diff options
Diffstat (limited to '75649-0.txt')
| -rw-r--r-- | 75649-0.txt | 2969 |
1 files changed, 2969 insertions, 0 deletions
diff --git a/75649-0.txt b/75649-0.txt new file mode 100644 index 0000000..1a5e0b5 --- /dev/null +++ b/75649-0.txt @@ -0,0 +1,2969 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75649 *** + + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 319 HET KOMPLOT TEGEN JUDENITSCH. + + + + + + + + +HET COMPLOT TEGEN JUDENITSCH. + + +HOOFDSTUK I. + +IN HET KAMP DER WITTEN. + + +Het was op een vinnig kouden Decemberdag, toen een met twee krachtige +paarden bespannen slede snel voortgleed over de met sneeuw bedekte +vlakte die zich als een eindeloos tapijt zonder eenige afwisseling, ten +noordoosten van het Onega-Meer uitstrekt. + +In deze slede zaten drie personen. + +De man die de paarden bestuurde was iemand van reusachtigen +lichaamsbouw en hij had in het geheel geen Russisch type; men herkende +in hem den vreemdeling, zelfs al was er van zijn gelaat niet veel meer +te bespeuren dan de neus en de oogen, daar de rest verborgen was onder +een grooten bontmuts met kleppen. + +De twee andere personen zaten achter in de slede, en ook zij waren +dicht in hun pelsen gewikkeld, zoodat er weinig van hun gelaat te +bespeuren viel. + +Deze beide mannen waren John Raffles, de gentleman-inbreker, en zijn +trouwe vriend Charly Brand en de reus, die de paarden bestuurde, was +James Henderson, die in zijn dagelijksch leven chauffeur was van den +grooten Onbekende, wanneer deze onder den naam van Lord William +Aberdeen, in zijn fraai huis te Londen woonde. + +Door een zonderlingen samenloop van omstandigheden bevonden de drie +mannen zich thans tusschen twee strijdende partijen in dit +onherbergzame gebied van Rusland, tusschen de witten en de rooden, die +hier pas kort geleden een verbitterd gevecht hadden geleverd, waarbij +de Rooden de overhand hadden behouden. + +John Raffles was natuurlijk onder een anderen naam en wel als graaf +Finsburry, omtrent een week geleden een zijner Russische vrienden gaan +bezoeken: Iwan Dobrinsky, die tot de roode partij behoorde, zooals +Raffles tot zijne niet geringe verbazing bemerkt had. + +Hij kwam met Charly Brand op diens landgoed om er te jagen, maar +instede daarvan geschiedde er heel iets anders! + +Dicht in de nabijheid werd hevig gestreden, en Dobrinsky nam als +kapitein aan dat gevecht deel, terwijl Raffles en zijn reisgezel zich +aanboden als geneesheer en Roode-Kruissoldaten, teneinde de gewonden te +verplegen, waarbij zij er volstrekt niet op letten of deze ongelukkigen +Bolsjewiki dan wel Monarchisten waren. + +Maar Raffles had nog een doel, hij wilde onderzoek doen naar de +verblijfplaats van een jong meisje, de verloofde van Dobrinsky, die in +handen van een majoor van het Witte Leger was gevallen! + +En het had hem mogen gelukken, met behulp van den trouwen Henderson, +tot in de vijandelijke linie door te dringen en daar het jonge meisje +te bevrijden uit het huis, waar deze eerlooze schurk, Michael Popowitch +geheeten, haar had opgesloten. + +Met een buitgemaakte vliegmachine hadden zij naar het legerkamp der +Rooden kunnen terugkeeren en dadelijk was Ilja Sicorsky, zoo was de +naam van het ontvoerde meisje, naar haar verloofde toegesneld, die bij +de jongste gevechten opnieuw gewond was, hoewel gelukkig niet zwaar. + +Dit alles had zich toegedragen in het kleine stadje Koloderskei, eenige +wersten ten oosten van de Wodla gelegen, en waarom hevig gestreden was. + +In dit stadje werd Dobrinsky verpleegd, en nu zijne genezing slechts +een kwestie van tijd was en hij zijn aanstaande vrouw hervonden had, +was er voor Raffles geen reden meer, om hier te blijven vertoeven, daar +zijn toestand wel eens zeer onaangenaam kon worden. + +Hij had daarom hartelijk afscheid genomen van Ilja en van zijn vriend +Dobrinsky, en zich met Charly en Henderson op weg begeven om naar +Petrograd terug te keeren, waar zij weder den trein hoopten te nemen, +die hen door Westelijk Rusland, Polen en Duitschland weder huiswaarts +zou voeren. + +Maar er hadden zich in die acht dagen gebeurtenissen voorgedaan waarvan +Raffles onkundig was gebleven en die zijne plannen zeer ongunstig +zouden beïnvloeden. + +Want in die enkele week had het leger van Generaal Judenitsch snelle en +aanzienlijke vorderingen gemaakt en bedreigde nu Petrograd van twee +zijden: uit het zuiden en uit het zuid-oosten. + +Tegelijkertijd maakte de rechterflank van zijn leger, dat uit +verscheidene Divisies bestond eene zeer groote omtrekkende beweging, +klaarblijkelijk met het doel om aansluiting te krijgen bij eene andere +afdeeling der Witten, die ten Oosten van het Onega-meer streed. + +Indien deze beweging slaagde, zouden de Rooden daar ter plaatse als in +een nijptang gevangen zijn, en de insluiting van Petrograd zou slechts +een kwestie van tijd zijn. + +De Bolsjewiki zouden zich daar spoedig moeten overgeven daar men de +stad geheel zou kunnen isoleeren en den levensmiddelen-toevoer zou +kunnen afsnijden. + +Van dit alles wist Raffles echter nog niets, toen hij met zijn twee +reisgezellen Koloderskei verliet, om de lange reis naar Petrograd te +beginnen. + +Het vroor sedert eenige weken fel, en het Onega-meer was met een dikke +ijskorst overdekt, zoodat men den weg aanzienlijk zou kunnen bekorten +en tot ongeveer vijfhonderd wersten beperken, dat is ongeveer evenveel +kilometers beperken door dit meer dwars over te steken. + +Als ze op geregelde tijden bij de posthuizen van paarden verwisselden +zou men per dag wel honderd wersten kunnen afleggen, en als het moest +zou men nog sneller kunnen rijden. + +Treinen waren er in deze streken niet, en men was des winters +uitsluitend op de slede als vervoermiddel aangewezen. + +Raffles en Charly hadden aldus reeds twee dagen gereisd, voorzien van +eene groote hoeveelheid levensmiddelen, gepekeld Berenvleesch, groenten +in blik en brood, hetwelk zij aan de posthuizen nu en dan aanvulden, en +er had zich nog niets bijzonders voorgedaan, ja, als zij niet pas kort +geleden zelven aan den strijd hadden deelgenomen, dan zouden zij +meenen, dat hier in Rusland alles rust en vrede was, en dat hier geen +afschuwelijke broederstrijd werd gevoerd. + +Zij waren de kleine stad Wytegra reeds gepasseerd, welke gelegen is aan +den Zuid-Oostelijken punt van het Onega-meer, en reden nu door de +vlakte, welke dat meer scheidt van den lagen bergketen in het Oosten, +welke op zijn beurt het moeras begrenst, hetwelk zich vele tientallen +wersten ver in Oostelijke richting uitstrekt, maar dat ook thans +overdekt was met een korst ijs, sterk genoeg, om er de zwaarste +artillerie zonder gevaar over te kunnen vervoeren. + +Slechts zeer zelden waren zij eene kleine afdeeling Rooden +tegengekomen, die op patrouille waren, en die hen allen ongehinderd +lieten passeeren, zoodra zij hunne door den opperbevelhebber van het +Roode leger geteekende passen lieten zien. + +Maar nu waren zij reeds uren en uren door de barre sneeuwwoestenij +getrokken zonder eenig levend wezen te ontmoeten, uitgezonderd een paar +vluchtende raven, die als zwarte stippen hoog aan den hemel verschenen, +die vaag blauw was, als verlepte zijde, en dan snel nederkwamen, om +eenige keeren boven hun hoofden te cirkelen, om tenslotte weder te +verdwijnen. + +Het was omstreeks drie uur in den middag, toen Charly de hand ophief en +naar iets zwarts in de verte wees, dat vrij duidelijk afstak tegen de +verblindende witte sneeuw. + +Dat zwarte scheen naderbij te komen en grooter te worden. + +—Wat zou dat zijn? vroeg de jonge man. Toch geen Rooden? + +—Dat komt mij onwaarschijnlijk voor. Ik kan niet aannemen, dat de +Rooden zich zoover zuidwaarts zouden wagen, al hebben zij eergisteren +groote vorderingen in Oostelijke richting gemaakt. + +—Zie—de zwarte vlek beweegt zich nu snel, en komt onze richting uit. +Raffles had zijn kijker te voorschijn gehaald, veegde de beslagen +lenzen schoon en bracht het instrument aan zijn oog. + +Hij tuurde even scherp en liet toen den kijker weder zakken. + +Zijn gelaat stond ernstig. + +—Wat is het? vroeg Charly nieuwsgierig. + +—Een kleine troepenafdeeling—en ditmaal niet van de Rooden, maar van de +andere partij! gaf Raffles ten antwoord. + +—Zouden zij ons gezien hebben? ging de jonge man voort. + +—Ongetwijfeld, want zij komen recht op ons aan, binnen tien minuten +kunnen zij hier zijn. + +—Kan eene ontmoeting met de Witten ons niet gevaarlijk worden? + +—Ik wil het niet verzwijgen, dat ik hen veel liever vermeden had! zeide +Raffles hoofdschuddend. Wij komen van den kant der tegenpartij, en onze +passen zijn geteekend door de Rooden. En de verbittering tegen de +Bolsjewiki is fel, dat weet je! + +—Zouden wij hen nog kunnen ontwijken? + +—Daartoe is het te laat—en bovendien: waar zouden wij dan heen moeten? +Wij kunnen niet terugkeeren, want om naar Engeland te reizen, moeten +wij over Petrograd gaan. De reis naar Archangel waar onze landgenooten +nog zeer geringe marinetroepen hebben staan, zou in dit jaargetijde +zeer gevaarlijk zijn, en wij zouden weken lang door de steppen moeten +trekken, en daarenboven wordt er in die streken hevig gevochten, en men +zou ons zeker daar niet zoo gemakkelijk doorlaten, als in deze buurt +waar slechts sporadisch gevochten wordt. + +De zwarte vlek was nu reeds veel dichterbij, en men kon al met het +bloote oog ontdekken, dat daar een dertigtal ruiters naderden, op +kleine, maar sterke paarden gezeten, en allen in uniform gekleed. + +Zelfs al zouden zij gewild hebben, dan zouden de drie mannen niet meer +hebben kunnen vluchten, want de ruitertroep was niet alleen met geweren +bewapend, maar voerde ook een paar mitrailleurs op sleden mede, die +door groote honden getrokken werden, en Raffles en zijn reisgezellen +waren reeds eenigen tijd onder schot gekomen. + +Nog tien minuten en toen konden de reizigers zelfs de distinctieven op +de kragen der meerderen zien. + +De kleine troep stond onder bevel van een eersten luitenant, die +vooruit reed, met de vuist op de heup geleund, in een trotsche houding. + +Hij hield zijn paard in en bracht het naast de slede, terwijl hij de +hand ophief en bevelend riep: + +—Halt! Wie zijt gij, en hoe komt gij hier? + +—Wij zijn Engelschen, en wij hebben hier gejaagd! + +—Gij komt uit het Noorden—gij zijt dus bij de Rooden geweest? + +Daar ontkennen niet zou baten, antwoordde Raffles rustig: + +—Ja, luitenant! + +—Toon mij uw passen! + +De papieren werden te voorschijn gehaald, en de luitenant las ze met +aandacht door. + +Zijn gelaat verkreeg een koude, dreigende uitdrukking, toen hij weder +opkeek van het papier. + +—Ik zie de handteekening van Trotsky op deze passen! zeide hij +langzaam. Gij zult mij moeten volgen! + +—Waarheen en waarom, als ik vragen mag, luitenant? kwam Raffles. + +—Daarop behoef ik u niet te antwoorden, mijnheer! antwoordde de +luitenant koeltjes. Ik tref u hier op een gevaarlijke plek aan, +gevaarlijk vooral voor u, zooals u spoedig zal blijken! En gij komt uit +het Noorden, van de zijde der Bolsjewiki! Ik wil u de waarheid niet +verbloemen—ik houd u voor spionnen! + +—Daartegen protesteer ik, hernam Raffles kalm. Ik erken, dat wij als +Roode Kruissoldaten dienst hebben gedaan bij het Roode leger—maar ik +verzeker u, dat wij geen seconde geaarzeld zouden hebben, den Witten +onze diensten aan te bieden als het toeval gewild had, dat de vriend, +dien ik hier ging bezoeken, tot de monarchisten had behoord. + +—Dit is een zaak, welke de krijgsraad heeft uit te maken, mijnheer, +ging de luitenant voort, terwijl hij de passen in zijn wijden mantelzak +liet glijden. + +—De krijgsraad! riep Raffles uit. Zoudt gij vrije Engelschen voor een +krijgsraad willen en durven dagen? Bezint voor gij begint, +luitenant—dat is alles wat ik u te zeggen heb! + +Maar de Rus verhief zich trotsch in het zadel en riep toornig: + +—Gij hebt wel recht, u op uwe nationaliteit te beroepen, mijnheer! Als +uw landgenooten ons ter hulp waren gekomen, toen de tijd daarvoor +gunstig was, dan zouden wij de Bolsjewiki reeds onder de knie hebben +gehad, en in ons arm land zouden nu geen ellende en broedermoord +heerschen! Als gij Uwe troepen niet uit vrees voor de Bolsjewiki terug +had geroepen, dan zou de nederlaag van generaal Judenitsch onder de +muren van Petrograd niet hebben plaats gehad, en de hoofdstad zou nu +reeds in ons bezit zijn! + +Terwijl Raffles naar deze bittere woorden luisterde, zwollen de aderen +van toorn op zijn voorhoofd, maar hij wist zich te beheerschen en +haalde de schouders op. + +—Ik weet niet, of uw politiek inzicht ver genoeg strekt, om u een beter +inzicht in de houding van de Engelsche regeering te geven! zeide hij. +Maar hoe dit ook zij—men zal te Londen niet toelaten, dat Engelschen +door Russen, wie zij dan ook zijn, ongestraft voor een krijgsraad +worden gesleept! + +De Rus barstte in een onbeschaamd lachen uit en riep spottend: + +—Gij spreekt bout, mijnheer de Engelschman! Gij vergeet dat wij meester +zijn in ons eigen land, en dat wij om ons bestaan strijden! Tijdens den +grooten oorlog werden vreemdelingen die van den kant van den vijand +kwamen zonder vorm van proces doodgeschoten—dat hebben Uwe landgenooten +ook gedaan, en gij weet zeer goed dat dit oorlogsgebruik is. + +Raffles zweeg, want in zijn binnenste moest hij den Rus gelijk geven. + +Als de Franschen bijvoorbeeld gedurende een offensief burgerlijke +personen hadden aangetroffen in “Niemandsland” dan zouden zij hen zeker +dadelijk gefusilleerd hebben, en de Engelschen zoowel als de Belgen, de +Amerikanen en de Duitschers deden desgelijks. + +Een beroep op zijne regeering zou hem dan ook niet baten, dat wist hij +zeer goed! + +Hij had slechts eens willen zien, of zijne bedreiging wellicht indruk +op den luitenant zou hebben gemaakt; deze had intusschen zijn paard +weer doen wenden en gaf nu in zijn landstaal eenige korte bevelen aan +zijn manschappen. + +De ruiters kwamen aangalloppeeren, en één hunner steeg af, gaf de +leidsels van zijn paard aan een makker, en nam naast Henderson plaats, +om de teugels van de twee paarden te grijpen. + +Met een grimmig gelaat wendde de reus zich naar Raffles om, en vroeg: + +—Zal ik dien kerel met zijn boeventronie van de slede smijten, Milord +of moet ik dulden dat hij naast mij blijft zitten en mij de teugels +afneemt? + +—Laat hem begaan, Henderson! beval Raffles. Iedere tegenstand is +nutteloos en zou onzen toestand slechts verergeren. + +Brommend gaf de reus nu de teugels aan den Rus, en hij uitte een paar +krachtige echt Londensche verwenschingen, die den soldaat echter +volkomen onverschillig lieten. + +Deze liet een eigenaardig kleppend geluid met de tong hooren en daarop +schoten de paarden vooruit, terwijl de geheele ruiterstroep +rechtsomkeer maakte en de slede omringde. + +De jonge Luitenant had zijn paard naast het voertuig gebracht en +richtte zich nu opnieuw tot Raffles. + +—Gij erkent nietwaar, dat gij bij de Rooden geweest zijt? + +—Dat heb ik U zooeven medegedeeld! antwoordde Raffles kortaf. + +—Dan zult gij wel op de hoogte zijn van hun plannen? + +—Slechts in zeer geringe mate! + +—Maar dan sympatiseert u dus met de Bolsjewiki riep de Luitenant +toornig. + +—Daaromtrent wensch ik mij niet uit te laten, hernam Raffles koeltjes. +Ik kan u alleen zeggen, dat het met mijn begrip van eer in strijd is, +als ik de geheimen verraad van lieden, die mij gastvrij ontvangen +hebben, en die mijne hulp hebben aanvaard! + +De Luitenant beet zich op de lippen, maar hij drong niet verder aan. + +Zwijgend werd de tocht voortgezet. + +De kleine stoet trok in Zuid-Westelijke richting verder, en bereikte +ten slotte, toen de duisternis reeds gevallen was een klein gehucht aan +de monding van de Suda gelegen. + +En nu pas begon Raffles den toestand beter te begrijpen, en bemerkte +hij dat de Witten een omtrekkende beweging op groote schaal hadden +ondernomen teneinde de Rooden ten Oosten van het Onega-Meer in den +flank te kunnen aanvallen, en hun zoo mogelijk in den rug te komen, om +hun dan een vernietigende nederlaag toe te brengen. + +Reeds eenige malen waren zij oprukkende kolonnes gepasseerd, die hun +stellingen gingen innemen, en voortdurend in Noordoostelijke richting +oprukten. + +Het was duidelijk dat van de manschappen het uiterste werd gevergd, +want als deze groot opgezette beweging niet snel werd uitgevoerd, dan +zouden de Rooden wellicht den tijd vinden, zich uit den knellenden +greep van de tegenpartij los te maken. + +Het Gehucht zelf was vol artillerie, cavallerie en infanterie, en +klaarblijkelijk werd het als een sterk steunpunt beschouwd. + +Adjudanten op Motorrijwielen en paarden renden langs de met sneeuw +bedekte straten heen en weder, waaruit Raffles terecht afleidde, dat +zich in deze vlakte stafofficieren ophielden. + +Voor zoover hij het kon beoordeelen moest het zelfs een divisiestaf +zijn, wat niet te verwonderen was, want dit gehucht was het +scharnierpunt, waaromheen de aanvallende legers hunne omtrekkende +beweging zouden maken. + +Nog steeds omringd door den kleinen ruitertroep gleed de slede het +gehucht binnen; volgde de eenige straat, welke het rijk was, en hield +eindelijk stil voor een huis, hetwelk waarschijnlijk een herberg was, +want er hing een oud verveloos uithangbord boven de deur, waarop eene +groote druiventros geschilderd was. + +De drie Engelschen kregen bevel om uit te stappen, en werden de herberg +binnengeleid, maar niet dan nadat men hen hunne revolvers en +jachtmessen had afgenomen. + +Een paar minuten later stonden zij tegenover Majoor Wladimir Geschoff, +den chef van den divisiestaf. + + + + + + + + +HOOFDSTUK II. + +TER DOOD VEROORDEELD. + + +De majoor was niet alleen, maar bevond zich met een aantal andere +officieren in een vrij groot vertrek op de eerste verdieping van het +huis dat door een petroleumlamp verlicht werd en waar een groot vuur in +den haard brandde, dat een aangename warmte verspreidde. + +Raffles had den majoor dadelijk vlak in het gelaat gekeken, en bij +zichzelf de opmerking gemaakt, dat hij zelden zulk een onaangenaam +boosaardig gezicht gezien had. + +De kleine, sluwe vossenoogen, dicht naast elkander geplaatst, de +breede, korte neus, aan het ondereinde opgewipt, de breede mond met de +dikke lippen en de uitstekende jukbeenderen, wezen op een Mongoolschen +afkomst, en het lage voorhoofd en de vooruitstekende kaken gaven hem +een aapachtig voorkomen. + +Van onder zijne borstelige wenkbrauwen keek hij de drie binnengebrachte +vreemdelingen achtereenvolgens nieuwsgierig aan, en wendde zich toen +tot den Luitenant die mede was binnengetreden met de vraag: + +—Wat heeft dat te beteekenen Luitenant? hoe komt gij aan die drie +snuiters? + +In korte woorden, en met de hand eerbiedig aan zijn pet rapporteerde de +luitenant het geval. + +Terwijl hij luisterde nam het gelaat van Majoor Geschoff een dreigende +uitdrukking aan en hij streek zich eenige keeren met zijn groote hand +over den knevel. + +Toen de luitenant zijn rapport geëindigd had, zeide Geschoff op ruwen +toon: + +—Zij zijn bij de Rooden geweest, wel, dan zijn het spionnen! + +Hij wendde zich tot zijne officieren en vervolgde: + +—Wij zullen de zaak snel even afdoen, mijne heeren, en ons als +krijgsraad constitueeren.... + +De stafofficieren bogen zwijgend, en daarop namen zij allen plaats, +zeven in getal, achter de ruw houten tafel die midden in het vertrek +stond, en overdekt was met kaarten en rapporten. + +Majoor Geschoff had als president in hun midden plaatsgenomen. + +Achter de drie Engelschen stond een zestal soldaten met de bajonet op +het geweer, de stafofficieren droegen allen de revolver en iedere +poging tot verzet was dus bij voorbaat gedoemd om te mislukken. + +Majoor Geschoff steunde zijn kin even in zijn hand, keek de gevangenen +loerend aan, en begon: + +—Gij zijt immers Engelschen? + +—Ja Majoor! antwoordde Raffles voor de anderen. + +—Uwe namen? + +—Ik ben graaf Wilburn, deze heer is mijn secretaris Finsburry en deze +man is mijn chauffeur. + +Majoor Geschoff haalde de schouders op en zeide droog: + +—Nu ja, men kan gemakkelijk een naam opgeven. Het doet er ook niet toe! +Wat kwaamt gij hier uitvoeren? + +—Ik kwam jagen bij mijn vriend Baron Iwan Dobrinsky. + +Een daverende vuistslag van den majoor op het tafelblad deed hem +ophouden. + +—Gij durft hier dus zonder meer bekennen dat gij een vriend zijt van +dien renegaat, dien vervloekten overlooper? + +—Ja, en daar ben ik trotsch op, antwoordde Raffles met stemverhooging. + +—En gij mijnheer? zoo wendde de majoor zich tot Charly. + +—De vrienden van den graaf zijn natuurlijk ook mijn vrienden, +antwoordde de jonge man eenvoudig. + +—Zoo? welnu, dan zult gij er ook niets op tegen hebben, het lot van uw +meester te deelen, zeide Geschoff op kouden toon. + +—Daar vraag ik om! hernam Charly. + +—Wat waart gij voornemens, toen de luitenant u in de vlakte aantrof? + +—Wij waren op weg naar Petrograd! + +Majoor Geschoff liet een verachtelijk lachje hooren. + +Ik verlies mijn tijd—Uw zaak is helder als glas! Uw pas is door dien +bandiet van een Trotsky onderteekend, gij zijt als burgers midden in +het operatie-terrein aangetroffen—er kan geen twijfel zijn aangaande +uwe bedoelingen! + +Tot dusverre had Majoor Geschoff zich van de Engelsche taal bediend, +welke hij met een sterk accent maar tamelijk goed sprak. + +Hij wendde zich nu tot de andere officieren, en ging op fluisterenden +toon voort, maar thans in de Russische taal. + +—Ik geloof niet dat wij lang hoeven te beraadslagen mijne heeren, wij +moeten met de uiterste gestrengheid optreden en een voorbeeld stellen. + +Hij liet nu zijn stem zoover dalen dat Raffles niet meer kon hooren wat +hij zeide. + +Maar eenige malen had hij naar Henderson gekeken, en nu nam hij opnieuw +het woord, en vroeg op luiden toon, terwijl hij zich tot den reus +wendde: + +—Gij zijt zeker in dienst geweest bij het Engelsche leger? + +—Ja Majoor! + +—Dan hebben wij u een vraag te stellen! Wij gelooven dat gij er niet op +gesteld zijt om te worden doodgeschoten? + +—Niet meer dan ieder ander Majoor! antwoordde Henderson. + +—Welnu, gij kunt uw leven redden, als gij ons zegt wat de man, die zich +voor uw meester uitgeeft bij de Rooden heeft uitgericht en wat zijn +doel was. + +Een oogenblik leek het of Henderson zich op den Majoor zou werpen en +hij wist zich slechts met de uiterste krachtsinspanning te bedwingen. + +Toen liet hij een kort lachje hooren en zeide op minachtenden toon: + +—Iets dergelijks mag hier het gebruik zijn—bij ons weet men daar niet +van. Ik ben een Brit, en een eerlijk man! Ik zeg u dat wij drie +volkomen onschuldige reizigers zijn,—maar zelfs al kwam mijn meester +hier spioneeren, dan zoudt gij toch uit mijn mond geen bijzonderheden +vernemen. + +Majoor Geschoff beet zich op de dikke lippen, en wierp Henderson een +woesten blik toe. + +Toen zeide hij: + +—Het is goed! gij hebt het zelf gewild. De krijgsraad heeft vonnis +geveld en veroordeelt u tot den kogel. Het vonnis zal aanstonds +voltrokken worden—gij hebt nog een kwartier om de noodige schikkingen +te treffen. Hebt gij nog iets op te merken? + +—Niets anders, dan dat ik voor de zaak der Witten hoop, dat hun leger +niet uitsluitend is samengesteld uit mannen zooals gij! Gij maakt +misbruik van Uwe macht, en dit zou u wel eens kunnen berouwen! + +De majoor liet een schamper lachje hooren, en wees met een bevelend +gebaar naar de deur. + +Hij en de andere officieren waren onder het uitspreken van het vonnis +opgestaan en hij wees nu naar de deur en zeide tot den luitenant: + +—Gij hebt het gehoord! Ik wensch dat die drie spionnen binnen een +kwartier terecht gesteld zijn! + +De luitenant, die zeer bleek was geworden, salueerde, en daarop gaf hij +bevel, de drie gevangenen de handen op de rug samen te binden. + +Hun zakken werden onderzocht en men nam hen hunne papieren af. + +Vervolgens gaf de luitenant een kort bevel, en de zes soldaten namen de +gevangenen mede, waarop zij allen de trap afdaalden. + +Uit de gelagkamer werden nog twee man gehaald om het vuurpeloton aan te +vullen. + +De acht soldaten omringden, op straat gekomen, opnieuw de gevangenen, +de luitenant riep een kort bevel, en men begaf zich op weg. + +De straten waren bijna volkomen duister en slechts hier en daar pinkte +een licht achter een venster. + +Het was nog zeer druk van komende en gaande Colonnes, en soms had het +executie-peloton moeite zich een weg door deze menigte soldaten te +banen. + +De jonge luitenant, die zijn sabel getrokken had, hield de gevangenen +nauwkeurig in het oog, met de linkerhand aan de kolf van zijn revolver. + +Toen zij de dorpsstraat ten einde waren sloegen de soldaten een soort +zijweg in en hier was het veel stiller. + +Op eenigen afstand waren een dertigtal paarden aan een kamplijn +gebonden. + +Zij behoorden zeker tot troepen, die zooeven waren aangekomen, want zij +waren nog niet allen ontzadeld. + +Op een tiental meters daar vandaan, verhief zich een muur, die +waarschijnlijk bij het kleine kerkhof van het dorp behoorde. + +En als bij ingeving begrepen de gevangenen, dat zij aanstonds tegen +dezen muur zouden worden gezet om het doodelijk lood te ontvangen. + +Nog tien minuten en zij zouden den muur bereikt hebben. + +Het kerkhof grensde dadelijk aan het open veld dat met een dikke laag +sneeuw overdekt was, met uitzondering van een tamelijk breeden weg, +waarlangs pas kort geleden duizenden en duizenden soldaten waren +getrokken, en die zich thans als een groezelig lint door de eindelooze +vlakten slingerde. + +Met gebogen hoofd liepen de drie Engelschen voort. Alles was zoo snel +in zijn werk gegaan, dat zij half verbijsterd waren, en hun gedachten +schenen beneveld. + +Nog vijf minuten......... + +Dof kraakte de sneeuw onder de voeten der marcheerende soldaten en de +loopen van de geweren glansden zwakjes in het maanlicht, evenals de +sabel van den Luitenant. + +Nu hadden zij den muur van het kerkhof bereikt. + +Weer klonk een op korten toon gegeven bevel en de drie gevangenen +werden tegen den muur geplaatst. + +De soldaten maakten rechtsomkeer, teneinde zich op eenige meters +afstand van den muur te plaatsen. + +Maar juist op dat oogenblik rukte Henderson met een geweldige +krachtsinspanning de touwen stuk die zijn polsen omkneld hadden. + +Met één sprong als van een tijger was hij bij den vleugelman van het +executiepeloton, dat juist met den rug naar den muur stond gekeerd en +ontrukte hem zijn geweer. + +Hij greep het wapen bij den loop en zwaaide het als een knots om zich +heen. En dit alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan dat er drie +soldaten met verbrijzelde ledematen of een zware hoofdwonde waren +neergestort, vóór de anderen goed en wel begrepen wat er gaande was. + +De Luitenant slaakte een woesten kreet en trok zijn revolver, maar vóór +hij van het wapen gebruik had kunnen maken was de kolf van Henderson’s +geweer met kracht op zijn schedel neergedaald en hij stortte +bewusteloos voorover met het gelaat in de sneeuw. + +De andere soldaten wilden vuren, maar zij waren te dicht bij, en +Henderson gaf hun geen gelegenheid hun geweer aan den schouder te +brengen. + +Hij hanteerde het geweer alsof het een rieten wandelstokje was en het +gevecht scheen hem zelfs veel vermaak te geven want hij lachte nu en +dan luidkeels terwijl hij op de koppen en lijven der vier soldaten +beukte. + +Raffles en Charly wendden wanhopige pogingen aan om zich op hunne beurt +te bevrijden en den dapperen kerel ter hulp te komen maar zij +beschikten niet over de ontzettende lichaamskracht van den reus. + +Maar toch hielpen zij door toe te snellen en hun voet tusschen de +beenen der soldaten te steken zoodat deze struikelden en tijdelijk +weerloos waren. + +Toen was de strijd binnen enkele oogenblikken beslist! + +Henderson zwaaide het geweer nog enkele malen, liet het als molenwieken +om zijn hoofd wentelen en sloeg den laatsten soldaat met een +welgerichten slag neer. + +Toen trok hij de bajonet uit de schede van een der soldaten en sneed +vliegensvlug de touwen door welke de polsen van zijn beide metgezellen +gebonden hielden. + +Dadelijk maakte Raffles zich meester van de revolver van den Luitenant +en diens patroontasch, terwijl Charly en Henderson zich ieder van een +geweer en van munitie voorzagen. + +Tot hun groot geluk hadden de oppassers van de cavalleriepaarden eenige +minuten te voren hun arbeid beëindigd en zich verwijderd. Naar de +paarden, mannen! beval Raffles op zachten toon, het is onze eenige +kans! + +Zoo snel hun beenen hun wilden dragen, ijlden de drie Engelschen naar +de plek waar de paarden bijeen gebonden stonden. + +De dieren droegen allen een wollen dek, op een paar na, die nog +gezadeld waren—waarschijnlijk ordonnancepaarden. + +Terzijde stond een slede, die zooeven was afgespannen en nog wat verder +lagen de tuigen. Zoo snel zij maar konden spanden de vluchtelingen, die +zooeven aan den dood ontkomen waren drie paarden voor de slede en +daarop wierpen Raffles en Charly zich op den rug van de twee gezadelde +paarden terwijl Henderson in de slede plaats nam om de paarden te +besturen. + +In vliegende galop joegen zij weg, juist toen een paar Russchische +soldaten aan wie de zorg voor de paarden was toevertrouwd, +terugkeerden. Zij hadden zich zeker zooeven met een glas Wodka +versterkt. + +De slede vloog als een stormwind over de bevroren sneeuw en Raffles en +Charly spoorden hun rijdieren tot den hoogsten spoed aan. + +Zij begrepen maar al te goed dat hun lot beslist was, als zij weder in +handen vielen van Majoor Geschoff. + +Intusschen bleef hun toestand zeer gevaarlijk want ieder oogenblik +konden zij op troepenafdeelingen stuiten die hen zeker zouden aanhouden +nu zij in het geheel geen passen meer bezaten en stellig als spionnen +zouden worden behandeld. + +Zij vermeden dus zorgvuldig den grooten weg die in de richting van +Petrograd liep en trachtten dekking te zoeken achter een reeks lage +heuvels die zich van het Oosten naar het Westen uitstrekte. + +Zoo bleven zij voortsnellen tot de vermoeidheid der paarden hen wel +dwong om die snelheid te matigen. + +Ook de honger begon zich nu te doen gevoelen, maar zij zouden zich +tegen dat gevoel moeten verzetten want zij konden hun honger onmogelijk +bevredigen. Het zou nog vele uren duren voor zij weder een bewoonde +plaats aantroffen en dan was het nog de vraag of zij zich daar niet +zorgvuldig verborgen zouden moeten houden. + +Zij hadden nu bijna zes uren aan één stuk door gereden en zij streden +uit alle macht tegen de vermoeidheid die hen bekroop daar zij wel +wisten dat zij onherroepelijk ten doode gedoemd waren als zij zich met +deze vreeselijke koude in deze sneeuw ter ruste legden en dat zij +nimmer weer zouden ontwaken. + +Het was ongeveer vier uur in den morgen en de hemel begon zich in het +Oosten lichtrood te kleuren toen Henderson in de slede overeind ging +staan, zijn hand boven de oogen legde en scherp in de verte tuurde. + +Raffles en Charly hadden hun doodelijk vermoeide paarden ingehouden +daar zij begrepen dat Henderson met zijn scherpe blik iets moest hebben +ontdekt wat zijn aandacht trok. + +Raffles reed op de slede toe en vroeg: + +—Zie je iets Henderson? + +—Ik zou zeggen dat ik daar licht zie, Mylord—daar op een paar kilometer +voor ons uit, kan daar een dorp zijn? + +—Ja, als ik mij niet vergis ligt daar een dorp, Henderson, maar wij +weten volstrekt niet of het door de Witten of door de Rooden bezet is. + +—Ik voor mij geloof dat dat er weinig toe doet, Mylord, hernam +Henderson droogjes. Wat ik tot dusverre van die heeren Russen gezien +heb heeft mij geen grooten dunk van hen gegeven! + +—Wij zullen er toch op af moeten Henderson, en trachten wat voedsel te +vinden en versche paarden te krijgen, zeide Raffles. Wij zouden anders +zeker om het leven komen. + +—Zijn wij op dit punt nog ver van Petrograd verwijderd? vroeg Charly. + +—Hoogstens honderd kilometer, Charly, iets meer dan negentig wersten! +Ik denk dat gindsch dorp het laatste is voor wij Petrograd bereikten, +als wij er tenminste levend afkomen. Want met deze paarden zullen wij +zeker geen tien kilometer per uur kunnen afleggen. + +De drie Engelschen hadden hun vermoeide paarden weder aangespoord en +het leek wel of de dieren de nabijheid van een stal en van voedsel +rooken, want zij waren met nieuwe kracht bezield en vlogen over de +bevroren vlakte alsof zij vleugels hadden. + +Een half uur later was de zon in heerlijke pracht boven den horizon +gerezen en de lichtjes van het dorp waren verdwenen. + +Maar in plaats daarvan konden zij nu duidelijk de donkere omtrekken der +huizen waarnemen. + +Het was een tamelijk groot dorp en daar was zeker wel het noodige te +krijgen en de drie Engelschen waren voornemens zich het noodige te +verschaffen, want zij zouden niet lang meer zonder voedsel kunnen +blijven in deze hevige, met iedere beschrijving spottende, koude. + +Naarmate zij naderbij kwamen matigden zij hun snelheid, want niemand +kon zeggen wie er meester was in dit dorp. + +Voorzichtig kwamen de drie reizigers naderbij. + +Maar eensklaps wende Charly het hoofd om en schreeuwde: + +—Zij zitten ons op de hielen! + +Het was maar al te waar—daarginds over de vlakte naderde een troep +ruiters van bijna zestig man sterk en hun paarden joegen in vollen +galop over de sneeuwvlakte. + +De drie Engelschen waren dus tusschen twee vuren geraakt! Achter hen +kwamen de achtervolgers, en voor hen lag het dorp—en daar zou de +ontvangst wel niet veel beter zijn! Zij moesten echter voor ditmaal het +onzekere voor het zekere nemen want in ieder geval bleef de kans +bestaan dat dit dorp nog in handen der Rooden was, of dat de bevolking +zich in ieder geval gewapenderhand tegen de naderende ruiters zoude +verzetten. + +Raffles aarzelde dus niet, maar riep: + +—Vooruit vrienden! Wij moeten naar het dorp, anders leven wij over een +half uur niet meer! + +—Maar de paarden zijn uitgeput! kreet Charly. + +—Dan zullen wij hen snel voor de slede spannen, dan trekken zij met z’n +drieën! + +De twee vrienden stegen ijlings af en spanden hun paarden met de hulp +van Henderson voor de slede. + +Maar toen zij hiermede gereed waren hadden de achtervolgers snelle +vorderingen gemaakt en juist toen zij in het voertuig stapten, kraakten +schoten en vlogen de kogels hen om de ooren! + +Henderson bukte zich zoo diep mogelijk, en legde de zweep over de +paarden, terwijl Raffles en Charly ieder een geweer grepen, vast +besloten, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. + +Zij knielden achter in de slede neder, legden den loop van hun geweer +op de rand van het voertuig en vuurden. + +Twee der achtervolgers stortten van hun paarden, die ruiterloos voort +ijlden. + +De drie paarden voor de slede hijgden van inspanning en vermoeienis +maar de arme dieren deden al hun best, en trokken de slede pijlsnel +over de sneeuw. + +Reeds waren de eerste huizen van het dorp duidelijk zichtbaar +geworden—en daar verschenen ook eenige menschen, die haastig heen en +weer schenen te loopen, achter de huizen verdwenen en dan weder te +voorschijn kwamen. + +Henderson spoorde de paarden tot de uiterste krachtsinspanning aan, en +Raffles en Charly hadden hunne geweren opnieuw schietvaardig gehouden. + +Onder het rijden vuurden de soldaten der Witten onophoudelijk op de +vluchtelingen en verscheidene kogels drongen door het hout van de +slede. + +Eén er van nam een stuk van Charly’s mouw mede en een tweede raakte +Raffles licht aan de wang. + +Weer vuurden zij, en weer stortten twee mannen in vollen ren van hun +paarden en bleven roerloos in de sneeuw liggen. + +Maar eensklaps kwam er een groot aantal mannen uit het dorp rennen, die +met geweren gewapend waren en de slede tegemoet snelden. + +Blijkbaar had men daarginds het schieten gehoord. + +—Het zijn Rooden! schreeuwde Henderson opgewonden. Het dorp is in hun +handen. + +De reus had goed gezien—inderdaad kwamen daar een paar honderd man der +Roode troepen aansnellen, die zich dicht voor de slede in de sneeuw +wierpen, en dadelijk een moorddadig vuur op de Witten openden. + +Deze waren verreweg in het nadeel, omdat zij bereden waren en dus veel +minder nauwkeurig konden schieten en voorts, omdat zij veel geringer in +aantal waren. + +Zij geraakten in wanorde, schenen te aarzelen—en eensklaps maakten zij +rechtsomkeer, wendden den teugel en renden weg, zoo spoedig zij konden, +terwijl de slede het dorp binnen stoof, waar zij stil hield voor een +logement op het kleine marktplein. + +De met schuim overdekte paarden die van vermoeidheid op de beenen +trilden werden afgespannen, en naar den stal gevoerd, terwijl de drie +Engelschen zich naar de gelagkamer haastten, waar zij dadelijk omringd +werden door een aantal soldaten die alle tegelijk door elkaar +schreeuwden, en wilden weten, hoe de vreemdelingen hier kwamen en hoe +het stond bij de Witten. + +Raffles liet hen kalm praten en begon met een maaltijd te bestellen +voor zich en zijn vrienden. + +Dit ging lang niet gemakkelijk, maar tenslotte wist hij toch een stuk +roggebrood, wat boter, rijst en een stuk paardenvleesch machtig te +worden—een delicatesse in dezen tijd, en op deze plek, zoo dicht bij de +hoofdstad, waar de grootste nood heerschte. + +Een der soldaten had een officier gehaald en nog terwijl de drie +reisgenooten om den maaltijd zaten, kwam er een kapitein binnen met een +streng maar open gelaat, die den vreemdelingen eerst verlof gaf hun +honger te stillen, en daarop zijn ondervraging begon. + + + + + + + + +HOOFDSTUK III. + +NAAR PETROGRAD! + + +Raffles deed een omstandig verhaal van zijn wedervaren en de kapitein +viel hem geen oogenblik in de rede, maar luisterde met aandacht, het +hoofd een weinig gebogen. + +Toen Raffles gereed was, zeide de officier: + +—Ik kan de waarheid van uwe beweringen gemakkelijk controleeren, want +ik heb gisteren een paar vliegers naar de stellingen van Kolodoserskoi +gezonden, en verwacht die ieder oogenblik terug. Daar zal men van hen +zeker wel een en ander omtrent uw tocht naar het vijandelijke kamp +gehoord hebben. Gij zult echter wel begrijpen dat wij U hier onmogelijk +kunnen houden, al zouden wij de medische hulp van een bekwaam +geneesheer en de sterke armen van twee menschlievende mannen zeker wel +kunnen gebruiken. Ik heb echter juist gisteravond strenge orders +gekregen, onder geen beding vreemdelingen in onze gelederen aan te +nemen,—wij hebben daar juist treurige ervaringen mede opgedaan—er +liepen vurige verraders onder! + +—Wij zelven verlangen niets liever dan weder naar ons land terug te +keeren, kapitein! hernam Raffles. De toestand is hier echter zoo +verward, dat ik geen uitkomst zie! Ik meende hier stellig Witte troepen +te zullen vinden! + +—Misschien zullen zij hier spoedig genoeg zijn! zeide de kapitein der +Bolsjewiki op somberen toon. Generaal Judenitsch staat voor de poorten +van Petrograd, en misschien is hij de stad wel reeds binnengetrokken, +terwijl ik hier met U spreek. + +—Wat raadt gij mij aan te doen, kapitein? ging Raffles voort. Ik wensch +tot iederen prijs naar de hoofdstad terug te keeren, want een mijner +vrienden heeft daar mijn geld in bewaring, hetwelk ik dringend noodig +heb, daar de Witten mijn zakken op even doeltreffende als volledige +wijze hebben leeggehaald! + +De kapitein dacht even na en zei toen: + +—Ik kan niet anders doen dan U een vrijgeleide te geven tot Petrograd. +Is de stad nog in onze handen, dan zult gij geen moeilijkheden +ondervinden—maar als Judenitsch is binnengerukt, dan sta ik voor niets +in! En gij behoeft er niet aan te denken met een trein naar Duitschland +te kunnen reizen, want op alle lijnen en op het geheele +spoorwegmateriaal is door de militairen beslag gelegd. + +—Maar hoe komen wij dan weder weg? riep Charly uit. + +—Er zou maar één middel zijn, Mijnheer! antwoordde de kapitein. Gij +zoudt van hier per slede tot Nygyrska, aan de spoorlijn van Petrograd +naar Wiborg, aan de Finsche grens kunnen gaan. Van de eerstgenoemde +plaats af loopen er nog op ongeregelde tijden personen-treinen, +ofschoon het de grootste moeite kost, daarin een plaats te krijgen. Van +Wiborg zoudt gij dan verder per trein naar Abo aan den Finschen golf +kunnen reizen, en daar wachten, tot zich een scheepsgelegenheid naar +Engeland, Frankrijk of Scandinavië voordoet! + +—Nu, ik zal mij in ieder geval dit jachtavontuur nog lang herinneren! +zeide Raffles glimlachend. Als dus alles medeloopt, zouden wij over +eenige weken in Engeland terug kunnen zijn—en als dit eens niet het +geval was—dan zou het maanden kunnen duren! Laat mij u mogen zeggen, +kapitein, dat dit geenszins strookt met mijn plannen! En daarom zouden +ik en mijn vrienden het zeer op prijs stellen indien gij ons passen tot +Petrograd zoudt willen geven. + +—Zooals gij wilt, Mijnheer, hernam de kapitein. + +Op dit oogenblik kwam een depecherijder het vertrek binnen, die in de +militaire houding voor zijn chef bleef staan, en salueerde. + +—Wat is er, Michael? vroeg deze. + +—De beide vliegers zijn teruggekeerd, kapitein! + +—Mooi zoo, zeg dat zij op mij wachten! + +De koerier vertrok en de kapitein wendde zich weder tot Raffles met de +woorden: + +—Ik zal u moeten verzoeken, hier te blijven, tot ik het rapport van +mijn luitenants heb aangehoord. Gij zult mijn houding billijken, daar +ben ik zeker van! + +Raffles boog, zonder te antwoorden en de kapitein verliet het vertrek. + +—Hij mag dan een Roode zijn, maar hij is althans heel wat beleefder dan +die oude schurk van een majoor der Witten, die ons had willen laten +fusilleeren! bromde Henderson. + +Daarop keerde hij zich tot Charly en vervolgde: + +—Het moet mij van het hart, Mijnheer Brand, ik heb voorloopig meer dan +genoeg van Rusland. Het kan dan vroeger heel belangwekkend geweest +zijn, maar het reizen op dit tijdstip is geen pleiziertje! + +—Ik ben het volkomen met je eens, Henderson! antwoordde Charly +glimlachend. Ook ik zal den hemel danken als wij weder goed en wel in +Engeland terug zijn! + +De drie mannen moesten geruimen tijd wachten, bijna een uur, maar toen +keerde de kapitein terug, stak Raffles en zijn metgezellen met een +spontaan gebaar de hand toe en zeide: + +—Alles is in orde, Mijne heeren. Ik heb van de beide vliegers vernomen, +dat alles zich inderdaad zoo heeft toegedragen, als gij mij hebt +medegedeeld. Thans blijft mij niets anders over, dan u de passen ter +hand te stellen, welke de generaal van onze divisie zoo even voor u +heeft laten opstellen en onderteekenen. + +Hij nam een drietal passen uit de portefeuille, welke hij bij zich had, +en overhandigde ze aan de Engelschen. + +—Daarmede kunt gij naar Petrograd komen, zonder te worden lastig +gevallen. Natuurlijk geldt dit slechts voor zooverre de stad nog in +onze handen is. De berichten luidden gisteren helaas zeer ongunstig, en +ijlboden wisten zelfs te verhalen dat een vooruitgeschoven +troepenafdeeling van Judenitsch tot in de voorste stadswijken van de +hoofdstad was doorgedrongen. Alle risico blijft dus voor uwe rekening, +bedenk dat! + +—Dat spreekt van zelf, kapitein! zeide Raffles. Ik dank u, ook namens +mijne reisgezellen voor uwe bemoeiingen en verzoek u, ons in staat te +stellen onze reis te vervolgen, door ons de slede en de paarden af te +staan, welke ons hier hebben gebracht en welke wij aan de Witten hadden +ontnomen. Als gij dit wenscht zullen wij één en ander te Petrograd +achterlaten en in handen van de Roode troepen daar stellen, die ze dan +als oorlogsbuit kunnen beschouwen. + +—Onder deze omstandigheden kunt gij er over beschikken, mijnheer! zeide +de kapitein. Wanneer wilt gij vertrekken? + +—Zoodra de paarden en wij zelven zijn uitgerust, antwoordde Raffles. + +—Gij zult er goed aan doen, zoo spoedig mogelijk de hoofdstad te +verlaten! hernam de kapitein. Weliswaar zijn de verhalen omtrent de +hongersnood, die er zou heerschen en welke in de buitenlandsche bladen +blijkbaar gretig worden opgenomen sterk overdreven, maar toch heerscht +er gebrek en als de stad eens werkelijk werd ingesloten, dan zou zij +zich binnen enkele weken, ja misschien binnen enkele dagen moeten +overgeven! En nu moet ik afscheid van u nemen, mijnheer! Mijn plicht +roept mij en wij moeten eene verkenning in Oostelijke richting +ondernemen. Het feit, dat de Witten het gewaagd hebben, u tot hiertoe +te achtervolgen, baart ons veel zorg—ik vrees, dat zij eene omtrekkende +beweging uitvoeren, welke ons, als zij slaagt, in groot gevaar zou +brengen. + +Hij salueerde voor de drie vreemdelingen en had het volgend oogenblik +de gelagkamer verlaten. + +Langzamerhand kwamen de reizigers weder bij van de ondervonden +vermoeienissen, bij het knappende houtvuur en een goed glas heete wijn. + +Zij voorzagen zich van eenige levensmiddelen, betaalden met geld, +hetwelk Henderson in zijn zak bleek te hebben en dat aan de aandacht +van de Witten ontsnapt was, en laadden deze in de slede, die hen hier +had gebracht. + +Toen de paarden geheel en al waren uitgerust en goed gevoederd waren, +spande Henderson de dieren opnieuw voor de slede, en de reizigers namen +weder in het voertuig plaats. + +Het was toen omstreeks tien uur in de morgen. + +Het was nog altijd bitter koud, maar gelukkig was de wind een weinig +gaan liggen, en de zon schitterde aan den wolkeloozen hemel, van een +pastelblauwe, aan de kim donker wordende kleur. + +Nadat de geweren waren nagezien, en de revolvers waren geladen, begaven +de drie Engelschen zich weder op weg. + +Indien zij er in slaagden, vijftien wersten per uur af te leggen, +hetgeen niet te veel berekend was, daar de paarden volkomen uitgerust +waren, en de sneeuw een harde, gladde oppervlakte vormde, dan konden +zij voor het vallen van de duisternis Petrograd bereikt hebben. + +Maar het Noodlot scheen zich ditmaal wel met hardnekkigheid tegen de +reizigers te hebben gekeerd! + +Want toen zij reeds heel in de verte de vage omtrekken van de hoofdstad +meenden te ontwaren, zagen zij tegelijkertijd dichte, zwarte colonnes +over de sneeuw naderen. + +Het geschut had den geheelen dag geklonken, maar nu kwam het merkbaar +naderbij. + +—Zouden de Rooden retireeren? vroeg Charly, terwijl hij met gespannen +aandacht door den kijker tuurde. + +—Ik vrees het, antwoordde Raffles ernstig. En daardoor komen wij weder +in een zeer gevaarlijken toestand. Wij zouden nu tusschen twee vuren +geraken, en ditmaal zou er geen ontkomen meer aan zijn—tenminste als +wij onzen weg in dezelfde richting wilden voortzetten. Wij zouden door +het mitrailleur-vuur onherroepelijk worden gedood. Klaarblijkelijk zijn +de Rooden gedwongen, Petrograd, of tenminste een deel ervan te +ontruimen. + +—Daar naderen tenminste troepen, die onordelijk oprukken, hernam +Charly. + +—Houdt links aan, Henderson! beval Raffles. Wij zullen trachten de stad +meer in het Zuiden te naderen. + +—Maar dan moeten wij een grooten omweg maken! riep Charly uit. + +—Dat is minder erg, dan dat wij tusschen twee vuren zouden geraken! +hernam Raffles. + +Henderson had intusschen het gegeven bevel reeds opgevolgd, en de slede +week nu af van den tot dusverre gevolgden weg. + +Het geschutvuur werd hoe langer hoe heviger, en plotseling konden de +reizigers, door den kijker, een batterij gewaar worden, die stelling +had genomen ten Noord-Oosten van een lagen heuvelkling, en vandaar de +Witten onder vuur nam die echter voor de drie Engelschen onzichtbaar +waren. + +De Rooden schoten zoo snel zij konden, en het gedonder klonk als een +aanhoudend gerommel van een onweder. + +Een half uur later trokken de retireerende troepen op eenige wersten +voorbij, juist langs den weg, die de slede tot dusverre gevolgd had. + +Het geschutvuur werd minder hevig, en het was duidelijk, dat de +hoofdstad reeds voor een deel in de handen der Witten moest zijn. + +—Ik geloof, dat het tijd begint te worden, ons maar weder te ontdoen +van onze door de Rooden geteekende passen, zeide Raffles na eenigen +tijd. Als niet alles bedriegt, zullen wij wel in een Petrograd +aankomen, dat door de troepen van Judenitsch bezet is. Wij zullen +echter tot het laatste oogenblik wachten met het vernietigen van die +passen, welke ons reeds eenmaal aan den rand van het graf hebben +gebracht. + +—Maar zouden de Witten zich hier wel kunnen handhaven? vroeg Charly. +Zonder den steun van Judenitsch en zijn legers zullen zij vroeg of laat +terug moeten want de Rooden zijn hier zeer sterk! + +—Je kunt gelijk hebben, maar voor het oogenblik moeten wij er toch +rekening mede houden, dat wij met de Witten te doen krijgen! + +De slede gleed intusschen met onverminderde snelheid over de bevroren +vlakte en Raffles verbaasde er zich over, dat het gevecht zich niet tot +hier uitgebreid had. + +Misschien was het plan der Witten, zich eerst van geheel Petrograd +meester te maken en dan snel in Oostelijke richting op te rukken. + +Wel kwamen zij nu en dan kleine afdeelingen Rooden tegen, die hen +echter ongemoeid lieten, nadat de passen vertoond waren. + +De duisternis begon reeds te vallen en de paarden begonnen opnieuw +teekenen van vermoeidheid te geven, en nog moesten er twintig wersten +afgelegd worden alvorens men de hoofdstad bereikt zou hebben, welke de +reizigers thans van uit het Zuid-Oosten naderden. + +Maar eensklaps, nadat zij in geruimen tijd geen, Rooden meer hadden +zien voor bijgaan, naderde er over de sneeuwvlakte een afdeeling +bereden manschappen, die aan de uniformen aanstonds als Witten te +herkennen waren. + +Voor de reizigers goed en wel wisten wat er gebeurde, had deze kleine +ruitertroep zich uit de duisternis losgemaakt en omringden zij de +slede. + +—Wij zijt gij en waar gaat gij heen? zoo luidde de gewone, reeds zoo +vaak gehoorde vraag. + +—Wij zijn Engelschen en wij wilden naar Petrograd gaan! antwoordde +Raffles. + +—Waar komt gij vandaan? + +Daar loochenen niets zou helpen antwoordde Raffles: + +—Wij komen van de zijde van het Onega-meer, waar gestreden is tusschen +Uwe troepen en de Rooden. + +—Wat deed gij daar? + +—Wij kwamen daar om te jagen en zijn door de gebeurtenissen verrast. + +—Wat waren uw plannen te Petrograd? + +—Geen andere, dan ten spoedigste naar ons eigen land terug te keeren! + +De Luitenant die deze vragen gesteld had keek Raffles en zijn +metgezellen aandachtig aan en zeide toen: + +—Ik zal u naar het hoofdkwartier moeten brengen, al doet het mij leed. +Mijn instructies zijn formeel. + +—Dan moet gij u er aan houden, Luitenant, hernam Raffles bedaard, maar +inwendig rees de vraag bij hem, of hij en zijn beide reisgenooten nu +nog niet aan het einde hunner beproevingen waren! + +Want immers—als men hier te weten kwam dat de drie Engelschen elders +door dezelfde partij reeds waren ter dood veroordeeld en slechts hadden +kunnen ontkomen door aanwending van geweld, dan zag het er weder somber +voor hen uit. + +En toch zouden zij zich in de omstandigheden moeten schikken. + +De overmacht was te groot, dan dat zij aan verzet zouden kunnen denken. + +En zoo trok, juist als een paar dagen geleden, een kleine stoet over de +vlakte voort, en de slede vormde wederom het middenpunt. + +Henderson had opnieuw de teugels uit handen moeten geven, en keek +brommend als een groote hond, wien men een been heeft afgenomen, toe, +hoe de soldaat, die naast hem had plaats genomen de vermoeide paarden +met vaste hand bestuurde en de slede weder op den weg bracht. + +Deze bleek voor een groot gedeelte van sneeuw bevrijd te zijn en het +was duidelijk dat hier reeds genie aan het werk was geweest, om den +straatweg die naar de hoofdstad voerde, voor het troepenverkeer vrij te +maken. + +En nu begonnen reeds in de verte de lichten van Petrograd te pinken! + +De vrees der Rooden was dus niet ijdel geweest!—de partij der Witten +had inderdaad groote vorderingen gemaakt, en althans een gedeelte van +de hoofdstad weten te bezetten. + +Wie weet werd er op dit oogenblik woedend gestreden in de straten van +de beklagenswaardige stad! + +Inderdaad werd het vuren weder heviger en twee malen passeerde men een +batterij veldgeschut, die in vollen ren, terwijl de sneeuw onder de +hoeven der woest galoppeerende paarden opstoof, nieuwe stellingen +gingen innemen. + +—Mag ik vragen waarheen gij ons geleidt? vroeg Raffles eindelijk aan +den jongen luitenant, die naast de slede draafde. + +—Dat zeide ik u reeds—naar het hoofdkwartier. Generaal Judenitsch zal +wel over uw lot beslissen. + +Het was dus waar—de hoofdmacht van de Witten onder aanvoering van den +veelgenoemden generaal stond voor de muren van de hoofdstad, het +bolwerk van het Bolsjewisme en had daar op het oogenblik wellicht zijn +intocht reeds gedaan! + +Nog een half uur verliep en steeds meer troepen passeerden op weg naar +het Oosten. + +Boven Petrograd dat vlakbij scheen te liggen, hing een rossige +nevel—waarschijnlijk stond een deel van de groote stad in brand. + +Nu en dan klonk het gehuil der granaten, vlak boven de hoofden der +mannen en even later hoorde men de losbarsting op ongeveer twee wersten +afstand. + +De kleine troep was een dorp binnengetrokken, waar de Witten +dienzelfden dag vasten voet hadden gekregen, en waar zij hun +hoofdkwartier hadden gevestigd, in afwachting, dat zij het naar +Petrograd zouden kunnen overbrengen. + +Het huis van den burgemeester van het dorp, die aan de zijde der +Bolsjewiki streed, was tot verblijf van den staf ingericht. + +Eenige korte bevelen klonken en toen moesten de drie Engelschen de +slede verlaten en het burgemeestershuis binnengaan. + +Zij werden naar een kleine wachtkamer gebracht, waarvan de deur +gesloten werd. Voor de deur hoorden zij het regelmatig op en neder +loopen van een schildwacht. Het kleine vertrek was spaarzaam verlicht +door een petroleumlamp, die zacht aan een ijzeren haak heen en weder +schommelde. + +Dit werd veroorzaakt, omdat onophoudelijk het geheele huis dreunde van +de losbarstingen eener batterij, die juist aan den zoom van het dorp +was opgesteld en vandaar een der voorsteden van Petrograd onder vuur +nam. + +Zwijgend zaten de vrienden bij elkander. + +Weliswaar was de luitenant zeer beleefd geweest, en ook de houding der +soldaten had niets te wenschen overgelaten,—maar zou de generaal in +dezelfde stemming verkeeren? Dat moest worden afgewacht! + +Iets anders dan wachten konden zij trouwens niet doen. + +Er viel niet aan te denken uit dit huis te ontsnappen waar zich een +groot aantal officieren ophielden, terwijl het in de straten krioelde +van soldaten, allen gewapend. + +Neen, er schoot niets anders op over dan rustig te wachten. + +Nog waren er geen volle tien minuten verloopen of er naderden schreden, +en de deur werd geopend. De luitenant trad binnen, en verzocht de drie +Engelschen hem te volgen. + +Raffles zag dat de jonge militair geheel alleen was en dit dacht hem +een gunstig teeken. + +De luitenant geleidde de drie mannen door eenige gangen naar een +vertrek waar zich vier officieren bevonden, die achter een groote tafel +gezeten waren, en tot den staf van het Witte leger behoorden, dat in +deze streek opereerde. + +In één hunner herkende de drie reisgenooten van de portretten in de +Londensche bladen en tijdschriften aanstonds generaal Judenitsch. + +Het gelaat van den legeraanvoerder der Witten had een ernstige en een +weinig stroeve uitdrukking, zooals hij daar onbewegelijk zat, met de +kin in de hand gesteund schijnbaar zonder op het binnentreden der drie +vreemdelingen te letten. + +De luitenant was op de tafel toegetreden en zeide iets op eerbiedigen +toon tot den generaal. + +Toen hief Judenitsch het hoofd op, en de drie tochtgenooten keken in +een paar staalblauwe sterke oogen, onder dichte wenkbrauwen half +verborgen. + +Die oogen bleven een tijdlang strak op de Engelschen gericht, en daarop +wendde hij zich in het Engelsch tot Raffles dien hij blijkbaar dadelijk +als het hoofd van het kleine reisgezelschap erkende: + +—De luitenant heeft mij zooeven medegedeeld dat hij u en uwe +metgezellen midden in de vlakte heeft aangetroffen, mijnheer de graaf. +Hij heeft mij ook medegedeeld dat gij hier gejaagd hebt, en door de +gebeurtenissen zijt overvallen. Ik wil dit wel aannemen, ofschoon velen +u misschien op staanden voet zouden hebben gefusilleerd. + +Raffles dacht aan het gevaar, hetwelk hij en zijn twee makkers nog +slechts weinige dagen geleden hadden geloopen, maar hij wachtte er zich +wel voor, dit avontuur aan generaal Judenitsch mede te deelen! + +De legeraanvoerder wachtte even, alvorens te vervolgen: + +—Ik zou uwe aanwezigheid in deze streken wellicht meer gewaardeerd +hebben—... indien gij niet met drie man, maar met dertigduizend, en zoo +mogelijk met drie honderd duizend waart gekomen, graaf! Ik wil u niet +verzwijgen, dat het mij bitter teleurgesteld heeft, dat uwe regeering +haar troepen uit Rusland heeft teruggeroepen, in stede van ons bij te +staan, ons arm land van het vervloekte Bolsjewisme te zuiveren! De +zaken zouden zeer waarschijnlijk heel anders staan indien de +geallieerden ons de behulpzame hand hadden geboden! Wat dunkt u? + +—Ik weet niet goed wat ik u hierop moet antwoorden, generaal! +antwoordde Raffles. Ik denk echter, dat onze regeering is bezweken voor +den aandrang van de arbeiders in ons eigen land, die aan het +bloedvergieten een einde gemaakt wenschten te zien. Het is een publiek +geheim, dat de regeering te Londen een gevaarlijk spel zou hebben +gespeeld, indien zij den wil van een groot en machtig deel onzer natie +in den wind had geslagen, en een groote legermacht hier had gelaten om +aan uwen strijd deel te nemen, al wenscht zij zelve niets liever, dan +een einde te zien gemaakt aan een toestand, die niet veel langer kan +voortduren, zonder geheel Rusland in den afgrond te doen verzinken. + +Generaal Judenitsch had zwijgend toegeluisterd, en zich nu en dan met +zijn groote, gespierde hand over het voorhoofd gestreken. + +Nu zuchtte hij diep en zeide op doffen toon: + +—Ik kan ook niet van een vreemdeling verwachten, dat hij deze zaak uit +het zelfde oogpunt zal beschouwen als wij Russen! Maar dit zeg ik u +graaf, dat men er te Londen en te Parijs misschien nog wel eens spijt +van zal hebben, niet aan ons verzoek om hulp te hebben gehoor gegeven! + +Generaal Judenitsch trommelde even met een blauw potlood op het blad +van de tafel en hernam op anderen toon: + +—Laten wij hier niet verder over praten, graaf! Het Noodlot moet zich +voltrekken—daar kunnen wij menschen toch niets aan veranderen. Wat uwe +positie betreft—ik wil niet ontkennen, dat zij op dit oogenblik voor u +zeer onaangenaam is. De slag is nog onbeslist—het is evengoed mogelijk, +dat wij er in slagen, Petrograd binnen te rukken, als dat de Rooden +versterkingen krijgen en ons weder terugdrijven! + +De generaal wierp een korten blik op de kaart die voor hem lag +uitgespreid en ging voort: + +—Daar intusschen de kansen, dat wij er in slagen de hoofdstad te nemen, +grooter zijn dan die, dat wij teruggeworpen worden, zoo zal ik u +toestaan naar Petrograd te reizen, maar dan moet gij ook onmiddellijk +vertrekken, want ik kan natuurlijk niet toestaan, dat vreemdelingen de +operaties van mijn leger medemaken! + +—Wij zelven verlangen niets liever, generaal! kwam Raffles haastig. Wij +hebben volstrekt geen geld meer, en een vriend van mij in de hoofdstad +bewaart mijn reispenningen. Er is ons dus alles aan gelegen, zoo snel +mogelijk in Petrograd te komen. + +—Dan zal ik u een pas en een vrijgeleide geven, hernam generaal +Judenitsch. Ik kan echter volstrekt geen aansprakelijkheid voor uw +veiligheid op mij nemen! + +—Dat begrijp ik generaal, hernam Raffles, maar al te verheugd, dat hij +en zijn makkers er zoo gemakkelijk afkwamen. + +—Wat ons betreft—ik hoop dat wij binnen enkele dagen zelve in de +hoofdstad zullen zijn en als gij u dan bij mij wilt aanmelden dan zal +ik trachten uwe terugreis te vergemakkelijken! + +Raffles boog, bij wijze van dankzegging, en de generaal maakte een +gebaar waaruit de Engelschen begrepen, dat hij het gesprek als +geëindigd beschouwde. + +Zij verlieten het vertrek, waar misschien het lot van het onmetelijke +Russische rijk werd beslist, door de weinige mannen achter hunne +stafkaarten aan de groote tafel, en een uur later waren zij in het +bezit van passen, welke het hun mogelijk zouden maken, Petrograd nog +voor het vallen van den nacht te bereiken. + +Een convooi, dat over enkele oogenblikken naar de hoofdstad zou +vertrekken zou hen medenemen. + +En heel wat geruster dan eenige uren geleden, trokken de drie reizigers +nu opnieuw over de sneeuwvlakte, in de richting van den rossigen gloed, +en van de vele lichtjes, die in de verte schenen te wenken. + +Daar lag Petrograd—de stad, om welks bezit zoo heftig gestreden werd! + + + + + + + + +HOOFDSTUK IV. + +FEODORA LESZINSKY. + + +Het was tien uur, toen Raffles en zijn makkers de hoofdstad of liever +een der voorsteden binnen kwamen. + +Aan alles was te zien, dat hier nog niet lang geleden verbitterd +gestreden was. + +Eenige huizen, half in puin geschoten, rookten nog, en overal lagen +paardencadavers, overblijfselen van kanonaffuiten, geweren, +uitrustingsstukken van allerlei aard. + +Maar de Witten waren hier meester, dat was zeker. + +Want overal ontmoette men hunne troepen, die op patrouille waren of +kwartier maakten voor hen die na hen zouden komen. + +Uit eenige uitroepen, welke hij opving maakte Raffles op, dat meer dan +de helft van de hoofdstad in handen der Witten was en dat de Rooden +zich nog met de grootste hardnekkigheid verdedigden ten Oosten van de +Newa rondom het Alexander Newsky-Plein, op het Basilius Eiland, en bij +het Admiraliteitsplein. + +De Witten schenen echter te hopen, dat zij er binnen vier en twintig +uur in geslaagd zouden zijn, de tegenpartij geheel en al uit de stad te +verdrijven. + +Eindelijk hield de aanvoerder van het konvooi zijn paard in en zeide +tot de drie Engelschen: + +—Ik heb bevel, U tot hier te begeleiden, mijne heeren! Hier scheiden +zich onze wegen dus. Ik wil U nog slechts den raad geven u niet al te +ver in het centrum van de stad te wagen want gij kunt hier het gedonder +van het geschut hooren, en er wordt daarginds hevig gestreden. Op den +linker oever van de Newa zult gij echter genoeg hotels vinden—die +echter ongehoord duur zijn—daarvoor waarschuw ik u! + +—De linkeroever is dus nog in handen der Witten? vroeg Raffles. + +—Dat was hij althans nog een paar uur geleden! + +—Dan kan ik van geluk spreken, want mijn vriend, die mijn geld in +bewaring heeft, woont daar! Wij zullen er nu aanstonds heengaan! + +—Ik vrees dat gij dan zult moeten loopen, mijne heeren, want gij zult +wel vruchteloos op een huurslede of een rijtuig wachten! + +Dat begrepen Raffles en zijn metgezellen ook—de huurkoetsiers zouden er +wel niet veel voor gevoelen, naar het centrum der stad te rijden, +terwijl ieder oogenblik de kansen konden keeren, en een granaat hen en +hun voertuig kon verpletteren! + +En zoo namen zij afscheid van den aanvoerder van het konvooi en trokken +te voet de stad verder in. + +—Waar gaan wij nu het eerst heen? vroeg Charly, toen zij een paar +honderd meter verder waren. + +—Naar den Engelschen Consul, die mijn geld in bewaring heeft, +antwoordde Raffles. Wij zijn hier wel in een stad, die voor de helft +nog in handen is van lieden die niets van geld willen weten, maar +zonder dat aardsche slijk zouden wij toch in een uiterst onaangename +positie komen. Ik zou werkelijk niet weten hoe wij naar ons eigen land +zouden kunnen terugkeeren. Hij woont hier niet ver vandaan en ik denk +wel dat hij op dit oogenblik thuis is, want men gaat thans werkelijk +niet voor zijn genoegen de straat op! + +Dat was zeker zoo want op niet al te verre afstand was de hemel rood +van de vlammen, die uit sommige stadswijken opstegen, en de lucht was +vervuld van het gedonder van het geschut, terwijl nu en dan vuurpijlen +opstegen, zoeklichten den hemel afzochten en granaten met donderend +geweld uiteenbarstten. + +Na een half uur loopens hadden de drie mannen het fraaie huis van den +consul bereikt, en Raffles begaf zich alleen naar binnen, toen de +bediende hem op zijn schellen had medegedeeld dat zijn meester tehuis +was. + +Hij bleef nauwelijks tien minuten weg en keerde met een vergenoegd +gelaat terug. + +—Nu kunnen wij tenminste ergens onderdak krijgen! riep hij uit. Want +men mag zeggen wat men wil—zelfs hier, in het brandpunt van het +Bolsjewisme, is het geld nog altijd de bewegingszenuw van het geheele +stoffelijke bestaan! + +—Waar gaan wij heen? vroeg Charly. + +—Naar een goed hotel. Ik weet er een aan het Newsky-Prospect. Het +Alexander Hotel. Het is een der eerste van de stad. + +—Maar ligt het in een buurt, die voor ons veilig is, dat wil zeggen, in +een stadswijk, welke in handen van de Witten is? hernam Charly. + +—Ja. + +—Nu, dan moeten wij er maar spoedig heengaan! Ik wil wel bekennen, dat +ik tamelijk vermoeid ben na al die avonturen van de laatste dagen! + +—Een goed souper—voor zoover het te krijgen is!—en een goed bed zullen +ons wel weder geheel doen bekomen van onze ontberingen, beste jongen! +zeide Raffles. En nu snel op weg, want het wordt al laat, en ik ben er +niet zeker van of men ons wel zal opnemen nu er nog zoo hevig gevochten +wordt. + +De drie reisgenooten begaven zich op weg en twintig minuten later +stonden zij voor het groote hotel, dat thans echter een somberen indruk +maakte daar bijna alle lichten daarbinnen gedoofd waren, zeker om geen +doelwit op te leveren voor vijandelijke vliegers. + +Het deed wel zeer zonderling aan dat er dicht bij de deur een sierlijk +uitgedoste portier op post stond, alsof men zich in vollen vrede +bevond, en er niet vlak in de buurt slechts weinige uren geleden +verbitterd gestreden was. + +De man ontving de drie reizigers zoo rustig, dat het hun een oogenblik +was alsof zij al hun avonturen van de laatste dagen slechts gedroomd +hadden en dat er geen sprake was van strijd tusschen zonen van één +stam. + +Raffles vroeg naar kamers, en het bleek dat er nog verscheidene open +waren, zij het dan tegen prijzen, welke vroeger eenvoudig ondenkbaar +geweest zouden zijn. + +Voor twee kleine kamers moest Raffles honderd vijftig roebels per nacht +betalen! + +Hij vertrok echter geen spier van zijn gelaat en besprak de kamers. + +—Zijn er veel reizigers? vroeg hij toen. + +—Naar de omstandigheden te rekenen, vrij wat mijnheer! antwoordde de +man. Er zijn veel Duitschers die hier zaken komen doen. + +Raffles keek Charly glimlachend aan. + +—Steeds de ouden gebleven! zeide hij zacht. Zij zouden zaken gaan doen +in de hel, als het mogelijk was om daarheen te gaan—en er ook weder +vandaan te komen. Intusschen—wij hebben vrede met elkander gesloten, en +ik denk er niet aan ergens anders heen te gaan! Wij zouden daar +trouwens zeer waarschijnlijk ook onze oude tegenstanders aantreffen! + +De drie mannen begaven zich nu allereerst naar de hun aangewezen +vertrekken. + +Raffles en Charly zouden er een van betrekken, Henderson het tweede, +aan de tegenovergestelde zijde van de gang gelegen. + +Nadat zij zoo goed en zoo kwaad als het ging toilet hadden gemaakt, +begaven Raffles en Charly zich naar de groote eetzaal, terwijl +Henderson afzonderlijk zou avondmalen. + +De brave kerel zelf bleef er onder alle omstandigheden op staan dat “de +afstand zou worden bewaard” zooals hij het noemde. + +Honderden malen had hij, in den loop van gevaarvolle avonturen en +reizen, gezamenlijk met zijn meester de maaltijden gebruikt, en met hem +in dezelfde hut, onder dezelfde tent geslapen. + +Maar niet zoodra was men weder in de beschaafde wereld terug, of hij +wilde weder de chauffeur van Zijne Lordschap zijn, en niets anders. + +En zoo zaten dan de twee vrienden in de groote eetzaal, waarvan de +gordijnen zorgvuldig waren dichtgetrokken, zoodat er geen licht naar +buiten kon doordringen. + +Het souper-uur had juist geslagen en de zaal was vrij goed bezet, en +wel met een zoo zonderling allegaartje, als men daar in tijden van +vrede zeker niet bijeen had aangetroffen. + +Er zaten daar Polen, binnen enkele jaren schatrijk geworden, er waren +Galicische Joden die hun voordeel hadden weten te doen met de +conjunctuur, en in eens schatten hadden verdiend, er zaten militairen, +thans uitsluitend Witten, en dan was er een groot aantal +demi-mondaines, die eensklaps als paddestoelen uit den grond schenen te +zijn geschoten. + +Ten slotte kon men er wel zeker van zijn, dat er in deze zaal ook +eenige Bolsjewiki zaten—maar zij pasten wel op, dat men ze niet als +zoodanig zou herkennen! Er werd zeer veel wijn en champagne gedronken, +die met fabelachtige prijzen werd betaald, en als men de met spijzen +beladen tafels zag, dan kon men zich niet begrijpen, dat er in de +buitenlandsche bladen van “ontzettend gebrek” werd gesproken—als men +niet wist, dat de gewone burger zich dan ook dit voedsel onmogelijk kon +verschaffen, wegens de ongehoorde prijzen. + +Op dat tijdstip kostte te Petrograd, een goed middagmaal, zonder wijn +evenwel, ongeveer honderd zeventig roebels! + +Toen Raffles en Charly hadden plaats genomen, trad er juist een vrouw +binnen op wie zich dadelijk aller blikken vestigden. + +Zij was zeer schoon en van waarlijk vorstelijke gestalte. + +Fluweelzwarte oogen in een ovaal, eenigszins olijfkleurig gelaat, een +kleine roode mond, als met een penseel getrokken wenkbrauwen, donzen +wangen, en een prachtige hals, overgaande in een weelderigen boezem, +welke een Titiaan zou hebben verrukt. + +Zij was in gezelschap van een kleinen zwarten man, die haar met groote +eerbied scheen te behandelen. + +In de sierlijk gevormde ooren schitterden twee zeer groote diamanten, +en haar ver ontbloote hals was omgeven door een snoer parelen van +groote waarde. + +Ook haar vingers leken wel vonken te schieten zoo waren zij overladen +met juweelen ringen. + +Zij scheen even rond te zien, en ging toen naar een nog onbezet +tafeltje, niet ver van de beide vrienden verwijderd. + +—Een zeer schoone vrouw! zeide Charly op zachten toon. + +—Ja, zij heeft een Poolsch type. Als de Poolsche vrouwen schoon zijn, +dan zijn zij ook ware Venussen. + +—Men kan wel zien, dat de Witten hier thans de overhand hebben, anders +zou zij het zeker niet wagen in het publiek met zooveel kostbaarheden +te pronken. + +—Dat mag je wel zeggen—en ik vind het tamelijk gedurfd, want niemand +kan immers weten hoe de zaken reeds morgen zullen staan. Als de Rooden +het verloren terrein terugwinnen—als die vrouw dan nog hier is—en als +de Bolsjewiki zich haar opschik herinneren, dan zal zij die niet veel +langer meer bezitten. + +—Zou dat kleine mannetje met zijn stekende oogjes haar echtgenoot zijn? + +—De man heeft inderdaad het type van den echtgenoot eener buitengewoon +schoone vrouw. Ik heb opgelet, dat bevallige en groote vrouwen dikwijls +gehuwd zijn met kleine onbeteekenende mannen. Misschien deden zij het +om hun schoonheid des te beter te doen uitkomen! + +—Dat is weer juist iets voor jou, Edward! zeide Charly verwijtend. + +—Laten wij dan in dit geval aannemen, dat die man haar broeder is—of +haar minnaar. Voor haar vader is hij veel te jong. Hij kan +ternauwernood veertig jaren zijn. + +De kellner kwam aandragen met het bestelde, en de beide vrienden zetten +zich aan den maaltijd. + +Maar intusschen hield Raffles geen oog van de schoone vrouw, die +zooeven was binnengetreden en die in hooge mate zijn belangstelling +scheen te trekken. + +Eensklaps bleef hij een paar seconden doodstil zitten, met zijn lepel +halverwege zijn bord en zijn lippen. + +Maar reeds het volgende oogenblik at hij rustig verder. + +Charly had echter goede oogen, en hij had de verbazing van Raffles +gezien. + +—Wat was er—waar keek je zoo naar? vroeg hij nieuwsgierig. + +—Ik keek naar onze schoone Poolsche, Charly, antwoordde Raffles zacht. + +—Maar je zag er zoo verwonderd uit. + +—Dat was ik ook, en ik hoop dat jij het alleen gemerkt hebt! + +—Hoezoo? vroeg Charly, wiens verbazing toenam. + +—Wel, de kellner drukte haar zooeven een papiertje in de hand! + +—De onze? + +—Neen, hij bedient aan haar tafeltje. + +—Wat zou dat eigenlijk? Ik houd die vrouw voor een zeer welgestelde +demi-mondaine—en die kellner kan wel haar amant zijn! + +—Dat is niet erg waarschijnlijk, want zij verstopte eerst snel het +briefje, haalde het daarna zoogenaamd uit haar zilveren beugeltasch, +las het en liet het toen aan haar metgezel zien. Ik heb er wel niet +veel verstand van, maar ik geloof toch niet dat dit gebruikelijk is +onder minnaar en minnares! + +—Wel, dan zal het iets anders zijn, hernam Charly. Misschien een +briefje van iemand die buiten op antwoord wacht! + +—Waarom was de kellner dan zoo bevreesd, dat anderen zouden zien hoe +hij het papiertje overhandigde? Neen,—zij verwachtte dat briefje, want +toen de man naderde liet zij haar hand langs de tafel afhangen en hij +duwde het er vliegensvlug in. + +—Nu, dan weet ik het niet! hernam Charly, die niet veel beteekenis aan +het geheele voorval scheen te hechten. + +Maar het was duidelijk dat Raffles er anders over dacht. + +Na eenigen tijd te hebben gezwegen en de schoone vrouw van ter zijde te +hebben opgenomen, vervolgde hij: + +—Wat den kellner betreft, die haar het papiertje in de hand +moffelde—heb je niets bijzonders aan den man gezien? + +—Neen, ik vind hem alleen niet heel mooi! + +—Dat is hij ook niet—maar ik meen iets anders! Die man is in het geheel +geen kellner! + +—Lieve hemel, Edward,—waarom denk je dat? vroeg Charly verwonderd. + +—Omdat hij niet bedienen kan! Kijk hem eens onhandig omgaan met zijn +schalen en flesschen! Zóó draagt geen enkele kellner zelfs niet uit een +ordinair wijnhuis een schaal met gerechten en een flesch champagne! + +—Misschien is hij wel pas kellner geworden! + +—Dat zou dan gisteren geweest moeten zijn! + +—Vertel mij eens wat er eigenlijk in je omgaat, Edward, kwam Charly. Ik +begin in te zien, dat je blijkbaar aan deze zaak veel meer gewicht +hecht dan ik! Wat denk je toch? + +—Ik denk dat hier een klein—of wellicht een groot complot gesmeed +wordt, beste Charly! Zulke opvallend mooie vrouwen, in gezelschap van +zulke opvallend kleine en onbeteekenende mannen, die briefjes aannemen +van kellners, die geen kellners zijn en die zulke schitterende juweelen +dragen, ofschoon de Rooden op een geweerschot afstand staan—dat +beteekent niet veel goeds! + +Charly had zijn vork laten rusten en keek Raffles onderzoekend aan. + +—Als ik niet meende, dat wij hier wel iets anders te doen +hebben—namelijk zoo spoedig mogelijk heen te gaan—dan zou ik durven +wedden, dat je veel lust hebt hier te blijven, alleen om te zien, wat +er met die mooie cocotte, en dien kellner gaat gebeuren! + +—Je zoudt je weddenschap gewonnen hebben, Charly—want dat ben ik +inderdaad voornemens! + +—Je drijft er zeker den spot mee? riep Charly verschrikt uit. + +—Ik meen het in volle ernst! + +—In deze stad die wel een vulkaan gelijkt, welke ieder oogenblik tot +uitbarsting kan komen? + +—Ik kan het niet helpen, dat dit interessante feit zich juist hier +afspeelt, hernam Raffles bedaard. + +—Maar als die vrouw werkelijk gevaarlijk is, en iets in den zin heeft, +dan branden wij onze vingers, als wij er ons mede bemoeien! ging Charly +voort. + +—Wij kunnen oppassen! + +—Maar die vrouw hoort hier misschien in het geheel niet thuis! hield +Charly wanhopig aan. + +—Dat is te onderzoeken—en als zij werkelijk niet in de stad thuis +hoort,—wel, dan zullen wij haar volgen! Maar wij zullen spoedig +zekerheid kunnen hebben! + +Hij wenkte den kellner die hen bediend had, en die dadelijk gedienstig +kwam toesnellen. + +Raffles wees op de schoone vrouw aan het andere tafeltje en vroeg op +zachten toon: + +—Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend, wie die dame daarginds is en +hoe zij heet? + +De kellner wierp een vluchtigen blik in de aangeduide richting en zei +toen: + +—Wie zij is, zou ik U niet kunnen zeggen mijnheer, maar zij heet +Feodora Leszinsky, en zij is denkelijk een Poolsche, zeer rijke +demi-mondaine. + +—En die heer naast haar? + +—Wij houden hem voor haar minnaar, ofschoon hij niet in dit hotel +logeert. + +—Dus dat doet die dame wel? vroeg Raffles op levendigen toon. + +—Ja mijnheer, zij heeft twee prachtige kamers op de tweede verdieping. + +—Zeker nog niet lang? vroeg Raffles als terloops. + +—Sedert gisteren! + +Raffles knikte den kellner toe en deze trok zich weder terug. + +Raffles bleef eenige oogenblikken in gedachten zitten en hief toen +eensklaps het hoofd op. + +—Ik gaf er heel wat voor, als ik wist wat er in het briefje stond, dat +de kellner haar zooeven tersluiks in de hand heeft geduwd, zeide hij op +zachten toon. + +—Je kunt het haar moeilijk vragen, Edward! meende Charly. + +—Neen, dat zal niet gaan, hernam Raffles met een flauwen glimlach. Wij +zouden echter kunnen trachten het briefje door list in handen te +krijgen! + +—Maar mijn hemel! hecht je daar dan zoo bijzonder aan? + +—Ja, zeer bijzonder. Ik weet niet wat het is, maar die vrouw oefent een +ongeloofelijke aantrekkingskracht op mij uit. + +—Ha, ha! Eindelijk heb je je dan toch eens bloot gegeven! riep Charly +op zegevierenden toon uit. Eindelijk ben je dan toch onder den invloed +van de schitterende bekoorlijkheid van die vrouw! + +—Je vergist je, Charly—ik denk alleen aan haar schitterende diamanten, +hernam Raffles lakoniek. Haar uiterlijk is mij volkomen onverschillig. + +Charly maakte een gebaar van teleurstelling en bromde zuchtend voor +zich heen. + +—Onverbeterlijk! Onverbeterlijk! + +Raffles had intusschen rustig een paar halen aan zijn cigaret gedaan, +waarvoor hij echter drie roebel had moeten betalen en scheen in +gedachten verzonken. + +Toen boog hij zich naar Charly over en zeide: + +—Zij heeft het briefje in haar boezem weggemoffeld en het zal inderdaad +wat lastig zijn om het uit die schuilplaats te voorschijn te brengen, +zonder dat zij het bemerkt. Maar er zal toch een oogenblik komen dat +zij zich van haar kleederen ontdoet en het briefje wegbergt en dat +oogenblik moeten wij benutten. + +—Tenminste als zij het niet voor dien tijd verscheurd heeft! merkte +Charly op. + +—Dat zouden wij moeten afwachten! + +—Zeg mij nu eens duidelijk wat je plannen zijn! + +—Vannacht in haar kamer binnendringen en naar het briefje zoeken. + +—En als zij ontwaakt? + +—Snel heengaan en doen als of er geen wolkje aan de lucht is. + +—En als zij haar revolver neemt en op je schiet, zooals Poolschen dat +gewend zijn? + +—Bidden, dat zij zal misschieten. Heb je nog meer aanmerkingen? + +Charly maakte een stom gebaar van wanhoop, en schudde ontkennend het +hoofd. + +—Het blijft dus afgesproken, ging Raffles voort. Wij logeeren ook op de +tweede verdieping, en het zal gemakkelijk zijn het nummer van haar +kamers te weten te komen. + +—Als je er dan volstrekt op gesteld bent je hoofd in een strop te +steken, Edward en haar kamer binnen te dringen, dan zou ik in +overweging willen geven, eenvoudig haar juweelenkistje onder den arm te +nemen, en zoo spoedig mogelijk te verdwijnen zonder je verder met dat +briefje van den kellner te bemoeien. + +—Pardon, dat briefje kon weleens de hoofdzaak zijn, en veel meer waard +dan haar juweelen! + + + + + + + + +HOOFDSTUK V. + +DE AANSLAG OP JUDENITSCH. + + +Charly gaf zich gewonnen, daar hij wel inzag dat Raffles zich vast had +voorgenomen om het geheim te doorgronden, en niet eerder zou rusten, +voor hij den inhoud van het briefje ontdekt had. + +—Kan ik je tenminste helpen? vroeg hij. + +—Neen, mijn jongen, ik geloof dat het beter is als ik dit alleen doe, +in een hotel opereert men beter alleen! + +De eetzaal was nu langzamerhand leeggeloopen en de schoone Poolsche +stond nu ook op en liet zich door haar kleinen donkeren metgezel haar +bontmantel omhangen en verliet met denzelfden koninklijken tred +waarmede zij gekomen was, de zaal. + +Maar van dat oogenblik af zou zij niet meer ontkomen aan den spiedenden +blik van den Grooten Onbekende. + +Raffles wenkte den kellner, betaalde hem—gaf dertig roebel fooi, wat +maar juist even voldoende bleek te zijn, waarop hij zich haastte er +vijftig van te maken en verliet op zijn beurt met Charly de eetzaal. + +In het hotel was als schrille tegenstelling met den nood der tijden een +danszaal ingericht waarin een strijkje van Hongaren meesleepende +dansmuziek speelde. En in die zaal danste men als of er niet nog steeds +om het bezit van de stad gestreden werd tusschen de Witten en +Rooden—men danste er, zooals de edellieden tijdens het hoogtepunt van +de Fransche Revolutie in hun gevangenis in de Bastille dansten, tot op +het oogenblik dat zij met karren tegelijk naar de guillotine werden +gevoerd. + +De Poolsche was deze zaal binnengetreden, en zij vertoefde er bijna een +uur. + +Raffles scheen volstrekt geen vermoeienis meer te gevoelen, en bewaakte +haar evenals een kat het een muizenhol doet. + +Maar toen scheen zij er genoeg van te hebben, en zij ruischte weg, +nagezien door alle heeren in de zaal, terwijl de kleine zwarte man, die +steeds in haar gezelschap was geweest, achterbleef. + +Feodora Leszinsky begaf zich naar hare kamer, en Charly vroeg op +fluisterenden toon: + +—Nu zal het dus voor ons ook tijd worden om onze kamers op te zoeken? + +—Ja, mijn jongen! antwoordde Raffles, het doet mij leed dat ik je van +een deel van je nachtrust beroofd heb, maar wezenlijk, deze zaak houdt +mij zoozeer bezig dat ik niet zal rusten, alvorens ik ze tot klaarheid +heb gebracht. Ik zelf zal een paar uur rust nemen en dan zullen wij +eens zien wat het briefje bevat! + +De beide vrienden zochten hun kamer op, na zich te hebben vergewist dat +de logeerkamer van de schoone Poolsche inderdaad op hun eigen +verdieping gelegen was en dat zij zich in haar appartementen had +teruggetrokken. + +Het was omstreeks één uur in den nacht. + +Men hoorde hier zeer zacht en gedempt de tonen opklinken van het kleine +orkestje in de danszaal, waar men, zooals de kellner verzekerd had, den +geheelen nacht zou blijven doordansen! + +Dit maakte natuurlijk de onderneming van Raffles niet gemakkelijker, +daar hij nu rekening moest houden met de mogelijkheid, dat hij op de +gang nog gasten zou tegenkomen. Hij was echter niet van zins zich +daarom van zijn voornemen te laten terughouden. + +Ofschoon Charly poogde, zoolang mogelijk wakker te blijven, won de +vermoeienis het van hem en hij sluimerde in. + +Wat Raffles betreft—hij had zich voorgenomen om juist half vier in den +morgen wakker te worden—en het scheelde ook geen vier minuten! + +Hij sprong zonder eenig gerucht te maken uit het bed, schoot snel +eenige kleedingstukken aan, liet zijn revolver in zijn zak glijden, en +zijn kleine electrische zaklantaarn, die hem steeds had vergezeld. + +Vervolgens opende hij behoedzaam de deur van zijn kamer en keek in de +gang. + +Deze was flauw verlicht door een paar kleine electrische lampjes in de +zoldering aangebracht, en lag daar stil en verlaten, maar daar beneden +klonk de zachte gedempte dansmuziek nog altijd door—en tegelijkertijd +kon men hier duidelijk het dof gerommel van het geschut hooren! + +Raffles bedacht zich echter niet, maar trad naar buiten, trok zachtjes +de deur achter zich dicht en stak snel de gang over. + +Hij wist dat Feodora Leszinsky een kamer als slaapvertrek gebruikte +terwijl de andere als een soort salon werd benut. + +Hij stond nu voor de deur van dit laatste vertrek en draaide behoedzaam +aan de kruk. + +Zooals hij wel kon verwachten, was de deur van binnen met den sleutel +gesloten. Dit was echter voor iemand als Raffles geen bezwaar. + +Hij haalde een klein instrument te voorschijn, hetwelk de Witte met +zijn sleutelbos en nog wat andere schijnbare waardelooze voorwerpen in +zijn bezit hadden gelaten, stak dit in het slot, en draaide van buiten +af voorzichtig den sleutel in het slot om. + +Deze manoeuvre had nauwelijks eenige seconden geduurd. + +Raffles vergewiste zich nog eens dat men hem niet bespiedde, en opende +vervolgens snel en geruischloos de deur welke hij dadelijk weer achter +zich sloot. + +Het was stikdonker in het vertrek, maar de deur die tot het +slaapvertrek toegang gaf stond op een kier, en vandaar drong een flauw +lichtschijnsel in den salon door—er brandde dus een nachtlicht in het +slaapvertrek. + +Het eerste wat Raffles deed, was naar deze tusschendeur te sluipen en +haar te sluiten. + +Het tweede was zich te overtuigen dat het raam uitzicht gaf op een +balkon dat langs den geheelen zijgevel van het hotel liep, en aan welks +einde zich een brandladder bevond. + +Na zich op deze wijze te hebben vergewischt, dat zijn aftocht gedekt +was in geval van nood, schoof Raffles de gordijnen weder dicht en +ontstak zijn zaklantaarn, teneinde het vertrek te onderzoeken. + +Er stonden niet veel, maar zeer fraaie meubels en daaronder was een +klein schrijfbureau van rozenhout waarvan het blad gesloten was. + +Raffles trad er dadelijk op toe, onderzocht met kennersoog het slot, +haalde minachtend de schouders op en opende het blad met evenveel gemak +alsof er een sleutel op gezeten had. + +Het Bureau scheen gebruikt te worden, want er lag briefpapier in en een +vloeilegger, een sierlijke schrijfmap, en de laden, eveneens voor een +deel gesloten, bleken brieven te bevatten. + +Raffles haalde er eenige uit de enveloppen en las ze vluchtig door. + +Deze lectuur scheen hem groot belang in te boezemen, want een half uur +later las hij nog altijd! + +Zijn gelaat teekende verrassing, toen hij eindelijk de laadjes weder +dicht schoof, na de brieven weder allen op hun plaats te hebben gelegd. + +Hij wilde ook de klep reeds weder sluiten, toen zijn oog viel op een +slordig opgevouwen stukje papier, dat half uit de schrijfmap stak. + +—Dat papiertje lijkt al zeer veel op het briefje hetwelk de kellner +heden avond aan onze schoone dame ter hand stelde! dacht hij. + +Hij vouwde het open en las slechts deze woorden: + +—“Houd je gereed. Word een dezer dagen in dit hotel verwacht.” + +Een oogenblik bleef Raffles in gedachten met het briefje in de handen +staan en daarop stak hij het weder in de schrijfmap en sloot het +bureau. + +Een oogenblik hield de gedachte hem bezig, dat er in het naastgelegen +vertrek voor een waarde van minstens honderd duizend roebel aan +juweelen was te vinden—maar Raffles scheen andere plannen te +hebben—want hij opende slechts weder de tusschendeur op een kier, +zooals hij ze gevonden had, en verliet het vertrek zonder meer leven te +maken, dan een vos zou hebben gemaakt. + +Hij overtuigde zich dat de weg veilig was en stond met een paar +sprongen weder voor zijn eigen kamer. + +Een minuut later had hij zich weder ontkleed en te bed begeven. + +Charly sliep nog altijd rustig en Raffles dacht er niet aan hem wakker +te maken, ofschoon hij in de kamer van de schoone Poolsche zeer veel +belangrijks had ontdekt..... + + + +De beide vrienden sliepen voor hun doen zeer lang en stonden pas om +half negen volkomen uitgerust en verkwikt op. + +Zij namen een bad en daarop bracht een étage-kellner het eenvoudig +ontbijt in hun kamer bestaande uit chocolade en kleine broodjes. + +Toen zij voor het raam gezeten waren, vanwaar zij een prachtig gezicht +hadden op het Newa Prospect, vroeg Charly nieuwsgierig: + +—Nu zult je toch den tijd voor de confidenties wel aangebroken achten, +mag ik vragen of ge iets bijzonders ontdekt hebt in de kamer van de +schoone Feodora? + +Raffles knikte bevestigend, nam een teug van de geurende chocolade en +zeide toen langzaam: + +—Wat ik daar vond was zeker van gewicht! Wat denk je wel dat die mooie +demi-mondaine inderdaad is? + +—Hoe zou ik dat kunnen weten? Misschien wel een voormalige +grootvorstin. + +—Neen, dat niet bepaald! Zij is in dienst van de Rooden! + +—Wat zeg je daar? Dus een Bolsjewiki? riep Charly verbaasd uit. + +—Niets meer en niets minder. Ik heb in haar bureau een gansche +correspondentie gevonden met een Luitenant van Lenin. Zij heeft hier +een zending te vervullen en daarom heeft zij, hoewel slechts voor +tijdelijk, haar intrek in dit hotel genomen! Weet je wie hier verwacht +wordt? + +—Lenin zelf misschien? + +—Neen, Generaal Judenitsch! + +—Judenitsch? Hier? Hoe weet je dat? + +—Het stond in het briefje hetwelk de kellner haar gisteren in handen +speelde! Weliswaar werd daarin alleen de voorletter J genoemd, maar er +kan niet aan getwijfeld worden of hij is bedoeld, afgaande op de +overige correspondentie welke ik verwacht heb. + +—En zij? Wat is haar taak? + +—Haar taak is tweeërlei.—Zij moet trachten zich van de krijgskas +meester te maken waarover hij het beheer heeft, en daarna moet zij hem +dooden! + +Charly verbleekte. + +—Vreeselijk! zeide hij toonloos. Een sluipmoordenares dus! + +—Ja, maar zoo zullen de Rooden het natuurlijk niet noemen, ging Raffles +kalm voort. Zij zullen haar wel wreekster of iets dergelijks noemen, en +in geval zij terecht gesteld wordt, heet zij natuurlijk een martelares! + +—Maar je zult dat toch aanstonds bij de politie aangeven? riep Charly +uit. + +—Geen haar op mijn hoofd denkt daar aan! antwoordde Raffles rustig. Ten +eerste is het begrip politie wat al te vaag op dit oogenblik, en in +deze stad. Vergeet niet dat wij hier in een stad zijn, die tot op +gisteren altijd in handen van de Bolsjewiki is geweest, en waar dus óók +de politiemacht onder controle van Lenin en Trotsky stond! Maar al is +dat niet zoo, ik heb heel andere plannen! + +—Wat ben je van zins? + +—Ik wil, om te beginnen de juweelen van die Poolsche hebben, want zij +zijn zeer schoon en zij zijn haar waarschijnlijk verschaft door het +Roode Hoofdkwartier, dat er ook wel niet op een eerlijke wijze zal zijn +aangekomen. Die heeft zij natuurlijk gekregen om naar behooren haar rol +van rijke Poolsche te spelen. Zij moet door haar schoonheid Generaal +Judenitsch tot zich lokken—en dan zou de rest haar niet moeilijk +vallen. + +—Maar waarom heb je die juweelen dan eenvoudig van nacht niet +meegenomen? ging Charly voort. + +—Dat zou zeer gevaarlijk zijn geweest, vergeet niet dat wij hier in een +zeer gevaarlijke omgeving zijn, en dat wij letterlijk aan de genade of +ongenade zijn overgeleverd van de partij die toevallig de overhand +heeft! Iedereen kan ons naar onze passen vragen en ons in de gevangenis +laten werpen! Een juweelendiefstal zou natuurlijk dadelijk ontdekt +zijn, en wat zou er met ons gebeuren, denk je, als men die kostbare +steenen bij ons vond? Je zult misschien aanvoeren, dat wij dadelijk de +vlucht hadden kunnen nemen, maar ik verzeker je dat we niet ver gekomen +zouden zijn! In ons land gaat men eenvoudig in een trein zitten, of wij +hebben onze auto bij de hand, of wij trekken ons eenvoudig terug naar +één van onze landgoederen, onder één of andere vermomming, maar dat +gaat ditmaal niet. Ik wist daarenboven, dat die diamanten mij niet +zouden ontgaan, als ik slechts den goeden weg volgde. + +—En mag ik weten wat die goede weg is? + +—Heel eenvoudig! Ik zal de plaats innemen van Generaal Judenitsch! + +Charly liet een lichten kreet hooren, en bijna was zijn kop chocolade +hem uit de hand gevallen. + +Hij staarde Raffles met wijd geopende oogen aan en zeide toen, nadat +hij zich hersteld had op ironischen toon: + +—Wel zeker—dat is bijzonder eenvoudig! Het kon bijna niet eenvoudiger! +Ik begrijp niet, dat ik daar zelf niet op ben gekomen. + +—Je drijft er den spot mede, hernam Raffles kalm, en je denkt dat het +moeilijk zal zijn, om mijn plan ten uitvoer te brengen. + +—Moeilijk? maar Edward, het is volkomen onmogelijk! + +—Waarom, als ik vragen mag? + +—Waarom? Wel om alles! riep Charly uit. + +—Noem mij dan eens eenige redenen, wat ik je verzoeken mag. + +—Daar is om te beginnen het uiterlijk! Je hebt ditmaal niets +medegenomen om je te kunnen vermommen, en het weinige dat je had, is +met onze bagage verloren gegaan! + +Raffles haalde de schouders op en sprak: + +—Ik erken dat dit een bezwaar is, maar het is niet onoverkomelijk. Je +zult je herinneren, Charly, dat ik je eens heb medegedeeld, hoe ik in +alle hoofdsteden der voornaamste landen van Europa, te Berlijn zoowel +als te Parijs, te Madrid, te Rome, te Weenen en te Petrograd een +kleinen voorraad van vermommingen bezat, die in geval van nood moesten +dienst doen. + +—Zeker herinner ik mij dat, Edward, maar je gelooft toch niet dat +tijdens den oorlog die bergplaatsen en die kleine kamertjes welke je +gehuurd had of zelfs de kleine huizen welke je bezat, onaangeroerd zijn +gebleven! + +—Dat mag ik tenminste niet hopen, Charly, antwoordde Raffles. In die +jaren zal er heel wat gebeurd zijn, vooral in de oorlogvoerende landen, +maar in ieder geval zullen wij dadelijk op onderzoek uitgaan en zien +hoe of het met mijn woning staat! + +—Die is natuurlijk al lang door anderen in bezit genomen! + +—Dat is zeer wel mogelijk, maar dat zou niet hinderen zoo lang men mijn +geheime bergplaatsen niet heeft ontdekt! + +—En als dat wel het geval is? + +—Dan zouden wij ons moeten wenden tot een of anderen Theaterkapper! Ik +erken dat dit lang niet hetzelfde is, maar na eenige uren werk zouden +wij hetgeen de man ons verschaft, voldoende hebben kunnen veranderen. + +—Maar de uniform, Edward? Hoe kom je daar aan? + +—Judenitsch draagt een zeer eenvoudige generaalsuniform, en toen wij +hem zagen was hij in veldtenue. Een dergelijke uniform is zeer +gemakkelijk ergens te krijgen—wij zullen er aanstonds eens op uitgaan. + +—Zijn ridderorden? + +—Namaken of bij een opkooper aanvragen. + +—Zijn gevolg? + +—Hij komt hier niet met zijn geheelen staf, maar slechts met zijn +adjudant en dat ben jij! + +—Maar ik ken niet voldoende Russisch! + +—Er wordt ook niet van je verlangt dat je je mond opendoet! + +Charly zocht met inspanning naar nog andere tegenwerpingen, maar hij +kon er geen vinden en liet zich wanhopig achter in zijn stoel vallen, +terwijl hij een gebaar van machteloosheid maakte. + +Toen bromde hij: + +—Ik zeide het al—er is niets aan te doen. Dan moet het noodlot zich +maar voltrekken! + + + + + + + + +HOOFDSTUK VI. + +TOEBEREIDSELEN. + + +Nu Raffles zich éénmaal vast had voorgenomen, om zijn plan ten uitvoer +te brengen, begon hij ook dadelijk met koortsachtigen ijver aan de +toebereidselen. + +Charly had zich in het onvermijdelijke geschikt en ondanks zichzelf +bewonderde hij de weergalooze stoutmoedigheid van dezen man, die zelfs +onder deze omstandigheden niet terugschrok voor een onderneming welke +ieder ander zeker als waanzinnig en tot mislukken gedoemd zou +beschouwen! + +Dadelijk na het ontbijt verlieten de beide mannen het hotel, nadat zij +Henderson hadden gewaarschuwd. + +Deze kreeg in opdracht zoo mogelijk voor een zeer snelle auto te zorgen +ofschoon dat zeker niet gemakkelijk zou zijn, daar Henderson alleen +maar Engelsch sprak. + +Raffles en Charly wisten een huurauto machtig te worden en de eerste +gaf den chauffeur het adres op van een kleine straat dicht bij het +Admiraliteitsplein. + +De man scheen even na te denken, en zeide toen: + +—Dat zal U honderd roebel kosten, mijnheer, ik geloof dat die buurt nog +door de Rooden onder vuur wordt genomen. + +—Dat kunnen wij afwachten, zeide Raffles bedaard. + +Zij stapten in en de auto zette zich in beweging. + +De chauffeur had vrij wat moeite het voertuig naar de hem opgegeven +plaats te brengen, want hier en daar lag de sneeuw nog zeer dik en +bovendien waren de straten nu en dan versperd door barricades of de +puinhoopen van door het granaatvuur vernielde huizen. + +Maar eindelijk bereikten zij toch de aangewezen straat. + +Raffles gelastte den chauffeur te wachten en verzocht Charly in de auto +te blijven tot hij zou zijn teruggekeerd. + +Hij liep haastig de straat in en hield ten slotte stil voor een oud +huis waarvan hij jaren geleden een kamer op de bovenste verdieping had +gehuurd, waarnaar hij echter tijdens den oorlog niet had kunnen omzien. + +Zooals hij wel vermoed had, was deze kamer intusschen reeds herhaalde +malen aan anderen verhuurd, zooals de portier van het groote huis hem +medegedeeld had. + +Maar de tegenwoordige huurder, die bij het leger der Rooden dienst +deed, was reeds veertien dagen geleden heengegaan, en sedert dien had +men niets van hem vernomen. + +Raffles greep de gelegenheid aanstonds aan en zeide tot den portier: + +—Ik zal U eens wat zeggen! Ik heb deze woning eenige jaren geleden +gehuurd en ofschoon ik er volstrekt geen rechten op wil doen gelden zou +ik ze gaarne weder betrekken gedurende een paar dagen, ik ben niet rijk +genoeg om een duur hotel te betalen en ik beloof U dat ik aanstonds +weder zal verhuizen als de tegenwoordige huurder mocht terugkeeren. + +Raffles had hem onder het spreken een goudstuk in de handen gedrukt,—en +al was het dan een Engelsch, de portier verbaasde er zich ten zeerste +over dat hij in deze stad goudgeld te zien kreeg! Raffles noemde toen +den naam waaronder hij eenige jaren geleden de woning gehuurd had. + +De man scheen even in beraad te staan, maar de Engelsche Souverein had +hem reeds zoo week als boter gemaakt—hij wist wel dat hij voor dat +geldstukje gemakkelijk vijftig en zelfs zestig roebels zou kunnen +maken! En daarom zeide hij: + +—Ik denk wel dat het zal gaan, mijnheer! Gij zult er echter zeer weinig +meubels vinden en die zijn nog van den huiseigenaar! + +—Dat doet er niet toe. Ik kom hier slechts eenige dagen met een paar +mijner vrienden wonen. + +Raffles knikte den man toe, keerde naar de auto terug, en zeide op +zachten toon tot Charly: + +—Het lot is ons gunstig! We hebben nu een dak boven ons hoofd, ik heb +dezelfde kamer kunnen huren, waarin ik destijds mijn vermommingen heb +weggeborgen. + +—En denk je dat die er nog zijn? + +—Dat zullen we aanstonds onderzoeken! + +Raffles betaalde den chauffeur, Charly stapte uit en te voet begaven de +beide vrienden zich naar het huis. + +De portier geleidde hen naar een vrij groote kamer op de bovenste +verdieping en vroeg toen: + +—Hebben de heeren geen bagage bij zich? + +—Neen, die is aan de grens opgehouden! antwoordde Raffles voor de vuist +weg, maar wij zullen U een week huur vooruit betalen! + +—Dan is alles in orde, mijne heeren, zeide de man waarop hij zich +terugtrok. Zoodra het geluid zijner voetstappen was weggestorven sloot +Raffles de deur van het eenvoudig gemeubelde vertrek en trad snel op +een der hoeken toe, die het verste van de ramen verwijderd was. + +Hij sloeg hier een punt van het vloerzeil terug, en nu zag Charly een +soort luik, dat hij echter niet als zoodanig herkend zou hebben, als +hij niet half en half verwacht had wat hij te zien zou krijgen, dat +bijna anderhalve meter in het vierkant mat. + +Niet zonder groote moeite wist Raffles het open te krijgen—en daar +zagen zij nu een aantal platte blikken doozen, alles voorzien van een +etiket, waarvan de opschriften echter door vocht en door stof bijna +onleesbaar waren geworden. + +—Ik heb dat luik zelf gemaakt, zeide Raffles en de ruimte benut +tusschen het plafond en den vloer die tamelijk groot is, zooals je +ziet. En nu zullen wij eens zien hoe de inhoud zich wel gehouden heeft +in al die jaren. + +Hij nam een paar blikken uit de schuilplaats, en opende ze. + +De doozen waren vrij sterk door de roest aangetast, en de inhoud bleek +op eenige plekken van motten en houtwurmen te hebben geleden. + +Maar gelukkig niet zoo erg als Raffles wel gevreesd had. + +Nu kwam er een groote roode doos te voorschijn, die een aantal pruiken +bleek te bevatten. + +Deze waren allen nog geheel en al ongeschonden alsof zij zoo van den +pruikenmaker kwamen. Tevens bevonden er zich eenige voortreffelijk +nagemaakte en eenige echte ridderorden in. + +—Zooals je ziet, gaat alles naar wensch, beste Charly, zeide Raffles +glimlachend. + +—O ja, het gaat voortreffelijk, hernam de jonge man meesmuilend. + +—Het is alsof alles al goed en wel achter den rug is! Ik geloof +waarlijk dat je het vinden van deze kleederen als de hoofdzaak schijnt +te beschouwen. + +—Dat is het ook in zekeren zin, zeide Raffles bedaard. Want als ik +eenmaal als generaal Judenitsch kan optreden dan is de rest slechts +kinderwerk. + +Charly zeide niets en vergenoegde er zich mede even de schouders op te +halen. + +Raffles had intusschen eenige andere doozen nagezien, waarvan er een +twintigtal in het groote gat stonden en eindelijk had hij er één +gevonden die een generaalsuniform bevatte, nog van vóór den oorlog +evenwel, en waarvan alle galons, gouden tressen en andere fraaiigheden +verwijderd zouden moeten worden. + +Gelukkig was de kleur door den tijd en het lange liggen een weinig +verschoten en dat kwam juist goed uit. + +In dezelfde trommel bevond zich nog een tweede uniform, die met eenige +veranderingen zeer goed kon doorgaan voor die van kapitein. + +—Ik zou je wel iets willen vragen, zeide Charly toen Raffles het +noodige had uitgezocht en daarna alle blikken doozen weder op hun +plaats had gezet. + +—Laat eens hooren? + +—Als wij ons hier vermommen als de generaal en zijn adjudant, hoe komen +wij dan onopgemerkt hier weg? Of wil je tot vanavond hier blijven? + +—Dat zal wel noodig zijn, Charly, want het zal waarschijnlijk +verdenking baren als Judenitsch zoo vroeg in de stad komt, welke hij +pas voor een deel veroverd heeft; bovendien moeten wij nog vrij wat +onderzoeken, voor wij zonder gevaar onze rol moeten spelen. Dit staat +vast, dat de zoogenaamde kellner geweten heeft, dat de generaal in het +Admiraals-Hotel zijn intrek zou nemen en er moeten dus spionnen bij de +Witten geweest zijn die dit wisten; hoe dit ook zij, wij moeten den +staat van zaken goed kennen en daar zullen wel verscheidene uren mee +gemoeid zijn. + +Onder het spreken had Raffles de kleederen en de pruiken weggesloten in +een muurkast waarvan hij den sleutel bij zich stak. + +—Nu moeten wij Henderson nog waarschuwen, want de brave kerel zal +volstrekt niet weten waar wij zitten. + +Raffles opende de deur van het vertrek weder en de twee mannen +verlieten het huis, na aan den portier te hebben medegedeeld dat zij +dien avond zouden terugkeeren. + +Nu begaven zij zich allereerst naar hun Hotel, waar Henderson nog +steeds vertoefde en daar ontving de reus voor zoover het noodig was, +zijn instructies. + +Hij was pas kort geleden teruggekeerd van zijn ommegang door het door +de Witten bezette deel van de stad en ten slotte was hij er in geslaagd +een kleine maar zeer snelle auto te huren bij een handelaar in +automobielen die tamelijk goed Engelsch sprak. + +Hij had den wagen niet aanstonds kunnen medenemen want de handelaar had +een bespottelijk hoog garantie bedrag geëischt, en dat had hij +natuurlijk niet bij zich gehad. + +Het eerste wat Raffles nu deed, was zich in gezelschap van Henderson en +Charly naar den handelaar te begeven en hem de gevraagde garantiesom te +betalen. Vijf duizend roebel voor een auto die er op dit oogenblik +zeker geen drie duizend waard was, tenminste naar de vroegere koers +berekend. + +Het was een verveloos ding, maar het geoefende oog van Henderson had +dadelijk gezien dat de motor voortreffelijk was en dat de wagen +gemakkelijk negentig kilometer per uur zou kunnen loopen. + +De straten waren op dit oogenblik reeds vol Witte troepen en de ruiten +rinkelden van het gedaver der voorbijtrekkende artillerie. + +Als niet alle voorteekenen bedrogen, en als de Rooden niet spoedig +versterkingen kregen, dan zou Petrograd zeker voor hen verloren gaan! + +Overal zag men officieren, die bevelen schreeuwden en ordonnancen die +op hun motorrijwielen of te paard, vliegensvlug orders gingen +overbrengen of halen. + +—Ik geloof dat het tijd wordt om te handelen, zeide Raffles, toen hij +dit alles eens had opgenomen. Want, als het zoo voortgaat, is de +geheele stad morgen in het bezit der Witte troepen, en dan zou +Judenitsch wel eens kunnen verschijnen vóór wij tusschenbeide zijn +gekomen. Het moet dus vóór vanavond zijn. + +Door voorzichtig hier en daar navraag te doen, vernam Raffles dat het +Hoofdkwartier zich nog steeds op eenige wersten afstands van de +hoofdstad bevond en dat het waarschijnlijk in den loop van den nacht +zou worden verplaatst. + +Zoodra de duisternis begon te vallen, omstreeks vier uur in den middag, +begaven Raffles en Charly zich weder naar het huis, waar zij hun +vermommingen zouden aanleggen, maar onderweg liet Raffles Henderson +stilhouden voor een uitdragerij, waar zij, na eenig zoeken, een gewone +soldatenuniform vonden, ruim genoeg voor den reus. + +Het was volkomen duister toen de kleine renwagen voor het huis +stilhield. Raffles trad op Henderson toe en zei op zachten toon: + +—Rijd nu de straat ten einde en trek daar op het onbebouwde veld dat +zich daar bevindt, snel de uniform aan, houd daar echter je eigen +kleederen onder aan, want die zul je zeker nog noodig hebben, zet je +horloge met het mijne gelijk, en keer juist over drie kwartier, dus om +zes uur, weder hier terug om ons op te nemen, rijd dan weg, zoodra wij +in de auto hebben plaats genomen en breng ons dan naar het +Admiraals-Hotel! + +Henderson tikte aan zijn pet, en reed weg, terwijl Raffles en Charly +zich de trappen opspoedden. + +Nog zelden had de Groote Onbekende zooveel zorg besteed aan één zijner +vermommingen, want hij begreep dat het thans om zijn leven ging. + +Natuurlijk kende de zoogenaamde kellner Judenitsch van aanzien en ook +de schoone Poolsche zou wel zeer goed weten, hoe haar slachtoffer er +uitzag! + +Terwijl zij druk bezig waren hun gelaat een geheele verandering te +laten ondergaan, vroeg Charly: + +—Dit complot is zeker lang van te voren beraamd, voor het geval +Judenitsch ooit te Petrograd mocht komen, want het is niet denkbaar dat +Feodora Leszinsky er ooit op heeft gerekend dat zij tot het groote +Hoofdkwartier zou kunnen doordringen. + +—Dat is ook mijn meening. Ik ben er echter van overtuigd, dat er nog +wel andere plannen hebben bestaan, voor het geval dat de +Opperbevelhebber van de Noord-Westelijke legertroep niet te Petrograd +maar elders zou zijn verschenen. + +—Wat zijn je plannen voor hedenavond? + +—Dat moet ik van de omstandigheden laten afhangen, dat wil zeggen, van +hetgeen de schoone Poolsche voorstelt! Ik denk dat zij dadelijk tracht +kennis met mij aan te knoopen en mij naar een andere plek zal willen +meelokken, want in het hotel zou zij haar plan moeilijk ten uitvoer +kunnen brengen. + +De vrienden waren nu geheel gereed en Charly riep vol bewondering uit: + +—Je lijkt werkelijk verbluffend veel op Judenitsch. + +—Zooveel te beter! Het is een gelukkig toeval dat wij den man nog geen +vier en twintig uur geleden in levenden lijve hebben gezien! + +Hij raadpleegde zijn horloge en zeide: + +—Nog vijf minuten! Wij zullen nu van onze kleederen snel een bundeltje +maken en in de auto leggen, waarmede Henderson steeds in onze nabijheid +moet blijven. + +—Maar is het niet erg gevaarlijk, dat we een Russisch soldaat van hem +hebben gemaakt, als hij toch eens werd aangesproken? + +—Hij moet altijd zoo vlug rijden dat dit onmogelijk is, en als men hem +aanspreekt moet hij maar een paar Duitsche klanken uitstooten, je weet +misschien wel dat er verscheidene Duitsche soldaten bij de Rooden +zoowel als bij de Witten dienst hebben genomen. + +De kleederen werden snel bijeen gepakt en met een touw omwikkeld en +daarop maakten de mannen zich gereed om het vertrek te verlaten waar +zij waarschijnlijk niet meer zouden terugkeeren. + + + + + + + + +HOOFDSTUK VII. + +VERGIFT EN DIAMANTEN! + + +Zij liepen de trap haastig af en nauwelijks hadden zij de voordeur +geopend of zij zagen de auto komen aanrijden en stilhouden. + +Henderson was nauwkeurig op zijn tijd geweest. + +De beide mannen stapten in, en zij hadden nauwelijks plaats genomen of +reeds stoof de auto weg. + +Een uur later stond zij weder stil voor het Admiraals-Hotel. + +Raffles wendde zich tot Henderson en fluisterde hem toe: + +—Blijf hier in de buurt rondrijden, over twee uren ongeveer zul je mij +in gezelschap van een dame het hotel zien uitkomen en daarop zal +Mijnheer Brand zich bij je voegen om je nadere instructies te geven. +Als men je soms mocht aanspreken roep je maar: Verstaan nicht, en rijdt +zoo hard je kunt door, je gaat voor een Duitscher door, begrijp je? + +—Uitstekend, Mylord. En als ze te lastig zijn zal ik ze wel op z’n +Engelsch neerslaan! + +—Geen geweld, dan in geval van nood, Henderson! maande Raffles hem aan. + +Hij knikte den reus nog eens toe en ging daarna het Hotel binnen met +Charly wiens hart hoorbaar klopte. + +—Nu zullen wij afspreken, Charly, dat je hevige kiespijn voorwend, +ingeval men persoonlijk het woord tot je zou richten, wat ik echter +niet denk! + +Zij traden de groote eetzaal binnen en onmiddellijk richtten zich de +blikken van eenige personen op hen die hen blijkbaar herkend hadden. + +Daaronder was ook de kellner die den dag tevoren het briefje aan +Feodora Leszinsky in handen had gegeven. + +Maar veel doordringender dan de blik van hen allen was die van de +Poolsche zelf, die blijkbaar zooeven was binnengetreden, en aan een +tafeltje had plaats genomen, thans geheel alleen. + +Raffles deed, alsof hij haar aanvankelijk niet opmerkte, maar hij zag, +hoe zij met een bijna onmerkbare beweging van het hoofd den gewaanden +kellner wenkte en snel eenige woorden met hem wisselde, terwijl zij in +de richting van de beide vrienden keek. + +Daarop knikte de kellner bevestigend en verwijderde zich. + +—Zij bijt aan! bromde Raffles verheugd. Het spel gaat beginnen! + +Hij had met zijn gewaanden adjudant reeds plaats genomen en dadelijk +kwam er een kellner toeloopen aan wie Raffles zijn bestelling zei. + +De eetzaal was dien avond niet zeer druk bezet, en dadelijk begon het +stomme oogenspel tusschen de schoone Poolsche en den man, dien zij +gezworen had te zullen dooden. + +—Je kunt over drie kwartier, zoo tegen het dessert, wel verdwijnen, +beste Charly, zeide Raffles, want de eend zwemt regelrecht in de fuik, +hetzij met alle eerbied gezegd van de schoone samenzweerster! + +—En waar moet ik dan blijven! + +—Tracht Henderson op te vangen, en dan kunnen jullie beiden die uniform +wel weer afleggen, nu ik het wild beet heb! Des te minder vat geven wij +op ons. + +Hij had een blik op zijn horloge geworpen en ging nu voort: + +—Ik zal het zoo aanleggen, dat zij mij over een uur ongeveer naar haar +woning brengt, welke zij hier zeker zal hebben, met het oog op het +moordplan. Zij is natuurlijk slechts hier komen logeeren, om kennis met +den generaal te kunnen aanknoopen en ik ben wel benieuwd hoe zij dat +zal kunnen aanleggen! + +Daarop behoefde Raffles niet lang te wachten, want nog voor het dessert +van het diner was opgedragen, stond de schoone Poolsche op, wierp haar +medeplichtige een snellen, waarschuwenden blik toe, en kwam in de +richting van het tafeltje waaraan de mannen gezeten waren, die zij voor +Generaal Judenitsch en zijn adjudant hield. + +Zij had een sigaret tusschen de roode lippen, en op eenige passen van +het tafeltje verwijderd stond zij stil en wilde ze met een zilveren +sigarenaansteker doen ontbranden. + +Schijnbaar bij ongeluk echter gleed het voorwerpje uit hare handen en +viel voor de voeten van Raffles neder. + +Deze bukte zich haastig, raapte het sierlijke voorwerpje op, en maakte +vuur, en hield het de schoone vrouw met een buiging voor. + +Terwijl zij zich voorover boog teneinde haar sigaret aan te steken, +blikten haar schoone oogen diep in die van den gewaanden generaal en +toen zeide zij vriendelijk: + +—Ik dank U, Generaal! en ik maak van de gelegenheid gebruik U als +overwinnaar welkom te heeten in deze stad! + +—Hoe, gij weet....? riep Raffles schijnbaar verrast uit, ik meende toch +mijn incognito goed bewaard te hebben. + +—Dat zou U in deze stad niet gelukken, generaal! daarvoor is uw gelaat +al te bekend, hernam de Poolsche terwijl er een verleidelijk glimlachje +om haar lippen speelde. + +Raffles maakte opnieuw een buiging en hernam: + +—Ik had mij waarlijk geen schooner bewoonster van de hoofdstad kunnen +wenschen, om mij het welkom toe te roepen, en ik zie dat gij alleen +zijt, madame, wilt gij mij veroorloven, met U een glas champagne te +drinken? Op mijn overwinning? + +Even scheen de schoone vrouw te aarzelen, maar toen klonk er een +zilveren lachje en zij riep: + +—Welnu, generaal, dan zullen wij de conventie ditmaal maar eens buiten +spel laten, ik neem uw hoffelijk aanbod aan. + +De generaal wierp zijn adjudant een blik toe, die zooveel beteekende, +als: + +—Je bent te veel, goede vriend, waarop deze haastig opstond, zwijgend +een diepe buiging voor de schoone Poolsche maakte, zijn uniformpet +greep, voor zijn chef salueerde en de eetzaal verliet. + +Het volgende oogenblik waren de schoone vrouw en haar vermeend +slachtoffer zoo goed als alléén in het afgelegen hoekje van de groote +zaal, en nu werd een steekspel aangevangen, in welks verloop Raffles +alle gelegenheid had de slagvaardigheid van de verleidelijk schoone +vrouw te bewonderen. + +Zij wendde, schijnbaar zonder opzet, alle kunsten aan, welke een +betooverende vrouw ten dienste staan, om een willoozen man in haar +netten te lokken maar die op Raffles volstrekt geen invloed zouden +hebben uitgeoefend, als hij niet generaal Judenitsch had moeten +voorstellen. Maar nu scheen hij snel onder den invloed te geraken van +de heerlijk schoone vrouw, die tegenover hem was gezeten en met haar +roode lippen van haar champagneglas nipte. + +En er was zeker nog geen uur verloopen of de samenzweerster had den +generaal waar zij hem hebben wilde..... + +Zij zouden gezamenlijk naar haar woning gaan, waar zij den generaal, +naar zij voorgaf, aan eenige vrienden wilde voorstellen, die niets +liever verlangden dan de Witten als hun bevrijders te verwelkomen. + +Toen dit was afgesproken, verzon zij een voorwendsel om den generaal +eenigen tijd op haar te laten wachten. + +Raffles glimlachte, want hij begreep wel wat zij ging doen. Zij zou +haar valies met de juweelen pakken omdat zij na het volbrengen van de +daad dadelijk de vlucht zou moeten nemen, en er niet aan te denken +viel, dat zij nog naar het hotel zou kunnen terugkeeren. + +Hij bleek goed te hebben gezien, want een kwartier later kwam zij terug +terwijl zij een sierlijk maar sterk valies droeg. + +Raffles schoot dadelijk toe teneinde er haar van te ontlasten maar zij +weerde hem af en zeide: + +—Het is heel vriendelijk van u, generaal, maar dit valies geef ik nooit +uit mijn handen. + +—Zooals gij wilt, madame! zeide de gewaande generaal. + +Toeval of niet—er kwam juist een huurauto aanrijden, die van pas kwam +om het paar naar de woning van de schoone vrouw te brengen. + +In de auto nam Raffles zijn voorzorgen want hij was er volstrekt niet +zeker van of de chauffeur niet in het complot was geweest en de schoone +samenzweerster zou trachten hem in het voertuig van het leven te +berooven. + +Voor alle zekerheid trok hij dus den rechterarm van de schoone vrouw +door den zijne, en vatte ook haar andere hand, alsof hij die wilde +liefkoozen hetgeen de schoone verleidster voor de leus zich werend, +lachend toeliet. + +Er gebeurde echter niets gedurende den rit van een kwartier, en toen de +wagen stilstond begreep Raffles dat de moordenaars er de voorkeur aan +hadden gegeven den generaal binnenshuis uit den weg te ruimen. + +Toen hij uitstapte en den chauffeur betaalde zag hij juist hoe de +snelle renwagen kwam aanjagen en op zijn beurt stilstond. + +Henderson en Charly waren dus op hun post! + +De schoone vrouw was hem snel voorgegaan en op de deur van een fraai +huis toegeloopen waar zij thans aanschelde. + +Een Russische bediende, die wel achter de deur scheen te hebben +gestaan, opende deze, en wierp Raffles in het voorbijgaan een snellen, +wraakzuchtigen blik toe. + +Raffles zag dadelijk dat hij zich in een met groote weelde ingericht +huis bevond, hetgeen wel noodig was geweest om het slachtoffer niet +ontijdig argwaan te doen krijgen. + +Feodora had den bediende op zachten toon snel eenige bevelen gegeven en +maakte daarna een uitnoodigend gebaar naar de deur van een vertrek, +welke de bediende haastig afsloot. + +—Vergun mij dat ik mij even verkleed, generaal, ik ben aanstonds weder +tot uw dienst! zeide zij lachend. + +Zij knikte Raffles met een betooverenden glimlach toe en verliet het +vertrek. + +De Gentleman-inbreker keek eenigen tijd naar de gesloten deur en +mompelde bij zich zelf: + +—Het schijnt dus, dat vrouwen een medemensch glimlachend naar de andere +wereld kunnen helpen. Nu, als ik er iets aan doen kan, dan zal zij er +ditmaal toch nog vrij wat moeite mede hebben. Ik geloof dat die +bediende—ongetwijfeld de medeplichtige—de eenige andere persoon hier in +huis is, en dat is mij des te liever. Maar de Bolsjewiki moeten toch +een vrij laag denkbeeld van Generaal Judenitsch gehad hebben, om te +kunnen veronderstellen dat hij, tijdens een nog onbeslisten veldslag, +een vrouw zou volgen, ook al is zij zoo bedwelmend schoon als die +Poolsche duivelin! + +Raffles was nog niet lang met zijn alleenspraak gereed, toen Feodora +weder binnentrad, thans in een prachtig gewaad van roode zijde, diep +uitgesneden, zoodat haar heerlijke vormen goed te zien waren. + +Zij noodigde Raffles haar naar de eetzaal te volgen, waar een kleine +versnapering was gereed gezet. + +—Zoo, het schijnt met vergift te moeten gebeuren! bromde Raffles voor +zich heen, en een huivering beving hem als hij die schoone vrouw +aanschouwde, die kon lachen en schertsen, terwijl zij op het punt +stond, een medemensch in koelen bloede het leven te benemen. + +In de kleine kamer, waarheen de Poolsche Raffles thans geleidde, +stonden op een tafeltje van perenhout, sierlijk ingelegd, een flesch +wijn, een schaal met sigaretten en een kom met heerlijke zuidvruchten, +die zeker met een burgermanskapitaal waren betaald. + +Sedert de vrouw terug was gekomen, had Raffles haar geen seconde uit +het oog verloren, en hij hield ook de deur goed in het oog, terwijl hij +als bij toeval langs de beide ramen had gestreken, om te zien, of er +achter de gesloten gordijnen niemand verborgen was. + +Toen zette hij zich neder, en Feodora Leszinsky schonk den wijn in. + +Maar Raffles had scherp toegezien. + +En hij had ontdekt dat het glas, hetwelk voor hem was neergezet, een +zeer geringe hoeveelheid fijn wit poeder op den bodem bevatte, niet te +zien voor wien er niet in het bijzonder oplette. + +Raffles kon niet beletten, dat er een rilling over zijn rug liep, toen +hij het doodelijk poeder in het glas ontwaarde, maar een oogenblik +later had hij zich hersteld. + +Wat de vrouw betreft, haar hand sidderde zelfs niet, toen zij den wijn +in het glas van haren gast schonk, die hem den dood moest brengen. + +Nu waren de beide glazen gevuld. + +Feodora hief het hare op, lachte den gewaanden generaal toe en zeide: + +—Tot op den bodem, generaal! Ik drink op Uw overwinning! + +—Ik wil U bescheid doen, madame, maar het is onder ons Witten de +gewoonte dat wij voordien de glazen ruilen..... Wilt gij dus het mijne +ledigen? + +De oogen van de twee menschen boorden zich in elkander. + +Langzaam zette Feodora het glas weder neder. + +Er verscheen een floers voor haar oogen en haar gelaat verkreeg een +oogenblik een tijgerachtige uitdrukking. + +Raffles hield haar zijn glas voor en eensklaps sloeg zij het hem uit de +hand met doodsbleek gezicht, haalde een zilveren fluitje te voorschijn +en wilde het aan haar lippen brengen. + +Maar voor zij dit kon doen, had Raffles met de linkerhand haar pols +grepen, terwijl hij haar met de rechterhand zijn revolver voorhield! + +—Weg dat fluitje en geen geluid, caronje, of bij God, ik schiet je +neer, zooals men een dollen hond neerschiet! beval hij. + +Het fluitje viel op tafel. + +—Steek je handen op! + +De witte handen gingen bevend omhoog en de zwarte oogen brandden met +vurigen haat in het bleeke gezicht. + +In een oogwenk had Raffles de polsen van de schoone moordenares geboeid +en haar een doek in den mond gestopt. + +Daarop droeg hij haar naar een sofa waarop hij haar met een dik touw +stevig vastbond. + +Tenslotte maakte hij een spottende buiging voor haar en zeide: + +—Het feestje heeft een eenigszins ander verloop dan gij U hadt +voorgesteld, lieve dame, maar dat is uw eigen schuld! En nu snel de +rest! + +Raffles greep het fluitje, rukte een der gordijnkoorden af en liep naar +de deur, waar hij naast ging staan. + +Toen maakte hij een lus aan het einde van het koord, legde dien voor +den drempel op den vloer en bracht het fluitje aan de lippen. + +Een schelle fluittoon snerpte. + +Een paar seconden later vloog de deur open en de bediende stormde +binnen de revolver in de vuist. + +Maar hij kwam niet ver! + +Raffles gaf een ruk aan het koord, waar de man juist over liep en met +een vloek stortte hij voorover, terwijl de revolver hem uit de hand +vloog en ver van hem neerviel. + +Voor de Rus weder kon opstaan, had Raffles hem handig het koord om +armen en beenen geslagen, zoodat de man zich niet verroeren kon. + +Ook hij werd gekneveld en aan de kruk van de deur vastgebonden. + +En nu snelde Raffles vlug het vertrek uit, en doorzocht vlug maar +grondig de andere vertrekken. + +In de slaapkamer vond hij niet alleen de tasch met de juweelen, maar +ook nog een groot aantal andere sieraden, welke hij goeden buit +verklaarde, en in een soort werkkamer stond een kast waarin hij een +klein ijzeren kistje ontdekte, hetwelk ongeveer honderd dertigduizend +roebel bleek te bevatten. + +Ook dit geld verdween in zijn beide uniformzakken. + +Toen zijn strooptocht geëindigd was, trad hij nogmaals het vertrek +binnen waar de machteloos gemaakte Bolsjewiki lagen, en riep tot de +schoone samenzweerster: + +—Ik moet U tot mijn spijt vroeger verlaten, dan mijn plan was, madame! +Ik zal zoo vrij zijn, de politie te waarschuwen per telefoon, want ik +wil niets met haar te doen hebben! Die moet dan maar zien wat zij denkt +te doen! Neen, vrees niet, dat ik U aan de Witten zal verraden! Het is +niet mijne gewoonte vrouwen aan het vuurpeloton over te leveren, zelfs +al hebben ze mij willen dooden! Gij kijkt mij verbaasd aan? Laat ik u +dan zeggen, dat gij er voortaan beter aan zult doen, eerst eens goed +toe te zien of de generaals die gij in uw netten lokt, misschien niet +heel iemand anders zijn! + +Met deze woorden nam Raffles snel de grijze pruik af, die zijn hoofd +bedekte, hief de tasch met de juweelen in de hoogte, en groette de +Poolsche die vuurrood van woede was geworden, met een bevallig +handgebaar. + +Een oogenblik later had hij het huis verlaten en snelde op de auto toe, +die hem wachtte, en snel met hem verdween! + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75649 *** |
