summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76280-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-06-12 14:21:19 -0700
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-06-12 14:21:19 -0700
commitea1d5e8265a9f61f51325aefe009dcc31264b017 (patch)
tree88b31ed497687efdb9198fc855e9fae350c1a1f8 /76280-0.txt
Initial commitHEADmain
Diffstat (limited to '76280-0.txt')
-rw-r--r--76280-0.txt9324
1 files changed, 9324 insertions, 0 deletions
diff --git a/76280-0.txt b/76280-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..643151c
--- /dev/null
+++ b/76280-0.txt
@@ -0,0 +1,9324 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 ***
+
+
+
+
+
+ WONDERREIZEN
+
+
+ JULES VERNE
+
+
+ MATHIAS SANDORF
+
+ EEN VERIJDELDE SAMENZWERING
+ DOKTER ANTEKIRRT
+
+
+
+ AMSTERDAM
+ UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER”
+ 1916
+
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+DE REISDUIF.
+
+
+Triëst, de hoofdplaats van Illyrië, wordt verdeeld in twee gedeelten,
+die zeer weinig gelijkenis met elkander hebben; het eene is nieuw en
+rijk, Theresienstadt genaamd, keurig netjes en regelmatig gebouwd langs
+de boorden van die fraaie baai, waarvoor een deel door den mensch aan
+de golven ontwoekerd werd; het andere gedeelte is eene oude en arme
+stad, die geheel onregelmatig opgetrokken werd en besloten ligt
+tusschen het Corso, waardoor zij van de Theresienstadt afgescheiden
+wordt, en de hellingen van den Karstberg, welks top bekroond is met
+eene citadel, die een schilderachtig uiterlijk heeft.
+
+De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks
+nabijheid de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. Daar vormen zich
+gemakkelijk en soms in onrustbarend aantal, groepen van die
+straatslijpers, van die bohemers, zooals zij wel genoemd worden, van
+die kerels zonder dak, welker jassen, broeken en vesten waarachtig geen
+zakken noodig hebben, omdat hunne eigenaren nooit iets gehad hebben en
+nooit iets zullen hebben, om er in te bergen.
+
+Evenwel op den dag, waarop dit verhaal begint—den 18den Mei 1867—zou
+men te midden van die landloopers twee personen opgemerkt hebben, die
+een weinig beter gekleed waren dan hunne omgeving. Of ze ooit veel last
+hadden of hebben zouden van de guldens of kreutzers, die zij bezaten,
+was weinig waarschijnlijk, tenzij de kansrekening ten hunnen gunste
+uitviel. Het is waar dat het een paar kerels waren, die in staat geacht
+moesten worden, alles te doen om de fortuin de hand te reiken en haar
+gunstig te stemmen.
+
+De een heette Sarcany, die beweerde dat hij van Tripoli afkomstig was.
+De andere was op Sicilië geboren en heette Zirone. Beiden, na den
+havendam voor den tienden keer op en neer gedrenteld te hebben, waren
+op zijn uiteinde blijven stilstaan. Van dat punt onderzochten zij den
+gezichteinder op zee ten westen van de baai van Triëst, alsof daar aan
+de kim een schip moest opduiken, hetwelk hun een vermogen zou
+aanbrengen!
+
+„Hoe laat is het?” vroeg Zirone in het Italiaansch, dat zijn makker
+even vlug en vloeiend sprak als al de andere tongvallen, die rondom de
+Middellandsche Zee gesproken worden.
+
+Sarcany antwoordde niet.
+
+„Och, ben ik niet dom, met zoo’n vraag te doen!” riep de Siciliaan uit.
+„Men weet altijd hoe laat het is, wanneer men den honger gevoelt, als
+men niets te ontbijten heeft gehad!”
+
+De Oostenrijksche, Italiaansche en Slavonische bestanddeelen der
+maatschappij zijn in dit gedeelte van het Oostenrijksch-Hongaarsche
+koninkrijk zoodanig vermengd, dat de aanwezigheid van die twee
+personen, hoewel zij blijkbaar vreemdelingen in de stad waren,
+volstrekt niet de aandacht trok. En al hadden zij ook al leege zakken
+en al waren zij ook arm als Job, zoo kon dat niemand raden, daar zij
+onder den bruinen mantel, die hen tot op de hielen viel, een hooge
+borst zetten, alsof zij wonder veel in de melk te brokken hadden.
+
+Sarcany, de jongste dier beide mannen, was van middelbare gestalte,
+maar evenredig gebouwd. Hij bezat aangename manieren en een bevalligen
+gang en was vijf en twintig jaren oud. Hij heette Sarcany, zonder meer.
+Geen voornaam, geen doopnaam. En inderdaad, hij was niet gedoopt, omdat
+hij zeer waarschijnlijk van Afrikaansche herkomst was, van Tripoli of
+Tunis. Maar hoewel zijne huid gebruind was, deden zijne regelmatige
+trekken hem eerder voor een blanke dan voor een neger doorgaan.
+
+Wanneer ooit het uiterlijk bedriegelijk was, dan was het wel dat van
+Sarcany. Men moest wel een ervaren opmerker zijn om uit dat regelmatige
+gelaat, met die schoone zwarte oogen, met dien fijngevormden neus, met
+dien keurig geteekenden mond, die door een fijn kneveltje beschaduwd
+werd, de diepe sluwheid van dien jongen man op te maken. Geen nog zoo
+scherpziend oog zou op dat strakke, ijskoude gelaat die kenmerken van
+diepe verachting en van peilloozen afkeer hebben kunnen ontdekken, die
+uit een voortdurenden opstand en strijd tegen de maatschappij geboren
+worden. Wanneer de gelaatkundigen, en in zeer vele gevallen terecht,
+beweren, dat ieder bedrieger in weerwil van zijne behendigheid tegen
+zich zelven getuigt, zoo zou Sarcany die bewering volkomen
+gelogenstraft hebben. Niemand zou op het eerste gezicht van dien man
+hebben kunnen gissen, wie hij was of wat hij geweest was. Hij ontlokte
+dien onweerstaanbaren afkeer niet, die door schurken en bedriegers
+opgewekt wordt. Hij was er des te gevaarlijker door.
+
+Hoe of wat was de kindsheid van Sarcany geweest? Dat wist niemand te
+vertellen. Ongetwijfeld die van een verlaten, verstooten wezen. Hoe was
+hij opgevoed geworden? En door wien? In welk Tripolitaansch gat bracht
+hij zijne eerste kinderjaren door? Door welke zorgen ontsnapte hij aan
+de zoovele oorzaken van verdelging en vernietiging onder die
+noodlottige klimaatsinvloeden? Waarlijk niemand—hij zelf waarschijnlijk
+ook niet—zou op die vragen antwoord hebben kunnen geven. Het toeval had
+hem het aanzijn geschonken, het toeval sleepte hem voort en hij was
+bestemd afhankelijk van het toeval te leven! Toch had hij in zijne
+jeugd eenig practisch onderricht genoten, hetwelk hij daaraan
+waarschijnlijk verschuldigd was, dat hij door de wereld had moeten
+rondzwerven, dat hij met allerhande slag van menschen had moeten
+omgaan, en dat hij er steeds op bedacht had moeten zijn om kunstmiddel
+op kunstmiddel uit te denken, al ware het maar om zijn dagelijksch
+onderhoud machtig te worden. Daardoor en door nog verschillende andere
+omstandigheden was hij sedert eenige jaren in aanraking gekomen met een
+der rijkste huizen van Triëst, met het bankiershuis van Silas
+Toronthal, wiens naam innig samengeweven zal zijn met den draad dezer
+geschiedenis.
+
+Wat den makker van Sarcany, den Italiaan Zirone, betreft, och, men
+heeft in hem slechts te zien een dier mannen zonder god of gebod, een
+avonturier, in staat om alles te doen, om alles ter hand te nemen,
+iemand die ter beschikking is van den eerste den beste die goed
+betaalt, om dien te verraden ter wille van een ander, die nog beter
+afschuift. Hij was, zooals reeds gezegd is, op Sicilië geboren en
+ongeveer dertig jaar oud. Hij was er de man naar, om zoowel slechten
+raad te geven als dien te ontvangen. Vooral evenwel zorgde hij voor de
+uitvoering daarvan. In welke plaats was hij geboren? Misschien zou hij
+die vraag beantwoord hebben als hij het geweten had. Maar in ieder
+geval bekende hij ongaarne waar hij woonde, als hij wel te verstaan
+ergens woonde. Het was op Sicilië dat het toeval van zijn zwervend
+leven hem in aanraking met Sarcany gebracht had. En zoo gingen zij de
+wereld door en trachtten door alle geoorloofde en ongeoorloofde
+middelen uit hun beider slecht gesternte munt te slaan en de fortuin te
+beproeven. Zirone evenwel, een groote, gebaarde kerel, met zeer bruine
+huid en zeer zwart haar, zou eenige moeite hebben om zijne aangeborene
+schelmachtigheid te bemantelen, die uit zijne steeds half gesloten
+oogen straalde en door zijn voortdurend hoofdschudden aangeduid werd.
+
+Alleen hij poogde zijne sluwheid achter eene luidruchtige
+babbelachtigheid te verbergen. Hij was daarenboven eerder vroolijk dan
+droevig van aard en veel meer mededeelzaam dan zijn makker.
+
+Dien dag sprak Zirone evenwel met eene soort van omzichtigheid.
+Klaarblijkelijk verontrustte hem zijne hongerigheid. Den vorigen dag
+had hij een laatste partij gespeeld in een speelhol van zeer laag
+allooi, waarbij de fortuin hem onbarmhartig stiefmoederlijk behandeld
+had, en hij de laatste hulpmiddelen van Sarcany verspeeld had. Geen
+hunner wist dan ook hoe aan eten te komen. Ze konden en mochten slechts
+op het toeval rekenen, en daar die bedelaars-voorzienigheid zich niet
+haastte om hun de hand te reiken daar op dien havendam van San Carlo,
+zoo besloten zij haar een eindje tegemoet te treden, door de nieuwe
+stad in te stappen.
+
+Daar op de pleinen, op de kaden, op de wandelwegen, zoowel aan deze als
+aan gene zijde van de haven, langs het groote kanaal, dat geheel Triëst
+doorsnijdt, daar gaat, komt en verdringt zich, in den ijver om zaken te
+doen, eene bevolking van zeventig duizend zielen van Italiaanschen
+oorsprong, welker taaldialect, hetwelk dat van Venetië is, zich oplost
+in de kosmopolitische spraakverwarring van al die zeelieden,
+handelaren, geëmployeerden, beambten, die een mengelmoes doen hooren,
+dat uit Duitsch, Fransch, Engelsch en Slavonisch bestaat.
+
+Hoewel beweerd kan worden, dat die nieuwe stad rijk is, zoo moet
+daaruit de gevolgtrekking niet gemaakt worden dat allen, die daar op de
+straten ronddrentelen, gelukkige stervelingen genoemd kunnen worden.
+Neen, waarachtig niet. De meest-vermogenden zouden onmogelijk hebben
+kunnen wedijveren met die Engelsche, Armenische, Grieksche en Joodsche
+handelaren, die te Triëst den baas spelen en welker weelderige
+huishouding de hoofdstad van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk
+overwaardig zou zijn. Maar die buiten rekening gelaten, hoeveel arme
+drommels, die van ’s morgens tot ’s avonds zwerven door die
+handelslanen, welke door hooge gebouwen omgeven zijn, die gesloten
+worden als geldkisten en waarin allerhande koopwaren, welke naar die
+vrijhaven, die zoo gunstig in dien uithoek van de Adriatische Zee
+gelegen is, gebracht worden, opgestapeld liggen. Hoeveel lieden
+drentelen daar niet, die niet ontbeten hebben, die misschien niet
+zullen middagmalen, opgehouden als zij zullen worden op de havenkaden,
+waar de schepen van de machtigste maritieme maatschappij van Europa, de
+Oostenrijksche Lloyd, zooveel rijkdom, van al de streken der aarde
+bijeengebracht, ontladen. Hoeveel rampzaligen eindelijk, zooals er bij
+honderden in Londen, Liverpool, Amsterdam, Rotterdam, Marseille, Havre,
+Antwerpen, Livorno, in één woord in alle handelssteden, tusschen rijke
+reeders en cargadoors rondkrioelen in de nabijheid dier pakhuizen,
+welker ingang voor hen gesloten is, op de beurspleinen dier steden,
+gebouwen aan Mercurius gewijd, die zich nimmer voor hen zullen
+ontsluiten, bewegen zich niet ook hier te Triëst beneden aan die
+trappen van dat Tergesteum, waar de Lloyd hare kantoren gevestigd
+heeft, hare leeszalen bezit, en in volmaakte overeenkomst met de Kamer
+van Koophandel leeft.
+
+Het is onbetwistbaar dat in al de groote zeesteden van de oude en
+nieuwe wereld, een klasse van ongelukkigen rondkrioelt, die aan die
+groote handelscentra eigen zijn. Vanwaar zij komen, weet niemand. Hoe
+dat lot hun beschoren werd, evenmin. Waar zij het hoofd neerleggen
+zullen, weten zij zelven niet. Onder hen worden aangetroffen die van
+hooger standpunt weggedrongen werden. Het zijn meestal vreemdelingen
+bovendien. De spoortreinen en de koopvaardijschepen brachten hen aan en
+wierpen hen op het perron of op de kaden als colli’s vrachtgoederen
+zonder waarde, en zij vormen een ware belemmering op den openbaren weg,
+vanwaar de politie hen te vergeefs zoekt te verdrijven.
+
+Sarcany en Zirone, na nog een blik over de baai tot aan den vuurtoren,
+die op de uiterste punt van Sint Theresia opgericht is, geworpen te
+hebben, verlieten alzoo den havendam en namen hun weg tusschen het
+Teatro Comunale en de kade door en bereikten zoo de Piazza Grande, waar
+zij gedurende een kwartieruur slenterden in de nabijheid van de
+fontein, die opgetrokken werd van steenen, welke uit den naburigen
+Karstberg gehaald waren, en in de nabijheid van het standbeeld van
+Karel VI.
+
+Beiden sloegen toen links af. Intusschen bekeek Zirone de
+voorbijgangers met onderzoekenden blik, alsof hij van het
+onweerstaanbare plan zwanger ging te willen zakkenrollen. Daarna
+slenterden zij rondom het groote vierkant van Tergesteum, juist op het
+oogenblik dat de beurstijd eindigde.
+
+„De beurs is nu leeg.... zooals de onze!” meende de Siciliaan met een
+glimlach te moeten opmerken, hoewel hij volstrekt geen trek in lachen
+had.
+
+Maar de onverschillige Sarcany scheen zelfs het geestige woordenspel
+van zijn makker niet gehoord te hebben. Deze evenwel rekte zich de
+ledematen uit en geeuwde van honger.
+
+Daarna stapten zij het driehoekige plein over, waarop zich het bronzen
+standbeeld van keizer Leopold I verheft. Een scherp gefluit van Zirone,
+die dat als een echte straatjongen kon, deed een vlucht blauwe duiven
+opvliegen, die onder de boogvormige afdaken van de oude Beurs
+koekeloeren, zooals de grijsachtige duiven doen tusschen de Procuraties
+van het Sint-Markusplein te Venetië. Niet ver van daar ontwikkelde zich
+het Corso, dat het nieuwe Triëst van het oude scheidt.
+
+Dat Corso is een breede straat, die evenwel zonder bevalligheid is,
+waarin goedbeklante magazijnen aangetroffen worden, die evenwel
+smakeloos genoemd moeten worden. Die straat doet eerder denken aan de
+Regentstreet van Londen of de Broadway van New-York, dan aan de
+Boulevards des Italiens te Parijs. Een groot aantal voorbijgangers
+wordt er steeds aangetroffen. Ook het aantal rijtuigen is er
+aanmerkelijk, die van de Piazza Grande naar de Piazza della Legna
+rijden.—Die namen duiden aan dat de stad haren Italiaanschen oorsprong
+nog niet vergeten is.
+
+Wanneer Sarcany den schijn aannam ongevoelig te zijn voor iedere
+verzoeking, zoo ging Zirone toch die rijke winkels niet voorbij zonder
+er dien bijzonderen afgunstigen blik in te werpen, die van hen uitgaat,
+die de middelen missen naar binnen te kunnen gaan. Daar waren toch
+zaken in overvloed aanwezig, die zij wel zouden hebben kunnen
+gebruiken, vooral bij de kooplieden in eetwaren en in de „bièreries”
+waar het bier meer overvloedig stroomt dan in eenige andere stad van
+het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk.
+
+„Ik gevoel nog meer honger dan dorst op dit Corso,” merkte de Siciliaan
+op, terwijl hij met de tong tusschen zijn verdroogde lippen smakte,
+alsof hij een kleppermansratel liet hooren.
+
+Die opmerking werd door Sarcany met een eenvoudig schouderophalen
+beantwoord.
+
+Beiden sloegen toen de eerste straat links in, en toen zij op de oevers
+van het kanaal waren aangekomen, op het punt waar de Ponto Rosso—eene
+fraaie draaibrug—overgang verleende, stapten zij die kaden langs, waar
+zelfs schepen van grooten diepgang kunnen vastmeeren. Daar werden zij
+veel minder verlokt en gepijnigd door de uitstalling van allerlei
+lekkernijen. Ter hoogte van de kerk Sant-Antonio gekomen, sloeg Sarcany
+plotseling rechtsom. Zijn makker volgde hem zonder eenige bemerking te
+maken. Daarna staken zij weer het Corso over en drentelden thans door
+de oude stad, welker straten zeer smal en onbruikbaar voor rijtuigen
+zijn, wanneer zij althans die eerste hellingen van den Karstberg
+bereiken en daartegen als het ware willen opklimmen. Die straten nemen
+in den regel zulke richting, dat zij niet door den schrikkelijken
+Borawind—zoo wordt een stevige noordoostelijke bries genoemd—bestreken
+kunnen worden. Hier in dat oude Triëst zouden Zirone en Sarcany als
+ware platzakken, zich meer te huis gevoelen dan in de rijke en
+prachtige kwartieren van de nieuwe stad.
+
+Zij logeerden dan ook inderdaad achter in een zeer bescheiden
+passantenhuis, niet ver van de kerk van Santa Maria Magiore, en hadden
+daar reeds hun intrek genomen bij hunne aankomst in de hoofdplaats van
+Illyrië. Maar daar de logementhouder nog nooit eenig geldstuk van hen
+te zien had gekregen en steeds dringender werd om zijne rekening, die
+iederen dag al grooter en grooter werd, betaald te krijgen, vermeden
+zij die gevaarlijke kaap, staken het plein over en flaneerden gedurende
+eenigen tijd rondom de Arco di Riccardo.
+
+Maar op den keper beschouwd, de studie van die overblijfselen van
+vermeende bouwkunst kon hen niet bevredigen. Daar dus het toeval dezen
+keer blijkbaar zich niet haastte om hen te midden van die slecht
+befaamde straten te hulp te komen, begonnen zij, de een gevolgd door
+den ander, de steile stegen te beklimmen, die bijna tot op den top van
+den Karstberg, naar het plein der kathedraal voerden.
+
+„Een zonderling denkbeeld om daar naar boven te klimmen,” mompelde
+Zirone, terwijl hij onderwijl zijn mantel om zijn middel vaster
+aantrok.
+
+Maar al pruttelde hij ook, hij verliet zijn makker niet, en van beneden
+gezien, had men kunnen waarnemen, hoe zij zich langs die trappen, die
+oneigenaardig straten genoemd worden en langs de hellingen van den
+Karstberg aangelegd zijn, opheschen. Tien minuten later hadden zij,
+hongeriger en dorstiger dan te voren, het plein daarboven bereikt.
+
+Dat van dit hooge standpunt het vergezicht zich prachtig uitstrekte
+over de baai van Triëst tot aan de volle zee, over de zoo levendige
+haven door het heen en weer varen der visschersvaartuigen, door het in-
+en uitstevenen der oorlogs-stoomers en der koopvaardijschepen; dat de
+blik kon waren over de geheele stad, over hare voorsteden, over de
+laatste huizen, die op de hellingen gelegen waren, over de villa’s, die
+verspreid op de hoogten verrezen, neen, dat alles kon onze twee
+avonturiers volstrekt niet meer boeien. Zij hadden in hun leven wel wat
+anders gezien en bovendien, hoe dikwijls hadden zij niet op die hoogte
+met hunne ellende en met hunne verveling rondgewandeld? Zirone vooral
+had veel liever langs de rijke winkels van het Corso gedrenteld. Maar
+wat er aan te doen! Nu zij toch het toeval en zijne onvoorziene
+weldadigheden daar boven waren komen zoeken, moesten zij die zonder al
+te veel ongeduld afwachten.
+
+Er stond daar bij het uiteinde van de trap, die toegang tot het terras,
+dicht bij de Byzantijnsche Kathedraal van Sint Justus verleende, eene
+omheinde ruimte, die vroeger een kerkhof was, maar thans als museum van
+oudheden te bezichtigen was. Het waren geen graven meer, die er
+aangetroffen werden, maar brokstukken van grafsteenen, die onder de
+lage takken van zeer fraaie boomen verscholen lagen, Romeinsche
+obeliskvormige monolithen, voetstukken uit de middeleeuwen, stukken van
+Dorische friezen en anderen, afkomstig uit den Renaissance-stijl,
+verglaasde cubussen, waarop nog steeds de sporen van vuur en asch te
+bespeuren waren. Dat alles lag daar door elkander in het gras.
+
+De deur van die omheinde ruimte was niet gesloten. Sarcany had slechts
+de moeite te nemen haar open te duwen. Hij trad, gevolgd door Zirone,
+binnen, die evenwel deze meewarige opmerking niet kon onderdrukken:
+
+„Wanneer wij het denkbeeld koesterden om een einde aan ons leven te
+maken, dan zou waarachtig de plek uitstekend gekozen zijn.”
+
+„En als men u voorsloeg dat te doen?” vroeg Sarcany met spottende stem.
+
+„Wel, daar zou ik hartelijk voor danken, kameraad! Als men mij slechts
+één gelukkigen dag op de tien verschaft, och, dan ben ik tevreden, ik
+vraag niet meer.”
+
+„Dien gelukkigen dag zal men je verschaffen—en wellicht beter dan dat.”
+
+„Dat je alle heiligen, die door de Italianen vereerd worden, verhooren.
+En toch weet God alleen dat die gelukzaligen bij honderden geteld
+worden.”
+
+„Kom steeds voort!” hernam Sarcany.
+
+„Waarheen?”
+
+„Kom maar.”
+
+Beiden volgden nu eene halfcirkelvormige laan, welke tusschen
+grafsteenen en eene dubbele rij urnen doorliep, en gingen zitten op een
+grooten steen, die in den vorm van een Romaansche roos uitgebeiteld en
+met den vloer gelijk was.
+
+Eerst namen zij een diep stilzwijgen in acht, dat Sarcany scheen te
+bevallen, maar zijnen makker volstrekt niet beviel. Zirone sprak dan
+ook weldra, terwijl hij een paar krampachtige spiertrekkingen der
+kaakbeenderen niet kon onderdrukken:
+
+„Hel en duivel, het toeval, waarop wij als echte dwazen rekenen, haast
+zich niet om ons te hulp te komen!”
+
+Sarcany antwoordde niet.
+
+„Maar welk denkbeeld dan ook,” ging Zirone voort, „om tot hier te
+midden van die bouwvallen te komen! Ik geloof, kameraad, dat wij een
+verkeerd pad ingeslagen hebben. Wie, duivel, zou hier het toeval de
+hand willen komen reiken, hier op dit oud kerkhof iemand komen
+verplichten? De zielen der overledenen kunnen het toeval best missen,
+die hebben niets meer noodig, sedert zij hun aardsch omhulsel
+verlieten. En wanneer ik zoover gekomen zal zijn, och, dan zal mij een
+vertraagd diner of een souper dat niet komt, bitter weinig kunnen
+schelen! Kom, laat ons heengaan!”
+
+Sarcany was nog in zijne overdenkingen verdiept en had den blik als het
+ware in de ruimte verloren. Hij bewoog dan ook geen vin.
+
+Zirone bleef nog een poos zonder verder te spreken. Daarop hernam zijne
+gewone babbelzucht weer hare rechten.
+
+„Sarcany,” zei hij, „wilt gij weten onder welke gedaante ik thans dat
+toeval, hetwelk ons, zijn beste klanten, zoo liederlijk in den steek
+laat, zou willen zien verschijnen? In de gedaante van een der
+kassiersloopers van het huis Toronthal, die hier zou aankomen met eene
+portefeuille opgepropt met bankbiljetten en die ons die portefeuille
+uit naam van den genoemden bankier zou toevertrouwen, onder bijvoeging
+van duizend verontschuldigingen, dat hij ons zoo lang heeft laten
+wachten.”
+
+„Luister, Zirone,” sprak Sarcany, wiens wenkbrauwen geweldig fronsten.
+„Ik zeg je voor de laatste maal, dat wij niets meer van Silas Toronthal
+te hopen of te verwachten hebben.”
+
+„Zijt gij er zeker van?”
+
+„Ja, het geheele krediet dat ik bij hem hebben kon, is thans uitgeput
+en op mijne laatste aanvragen heeft hij met een formeele en afdoende
+weigering geantwoord.”
+
+„Te drommmel, dat ’s gek!”
+
+„Zeer gek, maar het is niet anders!”
+
+„Maar.... als uw krediet uitgeput is,” hernam Zirone, „dan is dat toch
+het bewijs dat ge krediet gehad hebt. Wat was er de grondslag van?
+Waarop berustte het? Daarop, nietwaar, dat ge herhaaldelijk uwe
+verstandelijke vermogens en uw ijver ten dienste van het bankiershuis
+bij het behandelen van sommige teergevoelige zaken gesteld hebt....
+Daarom is Toronthal gedurende de eerste maanden van ons verblijf te
+Triëst niet al te weerstrevend geweest op het gebied van
+geldverstrekken! Maar ik acht het voor onmogelijk dat ge hem niet meer
+op de een of andere wijze in uwe macht zoudt hebben, en door hem te
+bedreigen....”
+
+„Geloof mij, als dat mogelijk ware, zou het reeds geschied zijn,”
+antwoordde Sarcany, terwijl hij de schouders optrok, „en zoudt ge thans
+niet verplicht zijn rond te loopen om een diner te zoeken. Neen, bij
+God! ik heb dien Toronthal niet in mijne macht! Maar wat niet is, kan
+nog wel gebeuren, en dien dag dan zal hij mij èn kapitaal, èn
+interessen èn interessen van interessen van al hetgeen hij mij nu
+weigert, uitbetalen! Ik verbeeld mij, en misschien niet zonder reden,
+dat de zaken van zijn kantoor voor het tegenwoordige eenigszins in de
+war zijn en dat hij fondsen in wankelende zaken gestoken heeft, die erg
+gevaar loopen. De weeromstuit van verscheidene faillissementen in
+Duitschland, te Berlijn en te Munchen, heeft zich tot hier in Triëst
+doen gevoelen, en wat hij ook heeft mogen beweren, zoo scheen mij Silas
+Toronthal zeer onrustig, toen ik hem den laatsten keer bezocht! Kom,
+laten wij het water troebel laten worden.... en als dat gebeurd zal
+zijn....”
+
+„Welnu, ja,” riep Zirone uit, „dat ’s goed! Maar intusschen hebben wij
+nog slechts water om te drinken. Ziet ge, Sarcany, ik ben van meening
+dat gij nog een poging bij Toronthal moest wagen. Gij moest nog een
+keer bij zijne kas aankloppen om te trachten, al was het maar zooveel
+te verkrijgen, ten einde naar Sicilië via Malta terug te kunnen
+keeren....”
+
+„Maar wat wilt ge in Sicilië uitvoeren?”
+
+„Dat is mijn zaak. Dat land ken ik en ik zou een troepje Maltezers,
+flinke kerels, zonder vooroordeelen, waar wat van te maken zoude zijn,
+er heen kunnen voeren. Welnu, voor den drommel! als hier niets meer te
+beproeven valt, laten wij dan heengaan, maar laten wij alvorens dien
+verwenschten bankier noodzaken ons reisgeld te verschaffen. Hoe weinig
+gij ook van hem schijnt te weten, zal dat toch wel voldoende zijn om
+hem te doen inzien, dat het voor hem veiliger zal wezen, dat gij u
+overal elders dan te Triëst zult bevinden!”
+
+Sarcany schudde het hoofd.
+
+„Kom, vooruit! Het kan onmogelijk lang meer duren,” hernam Zirone. „Wij
+zijn geheel blut!”
+
+Hij was opgestaan, en stampte met den voet op den grond, zooals hij
+eene stiefmoeder zou gedaan hebben die hem stiefmoederlijk zoude
+behandeld hebben.
+
+In dit oogenblik werd zijn blik geboeid door een vogel, die buiten de
+omheinde ruimte slechts met moeite scheen te kunnen vliegen. Het was
+eene duif, wier vermoeide vleugelen ternauwernood nog klapwieken konden
+en die naar den grond streek.
+
+Zirone had, zonder zich af te vragen, tot welke der honderd zeven en
+zeventig soorten van duiven, thans in de ornithologische naamlijst
+opgenomen, die vogel behoorde, slechts ééne zaak voor oogen, namelijk
+dat hij tot de eetbare soorten behoorde. Hij wees hem dan ook met den
+vinger aan zijn makker en verslond hem met den blik.
+
+De vogel was klaarblijkelijk uitgeput en het einde zijner krachten
+nabij. Hij poogde zich vast te klemmen aan de uitstekende gedeelten van
+de kathedraal, welker voorgevel geflankeerd is door een vierkanten
+toren, die van oude dagteekening is. Toen hij zich niet meer kon houden
+en op het punt was naar beneden te vallen, kwam hij zich eerst
+neerzetten op het dakwerk van eene kleine nis, waaronder het beeld van
+den heiligen Justus prijkte; maar de vermoeide pootjes van de duif
+weigerden hun dienst; zij kon zich niet vastklemmen en liet zich
+glijden tot op het kapiteelwerk van eene oude zuil, die in den hoek
+stond, welke door dien toren en dien voorgevel gevormd werd.
+
+Al volgde Sarcany, die steeds onbeweeglijk en stilzwijgend daar neer
+zat, de duif in hare vlucht niet, zoo verloor haar Zirone daarentegen
+niet uit het oog. Zij was uit noordelijke richting gekomen. Een lange
+tocht had haar geheel en al uitgeput. Klaarblijkelijk zette haar
+instinct haar aan om een nog verder gelegen doel te bereiken. Zij
+hernam dan ook bijna dadelijk hare vlucht en volgde eene gebogen
+richtingslijn, die haar noodzaakte tot eene nieuwe halt, juist op de
+benedentakken van een der boomen van het oude kerkhof.
+
+Toen besloot Zirone de duif te bemachtigen. Hij sloop dan ook zachtkens
+en langs den grond kruipende naar den boom. Weldra had hij den
+geknoesten stam bereikt, die gelegenheid te over aanbood om de
+vorkvormige vertakking van de kruin te kunnen bereiken. Daar bleef hij
+onbewegelijk en stom in de houding van een speurhond, die eenig wild
+bespiedt, dat boven zijn hoofd gezeten is.
+
+De duif, die hem niet bemerkt had, wilde toen hare vlucht hervatten,
+maar hare krachten verlieten haar andermaal, zoodat zij op weinige
+passen verder op den grond viel.
+
+Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de
+hand grijpen, dat was voor den Siciliaan het werk van een ondeelbaar
+oogenblik. En hij was heel natuurlijk op het punt om de arme duif te
+verworgen, toen hij zich plotseling weerhield, een kreet van
+verwondering uitstiet en in allerijl bij Sarcany terugkwam.
+
+„Eene reisduif!” zei hij.
+
+„Waarlijk, dat is dan een reiziger, die zijn laatste reis afgelegd
+heeft!” antwoordde Sarcany.
+
+„Ongetwijfeld” hernam Zirone, „en des te erger voor hen, aan wie het
+briefje is gericht, dat onder den vleugel der duif vastgemaakt zit.”
+
+„Een briefje!” riep Sarcany uit. „Wacht Zirone, wacht! Zoo iets dwingt
+tot uitstel van executie!”
+
+Hij weerhield de hand van zijn makker, die reeds den hals van de arme
+duif omkneld hield. Daarna nam hij het zakje dat Zirone reeds
+losgemaakt had, opende het en haalde er een briefje uit dat een
+raadselschrift vertoonde:
+
+
+ ghfhna dalant ltenka
+ aohhzk aenzse lsnivi
+ rnryoo tnpees seyehe
+ lxosde soelnl sglpte
+ veknni ilarna lotasa
+ yareah uezmtl rradae
+
+
+Omtrent de plaats van vertrek en omtrent de bestemmingsplaats van het
+briefje geen enkel woord. Wat die achttien woorden betreft, die ieder
+uit een gelijk aantal letters samengesteld waren, zoude het mogelijk
+zijn, de beteekenis daarvan te weten te komen zonder den sleutel te
+kennen? Dat was al zeer onwaarschijnlijk, tenzij een hunner een
+behendig oplosser van raadsels mocht heeten en dan moest nog het geval
+bestaan dat het schrift ontraadselbaar was.
+
+Tegenover dat geheimschrift, dat voor hen niets beteekende, bleef
+Sarcany eerst teleurgesteld, daarna zeer beteuterd in gedachten
+verzonken staan. Zou dat briefje een belangrijk, maar vooral een
+compromitteerend bericht behelzen? Dat kon, dat moest aangenomen
+worden. Dat duidden de voorzorgen genoegzaam aan, die genomen waren,
+dat het, wanneer het bij ongeluk in verkeerde handen viel, door niemand
+anders kon gelezen worden dan door hen, voor wie het bestemd was. Ook
+gaf het vervoermiddel achterdocht. Door toch noch van den postdienst,
+noch van de telegraaf gebruik te maken, maar integendeel het
+wonderlijke instinct van de reisduif te bezigen, was het duidelijk, dat
+het eene zaak gold, die zeer geheimzinnig behandeld moest worden.
+
+„Wellicht,” zei Sarcany, „schuilt er in die regels een geheim, dat ons
+een vermogen zou kunnen bezorgen!”
+
+„Dan zou die duif,” hernam Zirone, „de vertegenwoordigster van het
+toeval zijn, dat wij sedert heden ochtend zoo opgespoord hebben.
+Duivels! ik die het arme dier wilde worgen!.... Maar alles goed en wel
+beschouwd, is het briefje toch het meest belangwekkende, zoodat er zich
+niets tegen verzet om den briefbesteller te braden.”
+
+„Haast je maar niet, Zirone,” antwoordde Sarcany, die dezen keer
+andermaal het leven der duif redde. „Misschien kunnen wij door middel
+dier duif te weten komen, aan wien dat briefje gericht is, wel te
+verstaan, wanneer die te Triëst woont.”
+
+„En daarna? Dat zal je toch het middel niet aan de hand doen om te
+kunnen lezen wat in dat briefje staat, Sarcany!”
+
+„Neen, Zirone.”
+
+„Ook niet om te weten, van waar dat briefje komt!”
+
+„Ook dat niet! Maar als het mij lukt van twee correspondenten een te
+leeren kennen, dan verbeeld ik mij, dat dat wel eene vingerwijzing zou
+kunnen wezen om ook achter den ander te komen, nietwaar?”
+
+„Ja.... zoo beschouwd....”
+
+„In plaats dan van die duif te dooden en te braden, moeten wij er ons
+integendeel op toeleggen haar hare krachten terug te bezorgen, opdat
+zij hare bestemming bereiken kunne!”
+
+„Met het briefje?” vroeg Zirone.
+
+„Met het briefje, waarvan ik evenwel alvorens een nauwkeurig afschrift
+zal maken, dat ik bewaren zal, tot het oogenblik zal gekomen zijn om er
+gebruik van te maken!”
+
+Sarcany haalde vervolgens een aanteekeningsboekje uit zijn zak te
+voorschijn en nam met het daarin aanwezige potlood een afschrift van
+het briefje. Daar hij wist dat bij de meeste raadselschriften niets
+verwaarloosd mag worden omtrent hunne daadwerkelijke rangschikking, zoo
+zorgde hij dat de stand der woorden onderling onaangetast bleef. Toen
+hij daarmee klaar was, borg hij dit afschrift in zijn notitieboekje op,
+herplaatste het briefje in het zakje en het zakje onder den vleugel der
+duif.
+
+Zirone keek aandachtig toe, zonder evenwel bijster veel hoop te
+koesteren omtrent een vermogen, dat door dit toeval verworven zou
+moeten worden.
+
+„En thans?” vroeg hij.
+
+„Thans,” antwoordde Sarcany, „is het zaak om den brievenbesteller goed
+te verzorgen.”
+
+En dat was inderdaad noodig; want de duif was meer uitgeput door den
+honger dan door de vermoeienis. Hare vleugels waren ongeschonden,
+zonder een enkele beleediging of breuk, en bewezen dan ook ten volle,
+dat de kortstondige flauwte, die het dier overvallen had, noch aan
+eenige hagelkorrels van den een of anderen jager, noch aan een
+steenworp van den een of anderen boosaardigen straatjongen te wijten
+was. De vogel had honger, maar vooral dorst.
+
+Zirone zocht dus en vond op den grond eenige zaadkorrels, die de duif
+met gretigheid oppikte. Eindelijk leschte hij haren dorst bij een
+plasje water, dat van den laatst gevallen regen in een scherf van een
+antieke vaas van gebakken steen achtergebleven was, zoodat een half
+uur, nadat de duif gevangen was geworden, zij, zoo gekoesterd, geheel
+hersteld, in staat was haar onderbroken reis te hervatten.
+
+„Als zij nog ver moet vliegen, als zij verder dan Triëst moet zijn, dan
+kan het ons minder schelen of die duif onderweg omkomt,” zei Sarcany,
+„daar wij haar alsdan uit het oog zullen verliezen en wij haar
+onmogelijk zullen kunnen volgen. Wanneer zij evenwel in een der huizen
+van Triëst verwacht wordt en daar de eindpaal harer reis is, dan zullen
+haar de krachten niet ontbreken om dat te bereiken, want zij heeft dan
+nog maar een paar minuten te vliegen.”
+
+„Ge hebt volkomen gelijk,” antwoordde de Siciliaan, „maar zullen wij
+haar met onzen blik kunnen volgen tot de plek waar haar duivenslag
+staat, al zou het ook zijn, dat die te Triëst aangetroffen werd?”
+
+„Wij zullen in ieder geval ons best daarvoor doen en onze maatregelen
+daartoe nemen,” antwoordde Sarcany leuk.
+
+En ziehier wat hij deed:
+
+De kathedraal, welke uit twee oude Romaansche kerken bestond, die de
+eene aan de H. Maagd en de andere aan Sint Justus, den beschermheilige
+van Triëst, gewijd waren, wordt gesteund door een hoogen toren, die
+zich op den vleugel verhief van dien frontgevel, waarin eene groote,
+roosvormige versiering prijkte, welke boven de hoofddeur van het gebouw
+aangebracht was. Die toren beheerschte de geheele topvlakte van den
+Karstberg, en de stad ontwikkelt zich daar beneden als een uitermate
+fraaie reliëfkaart. Van dit verheven punt ontwaart men al de vierkante
+vlakken, gevormd door de daken der huizen van de stad, van de
+heuvelhellingen af tot aan den oever der baai toe. Het zou dus niet
+onmogelijk zijn de duif in hare vlucht te volgen, wanneer men haar op
+den top van den toren losliet. Ongetwijfeld zou dan het huis te
+herkennen zijn, waarop zij zou neerstrijken, wanneer zij namelijk
+Triëst en geen andere stad of dorp van Illyrië tot bestemming had.
+
+Die poging kon slagen en zij was wel waard om beproefd te worden. Men
+had slechts de duif in vrijheid te stellen.
+
+Sarcany en Zirone verlieten dan ook dit oude kerkhof, staken het kleine
+plein, vóór de kerk gelegen, over en stapten op den toren toe. Een der
+ogiefvormige deuren, juist dezelfde, die onder het voetstuk van de nis
+van den Heiligen Justus aangebracht was, stond open. Beiden traden
+binnen en begonnen met de ruwe treden van de wenteltrap, die naar boven
+leidde, te bestijgen.
+
+Zij hadden vier of vijf minuten noodig om den top des torens, die in
+een spits dak eindigt en dus geen plat heeft, te bereiken. Maar daar
+aangekomen, bemerkten zij twee vensters op ieder front van het hooge
+gebouw, die veroorloofden den blik langs den geheelen gezichteinder,
+zoowel langs de heuvelen als langs de zee, te laten waren.
+
+Sarcany en Zirone namen plaats aan dat venster, hetwelk direct uitzicht
+op Triëst in noordwestelijke richting verleende.
+
+Het sloeg toen vier uren op de torenklok van het kasteel, dat in de
+zestiende eeuw gebouwd werd op het hoogste punt van den Karstberg, vlak
+achter de kathedraal. Het was nog volle dag. De zon daalde langzaam te
+midden van een uiterst zuiveren dampkring naar de wateren van de
+Adriatische Zee, en het meerendeel der huizen ontving hare stralen op
+de voorgevels, die naar den kant van den toren gekeerd waren.
+
+De omstandigheden waren dus zeer gunstig.
+
+Sarcany nam de duif tusschen zijne beide handen, streelde haar nog een
+poos en gaf haar toen de vrijheid.
+
+De vogel klapwiekte, daalde eerst snel genoeg om te doen vreezen, dat
+hij met een ongelukkigen val zijne loopbaan als luchtbrievenbesteller
+zou eindigen.
+
+Vandaar dan ook dat de Siciliaan een waren kreet van teleurstelling
+uitstiet. Hij was zeer opgewonden en stond te trappelen van ongeduld.
+
+„Zij valt, zij valt!” riep hij uit.
+
+„Neen, zij hervat zich,” antwoordde Sarcany.
+
+En inderdaad, de duif had haar evenwicht in de lagere luchtlagen
+hernomen; daarna maakte zij een scherpen hoek en wendde zich in
+schuinsche richting naar het noordwestelijke gedeelte der stad.
+
+Sarcany en Zirone volgden haar met de oogen.
+
+Er werd bij de vlucht van den vogel, die door een bewonderenswaardig
+instinct geleid werd, geene enkele aarzeling waargenomen. Men gevoelde
+dat hij recht afvloog op het doel waar hij wezen moest, op het doel
+waar hij reeds sedert een uur had moeten aangekomen zijn, zonder dat
+ongewenschte oponthoud onder de boomen van het oude kerkhof.
+
+Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige
+oplettendheid waar. Zij vroegen zich af of de duif de muren der stad
+niet zou overschrijden, hetgeen hunne vooruitzichten verijdelen zou.
+
+Neen, dat gebeurde niet.
+
+„Ik zie haar nog!.... Ik zie haar steeds!” riep Zirone, wiens
+gezichtsvermogen buitengewoon sterk was.
+
+„Waar?.... Waar?.... vroeg Sarcany, die haar scheen uit het oog
+verloren te hebben.
+
+„Daar!.... daar!” antwoordde Zirone, de richting met den vinger
+aanwijzend. „Daar!....”
+
+„O ja, ik zie haar weer,” hernam Sarcany met voldoening. „Wat vooral
+goed opgemerkt moet worden, is de plek waar de duif gaat neerstrijken.
+Wij moeten er de juiste ligging goed van opnemen.”
+
+Eenige minuten na haar vertrek streek de duif op een huis neer, welks
+scherpe nok al de anderen beheerschte en zich te midden van een groep
+boomen verhief. Dat huis was in het stadsgedeelte gelegen, hetwelk aan
+den kant van het gasthuis en van den openbaren tuin aangetroffen wordt.
+Daar verdween zij door een dakvenster, hetwelk toen uitermate zichtbaar
+was, daar het door een ijzeren windwijzer, die kunstig à jour bewerkt
+was, aangeduid werd. Dat ijzeren kunstwerk was zoo sierlijk
+vervaardigd, dat het aan Quentijn Matsys had kunnen toegeschreven
+worden, wanneer Triëst eene Vlaamsche stad ware geweest.
+
+De algemeene richting van dat huis vastgesteld zijnde, moest het niet
+zeer moeilijk zijn, wanneer men dien windwijzer als baken in het oog
+hield, om de nok weer te vinden, waaronder het bedoelde dakvenster was
+aangebracht en derhalve ook het huis, door den persoon bewoond, voor
+wien het briefje bestemd was.
+
+Sarcany en Zirone daalden dadelijk de trappen des torens af en na ook
+de hellingen van den Karstberg verlaten te hebben, volgden zij eene
+aaneenschakeling van kleine nauwe straten, die hen eindelijk toegang
+tot de Piazza della Legna verleenden. Daar waren zij verplicht zich te
+oriënteeren, om de huizengroep te verkennen, die het oosterkwartier van
+de stad uitmaakte.
+
+Toen zij aan de samenvloeiing van de twee groote gemeenschapsaderen,
+de Corso Stadion, die naar den openbaren wandeltuin voert, en de
+Acquedotto, een fraaie laan van geboomte, die naar de groote brouwerij
+van Boschetto leidt, aangekomen waren, ondervonden de beide avonturiers
+eenige aarzeling omtrent de verder te volgen richting. Moest men rechts
+of links inslaan? Instinctmatig kozen zij rechts, met het doel om al de
+huizen der laan nauwkeurig gade te slaan, waarboven zij den windwijzer,
+dien zij opgemerkt hadden, zouden kunnen bespeuren.
+
+Zij schreden dus voort en namen de verscheidene daknokken van de
+Acquedotto in oogenschouw, zonder evenwel die te ontdekken, welke zij
+zochten. Eindelijk waren zij aan het einde van de laan aangekomen.
+
+„Daar is hij!” riep eindelijk Zirone uit.
+
+En hij wees op een windwijzer, dien de zeewind op zijne ijzeren as deed
+knarsen, die boven een dakvenster geplaatst was, waar rondom juist
+eenige duiven vlogen.
+
+Er was dus geene vergissing mogelijk. Daar was wel degelijk de duif
+neergestreken.
+
+Het huis had een bescheiden uiterlijk, onderscheidde zich in niets van
+de overige die tot hetzelfde blok behoorden, en was even als die langs
+de Acquedotto gelegen.
+
+Sarcany verschafte zich inlichtingen in een paar naburige winkels en
+wist al spoedig hetgeen hij voorshands wenschte te weten.
+
+Dat huis behoorde sinds lange jaren aan den graaf Ladislas Zathmar en
+strekte hem tot woning.
+
+„Wie is graaf Zathmar?” vroeg Zirone, wien die naam geheel vreemd was.
+
+„Wel, dat is graaf Zathmar,” antwoordde Sarcany kortweg.
+
+„Ja, maar zouden wij geen inlichtingen omtrent hem kunnen vragen?....”
+
+„Later, Zirone, laten wij niet overijld handelen. Laten wij kalmte
+betrachten en de zaak overdenken. Kom, wij keeren thans naar onze
+herberg terug.”
+
+„Ja wel!.... Het is etenstijd en de table d’hôte staat gedekt voor hen,
+die het recht koopen kunnen er plaats aan te nemen,” merkte Zirone
+schamper op.
+
+„Als wij heden niet dineeren,” antwoordde Sarcany, „dan is het toch
+mogelijk dat wij morgen zullen smullen.”
+
+„Bij wien?”
+
+„Bij wien, vraagt gij?” zei Sarcany schier gedachteloos.
+
+„Ja, dat vraag ik.”
+
+„Wel, waarschijnlijk bij graaf Zathmar.”
+
+Beiden drentelden langzaam voort. Waarom zich ook te haasten? Toch
+hadden zij al te spoedig hun bescheiden hôtel bereikt, dat helaas! nog
+te weelderig voor hen was, daar zij hun verblijf onmogelijk konden
+betalen.
+
+Maar welke verrassing was hun daar bereid?.... Een brief, die aan
+Sarcany gericht was, was aangekomen.
+
+Die brief bevatte een bankbiljet van twee honderd gulden, met de
+woorden, die kort maar beteekenisvol waren:
+
+
+„Hierbij ingesloten het laatste geld, dat gij van mij ontvangen zult.
+Het zal voldoende zijn om naar Sicilië weer te keeren. Vertrek en dat
+ik nimmermeer iets van u hoore.”
+
+„Silas Toronthal.”
+
+
+„Duivels!” riep Zirone uit, „de bankier komt juist van pas op zijn
+besluit terug. Waarachtig, men moet de finantie-luidjes in waarde
+houden en nimmer omtrent hen wanhopen.”
+
+„Dat ’s ook mijne meening,” betuigde Sarcany.
+
+„En dat geld zal ons dienen om Triëst te verlaten?....”
+
+„God beware! Het zal ons integendeel dienen om er te blijven!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+GRAAF MATHIAS SANDORF.
+
+
+De Hongaren, dat zijn de Magyaren, die het land kwamen bevolken zoo
+ongeveer in de negende eeuw van de Christelijke tijdrekening. Zij maken
+tegenwoordig het derde gedeelte van de geheele bevolking van Hongarije
+uit en tellen ongeveer iets meer dan vijf millioen zielen. Of zij van
+Spaanschen, of Egyptischen, of Tartaarschen oorsprong zijn, of zij van
+de Hunnen van Attala of van de Finnen uit het noorden afstammen, dat
+zijn alle twistvragen, die ons weinig kunnen schelen. Wat evenwel
+opgemerkt moet worden, is, dat het geene Slavoniërs, dat het geene
+Duitschers zijn, en dat het hun waarschijnlijk niet zou smaken, het te
+worden.
+
+Die Hongaren hebben dan ook hun godsdienst ongeschonden behouden en
+zijn vurige Katholieken gebleven van de elfde eeuw af, het tijdstip
+waarop zij tot de nieuwe geloofsbelijdenis overgingen. Daarenboven
+spreken zij nog hunne taal van weleer, eene stamtaal, die zachtvloeiend
+en harmonisch klinkt, die zich geheel en al tot de bekoorlijkheid der
+dichterlijke wendingen leent, die minder rijk aan woorden dan het
+Duitsch, evenwel scherper begrensd van uitdrukking en krachtvoller is,
+eene taal, die van af de vijftiende tot de zestiende eeuw bij het geven
+van wetten en het slaan van ordonnantiën het latijn verving, in
+afwachting dat zij tot de nationale taal verheven zoude worden.
+
+Het was op den 21sten Januari 1699 dat het verdrag van Carlowitz het
+bezit van Hongarije en Transsylvanië aan de kroon van Oostenrijk
+verzekerde.
+
+Twintig jaren later werd bij de pragmatieke sanctie solemneel
+vastgesteld, dat de staten, die het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk
+vormden, steeds onafscheidelijk aan elkander verbonden zouden zijn. Bij
+gebrek aan zonen, zou de dochter volgens rangschikking van het
+eerstgeboorterecht op den troon kunnen opvolgen. En dank zij die nieuwe
+bepalingen, erfde Maria Theresia de kroon van haren vader, Karel de
+Zesde, laatste mannelijke spruit uit het huis van Oostenrijk.
+
+De Hongaren moesten voor de overmacht bukken, maar honderdvijftig jaar
+later werden nog mannen uit alle standen en van alle rangen
+aangetroffen, die noch van de pragmatieke sanctie, noch van het verdrag
+van Carlowitz iets wilden weten.
+
+Op het tijdstip, waarop dit verhaal begint, leefde een Hongaar van
+hooge geboorte, wiens geheele leven zich in deze twee gevoelens
+oploste, namelijk: in den haat voor alles wat van Germaansche afkomst
+was en in de hoop nog eenmaal aan zijn land de zelfstandige regeering
+van vroeger weer te geven. In zijne jeugd had hij Kossuth gekend en
+hoewel door zijne geboorte en door zijne opvoeding een scheidsmuur
+tusschen hen opgetrokken moest zijn, zoo koesterde hij toch eene zekere
+bewondering voor het groote hart van dien vaderlander.
+
+Graaf Mathias Sandorf bewoonde in een der comitaten van Transsylvanië
+in het district Fagaras, een oud kasteel van feodalen oorsprong. Het
+was gebouwd op de hellingen van de noordelijke uitloopers van het
+oostelijk Karpatisch gebergte, die de grens uitmaken tusschen
+Transsylvanië en Walachyë, en verhief dit kasteel zich in al zijne
+woeste fierheid op dien steilen bergketen, als een van die
+schuilplaatsen in den laatsten stond, waar samenzweerders tot hun
+laatsten snik aan hunne vijanden weerstand kunnen bieden.
+
+Naburige mijnen, rijk aan ijzer- en kopererts, die zorgvuldig ontgind
+werden, verschaften aan den eigenaar van het kasteel Artenick een zeer
+aanzienlijk vermogen. Dat domein besloeg een groot gedeelte van het
+district Fagaras, hetwelk door eene bevolking bewoond werd, die niet
+minder dan honderd twee- en zestigduizend inwoners telde. Deze, hetzij
+zij stedelingen of landlieden waren, maakten er geen geheim van dat zij
+voor graaf Sandorf eene toewijding koesterden, die iedere proef
+doorstaan kon; dat zij hem eene onbegrensde erkentelijkheid toedroegen,
+voor al het goede dat hij in het land teweeg bracht. Dat kasteel was
+dan ook het voorwerp van een bijzonder toezicht, dat door de kanselarij
+van Hongarije te Weenen, welke geheel en al van de overige
+administratiën van het Keizerrijk onafhankelijk bleef, in het leven
+geroepen was. Men kende in de hoogste kringen de denkbeelden van den
+gebieder van Artenick, en die denkbeelden baarden onrust, al gaf men
+ook voor omtrent den persoon van den graaf gerust te zijn.
+
+Mathias Sandorf was toen vijf en dertig jaren oud. Het was een man van
+eene iets meer dan middelmatige gestalte, die eene groote spierkracht
+verried. Op zijne schouders rustte een edel en fier gedragen hoofd.
+Zijn gelaat, dat warm getint en een weinig vierkant van vorm was,
+vertoonde het Magyaarsche type in zijne volkomene zuiverheid. De
+levendigheid zijner bewegingen, de juist gekozen uitdrukkingen van zijn
+woord, de blik van zijn kalm en onverschrokken oog, de werkdadige
+bloedsomloop, die aan zijne neusvleugels en aan zijne mondhoeken eene
+lichte trilling verleende, de glimlach die gewoonlijk op zijne lippen
+zetelde en als onloochenbaar teeken zijner goedhartigheid kon gelden,
+een zekere losheid in zijne taal en gebaren, dat alles duidde op eene
+vrijmoedige natuur. Men meent opgemerkt te hebben, dat er eene groote
+overeenkomst bestaat tusschen het Fransche karakter en het Magyaarsche.
+Graaf Sandorf was daar het levende bewijs van.
+
+Een van de meest te voorschijn tredende karaktertrekken van graaf
+Sandorf was, dat hij, hoewel vrij onverschillig voor al hetgeen hem
+zelf betrof en hij dus als de gelegenheid zich voordeed er licht over
+dacht, wanneer een of ander ongelijk hem alleen trof, nimmer eene
+beleediging zoude vergeven hebben, die zijne vrienden aangedaan was.
+Hij bezat in de hoogste mate den rechtvaardigheidszin en koesterde een
+innigen haat voor alles wat trouweloos kon heeten. Vandaar dat hij
+behebt was met eene impersoneele onverzoenlijkheid. Hij behoorde niet
+tot hen, die aan God alleen de zorg overlaten om op deze aarde te
+straffen.
+
+Er moet hier bijgevoegd worden, dat graaf Mathias Sandorf eene zeer
+ernstige opvoeding had genoten. In plaats van het werkelooze leven te
+genieten, dat hem door zijn groot vermogen gewaarborgd was, had hij er
+behagen in gevonden, de physische wetenschappen en de geneeskundige
+studiën te beoefenen. Hij zou een beroemd geneesheer zijn geworden, een
+geneesheer van groot talent, wanneer de eischen des levens hem
+gedwongen hadden zich met de verzorging van lijders te belasten. Hij
+vergenoegde zich een scheikundige te zijn, die door de geleerde wereld
+zeer gezien was en gewaardeerd werd. De universiteit te Pest, de
+wetenschappelijke Academie te Presburg, de Koninklijke Mijnschool te
+Schemnitz, de normaalschool te Temeswar, hadden hem ieder op hare beurt
+onder de meest vlijtige leerlingen geteld. Dat leerrijke bestaan vormde
+en bestendigde als het ware zijne natuurlijke eigenschappen. Het deed
+hem man worden in de volle beteekenis des woords. Hij werd dan ook voor
+zoodanig gehouden door allen, die hem kenden, maar voornamelijk door
+zijne professoren dier verschillende scholen en universiteiten van het
+koninkrijk, die zijne vrienden gebleven waren.
+
+Vroeger heerschte er in het kasteel Artenick vroolijkheid,
+levendigheid, beweging. Op die ruwe nokken van de Karpathen, kwamen de
+Transsylvaansche jagers gaarne te zamen. Zij volvoerden dan groote en
+gevaarlijke klopjachten, waarin graaf Sandorf als het ware afleiding
+zocht voor zijne strijdlustige geaardheid, die hij op het staatkundig
+schaakbord niet kon botvieren. Want hij hield zich ter zijde en sloeg
+den gang van zaken van nabij gade. Hij scheen slechts te leven voor
+zijne studiën en voor de jacht, twee hartstochten, waaraan hij zich met
+zijn vermogen onbekrompen kon overgeven. Op dat tijdstip leefde de
+gravin Rena Sandorf nog. Zij was de ziel der bijeenkomsten in het
+kasteel Artenick. Vijftien maanden vóór het begin van deze geschiedenis
+had de dood weggerukt haar die gevierd was om hare jeugdige schoonheid,
+terwijl zij slechts een klein meisje achterliet, dat thans twee jaar
+oud was.
+
+Graaf Sandorf was door dien slag wreed getroffen en helaas! hij zou
+steeds ontroostbaar blijven. Het kasteel werd stil en eenzaam. Sedert
+dien dag leefde de eigenaar, onder den invloed van eene diepgevoelde
+smart, in dat prachtige gebouw als in een klooster. Zijn geheele leven
+drong zich op één punt samen, namelijk op zijn kind, dat aan de zorgen
+van Rosena Lendeck, de echtgenoote van des graven intendant,
+toevertrouwd werd. Die edelaardige vrouw, welke nog jong was, wijdde
+zich geheel en al aan de eenige erfdochter der Sandorfs en verzorgde
+haar alsof het haar eigen kind ware. De eigen moeder van de gravin had
+niet teerder kunnen wezen.
+
+Graaf Sandorf verliet gedurende de eerste maanden van zijn
+weduwnaarschap het kasteel van Artenick niet. Hij leefde afgetrokken en
+als in zijne herinneringen aan het verleden verzonken. Daarna namen de
+denkbeelden omtrent zijn vaderland, dat in een soort van vernederenden
+toestand te midden van de Europeesche staten geplaatst was, weer de
+overhand.
+
+En daar waren wel redenen voor! De Fransch-Italiaansche oorlog van 1859
+had toch een schrikkelijken slag toegebracht aan de Oostenrijksche
+macht.
+
+Die slag was zeven jaren later, in 1866, door een nog schrikkelijker
+gevolgd geworden, namelijk door dien van Sadowa. Het was niet alleen
+meer aan het Oostenrijk, dat van zijne Italiaansche bezittingen beroofd
+was geworden, dat Hongarije zich vastgekluisterd gevoelde, maar ook aan
+het Oostenrijk, dat aan twee kanten overwonnen en aan Duitschland
+ondergeschikt gemaakt werd. De Hongaren gevoelden zich in hunnen trots
+vernederd, en dat gevoel laat zich niet wegredeneeren, wanneer het in
+het bloed zit. In hun oog konden de overwinningen te Custozza en te
+Lissa geene vergoeding voor de nederlaag te Sadowa bieden.
+
+Graaf Sandorf had gedurende het geheele jaar, dat op die
+krijgsgebeurtenis gevolgd was, uiterst nauwgezet het staatkundig
+terrein bestudeerd en was tot de erkenning gekomen, dat eene beweging
+tot afscheiding van zijn vaderland goede kansen van slagen had.
+
+Het oogenblik van handelen was dus volgens hem gekomen.
+
+Den 3en Mei van het jaar 1867 vertrok graaf Sandorf, na zijn
+dochtertje, hetwelk hij onder de hoede van Rosena Lendeck goed verzorgd
+achterliet, van het kasteel Artenick naar Pest, waar hij zich in
+betrekking stelde met zijne vrienden en partijgenooten, en daar eenige
+voorloopige beschikkingen nam. Vervolgens reisde hij eenige dagen later
+af naar Triëst, om daar den loop der gebeurtenissen af te wachten.
+
+Daar moest het voorname middelpunt van de samenzwering zijn. Vandaar
+zouden alle draden, die in de hand van graaf Sandorf te zamen kwamen,
+uitstralen. In die stad zouden de samenzweerders, aan minder
+achterdocht blootgesteld, met meer vrijheid en veiligheid kunnen
+handelen om hunne vaderlandslievende poging tot een goed einde te
+brengen.
+
+Twee der meest innige vrienden van Mathias Sandorf woonden te Triëst.
+Zij waren bezield met denzelfden geest als hij, en vast besloten om hem
+bij die onderneming trouw te volgen. Graaf Ladislas Zathmar en
+professor Stephanus Bathory waren Magyaren en van adellijke geboorte.
+Beiden waren ongeveer een tiental jaren ouder dan Mathias Sandorf, maar
+bezaten hoegenaamd geen vermogen. De een genoot een gering inkomen van
+een klein landgoed, in het consulaat Lipte, aan de overzijde van den
+Donau gelegen. De andere gaf onderwijs in de natuurkundige
+wetenschappen te Triëst en kon met de opbrengst zijner lessen ter
+nauwernood rondkomen.
+
+Ladislas Zathmar bewoonde het huis, hetwelk kort geleden door onze twee
+bekenden, Sarcany en Zirone, in de Acquedotto verkend was geworden. Dat
+huis, eene bescheiden woning, was door graaf Sandorf ter zijner
+beschikking gesteld, gedurende al den tijd dat deze buiten zijn kasteel
+Artenick zou verblijven, dat wil zeggen totdat de geprojecteerde
+beweging tot uitvoering gebracht zoude zijn, welke dan ook de uitslag
+er van zoude wezen. Een Hongaar, Borik genaamd, die ongeveer vijf en
+vijftig jaren oud was, vertegenwoordigde het geheele bediendenpersoneel
+van het huis. Het was een man, die zijn meester evenveel toewijding
+toedroeg als de intendant Lendeck voor graaf Sandorf koesterde.
+
+Stephanus Bathory betrok een niet minder bescheidene woning in de
+Corsia Stadionstraat, nagenoeg in hetzelfde stadskwartier gelegen als
+die van graaf Zathmar. Daar sleet hij zijn leven tusschen zijne vrouw
+en zijn zoon Piet, die toen ongeveer acht jaren oud was.
+
+Stephanus Bathory behoorde onbetwistbaar en onloochenbaar, hoewel in
+verren graad, tot de nakomelingschap van die Magyaarsche vorsten, die
+in de zestiende eeuw den troon van Transsylvanië bestegen. De
+verwantschap had zich sedert dat tijdstip gesplitst en was in talrijke
+vertakkingen verloren gegaan; men zou ongetwijfeld verwonderd gestaan
+hebben, wanneer men vernomen had, dat een der nakomelingen dier
+machtige familie van weleer, in dien eenvoudigen professor bij de
+Rijks-Academie te Presburg weer te vinden was. Maar dat daargelaten,
+Stephanus Bathory was een geleerde van den eersten rang, een van
+diegenen, die teruggetrokken leven, maar die door hunne werken beroemd
+zijn. In clusum labor illustrat. „Zijn verborgen arbeid maakt hem
+beroemd”, dit devies van den zijdeworm zou het zijne kunnen genoemd
+worden. Op zekeren dag werd hij door zijn staatkundige gevoelens, die
+hij niet onder stoelen of banken verborg, genoodzaakt om zijn ontslag
+te nemen. Toen kwam hij als onafhankelijk leeraar te Triëst wonen met
+zijne gade, die hem moedig bij alle beproevingen ter zijde gestaan en
+geschraagd had.
+
+Het was in de woning van graaf Ladislas Zathmar, dat de drie vrienden
+sedert de aankomst van graaf Mathias Sandorf te zamen kwamen; hoewel
+deze laatste er in het oog loopend op gestaan had een vertrek in het
+Palazzo Modello—thans het hôtel Delòrme—op de Piazza Grande te
+betrekken.
+
+De politie was er dan ook ver van verwijderd eenige achterdocht te
+koesteren, dat dit huis op de Acquedotto het middelpunt was van eene
+samenzwering, die talrijke deelgenooten telde in de voornaamste steden
+des rijks.
+
+Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory waren zonder eenige aarzeling de
+vurigste aanhangers van Mathias Sandorf geworden. Evenals hij hadden
+zij erkend, dat de tijdsomstandigheden zich er toe leenden om eene
+beweging mogelijk te maken, die Hongarije den rang onder de Europeesche
+staten kon doen hernemen, welke door dat rijk begeerd werd. Daarvoor
+brachten zij hun leven in gevaar, dat wisten zij, maar dat kon hen niet
+weerhouden.
+
+Het huis op de Acquedotto werd dus de vergaderplaats van de voornaamste
+hoofden der samenzwering. Vele der deelgenooten, van de verschillende
+punten van het Koninkrijk opgeroepen, kwamen er maatregelen beramen en
+bespreken, of kwamen er bevelen ontvangen. Een postdienst van
+reisduiven, die briefjes overbrachten, stelde een snel en veilig
+verkeersmiddel daar tusschen Triëst en de voornaamste steden van het
+Hongaarsche land en van Transsylvanië, wanneer het instructiën gold,
+die noch aan de posterijen, noch aan den telegraafdienst toevertrouwd
+konden worden.
+
+Om kort te gaan, alle voorzorgsmaatregelen waren zoo goed getroffen,
+dat de samenzweerders tot heden toe iedere achterdocht, hoe gering ook,
+ontgaan waren.
+
+Men zag het: de briefwisseling daarenboven had slechts in geheimschrift
+plaats, dat door zijne moeilijke oplossing de geheimzinnigheid
+bevorderde en derhalve de veiligheid der samenzweerders zeer in de hand
+werkte.
+
+Drie dagen na de aankomst van de reisduif, wier briefje door Sarcany en
+Zirone onderschept was, dus op den 21sten Mei, bevonden zich graaf
+Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory tegen acht uur des avonds bij
+elkander in het werkvertrek en wachtten daar de terugkomst van graaf
+Mathias Sandorf af. De eigen zaken van laatstgenoemde hadden hem
+genoodzaakt naar zijn kasteel Artenick in Transsylvanië weer te keeren;
+maar hij had die reis kunnen dienstbaar maken, om met zijne vrienden te
+Klausenburg, hoofdplaats der rijksprovincie, te beraadslagen en hij
+moest dienzelfden dag terugkomen, na aan de deelgenooten den inhoud van
+die dépêche, waarvan Sarcany afschrift genomen had, medegedeeld te
+hebben.
+
+Sedert het vertrek van Mathias Sandorf, waren andere correspondentiën
+gewisseld geworden tusschen Triëst en Buda-Pest en verscheidene
+briefjes in geheimschrift waren door duiven aangebracht. In hetzelfde
+oogenblik zelfs hield graaf Ladislas Zathmar zich onledig om het
+raadselachtig schrift daarvan in verstaanbaren tekst door middel van
+een toestel, onder den naam van „rooster” bekend, over te brengen.
+
+Die dépêches waren inderdaad volgens een zeer eenvoudig stelsel,
+namelijk dat der verplaatsing van de letters, samengesteld. In dat
+stelsel behoudt iedere letter hare eigene alphabetische waarde, dat wil
+zeggen dat bijvoorbeeld een b een b, een o een o blijft beteekenen enz.
+Maar de letters worden achtereenvolgens verplaatst volgens de open of
+de gesloten vakken van een rooster, die op de dépêche gelegd, slechts
+die letters laat ontwaren, welke gelezen moeten worden, terwijl anderen
+bedekt en dus onzichtbaar blijven.
+
+Dat roostersysteem, vroeger veel in zwang, was zeer gebrekkig, maar is
+sedert veel verbeterd door den kolonel Fleissner. Het is nu nog de
+allerbeste manier en de veiligste ook, wanneer het geldt een
+onoplosbaar geheimschrift te erlangen. Bij alle andere stelsels, hetzij
+met een onveranderlijken grondslag of met enkelen sleutel, waarbij
+iedere letter van het alphabet steeds door een en hetzelfde teeken
+voorgesteld wordt,—hetzij met veranderlijken grondslag of met dubbelen
+sleutel, waarbij men bij iedere letter als het ware van alphabet
+verandert, is de veiligheid niet volkomen. Verscheidene lieden toch,
+die zich op het ontraadselen van geheimschrift toeleggen, zijn in staat
+wonderen bij die soort van nasporingen te verrichten, hetzij door eene
+berekening van waarschijnlijkheden, hetzij door een ijverigen arbeid
+van tasten en beproeven. Slechts door zich te gronden op de letters,
+die het meest voorkomen in zulk een geheimschrift—als de e in de
+Fransche, Engelsche, Duitsche en Nederlandsche, de o in de Spaansche,
+de a in de Russische, de e en i in de Italiaansche talen—geraken zij er
+toe de letters van den tekst uit het geheimschrift hare ware beteekenis
+in den verklaarden tekst weer te geven. Er bestaan dan ook weinig
+dépêches, volgens die stelsels vervaardigd, die aan de scherpzinnige
+gevolgtrekkingen van die naspoorders ontsnappen.
+
+Het schijnt dus dat de roosters of de sleutelwoordenboeken—dat wil
+zeggen diegene, waarin zekere vaak gebruikelijke woorden, geheele
+volzinnen beteekenende, door getallen aangegeven zijn—de meest volkomen
+waarborgen moeten geven van onoplosbaarheid. Maar die beide stelsels
+hebben eene ernstige schaduwzijde: zij vereischen eene volkomene
+geheimhouding, of beter, zij vorderen de noodzakelijkheid van nimmer de
+toestellen of boeken, die dienen om hen te vormen, in handen van
+oningewijden te laten vallen. Want inderdaad, is het zonder dien
+rooster of zonder dat woordenboek onmogelijk die dépêches te lezen, zoo
+is dat daarentegen gemakkelijk voor hen in wier handen die rooster of
+dat woordenboek zich bevindt.
+
+Het was dus door middel van een rooster, dat wil zeggen een vierkant
+van bordpapier, schaakvormig in ruiten verdeeld, waarvan sommige vakken
+weggeknipt waren, dat de brieven, tusschen graaf Sandorf en zijne
+partijgangers gewisseld, opgelost werden. Maar uit overmaat van
+voorzorg werden alle stukken, na gelezen te zijn, van weerszijden
+verbrand en vernietigd. Gebeurde het dus dat die rooster, dien hij en
+zijn vrienden gebruikten, verloren geraakte of gestolen werd, dan kon
+daaruit geen nadeel voortvloeien. Er zou dan nimmer eenig spoor van dat
+komplot overblijven, waarin de edelste heeren, de aanzienlijkste
+magnaten van Hongarije, gemeenschappelijk verbonden met de voornaamste
+vertegenwoordigers der burgerij en van het volk, betrokken waren en hun
+hoofd waagden.
+
+Juist had Ladislas Zathmar de laatst ontvangen berichten verbrand, toen
+iemand bescheiden op de deur van het vertrek klopte.
+
+Het was Borik, die graaf Mathias Sandorf aanmeldde, welk zoo even te
+voet van het naburige station aangekomen was.
+
+Ladislas Zathmar trad dadelijk op hem toe.
+
+„Uwe reis, Mathias?....” vroeg hij met de haast van iemand die vóór
+alles gerust gesteld wil zijn.
+
+„Is volkomen geslaagd, Zathmar,” antwoordde graaf Sandorf. „Ik kan niet
+twijfelen aan de gevoelens onzer vrienden in Transsylvanië en hunne
+medewerking is ons thans verzekerd.”
+
+„Hebt gij hen dat bericht, hetwelk ons drie dagen geleden van Pest
+toegezonden werd, medegedeeld?” vroeg Stephanus Bathory, voor wien
+Sandorf groote vriendschap koesterde.
+
+„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn
+gewaarschuwd. Ook zijn zij gereed! Zij zullen op het eerste sein
+opstaan. In twee uren zullen wij meester van Buda en van Pest zijn, in
+een halven dag van de voornaamste comitaten aan deze en gene zijde van
+de Theiss, en in een geheelen dag van Transsylvanië en van het
+gouvernement der Militaire Grenzen. En dan zullen acht millioen
+Hongaren hunne onafhankelijkheid herwonnen hebben!”
+
+„En de rijksraad?”
+
+„Onze partijgenooten hebben er de meerderheid in,” antwoordde Mathias
+Sandorf. „Zij zullen dadelijk het nieuwe gouvernement samenstellen,
+hetwelk de teugels van het bestuur in handen moet nemen. Alles zal
+regelmatig en gemakkelijk gaan, daar de comitaten, wat hunne
+administratie betreft, nauwelijks van de Kroon van Oostenrijk
+afhankelijk zijn en dat hunne hoofden hunne eigene politie hebben.”
+
+„Maar de raad van het Vice-Koningschap van het rijk, die door den prins
+palatijn te Buda voorgezeten wordt?....” vroeg Ladislas Zathmar.
+
+„De palatijn en de raad zullen onmiddellijk bij het uitbreken der
+beweging in de onmogelijkheid gesteld worden om te handelen....”
+
+„En ook in de onmogelijkheid om met de kanselarij van Hongarije te
+Weenen te correspondeeren?”
+
+„Ja, alle onze maatregelen zijn zoodanig getroffen, dat de eenparigheid
+hunner uitvoering den goeden uitslag waarborgt.”
+
+„Den goeden uitslag?” zei Stephanus Bathory.
+
+„Ja, den goeden uitslag!” antwoordde graaf Sandorf. „In het leger
+behooren allen ons, wien ons bloed, dat wil zeggen het Hongaarsche
+bloed door de aderen vloeit. Waar is de nakomeling der oude Magyaren,
+wiens hart niet klopt bij het zien van de vlag der Rodolphen en der
+Corvijnen!”
+
+En Mathias sprak die woorden met al de geestdrift van een vurig
+vaderlander uit.
+
+„Maar in afwachting dat dit uur komen zal,” ging hij voort, „laat ons
+geen enkelen maatregel verzuimen om iedere achterdocht te ontgaan. Laat
+ons voorzichtig zijn, wij zullen er slechts te sterker door zijn!—Hebt
+gij niets verdachts te Triëst vernomen?”
+
+„Neen,” antwoordde Ladislas Zathmar. „Men heeft hier slechts ooren en
+oogen voor de werken, die de Staat te Pola doet uitvoeren en waarvoor
+het grootste gedeelte der werklieden aangenomen zijn.”
+
+En werkelijk, sedert een vijftiental jaren had het Oostenrijksch
+gouvernement, in het vooruitzicht van Venetië mogelijk te moeten
+verliezen—hetgeen inderdaad gebeurd is—het plan opgevat om te Pola, aan
+het uiteinde van het Istrische schiereiland, uitgestrekte arsenalen en
+eene oorlogshaven te stichten, om dat punt van de Adriatische zee te
+kunnen beheerschen. In weerwil van het protest van Triëst, wier
+maritieme belangrijkheid daardoor verminderd werd, waren de werken met
+koortsachtigen ijver vervolgd geworden. Mathias Sandorf en zijne
+vrienden konden dus denken, dat de bewoners van Triëst geneigd zouden
+zijn hen te volgen, in geval de afscheidingsbeweging zich tot daar
+zoude uitbreiden.
+
+Wat er ook van aan zij, het geheim van die samenzwering ten voordeele
+van de Hongaarsche onafhankelijkheid was goed bewaard geworden. Niets
+had aanleiding gegeven, dat de politie zou hebben kunnen gissen dat de
+voornaamste samenzweerders toen in dat bescheiden huis van de
+Acquedottolaan vereenigd waren.
+
+Zoo scheen tot het welslagen van die onderneming alles voorzien te zijn
+en had men niets anders te doen dan het juiste oogenblik af te wachten
+om handelend te kunnen optreden.
+
+De correspondentie in geheimschrift, tusschen Triëst en de voornaamste
+steden van Hongarije en van Transsylvanië, werd al meer zeldzaam en zou
+zelfs geheel ophouden, tenzij gewichtige gebeurtenissen voorvielen. De
+reisduiven hadden voortaan geene dépêches meer over te brengen, daar de
+laatste maatregelen vastgesteld waren. Uit overmaat van voorzichtigheid
+dus had men de voorzorg genomen, hun toevluchtsoord op het huis van
+Ladislas Zathmar te sluiten.
+
+Er moet hier bijgevoegd worden, dat wanneer het geld de zenuw des
+oorlogs is, het dat ook is voor de samenzweringen. Het is van zeer
+groot belang, dat het den komplotmakers niet ontbreekt. En bij deze
+gelegenheid zou het inderdaad niet ontbreken.
+
+Men weet het, dat al konden graaf Ladislas Zathmar en professor
+Stephanus Bathory hun leven voor de onafhankelijkheid van hun vaderland
+opofferen, zij evenwel geen vermogen hadden om ten offer te brengen;
+want het is den lezer bekend: zij bezaten slechts zeer beperkte
+middelen. Maar graaf Mathias Sandorf was rijk, zelfs onmetelijk rijk,
+en met zijn leven was hij gereed ook geheel zijn vermogen op het spel
+te zetten voor die zaak. Sedert verscheidene maanden dan ook had hij,
+door tusschenkomst van zijn intendant Lendeck, groote sommen op zijne
+landerijen opgenomen, meer dan twee en een half millioen gulden.
+
+
+Maar het was noodig dat die som steeds ter zijner beschikking gehouden
+werd en dat hij haar ieder oogenblik kon ontvangen. Te dien einde was
+zij gedeponeerd geworden bij een bankiershuis te Triëst, waarvan de
+goede naam onbesproken, en de soliditeit tegen iedere gebeurlijkheid
+bestand was. Dat was het huis Toronthal, waarover Sarcany en Zirone
+juist gesproken hadden, terwijl zij op het kerkhof der bovenstad
+vertoefden.
+
+Welnu, die buiten alle berekening vallende gebeurtenis, zou de
+gewichtigste gevolgen na zich slepen, zooals men zien zal uit den loop
+van deze geschiedenis.
+
+Bij de vermelding van dat geld, waarvan een oogenblik sprake was
+geweest gedurende hun laatste gesprek, zei graaf Sandorf tot graaf
+Zathmar en tot Stephanus Bathory, dat het zijn voornemen was om
+eerstdaags een bezoek aan den bankier Silas Toronthal te brengen, om
+hem te verwittigen, dat hij het geld binnen den kortst mogelijken tijd
+te zijner beschikking te stellen had.
+
+En waarlijk, de gebeurtenissen zouden weldra graaf Sandorf er toe
+aanzetten om het van Triëst verwachte signaal te geven, te meer nog nu
+hij dien eigen avond meende bespeurd te hebben, dat het huis van graaf
+Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen werd. En dat
+verontrustte hem.
+
+Toen graaf Sandorf en Stephanus Bathory tegen tien uur naar buiten
+traden, de een om zich naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat te
+begeven, de andere om naar het hôtel Delòrme weer te keeren, meenden
+zij twee mannen te ontwaren, die hen in het donker bespiedden, hen op
+eenigen afstand volgden en alle moeite deden om niet gezien te worden.
+
+Mathias Sandorf en zijn metgezel, vast besloten om te weten te komen
+wat er gaande was, aarzelden geen oogenblik om op die zoo verdachte
+personen toe te treden. Maar toen dezen hen bespeurden, verdwenen zij
+bij den hoek van de Sint Antonius-kerk, bij het uiteinde van het groote
+kanaal, vóór dat het mogelijk geweest was hen in te halen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+HET BANKIERSHUIS TORONTHAL.
+
+
+Te Triëst bestaat eigenlijk geen gezelschapsband. Tusschen
+verschillende rassen bestaat geene gezelligheid, evenmin als tusschen
+verschillende kusten. De Oostenrijksche beambten koesteren de
+verwaandheid om te meenen, dat zij de hoogste sport op de
+maatschappelijke ladder innemen, welke ook de plaats zij, welke zij in
+het administratieve werktuig bekleeden. Over het algemeen zijn dat
+voorname lieden, die goed onderwezen en zeer welwillend zijn. Hunne
+bezoldiging is evenwel mager en schraal en ver beneden hun
+maatschappelijk standpunt, zoodat zij niet wedijveren kunnen met de
+handels- of met de finantie-mannen. Deze laatsten zijn genoodzaakt,
+daar de bijeenkomsten bij de rijke familiën zeldzaam zijn, maar
+zeldzamer nog de officieele vereenigingen, hun toevlucht te nemen tot
+weelderigheid buitenshuis—oogenweelderigheid zou men het kunnen
+noemen—zooals bij het verschijnen op de straten door de pracht hunner
+equipages, of in den schouwburg door den rijkdom der toiletten, door
+den overvloed van diamanten, welke hunne dames in de loges van het
+Teatro Comunale of van de Armonia tentoonstellen.
+
+Onder al die rijke familiën werd voornamelijk die van den bankier Silas
+Toronthal opgemerkt.
+
+Het hoofd van dat bankiershuis, waarvan het crediet zich verre over de
+grenzen van het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk uitstrekte, was
+toen zeven-en-dertig jaren oud. Hij bewoonde met mevrouw Toronthal, die
+eenige jaren jonger was dan hij, een prachtig huis in de
+Acquedottolaan.
+
+Silas Toronthal ging door voor zeer rijk te zijn, en dat moest hij ook
+wezen. Stoutmoedige en zeer gelukkige beursspeculatiën, een breede
+grondslag van zaken met de maatschappij van de Oostenrijksche Lloyd en
+met andere groote huizen, belangrijke leeningen, waarvan de uitgifte
+hem toevertrouwd was, dat alles kon slechts veel geld in zijne kas
+gebracht hebben. Vandaar dat hij groote sier gemaakt had, hetgeen wel
+het oog op hem deed vallen.
+
+Evenwel was het toch mogelijk, zooals Sarcany tot Zirone gezegd had,
+dat de zaken van Silas Toronthal toentertijd eenigermate belemmering
+ondervonden, ten minste voor het oogenblik. Dat hij zeven jaren vroeger
+den weerslag ondervonden had van de verwarring bij de Bank en op de
+beurs teweeg gebracht door den oorlog van Frankrijk en Italië tegen
+Oostenrijk, daarna en nog slechts kort geleden, door den veldtocht, die
+met de ramp van Sadowa beëindigd werd, dat hij op dat tijdstip zware
+verliezen geleden had door de daling der fondsen op de voornaamste
+plaatsen van Europa, maar vooral op die van het
+Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk, zooals Weenen, Pest en Triëst, dat
+kon niet anders. Toen zou hij, wanneer hij verplicht ware geworden, de
+kapitalen, die bij hem in rekening-courant waren gedeponeerd, terug te
+betalen, in ernstige ongelegenheid zijn geraakt. Maar dat was niet
+geschied en hij had zich voorzeker weer na die crisis hersteld. Maar
+wanneer het waar was, wat Sarancy beweerde, had hij gewaagde
+speculatiën moeten ondernemen, waardoor de soliditeit van zijn huis op
+losse schroeven gesteld zoude zijn.
+
+En inderdaad sedert eenige maanden was Silas Toronthal—zedelijk
+althans—veel veranderd. Hoezeer hij de uitingen zijner gevoelens ook in
+bedwang had, zoo was zijn uiterlijk toch zijns ondanks gewijzigd.
+Kenteekenen begonnen hem te verraden. Hij was niet meer zooals vroeger.
+Opmerkers zouden bespeurd hebben, dat hij de menschen niet meer
+openlijk in het gelaat durfde aanschouwen, zooals hij vroeger gewoon
+was te doen; maar hen van ter zijde aankeek, met half gesloten oogen.
+Die beginnende kenmerken waren zelfs aan mevrouw Toronthal niet
+ontsnapt, die eene ziekelijke vrouw was zonder eenige geestkracht,
+daarenboven zeer onderworpen aan den wil van haren echtgenoot en die
+slechts weinig en dan nog zeer oppervlakkig met zijne zaken bekend was.
+
+Nu kon er op gerekend worden, en het moet wel bekend worden, dat
+wanneer een ramp zijne bankierszaken bedreigde, Silas Toronthal geen
+medelijden van de openbare meening te verwachten had. Dat hij vele
+klanten zoowel in de stad als in het rijk had, was waar; maar hij had
+weinig vrienden. Het hooge gevoel, dat hij van zijne maatschappelijke
+positie koesterde, zijne aangeboren ijdelheid, het voorkomen van
+meerderheid, hetwelk hij jegens iedereen en bij alles aannam, dat alles
+was niet geschikt om de menschen buiten den kring zijner zaken aan te
+trekken. Daarenboven de Triëstenaren hielden hem voor een vreemdeling,
+daar hij afkomstig van Ragusa, dus een Dalmaat van geboorte was. Geen
+familiebanden bonden hem derhalve aan die stad, waarin hij een
+vijftiental jaren geleden gekomen was om er de grondslagen van zijn
+vermogen te vestigen.
+
+Zoo was toen de toestand van het huis Toronthal. Hoewel Sarcany te dien
+opzichte eenige achterdocht koesterde, zoo bestond er nog niets,
+hetgeen veroorloofde het gerucht te beamen, dat de zaken van den rijken
+bankier ernstig bedreigd werden. Zijn crediet was evenwel volstrekt
+niet aangetast, openlijk althans. Graaf Mathias Sandorf had dan ook
+geen oogenblik geaarzeld, na zijne fondsen te gelde gemaakt te hebben,
+hem eene zeer aanzienlijke som toe te vertrouwen, eene som die steeds
+ter zijner beschikking moest gehouden worden, op voorwaarde, dat vier
+en twintig uren te voren gewaarschuwd moest worden, wanneer uitbetaling
+verlangd werd.
+
+Misschien zal de lezer zich verwonderen, dat punten van aanraking, ja
+dat betrekkingen hadden kunnen ontstaan tusschen dat bankiershuis,
+hetwelk onder de meest geachte aangeteekend stond, en een persoon als
+Sarcany was. Toch was het zoo, en die betrekking dagteekende reeds van
+twee of drie jaren geleden.
+
+Op dat tijdstip had Silas Toronthal zeer belangrijke zaken te
+verhandelen gehad met het regentschap Tripoli. Sarcany, die een soort
+makelaar in allerhande zaken en zeer ervaren in de kunst van cijferen
+was, slaagde er in om als tusschenpersoon in die zaken op te treden,
+die—het moet er bij gezegd worden—van zeer verdachten aard waren. Er
+waren daarbij transactiën gesloten, die het daglicht niet mochten zien,
+omtrent omkoopingen, omtrent twijfelachtige commissieloonen, omtrent
+weinig eerlijke heffingen, waarin de Triëster bankier niet in persoon
+had willen optreden. In die omstandigheden was Sarcany op den voorgrond
+getreden. Hij werd agent bij die knoeierige combinatiën en bewees
+daarbij en ook bij andere zaken van denzelfden aard, goede diensten aan
+Silas Toronthal. Daaruit werd heel natuurlijk de gelegenheid geboren om
+toegang tot het bankiershuis te hebben. Hij had er voet, werd gezegd,
+hij had er de hand: ware beter uitgedrukt. En inderdaad, nadat die
+smerige zaken afgeloopen waren en hij Tripoli verlaten had, hield
+Sarcany niet op eene soort geldafpersing op den Triëster bankier toe te
+passen. Niet dat Silas Toronthal geheel en al aan de genade van dien
+schoft overgeleverd was. Van die compromitteerende operatiën bestond
+geen enkel feitelijk bewijs. Maar de toestand van een bankier is van
+teederen aard. Eén enkel woord kan hem benadeelen. En nu wist Sarcany
+genoeg, om het geraden te achten, rekening met hem te houden.
+
+En dat deed Silas Toronthal ook. Het kostte hem zelfs belangrijke
+sommen, die zoo bijzonder vlug opgemaakt en voornamelijk in kroegen
+verspild werden, als dat slechts door een gelukzoeker geschieden kan,
+die omtrent de toekomst geene zorgen hoegenaamd koestert. Sarcany werd
+eindelijk, nadat hij den bankier tot in Triëst opgezocht had, zoo
+lastig, zoo veeleischend, dat het den bankier begon te vervelen en deze
+hem eindelijk ieder crediet weigerde. Sarcany dreigde. Silas Toronthal
+hield vol. En daarin had hij gelijk, daar die volleerde geldafperser
+eindelijk bij zichzelven tot de bekentenis moest komen, dat hij bij
+gebrek aan deugdelijke bewijzen, tamelijk ongewapend tegenover den
+bankier stond.
+
+Ziedaar de redenen waarom Sarcany en zijn eerlijke makker Zirone zich
+sedert eenigen tijd zonder middelen bevonden, en zoodanig zonder geld
+waren, dat zij in de onmogelijkheid waren de stad te verlaten om elders
+hun geluk te beproeven. Maar men weet ook, dat Silas Toronthal, met het
+doel om zich geheel en al van hen te ontdoen, hen eene som gelds als
+laatste hulp had toegezonden. Die som zou hen in staat stellen om
+Triëst te verlaten en naar Sicilië weer te keeren, waar Zirone
+geaffiliëerd was aan een schrikwekkend gezelschap, dat de oostelijke en
+de middenprovinciën van dat eiland exploiteerde. De bankier mocht dus
+hopen zijn makelaar in Tripolitaansche zaken nimmer weer te zien, en
+dat hij nimmermeer van hem zou hooren spreken. Daarbij vergiste hij
+zich, wat hem bij andere zaken ook wel eens overkwam.
+
+Het was in den avond van den 18den Mei dat de tweehonderd gulden,
+vergezeld van het bekende korte briefje door Silas Toronthal verzonden
+en door de twee gelukzoekers in hun logement, alwaar zij verblijf
+hielden, ontvangen waren.
+
+Zes dagen later, dus den 24sten van dezelfde maand, belde Sarcany bij
+het bankiershuis aan en verzocht om Silas Toronthal te spreken; zijn
+aandringen was van zoodanigen aard, dat deze inwilligde hem te
+ontvangen.
+
+De bankier was op zijn kantoor, waarvan Sarcany de deur zorgvuldig
+sloot, zoodra hij binnengekomen was.
+
+„Gij alweer! En nog hier!” riep Silas Toronthal eerst uit. „Wat komt
+gij hier doen? Ik heb u voor de laatste maal eene som geld toegezonden,
+die toereikend moet zijn om Triëst te kunnen verlaten. Gij zult
+nimmermeer iets van mij krijgen, wat gij mij ook zult willen vertellen
+of wat gij ook uitvoeren wilt! Waarom zijt gij niet vertrokken? Ik
+waarschuw u, dat ik mijne maatregelen zal nemen om uwe lastige bezoeken
+voortaan tegen te gaan!—Wat wilt ge thans van mij?”
+
+Sarcany had dien woordenvloed, waarop hij voorbereid was, koelbloedig
+aangehoord. Zijne houding was dezelfde niet meer, welke hij gewoonlijk
+aannam, namelijk brutaal en uitdagend, zooals hij bij zijne laatste
+bezoeken aan het bankiershuis geweest was.
+
+Hij bleef zichzelven niet alleen geheel en al meester, maar hij bleef
+ook ernstig. Hij greep een stoel, zonder dat hij de uitnoodiging
+ontvangen had om te gaan zitten; nam plaats en wachtte daarna dat de
+booze luim van den bankier zich in luidruchtige verwijtingen lucht
+gegeven en uitgeput zoude hebben om hem te antwoorden.
+
+„Welnu, zult ge spreken?” hernam Silas Toronthal, die, na zijn kabinet
+eenige malen op en neer geloopen te hebben, op zijn beurt was gaan
+zitten, evenwel zonder er in geslaagd te zijn meer bedaard te worden.
+
+„Ik wacht tot gij kalmer zult zijn,” antwoordde Sarcany vreedzaam, „en
+ik zal al den tijd wachten, die daartoe noodig zal zijn.”
+
+„Of ik kalm ben of niet, wat kan dat schelen? Voor de laatste maal, wat
+wilt gij van mij?”
+
+„Silas Toronthal, ik heb u eene zaak voor te stellen.”
+
+„Eene zaak?”
+
+„Ja.”
+
+„Ik wil over geen zaken spreken met u, ik wil geen zaken met u doen of
+daarover onderhandelen!” riep de bankier uit. „Wij hebben niets gemeens
+meer met elkander en ik wil dat gij Triëst terstond, heden nog verlaat,
+om er nooit terug te komen.”
+
+„Ik denk te vertrekken en Triëst te verlaten,” antwoordde Sarcany,
+„maar ik wil niet vertrekken zonder mijne schuld aan uw huis
+aangezuiverd te hebben.”
+
+„Uwe schuld?.... Aanzuiveren!.... Gij?.... mij betalen?”
+
+„Ja, u betalen interest, kapitaal, alles, ongerekend een deel in de
+winsten van....”
+
+Silas Toronthal trok verachtelijk de schouders op bij dat onverwachte
+voorstel, komende van Sarcany.
+
+„De sommen, die ik u voorgeschoten heb, heb ik op mijne verliesrekening
+gebracht,” zeide hij. „Ik scheld u die kwijt en heb dus niets van u te
+vorderen.”
+
+Sarcany glimlachte.
+
+„Ik ben boven die nietigheden verheven,” ging de bankier voort.
+
+„Maar als het mij belieft uw schuldenaar te blijven?”
+
+„Dat kan slechts gelden, als het mij belieft uw schuldeischer te zijn!”
+
+Bij die woorden keken Silas Toronthal en Sarcany elkander in het
+gelaat. Daarop trok deze laatste op zijne beurt de schouders op.
+
+„Volzinnen slechts, niets anders dan volzinnen! Woorden, anders niets,”
+hernam Sarcany. „Ik herhaal, dat ik u eene zeer ernstige zaak kom
+voorstellen.”
+
+„Even smerig als ernstig, ongetwijfeld?”
+
+„Hé, hé, het zou voor de eerste maal niet zijn, dat gij u tot mij
+wendet, om....”
+
+„Sarcany!” riep de bankier uit.
+
+„Neen, niet de eerste maal, dat gij mijne....”
+
+„Woorden, niets dan woorden,” herhaalde Silas Toronthal op zijne beurt.
+Hij wist niets anders te zeggen om de brutale uiting, die den anderen
+op de lippen lag, te stuiten.
+
+„Hoor naar mij,” zei Sarcany, „ik zal kort zijn.”
+
+„En daar zult ge goed aan doen.”
+
+„Indien hetgeen ik u ga voorstellen, niet van uwe gading zal zijn,
+zullen wij er niet meer over spreken en zal ik van hier vertrekken.”
+
+„Van hier of van Triëst?”
+
+„Van hier en van Triëst!”
+
+„Morgen reeds?”
+
+„Heden avond reeds!”
+
+„Spreek dan.”
+
+„Ziehier wat het geldt.” zei Sarcany. „Maar....” voegde hij er bij,
+terwijl hij overal rondkeek, „zijt gij er zeker van dat niemand ons
+hooren kan?”
+
+„Gij staat er dus op, dat ons onderhoud geheim zal blijven?” antwoordde
+de bankier met ietwat spotachtigs in zijne stem.
+
+„Ja, Silas Toronthal, want wij beiden, gij en ik, zullen het leven van
+hooge personen in de hand hebben!”
+
+„Gij misschien! Ik, neen!”
+
+„Oordeel er over! Ik ben op het spoor van eene samenzwering. Wat haar
+doel is? Dat weet ik nog niet. Maar sedert de partij, die te midden van
+de vlakte van Sadowa afgespeeld werd, sedert den slag van Sadowa heeft
+ieder niet-Oostenrijker fraai spel tegen Oostenrijk. Nu heb ik wel
+redenen om te meenen, dat eene beweging voorbereid wordt, eene beweging
+ten voordeele van Hongarije, waaruit wij munt kunnen slaan.”
+
+Silas Toronthal vergenoegde zich deze enkele woorden op spottenden toon
+tot antwoord te geven:
+
+„Er valt niets te halen van eene samenzwering.”
+
+„Waarachtig wel! Meer dan waarschijnlijk.”
+
+„Hoe dan?”
+
+„Door haar te verraden.”
+
+„Komaan, laat hooren. Verklaar u nader.”
+
+„Luister dan,” zei Sarcany.
+
+Daarop verhaalde hij, wat er op het oude kerkhof van Triëst gebeurd
+was, hoe hij eene reisduif bemachtigd had, de wijze waarop het briefje
+in geheimschrift—waarvan hij een afschrift gehouden had—in zijne handen
+gevallen was en hoe hij met de woning van hem, voor wien het briefje
+bestemd was, bekend was geworden. Hij voegde er bij dat hij en Zirone
+de laatste vijf dagen doorgebracht hadden met alles te bespieden, zoo
+niet wat binnen dat huis omging, dan toch het uiterlijke en den omtrek
+daarvan. Eenige personen, die altijd dezelfde waren, kwamen er steeds
+des avonds bijeen en traden niet zonder groote voorzorgen binnen.
+Andere duiven waren van daar vertrokken, andere waren weer aangekomen.
+De eerste vlogen noordwaarts, de overigen kwamen daar vandaan. De deur
+dezer woning werd door een ouden dienstbode bewaakt, die haar ongaarne
+ontsloot en steeds de naderenden nauwgezet gadesloeg. Sarcany en zijn
+makker hadden zelfs met eene zekere omzichtigheid moeten te werk gaan,
+om de aandacht van dien man niet te trekken. En nog vreesden zij, zijne
+achterdocht sedert eenige dagen te hebben opgewekt.
+
+Silas Toronthal begon meer aandacht aan het verhaal te wijden, dat
+Sarcany hem deed. Hij vroeg zich af, wat er waars kon zijn in dat
+alles. Zijn oude makelaar was niet zoo geheel te vertrouwen. Hij vroeg
+zich ook af op welke wijze deze meende dat hij zich in de zaak zou
+mengen, om er eenig voordeel uit te behalen.
+
+Toen het verhaal uit was en toen Sarcany nogmaals en voor den laatsten
+keer verzekerd had, dat het eene samenzwering tegen den Staat betrof en
+dat het zeker gewin moest opleveren, wanneer men de geheimen van dat
+komplot zoude weten te benuttigen, vergenoegde zich de bankier hem de
+navolgende vragen te stellen:
+
+„Waar is dat huis gelegen?”
+
+„In de Acquedottolaan.”
+
+„Nummer?”
+
+„Nummer 89.”
+
+„Aan wien behoort die woning?”
+
+„Aan een Hongaarsch edelman.”
+
+„Een Hongaar?”
+
+„Ja.”
+
+„En die heet?”
+
+„Graaf Ladislas Zathmar.”
+
+„En welke personen bezoeken hem?”
+
+„Het zijn voornamelijk twee.”
+
+„Slechts twee?”
+
+„Ja. Beiden zijn van Hongaarsche afkomst.”
+
+„En de eene heet?”
+
+„De eene is een professor hier ter stede en heet Stephanus Bathory.”
+
+„En de andere?”
+
+„Graaf Mathias Sandorf.”
+
+„Weet gij dat zeker?”
+
+„Ja, zeer zeker.”
+
+Bij dien laatstgenoemden naam was een licht gebaar van verwondering aan
+Silas Toronthal ontsnapt, hetgeen Sarcany niet ontging. Wat die drie
+namen betreft, die deze laatste genoemd had, het was hem gemakkelijk
+gevallen die te weten te komen. Hij was beiden gevolgd, professor
+Stephanus Bathory zoowel als graaf Sandorf, den eersten, toen hij naar
+zijne woning in de Corsia Stadionstraat wederkeerde, den andere toen
+hij zich naar het hôtel Delòrme begaf.
+
+„Gij ziet het, Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „dat zijn namen, die
+ik geen oogenblik geaarzeld heb u te openbaren. Gij zult daaruit wel
+willen ontwaren, dat ik u niet wil bedriegen, of ook maar tegenover u
+wil veinzen.”
+
+„Dat alles is wel nevelachtig en onbestemd,” antwoordde de bankier, die
+klaarblijkelijk meer van de zaak wenschte te weten, alvorens er op in
+te gaan.
+
+„Nevelachtig en onbestemd?” vroeg Sarcany.
+
+„Zeker! Gij hebt eigenlijk niets wat op een daadwerkelijk bewijs
+gelijkt.”
+
+„En dit dan?”
+
+„Wat?”
+
+„Dat briefje?”
+
+Daarbij reikte Sarcany het afschrift van het geheimschrift aan Silas
+Toronthal over.
+
+„Dat vod?”
+
+De bankier bekeek en onderzocht het niet zonder nieuwsgierigheid, hoe
+onverschillig hij de woorden „dat vod” ook had uitgesproken; maar die
+geheimzinnige woorden konden geen zin voor hem hebben en er was geen
+enkele aanwijzing, dat zij de belangrijkheid bezaten, die Sarcany hen
+toeschreef. Wanneer die zaak van zoodanigen aard was om zijne
+belangstelling op te wekken, dan was het dat zij graaf Mathias Sandorf
+betrof, die een goede klant van zijn huis was en wiens toestand van
+schuldeischer jegens hem, hem verontrustte, wanneer deze een dadelijke
+uitkeering der fondsen, bij het bankiershuis gestort, vergde.
+
+„Welnu?” vroeg Sarcany, nadat Silas Toronthal het papier had ingekeken.
+
+„Welnu,” antwoordde deze, „mijne meening is, dat de zaak nevelachtig en
+onbestemd is en door dat biljet dat al meer en meer wordt.”
+
+„Mij dunkt integendeel, dat zij duidelijk en helder is,” was het
+wederantwoord van Sarcany, die zich door de aangenomen houding van den
+bankier niet liet uit het veld slaan.
+
+„Hebt gij dat geheimschrift kunnen ontraadselen?”
+
+„Neen, Silas Toronthal, maar....”
+
+„Maar wat?”
+
+„Ik zal het weten te lezen als de tijd daar zal zijn.”
+
+„En hoe?”
+
+„Ik heb mij wel meer met dergelijke evenals ook met andere zaken
+beziggehouden,” antwoordde Sarcany, „en ik heb nog al brieven en
+stukken, in geheimschrift gesteld, in handen gehad, dat verzeker ik u.
+Nu heeft een nauwgezet onderzoek van dit briefje mij helder en klaar
+overtuigd, dat de sleutel er van noch op een getal, noch op een vooraf
+overeengekomen alphabet berust, die aan ieder der letters eene andere
+beduidenis dan hare ware verleent. Ja, in dit biljet is een s een s,
+een p een p en een r een r; maar deze letters zijn in eene volgorde
+gesteld die niet kan hersteld worden dan door middel van een rooster.”
+
+De lezer weet reeds dat Sarcany zich niet vergiste. Dat was inderdaad
+het stelsel hetwelk bij die briefwisseling gebruikt was. Hij weet ook,
+dat het daardoor des te moeilijker was, dat geheimschrift te
+ontraadselen.
+
+„Ik wil aannemen,” sprak de bankier, „en niet loochenen, dat gij gelijk
+hebt; maar zonder dien rooster is het toch onmogelijk dat briefje te
+lezen.”
+
+„Inderdaad.”
+
+„En hoe zult gij u dien rooster verschaffen?”
+
+„Dat weet ik nog niet,” antwoordde Sarcany; „maar wees gerust, ik zal
+hem mij wel verschaffen.”
+
+„Waarlijk?” vroeg de bankier spottend.
+
+„Ongetwijfeld,” antwoordde de andere ernstig.
+
+„Welnu, Sarcany, als ik in uwe plaats was, dan zou ik mij zoo veel
+moeite niet geven.”
+
+„Ik zal er de moeite toe nemen, die noodig is.”
+
+„Waartoe zou dat dienen? Ik zou mij eenvoudig vergenoegen met aan de
+politie uwe meeningen en achterdocht mede te deelen en haar dat briefje
+overhandigen.”
+
+„Op zijn tijd zal ik dat doen, Silas Toronthal, maar niet op eenvoudige
+vooronderstellingen,” antwoordde Sarcany koeltjes. „Wat ik wil trachten
+te erlangen, alvorens te spreken, dat zijn daadwerkelijke en derhalve
+onbetwistbare bewijzen. Ik heb mij in het hoofd gezet, mij meester van
+die samenzwering te maken, ja, meester! meester in de volle beteekenis
+van het woord, om er al de voordeelen uit te trekken, die ik u aanbied
+samen te deelen. En.... wie weet of het nog niet het voordeeligst zoude
+zijn ééne lijn met de samenzweerders te trekken, in plaats van ons
+tegen hen te stellen!”
+
+Een zoodanige taal kon Silas Toronthal niet verwonderen. Hij wist,
+waartoe Sarcany met zijn schranderen kop, maar met zijn slecht hart, in
+staat was. Maar als die man niet aarzelde zich zoo tegenover den
+Triëster bankier uit te laten, dan was dat met de wetenschap van zijn
+kant, dat men alles aan Silas Toronthal kon voorstellen, daar diens
+rekbaar geweten op iedere zaak, hoe schurkachtig ook, inging, wanneer
+zij maar grove winsten beloofde. Daarenboven, het kon niet genoeg
+herhaald worden, Sarcany kende hem al sedert lang, en hij had
+buitendien redenen om te gelooven, dat de toestand van het bankiershuis
+sedert eenigen tijd verward en wankelend was. Zou nu de onthulling van
+die samenzwering, behendig gebezigd, hem niet kunnen veroorloven zijne
+zaken te herstellen? Het was op dergelijke beschouwingen, dat Sarcany
+eenigermate rekende.
+
+Van zijn kant poogde Silas Toronthal in dit oogenblik gesloten spel met
+zijn vroegeren makelaar in Tripolitaansche zaken te spelen. Dat er eene
+kiem van samenzwering tegen het Oostenrijksche gouvernement bestond en
+dat Sarcany die op het spoor was, kon hij wel aannemen. Dat huis van
+graaf Ladislas Zathmar, waarin de geheime samenkomsten plaats hadden,
+die briefwisseling in geheimschrift, de buitensporig groote som geld
+bij hem door graaf Sandorf gestort, met aanbeveling haar steeds ter
+zijner beschikking te houden, dat alles begon hem zeer verdacht voor te
+komen. Sarcany had zeer waarschijnlijk bij die omstandigheden de zaken
+juist ingezien. Maar de bankier, er nog meer van wenschende te vernemen
+en meer inzicht in het spel van den gelukzoeker wenschende te hebben,
+wilde nog niet dadelijk toetreden. Hij vergenoegde zich dan ook zoo
+onverschillig mogelijk te antwoorden:
+
+„En daarna, aangenomen dat gij er in slaagt dat geheimschrift te
+ontraadselen, waaraan ik twijfel, dan zult gij zien, dat het eenvoudig
+particuliere zaken, zaken zonder eenig belang betreft, en waaruit dan
+noch voor u noch voor mij eenig voordeel zal zijn te halen.”
+
+„Neen!” riep Sarcany met al het vuur eener vast gevestigde overtuiging
+uit. „Neen! Ik ben op het spoor van eene zeer ernstige en zeer
+gewichtige samenzwering, die door mannen van hoogen rang en hooge
+maatschappelijke positie aangevoerd wordt en ik voeg er bij, Silas
+Toronthal, dat gij er evenmin aan twijfelt als ik.”
+
+„Maar wat wilt gij dan eindelijk van mij?” vroeg de bankier, ditmaal
+recht op den man af.
+
+Sarcany stond op en antwoordde met zacht fluisterende stem, terwijl hij
+den bankier strak in de oogen keek:
+
+„Wat ik van u wil,” en hij legde bijzonderen nadruk op dit laatste
+woord. „Ziehier: Ik wil zoo spoedig mogelijk toegang tot het huis van
+den graaf Ladislas Zathmar hebben, onverschillig onder welk
+voorwendsel, om daarna zijn vertrouwen te winnen. Eenmaal in de plaats
+genesteld, waarin mij niemand kent, zal ik dien rooster wel weten
+machtig te worden en dat raadselschrift ontcijferen, om er dat gebruik
+van te maken, hetwelk het meest met onze belangen zal overeenkomen.”
+
+„Met onze belangen?” herhaalde Silas Toronthal.
+
+„Ja, onze belangen.”
+
+„Waarom zijt gij er zoo op gesteld mij in die zaak te mengen?”
+
+„Omdat zij der moeite waard is, en....”
+
+„Oho!” riep de bankier uit.
+
+„En gij er groote voordeden bij behalen zult!”
+
+„Waarom onderneemt gij die zaak niet alleen?”
+
+„Waarom?”
+
+„Ja, waarom?”
+
+„Wel, omdat ik uwe medewerking noodig heb.”
+
+„Mijne medewerking?”
+
+„Inderdaad.”
+
+„Kom dan toch tot verklaring.”
+
+„Luister. Om mijn doel te bereiken, heb ik tijd noodig; en om te kunnen
+wachten, moet ik in de gelegenheid zijn te kunnen leven. Ik heb dus
+geld noodig. En dat bezit ik niet meer!”
+
+„Uw crediet bij mij is uitgeput, dat weet ge.”
+
+„Ja; maar....”
+
+„Maar wat? Maak toch voort.”
+
+„Gij kunt mij een ander crediet openen!”
+
+„Wat zal ik daarmee kunnen winnen?”
+
+„Dit: Van die drie mannen, die ik u straks noemde, zijn twee zonder
+vermogen, dat zijn graaf Zathmar en professor Bathory; maar de derde is
+rijk, buitengewoon rijk zelfs. De goederen, die hij in Transsylvanië
+bezit, zijn zeer aanzienlijk. Nu weet gij zeer goed, dat wanneer hij
+als samenzweerder gevat en veroordeeld wordt, zijne verbeurd verklaarde
+goederen voor het grootste gedeelte hun toegewezen worden, die de
+samenzwering ontdekt en aangebracht hebben!.... En dat zullen wij zijn,
+ik en gij, Silas Toronthal. Geloof mij, wij zullen eerlijk deelen.”
+
+Sarcany zweeg. De bankier antwoordde niet. Hij overpeinsde hetgeen men
+van hem als inzet van die partij eischte. Hij was daarenboven de man
+niet, om zich persoonlijk in eene zaak van dien aard bloot te geven.
+Maar hij gevoelde dat Sarcany als zijn agent wel mans genoeg was om de
+taak van hun beiden op zich te nemen. Wanneer hij mocht besluiten aan
+die kuiperij deel te nemen, dan zou hij dezen wel zoodanig door een
+contract weten te verbinden, dat hem geheel en al aan zijne genade zou
+overleveren, dat hij, hoewel op den achtergrond blijvende, het grootste
+deel der winsten zou opstrijken.... Toch aarzelde hij. Maar alles wel
+beschouwd, wat waagde hij toch? Hij zou in die verachtelijke daad niet
+optreden, hij zou er alleen de winst van genieten, groote winst, die
+den toestand van zijn huis geheel zou kunnen herstellen.
+
+„Welnu?....” vroeg Sarcany.
+
+„Gij vraagt mijne beslissing?”
+
+„Ja.”
+
+„Welnu, neen,” antwoordde Silas Toronthal, vooral afgeschrikt door het
+denkbeeld zulk een deelgenoot te hebben, of om een beter woord te
+bezigen: zoo’n medeplichtige.
+
+„Gij weigert?”
+
+„Ja, ik weiger.... Ik geloof bovendien niet aan den goeden uitslag van
+uwe combinatiën!”
+
+„Pas op, Silas Toronthal!” riep Sarcany, zonder zich ditmaal te
+bedwingen, op dreigenden toon uit.
+
+„Oppassen, voor wat, alsjeblieft?”
+
+„Ik weet zekere zaken....”
+
+„De deur uit, Sarcany!” antwoordde de bankier.
+
+„Ik zal weten u te noodzaken....”
+
+„De deur uit!”
+
+In dit oogenblik werd licht op de deur van het kantoor getikt. Terwijl
+Sarcany zijn gelaat vlug naar den kant van het venster gewend had, was
+de deur opengegaan op het „binnen” van den bankier. Een bediende
+verscheen en sprak met luider stem:
+
+„Graaf Sandorf verzoekt den heer Silas Toronthal een oogenblik gehoor!”
+
+Daarna ging hij heen.
+
+„Graaf Sandorf?” riep Sarcany uit.
+
+Van den eenen kant kon de bankier niet anders dan zeer verstoord zijn,
+dat Sarcany van dat bezoek onderricht werd, en van den anderen kant
+begreep hij dat groote moeilijkheden gingen voortvloeien uit die
+onverwachte komst van den graaf.
+
+„He! he! wat komt graaf Sandorf hier doen?” vroeg Sarcany op scherp
+spotachtigen toon. „Staat gij dus in betrekking met de samenzweerders
+van het huis Zathmar. Inderdaad, ik geloof dat ik mij tot een hunner
+gewend heb.”
+
+„Zult gij eindelijk heengaan?”
+
+„Neen, Silas Toronthal, ik zal niet heengaan. Ik wil weten wat graaf
+Sandorf hier komt doen!”
+
+Toen hij die woorden uitgesproken had, wierp hij zich ijlings in een
+kabinet, dat aan het kantoor grensde en welks voorhang achter hem
+neerviel.
+
+Silas Toronthal was op het punt om iemand te roepen, teneinde den
+indringer te doen wegjagen, toen hij plotseling van gedachte
+veranderde.
+
+„Neen,” zei hij, „het is, alles wel beschouwd, waarschijnlijk beter,
+dat Sarcany hoore wat hier gesproken zal worden.”
+
+De bankier schelde den bediende en beval hem graaf Sandorf onmiddellijk
+binnen te geleiden.
+
+Mathias Sandorf trad het kantoor binnen en beantwoordde geheel
+overeenkomstig zijn karakter, de beleefde buigingen van Silas Toronthal
+koel. Daarna nam hij in een leuningstoel plaats, dien de bediende
+bijgeschoven had.
+
+„Heer graaf,” zei de bankier, „ik mocht op de eer van uw bezoek niet
+hopen, daar ik meende dat gij niet te Triëst waart. Maar gij weet het,
+in het huis Toronthal zijt gij steeds welkom en uwe tegenwoordigheid
+wordt hier hoogst gewaardeerd.”
+
+„Mijnheer,” antwoordde Mathias Sandorf, „ik ben slechts een der meest
+bescheidene uwer klanten, daar ik, zooals gij weet, geene zaken drijf.
+Toch ben ik u dank schuldig dat gij wel de fondsen, die ik disponibel
+had, in deposito hebt willen nemen.”
+
+„Heer graaf, vergeef mij wanneer ik u herinner,” hernam Silas
+Toronthal, „dat die fondsen in rekening courant door mij opgenomen
+zijn, zoodat gij niet vergeten moogt, dat zij u renten opbrengen.”
+
+„Ik weet het, mijnheer....” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar ik
+herhaal wat ik u destijds zeide, dat ik geene geldbelegging bij uw huis
+beoogde, slechts een eenvoudig deposito.”
+
+„Het zij zoo, heer graaf,” hernam Silas Toronthal. „Maar het geld is in
+deze tijden duur en het zou niet billijk wezen, wanneer het uwe
+improductief bleef liggen. Een finantieele crisis dreigt over het
+geheele land zich uit te strekken. De toestanden zijn in het binnenland
+zeer moeilijk. De zaken zijn als het ware geheel verlamd. Eenige
+bankbreuken van belangrijke huizen hebben het openbaar crediet
+geschokt, terwijl er nog andere verwacht worden....”
+
+„Maar uw huis is solied, nietwaar, mijnheer?” vroeg Mathias Sandorf en
+vervolgde zonder antwoord daarop af te wachten: „Ik weet uit goede
+bron, dat het slechts zeer weinig geleden heeft door de reactie van die
+bankbreuken.”
+
+„O, zeer weinig,” antwoordde Silas Toronthal met de grootste kalmte.
+„De handel op de Adriatische zee verzekert ons bovendien een stroom van
+maritieme zaken, die der huizen van Pest of van Weenen ontvalt, zoodat
+de crisis ons slechts weinig gedeerd heeft. Wij zijn dus niet te
+beklagen, heer graaf en beklagen ons ook niet.”
+
+„Ik kan niet anders dan u geluk wenschen, mijnheer,” betuigde Mathias
+Sandorf. „Ik meen u evenwel te moeten vragen, of tengevolge van die
+crisis zich binnenslands geene verwikkelingen voorgedaan hebben?”
+
+Hoewel graaf Sandorf die vraag gesteld had op een toon, alsof hij er
+geen het minste belang in stelde, zoo wekte zij toch de aandacht van
+Silas Toronthal op, die den graaf dan ook meer nauwkeurig gadesloeg.
+Die vraag kon toch inderdaad betrekking hebben op hetgeen hij van
+Sarcany vernam.
+
+„Ik weet niets dienaangaande,” antwoordde Silas Toronthal, „en ik heb
+niet vernomen dat het Oostenrijksche gouvernement te dien opzichte
+eenige vrees koesterde. Zoudt gij, heer graaf, redenen meenen te hebben
+om te denken dat aanstaande gebeurtenissen....”
+
+„Volstrekt niet!” viel Mathias Sandorf in; „maar in hooge sferen van
+het bankwezen is men soms met zaken bekend, die het publiek eerst later
+verneemt. Ziedaar de reden, waarom ik u die vraag stelde, maar uwe
+vrijheid onaangetast liet om haar, al naar dat u geraden voorkwam, met
+ja of met neen te beantwoorden.”
+
+„Ik heb in dien zin niets vernomen,” hernam Silas Toronthal. „Wees
+intusschen verzekerd, heer graaf, dat ik mij niet het recht zou mogen
+aanmatigen om met een klant als gij zijt, geheimzinnig of stilzwijgend
+te zijn, daar uwe belangen daardoor zouden kunnen lijden!”
+
+„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf, „en ik meen uwe
+gevoelens te kunnen deelen, dat er noch van het binnenland, noch van
+het buitenland iets te vreezen is. Ik ga dan ook Triëst weldra verlaten
+om in Transsylvanië weer te keeren, waarheen mij dringende zaken
+roepen.”
+
+„Zoo, gaat gij heen, heer graaf?” vroeg Silas Toronthal met
+levendigheid.
+
+„Ja.... zoo omstreeks over veertien dagen, op zijn laatst.”
+
+„Maar gij komt toch naar Triëst terug?”
+
+„Dat geloof ik niet, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf. „Maar vóórdat
+ik vertrek, wenschte ik de geheele comptabiliteit van het kasteel
+Artenick, die eenigszins in de war is, in orde te brengen. Ik heb van
+mijn intendant tal van nota’s, pachtcedulen, boschcontracten ontvangen,
+die ik haast geen tijd heb om na te gaan. Kent gij geen comptabel, of
+zoudt gij niet een uwer geëmployeerden kunnen missen, die mij dien
+dienst zou willen bewijzen?”
+
+„Niets zal gemakkelijker gaan, heer graaf.”
+
+„Inderdaad?”
+
+„Ja, zeker.”
+
+„Ik zal u wel verplicht wezen.”
+
+„O, de verplichting is aan mijn kant. Wanneer hebt gij dien comptabel
+noodig?”
+
+„Zoo gauw mogelijk.”
+
+„En waar moet hij zich aanmelden?”
+
+„Zich aanmelden?”
+
+„Ja, bij wien?”
+
+„Bij mijn vriend graaf Zathmar, wiens huis in de Acquedottolaan nummer
+89 gelegen is.”
+
+„Hoe zegt ge.... nummer....?”
+
+„Nummer 89 van de Acquedottolaan.”
+
+„Dat ’s afgesproken.”
+
+„Het zal een werk van een tiental dagen wezen, en ik zal, wanneer die
+zaken behoorlijk geregeld zijn, daarna naar het kasteel Artenick kunnen
+vertrekken. Ik verzoek u dus om de fondsen, die ik bij u heb staan, ter
+mijner beschikking te houden.”
+
+Silas Toronthal kon bij die woorden een gebaar van schrik niet
+weerhouden. Gelukkig zag de graaf het niet.
+
+„Op welken dag verlangt gij, dat u die fondsen zullen worden ter hand
+gesteld, heer graaf?” vroeg de bankier.
+
+„Op den 8en van de volgende maand.”
+
+„Dan zult gij ze hebben.”
+
+Daarop stond graaf Sandorf op en ging heen terwijl de bankier hem tot
+aan de deur van het vertrek begeleidde.
+
+Toen Silas Toronthal in zijn kantoor terugkeerde, vond hij er Sarcany,
+die slechts deze woorden sprak:
+
+„Ik moet binnen twee dagen in het huis van graaf Zathmar werkzaam
+zijn.”
+
+„Ja, dat moet inderdaad!” antwoordde Silas Toronthal.
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+HET GEHEIMSCHRIFT.
+
+
+Sarcany was inderdaad twee dagen later in het huis van graaf Ladislas
+Zathmar geïnstalleerd. Hij was door Silas Toronthal aanbevolen geworden
+bij graaf Sandorf, die met de plaatsing van dien man onmiddellijk
+genoegen had genomen.
+
+Zoo was de medeplichtigheid van den bankier met zijn agent bij de
+kuiperijen, door hem op ’t getouw gezet, behoorlijk tot stand gekomen.
+Hun doel was: de ontdekking van een geheim, die het leven van de
+hoofden van de samenzwering kon kosten. Het resultaat dat verwacht
+werd, zou zijn: dat als prijs hunner aanbrenging een vermogen hun ten
+deel viel, voor de helft aan een gelukzoeker, die tot alles in staat
+was om zijn zak gevuld te krijgen; voor de andere helft aan een
+bankier, die zoover gekomen was, dat hij niet meer aan zijne
+verbintenissen kon voldoen.
+
+Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat een verdrag tusschen
+Silas Toronthal en Sarcany gesloten was, waarbij de waarschijnlijk
+geachte winsten in twee gelijke portiën verdeeld werden. Bovendien zou
+Sarcany al het geld ontvangen, benoodigd om met zijn makker Zirone
+fatsoenlijk te Triëst te kunnen leven en om zijne onkosten te kunnen
+betalen, die zijne bemoeiingen in die zaak vereischen zouden.
+Daartegenover had hij als waarborg de copie van het briefje, dat het
+geheim der samenzwering bevatte, waaraan hij niet twijfelde, aan den
+bankier moeten overgeven.
+
+Men zal misschien geneigd zijn graaf Mathias Sandorf van
+onvoorzichtigheid te beschuldigen. En inderdaad, in zulke
+omstandigheden een vreemdeling binnen te leiden in dat huis, waarin
+zulke gewichtige belangen behandeld werden, in den vooravond van den
+dag waarop het sein tot uitbarsting van een komplot ieder oogenblik kon
+gegeven worden, kon niet anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Maar
+het was slechts door de ijzeren noodzakelijkheid, dat de graaf zoo
+gehandeld had.
+
+Vooreerst toch had hij er een dringend belang bij, dat zijne personeele
+zaken in orde gebracht werden, op een oogenblik dat hij zich in die
+gevaarlijke zaak stortte, waarin hij zijn leven, op zijn allerminst
+zijne verbanning waagde, wanneer hij bij nietslagen gevangen genomen of
+tot de vlucht genoodzaakt zou worden. Van een anderen kant meende hij
+door het opnemen van een vreemdeling in het huis van graaf Zathmar,
+juist de achterdocht, die mocht gerezen zijn, af te wenden. Hij had
+sedert eenige dagen meenen te zien—en de lezer weet dat het juist
+is—dat eenige spionnen in de Acquedottolaan rondslopen. Die spionnen
+waren niemand anders dan Sarcany en Zirone geweest. Maar de graaf vroeg
+zich af, of de politie hem en zijne vrienden gadesloeg en hunne
+handelingen nauwgezet naging? Mathias Sandorf moest het gelooven, ja
+vreezen. Wanneer de vergaderplaats der samenzweerders, die tot dien dag
+voor alle oningewijden hermetisch gesloten was gebleven, achterdocht
+opwekte, dan was er geen beter middel om de verdenking op een valsch
+spoor te brengen, dan door die afsluiting op te heffen, en het huis
+voor een commies te openen, die er zich inderdaad slechts met
+comptabiliteits-zaken onledig zou houden. Zou de tegenwoordigheid van
+dien commies een gevaar voor graaf Ladislas Zathmar en voor zijne
+makkers kunnen daarstellen? Neen, in geen geval. Er werden geene
+brieven in geheimschrift tusschen Triëst en de andere steden van het
+Hongaarsche koninkrijk gewisseld. Al de papieren, die op de ophanden
+zijnde beweging betrekking hadden, waren vernietigd. Er bleef geen
+enkel geschreven spoor van de samenzwering over. De maatregelen waren
+genomen, daaraan was niets meer te veranderen. Er behoefden geen nieuwe
+genomen te worden. Graaf Sandorf had slechts het sein te geven, wanneer
+het gunstige oogenblik daar zou zijn. Dus de aanneming van een nieuwen
+geëmployeerde in dat huis zou, wanneer het gouvernement achterdocht
+koesterde, iedere verdenking verwijderen.
+
+Ja, de redeneering was juist en de voorzorg zou goed genomen moeten
+genoemd worden, wanneer die commies niet Sarcany en zijn borg niet
+Silas Toronthal geweest waren!
+
+Sarcany, die een meester in dubbelhartigheid was, genoot evenwel de
+voordeelen van zijn uiterlijk. Hij had toch een openhartig en
+vrijmoedig gelaat, terwijl zijn geheele persoon eenvoudigheid en
+trouwhartigheid scheen te kenmerken. Graaf Sandorf en zijne vrienden
+werden er door bedrogen en beetgenomen. De jeugdige comptabel betoonde
+zich ijverig, dienstvaardig, vriendelijk en uiterst behendig bij het
+nazien van die rekeningen en nota’s, die hij moest in het reine
+brengen. Niets bovendien zou hem hebben kunnen doen gissen, wanneer hij
+het niet geweten had, dat hij zich in tegenwoordigheid van de hoofden
+eener samenzwering bevond, die gereed was het Hongaarsche ras tegen het
+Duitsche op te zweepen. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas
+Zathmar schenen zich slechts bij hunne bijeenkomsten met
+wetenschappelijke vraagstukken of met kunstkwestiën bezig te houden.
+Geen geheime briefwisselingen meer, geen geheimzinnig heen en weer
+loopen rondom het huis. Dat alles was uit. Maar Sarcany wist waaraan
+zich te houden. De gelegenheid, die hij zocht, moest zich voordoen en
+hij wachtte diensvolgens geduldig.
+
+Toen Sarcany het huis van Ladislas Zathmar betrad, had hij slechts ééne
+gedachte, namelijk den rooster machtig te worden, die diende om het
+geheimschrift te ontcijferen. Nu er evenwel geen dergelijke stukken
+meer te Triëst aankwamen, vroeg hij zich af of die rooster niet uit
+overmaat van voorzichtigheid kon vernietigd zijn. Dat denkbeeld
+verontrustte hem, want het geheele gebouw zijner kuiperijen berustte
+daarop, dat hij het briefje door de reisduif aangebracht, en waarvan
+hij afschrift genomen had, zou kunnen lezen.
+
+Dus terwijl hij zich onledig hield met de zaken van Mathias Sandorf te
+regelen, keek hij rond, nam hij waar, bespiedde hij alles. De toegang
+tot het kantoorvertrek, waarin Ladislas Zathmar en zijne makkers te
+zamen kwamen, was voor hem niet afgesloten. Hij werkte er zelfs
+somtijds geheel alleen in. En dan waren zijne oogen en zijne handen met
+geheel iets anders bezig, dan met het onder elkander stellen van
+cijfers of met rekeningen uit te pluizen. Hij snuffelde dan in de
+papieren, hij opende de laden met een soort haak, dien Zirone hem als
+zaakkundige bij dergelijke bedrijven, ter hand had gesteld na dien zelf
+gemaakt te hebben. Hij nam toch intusschen zeer goed in acht, dat hij
+bij dien arbeid niet door Borik zoude bespeurd worden; want hij
+ontveinsde het zich niet, dat hij dezen niet de geringste sympathie
+inboezemde.
+
+Gedurende de vijf eerste dagen waren Sarcany’s nasporingen volkomen
+vruchteloos. Hij trad iederen morgen dat huis binnen bezield met de
+hoop van te zullen slagen; en iederen avond keerde hij naar zijn hôtel
+terug met het bewustzijn, een vergeefschen dag doorgebracht te hebben.
+Hij begon aan het welslagen zijner onderneming te wanhopen. En
+inderdaad, de omwenteling, wanneer het eene samenzwering gold,—en
+daaraan twijfelde hij geen oogenblik—kon iederen dag uitbreken, dat wil
+zeggen: alvorens hij haar ontdekt en bij gevolg aangebracht had.
+
+„Eerder dan het voordeel van die aanbrenging te verliezen,” zeide
+Zirone, „zal het verkieselijk zijn, al is het zonder bewijzen, de
+politie te waarschuwen en haar daarbij het afschrift in handen te
+spelen.”
+
+„Ja,” antwoordde Sarcany, „dat zal ik doen, als het noodig wordt.”
+
+Het zal wel overbodig zijn te vertellen, dat hij Silas Toronthal op de
+hoogte van zijne nasporingen hield, dat hij waarlijk veel moeite had om
+diens ongeduld te temperen.
+
+Maar het toeval zou hem te hulp komen. Dat had hem een eerste maal
+gediend door hem het geheimzinnig briefje in handen te spelen; het zou
+hem andermaal dienen door hem in staat te stellen dat raadselschrift te
+ontcijferen.
+
+Men was op het einde van de maand Mei gekomen, en het was ongeveer vier
+uren in den namiddag. Sarcany zou volgens gewoonte, tegen vijf uren het
+huis van graaf Ladislas Zathmar verlaten. Hij was te meer kregelig,
+daar hij niet verder gevorderd was dan op den eersten dag dat hij in
+dienst van graaf Sandorf trad, om diens comptabiliteit in orde te
+brengen, een arbeid dien hij bijna geëindigd had. Wanneer hij daaraan
+de laatste hand zou gelegd hebben, dan zou hij ongetwijfeld betaald en
+bedankt worden; waardoor hem de gelegenheid ontvallen zou om zich
+voortaan in dat huis te kunnen vertoonen.
+
+In dat gegeven oogenblik bevonden zich Ladislas Zathmar en zijne beide
+vrienden buitenshuis. Er was niemand in de woning aanwezig dan Borik,
+die toen in een zaal op de eerste verdieping bezig was. Sarcany had
+volledige vrijheid tot handelen en besloot dan ook om de slaapkamer van
+graaf Zathmar binnen te dringen,—waarin hij nog nimmer geweest was—om
+daar zijne nasporingen op het nauwkeurigst voort te zetten.
+
+De deur was gesloten, maar met zijn haak slaagde Sarcany haar te
+openen, waarna hij binnentrad.
+
+Tusschen de beide vensters, die op de straat uitzagen, stond een
+secretair-bureau, waarvan de verjaarde vorm een liefhebber van oude
+meubelen verrukt zoude hebben. Het schuifblad van den cilinder was
+neergeslagen, zoodat van de innerlijke inrichting niets kon bespeurd
+worden.
+
+Dat was wel de eerste maal, dat het Sarcany vergund was om dit
+meubelstuk te onderzoeken en hij was er de man niet naar, om die
+gelegenheid te laten ontsnappen, om de verschillende laden er van te
+kunnen doorsnuffelen, hetgeen hij met zijn haak ten uitvoer bracht,
+zonder dat daarvan eenig spoor op het slot zichtbaar was.
+
+In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak
+papieren, die voor hem waardeloos waren, een soort kaart, die
+onregelmatig van vierkante gaten voorzien was. Die kaart boeide
+dadelijk zijne aandacht.
+
+„De rooster!” zei hij tot zichzelven.
+
+Hij vergiste zich waarlijk niet.
+
+De eerste gedachte, die hem inviel, was om die kaart mede te nemen.
+Maar na eenig beraad zei hij tot zichzelven, dat het verdwijnen van
+dien rooster achterdocht kon opwekken, wanneer graaf Ladislas Zathmar
+dit bespeurde.
+
+„Kom,” sprak hij, „ik heb wel afschrift van het briefje genomen, waarom
+zou ik dien rooster niet kunnen namaken? Dan kunnen Toronthal en ik de
+dépêche geheel op ons gemak lezen.”
+
+Die rooster was eenvoudig een vierkant van bordpapier van zes
+centimeters lang en even zoo breed, die in zes en dertig gelijke ruiten
+verdeeld was, welke ieder een vierkante centimeter groot waren. Van die
+zes en dertig ruiten of vakken, die op zes horizontale en zes verticale
+rijen geplaatst waren, evenals die van een tafel van Pythagoras, welke
+voor zes cijfers ingericht zoude zijn, waren zeven en twintig vol en
+negen leeg—dat wil zeggen, dat ter plaatse van die negen vakken de
+kaart op negen plaatsen uitgeknipt was.
+
+Waarvan Sarcany zich het eerst moest vergewissen, dat was eerstens: van
+de nauwkeurige oppervlakte van dat blad bordpapier of rooster en
+tweedens van de juiste plaatsing daarop van de negen ledige vakken.
+
+De oppervlakte bracht hij over, door met een potlood den omtrek op een
+vel wit papier na te trekken, waarbij hij zorg droeg op de plaat de
+plek te merken, waar een kruisje met inkt gemaakt was, hetgeen den
+bovenkant van den rooster scheen aan te duiden.
+
+De plaats der negen vakken bracht hij over door het papier, waarop hij
+den omtrek nageteekend had, op de gewilde plekken, die zichtbaar waren,
+door te prikken. Dat waren op de eerste rij drie ledige plekken, die de
+vakken 2, 4 en 6 lieten ontwaren; op de tweede rij een ledige plek, die
+vak 5 innam; op de derde rij een ledige plek die vak 3 innam; op de
+vierde rij twee ledige plekken, die de vakken 2 en 5 innamen; op de
+vijfde rij een ledige plek, die vak 6 innam; en eindelijk op de zesde
+of laatste rij een ledige plek, die vak 4 liet zien.
+
+Ziehier bovendien dien rooster, in natuurlijke grootte, waarvan Sarcany
+en zijn medeplichtige, de bankier Silas Toronthal, een zoo misdadig
+gebruik zouden maken. In dezen afdruk stellen de witte vakken de
+uitgeknipte en de zwarte de gevulde vakken voor. Dat is duidelijk,
+nietwaar?
+
+Eenige minuten waren voor Sarcany voldoende om het volgende figuur te
+verkrijgen.
+
+ +
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| |###| |###| |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###| |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| |###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| |###|###| |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###|###| |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###| |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+
+
+Hij twijfelde er niet aan, dat met behulp van dien rooster, dien hij
+gemakkelijk uit een stuk bordpapier, dat hij uitknippen zou,
+vervaardigen kon, het hem zou gelukken nu het afschrift van het
+briefje, dat hij in handen van Silas Toronthal achtergelaten had, te
+ontraadselen. Hij plaatste dus den rooster weer in de lade onder de
+papieren, die hem bedekt hadden, en verliet daarna de slaapkamer van
+Ladislas Zathmar en vervolgens het huis. Hij had haast om in zijn hôtel
+weer te keeren.
+
+Zirone zag hem een kwartieruur later hunne gemeenschappelijke kamer met
+zulk een zegevierend uiterlijk binnenstappen, dat hij niet nalaten kon
+luidkeels uit te roepen:
+
+„Wat is er toch aan de hand, kameraad? Neem je in acht! Gij weet meer
+behendig een verdriet dan wel een vreugde te bemantelen, en men
+verraadt zich zelven even zoo goed door zich over te geven aan....”
+
+„Schei uit met je gezeur, Zirone,” antwoordde Sarcany, „en aan het werk
+zonder eene minuut verloren te laten gaan.”
+
+„Vóór ons avondmaal nog?”
+
+„Ja!”
+
+Zirone zuchtte, maar Sarcany stoorde zich daaraan niet. Deze nam een
+stuk bordpapier van geringe dikte. Hij sneed dat volgens zijne calque,
+zoodanig dat hij een vierkant verkreeg, die zuiver de afmeting had van
+den rooster en vergat daarbij niet het kruisje bij den bovenrand te
+plaatsen. Daarna nam hij eene liniaal en verdeelde zijn vierkant in zes
+en dertig vakken allen van gelijke grootte.
+
+Toen werden van die zes en dertig vakken negen gemerkt ter plaatse,
+welke zij op de calque innamen. Daarna werden die met de punt van een
+pennemes zoodanig uitgesneden, dat zij in hunne ontstane ledige plekken
+de letters of teekens lieten bespeuren van het een of andere briefje of
+stuk, waarop de zoo verkregen rooster neergelegd werd.
+
+Zirone stond voor Sarcany en keek met groote verwonderde oogen toe,
+terwijl hij van nieuwsgierigheid trilde. Hij stelde te meer belang in
+dien arbeid, daar hij zeer goed het stelsel van geheimschrift begrepen
+had, waarop de onderhavige briefwisseling berustte. Alleen hij bezat
+den sleutel niet.
+
+„Het is vernuftig,” zei hij, „uiterst vernuftig en zoo iets kan mij
+dienen! Als ik bedenk, dat de waarde van ieder van die vakken een
+millioen kan bedragen....”
+
+„En meer!” antwoordde Sarcany.
+
+Toen het werk beëindigd was, stond Sarcany op, na het uitgesneden stuk
+bordpapier in zijn brieventasch opgeborgen te hebben.
+
+„Morgen ochtend zal ik zoo vroeg mogelijk bij Toronthal zijn,” zei hij.
+
+„Hij moge oppassen voor zijn kas!”
+
+„Als hij het briefje heeft, dan heb ik den rooster!”
+
+„Dat is waar, maar....”
+
+„Geen maren; dat is ontegenzeggelijk!”
+
+„En ditmaal zal hij wel moeten afschuiven!”
+
+„Ja, dat zal hij moeten!”
+
+„Kunnen wij dus thans avondmalen?”
+
+„Ja, dat kunnen wij.”
+
+„Welnu, aan den gang!”
+
+En Zirone, die steeds eetlust had, deed het heerlijke maal, dat hij met
+zorg besteld had, alle eer aan.
+
+Den volgenden morgen, den 1sten Juni, vertoonde Sarcany zich reeds te
+acht uren aan het bankiershuis. Hoe vroeg het ook nog was, toch gaf
+Silas Toronthal bevel om hem dadelijk bij zich in zijn kabinet toe te
+laten.
+
+„Daar is de rooster,” vergenoegde zich Sarcany slechts te zeggen,
+terwijl hij het stuk bordpapier overreikte, dat hij te voren
+uitgesneden had.
+
+De bankier nam het aan, draaide en keerde het, terwijl hij het hoofd
+schudde, hetgeen te kennen moest geven, dat hij het vertrouwen van zijn
+deelgenoot niet erg deelde.
+
+„Laten wij maar probeeren!” zei Sarcany.
+
+„Dat kunnen wij altijd doen.”
+
+Silas Toronthal nam het afschrift van het briefje, dat in een der laden
+van zijn schrijftafel opgesloten lag, en plaatste het op de tafel.
+
+Dat briefje—de lezer zal zich nog wel herinneren—bevatte achttien
+woorden, ieder bestaande uit zes letters, woorden die evenwel volmaakt
+onverstaanbaar waren. Het was boven alles waarschijnlijk, dat iedere
+letter van de woorden overeen moest komen met de zes ledige of gevulde
+vakken, die iedere rij van den rooster vormden. Men kon bijgevolg
+vooreerst al vast aannemen, dat de zes eerste woorden van het briefje,
+samengesteld uit zes en dertig letters, achtereenvolgens verkregen
+waren door middel van die zes en dertig vakken.
+
+Het was inderdaad gemakkelijk in te zien, dat de schikking der ledige
+vakken zoo vernuftig bij de vervaardiging van dien rooster uitgedacht
+was, dat wanneer men hem vier malen een kwart toer liet keeren, die
+ledige vakken opvolgend de plaats der volle innamen zonder ooit
+tweemalen dezelfde letter te laten ontwaren.
+
+Men ziet dadelijk in, dat het zoo zijn moet. Bij voorbeeld, wanneer men
+bij eene eerste toepassing van den rooster op een stuk wit papier de
+cijfers van 1 tot 9 in ieder leeg vak invult, vervolgens den rooster
+een kwart omwenteling laat maken en op gelijke wijze handelt en de
+getallen van af 10 tot en met 18 invult; daarna een tweede kwart
+omwenteling volbrengt en de getallen van af 19 tot en met 27
+inschrijft; vervolgens den rooster een derde kwart omwenteling doet
+maken en de getallen van af 28 tot en met 36 ter neer te schrijven,
+zoodat men eindelijk op het papier de getallen van 1 tot 36 zal
+bevinden, in de zes en dertig vakken geplaatst die den rooster vormen.
+
+Sarcany werd dus natuurlijk er toegebracht om de eerste zes woorden van
+het briefje te behandelen met de vier opvolgende toepassingen van den
+rooster. Hij had daarbij het voornemen om diezelfde bewerking te
+herhalen met de twee volgende zes woorden en eindelijk een derde maal
+met de laatste zes woorden, hetgeen in het geheel de achttien woorden
+zou bedragen, waaruit het geheimschrift bestond.
+
+Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat de hierboven vermelde
+redeneeringen door Sarcany tegenover den bankier Silas Toronthal
+gehouden werden en dat deze hare volmaakte nauwkeurigheid erkend en
+zeer gewaardeerd had.
+
+Zou nu de praktijk de geuite theorie bevestigen? Daarin bestond toch de
+geheele belangrijkheid van de bewerking.
+
+Ziehier welke de achttien woorden van het briefje waren. Het zal
+voorzeker noodig zijn ze andermaal onder de oogen van den lezer te
+brengen:
+
+
+ ghfhna dalant ltenka
+ aohhzk aenzse tsnivi
+ znrijoo tnpees seijehe
+ lxosde soelnl sglpte
+ veknni ilarna lotasa
+ ijareah nezmtl rradae
+
+
+Het kwam er vooreerst op aan, de eerste zes woorden te ontraadselen. Om
+daartoe te geraken, schreef Sarcany ze op een vel papier, daarbij zorg
+dragende de letters zoodanig van elkander te schrijven, dat ieder
+hunner overeenkwam met een der vakken van den rooster.
+
+Dat gaf de volgende uitkomst:
+
+
+ g h f h n a
+ a o h h z k
+ z n r ij o o
+ l x o s d e
+ v e k n n i
+ ij a r e a h
+
+
+Daarna werd de rooster zoodanig op dat samenstel geplaatst, dat de
+zijde met het kruisje gemerkt bovenaan stond. Toen lieten de leege
+vakken de volgende negen letters zien, terwijl de zeven en twintig
+anderen door de volle vakken van het bordpapier bedekt bleven. Zoo
+
+
+ +
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| h |###| h |###| a |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###| z |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| r |###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| x |###|###| d |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###|###| i |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###| e |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+
+
+Sarcany liet daarna den rooster een kwart omwenteling volbrengen van de
+linker- naar de rechterzijde, zoodanig dat de bovenkant ditmaal de
+rechterkant werd. Bij die tweede toepassing waren het de navolgende
+letters, die in de ledige vakken te voorschijn traden:
+
+
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| h |###|###| k |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|ij |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+ +
+ | l |###|###|###|###| e |
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| k |###| n |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| a |###|###|###| h |
+ +---+---+---+---+---+---+
+
+
+Bij de derde toepassing werden de navolgende letters zichtbaar, die
+evenals de vorigen net zorg opgeteekend werden:
+
+
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| f |###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ | a |###|###|###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| n |###|###| o |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###| s |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| e |###|###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |ij |###| r |###| a |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ +
+
+Wat Silas Toronthal en ook Sarcany al dadelijk uitermate verbaasd had,
+was dat de woorden, zooals zij zich achtereenvolgens vormden, geen zin
+hadden. Zij hadden verwacht hen vloeiend te hebben kunnen lezen, dewijl
+zij door de opeenvolgende toepassingen van den rooster verkregen waren,
+en toch waren die woorden even raadselachtig als die van het
+geheimzinnige briefje. Zou dat lorrige vod onoplosbaar blijven?
+
+De vierde toepassing van den rooster leverde het navolgende resultaat
+op:
+
+ +---+---+---+---+---+---+
+ | g |###|###|###| n |###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###| o |###| h |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ | z |###|###|###|###| o |
+ + +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###| o |###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ | v |###|###| n |###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+ |###|###|###|###|###|###|
+ +---+---+---+---+---+---+
+
+
+Ook dat was even duister, even raadselachtig.
+
+En waarlijk, de vier woorden, die verkregen waren door de vier
+verschillende toepassingen van den rooster, waren de navolgende:
+
+
+ hhazrxdie,
+ hkijleknah,
+ fanoseijra,
+ gnohroovn,
+
+
+waaruit volstrekt niets te maken was.
+
+Sarcany kon zijn toorn niet verbergen, door die teleurstelling
+teweeggebracht. De bankier vergenoegde zich met het hoofd te schudden
+en niet zonder spotternij te zeggen:
+
+„Misschien is het die rooster niet, welken de samenzweerders bij hunne
+briefwisseling gebruikt hebben!”
+
+Die bemerking deed Sarcany opspringen.
+
+„Laat mij voortgaan!” riep hij uit.
+
+„Ga voort!” antwoordde Silas Toronthal.
+
+Toen het Sarcany gelukt was de zenuwachtige beweging, die hem bevangen
+had, te boven te komen en te bedwingen, hervatte hij de bewerking met
+de volgende zes woorden, die de tweede kolom van het briefje vormden.
+Vier malen paste hij den rooster op de woorden toe, door hem telkenmale
+een kwart omwenteling te laten maken, en verkreeg daardoor die
+verzameling van letters, die ook volstrekt geen zin hadden:
+
+
+ aatsponam,
+ neeslanel,
+ lanelluzt,
+ dneztseir.
+
+
+Sarcany wierp ditmaal den rooster verwoed op tafel en vloekte als een
+koopvaardijmatroos.
+
+Als zonderlinge tegenstelling had Silas Toronthal zijne koelbloedigheid
+geheel en al bewaard. Hij bestudeerde die zoo verkregen woorden sedert
+het begin der roosterbewerking en bleef stil peinzend zitten.
+
+„Naar den drommel dien rooster en zij die er gebruik van maken!” riep
+Sarcany uit, terwijl hij van zijn stoel opvloog.
+
+„Hoe dwaas!” zei Silas Toronthal.
+
+„Dwaas?” vroeg Sarcany verwoed.
+
+„Ga weer zitten,” zei de bankier kalm.
+
+„Gaan zitten?....”
+
+„Ja, ga zitten en ga voort!”
+
+Sarcany keek Silas Toronthal aan. Daarna hernam hij plaats en greep
+weer den rooster, om hem op de zes laatste woorden van het briefje toe
+te passen. Maar hij deed dat geheel werktuigelijk als iemand, die geen
+bewustzijn heeft van hetgeen hij verricht.
+
+Ziehier de woorden, die door die vier laatste toepassingen van den
+rooster verkregen werden:
+
+
+ tnavijgtad,
+ niesetsre,
+ etehporaa,
+ lksisella.
+
+
+Maar die vier laatste woorden beteekenden evenmin iets als de vorige
+acht.
+
+Sarcany was uitermate verwoed. Hij greep het vel papier, waarop die
+zotklinkende woorden geschreven stonden en die door den rooster
+achtereenvolgens te voorschijn waren gebracht, om het te verscheuren.
+
+Silas Toronthal weerhield hem.
+
+„Kalmte,” zei hij.
+
+„Och,” riep Sarcany uit, „wat is er uit te voeren met dat prul?”
+
+„Schrijf eens al die woorden aan elkander gehecht ter neer,” antwoordde
+de bankier bedaard.
+
+„Waarom?”
+
+„Om te zien.”
+
+Sarcany gehoorzaamde en hij kreeg de aaneenschakeling van de navolgende
+letters:
+
+h h a z r x d i e h k ij l e k n a h f a n o s e ij r a g n o h r o o v
+n a a t s p o n a m n e e s l a n e l l a n e l l u z t d n e z t s e i
+r t n a v ij g t a d n i e s e t s r e e t e h p o r a a l k s i s e l
+l a.
+
+Nauwelijks waren die letters ter neer geschreven, of Silas Toronthal
+rukte het papier onder de handen van Sarcany weg. Hij bekeek het en
+stiet een kreet uit. Hij was het thans, die op zijne beurt de kalmte
+verloor.
+
+Sarcany vroeg zich waarachtig af of de bankier niet plotseling
+krankzinnig was geworden.
+
+„Man, lees dan toch!” riep Silas Toronthal uit, terwijl hij het papier
+aan Sarcany overreikte. „Lees dan toch!”
+
+„Lezen?”
+
+„Ja, lezen!”
+
+„Maar wat dan?”
+
+„Wel, ziet gij dan niet, dat de correspondenten van graaf Mathias
+Sandorf, alvorens hunne woorden met behulp van den rooster saam te
+stellen, den volzin het achterste voor geschreven hebben.”
+
+Sarcany greep ijlings het papier en ziehier wat hij las, toen hij die
+letters, met de laatste te beginnen, ontraadselde.
+
+
+ „Alles is klaar. Op het eerste sein dat gij van Triëst
+ zendt, zullen allen als een man opstaan voor Hongarijes
+ onafhankelijkheid. X r z a h h.”
+
+
+„En die laatste zes letters?” riep hij uit.
+
+„Dat is eene vooraf overeengekomen onderteekening,” antwoordde Silas
+Toronthal.
+
+„Nu hebben wij hen te pakken!....”
+
+„Maar dat kan de politie nog niet zeggen.”
+
+„Dat’s mijne zaak.”
+
+„Zoo?”
+
+„Ja!”
+
+„Maar gij zult zoo geheimzinnig mogelijk te werk gaan?”
+
+„Dat’s mijne zaak,” herhaalde Sarcany voor den tweeden keer. „De
+gouverneur van Triëst alleen zal de namen der twee eerlijke
+vaderlandslievende mannen vernemen, die eene samenzwering tegen
+Oostenrijk in hare geboorte gesmoord zullen hebben!”
+
+Terwijl hij zoo sprak, liet die ellendeling door toon en gebaar
+genoegzaam de bijtende scherts ontwaren, die hem bij het uitbrengen
+dier woorden bezielde.
+
+„Dan zal ik mij dus met niets te bemoeien hebben?” vroeg de bankier
+koel.
+
+„Met niets anders,” antwoordde Sarcany, „dan met het opstrijken van de
+helft der winsten in die zaak.”
+
+„Wanneer?”
+
+„Hoe, wanneer?”
+
+„Wanneer die verdeeling van winsten?”
+
+„Wel wanneer onder de bijl drie hoofden gevallen zullen zijn, die ons
+ieder meer dan een millioen zullen opbrengen.”
+
+Silas Toronthal en Sarcany scheidden. Als zij voordeel wilden trekken
+uit het geheim, hetwelk het toeval hen in handen gespeeld had, door de
+samenzweerders te verraden vóórdat de omwenteling uitgebarsten was, dan
+moesten zij zich haasten.
+
+Sarcany evenwel ging, zooals hij gewoon was te doen, naar de woning van
+Ladislas Zathmar terug. Hij had zijn comptabiliteits-arbeid hervat en
+was daarmede bijna ten einde. Graaf Sandorf zelf zeide hem, terwijl hij
+hem voor zijne betoonde vlijt bedankte, dat hij over acht dagen zijne
+diensten niet meer noodig had.
+
+Volgens Sarcany’s opvatting beduidde dat klaarblijkelijk, dat het sein,
+hetwelk van Triëst verwacht werd, op dat tijdstip aan de voornaamste
+steden van Hongarije zou gegeven worden.
+
+Sarcany ging dus voort om alles, wat in het huis van graaf Ladislas
+Zathmar voorviel, ten nauwkeurigste waar te nemen, zonder evenwel de
+geringste achterdocht op te wekken. Hij was daarenboven gebleken zoo
+vernuftig, zoo met de vrijzinnige denkbeelden ingenomen te zijn, hij
+had een zoo onbewimpelden afkeer aan den dag gelegd, dien hij voor het
+Duitsche ras koesterde, in één woord: hij had zijne komedie zoo goed
+gespeeld, dat graaf Sandorf het voornemen had opgevat hem later,
+wanneer de omwenteling Hongarije vrij zou hebben gemaakt, aan zich te
+verbinden. Tot zelfs Borik was door hem gewonnen en had de
+vooringenomenheid afgelegd, die hij eerst voor dien jongman gekoesterd
+had.
+
+Sarcany was dus zijn doel nabij.
+
+Graaf Sandorf was met zijne twee vrienden overeengekomen, dat het sein
+tot den opstand op den 8sten Juni zou gegeven worden, en die dag was
+daar.
+
+Maar toen was ook het aanbrengingsplan volbracht.
+
+Dien avond overrompelde de politie van Triëst plotseling het huis van
+graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. Graaf Mathias
+Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Bathory, Sarcany zelfs,
+die geen enkel woord van protest liet hooren, en Borik werden gevangen
+genomen, zonder dat iemand iets van het bevel tot inhechtenisneming
+vernomen had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+VOOR, GEDURENDE EN NA DE TERECHTZITTING.
+
+
+Istrië, dat door de tractaten van 1815 aan het
+Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk toegevoegd is geworden, is een
+driehoekig schiereiland, welks landengte het grondvlak over de grootste
+breedte van dien driehoek vormt. Dat schiereiland strekt zich van de
+golf van Triëst af tot de golf van Quarnero uit, en worden langs die
+kust vrij talrijke havenplaatsen aangetroffen. Onder deze kan als de
+voornaamste opgesomd worden, de haven van Pola, die aan de Zuiderpunt
+van bedoeld schiereiland gelegen is.
+
+Die provincie Istrië, vooral wat hare westelijke kusten betreft, is
+zeer Italiaansch, zelfs Venetiaansch gebleven, zoowel door hare
+gebruiken en gewoonten, als door hare taal. Het is waar, dat er het
+Slavonisch element een soort tegenwicht vormt; maar wat zeker is, dat
+is dat het Duitsche element zich er met moeite tusschen die twee rassen
+kan handhaven.
+
+Verscheidene belangrijke steden langs de kust of in het binnenland
+gelegen, schenken leven aan die streek, die door de wateren der
+Adriatische Zee bespoeld wordt. Zoo als daar zijn Capo d’Istria en
+Pirano, welker bevolking bijna uitsluitend de groote
+zoutaanmaakbeddingen bewerkt, die aan de monding der Risano en der
+Corna Lunga gelegen zijn; verder Parenzo, de residentieplaats van de
+vertegenwoordiging van Istrië en van den bisschop; nog verder Rovigno,
+hetwelk zijne rijkdommen uit zijne olijfaanplantingen trekt; eindelijk
+Pola, waar de toeristen de prachtige monumenten van Romeinschen
+oorsprong gaan zien en die bestemd is de meest belangrijke
+oorlogshavenplaats van geheel de Adriatische zee te worden.
+
+Maar geen dezer steden heeft het recht de hoofdplaats van Istrië
+genoemd te worden. Het is eigenlijk Pisino, dat in het midden van den
+bedoelden driehoek gelegen is, dat dien naam draagt, en het was
+daarheen dat de gevangenen na hunne geheime inhechtenisneming gebracht
+werden zonder dat zij er iets van wisten.
+
+Voor de deur van het huis van graaf Ladislas Zathmar stond een
+postrijtuig te wachten. Alle vier stegen in en twee Oostenrijksche
+maréchaussées—van die lieden welke behoorlijk voor de veiligheid in de
+Istrische velden zorgen—namen bij hen plaats. Het was hun dus niet
+geraden om gedurende de geheele reis een enkel woord te wisselen, dat
+gevaarlijk kon zijn; of eenige overeenkomst van gemeenschappelijk
+handelen te bespreken, betreffende hun verschijnen voor den rechter.
+
+Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard, die onder de bevelen
+van een luitenant stonden, reed voor, achter en bij de portieren van
+het rijtuig, dat tien minuten later de stad verlaten had. Wat Borik
+betreft, die was dadelijk naar de gevangenis van Triëst gebracht
+geworden en daar in eene cel, afgezonderd van een ieder opgesloten.
+
+Waar bracht men de gevangenen heen? In welke vesting zou het
+Oostenrijksche gouvernement hen opsluiten, daar het kasteel van Triëst
+daartoe niet genoegzaam scheen? Dat was wel belangrijk voor graaf
+Sandorf en zijne vrienden; maar dat kregen zij niet te weten, welke
+moeite zij daartoe ook aanwendden.
+
+De nacht was donker. Ternauwernood konden de lantaarns van het rijtuig
+den weg verlichten tot bij de eerste rij der ruiters van de bedekking.
+Men reed snel vooruit. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas
+Zathmar hielden zich stil en zwijgend in hunne hoeken. Ook Sarcany
+poogde dat stilzwijgen niet te verbreken, noch om tegen zijne
+inhechtenisneming te protesteeren, noch om te vragen, waarom deze
+geschied was.
+
+Na Triëst verlaten te hebben, veranderde het postrijtuig zoodanig van
+richting, dat het in schuinsche strekking naar de zeekust teruggevoerd
+werd. Graaf Sandorf kon toch te midden van het leven, door de hoeven
+der paarden, door de wielen van het rijtuig, door het geklikklak der
+sabels veroorzaakt, in de verte het gedruisch van de branding op de
+rotsen van het strand vernemen. Eenige lichten schitterden gedurende
+enkele oogenblikken in den nacht, maar verdwenen weer dadelijk. Het was
+een klein vlek, Muggia genaamd, hetwelk het postrijtuig doorgereden had
+zonder halt te houden. Daarna meende graaf Sandorf dat hun weg weer
+landwaarts in voerde.
+
+Te elf uur in den avond, stond het rijtuig stil om te verspannen. Er
+was niets anders te zien dan eene soort hoeve, waar de paarden
+wachtten, geheel en al gereed om aangespannen te worden. Het was de
+gewone pleisterplaats voor de postrijtuigen niet. Men had vermeden, die
+van Capo d’Istria aan te doen.
+
+De bedekking reed weer vooruit. Het rijtuig volgde thans een weg, die
+tusschen wijngaarden door liep, wiens slingerloten zich aan de takken
+der moerbeziënboomen als festoenen vasthechtten. Men bleef steeds in de
+vlakte, hetgeen veroorloofde zeer snel te rijden. De duisternis was des
+te zwarter, daar verscheidene dikke wolken, door een stevigen
+zuidwesten wind voortgejaagd, het geheele uitspansel innamen en
+bedekten. Hoewel de glasramen der portieren van tijd tot tijd
+neergelaten werden om de lucht in het rijtuig eenigszins te
+ververschen,—want de zomernachten zijn zoel in Istrië—zoo was het toch
+onmogelijk iets te kunnen onderscheiden, zelfs binnen zeer beperkten
+straal.
+
+Welke aandacht graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en
+Stephanus Bathory ook inspanden om zich de geringste aanwijzingen, die
+zich onderweg voordeden op te teekenen, zooals de richting van den
+wind, den verloopen tijd sedert hun vertrek, zoo gelukte het hun toch
+niet te weten in welke richting het postrijtuig reed. Men wilde
+ongetwijfeld dat het gerechtelijk onderzoek in deze zaak in het
+grootste geheim en op eene plaats die onbekend voor het volk moest
+blijven, zou geschieden.
+
+Tegen twee uren in den morgen verspande men voor den tweeden keer.
+Evenals bij de eerste verspanning duurde zij ternauwernood vijf
+minuten.
+
+Graaf Sandorf meende in het donker eenige huizen te bespeuren, die een
+groepje aan het uiteinde van een weg vormden en bijgevolg de uiterste
+huizen van een voorstad konden zijn.
+
+Dat was Baja, de hoofdplaats van het district van dien naam, welke op
+ongeveer een twintigtal mijlen van Muggia gelegen is.
+
+Zoodra de versche paarden aangespannen waren, fluisterde de luitenant
+der maréchaussées den postiljon iets in het oor, waarop het postrijtuig
+in galop vertrok.
+
+Tegen half vier zou de dag aanbreken. De gevangenen zouden een uur
+later, door de opkomende zon, zich eenigermate rekenschap hebben kunnen
+geven van de hoofdrichting, die zij tot nu toe gevolgd hadden. Zij
+zouden ten minste kunnen bepalen of zij noord- of zuid-, oost- of
+westwaarts gereden hadden. Maar toen sloten de maréchaussées de
+raamkleppen dicht, zoodat het innerlijke van het rijtuig in diepe
+duisternis gedompeld was.
+
+Noch graaf Sandorf, noch zijne beide vrienden lieten zich eene enkele
+opmerking ontvallen. Er zou toch niet naar geluisterd zijn, dat was
+maar al te zeker. Beter was het dus maar volkomen te berusten en te
+wachten.
+
+Een of een paar uur later—het zou moeilijk geweest zijn den tijd te
+schatten,—hield het rijtuig voor de laatste maal stil en verspande bij
+het vlek Visinada.
+
+Alles wat men van dat punt af kon waarnemen, was dat de weg zeer
+moeilijk werd. Het geschreeuw van den postiljon, het klappen der zweep,
+moedigde de paarden aan, wier hoefijzers op den ongelijken
+steenachtigen bodem van die bergachtige landstreek weerklonken. Eenige
+heuvels, met kleine bosschen overdekt, die een grijsachtig voorkomen
+vertoonden, hadden den gezichtseinder zeer begrensd. De gevangenen
+hadden twee of drie maal de tonen eener fluit kunnen vernemen. Dat
+waren jeugdige herders, die hunne vreemdsoortige melodieën bliezen,
+terwijl zij hunne kudden zwarte geiten hoedden. Maar dat was wel eene
+onvoldoende aanduiding van de landstreek, die men doorreed, en men
+moest zich tevreden stellen met niets te zien.
+
+Het kon zoo ongeveer negen uur in den morgen geweest zijn, toen het
+postrijtuig een geheel anderen gang aannam. Men kon zich daarin niet
+vergissen, het rolde toen snel langs eene helling naar beneden, na
+eerst het hoogste punt van den weg bereikt te hebben. Die snelheid was
+zeer groot, zoodat zelfs de wielen herhaaldelijk geremd moesten worden.
+
+En inderdaad, na eerst in dat geaccidenteerde terrein, hetwelk door den
+berg Major beheerscht wordt, gestegen te zijn, daalde de weg schuins
+naar beneden, toen hij Pisino naderde. Hoewel die stad nog vrij hoog
+boven de oppervlakte der zee verheven is, zoo schijnt zij toch in een
+dal begraven te liggen, wanneer men omliggende hoogten in aanmerking
+neemt. Lang alvorens haar te bereiken, kan men reeds het torentje
+bespeuren, dat boven de groep harer huizen, welke schilderachtig
+amphitheatersgewijs gebouwd zijn, uitsteekt.
+
+Pisino is de districtshoofdplaats en telt eene bevolking van ongeveer
+vijf en twintig duizend zielen. Zij is nagenoeg in het midden van dat
+driehoekig schiereiland gelegen, en de Morlakken, de Slavoniërs van
+verschillende stammen, zelfs de Tsiganen wemelen in die stad, vooral
+tegen het tijdstip der jaarmarkten, wanneer een aanzienlijke handel
+gedreven wordt.
+
+Als oude stad heeft de hoofdplaats van Istrië haar feodaal karakter
+behouden. Dat komt vooral in haar versterkt kasteel uit, hetwelk eenige
+nieuwere militaire etablissementen, waarin de administratieve bureaux
+van het Oostenrijksche Gouvernement gevestigd zijn, beheerscht.
+
+Het was op de binnenplaats van dat kasteel, dat het postrijtuig op den
+9den Juni des voormiddags te tien uren ongeveer, na eene reis van ruim
+vijftien uren, stilstond. Graaf Sandorf met zijne beide makkers, alsook
+Sarcany moesten toen uitstijgen. Eenige oogenblikken later waren zij
+ieder afzonderlijk gekerkerd in de gewelfde vertrekken van dat gebouw,
+welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een
+groote trap opgeklommen te zijn.
+
+Het was de geheime opsluiting in hare volle gestrengheid.
+
+Hoewel zij hoegenaamd geene gemeenschap met elkander hadden en zij
+derhalve niet van gedachten wisselen konden, zoo hadden Mathias
+Sandorf, Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory slechts één denkbeeld,
+hetwelk hun brein martelde: Hoe was het geheim der samenzwering ontdekt
+geworden?
+
+Was ’t het toeval, dat de politie op het spoor gebracht had?
+
+Maar niets had naar buiten kunnen uitlekken! Geen briefwisseling had
+meer plaats tusschen Triëst en de voornaamste steden van Hongarije en
+Transsylvanië.
+
+Was er dus verraad in het spel?
+
+Maar wie was dan de verrader?
+
+Nooit was eene vertrouwelijke mededeeling aan wien ook gedaan geworden!
+
+Onmogelijk had eenig papier in de handen van een spion kunnen vallen!
+
+Alle documenten waren steeds vernietigd. En al had men ook het huis in
+de Acquedottolaan in alle hoeken en gaten doorzocht, al had men het ook
+het onderste boven gekeerd, dan zou men niets verdachts gevonden
+hebben!
+
+En dat was zelfs gebeurd. De politieagenten hadden gezocht, gezocht,
+maar niets anders gevonden dan den rooster, die door graaf Zathmar niet
+vernietigd was, want het kon toch mogelijk zijn, dat hij nog zou moeten
+dienen. Ongelukkiglijk zou die rooster als overtuigingsbewijs opgenomen
+worden, waarvan het gebruik onmogelijk anders verklaard kon worden, dan
+dat hij gebezigd werd voor eene geheime briefwisseling.
+
+De lezer weet, wat de gevangenen nog niet wisten, dat alleen op het
+afschrift van het briefje, hetwelk Sarcany in medeplichtigheid met
+Silas Toronthal aan den gouverneur van Triëst ter hand gesteld had, na
+er eerst de duidelijke beteekenis bijgevoegd te hebben, de
+inhechtenisneming geschied was. Dat was evenwel voldoende om daarop
+eene beschuldiging van complot tegen de veiligheid van den Staat te
+grondvesten. Meer was dus niet noodig om graaf Sandorf en zijne
+vrienden voor eene afzonderlijke rechtbank, voor een krijgsraad te
+brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen.
+
+Er bestond evenwel een verrader en die was niet verre. Door zich,
+zonder een woord te zeggen, in hechtenis te laten nemen, door zich
+zelfs te laten veroordeelen, natuurlijk met de nevengedachte om later
+wel gratie te verwerven, ontkwam die verrader aan iedere achterdocht.
+Dat was Sarcany’s spel en hij speelde die komedie met al den ernst en
+de koelbloedigheid die hij bij alles aan den dag legde.
+
+Daarenboven graaf Sandorf, die door dien schurk bedrogen was—en wie ter
+wereld zou het niet geweest zijn in zijne plaats?—was besloten om alles
+aan te wenden, om hem buiten het geding te houden. Het zou hem niet
+moeilijk vallen, zoo dacht hij, te bewijzen, dat Sarcany geen deel aan
+de samenzwering genomen had, dat hij slechts een eenvoudig comptabel
+was, die eerst kort geleden toegang tot het huis van Ladislas Zathmar
+verkregen had en slechts belast was geweest met de personeele zaken van
+den graaf, die in geen verband hoegenaamd met de samenzwering stonden.
+Als het noodig zou zijn, zou hij Silas Toronthal als getuige oproepen,
+om de onschuld van den jongen man te bewijzen. Hij twijfelde er dan ook
+niet aan, of Sarcany zou wel worden vrijgesproken, zoowel wat aangaat
+de hoofdbeschuldiging als van die der medeplichtigheid, in het geval
+dat men er toe geraken mocht eene ernstige beschuldiging in te stellen,
+hetgeen hem nog niet geloofbaar voorkwam.
+
+Alles wel beschouwd, kon het Oostenrijksche gouvernement, behalve de
+complotmakers van Triëst, onmogelijk iets van de samenzwering weten.
+Hunne deelgenooten in Hongarije en Transsylvanië waren geheel onbekend.
+Er bestond geen enkel spoor van hunne medeplichtigheid. Mathias
+Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hadden dus dienaangaande
+geene zorgen te koesteren.
+
+Wat hen betreft, zij waren vast besloten alles te loochenen, zoolang
+hun geen daadwerkelijk bewijs werd voorgehouden. In dat geval zouden
+zij weten hun leven op te offeren. Anderen zouden den een of anderen
+dag de mislukte beweging hervatten. De onafhankelijkheidszaak zou later
+wel weer nieuwe aanvoerders vinden. Zij zouden, wanneer zij overtuigd
+werden, hunne gevoelens en hun hoop belijden. Zij zouden het doel
+aanwijzen, hetwelk zij beoogden, een doel dat den een of anderen dag
+bereikt zou worden. Zij zouden zelfs de moeite niet nemen zich te
+verdedigen, zij zouden slechts de partij, die zij verloren hadden,
+ridderlijk en edelaardig betalen.
+
+Het was niet zonder reden, dat graaf Sandorf en zijne vrienden
+vermeenden, dat de werkkring der politie in deze zaak zeer beperkt was.
+Te Buda, te Pest, te Klausenburg, in één woord: in al de steden waarin
+de beweging zou hebben kunnen losbarsten, wanneer het signaal daartoe
+van Triëst gegeven ware, hadden agenten de sporen van het complot
+opgezocht, maar te vergeefs. Daarom had het gouvernement de
+inhechtenisstelling der drie Triëster opperhoofden zoo geheimzinnig
+doen ten uitvoer leggen. Dat zij in de kasematten van het versterkt
+kasteel te Pisino gekerkerd waren, dat men niet wilde dat iets van die
+zaak ruchtbaar werd, vóórdat zij een eindbeslag had, had zijn grond
+daarin, dat men hoopte dat de een of andere omstandigheid de stellers
+van het briefje in geheimschrift, hetwelk naar de hoofdplaats van
+Istrië verzonden was, maar waarvan men de herkomst niet kende, aan het
+licht zoude brengen.
+
+Die hoop werd niet verwezenlijkt. Het verwachte sein kwam niet, het zou
+niet komen. De beweging was geremd, voorshands althans. Het
+Oostenrijksch gouvernement moest zich vergenoegen met graaf Sandorf en
+zijne medeplichtigen onder de beschuldiging van hoogverraad jegens den
+Staat te doen terechtstaan.
+
+Die nasporingen hadden evenwel verscheidene dagen gevorderd. Het was
+dan ook eerst tegen den 20en Juni, dat de instructie der zaak begon,
+door de beschuldigden te verhooren. Zij werden zelfs niet met elkander
+geconfronteerd en zij zouden elkander slechts voor hunne rechters
+weerzien.
+
+Het gouvernement had aan een krijgsraad de opdracht gedaan, om de
+opperhoofden der Triëster samenzwering te berechten. Men weet hoe
+beknopt en oppervlakkig de instructie eener zaak gevoerd wordt, wanneer
+zij aan de beslissing van zulk een buitengewoon rechtslichaam
+onderworpen wordt; hoe snel de debatten geleid worden, met hoeveel
+overhaasting het vonnis uitgesproken en ten uitvoer gelegd wordt.
+
+Zoo geschiedde het ook bij deze gelegenheid.
+
+Den 25en Juni vergaderde de krijgsraad in een der lage zalen van het
+versterkt kasteel te Pisino en dienzelfden dag verschenen de
+beschuldigden voor die militaire rechtbank.
+
+De debatten zouden noch lang, noch belangrijk wezen, want geen enkel
+voorval zou hen kenmerken.
+
+De krijgsraad nam zitting tegen negen uur des morgens. Graaf Sandorf,
+graaf Zathmar, professor Bathory en Sarcany zagen elkander toen voor de
+eerste maal sedert hunne inhechtenisneming weer. De handdruk dien graaf
+Sandorf met zijne vrienden op de bank der beschuldigden wisselde, was
+als eene nieuwe betuiging, een nieuwe overeenkomst betreffende de
+gevoelens, die hen verbond. Een gebaar van graaf Ladislas Zathmar en
+van Stephanus Bathory deed graaf Sandorf begrijpen, dat zij hem de taak
+overlieten om voor den raad het woord te voeren. Noch hij, noch de
+anderen hadden den dienst van een verdediger willen aannemen. Wat graaf
+Sandorf tot heden gedaan had, was wèl gedaan. Wat hij noodig oordeelde
+tot de rechters te zeggen, zou wèl gezegd zijn.
+
+De zitting was publiek, in dien zin opgenomen, dat de deuren van de
+raadkamer openstonden. Weinige personen evenwel waren tegenwoordig;
+want de zaak was niet naar buiten uitgelekt. Hoogstens waren een
+twintigtal personen aanwezig, die nog tot den dienst van het kasteel
+behoorden.
+
+De identiteit der beschuldigden werd vooraf geconstateerd. Graaf
+Sandorf vroeg daarop aan den voorzitter van den krijgsraad den naam van
+de plaats, waarheen hij en zijne makkers gevoerd waren om terecht te
+staan; maar op die vraag kreeg hij geen antwoord.
+
+De identiteit van Sarcany werd ook gesteld, maar deze sprak geen woord,
+waardoor hij te kennen kon geven, dat hij zijne zaak van die der andere
+beschuldigden wenschte af te scheiden.
+
+Alsnu werd mededeeling van het afschrift van het briefje, dat zoo
+verraderlijk aan de politie overgeleverd werd, aan de beschuldigden
+gedaan.
+
+Toen de auditeur militair hen deed afvragen of zij bekenden het
+origineele van dat briefje, waarvan het afschrift hun vertoond werd,
+ontvangen te hebben, antwoordden zij dat het de plicht der
+beschuldigers was daarvan het bewijs te leveren.
+
+Na dat antwoord vertoonde men hen den rooster, die in de kamer van
+graaf Ladislas Zathmar gevonden was.
+
+Noch graaf Sandorf noch zijne metgezellen konden ontkennen dat die
+rooster in hun bezit geweest was. Zij poogden dat zelfs niet. Er viel
+tegenover dat feitelijk bewijs niets te antwoorden. Daar de toepassing
+van dien rooster het lezen van dat briefje in geheimschrift mogelijk
+maakte, werd daaruit de gevolgtrekking gemaakt, dat dit briefje door de
+beschuldigden behoorlijk ontvangen was.
+
+Toen vernamen dezen eerst hoe de samenzwering ontdekt was en op welken
+grondslag de beschuldiging rustte.
+
+Van dit oogenblik af werden de vragen en antwoorden uiterst helder en
+duidelijk van weerskanten gedaan en gegeven.
+
+Graaf Sandorf kon niet meer ontkennen. Hij sprak dus in naam van
+zichzelven en van zijne beide vrienden. Eene beweging was door hen
+voorbereid, waardoor de scheiding tusschen Hongarije en Oostenrijk
+teweeg zou gebracht worden, waarna de zelfregeering van het koninkrijk
+der oude Magyaren hersteld zoude geworden zijn. Zonder hunne
+terechtstelling zou de beweging reeds uitgebroken zijn en Hongarije zou
+zijne onafhankelijkheid reeds herwonnen hebben. Mathias Sandorf maakte
+zich als opperhoofd der samenzwering bekend en wees zijnen
+medebeschuldigden slechts eene ondergeschikte rol toe. Maar deze
+protesteerden tegen de woorden van den graaf en eischten met de eer ook
+het gevaar op èn van de medeplichtigheid in de samenzwering èn van het
+samengaan naar het schavot.
+
+Het debat kon nu niet lang meer zijn. Toen daarenboven de voorzitter
+van den krijgsraad de beschuldigden over hunne medeplichtigen buiten
+Triëst ondervroeg, weigerden zij te antwoorden.
+
+Geen naam werd genoemd en zou dat ook niet worden.
+
+„Gij hebt onze drie hoofden in uw macht,” antwoordde graaf Mathias
+Sandorf op kalmen en eenvoudigen toon, „weest daarmede tevreden.”
+
+Drie hoofden slechts.... want graaf Sandorf stelde zich toen tot taak
+om de onschuld van Sarcany aan het daglicht te doen treden. Hij
+verhaalde hoe hij den jongen man als comptabel op aanbeveling van den
+bankier Silas Toronthal ten huize van graaf Ladislas Zathmar had in
+dienst gesteld.
+
+Sarcany kon dat beweren van graaf Sandorf slechts bevestigen. Hij wist
+niets van de samenzwering. Hij was wel het meeste verbaasd geweest,
+toen hij vernam dat daar in dat stille huis in de Acquedottolaan een
+complot tegen de veiligheid van den Staat gesmeed werd. Dat hij niet
+bij zijne inhechtenisneming geprotesteerd had, kwam alleen daarvandaan,
+dat hij niet begrepen had, wat er gaande was.
+
+Noch graaf Sandorf, noch hij ondervonden moeilijkheden bij het
+vaststellen van dien staat van zaken, en het mag wel waarschijnlijk
+geacht worden, dat de krijgsraad dienaangaande reeds een vooraf
+gevestigde meening bezat. Op het advies van den auditeur militair werd
+dan ook de beschuldiging, tegen Sarcany ingebracht, ingetrokken en van
+verdere vervolging afgezien.
+
+Tegen twee uren in den namiddag waren de debatten afgeloopen en werd in
+dezelfde zitting het vonnis geslagen.
+
+Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus
+Bathory werden, als overtuigd van hoogverraad jegens den Staat, ter
+dood veroordeeld.
+
+De veroordeelden zouden op de binnenplaats van de vesting zelve
+doodgeschoten worden.
+
+Het vonnis zou binnen twee maal vier en twintig uur voltrokken worden.
+
+Sarcany werd vrijgesproken, maar hij zou naar de gevangenis
+teruggevoerd worden, tot de bekrachtiging van zijn vonnis van
+vrijlating, hetgeen denzelfden dag van de terechtstelling der drie
+schuldigen zou geschieden.
+
+Hetzelfde vonnis sprak ook de verbeurdverklaring der goederen van de
+drie veroordeelden uit.
+
+Daarop werd bevel gegeven om graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas
+Zathmar en professor Stephanus Bathory naar hunnen kerker terug te
+voeren.
+
+Sarcany werd in de cel teruggebracht, die hij betrokken had aan het
+uiteinde van een elliptische gang, die op de tweede verdieping van den
+vestingtoren gelegen was.
+
+Graaf Sandorf en zijne beide vrienden werden gedurende de laatste uren,
+die zij nog te leven hadden, ingekerkerd in eene vrij ruime cel, die op
+dezelfde verdieping aan het uiteinde van de groote as van bedoelde
+ellips, welke door de gang beschreven werd, gelegen was. Ditmaal was
+het bevel tot afzondering opgeheven. De veroordeelden zouden bij
+elkander blijven totdat het oogenblik van sterven gekomen zou zijn.
+
+Toen zij eindelijk alleen gelaten waren, was dat een troost, ja, zelfs
+een vreugde voor hen. Toen konden zij zich vrijelijk overgeven aan
+hunne gemoedsaandoeningen; toen konden zij hunne gevoelens vrij den
+teugel laten vieren. In tegenwoordigheid hunner rechters hadden zij
+zich weten te bedwingen; de terugwerking deed zich thans evenwel gelden
+en daar zonder getuigen openden zij de armen voor elkander en klemden
+elkander aan hunne mannelijke borst.
+
+„Vrienden,” sprak graaf Sandorf, „ik zal de schuld van uwen dood zijn!
+Maar ik onthoud mij er u vergiffenis voor te vragen! Het gold
+Hongarije’s onafhankelijkheid! Onze zaak was eene rechtvaardige zaak!
+Het was onze plicht voor hare verdediging op te treden! Het zal eene
+eer zijn het leven voor haar te laten!”
+
+„Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory, „wij bedanken u integendeel,
+dat ge ons deel hebt laten nemen aan dat vaderlandslievende werk, dat
+de kroon op geheel ons leven zal stellen...”
+
+„Wij zullen elkanders deelgenooten tot in den dood zijn!” antwoordde
+graaf Zathmar koelbloedig.
+
+Daarna bekeken de drie vrienden, na een poos van stilzwijgen, de akelig
+sombere cel, waarin zij hunne laatste levensuren zouden doorbrengen.
+Een smal venster, dat in de dikke muren van den vestingtoren op eene
+hoogte van vier of vijf voeten ingesneden was, verschafte ternauwernood
+genoegzaam daglicht. Zij bevatte drie ijzeren ledikanten, eenige
+stoelen, eene tafel en eenige muurtafeltjes, die aan de wanden
+vastgeklonken waren en waarop allerlei voorwerpen stonden.
+
+Terwijl Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory zich natuurlijk genoeg
+aan hunne sombere overpeinzingen overgaven, wandelde graaf Mathias
+Sandorf de cel op en neer.
+
+Ladislas Zathmar, die zich alleen ter wereld bevond, had niet veel te
+beweenen. Slechts één persoon op deze aarde zou om hem treuren en dat
+was zijn knecht Borik.
+
+Zoo was het niet met Stephanus Bathory gesteld. Zijn dood trof niet hem
+slechts. Hij had eene vrouw en een zoon, die door dien slag ook
+getroffen zouden worden. Die dierbare wezens zouden er door geschokt
+worden, konden er van sterven! En... wanneer zij hem overleefden, welk
+bestaan wachtte hen dan! Welke toekomst voor die onbemiddelde vrouw met
+een kind van ternauwernood acht jaren oud! Wanneer bovendien Stephanus
+Bathory eenig vermogen bezeten had, wat zou daarvan dan nog aan haar,
+na een vonnis, hetwelk de verbeurdverklaring van al de goederen der
+drie ter dood veroordeelden uitsprak, verbleven zijn?
+
+Wat graaf Sandorf betrof, het was zijn geheel verleden, hetwelk hem
+voor den geest trad! Het was zijne vrouw, wier beeld hij steeds in zijn
+hart omdroeg! Het was zijn dochtertje, een kind van twee jaren, hetwelk
+aan de goede zorgen van den intendant achtergelaten was, en wien thans
+de taak toeviel om haar op te voeden! Het waren zijne vrienden, die hij
+in het ongeluk gesleept had! Hij vroeg zich af, of hij wel goed
+gehandeld had, of hij niet verder gegaan was dan de plicht jegens het
+vaderland gebood, nu de straf verder reikte, nu zij onschuldigen trof!
+
+„Neen!... neen!... ik heb mijn plicht slechts gedaan!” herhaalde hij
+voortdurend bij zich zelven. „Neen!... het vaderland voor alles, boven
+alles!”
+
+Een gevangenbewaarder trad tegen vijf uren de cel binnen, zette het
+eten voor de drie veroordeelden op de tafel neer en ging weer heen
+zonder een enkel woord gesproken te hebben. Mathias Sandorf evenwel had
+wel willen weten, waar hij zich bevond, hoe de vesting heette, waarin
+hij opgesloten was. Maar op de vraag, die hij daaromtrent aan den
+voorzitter van den krijgsraad gedaan had, had deze gemeend niet te
+moeten antwoorden en voorzeker zou de gevangenbewaarder, daartoe door
+een bevel genoodzaakt, wel evenmin geantwoord hebben.
+
+De drie veroordeelden raakten het eten, dat hun voorgediend was,
+ternauwernood aan. Zij brachten den dag door met over allerhande zaken
+te praten, over de hoop dat de verijdelde omwenteling den een of
+anderen tijd hervat zoude worden. Toen kwamen zij herhaaldelijk op de
+bijzonderheden der zaak terug.
+
+„Wij weten thans,” zei graaf Ladislas Zathmar, „waarom wij gevangen
+genomen zijn en hoe de politie alles door dat briefje, hetwelk haar in
+handen is gevallen, te weten is gekomen”.
+
+„Ongetwijfeld, Ladislas,” antwoordde graaf Sandorf, „maar in wiens
+handen is dat briefje, een der laatsten, die wij ontvangen hebben, toch
+gevallen en door wien is er afschrift van genomen?”
+
+„En hoe is, nadat het briefje bemachtigd was, de rooster gevonden, om
+dat briefje te kunnen ontraadselen?” sprak Stephanus Bathory op zijne
+beurt.
+
+„Die rooster moet ons dus, al was het maar voor een oogenblik,
+ontstolen zijn,” zei graaf Sandorf.
+
+„Ontstolen!... Door wien?” vroeg Ladislas Zathmar. „Op den dag onzer
+gevangenneming lag hij nog in de lade van de schrijflessenaar op mijne
+slaapkamer. Daar hebben hem toch de politieagenten gevonden, niet
+waar?”
+
+Het was inderdaad onverklaarbaar. Dat het briefje aan den hals van de
+reisduif, die het overbracht, gevonden was, dat er nauwkeurig afschrift
+van was gemaakt, alvorens naar zijne bestemming doorgezonden te zijn,
+dat het huis van bestemming ontdekt was, dat alles kon en moest
+aangenomen worden. Maar dat de letters van het geheimschrift op hunne
+ware plaats hadden kunnen hersteld worden, zonder het instrumentje
+waarmede het tot stand gebracht was, dat was onverklaarbaar, dat was
+onbegrijpelijk.
+
+„En toch is dat briefje ontraadseld en gelezen geworden,” hernam graaf
+Sandorf, „daaromtrent zijn wij zeker, niet waar? En het is niet zonder
+den rooster kunnen ontcijferd worden! Het is dat briefje, hetwelk de
+politie op het spoor van het complot gebracht heeft en het is op dat
+briefje alleen, dat de geheele beschuldiging gegrondvest is!”
+
+„Och, wat kan het ons toch schelen!” antwoordde Stephanus Bathory.
+
+„O! het kan ons integendeel veel schelen!” riep graaf Sandorf uit. „Wij
+zijn misschien verraden geworden! En als er een verrader in het spel
+is, dan.... is het zaak.... te....”
+
+Graaf Sandorf stokte. Sarcany’s naam kwam hem voor den geest. Maar hij
+verbande die gedachte ver, zeer ver, zonder haar zelfs aan zijne
+vrienden mede te deelen.
+
+Mathias Sandorf en zijne twee vrienden gingen zoo voort met praten over
+dat onverklaarbare in die zaak en zoo werd het langzamerhand laat in
+den nacht.
+
+Zij werden den volgenden morgen uit een vrij diepen slaap gewekt, door
+het binnenkomen van den gevangenbewaarder. Het was de morgen van hun
+voorlaatsten dag. De terechtstelling was op vier en twintig uren later
+bepaald.
+
+Stephanus Bathory vroeg aan den gevangenbewaarder of het hem geoorloofd
+zoude zijn, zijn gezin te zien.
+
+De gevangenbewaarder antwoordde, dat hij dienaangaande geene bevelen
+had. Het was evenwel niet waarschijnlijk, dat het Oostenrijksch
+gouvernement den veroordeelden die laatste vertroosting zou toestaan.
+De geheele zaak was toch tot op den dag van het vonnis zoo geheim
+mogelijk gehouden geworden. Zelfs de naam van de vesting, die den
+veroordeelden tot gevangenis diende, was geheim gebleven.
+
+„Kunnen wij ten minste schrijven, en zullen onze brieven hunne
+bestemming bereiken?” vroeg graaf Sandorf.
+
+„Ik zal u papier, pen en inkt geven,” antwoordde de gevangenbewaarder,
+„en ik beloof u, uwe brieven aan den gouverneur ter hand te zullen
+stellen.”
+
+„Wij danken u, vriend,” antwoordde graaf Sandorf, „voor hetgeen gij
+doen wilt en wat gij alleen doen kunt! Wij kunnen u niet voor uwe
+moeite beloonen; maar....”
+
+„Uw dank is voor mij genoeg, heeren,” hernam de gevangenbewaarder, die
+zijne ontroering niet kon verbergen.
+
+Die brave man bracht dadelijk het noodige schrijfgereedschap. De
+veroordeelden brachten een gedeelte van den dag door met het nemen
+hunner laatste beschikkingen. Van den kant van graaf Sandorf waren het
+de meest gemoedelijke raadgevingen voor zijn dochtertje, dat als wees
+zou achterblijven, welke uit het hart eens vaders konden opwellen. Van
+den kant van Stephanus Bathory waren het de vurigste
+liefdesbetuigingen, die deze in zijn laatst vaarwel aan zijne
+echtgenoote en aan zijn zoon deed vernemen. Van den kant van Ladislas
+Zathmar waren het innige aanhankelijkheidsbewijzen, die een heer voor
+zijn ouden knecht, voor zijn laatsten vriend kon koesteren.
+
+Maar hoe afgetrokken waren zij niet dien dag, hoe herhaaldelijk hadden
+de gevangenen de ooren niet gespitst! Hoe menigmaal poogden zij niet te
+ontwaren, of er geen ver gedruisch door de lange gangen van den
+vestingtoren tot hen doordrong. Hoe menigmaal scheen het hun niet, dat
+de deur van die cel zou opengaan en dat het hun veroorloofd zou zijn
+voor de laatste maal eene gade, eene dochter, een zoon te omarmen! Dat
+zou eene vertroosting geweest zijn. Maar, in waarheid, was het niet
+beter dat een wreed onvermurwbaar verbod, dat laatste vaarwel, hetgeen
+zoo hartverscheurend zoude zijn, belette?
+
+De deur ging niet open. Ongetwijfeld wisten noch mevrouw Bathory, noch
+haar zoon, noch de intendant Lendek, aan wien het dochtertje van graaf
+Mathias Sandorf toevertrouwd was, waarheen de gevangenen na hunne
+inhechtenisneming overgebracht waren, evenmin als Borik, die nog steeds
+in de gevangenis te Triëst opgesloten zat. Allen wisten ongetwijfeld
+ook niet, welk vonnis over de hoofden der samenzwering uitgesproken
+was. De veroordeelden, zoo was bepaald, zouden hunne dierbaren vóór de
+ten uitvoerlegging van het vonnis niet wederzien.
+
+De eerste uren van dien dag snelden zoo voorbij. Soms praatten Mathias
+Sandorf en zijne beide vrienden te zamen. Soms ook vervielen zij in een
+langdurig stilzwijgen en waren zij in zichzelven gekeerd. In die
+oogenblikken gleed alles met eene schrikkelijke, bovennatuurlijke
+nauwkeurigheid in het geheugen voorbij. Het was alsdan niet in het
+verledene dat zij terugtraden. Alles wat de herinnering in het brein
+terugriep, ontplooide zich in den vorm van het tegenwoordige. Was dat
+als een voorgevoel van de eeuwigheid, die zich opende van dien
+onbegrijpelijken en onmetelijken toestand, dien men het oneindige
+noemt?
+
+Intusschen, terwijl Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar zich zoo
+zonder stoornis aan hunne overpeinzingen overgaven, werd het brein van
+Mathias Sandorf onweerstaanbaar beheerscht door eene gedachte, die er
+als het ware post in had gevat. Hij twijfelde er niet aan, of in die
+geheimzinnige zaak had het verraad zijne treurige rol vervuld. Nu was
+voor een man van zijn karakter, sterven zonder den verrader, wie hij
+ook zijn mocht, gestraft te hebben, zonder zelfs te weten wie de
+verrader was, als het ware tweemaal sterven. Wie had dat briefje,
+waaraan de politie de ontdekking van de samenzwering en de
+inhechtenisneming der hoofdschuldigen te danken had, bemachtigd? Wie
+had de middelen ontdekt om het te kunnen lezen? Wie had het aan de
+politie overgeleverd, verkocht wellicht?.... Tegenover dat onoplosbaar
+vraagstuk waren de opgewonden hersenen van graaf Sandorf ten prooi aan
+eene soort koorts.
+
+Terwijl zijne vrienden dan ook schreven of daar stilzwijgend ter neer
+zaten en zich onbeweeglijk hielden, liep hij onrustig langs de muren
+der cel als een wild dier in zijne kooi op en neer.
+
+Een zonderling maar volkomen door de wetten der geluidsleer
+verklaarbaar natuurverschijnsel, zou hem het geheim mededeelen, juist
+toen hij wanhopen moest het ooit te vernemen.
+
+Verscheidene malen had graaf Sandorf stilgestaan bij den hoek van het
+vertrek, die door den binnenmuur gevormd werd met den buitenmuur van de
+gang, waarop de verschillende cellen van deze verdieping van den
+vestingtoren uitkwamen. In dien hoek, in welks nabijheid de deur
+aangebracht was, meende hij een gemurmel gehoord te hebben als van
+verwijderde stemmen, dat nog niet verstaanbaar was. Eerst sloeg hij er
+geen acht op, maar.... plotseling hoorde hij een naam uitspreken....
+den zijnen.... en dat deed hem het oor spitsen.
+
+Klaarblijkelijk werd daar hetzelfde natuurverschijnsel te voorschijn
+geroepen, gelijk aan dat, hetwelk onder boogvormige gangen of onder
+gewelven met ellipsvormige constructie waargenomen wordt. De stem, die
+van een der zijden van de ellips uitgaat, doet zich na den omtrek der
+muren gevolgd te hebben in het andere brandpunt vernemen, zonder op
+hare baan ergens waarneembaar te zijn geweest. Zulk een
+natuurverschijnsel wordt in de onderaardsche gewelven van het Panthéon
+te Parijs, in de binnenruimte van den koepel van de Sint Pieterskerk te
+Rome, in de „whispering gallery” de weerklinkende galerij van de Sint
+Paulskerk te Londen waargenomen. Onder dergelijke omstandigheden wordt
+het geringste woord, zelfs wanneer het fluisterend uitgesproken wordt,
+duidelijk verstaan in het tegenovergestelde brandpunt.
+
+Er viel hier niet aan te twijfelen. Twee of meer personen praatten,
+hetzij in de gang, hetzij in een der cellen aan het einde van zijn
+doorsnede gelegen, en het brandpunt bevond zich bij de deur van de cel,
+waarin Mathias Sandorf opgesloten was.
+
+Met een enkel gebaar riep hij zijne makkers tot zich. En daar stonden
+zij alle drie met gespitste ooren te luisteren.
+
+Brokstukken van volzinnen bereikten hun oor zeer duidelijk. De
+volzinnen werden afgebroken, wanneer de sprekers zich, al was het ook
+nog maar zoo weinig, van het brandpunt verwijderden, dat wil zeggen van
+dat punt, waarvan de ligging het natuurverschijnsel deed geboren
+worden.
+
+En ziehier de woorden, die zij met herhaalde tusschenpoozen opvingen:
+
+...............................................................
+
+„Morgen na de terechtstelling zult ge vrij zijn................
+...............................................................
+
+„En dan zullen de goederen van graaf Sandorf, eerlijk verdeeld.
+...............................................................
+
+„Zonder mij zoudt ge dat briefje niet hebben kunnen ontraadselen.
+...............................................................
+
+„En zonder mij, die het aan den hals van de postduif gevonden heb,
+zoudt gij het nooit in handen gekregen hebben..................
+...............................................................
+
+„Hoe het ook zij, niemand kan eenige verdenking koesteren, dat wij de
+politie........................................................
+...............................................................
+
+„En als de veroordeelden nu ook al eenige achterdocht..........
+...............................................................
+
+„Noch bloedverwanten, noch vrienden kunnen meer tot hen
+doordringen....................................................
+...............................................................
+
+„Tot morgen, Sarcany”..........................................
+
+„Tot morgen, Silas Toronthal!”.................................
+...............................................................
+
+Daarna zwegen de stemmen en het geluid eener deur die toesloeg, werd
+vernomen.
+
+„Sarcany!.... Silas Toronthal!....” riep graaf Sandorf uit. „Zij!....
+Zij zijn het!”
+
+Hij werd doodsbleek en keek zijne vrienden met een van verbijstering
+glinsterend oog aan. Zijn hart had een oogenblik opgehouden met
+kloppen. Zijne oogleden stonden wijd opengespalkt, zijn hals was stijf
+en zijn hoofd was tusschen zijne schouders teruggedrongen. Alles duidde
+er op, dat die geestkrachtvolle natuur door een schrikkelijken toorn
+beroerd werd.
+
+„Zij!.... De ellendelingen!....” herhaalde hij woest brullende.
+
+Hij richtte eindelijk zijne gebogen gestalte op en keek rond, terwijl
+hij de cel met groote passen op en neer liep.
+
+„Vluchten!.... Vluchten!” riep hij uit. „Wij moeten vluchten!”
+
+En die man, die enkele minuten vroeger gereed was om weinige uren later
+den dood manmoedig tegemoet te treden, die man, die er zelfs niet aan
+gedacht had om den beul zijn hoofd te betwisten, die man had thans
+slechts ééne gedachte: leven, om die twee verraders Silas Toronthal en
+Sarcany te straffen!
+
+„Ja, ons wreken!” riepen Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar uit.
+
+„Ons wreken? Neen!.... Gerechtigheid uitoefenen!”
+
+Het geheele karakter van graaf Sandorf lag in die woorden opgesloten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+DE VESTINGTOREN VAN PISINO.
+
+
+De vesting Pisino is een van de meest merkwaardige van die stevige
+gebouwen, welke in de middeleeuwen verrezen. Zij ziet er zeer goed uit
+met haar feodaal uiterlijk. Er ontbreken slechts ridders in die
+gewelfde zalen, slechts edelvrouwen, met bonte japonnen gekleed en
+getooid met puntmutsen, aan de ogiefvormige vensterramen, slechts
+boogschutters op de transen van de gecreneleerde muren, in de
+schietgaten van de vooruitspringende gedeelten, bij de Spaansche
+ruiters, die de ophaalbruggen moeten verdedigen. Het kunstwerk van
+steen is nog onaangetast; maar de vestinggouverneur met zijn
+Oostenrijksch uniform, de soldaten met hunne moderne tenue, de
+gevangenbewaarders en de sleuteldragers, die niets meer vertoonen van
+dat costuum uit den ouden tijd, half geel, half rood, die allen geven
+een valschen toon aan te midden van die prachtige overblijfselen van
+een ander tijdvak.
+
+Het was uit den toren van die vesting, dat graaf Sandorf zich vermeette
+te willen ontvluchten en dat nog wel gedurende de laatste uren, die de
+terechtstelling voorafgingen. Dwaze poging voorzeker, daar de
+gevangenen niet eens wisten, welke vesting hen tot kerker diende, daar
+zij niets van het omgelegen land kenden, waardoor zij toch na hunne
+ontvluchting heen moesten trekken.
+
+O, wellicht kon het voor een geluk gelden, dat zij niets van die
+omgeving wisten. Beter onderricht, zouden zij misschien voor de
+moeilijkheden, om niet te spreken van de onmogelijkheid van zulk eene
+onderneming teruggedeinsd zijn.
+
+Niet dat deze Istrische provincie geene voordeelige kansen voor eene
+ontsnapping zou aanbieden, dewijl iedere richting, door de
+vluchtelingen genomen, naar een punt van hare kuststreek zou voeren en
+dat binnen weinige uren. Ook niet dat de straten van de stad Pisino zoo
+streng zouden bewaakt zijn, dat men bij de eerste stappen gevaar zou
+loopen gevat te worden. Neen; maar ontsnappen uit die vesting,
+voornamelijk uit den toren, door de gevangenen bewoond, dat was tot
+heden als volstrekt onmogelijk beschouwd geworden. Het denkbeeld
+daarvan kon zelfs niet opkomen.
+
+Ziehier inderdaad de toestand en het uiterlijk voorkomen van dien toren
+in de vesting Pisino.
+
+Die toren beslaat eene zijde van een bergplat, alwaar de stad
+plotseling als het ware eindigt. Wanneer men op den ringmuur van dat
+plat leunt, dan boort de blik in een breede en diepe kolk, waarvan de
+steile wanden niet eens bedekt zijn met lange afhangende lianen. Niets
+steekt van dien loodrechten rotsmuur uit. Geen enkele trede om naar
+boven te klimmen of om naar beneden te dalen. Geen portaal om er even
+halt te houden. Geen enkel standpunt, waar ook. Niets dan grillige
+uitschuringen, niets dan gladde onzekere streepen, die de schuinsche
+ligging der rotslagen aangeven. In één woord is het een afgrond, die
+aantrekt, die meesleept en niets teruggeeft van hetgeen er in mocht
+vallen.
+
+Het was boven dezen afgrond dat een der zijmuren zich verhief. In dien
+muur waren eenige vensters ingesneden, die de cellen op de
+verschillende verdiepingen moesten verlichten. Wanneer een gevangene
+zich door een van die openingen voorover gebogen had, dan zou hij vol
+afgrijzen achteruit gedeinsd zijn, tenzij duizelingen hem in de diepte
+zouden hebben doen storten! En wanneer hij viel, wat dan? Of het
+lichaam zou op de rotsen van den bodem te pletter storten, òf het zou
+door den bergvloed medegevoerd worden, wiens stroom onweerstaanbaar is
+in het tijdperk van hoog water.
+
+Die afgrond, dat is de Buco, zoo als hij in dat land genoemd wordt. Hij
+dient tot afleiding van het overtollige water van eene rivier, die
+Foïba heet. Die rivier erlangt slechts toegang door eene onderaardsche
+spelonk, die zij zich zelve langzamerhand door de rotsmassa’s uitgehold
+heeft, en waarin zij zich met de kracht van een waterval stort. Waar
+stroomt zij dan heen, terwijl zij onder de stad doorgaat? Dat weet men
+niet. Waar verschijnt zij weer? Dat weet men evenmin. Niemand kent de
+lengte noch de hoogte van die spelonk, die in de krijtsteen- en
+leisteenlagen uitgeschuurd is. Wie kan zeggen of de stroom daaronder
+zich niet met geweld breekt op scherpe kanten, op puntige hoeken, of
+hij niet gestuit wordt door een woud van pilaren, die het kolossale
+gevaarte der vesting en ook de geheele stad schragen? Koene
+onderzoekers hadden beproefd de Foïba af te zakken in een tijdperk, dat
+de middelbare waterstand gedoogde een licht vaartuig te gebruiken, maar
+de laagte van het rotsgewelf had hen een onoverkomelijke hinderpaal in
+den weg gesteld. In werkelijkheid wist men niets omtrent den toestand
+van die onderaardsche rivier. Misschien verloor zij zich wel in eene
+aardspleet, die onder de oppervlakte van de Adriatische zee uitkwam.
+
+Dat was de Buco, welks bestaan graaf Sandorf zelfs niet giste. Daar nu
+eene ontsnapping niet anders kon geschieden dan door het eenige raam
+zijner cel, hetwelk boven de Buco openging, zoo was het voor hem even
+zeker den dood tegemoet te gaan, als wanneer hij zich was komen
+plaatsen voor het peloton soldaten, dat hem moest doodschieten.
+
+Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory wachtten slechts het gunstige
+oogenblik af om te handelen. Zij waren bereid te blijven, wanneer het
+noodig was; zij waren bereid zich op te offeren om graaf Sandorf te
+hulp te komen; zij waren bereid hem te volgen, wanneer hunne vlucht de
+zijne niet kon benadeelen.
+
+„Alle drie zullen wij vluchten,” zei graaf Mathias Sandorf, „hoewel het
+wellicht noodig zal worden om ons te scheiden, wanneer wij eenmaal
+buiten gekomen zullen zijn.”
+
+Het was reeds avond en op den kerktoren sloeg het reeds acht uur. De
+veroordeelden hadden nog slechts twaalf uren te leven.
+
+De nacht viel in en zooals men opmerken kon, zou hij zeer donker zijn.
+Dikke wolken, die bijna onbewegelijk bleven, bedekten het uitspansel.
+De lucht was zwaar, zij maakte de ademhaling moeilijk en was met
+electriciteit bezwangerd. Een hevig onweder was in aantocht. Wel
+schoten de bliksemstralen nog niet door de ruimte, nog niet door die
+dikke dampen, die daar als zoovele accumulatoren aanwezig waren; maar
+het gerommel van den donder liet zich reeds heel in de verte vernemen
+en werd langs de bergtoppen van de hoogten, die Pisino omgeven,
+overgebracht.
+
+Eene ontsnapping, onder die omstandigheden ondernomen, zou dus eenige
+kansen van welslagen hebben kunnen aanbieden, wanneer niet een
+bedriegelijke afgrond onder de voeten der vluchtelingen geweest ware.
+De nacht zou zwart zijn, men zou derhalve niet gezien worden. Bij het
+geraas van den donder zou men niet gehoord worden.
+
+Zooals graaf Sandorf reeds dadelijk erkend had, zou de vlucht mogelijk
+zijn door het venster van de cel. De deur open te breken, of die
+stevige bladen van eikenhout, die daarenboven geheel met ijzer beslagen
+waren, aan te tasten, daaraan kon zelfs niet gedacht worden.
+Buitendien, de stap van een schildwacht weerklonk op de vloersteenen
+van de gang. En gesteld dat men buiten de celdeur geraakte, hoe zou men
+den weg vinden in de doolgangen van de vesting? Hoe zou men de poort
+uit, de valbrug over komen? Die zouden toch wel door posten soldaten
+bewaakt zijn! Aan den kant van den Buco was ten minste geen schildwacht
+te bespeuren. Maar de Buco bewaakte die zijde van den vestingtoren
+beter dan een geheele keten schildwachten.
+
+Graaf Sandorf onderzocht dus in de eerste plaats, of het venster ruimte
+genoeg aanbood, om hen doortocht te verleenen.
+
+Dat raam meette ongeveer drie en een halve voet hoogte op twee voet
+breedte. Het verliep trechtersgewijze door den muur, welks dikte op dit
+punt op vier voet geschat kon worden. Een stevig kruis van ijzer
+verdedigde den toegang. Dat was in den steen dicht bij de binnenopening
+geklonken. Er waren geen houten schuttingen of koekoeken aangebracht,
+die het licht slechts van boven laten binnenvallen. Die zouden onnoodig
+geweest zijn, daar de schikking van de opening den blik belette in den
+afgrond van de Buco te dringen. Wanneer men er dus in slaagde dat
+ijzeren kruis uit te rukken of van zijne plaats te wringen, dan zou het
+gemakkelijk zijn zich door dat raam te laten glijden, dat veel geleek
+op een schietgat van de vesting.
+
+Maar, als men eenmaal uit dat raam geklommen was, hoe zou men dan
+buiten naar omlaag dalen langs den loodrechten muur? Eene ladder? Ja,
+die bezaten de gevangenen niet; ook konden zij die niet vervaardigen.
+Hunne beddelakens gebruiken? Zij hadden niets dan dikke wollen dekens,
+die hunne matrassen op de ijzeren kribben dekten, welke laatsten
+daarenboven in de wanden van de cel vastgeklonken waren. Het zou dus
+bepaald onmogelijk zijn door het venster te ontsnappen, wanneer graaf
+Sandorf niet eene ketting of beter een ijzeren kabel opgemerkt had, die
+buiten hing en de ontsnapping kon vergemakkelijken.
+
+Die kabel was de bliksemafleider, die op den daknok bevestigd was boven
+de zijflank van den vestingtoren, maar die zich boven den Buco
+loodrecht verhief.
+
+„Gij ziet dien kabel,” zei graaf Sandorf tot zijne vrienden. „Daarvan
+zullen wij ons bedienen om te ontsnappen. Maar daartoe behoort moed!”
+
+„O, moed bezitten wij,” antwoordde graaf Ladislas Zathmar. „Maar zullen
+wij de kracht hebben?”
+
+„Om het even!” sprak Stephanus Bathory. „Als de krachten te kort
+schieten, zullen wij slechts eenige uren vroeger sterven. Dat is
+alles!”
+
+„Wij moeten niet sterven, Stephanus,” antwoordde graaf Sandorf.
+„Luister goed en gij ook, Ladislas, laat geen enkel mijner woorden u
+ontgaan. Wanneer wij een touw bezaten, dan zouden wij geen oogenblik
+aarzelen om het buiten het venster te hangen om ons daarlangs tot op
+den bodem te laten afglijden. Nu is die ijzeren kabel beter dan een
+touw; door zijne onbuigzaamheid zal hij de afdaling zeer
+vergemakkelijken. Evenals alle bliksemafleiders zal hij met ijzeren
+haken aan den gevelmuur bevestigd zijn. Die haken zullen steunpunten
+vormen, waarop onze voeten zullen kunnen rusten. Wij zullen geene
+slingeringen te vreezen hebben, daar de kabel aan den muur bevestigd
+is. Wij zullen geen duizelingen kunnen ondervinden, daar het nacht is
+en wij dus niets zullen kunnen zien. Derhalve, wanneer wij slechts
+buiten dat venster geraken, dan met koelbloedigheid en met moed kunnen
+wij de vrijheid herwinnen. Dat wij ons leven wagen, is zeer goed
+mogelijk. Maar al bestonden slechts tien kansen op honderd, dan nog...
+daar wij honderd kansen op honderd zullen hebben om te sterven, wanneer
+de gevangenbewaarders ons morgen ochtend in deze cel terugvinden.”
+
+„Dat is zoo,” antwoordde Ladislas Zathmar.
+
+„Waar komt die ketting terecht?” vroeg Stephanus Bathory.
+
+„In den een of anderen put waarschijnlijk; maar zeker buiten den
+vestingtoren,” antwoordde graaf Sandorf. „En meer hebben wij niet
+noodig. Ik wil niets anders weten of begrijpen, dan dat daar aan het
+uiteinde van dien ketting de vrijheid voor ons waarschijnlijk te vinden
+is.”
+
+Graaf Sandorf vergiste zich niet, toen hij beweerde, dat die
+bliksemafleider van afstand tot afstand met ijzeren haken aan den muur
+bevestigd was. Dat veroorzaakte eene groote gemakkelijkheid om af te
+dalen, daar de vluchtelingen die haken als de treden eener ladder
+konden bezigen, die hen tegen te snel afglijden behoeden moesten. Maar,
+wat zij niet wisten en ook niet weten konden, dat was dat die kabel, na
+den rand van het bergplat bereikt te hebben, langs den muur van den
+vestingtoren vrij en onbedwongen in de ruimte afdaalde en zijn uiteinde
+de wateren der Foïba beroerden, die toen door de laatste regens zeer
+gezwollen waren. Daar waar zij onder in dien afgrond rekenen konden den
+vasten bodem te bereiken, daar was slechts een bergstroom, die zich
+onstuimig in de spelonk van den Buco stortte. Maar al hadden zij dat
+ook geweten, zouden zij dan nog wel teruggedeinsd hebben voor hunne
+poging tot ontsnapping?
+
+Voorzeker neen!
+
+„Hier sterven of straks daar ginds!” sprak graaf Mathias Sandorf. „Als
+wij sterven moeten, dan zullen wij ten minste alles gedaan hebben om
+het leven te redden!”
+
+Maar eerst moest men dat ijzeren kruis in de doorgang van het venster
+opruimen. Dat moest uitgebroken worden. Zou dit mogelijk zijn zonder
+breekijzer, zonder koevoet, zonder eenig gereedschap? De gevangenen
+bezaten zelfs geen mes.
+
+„Het overige zal slechts moeilijk zijn,” zei graaf Mathias Sandorf,
+„maar dit is wellicht het onmogelijke! Kom, mede aan den arbeid!”
+
+Toen hij dat gezegd had, heesch graaf Sandorf zich tot aan het venster,
+greep den ijzeren kruisrooster met de hand en voelde dat wellicht geen
+al te groote krachtsinspanning noodig zou zijn, om hem uit te rukken.
+
+De ijzeren stangen, waaruit hij bestond, bewogen zich inderdaad
+eenigermate in hare sponningen. De steen was bij de hoeken gebarsten en
+kon dus slechts een middelmatigen tegenstand bieden. Zeer
+waarschijnlijk was de geleiding van den bliksemafleider, voordat hij
+zekere herstellingen ondergaan had, niet zeer volmaakt geweest.
+Mogelijk was het geweest dat vonken van het electrische vuur, door dien
+ijzeren rooster aangetrokken, den muur zelven aangetast hadden en men
+weet dat de kracht van dat vuur om zoo te zeggen onbegrensd is. Vandaar
+die barsten en breuken bij de sponningen, waarin het uiteinde der
+ijzeren staven rustte. De steen was daar verteerd, vergaan en in
+sponsachtigen staat, alsof hij door de electriciteit met millioenen
+gaatjes doorboord ware.
+
+Professor Stephanus Bathory gaf in weinige woorden den uitleg van dat
+verschijnsel, onmiddellijk nadat hij het waargenomen had.
+
+Maar het gold thans niet te oreeren, te doceeren of te leeraren; men
+moest zonder aarzelen aan het werk. Geen oogenblik mocht verloren
+worden. Wanneer men, na de hoeken van de sponningen te hebben
+uitgebroken, de uiteinden van die staven kon losmaken, dan zou het
+waarschijnlijk gemakkelijk zijn den rooster tot aan de
+buitenoppervlakte van den muur te dringen, dewijl de vensteropening van
+binnen naar buiten waaiersgewijze verliep. Men zou hem dan naar buiten
+in den afgrond kunnen laten vallen. Het geluid van dien val zou door
+het hevige geratel van den donder overstemd en bijgevolg niet gehoord
+worden. De onweerswolk was nader gekomen en reeds rolden de
+donderslagen en plantten zich onverpoosd en zonder ophouden in de
+lagere luchtlagen voort.
+
+„Wij kunnen dien steen toch niet met onze handen verbrijzelen,” zei
+graaf Ladislas Zathmar.
+
+„Neen!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij zouden een stuk ijzer, een lem
+of zoo iets moeten hebben...”
+
+Dat was inderdaad noodig. Hoe vergaan de steen in de nabijheid der
+sponningen ook was, de nagels zouden toch daarbij te kort geschoten
+zijn, de vingers zouden, bij de poging om hem tot stof te wrijven, zich
+te vergeefs bloedig verwond hebben. Men zou niet slagen zonder
+werktuig, al ware het ook maar een spijker.
+
+Graaf Sandorf keek rondom zich bij het zwakke schijnsel, hetwelk van
+uit de gang, die zelf spaarzaam verlicht was, in de cel door eene
+kleine opening, boven de deur aangebracht, drong. Hij betastte de muren
+met beide handen. Het kon toch zijn, dat men ergens een spijker
+ingeklopt had. Hij vond echter niets.
+
+Toen kreeg hij een inval. Hij bedacht dat het wellicht niet onmogelijk
+was een der pooten van de ijzeren kribben, die in den wand
+vastgeklonken waren, los te wringen. Alle drie gingen aan het werk en
+weldra brak Stephanus Bathory den arbeid af en riep zijne makkers met
+zachte stem tot zich.
+
+Een klinknagel van een der ijzeren strooken, die, onderling behoorlijk
+gekruist en verbonden, de kriblagen vormden, was losgemaakt. Het was nu
+voldoende die strook bij het uiteinde, dat thans vrij was, te grijpen
+en haar herhaalde malen heen en weer te buigen om den anderen
+klinknagel te doen losspringen.
+
+Dat was in een ommezien geschied. Graaf Sandorf bezat toen een ijzeren
+band van vijf duim lang en een duim breed, dien hij bij het uiteinde
+met zijn halsdas omwikkelde. Daarna kwam hij bij het venster terug en
+begon den steen bij de sponningen los te breken.
+
+Dat kon niet geheel en al zonder gedruisch geschieden. Gelukkig werd
+dat overstemd door het geratel van den donder. Hield dat soms bij
+tusschenpoozen op, dan staakte graaf Sandorf zijn arbeid om hem daarna
+dadelijk weer te hervatten. Het werk vorderde flink. Stephanus Bathory
+en Ladislas Zathmar hadden bij de deur post gevat, teneinde graaf
+Sandorf te waarschuwen om den arbeid te staken, wanneer de schildwacht
+de deur der cel naderbij trad.
+
+Plotseling ontsnapte een zacht „chut”... aan de lippen van Ladislas
+Zathmar, waarop de arbeid dadelijk ophield.
+
+„Wat is er?” vroeg Stephanus Bathory.
+
+„Luister,” antwoordde Ladislas.
+
+Hij had juist het oor bij den rand van de ellipsoïdale helling gehouden
+en andermaal werd het acoustieke verschijnsel vernomen, dat den
+gevangenen bekend had gemaakt met het geheime verraad, ten hunnen
+opzichte gepleegd.
+
+Ziehier de afgebroken volzinnen, die bij korte tusschenpoozen nog
+opgevangen konden worden:
+
+„Morgen... in vrijheid... gesteld...”
+...............................................................
+
+„Ja... wanneer het bevel tot invrijheidstelling zal ontvangen zijn...”
+...............................................................
+
+„... Na de terechtstelling... Daarna... ga ik mijn makker Zirone
+opzoeken, die mij op Sicilië wacht...”
+...............................................................
+
+„Gij zult niet lang gezeten hebben in den vestingtoren van...”
+...............................................................
+
+Het was klaarblijkelijk Sarcany, die met een gevangenbewaarder praatte.
+Eene bijzonderheid: Sarcany had den naam van een zekeren Zirone
+genoemd, die in deze geheele zaak gemengd moest zijn. Graaf Mathias
+Sandorf onthield dien naam.
+
+Ongelukkig bereikte het laatste woord, waarvan de kennisname voor de
+gevangenen zoo nuttig ware geweest, hun oor niet. Bij het einde van den
+volzin, kraakte een geweldige donderslag en terwijl de electrische
+stroom de geleiding van den bliksemafleider volgde ontsnapten
+vuurstralen en vuurpluimen uit den ijzeren band, die graaf Sandorf in
+de hand hield. Zonder den zijden halsdas, die het metaal omwikkelde,
+zou de graaf door den stroom getroffen zijn.
+
+Het laatste woord alzoo, de naam van die vesting, was door het
+ontzaglijk geraas van den donder verloren gegaan. De gevangenen hadden
+dien naam niet kunnen vernemen. En toch, wat zou de kennis in welke
+vesting zij opgesloten zaten, door welke streek zij vluchten moesten,
+de kansen hunner ontsnapping, die onder zoo moeilijke omstandigheden
+ondernomen moest worden, niet hebben vermeerderd!
+
+Graaf Sandorf had den arbeid ijverig hervat. Van de vier sponningen
+waren er reeds drie zoodanig uitgebroken, dat de uiteinden der ijzeren
+staven uitgelicht konden worden. De vierde werd door het vuur der
+bliksemstralen, die het hemelruim onophoudelijk verlichtten aangetast.
+
+De arbeid was tegen half elf uur geëindigd.
+
+De ijzeren vensterrooster was geheel en al uit de sponningen losgemaakt
+en kon door de vensterruimte in den muur naar buiten geschoven worden.
+Men had thans slechts te duwen, om hem te doen vallen. Dit werd
+verricht, toen Ladislas Zathmar waargenomen had, dat de schildwacht
+zich bij zijn heen en weer wandelen naar het uiteinde van de gang
+begeven had.
+
+Door een forschen stoot bewogen, buitelde de rooster en verdween.
+
+Dit geschiedde in een oogenblik, toen de donder en het windgehuil
+zwegen. Graaf Sandorf luisterde om het geluid te vernemen, dat dit
+zware lichaam bij zijn val en zijn neerkomen op den grond zou maken.
+
+Maar hij hoorde niets.
+
+„De vestingtoren zal waarschijnlijk op een hooge rots gebouwd zijn, die
+het dal beheerscht,” merkte Stephanus Bathory op.
+
+„Och, wat kan ons de hoogte schelen!” antwoordde graaf Sandorf.
+„Ongetwijfeld reikt de ketting van den bliksemafleider tot aan den
+grond. Langs dien zullen wij den bodem wel bereiken, zonder gevaar te
+loopen van te vallen.”
+
+Dat was in het algemeen gesproken eene volkomen juiste redeneering, die
+evenwel in het gegeven geval valsch was; want het uiteinde van den
+bliksemafleider bereikte niet den bodem, maar de wateren van de Foïba.
+
+Toen men met het venster klaar was, was het oogenblik om te vluchten
+daar.
+
+„Vrienden,” zei Mathias Sandorf. „Ziehier hoe wij het moeten aanleggen.
+Ik ben de jongste en ik geloof de krachtigste. Ik moet dus het eerst
+pogen langs dien kabel naar beneden te komen. Voor het geval dat zich
+een of andere hinderpaal voordoet, dan zal ik wellicht de kracht hebben
+om mij weer naar boven tot bij het venster te hijschen. Twee minuten
+later laat gij, Stephanus, u naar beneden glijden om u bij mij te
+voegen. Weer twee minuten later moet gij, Ladislas, denzelfden weg
+volgen. Als wij alle drie aan den voet van den vestingtoren vereenigd
+zijn, zullen wij naar omstandigheden moeten handelen.”
+
+„Wij gehoorzamen u, Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory. „Wij zullen
+uitvoeren wat gij bevelen zult; wij zullen gaan waarheen gij ons zeggen
+zult onze schreden te wenden. Maar wij willen niet dat uw deel van het
+gevaar groot er zal zijn dan het onze....”
+
+„Ons leven is het uwe niet waard!” vulde graaf Ladislas Zathmar aan.
+
+„Voor de rechtspleging, die wij te voltrekken hebben, heeft ons leven
+gelijke waarde!” antwoordde graaf Sandorf. „Wanneer een onzer ontsnapt,
+dan moet die de uitvoerder van de gerechtigheid zijn. Kom vrienden,
+vrienden, laten wij elkander omhelzen.”
+
+De drie mannen omarmden elkander innig en het scheen dat zij eene
+groote geestkracht uit die omhelzing geput hadden.
+
+Toen kroop graaf Sandorf, terwijl Ladislas Zathmar bij de deur der cel
+op post stond om tegen onraad te waarschuwen, door de vensteropening
+die in den muur uitgesneden was. Een oogenblik later was hij buiten en
+hing hij in het ijle. Toen liet hij zich zakken, terwijl hij met de
+knieën den ketting van den bliksemafleider omklemde. Hij verplaatste
+daarbij beurtelings de eene hand onder de andere, terwijl hij met de
+voeten de haken zocht, waarmede de geleider vastgemaakt was, om daarop
+te steunen.
+
+Het onweder woedde toen in zijn volle kracht. Het regende niet, maar de
+wind stormde met ongehoord geweld. De eene bliksemstraal wachtte niet
+totdat de voorgaande in het hemelruim verdwenen was. Hare zigzaggen
+kruisten elkander boven den vestingtoren, die haar door zijne eenzame
+ligging op die hoogte aantrok. De punt van den bliksemafleider
+schitterde met een witachtig licht, dat er door den electrischen stroom
+als eene pluim opgehoopt werd, terwijl de stang schudde onder het
+geweld van den wind.
+
+Men begrijpt welk gevaar er in gelegen was, aan dien geleidketting te
+hangen, waarlangs de electrische stroom voortdurend afvloeide om zich
+in de wateren van den Buco te verliezen. Wanneer het toestel in goeden
+staat geweest ware, dan was er geen gevaar om getroffen te worden; want
+de volmaakte geleidbaarheid van het metaal vergeleken met die van het
+menschelijk lichaam, die veel minder is, zou den koenen waaghals, die
+aan den kabel hing, beveiligen; maar was de punt van den
+bliksemafleider hoe gering ook afgestompt, was er eene breuk hoe klein
+ook in den kabel, waardoor de stroom verbroken werd, dan was een
+ongeluk mogelijk, dan kwamen de twee stroomingen, de negatieve en de
+positieve te zamen, zelfs zonder dat de bliksem op den geleider
+insloeg, alleen door de spanning van den stroom, die in het gebrekkige
+toestel opgehoopt werd.
+
+Zoo werd in 1793 Richeman door eene electrische vonk van de dikte eener
+vuist gedood, hoewel hij zich op eenigen afstand van den
+bliksemafleider bevond, waarvan hij het geleidvermogen verbroken had.
+
+Graaf Sandorf was zeer goed bekend met het gevaar, waaraan hij zich
+blootstelde, maar een gevoel krachtiger dan dat van zelfbehoud deed hem
+alles trotseeren. Hij daalde langzaam en voorzichtig te midden van de
+electrische afstrooming, die hem geheel en al omgaf. Zijn voet zocht
+langs den muur iederen haak en rustte daarop een poos. Dan poogde hij,
+wanneer een bliksemstraal den afgrond, die onder hem gaapte,
+verlichtte, er de diepte van te peilen. Maar steeds te vergeefs.
+
+Toen Mathias Sandorf zoo een zestig voeten, sedert hij het venster der
+cel verlaten had, gedaald was, voelde hij een veiliger steunpunt onder
+den voet. Dat was een soort banket, slechts weinige duimen breed,
+hetwelk buiten den voet van den muur uitstak. De bliksemafleider
+eindigde daar ter plaatse niet, hij daalde lager, en in waarheid,—wat
+de vluchteling nog niet weten kon,—van dat punt af golfde de ketting in
+de lucht, nu eens langs den loodrechten rotswand, dan weer slingerde
+hij in het ijle en klotste daarbij tegen eenige der uitstekende deelen,
+die boven den afgrond hingen.
+
+Graaf Sandorf hield halt om even adem te scheppen. Zijne beide voeten
+steunden op het smalle boord van het banket; met zijne handen hield hij
+steeds den ijzeren kabel vast. Hij begreep dat hij de bovenlaag van het
+fondament van den vestingtoren bereikt had. Maar van welke hoogte
+beheerschte dit het beneden-dal? Dat was door hem niet te schatten.
+
+„Dat moet diep zijn,” dacht hij.
+
+Inderdaad, groote vogels, verschrikt en verblind door de schelheid der
+bliksemstralen, vlogen met angstigen wiekslag rondom hem en doken in de
+diepte, in stede van hare vlucht opwaarts te richten. De gevolgtrekking
+daarvan was duidelijk. Er was daar een afgrond onder zijne voeten.
+
+In dit oogenblik vernam hij eenig gerucht aan het boveneinde van den
+ijzeren kabel. Bij de vluchtige verlichting door eene bliksemstraal,
+zag graaf Sandorf eene onduidelijke massa, die zich van den muur
+afscheidde.
+
+Het was Stephanus Bathory, die het venster der cel uitschoof en zich
+langzaam liet afglijden, om zich bij Mathias Sandorf te voegen. Deze
+wachtte hem af, terwijl hij de voeten stevig op het steenen uitsteeksel
+gesteund hield. Daar moest Stephanus Bathory op zijn beurt halt houden,
+terwijl zijn makker de reis naar beneden verder zou vervolgen.
+
+Binnen weinige oogenblikken waren zij bij elkander, waarbij zij op het
+banket rustten.
+
+Zoodra het gerommel van den donder een poos ophield, konden zij spreken
+en elkander verstaan.
+
+„En Ladislas?” vroeg graaf Sandorf.
+
+„Die zal over eene minuut hier zijn.”
+
+„Is er geen onraad boven?”
+
+„Neen.”
+
+„Goed. Ik ga plaats voor Ladislas maken. En gij, Stephanus, gij zult
+hier wachten tot dat hij u bereikt heeft.”
+
+„Dat ’s afgesproken.”
+
+Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen beiden in dit oogenblik. Zij
+gevoelden zich alsof de electrische stroom, langs het ijzer vloeiende,
+tot in hunne spieren gedrongen was en meenden door den bliksem
+getroffen te zijn.
+
+„Mathias!.... Mathias!....” riep Stephanus onder den indruk van een
+onnoemelijken en onoverwinnelijken angst uit.
+
+„Kalmte en koelbloedigheid!” antwoordde graaf Sandorf.... „Ik ga verder
+afdalen.... en gij moet mij volgen!”
+
+Reeds had hij den kabel gegrepen, om zich tot aan den eersten haak naar
+onderen te laten afglijden. Daar wilde hij wachten tot dat zijn makker
+ook de reis aanvaard had.
+
+Plotseling werden kreten boven in den vestingtoren vernomen. Zij
+schenen van den kant van het venster der cel te komen. Duidelijk
+weerklonken de woorden:
+
+„Vlucht! Redt u!”
+
+Het was de stem van Ladislas Zathmar.
+
+Terstond daarop spoot als het ware een helder licht uit den muur en
+werd gevolgd door eene kort afgebroken losbranding zonder echo. Het was
+ditmaal niet de gehakkelde lijn van eene bliksemschicht, die zich op
+het zwart kleed van den nacht voordeed. Het was geen electrische vonk,
+die geknetterd had. Het was een geweerschot, dat ongetwijfeld op goed
+geluk af door het eene of andere schietgat van den vestingtoren gelost
+was. Of het een signaal voor de gevangenbewaarders of wel een kogel,
+bestemd voor de vluchtelingen was, om het even, de vlucht was thans
+ontdekt.
+
+Een schildwacht, die eenig gerucht meende te hooren, had inderdaad om
+hulp geroepen, waarop vijf of zes gevangenbewaarders de cel
+binnengestormd waren. Het ontbreken van twee gevangenen was natuurlijk
+dadelijk ontdekt. De toestand van het venster duidde genoegzaam aan,
+dat zij slechts langs dien weg hadden kunnen ontsnappen. Het was toen
+dat Ladislas Zathmar vóórdat men dit had kunnen beletten, zich buiten
+de vensteropening voorover gebogen en den alarmkreet uitgestooten had.
+
+„De ongelukkige!” riep Stephanus Bathory uit. „Moeten wij hem
+achterlaten?.... Mathias!.... Zeg.... achterlaten?”
+
+Een tweede geweerschot werd gelost en ditmaal vermengde zich de
+losbranding met het rollen van den donder.
+
+„God zij hem genadig!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij moeten
+vluchten.... al ware het maar om hem te wreken!.... Kom Stephanus,
+kom!”
+
+Het was meer dan tijd. Ook andere vensters van de benedenverdieping van
+den vestingtoren werden geopend. Nieuwe losbrandingen verlichtten hen.
+Ook hoorde men luidruchtige stemmen. Het waren misschien
+gevangenbewaarders, die langs het banket, hetwelk den voet van den
+vestingtoren omgaf, voortschrijdende, den weg voor de vluchtelingen
+konden afsnijden! Zij konden ook waarschijnlijk getroffen worden door
+geweerschoten, die uit andere gedeelten der vesting gelost werden!
+
+„Kom!” riep graaf Sandorf voor de laatste maal.
+
+En hij liet zich afglijden langs den kabel, die daarop dadelijk door
+Stephanus Bathory gegrepen werd.
+
+Toen eerst bemerkten beiden, dat die kabel onder het banket in het
+ledige, in het ijle slingerde. Er bestonden geen rustpunten, geen haken
+meer, die den kabel vasthechtten. Beiden slingerden met dien ketting
+mede, die hun de handen verwondde. Zij daalden, zij omklemden den kabel
+met de knieën, maar waren onmachtig hunne snelheid te temperen, terwijl
+in dat vreeselijke oogenblik hun de geweerkogels langs de ooren floten.
+
+Zoo daalden, neen stortten zij binnen een minuut ruim tachtig voeten
+naar beneden. Zij vroegen zich af, of die afgrond, waarin zij als het
+ware vielen, bodemloos was. Het geloei van stormachtig opgezweepte
+wateren bereikte hun gehoor. Toen begrepen zij dat de geleidketting van
+den bliksemafleider in den een of anderen bergstroom eindigde. Maar....
+om het even.... de dood daar boven, de dood hier beneden.... dan was de
+laatste voor de rampzaligen het meest verkieselijk.
+
+Een vreeselijke bliksemstraal verscheurde in dit oogenblik te midden
+van eene machtige electrische verlichting de wolken. Hoewel de stang
+boven op den vestingtoren niet middellijk door den electrischen stroom
+getroffen was, zoo was de spanning van dien stroom, die zich
+voortdurend langs den ketting ontlastte, zoodanig, dat zij de schalmen
+bij haren overgang wit gloeiend maakte, zooals met een platina draad
+geschiedt onder de ontlading van eene electrische batterij.
+
+Stephanus Bathory stiet een kreet van smart uit en liet de handen los.
+
+Mathias Sandorf zag hem voorbij zich vallen, waarbij zij elkander
+schier aanraakten. De ongelukkige had de armen uitgestrekt.
+
+Op zijn beurt moest ook hij den kabel, die hem de handen verschroeide,
+loslaten. Hij viel van eene hoogte van ruim veertig voeten in den
+bergstroom van Foïba, in dien onbekenden afgrond van den Buco.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+DE BERGSTROOM VAN FOÏBA.
+
+
+Het was ongeveer elf uren in den nacht. De onweerswolken begonnen zich
+in hevige stortregens op te lossen. De regen werd vermengd met dikke
+hagelsteenen, die de oppervlakte der Foïba mitrailleerden en op de
+naburige rotsen kletterden.
+
+De geweerschoten, die uit de schietgaten gelost werden, waren gestaakt.
+Waarom zooveel kogels, zooveel lood jegens de vluchtelingen te
+verspillen? De Foïba zou slechts lijken weergeven, wanneer zij althans
+iets weergaf!
+
+Nauwelijks was graaf Mathias Sandorf in den bergstroom gestort en onder
+de oppervlakte geschoten, toen hij zich plotseling meegesleept
+gevoelde. Van uit het schitterende licht, waarmede de electrische
+losbarsting den afgrond vervuld had, was hij overgegaan in den
+zwartsten nacht. Het geloei der wateren had het geratel van den donder
+vervangen. De ondoordringbare spelonk liet van buiten, noch geluid,
+noch licht, noch iets bespeuren.
+
+„Help....”
+
+Opeens werd die kreet vernomen! Het was Stephanus Bathory, die hem
+geslaakt had. De kilheid van het water had hem tot het leven
+teruggeroepen; maar hij kon zich niet aan de oppervlakte handhaven. Hij
+zou zeker verdronken zijn, wanneer hem niet een stevige hand gegrepen
+had op het oogenblik, dat hij ging verdwijnen.
+
+„Ik ben hier.... Stephanus!.... Houd moed!”
+
+Graaf Sandorf ondersteunde zijn makker met de eene hand, terwijl hij
+met de andere zwom.
+
+De toestand was zeer kritiek. Stephanus Bathory kon ter nauwernood
+zijne ledematen bewegen, verlamd als zij waren door den doorgang van
+den electrischen stroom. Voelde hij ook al de brandwonden aan zijne
+handen in de koude wateren niet, toch kon hij door die verlamming er
+zich niet van bedienen. Als graaf Sandorf hem slechts een oogenblik
+losgelaten had, zou hij onmiddellijk gezonken zijn. En toch had de
+graaf genoeg met zich zelven te stellen.
+
+Dan nog verkeerde men in volslagen onzekerheid omtrent de richting, die
+deze bergstroom volgde. In welke streek kwam hij uit? In welke rivier,
+of in welke zee zou hij uitmonden? Wanneer Mathias Sandorf ook al
+geweten had, dat die bergstroom de Foïba was, dan nog was zijn toestand
+even wanhopig geweest, dewijl niemand weet waar zijne wateren blijven,
+waarin hij zich uitstort. Men had gesloten flesschen bij den ingang van
+de spelonk in de Foïba geworpen, en nimmer waren zij ergens in een der
+wateren van het Istrische schiereiland te voorschijn getreden. Het kon
+zijn, dat zij onderweg gebroken waren bij dien onderaardschen doorgang,
+maar het kon ook zijn, dat die watermassa hen medegesleept had in de
+een of andere spleet van de aardkorst.
+
+De vluchtelingen werden intusschen met groote snelheid medegevoerd. Dit
+was eene omstandigheid, die het hun gemakkelijk maakte om aan de
+oppervlakte te blijven. Stephanus Bathory had zijn bewustzijn verloren.
+Hij was als een machteloos lichaam in de handen van graaf Sandorf. Deze
+kampte voor twee, maar hij gevoelde dat hij weldra uitgeput geraakte.
+Bij de gevaren om tegen de een of andere vooruitstekende rotspunt,
+hetzij van de wanden, hetzij hangende van het verwulf te stooten, kwam
+nog een ander, dat veel grooter genoemd moest worden. Dat was van in
+een dier draaikolken te geraken, die veroorzaakt werden door de
+veelvuldige tegenstroomingen, welke daar gevormd worden, waar een wand
+plotseling afbrak of een vooruitstekend stuk de regelmatige strooming
+verstoorde. Twintig malen voelde Mathias zich met zijn makker in een
+van die vloeibare zuigers opgenomen, die hem door hunne ronddraaiende
+beweging evenals een maalstroom tot zich trokken. Zij werden dan door
+een rondgaande beweging vervoerd en eindelijk naar den buitenrand van
+de kolk geworpen, zoo als met een steen uit een slinger zou geschieden,
+en konden er niet uitkomen dan door een tegenstroom geholpen.
+
+Zoo verliep onder die omstandigheden een half uur, waarin de dood hen
+iedere minuut, iedere seconde aangrijnsde. Mathias Sandorf, met eene
+bovenmenschelijke geestkracht begaafd, had nog geen oogenblik van
+zwakte ondervonden. Het was, alles goed beschouwd, gelukkig, dat zijn
+makker nagenoeg bewusteloos was. Als het gevoel van zelfbehoud wakker
+ware geweest, dan zou hij gesparteld hebben. Dan zou er gestreden
+moeten worden om hem te bedwingen, om hem tot onmacht te noodzaken. En
+dan zou graaf Sandorf waarschijnlijk genoodzaakt zijn geweest, om hem
+aan zijn lot over te laten, om niet beiden te verdrinken.
+
+Die toestand kon evenwel niet lang blijven duren. De krachten van
+Mathias Sandorf begonnen merkbaar af te nemen. In sommige oogenblikken
+dook zijn hoofd onder, wanneer hij dat van Stephanus Bathory boven de
+watervlakte ophief. Dan was de ademhaling plotseling verbroken. Dan
+hijgde hij, dan hoestte, dan kuchte hij, dan werd hij benauwd; want dan
+had hij te doen met een begin van verstikking.
+
+Hij moest zelfs verscheidene malen zijn makker loslaten, wiens hoofd
+dan dadelijk onder water dook, maar steeds slaagde hij er in hem weer
+te vatten en dat te midden van dien zwaren stroom, die door de
+gezwollen wateren nog sterker dan gewoonlijk was en met afgrijselijk
+geluid rondom hem loeide.
+
+Graaf Sandorf voelde dan ook weldra, dat hij verloren was. Het lichaam
+van Stephanus Bathory ontsnapte hem eindelijk geheel... Wel trachtte
+hij het, als laatste uiting van zijn wilskracht, nog te grijpen; maar
+hij vond het niet meer en zelf werd hij onder den waterspiegel
+medegesleept.
+
+Een hevige schok kneusde hem pijnlijk den schouder. Hij stak
+instinctmatig de hand uit. Zijne vingeren grepen en omsloten een bundel
+wortels, die in het water hingen.
+
+Die wortels behoorden tot een boomstronk, die door den bergstroom
+medegevoerd werd. Mathias Sandorf klemde zich stevig aan dat wrakstuk
+vast en kwam toen aan de oppervlakte der Foïba terug. Hij hield zich
+vast met de eene hand, maar zocht zijn makker met de andere.
+
+Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te
+grijpen en werkte hem met veel inspanning op den boomstronk, waarna hij
+naast hem plaats nam. Beiden waren nu buiten dadelijk gevaar van te
+verdrinken, maar zij waren nu aan het lot van dat wrakstuk verbonden en
+aan de grillen van de stroomingen en versnellingen van den Buco
+overgeleverd.
+
+Graaf Sandorf was gedurende een oogenblik buiten kennis geraakt. Zijn
+eerste zorg was, toen hij weer bijkwam, om maatregelen te nemen dat
+Stephanus Bathory niet van den boomstam kon glijden. Uit overmaat van
+voorzorg plaatste hij zich achter hem, zoodanig dat hij hem kon
+ondersteunen. Toen dat geschied was, keek hij rondom zich, om waar te
+nemen of niet eenig daglicht in de grot drong. Hij zou dan den toestand
+bij het verlaten van die spelonk kunnen overzien. Maar niets duidde
+aan, dat de uitgang van dat eindeloos kanaal nabij was.
+
+Toch was de toestand der vluchtelingen eenigermate verbeterd. Die
+boomstronk was ongeveer tien voet lang en zijn wortels, die op de
+watervlakte rustten, moesten verhinderen dat hij zich onverwacht
+omkeerde. Wanneer zich geene geweldige schokken zouden voordoen, dan
+scheen zijne stabiliteit verzekerd, hoewel de watermassa met kracht als
+langs een hellend vlak schoot. Zijne snelheid kon dan ook gerekend
+worden op tien mijlen in het uur, en was gelijk aan die van den
+bergstroom, die hen meesleepte.
+
+Mathias Sandorf had inmiddels zijne geheele koelbloedigheid
+teruggekregen. Hij poogde toen zijn makker, wiens hoofd op zijne knieën
+rustte, tot bewustzijn terug te brengen. Hij vergewiste zich dat zijn
+hart nog klopte, maar hij merkte daarbij op, dat hij ter nauwernood nog
+maar adem haalde. Hij bukte zich over hem heen, sloot zijne lippen op
+die van zijn vriend en blies zoo meerdere lucht in zijne longen.
+Misschien zou de eerste inwerking van de ondergane verstikking nog geen
+onherstelbare verwoestingen op de edele deelen aangericht hebben.
+
+En inderdaad, Stephanus Bathory begon zich te bewegen. Diepere en
+langere ademhalingen verhieven zijne borstkas en openden zijne lippen.
+Eindelijk ontsnapten enkele woorden aan zijn mond.
+
+„Mijne vrouw!.... Mijn zoon!.... Mathias!”
+
+Geheel zijn bestaan lag in die woorden opgesloten.
+
+„Stephanus, hoort ge me?.... hoort ge me?” vroeg graaf Sandorf, die te
+midden van het geloei van den bergstroom, hetwelk de gewelven van den
+Buco vervulde, schreeuwen moest.
+
+„Ja!.... Ja....!”
+
+„Stephanus!.... Stephanus!.... hoort ge mij?” herhaalde graaf Sandorf,
+die wellicht de twee woorden van zijn vriend niet verstaan had.
+
+„Ja!.... Ja!....” herhaalde deze. „Ik hoor u!.... Spreek!.... Mijne
+hand in de uwe!....”
+
+Nu had Mathias verstaan; want hij had zich voorovergebogen en zijn oor
+bij den mond van zijn vriend gebracht.
+
+„Stephanus,” vervolgde hij, „wij zijn niet meer in onmiddellijk gevaar.
+Wij hebben een wrakstuk dat ons torscht.... Waarheen?... Dat kan ik
+niet zeggen. Maar dat stuk hout zal ons niet ontbreken!”
+
+„Mathias.... en de vestingtoren?....”
+
+„Daar zijn wij reeds ver van daan! Men zal in de vesting gelooven, dat
+wij den dood in de wateren van deze kolk gevonden hebben en men zal er
+voorzeker niet aan denken om ons te achtervolgen! Waar die bergstroom
+ook zijne monding heeft, in zee of in eene rivier, zal hij ons toch
+eene uitkomst leveren en wij zullen dan levend aanlanden. Laat den moed
+dus niet zinken, Stephanus! Ik waak over je! Rust nog maar en herneem
+krachten, want die zult ge weldra noodig hebben. Binnen weinige uren
+zijn we gered!....”
+
+„Gered?....”
+
+„Ja gered!.... en vrij!”
+
+„Gered en vrij?”
+
+„Ja, voorzeker!”
+
+„En Ladislas?”
+
+Graaf Mathias Sandorf beantwoordde die vraag niet.
+
+Wat zou hij er in Gods naam op hebben kunnen antwoorden?
+
+Ladislas Zathmar had slechts tijd gehad om zijne makkers den
+alarmkreet, dien hij door het venster der cel geslaakt had, te doen
+hooren. Onmiddellijk daarop was hem de vlucht onmogelijk gemaakt. Hij
+was gegrepen geworden en werd van toen af streng bewaakt. Als zijne
+makkers voor hunnen persoon ook in de mogelijkheid daartoe geweest
+waren, zouden zij toch niets hebben kunnen uitrichten.
+
+Stephanus Bathory had zijn hoofd achterover laten vallen. De physieke
+kracht ontbrak hem om de loomheid, die hem bevangen had, te overwinnen.
+Maar Mathias Sandorf waakte over hem en was op alles voorbereid, zelfs
+om het wrakhout te verlaten, wanneer dat tegen een der hinderpalen, die
+te midden van de dikke duisternis, welke alom heerschte, niet te
+voorzien en niet te vermijden waren, mocht verbrijzeld worden.
+
+Het kon ongeveer twee uur in den morgen zijn, toen de snelheid van den
+stroom en dus ook die van den boomstronk aanmerkelijk scheen te
+minderen. Ongetwijfeld werd dat onderaardsche kanaal gaandeweg breeder,
+waardoor de wateren een meer vrijen doortocht tusschen die rotswanden
+vonden. Hun gang was dan ook meer regelmatig. Men mocht daaruit
+wellicht de gevolgtrekking maken, dat het uiteinde van dat
+onderaardsche hol niet ver meer verwijderd kon zijn.
+
+Maar weken de wanden terzijde uit, dan toonde het gewelf ter zelfder
+tijd eene neiging om te dalen. Wanneer graaf Mathias Sandorf de hand
+ophief, dan raakte die de onregelmatige krijtlagen en leisteenen, die
+boven zijn hoofd welfden. Soms hoorde hij een gedruisch als van eene
+wrijving... dat was de een of andere worteltak van den boom, die,
+loodrecht omhoog staande, met het uiteinde het gewelf aanraakte. Dan
+ontstonden hevige schokken, die aan den stam medegedeeld werden,
+waardoor deze schommelde en zwaaide en waardoor hij telkens van
+richting veranderde. Nu eens lag hij dwars in den stroom, dan weer
+draaide hij om zijn lengte-as, dan weer om zijne breedte-as, zoodat de
+vrees om er afgesleurd te worden niet ongegrond was.
+
+Toen dat gevaar, hetwelk zich herhaaldelijk voorgedaan had, voorbij
+was, bleef er een ander over, waarvan graaf Sandorf alle de gevolgen
+koelbloedig berekende. Dat was de waarschijnlijkheid, dat het gewelf
+der grot van den Buco bleef dalen. De drenkeling had reeds de aanraking
+met dat rotsgewelf niet anders kunnen ontwijken, dan door zich
+plotseling achterover uit te strekken, wanneer zijne hand eene
+uitstekende rots ontmoette. Zou men dus weer in den stroom moeten
+dompelen? Wat hem betrof, dat zou nog gaan, maar zou hij er in slagen
+om ook zijn makker boven water of hem zelfs onder de wateroppervlakte
+bij zich te houden? En als dat onderaardsche kanaal zonder bovenruimte
+zich over een langen afstand uitstrekte? Zou er dan mogelijkheid
+bestaan er levend uit te komen? Neen!... neen!... dat zou
+onherroepelijk het einde zijn, na zooveel doodstrijd reeds doorworsteld
+te hebben.
+
+Hoe geestkrachtvol Mathias Sandorf ook was, hij voelde de doodsangst
+hem de keel dichtsnoeren. Hij begreep dat het kritiekste oogenblik, het
+uiteinde naderde. De wortels van den boomstam wreven krachtiger tegen
+de rotssteenen van het gewelf en soms werd hij met het vooreinde
+zoodanig onder water geduwd, dat zijne geheele oppervlakte overstroomd
+werd.
+
+„Toch kan de uitgang van die spelonk thans niet ver meer zijn!”
+mompelde graaf Sandorf in zich zelf.
+
+En dan trachtte hij uit te kijken, of geene lichtstraal daar voor hem
+uit de dikke duisternis doorbrak. De nacht zou nu wel reeds zoo ver
+gevorderd zijn, dat de duisternis daarbuiten zoo sterk niet meer was.
+Misschien verlichtten de bliksemstralen nog het ruim daarbuiten den
+Buco. In dat geval zou wel een weinig licht in dit kanaal kunnen
+indringen, dat de afgevoerd wordende wateren der Foïba niet meer scheen
+te kunnen bevatten.
+
+Maar niets! Steeds niets!
+
+Steeds volkomen duisternis.
+
+Steeds het geloei van den bergstroom, welks schuim nog altijd zwart
+bleef.
+
+Plotseling werd een vreeselijke schok ondervonden. De boomstronk had
+met zijn vooreinde tegen een grooten steen, die van het gewelf afhing,
+gestooten. Onder dien stoot keerde de boom geheel en al om, maar graaf
+Sandorf liet hem niet los. Met de eene hand klemde hij zich wanhopig
+aan de wortels vast, met de andere hand had hij zijn makker gegrepen
+juist op het oogenblik, dat deze op het punt was om medegesleept te
+worden. Daarna liet hij zich in het water glijden, dat thans tegen het
+gewelf brak.
+
+Zoo ging eene minuut voorbij. Mathias Sandorf had een gevoel alsof hij
+verloren was. Instinctmatig weerhield hij zijn adem, om het weinigje
+lucht, dat in zijne longen nog besloten was, zooveel mogelijk te
+sparen.
+
+Plotseling ondervond hij te midden van de watermassa, hoewel hij de
+oogen gesloten hield, een gevoel, alsof een schel licht op zijne
+oogleden inwerkte. Een bliksemstraal had geschitterd en werd
+onmiddellijk daarop gevolgd door het geratel van den donder.
+
+Eindelijk!.... daar was licht!
+
+De Foïba had inderdaad dat sombere onderaardsche kanaal verlaten en
+stroomde thans onder den blooten hemel. Maar naar welk punt der kust
+stroomde zij? In welke zee zou hare monding uitkomen?
+
+Dat was steeds het onoplosbare vraagstuk.
+
+En toch was ’t het vraagstuk van leven en dood.
+
+De boomstam was ook op de wateroppervlakte teruggekomen. Stephanus
+Bathory werd steeds stevig vastgehouden door Mathias Sandorf, die er
+eindelijk door eene buitengewone krachtsinspanning in slaagde om hem
+weer op het wrakstuk uit te strekken en achter hem plaats te nemen.
+
+Daarna keek hij vooruit, rondom zich, boven zich.
+
+Achter hem begon eene zwarte massa in de nevelen te verdwijnen, alsof
+zij uitgewischt werd. Dat was de kolossale rotsklomp, die den Buco
+vormt en waardoor het onderaardsche hol liep, hetwelk doorgang aan de
+wateren der Foïba verleende. De dag werd reeds door een zwak licht
+aangekondigd, dat in het zenith waargenomen werd, en nog ijl was als
+die sterren-nevelvlekken, welke het oog ter nauwernood gedurende de
+helderste winternachten kan bespeuren. Van tijd tot tijd werden de
+achtergelegen vakken van den gezichteinder door bliksemstralen
+verlicht, terwijl de donder statig maar dof rolde. Het onweer
+verwijderde zich of was uitgeraasd, nadat het al de electrische stof,
+in het ruim voorhanden, verbruikt had.
+
+Mathias Sandorf liet zijne blikken niet zonder angst rechts en links
+rondwaren. Hij kon toen bemerken, dat de rivier steeds met groote
+snelheid tusschen steile rotswanden voortstroomde.
+
+Het was dus eene stroomversnelling, die de vluchtelingen te midden van
+stroomingen, tegenstroomingen en kolken medevoerde. Maar het
+uitspansel, het oneindige strekte zich boven hun hoofd uit en niet meer
+dat lage gewelf, hetwelk hen ieder oogenblik dreigde den schedel te
+verbrijzelen. Er was evenwel geen oever, geen strand, waarop zij vasten
+voet zouden kunnen verkrijgen, zelfs geen talud, geene helling, waarop
+zij aan land hadden kunnen gaan. De Foïba was als het ware tusschen
+twee steile muren ingekist. Het was een smal kanaal met loodrechte
+wanden, die door de wateren glad geschuurd waren.
+
+De laatste indompeling had tot gevolg gehad, om Stephanus Bathory tot
+bewustzijn te doen terugkeeren. Zijne hand had die van Mathias Sandorf
+gezocht en natuurlijk gevonden.
+
+Deze boog zich over zijn vriend en sprak hem toe:
+
+„Gered!”
+
+Maar.... had hij wel het recht dat woord uit te spreken?
+
+Gered?.... Hij wist niet eens waarheen die bergstroom hen voerde!
+
+Gered?.... Hij wist niet eens door welke landstreek zij dreven!
+
+Gered?.... Hij kon niet weten, wanneer hij dat wrakhout zou kunnen
+verlaten!
+
+En toch, de graaf was zoodanig door geestkracht bezield, dat hij,
+terwijl hij zich overeind op den boomstronk oprichtte, drie malen met
+krachtige stem dat woord herhaalde:
+
+„Gered! Gered! Gered!”
+
+Ja, die woorden klonken luid. Maar om het even, wie zou ze hier hooren?
+Niemand was op de naakte rotsen te ontdekken, waarop zelfs ietwat
+humus, ietwat teelaarde ontbrak, en waarop slechts rotssteenen, keien
+en leisteenen aangetroffen werden, waar zelfs niet zooveel grond
+aanwezig was, om eenige struikjes te voeden. De landstreek, die zich
+achter die hooge oevernokken uitstrekte, kon geen enkel menschelijk
+wezen lokken. Het was eene rampzalige streek, waardoor de Foïba
+stroomde, die ingekerkerd was, zooals slechts een afwateringskanaal
+tusschen zijne granietmuren kan zijn. Geen enkel beekje kwam onderweg
+den stroom voeden. Geen vogel schoor over de watervlakte, zelfs geen
+enkele visch waagde zich in die te snelvlietende wateren. Hier en daar
+staken boven de oppervlakte groote rotsen uit, welker volkomen droge
+brokken genoegzaam aanduidden, dat het heerschende geweld van dien
+waterstroom slechts aan eene kortstondige rijzing te danken was, welke
+door de laatstgevallen regens veroorzaakt werd.
+
+In gewone tijden kon de bedding der Foïba niets meer dan een diep
+ingesneden ravijn zijn.
+
+Het was daarenboven niet te vreezen, dat de boomstronk op de rotstoppen
+geworpen werd. Hij vermeed ze uit zichzelven, door den stroomdraad te
+volgen, die er omheen voerde. Het zou ook onmogelijk geweest zijn het
+vervoermiddel der vluchtelingen uit dien stroomdraad te brengen, ook om
+zijne snelheid te remmen, om bijvoorbeeld eenig punt des oevers aan te
+doen, voor het geval dat de mogelijkheid bestond om aan wal te gaan.
+
+Zoo ging in die omstandigheden nog een uur voorbij, zonder dat men zich
+om een onmiddellijk gevaar had te bekommeren. De laatste
+bliksemschichten waren van den hemel verdwenen. In de verte werd van
+het onweder niets anders vernomen, dan een dof gerommel, dat door de
+hoogere wolken, die boven aan het uitspansel lange vederachtige strepen
+vormden, afgestompt werd.
+
+Het daagde reeds bij de kim en een wit licht bleekte het donkere azuur
+van de lucht, die door de nachtelijke buien geheel gezuiverd was.
+
+Stephanus Bathory zat half overeind en rustte in de armen van graaf
+Sandorf, die voor hem waakte.
+
+In dit oogenblik werd eene verwijderde losbranding in zuidwestelijke
+richting vernomen.
+
+„Wat kan dat zijn?” vroeg Mathias Sandorf zich af. „Is het een
+kanonschot, dat de dageraad en de opening van de een of andere haven
+aankondigt?”
+
+In dat geval zouden zij niet ver van de kust verwijderd zijn. Dat moest
+hij erkennen.
+
+Welke haven kon dat wezen? Triëst?
+
+Neen! want daar is het oosten, daar aan dien kant, waar de zon op het
+punt is te verschijnen.
+
+Zou het Pola zijn, de haven, die op het zuidelijke uiteinde van Istrië
+gelegen is?
+
+Maar... dan is...
+
+Een tweede losbarsting weerklonk en werd dadelijk daarop door eene
+derde gevolgd.
+
+„Drie kanonschoten?” vroeg graaf Sandorf zich zelven af. „Zou dat het
+sein niet eerder zijn van een embargo voor de schepen, die uit zeilen
+willen?”
+
+En na eenig nadenken, mompelde hij:
+
+„Zou dat in verband staan met onze ontvluchting?”
+
+Dat was inderdaad te vreezen.
+
+De autoriteiten hadden voorzeker geen enkele voorzorg verwaarloosd om
+de vluchtelingen het verdere ontsnappen te beletten, wanneer het hun
+gelukken mocht een vaartuig te bereiken.
+
+„Dat God ons thans te hulp kome!” mompelde graaf Sandorf. „Hij alleen
+kan ons helpen!”
+
+De hooge rotswanden, die de Foïba omgaven, begonnen langzamerhand lager
+te worden, terwijl zij zich verder van elkander verwijderden. Toch was
+er nog niets van het omliggende land te verkennen. Plotselinge
+buigingen, scherpe hoeken maskeerden den horizon en begrensden den
+gezichtskring tot eenige honderden voeten. Onder die omstandigheden was
+het oriënteeren totaal onmogelijk.
+
+Het bed der rivier, dat thans zeer verbreed was, bleef steeds stil en
+eenzaam en veroorloofde de wateren met minder snelheid voort te stuwen.
+Eenige boomstammen, die bovenstrooms ontworteld waren, volgden den
+stroomdraad statig en bijna langzaam. Die Juni-ochtend was vrij frisch.
+De vluchtelingen klappertandden en bibberden onder hunne doornatte
+kleeding. Het werd hoog tijd dat zij eene schuilplaats vonden, waar de
+zon hunne vodden kon drogen.
+
+Tegen vijf uur werden de laatste uitloopers van het gebergte vervangen
+door lage oevers, die zich in eene effen en kale landstreek
+ontwikkelden. De Foïba liep toen langs eene bedding, die zeker eene
+halve mijl breed was en ging weldra in eene groote uitgestrektheid
+water over, die den naam van meer of ten minste van meertje verdiend
+zou nebben. Geheel aan het uiteinde in het westen werden eenige
+visschersvaartuigen ontwaard, sommige nog voor anker liggende, andere
+bezig met zeil te zetten om van de lichte morgenbries gebruik te maken;
+zij schenen er op te wijzen dat dit meertje een havenkom was, die breed
+uitgesneden in de kust voorkwam.
+
+De zee kon dus niet ver meer af zijn, het was dus onze vluchtelingen
+als aangewezen om haar op te zoeken. Het zou evenwel niet voorzichtig
+genoemd kunnen worden eene schuilplaats aan die visschers te gaan
+verzoeken. Zich aan hun toevertrouwen, zou, voor het geval zij van de
+ontvluchting kennis droegen, groot gevaar opleveren, om aan de
+Oostenrijksche maréchaussées, die toch de landstreek doorzoeken
+moesten, uitgeleverd te worden.
+
+Graaf Mathias Sandorf wist waarachtig niet waartoe te besluiten, toen
+de boomstronk tegen een anderen stiet, die ternauwernood met de
+wateroppervlakte gelijk bij den linkeroever van het meertje in de
+modder vastgeklonken lag en bewegingloos bleef liggen, alsof hij voor
+anker gekomen was. Zijne wortels verwarden zich zoo stevig in een
+boschje struikgewas, dat zij daarin vast bleven zitten en de boomstronk
+langs den oever gleed als eene sloep, die het touw, waarmede zij
+vastgelegd is, strak loopt.
+
+Graaf Sandorf stapte op den oever over, evenwel niet zonder eenige
+voorzorgsmaatregelen genomen te hebben. Hij verzekerde zich, dat
+niemand hem kon bespeuren.
+
+Zoo ver zijn blik ook droeg, zag hij geen enkel menschelijk wezen,
+visscher of iemand anders op of langs dit gedeelte van het meertje.
+
+En toch lag er een man op het zand op minder dan tweehonderd passen
+uitgestrekt, die vandaar de beide vluchtelingen zeer goed kon
+waarnemen.
+
+Toen graaf Sandorf vermeende, dat hij veilig was, stapte hij weer op
+den boomstronk, tilde zijn makker in zijne armen op en lei hem zacht op
+den oever neer, steeds zonder iets te weten van de streek, waarin hij
+zich bevond, noch van de richting die men zou moeten inslaan.
+
+De uitgestrektheid water, die de Foïba tot monding strekte, was noch
+een meertje, noch een meer, maar een haft. Men noemt haar daar ter
+plaatse het kanaal van Léma. Het heeft gemeenschap met de Adriatische
+zee door eene smalle insnijding, welke tusschen Orsera en Rovigno op de
+westkust van het Istrische schiereiland gelegen was. Maar men wist toen
+niet dat het de wateren der Foïba waren, die, na de spelonk van den
+Buco doorstroomd te hebben, dat haft kwamen voeden.
+
+Op weinige passen van den oever stond eene jagershut. Graaf Sandorf en
+Stephanus Bathory traden er in, om eenige rust te genieten en om hunne
+krachten te herstellen. Daar ontdeden zij zich van hunne kleederen, die
+in de stralen van de warme Juni-zon spoedig zouden gedroogd zijn.
+Daarna wachtten zij.
+
+De visschersvaartuigen hadden het kanaal van Léma verlaten en, zoover
+het oog peilen kon, was de kust eenzaam en stil.
+
+In dit oogenblik stond de man, die dat schouwspel gadegeslagen had, op,
+naderde de hut, alsof hij er de ligging goed van wilde opnemen; daarna
+verdween hij in zuidelijke richting, terwijl hij een ietwat verheven
+kusthoek omsloeg.
+
+Drie uren later hadden graaf Sandorf en zijn makker hunne kleederen
+weer kunnen aantrekken, die evenwel nog vochtig waren. Maar het werd
+tijd om te vertrekken.
+
+„Wij kunnen niet langer in die hut blijven,” zei Stephanus Bathory.
+
+„Voelt ge u sterk genoeg om de reis te aanvaarden?” vroeg Mathias
+Sandorf.
+
+„Ik ben flauw en uitgeput door den honger.”
+
+„Laten wij de kuststrook volgen. Wellicht dat wij er in slagen ons
+eenig voedsel te verschaffen, ook om ons in te schepen! Kom,
+Stephanus!”
+
+Beiden verlieten de hut, maar gevoelden zich klaarblijkelijk meer
+verzwakt door de ontbering dan door de vermoeienis.
+
+Het plan van graaf Sandorf was, om den zuidelijken oever van het kanaal
+van Léma te volgen, teneinde de zeekust te bereiken.
+
+Maar was ook al de landstreek eenzaam en verlaten, zoo krioelde zij
+toch van beken, die allen naar het haft stroomden. Onder den invloed
+van dat vochtige net, was dit gedeelte van den oever slechts een vast
+moeras, waarvan de papachtige bodem geen enkel steunpunt aanbood. Men
+moest dat dus omtrekken door zuidwaarts af te houden. Die richting was
+gemakkelijk waar te nemen bij de klimmende baan der zon. De
+vluchtelingen schreden zoo gedurende twee uren voort, zonder een enkel
+menschelijk wezen te ontmoeten, maar ook zonder den honger, die hen
+teisterde, te kunnen stillen.
+
+Later werd het land langzamerhand minder schraal. Een weg vertoonde
+zich, die van het oosten naar het westen liep. De vluchtelingen
+bespeurden een mijlsteen, die niets omtrent de landstreek, waarin zich
+graaf Sandorf en Stephanus Bathory blindelings waagden, te kennen gaf.
+Evenwel eenige moerbeziënheggen en verder een sorgho-veld veroorloofde
+hen zoo niet hunnen honger te stillen, dan toch de behoefte van hun
+maag bedriegelijk tevreden te stellen. De rauwe sorgho, die zoo maar
+uit de vuist verorberd werd, de frissche moerbeien waren evenwel
+voldoende om te beletten van honger neer te vallen, vóórdat zij de kust
+bereikt hadden.
+
+Maar nu die landstreek meer bewoonbaar werd, nu eenige akkers bewezen
+dat een menschenhand aan het werk geweest was, nu moest men ook
+verwachten bewoners te ontmoeten.
+
+Dat gebeurde inderdaad zoo tegen het middaguur.
+
+Vijf of zes voetgangers verschenen op den weg. Voorzichtigheidshalve
+wilde graaf Mathias Sandorf zich niet laten bemerken. Gelukkig
+ontwaarde hij eene heining om den bouwval van eene pachthoeve, die op
+ongeveer vijftig passen ter linkerzij van den weg gelegen was. Daar
+vonden hij en zijn makker, nog vóórdat zij ontdekt waren, eene
+schuilplaats in een donker vertrek. Er bestond veel kans, dat zij niet
+ontdekt werden wanneer de een of andere voorbijganger bij die
+pachthoeve stil hield, en zij konden er desnoods, tot de nacht
+ingevallen was, blijven.
+
+Die voetgangers waren boeren en zoutvervaardigers. De meesten hunner
+dreven troepen ganzen naar de markt van eene stad of van een dorp, dat
+niet ver verwijderd van het kanaal van Léma lag. Mannen en vrouwen
+waren volgens de Istrische mode gekleed met de juweelen, medailles,
+oorbellen, borstkruizen, horlogekettingen met aanhangselen, die de
+kleederdrachten der beide geslachten versierden. Wat de
+zoutvervaardigers betrof, zij waren eenvoudig gekleed; zij droegen een
+randsel op den rug, een knuppel in de hand, en begaven zich naar de
+naburige zoutpannen, wellicht naar de meer belangrijke te Stagnon of te
+Pirano, in het westen van de provincie gelegen.
+
+Sommigen stonden, bij de pachthoeve aangekomen, een oogenblik stil,
+anderen zetten zich op den drempel neder en praatten niet zonder
+levendigheid met elkander, evenwel slechts over zaken, die op hunnen
+handel betrekking hadden.
+
+De beide vluchtelingen, in hun hoek verscholen, luisterden.
+
+Misschien droegen die lieden reeds kennis van hunne ontvluchting en
+zouden zij er over praten.
+
+Misschien zouden zij zich ook woorden laten ontvallen, waaruit graaf
+Sandorf kon opmaken in welke landstreek van Istrië zijn makker en hij
+zich bevonden.
+
+Geen enkel woord evenwel werd over dat onderwerp gewisseld en men moest
+zich dus steeds met gissingen tevreden stellen.
+
+„Daar de lieden over onze ontvluchting niet spreken,” zei graaf
+Sandorf, „valt daaruit op te maken, dat zij nog niet ter hunner kennis
+gekomen is.”
+
+„Dat zou als bewijs kunnen opgenomen worden, dat wij reeds ver van de
+vesting verwijderd zijn.”
+
+„Ja, zeker!”
+
+„Rekent men de snelheid van den bergstroom, die ons door zijn
+onderaardsche gang gedurende zes volle uren meesleurde, dan kunnen wij
+er niet verbaasd over zijn.”
+
+„Neen zeker niet!” antwoordde graaf Sandorf.
+
+„En het moet zoo zijn,” sprak Bathory.
+
+Evenwel twee uren later hoorden zij eenige zoutvervaardigers, die de
+pachthoeve voorbij stapten, zonder zich op te houden, praten over eene
+brigade maréchaussées, die zij bij de poort van de stad ontmoet hadden.
+
+Welke stad?....
+
+Die werd niet genoemd.
+
+Dat bericht was volstrekt niet geschikt, om onze vluchtelingen gerust
+te stellen.
+
+Wanneer maréchaussées de streek doorkruisten, dan was dat
+waarschijnlijk met het doel om hen op te sporen.
+
+„En toch,” zei Stephanus Bathory, „naar de omstandigheden, waaronder
+wij ontsnapt zijn, moet men meenen dat wij dood zijn en van eene
+opsporing afzien....”
+
+„Men zal slechts aan onzen dood gelooven, wanneer men onze lijken
+gevonden zal hebben,” antwoordde Mathias Sandorf.
+
+Hoe het ook zij, dat was buiten kijf, dat de politie op de been was en
+de vluchtelingen zocht. Zij besloten dan ook om in de pachthoeve
+verscholen te blijven, totdat de nacht ingevallen zou zijn. De honger
+kwelde hen; maar zij durfden hunne schuilplaats niet verlaten en daar
+deden zij goed aan.
+
+Dien avond tegen vijf uren, naderde inderdaad een kleine ruiterbende.
+Men kon den hoefslag op den weg hooren weerklinken.
+
+Graaf Sandorf, die, over den grond kruipende, de deur van de omheining
+genaderd was, keerde haastig naar zijn makker weder en trok hem met
+zich voort tot in den donkersten hoek van het vertrek.
+
+Daar schuilden beiden onder een hoop struiken weg en hielden zich zoo
+onbewegelijk mogelijk.
+
+Een zestal maréchaussées, aangevoerd door een brigadier, reden langs
+den weg en richtten zich oostwaarts. „Zouden zij bij de pachthoeve stil
+houden?” vroeg graaf Sandorf zich niet zonder angst af. Wanneer de
+maréchaussées dien bouwval doorzochten, dan kon het niet missen, of zij
+moesten de verscholenen ontdekken.
+
+Zij hielden bij die plaats stil. De brigadier commandeerde halt. Twee
+maréchaussées en hij stegen van het paard, terwijl de anderen in het
+zadel bleven.
+
+Deze kregen bevel om de streek in de nabijheid van het kanaal van Léma
+te doorzoeken en daarna op de pachthoeve terug te trekken, waar men hen
+tot des avonds zeven uren wachten zou.
+
+De vier maréchaussées verwijderden zich en reden den weg op. De
+brigadier en de twee anderen bonden hunne paarden aan de spijlen van
+een half vergane omheining vast, die de pachthoeve omgaf. Daarna gingen
+zij buiten het gebouw zitten en begonnen te praten. De vluchtelingen
+konden van uit het vertrek, waar zij verscholen waren, alles hooren.
+
+„Ja, hedenavond moeten wij naar de stad terugkeeren,” antwoordde de
+brigadier op eene vraag, die door een zijner maréchaussées gedaan was.
+„Daar zullen wij instructies voor den nachtdienst erlangen. De
+telegraaf zal waarschijnlijk wel nieuws van Triëst aangebracht hebben.”
+
+De besproken stad was dus Triëst niet. Dat was eene bijzonderheid, die
+graaf Sandorf niet ontging.
+
+„Is het niet te vreezen, dat de vluchtelingen, terwijl wij hen hier
+zoeken, het kanaal van Quernaro bereikt hebben?” vroeg een der
+maréchaussées.
+
+„Dat’s zeer goed mogelijk,” antwoordde de andere.
+
+„Waarom?” vroeg de brigadier.
+
+„Omdat zij daar beter in veiligheid zijn dan hier.”
+
+„Als zij daarheen getrokken zijn, loopen zij hetzelfde gevaar om
+ontdekt te worden als hier.”
+
+„Meent ge, brigadier?”
+
+„Voorzeker; want de geheele kust van het eene einde van de provincie
+tot het andere wordt bewaakt.”
+
+Een tweede bijzonderheid, die niet vergeten mocht worden. Graaf Sandorf
+en zijn makker bevonden zich dus wel degelijk op de westkust van
+Istrië, dat wil zeggen bij den oever van de Adriatische zee en niet op
+den oever van het tegenovergelegen kanaal, dat tot Fiuma en
+waarschijnlijk verder reikt.
+
+„Ik denk dat men ook wel nasporingen in de zoutpannen van Pirano en van
+Capo d’Istria zal verrichten,” hernam de brigadier. „Men kan zich daar
+gemakkelijker schuil houden, en een vaartuig bemachtigen om de
+Adriatische zee over te steken.”
+
+„Ho, ho! brigadier!” riep een der maréchaussées uit.
+
+„Rimini of Venetië zijn niet ver.”
+
+„Zij hadden beter gedaan, stil den dood in hunne cel af te wachten,”
+antwoordde de andere maréchaussée wijsgeerig.
+
+„Ja”, meende de andere, „vroeg of laat zal men hen toch wel snappen,
+als men hunne lijken niet uit den Buco opvischt! Dan was het uit. En
+dan hadden wij bij die hitte het land niet af te loopen, wat geen
+baantje is.”
+
+„En wie zegt je dat het niet uit is?” hernam de brigadier. „De Foïba
+heeft zich waarschijnlijk belast met de terechtstelling, en de
+veroordeelden konden geen slechteren weg dan dien kiezen om uit den
+vestingtoren van de citatel van Pisino te geraken, dan toen de wateren
+zoo gezwollen waren!”
+
+De Foïba, dat was dus de naam der rivier, die graaf Sandorf en zijn
+lotgenoot meêgesleurd had.
+
+De citadel van Pisino, dat was de vesting waarin zij, na hunne
+gevangenneming, gekerkerd, verhoord en veroordeeld waren!
+
+Daar was het, dat zij zouden zijn doodgeschoten.
+
+Het was uit den vestingtoren van die citadel, dat zij ontsnapt waren!
+
+Graaf Sandorf kende de stad Pisino goed. Hij was dus omtrent dit voor
+hen zoo belangrijke punt ingelicht en het zou alzoo aan het toeval
+overgelaten moeten worden, hoe en waarheen zij het Istrische
+schiereiland doortrekken zouden, wanneer namelijk de vlucht nog
+mogelijk geoordeeld werd.
+
+Het gesprek der maréchaussées ging niet verder; maar door die weinige
+woorden hadden de vluchtelingen alles vernomen wat belangrijk voor hen
+was te weten. Alleen hadden zij nog niet vernomen, welke stad het meest
+nabij het kanaal van Léma op de kust van de Adriatische zee gelegen
+was.
+
+De brigadier was intusschen opgestaan. Hij stapte langs de omheining
+van de pachthoeve op en neer en keek of de uitgezonden manschappen nog
+niet terugkwamen. Hij trad twee of drie malen in de bouwvallige woning
+en bezocht er al de kamers van, eer uit gewoonte aan zijn vak eigen,
+dan uit achterdocht. Hij kwam zelfs tot bij de deur van het vertrek,
+waarin de vluchtelingen zaten, en zij zouden zeker ontdekt zijn,
+wanneer er geen dikke duisternis geheerscht had. De brigadier trad
+zelfs binnen en raakte met het benedeneinde van zijn sabelschede
+lichtelijk den hoop struiken aan, waaronder zij verscholen waren. In
+dit oogenblik ondervonden graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory
+eene afwisselende reeks van angstige gevoelens, die onmogelijk te
+beschrijven zijn.
+
+Zij waren evenwel vast besloten om hun leven zoo nadrukkelijk mogelijk
+te verdedigen, wanneer zij zouden ontdekt worden. O, in dat geval
+zouden zij voor niets terugdeinzen. Zij zouden zich dan op den
+brigadier werpen, zij zouden dan van zijne verrassing en schrik gebruik
+maken om hem zijne wapens te ontrukken, zij zouden hem en zijne
+manschappen aanvallen, hen dooden of zelf vallen. Dat alles dwarrelde
+door hun brein.
+
+De brigadier werd evenwel een oogenblik later naar buiten geroepen,
+zoodat hij het vertrek verliet, zonder er iets verdachts bespeurd te
+hebben. De vier maréchaussées, die op verkenning uitgezonden werden,
+waren op de pachthoeve teruggekeerd. In weerwil van hunnen ijver,
+hadden zij van de vluchtelingen geen spoor ontdekt in die geheele
+streek, besloten tusschen de kust en het kanaal van Léma. Zij kwamen
+evenwel niet alleen terug. Een man vergezelde hen.
+
+Dat was een Spanjool, die dagelijks in de zoutpannen in den omtrek
+arbeidde. Hij was op weg om naar de stad terug te keeren, toen de
+maréchaussées hem ontmoet hadden. Daar hij hen vertelde dat hij de
+landstreek tusschen de stad en de zoutpannen doorgetrokken was,
+besloten zij hem bij hunnen brigadier te brengen, opdat deze hem zou
+kunnen ondervragen.
+
+Die man weigerde volstrekt niet om hen te volgen.
+
+Toen hij in de tegenwoordigheid van den brigadier gekomen was, vroeg
+deze hem of hij of andere zoutmakers de aanwezigheid van twee vreemde
+personen opgemerkt hadden.
+
+„Neen, brigadier,” antwoordde de man, „maar heden ochtend, een uur
+nadat ik de stad verlaten had, heb ik twee mannen waargenomen, die bij
+de punt van het kanaal van Léma aan wal kwamen.
+
+„Twee mannen, zegt ge?” vroeg de brigadier.
+
+„Ja; maar daar men in den omtrek meende dat de terechtstelling
+hedenochtend in de vesting van Pisino had plaats gehad en daar men van
+de ontsnapping nog niets wist, heb ik geene aandacht aan die mannen
+gewijd. Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen,
+wanneer dat de vluchtelingen waren.”
+
+Graaf Sandorf en Stephanus, steeds in hun donker vertrek verscholen,
+hoorden woord voor woord dat gesprek, hetwelk zoo belangrijk voor hen
+was. Dus op het oogenblik, dat zij op den oever van het kanaal Léma
+voet aan wal zetten, waren zij bespeurd geworden.
+
+„Hoe heet ge?” vroeg de brigadier.
+
+„Ik?”
+
+„Ja, gij.”
+
+„Wat hebt ge met mijn naam te maken? Ik ben niet ontvlucht.”
+
+„Om het even. Ik moet dien weten.”
+
+„Welnu, ik heet Carpena.”
+
+„En uw beroep?”
+
+„Mijn beroep?” vroeg Carpena aarzelend.
+
+„Ja, uw beroep. Kom, maak voort.”
+
+„Ik ben arbeider in de zoutpannen van dit land.”
+
+„Uw geboorteland?”
+
+„Wat hebt ge daar toch mee te maken?”
+
+„Antwoord slechts, het waarom gaat u niet aan.”
+
+„Welnu, ik ben Spanjaard.”
+
+„Waar geboren?”
+
+„Te Catana, eene plaats aan de Middellandsche Zee.”
+
+De brigadier, die schrijfgereedschap voor den dag gehaald had, teekende
+dat alles op.
+
+„Zoudt gij die mannen herkennen?” ging hij voort met vragen.
+
+„Welke mannen?”
+
+„Houd je nu niet dom. Die mannen, die ge hedenochtend op den oever van
+het kanaal van Léma gezien hebt?”
+
+„Herkennen?.... Dat is maar zoo wat.”
+
+„Herinner je goed.”
+
+„Ik heb hen zoo niet gadegeslagen.”
+
+„Kom, met wat goeden wil.”
+
+„Nu, ik meen ja.”
+
+„Ja, wat?”
+
+„Dat ik ze herkennen zou.”
+
+„Welnu, dan moet ge naar de stad gaan en daar uwe verklaring bij de
+politie afleggen en u ter harer beschikking stellen.
+
+„Maar....”
+
+„Doe wat ik je beveel.”
+
+„Ik zal het doen.”
+
+„Weet ge dat er vijfduizend gulden belooning uitgeloofd zijn...”
+
+„Vijfduizend guldens,” vroeg Carpena verbaasd.
+
+„Ja, vijfduizend gulden, voor hem die de vluchtelingen opspoort”.
+
+„Het is een mooie som,” sprak de Spanjaard met hebzuchtige stem.
+
+„En de galeien voor hem, die hen eene schuilplaats verleent.”
+
+„Drommels, dat is geen gekheid.”
+
+„Neen, zeker niet.”
+
+„Het is goed dat ik het weet.”
+
+„Ga nu,” zei de brigadier.
+
+„Maar die vijfduizend guldens....”
+
+„Kom, geen praatjes,” zei de vertegenwoordiger der openbare macht, „ga
+nu dadelijk naar de stad.”
+
+De mededeeling door den Spanjaard gedaan, had tot dadelijk gevolg dat
+de maréchaussées zich verwijderden.
+
+De brigadier gelastte zijne manschappen om op te stijgen. Daarna
+vertrok hij, in weerwil dat de nacht reeds ingevallen was, om de
+boorden van het kanaal van Léma meer nauwgezet te gaan doorzoeken.
+
+Wat Carpena betrof, deze ging dadelijk den weg naar de stad op, terwijl
+hij in zichzelven mompelde, dat met een beetje geluk, de gevangenneming
+van de vluchtelingen hem een aardige som geld kon opbrengen, die wel op
+den inboedel van graaf Sandorf gevonden zou worden.
+
+Mathias Sandorf en Stephanus Bathory bleven evenwel nog een geruimen
+tijd verscholen en verlieten het donkere vertrek niet, dat hun tot
+schuilplaats gestrekt had.
+
+Zij dachten na. En daarvoor bestonden waarlijk alle redenen. De
+maréchaussées zaten hen achterna, zij waren gezien geworden en konden
+herkend worden. De Istrische provinciën boden hun dus geene veiligheid
+aan. Zij moesten derhalve dit land binnen den kortst mogelijken tijd
+verlaten, hetzij door de Adriatische zee over te steken om zich naar
+Italië te begeven, hetzij door Dalmatië en de militaire grenzen door te
+trekken, om zoo buiten de landpalen van Oostenrijk te geraken.
+
+Het eerste plan bood veel meer kansen van welslagen aan, wanneer
+namelijk de vluchtelingen zich van een vaartuig konden meester maken,
+of dat zij den een of anderen visscher konden overreden om hen naar de
+Italiaansche kust over te zetten.
+
+Dat plan werd dan ook aangenomen en tot die poging besloten.
+
+Om dat ten uitvoer te brengen, richtten graaf Mathias Sandorf en
+Stephanus Bathory zich, nadat zij tegen half acht ongeveer, toen de
+duisternis dik genoeg was, den bouwval van de pachthoeve verlaten
+hadden, westwaarts, met het doel om de kust van de Adriatische zee te
+bereiken. Zij waren reeds dadelijk verplicht om den weg te volgen, ten
+einde niet in de moerassen van de Léma te geraken.
+
+Wanneer zij evenwel die hun onbekende baan volgden, zouden zij dan niet
+in de stad terecht komen, die natuurlijk in verbinding stond met het
+binnenland van Istrië?
+
+Gingen zij daardoor niet het grootste gevaar tegemoet?
+
+Zeker, was het dat. Maar hoe konden zij anders handelen?
+
+Het was omstreeks negen uur, toen de zwarte omtrekken eener stad zich
+ongeveer op een kwartmijl afstand in het donker voordeden. Het zou
+moeilijk geweest zijn dat niet te ontwaren.
+
+Het was eene opeenhooping van huizen, die zich lomp verhieven op eene
+rotsmassa, die de zee beheerschte als ook een havenkom, die diep in de
+kust ingesneden was. Het geheel werd beheerscht door een soort vlot,
+dat zich, in somberen stijl gebouwd, vertoonde en waaraan de duisternis
+onmogelijke afmetingen verleende.
+
+Mathias Sandorf was vast besloten om die stad niet binnen te treden,
+waar de aankomst van beide vreemdelingen dadelijk bekend zoude worden.
+
+Het kwam er dus op aan om haar om te trekken, om zoo mogelijk een der
+kustpunten te bereiken.
+
+Maar dat kon niet uitgevoerd worden, zonder dat de beide vluchtelingen
+buiten hun medeweten gevolgd werden door dienzelfden man, die hen reeds
+op den oever van het kanaal van Léma bespied had, toen zij voet aan wal
+zetten. Dat was dezelfde Carpena, wiens verklaring aan den brigadier
+van de maréchaussées zij hadden hooren afleggen. Inderdaad had de
+Spanjaard, verlekkerd door de uitgeloofde premie, zich ter zijde
+opgesteld, toen hij naar huis wilde terugkeeren, om zoo den weg beter
+waar te nemen. Het toeval was hem gunstig, voor de arme vluchtelingen
+echter ongunstig geweest; want het lot had hem op het spoor der
+rampzaligen gebracht.
+
+In hetzelfde oogenblik bijna dreigde een bende politie-agenten, die
+door een der stadspoorten naar buiten stapten, de vluchtelingen den weg
+af te snijden. Zij hadden ternauwernood den tijd om zich ter zijde te
+werpen. Daarna richtten zij zich ijlings naar het strand, daarbij den
+buitenmuur der buitenhaven volgende.
+
+Daar stond eene bescheiden visschershut met hare kleine vensters,
+waardoor het licht scheen. De deur stond op een kier open.
+
+Wanneer Mathias Sandorf en Stephanus Bathory daar geene schuilplaats
+vonden, wanneer men weigerde hen op te nemen, dan waren zij reddeloos
+verloren.
+
+Daarin eene toevlucht zoeken, was waarlijk alles op één worp wagen!
+
+Maar konden zij, mochten zij in de omstandigheden, waarin zij zich
+bevonden, aarzelen?
+
+Graaf Sandorf en zijn lotgenoot liepen naar de deur toe en bleven op
+den drempel stil staan.
+
+In het binnenvertrek hield een man zich onledig bij het scherpe licht
+eener lantaarn, met het herstellen van netten. Hij scheen bij zijn werk
+te mijmeren; want hij schrikte als het ware op toen eene stem zich liet
+hooren:
+
+„Vriend....” sprak graaf Sandorf.
+
+„Wat.... wat is er?”
+
+„Vriend, hoe heet deze stad?”
+
+„Deze stad?”
+
+„Ja.”
+
+„Dat is Rovigno.”
+
+„In wiens huis zijn wij hier?”
+
+„Waarom wilt gij dat weten?”
+
+„Zeg het ons maar.”
+
+„Als ik u daarmede genoegen kan doen?....”
+
+„Voorzeker, doet ge dat.”
+
+„Wel, ik heet Andreas Ferrato.”
+
+„Wat is uw beroep?”
+
+„Ik ben visscher en dit huis is het mijne.”
+
+Dat werd met eene onnavolgbare kalmte en fierheid gezegd. Een vorst zou
+met niet meer waardigheid het: ik ben koning hebben kunnen uitspreken.
+Toch geschiedde het met den meesten eenvoud en natuurlijkheid.
+
+„Zou de visscher Andreas Ferrato ons voor dezen nacht een onderdak
+willen verleenen?”
+
+Andreas Ferrato keek hen met een doordringenden blik aan. Daarna stond
+hij op, stapte, naar de deur en keek naar buiten. In dat ondeelbare
+oogenblik bespeurde hij de bende politie-agenten, die den hoek van den
+havenmuur omsloegen. Toen raadde, toen begreep hij ongetwijfeld alles.
+Hij zag in wie zij waren, die hem gastvrijheid afsmeekten. Hij zag met
+een oogopslag, dat wanneer hij eene seconde draalde met hun te
+antwoorden, die mannen verloren waren.
+
+„Komt binnen,” sprak hij.
+
+De twee vluchtelingen haastten zich intusschen niet om dien deurdrempel
+te overschrijden.
+
+„Vriend,” zei graaf Sandorf....
+
+„Wat is er? Ik zeg u om binnen te komen.”
+
+„Vriend, er zijn vijfduizend gulden belooning uitgeloofd aan hem, die
+de gevangenen, welke den vestingtoren van Pisino ontvlucht zijn,
+uitlevert.”
+
+„Ik weet dit.”
+
+„De galeien staan er op, voor hem die hun eene toevlucht verleent.”
+
+„De galeien?”
+
+„Ja, vriend, de galeien!”
+
+„Ik weet dit.”
+
+„Gij kunt ons overleveren....”
+
+„Ik?....”
+
+„De som is niet gering....”
+
+„Ik!.... een verrader!....”
+
+„En het gevaar is groot!....”
+
+„Ik heb u gezegd: komt binnen, ik herhaal die uitnoodiging!” antwoordde
+de visscher.
+
+Beiden traden binnen.
+
+Andreas Ferrato sloot juist zijne deur dicht, toen de bende
+politiedienaren zijn huis voorbijtrokken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+DE HUT VAN DEN VISSCHER FERRATO.
+
+
+Andreas Ferrato was Corsicaan van oorsprong en geboren te Santa Manza,
+eene kleine havenplaats in het arrondissement Sartène, die achter eene
+ombuiging van de zuidelijke punt van het eiland gelegen was.
+
+De havenplaats met die van Bastia en die van Porto Vecchio waren de
+eenigen, die ettelijke duizenden jaren geleden toegang tot de oostkust
+van het eiland gaven, welks kustlijn daar toen zoo grillig en
+fantastisch ingesneden was, maar die nu meer effen geworden is door het
+voortdurend afknabbelen èn door de bergstroomen èn door de zeegolven,
+die allengs de voorgebergten en kapen hebben doen instorten en hen
+verzwolgen, waardoor zijne baaien en kreeken uitgewischt werden.
+
+Het was daar te Santa Manza dat Andreas Ferrato, op dat gedeelte der
+Middellandsche zee, hetwelk zich tusschen Corsica en het Italiaansche
+vasteland uitstrekt, zijn visschersbedrijf uitoefende. Hij waagde zich
+soms te midden van de rotsen van de Straat van Bonifacio op de kusten
+van Sardinië.
+
+Het visschersbedrijf is een ruw, moeitevol leven, vooral wanneer de
+koraalvisscherij aan de vischvangst gepaard gaat. De koralen toch
+moeten op de onderzeesche banken op de slechtste plaatsen van de Straat
+of van de zeeëngten gezocht worden.
+
+Maar Andreas Ferrato was een moedige kerel, die bovendien stevig
+gebouwd en onvermoeibaar was. Hij wist zich even behendig van zijne
+vischnetten te bedienen, als van zijne dreg. Zijne zaken bloeiden dan
+ook. En geen wonder! Zijne vrouw was arbeidzaam en schrander, en stond
+als eene ware heldin aan het hoofd van het kleine gezin van Santa
+Manza. Beiden konden lezen, schrijven en rekenen en waren bijgevolg
+betrekkelijk goed onderwezen, althans wanneer men hen vergeleek met de
+honderd vijftig duizend ongeletterden, die nog steeds door de
+statistiek opgegeven worden onder de twee honderd zestig duizend
+bewoners van het eiland.
+
+Bovendien was Andreas Ferrato—misschien wel tengevolge van die meerdere
+kennis—in zijne denkbeelden en in zijn hart zeer Franschgezind, hoewel
+hij, zooals zijn naam reeds aanduidt en zooals trouwens alle Corsicanen
+zijn, van Italiaanschen oorsprong was. Die Franschgezindheid had hem op
+dat tijdstip menige vijandschap in het kanton op den hals gehaald.
+
+Dat kanton, dat op het zuidelijk uiteinde van het eiland, ver van
+Bastia, ver van Ajaccio, ver van de administratieve en rechterlijke
+middelpunten gelegen is, moet inderdaad als zeer weerstrevend wegens
+ieder die niet Italiaansch of Sardinisch gezind is, beschouwd worden.
+Dit is eene betreurenswaardige staat van zaken, die niet eindigen zal
+dan tengevolge van eene betere opvoeding der latere geslachten.
+
+Zooals gezegd is, bestond er steeds eene verborgen vijandschap jegens
+het gezin Ferrato. Nu is op Corsica de afstand tusschen vijandschap en
+haat niet groot en van haat tot gewelddadigheden is hij nog minder.
+Eenige omstandigheden verergerden dien toestand nog.
+
+Op een dag dat Andreas Ferrato zijn geduld uitgeput gevoelde, had hij
+in eene opwelling van drift en toorn, eene „huid gesneden,” een
+„knoopsgat gemaakt.” Hij doodde een schavuit uit die streek, maar...
+was toen verplicht te vluchten.
+
+Andreas Ferrato was er evenwel de man niet naar om zich in de bergen te
+verschuilen, om daar in dagelijkschen strijd te leven zoowel tegen de
+politie als tegen de verwanten, makkers en vrienden van den gedoodde,
+en daardoor de reeks wraaknemingen, die ook de zijnen zouden treffen,
+te vergrooten. Hij besloot dadelijk om zijn vaderland te verlaten. Hij
+vertrok heimelijk van Corsica, om eene schuilplaats op de Sardinische
+kust te zoeken. Toen zijne vrouw hunne geringe bezittingen had te gelde
+gemaakt, het huis overgedaan en de meubels, het vaartuig en vischnetten
+verkocht had, vertrok zij ook derwaarts met hare dochter.
+
+Andreas Ferrato had het besluit genomen, om nooit meer in zijn
+vaderland terug te keeren.
+
+Daarenboven drukte die moord, hoewel hij uit zelfverdediging geschied
+was, het geweten van Andreas Ferrato. Met zijn eenigszins bijgeloovig
+karakter, zijnen landaard zoo eigen, stelde hij zich tot taak die daad
+te vergoeden. Hij meende dat de moord van dien man hem niet zou
+vergeven worden, dan wanneer hij het leven van een ander mensch met
+gevaar van zijn eigen bestaan zou gered hebben. En hij was vast
+besloten dat te doen, wanneer de gelegenheid zich daartoe zou
+aanbieden.
+
+Andreas Ferrato was evenwel, nadat hij Corsica verlaten had, slechts
+korten tijd in Sardinië gebleven, waar hij gemakkelijk ontdekt en
+herkend kon worden. Hij was een moedig en geestkrachtvol man. Hij
+beefde dan niet voor zijn persoon, maar wel voor de zijnen, die door de
+weerwraak van de verwanten van den verslagene getroffen konden worden.
+
+Hij wachtte het oogenblik af, dat hij zich verwijderen kon, zonder
+achterdocht op te wekken, en trok toen Italië door. Toen hij te Ancona
+aangekomen was, deed zich eene gelegenheid voor om de Adriatische zee
+over te steken en de Istrische kust te bereiken. Hij nam haar gretig
+waar.
+
+Ziedaar de redenen waarom en de omstandigheden waarin die Corsicaan
+zich bij de kleine havenplaats Rovigno gevestigd had. Hij woonde daar
+sedert zeventien jaren, en had er het visschersbedrijf hervat. Dat had
+tengevolge dat hij de vroeger genoten gegoedheid terug verdiende. Negen
+jaren na zijne aankomst was hem een zoon geboren, die Luigi genoemd
+werd, en wiens geboorte zijne moeder het leven kostte.
+
+Sedert hij weduwnaar was, leefde Andreas Ferrato slechts voor zijne
+dochter en zijn zoon. Maria was toen achttien jaren oud en strekte den
+jongeren broeder, die toen zijn achtste jaar bereikte, tot moeder. En
+ware het de droefheid niet geweest, van zijne wakkere levensgezellin
+verloren te hebben, die zich steeds nijpend deed gevoelen, dan zou die
+visscher van Rovigno zoo gelukkig geweest zijn als iemand het kan zijn,
+die door zijn arbeid zijn brood verdient en die de genoegdoening
+gevoelt zijnen plicht gedaan te hebben.
+
+De lezer weet dat hij ten rechte geroemd werd als zeer behendig in het
+uitoefenen van zijn handwerk. Te midden van die lange rijen rotsen, die
+de stranden van Istrië dekken, had hij zijne vischvangst in de baai
+Santa Manza of in de Straat van Bonifacio niet te betreuren.
+Daarenboven was hij goed bekend geworden in die streek, waar dezelfde
+taal als in Corsica gesproken werd.
+
+De voordeelen, welke hij behaalde door schepen te loodsen op de kust
+van Pola af tot Triëst, werden nog vermeerderd met de verdiensten van
+het visschersbedrijf in die vischrijke wateren. In zijn huis vonden de
+arme lieden dan ook altijd een onderkomen of een goede aalmoes, en in
+die liefdadigheidswerken werd hij zooveel slechts mogelijk was geholpen
+door zijne dochter Maria.
+
+Maar de visscher van Santa Manza vergat daardoor de gelofte niet, die
+hij weleer afgelegd had: leven om leven! Hij had het leven aan een
+wezen ontnomen; hij zou het leven van anderen redden. Ziedaar de reden
+waarom hij zonder de minste aarzeling tot de vreemdelingen zei: „Komt
+binnen,” toen zij zich aan zijne deur vertoonden, hoewel hij raadde wie
+zij waren en hoewel hij wist aan welke straf hij zich blootstelde.
+
+Ja, dat „komt binnen” had hij flinkweg uitgesproken; maar in zijn
+binnenste had hij er bijgevoegd:
+
+„En dat God ons onder Zijne hoede neme!”
+
+Intusschen was de bende politie-agenten de deur van het huis van
+Andreas Ferrato voorbijgestapt, zonder er op te houden. Graaf Mathias
+Sandorf en Stephanus Bathory konden dus meenen dat zij voor ettelijke
+nachtelijke uren in het huis van den Corsicaanschen visscher in
+betrekkelijke veiligheid waren.
+
+Dat huis was niet in de stad gebouwd, maar op een afstand van ongeveer
+vijfhonderd passen van de stadsmuren en buiten de haven, op eene
+rotsbedding, die het strand beheerschte. Daar buiten die strook, waar,
+op minder dan eene kabellengte, de golven tegen de klippen van het
+kustland braken, strekte zich de onmetelijke gezichteinder der zee uit.
+Naar den kant van het zuidwesten werd het voorgebergte ontwaard, dat in
+een afgeronde en omgebogen punt eindigde en door welker kromming de
+kleine reede van Rovigno op de Adriatische Zee omsloten wordt.
+
+Het geheele huis van Andreas Ferrato bevatte slechts eene gelijkvloers
+verdieping, die bestond uit vier kamers, twee aan de voorgevelzijde en
+twee aan den achterkant, en een getralied houten bijgebouwtje, waarin
+men de gereedschappen tot de vischvangst opborg.
+
+Zijn visschersboot was een soort logger, slechts voorzien van één mast.
+Dat vaartuig was dertig voet lang, maar had een breeden bijna
+vierkanten voorsteven, hetgeen voor de koraalvisscherij met de dreg
+zeer gemakkelijk was. Wanneer het vaartuig niet gebezigd werd, lag het
+binnen en volkomen vrij van de rotsen geankerd, en werd de gemeenschap
+met den wal onderhouden door eene kleine jol, die thans aan het strand
+op het droge getrokken was.
+
+Achter dat huis strekte zich een omheinde tuin van een halven bunder
+uit, waarin eenige groenten te midden van moerbeziënboomen, olijfboomen
+en van wijnstokken geteeld werden. Eene dichte heg scheidde dien tuin
+van eene beek, die vijf of zes voeten breed was en de grens aan den
+kant van het veld vormde.
+
+Ziedaar de nederige gastvrije woning, waarin de Voorzienigheid de
+vluchtelingen gevoerd had.
+
+Ziedaar de gastheer, die zijne vrijheid waagde, om hun een
+toevluchtsoord te verschaffen.
+
+Zoodra de deur achter hen dicht gesloten was, keken graaf Sandorf en
+Stephanus Bathory rond in de kamer, waarin de visscher hen ontvangen
+had.
+
+Dat was wel het voornaamste vertrek van de geheele woning. Het was
+slechts spaarzaam gemeubeld; maar wat er in stond, was zindelijk
+onderhouden en duidde de hand en den smaak aan van eene degelijke en
+zorgzame huisvrouw.
+
+„Vóór alles moet gij thans eten, niet waar?” vroeg Andreas Ferrato.
+
+„Ja, wij sterven van honger,” antwoordde graaf Sandorf. „Wij hebben
+hoegenaamd geen voedsel in de laatste vier en twintig uren gehad.”
+
+„Ge hoort het, Maria?” hernam de visscher.
+
+„Ja, vader,” sprak het meisje.
+
+En een oogenblik later had zij een stuk gezouten varkensvleesch, een
+schotel gekookte visch, eene flinke portie brood, een flesch landwijn
+met twee glazen, een schoteltje rozijnen, een helder wit tafellaken en
+twee borden met de noodige vorken en messen op de tafel geplaatst.
+
+Een „reglione,” eene soort olielamp met drie pitten, verlichtte het
+vertrek.
+
+Graaf Sandorf en Stephanus Bathory namen dadelijk aan tafel plaats. Zij
+waren waarlijk op het punt van in onmacht te vallen.
+
+„En gij?” vroegen zij aan den visscher.
+
+„Ik?”
+
+„Ja, gij. Doet gij niet mede?”
+
+„Wij hebben reeds geavondmaald,” antwoordde Andreas Ferrato.
+
+Die twee uitgehongerden verslonden—ja, dat is het woord,—de spijzen,
+die hun met zooveel eenvoud en zoo goedhartig voorgezet waren.
+
+Maar terwijl zij aten, sloegen zij voortdurend den visscher, zijne
+dochter en zijn zoon gade, welke laatste in een hoek gezeten was. Allen
+keken de vreemdelingen aan, zonder evenwel een woord te spreken.
+
+Andreas Ferrato kon toen twee en veertig jaar oud zijn. Het was een man
+met een ernstig, ja zelfs eenigszins droevig gelaat. Hoewel zijn
+gezicht door de zon gebruind was, had hij gelaatstrekken vol
+uitdrukking, waarbij zwarte oogen met levendigen blik. Hij droeg de
+kleeding der visschers van de Adriatische zee, waaronder een edele
+borst klopte, terwijl zich daarin eene flink ontwikkelde gestalte liet
+ontwaren.
+
+Maria—welker gestalte en gelaat aan die harer moeder herinnerde—was
+groot van stuk, welgemaakt en zeer schoon. Zij had vurige zwarte oogen,
+bruine haren en eene huid, die door het Corsicaansche bloed, dat door
+hare aderen vloeide, warm getint was. Zij had een ernstig karakter, als
+gevolg van de verplichtingen, die zij van hare prilste jeugd op zich
+had voelen rusten. In hare houding, in hare bewegingen spreidde zij die
+kalmte ten toon, die eene bedachtzame geaardheid eigen is. Alles duidde
+bij dit jonge meisje op eene geestkracht, die haar nimmer in den steek
+zou laten, welke ook de omstandigheden zouden zijn, waarin zij zich zou
+kunnen bevinden.
+
+Zij was herhaaldelijk door jeugdige visschers uit den omtrek ten
+huwelijk gevraagd, maar zij had daaraan nimmer het oor geleend.
+Behoorde haar leven niet aan haren vader toe, en aan dat kind, dat zij
+zoo innig, innig liefhad?
+
+Wat Luigi betrof, dat was een flinke vastberaden jongen, een moedig en
+degelijk visscher. Hij was reeds volkomen met den werkkring van zeeman
+bekend. Hij vergezelde Andreas Ferrato, zijn vader, bij zijne
+visscherijen en bij zijne loodsdiensten en was daarbij steeds
+blootshoofds, onverschillig of het waaide en of het regende. Hij
+beloofde een stevige, gezonde kerel te zullen worden, die meer dan
+stoutmoedig, die koen ja roekeloos zou zijn. Hij was tegen alle
+guurheden van het weder gehard en had hoegenaamd geen oog voor eenig
+gevaar. Hij had zijn vader lief en aanbad zijne zuster.
+
+Graaf Mathias Sandorf had die drie wezens, die door zoo innige banden
+aan elkander verbonden waren, nauwkeurig gadeslagen. Hij koesterde dan
+ook geen twijfel, dat hij zich bij eerlijke, brave lieden bevond, die
+hij volkomen vertrouwen kon.
+
+Toen het maal afgeloopen en de honger verzadigd was, stond Andreas
+Ferrato op en naderde graaf Mathias Sandorf.
+
+„Gaat nu slapen, heeren,” zei hij op eenvoudigen toon.
+
+„Slapen?” vroegen de vluchtelingen.
+
+„Ja, slapen, rusten,” hernam de visscher.
+
+„Dat kunnen wij niet.”
+
+„Niemand weet dat gij hier zijt.”
+
+„Dat ’s waar; maar....”
+
+„Morgen zullen wij zien, wat ons verder te doen staat.”
+
+„Neen, Andreas Ferrato, neen!” antwoordde graaf Sandorf.
+
+„Dat kan niet.”
+
+„Wat kan niet?”
+
+„Dat wij heden nacht hier blijven.”
+
+„Ah bah!”
+
+„Onze honger is gestild. Onze krachten zijn weergekeerd. Wij moeten nu
+dadelijk dit huis verlaten!”
+
+„Daar valt niet aan te denken!”
+
+„Onze tegenwoordigheid veroorzaakt voor u en de uwen te groot gevaar!”
+zei Mathias Sandorf.
+
+„Ja, wij moeten vertrekken,” beaamde Stephanus Bathory. „En dat God u
+beloone voor hetgeen gij voor ons gedaan hebt.”
+
+„Gaat slapen! Dat is voorshands het noodzakelijkste,” hernam de
+visscher.
+
+„Wij kunnen niet,” antwoordde graaf Sandorf.
+
+„De kust wordt heden avond bewaakt.”
+
+„O, God!”
+
+„Men heeft een embargo op alle schepen van al de havens van deze streek
+gelegd.”
+
+„Onmogelijk!”
+
+„Heden nacht is niets te beproeven, dat verzeker ik u.”
+
+„Maar....”
+
+„Gaat slapen,” herhaalde Andreas Ferrato.
+
+„Als gij het dan wilt. Het zij zoo,” antwoordde graaf Mathias Sandorf.
+
+„Ja, ik wil het!”
+
+„Een woord evenwel nog!”
+
+„En dat is?”
+
+„Wanneer is onze ontsnapping bekend geworden?....”
+
+„Sedert dezen morgen,” antwoordde Andreas Ferrato. „Maar...”
+
+„Maar, wat?” vroeg graaf Sandorf, toen hij de aarzeling van den
+visscher bemerkte.
+
+„Gij waart met uw vieren gevangen in den vestingtoren van Pisino?”
+
+„Ja.”
+
+„Gij zijt slechts met u beiden hier?”
+
+„Helaas!”
+
+„Men zegt,” ging Andreas Ferrato voort, „dat de derde in vrijheid
+gesteld zal worden.”
+
+„Sarcany!” riep Mathias Sandorf toornig uit, vóórdat hij dat gevoel van
+woede, alleen door de gedachte aan dien verafschuwden man opgewekt, had
+kunnen bedwingen.
+
+„En de vierde?”.... vroeg Stephanus Bathory aarzelend, zonder zijn
+volzin te durven eindigen.
+
+„De vierde is nog in leven,” antwoordde Andreas Ferrato.
+
+„In leven?” riep Stephanus Bathory uit.
+
+„Ja, de terechtstelling is verdaagd,” zei de visscher.
+
+„Nog in leven?” herhaalde Stephanus Bathory.
+
+„Ja, ik herhaal....” wilde Andreas Ferrato zeggen.
+
+„Is het mogelijk?” riep Bathory steeds ontzet uit.
+
+„Wel zeker,” hernam graaf Sandorf spottend. „Men wil wachten tot dat
+men ons opgespoord en gesnapt zal hebben, om ons de vreugde te bereiden
+te zamen te sterven.”
+
+„Mathias!” kreet Stephanus Bathory.
+
+„Maria,” zei Andreas Ferrato bedaard, „wijs onze gasten hunne kamer. Ge
+weet wel die aan de achterzijde, die op het bijgebouwtje uitgang
+verleent.”
+
+„Ja, vader,” antwoordde het jonge meisje.
+
+„Maar geen licht opsteken, hoor,” ging hij voort.
+
+„Goed, vader.”
+
+„Heden avond moet dat raam niet verlicht wezen.”
+
+„Ja, vader.”
+
+„Dat zou achterdocht kunnen opwekken.”
+
+„Kom, heeren,” sprak het jonge meisje.
+
+Een oogenblik later wisselden graaf Sandorf en zijn makker een
+hartelijken handdruk met den visscher. Daarna traden zij hunne kamer
+binnen, waar hun twee goede matrassen of beter stroozakken met
+maïsbladeren gevuld, wachtten, waarop zij van hunne vermoeienissen, die
+zij zoo ruimschoots verduurd hadden, konden uitrusten.
+
+Maar Andreas Ferrato en zijn zoon Luigi hadden reeds het huis verlaten.
+Zij wilden zich overtuigen dat niemand in den omtrek rondzwierf, noch
+op het strand, noch in het veld aan de overzijde van de beek. De
+vluchtelingen konden dus gerust tot het aanbreken van den dag slapen.
+
+De nacht ging zonder bijzondere voorvallen voorbij. De visscher was
+herhaaldelijk naar buiten getreden. Hij had evenwel niets verdachts
+bespeurd.
+
+Den volgenden morgen, den 18en Juni, ging Andreas Ferrato, terwijl
+zijne gasten nog sliepen, op kondschap uit tot in het midden der stad,
+als ook op de kaden van de haven. Op verscheidene punten trof hij
+samenscholingen aan van nieuwsgierigen en leegloopers. Een
+aanplakbiljet, sedert den vorigen dag reeds op de daarvoor bestemde
+plaatsen bevestigd, gaf kennis van de ontsnapping, van de straffen, die
+op het verleenen van hulp aan de vluchtelingen stond, van de premie die
+uitgeloofd was. Dat maakte natuurlijk het onderwerp uit van alle
+gesprekken. Men babbelde, men vertelde nieuwtjes, men herhaalde het
+gehoorde niet altijd nauwkeurig, soms zeer onjuist en men wist het
+juiste evenmin als tevoren.
+
+Niets duidde aan dat graaf Sandorf en zijn lotgenoot in den omtrek
+gezien waren, of dat men zelfs hunne aanwezigheid in de provincie
+vermoedde. Toch verspreidde zich tegen tien uren in den morgen, toen de
+brigadier der maréchaussées met zijne manschappen na hunne nachtelijke
+ronde te Rovigno waren teruggekeerd, het gerucht, dat twee
+vreemdelingen vier en twintig uren te voren gezien waren op de oevers
+van het kanaal van Léma. Men had de geheele landstreek tot aan de zee
+doorzocht, om hun spoor terug te vinden, maar zonder gevolg. Er was
+niets op te merken van hunnen doortocht.
+
+Hadden zij dus de kuststreek kunnen bereiken en een vaartuig
+bemachtigd?
+
+Of hadden zij zich naar een ander punt van Istrië begeven?
+
+Of wel, hadden zij de Oostenrijksche grens overschreden?
+
+Alles was mogelijk.
+
+„Mooi!” werd gezegd. „Dat zullen al vast vijf duizend gulden zijn, die
+voor de schatkist bewaard blijven.”
+
+„Een geld dat beter besteed kan worden dan om hatelijke verklikkerijen
+te beloonen!”
+
+„Ja zeker!
+
+„God geve dat de arme vluchtelingen mogen ontsnappen!”
+
+„Ontsnappen!....”
+
+„Ik hoop het!”
+
+„Och, dat zal wel reeds geschied zijn!”
+
+„Zij zullen wel reeds in veiligheid aan de andere zijde van de
+Adriatische zee zijn!”
+
+Afgaande op dat gepraat, dat in het meerendeel der groepen van boeren,
+burgers en arbeiders, die voor de aanplakbiljetten stilstonden,
+gehouden werd, was de openbare meening, zooals men ziet, zeer ten
+gunste van de veroordeelden, ten minste onder de bewoners van Istrië,
+schier allen Slavoniërs en Italianen van geboorte. De Oostenrijksche
+beambten konden dus niet op eene verklikking van dien kant rekenen.
+Niets werd dan ook nagelaten of verzuimd om de vluchtelingen weer te
+vinden. Al de benden politie-agenten, al de brigades maréchaussées
+waren sedert den vorigen dag op de been en er werden onophoudelijk
+telegrammen tusschen Rovigno, Pisino en Triëst gewisseld.
+
+Toen Andreas Ferrato tegen elf uur tehuis kwam, deelde hij die
+berichten, die eerder goed dan slecht waren, mede.
+
+Graaf Sandorf en Stephanus Bathory, die door Maria in de kamer, waarin
+zij overnacht hadden, bediend werden, hadden juist in dat oogenblik hun
+ontbijt verorberd.
+
+Die eenige uren rust, dat heerlijke maal, die goede verpleging had hen
+geheel en al van hunne uitputting hersteld.
+
+„Welnu, vriend?” vroeg graaf Sandorf, zoodra de deur achter Andreas
+Ferrato gesloten was.
+
+„Ik geloof niet, heeren,” antwoordde de visscher, „dat gij voor het
+oogenblik iets te vreezen hebt.”
+
+„Maar wat wordt er in de stad verteld?” vroeg Stephanus Bathory.
+
+„Ja, wat wordt er verteld? Zeg ons dat,” herhaalde ook graaf Sandorf.
+
+„Men spreekt wel van twee vreemdelingen, die gisterenochtend gezien
+zijn, op het oogenblik, dat....”
+
+„Ga voort, wat ik u bidden mag,” zei graaf Sandorf bij de aarzeling van
+den visscher.
+
+„Op het oogenblik,” vervolgde deze, „dat zij op den oever van het
+kanaal van Léma voet aan wal zetten.... En....”
+
+„En wat?” vroeg Stephanus Bathory ongeduldig.
+
+„En als gij het zijt.... heeren....”
+
+„Ga voort. Wij zijn het inderdaad,” zei Stephanus Bathory. „Een man,
+een zoutarbeider van den omtrek, heeft ons gezien en aangebracht.”
+
+Toen werd Andreas Ferrato op de hoogte gebracht van hetgeen in den
+bouwval der pachthoeve voorgevallen was, terwijl de vluchtelingen er
+verscholen waren.
+
+„En weet gij niet, wie die verklikker is?” vroeg de visscher met
+aandrang.
+
+„Neen,” antwoordde Bathory.
+
+„Wij hebben hem niet kunnen zien,” vulde graaf Sandorf verder aan; „wij
+hebben slechts zijne stem kunnen vernemen.”
+
+„Dat is een betreurenswaardige omstandigheid,” hernam Andreas Ferrato.
+„Het voornaamste en gewichtigste evenwel is, dat men uw spoor verloren
+heeft. Bovendien al ware het dat men omtrent uwe aanwezigheid in mijne
+woning achterdocht had, dan geloof ik niet dat er eene verklikking te
+vreezen is.”
+
+„Zoo?” vroeg Stephanus Bathory verbaasd. „Waarom niet?”
+
+„Omdat alle menschen hier in Rovigno ten uwen voordeele zijn!”
+
+„Ja, daarover verwonder ik mij niet,” hernam graaf Sandorf. „Het is
+eene moedige en eerlijke bevolking in deze provinciën! Toch moet het
+oog op de Oostenrijksche autoriteiten gehouden worden. Zij zullen voor
+niets terugdeinzen om ons weer in hunne macht te krijgen.”
+
+„Wat u geruststellen moet, heeren,” sprak de visscher, „dat is dat de
+meening, waarin men verkeert, luidt, dat gij reeds de overzijde van de
+Adriatische zee hebt kunnen bereiken.”
+
+„Och, God gave dat het zoo ware!” zuchtte Maria, die de handen gevouwen
+en de oogen ten hemel geslagen had, alsof zij een gebed slaakte.
+
+„Het zal zoo worden, lief kind,” antwoordde graaf Sandorf op den toon
+der vurigste overtuiging. „Ja, met Gods hulp zullen wij ontsnappen....”
+
+„En met de mijne, heer graaf!” hernam Andreas Ferrato. „Ik ga nu aan
+mijne bezigheden. Men is gewoon ons, Luigi en mij, bezig te zien met
+het herstel onzer netten op het strand, of met het schoonmaken van ons
+vaartuig. Wij moeten niets aan den gewonen gang van zaken veranderen.”
+
+„Voorzeker niet,” zei Stephanus Bathory.
+
+„Ik heb bovendien noodig om mij omtrent den toestand van het weer te
+vergewissen, alvorens een besluit te nemen. Blijft dus in deze kamer.
+Verlaat haar onder geen voorwendsel. Doet, om alle achterdocht te
+vermijden, het venster open, dat op onzen tuin uitzicht verleent, maar
+blijft in het achterste gedeelte van het vertrek en vooral vertoont u
+niet.”
+
+„Neen, neen, wees gerust!”
+
+„Ik ben over een paar uren terug.”
+
+Daarop verliet Andreas Ferrato met zijn zoon Luigi het huis, terwijl
+Maria zich voor de deur met hare gewone bezigheden onledig hield.
+
+Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. Andreas Ferrato
+trachtte bij wijze van voorzorg een praatje met hen te maken, alvorens
+hij zijne netten op het zandige strand uitstrekte.
+
+„De westewind is goed doorgekomen,” zei een hunner.
+
+„Ja, antwoordde Andreas Ferrato, „het onweder van eergisteren heeft de
+lucht flink gezuiverd.”
+
+„Ongetwijfeld,” hernam een ander. „Toch zou het kunnen gebeuren dat de
+wind meer en meer opstak bij het vallen van den avond, en tot buien
+overging, wanneer de „bora” zich er bij voegt.”
+
+„Och, het zal steeds een landwind zijn en de zee kan dan niet onstuimig
+tusschen de rotsen wezen.”
+
+„Dat staat te bezien.”
+
+„Gaat gij dezen nacht visschen, Andreas?”
+
+„Ongetwijfeld.”
+
+„Als het weer het toelaat, niet waar?”
+
+„Dat spreekt van zelf.”
+
+„Maar het embargo.”....
+
+„Het embargo?”....
+
+„Ja.”
+
+„Dat is slechts op de groote schepen gelegd en niet op de
+visschersvaartuigen, die zich niet van de kust verwijderen.”
+
+„Zijt gij daar zeker van?”
+
+„Ja, zeer zeker.”
+
+„Welnu, des te beter; want men heeft scholen tonijnen geseind, die uit
+het zuiden komen. Wij mogen niet dralen om onze fuiken te stellen.”
+
+„Mooi!” zei Andreas Ferrato. „Maar er is nog geen tijd verloren.”
+
+„Misschien. Wie weet?”
+
+„Neen, geloof mij. Als ik heden nacht uitzeil, dan ga ik de tonijnen
+opwachten bij Orsera of naar de kust van Parenzo.”
+
+„Dat moet gij weten; maar wij zullen onze fuiken aan den voet der
+rotsen stellen
+
+„Dat is uwe zaak!”
+
+Toen gingen Andreas Ferrato en Luigi hunne netten uit het bijgebouwtje
+halen, spreidden ze op het mulle zand uit, om ze in de zon te laten
+drogen. Twee uren later keerde de visscher naar zijne woning terug, na
+zijn zoon aanbevolen te hebben, de haken klaar te houden, die dienen om
+de visschen te dooden.
+
+Nadat hij gedurende ongeveer tien minuten zijne pijp op den drempel
+zijner deur gerookt had, begaf zij zich naar de kamer zijner gasten,
+terwijl Maria met haar werk voor de deur voortging.
+
+„Heer graaf,” sprak de visscher, „de wind waait van de landzijde,
+zoodat volgens mijne meening de zee dezen nacht niet hol zal staan. Nu
+zal het ’t meest eenvoudige middel zijn om te vluchten, zonder eenig
+spoor na te laten, om u met mij in te schepen. Wanneer gij daartoe
+besluit, dan zal het ’t beste zijn, heden avond tegen tien uren te
+vertrekken. Alsdan zult gij tusschen de rotsen tot aan den rand der
+branding moeten voortsluipen. Niemand zal u zien. Mijne jol zal u tot
+bij mijn vaartuig brengen, waarna wij dadelijk zee zullen kiezen zonder
+de opmerkzaamheid op te wekken, daar men weet, dat ik dezen nacht zal
+uitzeilen. Als de wind te zeer mocht opsteken, dan zal ik langs de kust
+houden en u aan de andere zijde van de Oostenrijksche grens buiten de
+mondingen van den Cattaro ontschepen.”
+
+„Maar als de wind niet opsteekt, wat zijt gij dan voornemens te doen?”
+vroeg graaf Sandorf.
+
+„Dan zullen wij volle zee halen,” antwoordde de visscher. „Dan zullen
+wij de Adriatische zee oversteken en dan zal ik u hetzij te Rimini,
+hetzij bij de uitwatering van de Po aan land zetten.”
+
+„Is uw vaartuig bestand voor zulk een overtocht,” vroeg Stephanus
+Bathory.
+
+„Ja, zeker. Het is een flinke boot, die een half dek heeft en waarmede
+mijn zoon en ik zeer slecht weder getrotseerd hebben. Daarenboven, wij
+moeten wel wat wagen, nietwaar?”
+
+„Dat wij gevaar loopen,” antwoordde graaf Sandorf, „wij wier leven op
+het spel staat, dat is niet meer dan natuurlijk. Maar dat gij, gij,
+mijn vriend, uw leven waagt....”
+
+„Dat is mijn zaak, heer graaf,” hernam Andreas Ferrato. „Ik doe slechts
+mijn plicht door u te redden.”
+
+„Uw plicht?....”
+
+„Ja!”
+
+Andreas Ferrato verhaalde daarop dat gedeelte van zijne
+levensgeschiedenis, tengevolge waarvan hij Santa Manza en zelfs Corsica
+had moeten verlaten, en hoe het goede, hetwelk hij op het punt stond te
+doen, slechts de vergelding was van het kwaad, dat hij bedreven had.
+
+„Edel hart!” riep graaf Sandorf uit, die door dat verhaal bewogen was.
+
+Daarop hernam hij:
+
+„Maar, hetzij wij naar de mondingen van den Cattaro stevenen, hetzij
+wij naar de Italiaansche kust gaan, zoo zal toch zulk eene reis eene
+vrij langdurige afwezigheid van uwe zijde veroorzaken, die de bewoners
+van Rovigno verwonderen moet. Het mag niet gebeuren, dat gij, na ons in
+veiligheid gebracht te hebben, bij uwen terugkeer gevangen genomen
+wordt....”
+
+„Vrees niets, heer graaf,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ik blijf
+somtijds tegen het tijdstip der groote visscherijen vijf of zes dagen
+op zee. Ik herhaal het bovendien: dat zijn mijne zaken. Zoo moet
+gehandeld worden en zoo zullen wij handelen.”
+
+Er viel na die beslissing van den visscher niet meer te twisten. Het
+plan van Andreas Ferrato was klaarblijkelijk het beste en daarenboven
+het meest gemakkelijke om uitgevoerd te worden, daar het
+visschersvaartuig—zooals ten minste gehoopt werd—niets van de
+stormachtigheid der zee zou te vreezen hebben. Er waren geene
+voorzorgsmaatregelen te treffen dan op het oogenblik van inscheping. De
+nacht zou evenwel somber en zonder maan zijn. Zeer waarschijnlijk zou
+bij het vallen van den avond daarenboven een van die dikke nevels
+opstijgen, die de kust bedekken, maar in volle zee niet waargenomen
+worden. Op dat uur zou het strand eenzaam en verlaten zijn. Behalve een
+paar grensbeambten, die hun kustgebied afliepen, zou men niemand
+ontmoeten. Wat de overige visschers, de buren van Andreas Ferrato
+betreft, zij zouden, zooals zij zelf verteld hadden, zich onledig
+houden om hunne fuiken op de piketten te spannen, buiten de
+rotsengroep, dat wil zeggen op twee of drie mijlen ten zuiden van
+Rovigno. Wanneer die het visschersvaartuig van Andreas Ferrato zouden
+ontwaren, gesteld dat dit gebeurde, dan zou het reeds te ver in zee
+zijn om iemand aan boord te kunnen herkennen. Daarenboven zouden de
+vluchtelingen zich onder het halfdek verscholen houden.
+
+„Op hoeveel afstand rekent gij de haven van Rovigno van het
+naastbijgelegen punt van de Italiaansche kust?” vroeg toen Stephanus
+Bathory.
+
+„Op vijftig mijlen ongeveer.”
+
+„Hoeveel tijd is er benoodigd om dien afstand af te leggen?”
+
+„Dat ’s moeilijk te zeggen,” antwoordde de visscher voorzichtig.
+
+„Maar er is toch wel eene gissing, een raming te maken, niet waar?”
+
+„Ja, als deze wind blijft doorstaan, dan kunnen wij in een twaalftal
+uren overkomen. Maar....”
+
+„Gij aarzelt, vriend?” vroeg graaf Sandorf.
+
+„Gij zijt zonder geld, niet waar?”
+
+„Ja, helaas!” antwoordde Stephanus Bathory met een zucht.
+
+„En toch is dat onmisbaar!”
+
+„Dat valt niet te ontkennen.”
+
+„Welnu,” vervolgde Andreas Ferrato, „neemt dezen gordel, daarin zitten
+drie honderd gulden. Doet hem zoo.... kijk zoo, om het lijf.”
+
+„Vriend!....” zei Mathias Sandorf.
+
+„Gij zult mij dat later teruggeven,” hernam de visscher.
+
+„Teruggeven? Later? Wanneer?” vroeg graaf Sandorf met aarzeling in
+zijne stem.
+
+„Wanneer gij in veiligheid zijt. Zoodra het u schikt. Kom, dat is
+afgesproken, niet waar? Wacht mij nu slechts.”
+
+Toen dat alles afdoende geregeld was, ging Andreas Ferrato heen en
+hernam zijne gewone bezigheden met nu eens op het strand te arbeiden en
+zich dan weer eens in huis onledig te houden. Het gelukte Luigi om,
+zonder dat dit opgemerkt werd, eenige levensmiddelen, genoeg voor
+verscheidene dagen, aan boord van het visschersvaartuig te brengen. Hij
+had ze eenvoudig in een reserve-zeil gewikkeld en zoo overgevoerd. Geen
+enkele achterdochtige gedachte kon de plannen van Andreas Ferrato komen
+dwarsboomen. Hij dreef de voorzorgsmaatregelen zoo ver, dat hij zijne
+gasten gedurende het overige gedeelte van den dag niet meer wilde
+terugzien. Graaf Mathias Sandorf en professor Stephanus Bathory bleven
+in de kleine kamer verscholen, waarvan het venster evenwel geopend
+bleef. Wanneer het tijd zou zijn om die gastvrije woning te verlaten,
+zou de visscher hen waarschuwen.
+
+In den namiddag kwamen ettelijke buren met hem over visscherijzaken
+praten, voornamelijk over de verschijning der tonijnen langs de kusten
+van Istrië. Andreas Ferrato ontving hen in zijne huishoudkamer en bood
+hen volgens gewoonte een ververschingsdronk aan.
+
+Zoo ging het grootste gedeelte van den dag met heen en weer te
+drentelen en in verschillende gesprekken voorbij. Soms liep het gesprek
+over de vluchtelingen. Het gerucht was toch verspreid, dat zij in de
+nabijheid van het kanaal van Quarnero op de tegenovergestelde kust van
+Istrië gevat waren geworden. Dat gerucht werd evenwel kort daarop
+weersproken.
+
+Alles scheen dus zoo goed mogelijk te gaan. Dat de kuststrook met meer
+nauwkeurigheid dan vroeger, hetzij door de ambtenaren der in- en
+uitgaande rechten, hetzij door de politie-agenten, hetzij door de
+maréchaussées, zou gadegeslagen worden, kon als zeker aangenomen
+worden. Maar het zou zoo moeilijk niet zijn die waakzaamheid te
+verschalken, wanneer het nacht geworden zou zijn.
+
+Het embargo was, zooals de lezer zich herinneren zal, slechts op de
+groote schepen of op de kustvaarders van de Adriatische en
+Middellandsche zeeën gelegd, niet op de visschersschuiten die bij den
+oever blijven. Het uitzeilen van het vaartuig van Andreas Ferrato kon
+dus geschieden zonder achterdocht op te wekken.
+
+Andreas Ferrato had evenwel op het bezoek niet gerekend, dat hem zoo
+tegen zes uren des avonds gebracht werd. Dat bezoek verwonderde hem,
+hoewel het hem nog niet verontrustte. Hij zou er de dreigende
+beteekenis eerst van begrijpen, toen de bezoeker weer vertrokken was.
+
+Acht uren waren geslagen. Maria hield zich onledig met het gereed maken
+van het avondmaal en de tafels waren reeds gedekt in de huishoudkamer,
+toen tweemalen op de huisdeur geklopt werd. Andreas Ferrato aarzelde
+geen oogenblik om te openen. Hij was zeer verbaasd toen hij zich
+tegenover den Spanjaard Carpena bevond.
+
+Die Carpena was geboren te Almavate, eene kleine stad in de provincie
+Malaga. Hij had waarschijnlijk Spanje om eene zelfde reden verlaten,
+waarom Andreas Ferrato Corsica vaarwel had gezegd, en had zich in
+Istrië gevestigd. Daar had hij het zoutwerkers-ambacht ter hand genomen
+en hield zich voornamelijk onledig met de opbrengst der zoutpannen op
+de westkust naar het binnenland te vervoeren. Dat was een ondankbare
+arbeid, waarmede hij ter nauwernood zooveel verdienen kon om zijn
+ellendig bestaan te rekken.
+
+Carpena was een stevige kerel en nog jong, daar hij nog niet ten volle
+vijf en twintig jaren telde. Hij was klein van gestalte, maar breed van
+schouders, had een dik hoofd, met gekroesd grof zwart haar bedekt, en
+een gelaat als een bulhond, dat volstrekt niets geruststellends had.
+Hij was niet gezellig van aard, doch haatdragend, wraakzuchtig en
+daarenboven nog lafhartig. Met zulke hoedanigheden begaafd, kon het
+niet vreemd heeten, dat hij in de buurt geenszins bemind was. Niemand
+wist, waarom hij zijn vaderland verlaten had. Hij had meermalen twist
+met zijne makkers, zoutarbeiders, gehad, waarbij bedreigingen geuit
+waren, waarbij zelfs vechtpartijen voorgevallen waren, en dat alles had
+hem volstrekt geen goeden naam bezorgd. Men liet hem volgaarne ter
+zijde.
+
+Toch koesterde Carpena geen ongunstige meening over zijn eigen persoon.
+Verre van daar. Dat kan voldoende verklaring geven en men zal vernemen
+waarom hij gepoogd had met Andreas Ferrato in aanraking te komen. Het
+is waar, reeds bij het begin van die relatiën had hij vanwege den
+visscher geen aanlokkend onthaal ondervonden. Dat zal genoegzaam
+begrepen worden, wanneer de pretentiën van dien man in het volgende
+gesprek ontsluierd zullen zijn.
+
+Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas
+Ferrato hield hem tegen, terwijl hij vroeg:
+
+„Wat komt gij hier doen?”
+
+„Ik drentelde voorbij. Daar ik licht zag, heb ik aangeklopt.”
+
+„Waarom?”
+
+„Wel, om u als buurman een bezoek te brengen.”
+
+„Uwe bezoeken mishagen mij, dat weet ge wel.”
+
+„Gewoonlijk,” antwoordde de Spanjaard, „is dat zoo; maar heden.... Dat
+zal wel anders zijn.”
+
+Andreas Ferrato begreep dat niet en kon ook de beteekenis van die
+raadselachtige woorden niet gissen. In den mond van Carpena waren zij
+evenwel onrustwekkend. Een vluchtige trilling kon de huisheer dan ook
+niet bemantelen en die ontging den bezoeker niet. Deze had de deur
+gesloten.
+
+„Ik moet u spreken,” zei hij.
+
+„Neen!”
+
+„Jawel!”
+
+„Gij hebt mij niets te zeggen.”
+
+„Jawel.... Ik moet u afzonderlijk spreken,” vervolgde de Spanjaard,
+terwijl hij fluisterend sprak.
+
+„Och kom!”
+
+„Geloof me.”
+
+„Nu, kom dan,” antwoordde de visscher, die dien dag goede redenen had
+om niemand den toegang tot zijn huis te weigeren. Op een teeken van
+Andreas Ferrato stapte Carpena de huishoudkamer door en volgde hem in
+zijne slaapkamer.
+
+Die kamer was slechts door een zeer dun beschot van het vertrek
+gescheiden, waarin graaf Sandorf en zijn lotgenoot Stephanus Bathory
+verscholen waren. De eene kamer had uitzicht op de straat, de andere op
+het omheinde erf achter de woning. Toen zij alleen waren, vroeg de
+visscher:
+
+„Wat wilt ge van mij?”
+
+„Buurman,” antwoordde Carpena, „ik kom nog een beroep op uw goede
+vriendschap doen.”
+
+„Vriendschap?.....” vroeg Andreas Ferrato smalend.
+
+„Ja, vriendschap!”
+
+„En ter zake van wat?”
+
+„Ter zake van uwe dochter.”
+
+„Daarover geen woord meer!”
+
+„Maar hoor dan toch!....”
+
+„Geen woord! geen enkel woord!”
+
+„Gij weet dat ik Maria bemin, en....”
+
+„Zwijg!”
+
+„En dat het mijn vurigste wensch is, dat zij mijne vrouw wordt.”
+
+Ja, dat was het droombeeld van Carpena.
+
+Sedert verscheidene maanden vervolgde hij het jonge meisje met zijne
+oplettendheden. Zooals de lezer wel begrijpen zal, werd hij daarbij
+eerder door baatzucht dan door liefde gedreven. Andreas Ferrato kon
+welgesteld heeten en was dat ook in den kring der visschers, waarin hij
+verkeerde. Hij mocht rijk genoemd worden in vergelijking met den
+Spanjaard, die niets ter wereld bezat.
+
+Niets was dus natuurlijker dan dat Carpena de gedachte gekoesterd had,
+om de schoonzoon te worden van dien bemiddelde; maar niets was
+daartegenover ook natuurlijker, dan dat de visscher hem steeds en
+onveranderlijk afgescheept had. Een zoodanig sujet kon hem niet
+behagen.
+
+„Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato koeltjes, „gij hebt u eerst tot
+mijne dochter gewend en die heeft „neen” gezegd. Daarop zijt gij tot
+mij gekomen en ik heb eveneens „neen” geantwoord. Gij komt heden
+andermaal op uw verzoek terug; ik antwoord u „neen!” voor de laatste
+maal.”
+
+Het gelaat van den Spanjaard verwrong vreeselijk. Zijn lippen krulden
+om en lieten zijne tanden zien. Zijne oogen rolden woest en schoten
+vuurstralen. Maar de kamer, waarin de beide mannen zich bevonden, was
+slecht verlicht, zoodat Andreas Ferrato dat onheilspellend gelaat niet
+kon zien.
+
+„Is dat uw laatste woord?” vroeg Carpena.
+
+„Ja!”
+
+„Onherroepelijk?
+
+„Ja, onherroepelijk mijn laatste woord, wanneer het de laatste maal zal
+zijn, dat gij uw aanzoek herhaalt,” antwoordde de visscher. „Komt gij
+er evenwel op terug, dan zult gij steeds hetzelfde antwoord ontvangen.”
+
+„Ik zal er op terugkomen!....”
+
+„Dat is volmaakt noodeloos!”
+
+„Ja, ik zal er op terugkomen, wanneer Maria mij zeggen zal om het te
+doen.”
+
+„Zij?....”
+
+„Ja, zij!”
+
+„Zij!....” riep Andreas Ferrato uit. „Zij! Gij weet wel dat mijne
+dochter noch vriendschap, noch achting voor u koestert!”
+
+„Hare gevoelens kunnen veranderen, wanneer....”
+
+„Kom, loop heen.”
+
+„Wanneer ik een onderhoud met haar gehad zal hebben.”
+
+„Een onderhoud?”
+
+„Ja, Ferrato, ik wensch haar te spreken.”
+
+„Wanneer?”
+
+„Dadelijk!.... Hoort ge?.... Ik moet haar dadelijk spreken...”
+
+„Moet?” vroeg de visscher toornig.
+
+„Ja, ik moet. En dat nog wel heden avond.”
+
+„Ik weiger voor haar!”
+
+„Pas op!”
+
+„Geen bedreigingen!”
+
+„Pas op!” herhaalde Carpena, die thans luider sprak. „Pas op!”
+
+„Waarop?”
+
+„Ik zal mij wreken!”
+
+„Ha, ha, ha!”
+
+„Ja, ik zal mij wreken!”
+
+„Welnu, wreek je, als ge kunt en als ge durft, Carpena,” antwoordde
+Andreas Ferrato, die nog meer toornig werd.
+
+„Sar me niet!”
+
+„Wreek je; je bedreigingen jagen mij geen angst aan, dat weet je wel!”
+
+De Spanjaard knarsetandde.
+
+„En nu de deur uit!” ging Andreas Ferrato voort. „Of ik smijt je naar
+buiten!”
+
+Het bloed steeg Carpena naar het hoofd. Hij was op het punt om geweld
+tegen den visscher te begaan; maar het gelukte hem zich te bedwingen,
+en na de deur met kracht opengesmeten te hebben, vloog hij de huiskamer
+door en het huis uit zonder een woord gesproken te hebben.
+
+Nauwelijks was hij buiten, toen de deur der naburige kamer, waarin de
+vluchtelingen verborgen waren, openging. Graaf Sandorf, wien niets van
+dat onderhoud ontgaan was, verscheen op den drempel, en op Andreas
+Ferrato toetredende, zei hij op fluisterenden toon:
+
+„Dat is de man, die ons aan den brigadier der maréchaussées verraden
+heeft. Hij kent ons. Hij heeft ons gezien, toen wij op den oever van
+het kanaal van Léma voet aan wal zetten. Hij heeft ons tot Rovigno
+gevolgd. Hij weet blijkbaar, dat gij ons eene schuilplaats in uw huis
+verleend hebt. Laat ons dan dadelijk vluchten, anders zijn wij
+verloren, en.... gij met ons!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+LAATSTE POGINGEN IN EEN LAATSTEN STRIJD.
+
+
+Andreas Ferrato hoorde dat stilzwijgend aan.
+
+Hij had niets in zijn brein gevonden om graaf Sandorf te antwoorden.
+Zijn Corsicaansch bloed kookte in hem. Hij had de beide vluchtelingen
+vergeten, voor welker redding hij zooveel op het spel gezet had. Hij
+dacht slechts aan den Spanjaard; hij zag slechts Carpena!
+
+„Die ellendeling! O, die ellendeling!” mompelde hij eindelijk. „Ja! hij
+weet alles! Wij hangen geheel en al van zijne genade af! ik had het
+moeten begrijpen!”
+
+Mathias Sandorf en Stephanus Bathory keken den visscher met een beklemd
+gevoel aan. Zij wachtten reikhalzend wat hij zeggen, wat hij doen zou.
+Er mocht geen enkel oogenblik verloren gaan. Er moest gehandeld,
+dadelijk gehandeld worden. Het verraad, dat werk des duivels, was
+waarschijnlijk reeds geschied.
+
+„Heer graaf,” sprak eindelijk Andreas Ferrato, „de politie kan ieder
+oogenblik mijne woning overvallen en binnenstormen. Ja! die ellendige
+bedelaar moet alles weten of ten minste moet hij onderstellen dat
+gijlieden hier zijt! Het is een koop, dien hij mij heeft komen
+voorstellen! Mijne dochter tot prijs voor zijne stilzwijgendheid. Hij
+zal u ten val brengen om zich op mij te wreken! Helaas, wanneer de
+politie-agenten komen, zal het onmogelijk zijn te ontsnappen en dan
+zult gij andermaal gevangen genomen worden. Ja, inderdaad, gij moet
+dadelijk vluchten!”
+
+„Gij hebt gelijk, Andreas Ferrato,” antwoordde graaf Mathias Sandorf,
+„maar vóórdat wij scheiden, laat mij u bedanken voor al hetgeen gij
+voor ons gedaan hebt, en voor hetgeen gij voor ons doen wildet....”
+
+„Wat ik doen wilde, wil ik nog doen,” sprak Andreas Ferrato hoogst
+ernstig.
+
+„Dat weigeren wij!” antwoordde Stephanus Bathory.
+
+„Ja, dat weigeren wij,” vulde graaf Sandorf aan. „Gij hebt u reeds te
+veel blootgegeven en in gevaar gesteld! Wanneer men ons bij u ontdekt,
+dan veroordeelt men u tot de galeien!”
+
+„Om het even!” riep de visscher uit.
+
+„Kom Stephanus, laten wij deze woning verlaten om te vermijden dat wij
+er den ondergang en het ongeluk brengen!”
+
+„Maar, heer graaf....”
+
+„Laten wij vluchten, dat ’s goed; maar alleen vluchten!”
+
+Andreas Ferrato greep den graaf bij de hand.
+
+„Waar zoudt gij heen gaan? Al de autoriteiten des lands zijn op de been
+en waakzaam. De politieagenten en de maréchaussées doorkruisen nacht en
+dag het veld in den omtrek. Er is geen enkel veilig punt op de kust,
+waar gij u zoudt kunnen inschepen, er bestaat geen enkel voetpad,
+waarlangs gij de grens veilig zoudt kunnen bereiken! Zonder mij
+vertrekken, is zeker den dood tegemoet snellen!”
+
+„Volgt mijn vader, heeren,” voegde Maria er bij. „Wat er ook geschiede,
+hij doet zijn plicht door te pogen u te redden!”
+
+„Goed zoo, mijne dochter,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ja waarlijk,
+het is slechts mijn plicht, dierbaar kind! Uw broeder wacht ons reeds
+bij de jol. De nacht is zeer donker. Vóórdat wij ontdekt zullen wezen,
+zullen wij in volle zee zijn. Omhels mij, Maria, omhels mij, kindlief,
+en heeren, laten wij vertrekken!”
+
+Toch wilden graaf Sandorf en zijn lotgenoot niet toegeven. Zij
+weigerden een dergelijk offer aan te nemen. Zij wilden dat huis wel
+dadelijk verlaten, om den visscher niet verder in gevaar te brengen. Ja
+zeker. Maar vertrekken onder zijne leiding, wanneer er de galeien op
+stonden! Neen! dat wilden zij niet!
+
+„Kom dan toch!” zei Mathias Sandorf tot Stephanus Bathory, terwijl hij
+hem meetrok. „Als wij eenmaal buiten zijn, dan valt er alleen voor ons
+zelven te vreezen!”
+
+En beiden waren op het punt om door het geopende venster te ontwijken,
+om over het kleine erf hetzij de kust te bereiken, hetzij zich naar het
+inwendige der provincie te begeven toen Luigi binnen stormde.
+
+„De politieagenten!” zei hij.
+
+„Vaarwel!” riep graaf Sandorf uit.
+
+En gevolgd door zijn lotgenoot sprong hij het venster uit.
+
+Juist in dat oogenblik drong een bende politiedienaren de huiskamer van
+den visscher binnen.
+
+Carpena geleidde hen.
+
+„Ellendeling!” zeide Andreas Ferrato.
+
+„Dat ’s mijn antwoord op uwe weigering!”
+
+De visscher werd gegrepen en in een ondeelbaar oogenblik gebonden.
+Terzelfder tijd hadden de agenten de woning bezet en al de kamers
+daarvan onderzocht. Het open raam wees hen den weg aan, dien de
+vluchtelingen genomen hadden. Zij ijlden dadelijk ter hunner vervolging
+naar buiten.
+
+De beide rampzaligen bereikten toen juist de heg, die het erf omheinde
+en van de kleine beek afscheidde. Graaf Sandorf was er in één sprong
+over, daarna hielp hij Stephanus Bathory, die minder vlug was, om er
+over te klauteren. Een geweerschot weerklonk op nog geen vijftig passen
+van hen.
+
+Stephanus was door een geweerkogel aan den schouder getroffen, hoewel
+niet levensgevaarlijk. Maar zijn arm was verlamd en hij was onmachtig
+de pogingen van zijn makker te ondersteunen.
+
+„Vlucht,” riep hij hem toe. „Vlucht Mathias.”
+
+„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven,” antwoordde graaf
+Sandorf, na andermaal beproefd te hebben zijn gewonden makker in zijne
+armen op te tillen.
+
+„Vlucht, Mathias!” herhaalde Stephanus Bathory.
+
+„Neen! neen!”
+
+„Vlucht en leef om de verraders te straffen!”
+
+Die laatste woorden klonken als een bevel in de ooren van graaf
+Sandorf.
+
+De magnaat van Transsylvanië, de samenzweerder van Triëst, de makker en
+deelgenoot van Stephanus Bathory en van Ladislas Zathmar moest plaats
+maken voor den straffenden rechter!
+
+De politieagenten, die op hunne beurt het uiteinde van het kleine erf
+bereikt hadden, wierpen zich in dit oogenblik op den gekwetste. Wanneer
+graaf Sandorf nog eene enkele seconde aarzelde, dan moest ook hij in
+hunne handen vallen!
+
+„Vaarwel, Stephanus, vaarwel!” riep hij uit.
+
+En met een vervaarlijken sprong wipte hij over de beek, die langs de
+heg vloot en verdween hij in de duisternis.
+
+Vijf of zes geweerschoten werden in die richting afgeschoten; maar de
+kogels troffen den vluchteling niet. Hij sprong terzijde en liep
+ijlings naar den kant der zee.
+
+De politieagenten zaten hem evenwel op de hielen. Daar zij hem in het
+donker niet ontwaren konden, was het onmogelijk om hem voor te komen.
+Zij verspreidden zich, om hem den pas af te snijden, zoowel naar het
+innerlijke des lands, als naar den kant van de stad en van het
+voorgebergte, hetwelk de baai ten noorden van Rovigno omgeeft.
+
+Een brigade maréchaussées schoot hen te hulp en bewoog zich zoo, dat
+graaf Sandorf geen andere weg open bleef, dan naar de kust. Maar daar,
+bij den rand der klippen aangekomen, wat zou hij daar doen?
+
+Zou hij er in slagen eene sloep te bemachtigen, om zich daarmede op de
+Adriatische zee te wagen?
+
+Daartoe zou hij den tijd niet hebben; want vóórdat hij het touw,
+waarmede ze aan den oever vast lag, losgemaakt zou hebben, zou hij
+onder de geweerkogels, die op hem afgezonden zouden worden, vallen.
+
+Hij begreep evenwel al heel spoedig, dat de vlucht naar het oosten hem
+afgesneden zou zijn. Het geweervuur, de kreten door de politieagenten
+en door de maréchaussées uitgestooten, terwijl zij naderden, duidden
+hem genoegzaam aan, dat hij van achteren, naar den kant van het strand,
+omsingeld was.
+
+Hij kon slechts naar de zee heenijlen en daarlangs ontvluchten.
+
+Dat was ongetwijfeld een zekeren dood tegemoet loopen; maar was het
+niet beter die in de golven te vinden, dan ze af te wachten voor het
+executie-peloton op het binnenplein van de vesting te Pisino.
+
+Graaf Sandorf spoedde zich dus naar het strand. In weinige sprongen had
+hij de eerste kabbelingen bereikt, die de branding tegen het strand
+opjoeg. Hij voelde als ’t ware de politieagenten achter zich. De
+geweerkogels, die in den blinde op hem afgevuurd werden, gingen
+rakelings zijn hoofd voorbij.
+
+Op een kleinen afstand van het strand staken hier op de kust van Istrië
+eene menigte rotstoppen uit zee op. Dat waren afzonderlijke klippen,
+die den oever dekten. Tusschen die klippen werden talrijke waterpoelen
+aangetroffen, die de uithollingen van den oever vulden. De meeste dier
+poelen waren diep, maar er waren er ook, waarin het water ternauwernood
+tot aan den enkel reikte.
+
+Dat was de laatste uitweg, die nog voor graaf Mathias Sandorf
+openstond. Hoewel hij er niet aan twijfelen kon, dat hij den dood aan
+het uiteinde daarvan zou vinden, aarzelde hij geen oogenblik dien in te
+slaan.
+
+Hij doorwaadde dan die poelen en sprong van rots tot rots. Maar daarbij
+werd zijn omtrek meer zichtbaar op den minder donkeren achtergrond van
+den gezichteinder. Dadelijk weerklonken kreten om hem aan te duiden,
+waarna de politieagenten hem achterna snelden.
+
+Graaf Sandorf was vast besloten niet levend in hunne handen te vallen.
+Als de zee hem zou aanspoelen, dan zou het slechts zijn lijk zijn.
+
+Die moeilijke jacht op die onvaste en gladde steenen, bedekt met
+glibberige zeegewassen, door die waterpoelen, waarin iedere pas eene
+struikeling of een val kon ten gevolge hebben, duurde meer dan een half
+uur. Het was den vluchteling gelukt een voorsprong te behouden, maar de
+vaste grond zou hem weldra ontbreken.
+
+En inderdaad, hij kwam op een der laatste rotsen van de klippen-bank
+aan. Twee of drie politie-agenten waren nog slechts op tien passen van
+hem. De anderen volgden op ongeveer twintig schreden.
+
+Graaf Sandorf verhief zijne gestalte toen. Een laatste kreet ontsnapte
+hem, een laatste kreet als vaarwel tot den hemel gericht. En op het
+oogenblik dat een aantal geweerschoten op hem gelost werden, sprong hij
+in zee.
+
+Toen de politie-agenten bij het uiteinde der rotsbank gekomen waren,
+ontwaarden zij niets meer dan het hoofd van den vluchteling, dat
+slechts als een zwart punt verscheen en naar volle zee gekeerd was.
+
+Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias
+Sandorf opspatten. En ongetwijfeld moesten een of meer kogels hem
+getroffen hebben, want hij dook onder de golven om niet meer te
+voorschijn te komen.
+
+Neen, niets, niets was meer te ontwaren!
+
+De maréchaussées en de politie-agenten bleven, totdat de dag
+aangebroken was, de rotsbank, de klippen en het strand van het
+voorgebergte af ten noorden van de baai gelegen, tot voorbij het fort
+van Rovigno nauwkeurig bewaken.
+
+Het was te vergeefs.
+
+Niets duidde er op, dat graaf Sandorf ergens op die kust voet aan wal
+gezet had.
+
+Iedereen was dan ook overtuigd, dat zoo hij niet door een kogel
+getroffen werd, hij verdronken was; dat hij in ieder geval dood was.
+
+Intusschen met welke nauwgezetheid de nasporingen ook geleid en
+uitgevoerd werden, geen lijk werd in de branding ontwaard, noch op de
+kust gevonden. En toch strekten die nasporingen zich over eene
+kuststrook uit van meer dan twee uren gaans. Maar daar de wind van den
+kant van het land woei en de stroom naar het zuidwesten voerde, zoo
+bestond er geen twijfel of het lijk van den vluchteling was naar volle
+zee gedreven.
+
+Graaf Sandorf, de Hongaarsche magnaat, had dus zijn graf in de golven
+van de Adriatische zee gevonden!
+
+Dat was de meening, die na een zeer nauwkeurig onderzoek, als de meest
+natuurlijke door het Oostenrijksche gouvernement aangenomen werd.
+
+Het recht moest dan ook zijn loop hebben.
+
+Stephanus was, de lezer weet onder welke omstandigheden, gevat
+geworden. Hij werd gedurende den nacht, en vergezeld van een sterk
+bewakings-detachement, naar den vestingtoren van Pisino teruggevoerd.
+Daar werd hij, helaas! voor slechts weinige uren, in gezelschap van
+graaf Ladislas Zathmar opgesloten.
+
+De terechtstelling werd toen vastgesteld op den volgenden dag, den
+30sten Juni.
+
+Stephanus Bathory had voorzeker gedurende die noodlottige uren zijne
+vrouw en zijn kind voor de laatste maal hebben kunnen weerzien.
+Ladislas Zathmar zou een laatsten handdruk van zijn getrouwen dienaar
+hebben kunnen ontvangen; want het bevel om hen in den vestingtoren te
+Pisino toe te laten, was behoorlijk gegeven.
+
+Maar èn mevrouw Bathory met haren zoon, èn Borik, die uit de gevangenis
+losgelaten was, hadden Triëst verlaten. Niet wetende waarheen de
+gevangenen gevoerd waren, daar de inhechtenisneming zeer geheim was
+gehouden, waren zij in Hongarije en zelfs tot in Oostenrijk gaan
+zoeken; en toen het vonnis uitgesproken was, kon men hen natuurlijk
+niet bijtijds weêrvinden.
+
+Stephanus Bathory moest dus die laatste vertroosting ontberen om zijn
+gade en zijn kind weer te zien. Hij kon hen den naam der verraders, die
+zijn leven verkocht hadden, niet mededeelen.
+
+Alleen de gerechtigheid van graaf Mathias Sandorf zou die kunnen
+treffen.
+
+Professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar werden te vijf
+uren op het binnenplein der vesting doodgeschoten. Zij stierven als
+mannen, die hun leven voor hun vaderland ten offer brachten.
+
+Silas Toronthal en Sarcany konden de hoop koesteren, dat zij tegen
+iedere weerwraak beveiligd waren. En inderdaad, het geheim van hun
+verraad was slechts bekend bij hen alleen en bij den gouverneur van
+Triëst.
+
+Dat verraad, die snoode daad werd hen betaald met de helft der
+bezittingen van graaf Mathias Sandorf.
+
+De andere helft werd als buitengewone gunst opgespaard en bewaard voor
+de erfgenamen van den graaf, wanneer zij hun achttiende jaar bereikt
+zouden hebben.
+
+Noch Silas Toronthal noch Sarcany ondervonden eenige wroeging over
+hunne schandelijke daad. Zij konden dan ook in rust en vrede genieten
+van de rijkdommen, door dat afschuwelijk verraad verkregen.
+
+Eene ander verrader scheen ook niets te vreezen te hebben. Dat was de
+Spanjaard Carpena, wien de bloedprijs, de premie van vijf duizend
+gulden, die aan den verklikker uitgeloofd werd, uitgereikt was.
+
+Maar konden de bankier Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany in
+Triëst met opgeheven hoofde rondwandelen, daar hun geheim bewaard was
+gebleven, Carpena moest onder het gewicht der algemeene afkeuring en
+verontwaardiging de wijk nemen en Rovigno verlaten. Maar wat kon hem
+dat schelen! Hij had niets meer te vreezen, zelfs niet de wraak van
+Andreas Ferrato.
+
+De visscher was inderdaad gevangen genomen, terechtgesteld en tot
+levenslange galeistraf veroordeeld geworden, omdat hij eene
+schuilplaats aan de vluchtelingen verleend had. Maria was thans met
+haren jongeren broeder Luigi alleen. Helaas, armoede en ellende
+wachtten hen in dat huis, waaruit de vader gesleurd was, zonder er weer
+te keeren!
+
+Zoodat drie ellendelingen, alleen uit een hebzuchtig gevoel, zonder dat
+een zweem van haat hen tegen hunne slachtoffers in het harnas
+joeg,—Carpena hiervan misschien uitgezonderd—de een om zijn wankelende
+bankierszaken te herstellen, de twee anderen om rijkdommen te
+verwerven, niet waren teruggedeinsd om zulk een gruwel te beramen en te
+bedrijven.
+
+Zou zulk een schandelijke daad op aarde ongestraft blijven?
+
+Helaas! Gods rechtvaardigheid wordt niet altijd bespeurd.
+
+Zouden graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor
+Stephanus Bathory, die drie vaderlandslievende mannen, zoude Andreas
+Ferrato, de nederige visscher, het edele hart, ongewroken blijven?
+
+Het antwoord daarop blijft aan de toekomst over.
+
+
+ EINDE VAN HET VOORSPEL.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DOKTER ANTEKIRRT
+
+
+I.
+
+PESCADOSPUNT EN KAAP MATIFOU.
+
+
+Vijftien jaren zijn verloopen sedert de laatste gebeurtenissen, bij het
+einde van het voorspel dezer geschiedenis verhaald, voorgevallen waren.
+
+Het was den 24en Mei 1882 een feestdag te Ragusa, een der voornaamste
+steden van de Dalmatische provinciën.
+
+Dalmatië is slechts een smalle landtong, welke tusschen het noorder
+gedeelte der Dinarische Alpen, tusschen Herzegowina en de Adriatische
+zee gelegen is. Er is daar juist plaats voor eene bevolking van vier of
+vijf maal honderd zielen, die evenwel wat opeengehoopt moeten leven.
+
+De Dalmaten vormen een fraai ras, dat zeer sober in die dorre schrale
+landstreek, waar de teelgrond zeldzaam aangetroffen wordt, leeft. Zij
+zijn fier gebleven te midden der staatkundige beroeringen, welke zij
+ondergaan hebben; zij zijn uiterst trotsch tegenover Oostenrijk,
+waaraan zij vastgeklonken werden door het verdrag van Campo Formio,
+hetwelk op dat punt bij den vrede van Parijs in 1815 bevestigd werd.
+Zij zijn eerlijk als goud, en hebben ten volle verdiend dat hun land,
+volgens eene vleiende uitdrukking van den heer Yriartes, „het land der
+deuren zonder sloten” genoemd werd!
+
+Dalmatië wordt in vier kringen verdeeld, die op hunne beurt in
+districten onderverdeeld zijn. Dat zijn: de kringen van Zara, van
+Spolato, van Cattaro en van Ragusa. De gouverneur-generaal heeft zijne
+residentie te Zara, welke stad dientengevolge de hoofdplaats van de
+provincie is. Te Zara komt de Landdag bijeen, waarvan enkele leden deel
+uitmaken van de Kamer van vertegenwoordiging te Weenen.
+
+De tijden zijn wel veranderd sedert de XVIde eeuw, toen de Uskoken, die
+niets anders dan gevluchte Turken waren, in open oorlog zoowel met de
+Muzelmannen als met de Christenen verkeerden, zoowel met den Sultan van
+Constantinopel als met den Doge van Venetië. Zij waren de schrik der
+Adriatische zee. Maar de Uskoken zijn verdwenen en men vindt van dien
+volksstam nergens anders een spoor terug dan in de Carniòla. De
+Adriatische zee is dus heden ten dage even veilig als eenig ander
+gedeelte van die prachtige en dichterlijke Middellandsche zee.
+
+Ragusa of beter gezegd: de kleine staat Ragusa, is langen tijd
+republikeinschgezind geweest en was dat voor Venetië, dat wil zeggen,
+reeds sedert de IXde eeuw. Het was eerst bij decreet van Napoleon I dat
+Ragusa in 1809 bij het koninkrijk Illyrië gevoegd werd, om het als
+hertogdom aan den maarschalk Marmont te schenken.
+
+Reeds in de IXde eeuw vertoonden zich de schepen van Ragusa in alle de
+Levantsche zeeën en hadden den alleenhandel met de ongeloovigen tot
+zich getrokken. De Heilige Stoel had dien alleenhandel goedgekeurd,
+waardoor aan Ragusa een groote voorrang geschonken werd te midden van
+die kleine republieken van Zuid-Europa. Maar Ragusa onderscheidde zich
+nog door andere meer edele hoedanigheden. De goede naam harer
+geleerden, de roem van hare letterkundigen, de goede smaak van hare
+kunstbeoefenaars, hadden haar den naam van Slavonisch Athene verschaft.
+
+Evenwel voor den handel ter zee is een goede haven met diepen
+ankergrond noodig, die schepen van groote tonnenmaat kan opnemen. Maar
+die haven ontbreekt aan Ragusa. Hare haven is smal en gevaarlijk van
+wege de rotsen, die nagenoeg met de waterlijn gelijk liggen, zoodat
+niets anders dan kustvaarders en visschersschuiten eene veilige
+ligplaats vinden.
+
+Gelukkig heeft de natuur als altijd, op een half uur afstands ten
+noorden, in een van die inkeepingen van de baai van Ombla Fiumera,
+grillig een van die overheerlijke havenkommen gevormd, die de meest
+mogelijke hulpmiddelen en gemakken aan de meest ontwikkelde scheepvaart
+aanbieden. Die havenplaats ligt te Gravosa, de beste wellicht van de
+geheele Dalmatische kust. Daar is water genoeg voor de meest diepgaande
+bodems, zelfs voor oorlogsschepen; daar ontbreekt de ruimte niet voor
+het krengen en voor het dokken der schepen, ook niet voor de
+scheepstimmerwerven. Daar eindelijk kunnen die groote pakketbooten
+aanleggen, die der wereld in het tweede gedeelte dezer eeuw deelachtig
+zijn geworden.
+
+Daaruit volgt dus dat op het tijdstip van dit verhaal, de weg van
+Ragusa naar Gravosa een ware boulevard was geworden, die ter
+weerszijden met fraaie boomen beplant en omzoomd was met heerlijke
+villa’s, terwijl de geheele bevolking der stad, die toen op zestien- of
+zeventienduizend inwoners kon gerekend worden, zich langs dien weg
+verdrong.
+
+Nu kon men dien dag tegen vier uren in den namiddag bespeuren, dat de
+bewoners van Ragusa, na een heerlijken lente-ochtend genoten te hebben,
+zich naar Gravosa begaven.
+
+In die voorstad—en zoo kon Gravosa, bij de poorten der stad gelegen,
+toch inderdaad genoemd worden, niet waar?—was er toen feest.
+Verscheidene tenten en kermiskramen waren daar aanwezig, muziek en
+danspartijen in de open lucht hadden daar plaats, terwijl kwakzalvers,
+kunstenmakers, koorddansers, steltloopers, wier geschreeuw en gekakel,
+wier muziekinstrumenten en liederen groot spektakel in de straten, ja
+tot op de haven maakten, allerwege aangetroffen werden.
+
+Voor een vreemdeling zou die dag een buitenkansje geweest zijn, om de
+verschillende typen van het Slavonische ras, dat zich daar vermengd met
+Bohemers van allerlei gehalte verdrong, te bestudeeren. Niet alleen
+waren de Nomadische bevolkingen toegestroomd, om er de nieuwsgierigheid
+van de ingezetenen te ontginnen, maar ook de boerenlui en de
+bergbewoners waren komen opdagen, om hun deel van de openbare
+vermakelijkheden te genieten.
+
+Het vrouwelijk geslacht was er in groot getal vertegenwoordigd: dames
+uit de stad, boerinnen uit den omtrek, visschersvrouwen van de kust,
+die allen wemelden door elkander. Bij de eerstbedoelden was de poging
+merkbaar, om hare kleeding met de laatste mode van Westelijk Europa te
+doen overeenstemmen. Wat de anderen betreft, hare tooi verschilde
+minstens in eene bijzonderheid, naarmate van het district, vanwaar de
+draagsters afkomstig waren. Hier zag men witte hemdjes met geborduurde
+mouwen en borstrokken, elders jakken met veelkleurige figuren versierd,
+dan weer fraaie gordels met honderden ja duizenden zilveren
+spijkerkopjes bezaaid. Het alles geleek op een mozaïekwerk, waarin de
+kleuren in elkander vloeiden als op een fraai Perzisch tapijt. Hier
+werd een wit mutsje op dichte haarvlechten ontwaard, dat met
+veelkleurige linten getooid was; daar eene „okronga,” een soort sluier,
+die naar achteren afvalt, zooals de „puskul” van den Oosterschen
+tulband; en overal beenbekleeders en schoeisel, aan het been en aan den
+voet met bandwerk van stroo gevlochten vastgemaakt. En om al dien tooi
+en opschik te volmaken, blonken juweelen, in den vorm van armbanden,
+halssnoeren, of diademen van geldstukjes, op de meest kunstige wijze
+vervaardigd, om hals, armen, borst en midden te versieren. Die juweelen
+werden zelfs bij de kleeding van de landlieden aangetroffen, die ook
+den glinsterenden zoom van borduursels niet versmaden, waarmede de
+onderkant hunner japonnen versierd was.
+
+Maar onder die verscheidene kleederdrachten der Ragusasche bevolking,
+welke door allen, zelfs door de zeelieden van de haven en de kust met
+smaak gedragen werden, was toch die der commissionnairs of
+boodschaploopers—een bevoorrecht gild—wel het meest geschikt om de
+aandacht te boeien. Die pakjesdragers zijn inderdaad als ware
+Oosterlingen uitgedost met tulband, vest, bovenkleed, gordel, breede
+Turksche pantalon en babouchen of sloffen. Zij zouden op de kaden van
+Galata of op het plein Top’hané te Constantinopel volstrekt niet
+misplaatst zijn.
+
+De feestvreugde was toen tot haar toppunt geklommen en de
+luidruchtigheid het hoogst. De kramen zoowel in de straten als op de
+kaden waren overvuld. Er bestond bovendien nog eene bijzondere
+aantrekkingskracht, die wel geschikt was om een zeker aantal
+nieuwsgierigen, leegloopers en lanterfanten te verleiden en meê te
+slepen, en dat was het te water laten van eene „trabucolo,” een soort
+vaartuig, dat alleen in de Adriatische zee aangetroffen wordt en twee
+masten ieder met twee zeilen voert, welke op schuin oploopende ra’s
+aangeslagen zijn.
+
+Het te water laten zou tegen zes uren in den avond plaats hebben, en de
+romp der trabucolo was reeds bevrijd van de steunpalen en wachtte
+slechts op het wegnemen van de sleutelwiggen, om te water te loopen.
+
+Maar tot op dat uur wedijverden de kunsten- en potsenmakers met de
+rondreizende muzikanten en met de koorddansers in talent of
+behendigheid, tot groot genoegen van de menigte.
+
+Het waren toen de muzikanten, die het meest de toeschouwers tot zich
+trokken. Onder hen bevonden zich guzlars of bespelers van de guzla en
+die haalden het meeste geld op. Terwijl zij zich met hunne zonderlinge
+speeltuigen begeleidden, zongen zij met eene keelgeluidachtige stem
+hunne nationale gezangen en liederen, en die waren inderdaad wel waard,
+dat men een oogenblik stilstond om ze te hooren.
+
+De guzla, waarvan die straatkunstenaars zich bedienen, is een
+instrument met een langen hals, waarover verscheidene snaren gespannen
+zijn en waarop zij eenvoudig met een enkelen kattendarm zagen. Wat de
+stem der zangers betreft, deze laatsten loopen geen gevaar, dat hun de
+noten ontbreken zullen, want zij gaan ze zoowel boven in hun hoofd als
+beneden in de borstholte zoeken.
+
+Een van die zangers,—een groote lummel, met gele huid en bruin
+haar,—hield zijn instrument tusschen zijne knieën evenals een oude
+violoncel, die uitgeteerd zoude zijn. Hij zong en mimeerde door houding
+en gebaren eene canzonetta, waarvan hieronder de vertaling volgt:
+
+
+ Wanneer weerklinkt het lied,
+ Het lied der Singare;
+ U ontsnappe dan niet,
+ Hoe zij zingt dat haar lied
+ Want: Beware!
+ Pas op voor de Singare!
+ Blijft ge echter ver van haar
+ Van haar verteerende blikken
+ Dan is er weinig gevaar
+ Dan kunt ge het nog ontglippen!
+
+
+Na dat eerste couplet trad de zanger met het traditioneele bakje in de
+hand op de menigte toe, om hun de gift van een paar kleine koperen
+muntstukken af te bedelen. Maar hetgeen hij opgehaald had, bedroeg,
+scheen het, niet veel, want hij keerde naar zijne plaats terug en
+poogde zijn gehoor te verteederen met een tweede couplet van de
+canzonetta.
+
+Een man, ongeveer vijftig jaren oud, hoorde dat gezang dier Bohemers
+rustig aan. Maar hij scheen weinig gevoelig voor zooveel dichterlijke
+verleidingen; want zijne beurs bleef tot nu toe opgeborgen en gesloten.
+Het is waar, dat de Singare zelve, waarvan de canzonetta sprak, met
+hare verteerende blikken niet gezongen had, maar wel de lange lummel,
+die zich tot haren tolk gemaakt had. Hij was dan ook op het punt om
+heen te gaan, zonder iets betaald te hebben, toen een jong meisje, die
+den toehoorder begeleidde, hem weerhield met de woorden:
+
+„Vader, ik heb geen geld bij mij. Ik bid u, geef toch iets aan dien
+braven man.”
+
+Dat was de reden, waarom de guzlar vier of vijf kreutzer meer ontving
+dan wel geschied zou zijn zonder de tusschenkomst van het jonge meisje.
+Niet dat haar vader, die zeer rijk was, zulk een gierigaard genoemd kon
+worden, dat hij een aalmoes zou weigeren aan een kermismuzikant. Neen,
+maar waarschijnlijk behoorde hij niet tot hen, die door de menschelijke
+ellende bewogen kunnen worden.
+
+Beiden drongen door de menigte heen en gingen naar de andere kramen,
+waar het niet minder luidruchtig toeging, terwijl de guzla-bespelers
+zich in de nabij gelegen herbergen en kroegen verspreidden, om het
+ontvangen geld in vocht voor de keel om te zetten. Zij gingen dan ook
+niet zuinig om met de „slivo-vitza”, een soort zeer sterke brandewijn,
+die door de distillatie van pruimen verkregen wordt en die in weerwil
+van zijne alcoholische kracht, als stroop door die Bohemer kelen vloot.
+
+Die kunstbeoefenaars in de open lucht, hetzij het zangers, hetzij het
+koorddansers of grappenmakers waren, erlangden niet allen even
+gelijkelijk de gunsten van het publiek. Onder de minstbegunstigden kon
+men twee acrobaten ontwaren, die te vergeefs hunne kunsten op eene
+verhevenheid van planken aan den man poogden te brengen. Zij hadden
+evenwel geen toeschouwers.
+
+Boven die verhevenheid prijkten afbeeldingen met schreeuwende kleuren
+besmeerd en in vrij slechten staat verkeerende, waarop verscheurende
+dieren, in waterverf gekleurd en bedeeld met de meest grillige
+omtrekken, voorgesteld waren. Men zag daar leeuwen, jakhalzen, hyena’s,
+tijgers, boa’s enz. enz., die te midden van een onwaarschijnlijk, ja
+onmogelijk landschap sprongen of zich ontrolden.
+
+Achter die verhevenheid stond eene kleine ronde tent, van oud zeildoek
+vervaardigd, die met zooveel gaten doorboord was, dat de nieuwsgierigen
+en onbescheidenen de verleiding niet konden weerstaan om er het oog bij
+te brengen en er door te gluren, hetgeen nadeelig voor de ontvangst
+moest zijn.
+
+Vóór de verhevenheid stond een slecht bevestigde paal, waaraan eene
+oude leelijke plank vastgespijkerd was, die als het ware de kinderjaren
+van de uithangborden vertegenwoordigde en waarop deze vijf woorden grof
+en lomp met houtskool geschreven waren:
+
+
+ PESCADOS EN MATIFOU.
+
+ Fransche acrobaten.
+
+
+Uit een lichamelijk oogpunt beschouwd,—en ongetwijfeld ook uit een
+zedelijk oogpunt,—verschilden die twee mannen zoo sterk van elkander
+als dat twee menschelijke wezens doen kunnen. Alleen had hun
+gemeenschappelijke oorsprong het kunnen bij elkander brengen om de
+wereld rond te trekken en den strijd des levens te zamen te aanvaarden.
+Beiden waren in de Provence geboren.
+
+Hoe kwamen zij aan die zonderlinge namen, die waarschijnlijk daar ginds
+in hun ver verwijderd geboorteland eenige vermaardheid hadden?
+
+Hadden zij die ontleend aan die twee geographische punten, waartusschen
+de baai van Algiers ingesneden is, namelijk tusschen kaap Matifou en
+kaap Pescados? Ja, zeker, en die namen pasten hen inderdaad volkomen,
+evenals die van Atlas aan een kermisreus of aan een straat-Hercules.
+
+Kaap Matifou is een groote, stevige onwrikbare heuvel, die op het
+noordwestelijke uiteinde van de uitgestrekte reede van Algiers
+verrijst, alsof hij de ontketende elementen tartte en daardoor het
+gezegde der dichters verdiend heeft:
+
+„Zijn onvernietigbare massa heeft den tijd vermoeid.”
+
+Zoodanig was de athleet Matifou, een Alcides, een Porthos, een
+gelukkige mededinger van een Ompdrailles, van een Nikolaas Crestes en
+van andere beroemde worstelaars, die tot sieraad strekten van de
+zuidelijke worstelperken.
+
+Die reus, zooals men hem noemde, en men moest hem gezien hebben om het
+te gelooven, was meer dan zes voet hoog, had een omvangrijk hoofd en
+daaraan geëvenredigde schouders, eene borstkas als een smids-blaasbalg,
+beenen als boomstammen van twaalf jaren oud, armen als drijfstangen van
+een stoomwerktuig, en handen als nijptangen. In dien man zag men de
+menschelijke spierkracht in hare geheele heerlijkheid, en wanneer men
+naar zijn ouderdom vernomen had,—dien hij, tusschen twee haakjes
+gezegd, zelf niet wist,—dan zou men met verbazing gehoord hebben, dat
+hij ternauwernood zijn twee en twintigste jaar ingetreden was.
+
+Dat kolossale wezen was stomp van begrip, maar had daarentegen
+ongetwijfeld een goed hart en een eenvoudig en zacht karakter. Hij
+kende noch haat noch gramschap. Hij zou nimmer iemand kwaad doen. Hij
+durfde ter nauwernood de hand te drukken, die hem gereikt werd, uit
+vrees van ze in de zijne te vermorselen. In den grond van zijne natuur,
+die zoo machtig was, bestond niets van den aard eens tijgers, waarvan
+hij toch de kracht bezat.
+
+Hij gehoorzaamde dan ook op een woord of een wenk van zijnen makker,
+alsof een gril van den Schepper hem tot kolossalen zoon van dien
+mageren sprinkhaan geschapen had.
+
+Als tegenstelling lag aan het westelijk uiteinde van de Algerijnsche
+baai, kaap Pescados, vlak tegenover kaap Matifou. Die landtong is smal,
+uitgerafeld, en bestaat slechts uit eene dunne rotsbank, die zich ver
+in zee uitstrekt. Vandaar de naam van Pescados, welke gegeven was aan
+dien jongen van twintig jaren, die klein, mager en tenger was en niet
+eens het vierde gedeelte in oude ponden woog, van hetgeen de andere
+kilogrammen op de weegschaal haalde. Maar hij was lenig, uitermate vlug
+in zijne bewegingen en had een schranderen geest en een onaantastbaar
+gelijkmatig humeur, zoowel in voor- als tegenspoed. Hij was een
+wijsgeer op zijn manier, daarbij vindingrijk en in de hoogste mate
+practisch. Hij kon het best vergeleken worden bij een aap, zonder diens
+boosaardigheid evenwel. Hij was door het toeval met onverbreekbare
+banden aan zijn makker, aan dien goeden, grooten, vetten dikhuid
+verbonden, dien hij door al de wisselvalligheden van een
+straatkunstenaarsleven geleidde.
+
+Beiden waren acrobaten van beroep en liepen de kermissen af.
+
+Matifou, of beter Kaap Matifou,—zooals hij gewoonlijk genoemd
+werd,—worstelde in de strijdperken, verrichtte allerhande daden van
+krachtsbetoon, boog ijzeren staven op zijn elleboogsbeen, tilde met
+stijf uitgestrekte armen de zwaarste personen van het gezelschap
+toeschouwers op en maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker, alsof
+dat een eenvoudige biljardbal ware geweest.
+
+Pescados of Pescados-punt,—zooals de andere in de wandeling genoemd
+werd,—paradeerde, zong, speelde voor hansworst, vermaakte het publiek
+als pailjas door zijne geestige gezegden. Nimmer bleef hij steken of
+het antwoord schuldig en hij verbaasde de menigte door zijne
+evenwichtstoeren, die hij uiterst behendig ten uitvoer bracht. Als hij
+dat niet deed, dan lokte hij aller goedkeuring uit, door goochelstukjes
+met kaarten, waarin hij inderdaad aan den meest behendigen
+prestidigitateur een lesje had kunnen geven. Zoo nam hij zonder
+aarzelen op zich, om het even welk spel het betrof,—hetzij een
+berekenings- of een hazardspel—steeds te zullen winnen.
+
+„Ik heb mijn „candidaats-examen” afgelegd!” zeide hij en herhaalde hij
+gaarne.
+
+Maar, waarom, zult ge mij zeggen,—in navolging van eene gemeenzame
+uitdrukking van vriend Pescadospunt—waarom zagen die twee arme drommels
+zich dien dag door de toeschouwers verlaten, terwijl deze zich rondom
+andere tenten en kramen verdrongen? Waarom, zult ge me zeggen, dreigde
+die geringe inkomst, die zij toch zoo noodig hadden, hen te ontvallen?
+Dat was inderdaad onverklaarbaar.
+
+De taal, welke zij bezigden, een mengelmoes van het Provençaalsche en
+het Italiaansche dialect—was meer dan voldoende om zich door het
+Dalmatisch publiek te doen verstaan en begrijpen. Sedert zij den
+Provençaalschen geboortegrond verlaten hadden, waren zij, ouderloos als
+zij waren, en hunne ouders zelfs nimmer gekend hebbende en als ware
+producten eener spontane generatie, er in geslaagd rond te komen. Zij
+zochten de jaarmarkten en de kermissen op, leefden eer armoedig dan
+weelderig. Zij ontbeten niet iederen dag en hadden meestal slechts een
+schraal stuk brood tot avondmaal. Dat was genoeg; want, beweerde en
+herhaalde de opgeruimde Pescadospunt:
+
+„Men moet nimmer het onmogelijke vergen!”
+
+En toch, al vergde dien dag die goedige lummel het onmogelijke niet,
+zoo poogde hij toch een paar dozijn toeschouwers, die voor zijn kraam
+stonden te gapen, tot zich te lokken, in de hoop dat zij besluiten
+zouden zijne ellendige tent te bezoeken. Maar noch zijne geestige
+gezegden, die door zijn vreemden tongval al zeer koddig klonken, noch
+zijne kwinkslagen, die een blijspel-schrijver beroemd en rijk gemaakt
+zouden hebben, noch de potsierlijke gezichten, die hij trok en die een
+heilige van steen of brons, in eene nis der domkerk staande, aan het
+lachen zouden gebracht hebben, noch zijne ledematenbewegingen en
+heupontwrichtingen, ware kunststukken van lenigheid; noch het grappige
+spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was en welker
+staarteinde op de roode stof van zijne buis bengelde, noch zijne
+komieke uitvallen, die den beroemden Pulcinello van Rome overwaardig
+zouden geweest zijn, konden het publiek bekoren.
+
+En toch werd dat Slavonisch publiek door hem en zijn makker sedert
+verscheidene maanden geëxploiteerd.
+
+Na de Provence verlaten te hebben, waren de twee vrienden de landstreek
+der Maritieme Alpen, het Milaansche, het Lombardijsche en daarna het
+Venetiaansche grondgebied doorgetrokken, waarbij als het ware de een de
+volmaking van den anderen was. Beiden waren beroemd: Kaap Matifou door
+zijne kracht, Pescadospunt door zijne vlugheid. Hunne vermaardheid had
+hun tot Triëst, in Illyrië gelegen, gelokt. Van Triëst waren zij door
+Istrië langs de kust van Dalmatië naar Zara, naar Salona, naar Ragusa
+afgezakt, terwijl zij meer profijt er in vonden om steeds voorwaarts te
+schrijden dan om achterwaarts terug te keeren.
+
+Achterwaarts waren zij genoten, ja versleten. Voor zich uit brachten
+zij steeds een geheel nieuw programma voor het publiek, waaruit dan zoo
+goed en zoo kwaad als het ging munt geslagen werd.
+
+Thans helaas, zij zagen het maar al te goed in, dreigde de tocht, dien
+zij maakten en die toch nimmer schitterend geweest was, zeer slecht te
+worden. Die arme drommels koesterden dan ook maar één wensch, dien zij
+waarachtig niet wisten hoe te verwezenlijken, namelijk om naar hun
+vaderland terug te keeren, om de Provence weer te zien, en deden
+daarbij de gelofte: zich nimmer meer zoo ver van den geboortegrond te
+verwijderen. Maar zij voelden den kogel aan hun voet geklonken, den
+kogel der armoede en der ellende, en met zoo’n kogel aan het been is
+het afleggen van honderden uren gaans een lastig en moeilijk werk.
+
+Evenwel, alvorens aan de toekomst te kunnen denken, moest aan het heden
+gedacht worden, dat wil zeggen: aan het maal, dat zij hedenavond zouden
+genieten. En wat daartoe in uitzicht zich vertoonde, was jammerlijk
+schraal. Zij hadden geen kreutzer in kas, wanneer men aan den slip van
+den zakdoek, waarin Pescadospunt gewoonlijk het gezamenlijke vermogen
+der beide vennooten opborg, den weidschen naam van kas mag geven. Te
+vergeefs bewoog hij zich en liep hij op zijne verhevenheid heen en
+weder. Te vergeefs liet hij wanhopige uitroepingen en aanmoedigingen
+door de lucht weerklinken. Te vergeefs stelde Kaap Matifou zijn
+reuzenarmen ten toon, waarvan de aderen en spieren zich slingerden en
+uitkwamen als de vertakkingen van eene klimopplant rondom een
+knoestigen stam! Maar geen enkel toeschouwer liet iets bespeuren van
+eenige neiging om die linnen tent binnen te treden.
+
+„Drommels, zij zijn hard in den bek, die duivelsche Dalmatiërs,” zei
+Pescadospunt.
+
+„Als keisteenen zoo hard,” vulde Kaap Matifou aan.
+
+„Waarlijk, ik geloof dat wij moeite zullen hebben om heden ons eerste
+geld te verdienen! Zie je, Kaap Matifou, wij zullen moeten opbreken!”
+
+„Om waar heen te gaan?”
+
+„Je bent wel nieuwsgierig!” antwoordde Pescadospunt.
+
+„Spreek maar op.”
+
+„Welnu, wat zou je denken van een land, waar men verzekerd is om eens
+per dag te kunnen eten?”
+
+„Waar ligt dat land, Pescadospunt?”
+
+„O ver, heel ver, zeer ver.... zelfs verder dan zeer ver, Kaap
+Matifou!”
+
+„Aan het uiteinde der aarde?”
+
+„De aarde heeft geen uiteinde,” antwoordde Pescadospunt machtspreukig.
+„Wanneer zij een uiteinde had, dan zou zij niet rond zijn; wanneer zij
+niet rond was, dan zou zij niet kunnen draaien. Wanneer zij niet
+draaide, zou zij onbewegelijk zijn, en wanneer zij zij onbewegelijk
+was....”
+
+„Welnu?”.... vroeg Kaap Matifou.
+
+„Welnu.... dan zou ze op de zon vallen in minder tijd dan ik noodig heb
+om een konijn weg te goochelen!”
+
+„En dan?....”
+
+„En dan zou gebeuren wat iederen onhandigen kunstenmaker overkomt,
+wanneer twee zijner ballen zich in de lucht ontmoeten en klotsten!
+Krak! Alles breekt, alles valt en het publiek fluit hem uit en vraagt
+zijn geld terug. Hij geeft het terug, maar dan.... dan heeft hij dien
+avond niets te eten!”
+
+„Zoodat,” vroeg de reus, „wanneer de aarde op de zon viel, dan kregen
+wij niet te eten?”
+
+„Neen, voorwaar!”
+
+Kaap Matifou verloor zich na dat antwoord in zeer wijdloopige
+overpeinzingen. Hij zat in een hoek der verhevenheid, met zijne armen
+gekruist over zijne borst, die met een vleeschkleurig geweven hemd
+bedekt was. Hij bewoog het hoofd heen en weer als een porceleinen
+Chineesch beeldje; hij zei niets meer, hij zag niets meer, hij hoorde
+niets meer. Hij werd bestormd door de meest onmogelijke vermenging van
+denkbeelden. Alles hoste en klotste in die groote hersenkas en daarbij
+voelde hij in het binnenste van zijn wezen iets, alsof daar een afgrond
+geboord werd. Toen scheen het hem toe, alsof hij hoog, heel hoog, zeer
+hoog.... hooger dan zeer hoog steeg. Die uitdrukking, door Pescadospunt
+gebezigd voor de verwijdering der voorwerpen, had hem getroffen. Maar
+toen had hij een gevoel alsof men hem gedurende die stijging plotseling
+losliet, waarbij hij viel.... viel in zijn eigen maag, dat wil zeggen
+in de ledige ruimte.
+
+Dat was eene ware nachtmerrie. Het rampzalige wezen sprong met
+uitgestrekte armen en als verblind van zijn stoeltje op. Nog ééne
+seconde, dan zou hij van boven zijn verhevenheid neergevallen zijn.
+
+„Hé! Kaap Matifou, wat scheelt je toch?” riep Pescadospunt uit, terwijl
+hij zijn makker bij de hand greep en er in slaagde, evenwel niet zonder
+moeite, om hem achteruit te trekken.
+
+„Wat? Mij?....” antwoordde de reus geheel beteuterd. „Wat mij
+scheelt?....”
+
+„Ja, u!”
+
+„Mij scheelt....” zeide Kaap Matifou, terwijl hij zijn denkvermogen
+bijeen raapte, een moeilijk werk, hoewel zijne denkbeelden niet zeer
+talrijk waren. „Mij scheelt.... anders niets dan dat ik je spreken
+moet, Pescadospunt!”
+
+„Spreek dan, Kaap van mijn hart! en vrees niet dat ge beluisterd zoudt
+kunnen worden; want het publiek is weg! Weg! Verstoven!”
+
+De reus liet zich op zijn stoeltje neervallen en trok met zijn
+machtigen arm, maar toch zacht, zeer zacht, alsof hij bang was hem te
+breken, zijnen braven makker tot zich.
+
+
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+HET TE WATER LATEN VAN DE TRABUCOLO.
+
+
+„Dus het gaat niet?” begon Kaap Matifou.
+
+„Wat gaat niet?”
+
+„De zaken!”
+
+„Zij konden beter gaan, dat valt niet te betwisten; maar zij konden ook
+nog slechter gaan!”
+
+„Pescadospunt?”
+
+„Kaap Matifou!”
+
+„Neem mij niet kwalijk, hetgeen ik je zeggen ga!”
+
+„Ik zal het je integendeel wel kwalijk nemen, wanneer het dat verdienen
+zal!”
+
+„Welnu.... ge moest mij verlaten,” zei de reus.
+
+„Wat bedoel je met dat: mij verlaten.... Je in den steek laten?” vroeg
+Pescadospunt.
+
+„Ja!”
+
+„Ga voort, o Hercules mijner droomen! Ga voort. Waarachtig, je boezemt
+me belang in.”
+
+„Zie,” antwoordde de reus, „ik ben er zeker van, dat wanneer ge alleen
+waart, ge er wel komen zoudt.... Ik hinder je, en zonder mij zou
+je....”
+
+„Zeg eens, Kaap Matifou,” antwoordde Pescadospunt ernstig. „Je bent
+dik, niet waar?”
+
+„Ja.”
+
+„Welnu, hoe dik en hoe lang en hoe groot ge ook wezen moogt, begrijp ik
+niet, dat je machtige omvang de domheid heeft kunnen bevatten, die je
+daar uitgekraamd hebt.”
+
+„Waarom dan toch, Pescadospunt?”
+
+„Omdat die domheid nog dikker, nog grooter is dan jij bent, Kaap
+Matifou! Ik zou je verlaten! Jij mijn schoothondje, mijn dierbaar lief
+beestje! Maar zeg eens, als ik weg was, met wien zou je je toeren
+uitvoeren?”
+
+„Met wien?....”
+
+„Wie zou er zijn, die den gevaarlijken sprong op je achterhoofd kon
+uitvoeren?”
+
+„Ja, maar....”
+
+„Wie zou den toer met „de beenen uit elkander” tusschen je armen kunnen
+volbrengen?”
+
+„Drommels!....” antwoordde de reus, die door die dringende vragen in de
+war raakte.
+
+„Ja.... de beenen uit elkander.... voor een stormachtig opgewonden
+publiek.... wanneer er bij toeval publiek aanwezig is!”
+
+„Een publiek?” mompelde Kaap Matifou.
+
+„Dus,” hernam Pescadospunt, „houd je mond en laten wij slechts daaraan
+denken, dat wij zooveel geld verdienen moeten om heden avond te kunnen
+eten!”
+
+„Ik heb geen honger!”
+
+„Jij, je hebt altijd honger, Kaap Matifou; dus.... nu heb je ook
+honger,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij met zijne beide handen de
+kolossale kakebeenen opende van zijn makker, die de verstandskies niet
+afgewacht had om zijne twee en dertig tanden voltallig te hebben. „Ik
+zie dat aan je oogtanden, die de lengte bezitten van de haken van een
+buldog! Je hebt honger, zeg ik je, en als wij nu maar zoo gelukkig zijn
+om slechts een halven gulden, kom, slechts een kwartje te verdienen,
+dan zal je eten!”
+
+„Maar jij, kleine Pescadospunt?”
+
+„Ik, voor mij is een graankorrel genoeg! Ik behoef niet sterk te zijn,
+terwijl jij zoonlief.... Volg nu wel mijne redeneering. Hoe meer je
+eet, te vetter zal je worden. Hoe vetter je wordt, te meer zal je een
+wonderverschijnsel zijn!.... Een wonderverschijnsel, ja....”
+
+„Ik integendeel, hoe minder ik eet, te meer ik vermager. En hoe meer ik
+vermager, te meer word ik ook een wonderverschijnsel op mijne beurt. Is
+dat waar of niet?”
+
+„Dat is waar,” antwoordde Kaap Matifou zoo kinderlijk eenvoudig
+mogelijk. „Dus, Pescadospunt, in mijn belang moet ik eten?”
+
+„Het is zooals gij zegt, mijn dikke vent! In uw belang, terwijl ik in
+mijn belang niet moet eten!”
+
+„Zoodat, wanneer er slechts voor één te eten was....”
+
+„Dat voor jou zou zijn!”
+
+„Maar wanneer voorraad voor twee was?”
+
+„Dan zou die ook voor jou zijn! Wat duivel, Kaap Matifou, je staat wel
+twee mannen?”
+
+„Vier.... zes.... tien!....” riep de reus uit, die inderdaad door tien
+mannen niet zou te bedwingen zijn.
+
+Wanneer wij de overdrijving, zoo eigen aan de Herculessen van den ouden
+en van den nieuweren tijd ter zijde laten, dan valt toch als
+onomstootelijke waarheid mede te deelen, dat Kaap Matifou het van alle
+de worstelaars, die met hem in het strijdperk getreden waren, gewonnen
+had.
+
+Men verhaalde van hem twee stukken, die inderdaad zijn buitensporige
+kracht bewezen.
+
+Op een avond bevond hij zich te Nîmes in een circus, die in hout
+opgetrokken was. Een der steunbalken, die de kap van het dak torschten,
+bezweek. Een hevig gekraak verschrikte de toeschouwers, die gevaar
+liepen onder het vallende dak verpletterd te worden, of zich zelven
+dood te dringen, door de poging om langs de smalle uitgangen te
+ontsnappen. Maar Kaap Matifou was er! Met één sprong was hij bij den
+steunbalk, die reeds uit de loodlijn geweken was, en schraagde hem met
+zijne krachtige schouders juist op het oogenblik, dat de dakstoel zou
+neerkomen, en dat gedurende den geheelen tijd, die noodig was om de
+zaal te ontruimen. Daarna volvoerde hij een vervaarlijken sprong en
+stormde naar buiten, juist toen het dak achter hem instortte.
+
+Dat, dat was eene krachtsontwikkeling der schouders geweest; ziet hier
+nu eene van de armen.
+
+Eens ontsnapte in de vlakte van Camargue een woedende stier uit de
+omheining, waarin hij opgesloten was; hij vervolgde en verwondde
+verscheidene personen. Zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, zou
+hij de grootste ongelukken veroorzaakt hebben. De reus liep op het dier
+toe, wachtte het, toen het op hem aankwam, met gestrekte knieën af,
+greep het, toen het met voorover gebogen kop op hem losstormde, bij de
+hoorns, wierp het met een krachtige armbeweging omver en weerhield het
+in dien stand, terwijl het met de vier hoeven in de lucht spartelde,
+totdat het overmeesterd, gebonden en buiten staat gesteld was om verder
+nadeel te kunnen aanrichten.
+
+Van die bovenmenschelijke lichaamskracht zouden nog meer bewijzen bij
+te brengen zijn. De medegedeelde zijn evenwel voldoende om niet alleen
+de spierkracht van Kaap Matifou begrijpelijk te maken, maar ook om een
+denkbeeld te geven, van zijn moed en zijne toewijding en
+zelfopoffering, daar hij nooit vreesde zijn leven te wagen, wanneer het
+gold zijn evenmensch te hulp te komen. Hij was dus een even goedhartig
+wezen als hij sterk was. Evenwel om niets van zijne spierkracht te
+verliezen, moest de reus, zooals Pescadospunt herhaaldelijk verzekerde,
+eten, en zijn makker noodzaakte hem daartoe en leed zelf gebrek,
+wanneer er slechts voor één zelfs voor twee voorraad was. Dien avond
+evenwel verscheen het avondmaal—voor een zelfs—niet aan den
+gezichteinder.
+
+„Er zijn nevelen aan de kim,” zeide Pescadospunt herhaaldelijk.
+
+En om die nevelen te verdrijven, hervatte die edele kerel zijne
+geestigheden en zette potsierlijke gezichten. Hij liep zijne
+verhevenheid op en neer, hij draaide rechts en links, hij ontwrichtte
+zijne heupen, hij liep op zijne handen als hij dat niet op zijne voeten
+deed. Volgens eene zijner wijsgeerige opmerkingen, had men minder
+honger, wanneer men met het hoofd omlaag heen en weer wandelde. Hij
+herhaalde in zijn eigenaardig bargoens, dat half uit Provençaalsche,
+half uit Slavonische uitdrukkingen bestond, die eeuwige grappen, die
+net zoo lang gebruikelijk zullen zijn als een pailjas zal bestaan, om
+ze aan de menigte van leegloopers en maangapers toe te schreeuwen en
+zoo lang als die leegloopers zullen samenstroomen om ze aan te hooren.
+
+„Treedt binnen, heeren, treedt binnen!” riep Pescadospunt. „Men betaalt
+slechts, wanneer men de tent verlaat, en.... dan nog maar de
+kleinigheid van een kreutzer!”
+
+Maar om de tent te kunnen verlaten, moest men haar eerst binnentreden,
+en geene der vijf of zes personen, die voor de geschilderde zeilen
+stonden te lanterfanten, scheen tot het besluit te kunnen komen om
+binnen te treden.
+
+Toen wees Pescadospunt met trillenden stok op de merkwaardigheden, die
+op dat zeildoek geschilderd stonden. Niet dat hij eene diergaarde aan
+het publiek te vertoonen had! Neen! Die schrikwekkende beesten leefden
+ergens in den achterhoek van Afrika of van Indië. Maar.... wanneer Kaap
+Matifou hen ooit mocht ontmoeten, dan zou hij er slechts een hap van
+maken.
+
+En daarop volgden de gewone kluchten, die door den reus met zware
+slagen op de groote trom, die als kanonschoten weerklonken, afgebroken
+werden.
+
+„De hyena, heeren! Ziet hier de hyena! Hij is afkomstig van de Kaap de
+Goede Hoop. Het is een vlug en bloeddorstig dier. Hij springt de
+ringmuren der kerkhoven over en zoekt daar zijn prooi!”
+
+En naar eene andere zijde van het geschilderde doek wijzende, waarop
+een geelachtig water te midden van blauwe en groene grassoorten
+afgebeeld was.
+
+„Ziet hier! Een jeugdige en belangwekkende neushoorn, die slechts
+vijftien maanden oud is! Dat dier werd op Sumatra geboren en opgevoed,
+waar het met zijn schrikkelijken hoorn het vaartuig gedurende den
+overtocht in gevaar bracht van te stranden!”
+
+Daarna op een groenachtigen hoop beenderen van rampzalige slachtoffers
+op den voorgrond wijzende:
+
+„Ziet, heeren, ziet! De schrikkelijke leeuw van den Atlas. Hij bewoont
+het innerlijke van de Sahara! In het brandende zand van de woestijn! Op
+het oogenblik van de tropische hitte, kruipt hij in rotsholen! Als hij
+eenige druppels water vindt, dan stort hij er zich in en komt er
+druipstaartend uit!”
+
+Maar al dat aanmoedigende redenaarstalent liep gevaar geheel nutteloos
+te worden uitgekraamd. Pescadospunt schreeuwde als een bezetene, maar
+te vergeefs. En te vergeefs sloeg Kaap Matifou op de groote trom, alsof
+hij het vel wilde stuk slaan!
+
+Het was wanhopig!
+
+Eindelijk bleven toch verscheidene Dalmatiërs, stevige bergbewoners,
+stilstaan, om, zooals het scheen, den athleet Kaap Matifou met
+bewondering te aanschouwen.
+
+Dadelijk meende Pescadospunt een middel gevonden te hebben. Hij wilde
+die brave lieden tot een worstelstrijd uitdagen.
+
+„Treedt binnen, heeren! Treedt binnen! Het oogenblik is gekomen! Groote
+worstelstrijd van man tegen man! De strijd zal met geopende hand plaats
+vinden! De schouders moeten elkander raken! Kaap Matifou neemt op zich
+om al de liefhebbers te overwinnen, die hem de eer willen aandoen zich
+met hem te meten! Een katoenen zwembroekje zal de eereprijs zijn voor
+zijn overwinnaar! Zult gij dat zijn, heeren?”
+
+Die vraag werd gedaan aan drie kolossale boeren, die hem met domme
+verbaasde oogen aankeken.
+
+Maar die kolossale boeren hadden geen lust om zich aan dien
+worstelstrijd, die toch zeer eervol voor de beide tegenstanders zou
+geweest zijn, te onderwerpen. Pescadospunt ging toen tot de
+aankondiging over, dat bij gebrek aan liefhebbers de strijd toch zou
+plaats hebben, maar nu tusschen Kaap Matifou en hem. Ja, waarlijk! De
+behendigheid zou zich meten met de kracht!
+
+„Treedt binnen, heeren. Treedt dan toch binnen! Volgt elkaar maar!”
+riep de arme Pescadospunt met eene kracht, alsof hij zijne longen
+verscheuren wilde. „Gij zult hier zien, wat gij nog nimmer gezien hebt!
+Een gevecht van Pescadospunt met Kaap Matifou! Een strijd tusschen de
+twee Provençaalsche tweelingen!.... Ja.... tweelingen!.... natuurlijk
+niet even oud.... ook niet uit dezelfde moeder geboren.... Maar wij
+zijn tweelingen!.... Kijk maar, hoe wij elkander gelijken!.... Wij zijn
+even dik!.... Ik vooral!”
+
+Een jongmensch was voor de tent blijven stilstaan en hoorde alle die
+oudbakken aardigheden met den grootsten ernst aan.
+
+Die jongeling was hoogstens twee en twintig jaren oud en had eene
+gestalte, die weinig meer dan eene middelmatige was. Zijne fraaie
+gelaatstrekken schenen vermoeid door den arbeid, zijn geheel uiterlijk
+ademde ernst en duidde op eene nadenkende geaardheid. Het kon wel zijn,
+dat die man veel ondervinding in de lijdensschool had opgedaan. Zijne
+groote zwarte oogen, zijn baard, dien hij vol maar kort afgeknipt
+droeg, zijn mond, die de plooi van een glimlach niet had, maar die
+fijntjes onder een nog fijner geteekenden knevel uitkwam. Dat alles
+duidde op eene Hongaarsche afkomst, op eene afkomst, waarin het
+Magyaarsche bloed voortheerschte. Hij was zeer eenvoudig gekleed in een
+modern kostuum, zonder evenwel den schijn op zich te laden een modegek
+te wezen. Zijn uiterlijk liet geen twijfel over: in dien jongeling was
+de man reeds aanwezig!
+
+Hij luisterde, zooals reeds gezegd is, naar de nuttelooze geestigheden
+van Pescadospunt. Hij zag niet zonder weemoed zijne bewegingen op die
+verhevenheid. Hij had zelf veel geleden en ongetwijfeld was hij niet
+ongevoelig voor het lijden van anderen.
+
+„Het zijn twee Franschen!” mompelde hij. „Arme drommels! Zij beuren
+heden niets.”
+
+Toen kwam de gedachte bij hem op om geheel alleen een publiek
+toeschouwers daar te stellen, alleen een betalend publiek te willen
+zijn. Dat zou niets anders dan eene aalmoes, maar toch eene bedekte,
+eene verborgen aalmoes zijn; en het was zeer waarschijnlijk dat die van
+pas zou komen. Hij trad dus op de deur toe, dat wil zeggen op de
+opening der tent, die door het ophouden van een hoek van het zeildoek
+gevormd werd.
+
+„Treed binnen, mijnheer! Treed binnen! Men begint dadelijk!”
+
+„Maar.... ik ben alleen....” merkte het jongmensch met de meest
+mogelijke welwillendheid in zijne stem op.
+
+„Mijnheer!” antwoordde Pescadospunt met koddige fierheid op, „ware
+kunstenaars letten meer op de qualiteit dan op de quantiteit der
+toeschouwers!”
+
+„Gij zult mij middelerwijl veroorloven?” zei de jongeling, terwijl hij
+zijne beurs uithaalde.
+
+Hij nam twee gulden daar uit, die hij in den tinnen schotel neerlei,
+die in een hoek der verhevenheid stond.
+
+„Een edel hart!” mompelde Pescadospunt.
+
+En zich tot zijn makker wendende:
+
+„Kom, vooruit, Kaap Matifou! Vooruit! Wij zullen hem voor zijn geld
+bedienen!”
+
+Maar ziet, juist op het oogenblik van binnen te zullen treden,
+ontwaarde de eenige bezoeker van de Fransche en Provençaalsche tent een
+jong meisje, dat in gezelschap van haren vader een kwartier vroeger was
+blijven stilstaan voor de groep guzlas-zangers. Die jongeling en dat
+jeugdige meisje waren, zonder dat zij het wisten, door een en dezelfde
+gedachte bewogen om een liefdewerk te volvoeren. De eene had eene
+aalmoes gewijd aan die straatzangers, de andere aan deze acrobaten.
+
+Maar ongetwijfeld was deze ontmoeting den jongman niet voldoende; want
+hij vergat, zoodra hij het lieve kind bespeurde, zijne rol van
+toeschouwer, alsook den prijs, dien hij betaald had, en stoof den kant
+uit, waar de liefelijke verschijning zich in de menigte verloor.
+
+„Hé, mijnheer!.... mijnheer!....” riep Pescadospunt. „En uw geld
+dan?.... Wat drommel, dat hebben wij niet verdiend!.... Maar waar is
+hij?.... Verdwenen!.... Hé, mijnheer!....”
+
+Maar hij poogde te vergeefs „zijn publiek”, dat weggeloopen was, te
+ontwaren. Daar nu bekeek hij Kaap Matifou, die niet minder
+verbouwereerd was dan hij, en met open mond stond te kijken.
+
+„Juist op het oogenblik, dat wij zouden beginnen,” zei eindelijk de
+reus. „Waarachtig, wij hebben geen geluk.”
+
+„Laten wij toch maar beginnen,” zei Pescadospunt, terwijl hij het
+trapje afklom, dat naar de verhevenheid voerde.
+
+Zoo zouden zij, door slechts voor de ledige banken—die er trouwens ook
+niet waren—te spelen, ten minste het ontvangen geld verdienen.
+
+Maar in dat oogenblik ontstond een hevig rumoer op de kaden der haven.
+De menigte scheen eene beslist aangeduide beweging te volgen, die haar
+naar den kant van de zee voerde, en de woorden, die door honderd, door
+duizend monden herhaald werden, weerklonken:
+
+„De Trabucolo!.... de Trabucolo!”
+
+Het oogenblik was inderdaad gekomen, dat het kleine vaartuig te water
+zou gelaten worden. Dat schouwspel is altijd aantrekkelijk en steeds
+van dien aard om de publieke nieuwsgierigheid op te wekken. Het plein
+en de kaden, waarop de menigte zich een oogenblik te voren verdrong,
+waren weldra verlaten en alles stroomde naar de scheepstimmerwerf, waar
+de handeling zou plaats hebben.
+
+Pescadospunt en Kaap Matifou begrepen dat er ten minste in het eerste
+halfuur niet meer op publiek te rekenen viel. Zij waren daarenboven
+uiterst begeerig om den eenigen toeschouwer die op het punt was geweest
+om hunne tent binnen te treden, terug te vinden. Zij verlieten hun hok
+dan ook, zonder het te sluiten,—waarom ook te sluiten, er was niets weg
+te nemen?—en gingen naar den kant van de werf.
+
+Die scheepstimmerwerf was aan het uiteinde van eene landspits buiten de
+havenkom van Gravosa, op een hellend terrein gelegen, dat door de
+branding als met eene zilveren franje van verblindend wit schuim
+omgeven werd.
+
+Pescadospunt en Kaap Matifou baanden zich een weg met hunne ellebogen
+en slaagden er in een plaatsje in de eerste rijen der toeschouwers te
+veroveren. Zoo had zich nimmer, zelfs bij benefietvoorstellingen de
+menigte voor hunne tent verdrongen! Ja, de kunst ontaardde! zoo
+verklaarden zij.
+
+De Trabucolo was reeds van de zijstelten bevrijd, die hare flanken
+steunden, en was gereed om de helling af te loopen. Het anker hing ter
+gewenschter plaats; het zou voldoende zijn om het te laten vallen,
+wanneer de romp te water zoude zijn, ten einde de vaart te temperen,
+die het scheepje te ver in het havenkanaal zou kunnen voeren. Hoewel de
+Trabucolo slechts een vijftig tonnen meette, was het toch een zoo
+aanzienlijk gevaarte, dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen moesten
+genomen worden. Twee werklieden der helling stonden op het dek van het
+achterschip bij den stok, waaraan de Dalmatische vlag woei, terwijl
+twee anderen op het voorschip klaar bij het anker stonden.
+
+Het was achteruit, zooals gewoonlijk bij dergelijke operatiën
+geschiedde, dat de Trabucolo te water zoude glijden. Haar kiel rustte
+op de met zeep besmeerde helling en werd nog slechts tegengehouden door
+het sluitstuk. Het was voldoende dat dit weggenomen werd, om de
+afglijding te doen plaats hebben; daarna zou de snelheid door de in
+beweging gebrachte massa aangroeien en het kleine vaartuig zou van zelf
+naar zijn natuurlijk element toeijlen.
+
+Reeds waren een half dozijn timmerlieden, met ijzeren knodsen gewapend,
+bezig met het inslaan van wiggen, die onder de kiel van het voorschip
+aangebracht werden, om het een weinig op te tillen om zoo nog meer
+helling te verkrijgen, ten einde het afglijden naar de zee te
+vergemakkelijken.
+
+Een ieder volgde dien arbeid, te midden eener algemeene en diepe
+stilte, met de levendigste belangstelling.
+
+Juist in dat oogenblik verscheen bij de ombuiging van de landspits, die
+in het zuiden de havengang van Gravosa dekte, een pleizierjacht. Het
+was een goelet, die ongeveer drie honderd vijftig tonnen inhoud kon
+meten. Dat vaartuig poogde, door te laveeren, den kant, waarop de
+scheepstimmerwerf lag, te boven te komen, om zoo den haveningang open
+te krijgen. Daar de bries uit het noordwesten woei, liep het jacht
+scherp bij den wind, bakboord overhellende, en stuurde zoodanig, dat
+het slechts af te houden had, om op de gewilde ankerplaats te komen.
+Binnen tien minuten zou dat vaartuig in de onmiddellijke nabijheid
+gekomen zijn. Het werd al grooter en grooter voor het oog, alsof men
+het door een verrekijker bekeek, waarvan de buis door eene langzame
+maar gestadige beweging uitgeschoven werd.
+
+Nu moest de goelet, om de haven binnen te kunnen loopen, voorbij de
+scheepshelling stevenen, alwaar het te water laten van de Trabucolo
+voorbereid werd. Zoodra zij dan ook geseind werd, werd het raadzaam
+geacht, om ieder ongeval te voorkomen, de handeling uit te stellen. Men
+zou haar voortzetten, wanneer het vaartuig voorbij gestevend zoude
+zijn. Eene aanvaring tusschen die beide vaartuigen, waarvan het een
+dwars voor het andere, dat met alle snelheid vooruitschoof, gekomen zou
+zijn, zou voorzeker noodlottig voor het jacht moeten uitvallen.
+
+De werklieden hielden dus op met tegen de wiggen te slaan, en de man,
+die bij het sluitstuk stond, kreeg bevel om nog te wachten. Dat was dus
+een uitstel van slechts weinige minuten.
+
+De goelet naderde intusschen snel. Men kon reeds met het bloote oog de
+voorbereidselen van het ten anker gaan waarnemen. De beide kluivers
+werden ingenomen en men had den schoot van het grootzeil opgegeid,
+terwijl het fokkezeil weggenomen werd. Maar de snelheid, waarmede het
+vaartuig voortdreef, was nog vrij groot.
+
+Ieders blik was op dat bevallig scheepje gevestigd, waarvan de nog
+bijstaande zeilen door de schuine stralen der zon als verguld werden.
+De matrozen verrichtten hun werk aan boord in hun Levantijnsch pak, met
+de roode muts op het hoofd; terwijl de kapitein op het achterschip bij
+den man aan het roer stond, en vandaar kalm en waardig zijne bevelen
+gaf.
+
+Weldra bevond zich het jacht, waaraan niet meer plaats overbleef dan
+noodig was om den slag te maken, die het tot voorbij de landspits,
+welke de haven dekte, moest brengen, dwars van de sleephelling.
+
+Plotseling weerklonk een schrikkelijke kreet. De Trabucolo was in
+beweging geraakt. Door de een of andere oorzaak was het sluitstuk uit
+zijne sponning gesprongen en bewoog het schip zich juist op het
+oogenblik, dat het jacht zijne stuurboordzijde aanbood.
+
+De botsing tusschen de beide vaartuigen scheen dus onvermijdelijk. Tijd
+en middelen, om haar te beletten, ontbraken. Er viel niets te doen. Op
+het geschreeuw van de toeschouwers antwoordde een kreet van schrik,
+door de bemanning van de goelet geslaakt.
+
+De kapitein, die zijne koelbloedigheid niet verloor, deed het roer te
+boord leggen, maar het was onmogelijk dat het vaartuig vlug genoeg zou
+kunnen wenden of voorbijschieten, om den schok te vermijden.
+
+Want inderdaad, de Trabucolo gleed van de helling. Een witte rook, door
+de sterke wrijving veroorzaakt, werd bij den voorsteven waargenomen,
+terwijl de achtersteven reeds in het water der baai dook.
+
+Plotseling sprong een man vooruit. Hij greep een eind touw, dat aan het
+voorschip afhing. Maar te vergeefs poogde hij het vaartuig te
+weerhouden door zich, op gevaar af van meegesleept te worden, tegen den
+grond te stutten.
+
+Er stond een ijzeren kanonstuk, dat als meerpaal gebruikt werd, in den
+grond geplant. In een oogwenk is het om dat kanon geslagen en viert
+langzaam af, terwijl de man het touw weerhoudt op gevaar van gegrepen
+en verpletterd te worden. Hij spande alle krachten in; de spieren
+zijner armen en beenen zwollen als koorden op. Hij weerstond den
+aandrang met bovenmenschelijke kracht. Dit duurde tien seconden.
+
+Maar toen brak, toen knapte de tros. Maar die tien seconden waren
+voldoende. De Trabucolo had de wateren der baai bereikt, dook onder,
+maar richtte zich weer op met eene beweging alsof zij stampte. Zij
+snelde naar den ingang der haven en stoof rakelings—op geen voet
+afstand—den achterspiegel der goelet voorbij, stevende voort totdat het
+anker in den grond viel, deed haren ketting strak loopen en stuitte zoo
+de vaart.
+
+De goelet was gered!
+
+Die man, wien niemand, door gebrek aan tijd—zoo bliksemsnel en
+onverwacht was alles in zijn werk gegaan—te hulp had kunnen komen, was
+de heldhaftige Kaap Matifou.
+
+„Mooi!.... zeer mooi zoo!” riep Pescadospunt uit, terwijl hij op den
+reus toetrad.
+
+Deze nam hem op, niet om met hem toeren te verrichten, maar om hem te
+omhelzen, zooals hij dat slechts doen kon, namelijk tot stikkens toe.
+
+Toen barstten van alle kanten toejuichingen en handgeklap los. De
+geheele menigte verdrong zich om dien Hercules, die niet minder
+bescheiden was dan de befaamde uitvoerder van de twaalf kunststukken
+uit de fabelleer en niets omtrent die geestdrift van het publiek
+begreep.
+
+Vijf minuten later was de goelet op hare ankerplaats te midden van de
+havenkom aangekomen. Daarna zette een sierlijke sloep, door zes
+roeiriemen bewogen, den eigenaar van dat jacht op de kade aan wal.
+
+Dat was een man van hooge gestalte, ongeveer vijftig jaren oud, met
+schier witte haren en grijzenden baard, welke laatste op Oostersche
+wijze geknipt was en gedragen werd. Groote zwarte vragende oogen, die
+eene bewegelijke ziel aanduidden, verlevendigden zijn gelaat, dat wel
+ietwat door de zon gebruind was, maar regelmatige en schoone trekken
+vertoonde. Wat vooral dadelijk trof, dat was dat adellijk uiterlijk,
+hetwelk zelfs van grootheid getuigde, die zijn geheele persoon
+uitstraalde. Zijne scheepskleeding, een donkerblauwe pantalon, een
+pijjakker van dezelfde kleur maar met blinkende knoopen versierd, een
+zwarte ceintuurband, die hem het middel onder den pijjakker omsloot,
+zijn lichte hoed van bruin linnen vervaardigd, dat alles stond hem goed
+en liet een krachtig lichaam uitkomen, dat, uitmuntend gevormd, nog
+niet door den ouderdom aangetast was.
+
+Zoodra die persoon, waarin men voelde dat een geestkrachtvolle en
+machtige geest huisde, voet aan wal gezet had, stapte hij op de beide
+acrobaten toe, die nog steeds door de menigte omringd en toegejuicht
+werden.
+
+Men drong op zijde om voor hem plaats te maken.
+
+Toen hij nabij Kaap Matifou gekomen was, was zijn eerste gebaar niet om
+zijne beurs te voorschijn te halen en daaruit eene rijke aalmoes te
+nemen! Neen! hij reikte den reus de hand en sprak tot hem in het
+Italiaansch:
+
+„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!”
+
+Kaap Matifou was waarachtig geheel onthutst over zooveel eer voor zulk
+eene geringe daad.
+
+„Ja!.... het was mooi!.... het was prachtig, Kaap Matifou,” vulde
+Pescadospunt met de helder klinkende stembuiging van zijn Provençaalsch
+dialect aan.
+
+„Zijt gijlieden Franschen?” vroeg de vreemdeling.
+
+„Zoo Fransch mogelijk!” antwoordde Pescadospunt niet zonder trots.
+„Franschen uit het zuiden van Frankrijk!”
+
+De vreemdeling bekeek hen met waarachtige ingenomenheid, die met eenige
+aandoening vermengd was. Hunne ellende was te klaarblijkelijk om zich
+te kunnen vergissen. Hij zag daar wel degelijk twee arme kunstenaars
+voor zich staan, waarvan een hem met groot gevaar van zijn leven, een
+belangrijken dienst bewezen had, want eene botsing tusschen de
+Trabucolo en de goelet, zou rampvol geweest zijn en vele slachtoffers
+gemaakt hebben.
+
+„Komt mij aan boord opzoeken,” zei hij hen.
+
+„Wanneer het u schikt, Prins!” antwoordde Pescadospunt, terwijl de
+beminnelijkste glimlach, dien hij te voorschijn tooveren kon, zijne
+lippen krulde.
+
+„Morgen ochtend, zoo vroeg mogelijk.”
+
+„Zoo vroeg mogelijk! Wij zullen er zijn!” antwoordde Pescadospunt,
+terwijl Kaap Matifou zijn kolossaal hoofd slechts op en neer bewoog ten
+teeken dat ook hij instemde.
+
+Intusschen bleef de menigte den held van dit avontuur steeds omringen.
+Zij zou hem ongetwijfeld in triomf rondgedragen hebben, waren de meest
+vastberadenen en de stevigsten niet afgeschrikt geweest door zijn
+gewicht. Maar Pescadospunt, die steeds bij de pinken was, meende dat
+het juiste oogenblik gekomen was, om de gunstige stemming van zoo’n
+publiek te benuttigen. Zoodra dan ook de vreemdeling, na hun nogmaals
+de hand toegestoken en met een vriendelijk gebaar toegewuifd te hebben,
+naar de kade gestapt was, riep hij met zijne guitige en aantrekkelijke
+stem:
+
+„De worsteling, heeren! De worsteling tusschen Kaap Matifou en
+Pescadospunt. Treedt binnen, heeren, treedt binnen!... Men betaalt
+slechts bij het heengaan of bij het binnenkomen, naar ieders
+verkiezing!”
+
+Dien dag was de tent veel te klein! Men moest menschen afwijzen! Men
+moest die hun geld teruggeven!
+
+Wat den vreemdeling betrof, nauwelijks had deze eenige schreden in de
+richting van de kade gedaan, toen hij zich plotseling voor het jonge
+meisje en haren vader bevond, die dat geheele tooneel bijgewoond
+hadden.
+
+De jongeman, die hen op eenigen afstand gevolgd was en wiens groet door
+den vader slechts uit de hoogte beantwoord was, hield zich op een
+zekeren afstand. De vreemdeling had gelegenheid dat op te merken.
+
+Toen deze zich in de tegenwoordigheid van dien man bevond, ondervond
+hij een gevoel, waarvan hij de uiting ter nauwernood kon bedwingen. Het
+was een gevoel van afkeer voor dien persoon, hetwelk hem beheerschte,
+en onwillekeurig schitterde een dreigende bliksemstraal in zijn oog.
+
+Die man, de vader van het jonge meisje, naderde hem en zeide zeer
+beleefd:
+
+„Gij zijt, dank zij den moed van dien acrobaat, aan een groot gevaar
+ontkomen, mijnheer!”
+
+„Inderdaad, mijnheer!” antwoordde de vreemdeling, wiens stem, willens
+of onwillens, eene onbedwingbare ontroering te kennen gaf.
+
+En zich tot den vader wendende, vroeg hij:
+
+„Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?”
+
+„Ik ben Silas Toronthal van Ragusa,” antwoordde de gewezen bankier van
+Triëst. „Mag ik op mijne beurt weten, wie de eigenaar is van dat fraaie
+pleiziervaartuig?”
+
+„Ik ben dokter Antekirrt,” antwoordde de vreemdeling.
+
+Beiden wisselden een groet en gingen in verschillende richtingen huns
+weegs, terwijl het gejuich en het handgeklap in de tent der Fransche
+acrobaten bleef aanhouden.
+
+Dien avond at Kaap Matifou niet alleen naar volle genoegen, dat wil
+zeggen dat hij voor vier personen verslond, maar er bleef ook nog een
+portie over. En die was voldoende voor het avondmaal van zijnen braven
+kleinen makker, voor Pescadospunt.
+
+
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+DOKTER ANTEKIRRT.
+
+
+Er zijn menschen, die de Faam wel de handen vol te doen geven. Toch is
+zij eene ware orchest-vrouw met honderd monden, die den gewilden naam
+door haar trompetten aan de vier hoeken der aarde verkondigen.
+
+Een zoodanige was dokter Antekirrt, die zoo even in de haven van
+Gravosa aangekomen was. Er was omtrent hem in dat legendarische
+Oosterland een zeker geheimzinnig verhaal ontstaan. In Azië, van de
+Dardanellen af tot aan het Suezkanaal; in Afrika van Suez af tot aan de
+uiterste grenzen van Tunis; in de Roode zee, langs de geheele Arabische
+kuststrook, werd zijn naam genoemd en herhaald als die van een
+buitengewoon man, zeer ervaren in de natuurkundige wetenschappen, als
+van een soort alweter, een „taleb”, die in de uiterste geheimen van al
+het geschapene gedrongen was. In den bijbelschen tijd, of beter in den
+tijd van de Tale Canaäns, zou hij Epiphanes geheeten hebben. In de
+omstreken van den Euphrates zou men hem voor een afstammeling van de
+oude Perzische wijzen gehouden hebben.
+
+Welke overdrijving heerschte er bij die beroemdheid? Al de
+overdrijving, die van een Perzischen wijze een toovenaar wil maken; al
+de overdrijving, die een geleerd man tot een bovenmenschelijk wezen wil
+verheffen. Ja, de waarheid is, dat dokter Antekirrt slechts een mensch,
+niets anders dan een mensch was, die wel is waar, gezonde en degelijke
+geestvermogens en een helder doorzicht bezat, die zeer oordeelkundig en
+met een bewonderenswaardig scherpen blik begaafd was, maar die ook door
+de omstandigheden buitengewoon voortgeholpen was. Zoo was het hem in
+een der binnenprovinciën van Klein-Azië gelukt de geheele bevolking
+tegen een schrikkelijke ziekte, die voor zeer besmettelijk gehouden
+werd en waarvoor hij het geneesmiddel gevonden had, te beveiligen.
+Vandaar zijne onvergelijkelijke beroemdheid.
+
+Wat er vooral toe bijdroeg om hem die beroemdheid te verleenen, was het
+ondoordringbare geheimzinnige, waarin zijn persoon gehuld was. Vanwaar
+kwam hij? Dat wist niemand. Wat wist men omtrent zijn verleden? Niets.
+Waar en onder welke omstandigheden had hij geleefd? Niemand kon daar
+antwoord op geven. Men bevestigde slechts, dat die dokter Antekirrt om
+zoo te zeggen aangebeden was door de bevolkingen van Klein-Azië en van
+Oost-Afrika, dat hij doorging voor een knappen geneesheer, wiens
+buitengewone genezingen indruk hadden gemaakt tot bij de beroemdste
+wetenschappelijke vereenigingen van Europa; dat hij zijne zorgen zoowel
+aan de armste lieden als aan de rijken en machtigen der aarde wijdde.
+Men had hem evenwel nimmer in de landstreken van het Westen gezien en
+zelfs was men sedert eenige jaren geheel en al onbekend met de plaats
+van zijn verblijf. Vandaar de neiging om hem van den een of anderen
+geheimzinnigen „avatar” te doen afstammen, om hem als het product van
+den een of anderen Hindoeschen god te beschouwen, om er een
+bovenaardsch wezen van te maken, die door bovennatuurlijke middelen kon
+genezen.
+
+Maar al had dokter Antekirrt zijne kunst nog niet in de voornaamste
+staten van Europa uitgeoefend, zoo was zijn roem hem daar toch
+vooruitgesneld. Hoewel hij te Ragusa slechts als gewoon reiziger
+aangekomen was, als vermogende toerist, die met zijn jacht rondreisde
+om de voornaamste plaatsen, aan de Middellandsche zee gelegen, te
+bezoeken, zoo had zich zijn naam toch dadelijk door de stad verbreid.
+In afwachting dan ook, dat men den dokter, zelf zou kunnen aanschouwen,
+had de goelet middelerwijl veel bekijks. Het gevaar, dat door den moed
+van Kaap Matifou afgewend was, zou trouwens voldoende geweest zijn om
+de algemeene aandacht op te wekken.
+
+Inderdaad, dat jacht zou zelfs den meest rijken, den meest
+prachtlievenden gentleman van de zeilvereenigingen van Amerika, van
+Engeland en Frankrijk eer aangedaan hebben! Zijne beide masten stonden
+rechtop en dicht bij het midden van het vaartuig geplaatst, hetgeen
+veroorloofde eene groote ontwikkeling aan het grootzeil en aan het
+fokkezeil te geven. De lengte van zijn boegspriet, die twee kleine
+kluivers voerde, de afmeting der vierkante zeilen, die aan den
+fokkemast aangeslagen waren, de hoogte der stengen en de geheele
+inrichting van het want moesten hem eene bewonderenswaardige snelheid
+bij iedere weersgesteldheid verleenen. Die goelet meette drie honderd
+vijftig tonnen. Zij was lang en rank, had eene gunstige ronding en
+verhief zich bevallig boven de waterlijn. Zij had diepgang genoeg om
+rustig op het watervlak te liggen. Het was wat men noemde een
+zeewaardig vaartuig, dat nauwkeurig naar den wil van den stuurman
+luisterde, en tot vier streken scherp bij den wind kon zeilen. Hetzij
+de goelet met volle zeilen, hetzij zij in den wind opliep, zij was
+niets verlegen, om, wanneer er een hevige bries woei, hare dertien en
+een halve mijl in de wacht af te leggen.
+
+De Boadice, de Gaëtana, of de Mordon, die beroemde Engelsche
+pleiziervaartuigen, zouden het onderwerpelijke jacht niet de loef
+afgestoken hebben bij eene internationale match.
+
+Wat de uiterlijke en innerlijke fraaiheid van het jacht betrof, de
+meest-eischende sportsman zou niets beter hebben kunnen uitdenken. Zijn
+hagelwit dek was van Canadeesche pijnboomenbalkjes zonder kwasten
+vervaardigd; het innerlijke van het vaartuig was met ware
+schrijnwerkersvaardigheid afgewerkt. De kappen, de trappen en de
+paneelen waren van djattihout en met gepolijst koperen banden versierd,
+die als goud blonken; het beeldhouwwerk van het stuurrad was keurig,
+terwijl de blokken van mahoniehout scherp afstaken bij de masten,
+welker onderdeel in wit geverfde omhulsels geborgen was, en bij het
+touwwerk van het want, dat van gegalvaniseerd ijzerdraad vervaardigd
+was, en bij de helderwitte sloepen, die rank en bevallig in de davids
+hingen. Dat alles deed een ontwikkelden smaak en eene volmaakte
+sierlijkheid uitkomen.
+
+Het is noodig, dat wij het innerlijke van dat jacht zoowel als het
+uiterlijke leeren kennen, daar het toch het drijvende verblijf was van
+den geheimzinnigen persoon, die de held van het verhaal zal uitmaken.
+Het was evenwel niet toegankelijk voor bezoekers. Maar de
+romanschrijver is als het ware met een soort helderziendheid behebt,
+die hem veroorlooft zelfs datgene te beschrijven, wat hij nooit gezien
+heeft.
+
+In het innerlijke van die goelet dong de weelde met de gemakzucht om
+den voorrang. De vertrekken en de hutten, de salons, de eetzaal, die
+allen waren kostbaar en zeer fraai geschilderd. De kleeden, de
+draperiën, in een woord alles wat tot het ameublement behoorde, was
+uiterst kunstvaardig tot die pleizierscheepvaart aangewend. De
+welbegrepen inrichting werd niet alleen in de vertrekken van den
+kapitein en der scheepsofficieren aangetroffen, maar ook in de
+bergplaats van het komaliewant, waarin het zilverwerk en het
+porceleinen tafelgoed tegen het slingeren en stampen van het vaartuig
+beveiligd lagen; ook in de keuken of kombuis, waarin eene Hollandsche
+reinheid heerschte, en in het vooruit, waar de hangmatten der bemanning
+ruimte genoeg hadden om ongehinderd heen en weer te wiegelen. De
+bemanning telde een twintigtal matrozen, die het bevallige kostuum van
+de Maltheser zeelieden droegen, korte broek met zeelaarzen, gestreept
+hemd, bruine gordel, roode muts en blauwe pijjakker, waarop de
+beginletters van den naam van de goelet en van haar eigenaar in het wit
+gekarteld waren.
+
+Maar tot welke haven behoorde dat jacht? Waar was de monsterrol
+afgeteekend? In welke plaats van de Middellandsche zee werden de
+winterkwartieren betrokken? Tot welke nationaliteit behoorde dat
+vaartuig ten slotte? Men wist daaromtrent evenmin iets als omtrent de
+nationaliteit van den dokter. Een groene vlag met rood kruis in den
+bovenhoek wapperde aan de gaffel. Men zou die vlag te vergeefs gezocht
+hebben onder de zoo talrijke vlaggen, die langs de zeeën van den
+geheelen aardbol zwerven.
+
+In ieder geval, vóórdat dokter Antekirrt voet aan wal gezet had, waren
+de scheepspapieren aan den havenmeester overhandigd en door dezen
+ongetwijfeld in orde bevonden, daar de reiziger verlof gekregen had om,
+nadat de geneeskundige zeedienst zijn bezoek aan boord gebracht had,
+vrijelijk naar den wal te gaan.
+
+Wat den naam van de goelet betrof, die prijkte in gulden letters op een
+schild aan den spiegel aangebracht. Die naam, die niets omtrent de
+haven van herkomst meldde, was Savarena.
+
+Dat was het bewonderenswaardige pleiziervaartuig, dat men thans in de
+haven van Gravosa bewonderen kon. Pescadospunt en Kaap Matifou, die den
+volgenden morgen door dokter Antekirrt aan boord ontvangen zouden
+worden, bekeken het met de meeste nieuwsgierigheid, maar zelfs met meer
+ontroering dan de overige zeelieden van de havenplaats. In hunne
+hoedanigheid van inboorlingen van de Provence, waren zij uiterst
+gevoelig voor alles wat zeeaangelegenheden betrof. Pescadospunt vooral,
+die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte, was verrukt.
+De beide vrienden brachten den geheelen avond na hunne voorstelling
+daarmede door.
+
+„Ah,” zei Kaap Matifou.
+
+„Ho!” antwoordde Pescadospunt.
+
+„Hè! Wat zeg je er van, Pescadospunt?”
+
+„Ik zeg er niets van, Kaap Matifou!”
+
+„Maar je denkt er het jouwe van, niet waar?”
+
+En dat gesprek, hetwelk meer op bewondering uitdrukkende
+tusschenwerpsels in den mond van die twee armoedige acrobaten geleek,
+had grooter beduidenis dan menige lange redevoering.
+
+Alle de manoeuvres, die het ten anker gaan opvolgen, waren aan boord
+van de Savarena geëindigd: de zeilen waren geborgen en op de ra’s
+bevestigd, het tuig en touwwerk was op zijne plaats en met zorg strak
+gezet, de zonnetent was over het achterdek uitgestrekt enz. De goelet
+was in een hoek van de havenkom ten anker gebracht, hetgeen aanduidde,
+dat zij er op rekende het verblijf van eenigen duur te doen zijn.
+
+Overigens vergenoegde dokter Antekirrt zich met het maken van eene
+eenvoudige wandeling in den omtrek van Gravosa. Terwijl Silas Toronthal
+met zijne dochter in hun rijtuig, dat hen op de kade gewacht had, naar
+Ragusa terugkeerde, en terwijl de jonkman, waarvan hierboven sprake
+was, door de groote laan derwaarts wandelde, bezocht de dokter de
+haven. Dat is een der besten van de kust en op dat tijdstip bevond zich
+daarin een vrij groot aantal vaartuigen van verschillende
+nationaliteiten.
+
+Na de stad verlaten te hebben, volgde hij de oevers van de baai van
+Ombla Fiumera, die een bocht vormt van twaalf mijlen uitgestrektheid,
+tot aan de monding van de kleine Ombla rivier, die diep genoeg is om
+vaartuigen zelfs van grooten diepgang te veroorlooven haar op te varen
+tot bij den voet van het Vlastizagebergte. Hij kwam tegen negen uren op
+den havendam terug en woonde de aankomst van een groote pakketboot van
+den Oostenrijkschen Lloyd bij, die van de Indische zee aankwam.
+Eindelijk keerde hij naar boord terug, begaf zich naar zijn vertrek,
+hetwelk door twee lampen verlicht was en bleef tot den volgenden
+ochtend alleen.
+
+Dat was zoo zijne gewoonte en de kapitein van de Savarena—een zeeman
+van ongeveer veertig jaren oud, die Narsos heette—had order om den
+dokter nimmer in die uren van eenzaamheid te storen.
+
+Hier moet bij verteld worden, dat noch de officieren noch de bemanning
+iets afwisten van het verleden van dien persoon. Toch waren zij hem met
+ziel en lichaam toegewijd. Al gedoogde dokter Antekirrt geen enkele
+inbreuk op den tucht aan boord, zoo was hij toch goed voor allen en
+verleende zijne hulp en gaf zijn geld uit zonder tellen. Ieder matroos
+trachtte dan ook in de rol van de Savarena opgenomen te worden. Nimmer
+viel er eene berisping uit te deelen, nimmer eene bestraffing op te
+leggen, nimmer eene verwijdering uit te voeren. Zij die deel uitmaakten
+van de bemanning der goelet, vormden als het ware één gezin.
+
+Nadat de dokter aan boord teruggekeerd was, werden alle beschikkingen
+voor den nacht getroffen. De seinlichten werden voor en achter
+ontstoken, de manschappen der wacht betrokken hunne posten en weldra
+heerschte de diepste stilte.
+
+Dokter Antekirrt had op een breeden divan plaats genomen, die in den
+hoek van het vertrek aangebracht was. Op eene tafel waren eenige
+dagbladen neergelegd, die zijn knecht te Gravosa was gaan koopen. De
+dokter doorliep ze met een verstrooiden blik en las eerder de gemengde
+berichten dan wel de hoofdartikelen. Vooral keek hij naar de aankomst
+en het vertrek der vaartuigen, naar het vertrek van de notabiliteiten
+der provincie tot het maken van een buitenlandsch reisje. Tegen elf uur
+ging hij, zonder de hulp van zijn kamerknecht ingeroepen te hebben, te
+bed; maar het duurde lang alvorens hij kon inslapen.
+
+Indien iemand de gedachte had kunnen lezen, die hem het meest
+vervolgde, zou hij wellicht verwonderd zijn geweest te ontwaren, dat
+die de navolgende vraag inhield:
+
+„Wie was die jonge man, die Silas Toronthal op de kade van Gravosa
+groette?”
+
+Den volgenden morgen kwam dokter Antekirrt tegen acht uren op het dek.
+Het weder liet zich heerlijk aanzien. De zon verguldde reeds de bergen,
+die den achtergrond van de baai vormden. Het nachtelijke duister
+verdween van de haven, alsof het over het watervlak heengleed. De
+Savarena bevond zich weldra in het volle licht.
+
+Kapitein Narsos naderde den dokter, om zijne bevelen te vernemen, welke
+deze laatste in korte woorden gaf, evenwel niet dan na hem eerst goeden
+morgen gewenscht te hebben.
+
+Een oogenblik later stak eene sloep, bemand met zes roeiers en een
+bootsman, van boord af, en voer naar de kade, waar Pescadospunt en Kaap
+Matifou, zooals overeengekomen was, zouden wachten.
+
+Het was een groote dag, een gewichtig oogenblik in het zwervend bestaan
+van die twee eerlijke kerels, die zoo ver van hun vaderland gelokt
+waren en zich op eenige honderd mijlen van de Provence verwijderd
+bevonden, die zij zoo zeer wenschten terug te zien!
+
+Beiden stonden op de kade te wachten. Zij hadden hun
+kunstenmakerskostuum uitgetrokken en waren nu in een armoedig en
+versleten maar toch proper pak gestoken. Zij bekeken het jacht, terwijl
+zij het evenals daags te voren bewonderden. Beiden bevonden zich in
+eene aangename stemming. Niet alleen hadden Kaap Matifou en
+Pescadospunt den vorigen dag heerlijk geavondmaald, maar zij hadden ook
+dienzelfden ochtend ontbeten. Eene overdaad, eene ware dwaasheid, die
+hare oorzaak vond in de omstandigheid, dat zij daags te voren eene
+buitengewoon groote ontvangst gehad hadden. Denk eens: twee en veertig
+gulden! Maar men moet niet gelooven, dat zij al dat geld verbrast
+hadden! Neen, Pescadospunt was voorzichtig, geregeld van levenswijs en
+zorgende voor den dag van morgen. Daardoor was hun bestaan voor
+minstens tien dagen verzekerd.
+
+„En dat zijn wij u verschuldigd, Kaap Matifou!”
+
+„Oh, Pescadospunt!”
+
+„Ja, aan u, groot man!”
+
+„Welnu, ja.... aan mij.... als je dat pleizier kan doen!” antwoordde
+Kaap Matifou.
+
+In dat oogenblik landde de sloep bij de kade. Toen stond de bootsman op
+en berichtte hen met de muts in de hand, dat hij zich ter beschikking
+van „de heeren” stelde.
+
+„Van de heeren!” riep Pescadospunt uit. „Van welke heeren?”
+
+„Van uzelven,” antwoordde de bootsman. „Dokter Antekirrt wacht u bij
+hem aan boord.”
+
+„Mooi! Wij zijn reeds heeren!” zei Pescadospunt. „Je zult zien, dat we
+nog graven en baronnen zullen worden!”
+
+Kaap Matifou zette vreeselijk groote oogen en verkreukte in zijne
+verlegenheid zijn hoed ergerlijk.
+
+„Wanneer de heeren gelieven in te stappen!” zei de bootsman.
+
+„Zeker, zeker, het gelieft ons!” zei Pescadospunt met een vriendelijk
+gebaar.
+
+Een oogenblik later zaten onze beide vrienden zoo gemakkelijk mogelijk
+op het donkere tapijt met rood geboord, dat de bank der sloep bedekte,
+terwijl de bootsman achter hen plaats nam.
+
+Het behoeft, dunkt ons, niet vermeld te worden, dat het vaartuigje
+onder het gewicht van den Hercules, die aan boord stapte, twee of drie
+duimen onder hare waterlijn zonk. Men moest zelfs de hoeken van het
+tapijt opnemen, opdat zij niet in het water sleurden.
+
+Op een schellen fluitstoot van den bootsman, vielen zes riemen
+tegelijkertijd te water en schoot de sloep vooruit in de richting van
+de Savarena.
+
+Het mag erkend worden, daar het de waarheid is, dat die twee arme
+drommels zich eenigermate aangedaan, om niet te zeggen verlegen of
+beschaamd gevoelden. Zoo veel eer voor kunstenmakers! Kaap Matifou
+durfde zich niet bewegen. Pescadospunt kon, in weerwil van zijne
+verlegenheid, een goedhartigen glimlach, die zijn fijn en schrander
+gelaat verhelderde, niet verbergen.
+
+De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de
+stuurboordsvalreep aan. Dat was de eerezijde!
+
+De beide vrienden stegen de bewegelijke trap, wiens krammen onder het
+gewicht van Kaap Matifou doorbogen, omhoog en waren weldra op het dek
+aangekomen. Daar werden zij dadelijk naar den dokter gebracht, die hen
+op het achterschip wachtte.
+
+Na een hartelijken groet waren er nog wel eenige plichtplegingen
+noodig, alvorens Pescadospunt en Kaap Matifou besluiten konden te gaan
+zitten. Maar eindelijk geschiedde dat toch.
+
+De dokter keek hen een oogenblik aan zonder te spreken. Zijn koel maar
+schoon gelaat maakte indruk op hen. Maar, en daarin kon men zich niet
+vergissen, was er ook al geen glimlach op zijne lippen, die glimlach
+zetelde toch in zijn hart.
+
+„Vrienden,” zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een
+groot gevaar beveiligd. Ik heb u daarvoor nogmaals willen bedanken en
+daarom heb ik u verzocht om aan boord te komen.”
+
+„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, die een weinig van zijne
+vrijmoedigheid terugkreeg, „gij zijt zeer goed; maar het gebeurde is de
+moeite niet waard. Mijn makker heeft niets anders gedaan dan ieder
+ander in zijne plaats en met zijne kracht verricht zoude hebben. Niet
+waar, Kaap Matifou?”
+
+Deze knikte bevestigend, door zijn dik hoofd op en neer te bewegen.
+
+„Dat moge zoo zijn,” antwoordde de dokter, „maar uw makker en niet
+ieder ander heeft zijn leven gewaagd en ik ben hem daarvoor veel
+verplicht!”
+
+„O heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „gij zult mijn ouden Kaap
+doen blozen en volbloedig als hij reeds is, is het nadeelig voor hem,
+wanneer hem het bloed naar het hoofd stijgt....”
+
+„Alles wel, vrienden,” hernam de dokter. „Ik zie dat gijlieden niet van
+complimenten houdt. Ik zal dus ook niet verder aandringen. Maar, daar
+iedere dienst beloond....”
+
+„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „vergeef mij dat ik u in de
+rede val. Maar, iedere goede daad draagt hare belooning in zichzelve,
+ten minste zooals de zedeboeken leeren; en.... reeds zijn wij beloond!”
+
+„Reeds! Hoe?” vroeg de dokter, die vreesde, dat iemand hem voor was.
+
+„Zeker!” hernam Pescadospunt. „Na dit buitengewone bewijs van
+spierkracht van mijn Hercules, heeft het publiek hem verder in andere
+kunstvaardige oefeningen willen beoordeelen. In groote menigte is men
+naar ons Provençaalsche worstelperk gedrongen. Kaap Matifou heeft een
+half dozijn van de sterkste bergbewoners en van de stevigste
+pakkendragers van Gravosa van de been gelicht en wij hebben eene
+overgroote ontvangst gemaakt.”
+
+„Overgroote?”
+
+„Ja, zonder voorbeeld gedurende onze acrobatische omzwervingen!”
+
+„En hoeveel hebt gij wel ontvangen?”
+
+„Twee en veertig gulden!”
+
+„Ah! Waarlijk!.... Maar ik wist niet”.... antwoordde dokter Antekirrt
+met goedige stem. „Als ik geweten had, dat gij voorstellingen gaaft,
+dan zou ik het mij niet alleen tot plicht gesteld hebben, maar het zou
+mij ook een waar genoegen geweest zijn een daarvan bij te wonen. Gij
+zult mij dus veroorloven mijne plaats te betalen....”
+
+„Hedenavond, heer dokter, hedenavond,” antwoordde Pescadospunt,
+„wanneer gij onze voorstelling met uwe tegenwoordigheid zult willen
+vereeren.”
+
+Kaap Matifou boog beleefd en deed daarbij zijne breede schouders
+zwaaien, die, zooals Pescadospunt steeds luide verkondigde, nimmer den
+grond aangeraakt hadden.
+
+Dokter Antekirrt zag wel in, dat hij de beide acrobaten er niet toe zou
+kunnen brengen om eene belooning, ten minste eene geldelijke, aan te
+nemen. Hij besloot dus anders te werk te gaan. Daarenboven had hij
+sedert den vorigen dag een vastgesteld plan met betrekking tot die twee
+mannen in het hoofd. Inlichtingen, die hij den vorigen avond had doen
+inwinnen, hadden tot uitslag gehad, dat de twee kunstenmakers eerlijke
+menschen waren, die ten volle vertrouwen verdienden.
+
+„Hoe heet gij?” vroeg hij.
+
+„De eenige naam, dien ik ken, heer dokter, is Pescadospunt.”
+
+„En gij?”
+
+„Ik heet Matifou,” antwoordde de Hercules.
+
+„Dat wil zeggen Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt aan, niet weinig
+hoogmoedig dien naam, die zoo beroemd in al de worstelperken van
+Zuidelijk Frankrijk was, te kunnen noemen.
+
+„Maar dat zijn bijnamen,”.... merkte de dokter op.
+
+„Wij hebben geen anderen,” antwoordde Pescadospunt, „of, hebben wij er
+ooit een gehad, dan hebben wij hem onderweg verloren, wat niet te
+verwonderen is: onze zakken zijn slecht en versleten.”
+
+„En.... uwe bloedverwanten?”
+
+„Bloedverwanten, heer dokter?.... Onze middelen hebben ons nooit dat
+weelde-artikel veroorloofd! Maar mochten wij ooit rijk worden, dan
+zullen er wel gevonden worden, die erven willen.”
+
+„Gij zijt Franschen? Van welk gedeelte van Frankrijk zijt gij
+afkomstig?”
+
+„Wij zijn Provençalen!” antwoordde Pescadospunt fier. „Dat wil zeggen,
+dat wij tweemalen Franschen zijn!”
+
+„Gij hebt een opgeruimd humeur, mijnheer Pescadospunt.”
+
+„Het ambacht brengt dat mede. Stelt u voor, heer dokter, een paljas,
+een roodstaart, een kermisgrappenmaker, die een droefgeestig humeur
+had! Hij zou meer gebakken appelen in een uur om de ooren krijgen, dan
+hij zijn geheele leven zou kunnen verorberen! Ja, ik ben opgeruimd,
+vroolijk zelfs, zeer vroolijk, dat beken ik!”
+
+„En Kaap Matifou?”
+
+„O, die is meer ernstig, meer nadenkend, meer in zich zelf gekeerd!”
+antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zijn makker een hartelijken
+vriendschappelijken klap op den schouder gaf, zooals een ander den hals
+van een paard zou streelen. „Dat ’s ook het ambacht hetwelk dat
+medebrengt. Wanneer men toeren maakt met gewichten van vijftig, dan
+moet men zeer ernstig wezen. Wanneer men worstelt, dan doet men dat
+niet alleen met de armen, maar ook en vooral met het hoofd! En Kaap
+Matifou heeft steeds geworsteld.... zelfs tegen de ellende! En die
+heeft hem nog niet van de been kunnen brengen!”
+
+Dokter Antekirrt hoorde met belangstelling dat braaf klein wezen,
+waarvoor het noodlot tot heden zoo hard was geweest, en dat toch niet
+verbitterd was. Hij gevoelde dat in dat teedere omhulsel evenveel hart
+als geest schuilde, en dacht er over na wat van hem had kunnen worden,
+wanneer aan de materieele eischen van het leven niet dadelijk na zijn
+geboorte was te kort geschoten.
+
+„En waarheen trekt gij thans?”
+
+„Waarheen? Recht voor ons uit! Op goed geluk af,” antwoordde
+Pescadospunt. „Het toeval is niet altijd een slechte gids en over het
+algemeen kent het den weg. Alleen, ik vrees dat wij ditmaal te ver van
+ons land af gedwaald zijn! Maar.... alles wel beschouwd, is dat onze
+schuld! Wij hadden het toeval moeten vragen waarheen het ons leiden
+wilde.”
+
+Dokter Antekirrt sloeg hen beiden gedurende een poos gade. Toen hernam
+hij met aandrang:
+
+„Wat zou ik voor ulieden kunnen doen?”
+
+„Maar niets, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „niets.... dat
+verzeker ik u....”
+
+„Koestert gij het verlangen niet om in uwe Provence weer te keeren?”
+
+De oogen der beide acrobaten glinsterden tegelijkertijd.
+
+„Ik zou er u kunnen brengen,” hernam de dokter.
+
+„Dat, dat zou merkwaardig wezen!” zei Pescadospunt.
+
+En zich tot zijn makker wendende:
+
+„Kaap Matifou, zou je naar ginds willen terugkeeren?”
+
+„Ja.... als ge meegaat, Pescadospunt.”
+
+„Maar, wat zullen wij er uitvoeren? Waarvan zullen wij leven?”
+
+Kaap Matifou krabde zich achter het oor. Dat deed hij bij ieder lastig
+geval.
+
+„Wij zullen.... wij zullen....” mompelde hij.
+
+„Je weet er niets van.... en ik ook niet!.... Maar, het is ons
+vaderland! Is het niet zonderling, heer dokter, dat arme drommels,
+zooals wij zijn, een vaderland hebben; dat arme ellendigen, die geen
+ouders hebben, ergens geboren zijn! Ziet, dat is voor mij steeds
+onverklaarbaar geweest.”
+
+„Zoudt gij beiden kunnen besluiten steeds bij mij te blijven?” vroeg
+dokter Antekirrt.
+
+Op dat onverwachte voorstel was Pescadospunt vlug opgesprongen, terwijl
+de Hercules hem verbaasd aankeek, niet wetende of hij ook zou moeten
+opstaan.
+
+„Bij u blijven, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt eindelijk. „Maar
+waartoe zouden wij te gebruiken zijn? Kunststukken uitvoeren, toeren
+van kracht en behendigheid.... dat alles is, wat wij in ons leven
+gedaan hebben. En tenzij het was om u gedurende uwe zeetochten of in uw
+land te verstrooien....”
+
+„Luistert naar mij,” hernam dokter Antekirrt. „Ik heb moedige,
+behendige en schrandere mannen noodig, mannen vol toewijding, die
+genegen zijn het bereiken van mijne plannen te bevorderen. Er is niets,
+wat u hier terughoudt, niets wat u daar ginder roept. Wilt gij tot die
+mannen behooren?”
+
+„Maar wanneer uwe plannen bereikt zijn?”.... vroeg Pescadospunt.
+
+„Als het u bij mij bevalt, zult gij mij niet meer verlaten”, antwoordde
+de dokter glimlachend, „dan kunt gij bij mij aan boord blijven. En
+kijk, gij zult aan mijne bemanning les op het slappe koord kunnen
+geven! En wanneer het u integendeel zou lijken naar uw vaderland weer
+te keeren, dan zal ik er u brengen en zorgen dat u een zekere
+gegoedheid voor uw geheele leven verzekerd is.”
+
+„Oh! heer dokter!” riep Pescadospunt uit. „Maar het is toch uwe meening
+niet, ons niets te laten uitvoeren. Tot niets goed te zijn, zou ons
+niemendal lijken!”
+
+„Ik beloof u arbeid, en van dusdanigen aard, dat hij u tevreden zal
+stellen.”
+
+„Waarlijk,” zei Pescadospunt, „dan is het aanbod zeer verleidelijk.”
+
+„Hebt gij nog tegenwerpingen te maken?”.
+
+„Nog eene enkele. Gij ziet ons beiden, Kaap Matifou en mij! Wij zijn
+afkomstig van hetzelfde vaderland en wij zouden ongetwijfeld tot
+dezelfde familie behooren, wanneer wij eene familie bezaten. Wij zijn
+broeders volgens het hart! Kaap Matifou zou niet zonder Pescadospunt en
+Pescadospunt niet zonder Kaap Matifou kunnen leven! Verbeeld u de
+Siameesche tweelingen! Men heeft hen nimmer kunnen scheiden, niet waar,
+omdat eene scheiding hun het leven zou gekost hebben. Welnu, wij zijn
+als die Siameezen. Wij hebben elkander lief, heer dokter.”
+
+Pescadospunt had, terwijl hij zoo sprak, de hand aan Kaap Matifou
+toegestoken, die hem naar zich toetrok en hem aan zijne borst drukte,
+zooals hij met een kind gedaan zou hebben.
+
+„Vrienden,” zei dokter Antekirrt, „er is geen quaestie van ulieden te
+scheiden en het zal steeds mijn wensch zijn, dat gij mij niet zult
+verlaten!”
+
+„Dan zou het kunnen gaan, heer dokter, als....”
+
+„Als?”
+
+„Als Kaap Matifou zijne toestemming geeft.”
+
+„Zeg ja, Pescadospunt,” mompelde de Hercules, „dan hebt gij voor ons
+beiden geantwoord!”
+
+„Welnu,” zei de dokter, „dat is dan afgesproken en gij zult geen berouw
+over uw besluit ondervinden. Bekommert u van heden af om niets meer!”
+
+„O, heer dokter, pas op!” hernam Pescadospunt. „Gij verbindt u daar tot
+meer dan gij wel denkt!”
+
+„Hoezoo?”
+
+„Ziet, wij zullen dure gasten zijn, vooral Kaap Matifou. Dat is een
+groote eter en gij zoudt hem in uwen dienst zijne spierkracht niet
+willen laten verliezen, al was dat nog zoo weinig maar.”
+
+„Ik beoog integendeel, dat hij die krachten verdubbelen zal.”
+
+„Dan zal hij u te gronde richten!”
+
+„Men richt mij niet te grande, Pescadospunt.”
+
+„Evenwel.... twee.... drie maaltijden per dag....”
+
+„Vijf, zes, tien, als hij zulks verkiezen zal,” antwoordde dokter
+Antekirrt glimlachend. „Er zal steeds open tafel voor hem zijn!”
+
+„Hè, Kaap, wat zeg je er van?” riep Pescadospunt guitig uit. „Ge zult
+dan steeds volop kunnen eten!”
+
+„En gij ook, Pescadospunt!”
+
+„O, ik! Een vogel!—Maar zou ik u mogen vragen, of wij ter zee zullen
+varen?”
+
+„Dikwijls, vriend. Ik zal thans aan de vier hoeken van de
+Middellandsche zee te doen krijgen. Mijn praktijk zal zoo wat overal
+langs de kusten bestaan. Ik hoop de geneeskunde te kunnen uitoefenen op
+eene internationale wijze. Wanneer een zieke mij naar Tanger, of naar
+de Balearische eilanden roept, wanneer ik mij te Suez of te Smyrna
+bevind, zal ik hem dan niet moeten gaan bezoeken? Wat een geneesheer in
+eene groote stad van het eene kwartier tot het andere uitvoert, zal ik
+van de Straat van Gibraltar naar den Griekschen Archipel, van de
+Adriatische zee naar de Leeuwengolf, van de Jonische zee naar de baai
+van Gabés verrichten! Ik bezit nog andere vaartuigen, tien malen
+vlugger dan die goelet en.... bij die tochten zult gijlieden mij
+meestal vergezellen.”
+
+„Dat lijkt ons, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zich
+in de handen wreef.
+
+„Zijt gijlieden niet bang voor de zee?”
+
+„Neen!” riep Pescadospunt uit. „Wij bang? Wij kinderen van de Provence!
+Als straatjongens speelden en rolden wij in de sloepen op het strand!
+Neen, wij zijn niet bang voor de zee, ook niet voor de zoogenaamde
+zeeziekte! Door de gewoonte, die wij hebben, om met het hoofd omlaag en
+de beenen omhoog te loopen, zijn wij tegen die ongesteldheid
+gevrijwaard. Wanneer de heeren en dames, alvorens zich in te schepen,
+slechts eenige maanden lang die lichaamsoefening betrachtten, dan
+zouden zij nimmer noodig hebben hunnen neus gedurende den overtocht
+boven hunne lampetkom te houden! Komt binnen, heeren en dames! Komt
+binnen! Volgt slechts de menigte!”
+
+Men ziet het, de goedhartige Pescadospunt verviel weer bij zijne
+blijdschap in zijne gewone kwinkslagen, net alsof hij zich nog op de
+verhevenheid zijner kermistent bevond.
+
+„Goed zoo, Pescadospunt!” zei de dokter. „Wij zullen elkander
+uitmuntend verstaan. Bovenal beveel ik u aan, niets van uwe
+opgeruimdheid te verliezen. Lacht, mijn jongen, lacht en zingt, zooveel
+ge verkiest. De toekomst zal wellicht genoeg droefgeestige
+gebeurtenissen opleveren, om uwe vroolijkheid onderweg te doen
+waardeeren.”
+
+Terwijl hij die laatste woorden sprak, was dokter Antekirrt zeer
+ernstig geworden. Pescadospunt, die hem gadesloeg, had als een
+voorgevoel, dat die man in vroegere dagen veel geleden had en dat zij
+de oorzaak daarvan wel eens zouden vernemen.
+
+„Heer dokter,” zei hij toen, „van heden af behooren wij u met ziel en
+lichaam toe.”
+
+„En van heden af,” antwoordde de dokter, „kunt gij u in uwe hutten
+inrichten. Waarschijnlijk zal ik eenige dagen te Gravosa en te Ragusa
+blijven; maar het zal goed zijn, dat gij de gewoonte aanneemt om aan
+boord van de Savarena te leven.”
+
+„Tot het oogenblik, dat gij ons in uw vaderland zult gevoerd hebben!”
+liet Pescadospunt volgen.
+
+„Ik heb geen vaderland,” antwoordde de dokter, „of beter, ik heb, als
+gij wilt, een vaderland van eigen maaksel, dat ook het uwe zal worden!”
+
+„Kom, Kaap Matifou,” riep Pescadospunt uit. „Kom laten wij ons
+handelshuis gaan liquideeren. Wees gerust, wij zijn niemand iets
+schuldig en zullen niet failliet gaan!”
+
+Daarop daalden de twee vrienden, na afscheid van dokter Antekirrt
+genomen te hebben, in de sloep af, die hen wachtte en waarmede zij naar
+de kade van Gravosa teruggevoerd werden.
+
+Daar hadden zij in nog geen twee volle uren, hunnen inventaris
+opgemaakt en hunne kermistent, hunne geschilderde kunststukken, hunne
+groote en kleine trom, die hunne geheele bezitting daarstelden, aan een
+confrater overgedaan. Dat duurde niet lang en leverde ook geene
+moeilijkheid op. Ook zouden hunne zakken niet overmatig bezwaard worden
+door de weinige guldens, die zij daarin opbergden.
+
+Toch stond Pescadospunt er op om zijn kunstenmakerspak en zijne
+pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet en zijn
+worstelaarspak te bewaren. Zij zouden anders te veel verdriet gehad
+hebben, door het scheiden van die werktuigen en die vodden, die hen aan
+zoovele uren van succes en zegepraal herinnerden. Die kleedingstukken
+werden op den bodem van eene kist geborgen, welke hun ameublement,
+hunne garderobe en geheel hun materieel bevatte.
+
+Tegen een uur in den namiddag waren Pescadospunt en Kaap Matifou aan
+boord van de Savarena terug.
+
+Een groote hut in het vooronder werd ter hunner beschikking gesteld.
+Het was eene gemakkelijke en ruime hut die van alles voorzien was, „ook
+om te kunnen schrijven,” zei de snaak.
+
+De bemanning ontving de nieuwe kameraden, wien zij te danken hadden,
+aan een groot ongeluk ontsnapt te zijn, recht hartelijk.
+
+Reeds bij hunne aankomst konden Pescadospunt en Kaap Matifou proeven,
+dat de kombuisproducten aan boord hen de keukens der Provençaalsche
+kermistenten niet zouden doen betreuren.
+
+„Zie je, Kaap Matifou,” zei en herhaalde Pescadospunt, terwijl hij een
+glas heerlijken Asti-wijn slurpte, „zie je, met goed gedrag komt men
+tot alles! Maar, dat moet er zijn!”
+
+Kaap Matifou, wiens mond toen met een flink stuk ham gevuld was, dat
+met twee gebakken eieren in de onpeilbare diepte van zijne maagholte
+verdween, antwoordde slechts met een hoofdknik.
+
+„Welke ontvangst wel te maken zou zijn, wanneer het publiek je kon zien
+eten, Kaap Matifou!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+DE WEDUWE VAN STEPHANUS BATHORY.
+
+
+De tijding der aankomst van dokter Antekirrt had zich spoedig, niet
+alleen te Ragusa, maar ook in de geheele Dalmatische provincie
+verbreid. De dagbladen wierpen zich als het ware op die prooi, die hen
+eene serie van pikante berichten in het vooruitzicht stelde, en
+begonnen met de aankomst van de goelet in de haven van Gravosa aan te
+kondigen. De eigenaar van de Savarena kon dus niet ontsnappen aan het
+eerbetoon, maar ook niet aan de bezwaren, aan dergelijke beroemdheid
+onvermijdelijk verbonden. Zijne persoonlijkheid lag als het ware op
+ieders lippen. De legende maakte zich van hem meester. Men wist niet
+wie hij was, vanwaar hij kwam en waarheen hij ging. Dat kon slechts de
+publieke nieuwsgierigheid te meer prikkelen. En, natuurlijk, wanneer
+men niets weet, dan is het veld der onderstellingen des te
+uitgebreider, de verbeelding benuttigt dat en dan.... dan schijnt het
+een wedren te zijn voor allen, die het best ingelicht meenen te zijn.
+
+De reporters, bij hun streven om hunne lezers ter wille te zijn, waren
+met spoed naar Gravosa getrokken. Sommigen hunner begaven zich zelfs
+aan boord van de goelet. Zij kregen evenwel den persoon, die in de
+openbare meening zooveel opgang maakte, niet te zien. De bevelen
+daaromtrent waren stellig. De dokter ontving niemand. De antwoorden,
+die kapitein Narsos aan de bezoekers gaf, waren dan ook onveranderlijk
+dezelfde:
+
+„Maar, vanwaar komt die dokter?”
+
+„Vanwaar het hem gelieft.”
+
+„En waarheen gaat hij?”
+
+„Waarheen hem dat aanstaat.”
+
+„Maar, wie is hij?”
+
+„Dat weet niemand en hij wellicht nog minder dan zij, die het vragen.”
+
+Hoe nu in Godsnaam een reporterartikel met dergelijke gegevens te
+schrijven?
+
+Het gevolg daarvan was, dat de verbeelding vrij spel had en zich dan
+ook geen banden liet aanleggen om in volle fantasie op te gaan. Van
+dokter Antekirrt maakte men alles wat men maar verlangde. Hij was alles
+geweest wat die kroniekschrijvers maar geliefden te verzinnen. Voor den
+eenen was hij een zeeschuimers-hoofdman. Voor den anderen was hij de
+koning van een uitgestrekt Afrikaansch rijk, die incognito reisde met
+het doel om te leeren. Verder beweerde men, dat het een staatkundige
+banneling was; elders weer dat het een vorst was, die door eene
+omwenteling uit zijne staten verjaagd werd en nu als wijsgeerig toerist
+de wereld rondreisde. Men ziet, er was volledige keus. Wat den titel
+van dokter betrof, waarmede hij zich tooide, daaromtrent waren de
+meeningen van hen, die den titel voor echt aannamen, ook verdeeld.
+Volgens de meening van sommigen was hij een groot geneeskundige, die
+bewonderenswaardige genezingen in de meest wanhopige gevallen verricht
+had; en volgens die van anderen was hij de koning der kwakzalvers, die
+in moeilijkheid geraken zou, wanneer men zijn diploma opvorderde.
+
+Maar in ieder geval, de geneeskundigen van Gravosa en van Ragusa konden
+geene vervolging tegen hem doen instellen wegens onwettige uitoefening
+van de geneeskunde. Dokter Antekirrt hield zich bescheiden buiten schot
+en was niet te spreken, wanneer men hem als geneesheer wilde
+raadplegen.
+
+Daarenboven, de eigenaar van de Savarena nam zijn intrek niet aan den
+wal. Hij stapte zelfs niet in een der hôtels van de stad af.
+Ternauwernood begaf hij zich gedurende de twee dagen, welke hij te
+Gravosa doorbracht, tot dicht bij Ragusa. Hij bepaalde zijne uitstappen
+tot eenige wandelingen in den omtrek, waarbij hij twee of drie malen
+Pescadospunt meenam, wiens aangeboren schranderheid hij waardeerde.
+
+Maar ging hijzelf niet naar Ragusa, dan ging Pescadospunt toch eens
+voor hem er heen. De brave jongen, wien een opdracht van vertrouwen
+gedaan was—wie weet, wellicht eene inlichting in te
+winnen!—beantwoordde de vragen, die hem bij zijn terugkeer gedaan
+werden, als volgt:
+
+„Dus die woont in de Stradonalaan?”
+
+„Ja, heer dokter. Dat wil zeggen in de fraaiste straat der stad. Hij
+bewoont een hôtel, niet ver van de plaats, waar men de reizigers het
+paleis van den ouden doge aanwijst. Het is een prachtig hôtel met een
+talrijk bediendenpersoneel, met rijtuigen enz. In één woord: hij volgt
+de levenswijze van een millionnair!”
+
+„En de andere?”
+
+„De andere of liever de anderen?” antwoordde Pescadospunt. „Die bewonen
+hetzelfde stadskwartier, maar hunne woning is moeilijk te vinden in een
+van die klimmende, smalle en slingerende stegen—ware ladders—die meer
+bescheiden woningen bevatten.”
+
+„En hunne woning?”
+
+„Hunne woning is nederig, klein, droefgeestig van uiterlijk aan de
+buitenzijde, hoewel ik mij verbeeld dat zij binnenshuis netjes gehouden
+moet zijn, heer dokter. Men gevoelt, dat zij bewoond is door arme maar
+hooghartige lieden.”
+
+„Die dame?....”
+
+„Ik heb haar niet gezien. Men zeide, dat zij bijna nimmer de
+Marinella-straat verliet.”
+
+„En haar zoon?....”
+
+„Dien heb ik gezien, heer dokter, op het oogenblik dat hij bij zijne
+moeder binnentrad.”
+
+„Hoe zag hij er uit?....”
+
+„Hij scheen afgetrokken, onrustig zelfs. Men zou zeggen, dat die
+jeugdige man reeds veel geleden heeft!.... Dat kenmerkt zich trouwens
+genoegzaam!”
+
+„Maar, ook gij Pescadospunt, hebt geleden, en dat kenmerkt zich niet.”
+
+„Lichamelijk lijden is geen zedelijk lijden, heer dokter! Daarom kon ik
+het verhelen en er zelfs om lachen.”
+
+Zooals men ziet, sprak dokter Antekirrt reeds gemeenzaam met
+Pescadospunt. Met Kaap Matifou ging dat nog niet; want inderdaad, die
+Hercules was van te indrukwekkend uiterlijk, om zich zoo gauw eenige
+gemeenzaamheid te mogen veroorloven.
+
+Toen de dokter die vragen gedaan en die antwoorden bekomen had, staakte
+hij zijne wandelingen in de omstreken van Gravosa. Hij scheen iemand te
+verwachten, wiens ontmoeting hij door zijn gaan naar Ragusa niet had
+willen uitlokken, daar de tijding van de aankomst der Savarena
+genoegzaam bekend moest zijn. Hij bleef dus aan boord en hetgeen hij
+verwachtte, gebeurde.
+
+Den 29en Mei gaf de dokter, na de kade van Gravosa met het gewapend oog
+geruimen tijd gadegeslagen te hebben, tegen elf uren in den voormiddag
+bevel om de sloepen klaar te maken; toen steeg hij er in en liet zich
+naar den havendam overbrengen, waar een man stond, die hem scheen te
+bespieden.
+
+„Dat is hij,” mompelde de dokter binnensmonds.... „Hij is het wel
+degelijk!.... Ik herken hem, al is hij nog zoo veranderd.”
+
+Die man was een grijsaard, door den ouderdom gebogen, hoewel hij
+slechts zeventig jaren telde. Zijne witte haren dekten spaarzaam het
+hoofd, dat ter aarde gebogen was. Zijn gelaat was ernstig, droefgeestig
+en ternauwernood verlevendigd door een matten blik, die dikwijls door
+tranen geheel verduisterd moet geweest zijn. Hij stond onbewegelijk op
+de kade en verloor de sloep niet uit het oog, van het oogenblik dat van
+boord was afgestoken.
+
+De dokter wilde den schijn niet geven dien grijsaard te bespeuren, nog
+minder hem te herkennen. Hij deed dus, alsof hij zijne tegenwoordigheid
+niet ontwaardde. Maar nauwelijks had hij eenige passen op den havendam
+afgelegd, toen de grijsaard op hem toetrad, nederig zijn hoed afnam en
+vroeg:
+
+„Zijt gij dokter Antekirrt?”
+
+„Ja, die ben ik,” antwoordde de dokter, die dien man aankeek, wiens
+oogleden zelfs niet trilden, toen hij den blik op hem wierp. Daarna
+vervolgde hij:
+
+„Wie zijt gij vriend, en wat wilt gij van mij?”
+
+„Ik heet Borik en ik ben in dienst van mevrouw Bathory. Ik kom u uit
+haar naam eene samenkomst verzoeken....”
+
+„Mevrouw Bathory?” herhaalde de dokter vragend. „Is dat de weduwe van
+dien Hongaar, die zijne vaderlandsliefde met zijn leven betaalde?”
+
+„Dezelfde,” antwoordde de grijsaard. „En hoewel gij haar nimmer zaagt,
+is het toch onmogelijk, dat gij haar niet kent, juist omdat gij dokter
+Antekirrt zijt.”
+
+Deze hoorde den ouden dienaar, wiens oogen steeds neergeslagen bleven,
+aandachtig aan. Hij vroeg zich af of onder deze woorden niet eene
+nevengedachte verscholen was. Daarop hernam hij:
+
+„Wat kan mevrouw Bathory van mij willen?”
+
+„Om redenen, die gij wel begrijpen zult, wenschte zij een onderhoud met
+u, heer dokter.”
+
+„Ik zal haar een bezoek brengen.”
+
+„Zij wenschte liever bij u aan boord te komen.”
+
+„Waarom?”
+
+„Het is noodzakelijk, dat haar onderhoud met u geheim blijft.”
+
+„Geheim?.... Voor wien?”
+
+„Voor haren zoon! Mijnheer Piet mag niet weten, dat mevrouw Bathory u
+bezocht heeft.”
+
+Dit antwoord scheen den dokter te verrassen; hij liet er evenwel niets
+van aan Borik blijken.
+
+„Ik geef de voorkeur aan een bezoek ten huize van mevrouw Bathory,”
+hernam hij. „Zou dat niet kunnen geschieden bij afwezigheid van haren
+zoon?”
+
+„Dat kan, heer dokter, wanneer gij morgen wilt komen. Piet Bathory moet
+heden avond naar Zara afreizen en zal niet binnen vier en twintig uur
+terug zijn.”
+
+„Wat voert Piet Bathory uit?”
+
+„Hij is tot ingenieur gepromoveerd; maar tot heden heeft hij nog geene
+plaatsing kunnen vinden. O, het leven is zoo moeitevol voor hem en voor
+zijne moeder!”
+
+„Moeitevol!....” viel dokter Antekirrt in. „Bezit mevrouw Bathory dan
+geen middelen?”....
+
+Hij hield op. De grijsaard had het hoofd gebogen, terwijl zijn borst
+bewoog onder de snikken, die hij niet kon bedwingen.
+
+„Heer dokter,” zei hij eindelijk, „ik kan en mag u niets meer zeggen.
+In het onderhoud, dat mevrouw Bathory van u verzoekt, zal zij u alles
+mededeelen, wat gij recht hebt te weten.”
+
+De dokter moest wel meester over zijn gemoed zijn, om zijne aandoening
+te kunnen bedwingen.
+
+„Waar woont mevrouw Bathory?” vroeg hij.
+
+„Te Ragusa, in het Stradona-kwartier, op nummer 17 van de
+Marinella-straat.”
+
+„Zal ik mevrouw Bathory morgen in den namiddag tusschen een en twee uur
+kunnen ontmoeten?”
+
+„Voorzeker, heer dokter, en ik zal het zijn, die u zal aandienen.”
+
+„Zeg dan aan mevrouw Bathory, dat zij op mijne nauwgezetheid kan
+rekenen.”
+
+„Ik dank u in haren naam.”
+
+En na eenige aarzeling:
+
+„Gij zoudt kunnen meenen, dat het een dienst betreft, die mevrouw u
+vragen wil....”
+
+„En wanneer dat zoo was?” vroeg de dokter levendig.
+
+„Toch is het niet zoo,” antwoordde Borik.
+
+En na nederig gebogen te hebben, ging hij den weg op, die van Gravosa
+naar Ragusa voert.
+
+Klaarblijkelijk hadden de laatste woorden van den ouden dienaar dokter
+Antekirrt eenigermate verwonderd. Hij bleef onbeweeglijk op de kade
+staan en tuurde Borik na. Toen hij aan boord teruggekomen was, schonk
+hij aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou verlof om aan den wal te gaan.
+Daarna sloot hij zich in zijne kamer op. Hij wilde er de laatste uren
+van dien dag geheel alleen doorbrengen.
+
+Pescadospunt en Kaap Matifou maakten zich dus als echte renteniers, die
+zij ook waren, dat verlof ten nutte. Zij veroorloofden zich zelfs het
+genoegen, op het kermisterrein eenige kramen binnen te treden. Wanneer
+wij beweren zouden, dat de lenige clown geen aanvechtingen gevoelde om
+den een of anderen onhandigen kunstenmaker terecht te zetten; dat de
+machtige voorvechter de zucht niet voelde opkomen om aan die
+athleetworstelingen deel te nemen, dan zouden wij der waarheid te kort
+doen. Maar beiden herinnerden zich ter rechter tijd, dat zij de eer
+hadden tot de bemanning van de Savarena te behooren. Zij vergaten hun
+rol van toeschouwers niet en waren niet karig met hunne toejuichingen,
+wanneer die verdiend waren.
+
+Den volgenden ochtend liet de dokter zich even vóór het middaguur aan
+wal zetten. Na zijne sloep naar boord teruggezonden te hebben, ging hij
+den weg op, die het verbindingsmiddel daarstelt tusschen de haven van
+Gravosa en de stad Ragusa. Dat is eene fraaie laan, die kornisvormig
+aangelegd, met twee rijen villa’s omzoomd en over eene lengte van twee
+kilometers heerlijk beschaduwd was.
+
+Die laan was nog niet levendig, zooals zij het weinige uren later zou
+zijn, door het heen en weer rijden der equipages, door de menigte
+wandelaars, zoowel te paard als te voet.
+
+De dokter volgde, terwijl hij aan die samenkomst met mevrouw Bathory
+dacht, eene nevenlaan en was weldra bij Borgo Pillo, een soort steenen
+uitwas, die zich buiten de drievoudige omwalling der versterkingen van
+Ragusa uitstrekt. De poort was open en verleende dwars door dien
+drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad.
+
+De Stradona is eene prachtige flink bestrate hartader der stad, die
+zich van Borgo Pillo af tot de voorstad Plocca uitstrekt en de geheele
+stad doorsnijdt. Zij ontwikkelt zich aan den voet van een heuvel, die
+met een geheel gevaarte van huizen, amphitheatersgewijze gebouwd,
+overdekt is. Aan het einde verheft zich het paleis der oude doges, een
+fraai monument uit de XVde eeuw, met eene ruime binnenplaats, met een
+portiek in renaissance-stijl, met boogvensters, welker slanke zuiltjes
+aan het beste tijdperk herinneren van Toskaansche bouwkunst.
+
+De dokter behoefde niet tot bij dat paleis voort te gaan. De
+Marinella-straat, die Borik hem daags te voren opgegeven had, komt
+zoowat op de helft van de Stradonalaan uit. Hij vertraagde evenwel zijn
+gang een weinig op het oogenblik, dat hij een vluchtigen blik op eene
+groote woning wierp, die in graniet opgetrokken was en welker rijke
+voorgevel met de daaraan rechthoekig aansluitende bijgebouwen zich
+statig verhief. De poort van de binnenplaats stond open en liet een
+uiterst fraai eigen rijtuig ontwaren met een paar prachtige paarden
+bespannen. De koetsier zat deftig op den bok en de lakkei wachtte voor
+het perron, dat door eene bevallige veranda overkapt was.
+
+Juist in dit oogenblik steeg een man in dat rijtuig. De paarden vlogen
+de plaats over en de poort door, waarna de deuren dichtsloegen.
+
+Die persoon was dezelfde, die drie dagen te voren dokter Antekirrt op
+de kade van Gravosa aangesproken had. Het was de vroegere bankier Silas
+Toronthal.
+
+De dokter, eene ontmoeting wenschende te vermijden, was ijlings
+achteruitgetreden en schreed eerst voort, toen het vlugge rijtuig bij
+het uiteinde der Stradonalaan uit het oog verdwenen was.
+
+„Beiden in dezelfde stad!” mompelde hij. „O, dat is zuiver het toeval!
+Daaraan heb ik geen part of deel.”
+
+De stegen, ter linkerzijde op de Stradonalaan uitkomende, die hij door
+te gaan had, waren smal, stil en slecht bestraat.
+
+Dat de lezer zich een breeden stroom verbeelde, die aan eenen kant
+slechts bergstroomen als schatplichtige rivieren zou hebben. Om een
+weinig lucht te kunnen bemachtigen, kruipen de huizen als het ware
+rakelings de eene op de anderen. Zij kijken inderdaad elkaar in de
+oogen, als men zoo mag spreken van de vensters en tochtgaten, die in
+hunne voorgevels aangebracht zijn. Zij stijgen zoo op den nok van een
+der twee heuvelen, welker toppen door de forten van Mincetto en San
+Lorenzo bekroond zijn. Onmogelijk zou er een rijtuig kunnen doorkomen.
+Al ontbreekt, behalve bij gelegenheid van zware regens, de bergstroom,
+zoo moet zoo’n steeg toch een ravijn genoemd worden, en alle die
+hellingen en al die terrassen heeft men moeten stutten met keerdammen
+en bokken, en moet men door middel van trappen bestijgen. Een scherp
+contrast bestaat tusschen die minder dan bescheiden woningen en de
+prachtige huizen en paleizen op de Stradonalaan.
+
+De dokter bereikte den ingang van de Marinella-steeg en begon de
+oneindige trap, die tot straat dient, te bestijgen. Zoo moest hij meer
+dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken.
+
+Daar werd dadelijk eene deur geopend. De oude Borik wachtte den dokter.
+Hij geleidde hem naar binnen zonder een woord te spreken en bracht hem
+in een vertrek, dat uiterst zindelijk maar armoedig gemeubeld was.
+
+De dokter nam plaats. Niets kon de meening doen ontstaan, dat hij
+eenige aandoening in dat huis ondervond—zelfs niet toen mevrouw Bathory
+binnentrad en tot hem zeide:
+
+„Heer dokter Antekirrt.”
+
+„Die ben ik, mevrouw,” antwoordde de dokter, terwijl hij opstond.
+
+„Ik had u de moeite willen sparen,” hernam mevrouw Bathory, „om zoover
+te komen en zoo hoog te stijgen!”
+
+„Ik stond er op om u een bezoek te brengen, mevrouw; en ik bid u mij
+als geheel ter uwer beschikking te beschouwen.”
+
+„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „gisteren eerst vernam ik uwe
+aankomst te Gravosa en ik heb dadelijk Borik gezonden, ten einde u tot
+een onderhoud uit te noodigen.”
+
+„Mevrouw, ik stel mij ter uwer beschikking.”
+
+„Ik zal heengaan,” zei de grijsaard.
+
+„Neen, Borik, blijf!” antwoordde mevrouw Bathory. „Gij zijt de eenige
+vriend der familie. Gij weet alles, wat ik dokter Antekirrt te zeggen
+heb.”
+
+Mevrouw Bathory ging zitten, de dokter nam vlak voor haar plaats,
+terwijl Borik bij het venster staan bleef.
+
+De weduwe van professor Stephanus Bathory was toen zestig jaren oud.
+Maar richtte zich ook al hare gestalte, in weerwil van den last der
+jaren, recht op, zoo verraadde toch haar sneeuwwit hoofd, haar met
+rimpels gegroeid gelaat genoegzaam den strijd, dien zij tegen het
+verdriet en tegen de ellende gevoerd had. Maar men gevoelde het, zij
+was nog even geestkrachtvol als vroeger. O, in haar school nog immer de
+moedige levensgezellin, de innige vertrouwelinge van dien man, die
+alles opgeofferd had aan hetgeen hij zijnen plicht meende te zijn; in
+haar school nog immer zijn medeplichtige, toen hij tot de samenzwering
+met Mathias Sandorf en Ladislas Zathmar toetrad.
+
+„Mijnheer,” zeide zij met eene stem, waarvan zij de aandoening te
+vergeefs zou hebben pogen te bemantelen, „daar gij dokter Antekirrt
+zijt, ben ik u veel verplicht, en ben ik u het verhaal verschuldigd van
+hetgeen vijftien jaren geleden te Triëst voorgevallen is....”
+
+„Mevrouw, juist omdat ik dokter Antekirrt ben, verzoek ik u, om u en
+mij een verhaal te besparen, dat voor u te treurig moet zijn! Dat
+verhaal ken ik en ik voeg er bij—juist alweer omdat ik dokter Antekirrt
+ben—dat ik uw geheel bestaan ken sedert dien onvergeetbaren datum van
+den 30en Juni 1867.”
+
+„Mag ik u dan vragen, mijnheer,” hernam mevrouw Bathory, „aan welke
+motieven gij de belangstelling ontleent, die gij in mijn levensloop
+gesteld hebt?”
+
+„Die belangstelling, mevrouw, is die, welke ieder gevoelig en
+rechtschapen mensch verschuldigd is aan de weduwe van den
+vaderlandslievenden Magyaar, die niet geaarzeld heeft alles voor de
+onafhankelijkheid van zijn vaderland ten offer te brengen!”
+
+„Hebt gij professor Stephanus Bathory gekend?” vroeg de weduwe met
+ietwat bevende stem.
+
+„Ja, mevrouw, ik heb hem gekend en ik vereer allen welke dien naam
+dragen!”
+
+„Behoort gij ook tot dat vaderland, waarvoor hij zijn bloed gestort
+heeft?”
+
+„Ik, ik heb geen vaderland, mevrouw!”
+
+„Maar wie zijt gij dan?”
+
+„Een overledene, die nog geen graf heeft kunnen vinden!” antwoordde
+dokter Antekirrt koel.
+
+Mevrouw Bathory en Borik ijsden bij dat zoo onverwachte antwoord; maar
+de dokter haastte zich te vervolgen:
+
+„Evenwel, mevrouw, dat verhaal, hetwelk ik u verzocht niet uit te
+spreken, moet ik leveren, want al weet gij ook sommige bijzonderheden,
+zoo zijn er toch anderen, die u onbekend zijn, en die onkunde mag niet
+langer blijven bestaan.”
+
+„Ik luister, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory.
+
+„Mevrouw,” hernam de dokter, „het is nu vijftien jaren geleden, dat
+drie edele harten, zich aan het hoofd stelden van eene samenzwering,
+die tot doel had aan Hongarije zijne onafhankelijkheid weer te geven.
+Dat waren graaf Mathias Sandorf, professor Stephanus Bathory en graaf
+Ladislas Zathmar, drie vrienden, die sedert lang dezelfde hoop
+koesterden, drie verschillende wezens met slechts één hart.
+
+„Den 8en Juni 1867, daags vóórdat het sein zou gegeven worden voor den
+opstand, die zich over geheel Hongarije en tot in Transsylvanië zou
+uitstrekken, werd het huis van graaf Zathmar te Triëst, waarin de
+hoofden der samenzwering vergaderd waren, door de Oostenrijksche
+politie overvallen. Graaf Sandorf werd met zijne beide makkers gevat en
+dienzelfden nacht nog in den vestingtoren van Pisino gekerkerd. Weinige
+weken later waren zij ter dood veroordeeld.
+
+„Een jeugdig boekhouder, Sarcany genaamd, die terzelfder tijd in het
+huis van graaf Zathmar gevangen genomen werd, maar geheel vreemd aan de
+samenzwering was, werd weldra buiten alle vervolging en na de
+beëindiging der zaak, op vrije voeten gesteld.
+
+„Daags vóórdat het vonnis zou voltrokken worden, poogden de gevangenen,
+die in dezelfde cel opgesloten waren, te ontsnappen. Graaf Sandorf en
+Stephanus Bathory slaagden er in, langs de staven van een
+bliksemafleider uit den vestingtoren van Pisino te ontvluchten en
+vielen in den Foïba-bergstroom, op hetzelfde oogenblik dat Ladislas
+Zathmar, door den gevangenbewaarder gegrepen, in de onmogelijkheid
+gesteld werd om zijne makkers te volgen.
+
+„Hoewel er weinig kansen bestonden, dat de vluchtelingen aan den dood
+ontsnappen zouden, daar een onderaardsche stroom hen medesleepte, te
+midden van eene landstreek, die hen geheel onbekend was, zoo slaagden
+zij er toch in, den oever van het kanaal van Léma en daarna de stad
+Rovigno te bereiken, waar zij eene toevlucht vonden in het huis van den
+visscher Andreas Ferrato.
+
+„Die visscher—een braaf en eerlijk hart—had alles klaargemaakt om hen
+aan de overzijde van de Adriatische zee te brengen, toen een Spanjaard,
+Carpena genaamd, die de schuilplaats der vluchtelingen ontdekt had, uit
+persoonlijke wraakzucht de arme ellendigen bij de politie van Rovigno
+aangaf. Andermaal poogden zij te ontsnappen; maar Stephanus Bathory
+viel in handen der agenten. Wat Mathias Sandorf betreft, hij werd tot
+aan den zeeoever vervolgd en viel onder een kogelregen. De Adriatische
+zee heeft zijn lijk niet weergegeven.
+
+„Twee dagen later werden Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar in de
+citadel van Pisino doodgeschoten. De visscher Andreas Ferrato werd, ter
+zake van huisvesting aan de vluchtelingen verleend te hebben, tot
+levenslange galeistraf veroordeeld en naar het bagno van Stein
+gezonden.”
+
+Mevrouw Bathory zat daar met diepgebogen hoofd. Zij had het verhaal van
+den dokter met een beklemd hart, maar zonder hem een enkele maal in de
+rede te vallen, aangehoord.
+
+„Hadt gij die bijzonderheden vernomen, mevrouw?” vroeg hij.
+
+„Ja, mijnheer, door de dagbladen, zooals gij ze waarschijnlijk ook
+vernomen hebt.”
+
+„Ja, mevrouw, door de dagbladen,” antwoordde de dokter, „maar wat de
+dagbladen niet konden mededeelen, daar de instructie dier zaak in het
+grootste geheim geschiedde, heb ik, dank zij de babbelzucht van een
+gevangenbewaarder van de citadel, vernomen en dat zal ik u mededeelen.”
+
+„Spreek, mijnheer,” zei mevrouw Bathory.
+
+„Dat graaf Sandorf en Bathory ontdekt en gevat werden in de woning van
+den visscher Ferrato, werd veroorzaakt door het verraad van den
+Spanjaard Carpena. Maar dat zij drie weken te voren te Triëst in de
+woning van graaf Zathmar gevat werden, was het werk van verraders, die
+hen aan de agenten der Oostenrijksche politie verklikt hadden.”
+
+„Verraders!” mompelde mevrouw Bathory.
+
+„Ja, mevrouw, en het bewijs van het verraad bleek uit de debatten van
+het proces. Eerst hadden die snoodaards een briefje in geheimschrift,
+aan den hals eener postduif gebonden, ontdekt, dat aan graaf Sandorf
+gezonden was en waarvan zij een afschrift namen. Een andere maal
+slaagden zij er in, in het huis van graaf Zathmar zelve een afdruk van
+den rooster te verkrijgen, die diende om dat geheimschrift te
+ontraadselen. Daarna, toen zij kennis van den inhoud van het briefje
+genomen hadden, hebben zij het geheim aan den gouverneur van Triëst
+bekend gemaakt. Ongetwijfeld zou een gedeelte der verbeurdverklaarde
+goederen van graaf Sandorf dienen om hun verraad te beloonen.”
+
+„En kent men die ellendelingen?” vroeg mevrouw Bathory, wier stem van
+aandoening beefde.
+
+„Neen, mevrouw,” antwoordde de dokter; „maar wellicht kenden hen de
+drie veroordeelden, en zouden zij hunne namen bekend gemaakt hebben,
+wanneer zij hun gezin voor de laatste maal alvorens te sterven hadden
+kunnen weerzien.”
+
+Inderdaad, noch mevrouw Bathory, die toen met haren zoon afwezig was,
+noch Borik, die in de gevangenis van Triëst opgesloten zat, hadden de
+veroordeelden in hunne laatste oogenblikken kunnen bijstaan.
+
+„Zal men nooit de namen van die ellendelingen te weten komen?” vroeg
+mevrouw Bathory.
+
+„Mevrouw,” antwoordde dokter Antekirrt, „de verraders eindigen steeds
+met zichzelven te verraden! Ziehier wat ik ten slotte nog bij dat
+verhaal te voegen heb: Gij bleeft als weduwe met een kindje van acht
+jaren nagenoeg zonder middelen achter. Borik, de bediende van graaf
+Zathmar, wilde u na den dood van zijn meester niet verlaten; maar hij
+was arm en bezat niets anders dan zijne toewijding.
+
+„Toen, mevrouw, hebt gij Triëst verlaten, om deze nederige woning te
+Ragusa te betrekken. Gij hebt handenarbeid verricht om zoowel in de
+behoeften van het materieele als van het zieleleven te voorzien. Gij
+verlangdet toch dat uw zoon het pad der wetenschap, dat zoo roemrijk
+door zijn vader betreden was, zoude volgen. Maar, welken strijd hebt
+gij daarbij te voeren gehad! Welke ellende moest daarbij moedig het
+hoofd geboden worden! O, ik buig met eerbied het hoofd voor de
+edelaardige vrouw, die zooveel geestkracht getoond heeft, voor de
+moeder, door wiens zorgen haar zoon een man geworden is!”
+
+Terwijl de dokter die woorden sprak, was hij van zijn stoel opgestaan
+en werd zijne ontroering, in weerwil van zijne gewone koelheid,
+duidelijk merkbaar.
+
+Mevrouw Bathory antwoordde niet. Zij wachtte in het onzekere of de
+dokter zijn verhaal geëindigd had of het zou voortzetten. Het kon toch
+zijn, dat hij feiten, die hem persoonlijk betroffen, wilde mededeelen
+en dat dit de beweegreden was, waarom hij een onderhoud verlangd had.
+
+„Intusschen, mevrouw,” hernam de dokter, die hare gedachten raadde,
+„hebben de menschelijke krachten hare grenzen, en, hoewel ziek en
+uitgeput door zooveel beproevingen, zoudt gij bij uwe taak bezweken
+zijn, wanneer een onbekende, neen, een vriend van professor Bathory, u
+niet ter hulp gesneld ware. Nimmer zou ik u daarover gesproken hebben,
+wanneer uw oude dienaar mij uwen wensch niet had geopenbaard om mij te
+willen ontmoeten.”
+
+„Inderdaad, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „ben ik dan dokter
+Antekirrt niet veel dank schuldig?”
+
+„Waarom, mevrouw? Omdat dokter Antekirrt vijf of zes jaren geleden, bij
+de herinnering aan de vriendschap, die hem aan graaf Sandorf en aan
+zijne beide makkers verbond, en, om u bij uwe taak behulpzaam te zijn,
+u eene som van honderd duizend gulden heeft doen toekomen? Gevoelde hij
+zich niet zeer gelukkig, dat geld ter uwer beschikking te kunnen
+stellen?
+
+„Neen, mevrouw, ik ben het integendeel, die u dank schuldig ben, omdat
+gij dat geld wel hebt willen aannemen, omdat gij mij veroorloofd hebt
+de weduwe en den zoon van Stephanus Bathory ter hulp te komen.”
+
+De weduwe had het hoofd gebogen en antwoordde:
+
+„Hoe het ook zij, mijnheer, ik voelde behoefte om u mijne dankbaarheid
+te betuigen. Dat was de eerste beweegreden van dat bezoek, hetwelk ik u
+brengen wilde. Maar er was eene tweede....”
+
+„En die is, mevrouw?”
+
+„Ik wilde.... u die som teruggeven....”
+
+„Hoe mevrouw?” zei de dokter, „gij hebt die som niet willen aannemen?”
+
+„Mijnheer, ik meende het recht niet te hebben over die som te
+beschikken. Ik kende dokter Antekirrt niet. Ik had nimmer zijn naam
+hooren noemen. Die som kon een soort aalmoes zijn, komende van hen, die
+mijn man bestreden hadden en wier erbarmen mij hatelijk toescheen! Ik
+heb die som dus niet gebezigd, zelfs voor het doel niet, waarvoor
+dokter Antekirrt haar bestemd had.”
+
+„Dus.... dat geld....?”
+
+„Is onaangeroerd.”
+
+„En uw zoon?”
+
+„Zal aan niemand anders verplichting hebben dan aan zichzelven....”
+
+„En aan zijne moeder!” vulde de dokter aan, die door zooveel grootheid
+van ziel, door zooveel karakter, zooveel geestkracht niet anders dan
+tot bewondering gestemd kon worden en dan ook vol eerbied voor de
+waardige vrouw stond.
+
+Ook mevrouw Bathory was opgestaan en op een kistje toegetreden, dat
+gesloten was. Zij nam er een bundel bankbiljetten uit, die zij den
+dokter overreikte.
+
+„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u, en
+ontvang den dank eener moeder, die verplichting aan u heeft, alsof zij
+er gebruik van gemaakt had, om haar zoon op te voeden!”
+
+„Dat geld behoort mij niet meer toe, mevrouw!” antwoordde dokter
+Antekirrt, terwijl hij de bankbiljetten met een gebaar afwees.
+
+„Ik herhaal, dat het mij nimmer had moeten toebehooren!”
+
+„Maar als Piet Bathory het zou willen gebruiken....”
+
+„Mijn zoon zal eindigen met de betrekking te vinden, die hij waardig
+zal zijn. Ik zal dan op hem kunnen rekenen, zooals hij op mij heeft
+kunnen vertrouwen!”
+
+„Hij zal niet weigeren, hetgeen een vriend van zijn vader aandringt dat
+hij zal aannemen!
+
+„Jawel, hij zal weigeren!”
+
+„Laat mij dan ten minste beproeven, mevrouw....”
+
+„Ik bid u die proef niet te nemen, heer dokter,” antwoordde mevrouw
+Bathory, „mijn zoon weet zelfs niet dat ik dat geld ontvangen heb, en
+ik verlang, dat hij daaromtrent steeds onkundig blijve!”
+
+„Het zij zoo, mevrouw!.... Ik begrijp de gevoelens, die u zoo doen
+handelen, daar ik slechts een onbekende voor u was en ben!.... Ja, ik
+begrijp en bewonder ze!.... Maar ik herhaal het, als dat geld uw
+eigendom niet is, dan is het het mijne ook niet!”
+
+Dokter Antekirrt was op het punt om heen te gaan. De weigering van
+mevrouw Bathory kon hem niet kwetsen. Hare kieschheid wekte slechts een
+gevoel van diepen eerbied bij hem op. Hij groette de weduwe en wilde
+heengaan, toen eene laatste vraag hem weerhield.
+
+„Mijnheer,” zei mevrouw Bathory, „gij hebt gesproken over onwaardige
+handelingen, die den dood van Ladislas Zathmar, van Stephanus Bathory
+en van den graaf Sandorf veroorzaakt hebben?”
+
+„Ik heb verhaald, wat er gebeurd is, mevrouw.”
+
+„Maar kent niemand die onmenschen?”
+
+„Ja, mevrouw!”
+
+„Wie dan?”
+
+„God!”
+
+Na dat woord boog dokter Antekirrt voor den laatsten keer voor de
+weduwe en verliet hare woning.
+
+Mevrouw Bathory bleef in gedachten verzonken. Zij voelde zich door eene
+geheime sympathie, waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven tot
+dien geheimzinnigen persoon, die zoo ingewijd was in de meest verborgen
+gebeurtenissen van haar leven, aangetrokken. Zou zij hem ooit
+terugzien? En wanneer hij met de Savarena te Ragusa aangekomen was
+alleen met het doel om haar dat bezoek te brengen, zou hij dan niet
+zeewaarts gaan om niet meer terug te keeren?
+
+Den volgenden morgen deelden de dagbladen mede, dat een onbekende eene
+gift van honderd duizend gulden aan de gasthuizen van de stad vermaakt
+had.
+
+Dat was de gift van dokter Antekirrt. Maar was het ook niet de aalmoes
+der weduwe, die zij zoowel voor haar als voor haren zoon van de hand
+gewezen had?
+
+
+ EINDE VAN DOKTER ANTEKIRRT.
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ EENE VERIJDELDE SAMENZWERING.
+
+ BLADZ.
+ I. De reisduif 1
+ II. Graaf Mathias Sandorf 22
+ III. Het bankiershuis Toronthal 36
+ IV. Het geheimschrift 55
+ V. Voor, gedurende en na de terechtzitting 73
+ VI. De vestingtoren van Pisino 91
+ VII. De bergstroom van Foïba 104
+ VIII. De hut van den visscher Ferrato 127
+ IX. Laatste pogingen in een laatsten strijd 148
+
+
+ DOKTER ANTEKIRRT.
+
+ I. Pescadospunt en Kaap Matifou 159
+ II. Het te water laten van de Trabucolo 171
+ III. Dokter Antekirrt 187
+ IV. De weduwe van Stephanus Bathory 204
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76280 ***