summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/51691-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/51691-8.txt')
-rw-r--r--old/51691-8.txt5351
1 files changed, 0 insertions, 5351 deletions
diff --git a/old/51691-8.txt b/old/51691-8.txt
deleted file mode 100644
index 85adca8..0000000
--- a/old/51691-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,5351 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of De getemde feeks, by William Shakespeare
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: De getemde feeks
-
-Author: William Shakespeare
-
-Translator: L. A. J. Burgersdijk
-
-Release Date: April 7, 2016 [EBook #51691]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GETEMDE FEEKS ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE GETEMDE FEEKS.
-
-
-PERSONEN:
-
- Een Lord. }
- Stoffel Sluw, een ketellapper. }
- Een Waardin, een Page, Tooneelspelers, } In het voorspel.
- Jagers en Bedienden van den Lord. }
-
- Battista, een rijk edelman van Padua.
- Vincentio, een oud edelman van Pisa.
- Lucentio, zoon van Vincentio, minnaar van Bianca.
- Petruccio, een edelman van Verona.
- Gremio, }
- Hortensio, } van Padua, dingende naar de hand van Bianca.
- Tranio, }
- Biondello, } bedienden van Lucentio.
- Grumio, }
- Curtis, } bedienden van Petruccio.
- Een Pedant.
- Katharina, }
- Bianca, } dochters van Battista.
- Een Weduwe.
-
- Een Snijder; een Handelaar in dameshoeden; Bedienden van Battista
- en van Petruccio.
-
-
-Het tooneel is gedeeltelijk te Padua, gedeeltelijk op het landgoed
-van Petruccio.
-
-
-
-
-
-
-
-VOORSPEL.
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Voor een herberg, op een heide.
-
-De Waardin en Sluw komen op.
-
-SLUW. Wacht maar, ik kom je op 't jak.
-
-WAARDIN. Je moest in 't blok, jij schelm.
-
-SLUW. Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in
-de kronieken; we kwamen in 't land met Richard den Veroveraar. Dus:
-paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan; sessa!
-
-WAARDIN. Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt?
-
-SLUW. Neen, geen penning; ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en
-ga je warmen.
-
-WAARDIN. Ik weet wat me te doen staat; ik ga den schout halen.
-
- (Waardin af.)
-
-SLUW. Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar
-de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen;
-laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook.
-
-(Hij gaat liggen en slaapt in.)
-
-(Jachthorens. Een Lord komt van de jacht terug, met gevolg van Jagers
-en Bedienden.)
-
-LORD. Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden!
-Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn,
-En koppel Nero met den diepen blaffer.
-Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag,
-Den koud geworden voet goed op, niet waar?
-Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond.
-
-EERSTE JAGER. Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord;
-Hij blafte, toen geen een den voet meer vond,
-En tweemaal vond hij heden 't flauwste spoor;
-Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver.
-
-LORD. Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug,
-Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman.
-Maar voeder en verpleeg hen allen goed;
-Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan.
-
-EERSTE JAGER. Zeer goed, mylord.
-
-LORD. Wat is dat?--Dood of dronken? Haalt hij adem?
-
-EERSTE JAGER. Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want anders
-Waar' 't bed te koud voor zulk een vasten slaap.
-
-LORD. Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn.
-Foei, Dood! hoe laag en walg'lijk is uw grijns!--
-Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit.
-Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht,
-In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers,
-En stond een lekker maal aan 't bed gereed,
-Bedienden hem lakeien bij 't ontwaken,
-Wist dan de beed'laar zelf wel, wie hij was?
-
-EERSTE JAGER. Mylord, dan was hij zeker in de war.
-
-TWEEDE JAGER. Hij zou al heel raar opzien bij 't ontwaken.
-
-LORD. 't Zou als een droom of tooverij hem zijn.--
-Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit;
-Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet,
-Behangt den wand met wulpsche schilderijen,
-En wascht zijn stoppelkop met geur'ge waat'ren;
-Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer';
-Houdt ook muziek gereed, die bij 't ontwaken
-Hem met een zoet en hemelsch lied begroet';
-En wil hij spreken, fluks dan bij de hand,
-En vraagt hem, diep en onderdanig buigend:
-"Wat is 't bevel van uw hoogedelheid?"
-En dan hoû de een hem voor--een zilv'ren bekken,
-Vol rozenwater en bestrooid met bloemen;
-Een ander draag' de kan, de derde een handdoek;--
-"Behaagt het uw hoogedelheid, de handen
-"Wat af te koelen?" zegt ge dan. Een ander
-Sta met een keur van fraaie kleed'ren klaar,
-En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken;
-Die spreek' hem van zijn paarden en zijn honden,
-En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt;
-Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest;
-En zegt hij: "Wat! ik ben--" zegt, dat hij droomt,
-Nooit anders was, dan een vermogend lord.
-Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden;
-Dit wordt een allerkostelijkste grap,
-Indien zij met beleid wordt uitgevoerd.
-
-EERSTE JAGER. Heer, 'k sta u borg, wij spelen onze rol
-Zoo dat hij naar onze' ijver denken moet
-Te zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is.
-
-LORD. Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed;
-En ieder op zijn post, als hij ontwaakt!
-
-(Eenigen dragen Sluw weg.--Een trompet klinkt.)
-
-Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent;
-
- (Een Dienaar af.)
-
-Een edelman misschien, die op zijn reis
-Hier op wil houden, om eens uit te rusten.
-
-(De Dienaar komt terug.)
-
-Welnu, wie is 't?
-
-DIENAAR. Schouwspelers zijn 't; zij vragen
-Als gunst, heer, voor uw edelheid te spelen.
-
-LORD. Geleid hen hier.
-
-(De Schouwspelers komen.)
-
- Zoo, mannen, gij zijt welkom.
-
-EERSTE SCHOUWSPELER. Dank voor uw goedheid, edel heer.
-
-LORD. Wenscht gij deze' avond op mijn slot te spelen?
-
-TWEEDE SCHOUWSPELER. Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja.
-82
-
-LORD. Recht gaarne.--Dezen vriend hier ken ik nog;
-Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters;
-Gij maaktet toen een edelvrouw het hof;
-Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldet
-Die rol zeer goed, natuurlijk, zooals 't hoort.
-
-EERSTE SPELER. 't Was Soto, denk ik, wat UEed'le meent.
-
-LORD. Ja juist, die was 't;--dat speeldet gij voortreff'lijk.--
-Komaan, gij komt of gij geroepen waart;
-'k Heb naam'lijk juist een grap bedacht, waarbij
-Uw komst van grooten dienst mij wezen kan.
-Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn;
-Maar 'k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden,
-En bij zijn koddig doen,--zijn edelheid
-Zag van zijn leven zoo'n vertooning niet,--
-Licht in een bui van lachen uitbarst en
-Hem grieft en ergert; want, dit zeg ik u,
-Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos.
-
-EERSTE SPELER. Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen,
-Al waar' hij ook de dolste kwant ter wereld.
-
-LORD (tot een der Bedienden). Hier, knaap, geleid hen naar de
-voorraadkamer;
-Heet ieder vriend'lijk welkom, en draag zorg,
-Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.--
-
-(De Bediende gaat met de Schouwspelers heen.)
-
-(Tot een Bediende.) En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page,
-En dos geheel als edelvrouw hem uit;
-En breng hem, zoo getooid, naar 's dronkaards kamer,
-Noem hem "Madame", buig recht need'rig voor hem,
-En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt,
-Hij zich beleefd gedragen moet, zooals
-Hij wel heeft opgemerkt, dat eed'le vrouwen
-Haar echtgenooten met respect behand'len;
-Op zulk een wijs treed' hij den dronkaard nader,
-Met zacht gefluister en een diepe buiging,
-En zegg': "Wat wil uw edelheid bevelen,
-Opdat uw echtgenoot, getrouw en need'rig,
-Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog'?"
-Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen,
-En storte, 't hoofd verborgen aan zijn borst,
-Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd,
-Dat zij haar eed'len gâ hersteld mag zien,
-Die deze zeven jaar zich altijddoor
-Een arm, afzichtlijk beed'laar heeft gewaand.
-Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet,
-En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloed
-Van tranen storten, dan moog' hem een ui
-Van dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek,
-Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers'.
-Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied';
-Straks deel ik u nog meer bevelen mee.
-
- (De Dienaar af.)
-
-Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie,
-Stem, gang en houding van een dame treffen;
-'t Zal kost'lijk zijn, als hij gemaal hem noemt,
-En als mijn volk zich op de lippen bijt
-Bij 't need'rig dienen van deez' kinkel. 'k Ga
-Er zelf op toezien; mijn aanwezigheid
-Betoom' hun uitgelatenheid, die anders
-Door 't dolle heen zou gaan en 't spel bederven.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Een slaapkamer in het huis van den Lord.
-
-Men ziet Sluw in een rijk nachtgewaad, door Dienaars omgeven; eenigen
-met kleedingstukken, anderen met waschbekken, schenkkan en verder
-toebehooren. De Lord komt op, als dienaar verkleed.
-
-
-SLUW. In 's Hemels naam, een potteken scharrebier!
-
-EERSTE BEDIENDE. Verkiest uw edelheid een roemer wijns?
-
-TWEEDE BEDIENDE. Verkiest uw lordschap van deez' confituren?
-
-DERDE BEDIENDE. Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag?
-
-SLUW. Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik
-heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt
-geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit,
-welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen,
-niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms
-meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door
-het bovenleer heen komen kijken.
-
-LORD. God moge uw lordschap van deez' waan bevrijden!
-O dat een man van rang, van zulk een afkomst,
-Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien,
-Door zulk een boozen geest geteisterd wordt!
-
-SLUW. Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de
-zoon van den ouden Sluw van Burtonheide, van geboorte marskramer,
-door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu
-van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol,
-de dikke bierhuiswaardin van Wincot, of zij me niet kent; als ze
-niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta
-voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar
-ben van de christenheid.--Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb
-ik--
-
-(Hij bekijkt zijn nachtgewaad.)
-
-EERSTE BEDIENDE. O, dit is 't, waar uw echtgenoot om treurt!
-
-TWEEDE BEDIENDE. O, dit is 't, wat uw dienaars zoo bedroeft!
-
-LORD. Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis;
-Zij worden door uw waanzin afgeschrikt.
-O, denk eens aan uw afkomst, edel heer,
-Roep uwen lang verbannen geest terug,
-En ban deez' droomen, u onwaard, van hier;
-Zie, hoe uw dienaars need'rig om u staan,
-Elk op zijn post, gereed op uwen wenk.
-Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt,
-
-(Muziek.)
-
-Een nachtegalenkoor is daar en zingt.
-Verlangt gij rust? U wacht een legerstede,
-Zoo zacht en heerlijk als het weeld'rig bed,
-Eens voor Semiramis met zorg gespreid.
-Kiest gij een wand'ling? zie, wij strooien bloemen;
-Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden,
-Hun tuig met goud en paarlen overdekt;
-Een valkenjacht? uw edelvalken klimmen
-Veel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen?
-Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden;
-Zij wekken de echo's uit der aarde schoot.
-
-EERSTE BEDIENDE. Verkiest gij lange jacht? uw hazewinden
-Zijn sneller dan het hijgend hert of ree.
-
-TWEEDE BEDIENDE. Houdt gij van schilderijen? daad'lijk halen
-Wij u Adonis, rustend aan een beek,
-En Cytherea, diep in 't riet verborgen,
-Dat lichtbewogen met haar adem speelt,
-Zooals wij riet zien dart'len met den wind.
-
-LORD. Dan toonen wij u Io, de eed'le maagd;
-En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt;
-Zoo levendig gemaald, alsof gij 't zaagt.
-
-DERDE BEDIENDE. Of Daphne, die, bij 't zwerven in het bosch,
-De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien,
-Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend;
-Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt.
-
-LORD. Gij zijt een lord, niets anders dan een lord;
-Uw gade is schooner dan de schoonste, die
-Deze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen.
-
-EERSTE BEDIENDE. En eer de tranenvloed, om u geplengd,
-Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide,
-Was zij het heerlijkst wezen van deze aard',
-En thans nog wijkt zij voor geen enk'le vrouw.
-
-SLUW. Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw?
-Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds?
-Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek,
-Ruik lekk're geuren; wat ik voel, is zacht;--
-Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl;
-Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw.
-Kom, laat mij nu mijn eed'le vrouw eens zien;
-En geef mij toch een pintje scharrebier.
-
-TWEEDE BEDIENDE. Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen?
-
-(Dienaars brengen een bekken, schenkkan en handdoek.)
-
-O, wat genot u weer hersteld te zien!
-O, dat gij eind'lijk inziet, wie ge zijt!
-Deez' vijftien jaren hebt ge doorgedroomd,
-Of, waart ge wakker, 't was, alsof gij sliept.
-
-SLUW. Deez' vijftien jaren! Hemel, welk een dutje!
-En sprak ik in dien tijd geen enkel woord?
-
-EERSTE BEDIENDE. O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;--
-Want schoon gij in deez' fraaie kamer laagt.
-Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet,
-En scholdt ge op een waardin en zeidet, dat
-Gij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkens
-Diksteenen kannen, geen geijkte pintjes;
-En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol.
-
-SLUW. Ja, ja, de dochter van de vrouw van 't bierhuis.
-
-DERDE BEDIENDE. Wel heer, gij kent zoo'n meisje niet;
-Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,--
-Als Steven Sluw, en de' ouden Slokmaardoor
-En Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar,
-En twintig and're namen en personen,
-Die nooit bestonden en die niemand kent.
-
-SLUW. Nu, Gode dank voor mijne beterschap!
-
-ALLEN. Amen.
-
-SLUW. Ik dank je wel; je zult er wel bij varen.
-
-(De Page treedt op, als dame gekleed, met Gevolg.)
-
-PAGE. Hoe vaart mijn eed'le heer?
-
-SLUW. Waarachtig goed, 't is hier wel uit te houden.
-Waar is mijn vrouw?
-
-PAGE. Hier, eed'le heer, wat is van uw verlangen?
-
-SLUW. Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man?
-Mijn volk, dat noemt mij heer, gij man of oudje.
-
-PAGE. Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer,
-Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw.
-
-SLUW (tot den Lord.) Ik weet het;--maar hoe noem ik haar?
-
-LORD. Madame.
-
-SLUW. Hoe? Els Madame of Hans Madame?
-
-LORD. Madam', niets meer; zoo noemen lords hun ladies.
-
-SLUW. Madame vrouw, 'k heb vijftien jaar en meer,
-Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd.
-
-PAGE. O, en wel dertig jaar komt mij dit voor,
-Gescheiden, ja, van tafel en van bed.
-
-SLUW. 't Is lang.--Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.--
-Madame, ontkleed u, kom met mij te bed.
-
-PAGE. Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê;
-Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt,
-Zoo niet, ten minste tot zonsondergang;
-Uw artsen gaven mij uitdrukk'lijk last,--
-Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,--
-Dat ik nog een'gen tijd uw bed zou mijden;
-Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning.
-
-SLUW. Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten
-kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen
-vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook
-mogen spreken.
-
-(Een Bediende komt op.)
-
-BEDIENDE. Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschap
-Schouwspelers daar met een comediestuk;
-En ook uw artsen vinden dit uitmuntend,
-Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft en
-Zwaarmoedigheid des waanzins voedster is;
-Zij schreven daarom zulk een stuk u voor,
-Dat u den geest tot vreugde stemt en lust,
-De kwalen weert en 't leven u verlengt.
-
-SLUW. Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een
-kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij?
-
-PAGE. Neen, heer; 't is mooier, beter lachensstof.
-
-SLUW. Wat stof is dat?
-
-PAGE. 't Is zoo'n historietje.
-
-SLUW. Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer
-en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen.
-
-(Zij gaan zitten. Trompetgeschal.)
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE BEDRIJF.
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Padua. Een plein.
-
-Lucentio en Tranio komen op.
-
-
-LUCENTIO. Gij weet het, Tranio, hoe de vuur'ge wensch
-Om 't schoone Padua, der kunsten wieg,
-Te zien, mij naar het vruchtb're Lombardije,
-Dien lusthof van het groot Italië, dreef;
-En hoe mij 's vaders wensch en wil daartoe
-Zijn zegen gaf en u tot metgezel,
-U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd;
-Hier zijn we aan 't doel en willen 't pad der kennis,
-Der eed'le studiën inslaan, ons tot heil.
-Pisa, beroemd door tal van eed'le burgers,
-Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook,
-De wereld door als hand'laar wel bekend,
-Vincentio, van den stam der Bentivogli.
-'t Betaamt Vincentio's zoon, die in Florence
-Werd opgevoed, dat hij, zooals men wacht,
-Door edel doen zijn rijkdom glans verleen';
-En daarom, Tranio, wil 'k mijn studietijd
-Aan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden,
-Dat leert, hoe ons het waar geluk alleen
-Door deugdbetrachting kan ten deele vallen.
-Onthoud uw raad mij niet; want nu ik Pisa
-Voor Padua verliet, is 't mij als een,
-Die uit een waadb'ren plas in 't meer zich stort
-En gretig zijnen dorst te lesschen tracht.
-
-TRANIO. Mi perdonate, beste jonge meester,
-Ik denk hierin volkomen als gijzelf,
-En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt,
-Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen.
-Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch,
-Terwijl wij deugd en zedeleer bewond'ren,
-Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn,
-Zoo vroom verdiept in Aristoteles,
-Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek'nen.
-Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden,
-Welsprekendheid in 't dagelijksch gesprek;
-Verfrisch u met muziek en poëzie;
-Dat Wiskunst u en Metaphysica
-Slechts laven, als de trek u hong'rig maakt;
-Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;--
-In 't kort, studeer wat u het meest behaagt.
-
-LUCENTIO. Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed.
-Was Biondello nu maar aangeland,
-Dan brachten we onze zaken fluks op stel,
-En huurden we ons een woning, ter ontvangst
-Der vrienden, die ons Padua schenken zal.
-Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt!
-
-TRANIO. Een optocht wis, die ons hier welkom heet.
-
-(Battista, Katharina, Bianca, Gremio en Hortensio komen op. Lucentio
-en Tranio zijn ter zijde gegaan.)
-
-BATTISTA. Neen, eed'le heeren, dringt niet verder aan;
-Want wat ik vast besloot is u bekend:
-Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen,
-Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan;
-Heeft een van u nu zin in Katharina,--
-Daar ik u beiden ken, u beiden mag,--
-Die maak' haar vrij het hof; mij is het wel.
-
-GREMIO. Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;--
-Hoe is 't, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw?
-
-KATHARINA (tot Battista). Mijn vader, zeg, is 't uw bedoeling, mij
-Te koop te veilen aan dit edel paar?
-
-HORTENSIO. Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard,
-Voordat ge toont een liever zachter aard.
-
-KATHARINA. Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,--
-'k Verzeker u,--niet halfweg tot haar hart;
-En dacht ge 't soms, zij nam een driestal op
-En kamde er 't hoofd u mee, zooals men dorscht,
-En verfde uw facie als van een hansworst.
-
-HORTENSIO. O Heere God, bewaar ons voor zoo'n duivel!
-
-GREMIO. En mij ook, Heere God!
-
-TRANIO. 't Is kost'lijk, heer! die voert wat in haar mars;
-De deerne is stapelgek of wonderdwars.
-
-LUCENTIO. Terwijl van de and're 't zwijgen mij behaagt;
-Zij toont de zachte schuchterheid der maagd.
-Stil, Tranio!
-
-TRANIO. Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost.
-
-BATTISTA. Mijn heeren, om u ook 't bewijs te geven,
-Dat ik het meen;--Bianca, ga naar binnen;
-En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca,
-Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind.
-
-KATHARINA. Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge?
-Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom.
-
-BIANCA. Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.--
-Deemoedig, vader, eer ik uwen wil;
-'k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken;
-Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen.
-
-LUCENTIO. Hoor, Tranio; 't is, alsof Minerva spreekt.
-
-HORTENSIO. Signor Battista, wees toch niet zoo streng;
-Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefde
-Bianca leed brengt.
-
-GREMIO. Wat! ge sluit haar op,
-Signor Battista, om deez' duivelin,
-En straft haar voor de scherpe tong van de and're?
-
-BATTISTA. Berust er in, mijn' heeren, dit staat vast;--
-Bianca, ga naar binnen!
-
- (Bianca af.)
-
-Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindt
-In zang en snarenspel en poëzie,
-Verlang ik onderwijzers in mijn huis,
-Bekwame lieden. Weet soms een van u,
-Hortensio of signore Gremio, er zoo,
-Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt,
-Dan zal ik ruim betalen; ik spaar niets
-Om mijne kind'ren deugd'lijk op te voeden;
-En nu vaartwel!--Gij, Katharina, blijf;
-Want ik heb met Bianca nog te spreken.
-
- (Battista af.)
-
-KATHARINA. Nu, 'k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet?
-Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelf
-Niet wist, wat ik moet doen en laten? Ha!
-
- (Katharina af.)
-
-GREMIO. Loop naar des duivels grootmoeder!--Uwe gaven zijn zoo goed,
-dat niemand van u gediend is.--Zoo groot is de liefde tusschen
-Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze
-nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van
-beide zijden nog gaar. Vaarwel!--maar toch, als ik ten pleiziere
-van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan
-opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem
-aan haar vader zenden.
-
-HORTENSIO. Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel
-woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen
-overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor
-ons beiden van belang wezen,--om weer toegang te verkrijgen bij onze
-schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te
-zijn in Bianca's min,--toch één ding vooral te bewerken en het tot
-stand te brengen.
-
-GREMIO. En wat dan, bid ik u?
-
-HORTENSIO. Wel aan haar zuster een man te bezorgen.
-
-GREMIO. Een man? een duivel!
-
-HORTENSIO. Ik zeg, een man.
-
-GREMIO. Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is
-haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel
-te trouwen.
-
-HORTENSIO. Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te
-boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,--er zijn nog wel
-goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren,
-die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen.
-
-GREMIO. Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift
-met het beding, dat ik elken morgen op de markt zou gegeeseld worden.
-
-HORTENSIO. Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar
-komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons
-zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista's oudste
-dochter een man bezorgd hebben, en daardoor de jongste voor een
-man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op
-los!--Lieve Bianca!--Wie 't gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie
-'t snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van,
-signore Gremio?
-
-GREMIO. Ik ben 't ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard
-van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen,
-naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan!
-
- (Beiden af.)
-
-(Tranio en Lucentio komen weder naar voren.)
-
-TRANIO. Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is 't moog'lijk,
-Dat liefde zoo in eens de menschen pakt?
-
-LUCENTIO. O Tranio, eer ikzelf het ondervond,
-Hield ik het noch voor moog'lijk noch geloof'lijk;
-De ziel zoo onder de' arm stond ik te kijken,
-Daar nam de min met ziel en al mij in;
-En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,--
-Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd,
-Als Anna met haar zuster Dido was,--
-Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio,
-Als ik die jonge zachte maagd niet win;
-O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit,
-O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt.
-
-TRANIO. Heer, 't is de tijd nu niet om u te gispen,
-En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart;
-Nam liefde u in, dan is de beste spreuk:
-Redime te captum, quam queas minimo.
-
-LUCENTIO. Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt,
-De rest zal troosten, want uw raad is goed.
-
-TRANIO. O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd,
-Wellicht ontging u 't fijne van de zaak.
-
-LUCENTIO. Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat,
-Zooals Agenors dochter eens bezat,
-Die Jupiter deed buigen voor haar hand,
-Zijn knie tot kussen dwong van Creta's strand.
-
-TRANIO. Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luid
-Haar zuster keef, en zulk een storm deed stormen,
-Dat nauw één sterflijk oor 't rumoer verdroeg?
-
-LUCENTIO. Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop'nen,
-De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd,
-En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag.
-
-TRANIO. Nu, dan is 't tijd hem uit zijn roes te wekken.--
-Word wakker, heer! bemint gij 't meisje, spits
-Voor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe 't staat:
-Haar oud're zuster is zoo boos en vinnig
-Dat, tot van haar de vader af is, heer,
-Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren;
-En daarom heeft hij thans haar opgekooid,
-Opdat zij niet van vrijers word' geplaagd.
-
-LUCENTIO. O Tranio, welk een wreedheid van den vader!
-Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haar
-Geschikte leeraars zoekt om les te geven?
-
-TRANIO. Ja, zeker hoorde ik 't; en mijn plan is rijp.
-
-LUCENTIO. Tranio, ik heb mijn plan.
-
-TRANIO. Nu, 'k wed, zoo waar,
-Uw plan en 't mijn gaan zeker hand aan hand.
-
-LUCENTIO. Zeg me eerst het uwe.
-
-TRANIO. Gij wilt leeraar zijn,
-En neemt het onderwijs der schoone op u;
-Dit is uw plan.
-
-LUCENTIO. Zoo is 't; maar zou het gaan?
-
-TRANIO. Onmoog'lijk; wie vervult in Padua
-De rol dan van Vincentio's zoon? Wie houdt
-Uw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden,
-Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze?
-
-LUCENTIO. Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar.
-Wij hebben nog geen één bezoek gebracht;
-En niemand leest het af op ons gezicht,
-Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo:
-Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats,
-Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het;
-En ik ben iemand anders uit Florence,
-Uit Napels, of een minder man uit Pisa.
-Klaar zijn we; en zoo gebeure 't. Tranio, vlug;
-Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel;
-Komt Biondello, dan bedient hij u,
-Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op.
-
-(Zij verwisselen van kleeding.)
-
-TRANIO. Dit zal hoog noodig zijn.--
-In 't kort, heer, wijl gij 't zoo beveelt, en daar
-Ik tot gehoorzaamheid gebonden ben,--
-Want zoo beval uw vader mij bij 't afscheid:
-"Wees steeds mijn zoon ten dienst," zoo sprak hij; maar
-Ik twijfel, of hij 't nu juist zoo bedoelde,--
-Zoo wil ik spelen voor Lucentio,
-Omdat ik hart heb voor Lucentio.
-
-LUCENTIO. Neen, Tranio, doe het om Lucentio's hart;
-Knecht wil ik zijn om haar te winnen, die
-Zoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht.
-
-(Biondello komt op.)
-
-Daar komt de guit.--Knaap, waar hebt gij gezeten?
-
-BIONDELLO. Waar ik gezeten heb?--Maar heer, waar zit gij zelf in?
-Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn',
-Of staalt gij beide'? Ik bid u, leg 't mij uit.
-
-LUCENTIO. Knaap, hoor eens hier, 't is nu geen tijd tot schertsen,
-En schik dus uw manieren naar den tijd.
-Hier Tranio heeft, om 't leven mij te redden,
-Mijn houding aangenomen en gewaad,
-En ik, om mij te bergen, die van hem;
-Ik kreeg, hier nauw'lijks aangeland, een twist,
-Versloeg mijn man, en vrees, men is me op 't spoor.
-Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals 't hoort,
-En ik red nu mijn leven door de vlucht.
-Verstaan?
-
-BIONDELLO. Ja, heer, maar ik begrijp geen zier.
-
-LUCENTIO. En rep voortaan geen zier van Tranio!
-Want Tranio is Lucentio geworden.
-
-BIONDELLO. Daar boft hij mee; ik wilde 't ook wel zijn.
-
-TRANIO. En wist ik, kerel, dat het vragen 't krijgen bracht teweeg,
-Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista's tweede dochter kreeg;
-Maar hoor--en, vriend, niet ik, uw meester is 't die 't vraagt,
-Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt,
-Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio,
-Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio.
-
-LUCENTIO. Kom, Tranio, laat ons gaan.--
-Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen:
-Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;--
-Genoeg, ik heb mijn reed'nen en die zijn van gewicht.
-
- (Allen af.)
-
-EERSTE BEDIENDE. Mylord, gij knikkebolt, verveelt u 't stuk?
-
-SLUW. Neen, bij Sint Anna; neen, 't is mooi. Een goed stuk werk,
-waarachtig. Komt er nog meer van?
-
-PAGE. Mylord, 't is een begin pas.
-
-SLUW. 't Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het
-gedaan was.
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Padua. Voor Hortensio's huis.
-
-Petruccio en Grumio komen op.
-
-
-PETRUCCIO. Verona, 'k heb u voor een wijl verlaten,
-En zoek in Padua mijn vrienden op;
-Vooral mijn waarden, welbeproefden vriend
-Hortensio; dit, meen ik, is zijn huis;--
-Kom, klop eens, Grumio!--kloppen, zeg ik!
-
-GRUMIO. Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw
-edelheid vereffonteerd heeft?
-
-PETRUCCIO. Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink!
-
-GRUMIO. U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij,
-heer, dat ik u hier zou kloppen, heer?
-
-PETRUCCIO. Schelm, klop me eens aan deez' deur, en dat het klinkt,
-Of ik klop u, dat morgen 't oor nog zingt.
-
-GRUMIO. Mijn meester zoekt ruzie;--en als ik u klop,
-Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op.
-
-PETRUCCIO. Kom, doet ge 't of niet?
-Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez' schel hier;
-Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze 't wel hier.
-
-(Hij trekt Grumio bij 't oor.)
-
-GRUMIO. Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol!
-
-PETRUCCIO. Wel klop, als ik 't beveel, gij lompe vlegel!
-
-(Hortensio komt op.)
-
-HORTENSIO. Wat is hier aan de hand?--Wel zoo, mijn oude kennis
-Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!--Hoe maakt gij allen
-het te Verona?
-
-PETRUCCIO. Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit?
-Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit.
-
-HORTENSIO. Alla nostra casa ben venuto; molt' onorato Signor mio
-Petruccio.
-
-Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij.
-
-GRUMIO. Ach, heer, dat doet er niets toe, wat hij daar in 't Latijn
-vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst
-te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem
-te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo
-zou behandelen, die al wel,--zoo veel ik weet--twee-en-dertig heeft,
-en niet meer meespeelt?
-
-Maar had ik 't gedaan, toen hij zeide: "Klop, klop!"
-Dan had hìj het, en erger brak 't mij toch niet op.
-
-PETRUCCIO. Aartsdomme schelm!--Verbeeld u, vriend Hortensio,
-Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur;
-En wat ik zeide of niet, hij woû 't niet doen.
-
-GRUMIO. O hemel! kloppen aan de deur!
-Wat! hebt gij niet gezegd: "Knaap, klop mij hier!
-Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!"
-En komt ge nu met "kloppen aan de deur?"
-
-PETRUCCIO. Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je.
-
-HORTENSIO. Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg;
-Wat dolle ruzie tusschen u en hem,
-Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!--
-Zeg liever, beste vriend, wat goede wind
-Van 't oud Verona u naar Padua blies.
-
-PETRUCCIO. De wind, die 't jonge volk alom verspreidt,
-En verder af dan thuis hun heil doet zoeken.
-Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in 't kort,
-Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat.
-Antonio, mijn vader, overleed,
-En ik dwaal nu deez' doolhof in en zoek
-Er mijn fortuin,--God weet, misschien een vrouw;
-'k Heb in mijn buidel goud, veel goed'ren thuis,
-En trek de wereld rond; ik wil die zien.
-
-HORTENSIO. Petruccio, mag ik zonder omhaal u
-Eens werven voor een fel en leelijk wijf?
-Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank;
-En toch, 'k beloof u, dat zij rijk zou zijn,
-Echt rijk;--maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend,
-Zoo'n koopje mag ik u niet leev'ren.
-
-PETRUCCIO. Hortensio, tusschen vrienden zooals wij
-Zijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene,
-Die rijk genoeg is voor Petruccio's vrouw,--
-Rijk is 't refrein voor mijnen huwlijksdans,--
-Waar ze ook zoo leelijk als Florentius' bruid,
-Oud als Sibylle, en even fel en vinnig
-Als Socrates' Xanthippe, erger nog,
-'t Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mij
-Den lust niet weg tot de' echt; waar' ze ook zoo wild
-Als de opgezweepte zee van Adria,--
-Ik zoek een rijken trouw in Padua:
-Trouw 'k rijk, dan trouw ik goed in Padua.
-
-GRUMIO. Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over
-denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met
-een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons,
-die geen enk'len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook
-al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas,
-als er maar geld bij is.
-
-HORTENSIO. Petruccio, 't ging al verder dan ik dacht;
-Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon.
-Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouw
-U helpen, rijk genoeg en jong en schoon,
-Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt.
-Haar een'ge feil,--en dit is feils genoeg,--
-Is, dat zij onverdraag'lijk korzel is
-En bits, onhandelbaar, in zulk een mate,
-Dat ik, al ware ik ook in bitt'ren nood,
-Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou.
-
-PETRUCCIO. O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;--
-Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg;
-Ik enter haar, al keef ze ook even luid
-Als in den herfst de zwartste donderwolk.
-
-HORTENSIO. Haar vader heet Battista Minola,
-Een hoff'lijk en recht vriend'lijk edelman;
-Hààr naam is Katharina Minola,
-Befaamd in Padua door haar schamp're tong.
-
-PETRUCCIO. Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken,
-En met mijn vader was hij ook bevriend.
-Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien;
-Vergeef mij dus, dat ik na de' eersten groet
-U daad'lijk weer verlaat, tenzij ge mij
-Verzellen wilt op mijnen tocht naar ginds.
-
-GRUMIO. Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op
-mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen,
-dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien
-tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als
-hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik
-zal u eens wat zeggen; heer,--als zij hem durft staan, al is het ook
-nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen,
-dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht
-moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer.
-
-HORTENSIO. Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan;
-Mijn schat is bij Battista in bewaring,
-Hij houdt mijns levens kleinood achter slot,
-Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca;
-Hij sluit van haar mij af en and'ren meer,
-Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand,
-Daar hij zich wel niet anders denken kan,
-Om al het moois, dat ik u heb verteld,
-Dan dat hij met Kath'rina zitten blijft;
-Zoo nam Battista dan 't besluit, dat hij
-Aan niemand zijn Bianca gunt, als niet
-De helleveeg Katrijn eerst aan den man is.
-
-GRUMIO. "De helleveeg Katrijn!"
-Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn.
-
-HORTENSIO. Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst,
-En stell' mij, stemmigjes gekleed, aan de' ouden
-Battista voor als deeg'lijk onderwijzer,
-Om in muziek Bianca les te geven;
-Door die vermomming krijg ik op zijn minst
-Gelegenheid om met haar saam te zijn
-En onverdacht mijn liefde te verklaren.
-
-GRUMIO. Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de
-jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken!
-
-(Gremio komt op met Lucentio, die verkleed is en boeken onder den
-arm draagt.)
-
-Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha!
-
-HORTENSIO. Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer;
-Petruccio, kom nu hier, op zij!
-
-GRUMIO. Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn!
-
-(Zij gaan ter zijde.)
-
-GREMIO. In orde; ik heb de lijst goed nagezien;
-Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijn
-En louter liefdeboeken, dit vooral;
-En zorg, dat gij niets anders met haar leest.
-Verstaan?--Hoor nog: wat u signor Battista
-In mildheid schenkt, zal ik door ruime gift,
-U nog vermeerd'ren.--Maar al wat gij schrijft,
-Schrijf dat toch op geparfumeerd papier,
-Want lief'lijker dan 't geurigst reukwerk is
-Zij, die 't ontvangt.--Wat leest gij 't eerst met haar?
-
-LUCENTIO. Wat het ook zij, ik werk alleen voor u,
-Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust,
-Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij;
-Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer,
-Dan 't uwe, of gij moest een geleerde zijn.
-
-GREMIO. O die geleerdheid, welk een schoone zaak!
-
-GRUMIO. O die onnooz'le, welk een rare snaak!
-
-PETRUCCIO. Stil, vrindje!
-
-HORTENSIO. Stil, Grumio! (Hij treedt voor den dag.) Wees gegroet,
-signore Gremio!
-
-GREMIO. Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet,
-Waar ik naar toe ga?--Naar Battista Minola.
-'k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naar
-Een onderwijzer voor de schoone Bianca;
-En 'k heb 't geluk gehad, deez' jongen man
-Te ontmoeten, die door kennis en manieren
-Juist voor haar past, in poëzie belezen
-En and're boeken,--goede boeken, ja.
-
-HORTENSIO. Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet,
-Die heeft beloofd, me een fijnen musicus
-Te zullen zenden voor onze uitverkoor'ne;
-Zoo blijf ik dus niets achter in den dienst
-Der schoone Bianca, die ik zoo bemin.
-
-GREMIO. Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen.
-
-GRUMIO. Zijn geldzak zal 't bewijzen.
-
-HORTENSIO. 't Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio.
-Maar luister: wilt gij vriend'lijk zijn, dan meld
-Ik u iets nieuws, ons beiden even welkom.
-Deez' heer, dien ik toevallig heb ontmoet,
-Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt,
-Gaan vrijen naar de kreeg'le Katharina,
-Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook.
-
-GREMIO. Gezegd, gedaan, is mooi.--Hortensio, spreek,
-Hebt gij hem haar gebreken opgesomd?
-
-PETRUCCIO. Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf;
-Is 't anders niet, mijn heeren, dat 's geen kwaad.
-
-GREMIO. Geen kwaad, mijn vriend? Nu!--Waar zijt gij vandaan?
-
-PETRUCCIO. 'k Ben van Verona, en Antonio's zoon;
-Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef,
-En 'k hoop, dat die mij goede dagen geev'.
-
-GREMIO. Heer, goede dagen en zoo'n wijf, zijn twee;
-Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust;
-Ik zal in alles u behulpzaam zijn.
-Maar wilt gij zulk een boschkat?
-
-PETRUCCIO. Wil ik leven?
-
-GRUMIO. Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar!
-
-PETRUCCIO. Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel?
-Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts?
-Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw?
-Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden,
-Gelijk een toornige ever, wit beschuimd?
-Hoorde ik kanongebulder niet, in 't veld,
-Noch 's hemels zwaar geschut daar in de lucht?
-Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers,
-Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal?
-En reutelt gij me van een vrouwetong,
-Die half zoo luid niet klapt als een kastanje
-In 't haardvuur van een pachter? Maak een kind
-Met bietebauwen bang!
-
-GRUMIO. Neen, hij ducht niets.
-
-GREMIO. Hortensio, hoor.
-Deez' heer komt wel ter rechter tijd; ik heb
-Een voorgevoel, 't is ons geluk en 't zijne.
-
-HORTENSIO. 'k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij,
-En houden bij dit vrijen graag hem vrij.
-
-GREMIO. Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan.
-
-GRUMIO. O, bood men even wis me een goed onthaal aan.
-
-(Tranio komt op, deftig uitgedost, met Biondello.)
-
-TRANIO. God zegen' u, mijn heeren! 'k Ben zoo vrij
-Te vragen, wat de naaste weg wel is
-Naar 't huis van heer Battista Minola.
-
-GREMIO. Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien?
-
-TRANIO. Denzelfden.--Biondello!
-
-GREMIO. 't Is u toch om de dochter niet te doen?
-
-TRANIO. Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak.
-
-PETRUCCIO. In geen geval om haar, die kijft, niet waar?
-
-TRANIO. Een kijfster? dank u, heer!--Kom, Biondello!
-
-LUCENTIO (ter zijde). Goed, Tranio, goed!
-
-HORTENSIO. Heer, eer gij gaat, een woord!
-Zeg ja of neen; heeft de and're u soms bekoord?
-
-TRANIO. Waar' 't zoo, beleedigde ik dan u daarmede?
-
-GREMIO. Neen, heer, maar ik verbied u elke verd're schrede.
-
-TRANIO. De straat, heer, is, zoo 'k denk, wel even vrij
-Voor mij en u.
-
-GREMIO. De straat, heer, wel, niet zij.
-
-TRANIO. Waarom dan, mag ik vragen?
-
-GREMIO. Vraagt ge zoo?
-Welnu, ze is de uitverkoor'ne van signore Gremio.
-
-HORTENSIO. Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio.
-
-TRANIO. Al zacht, mijn heeren; gunt als edellieden
-Ook mij mijn recht, en hoort mij rustig aan.
-Battista is een waardig edelman,
-En met mijn vader is hij goed bekend;
-En waar' zijn dochter schooner nog dan ze is,
-Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij.
-Een duizendtal had Leda's schoone dochter,
-De schoone Bianca hebbe één meer dan nu;
-Lucentio zij die een, is mijn besluit,
-Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid.
-
-GREMIO. Let op, deze een praat allen van de baan.
-
-LUCENTIO. Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol.
-
-PETRUCCIO. Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat?
-
-HORTENSIO. Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gij
-De dochters van Battista ooit gezien?
-
-TRANIO. Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord;
-De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd,
-Dan de and're door haar zedigheid en schoon.
-
-PETRUCCIO. Laat af van de eerste, heer, die is van mij.
-
-GREMIO. Ja, laat aan Hercules dat werk maar over;
-Het twaalftal van Alcides tell' niet meer.
-
-PETRUCCIO. Verneem van mij nu, heer, hoe 't voor u staat:
-De jongste dochter, zij, die gij verlangt,
-Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot;
-Aan niemand wil haar vader haar verloven,
-Aleer haar oud're zuster is getrouwd,
-Dan wordt de jong're vrij, maar eerder niet.
-
-TRANIO. Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man,
-Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij,
-Breekt gij het ijs, volbrengt gij 't heldenstuk,
-Neemt gij die oudste, en wordt de jong're vrij
-Voor onzen wedstrijd,--zeker, die haar krijgt,
-Wie 't zij, zal, zooals 't past, zich dankbaar toonen.
-
-HORTENSIO. Zeer juist gesproken, heer, en met verstand;
-En daar gij medevrijer u verklaart,
-Zult gij, als wij, dien heer erkent'lijk zijn;
-Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht.
-
-TRANIO. Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijs
-Vraag ik: brengt den namiddag met mij door,
-En drinken we op het welzijn onzer liefsten,
-En doen we als advocaten, die, hoe fel
-Ze elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel.
-
-GRUMIO EN BIONDELLO. Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee!
-
-HORTENSIO. Dat voorstel is aanneemlijk, ja, 't is goed;
-U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE BEDRIJF.
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Aldaar. Een hamer in Battista's huis.
-
-Bianca en Katharina komen op.
-
-
-BIANCA. Gij krenkt mij, lieve zuster, krenkt uzelf,
-Zoo ge als een dienstmeid en slavin mij sleurt;
-Dit duld ik niet. Kunt gij deez' tooi niet lijden,
-Laat dan mijn handen los, dan doe ikzelf
-Heel mijn gewaad, tot op mijn onderkleed,
-Ja, uit en weg; en wat ge me ook beveelt,
-Dat wil ik doen; zoo goed is mij bewust,
-Wat ik mijn oud're zuster schuldig ben.
-
-KATHARINA. Beken hier daad'lijk, wie van al uw vrijers
-U 't best bevalt; maar geen gehuichel, hoor!
-
-BIANCA. Geloof mij, zuster, welken man 'k ook zag,
-Nooit zag ik nog een aangezicht, dat meer
-Mij aantrok dan van eenig ander man.
-
-KATHARINA. Fleemtong, gij liegt. Is 't niet Hortensio?
-
-BIANCA. Is hij uw keuze, zuster? 'k zweer, dan wil ik
-Zelf voor u pleiten, totdat hij u neemt.
-
-KATHARINA. O! dan is rijkdom uw begeerte, en kiest
-Gij Gremio, om een fraaien staat te voeren.
-
-BIANCA. Is hij het, die uw nijd zoo wekt? O dan
-Zijt gij aan 't schertsen, en bespeur ik klaar,
-Dat gij daar al den tijd aan 't schertsen waart.
-Ik bid u, Kaatje, laat mijn handen los.
-
-KATHARINA. Was alles scherts, houd dan ook dit er voor.
-
-(Zij slaat haar.)
-
-(Battista komt op.)
-
-BATTISTA. Wat is dat hier? Mamsel, wat schand'lijk doen!--
-Bianca, ga ter zijde!--arm kind! zij schreit!--
-Bemoei u niet met haar; ga aan uw naaiwerk.--
-Foei, helleveeg, zoo duivelsch van gemoed,
-Wat krenkt gij haar, die u nooit heeft gekrenkt?
-Heeft ze ooit een woord u in den weg gelegd?
-
-KATHARINA. Haar zwijgen jouwt mij uit; ik wil mij wreken.
-
-(Zij vliegt naar Bianca toe.)
-
-BATTISTA. Wat, voor mijn oogen?--Ga maar heen, mijn kind!
-
- (Bianca af.)
-
-KATHARINA. Gij duldt het niet van mij? Ja 't is te zien,
-Zij is uw schat, aan haar bezorgt ge een man;
-En ik moet op haar bruiloft barvoets dansen,
-Om haar wis apen brengen naar de hel.
-Zeg mij niets meer, ik wil gaan zitten weenen,
-Totdat ik kans om mij te wreken zie.
-
- (Katharina af.)
-
-BATTISTA. Had ooit een vader zooveel uit te staan
-Als ik?--maar wie komt daar?
-
-(Gremio komt op met Lucentio, eenvoudig gekleed; Petruccio met
-Hortensio als muziekonderwijzer, en Tranio, gevolgd door Biondello,
-die een luit en boeken draagt.)
-
-GREMIO. Goeden morgen, buurman Battista.
-
-BATTISTA. Goeden morgen, buurman Gremio; gegroet, mijne heeren!
-
-PETRUCCIO. Gegroet, heer! 'k Bid u, hebt gij niet een dochter
-Met name Katharina, schoon en zedig?
-
-BATTISTA. Ik heb een dochter, heer, met name Katharina.
-
-GREMIO. Bedaard toch; val niet met de deur in 't huis.
-
-PETRUCCIO. Gij krenkt mij, Signor Gremio; laat mij maar.--
-'k Ben uit Verona, heer, een edelman;
-De roep van hare schoonheid, haar verstand,
-Haar minzaamheid, beschroomde zedigheid,
-Haar wond're gaven en haar zachten aard,
-Heeft mij, schoon ongenood, verlokt, als gast
-Ten uwent te verschijnen, om mijn oog
-Te doen aanschouwen, wat mijn oor vernam.
-En om de' ontvangst, die 'k hoop, mij te verwerven,
-Sta ik u hier een van mijn dienaars af,
-
-(Hij stelt Hortensio aan Battista voor.)
-
-Die, met muziek en wiskunst wel vertrouwd,
-Haar in die vakken deeg'lijk les kan geven,
-Waarin zij, naar ik weet, geen vreemd'ling is;
-Versmaad hem niet, want anders krenkt gij mij;
-Zijn naam is Licio, van Mantua.
-
-BATTISTA. Wees welkom, heer, en hij om uwentwil;
-Maar 'k weet toch, dat mijn dochter Katharina
-Niet van uw gading is, zeer tot mijn spijt.
-
-PETRUCCIO. Gij wilt, naar 'k zie, van haar geen afstand doen;
-Of moog'lijk staat u mijn persoon niet aan?
-
-BATTISTA. Versta mij wèl; ik zeg slechts wat ik meen.
-Maar zeg mij, heer, wat is uw naam en stam?
-
-PETRUCCIO. Ik ben Petruccio, en Antonio's zoon,
-Een man, door heel Itaalje wel bekend.
-
-BATTISTA. Ik ken hem wel, wees zijnentwege welkom.
-
-GREMIO. Vergeef de stoornis, maar, Petruccio, gun
-Ons, armen smeekelingen, ook het woord!
-Houd in! gij draaft door dik en dun maar voort.
-
-PETRUCCIO. Vergeef mij, Signor Gremio, maar 'k wensch gauw klaar
-te komen.
-
-GREMIO. 'k Geloof 't, maar vrees, dat gauw, heer, de pret u wordt
-benomen.--
-
-Buurman Battista, deze aanbieding is u ongetwijfeld bijzonder
-aangenaam. Om u van mijn zijde dezelfde beleefdheid te bewijzen,--en
-ik acht mij tot meer beleefdheid verplicht jegens u dan jegens iemand
-anders,--veroorloof ik mij, u dezen jeugdigen geleerde aan te bieden
-(Hij stelt hem Lucentio voor.), die lang in Reims gestudeerd heeft en
-even zoo bedreven is in het Latijn, Grieksch en voor andere talen,
-als die ander in muziek en wiskunde; zijn naam is Cambio; ik bid u,
-neem zijn diensten aan.
-
-BATTISTA. Duizendmaal dank; Signore Gremio;--wees van harte welkom,
-Cambio.--Maar gij (Tot Tranio.), geachte heer, gij schijnt een
-vreemdeling: mag ik zoo vrij zijn te vragen, waaraan ik uw bezoek
-verschuldigd ben.
-
-TRANIO. Vergeef, heer, mijn vrijmoedigheid is groot,
-Dat ik, schoon vreemd'ling in deez' stad, het waag
-Te dingen naar de hand uwe dochter,
-Bianca, rijk in schoonheid en in deugden.
-Ook is mij welbekend, dat gij besloot
-Het eerst uw oud're dochter uit te huwen;
-Wat ik u vraag, is daarom slechts de gunst,
-Dat ik, als ge eens mijn afkomst weet, met de and'ren,
-Die naar haar hand staan, toegang hebben moog',
-Mijn wenschen moge ontvouwen, als ik die and'ren.
-Voor 't onderwijs van uwe dochters kan ik
-Slechts kleinigheden bieden: deze luit,
-Dit stapeltje Latijnsche en Grieksche boeken;
-Aanvaardt gij die, dan schenkt gij hun waardij.
-
-BATTISTA. Lucentio is uw naam? Van waar afkomstig?
-
-TRANIO. Van Pisa, heer; Vincentio is mijn vader.
-
-BATTISTA. Een man van aanzien ginds, mij welbekend.
-Van hooren zeggen: hartelijk welkom, heer.--
-Neem gij (Tot Hortensio.) de luit, en gij (Tot Lucentio.) dien
-stapel boeken;
-Zoo daad'lijk zult ge uw kweekelingen zien.
-Heidaar! (Een Bediende komt.)--Hier, knaap, geleid deez' heeren naar
-Mijn dochters heen; zij zijn haar onderwijzers;
-Verzoek voor hen alzoo een heusche ontvangst.
-
-(De Bediende vertrekt, met Hortensio en Lucentio; Biondello volgt.)
-
-Komt, gaan wij thans den tuin eens rond, en dan
-Aan tafel; allen zijt gij hartlijk welkom;
-Houdt u, dit bid ik, hiervan overtuigd.
-
-PETRUCCIO. Signor Battista, hoor, mijn zaak eischt spoed;
-Ik kan niet elken dag hier aanzoek doen.
-Daar gij mijn vader kendet, kent ge mij,
-Die al zijn land en goed'ren heb geërfd,
-En sedert eer vermeêrd heb dan verminderd;
-Zeg dus,--als ik het jawoord van haar krijg,--
-Wat mij uw dochter wel ten huw'lijk brengt.
-
-BATTISTA. De helft van al mijn goed'ren bij mijn dood,
-En twintigduizend kronen zoo terstond.
-
-PETRUCCIO. En ik, van mijnen kant, verzeker haar
-Een weduwgift,--als zij mij overleeft,--
-Van al mijn have en goed, hoe ook genaamd;
-Nauwkeurig zij dit wett'lijk dus omschreven,
-Opdat aan weêrszij het verdrag ons bind'.
-
-BATTISTA. Ja, als maar eens de hoofdzaak zeker is:
-Haar jawoord;--dit is nu het eerst en 't laatst.
-
-PETRUCCIO. O, dat is niets; want ik verklaar u, vader,
-'k Ben even kort van stof als zij hooghartig;
-En als één heftig vuur een ander vindt,
-Dan wordt, wat hunne woede voedt, verteerd;
-Een kleine wind blaast een klein vuur wel aan,
-Doch een orkaan blaast vuur en alles uit;
-Zoo ben ik haar, zoo geeft zij 't mij gewonnen,
-Want ik ben ruw en vrij niet als een melkmuil.
-
-BATTISTA. Vrij hoe ge wilt; heb er maar zegen op;
-Doch wapen u op enk'le booze woorden.
-
-PETRUCCIO. Ik ben verstaald, onwrikbaar als een rots,
-Die pal blijft staan, hoe fel de storm haar trots'.
-
-(Hortensio komt op, met een wond aan 't hoofd.)
-
-BATTISTA. Wat is er, vriend? waarom ziet gij zoo bleek?
-
-HORTENSIO. Zie ik zoo bleek, dan is 't van schrik, geloof me.
-
-BATTISTA. En heeft mijn dochter aanleg voor muziek?
-
-HORTENSIO. Eer om soldaat te zijn; misschien houdt staal
-Het in haar handen uit; een luit kan 't niet.
-
-BATTISTA. Dus denkt ge niet, dat zij de luit leert slaan?
-
-HORTENSIO. Neen, want zij sloeg de luit al op mij stuk.
-Ik zeide alleen, haar vingergreep was valsch,
-En boog haar zacht de hand tot beet'ren greep;
-Daar werd zij ongeduldig, duivelsch; "noemt ge
-"Dat grepen?" riep ze, "grijpen kan ik wel!"
-En greep de luit en sloeg me er mee op 't hoofd,
-Zoodat mijn kop de luit geheel doorboorde;
-Ik was een wijl verbluft en stond te kijken,
-Als had ik 't halsblok aan en stond te pronk;
-En tevens riep ze: "Schelmsche vedelaar;"
-En "Brekebeen!" en twintig zulke naampjes,
-Als had ze voor mijn smaad die uitgezocht.
-
-PETRUCCIO. Nu, bij mijn ziel, een aardig meisje! ik houd
-Al tienmaal meer van haar dan vroeger; 'k wou,
-Dat ik met haar al aan het babb'len was.
-
-BATTISTA. Kom mee en wees niet zoo ontsteld; hervat
-Uw onderwijs maar met mijn jongste dochter,
-Die leerzaam en erkent'lijk zich betoont.--
-Signor Petruccio, wilt gij met ons gaan?
-Of zend ik hier mijn Kaatje naar u toe?
-
-PETRUCCIO. Ja, doe dat, wees zoo goed; ik wacht haar hier,
-
- (Battista, Gremio, Tranio en Hortensio af.)
-
-En maak haar kluchtig 't hof, zoodra zij komt.
-Valt ze uit, dan zeg ik haar eenvoudig weg,
-Dat zelfs de nachtegaal zoo mooi niet slaat;
-En kijkt ze zwart, ik roem haar blikken, helder
-Als morgenrozen, frisch met dauw gedrenkt;
-En is ze stom en spreekt ze zelfs geen woord,
-Dan roem ik luid de radheid van haar tong
-En zeg, dat zulk een taal de ziel beweegt;
-En roept ze: "Pak u weg!" dan dank ik haar,
-Als had ze mij een week bij zich genood;
-Verwerpt zij de' echt, dan vraag ik haar, wanneer
-Zij de geboden en het huw'lijk wil;--
-Daar komt ze;--nu, Petruccio, doe uw woord!
-
-(Katharina komt op.)
-
-Goê morgen, Kaatje, want zoo heet ge, hoor ik.
-
-KATHARINA. Gij hoordet wel, maar toch niet naar behooren;
-Wie van mij spreekt, die noemt mij Katharina.
-
-PETRUCCIO. Onwaar, onwaar; men noemt u kortweg Kaatje,
-En mooie Kaat, en soms ook korz'le Kaat;
-Maar Kaatje, liefste Kaatje in 't christendom,
-Kaatje van Kaatjesstein, mijn poez'lig Kaatje,--
-Wat Kaatje heet is poez'lig--daarom Kaatje,
-Verneem van mij nu, Kaatje, gij mijn troost,
-Ik hoorde alom uw lieve zachtheid prijzen,
-Uw deugden noemen, en uw schoonheid roemen,--
-Schoon niet zoo luide als gij verdient,--en dit
-Heeft me aangezet om naar uw hand te staan.
-
-KATHARINA. Zoo? aangezet? Die u heeft aangezet,
-Zette u weer weg! 'k Zag daad'lijk, dat gij plooibaar
-En wel verzetbaar waart.
-
-PETRUCCIO. Plooi- en verzetbaar?
-
-KATHARINA. Zooals een vouwstoel, ja.
-
-PETRUCCIO. Goed, zet u hier.
-
-KATHARINA. Juist, ezels moeten dragen, waarom gij niet?
-
-PETRUCCIO. Juist, vrouwen moeten dragen, waarom gij niet?
-
-KATHARINA. Dacht gij me een knol, dat ik u dragen zou?
-
-PETRUCCIO. 'k Zal u geen last, misschien wel lastig zijn;
-Want Kaatje, ik weet, ge zijt zoo jong, zoo lucht,--
-
-KATHARINA. Te lucht, dan dat een boer mij vangen zou;
-Toch niet te licht; ik wil geen last er bij.
-
-PETRUCCIO. 'k Geloof het wel; de laster zwermt als bij
-Vaak om u heen; gij kent zijn steek te wel.
-
-KATHARINA. Ik ducht dien niet; veeleer moog hij mij duchten.
-
-PETRUCCIO. Dan zijt ge een wesp, en waarlijk al te fel.
-
-KATHARINA. Ben ik zoo wespig, ducht mijn angel dan.
-
-PETRUCCIO. Die doet mij niets; ik ruk hem daad'lijk uit.
-
-KATHARINA. Ja, als een stumperd wist, waar die wel zit.
-
-PETRUCCIO. Wie weet niet, waar een wesp haar angel draagt?
-Ik vang de wesp, en moog ze ook tegenspart'len,
-Ze raakt haar angel kwijt.
-
-KATHARINA. Haar tong?
-
-PETRUCCIO. Haar nagels eer, die knipt de man, die u,
-Wild Kaatje, vangt, wel af.
-
-(Katharina wendt zich om tot heengaan. Petruccio houdt haar vast.)
-
- Lief Kaatje, blijf;
-Ik ben een edelman.
-
-KATHARINA. Dat wil ik zien.
-
-(Zij slaat zijn handen weg.)
-
-PETRUCCIO (grijpt haar handen vast). Bij God, ik klop u, waagt gij
-'t weer, te slaan.
-
-KATHARINA. Dan raakt ge uw wapen kwijt.
-Want die een vrouw slaat, is geen edelman;
-Geen edelman, geen wapen.
-
-PETRUCCIO. Wat, lief Kaatje!
-Gij wapenkoning? Zet mij in uw stamboek!
-
-KATHARINA. Wat is 't blazoen? Een jonge haan, die koning
-Wil kraaien, maar 't niet kan? Of is 't een zotskap?
-
-PETRUCCIO. Een haan, die kraait, als Kaat mijn hen wil zijn.
-
-KATHARINA. Geen haan voor mij; gij kraait nog als een kuiken.
-
-PETRUCCIO. Neen, Kaatje, kom, zet niet zoo'n zuur gezicht.
-
-KATHARINA. Zoo doe ik steeds, bij 't zien van onrijp ooft.
-
-PETRUCCIO. Hier is geen onrijp ooft; zie dus niet zuur.
-
-KATHARINA. Het is er wel.
-
-PETRUCCIO. Vertoon 't mij dan!
-
-KATHARINA. Had ik
-Een spiegel, 'k deed het.
-
-PETRUCCIO. Wat? Bedoelt gij mij?
-
-KATHARINA. Wel knap bedacht voor een, die pas komt kijken.
-
-PETRUCCIO. Ja, bij Sint Joris, 'k ben te jong voor u.
-
-KATHARINA. En toch verwelkt!
-
-PETRUCCIO. Van kwelling.
-
-KATHARINA. 't Kwelt mij niet.
-
-(Zij wil heengaan.)
-
-PETRUCCIO. Neen, Kaatje, hoor mij; zoo ontsnapt gij niet.
-
-KATHARINA. Mijn blijven zou u erg'ren; laat mij gaan.
-
-PETRUCCIO. Volstrekt niet; 'k vind u allerliefst. Men had
-U mij geschetst als schuw en ruw en geem'lijk;
-En nu vind ik 't Gerucht een lastertong,
-Want gij zijt vroolijk, geestig, allerhoflijkst;
-Wat stil, maar lieflijk als een lentebloem;
-Gij fronst het voorhoofd niet, ge kijkt niet donker,
-Bijt niet, zooals een feeks doet, op de lip;
-Gij hebt geen lust in vinnig tegenspreken,
-Maar uw aanbidders boeit gij allerliefst
-Met vriend'lijk, zacht, vertrouwelijk gesprek.
-Hoe komt men aan 't verhaal, dat Kaatje hinkt?
-De wereld liegt, want Kaatje is slank en recht
-Gelijk een hazeltak, ze is bruin van haar,
-Gelijk een hazelnoot, en zoeter dan haar kern;--
-O loop eens op;--neen, hinken doet ge niet.
-
-KATHARINA. Loop, dwaas, en geef uw orders aan uw knechts.
-
-PETRUCCIO. Verheerlijkte ooit Diana zoo het woud,
-Als Kaatje's vorstelijke gang deez' zaal?
-Wees gij Diaan, en laat haar Kaatje zijn;
-En dan zij Kaatje koud, Diana dartel.
-
-KATHARINA. Waar hebt gij al dien schoonen praat geleerd?
-
-PETRUCCIO. Het is voor 't vuistje, geest van moederswege.
-
-KATHARINA. Een geestrijk moeder en zoo'n geestloos zoon!
-
-PETRUCCIO. Heb ik geen geest?
-
-KATHARINA. Nu, houd dien geest maar warm.
-
-PETRUCCIO. Ja, lieve Katharina, in uw arm;
-En 'k zet daarom deez' praatjes aan een kant,
-En zeg u kort en goed: uw vader stond
-Mij 't aanzoek toe; de bruidsschat is bepaald;
-En, of gij 't wilt of niet, gij wordt mijn vrouw.
-Hoor, Kaatje, ik ben de rechte man voor u;
-En bij dit licht, dat op uw schoonheid straalt,--
-Uw schoonheid, die voorwaar me in liefde ontgloeit,--
-Verlang niet naar een and'ren man dan mij;
-Want, Kaatje, ik ben de man om u te temmen,
-En uit een wilde kat een lief tam Kaatje
-Te maken, als een lief en huis'lijk katje.
-Daar komt uw vader aan; neen, weiger niet;
-Ik moet en zal Kath'rina tot mijn vrouw.
-
-(Battista, Gremio en Tranio komen weder op.)
-
-BATTISTA. Hoe is 't, signor Petruccio, u vergaan
-Bij mijne dochter?
-
-PETRUCCIO. Wel, zeer goed, zeer goed;
-Hoe kon het anders zijn? Dacht gij van neen?
-
-BATTISTA. Hoe, dochter Katharina, nog steeds knorrig?
-
-KATHARINA. Noemt gij mij dochter? Nu, 'k verzeker u,
-Gij hebt mij teed're vaderzorg getoond,
-Door aan een halfgek mensch mij toe te zeggen,
-Een dollen zotskap, een hansworst, die vloekt,
-En met zijn vloeken waant zijn zaak te winnen.
-
-PETRUCCIO. Hoor, vader, hoe het staat:--gijzelf en ieder,
-Die van haar sprak, deedt steeds haar onrecht aan;
-'t Is politiek, als zij zich korzel toont;
-Zij is niet dwars, maar als een duif zoo zacht,
-Geen heethoofd, maar gelijk de morgen frisch;
-Griseldis streeft zij in geduld op zij,
-In kuischheid Rome's roem, Lucretia.
-Dus kort en goed,--wij kwamen overeen:
-Aanstaanden Zondag zal de trouwdag zijn.
-
-KATHARINA. Eer wil ik op dien Zondag u zien hangen.
-
-GREMIO. Petruccio, hoor, zij wil u eer zien hangen.
-
-TRANIO. Verging 't u zoo?--Vaarwel dan onze kans!
-
-PETRUCCIO. Stil, heeren, stil; ik koos haar voor mijzelf;
-'t Gaat u niet aan, als 't haar en mij zoo wel is.
-Wij kwamen met ons tweeën overeen,
-Dat zij voor 't oog der wereld boos zou blijven;
-Maar 'k zeg u, 't is onmoog'lijk te gelooven,
-Hoe veel zij van mij houdt, dat liefste Kaatje!--
-Zij hing mij om den hals; met kus op kus,
-Met eed op eed heeft zij mij zoo getroefd,
-Dat ze in een oogwenk hart en al mij won.
-O, gij zijt nieuw'lingen! 't Is wonderbaar,
-Hoe mak, zijn man en vrouw te zaam alleen,
-Een lobbes zelfs de felste feeks kan maken;
-Uw hand, mijn Kaatje; ik moet nu naar Venetië,
-Om voor den trouwdag mij in 't pak te steken;--
-Richt, vader, 't feest maar aan en vraag de gasten;
-'k Voorspel, Kath'rina blijkt een schoone bruid.
-
-BATTISTA. Ik sta verstomd, maar geeft mij beide' uw hand.
-
-(Hij grijpt beider hand en legt de handen ineen; Katharina houdt het
-gelaat afgewend, maar verzet zich niet.)
-
-Petruccio, alle heil! gij zijt een paar.
-
-GREMIO EN TRANIO. Wij zijn getuigen en wij zeggen amen.
-
-PETRUCCIO. Bruid, vader, vrienden, thans vaarwel; ik moet
-Nu naar Venetië; Zondag is nabij;--
-Er moeten ringen, dingen, feestdos zijn;
-Kom, kus mij, Kaatje; Zondag is 't festijn.
-
- (Petruccio en Katharina naar verschillende kanten af.)
-
-GREMIO. Werd ooit een echt zoo plotseling beklonken?
-
-BATTISTA. Voorwaar, 'k doe als een koopman, die soms slaagt,
-Als hij in eens dolzinnig alles waagt.
-
-TRANIO. Hier zou de waar verliggen, nu zal ze u
-Nog voordeel geven, of op zee vergaan.
-
-BATTISTA. Het voordeel, dat ik zoek, is rust en vreê.
-
-GREMIO. Geen twijfel, of de rust valt hem niet meê.--
-Maar nu, Battista, van uw jongste dochter;
-'t Is nu de dag, zoo lang door ons verbeid.
-Ik ben uw buur en vroeg het eerst haar hand.
-
-TRANIO. Ik min Bianca meer, dan ooit de tong
-Kan spreken, of het brein bevroedt.
-
-GREMIO. Jong mensch,
-Mij werd wis meer dan u het hart geboeid.
-
-TRANIO. Grauwbaard, ùw min verkilt.
-
-GREMIO. En de uwe schroeit.
-Weg, spring-in-'t-veld! alleen wat rijp is voedt.
-
-TRANIO. Het oog der vrouw vindt enkel jonkheid goed.
-
-BATTISTA. Stil heeren! 'k maak aan dezen strijd een eind.
-Dat daden spreken om den prijs te winnen;
-En hij, die van u tweeën aan mijn dochter
-Het grootste huw'lijksgoed verzeek'ren kan,
-Die voer' de bruid naar huis.--
-Signore Gremio, wat kent gij haar toe?
-
-GREMIO. Gij kent, vooreerst, mijn huis hier in de stad:
-'t Is rijk voorzien van goud- en zilverwerk,
-Waschbekken, kommen, voor haar fijne hand,
-De wand alom met Turksch tapijt gedekt,
-Mijn schat van kronen in ivoren koffers,
-Vloerkleeden, fraaie spreien, welbewaard
-In cederhouten kisten, bedbehangsels,
-Troonhemels, Turksche kussens, rijk bezet
-Met paarlen, dan gordijnen, geborduurd
-Met gouddraad, werk van Venetiaansche kunst,
-Fijn linnen, brons- en koperwerk en alles,
-Wat in een deftig huis benoodigd is;
-Dan heb ik op mijn hoeve een honderdtal
-Melkkoeien, en vette ossen tien dozijn;
-En al het oov'rige is zoo navenant.
-Ik ben al wat op leeftijd, dit is waar;
-Maar sterf ik morgen, al het mijne is 't hare,
-Als zij slechts mijn wil zijn, zoolang ik leef.
-
-TRANIO. Nu, dit "slechts mijn" was kost'lijk;--hoor thans mij!
-'k Ben een'ge zoon en erfgenaam mijns vaders;
-Schenkt gij uw dochter mij tot vrouw, dan zijn
-Voor haar in 't rijke Pisa drie, vier huizen,
-Zoo goed als hier in Padua de oude Gremio
-Er een maar toonen kan, dan nog tweeduizend
-Dukaten jaarlijksche opbrengst van de hoeven
-Met vruchtbaar land; dit wordt op haar gezet.--
-Nu, signor Gremio, zit gij niet in 't nauw?
-
-GREMIO. Tweeduizend stuks dukaten 's jaars van land!
-Zooveel brengt al mijn land mij saam niet op;
-Doch 't is voor haar; daarbij een koopvaardijschip,
-Dat bij Marseille nu ter reede ligt;--
-Nu, sloeg ik u daar met dit handelsschip?
-
-TRANIO. Mijn vader, Gremio, heeft,--men weet het,--drie
-Koopvaarders, dan nog twee galjoten en
-Nog twaalf galeiën; 't wordt haar toegekend;
-En wat ge ook biedt, ik bied haar tweemaal meer.
-
-GREMIO. Neen, 'k bood reeds alles aan; ik heb niet meer;
-En meer dan 'k heb, kan ik haar toch niet bieden;--
-Verkiest ge mij, dan is al 't mijne aan haar.
-
-TRANIO. Dan is, naar uw belofte, 't meisje mijn,
-En buiten kijf; 'k heb Gremio getroefd.
-
-BATTISTA. Ja, ik erken, dat gij het meeste biedt;
-En als uw vader zekerheid wil geven,
-Dan is zij u: zoo niet, verschoon mij dan;
-Stierft gij voor hem, waar bleef haar huwlijksgift?
-
-TRANIO. Geen uitvlucht! hij is oud en ik ben jong.
-
-GREMIO. De menschen sterven jong, zoowel als oud.
-
-BATTISTA. Hoort, heeren, mijn besluit.
-Gij weet nu, dat mijn dochter Katharina
-Aanstaanden Zondag trouwen gaat; den Zondag
-Die volgt, vier' dan Bianca haar verloving,
-Zoo gij mij zekerheid verschaft, met ù;
-Zoo niet, met Signor Gremio;
-Vaart beiden wel thans, en aanvaardt mijn dank.
-
- (Battista af.)
-
-GREMIO. Dag, buurman!--Knaap, ik ben niet bang; uw vader
-Waar' stapelgek, als hij u alles gaf,
-En daardoor, oud en zwak, bij u de voeten
-Moest steken onder tafel. Dwaas gekal!
-Een oude rot loopt zoo niet in den val.
-
- (Gremio af.)
-
-TRANIO. Vervloekt uw listig, geel en rimp'lig bakhuis!
-Maar 'k nam uw harteboer toch met een tien.--
-Nu komt het er op aan, mijn heer te helpen.--
-Het eenigst is, dat Schijn-Lucentio zorgt
-Een vader Schijn-Vincentio te verkrijgen;
-Een vreemd geval; 't is meest de taak van vaders
-Zich kind'ren te verwekken; bij deze vrijerij
-Verwekt het kind een vader; o slimheid, sta mij bij!
-
- (Tranio af.)
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE BEDRIJF.
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Een kamer in Battista's huis.
-
-Lucentio, Hortensio en Bianca komen op.
-
-
-LUCENTIO. Terug, gij veed'laar! Man, gij wordt te vrij!
-Ontging u reeds de groet, waarmede u pas
-Haar zuster Katharina heeft verfrischt?
-
-HORTENSIO. Gij, twistziek schoolpedant! deez' jonkvrouw is
-De schutsgeest van de harmonie der heem'len;
-Laat mij alzoo den voorrang; hebben wij
-Een uurtje aan muziek besteed, dan worde
-Gelijke tijd aan 't lezen toegewijd.
-
-LUCENTIO. Bekrompen weetniet, heeft het lezen u
-Zelfs niet geleerd, waartoe muziek wel dient?
-Is 't niet, om 's menschen geest wat te verfrisschen
-Na diep gepeins, na 't zwoegen van den dag?
-Erken dus 't voorgaan der philosophie,
-En kom in 't rustuur met uw harmonie.
-
-HORTENSIO. Sinjeur, gij tart mij steeds! dit duld ik niet!
-
-BIANCA. Maar heeren, beiden doet gij me onrecht aan,
-En twist, waar mijn keus toch alleen beslist;
-Ik ben geen schoolkind, dat de roede ducht;
-'k Wil aan geen uur of tijd gebonden zijn,
-Maar neem mijn les zooals ikzelf verkies,
-En ik beslecht den twist: hier zetten we ons:--
-Neem gij uw speeltuig, tokkel midd'lerwijl;
-Zijn les zal uit zijn, eer gij hebt gestemd.
-
-HORTENSIO (tot Bianca). Gij houdt met lezen op, als ik gestemd heb?
-
-(Hij gaat naar den achtergrond.)
-
-LUCENTIO. Nooit, zou ik wenschen;--(Tot Hortensio.) stem dan
-'t instrument.
-
-BIANCA. Waar zijn we laatst gebleven?
-
-LUCENTIO. Hier, mejonkvrouw;
-Hic ibat Simois, hic est Sigeia tellus;
-Hic steterat Priami regia celsa senis.
-
-BIANCA. Vertaal mij dit.
-
-LUCENTIO. Hic ibat, zooals ik u reeds gezegd heb,--Simois, ik ben
-Lucentio,--hic est, zoon van Vincentio van Pisa,--Sigeia tellus,
-zoo verkleed om uw liefde te winnen;--hic steterat, en de Lucentio,
-die naar uw hand staat,--Priami, is mijn dienaar Tranio,--regia,
-die mijn rol speelt,--celsa senis, om den ouden verliefden gek om
-den tuin te leiden.
-
-HORTENSIO (terugkeerend.) Mejonkvrouw, 't speeltuig is gestemd.
-
-BIANCA. Laat
-hooren!
-
-(Hortensio speelt.)
-
-O foei, de discant is nog valsch.
-
-LUCENTIO. Begin van nieuws af aan, man, stem nog eens.
-
-(Hortensio gaat terug.)
-
-BIANCA. Laat mij nu zien of ik 't vertalen kan.
-
-Hic ibat Simois, ik ken u niet;--hic est Sigeia tellus, ik vertrouw
-u niet; hic steterat Priami, pas op, hij hoore ons niet;--regia,
-vlei u maar niet; celsa senis, doch wanhoop niet.
-
-HORTENSIO. Jonkvrouw, 't is nu gestemd.
-
-(Hij speelt eenige accoorden.)
-
-LUCENTIO. De bas nog niet.
-
-HORTENSIO. De bas is zuiver, bas gij maar zoo niet.--
-Wat wordt die hond, die schoolvos, onbeschaamd!
-De kerel, bij mijn ziel, hij maakt haar 't hof!
-Pedascule, 'k houd u nog meer in 't oog!
-
-BIANCA. 't Geloof kàn komen, maar ik twijfel nog.
-
-LUCENTIO. O, twijfel niet;--(Hardop, daar Hortensio nadert.) geloof
-me, Æacides
-Is Ajax, naar zijn voorzaat zoo genoemd.
-
-BIANCA. 'k Geloof 't, wijl gij mijn leeraar zijt; doch anders,
-'k Verzeker u, ik hield mijn twijfel vol.
-Maar 't zij dan zoo.--Thans Licio, tot uw dienst;--
-Gij, goede meesters, duidt het mij niet euvel,
-Dat ik zoo met u tweeën heb geschertst.
-
-HORTENSIO (tot Lucentio). Ga gij maar wand'len; laat mijn les hier
-vrij,
-Want ik geef niet in trio's onderricht.
-
-LUCENTIO. Zoo, eischt ge dat, heer?--Nu, 'k blijf in de buurt
-En houd een oog in 't zeil, want naar ik denk,
-Wordt onze fraaie musicus verliefd.
-
-(Hij gaat ter zijde.)
-
-HORTENSIO. Aleer gij, jonkvrouw, in de snaren grijpt
-En op mijn wijs de vingerzetting leert,
-Begin ik met het A B C der kunst;
-De gamma leer ik u in korter tijd
-En boeiender; ik ga meer recht naar 't doel,
-Dan vóór mij ooit een man van 't vak het deed;
-Hier hebt gij haar in keurig duid'lijk schrift.
-
-BIANCA. Wel man, ik ben de gamma lang voorbij.
-
-HORTENSIO. Leg toch die van Hortensio niet ter zij.
-
-BIANCA (leest). Ut ben ik, Gamma--grond van elk accoord;
-A re--zegg', welk een pijl Hortensio griefde;
-B mi--Bianca, schenk me uw hart, uw woord;
-C fa ut--Ach, ik leef slechts door uw liefde;
-D sol re--Sleutel met een dubb'le noot;
-E la mi--Ja is leven, weig'ring dood.
-Is dit een gamma? die bevalt mij niet;
-Ik houd mij liefst aan de oude en goede leerwijs,
-En heb geen lust in dwaze nieuwigheid.
-
-(Een Bediende komt op.)
-
-BEDIENDE. Uw vader, jonkvrouw, vraagt, dat gij voor heden
-Uw boeken rust geeft, en uw zusters kamer
-Opsieren helpt voor 't bruiloftsfeest van morgen.
-
-BIANCA. Vaartwel, mijn beste meesters, ik moet heen.
-
- (Bianca en de Bediende af.)
-
-LUCENTIO. Dan, jonkvrouw, heb ik ook geen grond tot blijven.
-
- (Lucentio af.)
-
-HORTENSIO. Maar ik heb grond, dien schoolvos na te speuren!
-Hij ziet er uit, als waar' hij ook verliefd;--
-Maar werpt gij zoo u weg, Bianca, dat
-Ge uw dwalend oog op ieder lokaas slaat,
-Dan strijk' met u wie wil; zijt gij zoo grillig,
-'k Zoek elders heil, en gij wordt me onverschillig.
-
- (Hortensio af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Aldaar. Voor Battista's huis.
-
-Battista, Gremio, Tranio, Katharina, Bianca, Lucentio en Bedienden
-komen op.
-
-
-BATTISTA (tot Tranio). Dat is de dag, Lucentio, vastgesteld
-Voor Katharina's en Petruccio's huw'lijk,
-En nog hoor ik van onzen schoonzoon niets;
-Wat zal dat een gepraat, een spotten zijn,
-Dat er geen bruîgom is, terwijl de priester
-Gereed staat om het huwlijk in te zeeg'nen!
-Niet waar, Lucentio, welk een smaad op ons!
-
-KATHARINA. 't Is smaad op mij! Ja, 'k werd genoopt, de hand
-Met tegenzin te reiken aan een dollen,
-Grilzieken wildeman, die vliegensvlug
-Verloofd wil zijn, maar trouwen, als 't hem lust.
-Ik zeide 't wel, 't was een bezeten zot;
-Die bitt're scherts verbergt in lompheids schijn,
-Die graag, om maar voor grappig door te gaan,
-Een duizend meisjes vraagt, het huw'lijk afspreekt,
-De gasten nooden, de geboden gaan,
-Maar 't bruidje op de bruiloft zitten laat.
-Nu wijst een elk op de arme Katharina,
-En lacht: "Ei ziet, daar gaat Petruccio's vrouw,
-Als die maar komen en haar hebben woû!"
-
-TRANIO. Bedaar, Kath'rina, en ook gij, Battista;
-Ik zweer er op, Petruccio meent het goed,
-Wat hem ook stremme in 't houden van zijn woord.
-Zij hij wat ruw, verstandig is hij zeer;
-Drijv' hij den spot, hij is een man van eer.
-
-KATHARINA. O, had hem Katharina nooit gezien!
-
-(Katharina gaat weenend heen, gevolgd door Bianca en anderen.)
-
-BATTISTA. Ga, kind, het spreekt van zelf, dat gij nu weent.
-Want zulk een hoon verdroeg geen heil'ge zelfs,
-Laat staan een driftkop van uw kreeg'len aard.
-
-(Biondello komt op.)
-
-BIONDELLO. O heer, heer! nieuws, oud nieuws en nieuws, zooals gij
-nog nooit gehoord hebt!
-
-BATTISTA. Wat! nieuw en tevens oud? hoe kan dit zijn?
-
-BIONDELLO. Wat! is het geen nieuws, te hooren, dat daar Petruccio komt?
-
-BATTISTA. Is hij gekomen?
-
-BIONDELLO. Wel neen, heer.
-
-BATTISTA. Wat dan?
-
-BIONDELLO. Hij is bezig te komen.
-
-BATTISTA. Wanneer zal hij hier zijn?
-
-BIONDELLO. Als hij staat, waar ik sta, en u daar ziet.
-
-TRANIO. Komaan, voor den dag met uw oud nieuws!
-
-BIONDELLO. Wel, Petruccio komt daar aan, met een nieuwen hoed en
-een oud wambuis; met een oude broek, die al driemaal gekeerd is;
-met een paar laarzen, die al voor kaarsenbakken gediend hebben,
-de een gegespt, de ander geregen, een ouden roestigen degen uit
-een stadsarsenaal, met een gebroken gevest en zonder haak; met twee
-gebroken broeknestels; zijn paard met ontwrichte heup, met een oud
-wormstekig zadel en tweeërlei stijgbeugels; bovendien, kuchende en niet
-vrij van ruggemergstering; lijdend aan speekselvloed, last hebbend
-van huidworm, vol gallen en met spatten, gestreept van de geelzucht,
-met ongeneeslijke halsgezwellen, sterk onderhevig aan duizelingen,
-opgevreten van de wormen, met een zadelrug en boegkreupel; zwak
-op de voorhand, en met een half verbogen stang en een hoofdstel
-van schapenleer, dat gedurig, als men het paard sterk ophield bij
-het struikelen, gebroken en dan weer aan elkander geknoopt is; een
-cingel, die al zesmaal gelapt is en een staartriem met fluweel van
-een dameszadel, waar nog mooi met koperen nagels twee letters van
-haar naam op staan, en die hier en daar met pakgaren gelapt is.
-
-BATTISTA. En wie vergezelt hem?
-
-BIONDELLO. Zijn lakei, heer, en die is waarachtig al evenzoo opgetuigd
-als het paard; hij heeft een garen hoos aan het eene been en een
-wollen sok aan het andere; den eenen knieband van rooden, den ander
-van blauwen zelfkant; een ouden hoed, en daarop "de veertig lustige
-liefdeliedjes" bij wijze van vederbos; een gedrocht, een waar gedrocht
-in zijn kleeding, in het geheel niet als een christenbediende of
-een edelmanslakei.
-
-TRANIO. Een vreemde luim, die tot dit doen hem drijft;
-Maar toch, hij gaat wel meer wat min gekleed.
-
-BATTISTA. 'k Ben blij toch, dat hij komt, hoe 't dan ook zij.
-
-BIONDELLO. Wel, heer, hij komt niet.
-
-BATTISTA. Hebt gij dan niet gezegd, dat hij daar kwam?
-
-BIONDELLO. Wie? dat Petruccio kwam?
-
-BATTISTA. Ja, dat Petruccio kwam.
-
-BIONDELLO. Neen, heer, zijn paard, komt met hem er bovenop,
-
-BATTISTA. Och kom, dat is hetzelfde.
-
-BIONDELLO. Neen, bij Sint Japik, en een duit verwed ik er om:
-Een paard en een man is meer dan een, schoon lang geen ruiterdrom.
-
-(Petruccio en Grumio komen op.)
-
-PETRUCCIO. Waar is hier 't schoon gezelschap? wie is thuis?
-
-BATTISTA. Goed, dat gij komt.
-
-PETRUCCIO. En toch kom ik niet goed.
-
-BATTISTA. Toch hinkt gij niet, heer.
-
-TRANIO. Niet zoo goed gekleed,
-Als ik wel wenschte.
-
-PETRUCCIO. Al ware ik fijn gekleed,
-Toch stoof ik met dezelfde vaart hier in.
-Maar waar is Kaatje? waar mijn lieve bruid?--
-Hoe vaart mijn vader?--Vrienden, zijt gij boos?
-Wat gapen mij deze eed'le gasten aan,
-Als ware hier iets wondervreemds verschenen,
-Als zagen zij een monster, een komeet?
-
-BATTISTA. Wel, heer, gij weet, dit is uw huwelijksdag;
-Eerst waren wij bedroefd, dat gij niet kwaamt;
-En thans nog meer bedroefd, dat gij zoo komt.
-Foei, weg die kleeding! zij onteert uw stand,
-En is een doorn in 't oog bij zulk een feest!
-
-TRANIO. En zeg ons, welk een oorzaak van gewicht
-Zoo lang u van uw bruid verwijderd hield
-En zoo onkenbaar u hierhenen dreef?
-
-PETRUCCIO. 't Verhalen maakte uw oor, mijn tong vermoeid;
-Genoeg, ik kwam hier aan en hield mijn woord,
-Doch kon niet alles doen wat ik beloofde.
-Maar dit zal ik te zijner tijd wel zoo
-Rechtvaardigen, dat gij tevreden zijt.
-Maar waar is Kaatje? 'k Moest lang bij haar zijn;
-De zon staat hoog; 't is tijd ter kerk te gaan.
-
-TRANIO. Ga toch niet zoo gekleed naar uwe bruid,
-Kom met mij mee, trek kleed'ren aan van mij.
-
-PETRUCCIO. Neen, waarlijk niet; neen, zoo bezoek ik haar.
-
-BATTISTA. Maar zoo, verwacht ik, gaat gij niet ter trouw.
-
-PETRUCCIO. Waarachtig, zoo; daarom, geen woorden meer!
-Zij trouwt met mij, en niet met mijn gewaad;
-Vernieuwde ik, wat zij mij verslijten zal
-Zoo snel, als ik dit poover kleed vervang,
-'t Waar' goed voor Kaatje en beter voor mijzelf.
-Maar dwaas, dat ik met u hier babb'len blijf,
-En niet mijn bruid een blijden morgen wensch,
-Dien naam bezeeg'lend met een teed'ren kus!
-
- (Petruccio, Grumio en Biondello af.)
-
-TRANIO. Hij heeft een doel met deze dolle kleeding;
-Maar laat ons, is het moog'lijk, hem bepraten,
-Dat hij zich voor den kerkgang beter kleedt.
-
-BATTISTA. Ik volg hem om te zien, waar dit op uitloopt.
-
- (Battista, Gremio en Bedienden af.)
-
-TRANIO (tot Lucentio). Heer, bij haar liefde hebben wij volstrekt
-Haars vaders jawoord noodig, en hiertoe
-Zie ik, zooals ik u reeds heb gezegd,
-Naar iemand uit;--het doet er niet veel toe
-Wie 't is; wij zullen hem zijn rol wel leeren,--
-Die voor Vincentio van Pisa speelt;
-Die waarborg' schrift'lijk hier in Padua
-U grooter sommen zelfs dan ik beloofde.
-Dan ziet gij spoedig uwe hoop vervuld,
-En huwt uw bruidje met haars vaders wil.
-
-LUCENTIO. Als maar mijn kameraad, die and're leeraar,
-Bianca's schreden niet zoo scherp in 't oog hield,
-Dan waar' een heim'lijke echt het best. Is die
-Gesloten, zegge ook heel de wereld "neen",
-Ik trots geheel de wereld, zij blijft mijn.
-
-TRANIO. Wij willen dit van stap tot stap bepraten,
-En uitzien, wat ons voordeel brengen kan;
-Licht foppen wij dan grauwbaard Gremio,
-Den schuwen loeroog, vader Minola,
-Den smachtenden muziekgek, Licio,
-En alles voor mijn heer, Lucentio.--
-
-(Gremio komt terug.)
-
-Reeds uit de kerk terug, signore Gremio?
-
-GREMIO. Zoo vlug als ik maar ooit de school ontvlood.
-
-TRANIO. En komt de jonge man en vrouw reeds aan?
-
-GREMIO. De jonge man? zeg eer, de wildeman,
-Een kregelkop, dit zal zij ondervinden.
-
-TRANIO. Wat, kreeg'ler nog dan zij? Dit kan toch niet.
-
-GREMIO. Een duivel is hij, duivel, satan zelf.
-
-TRANIO. Zij is een duivelin, des duivels moêr.
-
-GREMIO. Zij is een kind, een duifje, een lam bij hem.
-'k Zal u vertellen; op des priesters vraag:
-"Wenscht gij deez' Katharina tot uw vrouw?"
-Riep hij: "Verduiveld graag", en vloekte zoo,
-Dat van den schrik de priester 't boek liet vallen;
-En toen hij, om het op te rapen, bukte,
-Gaf hem de dolle bruîgom zulk een duw,
-Dat paap en boek daar lag, en boek en paap;
-Toen riep hij: "Raap hen op! wie lust heeft, raap!"
-
-TRANIO. Wat zei de sukkel, toen hij weder stond?
-
-GREMIO. Die rilde en beefde; hij toch stampte en zwoer,
-Dat hem de kapelaan voor 't lapje hield.
-Maar nauw'lijks was de plechtigheid volbracht,
-Of hij schreeuwt luid om wijn en roept: "Daar ga je",--
-Als was hij op zijn schip, en met zijn volk
-Na storm aan 't drinken,--giet den wijn naar binnen,
-En wierp, wat van den huwlijkskoek in 't glas
-Nog over was, den koster in 't gezicht;
-En uit geen and'ren grond,
-Dan dat zijn baard zoo schraal en hong'rig was,
-Dat die bij 't drinken om een sopje vroeg;
-Toen greep hij woest zijn bruidje om den hals,
-En gaf haar zulk een smakkend luiden kus,
-Dat, toen hij losliet, heel de kerk weerklonk.
-Toen ik dat zag, liep ik van schaamte weg,
-En zeker volgt de trein mij op den voet.
-Zoo dwaas een huw'lijk werd nog nooit gesloten;--
-Ja, luister! 'k hoor de muzikanten al!
-
-(Muziek.)
-
-(Petruccio, Katharina, Bianca, Battista, Hortensio, Gremio en Anderen
-komen op.)
-
-PETRUCCIO. Mijnheeren, vrienden, 'k dank u voor uw moeite;
-Ik weet, gij dacht hier met mij aan te zitten
-En hebt een kost'lijk bruiloftsmaal gereed;
-Maar tot mijn spijt drijft groote haast mij heen,
-Waarom ik hier nu afscheid nemen wil.
-
-BATTISTA. Is 't moog'lijk, wilt gij nog deze' avond weg?
-
-PETRUCCIO. Ik moet bij dag nog heen, eer de avond valt;--
-Weest niet verbaasd; waar' de oorzaak u bekend,
-Eer drongt gij, dat ik ging, dan dat ik bleef.
-Vereerd gezelschap, dank u allen, die
-Getuigen waart, hoe ik mijn leven aan
-Deez' zachte, lieve en eerb're gâ verbond;
-Spijst met mijn vader, wijdt een dronk aan ons,
-Want ik moet heen;--en nu, vaart allen wel.
-
-TRANIO. Laat u verbidden, blijf tot na het maal.
-
-PETRUCCIO. Het kan niet zijn.
-
-GREMIO. Laat mij u dan verbidden.
-
-PETRUCCIO. Het kan niet zijn.
-
-KATHARINA. Laat mij u dan verbidden.
-
-PETRUCCIO. Nu is het goed.
-
-KATHARINA. Is 't u nu goed, te blijven?
-
-PETRUCCIO. Het is mij goed, dat gij me om blijven bidt;
-Maar blijven kan ik niet, hoe gij me ook bidt.
-
-KATHARINA. Zoo gij mij liefhebt, blijf.
-
-PETRUCCIO. Grumio, mijn paarden!
-
-GRUMIO. De paarden staan klaar, heer, de haver heeft ze al opgevreten.
-
-KATHARINA. Nu dan,
-Doe wat gij wilt, van daag reis ik niet af;
-Ook morgen niet, niet eer dan ik 't verkies.
-De deur is open, heer, daar ligt uw weg;
-Hots gij maar weg, als gij op spelden staat;
-Ik ga niet heen, niet eer dan ik 't verkies;--
-Dat moet toch wel een echte brombeer zijn,
-Die zoo op de' eersten dag zijn klauw al toont!
-
-PETRUCCIO. Kom, Kaatje, kalm; ik bid u, word niet boos.
-
-KATHARINA. Ik wil nu boos zijn; waarom blijft gij niet?
-Neen, vader, stil; hij blijft zoolang ik wil.
-
-GREMIO. O heer, daar hebt ge 't lieve leven al.
-
-KATHARINA. Komt, heeren, voorwaarts nu naar 't bruiloftsmaal!
-Ik zie het al, de vrouw wierd een malloot,
-Had zij de kracht, den moed niet tot verzet.
-
-PETRUCCIO. Zij zullen doen wat gij gezegd hebt, Kaatje;--
-Gehoorzaamt allen; 't is de bruid, die 't wil;
-Viert feest en jubelt; voert de vreugd in top;
-Wijdt aan haar vleklooze onschuld meen'gen dronk;
-Weest uitgelaten dol,--of hangt u op;
-Maar hier mijn beste Kaat, zij gaat met mij.
-Neen, blikt niet boos, stampt, raast en tiert maar niet;
-'k Wil meester zijn van wat mijn eigen is;
-Zij is mijn have en goed; zij is mijn huis,
-Mijn huisgerief, mijn veld, mijn korenschuur,
-Mijn paard, mijn os, mijn ezel, ja mijn al;
-Hier staat ze; wie het hart heeft, raak' haar aan;
-Ik daag ter rekenschap wien ook, die stout
-Den weg me in Padua verspert.--Trek, Grumio,
-Trek, trek uw zwaard; zie, ons omsing'len roovers;
-Bevrijd uw meesteres: toon u een man;--
-Vrees niets, mijn schat; zij doen u niets, mijn Kaatje;
-Ik ben uw schutse, al waren ze een miljoen!
-
- (Petruccio, Katharina en Grumio af.)
-
-BATTISTA. Nu, laat hen gaan, een paar zoo zacht als lamm'ren.
-
-GREMIO. Waar' 't niet zoo snel gegaan, 'k waar' dood van 't lachen.
-
-TRANIO. Zoo dol een echt werd nergens ooit vertoond!
-
-LUCENTIO. Wat zegt ge, jonkvrouw, thans wel van uw zuster?
-
-BIANCA. Ze is een zottin, en heeft een zot tot maat.
-
-GREMIO. Ik sta hem borg, zijn Kaatje blijkt een Kaat.
-
-BATTISTA. Komt, buren, vrienden! Bruid en bruidegom
-Ontbreken, ja, aan onze tafel, maar
-Daarom ontbreken lekkernijen niet;--
-Neem gij de plaats des bruigoms in, Lucentio;
-En gij, Bianca, eens de plaats der bruid.
-
-TRANIO. Zal dus Bianca leeren bruid te spelen?
-
-BATTISTA. Dat zal ze, ja, Lucentio.--Vrienden, komt!
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE BEDRIJF.
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Een zaal in Petruccio's landhuis.
-
-Grumio komt op.
-
-
-GRUMIO. Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle
-dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo
-geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch
-zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij
-komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo'n kleine pot,
-die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden
-vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf,
-eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;--maar ik zal mijzelf
-warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken,
-een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis!
-
-(Curtis komt op.)
-
-CURTIS. Wie roept daar met zoo'n bevroren stem?
-
-GRUMIO. Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan
-maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van
-mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis!
-
-CURTIS. Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio?
-
-GRUMIO. Ja, ja, Curtis, ja; en daarom vuur, vuur en gooi er geen water,
-geen water op!
-
-CURTIS. Is zij wezenlijk zoo'n heetgebakerde feeks, als men vertelt?
-22
-
-GRUMIO. Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je
-weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft
-mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook,
-broeder Curtis.
-
-CURTIS. Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest.
-
-GRUMIO. Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en
-zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken,
-of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,--en
-ze is nu ophanden,--gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo
-lauw bent in je warmen dienst.
-
-CURTIS. Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om?
-
-GRUMIO. De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm
-baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat
-je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna
-doodgevroren.
-
-CURTIS. Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met
-wat nieuws!
-
-GRUMIO. Nu, hoor dan: "Er waren zeven kikkertjes" (Hij zingt.) en
-zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien.
-
-CURTIS. Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet.
-
-GRUMIO. Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik
-gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het
-huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd,
-de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in
-hun bruîgomspakken?
-
- Zijn de kannen kant en de bekers klaar,
- Niets aangebrand en alles goed gaar,
- En de vloer wel gezand voor het jonge paar?
- Is alles in orde?
-
-CURTIS. Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws!
-
-GRUMIO. Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is;
-en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn
-uitgevallen.
-
-CURTIS. Zoo?
-
-GRUMIO. Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele
-geschiedenis aan vast.
-
-CURTIS. Zoo, laat hooren, beste Grumio!
-
-GRUMIO. Stil, aan 't oor.
-
-CURTIS. Hier.
-
-GRUMIO. Daar (Hij geeft Curtis een oorveeg.)!
-
-CURTIS. Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren.
-
-GRUMIO. En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar 't was
-alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik:
-primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed
-achter mijn meesteres.
-
-CURTIS. Samen op één paard?
-
-GRUMIO. Wat vertel je?
-
-CURTIS. Samen op een paard?
-
-GRUMIO. Vertel jij dan de geschiedenis;--maar, als je me niet in de
-rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij
-onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar
-was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar
-paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde;
-hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij
-vloekte; hoe zij smeekte,--zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik
-schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe
-ik mijn staartriem verloor;--en nog veel andere gedenkwaardige dingen,
-die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid
-tot uw graf wederkeeren.
-
-CURTIS. Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij.
-
-GRUMIO. Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden,
-als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?--roep
-toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest;
-laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed
-borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging
-maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan
-te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust
-hebben. Zijn ze allen klaar?
-
-CURTIS. Ja zeker.
-
-GRUMIO. Roep ze dan hier.
-
-CURTIS. Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet
-gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres.
-
-GRUMIO. Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen.
-
-CURTIS. Nu, wie weet dat niet?
-
-GRUMIO. Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor
-haar een figuur te maken.
-
-CURTIS. Ik riep hen, om haar eer te bewijzen.
-
-GRUMIO. Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en
-daar ze 't wel mee doen kan.
-
-(Eenige Bedienden komen op.)
-
-NATHANIEL. Welkom thuis, Grumio!
-
-FLIP. Hoe gaat het, Grumio?
-
-JOZEF. Kijk eens aan! Grumio!
-
-KLAAS. Zoo, zoo, onze vriend Grumio!
-
-NATHANIEL. Hoe staat het ermee, ouwe jongen?
-
-GRUMIO. Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend,
-jij;--en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me 'reis, mooie jongens,
-is alles klaar, is alles in de puntjes?
-
-NATHANIEL. Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen?
-
-GRUMIO. Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom
-op,--Heere beware, stil, daar is hij al!
-
-(Petruccio en Katharina komen op.)
-
-PETRUCCIO. Waar is 't geboeft? Wat! niemand aan de deur,
-Die mij den beugel hield, het paard mij afnam!
-Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip?
-
-ALLEN. Hier, hier, heer! hier, heer!
-
-PETRUCCIO. Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer!
-Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels!
-Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?--
-Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb!
-
-GRUMIO. Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging,
-
-PETRUCCIO. Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind!
-Heb ik je niet gezegd, dat jij in 't park
-Met dit geboeft' mij tegenkomen zoudt?
-
-GRUMIO. Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd;
-En Gabriels schoenen sloften telkens uit;
-Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed;
-De scheê van Walters dolk werd juist gelapt;
-In 't beste pak slechts Adam, Ralph en Flip,
-Al de and'ren haav'loos en gescheurd; maar toch,
-Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst.
-
-PETRUCCIO. Vlug, schoeljes, vliegt; en brengt het avondmaal!--
-
- (De Bedienden af.--Petruccio zingt.)
-
-"Waar zijn mijn vroeg're dagen heen?
-"Waar zijn"--Ga zitten, Kaatje, welkom thuis!
-Oef, oef, oef, oef!
-
-(Het eten wordt opgebracht.)
-
-Komaan, wat vlug!--Wees vroolijk, liefste Kaatje!
-Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt!
-
-(Hij zingt.)
-
- "Een kloosterling in grauwe pij,
- Die kwam een heilig huis voorbij;"--
-Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid;
-Pak aan! (Hij geeft hem een oorveeg.) en trek die and're beter uit.--
-Wees vroolijk, Kaatje;--water hier! en vlug!--
-Waar is mijn poedel Hector?--Knaap, ga zeggen,
-Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;--(Een Bediende af.) dìen moet
-Gij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom.
-Waar zijn mijn muilen?--Komt het water haast?
-
-(Een Bediende biedt hem een waschkom en waterkan aan.)
-
-Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart'lijk welkom.
-
-(De Bediende laat de kan vallen.)
-
-Infame vlegel! laat je 't vallen? Hier!
-
-(Hij slaat hem.)
-
-KATHARINA. Verschoon het, man; het was bij ongeluk.
-
-PETRUCCIO. Het is een schoelje, een langoor, een schavuit!
-Ga zitten, Kaatje, gij zult hong'rig zijn.
-Doet gij 't gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?--
-Wat is dat? Lamsbout?
-
-EERSTE BEDIENDE. Ja.
-
-PETRUCCIO. Wie bracht dat?
-
-EERSTE BEDIENDE. Ik.
-
-PETRUCCIO. 't Is aangebrand; en zoo is al het eten;
-Wat hondevolk!--Waar is die schelmsche kok?
-Hoe hebt gij, schurken, 't hart, op onze tafel
-Zulk goed te brengen, dat oneetbaar is?
-Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles;
-
-(Hij werpt het eten enz. over den vloer.)
-
-Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas;
-Wat! bromt ge? 'k Zal je leeren, hoe het hoort!
-
-KATHARINA. Ik bid u, wees niet driftig, lieve man;
-Het eten was heel goed, als gij 't woudt proeven.
-
-PETRUCCIO. Neen, Kaatje; 't was verdroogd en aangebrand;
-Zulk eten is uitdrukk'lijk mij verboden,
-Omdat het gal verwekt en ergernis;
-Veel beter is het, dat wij beiden vasten,--
-Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,--
-Dan dat we ons prikk'len met verbraden vleesch.
-Geduld maar, morgen zal het beter zijn,
-En dezen avond vasten wij eens saam.
-Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek.
-
- (Petruccio, Katharina en Curtis af.)
-
-NATHANIEL. (vooruitkomend.) Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien?
-
-PETER. Hij maakt haar met haar eigen grillen klein.
-
-(Curtis komt terug.)
-
-GRUMIO. Waar is hij?
-
-CURTIS. In haar kamer,
-En prijst met een sermoen haar 't vasten aan;
-En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme ziel
-Niet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken,
-En zit als een, die uit een droom ontwaakt.
-Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug.
-
- (Allen af.)
-
-(Petruccio komt weder op.)
-
-PETRUCCIO. 'k Aanvaardde mijn regeering met beleid,
-En ben vol moed, dat alles goed zal gaan;
-Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar 't oog;
-En tot zij mak is, krijgt zij niet volop,
-Want anders komt ze niet op mijn geroep.
-'k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temt
-En komen laat op 't roepen van den baas;
-Ik houd haar wakker evenals een valk,
-Die klept en slaat en ongehoorzaam is.
-Zij at van daag geen beet en mag 't ook niet,
-Sliep gist'ren niet en zal 't van nacht ook niet;
-Zooals van 't eten, zeg ik van het bed,
-En zonder grond, dat niets is zooals 't hoort,
-En werp het kussen hier, de peluw daar,
-En hier het dek en ginds de lakens heen;--
-Ja, en bij al 't getier, geef ik toch voor,
-Dat ik zoo doe uit teed're zorg voor haar.
-Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker;
-En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik,
-Dat haar het leven wel klaar wakker houdt;
-Zoo wordt ze klein gemaakt door teed're zorg,
-En buig ik wel haar dollen, kreeg'len kop.
-Weet voor een temkuur iemand beet'ren raad,
-Hij deele 't mee, zijn evenmensch ten baat.
-
- (Petruccio af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Padua. Voor het huis van Battista.
-
-Tranio en Hortensio komen op.
-
-
-TRANIO. Vriend Licio, is 't moog'lijk, dat Bianca
-Een ander dan Lucentio bemint?
-Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor 't oog.
-
-HORTENSIO. Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak,
-Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht.
-
-(Zij gaan ter zijde.)
-
-(Bianca en Lucentio komen op.)
-
-LUCENTIO. Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest?
-
-BIANCA. Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest.
-
-LUCENTIO. Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen.
-
-BIANCA. O blijk weldra, heer, meester in die kunst!
-
-LUCENTIO. Ja, dier'bre meesteresse, door uw gunst!
-
-(Zij gaan voorbij.)
-
-HORTENSIO. Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorst
-Een eed doen: uw meest'res Bianca minde
-Ter wereld niemand dan Lucentio.
-
-TRANIO. O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk!
-Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord.
-
-HORTENSIO. Ik werp het masker af; ik ben niet Licio,
-Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn;
-Maar een, wien 't nu verdriet vermomd te zijn
-Voor iemand, die een edelman versmaadt
-En zulk een schobbejak als God vereert;
-Mijn ware naam, heer, is Hortensio.
-
-TRANIO. Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio,
-Van uwen grooten hartstocht voor Bianca;
-Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheid
-Getuige, en 'k zweer met u,--dunkt dit u goed,--
-Voor eeuwig haar en hare min hier af.
-
-HORTENSIO. Zie eens dat koozen, kussen!--Hier, Lucentio,
-Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:--
-Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af,
-Omdat zij nooit de teederheid verdiende,
-Waarmede ik dwaas'lijk haar bewierookt heb.
-
-TRANIO. En hier doe ik oprecht denzelfden eed,--
-Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze 't mij;
-Foei, zie, hoe schand'lijk zij daar met hem koost!
-
-HORTENSIO. Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!--
-Ikzelf,--zoo houd ik wis mijn eed,--ik neem,
-Eer 't jaar drie dagen ouder is, tot vrouw
-Een rijke weeuw, die al den tijd, dat mij
-Dit preutsche meisje boeide, heeft bemind.
-En nu vaarwel, Signor Lucentio.
-Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheid
-Verwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u,
-En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer.
-
- (Hortensio af.)
-
-(Lucentio en Bianca komen naar voren.)
-
-TRANIO. Jonkvrouw Bianca, stroome u ied're zegen,
-Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen,
-Ja, ja, 'k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind,
-En afgezworen, met Hortensio.
-
-BIANCA. Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af?
-
-TRANIO. Ja, jonkvrouw.
-
-LUCENTIO. Goed; dan zijn wij Licio kwijt.
-
-TRANIO. O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje,
-Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn.
-
-BIANCA. Wel moog' het hem bekomen!
-
-TRANIO. Ja, en hij maakt haar mak.
-
-BIANCA. Dit zegt hij, Tranio.
-
-TRANIO. Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool.
-
-BIANCA. De makmaakschool; wat! is er zulk een ding?
-
-TRANIO. Ja toch; Petruccio geeft er les, en leert
-Er op zijn elf en dertigst, hoe een man
-Een booze vrouwetong bezweren kan.
-
-(Biondello komt haastig aangeloopen.)
-
-BIONDELLO. O meester, 'k stond zoo lang op wacht, dat ik
-Zoo moe ben als een hond; maar eind'lijk daalt
-Ginds van den berg een oude hemelzend'ling,
-Die juist ons past.
-
-TRANIO. Wat man is 't, Biondello?
-
-BIONDELLO. 't Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer,
-Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed,
-Naar gang en houding op ende op een vader.
-
-LUCENTIO. Wat wilt ge, Tranio?
-
-TRANIO. Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal,
-Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt,
-En borg is bij Battista Minola,
-Als waar' hij onvervalscht Vincentio.
-Ga met uw liefste heen; laat mij begaan.
-
- (Lucentio en Bianca af.)
-
-(Een Pedant komt op.)
-
-PEDANT. Gegroet, heer!
-
-TRANIO. Insgelijks; wees welkom, heer!
-Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan 't doel?
-
-PEDANT. Ik ben aan 't doel, heer, voor een week of twee;
-Dan reis ik verder op, en wel naar Rome,
-En dan, als God wil, heel naar Tripoli.
-
-TRANIO. Vergun, wat landsman, heer?
-
-PEDANT. Van Mantua.
-
-TRANIO. Van Mantua?--Verhoede 't God! En zijt gij
-Uw leven moe, dat gij naar Padua komt?
-
-PEDANT. Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik!
-
-TRANIO. Elk, die uit Mantua in Padua komt,
-Die is des doods. En weet gij niet waarom?
-Venetië legt beslag op uwe schepen;
-De doge ligt in twist met uwen hertog,
-En heeft het openlijk bekendgemaakt.
-'t Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan,
-De lezing ware u anders niet ontgaan.
-
-PEDANT. Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij,
-Want ik heb wisselbrieven uit Florence,
-Die ik alhier te gelde maken moet.
-
-TRANIO. Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ik
-Dit doen, en dezen raad u geven:--maar
-Zeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest?
-
-PEDANT. Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest,
-Pisa, beroemd door tal van wakk're burgers.
-
-TRANIO. Kent gij daaronder zeek'ren heer Vincentio?
-
-PEDANT. Niet van persoon, doch 'k heb van hem gehoord;
-Een koopman van onmetelijk fortuin.
-
-TRANIO. Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woord
-Hij heeft in zijn gelaat wel wat van u.
-
-BIONDELLO (ter zijde). Zooals een appel van een oester, ja precies.
-
-TRANIO. Om 't leven u te redden in deez' nood,
-Wil ik om zijnentwil deez' dienst u doen;
-Gij, reken het voorwaar geen klein geluk,
-Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt.
-Gij borgt van hem den naam nu en 't krediet,
-En neemt,--dit spreekt,--uw intrek in mijn huis;--
-Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt;
-Begrepen, heer?--en blijf gerust, tot gij
-Uw zaken in de stad hebt afgedaan;
-Acht gij dit aanbod goed, heer, neem 't dan aan.
-
-PEDANT. O gaarne, heer, en immer roem ik u
-Als redder van mijn leven en mijn vrijheid.
-
-TRANIO. Kom mee dan, en terstond aan 't werk getogen!
-Voorloopig echter deel ik dit u mee:
-Mijn vader wordt hier elken dag verwacht,
-Om 't weduwgoed te reeg'len voor mijn bruid,
-De dochter van een zeek'ren heer Battista.
-Dit alles moet ge omstandig weten, heer;
-Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-DERDE TOONEEL.
-
-
-Een kamer in Petruccio's huis.
-
-Katharina en Grumio komen op.
-
-
-GRUMIO. Neen, neen, voorwaar, ik durf niet 't gold mijn leven.
-
-KATHARINA. Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon!
-Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong'ren?
-Geen beed'laar smeekt er aan mijns vaders deur,
-Of oogenblikk'lijk krijgt hij ook een aalmoes,
-Of anders vindt hij elders wel erbarming;
-Doch ik,--die nimmer wist wat smeeken is,
-En die de nood tot smeeken nimmer dwong,--
-Ik sterf van honger, suizebol van slaap;
-Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier;
-En,--wat mij dieper krenkt dan al deez' nood,--
-Hij kleurt dit met den schijn van teederheid,
-Als zei hij: "Slaap toch niet", en "Eet toch niet;
-"'t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk."--
-Ik bid u, breng mij iets om te eten! breng
-Wat het ook zij, als het maar eetbaar is.
-
-GRUMIO. Wat dunkt u van een kalfspoot?
-
-KATHARINA. O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u.
-
-GRUMIO. Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.--
-Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens?
-
-KATHARINA. O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio.
-
-GRUMIO. Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek.
-Wat dunkt u,--een stuk ossevleesch met mosterd?
-
-KATHARINA. 't Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken.
-
-GRUMIO. Ja, maar die mosterd is wat al te prikk'lend.
-
-KATHARINA. Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg.
-
-GRUMIO. Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd,
-Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch.
-
-KATHARINA. Nu, 't een of 't ander, beide, of wat gij wilt.
-
-GRUMIO. Nu, dan den mosterd zonder 't ossevleesch.
-
-KATHARINA. Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel,
-
-(Zij slaat hem.)
-
-Die mij met etensnamen spijzen wilt;
-Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent,
-Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend!
-Weg, zeg ik, scheer u weg!
-
-(Petruccio komt op, met een schotel, vergezeld van Hortensio.)
-
-PETRUCCIO. Hoe is 't, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig?
-
-HORTENSIO. Hoe is 't, mevrouw?
-
-KATHARINA. Nu, waarlijk slecht genoeg.
-
-PETRUCCIO. Kom, opgewekt! en zie mij vriend'lijk aan.
-Zie, liefste, zie, hoe 'k alles voor u doe;
-Ik richt het maal zelf aan en breng 't u hier,
-
-(Hij zet den schotel neer.)
-
-En reken, lieve Kaatje, op uw dank.
-Wat, zelfs geen woord? Dan is 't niet naar uw smaak,
-En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;--
-Hier, neem den schotel weg.
-
-KATHARINA. Ach, laat hem staan.
-
-PETRUCCIO. De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden,
-En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank.
-
-KATHARINA. Ik dank u zeer.
-
-HORTENSIO. Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;--
-Kom, eet, mevrouw; 'k zal u gezelschap houden.
-
-PETRUCCIO (ter zijde). Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.--
-'t Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje,
-Eet spoedig af;--want hoor, mijn zoetelief,
-Wij gaan nu naar uws vaders huis en komen
-Er op het feest eens prachtig voor den dag,
-Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen,
-Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen,
-Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi,
-Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi.
-Hebt gij gedaan? De snijder staat gereed
-En hult u in een ruischend zijden kleed.
-
-(Een Snijder komt op.)
-
-Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei
-'t Gewaad nu uit.--
-
-(Een Hoedenmaker komt op.)
-
- En gij, wat nieuws brengt gij?
-
-HOEDENMAKER. Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde.
-
-PETRUCCIO. Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd!
-Een schotel van fluweel! Foei, miss'lijk, aak'lig!
-O foei, een oester of een notedop,
-Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed!
-Kom, weg er mee, en laat me een groot'ren zien.
-
-KATHARINA. Ik wil geen groot'ren; dit is juist de smaak;
-Zoo dragen het de dames van het hof.
-
-PETRUCCIO. Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed,
-Doch eerder niet.
-
-HORTENSIO (ter zijde). Dat loopt nog wel wat aan.
-
-KATHARINA. Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk,
-En 'k wil het zeggen; 'k ben geen kind, geen zuig'ling;
-Ik heb, wat mij op 't hart lag, steeds gezegd,
-Aan beet'ren zelfs dan gij; verdraagt gij 't niet,
-Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten;
-Mijn hart bezweek van ergernis, zoo 'k zweeg;
-En eerder geef ik, wat ik denk en wil,
-Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht.
-
-PETRUCCIO. Gij hebt gelijk, afschuw'lijk is de hoed,
-Een taartendeksel, een pastei van taf;
-'t Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt.
-
-KATHARINA. Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief:
-Dien wil ik hebben, of ik wil er geen.
-
- (De Hoedenmaker vertrekt.)
-
-PETRUCCIO. Ah ja, uw kleed!--Kom, snijder, laat eens zien.--
-Gerechte hemel! goed voor vastelavond!
-Wat 's dit?--een mouw? 't lijkt wel een klein kanon,
-Gekorven op en neer, als appeltaart;
-'t Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap;
-'t Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;--
-Hoe noemt ge, snijder, dit, in 's duivels naam?
-
-HORTENSIO (ter zijde.) Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed.
-
-SNIJDER. De last was, om het net en, zooals 't hoort,
-Te maken naar den laatsten smaak en snit,
-
-PETRUCCIO. Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel,
-Ik sprak niet van versnijden naar den smaak.
-Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis,
-Dros op, maar zonder mijn klandisie, man;
-Ik dank je; zie maar, dat je 't elders slijt.
-
-KATHARINA. Ik zag nog nooit een kleed van beter snit,
-Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig;
-Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word.
-
-PETRUCCIO. Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt.
-
-SNIJDER. Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt.
-
-PETRUCCIO. Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos,
-Jij vingerhoed!
-Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste!
-Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel,
-Jij endje draad, mij tarten in mijn huis!
-Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper,
-Of ik neem met jouw el je zóó de maat,
-Dat heel je leven je deez' praatjes rouwen!
-Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt.
-
-SNIJDER. Uw edelheid vergist zich; 't is gemaakt,
-Precies zooals 't mijn meester werd besteld,
-Hier, Grumio, gaf hem op, hoe 't wezen moest.
-
-GRUMIO. Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof.
-
-SNIJDER. En wat hebt gij van 't maken dan gezegd?
-
-GRUMIO. Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf.
-
-SNIJDER. En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn?
-
-GRUMIO. Je hebt zeker al heel wat geboord?
-
-SNIJDER. Nog al.
-
-GRUMIO. Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt
-zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies
-nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester
-gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten,
-het heelemaal stuk te snijden; ergo, je liegt.
-
-SNIJDER. Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs.
-
-PETRUCCIO. Lees op.
-
-GRUMIO. Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het
-zoo besteld heb.
-
-SNIJDER. "Imprimis, een kleed met een ruim lijf."
-
-GRUMIO. Meester, als ik iets van een ruim of een los lijf gesproken
-heb, naai me dan in den schoot er van, en sla me dood met een kluwentje
-bruin garen; ik heb gezegd: een kleed.
-
-PETRUCCIO. Ga voort.
-
-SNIJDER. "Met een smallen, ronden kraag;"--
-
-GRUMIO. Ik erken, ik heb gesproken van een kraag.
-
-SNIJDER. "Met een pofmouw,"--
-
-GRUMIO. Ik erken: twee mouwen.
-
-SNIJDER. "De mouwen naar de mode uitgesneden."
-
-PETRUCCIO. Ja, daar zit 'em de schelmerij.
-
-GRUMIO. Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb
-besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid;
-en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed
-gewapend.
-
-SNIJDER. Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan
-zou ik 't je wel leeren.
-
-GRUMIO. Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst
-en geef mij je meetstok; en spaar me niet.
-
-HORTENSIO. Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor.
-
-PETRUCCIO. Nu, kort en goed, man; 't kleed is niet voor mij.
-
-(Hij werpt het op den grond.)
-
-GRUMIO. Gij hebt gelijk, 't is voor mijn meest'res.
-
-PETRUCCIO (tot den Snijder). Neem 't op, man, 't is ten dienste van
-uw meester.
-
-GRUMIO. Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres
-opnemen ten dienste van je meester!
-
-PETRUCCIO. Wel, man, wat zoek je daarachter?
-
-GRUMIO. O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt;
-Het kleed opnemen van mijn meesteres.
-Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei!
-
-PETRUCCIO (ter zijde). Hortensio, zeg, dat gij 't betalen zult.
-(Luid.) Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer.
-
-HORTENSIO (tot den Snijder). Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt
-gij 't geld;
-En wees maar niet verstoord om zijne drift.
-Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester.
-
- (Snijder af.)
-
-PETRUCCIO. Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe,
-In dit armoedig, doch welvoeg'lijk kleed;
-Met trotsche beurs, schoon need'rig van gewaad;
-De geest alleen geeft aan het lijf waardij;
-Gelijk de zon door zwarte wolken breekt,
-Zoo schittert de eer zelfs in het need'rigst kleed.
-Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik,
-Omdat zijn veed'ren fraaier zijn van kleur?
-Wie acht een adder beter dan den aal,
-Omdat haar bonte huid het oog bekoort?
-Neen, Kaatjelief, gij zijt in 't minst er niet
-Te minder om, al is 't gewaad wat min.
-Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last;
-Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad'lijk naar
-Uws vaders huis om vroolijk feest te vieren.--
-Ga, roep mijn volk; wij reizen daad'lijk af;
-Men breng' de paarden aan het eind der laan;
-Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.--
-Laat zien; het is nu zeven uur omtrent,
-Wij kunnen juist op etenstijd er zijn.
-
-KATHARINA. Geloof me, waarlijk, 't is niet ver van twee;
-'t Is tijd voor 't avondmaal, eer gij er zijt.
-
-PETRUCCIO. 't Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard;
-Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen,
-Nooit is het goed.--Gij knapen, gaat maar heen;
-Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik 't doe,
-Zal het zoo laat zijn, als ik 't hebben wil.
-
-HORTENSIO. Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-VIERDE TOONEEL.
-
-
-Padua. Voor het huis van Battista.
-
-Tranio en de Pedant, de laatste als Vincentio gekleed, komen op.
-
-
-TRANIO. Heer, dit is 't huis; verlangt gij, dat ik klop?
-
-PEDANT. Wat anders? en als ik mij niet bedrieg,
-Zal ik signor Battista nog wel voorstaan;
-'t Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in Genua
-Onze' intrek hadden in den Pegasus.
-
-TRANIO. Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur',
-Uw deftigheid, zooals 't een vader past.
-
-(Biondello komt op.)
-
-PEDANT. Ik sta u borg;--maar, heer, daar komt uw dienaar;
-Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak.
-
-TRANIO. O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister!
-Pas nu goed op, en weet,--vergis u niet,--
-Deez' heer is thans Vincentio in persoon.
-
-BIONDELLO. O, wees gerust.
-
-TRANIO. En bracht ge uw boodschap over aan Battista?
-
-BIONDELLO. Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië,
-En wordt vandaag in Padua verwacht.
-
-TRANIO. Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.--
-Daar komt Battista; heer, houd thans u goed.
-
-(Battista en Lucentio komen op.)
-
-Signor Battista, dat is wel getroffen.--
-Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak.
-Ik bid u, geef uw vaderhart het woord;
-Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca.
-
-PEDANT. Al zacht, mijn zoon!--
-Vergun mij, heer: ik kwam naar Padua
-Om schulden te innen, en daar meldt mijn zoon
-Lucentio mij een zeer gewichtig nieuws,
-Van liefde tusschen hem en uwe dochter;
-En daar ik zooveel goeds van u vernam,
-En merk, dat hij uw dochter teer bemint
-En zij hem ook, zoo houd ik hem niet op,
-En keur, zooals een zorg'lijk vader doet,
-Goed, dat hij trouwt; en,--denkt gij zooals ik,--
-Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag,
-En stemmen wij te zaam in 't huw'lijk toe;
-'k Wil geen bedenktijd nemen nu 't u geldt,
-Signor Battista; 'k hoor veel goeds van u.
-
-BATTISTA. Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;--
-Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij;
-Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hier
-Mijn dochter mint en zij hem weer bemint,
-Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen;
-En daarom, als gij dit mij slechts verklaart,
-Dat gij als vader met hem hand'len zult,
-En haar een passend weduwgoed verzeek'ren,
-Dan zijn wij 't eens en is het huwlijk klaar
-En geef ik graag mijn dochter aan uw zoon.
-
-TRANIO. Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best,
-Dat de verloving plaats grijp' en 't contract,
-Dat wederzijds voldoet, geteekend word'?
-
-BATTISTA. Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren,
-Zooals ge weet, en 'k heb vrij wat bedienden;
-En de oude Gremio ligt er niet voor niets
-Steeds op de loer; licht werden wij gestoord.
-
-TRANIO. Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt.
-Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daar
-Van avond stil de zaak in orde brengen;
-Ontbied uw dochter door uw dienaar hier;
-Mijn dienaar spoede zich naar den notaris.
-Het ergst is,--bij 't onvoorbereid bezoek
-Vindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal.
-
-BATTISTA. Mij is het goed;--ga, Cambio, huiswaarts nu,
-En zeg Bianca met u mee te gaan,
-En, wilt ge, deel haar mede, hoe 't hier staat;--
-Dat hier de vader van Lucentio is,
-En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt.
-
-LUCENTIO. De goden geven 't! 't is mijn hartewensch!
-
-TRANIO. Haal er de goden maar niet bij; doch ga!
-Signor Battista, mag ik u eens voorgaan?
-Welkom! maar 'k vrees, het maal telt één gerecht;
-Doch, heer, in Pisa maken we alles goed.
-
-BATTISTA. Ik volg u.
-
- (Tranio, de Pedant en Battista af.)
-
-BIONDELLO. Cambio!
-
-LUCENTIO. Wat wilt ge, Biondello?
-
-BIONDELLO. Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en
-u toelachte?
-
-LUCENTIO. Wat zou dat, Biondello?
-
-BIONDELLO. Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de
-beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen.
-
-LUCENTIO. Kom aan dan, voor den dag met de toepassing!
-
-BIONDELLO. Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat
-gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon.
-
-LUCENTIO. En wat verder met hem?
-
-BIONDELLO. En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen.
-
-LUCENTIO. En verder?
-
-BIONDELLO. De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren
-van den dag tot uw beschikking.
-
-LUCENTIO. En wat moet dit alles?
-
-BIONDELLO. Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een
-waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar, cum
-privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester,
-den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen:
-
- Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag;
- Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag.
-
-(Hij wil heengaan.)
-
-LUCENTIO. Hoor nog eens, Biondello!
-
-BIONDELLO. Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die
-trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie
-te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel,
-heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk
-gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen
-dat gij er komt met uw appendix.
-
- (Biondello af.)
-
-LUCENTIO. Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt;
-Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz'ling meer!
-Het loop' hoe 't loop', ik ga 't haar ronduit voorslaan;
-En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-VIJFDE TOONEEL.
-
-
-Een openbare weg.
-
-Petruccio, Katharina en Hortensio komen op.
-
-
-PETRUCCIO. Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis!
-Heer God, hoe hel, hoe vriend'lijk schijnt de maan!
-
-KATHARINA. De maan! de zon, 't is nu geen maneschijn.
-
-PETRUCCIO. Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt.
-
-KATHARINA. Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt.
-
-PETRUCCIO. Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf,
-Maan zal het zijn of ster of wat ik wil,
-Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;--
-Hei daar! geleidt de paarden maar terug;--
-Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak!
-
-HORTENSIO. Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit.
-
-KATHARINA. O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver;
-En zij het maan of zon of wat gij wilt;
-Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen,
-Ik zweer, voortaan zal 't ook voor mij zoo zijn.
-
-PETRUCCIO. Ik zeg, het is de maan.
-
-KATHARINA. Ja, 'k weet, zoo is 't.
-
-PETRUCCIO. Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon.
-
-KATHARINA. Ja, dan is 't, lieve God, de lieve zon;--
-Maar 't is de zon niet meer, zegt gij van neen;
-Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil.
-Zooals gij 't noemen wilt, zoo is het ook;
-En zoo zal 't ook voor Katharina zijn.
-
-HORTENSIO. Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld.
-
-PETRUCCIO. Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goed
-En poedelt niet meer zijwaarts aan 't beschot.--
-Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden?
-
-(Vincentio, in reisgewaad, komt op.)
-
-(Tot Vincentio.) Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?--
-Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht,
-Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangen
-Het wit en rood zoo om den voorrang streden?
-En welke sterren sieren zoo den hemel,
-Als die twee oogen 't hemelsche gelaat?--
-Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!--
-Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon.
-
-HORTENSIO. Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt.
-
-KATHARINA. Jong, maagd'lijk knopje, schoon en frisch en zoet;
-Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis?
-Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind;
-Driewerf gelukkig hij, wien 't gunstig lot
-U als beminn'lijk echtgenoot beschikt!
-
-PETRUCCIO. Hoe heb ik 't, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen?
-Dit is een man, oud, rimp'lig, bleek, verweerd;
-En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt.
-
-KATHARINA. Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden;
-Zij waren door de felle zon verblind;
-En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor.
-Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader;
-Vergeef mij, bid ik u, deez' dolle dwaling.
-
-PETRUCCIO. Ja, doe dat, waardig vader, en deel ook
-Ons meê, waarheen gij reist; gaan we éénen weg
-Dan zal ons uw gezelschap welkom zijn.
-
-VINCENTIO. Mijn waarde heer,--en gij mijn vroolijk vrouwtje,
-Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,--
-Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa,
-En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoon
-Bezoeken, dien 'k in lang niet heb gezien.
-
-PETRUCCIO. Hoe heet hij, heer?
-
-VINCENTIO. Lucentio, waarde heer.
-
-PETRUCCIO. Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon.
-Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts,
-Maar uit verwantschap, vader noemen; want
-De zuster van mijn vrouw, deez' dame, is juist
-Met uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt;
-'t Zij u geen leed; zij is van elk geacht,
-Brengt heel wat mee, en is van eed'len stam;
-En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voor
-De gade van een edelman kan wenschen.
-Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand;
-En gaan wij samen naar uw wakk'ren zoon,
-Wien wis uw aankomst recht verblijden zal.
-
-VINCENTIO. Maar is dit waar, of is 't uw lust, uit scherts,
-Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd'ling,
-Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden?
-
-HORTENSIO. Neen, 't is zoo, vader, ik verzeker 't u.
-
-PETRUCCIO. Ga mede en overtuig uzelf er van;
-Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn.
-
- (Petruccio, Katharina en Vincentio af.)
-
-HORTENSIO. Petruccio, zie, dit steekt me een hart in 't lijf.
-Naar 't weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn,
-Niet vrucht'loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn.
-
- (Hortensio af.)
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE BEDRIJF.
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Padua. Voor Lucentio's huis.
-
-Op den achtergrond komen op: Biondello, Lucentio en Bianca; Gremio
-wandelt aan de overzijde van het huis op en neer.
-
-
-BIONDELLO. Stil en vlug, heer; want de priester staat gereed.
-
-LUCENTIO. Ik vlieg, Biondello; maar ze mochten u thuis noodig hebben;
-ga gij dus weg.
-
-BIONDELLO. Neen, zeker niet; ik moet eerst zien, dat gij de kerkdeur
-achter den rug hebt; en dan spoed ik mij, zoo vlug ik kan, naar mijn
-meester terug.
-
- (Lucentio, Bianca en Biondello af.)
-
-GREMIO. Ik sta verbaasd, dat Cambio nog niet komt.
-
-(Petruccio, Katharina, Vincentio en Gevolg komen op.)
-
-PETRUCCIO. Hier is het, heer; dit is Lucentio's huis;
-Mijn vader woont wat dichter naar de markt;
-Daar moet ik heen, heer, en verlaat u hier.
-
-VINCENTIO. Toch niet, voordat we een roemer samen leegden;
-Ik heet u graag hier welkom met een dronk,
-En hoogstwaarschijnlijk wacht ons een feestmaal.
-
-(Hij klopt aan de deur.)
-
-GREMIO. Ze zijn daar binnen met iets bezig; gij moogt wel wat harder
-aankloppen.
-
-(De Pedant kijkt uit het venster.)
-
-PEDANT. Wie klopt daar zoo luid, alsof hij de deur wilde inslaan?
-
-VINCENTIO. Is signore Lucentio thuis, heer?
-
-PEDANT. Wel tehuis, heer; maar niet te spreken.
-
-VINCENTIO. Maar als nu iemand hem een honderd pond of twee kwam
-brengen, om er goede sier mee te maken?
-
-PEDANT. Houd uw honderd pond maar voor uzelf; hij zal ze niet behoeven,
-zoolang ik leef.
-
-PETRUCCIO. Ziet ge, ik heb u wel verteld, dat uw zoon in Padua bemind
-is.--Hoor eens, heer,--om allen omhaal te vermijden,--ik bid u, zeg
-aan signore Lucentio, dat zijn vader van Pisa is aangekomen en hier
-aan de deur staat, om hem te spreken.
-
-PEDANT. Dat is niet waar; zijn vader is al lang hier en kijkt op dit
-oogenblik uit het venster.
-
-VINCENTIO. Zijt gij zijn vader?
-
-PEDANT. Ja, heer, als ik zijn moeder gelooven mag; die heeft het mij
-altijd gezegd.
-
-PETRUCCIO (tot Vincentio). Wel zoo, heerschap; dat is toch klinkklare
-schurkerij, eens anders naam aan te nemen.
-
-PEDANT. Houd hem aan, den spitsboef! hij is zeker van plan, iemand
-hier in de stad op te lichten, onder mijn naam.
-
-(Biondello komt weder op.)
-
-BIONDELLO. Ik heb ze samen in de kerk gezien; de Hemel schenke hun een
-gelukkige vaart!--Maar wie is daar? mijn oude meester Vincentio? O wee,
-nu is het uit met ons, we zijn verloren!
-
-VINCENTIO (Biondello bespeurende). Zoo, kom hier, galgebrok!
-
-BIONDELLO. Ik hoop, heer, dat ik mag kiezen, wat ik wezen wil.
-
-VINCENTIO. Kom hier, schurk! Wat, wilt ge mij niet kennen?
-
-BIONDELLO. U kennen, heer? neen, heer; ik kan u niet kennen, want ik
-heb u van mijn leven nooit gezien.
-
-VINCENTIO. Wat, gij doortrapte spitsboef, hebt gij den vader van uw
-meester, Vincentio, nooit gezien?
-
-BIONDELLO. Wat! mijn ouden, eerwaardigen ouden meester? ja zeker,
-heer; zie, die kijkt daar uit het venster.
-
-VINCENTIO. Hoe durf je dat zeggen?
-
-(Hij slaat hem.)
-
-BIONDELLO. Help, help, help! hier is een dolleman, die mij wil
-vermoorden!
-
-(Hij loopt weg.)
-
-PEDANT. Help, mijn zoon! help, signore Battista!
-
-(Hij gaat van het venster weg.)
-
-PETRUCCIO. Kom, Kaatje, laat ons wat ter zijde gaan, om te zien,
-hoe deze twist afloopt.
-
-(Zij gaan ter zijde.)
-
-(De Pedant komt beneden op; verder Battista, Tranio en Bedienden.)
-
-TRANIO. Heer, wie zijt gij, die mijn dienaar een pak slaag toedient?
-
-VINCENTIO. Wie ik ben, heer? Neen, wie zijt gij, heer? O
-hemelsche goedheid! O opgepinkte schelm! Een zijden kamizool! een
-fulpen broek! een scharlaken mantel en een punthoed!--O, ik ben
-geruïneerd! geruïneerd! Terwijl ik thuis mijn zaken bij elkander houd,
-lappen mijn zoon en mijn dienaar alles op de hoogeschool er door.
-
-TRANIO. Komaan! wat beteekent dit alles?
-
-BATTISTA. Wat, is de man niet wijs?
-
-TRANIO. Heer, naar uw voorkomen schijnt gij een bedaard oud heer,
-maar naar uw praatjes is het dolhuis uw plaats. Wat gaat het u aan,
-heer, of ik goud en parels draag? Ik dank het mijn goeden vader,
-dat ik het doen kan.
-
-VINCENTIO. Uw vader, schurk! dat is een zeilmaker uit Bergamo.
-
-BATTISTA. Gij bedriegt u, heer; gij bedriegt u, heer. Hoe denkt gij
-dan wel, dat hij heet?
-
-VINCENTIO. Hoe hij heet? Alsof ik niet wist, hoe hij heet! Ik, die
-hem heb grootgebracht van zijn derde jaar af! zijn naam is Tranio.
-
-PEDANT. Maak, dat gij weg komt, dolle ezel! Zijn naam is Lucentio;
-en hij is mijn eenige zoon, en erfgenaam van mijn geheel vermogen,
-van mij, signore Vincentio.
-
-VINCENTIO. Lucentio! O, hij heeft zijn meester omgebracht!--Vat hem,
-ik beveel het, in naam des hertogs!--O mijn zoon! mijn zoon! Zeg mij,
-gij schurk, waar is mijn zoon Lucentio?
-
-TRANIO. Roep toch een gerechtsdienaar (Een Dienaar af.), dat deze
-dolleman naar de gevangenis gebracht worde;--vader Battista, ik bid u,
-draag zorg, dat hij voor het gerecht komt.
-
-VINCENTIO. Ik naar de gevangenis!
-
-(De Dienaar komt terug met een Gerechtsdienaar.)
-
-GREMIO. (Tot den Gerechtsdienaar.) Houd af, man; hij moet niet naar
-de gevangenis.
-
-BATTISTA. Bemoei er u niet mee, signore Gremio; ik zeg, hij moet wel
-naar de gevangenis.
-
-GREMIO. Pas op, signore Battista, dat gij u hierbij de vingers niet
-brandt; ik durf er op zweren, dat dit de echte Vincentio is.
-
-PEDANT. Zweer, als gij durft.
-
-GREMIO. Neen, zweren durf ik er niet op.
-
-TRANIO. Dan waart gij ook wel in staat om te zeggen, dat ik niet
-Lucentio ben.
-
-GREMIO. Ja, u ken ik als signore Lucentio.
-
-BATTISTA. Weg met dien leuteraar; naar de gevangenis met hem!
-
-VINCENTIO. Worden vreemdelingen hier zoo voortgesleurd en
-mishandeld?--O gij afschuwelijke booswicht!
-
-(Biondello komt terug, met Lucentio en Bianca.)
-
-BIONDELLO. O het loopt mis met ons, en.... daar staat hij! Verloochen
-hem, zweer hem af, of anders is het uit met ons.
-
-LUCENTIO (knielt voor Vincentio). Vergeving, goede vader!
-
-VINCENTIO. Beste zoon! gij leeft!
-
- (Biondello, Tranio en de Pedant loopen weg.)
-
-BIANCA. Vergeving, waarde vader!
-
-(Zij knielt voor Battista.)
-
-BATTISTA. Wáárvoor, kind?
-Waar is Lucentio?
-
-LUCENTIO. Hier, hier is Lucentio,
-En de echte zoon van de' echten heer Vincentio;
-Door 't huw'lijk werd, terwijl een valsche schijn
-Uw oogen heeft misleid, uw dochter mijn.
-
-GREMIO. 't Is een complot, ik zie 't, om allen te misleiden!
-
-VINCENTIO. Waar is die duivelsche schavuit, die zoo
-Brutaal mij heeft beschimpt, die Tranio?
-
-BATTISTA. Maar zeg mij, dit is toch mijn Cambio?
-
-BIANCA. Uit Cambio werd nu Lucentio.
-
-LUCENTIO. De liefde deed die wond'ren. Liefde voor
-Bianca deed mij Tranio's stand aanvaarden,
-Terwijl hij mijne rol speelde in de stad;
-In 't eind ben ik gelukkig in de haven
-Van mijn gewenschte zaligheid geraakt;--
-Wat Tranio deed, deed hij op mijn bevel;
-Vergeef hem, vaderlief, om mijnentwil.
-
-VINCENTIO. Ik splijt den schelm den neus, die mij ten kerker wou
-verwijzen.
-
-BATTISTA (tot Lucentio). Maar gij, heer, hoor eens, hebt gij dus mijn
-dochter gehuwd, zonder naar mijn goedvinden te vragen?
-
-VINCENTIO. Wees maar voor niets beducht, Battista; gij zult wel
-tevreden zijn, stel u gerust; maar ik ga naar binnen; ik wil wraak
-nemen over die schurkenstreken.
-
- (Vincentio af.)
-
-BATTISTA. En ik wil 't mijne hebben van die streken.
-
- (Battista af.)
-
-LUCENTIO. Gerust, mijn lief, uw vader zal niet toornen.
-
- (Lucentio en Bianca af.)
-
-GREMIO. Mijn koek ligt in de asch, maar ik ga mee naar binnen;
-Want buiten het maal heb ik niets meer te winnen.
-
- (Gremio af.)
-
-(Petruccio en Katharina komen naar voren.)
-
-KATHARINA. Kom, mijn gemaal, en zien wij, hoe dit afloopt.
-
-PETRUCCIO. Geef me eerst een kus, mijn Kaatje, dan is 't goed.
-
-KATHARINA. Wat! midden op de straat?
-
-PETRUCCIO. Wat! schaamt ge u over mij?
-
-KATHARINA. God beware mij, neen;--maar ik schaam mij, te kussen.
-
-PETRUCCIO. Kom, dan naar huis weer toe;--gij knaap, maak alles klaar.
-
-KATHARINA. Neen, blijf toch, bid ik u; daar hebt ge uw kusje, man.
-
-PETRUCCIO. Is 't nu niet goed?--Kom, lieve Kaat,
-Beter eens dan nimmer, 't is nimmer te laat.
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Een zaal in Lucentio's woning.--Een banket is aangerecht.
-
-Battista, Vincentio, Gremio, de Pedant, Lucentio, Bianca, Petruccio,
-Katharina, Hortensio en de Weduwe komen op; Tranio, Biondello, Grumio
-en Anderen dienen ververschingen rond.
-
-
-LUCENTIO. Ten laatste stemt, wat lang niet samenklonk;
-En is het woeden van den krijg voorbij,
-Dan lacht men graag om vroeg'ren schrik en angst.--
-Bianca-lief, begroet gij mijnen vader,
-Den uwen groet ik even hartlijk hier;--
-Broeder Petruccio,--zuster Katharina,--
-En gij Hortensio, met uw lieflijk weeuwtje,--
-Viert vroolijk feest, weest welkom in mijn huis;
-Dit klein onthaal is slechts een nagerecht
-Van 't groote feestmaal; 'k bid u, zet u neer;
-En nu bij 't eten 't praten niet vergeten!
-
-(Zij zetten zich aan tafel.)
-
-PETRUCCIO. 't Is altijd, zit en eet, en eet en zit!
-
-BATTISTA. In Padua heerscht vriendlijkheid, Petruccio.
-
-PETRUCCIO. Ja, Padua schenkt niets dan vriendlijkheid.
-
-HORTENSIO. Ja, waar' dit zoo, het ware ons beiden goed.
-
-PETRUCCIO. Zijn weeuwtje, zie ik, ducht Hortensio.
-
-WEDUWE. Verstijv' mijn tong, indien ik iemand ducht.
-
-PETRUCCIO. Gij zijt scherpzinnig, toch mist gij den zin;
-'k meende, dat Hortensio u ducht.
-
-WEDUWE. Die duiz'lig is, gelooft, dat alles draait.
-
-PETRUCCIO. Gij draait er u goed uit.
-
-KATHARINA (tot de Weduwe). Hoe meent gij dit?
-
-WEDUWE. Ik geef terug, wat ik van hem ontving.
-
-PETRUCCIO. Van mij ontving?--Hoe smaakt dit aan Hortensio?
-
-HORTENSIO. Zij meent, zij geeft aan u uw steek terug.
-
-PETRUCCIO. Gevat, man; weeuwtje, dit verdient een kus.
-
-KATHARINA. "Die duiz'lig is, gelooft, dat alles draait;"--
-Ik bid u, zeg toch eens, wat gij bedoelt.
-
-WEDUWE. Uw man, die door een feeks geplaagd is, meet
-Het leed mijns mans naar zijne kwelling af;
-Ziedaar, wat ik bedoeld heb.
-
-KATHARINA. Uw bedoeling
-Is boos, zeer boos.
-
-WEDUWE. Juist, gij toch waart bedoeld.
-
-KATHARINA. Ja, ik word boos, heb ik met u te doen.
-
-PETRUCCIO. Kom, troef haar, Kaatje!
-
-HORTENSIO. Troef haar, weeuwtje!
-
-PETRUCCIO. Een honderd mark; mijn Kaatje krijgt haar onder.
-
-HORTENSIO. Dat hoeft niet; ik neem 't aan.
-
-PETRUCCIO. Gesproken als een man.--Vriend, houd u goed!
-
-(Hij drinkt Hortensio toe.)
-
-BATTISTA. Wel, Gremio, wat zegt ge van dit volk?
-
-GREMIO. Ze stooten met de koppen aardig saam.
-
-BIANCA. Als jonge bokken zou een spotter zeggen,
-Die nog geen wapen hebben voor hun stoot.
-
-VINCENTIO. Zoo, bruidje, wordt ge wakker op dit punt?
-
-BIANCA. Wel wakker, niet verschrikt; ik slaap weer in.
-
-PETRUCCIO. Neen, neen; gij loopt niet vrij, gij zijt begonnen;
-Verwacht alzoo een scherpen pijl of twee.
-
-BIANCA. Ben ik uw vogel? 'k Zoek een ander bosch;
-Vervolg mij met uw pijl dan, als gij kunt;--
-Vaart allen wel!
-
- (Bianca, Katharina en de Weduwe af.)
-
-PETRUCCIO. Daar is zij mij ontsnapt.--Signore Tranio,
-Gij miktet op dat vogeltje en schoot mis!
-Een dronk op ieder nu, die schoot en miste.
-
-TRANIO. O heer, 'k was voor Lucentio als een windhond,
-Die dapper loopt en voor zijn meester vangt.
-
-PETRUCCIO. Een vlugge vergelijking, maar wat hondsch.
-
-TRANIO. 't Is goed, heer, dat ge voor uzelven jaagdet;
-Men meent, uw hinde loopt wel bek-af.
-
-BATTISTA. Oho, Petruccio! Tranio trof u daar.
-
-PETRUCCIO. Ik dank u voor dat schampschot, goede Tranio!
-
-HORTENSIO. Erken, erken! Heeft hij u niet geraakt?
-
-PETRUCCIO. Hij heeft mij wat geschampt, ik wil 't erkennen;
-Maar, vloog de scherts ook raak'lings langs mij heen,
-Tien tegen één, zij trof u beide' in 't hart.
-
-BATTISTA. Nu, 'k denk in goeden ernst, mijn zoon Petruccio,
-Gij hebt toch wel het lastigst wijf van allen.
-
-PETRUCCIO. En ik zeg "neen";--maar neemt de proef er van;
-Laat elk van ons zijn vrouw eens hier ontbieden,
-En hij, wiens vrouw dan het gehoorzaamst is,
-En 't eerste komt, wanneer hij om haar zendt,
-Die wint den prijs, waar wij om zullen wedden.
-
-HORTENSIO. 't Is goed; en wat is de inzet?
-
-LUCENTIO. Twintig kronen.
-
-PETRUCCIO. Twintig kronen!
-Dat waag en zet ik op mijn valk of hond.
-Maar twintigmaal zooveel wel op mijn vrouw.
-
-LUCENTIO. Nu honderd dan!
-
-HORTENSIO. 't Is goed.
-
-PETRUCCIO. Goed, aangenomen!
-
-HORTENSIO. Wie zal beginnen?
-
-LUCENTIO. Dat wil ik doen.--Ga,
-Biondello, vraag dat uw meest'res hier kome.
-
-BIONDELLO. Ik ga.
-
- (Biondello af.)
-
-BATTISTA. Mijn zoon, ik sta u half; Bianca komt.
-
-LUCENTIO. Neen, niets daarvan; ik neem 't geheel op mij.
-
-(Biondello komt terug.)
-
-Nu, nu, hoe is 't?
-
-BIONDELLO. Heer, mijn meest'res laat zeggen,
-Dat ze iets te doen heeft en niet komen kan!
-
-PETRUCCIO. Zoo! iets te doen heeft en niet komen kan.
-Is dat een antwoord?
-
-GREMIO. Ja, en vriend'lijk ook;
-Bid God, dat u uw vrouw geen erger zend'.
-
-PETRUCCIO. Ik hoop, een beter.
-
-HORTENSIO. Biondello, ga, verzoek mijn vrouw, dat zij
-Hier daad'lijk bij mij komt.
-
- (Biondello af.)
-
-PETRUCCIO. O zoo, verzoeken;
-Dan moet en zal ze komen.
-
-HORTENSIO. Heer, ik vrees,
-Doe wat ge wilt, voor u helpt geen verzoek.
-
-(Biondello komt terug.)
-
-Waar blijft mijn vrouw?
-
-BIONDELLO. Zij zegt, gij hebt gewis een grapje voor;
-Zij wil niet komen, vraagt, dat gij bij háár komt.
-
-PETRUCCIO. Van kwaad tot erger! wil niet komen! Ha!
-'t Is onverdraaglijk, onuitstaanbaar, slecht!
-Nu, Grumio, ga tot uw meest'res, en zeg,
-Dat ik beveel, dat zij hier bij mij komt.
-
- (Grumio af.)
-
-HORTENSIO. Ik weet, wat volgt.
-
-PETRUCCIO. Wat dan?
-
-HORTENSIO. Dat zij niet wil.
-
-PETRUCCIO. De schâ moet ik dan dragen, dat is al.
-
-(Katharina komt.)
-
-BATTISTA. Bij onze lieve vrouw! Zie, Katharina!
-
-KATHARINA. Wat is uw wensch, heer, dat gij om mij zondt?
-
-PETRUCCIO. Waar zijn uw zuster en Hortensio's vrouw?
-
-KATHARINA. Zij zitten bij den haard ginds wat te keuv'len.
-
-PETRUCCIO. Ga, haal ze hier; en weig'ren zij te komen,
-Zweep haar dan flinkweg naar haar mannen toe;
-Ga, zeg ik, breng die twee onmidd'lijk hier.
-
- (Katharina af.)
-
-LUCENTIO. Spreekt gij van wond'ren, hier is dan een wonder.
-
-HORTENSIO. Dat is 't; 't zal mij verwond'ren, waar 't op uitloopt.
-
-PETRUCCIO. Wel op een rustig leven, liefde en vreê,
-Erkenning van gezag, een goed bestuur,
-Kortom, op wat geluk en vreugde brengt.
-
-BATTISTA. Nu, heil zij u, mijn zoon Petruccio!
-Gij wint uw weddingschap; en aan die winst
-Voeg ik nog twintigduizend kronen toe,
-Als nieuwe bruidsgift aan een and're dochter,
-Want ze is een and're dan ze vroeger was.
-
-PETRUCCIO. Neen, beter nog win ik mijn weddenschap,
-En toon u beter nog haar volgzaamheid,
-Haar nieuw verworven deugd van volgzaamheid.
-
-(Katharina komt terug, met Bianca en de Weduwe.)
-
-Daar komt ze; ziet, uw dwarse vrouwen zijn
-Gevang'nen van haar vrouw'lijke overreding.
-Dat mutsje, Katharina, staat u slecht;
-Doe weg dat vod; vertrap het met den voet.
-
-(Katharina neemt haar muts af en werpt die neer.)
-
-WEDUWE. God geev' mij nimmer reden tot een zucht,
-Aleer ik zulk een slaafsche dwaasheid doe!
-
-BIANCA. Foei, wat een dwaze volgzaamheid van u!
-
-LUCENTIO. Ware uwe volgzaamheid maar even dwaas!
-De wijsheid van uw volgzaamheid, Bianca,
-Boort juist me een honderd kronen door den neus.
-
-BIANCA. Wat domheid, op mijn volgzaamheid te wedden!
-
-PETRUCCIO. Kath'rina, leer deez' stuggen vrouwen eens,
-Wat zij haar heer en gade schuldig zijn.
-
-WEDUWE. Kom, kom, gij schertst; wij danken voor zoo'n preek.
-
-PETRUCCIO. Begin maar, zeg ik, en met haar het eerst.
-
-WEDUWE. Ze zal het niet.
-
-PETRUCCIO. Ja toch, ze zal;--begin met haar het eerst.
-
-KATHARINA. O foei, strijk glad dat dreigend, toornig voorhoofd;
-En schiet geen booze blikken uit die oogen
-Op uwen heer, uw koning, uw gebieder.
-'t Verbleekt uw schoon, zooals de vorst een grasveld,
-'t Verderft uw roem, als storm, die bloesems schudt,
-En is in 't minst niet prijzenswaard of lief.
-Een toornig wijf is als een troeb'le bron,
-Dik, ondoorschijnend, zwart, van schoon beroofd,
-Waar niemand, hoe verhit of dorstig ook,
-Aan nippen wil of zelfs een drup van proeft.
-Uw eegâ is uw heer, uw schutse, uw leven,
-Uw opperhoofd, uw vorst; hij zorgt voor u
-En voor uw onderhoud; hij geeft zijn lijf
-Aan duizend nooden prijs, te land, ter zee;
-Bij nacht houdt storm, bij dag hem koude wakker,
-Terwijl gij warm en veilig rust in huis;
-Geen and're schatting vraagt hij van uw hand
-Dan liefde, een blij gelaat en volgzaamheid,--
-Te kleinen losprijs voor zoo groot een schuld.
-Wat de onderdaan zijn vorst verschuldigd is,
-Dat heeft de vrouw haar gade te voldoen;
-En is zij grillig, geem'lijk, nukkig, norsch,
-Geeft ze aan zijn reed'lijke eischen geen gehoor,
-Wat is zij, dan een boos, ondankbaar muit'ling,
-Die snood de liefde van haar heer miskent?--
-O, 'k schaam mij, als een vrouw in dwazen waan
-Wil strijden, waar ze om vrede knielen moest,
-Of macht begeert, gezag en overwicht,
-Waar zij tot liefde, en dienen is verplicht.
-Waarom zijn wij zoo teer en zwak en broos,
-Voor moeitevollen arbeid ongeschikt,
-Zoo niet, opdat aan onzen fijnen bouw
-Een zacht gemoed zich passend paren zou?
-Ziet, drieste, zwakke, licht vertreden wormen!
-'k Was eens zoo stug van geest als een van u,
-Zoo trotsch van hart; en 'k had, naar 'k denk, meer grond,
-Om woord met woord en drift met drift te keeren;
-Maar 'k zie nu, onze lansen zijn maar stroo;
-Zwak onze kracht, niet zelden enkel schijn;--
-Vaak schijnen wij, wat wij volstrekt niet zijn.
-Buigt dus uw trots en legt, als onderpand,
-Onder den voet uws echtgenoots uw hand;
-Verlangt hij dit als blijk van volgzaamheid,
-Als hij 't beveelt, hij vindt mijn hand bereid.
-
-PETRUCCIO. Dàt is me een vrouw!--Kom, Kaatje, kus mij thans!
-
-HORTENSIO. Nu, oude knaap, gij wint uw zaak met glans.
-
-VINCENTIO. 't Is lieflijk te hooren, als kind'ren zoo willig zijn.
-
-LUCENTIO. Doch schrikk'lijk te hooren, als vrouwen zoo grillig zijn.
-
-PETRUCCIO. Kom, Kaatje, ter rust;--en ik weet nu, hoe 't is,
-Drie zijn getrouwd, maar met twee is het mis.
-(Tot Lucentio.) Al troft gij het wit ook, ik ben het, die lacht;
-De weddenschap won ik, en wensch u goê nacht!
-
- (Petruccio en Katharina af.)
-
-HORTENSIO. Geluk dan, de temming der feeks is geschied.
-
-LUCENTIO. Wonder is het boven wonder, dat ze zoo zich temmen liet.
-
- (Allen af.)
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN.
-
-
-Dit stuk, dat in het Engelsch den titel draagt van The Taming of the
-Shrew, verscheen voor het eerst in de folio-uitgave der gezamenlijke
-werken, van 1623, in druk. Een ander stuk zag in 1594 het licht,
-onder den titel: A pleasant conceited Historie called the Taming of a
-Shrew. As it was sundry times acted by the Right honourable the Earle
-of Pembrooke his servants. Printed at London by Peter Short, and are
-to be sold by Cuthbert Burbie, at his shop at the Royal Exchange,
-1594. Het werd herdrukt in 1596 en in 1606.
-
-Laatstgenoemd blijspel, waarvan de schrijver onbekend is gebleven,
-begint met een Inductie, Inleiding of Voorspel, waarin optreden: een
-Lord, Sluw, een Tapper (bij Sh. een Waardin), een Page, Tooneelspelers
-en Jagers. De voorvallen zijn dezelfde als in de Inductie van
-Shakespeare's stuk, hoe groot het verschil in de wijze van uitwerking
-en in de woorden ook zijn moge.--Het stuk zelf speelt in Athene,
-dat van Shakespeare in Padua; beide zetels van geleerdheid. Alfonso,
-een koopman van Athene,--de Baptista van Shakespeare,--heeft drie
-dochters: Kate, Emelia en Phylema. Aurelius, zoon van den hertog van
-Cestus (Sestos) is verliefd op de eene der jongere zusters, Polidor
-op de andere, en Ferando,--de Petruccio van Shakespeare,--op Kate,
-de snibbe. De koopman heeft gezworen, dat zijn oudste dochter eerst
-moet uitgehuwlijkt zijn, eer iemand aan een zijner jongere dochters
-het hof mag maken. Het aanzoek van Ferando om Kate heeft op dezelfde
-wijze plaats als dat van Petruccio, evenzoo het huwelijk; evenzoo
-het schraal onthaal der jonge vrouw op Ferando's landgoed, waar
-ook de kleermaker en de hoedenkoopman optreden; evenzoo de gedweeë
-gehoorzaamheid der getemde kijfster. Het les geven door verkleede
-minnaars heeft geen plaats; in dit opzicht is er verschil. Ten slotte
-zijn allen gelukkig: er zijn drie jonge paren, en het stuk eindigt,
-als bij Shakespeare, met een weddenschap over de gehoorzaamheid der
-jonggehuwde vrouwen. Men ziet, hoeveel verschil er in de uitwerking,
-hoeveel ruwer het in 1594 uitgegeven stuk moge wezen, er is zoo groote
-overeenkomst, dat men wel een verklaring hiervan mag beproeven. Dat
-het eerst uitgegeven stuk een werk is geweest van den jongen, nog
-onervaren Shakespeare en dat hij het later zou verbeterd hebben, is,
-zooals bij het onderzoek van het stuk blijkt, een ongerijmde meening;
-evenmin mag men onderstellen, dat na de vertooning van Shakespeare's
-stuk een ander, er zijn bouwstoffen aan ontleenende, een dergelijk,
-maar veel ruwer stuk voor een ander tooneelgezelschap zou vervaardigd
-hebben. Men moet aannemen, dat Shakespeare het andere stuk, dat in
-den smaak van het publiek viel en misschien veel ouder was, omgewerkt,
-verfijnd en veredeld heeft, of wel, dat èn Shakespeare èn de onbekende
-schrijver van het andere stuk,--dat men wel eens aan Greene of aan
-Marlowe of aan beiden heeft toegekend,--uit een ouder stuk geput
-hebben. Welke van deze twee laatstgenoemde onderstellingen met de
-waarheid overeenkomt, is moeilijk uit te maken, zelfs niet al wist
-men zeker, dat Shakespeare's stuk van vóór 1594 dagteekent, want
-hij kan "The Taming of a Shrew" zeer wel van vertooningen gekend
-hebben; het zou kunnen zijn, dat de bijval, dien Sh.'s stuk vond,
-aanleiding is geweest tot de uitgave van het oudere stuk. Hoe dit zij,
-dat Shakespeare's stuk inderdaad van tamelijk vroege dagteekening is,
-misschien omstreeks denzelfden tijd als "De Klucht der Vergissingen"
-en "Veel Gemin, geen Gewin" (Love's Labour's Lost) geschreven is,
-mag waarschijnlijk gerekend worden en wordt bevestigd door vele
-bijzonderheden, zooals tal van aanhalingen uit de oudheid, de
-knuppelverzen, die er in voorkomen enz. Dat er vele gedeelten in
-voorkomen, die den lateren Shakespeare niet onwaardig zijn, pleit
-er volstrekt niet tegen, want ook de zoo even genoemde stukken,
-alsmede de Venus en Adonis en de Lucretia, die in 1593 en 1594 het
-licht zagen, bewijzen ten volle, welk een meesterschap de dichter
-toen reeds verworven had. Dat Meres in 1598 dit stuk in zijn Palladis
-Tamia (zie boven blz. 47 en 120) niet vermeldt, bewijst geenszins,
-dat het toen niet bekend was; Meres kan eenvoudig vermeden hebben
-het te noemen, omdat ieder wist, dat het niet oorspronkelijk was,
-maar een omwerking van een ouder blijspel. De onderstelling, dat
-het inderdaad vroegtijdig door den dichter geschreven werd, mag te
-eerder aangenomen worden, daar er niets onwaarschijnlijks in is,
-dat Shakespeare in het begin zijner loopbaan een vroeger stuk ten
-behoeve van zijn tooneelgezelschap aldus heeft omgewerkt, met behoud
-van den geheelen gang der handeling en van talrijke bijzonderheden,
-die het publiek van vroeger kende en in de nieuwe bewerking niet
-zou willen missen; in lateren tijd zou hij misschien anders te werk
-zijn gegaan; getuige de wijze, waarop hij bij het schrijven van zijn
-"Koning Jan", welk stuk omstreeks 1596 tot stand kwam, zijn taak
-volbracht heeft. Doch hetzij het stuk zeer vroeg, 't zij het iets
-later geschreven is (zie blz. 55), men moet erkennen, dat alles bij
-Shakespeare veel fijner en edeler is, dan in het ruwe plompe stuk van
-1594; wie zich hiervan wil overtuigen, raadplege de uittreksels, door
-Delius in zijn uitgave van Sh. er van gegeven. Bovendien ontbreekt
-in het oude stuk de geschiedenis van Bianca en Lucentio.
-
-Wij kunnen in het stuk van Shakespeare drieërlei bestanddeelen
-onderscheiden.
-
-Het eerste is de geschiedenis van den Lord en den Ketellapper, die
-wij reeds in anderen vorm in de Duizend-en-één-Nacht van den Kalif
-Haroen en den herder Aboe-Hassan verhaald vinden; aan Philips den
-Goeden, Hertog van Bourgondië, wordt door Heuterus, aan keizer Karel
-IV door een Engelsen schrijver, Richard Barkley, een gelijke inval
-toegeschreven. Ook Calderon maakt van zulk een verhaal gebruik in
-zijn tooneelspel: "Het leven een droom".
-
-Het tweede is de geschiedenis van de temming der snibbe.
-
-Ten derde ontleende Shakespeare de vermommingen van Lucentio, Hortensio
-en Tranio, de figuur van den ouden Gremio en ook van den pedant,
-die, op straat aangetroffen, door de voorspiegelingen van dreigend
-gevaar, overreed wordt voor Vincentio op te treden, aan de Suppositi,
-een blijspel van Ariosto. De namen Lucio en Petruccio komen beide in
-dit stuk, dat reeds in 1566 door Gascoigne in het Engelsch vertaald
-werd, voor. Shakespeare heeft echter uit dit blijspel slechts eenige
-bijzonderheden geput en het niet in die mate gevolgd, dat het noodig
-kan gerekend worden, in een uitvoerige vergelijking van beide stukken
-te treden.
-
-Men moge nu minder ingenomen zijn met de wijze, waarop Kaatje door
-Petruccio getemd wordt, het is zeer de vraag, of een zachtzinniger man
-dan Petruccio een kregelkop als Catharina had klein gekregen. Bovendien
-Shakespeare leefde in een tijd, dat harde middelen, zooals de roede
-voor kinderen, in hooge achting stonden. Mochten er leden zijn van
-het schoone geslacht, die Shakespeare zijn behandeling der vrouw euvel
-duiden, dat zij dan, in plaats van zich te ergeren, zich verlustigen
-aan de breede vrouwenrij, die Shakespeare ten tooneele heeft gevoerd;
-zij vinden een Julia, Desdemona, Portia, een tweede Portia, de edele
-vrouw van Brutus, Rosalinde, Isabella, Perdita, Miranda, Volumnia,
-Virginia, Imogeen en anderen, een schare van vrouwen, uitmuntende
-door geest en bevalligheid, door goedheid, door onschuld, door edel
-karakter, door liefde en zelfopoffering, zooals geen ander dichter
-ooit in het leven heeft geroepen,--en dan mogen zij overwegen, hoevele
-vrouwen hij, die één snibbige kijfster door barre middelen laat temmen,
-op zachte wijze, door de leering van de edelste voorbeelden, van alle
-kijfzucht kon afkeerig maken, en misschien afkeerig heeft gemaakt!
-
-Dat het blijspel in den smaak van het publiek viel, is ontegenzeglijk;
-trouwens nog ten huidigen dage wordt het in Duitschland,--en vaak in
-zeer verknoeiden vorm,--telkens vertoond, en ook in ons land is het
-voor eenige jaren en ook nog zeer onlangs met veel bijval gegeven;
-het behoort tot die stukken, die weldra ook buiten Engeland vertoond
-en toegejuicht werden. Wat Duitschland betreft, er is reeds uit het
-jaar 1658 een stuk bekend: "Die wunderbare Heurath Petruccio's mit
-der bösen Catharine"; en in het jaar 1672 verscheen een Duitsche
-bewerking van The Taming of the Shrew: "Kunst über alle Künste,
-ein bös Weib gut zu machen", die zich vrij nauwkeurig aan het
-oorspronkelijke houdt. Reeds vroeger, namelijk in 1654, werd in
-Amsterdam een Hollandsche vertaling uitgegeven, onder den titel:
-"De dolle bruiloft Bly-eyndend-spel. Gerijmt door A. Sybant. t'
-Amsterdam, Gedrukt bij Tymon Houthaak, Voor Dirk Cornelisz. Houthaak,
-Boekverkooper, op de hoek aan de Nieuwe-zijdtskolk" 1654. Het werd den
-9den November van dat jaar voor het eerst opgevoerd. Dr. J. A. Worp
-heeft in "De Nederlandsche Spectator" van 1880 op dit stuk opmerkzaam
-gemaakt en er eenige staaltjes uit medegedeeld. Uit zijn mededeelingen
-moge hier het een en ander volgen. De "korte inhout" luidt aldus:
-
-
- "Katrina is hier los, en holt na haren zin;
- Maar na een knoop geleyt (al schijnt zy 't niet te willen)
- Zoo kan Petrutio haar overmoed wel stillen,
- Met een gelijk gebruyk; doch al in schijn van Min.
- Dees overwinning doet de quade monden zwijgen,
- Het quaat heeft een begin zal het een eynd verkrijgen."
-
-
-Het voorspel is weggelaten. Het begin is gewijzigd. Bij Sh. zijn
-Lucentio en Tranio juist te Padua aangekomen en maken wij kennis
-met Baptista en zijn gezelschap, vernemen Baptista's besluit,
-en zien Lucentio verliefd worden; in "de dolle bruiloft" brengt
-ons een gesprek van een paar bladzijden tusschen Lucentio en zijn
-dienaar Tranio op de hoogte van den stand van zaken. Daarna begint de
-vertaling. Biondello verschijnt ten tooneele, en bespeurt, dat zijn
-meester en Tranio van kleederen gewisseld hebben; zijn meester zegt
-(vergelijk Sh. I. 1. 226):
-
-
-"Daar komt ons Biondell' waar hebt gy schelm geweest?
-
-BIONDELLO. Waar ik geweest heb, Heer? wel hey, dat lijkt wel scheren,
-Maar hoe! waar zijt gy Heer? heeft Tranio uw kleren
-Gestolen? of gy zijn? dus bey te gaar verkeert!
-Wat wil toch dit bediên? gy zijt bey moy besmeert.
-
-LUCENTIO. Komt hier rabaut, 't is nu geen tijdt om dus te gekken,
-Dus stelt uw wezen naar den tijdt, ik moet vertrekken,
-En Tranio, om mijn lijf te bergen, heeft 't gestalt
-Van mijn genomen aan, dies doet 't geen mijn gevalt,
-En dient hem als mijn zelfs, ik heb van daag gekregen
-Een ongeluk, pas op, en laat mij niet verlegen.
-Gij vat mijn zin nu?
-
-BIONDELLO. Ja, zo wel als niet met al.
-
-LUCENTIO. En rept van Tranio niets, of 'k zweer het u, daar zal
-Een straf op staan, hy 's in Lucentio nu verandert.
-
-BIONDELLO. Dat valt hem vry wat toe, hij is nu nieuw geklandert,
-'k Wou 'k ook zo ruilen mocht.
-
-TRANIO. 't Was mijn om 't even, maat", enz.
-
-
-De geheele vertaling is in alexandrijnen als deze, ook daar, waar
-Shakespeare proza bezigt. Als voorbeeld hiervan diene Grumio's aankomst
-op Petruccio's landgoed, als hij de aankomst van het jonge paar heeft
-te melden (IV. 1. 1).
-
-
-GRUMIO. Foey, foey, de koekoek haal al die bezukte krengen.
-Van paerden, dolle Heers, vuyle wegen, waar
-Was ooyt een mensch zoo zeer gequelt als ik ben? daar
-Ben ik voor uyt gestuurt goed vuur te laten maken;
-Mevrouw die beeft van kou, en ik begin te kraken;
-Zo 'k geen klein potje was, en in der haast bewarmt,
-Zo was het nodig dat zich yder mijns erbarmt,
-Ten aanzien van het weer: myn lippen mochten vriezen
-Aan mijne tanden, en mijn tong haar spraak verliezen,
-En 't hart in mijnen buyk, zo 'k nu by 't vuur niet kon,
-Om my 't ontdoijen; och daar schijnt een flauwe Zon.
-'t Vuur op te blazen, ja, dat zal my wat verquikken.
-Een kloeker kaerel die verkoude wel als ikke,
-In zoo'n beslikten wegh. hou, holla Kurtus, hout,
-Waar benje Kurtus maat?
-
-KURTUS. Wie roept daar zoo verkout?
-
-GRUMIO. Een stuk ys. twijfelt gij? vraagt gij dat? hoe zal 't dyen?
-Gij zoudt wel op mijn rug op schaatzen kunnen ryen,
-Zo gladt ben ik van ys, vuur Kurtus, vuur bylo!
-
-KURTUS. Waarom?
-
-GRUMIO. Mijn Heer komt met zijn Bruydt.
-
-KURTUS. Hoe, Grumio!
-Is 't waar?
-
-GRUMIO. Vuur Kurtus, vuur.
-
-KURTUS. Wat ben jy ook een snakert.
-Maar is zy, als men zeydt, zo heetjes dan gebakert?
-
-GRUMIO. Zo heeft zy, Kurtus maat, voor deze vrost geweest;
-De winter, als gij weet, temt man, en vrouw, en beest,
-Zy heeft getemd mijn Heer, mijn nieuwe Vrouw, en mede
-Mijn makker Kurtus zelfs.
-
-KURTUS. Wech, wech, gy lam van leden,
-Gy zotje van drie duym, ik ben geen beest gelijk.
-
-GRUMIO. Hoe, ben ik maar drie duym? wel hey! ey lieve kijk!
-Jou hoorn is wel een voet, zo lang ben ik ten minste", enz.
-
-
-Hier en daar is het een en ander weggelaten of gewijzigd; evenals het
-begin is het einde van het blijspel zeer bekort, de weddenschap en de
-vermaning van Katharina zijn vervangen door een kort tooneeltje van
-nog geen anderhalve bladzijde, dat een einde aan het stuk maakt. Maar
-het geheel is toch een vertaling van een stuk van Shakespeare, naar ik
-meen de oudste, die in ons land bekend is. Dr. Worp zegt hieromtrent
-het volgende:
-
-"Een nauwkeurige vergelijking der beide blijspelen, vers voor vers,
-heeft mij tot de overtuiging gebracht, dat wij hier werkelijk met
-een vertaling van "The taming of the shrew" hebben te doen. Van een
-andere bron dan Shakespeare zelf kan moeilijk sprake zijn, noch van
-"The taming of a shrew", waarnaar de groote dichter zijn blijspel heeft
-bewerkt, noch van "Die wunderbare Heurath Petruccio mit der bösen
-Catharinen", dat in 1658 te Zittau werd opgevoerd, maar misschien
-reeds vóór dien tijd was geschreven (Vgl. Genée, "Geschichte der
-Shakesp. Dramen in Deutschland", blz. 174). Evenmin kan er sprake van
-zijn, dat het blijspel hier door Engelsche tooneelspelers zou zijn
-gebracht; de vertaling volgt het origineel te veel ook in allerlei
-kleinigheden, dan dat men aan een bedorven Engelsch libretto of aan
-het opschrijven na een voorstelling mag denken.
-
-"Het bestaan van "De dolle bruyloft" bewijst dus, dat er in het midden
-der 17de eeuw exemplaren van sommige werken van Shakspere in ons land
-gevonden en gelezen werden."
-
-Daar er geen oude afzonderlijke uitgaven van de "Taming of the Shrew"
-bestaan, moet een exemplaar van de folio van 1623 of van 1632 (de derde
-druk is van 1664), of een afschrift, voor de vertaling gediend hebben.
-
-
-
-Voorspel. 1. 4. Richard den Veroveraar. Hij meent natuurlijk Willem
-den Veroveraar, met wien zoovelen van den oudsten adel in het land
-kwamen.--Het paucas pallabris is verdraaid uit het Spaansche pocas
-palabras, weinig woorden! evenals sessa uit het Spaansche cesa,
-houd op, stil! twee uitheemsche uitdrukkingen, toen, blijkens andere
-tooneelspelen van dien tijd, in zwang; ook Brummel gebruikt het woord
-palabras in "Veel leven om niets", III. 5. 18.
-
-Vsp. 1. 9. Ga weg, Jeronimus. Deze woorden zijn genomen uit Kyd's
-Spaansche Tragedie, toen ter tijd aan ieder schouwburg-bezoeker
-bekend, zoodat zeker de aanhaling dadelijk opgemerkt werd. In de folio
-staat "S. Ieronimie"; de S wordt door de uitgevers der Cambridge- en
-Globe-edition voor een vraagteeken gehouden, dat voor uitroepingsteeken
-gebezigd werd, en zoo is hier vertaald. Doch misschien is het beter de
-S als een werkelijke S, dus als een verkorting van Saint, te beschouwen
-en te vertalen: "ga weg, Sint Jeronimus!" zoodat de dronkaard den
-held der Sp. Tragedie met den heiligen Hieronymus verwart.
-
-Vsp. 1. 12. Ik ga den schout halen. In de folio staat: I must
-go fetch the Headborough. Headborough is een konstabel, een
-politieagent. Blijkbaar moet dit woord vervangen worden, zooals in alle
-uitgaven geschiedt, door thirdborough; dit blijkt uit Sly's antwoord
-Third or fourth, or fifth borough. Thirdborough was een onderkonstabel,
-of nagenoeg gelijk met headborough. In The Constable's Guide (1771)
-leest men: "There are in several counties of this realm other officers;
-that is, by other titles, but not much inferior to our constables; as,
-in Warwickshire, a thirdborough.--In de vertaling moest het antwoord
-van Sly gewijzigd worden; hij spreekt hier van den schout als van
-een soort duivel.--Hij richt verder in zijn dronkenschap het woord
-tot den knecht van het bierhuis.
-
-Vsp. 1. 64. En zegt hij: "Wat, ik ben--", zeg, dat hij droomt. Het komt
-mij voor, dat het streepje achter "ik ben" voor iedereen duidelijk moet
-maken, dat de dronkaard bij het ontwaken zegt: "Wat! ik ben toch--",
-en zijn naam noemt of noemen wil; een gebaar kan bij het spelen
-dit "die of die" voor iedereen zichtbaar maken.--Maar in de folio
-ontbreekt het streepje, en er staat alleen: And when he sayes he is,
-say that he dreames,--en ziedaar! nu wil de eene uitgever aanvullen:
-he is lunatic, de andere wil lezen: he 's Sly, een derde vermoedt,
-dat er een heel vers verloren is gegaan!
-
-Vsp. 1. 88. Soto. Het is onbekend, welk stuk hiermee bedoeld is. Er is
-geen ouder stuk bewaard gebleven of bekend, waarin een Soto voorkomt.
-
-Vsp. 1. 122. Die deze zeven jaar enz. Later, Vsp. 2. 81, wordt van
-vijftien jaar gesproken. Is het daarom noodig, hier tweemaal zeven
-jaar te schrijven? In het geheel niet; men rekene liever de dichters
-zoo precies niet na. Shakespeare stoorde zich meermalen niet aan
-les petites chicanes de la probabilité, zooals Gustave Planche zulke
-narekeningen noemt; men vergelijke de aanteekening op "K. Richard III",
-III. 4. 80.
-
-Vsp. Tweede Tooneel. Een slaapkamer in het huis van den Lord. Men
-ziet Sluw enz. In de folio staat: De Dronkaard komt op, boven, met
-Gevolg. Sluw verscheen dus op het smalle balkon, dat op den achtergrond
-van het toenmalig tooneel zich bevond, en zag van daar het schouwspel,
-dat hem voorgediend werd, aan.
-
-Vsp. 2. 1. Een potteken scharrebier. Dunnebier, sterk schuimend,
-werd als middel tegen katterigheid aangewend; het moest ongeveer als
-sodawater dienen.
-
-Vsp. 2. 19. Burtonheide. Hier zal Burton of Barton-on-the-heath,
-een vlek op de grens van Warwickshire en Oxfordshire bedoeld zijn.
-
-Vsp. 2. 23. Wincot. Verkorte uitspraak van Wilmecote, een dorp in
-de buurt van Stratford aan de Avon. Shakespeare's grootvader, Robert
-Arden, woonde er.
-
-Vsp. 2. 51. Houdt gij van schilderijen? Ongetwijfeld worden hier
-bekende, meermalen voorkomende schilderijen aangehaald. Mythologische
-voorstellingen vielen toen in den smaak. De vermelding van Adonis
-en Cytherea doet denken aan het sonnet, dat als zesde gedicht in
-den Verliefden Pelgrim voorkomt, die van Io aan Correggio's beroemd
-schilderstuk, waarvan men echter niet weet, of het toen reeds in
-Engeland bekend was.
-
-Vsp. 2. 112. Els Madame. De ketellapper houdt het woord Madame
-blijkbaar voor een familienaam.
-
-I. 1. 2. Padua, der kunsten wieg. De universiteit van Padua, in
-1228 gesticht, was in Sh.'s tijd de beroemdste en meest bezochte van
-Italië. Petrarca, Columbus en Galilei hadden er gestudeerd.
-
-I. 1. 25. Mi perdonate. Shakespeare's tijdgenooten, Ben Jonson,
-Webster en vooral Marston strooiden gaarne vreemde gezegden hier en
-daar in hun tooneelwerken, hijzelf doet het nagenoeg alleen in dit
-stuk; de schoolpedant Holofernes doet het in "Veel gemin, geen gewin",
-om zijn geleerdheid te luchten.
-
-I. 1. 47. Bij het hier volgende optreden der personen staat in de
-folio-uitgave: Gremio, a Pantelowne. De Pantalon was een telkens
-terugkeerende Italiaansche theaterfiguur; men zie de beschrijving in
-"Elk wat wils" (As you like it), II. 7. 158.
-
-I. 1. 55. Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof. De Engelsche
-woordspeling met to court, het hof maken en to cart, op een kar
-rondvoeren, zooals men booze vrouwen deed, was natuurlijk niet juist
-over te brengen.
-
-I. 1. 108. Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader
-niet. Er staat eigenlijk alleen: "Hun liefde is zoo groot niet";
-doch dit moet beteekenen, wat in de vertaling is uitgedrukt: de
-liefde tusschen hen beiden is zoo groot niet, dat zij op den duur een
-echtverbintenis van Bianca tegenhoudt, al moeten de twee medevrijers
-nu rustig wachten, daar zij op 't oogenblik teleurgesteld zijn. Dit
-laatste wordt uitgedrukt door 't ongaar zijn van den koek.
-
-I. 1. 136. Alle dagen op de markt zou gegeeseld worden. Er staat in
-het Engelsch: at the high-cross, "aan het hooge kruis", d. i. een
-steenen kruis op de markt, aan welks voet de openbare lijfstraffen
-voltrokken werden.
-
-I. 1. 159. Als Anna met haar zuster Dido was. Duidelijkheidshalve is
-uitgedrukt, dat Anna de zuster was van Dido; zij was de vertrouweling,
-aan wie Dido haar liefde voor Æneas beleed. In 't Engelsch staat:
-"Als Anna aan Carthago's koningin". Aan Sh.'s publiek was Anna bekend
-uit Marlowe's stuk: "Dido, koningin van Carthago".
-
-I. 1. 168. Redime te, captum, quam queas minimo. "Zijt gij gevangen,
-koop u dan voor zoo weinig mogelijk vrij." Een aanhaling uit Terentius,
-Eunuchus I. 1. 29, maar niet geheel woordelijk, en in dezen vorm,
-die beter bij de Engelsche versmaat past, ongetwijfeld aan Lilly's
-Grammatica ontleend.
-
-I. 1. 173. Agenors dochter--de schoone Europa.
-
-I. 1. 213. Mijn vederhoed. Er staat eigenlijk: mijn kleurigen (of
-bonten) hoed; een hoed is bedoeld, zooals alleen voorname lieden
-dragen.
-
-I. 2. 28. Het doet er niet toe, wat hij daar in het Latijn vertelt. Het
-moge vreemd schijnen, dat Grumio, de Italiaan, zijn eigen moedertaal
-voor Latijn houdt, maar hij spreekt door Shakespeare Engelsch; het
-Italiaansch is hem, al speelt het stuk in Italië, een onbekende taal
-en kan hem dus Latijn toeschijnen of iedere andere vreemde taal;
-alleen voor Italiaansch moet hij het niet houden.
-
-I. 2. 33. En niet meer meespeelt. In 't Engelsch staat: being,
-perhaps, two-and-thirty,--a pip out. Een pip is een oog, een punt
-op een speelkaart, a spot on cards. De zegswijze is ontleend aan het
-kaartspel: Bone-acre or One and thirty; wie meer had dan één-en-dertig,
-viel uit, speelde niet meer mee. Was Petruccio twee-en-dertig, dan
-was zijn tijd van spelen voorbij.--Halliwell merkt verder nog op;
-"to be two-and-thirty, a pip out, was an old cant phrase applied to
-a person who was intoxicated."
-
-I. 2. 69. Waar' ze ook zoo leelijk als Florentius' bruid enz. Gower
-verhaalt in het eerste deel van zijn Confessio Amantis [1] de
-geschiedenis van een zekeren ridder Florens of Florentius, die,
-om een raadsel op te lossen en hierdoor zijn leven te redden, een
-afschuwelijk leelijk wijf trouwde,--
-
-
- "Which was the lothiest wighte,
- That ever man cast on his eye".--
-
-
-Dezelfde historie, doch zonder naam, vertelt ook Chaucer in The Wife
-of Bath's Tale. Voltaire heeft er zijn vertelling Ce qui plaît aux
-dames, die door Bilderdijk in Ridder Sox vrij is nagevolgd, naar
-gedicht.--Voor het fel en vinnig van den volgenden regel heeft het
-Engelsch curst and shrewd. Aangaande dit laatste woord, dat in dit stuk
-meermalen voorkomt, moge hier de volgende verklaring van Grant-White
-een plaats vinden: "Shrewd now is only used in the sense of keen,
-as applied to the mind. But this sense is merely figurative. The
-radical idea of the word shrew is irritation, sharp annoyance".
-
-I. 2. 244. Leda's schoone dochter. Helena, de vrouw van Menelaos,
-geschaakt door Paris. De Trojaansche oorlog was aan Shakespeare's
-publiek zeer wel bekend. Mythologische toespelingen werden over
-het algemeen wel begrepen; dat Hercules ook Alcides heette b.v.,
-en dat hij twaalf groote werken volbracht had (zie I. 2. 258) wisten
-waarschijnlijk velen van de toeschouwers.
-
-I. 2. 282. U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet. Hij zal
-hem dus straks verwelkomen, bij de afgesproken samenkomst, of wel,
-volgens afspraak, verkleed zijn opwachting komen maken en hij hoopt
-dan welkom te zijn, of hij zal Petruccio welkom zijn, omdat hij hem
-aan een rijke vrouw helpt. Woordelijk luidt het oorspronkelijke:
-
-
- "Een aardig plan voorwaar, en zij het zoo!
- Petruccio, 'k ben uw ben vénuto".
-
-
-Ben venuto is de Italiaansche groet: welkom! De klemtoon is hier,
-als bij Sh., verkeerd gelegd, om een schertsrijm te krijgen.
-
-Op het eerste bedrijf volgt in het stuk van 1594 een kort gesprek
-tusschen den ketellapper en den als bediende verkleeden Lord. Bij
-de woorden van Sluw: "Bravo, hier komen twee mooie dames" treden
-Katharina en Bianca op.
-
-II. 1. 33. Barvoets dansen en apen brengen naar de hel. D. i. "als
-oude jonge juffer sterven". Zie "Veel leven om niets", II. 1. 43. De
-uitdrukking was spreekwoordelijk. Hoe de zegswijze ontstaan is, schijnt
-onbekend; het apen brengen naar de hel is misschien als straf gedacht
-voor oude juffers, die niet van kinderen hielden en ze afscheepten
-of onaardig behandelden.
-
-II. 1. 101. Dit stapeltje Latijnsche en Grieksche boeken. Men behoeft
-hier geenszins uit af te leiden, dat de dochters van Battista geleerder
-waren dan andere jonge dames van haar tijd; Latijn, Grieksch, wiskunde
-en wijsbegeerte werden toen dikwijls door vrouwen beoefend, ongeveer
-als thans muziek. Men denke slechts aan koningin Elizabeth, Lady
-Jane Grey, de dochters van Sir Thomas More; en ook in ons vaderland
-waren, zooals bekend is, zulke studiën zoo zeldzaam niet. Vooral
-in een academiestad als Padua kon men wachten, dat de vrouwen van
-de hoogere klassen er zich mee bezighielden. In de nieuwere talen
-waren slechts weinige onderhoudende en schoone boeken geschreven,
-zooals Macauley in zijn stuk over Lord Bacon terecht opmerkt.
-
-II. 1. 103. Lucentio is uw naam? De naam Lucentio is nog niet genoemd,
-hoe komt Battista dien te weten? Het is licht mogelijk, dat Tranio
-eindigde met zijn naam op te geven, en dat deze met Lucentio beginnende
-regel bij den druk is weggevallen; het kan ook zijn, dat de dichter
-zich vergist heeft. Wil men het verzuim herstellen, dan kan men Tranio
-laten zeggen: "Lucentio is mijn naam"; en Battista alleen laten vragen:
-"Van waar afkomstig?"
-
-II. 1. 116. Ik kan niet elken dag hier aanzoek doen. Dit zeggen van
-Petruccio: And every day I cannot come to woo, wekte ongetwijfeld zeer
-veel vroolijkheid bij de toeschouwers op, want het is woordelijk,
-met een kleine omzetting, het refrein van een oude ballade, The
-ingenious Bragadoccio betiteld. Ook in een tusschenspel, interlude,
-van Puttenham komt de regel voor: I cannot come a wooing every day.
-
-II. 1. 199. Zooals een vouwstoel, ja. Men vergelijke "Koning Lear"
-III. 6. 54. Cry you mercy, I took you for a joint-stool: Verschoon
-mij, ik hield u voor een vouwstoel. Het was een gewoon zeggen, als
-men iemand opzettelijk over het hoofd had gezien en zich op lompe, ja
-beleedigende wijze daarover verontschuldigde.--Het geheele volgende
-gesprek vloeit over van woordspelingen, die slechts ten deele met
-eenige getrouwheid zijn weer te geven; in reg. 207 wordt uit be,
-zijn, bee, bij, verstaan en daarom van buzz, gonzen, gesproken,
-waarop weer de vermelding van een buzzard, buizerd of muizerd, volgt;
-reg. 215 wordt tail opgevat als staart, en als tale, vertelling;
-reg. 216 coxcomb als narrenkap of nar, en als hanekam. Reg. 225 zegt
-Petruccio tot Katharina: Put me in thy books, wat hier doelt op het
-boek, waarin de herauten de wapens moeten aanteekenen, maar wat ook
-beteekent: "sla acht op mij", "denk aan mij", "wees mij gunstig".
-
-II. 1. 268. Nu, houd dien geest maar warm. Yes, keep you warm. Een
-spreekwoordelijk zeggen, vollediger uitgedrukt in "Veel leven om
-niets", I. 1. 68: If he have wit enough to keep himself warm, "als
-hij geest genoeg heeft, om zich warm te houden".
-
-II. 1. 297. Griseldis streeft zij in geduld ter zij. Er staat
-eigenlijk: "In geduld zal zij een tweede Griseldis blijken". De
-geschiedenis van Griseldis, de zachte vrouw, die al de beproevingen,
-die haar man haar oplegde, met de grootste lijdzaamheid droeg, was in
-Engeland reeds lang bekend. Petrarca had in 1373, het jaar vóór zijn
-dood, het verhaal van Boccacio betreffende Griseldis (Decamer. X. 10)
-in het Latijn overgebracht: De obedientia et fide uxoria Mythologia;
-en deze Latijnsche vertaling werd door Chaucer getrouw gevolgd in zijn
-Canterbury tales, waarin de geschiedenis van Griseldis The Clerk's
-Tale uitmaakt. Chaucer was in 1372-'73 in Italië en kan er toen reeds
-de geschiedenis hebben leeren kennen.
-
-II. 1. 300. Aanstaanden Zondag zal de trouwdag zijn. Collier zegt,
-dat dit het refrein is van een oud lied, waarvan hij een strophe naar
-mondelinge overlevering mededeelt:
-
-
- "To church away!
- We will have rings
- And fine array,
- With other things
- Against the day,
- For I'm to be married on Sunday".
-
-
-Zoo Collier niet een strophe mededeelt, die naar aanleiding van
-bovenstaanden regel van Sh. en den voorafgaanden gemaakt is, moet
-Shakespeare dit lied gekend hebben.
-
-II. 1. 348. Gij kent, vooreerst, mijn huis hier in de stad. Indien
-Shakespeare niet zelf Italië bezocht heeft, en geen kijkje heeft
-genomen in de huizen van aanzienlijken aldaar, vooral in Venetië
-en nabijgelegen steden, moet men erkennen, dat hij wonderwel was
-ingelicht, want hij heeft de kostbaarheden van zulk een woning zeer
-juist beschreven en de ivoren koffers, troonhemels, Turksche kussens
-met paarlen zijn terecht als kenschetsend aangehaald, evenzoo de
-Venetiaansche kunst, want de gouden kunstwerken van Venetië waren
-beroemd.
-
-III. 1. 28. Hic ibat Simois etc. Dit distichon is uit de
-Heldinnebrieven van Ovidius, I. v. 33. Penelope schrijft aan Ulysses,
-hoe bij menige andere vrouw, die zoo gelukkig is, dat haar man is
-teruggekeerd, na den maaltijd de strijd om Troje met een luttel
-geplengden wijn op een tafel wordt duidelijk gemaakt; de verhaler
-zegt dan: "Hier liep de Simois, daar is het Sigeïsche veld; ginds
-stond het hooge hof van den grijzen Priamus".
-
-III. 1. 37. Den ouden verliefden gek. In 't oorspronkelijke: "den
-ouden Pantalon". Zie boven, bij I. 1. 47.
-
-III. 1. 50. Pedascule. Blijkbaar een uit Pedant en het Grieksche
-Didascalos (Leermeester) gesmeed woord, met den uitgang van den
-Latijnschen vocativus.
-
-III. 1. 73. Ut ben ik, gamma, enz.--Gamut I am, the ground of all
-accord etc. Het woord gamut beteekent in dit versje niet de toonladder,
-maar de noot Gamma, zoodat het woord in het Engelsch eigenlijk gammut
-moest geschreven zijn.
-
-Gamm'-ut is, in den zin, waarin het woord hier genomen wordt, de
-laagste noot der toonladder van Guido Aretino, een Benedictijner
-monnik, uit de elfde eeuw, van Arezzo in Toscane. Aan dezen toon, de
-G op de onderste lijn van de bas, gaf hij den naam van de derde letter
-in het Grieksch Alphabet, G, Gamma, liet den slotklinker weg en stelde
-er de lettergreep ut voor in plaats. Dezen, en de overige namen, re,
-mi, fa enz., die Guido aan de noten der diatonische toonladder gaf,
-ontleende hij aan de volgende verzen, die de eerste strophe uitmaken
-van een kerkgezang, van Paulus Diaconus, aan den Heiligen Johannes
-Baptista, een bede bevattende der zangers, dat zij niet van heeschheid
-mochten te lijden hebben:
-
-
- "Ut queant laxis resonare fibris
- Mira gestorum famuli tuorum,
- Solve polluti labii reatum,
- Sancte Joannes!"
-
-
-De wijze, waarop deze hymne oudtijds in de Katholieke kerk gezongen
-werd, klimt met de diatonische intervallen G, A, B, C, D en E, bij
-de lettergrepen, die hier cursief gedrukt zijn.
-
-Door Guido werden de twintig tonen der Gregoriaansche toonladder, met
-de G, dat is de G op de onderste lijn (gamma) van de bas, beginnende,
-in zeven toonreeksen, zoogenaamde hexachorden, ieder van zes tonen,
-ingedeeld. In elk dezer Hexachorden, bij welke van C, F of G als
-grondtoon werd uitgegaan, werd deze grondtoon steeds ut genoemd; de
-volgende tonen werden re, mi, fa, sol, la geheeten. De tonen werden
-dus in de hexachorden vernoemd, zonder dat op de hun toekomende
-Gregoriaansche letters gelet werd, zoodat de namen ut, re, mi, fa,
-sol, la, niet aan bepaalde tonen eigen waren, maar ut op F, G en C,
-re op G, A en D, enz. kon vallen. Tusschen mi en fa lag steeds een
-halve toon; de B was in het eerste, vierde en zevende hexachord de
-ware B, of B quadratum (bij de Duitschers H), in het derde en zesde
-hexachord B mol, of B rotundum (bij de Duitschers B).
-
-Het eerste hexachord omvatte de tonen G, A, B, C, D, E; het tweede
-C, D, E, F, G, a (zoo men door de lettersoort, zooals A, a, a, de
-tonen van verschillende hoogte wil uitdrukken). De toon C heette dus
-in het eerste hexachord fa, in het tweede ut, D in het eerste sol,
-in het tweede re, E in het eerste la, in het tweede mi.
-
-Zoover reikt het onderwijs, door Hortensio aan Bianca gegeven, dat
-alzoo volgens de methode van Guido van Arezzo plaats heeft. Ware hij
-verder gegaan, dan hadden zijn volgende versregels moeten beginnen met:
-F fa ut, G sol re ut, a la mi re, b fa mi, c sol fa ut, d la sol re,
-e la mi, f fa ut, g sol re ut, a la mi re, b fa mi, c sol fa, d la sol,
-e la.
-
-Om het overgaan van het eene hexachord in het andere gemakkelijker
-te maken, verbond Guido de namen der tonen aan de gewrichten
-en vingertoppen der linkerhand, waarop de zanger het oog moest
-vestigen. Men moge hierover een geschiedenis der muziek raadplegen.
-
-Dat Shakespeare een groot vriend was van muziek en deze kunst hoog
-in eere hield, blijkt uit vele plaatsen zijner geschriften. Bovendien
-strooit hij hier en daar in zijn stukken liederen, voor welke populaire
-wijzen bestaan. Wie hier meer van weten wil, raadplege het groote
-werk van W. Chappell, The Ballad literature and popular music of the
-olden Time: History of the ancient songs, ballads, and of the Dance
-tunes of England etc. London (1855).
-
-III. 2. 51. De opgenoemde paardekwalen zijn niet alle dezelfde
-als in het oorspronkelijke; een getrouwe overzetting zou voor velen
-onverstaanbaar geweest zijn of omschrijvingen vereischt hebben, kortom,
-een geheel verkeerden indruk gemaakt hebben, door letterknechterij.
-
-III. 2. 70. "De veertig lustige liefdeliedjes". In 't Engelsch: "the
-humour of forty fancies". Volgens Warburton's hoogst waarschijnlijke
-gissing een toen ter tijd zeer bekende verzameling van minneliedjes
-(fancies).
-
-III. 2. 84. Neen, bij Sint Japik enz. Het Engelsch Nay, by Sint Jamy,
-etc. ziet er wel naar uit, dat het aan een volksballade ontleend is.
-
-III. 2. 168. Wat zeî de sukkel enz. De tekst heeft: What said the wench
-when he rose again? Het woord wench zou met deerne, aan welk woord
-men geen ongunstige beteekenis te hechten heeft, juist vertaald zijn:
-Wat zeî de deerne, toen de man weer stond? Maar 't is zeer de vraag,
-of de lezing wench wel de ware is. Het ligt veel meer voor de hand,
-dat Tranio vraagt, wat de priester zeide, toen hij weer op zijn
-beenen stond; de jonge vrouw behoefde niet te wachten, met iets te
-zeggen, tot de priester was opgestaan. Bovendien is het vers mank,
-zooals het in de folio- en de globe-editie staat; behoudt men wench,
-dan moet men rose zeker in arose veranderen. Veel beter leest men:
-"What said the wretched, when he rose again?" of wel: "What said the
-wretch, when he arose again?" zooals Rich. Gosche heeft voorgeslagen.
-
-III. 2. 175. En wierp, wat van den huwlijkskoek in 't glas nog over
-was, enz. Het was toen ter tijd gewoonte, na de inzegening van het
-huwelijk, in de kerk wijn en koek [2], welke laatste in den wijn
-gedoopt of gesopt werd, aan te bieden. Dit had bij alle huwelijken
-plaats, tot welken stand het jonge paar ook behoorde. Zoo wordt,
-bij gelegenheid van het huwelijk van Philips en koningin Maria,
-in 1554, dat in de kathedraal van Winchester gesloten werd, dit
-gedeelte der plechtigheid aldus beschreven: "The trumpets sounded,
-and there remained until mass was done; at which time wine and sops
-were delivered to them both".
-
-IV. 1. 20. Vuur, vuur, en gooi er geen water, geen water
-op. Ongetwijfeld toespeling op een oud liedje. Blackstone vermeldt
-een canon van dezen inhoud:
-
-
- "Scotland burneth, Scotland burneth;
- Fire, fire; fire, fire;
- Cast on some more water".
-
-
-IV. 1. 51. Zijn de kannen kant enz. Hier moest met eenige vrijheid
-vertaald worden, om eenigszins denzelfden indruk te geven als het
-oorspronkelijke, dat aldus luidt: Be the jacks fair within, the jils
-fair without, the carpets laid, and every thing in order? Hierbij valt
-op te merken, dat Jack een zwartlederen drinknap of kan is, en ook
-een gewonen boeren- of knechtsnaam, zooals Hans, Jill een aarden vat
-of een maat van een kwart pint inhoud, en ook een gewone meidennaam,
-zooals Griet; men vergelijke "Een Midzomernachtdroom", III. 2. 461,
-en "Veel gemin, geen gewin", V. 2. 885. Carpets zijn tafelkleeden.
-
-IV. 1. 143. Waar zijn mijn vroegre dagen heen? Een regel uit een liedje
-van dien tijd; ook Pistool haalt dien aan in "2 Koning Hendrik IV",
-V. 3. 147.--Een oogenblik later volgt iets dergelijks.
-
-IV. 1. 193. Mijn valk, met leêge maag, enz. Petruccio bezigt inderdaad
-dezelfde middelen als voor het temmen van valken gebruikt worden:
-vasten en slapeloosheid.
-
-IV. 2. 61. Een oude hemelzend'ling. In 't Engelsch: an ancient angel,
-een engel, wijl hij hulp brengt. Wij behoeven hier dus niet te lezen an
-engle, dat men als a gull, iemand, die zich foppen laat, verklaren wil.
-
-IV. 2. 63. 't Moet een kantoor- of schoolvos wezen. Het oorspronkelijke
-bezigt hier twee vreemde woorden: Master, a mercatant, or a pedant,
-waarbij pedant den klemtoon heeft op de laatste syllabe. Mercatant
-werd in de tooneelwerken van dien tijd meermalen voor "koopman"
-gebezigd en is hier wel op zijn plaats, daar het stuk in Italië speelt.
-
-IV. 3. 91. 't Lijkt wel een vuurpot in een scheerderswinkel. In
-de scheerwinkels, waar dikwijls veel menschen bijeen waren, werd
-reukwerk gebrand. Daartoe dienden metalen vuurpotten, censers, met
-opengewerkt deksel.
-
-IV. 4. 93. Cum privilegio enz. De Latijnsche formule van het
-privilege, dat een drukker het uitsluitend recht tot drukken van een
-werk verzekerde.
-
-IV. 5. 39. Gelukkig de ouders enz. Hier schijnt een herinnering uit
-Ovidius' Gedaanteverwisselingen den dichter voor den geest te zweven.
-
-V. 1. 155. 't Is nimmer te laat. In het stuk, dat in 1594 werd
-uitgegeven, volgt nu, boven op den achtergrond van het tooneel,
-het volgende gesprek tusschen den Lord en zijn bedienden. Sluw,
-de ketellapper, is in slaap gevallen.
-
-
-LORD. Heidaar! is daar iemand? (Eenige Bedienden komen op.) Daar
-slaapt hij weer. Neemt hem voorzichtig op en steekt hem weer in zijn
-eigen kleêren. Maar past op, dat gij hem niet wakker maakt!
-
-EEN BEDIENDE. Dat zal gebeuren, heer. (Tot de Anderen.) Komt, helpt
-hem wegdragen. (Zij nemen Sluw op en dragen hem weg.)
-
-
-V. Tweede Tooneel. Een banket is aangericht. Een banket is wat wij
-nagerecht, dessert, noemen; het werd in Sh.'s tijd steeds in een
-andere kamer opgezet.
-
-V. 2. 56. Men meent, uw hinde loopt u wel bek-af. In het Engelsch:
-'Tis thought your deer does hold you at a bay. Een woordspeling met
-deer, hinde, en dear, dierbare, liefje.
-
-V. 2. 118. Haar nieuw-verworven deugd van volgzaamheid. Vreemd is
-het, dat in het oorspronkelijke twee regels achtereen met obedience
-eindigen. Men leze ter verbetering met Capell in den tweeden regel
-virtue of obedience, dus of in plaats van and, dan hindert de
-herhaling niet meer, en dit is bij de vertaling gevolgd; of men
-moet voor het tweede obedience iets anders in de plaats stellen,
-b.v. her submission of her patience. Mocht men dit verkiezen, dan
-vervange men in de vertaling het woord volgzaamheid van den eersten
-regel door onderwerping.
-
-V. 2. 181. Nu oude knaap, gij wint uw zaak met glans. Dit gezegde
-wordt in de folio en door alle uitgevers aan Lucentio toegeschreven,
-maar wordt beter aan een ouden bekende, Hortensio, toegekend. Lucentio
-spreekt een oogenblik later.
-
-V. 2. 186. Al troft gij het wit ook. Wellicht een toespeling op den
-naam Bianca.
-
-V. 2. 189. Zich temmen liet. In het stuk, zooals het in de folio staat
-afgedrukt, blijft het voorspel zonder slot; het laatste, dat men er van
-merkt, zijn de weinige regels achter het eerste bedrijf van het eerste
-tooneel. Het kan zijn, dat Shakespeare, een ouder stuk omwerkende,
-het vervolg van het voorspel niet schreef, omdat de tooneelspelers
-reeds wisten, wat zij te doen hadden en het met de woorden toch niet
-nauw behoefden te nemen; het kan ook zijn, dat het vervolg verloren
-is gegaan.--Het stuk van 1594 heeft het slot als volgt:
-
-
-
-Twee Bedienden komen op, beneden, en leggen Sluw in zijn eigen kleeding
-neder, waar zij hem gevonden hebben; dan gaan zij heen. Daarop komt
-de Tapper.
-
-TAPPER. Nu is de donk're nacht voorbij, en straalt
-De daag'raad aan 't kristallen luchtgewelf,
-En ik moet uit. Doch stil! wie is dat daar?
-O wonder, Sluw lag hier de gansche nacht!
-Ik wek hem. Wis, hij zou bezweken zijn,
-Had hij zijn pens niet zoo met bier gevuld.
-Hé, Sluw! word wakker! kom, 't is schande; ontwaak!
-
-SLUW. Simon, geef nog wat wijn!--Wat! zijn al de spelers weg? ben ik
-geen Lord?
-
-TAPPER. Een Lord? loop rond! wat! altijddoor nog dronken?
-
-SLUW. Wie is daar? Tapper, o Lord! Heere, ik heb
-Van nacht den schoonsten droom gehad! zoo iets
-Hebt ge al uw levensdagen nooit gehoord.
-
-TAPPER. Nu goed; maar was toch liever thuis gaan slapen!
-Uw wijf zal kijven, dat ge 's nachts hier droomt.
-
-SLUW. Zal kijven? 'k weet een kijfster nu te temmen,
-'k Heb daarvan heel de nacht gedroomd tot nu.
-Gij riept mij wakker uit den besten droom,
-Dien 'k van mijn leven heb gehad. Maar kom,
-Ik ga nu naar mijn wijf en tem haar ook,
-Als zij het waagt mij boos te maken, ja!
-
-TAPPER. Neen, wacht nog, Sluw; 'k ga met u meê naar huis;
-'k Wil hooren, wat voor droom gij hebt gehad.
-
- (Beiden af.)
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Gower was een tijdgenoot van Chaucer, werd geboren omstreeks 1325
-en stierf in 1408. Onder zijne voornaamste werken behoort een Engelsch
-gedicht, Confessio Amantis geheeten, een samenspraak tusschen een
-minnaar en zijn biechtvader, waarin over het wezen en de plichten der
-liefde gehandeld wordt, een en ander met geschiedenissen toegelicht.
-
-[2] Men denke ook aan onzen hijlikmaker.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of De getemde feeks, by William Shakespeare
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GETEMDE FEEKS ***
-
-***** This file should be named 51691-8.txt or 51691-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/1/6/9/51691/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-