van Pola, die aan de Zuiderpunt +van bedoeld schiereiland gelegen is. + +Die provincie Istrië, vooral wat hare westelijke kusten betreft, is +zeer Italiaansch, zelfs Venetiaansch gebleven, zoowel door hare +gebruiken en gewoonten, als door hare taal. Het is waar, dat er het +Slavonisch element een soort tegenwicht vormt; maar wat zeker is, dat +is dat het Duitsche element zich er met moeite tusschen die twee rassen +kan handhaven. + +Verscheidene belangrijke steden langs de kust of in het binnenland +gelegen, schenken leven aan die streek, die door de wateren der +Adriatische Zee bespoeld wordt. Zoo als daar zijn Capo d’Istria en +Pirano, welker bevolking bijna uitsluitend de groote +zoutaanmaakbeddingen bewerkt, die aan de monding der Risano en der +Corna Lunga gelegen zijn; verder Parenzo, de residentieplaats van de +vertegenwoordiging van Istrië en van den bisschop; nog verder Rovigno, +hetwelk zijne rijkdommen uit zijne olijfaanplantingen trekt; eindelijk +Pola, waar de toeristen de prachtige monumenten van Romeinschen +oorsprong gaan zien en die bestemd is de meest belangrijke +oorlogshavenplaats van geheel de Adriatische zee te worden. + +Maar geen dezer steden heeft het recht de hoofdplaats van Istrië +genoemd te worden. Het is eigenlijk Pisino, dat in het midden van den +bedoelden driehoek gelegen is, dat dien naam draagt, en het was +daarheen dat de gevangenen na hunne geheime inhechtenisneming gebracht +werden zonder dat zij er iets van wisten. + +Voor de deur van het huis van graaf Ladislas Zathmar stond een +postrijtuig te wachten. Alle vier stegen in en twee Oostenrijksche +maréchaussées—van die lieden welke behoorlijk voor de veiligheid in de +Istrische velden zorgen—namen bij hen plaats. Het was hun dus niet +geraden om gedurende de geheele reis een enkel woord te wisselen, dat +gevaarlijk kon zijn; of eenige overeenkomst van gemeenschappelijk +handelen te bespreken, betreffende hun verschijnen voor den rechter. + +Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard, die onder de bevelen +van een luitenant stonden, reed voor, achter en bij de portieren van +het rijtuig, dat tien minuten later de stad verlaten had. Wat Borik +betreft, die was dadelijk naar de gevangenis van Triëst gebracht +geworden en daar in eene cel, afgezonderd van een ieder opgesloten. + +Waar bracht men de gevangenen heen? In welke vesting zou het +Oostenrijksche gouvernement hen opsluiten, daar het kasteel van Triëst +daartoe niet genoegzaam scheen? Dat was wel belangrijk voor graaf +Sandorf en zijne vrienden; maar dat kregen zij niet te weten, welke +moeite zij daartoe ook aanwendden. + +De nacht was donker. Ternauwernood konden de lantaarns van het rijtuig +den weg verlichten tot bij de eerste rij der ruiters van de bedekking. +Men reed snel vooruit. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas +Zathmar hielden zich stil en zwijgend in hunne hoeken. Ook Sarcany +poogde dat stilzwijgen niet te verbreken, noch om tegen zijne +inhechtenisneming te protesteeren, noch om te vragen, waarom deze +geschied was. + +Na Triëst verlaten te hebben, veranderde het postrijtuig zoodanig van +richting, dat het in schuinsche strekking naar de zeekust teruggevoerd +werd. Graaf Sandorf kon toch te midden van het leven, door de hoeven +der paarden, door de wielen van het rijtuig, door het geklikklak der +sabels veroorzaakt, in de verte het gedruisch van de branding op de +rotsen van het strand vernemen. Eenige lichten schitterden gedurende +enkele oogenblikken in den nacht, maar verdwenen weer dadelijk. Het was +een klein vlek, Muggia genaamd, hetwelk het postrijtuig doorgereden had +zonder halt te houden. Daarna meende graaf Sandorf dat hun weg weer +landwaarts in voerde. + +Te elf uur in den avond, stond het rijtuig stil om te verspannen. Er +was niets anders te zien dan eene soort hoeve, waar de paarden +wachtten, geheel en al gereed om aangespannen te worden. Het was de +gewone pleisterplaats voor de postrijtuigen niet. Men had vermeden, die +van Capo d’Istria aan te doen. + +De bedekking reed weer vooruit. Het rijtuig volgde thans een weg, die +tusschen wijngaarden door liep, wiens slingerloten zich aan de takken +der moerbeziënboomen als festoenen vasthechtten. Men bleef steeds in de +vlakte, hetgeen veroorloofde zeer snel te rijden. De duisternis was des +te zwarter, daar verscheidene dikke wolken, door een stevigen +zuidwesten wind voortgejaagd, het geheele uitspansel innamen en +bedekten. Hoewel de glasramen der portieren van tijd tot tijd +neergelaten werden om de lucht in het rijtuig eenigszins te +ververschen,—want de zomernachten zijn zoel in Istrië—zoo was het toch +onmogelijk iets te kunnen onderscheiden, zelfs binnen zeer beperkten +straal. + +Welke aandacht graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en +Stephanus Bathory ook inspanden om zich de geringste aanwijzingen, die +zich onderweg voordeden op te teekenen, zooals de richting van den +wind, den verloopen tijd sedert hun vertrek, zoo gelukte het hun toch +niet te weten in welke richting het postrijtuig reed. Men wilde +ongetwijfeld dat het gerechtelijk onderzoek in deze zaak in het +grootste geheim en op eene plaats die onbekend voor het volk moest +blijven, zou geschieden. + +Tegen twee uren in den morgen verspande men voor den tweeden keer. +Evenals bij de eerste verspanning duurde zij ternauwernood vijf +minuten. + +Graaf Sandorf meende in het donker eenige huizen te bespeuren, die een +groepje aan het uiteinde van een weg vormden en bijgevolg de uiterste +huizen van een voorstad konden zijn. + +Dat was Baja, de hoofdplaats van het district van dien naam, welke op +ongeveer een twintigtal mijlen van Muggia gelegen is. + +Zoodra de versche paarden aangespannen waren, fluisterde de luitenant +der maréchaussées den postiljon iets in het oor, waarop het postrijtuig +in galop vertrok. + +Tegen half vier zou de dag aanbreken. De gevangenen zouden een uur +later, door de opkomende zon, zich eenigermate rekenschap hebben kunnen +geven van de hoofdrichting, die zij tot nu toe gevolgd hadden. Zij +zouden ten minste kunnen bepalen of zij noord- of zuid-, oost- of +westwaarts gereden hadden. Maar toen sloten de maréchaussées de +raamkleppen dicht, zoodat het innerlijke van het rijtuig in diepe +duisternis gedompeld was. + +Noch graaf Sandorf, noch zijne beide vrienden lieten zich eene enkele +opmerking ontvallen. Er zou toch niet naar geluisterd zijn, dat was +maar al te zeker. Beter was het dus maar volkomen te berusten en te +wachten. + +Een of een paar uur later—het zou moeilijk geweest zijn den tijd te +schatten,—hield het rijtuig voor de laatste maal stil en verspande bij +het vlek Visinada. + +Alles wat men van dat punt af kon waarnemen, was dat de weg zeer +moeilijk werd. Het geschreeuw van den postiljon, het klappen der zweep, +moedigde de paarden aan, wier hoefijzers op den ongelijken +steenachtigen bodem van die bergachtige landstreek weerklonken. Eenige +heuvels, met kleine bosschen overdekt, die een grijsachtig voorkomen +vertoonden, hadden den gezichtseinder zeer begrensd. De gevangenen +hadden twee of drie maal de tonen eener fluit kunnen vernemen. Dat +waren jeugdige herders, die hunne vreemdsoortige melodieën bliezen, +terwijl zij hunne kudden zwarte geiten hoedden. Maar dat was wel eene +onvoldoende aanduiding van de landstreek, die men doorreed, en men +moest zich tevreden stellen met niets te zien. + +Het kon zoo ongeveer negen uur in den morgen geweest zijn, toen het +postrijtuig een geheel anderen gang aannam. Men kon zich daarin niet +vergissen, het rolde toen snel langs eene helling naar beneden, na +eerst het hoogste punt van den weg bereikt te hebben. Die snelheid was +zeer groot, zoodat zelfs de wielen herhaaldelijk geremd moesten worden. + +En inderdaad, na eerst in dat geaccidenteerde terrein, hetwelk door den +berg Major beheerscht wordt, gestegen te zijn, daalde de weg schuins +naar beneden, toen hij Pisino naderde. Hoewel die stad nog vrij hoog +boven de oppervlakte der zee verheven is, zoo schijnt zij toch in een +dal begraven te liggen, wanneer men omliggende hoogten in aanmerking +neemt. Lang alvorens haar te bereiken, kan men reeds het torentje +bespeuren, dat boven de groep harer huizen, welke schilderachtig +amphitheatersgewijs gebouwd zijn, uitsteekt. + +Pisino is de districtshoofdplaats en telt eene bevolking van ongeveer +vijf en twintig duizend zielen. Zij is nagenoeg in het midden van dat +driehoekig schiereiland gelegen, en de Morlakken, de Slavoniërs van +verschillende stammen, zelfs de Tsiganen wemelen in die stad, vooral +tegen het tijdstip der jaarmarkten, wanneer een aanzienlijke handel +gedreven wordt. + +Als oude stad heeft de hoofdplaats van Istrië haar feodaal karakter +behouden. Dat komt vooral in haar versterkt kasteel uit, hetwelk eenige +nieuwere militaire etablissementen, waarin de administratieve bureaux +van het Oostenrijksche Gouvernement gevestigd zijn, beheerscht. + +Het was op de binnenplaats van dat kasteel, dat het postrijtuig op den +9den Juni des voormiddags te tien uren ongeveer, na eene reis van ruim +vijftien uren, stilstond. Graaf Sandorf met zijne beide makkers, alsook +Sarcany moesten toen uitstijgen. Eenige oogenblikken later waren zij +ieder afzonderlijk gekerkerd in de gewelfde vertrekken van dat gebouw, +welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een +groote trap opgeklommen te zijn. + +Het was de geheime opsluiting in hare volle gestrengheid. + +Hoewel zij hoegenaamd geene gemeenschap met elkander hadden en zij +derhalve niet van gedachten wisselen konden, zoo hadden Mathias +Sandorf, Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory slechts één denkbeeld, +hetwelk hun brein martelde: Hoe was het geheim der samenzwering ontdekt +geworden? + +Was ’t het toeval, dat de politie op het spoor gebracht had? + +Maar niets had naar buiten kunnen uitlekken! Geen briefwisseling had +meer plaats tusschen Triëst en de voornaamste steden van Hongarije en +Transsylvanië. + +Was er dus verraad in het spel? + +Maar wie was dan de verrader? + +Nooit was eene vertrouwelijke mededeeling aan wien ook gedaan geworden! + +Onmogelijk had eenig papier in de handen van een spion kunnen vallen! + +Alle documenten waren steeds vernietigd. En al had men ook het huis in +de Acquedottolaan in alle hoeken en gaten doorzocht, al had men het ook +het onderste boven gekeerd, dan zou men niets verdachts gevonden +hebben! + +En dat was zelfs gebeurd. De politieagenten hadden gezocht, gezocht, +maar niets anders gevonden dan den rooster, die door graaf Zathmar niet +vernietigd was, want het kon toch mogelijk zijn, dat hij nog zou moeten +dienen. Ongelukkiglijk zou die rooster als overtuigingsbewijs opgenomen +worden, waarvan het gebruik onmogelijk anders verklaard kon worden, dan +dat hij gebezigd werd voor eene geheime briefwisseling. + +De lezer weet, wat de gevangenen nog niet wisten, dat alleen op het +afschrift van het briefje, hetwelk Sarcany in medeplichtigheid met +Silas Toronthal aan den gouverneur van Triëst ter hand gesteld had, na +er eerst de duidelijke beteekenis bijgevoegd te hebben, de +inhechtenisneming geschied was. Dat was evenwel voldoende om daarop +eene beschuldiging van complot tegen de veiligheid van den Staat te +grondvesten. Meer was dus niet noodig om graaf Sandorf en zijne +vrienden voor eene afzonderlijke rechtbank, voor een krijgsraad te +brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen. + +Er bestond evenwel een verrader en die was niet verre. Door zich, +zonder een woord te zeggen, in hechtenis te laten nemen, door zich +zelfs te laten veroordeelen, natuurlijk met de nevengedachte om later +wel gratie te verwerven, ontkwam die verrader aan iedere achterdocht. +Dat was Sarcany’s spel en hij speelde die komedie met al den ernst en +de koelbloedigheid die hij bij alles aan den dag legde. + +Daarenboven graaf Sandorf, die door dien schurk bedrogen was—en wie ter +wereld zou het niet geweest zijn in zijne plaats?—was besloten om alles +aan te wenden, om hem buiten het geding te houden. Het zou hem niet +moeilijk vallen, zoo dacht hij, te bewijzen, dat Sarcany geen deel aan +de samenzwering genomen had, dat hij slechts een eenvoudig comptabel +was, die eerst kort geleden toegang tot het huis van Ladislas Zathmar +verkregen had en slechts belast was geweest met de personeele zaken van +den graaf, die in geen verband hoegenaamd met de samenzwering stonden. +Als het noodig zou zijn, zou hij Silas Toronthal als getuige oproepen, +om de onschuld van den jongen man te bewijzen. Hij twijfelde er dan ook +niet aan, of Sarcany zou wel worden vrijgesproken, zoowel wat aangaat +de hoofdbeschuldiging als van die der medeplichtigheid, in het geval +dat men er toe geraken mocht eene ernstige beschuldiging in te stellen, +hetgeen hem nog niet geloofbaar voorkwam. + +Alles wel beschouwd, kon het Oostenrijksche gouvernement, behalve de +complotmakers van Triëst, onmogelijk iets van de samenzwering weten. +Hunne deelgenooten in Hongarije en Transsylvanië waren geheel onbekend. +Er bestond geen enkel spoor van hunne medeplichtigheid. Mathias +Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hadden dus dienaangaande +geene zorgen te koesteren. + +Wat hen betreft, zij waren vast besloten alles te loochenen, zoolang +hun geen daadwerkelijk bewijs werd voorgehouden. In dat geval zouden +zij weten hun leven op te offeren. Anderen zouden den een of anderen +dag de mislukte beweging hervatten. De onafhankelijkheidszaak zou later +wel weer nieuwe aanvoerders vinden. Zij zouden, wanneer zij overtuigd +werden, hunne gevoelens en hun hoop belijden. Zij zouden het doel +aanwijzen, hetwelk zij beoogden, een doel dat den een of anderen dag +bereikt zou worden. Zij zouden zelfs de moeite niet nemen zich te +verdedigen, zij zouden slechts de partij, die zij verloren hadden, +ridderlijk en edelaardig betalen. + +Het was niet zonder reden, dat graaf Sandorf en zijne vrienden +vermeenden, dat de werkkring der politie in deze zaak zeer beperkt was. +Te Buda, te Pest, te Klausenburg, in één woord: in al de steden waarin +de beweging zou hebben kunnen losbarsten, wanneer het signaal daartoe +van Triëst gegeven ware, hadden agenten de sporen van het complot +opgezocht, maar te vergeefs. Daarom had het gouvernement de +inhechtenisstelling der drie Triëster opperhoofden zoo geheimzinnig +doen ten uitvoer leggen. Dat zij in de kasematten van het versterkt +kasteel te Pisino gekerkerd waren, dat men niet wilde dat iets van die +zaak ruchtbaar werd, vóórdat zij een eindbeslag had, had zijn grond +daarin, dat men hoopte dat de een of andere omstandigheid de stellers +van het briefje in geheimschrift, hetwelk naar de hoofdplaats van +Istrië verzonden was, maar waarvan men de herkomst niet kende, aan het +licht zoude brengen. + +Die hoop werd niet verwezenlijkt. Het verwachte sein kwam niet, het zou +niet komen. De beweging was geremd, voorshands althans. Het +Oostenrijksch gouvernement moest zich vergenoegen met graaf Sandorf en +zijne medeplichtigen onder de beschuldiging van hoogverraad jegens den +Staat te doen terechtstaan. + +Die nasporingen hadden evenwel verscheidene dagen gevorderd. Het was +dan ook eerst tegen den 20en Juni, dat de instructie der zaak begon, +door de beschuldigden te verhooren. Zij werden zelfs niet met elkander +geconfronteerd en zij zouden elkander slechts voor hunne rechters +weerzien. + +Het gouvernement had aan een krijgsraad de opdracht gedaan, om de +opperhoofden der Triëster samenzwering te berechten. Men weet hoe +beknopt en oppervlakkig de instructie eener zaak gevoerd wordt, wanneer +zij aan de beslissing van zulk een buitengewoon rechtslichaam +onderworpen wordt; hoe snel de debatten geleid worden, met hoeveel +overhaasting het vonnis uitgesproken en ten uitvoer gelegd wordt. + +Zoo geschiedde het ook bij deze gelegenheid. + +Den 25en Juni vergaderde de krijgsraad in een der lage zalen van het +versterkt kasteel te Pisino en dienzelfden dag verschenen de +beschuldigden voor die militaire rechtbank. + +De debatten zouden noch lang, noch belangrijk wezen, want geen enkel +voorval zou hen kenmerken. + +De krijgsraad nam zitting tegen negen uur des morgens. Graaf Sandorf, +graaf Zathmar, professor Bathory en Sarcany zagen elkander toen voor de +eerste maal sedert hunne inhechtenisneming weer. De handdruk dien graaf +Sandorf met zijne vrienden op de bank der beschuldigden wisselde, was +als eene nieuwe betuiging, een nieuwe overeenkomst betreffende de +gevoelens, die hen verbond. Een gebaar van graaf Ladislas Zathmar en +van Stephanus Bathory deed graaf Sandorf begrijpen, dat zij hem de taak +overlieten om voor den raad het woord te voeren. Noch hij, noch de +anderen hadden den dienst van een verdediger willen aannemen. Wat graaf +Sandorf tot heden gedaan had, was wèl gedaan. Wat hij noodig oordeelde +tot de rechters te zeggen, zou wèl gezegd zijn. + +De zitting was publiek, in dien zin opgenomen, dat de deuren van de +raadkamer openstonden. Weinige personen evenwel waren tegenwoordig; +want de zaak was niet naar buiten uitgelekt. Hoogstens waren een +twintigtal personen aanwezig, die nog tot den dienst van het kasteel +behoorden. + +De identiteit der beschuldigden werd vooraf geconstateerd. Graaf +Sandorf vroeg daarop aan den voorzitter van den krijgsraad den naam van +de plaats, waarheen hij en zijne makkers gevoerd waren om terecht te +staan; maar op die vraag kreeg hij geen antwoord. + +De identiteit van Sarcany werd ook gesteld, maar deze sprak geen woord, +waardoor hij te kennen kon geven, dat hij zijne zaak van die der andere +beschuldigden wenschte af te scheiden. + +Alsnu werd mededeeling van het afschrift van het briefje, dat zoo +verraderlijk aan de politie overgeleverd werd, aan de beschuldigden +gedaan. + +Toen de auditeur militair hen deed afvragen of zij bekenden het +origineele van dat briefje, waarvan het afschrift hun vertoond werd, +ontvangen te hebben, antwoordden zij dat het de plicht der +beschuldigers was daarvan het bewijs te leveren. + +Na dat antwoord vertoonde men hen den rooster, die in de kamer van +graaf Ladislas Zathmar gevonden was. + +Noch graaf Sandorf noch zijne metgezellen konden ontkennen dat die +rooster in hun bezit geweest was. Zij poogden dat zelfs niet. Er viel +tegenover dat feitelijk bewijs niets te antwoorden. Daar de toepassing +van dien rooster het lezen van dat briefje in geheimschrift mogelijk +maakte, werd daaruit de gevolgtrekking gemaakt, dat dit briefje door de +beschuldigden behoorlijk ontvangen was. + +Toen vernamen dezen eerst hoe de samenzwering ontdekt was en op welken +grondslag de beschuldiging rustte. + +Van dit oogenblik af werden de vragen en antwoorden uiterst helder en +duidelijk van weerskanten gedaan en gegeven. + +Graaf Sandorf kon niet meer ontkennen. Hij sprak dus in naam van +zichzelven en van zijne beide vrienden. Eene beweging was door hen +voorbereid, waardoor de scheiding tusschen Hongarije en Oostenrijk +teweeg zou gebracht worden, waarna de zelfregeering van het koninkrijk +der oude Magyaren hersteld zoude geworden zijn. Zonder hunne +terechtstelling zou de beweging reeds uitgebroken zijn en Hongarije zou +zijne onafhankelijkheid reeds herwonnen hebben. Mathias Sandorf maakte +zich als opperhoofd der samenzwering bekend en wees zijnen +medebeschuldigden slechts eene ondergeschikte rol toe. Maar deze +protesteerden tegen de woorden van den graaf en eischten met de eer ook +het gevaar op èn van de medeplichtigheid in de samenzwering èn van het +samengaan naar het schavot. + +Het debat kon nu niet lang meer zijn. Toen daarenboven de voorzitter +van den krijgsraad de beschuldigden over hunne medeplichtigen buiten +Triëst ondervroeg, weigerden zij te antwoorden. + +Geen naam werd genoemd en zou dat ook niet worden. + +„Gij hebt onze drie hoofden in uw macht,” antwoordde graaf Mathias +Sandorf op kalmen en eenvoudigen toon, „weest daarmede tevreden.” + +Drie hoofden slechts.... want graaf Sandorf stelde zich toen tot taak +om de onschuld van Sarcany aan het daglicht te doen treden. Hij +verhaalde hoe hij den jongen man als comptabel op aanbeveling van den +bankier Silas Toronthal ten huize van graaf Ladislas Zathmar had in +dienst gesteld. + +Sarcany kon dat beweren van graaf Sandorf slechts bevestigen. Hij wist +niets van de samenzwering. Hij was wel het meeste verbaasd geweest, +toen hij vernam dat daar in dat stille huis in de Acquedottolaan een +complot tegen de veiligheid van den Staat gesmeed werd. Dat hij niet +bij zijne inhechtenisneming geprotesteerd had, kwam alleen daarvandaan, +dat hij niet begrepen had, wat er gaande was. + +Noch graaf Sandorf, noch hij ondervonden moeilijkheden bij het +vaststellen van dien staat van zaken, en het mag wel waarschijnlijk +geacht worden, dat de krijgsraad dienaangaande reeds een vooraf +gevestigde meening bezat. Op het advies van den auditeur militair werd +dan ook de beschuldiging, tegen Sarcany ingebracht, ingetrokken en van +verdere vervolging afgezien. + +Tegen twee uren in den namiddag waren de debatten afgeloopen en werd in +dezelfde zitting het vonnis geslagen. + +Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus +Bathory werden, als overtuigd van hoogverraad jegens den Staat, ter +dood veroordeeld. + +De veroordeelden zouden op de binnenplaats van de vesting zelve +doodgeschoten worden. + +Het vonnis zou binnen twee maal vier en twintig uur voltrokken worden. + +Sarcany werd vrijgesproken, maar hij zou naar de gevangenis +teruggevoerd worden, tot de bekrachtiging van zijn vonnis van +vrijlating, hetgeen denzelfden dag van de terechtstelling der drie +schuldigen zou geschieden. + +Hetzelfde vonnis sprak ook de verbeurdverklaring der goederen van de +drie veroordeelden uit. + +Daarop werd bevel gegeven om graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas +Zathmar en professor Stephanus Bathory naar hunnen kerker terug te +voeren. + +Sarcany werd in de cel teruggebracht, die hij betrokken had aan het +uiteinde van een elliptische gang, die op de tweede verdieping van den +vestingtoren gelegen was. + +Graaf Sandorf en zijne beide vrienden werden gedurende de laatste uren, +die zij nog te leven hadden, ingekerkerd in eene vrij ruime cel, die op +dezelfde verdieping aan het uiteinde van de groote as van bedoelde +ellips, welke door de gang beschreven werd, gelegen was. Ditmaal was +het bevel tot afzondering opgeheven. De veroordeelden zouden bij +elkander blijven totdat het oogenblik van sterven gekomen zou zijn. + +Toen zij eindelijk alleen gelaten waren, was dat een troost, ja, zelfs +een vreugde voor hen. Toen konden zij zich vrijelijk overgeven aan +hunne gemoedsaandoeningen; toen konden zij hunne gevoelens vrij den +teugel laten vieren. In tegenwoordigheid hunner rechters hadden zij +zich weten te bedwingen; de terugwerking deed zich thans evenwel gelden +en daar zonder getuigen openden zij de armen voor elkander en klemden +elkander aan hunne mannelijke borst. + +„Vrienden,” sprak graaf Sandorf, „ik zal de schuld van uwen dood zijn! +Maar ik onthoud mij er u vergiffenis voor te vragen! Het gold +Hongarije’s onafhankelijkheid! Onze zaak was eene rechtvaardige zaak! +Het was onze plicht voor hare verdediging op te treden! Het zal eene +eer zijn het leven voor haar te laten!” + +„Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory, „wij bedanken u integendeel, +dat ge ons deel hebt laten nemen aan dat vaderlandslievende werk, dat +de kroon op geheel ons leven zal stellen...” + +„Wij zullen elkanders deelgenooten tot in den dood zijn!” antwoordde +graaf Zathmar koelbloedig. + +Daarna bekeken de drie vrienden, na een poos van stilzwijgen, de akelig +sombere cel, waarin zij hunne laatste levensuren zouden doorbrengen. +Een smal venster, dat in de dikke muren van den vestingtoren op eene +hoogte van vier of vijf voeten ingesneden was, verschafte ternauwernood +genoegzaam daglicht. Zij bevatte drie ijzeren ledikanten, eenige +stoelen, eene tafel en eenige muurtafeltjes, die aan de wanden +vastgeklonken waren en waarop allerlei voorwerpen stonden. + +Terwijl Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory zich natuurlijk genoeg +aan hunne sombere overpeinzingen overgaven, wandelde graaf Mathias +Sandorf de cel op en neer. + +Ladislas Zathmar, die zich alleen ter wereld bevond, had niet veel te +beweenen. Slechts één persoon op deze aarde zou om hem treuren en dat +was zijn knecht Borik. + +Zoo was het niet met Stephanus Bathory gesteld. Zijn dood trof niet hem +slechts. Hij had eene vrouw en een zoon, die door dien slag ook +getroffen zouden worden. Die dierbare wezens zouden er door geschokt +worden, konden er van sterven! En... wanneer zij hem overleefden, welk +bestaan wachtte hen dan! Welke toekomst voor die onbemiddelde vrouw met +een kind van ternauwernood acht jaren oud! Wanneer bovendien Stephanus +Bathory eenig vermogen bezeten had, wat zou daarvan dan nog aan haar, +na een vonnis, hetwelk de verbeurdverklaring van al de goederen der +drie ter dood veroordeelden uitsprak, verbleven zijn? + +Wat graaf Sandorf betrof, het was zijn geheel verleden, hetwelk hem +voor den geest trad! Het was zijne vrouw, wier beeld hij steeds in zijn +hart omdroeg! Het was zijn dochtertje, een kind van twee jaren, hetwelk +aan de goede zorgen van den intendant achtergelaten was, en wien thans +de taak toeviel om haar op te voeden! Het waren zijne vrienden, die hij +in het ongeluk gesleept had! Hij vroeg zich af, of hij wel goed +gehandeld had, of hij niet verder gegaan was dan de plicht jegens het +vaderland gebood, nu de straf verder reikte, nu zij onschuldigen trof! + +„Neen!... neen!... ik heb mijn plicht slechts gedaan!” herhaalde hij +voortdurend bij zich zelven. „Neen!... het vaderland voor alles, boven +alles!” + +Een gevangenbewaarder trad tegen vijf uren de cel binnen, zette het +eten voor de drie veroordeelden op de tafel neer en ging weer heen +zonder een enkel woord gesproken te hebben. Mathias Sandorf evenwel had +wel willen weten, waar hij zich bevond, hoe de vesting heette, waarin +hij opgesloten was. Maar op de vraag, die hij daaromtrent aan den +voorzitter van den krijgsraad gedaan had, had deze gemeend niet te +moeten antwoorden en voorzeker zou de gevangenbewaarder, daartoe door +een bevel genoodzaakt, wel evenmin geantwoord hebben. + +De drie veroordeelden raakten het eten, dat hun voorgediend was, +ternauwernood aan. Zij brachten den dag door met over allerhande zaken +te praten, over de hoop dat de verijdelde omwenteling den een of +anderen tijd hervat zoude worden. Toen kwamen zij herhaaldelijk op de +bijzonderheden der zaak terug. + +„Wij weten thans,” zei graaf Ladislas Zathmar, „waarom wij gevangen +genomen zijn en hoe de politie alles door dat briefje, hetwelk haar in +handen is gevallen, te weten is gekomen”. + +„Ongetwijfeld, Ladislas,” antwoordde graaf Sandorf, „maar in wiens +handen is dat briefje, een der laatsten, die wij ontvangen hebben, toch +gevallen en door wien is er afschrift van genomen?” + +„En hoe is, nadat het briefje bemachtigd was, de rooster gevonden, om +dat briefje te kunnen ontraadselen?” sprak Stephanus Bathory op zijne +beurt. + +„Die rooster moet ons dus, al was het maar voor een oogenblik, +ontstolen zijn,” zei graaf Sandorf. + +„Ontstolen!... Door wien?” vroeg Ladislas Zathmar. „Op den dag onzer +gevangenneming lag hij nog in de lade van de schrijflessenaar op mijne +slaapkamer. Daar hebben hem toch de politieagenten gevonden, niet +waar?” + +Het was inderdaad onverklaarbaar. Dat het briefje aan den hals van de +reisduif, die het overbracht, gevonden was, dat er nauwkeurig afschrift +van was gemaakt, alvorens naar zijne bestemming doorgezonden te zijn, +dat het huis van bestemming ontdekt was, dat alles kon en moest +aangenomen worden. Maar dat de letters van het geheimschrift op hunne +ware plaats hadden kunnen hersteld worden, zonder het instrumentje +waarmede het tot stand gebracht was, dat was onverklaarbaar, dat was +onbegrijpelijk. + +„En toch is dat briefje ontraadseld en gelezen geworden,” hernam graaf +Sandorf, „daaromtrent zijn wij zeker, niet waar? En het is niet zonder +den rooster kunnen ontcijferd worden! Het is dat briefje, hetwelk de +politie op het spoor van het complot gebracht heeft en het is op dat +briefje alleen, dat de geheele beschuldiging gegrondvest is!” + +„Och, wat kan het ons toch schelen!” antwoordde Stephanus Bathory. + +„O! het kan ons integendeel veel schelen!” riep graaf Sandorf uit. „Wij +zijn misschien verraden geworden! En als er een verrader in het spel +is, dan.... is het zaak.... te....” + +Graaf Sandorf stokte. Sarcany’s naam kwam hem voor den geest. Maar hij +verbande die gedachte ver, zeer ver, zonder haar zelfs aan zijne +vrienden mede te deelen. + +Mathias Sandorf en zijne twee vrienden gingen zoo voort met praten over +dat onverklaarbare in die zaak en zoo werd het langzamerhand laat in +den nacht. + +Zij werden den volgenden morgen uit een vrij diepen slaap gewekt, door +het binnenkomen van den gevangenbewaarder. Het was de morgen van hun +voorlaatsten dag. De terechtstelling was op vier en twintig uren later +bepaald. + +Stephanus Bathory vroeg aan den gevangenbewaarder of het hem geoorloofd +zoude zijn, zijn gezin te zien. + +De gevangenbewaarder antwoordde, dat hij dienaangaande geene bevelen +had. Het was evenwel niet waarschijnlijk, dat het Oostenrijksch +gouvernement den veroordeelden die laatste vertroosting zou toestaan. +De geheele zaak was toch tot op den dag van het vonnis zoo geheim +mogelijk gehouden geworden. Zelfs de naam van de vesting, die den +veroordeelden tot gevangenis diende, was geheim gebleven. + +„Kunnen wij ten minste schrijven, en zullen onze brieven hunne +bestemming bereiken?” vroeg graaf Sandorf. + +„Ik zal u papier, pen en inkt geven,” antwoordde de gevangenbewaarder, +„en ik beloof u, uwe brieven aan den gouverneur ter hand te zullen +stellen.” + +„Wij danken u, vriend,” antwoordde graaf Sandorf, „voor hetgeen gij +doen wilt en wat gij alleen doen kunt! Wij kunnen u niet voor uwe +moeite beloonen; maar....” + +„Uw dank is voor mij genoeg, heeren,” hernam de gevangenbewaarder, die +zijne ontroering niet kon verbergen. + +Die brave man bracht dadelijk het noodige schrijfgereedschap. De +veroordeelden brachten een gedeelte van den dag door met het nemen +hunner laatste beschikkingen. Van den kant van graaf Sandorf waren het +de meest gemoedelijke raadgevingen voor zijn dochtertje, dat als wees +zou achterblijven, welke uit het hart eens vaders konden opwellen. Van +den kant van Stephanus Bathory waren het de vurigste +liefdesbetuigingen, die deze in zijn laatst vaarwel aan zijne +echtgenoote en aan zijn zoon deed vernemen. Van den kant van Ladislas +Zathmar waren het innige aanhankelijkheidsbewijzen, die een heer voor +zijn ouden knecht, voor zijn laatsten vriend kon koesteren. + +Maar hoe afgetrokken waren zij niet dien dag, hoe herhaaldelijk hadden +de gevangenen de ooren niet gespitst! Hoe menigmaal poogden zij niet te +ontwaren, of er geen ver gedruisch door de lange gangen van den +vestingtoren tot hen doordrong. Hoe menigmaal scheen het hun niet, dat +de deur van die cel zou opengaan en dat het hun veroorloofd zou zijn +voor de laatste maal eene gade, eene dochter, een zoon te omarmen! Dat +zou eene vertroosting geweest zijn. Maar, in waarheid, was het niet +beter dat een wreed onvermurwbaar verbod, dat laatste vaarwel, hetgeen +zoo hartverscheurend zoude zijn, belette? + +De deur ging niet open. Ongetwijfeld wisten noch mevrouw Bathory, noch +haar zoon, noch de intendant Lendek, aan wien het dochtertje van graaf +Mathias Sandorf toevertrouwd was, waarheen de gevangenen na hunne +inhechtenisneming overgebracht waren, evenmin als Borik, die nog steeds +in de gevangenis te Triëst opgesloten zat. Allen wisten ongetwijfeld +ook niet, welk vonnis over de hoofden der samenzwering uitgesproken +was. De veroordeelden, zoo was bepaald, zouden hunne dierbaren vóór de +ten uitvoerlegging van het vonnis niet wederzien. + +De eerste uren van dien dag snelden zoo voorbij. Soms praatten Mathias +Sandorf en zijne beide vrienden te zamen. Soms ook vervielen zij in een +langdurig stilzwijgen en waren zij in zichzelven gekeerd. In die +oogenblikken gleed alles met eene schrikkelijke, bovennatuurlijke +nauwkeurigheid in het geheugen voorbij. Het was alsdan niet in het +verledene dat zij terugtraden. Alles wat de herinnering in het brein +terugriep, ontplooide zich in den vorm van het tegenwoordige. Was dat +als een voorgevoel van de eeuwigheid, die zich opende van dien +onbegrijpelijken en onmetelijken toestand, dien men het oneindige +noemt? + +Intusschen, terwijl Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar zich zoo +zonder stoornis aan hunne overpeinzingen overgaven, werd het brein van +Mathias Sandorf onweerstaanbaar beheerscht door eene gedachte, die er +als het ware post in had gevat. Hij twijfelde er niet aan, of in die +geheimzinnige zaak had het verraad zijne treurige rol vervuld. Nu was +voor een man van zijn karakter, sterven zonder den verrader, wie hij +ook zijn mocht, gestraft te hebben, zonder zelfs te weten wie de +verrader was, als het ware tweemaal sterven. Wie had dat briefje, +waaraan de politie de ontdekking van de samenzwering en de +inhechtenisneming der hoofdschuldigen te danken had, bemachtigd? Wie +had de middelen ontdekt om het te kunnen lezen? Wie had het aan de +politie overgeleverd, verkocht wellicht?.... Tegenover dat onoplosbaar +vraagstuk waren de opgewonden hersenen van graaf Sandorf ten prooi aan +eene soort koorts. + +Terwijl zijne vrienden dan ook schreven of daar stilzwijgend ter neer +zaten en zich onbeweeglijk hielden, liep hij onrustig langs de muren +der cel als een wild dier in zijne kooi op en neer. + +Een zonderling maar volkomen door de wetten der geluidsleer +verklaarbaar natuurverschijnsel, zou hem het geheim mededeelen, juist +toen hij wanhopen moest het ooit te vernemen. + +Verscheidene malen had graaf Sandorf stilgestaan bij den hoek van het +vertrek, die door den binnenmuur gevormd werd met den buitenmuur van de +gang, waarop de verschillende cellen van deze verdieping van den +vestingtoren uitkwamen. In dien hoek, in welks nabijheid de deur +aangebracht was, meende hij een gemurmel gehoord te hebben als van +verwijderde stemmen, dat nog niet verstaanbaar was. Eerst sloeg hij er +geen acht op, maar.... plotseling hoorde hij een naam uitspreken.... +den zijnen.... en dat deed hem het oor spitsen. + +Klaarblijkelijk werd daar hetzelfde natuurverschijnsel te voorschijn +geroepen, gelijk aan dat, hetwelk onder boogvormige gangen of onder +gewelven met ellipsvormige constructie waargenomen wordt. De stem, die +van een der zijden van de ellips uitgaat, doet zich na den omtrek der +muren gevolgd te hebben in het andere brandpunt vernemen, zonder op +hare baan ergens waarneembaar te zijn geweest. Zulk een +natuurverschijnsel wordt in de onderaardsche gewelven van het Panthéon +te Parijs, in de binnenruimte van den koepel van de Sint Pieterskerk te +Rome, in de „whispering gallery” de weerklinkende galerij van de Sint +Paulskerk te Londen waargenomen. Onder dergelijke omstandigheden wordt +het geringste woord, zelfs wanneer het fluisterend uitgesproken wordt, +duidelijk verstaan in het tegenovergestelde brandpunt. + +Er viel hier niet aan te twijfelen. Twee of meer personen praatten, +hetzij in de gang, hetzij in een der cellen aan het einde van zijn +doorsnede gelegen, en het brandpunt bevond zich bij de deur van de cel, +waarin Mathias Sandorf opgesloten was. + +Met een enkel gebaar riep hij zijne makkers tot zich. En daar stonden +zij alle drie met gespitste ooren te luisteren. + +Brokstukken van volzinnen bereikten hun oor zeer duidelijk. De +volzinnen werden afgebroken, wanneer de sprekers zich, al was het ook +nog maar zoo weinig, van het brandpunt verwijderden, dat wil zeggen van +dat punt, waarvan de ligging het natuurverschijnsel deed geboren +worden. + +En ziehier de woorden, die zij met herhaalde tusschenpoozen opvingen: + +............................................................... + +„Morgen na de terechtstelling zult ge vrij zijn................ +............................................................... + +„En dan zullen de goederen van graaf Sandorf, eerlijk verdeeld. +............................................................... + +„Zonder mij zoudt ge dat briefje niet hebben kunnen ontraadselen. +............................................................... + +„En zonder mij, die het aan den hals van de postduif gevonden heb, +zoudt gij het nooit in handen gekregen hebben.................. +............................................................... + +„Hoe het ook zij, niemand kan eenige verdenking koesteren, dat wij de +politie........................................................ +............................................................... + +„En als de veroordeelden nu ook al eenige achterdocht.......... +............................................................... + +„Noch bloedverwanten, noch vrienden kunnen meer tot hen +doordringen.................................................... +............................................................... + +„Tot morgen, Sarcany”.......................................... + +„Tot morgen, Silas Toronthal!”................................. +............................................................... + +Daarna zwegen de stemmen en het geluid eener deur die toesloeg, werd +vernomen. + +„Sarcany!.... Silas Toronthal!....” riep graaf Sandorf uit. „Zij!.... +Zij zijn het!” + +Hij werd doodsbleek en keek zijne vrienden met een van verbijstering +glinsterend oog aan. Zijn hart had een oogenblik opgehouden met +kloppen. Zijne oogleden stonden wijd opengespalkt, zijn hals was stijf +en zijn hoofd was tusschen zijne schouders teruggedrongen. Alles duidde +er op, dat die geestkrachtvolle natuur door een schrikkelijken toorn +beroerd werd. + +„Zij!.... De ellendelingen!....” herhaalde hij woest brullende. + +Hij richtte eindelijk zijne gebogen gestalte op en keek rond, terwijl +hij de cel met groote passen op en neer liep. + +„Vluchten!.... Vluchten!” riep hij uit. „Wij moeten vluchten!” + +En die man, die enkele minuten vroeger gereed was om weinige uren later +den dood manmoedig tegemoet te treden, die man, die er zelfs niet aan +gedacht had om den beul zijn hoofd te betwisten, die man had thans +slechts ééne gedachte: leven, om die twee verraders Silas Toronthal en +Sarcany te straffen! + +„Ja, ons wreken!” riepen Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar uit. + +„Ons wreken? Neen!.... Gerechtigheid uitoefenen!” + +Het geheele karakter van graaf Sandorf lag in die woorden opgesloten. + + + + + + + + +VI. + +DE VESTINGTOREN VAN PISINO. + + +De vesting Pisino is een van de meest merkwaardige van die stevige +gebouwen, welke in de middeleeuwen verrezen. Zij ziet er zeer goed uit +met haar feodaal uiterlijk. Er ontbreken slechts ridders in die +gewelfde zalen, slechts edelvrouwen, met bonte japonnen gekleed en +getooid met puntmutsen, aan de ogiefvormige vensterramen, slechts +boogschutters op de transen van de gecreneleerde muren, in de +schietgaten van de vooruitspringende gedeelten, bij de Spaansche +ruiters, die de ophaalbruggen moeten verdedigen. Het kunstwerk van +steen is nog onaangetast; maar de vestinggouverneur met zijn +Oostenrijksch uniform, de soldaten met hunne moderne tenue, de +gevangenbewaarders en de sleuteldragers, die niets meer vertoonen van +dat costuum uit den ouden tijd, half geel, half rood, die allen geven +een valschen toon aan te midden van die prachtige overblijfselen van +een ander tijdvak. + +Het was uit den toren van die vesting, dat graaf Sandorf zich vermeette +te willen ontvluchten en dat nog wel gedurende de laatste uren, die de +terechtstelling voorafgingen. Dwaze poging voorzeker, daar de +gevangenen niet eens wisten, welke vesting hen tot kerker diende, daar +zij niets van het omgelegen land kenden, waardoor zij toch na hunne +ontvluchting heen moesten trekken. + +O, wellicht kon het voor een geluk gelden, dat zij niets van die +omgeving wisten. Beter onderricht, zouden zij misschien voor de +moeilijkheden, om niet te spreken van de onmogelijkheid van zulk eene +onderneming teruggedeinsd zijn. + +Niet dat deze Istrische provincie geene voordeelige kansen voor eene +ontsnapping zou aanbieden, dewijl iedere richting, door de +vluchtelingen genomen, naar een punt van hare kuststreek zou voeren en +dat binnen weinige uren. Ook niet dat de straten van de stad Pisino zoo +streng zouden bewaakt zijn, dat men bij de eerste stappen gevaar zou +loopen gevat te worden. Neen; maar ontsnappen uit die vesting, +voornamelijk uit den toren, door de gevangenen bewoond, dat was tot +heden als volstrekt onmogelijk beschouwd geworden. Het denkbeeld +daarvan kon zelfs niet opkomen. + +Ziehier inderdaad de toestand en het uiterlijk voorkomen van dien toren +in de vesting Pisino. + +Die toren beslaat eene zijde van een bergplat, alwaar de stad +plotseling als het ware eindigt. Wanneer men op den ringmuur van dat +plat leunt, dan boort de blik in een breede en diepe kolk, waarvan de +steile wanden niet eens bedekt zijn met lange afhangende lianen. Niets +steekt van dien loodrechten rotsmuur uit. Geen enkele trede om naar +boven te klimmen of om naar beneden te dalen. Geen portaal om er even +halt te houden. Geen enkel standpunt, waar ook. Niets dan grillige +uitschuringen, niets dan gladde onzekere streepen, die de schuinsche +ligging der rotslagen aangeven. In één woord is het een afgrond, die +aantrekt, die meesleept en niets teruggeeft van hetgeen er in mocht +vallen. + +Het was boven dezen afgrond dat een der zijmuren zich verhief. In dien +muur waren eenige vensters ingesneden, die de cellen op de +verschillende verdiepingen moesten verlichten. Wanneer een gevangene +zich door een van die openingen voorover gebogen had, dan zou hij vol +afgrijzen achteruit gedeinsd zijn, tenzij duizelingen hem in de diepte +zouden hebben doen storten! En wanneer hij viel, wat dan? Of het +lichaam zou op de rotsen van den bodem te pletter storten, òf het zou +door den bergvloed medegevoerd worden, wiens stroom onweerstaanbaar is +in het tijdperk van hoog water. + +Die afgrond, dat is de Buco, zoo als hij in dat land genoemd wordt. Hij +dient tot afleiding van het overtollige water van eene rivier, die +Foïba heet. Die rivier erlangt slechts toegang door eene onderaardsche +spelonk, die zij zich zelve langzamerhand door de rotsmassa’s uitgehold +heeft, en waarin zij zich met de kracht van een waterval stort. Waar +stroomt zij dan heen, terwijl zij onder de stad doorgaat? Dat weet men +niet. Waar verschijnt zij weer? Dat weet men evenmin. Niemand kent de +lengte noch de hoogte van die spelonk, die in de krijtsteen- en +leisteenlagen uitgeschuurd is. Wie kan zeggen of de stroom daaronder +zich niet met geweld breekt op scherpe kanten, op puntige hoeken, of +hij niet gestuit wordt door een woud van pilaren, die het kolossale +gevaarte der vesting en ook de geheele stad schragen? Koene +onderzoekers hadden beproefd de Foïba af te zakken in een tijdperk, dat +de middelbare waterstand gedoogde een licht vaartuig te gebruiken, maar +de laagte van het rotsgewelf had hen een onoverkomelijke hinderpaal in +den weg gesteld. In werkelijkheid wist men niets omtrent den toestand +van die onderaardsche rivier. Misschien verloor zij zich wel in eene +aardspleet, die onder de oppervlakte van de Adriatische zee uitkwam. + +Dat was de Buco, welks bestaan graaf Sandorf zelfs niet giste. Daar nu +eene ontsnapping niet anders kon geschieden dan door het eenige raam +zijner cel, hetwelk boven de Buco openging, zoo was het voor hem even +zeker den dood tegemoet te gaan, als wanneer hij zich was komen +plaatsen voor het peloton soldaten, dat hem moest doodschieten. + +Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory wachtten slechts het gunstige +oogenblik af om te handelen. Zij waren bereid te blijven, wanneer het +noodig was; zij waren bereid zich op te offeren om graaf Sandorf te +hulp te komen; zij waren bereid hem te volgen, wanneer hunne vlucht de +zijne niet kon benadeelen. + +„Alle drie zullen wij vluchten,” zei graaf Mathias Sandorf, „hoewel het +wellicht noodig zal worden om ons te scheiden, wanneer wij eenmaal +buiten gekomen zullen zijn.” + +Het was reeds avond en op den kerktoren sloeg het reeds acht uur. De +veroordeelden hadden nog slechts twaalf uren te leven. + +De nacht viel in en zooals men opmerken kon, zou hij zeer donker zijn. +Dikke wolken, die bijna onbewegelijk bleven, bedekten het uitspansel. +De lucht was zwaar, zij maakte de ademhaling moeilijk en was met +electriciteit bezwangerd. Een hevig onweder was in aantocht. Wel +schoten de bliksemstralen nog niet door de ruimte, nog niet door die +dikke dampen, die daar als zoovele accumulatoren aanwezig waren; maar +het gerommel van den donder liet zich reeds heel in de verte vernemen +en werd langs de bergtoppen van de hoogten, die Pisino omgeven, +overgebracht. + +Eene ontsnapping, onder die omstandigheden ondernomen, zou dus eenige +kansen van welslagen hebben kunnen aanbieden, wanneer niet een +bedriegelijke afgrond onder de voeten der vluchtelingen geweest ware. +De nacht zou zwart zijn, men zou derhalve niet gezien worden. Bij het +geraas van den donder zou men niet gehoord worden. + +Zooals graaf Sandorf reeds dadelijk erkend had, zou de vlucht mogelijk +zijn door het venster van de cel. De deur open te breken, of die +stevige bladen van eikenhout, die daarenboven geheel met ijzer beslagen +waren, aan te tasten, daaraan kon zelfs niet gedacht worden. +Buitendien, de stap van een schildwacht weerklonk op de vloersteenen +van de gang. En gesteld dat men buiten de celdeur geraakte, hoe zou men +den weg vinden in de doolgangen van de vesting? Hoe zou men de poort +uit, de valbrug over komen? Die zouden toch wel door posten soldaten +bewaakt zijn! Aan den kant van den Buco was ten minste geen schildwacht +te bespeuren. Maar de Buco bewaakte die zijde van den vestingtoren +beter dan een geheele keten schildwachten. + +Graaf Sandorf onderzocht dus in de eerste plaats, of het venster ruimte +genoeg aanbood, om hen doortocht te verleenen. + +Dat raam meette ongeveer drie en een halve voet hoogte op twee voet +breedte. Het verliep trechtersgewijze door den muur, welks dikte op dit +punt op vier voet geschat kon worden. Een stevig kruis van ijzer +verdedigde den toegang. Dat was in den steen dicht bij de binnenopening +geklonken. Er waren geen houten schuttingen of koekoeken aangebracht, +die het licht slechts van boven laten binnenvallen. Die zouden onnoodig +geweest zijn, daar de schikking van de opening den blik belette in den +afgrond van de Buco te dringen. Wanneer men er dus in slaagde dat +ijzeren kruis uit te rukken of van zijne plaats te wringen, dan zou het +gemakkelijk zijn zich door dat raam te laten glijden, dat veel geleek +op een schietgat van de vesting. + +Maar, als men eenmaal uit dat raam geklommen was, hoe zou men dan +buiten naar omlaag dalen langs den loodrechten muur? Eene ladder? Ja, +die bezaten de gevangenen niet; ook konden zij die niet vervaardigen. +Hunne beddelakens gebruiken? Zij hadden niets dan dikke wollen dekens, +die hunne matrassen op de ijzeren kribben dekten, welke laatsten +daarenboven in de wanden van de cel vastgeklonken waren. Het zou dus +bepaald onmogelijk zijn door het venster te ontsnappen, wanneer graaf +Sandorf niet eene ketting of beter een ijzeren kabel opgemerkt had, die +buiten hing en de ontsnapping kon vergemakkelijken. + +Die kabel was de bliksemafleider, die op den daknok bevestigd was boven +de zijflank van den vestingtoren, maar die zich boven den Buco +loodrecht verhief. + +„Gij ziet dien kabel,” zei graaf Sandorf tot zijne vrienden. „Daarvan +zullen wij ons bedienen om te ontsnappen. Maar daartoe behoort moed!” + +„O, moed bezitten wij,” antwoordde graaf Ladislas Zathmar. „Maar zullen +wij de kracht hebben?” + +„Om het even!” sprak Stephanus Bathory. „Als de krachten te kort +schieten, zullen wij slechts eenige uren vroeger sterven. Dat is +alles!” + +„Wij moeten niet sterven, Stephanus,” antwoordde graaf Sandorf. +„Luister goed en gij ook, Ladislas, laat geen enkel mijner woorden u +ontgaan. Wanneer wij een touw bezaten, dan zouden wij geen oogenblik +aarzelen om het buiten het venster te hangen om ons daarlangs tot op +den bodem te laten afglijden. Nu is die ijzeren kabel beter dan een +touw; door zijne onbuigzaamheid zal hij de afdaling zeer +vergemakkelijken. Evenals alle bliksemafleiders zal hij met ijzeren +haken aan den gevelmuur bevestigd zijn. Die haken zullen steunpunten +vormen, waarop onze voeten zullen kunnen rusten. Wij zullen geene +slingeringen te vreezen hebben, daar de kabel aan den muur bevestigd +is. Wij zullen geen duizelingen kunnen ondervinden, daar het nacht is +en wij dus niets zullen kunnen zien. Derhalve, wanneer wij slechts +buiten dat venster geraken, dan met koelbloedigheid en met moed kunnen +wij de vrijheid herwinnen. Dat wij ons leven wagen, is zeer goed +mogelijk. Maar al bestonden slechts tien kansen op honderd, dan nog... +daar wij honderd kansen op honderd zullen hebben om te sterven, wanneer +de gevangenbewaarders ons morgen ochtend in deze cel terugvinden.” + +„Dat is zoo,” antwoordde Ladislas Zathmar. + +„Waar komt die ketting terecht?” vroeg Stephanus Bathory. + +„In den een of anderen put waarschijnlijk; maar zeker buiten den +vestingtoren,” antwoordde graaf Sandorf. „En meer hebben wij niet +noodig. Ik wil niets anders weten of begrijpen, dan dat daar aan het +uiteinde van dien ketting de vrijheid voor ons waarschijnlijk te vinden +is.” + +Graaf Sandorf vergiste zich niet, toen hij beweerde, dat die +bliksemafleider van afstand tot afstand met ijzeren haken aan den muur +bevestigd was. Dat veroorzaakte eene groote gemakkelijkheid om af te +dalen, daar de vluchtelingen die haken als de treden eener ladder +konden bezigen, die hen tegen te snel afglijden behoeden moesten. Maar, +wat zij niet wisten en ook niet weten konden, dat was dat die kabel, na +den rand van het bergplat bereikt te hebben, langs den muur van den +vestingtoren vrij en onbedwongen in de ruimte afdaalde en zijn uiteinde +de wateren der Foïba beroerden, die toen door de laatste regens zeer +gezwollen waren. Daar waar zij onder in dien afgrond rekenen konden den +vasten bodem te bereiken, daar was slechts een bergstroom, die zich +onstuimig in de spelonk van den Buco stortte. Maar al hadden zij dat +ook geweten, zouden zij dan nog wel teruggedeinsd hebben voor hunne +poging tot ontsnapping? + +Voorzeker neen! + +„Hier sterven of straks daar ginds!” sprak graaf Mathias Sandorf. „Als +wij sterven moeten, dan zullen wij ten minste alles gedaan hebben om +het leven te redden!” + +Maar eerst moest men dat ijzeren kruis in de doorgang van het venster +opruimen. Dat moest uitgebroken worden. Zou dit mogelijk zijn zonder +breekijzer, zonder koevoet, zonder eenig gereedschap? De gevangenen +bezaten zelfs geen mes. + +„Het overige zal slechts moeilijk zijn,” zei graaf Mathias Sandorf, +„maar dit is wellicht het onmogelijke! Kom, mede aan den arbeid!” + +Toen hij dat gezegd had, heesch graaf Sandorf zich tot aan het venster, +greep den ijzeren kruisrooster met de hand en voelde dat wellicht geen +al te groote krachtsinspanning noodig zou zijn, om hem uit te rukken. + +De ijzeren stangen, waaruit hij bestond, bewogen zich inderdaad +eenigermate in hare sponningen. De steen was bij de hoeken gebarsten en +kon dus slechts een middelmatigen tegenstand bieden. Zeer +waarschijnlijk was de geleiding van den bliksemafleider, voordat hij +zekere herstellingen ondergaan had, niet zeer volmaakt geweest. +Mogelijk was het geweest dat vonken van het electrische vuur, door dien +ijzeren rooster aangetrokken, den muur zelven aangetast hadden en men +weet dat de kracht van dat vuur om zoo te zeggen onbegrensd is. Vandaar +die barsten en breuken bij de sponningen, waarin het uiteinde der +ijzeren staven rustte. De steen was daar verteerd, vergaan en in +sponsachtigen staat, alsof hij door de electriciteit met millioenen +gaatjes doorboord ware. + +Professor Stephanus Bathory gaf in weinige woorden den uitleg van dat +verschijnsel, onmiddellijk nadat hij het waargenomen had. + +Maar het gold thans niet te oreeren, te doceeren of te leeraren; men +moest zonder aarzelen aan het werk. Geen oogenblik mocht verloren +worden. Wanneer men, na de hoeken van de sponningen te hebben +uitgebroken, de uiteinden van die staven kon losmaken, dan zou het +waarschijnlijk gemakkelijk zijn den rooster tot aan de +buitenoppervlakte van den muur te dringen, dewijl de vensteropening van +binnen naar buiten waaiersgewijze verliep. Men zou hem dan naar buiten +in den afgrond kunnen laten vallen. Het geluid van dien val zou door +het hevige geratel van den donder overstemd en bijgevolg niet gehoord +worden. De onweerswolk was nader gekomen en reeds rolden de +donderslagen en plantten zich onverpoosd en zonder ophouden in de +lagere luchtlagen voort. + +„Wij kunnen dien steen toch niet met onze handen verbrijzelen,” zei +graaf Ladislas Zathmar. + +„Neen!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij zouden een stuk ijzer, een lem +of zoo iets moeten hebben...” + +Dat was inderdaad noodig. Hoe vergaan de steen in de nabijheid der +sponningen ook was, de nagels zouden toch daarbij te kort geschoten +zijn, de vingers zouden, bij de poging om hem tot stof te wrijven, zich +te vergeefs bloedig verwond hebben. Men zou niet slagen zonder +werktuig, al ware het ook maar een spijker. + +Graaf Sandorf keek rondom zich bij het zwakke schijnsel, hetwelk van +uit de gang, die zelf spaarzaam verlicht was, in de cel door eene +kleine opening, boven de deur aangebracht, drong. Hij betastte de muren +met beide handen. Het kon toch zijn, dat men ergens een spijker +ingeklopt had. Hij vond echter niets. + +Toen kreeg hij een inval. Hij bedacht dat het wellicht niet onmogelijk +was een der pooten van de ijzeren kribben, die in den wand +vastgeklonken waren, los te wringen. Alle drie gingen aan het werk en +weldra brak Stephanus Bathory den arbeid af en riep zijne makkers met +zachte stem tot zich. + +Een klinknagel van een der ijzeren strooken, die, onderling behoorlijk +gekruist en verbonden, de kriblagen vormden, was losgemaakt. Het was nu +voldoende die strook bij het uiteinde, dat thans vrij was, te grijpen +en haar herhaalde malen heen en weer te buigen om den anderen +klinknagel te doen losspringen. + +Dat was in een ommezien geschied. Graaf Sandorf bezat toen een ijzeren +band van vijf duim lang en een duim breed, dien hij bij het uiteinde +met zijn halsdas omwikkelde. Daarna kwam hij bij het venster terug en +begon den steen bij de sponningen los te breken. + +Dat kon niet geheel en al zonder gedruisch geschieden. Gelukkig werd +dat overstemd door het geratel van den donder. Hield dat soms bij +tusschenpoozen op, dan staakte graaf Sandorf zijn arbeid om hem daarna +dadelijk weer te hervatten. Het werk vorderde flink. Stephanus Bathory +en Ladislas Zathmar hadden bij de deur post gevat, teneinde graaf +Sandorf te waarschuwen om den arbeid te staken, wanneer de schildwacht +de deur der cel naderbij trad. + +Plotseling ontsnapte een zacht „chut”... aan de lippen van Ladislas +Zathmar, waarop de arbeid dadelijk ophield. + +„Wat is er?” vroeg Stephanus Bathory. + +„Luister,” antwoordde Ladislas. + +Hij had juist het oor bij den rand van de ellipsoïdale helling gehouden +en andermaal werd het acoustieke verschijnsel vernomen, dat den +gevangenen bekend had gemaakt met het geheime verraad, ten hunnen +opzichte gepleegd. + +Ziehier de afgebroken volzinnen, die bij korte tusschenpoozen nog +opgevangen konden worden: + +„Morgen... in vrijheid... gesteld...” +............................................................... + +„Ja... wanneer het bevel tot invrijheidstelling zal ontvangen zijn...” +............................................................... + +„... Na de terechtstelling... Daarna... ga ik mijn makker Zirone +opzoeken, die mij op Sicilië wacht...” +............................................................... + +„Gij zult niet lang gezeten hebben in den vestingtoren van...” +............................................................... + +Het was klaarblijkelijk Sarcany, die met een gevangenbewaarder praatte. +Eene bijzonderheid: Sarcany had den naam van een zekeren Zirone +genoemd, die in deze geheele zaak gemengd moest zijn. Graaf Mathias +Sandorf onthield dien naam. + +Ongelukkig bereikte het laatste woord, waarvan de kennisname voor de +gevangenen zoo nuttig ware geweest, hun oor niet. Bij het einde van den +volzin, kraakte een geweldige donderslag en terwijl de electrische +stroom de geleiding van den bliksemafleider volgde ontsnapten +vuurstralen en vuurpluimen uit den ijzeren band, die graaf Sandorf in +de hand hield. Zonder den zijden halsdas, die het metaal omwikkelde, +zou de graaf door den stroom getroffen zijn. + +Het laatste woord alzoo, de naam van die vesting, was door het +ontzaglijk geraas van den donder verloren gegaan. De gevangenen hadden +dien naam niet kunnen vernemen. En toch, wat zou de kennis in welke +vesting zij opgesloten zaten, door welke streek zij vluchten moesten, +de kansen hunner ontsnapping, die onder zoo moeilijke omstandigheden +ondernomen moest worden, niet hebben vermeerderd! + +Graaf Sandorf had den arbeid ijverig hervat. Van de vier sponningen +waren er reeds drie zoodanig uitgebroken, dat de uiteinden der ijzeren +staven uitgelicht konden worden. De vierde werd door het vuur der +bliksemstralen, die het hemelruim onophoudelijk verlichtten aangetast. + +De arbeid was tegen half elf uur geëindigd. + +De ijzeren vensterrooster was geheel en al uit de sponningen losgemaakt +en kon door de vensterruimte in den muur naar buiten geschoven worden. +Men had thans slechts te duwen, om hem te doen vallen. Dit werd +verricht, toen Ladislas Zathmar waargenomen had, dat de schildwacht +zich bij zijn heen en weer wandelen naar het uiteinde van de gang +begeven had. + +Door een forschen stoot bewogen, buitelde de rooster en verdween. + +Dit geschiedde in een oogenblik, toen de donder en het windgehuil +zwegen. Graaf Sandorf luisterde om het geluid te vernemen, dat dit +zware lichaam bij zijn val en zijn neerkomen op den grond zou maken. + +Maar hij hoorde niets. + +„De vestingtoren zal waarschijnlijk op een hooge rots gebouwd zijn, die +het dal beheerscht,” merkte Stephanus Bathory op. + +„Och, wat kan ons de hoogte schelen!” antwoordde graaf Sandorf. +„Ongetwijfeld reikt de ketting van den bliksemafleider tot aan den +grond. Langs dien zullen wij den bodem wel bereiken, zonder gevaar te +loopen van te vallen.” + +Dat was in het algemeen gesproken eene volkomen juiste redeneering, die +evenwel in het gegeven geval valsch was; want het uiteinde van den +bliksemafleider bereikte niet den bodem, maar de wateren van de Foïba. + +Toen men met het venster klaar was, was het oogenblik om te vluchten +daar. + +„Vrienden,” zei Mathias Sandorf. „Ziehier hoe wij het moeten aanleggen. +Ik ben de jongste en ik geloof de krachtigste. Ik moet dus het eerst +pogen langs dien kabel naar beneden te komen. Voor het geval dat zich +een of andere hinderpaal voordoet, dan zal ik wellicht de kracht hebben +om mij weer naar boven tot bij het venster te hijschen. Twee minuten +later laat gij, Stephanus, u naar beneden glijden om u bij mij te +voegen. Weer twee minuten later moet gij, Ladislas, denzelfden weg +volgen. Als wij alle drie aan den voet van den vestingtoren vereenigd +zijn, zullen wij naar omstandigheden moeten handelen.” + +„Wij gehoorzamen u, Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory. „Wij zullen +uitvoeren wat gij bevelen zult; wij zullen gaan waarheen gij ons zeggen +zult onze schreden te wenden. Maar wij willen niet dat uw deel van het +gevaar groot er zal zijn dan het onze....” + +„Ons leven is het uwe niet waard!” vulde graaf Ladislas Zathmar aan. + +„Voor de rechtspleging, die wij te voltrekken hebben, heeft ons leven +gelijke waarde!” antwoordde graaf Sandorf. „Wanneer een onzer ontsnapt, +dan moet die de uitvoerder van de gerechtigheid zijn. Kom vrienden, +vrienden, laten wij elkander omhelzen.” + +De drie mannen omarmden elkander innig en het scheen dat zij eene +groote geestkracht uit die omhelzing geput hadden. + +Toen kroop graaf Sandorf, terwijl Ladislas Zathmar bij de deur der cel +op post stond om tegen onraad te waarschuwen, door de vensteropening +die in den muur uitgesneden was. Een oogenblik later was hij buiten en +hing hij in het ijle. Toen liet hij zich zakken, terwijl hij met de +knieën den ketting van den bliksemafleider omklemde. Hij verplaatste +daarbij beurtelings de eene hand onder de andere, terwijl hij met de +voeten de haken zocht, waarmede de geleider vastgemaakt was, om daarop +te steunen. + +Het onweder woedde toen in zijn volle kracht. Het regende niet, maar de +wind stormde met ongehoord geweld. De eene bliksemstraal wachtte niet +totdat de voorgaande in het hemelruim verdwenen was. Hare zigzaggen +kruisten elkander boven den vestingtoren, die haar door zijne eenzame +ligging op die hoogte aantrok. De punt van den bliksemafleider +schitterde met een witachtig licht, dat er door den electrischen stroom +als eene pluim opgehoopt werd, terwijl de stang schudde onder het +geweld van den wind. + +Men begrijpt welk gevaar er in gelegen was, aan dien geleidketting te +hangen, waarlangs de electrische stroom voortdurend afvloeide om zich +in de wateren van den Buco te verliezen. Wanneer het toestel in goeden +staat geweest ware, dan was er geen gevaar om getroffen te worden; want +de volmaakte geleidbaarheid van het metaal vergeleken met die van het +menschelijk lichaam, die veel minder is, zou den koenen waaghals, die +aan den kabel hing, beveiligen; maar was de punt van den +bliksemafleider hoe gering ook afgestompt, was er eene breuk hoe klein +ook in den kabel, waardoor de stroom verbroken werd, dan was een +ongeluk mogelijk, dan kwamen de twee stroomingen, de negatieve en de +positieve te zamen, zelfs zonder dat de bliksem op den geleider +insloeg, alleen door de spanning van den stroom, die in het gebrekkige +toestel opgehoopt werd. + +Zoo werd in 1793 Richeman door eene electrische vonk van de dikte eener +vuist gedood, hoewel hij zich op eenigen afstand van den +bliksemafleider bevond, waarvan hij het geleidvermogen verbroken had. + +Graaf Sandorf was zeer goed bekend met het gevaar, waaraan hij zich +blootstelde, maar een gevoel krachtiger dan dat van zelfbehoud deed hem +alles trotseeren. Hij daalde langzaam en voorzichtig te midden van de +electrische afstrooming, die hem geheel en al omgaf. Zijn voet zocht +langs den muur iederen haak en rustte daarop een poos. Dan poogde hij, +wanneer een bliksemstraal den afgrond, die onder hem gaapte, +verlichtte, er de diepte van te peilen. Maar steeds te vergeefs. + +Toen Mathias Sandorf zoo een zestig voeten, sedert hij het venster der +cel verlaten had, gedaald was, voelde hij een veiliger steunpunt onder +den voet. Dat was een soort banket, slechts weinige duimen breed, +hetwelk buiten den voet van den muur uitstak. De bliksemafleider +eindigde daar ter plaatse niet, hij daalde lager, en in waarheid,—wat +de vluchteling nog niet weten kon,—van dat punt af golfde de ketting in +de lucht, nu eens langs den loodrechten rotswand, dan weer slingerde +hij in het ijle en klotste daarbij tegen eenige der uitstekende deelen, +die boven den afgrond hingen. + +Graaf Sandorf hield halt om even adem te scheppen. Zijne beide voeten +steunden op het smalle boord van het banket; met zijne handen hield hij +steeds den ijzeren kabel vast. Hij begreep dat hij de bovenlaag van het +fondament van den vestingtoren bereikt had. Maar van welke hoogte +beheerschte dit het beneden-dal? Dat was door hem niet te schatten. + +„Dat moet diep zijn,” dacht hij. + +Inderdaad, groote vogels, verschrikt en verblind door de schelheid der +bliksemstralen, vlogen met angstigen wiekslag rondom hem en doken in de +diepte, in stede van hare vlucht opwaarts te richten. De gevolgtrekking +daarvan was duidelijk. Er was daar een afgrond onder zijne voeten. + +In dit oogenblik vernam hij eenig gerucht aan het boveneinde van den +ijzeren kabel. Bij de vluchtige verlichting door eene bliksemstraal, +zag graaf Sandorf eene onduidelijke massa, die zich van den muur +afscheidde. + +Het was Stephanus Bathory, die het venster der cel uitschoof en zich +langzaam liet afglijden, om zich bij Mathias Sandorf te voegen. Deze +wachtte hem af, terwijl hij de voeten stevig op het steenen uitsteeksel +gesteund hield. Daar moest Stephanus Bathory op zijn beurt halt houden, +terwijl zijn makker de reis naar beneden verder zou vervolgen. + +Binnen weinige oogenblikken waren zij bij elkander, waarbij zij op het +banket rustten. + +Zoodra het gerommel van den donder een poos ophield, konden zij spreken +en elkander verstaan. + +„En Ladislas?” vroeg graaf Sandorf. + +„Die zal over eene minuut hier zijn.” + +„Is er geen onraad boven?” + +„Neen.” + +„Goed. Ik ga plaats voor Ladislas maken. En gij, Stephanus, gij zult +hier wachten tot dat hij u bereikt heeft.” + +„Dat ’s afgesproken.” + +Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen beiden in dit oogenblik. Zij +gevoelden zich alsof de electrische stroom, langs het ijzer vloeiende, +tot in hunne spieren gedrongen was en meenden door den bliksem +getroffen te zijn. + +„Mathias!.... Mathias!....” riep Stephanus onder den indruk van een +onnoemelijken en onoverwinnelijken angst uit. + +„Kalmte en koelbloedigheid!” antwoordde graaf Sandorf.... „Ik ga verder +afdalen.... en gij moet mij volgen!” + +Reeds had hij den kabel gegrepen, om zich tot aan den eersten haak naar +onderen te laten afglijden. Daar wilde hij wachten tot dat zijn makker +ook de reis aanvaard had. + +Plotseling werden kreten boven in den vestingtoren vernomen. Zij +schenen van den kant van het venster der cel te komen. Duidelijk +weerklonken de woorden: + +„Vlucht! Redt u!” + +Het was de stem van Ladislas Zathmar. + +Terstond daarop spoot als het ware een helder licht uit den muur en +werd gevolgd door eene kort afgebroken losbranding zonder echo. Het was +ditmaal niet de gehakkelde lijn van eene bliksemschicht, die zich op +het zwart kleed van den nacht voordeed. Het was geen electrische vonk, +die geknetterd had. Het was een geweerschot, dat ongetwijfeld op goed +geluk af door het eene of andere schietgat van den vestingtoren gelost +was. Of het een signaal voor de gevangenbewaarders of wel een kogel, +bestemd voor de vluchtelingen was, om het even, de vlucht was thans +ontdekt. + +Een schildwacht, die eenig gerucht meende te hooren, had inderdaad om +hulp geroepen, waarop vijf of zes gevangenbewaarders de cel +binnengestormd waren. Het ontbreken van twee gevangenen was natuurlijk +dadelijk ontdekt. De toestand van het venster duidde genoegzaam aan, +dat zij slechts langs dien weg hadden kunnen ontsnappen. Het was toen +dat Ladislas Zathmar vóórdat men dit had kunnen beletten, zich buiten +de vensteropening voorover gebogen en den alarmkreet uitgestooten had. + +„De ongelukkige!” riep Stephanus Bathory uit. „Moeten wij hem +achterlaten?.... Mathias!.... Zeg.... achterlaten?” + +Een tweede geweerschot werd gelost en ditmaal vermengde zich de +losbranding met het rollen van den donder. + +„God zij hem genadig!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij moeten +vluchten.... al ware het maar om hem te wreken!.... Kom Stephanus, +kom!” + +Het was meer dan tijd. Ook andere vensters van de benedenverdieping van +den vestingtoren werden geopend. Nieuwe losbrandingen verlichtten hen. +Ook hoorde men luidruchtige stemmen. Het waren misschien +gevangenbewaarders, die langs het banket, hetwelk den voet van den +vestingtoren omgaf, voortschrijdende, den weg voor de vluchtelingen +konden afsnijden! Zij konden ook waarschijnlijk getroffen worden door +geweerschoten, die uit andere gedeelten der vesting gelost werden! + +„Kom!” riep graaf Sandorf voor de laatste maal. + +En hij liet zich afglijden langs den kabel, die daarop dadelijk door +Stephanus Bathory gegrepen werd. + +Toen eerst bemerkten beiden, dat die kabel onder het banket in het +ledige, in het ijle slingerde. Er bestonden geen rustpunten, geen haken +meer, die den kabel vasthechtten. Beiden slingerden met dien ketting +mede, die hun de handen verwondde. Zij daalden, zij omklemden den kabel +met de knieën, maar waren onmachtig hunne snelheid te temperen, terwijl +in dat vreeselijke oogenblik hun de geweerkogels langs de ooren floten. + +Zoo daalden, neen stortten zij binnen een minuut ruim tachtig voeten +naar beneden. Zij vroegen zich af, of die afgrond, waarin zij als het +ware vielen, bodemloos was. Het geloei van stormachtig opgezweepte +wateren bereikte hun gehoor. Toen begrepen zij dat de geleidketting van +den bliksemafleider in den een of anderen bergstroom eindigde. Maar.... +om het even.... de dood daar boven, de dood hier beneden.... dan was de +laatste voor de rampzaligen het meest verkieselijk. + +Een vreeselijke bliksemstraal verscheurde in dit oogenblik te midden +van eene machtige electrische verlichting de wolken. Hoewel de stang +boven op den vestingtoren niet middellijk door den electrischen stroom +getroffen was, zoo was de spanning van dien stroom, die zich +voortdurend langs den ketting ontlastte, zoodanig, dat zij de schalmen +bij haren overgang wit gloeiend maakte, zooals met een platina draad +geschiedt onder de ontlading van eene electrische batterij. + +Stephanus Bathory stiet een kreet van smart uit en liet de handen los. + +Mathias Sandorf zag hem voorbij zich vallen, waarbij zij elkander +schier aanraakten. De ongelukkige had de armen uitgestrekt. + +Op zijn beurt moest ook hij den kabel, die hem de handen verschroeide, +loslaten. Hij viel van eene hoogte van ruim veertig voeten in den +bergstroom van Foïba, in dien onbekenden afgrond van den Buco. + + + + + + + + +VII. + +DE BERGSTROOM VAN FOÏBA. + + +Het was ongeveer elf uren in den nacht. De onweerswolken begonnen zich +in hevige stortregens op te lossen. De regen werd vermengd met dikke +hagelsteenen, die de oppervlakte der Foïba mitrailleerden en op de +naburige rotsen kletterden. + +De geweerschoten, die uit de schietgaten gelost werden, waren gestaakt. +Waarom zooveel kogels, zooveel lood jegens de vluchtelingen te +verspillen? De Foïba zou slechts lijken weergeven, wanneer zij althans +iets weergaf! + +Nauwelijks was graaf Mathias Sandorf in den bergstroom gestort en onder +de oppervlakte geschoten, toen hij zich plotseling meegesleept +gevoelde. Van uit het schitterende licht, waarmede de electrische +losbarsting den afgrond vervuld had, was hij overgegaan in den +zwartsten nacht. Het geloei der wateren had het geratel van den donder +vervangen. De ondoordringbare spelonk liet van buiten, noch geluid, +noch licht, noch iets bespeuren. + +„Help....” + +Opeens werd die kreet vernomen! Het was Stephanus Bathory, die hem +geslaakt had. De kilheid van het water had hem tot het leven +teruggeroepen; maar hij kon zich niet aan de oppervlakte handhaven. Hij +zou zeker verdronken zijn, wanneer hem niet een stevige hand gegrepen +had op het oogenblik, dat hij ging verdwijnen. + +„Ik ben hier.... Stephanus!.... Houd moed!” + +Graaf Sandorf ondersteunde zijn makker met de eene hand, terwijl hij +met de andere zwom. + +De toestand was zeer kritiek. Stephanus Bathory kon ter nauwernood +zijne ledematen bewegen, verlamd als zij waren door den doorgang van +den electrischen stroom. Voelde hij ook al de brandwonden aan zijne +handen in de koude wateren niet, toch kon hij door die verlamming er +zich niet van bedienen. Als graaf Sandorf hem slechts een oogenblik +losgelaten had, zou hij onmiddellijk gezonken zijn. En toch had de +graaf genoeg met zich zelven te stellen. + +Dan nog verkeerde men in volslagen onzekerheid omtrent de richting, die +deze bergstroom volgde. In welke streek kwam hij uit? In welke rivier, +of in welke zee zou hij uitmonden? Wanneer Mathias Sandorf ook al +geweten had, dat die bergstroom de Foïba was, dan nog was zijn toestand +even wanhopig geweest, dewijl niemand weet waar zijne wateren blijven, +waarin hij zich uitstort. Men had gesloten flesschen bij den ingang van +de spelonk in de Foïba geworpen, en nimmer waren zij ergens in een der +wateren van het Istrische schiereiland te voorschijn getreden. Het kon +zijn, dat zij onderweg gebroken waren bij dien onderaardschen doorgang, +maar het kon ook zijn, dat die watermassa hen medegesleept had in de +een of andere spleet van de aardkorst. + +De vluchtelingen werden intusschen met groote snelheid medegevoerd. Dit +was eene omstandigheid, die het hun gemakkelijk maakte om aan de +oppervlakte te blijven. Stephanus Bathory had zijn bewustzijn verloren. +Hij was als een machteloos lichaam in de handen van graaf Sandorf. Deze +kampte voor twee, maar hij gevoelde dat hij weldra uitgeput geraakte. +Bij de gevaren om tegen de een of andere vooruitstekende rotspunt, +hetzij van de wanden, hetzij hangende van het verwulf te stooten, kwam +nog een ander, dat veel grooter genoemd moest worden. Dat was van in +een dier draaikolken te geraken, die veroorzaakt werden door de +veelvuldige tegenstroomingen, welke daar gevormd worden, waar een wand +plotseling afbrak of een vooruitstekend stuk de regelmatige strooming +verstoorde. Twintig malen voelde Mathias zich met zijn makker in een +van die vloeibare zuigers opgenomen, die hem door hunne ronddraaiende +beweging evenals een maalstroom tot zich trokken. Zij werden dan door +een rondgaande beweging vervoerd en eindelijk naar den buitenrand van +de kolk geworpen, zoo als met een steen uit een slinger zou geschieden, +en konden er niet uitkomen dan door een tegenstroom geholpen. + +Zoo verliep onder die omstandigheden een half uur, waarin de dood hen +iedere minuut, iedere seconde aangrijnsde. Mathias Sandorf, met eene +bovenmenschelijke geestkracht begaafd, had nog geen oogenblik van +zwakte ondervonden. Het was, alles goed beschouwd, gelukkig, dat zijn +makker nagenoeg bewusteloos was. Als het gevoel van zelfbehoud wakker +ware geweest, dan zou hij gesparteld hebben. Dan zou er gestreden +moeten worden om hem te bedwingen, om hem tot onmacht te noodzaken. En +dan zou graaf Sandorf waarschijnlijk genoodzaakt zijn geweest, om hem +aan zijn lot over te laten, om niet beiden te verdrinken. + +Die toestand kon evenwel niet lang blijven duren. De krachten van +Mathias Sandorf begonnen merkbaar af te nemen. In sommige oogenblikken +dook zijn hoofd onder, wanneer hij dat van Stephanus Bathory boven de +watervlakte ophief. Dan was de ademhaling plotseling verbroken. Dan +hijgde hij, dan hoestte, dan kuchte hij, dan werd hij benauwd; want dan +had hij te doen met een begin van verstikking. + +Hij moest zelfs verscheidene malen zijn makker loslaten, wiens hoofd +dan dadelijk onder water dook, maar steeds slaagde hij er in hem weer +te vatten en dat te midden van dien zwaren stroom, die door de +gezwollen wateren nog sterker dan gewoonlijk was en met afgrijselijk +geluid rondom hem loeide. + +Graaf Sandorf voelde dan ook weldra, dat hij verloren was. Het lichaam +van Stephanus Bathory ontsnapte hem eindelijk geheel... Wel trachtte +hij het, als laatste uiting van zijn wilskracht, nog te grijpen; maar +hij vond het niet meer en zelf werd hij onder den waterspiegel +medegesleept. + +Een hevige schok kneusde hem pijnlijk den schouder. Hij stak +instinctmatig de hand uit. Zijne vingeren grepen en omsloten een bundel +wortels, die in het water hingen. + +Die wortels behoorden tot een boomstronk, die door den bergstroom +medegevoerd werd. Mathias Sandorf klemde zich stevig aan dat wrakstuk +vast en kwam toen aan de oppervlakte der Foïba terug. Hij hield zich +vast met de eene hand, maar zocht zijn makker met de andere. + +Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te +grijpen en werkte hem met veel inspanning op den boomstronk, waarna hij +naast hem plaats nam. Beiden waren nu buiten dadelijk gevaar van te +verdrinken, maar zij waren nu aan het lot van dat wrakstuk verbonden en +aan de grillen van de stroomingen en versnellingen van den Buco +overgeleverd. + +Graaf Sandorf was gedurende een oogenblik buiten kennis geraakt. Zijn +eerste zorg was, toen hij weer bijkwam, om maatregelen te nemen dat +Stephanus Bathory niet van den boomstam kon glijden. Uit overmaat van +voorzorg plaatste hij zich achter hem, zoodanig dat hij hem kon +ondersteunen. Toen dat geschied was, keek hij rondom zich, om waar te +nemen of niet eenig daglicht in de grot drong. Hij zou dan den toestand +bij het verlaten van die spelonk kunnen overzien. Maar niets duidde +aan, dat de uitgang van dat eindeloos kanaal nabij was. + +Toch was de toestand der vluchtelingen eenigermate verbeterd. Die +boomstronk was ongeveer tien voet lang en zijn wortels, die op de +watervlakte rustten, moesten verhinderen dat hij zich onverwacht +omkeerde. Wanneer zich geene geweldige schokken zouden voordoen, dan +scheen zijne stabiliteit verzekerd, hoewel de watermassa met kracht als +langs een hellend vlak schoot. Zijne snelheid kon dan ook gerekend +worden op tien mijlen in het uur, en was gelijk aan die van den +bergstroom, die hen meesleepte. + +Mathias Sandorf had inmiddels zijne geheele koelbloedigheid +teruggekregen. Hij poogde toen zijn makker, wiens hoofd op zijne knieën +rustte, tot bewustzijn terug te brengen. Hij vergewiste zich dat zijn +hart nog klopte, maar hij merkte daarbij op, dat hij ter nauwernood nog +maar adem haalde. Hij bukte zich over hem heen, sloot zijne lippen op +die van zijn vriend en blies zoo meerdere lucht in zijne longen. +Misschien zou de eerste inwerking van de ondergane verstikking nog geen +onherstelbare verwoestingen op de edele deelen aangericht hebben. + +En inderdaad, Stephanus Bathory begon zich te bewegen. Diepere en +langere ademhalingen verhieven zijne borstkas en openden zijne lippen. +Eindelijk ontsnapten enkele woorden aan zijn mond. + +„Mijne vrouw!.... Mijn zoon!.... Mathias!” + +Geheel zijn bestaan lag in die woorden opgesloten. + +„Stephanus, hoort ge me?.... hoort ge me?” vroeg graaf Sandorf, die te +midden van het geloei van den bergstroom, hetwelk de gewelven van den +Buco vervulde, schreeuwen moest. + +„Ja!.... Ja....!” + +„Stephanus!.... Stephanus!.... hoort ge mij?” herhaalde graaf Sandorf, +die wellicht de twee woorden van zijn vriend niet verstaan had. + +„Ja!.... Ja!....” herhaalde deze. „Ik hoor u!.... Spreek!.... Mijne +hand in de uwe!....” + +Nu had Mathias verstaan; want hij had zich voorovergebogen en zijn oor +bij den mond van zijn vriend gebracht. + +„Stephanus,” vervolgde hij, „wij zijn niet meer in onmiddellijk gevaar. +Wij hebben een wrakstuk dat ons torscht.... Waarheen?... Dat kan ik +niet zeggen. Maar dat stuk hout zal ons niet ontbreken!” + +„Mathias.... en de vestingtoren?....” + +„Daar zijn wij reeds ver van daan! Men zal in de vesting gelooven, dat +wij den dood in de wateren van deze kolk gevonden hebben en men zal er +voorzeker niet aan denken om ons te achtervolgen! Waar die bergstroom +ook zijne monding heeft, in zee of in eene rivier, zal hij ons toch +eene uitkomst leveren en wij zullen dan levend aanlanden. Laat den moed +dus niet zinken, Stephanus! Ik waak over je! Rust nog maar en herneem +krachten, want die zult ge weldra noodig hebben. Binnen weinige uren +zijn we gered!....” + +„Gered?....” + +„Ja gered!.... en vrij!” + +„Gered en vrij?” + +„Ja, voorzeker!” + +„En Ladislas?” + +Graaf Mathias Sandorf beantwoordde die vraag niet. + +Wat zou hij er in Gods naam op hebben kunnen antwoorden? + +Ladislas Zathmar had slechts tijd gehad om zijne makkers den +alarmkreet, dien hij door het venster der cel geslaakt had, te doen +hooren. Onmiddellijk daarop was hem de vlucht onmogelijk gemaakt. Hij +was gegrepen geworden en werd van toen af streng bewaakt. Als zijne +makkers voor hunnen persoon ook in de mogelijkheid daartoe geweest +waren, zouden zij toch niets hebben kunnen uitrichten. + +Stephanus Bathory had zijn hoofd achterover laten vallen. De physieke +kracht ontbrak hem om de loomheid, die hem bevangen had, te overwinnen. +Maar Mathias Sandorf waakte over hem en was op alles voorbereid, zelfs +om het wrakhout te verlaten, wanneer dat tegen een der hinderpalen, die +te midden van de dikke duisternis, welke alom heerschte, niet te +voorzien en niet te vermijden waren, mocht verbrijzeld worden. + +Het kon ongeveer twee uur in den morgen zijn, toen de snelheid van den +stroom en dus ook die van den boomstronk aanmerkelijk scheen te +minderen. Ongetwijfeld werd dat onderaardsche kanaal gaandeweg breeder, +waardoor de wateren een meer vrijen doortocht tusschen die rotswanden +vonden. Hun gang was dan ook meer regelmatig. Men mocht daaruit +wellicht de gevolgtrekking maken, dat het uiteinde van dat +onderaardsche hol niet ver meer verwijderd kon zijn. + +Maar weken de wanden terzijde uit, dan toonde het gewelf ter zelfder +tijd eene neiging om te dalen. Wanneer graaf Mathias Sandorf de hand +ophief, dan raakte die de onregelmatige krijtlagen en leisteenen, die +boven zijn hoofd welfden. Soms hoorde hij een gedruisch als van eene +wrijving... dat was de een of andere worteltak van den boom, die, +loodrecht omhoog staande, met het uiteinde het gewelf aanraakte. Dan +ontstonden hevige schokken, die aan den stam medegedeeld werden, +waardoor deze schommelde en zwaaide en waardoor hij telkens van +richting veranderde. Nu eens lag hij dwars in den stroom, dan weer +draaide hij om zijn lengte-as, dan weer om zijne breedte-as, zoodat de +vrees om er afgesleurd te worden niet ongegrond was. + +Toen dat gevaar, hetwelk zich herhaaldelijk voorgedaan had, voorbij +was, bleef er een ander over, waarvan graaf Sandorf alle de gevolgen +koelbloedig berekende. Dat was de waarschijnlijkheid, dat het gewelf +der grot van den Buco bleef dalen. De drenkeling had reeds de aanraking +met dat rotsgewelf niet anders kunnen ontwijken, dan door zich +plotseling achterover uit te strekken, wanneer zijne hand eene +uitstekende rots ontmoette. Zou men dus weer in den stroom moeten +dompelen? Wat hem betrof, dat zou nog gaan, maar zou hij er in slagen +om ook zijn makker boven water of hem zelfs onder de wateroppervlakte +bij zich te houden? En als dat onderaardsche kanaal zonder bovenruimte +zich over een langen afstand uitstrekte? Zou er dan mogelijkheid +bestaan er levend uit te komen? Neen!... neen!... dat zou +onherroepelijk het einde zijn, na zooveel doodstrijd reeds doorworsteld +te hebben. + +Hoe geestkrachtvol Mathias Sandorf ook was, hij voelde de doodsangst +hem de keel dichtsnoeren. Hij begreep dat het kritiekste oogenblik, het +uiteinde naderde. De wortels van den boomstam wreven krachtiger tegen +de rotssteenen van het gewelf en soms werd hij met het vooreinde +zoodanig onder water geduwd, dat zijne geheele oppervlakte overstroomd +werd. + +„Toch kan de uitgang van die spelonk thans niet ver meer zijn!” +mompelde graaf Sandorf in zich zelf. + +En dan trachtte hij uit te kijken, of geene lichtstraal daar voor hem +uit de dikke duisternis doorbrak. De nacht zou nu wel reeds zoo ver +gevorderd zijn, dat de duisternis daarbuiten zoo sterk niet meer was. +Misschien verlichtten de bliksemstralen nog het ruim daarbuiten den +Buco. In dat geval zou wel een weinig licht in dit kanaal kunnen +indringen, dat de afgevoerd wordende wateren der Foïba niet meer scheen +te kunnen bevatten. + +Maar niets! Steeds niets! + +Steeds volkomen duisternis. + +Steeds het geloei van den bergstroom, welks schuim nog altijd zwart +bleef. + +Plotseling werd een vreeselijke schok ondervonden. De boomstronk had +met zijn vooreinde tegen een grooten steen, die van het gewelf afhing, +gestooten. Onder dien stoot keerde de boom geheel en al om, maar graaf +Sandorf liet hem niet los. Met de eene hand klemde hij zich wanhopig +aan de wortels vast, met de andere hand had hij zijn makker gegrepen +juist op het oogenblik, dat deze op het punt was om medegesleept te +worden. Daarna liet hij zich in het water glijden, dat thans tegen het +gewelf brak. + +Zoo ging eene minuut voorbij. Mathias Sandorf had een gevoel alsof hij +verloren was. Instinctmatig weerhield hij zijn adem, om het weinigje +lucht, dat in zijne longen nog besloten was, zooveel mogelijk te +sparen. + +Plotseling ondervond hij te midden van de watermassa, hoewel hij de +oogen gesloten hield, een gevoel, alsof een schel licht op zijne +oogleden inwerkte. Een bliksemstraal had geschitterd en werd +onmiddellijk daarop gevolgd door het geratel van den donder. + +Eindelijk!.... daar was licht! + +De Foïba had inderdaad dat sombere onderaardsche kanaal verlaten en +stroomde thans onder den blooten hemel. Maar naar welk punt der kust +stroomde zij? In welke zee zou hare monding uitkomen? + +Dat was steeds het onoplosbare vraagstuk. + +En toch was ’t het vraagstuk van leven en dood. + +De boomstam was ook op de wateroppervlakte teruggekomen. Stephanus +Bathory werd steeds stevig vastgehouden door Mathias Sandorf, die er +eindelijk door eene buitengewone krachtsinspanning in slaagde om hem +weer op het wrakstuk uit te strekken en achter hem plaats te nemen. + +Daarna keek hij vooruit, rondom zich, boven zich. + +Achter hem begon eene zwarte massa in de nevelen te verdwijnen, alsof +zij uitgewischt werd. Dat was de kolossale rotsklomp, die den Buco +vormt en waardoor het onderaardsche hol liep, hetwelk doorgang aan de +wateren der Foïba verleende. De dag werd reeds door een zwak licht +aangekondigd, dat in het zenith waargenomen werd, en nog ijl was als +die sterren-nevelvlekken, welke het oog ter nauwernood gedurende de +helderste winternachten kan bespeuren. Van tijd tot tijd werden de +achtergelegen vakken van den gezichteinder door bliksemstralen +verlicht, terwijl de donder statig maar dof rolde. Het onweer +verwijderde zich of was uitgeraasd, nadat het al de electrische stof, +in het ruim voorhanden, verbruikt had. + +Mathias Sandorf liet zijne blikken niet zonder angst rechts en links +rondwaren. Hij kon toen bemerken, dat de rivier steeds met groote +snelheid tusschen steile rotswanden voortstroomde. + +Het was dus eene stroomversnelling, die de vluchtelingen te midden van +stroomingen, tegenstroomingen en kolken medevoerde. Maar het +uitspansel, het oneindige strekte zich boven hun hoofd uit en niet meer +dat lage gewelf, hetwelk hen ieder oogenblik dreigde den schedel te +verbrijzelen. Er was evenwel geen oever, geen strand, waarop zij vasten +voet zouden kunnen verkrijgen, zelfs geen talud, geene helling, waarop +zij aan land hadden kunnen gaan. De Foïba was als het ware tusschen +twee steile muren ingekist. Het was een smal kanaal met loodrechte +wanden, die door de wateren glad geschuurd waren. + +De laatste indompeling had tot gevolg gehad, om Stephanus Bathory tot +bewustzijn te doen terugkeeren. Zijne hand had die van Mathias Sandorf +gezocht en natuurlijk gevonden. + +Deze boog zich over zijn vriend en sprak hem toe: + +„Gered!” + +Maar.... had hij wel het recht dat woord uit te spreken? + +Gered?.... Hij wist niet eens waarheen die bergstroom hen voerde! + +Gered?.... Hij wist niet eens door welke landstreek zij dreven! + +Gered?.... Hij kon niet weten, wanneer hij dat wrakhout zou kunnen +verlaten! + +En toch, de graaf was zoodanig door geestkracht bezield, dat hij, +terwijl hij zich overeind op den boomstronk oprichtte, drie malen met +krachtige stem dat woord herhaalde: + +„Gered! Gered! Gered!” + +Ja, die woorden klonken luid. Maar om het even, wie zou ze hier hooren? +Niemand was op de naakte rotsen te ontdekken, waarop zelfs ietwat +humus, ietwat teelaarde ontbrak, en waarop slechts rotssteenen, keien +en leisteenen aangetroffen werden, waar zelfs niet zooveel grond +aanwezig was, om eenige struikjes te voeden. De landstreek, die zich +achter die hooge oevernokken uitstrekte, kon geen enkel menschelijk +wezen lokken. Het was eene rampzalige streek, waardoor de Foïba +stroomde, die ingekerkerd was, zooals slechts een afwateringskanaal +tusschen zijne granietmuren kan zijn. Geen enkel beekje kwam onderweg +den stroom voeden. Geen vogel schoor over de watervlakte, zelfs geen +enkele visch waagde zich in die te snelvlietende wateren. Hier en daar +staken boven de oppervlakte groote rotsen uit, welker volkomen droge +brokken genoegzaam aanduidden, dat het heerschende geweld van dien +waterstroom slechts aan eene kortstondige rijzing te danken was, welke +door de laatstgevallen regens veroorzaakt werd. + +In gewone tijden kon de bedding der Foïba niets meer dan een diep +ingesneden ravijn zijn. + +Het was daarenboven niet te vreezen, dat de boomstronk op de rotstoppen +geworpen werd. Hij vermeed ze uit zichzelven, door den stroomdraad te +volgen, die er omheen voerde. Het zou ook onmogelijk geweest zijn het +vervoermiddel der vluchtelingen uit dien stroomdraad te brengen, ook om +zijne snelheid te remmen, om bijvoorbeeld eenig punt des oevers aan te +doen, voor het geval dat de mogelijkheid bestond om aan wal te gaan. + +Zoo ging in die omstandigheden nog een uur voorbij, zonder dat men zich +om een onmiddellijk gevaar had te bekommeren. De laatste +bliksemschichten waren van den hemel verdwenen. In de verte werd van +het onweder niets anders vernomen, dan een dof gerommel, dat door de +hoogere wolken, die boven aan het uitspansel lange vederachtige strepen +vormden, afgestompt werd. + +Het daagde reeds bij de kim en een wit licht bleekte het donkere azuur +van de lucht, die door de nachtelijke buien geheel gezuiverd was. + +Stephanus Bathory zat half overeind en rustte in de armen van graaf +Sandorf, die voor hem waakte. + +In dit oogenblik werd eene verwijderde losbranding in zuidwestelijke +richting vernomen. + +„Wat kan dat zijn?” vroeg Mathias Sandorf zich af. „Is het een +kanonschot, dat de dageraad en de opening van de een of andere haven +aankondigt?” + +In dat geval zouden zij niet ver van de kust verwijderd zijn. Dat moest +hij erkennen. + +Welke haven kon dat wezen? Triëst? + +Neen! want daar is het oosten, daar aan dien kant, waar de zon op het +punt is te verschijnen. + +Zou het Pola zijn, de haven, die op het zuidelijke uiteinde van Istrië +gelegen is? + +Maar... dan is... + +Een tweede losbarsting weerklonk en werd dadelijk daarop door eene +derde gevolgd. + +„Drie kanonschoten?” vroeg graaf Sandorf zich zelven af. „Zou dat het +sein niet eerder zijn van een embargo voor de schepen, die uit zeilen +willen?” + +En na eenig nadenken, mompelde hij: + +„Zou dat in verband staan met onze ontvluchting?” + +Dat was inderdaad te vreezen. + +De autoriteiten hadden voorzeker geen enkele voorzorg verwaarloosd om +de vluchtelingen het verdere ontsnappen te beletten, wanneer het hun +gelukken mocht een vaartuig te bereiken. + +„Dat God ons thans te hulp kome!” mompelde graaf Sandorf. „Hij alleen +kan ons helpen!” + +De hooge rotswanden, die de Foïba omgaven, begonnen langzamerhand lager +te worden, terwijl zij zich verder van elkander verwijderden. Toch was +er nog niets van het omliggende land te verkennen. Plotselinge +buigingen, scherpe hoeken maskeerden den horizon en begrensden den +gezichtskring tot eenige honderden voeten. Onder die omstandigheden was +het oriënteeren totaal onmogelijk. + +Het bed der rivier, dat thans zeer verbreed was, bleef steeds stil en +eenzaam en veroorloofde de wateren met minder snelheid voort te stuwen. +Eenige boomstammen, die bovenstrooms ontworteld waren, volgden den +stroomdraad statig en bijna langzaam. Die Juni-ochtend was vrij frisch. +De vluchtelingen klappertandden en bibberden onder hunne doornatte +kleeding. Het werd hoog tijd dat zij eene schuilplaats vonden, waar de +zon hunne vodden kon drogen. + +Tegen vijf uur werden de laatste uitloopers van het gebergte vervangen +door lage oevers, die zich in eene effen en kale landstreek +ontwikkelden. De Foïba liep toen langs eene bedding, die zeker eene +halve mijl breed was en ging weldra in eene groote uitgestrektheid +water over, die den naam van meer of ten minste van meertje verdiend +zou nebben. Geheel aan het uiteinde in het westen werden eenige +visschersvaartuigen ontwaard, sommige nog voor anker liggende, andere +bezig met zeil te zetten om van de lichte morgenbries gebruik te maken; +zij schenen er op te wijzen dat dit meertje een havenkom was, die breed +uitgesneden in de kust voorkwam. + +De zee kon dus niet ver meer af zijn, het was dus onze vluchtelingen +als aangewezen om haar op te zoeken. Het zou evenwel niet voorzichtig +genoemd kunnen worden eene schuilplaats aan die visschers te gaan +verzoeken. Zich aan hun toevertrouwen, zou, voor het geval zij van de +ontvluchting kennis droegen, groot gevaar opleveren, om aan de +Oostenrijksche maréchaussées, die toch de landstreek doorzoeken +moesten, uitgeleverd te worden. + +Graaf Mathias Sandorf wist waarachtig niet waartoe te besluiten, toen +de boomstronk tegen een anderen stiet, die ternauwernood met de +wateroppervlakte gelijk bij den linkeroever van het meertje in de +modder vastgeklonken lag en bewegingloos bleef liggen, alsof hij voor +anker gekomen was. Zijne wortels verwarden zich zoo stevig in een +boschje struikgewas, dat zij daarin vast bleven zitten en de boomstronk +langs den oever gleed als eene sloep, die het touw, waarmede zij +vastgelegd is, strak loopt. + +Graaf Sandorf stapte op den oever over, evenwel niet zonder eenige +voorzorgsmaatregelen genomen te hebben. Hij verzekerde zich, dat +niemand hem kon bespeuren. + +Zoo ver zijn blik ook droeg, zag hij geen enkel menschelijk wezen, +visscher of iemand anders op of langs dit gedeelte van het meertje. + +En toch lag er een man op het zand op minder dan tweehonderd passen +uitgestrekt, die vandaar de beide vluchtelingen zeer goed kon +waarnemen. + +Toen graaf Sandorf vermeende, dat hij veilig was, stapte hij weer op +den boomstronk, tilde zijn makker in zijne armen op en lei hem zacht op +den oever neer, steeds zonder iets te weten van de streek, waarin hij +zich bevond, noch van de richting die men zou moeten inslaan. + +De uitgestrektheid water, die de Foïba tot monding strekte, was noch +een meertje, noch een meer, maar een haft. Men noemt haar daar ter +plaatse het kanaal van Léma. Het heeft gemeenschap met de Adriatische +zee door eene smalle insnijding, welke tusschen Orsera en Rovigno op de +westkust van het Istrische schiereiland gelegen was. Maar men wist toen +niet dat het de wateren der Foïba waren, die, na de spelonk van den +Buco doorstroomd te hebben, dat haft kwamen voeden. + +Op weinige passen van den oever stond eene jagershut. Graaf Sandorf en +Stephanus Bathory traden er in, om eenige rust te genieten en om hunne +krachten te herstellen. Daar ontdeden zij zich van hunne kleederen, die +in de stralen van de warme Juni-zon spoedig zouden gedroogd zijn. +Daarna wachtten zij. + +De visschersvaartuigen hadden het kanaal van Léma verlaten en, zoover +het oog peilen kon, was de kust eenzaam en stil. + +In dit oogenblik stond de man, die dat schouwspel gadegeslagen had, op, +naderde de hut, alsof hij er de ligging goed van wilde opnemen; daarna +verdween hij in zuidelijke richting, terwijl hij een ietwat verheven +kusthoek omsloeg. + +Drie uren later hadden graaf Sandorf en zijn makker hunne kleederen +weer kunnen aantrekken, die evenwel nog vochtig waren. Maar het werd +tijd om te vertrekken. + +„Wij kunnen niet langer in die hut blijven,” zei Stephanus Bathory. + +„Voelt ge u sterk genoeg om de reis te aanvaarden?” vroeg Mathias +Sandorf. + +„Ik ben flauw en uitgeput door den honger.” + +„Laten wij de kuststrook volgen. Wellicht dat wij er in slagen ons +eenig voedsel te verschaffen, ook om ons in te schepen! Kom, +Stephanus!” + +Beiden verlieten de hut, maar gevoelden zich klaarblijkelijk meer +verzwakt door de ontbering dan door de vermoeienis. + +Het plan van graaf Sandorf was, om den zuidelijken oever van het kanaal +van Léma te volgen, teneinde de zeekust te bereiken. + +Maar was ook al de landstreek eenzaam en verlaten, zoo krioelde zij +toch van beken, die allen naar het haft stroomden. Onder den invloed +van dat vochtige net, was dit gedeelte van den oever slechts een vast +moeras, waarvan de papachtige bodem geen enkel steunpunt aanbood. Men +moest dat dus omtrekken door zuidwaarts af te houden. Die richting was +gemakkelijk waar te nemen bij de klimmende baan der zon. De +vluchtelingen schreden zoo gedurende twee uren voort, zonder een enkel +menschelijk wezen te ontmoeten, maar ook zonder den honger, die hen +teisterde, te kunnen stillen. + +Later werd het land langzamerhand minder schraal. Een weg vertoonde +zich, die van het oosten naar het westen liep. De vluchtelingen +bespeurden een mijlsteen, die niets omtrent de landstreek, waarin zich +graaf Sandorf en Stephanus Bathory blindelings waagden, te kennen gaf. +Evenwel eenige moerbeziënheggen en verder een sorgho-veld veroorloofde +hen zoo niet hunnen honger te stillen, dan toch de behoefte van hun +maag bedriegelijk tevreden te stellen. De rauwe sorgho, die zoo maar +uit de vuist verorberd werd, de frissche moerbeien waren evenwel +voldoende om te beletten van honger neer te vallen, vóórdat zij de kust +bereikt hadden. + +Maar nu die landstreek meer bewoonbaar werd, nu eenige akkers bewezen +dat een menschenhand aan het werk geweest was, nu moest men ook +verwachten bewoners te ontmoeten. + +Dat gebeurde inderdaad zoo tegen het middaguur. + +Vijf of zes voetgangers verschenen op den weg. Voorzichtigheidshalve +wilde graaf Mathias Sandorf zich niet laten bemerken. Gelukkig +ontwaarde hij eene heining om den bouwval van eene pachthoeve, die op +ongeveer vijftig passen ter linkerzij van den weg gelegen was. Daar +vonden hij en zijn makker, nog vóórdat zij ontdekt waren, eene +schuilplaats in een donker vertrek. Er bestond veel kans, dat zij niet +ontdekt werden wanneer de een of andere voorbijganger bij die +pachthoeve stil hield, en zij konden er desnoods, tot de nacht +ingevallen was, blijven. + +Die voetgangers waren boeren en zoutvervaardigers. De meesten hunner +dreven troepen ganzen naar de markt van eene stad of van een dorp, dat +niet ver verwijderd van het kanaal van Léma lag. Mannen en vrouwen +waren volgens de Istrische mode gekleed met de juweelen, medailles, +oorbellen, borstkruizen, horlogekettingen met aanhangselen, die de +kleederdrachten der beide geslachten versierden. Wat de +zoutvervaardigers betrof, zij waren eenvoudig gekleed; zij droegen een +randsel op den rug, een knuppel in de hand, en begaven zich naar de +naburige zoutpannen, wellicht naar de meer belangrijke te Stagnon of te +Pirano, in het westen van de provincie gelegen. + +Sommigen stonden, bij de pachthoeve aangekomen, een oogenblik stil, +anderen zetten zich op den drempel neder en praatten niet zonder +levendigheid met elkander, evenwel slechts over zaken, die op hunnen +handel betrekking hadden. + +De beide vluchtelingen, in hun hoek verscholen, luisterden. + +Misschien droegen die lieden reeds kennis van hunne ontvluchting en +zouden zij er over praten. + +Misschien zouden zij zich ook woorden laten ontvallen, waaruit graaf +Sandorf kon opmaken in welke landstreek van Istrië zijn makker en hij +zich bevonden. + +Geen enkel woord evenwel werd over dat onderwerp gewisseld en men moest +zich dus steeds met gissingen tevreden stellen. + +„Daar de lieden over onze ontvluchting niet spreken,” zei graaf +Sandorf, „valt daaruit op te maken, dat zij nog niet ter hunner kennis +gekomen is.” + +„Dat zou als bewijs kunnen opgenomen worden, dat wij reeds ver van de +vesting verwijderd zijn.” + +„Ja, zeker!” + +„Rekent men de snelheid van den bergstroom, die ons door zijn +onderaardsche gang gedurende zes volle uren meesleurde, dan kunnen wij +er niet verbaasd over zijn.” + +„Neen zeker niet!” antwoordde graaf Sandorf. + +„En het moet zoo zijn,” sprak Bathory. + +Evenwel twee uren later hoorden zij eenige zoutvervaardigers, die de +pachthoeve voorbij stapten, zonder zich op te houden, praten over eene +brigade maréchaussées, die zij bij de poort van de stad ontmoet hadden. + +Welke stad?.... + +Die werd niet genoemd. + +Dat bericht was volstrekt niet geschikt, om onze vluchtelingen gerust +te stellen. + +Wanneer maréchaussées de streek doorkruisten, dan was dat +waarschijnlijk met het doel om hen op te sporen. + +„En toch,” zei Stephanus Bathory, „naar de omstandigheden, waaronder +wij ontsnapt zijn, moet men meenen dat wij dood zijn en van eene +opsporing afzien....” + +„Men zal slechts aan onzen dood gelooven, wanneer men onze lijken +gevonden zal hebben,” antwoordde Mathias Sandorf. + +Hoe het ook zij, dat was buiten kijf, dat de politie op de been was en +de vluchtelingen zocht. Zij besloten dan ook om in de pachthoeve +verscholen te blijven, totdat de nacht ingevallen zou zijn. De honger +kwelde hen; maar zij durfden hunne schuilplaats niet verlaten en daar +deden zij goed aan. + +Dien avond tegen vijf uren, naderde inderdaad een kleine ruiterbende. +Men kon den hoefslag op den weg hooren weerklinken. + +Graaf Sandorf, die, over den grond kruipende, de deur van de omheining +genaderd was, keerde haastig naar zijn makker weder en trok hem met +zich voort tot in den donkersten hoek van het vertrek. + +Daar schuilden beiden onder een hoop struiken weg en hielden zich zoo +onbewegelijk mogelijk. + +Een zestal maréchaussées, aangevoerd door een brigadier, reden langs +den weg en richtten zich oostwaarts. „Zouden zij bij de pachthoeve stil +houden?” vroeg graaf Sandorf zich niet zonder angst af. Wanneer de +maréchaussées dien bouwval doorzochten, dan kon het niet missen, of zij +moesten de verscholenen ontdekken. + +Zij hielden bij die plaats stil. De brigadier commandeerde halt. Twee +maréchaussées en hij stegen van het paard, terwijl de anderen in het +zadel bleven. + +Deze kregen bevel om de streek in de nabijheid van het kanaal van Léma +te doorzoeken en daarna op de pachthoeve terug te trekken, waar men hen +tot des avonds zeven uren wachten zou. + +De vier maréchaussées verwijderden zich en reden den weg op. De +brigadier en de twee anderen bonden hunne paarden aan de spijlen van +een half vergane omheining vast, die de pachthoeve omgaf. Daarna gingen +zij buiten het gebouw zitten en begonnen te praten. De vluchtelingen +konden van uit het vertrek, waar zij verscholen waren, alles hooren. + +„Ja, hedenavond moeten wij naar de stad terugkeeren,” antwoordde de +brigadier op eene vraag, die door een zijner maréchaussées gedaan was. +„Daar zullen wij instructies voor den nachtdienst erlangen. De +telegraaf zal waarschijnlijk wel nieuws van Triëst aangebracht hebben.” + +De besproken stad was dus Triëst niet. Dat was eene bijzonderheid, die +graaf Sandorf niet ontging. + +„Is het niet te vreezen, dat de vluchtelingen, terwijl wij hen hier +zoeken, het kanaal van Quernaro bereikt hebben?” vroeg een der +maréchaussées. + +„Dat’s zeer goed mogelijk,” antwoordde de andere. + +„Waarom?” vroeg de brigadier. + +„Omdat zij daar beter in veiligheid zijn dan hier.” + +„Als zij daarheen getrokken zijn, loopen zij hetzelfde gevaar om +ontdekt te worden als hier.” + +„Meent ge, brigadier?” + +„Voorzeker; want de geheele kust van het eene einde van de provincie +tot het andere wordt bewaakt.” + +Een tweede bijzonderheid, die niet vergeten mocht worden. Graaf Sandorf +en zijn makker bevonden zich dus wel degelijk op de westkust van +Istrië, dat wil zeggen bij den oever van de Adriatische zee en niet op +den oever van het tegenovergelegen kanaal, dat tot Fiuma en +waarschijnlijk verder reikt. + +„Ik denk dat men ook wel nasporingen in de zoutpannen van Pirano en van +Capo d’Istria zal verrichten,” hernam de brigadier. „Men kan zich daar +gemakkelijker schuil houden, en een vaartuig bemachtigen om de +Adriatische zee over te steken.” + +„Ho, ho! brigadier!” riep een der maréchaussées uit. + +„Rimini of Venetië zijn niet ver.” + +„Zij hadden beter gedaan, stil den dood in hunne cel af te wachten,” +antwoordde de andere maréchaussée wijsgeerig. + +„Ja”, meende de andere, „vroeg of laat zal men hen toch wel snappen, +als men hunne lijken niet uit den Buco opvischt! Dan was het uit. En +dan hadden wij bij die hitte het land niet af te loopen, wat geen +baantje is.” + +„En wie zegt je dat het niet uit is?” hernam de brigadier. „De Foïba +heeft zich waarschijnlijk belast met de terechtstelling, en de +veroordeelden konden geen slechteren weg dan dien kiezen om uit den +vestingtoren van de citatel van Pisino te geraken, dan toen de wateren +zoo gezwollen waren!” + +De Foïba, dat was dus de naam der rivier, die graaf Sandorf en zijn +lotgenoot meêgesleurd had. + +De citadel van Pisino, dat was de vesting waarin zij, na hunne +gevangenneming, gekerkerd, verhoord en veroordeeld waren! + +Daar was het, dat zij zouden zijn doodgeschoten. + +Het was uit den vestingtoren van die citadel, dat zij ontsnapt waren! + +Graaf Sandorf kende de stad Pisino goed. Hij was dus omtrent dit voor +hen zoo belangrijke punt ingelicht en het zou alzoo aan het toeval +overgelaten moeten worden, hoe en waarheen zij het Istrische +schiereiland doortrekken zouden, wanneer namelijk de vlucht nog +mogelijk geoordeeld werd. + +Het gesprek der maréchaussées ging niet verder; maar door die weinige +woorden hadden de vluchtelingen alles vernomen wat belangrijk voor hen +was te weten. Alleen hadden zij nog niet vernomen, welke stad het meest +nabij het kanaal van Léma op de kust van de Adriatische zee gelegen +was. + +De brigadier was intusschen opgestaan. Hij stapte langs de omheining +van de pachthoeve op en neer en keek of de uitgezonden manschappen nog +niet terugkwamen. Hij trad twee of drie malen in de bouwvallige woning +en bezocht er al de kamers van, eer uit gewoonte aan zijn vak eigen, +dan uit achterdocht. Hij kwam zelfs tot bij de deur van het vertrek, +waarin de vluchtelingen zaten, en zij zouden zeker ontdekt zijn, +wanneer er geen dikke duisternis geheerscht had. De brigadier trad +zelfs binnen en raakte met het benedeneinde van zijn sabelschede +lichtelijk den hoop struiken aan, waaronder zij verscholen waren. In +dit oogenblik ondervonden graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory +eene afwisselende reeks van angstige gevoelens, die onmogelijk te +beschrijven zijn. + +Zij waren evenwel vast besloten om hun leven zoo nadrukkelijk mogelijk +te verdedigen, wanneer zij zouden ontdekt worden. O, in dat geval +zouden zij voor niets terugdeinzen. Zij zouden zich dan op den +brigadier werpen, zij zouden dan van zijne verrassing en schrik gebruik +maken om hem zijne wapens te ontrukken, zij zouden hem en zijne +manschappen aanvallen, hen dooden of zelf vallen. Dat alles dwarrelde +door hun brein. + +De brigadier werd evenwel een oogenblik later naar buiten geroepen, +zoodat hij het vertrek verliet, zonder er iets verdachts bespeurd te +hebben. De vier maréchaussées, die op verkenning uitgezonden werden, +waren op de pachthoeve teruggekeerd. In weerwil van hunnen ijver, +hadden zij van de vluchtelingen geen spoor ontdekt in die geheele +streek, besloten tusschen de kust en het kanaal van Léma. Zij kwamen +evenwel niet alleen terug. Een man vergezelde hen. + +Dat was een Spanjool, die dagelijks in de zoutpannen in den omtrek +arbeidde. Hij was op weg om naar de stad terug te keeren, toen de +maréchaussées hem ontmoet hadden. Daar hij hen vertelde dat hij de +landstreek tusschen de stad en de zoutpannen doorgetrokken was, +besloten zij hem bij hunnen brigadier te brengen, opdat deze hem zou +kunnen ondervragen. + +Die man weigerde volstrekt niet om hen te volgen. + +Toen hij in de tegenwoordigheid van den brigadier gekomen was, vroeg +deze hem of hij of andere zoutmakers de aanwezigheid van twee vreemde +personen opgemerkt hadden. + +„Neen, brigadier,” antwoordde de man, „maar heden ochtend, een uur +nadat ik de stad verlaten had, heb ik twee mannen waargenomen, die bij +de punt van het kanaal van Léma aan wal kwamen. + +„Twee mannen, zegt ge?” vroeg de brigadier. + +„Ja; maar daar men in den omtrek meende dat de terechtstelling +hedenochtend in de vesting van Pisino had plaats gehad en daar men van +de ontsnapping nog niets wist, heb ik geene aandacht aan die mannen +gewijd. Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen, +wanneer dat de vluchtelingen waren.” + +Graaf Sandorf en Stephanus, steeds in hun donker vertrek verscholen, +hoorden woord voor woord dat gesprek, hetwelk zoo belangrijk voor hen +was. Dus op het oogenblik, dat zij op den oever van het kanaal Léma +voet aan wal zetten, waren zij bespeurd geworden. + +„Hoe heet ge?” vroeg de brigadier. + +„Ik?” + +„Ja, gij.” + +„Wat hebt ge met mijn naam te maken? Ik ben niet ontvlucht.” + +„Om het even. Ik moet dien weten.” + +„Welnu, ik heet Carpena.” + +„En uw beroep?” + +„Mijn beroep?” vroeg Carpena aarzelend. + +„Ja, uw beroep. Kom, maak voort.” + +„Ik ben arbeider in de zoutpannen van dit land.” + +„Uw geboorteland?” + +„Wat hebt ge daar toch mee te maken?” + +„Antwoord slechts, het waarom gaat u niet aan.” + +„Welnu, ik ben Spanjaard.” + +„Waar geboren?” + +„Te Catana, eene plaats aan de Middellandsche Zee.” + +De brigadier, die schrijfgereedschap voor den dag gehaald had, teekende +dat alles op. + +„Zoudt gij die mannen herkennen?” ging hij voort met vragen. + +„Welke mannen?” + +„Houd je nu niet dom. Die mannen, die ge hedenochtend op den oever van +het kanaal van Léma gezien hebt?” + +„Herkennen?.... Dat is maar zoo wat.” + +„Herinner je goed.” + +„Ik heb hen zoo niet gadegeslagen.” + +„Kom, met wat goeden wil.” + +„Nu, ik meen ja.” + +„Ja, wat?” + +„Dat ik ze herkennen zou.” + +„Welnu, dan moet ge naar de stad gaan en daar uwe verklaring bij de +politie afleggen en u ter harer beschikking stellen. + +„Maar....” + +„Doe wat ik je beveel.” + +„Ik zal het doen.” + +„Weet ge dat er vijfduizend gulden belooning uitgeloofd zijn...” + +„Vijfduizend guldens,” vroeg Carpena verbaasd. + +„Ja, vijfduizend gulden, voor hem die de vluchtelingen opspoort”. + +„Het is een mooie som,” sprak de Spanjaard met hebzuchtige stem. + +„En de galeien voor hem, die hen eene schuilplaats verleent.” + +„Drommels, dat is geen gekheid.” + +„Neen, zeker niet.” + +„Het is goed dat ik het weet.” + +„Ga nu,” zei de brigadier. + +„Maar die vijfduizend guldens....” + +„Kom, geen praatjes,” zei de vertegenwoordiger der openbare macht, „ga +nu dadelijk naar de stad.” + +De mededeeling door den Spanjaard gedaan, had tot dadelijk gevolg dat +de maréchaussées zich verwijderden. + +De brigadier gelastte zijne manschappen om op te stijgen. Daarna +vertrok hij, in weerwil dat de nacht reeds ingevallen was, om de +boorden van het kanaal van Léma meer nauwgezet te gaan doorzoeken. + +Wat Carpena betrof, deze ging dadelijk den weg naar de stad op, terwijl +hij in zichzelven mompelde, dat met een beetje geluk, de gevangenneming +van de vluchtelingen hem een aardige som geld kon opbrengen, die wel op +den inboedel van graaf Sandorf gevonden zou worden. + +Mathias Sandorf en Stephanus Bathory bleven evenwel nog een geruimen +tijd verscholen en verlieten het donkere vertrek niet, dat hun tot +schuilplaats gestrekt had. + +Zij dachten na. En daarvoor bestonden waarlijk alle redenen. De +maréchaussées zaten hen achterna, zij waren gezien geworden en konden +herkend worden. De Istrische provinciën boden hun dus geene veiligheid +aan. Zij moesten derhalve dit land binnen den kortst mogelijken tijd +verlaten, hetzij door de Adriatische zee over te steken om zich naar +Italië te begeven, hetzij door Dalmatië en de militaire grenzen door te +trekken, om zoo buiten de landpalen van Oostenrijk te geraken. + +Het eerste plan bood veel meer kansen van welslagen aan, wanneer +namelijk de vluchtelingen zich van een vaartuig konden meester maken, +of dat zij den een of anderen visscher konden overreden om hen naar de +Italiaansche kust over te zetten. + +Dat plan werd dan ook aangenomen en tot die poging besloten. + +Om dat ten uitvoer te brengen, richtten graaf Mathias Sandorf en +Stephanus Bathory zich, nadat zij tegen half acht ongeveer, toen de +duisternis dik genoeg was, den bouwval van de pachthoeve verlaten +hadden, westwaarts, met het doel om de kust van de Adriatische zee te +bereiken. Zij waren reeds dadelijk verplicht om den weg te volgen, ten +einde niet in de moerassen van de Léma te geraken. + +Wanneer zij evenwel die hun onbekende baan volgden, zouden zij dan niet +in de stad terecht komen, die natuurlijk in verbinding stond met het +binnenland van Istrië? + +Gingen zij daardoor niet het grootste gevaar tegemoet? + +Zeker, was het dat. Maar hoe konden zij anders handelen? + +Het was omstreeks negen uur, toen de zwarte omtrekken eener stad zich +ongeveer op een kwartmijl afstand in het donker voordeden. Het zou +moeilijk geweest zijn dat niet te ontwaren. + +Het was eene opeenhooping van huizen, die zich lomp verhieven op eene +rotsmassa, die de zee beheerschte als ook een havenkom, die diep in de +kust ingesneden was. Het geheel werd beheerscht door een soort vlot, +dat zich, in somberen stijl gebouwd, vertoonde en waaraan de duisternis +onmogelijke afmetingen verleende. + +Mathias Sandorf was vast besloten om die stad niet binnen te treden, +waar de aankomst van beide vreemdelingen dadelijk bekend zoude worden. + +Het kwam er dus op aan om haar om te trekken, om zoo mogelijk een der +kustpunten te bereiken. + +Maar dat kon niet uitgevoerd worden, zonder dat de beide vluchtelingen +buiten hun medeweten gevolgd werden door dienzelfden man, die hen reeds +op den oever van het kanaal van Léma bespied had, toen zij voet aan wal +zetten. Dat was dezelfde Carpena, wiens verklaring aan den brigadier +van de maréchaussées zij hadden hooren afleggen. Inderdaad had de +Spanjaard, verlekkerd door de uitgeloofde premie, zich ter zijde +opgesteld, toen hij naar huis wilde terugkeeren, om zoo den weg beter +waar te nemen. Het toeval was hem gunstig, voor de arme vluchtelingen +echter ongunstig geweest; want het lot had hem op het spoor der +rampzaligen gebracht. + +In hetzelfde oogenblik bijna dreigde een bende politie-agenten, die +door een der stadspoorten naar buiten stapten, de vluchtelingen den weg +af te snijden. Zij hadden ternauwernood den tijd om zich ter zijde te +werpen. Daarna richtten zij zich ijlings naar het strand, daarbij den +buitenmuur der buitenhaven volgende. + +Daar stond eene bescheiden visschershut met hare kleine vensters, +waardoor het licht scheen. De deur stond op een kier open. + +Wanneer Mathias Sandorf en Stephanus Bathory daar geene schuilplaats +vonden, wanneer men weigerde hen op te nemen, dan waren zij reddeloos +verloren. + +Daarin eene toevlucht zoeken, was waarlijk alles op één worp wagen! + +Maar konden zij, mochten zij in de omstandigheden, waarin zij zich +bevonden, aarzelen? + +Graaf Sandorf en zijn lotgenoot liepen naar de deur toe en bleven op +den drempel stil staan. + +In het binnenvertrek hield een man zich onledig bij het scherpe licht +eener lantaarn, met het herstellen van netten. Hij scheen bij zijn werk +te mijmeren; want hij schrikte als het ware op toen eene stem zich liet +hooren: + +„Vriend....” sprak graaf Sandorf. + +„Wat.... wat is er?” + +„Vriend, hoe heet deze stad?” + +„Deze stad?” + +„Ja.” + +„Dat is Rovigno.” + +„In wiens huis zijn wij hier?” + +„Waarom wilt gij dat weten?” + +„Zeg het ons maar.” + +„Als ik u daarmede genoegen kan doen?....” + +„Voorzeker, doet ge dat.” + +„Wel, ik heet Andreas Ferrato.” + +„Wat is uw beroep?” + +„Ik ben visscher en dit huis is het mijne.” + +Dat werd met eene onnavolgbare kalmte en fierheid gezegd. Een vorst zou +met niet meer waardigheid het: ik ben koning hebben kunnen uitspreken. +Toch geschiedde het met den meesten eenvoud en natuurlijkheid. + +„Zou de visscher Andreas Ferrato ons voor dezen nacht een onderdak +willen verleenen?” + +Andreas Ferrato keek hen met een doordringenden blik aan. Daarna stond +hij op, stapte, naar de deur en keek naar buiten. In dat ondeelbare +oogenblik bespeurde hij de bende politie-agenten, die den hoek van den +havenmuur omsloegen. Toen raadde, toen begreep hij ongetwijfeld alles. +Hij zag in wie zij waren, die hem gastvrijheid afsmeekten. Hij zag met +een oogopslag, dat wanneer hij eene seconde draalde met hun te +antwoorden, die mannen verloren waren. + +„Komt binnen,” sprak hij. + +De twee vluchtelingen haastten zich intusschen niet om dien deurdrempel +te overschrijden. + +„Vriend,” zei graaf Sandorf.... + +„Wat is er? Ik zeg u om binnen te komen.” + +„Vriend, er zijn vijfduizend gulden belooning uitgeloofd aan hem, die +de gevangenen, welke den vestingtoren van Pisino ontvlucht zijn, +uitlevert.” + +„Ik weet dit.” + +„De galeien staan er op, voor hem die hun eene toevlucht verleent.” + +„De galeien?” + +„Ja, vriend, de galeien!” + +„Ik weet dit.” + +„Gij kunt ons overleveren....” + +„Ik?....” + +„De som is niet gering....” + +„Ik!.... een verrader!....” + +„En het gevaar is groot!....” + +„Ik heb u gezegd: komt binnen, ik herhaal die uitnoodiging!” antwoordde +de visscher. + +Beiden traden binnen. + +Andreas Ferrato sloot juist zijne deur dicht, toen de bende +politiedienaren zijn huis voorbijtrokken. + + + + + + + + +VIII. + +DE HUT VAN DEN VISSCHER FERRATO. + + +Andreas Ferrato was Corsicaan van oorsprong en geboren te Santa Manza, +eene kleine havenplaats in het arrondissement Sartène, die achter eene +ombuiging van de zuidelijke punt van het eiland gelegen was. + +De havenplaats met die van Bastia en die van Porto Vecchio waren de +eenigen, die ettelijke duizenden jaren geleden toegang tot de oostkust +van het eiland gaven, welks kustlijn daar toen zoo grillig en +fantastisch ingesneden was, maar die nu meer effen geworden is door het +voortdurend afknabbelen èn door de bergstroomen èn door de zeegolven, +die allengs de voorgebergten en kapen hebben doen instorten en hen +verzwolgen, waardoor zijne baaien en kreeken uitgewischt werden. + +Het was daar te Santa Manza dat Andreas Ferrato, op dat gedeelte der +Middellandsche zee, hetwelk zich tusschen Corsica en het Italiaansche +vasteland uitstrekt, zijn visschersbedrijf uitoefende. Hij waagde zich +soms te midden van de rotsen van de Straat van Bonifacio op de kusten +van Sardinië. + +Het visschersbedrijf is een ruw, moeitevol leven, vooral wanneer de +koraalvisscherij aan de vischvangst gepaard gaat. De koralen toch +moeten op de onderzeesche banken op de slechtste plaatsen van de Straat +of van de zeeëngten gezocht worden. + +Maar Andreas Ferrato was een moedige kerel, die bovendien stevig +gebouwd en onvermoeibaar was. Hij wist zich even behendig van zijne +vischnetten te bedienen, als van zijne dreg. Zijne zaken bloeiden dan +ook. En geen wonder! Zijne vrouw was arbeidzaam en schrander, en stond +als eene ware heldin aan het hoofd van het kleine gezin van Santa +Manza. Beiden konden lezen, schrijven en rekenen en waren bijgevolg +betrekkelijk goed onderwezen, althans wanneer men hen vergeleek met de +honderd vijftig duizend ongeletterden, die nog steeds door de +statistiek opgegeven worden onder de twee honderd zestig duizend +bewoners van het eiland. + +Bovendien was Andreas Ferrato—misschien wel tengevolge van die meerdere +kennis—in zijne denkbeelden en in zijn hart zeer Franschgezind, hoewel +hij, zooals zijn naam reeds aanduidt en zooals trouwens alle Corsicanen +zijn, van Italiaanschen oorsprong was. Die Franschgezindheid had hem op +dat tijdstip menige vijandschap in het kanton op den hals gehaald. + +Dat kanton, dat op het zuidelijk uiteinde van het eiland, ver van +Bastia, ver van Ajaccio, ver van de administratieve en rechterlijke +middelpunten gelegen is, moet inderdaad als zeer weerstrevend wegens +ieder die niet Italiaansch of Sardinisch gezind is, beschouwd worden. +Dit is eene betreurenswaardige staat van zaken, die niet eindigen zal +dan tengevolge van eene betere opvoeding der latere geslachten. + +Zooals gezegd is, bestond er steeds eene verborgen vijandschap jegens +het gezin Ferrato. Nu is op Corsica de afstand tusschen vijandschap en +haat niet groot en van haat tot gewelddadigheden is hij nog minder. +Eenige omstandigheden verergerden dien toestand nog. + +Op een dag dat Andreas Ferrato zijn geduld uitgeput gevoelde, had hij +in eene opwelling van drift en toorn, eene „huid gesneden,” een +„knoopsgat gemaakt.” Hij doodde een schavuit uit die streek, maar... +was toen verplicht te vluchten. + +Andreas Ferrato was er evenwel de man niet naar om zich in de bergen te +verschuilen, om daar in dagelijkschen strijd te leven zoowel tegen de +politie als tegen de verwanten, makkers en vrienden van den gedoodde, +en daardoor de reeks wraaknemingen, die ook de zijnen zouden treffen, +te vergrooten. Hij besloot dadelijk om zijn vaderland te verlaten. Hij +vertrok heimelijk van Corsica, om eene schuilplaats op de Sardinische +kust te zoeken. Toen zijne vrouw hunne geringe bezittingen had te gelde +gemaakt, het huis overgedaan en de meubels, het vaartuig en vischnetten +verkocht had, vertrok zij ook derwaarts met hare dochter. + +Andreas Ferrato had het besluit genomen, om nooit meer in zijn +vaderland terug te keeren. + +Daarenboven drukte die moord, hoewel hij uit zelfverdediging geschied +was, het geweten van Andreas Ferrato. Met zijn eenigszins bijgeloovig +karakter, zijnen landaard zoo eigen, stelde hij zich tot taak die daad +te vergoeden. Hij meende dat de moord van dien man hem niet zou +vergeven worden, dan wanneer hij het leven van een ander mensch met +gevaar van zijn eigen bestaan zou gered hebben. En hij was vast +besloten dat te doen, wanneer de gelegenheid zich daartoe zou +aanbieden. + +Andreas Ferrato was evenwel, nadat hij Corsica verlaten had, slechts +korten tijd in Sardinië gebleven, waar hij gemakkelijk ontdekt en +herkend kon worden. Hij was een moedig en geestkrachtvol man. Hij +beefde dan niet voor zijn persoon, maar wel voor de zijnen, die door de +weerwraak van de verwanten van den verslagene getroffen konden worden. + +Hij wachtte het oogenblik af, dat hij zich verwijderen kon, zonder +achterdocht op te wekken, en trok toen Italië door. Toen hij te Ancona +aangekomen was, deed zich eene gelegenheid voor om de Adriatische zee +over te steken en de Istrische kust te bereiken. Hij nam haar gretig +waar. + +Ziedaar de redenen waarom en de omstandigheden waarin die Corsicaan +zich bij de kleine havenplaats Rovigno gevestigd had. Hij woonde daar +sedert zeventien jaren, en had er het visschersbedrijf hervat. Dat had +tengevolge dat hij de vroeger genoten gegoedheid terug verdiende. Negen +jaren na zijne aankomst was hem een zoon geboren, die Luigi genoemd +werd, en wiens geboorte zijne moeder het leven kostte. + +Sedert hij weduwnaar was, leefde Andreas Ferrato slechts voor zijne +dochter en zijn zoon. Maria was toen achttien jaren oud en strekte den +jongeren broeder, die toen zijn achtste jaar bereikte, tot moeder. En +ware het de droefheid niet geweest, van zijne wakkere levensgezellin +verloren te hebben, die zich steeds nijpend deed gevoelen, dan zou die +visscher van Rovigno zoo gelukkig geweest zijn als iemand het kan zijn, +die door zijn arbeid zijn brood verdient en die de genoegdoening +gevoelt zijnen plicht gedaan te hebben. + +De lezer weet dat hij ten rechte geroemd werd als zeer behendig in het +uitoefenen van zijn handwerk. Te midden van die lange rijen rotsen, die +de stranden van Istrië dekken, had hij zijne vischvangst in de baai +Santa Manza of in de Straat van Bonifacio niet te betreuren. +Daarenboven was hij goed bekend geworden in die streek, waar dezelfde +taal als in Corsica gesproken werd. + +De voordeelen, welke hij behaalde door schepen te loodsen op de kust +van Pola af tot Triëst, werden nog vermeerderd met de verdiensten van +het visschersbedrijf in die vischrijke wateren. In zijn huis vonden de +arme lieden dan ook altijd een onderkomen of een goede aalmoes, en in +die liefdadigheidswerken werd hij zooveel slechts mogelijk was geholpen +door zijne dochter Maria. + +Maar de visscher van Santa Manza vergat daardoor de gelofte niet, die +hij weleer afgelegd had: leven om leven! Hij had het leven aan een +wezen ontnomen; hij zou het leven van anderen redden. Ziedaar de reden +waarom hij zonder de minste aarzeling tot de vreemdelingen zei: „Komt +binnen,” toen zij zich aan zijne deur vertoonden, hoewel hij raadde wie +zij waren en hoewel hij wist aan welke straf hij zich blootstelde. + +Ja, dat „komt binnen” had hij flinkweg uitgesproken; maar in zijn +binnenste had hij er bijgevoegd: + +„En dat God ons onder Zijne hoede neme!” + +Intusschen was de bende politie-agenten de deur van het huis van +Andreas Ferrato voorbijgestapt, zonder er op te houden. Graaf Mathias +Sandorf en Stephanus Bathory konden dus meenen dat zij voor ettelijke +nachtelijke uren in het huis van den Corsicaanschen visscher in +betrekkelijke veiligheid waren. + +Dat huis was niet in de stad gebouwd, maar op een afstand van ongeveer +vijfhonderd passen van de stadsmuren en buiten de haven, op eene +rotsbedding, die het strand beheerschte. Daar buiten die strook, waar, +op minder dan eene kabellengte, de golven tegen de klippen van het +kustland braken, strekte zich de onmetelijke gezichteinder der zee uit. +Naar den kant van het zuidwesten werd het voorgebergte ontwaard, dat in +een afgeronde en omgebogen punt eindigde en door welker kromming de +kleine reede van Rovigno op de Adriatische Zee omsloten wordt. + +Het geheele huis van Andreas Ferrato bevatte slechts eene gelijkvloers +verdieping, die bestond uit vier kamers, twee aan de voorgevelzijde en +twee aan den achterkant, en een getralied houten bijgebouwtje, waarin +men de gereedschappen tot de vischvangst opborg. + +Zijn visschersboot was een soort logger, slechts voorzien van één mast. +Dat vaartuig was dertig voet lang, maar had een breeden bijna +vierkanten voorsteven, hetgeen voor de koraalvisscherij met de dreg +zeer gemakkelijk was. Wanneer het vaartuig niet gebezigd werd, lag het +binnen en volkomen vrij van de rotsen geankerd, en werd de gemeenschap +met den wal onderhouden door eene kleine jol, die thans aan het strand +op het droge getrokken was. + +Achter dat huis strekte zich een omheinde tuin van een halven bunder +uit, waarin eenige groenten te midden van moerbeziënboomen, olijfboomen +en van wijnstokken geteeld werden. Eene dichte heg scheidde dien tuin +van eene beek, die vijf of zes voeten breed was en de grens aan den +kant van het veld vormde. + +Ziedaar de nederige gastvrije woning, waarin de Voorzienigheid de +vluchtelingen gevoerd had. + +Ziedaar de gastheer, die zijne vrijheid waagde, om hun een +toevluchtsoord te verschaffen. + +Zoodra de deur achter hen dicht gesloten was, keken graaf Sandorf en +Stephanus Bathory rond in de kamer, waarin de visscher hen ontvangen +had. + +Dat was wel het voornaamste vertrek van de geheele woning. Het was +slechts spaarzaam gemeubeld; maar wat er in stond, was zindelijk +onderhouden en duidde de hand en den smaak aan van eene degelijke en +zorgzame huisvrouw. + +„Vóór alles moet gij thans eten, niet waar?” vroeg Andreas Ferrato. + +„Ja, wij sterven van honger,” antwoordde graaf Sandorf. „Wij hebben +hoegenaamd geen voedsel in de laatste vier en twintig uren gehad.” + +„Ge hoort het, Maria?” hernam de visscher. + +„Ja, vader,” sprak het meisje. + +En een oogenblik later had zij een stuk gezouten varkensvleesch, een +schotel gekookte visch, eene flinke portie brood, een flesch landwijn +met twee glazen, een schoteltje rozijnen, een helder wit tafellaken en +twee borden met de noodige vorken en messen op de tafel geplaatst. + +Een „reglione,” eene soort olielamp met drie pitten, verlichtte het +vertrek. + +Graaf Sandorf en Stephanus Bathory namen dadelijk aan tafel plaats. Zij +waren waarlijk op het punt van in onmacht te vallen. + +„En gij?” vroegen zij aan den visscher. + +„Ik?” + +„Ja, gij. Doet gij niet mede?” + +„Wij hebben reeds geavondmaald,” antwoordde Andreas Ferrato. + +Die twee uitgehongerden verslonden—ja, dat is het woord,—de spijzen, +die hun met zooveel eenvoud en zoo goedhartig voorgezet waren. + +Maar terwijl zij aten, sloegen zij voortdurend den visscher, zijne +dochter en zijn zoon gade, welke laatste in een hoek gezeten was. Allen +keken de vreemdelingen aan, zonder evenwel een woord te spreken. + +Andreas Ferrato kon toen twee en veertig jaar oud zijn. Het was een man +met een ernstig, ja zelfs eenigszins droevig gelaat. Hoewel zijn +gezicht door de zon gebruind was, had hij gelaatstrekken vol +uitdrukking, waarbij zwarte oogen met levendigen blik. Hij droeg de +kleeding der visschers van de Adriatische zee, waaronder een edele +borst klopte, terwijl zich daarin eene flink ontwikkelde gestalte liet +ontwaren. + +Maria—welker gestalte en gelaat aan die harer moeder herinnerde—was +groot van stuk, welgemaakt en zeer schoon. Zij had vurige zwarte oogen, +bruine haren en eene huid, die door het Corsicaansche bloed, dat door +hare aderen vloeide, warm getint was. Zij had een ernstig karakter, als +gevolg van de verplichtingen, die zij van hare prilste jeugd op zich +had voelen rusten. In hare houding, in hare bewegingen spreidde zij die +kalmte ten toon, die eene bedachtzame geaardheid eigen is. Alles duidde +bij dit jonge meisje op eene geestkracht, die haar nimmer in den steek +zou laten, welke ook de omstandigheden zouden zijn, waarin zij zich zou +kunnen bevinden. + +Zij was herhaaldelijk door jeugdige visschers uit den omtrek ten +huwelijk gevraagd, maar zij had daaraan nimmer het oor geleend. +Behoorde haar leven niet aan haren vader toe, en aan dat kind, dat zij +zoo innig, innig liefhad? + +Wat Luigi betrof, dat was een flinke vastberaden jongen, een moedig en +degelijk visscher. Hij was reeds volkomen met den werkkring van zeeman +bekend. Hij vergezelde Andreas Ferrato, zijn vader, bij zijne +visscherijen en bij zijne loodsdiensten en was daarbij steeds +blootshoofds, onverschillig of het waaide en of het regende. Hij +beloofde een stevige, gezonde kerel te zullen worden, die meer dan +stoutmoedig, die koen ja roekeloos zou zijn. Hij was tegen alle +guurheden van het weder gehard en had hoegenaamd geen oog voor eenig +gevaar. Hij had zijn vader lief en aanbad zijne zuster. + +Graaf Mathias Sandorf had die drie wezens, die door zoo innige banden +aan elkander verbonden waren, nauwkeurig gadeslagen. Hij koesterde dan +ook geen twijfel, dat hij zich bij eerlijke, brave lieden bevond, die +hij volkomen vertrouwen kon. + +Toen het maal afgeloopen en de honger verzadigd was, stond Andreas +Ferrato op en naderde graaf Mathias Sandorf. + +„Gaat nu slapen, heeren,” zei hij op eenvoudigen toon. + +„Slapen?” vroegen de vluchtelingen. + +„Ja, slapen, rusten,” hernam de visscher. + +„Dat kunnen wij niet.” + +„Niemand weet dat gij hier zijt.” + +„Dat ’s waar; maar....” + +„Morgen zullen wij zien, wat ons verder te doen staat.” + +„Neen, Andreas Ferrato, neen!” antwoordde graaf Sandorf. + +„Dat kan niet.” + +„Wat kan niet?” + +„Dat wij heden nacht hier blijven.” + +„Ah bah!” + +„Onze honger is gestild. Onze krachten zijn weergekeerd. Wij moeten nu +dadelijk dit huis verlaten!” + +„Daar valt niet aan te denken!” + +„Onze tegenwoordigheid veroorzaakt voor u en de uwen te groot gevaar!” +zei Mathias Sandorf. + +„Ja, wij moeten vertrekken,” beaamde Stephanus Bathory. „En dat God u +beloone voor hetgeen gij voor ons gedaan hebt.” + +„Gaat slapen! Dat is voorshands het noodzakelijkste,” hernam de +visscher. + +„Wij kunnen niet,” antwoordde graaf Sandorf. + +„De kust wordt heden avond bewaakt.” + +„O, God!” + +„Men heeft een embargo op alle schepen van al de havens van deze streek +gelegd.” + +„Onmogelijk!” + +„Heden nacht is niets te beproeven, dat verzeker ik u.” + +„Maar....” + +„Gaat slapen,” herhaalde Andreas Ferrato. + +„Als gij het dan wilt. Het zij zoo,” antwoordde graaf Mathias Sandorf. + +„Ja, ik wil het!” + +„Een woord evenwel nog!” + +„En dat is?” + +„Wanneer is onze ontsnapping bekend geworden?....” + +„Sedert dezen morgen,” antwoordde Andreas Ferrato. „Maar...” + +„Maar, wat?” vroeg graaf Sandorf, toen hij de aarzeling van den +visscher bemerkte. + +„Gij waart met uw vieren gevangen in den vestingtoren van Pisino?” + +„Ja.” + +„Gij zijt slechts met u beiden hier?” + +„Helaas!” + +„Men zegt,” ging Andreas Ferrato voort, „dat de derde in vrijheid +gesteld zal worden.” + +„Sarcany!” riep Mathias Sandorf toornig uit, vóórdat hij dat gevoel van +woede, alleen door de gedachte aan dien verafschuwden man opgewekt, had +kunnen bedwingen. + +„En de vierde?”.... vroeg Stephanus Bathory aarzelend, zonder zijn +volzin te durven eindigen. + +„De vierde is nog in leven,” antwoordde Andreas Ferrato. + +„In leven?” riep Stephanus Bathory uit. + +„Ja, de terechtstelling is verdaagd,” zei de visscher. + +„Nog in leven?” herhaalde Stephanus Bathory. + +„Ja, ik herhaal....” wilde Andreas Ferrato zeggen. + +„Is het mogelijk?” riep Bathory steeds ontzet uit. + +„Wel zeker,” hernam graaf Sandorf spottend. „Men wil wachten tot dat +men ons opgespoord en gesnapt zal hebben, om ons de vreugde te bereiden +te zamen te sterven.” + +„Mathias!” kreet Stephanus Bathory. + +„Maria,” zei Andreas Ferrato bedaard, „wijs onze gasten hunne kamer. Ge +weet wel die aan de achterzijde, die op het bijgebouwtje uitgang +verleent.” + +„Ja, vader,” antwoordde het jonge meisje. + +„Maar geen licht opsteken, hoor,” ging hij voort. + +„Goed, vader.” + +„Heden avond moet dat raam niet verlicht wezen.” + +„Ja, vader.” + +„Dat zou achterdocht kunnen opwekken.” + +„Kom, heeren,” sprak het jonge meisje. + +Een oogenblik later wisselden graaf Sandorf en zijn makker een +hartelijken handdruk met den visscher. Daarna traden zij hunne kamer +binnen, waar hun twee goede matrassen of beter stroozakken met +maïsbladeren gevuld, wachtten, waarop zij van hunne vermoeienissen, die +zij zoo ruimschoots verduurd hadden, konden uitrusten. + +Maar Andreas Ferrato en zijn zoon Luigi hadden reeds het huis verlaten. +Zij wilden zich overtuigen dat niemand in den omtrek rondzwierf, noch +op het strand, noch in het veld aan de overzijde van de beek. De +vluchtelingen konden dus gerust tot het aanbreken van den dag slapen. + +De nacht ging zonder bijzondere voorvallen voorbij. De visscher was +herhaaldelijk naar buiten getreden. Hij had evenwel niets verdachts +bespeurd. + +Den volgenden morgen, den 18en Juni, ging Andreas Ferrato, terwijl +zijne gasten nog sliepen, op kondschap uit tot in het midden der stad, +als ook op de kaden van de haven. Op verscheidene punten trof hij +samenscholingen aan van nieuwsgierigen en leegloopers. Een +aanplakbiljet, sedert den vorigen dag reeds op de daarvoor bestemde +plaatsen bevestigd, gaf kennis van de ontsnapping, van de straffen, die +op het verleenen van hulp aan de vluchtelingen stond, van de premie die +uitgeloofd was. Dat maakte natuurlijk het onderwerp uit van alle +gesprekken. Men babbelde, men vertelde nieuwtjes, men herhaalde het +gehoorde niet altijd nauwkeurig, soms zeer onjuist en men wist het +juiste evenmin als tevoren. + +Niets duidde aan dat graaf Sandorf en zijn lotgenoot in den omtrek +gezien waren, of dat men zelfs hunne aanwezigheid in de provincie +vermoedde. Toch verspreidde zich tegen tien uren in den morgen, toen de +brigadier der maréchaussées met zijne manschappen na hunne nachtelijke +ronde te Rovigno waren teruggekeerd, het gerucht, dat twee +vreemdelingen vier en twintig uren te voren gezien waren op de oevers +van het kanaal van Léma. Men had de geheele landstreek tot aan de zee +doorzocht, om hun spoor terug te vinden, maar zonder gevolg. Er was +niets op te merken van hunnen doortocht. + +Hadden zij dus de kuststreek kunnen bereiken en een vaartuig +bemachtigd? + +Of hadden zij zich naar een ander punt van Istrië begeven? + +Of wel, hadden zij de Oostenrijksche grens overschreden? + +Alles was mogelijk. + +„Mooi!” werd gezegd. „Dat zullen al vast vijf duizend gulden zijn, die +voor de schatkist bewaard blijven.” + +„Een geld dat beter besteed kan worden dan om hatelijke verklikkerijen +te beloonen!” + +„Ja zeker! + +„God geve dat de arme vluchtelingen mogen ontsnappen!” + +„Ontsnappen!....” + +„Ik hoop het!” + +„Och, dat zal wel reeds geschied zijn!” + +„Zij zullen wel reeds in veiligheid aan de andere zijde van de +Adriatische zee zijn!” + +Afgaande op dat gepraat, dat in het meerendeel der groepen van boeren, +burgers en arbeiders, die voor de aanplakbiljetten stilstonden, +gehouden werd, was de openbare meening, zooals men ziet, zeer ten +gunste van de veroordeelden, ten minste onder de bewoners van Istrië, +schier allen Slavoniërs en Italianen van geboorte. De Oostenrijksche +beambten konden dus niet op eene verklikking van dien kant rekenen. +Niets werd dan ook nagelaten of verzuimd om de vluchtelingen weer te +vinden. Al de benden politie-agenten, al de brigades maréchaussées +waren sedert den vorigen dag op de been en er werden onophoudelijk +telegrammen tusschen Rovigno, Pisino en Triëst gewisseld. + +Toen Andreas Ferrato tegen elf uur tehuis kwam, deelde hij die +berichten, die eerder goed dan slecht waren, mede. + +Graaf Sandorf en Stephanus Bathory, die door Maria in de kamer, waarin +zij overnacht hadden, bediend werden, hadden juist in dat oogenblik hun +ontbijt verorberd. + +Die eenige uren rust, dat heerlijke maal, die goede verpleging had hen +geheel en al van hunne uitputting hersteld. + +„Welnu, vriend?” vroeg graaf Sandorf, zoodra de deur achter Andreas +Ferrato gesloten was. + +„Ik geloof niet, heeren,” antwoordde de visscher, „dat gij voor het +oogenblik iets te vreezen hebt.” + +„Maar wat wordt er in de stad verteld?” vroeg Stephanus Bathory. + +„Ja, wat wordt er verteld? Zeg ons dat,” herhaalde ook graaf Sandorf. + +„Men spreekt wel van twee vreemdelingen, die gisterenochtend gezien +zijn, op het oogenblik, dat....” + +„Ga voort, wat ik u bidden mag,” zei graaf Sandorf bij de aarzeling van +den visscher. + +„Op het oogenblik,” vervolgde deze, „dat zij op den oever van het +kanaal van Léma voet aan wal zetten.... En....” + +„En wat?” vroeg Stephanus Bathory ongeduldig. + +„En als gij het zijt.... heeren....” + +„Ga voort. Wij zijn het inderdaad,” zei Stephanus Bathory. „Een man, +een zoutarbeider van den omtrek, heeft ons gezien en aangebracht.” + +Toen werd Andreas Ferrato op de hoogte gebracht van hetgeen in den +bouwval der pachthoeve voorgevallen was, terwijl de vluchtelingen er +verscholen waren. + +„En weet gij niet, wie die verklikker is?” vroeg de visscher met +aandrang. + +„Neen,” antwoordde Bathory. + +„Wij hebben hem niet kunnen zien,” vulde graaf Sandorf verder aan; „wij +hebben slechts zijne stem kunnen vernemen.” + +„Dat is een betreurenswaardige omstandigheid,” hernam Andreas Ferrato. +„Het voornaamste en gewichtigste evenwel is, dat men uw spoor verloren +heeft. Bovendien al ware het dat men omtrent uwe aanwezigheid in mijne +woning achterdocht had, dan geloof ik niet dat er eene verklikking te +vreezen is.” + +„Zoo?” vroeg Stephanus Bathory verbaasd. „Waarom niet?” + +„Omdat alle menschen hier in Rovigno ten uwen voordeele zijn!” + +„Ja, daarover verwonder ik mij niet,” hernam graaf Sandorf. „Het is +eene moedige en eerlijke bevolking in deze provinciën! Toch moet het +oog op de Oostenrijksche autoriteiten gehouden worden. Zij zullen voor +niets terugdeinzen om ons weer in hunne macht te krijgen.” + +„Wat u geruststellen moet, heeren,” sprak de visscher, „dat is dat de +meening, waarin men verkeert, luidt, dat gij reeds de overzijde van de +Adriatische zee hebt kunnen bereiken.” + +„Och, God gave dat het zoo ware!” zuchtte Maria, die de handen gevouwen +en de oogen ten hemel geslagen had, alsof zij een gebed slaakte. + +„Het zal zoo worden, lief kind,” antwoordde graaf Sandorf op den toon +der vurigste overtuiging. „Ja, met Gods hulp zullen wij ontsnappen....” + +„En met de mijne, heer graaf!” hernam Andreas Ferrato. „Ik ga nu aan +mijne bezigheden. Men is gewoon ons, Luigi en mij, bezig te zien met +het herstel onzer netten op het strand, of met het schoonmaken van ons +vaartuig. Wij moeten niets aan den gewonen gang van zaken veranderen.” + +„Voorzeker niet,” zei Stephanus Bathory. + +„Ik heb bovendien noodig om mij omtrent den toestand van het weer te +vergewissen, alvorens een besluit te nemen. Blijft dus in deze kamer. +Verlaat haar onder geen voorwendsel. Doet, om alle achterdocht te +vermijden, het venster open, dat op onzen tuin uitzicht verleent, maar +blijft in het achterste gedeelte van het vertrek en vooral vertoont u +niet.” + +„Neen, neen, wees gerust!” + +„Ik ben over een paar uren terug.” + +Daarop verliet Andreas Ferrato met zijn zoon Luigi het huis, terwijl +Maria zich voor de deur met hare gewone bezigheden onledig hield. + +Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. Andreas Ferrato +trachtte bij wijze van voorzorg een praatje met hen te maken, alvorens +hij zijne netten op het zandige strand uitstrekte. + +„De westewind is goed doorgekomen,” zei een hunner. + +„Ja, antwoordde Andreas Ferrato, „het onweder van eergisteren heeft de +lucht flink gezuiverd.” + +„Ongetwijfeld,” hernam een ander. „Toch zou het kunnen gebeuren dat de +wind meer en meer opstak bij het vallen van den avond, en tot buien +overging, wanneer de „bora” zich er bij voegt.” + +„Och, het zal steeds een landwind zijn en de zee kan dan niet onstuimig +tusschen de rotsen wezen.” + +„Dat staat te bezien.” + +„Gaat gij dezen nacht visschen, Andreas?” + +„Ongetwijfeld.” + +„Als het weer het toelaat, niet waar?” + +„Dat spreekt van zelf.” + +„Maar het embargo.”.... + +„Het embargo?”.... + +„Ja.” + +„Dat is slechts op de groote schepen gelegd en niet op de +visschersvaartuigen, die zich niet van de kust verwijderen.” + +„Zijt gij daar zeker van?” + +„Ja, zeer zeker.” + +„Welnu, des te beter; want men heeft scholen tonijnen geseind, die uit +het zuiden komen. Wij mogen niet dralen om onze fuiken te stellen.” + +„Mooi!” zei Andreas Ferrato. „Maar er is nog geen tijd verloren.” + +„Misschien. Wie weet?” + +„Neen, geloof mij. Als ik heden nacht uitzeil, dan ga ik de tonijnen +opwachten bij Orsera of naar de kust van Parenzo.” + +„Dat moet gij weten; maar wij zullen onze fuiken aan den voet der +rotsen stellen + +„Dat is uwe zaak!” + +Toen gingen Andreas Ferrato en Luigi hunne netten uit het bijgebouwtje +halen, spreidden ze op het mulle zand uit, om ze in de zon te laten +drogen. Twee uren later keerde de visscher naar zijne woning terug, na +zijn zoon aanbevolen te hebben, de haken klaar te houden, die dienen om +de visschen te dooden. + +Nadat hij gedurende ongeveer tien minuten zijne pijp op den drempel +zijner deur gerookt had, begaf zij zich naar de kamer zijner gasten, +terwijl Maria met haar werk voor de deur voortging. + +„Heer graaf,” sprak de visscher, „de wind waait van de landzijde, +zoodat volgens mijne meening de zee dezen nacht niet hol zal staan. Nu +zal het ’t meest eenvoudige middel zijn om te vluchten, zonder eenig +spoor na te laten, om u met mij in te schepen. Wanneer gij daartoe +besluit, dan zal het ’t beste zijn, heden avond tegen tien uren te +vertrekken. Alsdan zult gij tusschen de rotsen tot aan den rand der +branding moeten voortsluipen. Niemand zal u zien. Mijne jol zal u tot +bij mijn vaartuig brengen, waarna wij dadelijk zee zullen kiezen zonder +de opmerkzaamheid op te wekken, daar men weet, dat ik dezen nacht zal +uitzeilen. Als de wind te zeer mocht opsteken, dan zal ik langs de kust +houden en u aan de andere zijde van de Oostenrijksche grens buiten de +mondingen van den Cattaro ontschepen.” + +„Maar als de wind niet opsteekt, wat zijt gij dan voornemens te doen?” +vroeg graaf Sandorf. + +„Dan zullen wij volle zee halen,” antwoordde de visscher. „Dan zullen +wij de Adriatische zee oversteken en dan zal ik u hetzij te Rimini, +hetzij bij de uitwatering van de Po aan land zetten.” + +„Is uw vaartuig bestand voor zulk een overtocht,” vroeg Stephanus +Bathory. + +„Ja, zeker. Het is een flinke boot, die een half dek heeft en waarmede +mijn zoon en ik zeer slecht weder getrotseerd hebben. Daarenboven, wij +moeten wel wat wagen, nietwaar?” + +„Dat wij gevaar loopen,” antwoordde graaf Sandorf, „wij wier leven op +het spel staat, dat is niet meer dan natuurlijk. Maar dat gij, gij, +mijn vriend, uw leven waagt....” + +„Dat is mijn zaak, heer graaf,” hernam Andreas Ferrato. „Ik doe slechts +mijn plicht door u te redden.” + +„Uw plicht?....” + +„Ja!” + +Andreas Ferrato verhaalde daarop dat gedeelte van zijne +levensgeschiedenis, tengevolge waarvan hij Santa Manza en zelfs Corsica +had moeten verlaten, en hoe het goede, hetwelk hij op het punt stond te +doen, slechts de vergelding was van het kwaad, dat hij bedreven had. + +„Edel hart!” riep graaf Sandorf uit, die door dat verhaal bewogen was. + +Daarop hernam hij: + +„Maar, hetzij wij naar de mondingen van den Cattaro stevenen, hetzij +wij naar de Italiaansche kust gaan, zoo zal toch zulk eene reis eene +vrij langdurige afwezigheid van uwe zijde veroorzaken, die de bewoners +van Rovigno verwonderen moet. Het mag niet gebeuren, dat gij, na ons in +veiligheid gebracht te hebben, bij uwen terugkeer gevangen genomen +wordt....” + +„Vrees niets, heer graaf,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ik blijf +somtijds tegen het tijdstip der groote visscherijen vijf of zes dagen +op zee. Ik herhaal het bovendien: dat zijn mijne zaken. Zoo moet +gehandeld worden en zoo zullen wij handelen.” + +Er viel na die beslissing van den visscher niet meer te twisten. Het +plan van Andreas Ferrato was klaarblijkelijk het beste en daarenboven +het meest gemakkelijke om uitgevoerd te worden, daar het +visschersvaartuig—zooals ten minste gehoopt werd—niets van de +stormachtigheid der zee zou te vreezen hebben. Er waren geene +voorzorgsmaatregelen te treffen dan op het oogenblik van inscheping. De +nacht zou evenwel somber en zonder maan zijn. Zeer waarschijnlijk zou +bij het vallen van den avond daarenboven een van die dikke nevels +opstijgen, die de kust bedekken, maar in volle zee niet waargenomen +worden. Op dat uur zou het strand eenzaam en verlaten zijn. Behalve een +paar grensbeambten, die hun kustgebied afliepen, zou men niemand +ontmoeten. Wat de overige visschers, de buren van Andreas Ferrato +betreft, zij zouden, zooals zij zelf verteld hadden, zich onledig +houden om hunne fuiken op de piketten te spannen, buiten de +rotsengroep, dat wil zeggen op twee of drie mijlen ten zuiden van +Rovigno. Wanneer die het visschersvaartuig van Andreas Ferrato zouden +ontwaren, gesteld dat dit gebeurde, dan zou het reeds te ver in zee +zijn om iemand aan boord te kunnen herkennen. Daarenboven zouden de +vluchtelingen zich onder het halfdek verscholen houden. + +„Op hoeveel afstand rekent gij de haven van Rovigno van het +naastbijgelegen punt van de Italiaansche kust?” vroeg toen Stephanus +Bathory. + +„Op vijftig mijlen ongeveer.” + +„Hoeveel tijd is er benoodigd om dien afstand af te leggen?” + +„Dat ’s moeilijk te zeggen,” antwoordde de visscher voorzichtig. + +„Maar er is toch wel eene gissing, een raming te maken, niet waar?” + +„Ja, als deze wind blijft doorstaan, dan kunnen wij in een twaalftal +uren overkomen. Maar....” + +„Gij aarzelt, vriend?” vroeg graaf Sandorf. + +„Gij zijt zonder geld, niet waar?” + +„Ja, helaas!” antwoordde Stephanus Bathory met een zucht. + +„En toch is dat onmisbaar!” + +„Dat valt niet te ontkennen.” + +„Welnu,” vervolgde Andreas Ferrato, „neemt dezen gordel, daarin zitten +drie honderd gulden. Doet hem zoo.... kijk zoo, om het lijf.” + +„Vriend!....” zei Mathias Sandorf. + +„Gij zult mij dat later teruggeven,” hernam de visscher. + +„Teruggeven? Later? Wanneer?” vroeg graaf Sandorf met aarzeling in +zijne stem. + +„Wanneer gij in veiligheid zijt. Zoodra het u schikt. Kom, dat is +afgesproken, niet waar? Wacht mij nu slechts.” + +Toen dat alles afdoende geregeld was, ging Andreas Ferrato heen en +hernam zijne gewone bezigheden met nu eens op het strand te arbeiden en +zich dan weer eens in huis onledig te houden. Het gelukte Luigi om, +zonder dat dit opgemerkt werd, eenige levensmiddelen, genoeg voor +verscheidene dagen, aan boord van het visschersvaartuig te brengen. Hij +had ze eenvoudig in een reserve-zeil gewikkeld en zoo overgevoerd. Geen +enkele achterdochtige gedachte kon de plannen van Andreas Ferrato komen +dwarsboomen. Hij dreef de voorzorgsmaatregelen zoo ver, dat hij zijne +gasten gedurende het overige gedeelte van den dag niet meer wilde +terugzien. Graaf Mathias Sandorf en professor Stephanus Bathory bleven +in de kleine kamer verscholen, waarvan het venster evenwel geopend +bleef. Wanneer het tijd zou zijn om die gastvrije woning te verlaten, +zou de visscher hen waarschuwen. + +In den namiddag kwamen ettelijke buren met hem over visscherijzaken +praten, voornamelijk over de verschijning der tonijnen langs de kusten +van Istrië. Andreas Ferrato ontving hen in zijne huishoudkamer en bood +hen volgens gewoonte een ververschingsdronk aan. + +Zoo ging het grootste gedeelte van den dag met heen en weer te +drentelen en in verschillende gesprekken voorbij. Soms liep het gesprek +over de vluchtelingen. Het gerucht was toch verspreid, dat zij in de +nabijheid van het kanaal van Quarnero op de tegenovergestelde kust van +Istrië gevat waren geworden. Dat gerucht werd evenwel kort daarop +weersproken. + +Alles scheen dus zoo goed mogelijk te gaan. Dat de kuststrook met meer +nauwkeurigheid dan vroeger, hetzij door de ambtenaren der in- en +uitgaande rechten, hetzij door de politie-agenten, hetzij door de +maréchaussées, zou gadegeslagen worden, kon als zeker aangenomen +worden. Maar het zou zoo moeilijk niet zijn die waakzaamheid te +verschalken, wanneer het nacht geworden zou zijn. + +Het embargo was, zooals de lezer zich herinneren zal, slechts op de +groote schepen of op de kustvaarders van de Adriatische en +Middellandsche zeeën gelegd, niet op de visschersschuiten die bij den +oever blijven. Het uitzeilen van het vaartuig van Andreas Ferrato kon +dus geschieden zonder achterdocht op te wekken. + +Andreas Ferrato had evenwel op het bezoek niet gerekend, dat hem zoo +tegen zes uren des avonds gebracht werd. Dat bezoek verwonderde hem, +hoewel het hem nog niet verontrustte. Hij zou er de dreigende +beteekenis eerst van begrijpen, toen de bezoeker weer vertrokken was. + +Acht uren waren geslagen. Maria hield zich onledig met het gereed maken +van het avondmaal en de tafels waren reeds gedekt in de huishoudkamer, +toen tweemalen op de huisdeur geklopt werd. Andreas Ferrato aarzelde +geen oogenblik om te openen. Hij was zeer verbaasd toen hij zich +tegenover den Spanjaard Carpena bevond. + +Die Carpena was geboren te Almavate, eene kleine stad in de provincie +Malaga. Hij had waarschijnlijk Spanje om eene zelfde reden verlaten, +waarom Andreas Ferrato Corsica vaarwel had gezegd, en had zich in +Istrië gevestigd. Daar had hij het zoutwerkers-ambacht ter hand genomen +en hield zich voornamelijk onledig met de opbrengst der zoutpannen op +de westkust naar het binnenland te vervoeren. Dat was een ondankbare +arbeid, waarmede hij ter nauwernood zooveel verdienen kon om zijn +ellendig bestaan te rekken. + +Carpena was een stevige kerel en nog jong, daar hij nog niet ten volle +vijf en twintig jaren telde. Hij was klein van gestalte, maar breed van +schouders, had een dik hoofd, met gekroesd grof zwart haar bedekt, en +een gelaat als een bulhond, dat volstrekt niets geruststellends had. +Hij was niet gezellig van aard, doch haatdragend, wraakzuchtig en +daarenboven nog lafhartig. Met zulke hoedanigheden begaafd, kon het +niet vreemd heeten, dat hij in de buurt geenszins bemind was. Niemand +wist, waarom hij zijn vaderland verlaten had. Hij had meermalen twist +met zijne makkers, zoutarbeiders, gehad, waarbij bedreigingen geuit +waren, waarbij zelfs vechtpartijen voorgevallen waren, en dat alles had +hem volstrekt geen goeden naam bezorgd. Men liet hem volgaarne ter +zijde. + +Toch koesterde Carpena geen ongunstige meening over zijn eigen persoon. +Verre van daar. Dat kan voldoende verklaring geven en men zal vernemen +waarom hij gepoogd had met Andreas Ferrato in aanraking te komen. Het +is waar, reeds bij het begin van die relatiën had hij vanwege den +visscher geen aanlokkend onthaal ondervonden. Dat zal genoegzaam +begrepen worden, wanneer de pretentiën van dien man in het volgende +gesprek ontsluierd zullen zijn. + +Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas +Ferrato hield hem tegen, terwijl hij vroeg: + +„Wat komt gij hier doen?” + +„Ik drentelde voorbij. Daar ik licht zag, heb ik aangeklopt.” + +„Waarom?” + +„Wel, om u als buurman een bezoek te brengen.” + +„Uwe bezoeken mishagen mij, dat weet ge wel.” + +„Gewoonlijk,” antwoordde de Spanjaard, „is dat zoo; maar heden.... Dat +zal wel anders zijn.” + +Andreas Ferrato begreep dat niet en kon ook de beteekenis van die +raadselachtige woorden niet gissen. In den mond van Carpena waren zij +evenwel onrustwekkend. Een vluchtige trilling kon de huisheer dan ook +niet bemantelen en die ontging den bezoeker niet. Deze had de deur +gesloten. + +„Ik moet u spreken,” zei hij. + +„Neen!” + +„Jawel!” + +„Gij hebt mij niets te zeggen.” + +„Jawel.... Ik moet u afzonderlijk spreken,” vervolgde de Spanjaard, +terwijl hij fluisterend sprak. + +„Och kom!” + +„Geloof me.” + +„Nu, kom dan,” antwoordde de visscher, die dien dag goede redenen had +om niemand den toegang tot zijn huis te weigeren. Op een teeken van +Andreas Ferrato stapte Carpena de huishoudkamer door en volgde hem in +zijne slaapkamer. + +Die kamer was slechts door een zeer dun beschot van het vertrek +gescheiden, waarin graaf Sandorf en zijn lotgenoot Stephanus Bathory +verscholen waren. De eene kamer had uitzicht op de straat, de andere op +het omheinde erf achter de woning. Toen zij alleen waren, vroeg de +visscher: + +„Wat wilt ge van mij?” + +„Buurman,” antwoordde Carpena, „ik kom nog een beroep op uw goede +vriendschap doen.” + +„Vriendschap?.....” vroeg Andreas Ferrato smalend. + +„Ja, vriendschap!” + +„En ter zake van wat?” + +„Ter zake van uwe dochter.” + +„Daarover geen woord meer!” + +„Maar hoor dan toch!....” + +„Geen woord! geen enkel woord!” + +„Gij weet dat ik Maria bemin, en....” + +„Zwijg!” + +„En dat het mijn vurigste wensch is, dat zij mijne vrouw wordt.” + +Ja, dat was het droombeeld van Carpena. + +Sedert verscheidene maanden vervolgde hij het jonge meisje met zijne +oplettendheden. Zooals de lezer wel begrijpen zal, werd hij daarbij +eerder door baatzucht dan door liefde gedreven. Andreas Ferrato kon +welgesteld heeten en was dat ook in den kring der visschers, waarin hij +verkeerde. Hij mocht rijk genoemd worden in vergelijking met den +Spanjaard, die niets ter wereld bezat. + +Niets was dus natuurlijker dan dat Carpena de gedachte gekoesterd had, +om de schoonzoon te worden van dien bemiddelde; maar niets was +daartegenover ook natuurlijker, dan dat de visscher hem steeds en +onveranderlijk afgescheept had. Een zoodanig sujet kon hem niet +behagen. + +„Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato koeltjes, „gij hebt u eerst tot +mijne dochter gewend en die heeft „neen” gezegd. Daarop zijt gij tot +mij gekomen en ik heb eveneens „neen” geantwoord. Gij komt heden +andermaal op uw verzoek terug; ik antwoord u „neen!” voor de laatste +maal.” + +Het gelaat van den Spanjaard verwrong vreeselijk. Zijn lippen krulden +om en lieten zijne tanden zien. Zijne oogen rolden woest en schoten +vuurstralen. Maar de kamer, waarin de beide mannen zich bevonden, was +slecht verlicht, zoodat Andreas Ferrato dat onheilspellend gelaat niet +kon zien. + +„Is dat uw laatste woord?” vroeg Carpena. + +„Ja!” + +„Onherroepelijk? + +„Ja, onherroepelijk mijn laatste woord, wanneer het de laatste maal zal +zijn, dat gij uw aanzoek herhaalt,” antwoordde de visscher. „Komt gij +er evenwel op terug, dan zult gij steeds hetzelfde antwoord ontvangen.” + +„Ik zal er op terugkomen!....” + +„Dat is volmaakt noodeloos!” + +„Ja, ik zal er op terugkomen, wanneer Maria mij zeggen zal om het te +doen.” + +„Zij?....” + +„Ja, zij!” + +„Zij!....” riep Andreas Ferrato uit. „Zij! Gij weet wel dat mijne +dochter noch vriendschap, noch achting voor u koestert!” + +„Hare gevoelens kunnen veranderen, wanneer....” + +„Kom, loop heen.” + +„Wanneer ik een onderhoud met haar gehad zal hebben.” + +„Een onderhoud?” + +„Ja, Ferrato, ik wensch haar te spreken.” + +„Wanneer?” + +„Dadelijk!.... Hoort ge?.... Ik moet haar dadelijk spreken...” + +„Moet?” vroeg de visscher toornig. + +„Ja, ik moet. En dat nog wel heden avond.” + +„Ik weiger voor haar!” + +„Pas op!” + +„Geen bedreigingen!” + +„Pas op!” herhaalde Carpena, die thans luider sprak. „Pas op!” + +„Waarop?” + +„Ik zal mij wreken!” + +„Ha, ha, ha!” + +„Ja, ik zal mij wreken!” + +„Welnu, wreek je, als ge kunt en als ge durft, Carpena,” antwoordde +Andreas Ferrato, die nog meer toornig werd. + +„Sar me niet!” + +„Wreek je; je bedreigingen jagen mij geen angst aan, dat weet je wel!” + +De Spanjaard knarsetandde. + +„En nu de deur uit!” ging Andreas Ferrato voort. „Of ik smijt je naar +buiten!” + +Het bloed steeg Carpena naar het hoofd. Hij was op het punt om geweld +tegen den visscher te begaan; maar het gelukte hem zich te bedwingen, +en na de deur met kracht opengesmeten te hebben, vloog hij de huiskamer +door en het huis uit zonder een woord gesproken te hebben. + +Nauwelijks was hij buiten, toen de deur der naburige kamer, waarin de +vluchtelingen verborgen waren, openging. Graaf Sandorf, wien niets van +dat onderhoud ontgaan was, verscheen op den drempel, en op Andreas +Ferrato toetredende, zei hij op fluisterenden toon: + +„Dat is de man, die ons aan den brigadier der maréchaussées verraden +heeft. Hij kent ons. Hij heeft ons gezien, toen wij op den oever van +het kanaal van Léma voet aan wal zetten. Hij heeft ons tot Rovigno +gevolgd. Hij weet blijkbaar, dat gij ons eene schuilplaats in uw huis +verleend hebt. Laat ons dan dadelijk vluchten, anders zijn wij +verloren, en.... gij met ons!” + + + + + + + + +IX. + +LAATSTE POGINGEN IN EEN LAATSTEN STRIJD. + + +Andreas Ferrato hoorde dat stilzwijgend aan. + +Hij had niets in zijn brein gevonden om graaf Sandorf te antwoorden. +Zijn Corsicaansch bloed kookte in hem. Hij had de beide vluchtelingen +vergeten, voor welker redding hij zooveel op het spel gezet had. Hij +dacht slechts aan den Spanjaard; hij zag slechts Carpena! + +„Die ellendeling! O, die ellendeling!” mompelde hij eindelijk. „Ja! hij +weet alles! Wij hangen geheel en al van zijne genade af! ik had het +moeten begrijpen!” + +Mathias Sandorf en Stephanus Bathory keken den visscher met een beklemd +gevoel aan. Zij wachtten reikhalzend wat hij zeggen, wat hij doen zou. +Er mocht geen enkel oogenblik verloren gaan. Er moest gehandeld, +dadelijk gehandeld worden. Het verraad, dat werk des duivels, was +waarschijnlijk reeds geschied. + +„Heer graaf,” sprak eindelijk Andreas Ferrato, „de politie kan ieder +oogenblik mijne woning overvallen en binnenstormen. Ja! die ellendige +bedelaar moet alles weten of ten minste moet hij onderstellen dat +gijlieden hier zijt! Het is een koop, dien hij mij heeft komen +voorstellen! Mijne dochter tot prijs voor zijne stilzwijgendheid. Hij +zal u ten val brengen om zich op mij te wreken! Helaas, wanneer de +politie-agenten komen, zal het onmogelijk zijn te ontsnappen en dan +zult gij andermaal gevangen genomen worden. Ja, inderdaad, gij moet +dadelijk vluchten!” + +„Gij hebt gelijk, Andreas Ferrato,” antwoordde graaf Mathias Sandorf, +„maar vóórdat wij scheiden, laat mij u bedanken voor al hetgeen gij +voor ons gedaan hebt, en voor hetgeen gij voor ons doen wildet....” + +„Wat ik doen wilde, wil ik nog doen,” sprak Andreas Ferrato hoogst +ernstig. + +„Dat weigeren wij!” antwoordde Stephanus Bathory. + +„Ja, dat weigeren wij,” vulde graaf Sandorf aan. „Gij hebt u reeds te +veel blootgegeven en in gevaar gesteld! Wanneer men ons bij u ontdekt, +dan veroordeelt men u tot de galeien!” + +„Om het even!” riep de visscher uit. + +„Kom Stephanus, laten wij deze woning verlaten om te vermijden dat wij +er den ondergang en het ongeluk brengen!” + +„Maar, heer graaf....” + +„Laten wij vluchten, dat ’s goed; maar alleen vluchten!” + +Andreas Ferrato greep den graaf bij de hand. + +„Waar zoudt gij heen gaan? Al de autoriteiten des lands zijn op de been +en waakzaam. De politieagenten en de maréchaussées doorkruisen nacht en +dag het veld in den omtrek. Er is geen enkel veilig punt op de kust, +waar gij u zoudt kunnen inschepen, er bestaat geen enkel voetpad, +waarlangs gij de grens veilig zoudt kunnen bereiken! Zonder mij +vertrekken, is zeker den dood tegemoet snellen!” + +„Volgt mijn vader, heeren,” voegde Maria er bij. „Wat er ook geschiede, +hij doet zijn plicht door te pogen u te redden!” + +„Goed zoo, mijne dochter,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ja waarlijk, +het is slechts mijn plicht, dierbaar kind! Uw broeder wacht ons reeds +bij de jol. De nacht is zeer donker. Vóórdat wij ontdekt zullen wezen, +zullen wij in volle zee zijn. Omhels mij, Maria, omhels mij, kindlief, +en heeren, laten wij vertrekken!” + +Toch wilden graaf Sandorf en zijn lotgenoot niet toegeven. Zij +weigerden een dergelijk offer aan te nemen. Zij wilden dat huis wel +dadelijk verlaten, om den visscher niet verder in gevaar te brengen. Ja +zeker. Maar vertrekken onder zijne leiding, wanneer er de galeien op +stonden! Neen! dat wilden zij niet! + +„Kom dan toch!” zei Mathias Sandorf tot Stephanus Bathory, terwijl hij +hem meetrok. „Als wij eenmaal buiten zijn, dan valt er alleen voor ons +zelven te vreezen!” + +En beiden waren op het punt om door het geopende venster te ontwijken, +om over het kleine erf hetzij de kust te bereiken, hetzij zich naar het +inwendige der provincie te begeven toen Luigi binnen stormde. + +„De politieagenten!” zei hij. + +„Vaarwel!” riep graaf Sandorf uit. + +En gevolgd door zijn lotgenoot sprong hij het venster uit. + +Juist in dat oogenblik drong een bende politiedienaren de huiskamer van +den visscher binnen. + +Carpena geleidde hen. + +„Ellendeling!” zeide Andreas Ferrato. + +„Dat ’s mijn antwoord op uwe weigering!” + +De visscher werd gegrepen en in een ondeelbaar oogenblik gebonden. +Terzelfder tijd hadden de agenten de woning bezet en al de kamers +daarvan onderzocht. Het open raam wees hen den weg aan, dien de +vluchtelingen genomen hadden. Zij ijlden dadelijk ter hunner vervolging +naar buiten. + +De beide rampzaligen bereikten toen juist de heg, die het erf omheinde +en van de kleine beek afscheidde. Graaf Sandorf was er in één sprong +over, daarna hielp hij Stephanus Bathory, die minder vlug was, om er +over te klauteren. Een geweerschot weerklonk op nog geen vijftig passen +van hen. + +Stephanus was door een geweerkogel aan den schouder getroffen, hoewel +niet levensgevaarlijk. Maar zijn arm was verlamd en hij was onmachtig +de pogingen van zijn makker te ondersteunen. + +„Vlucht,” riep hij hem toe. „Vlucht Mathias.” + +„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven,” antwoordde graaf +Sandorf, na andermaal beproefd te hebben zijn gewonden makker in zijne +armen op te tillen. + +„Vlucht, Mathias!” herhaalde Stephanus Bathory. + +„Neen! neen!” + +„Vlucht en leef om de verraders te straffen!” + +Die laatste woorden klonken als een bevel in de ooren van graaf +Sandorf. + +De magnaat van Transsylvanië, de samenzweerder van Triëst, de makker en +deelgenoot van Stephanus Bathory en van Ladislas Zathmar moest plaats +maken voor den straffenden rechter! + +De politieagenten, die op hunne beurt het uiteinde van het kleine erf +bereikt hadden, wierpen zich in dit oogenblik op den gekwetste. Wanneer +graaf Sandorf nog eene enkele seconde aarzelde, dan moest ook hij in +hunne handen vallen! + +„Vaarwel, Stephanus, vaarwel!” riep hij uit. + +En met een vervaarlijken sprong wipte hij over de beek, die langs de +heg vloot en verdween hij in de duisternis. + +Vijf of zes geweerschoten werden in die richting afgeschoten; maar de +kogels troffen den vluchteling niet. Hij sprong terzijde en liep +ijlings naar den kant der zee. + +De politieagenten zaten hem evenwel op de hielen. Daar zij hem in het +donker niet ontwaren konden, was het onmogelijk om hem voor te komen. +Zij verspreidden zich, om hem den pas af te snijden, zoowel naar het +innerlijke des lands, als naar den kant van de stad en van het +voorgebergte, hetwelk de baai ten noorden van Rovigno omgeeft. + +Een brigade maréchaussées schoot hen te hulp en bewoog zich zoo, dat +graaf Sandorf geen andere weg open bleef, dan naar de kust. Maar daar, +bij den rand der klippen aangekomen, wat zou hij daar doen? + +Zou hij er in slagen eene sloep te bemachtigen, om zich daarmede op de +Adriatische zee te wagen? + +Daartoe zou hij den tijd niet hebben; want vóórdat hij het touw, +waarmede ze aan den oever vast lag, losgemaakt zou hebben, zou hij +onder de geweerkogels, die op hem afgezonden zouden worden, vallen. + +Hij begreep evenwel al heel spoedig, dat de vlucht naar het oosten hem +afgesneden zou zijn. Het geweervuur, de kreten door de politieagenten +en door de maréchaussées uitgestooten, terwijl zij naderden, duidden +hem genoegzaam aan, dat hij van achteren, naar den kant van het strand, +omsingeld was. + +Hij kon slechts naar de zee heenijlen en daarlangs ontvluchten. + +Dat was ongetwijfeld een zekeren dood tegemoet loopen; maar was het +niet beter die in de golven te vinden, dan ze af te wachten voor het +executie-peloton op het binnenplein van de vesting te Pisino. + +Graaf Sandorf spoedde zich dus naar het strand. In weinige sprongen had +hij de eerste kabbelingen bereikt, die de branding tegen het strand +opjoeg. Hij voelde als ’t ware de politieagenten achter zich. De +geweerkogels, die in den blinde op hem afgevuurd werden, gingen +rakelings zijn hoofd voorbij. + +Op een kleinen afstand van het strand staken hier op de kust van Istrië +eene menigte rotstoppen uit zee op. Dat waren afzonderlijke klippen, +die den oever dekten. Tusschen die klippen werden talrijke waterpoelen +aangetroffen, die de uithollingen van den oever vulden. De meeste dier +poelen waren diep, maar er waren er ook, waarin het water ternauwernood +tot aan den enkel reikte. + +Dat was de laatste uitweg, die nog voor graaf Mathias Sandorf +openstond. Hoewel hij er niet aan twijfelen kon, dat hij den dood aan +het uiteinde daarvan zou vinden, aarzelde hij geen oogenblik dien in te +slaan. + +Hij doorwaadde dan die poelen en sprong van rots tot rots. Maar daarbij +werd zijn omtrek meer zichtbaar op den minder donkeren achtergrond van +den gezichteinder. Dadelijk weerklonken kreten om hem aan te duiden, +waarna de politieagenten hem achterna snelden. + +Graaf Sandorf was vast besloten niet levend in hunne handen te vallen. +Als de zee hem zou aanspoelen, dan zou het slechts zijn lijk zijn. + +Die moeilijke jacht op die onvaste en gladde steenen, bedekt met +glibberige zeegewassen, door die waterpoelen, waarin iedere pas eene +struikeling of een val kon ten gevolge hebben, duurde meer dan een half +uur. Het was den vluchteling gelukt een voorsprong te behouden, maar de +vaste grond zou hem weldra ontbreken. + +En inderdaad, hij kwam op een der laatste rotsen van de klippen-bank +aan. Twee of drie politie-agenten waren nog slechts op tien passen van +hem. De anderen volgden op ongeveer twintig schreden. + +Graaf Sandorf verhief zijne gestalte toen. Een laatste kreet ontsnapte +hem, een laatste kreet als vaarwel tot den hemel gericht. En op het +oogenblik dat een aantal geweerschoten op hem gelost werden, sprong hij +in zee. + +Toen de politie-agenten bij het uiteinde der rotsbank gekomen waren, +ontwaarden zij niets meer dan het hoofd van den vluchteling, dat +slechts als een zwart punt verscheen en naar volle zee gekeerd was. + +Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias +Sandorf opspatten. En ongetwijfeld moesten een of meer kogels hem +getroffen hebben, want hij dook onder de golven om niet meer te +voorschijn te komen. + +Neen, niets, niets was meer te ontwaren! + +De maréchaussées en de politie-agenten bleven, totdat de dag +aangebroken was, de rotsbank, de klippen en het strand van het +voorgebergte af ten noorden van de baai gelegen, tot voorbij het fort +van Rovigno nauwkeurig bewaken. + +Het was te vergeefs. + +Niets duidde er op, dat graaf Sandorf ergens op die kust voet aan wal +gezet had. + +Iedereen was dan ook overtuigd, dat zoo hij niet door een kogel +getroffen werd, hij verdronken was; dat hij in ieder geval dood was. + +Intusschen met welke nauwgezetheid de nasporingen ook geleid en +uitgevoerd werden, geen lijk werd in de branding ontwaard, noch op de +kust gevonden. En toch strekten die nasporingen zich over eene +kuststrook uit van meer dan twee uren gaans. Maar daar de wind van den +kant van het land woei en de stroom naar het zuidwesten voerde, zoo +bestond er geen twijfel of het lijk van den vluchteling was naar volle +zee gedreven. + +Graaf Sandorf, de Hongaarsche magnaat, had dus zijn graf in de golven +van de Adriatische zee gevonden! + +Dat was de meening, die na een zeer nauwkeurig onderzoek, als de meest +natuurlijke door het Oostenrijksche gouvernement aangenomen werd. + +Het recht moest dan ook zijn loop hebben. + +Stephanus was, de lezer weet onder welke omstandigheden, gevat +geworden. Hij werd gedurende den nacht, en vergezeld van een sterk +bewakings-detachement, naar den vestingtoren van Pisino teruggevoerd. +Daar werd hij, helaas! voor slechts weinige uren, in gezelschap van +graaf Ladislas Zathmar opgesloten. + +De terechtstelling werd toen vastgesteld op den volgenden dag, den +30sten Juni. + +Stephanus Bathory had voorzeker gedurende die noodlottige uren zijne +vrouw en zijn kind voor de laatste maal hebben kunnen weerzien. +Ladislas Zathmar zou een laatsten handdruk van zijn getrouwen dienaar +hebben kunnen ontvangen; want het bevel om hen in den vestingtoren te +Pisino toe te laten, was behoorlijk gegeven. + +Maar èn mevrouw Bathory met haren zoon, èn Borik, die uit de gevangenis +losgelaten was, hadden Triëst verlaten. Niet wetende waarheen de +gevangenen gevoerd waren, daar de inhechtenisneming zeer geheim was +gehouden, waren zij in Hongarije en zelfs tot in Oostenrijk gaan +zoeken; en toen het vonnis uitgesproken was, kon men hen natuurlijk +niet bijtijds weêrvinden. + +Stephanus Bathory moest dus die laatste vertroosting ontberen om zijn +gade en zijn kind weer te zien. Hij kon hen den naam der verraders, die +zijn leven verkocht hadden, niet mededeelen. + +Alleen de gerechtigheid van graaf Mathias Sandorf zou die kunnen +treffen. + +Professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar werden te vijf +uren op het binnenplein der vesting doodgeschoten. Zij stierven als +mannen, die hun leven voor hun vaderland ten offer brachten. + +Silas Toronthal en Sarcany konden de hoop koesteren, dat zij tegen +iedere weerwraak beveiligd waren. En inderdaad, het geheim van hun +verraad was slechts bekend bij hen alleen en bij den gouverneur van +Triëst. + +Dat verraad, die snoode daad werd hen betaald met de helft der +bezittingen van graaf Mathias Sandorf. + +De andere helft werd als buitengewone gunst opgespaard en bewaard voor +de erfgenamen van den graaf, wanneer zij hun achttiende jaar bereikt +zouden hebben. + +Noch Silas Toronthal noch Sarcany ondervonden eenige wroeging over +hunne schandelijke daad. Zij konden dan ook in rust en vrede genieten +van de rijkdommen, door dat afschuwelijk verraad verkregen. + +Eene ander verrader scheen ook niets te vreezen te hebben. Dat was de +Spanjaard Carpena, wien de bloedprijs, de premie van vijf duizend +gulden, die aan den verklikker uitgeloofd werd, uitgereikt was. + +Maar konden de bankier Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany in +Triëst met opgeheven hoofde rondwandelen, daar hun geheim bewaard was +gebleven, Carpena moest onder het gewicht der algemeene afkeuring en +verontwaardiging de wijk nemen en Rovigno verlaten. Maar wat kon hem +dat schelen! Hij had niets meer te vreezen, zelfs niet de wraak van +Andreas Ferrato. + +De visscher was inderdaad gevangen genomen, terechtgesteld en tot +levenslange galeistraf veroordeeld geworden, omdat hij eene +schuilplaats aan de vluchtelingen verleend had. Maria was thans met +haren jongeren broeder Luigi alleen. Helaas, armoede en ellende +wachtten hen in dat huis, waaruit de vader gesleurd was, zonder er weer +te keeren! + +Zoodat drie ellendelingen, alleen uit een hebzuchtig gevoel, zonder dat +een zweem van haat hen tegen hunne slachtoffers in het harnas +joeg,—Carpena hiervan misschien uitgezonderd—de een om zijn wankelende +bankierszaken te herstellen, de twee anderen om rijkdommen te +verwerven, niet waren teruggedeinsd om zulk een gruwel te beramen en te +bedrijven. + +Zou zulk een schandelijke daad op aarde ongestraft blijven? + +Helaas! Gods rechtvaardigheid wordt niet altijd bespeurd. + +Zouden graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor +Stephanus Bathory, die drie vaderlandslievende mannen, zoude Andreas +Ferrato, de nederige visscher, het edele hart, ongewroken blijven? + +Het antwoord daarop blijft aan de toekomst over. + + + EINDE VAN HET VOORSPEL. + + + + + + + + + + + DOKTER ANTEKIRRT + + +I. + +PESCADOSPUNT EN KAAP MATIFOU. + + +Vijftien jaren zijn verloopen sedert de laatste gebeurtenissen, bij het +einde van het voorspel dezer geschiedenis verhaald, voorgevallen waren. + +Het was den 24en Mei 1882 een feestdag te Ragusa, een der voornaamste +steden van de Dalmatische provinciën. + +Dalmatië is slechts een smalle landtong, welke tusschen het noorder +gedeelte der Dinarische Alpen, tusschen Herzegowina en de Adriatische +zee gelegen is. Er is daar juist plaats voor eene bevolking van vier of +vijf maal honderd zielen, die evenwel wat opeengehoopt moeten leven. + +De Dalmaten vormen een fraai ras, dat zeer sober in die dorre schrale +landstreek, waar de teelgrond zeldzaam aangetroffen wordt, leeft. Zij +zijn fier gebleven te midden der staatkundige beroeringen, welke zij +ondergaan hebben; zij zijn uiterst trotsch tegenover Oostenrijk, +waaraan zij vastgeklonken werden door het verdrag van Campo Formio, +hetwelk op dat punt bij den vrede van Parijs in 1815 bevestigd werd. +Zij zijn eerlijk als goud, en hebben ten volle verdiend dat hun land, +volgens eene vleiende uitdrukking van den heer Yriartes, „het land der +deuren zonder sloten” genoemd werd! + +Dalmatië wordt in vier kringen verdeeld, die op hunne beurt in +districten onderverdeeld zijn. Dat zijn: de kringen van Zara, van +Spolato, van Cattaro en van Ragusa. De gouverneur-generaal heeft zijne +residentie te Zara, welke stad dientengevolge de hoofdplaats van de +provincie is. Te Zara komt de Landdag bijeen, waarvan enkele leden deel +uitmaken van de Kamer van vertegenwoordiging te Weenen. + +De tijden zijn wel veranderd sedert de XVIde eeuw, toen de Uskoken, die +niets anders dan gevluchte Turken waren, in open oorlog zoowel met de +Muzelmannen als met de Christenen verkeerden, zoowel met den Sultan van +Constantinopel als met den Doge van Venetië. Zij waren de schrik der +Adriatische zee. Maar de Uskoken zijn verdwenen en men vindt van dien +volksstam nergens anders een spoor terug dan in de Carniòla. De +Adriatische zee is dus heden ten dage even veilig als eenig ander +gedeelte van die prachtige en dichterlijke Middellandsche zee. + +Ragusa of beter gezegd: de kleine staat Ragusa, is langen tijd +republikeinschgezind geweest en was dat voor Venetië, dat wil zeggen, +reeds sedert de IXde eeuw. Het was eerst bij decreet van Napoleon I dat +Ragusa in 1809 bij het koninkrijk Illyrië gevoegd werd, om het als +hertogdom aan den maarschalk Marmont te schenken. + +Reeds in de IXde eeuw vertoonden zich de schepen van Ragusa in alle de +Levantsche zeeën en hadden den alleenhandel met de ongeloovigen tot +zich getrokken. De Heilige Stoel had dien alleenhandel goedgekeurd, +waardoor aan Ragusa een groote voorrang geschonken werd te midden van +die kleine republieken van Zuid-Europa. Maar Ragusa onderscheidde zich +nog door andere meer edele hoedanigheden. De goede naam harer +geleerden, de roem van hare letterkundigen, de goede smaak van hare +kunstbeoefenaars, hadden haar den naam van Slavonisch Athene verschaft. + +Evenwel voor den handel ter zee is een goede haven met diepen +ankergrond noodig, die schepen van groote tonnenmaat kan opnemen. Maar +die haven ontbreekt aan Ragusa. Hare haven is smal en gevaarlijk van +wege de rotsen, die nagenoeg met de waterlijn gelijk liggen, zoodat +niets anders dan kustvaarders en visschersschuiten eene veilige +ligplaats vinden. + +Gelukkig heeft de natuur als altijd, op een half uur afstands ten +noorden, in een van die inkeepingen van de baai van Ombla Fiumera, +grillig een van die overheerlijke havenkommen gevormd, die de meest +mogelijke hulpmiddelen en gemakken aan de meest ontwikkelde scheepvaart +aanbieden. Die havenplaats ligt te Gravosa, de beste wellicht van de +geheele Dalmatische kust. Daar is water genoeg voor de meest diepgaande +bodems, zelfs voor oorlogsschepen; daar ontbreekt de ruimte niet voor +het krengen en voor het dokken der schepen, ook niet voor de +scheepstimmerwerven. Daar eindelijk kunnen die groote pakketbooten +aanleggen, die der wereld in het tweede gedeelte dezer eeuw deelachtig +zijn geworden. + +Daaruit volgt dus dat op het tijdstip van dit verhaal, de weg van +Ragusa naar Gravosa een ware boulevard was geworden, die ter +weerszijden met fraaie boomen beplant en omzoomd was met heerlijke +villa’s, terwijl de geheele bevolking der stad, die toen op zestien- of +zeventienduizend inwoners kon gerekend worden, zich langs dien weg +verdrong. + +Nu kon men dien dag tegen vier uren in den namiddag bespeuren, dat de +bewoners van Ragusa, na een heerlijken lente-ochtend genoten te hebben, +zich naar Gravosa begaven. + +In die voorstad—en zoo kon Gravosa, bij de poorten der stad gelegen, +toch inderdaad genoemd worden, niet waar?—was er toen feest. +Verscheidene tenten en kermiskramen waren daar aanwezig, muziek en +danspartijen in de open lucht hadden daar plaats, terwijl kwakzalvers, +kunstenmakers, koorddansers, steltloopers, wier geschreeuw en gekakel, +wier muziekinstrumenten en liederen groot spektakel in de straten, ja +tot op de haven maakten, allerwege aangetroffen werden. + +Voor een vreemdeling zou die dag een buitenkansje geweest zijn, om de +verschillende typen van het Slavonische ras, dat zich daar vermengd met +Bohemers van allerlei gehalte verdrong, te bestudeeren. Niet alleen +waren de Nomadische bevolkingen toegestroomd, om er de nieuwsgierigheid +van de ingezetenen te ontginnen, maar ook de boerenlui en de +bergbewoners waren komen opdagen, om hun deel van de openbare +vermakelijkheden te genieten. + +Het vrouwelijk geslacht was er in groot getal vertegenwoordigd: dames +uit de stad, boerinnen uit den omtrek, visschersvrouwen van de kust, +die allen wemelden door elkander. Bij de eerstbedoelden was de poging +merkbaar, om hare kleeding met de laatste mode van Westelijk Europa te +doen overeenstemmen. Wat de anderen betreft, hare tooi verschilde +minstens in eene bijzonderheid, naarmate van het district, vanwaar de +draagsters afkomstig waren. Hier zag men witte hemdjes met geborduurde +mouwen en borstrokken, elders jakken met veelkleurige figuren versierd, +dan weer fraaie gordels met honderden ja duizenden zilveren +spijkerkopjes bezaaid. Het alles geleek op een mozaïekwerk, waarin de +kleuren in elkander vloeiden als op een fraai Perzisch tapijt. Hier +werd een wit mutsje op dichte haarvlechten ontwaard, dat met +veelkleurige linten getooid was; daar eene „okronga,” een soort sluier, +die naar achteren afvalt, zooals de „puskul” van den Oosterschen +tulband; en overal beenbekleeders en schoeisel, aan het been en aan den +voet met bandwerk van stroo gevlochten vastgemaakt. En om al dien tooi +en opschik te volmaken, blonken juweelen, in den vorm van armbanden, +halssnoeren, of diademen van geldstukjes, op de meest kunstige wijze +vervaardigd, om hals, armen, borst en midden te versieren. Die juweelen +werden zelfs bij de kleeding van de landlieden aangetroffen, die ook +den glinsterenden zoom van borduursels niet versmaden, waarmede de +onderkant hunner japonnen versierd was. + +Maar onder die verscheidene kleederdrachten der Ragusasche bevolking, +welke door allen, zelfs door de zeelieden van de haven en de kust met +smaak gedragen werden, was toch die der commissionnairs of +boodschaploopers—een bevoorrecht gild—wel het meest geschikt om de +aandacht te boeien. Die pakjesdragers zijn inderdaad als ware +Oosterlingen uitgedost met tulband, vest, bovenkleed, gordel, breede +Turksche pantalon en babouchen of sloffen. Zij zouden op de kaden van +Galata of op het plein Top’hané te Constantinopel volstrekt niet +misplaatst zijn. + +De feestvreugde was toen tot haar toppunt geklommen en de +luidruchtigheid het hoogst. De kramen zoowel in de straten als op de +kaden waren overvuld. Er bestond bovendien nog eene bijzondere +aantrekkingskracht, die wel geschikt was om een zeker aantal +nieuwsgierigen, leegloopers en lanterfanten te verleiden en meê te +slepen, en dat was het te water laten van eene „trabucolo,” een soort +vaartuig, dat alleen in de Adriatische zee aangetroffen wordt en twee +masten ieder met twee zeilen voert, welke op schuin oploopende ra’s +aangeslagen zijn. + +Het te water laten zou tegen zes uren in den avond plaats hebben, en de +romp der trabucolo was reeds bevrijd van de steunpalen en wachtte +slechts op het wegnemen van de sleutelwiggen, om te water te loopen. + +Maar tot op dat uur wedijverden de kunsten- en potsenmakers met de +rondreizende muzikanten en met de koorddansers in talent of +behendigheid, tot groot genoegen van de menigte. + +Het waren toen de muzikanten, die het meest de toeschouwers tot zich +trokken. Onder hen bevonden zich guzlars of bespelers van de guzla en +die haalden het meeste geld op. Terwijl zij zich met hunne zonderlinge +speeltuigen begeleidden, zongen zij met eene keelgeluidachtige stem +hunne nationale gezangen en liederen, en die waren inderdaad wel waard, +dat men een oogenblik stilstond om ze te hooren. + +De guzla, waarvan die straatkunstenaars zich bedienen, is een +instrument met een langen hals, waarover verscheidene snaren gespannen +zijn en waarop zij eenvoudig met een enkelen kattendarm zagen. Wat de +stem der zangers betreft, deze laatsten loopen geen gevaar, dat hun de +noten ontbreken zullen, want zij gaan ze zoowel boven in hun hoofd als +beneden in de borstholte zoeken. + +Een van die zangers,—een groote lummel, met gele huid en bruin +haar,—hield zijn instrument tusschen zijne knieën evenals een oude +violoncel, die uitgeteerd zoude zijn. Hij zong en mimeerde door houding +en gebaren eene canzonetta, waarvan hieronder de vertaling volgt: + + + Wanneer weerklinkt het lied, + Het lied der Singare; + U ontsnappe dan niet, + Hoe zij zingt dat haar lied + Want: Beware! + Pas op voor de Singare! + Blijft ge echter ver van haar + Van haar verteerende blikken + Dan is er weinig gevaar + Dan kunt ge het nog ontglippen! + + +Na dat eerste couplet trad de zanger met het traditioneele bakje in de +hand op de menigte toe, om hun de gift van een paar kleine koperen +muntstukken af te bedelen. Maar hetgeen hij opgehaald had, bedroeg, +scheen het, niet veel, want hij keerde naar zijne plaats terug en +poogde zijn gehoor te verteederen met een tweede couplet van de +canzonetta. + +Een man, ongeveer vijftig jaren oud, hoorde dat gezang dier Bohemers +rustig aan. Maar hij scheen weinig gevoelig voor zooveel dichterlijke +verleidingen; want zijne beurs bleef tot nu toe opgeborgen en gesloten. +Het is waar, dat de Singare zelve, waarvan de canzonetta sprak, met +hare verteerende blikken niet gezongen had, maar wel de lange lummel, +die zich tot haren tolk gemaakt had. Hij was dan ook op het punt om +heen te gaan, zonder iets betaald te hebben, toen een jong meisje, die +den toehoorder begeleidde, hem weerhield met de woorden: + +„Vader, ik heb geen geld bij mij. Ik bid u, geef toch iets aan dien +braven man.” + +Dat was de reden, waarom de guzlar vier of vijf kreutzer meer ontving +dan wel geschied zou zijn zonder de tusschenkomst van het jonge meisje. +Niet dat haar vader, die zeer rijk was, zulk een gierigaard genoemd kon +worden, dat hij een aalmoes zou weigeren aan een kermismuzikant. Neen, +maar waarschijnlijk behoorde hij niet tot hen, die door de menschelijke +ellende bewogen kunnen worden. + +Beiden drongen door de menigte heen en gingen naar de andere kramen, +waar het niet minder luidruchtig toeging, terwijl de guzla-bespelers +zich in de nabij gelegen herbergen en kroegen verspreidden, om het +ontvangen geld in vocht voor de keel om te zetten. Zij gingen dan ook +niet zuinig om met de „slivo-vitza”, een soort zeer sterke brandewijn, +die door de distillatie van pruimen verkregen wordt en die in weerwil +van zijne alcoholische kracht, als stroop door die Bohemer kelen vloot. + +Die kunstbeoefenaars in de open lucht, hetzij het zangers, hetzij het +koorddansers of grappenmakers waren, erlangden niet allen even +gelijkelijk de gunsten van het publiek. Onder de minstbegunstigden kon +men twee acrobaten ontwaren, die te vergeefs hunne kunsten op eene +verhevenheid van planken aan den man poogden te brengen. Zij hadden +evenwel geen toeschouwers. + +Boven die verhevenheid prijkten afbeeldingen met schreeuwende kleuren +besmeerd en in vrij slechten staat verkeerende, waarop verscheurende +dieren, in waterverf gekleurd en bedeeld met de meest grillige +omtrekken, voorgesteld waren. Men zag daar leeuwen, jakhalzen, hyena’s, +tijgers, boa’s enz. enz., die te midden van een onwaarschijnlijk, ja +onmogelijk landschap sprongen of zich ontrolden. + +Achter die verhevenheid stond eene kleine ronde tent, van oud zeildoek +vervaardigd, die met zooveel gaten doorboord was, dat de nieuwsgierigen +en onbescheidenen de verleiding niet konden weerstaan om er het oog bij +te brengen en er door te gluren, hetgeen nadeelig voor de ontvangst +moest zijn. + +Vóór de verhevenheid stond een slecht bevestigde paal, waaraan eene +oude leelijke plank vastgespijkerd was, die als het ware de kinderjaren +van de uithangborden vertegenwoordigde en waarop deze vijf woorden grof +en lomp met houtskool geschreven waren: + + + PESCADOS EN MATIFOU. + + Fransche acrobaten. + + +Uit een lichamelijk oogpunt beschouwd,—en ongetwijfeld ook uit een +zedelijk oogpunt,—verschilden die twee mannen zoo sterk van elkander +als dat twee menschelijke wezens doen kunnen. Alleen had hun +gemeenschappelijke oorsprong het kunnen bij elkander brengen om de +wereld rond te trekken en den strijd des levens te zamen te aanvaarden. +Beiden waren in de Provence geboren. + +Hoe kwamen zij aan die zonderlinge namen, die waarschijnlijk daar ginds +in hun ver verwijderd geboorteland eenige vermaardheid hadden? + +Hadden zij die ontleend aan die twee geographische punten, waartusschen +de baai van Algiers ingesneden is, namelijk tusschen kaap Matifou en +kaap Pescados? Ja, zeker, en die namen pasten hen inderdaad volkomen, +evenals die van Atlas aan een kermisreus of aan een straat-Hercules. + +Kaap Matifou is een groote, stevige onwrikbare heuvel, die op het +noordwestelijke uiteinde van de uitgestrekte reede van Algiers +verrijst, alsof hij de ontketende elementen tartte en daardoor het +gezegde der dichters verdiend heeft: + +„Zijn onvernietigbare massa heeft den tijd vermoeid.” + +Zoodanig was de athleet Matifou, een Alcides, een Porthos, een +gelukkige mededinger van een Ompdrailles, van een Nikolaas Crestes en +van andere beroemde worstelaars, die tot sieraad strekten van de +zuidelijke worstelperken. + +Die reus, zooals men hem noemde, en men moest hem gezien hebben om het +te gelooven, was meer dan zes voet hoog, had een omvangrijk hoofd en +daaraan geëvenredigde schouders, eene borstkas als een smids-blaasbalg, +beenen als boomstammen van twaalf jaren oud, armen als drijfstangen van +een stoomwerktuig, en handen als nijptangen. In dien man zag men de +menschelijke spierkracht in hare geheele heerlijkheid, en wanneer men +naar zijn ouderdom vernomen had,—dien hij, tusschen twee haakjes +gezegd, zelf niet wist,—dan zou men met verbazing gehoord hebben, dat +hij ternauwernood zijn twee en twintigste jaar ingetreden was. + +Dat kolossale wezen was stomp van begrip, maar had daarentegen +ongetwijfeld een goed hart en een eenvoudig en zacht karakter. Hij +kende noch haat noch gramschap. Hij zou nimmer iemand kwaad doen. Hij +durfde ter nauwernood de hand te drukken, die hem gereikt werd, uit +vrees van ze in de zijne te vermorselen. In den grond van zijne natuur, +die zoo machtig was, bestond niets van den aard eens tijgers, waarvan +hij toch de kracht bezat. + +Hij gehoorzaamde dan ook op een woord of een wenk van zijnen makker, +alsof een gril van den Schepper hem tot kolossalen zoon van dien +mageren sprinkhaan geschapen had. + +Als tegenstelling lag aan het westelijk uiteinde van de Algerijnsche +baai, kaap Pescados, vlak tegenover kaap Matifou. Die landtong is smal, +uitgerafeld, en bestaat slechts uit eene dunne rotsbank, die zich ver +in zee uitstrekt. Vandaar de naam van Pescados, welke gegeven was aan +dien jongen van twintig jaren, die klein, mager en tenger was en niet +eens het vierde gedeelte in oude ponden woog, van hetgeen de andere +kilogrammen op de weegschaal haalde. Maar hij was lenig, uitermate vlug +in zijne bewegingen en had een schranderen geest en een onaantastbaar +gelijkmatig humeur, zoowel in voor- als tegenspoed. Hij was een +wijsgeer op zijn manier, daarbij vindingrijk en in de hoogste mate +practisch. Hij kon het best vergeleken worden bij een aap, zonder diens +boosaardigheid evenwel. Hij was door het toeval met onverbreekbare +banden aan zijn makker, aan dien goeden, grooten, vetten dikhuid +verbonden, dien hij door al de wisselvalligheden van een +straatkunstenaarsleven geleidde. + +Beiden waren acrobaten van beroep en liepen de kermissen af. + +Matifou, of beter Kaap Matifou,—zooals hij gewoonlijk genoemd +werd,—worstelde in de strijdperken, verrichtte allerhande daden van +krachtsbetoon, boog ijzeren staven op zijn elleboogsbeen, tilde met +stijf uitgestrekte armen de zwaarste personen van het gezelschap +toeschouwers op en maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker, alsof +dat een eenvoudige biljardbal ware geweest. + +Pescados of Pescados-punt,—zooals de andere in de wandeling genoemd +werd,—paradeerde, zong, speelde voor hansworst, vermaakte het publiek +als pailjas door zijne geestige gezegden. Nimmer bleef hij steken of +het antwoord schuldig en hij verbaasde de menigte door zijne +evenwichtstoeren, die hij uiterst behendig ten uitvoer bracht. Als hij +dat niet deed, dan lokte hij aller goedkeuring uit, door goochelstukjes +met kaarten, waarin hij inderdaad aan den meest behendigen +prestidigitateur een lesje had kunnen geven. Zoo nam hij zonder +aarzelen op zich, om het even welk spel het betrof,—hetzij een +berekenings- of een hazardspel—steeds te zullen winnen. + +„Ik heb mijn „candidaats-examen” afgelegd!” zeide hij en herhaalde hij +gaarne. + +Maar, waarom, zult ge mij zeggen,—in navolging van eene gemeenzame +uitdrukking van vriend Pescadospunt—waarom zagen die twee arme drommels +zich dien dag door de toeschouwers verlaten, terwijl deze zich rondom +andere tenten en kramen verdrongen? Waarom, zult ge me zeggen, dreigde +die geringe inkomst, die zij toch zoo noodig hadden, hen te ontvallen? +Dat was inderdaad onverklaarbaar. + +De taal, welke zij bezigden, een mengelmoes van het Provençaalsche en +het Italiaansche dialect—was meer dan voldoende om zich door het +Dalmatisch publiek te doen verstaan en begrijpen. Sedert zij den +Provençaalschen geboortegrond verlaten hadden, waren zij, ouderloos als +zij waren, en hunne ouders zelfs nimmer gekend hebbende en als ware +producten eener spontane generatie, er in geslaagd rond te komen. Zij +zochten de jaarmarkten en de kermissen op, leefden eer armoedig dan +weelderig. Zij ontbeten niet iederen dag en hadden meestal slechts een +schraal stuk brood tot avondmaal. Dat was genoeg; want, beweerde en +herhaalde de opgeruimde Pescadospunt: + +„Men moet nimmer het onmogelijke vergen!” + +En toch, al vergde dien dag die goedige lummel het onmogelijke niet, +zoo poogde hij toch een paar dozijn toeschouwers, die voor zijn kraam +stonden te gapen, tot zich te lokken, in de hoop dat zij besluiten +zouden zijne ellendige tent te bezoeken. Maar noch zijne geestige +gezegden, die door zijn vreemden tongval al zeer koddig klonken, noch +zijne kwinkslagen, die een blijspel-schrijver beroemd en rijk gemaakt +zouden hebben, noch de potsierlijke gezichten, die hij trok en die een +heilige van steen of brons, in eene nis der domkerk staande, aan het +lachen zouden gebracht hebben, noch zijne ledematenbewegingen en +heupontwrichtingen, ware kunststukken van lenigheid; noch het grappige +spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was en welker +staarteinde op de roode stof van zijne buis bengelde, noch zijne +komieke uitvallen, die den beroemden Pulcinello van Rome overwaardig +zouden geweest zijn, konden het publiek bekoren. + +En toch werd dat Slavonisch publiek door hem en zijn makker sedert +verscheidene maanden geëxploiteerd. + +Na de Provence verlaten te hebben, waren de twee vrienden de landstreek +der Maritieme Alpen, het Milaansche, het Lombardijsche en daarna het +Venetiaansche grondgebied doorgetrokken, waarbij als het ware de een de +volmaking van den anderen was. Beiden waren beroemd: Kaap Matifou door +zijne kracht, Pescadospunt door zijne vlugheid. Hunne vermaardheid had +hun tot Triëst, in Illyrië gelegen, gelokt. Van Triëst waren zij door +Istrië langs de kust van Dalmatië naar Zara, naar Salona, naar Ragusa +afgezakt, terwijl zij meer profijt er in vonden om steeds voorwaarts te +schrijden dan om achterwaarts terug te keeren. + +Achterwaarts waren zij genoten, ja versleten. Voor zich uit brachten +zij steeds een geheel nieuw programma voor het publiek, waaruit dan zoo +goed en zoo kwaad als het ging munt geslagen werd. + +Thans helaas, zij zagen het maar al te goed in, dreigde de tocht, dien +zij maakten en die toch nimmer schitterend geweest was, zeer slecht te +worden. Die arme drommels koesterden dan ook maar één wensch, dien zij +waarachtig niet wisten hoe te verwezenlijken, namelijk om naar hun +vaderland terug te keeren, om de Provence weer te zien, en deden +daarbij de gelofte: zich nimmer meer zoo ver van den geboortegrond te +verwijderen. Maar zij voelden den kogel aan hun voet geklonken, den +kogel der armoede en der ellende, en met zoo’n kogel aan het been is +het afleggen van honderden uren gaans een lastig en moeilijk werk. + +Evenwel, alvorens aan de toekomst te kunnen denken, moest aan het heden +gedacht worden, dat wil zeggen: aan het maal, dat zij hedenavond zouden +genieten. En wat daartoe in uitzicht zich vertoonde, was jammerlijk +schraal. Zij hadden geen kreutzer in kas, wanneer men aan den slip van +den zakdoek, waarin Pescadospunt gewoonlijk het gezamenlijke vermogen +der beide vennooten opborg, den weidschen naam van kas mag geven. Te +vergeefs bewoog hij zich en liep hij op zijne verhevenheid heen en +weder. Te vergeefs liet hij wanhopige uitroepingen en aanmoedigingen +door de lucht weerklinken. Te vergeefs stelde Kaap Matifou zijn +reuzenarmen ten toon, waarvan de aderen en spieren zich slingerden en +uitkwamen als de vertakkingen van eene klimopplant rondom een +knoestigen stam! Maar geen enkel toeschouwer liet iets bespeuren van +eenige neiging om die linnen tent binnen te treden. + +„Drommels, zij zijn hard in den bek, die duivelsche Dalmatiërs,” zei +Pescadospunt. + +„Als keisteenen zoo hard,” vulde Kaap Matifou aan. + +„Waarlijk, ik geloof dat wij moeite zullen hebben om heden ons eerste +geld te verdienen! Zie je, Kaap Matifou, wij zullen moeten opbreken!” + +„Om waar heen te gaan?” + +„Je bent wel nieuwsgierig!” antwoordde Pescadospunt. + +„Spreek maar op.” + +„Welnu, wat zou je denken van een land, waar men verzekerd is om eens +per dag te kunnen eten?” + +„Waar ligt dat land, Pescadospunt?” + +„O ver, heel ver, zeer ver.... zelfs verder dan zeer ver, Kaap +Matifou!” + +„Aan het uiteinde der aarde?” + +„De aarde heeft geen uiteinde,” antwoordde Pescadospunt machtspreukig. +„Wanneer zij een uiteinde had, dan zou zij niet rond zijn; wanneer zij +niet rond was, dan zou zij niet kunnen draaien. Wanneer zij niet +draaide, zou zij onbewegelijk zijn, en wanneer zij zij onbewegelijk +was....” + +„Welnu?”.... vroeg Kaap Matifou. + +„Welnu.... dan zou ze op de zon vallen in minder tijd dan ik noodig heb +om een konijn weg te goochelen!” + +„En dan?....” + +„En dan zou gebeuren wat iederen onhandigen kunstenmaker overkomt, +wanneer twee zijner ballen zich in de lucht ontmoeten en klotsten! +Krak! Alles breekt, alles valt en het publiek fluit hem uit en vraagt +zijn geld terug. Hij geeft het terug, maar dan.... dan heeft hij dien +avond niets te eten!” + +„Zoodat,” vroeg de reus, „wanneer de aarde op de zon viel, dan kregen +wij niet te eten?” + +„Neen, voorwaar!” + +Kaap Matifou verloor zich na dat antwoord in zeer wijdloopige +overpeinzingen. Hij zat in een hoek der verhevenheid, met zijne armen +gekruist over zijne borst, die met een vleeschkleurig geweven hemd +bedekt was. Hij bewoog het hoofd heen en weer als een porceleinen +Chineesch beeldje; hij zei niets meer, hij zag niets meer, hij hoorde +niets meer. Hij werd bestormd door de meest onmogelijke vermenging van +denkbeelden. Alles hoste en klotste in die groote hersenkas en daarbij +voelde hij in het binnenste van zijn wezen iets, alsof daar een afgrond +geboord werd. Toen scheen het hem toe, alsof hij hoog, heel hoog, zeer +hoog.... hooger dan zeer hoog steeg. Die uitdrukking, door Pescadospunt +gebezigd voor de verwijdering der voorwerpen, had hem getroffen. Maar +toen had hij een gevoel alsof men hem gedurende die stijging plotseling +losliet, waarbij hij viel.... viel in zijn eigen maag, dat wil zeggen +in de ledige ruimte. + +Dat was eene ware nachtmerrie. Het rampzalige wezen sprong met +uitgestrekte armen en als verblind van zijn stoeltje op. Nog ééne +seconde, dan zou hij van boven zijn verhevenheid neergevallen zijn. + +„Hé! Kaap Matifou, wat scheelt je toch?” riep Pescadospunt uit, terwijl +hij zijn makker bij de hand greep en er in slaagde, evenwel niet zonder +moeite, om hem achteruit te trekken. + +„Wat? Mij?....” antwoordde de reus geheel beteuterd. „Wat mij +scheelt?....” + +„Ja, u!” + +„Mij scheelt....” zeide Kaap Matifou, terwijl hij zijn denkvermogen +bijeen raapte, een moeilijk werk, hoewel zijne denkbeelden niet zeer +talrijk waren. „Mij scheelt.... anders niets dan dat ik je spreken +moet, Pescadospunt!” + +„Spreek dan, Kaap van mijn hart! en vrees niet dat ge beluisterd zoudt +kunnen worden; want het publiek is weg! Weg! Verstoven!” + +De reus liet zich op zijn stoeltje neervallen en trok met zijn +machtigen arm, maar toch zacht, zeer zacht, alsof hij bang was hem te +breken, zijnen braven makker tot zich. + + + + + + + + +II. + +HET TE WATER LATEN VAN DE TRABUCOLO. + + +„Dus het gaat niet?” begon Kaap Matifou. + +„Wat gaat niet?” + +„De zaken!” + +„Zij konden beter gaan, dat valt niet te betwisten; maar zij konden ook +nog slechter gaan!” + +„Pescadospunt?” + +„Kaap Matifou!” + +„Neem mij niet kwalijk, hetgeen ik je zeggen ga!” + +„Ik zal het je integendeel wel kwalijk nemen, wanneer het dat verdienen +zal!” + +„Welnu.... ge moest mij verlaten,” zei de reus. + +„Wat bedoel je met dat: mij verlaten.... Je in den steek laten?” vroeg +Pescadospunt. + +„Ja!” + +„Ga voort, o Hercules mijner droomen! Ga voort. Waarachtig, je boezemt +me belang in.” + +„Zie,” antwoordde de reus, „ik ben er zeker van, dat wanneer ge alleen +waart, ge er wel komen zoudt.... Ik hinder je, en zonder mij zou +je....” + +„Zeg eens, Kaap Matifou,” antwoordde Pescadospunt ernstig. „Je bent +dik, niet waar?” + +„Ja.” + +„Welnu, hoe dik en hoe lang en hoe groot ge ook wezen moogt, begrijp ik +niet, dat je machtige omvang de domheid heeft kunnen bevatten, die je +daar uitgekraamd hebt.” + +„Waarom dan toch, Pescadospunt?” + +„Omdat die domheid nog dikker, nog grooter is dan jij bent, Kaap +Matifou! Ik zou je verlaten! Jij mijn schoothondje, mijn dierbaar lief +beestje! Maar zeg eens, als ik weg was, met wien zou je je toeren +uitvoeren?” + +„Met wien?....” + +„Wie zou er zijn, die den gevaarlijken sprong op je achterhoofd kon +uitvoeren?” + +„Ja, maar....” + +„Wie zou den toer met „de beenen uit elkander” tusschen je armen kunnen +volbrengen?” + +„Drommels!....” antwoordde de reus, die door die dringende vragen in de +war raakte. + +„Ja.... de beenen uit elkander.... voor een stormachtig opgewonden +publiek.... wanneer er bij toeval publiek aanwezig is!” + +„Een publiek?” mompelde Kaap Matifou. + +„Dus,” hernam Pescadospunt, „houd je mond en laten wij slechts daaraan +denken, dat wij zooveel geld verdienen moeten om heden avond te kunnen +eten!” + +„Ik heb geen honger!” + +„Jij, je hebt altijd honger, Kaap Matifou; dus.... nu heb je ook +honger,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij met zijne beide handen de +kolossale kakebeenen opende van zijn makker, die de verstandskies niet +afgewacht had om zijne twee en dertig tanden voltallig te hebben. „Ik +zie dat aan je oogtanden, die de lengte bezitten van de haken van een +buldog! Je hebt honger, zeg ik je, en als wij nu maar zoo gelukkig zijn +om slechts een halven gulden, kom, slechts een kwartje te verdienen, +dan zal je eten!” + +„Maar jij, kleine Pescadospunt?” + +„Ik, voor mij is een graankorrel genoeg! Ik behoef niet sterk te zijn, +terwijl jij zoonlief.... Volg nu wel mijne redeneering. Hoe meer je +eet, te vetter zal je worden. Hoe vetter je wordt, te meer zal je een +wonderverschijnsel zijn!.... Een wonderverschijnsel, ja....” + +„Ik integendeel, hoe minder ik eet, te meer ik vermager. En hoe meer ik +vermager, te meer word ik ook een wonderverschijnsel op mijne beurt. Is +dat waar of niet?” + +„Dat is waar,” antwoordde Kaap Matifou zoo kinderlijk eenvoudig +mogelijk. „Dus, Pescadospunt, in mijn belang moet ik eten?” + +„Het is zooals gij zegt, mijn dikke vent! In uw belang, terwijl ik in +mijn belang niet moet eten!” + +„Zoodat, wanneer er slechts voor één te eten was....” + +„Dat voor jou zou zijn!” + +„Maar wanneer voorraad voor twee was?” + +„Dan zou die ook voor jou zijn! Wat duivel, Kaap Matifou, je staat wel +twee mannen?” + +„Vier.... zes.... tien!....” riep de reus uit, die inderdaad door tien +mannen niet zou te bedwingen zijn. + +Wanneer wij de overdrijving, zoo eigen aan de Herculessen van den ouden +en van den nieuweren tijd ter zijde laten, dan valt toch als +onomstootelijke waarheid mede te deelen, dat Kaap Matifou het van alle +de worstelaars, die met hem in het strijdperk getreden waren, gewonnen +had. + +Men verhaalde van hem twee stukken, die inderdaad zijn buitensporige +kracht bewezen. + +Op een avond bevond hij zich te Nîmes in een circus, die in hout +opgetrokken was. Een der steunbalken, die de kap van het dak torschten, +bezweek. Een hevig gekraak verschrikte de toeschouwers, die gevaar +liepen onder het vallende dak verpletterd te worden, of zich zelven +dood te dringen, door de poging om langs de smalle uitgangen te +ontsnappen. Maar Kaap Matifou was er! Met één sprong was hij bij den +steunbalk, die reeds uit de loodlijn geweken was, en schraagde hem met +zijne krachtige schouders juist op het oogenblik, dat de dakstoel zou +neerkomen, en dat gedurende den geheelen tijd, die noodig was om de +zaal te ontruimen. Daarna volvoerde hij een vervaarlijken sprong en +stormde naar buiten, juist toen het dak achter hem instortte. + +Dat, dat was eene krachtsontwikkeling der schouders geweest; ziet hier +nu eene van de armen. + +Eens ontsnapte in de vlakte van Camargue een woedende stier uit de +omheining, waarin hij opgesloten was; hij vervolgde en verwondde +verscheidene personen. Zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, zou +hij de grootste ongelukken veroorzaakt hebben. De reus liep op het dier +toe, wachtte het, toen het op hem aankwam, met gestrekte knieën af, +greep het, toen het met voorover gebogen kop op hem losstormde, bij de +hoorns, wierp het met een krachtige armbeweging omver en weerhield het +in dien stand, terwijl het met de vier hoeven in de lucht spartelde, +totdat het overmeesterd, gebonden en buiten staat gesteld was om verder +nadeel te kunnen aanrichten. + +Van die bovenmenschelijke lichaamskracht zouden nog meer bewijzen bij +te brengen zijn. De medegedeelde zijn evenwel voldoende om niet alleen +de spierkracht van Kaap Matifou begrijpelijk te maken, maar ook om een +denkbeeld te geven, van zijn moed en zijne toewijding en +zelfopoffering, daar hij nooit vreesde zijn leven te wagen, wanneer het +gold zijn evenmensch te hulp te komen. Hij was dus een even goedhartig +wezen als hij sterk was. Evenwel om niets van zijne spierkracht te +verliezen, moest de reus, zooals Pescadospunt herhaaldelijk verzekerde, +eten, en zijn makker noodzaakte hem daartoe en leed zelf gebrek, +wanneer er slechts voor één zelfs voor twee voorraad was. Dien avond +evenwel verscheen het avondmaal—voor een zelfs—niet aan den +gezichteinder. + +„Er zijn nevelen aan de kim,” zeide Pescadospunt herhaaldelijk. + +En om die nevelen te verdrijven, hervatte die edele kerel zijne +geestigheden en zette potsierlijke gezichten. Hij liep zijne +verhevenheid op en neer, hij draaide rechts en links, hij ontwrichtte +zijne heupen, hij liep op zijne handen als hij dat niet op zijne voeten +deed. Volgens eene zijner wijsgeerige opmerkingen, had men minder +honger, wanneer men met het hoofd omlaag heen en weer wandelde. Hij +herhaalde in zijn eigenaardig bargoens, dat half uit Provençaalsche, +half uit Slavonische uitdrukkingen bestond, die eeuwige grappen, die +net zoo lang gebruikelijk zullen zijn als een pailjas zal bestaan, om +ze aan de menigte van leegloopers en maangapers toe te schreeuwen en +zoo lang als die leegloopers zullen samenstroomen om ze aan te hooren. + +„Treedt binnen, heeren, treedt binnen!” riep Pescadospunt. „Men betaalt +slechts, wanneer men de tent verlaat, en.... dan nog maar de +kleinigheid van een kreutzer!” + +Maar om de tent te kunnen verlaten, moest men haar eerst binnentreden, +en geene der vijf of zes personen, die voor de geschilderde zeilen +stonden te lanterfanten, scheen tot het besluit te kunnen komen om +binnen te treden. + +Toen wees Pescadospunt met trillenden stok op de merkwaardigheden, die +op dat zeildoek geschilderd stonden. Niet dat hij eene diergaarde aan +het publiek te vertoonen had! Neen! Die schrikwekkende beesten leefden +ergens in den achterhoek van Afrika of van Indië. Maar.... wanneer Kaap +Matifou hen ooit mocht ontmoeten, dan zou hij er slechts een hap van +maken. + +En daarop volgden de gewone kluchten, die door den reus met zware +slagen op de groote trom, die als kanonschoten weerklonken, afgebroken +werden. + +„De hyena, heeren! Ziet hier de hyena! Hij is afkomstig van de Kaap de +Goede Hoop. Het is een vlug en bloeddorstig dier. Hij springt de +ringmuren der kerkhoven over en zoekt daar zijn prooi!” + +En naar eene andere zijde van het geschilderde doek wijzende, waarop +een geelachtig water te midden van blauwe en groene grassoorten +afgebeeld was. + +„Ziet hier! Een jeugdige en belangwekkende neushoorn, die slechts +vijftien maanden oud is! Dat dier werd op Sumatra geboren en opgevoed, +waar het met zijn schrikkelijken hoorn het vaartuig gedurende den +overtocht in gevaar bracht van te stranden!” + +Daarna op een groenachtigen hoop beenderen van rampzalige slachtoffers +op den voorgrond wijzende: + +„Ziet, heeren, ziet! De schrikkelijke leeuw van den Atlas. Hij bewoont +het innerlijke van de Sahara! In het brandende zand van de woestijn! Op +het oogenblik van de tropische hitte, kruipt hij in rotsholen! Als hij +eenige druppels water vindt, dan stort hij er zich in en komt er +druipstaartend uit!” + +Maar al dat aanmoedigende redenaarstalent liep gevaar geheel nutteloos +te worden uitgekraamd. Pescadospunt schreeuwde als een bezetene, maar +te vergeefs. En te vergeefs sloeg Kaap Matifou op de groote trom, alsof +hij het vel wilde stuk slaan! + +Het was wanhopig! + +Eindelijk bleven toch verscheidene Dalmatiërs, stevige bergbewoners, +stilstaan, om, zooals het scheen, den athleet Kaap Matifou met +bewondering te aanschouwen. + +Dadelijk meende Pescadospunt een middel gevonden te hebben. Hij wilde +die brave lieden tot een worstelstrijd uitdagen. + +„Treedt binnen, heeren! Treedt binnen! Het oogenblik is gekomen! Groote +worstelstrijd van man tegen man! De strijd zal met geopende hand plaats +vinden! De schouders moeten elkander raken! Kaap Matifou neemt op zich +om al de liefhebbers te overwinnen, die hem de eer willen aandoen zich +met hem te meten! Een katoenen zwembroekje zal de eereprijs zijn voor +zijn overwinnaar! Zult gij dat zijn, heeren?” + +Die vraag werd gedaan aan drie kolossale boeren, die hem met domme +verbaasde oogen aankeken. + +Maar die kolossale boeren hadden geen lust om zich aan dien +worstelstrijd, die toch zeer eervol voor de beide tegenstanders zou +geweest zijn, te onderwerpen. Pescadospunt ging toen tot de +aankondiging over, dat bij gebrek aan liefhebbers de strijd toch zou +plaats hebben, maar nu tusschen Kaap Matifou en hem. Ja, waarlijk! De +behendigheid zou zich meten met de kracht! + +„Treedt binnen, heeren. Treedt dan toch binnen! Volgt elkaar maar!” +riep de arme Pescadospunt met eene kracht, alsof hij zijne longen +verscheuren wilde. „Gij zult hier zien, wat gij nog nimmer gezien hebt! +Een gevecht van Pescadospunt met Kaap Matifou! Een strijd tusschen de +twee Provençaalsche tweelingen!.... Ja.... tweelingen!.... natuurlijk +niet even oud.... ook niet uit dezelfde moeder geboren.... Maar wij +zijn tweelingen!.... Kijk maar, hoe wij elkander gelijken!.... Wij zijn +even dik!.... Ik vooral!” + +Een jongmensch was voor de tent blijven stilstaan en hoorde alle die +oudbakken aardigheden met den grootsten ernst aan. + +Die jongeling was hoogstens twee en twintig jaren oud en had eene +gestalte, die weinig meer dan eene middelmatige was. Zijne fraaie +gelaatstrekken schenen vermoeid door den arbeid, zijn geheel uiterlijk +ademde ernst en duidde op eene nadenkende geaardheid. Het kon wel zijn, +dat die man veel ondervinding in de lijdensschool had opgedaan. Zijne +groote zwarte oogen, zijn baard, dien hij vol maar kort afgeknipt +droeg, zijn mond, die de plooi van een glimlach niet had, maar die +fijntjes onder een nog fijner geteekenden knevel uitkwam. Dat alles +duidde op eene Hongaarsche afkomst, op eene afkomst, waarin het +Magyaarsche bloed voortheerschte. Hij was zeer eenvoudig gekleed in een +modern kostuum, zonder evenwel den schijn op zich te laden een modegek +te wezen. Zijn uiterlijk liet geen twijfel over: in dien jongeling was +de man reeds aanwezig! + +Hij luisterde, zooals reeds gezegd is, naar de nuttelooze geestigheden +van Pescadospunt. Hij zag niet zonder weemoed zijne bewegingen op die +verhevenheid. Hij had zelf veel geleden en ongetwijfeld was hij niet +ongevoelig voor het lijden van anderen. + +„Het zijn twee Franschen!” mompelde hij. „Arme drommels! Zij beuren +heden niets.” + +Toen kwam de gedachte bij hem op om geheel alleen een publiek +toeschouwers daar te stellen, alleen een betalend publiek te willen +zijn. Dat zou niets anders dan eene aalmoes, maar toch eene bedekte, +eene verborgen aalmoes zijn; en het was zeer waarschijnlijk dat die van +pas zou komen. Hij trad dus op de deur toe, dat wil zeggen op de +opening der tent, die door het ophouden van een hoek van het zeildoek +gevormd werd. + +„Treed binnen, mijnheer! Treed binnen! Men begint dadelijk!” + +„Maar.... ik ben alleen....” merkte het jongmensch met de meest +mogelijke welwillendheid in zijne stem op. + +„Mijnheer!” antwoordde Pescadospunt met koddige fierheid op, „ware +kunstenaars letten meer op de qualiteit dan op de quantiteit der +toeschouwers!” + +„Gij zult mij middelerwijl veroorloven?” zei de jongeling, terwijl hij +zijne beurs uithaalde. + +Hij nam twee gulden daar uit, die hij in den tinnen schotel neerlei, +die in een hoek der verhevenheid stond. + +„Een edel hart!” mompelde Pescadospunt. + +En zich tot zijn makker wendende: + +„Kom, vooruit, Kaap Matifou! Vooruit! Wij zullen hem voor zijn geld +bedienen!” + +Maar ziet, juist op het oogenblik van binnen te zullen treden, +ontwaarde de eenige bezoeker van de Fransche en Provençaalsche tent een +jong meisje, dat in gezelschap van haren vader een kwartier vroeger was +blijven stilstaan voor de groep guzlas-zangers. Die jongeling en dat +jeugdige meisje waren, zonder dat zij het wisten, door een en dezelfde +gedachte bewogen om een liefdewerk te volvoeren. De eene had eene +aalmoes gewijd aan die straatzangers, de andere aan deze acrobaten. + +Maar ongetwijfeld was deze ontmoeting den jongman niet voldoende; want +hij vergat, zoodra hij het lieve kind bespeurde, zijne rol van +toeschouwer, alsook den prijs, dien hij betaald had, en stoof den kant +uit, waar de liefelijke verschijning zich in de menigte verloor. + +„Hé, mijnheer!.... mijnheer!....” riep Pescadospunt. „En uw geld +dan?.... Wat drommel, dat hebben wij niet verdiend!.... Maar waar is +hij?.... Verdwenen!.... Hé, mijnheer!....” + +Maar hij poogde te vergeefs „zijn publiek”, dat weggeloopen was, te +ontwaren. Daar nu bekeek hij Kaap Matifou, die niet minder +verbouwereerd was dan hij, en met open mond stond te kijken. + +„Juist op het oogenblik, dat wij zouden beginnen,” zei eindelijk de +reus. „Waarachtig, wij hebben geen geluk.” + +„Laten wij toch maar beginnen,” zei Pescadospunt, terwijl hij het +trapje afklom, dat naar de verhevenheid voerde. + +Zoo zouden zij, door slechts voor de ledige banken—die er trouwens ook +niet waren—te spelen, ten minste het ontvangen geld verdienen. + +Maar in dat oogenblik ontstond een hevig rumoer op de kaden der haven. +De menigte scheen eene beslist aangeduide beweging te volgen, die haar +naar den kant van de zee voerde, en de woorden, die door honderd, door +duizend monden herhaald werden, weerklonken: + +„De Trabucolo!.... de Trabucolo!” + +Het oogenblik was inderdaad gekomen, dat het kleine vaartuig te water +zou gelaten worden. Dat schouwspel is altijd aantrekkelijk en steeds +van dien aard om de publieke nieuwsgierigheid op te wekken. Het plein +en de kaden, waarop de menigte zich een oogenblik te voren verdrong, +waren weldra verlaten en alles stroomde naar de scheepstimmerwerf, waar +de handeling zou plaats hebben. + +Pescadospunt en Kaap Matifou begrepen dat er ten minste in het eerste +halfuur niet meer op publiek te rekenen viel. Zij waren daarenboven +uiterst begeerig om den eenigen toeschouwer die op het punt was geweest +om hunne tent binnen te treden, terug te vinden. Zij verlieten hun hok +dan ook, zonder het te sluiten,—waarom ook te sluiten, er was niets weg +te nemen?—en gingen naar den kant van de werf. + +Die scheepstimmerwerf was aan het uiteinde van eene landspits buiten de +havenkom van Gravosa, op een hellend terrein gelegen, dat door de +branding als met eene zilveren franje van verblindend wit schuim +omgeven werd. + +Pescadospunt en Kaap Matifou baanden zich een weg met hunne ellebogen +en slaagden er in een plaatsje in de eerste rijen der toeschouwers te +veroveren. Zoo had zich nimmer, zelfs bij benefietvoorstellingen de +menigte voor hunne tent verdrongen! Ja, de kunst ontaardde! zoo +verklaarden zij. + +De Trabucolo was reeds van de zijstelten bevrijd, die hare flanken +steunden, en was gereed om de helling af te loopen. Het anker hing ter +gewenschter plaats; het zou voldoende zijn om het te laten vallen, +wanneer de romp te water zoude zijn, ten einde de vaart te temperen, +die het scheepje te ver in het havenkanaal zou kunnen voeren. Hoewel de +Trabucolo slechts een vijftig tonnen meette, was het toch een zoo +aanzienlijk gevaarte, dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen moesten +genomen worden. Twee werklieden der helling stonden op het dek van het +achterschip bij den stok, waaraan de Dalmatische vlag woei, terwijl +twee anderen op het voorschip klaar bij het anker stonden. + +Het was achteruit, zooals gewoonlijk bij dergelijke operatiën +geschiedde, dat de Trabucolo te water zoude glijden. Haar kiel rustte +op de met zeep besmeerde helling en werd nog slechts tegengehouden door +het sluitstuk. Het was voldoende dat dit weggenomen werd, om de +afglijding te doen plaats hebben; daarna zou de snelheid door de in +beweging gebrachte massa aangroeien en het kleine vaartuig zou van zelf +naar zijn natuurlijk element toeijlen. + +Reeds waren een half dozijn timmerlieden, met ijzeren knodsen gewapend, +bezig met het inslaan van wiggen, die onder de kiel van het voorschip +aangebracht werden, om het een weinig op te tillen om zoo nog meer +helling te verkrijgen, ten einde het afglijden naar de zee te +vergemakkelijken. + +Een ieder volgde dien arbeid, te midden eener algemeene en diepe +stilte, met de levendigste belangstelling. + +Juist in dat oogenblik verscheen bij de ombuiging van de landspits, die +in het zuiden de havengang van Gravosa dekte, een pleizierjacht. Het +was een goelet, die ongeveer drie honderd vijftig tonnen inhoud kon +meten. Dat vaartuig poogde, door te laveeren, den kant, waarop de +scheepstimmerwerf lag, te boven te komen, om zoo den haveningang open +te krijgen. Daar de bries uit het noordwesten woei, liep het jacht +scherp bij den wind, bakboord overhellende, en stuurde zoodanig, dat +het slechts af te houden had, om op de gewilde ankerplaats te komen. +Binnen tien minuten zou dat vaartuig in de onmiddellijke nabijheid +gekomen zijn. Het werd al grooter en grooter voor het oog, alsof men +het door een verrekijker bekeek, waarvan de buis door eene langzame +maar gestadige beweging uitgeschoven werd. + +Nu moest de goelet, om de haven binnen te kunnen loopen, voorbij de +scheepshelling stevenen, alwaar het te water laten van de Trabucolo +voorbereid werd. Zoodra zij dan ook geseind werd, werd het raadzaam +geacht, om ieder ongeval te voorkomen, de handeling uit te stellen. Men +zou haar voortzetten, wanneer het vaartuig voorbij gestevend zoude +zijn. Eene aanvaring tusschen die beide vaartuigen, waarvan het een +dwars voor het andere, dat met alle snelheid vooruitschoof, gekomen zou +zijn, zou voorzeker noodlottig voor het jacht moeten uitvallen. + +De werklieden hielden dus op met tegen de wiggen te slaan, en de man, +die bij het sluitstuk stond, kreeg bevel om nog te wachten. Dat was dus +een uitstel van slechts weinige minuten. + +De goelet naderde intusschen snel. Men kon reeds met het bloote oog de +voorbereidselen van het ten anker gaan waarnemen. De beide kluivers +werden ingenomen en men had den schoot van het grootzeil opgegeid, +terwijl het fokkezeil weggenomen werd. Maar de snelheid, waarmede het +vaartuig voortdreef, was nog vrij groot. + +Ieders blik was op dat bevallig scheepje gevestigd, waarvan de nog +bijstaande zeilen door de schuine stralen der zon als verguld werden. +De matrozen verrichtten hun werk aan boord in hun Levantijnsch pak, met +de roode muts op het hoofd; terwijl de kapitein op het achterschip bij +den man aan het roer stond, en vandaar kalm en waardig zijne bevelen +gaf. + +Weldra bevond zich het jacht, waaraan niet meer plaats overbleef dan +noodig was om den slag te maken, die het tot voorbij de landspits, +welke de haven dekte, moest brengen, dwars van de sleephelling. + +Plotseling weerklonk een schrikkelijke kreet. De Trabucolo was in +beweging geraakt. Door de een of andere oorzaak was het sluitstuk uit +zijne sponning gesprongen en bewoog het schip zich juist op het +oogenblik, dat het jacht zijne stuurboordzijde aanbood. + +De botsing tusschen de beide vaartuigen scheen dus onvermijdelijk. Tijd +en middelen, om haar te beletten, ontbraken. Er viel niets te doen. Op +het geschreeuw van de toeschouwers antwoordde een kreet van schrik, +door de bemanning van de goelet geslaakt. + +De kapitein, die zijne koelbloedigheid niet verloor, deed het roer te +boord leggen, maar het was onmogelijk dat het vaartuig vlug genoeg zou +kunnen wenden of voorbijschieten, om den schok te vermijden. + +Want inderdaad, de Trabucolo gleed van de helling. Een witte rook, door +de sterke wrijving veroorzaakt, werd bij den voorsteven waargenomen, +terwijl de achtersteven reeds in het water der baai dook. + +Plotseling sprong een man vooruit. Hij greep een eind touw, dat aan het +voorschip afhing. Maar te vergeefs poogde hij het vaartuig te +weerhouden door zich, op gevaar af van meegesleept te worden, tegen den +grond te stutten. + +Er stond een ijzeren kanonstuk, dat als meerpaal gebruikt werd, in den +grond geplant. In een oogwenk is het om dat kanon geslagen en viert +langzaam af, terwijl de man het touw weerhoudt op gevaar van gegrepen +en verpletterd te worden. Hij spande alle krachten in; de spieren +zijner armen en beenen zwollen als koorden op. Hij weerstond den +aandrang met bovenmenschelijke kracht. Dit duurde tien seconden. + +Maar toen brak, toen knapte de tros. Maar die tien seconden waren +voldoende. De Trabucolo had de wateren der baai bereikt, dook onder, +maar richtte zich weer op met eene beweging alsof zij stampte. Zij +snelde naar den ingang der haven en stoof rakelings—op geen voet +afstand—den achterspiegel der goelet voorbij, stevende voort totdat het +anker in den grond viel, deed haren ketting strak loopen en stuitte zoo +de vaart. + +De goelet was gered! + +Die man, wien niemand, door gebrek aan tijd—zoo bliksemsnel en +onverwacht was alles in zijn werk gegaan—te hulp had kunnen komen, was +de heldhaftige Kaap Matifou. + +„Mooi!.... zeer mooi zoo!” riep Pescadospunt uit, terwijl hij op den +reus toetrad. + +Deze nam hem op, niet om met hem toeren te verrichten, maar om hem te +omhelzen, zooals hij dat slechts doen kon, namelijk tot stikkens toe. + +Toen barstten van alle kanten toejuichingen en handgeklap los. De +geheele menigte verdrong zich om dien Hercules, die niet minder +bescheiden was dan de befaamde uitvoerder van de twaalf kunststukken +uit de fabelleer en niets omtrent die geestdrift van het publiek +begreep. + +Vijf minuten later was de goelet op hare ankerplaats te midden van de +havenkom aangekomen. Daarna zette een sierlijke sloep, door zes +roeiriemen bewogen, den eigenaar van dat jacht op de kade aan wal. + +Dat was een man van hooge gestalte, ongeveer vijftig jaren oud, met +schier witte haren en grijzenden baard, welke laatste op Oostersche +wijze geknipt was en gedragen werd. Groote zwarte vragende oogen, die +eene bewegelijke ziel aanduidden, verlevendigden zijn gelaat, dat wel +ietwat door de zon gebruind was, maar regelmatige en schoone trekken +vertoonde. Wat vooral dadelijk trof, dat was dat adellijk uiterlijk, +hetwelk zelfs van grootheid getuigde, die zijn geheele persoon +uitstraalde. Zijne scheepskleeding, een donkerblauwe pantalon, een +pijjakker van dezelfde kleur maar met blinkende knoopen versierd, een +zwarte ceintuurband, die hem het middel onder den pijjakker omsloot, +zijn lichte hoed van bruin linnen vervaardigd, dat alles stond hem goed +en liet een krachtig lichaam uitkomen, dat, uitmuntend gevormd, nog +niet door den ouderdom aangetast was. + +Zoodra die persoon, waarin men voelde dat een geestkrachtvolle en +machtige geest huisde, voet aan wal gezet had, stapte hij op de beide +acrobaten toe, die nog steeds door de menigte omringd en toegejuicht +werden. + +Men drong op zijde om voor hem plaats te maken. + +Toen hij nabij Kaap Matifou gekomen was, was zijn eerste gebaar niet om +zijne beurs te voorschijn te halen en daaruit eene rijke aalmoes te +nemen! Neen! hij reikte den reus de hand en sprak tot hem in het +Italiaansch: + +„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!” + +Kaap Matifou was waarachtig geheel onthutst over zooveel eer voor zulk +eene geringe daad. + +„Ja!.... het was mooi!.... het was prachtig, Kaap Matifou,” vulde +Pescadospunt met de helder klinkende stembuiging van zijn Provençaalsch +dialect aan. + +„Zijt gijlieden Franschen?” vroeg de vreemdeling. + +„Zoo Fransch mogelijk!” antwoordde Pescadospunt niet zonder trots. +„Franschen uit het zuiden van Frankrijk!” + +De vreemdeling bekeek hen met waarachtige ingenomenheid, die met eenige +aandoening vermengd was. Hunne ellende was te klaarblijkelijk om zich +te kunnen vergissen. Hij zag daar wel degelijk twee arme kunstenaars +voor zich staan, waarvan een hem met groot gevaar van zijn leven, een +belangrijken dienst bewezen had, want eene botsing tusschen de +Trabucolo en de goelet, zou rampvol geweest zijn en vele slachtoffers +gemaakt hebben. + +„Komt mij aan boord opzoeken,” zei hij hen. + +„Wanneer het u schikt, Prins!” antwoordde Pescadospunt, terwijl de +beminnelijkste glimlach, dien hij te voorschijn tooveren kon, zijne +lippen krulde. + +„Morgen ochtend, zoo vroeg mogelijk.” + +„Zoo vroeg mogelijk! Wij zullen er zijn!” antwoordde Pescadospunt, +terwijl Kaap Matifou zijn kolossaal hoofd slechts op en neer bewoog ten +teeken dat ook hij instemde. + +Intusschen bleef de menigte den held van dit avontuur steeds omringen. +Zij zou hem ongetwijfeld in triomf rondgedragen hebben, waren de meest +vastberadenen en de stevigsten niet afgeschrikt geweest door zijn +gewicht. Maar Pescadospunt, die steeds bij de pinken was, meende dat +het juiste oogenblik gekomen was, om de gunstige stemming van zoo’n +publiek te benuttigen. Zoodra dan ook de vreemdeling, na hun nogmaals +de hand toegestoken en met een vriendelijk gebaar toegewuifd te hebben, +naar de kade gestapt was, riep hij met zijne guitige en aantrekkelijke +stem: + +„De worsteling, heeren! De worsteling tusschen Kaap Matifou en +Pescadospunt. Treedt binnen, heeren, treedt binnen!... Men betaalt +slechts bij het heengaan of bij het binnenkomen, naar ieders +verkiezing!” + +Dien dag was de tent veel te klein! Men moest menschen afwijzen! Men +moest die hun geld teruggeven! + +Wat den vreemdeling betrof, nauwelijks had deze eenige schreden in de +richting van de kade gedaan, toen hij zich plotseling voor het jonge +meisje en haren vader bevond, die dat geheele tooneel bijgewoond +hadden. + +De jongeman, die hen op eenigen afstand gevolgd was en wiens groet door +den vader slechts uit de hoogte beantwoord was, hield zich op een +zekeren afstand. De vreemdeling had gelegenheid dat op te merken. + +Toen deze zich in de tegenwoordigheid van dien man bevond, ondervond +hij een gevoel, waarvan hij de uiting ter nauwernood kon bedwingen. Het +was een gevoel van afkeer voor dien persoon, hetwelk hem beheerschte, +en onwillekeurig schitterde een dreigende bliksemstraal in zijn oog. + +Die man, de vader van het jonge meisje, naderde hem en zeide zeer +beleefd: + +„Gij zijt, dank zij den moed van dien acrobaat, aan een groot gevaar +ontkomen, mijnheer!” + +„Inderdaad, mijnheer!” antwoordde de vreemdeling, wiens stem, willens +of onwillens, eene onbedwingbare ontroering te kennen gaf. + +En zich tot den vader wendende, vroeg hij: + +„Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?” + +„Ik ben Silas Toronthal van Ragusa,” antwoordde de gewezen bankier van +Triëst. „Mag ik op mijne beurt weten, wie de eigenaar is van dat fraaie +pleiziervaartuig?” + +„Ik ben dokter Antekirrt,” antwoordde de vreemdeling. + +Beiden wisselden een groet en gingen in verschillende richtingen huns +weegs, terwijl het gejuich en het handgeklap in de tent der Fransche +acrobaten bleef aanhouden. + +Dien avond at Kaap Matifou niet alleen naar volle genoegen, dat wil +zeggen dat hij voor vier personen verslond, maar er bleef ook nog een +portie over. En die was voldoende voor het avondmaal van zijnen braven +kleinen makker, voor Pescadospunt. + + + + + + + + +III. + +DOKTER ANTEKIRRT. + + +Er zijn menschen, die de Faam wel de handen vol te doen geven. Toch is +zij eene ware orchest-vrouw met honderd monden, die den gewilden naam +door haar trompetten aan de vier hoeken der aarde verkondigen. + +Een zoodanige was dokter Antekirrt, die zoo even in de haven van +Gravosa aangekomen was. Er was omtrent hem in dat legendarische +Oosterland een zeker geheimzinnig verhaal ontstaan. In Azië, van de +Dardanellen af tot aan het Suezkanaal; in Afrika van Suez af tot aan de +uiterste grenzen van Tunis; in de Roode zee, langs de geheele Arabische +kuststrook, werd zijn naam genoemd en herhaald als die van een +buitengewoon man, zeer ervaren in de natuurkundige wetenschappen, als +van een soort alweter, een „taleb”, die in de uiterste geheimen van al +het geschapene gedrongen was. In den bijbelschen tijd, of beter in den +tijd van de Tale Canaäns, zou hij Epiphanes geheeten hebben. In de +omstreken van den Euphrates zou men hem voor een afstammeling van de +oude Perzische wijzen gehouden hebben. + +Welke overdrijving heerschte er bij die beroemdheid? Al de +overdrijving, die van een Perzischen wijze een toovenaar wil maken; al +de overdrijving, die een geleerd man tot een bovenmenschelijk wezen wil +verheffen. Ja, de waarheid is, dat dokter Antekirrt slechts een mensch, +niets anders dan een mensch was, die wel is waar, gezonde en degelijke +geestvermogens en een helder doorzicht bezat, die zeer oordeelkundig en +met een bewonderenswaardig scherpen blik begaafd was, maar die ook door +de omstandigheden buitengewoon voortgeholpen was. Zoo was het hem in +een der binnenprovinciën van Klein-Azië gelukt de geheele bevolking +tegen een schrikkelijke ziekte, die voor zeer besmettelijk gehouden +werd en waarvoor hij het geneesmiddel gevonden had, te beveiligen. +Vandaar zijne onvergelijkelijke beroemdheid. + +Wat er vooral toe bijdroeg om hem die beroemdheid te verleenen, was het +ondoordringbare geheimzinnige, waarin zijn persoon gehuld was. Vanwaar +kwam hij? Dat wist niemand. Wat wist men omtrent zijn verleden? Niets. +Waar en onder welke omstandigheden had hij geleefd? Niemand kon daar +antwoord op geven. Men bevestigde slechts, dat die dokter Antekirrt om +zoo te zeggen aangebeden was door de bevolkingen van Klein-Azië en van +Oost-Afrika, dat hij doorging voor een knappen geneesheer, wiens +buitengewone genezingen indruk hadden gemaakt tot bij de beroemdste +wetenschappelijke vereenigingen van Europa; dat hij zijne zorgen zoowel +aan de armste lieden als aan de rijken en machtigen der aarde wijdde. +Men had hem evenwel nimmer in de landstreken van het Westen gezien en +zelfs was men sedert eenige jaren geheel en al onbekend met de plaats +van zijn verblijf. Vandaar de neiging om hem van den een of anderen +geheimzinnigen „avatar” te doen afstammen, om hem als het product van +den een of anderen Hindoeschen god te beschouwen, om er een +bovenaardsch wezen van te maken, die door bovennatuurlijke middelen kon +genezen. + +Maar al had dokter Antekirrt zijne kunst nog niet in de voornaamste +staten van Europa uitgeoefend, zoo was zijn roem hem daar toch +vooruitgesneld. Hoewel hij te Ragusa slechts als gewoon reiziger +aangekomen was, als vermogende toerist, die met zijn jacht rondreisde +om de voornaamste plaatsen, aan de Middellandsche zee gelegen, te +bezoeken, zoo had zich zijn naam toch dadelijk door de stad verbreid. +In afwachting dan ook, dat men den dokter, zelf zou kunnen aanschouwen, +had de goelet middelerwijl veel bekijks. Het gevaar, dat door den moed +van Kaap Matifou afgewend was, zou trouwens voldoende geweest zijn om +de algemeene aandacht op te wekken. + +Inderdaad, dat jacht zou zelfs den meest rijken, den meest +prachtlievenden gentleman van de zeilvereenigingen van Amerika, van +Engeland en Frankrijk eer aangedaan hebben! Zijne beide masten stonden +rechtop en dicht bij het midden van het vaartuig geplaatst, hetgeen +veroorloofde eene groote ontwikkeling aan het grootzeil en aan het +fokkezeil te geven. De lengte van zijn boegspriet, die twee kleine +kluivers voerde, de afmeting der vierkante zeilen, die aan den +fokkemast aangeslagen waren, de hoogte der stengen en de geheele +inrichting van het want moesten hem eene bewonderenswaardige snelheid +bij iedere weersgesteldheid verleenen. Die goelet meette drie honderd +vijftig tonnen. Zij was lang en rank, had eene gunstige ronding en +verhief zich bevallig boven de waterlijn. Zij had diepgang genoeg om +rustig op het watervlak te liggen. Het was wat men noemde een +zeewaardig vaartuig, dat nauwkeurig naar den wil van den stuurman +luisterde, en tot vier streken scherp bij den wind kon zeilen. Hetzij +de goelet met volle zeilen, hetzij zij in den wind opliep, zij was +niets verlegen, om, wanneer er een hevige bries woei, hare dertien en +een halve mijl in de wacht af te leggen. + +De Boadice, de Gaëtana, of de Mordon, die beroemde Engelsche +pleiziervaartuigen, zouden het onderwerpelijke jacht niet de loef +afgestoken hebben bij eene internationale match. + +Wat de uiterlijke en innerlijke fraaiheid van het jacht betrof, de +meest-eischende sportsman zou niets beter hebben kunnen uitdenken. Zijn +hagelwit dek was van Canadeesche pijnboomenbalkjes zonder kwasten +vervaardigd; het innerlijke van het vaartuig was met ware +schrijnwerkersvaardigheid afgewerkt. De kappen, de trappen en de +paneelen waren van djattihout en met gepolijst koperen banden versierd, +die als goud blonken; het beeldhouwwerk van het stuurrad was keurig, +terwijl de blokken van mahoniehout scherp afstaken bij de masten, +welker onderdeel in wit geverfde omhulsels geborgen was, en bij het +touwwerk van het want, dat van gegalvaniseerd ijzerdraad vervaardigd +was, en bij de helderwitte sloepen, die rank en bevallig in de davids +hingen. Dat alles deed een ontwikkelden smaak en eene volmaakte +sierlijkheid uitkomen. + +Het is noodig, dat wij het innerlijke van dat jacht zoowel als het +uiterlijke leeren kennen, daar het toch het drijvende verblijf was van +den geheimzinnigen persoon, die de held van het verhaal zal uitmaken. +Het was evenwel niet toegankelijk voor bezoekers. Maar de +romanschrijver is als het ware met een soort helderziendheid behebt, +die hem veroorlooft zelfs datgene te beschrijven, wat hij nooit gezien +heeft. + +In het innerlijke van die goelet dong de weelde met de gemakzucht om +den voorrang. De vertrekken en de hutten, de salons, de eetzaal, die +allen waren kostbaar en zeer fraai geschilderd. De kleeden, de +draperiën, in een woord alles wat tot het ameublement behoorde, was +uiterst kunstvaardig tot die pleizierscheepvaart aangewend. De +welbegrepen inrichting werd niet alleen in de vertrekken van den +kapitein en der scheepsofficieren aangetroffen, maar ook in de +bergplaats van het komaliewant, waarin het zilverwerk en het +porceleinen tafelgoed tegen het slingeren en stampen van het vaartuig +beveiligd lagen; ook in de keuken of kombuis, waarin eene Hollandsche +reinheid heerschte, en in het vooruit, waar de hangmatten der bemanning +ruimte genoeg hadden om ongehinderd heen en weer te wiegelen. De +bemanning telde een twintigtal matrozen, die het bevallige kostuum van +de Maltheser zeelieden droegen, korte broek met zeelaarzen, gestreept +hemd, bruine gordel, roode muts en blauwe pijjakker, waarop de +beginletters van den naam van de goelet en van haar eigenaar in het wit +gekarteld waren. + +Maar tot welke haven behoorde dat jacht? Waar was de monsterrol +afgeteekend? In welke plaats van de Middellandsche zee werden de +winterkwartieren betrokken? Tot welke nationaliteit behoorde dat +vaartuig ten slotte? Men wist daaromtrent evenmin iets als omtrent de +nationaliteit van den dokter. Een groene vlag met rood kruis in den +bovenhoek wapperde aan de gaffel. Men zou die vlag te vergeefs gezocht +hebben onder de zoo talrijke vlaggen, die langs de zeeën van den +geheelen aardbol zwerven. + +In ieder geval, vóórdat dokter Antekirrt voet aan wal gezet had, waren +de scheepspapieren aan den havenmeester overhandigd en door dezen +ongetwijfeld in orde bevonden, daar de reiziger verlof gekregen had om, +nadat de geneeskundige zeedienst zijn bezoek aan boord gebracht had, +vrijelijk naar den wal te gaan. + +Wat den naam van de goelet betrof, die prijkte in gulden letters op een +schild aan den spiegel aangebracht. Die naam, die niets omtrent de +haven van herkomst meldde, was Savarena. + +Dat was het bewonderenswaardige pleiziervaartuig, dat men thans in de +haven van Gravosa bewonderen kon. Pescadospunt en Kaap Matifou, die den +volgenden morgen door dokter Antekirrt aan boord ontvangen zouden +worden, bekeken het met de meeste nieuwsgierigheid, maar zelfs met meer +ontroering dan de overige zeelieden van de havenplaats. In hunne +hoedanigheid van inboorlingen van de Provence, waren zij uiterst +gevoelig voor alles wat zeeaangelegenheden betrof. Pescadospunt vooral, +die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte, was verrukt. +De beide vrienden brachten den geheelen avond na hunne voorstelling +daarmede door. + +„Ah,” zei Kaap Matifou. + +„Ho!” antwoordde Pescadospunt. + +„Hè! Wat zeg je er van, Pescadospunt?” + +„Ik zeg er niets van, Kaap Matifou!” + +„Maar je denkt er het jouwe van, niet waar?” + +En dat gesprek, hetwelk meer op bewondering uitdrukkende +tusschenwerpsels in den mond van die twee armoedige acrobaten geleek, +had grooter beduidenis dan menige lange redevoering. + +Alle de manoeuvres, die het ten anker gaan opvolgen, waren aan boord +van de Savarena geëindigd: de zeilen waren geborgen en op de ra’s +bevestigd, het tuig en touwwerk was op zijne plaats en met zorg strak +gezet, de zonnetent was over het achterdek uitgestrekt enz. De goelet +was in een hoek van de havenkom ten anker gebracht, hetgeen aanduidde, +dat zij er op rekende het verblijf van eenigen duur te doen zijn. + +Overigens vergenoegde dokter Antekirrt zich met het maken van eene +eenvoudige wandeling in den omtrek van Gravosa. Terwijl Silas Toronthal +met zijne dochter in hun rijtuig, dat hen op de kade gewacht had, naar +Ragusa terugkeerde, en terwijl de jonkman, waarvan hierboven sprake +was, door de groote laan derwaarts wandelde, bezocht de dokter de +haven. Dat is een der besten van de kust en op dat tijdstip bevond zich +daarin een vrij groot aantal vaartuigen van verschillende +nationaliteiten. + +Na de stad verlaten te hebben, volgde hij de oevers van de baai van +Ombla Fiumera, die een bocht vormt van twaalf mijlen uitgestrektheid, +tot aan de monding van de kleine Ombla rivier, die diep genoeg is om +vaartuigen zelfs van grooten diepgang te veroorlooven haar op te varen +tot bij den voet van het Vlastizagebergte. Hij kwam tegen negen uren op +den havendam terug en woonde de aankomst van een groote pakketboot van +den Oostenrijkschen Lloyd bij, die van de Indische zee aankwam. +Eindelijk keerde hij naar boord terug, begaf zich naar zijn vertrek, +hetwelk door twee lampen verlicht was en bleef tot den volgenden +ochtend alleen. + +Dat was zoo zijne gewoonte en de kapitein van de Savarena—een zeeman +van ongeveer veertig jaren oud, die Narsos heette—had order om den +dokter nimmer in die uren van eenzaamheid te storen. + +Hier moet bij verteld worden, dat noch de officieren noch de bemanning +iets afwisten van het verleden van dien persoon. Toch waren zij hem met +ziel en lichaam toegewijd. Al gedoogde dokter Antekirrt geen enkele +inbreuk op den tucht aan boord, zoo was hij toch goed voor allen en +verleende zijne hulp en gaf zijn geld uit zonder tellen. Ieder matroos +trachtte dan ook in de rol van de Savarena opgenomen te worden. Nimmer +viel er eene berisping uit te deelen, nimmer eene bestraffing op te +leggen, nimmer eene verwijdering uit te voeren. Zij die deel uitmaakten +van de bemanning der goelet, vormden als het ware één gezin. + +Nadat de dokter aan boord teruggekeerd was, werden alle beschikkingen +voor den nacht getroffen. De seinlichten werden voor en achter +ontstoken, de manschappen der wacht betrokken hunne posten en weldra +heerschte de diepste stilte. + +Dokter Antekirrt had op een breeden divan plaats genomen, die in den +hoek van het vertrek aangebracht was. Op eene tafel waren eenige +dagbladen neergelegd, die zijn knecht te Gravosa was gaan koopen. De +dokter doorliep ze met een verstrooiden blik en las eerder de gemengde +berichten dan wel de hoofdartikelen. Vooral keek hij naar de aankomst +en het vertrek der vaartuigen, naar het vertrek van de notabiliteiten +der provincie tot het maken van een buitenlandsch reisje. Tegen elf uur +ging hij, zonder de hulp van zijn kamerknecht ingeroepen te hebben, te +bed; maar het duurde lang alvorens hij kon inslapen. + +Indien iemand de gedachte had kunnen lezen, die hem het meest +vervolgde, zou hij wellicht verwonderd zijn geweest te ontwaren, dat +die de navolgende vraag inhield: + +„Wie was die jonge man, die Silas Toronthal op de kade van Gravosa +groette?” + +Den volgenden morgen kwam dokter Antekirrt tegen acht uren op het dek. +Het weder liet zich heerlijk aanzien. De zon verguldde reeds de bergen, +die den achtergrond van de baai vormden. Het nachtelijke duister +verdween van de haven, alsof het over het watervlak heengleed. De +Savarena bevond zich weldra in het volle licht. + +Kapitein Narsos naderde den dokter, om zijne bevelen te vernemen, welke +deze laatste in korte woorden gaf, evenwel niet dan na hem eerst goeden +morgen gewenscht te hebben. + +Een oogenblik later stak eene sloep, bemand met zes roeiers en een +bootsman, van boord af, en voer naar de kade, waar Pescadospunt en Kaap +Matifou, zooals overeengekomen was, zouden wachten. + +Het was een groote dag, een gewichtig oogenblik in het zwervend bestaan +van die twee eerlijke kerels, die zoo ver van hun vaderland gelokt +waren en zich op eenige honderd mijlen van de Provence verwijderd +bevonden, die zij zoo zeer wenschten terug te zien! + +Beiden stonden op de kade te wachten. Zij hadden hun +kunstenmakerskostuum uitgetrokken en waren nu in een armoedig en +versleten maar toch proper pak gestoken. Zij bekeken het jacht, terwijl +zij het evenals daags te voren bewonderden. Beiden bevonden zich in +eene aangename stemming. Niet alleen hadden Kaap Matifou en +Pescadospunt den vorigen dag heerlijk geavondmaald, maar zij hadden ook +dienzelfden ochtend ontbeten. Eene overdaad, eene ware dwaasheid, die +hare oorzaak vond in de omstandigheid, dat zij daags te voren eene +buitengewoon groote ontvangst gehad hadden. Denk eens: twee en veertig +gulden! Maar men moet niet gelooven, dat zij al dat geld verbrast +hadden! Neen, Pescadospunt was voorzichtig, geregeld van levenswijs en +zorgende voor den dag van morgen. Daardoor was hun bestaan voor +minstens tien dagen verzekerd. + +„En dat zijn wij u verschuldigd, Kaap Matifou!” + +„Oh, Pescadospunt!” + +„Ja, aan u, groot man!” + +„Welnu, ja.... aan mij.... als je dat pleizier kan doen!” antwoordde +Kaap Matifou. + +In dat oogenblik landde de sloep bij de kade. Toen stond de bootsman op +en berichtte hen met de muts in de hand, dat hij zich ter beschikking +van „de heeren” stelde. + +„Van de heeren!” riep Pescadospunt uit. „Van welke heeren?” + +„Van uzelven,” antwoordde de bootsman. „Dokter Antekirrt wacht u bij +hem aan boord.” + +„Mooi! Wij zijn reeds heeren!” zei Pescadospunt. „Je zult zien, dat we +nog graven en baronnen zullen worden!” + +Kaap Matifou zette vreeselijk groote oogen en verkreukte in zijne +verlegenheid zijn hoed ergerlijk. + +„Wanneer de heeren gelieven in te stappen!” zei de bootsman. + +„Zeker, zeker, het gelieft ons!” zei Pescadospunt met een vriendelijk +gebaar. + +Een oogenblik later zaten onze beide vrienden zoo gemakkelijk mogelijk +op het donkere tapijt met rood geboord, dat de bank der sloep bedekte, +terwijl de bootsman achter hen plaats nam. + +Het behoeft, dunkt ons, niet vermeld te worden, dat het vaartuigje +onder het gewicht van den Hercules, die aan boord stapte, twee of drie +duimen onder hare waterlijn zonk. Men moest zelfs de hoeken van het +tapijt opnemen, opdat zij niet in het water sleurden. + +Op een schellen fluitstoot van den bootsman, vielen zes riemen +tegelijkertijd te water en schoot de sloep vooruit in de richting van +de Savarena. + +Het mag erkend worden, daar het de waarheid is, dat die twee arme +drommels zich eenigermate aangedaan, om niet te zeggen verlegen of +beschaamd gevoelden. Zoo veel eer voor kunstenmakers! Kaap Matifou +durfde zich niet bewegen. Pescadospunt kon, in weerwil van zijne +verlegenheid, een goedhartigen glimlach, die zijn fijn en schrander +gelaat verhelderde, niet verbergen. + +De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de +stuurboordsvalreep aan. Dat was de eerezijde! + +De beide vrienden stegen de bewegelijke trap, wiens krammen onder het +gewicht van Kaap Matifou doorbogen, omhoog en waren weldra op het dek +aangekomen. Daar werden zij dadelijk naar den dokter gebracht, die hen +op het achterschip wachtte. + +Na een hartelijken groet waren er nog wel eenige plichtplegingen +noodig, alvorens Pescadospunt en Kaap Matifou besluiten konden te gaan +zitten. Maar eindelijk geschiedde dat toch. + +De dokter keek hen een oogenblik aan zonder te spreken. Zijn koel maar +schoon gelaat maakte indruk op hen. Maar, en daarin kon men zich niet +vergissen, was er ook al geen glimlach op zijne lippen, die glimlach +zetelde toch in zijn hart. + +„Vrienden,” zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een +groot gevaar beveiligd. Ik heb u daarvoor nogmaals willen bedanken en +daarom heb ik u verzocht om aan boord te komen.” + +„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, die een weinig van zijne +vrijmoedigheid terugkreeg, „gij zijt zeer goed; maar het gebeurde is de +moeite niet waard. Mijn makker heeft niets anders gedaan dan ieder +ander in zijne plaats en met zijne kracht verricht zoude hebben. Niet +waar, Kaap Matifou?” + +Deze knikte bevestigend, door zijn dik hoofd op en neer te bewegen. + +„Dat moge zoo zijn,” antwoordde de dokter, „maar uw makker en niet +ieder ander heeft zijn leven gewaagd en ik ben hem daarvoor veel +verplicht!” + +„O heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „gij zult mijn ouden Kaap +doen blozen en volbloedig als hij reeds is, is het nadeelig voor hem, +wanneer hem het bloed naar het hoofd stijgt....” + +„Alles wel, vrienden,” hernam de dokter. „Ik zie dat gijlieden niet van +complimenten houdt. Ik zal dus ook niet verder aandringen. Maar, daar +iedere dienst beloond....” + +„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „vergeef mij dat ik u in de +rede val. Maar, iedere goede daad draagt hare belooning in zichzelve, +ten minste zooals de zedeboeken leeren; en.... reeds zijn wij beloond!” + +„Reeds! Hoe?” vroeg de dokter, die vreesde, dat iemand hem voor was. + +„Zeker!” hernam Pescadospunt. „Na dit buitengewone bewijs van +spierkracht van mijn Hercules, heeft het publiek hem verder in andere +kunstvaardige oefeningen willen beoordeelen. In groote menigte is men +naar ons Provençaalsche worstelperk gedrongen. Kaap Matifou heeft een +half dozijn van de sterkste bergbewoners en van de stevigste +pakkendragers van Gravosa van de been gelicht en wij hebben eene +overgroote ontvangst gemaakt.” + +„Overgroote?” + +„Ja, zonder voorbeeld gedurende onze acrobatische omzwervingen!” + +„En hoeveel hebt gij wel ontvangen?” + +„Twee en veertig gulden!” + +„Ah! Waarlijk!.... Maar ik wist niet”.... antwoordde dokter Antekirrt +met goedige stem. „Als ik geweten had, dat gij voorstellingen gaaft, +dan zou ik het mij niet alleen tot plicht gesteld hebben, maar het zou +mij ook een waar genoegen geweest zijn een daarvan bij te wonen. Gij +zult mij dus veroorloven mijne plaats te betalen....” + +„Hedenavond, heer dokter, hedenavond,” antwoordde Pescadospunt, +„wanneer gij onze voorstelling met uwe tegenwoordigheid zult willen +vereeren.” + +Kaap Matifou boog beleefd en deed daarbij zijne breede schouders +zwaaien, die, zooals Pescadospunt steeds luide verkondigde, nimmer den +grond aangeraakt hadden. + +Dokter Antekirrt zag wel in, dat hij de beide acrobaten er niet toe zou +kunnen brengen om eene belooning, ten minste eene geldelijke, aan te +nemen. Hij besloot dus anders te werk te gaan. Daarenboven had hij +sedert den vorigen dag een vastgesteld plan met betrekking tot die twee +mannen in het hoofd. Inlichtingen, die hij den vorigen avond had doen +inwinnen, hadden tot uitslag gehad, dat de twee kunstenmakers eerlijke +menschen waren, die ten volle vertrouwen verdienden. + +„Hoe heet gij?” vroeg hij. + +„De eenige naam, dien ik ken, heer dokter, is Pescadospunt.” + +„En gij?” + +„Ik heet Matifou,” antwoordde de Hercules. + +„Dat wil zeggen Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt aan, niet weinig +hoogmoedig dien naam, die zoo beroemd in al de worstelperken van +Zuidelijk Frankrijk was, te kunnen noemen. + +„Maar dat zijn bijnamen,”.... merkte de dokter op. + +„Wij hebben geen anderen,” antwoordde Pescadospunt, „of, hebben wij er +ooit een gehad, dan hebben wij hem onderweg verloren, wat niet te +verwonderen is: onze zakken zijn slecht en versleten.” + +„En.... uwe bloedverwanten?” + +„Bloedverwanten, heer dokter?.... Onze middelen hebben ons nooit dat +weelde-artikel veroorloofd! Maar mochten wij ooit rijk worden, dan +zullen er wel gevonden worden, die erven willen.” + +„Gij zijt Franschen? Van welk gedeelte van Frankrijk zijt gij +afkomstig?” + +„Wij zijn Provençalen!” antwoordde Pescadospunt fier. „Dat wil zeggen, +dat wij tweemalen Franschen zijn!” + +„Gij hebt een opgeruimd humeur, mijnheer Pescadospunt.” + +„Het ambacht brengt dat mede. Stelt u voor, heer dokter, een paljas, +een roodstaart, een kermisgrappenmaker, die een droefgeestig humeur +had! Hij zou meer gebakken appelen in een uur om de ooren krijgen, dan +hij zijn geheele leven zou kunnen verorberen! Ja, ik ben opgeruimd, +vroolijk zelfs, zeer vroolijk, dat beken ik!” + +„En Kaap Matifou?” + +„O, die is meer ernstig, meer nadenkend, meer in zich zelf gekeerd!” +antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zijn makker een hartelijken +vriendschappelijken klap op den schouder gaf, zooals een ander den hals +van een paard zou streelen. „Dat ’s ook het ambacht hetwelk dat +medebrengt. Wanneer men toeren maakt met gewichten van vijftig, dan +moet men zeer ernstig wezen. Wanneer men worstelt, dan doet men dat +niet alleen met de armen, maar ook en vooral met het hoofd! En Kaap +Matifou heeft steeds geworsteld.... zelfs tegen de ellende! En die +heeft hem nog niet van de been kunnen brengen!” + +Dokter Antekirrt hoorde met belangstelling dat braaf klein wezen, +waarvoor het noodlot tot heden zoo hard was geweest, en dat toch niet +verbitterd was. Hij gevoelde dat in dat teedere omhulsel evenveel hart +als geest schuilde, en dacht er over na wat van hem had kunnen worden, +wanneer aan de materieele eischen van het leven niet dadelijk na zijn +geboorte was te kort geschoten. + +„En waarheen trekt gij thans?” + +„Waarheen? Recht voor ons uit! Op goed geluk af,” antwoordde +Pescadospunt. „Het toeval is niet altijd een slechte gids en over het +algemeen kent het den weg. Alleen, ik vrees dat wij ditmaal te ver van +ons land af gedwaald zijn! Maar.... alles wel beschouwd, is dat onze +schuld! Wij hadden het toeval moeten vragen waarheen het ons leiden +wilde.” + +Dokter Antekirrt sloeg hen beiden gedurende een poos gade. Toen hernam +hij met aandrang: + +„Wat zou ik voor ulieden kunnen doen?” + +„Maar niets, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „niets.... dat +verzeker ik u....” + +„Koestert gij het verlangen niet om in uwe Provence weer te keeren?” + +De oogen der beide acrobaten glinsterden tegelijkertijd. + +„Ik zou er u kunnen brengen,” hernam de dokter. + +„Dat, dat zou merkwaardig wezen!” zei Pescadospunt. + +En zich tot zijn makker wendende: + +„Kaap Matifou, zou je naar ginds willen terugkeeren?” + +„Ja.... als ge meegaat, Pescadospunt.” + +„Maar, wat zullen wij er uitvoeren? Waarvan zullen wij leven?” + +Kaap Matifou krabde zich achter het oor. Dat deed hij bij ieder lastig +geval. + +„Wij zullen.... wij zullen....” mompelde hij. + +„Je weet er niets van.... en ik ook niet!.... Maar, het is ons +vaderland! Is het niet zonderling, heer dokter, dat arme drommels, +zooals wij zijn, een vaderland hebben; dat arme ellendigen, die geen +ouders hebben, ergens geboren zijn! Ziet, dat is voor mij steeds +onverklaarbaar geweest.” + +„Zoudt gij beiden kunnen besluiten steeds bij mij te blijven?” vroeg +dokter Antekirrt. + +Op dat onverwachte voorstel was Pescadospunt vlug opgesprongen, terwijl +de Hercules hem verbaasd aankeek, niet wetende of hij ook zou moeten +opstaan. + +„Bij u blijven, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt eindelijk. „Maar +waartoe zouden wij te gebruiken zijn? Kunststukken uitvoeren, toeren +van kracht en behendigheid.... dat alles is, wat wij in ons leven +gedaan hebben. En tenzij het was om u gedurende uwe zeetochten of in uw +land te verstrooien....” + +„Luistert naar mij,” hernam dokter Antekirrt. „Ik heb moedige, +behendige en schrandere mannen noodig, mannen vol toewijding, die +genegen zijn het bereiken van mijne plannen te bevorderen. Er is niets, +wat u hier terughoudt, niets wat u daar ginder roept. Wilt gij tot die +mannen behooren?” + +„Maar wanneer uwe plannen bereikt zijn?”.... vroeg Pescadospunt. + +„Als het u bij mij bevalt, zult gij mij niet meer verlaten”, antwoordde +de dokter glimlachend, „dan kunt gij bij mij aan boord blijven. En +kijk, gij zult aan mijne bemanning les op het slappe koord kunnen +geven! En wanneer het u integendeel zou lijken naar uw vaderland weer +te keeren, dan zal ik er u brengen en zorgen dat u een zekere +gegoedheid voor uw geheele leven verzekerd is.” + +„Oh! heer dokter!” riep Pescadospunt uit. „Maar het is toch uwe meening +niet, ons niets te laten uitvoeren. Tot niets goed te zijn, zou ons +niemendal lijken!” + +„Ik beloof u arbeid, en van dusdanigen aard, dat hij u tevreden zal +stellen.” + +„Waarlijk,” zei Pescadospunt, „dan is het aanbod zeer verleidelijk.” + +„Hebt gij nog tegenwerpingen te maken?”. + +„Nog eene enkele. Gij ziet ons beiden, Kaap Matifou en mij! Wij zijn +afkomstig van hetzelfde vaderland en wij zouden ongetwijfeld tot +dezelfde familie behooren, wanneer wij eene familie bezaten. Wij zijn +broeders volgens het hart! Kaap Matifou zou niet zonder Pescadospunt en +Pescadospunt niet zonder Kaap Matifou kunnen leven! Verbeeld u de +Siameesche tweelingen! Men heeft hen nimmer kunnen scheiden, niet waar, +omdat eene scheiding hun het leven zou gekost hebben. Welnu, wij zijn +als die Siameezen. Wij hebben elkander lief, heer dokter.” + +Pescadospunt had, terwijl hij zoo sprak, de hand aan Kaap Matifou +toegestoken, die hem naar zich toetrok en hem aan zijne borst drukte, +zooals hij met een kind gedaan zou hebben. + +„Vrienden,” zei dokter Antekirrt, „er is geen quaestie van ulieden te +scheiden en het zal steeds mijn wensch zijn, dat gij mij niet zult +verlaten!” + +„Dan zou het kunnen gaan, heer dokter, als....” + +„Als?” + +„Als Kaap Matifou zijne toestemming geeft.” + +„Zeg ja, Pescadospunt,” mompelde de Hercules, „dan hebt gij voor ons +beiden geantwoord!” + +„Welnu,” zei de dokter, „dat is dan afgesproken en gij zult geen berouw +over uw besluit ondervinden. Bekommert u van heden af om niets meer!” + +„O, heer dokter, pas op!” hernam Pescadospunt. „Gij verbindt u daar tot +meer dan gij wel denkt!” + +„Hoezoo?” + +„Ziet, wij zullen dure gasten zijn, vooral Kaap Matifou. Dat is een +groote eter en gij zoudt hem in uwen dienst zijne spierkracht niet +willen laten verliezen, al was dat nog zoo weinig maar.” + +„Ik beoog integendeel, dat hij die krachten verdubbelen zal.” + +„Dan zal hij u te gronde richten!” + +„Men richt mij niet te grande, Pescadospunt.” + +„Evenwel.... twee.... drie maaltijden per dag....” + +„Vijf, zes, tien, als hij zulks verkiezen zal,” antwoordde dokter +Antekirrt glimlachend. „Er zal steeds open tafel voor hem zijn!” + +„Hè, Kaap, wat zeg je er van?” riep Pescadospunt guitig uit. „Ge zult +dan steeds volop kunnen eten!” + +„En gij ook, Pescadospunt!” + +„O, ik! Een vogel!—Maar zou ik u mogen vragen, of wij ter zee zullen +varen?” + +„Dikwijls, vriend. Ik zal thans aan de vier hoeken van de +Middellandsche zee te doen krijgen. Mijn praktijk zal zoo wat overal +langs de kusten bestaan. Ik hoop de geneeskunde te kunnen uitoefenen op +eene internationale wijze. Wanneer een zieke mij naar Tanger, of naar +de Balearische eilanden roept, wanneer ik mij te Suez of te Smyrna +bevind, zal ik hem dan niet moeten gaan bezoeken? Wat een geneesheer in +eene groote stad van het eene kwartier tot het andere uitvoert, zal ik +van de Straat van Gibraltar naar den Griekschen Archipel, van de +Adriatische zee naar de Leeuwengolf, van de Jonische zee naar de baai +van Gabés verrichten! Ik bezit nog andere vaartuigen, tien malen +vlugger dan die goelet en.... bij die tochten zult gijlieden mij +meestal vergezellen.” + +„Dat lijkt ons, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zich +in de handen wreef. + +„Zijt gijlieden niet bang voor de zee?” + +„Neen!” riep Pescadospunt uit. „Wij bang? Wij kinderen van de Provence! +Als straatjongens speelden en rolden wij in de sloepen op het strand! +Neen, wij zijn niet bang voor de zee, ook niet voor de zoogenaamde +zeeziekte! Door de gewoonte, die wij hebben, om met het hoofd omlaag en +de beenen omhoog te loopen, zijn wij tegen die ongesteldheid +gevrijwaard. Wanneer de heeren en dames, alvorens zich in te schepen, +slechts eenige maanden lang die lichaamsoefening betrachtten, dan +zouden zij nimmer noodig hebben hunnen neus gedurende den overtocht +boven hunne lampetkom te houden! Komt binnen, heeren en dames! Komt +binnen! Volgt slechts de menigte!” + +Men ziet het, de goedhartige Pescadospunt verviel weer bij zijne +blijdschap in zijne gewone kwinkslagen, net alsof hij zich nog op de +verhevenheid zijner kermistent bevond. + +„Goed zoo, Pescadospunt!” zei de dokter. „Wij zullen elkander +uitmuntend verstaan. Bovenal beveel ik u aan, niets van uwe +opgeruimdheid te verliezen. Lacht, mijn jongen, lacht en zingt, zooveel +ge verkiest. De toekomst zal wellicht genoeg droefgeestige +gebeurtenissen opleveren, om uwe vroolijkheid onderweg te doen +waardeeren.” + +Terwijl hij die laatste woorden sprak, was dokter Antekirrt zeer +ernstig geworden. Pescadospunt, die hem gadesloeg, had als een +voorgevoel, dat die man in vroegere dagen veel geleden had en dat zij +de oorzaak daarvan wel eens zouden vernemen. + +„Heer dokter,” zei hij toen, „van heden af behooren wij u met ziel en +lichaam toe.” + +„En van heden af,” antwoordde de dokter, „kunt gij u in uwe hutten +inrichten. Waarschijnlijk zal ik eenige dagen te Gravosa en te Ragusa +blijven; maar het zal goed zijn, dat gij de gewoonte aanneemt om aan +boord van de Savarena te leven.” + +„Tot het oogenblik, dat gij ons in uw vaderland zult gevoerd hebben!” +liet Pescadospunt volgen. + +„Ik heb geen vaderland,” antwoordde de dokter, „of beter, ik heb, als +gij wilt, een vaderland van eigen maaksel, dat ook het uwe zal worden!” + +„Kom, Kaap Matifou,” riep Pescadospunt uit. „Kom laten wij ons +handelshuis gaan liquideeren. Wees gerust, wij zijn niemand iets +schuldig en zullen niet failliet gaan!” + +Daarop daalden de twee vrienden, na afscheid van dokter Antekirrt +genomen te hebben, in de sloep af, die hen wachtte en waarmede zij naar +de kade van Gravosa teruggevoerd werden. + +Daar hadden zij in nog geen twee volle uren, hunnen inventaris +opgemaakt en hunne kermistent, hunne geschilderde kunststukken, hunne +groote en kleine trom, die hunne geheele bezitting daarstelden, aan een +confrater overgedaan. Dat duurde niet lang en leverde ook geene +moeilijkheid op. Ook zouden hunne zakken niet overmatig bezwaard worden +door de weinige guldens, die zij daarin opbergden. + +Toch stond Pescadospunt er op om zijn kunstenmakerspak en zijne +pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet en zijn +worstelaarspak te bewaren. Zij zouden anders te veel verdriet gehad +hebben, door het scheiden van die werktuigen en die vodden, die hen aan +zoovele uren van succes en zegepraal herinnerden. Die kleedingstukken +werden op den bodem van eene kist geborgen, welke hun ameublement, +hunne garderobe en geheel hun materieel bevatte. + +Tegen een uur in den namiddag waren Pescadospunt en Kaap Matifou aan +boord van de Savarena terug. + +Een groote hut in het vooronder werd ter hunner beschikking gesteld. +Het was eene gemakkelijke en ruime hut die van alles voorzien was, „ook +om te kunnen schrijven,” zei de snaak. + +De bemanning ontving de nieuwe kameraden, wien zij te danken hadden, +aan een groot ongeluk ontsnapt te zijn, recht hartelijk. + +Reeds bij hunne aankomst konden Pescadospunt en Kaap Matifou proeven, +dat de kombuisproducten aan boord hen de keukens der Provençaalsche +kermistenten niet zouden doen betreuren. + +„Zie je, Kaap Matifou,” zei en herhaalde Pescadospunt, terwijl hij een +glas heerlijken Asti-wijn slurpte, „zie je, met goed gedrag komt men +tot alles! Maar, dat moet er zijn!” + +Kaap Matifou, wiens mond toen met een flink stuk ham gevuld was, dat +met twee gebakken eieren in de onpeilbare diepte van zijne maagholte +verdween, antwoordde slechts met een hoofdknik. + +„Welke ontvangst wel te maken zou zijn, wanneer het publiek je kon zien +eten, Kaap Matifou!” + + + + + + + + +IV. + +DE WEDUWE VAN STEPHANUS BATHORY. + + +De tijding der aankomst van dokter Antekirrt had zich spoedig, niet +alleen te Ragusa, maar ook in de geheele Dalmatische provincie +verbreid. De dagbladen wierpen zich als het ware op die prooi, die hen +eene serie van pikante berichten in het vooruitzicht stelde, en +begonnen met de aankomst van de goelet in de haven van Gravosa aan te +kondigen. De eigenaar van de Savarena kon dus niet ontsnappen aan het +eerbetoon, maar ook niet aan de bezwaren, aan dergelijke beroemdheid +onvermijdelijk verbonden. Zijne persoonlijkheid lag als het ware op +ieders lippen. De legende maakte zich van hem meester. Men wist niet +wie hij was, vanwaar hij kwam en waarheen hij ging. Dat kon slechts de +publieke nieuwsgierigheid te meer prikkelen. En, natuurlijk, wanneer +men niets weet, dan is het veld der onderstellingen des te +uitgebreider, de verbeelding benuttigt dat en dan.... dan schijnt het +een wedren te zijn voor allen, die het best ingelicht meenen te zijn. + +De reporters, bij hun streven om hunne lezers ter wille te zijn, waren +met spoed naar Gravosa getrokken. Sommigen hunner begaven zich zelfs +aan boord van de goelet. Zij kregen evenwel den persoon, die in de +openbare meening zooveel opgang maakte, niet te zien. De bevelen +daaromtrent waren stellig. De dokter ontving niemand. De antwoorden, +die kapitein Narsos aan de bezoekers gaf, waren dan ook onveranderlijk +dezelfde: + +„Maar, vanwaar komt die dokter?” + +„Vanwaar het hem gelieft.” + +„En waarheen gaat hij?” + +„Waarheen hem dat aanstaat.” + +„Maar, wie is hij?” + +„Dat weet niemand en hij wellicht nog minder dan zij, die het vragen.” + +Hoe nu in Godsnaam een reporterartikel met dergelijke gegevens te +schrijven? + +Het gevolg daarvan was, dat de verbeelding vrij spel had en zich dan +ook geen banden liet aanleggen om in volle fantasie op te gaan. Van +dokter Antekirrt maakte men alles wat men maar verlangde. Hij was alles +geweest wat die kroniekschrijvers maar geliefden te verzinnen. Voor den +eenen was hij een zeeschuimers-hoofdman. Voor den anderen was hij de +koning van een uitgestrekt Afrikaansch rijk, die incognito reisde met +het doel om te leeren. Verder beweerde men, dat het een staatkundige +banneling was; elders weer dat het een vorst was, die door eene +omwenteling uit zijne staten verjaagd werd en nu als wijsgeerig toerist +de wereld rondreisde. Men ziet, er was volledige keus. Wat den titel +van dokter betrof, waarmede hij zich tooide, daaromtrent waren de +meeningen van hen, die den titel voor echt aannamen, ook verdeeld. +Volgens de meening van sommigen was hij een groot geneeskundige, die +bewonderenswaardige genezingen in de meest wanhopige gevallen verricht +had; en volgens die van anderen was hij de koning der kwakzalvers, die +in moeilijkheid geraken zou, wanneer men zijn diploma opvorderde. + +Maar in ieder geval, de geneeskundigen van Gravosa en van Ragusa konden +geene vervolging tegen hem doen instellen wegens onwettige uitoefening +van de geneeskunde. Dokter Antekirrt hield zich bescheiden buiten schot +en was niet te spreken, wanneer men hem als geneesheer wilde +raadplegen. + +Daarenboven, de eigenaar van de Savarena nam zijn intrek niet aan den +wal. Hij stapte zelfs niet in een der hôtels van de stad af. +Ternauwernood begaf hij zich gedurende de twee dagen, welke hij te +Gravosa doorbracht, tot dicht bij Ragusa. Hij bepaalde zijne uitstappen +tot eenige wandelingen in den omtrek, waarbij hij twee of drie malen +Pescadospunt meenam, wiens aangeboren schranderheid hij waardeerde. + +Maar ging hijzelf niet naar Ragusa, dan ging Pescadospunt toch eens +voor hem er heen. De brave jongen, wien een opdracht van vertrouwen +gedaan was—wie weet, wellicht eene inlichting in te +winnen!—beantwoordde de vragen, die hem bij zijn terugkeer gedaan +werden, als volgt: + +„Dus die woont in de Stradonalaan?” + +„Ja, heer dokter. Dat wil zeggen in de fraaiste straat der stad. Hij +bewoont een hôtel, niet ver van de plaats, waar men de reizigers het +paleis van den ouden doge aanwijst. Het is een prachtig hôtel met een +talrijk bediendenpersoneel, met rijtuigen enz. In één woord: hij volgt +de levenswijze van een millionnair!” + +„En de andere?” + +„De andere of liever de anderen?” antwoordde Pescadospunt. „Die bewonen +hetzelfde stadskwartier, maar hunne woning is moeilijk te vinden in een +van die klimmende, smalle en slingerende stegen—ware ladders—die meer +bescheiden woningen bevatten.” + +„En hunne woning?” + +„Hunne woning is nederig, klein, droefgeestig van uiterlijk aan de +buitenzijde, hoewel ik mij verbeeld dat zij binnenshuis netjes gehouden +moet zijn, heer dokter. Men gevoelt, dat zij bewoond is door arme maar +hooghartige lieden.” + +„Die dame?....” + +„Ik heb haar niet gezien. Men zeide, dat zij bijna nimmer de +Marinella-straat verliet.” + +„En haar zoon?....” + +„Dien heb ik gezien, heer dokter, op het oogenblik dat hij bij zijne +moeder binnentrad.” + +„Hoe zag hij er uit?....” + +„Hij scheen afgetrokken, onrustig zelfs. Men zou zeggen, dat die +jeugdige man reeds veel geleden heeft!.... Dat kenmerkt zich trouwens +genoegzaam!” + +„Maar, ook gij Pescadospunt, hebt geleden, en dat kenmerkt zich niet.” + +„Lichamelijk lijden is geen zedelijk lijden, heer dokter! Daarom kon ik +het verhelen en er zelfs om lachen.” + +Zooals men ziet, sprak dokter Antekirrt reeds gemeenzaam met +Pescadospunt. Met Kaap Matifou ging dat nog niet; want inderdaad, die +Hercules was van te indrukwekkend uiterlijk, om zich zoo gauw eenige +gemeenzaamheid te mogen veroorloven. + +Toen de dokter die vragen gedaan en die antwoorden bekomen had, staakte +hij zijne wandelingen in de omstreken van Gravosa. Hij scheen iemand te +verwachten, wiens ontmoeting hij door zijn gaan naar Ragusa niet had +willen uitlokken, daar de tijding van de aankomst der Savarena +genoegzaam bekend moest zijn. Hij bleef dus aan boord en hetgeen hij +verwachtte, gebeurde. + +Den 29en Mei gaf de dokter, na de kade van Gravosa met het gewapend oog +geruimen tijd gadegeslagen te hebben, tegen elf uren in den voormiddag +bevel om de sloepen klaar te maken; toen steeg hij er in en liet zich +naar den havendam overbrengen, waar een man stond, die hem scheen te +bespieden. + +„Dat is hij,” mompelde de dokter binnensmonds.... „Hij is het wel +degelijk!.... Ik herken hem, al is hij nog zoo veranderd.” + +Die man was een grijsaard, door den ouderdom gebogen, hoewel hij +slechts zeventig jaren telde. Zijne witte haren dekten spaarzaam het +hoofd, dat ter aarde gebogen was. Zijn gelaat was ernstig, droefgeestig +en ternauwernood verlevendigd door een matten blik, die dikwijls door +tranen geheel verduisterd moet geweest zijn. Hij stond onbewegelijk op +de kade en verloor de sloep niet uit het oog, van het oogenblik dat van +boord was afgestoken. + +De dokter wilde den schijn niet geven dien grijsaard te bespeuren, nog +minder hem te herkennen. Hij deed dus, alsof hij zijne tegenwoordigheid +niet ontwaardde. Maar nauwelijks had hij eenige passen op den havendam +afgelegd, toen de grijsaard op hem toetrad, nederig zijn hoed afnam en +vroeg: + +„Zijt gij dokter Antekirrt?” + +„Ja, die ben ik,” antwoordde de dokter, die dien man aankeek, wiens +oogleden zelfs niet trilden, toen hij den blik op hem wierp. Daarna +vervolgde hij: + +„Wie zijt gij vriend, en wat wilt gij van mij?” + +„Ik heet Borik en ik ben in dienst van mevrouw Bathory. Ik kom u uit +haar naam eene samenkomst verzoeken....” + +„Mevrouw Bathory?” herhaalde de dokter vragend. „Is dat de weduwe van +dien Hongaar, die zijne vaderlandsliefde met zijn leven betaalde?” + +„Dezelfde,” antwoordde de grijsaard. „En hoewel gij haar nimmer zaagt, +is het toch onmogelijk, dat gij haar niet kent, juist omdat gij dokter +Antekirrt zijt.” + +Deze hoorde den ouden dienaar, wiens oogen steeds neergeslagen bleven, +aandachtig aan. Hij vroeg zich af of onder deze woorden niet eene +nevengedachte verscholen was. Daarop hernam hij: + +„Wat kan mevrouw Bathory van mij willen?” + +„Om redenen, die gij wel begrijpen zult, wenschte zij een onderhoud met +u, heer dokter.” + +„Ik zal haar een bezoek brengen.” + +„Zij wenschte liever bij u aan boord te komen.” + +„Waarom?” + +„Het is noodzakelijk, dat haar onderhoud met u geheim blijft.” + +„Geheim?.... Voor wien?” + +„Voor haren zoon! Mijnheer Piet mag niet weten, dat mevrouw Bathory u +bezocht heeft.” + +Dit antwoord scheen den dokter te verrassen; hij liet er evenwel niets +van aan Borik blijken. + +„Ik geef de voorkeur aan een bezoek ten huize van mevrouw Bathory,” +hernam hij. „Zou dat niet kunnen geschieden bij afwezigheid van haren +zoon?” + +„Dat kan, heer dokter, wanneer gij morgen wilt komen. Piet Bathory moet +heden avond naar Zara afreizen en zal niet binnen vier en twintig uur +terug zijn.” + +„Wat voert Piet Bathory uit?” + +„Hij is tot ingenieur gepromoveerd; maar tot heden heeft hij nog geene +plaatsing kunnen vinden. O, het leven is zoo moeitevol voor hem en voor +zijne moeder!” + +„Moeitevol!....” viel dokter Antekirrt in. „Bezit mevrouw Bathory dan +geen middelen?”.... + +Hij hield op. De grijsaard had het hoofd gebogen, terwijl zijn borst +bewoog onder de snikken, die hij niet kon bedwingen. + +„Heer dokter,” zei hij eindelijk, „ik kan en mag u niets meer zeggen. +In het onderhoud, dat mevrouw Bathory van u verzoekt, zal zij u alles +mededeelen, wat gij recht hebt te weten.” + +De dokter moest wel meester over zijn gemoed zijn, om zijne aandoening +te kunnen bedwingen. + +„Waar woont mevrouw Bathory?” vroeg hij. + +„Te Ragusa, in het Stradona-kwartier, op nummer 17 van de +Marinella-straat.” + +„Zal ik mevrouw Bathory morgen in den namiddag tusschen een en twee uur +kunnen ontmoeten?” + +„Voorzeker, heer dokter, en ik zal het zijn, die u zal aandienen.” + +„Zeg dan aan mevrouw Bathory, dat zij op mijne nauwgezetheid kan +rekenen.” + +„Ik dank u in haren naam.” + +En na eenige aarzeling: + +„Gij zoudt kunnen meenen, dat het een dienst betreft, die mevrouw u +vragen wil....” + +„En wanneer dat zoo was?” vroeg de dokter levendig. + +„Toch is het niet zoo,” antwoordde Borik. + +En na nederig gebogen te hebben, ging hij den weg op, die van Gravosa +naar Ragusa voert. + +Klaarblijkelijk hadden de laatste woorden van den ouden dienaar dokter +Antekirrt eenigermate verwonderd. Hij bleef onbeweeglijk op de kade +staan en tuurde Borik na. Toen hij aan boord teruggekomen was, schonk +hij aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou verlof om aan den wal te gaan. +Daarna sloot hij zich in zijne kamer op. Hij wilde er de laatste uren +van dien dag geheel alleen doorbrengen. + +Pescadospunt en Kaap Matifou maakten zich dus als echte renteniers, die +zij ook waren, dat verlof ten nutte. Zij veroorloofden zich zelfs het +genoegen, op het kermisterrein eenige kramen binnen te treden. Wanneer +wij beweren zouden, dat de lenige clown geen aanvechtingen gevoelde om +den een of anderen onhandigen kunstenmaker terecht te zetten; dat de +machtige voorvechter de zucht niet voelde opkomen om aan die +athleetworstelingen deel te nemen, dan zouden wij der waarheid te kort +doen. Maar beiden herinnerden zich ter rechter tijd, dat zij de eer +hadden tot de bemanning van de Savarena te behooren. Zij vergaten hun +rol van toeschouwers niet en waren niet karig met hunne toejuichingen, +wanneer die verdiend waren. + +Den volgenden ochtend liet de dokter zich even vóór het middaguur aan +wal zetten. Na zijne sloep naar boord teruggezonden te hebben, ging hij +den weg op, die het verbindingsmiddel daarstelt tusschen de haven van +Gravosa en de stad Ragusa. Dat is eene fraaie laan, die kornisvormig +aangelegd, met twee rijen villa’s omzoomd en over eene lengte van twee +kilometers heerlijk beschaduwd was. + +Die laan was nog niet levendig, zooals zij het weinige uren later zou +zijn, door het heen en weer rijden der equipages, door de menigte +wandelaars, zoowel te paard als te voet. + +De dokter volgde, terwijl hij aan die samenkomst met mevrouw Bathory +dacht, eene nevenlaan en was weldra bij Borgo Pillo, een soort steenen +uitwas, die zich buiten de drievoudige omwalling der versterkingen van +Ragusa uitstrekt. De poort was open en verleende dwars door dien +drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad. + +De Stradona is eene prachtige flink bestrate hartader der stad, die +zich van Borgo Pillo af tot de voorstad Plocca uitstrekt en de geheele +stad doorsnijdt. Zij ontwikkelt zich aan den voet van een heuvel, die +met een geheel gevaarte van huizen, amphitheatersgewijze gebouwd, +overdekt is. Aan het einde verheft zich het paleis der oude doges, een +fraai monument uit de XVde eeuw, met eene ruime binnenplaats, met een +portiek in renaissance-stijl, met boogvensters, welker slanke zuiltjes +aan het beste tijdperk herinneren van Toskaansche bouwkunst. + +De dokter behoefde niet tot bij dat paleis voort te gaan. De +Marinella-straat, die Borik hem daags te voren opgegeven had, komt +zoowat op de helft van de Stradonalaan uit. Hij vertraagde evenwel zijn +gang een weinig op het oogenblik, dat hij een vluchtigen blik op eene +groote woning wierp, die in graniet opgetrokken was en welker rijke +voorgevel met de daaraan rechthoekig aansluitende bijgebouwen zich +statig verhief. De poort van de binnenplaats stond open en liet een +uiterst fraai eigen rijtuig ontwaren met een paar prachtige paarden +bespannen. De koetsier zat deftig op den bok en de lakkei wachtte voor +het perron, dat door eene bevallige veranda overkapt was. + +Juist in dit oogenblik steeg een man in dat rijtuig. De paarden vlogen +de plaats over en de poort door, waarna de deuren dichtsloegen. + +Die persoon was dezelfde, die drie dagen te voren dokter Antekirrt op +de kade van Gravosa aangesproken had. Het was de vroegere bankier Silas +Toronthal. + +De dokter, eene ontmoeting wenschende te vermijden, was ijlings +achteruitgetreden en schreed eerst voort, toen het vlugge rijtuig bij +het uiteinde der Stradonalaan uit het oog verdwenen was. + +„Beiden in dezelfde stad!” mompelde hij. „O, dat is zuiver het toeval! +Daaraan heb ik geen part of deel.” + +De stegen, ter linkerzijde op de Stradonalaan uitkomende, die hij door +te gaan had, waren smal, stil en slecht bestraat. + +Dat de lezer zich een breeden stroom verbeelde, die aan eenen kant +slechts bergstroomen als schatplichtige rivieren zou hebben. Om een +weinig lucht te kunnen bemachtigen, kruipen de huizen als het ware +rakelings de eene op de anderen. Zij kijken inderdaad elkaar in de +oogen, als men zoo mag spreken van de vensters en tochtgaten, die in +hunne voorgevels aangebracht zijn. Zij stijgen zoo op den nok van een +der twee heuvelen, welker toppen door de forten van Mincetto en San +Lorenzo bekroond zijn. Onmogelijk zou er een rijtuig kunnen doorkomen. +Al ontbreekt, behalve bij gelegenheid van zware regens, de bergstroom, +zoo moet zoo’n steeg toch een ravijn genoemd worden, en alle die +hellingen en al die terrassen heeft men moeten stutten met keerdammen +en bokken, en moet men door middel van trappen bestijgen. Een scherp +contrast bestaat tusschen die minder dan bescheiden woningen en de +prachtige huizen en paleizen op de Stradonalaan. + +De dokter bereikte den ingang van de Marinella-steeg en begon de +oneindige trap, die tot straat dient, te bestijgen. Zoo moest hij meer +dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken. + +Daar werd dadelijk eene deur geopend. De oude Borik wachtte den dokter. +Hij geleidde hem naar binnen zonder een woord te spreken en bracht hem +in een vertrek, dat uiterst zindelijk maar armoedig gemeubeld was. + +De dokter nam plaats. Niets kon de meening doen ontstaan, dat hij +eenige aandoening in dat huis ondervond—zelfs niet toen mevrouw Bathory +binnentrad en tot hem zeide: + +„Heer dokter Antekirrt.” + +„Die ben ik, mevrouw,” antwoordde de dokter, terwijl hij opstond. + +„Ik had u de moeite willen sparen,” hernam mevrouw Bathory, „om zoover +te komen en zoo hoog te stijgen!” + +„Ik stond er op om u een bezoek te brengen, mevrouw; en ik bid u mij +als geheel ter uwer beschikking te beschouwen.” + +„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „gisteren eerst vernam ik uwe +aankomst te Gravosa en ik heb dadelijk Borik gezonden, ten einde u tot +een onderhoud uit te noodigen.” + +„Mevrouw, ik stel mij ter uwer beschikking.” + +„Ik zal heengaan,” zei de grijsaard. + +„Neen, Borik, blijf!” antwoordde mevrouw Bathory. „Gij zijt de eenige +vriend der familie. Gij weet alles, wat ik dokter Antekirrt te zeggen +heb.” + +Mevrouw Bathory ging zitten, de dokter nam vlak voor haar plaats, +terwijl Borik bij het venster staan bleef. + +De weduwe van professor Stephanus Bathory was toen zestig jaren oud. +Maar richtte zich ook al hare gestalte, in weerwil van den last der +jaren, recht op, zoo verraadde toch haar sneeuwwit hoofd, haar met +rimpels gegroeid gelaat genoegzaam den strijd, dien zij tegen het +verdriet en tegen de ellende gevoerd had. Maar men gevoelde het, zij +was nog even geestkrachtvol als vroeger. O, in haar school nog immer de +moedige levensgezellin, de innige vertrouwelinge van dien man, die +alles opgeofferd had aan hetgeen hij zijnen plicht meende te zijn; in +haar school nog immer zijn medeplichtige, toen hij tot de samenzwering +met Mathias Sandorf en Ladislas Zathmar toetrad. + +„Mijnheer,” zeide zij met eene stem, waarvan zij de aandoening te +vergeefs zou hebben pogen te bemantelen, „daar gij dokter Antekirrt +zijt, ben ik u veel verplicht, en ben ik u het verhaal verschuldigd van +hetgeen vijftien jaren geleden te Triëst voorgevallen is....” + +„Mevrouw, juist omdat ik dokter Antekirrt ben, verzoek ik u, om u en +mij een verhaal te besparen, dat voor u te treurig moet zijn! Dat +verhaal ken ik en ik voeg er bij—juist alweer omdat ik dokter Antekirrt +ben—dat ik uw geheel bestaan ken sedert dien onvergeetbaren datum van +den 30en Juni 1867.” + +„Mag ik u dan vragen, mijnheer,” hernam mevrouw Bathory, „aan welke +motieven gij de belangstelling ontleent, die gij in mijn levensloop +gesteld hebt?” + +„Die belangstelling, mevrouw, is die, welke ieder gevoelig en +rechtschapen mensch verschuldigd is aan de weduwe van den +vaderlandslievenden Magyaar, die niet geaarzeld heeft alles voor de +onafhankelijkheid van zijn vaderland ten offer te brengen!” + +„Hebt gij professor Stephanus Bathory gekend?” vroeg de weduwe met +ietwat bevende stem. + +„Ja, mevrouw, ik heb hem gekend en ik vereer allen welke dien naam +dragen!” + +„Behoort gij ook tot dat vaderland, waarvoor hij zijn bloed gestort +heeft?” + +„Ik, ik heb geen vaderland, mevrouw!” + +„Maar wie zijt gij dan?” + +„Een overledene, die nog geen graf heeft kunnen vinden!” antwoordde +dokter Antekirrt koel. + +Mevrouw Bathory en Borik ijsden bij dat zoo onverwachte antwoord; maar +de dokter haastte zich te vervolgen: + +„Evenwel, mevrouw, dat verhaal, hetwelk ik u verzocht niet uit te +spreken, moet ik leveren, want al weet gij ook sommige bijzonderheden, +zoo zijn er toch anderen, die u onbekend zijn, en die onkunde mag niet +langer blijven bestaan.” + +„Ik luister, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory. + +„Mevrouw,” hernam de dokter, „het is nu vijftien jaren geleden, dat +drie edele harten, zich aan het hoofd stelden van eene samenzwering, +die tot doel had aan Hongarije zijne onafhankelijkheid weer te geven. +Dat waren graaf Mathias Sandorf, professor Stephanus Bathory en graaf +Ladislas Zathmar, drie vrienden, die sedert lang dezelfde hoop +koesterden, drie verschillende wezens met slechts één hart. + +„Den 8en Juni 1867, daags vóórdat het sein zou gegeven worden voor den +opstand, die zich over geheel Hongarije en tot in Transsylvanië zou +uitstrekken, werd het huis van graaf Zathmar te Triëst, waarin de +hoofden der samenzwering vergaderd waren, door de Oostenrijksche +politie overvallen. Graaf Sandorf werd met zijne beide makkers gevat en +dienzelfden nacht nog in den vestingtoren van Pisino gekerkerd. Weinige +weken later waren zij ter dood veroordeeld. + +„Een jeugdig boekhouder, Sarcany genaamd, die terzelfder tijd in het +huis van graaf Zathmar gevangen genomen werd, maar geheel vreemd aan de +samenzwering was, werd weldra buiten alle vervolging en na de +beëindiging der zaak, op vrije voeten gesteld. + +„Daags vóórdat het vonnis zou voltrokken worden, poogden de gevangenen, +die in dezelfde cel opgesloten waren, te ontsnappen. Graaf Sandorf en +Stephanus Bathory slaagden er in, langs de staven van een +bliksemafleider uit den vestingtoren van Pisino te ontvluchten en +vielen in den Foïba-bergstroom, op hetzelfde oogenblik dat Ladislas +Zathmar, door den gevangenbewaarder gegrepen, in de onmogelijkheid +gesteld werd om zijne makkers te volgen. + +„Hoewel er weinig kansen bestonden, dat de vluchtelingen aan den dood +ontsnappen zouden, daar een onderaardsche stroom hen medesleepte, te +midden van eene landstreek, die hen geheel onbekend was, zoo slaagden +zij er toch in, den oever van het kanaal van Léma en daarna de stad +Rovigno te bereiken, waar zij eene toevlucht vonden in het huis van den +visscher Andreas Ferrato. + +„Die visscher—een braaf en eerlijk hart—had alles klaargemaakt om hen +aan de overzijde van de Adriatische zee te brengen, toen een Spanjaard, +Carpena genaamd, die de schuilplaats der vluchtelingen ontdekt had, uit +persoonlijke wraakzucht de arme ellendigen bij de politie van Rovigno +aangaf. Andermaal poogden zij te ontsnappen; maar Stephanus Bathory +viel in handen der agenten. Wat Mathias Sandorf betreft, hij werd tot +aan den zeeoever vervolgd en viel onder een kogelregen. De Adriatische +zee heeft zijn lijk niet weergegeven. + +„Twee dagen later werden Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar in de +citadel van Pisino doodgeschoten. De visscher Andreas Ferrato werd, ter +zake van huisvesting aan de vluchtelingen verleend te hebben, tot +levenslange galeistraf veroordeeld en naar het bagno van Stein +gezonden.” + +Mevrouw Bathory zat daar met diepgebogen hoofd. Zij had het verhaal van +den dokter met een beklemd hart, maar zonder hem een enkele maal in de +rede te vallen, aangehoord. + +„Hadt gij die bijzonderheden vernomen, mevrouw?” vroeg hij. + +„Ja, mijnheer, door de dagbladen, zooals gij ze waarschijnlijk ook +vernomen hebt.” + +„Ja, mevrouw, door de dagbladen,” antwoordde de dokter, „maar wat de +dagbladen niet konden mededeelen, daar de instructie dier zaak in het +grootste geheim geschiedde, heb ik, dank zij de babbelzucht van een +gevangenbewaarder van de citadel, vernomen en dat zal ik u mededeelen.” + +„Spreek, mijnheer,” zei mevrouw Bathory. + +„Dat graaf Sandorf en Bathory ontdekt en gevat werden in de woning van +den visscher Ferrato, werd veroorzaakt door het verraad van den +Spanjaard Carpena. Maar dat zij drie weken te voren te Triëst in de +woning van graaf Zathmar gevat werden, was het werk van verraders, die +hen aan de agenten der Oostenrijksche politie verklikt hadden.” + +„Verraders!” mompelde mevrouw Bathory. + +„Ja, mevrouw, en het bewijs van het verraad bleek uit de debatten van +het proces. Eerst hadden die snoodaards een briefje in geheimschrift, +aan den hals eener postduif gebonden, ontdekt, dat aan graaf Sandorf +gezonden was en waarvan zij een afschrift namen. Een andere maal +slaagden zij er in, in het huis van graaf Zathmar zelve een afdruk van +den rooster te verkrijgen, die diende om dat geheimschrift te +ontraadselen. Daarna, toen zij kennis van den inhoud van het briefje +genomen hadden, hebben zij het geheim aan den gouverneur van Triëst +bekend gemaakt. Ongetwijfeld zou een gedeelte der verbeurdverklaarde +goederen van graaf Sandorf dienen om hun verraad te beloonen.” + +„En kent men die ellendelingen?” vroeg mevrouw Bathory, wier stem van +aandoening beefde. + +„Neen, mevrouw,” antwoordde de dokter; „maar wellicht kenden hen de +drie veroordeelden, en zouden zij hunne namen bekend gemaakt hebben, +wanneer zij hun gezin voor de laatste maal alvorens te sterven hadden +kunnen weerzien.” + +Inderdaad, noch mevrouw Bathory, die toen met haren zoon afwezig was, +noch Borik, die in de gevangenis van Triëst opgesloten zat, hadden de +veroordeelden in hunne laatste oogenblikken kunnen bijstaan. + +„Zal men nooit de namen van die ellendelingen te weten komen?” vroeg +mevrouw Bathory. + +„Mevrouw,” antwoordde dokter Antekirrt, „de verraders eindigen steeds +met zichzelven te verraden! Ziehier wat ik ten slotte nog bij dat +verhaal te voegen heb: Gij bleeft als weduwe met een kindje van acht +jaren nagenoeg zonder middelen achter. Borik, de bediende van graaf +Zathmar, wilde u na den dood van zijn meester niet verlaten; maar hij +was arm en bezat niets anders dan zijne toewijding. + +„Toen, mevrouw, hebt gij Triëst verlaten, om deze nederige woning te +Ragusa te betrekken. Gij hebt handenarbeid verricht om zoowel in de +behoeften van het materieele als van het zieleleven te voorzien. Gij +verlangdet toch dat uw zoon het pad der wetenschap, dat zoo roemrijk +door zijn vader betreden was, zoude volgen. Maar, welken strijd hebt +gij daarbij te voeren gehad! Welke ellende moest daarbij moedig het +hoofd geboden worden! O, ik buig met eerbied het hoofd voor de +edelaardige vrouw, die zooveel geestkracht getoond heeft, voor de +moeder, door wiens zorgen haar zoon een man geworden is!” + +Terwijl de dokter die woorden sprak, was hij van zijn stoel opgestaan +en werd zijne ontroering, in weerwil van zijne gewone koelheid, +duidelijk merkbaar. + +Mevrouw Bathory antwoordde niet. Zij wachtte in het onzekere of de +dokter zijn verhaal geëindigd had of het zou voortzetten. Het kon toch +zijn, dat hij feiten, die hem persoonlijk betroffen, wilde mededeelen +en dat dit de beweegreden was, waarom hij een onderhoud verlangd had. + +„Intusschen, mevrouw,” hernam de dokter, die hare gedachten raadde, +„hebben de menschelijke krachten hare grenzen, en, hoewel ziek en +uitgeput door zooveel beproevingen, zoudt gij bij uwe taak bezweken +zijn, wanneer een onbekende, neen, een vriend van professor Bathory, u +niet ter hulp gesneld ware. Nimmer zou ik u daarover gesproken hebben, +wanneer uw oude dienaar mij uwen wensch niet had geopenbaard om mij te +willen ontmoeten.” + +„Inderdaad, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „ben ik dan dokter +Antekirrt niet veel dank schuldig?” + +„Waarom, mevrouw? Omdat dokter Antekirrt vijf of zes jaren geleden, bij +de herinnering aan de vriendschap, die hem aan graaf Sandorf en aan +zijne beide makkers verbond, en, om u bij uwe taak behulpzaam te zijn, +u eene som van honderd duizend gulden heeft doen toekomen? Gevoelde hij +zich niet zeer gelukkig, dat geld ter uwer beschikking te kunnen +stellen? + +„Neen, mevrouw, ik ben het integendeel, die u dank schuldig ben, omdat +gij dat geld wel hebt willen aannemen, omdat gij mij veroorloofd hebt +de weduwe en den zoon van Stephanus Bathory ter hulp te komen.” + +De weduwe had het hoofd gebogen en antwoordde: + +„Hoe het ook zij, mijnheer, ik voelde behoefte om u mijne dankbaarheid +te betuigen. Dat was de eerste beweegreden van dat bezoek, hetwelk ik u +brengen wilde. Maar er was eene tweede....” + +„En die is, mevrouw?” + +„Ik wilde.... u die som teruggeven....” + +„Hoe mevrouw?” zei de dokter, „gij hebt die som niet willen aannemen?” + +„Mijnheer, ik meende het recht niet te hebben over die som te +beschikken. Ik kende dokter Antekirrt niet. Ik had nimmer zijn naam +hooren noemen. Die som kon een soort aalmoes zijn, komende van hen, die +mijn man bestreden hadden en wier erbarmen mij hatelijk toescheen! Ik +heb die som dus niet gebezigd, zelfs voor het doel niet, waarvoor +dokter Antekirrt haar bestemd had.” + +„Dus.... dat geld....?” + +„Is onaangeroerd.” + +„En uw zoon?” + +„Zal aan niemand anders verplichting hebben dan aan zichzelven....” + +„En aan zijne moeder!” vulde de dokter aan, die door zooveel grootheid +van ziel, door zooveel karakter, zooveel geestkracht niet anders dan +tot bewondering gestemd kon worden en dan ook vol eerbied voor de +waardige vrouw stond. + +Ook mevrouw Bathory was opgestaan en op een kistje toegetreden, dat +gesloten was. Zij nam er een bundel bankbiljetten uit, die zij den +dokter overreikte. + +„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u, en +ontvang den dank eener moeder, die verplichting aan u heeft, alsof zij +er gebruik van gemaakt had, om haar zoon op te voeden!” + +„Dat geld behoort mij niet meer toe, mevrouw!” antwoordde dokter +Antekirrt, terwijl hij de bankbiljetten met een gebaar afwees. + +„Ik herhaal, dat het mij nimmer had moeten toebehooren!” + +„Maar als Piet Bathory het zou willen gebruiken....” + +„Mijn zoon zal eindigen met de betrekking te vinden, die hij waardig +zal zijn. Ik zal dan op hem kunnen rekenen, zooals hij op mij heeft +kunnen vertrouwen!” + +„Hij zal niet weigeren, hetgeen een vriend van zijn vader aandringt dat +hij zal aannemen! + +„Jawel, hij zal weigeren!” + +„Laat mij dan ten minste beproeven, mevrouw....” + +„Ik bid u die proef niet te nemen, heer dokter,” antwoordde mevrouw +Bathory, „mijn zoon weet zelfs niet dat ik dat geld ontvangen heb, en +ik verlang, dat hij daaromtrent steeds onkundig blijve!” + +„Het zij zoo, mevrouw!.... Ik begrijp de gevoelens, die u zoo doen +handelen, daar ik slechts een onbekende voor u was en ben!.... Ja, ik +begrijp en bewonder ze!.... Maar ik herhaal het, als dat geld uw +eigendom niet is, dan is het het mijne ook niet!” + +Dokter Antekirrt was op het punt om heen te gaan. De weigering van +mevrouw Bathory kon hem niet kwetsen. Hare kieschheid wekte slechts een +gevoel van diepen eerbied bij hem op. Hij groette de weduwe en wilde +heengaan, toen eene laatste vraag hem weerhield. + +„Mijnheer,” zei mevrouw Bathory, „gij hebt gesproken over onwaardige +handelingen, die den dood van Ladislas Zathmar, van Stephanus Bathory +en van den graaf Sandorf veroorzaakt hebben?” + +„Ik heb verhaald, wat er gebeurd is, mevrouw.” + +„Maar kent niemand die onmenschen?” + +„Ja, mevrouw!” + +„Wie dan?” + +„God!” + +Na dat woord boog dokter Antekirrt voor den laatsten keer voor de +weduwe en verliet hare woning. + +Mevrouw Bathory bleef in gedachten verzonken. Zij voelde zich door eene +geheime sympathie, waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven tot +dien geheimzinnigen persoon, die zoo ingewijd was in de meest verborgen +gebeurtenissen van haar leven, aangetrokken. Zou zij hem ooit +terugzien? En wanneer hij met de Savarena te Ragusa aangekomen was +alleen met het doel om haar dat bezoek te brengen, zou hij dan niet +zeewaarts gaan om niet meer terug te keeren? + +Den volgenden morgen deelden de dagbladen mede, dat een onbekende eene +gift van honderd duizend gulden aan de gasthuizen van de stad vermaakt +had. + +Dat was de gift van dokter Antekirrt. Maar was het ook niet de aalmoes +der weduwe, die zij zoowel voor haar als voor haren zoon van de hand +gewezen had? + + + EINDE VAN DOKTER ANTEKIRRT. + + + + + + + + +INHOUD. + + + EENE VERIJDELDE SAMENZWERING. + + BLADZ. + I. De reisduif 1 + II. Graaf Mathias Sandorf 22 + III. Het bankiershuis Toronthal 36 + IV. Het geheimschrift 55 + V. Voor, gedurende en na de terechtzitting 73 + VI. De vestingtoren van Pisino 91 + VII. De bergstroom van Foïba 104 + VIII. De hut van den visscher Ferrato 127 + IX. Laatste pogingen in een laatsten strijd 148 + + + DOKTER ANTEKIRRT. + + I. Pescadospunt en Kaap Matifou 159 + II. Het te water laten van de Trabucolo 171 + III. Dokter Antekirrt 187 + IV. De weduwe van Stephanus Bathory 204 + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 *** diff --git a/76280-h/76280-h.htm b/76280-h/76280-h.htm new file mode 100644 index 0000000..998da49 --- /dev/null +++ b/76280-h/76280-h.htm @@ -0,0 +1,10120 @@ +<!DOCTYPE HTML> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2025-06-12T19:23:09Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> +<html lang="nl"> +<head> +<title>Een verijdelde samenzwering | Project Gutenberg</title> +<meta charset="utf-8"> +<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> +<meta name="author" content="Jules Verne (1828–1905)"> +<link rel="coverpage" href="images/frontcover.jpg"> +<link rel="icon" href="images/frontcover.jpg" type="image/x-cover"> +<meta name="DC.Title" content="Mathias Sandorf: Een verijdelde samenzwering; Dokter Antekirrt"> +<meta name="DC.Creator" content="Jules Verne (1828–1905)"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<style> /* <![CDATA[ */ +html { +line-height: 1.3; +} +body { +margin: 0; +} +main { +display: block; +} +h1 { +font-size: 2em; +margin: 0.67em 0; +} +hr { +height: 0; +overflow: visible; +} +pre { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +a { +background-color: transparent; +} +abbr[title] { +border-bottom: none; +text-decoration: underline; +} +b, strong { +font-weight: bolder; +} +code, kbd, samp { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +small { +font-size: 80%; +} +sub, sup { +font-size: 67%; +line-height: 0; +position: relative; +vertical-align: baseline; +} +sub { +bottom: -0.25em; +} +sup { +top: -0.5em; +} +img { +border-style: none; +} +body { +font-family: serif; +font-size: 100%; +text-align: left; +margin-top: 2.4em; +} +div.front, div.body { +margin-bottom: 7.2em; +} +div.back { +margin-bottom: 2.4em; +} +.div0 { +margin-top: 7.2em; +margin-bottom: 7.2em; +} +.div1 { +margin-top: 5.6em; +margin-bottom: 5.6em; +} +.div2 { +margin-top: 4.8em; +margin-bottom: 4.8em; +} +.div3 { +margin-top: 3.6em; +margin-bottom: 3.6em; +} +.div4 { +margin-top: 2.4em; +margin-bottom: 2.4em; +} +.div5, .div6, .div7 { +margin-top: 1.44em; +margin-bottom: 1.44em; +} +.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, +.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { +margin-bottom: 0; +} +blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, +.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { +margin-top: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 { +font-size: 1.2em; +} +h3.label { +font-size: 1em; +margin-bottom: 0; +} +h4, .h4 { +font-size: 1em; +} +.alignleft { +text-align: left; +} +.alignright { +text-align: right; +} +.alignblock { +text-align: justify; +} +p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb { +margin: 1.6em auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { +font-size: 0.9em; +text-indent: 0; +} +p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { +margin: 1.58em 10%; +} +.opener, .address { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph { +font-size: 0.9em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl { +display: block; +text-align: right; +} +.trailer { +clear: both; +margin-top: 3.6em; +} +span.abbr, abbr { +white-space: nowrap; +} +span.parNum { +font-weight: bold; +} +span.corr, span.gap { +border-bottom: 1px dotted red; +} +span.num, span.trans { +border-bottom: 1px dotted gray; +} +span.measure { +border-bottom: 1px dotted green; +} +.ex { +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc { +font-variant: small-caps; +} +.asc { +font-variant: small-caps; +text-transform: lowercase; +} +.uc { +text-transform: uppercase; +} +.tt { +font-family: monospace; +} +.underline { +text-decoration: underline; +} +.overline, .overtilde { +text-decoration: overline; +} +.rm { +font-style: normal; +} +.red { +color: red; +} +hr { +clear: both; +border: none; +border-bottom: 1px solid black; +width: 45%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +margin-top: 1em; +text-align: center; +} +hr.dotted { +border-bottom: 2px dotted black; +} +hr.dashed { +border-bottom: 2px dashed black; +} +.aligncenter { +text-align: center; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5; +} +h1.label, h2.label { +font-size: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} +h5, h6 { +font-size: 1em; +font-style: italic; +} +p, .par { +text-indent: 0; +} +p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { +text-transform: uppercase; +} +.hangq { +text-indent: -0.32em; +} +.hangqq { +text-indent: -0.42em; +} +.hangqqq { +text-indent: -0.84em; +} +p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { +float: left; +clear: left; +margin: 0 0.05em 0 0; +padding: 0; +line-height: 0.8; +font-size: 420%; +vertical-align: super; +} +blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { +font-size: 0.9em; +margin: 1.58em 5%; +} +.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { +text-decoration: none; +} +.advertisement, .advertisements { +background-color: #FFFEE0; +border: black 1px dotted; +color: #000; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +span.accent { +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base { +line-height: 0.40em; +} +span.accent span.top { +font-weight: bold; +font-size: 5pt; +} +span.accent span.base { +display: block; +} +.footnotes .body, .footnotes .div1 { +padding: 0; +} +.fnarrow { +color: #AAAAAA; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +} +.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { +color: #660000; +} +.fnreturn { +color: #AAAAAA; +font-size: 80%; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +a { +text-decoration: none; +} +a:hover { +text-decoration: underline; +background-color: #e9f5ff; +} +a.noteRef, a.pseudoNoteRef { +font-size: 67%; +vertical-align: super; +text-decoration: none; +margin-left: 0.1em; +} +.externalUrl { +font-size: small; +font-family: monospace; +color: gray; +} +.displayfootnote { +display: none; +} +div.footnotes { +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep { +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote, .par.footnote { +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { +float: left; +margin-left: -0.1em; +min-width: 1.0em; +padding-right: 0.4em; +} +.apparatusnote { +text-decoration: none; +} +.apparatusnote:target, .fndiv:target { +background-color: #eaf3ff; +} +table.tocList { +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocText { +padding-top: 2em; +padding-bottom: 1em; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum { +text-align: right; +min-width: 10%; +border-width: 0; +white-space: nowrap; +} +td.tocDivNum { +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +vertical-align: top; +} +td.tocPageNum { +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +vertical-align: bottom; +} +td.tocDivTitle { +width: auto; +} +p.tocPart, .par.tocPart { +margin: 1.58em 0; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter, .par.tocChapter { +margin: 1.58em 0; +} +p.tocSection, .par.tocSection { +margin: 0.7em 5%; +} +table.tocList td { +vertical-align: top; +} +table.tocList td.tocPageNum { +vertical-align: bottom; +} +table.inner { +display: inline-table; +border-collapse: collapse; +width: 100%; +} +td.itemNum { +text-align: right; +min-width: 5%; +padding-right: 0.8em; +} +td.innerContainer { +padding: 0; +margin: 0; +} +.index { +font-size: 80%; +} +.index p { +text-indent: -1em; +margin-left: 1em; +} +.indexToc { +text-align: center; +} +.transcriberNote { +background-color: #DDE; +border: black 1px dotted; +color: #000; +font-family: sans-serif; +font-size: 80%; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +.missingTarget { +text-decoration: line-through; +color: red; +} +.correctionTable { +width: 75%; +} +.width20 { +width: 20%; +} +.width40 { +width: 40%; +} +p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { +color: #666666; +font-size: 80%; +} +span.musictime { +vertical-align: middle; +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { +padding: 1px 0.5px; +font-size: xx-small; +font-weight: bold; +line-height: 0.7em; +} +span.musictime span.bottom { +display: block; +} +audio { +height: 20px; +margin-left: 0.5em; +margin-right: 0.5em; +} +ul { +list-style-type: none; +} +.splitListTable { +margin-left: 0; +} +.splitListTable td { +vertical-align: top; +} +.numberedItem { +text-indent: -3em; +margin-left: 3em; +} +.numberedItem .itemNumber { +float: left; +position: relative; +left: -3.5em; +width: 3em; +display: inline-block; +text-align: right; +} +.itemGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.itemGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.itemGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +.titlePage { +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0 7em; +padding: 5em 10% 6em; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle { +line-height: 1.7; +margin: 2em 0; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle { +font-size: 1.8em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, +.titlePage .docTitle .seriesTitle, +.titlePage .docTitle .volumeTitle { +font-size: 1.44em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .byline { +margin: 2em 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .byline .docAuthor { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure { +margin: 2em auto; +} +.titlePage .docImprint { +margin: 4em 0 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .docImprint .docDate { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +div.figure, div.figureGroup { +text-align: center; +} +table.figureGroupTable { +width: 80%; +border-collapse: collapse; +} +.figure, .figureGroup { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft { +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} +.floatRight { +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead, .par.figureHead { +font-size: 100%; +text-align: center; +} +.figAnnotation { +font-size: 80%; +position: relative; +margin: 0 auto; +} +.figTopLeft, .figBottomLeft { +float: left; +} +.figTopRight, .figBottomRight { +float: right; +} +.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par { +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} +img { +border-width: 0; +} +td.galleryFigure { +text-align: center; +vertical-align: middle; +} +td.galleryCaption { +text-align: center; +vertical-align: top; +} +tr, td, th { +vertical-align: top; +} +tr.bottom, td.bottom, th.bottom { +vertical-align: bottom; +} +td.label, tr.label td { +font-weight: bold; +} +td.unit, tr.unit td { +font-style: italic; +} +td.leftbrace, td.rightbrace { +vertical-align: middle; +} +span.sum { +padding-top: 2px; +border-top: solid black 1px; +} +table.inlineTable { +display: inline-table; +} +table.borderOutside { +border-collapse: collapse; +} +table.borderOutside td { +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +} +table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop { +border-top: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cellHeadBottom { +border-bottom: 1px solid black; +} +table.borderOutside .cellBottom { +border-bottom: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft { +border-left: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight { +border-right: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside { +border-collapse: collapse; +} +table.verticalBorderInside td { +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +border-left: 1px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop { +border-top: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellHeadBottom { +border-bottom: 1px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellBottom { +border-bottom: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft { +border-left: 0 solid black; +} +table.borderAll, +table.rtlBorderAll { +border-collapse: collapse; +} +table.borderAll td, +table.rtlBorderAll td { +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +border: 1px solid black; +} +table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop, +table.rtlBorderAll .cellHeadTop, table.rtlBorderAll .cellTop { +border-top: 2px solid black; +} +table.borderAll .cellHeadBottom, +table.rtlBorderAll .cellHeadBottom { +border-bottom: 1px solid black; +} +table.borderAll .cellBottom, +table.rtlBorderAll .cellBottom { +border-bottom: 2px solid black; +} +table.borderAll .cellLeft, +table.borderAll .cellHeadLeft { +border-left: 2px solid black; +} +table.borderAll .cellRight, +table.borderAll .cellHeadRight { +border-right: 2px solid black; +} +table.rtlBorderAll .cellLeft, +table.rtlBorderAll .cellHeadLeft { +border-right: 2px solid black; +} +table.rtlBorderAll .cellRight, +table.rtlBorderAll .cellHeadRight { +border-left: 2px solid black; +} +tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop { +border-top: 1px solid black !important; +} +tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight { +border-right: 1px solid black !important; +} +tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft { +border-left: 1px solid black !important; +} +tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom { +border-bottom: 1px solid black !important; +} +tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal { +border-top: 1px solid black !important; +border-bottom: 1px solid black !important; +} +tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical { +border-right: 1px solid black !important; +border-left: 1px solid black !important; +} +tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll { +border: 1px solid black !important; +} +tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop { +border-top: none !important; +} +tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight { +border-right: none !important; +} +tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft { +border-left: none !important; +} +tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom { +border-bottom: none !important; +} +tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal { +border-top: none !important; +border-bottom: none !important; +} +tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical { +border-right: none !important; +border-left: none !important; +} +tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll { +border: none !important; +} +.cellDoubleUp { +border-width: 0 !important; +width: 1em; +} +.cellDummy { +border-width: 0 !important; +} +td.alignDecimalIntegerPart { +text-align: right; +border-right: none !important; +padding-right: 0 !important; +margin-right: 0 !important; +} +td.alignDecimalFractionPart { +text-align: left; +border-left: none !important; +padding-left: 0 !important; +margin-left: 0 !important; +} +td.alignDecimalNotNumber { +text-align: center; +} +.lgouter { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display: table; +} +.lg { +text-align: left; +padding: .5em 0; +} +.lg h4, .lgouter h4 { +font-weight: normal; +} +.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { +color: #777; +font-size: 90%; +left: 16%; +margin: 0; +position: absolute; +text-align: center; +text-indent: 0; +top: auto; +width: 1.75em; +} +p.line, .par.line { +margin: 0; +} +span.hemistich { +visibility: hidden; +} +.verseNum { +font-weight: bold; +} +.speaker { +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line { +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +.castlist, .castitem { +list-style-type: none; +} +.castGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.castGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.castGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +body { +padding: 1.58em 16%; +} +.pageNum { +display: inline; +font-size: 8.4pt; +font-style: normal; +margin: 0; +padding: 0; +position: absolute; +right: 1%; +text-align: right; +letter-spacing: normal; +} +.marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +left: 1%; +position: absolute; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +} +.right-marginnote { +font-size: 0.8em; +height: 0; +right: 3%; +position: absolute; +text-indent: 0; +text-align: right; +width: 11% +} +.cut-in-left-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: left; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; +} +.cut-in-right-note { +font-size: 0.8em; +left: 1%; +float: right; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: right; +padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; +} +span.tocPageNum, span.flushright { +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +text-indent: 0; +} +.pglink::after { +content: "\0000A0\01F4D8"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.catlink::after { +content: "\0000A0\01F4C7"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { +content: "\0000A0\002197\00FE0F"; +color: blue; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.pglink:hover { +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover { +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { +background-color: #FFDCDC; +} +body { +background: #FFFFFF; +font-family: serif; +} +body, a.hidden { +color: black; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline { +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { +text-align: left; +} +.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { +color: #660000; +} +.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 { +font-weight: normal; +} +table { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +td.tocText { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.tableCaption { +text-align: center; +} +.arab { font-family: Scheherazade, serif; } +.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } +.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } +.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } +.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } +/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ +.xs { +font-size: x-small; +} +.small { +font-size: small; +} +.large { +font-size: large; +} +.vam { +vertical-align: middle; +} +.center { +text-align: center; +} +/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ +.cover-imagewidth { +width:505px; +} +.titlepage-imagewidth { +width:471px; +} +.p005width { +width:511px; +} +.p009width { +width:510px; +} +.p013width { +width:512px; +} +.p017width { +width:507px; +} +.p021width { +width:506px; +} +.p025width { +width:506px; +} +.p029width { +width:506px; +} +.p033width { +width:508px; +} +.p037width { +width:502px; +} +.p041width { +width:506px; +} +.p045width { +width:508px; +} +.p049width { +width:506px; +} +.p053width { +width:507px; +} +.p057width { +width:506px; +} +.p061width { +width:506px; +} +.p062width { +width:332px; +} +.p065width { +width:501px; +} +.p067-1width { +width:334px; +} +.p067-2width { +width:361px; +} +.p068-1width { +width:332px; +} +.p068-2width { +width:367px; +} +.p071width { +width:509px; +} +.p077width { +width:506px; +} +.p081width { +width:504px; +} +.p089width { +width:508px; +} +.p097width { +width:507px; +} +.p105width { +width:504px; +} +.p113width { +width:503px; +} +.p121width { +width:506px; +} +.p129width { +width:508px; +} +.p135width { +width:505px; +} +.p141width { +width:505px; +} +.p145width { +width:501px; +} +.p153width { +width:500px; +} +.p161width { +width:503px; +} +.xd33e3159 { +text-indent:2em; +} +.p167width { +width:504px; +} +.p173width { +width:503px; +} +.p177width { +width:502px; +} +.p181width { +width:502px; +} +.p185width { +width:506px; +} +.p189width { +width:501px; +} +.p193width { +width:505px; +} +.p197width { +width:510px; +} +.p201width { +width:501px; +} +.p205width { +width:499px; +} +.p209width { +width:509px; +} +.spinewidth { +width:90px; +} +.backcoverwidth { +width:499px; +} +/* ]]> */ </style> +</head> +<body> +<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 ***</div> +<div class="front"> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/frontcover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="505" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center large">MATHIAS SANDORF +</p> +<p class="center">EEN VERIJDELDE SAMENZWERING<br> +DOKTER ANTEKIRRT +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage1916.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="471" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<div class="seriesTitle">WONDERREIZEN</div> +</div> +<div class="byline"><span class="docAuthor">JULES VERNE</span></div> +<div class="docTitle"> +<h1 class="mainTitle"><span class="sc">Mathias Sandorf</span></h1> +<div class="mainTitle">EEN VERIJDELDE SAMENZWERING<br> +DOKTER ANTEKIRRT</div> +</div> +<div class="docImprint">AMSTERDAM<br> +UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER”<br> +<span class="docDate">1916</span></div> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> +</div> +<div class="body"> +<div class="div0 part"> +<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4100">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="I." width="569" height="86"></div> +<h2 class="label">I.</h2> +<h2 class="main">DE REISDUIF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Triëst, de hoofdplaats van Illyrië, wordt <span class="corr" id="xd33e148" title="Bron: verdeeldin">verdeeld in</span> twee gedeelten, die zeer weinig gelijkenis met elkander hebben; het eene is nieuw +en rijk, Theresienstadt genaamd, keurig netjes en regelmatig gebouwd langs de boorden +van die fraaie baai, waarvoor een deel door den mensch aan de golven ontwoekerd werd; +het andere gedeelte is eene oude en arme stad, die geheel onregelmatig opgetrokken +werd en besloten ligt tusschen het Corso, waardoor zij van de Theresienstadt afgescheiden +wordt, en de hellingen van den Karstberg, welks top bekroond is met eene citadel, +die een schilderachtig uiterlijk heeft. +</p> +<p>De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks nabijheid de +koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. Daar vormen zich gemakkelijk en soms in onrustbarend +aantal, groepen van die straatslijpers, van die bohemers, zooals zij wel genoemd worden, +van die kerels zonder dak, welker jassen, broeken en vesten waarachtig geen zakken +noodig hebben, omdat hunne eigenaren nooit iets gehad hebben en nooit iets zullen +hebben, om er in te bergen. +</p> +<p>Evenwel op den dag, waarop dit verhaal begint—den 18den Mei 1867—zou men te midden +van die landloopers twee personen opgemerkt hebben, die een weinig beter gekleed waren +dan hunne omgeving. Of ze ooit veel last hadden of hebben zouden van de guldens of +kreutzers, die zij bezaten, was weinig waarschijnlijk, tenzij de kansrekening ten +hunnen gunste uitviel. Het is waar dat het een paar kerels waren, die in staat geacht +moesten worden, alles te doen om de fortuin de hand te reiken en haar gunstig te stemmen. +</p> +<p>De een heette Sarcany, die beweerde dat hij van Tripoli afkomstig was. De andere was +op Sicilië geboren en heette Zirone. Beiden, na den havendam voor den tienden keer +op en neer gedrenteld te hebben, waren op zijn uiteinde blijven stilstaan. Van dat +punt onderzochten zij den gezichteinder op zee ten westen van de baai van <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>Triëst, alsof daar aan de kim een schip moest opduiken, hetwelk hun een vermogen zou +aanbrengen! +</p> +<p>„Hoe laat is het?” vroeg Zirone in het Italiaansch, dat zijn makker even vlug en vloeiend +sprak als al de andere tongvallen, die rondom de Middellandsche Zee gesproken worden. +</p> +<p>Sarcany antwoordde niet. +</p> +<p>„Och, ben ik niet dom, met zoo’n vraag te doen!” riep de Siciliaan uit. „Men weet +altijd hoe laat het is, wanneer men den honger gevoelt, als men niets te ontbijten +heeft gehad!” +</p> +<p>De Oostenrijksche, Italiaansche en Slavonische bestanddeelen der maatschappij zijn +in dit gedeelte van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk zoodanig vermengd, dat +de aanwezigheid van die twee personen, hoewel zij blijkbaar vreemdelingen in de stad +waren, volstrekt niet de aandacht trok. En al hadden zij ook al leege zakken en al +waren zij ook arm als Job, zoo kon dat niemand raden, daar zij onder den bruinen mantel, +die hen tot op de hielen viel, een hooge borst zetten, alsof zij wonder veel in de +melk te brokken hadden. +</p> +<p>Sarcany, de jongste dier beide mannen, was van middelbare gestalte, maar evenredig +gebouwd. Hij bezat aangename manieren en een bevalligen gang en was vijf en twintig +jaren oud. Hij heette Sarcany, zonder meer. Geen voornaam, geen doopnaam. En inderdaad, +hij was niet gedoopt, omdat hij zeer waarschijnlijk van Afrikaansche herkomst was, +van Tripoli of Tunis. Maar hoewel zijne huid gebruind was, deden zijne regelmatige +trekken hem eerder voor een blanke dan voor een neger doorgaan. +</p> +<p>Wanneer ooit het uiterlijk bedriegelijk was, dan was het wel dat van Sarcany. Men +moest wel een ervaren opmerker zijn om uit dat regelmatige gelaat, met die schoone +zwarte oogen, met dien fijngevormden neus, met dien keurig geteekenden mond, die door +een fijn kneveltje beschaduwd werd, de diepe sluwheid van dien jongen man op te maken. +Geen nog zoo scherpziend oog zou op dat strakke, ijskoude gelaat die kenmerken van +diepe verachting en van peilloozen afkeer hebben kunnen ontdekken, die uit een voortdurenden +opstand en strijd tegen de maatschappij geboren worden. Wanneer de gelaatkundigen, +en in zeer vele gevallen terecht, beweren, dat ieder bedrieger in weerwil van zijne +behendigheid tegen zich zelven getuigt, zoo zou Sarcany die bewering volkomen gelogenstraft +hebben. Niemand zou op het eerste gezicht van dien man hebben kunnen gissen, wie hij +was of wat hij geweest was. Hij ontlokte dien onweerstaanbaren afkeer niet, die door +schurken en bedriegers opgewekt wordt. Hij was er des te gevaarlijker door. +</p> +<p>Hoe of wat was de kindsheid van Sarcany geweest? Dat wist niemand te vertellen. Ongetwijfeld +die van een verlaten, verstooten <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>wezen. Hoe was hij opgevoed geworden? En door wien? In welk Tripolitaansch gat bracht +hij zijne eerste kinderjaren door? Door welke zorgen ontsnapte hij aan de zoovele +oorzaken van verdelging en vernietiging onder die noodlottige klimaatsinvloeden? Waarlijk +niemand—hij zelf waarschijnlijk ook niet—zou op die vragen antwoord hebben kunnen +geven. Het toeval had hem het aanzijn geschonken, het toeval sleepte hem voort en +hij was bestemd afhankelijk van het toeval te leven! Toch had hij in zijne jeugd eenig +practisch onderricht genoten, hetwelk hij daaraan waarschijnlijk verschuldigd was, +dat hij door de wereld had moeten rondzwerven, dat hij met allerhande slag van menschen +had moeten omgaan, en dat <span class="corr" id="xd33e168" title="Bron: hij hij">hij</span> er steeds op bedacht had moeten zijn om kunstmiddel op kunstmiddel uit te denken, +al ware het maar om zijn dagelijksch onderhoud machtig te worden. Daardoor en door +nog verschillende andere omstandigheden was hij sedert eenige jaren in aanraking gekomen +met een der rijkste huizen van Triëst, met het bankiershuis van Silas Toronthal, wiens +naam innig samengeweven zal zijn met den draad dezer geschiedenis. +</p> +<p>Wat den makker van Sarcany, den Italiaan Zirone, betreft, och, men heeft in hem slechts +te zien een dier mannen zonder god of gebod, een avonturier, in staat om alles te +doen, om alles ter hand te nemen, iemand die ter beschikking is van den eerste den +beste die goed betaalt, om dien te verraden ter wille van een ander, die nog beter +afschuift. Hij was, zooals reeds gezegd is, op Sicilië geboren en ongeveer dertig +jaar oud. Hij was er de man naar, om zoowel slechten raad te geven als dien te ontvangen. +Vooral evenwel zorgde hij voor de uitvoering daarvan. In welke plaats was hij geboren? +Misschien zou hij die vraag beantwoord hebben als hij het geweten had. Maar in ieder +geval bekende hij ongaarne waar hij woonde, als hij wel te verstaan ergens woonde. +Het was op Sicilië dat het toeval van zijn zwervend leven hem in aanraking met Sarcany +gebracht had. En zoo gingen zij de wereld door en trachtten door alle geoorloofde +en ongeoorloofde middelen uit hun beider slecht gesternte munt te slaan en de fortuin +te beproeven. Zirone evenwel, een groote, gebaarde kerel, met zeer bruine huid en +zeer zwart haar, zou eenige moeite hebben om zijne aangeborene schelmachtigheid te +bemantelen, die uit zijne <span class="corr" id="xd33e173" title="Bron: steed">steeds</span> half gesloten oogen straalde en door zijn voortdurend hoofdschudden aangeduid werd. +</p> +<p>Alleen hij poogde zijne sluwheid achter eene luidruchtige babbelachtigheid te verbergen. +Hij was daarenboven eerder vroolijk dan droevig van aard en veel meer mededeelzaam +dan zijn makker. +</p> +<p>Dien dag sprak Zirone evenwel met eene soort van omzichtigheid. Klaarblijkelijk verontrustte +hem zijne hongerigheid. Den vorigen dag had hij een laatste partij gespeeld in een +speelhol van <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>zeer laag allooi, waarbij de fortuin hem onbarmhartig stiefmoederlijk behandeld had, +en hij de laatste hulpmiddelen van Sarcany verspeeld had. Geen hunner wist dan ook +hoe aan eten te komen. Ze konden en mochten slechts op het toeval rekenen, en daar +die bedelaars-voorzienigheid zich niet haastte om hun de hand te reiken daar op dien +havendam van San Carlo, zoo besloten zij haar een eindje tegemoet te treden, door +de nieuwe stad in te stappen. +</p> +<p>Daar op de pleinen, op de kaden, op de wandelwegen, zoowel aan deze als aan gene zijde +van de haven, langs het groote kanaal, dat geheel Triëst doorsnijdt, daar gaat, komt +en verdringt zich, in den ijver om zaken te doen, eene bevolking van zeventig duizend +zielen van Italiaanschen oorsprong, welker taaldialect, hetwelk dat van Venetië is, +zich oplost in de kosmopolitische spraakverwarring van al die zeelieden, handelaren, +geëmployeerden, beambten, die een mengelmoes doen hooren, dat uit Duitsch, Fransch, +Engelsch en Slavonisch bestaat. +</p> +<p>Hoewel beweerd kan worden, dat die nieuwe stad rijk is, zoo moet daaruit de gevolgtrekking +niet gemaakt worden dat allen, die daar op de straten ronddrentelen, gelukkige stervelingen +genoemd kunnen worden. Neen, waarachtig niet. De meest-vermogenden zouden onmogelijk +hebben kunnen wedijveren met die Engelsche, Armenische, Grieksche en Joodsche handelaren, +die te Triëst den baas spelen en welker weelderige huishouding de hoofdstad van het +Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk overwaardig zou zijn. Maar die buiten rekening +gelaten, hoeveel arme drommels, die van <span class="corr" id="xd33e184" title="Bron: ’smorgens">’s morgens</span> tot ’s avonds zwerven door die handelslanen, welke door hooge gebouwen omgeven zijn, +die gesloten worden als geldkisten en waarin allerhande koopwaren, welke naar die +vrijhaven, die zoo gunstig in dien uithoek van de Adriatische Zee gelegen is, gebracht +worden, opgestapeld liggen. Hoeveel lieden drentelen daar niet, die niet ontbeten +hebben, die misschien niet zullen middagmalen, opgehouden als zij zullen worden op +de havenkaden, waar de schepen van de machtigste maritieme maatschappij van Europa, +de Oostenrijksche Lloyd, zooveel rijkdom, van al de streken der aarde bijeengebracht, +ontladen. Hoeveel rampzaligen eindelijk, zooals er bij honderden in Londen, Liverpool, +Amsterdam, Rotterdam, Marseille, Havre, Antwerpen, Livorno, in één woord in alle handelssteden, +tusschen rijke reeders en cargadoors rondkrioelen in de nabijheid dier pakhuizen, +welker ingang voor hen gesloten is, op de beurspleinen dier steden, gebouwen aan Mercurius +gewijd, die zich nimmer voor hen zullen ontsluiten, bewegen zich niet ook hier te +Triëst beneden aan die trappen van dat Tergesteum, waar de Lloyd hare kantoren gevestigd +heeft, hare leeszalen bezit, en in volmaakte overeenkomst met de Kamer van Koophandel +leeft. +<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span> +</p> +<div class="figure p005width"><img src="images/p005.jpg" alt="De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks nabijheid de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. (Bladz. I.)" width="511" height="720"><p class="figureHead">De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks nabijheid de +koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. (Bladz. I.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p> +<p>Het is onbetwistbaar dat in al de groote zeesteden van de oude en nieuwe wereld, een +klasse van ongelukkigen rondkrioelt, die aan die groote handelscentra eigen zijn. +Vanwaar zij komen, weet niemand. Hoe dat lot hun beschoren werd, evenmin. Waar zij +het hoofd neerleggen zullen, weten zij zelven niet. Onder hen worden aangetroffen +die van hooger standpunt weggedrongen werden. Het zijn meestal vreemdelingen bovendien. +De spoortreinen en de koopvaardijschepen brachten hen aan en wierpen hen op het perron +of op de kaden als colli’s vrachtgoederen zonder waarde, en zij vormen een ware belemmering +op den openbaren weg, vanwaar de politie hen te vergeefs zoekt te verdrijven. +</p> +<p>Sarcany en Zirone, na nog een blik over de baai tot aan den vuurtoren, die op de uiterste +punt van Sint Theresia opgericht is, geworpen te hebben, verlieten alzoo den havendam +en namen hun weg tusschen het <span class="corr" id="xd33e196" title="Bron: Theatro Communale">Teatro Comunale</span> en de kade door en bereikten zoo de Piazza Grande, waar zij gedurende een kwartieruur +slenterden in de nabijheid van de fontein, die opgetrokken werd van steenen, welke +uit den naburigen Karstberg gehaald waren, en in de nabijheid van het standbeeld van +Karel VI. +</p> +<p>Beiden sloegen toen links af. Intusschen bekeek Zirone de voorbijgangers met onderzoekenden +blik, alsof hij van het onweerstaanbare plan zwanger ging te willen zakkenrollen. +Daarna slenterden zij rondom het groote vierkant van Tergesteum, juist op het oogenblik +dat de beurstijd eindigde. +</p> +<p>„De beurs is nu leeg.… zooals de onze!” meende de Siciliaan met een glimlach te moeten +opmerken, hoewel hij volstrekt geen trek in lachen had. +</p> +<p>Maar de onverschillige Sarcany scheen zelfs het geestige woordenspel van zijn makker +niet gehoord te hebben. Deze evenwel rekte zich de ledematen uit en geeuwde van honger. +</p> +<p>Daarna stapten zij het driehoekige plein over, waarop zich het bronzen standbeeld +van keizer Leopold I verheft. Een scherp gefluit van Zirone, die dat als een echte +straatjongen kon, deed een vlucht blauwe duiven opvliegen, die onder de boogvormige +afdaken van de oude Beurs koekeloeren, zooals de grijsachtige duiven doen tusschen +de Procuraties van het Sint-Markusplein te Venetië. Niet ver van daar ontwikkelde +zich het Corso, dat het nieuwe Triëst van het oude scheidt. +</p> +<p>Dat Corso is een breede straat, die evenwel zonder bevalligheid is, waarin goedbeklante +magazijnen aangetroffen worden, die evenwel smakeloos genoemd moeten worden. Die straat +doet eerder denken aan de Regentstreet van Londen of de Broadway van New-York, dan +aan de <span lang="fr">Boulevards des Italiens</span> te Parijs. Een groot aantal voorbijgangers wordt er steeds aangetroffen. Ook het +aantal <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>rijtuigen is er aanmerkelijk, die van de Piazza Grande naar de Piazza della Legna +rijden.—Die namen duiden aan dat de stad haren Italiaanschen oorsprong nog niet vergeten +is. +</p> +<p>Wanneer Sarcany den schijn aannam ongevoelig te zijn voor iedere verzoeking, zoo ging +Zirone toch die rijke winkels niet voorbij zonder er dien bijzonderen afgunstigen +blik in te werpen, die van hen uitgaat, die de middelen missen naar binnen te kunnen +gaan. Daar waren toch zaken in overvloed aanwezig, die zij wel zouden hebben kunnen +gebruiken, vooral bij de kooplieden in eetwaren en in de „bièreries” waar het bier +meer overvloedig stroomt dan in eenige andere stad van het Oostenrijksch-Hongaarsche +koninkrijk. +</p> +<p>„Ik gevoel nog meer honger dan dorst op dit Corso,” merkte de Siciliaan op, terwijl +hij met de tong tusschen zijn verdroogde lippen smakte, alsof hij een kleppermansratel +liet hooren. +</p> +<p>Die opmerking werd door Sarcany met een eenvoudig schouderophalen beantwoord. +</p> +<p>Beiden sloegen toen de eerste straat links in, en toen zij op de oevers van het kanaal +waren aangekomen, op het punt waar de Ponto Rosso—eene fraaie draaibrug—overgang verleende, +stapten zij die kaden langs, waar zelfs schepen van grooten diepgang kunnen vastmeeren. +Daar werden zij veel minder verlokt en gepijnigd door de uitstalling van allerlei +lekkernijen. Ter hoogte van de kerk Sant-Antonio gekomen, sloeg Sarcany plotseling +rechtsom. Zijn makker volgde hem zonder eenige bemerking te maken. Daarna staken zij +weer het Corso over en drentelden thans door de oude stad, welker straten zeer smal +en onbruikbaar voor rijtuigen zijn, wanneer zij althans die eerste hellingen van den +Karstberg bereiken en daartegen als het ware willen opklimmen. Die straten nemen in +den regel zulke richting, dat zij niet door den schrikkelijken Borawind—zoo wordt +een stevige noordoostelijke bries genoemd—bestreken kunnen worden. Hier in dat oude +Triëst zouden Zirone en Sarcany als ware platzakken, zich meer te huis gevoelen dan +in de rijke en prachtige kwartieren van de nieuwe stad. +</p> +<p>Zij logeerden dan ook inderdaad achter in een zeer bescheiden passantenhuis, niet +ver van de kerk van Santa Maria Magiore, en hadden daar reeds hun intrek genomen bij +hunne aankomst in de hoofdplaats van Illyrië. Maar daar de logementhouder nog nooit +eenig geldstuk van hen te zien had gekregen en steeds dringender werd om zijne rekening, +die iederen dag al grooter en grooter werd, betaald te krijgen, vermeden zij die gevaarlijke +kaap, staken het plein over en flaneerden gedurende eenigen tijd rondom de Arco di +Riccardo. +</p> +<p>Maar op den keper beschouwd, de studie van die overblijfselen van vermeende bouwkunst +kon hen niet bevredigen. Daar dus het <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>toeval dezen keer blijkbaar zich niet haastte om hen te midden van die slecht befaamde +straten te hulp te komen, begonnen zij, de een gevolgd door den ander, de steile stegen +te beklimmen, die bijna tot op den top van den Karstberg, naar het plein der kathedraal +voerden. +</p> +<p>„Een zonderling denkbeeld om daar naar boven te klimmen,” mompelde Zirone, terwijl +hij onderwijl zijn mantel om zijn middel vaster aantrok. +</p> +<p>Maar al pruttelde hij ook, hij verliet zijn makker niet, en van beneden gezien, had +men kunnen waarnemen, hoe zij zich langs die trappen, die oneigenaardig straten genoemd +worden en langs de hellingen van den Karstberg aangelegd zijn, opheschen. Tien minuten +later hadden zij, hongeriger en dorstiger dan te voren, het plein daarboven bereikt. +</p> +<p>Dat van dit hooge standpunt het vergezicht zich prachtig uitstrekte over de baai van +Triëst tot aan de volle zee, over de zoo levendige haven door het heen en weer varen +der visschersvaartuigen, door het in- en uitstevenen der oorlogs-stoomers en der koopvaardijschepen; +dat de blik kon waren over de geheele stad, over hare voorsteden, over de laatste +huizen, die op de hellingen gelegen waren, over de villa’s, die verspreid op de hoogten +verrezen, neen, dat alles kon onze twee avonturiers volstrekt niet meer boeien. Zij +hadden in hun leven wel wat anders gezien en bovendien, hoe dikwijls hadden zij niet +op die hoogte met hunne ellende en met hunne verveling rondgewandeld? Zirone vooral +had veel liever langs de rijke winkels van het Corso gedrenteld. Maar wat er aan te +doen! Nu zij toch het toeval en zijne onvoorziene weldadigheden daar boven waren komen +zoeken, moesten zij die zonder al te veel ongeduld afwachten. +</p> +<p>Er stond daar bij het uiteinde van de trap, die toegang tot het terras, dicht bij +de Byzantijnsche Kathedraal van Sint Justus verleende, eene omheinde ruimte, die vroeger +een kerkhof was, maar thans als museum van oudheden te bezichtigen was. Het waren +geen graven meer, die er aangetroffen werden, maar brokstukken van grafsteenen, die +onder de lage takken van zeer fraaie boomen verscholen lagen, Romeinsche obeliskvormige +monolithen, voetstukken uit de middeleeuwen, stukken van Dorische friezen en anderen, +afkomstig uit den Renaissance-stijl, verglaasde cubussen, waarop nog steeds de sporen +van vuur en asch te bespeuren waren. Dat alles lag daar door elkander in het gras. +</p> +<p>De deur van die omheinde ruimte was niet gesloten. Sarcany had slechts de moeite te +nemen haar open te duwen. Hij trad, gevolgd door Zirone, binnen, die evenwel deze +meewarige opmerking niet kon onderdrukken: +<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span> +</p> +<div class="figure p009width"><img src="images/p009.jpg" alt="En gingen zitten op een grooten steen, die in den vorm van eene Romaansche roos uitgebeiteld was. (Bladz. 10.)" width="510" height="720"><p class="figureHead">En gingen zitten op een grooten steen, die in den vorm van eene Romaansche roos uitgebeiteld +was. (Bladz. 10.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p> +<p>„Wanneer wij het denkbeeld koesterden om een einde aan ons leven te maken, dan zou +waarachtig de plek uitstekend gekozen zijn.” +</p> +<p>„En als men u voorsloeg dat te doen?” vroeg Sarcany met spottende stem. +</p> +<p>„Wel, daar zou ik hartelijk voor danken, kameraad! Als men mij slechts één gelukkigen +dag op de tien verschaft, och, dan ben ik tevreden, ik vraag niet meer.” +</p> +<p>„Dien gelukkigen dag zal men je verschaffen—en wellicht beter dan dat.” +</p> +<p>„Dat je alle heiligen, die door de Italianen vereerd worden, verhooren. En toch weet +God alleen dat die gelukzaligen bij honderden geteld worden.” +</p> +<p>„Kom steeds voort!” hernam Sarcany. +</p> +<p>„Waarheen?” +</p> +<p>„Kom maar.” +</p> +<p>Beiden volgden nu eene halfcirkelvormige laan, welke tusschen grafsteenen en eene +dubbele rij urnen doorliep, en gingen zitten op een grooten steen, die in den vorm +van een Romaansche roos uitgebeiteld en met den vloer gelijk was. +</p> +<p>Eerst namen zij een diep stilzwijgen in acht, dat Sarcany scheen te bevallen, maar +zijnen makker volstrekt niet beviel. Zirone sprak dan ook weldra, terwijl hij een +paar krampachtige spiertrekkingen der kaakbeenderen niet kon onderdrukken: +</p> +<p>„Hel en duivel, het toeval, waarop wij als echte dwazen rekenen, haast zich niet om +ons te hulp te komen!” +</p> +<p>Sarcany antwoordde niet. +</p> +<p>„Maar welk denkbeeld dan ook,” ging Zirone voort, „om tot hier te midden van die bouwvallen +te komen! Ik geloof, kameraad, dat wij een verkeerd pad ingeslagen hebben. Wie, duivel, +zou hier het toeval de hand willen komen reiken, hier op dit oud kerkhof iemand komen +verplichten? De zielen der overledenen kunnen het toeval best missen, die hebben niets +meer noodig, sedert zij hun aardsch omhulsel verlieten. En wanneer ik zoover gekomen +zal zijn, och, dan zal mij een vertraagd diner of een souper dat niet komt, bitter +weinig kunnen schelen! Kom, laat ons heengaan!” +</p> +<p>Sarcany was nog in zijne overdenkingen verdiept en had den blik als het ware in de +ruimte verloren. Hij bewoog dan ook geen vin. +</p> +<p>Zirone bleef nog een poos zonder verder te spreken. Daarop hernam zijne gewone babbelzucht +weer hare rechten. +</p> +<p>„Sarcany,” zei hij, „wilt gij weten onder welke gedaante ik thans dat toeval, hetwelk +ons, zijn beste klanten, zoo liederlijk in den steek laat, zou willen zien verschijnen? +In de gedaante van een der kassiersloopers van het huis Toronthal, die hier zou aankomen +met <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>eene portefeuille opgepropt met bankbiljetten en die ons die portefeuille uit naam +van den genoemden bankier zou toevertrouwen, onder bijvoeging van duizend verontschuldigingen, +dat hij ons zoo lang heeft laten wachten.” +</p> +<p>„Luister, Zirone,” sprak Sarcany, wiens wenkbrauwen geweldig fronsten. „Ik zeg je +voor de laatste maal, dat wij niets meer van Silas Toronthal te hopen of te verwachten +hebben.” +</p> +<p>„Zijt gij er zeker van?” +</p> +<p>„Ja, het geheele krediet dat ik bij hem hebben kon, is thans uitgeput en op mijne +laatste aanvragen heeft hij met een formeele en afdoende weigering geantwoord.” +</p> +<p>„Te drommmel, dat ’s gek!” +</p> +<p>„Zeer gek, maar het is niet anders!” +</p> +<p>„Maar.… als uw krediet uitgeput is,” hernam Zirone, „dan is dat toch het bewijs dat +ge krediet gehad hebt. Wat was er de grondslag van? Waarop berustte het? Daarop, nietwaar, +dat ge herhaaldelijk uwe verstandelijke vermogens en uw ijver ten dienste van het +bankiershuis bij het behandelen van sommige teergevoelige zaken gesteld hebt.… Daarom +is Toronthal gedurende de eerste maanden van ons verblijf te Triëst niet al te weerstrevend +geweest op het gebied van geldverstrekken! Maar ik acht het voor onmogelijk dat ge +hem niet meer op de een of andere wijze in uwe macht zoudt hebben, en door hem te +bedreigen.…” +</p> +<p>„Geloof mij, als dat mogelijk ware, zou het reeds geschied zijn,” antwoordde Sarcany, +terwijl hij de schouders optrok, „en zoudt ge thans niet verplicht zijn rond te loopen +om een diner te zoeken. Neen, bij God! ik heb dien Toronthal niet in mijne macht! +Maar wat niet is, kan nog wel gebeuren, en dien dag dan zal hij mij èn kapitaal, èn +interessen èn interessen van interessen van al hetgeen hij mij nu weigert, uitbetalen! +Ik verbeeld mij, en misschien niet zonder reden, dat de zaken van zijn kantoor voor +het tegenwoordige eenigszins in de war zijn en dat hij fondsen in wankelende zaken +gestoken heeft, die erg gevaar loopen. De weeromstuit van verscheidene faillissementen +in Duitschland, te Berlijn en te Munchen, heeft zich tot hier in Triëst doen gevoelen, +en wat hij ook heeft mogen beweren, zoo scheen mij Silas Toronthal zeer onrustig, +toen ik hem den laatsten keer bezocht! Kom, laten wij het water troebel laten worden.… +en als dat gebeurd zal zijn.…” +</p> +<p>„Welnu, ja,” riep Zirone uit, „dat ’s goed! Maar intusschen hebben wij nog slechts +water om te drinken. Ziet ge, Sarcany, ik ben van meening dat gij nog een poging bij +Toronthal moest wagen. Gij moest nog een keer bij zijne kas aankloppen om te trachten, +al was het maar zooveel te verkrijgen, ten einde naar Sicilië via Malta terug te kunnen +keeren.…” +<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p> +<p>„Maar wat wilt ge in Sicilië uitvoeren?” +</p> +<p>„Dat is mijn zaak. Dat land ken ik en ik zou een troepje Maltezers, flinke kerels, +zonder vooroordeelen, waar wat van te maken zoude zijn, er heen kunnen voeren. Welnu, +voor den drommel! als hier niets meer te beproeven valt, laten wij dan heengaan, maar +laten wij alvorens dien verwenschten bankier noodzaken ons reisgeld te verschaffen. +Hoe weinig gij ook van hem schijnt te weten, zal dat toch wel voldoende zijn om hem +te doen inzien, dat het voor hem veiliger zal wezen, dat gij u overal elders dan te +Triëst zult bevinden!” +</p> +<p>Sarcany schudde het hoofd. +</p> +<p>„Kom, vooruit! Het kan onmogelijk lang meer duren,” hernam Zirone. „Wij zijn geheel +blut!” +</p> +<p>Hij was opgestaan, en stampte met den voet op den grond, zooals hij eene stiefmoeder +zou gedaan hebben die hem stiefmoederlijk zoude behandeld hebben. +</p> +<p>In dit oogenblik werd zijn blik geboeid door een vogel, die buiten de omheinde ruimte +slechts met moeite scheen te kunnen vliegen. Het was eene duif, wier vermoeide vleugelen +ternauwernood nog klapwieken konden en die naar den grond streek. +</p> +<p>Zirone had, zonder zich af te vragen, tot welke der honderd zeven en zeventig soorten +van duiven, thans in de ornithologische naamlijst opgenomen, die vogel behoorde, slechts +ééne zaak voor oogen, namelijk dat hij tot de eetbare soorten behoorde. Hij wees hem +dan ook met den vinger aan zijn makker en verslond hem met den blik. +</p> +<p>De vogel was klaarblijkelijk uitgeput en het einde zijner krachten nabij. Hij poogde +zich vast te klemmen aan de uitstekende gedeelten van de kathedraal, welker voorgevel +geflankeerd is door een vierkanten toren, die van oude dagteekening is. Toen hij zich +niet meer kon houden en op het punt was naar beneden te vallen, kwam hij zich eerst +neerzetten op het dakwerk van eene kleine nis, waaronder het beeld van den heiligen +Justus prijkte; maar de vermoeide pootjes van de duif weigerden hun dienst; zij kon +zich niet vastklemmen en liet zich glijden tot op het kapiteelwerk van eene oude zuil, +die in den hoek stond, welke door dien toren en dien voorgevel gevormd werd. +</p> +<p>Al volgde Sarcany, die steeds onbeweeglijk en stilzwijgend daar neer zat, de duif +in hare vlucht niet, zoo verloor haar Zirone daarentegen niet uit het oog. Zij was +uit noordelijke richting gekomen. Een lange tocht had haar geheel en al uitgeput. +Klaarblijkelijk zette haar instinct haar aan om een nog verder gelegen doel te bereiken. +Zij hernam dan ook bijna dadelijk hare vlucht en volgde eene gebogen richtingslijn, +die haar noodzaakte tot eene <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>nieuwe halt, juist op de benedentakken van een der boomen van het oude kerkhof. +<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span> +</p> +<div class="figure p013width"><img src="images/p013.jpg" alt="Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de hand grijpen. (Bladz. 14.)" width="512" height="720"><p class="figureHead">Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de hand grijpen. +(Bladz. 14.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb14a">[<a href="#pb14a">14</a>]</span></p> +<p>Toen besloot Zirone de duif te bemachtigen. Hij sloop dan ook zachtkens en langs den +grond kruipende naar den boom. Weldra had hij den geknoesten stam bereikt, die gelegenheid +te over aanbood om de vorkvormige vertakking van de kruin te kunnen bereiken. Daar +bleef hij onbewegelijk en stom in de houding van een speurhond, die eenig wild bespiedt, +dat boven zijn hoofd gezeten is. +</p> +<p>De duif, die hem niet bemerkt had, wilde toen hare vlucht hervatten, maar hare krachten +verlieten haar andermaal, zoodat zij op weinige passen verder op den grond viel. +</p> +<p>Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de hand grijpen, +dat was voor den Siciliaan het werk van een ondeelbaar oogenblik. En hij was heel +natuurlijk op het punt om de arme duif te verworgen, toen hij zich plotseling weerhield, +een kreet van verwondering uitstiet en in allerijl bij Sarcany terugkwam. +</p> +<p>„Eene reisduif!” zei hij. +</p> +<p>„Waarlijk, dat is dan een reiziger, die zijn laatste reis afgelegd heeft!” antwoordde +Sarcany. +</p> +<p>„Ongetwijfeld” hernam Zirone, „en des te erger voor hen, aan wie het briefje is gericht, +dat onder den vleugel der duif vastgemaakt zit.” +</p> +<p>„Een briefje!” riep Sarcany uit. „Wacht Zirone, wacht! Zoo iets dwingt tot uitstel +van executie!” +</p> +<p>Hij weerhield de hand van zijn makker, die reeds den hals van de arme duif omkneld +hield. Daarna nam hij het zakje dat Zirone reeds losgemaakt had, opende het en haalde +er een briefje uit dat een raadselschrift vertoonde: +</p> +<div class="table" lang="zxx"> +<table> +<tr> +<td class="cell-left cell-top"><i>ghfhna</i> </td> +<td class="cell-top"><i>dalant</i> </td> +<td class="cell-right cell-top"><i>ltenka</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>aohhzk</i> </td> +<td><i>aenzse</i> </td> +<td class="cell-right"><i><span class="corr" id="xd33e311" title="Bron: lsnivï">lsnivi</span></i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>rnryoo</i> </td> +<td><i>tnpees</i> </td> +<td class="cell-right"><i>seyehe</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>lxosde</i> </td> +<td><i>soelnl</i> </td> +<td class="cell-right"><i>sglpte</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>veknni</i> </td> +<td><i>ilarna</i> </td> +<td class="cell-right"><i>lotasa</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-bottom"><i>yareah</i> </td> +<td class="cell-bottom"><i>uezmtl</i> </td> +<td class="cell-right cell-bottom"><i>rradae</i></td> +</tr> +</table> +</div><p> +</p> +<p>Omtrent de plaats van vertrek en omtrent de bestemmingsplaats van het briefje geen +enkel woord. Wat die achttien woorden betreft, die ieder uit een gelijk aantal letters +samengesteld waren, zoude het mogelijk zijn, de beteekenis daarvan te weten te komen +zonder den sleutel te kennen? Dat was al zeer onwaarschijnlijk, tenzij een hunner +een behendig oplosser van raadsels mocht heeten en dan moest nog het geval bestaan +dat het schrift ontraadselbaar was. +<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p> +<p>Tegenover dat geheimschrift, dat voor hen niets beteekende, bleef Sarcany eerst teleurgesteld, +daarna zeer beteuterd in gedachten verzonken staan. Zou dat briefje een belangrijk, +maar vooral een compromitteerend bericht behelzen? Dat kon, dat moest aangenomen worden. +Dat duidden de voorzorgen genoegzaam aan, die genomen waren, dat het, wanneer het +bij ongeluk in verkeerde handen viel, door niemand anders kon gelezen worden dan door +hen, voor wie het bestemd was. Ook gaf het vervoermiddel achterdocht. Door toch noch +van den postdienst, noch van de telegraaf gebruik te maken, maar integendeel het wonderlijke +instinct van de reisduif te bezigen, was het duidelijk, dat het eene zaak gold, die +zeer geheimzinnig behandeld moest worden. +</p> +<p>„Wellicht,” zei Sarcany, „schuilt er in die regels een geheim, dat ons een vermogen +zou kunnen bezorgen!” +</p> +<p>„Dan zou die duif,” hernam Zirone, „de vertegenwoordigster van het toeval zijn, dat +wij sedert heden ochtend zoo opgespoord hebben<span class="corr" id="xd33e358" title="Niet in bron">.</span> Duivels! ik die het arme dier wilde worgen!.… Maar alles goed en wel beschouwd, is +het briefje toch het meest belangwekkende, zoodat er zich niets tegen verzet om den +briefbesteller te braden.” +</p> +<p>„Haast je maar niet, Zirone,” antwoordde Sarcany, die dezen keer andermaal het leven +der duif redde. „Misschien kunnen wij door middel dier duif te weten komen, aan wien +dat briefje gericht is, wel te verstaan, wanneer die te Triëst woont.” +</p> +<p>„En daarna? Dat zal je toch het middel niet aan de hand doen om te kunnen lezen wat +in dat briefje staat, Sarcany!” +</p> +<p>„Neen, Zirone.” +</p> +<p>„Ook niet om te weten, van waar dat briefje komt!” +</p> +<p>„Ook dat niet! Maar als het mij lukt van twee correspondenten een te leeren kennen, +dan verbeeld ik mij, dat dat wel eene vingerwijzing zou kunnen wezen om ook achter +den ander te komen, nietwaar?” +</p> +<p>„Ja.… zoo beschouwd.…” +</p> +<p>„In plaats dan van die duif te dooden en te braden, moeten wij er ons integendeel +op toeleggen haar hare krachten terug te bezorgen, opdat zij hare bestemming bereiken +kunne!” +</p> +<p>„Met het briefje?” vroeg Zirone. +</p> +<p>„Met het briefje, waarvan ik evenwel alvorens een nauwkeurig afschrift zal maken, +dat ik bewaren zal, tot het oogenblik zal gekomen zijn om er gebruik van te maken!” +</p> +<p>Sarcany haalde vervolgens een aanteekeningsboekje uit zijn zak te voorschijn en nam +met het daarin aanwezige potlood een afschrift van het briefje. Daar hij wist dat +bij de meeste raadselschriften niets verwaarloosd mag worden omtrent hunne daadwerkelijke +rangschikking, zoo zorgde hij dat de stand der woorden onderling <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>onaangetast bleef. Toen hij daarmee klaar was, borg hij dit afschrift in zijn notitieboekje +op, herplaatste het briefje in het zakje en het zakje onder den vleugel der duif. +</p> +<p>Zirone keek aandachtig toe, zonder evenwel bijster veel hoop te koesteren omtrent +een vermogen, dat door dit toeval verworven zou moeten worden. +</p> +<p>„En thans?” vroeg hij. +</p> +<p>„Thans,” antwoordde Sarcany, „is het zaak om den brievenbesteller goed te verzorgen.” +</p> +<p>En dat was inderdaad noodig; want de duif was meer uitgeput door den honger dan door +de vermoeienis. Hare vleugels waren ongeschonden, zonder een enkele beleediging of +breuk, en bewezen dan ook ten volle, dat de kortstondige flauwte, die het dier overvallen +had, noch aan eenige hagelkorrels van den een of anderen jager, noch aan een steenworp +van den een of anderen boosaardigen straatjongen te wijten was. De vogel had honger, +maar vooral dorst. +</p> +<p>Zirone zocht dus en vond op den grond eenige zaadkorrels, die de duif met gretigheid +oppikte. Eindelijk leschte hij haren dorst bij een plasje water, dat van den laatst +gevallen regen in een scherf van een antieke vaas van gebakken steen achtergebleven +was, zoodat een half uur, nadat de duif gevangen was geworden, zij, zoo gekoesterd, +geheel hersteld, in staat was haar onderbroken reis te hervatten. +</p> +<p>„Als zij nog ver moet vliegen, als zij verder dan Triëst moet zijn, dan kan het ons +minder schelen of die duif onderweg omkomt,” zei Sarcany, „daar wij haar alsdan uit +het oog zullen verliezen en wij haar onmogelijk zullen kunnen volgen. Wanneer zij +evenwel in een der huizen van Triëst verwacht wordt en daar de eindpaal harer reis +is, dan zullen haar de krachten niet ontbreken om dat te bereiken, want zij heeft +dan nog maar een paar minuten te vliegen.” +</p> +<p>„Ge hebt volkomen gelijk,” antwoordde de Siciliaan, „maar zullen wij haar met onzen +blik kunnen volgen tot de plek waar haar duivenslag staat, al zou het ook zijn, dat +die te Triëst aangetroffen werd?” +</p> +<p>„Wij zullen in ieder geval ons best daarvoor doen en onze maatregelen daartoe nemen,” +antwoordde Sarcany leuk. +<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span> +</p> +<div class="figure p017width"><img src="images/p017.jpg" alt="Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige oplettendheid waar. (Bladz. 19.)" width="507" height="720"><p class="figureHead">Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige oplettendheid waar. +(Bladz. 19.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb16a">[<a href="#pb16a">16</a>]</span></p> +<p>En ziehier wat hij deed: +</p> +<p>De kathedraal, welke uit twee oude Romaansche kerken bestond, die de eene aan de H. +Maagd en de andere aan Sint Justus, den beschermheilige van Triëst, gewijd waren, +wordt gesteund door een hoogen toren, die zich op den vleugel verhief van dien frontgevel, +waarin eene groote, roosvormige versiering prijkte, welke boven de hoofddeur van het +gebouw aangebracht was. Die toren beheerschte <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>de geheele topvlakte van den Karstberg, en de stad ontwikkelt zich daar beneden als +een uitermate fraaie <span class="corr" id="xd33e395" title="Bron: reliefkaart">reliëfkaart</span>. Van dit verheven punt ontwaart men al de vierkante vlakken, gevormd door de daken +der huizen van de stad, van de heuvelhellingen af tot aan den oever der baai toe. +Het zou dus niet onmogelijk zijn de duif in hare vlucht te volgen, wanneer men haar +op den top van den toren losliet. Ongetwijfeld zou dan het huis te herkennen zijn, +waarop zij zou neerstrijken, wanneer zij namelijk Triëst en geen andere stad of dorp +van Illyrië tot bestemming had. +</p> +<p>Die poging kon slagen en zij was wel waard om beproefd te worden. Men had slechts +de duif in vrijheid te stellen. +</p> +<p>Sarcany en Zirone verlieten dan ook dit oude kerkhof, staken het kleine plein, vóór +de kerk gelegen, over en stapten op den toren toe. Een der ogiefvormige deuren, juist +dezelfde, die onder het voetstuk van de nis van den Heiligen Justus aangebracht was, +stond open. Beiden traden binnen en begonnen met de ruwe treden van de wenteltrap, +die naar boven leidde, te bestijgen. +</p> +<p>Zij hadden vier of vijf minuten noodig om den top des torens, die in een spits dak +eindigt en dus geen plat heeft, te bereiken. Maar daar aangekomen<span class="corr" id="xd33e402" title="Bron: .">,</span> bemerkten zij twee vensters op ieder front van het hooge gebouw, die veroorloofden +den blik langs den geheelen gezichteinder, zoowel langs de heuvelen als langs de zee, +te laten waren. +</p> +<p>Sarcany en Zirone namen plaats aan dat venster, hetwelk direct uitzicht op Triëst +in noordwestelijke richting verleende. +</p> +<p>Het sloeg toen vier uren op de torenklok van het kasteel, dat in de zestiende eeuw +gebouwd werd op het hoogste punt van den Karstberg, vlak achter de kathedraal. Het +was nog volle dag. De zon daalde langzaam te midden van een uiterst zuiveren dampkring +naar de wateren van de Adriatische Zee, en het meerendeel der huizen ontving hare +stralen op de voorgevels, die naar den kant van den toren gekeerd waren. +</p> +<p>De omstandigheden waren dus zeer gunstig. +</p> +<p>Sarcany nam de duif tusschen zijne beide handen, streelde haar nog een poos en gaf +haar toen de vrijheid. +</p> +<p>De vogel klapwiekte, daalde eerst snel genoeg om te doen vreezen, dat hij met een +ongelukkigen val zijne loopbaan als luchtbrievenbesteller zou eindigen. +</p> +<p>Vandaar dan ook dat de Siciliaan een waren kreet van teleurstelling uitstiet. Hij +was zeer opgewonden en stond te trappelen van ongeduld. +</p> +<p>„Zij valt, zij valt!” riep hij uit. +</p> +<p>„Neen, zij hervat zich,” antwoordde Sarcany. +</p> +<p>En inderdaad, de duif had haar evenwicht in de lagere luchtlagen <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>hernomen; daarna maakte zij een scherpen hoek en wendde zich in schuinsche richting +naar het noordwestelijke gedeelte der stad. +</p> +<p>Sarcany en Zirone volgden haar met de oogen. +</p> +<p>Er werd bij de vlucht van den vogel, die door een bewonderenswaardig instinct geleid +werd, geene enkele aarzeling waargenomen. Men gevoelde dat hij recht afvloog op het +doel waar hij wezen moest, op het doel waar hij reeds sedert een uur had moeten aangekomen +zijn, zonder dat ongewenschte oponthoud onder de boomen van het oude kerkhof. +</p> +<p>Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige oplettendheid waar. +Zij vroegen zich af of de duif de muren der stad niet zou overschrijden, hetgeen hunne +vooruitzichten verijdelen zou. +</p> +<p>Neen, dat gebeurde niet. +</p> +<p>„Ik zie haar nog!.… Ik zie haar steeds!” riep Zirone, wiens gezichtsvermogen buitengewoon +sterk was. +</p> +<p>„Waar?.… Waar?.… vroeg Sarcany, die haar scheen uit het oog verloren te hebben. +</p> +<p>„Daar!.… daar!” antwoordde Zirone, de richting met den vinger aanwijzend. „Daar!.…” +</p> +<p>„O ja, ik zie haar weer,” hernam Sarcany met voldoening. „Wat vooral goed opgemerkt +moet worden, is de plek waar de duif gaat neerstrijken. Wij moeten er de juiste ligging +goed van opnemen<span class="corr" id="xd33e427" title="Niet in bron">.”</span> +</p> +<p>Eenige minuten na haar vertrek streek de duif op een huis neer, welks scherpe nok +al de anderen beheerschte en zich te midden van een groep boomen verhief. Dat huis +was in het stadsgedeelte gelegen, hetwelk aan den kant van het gasthuis en van den +openbaren tuin aangetroffen wordt. Daar verdween zij door een dakvenster, hetwelk +toen uitermate zichtbaar was, daar het door een ijzeren windwijzer, die kunstig <i lang="fr">à jour</i> bewerkt was, aangeduid werd. Dat ijzeren kunstwerk was zoo sierlijk vervaardigd, +dat het aan Quentijn Matsys had kunnen toegeschreven worden, wanneer Triëst eene Vlaamsche +stad ware geweest. +</p> +<p>De algemeene richting van dat huis vastgesteld zijnde, moest het niet zeer <span class="corr" id="xd33e437" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> zijn, wanneer men dien windwijzer als baken in het oog hield, om de nok weer te vinden, +waaronder het bedoelde dakvenster was aangebracht en derhalve ook het huis, door den +persoon bewoond, voor wien het briefje bestemd was. +</p> +<p>Sarcany en Zirone daalden dadelijk de trappen des torens af en na ook de hellingen +van den Karstberg verlaten te hebben, volgden zij eene aaneenschakeling van kleine +nauwe straten, die hen eindelijk toegang tot de Piazza della Legna verleenden. Daar +waren zij verplicht zich te <span class="corr" id="xd33e442" title="Bron: orienteeren">oriënteeren</span>, om de huizengroep te verkennen, die het oosterkwartier van de stad uitmaakte. +<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p> +<p>Toen zij aan de samenvloeiing van de twee groote gemeenschapsaderen, de Corso Stadion, +die naar den openbaren wandeltuin voert, en de Acquedotto, een fraaie laan van geboomte, +die naar de groote brouwerij van Boschetto leidt, aangekomen waren, ondervonden de +beide avonturiers eenige aarzeling omtrent de verder te volgen richting. Moest men +rechts of links inslaan? Instinctmatig kozen zij rechts, met het doel om al de huizen +der laan nauwkeurig gade te slaan, waarboven zij den windwijzer, dien zij opgemerkt +hadden, zouden kunnen bespeuren. +</p> +<p>Zij schreden dus voort en namen de verscheidene daknokken van de Acquedotto in oogenschouw, +zonder evenwel die te ontdekken, welke zij zochten. Eindelijk waren zij aan het einde +van de laan aangekomen. +</p> +<p>„Daar is hij!” riep eindelijk Zirone uit. +</p> +<p>En hij wees op een windwijzer, dien de zeewind op zijne ijzeren as deed knarsen, die +boven een dakvenster geplaatst was, waar rondom juist eenige duiven vlogen. +</p> +<p>Er was dus geene vergissing mogelijk. Daar was wel degelijk de duif neergestreken. +</p> +<p>Het huis had een bescheiden uiterlijk, onderscheidde zich in niets van de overige +die tot hetzelfde blok behoorden, en was even als die langs de Acquedotto gelegen. +</p> +<p>Sarcany verschafte zich inlichtingen in een paar naburige winkels en wist al spoedig +hetgeen hij voorshands wenschte te weten. +</p> +<p>Dat huis behoorde sinds lange jaren aan den graaf Ladislas Zathmar en strekte hem +tot woning. +</p> +<p>„Wie is graaf Zathmar?” vroeg Zirone, wien die naam geheel vreemd was. +</p> +<p>„Wel, dat is graaf Zathmar,” antwoordde Sarcany kortweg. +</p> +<p>„Ja, maar zouden wij geen inlichtingen omtrent hem kunnen vragen?.…” +</p> +<p>„Later, Zirone, laten wij niet overijld handelen. Laten wij kalmte betrachten en de +zaak overdenken. Kom, wij keeren thans naar onze herberg terug.” +</p> +<p>„Ja wel!.… Het is etenstijd en de table <span class="corr" id="xd33e461" title="Bron: d’hote">d’hôte</span> staat gedekt voor hen, die het recht koopen kunnen er plaats aan te nemen,” merkte +Zirone schamper op. +</p> +<p>„Als wij heden niet dineeren,” antwoordde Sarcany, „dan is het toch mogelijk dat wij +morgen zullen smullen.” +</p> +<p>„Bij wien?” +</p> +<p>„Bij wien, vraagt gij?” zei Sarcany schier gedachteloos. +</p> +<p>„Ja, dat vraag ik.” +</p> +<p>„Wel, waarschijnlijk bij graaf Zathmar.” +<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span> +</p> +<div class="figure p021width"><img src="images/p021.jpg" alt="Eindelijk waren zij aan het einde der laan aangekomen. (Bladz. 20.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Eindelijk waren zij aan het einde der laan aangekomen. (Bladz. 20.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb20a">[<a href="#pb20a">20</a>]</span></p> +<p>Beiden drentelden langzaam voort. Waarom zich ook te haasten? <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>Toch hadden zij al te spoedig hun bescheiden hôtel bereikt, dat helaas! nog te weelderig +voor hen was, daar zij hun verblijf onmogelijk konden betalen. +</p> +<p>Maar welke verrassing was hun daar bereid?.… Een brief, die aan Sarcany gericht was, +was aangekomen. +</p> +<p>Die brief bevatte een bankbiljet van twee honderd gulden, met de woorden, die kort +maar beteekenisvol waren: +</p> +<blockquote> +<p class="first">„Hierbij ingesloten het laatste geld, dat gij van mij ontvangen zult. Het zal voldoende +zijn om naar Sicilië weer te keeren. Vertrek en dat ik nimmermeer iets van u hoore.” +</p> +<p class="signed">„Silas Toronthal.”</p> +</blockquote><p> +</p> +<p>„Duivels!” riep Zirone uit, „de bankier komt juist van pas op zijn besluit terug. +Waarachtig, men moet de finantie-luidjes in waarde houden en nimmer omtrent hen wanhopen.” +</p> +<p>„Dat ’s ook mijne meening,” betuigde Sarcany. +</p> +<p>„En dat geld zal ons dienen om Triëst te verlaten?.…” +</p> +<p>„God beware! Het zal ons integendeel dienen om er te blijven!” +</p> +</div> +</div> +<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4109">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">II.</h2> +<h2 class="main">GRAAF MATHIAS SANDORF.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De Hongaren, dat zijn de Magyaren, die het land kwamen bevolken zoo ongeveer in de +negende eeuw van de Christelijke tijdrekening. Zij maken tegenwoordig het derde gedeelte +van de geheele bevolking van Hongarije uit en tellen ongeveer iets meer dan vijf millioen +zielen. Of zij van Spaanschen, of Egyptischen, of Tartaarschen oorsprong zijn, of +zij van de Hunnen van Attala of van de Finnen uit het noorden afstammen, dat zijn +alle twistvragen, <span class="corr" id="xd33e499" title="Bron: diê">die</span> ons weinig kunnen schelen. Wat evenwel opgemerkt moet worden, is, dat het geene Slavoniërs, +dat het geene Duitschers zijn, en dat het hun waarschijnlijk niet zou smaken, het +te worden. +</p> +<p>Die Hongaren hebben dan ook hun godsdienst ongeschonden behouden en zijn vurige Katholieken +gebleven van de elfde eeuw af, het tijdstip waarop zij tot de nieuwe geloofsbelijdenis +overgingen. Daarenboven spreken zij nog hunne taal van weleer, eene stamtaal, die +zachtvloeiend en harmonisch klinkt, die zich geheel en al tot de bekoorlijkheid der +dichterlijke wendingen leent, die minder rijk aan woorden dan het Duitsch, evenwel +scherper begrensd van uitdrukking en krachtvoller is, eene taal, die van af de vijftiende +<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>tot de zestiende eeuw bij het geven van wetten en het slaan van ordonnantiën het latijn +verving, in afwachting dat zij tot de nationale taal verheven zoude worden. +</p> +<p>Het was op den 21sten Januari 1699 dat het verdrag van Carlowitz het bezit van Hongarije +en <span class="corr" id="xd33e508" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> aan de kroon van Oostenrijk verzekerde. +</p> +<p>Twintig jaren later werd bij de pragmatieke sanctie solemneel vastgesteld, dat de +staten, die het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk vormden, steeds onafscheidelijk +aan elkander verbonden zouden zijn. Bij gebrek aan zonen, zou de dochter volgens rangschikking +van het eerstgeboorterecht op den troon kunnen opvolgen. En dank zij die nieuwe bepalingen, +erfde Maria Theresia de kroon van haren vader, Karel de Zesde, laatste mannelijke +spruit uit het huis van Oostenrijk. +</p> +<p>De Hongaren moesten voor de overmacht bukken, maar honderdvijftig jaar later werden +nog mannen uit alle standen en van alle rangen aangetroffen, die noch van de pragmatieke +sanctie, noch van het verdrag van Carlowitz iets wilden weten. +</p> +<p>Op het tijdstip, waarop dit verhaal begint, leefde een Hongaar van hooge geboorte, +wiens geheele leven zich in deze twee gevoelens oploste, namelijk: in den haat voor +alles wat van Germaansche afkomst was en in de hoop nog eenmaal aan zijn land de zelfstandige +regeering van vroeger weer te geven. In zijne jeugd had hij Kossuth gekend en hoewel +door zijne geboorte en door zijne opvoeding een scheidsmuur tusschen hen opgetrokken +moest zijn, zoo koesterde hij toch eene zekere bewondering voor het groote hart van +dien vaderlander. +</p> +<p>Graaf Mathias Sandorf bewoonde in een der comitaten van <span class="corr" id="xd33e516" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> in het district Fagaras, een oud kasteel van feodalen oorsprong. Het was gebouwd +op de hellingen van de noordelijke uitloopers van het oostelijk Karpatisch gebergte, +die de grens uitmaken tusschen <span class="corr" id="xd33e519" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> en Walachyë, en verhief dit kasteel zich in al zijne woeste fierheid op dien steilen +bergketen, als een van die schuilplaatsen in den laatsten stond, waar samenzweerders +tot hun laatsten snik aan hunne vijanden weerstand kunnen bieden. +</p> +<p>Naburige mijnen, rijk aan ijzer- en kopererts, die zorgvuldig ontgind werden, verschaften +aan den eigenaar van het kasteel Artenick een zeer aanzienlijk vermogen. Dat domein +besloeg een groot gedeelte van het district Fagaras, hetwelk door eene bevolking bewoond +werd, die niet minder dan honderd twee- en zestigduizend inwoners telde. Deze, hetzij +zij stedelingen of landlieden waren, maakten er geen geheim van dat zij voor graaf +Sandorf eene toewijding koesterden, die iedere proef doorstaan kon; dat zij hem eene +onbegrensde erkentelijkheid toedroegen, voor al het goede dat hij in <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>het land teweeg bracht. Dat kasteel was dan ook het voorwerp van een bijzonder toezicht, +dat door de kanselarij van Hongarije te Weenen, welke geheel en al van de overige +administratiën van het Keizerrijk onafhankelijk bleef, in het leven geroepen was. +Men kende in de hoogste kringen de denkbeelden van den gebieder van Artenick, en die +denkbeelden baarden <span class="corr" id="xd33e526" title="Bron: ontrust">onrust</span>, al gaf men ook voor omtrent den persoon van den graaf gerust te zijn. +</p> +<p>Mathias Sandorf was toen vijf en dertig jaren oud. Het was een man van eene iets meer +dan middelmatige gestalte, die eene groote spierkracht verried. Op zijne schouders +rustte een edel en fier gedragen hoofd. Zijn gelaat, dat warm getint en een weinig +vierkant van vorm was, vertoonde het Magyaarsche type in zijne volkomene zuiverheid. +De levendigheid zijner bewegingen, de juist gekozen uitdrukkingen van zijn woord, +de blik van zijn kalm en onverschrokken oog, de werkdadige bloedsomloop, die aan zijne +neusvleugels en aan zijne mondhoeken eene lichte trilling verleende, de glimlach die +gewoonlijk op zijne lippen zetelde en als onloochenbaar teeken zijner goedhartigheid +kon gelden, een zekere losheid in zijne taal en gebaren, dat alles duidde op eene +vrijmoedige natuur. Men meent opgemerkt te hebben, dat er eene groote overeenkomst +bestaat tusschen het Fransche karakter en het Magyaarsche. Graaf Sandorf was daar +het levende bewijs van. +</p> +<p>Een van de meest te voorschijn tredende karaktertrekken van graaf Sandorf was, dat +hij, hoewel vrij onverschillig voor al hetgeen hem zelf betrof en hij dus als de gelegenheid +zich voordeed er licht over dacht, wanneer een of ander ongelijk hem alleen trof, +nimmer eene beleediging zoude vergeven hebben, die zijne vrienden aangedaan was. Hij +bezat in de hoogste mate den rechtvaardigheidszin en koesterde een innigen haat voor +alles wat trouweloos kon heeten. Vandaar dat hij behebt was met eene <span class="corr" id="xd33e533" title="Bron: impersonneele">impersoneele</span> onverzoenlijkheid. Hij behoorde niet tot hen, die aan God alleen de zorg overlaten +om op deze aarde te straffen. +</p> +<p>Er moet hier bijgevoegd worden, dat graaf Mathias Sandorf eene zeer ernstige opvoeding +had genoten. In plaats van het werkelooze leven te genieten, dat hem door zijn groot +vermogen gewaarborgd was, had hij er behagen in gevonden, de physische wetenschappen +en de geneeskundige studiën te beoefenen. Hij zou een beroemd geneesheer zijn geworden, +een geneesheer van groot talent, wanneer de eischen des levens hem gedwongen hadden +zich met de verzorging van lijders te belasten. Hij vergenoegde zich een scheikundige +te zijn, die door de geleerde wereld zeer gezien was en gewaardeerd werd. De universiteit +te <span class="corr" id="xd33e538" title="Bron: Pesth">Pest</span>, de wetenschappelijke Academie te Presburg, de Koninklijke Mijnschool te Schemnitz, +de normaalschool te Temeswar, hadden hem ieder op hare beurt onder <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>de meest vlijtige leerlingen geteld. Dat leerrijke bestaan vormde en bestendigde als +het ware zijne natuurlijke eigenschappen. Het deed hem man worden in de volle beteekenis +des woords. Hij werd dan ook voor zoodanig gehouden door allen, die hem kenden, maar +voornamelijk door zijne professoren dier verschillende scholen en universiteiten van +het koninkrijk, die zijne vrienden gebleven waren. +<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span> +</p> +<div class="figure p025width"><img src="images/p025.jpg" alt="En wachtten daar de terugkomst van graaf Mathias Sandorf af. (Bladz. 30.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">En wachtten daar de terugkomst van graaf Mathias Sandorf af. (Bladz. 30.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb26a">[<a href="#pb26a">26</a>]</span></p> +<p>Vroeger heerschte er in het kasteel Artenick vroolijkheid, levendigheid, beweging. +Op die ruwe nokken van de Karpathen, kwamen de <span class="corr" id="xd33e551" title="Bron: Transylvaansche">Transsylvaansche</span> jagers gaarne te zamen. Zij volvoerden dan groote en gevaarlijke klopjachten, waarin +graaf Sandorf als het ware afleiding zocht voor zijne strijdlustige geaardheid, die +hij op het staatkundig schaakbord niet kon botvieren. Want hij hield zich ter zijde +en sloeg den gang van zaken van nabij gade. Hij scheen slechts te leven voor zijne +studiën en voor de jacht, twee hartstochten, waaraan hij zich met zijn vermogen onbekrompen +kon overgeven. Op dat tijdstip leefde de gravin Rena Sandorf nog. Zij was de ziel +der bijeenkomsten in het kasteel Artenick. Vijftien maanden vóór het begin van deze +geschiedenis had de dood weggerukt haar die gevierd was om hare jeugdige schoonheid, +terwijl zij slechts een klein meisje achterliet, dat thans twee jaar oud was. +</p> +<p>Graaf Sandorf was door dien slag wreed getroffen en helaas! hij zou steeds ontroostbaar +blijven. Het kasteel werd stil en eenzaam. Sedert dien dag leefde de eigenaar, onder +den invloed van eene diepgevoelde smart, in dat prachtige gebouw als in een klooster. +Zijn geheele leven drong zich op één punt samen, namelijk op zijn kind, dat aan de +zorgen van Rosena Lendeck, de echtgenoote van des graven intendant, toevertrouwd werd. +Die edelaardige vrouw, welke nog jong was, wijdde zich geheel en al aan de eenige +erfdochter der Sandorfs en verzorgde haar alsof het haar eigen kind ware. De eigen +moeder van de gravin had niet teerder kunnen wezen. +</p> +<p>Graaf Sandorf verliet gedurende de eerste maanden van zijn weduwnaarschap het kasteel +van Artenick niet. Hij leefde afgetrokken en als in zijne herinneringen aan het verleden +verzonken. Daarna namen de denkbeelden omtrent zijn vaderland, dat in een soort van +vernederenden toestand te midden van de Europeesche staten geplaatst was, weer de +overhand. +</p> +<p>En daar waren wel redenen voor! De Fransch-Italiaansche oorlog van 1859 had toch een +schrikkelijken slag toegebracht aan de Oostenrijksche macht. +</p> +<p>Die slag was zeven jaren later, in 1866, door een nog schrikkelijker gevolgd geworden, +namelijk door dien van Sadowa. Het was niet alleen meer aan het Oostenrijk, dat van +zijne Italiaansche bezittingen beroofd was geworden, dat Hongarije zich vastgekluisterd +gevoelde, maar ook aan het Oostenrijk, dat aan twee kanten overwonnen <span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span>en aan Duitschland ondergeschikt gemaakt werd. De Hongaren gevoelden zich in hunnen +trots vernederd, en dat gevoel laat zich niet wegredeneeren, wanneer het in het bloed +zit. In hun oog konden de overwinningen te Custozza en te Lissa geene vergoeding voor +de nederlaag te Sadowa bieden. +</p> +<p>Graaf Sandorf had gedurende het geheele jaar, dat op die krijgsgebeurtenis gevolgd +was, uiterst nauwgezet het staatkundig terrein bestudeerd en was tot de erkenning +gekomen, dat eene beweging tot afscheiding van zijn vaderland goede kansen van slagen +had. +</p> +<p>Het oogenblik van handelen was dus volgens hem gekomen. +</p> +<p>Den 3en Mei van het jaar 1867 vertrok graaf Sandorf, na zijn dochtertje, hetwelk hij +onder de hoede van Rosena Lendeck goed verzorgd achterliet, van het kasteel Artenick +naar <span class="corr" id="xd33e565" title="Bron: Pesth">Pest</span>, waar hij zich in betrekking stelde met zijne vrienden en partijgenooten, en daar +eenige voorloopige beschikkingen nam. Vervolgens reisde hij eenige dagen later af +naar Triëst, om daar den loop der gebeurtenissen af te wachten. +</p> +<p>Daar moest het voorname middelpunt van de samenzwering zijn. Vandaar zouden alle draden, +die in de hand van graaf Sandorf te zamen kwamen, uitstralen. In die stad zouden de +samenzweerders, aan minder achterdocht blootgesteld, met meer vrijheid en veiligheid +kunnen handelen om hunne vaderlandslievende poging tot een goed einde te brengen. +</p> +<p>Twee der meest innige vrienden van Mathias Sandorf woonden te Triëst. Zij waren bezield +met denzelfden geest als hij, en vast besloten om hem bij die onderneming trouw te +volgen. Graaf <span class="corr" id="xd33e572" title="Bron: Ladyslas">Ladislas</span> Zathmar en professor <span class="corr" id="xd33e575" title="Bron: Stefanus">Stephanus</span> Bathory waren Magyaren en van adellijke geboorte. Beiden waren ongeveer een tiental +jaren ouder dan Mathias Sandorf, maar bezaten hoegenaamd geen vermogen. De een genoot +een gering inkomen van een klein landgoed, in het consulaat Lipte, aan de overzijde +van den Donau gelegen. De andere gaf onderwijs in de natuurkundige wetenschappen te +Triëst en kon met de opbrengst zijner lessen ter nauwernood rondkomen. +</p> +<p>Ladislas Zathmar bewoonde het huis, hetwelk kort geleden door onze twee bekenden, +Sarcany en Zirone, in de Acquedotto verkend was geworden. Dat huis, eene bescheiden +woning, was door graaf Sandorf ter zijner beschikking gesteld, gedurende al den tijd +dat deze buiten zijn kasteel <span class="corr" id="xd33e580" title="Bron: Artenah">Artenick</span> zou verblijven, dat wil zeggen totdat de geprojecteerde beweging tot uitvoering gebracht +zoude zijn, welke dan ook de uitslag er van zoude wezen. Een Hongaar, Borik genaamd, +die ongeveer vijf en vijftig jaren oud was, vertegenwoordigde het geheele bediendenpersoneel +van het huis. Het was een man, die zijn meester evenveel toewijding toedroeg als de +intendant Lendeck voor graaf Sandorf koesterde. +<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p> +<p>Stephanus Bathory betrok een niet minder bescheidene woning in de Corsia Stadionstraat, +nagenoeg in hetzelfde stadskwartier gelegen als die van graaf Zathmar. Daar sleet +hij zijn leven tusschen zijne vrouw en zijn zoon Piet, die toen ongeveer acht jaren +oud was. +</p> +<p>Stephanus Bathory behoorde onbetwistbaar en onloochenbaar, hoewel in verren graad, +tot de nakomelingschap van die Magyaarsche vorsten, die in de zestiende eeuw den troon +van <span class="corr" id="xd33e587" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> bestegen. De verwantschap had zich sedert dat tijdstip gesplitst en was in talrijke +vertakkingen verloren gegaan; men zou ongetwijfeld verwonderd gestaan hebben, wanneer +men vernomen had, dat een der nakomelingen dier machtige familie van weleer, in dien +eenvoudigen professor bij de Rijks-Academie te Presburg weer te vinden was. Maar dat +daargelaten, Stephanus Bathory was een geleerde van den eersten rang, een van diegenen, +die teruggetrokken leven, maar die door hunne werken beroemd zijn. <i lang="la">In clusum labor illustrat.</i> „Zijn verborgen arbeid maakt hem beroemd”, dit devies van den zijdeworm zou het zijne +kunnen genoemd worden. Op zekeren dag werd hij door zijn staatkundige gevoelens, die +hij niet onder stoelen of banken verborg, genoodzaakt om zijn ontslag te nemen. Toen +kwam hij als onafhankelijk leeraar te Triëst wonen met zijne gade, die hem moedig +bij alle beproevingen ter zijde gestaan en geschraagd had. +</p> +<p>Het was in de woning van graaf Ladislas Zathmar, dat de drie vrienden sedert de aankomst +van graaf Mathias Sandorf te zamen kwamen; hoewel deze laatste er in het oog loopend +op gestaan had een vertrek in het Palazzo Modello—thans het <span class="corr" id="xd33e595" title="Bron: hotel De Corme">hôtel Delòrme</span>—op de Piazza Grande te betrekken. +</p> +<p>De politie was er dan ook ver van verwijderd eenige achterdocht te koesteren, dat +dit huis op de Acquedotto het middelpunt was van eene samenzwering, die talrijke deelgenooten +telde in de voornaamste steden des rijks. +</p> +<p>Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory waren zonder eenige aarzeling de vurigste aanhangers +van Mathias Sandorf geworden. Evenals hij hadden zij erkend, dat de tijdsomstandigheden +zich er toe leenden om eene beweging mogelijk te maken, die Hongarije den rang onder +de Europeesche staten kon doen hernemen, welke door dat rijk begeerd werd. Daarvoor +brachten zij hun leven in gevaar, dat wisten zij, maar dat kon hen niet weerhouden. +</p> +<p>Het huis op de Acquedotto werd dus de vergaderplaats van de voornaamste hoofden der +samenzwering. Vele der deelgenooten, van de verschillende punten van het Koninkrijk +opgeroepen, kwamen er maatregelen beramen en bespreken, of kwamen er bevelen ontvangen. +Een postdienst van reisduiven, die briefjes overbrachten, stelde een snel en veilig +verkeersmiddel daar tusschen Triëst en de <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>voornaamste steden van het Hongaarsche land en van <span class="corr" id="xd33e604" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span>, wanneer het instructiën gold, die noch aan de posterijen, noch aan den telegraafdienst +toevertrouwd konden worden. +<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span> +</p> +<div class="figure p029width"><img src="images/p029.jpg" alt="„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn gewaarschuwd”. (Bladz. 32.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn gewaarschuwd”. (Bladz. +32.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb30a">[<a href="#pb30a">30</a>]</span></p> +<p>Om kort te gaan, alle voorzorgsmaatregelen waren zoo goed getroffen, dat de samenzweerders +tot heden toe iedere achterdocht, hoe gering ook, ontgaan waren. +</p> +<p>Men zag het: de briefwisseling daarenboven had slechts in geheimschrift plaats, dat +door zijne <span class="corr" id="xd33e616" title="Bron: moeielijke">moeilijke</span> oplossing de geheimzinnigheid bevorderde en derhalve de veiligheid der samenzweerders +zeer in de hand werkte. +</p> +<p>Drie dagen na de aankomst van de reisduif, wier briefje door Sarcany en Zirone onderschept +was, dus op den 21sten Mei, bevonden zich graaf Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory +tegen acht uur des avonds bij elkander in het werkvertrek en wachtten daar de terugkomst +van graaf Mathias Sandorf af. De eigen zaken van laatstgenoemde hadden hem genoodzaakt +naar zijn kasteel Artenick in <span class="corr" id="xd33e621" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> weer te keeren; maar hij had die reis kunnen dienstbaar maken, om met zijne vrienden +te Klausenburg, hoofdplaats der rijksprovincie, te beraadslagen en hij moest dienzelfden +dag terugkomen, na aan de deelgenooten den inhoud van die dépêche, waarvan Sarcany +afschrift genomen had, medegedeeld te hebben. +</p> +<p>Sedert het vertrek van Mathias Sandorf, waren andere correspondentiën gewisseld geworden +tusschen Triëst en Buda-Pest en verscheidene briefjes in geheimschrift waren door +duiven aangebracht. In hetzelfde oogenblik zelfs hield graaf Ladislas Zathmar zich +onledig om het raadselachtig schrift daarvan in verstaanbaren tekst door middel van +een toestel, onder den naam van „rooster” bekend, over te brengen. +</p> +<p>Die dépêches waren inderdaad volgens een zeer eenvoudig stelsel, namelijk dat der +verplaatsing van de letters, samengesteld. In dat stelsel behoudt iedere letter hare +eigene alphabetische waarde, dat wil zeggen dat bijvoorbeeld een <i>b</i> een <i>b</i>, een <i>o</i> een <i>o</i> blijft beteekenen enz. Maar de letters worden achtereenvolgens verplaatst volgens +de open of de gesloten vakken van een rooster, die op de dépêche gelegd, slechts die +letters laat ontwaren, welke gelezen moeten worden, terwijl anderen bedekt en dus +onzichtbaar blijven. +</p> +<p>Dat roostersysteem, vroeger veel in zwang, was zeer gebrekkig, maar is sedert veel +verbeterd door den kolonel Fleissner. Het is nu nog de allerbeste manier en de veiligste +ook, wanneer het geldt een onoplosbaar geheimschrift te erlangen. Bij alle andere +stelsels, hetzij met een onveranderlijken grondslag of met enkelen sleutel, waarbij +iedere letter van het <span class="corr" id="xd33e638" title="Bron: alphabeth">alphabet</span> steeds door een en hetzelfde <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>teeken voorgesteld wordt,—hetzij met veranderlijken grondslag of met dubbelen sleutel, +waarbij men bij iedere letter als het ware van <span class="corr" id="xd33e643" title="Bron: alphabeth">alphabet</span> verandert, is de veiligheid niet volkomen. Verscheidene lieden toch, die zich op +het ontraadselen van geheimschrift toeleggen, zijn in staat wonderen bij die soort +van nasporingen te verrichten, hetzij door eene berekening van waarschijnlijkheden, +hetzij door een ijverigen arbeid van tasten en beproeven. Slechts door zich te gronden +op de letters, die het meest voorkomen in zulk een geheimschrift—als de <i>e</i> in de Fransche, Engelsche, Duitsche en Nederlandsche, de <i>o</i> in de Spaansche, de <i>a</i> in de Russische, de <i>e</i> en <i>i</i> in de Italiaansche talen—geraken zij er toe de letters van den tekst uit het geheimschrift +hare ware beteekenis in den verklaarden tekst weer te geven. Er bestaan dan ook weinig +dépêches, volgens die stelsels vervaardigd, die aan de scherpzinnige gevolgtrekkingen +van die naspoorders ontsnappen. +</p> +<p>Het schijnt dus dat de roosters of de sleutelwoordenboeken—dat wil zeggen diegene, +waarin zekere vaak gebruikelijke woorden, geheele volzinnen beteekenende, door getallen +aangegeven zijn—de meest volkomen waarborgen moeten geven van onoplosbaarheid. Maar +die beide stelsels hebben eene ernstige schaduwzijde: zij vereischen eene volkomene +geheimhouding, of beter, zij vorderen de noodzakelijkheid van nimmer de toestellen +of boeken, die dienen om hen te vormen, in handen van oningewijden te laten vallen. +Want inderdaad, is het zonder dien rooster of zonder dat woordenboek onmogelijk die +dépêches te lezen, zoo is dat daarentegen gemakkelijk voor hen in wier handen die +rooster of dat woordenboek zich bevindt. +</p> +<p>Het was dus door middel van een rooster, dat wil zeggen een vierkant van bordpapier, +schaakvormig in ruiten verdeeld, waarvan sommige vakken weggeknipt waren, dat de brieven, +tusschen graaf Sandorf en zijne partijgangers gewisseld, opgelost werden. Maar uit +overmaat van voorzorg werden alle stukken, na gelezen te zijn, van weerszijden verbrand +en vernietigd. Gebeurde het dus dat die rooster, dien hij en zijn vrienden gebruikten, +verloren geraakte of gestolen werd, dan kon daaruit geen nadeel voortvloeien. Er zou +dan nimmer eenig spoor van dat komplot overblijven, waarin de edelste heeren, de aanzienlijkste +magnaten van <span class="corr" id="xd33e660" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span>, gemeenschappelijk verbonden met de voornaamste vertegenwoordigers der burgerij en +van het volk, betrokken waren en hun hoofd waagden. +</p> +<p>Juist had Ladislas Zathmar de laatst ontvangen berichten verbrand, toen iemand bescheiden +op de deur van het vertrek klopte. +</p> +<p>Het was Borik, die graaf Mathias Sandorf aanmeldde, welk zoo even te voet van het +naburige station aangekomen was. +</p> +<p>Ladislas Zathmar trad dadelijk op hem toe. +<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p> +<p>„Uwe reis, Mathias?.…” vroeg hij met de haast van iemand die vóór alles gerust gesteld +wil zijn. +</p> +<p>„Is volkomen geslaagd, Zathmar,” antwoordde graaf Sandorf. „Ik kan niet twijfelen +aan de gevoelens onzer vrienden in <span class="corr" id="xd33e671" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> en hunne medewerking is ons thans verzekerd.” +</p> +<p>„Hebt gij hen dat bericht, hetwelk ons drie dagen geleden van Pest toegezonden werd, +medegedeeld?” vroeg Stephanus Bathory, voor wien Sandorf groote vriendschap koesterde. +</p> +<p>„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn gewaarschuwd. Ook zijn +zij gereed! Zij zullen op het eerste sein opstaan. In twee uren zullen wij meester +van Buda en van Pest zijn, in een halven dag van de voornaamste comitaten aan deze +en gene zijde van de Theiss, en in een geheelen dag van <span class="corr" id="xd33e678" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> en van het gouvernement der Militaire Grenzen. En dan zullen acht millioen Hongaren +hunne onafhankelijkheid herwonnen hebben!” +</p> +<p>„En de rijksraad?” +</p> +<p>„Onze partijgenooten hebben er de meerderheid in,” antwoordde Mathias Sandorf. „Zij +zullen dadelijk het nieuwe gouvernement samenstellen, hetwelk de teugels van het bestuur +in handen moet nemen. Alles zal regelmatig en gemakkelijk gaan, daar de comitaten, +wat hunne administratie betreft, nauwelijks van de Kroon van Oostenrijk afhankelijk +zijn en dat hunne hoofden hunne eigene politie hebben.” +</p> +<p>„Maar de raad van het Vice-Koningschap van het rijk, die door den prins palatijn te +Buda voorgezeten wordt?.…” vroeg Ladislas Zathmar. +</p> +<p>„De palatijn en de raad zullen onmiddellijk bij het uitbreken der beweging in de onmogelijkheid +gesteld worden om te handelen.…” +</p> +<p>„En ook in de onmogelijkheid om met de kanselarij van <span class="corr" id="xd33e687" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> te Weenen te correspondeeren?” +</p> +<p>„Ja, alle onze maatregelen zijn zoodanig getroffen, dat de eenparigheid hunner uitvoering +den goeden uitslag waarborgt.” +</p> +<p>„Den goeden uitslag?” zei Stephanus Bathory. +</p> +<p>„Ja, den goeden uitslag!” antwoordde graaf Sandorf. „In het leger behooren allen ons, +wien ons bloed, dat wil zeggen het Hongaarsche bloed door de aderen vloeit. Waar is +de nakomeling der oude Magyaren, wiens hart niet klopt bij het zien van de vlag der +Rodolphen en der Corvijnen!<span class="corr" id="xd33e694" title="Bron: ’">”</span> +</p> +<p>En Mathias sprak die woorden met al de geestdrift van een vurig vaderlander uit. +</p> +<p>„Maar in afwachting dat dit uur komen zal,<span class="corr" id="xd33e700" title="Bron: „">” </span>ging hij voort, „laat ons geen enkelen maatregel verzuimen om iedere achterdocht te +ontgaan. Laat ons voorzichtig zijn, wij zullen er slechts te sterker door zijn!—Hebt +gij niets verdachts te Triëst vernomen?” +<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span> +</p> +<div class="figure p033width"><img src="images/p033.jpg" alt="Om te Pola uitgestrekte arsenalen en eene oorlogshaven te stichten. (Bladz. 34.)" width="508" height="720"><p class="figureHead">Om te Pola uitgestrekte arsenalen en eene oorlogshaven te stichten. (Bladz. 34.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p> +<p>„Neen,” antwoordde Ladislas Zathmar. „Men heeft hier slechts ooren en oogen voor de +werken, die de Staat te Pola doet uitvoeren en waarvoor het grootste gedeelte der +werklieden aangenomen zijn.” +</p> +<p>En werkelijk, sedert een vijftiental jaren had het Oostenrijksch gouvernement, in +het vooruitzicht van Venetië mogelijk te moeten verliezen—hetgeen inderdaad gebeurd +is—het plan opgevat om te Pola, aan het uiteinde van het Istrische <span class="corr" id="xd33e713" title="Bron: schierleiand">schiereiland</span>, uitgestrekte arsenalen en eene oorlogshaven te stichten, om dat punt van de Adriatische +zee te kunnen beheerschen. In weerwil van het protest van Triëst, wier maritieme belangrijkheid +daardoor verminderd werd, waren de werken met koortsachtigen ijver vervolgd geworden. +Mathias Sandorf en zijne vrienden konden dus denken, dat de bewoners van Triëst geneigd +zouden zijn hen te volgen, in geval de afscheidingsbeweging zich tot daar zoude uitbreiden. +</p> +<p>Wat er ook van aan zij, het geheim van die samenzwering ten voordeele van de Hongaarsche +onafhankelijkheid was goed bewaard geworden. Niets had aanleiding gegeven, dat de +politie zou hebben kunnen gissen dat de voornaamste samenzweerders toen in dat bescheiden +huis van de <span class="corr" id="xd33e718" title="Bron: Acquedotto-laan">Acquedottolaan</span> vereenigd waren. +</p> +<p>Zoo scheen tot het welslagen van die onderneming alles voorzien te zijn en had men +niets anders te doen dan het juiste oogenblik af te wachten om handelend te kunnen +optreden. +</p> +<p>De correspondentie in geheimschrift, tusschen Triëst en de voornaamste steden van +Hongarije en van <span class="corr" id="xd33e724" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span>, werd al meer zeldzaam en zou zelfs geheel ophouden, tenzij gewichtige gebeurtenissen +voorvielen. De reisduiven hadden voortaan geene dépêches meer over te brengen, daar +de laatste maatregelen vastgesteld waren. Uit overmaat van voorzichtigheid dus had +men de voorzorg genomen, hun toevluchtsoord op het huis van Ladislas Zathmar te sluiten. +</p> +<p>Er moet hier bijgevoegd worden, dat wanneer het geld de zenuw des oorlogs is, het +dat ook is voor de samenzweringen. Het is van zeer groot belang, dat het den komplotmakers +niet ontbreekt. En bij deze gelegenheid zou het inderdaad niet ontbreken. +</p> +<p>Men weet het, dat al konden graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory +hun leven voor de onafhankelijkheid van hun vaderland opofferen, zij evenwel geen +vermogen hadden om ten offer te brengen; want het is den lezer bekend: zij bezaten +slechts zeer beperkte middelen. Maar graaf Mathias Sandorf was rijk, zelfs onmetelijk +rijk, en met zijn leven was hij gereed ook geheel zijn vermogen op het spel te zetten +voor die zaak. Sedert verscheidene maanden dan ook had hij, door tusschenkomst van +zijn intendant Lendeck, groote sommen op zijne landerijen opgenomen, meer dan twee +en een half millioen gulden. +<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p> +<p>Maar het was noodig dat die som steeds ter zijner beschikking gehouden werd en dat +hij haar ieder oogenblik kon ontvangen. Te dien einde was zij gedeponeerd geworden +bij een bankiershuis te Triëst, waarvan de goede naam onbesproken, en de soliditeit +tegen iedere gebeurlijkheid bestand was. Dat was het huis Toronthal, waarover Sarcany +en Zirone juist gesproken hadden, terwijl zij op het kerkhof der bovenstad vertoefden. +</p> +<p>Welnu, die buiten alle berekening vallende gebeurtenis, zou de gewichtigste gevolgen +na zich slepen, zooals men zien zal uit den loop van deze geschiedenis. +</p> +<p>Bij de vermelding van dat geld, waarvan een oogenblik sprake was geweest gedurende +hun laatste gesprek, zei graaf Sandorf tot graaf Zathmar en tot Stephanus Bathory, +dat het zijn voornemen was om eerstdaags een bezoek aan den bankier Silas <span class="corr" id="xd33e735" title="Bron: Thoronthal">Toronthal</span> te brengen, om hem te verwittigen, dat hij het geld binnen den kortst mogelijken +tijd te zijner beschikking te stellen had. +</p> +<p>En waarlijk, de gebeurtenissen zouden weldra graaf Sandorf er toe aanzetten om het +van Triëst verwachte signaal te geven, te meer nog nu hij dien eigen avond meende +bespeurd te hebben, dat het huis van graaf Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen +werd. En dat verontrustte hem. +</p> +<p>Toen graaf Sandorf en Stephanus Bathory tegen tien uur naar buiten traden, de een +om zich naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat te begeven, de andere om naar +het <span class="corr" id="xd33e742" title="Bron: hotel Delorme">hôtel Delòrme</span> weer te keeren, meenden zij twee mannen te ontwaren, die hen in het donker bespiedden, +hen op eenigen afstand volgden en alle moeite deden om niet gezien te worden. +</p> +<p>Mathias Sandorf en zijn metgezel, vast besloten om te weten te komen wat er gaande +was, aarzelden geen oogenblik om op die zoo verdachte personen toe te treden. Maar +toen dezen hen bespeurden, verdwenen zij bij den hoek van de Sint Antonius-kerk, bij +het uiteinde van het groote kanaal, vóór dat het mogelijk geweest was hen in te halen. +<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4118">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">III.</h2> +<h2 class="main">HET BANKIERSHUIS TORONTHAL.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Te Triëst bestaat eigenlijk geen gezelschapsband. Tusschen verschillende rassen bestaat +geene gezelligheid, evenmin als tusschen verschillende kusten. De Oostenrijksche beambten +koesteren de verwaandheid om te meenen, dat zij de hoogste sport op de maatschappelijke +ladder innemen, welke ook de plaats zij, welke zij in het administratieve werktuig +bekleeden. Over het algemeen zijn dat voorname lieden, die goed onderwezen en zeer +welwillend zijn. Hunne bezoldiging is evenwel mager en schraal en ver beneden hun +maatschappelijk standpunt, zoodat zij niet wedijveren kunnen met de handels- of met +de finantie-mannen. Deze laatsten zijn genoodzaakt, daar de bijeenkomsten bij de rijke +familiën zeldzaam zijn, maar zeldzamer nog de officieele vereenigingen, hun toevlucht +te nemen tot weelderigheid buitenshuis—oogenweelderigheid zou men het kunnen noemen—zooals +bij het verschijnen op de straten door de pracht hunner equipages, of in den schouwburg +door den rijkdom der toiletten, door den overvloed van diamanten, welke hunne dames +in de loges van het Teatro <span class="corr" id="xd33e754" title="Bron: Communale">Comunale</span> of van de Armonia tentoonstellen. +</p> +<p>Onder al die rijke familiën werd voornamelijk die van den bankier Silas Toronthal +opgemerkt. +</p> +<p>Het hoofd van dat bankiershuis, waarvan het crediet zich verre over de grenzen van +het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk uitstrekte, was toen zeven-en-dertig jaren +oud. Hij bewoonde met mevrouw Toronthal, die eenige jaren jonger was dan hij, een +prachtig huis in de <span class="corr" id="xd33e760" title="Bron: Acquedotto-laan">Acquedottolaan</span>. +</p> +<p>Silas Toronthal ging door voor zeer rijk te zijn, en dat moest hij ook wezen. Stoutmoedige +en zeer gelukkige <span class="corr" id="xd33e765" title="Bron: beursspeculatién">beursspeculatiën</span>, een breede grondslag van zaken met de maatschappij van de Oostenrijksche Lloyd en +met andere groote huizen, belangrijke leeningen, waarvan de uitgifte hem toevertrouwd +was, dat alles kon slechts veel geld in zijne kas gebracht hebben. Vandaar dat hij +groote sier gemaakt had, hetgeen wel het oog op hem deed vallen. +<span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span> +</p> +<div class="figure p037width"><img src="images/p037.jpg" alt="Dat het huis van graaf Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen werd. (Bladz. 35.)" width="502" height="720"><p class="figureHead">Dat het huis van graaf Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen werd. (Bladz. +35.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb36a">[<a href="#pb36a">36</a>]</span></p> +<p>Evenwel was het toch mogelijk, zooals Sarcany tot Zirone gezegd had, dat de zaken +van Silas Toronthal toentertijd eenigermate belemmering ondervonden, ten minste voor +het oogenblik. Dat hij zeven jaren vroeger den weerslag ondervonden had van de verwarring +bij de Bank en op de beurs teweeg gebracht door den oorlog <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>van Frankrijk en Italië tegen Oostenrijk, daarna en nog slechts kort geleden, door +den veldtocht, die met de ramp van Sadowa beëindigd werd, dat hij op dat tijdstip +zware verliezen geleden had door de daling der fondsen op de voornaamste plaatsen +van Europa, maar vooral op die van het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk, zooals +Weenen, Pest en Triëst, dat kon niet anders. Toen zou hij, wanneer hij verplicht ware +geworden, de kapitalen, die bij hem in rekening-courant waren gedeponeerd, terug te +betalen, in ernstige ongelegenheid zijn geraakt. Maar dat was niet geschied en hij +had zich voorzeker weer na die crisis hersteld. Maar wanneer het waar was, wat Sarancy +beweerde, had hij gewaagde speculatiën moeten ondernemen, waardoor de soliditeit van +zijn huis op losse schroeven gesteld zoude zijn. +</p> +<p>En inderdaad sedert eenige maanden was Silas <span class="corr" id="xd33e780" title="Bron: Thoronthal">Toronthal</span>—zedelijk althans—veel veranderd. Hoezeer hij de uitingen zijner gevoelens ook in +bedwang had, zoo was zijn uiterlijk toch zijns ondanks gewijzigd. Kenteekenen begonnen +hem te verraden. Hij was niet meer zooals vroeger. Opmerkers zouden bespeurd hebben, +dat hij de menschen niet meer openlijk in het gelaat durfde aanschouwen, zooals hij +vroeger gewoon was te doen; maar hen van ter zijde aankeek, met half gesloten oogen. +Die beginnende kenmerken waren zelfs aan mevrouw Toronthal niet ontsnapt, die eene +ziekelijke vrouw was zonder eenige geestkracht, daarenboven zeer onderworpen aan den +wil van haren echtgenoot en die slechts weinig en dan nog zeer oppervlakkig met zijne +zaken bekend was. +</p> +<p>Nu kon er op gerekend worden, en het moet wel bekend worden, dat wanneer een ramp +zijne bankierszaken bedreigde, Silas Toronthal geen medelijden van de openbare meening +te verwachten had. Dat hij vele klanten zoowel in de stad als in het rijk had, was +waar; maar hij had weinig vrienden. Het hooge gevoel, dat hij van zijne maatschappelijke +positie koesterde, zijne aangeboren ijdelheid, het voorkomen van meerderheid, hetwelk +hij jegens iedereen en bij alles aannam, dat alles was niet geschikt om de menschen +buiten den kring zijner zaken aan te trekken. Daarenboven de Triëstenaren hielden +hem voor een vreemdeling, daar hij afkomstig van Ragusa, dus een Dalmaat van geboorte +was. Geen familiebanden bonden hem derhalve aan die stad, waarin hij een vijftiental +jaren geleden gekomen was om er de grondslagen van zijn vermogen te vestigen. +</p> +<p>Zoo was toen de toestand van het huis Toronthal. Hoewel Sarcany te dien opzichte eenige +achterdocht koesterde, zoo bestond er nog niets, hetgeen veroorloofde het gerucht +te beamen, dat de zaken van den rijken bankier ernstig bedreigd werden. Zijn crediet +was evenwel volstrekt niet aangetast, openlijk althans. <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>Graaf Mathias Sandorf had dan ook geen oogenblik geaarzeld, na zijne fondsen te gelde +gemaakt te hebben, hem eene zeer aanzienlijke som toe te vertrouwen, eene som die +steeds ter zijner beschikking moest gehouden worden, op voorwaarde, dat vier en twintig +uren te voren gewaarschuwd moest worden, wanneer uitbetaling verlangd werd. +</p> +<p>Misschien zal de lezer zich verwonderen, dat punten van aanraking, ja dat betrekkingen +hadden kunnen ontstaan tusschen dat bankiershuis, hetwelk onder de meest geachte aangeteekend +stond, en een persoon als Sarcany was. Toch was het zoo, en die betrekking dagteekende +reeds van twee of drie jaren geleden. +</p> +<p>Op dat tijdstip had Silas Toronthal zeer belangrijke zaken te verhandelen gehad met +het regentschap Tripoli. Sarcany, die een soort makelaar in allerhande zaken en zeer +ervaren in de kunst van cijferen was, slaagde er in om als tusschenpersoon in die +zaken op te treden, die—het moet er bij gezegd worden—van zeer verdachten aard waren. +Er waren daarbij transactiën gesloten, die het daglicht niet mochten zien, omtrent +omkoopingen, omtrent twijfelachtige commissieloonen, omtrent weinig eerlijke heffingen, +waarin de Triëster bankier niet in persoon had willen optreden. In die omstandigheden +was Sarcany op den voorgrond getreden. Hij werd agent bij die knoeierige combinatiën +en bewees daarbij en ook bij andere zaken van denzelfden aard, goede diensten aan +Silas Toronthal. Daaruit werd heel natuurlijk de gelegenheid geboren om toegang tot +het bankiershuis te hebben. Hij had er voet, werd gezegd, hij had er de hand: ware +beter uitgedrukt. En inderdaad, nadat die smerige zaken afgeloopen waren en hij Tripoli +verlaten had, hield Sarcany niet op eene soort geldafpersing op den Triëster bankier +toe te passen. Niet dat Silas Toronthal geheel en al aan de genade van dien schoft +overgeleverd was. Van die compromitteerende operatiën bestond geen enkel feitelijk +bewijs. Maar de toestand van een bankier is van teederen aard. Eén enkel woord kan +hem benadeelen. En nu wist Sarcany genoeg, om het geraden te achten, rekening met +hem te houden. +</p> +<p>En dat deed Silas Toronthal ook. Het kostte hem zelfs belangrijke sommen, die zoo +bijzonder vlug opgemaakt en voornamelijk in kroegen verspild werden, als dat slechts +door een gelukzoeker geschieden kan, die omtrent de toekomst geene zorgen hoegenaamd +koestert. Sarcany werd eindelijk, nadat hij den bankier tot in Triëst opgezocht had, +zoo lastig, zoo veeleischend, dat het den bankier begon te vervelen en deze hem eindelijk +ieder crediet weigerde. Sarcany dreigde. Silas Toronthal hield vol. En daarin had +hij gelijk, daar die volleerde geldafperser eindelijk bij zichzelven tot de bekentenis +moest komen, dat hij bij gebrek aan deugdelijke <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>bewijzen, tamelijk ongewapend tegenover den bankier stond. +</p> +<p>Ziedaar de redenen waarom Sarcany en zijn eerlijke makker Zirone zich sedert eenigen +tijd zonder middelen bevonden, en zoodanig zonder geld waren, dat zij in de onmogelijkheid +waren de stad te verlaten om elders hun geluk te beproeven. Maar men weet ook, dat +Silas Toronthal, met het doel om zich geheel en al van hen te ontdoen, hen eene som +gelds als laatste hulp had toegezonden. Die som zou hen in staat stellen om Triëst +te verlaten en naar Sicilië weer te keeren, waar Zirone geaffiliëerd was aan een schrikwekkend +gezelschap, dat de oostelijke en de middenprovinciën van dat eiland exploiteerde. +De bankier mocht dus hopen zijn makelaar in Tripolitaansche zaken nimmer weer te zien, +en dat hij nimmermeer van hem zou hooren spreken. Daarbij vergiste hij zich, wat hem +bij andere zaken ook wel eens overkwam. +</p> +<p>Het was in den avond van den 18den Mei dat de tweehonderd gulden, vergezeld van het +bekende korte briefje door Silas Toronthal verzonden en door de twee gelukzoekers +in hun logement, alwaar zij verblijf hielden, ontvangen waren. +</p> +<p>Zes dagen later, dus den 24sten van dezelfde maand, belde Sarcany bij het bankiershuis +aan en verzocht om Silas Toronthal te spreken; zijn aandringen was van zoodanigen +aard, dat deze inwilligde hem te ontvangen. +</p> +<p>De bankier was op zijn kantoor, waarvan Sarcany de deur zorgvuldig sloot, zoodra hij +binnengekomen was. +</p> +<p>„Gij alweer! En nog hier!” riep Silas Toronthal eerst uit. „Wat komt gij hier doen? +Ik heb u voor de laatste maal eene som geld toegezonden, die toereikend moet zijn +om Triëst te kunnen verlaten. Gij zult nimmermeer iets van mij krijgen, wat gij mij +ook zult willen vertellen of wat gij ook uitvoeren wilt! Waarom zijt gij niet vertrokken? +Ik waarschuw u, dat ik mijne maatregelen zal nemen om uwe lastige bezoeken voortaan +tegen te gaan!—Wat wilt ge thans van mij?” +</p> +<p>Sarcany had dien woordenvloed, waarop hij voorbereid was, koelbloedig aangehoord. +Zijne houding was dezelfde niet meer, welke hij gewoonlijk aannam, namelijk brutaal +en uitdagend, zooals hij bij zijne laatste bezoeken aan het bankiershuis geweest was. +</p> +<p>Hij bleef zichzelven niet alleen geheel en al meester, maar hij bleef ook ernstig. +Hij greep een stoel, zonder dat hij de uitnoodiging ontvangen had om te gaan zitten; +nam plaats en wachtte daarna dat de booze luim van den bankier zich in luidruchtige +verwijtingen lucht gegeven en uitgeput zoude hebben om hem te antwoorden. +</p> +<p>„Welnu, zult ge spreken?” hernam Silas Toronthal, die, na zijn kabinet eenige malen +op en neer geloopen te hebben, op zijn beurt <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>was gaan zitten, evenwel zonder er in geslaagd te zijn meer bedaard te worden. +<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span> +</p> +<div class="figure p041width"><img src="images/p041.jpg" alt="De bankier bekeek het niet zonder nieuwsgierigheid. (Bladz. 46.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">De bankier bekeek het niet zonder nieuwsgierigheid. (Bladz. 46.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb42a">[<a href="#pb42a">42</a>]</span></p> +<p>„Ik wacht tot gij kalmer zult zijn,” antwoordde Sarcany vreedzaam, „en ik zal al den +tijd wachten, die daartoe noodig zal zijn.” +</p> +<p>„Of ik kalm ben of niet, wat kan dat schelen? Voor de laatste maal, wat wilt gij van +mij?” +</p> +<p>„Silas Toronthal, ik heb u eene zaak voor te stellen.” +</p> +<p>„Eene zaak?” +</p> +<p>„Ja.” +</p> +<p>„Ik wil over geen zaken spreken met u, ik wil geen zaken met u doen of daarover onderhandelen!” +riep de bankier uit. „Wij hebben niets gemeens meer met elkander en ik wil dat gij +Triëst terstond, heden nog verlaat, om er nooit terug te komen.” +</p> +<p>„Ik denk te vertrekken en Triëst te verlaten,” antwoordde Sarcany, „maar ik wil niet +vertrekken zonder mijne schuld aan uw huis aangezuiverd te hebben.<span class="corr" id="xd33e821" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Uwe schuld?.… Aanzuiveren!.… Gij?.… mij betalen?” +</p> +<p>„Ja, u betalen interest, kapitaal, alles, ongerekend een deel in de winsten van.…” +</p> +<p>Silas Toronthal trok verachtelijk de schouders op bij dat onverwachte voorstel, komende +van Sarcany. +</p> +<p>„De sommen, die ik u voorgeschoten heb, heb ik op mijne verliesrekening gebracht,” +zeide hij. „Ik scheld u die kwijt en heb dus niets van u te vorderen.” +</p> +<p>Sarcany glimlachte. +</p> +<p>„Ik ben boven die nietigheden verheven,” ging de bankier voort. +</p> +<p>„Maar als het mij belieft uw schuldenaar te blijven?” +</p> +<p>„Dat kan slechts gelden, als het mij belieft uw schuldeischer te zijn!” +</p> +<p>Bij die woorden keken Silas Toronthal en Sarcany elkander in het gelaat. Daarop trok +deze laatste op zijne beurt de schouders op. +</p> +<p>„Volzinnen slechts, niets anders dan volzinnen! Woorden, anders niets,” hernam Sarcany. +„Ik herhaal, dat ik u eene zeer ernstige zaak kom voorstellen.” +</p> +<p>„Even smerig als ernstig, ongetwijfeld?” +</p> +<p>„Hé, hé, het zou voor de eerste maal niet zijn, dat gij u tot mij wendet, om.…” +</p> +<p>„Sarcany!” riep de bankier uit. +</p> +<p>„Neen, niet de eerste maal, dat gij mijne.…” +</p> +<p>„Woorden, niets dan woorden,” herhaalde Silas Toronthal op zijne beurt. Hij wist niets +anders te zeggen om de brutale uiting, die den anderen op de lippen lag, te stuiten. +</p> +<p>„Hoor naar mij,” zei Sarcany, „ik zal kort zijn.” +</p> +<p>„En daar zult ge goed aan doen.” +<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span></p> +<p>„Indien hetgeen ik u ga voorstellen, niet van uwe gading zal zijn, zullen wij er niet +meer over spreken en zal ik van hier vertrekken.” +</p> +<p>„Van hier of van Triëst?” +</p> +<p>„Van hier en van Triëst!” +</p> +<p>„Morgen reeds?” +</p> +<p>„Heden avond reeds!” +</p> +<p>„Spreek dan.” +</p> +<p>„Ziehier wat het geldt.” zei Sarcany. „Maar.…” voegde hij er bij, terwijl hij overal +rondkeek, „zijt gij er zeker van dat niemand ons hooren kan?” +</p> +<p>„Gij staat er dus op, dat ons onderhoud geheim zal blijven?” antwoordde de bankier +met ietwat spotachtigs in zijne stem. +</p> +<p>„Ja, Silas Toronthal, want wij beiden, gij en ik, zullen het leven van hooge personen +in de hand hebben!<span class="corr" id="xd33e854" title="Bron: ’">”</span> +</p> +<p>„Gij misschien! Ik, neen!” +</p> +<p>„Oordeel er over! Ik ben op het spoor van eene samenzwering. Wat haar doel is? Dat +weet ik nog niet. Maar sedert de partij, die te midden van de vlakte van Sadowa afgespeeld +werd, sedert den slag van Sadowa heeft ieder niet-Oostenrijker fraai spel tegen Oostenrijk. +Nu heb ik wel redenen om te meenen, dat eene beweging voorbereid wordt, eene beweging +ten voordeele van Hongarije, waaruit wij munt kunnen slaan.” +</p> +<p>Silas Toronthal vergenoegde zich deze enkele woorden op spottenden toon tot antwoord +te geven: +</p> +<p>„Er valt niets te halen van eene samenzwering.” +</p> +<p>„Waarachtig wel! Meer dan waarschijnlijk.” +</p> +<p>„Hoe dan?” +</p> +<p>„Door haar te verraden.” +</p> +<p>„Komaan, laat hooren. Verklaar u nader.” +</p> +<p>„Luister dan,” zei Sarcany. +</p> +<p>Daarop verhaalde hij, wat er op het oude kerkhof van Triëst gebeurd was, hoe hij eene +reisduif bemachtigd had, de wijze waarop het briefje in geheimschrift—waarvan hij +een afschrift gehouden had—in zijne handen gevallen was en hoe hij met de woning van +hem, voor wien het briefje bestemd was, bekend was geworden. Hij voegde er bij dat +hij en Zirone de laatste vijf dagen doorgebracht hadden met alles te bespieden, zoo +niet wat binnen dat huis omging, dan toch het uiterlijke en den omtrek daarvan. Eenige +personen, die altijd dezelfde waren, kwamen er steeds des avonds bijeen en traden +niet zonder groote voorzorgen binnen. Andere duiven waren van daar vertrokken, andere +waren weer aangekomen. De eerste vlogen noordwaarts, de overigen kwamen daar vandaan. +De deur dezer woning werd door een ouden dienstbode bewaakt, <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>die haar ongaarne ontsloot en steeds de naderenden nauwgezet gadesloeg. Sarcany en +zijn makker hadden zelfs met eene zekere omzichtigheid moeten te werk gaan, om de +aandacht van dien man niet te trekken. En nog vreesden zij, zijne achterdocht sedert +eenige dagen te hebben opgewekt. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e872" title="Bron: Silias">Silas</span> Toronthal begon meer aandacht aan het verhaal te wijden, dat Sarcany hem deed. Hij +vroeg zich af, wat er waars kon zijn in dat alles. Zijn oude makelaar was niet zoo +geheel te vertrouwen. Hij vroeg zich ook af op welke wijze deze meende dat hij zich +in de zaak zou mengen, om er eenig voordeel uit te behalen. +</p> +<p>Toen het verhaal uit was en toen Sarcany nogmaals en voor den laatsten keer verzekerd +had, dat het eene samenzwering tegen den Staat betrof en dat het zeker gewin moest +opleveren, wanneer men de geheimen van dat komplot zoude weten te benuttigen, vergenoegde +zich de bankier hem de navolgende vragen te stellen: +</p> +<p>„Waar is dat huis gelegen?” +</p> +<p>„In de Acquedottolaan.” +</p> +<p>„Nummer?” +</p> +<p>„Nummer 89.” +</p> +<p>„Aan wien behoort die woning?” +</p> +<p>„Aan een Hongaarsch edelman.” +</p> +<p>„Een Hongaar?” +</p> +<p>„Ja.” +</p> +<p>„En die heet?” +</p> +<p>„Graaf Ladislas Zathmar.” +</p> +<p>„En welke personen bezoeken hem?” +</p> +<p>„Het zijn voornamelijk twee.” +</p> +<p>„Slechts twee?” +</p> +<p>„Ja. Beiden zijn van Hongaarsche afkomst.” +</p> +<p>„En de eene heet?” +</p> +<p>„De eene is een professor hier ter stede en heet Stephanus Bathory<span class="corr" id="xd33e895" title="Bron: ”.">.”</span> +</p> +<p>„En de andere?” +</p> +<p>„Graaf Mathias Sandorf.” +</p> +<p>„Weet gij dat zeker?” +</p> +<p>„Ja, zeer zeker.” +</p> +<p>Bij dien laatstgenoemden naam was een licht gebaar van verwondering aan Silas Toronthal +ontsnapt, hetgeen Sarcany niet ontging. Wat die drie namen betreft, die deze laatste +genoemd had, het was hem gemakkelijk gevallen die te weten te komen. Hij was beiden +gevolgd, professor Stephanus Bathory zoowel als graaf Sandorf, den eersten, toen hij +naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat wederkeerde, den andere toen hij zich +naar het <span class="corr" id="xd33e904" title="Bron: hotel Delorme">hôtel Delòrme</span> begaf. +<span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span> +</p> +<div class="figure p045width"><img src="images/p045.jpg" alt="En ging heen, terwijl de bankier hem tot aan de deur van het vertrek begeleidde. (Bladz. 51.)" width="508" height="720"><p class="figureHead">En ging heen, terwijl de bankier hem tot aan de deur van het vertrek begeleidde. (Bladz. +51<span class="corr" id="xd33e912" title="Bron: ).">.)</span></p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb44a">[<a href="#pb44a">44</a>]</span></p> +<p>„Gij ziet het, Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „dat zijn namen, <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>die ik geen oogenblik geaarzeld heb u te openbaren. Gij zult daaruit wel willen ontwaren, +dat ik u niet wil bedriegen, of ook maar tegenover u wil veinzen.” +</p> +<p>„Dat alles is wel nevelachtig en onbestemd,” antwoordde de bankier, die klaarblijkelijk +meer van de zaak wenschte te weten, alvorens er op in te gaan. +</p> +<p>„Nevelachtig en onbestemd?” vroeg Sarcany. +</p> +<p>„Zeker! Gij hebt eigenlijk niets wat op een daadwerkelijk bewijs gelijkt.” +</p> +<p>„En dit dan?” +</p> +<p>„Wat?” +</p> +<p>„Dat briefje?” +</p> +<p>Daarbij reikte Sarcany het afschrift van het geheimschrift aan Silas Toronthal over. +</p> +<p>„Dat vod?” +</p> +<p>De bankier bekeek en onderzocht het niet zonder nieuwsgierigheid, hoe onverschillig +hij de woorden „dat vod” ook had uitgesproken; maar die geheimzinnige woorden konden +geen zin voor hem hebben en er was geen enkele aanwijzing, dat zij de belangrijkheid +bezaten, die Sarcany hen toeschreef. Wanneer die zaak van zoodanigen aard was om zijne +belangstelling op te wekken, dan was het dat zij graaf Mathias Sandorf betrof, die +een goede klant van zijn huis was en wiens toestand van schuldeischer jegens hem, +hem verontrustte, wanneer deze een dadelijke uitkeering der fondsen, bij het bankiershuis +gestort, vergde. +</p> +<p>„Welnu?” vroeg Sarcany, nadat Silas Toronthal het papier had ingekeken.<span id="xd33e932"></span> +</p> +<p>„Welnu,” antwoordde deze, „mijne meening is, dat de zaak nevelachtig en onbestemd +is en door dat biljet dat al meer en meer wordt.” +</p> +<p>„Mij dunkt integendeel, dat zij duidelijk en helder is,” was het wederantwoord van +Sarcany, die zich door de aangenomen houding van den bankier niet liet uit het veld +slaan. +</p> +<p>„Hebt gij dat geheimschrift kunnen ontraadselen?” +</p> +<p>„Neen, Silas Toronthal, maar.…” +</p> +<p>„Maar wat?” +</p> +<p>„Ik zal het weten te lezen als de tijd daar zal zijn.” +</p> +<p>„En hoe?” +</p> +<p>„Ik heb mij wel meer met dergelijke evenals ook met andere zaken beziggehouden,” antwoordde +Sarcany, „en ik heb nog al brieven en stukken, in geheimschrift gesteld, in handen +gehad, dat verzeker ik u. Nu heeft een nauwgezet onderzoek van dit briefje mij helder +en klaar overtuigd, dat de sleutel er van noch op een getal, noch op een vooraf overeengekomen +alphabet berust, die <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>aan ieder der letters eene andere beduidenis dan hare ware verleent. Ja, in dit biljet +is een <i>s</i> een <i>s</i>, een <i>p</i> een <i>p</i> en een <i>r</i> een <i>r</i>; maar deze letters zijn in eene volgorde gesteld die niet kan hersteld worden dan +door middel van een rooster.” +</p> +<p>De lezer weet reeds dat Sarcany zich niet vergiste. Dat was inderdaad het stelsel +hetwelk bij die briefwisseling gebruikt was. Hij weet ook, dat het daardoor des te +<span class="corr" id="xd33e961" title="Bron: moeielijker">moeilijker</span> was, dat geheimschrift te ontraadselen. +</p> +<p>„Ik wil aannemen,” sprak de bankier, „en niet loochenen, dat gij gelijk hebt; maar +zonder dien rooster is het toch onmogelijk dat briefje te lezen.” +</p> +<p>„Inderdaad.” +</p> +<p>„En hoe zult gij u dien rooster verschaffen?” +</p> +<p>„Dat weet ik nog niet,” antwoordde Sarcany; „maar wees gerust, ik zal hem mij wel +verschaffen.” +</p> +<p>„Waarlijk?” vroeg de bankier spottend. +</p> +<p>„Ongetwijfeld,” antwoordde de andere ernstig. +</p> +<p>„Welnu, Sarcany, als ik in uwe plaats was, dan zou ik mij zoo veel moeite niet geven.” +</p> +<p>„Ik zal er de moeite toe nemen, die noodig is.” +</p> +<p>„Waartoe zou dat dienen? Ik zou mij eenvoudig vergenoegen met aan de politie uwe meeningen +en achterdocht mede te deelen en haar dat briefje overhandigen.” +</p> +<p>„Op zijn tijd zal ik dat doen, Silas Toronthal, maar niet op eenvoudige vooronderstellingen,” +antwoordde Sarcany koeltjes. „Wat ik wil trachten te erlangen, alvorens te spreken, +dat zijn daadwerkelijke en derhalve onbetwistbare bewijzen. Ik heb mij in het hoofd +gezet, mij meester van die samenzwering te maken, ja, meester! meester in de volle +beteekenis van het woord, om er al de voordeelen uit te trekken, die ik u aanbied +samen te deelen. En.… wie weet of het nog niet het voordeeligst zoude zijn ééne lijn +met de samenzweerders te trekken, in plaats van ons tegen hen te stellen!” +</p> +<p>Een zoodanige taal kon Silas Toronthal niet verwonderen. Hij wist, waartoe Sarcany +met zijn schranderen kop, maar met zijn slecht hart, in staat was. Maar als die man +niet aarzelde zich zoo tegenover den Triëster bankier uit te laten, dan was dat met +de wetenschap van zijn kant, dat men alles aan Silas Toronthal kon voorstellen, daar +diens rekbaar geweten op iedere zaak, hoe schurkachtig ook, inging, wanneer zij maar +grove winsten beloofde. Daarenboven, het kon niet genoeg herhaald worden, Sarcany +kende hem al sedert lang, en hij had buitendien redenen om te gelooven, dat de toestand +van het bankiershuis sedert eenigen tijd verward en wankelend was. Zou nu de onthulling +van die samenzwering, behendig gebezigd, hem niet kunnen veroorloven zijne zaken te +<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span>herstellen? Het was op dergelijke beschouwingen, dat Sarcany eenigermate rekende. +</p> +<p>Van zijn kant poogde Silas Toronthal in dit oogenblik gesloten spel met zijn vroegeren +makelaar in Tripolitaansche zaken te spelen. Dat er eene kiem van samenzwering tegen +het Oostenrijksche gouvernement bestond en dat Sarcany die op het spoor was, kon hij +wel aannemen. Dat huis van graaf Ladislas <span class="corr" id="xd33e981" title="Bron: Zatmar">Zathmar</span>, waarin de geheime samenkomsten plaats hadden, die briefwisseling in geheimschrift, +de buitensporig groote som geld bij hem door graaf Sandorf gestort, met aanbeveling +haar steeds ter zijner beschikking te houden, dat alles begon hem zeer verdacht voor +te komen. Sarcany had zeer waarschijnlijk bij die omstandigheden de zaken juist ingezien. +Maar de bankier, er nog meer van wenschende te vernemen en meer inzicht in het spel +van den gelukzoeker wenschende te hebben, wilde nog niet dadelijk toetreden. Hij vergenoegde +zich dan ook zoo onverschillig mogelijk te antwoorden: +</p> +<p>„En daarna, aangenomen dat gij er in slaagt dat geheimschrift te ontraadselen, waaraan +ik twijfel, dan zult gij zien, dat het eenvoudig particuliere zaken, zaken zonder +eenig belang betreft, en waaruit dan noch voor u noch voor mij eenig voordeel zal +zijn te halen.” +</p> +<p>„Neen!” riep Sarcany met al het vuur eener vast gevestigde overtuiging uit. „Neen! +Ik ben op het spoor van eene zeer ernstige en zeer gewichtige samenzwering, die door +mannen van hoogen rang en hooge maatschappelijke positie aangevoerd wordt en ik voeg +er bij, Silas Toronthal, dat gij er evenmin aan twijfelt als ik.” +</p> +<p>„Maar wat wilt gij dan eindelijk van mij?” vroeg de bankier, ditmaal recht op den +man af. +</p> +<p>Sarcany stond op en antwoordde met zacht fluisterende stem, terwijl hij den bankier +strak in de oogen keek: +</p> +<p>„Wat ik van u <i>wil</i>,” en hij legde bijzonderen nadruk op dit laatste woord. „Ziehier: Ik wil zoo spoedig +mogelijk toegang tot het huis van den graaf Ladislas Zathmar hebben, onverschillig +onder welk voorwendsel, om daarna zijn vertrouwen te winnen. Eenmaal in de plaats +genesteld, waarin mij niemand kent, zal ik dien rooster wel weten machtig te worden +en dat raadselschrift ontcijferen, om er dat gebruik van te maken, hetwelk het meest +met onze belangen zal overeenkomen.” +</p> +<p>„Met onze belangen?” herhaalde Silas Toronthal. +</p> +<p>„Ja, onze belangen.” +</p> +<p>„Waarom zijt gij er zoo op gesteld mij in die zaak te mengen?” +</p> +<p>„Omdat zij der moeite waard is, en.…” +</p> +<p>„Oho!” riep de bankier uit. +</p> +<p>„En gij er groote voordeden bij behalen zult!” +<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span> +</p> +<div class="figure p049width"><img src="images/p049.jpg" alt="Eenige spionnen, die in de Acquedottolaan rondslopen. (Bladz. 56.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Eenige spionnen, die in de Acquedottolaan rondslopen. (Bladz. 56<span class="corr" id="xd33e1005" title="Bron: ).">.)</span></p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span></p> +<p>„Waarom onderneemt gij die zaak niet alleen?<span class="corr" id="xd33e1011" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Waarom?” +</p> +<p>„Ja, waarom?” +</p> +<p>„Wel, omdat ik uwe medewerking noodig heb.” +</p> +<p>„Mijne medewerking?” +</p> +<p>„Inderdaad.” +</p> +<p>„Kom dan toch tot verklaring.” +</p> +<p>„Luister. Om mijn doel te bereiken, heb ik tijd noodig; en om te kunnen wachten, moet +ik in de gelegenheid zijn te kunnen leven. Ik heb dus geld noodig. En dat bezit ik +niet meer!” +</p> +<p>„Uw crediet bij mij is uitgeput, dat weet ge.” +</p> +<p>„Ja; maar.…” +</p> +<p>„Maar wat? Maak toch voort.” +</p> +<p>„Gij kunt mij een ander crediet openen!” +</p> +<p>„Wat zal ik daarmee kunnen winnen?” +</p> +<p>„Dit: Van die drie mannen, die ik u straks noemde, zijn twee zonder vermogen, dat +zijn graaf Zathmar en professor Bathory; maar de derde is rijk, buitengewoon rijk +zelfs. De goederen, die hij in <span class="corr" id="xd33e1029" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> bezit, zijn zeer aanzienlijk. Nu weet gij zeer goed, dat wanneer hij als samenzweerder +gevat en veroordeeld wordt, zijne verbeurd verklaarde goederen voor het grootste gedeelte +hun toegewezen worden, die de samenzwering ontdekt en aangebracht hebben!.… En dat +zullen wij zijn, ik en gij, Silas Toronthal. Geloof mij, wij zullen eerlijk deelen.” +</p> +<p>Sarcany zweeg. De bankier antwoordde niet. Hij overpeinsde hetgeen men van hem als +inzet van die partij eischte. Hij was daarenboven de man niet, om zich persoonlijk +in eene zaak van dien aard bloot te geven. Maar hij gevoelde dat Sarcany als zijn +agent wel mans genoeg was om de taak van hun beiden op zich te nemen. Wanneer hij +mocht besluiten aan die kuiperij deel te nemen, dan zou hij dezen wel zoodanig door +een contract weten te verbinden, dat hem geheel en al aan zijne genade zou overleveren, +dat hij, hoewel op den achtergrond blijvende, het grootste deel der winsten zou opstrijken.… +Toch aarzelde hij. Maar alles wel beschouwd, wat <span class="corr" id="xd33e1034" title="Bron: vraagde">waagde</span> hij toch? Hij zou in die verachtelijke daad niet optreden, hij zou er alleen de winst +van genieten, groote winst, die den toestand van zijn huis geheel zou kunnen herstellen. +</p> +<p>„Welnu?.…” vroeg Sarcany. +</p> +<p>„Gij vraagt mijne beslissing?” +</p> +<p>„Ja.” +</p> +<p>„Welnu, neen,” antwoordde Silas Toronthal, vooral afgeschrikt door het denkbeeld zulk +een deelgenoot te hebben, of om een beter woord te bezigen: zoo’n medeplichtige. +</p> +<p>„Gij weigert?” +<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span></p> +<p>„Ja, ik weiger.… Ik geloof bovendien niet aan den goeden uitslag van uwe combinatiën!” +</p> +<p>„Pas op, Silas Toronthal!” riep Sarcany, zonder zich ditmaal te bedwingen, op dreigenden +toon uit. +</p> +<p>„Oppassen, voor wat, alsjeblieft?” +</p> +<p>„Ik weet zekere zaken.…” +</p> +<p>„De deur uit, Sarcany!” antwoordde de bankier. +</p> +<p>„Ik zal weten u te noodzaken.…” +</p> +<p>„De deur uit!” +</p> +<p>In dit oogenblik werd licht op de deur van het kantoor getikt. Terwijl Sarcany zijn +gelaat vlug naar den kant van het venster gewend had, was de deur opengegaan op het +„binnen” van den bankier. Een bediende verscheen en sprak met luider stem: +</p> +<p>„Graaf Sandorf verzoekt den heer Silas Toronthal een oogenblik gehoor!” +</p> +<p>Daarna ging hij heen. +</p> +<p>„Graaf Sandorf?” riep Sarcany uit. +</p> +<p>Van den eenen kant kon de bankier niet anders dan zeer verstoord zijn, dat Sarcany +van dat bezoek onderricht werd, en van den anderen kant begreep hij dat groote <span class="corr" id="xd33e1058" title="Bron: moeielijkheden">moeilijkheden</span> gingen voortvloeien uit die onverwachte komst van den graaf. +</p> +<p>„He! he! wat komt graaf Sandorf hier doen?” vroeg Sarcany op scherp spotachtigen toon. +„Staat gij dus in betrekking met de samenzweerders van het huis Zathmar. Inderdaad, +ik geloof dat ik mij tot een hunner gewend heb.” +</p> +<p>„Zult gij eindelijk heengaan?” +</p> +<p>„Neen, Silas Toronthal, ik zal niet heengaan. Ik wil weten wat graaf Sandorf hier +komt doen!” +</p> +<p>Toen hij die woorden uitgesproken had, wierp hij zich ijlings in een kabinet, dat +aan het kantoor grensde en welks voorhang achter hem neerviel. +</p> +<p>Silas Toronthal was op het punt om iemand te roepen, teneinde den indringer te doen +wegjagen, toen hij plotseling van gedachte veranderde. +</p> +<p>„Neen,” zei hij, „het is, alles wel beschouwd, waarschijnlijk beter, dat Sarcany hoore +wat hier gesproken zal worden.” +</p> +<p>De bankier schelde den bediende en beval hem graaf Sandorf onmiddellijk binnen te +geleiden. +</p> +<p>Mathias Sandorf trad het kantoor binnen en beantwoordde geheel overeenkomstig zijn +karakter, de beleefde buigingen van Silas Toronthal koel. Daarna nam hij in een leuningstoel +plaats, dien de bediende bijgeschoven had. +</p> +<p>„Heer graaf,” zei de bankier, „ik mocht op de eer van uw bezoek niet hopen, daar ik +meende dat gij niet te Triëst waart. Maar gij <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>weet het, in het huis Toronthal zijt gij steeds welkom en uwe tegenwoordigheid wordt +hier hoogst gewaardeerd.” +</p> +<p>„Mijnheer,” antwoordde Mathias Sandorf, „ik ben slechts een der meest bescheidene +uwer klanten, daar ik, zooals gij weet, geene zaken drijf. Toch ben ik u dank schuldig +dat gij wel de fondsen, die ik disponibel had, in deposito hebt willen nemen.” +</p> +<p>„<span class="corr" id="xd33e1077" title="Bron: Hoe">Heer</span> graaf, vergeef mij wanneer ik u herinner,” hernam Silas Toronthal, „dat die fondsen +in rekening courant door mij opgenomen zijn, zoodat gij niet vergeten moogt, dat zij +u renten opbrengen.” +</p> +<p>„Ik weet het, mijnheer.…” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar ik herhaal wat ik +u destijds zeide, dat ik geene geldbelegging bij uw huis beoogde, slechts een eenvoudig +deposito.” +</p> +<p>„Het zij zoo, heer graaf,” hernam Silas Toronthal. „Maar het geld is in deze tijden +duur en het zou niet billijk wezen, wanneer het uwe improductief bleef liggen. Een +finantieele crisis dreigt over het geheele land zich uit te strekken. De toestanden +zijn in het binnenland zeer <span class="corr" id="xd33e1083" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span>. De zaken zijn als het ware geheel verlamd. Eenige bankbreuken van belangrijke huizen +hebben het openbaar crediet geschokt, terwijl er nog andere verwacht worden.…” +</p> +<p>„Maar uw huis is solied, nietwaar, mijnheer?” vroeg Mathias Sandorf en vervolgde zonder +antwoord daarop af te wachten: „Ik weet uit goede bron, dat het slechts zeer weinig +geleden heeft door de reactie van die bankbreuken.” +</p> +<p>„O, zeer weinig,” antwoordde Silas Toronthal met de grootste kalmte. „De handel op +de Adriatische zee verzekert ons bovendien een stroom van maritieme zaken, die der +huizen van <span class="corr" id="xd33e1090" title="Bron: Pesth">Pest</span> of van Weenen ontvalt, zoodat de crisis ons slechts weinig gedeerd heeft. Wij zijn +dus niet te beklagen, heer graaf en beklagen ons ook niet.” +</p> +<p>„Ik kan niet anders dan u geluk wenschen, mijnheer,” betuigde Mathias Sandorf. „Ik +meen u evenwel te moeten vragen, of tengevolge van die crisis zich binnenslands geene +verwikkelingen voorgedaan hebben?” +</p> +<p>Hoewel graaf Sandorf die vraag gesteld had op een toon, alsof hij er geen het minste +belang in stelde, zoo wekte zij toch de aandacht van Silas Toronthal op, die den graaf +dan ook meer nauwkeurig gadesloeg. Die vraag kon toch inderdaad betrekking hebben +op hetgeen hij van Sarcany vernam. +</p> +<p>„Ik weet niets dienaangaande,” antwoordde Silas Toronthal, „en ik heb niet vernomen +dat het Oostenrijksche gouvernement te dien opzichte eenige vrees koesterde. Zoudt +gij, heer graaf, redenen meenen te hebben om te denken dat aanstaande gebeurtenissen.…” +<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span> +</p> +<div class="figure p053width"><img src="images/p053.jpg" alt="Het gebouw der Oostenrijksche Lloyd te Triëst." width="507" height="720"><p class="figureHead">Het gebouw der Oostenrijksche Lloyd te Triëst.</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb52a">[<a href="#pb52a">52</a>]</span></p> +<p>„Volstrekt niet!” viel Mathias Sandorf in; „maar in hooge sferen <span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span>van het bankwezen is men soms met zaken bekend, die het publiek eerst later verneemt. +Ziedaar de reden, waarom ik u die vraag stelde, maar uwe vrijheid onaangetast liet +om haar, al naar dat u geraden voorkwam, met ja of met neen te beantwoorden.” +</p> +<p>„Ik heb in dien zin niets vernomen,” hernam Silas Toronthal. „Wees intusschen verzekerd, +heer graaf, dat ik mij niet het recht zou mogen aanmatigen om met een klant als gij +zijt, geheimzinnig of stilzwijgend te zijn, daar uwe belangen daardoor zouden kunnen +lijden!” +</p> +<p>„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf, „en ik meen uwe gevoelens te kunnen +deelen, dat er noch van het binnenland, noch van het buitenland iets te vreezen is. +Ik ga dan ook Triëst weldra verlaten om in <span class="corr" id="xd33e1110" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> weer te keeren, waarheen mij dringende zaken roepen.” +</p> +<p>„Zoo, gaat gij heen, heer graaf?” vroeg Silas Toronthal met levendigheid. +</p> +<p>„Ja.… zoo omstreeks over veertien dagen, op zijn laatst.” +</p> +<p>„Maar gij komt toch naar Triëst terug?” +</p> +<p>„Dat geloof ik niet, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf. „Maar vóórdat ik vertrek, +wenschte ik de geheele comptabiliteit van het kasteel <span class="corr" id="xd33e1118" title="Bron: Artenak">Artenick</span>, die eenigszins in de war is, in orde te brengen. Ik heb van mijn intendant tal van +nota’s, pachtcedulen, boschcontracten ontvangen, die ik haast geen tijd heb om na +te gaan. Kent gij geen comptabel, of zoudt gij niet een uwer geëmployeerden kunnen +missen, die mij dien dienst zou willen bewijzen?” +</p> +<p>„Niets zal gemakkelijker gaan, heer graaf.” +</p> +<p>„Inderdaad?” +</p> +<p>„Ja, zeker.” +</p> +<p>„Ik zal u wel verplicht wezen.” +</p> +<p>„O, de verplichting is aan mijn kant. Wanneer hebt gij dien comptabel noodig?” +</p> +<p>„Zoo gauw mogelijk.” +</p> +<p>„En waar moet hij zich aanmelden?” +</p> +<p>„Zich aanmelden?” +</p> +<p>„Ja, bij wien?” +</p> +<p>„Bij mijn vriend graaf Zathmar, wiens huis in de Acquedottolaan nummer 89 gelegen +is.” +</p> +<p>„Hoe zegt ge.… nummer.…?” +</p> +<p>„Nummer 89 van de Acquedottolaan.” +</p> +<p>„Dat ’s afgesproken.” +</p> +<p>„Het zal een werk van een tiental dagen wezen, en ik zal, wanneer die zaken behoorlijk +geregeld zijn, daarna naar het kasteel <span class="corr" id="xd33e1138" title="Bron: Artenak">Artenick</span> kunnen vertrekken. Ik verzoek u dus om de fondsen, die ik bij u heb staan, ter mijner +beschikking te houden.” +<span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span></p> +<p>Silas Toronthal kon bij die woorden een gebaar van schrik niet weerhouden. Gelukkig +zag de graaf het niet. +</p> +<p>„Op welken dag verlangt gij, dat u die fondsen zullen worden ter hand gesteld, heer +graaf?” vroeg de bankier. +</p> +<p>„Op den 8en van de volgende maand.” +</p> +<p>„Dan zult gij ze hebben.” +</p> +<p>Daarop stond graaf Sandorf op en ging heen terwijl de bankier hem tot aan de deur +van het vertrek begeleidde. +</p> +<p>Toen Silas Toronthal in zijn kantoor terugkeerde, vond hij er Sarcany, die slechts +deze woorden sprak: +</p> +<p>„Ik moet binnen twee dagen in het huis van graaf Zathmar werkzaam zijn.” +</p> +<p>„Ja, dat moet inderdaad!” antwoordde Silas Toronthal. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4127">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">IV.</h2> +<h2 class="main">HET GEHEIMSCHRIFT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Sarcany was inderdaad twee dagen later in het huis van graaf Ladislas Zathmar geïnstalleerd. +Hij was door Silas <span class="corr" id="xd33e1156" title="Bron: Thoronthal">Toronthal</span> aanbevolen geworden bij graaf Sandorf, die met de plaatsing van dien man onmiddellijk +genoegen had genomen. +</p> +<p>Zoo was de medeplichtigheid van den bankier met zijn agent bij de kuiperijen, door +hem op ’t getouw gezet, behoorlijk tot stand gekomen. Hun doel was: de ontdekking +van een geheim, die het leven van de hoofden van de samenzwering kon kosten. Het resultaat +dat verwacht werd, zou zijn: dat als prijs hunner aanbrenging een vermogen hun ten +deel viel, voor de helft aan een gelukzoeker, die tot alles in staat was om zijn zak +gevuld te krijgen; voor de andere helft aan een bankier, die zoover gekomen was, dat +hij niet meer aan zijne verbintenissen kon voldoen. +</p> +<p>Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat een verdrag tusschen Silas Toronthal +en Sarcany gesloten was, waarbij de waarschijnlijk geachte winsten in twee gelijke +portiën verdeeld werden. Bovendien zou Sarcany al het geld ontvangen, benoodigd om +met zijn makker Zirone fatsoenlijk te Triëst te kunnen leven en om zijne onkosten +te kunnen betalen, die zijne bemoeiingen in die zaak vereischen zouden. Daartegenover +had hij als waarborg de copie van het briefje, dat het geheim der samenzwering bevatte, +waaraan hij niet twijfelde, aan den bankier moeten overgeven. +<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p> +<p>Men zal misschien geneigd zijn graaf Mathias Sandorf van onvoorzichtigheid te beschuldigen. +En inderdaad, in zulke omstandigheden een vreemdeling binnen te leiden in dat huis, +waarin zulke gewichtige belangen behandeld werden, in den vooravond van den dag waarop +het sein tot uitbarsting van een komplot ieder oogenblik kon gegeven worden, kon niet +anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Maar het was slechts door de ijzeren noodzakelijkheid, +dat de graaf zoo gehandeld had. +</p> +<p>Vooreerst toch had hij er een dringend belang bij, dat zijne personeele zaken in orde +gebracht werden, op een oogenblik dat hij zich in die gevaarlijke zaak stortte, waarin +hij zijn leven, op zijn allerminst zijne verbanning waagde, wanneer hij bij nietslagen +gevangen genomen of tot de vlucht genoodzaakt zou worden. Van een anderen kant meende +hij door het opnemen van een vreemdeling in het huis van graaf Zathmar, juist de achterdocht, +die mocht gerezen zijn, af te wenden. Hij had sedert eenige dagen meenen te zien—en +de lezer weet dat het juist is—dat eenige spionnen in de Acquedottolaan rondslopen. +Die spionnen waren niemand anders dan Sarcany en Zirone geweest. Maar de graaf vroeg +zich af, of de politie hem en zijne vrienden gadesloeg en hunne handelingen nauwgezet +naging? Mathias Sandorf moest het gelooven, ja vreezen. Wanneer de vergaderplaats +der samenzweerders, die tot dien dag voor alle oningewijden hermetisch gesloten was +gebleven, achterdocht opwekte, dan was er geen beter middel om de verdenking op een +valsch spoor te brengen, dan door die afsluiting op te heffen, en het huis voor een +commies te openen, die er zich inderdaad slechts met comptabiliteits-zaken onledig +zou houden. Zou de tegenwoordigheid van dien commies een gevaar voor graaf Ladislas +Zathmar en voor zijne makkers kunnen daarstellen? Neen, in geen geval. Er werden geene +brieven in geheimschrift tusschen Triëst en de andere steden van het Hongaarsche koninkrijk +gewisseld. Al de papieren, die op de ophanden zijnde beweging betrekking hadden, waren +vernietigd. Er bleef geen enkel geschreven spoor van de samenzwering over. De maatregelen +waren genomen, daaraan was niets meer te veranderen. Er behoefden geen nieuwe genomen +te worden. Graaf Sandorf had slechts het sein te geven, wanneer het gunstige oogenblik +daar zou zijn. Dus de aanneming van een nieuwen geëmployeerde in dat huis zou, wanneer +het gouvernement achterdocht koesterde, iedere verdenking verwijderen. +</p> +<p>Ja, de redeneering was juist en de voorzorg zou goed genomen moeten genoemd worden, +wanneer die commies niet Sarcany en zijn borg niet Silas Toronthal geweest waren! +<span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span> +</p> +<div class="figure p057width"><img src="images/p057.jpg" alt="In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren. (Bladz. 60.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren. (Bladz. +60.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb56a">[<a href="#pb56a">56</a>]</span></p> +<p>Sarcany, die een meester in dubbelhartigheid was, genoot evenwel <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>de voordeelen van zijn uiterlijk. Hij had toch een openhartig en vrijmoedig gelaat, +terwijl zijn geheele persoon eenvoudigheid en trouwhartigheid scheen te kenmerken. +Graaf Sandorf en zijne vrienden werden er door bedrogen en beetgenomen. De jeugdige +comptabel betoonde zich ijverig, dienstvaardig, vriendelijk en uiterst behendig bij +het nazien van die rekeningen en nota’s, die hij moest in het reine brengen. Niets +bovendien zou hem hebben kunnen doen gissen, wanneer hij het niet geweten had, dat +hij zich in tegenwoordigheid van de hoofden eener samenzwering bevond, die gereed +was het Hongaarsche ras tegen het Duitsche op te zweepen. Mathias Sandorf, Stephanus +Bathory en Ladislas Zathmar schenen zich slechts bij hunne bijeenkomsten met wetenschappelijke +vraagstukken of met kunstkwestiën bezig te houden. Geen geheime briefwisselingen meer, +geen geheimzinnig heen en weer loopen rondom het huis. Dat alles was uit. Maar Sarcany +wist waaraan zich te houden. De gelegenheid, die hij zocht, moest zich voordoen en +hij wachtte diensvolgens geduldig. +</p> +<p>Toen Sarcany het huis van Ladislas Zathmar betrad, had hij slechts ééne gedachte, +namelijk den rooster machtig te worden, die diende om het geheimschrift te ontcijferen. +Nu er evenwel geen dergelijke stukken meer te Triëst aankwamen, vroeg hij zich af +of die rooster niet uit overmaat van voorzichtigheid kon vernietigd zijn. Dat denkbeeld +verontrustte hem, want het geheele gebouw zijner kuiperijen berustte daarop, dat hij +het briefje door de reisduif aangebracht, en waarvan hij afschrift genomen had, zou +kunnen lezen. +</p> +<p>Dus terwijl hij zich onledig hield met de zaken van Mathias Sandorf te regelen, keek +hij rond, nam hij waar, bespiedde hij alles. De toegang tot het kantoorvertrek, waarin +Ladislas Zathmar en zijne makkers te zamen kwamen, was voor hem niet afgesloten. Hij +werkte er zelfs somtijds geheel alleen in. En dan waren zijne oogen en zijne handen +met geheel iets anders bezig, dan met het onder elkander stellen van cijfers of met +rekeningen uit te pluizen. Hij snuffelde dan in de papieren, hij opende de laden met +een soort haak, dien Zirone hem als zaakkundige bij dergelijke bedrijven, ter hand +had gesteld na dien zelf gemaakt te hebben. Hij nam toch intusschen zeer goed in acht, +dat hij bij dien arbeid niet door Borik zoude bespeurd worden; want hij ontveinsde +het zich niet, dat hij dezen niet de geringste sympathie inboezemde. +</p> +<p>Gedurende de vijf eerste dagen waren Sarcany’s nasporingen volkomen vruchteloos. Hij +trad iederen morgen dat huis binnen bezield met de hoop van te zullen slagen; en iederen +avond keerde hij naar zijn hôtel terug met het bewustzijn, een vergeefschen dag doorgebracht +te hebben. Hij begon aan het welslagen zijner onderneming <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>te wanhopen. En inderdaad, de omwenteling, wanneer het eene samenzwering gold,—en +daaraan twijfelde hij geen oogenblik—kon iederen dag uitbreken, dat wil zeggen: alvorens +hij haar ontdekt en bij gevolg aangebracht had. +</p> +<p>„Eerder dan het voordeel van die aanbrenging te verliezen,” zeide Zirone, „zal het +verkieselijk zijn, al is het zonder bewijzen, de politie te waarschuwen en haar daarbij +het afschrift in handen te spelen.” +</p> +<p>„Ja,” antwoordde Sarcany, „dat zal ik doen, als het noodig wordt.” +</p> +<p>Het zal wel overbodig zijn te vertellen, dat hij Silas Toronthal op de hoogte van +zijne nasporingen hield, dat hij waarlijk veel moeite had om diens ongeduld te temperen. +</p> +<p>Maar het toeval zou hem te hulp komen. Dat had hem een eerste maal gediend door hem +het geheimzinnig briefje in handen te spelen; het zou hem andermaal dienen door hem +in staat te stellen dat raadselschrift te ontcijferen. +</p> +<p>Men was op het einde van de maand Mei gekomen, en het was ongeveer vier uren in den +namiddag. Sarcany zou volgens gewoonte, tegen vijf uren het huis van graaf Ladislas +Zathmar verlaten. Hij was te meer kregelig, daar hij niet verder gevorderd was dan +op den eersten dag dat hij in dienst van graaf Sandorf trad, om diens comptabiliteit +in orde te brengen, een arbeid dien hij bijna <span class="corr" id="xd33e1190" title="Bron: geeindigd">geëindigd</span> had. Wanneer hij daaraan de laatste hand zou gelegd hebben, dan zou hij ongetwijfeld +betaald en bedankt worden; waardoor hem de gelegenheid ontvallen zou om zich voortaan +in dat huis te kunnen vertoonen. +</p> +<p>In dat gegeven oogenblik bevonden zich Ladislas Zathmar en zijne beide vrienden buitenshuis. +Er was niemand in de woning aanwezig dan Borik, die toen in een zaal op de eerste +verdieping bezig was. Sarcany had volledige vrijheid tot handelen en besloot dan ook +om de slaapkamer van graaf Zathmar binnen te dringen,—waarin hij nog nimmer geweest +was—om daar zijne nasporingen op het nauwkeurigst voort te zetten. +</p> +<p>De deur was gesloten, maar met zijn haak slaagde Sarcany haar te openen, waarna hij +binnentrad. +</p> +<p>Tusschen de beide vensters, die op de straat uitzagen, stond een secretair-bureau, +waarvan de verjaarde vorm een liefhebber van oude meubelen verrukt zoude hebben. Het +schuifblad van den cilinder was neergeslagen, zoodat van de innerlijke inrichting +niets kon bespeurd worden. +</p> +<p>Dat was wel de eerste maal, dat het Sarcany vergund was om dit meubelstuk te onderzoeken +en hij was er de man niet naar, om die gelegenheid te laten ontsnappen, om de verschillende +laden er van te kunnen doorsnuffelen, hetgeen hij met zijn haak ten uitvoer bracht, +zonder dat daarvan eenig spoor op het slot zichtbaar was. +<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p> +<p>In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren, die voor +hem waardeloos waren, een soort kaart, die onregelmatig van vierkante gaten voorzien +was. Die kaart boeide dadelijk zijne aandacht. +</p> +<p>„De rooster!” zei hij tot zichzelven. +</p> +<p>Hij vergiste zich waarlijk niet. +</p> +<p>De eerste gedachte, die hem inviel, was om die kaart mede te nemen. Maar na eenig +beraad zei hij tot zichzelven, dat het verdwijnen van dien rooster achterdocht kon +opwekken, wanneer graaf Ladislas Zathmar dit bespeurde. +</p> +<p>„Kom,” sprak hij, „ik heb wel afschrift van het briefje genomen, waarom zou ik dien +rooster niet kunnen namaken? Dan kunnen Toronthal en ik de dépêche geheel op ons gemak +lezen.” +</p> +<p>Die rooster was eenvoudig een vierkant van bordpapier van zes centimeters lang en +even zoo breed, die in zes en dertig gelijke ruiten verdeeld was, welke ieder een +vierkante centimeter groot waren. Van die zes en dertig ruiten of vakken, die op zes +horizontale en zes verticale rijen geplaatst waren, evenals die van een tafel van +Pythagoras, welke voor zes cijfers ingericht zoude zijn, waren zeven en twintig vol +en negen leeg—dat wil zeggen, dat ter plaatse van die negen vakken de kaart op negen +plaatsen uitgeknipt was. +</p> +<p>Waarvan Sarcany zich het eerst moest vergewissen, dat was eerstens: van de nauwkeurige +oppervlakte van dat blad bordpapier of rooster en tweedens van de juiste plaatsing +daarop van de negen ledige vakken. +</p> +<p>De oppervlakte bracht hij over, door met een potlood den omtrek op een vel wit papier +na te trekken, waarbij hij zorg droeg op de plaat de plek te merken, waar een kruisje +met inkt gemaakt was, hetgeen den bovenkant van den rooster scheen aan te duiden. +</p> +<p>De plaats der negen vakken bracht hij over door het papier, waarop hij den omtrek +nageteekend had, op de gewilde plekken, die zichtbaar waren, door te prikken. Dat +waren op de eerste rij drie ledige plekken, die de vakken 2, 4 en 6 lieten ontwaren; +op de tweede rij een ledige plek, die vak 5 innam; op de derde rij een ledige plek +die vak 3 innam; op de vierde rij twee ledige plekken, die de vakken 2 en 5 innamen; +op de vijfde rij een ledige plek, die vak 6 innam; en eindelijk op de zesde of laatste +rij een ledige plek, die vak 4 liet zien. +</p> +<p>Ziehier bovendien dien rooster, in natuurlijke grootte, waarvan Sarcany en zijn medeplichtige, +de bankier Silas Toronthal, een zoo misdadig gebruik zouden maken. In dezen afdruk +stellen de witte vakken de uitgeknipte en de zwarte de gevulde vakken voor. Dat is +duidelijk, nietwaar? +<span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span> +</p> +<div class="figure p061width"><img src="images/p061.jpg" alt="Overrompelde de politie het huis van graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. (Bladz. 74.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Overrompelde de politie het huis van graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was +onmogelijk. (Bladz. 74.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p> +<p>Eenige minuten waren voor Sarcany voldoende om het volgende figuur te verkrijgen. +</p> +<p></p> +<div class="figure p062width"><img src="images/p062.png" alt="" data-role="presentation" width="332" height="362"></div><p> +</p> +<p>Hij twijfelde er niet aan, dat met behulp van dien rooster, dien hij gemakkelijk uit +een stuk bordpapier, dat hij uitknippen zou, vervaardigen kon, het hem zou gelukken +nu het afschrift van het briefje, dat hij in handen van Silas Toronthal achtergelaten +had, te ontraadselen. Hij plaatste dus den rooster weer in de lade onder de papieren, +die hem bedekt hadden, en verliet daarna de slaapkamer van Ladislas Zathmar en vervolgens +het huis. Hij had haast om in zijn hôtel weer te keeren. +</p> +<p>Zirone zag hem een kwartieruur later hunne gemeenschappelijke kamer met zulk een zegevierend +uiterlijk binnenstappen, dat hij niet nalaten kon luidkeels uit te roepen: +</p> +<p>„Wat is er toch aan de hand, kameraad? Neem je in acht! Gij weet meer behendig een +verdriet dan wel een vreugde te bemantelen, en men verraadt zich zelven even zoo goed +door zich over te geven aan.…” +</p> +<p>„Schei uit met je gezeur, Zirone,” antwoordde Sarcany, „en aan het werk zonder eene +minuut verloren te laten gaan.<span class="corr" id="xd33e1227" title="Bron: ’">”</span> +</p> +<p>„Vóór ons avondmaal nog?<span class="corr" id="xd33e1232" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Ja!” +</p> +<p>Zirone zuchtte, maar Sarcany stoorde zich daaraan niet. Deze <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>nam een stuk bordpapier van geringe dikte. Hij sneed dat volgens zijne calque, zoodanig +dat hij een vierkant verkreeg, die zuiver de afmeting had van den rooster en vergat +daarbij niet het kruisje bij den bovenrand te plaatsen. Daarna nam hij eene <span class="corr" id="xd33e1239" title="Bron: lineaal">liniaal</span> en verdeelde zijn vierkant in zes en dertig vakken allen van gelijke grootte. +</p> +<p>Toen werden van die zes en dertig vakken negen gemerkt ter plaatse, welke zij op de +calque innamen. Daarna werden die met de punt van een pennemes zoodanig uitgesneden, +dat zij in hunne ontstane ledige plekken de letters of teekens lieten bespeuren van +het een of andere briefje of stuk, waarop de zoo verkregen rooster neergelegd werd. +</p> +<p>Zirone stond voor Sarcany en keek met groote verwonderde oogen toe, terwijl hij van +nieuwsgierigheid trilde. Hij stelde te meer belang in dien arbeid, daar hij zeer goed +het stelsel van geheimschrift begrepen had, waarop de onderhavige briefwisseling berustte. +Alleen hij bezat den sleutel niet. +</p> +<p>„Het is vernuftig,” zei hij, „uiterst vernuftig en zoo iets kan mij dienen! Als ik +bedenk, dat de waarde van ieder van die vakken een millioen kan bedragen.…” +</p> +<p>„En meer!” antwoordde Sarcany. +</p> +<p>Toen het werk beëindigd was, stond Sarcany op, na het uitgesneden stuk bordpapier +in zijn brieventasch opgeborgen te hebben. +</p> +<p>„Morgen ochtend zal ik zoo vroeg mogelijk bij Toronthal zijn,” zei hij. +</p> +<p>„Hij moge oppassen voor zijn kas!” +</p> +<p>„Als hij het briefje heeft, dan heb ik den rooster!” +</p> +<p>„Dat is waar, maar.…” +</p> +<p>„Geen maren; dat is ontegenzeggelijk!” +</p> +<p>„En ditmaal zal hij wel moeten afschuiven!” +</p> +<p>„Ja, dat zal hij moeten!” +</p> +<p>„Kunnen wij dus thans avondmalen?” +</p> +<p>„Ja, dat kunnen wij.” +</p> +<p>„Welnu, aan den gang!” +</p> +<p>En Zirone, die steeds eetlust had, deed het heerlijke maal, dat hij met zorg besteld +had, alle eer aan. +</p> +<p>Den volgenden morgen, den 1sten Juni, vertoonde Sarcany zich reeds te acht uren aan +het bankiershuis. Hoe vroeg het ook nog was, toch gaf Silas Toronthal bevel om hem +dadelijk bij zich in zijn kabinet toe te laten. +</p> +<p>„Daar is de rooster,” vergenoegde zich Sarcany slechts te zeggen, terwijl hij het +stuk bordpapier overreikte, dat hij te voren uitgesneden had. +</p> +<p>De bankier nam het aan, draaide en keerde het, terwijl hij het hoofd schudde, hetgeen +te kennen moest geven, dat hij het vertrouwen van zijn deelgenoot niet erg deelde. +<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span></p> +<p>„Laten wij maar probeeren!<span class="corr" id="xd33e1267" title="Bron: ’">”</span> zei Sarcany. +</p> +<p>„Dat kunnen wij altijd doen.” +</p> +<p>Silas Toronthal nam het afschrift van het briefje, dat in een der laden van zijn schrijftafel +opgesloten lag, en plaatste het op de tafel. +</p> +<p>Dat briefje—de lezer zal zich nog wel herinneren—bevatte achttien woorden, ieder bestaande +uit zes letters, woorden die evenwel volmaakt onverstaanbaar waren. Het was boven +alles waarschijnlijk, dat iedere letter van de woorden overeen moest komen met de +zes ledige of gevulde vakken, die iedere rij van den rooster vormden. Men kon bijgevolg +vooreerst al vast aannemen, dat de zes eerste woorden van het briefje, samengesteld +uit zes en dertig letters, achtereenvolgens verkregen waren door middel van die zes +en dertig vakken. +</p> +<p>Het was inderdaad gemakkelijk in te zien, dat de schikking der ledige vakken zoo vernuftig +bij de vervaardiging van dien rooster uitgedacht was, dat wanneer men hem vier malen +een kwart toer liet keeren, die ledige vakken opvolgend de plaats der volle innamen +zonder ooit tweemalen dezelfde letter te laten ontwaren. +</p> +<p>Men ziet dadelijk in, dat het zoo zijn moet. Bij voorbeeld, wanneer men bij eene eerste +toepassing van den rooster op een stuk wit papier de cijfers van 1 tot <span class="corr" id="xd33e1276" title="Bron: 2">9</span> in ieder leeg vak invult, vervolgens den rooster een kwart omwenteling laat maken +en op gelijke wijze handelt en de getallen van af 10 tot en met 18 invult; daarna +een tweede kwart omwenteling volbrengt en de getallen van af 19 tot en met 27 inschrijft; +vervolgens den rooster een derde kwart omwenteling doet maken en de getallen van af +28 tot en met 36 ter neer te schrijven, zoodat men eindelijk op het papier de getallen +van 1 tot 36 zal bevinden, in de zes en dertig vakken geplaatst die den rooster vormen. +</p> +<p>Sarcany werd dus natuurlijk er toegebracht om de eerste zes woorden van het briefje +te behandelen met de vier opvolgende toepassingen van den rooster. Hij had daarbij +het voornemen om diezelfde bewerking te herhalen met de twee volgende zes woorden +en eindelijk een derde maal met de laatste zes woorden, hetgeen in het geheel de achttien +woorden zou bedragen, waaruit het geheimschrift bestond. +</p> +<p>Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat de hierboven vermelde redeneeringen +door Sarcany tegenover den bankier Silas Toronthal gehouden werden en dat deze hare +volmaakte nauwkeurigheid erkend en zeer gewaardeerd had. +</p> +<p>Zou nu de praktijk de geuite theorie bevestigen? Daarin bestond toch de geheele belangrijkheid +van de bewerking. +<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span> +</p> +<div class="figure p065width"><img src="images/p065.jpg" alt="Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard reed voor, achter en bij de portieren van het rijtuig. (Bladz. 74.)" width="501" height="720"><p class="figureHead">Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard reed voor, achter en bij de portieren +van het rijtuig. (Bladz. 74.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb64a">[<a href="#pb64a">64</a>]</span></p> +<p>Ziehier welke de achttien woorden van het briefje waren. Het <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>zal voorzeker noodig zijn ze andermaal onder de oogen van den lezer te brengen: +</p> +<div class="table" lang="zxx"> +<table> +<tr> +<td class="cell-left cell-top"><i>ghfhna</i> </td> +<td class="cell-top"><i>dalant</i> </td> +<td class="cell-right cell-top"><i>ltenka</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>aohhzk</i> </td> +<td><i>aenzse</i> </td> +<td class="cell-right"><i>tsnivi</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>znrijoo</i> </td> +<td><i>tnpees</i> </td> +<td class="cell-right"><i>seijehe</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>lxosde</i> </td> +<td><i>soelnl</i> </td> +<td class="cell-right"><i>sglpte</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>veknni</i> </td> +<td><i>ilarna</i> </td> +<td class="cell-right"><i>lotasa</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-bottom"><i>ijareah</i> </td> +<td class="cell-bottom"><i>nezmtl</i> </td> +<td class="cell-right cell-bottom"><i>rradae</i></td> +</tr> +</table> +</div><p> +</p> +<p>Het kwam er vooreerst op aan, de eerste zes woorden te ontraadselen. Om daartoe te +geraken, schreef Sarcany ze op een vel papier, daarbij zorg dragende de letters zoodanig +van elkander te schrijven, dat ieder hunner overeenkwam met een der vakken van den +rooster. +</p> +<p>Dat gaf de volgende uitkomst: +</p> +<div class="table" lang="zxx"> +<table> +<tr> +<td class="cell-left cell-top"><i>g</i> </td> +<td class="cell-top"><i>h</i> </td> +<td class="cell-top"><i>f</i> </td> +<td class="cell-top"><i>h</i> </td> +<td class="cell-top"><i>n</i> </td> +<td class="cell-right cell-top"><i>a</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>a</i> </td> +<td><i>o</i> </td> +<td><i>h</i> </td> +<td><i>h</i> </td> +<td><i>z</i> </td> +<td class="cell-right"><i>k</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>z</i> </td> +<td><i>n</i> </td> +<td><i>r</i> </td> +<td><i>ij</i> </td> +<td><i>o</i> </td> +<td class="cell-right"><i>o</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>l</i> </td> +<td><i>x</i> </td> +<td><i>o</i> </td> +<td><i>s</i> </td> +<td><i>d</i> </td> +<td class="cell-right"><i>e</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><i>v</i> </td> +<td><i>e</i> </td> +<td><i>k</i> </td> +<td><i>n</i> </td> +<td><i>n</i> </td> +<td class="cell-right"><i>i</i></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-bottom"><i>ij</i> </td> +<td class="cell-bottom"><i>a</i> </td> +<td class="cell-bottom"><i>r</i> </td> +<td class="cell-bottom"><i>e</i> </td> +<td class="cell-bottom"><i>a</i> </td> +<td class="cell-right cell-bottom"><i>h</i></td> +</tr> +</table> +</div><p> +</p> +<p>Daarna werd de rooster zoodanig op dat samenstel geplaatst, dat de zijde met het kruisje +gemerkt bovenaan stond. Toen lieten de leege vakken de volgende negen letters zien, +terwijl de zeven en twintig anderen door de volle vakken van het bordpapier bedekt +bleven. Zoo +<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p> +<p></p> +<div class="figure p067-1width"><img src="images/p067-1.png" alt="" data-role="presentation" width="334" height="361"></div><p> +</p> +<p>Sarcany liet daarna den rooster een kwart omwenteling volbrengen van de linker- naar +de rechterzijde, zoodanig dat de bovenkant ditmaal de rechterkant werd. Bij die tweede +toepassing waren het de navolgende letters, die in de ledige vakken te voorschijn +traden: +</p> +<p></p> +<div class="figure p067-2width"><img src="images/p067-2.png" alt="" data-role="presentation" width="361" height="334"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p> +<p>Bij de derde toepassing werden de navolgende letters zichtbaar, die evenals de vorigen +net zorg opgeteekend werden: +</p> +<p></p> +<div class="figure p068-1width"><img src="images/p068-1.png" alt="" data-role="presentation" width="332" height="361"></div><p> +</p> +<p>Wat Silas Toronthal en ook Sarcany al dadelijk uitermate verbaasd had, was dat de +woorden, zooals zij zich achtereenvolgens vormden, geen zin hadden. Zij hadden verwacht +hen vloeiend te hebben kunnen lezen, dewijl zij door de opeenvolgende toepassingen +van den rooster verkregen waren, en toch waren die woorden even raadselachtig als +die van het geheimzinnige briefje. Zou dat lorrige vod onoplosbaar blijven? +</p> +<p>De vierde toepassing van den rooster leverde het navolgende resultaat op: +</p> +<p></p> +<div class="figure p068-2width"><img src="images/p068-2.png" alt="" data-role="presentation" width="367" height="334"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p> +<p>Ook dat was even duister, even raadselachtig. +</p> +<p>En waarlijk, de vier woorden, die verkregen waren door de vier verschillende toepassingen +van den rooster, waren de navolgende: +</p> +<div class="table" lang="zxx"> +<table> +<tr> +<td class="cell-left cell-right cell-top"><i>hhazrxdie</i>,</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-right"><i>hkijleknah</i>,</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-right"><i>fanoseijra</i>,</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-right cell-bottom"><i>gnohroovn</i>,</td> +</tr> +</table> +</div><p> +</p> +<p>waaruit volstrekt niets te maken was. +</p> +<p>Sarcany kon zijn toorn niet verbergen, door die teleurstelling teweeggebracht. De +bankier vergenoegde zich met het hoofd te schudden en niet zonder spotternij te zeggen: +</p> +<p>„Misschien is het die rooster niet, welken de samenzweerders bij hunne briefwisseling +gebruikt hebben!” +</p> +<p>Die bemerking deed Sarcany opspringen. +</p> +<p>„Laat mij voortgaan!” riep hij uit. +</p> +<p>„Ga voort!” antwoordde Silas Toronthal. +</p> +<p>Toen het Sarcany gelukt was de zenuwachtige beweging, die hem bevangen had, te boven +te komen en te bedwingen, hervatte hij de bewerking met de volgende zes woorden, die +de tweede kolom van het briefje vormden. Vier malen paste hij den rooster op de woorden +toe, door hem telkenmale een kwart omwenteling te laten maken, en verkreeg daardoor +die verzameling van letters, die ook volstrekt geen zin hadden: +</p> +<div class="table" lang="zxx"> +<table> +<tr> +<td class="cell-left cell-right cell-top"><i>aatsponam</i>,</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-right"><i>neeslanel</i>,</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-right"><i>lanelluzt</i>,</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-right cell-bottom"><i>dneztseir</i>.</td> +</tr> +</table> +</div><p> +</p> +<p>Sarcany wierp ditmaal den rooster verwoed op tafel en vloekte als een koopvaardijmatroos. +</p> +<p>Als zonderlinge tegenstelling had Silas Toronthal zijne koelbloedigheid geheel en +al bewaard. Hij bestudeerde die zoo verkregen woorden sedert het begin der roosterbewerking +en bleef stil peinzend zitten. +</p> +<p>„Naar den drommel dien rooster en zij die er gebruik van maken!” riep Sarcany uit, +terwijl hij van zijn stoel opvloog. +</p> +<p>„Hoe dwaas!” zei Silas Toronthal. +</p> +<p>„Dwaas?” vroeg Sarcany verwoed. +</p> +<p>„Ga weer zitten,<span class="corr" id="xd33e1541" title="Bron: ”">” </span>zei de bankier kalm. +</p> +<p>„Gaan zitten?.…<span class="corr" id="xd33e1546" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Ja, ga zitten en ga voort!” +</p> +<p>Sarcany keek Silas Toronthal aan. Daarna hernam hij plaats en greep weer den rooster, +om hem op de zes laatste woorden van het briefje toe te passen. Maar hij deed dat +geheel werktuigelijk als iemand, die geen bewustzijn heeft van hetgeen hij verricht. +<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p> +<p>Ziehier de woorden, die door die vier laatste toepassingen van den rooster verkregen +werden: +</p> +<div class="table" lang="zxx"> +<table> +<tr> +<td class="cell-left cell-right cell-top"><i><span class="corr" id="xd33e1558" title="Bron: tnayijgtad">tnavijgtad</span></i>,</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-right"><i>niesetsre</i>,</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-right"><i>etehporaa</i><span class="corr" id="xd33e1568" title="Niet in bron">,</span></td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-right cell-bottom"><i>lksisella</i>.</td> +</tr> +</table> +</div><p> +</p> +<p>Maar die vier laatste woorden beteekenden evenmin iets als de vorige acht. +</p> +<p>Sarcany was uitermate verwoed. Hij greep het vel papier, waarop die zotklinkende woorden +geschreven stonden en die door den rooster achtereenvolgens te voorschijn waren gebracht, +om het te verscheuren. +</p> +<p>Silas Toronthal weerhield hem. +</p> +<p>„Kalmte,” zei hij. +</p> +<p>„Och,” riep Sarcany uit, „wat is er uit te voeren met dat prul?” +</p> +<p>„Schrijf eens al die woorden aan elkander gehecht ter neer,” antwoordde de bankier +bedaard. +</p> +<p>„Waarom?” +</p> +<p>„Om te zien.” +</p> +<p>Sarcany gehoorzaamde en hij kreeg de aaneenschakeling van de navolgende letters: +</p> +<p lang="zxx"><i>h h a z r x d i e h k ij l e k n a h f a n o s e ij r a g n o h r o o v n a a t s +p o n a m n e e s l a n e l l a n e l l u z t d n e z t s e i r t n a v ij g t a d +n i e s e t s r e e t e h p o r a a l k s i s e l l a.</i> +</p> +<p>Nauwelijks waren die letters ter neer geschreven, of Silas Toronthal rukte het papier +onder de handen van Sarcany weg. Hij bekeek het en stiet een kreet uit. Hij was het +thans, die op zijne beurt de kalmte verloor. +</p> +<p>Sarcany vroeg zich waarachtig af of de bankier niet plotseling krankzinnig was geworden. +</p> +<p>„Man, lees dan toch!” riep Silas Toronthal uit, terwijl hij het papier aan Sarcany +overreikte. „Lees dan toch!” +</p> +<p>„Lezen?” +</p> +<p>„Ja, lezen!” +</p> +<p>„Maar wat dan?” +</p> +<p>„Wel, ziet gij dan niet, dat de correspondenten van graaf Mathias Sandorf, alvorens +hunne woorden met behulp van den rooster saam te stellen, den volzin het achterste +voor geschreven hebben<span class="corr" id="xd33e1596" title="Niet in bron">.”</span> +</p> +<p>Sarcany greep ijlings het papier en ziehier wat hij las, toen hij die letters, met +de laatste te beginnen, ontraadselde. +</p> +<p>„<i>Alles is klaar. Op het eerste sein dat gij van Triëst zendt, zullen allen als een +man opstaan voor Hongarijes onafhankelijkheid. X r z a h h.</i>” +</p> +<p>„En die laatste zes letters?” riep hij uit. +<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span> +</p> +<div class="figure p071width"><img src="images/p071.jpg" alt="Welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een groote trap opgeklommen te zijn. (Bladz. 78.)" width="509" height="720"><p class="figureHead">Welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een groote trap opgeklommen +te zijn. (Bladz. 78.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p> +<p>„Dat is eene vooraf overeengekomen onderteekening,” antwoordde Silas Toronthal. +</p> +<p>„Nu hebben wij hen te pakken!.…” +</p> +<p>„Maar dat kan de politie nog niet zeggen.” +</p> +<p>„Dat’s mijne zaak.” +</p> +<p>„Zoo?” +</p> +<p>„Ja!” +</p> +<p>„Maar gij zult zoo geheimzinnig mogelijk te werk gaan?” +</p> +<p>„Dat’s mijne zaak,” herhaalde Sarcany voor den tweeden keer. „De gouverneur van Triëst +alleen zal de namen der twee eerlijke vaderlandslievende mannen vernemen, die eene +samenzwering tegen Oostenrijk in hare geboorte gesmoord zullen hebben!” +</p> +<p>Terwijl hij zoo sprak, liet die ellendeling door toon en gebaar genoegzaam de bijtende +scherts ontwaren, die hem bij het uitbrengen dier woorden bezielde. +</p> +<p>„Dan zal ik mij dus met niets te bemoeien hebben?” vroeg de bankier koel. +</p> +<p>„Met niets anders,” antwoordde Sarcany, „dan met het opstrijken van de helft der winsten +in die zaak.” +</p> +<p>„Wanneer?<span class="corr" id="xd33e1625" title="Bron: ’">”</span> +</p> +<p>„Hoe, wanneer?<span class="corr" id="xd33e1630" title="Bron: ’">”</span> +</p> +<p>„Wanneer die verdeeling van winsten?” +</p> +<p>„Wel wanneer onder de bijl drie hoofden gevallen zullen zijn, die ons ieder meer dan +een millioen zullen opbrengen.” +</p> +<p>Silas Toronthal en Sarcany scheidden. Als zij voordeel wilden trekken uit het geheim, +hetwelk het toeval hen in handen gespeeld had, door de samenzweerders te verraden +vóórdat de omwenteling uitgebarsten was, dan moesten zij zich haasten. +</p> +<p>Sarcany evenwel ging, zooals hij gewoon was te doen, naar de woning van Ladislas Zathmar +terug. Hij had zijn comptabiliteits-arbeid hervat en was daarmede bijna ten einde. +Graaf Sandorf zelf zeide hem, terwijl hij hem voor zijne betoonde vlijt bedankte, +dat hij over acht dagen zijne diensten niet meer noodig had. +</p> +<p>Volgens Sarcany’s opvatting beduidde dat klaarblijkelijk, dat het sein, hetwelk van +Triëst verwacht werd, op dat tijdstip aan de voornaamste steden van <span class="corr" id="xd33e1640" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> zou gegeven worden. +</p> +<p>Sarcany ging dus voort om alles, wat in het huis van graaf Ladislas Zathmar voorviel, +ten nauwkeurigste waar te nemen, zonder evenwel de geringste achterdocht op te wekken. +Hij was daarenboven gebleken zoo vernuftig, zoo met de vrijzinnige denkbeelden ingenomen +te zijn, hij had een zoo onbewimpelden afkeer aan den dag gelegd, dien hij voor het +Duitsche ras koesterde, in één woord: hij had zijne komedie zoo goed gespeeld, dat +graaf Sandorf het voornemen had opgevat hem later, wanneer de omwenteling <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span><span class="corr" id="xd33e1646" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> vrij zou hebben gemaakt, aan zich te verbinden. Tot zelfs Borik was door hem gewonnen +en had de vooringenomenheid afgelegd, die hij eerst voor dien jongman gekoesterd had. +</p> +<p>Sarcany was dus zijn doel nabij. +</p> +<p>Graaf Sandorf was met zijne twee vrienden overeengekomen, dat het sein tot den opstand +op den 8sten Juni zou gegeven worden, en die dag was daar. +</p> +<p>Maar toen was ook het aanbrengingsplan volbracht. +</p> +<p>Dien avond overrompelde de politie van Triëst plotseling het huis van graaf Ladislas +Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar +en professor Bathory, Sarcany zelfs, die geen enkel woord van protest liet hooren, +en Borik werden gevangen genomen, zonder dat iemand iets van het bevel tot inhechtenisneming +vernomen had. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4136">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">V.</h2> +<h2 class="main">VOOR, GEDURENDE EN NA DE TERECHTZITTING.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Istrië, dat door de tractaten van 1815 aan het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk +toegevoegd is geworden, is een driehoekig schiereiland, welks landengte het grondvlak +over de grootste breedte van dien driehoek vormt. Dat schiereiland strekt zich van +de golf van Triëst af tot de golf van Quarnero uit, en worden langs die kust vrij +talrijke havenplaatsen aangetroffen. Onder deze kan als de voornaamste opgesomd worden, +de haven van Pola, die aan de Zuiderpunt van bedoeld schiereiland gelegen is. +</p> +<p>Die provincie Istrië, vooral wat hare westelijke kusten betreft, is zeer Italiaansch, +zelfs Venetiaansch gebleven, zoowel door hare gebruiken en gewoonten, als door hare +taal. Het is waar, dat er het Slavonisch element een soort tegenwicht vormt; maar +wat zeker is, dat is dat het Duitsche element zich er met moeite tusschen die twee +rassen kan handhaven. +</p> +<p>Verscheidene belangrijke steden langs de kust of in het binnenland gelegen, schenken +leven aan die streek, die door de wateren der Adriatische Zee bespoeld wordt. Zoo +als daar zijn Capo d’Istria en Pirano, welker bevolking bijna uitsluitend de groote +zoutaanmaakbeddingen bewerkt, die aan de monding der Risano en der Corna <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>Lunga gelegen zijn; verder Parenzo, de residentieplaats van de vertegenwoordiging +van Istrië en van den bisschop; nog verder Rovigno, hetwelk zijne rijkdommen uit zijne +olijfaanplantingen trekt; eindelijk Pola, waar de toeristen de prachtige monumenten +van Romeinschen oorsprong gaan zien en die bestemd is de meest belangrijke oorlogshavenplaats +van geheel de Adriatische zee te worden. +</p> +<p>Maar geen dezer steden heeft het recht de hoofdplaats van Istrië genoemd te worden. +Het is eigenlijk Pisino, dat in het midden van den bedoelden driehoek gelegen is, +dat dien naam draagt, en het was daarheen dat de gevangenen na hunne geheime inhechtenisneming +gebracht werden zonder dat zij er iets van wisten. +</p> +<p>Voor de deur van het huis van graaf Ladislas Zathmar stond een postrijtuig te wachten. +Alle vier stegen in en twee Oostenrijksche maréchaussées—van die lieden welke behoorlijk +voor de veiligheid in de Istrische velden zorgen—namen bij hen plaats. Het was hun +dus niet geraden om gedurende de geheele reis een enkel woord te wisselen, dat gevaarlijk +kon zijn; of eenige overeenkomst van gemeenschappelijk handelen te bespreken, betreffende +hun verschijnen voor den rechter. +</p> +<p>Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard, die onder de bevelen van een luitenant +stonden, reed voor, achter en bij de portieren van het rijtuig, dat tien minuten later +de stad verlaten had. Wat Borik betreft, die was dadelijk naar de gevangenis van Triëst +gebracht geworden en daar in eene cel, afgezonderd van een ieder opgesloten. +</p> +<p>Waar bracht men de gevangenen heen? In welke vesting zou het Oostenrijksche gouvernement +hen opsluiten, daar het kasteel van Triëst daartoe niet genoegzaam scheen? Dat was +wel belangrijk voor graaf Sandorf en zijne vrienden; maar dat kregen zij niet te weten, +welke moeite zij daartoe ook aanwendden. +</p> +<p>De nacht was donker. Ternauwernood konden de lantaarns van het rijtuig den weg verlichten +tot bij de eerste rij der ruiters van de bedekking. Men reed snel vooruit. Mathias +Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hielden zich stil en zwijgend in hunne +hoeken. Ook Sarcany poogde dat stilzwijgen niet te verbreken, noch om tegen zijne +inhechtenisneming te protesteeren, noch om te vragen, waarom deze geschied was. +</p> +<p>Na Triëst verlaten te hebben, veranderde het postrijtuig zoodanig van richting, dat +het in schuinsche strekking naar de zeekust teruggevoerd werd. Graaf Sandorf kon toch +te midden van het leven, door de hoeven der paarden, door de wielen van het rijtuig, +door het geklikklak der sabels veroorzaakt, in de verte het gedruisch van de branding +op de rotsen van het strand vernemen. <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>Eenige lichten schitterden gedurende enkele oogenblikken in den nacht, maar verdwenen +weer dadelijk. Het was een klein vlek, Muggia genaamd, hetwelk het postrijtuig doorgereden +had zonder halt te houden. Daarna meende graaf Sandorf dat hun weg weer landwaarts +in voerde. +</p> +<p>Te elf uur in den avond, stond het rijtuig stil om te verspannen. Er was niets anders +te zien dan eene soort hoeve, waar de paarden wachtten, geheel en al gereed om aangespannen +te worden. Het was de gewone pleisterplaats voor de postrijtuigen niet. Men had vermeden, +die van Capo d’Istria aan te doen. +</p> +<p>De bedekking reed weer vooruit. Het rijtuig volgde thans een weg, die tusschen wijngaarden +door liep, wiens slingerloten zich aan de takken der moerbeziënboomen als festoenen +vasthechtten. Men bleef steeds in de vlakte, hetgeen veroorloofde zeer snel te rijden. +De duisternis was des te zwarter, daar verscheidene dikke wolken, door een stevigen +zuidwesten wind voortgejaagd, het geheele uitspansel innamen en bedekten. Hoewel de +glasramen der portieren van tijd tot tijd neergelaten werden om de lucht in het rijtuig +eenigszins te ververschen,—want de zomernachten zijn zoel in Istrië—zoo was het toch +onmogelijk iets te kunnen onderscheiden, zelfs binnen zeer beperkten straal. +</p> +<p>Welke aandacht graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory +ook inspanden om zich de geringste aanwijzingen, die zich onderweg voordeden op te +teekenen, zooals de richting van den wind, den verloopen tijd sedert hun vertrek, +zoo gelukte het hun toch niet te weten in welke richting het postrijtuig reed. Men +wilde ongetwijfeld dat het gerechtelijk onderzoek in deze zaak in het grootste geheim +en op eene plaats die onbekend voor het volk moest blijven, zou geschieden. +</p> +<p>Tegen twee uren in den morgen verspande men voor den tweeden keer. Evenals bij de +eerste verspanning duurde zij ternauwernood vijf minuten. +</p> +<p>Graaf Sandorf meende in het donker eenige huizen te bespeuren, die een groepje aan +het uiteinde van een weg vormden en bijgevolg de uiterste huizen van een voorstad +konden zijn. +</p> +<p>Dat was Baja, de hoofdplaats van het district van dien naam, welke op ongeveer een +twintigtal mijlen van Muggia gelegen is. +</p> +<p>Zoodra de versche paarden aangespannen waren, fluisterde de luitenant der maréchaussées +den postiljon iets in het oor, waarop het postrijtuig in galop vertrok. +</p> +<p>Tegen half vier zou de dag aanbreken. De gevangenen zouden een uur later, door de +opkomende zon, zich eenigermate rekenschap hebben kunnen geven van de hoofdrichting, +die zij tot nu toe gevolgd hadden. Zij zouden ten minste kunnen bepalen of zij <span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>noord- of zuid-, oost- of westwaarts gereden hadden. Maar toen sloten de maréchaussées +de raamkleppen dicht, zoodat het innerlijke van het rijtuig in diepe duisternis gedompeld +was. +</p> +<p>Noch graaf Sandorf, noch zijne beide vrienden lieten zich eene enkele opmerking ontvallen. +Er zou toch niet naar geluisterd zijn, dat was maar al te zeker. Beter was het dus +maar volkomen te berusten en te wachten. +</p> +<p>Een of een paar uur later—het zou <span class="corr" id="xd33e1687" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> geweest zijn den tijd te schatten,—hield het rijtuig voor de laatste maal stil en +verspande bij het vlek Visinada. +</p> +<p>Alles wat men van dat punt af kon waarnemen, was dat de weg zeer <span class="corr" id="xd33e1692" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> werd. Het geschreeuw van den postiljon, het klappen der zweep, moedigde de paarden +aan, wier hoefijzers op den ongelijken steenachtigen bodem van die bergachtige landstreek +weerklonken. Eenige heuvels, met kleine bosschen overdekt, die een grijsachtig voorkomen +vertoonden, hadden den gezichtseinder zeer begrensd. De gevangenen hadden twee of +drie maal de tonen eener fluit kunnen vernemen. Dat waren jeugdige herders, die hunne +vreemdsoortige melodieën bliezen, terwijl zij hunne kudden zwarte geiten hoedden. +Maar dat was wel eene onvoldoende aanduiding van de landstreek, die men doorreed, +en men moest zich tevreden stellen met niets te zien. +</p> +<p>Het kon zoo ongeveer negen uur in den morgen geweest zijn, toen het postrijtuig een +geheel anderen gang aannam. Men kon zich daarin niet vergissen, het rolde toen snel +langs eene helling naar beneden, na eerst het hoogste punt van den weg bereikt te +hebben. Die snelheid was zeer groot, zoodat zelfs de wielen herhaaldelijk geremd moesten +worden. +</p> +<p>En inderdaad, na eerst in dat geaccidenteerde terrein, hetwelk door den berg Major +beheerscht wordt, gestegen te zijn, daalde de weg schuins naar beneden, toen hij Pisino +naderde. Hoewel die stad nog vrij hoog boven de oppervlakte der zee verheven is, zoo +schijnt zij toch in een dal begraven te liggen, wanneer men omliggende hoogten in +aanmerking neemt. Lang alvorens haar te bereiken, kan men reeds het torentje bespeuren, +dat boven de groep harer huizen, welke schilderachtig <span class="corr" id="xd33e1699" title="Bron: amphitheaters-gewijs">amphitheatersgewijs</span> gebouwd zijn, uitsteekt. +</p> +<p>Pisino is de districtshoofdplaats en telt eene bevolking van ongeveer vijf en twintig +duizend zielen. Zij is nagenoeg in het midden van dat driehoekig schiereiland gelegen, +en de Morlakken, de Slavoniërs van verschillende stammen, zelfs de Tsiganen wemelen +in die stad, vooral tegen het tijdstip der jaarmarkten, wanneer een aanzienlijke handel +gedreven wordt. +<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span> +</p> +<div class="figure p077width"><img src="images/p077.jpg" alt="Voor een krijgsraad te brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen. (Bladz. 79.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Voor een krijgsraad te brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen. (Bladz. +79.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb76a">[<a href="#pb76a">76</a>]</span></p> +<p>Als oude stad heeft de hoofdplaats van Istrië haar feodaal <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>karakter behouden. Dat komt vooral in haar versterkt kasteel uit, hetwelk eenige nieuwere +militaire etablissementen, waarin de administratieve bureaux van het Oostenrijksche +Gouvernement gevestigd zijn, beheerscht. +</p> +<p>Het was op de binnenplaats van dat kasteel, dat het postrijtuig op den 9den Juni des +voormiddags te tien uren ongeveer, na eene reis van ruim vijftien uren, stilstond. +Graaf Sandorf met zijne beide makkers, alsook Sarcany moesten toen uitstijgen. Eenige +oogenblikken later waren zij ieder afzonderlijk gekerkerd in de gewelfde vertrekken +van dat gebouw, welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een +groote trap opgeklommen te zijn. +</p> +<p>Het was de geheime opsluiting in hare volle gestrengheid. +</p> +<p>Hoewel zij hoegenaamd geene gemeenschap met elkander hadden en zij derhalve niet van +gedachten wisselen konden, zoo hadden Mathias Sandorf, Ladislas Zathmar en Stephanus +Bathory slechts één denkbeeld, hetwelk hun brein martelde: Hoe was het geheim der +samenzwering ontdekt geworden? +</p> +<p>Was ’t het toeval, dat de politie op het spoor gebracht had? +</p> +<p>Maar niets had naar buiten kunnen uitlekken! Geen briefwisseling had meer plaats tusschen +Triëst en de voornaamste steden van Hongarije en <span class="corr" id="xd33e1720" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span>. +</p> +<p>Was er dus verraad in het spel? +</p> +<p>Maar wie was dan de verrader? +</p> +<p>Nooit was eene vertrouwelijke mededeeling aan wien ook gedaan geworden! +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e1728" title="Bron: Onmogeijk">Onmogelijk</span> had eenig papier in de handen van een spion kunnen vallen! +</p> +<p>Alle documenten waren steeds vernietigd. En al had men ook het huis in de Acquedottolaan +in alle hoeken en gaten doorzocht, al had men het ook het onderste boven gekeerd, +dan zou men niets verdachts gevonden hebben! +</p> +<p>En dat was zelfs gebeurd. De politieagenten hadden gezocht, gezocht, maar niets anders +gevonden dan den rooster, die door graaf Zathmar niet vernietigd was, want het kon +toch mogelijk zijn, dat hij nog zou moeten dienen. Ongelukkiglijk zou die rooster +als overtuigingsbewijs opgenomen worden, waarvan het gebruik onmogelijk anders verklaard +kon worden, dan dat hij gebezigd werd voor eene geheime briefwisseling. +</p> +<p>De lezer weet, wat de gevangenen nog niet wisten, dat alleen op het afschrift van +het briefje, hetwelk Sarcany in medeplichtigheid met Silas Toronthal aan den gouverneur +van Triëst ter hand gesteld had, na er eerst de duidelijke beteekenis bijgevoegd te +hebben, de inhechtenisneming geschied was. Dat was evenwel voldoende om daarop eene +beschuldiging van complot tegen de veiligheid <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>van den Staat te grondvesten. Meer was dus niet noodig om graaf Sandorf en zijne vrienden +voor eene afzonderlijke rechtbank, voor een krijgsraad te brengen, die de militaire +rechtspleging zou toepassen. +</p> +<p>Er bestond evenwel een verrader en die was niet verre. Door zich, zonder een woord +te zeggen, in hechtenis te laten nemen, door zich zelfs te laten veroordeelen, natuurlijk +met de nevengedachte om later wel gratie te verwerven, ontkwam die verrader aan iedere +achterdocht. Dat was Sarcany’s spel en hij speelde die komedie met al den ernst en +de koelbloedigheid die hij bij alles aan den dag legde. +</p> +<p>Daarenboven graaf Sandorf, die door dien schurk bedrogen was—en wie ter wereld zou +het niet geweest zijn in zijne plaats?—was besloten om alles aan te wenden, om hem +buiten het geding te houden. Het zou hem niet <span class="corr" id="xd33e1740" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> vallen, zoo dacht hij, te bewijzen, dat Sarcany geen deel aan de samenzwering genomen +had, dat hij slechts een eenvoudig comptabel was, die eerst kort geleden toegang tot +het huis van Ladislas Zathmar verkregen had en slechts belast was geweest met de personeele +zaken van den graaf, die in geen verband hoegenaamd met de samenzwering stonden. Als +het noodig zou zijn, zou hij Silas Toronthal als getuige oproepen, om de onschuld +van den jongen man te bewijzen. Hij twijfelde er dan ook niet aan, of Sarcany zou +wel worden vrijgesproken, zoowel wat aangaat de hoofdbeschuldiging als van die der +medeplichtigheid, in het geval dat men er toe geraken mocht eene ernstige beschuldiging +in te stellen, hetgeen hem nog niet geloofbaar voorkwam. +</p> +<p>Alles wel beschouwd, kon het Oostenrijksche gouvernement, behalve de complotmakers +van Triëst, onmogelijk iets van de samenzwering weten. Hunne deelgenooten in <span class="corr" id="xd33e1745" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> en <span class="corr" id="xd33e1748" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> waren geheel onbekend. Er bestond geen enkel spoor van hunne medeplichtigheid. Mathias +Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hadden dus dienaangaande geene zorgen +te koesteren. +</p> +<p>Wat hen betreft, zij waren vast besloten alles te loochenen, zoolang hun geen daadwerkelijk +bewijs werd voorgehouden. In dat geval zouden zij weten hun leven op te offeren. Anderen +zouden den een of anderen dag de mislukte beweging hervatten. De onafhankelijkheidszaak +zou later wel weer nieuwe aanvoerders vinden. Zij zouden, wanneer zij overtuigd werden, +hunne gevoelens en hun hoop belijden. Zij zouden het doel aanwijzen, hetwelk zij beoogden, +een doel dat den een of anderen dag bereikt zou worden. Zij zouden zelfs de moeite +niet nemen zich te verdedigen, zij zouden slechts de partij, die zij verloren hadden, +ridderlijk en edelaardig betalen. +</p> +<p>Het was niet zonder reden, dat graaf Sandorf en zijne vrienden <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>vermeenden, dat de werkkring der politie in deze zaak zeer beperkt was. Te Buda, te +Pest, te Klausenburg, in één woord: in al de steden waarin de beweging zou hebben +kunnen losbarsten, wanneer het signaal daartoe van Triëst gegeven ware, hadden agenten +de sporen van het complot opgezocht, maar te vergeefs. Daarom had het gouvernement +de inhechtenisstelling der drie Triëster opperhoofden zoo geheimzinnig doen ten uitvoer +leggen. Dat zij in de kasematten van het versterkt kasteel te Pisino gekerkerd waren, +dat men niet wilde dat iets van die zaak ruchtbaar werd, vóórdat zij een eindbeslag +had, had zijn grond daarin, dat men hoopte dat de een of andere omstandigheid de stellers +van het briefje in geheimschrift, hetwelk naar de hoofdplaats van Istrië verzonden +was, maar waarvan men de herkomst niet kende, aan het licht zoude brengen. +</p> +<p>Die hoop werd niet verwezenlijkt. Het verwachte sein kwam niet, het zou niet komen. +De beweging was geremd, voorshands althans. Het Oostenrijksch gouvernement moest zich +vergenoegen met graaf Sandorf en zijne medeplichtigen onder de beschuldiging van hoogverraad +jegens den Staat te doen terechtstaan. +</p> +<p>Die nasporingen hadden evenwel verscheidene dagen gevorderd. Het was dan ook eerst +tegen den 20en Juni, dat de instructie der zaak begon, door de beschuldigden te verhooren. +Zij werden zelfs niet met elkander geconfronteerd en zij zouden elkander slechts voor +hunne rechters weerzien. +</p> +<p>Het gouvernement had aan een krijgsraad de opdracht gedaan, om de opperhoofden der +Triëster samenzwering te berechten. Men weet hoe beknopt en oppervlakkig de instructie +eener zaak gevoerd wordt, wanneer zij aan de beslissing van zulk een buitengewoon +rechtslichaam onderworpen wordt; hoe snel de debatten geleid worden, met hoeveel overhaasting +het vonnis uitgesproken en ten uitvoer gelegd wordt. +</p> +<p>Zoo geschiedde het ook bij deze gelegenheid. +</p> +<p>Den 25en Juni vergaderde de krijgsraad in een der lage zalen van het versterkt kasteel +te Pisino en dienzelfden dag verschenen de beschuldigden voor die militaire rechtbank. +</p> +<p>De debatten zouden noch lang, noch belangrijk wezen, want geen enkel voorval zou hen +kenmerken. +</p> +<p>De krijgsraad nam zitting tegen negen uur des morgens. Graaf Sandorf, graaf Zathmar, +professor Bathory en Sarcany zagen elkander toen voor de eerste maal sedert hunne +inhechtenisneming weer. De handdruk dien graaf Sandorf met zijne vrienden op de bank +der beschuldigden wisselde, was als eene nieuwe betuiging, een nieuwe overeenkomst +betreffende de gevoelens, die hen verbond. Een gebaar van graaf Ladislas Zathmar en +van Stephanus <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>Bathory deed graaf Sandorf begrijpen, dat zij hem de taak overlieten om voor den raad +het woord te voeren. Noch hij, noch de anderen hadden den dienst van een verdediger +willen aannemen. Wat graaf Sandorf tot heden gedaan had, was wèl gedaan. Wat hij noodig +oordeelde tot de rechters te zeggen, zou wèl gezegd zijn. +<span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span> +</p> +<div class="figure p081width"><img src="images/p081.jpg" alt="Pisino en de afgrond der Foïba. (Bladz. 92.)" width="504" height="720"><p class="figureHead">Pisino en de afgrond der Foïba. (Bladz. 92.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb82a">[<a href="#pb82a">82</a>]</span></p> +<p>De zitting was publiek, in dien zin opgenomen, dat de deuren van de raadkamer openstonden. +Weinige personen evenwel waren tegenwoordig; want de zaak was niet naar buiten uitgelekt. +Hoogstens waren een twintigtal personen aanwezig, die nog tot den dienst van het kasteel +behoorden. +</p> +<p>De identiteit der beschuldigden werd vooraf geconstateerd. Graaf Sandorf vroeg daarop +aan den voorzitter van den krijgsraad den naam van de plaats, waarheen hij en zijne +makkers gevoerd waren om terecht te staan; maar op die vraag kreeg hij geen antwoord. +</p> +<p>De identiteit van Sarcany werd ook gesteld, maar deze sprak geen woord, waardoor hij +te kennen kon geven, dat hij zijne zaak van die der andere beschuldigden wenschte +af te scheiden. +</p> +<p>Alsnu werd mededeeling van het afschrift van het briefje, dat zoo verraderlijk aan +de politie overgeleverd werd, aan de beschuldigden gedaan. +</p> +<p>Toen de auditeur militair hen deed afvragen of zij bekenden het origineele van dat +briefje, waarvan het afschrift hun vertoond werd, ontvangen te hebben, antwoordden +zij dat het de plicht der beschuldigers was daarvan het bewijs te leveren. +</p> +<p>Na dat antwoord vertoonde men hen den rooster, die in de kamer van graaf Ladislas +Zathmar gevonden was. +</p> +<p>Noch graaf Sandorf noch zijne metgezellen konden ontkennen dat die rooster in hun +bezit geweest was. Zij poogden dat zelfs niet. Er viel tegenover dat feitelijk bewijs +niets te antwoorden. Daar de toepassing van dien rooster het lezen van dat briefje +in geheimschrift mogelijk maakte, werd daaruit de gevolgtrekking gemaakt, dat dit +briefje door de beschuldigden behoorlijk ontvangen was. +</p> +<p>Toen vernamen dezen eerst hoe de samenzwering ontdekt was en op welken grondslag de +beschuldiging rustte. +</p> +<p>Van dit oogenblik af werden de vragen en antwoorden uiterst helder en duidelijk van +weerskanten gedaan en gegeven. +</p> +<p>Graaf Sandorf kon niet meer ontkennen. Hij sprak dus in naam van zichzelven en van +zijne beide vrienden. Eene beweging was door hen voorbereid, waardoor de scheiding +tusschen <span class="corr" id="xd33e1785" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> en Oostenrijk teweeg zou gebracht worden, waarna de zelfregeering van het koninkrijk +der oude Magyaren hersteld zoude geworden zijn. Zonder hunne terechtstelling zou de +beweging reeds uitgebroken zijn en <span class="corr" id="xd33e1788" title="Bron: Hongarijë">Hongarije</span> zou zijne onafhankelijkheid reeds herwonnen hebben. Mathias Sandorf maakte zich als +opperhoofd der <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>samenzwering bekend en wees zijnen medebeschuldigden slechts eene ondergeschikte rol +toe. Maar deze protesteerden tegen de woorden van den graaf en eischten met de eer +ook het gevaar op èn van de medeplichtigheid in de samenzwering èn van het samengaan +naar het schavot. +</p> +<p>Het debat kon nu niet lang meer zijn. Toen daarenboven de voorzitter van den krijgsraad +de beschuldigden over hunne medeplichtigen buiten Triëst ondervroeg, weigerden zij +te antwoorden. +</p> +<p>Geen naam werd genoemd en zou dat ook niet worden. +</p> +<p>„Gij hebt onze drie hoofden in uw macht,” antwoordde graaf <span class="corr" id="xd33e1797" title="Bron: Matthias">Mathias</span> Sandorf op kalmen en eenvoudigen toon, „weest daarmede tevreden.” +</p> +<p>Drie hoofden slechts.… want graaf Sandorf stelde zich toen tot taak om de onschuld +van Sarcany aan het daglicht te doen treden. Hij verhaalde hoe hij den jongen man +als comptabel op aanbeveling van den bankier Silas Toronthal ten huize van graaf Ladislas +Zathmar had in dienst gesteld. +</p> +<p>Sarcany kon dat beweren van graaf Sandorf slechts bevestigen. Hij wist niets van de +samenzwering. Hij was wel het meeste verbaasd geweest, toen hij vernam dat daar in +dat stille huis in de Acquedottolaan een complot tegen de veiligheid van den Staat +gesmeed werd. Dat hij niet bij zijne inhechtenisneming geprotesteerd had, kwam alleen +daarvandaan, dat hij niet begrepen had, wat er gaande was. +</p> +<p>Noch graaf Sandorf, noch hij ondervonden moeilijkheden bij het vaststellen van dien +staat van zaken, en het mag wel waarschijnlijk geacht worden, dat de krijgsraad dienaangaande +reeds een vooraf gevestigde meening bezat. Op het advies van den auditeur militair +werd dan ook de beschuldiging, tegen Sarcany ingebracht, ingetrokken en van verdere +vervolging afgezien. +</p> +<p>Tegen twee uren in den namiddag waren de debatten afgeloopen en werd in dezelfde zitting +het vonnis geslagen. +</p> +<p>Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory werden, +als overtuigd van hoogverraad jegens den Staat, ter dood veroordeeld. +</p> +<p>De veroordeelden zouden op de binnenplaats van de vesting zelve doodgeschoten worden. +</p> +<p>Het vonnis zou binnen twee maal vier en twintig uur voltrokken worden. +</p> +<p>Sarcany werd vrijgesproken, maar hij zou naar de gevangenis teruggevoerd worden, tot +de bekrachtiging van zijn vonnis van vrijlating, hetgeen denzelfden dag van de terechtstelling +der drie schuldigen zou geschieden. +</p> +<p>Hetzelfde vonnis sprak ook de verbeurdverklaring der goederen van de drie veroordeelden +uit. +<span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span></p> +<p>Daarop werd bevel gegeven om graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor +Stephanus Bathory naar hunnen kerker terug te voeren. +</p> +<p>Sarcany werd in de cel teruggebracht, die hij betrokken had aan het uiteinde van een +elliptische gang, die op de tweede <span class="corr" id="xd33e1815" title="Bron: verdiepimg">verdieping</span> van den vestingtoren gelegen was. +</p> +<p>Graaf Sandorf en zijne beide vrienden werden gedurende de laatste uren, die zij nog +te leven hadden, ingekerkerd in eene vrij ruime cel, die op dezelfde verdieping aan +het uiteinde van de groote as van bedoelde ellips, welke door de gang beschreven werd, +gelegen was. Ditmaal was het bevel tot afzondering opgeheven. De veroordeelden zouden +bij elkander blijven totdat het oogenblik van sterven gekomen zou zijn. +</p> +<p>Toen zij eindelijk alleen gelaten waren, was dat een troost, ja, zelfs een vreugde +voor hen. Toen konden zij zich vrijelijk overgeven aan hunne gemoedsaandoeningen; +toen konden zij hunne gevoelens vrij den teugel laten vieren. In tegenwoordigheid +hunner rechters hadden zij zich weten te bedwingen; de terugwerking deed zich thans +evenwel gelden en daar zonder getuigen openden zij de armen voor elkander en klemden +elkander aan hunne mannelijke borst. +</p> +<p>„Vrienden,” sprak graaf Sandorf, „ik zal de schuld van uwen dood zijn! Maar ik onthoud +mij er u vergiffenis voor te vragen! Het gold Hongarije’s onafhankelijkheid! Onze +zaak was eene rechtvaardige zaak! Het was onze plicht voor hare verdediging op te +treden! Het zal eene eer zijn het leven voor haar te laten!” +</p> +<p>„Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory, „wij bedanken u integendeel, dat ge ons deel +hebt laten nemen aan dat <span class="corr" id="xd33e1824" title="Bron: vaderlandschlievende">vaderlandslievende</span> werk, dat de kroon op geheel ons leven zal stellen …” +</p> +<p>„Wij zullen elkanders deelgenooten tot in den dood zijn!” antwoordde graaf Zathmar +koelbloedig. +</p> +<p>Daarna bekeken de drie vrienden, na een poos van stilzwijgen, de akelig sombere cel, +waarin zij hunne laatste levensuren zouden doorbrengen. Een smal venster, dat in de +dikke muren van den vestingtoren op eene hoogte van vier of vijf voeten ingesneden +was, verschafte ternauwernood genoegzaam daglicht. Zij bevatte drie ijzeren ledikanten, +eenige stoelen, eene tafel en eenige muurtafeltjes, die aan de wanden vastgeklonken +waren en waarop allerlei voorwerpen stonden. +</p> +<p>Terwijl Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory zich natuurlijk genoeg aan hunne sombere +overpeinzingen overgaven, wandelde graaf Mathias Sandorf de cel op en neer. +</p> +<p>Ladislas Zathmar, die zich alleen ter wereld bevond, had niet veel te beweenen. Slechts +één persoon op deze aarde zou om hem treuren en dat was zijn knecht Borik. +<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p> +<p>Zoo was het niet met Stephanus Bathory gesteld. Zijn dood trof niet hem slechts. Hij +had eene vrouw en een zoon, die door dien slag ook getroffen zouden worden. Die dierbare +wezens zouden er door geschokt worden, konden er van sterven! En … wanneer zij hem +overleefden, welk bestaan wachtte hen dan! Welke toekomst voor die onbemiddelde vrouw +met een kind van ternauwernood acht jaren oud! Wanneer bovendien Stephanus Bathory +eenig vermogen bezeten had, wat zou daarvan dan nog aan haar, na een vonnis, hetwelk +de verbeurdverklaring van al de goederen der drie ter dood veroordeelden uitsprak, +verbleven zijn? +</p> +<p>Wat graaf Sandorf betrof, het was zijn geheel verleden, hetwelk hem voor den geest +trad! Het was zijne vrouw, wier beeld hij steeds in zijn hart omdroeg! <span class="corr" id="xd33e1836" title="Bron: Her">Het</span> was zijn dochtertje, een kind van twee jaren, hetwelk aan de goede zorgen van den +intendant achtergelaten was, en wien thans de taak toeviel om haar op te voeden! Het +waren zijne vrienden, die hij in het ongeluk gesleept had! Hij vroeg zich af, of hij +wel goed gehandeld had, of hij niet verder gegaan was dan de plicht jegens het vaderland +gebood, nu de straf verder reikte<span class="corr" id="xd33e1839" title="Bron: ,">, </span>nu zij onschuldigen trof! +</p> +<p>„Neen!… neen!… ik heb mijn plicht slechts gedaan!” herhaalde hij voortdurend bij zich +zelven. „Neen!… het vaderland voor alles, boven alles!” +</p> +<p>Een gevangenbewaarder trad tegen vijf uren de cel binnen, zette het eten voor de drie +veroordeelden op de tafel neer en ging weer heen zonder een enkel woord gesproken +te hebben. Mathias Sandorf evenwel had wel willen weten, waar hij zich bevond, hoe +de vesting heette<span class="corr" id="xd33e1845" title="Bron: ,">, </span>waarin hij opgesloten was. Maar op de vraag<span class="corr" id="xd33e1848" title="Bron: ,">, </span>die hij daaromtrent aan den voorzitter van den krijgsraad gedaan had, had deze gemeend +niet te moeten antwoorden en voorzeker zou de gevangenbewaarder, daartoe door een +bevel genoodzaakt, wel evenmin geantwoord hebben. +</p> +<p>De drie veroordeelden raakten het eten, dat hun voorgediend was, ternauwernood aan. +Zij brachten den dag door met over allerhande zaken te praten, over de hoop dat de +verijdelde omwenteling den een of anderen tijd hervat zoude worden. Toen kwamen zij +herhaaldelijk op de bijzonderheden der zaak terug. +</p> +<p>„Wij weten thans,” zei graaf Ladislas Zathmar, „waarom wij gevangen genomen zijn en +hoe de politie alles door dat briefje, hetwelk haar in handen is gevallen, te weten +is gekomen”. +</p> +<p>„Ongetwijfeld, Ladislas,” antwoordde graaf Sandorf, <span class="corr" id="xd33e1856" title="Niet in bron">„</span>maar in wiens handen is dat briefje, een der laatsten, die wij ontvangen hebben, toch +gevallen en door wien is er afschrift van genomen?” +</p> +<p>„En hoe is, nadat het briefje bemachtigd was, de rooster gevonden, <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>om dat briefje te kunnen ontraadselen?” sprak Stephanus Bathory op zijne beurt. +</p> +<p>„Die rooster moet ons dus, al was het maar voor een oogenblik, ontstolen zijn,” zei +graaf Sandorf. +</p> +<p>„Ontstolen!… Door wien?” vroeg Ladislas Zathmar. „Op den dag onzer gevangenneming +lag hij nog in de lade van de schrijflessenaar op mijne slaapkamer. Daar hebben hem +toch de politieagenten gevonden, niet waar?” +</p> +<p>Het was inderdaad onverklaarbaar<span class="corr" id="xd33e1866" title="Bron: .">. </span>Dat het briefje aan den hals van de reisduif, die het overbracht, gevonden was, dat +er nauwkeurig afschrift van was gemaakt, alvorens naar zijne bestemming doorgezonden +te zijn, dat het huis van bestemming ontdekt was, dat alles kon en moest aangenomen +worden. Maar dat de letters van het geheimschrift op hunne ware plaats hadden kunnen +hersteld worden, zonder het instrumentje waarmede het tot stand gebracht was, dat +was onverklaarbaar, dat was onbegrijpelijk. +</p> +<p>„En toch is dat briefje ontraadseld en gelezen geworden,” hernam graaf Sandorf, „daaromtrent +zijn wij zeker, niet waar? En het is niet zonder den rooster kunnen ontcijferd worden! +Het is dat briefje, hetwelk de politie op het spoor van het complot gebracht heeft +en het is op dat briefje alleen, dat de geheele beschuldiging gegrondvest is!” +</p> +<p>„Och, wat kan het ons toch schelen!” antwoordde Stephanus Bathory. +</p> +<p>„O! het kan ons integendeel veel schelen!” riep graaf Sandorf uit. „Wij zijn misschien +verraden geworden! En als er een verrader in het spel is, dan.… is het zaak.… te.…” +</p> +<p>Graaf Sandorf stokte. Sarcany’s naam kwam hem voor den geest. Maar hij verbande die +gedachte ver, zeer ver, zonder haar zelfs aan zijne vrienden mede te deelen. +</p> +<p>Mathias Sandorf en zijne twee vrienden gingen zoo voort met praten over dat onverklaarbare +in die zaak en zoo werd het langzamerhand laat in den nacht. +</p> +<p>Zij werden den volgenden morgen uit een vrij diepen slaap gewekt, door het binnenkomen +van den gevangenbewaarder. Het was de morgen van hun voorlaatsten dag. De terechtstelling +was op vier en twintig uren later bepaald. +</p> +<p>Stephanus Bathory vroeg aan den gevangenbewaarder of het hem geoorloofd zoude zijn, +zijn gezin te zien. +</p> +<p>De gevangenbewaarder antwoordde, dat hij dienaangaande geene bevelen had. Het was +evenwel niet waarschijnlijk, dat het Oostenrijksch gouvernement den veroordeelden +die laatste vertroosting zou toestaan. De geheele zaak was toch tot op den dag van +het vonnis zoo geheim mogelijk gehouden geworden. Zelfs de naam van de <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>vesting, die den veroordeelden tot gevangenis diende, was geheim gebleven. +</p> +<p>„Kunnen wij ten minste schrijven, en zullen onze brieven hunne bestemming bereiken?” +vroeg graaf Sandorf. +</p> +<p>„Ik zal u papier, pen en inkt geven,” antwoordde de gevangenbewaarder, „en ik beloof +u, uwe brieven aan den gouverneur ter hand te zullen stellen.” +</p> +<p>„Wij danken u, vriend,” antwoordde graaf Sandorf, „voor hetgeen gij doen wilt en wat +gij alleen doen kunt! Wij kunnen u niet voor uwe moeite beloonen; maar.…” +</p> +<p>„Uw dank is voor mij genoeg, heeren,” hernam de gevangenbewaarder, die zijne ontroering +niet kon verbergen. +</p> +<p>Die brave man bracht dadelijk het noodige schrijfgereedschap. De veroordeelden brachten +een gedeelte van den dag door met het nemen hunner laatste beschikkingen. Van den +kant van graaf Sandorf waren het de meest gemoedelijke raadgevingen voor zijn dochtertje, +dat als wees zou achterblijven, welke uit het hart eens vaders konden opwellen. Van +den kant van Stephanus Bathory waren het de vurigste liefdesbetuigingen, die deze +in zijn laatst vaarwel aan zijne echtgenoote en aan zijn zoon deed vernemen. Van den +kant van Ladislas Zathmar waren het innige aanhankelijkheidsbewijzen, die een heer +voor zijn ouden knecht, voor zijn laatsten vriend kon koesteren. +</p> +<p>Maar hoe afgetrokken waren zij niet dien dag, hoe herhaaldelijk hadden de gevangenen +de ooren niet gespitst! Hoe menigmaal poogden zij niet te ontwaren, of er geen ver +gedruisch door de lange gangen van den vestingtoren tot hen doordrong. Hoe menigmaal +scheen het hun niet, dat de deur van die cel zou opengaan en dat het hun veroorloofd +zou zijn voor de laatste maal eene gade, eene dochter, een zoon te omarmen! Dat zou +eene vertroosting geweest zijn. Maar, in waarheid, was het niet beter dat een wreed +onvermurwbaar verbod, dat laatste vaarwel, hetgeen zoo hartverscheurend zoude zijn, +belette? +</p> +<p>De deur ging niet open. Ongetwijfeld wisten noch mevrouw Bathory, noch haar zoon, +noch de intendant Lendek<span class="corr" id="xd33e1889" title="Bron: .">,</span> aan wien het dochtertje van graaf Mathias Sandorf toevertrouwd was, waarheen de gevangenen +na hunne inhechtenisneming overgebracht waren, evenmin als Borik, die nog steeds in +de gevangenis te Triëst opgesloten zat. Allen wisten ongetwijfeld ook niet, welk vonnis +over de hoofden der samenzwering uitgesproken was. De veroordeelden, zoo was bepaald, +zouden hunne dierbaren vóór de ten uitvoerlegging van het vonnis niet wederzien. +</p> +<p>De eerste uren van dien dag snelden zoo voorbij. Soms praatten Mathias Sandorf en +zijne beide vrienden te zamen. Soms ook vervielen <span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span>zij in een langdurig stilzwijgen en waren zij in zichzelven gekeerd. In die oogenblikken +gleed alles met eene schrikkelijke, bovennatuurlijke nauwkeurigheid in het geheugen +voorbij. Het was alsdan niet in het verledene dat zij terugtraden. Alles wat de herinnering +in het brein terugriep, ontplooide zich in den vorm van het tegenwoordige. Was dat +als een voorgevoel van de eeuwigheid, die zich opende van dien onbegrijpelijken en +onmetelijken toestand, dien men het oneindige noemt? +</p> +<p>Intusschen, terwijl Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar zich zoo zonder stoornis +aan hunne overpeinzingen overgaven, werd het brein van Mathias Sandorf onweerstaanbaar +beheerscht door eene gedachte, die er als het ware post in had gevat. Hij twijfelde +er niet aan, of in die geheimzinnige zaak had het verraad zijne treurige rol vervuld. +Nu was voor een man van zijn karakter, sterven zonder den verrader, wie hij ook zijn +mocht, gestraft te hebben, zonder zelfs te weten wie de verrader was, als het ware +tweemaal sterven. Wie had dat briefje, waaraan de politie de ontdekking van de samenzwering +en de inhechtenisneming der hoofdschuldigen te danken had, bemachtigd? Wie had de +middelen ontdekt om het te kunnen lezen? Wie had het aan de politie overgeleverd, +verkocht wellicht?.… Tegenover dat onoplosbaar vraagstuk waren de opgewonden hersenen +van graaf Sandorf ten prooi aan eene soort koorts. +</p> +<p>Terwijl zijne vrienden dan ook schreven of daar stilzwijgend ter neer zaten en zich +onbeweeglijk hielden, liep hij <span class="corr" id="xd33e1900" title="Bron: ontrustig">onrustig</span> langs de muren der cel als een wild dier in zijne kooi op en neer. +</p> +<p>Een zonderling maar volkomen door de wetten der <span class="corr" id="xd33e1905" title="Bron: geluidleer">geluidsleer</span> verklaarbaar natuurverschijnsel, zou hem het geheim mededeelen, juist toen hij wanhopen +moest het ooit te vernemen. +</p> +<p>Verscheidene malen had graaf Sandorf stilgestaan bij den hoek van het vertrek, die +door den binnenmuur gevormd werd met den buitenmuur van de gang, waarop de verschillende +cellen van deze verdieping van den vestingtoren uitkwamen. In dien hoek, in welks +nabijheid de deur aangebracht was, meende hij een gemurmel gehoord te hebben als van +verwijderde stemmen, dat nog niet verstaanbaar was. Eerst sloeg hij er geen acht op, +maar.… plotseling hoorde hij een naam uitspreken.… den zijnen.… en dat deed hem het +oor spitsen. +<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span> +</p> +<div class="figure p089width"><img src="images/p089.jpg" alt="Graaf Sandorf onderzocht dus of het venster ruimte genoeg aanbood, om hen doortocht te verleenen. (Bladz. 94.)" width="508" height="720"><p class="figureHead">Graaf Sandorf onderzocht dus of het venster ruimte genoeg aanbood, om hen doortocht +te verleenen. (Bladz. 94.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb88a">[<a href="#pb88a">88</a>]</span></p> +<p>Klaarblijkelijk werd daar hetzelfde natuurverschijnsel te voorschijn geroepen, gelijk +aan dat, hetwelk onder boogvormige gangen of onder gewelven met ellipsvormige constructie +waargenomen wordt. De stem, die van een der zijden van de ellips uitgaat, doet zich +na den omtrek der muren gevolgd te hebben in het andere brandpunt vernemen, zonder +op hare baan ergens waarneembaar <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>te zijn geweest. Zulk een natuurverschijnsel wordt in de onderaardsche gewelven van +het Panthéon te Parijs, in de binnenruimte van den koepel van de Sint Pieterskerk +te Rome, in de „<span lang="en">whispering <span class="corr" id="xd33e1922" title="Bron: galerij">gallery</span></span>” de weerklinkende galerij van de Sint Paulskerk te Londen waargenomen. Onder dergelijke +omstandigheden wordt het geringste woord, zelfs wanneer het fluisterend uitgesproken +wordt, duidelijk verstaan in het tegenovergestelde brandpunt. +</p> +<p>Er viel hier niet aan te twijfelen. Twee of meer personen praatten, hetzij in de gang, +hetzij in een der cellen aan het einde van zijn doorsnede gelegen, en het brandpunt +bevond zich bij de deur van de cel, waarin Mathias Sandorf opgesloten was. +</p> +<p>Met een enkel gebaar riep hij zijne makkers tot zich. En daar stonden zij alle drie +met gespitste ooren te luisteren. +</p> +<p>Brokstukken van volzinnen bereikten hun oor zeer duidelijk. De volzinnen werden afgebroken, +wanneer de sprekers zich, al was het ook nog maar zoo weinig, van het brandpunt verwijderden, +dat wil zeggen van dat punt, waarvan de ligging het natuurverschijnsel deed geboren +worden. +</p> +<p>En ziehier de woorden, die zij met herhaalde tusschenpoozen opvingen: +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>„Morgen na de terechtstelling zult ge vrij zijn.…… +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>„En dan zullen de goederen van graaf Sandorf, eerlijk verdeeld. +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>„Zonder mij zoudt ge dat briefje niet hebben kunnen ontraadselen. +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>„En zonder mij, die het aan den hals van de postduif gevonden heb, zoudt gij het nooit +in handen gekregen hebben.….. +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>„Hoe het ook zij, niemand kan eenige verdenking koesteren, dat wij de politie.….….….…… +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>„En als de veroordeelden nu ook al eenige achterdocht.… +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>„Noch bloedverwanten, noch vrienden kunnen meer tot hen doordringen.….….….…… +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>„Tot morgen, Sarcany”.….….….. +</p> +<p>„Tot morgen, Silas Toronthal!”.….…… +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>Daarna zwegen de stemmen en het geluid eener deur die toesloeg, werd vernomen. +<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p> +<p>„Sarcany!.… Silas Toronthal!.…” riep graaf Sandorf uit. „Zij!.… Zij zijn het!” +</p> +<p>Hij werd doodsbleek en keek zijne vrienden met een van verbijstering glinsterend oog +aan. Zijn hart had een oogenblik opgehouden met kloppen. Zijne oogleden stonden wijd +opengespalkt, zijn hals was stijf en zijn hoofd was tusschen zijne schouders teruggedrongen. +Alles duidde er op, dat die geestkrachtvolle natuur door een schrikkelijken toorn +beroerd werd. +</p> +<p>„Zij!.… De ellendelingen!.…” herhaalde hij woest brullende. +</p> +<p>Hij richtte eindelijk zijne gebogen gestalte op en keek rond, terwijl hij de cel met +groote passen op en neer liep. +</p> +<p>„Vluchten!.… Vluchten!” riep hij uit. „Wij moeten vluchten!” +</p> +<p>En die man, die enkele minuten vroeger gereed was om weinige uren later den dood manmoedig +tegemoet te treden, die man, die er zelfs niet aan gedacht had om den beul zijn hoofd +te betwisten, die man had thans slechts ééne gedachte: leven, om die twee verraders +Silas Toronthal en Sarcany te straffen! +</p> +<p>„Ja, ons wreken!” riepen Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar uit. +</p> +<p>„Ons wreken? Neen!.… Gerechtigheid uitoefenen!” +</p> +<p>Het geheele karakter van graaf Sandorf lag in die woorden opgesloten. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4145">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">VI.</h2> +<h2 class="main">DE VESTINGTOREN VAN PISINO.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De vesting Pisino is een van de meest merkwaardige van die stevige gebouwen, welke +in de middeleeuwen verrezen. Zij ziet er zeer goed uit met haar feodaal uiterlijk. +Er ontbreken slechts ridders in die gewelfde zalen, slechts edelvrouwen, met bonte +japonnen gekleed en getooid met puntmutsen, aan de ogiefvormige vensterramen, slechts +boogschutters op de transen van de gecreneleerde muren, in de schietgaten van de vooruitspringende +gedeelten, bij de Spaansche ruiters, die de ophaalbruggen moeten verdedigen. Het kunstwerk +van steen is nog onaangetast; maar de vestinggouverneur met zijn Oostenrijksch uniform, +de soldaten met hunne moderne tenue, de gevangenbewaarders en de sleuteldragers, die +niets meer vertoonen van dat costuum uit den ouden tijd, half <span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>geel, half rood, die allen geven een valschen toon aan te midden van die prachtige +overblijfselen van een ander tijdvak. +</p> +<p>Het was uit den toren van die vesting, dat graaf Sandorf zich vermeette te willen +ontvluchten en dat nog wel gedurende de laatste uren, die de terechtstelling voorafgingen. +Dwaze poging voorzeker, daar de gevangenen niet eens wisten, welke vesting hen tot +kerker diende, daar zij niets van het omgelegen land kenden, waardoor zij toch na +hunne ontvluchting heen moesten trekken. +</p> +<p>O, wellicht kon het voor een geluk gelden, dat zij niets van die omgeving wisten. +Beter onderricht, zouden zij misschien voor de <span class="corr" id="xd33e1973" title="Bron: moeielijkheden">moeilijkheden</span>, om niet te spreken van de onmogelijkheid van zulk eene onderneming teruggedeinsd +zijn. +</p> +<p>Niet dat deze Istrische provincie geene voordeelige kansen voor eene ontsnapping zou +aanbieden, dewijl iedere richting, door de vluchtelingen genomen, naar een punt van +hare kuststreek zou voeren en dat binnen weinige uren. Ook niet dat de straten van +de stad Pisino zoo streng zouden bewaakt zijn, dat men bij de eerste stappen gevaar +zou loopen gevat te worden. Neen; maar ontsnappen uit die vesting, voornamelijk uit +den toren, door de gevangenen bewoond, dat was tot heden als volstrekt onmogelijk +beschouwd geworden. Het denkbeeld daarvan kon zelfs niet opkomen. +</p> +<p>Ziehier inderdaad de toestand en het uiterlijk voorkomen van dien toren in de vesting +Pisino. +</p> +<p>Die toren beslaat eene zijde van een bergplat, alwaar de stad plotseling als het ware +eindigt. Wanneer men op den ringmuur van dat plat leunt, dan boort de blik in een +breede en diepe kolk, waarvan de steile wanden niet eens bedekt zijn met lange afhangende +lianen. Niets steekt van dien loodrechten rotsmuur uit. Geen enkele trede om naar +boven te klimmen of om naar beneden te dalen. Geen portaal om er even halt te houden. +Geen enkel standpunt, waar ook. Niets dan grillige uitschuringen, niets dan gladde +onzekere streepen, die de schuinsche ligging der rotslagen aangeven. In één woord +is het een afgrond, die aantrekt, die meesleept en niets teruggeeft van hetgeen er +in mocht vallen. +</p> +<p>Het was boven dezen afgrond dat een der zijmuren zich verhief. In dien muur waren +eenige vensters ingesneden, die de cellen op de verschillende verdiepingen moesten +verlichten. Wanneer een gevangene zich door een van die openingen voorover gebogen +had, dan zou hij vol afgrijzen achteruit gedeinsd zijn, tenzij duizelingen hem in +de diepte zouden hebben doen storten! En wanneer hij viel, wat dan? Of het lichaam +zou op de rotsen van den bodem te pletter storten, òf het zou door den bergvloed medegevoerd +worden, wiens stroom onweerstaanbaar is in het tijdperk van hoog water. +</p> +<p>Die afgrond, dat is de Buco, zoo als hij in dat land genoemd <span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>wordt. Hij dient tot afleiding van het overtollige water van eene rivier, die Foïba +heet. Die rivier erlangt slechts toegang door eene onderaardsche spelonk, die zij +zich zelve langzamerhand door de rotsmassa’s uitgehold heeft, en waarin zij zich met +de kracht van een waterval stort. Waar stroomt zij dan heen, terwijl zij onder de +stad doorgaat? Dat weet men niet. Waar verschijnt zij weer? Dat weet men evenmin. +Niemand kent de lengte noch de hoogte van die spelonk, die in de krijtsteen- en leisteenlagen +uitgeschuurd is. Wie kan zeggen of de stroom daaronder zich niet met geweld breekt +op scherpe kanten, op puntige hoeken, of hij niet gestuit wordt door een woud van +pilaren, die het kolossale gevaarte der vesting en ook de geheele stad schragen? Koene +onderzoekers hadden beproefd de Foïba af te zakken in een tijdperk, dat de middelbare +waterstand gedoogde een licht vaartuig te gebruiken, maar de laagte van het rotsgewelf +had hen een onoverkomelijke hinderpaal in den weg gesteld. In werkelijkheid wist men +niets omtrent den toestand van die onderaardsche rivier. Misschien verloor zij zich +wel in eene aardspleet, die onder de oppervlakte van de Adriatische zee uitkwam. +</p> +<p>Dat was de Buco, welks bestaan graaf Sandorf zelfs niet giste. Daar nu eene ontsnapping +niet anders kon geschieden dan door het eenige raam zijner cel, hetwelk boven de Buco +openging, zoo was het voor hem even zeker den dood tegemoet te gaan, als wanneer hij +zich was komen plaatsen voor het peloton soldaten, dat hem moest doodschieten. +</p> +<p>Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory wachtten slechts het gunstige oogenblik af om +te handelen. Zij waren bereid te blijven, wanneer het noodig was; zij waren bereid +zich op te offeren om graaf Sandorf te hulp te komen; zij waren bereid hem te volgen, +wanneer hunne vlucht de zijne niet kon benadeelen. +</p> +<p>„Alle drie zullen wij vluchten,” zei graaf Mathias Sandorf, „hoewel het wellicht noodig +zal worden om ons te scheiden, wanneer wij eenmaal buiten gekomen zullen zijn.” +</p> +<p>Het was reeds avond en op den kerktoren sloeg het reeds acht uur. De veroordeelden +hadden nog slechts twaalf uren te leven. +</p> +<p>De nacht viel in en zooals men opmerken kon, zou hij zeer donker zijn. Dikke wolken, +die bijna onbewegelijk bleven, bedekten het uitspansel. De lucht was zwaar, zij maakte +de ademhaling <span class="corr" id="xd33e1991" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> en was met electriciteit bezwangerd. Een hevig onweder was in aantocht. Wel schoten +de bliksemstralen nog niet door de ruimte, nog niet door die dikke dampen, die daar +als zoovele accumulatoren aanwezig waren; maar het gerommel van den donder liet zich +reeds heel in de verte vernemen en werd langs de bergtoppen van de hoogten, die Pisino +omgeven, overgebracht. +</p> +<p>Eene ontsnapping, onder die omstandigheden ondernomen, zou <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>dus eenige kansen van welslagen hebben kunnen aanbieden, wanneer niet een bedriegelijke +afgrond onder de voeten der vluchtelingen geweest ware. De nacht zou zwart zijn, men +zou derhalve niet gezien worden. Bij het geraas van den donder zou men niet gehoord +worden. +</p> +<p>Zooals graaf Sandorf reeds dadelijk erkend had, zou de vlucht mogelijk zijn door het +venster van de cel. De deur open te breken, of die stevige bladen van eikenhout, die +daarenboven geheel met ijzer beslagen waren, aan te tasten, daaraan kon zelfs niet +gedacht worden. Buitendien, de stap van een schildwacht weerklonk op de vloersteenen +van de gang. En gesteld dat men buiten de celdeur geraakte, hoe zou men den weg vinden +in de doolgangen van de vesting? Hoe zou men de poort uit, de valbrug over komen? +Die zouden toch wel door posten soldaten bewaakt zijn! Aan den kant van den Buco was +ten minste geen schildwacht te bespeuren. Maar de Buco bewaakte die zijde van den +vestingtoren beter dan een geheele keten schildwachten. +</p> +<p>Graaf Sandorf onderzocht dus in de eerste plaats, of het venster ruimte genoeg aanbood, +om hen doortocht te verleenen. +</p> +<p>Dat raam meette ongeveer drie en een halve voet hoogte op twee voet breedte. Het verliep +trechtersgewijze door den muur, welks dikte op dit punt op vier voet geschat kon worden. +Een stevig kruis van ijzer verdedigde den toegang. Dat was in den steen dicht bij +de binnenopening geklonken. Er waren geen houten schuttingen of koekoeken aangebracht, +die het licht slechts van boven laten binnenvallen. Die zouden onnoodig geweest zijn, +daar de schikking van de opening den blik belette in den afgrond van de Buco te dringen. +Wanneer men er dus in slaagde dat ijzeren kruis uit te rukken of van zijne plaats +te wringen, dan zou het gemakkelijk zijn zich door dat raam te laten glijden, dat +veel geleek op een schietgat van de vesting. +</p> +<p>Maar, als men eenmaal uit dat raam geklommen was, hoe zou men dan buiten naar omlaag +dalen langs den loodrechten muur? Eene ladder? Ja, die bezaten de gevangenen niet; +ook konden zij die niet vervaardigen. Hunne beddelakens gebruiken? Zij hadden niets +dan dikke wollen dekens, die hunne matrassen op de ijzeren kribben dekten, welke laatsten +daarenboven in de wanden van de cel vastgeklonken waren. Het zou dus bepaald onmogelijk +zijn door het venster te ontsnappen, wanneer graaf Sandorf niet eene ketting of beter +een ijzeren kabel opgemerkt had, die buiten hing en de ontsnapping kon vergemakkelijken. +</p> +<p>Die kabel was de bliksemafleider, die op den daknok bevestigd was boven de zijflank +van den vestingtoren, maar die zich boven den Buco loodrecht verhief. +</p> +<p>„Gij ziet dien kabel,” zei graaf Sandorf tot zijne vrienden. <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>„Daarvan zullen wij ons bedienen om te ontsnappen. Maar daartoe behoort moed!” +</p> +<p>„O, moed bezitten wij,” antwoordde graaf Ladislas Zathmar. „Maar zullen wij de kracht +hebben?” +</p> +<p>„Om het even!” sprak Stephanus Bathory. „Als de krachten te kort schieten, zullen +wij slechts eenige uren vroeger sterven. Dat is alles!” +</p> +<p>„Wij moeten niet sterven, Stephanus,” antwoordde graaf Sandorf. „Luister goed en gij +ook, Ladislas, laat geen enkel mijner woorden u ontgaan. Wanneer wij een touw bezaten, +dan zouden wij geen oogenblik aarzelen om het buiten het venster te hangen om ons +daarlangs tot op den bodem te laten afglijden. Nu is die ijzeren kabel beter dan een +touw; door zijne onbuigzaamheid zal hij de afdaling zeer vergemakkelijken. Evenals +alle bliksemafleiders zal hij met ijzeren haken aan den gevelmuur bevestigd zijn. +Die haken zullen steunpunten vormen, waarop onze voeten zullen kunnen rusten. Wij +zullen geene slingeringen te vreezen hebben, daar de kabel aan den muur bevestigd +is. Wij zullen geen duizelingen kunnen ondervinden, daar het nacht is en wij dus niets +zullen kunnen zien. Derhalve, wanneer wij slechts buiten dat venster geraken, dan +met koelbloedigheid en met moed kunnen wij de vrijheid herwinnen. Dat wij ons leven +wagen, is zeer goed mogelijk. Maar al bestonden slechts tien kansen op honderd, dan +nog … daar wij honderd kansen op honderd zullen hebben om te sterven, wanneer de gevangenbewaarders +ons morgen ochtend in deze cel terugvinden.” +</p> +<p>„Dat is zoo,” antwoordde Ladislas Zathmar. +</p> +<p>„Waar komt die ketting terecht?” vroeg Stephanus Bathory. +</p> +<p>„In den een of anderen put waarschijnlijk; maar zeker buiten den vestingtoren,” antwoordde +graaf Sandorf. „En meer hebben wij niet noodig. Ik wil niets anders weten of begrijpen, +dan dat daar aan het uiteinde van dien ketting de vrijheid voor ons waarschijnlijk +te vinden is.” +</p> +<p>Graaf Sandorf vergiste zich niet, toen hij beweerde, dat die bliksemafleider van afstand +tot afstand met ijzeren haken aan den muur bevestigd was. Dat veroorzaakte eene groote +gemakkelijkheid om af te dalen, daar de vluchtelingen die haken als de treden eener +ladder konden bezigen, die hen tegen te snel afglijden behoeden moesten. Maar, wat +zij niet wisten en ook niet weten konden, dat was dat die kabel, na den rand van het +bergplat bereikt te hebben, langs den muur van den vestingtoren vrij en onbedwongen +in de ruimte afdaalde en zijn uiteinde de wateren der <span class="corr" id="xd33e2016" title="Bron: Foiba">Foïba</span> beroerden, die toen door de laatste regens zeer gezwollen waren. Daar waar zij onder +in dien afgrond rekenen konden den vasten bodem te bereiken, daar was slechts een +<span class="corr" id="xd33e2019" title="Bron: bergstrooom">bergstroom</span>, die zich onstuimig <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>in de spelonk van den Buco stortte. Maar al hadden zij dat ook geweten, zouden zij +dan nog wel teruggedeinsd hebben voor hunne poging tot ontsnapping? +</p> +<p>Voorzeker neen! +</p> +<p>„Hier sterven of straks daar ginds!” sprak graaf Mathias Sandorf. „Als wij sterven +moeten, dan zullen wij ten minste alles gedaan hebben om het leven te redden!” +</p> +<p>Maar eerst moest men dat ijzeren kruis in de doorgang van het venster opruimen. Dat +moest uitgebroken worden. Zou dit mogelijk zijn zonder breekijzer, zonder koevoet, +zonder eenig gereedschap? De gevangenen bezaten zelfs geen mes. +</p> +<p>„Het overige zal slechts <span class="corr" id="xd33e2029" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> zijn,” zei graaf Mathias Sandorf, „maar dit is wellicht het onmogelijke! Kom, mede +aan den arbeid!” +</p> +<p>Toen hij dat gezegd had, heesch graaf Sandorf zich tot aan het venster, greep den +ijzeren kruisrooster met de hand en voelde dat wellicht geen al te groote krachtsinspanning +noodig zou zijn, om hem uit te rukken. +</p> +<p>De ijzeren stangen, waaruit hij bestond, bewogen zich inderdaad eenigermate in hare +sponningen. De steen was bij de hoeken gebarsten en kon dus slechts een middelmatigen +tegenstand bieden. Zeer waarschijnlijk was de geleiding van den bliksemafleider, voordat +hij zekere herstellingen ondergaan had, niet zeer volmaakt geweest. Mogelijk was het +geweest dat vonken van het electrische vuur, door dien ijzeren rooster aangetrokken, +den muur zelven aangetast hadden en men weet dat de kracht van dat vuur om zoo te +zeggen onbegrensd is. Vandaar die barsten en breuken bij de sponningen, waarin het +uiteinde der ijzeren staven rustte. De steen was daar verteerd, vergaan en in sponsachtigen +staat, alsof hij door de electriciteit met millioenen gaatjes doorboord ware. +</p> +<p>Professor Stephanus Bathory gaf in weinige woorden den uitleg van dat verschijnsel, +onmiddellijk nadat hij het waargenomen had. +</p> +<p>Maar het gold thans niet te oreeren, te doceeren of te leeraren; men moest zonder +aarzelen aan het werk. Geen oogenblik mocht verloren worden. Wanneer men, na de hoeken +van de sponningen te hebben uitgebroken, de uiteinden van die staven kon losmaken, +dan zou het waarschijnlijk gemakkelijk zijn den rooster tot aan de buitenoppervlakte +van den muur te dringen, dewijl de vensteropening van binnen naar buiten waaiersgewijze +verliep. Men zou hem dan naar buiten in den afgrond kunnen laten vallen. Het geluid +van dien val zou door het hevige geratel van den donder overstemd en bijgevolg niet +gehoord worden. De onweerswolk was nader gekomen en reeds rolden de donderslagen en +plantten zich onverpoosd en zonder ophouden in de lagere luchtlagen voort. +<span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span> +</p> +<div class="figure p097width"><img src="images/p097.jpg" alt="Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen in dit oogenblik alle twee. (Bladz. 102.)" width="507" height="720"><p class="figureHead">Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen in dit oogenblik alle twee. (Bladz. 102.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span></p> +<p>„Wij kunnen dien steen toch niet met onze handen verbrijzelen,” zei graaf Ladislas +Zathmar. +</p> +<p>„Neen!” antwoordde graaf Sandorf. <span class="corr" id="xd33e2047" title="Niet in bron">„</span>Wij zouden een stuk ijzer, een lem of zoo iets moeten hebben …” +</p> +<p>Dat was inderdaad noodig. Hoe vergaan de steen in de nabijheid der sponningen ook +was, de nagels zouden toch daarbij te kort geschoten zijn, de vingers zouden, bij +de poging om hem tot stof te wrijven, zich te vergeefs bloedig verwond hebben. Men +zou niet slagen zonder werktuig, al ware het ook maar een spijker. +</p> +<p>Graaf Sandorf keek rondom zich bij het zwakke schijnsel, hetwelk van uit de gang, +die zelf spaarzaam verlicht was, in de cel door eene kleine opening, boven de deur +aangebracht, drong. Hij betastte de muren met beide handen. Het kon toch zijn, dat +men ergens een spijker ingeklopt had. Hij vond echter niets. +</p> +<p>Toen kreeg hij een inval. Hij bedacht dat het wellicht niet onmogelijk was een der +pooten van de ijzeren kribben, die in den wand vastgeklonken waren, los te wringen. +Alle drie gingen aan het werk en weldra brak Stephanus Bathory den arbeid af en riep +zijne makkers met zachte stem tot zich. +</p> +<p>Een klinknagel van een der ijzeren strooken, die, onderling behoorlijk gekruist en +verbonden, de kriblagen vormden, was losgemaakt. Het was nu voldoende die strook bij +het uiteinde, dat thans vrij was, te grijpen en haar herhaalde malen heen en weer +te buigen om den anderen klinknagel te doen losspringen. +</p> +<p>Dat was in een ommezien geschied. Graaf Sandorf bezat toen een ijzeren band van vijf +duim lang en een duim breed, dien hij bij het uiteinde met zijn halsdas omwikkelde. +Daarna kwam hij bij het venster terug en begon den steen bij de sponningen los te +breken. +</p> +<p>Dat kon niet geheel en al zonder gedruisch geschieden. Gelukkig werd dat overstemd +door het geratel van den donder. Hield dat soms bij tusschenpoozen op, dan staakte +graaf Sandorf zijn arbeid om hem daarna dadelijk weer te hervatten. Het werk vorderde +flink. Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hadden bij de deur post gevat, teneinde +graaf Sandorf te waarschuwen om den arbeid te staken, wanneer de schildwacht de deur +der cel naderbij trad. +</p> +<p>Plotseling ontsnapte een zacht „chut”… aan de lippen van Ladislas Zathmar, waarop +de arbeid dadelijk ophield. +</p> +<p>„Wat is er?” vroeg Stephanus Bathory. +</p> +<p>„Luister,” antwoordde Ladislas. +</p> +<p>Hij had juist het oor bij den rand van de ellipsoïdale helling gehouden en andermaal +werd het acoustieke verschijnsel vernomen, dat den gevangenen bekend had gemaakt met +het geheime verraad, ten hunnen opzichte gepleegd. +<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p> +<p>Ziehier de afgebroken volzinnen, die bij korte tusschenpoozen nog opgevangen konden +worden: +</p> +<p>„Morgen … in vrijheid … gesteld …” +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>„Ja … wanneer het bevel tot invrijheidstelling zal ontvangen zijn …” +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>„… Na de terechtstelling … Daarna … ga ik mijn makker Zirone opzoeken, die mij op +Sicilië wacht …” +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>„Gij zult niet lang gezeten hebben in den vestingtoren van …” +</p> +<p>.….….….….….….….….….….….….… +</p> +<p>Het was klaarblijkelijk Sarcany, die met een gevangenbewaarder praatte. Eene bijzonderheid: +Sarcany had den naam van een zekeren Zirone genoemd, die in deze geheele zaak gemengd +moest zijn. Graaf Mathias Sandorf onthield dien naam. +</p> +<p>Ongelukkig bereikte het laatste woord, waarvan de kennisname voor de gevangenen zoo +nuttig ware geweest, hun oor niet. Bij het einde van den volzin, kraakte een geweldige +donderslag en terwijl de electrische stroom de geleiding van den bliksemafleider volgde +ontsnapten vuurstralen en vuurpluimen uit den ijzeren band, die graaf Sandorf in de +hand hield. Zonder den zijden halsdas, die het metaal omwikkelde, zou de graaf door +den stroom getroffen zijn. +</p> +<p>Het laatste woord alzoo, de naam van die vesting, was door het ontzaglijk geraas van +den donder verloren gegaan. De gevangenen hadden dien naam niet kunnen vernemen. En +toch, wat zou de kennis in welke vesting zij opgesloten zaten, door welke streek zij +vluchten moesten, de kansen hunner ontsnapping, die onder zoo moeilijke omstandigheden +ondernomen moest worden, niet hebben vermeerderd! +</p> +<p>Graaf Sandorf had den arbeid ijverig hervat. Van de vier sponningen waren er reeds +drie zoodanig uitgebroken, dat de uiteinden der ijzeren staven uitgelicht konden worden. +De vierde werd door het vuur der bliksemstralen, die het hemelruim onophoudelijk verlichtten +aangetast<span class="corr" id="xd33e2077" title="Bron: ,.">.</span> +</p> +<p>De arbeid was tegen half elf uur geëindigd. +</p> +<p>De ijzeren vensterrooster was geheel en al uit de sponningen losgemaakt en kon door +de vensterruimte in den muur naar buiten geschoven worden. Men had thans slechts te +duwen, om hem te doen vallen. Dit werd verricht, toen Ladislas Zathmar waargenomen +had, dat de schildwacht zich bij zijn heen en weer wandelen naar het uiteinde van +de gang begeven had. +</p> +<p>Door een forschen stoot bewogen, buitelde de rooster en verdween. +</p> +<p>Dit geschiedde in een oogenblik, toen de donder en het windgehuil <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>zwegen. Graaf Sandorf luisterde om het geluid te vernemen, dat dit zware lichaam bij +zijn val en zijn neerkomen op den grond zou maken. +</p> +<p>Maar hij hoorde niets. +</p> +<p>„De vestingtoren zal waarschijnlijk op een hooge rots gebouwd zijn, die het dal beheerscht,” +merkte Stephanus Bathory op. +</p> +<p>„Och, wat kan ons de hoogte schelen!” antwoordde graaf Sandorf. „Ongetwijfeld reikt +de ketting van den bliksemafleider tot aan den grond. Langs dien zullen wij den bodem +wel bereiken, zonder gevaar te loopen van te vallen.” +</p> +<p>Dat was in het algemeen gesproken eene volkomen juiste redeneering, die evenwel in +het gegeven geval valsch was; want het uiteinde van den bliksemafleider bereikte niet +den bodem, maar de wateren van de Foïba. +</p> +<p>Toen men met het venster klaar was, was het oogenblik om te vluchten daar. +</p> +<p>„Vrienden,” zei Mathias Sandorf. „Ziehier hoe wij het moeten aanleggen. Ik ben de +jongste en ik geloof de krachtigste. Ik moet dus het eerst pogen langs dien kabel +naar beneden te komen. Voor het geval dat zich een of andere hinderpaal voordoet, +dan zal ik wellicht de kracht hebben om mij weer naar boven tot bij het venster te +hijschen. Twee minuten later laat gij, Stephanus, u naar beneden glijden om u bij +mij te voegen. Weer twee minuten later moet gij, Ladislas, denzelfden weg volgen. +Als wij alle drie aan den voet van den vestingtoren vereenigd zijn, zullen wij naar +omstandigheden moeten handelen.” +</p> +<p>„Wij gehoorzamen u, Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory. „Wij zullen uitvoeren +wat gij bevelen zult; wij zullen gaan waarheen gij ons zeggen zult onze schreden te +wenden. Maar wij willen niet dat uw deel van het gevaar groot er zal zijn dan het +onze.…” +</p> +<p>„Ons leven is het uwe niet waard!” vulde graaf Ladislas <span class="corr" id="xd33e2097" title="Bron: Zathmaar">Zathmar</span> aan. +</p> +<p>„Voor de rechtspleging, die wij te voltrekken hebben, heeft ons leven gelijke waarde!” +antwoordde graaf Sandorf. „Wanneer een onzer ontsnapt, dan moet die de uitvoerder +van de gerechtigheid zijn. Kom vrienden, vrienden, laten wij elkander omhelzen.” +</p> +<p>De drie mannen omarmden elkander innig en het scheen dat zij eene groote geestkracht +uit die omhelzing geput hadden. +</p> +<p>Toen kroop graaf Sandorf, terwijl Ladislas Zathmar bij de deur der cel op post stond +om tegen onraad te waarschuwen, door de vensteropening die in den muur uitgesneden +was. Een oogenblik later was hij buiten en hing hij in het ijle. Toen liet hij zich +zakken, terwijl hij met de knieën den ketting van den bliksemafleider omklemde. Hij +verplaatste daarbij beurtelings de eene hand onder de <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>andere, terwijl hij met de voeten de haken zocht, waarmede de geleider vastgemaakt +was, om daarop te steunen. +</p> +<p>Het onweder woedde toen in zijn volle kracht. Het regende niet, maar de wind stormde +met ongehoord geweld. De eene bliksemstraal wachtte niet totdat de voorgaande in het +hemelruim verdwenen was. Hare zigzaggen kruisten elkander boven den vestingtoren, +die haar door zijne eenzame ligging op die hoogte aantrok. De punt van den bliksemafleider +schitterde met een witachtig licht, dat er door den electrischen stroom als eene pluim +opgehoopt werd, terwijl de stang schudde onder het geweld van den wind. +</p> +<p>Men begrijpt welk gevaar er in gelegen was, aan dien geleidketting te hangen, waarlangs +de electrische stroom voortdurend afvloeide om zich in de wateren van den Buco te +verliezen. Wanneer het toestel in goeden staat geweest ware, dan was er geen gevaar +om getroffen te worden; want de volmaakte geleidbaarheid van het metaal vergeleken +met die van het menschelijk lichaam, die veel minder is, zou den koenen waaghals, +die aan den kabel hing, beveiligen; maar was de punt van den bliksemafleider hoe gering +ook afgestompt, was er eene breuk hoe klein ook in den kabel, waardoor de stroom verbroken +werd, dan was een ongeluk mogelijk, dan kwamen de twee stroomingen, de negatieve en +de positieve te zamen, zelfs zonder dat de bliksem op den geleider insloeg, alleen +door de spanning van den stroom, die in het gebrekkige toestel opgehoopt werd. +</p> +<p>Zoo werd in 1793 Richeman door eene electrische vonk van de dikte eener vuist gedood, +hoewel hij zich op eenigen afstand van den bliksemafleider bevond, waarvan hij het +geleidvermogen verbroken had. +</p> +<p>Graaf Sandorf was zeer goed bekend met het gevaar, waaraan hij zich blootstelde, maar +een gevoel krachtiger dan dat van zelfbehoud deed hem alles trotseeren. Hij daalde +langzaam en voorzichtig te midden van de electrische afstrooming, die hem geheel en +al omgaf. Zijn voet zocht langs den muur iederen haak en rustte daarop een poos. Dan +poogde hij, wanneer een bliksemstraal den afgrond, die onder hem gaapte, verlichtte, +er de diepte van te peilen. Maar steeds te vergeefs. +</p> +<p>Toen Mathias Sandorf zoo een zestig voeten, sedert hij het venster der cel verlaten +had, gedaald was, voelde hij een veiliger steunpunt onder den voet. Dat was een soort +banket, slechts weinige duimen breed, hetwelk buiten den voet van den muur uitstak. +De bliksemafleider eindigde daar ter plaatse niet, hij daalde lager, en in waarheid,—wat +de vluchteling nog niet weten kon,—van dat punt af golfde de ketting in de lucht, +nu eens langs den loodrechten rotswand, dan weer slingerde hij in het ijle en klotste +daarbij <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>tegen eenige der uitstekende deelen, die boven den afgrond hingen. +</p> +<p>Graaf Sandorf hield halt om even adem te scheppen. Zijne beide voeten steunden op +het smalle boord van het banket; met zijne handen hield hij steeds den ijzeren kabel +vast. Hij begreep dat hij de bovenlaag van het fondament van den vestingtoren bereikt +had. Maar van welke hoogte beheerschte dit het beneden-dal? Dat was door hem niet +te schatten. +</p> +<p>„Dat moet diep zijn,” dacht hij. +</p> +<p>Inderdaad, groote vogels, verschrikt en verblind door de schelheid der bliksemstralen, +vlogen met angstigen wiekslag rondom hem en doken in de diepte, in stede van hare +vlucht opwaarts te richten. De gevolgtrekking daarvan was duidelijk. Er was daar een +afgrond onder zijne voeten. +</p> +<p>In dit oogenblik vernam hij eenig gerucht aan het boveneinde van den ijzeren kabel. +Bij de vluchtige verlichting door eene bliksemstraal, zag graaf Sandorf eene onduidelijke +massa, die zich van den muur afscheidde. +</p> +<p>Het was Stephanus Bathory, die het venster der cel uitschoof en zich langzaam liet +afglijden, om zich bij Mathias Sandorf te voegen. Deze wachtte hem af, terwijl hij +de voeten stevig op het steenen uitsteeksel gesteund hield. Daar moest Stephanus Bathory +op zijn beurt halt houden, terwijl zijn makker de reis naar beneden verder zou vervolgen. +</p> +<p>Binnen weinige oogenblikken waren zij bij elkander, waarbij zij op het banket rustten. +</p> +<p>Zoodra het gerommel van den donder een poos ophield, konden zij spreken en elkander +verstaan. +</p> +<p>„En Ladislas?” vroeg graaf Sandorf. +</p> +<p>„Die zal over eene minuut hier zijn.” +</p> +<p>„Is er geen onraad boven?” +</p> +<p>„Neen.” +</p> +<p>„Goed. Ik ga plaats voor Ladislas maken. En gij, Stephanus, gij zult hier wachten +tot dat hij u bereikt heeft.” +</p> +<p>„Dat ’s afgesproken.” +</p> +<p>Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen beiden in dit oogenblik. Zij gevoelden zich +alsof de electrische stroom, langs het ijzer vloeiende, tot in hunne spieren gedrongen +was en meenden door den bliksem getroffen te zijn. +</p> +<p>„Mathias!.… Mathias!.…” riep Stephanus onder den indruk van een onnoemelijken en onoverwinnelijken +angst uit. +</p> +<p>„Kalmte en koelbloedigheid!” antwoordde graaf Sandorf.… „Ik ga verder afdalen.… en +gij moet mij volgen!” +</p> +<p>Reeds had hij den kabel gegrepen, om zich tot aan den eersten <span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span>haak naar onderen te laten afglijden. Daar wilde hij wachten tot dat zijn makker ook +de reis aanvaard had. +</p> +<p>Plotseling werden kreten boven in den vestingtoren vernomen. Zij schenen van den kant +van het venster der cel te komen. Duidelijk weerklonken de woorden: +</p> +<p>„Vlucht! Redt u!” +</p> +<p>Het was de stem van Ladislas Zathmar. +</p> +<p>Terstond daarop spoot als het ware een helder licht uit den muur en werd gevolgd door +eene kort afgebroken losbranding zonder echo. Het was ditmaal niet de gehakkelde lijn +van eene bliksemschicht, die zich op het zwart kleed van den nacht voordeed. Het was +geen electrische vonk, die geknetterd had. Het was een geweerschot, dat ongetwijfeld +op goed geluk af door het eene of andere schietgat van den vestingtoren gelost was. +Of het een signaal voor de gevangenbewaarders of wel een kogel, bestemd voor de vluchtelingen +was, om het even, de vlucht was thans ontdekt. +</p> +<p>Een schildwacht, die eenig gerucht meende te hooren, had inderdaad om hulp geroepen, +waarop vijf of zes gevangenbewaarders de cel binnengestormd waren. Het ontbreken van +twee gevangenen was natuurlijk dadelijk ontdekt. De toestand van het venster duidde +genoegzaam aan, dat zij slechts langs dien weg hadden kunnen ontsnappen. Het was toen +dat Ladislas Zathmar vóórdat men dit had kunnen beletten, zich buiten de vensteropening +voorover gebogen en den alarmkreet uitgestooten had. +</p> +<p>„De ongelukkige!” riep Stephanus Bathory uit. „Moeten wij hem achterlaten?.… Mathias!.… +Zeg.… achterlaten?” +</p> +<p>Een tweede geweerschot werd gelost en ditmaal vermengde zich de losbranding met het +rollen van den donder. +</p> +<p>„God zij hem genadig!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij moeten vluchten.… al ware het +maar om hem te wreken!.… Kom Stephanus, kom!” +</p> +<p>Het was meer dan tijd. Ook andere vensters van de benedenverdieping van den vestingtoren +werden geopend. Nieuwe losbrandingen verlichtten hen. Ook hoorde men luidruchtige +stemmen. Het waren misschien gevangenbewaarders, die langs het banket, hetwelk den +voet van den vestingtoren omgaf, voortschrijdende, den weg voor de vluchtelingen konden +afsnijden! Zij konden ook waarschijnlijk getroffen worden door geweerschoten, die +uit andere gedeelten der vesting gelost werden! +</p> +<p>„Kom!” riep graaf Sandorf voor de laatste maal. +</p> +<p>En hij liet zich afglijden langs den kabel, die daarop dadelijk door Stephanus Bathory +gegrepen werd. +</p> +<p>Toen eerst bemerkten beiden, dat die kabel onder het banket in het ledige, in het +ijle slingerde. Er bestonden geen rustpunten, geen <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>haken meer, die den kabel vasthechtten. Beiden slingerden met dien ketting mede, die +hun de handen verwondde. Zij daalden, zij omklemden den kabel met de knieën, maar +waren onmachtig hunne snelheid te temperen, terwijl in dat vreeselijke oogenblik hun +de geweerkogels langs de ooren floten. +</p> +<p>Zoo daalden, neen stortten zij binnen een minuut ruim tachtig voeten naar beneden. +Zij vroegen zich af, of die afgrond, waarin zij als het ware vielen, bodemloos was. +Het geloei van stormachtig opgezweepte wateren bereikte hun gehoor. Toen begrepen +zij dat de geleidketting van den bliksemafleider in den een of anderen bergstroom +eindigde. Maar.… om het even.… de dood daar boven, de dood hier beneden.… dan was +de laatste voor de rampzaligen het meest verkieselijk. +</p> +<p>Een vreeselijke bliksemstraal verscheurde in dit oogenblik te midden van eene machtige +electrische verlichting de wolken. Hoewel de stang boven op den vestingtoren niet +middellijk door den electrischen stroom getroffen was, zoo was de spanning van dien +stroom, die zich voortdurend langs den ketting ontlastte, zoodanig, dat zij de schalmen +bij haren overgang wit gloeiend maakte, zooals met een platina draad geschiedt onder +de ontlading van eene electrische batterij. +</p> +<p>Stephanus Bathory stiet een kreet van smart uit en liet de handen los. +</p> +<p>Mathias Sandorf zag hem voorbij zich vallen, waarbij zij elkander schier aanraakten. +De ongelukkige had de armen uitgestrekt. +</p> +<p>Op zijn beurt moest ook hij den kabel, die hem de handen verschroeide, loslaten. Hij +viel van eene hoogte van ruim veertig voeten in den bergstroom van Foïba, in dien +onbekenden afgrond van den Buco. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4154">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">VII.</h2> +<h2 class="main">DE BERGSTROOM VAN FOÏBA.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het was ongeveer elf uren in den nacht. De onweerswolken begonnen zich in hevige stortregens +op te lossen. De regen werd vermengd met dikke hagelsteenen, die de oppervlakte der +Foïba mitrailleerden en op de naburige rotsen kletterden. +<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span> +</p> +<div class="figure p105width"><img src="images/p105.jpg" alt="Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen. (Bladz. 108.)" width="504" height="720"><p class="figureHead">Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen. (Bladz. +108.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span></p> +<p>De geweerschoten, die uit de schietgaten gelost werden, waren gestaakt. Waarom zooveel +kogels, zooveel lood jegens de vluchtelingen te verspillen? De Foïba zou slechts lijken +weergeven, wanneer zij althans iets weergaf! +</p> +<p>Nauwelijks was graaf Mathias Sandorf in den bergstroom gestort en onder de oppervlakte +geschoten, toen hij zich plotseling meegesleept gevoelde. Van uit het schitterende +licht, waarmede de electrische losbarsting den afgrond vervuld had, was hij overgegaan +in den zwartsten nacht. Het geloei der wateren had het geratel van den donder vervangen. +De ondoordringbare spelonk liet van buiten, noch geluid, noch licht, noch iets bespeuren. +</p> +<p>„Help.…” +</p> +<p>Opeens werd die kreet vernomen! Het was Stephanus Bathory, die hem geslaakt had. De +kilheid van het water had hem tot het leven teruggeroepen; maar hij kon zich niet +aan de oppervlakte handhaven. Hij zou zeker verdronken zijn, wanneer hem niet een +stevige hand gegrepen had op het oogenblik, dat hij ging verdwijnen. +</p> +<p>„Ik ben hier.… Stephanus!.… Houd moed!” +</p> +<p>Graaf Sandorf ondersteunde zijn makker met de eene hand, terwijl hij met de andere +zwom. +</p> +<p>De toestand was zeer kritiek. Stephanus Bathory kon ter nauwernood zijne ledematen +bewegen, verlamd als zij waren door den doorgang van den electrischen stroom. Voelde +hij ook al de brandwonden aan zijne handen in de koude wateren niet, toch kon hij +door die verlamming er zich niet van bedienen. Als graaf Sandorf hem slechts een oogenblik +losgelaten had, zou hij onmiddellijk gezonken zijn. En toch had de graaf genoeg met +zich zelven te stellen. +</p> +<p>Dan nog verkeerde men in volslagen onzekerheid omtrent de richting, die deze bergstroom +volgde. In welke streek kwam hij uit? In welke rivier, of in welke zee zou hij uitmonden? +Wanneer Mathias Sandorf ook al geweten had, dat die bergstroom de Foïba was, dan nog +was zijn toestand even wanhopig geweest, dewijl niemand weet waar zijne wateren blijven, +waarin hij zich uitstort. Men had gesloten flesschen bij den ingang van de spelonk +in de Foïba geworpen, en nimmer waren zij ergens in een der wateren van het Istrische +schiereiland te voorschijn getreden. Het kon zijn, dat zij onderweg gebroken waren +bij dien onderaardschen doorgang, maar het kon ook zijn, dat die watermassa hen medegesleept +had in de een of andere spleet van de aardkorst. +</p> +<p>De vluchtelingen werden intusschen met groote snelheid medegevoerd. Dit was eene omstandigheid, +die het hun gemakkelijk maakte om aan de oppervlakte te blijven. Stephanus Bathory +had <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>zijn bewustzijn verloren. Hij was als een machteloos lichaam in de handen van graaf +Sandorf. Deze kampte voor twee, maar hij gevoelde dat hij weldra uitgeput geraakte. +Bij de gevaren om tegen de een of andere vooruitstekende rotspunt, hetzij van de wanden, +hetzij hangende van het verwulf te stooten, kwam nog een ander, dat veel grooter genoemd +moest worden. Dat was van in een dier draaikolken te geraken, die veroorzaakt werden +door de veelvuldige tegenstroomingen, welke daar gevormd worden, waar een wand plotseling +afbrak of een vooruitstekend stuk de regelmatige strooming verstoorde. Twintig malen +voelde Mathias zich met zijn makker in een van die vloeibare zuigers opgenomen, die +hem door hunne ronddraaiende beweging evenals een maalstroom tot zich trokken. Zij +werden dan door een rondgaande beweging vervoerd en eindelijk naar den buitenrand +van de kolk geworpen, zoo als met een steen uit een slinger zou geschieden, en konden +er niet uitkomen dan door een tegenstroom geholpen. +</p> +<p>Zoo verliep onder die omstandigheden een half uur, waarin de dood hen iedere minuut, +iedere seconde aangrijnsde. Mathias Sandorf, met eene bovenmenschelijke geestkracht +begaafd, had nog geen oogenblik van zwakte ondervonden. Het was, alles goed beschouwd, +gelukkig, dat zijn makker nagenoeg bewusteloos was. Als het gevoel van zelfbehoud +wakker ware geweest, dan zou hij gesparteld hebben. Dan zou er gestreden moeten worden +om hem te bedwingen, om hem tot onmacht te noodzaken. En dan zou graaf Sandorf waarschijnlijk +genoodzaakt zijn geweest, om hem aan zijn lot over te laten, om niet beiden te verdrinken. +</p> +<p>Die toestand kon evenwel niet lang blijven duren. De krachten van Mathias Sandorf +begonnen merkbaar af te nemen. In sommige oogenblikken dook zijn hoofd onder, wanneer +hij dat van Stephanus Bathory boven de watervlakte ophief. Dan was de ademhaling plotseling +verbroken. Dan hijgde hij, dan hoestte, dan kuchte hij, dan werd hij benauwd; want +dan had hij te doen met een begin van verstikking. +</p> +<p>Hij moest zelfs verscheidene malen zijn makker loslaten, wiens hoofd dan dadelijk +onder water dook, maar steeds slaagde hij er in hem weer te vatten en dat te midden +van dien zwaren stroom, die door de gezwollen wateren nog sterker dan gewoonlijk was +en met afgrijselijk geluid rondom hem loeide. +</p> +<p>Graaf Sandorf voelde dan ook weldra, dat hij verloren was. Het lichaam van Stephanus +Bathory ontsnapte hem eindelijk geheel … Wel trachtte hij het, als laatste uiting +van zijn wilskracht, nog te grijpen; maar hij vond het niet meer en zelf werd hij +onder den waterspiegel medegesleept. +</p> +<p>Een hevige schok kneusde hem pijnlijk den schouder. Hij stak <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>instinctmatig de hand uit. Zijne vingeren grepen en omsloten een bundel wortels, die +in het water hingen. +</p> +<p>Die wortels behoorden tot een boomstronk, die door den bergstroom medegevoerd werd. +Mathias Sandorf klemde zich stevig aan dat wrakstuk vast en kwam toen aan de oppervlakte +der Foïba terug. Hij hield zich vast met de eene hand, maar zocht zijn makker met +de andere. +</p> +<p>Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen en werkte +hem met veel inspanning op den boomstronk, waarna hij naast hem plaats nam. Beiden +waren nu buiten dadelijk gevaar van te verdrinken, maar zij waren nu aan het lot van +dat wrakstuk verbonden en aan de grillen van de stroomingen en versnellingen van den +Buco overgeleverd. +</p> +<p>Graaf Sandorf was gedurende een oogenblik buiten kennis geraakt. Zijn eerste zorg +was, toen hij weer bijkwam, om maatregelen te nemen dat Stephanus Bathory niet van +den boomstam kon glijden. Uit overmaat van voorzorg plaatste hij zich achter hem, +zoodanig dat hij hem kon ondersteunen. Toen dat geschied was, keek hij rondom zich, +om waar te nemen of niet eenig daglicht in de grot drong. Hij zou dan den toestand +bij het verlaten van die spelonk kunnen overzien. Maar niets duidde aan, dat de uitgang +van dat eindeloos kanaal nabij was. +</p> +<p>Toch was de toestand der vluchtelingen eenigermate verbeterd. Die boomstronk was ongeveer +tien voet lang en zijn wortels, die op de watervlakte rustten, moesten verhinderen +dat hij zich onverwacht omkeerde. Wanneer zich geene geweldige schokken zouden voordoen, +dan scheen zijne stabiliteit verzekerd, hoewel de watermassa met kracht als langs +een hellend vlak schoot. Zijne snelheid kon dan ook gerekend worden op tien mijlen +in het uur, en was gelijk aan die van den bergstroom, die hen meesleepte. +</p> +<p>Mathias Sandorf had inmiddels zijne geheele koelbloedigheid teruggekregen. Hij poogde +toen zijn makker, wiens hoofd op zijne knieën rustte, tot bewustzijn terug te brengen. +Hij vergewiste zich dat zijn hart nog klopte, maar hij merkte daarbij op, dat hij +ter nauwernood nog maar adem haalde. Hij bukte zich over hem heen, sloot zijne lippen +op die van zijn vriend en blies zoo meerdere lucht in zijne longen. Misschien zou +de eerste inwerking van de ondergane verstikking nog geen onherstelbare verwoestingen +op de edele deelen aangericht hebben. +</p> +<p>En inderdaad, Stephanus Bathory begon zich te bewegen. Diepere en langere ademhalingen +verhieven zijne borstkas en openden zijne lippen. Eindelijk ontsnapten enkele woorden +aan zijn mond. +</p> +<p>„Mijne vrouw!.… Mijn zoon!.… Mathias!” +<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span></p> +<p>Geheel zijn bestaan lag in die woorden opgesloten. +</p> +<p>„Stephanus, hoort ge me?.… hoort ge me?” vroeg graaf Sandorf, die te midden van het +geloei van den bergstroom, hetwelk de gewelven van den Buco vervulde, schreeuwen moest. +</p> +<p>„Ja!.… Ja.…!” +</p> +<p>„Stephanus!.… Stephanus!.… hoort ge mij?” herhaalde graaf Sandorf, die wellicht de +twee woorden van zijn vriend niet verstaan had. +</p> +<p>„Ja!.… Ja!.…” herhaalde deze. „Ik hoor u!.… Spreek!.… Mijne hand in de uwe!.…” +</p> +<p>Nu had Mathias verstaan; want hij had zich voorovergebogen en zijn oor bij den mond +van zijn vriend gebracht. +</p> +<p>„Stephanus,” vervolgde hij, „wij zijn niet meer in onmiddellijk gevaar. Wij hebben +een wrakstuk dat ons torscht.… Waarheen?… Dat kan ik niet zeggen. Maar dat stuk hout +zal ons niet ontbreken!” +</p> +<p>„Mathias.… en de vestingtoren?.…” +</p> +<p>„Daar zijn wij reeds ver van daan! Men zal in de vesting gelooven, dat wij den dood +in de wateren van deze kolk gevonden hebben en men zal er voorzeker niet aan denken +om ons te achtervolgen! Waar die bergstroom ook zijne monding heeft, in zee of in +eene rivier, zal hij ons toch eene uitkomst leveren en wij zullen dan levend aanlanden. +Laat den moed dus niet zinken, Stephanus! Ik waak over je! Rust nog maar en herneem +krachten, want die zult ge weldra noodig hebben. Binnen weinige uren zijn we gered!.…” +</p> +<p>„Gered?.…” +</p> +<p>„Ja gered!.… en vrij!” +</p> +<p>„Gered en vrij?” +</p> +<p>„Ja, voorzeker!” +</p> +<p>„En Ladislas?” +</p> +<p>Graaf Mathias Sandorf beantwoordde die vraag niet. +</p> +<p>Wat zou hij er in Gods naam op hebben kunnen antwoorden? +</p> +<p>Ladislas Zathmar had slechts tijd gehad om zijne makkers den alarmkreet, dien hij +door het venster der cel geslaakt had, te doen hooren. Onmiddellijk daarop was hem +de vlucht onmogelijk gemaakt. Hij was gegrepen geworden en werd van toen af streng +bewaakt. Als zijne makkers voor hunnen persoon ook in de mogelijkheid daartoe geweest +waren, zouden zij toch niets hebben kunnen uitrichten. +</p> +<p>Stephanus Bathory had zijn hoofd achterover laten vallen. De physieke kracht ontbrak +hem om de loomheid, die hem bevangen had, te overwinnen. Maar Mathias Sandorf waakte +over hem en was op alles voorbereid, zelfs om het wrakhout te verlaten, wanneer <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>dat tegen een der hinderpalen, die te midden van de dikke duisternis, welke alom heerschte, +niet te voorzien en niet te vermijden waren, mocht verbrijzeld worden. +</p> +<p>Het kon ongeveer twee uur in den morgen zijn, toen de snelheid van den stroom en dus +ook die van den boomstronk aanmerkelijk scheen te minderen. Ongetwijfeld werd dat +onderaardsche kanaal gaandeweg breeder, waardoor de wateren een meer vrijen doortocht +tusschen die rotswanden vonden. Hun gang was dan ook meer regelmatig. Men mocht daaruit +wellicht de gevolgtrekking maken, dat het uiteinde van dat onderaardsche hol niet +ver meer verwijderd kon zijn. +</p> +<p>Maar weken de wanden terzijde uit, dan toonde het gewelf ter zelfder tijd eene neiging +om te dalen. Wanneer graaf Mathias Sandorf de hand ophief, dan raakte die de onregelmatige +krijtlagen en leisteenen, die boven zijn hoofd welfden. Soms hoorde hij een gedruisch +als van eene wrijving … dat was de een of andere worteltak van den boom, die, loodrecht +omhoog staande, met het uiteinde het gewelf aanraakte. Dan ontstonden hevige schokken, +die aan den stam medegedeeld werden, waardoor deze schommelde en zwaaide en waardoor +hij telkens van richting veranderde. Nu eens lag hij dwars in den stroom, dan weer +draaide hij om zijn lengte-as, dan weer om zijne breedte-as, zoodat de vrees om er +afgesleurd te worden niet ongegrond was. +</p> +<p>Toen dat gevaar, hetwelk zich herhaaldelijk voorgedaan had, voorbij was, bleef er +een ander over, waarvan graaf Sandorf alle de gevolgen koelbloedig berekende. Dat +was de waarschijnlijkheid, dat het gewelf der grot van den Buco bleef dalen. De drenkeling +had reeds de aanraking met dat rotsgewelf niet anders kunnen ontwijken, dan door zich +plotseling achterover uit te strekken, wanneer zijne hand eene uitstekende rots ontmoette. +Zou men dus weer in den stroom moeten dompelen? Wat hem betrof, dat zou nog gaan, +maar zou hij er in slagen om ook zijn makker boven water of hem zelfs onder de wateroppervlakte +bij zich te houden? En als dat onderaardsche kanaal zonder bovenruimte zich over een +langen afstand uitstrekte? Zou er dan mogelijkheid bestaan er levend uit te komen? +Neen!… neen!… dat zou onherroepelijk het einde zijn, na zooveel doodstrijd reeds doorworsteld +te hebben. +</p> +<p>Hoe geestkrachtvol Mathias Sandorf ook was, hij voelde de doodsangst hem de keel dichtsnoeren. +Hij begreep dat het kritiekste oogenblik, het uiteinde naderde. De wortels van den +boomstam wreven krachtiger tegen de rotssteenen van het gewelf en soms werd hij met +het vooreinde zoodanig onder water geduwd, dat zijne geheele oppervlakte overstroomd +werd. +<span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span></p> +<p>„Toch kan de uitgang van die spelonk thans niet ver meer zijn!” mompelde graaf Sandorf +in zich zelf. +</p> +<p>En dan trachtte hij uit te kijken, of geene lichtstraal daar voor hem uit de dikke +duisternis doorbrak. De nacht zou nu wel reeds zoo ver gevorderd zijn, dat de duisternis +daarbuiten zoo sterk niet meer was. Misschien verlichtten de bliksemstralen nog het +ruim daarbuiten den Buco. In dat geval zou wel een weinig licht in dit kanaal kunnen +indringen, dat de afgevoerd wordende wateren der Foïba niet meer scheen te kunnen +bevatten. +</p> +<p>Maar niets! Steeds niets! +</p> +<p>Steeds volkomen duisternis. +</p> +<p>Steeds het geloei van den bergstroom, welks schuim nog altijd zwart bleef. +</p> +<p>Plotseling werd een vreeselijke schok ondervonden. De boomstronk had met zijn vooreinde +tegen een grooten steen, die van het gewelf afhing, gestooten. Onder dien stoot keerde +de boom geheel en al om, maar graaf Sandorf liet hem niet los. Met de eene hand klemde +hij zich wanhopig aan de wortels vast, met de andere hand had hij zijn makker gegrepen +juist op het oogenblik, dat deze op het punt was om medegesleept te worden. Daarna +liet hij zich in het water glijden, dat thans tegen het gewelf brak. +</p> +<p>Zoo ging eene minuut voorbij. Mathias Sandorf had een gevoel alsof hij verloren was. +Instinctmatig weerhield hij zijn adem, om het weinigje lucht, dat in zijne longen +nog besloten was, zooveel mogelijk te sparen. +</p> +<p>Plotseling ondervond hij te midden van de watermassa, hoewel hij de oogen gesloten +hield, een gevoel, alsof een schel licht op zijne oogleden inwerkte. Een bliksemstraal +had geschitterd en werd onmiddellijk daarop gevolgd door het geratel van den donder. +</p> +<p>Eindelijk!.… daar was licht! +</p> +<p>De Foïba had inderdaad dat sombere onderaardsche kanaal verlaten en stroomde thans +onder den blooten hemel. Maar naar welk punt der kust stroomde zij? In welke zee zou +hare monding uitkomen? +</p> +<p>Dat was steeds het onoplosbare vraagstuk. +</p> +<p>En toch was ’t het vraagstuk van leven en dood. +</p> +<p>De boomstam was ook op de wateroppervlakte teruggekomen. Stephanus Bathory werd steeds +stevig vastgehouden door Mathias Sandorf, die er eindelijk door eene buitengewone +krachtsinspanning in slaagde om hem weer op het wrakstuk uit te strekken en achter +hem plaats te nemen. +</p> +<p>Daarna keek hij vooruit, rondom zich, boven zich. +</p> +<p>Achter hem begon eene zwarte massa in de nevelen te verdwijnen, alsof zij uitgewischt +werd. Dat was de kolossale rotsklomp, die den <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>Buco vormt en waardoor het onderaardsche hol liep, hetwelk doorgang aan de wateren +der Foïba verleende. De dag werd reeds door een zwak licht aangekondigd, dat in het +zenith waargenomen werd, en nog ijl was als die sterren-nevelvlekken, welke het oog +ter nauwernood gedurende de helderste winternachten kan bespeuren. Van tijd tot tijd +werden de achtergelegen vakken van den gezichteinder door bliksemstralen verlicht, +terwijl de donder statig maar dof rolde. Het onweer verwijderde zich of was uitgeraasd, +nadat het al de electrische stof, in het ruim voorhanden, verbruikt had. +</p> +<p>Mathias Sandorf liet zijne blikken niet zonder angst rechts en links rondwaren. Hij +kon toen bemerken, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen steile rotswanden +voortstroomde. +</p> +<p>Het was dus eene stroomversnelling, die de vluchtelingen te midden van stroomingen, +tegenstroomingen en kolken medevoerde. Maar het uitspansel, het oneindige strekte +zich boven hun hoofd uit en niet meer dat lage gewelf, hetwelk hen ieder oogenblik +dreigde den schedel te verbrijzelen. Er was evenwel geen oever, geen strand, waarop +zij vasten voet zouden kunnen verkrijgen, zelfs geen talud, geene helling, waarop +zij aan land hadden kunnen gaan. De Foïba was als het ware tusschen twee steile muren +ingekist. Het was een smal kanaal met loodrechte wanden, die door de wateren glad +geschuurd waren. +</p> +<p>De laatste indompeling had tot gevolg gehad, om Stephanus Bathory tot bewustzijn te +doen terugkeeren. Zijne hand had die van Mathias Sandorf gezocht en natuurlijk gevonden. +</p> +<p>Deze boog zich over zijn vriend en sprak hem toe: +</p> +<p>„Gered!” +</p> +<p>Maar.… had hij wel het recht dat woord uit te spreken? +</p> +<p>Gered?.… Hij wist niet eens waarheen die bergstroom hen voerde! +</p> +<p>Gered?.… Hij wist niet eens door welke landstreek zij dreven! +</p> +<p>Gered?.… Hij kon niet weten, wanneer hij dat wrakhout zou kunnen verlaten! +</p> +<p>En toch, de graaf was zoodanig door geestkracht bezield, dat hij, terwijl hij zich +overeind op den boomstronk oprichtte, drie malen met krachtige stem dat woord herhaalde: +</p> +<p>„Gered! Gered! Gered!” +<span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span> +</p> +<div class="figure p113width"><img src="images/p113.jpg" alt="Hij kon toen ontwaren, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen de steile rotswanden voortstroomde. (Bladz. 112.)" width="503" height="720"><p class="figureHead">Hij kon toen ontwaren, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen de steile +rotswanden voortstroomde. (Bladz. 112.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb112a">[<a href="#pb112a">112</a>]</span></p> +<p>Ja, die woorden klonken luid. Maar om het even, wie zou ze hier hooren? Niemand was +op de naakte rotsen te ontdekken, waarop zelfs ietwat humus, ietwat teelaarde ontbrak, +en waarop slechts rotssteenen, keien en leisteenen aangetroffen werden, waar zelfs +niet zooveel grond aanwezig was, om eenige struikjes te voeden. De landstreek, die +zich achter die hooge oevernokken uitstrekte, kon geen enkel menschelijk wezen lokken. +Het was eene rampzalige <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>streek, waardoor de Foïba stroomde, die ingekerkerd was, zooals slechts een afwateringskanaal +tusschen zijne granietmuren kan zijn. Geen enkel beekje kwam onderweg den stroom voeden. +Geen vogel schoor over de watervlakte, zelfs geen enkele visch waagde zich in die +te snelvlietende wateren. Hier en daar staken boven de oppervlakte groote rotsen uit, +welker volkomen droge brokken genoegzaam aanduidden, dat het heerschende geweld van +dien waterstroom slechts aan eene kortstondige rijzing te danken was, welke door de +laatstgevallen regens veroorzaakt werd. +</p> +<p>In gewone tijden kon de bedding der Foïba niets meer dan een diep ingesneden ravijn +zijn. +</p> +<p>Het was daarenboven niet te vreezen, dat de boomstronk op de rotstoppen geworpen werd. +Hij vermeed ze uit zichzelven, door den stroomdraad te volgen, die er omheen voerde. +Het zou ook onmogelijk geweest zijn het vervoermiddel der vluchtelingen uit dien stroomdraad +te brengen, ook om zijne snelheid te remmen, om bijvoorbeeld eenig punt des oevers +aan te doen, voor het geval dat de mogelijkheid bestond om aan wal te gaan. +</p> +<p>Zoo ging in die omstandigheden nog een uur voorbij, zonder dat men zich om een onmiddellijk +gevaar had te bekommeren. De laatste bliksemschichten waren van den hemel verdwenen. +In de verte werd van het onweder niets anders vernomen, dan een dof gerommel, dat +door de hoogere wolken, die boven aan het uitspansel lange vederachtige strepen vormden, +afgestompt werd. +</p> +<p>Het daagde reeds bij de kim en een wit licht bleekte het donkere azuur van de lucht, +die door de nachtelijke buien geheel gezuiverd was. +</p> +<p>Stephanus Bathory zat half overeind en rustte in de armen van graaf Sandorf, die voor +hem waakte. +</p> +<p>In dit oogenblik werd eene verwijderde losbranding in zuidwestelijke richting vernomen. +</p> +<p>„Wat kan dat zijn?” vroeg Mathias Sandorf zich af. „Is het een kanonschot, dat de +dageraad en de opening van de een of andere haven aankondigt?” +</p> +<p>In dat geval zouden zij niet ver van de kust verwijderd zijn. Dat moest hij erkennen. +</p> +<p>Welke haven kon dat wezen? Triëst? +</p> +<p>Neen! want daar is het oosten, daar aan dien kant, waar de zon op het punt is te verschijnen. +</p> +<p>Zou het Pola zijn, de haven, die op het zuidelijke uiteinde van Istrië gelegen is? +</p> +<p>Maar … dan is … +</p> +<p>Een tweede losbarsting weerklonk en werd dadelijk daarop door eene derde gevolgd. +<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p> +<p>„Drie kanonschoten?” vroeg graaf Sandorf zich zelven af. „Zou dat het sein niet eerder +zijn van een embargo voor de schepen, die uit zeilen willen?” +</p> +<p>En na eenig nadenken, mompelde hij: +</p> +<p>„Zou dat in verband staan met onze ontvluchting?” +</p> +<p>Dat was inderdaad te vreezen. +</p> +<p>De autoriteiten hadden voorzeker geen enkele voorzorg verwaarloosd om de vluchtelingen +het verdere ontsnappen te beletten, wanneer het hun gelukken mocht een vaartuig te +bereiken. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e2295" title="Niet in bron">„</span>Dat God ons thans te hulp kome!” mompelde graaf Sandorf. „Hij alleen kan ons helpen!” +</p> +<p>De hooge rotswanden, die de Foïba omgaven, begonnen langzamerhand lager te worden, +terwijl zij zich verder van elkander verwijderden. Toch was er nog niets van het omliggende +land te verkennen. Plotselinge buigingen, scherpe hoeken maskeerden den horizon en +begrensden den gezichtskring tot eenige honderden voeten. Onder die omstandigheden +was het <span class="corr" id="xd33e2299" title="Bron: orienteeren">oriënteeren</span> totaal onmogelijk. +</p> +<p>Het bed der rivier, dat thans zeer verbreed was, bleef steeds stil en eenzaam en veroorloofde +de wateren met minder snelheid voort te stuwen. Eenige boomstammen, die bovenstrooms +ontworteld waren, volgden den stroomdraad statig en bijna langzaam. Die Juni-ochtend +was vrij frisch. De vluchtelingen klappertandden en bibberden onder hunne doornatte +kleeding. Het werd hoog tijd dat zij eene schuilplaats vonden, waar de zon hunne vodden +kon drogen. +</p> +<p>Tegen vijf uur werden de laatste uitloopers van het gebergte vervangen door lage oevers, +die zich in eene effen en kale landstreek ontwikkelden. De Foïba liep toen langs eene +bedding, die zeker eene halve mijl breed was en ging weldra in eene groote uitgestrektheid +water over, die den naam van meer of ten minste van meertje verdiend zou nebben. Geheel +aan het uiteinde in het westen werden eenige visschersvaartuigen ontwaard, sommige +nog voor anker liggende, andere bezig met zeil te zetten om van de lichte morgenbries +gebruik te maken; zij schenen er op te wijzen dat dit meertje een havenkom was, die +breed uitgesneden in de kust voorkwam. +</p> +<p>De zee kon dus niet ver meer af zijn, het was dus onze vluchtelingen als aangewezen +om haar op te zoeken. Het zou evenwel niet voorzichtig genoemd kunnen worden eene +schuilplaats aan die visschers te gaan verzoeken. Zich aan hun toevertrouwen, zou, +voor het geval zij van de ontvluchting kennis droegen, groot gevaar opleveren, om +aan de Oostenrijksche maréchaussées, die toch de landstreek doorzoeken moesten, uitgeleverd +te worden. +</p> +<p>Graaf Mathias Sandorf wist waarachtig niet waartoe te besluiten, toen de boomstronk +tegen een anderen stiet, die ternauwernood <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>met de wateroppervlakte gelijk bij den linkeroever van het meertje in de modder vastgeklonken +lag en bewegingloos bleef liggen, alsof hij voor anker gekomen was. Zijne wortels +verwarden zich zoo stevig in een boschje struikgewas, dat zij daarin vast bleven zitten +en de boomstronk langs den oever gleed als eene sloep, die het touw, waarmede zij +vastgelegd is, strak loopt. +</p> +<p>Graaf Sandorf stapte op den oever over, evenwel niet zonder eenige voorzorgsmaatregelen +genomen te hebben. Hij verzekerde zich, dat niemand hem kon bespeuren. +</p> +<p>Zoo ver zijn blik ook droeg, zag hij geen enkel menschelijk wezen, visscher of iemand +anders op of langs dit gedeelte van het meertje. +</p> +<p>En toch lag er een man op het zand op minder dan tweehonderd passen uitgestrekt, die +vandaar de beide vluchtelingen zeer goed kon waarnemen. +</p> +<p>Toen graaf Sandorf vermeende, dat hij veilig was, stapte hij weer op den boomstronk, +tilde zijn makker in zijne armen op en lei hem zacht op den oever neer, steeds zonder +iets te weten van de streek, waarin hij zich bevond, noch van de richting die men +zou moeten inslaan. +</p> +<p>De uitgestrektheid water, die de Foïba tot monding strekte, was noch een meertje, +noch een meer, maar een haft. Men noemt haar daar ter plaatse het kanaal van Léma. +Het heeft gemeenschap met de Adriatische zee door eene smalle insnijding, welke tusschen +Orsera en Rovigno op de westkust van het Istrische schiereiland gelegen was. Maar +men wist toen niet dat het de wateren der Foïba waren, die, na de spelonk van den +Buco doorstroomd te hebben, dat haft kwamen voeden. +</p> +<p>Op weinige passen van den oever stond eene jagershut. Graaf Sandorf en Stephanus Bathory +traden er in, om eenige rust te genieten en om hunne krachten te herstellen. Daar +ontdeden zij zich van hunne kleederen, die in de stralen van de warme Juni-zon spoedig +zouden gedroogd zijn. Daarna wachtten zij. +</p> +<p>De visschersvaartuigen hadden het kanaal van Léma verlaten en, zoover het oog peilen +kon, was de kust eenzaam en stil. +</p> +<p>In dit oogenblik stond de man, die dat schouwspel gadegeslagen had, op, naderde de +hut, alsof hij er de ligging goed van wilde opnemen; daarna verdween hij in zuidelijke +richting, terwijl hij een ietwat verheven kusthoek omsloeg. +</p> +<p>Drie uren later hadden graaf Sandorf en zijn makker hunne kleederen weer kunnen aantrekken, +die evenwel nog vochtig waren. Maar het werd tijd om te vertrekken. +</p> +<p>„Wij kunnen niet langer in die hut blijven,” zei Stephanus Bathory. +</p> +<p>„Voelt ge u sterk genoeg om de reis te aanvaarden?” vroeg Mathias Sandorf. +<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p> +<p>„Ik ben flauw en uitgeput door den honger.” +</p> +<p>„Laten wij de kuststrook volgen. Wellicht dat wij er in slagen ons eenig voedsel te +verschaffen, ook om ons in te schepen! Kom, Stephanus!” +</p> +<p>Beiden verlieten de hut, maar gevoelden zich klaarblijkelijk meer verzwakt door de +ontbering dan door de vermoeienis. +</p> +<p>Het plan van graaf Sandorf was, om den zuidelijken oever van het kanaal van Léma te +volgen, teneinde de zeekust te bereiken. +</p> +<p>Maar was ook al de landstreek eenzaam en verlaten, zoo krioelde zij toch van beken, +die allen naar het haft stroomden. Onder den invloed van dat vochtige net, was dit +gedeelte van den oever slechts een vast moeras, waarvan de papachtige bodem geen enkel +steunpunt aanbood. Men moest dat dus omtrekken door zuidwaarts af te houden. Die richting +was gemakkelijk waar te nemen bij de klimmende baan der zon. De vluchtelingen schreden +zoo gedurende twee uren voort, zonder een enkel menschelijk wezen te ontmoeten, maar +ook zonder den honger, die hen teisterde, te kunnen stillen. +</p> +<p>Later werd het land langzamerhand minder schraal. Een weg vertoonde zich, die van +het oosten naar het westen liep. De vluchtelingen bespeurden een mijlsteen, die niets +omtrent de landstreek, waarin zich graaf Sandorf en Stephanus Bathory blindelings +waagden, te kennen gaf. Evenwel eenige moerbeziënheggen en verder een sorgho-veld +veroorloofde hen zoo niet hunnen honger te stillen, dan toch de behoefte van hun maag +bedriegelijk tevreden te stellen. De rauwe sorgho, die zoo maar uit de vuist verorberd +werd, de frissche <span class="corr" id="xd33e2331" title="Bron: moerbeiën">moerbeien</span> waren evenwel voldoende om te beletten van honger neer te vallen, vóórdat zij de +kust bereikt hadden. +</p> +<p>Maar nu die landstreek meer bewoonbaar werd, nu eenige akkers bewezen dat een menschenhand +aan het werk geweest was, nu moest men ook verwachten bewoners te ontmoeten. +</p> +<p>Dat gebeurde inderdaad zoo tegen het middaguur. +</p> +<p>Vijf of zes voetgangers verschenen op den weg. Voorzichtigheidshalve wilde graaf Mathias +Sandorf zich niet laten bemerken. Gelukkig ontwaarde hij eene heining om den bouwval +van eene pachthoeve, die op ongeveer vijftig passen ter linkerzij van den weg gelegen +was. Daar vonden hij en zijn makker, nog vóórdat zij ontdekt waren, eene schuilplaats +in een donker vertrek. Er bestond veel kans, dat zij niet ontdekt werden wanneer de +een of andere voorbijganger bij die pachthoeve stil hield, en zij konden er desnoods, +tot de nacht ingevallen was, blijven. +</p> +<p>Die voetgangers waren boeren en zoutvervaardigers. De meesten hunner dreven troepen +ganzen naar de markt van eene stad of van een dorp, dat niet ver verwijderd van het +kanaal van Léma lag. <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>Mannen en vrouwen waren volgens de Istrische mode gekleed met de juweelen, medailles, +oorbellen, borstkruizen, horlogekettingen met aanhangselen, die de kleederdrachten +der beide geslachten versierden. Wat de zoutvervaardigers betrof, zij waren eenvoudig +gekleed; zij droegen een randsel op den rug, een knuppel in de hand, en begaven zich +naar de naburige zoutpannen, wellicht naar de meer belangrijke te Stagnon of te Pirano, +in het westen van de provincie gelegen. +</p> +<p>Sommigen stonden, bij de pachthoeve aangekomen, een oogenblik stil, anderen zetten +zich op den drempel neder en praatten niet zonder levendigheid met elkander, evenwel +slechts over zaken, die op hunnen handel betrekking hadden. +</p> +<p>De beide vluchtelingen, in hun hoek verscholen, luisterden. +</p> +<p>Misschien droegen die lieden reeds kennis van hunne ontvluchting en zouden zij er +over praten. +</p> +<p>Misschien zouden zij zich ook woorden laten ontvallen, waaruit graaf Sandorf kon opmaken +in welke landstreek van Istrië zijn makker en hij zich bevonden. +</p> +<p>Geen enkel woord evenwel werd over dat onderwerp gewisseld en men moest zich dus steeds +met gissingen tevreden stellen. +</p> +<p>„Daar de lieden over onze ontvluchting niet spreken,” zei graaf Sandorf, „valt daaruit +op te maken, dat zij nog niet ter hunner kennis gekomen is.” +</p> +<p>„Dat zou als bewijs kunnen opgenomen worden, dat wij reeds ver van de vesting verwijderd +zijn.” +</p> +<p>„Ja, zeker!” +</p> +<p>„Rekent men de snelheid van den bergstroom, die ons door zijn onderaardsche gang gedurende +zes volle uren meesleurde, dan kunnen wij er niet verbaasd over zijn.” +</p> +<p>„Neen zeker niet!” antwoordde graaf Sandorf. +</p> +<p>„En het moet zoo zijn,” sprak Bathory. +</p> +<p>Evenwel twee uren later hoorden zij eenige zoutvervaardigers, die de pachthoeve voorbij +stapten, zonder zich op te houden, praten over eene brigade maréchaussées, die zij +bij de poort van de stad ontmoet hadden. +</p> +<p>Welke stad?.… +</p> +<p>Die werd niet genoemd. +</p> +<p>Dat bericht was volstrekt niet geschikt, om onze vluchtelingen gerust te stellen. +</p> +<p>Wanneer maréchaussées de streek doorkruisten, dan was dat waarschijnlijk met het doel +om hen op te sporen. +</p> +<p>„En toch,” zei Stephanus Bathory, „naar de omstandigheden, waaronder wij ontsnapt +zijn, moet men meenen dat wij dood zijn en van eene opsporing afzien.…” +<span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span></p> +<p>„Men zal slechts aan onzen dood gelooven, wanneer men onze lijken gevonden zal hebben,” +antwoordde Mathias Sandorf. +</p> +<p>Hoe het ook zij, dat was buiten kijf, dat de politie op de been was en de vluchtelingen +zocht. Zij besloten dan ook om in de pachthoeve verscholen te blijven, totdat de nacht +ingevallen zou zijn. De honger kwelde hen; maar zij durfden hunne schuilplaats niet +verlaten en daar deden zij goed aan. +</p> +<p>Dien avond tegen vijf uren, naderde inderdaad een kleine ruiterbende. Men kon den +hoefslag op den weg hooren weerklinken. +</p> +<p>Graaf Sandorf, die, over den grond kruipende, de deur van de omheining genaderd was, +keerde haastig naar zijn makker weder en trok hem met zich voort tot in den donkersten +hoek van het vertrek. +</p> +<p>Daar schuilden beiden onder een hoop struiken weg en hielden zich zoo onbewegelijk +mogelijk. +</p> +<p>Een zestal maréchaussées, aangevoerd door een brigadier, reden langs den weg en richtten +zich oostwaarts. „Zouden zij bij de pachthoeve stil houden?” vroeg graaf Sandorf zich +niet zonder angst af. Wanneer de maréchaussées dien bouwval doorzochten, dan kon het +niet missen, of zij moesten de verscholenen ontdekken. +</p> +<p>Zij hielden bij die plaats stil. De brigadier commandeerde halt. Twee maréchaussées +en hij stegen van het paard, terwijl de anderen in het zadel bleven. +</p> +<p>Deze kregen bevel om de streek in de nabijheid van het kanaal van Léma te doorzoeken +en daarna op de pachthoeve terug te trekken, waar men hen tot des avonds zeven uren +wachten zou. +</p> +<p>De vier maréchaussées verwijderden zich en reden den weg op. De brigadier en de twee +anderen bonden hunne paarden aan de spijlen van een half vergane omheining vast, die +de pachthoeve omgaf. Daarna gingen zij buiten het gebouw zitten en begonnen te praten. +De vluchtelingen konden van uit het vertrek, waar zij verscholen waren, alles hooren. +</p> +<p>„Ja, hedenavond moeten wij naar de stad terugkeeren,” antwoordde de brigadier op eene +vraag, die door een zijner maréchaussées gedaan was. „Daar zullen wij instructies +voor den nachtdienst erlangen. De telegraaf zal waarschijnlijk wel nieuws van Triëst +aangebracht hebben.” +</p> +<p>De besproken stad was dus Triëst niet. Dat was eene bijzonderheid, die graaf Sandorf +niet ontging. +</p> +<p>„Is het niet te vreezen, dat de vluchtelingen, terwijl wij hen hier zoeken, het kanaal +van Quernaro bereikt hebben?” vroeg een der maréchaussées. +</p> +<p>„Dat’s zeer goed mogelijk,” antwoordde de andere. +</p> +<p>„Waarom?” vroeg de brigadier. +<span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span></p> +<p>„Omdat zij daar beter in veiligheid zijn dan hier.” +</p> +<p>„Als zij daarheen getrokken zijn, loopen zij hetzelfde gevaar om ontdekt te worden +als hier.” +</p> +<p>„Meent ge, brigadier?” +</p> +<p>„Voorzeker; want de geheele kust van het eene einde van de provincie tot het andere +wordt bewaakt.” +</p> +<p>Een tweede bijzonderheid, die niet vergeten mocht worden. Graaf Sandorf en zijn makker +bevonden zich dus wel degelijk op de westkust van Istrië, dat wil zeggen bij den oever +van de Adriatische zee en niet op den oever van het tegenovergelegen kanaal, dat tot +Fiuma en waarschijnlijk verder reikt. +</p> +<p>„Ik denk dat men ook wel nasporingen in de zoutpannen van Pirano en van Capo d’Istria +zal verrichten,” hernam de brigadier. „Men kan zich daar gemakkelijker schuil houden, +en een vaartuig bemachtigen om de Adriatische zee over te steken.” +</p> +<p>„Ho, ho! brigadier!” riep een der maréchaussées uit. +</p> +<p>„Rimini of Venetië zijn niet ver.” +</p> +<p>„Zij hadden beter gedaan, stil den dood in hunne cel af te wachten,” antwoordde de +andere maréchaussée wijsgeerig. +</p> +<p>„Ja”, meende de andere, „vroeg of laat zal men hen toch wel snappen, als men hunne +lijken niet uit den Buco opvischt! Dan was het uit. En dan hadden wij bij die hitte +het land niet af te loopen, wat geen baantje is.” +</p> +<p>„En wie zegt je dat het niet uit is?” hernam de brigadier. „De Foïba heeft zich waarschijnlijk +belast met de terechtstelling, en de veroordeelden konden geen slechteren weg dan +dien kiezen om uit den vestingtoren van de citatel van Pisino te geraken, dan toen +de wateren zoo gezwollen waren!” +</p> +<p>De Foïba, dat was dus de naam der rivier, die graaf Sandorf en zijn lotgenoot meêgesleurd +had. +</p> +<p>De citadel van Pisino, dat was de vesting waarin zij, na hunne gevangenneming, gekerkerd, +verhoord en veroordeeld waren! +</p> +<p>Daar was het, dat zij zouden zijn doodgeschoten. +</p> +<p>Het was uit den vestingtoren van die citadel, dat zij ontsnapt waren! +</p> +<p>Graaf Sandorf kende de stad Pisino goed. Hij was dus omtrent dit voor hen zoo belangrijke +punt ingelicht en het zou alzoo aan het toeval overgelaten moeten worden, hoe en waarheen +zij het Istrische schiereiland doortrekken zouden, wanneer namelijk de vlucht nog +mogelijk geoordeeld werd. +</p> +<p>Het gesprek der maréchaussées ging niet verder; maar door die weinige woorden hadden +de vluchtelingen alles vernomen wat belangrijk voor hen was te weten. Alleen hadden +zij nog niet <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>vernomen, welke stad het meest nabij het kanaal van Léma op de kust van de Adriatische +zee gelegen was. +<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span> +</p> +<div class="figure p121width"><img src="images/p121.jpg" alt="Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen, wanneer dat de vluchtelingen waren. (Bladz. 123.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen, wanneer dat de vluchtelingen +waren. (Bladz. 123.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb122a">[<a href="#pb122a">122</a>]</span></p> +<p>De brigadier was intusschen opgestaan. Hij stapte langs de omheining van de pachthoeve +op en neer en keek of de uitgezonden manschappen nog niet terugkwamen. Hij trad twee +of drie malen in de bouwvallige woning en bezocht er al de kamers van, eer uit gewoonte +aan zijn vak eigen, dan uit achterdocht. Hij kwam zelfs tot bij de deur van het vertrek, +waarin de vluchtelingen zaten, en zij zouden zeker ontdekt zijn, wanneer er geen dikke +duisternis geheerscht had. De brigadier trad zelfs binnen en raakte met het benedeneinde +van zijn sabelschede lichtelijk den hoop struiken aan, waaronder zij verscholen waren. +In dit oogenblik ondervonden graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory eene afwisselende +reeks van angstige gevoelens, die onmogelijk te beschrijven zijn. +</p> +<p>Zij waren evenwel vast besloten om hun leven zoo nadrukkelijk mogelijk te verdedigen, +wanneer zij zouden ontdekt worden. O, in dat geval zouden zij voor niets terugdeinzen. +Zij zouden zich dan op den brigadier werpen, zij zouden dan van zijne verrassing en +schrik gebruik maken om hem zijne wapens te ontrukken, zij zouden hem en zijne manschappen +aanvallen, hen dooden of zelf vallen. Dat alles dwarrelde door hun brein. +</p> +<p>De brigadier werd evenwel een oogenblik later naar buiten geroepen, zoodat hij het +vertrek verliet, zonder er iets verdachts bespeurd te hebben. De vier maréchaussées, +die op verkenning uitgezonden werden, waren op de pachthoeve teruggekeerd. In weerwil +van hunnen ijver, hadden zij van de vluchtelingen geen spoor ontdekt in die geheele +streek, besloten tusschen de kust en het kanaal van Léma. Zij kwamen evenwel niet +alleen terug. Een man vergezelde hen. +</p> +<p>Dat was een Spanjool, die dagelijks in de zoutpannen in den omtrek arbeidde. Hij was +op weg om naar de stad terug te keeren, toen de maréchaussées hem ontmoet hadden. +Daar hij hen vertelde dat hij de landstreek tusschen de stad en de zoutpannen doorgetrokken +was, besloten zij hem bij hunnen brigadier te brengen, opdat deze hem zou kunnen ondervragen. +</p> +<p>Die man weigerde volstrekt niet om hen te volgen. +</p> +<p>Toen hij in de tegenwoordigheid van den brigadier gekomen was, vroeg deze hem of hij +of andere zoutmakers de aanwezigheid van twee vreemde personen opgemerkt hadden. +</p> +<p>„Neen, brigadier,” antwoordde de man, „maar heden ochtend, een uur nadat ik de stad +verlaten had, heb ik twee mannen waargenomen, die bij de punt van het kanaal van Léma +aan wal kwamen. +</p> +<p>„Twee mannen, zegt ge?” vroeg de brigadier. +<span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span></p> +<p>„Ja; maar daar men in den omtrek meende dat de terechtstelling hedenochtend in de +vesting van Pisino had plaats gehad en daar men van de ontsnapping nog niets wist, +heb ik geene aandacht aan die mannen gewijd. Nu ik weet wat er van aan is, zou het +mij niet verwonderen, wanneer dat de vluchtelingen waren.” +</p> +<p>Graaf Sandorf en Stephanus, steeds in hun donker vertrek verscholen, hoorden woord +voor woord dat gesprek, hetwelk zoo belangrijk voor hen was. Dus op het oogenblik, +dat zij op den oever van het kanaal Léma voet aan wal zetten, waren zij bespeurd geworden. +</p> +<p>„Hoe heet ge?” vroeg de brigadier. +</p> +<p>„Ik?” +</p> +<p>„Ja, gij.” +</p> +<p>„Wat hebt ge met mijn naam te maken? Ik ben niet ontvlucht.” +</p> +<p>„Om het even. Ik moet dien weten.” +</p> +<p>„Welnu, ik heet Carpena.” +</p> +<p>„En uw beroep?” +</p> +<p>„Mijn beroep?” vroeg Carpena aarzelend. +</p> +<p>„Ja, uw beroep. Kom, maak voort.” +</p> +<p>„Ik ben arbeider in de zoutpannen van dit land.” +</p> +<p>„Uw geboorteland?” +</p> +<p>„Wat hebt ge daar toch mee te maken?” +</p> +<p>„Antwoord slechts, het waarom gaat u niet aan.” +</p> +<p>„Welnu, ik ben Spanjaard.” +</p> +<p>„Waar geboren?” +</p> +<p>„Te Catana, eene plaats aan de Middellandsche Zee.” +</p> +<p>De brigadier, die schrijfgereedschap voor den dag gehaald had, teekende dat alles +op. +</p> +<p>„Zoudt gij die mannen herkennen?” ging hij voort met vragen. +</p> +<p>„Welke mannen?” +</p> +<p>„Houd je nu niet dom. Die mannen, die ge hedenochtend op den oever van het kanaal +van Léma gezien hebt?” +</p> +<p>„Herkennen?.… Dat is maar zoo wat.” +</p> +<p>„Herinner je goed.” +</p> +<p>„Ik heb hen zoo niet gadegeslagen.” +</p> +<p>„Kom, met wat goeden wil.” +</p> +<p>„Nu, ik meen ja.” +</p> +<p>„Ja, wat?” +</p> +<p>„Dat ik ze herkennen zou.” +</p> +<p>„Welnu, dan moet ge naar de stad gaan en daar uwe verklaring bij de politie afleggen +en u ter harer beschikking stellen. +</p> +<p>„Maar.…” +</p> +<p>„Doe wat ik je beveel.” +</p> +<p>„Ik zal het doen.” +<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p> +<p>„Weet ge dat er vijfduizend gulden belooning uitgeloofd zijn …” +</p> +<p>„Vijfduizend guldens,” vroeg Carpena verbaasd. +</p> +<p>„Ja, vijfduizend gulden, voor hem die de vluchtelingen opspoort”. +</p> +<p>„Het is een mooie som,” sprak de Spanjaard met hebzuchtige stem. +</p> +<p>„En de galeien voor hem, die hen eene schuilplaats verleent.” +</p> +<p>„Drommels, dat is geen gekheid.” +</p> +<p>„Neen, zeker niet.” +</p> +<p>„Het is goed dat ik het weet.” +</p> +<p>„Ga nu,” zei de brigadier. +</p> +<p>„Maar die vijfduizend guldens.…” +</p> +<p>„Kom, geen praatjes,” zei de vertegenwoordiger der openbare macht, „ga nu dadelijk +naar de stad.” +</p> +<p>De mededeeling door den Spanjaard gedaan, had tot dadelijk gevolg dat de maréchaussées +zich verwijderden. +</p> +<p>De brigadier gelastte zijne manschappen om op te stijgen. Daarna vertrok hij, in weerwil +dat de nacht reeds ingevallen was, om de boorden van het kanaal van Léma meer nauwgezet +te gaan doorzoeken. +</p> +<p>Wat Carpena betrof, deze ging dadelijk den weg naar de stad op, terwijl hij in zichzelven +mompelde, dat met een beetje geluk, de gevangenneming van de vluchtelingen hem een +aardige som geld kon opbrengen, die wel op den inboedel van graaf Sandorf gevonden +zou worden. +</p> +<p>Mathias Sandorf en Stephanus Bathory bleven evenwel nog een geruimen tijd verscholen +en verlieten het donkere vertrek niet, dat hun tot schuilplaats gestrekt had. +</p> +<p>Zij dachten na. En daarvoor bestonden waarlijk alle redenen. De maréchaussées zaten +hen achterna, zij waren gezien geworden en konden herkend worden. De Istrische provinciën +boden hun dus geene veiligheid aan. Zij moesten derhalve dit land binnen den kortst +mogelijken tijd verlaten, hetzij door de Adriatische zee over te steken om zich naar +Italië te begeven, hetzij door Dalmatië en de militaire grenzen door te trekken, om +zoo buiten de landpalen van Oostenrijk te geraken. +</p> +<p>Het eerste plan bood veel meer kansen van welslagen aan, wanneer namelijk de vluchtelingen +zich van een vaartuig konden meester maken, of dat zij den een of anderen visscher +konden overreden om hen naar de Italiaansche kust over te zetten. +</p> +<p>Dat plan werd dan ook aangenomen en tot die poging besloten. +</p> +<p>Om dat ten uitvoer te brengen, richtten graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory +zich, nadat zij tegen half acht ongeveer, toen de duisternis dik genoeg was, den bouwval +van de pachthoeve verlaten hadden, westwaarts, met het doel om de kust van de <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>Adriatische zee te bereiken. Zij waren reeds dadelijk verplicht om den weg te volgen, +ten einde niet in de moerassen van de Léma te geraken. +</p> +<p>Wanneer zij evenwel die hun onbekende baan volgden, zouden zij dan niet in de stad +terecht komen, die natuurlijk in verbinding stond met het binnenland van Istrië? +</p> +<p>Gingen zij daardoor niet het grootste gevaar tegemoet? +</p> +<p>Zeker, was het dat. Maar hoe konden zij anders handelen? +</p> +<p>Het was omstreeks negen uur, toen de zwarte omtrekken eener stad zich ongeveer op +een kwartmijl afstand in het donker voordeden. Het zou <span class="corr" id="xd33e2484" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> geweest zijn dat niet te ontwaren. +</p> +<p>Het was eene opeenhooping van huizen, die zich lomp verhieven op eene rotsmassa, die +de zee beheerschte als ook een havenkom, die diep in de kust ingesneden was. Het geheel +werd beheerscht door een soort vlot, dat zich, in somberen stijl gebouwd, vertoonde +en waaraan de duisternis onmogelijke afmetingen verleende. +</p> +<p>Mathias Sandorf was vast besloten om die stad niet binnen te treden, waar de aankomst +van beide vreemdelingen dadelijk bekend zoude worden. +</p> +<p>Het kwam er dus op aan om haar om te trekken, om zoo mogelijk een der kustpunten te +bereiken. +</p> +<p>Maar dat kon niet uitgevoerd worden, zonder dat de beide vluchtelingen buiten hun +medeweten gevolgd werden door dienzelfden man, die hen reeds op den oever van het +kanaal van Léma bespied had, toen zij voet aan wal zetten. Dat was dezelfde Carpena, +wiens verklaring aan den brigadier van de maréchaussées zij hadden hooren afleggen. +Inderdaad had de Spanjaard, verlekkerd door de uitgeloofde premie, zich ter zijde +opgesteld, toen hij naar huis wilde terugkeeren, om zoo den weg beter waar te nemen. +Het toeval was hem gunstig, voor de arme vluchtelingen echter ongunstig geweest; want +het lot had hem op het spoor der rampzaligen gebracht. +</p> +<p>In hetzelfde oogenblik bijna dreigde een bende politie-agenten, die door een der stadspoorten +naar buiten stapten, de vluchtelingen den weg af te snijden. Zij hadden ternauwernood +den tijd om zich ter zijde te werpen. Daarna richtten zij zich ijlings naar het strand, +daarbij den buitenmuur der buitenhaven volgende. +</p> +<p>Daar stond eene bescheiden visschershut met hare kleine vensters, waardoor het licht +scheen. De deur stond op een kier open. +</p> +<p>Wanneer Mathias Sandorf en Stephanus Bathory daar geene schuilplaats vonden, wanneer +men weigerde hen op te nemen, dan waren zij reddeloos verloren. +</p> +<p>Daarin eene toevlucht zoeken, was waarlijk alles op één worp wagen! +<span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span></p> +<p>Maar konden zij, mochten zij in de omstandigheden, waarin zij zich bevonden, aarzelen? +</p> +<p>Graaf Sandorf en zijn lotgenoot liepen naar de deur toe en bleven op den drempel stil +staan. +</p> +<p>In het binnenvertrek hield een man zich onledig bij het scherpe licht eener lantaarn, +met het herstellen van netten. Hij scheen bij zijn werk te mijmeren; want hij schrikte +als het ware op toen eene stem zich liet hooren: +</p> +<p>„Vriend.…” sprak graaf Sandorf. +</p> +<p>„Wat.… wat is er?” +</p> +<p>„Vriend, hoe heet deze stad?” +</p> +<p>„Deze stad?” +</p> +<p>„Ja.” +</p> +<p>„Dat is Rovigno.” +</p> +<p>„In wiens huis zijn wij hier?” +</p> +<p>„Waarom wilt gij dat weten?” +</p> +<p>„Zeg het ons maar.” +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e2512" title="Niet in bron">„</span>Als ik u daarmede genoegen kan doen?.…” +</p> +<p>„Voorzeker, doet ge dat.” +</p> +<p>„Wel, ik heet Andreas Ferrato.” +</p> +<p>„Wat is uw beroep?” +</p> +<p>„Ik ben visscher en dit huis is het mijne.” +</p> +<p>Dat werd met eene onnavolgbare kalmte en fierheid gezegd. Een vorst zou met niet meer +waardigheid het: ik ben koning hebben kunnen uitspreken. Toch geschiedde het met den +meesten eenvoud en natuurlijkheid. +</p> +<p>„Zou de visscher Andreas Ferrato ons voor dezen nacht een onderdak willen verleenen?” +</p> +<p>Andreas Ferrato keek hen met een doordringenden blik aan. Daarna stond hij op, stapte, +naar de deur en keek naar buiten. In dat ondeelbare oogenblik bespeurde hij de bende +politie-agenten, die den hoek van den havenmuur omsloegen. Toen raadde, toen begreep +hij ongetwijfeld alles. Hij zag in wie zij waren, die hem gastvrijheid afsmeekten. +Hij zag met een oogopslag, dat wanneer hij eene seconde draalde met hun te antwoorden, +die mannen verloren waren. +</p> +<p>„Komt binnen,” sprak hij. +</p> +<p>De twee vluchtelingen haastten zich intusschen niet om dien deurdrempel te overschrijden. +</p> +<p>„Vriend,” zei graaf Sandorf.… +</p> +<p>„Wat is er? Ik zeg u om binnen te komen.” +</p> +<p>„Vriend, er zijn vijfduizend gulden belooning uitgeloofd aan hem, die de gevangenen, +welke den vestingtoren van Pisino ontvlucht zijn, uitlevert.” +<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> +<p>„Ik weet dit.” +</p> +<p>„De galeien staan er op, voor hem die hun eene toevlucht verleent.” +</p> +<p>„De galeien?” +</p> +<p>„Ja, vriend, de galeien!” +</p> +<p>„Ik weet dit.” +</p> +<p>„Gij kunt ons overleveren.…” +</p> +<p>„Ik?.…” +</p> +<p>„De som is niet gering.…” +</p> +<p>„Ik!.… een verrader!.…” +</p> +<p>„En het gevaar is groot!.…” +</p> +<p>„Ik heb u gezegd: komt binnen, ik herhaal die uitnoodiging!” antwoordde de visscher. +</p> +<p>Beiden traden binnen. +</p> +<p>Andreas Ferrato sloot juist zijne deur dicht, toen de bende politiedienaren zijn huis +voorbijtrokken. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4163">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">VIII.</h2> +<h2 class="main">DE HUT VAN DEN VISSCHER FERRATO.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Andreas Ferrato was Corsicaan van oorsprong en geboren te Santa Manza, eene kleine +havenplaats in het arrondissement Sartène, die achter eene ombuiging van de zuidelijke +punt van het eiland gelegen was. +</p> +<p>De havenplaats met die van Bastia en die van Porto Vecchio waren de eenigen, die ettelijke +duizenden jaren geleden toegang tot de oostkust van het eiland gaven, welks kustlijn +daar toen zoo grillig en fantastisch ingesneden was, maar die nu meer effen geworden +is door het voortdurend afknabbelen èn door de bergstroomen èn door de zeegolven, +die allengs de voorgebergten en kapen hebben doen instorten en hen verzwolgen, waardoor +zijne baaien en kreeken uitgewischt werden. +</p> +<p>Het was daar te Santa Manza dat Andreas Ferrato, op dat gedeelte der Middellandsche +zee, hetwelk zich tusschen Corsica en het Italiaansche vasteland uitstrekt, zijn visschersbedrijf +uitoefende. Hij waagde zich soms te midden van de rotsen van de Straat van Bonifacio +op de kusten van Sardinië. +</p> +<p>Het visschersbedrijf is een ruw, moeitevol leven, vooral wanneer de koraalvisscherij +aan de vischvangst gepaard gaat. De koralen <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>toch moeten op de onderzeesche banken op de slechtste plaatsen van de Straat of van +de zeeëngten gezocht worden. +</p> +<p>Maar Andreas Ferrato was een moedige kerel, die bovendien stevig gebouwd en onvermoeibaar +was. Hij wist zich even behendig van zijne vischnetten te bedienen, als van zijne +dreg. Zijne zaken bloeiden dan ook. En geen wonder! Zijne vrouw was arbeidzaam en +schrander, en stond als eene ware heldin aan het hoofd van het kleine gezin van Santa +Manza. Beiden konden lezen, schrijven en rekenen en waren bijgevolg betrekkelijk goed +onderwezen, althans wanneer men hen vergeleek met de honderd vijftig duizend ongeletterden, +die nog steeds door de statistiek opgegeven worden onder de twee honderd zestig duizend +bewoners van het eiland. +</p> +<p>Bovendien was Andreas Ferrato—misschien wel tengevolge van die meerdere kennis—in +zijne denkbeelden en in zijn hart zeer Franschgezind, hoewel hij, zooals zijn naam +reeds aanduidt en zooals trouwens alle Corsicanen zijn, van Italiaanschen oorsprong +was. Die Franschgezindheid had hem op dat tijdstip menige vijandschap in het kanton +op den hals gehaald. +</p> +<p>Dat kanton, dat op het zuidelijk uiteinde van het eiland, ver van Bastia, ver van +Ajaccio, ver van de administratieve en rechterlijke middelpunten gelegen is, moet +inderdaad als zeer weerstrevend wegens ieder die niet Italiaansch of Sardinisch gezind +is, beschouwd worden. Dit is eene betreurenswaardige staat van zaken, die niet eindigen +zal dan tengevolge van eene betere opvoeding der latere geslachten. +</p> +<p>Zooals gezegd is, bestond er steeds eene verborgen vijandschap jegens het gezin Ferrato. +Nu is op Corsica de afstand tusschen vijandschap en haat niet groot en van haat tot +gewelddadigheden is hij nog minder. Eenige omstandigheden verergerden dien toestand +nog. +</p> +<p>Op een dag dat Andreas Ferrato zijn geduld uitgeput gevoelde, had hij in eene opwelling +van drift en toorn, eene „huid gesneden<span class="corr" id="xd33e2561" title="Niet in bron">,</span>” een „knoopsgat gemaakt.” Hij doodde een schavuit uit die streek, maar … was toen +verplicht te vluchten. +</p> +<p>Andreas Ferrato was er evenwel de man niet naar om zich in de bergen te verschuilen, +om daar in dagelijkschen strijd te leven zoowel tegen de politie als tegen de verwanten, +makkers en vrienden van den gedoodde, en daardoor de reeks wraaknemingen, die ook +de zijnen zouden treffen, te vergrooten. Hij besloot dadelijk om zijn vaderland te +verlaten. Hij vertrok heimelijk van Corsica, om eene schuilplaats op de Sardinische +kust te zoeken. Toen zijne vrouw hunne geringe bezittingen had te gelde gemaakt, het +huis overgedaan en de meubels, het vaartuig en vischnetten verkocht had, vertrok zij +ook derwaarts met hare dochter. +<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span> +</p> +<div class="figure p129width"><img src="images/p129.jpg" alt="„Voor alles moet gij thans eten, nietwaar?” vroeg Andreas Ferrato. (Bladz. 132.)" width="508" height="720"><p class="figureHead">„Voor alles moet gij thans eten, nietwaar?” vroeg Andreas Ferrato. (Bladz. 132.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p> +<p>Andreas Ferrato had het besluit genomen, om nooit meer in zijn vaderland terug te +keeren. +</p> +<p>Daarenboven drukte die moord, hoewel hij uit zelfverdediging geschied was, het geweten +van Andreas Ferrato. Met zijn eenigszins bijgeloovig karakter, zijnen landaard zoo +eigen, stelde hij zich tot taak die daad te vergoeden. Hij meende dat de moord van +dien man hem niet zou vergeven worden, dan wanneer hij het leven van een ander mensch +met gevaar van zijn eigen bestaan zou gered hebben. En hij was vast besloten dat te +doen, wanneer de gelegenheid zich daartoe zou aanbieden. +</p> +<p>Andreas Ferrato was evenwel, nadat hij Corsica verlaten had, slechts korten tijd in +Sardinië gebleven, waar hij gemakkelijk ontdekt en herkend kon worden. Hij was een +moedig en geestkrachtvol man. Hij beefde dan niet voor zijn persoon, maar wel voor +de zijnen, die door de weerwraak van de verwanten van den verslagene getroffen konden +worden. +</p> +<p>Hij wachtte het oogenblik af, dat hij zich verwijderen kon, zonder achterdocht op +te wekken, en trok toen Italië door. Toen hij te Ancona aangekomen was, deed zich +eene gelegenheid voor om de Adriatische zee over te steken en de Istrische kust te +bereiken. Hij nam haar gretig waar. +</p> +<p>Ziedaar de redenen waarom en de omstandigheden waarin die Corsicaan zich bij de kleine +havenplaats Rovigno gevestigd had. Hij woonde daar sedert zeventien jaren, en had +er het visschersbedrijf hervat. Dat had tengevolge dat hij de vroeger genoten gegoedheid +terug verdiende. Negen jaren na zijne aankomst was hem een zoon geboren, die Luigi +genoemd werd, en wiens geboorte zijne moeder het leven kostte. +</p> +<p>Sedert hij weduwnaar was, leefde Andreas Ferrato slechts voor zijne dochter en zijn +zoon. Maria was toen achttien jaren oud en strekte den jongeren broeder, die toen +zijn achtste jaar bereikte, tot moeder. En ware het de droefheid niet geweest, van +zijne wakkere levensgezellin verloren te hebben, die zich steeds nijpend deed gevoelen, +dan zou die visscher van Rovigno zoo gelukkig geweest zijn als iemand het kan zijn, +die door zijn arbeid zijn brood verdient en die de genoegdoening gevoelt zijnen plicht +gedaan te hebben. +</p> +<p>De lezer weet dat hij ten rechte geroemd werd als zeer behendig in het uitoefenen +van zijn handwerk. Te midden van die lange rijen rotsen, die de stranden van Istrië +dekken, had hij zijne vischvangst in de baai Santa Manza of in de Straat van Bonifacio +niet te betreuren. Daarenboven was hij goed bekend geworden in die streek, waar dezelfde +taal als in Corsica gesproken werd. +<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p> +<p>De voordeelen, welke hij behaalde door schepen te loodsen op de kust van Pola af tot +Triëst, werden nog vermeerderd met de verdiensten van het visschersbedrijf in die +vischrijke wateren. In zijn huis vonden de arme lieden dan ook altijd een onderkomen +of een goede aalmoes, en in die liefdadigheidswerken werd hij zooveel slechts mogelijk +was geholpen door zijne dochter Maria. +</p> +<p>Maar de visscher van Santa Manza vergat daardoor de gelofte niet, die hij weleer afgelegd +had: leven om leven! Hij had het leven aan een wezen ontnomen; hij zou het leven van +anderen redden. Ziedaar de reden waarom hij zonder de minste aarzeling tot de vreemdelingen +zei: „Komt binnen,” toen zij zich aan zijne deur vertoonden, hoewel hij raadde wie +zij waren en hoewel hij wist aan welke straf hij zich blootstelde. +</p> +<p>Ja, dat „komt binnen” had hij flinkweg uitgesproken; maar in zijn binnenste had hij +er bijgevoegd: +</p> +<p>„En dat God ons onder Zijne hoede neme!” +</p> +<p>Intusschen was de bende politie-agenten de deur van het huis van Andreas Ferrato voorbijgestapt, +zonder er op te houden. Graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory konden dus meenen +dat zij voor ettelijke nachtelijke uren in het huis van den Corsicaanschen visscher +in betrekkelijke veiligheid waren. +</p> +<p>Dat huis was niet in de stad gebouwd, maar op een afstand van ongeveer vijfhonderd +passen van de stadsmuren en buiten de haven, op eene rotsbedding, die het strand beheerschte. +Daar buiten die strook, waar, op minder dan eene kabellengte, de golven tegen de klippen +van het kustland braken, strekte zich de onmetelijke gezichteinder der zee uit. Naar +den kant van het zuidwesten werd het voorgebergte ontwaard, dat in een afgeronde en +omgebogen punt eindigde en door welker kromming de kleine reede van Rovigno op de +Adriatische Zee omsloten wordt. +</p> +<p>Het geheele huis van Andreas Ferrato bevatte slechts eene gelijkvloers verdieping, +die bestond uit vier kamers, twee aan de voorgevelzijde en twee aan den achterkant, +en een getralied houten bijgebouwtje, waarin men de gereedschappen tot de vischvangst +opborg. +</p> +<p>Zijn visschersboot was een soort logger, slechts voorzien van één mast. Dat vaartuig +was dertig voet lang, maar had een breeden bijna vierkanten voorsteven, hetgeen voor +de koraalvisscherij met de dreg zeer gemakkelijk was. Wanneer het vaartuig niet gebezigd +werd, lag het binnen en volkomen vrij van de rotsen geankerd, en werd de gemeenschap +met den wal onderhouden door eene kleine jol, die thans aan het strand op het droge +getrokken was. +</p> +<p>Achter dat huis strekte zich een omheinde tuin van een halven bunder uit, waarin eenige +groenten te midden van moerbeziënboomen, olijfboomen en van wijnstokken geteeld werden. +Eene <span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span>dichte heg scheidde dien tuin van eene beek, die vijf of zes voeten breed was en de +grens aan den kant van het veld vormde. +</p> +<p>Ziedaar de nederige gastvrije woning, waarin de Voorzienigheid de vluchtelingen gevoerd +had. +</p> +<p>Ziedaar de gastheer, die zijne vrijheid waagde, om hun een toevluchtsoord te verschaffen. +</p> +<p>Zoodra de deur achter hen dicht gesloten was, keken graaf Sandorf en Stephanus Bathory +rond in de kamer, waarin de visscher hen ontvangen had. +</p> +<p>Dat was wel het voornaamste vertrek van de geheele woning. Het was slechts spaarzaam +gemeubeld; maar wat er in stond, was zindelijk onderhouden en duidde de hand en den +smaak aan van eene degelijke en zorgzame huisvrouw. +</p> +<p>„Vóór alles moet gij thans eten, niet waar?” vroeg Andreas Ferrato. +</p> +<p>„Ja, wij sterven van honger,” antwoordde graaf Sandorf. „Wij hebben hoegenaamd geen +voedsel in de laatste vier en twintig uren gehad.” +</p> +<p>„Ge hoort het, Maria?” hernam de visscher. +</p> +<p>„Ja, vader,” sprak het meisje. +</p> +<p>En een oogenblik later had zij een stuk gezouten varkensvleesch, een schotel gekookte +visch, eene flinke portie brood, een flesch landwijn met twee glazen, een schoteltje +rozijnen, een helder wit tafellaken en twee borden met de noodige vorken en messen +op de tafel geplaatst. +</p> +<p>Een „reglione,” eene soort olielamp met drie pitten, verlichtte het vertrek. +</p> +<p>Graaf Sandorf en Stephanus Bathory namen dadelijk aan tafel plaats. Zij waren waarlijk +op het punt van in onmacht te vallen. +</p> +<p>„En gij?” vroegen zij aan den visscher. +</p> +<p>„Ik?” +</p> +<p>„Ja, gij. Doet gij niet mede?” +</p> +<p>„Wij hebben reeds geavondmaald,” antwoordde Andreas Ferrato. +</p> +<p>Die twee uitgehongerden verslonden—ja, dat is het woord,—de spijzen, die hun met zooveel +eenvoud en zoo goedhartig voorgezet waren. +</p> +<p>Maar terwijl zij aten, sloegen zij voortdurend den visscher, zijne dochter en zijn +zoon gade, welke laatste in een hoek gezeten was. Allen keken de vreemdelingen aan, +zonder evenwel een woord te spreken. +</p> +<p>Andreas Ferrato kon toen twee en veertig jaar oud zijn. Het was een man met een ernstig, +ja zelfs eenigszins droevig gelaat. Hoewel zijn gezicht door de zon gebruind was, +had hij gelaatstrekken vol uitdrukking, waarbij zwarte oogen met levendigen blik. +Hij <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>droeg de kleeding der visschers van de Adriatische zee, waaronder een edele borst +klopte, terwijl zich daarin eene flink ontwikkelde gestalte liet ontwaren. +</p> +<p>Maria—welker gestalte en gelaat aan die harer moeder herinnerde—was groot van stuk, +welgemaakt en zeer schoon. Zij had vurige zwarte oogen, bruine haren en eene huid, +die door het Corsicaansche bloed, dat door hare aderen vloeide, warm getint was. Zij +had een ernstig karakter, als gevolg van de verplichtingen, die zij van hare prilste +jeugd op zich had voelen rusten. In hare houding, in hare bewegingen spreidde zij +die kalmte ten toon, die eene bedachtzame geaardheid eigen is. Alles duidde bij dit +jonge meisje op eene geestkracht, die haar nimmer in den steek zou laten, welke ook +de omstandigheden zouden zijn, waarin zij zich zou kunnen bevinden. +</p> +<p>Zij was herhaaldelijk door jeugdige visschers uit den omtrek ten huwelijk gevraagd, +maar zij had daaraan nimmer het oor geleend. Behoorde haar leven niet aan haren vader +toe, en aan dat kind, dat zij zoo innig, innig liefhad? +</p> +<p>Wat Luigi betrof, dat was een flinke vastberaden jongen, een moedig en degelijk visscher. +Hij was reeds volkomen met den werkkring van zeeman bekend. Hij vergezelde Andreas +Ferrato, zijn vader, bij zijne visscherijen en bij zijne loodsdiensten en was daarbij +steeds blootshoofds, onverschillig of het waaide en of het regende. Hij beloofde een +stevige, gezonde kerel te zullen worden, die meer dan stoutmoedig, die koen ja roekeloos +zou zijn. Hij was tegen alle guurheden van het weder gehard en had hoegenaamd geen +oog voor eenig gevaar. Hij had zijn vader lief en aanbad zijne zuster. +</p> +<p>Graaf Mathias Sandorf had die drie wezens, die door zoo innige banden aan elkander +verbonden waren, nauwkeurig gadeslagen. Hij koesterde dan ook geen twijfel, dat hij +zich bij eerlijke, brave lieden bevond, die hij volkomen vertrouwen kon. +</p> +<p>Toen het maal afgeloopen en de honger verzadigd was, stond Andreas Ferrato op en naderde +graaf Mathias Sandorf. +</p> +<p>„Gaat nu slapen, heeren,” zei hij op eenvoudigen toon. +</p> +<p>„Slapen?” vroegen de vluchtelingen. +</p> +<p>„Ja, slapen, rusten,” hernam de visscher. +</p> +<p>„Dat kunnen wij niet.” +</p> +<p>„Niemand weet dat gij hier zijt.” +</p> +<p>„Dat ’s waar; maar.…” +</p> +<p>„Morgen zullen wij zien, wat ons verder te doen staat.” +</p> +<p>„Neen, Andreas Ferrato, neen!” antwoordde graaf Sandorf. +</p> +<p>„Dat kan niet.” +</p> +<p>„Wat kan niet?” +</p> +<p>„Dat wij heden nacht hier blijven.” +<span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span></p> +<p>„Ah bah!” +</p> +<p>„Onze honger is gestild. Onze krachten zijn weergekeerd. Wij moeten nu dadelijk dit +huis verlaten!” +</p> +<p>„Daar valt niet aan te denken!” +</p> +<p>„Onze tegenwoordigheid veroorzaakt voor u en de uwen te groot gevaar!” zei Mathias +Sandorf. +</p> +<p>„Ja, wij moeten vertrekken,” beaamde Stephanus Bathory. „En dat God u beloone voor +hetgeen gij voor ons gedaan hebt.” +</p> +<p>„Gaat slapen! Dat is voorshands het noodzakelijkste,” hernam de visscher. +</p> +<p>„Wij kunnen niet,” antwoordde graaf Sandorf. +</p> +<p>„De kust wordt heden avond bewaakt.” +</p> +<p>„O, God!” +</p> +<p>„Men heeft een embargo op alle schepen van al de havens van deze streek gelegd.” +</p> +<p>„Onmogelijk!” +</p> +<p>„Heden nacht is niets te beproeven, dat verzeker ik u.” +</p> +<p>„Maar.…” +</p> +<p>„Gaat slapen,” herhaalde Andreas Ferrato. +</p> +<p>„Als gij het dan wilt. Het zij zoo,” antwoordde graaf Mathias Sandorf. +</p> +<p>„Ja, ik wil het!” +</p> +<p>„Een woord evenwel nog!” +</p> +<p>„En dat is?” +</p> +<p>„Wanneer is onze ontsnapping bekend geworden?.…” +</p> +<p>„Sedert dezen morgen,” antwoordde Andreas Ferrato. „Maar …” +</p> +<p>„Maar, wat?” vroeg graaf Sandorf, toen hij de aarzeling van den visscher bemerkte. +</p> +<p>„Gij waart met uw vieren gevangen <span class="corr" id="xd33e2661" title="Bron: inden">in den</span> vestingtoren van Pisino?” +</p> +<p>„Ja.” +</p> +<p>„Gij zijt slechts met u beiden hier?” +</p> +<p>„Helaas!” +</p> +<p>„Men zegt,” ging Andreas Ferrato voort, „dat de derde in vrijheid gesteld zal worden.” +</p> +<p>„Sarcany!” riep Mathias Sandorf toornig uit, vóórdat hij dat gevoel van woede, alleen +door de gedachte aan dien verafschuwden man opgewekt, had kunnen bedwingen. +</p> +<p>„En de vierde?”.… vroeg Stephanus Bathory aarzelend, zonder zijn volzin te durven +eindigen. +</p> +<p>„De vierde is nog in leven,” antwoordde Andreas Ferrato. +</p> +<p>„In leven?” riep Stephanus Bathory uit. +</p> +<p>„Ja, de terechtstelling is verdaagd,” zei de visscher. +</p> +<p>„Nog in leven?” herhaalde Stephanus Bathory. +</p> +<p>„Ja, ik herhaal.…” wilde Andreas Ferrato zeggen. +<span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span> +</p> +<div class="figure p135width"><img src="images/p135.jpg" alt="Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. (Bladz. 139.)" width="505" height="720"><p class="figureHead">Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. (Bladz. 139.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p> +<p>„Is het mogelijk?” riep Bathory steeds ontzet uit. +</p> +<p>„Wel zeker,” hernam graaf Sandorf spottend. „Men wil wachten tot dat men ons opgespoord +en gesnapt zal hebben, om ons de vreugde te bereiden te zamen te sterven.” +</p> +<p>„Mathias!” kreet Stephanus Bathory. +</p> +<p>„Maria,” zei Andreas Ferrato bedaard, „wijs onze gasten hunne kamer. Ge weet wel die +aan de achterzijde, die op het bijgebouwtje uitgang verleent.” +</p> +<p>„Ja, vader,” antwoordde het jonge meisje. +</p> +<p>„Maar geen licht opsteken, hoor,” ging hij voort. +</p> +<p>„Goed, vader.” +</p> +<p>„Heden avond moet dat raam niet verlicht wezen.” +</p> +<p>„Ja, vader.” +</p> +<p>„Dat zou achterdocht kunnen opwekken.” +</p> +<p>„Kom, heeren,” sprak het jonge meisje. +</p> +<p>Een oogenblik later wisselden graaf Sandorf en zijn makker een hartelijken handdruk +met den visscher. Daarna traden zij hunne kamer binnen, waar hun twee goede matrassen +of beter stroozakken met maïsbladeren gevuld, wachtten, waarop zij van hunne vermoeienissen, +die zij zoo ruimschoots verduurd hadden, konden uitrusten. +</p> +<p>Maar Andreas Ferrato en zijn zoon Luigi hadden reeds het huis verlaten. Zij wilden +zich overtuigen dat niemand in den omtrek rondzwierf, noch op het strand, noch in +het veld aan de overzijde van de beek. De vluchtelingen konden dus gerust tot het +aanbreken van den dag slapen. +</p> +<p>De nacht ging zonder bijzondere voorvallen voorbij. De visscher was herhaaldelijk +naar buiten getreden. Hij had evenwel niets verdachts bespeurd. +</p> +<p>Den volgenden morgen, den 18en Juni, ging Andreas Ferrato, terwijl zijne gasten nog +sliepen, op kondschap uit tot in het midden der stad, als ook op de kaden van de haven. +Op verscheidene punten trof hij samenscholingen aan van nieuwsgierigen en leegloopers. +Een aanplakbiljet, sedert den vorigen dag reeds op de daarvoor bestemde plaatsen bevestigd, +gaf kennis van de ontsnapping, van de straffen, die op het verleenen van hulp aan +de vluchtelingen stond, van de premie die uitgeloofd was. Dat maakte natuurlijk het +onderwerp uit van alle gesprekken. Men babbelde, men vertelde nieuwtjes, men herhaalde +het gehoorde niet altijd nauwkeurig, soms zeer onjuist en men wist het juiste evenmin +als tevoren. +</p> +<p>Niets duidde aan dat graaf Sandorf en zijn lotgenoot in den omtrek gezien waren, of +dat men zelfs hunne aanwezigheid in de provincie vermoedde. Toch verspreidde zich +tegen tien uren in den morgen, toen de brigadier der maréchaussées met zijne manschappen +na hunne nachtelijke ronde te Rovigno waren teruggekeerd, het <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>gerucht, dat twee vreemdelingen vier en twintig uren te voren gezien waren op de oevers +van het kanaal van Léma. Men had de geheele landstreek tot aan de zee doorzocht, om +hun spoor terug te vinden, maar zonder gevolg. Er was niets op te merken van hunnen +doortocht. +</p> +<p>Hadden zij dus de kuststreek kunnen bereiken en een vaartuig bemachtigd? +</p> +<p>Of hadden zij zich naar een ander punt van Istrië begeven? +</p> +<p>Of wel, hadden zij de Oostenrijksche grens overschreden? +</p> +<p>Alles was mogelijk. +</p> +<p>„Mooi!” werd gezegd. „Dat zullen al vast vijf duizend gulden zijn, die voor de schatkist +bewaard blijven.” +</p> +<p>„Een geld dat beter besteed kan worden dan om hatelijke verklikkerijen te beloonen!” +</p> +<p>„Ja zeker! +</p> +<p>„God geve dat de arme vluchtelingen mogen ontsnappen!” +</p> +<p>„Ontsnappen!.…” +</p> +<p>„Ik hoop het!” +</p> +<p>„Och, dat zal wel reeds geschied zijn!” +</p> +<p>„Zij zullen wel reeds in veiligheid aan de andere zijde van de Adriatische zee zijn!” +</p> +<p>Afgaande op dat gepraat, dat in het meerendeel der groepen van boeren, burgers en +arbeiders, die voor de aanplakbiljetten stilstonden, gehouden werd, was de openbare +meening, zooals men ziet, zeer ten gunste van de veroordeelden, ten minste onder de +bewoners van Istrië, schier allen Slavoniërs en Italianen van geboorte. De Oostenrijksche +beambten konden dus niet op eene verklikking van dien kant rekenen. Niets werd dan +ook nagelaten of verzuimd om de vluchtelingen weer te vinden. Al de benden politie-agenten, +al de brigades maréchaussées waren sedert den vorigen dag op de been en er werden +onophoudelijk telegrammen tusschen Rovigno, Pisino en Triëst gewisseld. +</p> +<p>Toen Andreas Ferrato tegen elf uur tehuis kwam, deelde hij die berichten, die eerder +goed dan slecht waren, mede. +</p> +<p>Graaf Sandorf en Stephanus Bathory, die door Maria in de kamer, waarin zij overnacht +hadden, bediend werden, hadden juist in dat oogenblik hun ontbijt verorberd. +</p> +<p>Die eenige uren rust, dat heerlijke maal, die goede verpleging had hen geheel en al +van hunne uitputting hersteld. +</p> +<p>„Welnu, vriend?” vroeg graaf Sandorf, zoodra de deur achter Andreas Ferrato gesloten +was. +</p> +<p>„Ik geloof niet, heeren,” antwoordde de visscher, „dat gij voor het oogenblik iets +te vreezen hebt.” +</p> +<p>„Maar wat wordt er in de stad verteld?” vroeg Stephanus Bathory. +<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p> +<p>„Ja, wat wordt er verteld? Zeg ons dat,” herhaalde ook graaf Sandorf. +</p> +<p>„Men spreekt wel van twee vreemdelingen, die gisterenochtend gezien zijn, op het oogenblik, +dat.…<span class="corr" id="xd33e2729" title="Bron: ’">”</span> +</p> +<p>„Ga voort, wat ik u bidden mag,” zei graaf Sandorf bij de aarzeling van den visscher. +</p> +<p>„Op het oogenblik,” vervolgde deze, „dat zij op den oever van het kanaal van Léma +voet aan wal zetten.… En.…” +</p> +<p>„En wat?” vroeg Stephanus Bathory ongeduldig. +</p> +<p>„En als gij het zijt.… heeren.…” +</p> +<p>„Ga voort. Wij zijn het inderdaad,” zei Stephanus Bathory. „Een man, een zoutarbeider +van den omtrek, heeft ons gezien en aangebracht.” +</p> +<p>Toen werd Andreas Ferrato op de hoogte gebracht van hetgeen in den bouwval der pachthoeve +voorgevallen was, terwijl de vluchtelingen er verscholen waren. +</p> +<p>„En weet gij niet, wie die verklikker is?” vroeg de visscher met aandrang. +</p> +<p>„Neen,” antwoordde Bathory. +</p> +<p>„Wij hebben hem niet kunnen zien,” vulde graaf Sandorf verder aan; „wij hebben slechts +zijne stem kunnen vernemen.” +</p> +<p>„Dat is een betreurenswaardige omstandigheid,” hernam Andreas Ferrato. „Het voornaamste +en gewichtigste evenwel is, dat men uw spoor verloren heeft. Bovendien al ware het +dat men omtrent uwe aanwezigheid in mijne woning achterdocht had, dan geloof ik niet +dat er eene verklikking te vreezen is.” +</p> +<p>„Zoo?” vroeg Stephanus Bathory verbaasd. „Waarom niet?” +</p> +<p>„Omdat alle menschen hier in Rovigno ten uwen voordeele zijn!” +</p> +<p>„Ja, daarover verwonder ik mij niet,” hernam graaf Sandorf. „Het is eene moedige en +eerlijke bevolking in deze provinciën! Toch moet het oog op de Oostenrijksche autoriteiten +gehouden worden. Zij zullen voor niets terugdeinzen om ons weer in hunne macht te +krijgen.” +</p> +<p>„Wat u geruststellen moet, heeren,” sprak de visscher, „dat is dat de meening, waarin +men verkeert, luidt, dat gij reeds de overzijde van de Adriatische zee hebt kunnen +bereiken.” +</p> +<p>„Och, God gave dat het zoo ware!” zuchtte Maria, die de handen gevouwen en de oogen +ten hemel geslagen had, alsof zij een gebed slaakte. +</p> +<p>„Het zal zoo worden, lief kind,” antwoordde graaf Sandorf op den toon der vurigste +overtuiging. „Ja, met Gods hulp zullen wij ontsnappen.…” +</p> +<p>„En met de mijne, heer graaf!” hernam Andreas Ferrato. „Ik ga nu aan mijne bezigheden. +Men is gewoon ons, Luigi en mij, <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>bezig te zien met het herstel onzer netten op het strand, of met het schoonmaken van +ons vaartuig. Wij moeten niets aan den gewonen gang van zaken veranderen.” +</p> +<p>„Voorzeker niet,” zei Stephanus Bathory. +</p> +<p>„Ik heb bovendien noodig om mij omtrent den toestand van het weer te vergewissen, +alvorens een besluit te nemen. Blijft dus in deze kamer. Verlaat haar onder geen voorwendsel. +Doet, om alle achterdocht te vermijden, het venster open, dat op onzen tuin uitzicht +verleent, maar blijft in het achterste gedeelte van het vertrek en vooral vertoont +u niet.” +</p> +<p>„Neen, neen, wees gerust!” +</p> +<p>„Ik ben over een paar uren terug.” +</p> +<p>Daarop verliet Andreas Ferrato met zijn zoon Luigi het huis, terwijl Maria zich voor +de deur met hare gewone bezigheden onledig hield. +</p> +<p>Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. Andreas Ferrato trachtte bij +wijze van voorzorg een praatje met hen te maken, alvorens hij zijne netten op het +zandige strand uitstrekte. +</p> +<p>„De westewind is goed doorgekomen,” zei een hunner. +</p> +<p>„Ja, antwoordde Andreas Ferrato, „het onweder van eergisteren heeft de lucht flink +gezuiverd.” +</p> +<p>„Ongetwijfeld,” hernam een ander. „Toch zou het kunnen gebeuren dat de wind meer en +meer opstak bij het vallen van den avond, en tot buien overging, wanneer de „bora” +zich er bij voegt<span class="corr" id="xd33e2765" title="Niet in bron">.</span>” +</p> +<p>„Och, het zal steeds een landwind zijn en de zee kan dan niet <span class="corr" id="xd33e2769" title="Bron: ontstuimig">onstuimig</span> tusschen de rotsen wezen.” +</p> +<p>„Dat staat te bezien.” +</p> +<p>„Gaat gij dezen nacht visschen, Andreas?” +</p> +<p>„Ongetwijfeld.” +</p> +<p>„Als het weer het toelaat, niet waar?” +</p> +<p>„Dat spreekt van zelf.” +</p> +<p>„Maar het embargo.”.… +</p> +<p>„Het embargo?”.… +</p> +<p>„Ja.” +</p> +<p>„Dat is slechts op de groote schepen gelegd en niet op de visschersvaartuigen, die +zich niet van de kust verwijderen.” +</p> +<p>„Zijt gij daar zeker van?” +</p> +<p>„Ja, zeer zeker.” +</p> +<p>„Welnu, des te beter; want men heeft scholen tonijnen geseind, die uit het zuiden +komen. Wij mogen niet dralen om onze fuiken te stellen.” +</p> +<p>„Mooi!” zei Andreas Ferrato. „Maar er is nog geen tijd verloren.” +</p> +<p>„Misschien. Wie weet?” +</p> +<p>„Neen, geloof mij. Als ik heden nacht uitzeil, dan ga ik de tonijnen opwachten bij +Orsera of naar de kust van Parenzo.” +<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p> +<p>„Dat moet gij weten; maar wij zullen onze fuiken aan den voet der rotsen stellen +</p> +<p>„Dat is uwe zaak!” +</p> +<p>Toen gingen Andreas Ferrato en Luigi hunne netten uit het bijgebouwtje halen, spreidden +ze op het mulle zand uit, om ze in de zon te laten drogen. Twee uren later keerde +de visscher naar zijne woning terug, na zijn zoon aanbevolen te hebben, de haken klaar +te houden, die dienen om de visschen te dooden. +</p> +<p>Nadat hij gedurende ongeveer tien minuten zijne pijp op den drempel zijner deur gerookt +had, begaf zij zich naar de kamer zijner gasten, terwijl Maria met haar werk voor +de deur voortging. +</p> +<p>„Heer graaf,” sprak de visscher, „de wind waait van de landzijde, zoodat volgens mijne +meening de zee dezen nacht niet hol zal staan. Nu zal het ’t meest eenvoudige middel +zijn om te vluchten, zonder eenig spoor na te laten, om u met mij in te schepen. Wanneer +gij daartoe besluit, dan zal het ’t beste zijn, heden avond tegen tien uren te vertrekken. +Alsdan zult gij tusschen de rotsen tot aan den rand der branding moeten voortsluipen. +Niemand zal u zien. Mijne jol zal u tot bij mijn vaartuig brengen, waarna wij dadelijk +zee zullen kiezen zonder de opmerkzaamheid op te wekken, daar men weet, dat ik dezen +nacht zal uitzeilen. Als de wind te zeer mocht opsteken, dan zal ik langs de kust +houden en u aan de andere zijde van de Oostenrijksche grens buiten de mondingen van +den Cattaro ontschepen.” +</p> +<p>„Maar als de wind niet opsteekt, wat zijt gij dan voornemens te doen?” vroeg graaf +Sandorf. +</p> +<p>„Dan zullen wij volle zee halen,” antwoordde de visscher. „Dan zullen wij de Adriatische +zee oversteken en dan zal ik u hetzij te Rimini, hetzij bij de uitwatering van de +Po aan land zetten.” +</p> +<p>„Is uw vaartuig bestand voor zulk een overtocht,” vroeg Stephanus Bathory.<span id="xd33e2800"></span> +</p> +<p>„Ja, zeker. Het is een flinke boot, die een half dek heeft en waarmede mijn zoon en +ik zeer slecht weder getrotseerd hebben. Daarenboven, wij moeten wel wat wagen, nietwaar?” +</p> +<p>„Dat wij gevaar loopen,” antwoordde graaf Sandorf, „wij wier leven op het spel staat, +dat is niet meer dan natuurlijk. Maar dat gij, gij, mijn vriend, uw leven waagt.…” +</p> +<p>„Dat is mijn zaak, heer graaf,” hernam Andreas Ferrato. „Ik doe slechts mijn plicht +door u te redden.” +</p> +<p>„Uw plicht?.…” +</p> +<p>„Ja!” +</p> +<p>Andreas Ferrato verhaalde daarop dat gedeelte van zijne levensgeschiedenis, tengevolge +waarvan hij Santa Manza en zelfs Corsica had moeten verlaten, en hoe het goede, hetwelk +hij op het punt <span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span>stond te doen, slechts de vergelding was van het kwaad, dat hij bedreven had. +<span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span> +</p> +<div class="figure p141width"><img src="images/p141.jpg" alt="Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas Ferrato hield hem tegen. (Bladz. 144.)" width="505" height="720"><p class="figureHead">Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas Ferrato hield +hem tegen. (Bladz. 144.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb142a">[<a href="#pb142a">142</a>]</span></p> +<p>„Edel hart!” riep graaf Sandorf uit, die door dat verhaal bewogen was. +</p> +<p>Daarop hernam hij: +</p> +<p>„Maar, hetzij wij naar de mondingen van den Cattaro stevenen, hetzij wij naar de Italiaansche +kust gaan, zoo zal toch zulk eene reis eene vrij langdurige afwezigheid van uwe zijde +veroorzaken, die de bewoners van Rovigno verwonderen moet. Het mag niet gebeuren, +dat gij, na ons in veiligheid gebracht te hebben, bij uwen terugkeer gevangen genomen +wordt.…” +</p> +<p>„Vrees niets, heer graaf,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ik blijf somtijds tegen het +tijdstip der groote visscherijen vijf of zes dagen op zee. Ik herhaal het bovendien: +dat zijn mijne zaken. Zoo moet gehandeld worden en zoo zullen wij handelen.” +</p> +<p>Er viel na die beslissing van den visscher niet meer te twisten. Het plan van Andreas +Ferrato was klaarblijkelijk het beste en daarenboven het meest gemakkelijke om uitgevoerd +te worden, daar het visschersvaartuig—zooals ten minste gehoopt werd—niets van de +stormachtigheid der zee zou te vreezen hebben. Er waren geene voorzorgsmaatregelen +te treffen dan op het oogenblik van inscheping. De nacht zou evenwel somber en zonder +maan zijn. Zeer waarschijnlijk zou bij het vallen van den avond daarenboven een van +die dikke nevels opstijgen, die de kust bedekken, maar in volle zee niet waargenomen +worden. Op dat uur zou het strand eenzaam en verlaten zijn. Behalve een paar grensbeambten, +die hun kustgebied afliepen, zou men niemand ontmoeten. Wat de overige visschers, +de buren van Andreas Ferrato betreft, zij zouden, zooals zij zelf verteld hadden, +zich onledig houden om hunne fuiken op de piketten te spannen, buiten de rotsengroep, +dat wil zeggen op twee of drie mijlen ten zuiden van Rovigno. Wanneer die het visschersvaartuig +van Andreas Ferrato zouden ontwaren, gesteld dat dit gebeurde, dan zou het reeds te +ver in zee zijn om iemand aan boord te kunnen herkennen. Daarenboven zouden de vluchtelingen +zich onder het halfdek verscholen houden. +</p> +<p>„Op hoeveel afstand rekent gij de haven van Rovigno van het naastbijgelegen punt van +de Italiaansche kust?” vroeg toen Stephanus Bathory. +</p> +<p>„Op vijftig mijlen ongeveer.” +</p> +<p>„Hoeveel tijd is er benoodigd om dien afstand af te leggen?” +</p> +<p>„Dat ’s <span class="corr" id="xd33e2828" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> te zeggen,” antwoordde de visscher voorzichtig. +</p> +<p>„Maar er is toch wel eene gissing, een raming te maken, niet waar?” +</p> +<p>„Ja, als deze wind blijft doorstaan, dan kunnen wij in een twaalftal uren overkomen. +Maar.…” +<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p> +<p>„Gij aarzelt, vriend?” vroeg graaf Sandorf. +</p> +<p>„Gij zijt zonder geld, niet waar?” +</p> +<p>„Ja, helaas!” antwoordde Stephanus Bathory met een zucht. +</p> +<p>„En toch is dat onmisbaar!” +</p> +<p>„Dat valt niet te ontkennen.” +</p> +<p>„Welnu,” vervolgde Andreas Ferrato, „neemt dezen gordel, daarin zitten drie honderd +gulden. Doet hem zoo.… kijk zoo, om het lijf.” +</p> +<p>„Vriend!.…” zei Mathias Sandorf. +</p> +<p>„Gij zult mij dat later teruggeven,” hernam de visscher. +</p> +<p>„Teruggeven? Later? Wanneer?” vroeg graaf Sandorf met aarzeling in zijne stem. +</p> +<p>„Wanneer gij in veiligheid zijt. Zoodra het u schikt. Kom, dat is afgesproken, niet +waar? Wacht mij nu slechts.” +</p> +<p>Toen dat alles afdoende geregeld was, ging Andreas Ferrato heen en hernam zijne gewone +bezigheden met nu eens op het strand te arbeiden en zich dan weer eens in huis onledig +te houden. Het gelukte Luigi om, zonder dat dit opgemerkt werd, eenige levensmiddelen, +genoeg voor verscheidene dagen, aan boord van het visschersvaartuig te brengen. Hij +had ze eenvoudig in een reserve-zeil gewikkeld en zoo overgevoerd. Geen enkele achterdochtige +gedachte kon de plannen van Andreas Ferrato komen dwarsboomen. Hij dreef de voorzorgsmaatregelen +zoo ver, dat hij zijne gasten gedurende het overige gedeelte van den dag niet meer +wilde terugzien. Graaf <span class="corr" id="xd33e2849" title="Bron: Matthias">Mathias</span> Sandorf en professor Stephanus Bathory bleven in de kleine kamer verscholen, waarvan +het venster evenwel geopend bleef. Wanneer het tijd zou zijn om die gastvrije woning +te verlaten, zou de visscher hen waarschuwen. +</p> +<p>In den namiddag kwamen ettelijke buren met hem over visscherijzaken praten, voornamelijk +over de verschijning der tonijnen langs de kusten van Istrië. Andreas Ferrato ontving +hen in zijne huishoudkamer en bood hen volgens gewoonte een ververschingsdronk aan. +</p> +<p>Zoo ging het grootste gedeelte van den dag met heen en weer te drentelen en in verschillende +gesprekken voorbij. Soms liep het gesprek over de vluchtelingen. Het gerucht was toch +verspreid, dat zij in de nabijheid van het kanaal van Quarnero op de tegenovergestelde +kust van Istrië gevat waren geworden. Dat gerucht werd evenwel kort daarop weersproken. +</p> +<p>Alles scheen dus zoo goed mogelijk te gaan. Dat de kuststrook met meer nauwkeurigheid +dan vroeger, hetzij door de ambtenaren der in- en uitgaande rechten, hetzij door de +politie-agenten, hetzij door de maréchaussées, zou gadegeslagen worden, kon als zeker +aangenomen worden. Maar het zou zoo moeilijk niet zijn die waakzaamheid te verschalken, +wanneer het nacht geworden zou zijn. +<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p> +<p>Het embargo was, zooals de lezer zich herinneren zal, slechts op de groote schepen +of op de kustvaarders van de Adriatische en Middellandsche zeeën gelegd, niet op de +visschersschuiten die bij den oever blijven. Het uitzeilen van het vaartuig van Andreas +Ferrato kon dus geschieden zonder achterdocht op te wekken. +</p> +<p>Andreas Ferrato had evenwel op het bezoek niet gerekend, dat hem zoo tegen zes uren +des avonds gebracht werd. Dat bezoek verwonderde hem, hoewel het hem nog niet verontrustte. +Hij zou er de dreigende beteekenis eerst van begrijpen, toen de bezoeker weer vertrokken +was. +</p> +<p>Acht uren waren geslagen. Maria hield zich onledig met het gereed maken van het avondmaal +en de tafels waren reeds gedekt in de huishoudkamer, toen tweemalen op de huisdeur +geklopt werd. Andreas Ferrato aarzelde geen oogenblik om te openen. Hij was zeer verbaasd +toen hij zich tegenover den Spanjaard Carpena bevond. +</p> +<p>Die Carpena was geboren te Almavate, eene kleine stad in de provincie Malaga. Hij +had waarschijnlijk Spanje om eene zelfde reden verlaten, waarom Andreas Ferrato Corsica +vaarwel had gezegd, en had zich in Istrië gevestigd. Daar had hij het zoutwerkers-ambacht +ter hand genomen en hield zich voornamelijk onledig met de opbrengst der zoutpannen +op de westkust naar het binnenland te vervoeren. Dat was een ondankbare arbeid, waarmede +hij ter nauwernood zooveel verdienen kon om zijn ellendig bestaan te rekken. +</p> +<p>Carpena was een stevige kerel en nog jong, daar hij nog niet ten volle vijf en twintig +jaren telde. Hij was klein van gestalte, maar breed van schouders, had een dik hoofd, +met gekroesd grof zwart haar bedekt, en een gelaat als een bulhond, dat volstrekt +niets geruststellends had. Hij was niet gezellig van aard, doch haatdragend, wraakzuchtig +en daarenboven nog lafhartig. Met zulke hoedanigheden begaafd, kon het niet vreemd +heeten, dat hij in de buurt geenszins bemind was. Niemand wist, waarom hij zijn vaderland +verlaten had. Hij had meermalen twist met zijne makkers, zoutarbeiders, gehad, waarbij +bedreigingen geuit waren, waarbij zelfs vechtpartijen voorgevallen waren, en dat alles +had hem volstrekt geen goeden naam bezorgd. Men liet hem volgaarne ter zijde. +</p> +<p>Toch koesterde Carpena geen ongunstige meening over zijn eigen persoon. Verre van +daar. Dat kan voldoende verklaring geven en men zal vernemen waarom hij gepoogd had +met Andreas Ferrato in aanraking te komen. Het is waar, reeds bij het begin van die +relatiën had hij vanwege den visscher geen aanlokkend onthaal ondervonden. Dat zal +genoegzaam begrepen worden, wanneer de pretentiën van dien man in het volgende gesprek +ontsluierd zullen zijn. +</p> +<p>Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas Ferrato hield +hem tegen, terwijl hij vroeg: +<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span> +</p> +<div class="figure p145width"><img src="images/p145.jpg" alt="„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven”, antwoordde graaf Sandorf. (Bladz. 150.)" width="501" height="720"><p class="figureHead">„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven”, antwoordde graaf Sandorf. (Bladz. +150.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span></p> +<p>„Wat komt gij hier doen?” +</p> +<p>„Ik drentelde voorbij. Daar ik licht zag, heb ik aangeklopt.” +</p> +<p>„Waarom?” +</p> +<p>„Wel, om u als buurman een bezoek te brengen.” +</p> +<p>„Uwe bezoeken mishagen mij, dat weet ge wel.” +</p> +<p>„Gewoonlijk,” antwoordde de Spanjaard, „is dat zoo; maar heden.… Dat zal wel anders +zijn.” +</p> +<p>Andreas Ferrato begreep dat niet en kon ook de beteekenis van die raadselachtige woorden +niet gissen. In den mond van Carpena waren zij evenwel onrustwekkend. Een vluchtige +trilling kon de huisheer dan ook niet bemantelen en die ontging den bezoeker niet. +Deze had de deur gesloten. +</p> +<p>„Ik moet u spreken,” zei hij. +</p> +<p>„Neen!” +</p> +<p>„Jawel!” +</p> +<p>„Gij hebt mij niets te zeggen.” +</p> +<p>„Jawel.… Ik moet u afzonderlijk spreken,” vervolgde de Spanjaard, terwijl hij fluisterend +sprak. +</p> +<p>„Och kom!” +</p> +<p>„Geloof me.” +</p> +<p>„Nu, kom dan,” antwoordde de visscher, die dien dag goede redenen had om niemand den +toegang tot zijn huis te weigeren. Op een teeken van Andreas Ferrato stapte Carpena +de huishoudkamer door en volgde hem in zijne slaapkamer. +</p> +<p>Die kamer was slechts door een zeer dun beschot van het vertrek gescheiden, waarin +graaf Sandorf en zijn lotgenoot Stephanus Bathory verscholen waren. De eene kamer +had uitzicht op de straat, de andere op het omheinde erf achter de woning. Toen zij +alleen waren, vroeg de visscher: +</p> +<p>„Wat wilt ge van mij?” +</p> +<p>„Buurman,” antwoordde Carpena, „ik kom nog een beroep op uw goede vriendschap doen.” +</p> +<p>„Vriendschap?.….” vroeg Andreas Ferrato smalend. +</p> +<p>„Ja, vriendschap!” +</p> +<p>„En ter zake van wat?” +</p> +<p>„Ter zake van uwe dochter.” +</p> +<p>„Daarover geen woord meer!” +</p> +<p>„Maar hoor dan toch!.…” +</p> +<p>„Geen woord! geen enkel woord!” +</p> +<p>„Gij weet dat ik Maria bemin, en.…” +</p> +<p>„Zwijg!” +</p> +<p>„En dat het mijn vurigste wensch is, dat zij mijne vrouw wordt.” +</p> +<p>Ja, dat was het droombeeld van Carpena. +</p> +<p>Sedert verscheidene maanden vervolgde hij het jonge meisje met <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>zijne oplettendheden. Zooals de lezer wel begrijpen zal, werd hij daarbij eerder door +baatzucht dan door liefde gedreven. Andreas Ferrato kon welgesteld heeten en was dat +ook in den kring der visschers, waarin hij verkeerde. Hij mocht rijk genoemd worden +in vergelijking met den Spanjaard, die niets ter wereld bezat. +</p> +<p>Niets was dus natuurlijker dan dat Carpena de gedachte gekoesterd had, om de schoonzoon +te worden van dien bemiddelde; maar niets was daartegenover ook natuurlijker, dan +dat de visscher hem steeds en onveranderlijk afgescheept had. Een zoodanig sujet kon +hem niet behagen. +</p> +<p>„Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato koeltjes, „gij hebt u eerst tot mijne dochter +gewend en die heeft „neen” gezegd. Daarop zijt gij tot mij gekomen en ik heb eveneens +„neen” geantwoord. Gij komt heden andermaal op uw verzoek terug; ik antwoord u „neen!” +voor de laatste maal.” +</p> +<p>Het gelaat van den Spanjaard verwrong vreeselijk. Zijn lippen krulden om en lieten +zijne tanden zien. Zijne oogen rolden woest en schoten vuurstralen. Maar de kamer, +waarin de beide mannen zich bevonden, was slecht verlicht, zoodat Andreas Ferrato +dat onheilspellend gelaat niet kon zien. +</p> +<p>„Is dat uw laatste woord?” vroeg Carpena. +</p> +<p>„Ja!” +</p> +<p>„Onherroepelijk? +</p> +<p>„Ja, onherroepelijk mijn laatste woord, wanneer het de laatste maal zal zijn, dat +gij uw aanzoek herhaalt,” antwoordde de visscher. „Komt gij er evenwel op terug, dan +zult gij steeds hetzelfde antwoord ontvangen.” +</p> +<p>„Ik zal er op terugkomen!.…” +</p> +<p>„Dat is volmaakt noodeloos!” +</p> +<p>„Ja, ik zal er op terugkomen, wanneer Maria mij zeggen zal om het te doen.” +</p> +<p>„Zij?.…” +</p> +<p>„Ja, zij!” +</p> +<p>„Zij!.…” riep Andreas Ferrato uit. „Zij! Gij weet wel dat mijne dochter noch vriendschap, +noch achting voor u koestert!” +</p> +<p>„Hare gevoelens kunnen veranderen, wanneer.…” +</p> +<p>„Kom, loop heen.” +</p> +<p>„Wanneer ik een onderhoud met haar gehad zal hebben.” +</p> +<p>„Een onderhoud?” +</p> +<p>„Ja, Ferrato, ik wensch haar te spreken.” +</p> +<p>„Wanneer?” +</p> +<p>„Dadelijk!.… Hoort ge?.… Ik moet haar dadelijk spreken …” +</p> +<p>„Moet?” vroeg de visscher toornig. +</p> +<p>„Ja, ik moet. En dat nog wel heden avond.” +<span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span></p> +<p>„Ik weiger voor haar!” +</p> +<p>„Pas op!” +</p> +<p>„Geen bedreigingen!” +</p> +<p>„Pas op!” herhaalde Carpena, die thans luider sprak. „Pas op!” +</p> +<p>„Waarop?” +</p> +<p>„Ik zal mij wreken!” +</p> +<p>„Ha, ha, ha!” +</p> +<p>„Ja, ik zal mij wreken!” +</p> +<p>„Welnu, wreek je, als ge kunt en als ge durft, Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato, +die nog meer toornig werd. +</p> +<p>„Sar me niet!” +</p> +<p>„Wreek je; je bedreigingen jagen mij geen angst aan, dat weet je wel!” +</p> +<p>De Spanjaard knarsetandde. +</p> +<p>„En nu de deur uit!” ging Andreas Ferrato voort. „Of ik smijt je naar buiten!” +</p> +<p>Het bloed steeg Carpena naar het hoofd. Hij was op het punt om geweld tegen den visscher +te begaan; maar het gelukte hem zich te bedwingen, en na de deur met kracht opengesmeten +te hebben, vloog hij de huiskamer door en het huis uit zonder een woord gesproken +te hebben. +</p> +<p>Nauwelijks was hij buiten, toen de deur der naburige kamer, waarin de vluchtelingen +verborgen waren, openging. Graaf Sandorf, wien niets van dat onderhoud ontgaan was, +verscheen op den drempel, en op Andreas Ferrato toetredende, zei hij op fluisterenden +toon: +</p> +<p>„Dat is de man, die ons aan den brigadier der maréchaussées verraden heeft. Hij kent +ons. Hij heeft ons gezien, toen wij op den oever van het kanaal van Léma voet aan +wal zetten. Hij heeft ons tot Rovigno gevolgd. Hij weet blijkbaar, dat gij ons eene +schuilplaats in uw huis verleend hebt. Laat ons dan dadelijk vluchten, anders zijn +wij verloren, en.… gij met ons!” +</p> +</div> +</div> +<div id="ch9" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4172">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">IX.</h2> +<h2 class="main">LAATSTE POGINGEN IN EEN LAATSTEN STRIJD.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Andreas Ferrato hoorde dat stilzwijgend aan. +</p> +<p>Hij had niets in zijn brein gevonden om graaf Sandorf te antwoorden. Zijn Corsicaansch +bloed kookte in hem. Hij had de beide vluchtelingen vergeten, voor welker redding +hij zooveel op het spel gezet had. Hij dacht slechts aan den Spanjaard; hij zag slechts +Carpena! +<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p> +<p>„Die ellendeling! O, die ellendeling!” mompelde hij eindelijk. „Ja! hij weet alles! +Wij hangen geheel en al van zijne genade af! ik had het moeten begrijpen!” +</p> +<p>Mathias Sandorf en Stephanus Bathory keken den visscher met een beklemd gevoel aan. +Zij wachtten reikhalzend wat hij zeggen, wat hij doen zou. Er mocht geen enkel oogenblik +verloren gaan. Er moest gehandeld, dadelijk gehandeld worden. Het verraad, dat werk +des duivels, was waarschijnlijk reeds geschied. +</p> +<p>„Heer graaf,” sprak eindelijk Andreas Ferrato, <span class="corr" id="xd33e2963" title="Niet in bron">„</span>de<span id="xd33e2965"></span> politie kan ieder oogenblik mijne woning overvallen en binnenstormen. Ja! die ellendige +bedelaar moet alles weten of ten minste moet hij onderstellen dat gijlieden hier zijt! +Het is een koop, dien hij mij heeft komen voorstellen! Mijne dochter tot prijs voor +zijne stilzwijgendheid. Hij zal u ten val brengen om zich op mij te wreken! Helaas, +wanneer de politie-agenten komen, zal het onmogelijk zijn te ontsnappen en dan zult +gij andermaal gevangen genomen worden. Ja, inderdaad, gij moet dadelijk vluchten!” +</p> +<p>„Gij hebt gelijk, Andreas Ferrato,” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar vóórdat +wij scheiden, laat mij u bedanken voor al hetgeen gij voor ons gedaan hebt, en voor +hetgeen gij voor ons doen wildet.…” +</p> +<p>„Wat ik doen wilde, wil ik nog doen,” sprak Andreas Ferrato hoogst ernstig. +</p> +<p>„Dat weigeren wij!” antwoordde Stephanus Bathory. +</p> +<p>„Ja, dat weigeren wij,” vulde graaf Sandorf aan. „Gij hebt u reeds te veel blootgegeven +en in gevaar gesteld! Wanneer men ons bij u ontdekt, dan veroordeelt men u tot de +galeien!” +</p> +<p>„Om het even!” riep de visscher uit. +</p> +<p>„Kom Stephanus, laten wij deze woning verlaten om te vermijden dat wij er den ondergang +en het ongeluk brengen!” +</p> +<p>„Maar, heer graaf.…” +</p> +<p>„Laten wij vluchten, dat ’s goed; maar alleen vluchten!” +</p> +<p>Andreas Ferrato greep den graaf bij de hand. +</p> +<p>„Waar zoudt gij heen gaan? Al de autoriteiten des lands zijn op de been en waakzaam. +De politieagenten en de maréchaussées doorkruisen nacht en dag het veld in den omtrek. +Er is geen enkel veilig punt op de kust, waar gij u zoudt kunnen inschepen, er bestaat +geen enkel voetpad, waarlangs gij de grens veilig zoudt kunnen bereiken! Zonder mij +vertrekken, is zeker den dood tegemoet snellen!” +</p> +<p>„Volgt mijn vader, heeren,” voegde Maria er bij. „Wat er ook geschiede, hij doet zijn +plicht door te pogen u te redden!” +</p> +<p>„Goed zoo, mijne dochter,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ja waarlijk, het is slechts +mijn plicht, dierbaar kind! Uw broeder wacht ons reeds bij de jol. De nacht is zeer +donker. Vóórdat wij <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>ontdekt zullen wezen, zullen wij in volle zee zijn. Omhels mij, Maria, omhels mij, +kindlief, en heeren, laten wij vertrekken!” +</p> +<p>Toch wilden graaf Sandorf en zijn lotgenoot niet toegeven. Zij weigerden een dergelijk +offer aan te nemen. Zij wilden dat huis wel dadelijk verlaten, om den visscher niet +verder in gevaar te brengen. Ja zeker. Maar vertrekken onder zijne leiding, wanneer +er de galeien op stonden! Neen! dat wilden zij niet! +</p> +<p>„Kom dan toch!” zei Mathias Sandorf tot Stephanus Bathory, terwijl hij hem meetrok. +„Als wij eenmaal buiten zijn, dan valt er alleen voor ons zelven te vreezen!” +</p> +<p>En beiden waren op het punt om door het geopende venster te ontwijken, om over het +kleine erf hetzij de kust te bereiken, hetzij zich naar het inwendige der provincie +te begeven toen Luigi binnen stormde. +</p> +<p>„De politieagenten!” zei hij. +</p> +<p>„Vaarwel!” riep graaf Sandorf uit. +</p> +<p>En gevolgd door zijn lotgenoot sprong hij het venster uit. +</p> +<p>Juist in dat oogenblik drong een bende politiedienaren de huiskamer van den visscher +binnen. +</p> +<p>Carpena geleidde hen. +</p> +<p>„Ellendeling!” zeide Andreas Ferrato. +</p> +<p>„Dat ’s mijn antwoord op uwe weigering!” +</p> +<p>De visscher werd gegrepen en in een ondeelbaar oogenblik gebonden. Terzelfder tijd +hadden de agenten de woning bezet en al de kamers daarvan onderzocht. Het open raam +wees hen den weg aan, dien de vluchtelingen genomen hadden. Zij ijlden dadelijk ter +hunner vervolging naar buiten. +</p> +<p>De beide rampzaligen bereikten toen juist de heg, die het erf omheinde en van de kleine +beek afscheidde. Graaf Sandorf was er in één sprong over, daarna hielp hij Stephanus +Bathory, die minder vlug was, om er over te <span class="corr" id="xd33e2997" title="Bron: klouteren">klauteren</span>. Een geweerschot weerklonk op nog geen vijftig passen van hen. +</p> +<p>Stephanus was door een geweerkogel aan den schouder getroffen, hoewel niet levensgevaarlijk. +Maar zijn arm was verlamd en hij was onmachtig de pogingen van zijn makker te ondersteunen. +</p> +<p>„Vlucht,” riep hij hem toe. „Vlucht Mathias.” +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e3004" title="Niet in bron">„</span>Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven,” antwoordde graaf Sandorf, na +andermaal beproefd te hebben zijn gewonden makker in zijne armen op te tillen. +</p> +<p>„Vlucht, Mathias!” herhaalde Stephanus Bathory. +</p> +<p>„Neen! neen!” +</p> +<p>„Vlucht en leef om de verraders te straffen!” +</p> +<p>Die laatste woorden klonken als een bevel in de ooren van graaf Sandorf. +<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p> +<p>De magnaat van <span class="corr" id="xd33e3014" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span>, de samenzweerder van Triëst, de makker en deelgenoot van Stephanus Bathory en van +Ladislas Zathmar moest plaats maken voor den straffenden rechter! +</p> +<p>De politieagenten, die op hunne beurt het <span class="corr" id="xd33e3019" title="Bron: uitenide">uiteinde</span> van het kleine erf bereikt hadden, wierpen zich in dit oogenblik op den gekwetste. +Wanneer graaf Sandorf nog eene enkele seconde aarzelde, dan moest ook hij in hunne +handen vallen! +</p> +<p>„Vaarwel, Stephanus, vaarwel!” riep hij uit. +</p> +<p>En met een vervaarlijken sprong wipte hij over de beek, die langs de heg vloot en +verdween hij in de duisternis. +</p> +<p>Vijf of zes geweerschoten werden in die richting afgeschoten; maar de kogels troffen +den vluchteling niet. Hij sprong terzijde en liep ijlings naar den kant der zee. +</p> +<p>De politieagenten zaten hem evenwel op de hielen. Daar zij hem in het donker niet +ontwaren konden, was het onmogelijk om hem voor te komen. Zij verspreidden zich, om +hem den pas af te snijden, zoowel naar het innerlijke des lands, als naar den kant +van de stad en van het voorgebergte, hetwelk de baai ten noorden van Rovigno omgeeft. +</p> +<p>Een brigade maréchaussées schoot hen te hulp en bewoog zich zoo, dat graaf Sandorf +geen andere weg open bleef, dan naar de kust. Maar daar, bij den rand der klippen +aangekomen, wat zou hij daar doen? +</p> +<p>Zou hij er in slagen eene sloep te bemachtigen, om zich daarmede op de Adriatische +zee te wagen? +</p> +<p>Daartoe zou hij den tijd niet hebben; want vóórdat hij het<span id="xd33e3031"></span> touw, waarmede ze aan den oever vast lag, losgemaakt zou hebben, zou hij onder de +geweerkogels, die op hem afgezonden zouden worden, vallen. +</p> +<p>Hij begreep evenwel al heel spoedig, dat de vlucht naar het oosten hem afgesneden +zou zijn. Het geweervuur, de kreten door de politieagenten en door de maréchaussées +uitgestooten, terwijl zij naderden, duidden hem genoegzaam aan, dat hij van achteren, +naar den kant van het strand, omsingeld was. +</p> +<p>Hij kon slechts naar de zee heenijlen en daarlangs ontvluchten. +</p> +<p>Dat was ongetwijfeld een zekeren dood tegemoet loopen; maar was het niet beter die +in de golven te vinden, dan ze af te wachten voor het executie-peloton op het binnenplein +van de vesting te Pisino. +</p> +<p>Graaf Sandorf spoedde zich dus naar het strand. In weinige sprongen had hij de eerste +kabbelingen bereikt, die de branding tegen het strand opjoeg. Hij voelde als ’t ware +de politieagenten achter zich. De geweerkogels, die in den blinde op hem afgevuurd +werden, gingen rakelings zijn hoofd voorbij. +<span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span></p> +<p>Op een kleinen afstand van het strand staken hier op de kust van Istrië eene menigte +rotstoppen uit zee op. Dat waren afzonderlijke klippen, die den oever dekten. Tusschen +die klippen werden talrijke waterpoelen aangetroffen, die de uithollingen van den +oever vulden. De meeste dier poelen waren diep, maar er waren er ook, waarin het water +ternauwernood tot aan den enkel reikte. +</p> +<p>Dat was de laatste uitweg, die nog voor graaf Mathias Sandorf openstond. Hoewel hij +er niet aan twijfelen kon, dat hij den dood aan het uiteinde daarvan zou vinden, aarzelde +hij geen oogenblik dien in te slaan. +</p> +<p>Hij doorwaadde dan die poelen en sprong van rots tot rots. Maar daarbij werd zijn +omtrek meer zichtbaar op den minder donkeren achtergrond van den gezichteinder. Dadelijk +weerklonken kreten om hem aan te duiden, waarna de politieagenten hem achterna snelden. +</p> +<p>Graaf Sandorf was vast besloten niet levend in hunne handen te vallen. Als de zee +hem zou aanspoelen, dan zou het slechts zijn lijk zijn. +</p> +<p>Die <span class="corr" id="xd33e3046" title="Bron: moeielijke">moeilijke</span> jacht op die onvaste en gladde steenen, bedekt met glibberige zeegewassen, door die +waterpoelen, waarin iedere pas eene struikeling of een val kon ten gevolge hebben, +duurde meer dan een half uur. Het was den vluchteling gelukt een voorsprong te behouden, +maar de vaste grond zou hem weldra ontbreken. +</p> +<p>En inderdaad, hij kwam op een der laatste rotsen van de klippen-bank aan. Twee of +drie politie-agenten waren nog slechts op tien passen van hem. De anderen volgden +op ongeveer twintig schreden. +</p> +<p>Graaf Sandorf verhief zijne gestalte toen. Een laatste kreet ontsnapte hem, een laatste +kreet als vaarwel tot den hemel gericht. En op het oogenblik dat een aantal geweerschoten +op hem gelost werden, sprong hij in zee. +</p> +<p>Toen de politie-agenten bij het uiteinde der rotsbank gekomen waren, ontwaarden zij +niets meer dan het hoofd van den vluchteling, dat slechts als een zwart punt verscheen +en naar volle zee gekeerd was. +</p> +<p>Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias Sandorf opspatten. +En ongetwijfeld moesten een of meer kogels hem getroffen hebben, want hij dook onder +de golven om niet meer te voorschijn te komen. +</p> +<p>Neen, niets, niets was meer te ontwaren! +</p> +<p>De maréchaussées en de politie-agenten bleven, totdat de dag aangebroken was, de rotsbank, +de klippen en het strand van het voorgebergte af ten noorden van de baai gelegen, +tot voorbij het fort van Rovigno nauwkeurig bewaken. +<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span> +</p> +<div class="figure p153width"><img src="images/p153.jpg" alt="Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias Sandorf opspatten. (Bladz. 152.)" width="500" height="720"><p class="figureHead">Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias Sandorf opspatten. +(Bladz. 152.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span></p> +<p>Het was te vergeefs. +</p> +<p>Niets duidde er op, dat graaf Sandorf ergens op die kust voet aan wal gezet had. +</p> +<p>Iedereen was dan ook overtuigd, dat zoo hij niet door een kogel getroffen werd, hij +verdronken was; dat hij in ieder geval dood was. +</p> +<p>Intusschen met welke nauwgezetheid de nasporingen ook geleid en uitgevoerd werden, +geen lijk werd in de branding ontwaard, noch op de kust gevonden. En toch strekten +die nasporingen zich over eene kuststrook uit van meer dan twee uren gaans. Maar daar +de wind van den kant van het land woei en de stroom naar het zuidwesten voerde, zoo +bestond er geen twijfel of het lijk van den vluchteling was naar volle zee gedreven. +</p> +<p>Graaf Sandorf, de Hongaarsche magnaat, had dus zijn graf in de golven van de Adriatische +zee gevonden! +</p> +<p>Dat was de meening, die na een zeer nauwkeurig onderzoek, als de meest natuurlijke +door het Oostenrijksche gouvernement aangenomen werd. +</p> +<p>Het recht moest dan ook zijn loop hebben. +</p> +<p>Stephanus was, de lezer weet onder welke omstandigheden, gevat geworden. Hij werd +gedurende den nacht, en vergezeld van een sterk bewakings-detachement, naar den vestingtoren +van Pisino teruggevoerd. Daar werd hij, helaas! voor slechts weinige uren, in gezelschap +van graaf Ladislas Zathmar opgesloten. +</p> +<p>De terechtstelling werd toen vastgesteld op den volgenden dag, den 30sten Juni. +</p> +<p>Stephanus Bathory had voorzeker gedurende die noodlottige uren zijne vrouw en zijn +kind voor de laatste maal hebben kunnen weerzien. Ladislas Zathmar zou een laatsten +handdruk van zijn getrouwen dienaar hebben kunnen ontvangen; want het bevel om hen +in den vestingtoren te Pisino toe te laten, was behoorlijk gegeven. +</p> +<p>Maar èn mevrouw Bathory met haren zoon, èn Borik, die uit de gevangenis losgelaten +was, hadden Triëst verlaten. Niet wetende waarheen de gevangenen gevoerd waren, daar +de inhechtenisneming zeer geheim was gehouden, waren zij in Hongarije en zelfs tot +in Oostenrijk gaan zoeken; en toen het vonnis uitgesproken was, kon men hen natuurlijk +niet bijtijds weêrvinden. +</p> +<p>Stephanus Bathory moest dus die laatste vertroosting ontberen om zijn gade en zijn +kind weer te zien. Hij kon hen den naam der verraders, die zijn leven verkocht hadden, +niet mededeelen. +</p> +<p>Alleen de gerechtigheid van graaf Mathias Sandorf zou die kunnen treffen. +</p> +<p>Professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar werden te vijf uren op het binnenplein +der vesting doodgeschoten. Zij stierven als mannen, die hun leven voor hun vaderland +ten offer brachten. +<span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span></p> +<p>Silas <span class="corr" id="xd33e3081" title="Bron: Thoronthal">Toronthal</span> en Sarcany konden de hoop koesteren, dat zij tegen iedere weerwraak beveiligd waren. +En inderdaad, het geheim van hun verraad was slechts bekend bij hen alleen en bij +den gouverneur van Triëst. +</p> +<p>Dat verraad, die snoode daad werd hen betaald met de helft der bezittingen van graaf +Mathias Sandorf. +</p> +<p>De andere helft werd als buitengewone gunst opgespaard en bewaard voor de erfgenamen +van den graaf, wanneer zij hun achttiende jaar bereikt zouden hebben. +</p> +<p>Noch Silas Toronthal noch Sarcany ondervonden eenige wroeging over hunne schandelijke +daad. Zij konden dan ook in rust en vrede genieten van de rijkdommen, door dat afschuwelijk +verraad verkregen. +</p> +<p>Eene ander verrader scheen ook niets te vreezen te hebben. Dat was de Spanjaard Carpena, +wien de bloedprijs, de premie van vijf duizend gulden, die aan den verklikker uitgeloofd +werd, uitgereikt was. +</p> +<p>Maar konden de bankier Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany in Triëst met +opgeheven hoofde rondwandelen, daar hun geheim bewaard was gebleven, Carpena moest +onder het gewicht der algemeene afkeuring en verontwaardiging de wijk nemen en Rovigno +verlaten. Maar wat kon hem dat schelen! Hij had niets meer te vreezen, zelfs niet +de wraak van Andreas Ferrato. +</p> +<p>De visscher was inderdaad gevangen genomen, terechtgesteld en tot levenslange galeistraf +veroordeeld geworden, omdat hij eene schuilplaats aan de vluchtelingen verleend had. +Maria was thans met haren jongeren broeder Luigi alleen. Helaas, armoede en ellende +wachtten hen in dat huis, waaruit de vader gesleurd was, zonder er weer te keeren! +</p> +<p>Zoodat drie ellendelingen, alleen uit een hebzuchtig gevoel, zonder dat een zweem +van haat hen tegen hunne slachtoffers in het harnas joeg,—Carpena hiervan misschien +uitgezonderd—de een om zijn wankelende bankierszaken te herstellen, de twee anderen +om rijkdommen te verwerven, niet waren teruggedeinsd om zulk een gruwel te beramen +en te bedrijven. +</p> +<p>Zou zulk een schandelijke daad op aarde ongestraft blijven? +</p> +<p>Helaas! Gods rechtvaardigheid wordt niet altijd bespeurd. +</p> +<p>Zouden graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory, +die drie vaderlandslievende mannen, zoude Andreas Ferrato, de nederige visscher, het +edele hart, ongewroken blijven? +</p> +<p>Het antwoord daarop blijft aan de toekomst over. +</p> +<p class="trailer center">EINDE VAN HET VOORSPEL.</p> +<p><span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0 last-child part"> +<h2 class="main">DOKTER ANTEKIRRT</h2> +<p><span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span></p> +<div id="ch2.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4185">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/ornament.png" alt="I." width="569" height="86"></div> +<h2 class="label">I.</h2> +<h2 class="main">PESCADOSPUNT EN KAAP MATIFOU.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Vijftien jaren zijn verloopen sedert de laatste gebeurtenissen, bij het einde van +het voorspel dezer geschiedenis verhaald, voorgevallen waren. +</p> +<p>Het was den 24en Mei 1882 een feestdag te Ragusa, een der voornaamste steden van de +Dalmatische provinciën. +</p> +<p>Dalmatië is slechts een smalle landtong, welke tusschen het noorder gedeelte der Dinarische +Alpen, tusschen Herzegowina en de Adriatische zee gelegen is. Er is daar juist plaats +voor eene bevolking van vier of vijf maal honderd zielen, die evenwel wat opeengehoopt +moeten leven. +</p> +<p>De Dalmaten vormen een fraai ras, dat zeer sober in die dorre schrale landstreek, +waar de teelgrond zeldzaam aangetroffen wordt, leeft. Zij zijn fier gebleven te midden +der staatkundige beroeringen, welke zij ondergaan hebben; zij zijn uiterst trotsch +tegenover Oostenrijk, waaraan zij vastgeklonken werden door het verdrag van Campo +Formio, hetwelk op dat punt bij den vrede van Parijs in 1815 bevestigd werd. Zij zijn +eerlijk als goud, en hebben ten volle verdiend dat hun land, volgens eene vleiende +uitdrukking van den heer Yriartes, „het land der deuren zonder sloten” genoemd werd! +</p> +<p>Dalmatië wordt in vier kringen verdeeld, die op hunne beurt in districten onderverdeeld +zijn. Dat zijn: de kringen van Zara, van Spolato, van Cattaro en van Ragusa. De gouverneur-generaal +heeft zijne residentie te Zara, welke stad dientengevolge de hoofdplaats van de provincie +is. Te Zara komt de Landdag bijeen, waarvan enkele leden deel uitmaken van de Kamer +van vertegenwoordiging te Weenen. +</p> +<p>De tijden zijn wel veranderd sedert de XVIde eeuw, toen de Uskoken, die niets anders +dan gevluchte Turken waren, in open oorlog zoowel met de Muzelmannen als met de Christenen +verkeerden, zoowel met den Sultan van Constantinopel als met den Doge van Venetië. +Zij waren de schrik der Adriatische zee. Maar de Uskoken <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>zijn verdwenen en men vindt van dien <span class="corr" id="xd33e3116" title="Bron: volkstam">volksstam</span> nergens anders een spoor terug dan in de Carniòla. De Adriatische zee is dus heden +ten dage even veilig als eenig ander gedeelte van die prachtige en dichterlijke Middellandsche +zee. +</p> +<p>Ragusa of beter gezegd: de kleine staat Ragusa, is langen tijd republikeinschgezind +geweest en was dat voor Venetië, dat wil zeggen, reeds sedert de IXde eeuw. Het was +eerst bij decreet van Napoleon I dat Ragusa in 1809 bij het koninkrijk Illyrië gevoegd +werd, om het als hertogdom aan den maarschalk Marmont te schenken. +</p> +<p>Reeds in de IXde eeuw vertoonden zich de schepen van Ragusa in alle de Levantsche +zeeën en hadden den alleenhandel met de ongeloovigen tot zich getrokken. De Heilige +Stoel had dien alleenhandel goedgekeurd, waardoor aan Ragusa een groote voorrang geschonken +werd te midden van die kleine republieken van Zuid-Europa. Maar Ragusa onderscheidde +zich nog door andere meer edele hoedanigheden. De goede naam harer geleerden, de roem +van hare letterkundigen, de goede smaak van hare kunstbeoefenaars, hadden haar den +naam van Slavonisch Athene verschaft. +</p> +<p>Evenwel voor den handel ter zee is een goede haven met diepen ankergrond noodig, die +schepen van groote tonnenmaat kan opnemen. Maar die haven ontbreekt aan Ragusa. Hare +haven is smal en gevaarlijk van wege de rotsen, die nagenoeg met de waterlijn gelijk +liggen, zoodat niets anders dan kustvaarders en visschersschuiten eene veilige ligplaats +vinden. +</p> +<p>Gelukkig heeft de natuur als altijd, op een half uur afstands ten noorden, in een +van die inkeepingen van de baai van Ombla <span class="corr" id="xd33e3125" title="Bron: Fumera">Fiumera</span>, grillig een van die overheerlijke havenkommen gevormd, die de meest mogelijke hulpmiddelen +en gemakken aan de meest ontwikkelde scheepvaart aanbieden. Die havenplaats ligt te +Gravosa, de beste wellicht van de geheele Dalmatische kust. Daar is water genoeg voor +de meest diepgaande bodems, zelfs voor <span class="corr" id="xd33e3128" title="Bron: oorlogschepen">oorlogsschepen</span>; daar ontbreekt de ruimte niet voor het krengen en voor het dokken der schepen, ook +niet voor de scheepstimmerwerven. Daar eindelijk kunnen die groote pakketbooten aanleggen, +die der wereld in het tweede gedeelte dezer eeuw deelachtig zijn geworden. +</p> +<p>Daaruit volgt dus dat op het tijdstip van dit verhaal, de weg van Ragusa naar Gravosa +een ware boulevard was geworden, die ter weerszijden met fraaie boomen beplant en +omzoomd was met heerlijke villa’s, terwijl de geheele bevolking der stad, die toen +op zestien<span class="corr" id="xd33e3133" title="Niet in bron">-</span> of zeventienduizend inwoners kon gerekend worden, zich langs dien weg verdrong. +</p> +<p>Nu kon men dien dag tegen vier uren in den namiddag bespeuren, dat de bewoners van +Ragusa, na een heerlijken lente-ochtend genoten te hebben, zich naar Gravosa begaven. +<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span> +</p> +<div class="figure p161width"><img src="images/p161.jpg" alt="Ragusa. (Bladz. 160.)" width="503" height="720"><p class="figureHead">Ragusa. (Bladz. 160.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span></p> +<p>In die voorstad—en zoo kon Gravosa, bij de poorten der stad gelegen, toch inderdaad +genoemd worden, niet waar?—was er toen feest. Verscheidene tenten en kermiskramen +waren daar aanwezig, muziek en danspartijen in de open lucht hadden daar plaats, terwijl +kwakzalvers, kunstenmakers, koorddansers, steltloopers, wier geschreeuw en gekakel, +wier muziekinstrumenten en liederen groot spektakel in de straten, ja tot op de haven +maakten, allerwege aangetroffen werden. +</p> +<p>Voor een vreemdeling zou die dag een buitenkansje geweest zijn, om de verschillende +typen van het Slavonische ras, dat zich daar vermengd met Bohemers van allerlei gehalte +verdrong, te bestudeeren. Niet alleen waren de Nomadische bevolkingen toegestroomd, +om er de nieuwsgierigheid van de ingezetenen te ontginnen, maar ook de boerenlui en +de bergbewoners waren komen opdagen, om hun deel van de openbare vermakelijkheden +te genieten. +</p> +<p>Het vrouwelijk geslacht was er in groot getal vertegenwoordigd: dames uit de stad, +boerinnen uit den omtrek, visschersvrouwen van de kust, die allen wemelden door elkander. +Bij de eerstbedoelden was de poging merkbaar, om hare kleeding met de laatste mode +van Westelijk Europa te doen overeenstemmen. Wat de anderen betreft, hare tooi verschilde +minstens in eene bijzonderheid, naarmate van het district, vanwaar de draagsters afkomstig +waren. Hier zag men witte hemdjes met geborduurde mouwen en borstrokken, elders jakken +met veelkleurige figuren versierd, dan weer fraaie gordels met honderden ja duizenden +zilveren spijkerkopjes bezaaid. Het alles geleek op een mozaïekwerk, waarin de kleuren +in elkander vloeiden als op een fraai Perzisch tapijt. Hier werd een wit mutsje op +dichte haarvlechten ontwaard, dat met veelkleurige linten getooid was; daar eene „okronga,” +een soort sluier, die naar achteren afvalt, zooals de „puskul” van den Oosterschen +tulband; en overal beenbekleeders en schoeisel, aan het been en aan den voet met bandwerk +van stroo gevlochten vastgemaakt. En om al dien tooi en opschik te volmaken, blonken +juweelen, in den vorm van armbanden, halssnoeren, of diademen van geldstukjes, op +de meest kunstige wijze vervaardigd, om hals, armen, borst en midden te versieren. +Die juweelen werden zelfs bij de kleeding van de landlieden aangetroffen, die ook +den glinsterenden zoom van borduursels niet versmaden, waarmede de onderkant hunner +japonnen versierd was. +</p> +<p>Maar onder die verscheidene kleederdrachten der Ragusasche bevolking, welke door allen, +zelfs door de zeelieden van de haven en de kust met smaak gedragen werden, was toch +die der commissionnairs of boodschaploopers—een bevoorrecht gild—wel het meest geschikt +om de aandacht te boeien. Die pakjesdragers zijn inderdaad als ware Oosterlingen uitgedost +met tulband, vest, bovenkleed, <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>gordel, breede Turksche pantalon en babouchen of sloffen. Zij zouden op de kaden van +Galata of op het plein Top’hané te Constantinopel volstrekt niet misplaatst zijn. +</p> +<p>De feestvreugde was toen tot haar toppunt geklommen en de luidruchtigheid het hoogst. +De kramen zoowel in de straten als op de kaden waren overvuld. Er bestond bovendien +nog eene bijzondere aantrekkingskracht, die wel geschikt was om een zeker aantal nieuwsgierigen, +leegloopers en lanterfanten te verleiden en meê te slepen, en dat was het te water +laten van eene „trabucolo,” een soort vaartuig, dat alleen in de Adriatische zee aangetroffen +wordt en twee masten ieder met twee zeilen voert, welke op schuin oploopende ra’s +aangeslagen zijn. +</p> +<p>Het te water laten zou tegen zes uren in den avond plaats hebben, en de romp der trabucolo +was reeds bevrijd van de steunpalen en wachtte slechts op het wegnemen van de sleutelwiggen, +om te water te loopen. +</p> +<p>Maar tot op dat uur wedijverden de kunsten- en potsenmakers met de rondreizende muzikanten +en met de koorddansers in talent of behendigheid, tot groot genoegen van de menigte. +</p> +<p>Het waren toen de muzikanten, die het meest de toeschouwers tot zich trokken. Onder +hen bevonden zich guzlars of bespelers van de guzla en die haalden het meeste geld +op. Terwijl zij zich met hunne zonderlinge speeltuigen begeleidden, zongen zij met +eene keelgeluidachtige stem hunne nationale gezangen en liederen, en die waren inderdaad +wel waard, dat men een oogenblik stilstond om ze te hooren. +</p> +<p>De guzla, waarvan die straatkunstenaars zich bedienen, is een instrument met een langen +hals, waarover verscheidene snaren gespannen zijn en waarop zij eenvoudig met een +enkelen kattendarm zagen. Wat de stem der zangers betreft, deze laatsten loopen geen +gevaar, dat hun de noten ontbreken zullen, want zij gaan ze zoowel boven in hun hoofd +als beneden in de borstholte zoeken. +</p> +<p>Een van die zangers,—een groote lummel, met gele huid en bruin haar,—hield zijn instrument +tusschen zijne knieën evenals een oude violoncel, die uitgeteerd zoude zijn. Hij zong +en mimeerde door houding en gebaren eene canzonetta, waarvan hieronder de vertaling +volgt: +</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Wanneer weerklinkt het lied, +</p> +<p class="line xd33e3159">Het lied der Singare;</p> +<p class="line">U ontsnappe dan niet,</p> +<p class="line">Hoe zij zingt dat haar lied +</p> +<p class="line xd33e3159">Want: Beware! +</p> +<p class="line xd33e3159">Pas op voor de Singare!<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p> +<p class="line">Blijft ge echter ver van haar +</p> +<p class="line xd33e3159">Van haar verteerende blikken</p> +<p class="line">Dan is er weinig gevaar +</p> +<p class="line xd33e3159">Dan kunt ge het nog ontglippen!</p> +</div> +<p class="first">Na dat eerste couplet trad de zanger met het traditioneele bakje in de hand op de +menigte toe, om hun de gift van een paar kleine koperen muntstukken af te bedelen. +Maar hetgeen hij opgehaald had, bedroeg, scheen het, niet veel, want hij keerde naar +zijne plaats terug en poogde zijn gehoor te verteederen met een tweede couplet van +de canzonetta. +</p> +<p>Een man, ongeveer vijftig jaren oud, hoorde dat gezang dier Bohemers rustig aan. Maar +hij scheen weinig gevoelig voor zooveel dichterlijke verleidingen; want zijne beurs +bleef tot nu toe opgeborgen en gesloten. Het is waar, dat de Singare zelve, waarvan +de canzonetta sprak, met hare verteerende blikken niet gezongen had, maar wel de lange +lummel, die zich tot haren tolk gemaakt had. Hij was dan ook op het punt om heen te +gaan, zonder iets betaald te hebben, toen een jong meisje, die den toehoorder begeleidde, +hem weerhield met de woorden: +</p> +<p>„Vader, ik heb geen geld bij mij. Ik bid u, geef toch iets aan dien braven man.” +</p> +<p>Dat was de reden, waarom de guzlar vier of vijf kreutzer meer ontving dan wel geschied +zou zijn zonder de tusschenkomst van het jonge meisje. Niet dat haar vader, die zeer +rijk was, zulk een gierigaard genoemd kon worden, dat hij een aalmoes zou weigeren +aan een kermismuzikant. Neen, maar waarschijnlijk behoorde hij niet tot hen, die door +de menschelijke ellende bewogen kunnen worden. +</p> +<p>Beiden drongen door de menigte heen en gingen naar de andere kramen, waar het niet +minder luidruchtig toeging, terwijl de guzla-bespelers zich in de nabij gelegen herbergen +en kroegen verspreidden, om het ontvangen geld in vocht voor de keel om te zetten. +Zij gingen dan ook niet zuinig om met de „slivo-vitza”, een soort zeer sterke brandewijn, +die door de distillatie van pruimen verkregen wordt en die in weerwil van zijne alcoholische +kracht, als stroop door die Bohemer kelen vloot. +</p> +<p>Die kunstbeoefenaars in de open lucht, hetzij het zangers, hetzij het koorddansers +of grappenmakers waren, erlangden niet allen even gelijkelijk de gunsten van het publiek. +Onder de minstbegunstigden kon men twee acrobaten ontwaren, die te vergeefs hunne +kunsten op eene verhevenheid van planken aan den man poogden te brengen. Zij hadden +evenwel geen toeschouwers. +</p> +<p>Boven die verhevenheid prijkten afbeeldingen met schreeuwende <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>kleuren besmeerd en in vrij slechten staat verkeerende, waarop verscheurende dieren, +in waterverf gekleurd en bedeeld met de meest grillige omtrekken, voorgesteld waren. +Men zag daar leeuwen, jakhalzen, hyena’s, tijgers, boa’s enz. enz., die te midden +van een onwaarschijnlijk, ja onmogelijk landschap sprongen of zich ontrolden. +</p> +<p>Achter die verhevenheid stond eene kleine ronde tent, van oud zeildoek vervaardigd, +die met zooveel gaten doorboord was, dat de nieuwsgierigen en onbescheidenen de verleiding +niet konden weerstaan om er het oog bij te brengen en er door te gluren, hetgeen nadeelig +voor de ontvangst moest zijn. +</p> +<p>Vóór de verhevenheid stond een slecht bevestigde paal, waaraan eene oude leelijke +plank vastgespijkerd was, die als het ware de kinderjaren van de uithangborden vertegenwoordigde +en waarop deze vijf woorden grof en lomp met houtskool geschreven waren: +</p> +<p class="center">PESCADOS EN MATIFOU. +</p> +<p class="center"><i>Fransche acrobaten.</i> +</p> +<p>Uit een lichamelijk oogpunt beschouwd,—en ongetwijfeld ook uit een zedelijk oogpunt,—verschilden +die twee mannen zoo sterk van elkander als dat twee menschelijke wezens doen kunnen. +Alleen had hun gemeenschappelijke oorsprong het kunnen bij elkander brengen om de +wereld rond te trekken en den strijd des levens te zamen te aanvaarden. Beiden waren +in de Provence geboren. +</p> +<p>Hoe kwamen zij aan die zonderlinge namen, die waarschijnlijk daar ginds in hun ver +verwijderd geboorteland eenige vermaardheid hadden? +</p> +<p>Hadden zij die ontleend aan die twee geographische punten, waartusschen de baai van +Algiers ingesneden is, namelijk tusschen kaap Matifou en kaap Pescados? Ja, zeker, +en die namen pasten hen inderdaad volkomen, evenals die van Atlas aan een kermisreus +of aan een straat-Hercules. +</p> +<p>Kaap Matifou is een groote, stevige onwrikbare heuvel, die op het noordwestelijke +uiteinde van de uitgestrekte reede van Algiers verrijst, alsof hij de ontketende elementen +tartte en daardoor het gezegde der dichters verdiend heeft: +</p> +<p>„Zijn onvernietigbare massa heeft den tijd vermoeid.” +</p> +<p>Zoodanig was de athleet Matifou, een Alcides, een Porthos, een gelukkige mededinger +van een Ompdrailles, van een Nikolaas Crestes en van andere beroemde worstelaars, +die tot sieraad strekten van de zuidelijke worstelperken. +</p> +<p>Die reus, zooals men hem noemde, en men moest hem gezien <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>hebben om het te gelooven, was meer dan zes voet hoog, had een omvangrijk hoofd en +daaraan geëvenredigde schouders, eene borstkas als een smids-blaasbalg, beenen als +boomstammen van twaalf jaren oud, armen als drijfstangen van een stoomwerktuig, en +handen als nijptangen. In dien man zag men de menschelijke spierkracht in hare geheele +heerlijkheid, en wanneer men naar zijn ouderdom vernomen had,—dien hij, tusschen twee +haakjes gezegd, zelf niet wist,—dan zou men met verbazing gehoord hebben, dat hij +ternauwernood zijn twee en twintigste jaar ingetreden was. +</p> +<p>Dat kolossale wezen was stomp van begrip, maar had daarentegen ongetwijfeld een goed +hart en een eenvoudig en zacht karakter. Hij kende noch haat noch gramschap. Hij zou +nimmer iemand kwaad doen. Hij durfde ter nauwernood de hand te drukken, die hem gereikt +werd, uit vrees van ze in de zijne te vermorselen. In den grond van zijne natuur, +die zoo machtig was, bestond niets van den aard eens tijgers, waarvan hij toch de +kracht bezat. +</p> +<p>Hij gehoorzaamde dan ook op een woord of een wenk van zijnen makker, alsof een gril +van den Schepper hem tot kolossalen zoon van dien mageren sprinkhaan geschapen had. +</p> +<p>Als tegenstelling lag aan het westelijk uiteinde van de Algerijnsche baai, kaap Pescados, +vlak tegenover kaap Matifou. Die landtong is smal, uitgerafeld, en bestaat slechts +uit eene dunne rotsbank, die zich ver in zee uitstrekt. Vandaar de naam van Pescados, +welke gegeven was aan dien jongen van twintig jaren, die klein, mager en tenger was +en niet eens het vierde gedeelte in oude ponden woog, van hetgeen de andere kilogrammen +op de weegschaal haalde. Maar hij was lenig, uitermate vlug in zijne bewegingen en +had een schranderen geest en een onaantastbaar gelijkmatig humeur, zoowel in voor- +als tegenspoed. Hij was een wijsgeer op zijn manier, daarbij vindingrijk en in de +hoogste mate practisch. Hij kon het best vergeleken worden bij een aap, zonder diens +boosaardigheid evenwel. Hij was door het toeval met onverbreekbare banden aan zijn +makker, aan dien goeden, grooten, vetten dikhuid verbonden, dien hij door al de wisselvalligheden +van een straatkunstenaarsleven geleidde. +</p> +<p>Beiden waren acrobaten van beroep en liepen de kermissen af. +</p> +<p>Matifou, of beter Kaap Matifou,—zooals hij gewoonlijk genoemd werd,—worstelde in de +strijdperken, verrichtte allerhande daden van krachtsbetoon, boog ijzeren staven op +zijn elleboogsbeen, tilde met stijf uitgestrekte armen de zwaarste personen van het +gezelschap toeschouwers op en maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker, alsof +dat een eenvoudige biljardbal ware geweest. +<span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span> +</p> +<div class="figure p167width"><img src="images/p167.jpg" alt="En maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker. (Bladz. 168.)" width="504" height="720"><p class="figureHead">En maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker. (Bladz. 168.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb166a">[<a href="#pb166a">166</a>]</span></p> +<p>Pescados of Pescados-punt,—zooals de andere in de wandeling genoemd werd,—paradeerde, +zong, speelde voor hansworst, vermaakte het publiek als pailjas door zijne geestige +gezegden. Nimmer <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>bleef hij steken of het antwoord schuldig en hij verbaasde de menigte door zijne evenwichtstoeren, +die hij uiterst behendig ten uitvoer bracht. Als hij dat niet deed, dan lokte hij +aller goedkeuring uit, door goochelstukjes met kaarten, waarin hij inderdaad aan den +meest behendigen prestidigitateur een lesje had kunnen geven. Zoo nam hij zonder aarzelen +op zich, om het even welk spel het betrof,—hetzij een berekenings- of een hazardspel—steeds +te zullen winnen. +</p> +<p>„Ik heb mijn „candidaats-examen” afgelegd!” zeide hij en herhaalde hij gaarne. +</p> +<p>Maar, waarom, zult ge mij zeggen,—in navolging van eene gemeenzame uitdrukking van +vriend Pescadospunt—waarom zagen die twee arme drommels zich dien dag door de toeschouwers +verlaten, terwijl deze zich rondom andere tenten en kramen verdrongen? Waarom, zult +ge me zeggen, dreigde die geringe inkomst, die zij toch zoo noodig hadden, hen te +ontvallen? Dat was inderdaad onverklaarbaar. +</p> +<p>De taal, welke zij bezigden, een mengelmoes van het Provençaalsche en het Italiaansche +dialect—was meer dan voldoende om zich door het Dalmatisch publiek te doen verstaan +en begrijpen. Sedert zij den Provençaalschen geboortegrond verlaten hadden, waren +zij, ouderloos als zij waren, en hunne ouders zelfs nimmer gekend hebbende en als +ware producten eener spontane generatie, er in geslaagd rond te komen. Zij zochten +de jaarmarkten en de kermissen op, leefden eer armoedig dan weelderig. Zij ontbeten +niet iederen dag en hadden meestal slechts een schraal stuk brood tot avondmaal. Dat +was genoeg; want, beweerde en herhaalde de opgeruimde Pescadospunt: +</p> +<p>„Men moet nimmer het onmogelijke vergen!” +</p> +<p>En toch, al vergde dien dag die goedige lummel het onmogelijke niet, zoo poogde hij +toch een paar dozijn toeschouwers, die voor zijn kraam stonden te gapen, tot zich +te lokken, in de hoop dat zij besluiten zouden zijne ellendige tent te bezoeken. Maar +noch zijne geestige gezegden, die door zijn vreemden tongval al zeer koddig klonken, +noch zijne kwinkslagen, die een blijspel-schrijver beroemd en rijk gemaakt zouden +hebben, noch de potsierlijke gezichten, die hij trok en die een heilige van steen +of brons, in eene nis der domkerk staande, aan het lachen zouden gebracht hebben, +noch zijne ledematenbewegingen en heupontwrichtingen, ware kunststukken van lenigheid; +noch het grappige spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was en welker staarteinde +op de roode stof van zijne buis bengelde, noch zijne komieke uitvallen, die den beroemden +Pulcinello van Rome overwaardig zouden geweest zijn, konden het publiek bekoren. +<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p> +<p>En toch werd dat Slavonisch publiek door hem en zijn makker sedert verscheidene maanden +geëxploiteerd. +</p> +<p>Na de Provence verlaten te hebben, waren de twee vrienden de landstreek der Maritieme +Alpen, het Milaansche, het Lombardijsche en daarna het Venetiaansche grondgebied doorgetrokken, +waarbij als het ware de een de volmaking van den anderen was. Beiden waren beroemd: +Kaap Matifou door zijne kracht, Pescadospunt door zijne vlugheid. Hunne vermaardheid +had hun tot Triëst, in <span class="corr" id="xd33e3230" title="Bron: Ilyrië">Illyrië</span> gelegen, gelokt. Van Triëst waren zij door Istrië langs de kust van Dalmatië naar +Zara, naar Salona, naar Ragusa afgezakt, terwijl zij meer profijt er in vonden om +steeds voorwaarts te schrijden dan om achterwaarts terug te keeren. +</p> +<p>Achterwaarts waren zij genoten, ja versleten. Voor zich uit brachten zij steeds een +geheel nieuw programma voor het publiek, waaruit dan zoo goed en zoo kwaad als het +ging munt geslagen werd. +</p> +<p>Thans helaas, zij zagen het maar al te goed in, dreigde de tocht, dien zij maakten +en die toch nimmer schitterend geweest was, zeer slecht te worden. Die arme drommels +koesterden dan ook maar één wensch, dien zij waarachtig niet wisten hoe te verwezenlijken, +namelijk om naar hun vaderland terug te keeren, om de Provence weer te zien, en deden +daarbij de gelofte: zich nimmer meer zoo ver van den geboortegrond te verwijderen. +Maar zij voelden den kogel aan hun voet geklonken, den kogel der armoede en der ellende, +en met zoo’n kogel aan het been is het afleggen van honderden uren gaans een lastig +en <span class="corr" id="xd33e3236" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> werk. +</p> +<p>Evenwel, alvorens aan de toekomst te kunnen denken, moest aan het heden gedacht worden, +dat wil zeggen: aan het maal, dat zij hedenavond zouden genieten. En wat daartoe in +uitzicht zich vertoonde, was jammerlijk schraal. Zij hadden geen kreutzer in kas, +wanneer men aan den slip van den zakdoek, waarin Pescadospunt gewoonlijk het gezamenlijke +vermogen der beide vennooten opborg, den weidschen naam van kas mag geven. Te vergeefs +bewoog hij zich en liep hij op zijne verhevenheid heen en weder. Te vergeefs liet +hij wanhopige uitroepingen en aanmoedigingen door de lucht weerklinken. Te vergeefs +stelde Kaap Matifou zijn reuzenarmen ten toon, waarvan de aderen en spieren zich slingerden +en uitkwamen als de vertakkingen van eene klimopplant rondom een knoestigen stam! +Maar geen enkel toeschouwer liet iets bespeuren van eenige neiging om die linnen tent +binnen te treden. +</p> +<p>„Drommels, zij zijn hard in den bek, die duivelsche Dalmatiërs,” zei Pescadospunt. +</p> +<p>„Als keisteenen zoo hard,” vulde Kaap Matifou aan. +</p> +<p>„Waarlijk, ik geloof dat wij moeite zullen hebben om heden ons <span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span>eerste geld te verdienen! Zie je, Kaap Matifou, wij zullen moeten opbreken!” +</p> +<p>„Om waar heen te gaan?” +</p> +<p>„Je bent wel nieuwsgierig!” antwoordde Pescadospunt. +</p> +<p>„Spreek maar op.” +</p> +<p>„Welnu, wat zou je denken van een land, waar men verzekerd is om eens per dag te kunnen +eten?<span class="corr" id="xd33e3251" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„Waar ligt dat land, Pescadospunt?<span class="corr" id="xd33e3256" title="Niet in bron">”</span> +</p> +<p>„O ver, heel ver, zeer ver.… zelfs verder dan zeer ver, Kaap Matifou!” +</p> +<p>„Aan het uiteinde der aarde?” +</p> +<p>„De aarde heeft geen uiteinde,” antwoordde Pescadospunt machtspreukig. „Wanneer zij +een uiteinde had, dan zou zij niet rond zijn; wanneer zij niet rond was, dan zou zij +niet kunnen draaien. Wanneer zij niet draaide, zou zij onbewegelijk zijn, en wanneer +zij zij onbewegelijk was.…” +</p> +<p>„Welnu?”.… vroeg Kaap Matifou. +</p> +<p>„Welnu.… dan zou ze op de zon vallen in minder tijd dan ik noodig heb om een konijn +weg te goochelen!” +</p> +<p>„En dan?.…” +</p> +<p>„En dan zou gebeuren wat iederen onhandigen kunstenmaker overkomt, wanneer twee zijner +ballen zich in de lucht ontmoeten en klotsten! Krak! Alles breekt, alles valt en het +publiek fluit hem uit en vraagt zijn geld terug. Hij geeft het terug, maar dan.… dan +heeft hij dien avond niets te eten!” +</p> +<p>„Zoodat,” vroeg de reus, „wanneer de aarde op de zon viel, dan kregen wij niet te +eten?” +</p> +<p>„Neen, voorwaar!” +</p> +<p>Kaap Matifou verloor zich na dat antwoord in zeer wijdloopige overpeinzingen. Hij +zat in een hoek der verhevenheid, met zijne armen gekruist over zijne borst, die met +een vleeschkleurig geweven hemd bedekt was. Hij bewoog het hoofd heen en weer als +een porceleinen <span class="corr" id="xd33e3269" title="Bron: Chineesche">Chineesch</span> beeldje; hij zei niets meer, hij zag niets meer, hij hoorde niets meer. Hij werd +bestormd door de meest onmogelijke vermenging van denkbeelden. Alles hoste en klotste +in die groote hersenkas en daarbij voelde hij in het binnenste van zijn wezen iets, +alsof daar een afgrond geboord werd. Toen scheen het hem toe, alsof hij hoog, heel +hoog, zeer hoog.… hooger dan zeer hoog steeg. Die uitdrukking, door Pescadospunt gebezigd +voor de verwijdering der voorwerpen, had hem getroffen. Maar toen had hij een gevoel +alsof men hem gedurende die stijging plotseling losliet, waarbij hij viel.… viel in +zijn eigen maag, dat wil zeggen in de ledige ruimte. +</p> +<p>Dat was eene ware nachtmerrie. Het rampzalige wezen sprong <span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>met uitgestrekte armen en als verblind van zijn stoeltje op. Nog ééne seconde, dan +zou hij van boven zijn verhevenheid neergevallen zijn. +</p> +<p>„Hé! Kaap Matifou, wat scheelt je toch?” riep Pescadospunt uit, terwijl hij zijn makker +bij de hand greep en er in slaagde, evenwel niet zonder moeite, om hem achteruit te +trekken. +</p> +<p>„Wat? Mij?.…” antwoordde de reus geheel beteuterd. „Wat mij scheelt?.…” +</p> +<p>„Ja, u!” +</p> +<p>„Mij scheelt.…” zeide Kaap Matifou, terwijl hij zijn denkvermogen bijeen raapte, een +<span class="corr" id="xd33e3282" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> werk, hoewel zijne denkbeelden niet zeer talrijk waren. „Mij scheelt.… anders niets +dan dat ik je spreken moet, Pescadospunt!” +</p> +<p>„Spreek dan, Kaap van mijn hart! en vrees niet dat ge beluisterd zoudt kunnen worden; +want het publiek is weg! Weg! Verstoven!” +</p> +<p>De reus liet zich op zijn stoeltje neervallen en trok met zijn machtigen arm, maar +toch zacht, zeer zacht, alsof hij bang was hem te breken, zijnen braven makker tot +zich. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4194">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">II.</h2> +<h2 class="main">HET TE WATER LATEN VAN DE TRABUCOLO.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Dus het gaat niet?” begon Kaap Matifou. +</p> +<p>„Wat gaat niet?” +</p> +<p>„De zaken!” +</p> +<p>„Zij konden beter gaan, dat valt niet te betwisten; maar zij konden ook nog slechter +gaan!” +</p> +<p>„Pescadospunt?” +</p> +<p>„Kaap Matifou!” +</p> +<p>„Neem mij niet kwalijk, hetgeen ik je zeggen ga!” +</p> +<p>„Ik zal het je integendeel wel kwalijk nemen, wanneer het dat verdienen zal!” +</p> +<p>„Welnu.… ge moest mij verlaten,” zei de reus. +</p> +<p>„Wat bedoel je met dat: mij verlaten.… Je in den steek laten?” vroeg Pescadospunt. +<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span></p> +<p>„Ja!” +</p> +<p>„Ga voort, o Hercules mijner droomen! Ga voort. Waarachtig, je boezemt me belang in<span class="corr" id="xd33e3307" title="Bron: ”.">.”</span> +</p> +<p>„Zie,” antwoordde de reus, „ik ben er zeker van, dat wanneer ge alleen waart, ge er +wel komen zoudt.… Ik hinder je, en zonder mij zou je.…” +</p> +<p>„Zeg eens, Kaap Matifou,” antwoordde Pescadospunt ernstig. „Je bent dik, niet waar?<span class="corr" id="xd33e3313" title="Bron: ’">”</span> +</p> +<p>„Ja<span class="corr" id="xd33e3318" title="Bron: ,">.</span>” +</p> +<p>„Welnu, hoe dik en hoe lang en hoe groot ge ook wezen moogt, begrijp ik niet, dat +je machtige omvang de domheid heeft kunnen bevatten, die je daar uitgekraamd hebt.” +</p> +<p>„Waarom dan toch, Pescadospunt?” +</p> +<p>„Omdat die domheid nog dikker, nog grooter is dan jij bent, Kaap Matifou! Ik zou je +verlaten! Jij mijn schoothondje, mijn dierbaar lief beestje! Maar zeg eens, als ik +weg was, met wien zou je je toeren uitvoeren?” +</p> +<p>„Met wien?.…” +</p> +<p>„Wie zou er zijn, die den gevaarlijken sprong op je achterhoofd kon uitvoeren?” +</p> +<p>„Ja, maar.…” +</p> +<p>„Wie zou den toer met „de beenen uit elkander” tusschen je armen kunnen volbrengen?” +</p> +<p>„Drommels!.…” antwoordde de reus, die door die dringende vragen in de war raakte. +</p> +<p>„Ja.… de beenen uit elkander.… voor een stormachtig opgewonden publiek.… wanneer er +bij toeval publiek aanwezig is!” +</p> +<p>„Een publiek?” mompelde Kaap Matifou. +</p> +<p>„Dus,” hernam Pescadospunt, „houd je mond en laten wij slechts daaraan denken, dat +wij zooveel geld verdienen moeten om heden avond te kunnen eten!” +</p> +<p>„Ik heb geen honger!” +</p> +<p>„Jij, je hebt altijd honger, Kaap Matifou; dus.… nu heb je ook honger,” antwoordde +Pescadospunt, terwijl hij met zijne beide handen de kolossale kakebeenen opende van +zijn makker, die de verstandskies niet afgewacht had om zijne twee en dertig tanden +voltallig te hebben. „Ik zie dat aan je oogtanden, die de lengte bezitten van de haken +van een buldog! Je hebt honger, zeg ik je, en als wij nu maar zoo gelukkig zijn om +slechts een halven gulden, kom, slechts een kwartje te verdienen, dan zal je eten!” +</p> +<p>„Maar jij, kleine Pescadospunt?” +</p> +<p>„Ik, voor mij is een graankorrel genoeg! Ik behoef niet sterk te zijn, terwijl jij +zoonlief.… Volg nu wel mijne redeneering. Hoe meer je eet, te vetter zal je worden. +Hoe vetter je wordt, te meer <span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span>zal je een wonderverschijnsel zijn!.… Een wonderverschijnsel, ja.…” +<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span> +</p> +<div class="figure p173width"><img src="images/p173.jpg" alt="Noch het grappige spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was. (Bladz. 169.)" width="503" height="720"><p class="figureHead">Noch het grappige spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was. (Bladz. 169.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb174a">[<a href="#pb174a">174</a>]</span></p> +<p>„Ik integendeel, hoe minder ik eet, te meer ik vermager. En hoe meer ik vermager, +te meer word ik ook een wonderverschijnsel op mijne beurt. Is dat waar of niet?” +</p> +<p>„Dat is waar,” antwoordde Kaap Matifou zoo kinderlijk eenvoudig mogelijk. „Dus, Pescadospunt, +in mijn belang moet ik eten?” +</p> +<p>„Het is zooals gij zegt, mijn dikke vent! In uw belang, terwijl ik in mijn belang +niet moet eten!” +</p> +<p>„Zoodat, wanneer er slechts voor één te eten was.…” +</p> +<p>„Dat voor jou zou zijn!” +</p> +<p>„Maar wanneer voorraad voor twee was?” +</p> +<p>„Dan zou die ook voor jou zijn! Wat duivel, Kaap Matifou, je staat wel twee mannen?” +</p> +<p>„Vier.… zes.… tien!.…” riep de reus uit, die inderdaad door tien mannen niet zou te +bedwingen zijn. +</p> +<p>Wanneer wij de overdrijving, zoo eigen aan de Herculessen van den ouden en van den +nieuweren tijd ter zijde laten, dan valt toch als onomstootelijke waarheid mede te +deelen, dat Kaap Matifou het van alle de worstelaars, die met hem in het strijdperk +getreden waren, gewonnen had. +</p> +<p>Men verhaalde van hem twee stukken, die inderdaad zijn buitensporige kracht bewezen. +</p> +<p>Op een avond bevond hij zich te <span class="corr" id="xd33e3359" title="Bron: Nimes">Nîmes</span> in een circus, die in hout opgetrokken was. Een der steunbalken, die de kap van het +dak torschten, bezweek. Een hevig gekraak verschrikte de toeschouwers, die gevaar +liepen onder het vallende dak verpletterd te worden, of zich zelven dood te dringen, +door de poging om langs de smalle uitgangen te ontsnappen. Maar Kaap Matifou was er! +Met één sprong was hij bij den steunbalk, die reeds uit de loodlijn geweken was, en +schraagde hem met zijne krachtige schouders juist op het oogenblik, dat de dakstoel +zou neerkomen, en dat gedurende den geheelen tijd, die noodig was om de zaal te ontruimen. +Daarna volvoerde hij een vervaarlijken sprong en stormde naar buiten, juist toen het +dak achter hem instortte. +</p> +<p>Dat, dat was eene krachtsontwikkeling der schouders geweest; ziet hier nu eene van +de armen. +</p> +<p>Eens ontsnapte in de vlakte van Camargue een woedende stier uit de omheining, waarin +hij opgesloten was; hij vervolgde en verwondde verscheidene personen. Zonder de tusschenkomst +van Kaap Matifou, zou hij de grootste ongelukken veroorzaakt hebben. De reus liep +op het dier toe, wachtte het, toen het op hem aankwam, met gestrekte knieën af, greep +het, toen het met voorover gebogen <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>kop op hem losstormde, bij de hoorns, wierp het met een krachtige armbeweging omver +en weerhield het in dien stand, terwijl het met de vier hoeven in de lucht spartelde, +totdat het overmeesterd, gebonden en buiten staat gesteld was om verder nadeel te +kunnen aanrichten. +</p> +<p>Van die bovenmenschelijke lichaamskracht zouden nog meer bewijzen bij te brengen zijn. +De medegedeelde zijn evenwel voldoende om niet alleen de spierkracht van Kaap Matifou +begrijpelijk te maken, maar ook om een denkbeeld te geven, van zijn moed en zijne +toewijding en zelfopoffering, daar hij nooit vreesde zijn leven te wagen, wanneer +het gold zijn evenmensch te hulp te komen. Hij was dus een even goedhartig wezen als +hij sterk was. Evenwel om niets van zijne spierkracht te verliezen, moest de reus, +zooals Pescadospunt herhaaldelijk verzekerde, eten, en zijn makker noodzaakte hem +daartoe en leed zelf gebrek, wanneer er slechts voor één zelfs voor twee voorraad +was. Dien avond evenwel verscheen het avondmaal—voor een zelfs—niet aan den gezichteinder. +</p> +<p>„Er zijn nevelen aan de kim,” zeide Pescadospunt herhaaldelijk. +</p> +<p>En om die nevelen te verdrijven, hervatte die edele kerel zijne geestigheden en zette +potsierlijke gezichten. Hij liep zijne verhevenheid op en neer, hij draaide rechts +en links, hij ontwrichtte zijne heupen, hij liep op zijne handen als hij dat niet +op zijne voeten deed. Volgens eene zijner wijsgeerige opmerkingen, had men minder +honger, wanneer men met het hoofd omlaag heen en weer wandelde. Hij herhaalde in zijn +eigenaardig bargoens, dat half uit Provençaalsche, half uit Slavonische uitdrukkingen +bestond, die eeuwige grappen, die net zoo lang gebruikelijk zullen zijn als een pailjas +zal bestaan, om ze aan de menigte van leegloopers en maangapers toe te schreeuwen +en zoo lang als die leegloopers zullen samenstroomen om ze aan te hooren. +</p> +<p>„Treedt binnen, heeren, treedt binnen!” riep Pescadospunt. „Men betaalt slechts, wanneer +men de tent verlaat, en.… dan nog maar de kleinigheid van een kreutzer!” +</p> +<p>Maar om de tent te kunnen verlaten, moest men haar eerst binnentreden, en geene der +vijf of zes personen, die voor de geschilderde zeilen stonden te lanterfanten, scheen +tot het besluit te kunnen komen om binnen te treden. +</p> +<p>Toen wees Pescadospunt met trillenden stok op de merkwaardigheden, die op dat zeildoek +geschilderd stonden. Niet dat hij eene diergaarde aan het publiek te vertoonen had! +Neen! Die schrikwekkende beesten leefden ergens in den achterhoek van Afrika of van +Indië. Maar.… wanneer Kaap Matifou hen ooit mocht ontmoeten, dan zou hij er slechts +een hap van maken. +</p> +<p>En daarop volgden de gewone kluchten, die door den reus met <span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span>zware slagen op de groote trom, die als kanonschoten weerklonken, afgebroken werden. +</p> +<p>„De hyena, heeren! Ziet hier de hyena! Hij is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. +Het is een vlug en bloeddorstig dier. Hij springt de ringmuren der kerkhoven over +en zoekt daar zijn prooi!” +</p> +<p>En naar eene andere zijde van het geschilderde doek wijzende, waarop een geelachtig +water te midden van blauwe en groene grassoorten afgebeeld was. +</p> +<p>„Ziet hier! Een jeugdige en belangwekkende neushoorn, die slechts vijftien maanden +oud is! Dat dier werd op Sumatra geboren en opgevoed, waar het met zijn schrikkelijken +hoorn het vaartuig gedurende den overtocht in gevaar bracht van te stranden!” +</p> +<p>Daarna op een groenachtigen hoop beenderen van rampzalige slachtoffers op den voorgrond +wijzende: +</p> +<p>„Ziet, heeren, ziet! De schrikkelijke leeuw van den Atlas. Hij bewoont het innerlijke +van de Sahara! In het brandende zand van de woestijn! Op het oogenblik van de tropische +hitte, kruipt hij in rotsholen! Als hij eenige druppels water vindt, dan stort hij +er zich in en komt er druipstaartend uit!” +</p> +<p>Maar al dat aanmoedigende redenaarstalent liep gevaar geheel nutteloos te worden uitgekraamd. +Pescadospunt schreeuwde als een bezetene, maar te vergeefs. En te vergeefs sloeg Kaap +Matifou op de groote trom, alsof hij het vel wilde stuk slaan! +</p> +<p>Het was wanhopig! +</p> +<p>Eindelijk bleven toch verscheidene Dalmatiërs, stevige bergbewoners, stilstaan, om, +zooals het scheen, den athleet Kaap Matifou met bewondering te aanschouwen. +</p> +<p>Dadelijk meende Pescadospunt een middel gevonden te hebben. Hij wilde die brave lieden +tot een worstelstrijd uitdagen. +</p> +<p>„Treedt binnen, heeren! Treedt binnen! Het oogenblik is gekomen! Groote worstelstrijd +van man tegen man! De strijd zal met geopende hand plaats vinden! De schouders moeten +elkander raken! Kaap Matifou neemt op zich om al de liefhebbers te overwinnen, die +hem de eer willen aandoen zich met hem te meten! Een katoenen zwembroekje zal de eereprijs +zijn voor zijn overwinnaar! Zult gij dat zijn, heeren?” +</p> +<p>Die vraag werd gedaan aan drie kolossale boeren, die hem met domme verbaasde oogen +aankeken. +</p> +<p>Maar die kolossale boeren hadden geen lust om zich aan dien worstelstrijd, die toch +zeer eervol voor de beide tegenstanders zou geweest zijn, te onderwerpen. Pescadospunt +ging toen tot de aankondiging over, dat bij gebrek aan liefhebbers de strijd toch +zou plaats hebben, maar nu tusschen Kaap Matifou en hem. Ja, waarlijk! De behendigheid +zou zich meten met de kracht! +<span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span> +</p> +<div class="figure p177width"><img src="images/p177.jpg" alt="Hij spande alle krachten in, de spieren zijner armen en beenen zwollen als koorden op. (Bladz. 183.)" width="502" height="720"><p class="figureHead">Hij spande alle krachten in, de spieren zijner armen en beenen zwollen als koorden +op. (Bladz. 183.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span></p> +<p>„Treedt binnen, heeren. Treedt dan toch binnen! Volgt elkaar maar!” riep de arme Pescadospunt +met eene kracht, alsof hij zijne longen verscheuren wilde. „Gij zult hier zien, wat +gij nog nimmer gezien hebt! Een gevecht van Pescadospunt met Kaap Matifou! Een strijd +tusschen de twee Provençaalsche tweelingen!.… Ja.… tweelingen!.… natuurlijk niet even +oud.… ook niet uit dezelfde moeder geboren.… Maar wij zijn tweelingen!.… Kijk maar, +hoe wij elkander gelijken!.… Wij zijn even dik!.… Ik vooral!” +</p> +<p>Een jongmensch was voor de tent blijven stilstaan en hoorde alle die oudbakken aardigheden +met den grootsten ernst aan. +</p> +<p>Die jongeling was hoogstens twee en twintig jaren oud en had eene gestalte, die weinig +meer dan eene middelmatige was. Zijne fraaie gelaatstrekken schenen vermoeid door +den arbeid, zijn geheel uiterlijk ademde ernst en duidde op eene nadenkende geaardheid. +Het kon wel zijn, dat die man veel ondervinding in de lijdensschool had opgedaan. +Zijne groote zwarte oogen, zijn baard, dien hij vol maar kort afgeknipt droeg, zijn +mond, die de plooi van een glimlach niet had, maar die fijntjes onder een nog fijner +geteekenden knevel uitkwam. Dat alles duidde op eene Hongaarsche afkomst, op eene +afkomst, waarin het Magyaarsche bloed voortheerschte. Hij was zeer eenvoudig gekleed +in een modern kostuum, zonder evenwel den schijn op zich te laden een modegek te wezen. +Zijn uiterlijk liet geen twijfel over: in dien jongeling was de man reeds aanwezig! +</p> +<p>Hij luisterde, zooals reeds gezegd is, naar de nuttelooze geestigheden van Pescadospunt. +Hij zag niet zonder weemoed zijne bewegingen op die verhevenheid. Hij had zelf veel +geleden en ongetwijfeld was hij niet ongevoelig voor het lijden van anderen. +</p> +<p>„Het zijn twee Franschen!” mompelde hij. „Arme drommels! Zij beuren heden niets.” +</p> +<p>Toen kwam de gedachte bij hem op om geheel alleen een publiek toeschouwers daar te +stellen, alleen een betalend publiek te willen zijn. Dat zou niets anders dan eene +aalmoes, maar toch eene bedekte, eene verborgen aalmoes zijn; en het was zeer waarschijnlijk +dat die van pas zou komen. Hij trad dus op de deur toe, dat wil zeggen op de opening +der tent, die door het ophouden van een hoek van het zeildoek gevormd werd. +</p> +<p>„Treed binnen, mijnheer! Treed binnen! Men begint dadelijk!” +</p> +<p>„Maar.… ik ben alleen.…” merkte het jongmensch met de meest mogelijke welwillendheid +in zijne stem op. +</p> +<p>„Mijnheer!” antwoordde Pescadospunt met koddige fierheid op, „ware kunstenaars letten +meer op de qualiteit dan op de quantiteit der toeschouwers!” +</p> +<p>„Gij zult mij middelerwijl veroorloven?” zei de jongeling, terwijl hij zijne beurs +uithaalde. +<span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span></p> +<p>Hij nam twee gulden daar uit, die hij in den tinnen schotel neerlei, die in een hoek +der verhevenheid stond. +</p> +<p>„Een edel hart!” mompelde Pescadospunt. +</p> +<p>En zich tot zijn makker wendende: +</p> +<p>„Kom, vooruit, Kaap Matifou! Vooruit! Wij zullen hem voor zijn geld bedienen!” +</p> +<p>Maar ziet, juist op het oogenblik van binnen te zullen treden, ontwaarde de eenige +bezoeker van de Fransche en Provençaalsche tent een jong meisje, dat in gezelschap +van haren vader een kwartier vroeger was blijven stilstaan voor de groep guzlas-zangers. +Die jongeling en dat jeugdige meisje waren, zonder dat zij het wisten, door een en +dezelfde gedachte bewogen om een liefdewerk te volvoeren. De eene had eene aalmoes +gewijd aan die straatzangers, de andere aan deze acrobaten. +</p> +<p>Maar ongetwijfeld was deze ontmoeting den jongman niet voldoende; want hij vergat, +zoodra hij het lieve kind bespeurde, zijne rol van toeschouwer, alsook den prijs, +dien hij betaald had, en stoof den kant uit, waar de liefelijke verschijning zich +in de menigte verloor. +</p> +<p>„Hé, mijnheer!.… mijnheer!.…” riep Pescadospunt. „En uw geld dan?.… Wat drommel, dat +hebben wij niet verdiend!.… Maar waar is hij?.… Verdwenen!.… Hé, mijnheer!.…” +</p> +<p>Maar hij poogde te vergeefs „zijn publiek”, dat weggeloopen was, te ontwaren. Daar +nu bekeek hij Kaap Matifou, die niet minder verbouwereerd was dan hij, en met open +mond stond te kijken. +</p> +<p>„Juist op het oogenblik, dat wij zouden beginnen,” zei eindelijk de reus. „Waarachtig, +wij hebben geen geluk.” +</p> +<p>„Laten wij toch maar beginnen,” zei Pescadospunt, terwijl hij het trapje afklom, dat +naar de verhevenheid voerde. +</p> +<p>Zoo zouden zij, door slechts voor de ledige banken—die er trouwens ook niet waren—te +spelen, ten minste het ontvangen geld verdienen. +</p> +<p>Maar in dat oogenblik ontstond een hevig rumoer op de kaden der haven. De menigte +scheen eene beslist aangeduide beweging te volgen, die haar naar den kant van de zee +voerde, en de woorden, die door honderd, door duizend monden herhaald werden, weerklonken: +</p> +<p>„De Trabucolo!.… de Trabucolo!” +</p> +<p>Het oogenblik was inderdaad gekomen, dat het kleine vaartuig te water zou gelaten +worden. Dat schouwspel is altijd aantrekkelijk en steeds van dien aard om de publieke +nieuwsgierigheid op te wekken. Het plein en de kaden, waarop de menigte zich een oogenblik +te voren verdrong, waren weldra verlaten en alles stroomde naar de scheepstimmerwerf, +waar de handeling zou plaats hebben. +</p> +<p>Pescadospunt en Kaap Matifou begrepen dat er ten minste in <span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>het eerste halfuur niet meer op publiek te rekenen viel. Zij waren daarenboven uiterst +begeerig om den eenigen toeschouwer die op het punt was geweest om hunne tent binnen +te treden, terug te vinden. Zij verlieten hun hok dan ook, zonder het te sluiten,—waarom +ook te sluiten, er was niets weg te nemen?—en gingen naar den kant van de werf. +</p> +<p>Die scheepstimmerwerf was aan het uiteinde van eene landspits buiten de havenkom van +Gravosa, op een hellend terrein gelegen, dat door de branding als met eene zilveren +franje van verblindend wit schuim omgeven werd. +</p> +<p>Pescadospunt en Kaap Matifou baanden zich een weg met hunne ellebogen en slaagden +er in een plaatsje in de eerste rijen der toeschouwers te veroveren. Zoo had zich +nimmer, zelfs bij benefietvoorstellingen de menigte voor hunne tent verdrongen! Ja, +de kunst ontaardde! zoo verklaarden zij. +</p> +<p>De Trabucolo was reeds van de zijstelten bevrijd, die hare flanken steunden, en was +gereed om de helling af te loopen. Het anker hing ter gewenschter plaats; het zou +voldoende zijn om het te laten vallen, wanneer de romp te water zoude zijn, ten einde +de vaart te temperen, die het scheepje te ver in het havenkanaal zou kunnen voeren. +Hoewel de Trabucolo slechts een vijftig tonnen meette, was het toch een zoo aanzienlijk +gevaarte, dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen moesten genomen worden. Twee werklieden +der helling stonden op het dek van het achterschip bij den stok, waaraan de Dalmatische +vlag woei, terwijl twee anderen op het voorschip klaar bij het anker stonden. +</p> +<p>Het was achteruit, zooals gewoonlijk bij dergelijke operatiën geschiedde, dat de Trabucolo +te water zoude glijden. Haar kiel rustte op de met zeep besmeerde helling en werd +nog slechts tegengehouden door het sluitstuk. Het was voldoende dat dit weggenomen +werd, om de afglijding te doen plaats hebben; daarna zou de snelheid door de in beweging +gebrachte massa aangroeien en het kleine vaartuig zou van zelf naar zijn natuurlijk +element toeijlen. +</p> +<p>Reeds waren een half dozijn timmerlieden, met ijzeren knodsen gewapend, bezig met +het inslaan van wiggen, die onder de kiel van het voorschip aangebracht werden, om +het een weinig op te tillen om zoo nog meer helling te verkrijgen, ten einde het afglijden +naar de zee te vergemakkelijken. +</p> +<p>Een ieder volgde dien arbeid, te midden eener algemeene en diepe stilte, met de levendigste +belangstelling. +<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span> +</p> +<div class="figure p181width"><img src="images/p181.jpg" alt="„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!” (Bladz. 184.)" width="502" height="720"><p class="figureHead">„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!” (Bladz. 184.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb180a">[<a href="#pb180a">180</a>]</span></p> +<p>Juist in dat oogenblik verscheen bij de ombuiging van de landspits, die in het zuiden +de havengang van Gravosa dekte, een pleizierjacht. Het was een goelet, die ongeveer +drie honderd vijftig tonnen inhoud kon meten. Dat vaartuig poogde, door te laveeren, +den <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>kant, waarop de scheepstimmerwerf lag, te boven te komen, om zoo den haveningang open +te krijgen. Daar de bries uit het noordwesten woei, liep het jacht scherp bij den +wind, bakboord overhellende, en stuurde zoodanig, dat het slechts af te houden had, +om op de gewilde ankerplaats te komen. Binnen tien minuten zou dat vaartuig in de +onmiddellijke nabijheid gekomen zijn. Het werd al grooter en grooter voor het oog, +alsof men het door een verrekijker bekeek, waarvan de buis door eene langzame maar +gestadige beweging uitgeschoven werd. +</p> +<p>Nu moest de goelet, om de haven binnen te kunnen loopen, voorbij de scheepshelling +stevenen, alwaar het te water laten van de Trabucolo voorbereid werd. Zoodra zij dan +ook geseind werd, werd het raadzaam geacht, om ieder ongeval te voorkomen, de handeling +uit te stellen. Men zou haar voortzetten, wanneer het vaartuig voorbij gestevend zoude +zijn. Eene aanvaring tusschen die beide vaartuigen, waarvan het een dwars voor het +andere, dat met alle snelheid vooruitschoof, gekomen zou zijn, zou voorzeker noodlottig +voor het jacht moeten uitvallen. +</p> +<p>De werklieden hielden dus op met tegen de wiggen te slaan, en de man, die bij het +sluitstuk stond, kreeg bevel om nog te wachten. Dat was dus een uitstel van slechts +weinige minuten. +</p> +<p>De goelet naderde intusschen snel. Men kon reeds met het bloote oog de voorbereidselen +van het ten anker gaan waarnemen. De beide kluivers werden ingenomen en men had den +schoot van het grootzeil opgegeid, terwijl het fokkezeil weggenomen werd. Maar de +snelheid, waarmede het vaartuig voortdreef, was nog vrij groot. +</p> +<p>Ieders blik was op dat bevallig scheepje gevestigd, waarvan de nog bijstaande zeilen +door de schuine stralen der zon als verguld werden. De matrozen verrichtten hun werk +aan boord in hun Levantijnsch pak, met de roode muts op het hoofd; terwijl de kapitein +op het achterschip bij den man aan het roer stond, en vandaar kalm en waardig zijne +bevelen gaf. +</p> +<p>Weldra bevond zich het jacht, waaraan niet meer plaats overbleef dan noodig was om +den slag te maken, die het tot voorbij de landspits, welke de haven dekte, moest brengen, +dwars van de sleephelling. +</p> +<p>Plotseling weerklonk een schrikkelijke kreet. De Trabucolo was in beweging geraakt. +Door de een of andere oorzaak was het sluitstuk uit zijne sponning gesprongen en bewoog +het schip zich juist op het oogenblik, dat het jacht zijne stuurboordzijde aanbood. +</p> +<p>De botsing tusschen de beide vaartuigen scheen dus onvermijdelijk. Tijd en middelen, +om haar te beletten, ontbraken. Er viel niets te doen. Op het geschreeuw van de toeschouwers +antwoordde een kreet van schrik, door de bemanning van de goelet geslaakt. +<span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span></p> +<p>De kapitein, die zijne koelbloedigheid niet verloor, deed het roer te boord leggen, +maar het was onmogelijk dat het vaartuig vlug genoeg zou kunnen wenden of voorbijschieten, +om den schok te vermijden. +</p> +<p>Want inderdaad, de Trabucolo gleed van de helling. Een witte rook, door de sterke +wrijving veroorzaakt, werd bij den voorsteven waargenomen, terwijl de achtersteven +reeds in het water der baai dook. +</p> +<p>Plotseling sprong een man vooruit. Hij greep een eind touw, dat aan het voorschip +afhing. Maar te vergeefs poogde hij het vaartuig te weerhouden door zich, op gevaar +af van meegesleept te worden, tegen den grond te stutten. +</p> +<p>Er stond een ijzeren kanonstuk, dat als meerpaal gebruikt werd, in den grond geplant. +In een oogwenk is het om dat kanon geslagen en viert langzaam af, terwijl de man het +touw weerhoudt op gevaar van gegrepen en verpletterd te worden. Hij spande alle krachten +in; de spieren zijner armen en beenen zwollen als koorden op. Hij weerstond den aandrang +met bovenmenschelijke kracht. Dit duurde tien seconden. +</p> +<p>Maar toen brak, toen knapte de tros. Maar die tien seconden waren voldoende. De Trabucolo +had de wateren der baai bereikt, dook onder, maar richtte zich weer op met eene beweging +alsof zij stampte. Zij snelde naar den ingang der haven en stoof rakelings—op geen +voet afstand—den achterspiegel der goelet voorbij, stevende voort totdat het anker +in den grond viel, deed haren ketting strak loopen en stuitte zoo de vaart. +</p> +<p>De goelet was gered! +</p> +<p>Die man, wien niemand, door gebrek aan tijd—zoo bliksemsnel en onverwacht was alles +in zijn werk gegaan—te hulp had kunnen komen, was de heldhaftige Kaap Matifou. +</p> +<p>„Mooi!.… zeer mooi zoo!” riep Pescadospunt uit, terwijl hij op den reus toetrad. +</p> +<p>Deze nam hem op, niet om met hem toeren te verrichten, maar om hem te omhelzen, zooals +hij dat slechts doen kon, namelijk tot stikkens toe. +</p> +<p>Toen barstten van alle kanten toejuichingen en handgeklap los. De geheele menigte +verdrong zich om dien Hercules, die niet minder bescheiden was dan de befaamde uitvoerder +van de twaalf kunststukken uit de fabelleer en niets omtrent die geestdrift van het +publiek begreep. +</p> +<p>Vijf minuten later was de goelet op hare ankerplaats te midden van de havenkom aangekomen. +Daarna zette een sierlijke sloep, door zes roeiriemen bewogen, den eigenaar van dat +jacht op de kade aan wal. +<span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span></p> +<p>Dat was een man van hooge gestalte, ongeveer vijftig jaren oud, met schier witte haren +en grijzenden baard, welke laatste op Oostersche wijze geknipt was en gedragen werd. +Groote zwarte vragende oogen, die eene bewegelijke ziel aanduidden, verlevendigden +zijn gelaat, dat wel ietwat door de zon gebruind was, maar regelmatige en schoone +trekken vertoonde. Wat vooral dadelijk trof, dat was dat <span class="corr" id="xd33e3474" title="Bron: adelijk">adellijk</span> uiterlijk, hetwelk zelfs van grootheid getuigde, die zijn geheele persoon uitstraalde. +Zijne scheepskleeding, een donkerblauwe pantalon, een pijjakker van dezelfde kleur +maar met blinkende knoopen versierd, een zwarte ceintuurband, die hem het middel onder +den pijjakker omsloot, zijn lichte hoed van bruin linnen vervaardigd, dat alles stond +hem goed en liet een krachtig lichaam uitkomen, dat, uitmuntend gevormd, nog niet +door den ouderdom aangetast was. +</p> +<p>Zoodra die persoon, waarin men voelde dat een geestkrachtvolle en machtige geest huisde, +voet aan wal gezet had, stapte hij op de beide acrobaten toe, die nog steeds door +de menigte omringd en toegejuicht werden. +</p> +<p>Men drong op zijde om voor hem plaats te maken. +</p> +<p>Toen hij nabij Kaap Matifou gekomen was, was zijn eerste gebaar niet om zijne beurs +te voorschijn te halen en daaruit eene rijke aalmoes te nemen! Neen! hij reikte den +reus de hand en sprak tot hem in het Italiaansch: +</p> +<p>„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!” +</p> +<p>Kaap Matifou was waarachtig geheel onthutst over zooveel eer voor zulk eene geringe +daad. +</p> +<p>„Ja!.… het was mooi!.… het was prachtig, Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt met de +helder klinkende stembuiging van zijn Provençaalsch dialect aan. +</p> +<p>„Zijt gijlieden Franschen?” vroeg de vreemdeling. +</p> +<p>„Zoo Fransch mogelijk!” antwoordde Pescadospunt niet zonder trots. „Franschen uit +het zuiden van Frankrijk!” +</p> +<p>De vreemdeling bekeek hen met waarachtige ingenomenheid, die met eenige aandoening +vermengd was. Hunne ellende was te klaarblijkelijk om zich te kunnen vergissen. Hij +zag daar wel degelijk twee arme kunstenaars voor zich staan, waarvan een hem met groot +gevaar van zijn leven, een belangrijken dienst bewezen had, want eene botsing tusschen +de Trabucolo en de goelet, zou rampvol geweest zijn en vele slachtoffers gemaakt hebben. +</p> +<p>„Komt mij aan boord opzoeken,” zei hij hen. +</p> +<p>„Wanneer het u schikt, Prins!” antwoordde Pescadospunt, terwijl de beminnelijkste +glimlach, dien hij te voorschijn tooveren kon, zijne lippen krulde. +</p> +<p>„Morgen ochtend, zoo vroeg mogelijk.” +<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span> +</p> +<div class="figure p185width"><img src="images/p185.jpg" alt="Pescadospunt vooral, die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte, was verrukt. (Bladz. 191.)" width="506" height="720"><p class="figureHead">Pescadospunt vooral, die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte, was +verrukt. (Bladz. 191.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span></p> +<p>„Zoo vroeg mogelijk! Wij zullen er zijn!” antwoordde Pescadospunt, terwijl Kaap Matifou +zijn kolossaal hoofd slechts op en neer bewoog ten teeken dat ook hij instemde. +</p> +<p>Intusschen bleef de menigte den held van dit avontuur steeds omringen. Zij zou hem +ongetwijfeld in triomf rondgedragen hebben, waren de meest vastberadenen en de stevigsten +niet afgeschrikt geweest door zijn gewicht. Maar Pescadospunt, die steeds bij de pinken +was, meende dat het juiste oogenblik gekomen was, om de gunstige stemming van zoo’n +publiek te benuttigen. Zoodra dan ook de vreemdeling, na hun nogmaals de hand toegestoken +en met een vriendelijk gebaar toegewuifd te hebben, naar de kade gestapt was, riep +hij met zijne guitige en aantrekkelijke stem: +</p> +<p>„De worsteling, heeren! De worsteling tusschen Kaap Matifou en Pescadospunt. Treedt +binnen, heeren, treedt binnen!… Men betaalt slechts bij het heengaan of bij het binnenkomen, +naar ieders verkiezing!” +</p> +<p>Dien dag was de tent veel te klein! Men moest menschen afwijzen! Men moest die hun +geld teruggeven! +</p> +<p>Wat den vreemdeling betrof, nauwelijks had deze eenige schreden in de richting van +de kade gedaan, toen hij zich plotseling voor het jonge meisje en haren vader bevond, +die dat geheele tooneel bijgewoond hadden. +</p> +<p>De jongeman, die hen op eenigen afstand gevolgd was en wiens groet door den vader +slechts uit de hoogte beantwoord was, hield zich op een zekeren afstand. De vreemdeling +had gelegenheid dat op te merken. +</p> +<p>Toen deze zich in de tegenwoordigheid van dien man bevond, ondervond hij een gevoel, +waarvan hij de uiting ter nauwernood kon bedwingen. Het was een gevoel van afkeer +voor dien persoon, hetwelk hem beheerschte, en onwillekeurig schitterde een dreigende +bliksemstraal in zijn oog. +</p> +<p>Die man, de vader van het jonge meisje, naderde hem en zeide zeer beleefd: +</p> +<p>„Gij zijt, dank zij den moed van dien acrobaat, aan een groot gevaar ontkomen, mijnheer!” +</p> +<p>„Inderdaad, mijnheer!” antwoordde de vreemdeling, wiens stem, willens of onwillens, +eene onbedwingbare ontroering te kennen gaf. +</p> +<p>En zich tot den vader wendende, vroeg hij: +</p> +<p>„Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?” +</p> +<p>„Ik ben Silas Toronthal van Ragusa,” antwoordde de gewezen bankier van Triëst. „Mag +ik op mijne beurt weten, wie de eigenaar is van dat fraaie pleiziervaartuig?” +</p> +<p>„Ik ben dokter Antekirrt,” antwoordde de vreemdeling. +</p> +<p>Beiden wisselden een groet en gingen in verschillende richtingen <span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span>huns weegs, terwijl het gejuich en het handgeklap in de tent der Fransche acrobaten +bleef aanhouden. +</p> +<p>Dien avond at Kaap Matifou niet alleen naar volle genoegen, dat wil zeggen dat hij +voor vier personen verslond, maar er bleef ook nog een portie over. En die was voldoende +voor het avondmaal van zijnen braven kleinen makker, voor Pescadospunt. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4203">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">III.</h2> +<h2 class="main">DOKTER ANTEKIRRT.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Er zijn menschen, die de Faam wel de handen vol te doen geven. Toch is zij eene ware +orchest-vrouw met honderd monden, die den gewilden naam door haar trompetten aan de +vier hoeken der aarde verkondigen. +</p> +<p>Een zoodanige was dokter Antekirrt, die zoo even in de haven van Gravosa aangekomen +was. Er was omtrent hem in dat legendarische Oosterland een zeker geheimzinnig verhaal +ontstaan. In Azië, van de Dardanellen af tot aan het Suezkanaal; in Afrika van Suez +af tot aan de uiterste grenzen van Tunis<span class="corr" id="xd33e3524" title="Bron: ,">;</span> in de Roode zee, langs de geheele Arabische kuststrook, werd zijn naam genoemd en +herhaald als die van een buitengewoon man, zeer ervaren in de natuurkundige wetenschappen, +als van een soort alweter, een „taleb”, die in de uiterste geheimen van al het geschapene +gedrongen was. In den bijbelschen tijd, of beter in den tijd van de Tale Canaäns, +zou hij Epiphanes geheeten hebben. In de omstreken van den Euphrates zou men hem voor +een afstammeling van de oude Perzische wijzen gehouden hebben. +</p> +<p>Welke overdrijving heerschte er bij die beroemdheid? Al de overdrijving, die van een +Perzischen wijze een toovenaar wil maken; al de overdrijving, die een geleerd man +tot een bovenmenschelijk wezen wil verheffen. Ja, de waarheid is, dat dokter Antekirrt +slechts een mensch, niets anders dan een mensch was, die wel is waar, gezonde en degelijke +geestvermogens en een helder doorzicht bezat, die zeer oordeelkundig en met een bewonderenswaardig +scherpen blik begaafd was, maar die ook door de omstandigheden buitengewoon voortgeholpen +was. Zoo was het hem in een der binnenprovinciën van Klein-Azië gelukt de geheele +bevolking tegen een schrikkelijke ziekte, die voor zeer besmettelijk gehouden werd +en waarvoor hij het geneesmiddel gevonden had, te beveiligen. Vandaar zijne onvergelijkelijke +beroemdheid. +</p> +<p>Wat er vooral toe bijdroeg om hem die beroemdheid te verleenen, <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>was het ondoordringbare geheimzinnige, waarin zijn persoon gehuld was. Vanwaar kwam +hij? Dat wist niemand. Wat wist men omtrent zijn verleden? Niets. Waar en onder welke +omstandigheden had hij geleefd? Niemand kon daar antwoord op geven. Men bevestigde +slechts, dat die dokter Antekirrt om zoo te zeggen aangebeden was door de bevolkingen +van Klein-Azië en van Oost-Afrika, dat hij doorging voor een knappen geneesheer, wiens +buitengewone genezingen indruk hadden gemaakt tot bij de beroemdste wetenschappelijke +vereenigingen van Europa; dat hij zijne zorgen zoowel aan de armste lieden als aan +de rijken en machtigen der aarde wijdde. Men had hem evenwel nimmer in de landstreken +van het Westen gezien en zelfs was men sedert eenige jaren geheel en al onbekend met +de plaats van zijn verblijf. Vandaar de neiging om hem van den een of anderen geheimzinnigen +„avatar” te doen afstammen, om hem als het product van den een of anderen Hindoeschen +god te beschouwen, om er een bovenaardsch wezen van te maken, die door bovennatuurlijke +middelen kon genezen. +</p> +<p>Maar al had dokter Antekirrt zijne kunst nog niet in de voornaamste staten van Europa +uitgeoefend, zoo was zijn roem hem daar toch vooruitgesneld. Hoewel hij te Ragusa +slechts als gewoon reiziger aangekomen was, als vermogende toerist, die met zijn jacht +rondreisde om de voornaamste plaatsen, aan de Middellandsche zee gelegen, te bezoeken, +zoo had zich zijn naam toch dadelijk door de stad verbreid. In afwachting dan ook, +dat men den dokter, zelf zou kunnen aanschouwen, had de goelet middelerwijl veel bekijks. +Het gevaar, dat door den moed van Kaap Matifou afgewend was, zou trouwens voldoende +geweest zijn om de algemeene aandacht op te wekken. +</p> +<p>Inderdaad, dat jacht zou zelfs den meest rijken, den meest prachtlievenden gentleman +van de zeilvereenigingen van Amerika, van Engeland en Frankrijk eer aangedaan hebben! +Zijne beide masten stonden rechtop en dicht bij het midden van het vaartuig geplaatst, +hetgeen veroorloofde eene groote ontwikkeling aan het grootzeil en aan het fokkezeil +te geven. De lengte van zijn boegspriet, die twee kleine kluivers voerde, de afmeting +der vierkante zeilen, die aan den fokkemast aangeslagen waren, de hoogte der stengen +en de geheele inrichting van het want moesten hem eene bewonderenswaardige snelheid +bij iedere weersgesteldheid verleenen. Die goelet meette drie honderd vijftig tonnen. +Zij was lang en rank, had eene gunstige ronding en verhief zich bevallig boven de +waterlijn. Zij had diepgang genoeg om rustig op het watervlak te liggen. Het was wat +men noemde een zeewaardig vaartuig, dat nauwkeurig naar den wil van den stuurman luisterde, +en tot vier streken scherp bij den wind kon zeilen. Hetzij de goelet met volle zeilen, +hetzij zij in <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>den wind opliep, zij was niets verlegen, om, wanneer er een hevige bries woei, hare +dertien en een halve mijl in de wacht af te leggen. +<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span> +</p> +<div class="figure p189width"><img src="images/p189.jpg" alt="De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de stuurboords valreep aan. (Bladz. 195.)" width="501" height="720"><p class="figureHead">De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de stuurboords valreep aan. (Bladz. +195.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb190a">[<a href="#pb190a">190</a>]</span></p> +<p>De <i>Boadice</i>, de <i>Gaëtana</i>, of de <i>Mordon</i>, die beroemde Engelsche pleiziervaartuigen, zouden het onderwerpelijke jacht niet +de loef afgestoken hebben bij eene internationale match. +</p> +<p>Wat de uiterlijke en innerlijke fraaiheid van het jacht betrof, de meest-eischende +sportsman zou niets beter hebben kunnen uitdenken. Zijn hagelwit dek was van Canadeesche +pijnboomenbalkjes zonder kwasten vervaardigd; het innerlijke van het vaartuig was +met ware schrijnwerkersvaardigheid afgewerkt. De kappen, de trappen en de paneelen +waren van djattihout en met gepolijst koperen banden versierd, die als goud blonken; +het beeldhouwwerk van het stuurrad was keurig, terwijl de blokken van mahoniehout +scherp afstaken bij de masten, welker onderdeel in wit geverfde omhulsels geborgen +was, en bij het touwwerk van het want, dat van gegalvaniseerd ijzerdraad vervaardigd +was, en bij de helderwitte sloepen, die rank en bevallig in de davids hingen. Dat +alles deed een ontwikkelden smaak en eene volmaakte sierlijkheid uitkomen. +</p> +<p>Het is noodig, dat wij het innerlijke van dat jacht zoowel als het uiterlijke leeren +kennen, daar het toch het drijvende verblijf was van den geheimzinnigen persoon, die +de held van het verhaal zal uitmaken. Het was evenwel niet toegankelijk voor bezoekers. +Maar de romanschrijver is als het ware met een soort helderziendheid behebt, die hem +veroorlooft zelfs datgene te beschrijven, wat hij nooit gezien heeft. +</p> +<p>In het innerlijke van die goelet dong de weelde met de gemakzucht om den voorrang. +De vertrekken en de hutten, de salons, de eetzaal, die allen waren kostbaar en zeer +fraai geschilderd. De kleeden, de draperiën, in een woord alles wat tot het ameublement +behoorde, was uiterst kunstvaardig tot die pleizierscheepvaart aangewend. De welbegrepen +inrichting werd niet alleen in de vertrekken van den kapitein en der scheepsofficieren +aangetroffen, maar ook in de bergplaats van het komaliewant, waarin het zilverwerk +en het porceleinen tafelgoed tegen het slingeren en stampen van het vaartuig beveiligd +lagen; ook in de keuken of kombuis, waarin eene Hollandsche reinheid heerschte, en +in het vooruit, waar de hangmatten der bemanning ruimte genoeg hadden om ongehinderd +heen en weer te wiegelen. De bemanning telde een twintigtal matrozen, die het bevallige +kostuum van de Maltheser zeelieden droegen, korte broek met zeelaarzen, gestreept +hemd, bruine gordel, roode muts en blauwe pijjakker, waarop de beginletters van den +naam van de goelet en van haar eigenaar in het wit gekarteld waren. +</p> +<p>Maar tot welke haven behoorde dat jacht? Waar was de monsterrol afgeteekend? In welke +plaats van de Middellandsche zee werden <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>de winterkwartieren betrokken? Tot welke nationaliteit behoorde dat vaartuig ten slotte? +Men wist daaromtrent evenmin iets als omtrent de nationaliteit van den dokter. Een +groene vlag met rood kruis in den bovenhoek wapperde aan de gaffel. Men zou die vlag +te vergeefs gezocht hebben onder de zoo talrijke vlaggen, die langs de zeeën van den +geheelen aardbol zwerven. +</p> +<p>In ieder geval, vóórdat dokter Antekirrt voet aan wal gezet had, waren de scheepspapieren +aan den havenmeester overhandigd en door dezen ongetwijfeld in orde bevonden, daar +de reiziger verlof gekregen had om, nadat de geneeskundige zeedienst zijn bezoek aan +boord gebracht had, vrijelijk naar den wal te gaan. +</p> +<p>Wat den naam van de goelet betrof, die prijkte in gulden letters op een schild aan +den spiegel aangebracht. Die naam, die niets omtrent de haven van herkomst meldde, +was <i>Savarena</i>. +</p> +<p>Dat was het bewonderenswaardige pleiziervaartuig, dat men thans in de haven van Gravosa +bewonderen kon. Pescadospunt en Kaap Matifou, die den volgenden morgen door dokter +Antekirrt aan boord ontvangen zouden worden, bekeken het met de meeste nieuwsgierigheid, +maar zelfs met meer ontroering dan de overige zeelieden van de havenplaats. In hunne +hoedanigheid van inboorlingen van de Provence, waren zij uiterst gevoelig voor alles +wat zeeaangelegenheden betrof. Pescadospunt vooral, die als kenner dat wonder van +scheepsbouwkunst betrachtte, was verrukt. De beide vrienden brachten den geheelen +avond na hunne voorstelling daarmede door. +</p> +<p>„Ah,” zei Kaap Matifou. +</p> +<p>„Ho!” antwoordde Pescadospunt. +</p> +<p>„Hè! Wat zeg je er van, Pescadospunt?” +</p> +<p>„Ik zeg er niets van, Kaap Matifou!” +</p> +<p>„Maar je denkt er het jouwe van, niet waar?” +</p> +<p>En dat gesprek, hetwelk meer op bewondering uitdrukkende tusschenwerpsels in den mond +van die twee armoedige acrobaten geleek, had grooter beduidenis dan menige lange redevoering. +</p> +<p>Alle de manoeuvres, die het ten anker gaan opvolgen, waren aan boord van de <i>Savarena</i> geëindigd: de zeilen waren geborgen en op de ra’s bevestigd, het tuig en touwwerk +was op zijne plaats en met zorg strak gezet, de zonnetent was over het achterdek uitgestrekt +enz. De goelet was in een hoek van de havenkom ten anker gebracht, hetgeen aanduidde, +dat zij er op rekende het verblijf van eenigen duur te doen zijn. +</p> +<p>Overigens vergenoegde dokter Antekirrt zich met het maken van eene eenvoudige wandeling +in den omtrek van Gravosa. Terwijl Silas Toronthal met zijne dochter in hun rijtuig, +dat hen op de kade gewacht had, naar Ragusa terugkeerde, en terwijl de jonkman, <span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span>waarvan hierboven sprake was, door de groote laan derwaarts wandelde, bezocht de dokter +de haven. Dat is een der besten van de kust en op dat tijdstip bevond zich daarin +een vrij groot aantal vaartuigen van verschillende nationaliteiten. +</p> +<p>Na de stad verlaten te hebben, volgde hij de oevers van de baai van <span class="corr" id="xd33e3582" title="Bron: Ombra">Ombla</span> Fiumera, die een bocht vormt van twaalf mijlen uitgestrektheid, tot aan de monding +van de kleine <span class="corr" id="xd33e3585" title="Bron: Ombra">Ombla</span> rivier, die diep genoeg is om vaartuigen zelfs van grooten diepgang te veroorlooven +haar op te varen tot bij den voet van het Vlastizagebergte. Hij kwam tegen negen uren +op den havendam terug en woonde de aankomst van een groote pakketboot van den Oostenrijkschen +Lloyd bij, die van de Indische zee aankwam. Eindelijk keerde hij naar boord terug, +begaf zich naar zijn vertrek, hetwelk door twee lampen verlicht was en bleef tot den +volgenden ochtend alleen. +</p> +<p>Dat was zoo zijne gewoonte en de kapitein van de <i>Savarena</i>—een zeeman van ongeveer veertig jaren oud, die Narsos heette—had order om den dokter +nimmer in die uren van eenzaamheid te storen. +</p> +<p>Hier moet bij verteld worden, dat noch de officieren noch de bemanning iets afwisten +van het verleden van dien persoon. Toch waren zij hem met ziel en lichaam toegewijd. +Al gedoogde dokter Antekirrt geen enkele inbreuk op den tucht aan boord, zoo was hij +toch goed voor allen en verleende zijne hulp en gaf zijn geld uit zonder tellen. Ieder +matroos trachtte dan ook in de rol van de <i>Savarena</i> opgenomen te worden. Nimmer viel er eene berisping uit te deelen, nimmer eene bestraffing +op te leggen, nimmer eene verwijdering uit te voeren. Zij die deel uitmaakten van +de bemanning der goelet, vormden als het ware één gezin. +</p> +<p>Nadat de dokter aan boord teruggekeerd was, werden alle beschikkingen voor den nacht +getroffen. De seinlichten werden voor en achter ontstoken, de manschappen der wacht +betrokken hunne posten en weldra heerschte de diepste stilte. +</p> +<p>Dokter Antekirrt had op een breeden divan plaats genomen, die in den hoek van het +vertrek aangebracht was. Op eene tafel waren eenige dagbladen neergelegd, die zijn +knecht te Gravosa was gaan koopen. De dokter doorliep ze met een verstrooiden blik +en las eerder de gemengde berichten dan wel de hoofdartikelen. Vooral keek hij naar +de aankomst en het vertrek der vaartuigen, naar het vertrek van de notabiliteiten +der provincie tot het maken van een buitenlandsch reisje. Tegen elf uur ging hij, +zonder de hulp van zijn kamerknecht ingeroepen te hebben<span class="corr" id="xd33e3599" title="Bron: ,">, </span>te bed; maar het duurde lang alvorens hij kon inslapen. +</p> +<p>Indien iemand de gedachte had kunnen lezen, die hem het meest vervolgde, zou hij wellicht +verwonderd zijn geweest te ontwaren, dat die de navolgende vraag inhield: +<span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span> +</p> +<div class="figure p193width"><img src="images/p193.jpg" alt="„Vrienden”, zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een groot gevaar beveiligd.” (Bladz. 195.)" width="505" height="720"><p class="figureHead"><span class="corr" id="xd33e3608" title="Bron: »">„</span>Vrienden”, zei hij, <span class="corr" id="xd33e3611" title="Bron: »">„</span>gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een groot gevaar beveiligd<span class="corr" id="xd33e3614" title="Bron: ”.">.”</span> (Bladz. 195.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span></p> +<p>„Wie was die jonge man, die Silas Toronthal op de kade van Gravosa groette?” +</p> +<p>Den volgenden morgen kwam dokter Antekirrt tegen acht uren op het dek. Het weder liet +zich heerlijk aanzien. De zon verguldde reeds de bergen, die den achtergrond van de +baai vormden. Het nachtelijke duister verdween van de haven, alsof het over het watervlak +heengleed. De <i>Savarena</i> bevond zich weldra in het volle licht. +</p> +<p>Kapitein Narsos naderde den dokter, om zijne bevelen te vernemen, welke deze laatste +in korte woorden gaf, evenwel niet dan na hem eerst goeden morgen gewenscht te hebben. +</p> +<p>Een oogenblik later stak eene sloep, bemand met zes roeiers en een bootsman, van boord +af, en voer naar de kade, waar Pescadospunt en Kaap Matifou, zooals overeengekomen +was, zouden wachten. +</p> +<p>Het was een groote dag, een gewichtig oogenblik in het zwervend bestaan van die twee +eerlijke kerels, die zoo ver van hun vaderland gelokt waren en zich op eenige honderd +mijlen van de Provence verwijderd bevonden, die zij zoo zeer wenschten terug te zien! +</p> +<p>Beiden stonden op de kade te wachten. Zij hadden hun kunstenmakerskostuum uitgetrokken +en waren nu in een armoedig en versleten maar toch proper pak gestoken. Zij bekeken +het jacht, terwijl zij het evenals daags te voren bewonderden. Beiden bevonden zich +in eene aangename stemming. Niet alleen hadden Kaap Matifou en Pescadospunt den vorigen +dag heerlijk geavondmaald, maar zij hadden ook dienzelfden ochtend ontbeten. Eene +overdaad, eene ware dwaasheid, die hare oorzaak vond in de omstandigheid, dat zij +daags te voren eene buitengewoon groote ontvangst gehad hadden. Denk eens: twee en +veertig gulden! Maar men moet niet gelooven, dat zij al dat geld verbrast hadden! +Neen, Pescadospunt was voorzichtig, geregeld van levenswijs en zorgende voor den dag +van morgen. Daardoor was hun bestaan voor minstens tien dagen verzekerd. +</p> +<p>„En dat zijn wij u verschuldigd, Kaap Matifou!” +</p> +<p>„Oh, Pescadospunt!” +</p> +<p>„Ja, aan u, groot man!” +</p> +<p>„Welnu, ja.… aan mij.… als je dat pleizier kan doen!” antwoordde Kaap Matifou. +</p> +<p>In dat oogenblik landde de sloep bij de kade. Toen stond de bootsman op en berichtte +hen met de muts in de hand, dat hij zich ter beschikking van „de heeren” stelde. +</p> +<p>„Van de heeren!” riep Pescadospunt uit. „Van welke heeren?” +</p> +<p>„Van uzelven,” antwoordde de bootsman. „Dokter Antekirrt wacht u bij hem aan boord.” +</p> +<p>„Mooi! Wij zijn reeds heeren!” zei Pescadospunt. „Je zult zien, dat we nog graven +en baronnen zullen worden!” +<span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span></p> +<p>Kaap Matifou zette vreeselijk groote oogen en verkreukte in zijne verlegenheid zijn +hoed ergerlijk. +</p> +<p>„Wanneer de heeren gelieven in te stappen!” zei de bootsman. +</p> +<p>„Zeker, zeker, het gelieft ons!” zei Pescadospunt met een vriendelijk gebaar. +</p> +<p>Een oogenblik later zaten onze beide vrienden zoo gemakkelijk mogelijk op het donkere +tapijt met rood geboord, dat de bank der sloep bedekte, terwijl de bootsman achter +hen plaats nam. +</p> +<p>Het behoeft, dunkt ons, niet vermeld te worden, dat het vaartuigje onder het gewicht +van den Hercules, die aan boord stapte, twee of drie duimen onder hare waterlijn zonk. +Men moest zelfs de hoeken van het tapijt opnemen, opdat zij niet in het water sleurden. +</p> +<p>Op een schellen fluitstoot van den bootsman, vielen <span class="corr" id="xd33e3647" title="Bron: vier">zes</span> riemen tegelijkertijd te water en schoot de sloep vooruit in de richting van de <i>Savarena</i>. +</p> +<p>Het mag erkend worden, daar het de waarheid is, dat die twee arme drommels zich eenigermate +aangedaan, om niet te zeggen verlegen of beschaamd gevoelden. Zoo veel eer voor kunstenmakers! +Kaap Matifou durfde zich niet bewegen. Pescadospunt kon, in weerwil van zijne verlegenheid, +een goedhartigen glimlach, die zijn fijn en schrander gelaat verhelderde, niet verbergen. +</p> +<p>De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de stuurboordsvalreep aan. Dat +was de eerezijde! +</p> +<p>De beide vrienden stegen de bewegelijke trap, wiens krammen onder het gewicht van +Kaap Matifou doorbogen, omhoog en waren weldra op het dek aangekomen. Daar werden +zij dadelijk naar den dokter gebracht, die hen op het achterschip wachtte. +</p> +<p>Na een hartelijken groet waren er nog wel eenige plichtplegingen noodig, alvorens +Pescadospunt en Kaap Matifou besluiten konden te gaan zitten. Maar eindelijk geschiedde +dat toch. +</p> +<p>De dokter keek hen een oogenblik aan zonder te spreken. Zijn koel maar schoon gelaat +maakte indruk op hen. Maar, en daarin kon men zich niet vergissen, was er ook al geen +glimlach op zijne lippen, die glimlach zetelde toch in zijn hart. +</p> +<p>„Vrienden,” zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een groot gevaar +beveiligd. Ik heb u daarvoor nogmaals willen bedanken en daarom heb ik u verzocht +om aan boord te komen.” +</p> +<p>„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, die een weinig van zijne vrijmoedigheid terugkreeg, +„gij zijt zeer goed; maar het gebeurde is de moeite niet waard. Mijn makker heeft +niets anders gedaan dan ieder ander in zijne plaats en met zijne kracht verricht zoude +hebben. Niet waar, Kaap Matifou?” +</p> +<p>Deze knikte bevestigend, door zijn dik hoofd op en neer te bewegen. +</p> +<p>„Dat moge zoo zijn,” antwoordde de dokter, „maar uw makker <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>en niet ieder ander heeft zijn leven gewaagd en ik ben hem daarvoor veel verplicht!” +</p> +<p>„O heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „gij zult mijn ouden Kaap doen blozen en +volbloedig als hij reeds is, is het nadeelig voor hem, wanneer hem het bloed naar +het hoofd stijgt.…” +</p> +<p>„Alles wel, vrienden,” hernam de dokter. „Ik zie dat gijlieden niet van complimenten +houdt. Ik zal dus ook niet verder aandringen. Maar, daar iedere dienst beloond.…” +</p> +<p>„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „vergeef mij dat ik u in de rede val. Maar, +iedere goede daad draagt hare belooning in zichzelve, ten minste zooals de zedeboeken +leeren; en.… reeds zijn wij beloond!” +</p> +<p>„Reeds! Hoe?” vroeg de dokter, die vreesde, dat iemand hem voor was. +</p> +<p>„Zeker!” hernam Pescadospunt. „Na dit buitengewone bewijs van spierkracht van mijn +Hercules, heeft het publiek hem verder in andere kunstvaardige oefeningen willen beoordeelen. +In groote menigte is men naar ons Provençaalsche worstelperk gedrongen. Kaap Matifou +heeft een half dozijn van de sterkste bergbewoners en van de stevigste pakkendragers +van Gravosa van de been gelicht en wij hebben eene overgroote ontvangst gemaakt.” +</p> +<p>„Overgroote?” +</p> +<p>„Ja, zonder voorbeeld gedurende onze acrobatische omzwervingen!” +</p> +<p>„En hoeveel hebt gij wel ontvangen?” +</p> +<p>„Twee en veertig gulden!” +</p> +<p>„Ah! Waarlijk!.… Maar ik wist niet”.… antwoordde dokter Antekirrt met goedige stem. +„Als ik geweten had, dat gij voorstellingen gaaft, dan zou ik het mij niet alleen +tot plicht gesteld hebben, maar het zou mij ook een waar genoegen geweest zijn een +daarvan bij te wonen. Gij zult mij dus veroorloven mijne plaats te betalen.…” +</p> +<p>„Hedenavond, heer dokter, hedenavond,” antwoordde Pescadospunt, „wanneer gij onze +voorstelling met uwe tegenwoordigheid zult willen vereeren.” +</p> +<p>Kaap Matifou boog beleefd en deed daarbij zijne breede schouders zwaaien, die, zooals +Pescadospunt steeds luide verkondigde, nimmer den grond aangeraakt hadden. +</p> +<p>Dokter Antekirrt zag wel in, dat hij de beide acrobaten er niet toe zou kunnen brengen +om eene belooning, ten minste eene geldelijke, aan te nemen. Hij besloot dus anders +te werk te gaan. Daarenboven had hij sedert den vorigen dag een vastgesteld plan met +betrekking tot die twee mannen in het hoofd. Inlichtingen, die hij den vorigen avond +had doen inwinnen, hadden tot uitslag <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>gehad, dat de twee kunstenmakers eerlijke menschen waren, die ten volle vertrouwen +verdienden. +<span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span> +</p> +<div class="figure p197width"><img src="images/p197.jpg" alt="Toch stond Pescadospunt er op om zijne pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet te bewaren. (Bladz. 203.)" width="510" height="720"><p class="figureHead">Toch stond Pescadospunt er op om zijne pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet +te bewaren. (Bladz. 203.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb198a">[<a href="#pb198a">198</a>]</span></p> +<p>„Hoe heet gij?” vroeg hij. +</p> +<p>„De eenige naam, dien ik ken, heer dokter, is Pescadospunt.” +</p> +<p>„En gij?” +</p> +<p>„Ik heet Matifou,” antwoordde de Hercules. +</p> +<p>„Dat wil zeggen Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt aan, niet weinig hoogmoedig dien +naam, die zoo beroemd in al de worstelperken van Zuidelijk Frankrijk was, te kunnen +noemen. +</p> +<p>„Maar dat zijn bijnamen,”.… merkte de dokter op. +</p> +<p>„Wij hebben geen anderen,” antwoordde Pescadospunt, „of, hebben wij er ooit een gehad, +dan hebben wij hem onderweg verloren, wat niet te verwonderen is: onze zakken zijn +slecht en versleten.” +</p> +<p>„En.… uwe bloedverwanten?” +</p> +<p>„Bloedverwanten, heer dokter?.… Onze middelen hebben ons nooit dat weelde-artikel +veroorloofd! Maar mochten wij ooit rijk worden, dan zullen er wel gevonden worden, +die erven willen.” +</p> +<p>„Gij zijt Franschen? Van welk gedeelte van Frankrijk zijt gij afkomstig?” +</p> +<p>„Wij zijn Provençalen!” antwoordde Pescadospunt fier. „Dat wil zeggen, dat wij tweemalen +Franschen zijn!” +</p> +<p>„Gij hebt een opgeruimd humeur, mijnheer Pescadospunt.” +</p> +<p>„Het ambacht brengt dat mede. Stelt u voor, heer dokter, een paljas, een roodstaart, +een kermisgrappenmaker, die een droefgeestig humeur had! Hij zou meer gebakken appelen +in een uur om de ooren krijgen, dan hij zijn geheele leven zou kunnen verorberen! +Ja, ik ben opgeruimd, vroolijk zelfs, zeer vroolijk, dat beken ik!” +</p> +<p>„En Kaap Matifou?” +</p> +<p>„O, die is meer ernstig, meer nadenkend, meer in zich zelf gekeerd!” antwoordde Pescadospunt, +terwijl hij zijn makker een hartelijken vriendschappelijken klap op den schouder gaf, +zooals een ander den hals van een paard zou streelen. „Dat ’s ook het ambacht hetwelk +dat medebrengt. Wanneer men toeren maakt met gewichten van vijftig, dan moet men zeer +ernstig wezen. Wanneer men worstelt, dan doet men dat niet alleen met de armen, maar +ook en vooral met het hoofd! En Kaap Matifou heeft steeds geworsteld.… zelfs tegen +de ellende! En die heeft hem nog niet van de been kunnen brengen!” +</p> +<p>Dokter Antekirrt hoorde met belangstelling dat braaf klein wezen, waarvoor het noodlot +tot heden zoo hard was geweest, en dat toch niet verbitterd was. Hij gevoelde dat +in dat teedere omhulsel evenveel hart als geest schuilde, en dacht er over na wat +van hem had kunnen worden, wanneer aan de materieele eischen van het leven niet dadelijk +na zijn geboorte was te kort geschoten. +<span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span></p> +<p>„En waarheen trekt gij thans?” +</p> +<p>„Waarheen? Recht voor ons uit! Op goed geluk af,” antwoordde Pescadospunt. „Het toeval +is niet altijd een slechte gids en over het algemeen kent het den weg. Alleen, ik +vrees dat wij ditmaal te ver van ons land af gedwaald zijn! Maar.… alles wel beschouwd, +is dat onze schuld! Wij hadden het toeval moeten vragen waarheen het ons leiden wilde.” +</p> +<p>Dokter Antekirrt sloeg hen beiden gedurende een poos gade. Toen hernam hij met aandrang: +</p> +<p>„Wat zou ik voor ulieden kunnen doen?” +</p> +<p>„Maar niets, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „niets.… dat verzeker ik u.…” +</p> +<p>„Koestert gij het verlangen niet om in uwe Provence weer te keeren?” +</p> +<p>De oogen der beide acrobaten glinsterden tegelijkertijd. +</p> +<p>„Ik zou er u kunnen brengen,” hernam de dokter. +</p> +<p>„Dat, dat zou merkwaardig wezen!” zei Pescadospunt. +</p> +<p>En zich tot zijn makker wendende: +</p> +<p>„Kaap Matifou, zou je naar ginds willen terugkeeren?” +</p> +<p>„Ja.… als ge meegaat, Pescadospunt.” +</p> +<p>„Maar, wat zullen wij er uitvoeren? Waarvan zullen wij leven?” +</p> +<p>Kaap Matifou krabde zich achter het oor. Dat deed hij bij ieder lastig geval. +</p> +<p>„Wij zullen.… wij zullen.…” mompelde hij. +</p> +<p>„Je weet er niets van.… en ik ook niet!.… Maar, het is ons vaderland! Is het niet +zonderling, heer dokter, dat arme drommels, zooals wij zijn, een vaderland hebben; +dat arme ellendigen, die geen ouders hebben, ergens geboren zijn! Ziet, dat is voor +mij steeds onverklaarbaar geweest.” +</p> +<p>„Zoudt gij beiden kunnen besluiten steeds bij mij te blijven?” vroeg dokter Antekirrt. +</p> +<p>Op dat onverwachte voorstel was Pescadospunt vlug opgesprongen, terwijl de Hercules +hem verbaasd aankeek, niet wetende of hij ook zou moeten opstaan. +</p> +<p>„Bij u blijven, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt eindelijk. „Maar waartoe zouden +wij te gebruiken zijn? Kunststukken uitvoeren, toeren van kracht en behendigheid.… +dat alles is, wat wij in ons leven gedaan hebben. En tenzij het was om u gedurende +uwe zeetochten of in uw land te verstrooien.…” +</p> +<p>„Luistert naar mij,” hernam dokter Antekirrt. „Ik heb moedige, behendige en schrandere +mannen noodig, mannen vol toewijding, die genegen zijn het bereiken van mijne plannen +te bevorderen. Er is niets, wat u hier terughoudt, niets wat u daar ginder roept. +Wilt gij tot die mannen behooren?” +<span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span></p> +<p>„Maar wanneer uwe plannen bereikt zijn?”.… vroeg Pescadospunt. +</p> +<p>„Als het u bij mij bevalt, zult gij mij niet meer verlaten”, antwoordde de dokter +glimlachend, „dan kunt gij bij mij aan boord blijven. En kijk, gij zult aan mijne +bemanning les op het slappe koord kunnen geven! En wanneer het u integendeel zou lijken +naar uw vaderland weer te keeren, dan zal ik er u brengen en zorgen dat u een zekere +gegoedheid voor uw geheele leven verzekerd is.” +</p> +<p>„Oh! heer dokter!” riep Pescadospunt uit. „Maar het is toch uwe meening niet, ons +niets te laten uitvoeren. Tot niets goed te zijn, zou ons niemendal lijken!” +</p> +<p>„Ik beloof u arbeid, en van dusdanigen aard, dat hij u tevreden zal stellen.” +</p> +<p>„Waarlijk,” zei Pescadospunt, „dan is het aanbod zeer verleidelijk.” +</p> +<p>„Hebt gij nog tegenwerpingen te maken?”. +</p> +<p>„Nog eene enkele. Gij ziet ons beiden, Kaap Matifou en mij! Wij zijn afkomstig van +hetzelfde vaderland en wij zouden ongetwijfeld tot dezelfde familie behooren, wanneer +wij eene familie bezaten. Wij zijn broeders volgens het hart! Kaap Matifou zou niet +zonder Pescadospunt en Pescadospunt niet zonder Kaap Matifou kunnen leven! Verbeeld +u de Siameesche tweelingen! Men heeft hen nimmer kunnen scheiden, niet waar, omdat +eene scheiding hun het leven zou gekost hebben. Welnu, wij zijn als die Siameezen. +Wij hebben elkander lief, heer dokter.” +</p> +<p>Pescadospunt had, terwijl hij zoo sprak, de hand aan Kaap Matifou toegestoken, die +hem naar zich toetrok en hem aan zijne borst drukte, zooals hij met een kind gedaan +zou hebben. +</p> +<p>„Vrienden,” zei dokter Antekirrt, „er is geen quaestie van ulieden te scheiden en +het zal steeds mijn wensch zijn, dat gij mij niet zult verlaten!” +</p> +<p>„Dan zou het kunnen gaan, heer dokter, als.…” +</p> +<p>„Als?” +</p> +<p>„Als Kaap Matifou zijne toestemming geeft.” +</p> +<p>„Zeg ja, Pescadospunt,” mompelde de Hercules, „dan hebt gij voor ons beiden geantwoord!” +</p> +<p>„Welnu,” zei de dokter, „dat is dan afgesproken en gij zult geen berouw over uw besluit +ondervinden. Bekommert u van heden af om niets meer!” +</p> +<p>„O, heer dokter, pas op!” hernam Pescadospunt. „Gij verbindt u daar tot meer dan gij +wel denkt!” +</p> +<p>„Hoezoo?” +</p> +<p>„Ziet, wij zullen dure gasten zijn, vooral Kaap Matifou. Dat is een groote eter en +gij zoudt hem in uwen dienst zijne spierkracht niet willen laten verliezen, al was +dat nog zoo weinig maar.” +<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span> +</p> +<div class="figure p201width"><img src="images/p201.jpg" alt="De poort was open en verleende dwars door dien drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad. (Bladz. 211.)" width="501" height="720"><p class="figureHead">De poort was open en verleende dwars door dien drievoudigen band toegang tot het binnenste +der stad. (Bladz. 211.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p> +<p>„Ik beoog integendeel, dat hij die krachten verdubbelen zal.” +</p> +<p>„Dan zal hij u te gronde richten!” +</p> +<p>„Men richt mij niet te grande, Pescadospunt.” +</p> +<p>„Evenwel.… twee.… drie maaltijden per dag.…” +</p> +<p>„Vijf, zes, tien, als hij zulks verkiezen zal,” antwoordde dokter Antekirrt glimlachend. +„Er zal steeds open tafel voor hem zijn!” +</p> +<p>„Hè, Kaap, wat zeg je er van?” riep Pescadospunt guitig uit. „Ge zult dan steeds volop +kunnen eten!” +</p> +<p>„En gij ook, Pescadospunt!” +</p> +<p>„O, ik! Een vogel!—Maar zou ik u mogen vragen, of wij ter zee zullen varen?” +</p> +<p>„Dikwijls, vriend. Ik zal thans aan de vier hoeken van de Middellandsche zee te doen +krijgen. Mijn praktijk zal zoo wat overal langs de kusten bestaan. Ik hoop de geneeskunde +te kunnen uitoefenen op eene internationale wijze. Wanneer een zieke mij naar Tanger, +of naar de Balearische eilanden roept, wanneer ik mij te Suez of te Smyrna bevind, +zal ik hem dan niet moeten gaan bezoeken? Wat een geneesheer in eene groote stad van +het eene kwartier tot het andere uitvoert, zal ik van de Straat van Gibraltar naar +den Griekschen Archipel, van de Adriatische zee naar de Leeuwengolf, van de Jonische +zee naar de baai van Gabés verrichten! Ik bezit nog andere vaartuigen, tien malen +vlugger dan die goelet en.… bij die tochten zult gijlieden mij meestal vergezellen.” +</p> +<p>„Dat lijkt ons, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zich in de handen +wreef. +</p> +<p>„Zijt gijlieden niet bang voor de zee?” +</p> +<p>„Neen!” riep Pescadospunt uit. „Wij bang? Wij kinderen van de Provence! Als straatjongens +speelden en rolden wij in de sloepen op het strand! Neen, wij zijn niet bang voor +de zee, ook niet voor de zoogenaamde zeeziekte! Door de gewoonte, die wij hebben, +om met het hoofd omlaag en de beenen omhoog te loopen, zijn wij tegen die ongesteldheid +gevrijwaard. Wanneer de heeren en dames, alvorens zich in te schepen, slechts eenige +maanden lang die lichaamsoefening betrachtten, dan zouden zij nimmer noodig hebben +hunnen neus gedurende den overtocht boven hunne lampetkom te houden! Komt binnen, +heeren en dames! Komt binnen! Volgt slechts de menigte!” +</p> +<p>Men ziet het, de goedhartige Pescadospunt verviel weer bij zijne blijdschap in zijne +gewone kwinkslagen, net alsof hij zich nog op de verhevenheid zijner kermistent bevond. +</p> +<p>„Goed zoo, Pescadospunt!” zei de dokter. „Wij zullen elkander uitmuntend verstaan. +Bovenal beveel ik u aan, niets van uwe opgeruimdheid te verliezen. Lacht, mijn jongen, +lacht en zingt, zooveel ge verkiest. De toekomst zal wellicht genoeg droefgeestige +gebeurtenissen <span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span>opleveren, om uwe vroolijkheid onderweg te doen waardeeren.” +</p> +<p>Terwijl hij die laatste woorden sprak, was dokter Antekirrt zeer ernstig geworden. +Pescadospunt, die hem gadesloeg, had als een voorgevoel, dat die man in vroegere dagen +veel geleden had en dat zij de oorzaak daarvan wel eens zouden vernemen. +</p> +<p>„Heer dokter,” zei hij toen<span class="corr" id="xd33e3778" title="Niet in bron">,</span> „van heden af behooren wij u met ziel en lichaam toe.” +</p> +<p>„En van heden af,” antwoordde de dokter, „kunt gij u in uwe hutten inrichten. Waarschijnlijk +zal ik eenige dagen te Gravosa en te Ragusa blijven; maar het zal goed zijn, dat gij +de gewoonte aanneemt om aan boord van de <i>Savarena</i> te leven.” +</p> +<p>„Tot het oogenblik, dat gij ons in uw vaderland zult gevoerd hebben!” liet Pescadospunt +volgen. +</p> +<p>„Ik heb geen vaderland,” antwoordde de dokter, „of beter, ik heb, als gij wilt, een +vaderland van eigen maaksel, dat ook het uwe zal worden!” +</p> +<p>„Kom, Kaap Matifou,” riep Pescadospunt uit. „Kom laten wij ons handelshuis gaan liquideeren. +Wees gerust, wij zijn niemand iets schuldig en zullen niet failliet gaan!” +</p> +<p>Daarop daalden de twee vrienden, na afscheid van dokter Antekirrt genomen te hebben, +in de sloep af, die hen wachtte en waarmede zij naar de kade van Gravosa teruggevoerd +werden. +</p> +<p>Daar hadden zij in nog geen twee volle uren, hunnen inventaris opgemaakt en hunne +kermistent, hunne geschilderde <span class="corr" id="xd33e3791" title="Bron: kunsstukken">kunststukken</span>, hunne groote en kleine trom, die hunne geheele bezitting daarstelden, aan een confrater +overgedaan. Dat duurde niet lang en leverde ook geene <span class="corr" id="xd33e3794" title="Bron: moeielijkheid">moeilijkheid</span> op. Ook zouden hunne zakken niet overmatig bezwaard worden door de weinige guldens, +die zij daarin opbergden. +</p> +<p>Toch stond Pescadospunt er op om zijn kunstenmakerspak en zijne pistoncornet, en Kaap +Matifou zijne schuiftrompet en zijn worstelaarspak te bewaren. Zij zouden anders te +veel verdriet gehad hebben, door het scheiden van die werktuigen en die vodden, die +hen aan zoovele uren van succes en zegepraal herinnerden. Die kleedingstukken werden +op den bodem van eene kist geborgen, welke hun ameublement, hunne garderobe en geheel +hun materieel bevatte. +</p> +<p>Tegen een uur in den namiddag waren Pescadospunt en Kaap Matifou aan boord van de +<i>Savarena</i> terug. +</p> +<p>Een groote hut in het vooronder werd ter hunner beschikking gesteld. Het was eene +gemakkelijke en ruime hut die van alles voorzien was, „ook om te kunnen schrijven,” +zei de snaak. +</p> +<p>De bemanning ontving de nieuwe kameraden, wien zij te danken hadden, aan een groot +ongeluk ontsnapt te zijn, recht hartelijk. +</p> +<p>Reeds bij hunne aankomst konden Pescadospunt en Kaap Matifou <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>proeven, dat de kombuisproducten aan boord hen de keukens der Provençaalsche kermistenten +niet zouden doen betreuren. +</p> +<p>„Zie je, Kaap Matifou,” zei en herhaalde Pescadospunt, terwijl hij een glas heerlijken +Asti-wijn slurpte, „zie je, met goed gedrag komt men tot alles! Maar, dat moet er +zijn!” +</p> +<p>Kaap Matifou, wiens mond toen met een flink stuk ham gevuld was, dat met twee gebakken +eieren in de onpeilbare diepte van zijne maagholte verdween, antwoordde slechts met +een hoofdknik. +</p> +<p>„Welke ontvangst wel te maken zou zijn, wanneer het publiek je kon zien eten, Kaap +Matifou!” +</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.4" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#xd33e4212">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">IV.</h2> +<h2 class="main">DE WEDUWE VAN STEPHANUS BATHORY.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De tijding der aankomst van dokter Antekirrt had zich spoedig, niet alleen te Ragusa, +maar ook in de geheele Dalmatische provincie verbreid. De dagbladen wierpen zich als +het ware op die prooi, die hen eene serie van pikante berichten in het vooruitzicht +stelde, en begonnen met de aankomst van de goelet in de haven van Gravosa aan te kondigen. +De eigenaar van de <i>Savarena</i> kon dus niet ontsnappen aan het eerbetoon, maar ook niet aan de bezwaren, aan dergelijke +beroemdheid onvermijdelijk verbonden. Zijne persoonlijkheid lag als het ware op ieders +lippen. De legende maakte zich van hem meester. Men wist niet wie hij was, vanwaar +hij kwam en waarheen hij ging. Dat kon slechts de publieke nieuwsgierigheid te meer +prikkelen. En, natuurlijk, wanneer men niets weet, dan is het veld der onderstellingen +des te uitgebreider, de verbeelding benuttigt dat en dan.… dan schijnt het een wedren +te zijn voor allen, die het best ingelicht meenen te zijn. +</p> +<p>De reporters, bij hun streven om hunne lezers ter wille te zijn, waren met spoed naar +Gravosa getrokken. Sommigen hunner begaven zich zelfs aan boord van de goelet. Zij +kregen evenwel den persoon, die in de openbare meening zooveel opgang maakte, niet +te zien. De bevelen daaromtrent waren stellig. De dokter ontving niemand. De antwoorden, +die kapitein Narsos aan de bezoekers gaf, waren dan ook onveranderlijk dezelfde: +</p> +<p>„Maar, vanwaar komt die dokter?” +</p> +<p>„Vanwaar het hem gelieft.” +</p> +<p>„En waarheen gaat hij?” +</p> +<p>„Waarheen hem dat aanstaat.” +</p> +<p>„Maar, wie is hij?” +<span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span> +</p> +<div class="figure p205width"><img src="images/p205.jpg" alt="Zoo moest hij meer dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken. (Bladz. 212.)" width="499" height="720"><p class="figureHead">Zoo moest hij meer dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken. +(Bladz. 212.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span></p> +<p>„Dat weet niemand en hij wellicht nog minder dan zij, die het vragen.” +</p> +<p>Hoe nu in Godsnaam een reporterartikel met dergelijke gegevens te schrijven? +</p> +<p>Het gevolg daarvan was, dat de verbeelding vrij spel had en zich dan ook geen banden +liet aanleggen om in volle fantasie op te gaan. Van dokter Antekirrt maakte men alles +wat men maar verlangde. Hij was alles geweest wat die kroniekschrijvers maar geliefden +te verzinnen. Voor den eenen was hij een zeeschuimers-hoofdman. Voor den anderen was +hij de koning van een uitgestrekt Afrikaansch rijk, die incognito reisde met het doel +om te leeren. Verder beweerde men, dat het een staatkundige banneling was; elders +weer dat het een vorst was, die door eene omwenteling uit zijne staten verjaagd werd +en nu als wijsgeerig toerist de wereld rondreisde. Men ziet, er was volledige keus. +Wat den titel van dokter betrof, waarmede hij zich tooide, daaromtrent waren de meeningen +van hen, die den titel voor echt aannamen, ook verdeeld. Volgens de meening van sommigen +was hij een groot geneeskundige, die bewonderenswaardige genezingen in de meest wanhopige +gevallen verricht had; en volgens die van anderen was hij de koning der kwakzalvers, +die in moeilijkheid geraken zou, wanneer men zijn diploma opvorderde. +</p> +<p>Maar in ieder geval, de geneeskundigen van Gravosa en van Ragusa konden geene vervolging +tegen hem doen instellen wegens onwettige uitoefening van de geneeskunde. Dokter Antekirrt +hield zich bescheiden buiten schot en was niet te spreken, wanneer men hem als geneesheer +wilde raadplegen. +</p> +<p>Daarenboven, de eigenaar van de <i>Savarena</i> nam zijn intrek niet aan den wal. Hij stapte zelfs niet in een der hôtels van de +stad af. Ternauwernood begaf hij zich gedurende de twee dagen, welke hij te Gravosa +doorbracht, tot dicht bij Ragusa. Hij bepaalde zijne uitstappen tot eenige wandelingen +in den omtrek, waarbij hij twee of drie malen Pescadospunt meenam, wiens aangeboren +schranderheid hij waardeerde. +</p> +<p>Maar ging hijzelf niet naar Ragusa, dan ging Pescadospunt toch eens voor hem er heen. +De brave jongen, wien een opdracht van vertrouwen gedaan was—wie weet, wellicht eene +inlichting in te winnen!—beantwoordde de vragen, die hem bij zijn terugkeer gedaan +werden, als volgt: +</p> +<p>„Dus die woont in de Stradonalaan?” +</p> +<p>„Ja, heer dokter. Dat wil zeggen in de fraaiste straat der stad. Hij bewoont een hôtel, +niet ver van de plaats, waar men de reizigers het paleis van den ouden doge aanwijst. +Het is een prachtig hôtel met een talrijk bediendenpersoneel, met rijtuigen enz. In +één woord: hij volgt de levenswijze van een millionnair!” +<span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span></p> +<p>„En de andere?” +</p> +<p>„De andere of liever de anderen?” antwoordde Pescadospunt. „Die bewonen hetzelfde +stadskwartier, maar hunne woning is <span class="corr" id="xd33e3850" title="Bron: moeielijk">moeilijk</span> te vinden in een van die klimmende, smalle en slingerende stegen—ware ladders—die +meer bescheiden woningen bevatten.” +</p> +<p>„En hunne woning?” +</p> +<p>„Hunne woning is nederig, klein, droefgeestig van uiterlijk aan de buitenzijde, hoewel +ik mij verbeeld dat zij binnenshuis netjes gehouden moet zijn, heer dokter. Men gevoelt, +dat zij bewoond is door arme maar hooghartige lieden.<span class="corr" id="xd33e3856" title="Bron: ’">”</span> +</p> +<p>„Die dame?.…” +</p> +<p>„Ik heb haar niet gezien. Men zeide, dat zij bijna nimmer de Marinella-straat verliet.” +</p> +<p>„En haar zoon?.…” +</p> +<p>„Dien heb ik gezien, heer dokter, op het oogenblik dat hij bij zijne moeder binnentrad.” +</p> +<p>„Hoe zag hij er uit?.…” +</p> +<p>„Hij scheen afgetrokken, onrustig zelfs. Men zou zeggen, dat die jeugdige man reeds +veel geleden heeft!.… Dat kenmerkt zich trouwens genoegzaam!” +</p> +<p>„Maar, ook gij Pescadospunt, hebt geleden, en dat kenmerkt zich niet.” +</p> +<p>„Lichamelijk lijden is geen zedelijk lijden, heer dokter! Daarom kon ik het verhelen +en er zelfs om lachen.” +</p> +<p>Zooals men ziet, sprak dokter Antekirrt reeds gemeenzaam met Pescadospunt. Met Kaap +Matifou ging dat nog niet; want inderdaad, die Hercules was van te indrukwekkend uiterlijk, +om zich zoo gauw eenige gemeenzaamheid te mogen veroorloven. +</p> +<p>Toen de dokter die vragen gedaan en die antwoorden bekomen had, staakte hij zijne +wandelingen in de omstreken van Gravosa. Hij scheen iemand te verwachten, wiens ontmoeting +hij door zijn gaan naar Ragusa niet had willen uitlokken, daar de tijding van de aankomst +der <i>Savarena</i> genoegzaam bekend moest zijn. Hij bleef dus aan boord en hetgeen hij verwachtte, +gebeurde. +</p> +<p>Den 29en Mei gaf de dokter, na de kade van Gravosa met het gewapend oog geruimen tijd +gadegeslagen te hebben, tegen elf uren in den voormiddag bevel om de sloepen klaar +te maken; toen steeg hij er in en liet zich naar den havendam overbrengen, waar een +man stond, die hem scheen te bespieden. +</p> +<p>„Dat is hij,” mompelde de dokter binnensmonds.… „Hij is het wel degelijk!.… Ik herken +hem, al is hij nog zoo veranderd.” +</p> +<p>Die man was een grijsaard, door den ouderdom gebogen, hoewel hij slechts zeventig +jaren telde. Zijne witte haren dekten spaarzaam het hoofd, dat ter aarde gebogen was. +Zijn gelaat was ernstig, <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>droefgeestig en ternauwernood verlevendigd door een matten blik, die dikwijls door +tranen geheel verduisterd moet geweest zijn. Hij stond onbewegelijk op de kade en +verloor de sloep niet uit het oog, van het oogenblik dat van boord was afgestoken. +</p> +<p>De dokter wilde den schijn niet geven dien grijsaard te bespeuren, nog minder hem +te herkennen. Hij deed dus, alsof hij zijne tegenwoordigheid niet ontwaardde. Maar +nauwelijks had hij eenige passen op den havendam afgelegd, toen de grijsaard op hem +toetrad, nederig zijn hoed afnam en vroeg: +</p> +<p>„Zijt gij dokter Antekirrt?” +</p> +<p>„Ja, die ben ik,” antwoordde de dokter, die dien man aankeek, wiens oogleden zelfs +niet trilden, toen hij den blik op hem wierp. Daarna vervolgde hij: +</p> +<p>„Wie zijt gij vriend, en wat wilt gij van mij?” +</p> +<p>„Ik heet Borik en ik ben in dienst van mevrouw Bathory. Ik kom u uit haar naam eene +samenkomst verzoeken.…” +</p> +<p>„Mevrouw Bathory?” herhaalde de dokter vragend. „Is dat de weduwe van dien Hongaar, +die zijne vaderlandsliefde met zijn leven betaalde?” +</p> +<p>„Dezelfde,” antwoordde de grijsaard. „En hoewel gij haar nimmer zaagt, is het toch +onmogelijk, dat gij haar niet kent, juist omdat gij dokter Antekirrt zijt.” +</p> +<p>Deze hoorde den ouden dienaar, wiens oogen steeds neergeslagen bleven, aandachtig +aan. Hij vroeg zich af of onder deze woorden niet eene nevengedachte verscholen was. +Daarop hernam hij: +</p> +<p>„Wat kan mevrouw Bathory van mij willen?” +</p> +<p>„Om redenen, die gij wel begrijpen zult, wenschte zij een onderhoud met u, heer dokter.” +</p> +<p>„Ik zal haar een bezoek brengen.” +</p> +<p>„Zij wenschte liever bij u aan boord te komen.” +</p> +<p>„Waarom?” +</p> +<p>„Het is noodzakelijk, dat haar onderhoud met u geheim blijft.” +</p> +<p>„Geheim?.… Voor wien?” +</p> +<p>„Voor haren zoon! Mijnheer Piet mag niet weten, dat mevrouw Bathory u bezocht heeft.” +</p> +<p>Dit antwoord scheen den dokter te verrassen; hij liet er evenwel niets van aan Borik +blijken. +</p> +<p>„Ik geef de voorkeur aan een bezoek ten huize van mevrouw Bathory,” hernam hij. „Zou +dat niet kunnen geschieden bij afwezigheid van haren zoon?” +</p> +<p>„Dat kan, heer dokter, wanneer gij morgen wilt komen. Piet Bathory moet heden avond +naar Zara afreizen en zal niet binnen vier en twintig uur terug zijn.” +</p> +<p>„Wat voert Piet Bathory uit?” +<span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span> +</p> +<div class="figure p209width"><img src="images/p209.jpg" alt="„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u....” (Bladz. 217.)" width="509" height="720"><p class="figureHead">„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u.…” (Bladz. 217.)</p> +</div><p> +<span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span></p> +<p>„Hij is tot ingenieur gepromoveerd; maar tot heden heeft hij nog geene plaatsing kunnen +vinden. O, het leven is zoo moeitevol voor hem en voor zijne moeder!” +</p> +<p>„Moeitevol!.…” viel dokter Antekirrt in. „Bezit mevrouw Bathory dan geen middelen?”.… +</p> +<p>Hij hield op. De grijsaard had het hoofd gebogen, terwijl zijn borst bewoog onder +de snikken, die hij niet kon bedwingen. +</p> +<p>„Heer dokter,” zei hij eindelijk, „ik kan en mag u niets meer zeggen. In het onderhoud, +dat mevrouw Bathory van u verzoekt, zal zij u alles mededeelen, wat gij recht hebt +te weten.” +</p> +<p>De dokter moest wel meester over zijn gemoed zijn, om zijne aandoening te kunnen bedwingen. +</p> +<p>„Waar woont mevrouw Bathory?” vroeg hij. +</p> +<p>„Te Ragusa, in het Stradona-kwartier, op nummer 17 van de Marinella-straat.” +</p> +<p>„Zal ik mevrouw Bathory morgen in den namiddag tusschen een en twee uur kunnen ontmoeten?” +</p> +<p>„Voorzeker, heer dokter, en ik zal het zijn, die u zal aandienen<span class="corr" id="xd33e3919" title="Bron: ”.">.”</span> +</p> +<p>„Zeg dan aan mevrouw Bathory, dat zij op mijne nauwgezetheid kan rekenen.” +</p> +<p>„Ik dank u in haren naam.” +</p> +<p>En na eenige aarzeling: +</p> +<p>„Gij zoudt kunnen meenen, dat het een dienst betreft, die mevrouw u vragen wil.…” +</p> +<p>„En wanneer dat zoo was?” vroeg de dokter levendig. +</p> +<p>„Toch is het niet zoo,” antwoordde Borik. +</p> +<p>En na nederig gebogen te hebben, ging hij den weg op, die van Gravosa naar Ragusa +voert. +</p> +<p>Klaarblijkelijk hadden de laatste woorden van den ouden dienaar dokter Antekirrt eenigermate +verwonderd. Hij bleef onbeweeglijk op de kade staan en tuurde Borik na. Toen hij aan +boord teruggekomen was, schonk hij aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou verlof om +aan den wal te gaan. Daarna sloot hij zich in zijne kamer op. Hij wilde er de laatste +uren van dien dag geheel alleen doorbrengen. +</p> +<p>Pescadospunt en Kaap Matifou maakten zich dus als echte renteniers, die zij ook waren, +dat verlof ten nutte. Zij veroorloofden zich zelfs het genoegen, op het kermisterrein +eenige kramen binnen te treden. Wanneer wij beweren zouden, dat de lenige clown geen +aanvechtingen gevoelde om den een of anderen onhandigen kunstenmaker terecht te zetten; +dat de machtige voorvechter de zucht niet voelde opkomen om aan die athleetworstelingen +deel te nemen, dan zouden wij der waarheid te kort doen. Maar beiden herinnerden zich +ter rechter tijd, dat zij de eer hadden tot de bemanning van <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>de <i>Savarena</i> te behooren. Zij vergaten hun rol van toeschouwers niet en waren niet karig met hunne +toejuichingen, wanneer die verdiend waren. +</p> +<p>Den volgenden ochtend liet de dokter zich even vóór het middaguur aan wal zetten. +Na zijne sloep naar boord teruggezonden te hebben, ging hij den weg op, die het verbindingsmiddel +daarstelt tusschen de haven van Gravosa en de stad Ragusa. Dat is eene fraaie laan, +die kornisvormig aangelegd, met twee rijen villa’s omzoomd en over eene lengte van +twee kilometers heerlijk beschaduwd was. +</p> +<p>Die laan was nog niet levendig, zooals zij het weinige uren later zou zijn, door het +heen en weer rijden der equipages, door de menigte wandelaars, zoowel te paard als +te voet. +</p> +<p>De dokter volgde, terwijl hij aan die samenkomst met mevrouw Bathory dacht, eene nevenlaan +en was weldra bij Borgo Pillo, een soort steenen uitwas, die zich buiten de drievoudige +omwalling der versterkingen van Ragusa uitstrekt. De poort was open en verleende dwars +door dien drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad. +</p> +<p>De Stradona is eene prachtige flink bestrate hartader der stad, die zich van Borgo +Pillo af tot de voorstad Plocca uitstrekt en de geheele stad doorsnijdt. Zij ontwikkelt +zich aan den voet van een heuvel, die met een geheel gevaarte van huizen, amphitheatersgewijze +gebouwd, overdekt is. Aan het einde verheft zich het paleis der oude doges, een fraai +monument uit de XVde eeuw, met eene ruime binnenplaats, met een portiek in renaissance-stijl, +met boogvensters, welker slanke zuiltjes aan het beste tijdperk herinneren van Toskaansche +bouwkunst. +</p> +<p>De dokter behoefde niet tot bij dat paleis voort te gaan. De Marinella-straat, die +Borik hem daags te voren opgegeven had, komt zoowat op de helft van de Stradonalaan +uit. Hij vertraagde evenwel zijn gang een weinig op het oogenblik, dat hij een vluchtigen +blik op eene groote woning wierp, die in graniet opgetrokken was en welker rijke voorgevel +met de daaraan rechthoekig aansluitende bijgebouwen zich statig verhief. De poort +van de binnenplaats stond open en liet een uiterst fraai eigen rijtuig ontwaren met +een paar prachtige paarden bespannen. De koetsier zat deftig op den bok en de lakkei +wachtte voor het perron, dat door eene bevallige veranda overkapt was. +</p> +<p>Juist in dit oogenblik steeg een man in dat rijtuig. De paarden vlogen de plaats over +en de poort door, waarna de deuren dichtsloegen. +</p> +<p>Die persoon was dezelfde, die drie dagen te voren dokter Antekirrt op de kade van +Gravosa aangesproken had. Het was de vroegere bankier Silas Toronthal. +<span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span></p> +<p>De dokter, eene ontmoeting wenschende te vermijden, was ijlings achteruitgetreden +en schreed eerst voort, toen het vlugge rijtuig bij het uiteinde der Stradonalaan +uit het oog verdwenen was. +</p> +<p>„Beiden in dezelfde stad!” mompelde hij. „O, dat is zuiver het toeval! Daaraan heb +ik geen part of deel.” +</p> +<p>De stegen, ter linkerzijde op de Stradonalaan uitkomende, die hij door te gaan had, +waren smal, stil en slecht bestraat. +</p> +<p>Dat de lezer zich een breeden stroom verbeelde, die aan eenen kant slechts bergstroomen +als schatplichtige rivieren zou hebben. Om een weinig lucht te kunnen bemachtigen, +kruipen de huizen als het ware rakelings de eene op de anderen. Zij kijken inderdaad +elkaar in de oogen, als men zoo mag spreken van de vensters en tochtgaten, die in +hunne voorgevels aangebracht zijn. Zij stijgen zoo op den nok van een der twee heuvelen, +welker toppen door de forten van Mincetto en San Lorenzo bekroond zijn. Onmogelijk +zou er een rijtuig kunnen doorkomen. Al ontbreekt, behalve bij gelegenheid van zware +regens, de bergstroom, zoo moet zoo’n steeg toch een ravijn genoemd worden, en alle +die hellingen en al die terrassen heeft men moeten stutten met keerdammen en bokken, +en moet men door middel van trappen bestijgen. Een scherp contrast bestaat tusschen +die minder dan bescheiden woningen en de prachtige huizen en paleizen op de Stradonalaan. +</p> +<p>De dokter bereikte den ingang van de Marinella-steeg en begon de oneindige trap, die +tot straat dient, te bestijgen. Zoo moest hij meer dan zestig treden opklimmen, alvorens +nummer 17 te kunnen bereiken. +</p> +<p>Daar werd dadelijk eene deur geopend. De oude Borik wachtte den dokter. Hij geleidde +hem naar binnen zonder een woord te spreken en bracht hem in een vertrek, dat uiterst +zindelijk maar armoedig gemeubeld was. +</p> +<p>De dokter nam plaats. Niets kon de meening doen ontstaan, dat hij eenige aandoening +in dat huis ondervond—zelfs niet toen mevrouw Bathory binnentrad en tot hem zeide: +</p> +<p>„Heer dokter Antekirrt.<span class="corr" id="xd33e3956" title="Bron: ’">”</span> +</p> +<p>„Die ben ik, mevrouw,” antwoordde de dokter, terwijl hij opstond. +</p> +<p>„Ik had u de moeite willen sparen,” hernam mevrouw Bathory, „om zoover te komen en +zoo hoog te stijgen!” +</p> +<p>„Ik stond er op om u een bezoek te brengen, mevrouw; en ik bid u mij als geheel ter +uwer beschikking te beschouwen.” +</p> +<p>„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „gisteren eerst vernam ik uwe aankomst te +Gravosa en ik heb dadelijk Borik gezonden, ten einde u tot een onderhoud uit te noodigen.” +</p> +<p>„Mevrouw, ik stel mij ter uwer beschikking.” +<span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span></p> +<p>„Ik zal heengaan,” zei de grijsaard. +</p> +<p>„Neen, Borik, blijf!” antwoordde mevrouw Bathory. „Gij zijt de eenige vriend der familie. +Gij weet alles, wat ik dokter Antekirrt te zeggen heb.” +</p> +<p>Mevrouw Bathory ging zitten, de dokter nam vlak voor haar plaats, terwijl Borik bij +het venster staan bleef. +</p> +<p>De weduwe van professor Stephanus Bathory was toen zestig jaren oud. Maar richtte +zich ook al hare gestalte, in weerwil van den last der jaren, recht op, zoo verraadde +toch haar sneeuwwit hoofd, haar met rimpels gegroeid gelaat genoegzaam den strijd, +dien zij tegen het verdriet en tegen de ellende gevoerd had. Maar men gevoelde het, +zij was nog even geestkrachtvol als vroeger. O, in haar school nog immer de moedige +levensgezellin, de innige vertrouwelinge van dien man, die alles opgeofferd had aan +hetgeen hij zijnen plicht meende te zijn; in haar school nog immer zijn medeplichtige, +toen hij tot de samenzwering met Mathias Sandorf en Ladislas Zathmar toetrad. +</p> +<p>„Mijnheer,” zeide zij met eene stem, waarvan zij de aandoening te vergeefs zou hebben +pogen te bemantelen, „daar gij dokter Antekirrt zijt, ben ik u veel verplicht, en +ben ik u het verhaal verschuldigd van hetgeen vijftien jaren geleden te Triëst voorgevallen +is.…” +</p> +<p>„Mevrouw, juist omdat ik dokter Antekirrt ben, verzoek ik u, om u en mij een verhaal +te besparen, dat voor u te treurig moet zijn! Dat verhaal ken ik en ik voeg er bij—juist +alweer omdat ik dokter Antekirrt ben—dat ik uw geheel bestaan ken sedert dien onvergeetbaren +datum van den 30en Juni 1867.” +</p> +<p>„Mag ik u dan vragen, mijnheer,” hernam mevrouw Bathory, „aan welke motieven gij de +belangstelling ontleent, die gij in mijn levensloop gesteld hebt?” +</p> +<p>„Die belangstelling, mevrouw, is die, welke ieder gevoelig en rechtschapen mensch +verschuldigd is aan de weduwe van den vaderlandslievenden Magyaar, die niet geaarzeld +heeft alles voor de onafhankelijkheid van zijn vaderland ten offer te brengen!” +</p> +<p>„Hebt gij professor Stephanus Bathory gekend?” vroeg de weduwe met ietwat bevende +stem. +</p> +<p>„Ja, mevrouw, ik heb hem gekend en ik vereer allen welke dien naam dragen!<span class="corr" id="xd33e3979" title="Bron: ‘">”</span> +</p> +<p>„Behoort gij ook tot dat vaderland, waarvoor hij zijn bloed gestort heeft?” +</p> +<p>„Ik, ik heb geen vaderland, mevrouw!” +</p> +<p>„Maar wie zijt gij dan?” +</p> +<p>„Een overledene, die nog geen graf heeft kunnen vinden!” antwoordde dokter Antekirrt +koel. +<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span></p> +<p>Mevrouw Bathory en Borik ijsden bij dat zoo onverwachte antwoord; maar de dokter haastte +zich te vervolgen: +</p> +<p>„Evenwel, mevrouw, dat verhaal, hetwelk ik u verzocht niet uit te spreken, moet ik +leveren, want al weet gij ook sommige bijzonderheden, zoo zijn er toch anderen, die +u onbekend zijn, en die onkunde mag niet langer blijven bestaan.” +</p> +<p>„Ik luister, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory. +</p> +<p>„Mevrouw,” hernam de dokter, „het is nu vijftien jaren geleden, dat drie edele harten, +zich aan het hoofd stelden van eene samenzwering, die tot doel had aan Hongarije zijne +onafhankelijkheid weer te geven. Dat waren graaf Mathias Sandorf, professor Stephanus +Bathory en graaf Ladislas Zathmar, drie vrienden, die sedert lang dezelfde hoop koesterden, +drie verschillende wezens met slechts één hart. +</p> +<p>„Den 8en Juni 1867, daags vóórdat het sein zou gegeven worden voor den opstand, die +zich over geheel Hongarije en tot in <span class="corr" id="xd33e3995" title="Bron: Transylvanië">Transsylvanië</span> zou uitstrekken, werd het huis van graaf Zathmar te Triëst, waarin de hoofden der +samenzwering vergaderd waren, door de Oostenrijksche politie overvallen. Graaf Sandorf +werd met zijne beide makkers gevat en dienzelfden nacht nog in den vestingtoren van +Pisino gekerkerd. Weinige weken later waren zij ter dood veroordeeld. +</p> +<p>„Een jeugdig boekhouder, Sarcany genaamd, die terzelfder tijd in het huis van graaf +Zathmar gevangen genomen werd, maar geheel vreemd aan de samenzwering was, werd weldra +buiten alle vervolging en na de beëindiging der zaak, op vrije voeten gesteld. +</p> +<p>„Daags vóórdat het vonnis zou voltrokken worden, poogden de gevangenen, die in dezelfde +cel opgesloten waren, te ontsnappen. Graaf Sandorf en Stephanus Bathory slaagden er +in, langs de staven van een bliksemafleider uit den vestingtoren van Pisino te ontvluchten +en vielen in den Foïba-bergstroom, op hetzelfde oogenblik dat Ladislas Zathmar, door +den gevangenbewaarder gegrepen, in de onmogelijkheid gesteld werd om zijne makkers +te volgen. +</p> +<p>„Hoewel er weinig kansen bestonden, dat de vluchtelingen aan den dood ontsnappen zouden, +daar een onderaardsche stroom hen medesleepte, te midden van eene landstreek, die +hen geheel onbekend was, zoo slaagden zij er toch in, den oever van het kanaal van +<span class="corr" id="xd33e4002" title="Bron: Lèma">Léma</span> en daarna de stad Rovigno te bereiken, waar zij eene toevlucht vonden in het huis +van den visscher Andreas Ferrato. +</p> +<p>„Die visscher—een braaf en eerlijk hart—had alles klaargemaakt om hen aan de overzijde +van de Adriatische zee te brengen, toen een Spanjaard, Carpena genaamd, die de schuilplaats +der vluchtelingen ontdekt had, uit persoonlijke wraakzucht de arme <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>ellendigen bij de politie van Rovigno aangaf. Andermaal poogden zij te ontsnappen; +maar Stephanus Bathory viel in handen der agenten. Wat Mathias Sandorf betreft, hij +werd tot aan den zeeoever vervolgd en viel onder een kogelregen. De Adriatische zee +heeft zijn lijk niet weergegeven. +</p> +<p>„Twee dagen later werden Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar in de citadel van Pisino +doodgeschoten. De visscher Andreas Ferrato werd, ter zake van huisvesting aan de vluchtelingen +verleend te hebben, tot levenslange galeistraf veroordeeld en naar het bagno van Stein +gezonden.” +</p> +<p>Mevrouw Bathory zat daar met diepgebogen hoofd. Zij had het verhaal van den dokter +met een beklemd hart, maar zonder hem een enkele maal in de rede te vallen, aangehoord. +</p> +<p>„Hadt gij die bijzonderheden vernomen, mevrouw?” vroeg hij. +</p> +<p>„Ja, mijnheer, door de dagbladen, zooals gij ze waarschijnlijk ook vernomen hebt.” +</p> +<p>„Ja, mevrouw, door de dagbladen,” antwoordde de dokter, „maar wat de dagbladen niet +konden mededeelen, daar de instructie dier zaak in het grootste geheim geschiedde, +heb ik, dank zij de babbelzucht van een gevangenbewaarder van de citadel, vernomen +en dat zal ik u mededeelen.” +</p> +<p>„Spreek, mijnheer,” zei mevrouw Bathory. +</p> +<p>„Dat graaf Sandorf en Bathory ontdekt en gevat werden in de woning van den visscher +Ferrato, werd veroorzaakt door het verraad van den Spanjaard Carpena. Maar dat zij +drie weken te voren te Triëst in de woning van graaf Zathmar gevat werden, was het +werk van verraders, die hen aan de agenten der Oostenrijksche politie verklikt hadden.” +</p> +<p>„Verraders!” mompelde mevrouw Bathory. +</p> +<p>„Ja, mevrouw, en het bewijs van het verraad bleek uit de debatten van het proces. +Eerst hadden die snoodaards een briefje in geheimschrift, aan den hals eener postduif +gebonden, ontdekt, dat aan graaf Sandorf gezonden was en waarvan zij een afschrift +namen. Een andere maal slaagden zij er in, in het huis van graaf Zathmar zelve een +afdruk van den rooster te verkrijgen, die diende om dat geheimschrift te ontraadselen. +Daarna, toen zij kennis van den inhoud van het briefje genomen hadden, hebben zij +het geheim aan den gouverneur van Triëst bekend gemaakt. Ongetwijfeld zou een gedeelte +der verbeurdverklaarde goederen van graaf Sandorf dienen om hun verraad te beloonen.” +</p> +<p>„En kent men die ellendelingen?” vroeg mevrouw Bathory, wier stem van aandoening beefde. +</p> +<p>„Neen, mevrouw,” antwoordde de dokter; „maar wellicht kenden hen de drie veroordeelden, +en zouden zij hunne namen <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>bekend gemaakt hebben, wanneer zij hun gezin voor de laatste maal alvorens te sterven +hadden kunnen weerzien.” +</p> +<p>Inderdaad, noch mevrouw Bathory, die toen met haren zoon afwezig was, noch Borik, +die in de gevangenis van Triëst opgesloten zat, hadden de veroordeelden in hunne laatste +oogenblikken kunnen bijstaan. +</p> +<p>„Zal men nooit de namen van die ellendelingen te weten komen?” vroeg mevrouw Bathory. +</p> +<p>„Mevrouw,” antwoordde dokter Antekirrt, „de verraders eindigen steeds met zichzelven +te verraden! Ziehier wat ik ten slotte nog bij dat verhaal te voegen heb: Gij bleeft +als weduwe met een kindje van acht jaren nagenoeg zonder middelen achter. Borik, de +bediende van graaf Zathmar, wilde u na den dood van zijn meester niet verlaten; maar +hij was arm en bezat niets anders dan zijne toewijding. +</p> +<p>„Toen, mevrouw, hebt gij Triëst verlaten, om deze nederige woning te Ragusa te betrekken. +Gij hebt handenarbeid verricht om zoowel in de behoeften van het materieele als van +het zieleleven te voorzien. Gij verlangdet toch dat uw zoon het pad der wetenschap, +dat zoo roemrijk door zijn vader betreden was, zoude volgen. Maar, welken strijd hebt +gij daarbij te voeren gehad! Welke ellende moest daarbij moedig het hoofd geboden +worden! O, ik buig met eerbied het hoofd voor de edelaardige vrouw, die zooveel geestkracht +getoond heeft, voor de moeder, door wiens zorgen haar zoon een man geworden is!” +</p> +<p>Terwijl de dokter die woorden sprak, was hij van zijn stoel opgestaan en werd zijne +ontroering, in weerwil van zijne gewone koelheid, duidelijk merkbaar. +</p> +<p>Mevrouw Bathory antwoordde niet. Zij wachtte in het onzekere of de dokter zijn verhaal +geëindigd had of het zou voortzetten. Het kon toch zijn, dat hij feiten, die hem persoonlijk +betroffen, wilde mededeelen en dat dit de beweegreden was, waarom hij een onderhoud +verlangd had. +</p> +<p>„Intusschen, mevrouw,” hernam de dokter, die hare gedachten raadde, „hebben de menschelijke +krachten hare grenzen, en, hoewel ziek en uitgeput door zooveel beproevingen, zoudt +gij bij uwe taak bezweken zijn, wanneer een onbekende, neen, een vriend van professor +Bathory, u niet ter hulp gesneld ware. Nimmer zou ik u daarover gesproken hebben, +wanneer uw oude dienaar mij uwen wensch niet had geopenbaard om mij te willen ontmoeten.” +</p> +<p>„Inderdaad, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „ben ik dan dokter Antekirrt niet +veel dank schuldig?” +</p> +<p>„Waarom, mevrouw? Omdat dokter Antekirrt vijf of zes jaren geleden, bij de herinnering +aan de vriendschap, die hem aan graaf <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>Sandorf en aan zijne beide makkers verbond, en, om u bij uwe taak behulpzaam te zijn, +u eene som van honderd duizend gulden heeft doen toekomen? Gevoelde hij zich niet +zeer gelukkig, dat geld ter uwer beschikking te kunnen stellen? +</p> +<p>„Neen, mevrouw, ik ben het integendeel, die u dank schuldig ben, omdat<span id="xd33e4039"></span> gij dat geld wel hebt willen aannemen, omdat gij mij veroorloofd hebt de weduwe en +den zoon van Stephanus Bathory ter hulp te komen.” +</p> +<p>De weduwe had het hoofd gebogen en antwoordde: +</p> +<p>„Hoe het ook zij, mijnheer, ik voelde behoefte om u mijne dankbaarheid te betuigen. +Dat was de eerste beweegreden van dat bezoek, hetwelk ik u brengen wilde. Maar er +was eene tweede.…” +</p> +<p>„En die is, mevrouw?” +</p> +<p>„Ik wilde.… u die som teruggeven.…” +</p> +<p>„Hoe mevrouw?” zei de dokter, „gij hebt die som niet willen aannemen?” +</p> +<p>„Mijnheer, ik meende het recht niet te hebben over die som te beschikken. Ik kende +dokter Antekirrt niet. Ik had nimmer zijn naam hooren noemen. Die som kon een soort +aalmoes zijn, komende van hen, die mijn man bestreden hadden en wier erbarmen mij +hatelijk toescheen! Ik heb die som dus niet gebezigd, zelfs voor het doel niet, waarvoor +dokter Antekirrt haar bestemd had.” +</p> +<p>„Dus.… dat geld.…?” +</p> +<p>„Is onaangeroerd.” +</p> +<p>„En uw zoon?” +</p> +<p>„Zal aan niemand anders verplichting hebben dan aan zichzelven.…” +</p> +<p>„En aan zijne moeder!” vulde de dokter aan, die door zooveel grootheid van ziel, door +zooveel karakter, zooveel geestkracht niet anders dan tot bewondering gestemd kon +worden en dan ook vol eerbied voor de waardige vrouw stond. +</p> +<p>Ook mevrouw Bathory was opgestaan en op een kistje toegetreden, dat gesloten was. +Zij nam er een bundel bankbiljetten uit, die zij den dokter overreikte. +</p> +<p>„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u, en ontvang den dank +eener moeder, die verplichting aan u heeft, alsof zij er gebruik van gemaakt had, +om haar zoon op te voeden!” +</p> +<p>„Dat geld behoort mij niet meer toe, mevrouw!” antwoordde dokter Antekirrt, terwijl +hij de bankbiljetten met een gebaar afwees. +</p> +<p>„Ik herhaal, dat het mij nimmer had moeten toebehooren!” +</p> +<p>„Maar als Piet Bathory het zou willen gebruiken.…” +</p> +<p>„Mijn zoon zal eindigen met de betrekking te vinden, die hij waardig zal zijn. Ik +zal dan op hem kunnen rekenen, zooals hij op mij heeft kunnen vertrouwen!” +<span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span></p> +<p>„Hij zal niet weigeren, hetgeen een vriend van zijn vader aandringt dat hij zal aannemen! +</p> +<p>„Jawel, hij zal weigeren!” +</p> +<p>„Laat mij dan ten minste beproeven, mevrouw.…” +</p> +<p>„Ik bid u die proef niet te nemen, heer dokter,” antwoordde mevrouw Bathory, „mijn +zoon weet zelfs niet dat ik dat geld ontvangen heb, en ik verlang, dat hij daaromtrent +steeds onkundig blijve!” +</p> +<p>„Het zij zoo, mevrouw!.… Ik begrijp de gevoelens, die u zoo doen handelen, daar ik +slechts een onbekende voor u was en ben!.… Ja, ik begrijp en bewonder ze!.… Maar ik +herhaal het, als dat geld uw eigendom niet is, dan is het het mijne ook niet!” +</p> +<p>Dokter Antekirrt was op het punt om heen te gaan. De weigering van mevrouw Bathory +kon hem niet kwetsen. Hare kieschheid wekte slechts een gevoel van diepen eerbied +bij hem op. Hij groette de weduwe en wilde heengaan, toen eene laatste vraag hem weerhield. +</p> +<p>„Mijnheer,” zei mevrouw Bathory, „gij hebt gesproken over onwaardige handelingen, +die den dood van Ladislas Zathmar, van Stephanus Bathory en van den graaf Sandorf +veroorzaakt hebben?” +</p> +<p>„Ik heb verhaald, wat er gebeurd is, mevrouw.” +</p> +<p>„Maar kent niemand die onmenschen?” +</p> +<p>„Ja, mevrouw!” +</p> +<p>„Wie dan?” +</p> +<p>„God!” +</p> +<p>Na dat woord boog dokter Antekirrt voor den laatsten keer voor de weduwe en verliet +hare woning. +</p> +<p>Mevrouw Bathory bleef in gedachten verzonken. Zij voelde zich door eene geheime sympathie, +waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven tot dien geheimzinnigen persoon, die +zoo ingewijd was in de meest verborgen gebeurtenissen van haar leven, aangetrokken. +Zou zij hem ooit terugzien? En wanneer hij met de <i>Savarena</i> te Ragusa aangekomen was alleen met het doel om haar dat bezoek te brengen, zou hij +dan niet zeewaarts gaan om niet meer terug te keeren? +</p> +<p>Den volgenden morgen deelden de dagbladen mede, dat een onbekende eene gift van honderd +duizend gulden aan de gasthuizen van de stad vermaakt had. +</p> +<p>Dat was de gift van dokter Antekirrt. Maar was het ook niet de aalmoes der weduwe, +die zij zoowel voor haar als voor haren zoon van de hand gewezen had? +</p> +<p class="trailer center">EINDE VAN DOKTER ANTEKIRRT.</p> +<p><span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">INHOUD.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">EENE VERIJDELDE SAMENZWERING. +</p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle"> +</td> +<td class="tocPageNum xs">BLADZ.</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch1" id="xd33e4100">De reisduif</a> </td> +<td class="tocPageNum">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2" id="xd33e4109">Graaf Mathias Sandorf</a> </td> +<td class="tocPageNum">22</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch3" id="xd33e4118">Het bankiershuis Toronthal</a> </td> +<td class="tocPageNum">36</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch4" id="xd33e4127">Het geheimschrift</a> </td> +<td class="tocPageNum">55</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch5" id="xd33e4136">Voor, gedurende en na de terechtzitting</a> </td> +<td class="tocPageNum">73</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch6" id="xd33e4145">De vestingtoren van Pisino</a> </td> +<td class="tocPageNum">91</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch7" id="xd33e4154">De bergstroom van Foïba</a> </td> +<td class="tocPageNum">104</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch8" id="xd33e4163">De hut van den visscher Ferrato</a> </td> +<td class="tocPageNum">127</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IX.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch9" id="xd33e4172">Laatste pogingen in een laatsten strijd</a> </td> +<td class="tocPageNum">148</td> +</tr> +</table><p> +</p> +<p>DOKTER ANTEKIRRT. +</p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2.1" id="xd33e4185">Pescadospunt en Kaap Matifou</a> </td> +<td class="tocPageNum">159</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2.2" id="xd33e4194">Het te water laten van de Trabucolo</a> </td> +<td class="tocPageNum">171</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2.3" id="xd33e4203">Dokter Antekirrt</a> </td> +<td class="tocPageNum">187</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle"> <a href="#ch2.4" id="xd33e4212">De weduwe van Stephanus Bathory</a> </td> +<td class="tocPageNum">204</td> +</tr> +</table><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first">JULES VERNE’S +</p> +<p>GEÏLLUSTREERDE WONDERREIZEN. +</p> +<p>Prijs per deel: <b>95</b> cts. ingen., ƒ <b>1.35</b> geb. +</p> +<ul> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">1</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/11318">DE REIS OM DE WERELD IN 80 DAGEN</a>.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">2</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/27309">DE REIS NAAR DE MAAN IN 28 DAGEN</a>.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">3</span> DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Zuid-Amerika.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">4</span> DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Australië.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">5</span> DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Stille Zuidzee.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">6</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/11205">20.000 MIJLEN ONDER ZEE</a>. Oostelijk Halfrond.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">7</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/11393">20.000 MIJLEN ONDER ZEE</a>. Westelijk Halfrond.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">8</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/19086">VIJF WEKEN IN EEN LUCHTBALLON</a>. Ontdekkingsreis in de Binnenlanden van Afrika.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">9</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/20331">HET GEHEIMZINNIGE EILAND</a>. De Luchtschipbreukelingen.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">10</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/22580">HET GEHEIMZINNIGE EILAND</a>. De Verlatene.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">11</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/10349">NAAR HET MIDDELPUNT DER AARDE</a>.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">12</span> MICHAEL STROGOFF, DE KOERIER VAN DEN CZAAR.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">13</span> HET ZWARTE GOUD.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">14</span> HECTOR SERVADAC. De Vulkaanbewoners.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">15</span> HECTOR SERVADAC. De Terugtocht naar de Aarde.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">16</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/39191">AVONTUREN VAN DRIE RUSSEN EN DRIE ENGELSCHEN</a>. Gevolgd door »De Blokkadebrekers”.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">17</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/18425">EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR</a>. De Walvischjagers.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">18</span> EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR. In Slavernij.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">19</span> DE SCHIPBREUK VAN DE CHANCELLOR.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">20</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/24773">WONDERLIJKE AVONTUREN VAN EEN CHINEES</a>.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">21</span> ELDORADO EN HET MONSTERKANON VAN STAALSTAD. Gevolgd door »Meester Zacharias”.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">22</span> HET LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. De Pelterijhandel.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">23</span> HET LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. Het drijvende Eiland<span class="corr" id="xd33e4358" title="Niet in bron">.</span></li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">24</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/33075">HET STOOMHUIS</a>. De IJzeren Reus. +</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">25</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/38449">HET STOOMHUIS</a>. De Waanzinnige der Nerbudda.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">26</span> REIZEN EN LOTGEVALLEN VAN KAPITEIN HATTERAS. De Engelschen aan de Noordpool.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">27</span> REIZEN EN LOTGEVALLEN VAN KAPITEIN HATTERAS. De IJswoestijn.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">28</span> EENE VLOTREIS. 800 Mijlen op de Amazone.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">29</span> EENE VLOTREIS. Het Raadselschrift.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">30</span> EEN LEERSCHOOL VOOR ROBINSONS.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">31</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/27397">DE WONDERSTRAAL</a>.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">32</span> KERABAN DE STIJFHOOFDIGE. Een Hollander in de Klem.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">33</span> KERABAN DE STIJFHOOFDIGE. Schipbreuk en Redding.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">34</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/17580">DE ZUIDSTER</a>. Het Land der Diamanten.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">35</span> DE ARCHIPEL IN VUUR EN VLAM.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">36</span> DE VONDELING VAN HET FREGAT CYNTHIA.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">37</span> MATHIAS SANDORF. Een verijdelde Samenzwering.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">38</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/69576">MATHIAS SANDORF</a>. De Middellandsche Zee.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">39</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/22908">MATHIAS SANDORF</a>. Een Model-Volksplanting.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">40</span> HET LOTERIJBRIEFJE.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">41</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/19091">ROBUR DE VEROVERAAR</a>.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">42</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/29095">DE STRIJD TUSSCHEN NOORD EN ZUID</a>. Overrompeling eener Plantage.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">43</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/29192">DE STRIJD TUSSCHEN NOORD EN ZUID</a>. De Zwarte Kreek van Texas.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">44</span> 1792. OP WEG NAAR FRANKRIJK.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">45</span> TWEE JAAR VACANTIE. De mislukte Pleiziertocht.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">46</span> TWEE JAAR VACANTIE. Een Knapenkolonie.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">47</span> DE FAMILIE ZONDER NAAM. Het Verraad van Simon Morgaz.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">48</span> DE FAMILIE ZONDER NAAM. De Opstand van 1837.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">49</span> EEN SCHOT IN DE LUCHT.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">50</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/26143">CESAR CASCABEL</a>. De schoone Zwerfster.</li> +<li class="numberedItem"><span class="itemNumber">51</span> <a class="pglink xd33e43" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/26395">CESAR CASCABEL</a>. Over het IJs en door de Steppen.</li> +</ul><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure spinewidth"><img src="images/spine.jpg" alt="Oorspronkelijke rug." width="90" height="720"></div><p> +</p> +<p> +</p> +<p></p> +<div class="figure backcoverwidth"><img src="images/backcover.jpg" alt="Oorspronkelijke achterkant." width="499" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="transcriberNote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel +zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van +dit boek.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2025-06-06 Begonnen. +</li> +</ul> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende 171 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table class="correctionTable"> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +<th>Bewerkingsafstand</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e148">1</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">verdeeldin</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">verdeeld in</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e168">3</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">hij hij</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">hij</td> +<td class="bottom">4</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e173">3</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">steed</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">steeds</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e184">4</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">’smorgens</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">’s morgens</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e196">6</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Theatro Communale</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Teatro Comunale</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e311">14</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="zxx">lsnivï</td> +<td class="width40 bottom" lang="zxx">lsnivi</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e358">15</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2765">139</a>, <a class="pageref" href="#xd33e4358">n.v.t.</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e395">18</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">reliefkaart</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">reliëfkaart</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e402">18</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1889">87</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e427">19</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1596">70</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.”</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e437">19</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1083">52</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1687">76</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1692">76</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1740">79</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1991">93</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2029">96</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2484">125</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2828">142</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3236">169</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3282">171</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3850">207</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moeielijk</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moeilijk</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e442">19</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2299">115</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">orienteeren</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">oriënteeren</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e461">20</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">d’hote</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">d’hôte</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e499">22</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">diê</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">die</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e508">23</a>, <a class="pageref" href="#xd33e516">23</a>, <a class="pageref" href="#xd33e519">23</a>, <a class="pageref" href="#xd33e587">28</a>, <a class="pageref" href="#xd33e604">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e621">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e671">32</a>, <a class="pageref" href="#xd33e678">32</a>, <a class="pageref" href="#xd33e724">34</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1029">50</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1110">54</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1720">78</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1748">79</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3014">151</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3995">214</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Transylvanië</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Transsylvanië</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e526">24</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">ontrust</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">onrust</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e533">24</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">impersonneele</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">impersoneele</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e538">24</a>, <a class="pageref" href="#xd33e565">27</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1090">52</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Pesth</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Pest</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e551">26</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Transylvaansche</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Transsylvaansche</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e572">27</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Ladyslas</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Ladislas</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e575">27</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Stefanus</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Stephanus</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e580">27</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Artenah</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Artenick</td> +<td class="bottom">3</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e595">28</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">hotel De Corme</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">hôtel Delòrme</td> +<td class="bottom">4 / 2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e616">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3046">152</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moeielijke</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moeilijke</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e638">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e643">31</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">alphabeth</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">alphabet</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e660">31</a>, <a class="pageref" href="#xd33e687">32</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1640">72</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1646">73</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1745">79</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1785">82</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1788">82</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Hongarijë</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Hongarije</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e694">32</a>, <a class="pageref" href="#xd33e854">43</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1227">62</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1267">64</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1625">72</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1630">72</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2729">138</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3313">172</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3856">207</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3956">212</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">’</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e700">32</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> „</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">” </td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e713">34</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">schierleiand</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">schiereiland</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e718">34</a>, <a class="pageref" href="#xd33e760">36</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Acquedotto-laan</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Acquedottolaan</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e735">35</a>, <a class="pageref" href="#xd33e780">38</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1156">55</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3081">155</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Thoronthal</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Toronthal</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e742">35</a>, <a class="pageref" href="#xd33e904">44</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">hotel Delorme</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">hôtel Delòrme</td> +<td class="bottom">2 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e754">36</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Communale</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Comunale</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e765">36</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">beursspeculatién</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">beursspeculatiën</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e821">42</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1011">50</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1232">62</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1546">69</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3251">170</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3256">170</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e872">44</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Silias</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Silas</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e895">44</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3307">172</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3614">193</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3919">210</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”.</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.”</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e912">45</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1005">49</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">).</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.)</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e932">46</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2800">140</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e961">47</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moeielijker</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moeilijker</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e981">48</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Zatmar</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Zathmar</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1034">50</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">vraagde</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">waagde</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1058">51</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1973">92</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moeielijkheden</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moeilijkheden</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1077">52</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Hoe</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Heer</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1118">54</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1138">54</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Artenak</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Artenick</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1190">59</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">geeindigd</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">geëindigd</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1239">63</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">lineaal</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">liniaal</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1276">64</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">2</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">9</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1541">69</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> ”</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">” </td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1558">70</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="zxx">tnayijgtad</td> +<td class="width40 bottom" lang="zxx">tnavijgtad</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1568">70</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2561">128</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3778">203</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="zxx"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="zxx">,</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1699">76</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">amphitheaters-gewijs</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">amphitheatersgewijs</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1728">78</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Onmogeijk</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Onmogelijk</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1797">83</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2849">143</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Matthias</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Mathias</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1815">84</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">verdiepimg</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">verdieping</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1824">84</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">vaderlandschlievende</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">vaderlandslievende</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1836">85</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Her</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Het</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1839">85</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1845">85</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1848">85</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3599">192</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> ,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">, </td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1856">85</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2047">98</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2295">115</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2512">126</a>, <a class="pageref" href="#xd33e2963">149</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3004">150</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1866">86</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> .</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">. </td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1900">88</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">ontrustig</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">onrustig</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1905">88</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">geluidleer</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">geluidsleer</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1922">90</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="en">galerij</td> +<td class="width40 bottom" lang="en">gallery</td> +<td class="bottom">3</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2016">95</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Foiba</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Foïba</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2019">95</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">bergstrooom</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">bergstroom</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2077">99</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,.</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2097">100</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Zathmaar</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Zathmar</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2331">117</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moerbeiën</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moerbeien</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2661">134</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">inden</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">in den</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2769">139</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">ontstuimig</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">onstuimig</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2965">149</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2997">150</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">klouteren</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">klauteren</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3019">151</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">uitenide</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">uiteinde</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3031">151</a>, <a class="pageref" href="#xd33e4039">217</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3116">160</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">volkstam</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">volksstam</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3125">160</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Fumera</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Fiumera</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3128">160</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">oorlogschepen</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">oorlogsschepen</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3133">160</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">-</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3230">169</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Ilyrië</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Illyrië</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3269">170</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Chineesche</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Chineesch</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3318">172</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3359">174</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Nimes</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Nîmes</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3474">184</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">adelijk</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">adellijk</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3524">187</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">;</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3582">192</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3585">192</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Ombra</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Ombla</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3608">193</a>, <a class="pageref" href="#xd33e3611">193</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">»</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3647">195</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">vier</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">zes</td> +<td class="bottom">3</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3791">203</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">kunsstukken</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">kunststukken</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3794">203</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moeielijkheid</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">moeilijkheid</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e3979">213</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">‘</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e4002">214</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Lèma</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Léma</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 ***</div> +</body> +</html> + diff --git a/76280-h/images/backcover.jpg b/76280-h/images/backcover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f39b904 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/backcover.jpg diff --git a/76280-h/images/frontcover.jpg b/76280-h/images/frontcover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4df9e0c --- /dev/null +++ b/76280-h/images/frontcover.jpg diff --git a/76280-h/images/ornament.png b/76280-h/images/ornament.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9939a24 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/ornament.png diff --git a/76280-h/images/p005.jpg b/76280-h/images/p005.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f25f696 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p005.jpg diff --git a/76280-h/images/p009.jpg b/76280-h/images/p009.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6b970c4 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p009.jpg diff --git a/76280-h/images/p013.jpg b/76280-h/images/p013.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d56fb60 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p013.jpg diff --git a/76280-h/images/p017.jpg b/76280-h/images/p017.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d00da64 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p017.jpg diff --git a/76280-h/images/p021.jpg b/76280-h/images/p021.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5ea94da --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p021.jpg diff --git a/76280-h/images/p025.jpg b/76280-h/images/p025.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..cbc1428 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p025.jpg diff --git a/76280-h/images/p029.jpg b/76280-h/images/p029.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..dddd476 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p029.jpg diff --git a/76280-h/images/p033.jpg b/76280-h/images/p033.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..26c1402 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p033.jpg diff --git a/76280-h/images/p037.jpg b/76280-h/images/p037.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5beea54 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p037.jpg diff --git a/76280-h/images/p041.jpg b/76280-h/images/p041.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..05cd899 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p041.jpg diff --git a/76280-h/images/p045.jpg b/76280-h/images/p045.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b8d4129 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p045.jpg diff --git a/76280-h/images/p049.jpg b/76280-h/images/p049.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..337d5ae --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p049.jpg diff --git a/76280-h/images/p053.jpg b/76280-h/images/p053.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0f094b9 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p053.jpg diff --git a/76280-h/images/p057.jpg b/76280-h/images/p057.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f484a61 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p057.jpg diff --git a/76280-h/images/p061.jpg b/76280-h/images/p061.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..be08a22 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p061.jpg diff --git a/76280-h/images/p062.png b/76280-h/images/p062.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ca5f620 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p062.png diff --git a/76280-h/images/p065.jpg b/76280-h/images/p065.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1e3693c --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p065.jpg diff --git a/76280-h/images/p067-1.png b/76280-h/images/p067-1.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..73cc9b5 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p067-1.png diff --git a/76280-h/images/p067-2.png b/76280-h/images/p067-2.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6274f9b --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p067-2.png diff --git a/76280-h/images/p068-1.png b/76280-h/images/p068-1.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d03ca5e --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p068-1.png diff --git a/76280-h/images/p068-2.png b/76280-h/images/p068-2.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5ae38d9 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p068-2.png diff --git a/76280-h/images/p071.jpg b/76280-h/images/p071.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9919fcc --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p071.jpg diff --git a/76280-h/images/p077.jpg b/76280-h/images/p077.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a6d4f21 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p077.jpg diff --git a/76280-h/images/p081.jpg b/76280-h/images/p081.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c1ed639 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p081.jpg diff --git a/76280-h/images/p089.jpg b/76280-h/images/p089.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..dcdb350 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p089.jpg diff --git a/76280-h/images/p097.jpg b/76280-h/images/p097.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..27d83dd --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p097.jpg diff --git a/76280-h/images/p105.jpg b/76280-h/images/p105.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..cb90810 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p105.jpg diff --git a/76280-h/images/p113.jpg b/76280-h/images/p113.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4700b2f --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p113.jpg diff --git a/76280-h/images/p121.jpg b/76280-h/images/p121.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8178416 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p121.jpg diff --git a/76280-h/images/p129.jpg b/76280-h/images/p129.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b2edd35 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p129.jpg diff --git a/76280-h/images/p135.jpg b/76280-h/images/p135.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6411c40 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p135.jpg diff --git a/76280-h/images/p141.jpg b/76280-h/images/p141.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bd14dfe --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p141.jpg diff --git a/76280-h/images/p145.jpg b/76280-h/images/p145.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..01a68f1 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p145.jpg diff --git a/76280-h/images/p153.jpg b/76280-h/images/p153.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..24aa00a --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p153.jpg diff --git a/76280-h/images/p161.jpg b/76280-h/images/p161.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c82ff23 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p161.jpg diff --git a/76280-h/images/p167.jpg b/76280-h/images/p167.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3e3778c --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p167.jpg diff --git a/76280-h/images/p173.jpg b/76280-h/images/p173.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f9f854a --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p173.jpg diff --git a/76280-h/images/p177.jpg b/76280-h/images/p177.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5e9b909 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p177.jpg diff --git a/76280-h/images/p181.jpg b/76280-h/images/p181.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..31f8086 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p181.jpg diff --git a/76280-h/images/p185.jpg b/76280-h/images/p185.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..76a5840 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p185.jpg diff --git a/76280-h/images/p189.jpg b/76280-h/images/p189.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..084e15a --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p189.jpg diff --git a/76280-h/images/p193.jpg b/76280-h/images/p193.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..704935c --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p193.jpg diff --git a/76280-h/images/p197.jpg b/76280-h/images/p197.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4a3852f --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p197.jpg diff --git a/76280-h/images/p201.jpg b/76280-h/images/p201.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..aec6ef9 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p201.jpg diff --git a/76280-h/images/p205.jpg b/76280-h/images/p205.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..703f3c3 --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p205.jpg diff --git a/76280-h/images/p209.jpg b/76280-h/images/p209.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..768940d --- /dev/null +++ b/76280-h/images/p209.jpg diff --git a/76280-h/images/spine.jpg b/76280-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1ec7c3a --- /dev/null +++ b/76280-h/images/spine.jpg diff --git a/76280-h/images/titlepage1916.png b/76280-h/images/titlepage1916.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..56ebd6a --- /dev/null +++ b/76280-h/images/titlepage1916.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..b5dba15 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This book, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this book outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..23c0cc3 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +book #76280 (https://www.gutenberg.org/ebooks/76280) |
