diff options
Diffstat (limited to 'old/51691-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/51691-8.txt | 5351 |
1 files changed, 0 insertions, 5351 deletions
diff --git a/old/51691-8.txt b/old/51691-8.txt deleted file mode 100644 index 85adca8..0000000 --- a/old/51691-8.txt +++ /dev/null @@ -1,5351 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of De getemde feeks, by William Shakespeare - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: De getemde feeks - -Author: William Shakespeare - -Translator: L. A. J. Burgersdijk - -Release Date: April 7, 2016 [EBook #51691] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GETEMDE FEEKS *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - -DE GETEMDE FEEKS. - - -PERSONEN: - - Een Lord. } - Stoffel Sluw, een ketellapper. } - Een Waardin, een Page, Tooneelspelers, } In het voorspel. - Jagers en Bedienden van den Lord. } - - Battista, een rijk edelman van Padua. - Vincentio, een oud edelman van Pisa. - Lucentio, zoon van Vincentio, minnaar van Bianca. - Petruccio, een edelman van Verona. - Gremio, } - Hortensio, } van Padua, dingende naar de hand van Bianca. - Tranio, } - Biondello, } bedienden van Lucentio. - Grumio, } - Curtis, } bedienden van Petruccio. - Een Pedant. - Katharina, } - Bianca, } dochters van Battista. - Een Weduwe. - - Een Snijder; een Handelaar in dameshoeden; Bedienden van Battista - en van Petruccio. - - -Het tooneel is gedeeltelijk te Padua, gedeeltelijk op het landgoed -van Petruccio. - - - - - - - -VOORSPEL. - - -EERSTE TOONEEL. - - -Voor een herberg, op een heide. - -De Waardin en Sluw komen op. - -SLUW. Wacht maar, ik kom je op 't jak. - -WAARDIN. Je moest in 't blok, jij schelm. - -SLUW. Je bent een del. De Sluws zijn geen schelmen. Kijk maar in -de kronieken; we kwamen in 't land met Richard den Veroveraar. Dus: -paucas pallabris; laat de wereld haar gang gaan; sessa! - -WAARDIN. Je wilt me dus de glazen niet betalen, die je gebroken hebt? - -SLUW. Neen, geen penning; ga weg, Jeronimus; kruip in je koud bed en -ga je warmen. - -WAARDIN. Ik weet wat me te doen staat; ik ga den schout halen. - - (Waardin af.) - -SLUW. Doe dat, en zijn moêr en zijn grootje er bij; ik zal hem naar -de wet te woord staan; ik ga geen duimbreed van mijn plaats, jongen; -laat hem maar komen, en fatsoenlijk ook. - -(Hij gaat liggen en slaapt in.) - -(Jachthorens. Een Lord komt van de jacht terug, met gevolg van Jagers -en Bedienden.) - -LORD. Ik zeg u, jager, zorglijk voor de honden! -Zie, Vlugvoet schuimt, voer dezen aan de lijn, -En koppel Nero met den diepen blaffer. -Wat nam die Zilver, aan den hoek der haag, -Den koud geworden voet goed op, niet waar? -Ik gaf dien hond nog voor geen twintig pond. - -EERSTE JAGER. Nu, Veltman is zoo goed als hij, mylord; -Hij blafte, toen geen een den voet meer vond, -En tweemaal vond hij heden 't flauwste spoor; -Geloof me, ik acht hem beter nog dan Zilver. - -LORD. Kom, kom, loop heen; was Echo even vlug, -Hij gold mij meer dan een dozijn als Veltman. -Maar voeder en verpleeg hen allen goed; -Mijn plan is, morgen weer ter jacht te gaan. - -EERSTE JAGER. Zeer goed, mylord. - -LORD. Wat is dat?--Dood of dronken? Haalt hij adem? - -EERSTE JAGER. Hij ademt, heer. Bier houdt hem warm, want anders -Waar' 't bed te koud voor zulk een vasten slaap. - -LORD. Beestachtig; zie, wat ligt hij als een zwijn. -Foei, Dood! hoe laag en walg'lijk is uw grijns!-- -Hoor, met dien dronkaard voer ik eens wat uit. -Wat dunkt u, wierd hij eens te bed gebracht, -In keurig nachtkleed, ringen aan de vingers, -En stond een lekker maal aan 't bed gereed, -Bedienden hem lakeien bij 't ontwaken, -Wist dan de beed'laar zelf wel, wie hij was? - -EERSTE JAGER. Mylord, dan was hij zeker in de war. - -TWEEDE JAGER. Hij zou al heel raar opzien bij 't ontwaken. - -LORD. 't Zou als een droom of tooverij hem zijn.-- -Komt, neemt hem op en voert de grap goed uit; -Draagt hem behoedzaam in mijn pronksalet, -Behangt den wand met wulpsche schilderijen, -En wascht zijn stoppelkop met geur'ge waat'ren; -Brandt reukhout, dat de kamer parfumeer'; -Houdt ook muziek gereed, die bij 't ontwaken -Hem met een zoet en hemelsch lied begroet'; -En wil hij spreken, fluks dan bij de hand, -En vraagt hem, diep en onderdanig buigend: -"Wat is 't bevel van uw hoogedelheid?" -En dan hoû de een hem voor--een zilv'ren bekken, -Vol rozenwater en bestrooid met bloemen; -Een ander draag' de kan, de derde een handdoek;-- -"Behaagt het uw hoogedelheid, de handen -"Wat af te koelen?" zegt ge dan. Een ander -Sta met een keur van fraaie kleed'ren klaar, -En vrage, welk gewaad hij aan wil trekken; -Die spreek' hem van zijn paarden en zijn honden, -En hoe Mevrouw steeds om zijn ziekte treurt; -Bepraat hem, dat hij maanziek is geweest; -En zegt hij: "Wat! ik ben--" zegt, dat hij droomt, -Nooit anders was, dan een vermogend lord. -Doet dit, en doet het recht natuurlijk, vrienden; -Dit wordt een allerkostelijkste grap, -Indien zij met beleid wordt uitgevoerd. - -EERSTE JAGER. Heer, 'k sta u borg, wij spelen onze rol -Zoo dat hij naar onze' ijver denken moet -Te zijn, wat wij hem zeggen, dat hij is. - -LORD. Neemt hem voorzichtig op; legt hem te bed; -En ieder op zijn post, als hij ontwaakt! - -(Eenigen dragen Sluw weg.--Een trompet klinkt.) - -Ga, kijk eens, knaap, wat die trompet beteekent; - - (Een Dienaar af.) - -Een edelman misschien, die op zijn reis -Hier op wil houden, om eens uit te rusten. - -(De Dienaar komt terug.) - -Welnu, wie is 't? - -DIENAAR. Schouwspelers zijn 't; zij vragen -Als gunst, heer, voor uw edelheid te spelen. - -LORD. Geleid hen hier. - -(De Schouwspelers komen.) - - Zoo, mannen, gij zijt welkom. - -EERSTE SCHOUWSPELER. Dank voor uw goedheid, edel heer. - -LORD. Wenscht gij deze' avond op mijn slot te spelen? - -TWEEDE SCHOUWSPELER. Schenkt ons uwe edelheid dit voorrecht, ja. -82 - -LORD. Recht gaarne.--Dezen vriend hier ken ik nog; -Hij speelde eens voor den oudsten zoon eens pachters; -Gij maaktet toen een edelvrouw het hof; -Uw naam is mij ontschoten, maar gij speeldet -Die rol zeer goed, natuurlijk, zooals 't hoort. - -EERSTE SPELER. 't Was Soto, denk ik, wat UEed'le meent. - -LORD. Ja juist, die was 't;--dat speeldet gij voortreff'lijk.-- -Komaan, gij komt of gij geroepen waart; -'k Heb naam'lijk juist een grap bedacht, waarbij -Uw komst van grooten dienst mij wezen kan. -Hier is een lord, die bij uw spel wil zijn; -Maar 'k vrees bijna, dat ge u niet goed kunt houden, -En bij zijn koddig doen,--zijn edelheid -Zag van zijn leven zoo'n vertooning niet,-- -Licht in een bui van lachen uitbarst en -Hem grieft en ergert; want, dit zeg ik u, -Vertrekt gij uw gezicht maar, hij wordt boos. - -EERSTE SPELER. Vrees niets, mylord; wij kunnen ons bedwingen, -Al waar' hij ook de dolste kwant ter wereld. - -LORD (tot een der Bedienden). Hier, knaap, geleid hen naar de -voorraadkamer; -Heet ieder vriend'lijk welkom, en draag zorg, -Dat wat mijn huis kan schaffen, hun gewordt.-- - -(De Bediende gaat met de Schouwspelers heen.) - -(Tot een Bediende.) En knaap, ga gij naar Bartholo, mijn page, -En dos geheel als edelvrouw hem uit; -En breng hem, zoo getooid, naar 's dronkaards kamer, -Noem hem "Madame", buig recht need'rig voor hem, -En zeg hem, dat, zoo hij mijn gunst op prijs stelt, -Hij zich beleefd gedragen moet, zooals -Hij wel heeft opgemerkt, dat eed'le vrouwen -Haar echtgenooten met respect behand'len; -Op zulk een wijs treed' hij den dronkaard nader, -Met zacht gefluister en een diepe buiging, -En zegg': "Wat wil uw edelheid bevelen, -Opdat uw echtgenoot, getrouw en need'rig, -Haar plichtsbesef en liefde u toonen moog'?" -Dan moet hij hem omarmen, lokkend kussen, -En storte, 't hoofd verborgen aan zijn borst, -Een tranenstroom, uit overmaat van vreugd, -Dat zij haar eed'len gâ hersteld mag zien, -Die deze zeven jaar zich altijddoor -Een arm, afzichtlijk beed'laar heeft gewaand. -Verstaat de knaap de kunst der vrouwen niet, -En kan hij niet, zoo vaak hij wil, een vloed -Van tranen storten, dan moog' hem een ui -Van dienst zijn, die, verborgen in een zakdoek, -Hem, trots zijn aard, uit de oogen water pers'. -Zorg, dat dit alles nu met spoed geschied'; -Straks deel ik u nog meer bevelen mee. - - (De Dienaar af.) - -Ik weet, de knaap zal wel naar eisch de gratie, -Stem, gang en houding van een dame treffen; -'t Zal kost'lijk zijn, als hij gemaal hem noemt, -En als mijn volk zich op de lippen bijt -Bij 't need'rig dienen van deez' kinkel. 'k Ga -Er zelf op toezien; mijn aanwezigheid -Betoom' hun uitgelatenheid, die anders -Door 't dolle heen zou gaan en 't spel bederven. - - (Allen af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Een slaapkamer in het huis van den Lord. - -Men ziet Sluw in een rijk nachtgewaad, door Dienaars omgeven; eenigen -met kleedingstukken, anderen met waschbekken, schenkkan en verder -toebehooren. De Lord komt op, als dienaar verkleed. - - -SLUW. In 's Hemels naam, een potteken scharrebier! - -EERSTE BEDIENDE. Verkiest uw edelheid een roemer wijns? - -TWEEDE BEDIENDE. Verkiest uw lordschap van deez' confituren? - -DERDE BEDIENDE. Welk kleed verkiest uw lordschap voor vandaag? - -SLUW. Ik ben Stoffel Sluw; noem mij geen edelheid of lordschap; ik -heb nooit van mijn leven wijn geproefd; en als je mij confituren wilt -geven, geef mij dan confituren van rundvleesch; vraag me maar nooit, -welk kleed ik dragen wil; want ik bezit niet meer wambuizen dan ruggen, -niet meer kousen dan beenen, niet meer schoenen dan voeten; ja soms -meer voeten dan schoenen, of zulke schoenen, waar mijn teenen door -het bovenleer heen komen kijken. - -LORD. God moge uw lordschap van deez' waan bevrijden! -O dat een man van rang, van zulk een afkomst, -Van zulk een rijkdom en van zulk een aanzien, -Door zulk een boozen geest geteisterd wordt! - -SLUW. Wat! wilt gij mij dol maken? Ben ik niet Stoffel Sluw, de -zoon van den ouden Sluw van Burtonheide, van geboorte marskramer, -door opleiding wolkaarder, bij verandering berenleider en nu -van beroep ketellapper? Vraag maar eens aan Maartje Kappervol, -de dikke bierhuiswaardin van Wincot, of zij me niet kent; als ze -niet zegt, dat ik bij haar voor veertien stuivers in het krijt sta -voor dun bier, kalk me dan maar aan, dat ik de grootste leugenaar -ben van de christenheid.--Wat! ik ben toch niet behekst? hier heb -ik-- - -(Hij bekijkt zijn nachtgewaad.) - -EERSTE BEDIENDE. O, dit is 't, waar uw echtgenoot om treurt! - -TWEEDE BEDIENDE. O, dit is 't, wat uw dienaars zoo bedroeft! - -LORD. Ja, daarom schuwt uw maagschap dit uw huis; -Zij worden door uw waanzin afgeschrikt. -O, denk eens aan uw afkomst, edel heer, -Roep uwen lang verbannen geest terug, -En ban deez' droomen, u onwaard, van hier; -Zie, hoe uw dienaars need'rig om u staan, -Elk op zijn post, gereed op uwen wenk. -Wilt gij muziek? hoor toe! Apollo speelt, - -(Muziek.) - -Een nachtegalenkoor is daar en zingt. -Verlangt gij rust? U wacht een legerstede, -Zoo zacht en heerlijk als het weeld'rig bed, -Eens voor Semiramis met zorg gespreid. -Kiest gij een wand'ling? zie, wij strooien bloemen; -Een rijtoer? opgetoomd zijn uwe paarden, -Hun tuig met goud en paarlen overdekt; -Een valkenjacht? uw edelvalken klimmen -Veel hooger dan de leeuwrik; wilt gij jagen? -Het hemelwelf geeft antwoord aan uw honden; -Zij wekken de echo's uit der aarde schoot. - -EERSTE BEDIENDE. Verkiest gij lange jacht? uw hazewinden -Zijn sneller dan het hijgend hert of ree. - -TWEEDE BEDIENDE. Houdt gij van schilderijen? daad'lijk halen -Wij u Adonis, rustend aan een beek, -En Cytherea, diep in 't riet verborgen, -Dat lichtbewogen met haar adem speelt, -Zooals wij riet zien dart'len met den wind. - -LORD. Dan toonen wij u Io, de eed'le maagd; -En hoe zij sluw belaagd werd en verschalkt; -Zoo levendig gemaald, alsof gij 't zaagt. - -DERDE BEDIENDE. Of Daphne, die, bij 't zwerven in het bosch, -De dij zich kwetst; gij meent het bloed te zien, -Gij ziet Apollo, treurend, tranend stortend; -Zoo meesterlijk is hier natuur betrapt. - -LORD. Gij zijt een lord, niets anders dan een lord; -Uw gade is schooner dan de schoonste, die -Deze eeuw, waar alles in verflenst, kan toonen. - -EERSTE BEDIENDE. En eer de tranenvloed, om u geplengd, -Met boozen stroom haar lief gelaat besproeide, -Was zij het heerlijkst wezen van deze aard', -En thans nog wijkt zij voor geen enk'le vrouw. - -SLUW. Ben ik een lord? en heb ik zulk een vrouw? -Of droom ik nu? of droomde ik vroeger steeds? -Ik slaap toch niet; ik zie, ik hoor, ik spreek, -Ruik lekk're geuren; wat ik voel, is zacht;-- -Zoo waar ik leef, ik ben een lord, jawèl; -Geen ketellapper en geen Stoffel Sluw. -Kom, laat mij nu mijn eed'le vrouw eens zien; -En geef mij toch een pintje scharrebier. - -TWEEDE BEDIENDE. Wil soms uw lordschap zich de handen wasschen? - -(Dienaars brengen een bekken, schenkkan en handdoek.) - -O, wat genot u weer hersteld te zien! -O, dat gij eind'lijk inziet, wie ge zijt! -Deez' vijftien jaren hebt ge doorgedroomd, -Of, waart ge wakker, 't was, alsof gij sliept. - -SLUW. Deez' vijftien jaren! Hemel, welk een dutje! -En sprak ik in dien tijd geen enkel woord? - -EERSTE BEDIENDE. O ja, mylord, doch wartaal, anders niet;-- -Want schoon gij in deez' fraaie kamer laagt. -Hieldt gij maar vol, dat men de deur u uitsmeet, -En scholdt ge op een waardin en zeidet, dat -Gij haar verklagen zoudt: zij gaf u telkens -Diksteenen kannen, geen geijkte pintjes; -En soms ook riept ge om Cieltje Kappervol. - -SLUW. Ja, ja, de dochter van de vrouw van 't bierhuis. - -DERDE BEDIENDE. Wel heer, gij kent zoo'n meisje niet; -Noch zulke luî, zooals ge wel eens noemdet,-- -Als Steven Sluw, en de' ouden Slokmaardoor -En Pieter Turf, en Heintje Pimpelaar, -En twintig and're namen en personen, -Die nooit bestonden en die niemand kent. - -SLUW. Nu, Gode dank voor mijne beterschap! - -ALLEN. Amen. - -SLUW. Ik dank je wel; je zult er wel bij varen. - -(De Page treedt op, als dame gekleed, met Gevolg.) - -PAGE. Hoe vaart mijn eed'le heer? - -SLUW. Waarachtig goed, 't is hier wel uit te houden. -Waar is mijn vrouw? - -PAGE. Hier, eed'le heer, wat is van uw verlangen? - -SLUW. Zijt gij mijn vrouw, en noemt ge mij niet man? -Mijn volk, dat noemt mij heer, gij man of oudje. - -PAGE. Mijn heer en mijn gemaal, gemaal en heer, -Ik ben in alle eerbiedigheid uw vrouw. - -SLUW (tot den Lord.) Ik weet het;--maar hoe noem ik haar? - -LORD. Madame. - -SLUW. Hoe? Els Madame of Hans Madame? - -LORD. Madam', niets meer; zoo noemen lords hun ladies. - -SLUW. Madame vrouw, 'k heb vijftien jaar en meer, -Zoo zegt men mij, geslapen en gedroomd. - -PAGE. O, en wel dertig jaar komt mij dit voor, -Gescheiden, ja, van tafel en van bed. - -SLUW. 't Is lang.--Gij, dienaars, gaat; laat ons alleen.-- -Madame, ontkleed u, kom met mij te bed. - -PAGE. Driewerf verheven lord, verhoor mijn beê; -Schenk mij nog voor een nacht of twee respijt, -Zoo niet, ten minste tot zonsondergang; -Uw artsen gaven mij uitdrukk'lijk last,-- -Op straffe, dat uw kwaal opnieuw begon,-- -Dat ik nog een'gen tijd uw bed zou mijden; -Zoo staat de zaak, en dit zij mijn verschooning. - -SLUW. Ja, maar het staat zoo, dat ik moeilijk zoo lang wachten -kan. Maar ik zou met dat al niet gaarne weer in mijn vorige droomen -vervallen; ik wil daarom wachten, hoe mijn vleesch en bloed ook -mogen spreken. - -(Een Bediende komt op.) - -BEDIENDE. Ter eer van dit herstel zijn uwer lordschap -Schouwspelers daar met een comediestuk; -En ook uw artsen vinden dit uitmuntend, -Wijl te veel ernst uw bloed verdikt heeft en -Zwaarmoedigheid des waanzins voedster is; -Zij schreven daarom zulk een stuk u voor, -Dat u den geest tot vreugde stemt en lust, -De kwalen weert en 't leven u verlengt. - -SLUW. Ja goed, ik wil het wel; laten zij het maar spelen. Is een -kommeestuk zoo iets als een vastelavondvertooning of een koorddanserij? - -PAGE. Neen, heer; 't is mooier, beter lachensstof. - -SLUW. Wat stof is dat? - -PAGE. 't Is zoo'n historietje. - -SLUW. Nu, we willen het zien. Kom, Madame vrouw, zet u naast mij neer -en laat de wereld haar gang gaan; wij kunnen het nooit jonger doen. - -(Zij gaan zitten. Trompetgeschal.) - - - - - - - -EERSTE BEDRIJF. - - -EERSTE TOONEEL. - - -Padua. Een plein. - -Lucentio en Tranio komen op. - - -LUCENTIO. Gij weet het, Tranio, hoe de vuur'ge wensch -Om 't schoone Padua, der kunsten wieg, -Te zien, mij naar het vruchtb're Lombardije, -Dien lusthof van het groot Italië, dreef; -En hoe mij 's vaders wensch en wil daartoe -Zijn zegen gaf en u tot metgezel, -U, trouwe dienaar, jaren reeds beproefd; -Hier zijn we aan 't doel en willen 't pad der kennis, -Der eed'le studiën inslaan, ons tot heil. -Pisa, beroemd door tal van eed'le burgers, -Schonk mij het aanzijn en mijn vader ook, -De wereld door als hand'laar wel bekend, -Vincentio, van den stam der Bentivogli. -'t Betaamt Vincentio's zoon, die in Florence -Werd opgevoed, dat hij, zooals men wacht, -Door edel doen zijn rijkdom glans verleen'; -En daarom, Tranio, wil 'k mijn studietijd -Aan deugd en aan dat deel der wijsheid wijden, -Dat leert, hoe ons het waar geluk alleen -Door deugdbetrachting kan ten deele vallen. -Onthoud uw raad mij niet; want nu ik Pisa -Voor Padua verliet, is 't mij als een, -Die uit een waadb'ren plas in 't meer zich stort -En gretig zijnen dorst te lesschen tracht. - -TRANIO. Mi perdonate, beste jonge meester, -Ik denk hierin volkomen als gijzelf, -En ben verheugd, dat ge in uw plan volhardt, -Der zoete wijsheid honigzoet te zuigen. -Slechts dit, mijn goede meester, laat ons toch, -Terwijl wij deugd en zedeleer bewond'ren, -Geen Stoïkers, geen stijve stokken zijn, -Zoo vroom verdiept in Aristoteles, -Dat wij Ovidius voor een schandvlek reek'nen. -Leer Logica door wedstrijd met uw vrienden, -Welsprekendheid in 't dagelijksch gesprek; -Verfrisch u met muziek en poëzie; -Dat Wiskunst u en Metaphysica -Slechts laven, als de trek u hong'rig maakt; -Want niets gedijt, als lust en liefde ontbreekt;-- -In 't kort, studeer wat u het meest behaagt. - -LUCENTIO. Ik dank u, Tranio, want uw raad is goed. -Was Biondello nu maar aangeland, -Dan brachten we onze zaken fluks op stel, -En huurden we ons een woning, ter ontvangst -Der vrienden, die ons Padua schenken zal. -Maar kijk eens, wat gezelschap daar verschijnt! - -TRANIO. Een optocht wis, die ons hier welkom heet. - -(Battista, Katharina, Bianca, Gremio en Hortensio komen op. Lucentio -en Tranio zijn ter zijde gegaan.) - -BATTISTA. Neen, eed'le heeren, dringt niet verder aan; -Want wat ik vast besloot is u bekend: -Mijn jongste dochter nimmer uit te huwen, -Aleer mijn oudste een man heeft opgedaan; -Heeft een van u nu zin in Katharina,-- -Daar ik u beiden ken, u beiden mag,-- -Die maak' haar vrij het hof; mij is het wel. - -GREMIO. Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof;-- -Hoe is 't, Hortensio, gij, verlangt ge een vrouw? - -KATHARINA (tot Battista). Mijn vader, zeg, is 't uw bedoeling, mij -Te koop te veilen aan dit edel paar? - -HORTENSIO. Een paar? Met u wil niemand zijn gepaard, -Voordat ge toont een liever zachter aard. - -KATHARINA. Geloof mij, heer, wees niet beducht; gij zijt,-- -'k Verzeker u,--niet halfweg tot haar hart; -En dacht ge 't soms, zij nam een driestal op -En kamde er 't hoofd u mee, zooals men dorscht, -En verfde uw facie als van een hansworst. - -HORTENSIO. O Heere God, bewaar ons voor zoo'n duivel! - -GREMIO. En mij ook, Heere God! - -TRANIO. 't Is kost'lijk, heer! die voert wat in haar mars; -De deerne is stapelgek of wonderdwars. - -LUCENTIO. Terwijl van de and're 't zwijgen mij behaagt; -Zij toont de zachte schuchterheid der maagd. -Stil, Tranio! - -TRANIO. Juist, meester, ja; geef daar uw oog den kost. - -BATTISTA. Mijn heeren, om u ook 't bewijs te geven, -Dat ik het meen;--Bianca, ga naar binnen; -En wees er niet bedroefd om, mijn Bianca, -Ik heb u toch niet minder lief, mijn kind. - -KATHARINA. Mijn popje, wat schreit ge, wat greit ge? -Wees niet zoo dom, ge weet zelf niet waarom. - -BIANCA. Dat ik niet lustig ben, verlustigt u.-- -Deemoedig, vader, eer ik uwen wil; -'k Heb tot gezelschap mijn muziek en boeken; -Daar ben ik mee alleen, toch niet alleen. - -LUCENTIO. Hoor, Tranio; 't is, alsof Minerva spreekt. - -HORTENSIO. Signor Battista, wees toch niet zoo streng; -Het grieft mij zeer, te zien, dat onze liefde -Bianca leed brengt. - -GREMIO. Wat! ge sluit haar op, -Signor Battista, om deez' duivelin, -En straft haar voor de scherpe tong van de and're? - -BATTISTA. Berust er in, mijn' heeren, dit staat vast;-- -Bianca, ga naar binnen! - - (Bianca af.) - -Maar wijl ik weet, hoe zij genoegen vindt -In zang en snarenspel en poëzie, -Verlang ik onderwijzers in mijn huis, -Bekwame lieden. Weet soms een van u, -Hortensio of signore Gremio, er zoo, -Zend hen gerust tot mij; zijn zij geschikt, -Dan zal ik ruim betalen; ik spaar niets -Om mijne kind'ren deugd'lijk op te voeden; -En nu vaartwel!--Gij, Katharina, blijf; -Want ik heb met Bianca nog te spreken. - - (Battista af.) - -KATHARINA. Nu, 'k mag toch, denk ik, ook wel gaan; waarom niet? -Wie schrijft mijn tijd mij voor? alsof ikzelf -Niet wist, wat ik moet doen en laten? Ha! - - (Katharina af.) - -GREMIO. Loop naar des duivels grootmoeder!--Uwe gaven zijn zoo goed, -dat niemand van u gediend is.--Zoo groot is de liefde tusschen -Katharina en haar vader niet, Hortensio, of wij mogen wel op onze -nagels gaan blazen en geduldig vasten; onze koek is aan geen van -beide zijden nog gaar. Vaarwel!--maar toch, als ik ten pleiziere -van de lieve Bianca op de een of andere wijze een geschikt man kan -opdiepen om haar les te geven in haar lievelingsvakken, zal ik hem -aan haar vader zenden. - -HORTENSIO. Dit wil ik ook doen, signore Gremio; nog een enkel -woord, bid ik u. Hoewel de aard van onzen wedstrijd tot nog toe geen -overeenkomst tusschen ons toeliet, zou het, wèl ingezien, nu toch voor -ons beiden van belang wezen,--om weer toegang te verkrijgen bij onze -schoone gebiedster, en het geluk te hebben van weer mededingers te -zijn in Bianca's min,--toch één ding vooral te bewerken en het tot -stand te brengen. - -GREMIO. En wat dan, bid ik u? - -HORTENSIO. Wel aan haar zuster een man te bezorgen. - -GREMIO. Een man? een duivel! - -HORTENSIO. Ik zeg, een man. - -GREMIO. Ik zeg, een duivel. Gelooft gij, Hortensio, dat, al is -haar vader ook nog zoo rijk, iemand zoo gek zal wezen, van de hel -te trouwen. - -HORTENSIO. Wat, Gremio, al gaat het uw lijdzaamheid en de mijne te -boven, haar luid gekrijsch te verdragen, kom, man,--er zijn nog wel -goeie kerels genoeg in de wereld, als ze zoo maar te vinden waren, -die haar wel met al haar gebreken, en het geld er bij, zouden nemen. - -GREMIO. Ik weet niet, maar ik nam al even graag haar huwelijksgift -met het beding, dat ik elken morgen op de markt zou gegeeseld worden. - -HORTENSIO. Ik geef toe, uit rotte appels is het kwaad kiezen. Maar -komaan, daar deze hinderpaal ons tot vrienden maakt, willen wij ons -zoolang als vrienden aaneensluiten, tot wij aan Battista's oudste -dochter een man bezorgd hebben, en daardoor de jongste voor een -man hebben vrijgemaakt, en dan gaat het er van voren af aan weer op -los!--Lieve Bianca!--Wie 't gelukkigst is, brengt de bruid thuis. Wie -'t snelste paard berijdt, steekt den ring. Wat zegt gij er van, -signore Gremio? - -GREMIO. Ik ben 't ermee eens, en ik wenschte, dat ik het beste paard -van Padua al aan hem had kunnen geven, die flink er op aan wou rijen, -naar haar vrijen en het huis van haar bevrijen wou. Laat ons gaan! - - (Beiden af.) - -(Tranio en Lucentio komen weder naar voren.) - -TRANIO. Maar, waarde heer, verklaar mij, hoe is 't moog'lijk, -Dat liefde zoo in eens de menschen pakt? - -LUCENTIO. O Tranio, eer ikzelf het ondervond, -Hield ik het noch voor moog'lijk noch geloof'lijk; -De ziel zoo onder de' arm stond ik te kijken, -Daar nam de min met ziel en al mij in; -En, vriend! ronduit belijd ik thans aan u,-- -Die mij zoo lief zijt, zoo met mij vertrouwd, -Als Anna met haar zuster Dido was,-- -Tranio, ik brand, ik smacht, ik sterf, mijn Tranio, -Als ik die jonge zachte maagd niet win; -O, raad mij, Tranio, want ik weet, gij kunt dit, -O, help mij, Tranio, want ik weet, gij wilt. - -TRANIO. Heer, 't is de tijd nu niet om u te gispen, -En geen sermoen drijft liefde ooit uit het hart; -Nam liefde u in, dan is de beste spreuk: -Redime te captum, quam queas minimo. - -LUCENTIO. Heb dank, mijn jongen; verder! dit verkwikt, -De rest zal troosten, want uw raad is goed. - -TRANIO. O heer, gij zaagt zoo smachtend naar de maagd, -Wellicht ontging u 't fijne van de zaak. - -LUCENTIO. Toch, ik zag lieflijk schoon op haar gelaat, -Zooals Agenors dochter eens bezat, -Die Jupiter deed buigen voor haar hand, -Zijn knie tot kussen dwong van Creta's strand. - -TRANIO. Zaagt gij niet meer? Gij merktet niet, hoe luid -Haar zuster keef, en zulk een storm deed stormen, -Dat nauw één sterflijk oor 't rumoer verdroeg? - -LUCENTIO. Tranio, ik zag haar rozenmond zich oop'nen, -De lucht werd van haar ademtocht doorgeurd, -En hemelsch, lieflijk was al wat ik zag. - -TRANIO. Nu, dan is 't tijd hem uit zijn roes te wekken.-- -Word wakker, heer! bemint gij 't meisje, spits -Voor haar vernuft en geest dan. Hoor hoe 't staat: -Haar oud're zuster is zoo boos en vinnig -Dat, tot van haar de vader af is, heer, -Zij, die gij mint, te huis moet koekeloeren; -En daarom heeft hij thans haar opgekooid, -Opdat zij niet van vrijers word' geplaagd. - -LUCENTIO. O Tranio, welk een wreedheid van den vader! -Maar hebt gij niet gehoord, hoe hij voor haar -Geschikte leeraars zoekt om les te geven? - -TRANIO. Ja, zeker hoorde ik 't; en mijn plan is rijp. - -LUCENTIO. Tranio, ik heb mijn plan. - -TRANIO. Nu, 'k wed, zoo waar, -Uw plan en 't mijn gaan zeker hand aan hand. - -LUCENTIO. Zeg me eerst het uwe. - -TRANIO. Gij wilt leeraar zijn, -En neemt het onderwijs der schoone op u; -Dit is uw plan. - -LUCENTIO. Zoo is 't; maar zou het gaan? - -TRANIO. Onmoog'lijk; wie vervult in Padua -De rol dan van Vincentio's zoon? Wie houdt -Uw huis hier op, studeert, ontvangt de vrienden, -Bezoekt uw landgenooten en onthaalt ze? - -LUCENTIO. Basta, stel u gerust; mijn plan is klaar. -Wij hebben nog geen één bezoek gebracht; -En niemand leest het af op ons gezicht, -Wie heer, wie dienaar is; wij doen dus zoo: -Gij zijt de meester, Tranio, in mijn plaats, -Houdt huis, voert staat, hebt dienaars, als ware ik het; -En ik ben iemand anders uit Florence, -Uit Napels, of een minder man uit Pisa. -Klaar zijn we; en zoo gebeure 't. Tranio, vlug; -Uw pak uit, neem mijn vederhoed en mantel; -Komt Biondello, dan bedient hij u, -Maar eerst leg ik zijn tong het zwijgen op. - -(Zij verwisselen van kleeding.) - -TRANIO. Dit zal hoog noodig zijn.-- -In 't kort, heer, wijl gij 't zoo beveelt, en daar -Ik tot gehoorzaamheid gebonden ben,-- -Want zoo beval uw vader mij bij 't afscheid: -"Wees steeds mijn zoon ten dienst," zoo sprak hij; maar -Ik twijfel, of hij 't nu juist zoo bedoelde,-- -Zoo wil ik spelen voor Lucentio, -Omdat ik hart heb voor Lucentio. - -LUCENTIO. Neen, Tranio, doe het om Lucentio's hart; -Knecht wil ik zijn om haar te winnen, die -Zoo snel mijn oog in knechtschap heeft gebracht. - -(Biondello komt op.) - -Daar komt de guit.--Knaap, waar hebt gij gezeten? - -BIONDELLO. Waar ik gezeten heb?--Maar heer, waar zit gij zelf in? -Stal Tranio uw gewaad, of gij het zijn', -Of staalt gij beide'? Ik bid u, leg 't mij uit. - -LUCENTIO. Knaap, hoor eens hier, 't is nu geen tijd tot schertsen, -En schik dus uw manieren naar den tijd. -Hier Tranio heeft, om 't leven mij te redden, -Mijn houding aangenomen en gewaad, -En ik, om mij te bergen, die van hem; -Ik kreeg, hier nauw'lijks aangeland, een twist, -Versloeg mijn man, en vrees, men is me op 't spoor. -Nu is hij heer: gij, dien hem, zooals 't hoort, -En ik red nu mijn leven door de vlucht. -Verstaan? - -BIONDELLO. Ja, heer, maar ik begrijp geen zier. - -LUCENTIO. En rep voortaan geen zier van Tranio! -Want Tranio is Lucentio geworden. - -BIONDELLO. Daar boft hij mee; ik wilde 't ook wel zijn. - -TRANIO. En wist ik, kerel, dat het vragen 't krijgen bracht teweeg, -Dan vroeg ik, dat Lucentio Battista's tweede dochter kreeg; -Maar hoor--en, vriend, niet ik, uw meester is 't die 't vraagt, -Dat jij steeds in gezelschap behoorlijk je gedraagt, -Ben ik alleen, welnu, dan ben ik Tranio, -Maar elders ziet ge in mij uw heer, Lucentio. - -LUCENTIO. Kom, Tranio, laat ons gaan.-- -Één ding nog, hoor, draag ik u op te doen: -Gij schaart u bij haar vrijers. Waartoe, vraagt gij wellicht;-- -Genoeg, ik heb mijn reed'nen en die zijn van gewicht. - - (Allen af.) - -EERSTE BEDIENDE. Mylord, gij knikkebolt, verveelt u 't stuk? - -SLUW. Neen, bij Sint Anna; neen, 't is mooi. Een goed stuk werk, -waarachtig. Komt er nog meer van? - -PAGE. Mylord, 't is een begin pas. - -SLUW. 't Is een prachtig stuk werk, Madam gemalin; ik wou, dat het -gedaan was. - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Padua. Voor Hortensio's huis. - -Petruccio en Grumio komen op. - - -PETRUCCIO. Verona, 'k heb u voor een wijl verlaten, -En zoek in Padua mijn vrienden op; -Vooral mijn waarden, welbeproefden vriend -Hortensio; dit, meen ik, is zijn huis;-- -Kom, klop eens, Grumio!--kloppen, zeg ik! - -GRUMIO. Kloppen, heer? Wien moet ik kloppen? Is hier iemand, die uw -edelheid vereffonteerd heeft? - -PETRUCCIO. Gehoorzaam, vlegel; klop me hier en flink! - -GRUMIO. U hier kloppen, heer? Wel, heer, wat denkt gij wel van mij, -heer, dat ik u hier zou kloppen, heer? - -PETRUCCIO. Schelm, klop me eens aan deez' deur, en dat het klinkt, -Of ik klop u, dat morgen 't oor nog zingt. - -GRUMIO. Mijn meester zoekt ruzie;--en als ik u klop, -Dan breekt het, dit weet ik, mij later toch op. - -PETRUCCIO. Kom, doet ge 't of niet? -Want als ge niet klopt, dan trek ik aan deez' schel hier; -Kom, zing mi fa sol, dan hooren ze 't wel hier. - -(Hij trekt Grumio bij 't oor.) - -GRUMIO. Helpt, vrienden, helpt, mijn heer is dol! - -PETRUCCIO. Wel klop, als ik 't beveel, gij lompe vlegel! - -(Hortensio komt op.) - -HORTENSIO. Wat is hier aan de hand?--Wel zoo, mijn oude kennis -Grumio! En gij, mijn waarde vriend Petruccio!--Hoe maakt gij allen -het te Verona? - -PETRUCCIO. Signor Hortensio, zijt gij het die dit stuit? -Con tutto il cuore ben trovato, roep ik uit. - -HORTENSIO. Alla nostra casa ben venuto; molt' onorato Signor mio -Petruccio. - -Sta, Grumio, op; ik leg den twist wel bij. - -GRUMIO. Ach, heer, dat doet er niets toe, wat hij daar in 't Latijn -vertelt. Als dit nu voor mij geen wettige reden is, om uit zijn dienst -te gaan! Denk eens, heer, hij beveelt mij hem te kloppen en van klinkem -te raken, heer; nu, komt dat te pas, dat een bediende zijn heer zoo -zou behandelen, die al wel,--zoo veel ik weet--twee-en-dertig heeft, -en niet meer meespeelt? - -Maar had ik 't gedaan, toen hij zeide: "Klop, klop!" -Dan had hìj het, en erger brak 't mij toch niet op. - -PETRUCCIO. Aartsdomme schelm!--Verbeeld u, vriend Hortensio, -Ik zeg den guit te kloppen aan uw deur; -En wat ik zeide of niet, hij woû 't niet doen. - -GRUMIO. O hemel! kloppen aan de deur! -Wat! hebt gij niet gezegd: "Knaap, klop mij hier! -Sla toe maar, klop me hier, klop dat het klinkt!" -En komt ge nu met "kloppen aan de deur?" - -PETRUCCIO. Knaap, pak je weg of zwijg, dat raad ik je. - -HORTENSIO. Petruccio, stil! ik sta voor Grumio borg; -Wat dolle ruzie tusschen u en hem, -Uw ouwen, trouwen, snaakschen dienaar Grumio!-- -Zeg liever, beste vriend, wat goede wind -Van 't oud Verona u naar Padua blies. - -PETRUCCIO. De wind, die 't jonge volk alom verspreidt, -En verder af dan thuis hun heil doet zoeken. -Ginds blijft men groen als gras. Maar hoor in 't kort, -Mijn vriend Hortensio, hoe het met mij staat. -Antonio, mijn vader, overleed, -En ik dwaal nu deez' doolhof in en zoek -Er mijn fortuin,--God weet, misschien een vrouw; -'k Heb in mijn buidel goud, veel goed'ren thuis, -En trek de wereld rond; ik wil die zien. - -HORTENSIO. Petruccio, mag ik zonder omhaal u -Eens werven voor een fel en leelijk wijf? -Doch neen, voor zulk een raad kreeg ik geen dank; -En toch, 'k beloof u, dat zij rijk zou zijn, -Echt rijk;--maar neen, ge zijt te zeer mijn vriend, -Zoo'n koopje mag ik u niet leev'ren. - -PETRUCCIO. Hortensio, tusschen vrienden zooals wij -Zijn weinig woorden noodig. Kent ge er eene, -Die rijk genoeg is voor Petruccio's vrouw,-- -Rijk is 't refrein voor mijnen huwlijksdans,-- -Waar ze ook zoo leelijk als Florentius' bruid, -Oud als Sibylle, en even fel en vinnig -Als Socrates' Xanthippe, erger nog, -'t Verschrikt mij niet, ik meen, het schrikt bij mij -Den lust niet weg tot de' echt; waar' ze ook zoo wild -Als de opgezweepte zee van Adria,-- -Ik zoek een rijken trouw in Padua: -Trouw 'k rijk, dan trouw ik goed in Padua. - -GRUMIO. Kijk eens, heer, hij vertelt zoo maar platweg, hoe hij er over -denkt; geef hem maar gouds genoeg, en ge kunt hem laten trouwen met -een pop, of met het beeldje van een doekspeld, of met een oude slons, -die geen enk'len tand meer in haar mond heeft, zelfs al had zij ook -al de ziekten van twee-en-vijftig paarden; o niets komt hem te onpas, -als er maar geld bij is. - -HORTENSIO. Petruccio, 't ging al verder dan ik dacht; -Nu zet ik voort, wat ik in scherts begon. -Ik kan, Petruccio, stellig aan een vrouw -U helpen, rijk genoeg en jong en schoon, -Wel opgevoed, zooals haar stand dit eischt. -Haar een'ge feil,--en dit is feils genoeg,-- -Is, dat zij onverdraag'lijk korzel is -En bits, onhandelbaar, in zulk een mate, -Dat ik, al ware ik ook in bitt'ren nood, -Haar voor een goudmijn zelfs niet trouwen zou. - -PETRUCCIO. O zwijg, gij kent de kracht niet van het goud;-- -Zeg mij haars vaders naam, dit is genoeg; -Ik enter haar, al keef ze ook even luid -Als in den herfst de zwartste donderwolk. - -HORTENSIO. Haar vader heet Battista Minola, -Een hoff'lijk en recht vriend'lijk edelman; -Hààr naam is Katharina Minola, -Befaamd in Padua door haar schamp're tong. - -PETRUCCIO. Haar vader ken ik, schoon ik haar niet ken, -En met mijn vader was hij ook bevriend. -Ik slaap niet, vriend, eer ik haar heb gezien; -Vergeef mij dus, dat ik na de' eersten groet -U daad'lijk weer verlaat, tenzij ge mij -Verzellen wilt op mijnen tocht naar ginds. - -GRUMIO. Ik bid u, heer, laat hem gaan, nu hij er lust in heeft. Op -mijn woord, als zij hem zoo goed kende als ik, zou zij begrijpen, -dat kijven bij hem bijzonder weinig uitricht. Zij zal hem misschien -tien keeren achter elkander schelm noemen, het doet hem niets; als -hij eens begint, raast hij er op los met zijn galgescheldwoorden. Ik -zal u eens wat zeggen; heer,--als zij hem durft staan, al is het ook -nog zoo weinig, dan zal hij haar figuren op haar gezicht teekenen, -dat haar gezicht geen gezicht meer is en zij haar oogen zoo dicht -moet knijpen als een kat. Gij kent hem niet, heer. - -HORTENSIO. Wacht nog, Petruccio, ik moet met u gaan; -Mijn schat is bij Battista in bewaring, -Hij houdt mijns levens kleinood achter slot, -Zijn jongste dochter, schoonheids puik, Bianca; -Hij sluit van haar mij af en and'ren meer, -Die met me, om strijd, aanhouden om haar hand, -Daar hij zich wel niet anders denken kan, -Om al het moois, dat ik u heb verteld, -Dan dat hij met Kath'rina zitten blijft; -Zoo nam Battista dan 't besluit, dat hij -Aan niemand zijn Bianca gunt, als niet -De helleveeg Katrijn eerst aan den man is. - -GRUMIO. "De helleveeg Katrijn!" -Geen bijnaam van een maagd kan erger zijn. - -HORTENSIO. Nu doe mijn vriend Petruccio mij den dienst, -En stell' mij, stemmigjes gekleed, aan de' ouden -Battista voor als deeg'lijk onderwijzer, -Om in muziek Bianca les te geven; -Door die vermomming krijg ik op zijn minst -Gelegenheid om met haar saam te zijn -En onverdacht mijn liefde te verklaren. - -GRUMIO. Neen maar, dat is me daar een guitenstuk! Kijk eens, hoe de -jongelui, om de oudelui te bedotten, de koppen bij elkander steken! - -(Gremio komt op met Lucentio, die verkleed is en boeken onder den -arm draagt.) - -Meester, meester, kijk eens om! Wie komt daar? Ha! - -HORTENSIO. Stil, Grumio, stil, het is mijn medevrijer; -Petruccio, kom nu hier, op zij! - -GRUMIO. Een knap jong mensch, juist om verliefd te zijn! - -(Zij gaan ter zijde.) - -GREMIO. In orde; ik heb de lijst goed nagezien; -Maar vriend, laat alles fraai gebonden zijn -En louter liefdeboeken, dit vooral; -En zorg, dat gij niets anders met haar leest. -Verstaan?--Hoor nog: wat u signor Battista -In mildheid schenkt, zal ik door ruime gift, -U nog vermeerd'ren.--Maar al wat gij schrijft, -Schrijf dat toch op geparfumeerd papier, -Want lief'lijker dan 't geurigst reukwerk is -Zij, die 't ontvangt.--Wat leest gij 't eerst met haar? - -LUCENTIO. Wat het ook zij, ik werk alleen voor u, -Als mijn patroon; vertrouw hierop gerust, -Zoo vast, als waart gijzelf er altijd bij; -Licht vindt zelfs mìjn woord beter ingang, heer, -Dan 't uwe, of gij moest een geleerde zijn. - -GREMIO. O die geleerdheid, welk een schoone zaak! - -GRUMIO. O die onnooz'le, welk een rare snaak! - -PETRUCCIO. Stil, vrindje! - -HORTENSIO. Stil, Grumio! (Hij treedt voor den dag.) Wees gegroet, -signore Gremio! - -GREMIO. Wees welkom, vriend Hortensio! Raadt gij niet, -Waar ik naar toe ga?--Naar Battista Minola. -'k Had hem beloofd, dat ik zou rondzien naar -Een onderwijzer voor de schoone Bianca; -En 'k heb 't geluk gehad, deez' jongen man -Te ontmoeten, die door kennis en manieren -Juist voor haar past, in poëzie belezen -En and're boeken,--goede boeken, ja. - -HORTENSIO. Zeer goed; en ik heb juist een heer ontmoet, -Die heeft beloofd, me een fijnen musicus -Te zullen zenden voor onze uitverkoor'ne; -Zoo blijf ik dus niets achter in den dienst -Der schoone Bianca, die ik zoo bemin. - -GREMIO. Die ik bemin; mijn doen zal dit bewijzen. - -GRUMIO. Zijn geldzak zal 't bewijzen. - -HORTENSIO. 't Is nu geen tijd voor hart-uitstorting, Gremio. -Maar luister: wilt gij vriend'lijk zijn, dan meld -Ik u iets nieuws, ons beiden even welkom. -Deez' heer, dien ik toevallig heb ontmoet, -Wil, daar zijn wensch met ons verlangen strookt, -Gaan vrijen naar de kreeg'le Katharina, -Ja, krijgt ze goed wat mee, haar trouwen ook. - -GREMIO. Gezegd, gedaan, is mooi.--Hortensio, spreek, -Hebt gij hem haar gebreken opgesomd? - -PETRUCCIO. Ik weet, zij is een twistziek, kijvend wijf; -Is 't anders niet, mijn heeren, dat 's geen kwaad. - -GREMIO. Geen kwaad, mijn vriend? Nu!--Waar zijt gij vandaan? - -PETRUCCIO. 'k Ben van Verona, en Antonio's zoon; -Die is me ontvallen; maar zijn geldkist bleef, -En 'k hoop, dat die mij goede dagen geev'. - -GREMIO. Heer, goede dagen en zoo'n wijf, zijn twee; -Maar hebt gij lust, ga dan uw gang gerust; -Ik zal in alles u behulpzaam zijn. -Maar wilt gij zulk een boschkat? - -PETRUCCIO. Wil ik leven? - -GRUMIO. Hij wil haar? Nu, hij doe het, of ik hang haar! - -PETRUCCIO. Waarvoor kwam ik dan hier, dan met dit doel? -Denkt gij mijn oor vervaard voor wat geruchts? -Hoorde ik dan nooit het brullen van den leeuw? -Hoorde ik de zee, door storm gezweept, niet woeden, -Gelijk een toornige ever, wit beschuimd? -Hoorde ik kanongebulder niet, in 't veld, -Noch 's hemels zwaar geschut daar in de lucht? -Hoorde ik nooit, in een slag van groote legers, -Gehinnik, krijgsgeschreeuw, trompetgeschal? -En reutelt gij me van een vrouwetong, -Die half zoo luid niet klapt als een kastanje -In 't haardvuur van een pachter? Maak een kind -Met bietebauwen bang! - -GRUMIO. Neen, hij ducht niets. - -GREMIO. Hortensio, hoor. -Deez' heer komt wel ter rechter tijd; ik heb -Een voorgevoel, 't is ons geluk en 't zijne. - -HORTENSIO. 'k Heb hem gezegd, wij staan hem gaarne bij, -En houden bij dit vrijen graag hem vrij. - -GREMIO. Volgaarne ja, neemt zij hem als gemaal aan. - -GRUMIO. O, bood men even wis me een goed onthaal aan. - -(Tranio komt op, deftig uitgedost, met Biondello.) - -TRANIO. God zegen' u, mijn heeren! 'k Ben zoo vrij -Te vragen, wat de naaste weg wel is -Naar 't huis van heer Battista Minola. - -GREMIO. Waar die twee mooie dochters zijn, bedoelt gij dien? - -TRANIO. Denzelfden.--Biondello! - -GREMIO. 't Is u toch om de dochter niet te doen? - -TRANIO. Om hem en haar misschien; dit is mìjn zaak. - -PETRUCCIO. In geen geval om haar, die kijft, niet waar? - -TRANIO. Een kijfster? dank u, heer!--Kom, Biondello! - -LUCENTIO (ter zijde). Goed, Tranio, goed! - -HORTENSIO. Heer, eer gij gaat, een woord! -Zeg ja of neen; heeft de and're u soms bekoord? - -TRANIO. Waar' 't zoo, beleedigde ik dan u daarmede? - -GREMIO. Neen, heer, maar ik verbied u elke verd're schrede. - -TRANIO. De straat, heer, is, zoo 'k denk, wel even vrij -Voor mij en u. - -GREMIO. De straat, heer, wel, niet zij. - -TRANIO. Waarom dan, mag ik vragen? - -GREMIO. Vraagt ge zoo? -Welnu, ze is de uitverkoor'ne van signore Gremio. - -HORTENSIO. Verneem, dat haar verkoor signor Hortensio. - -TRANIO. Al zacht, mijn heeren; gunt als edellieden -Ook mij mijn recht, en hoort mij rustig aan. -Battista is een waardig edelman, -En met mijn vader is hij goed bekend; -En waar' zijn dochter schooner nog dan ze is, -Meer vrijers mocht zij hebben, mij er bij. -Een duizendtal had Leda's schoone dochter, -De schoone Bianca hebbe één meer dan nu; -Lucentio zij die een, is mijn besluit, -Al dong ook Paris zelf mee naar de bruid. - -GREMIO. Let op, deze een praat allen van de baan. - -LUCENTIO. Laat hem maar gaan; de klepper blijkt een knol. - -PETRUCCIO. Hortensio, zeg, waartoe al dit gepraat? - -HORTENSIO. Vergun mij deze vraag nog, heer. Hebt gij -De dochters van Battista ooit gezien? - -TRANIO. Neen, heer, maar van zijn tweetal wel gehoord; -De eene om haar kijfsche tong niet min befaamd, -Dan de and're door haar zedigheid en schoon. - -PETRUCCIO. Laat af van de eerste, heer, die is van mij. - -GREMIO. Ja, laat aan Hercules dat werk maar over; -Het twaalftal van Alcides tell' niet meer. - -PETRUCCIO. Verneem van mij nu, heer, hoe 't voor u staat: -De jongste dochter, zij, die gij verlangt, -Blijft, wie ook vrijen wil, nog achter slot; -Aan niemand wil haar vader haar verloven, -Aleer haar oud're zuster is getrouwd, -Dan wordt de jong're vrij, maar eerder niet. - -TRANIO. Heer, staat het zoo, en zijt gij dus de man, -Die zoo ons allen voorthelpt, mij er bij, -Breekt gij het ijs, volbrengt gij 't heldenstuk, -Neemt gij die oudste, en wordt de jong're vrij -Voor onzen wedstrijd,--zeker, die haar krijgt, -Wie 't zij, zal, zooals 't past, zich dankbaar toonen. - -HORTENSIO. Zeer juist gesproken, heer, en met verstand; -En daar gij medevrijer u verklaart, -Zult gij, als wij, dien heer erkent'lijk zijn; -Wij allen saam zijn veel aan hem verplicht. - -TRANIO. Ik blijf niet achter, heer, en tot bewijs -Vraag ik: brengt den namiddag met mij door, -En drinken we op het welzijn onzer liefsten, -En doen we als advocaten, die, hoe fel -Ze elkaar bestrijden, vrienden zijn aan tafel. - -GRUMIO EN BIONDELLO. Een prachtig voorstel! jongens, gaan wij mee! - -HORTENSIO. Dat voorstel is aanneemlijk, ja, 't is goed; -U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet. - - (Allen af.) - - - - - - - -TWEEDE BEDRIJF. - - -EERSTE TOONEEL. - - -Aldaar. Een hamer in Battista's huis. - -Bianca en Katharina komen op. - - -BIANCA. Gij krenkt mij, lieve zuster, krenkt uzelf, -Zoo ge als een dienstmeid en slavin mij sleurt; -Dit duld ik niet. Kunt gij deez' tooi niet lijden, -Laat dan mijn handen los, dan doe ikzelf -Heel mijn gewaad, tot op mijn onderkleed, -Ja, uit en weg; en wat ge me ook beveelt, -Dat wil ik doen; zoo goed is mij bewust, -Wat ik mijn oud're zuster schuldig ben. - -KATHARINA. Beken hier daad'lijk, wie van al uw vrijers -U 't best bevalt; maar geen gehuichel, hoor! - -BIANCA. Geloof mij, zuster, welken man 'k ook zag, -Nooit zag ik nog een aangezicht, dat meer -Mij aantrok dan van eenig ander man. - -KATHARINA. Fleemtong, gij liegt. Is 't niet Hortensio? - -BIANCA. Is hij uw keuze, zuster? 'k zweer, dan wil ik -Zelf voor u pleiten, totdat hij u neemt. - -KATHARINA. O! dan is rijkdom uw begeerte, en kiest -Gij Gremio, om een fraaien staat te voeren. - -BIANCA. Is hij het, die uw nijd zoo wekt? O dan -Zijt gij aan 't schertsen, en bespeur ik klaar, -Dat gij daar al den tijd aan 't schertsen waart. -Ik bid u, Kaatje, laat mijn handen los. - -KATHARINA. Was alles scherts, houd dan ook dit er voor. - -(Zij slaat haar.) - -(Battista komt op.) - -BATTISTA. Wat is dat hier? Mamsel, wat schand'lijk doen!-- -Bianca, ga ter zijde!--arm kind! zij schreit!-- -Bemoei u niet met haar; ga aan uw naaiwerk.-- -Foei, helleveeg, zoo duivelsch van gemoed, -Wat krenkt gij haar, die u nooit heeft gekrenkt? -Heeft ze ooit een woord u in den weg gelegd? - -KATHARINA. Haar zwijgen jouwt mij uit; ik wil mij wreken. - -(Zij vliegt naar Bianca toe.) - -BATTISTA. Wat, voor mijn oogen?--Ga maar heen, mijn kind! - - (Bianca af.) - -KATHARINA. Gij duldt het niet van mij? Ja 't is te zien, -Zij is uw schat, aan haar bezorgt ge een man; -En ik moet op haar bruiloft barvoets dansen, -Om haar wis apen brengen naar de hel. -Zeg mij niets meer, ik wil gaan zitten weenen, -Totdat ik kans om mij te wreken zie. - - (Katharina af.) - -BATTISTA. Had ooit een vader zooveel uit te staan -Als ik?--maar wie komt daar? - -(Gremio komt op met Lucentio, eenvoudig gekleed; Petruccio met -Hortensio als muziekonderwijzer, en Tranio, gevolgd door Biondello, -die een luit en boeken draagt.) - -GREMIO. Goeden morgen, buurman Battista. - -BATTISTA. Goeden morgen, buurman Gremio; gegroet, mijne heeren! - -PETRUCCIO. Gegroet, heer! 'k Bid u, hebt gij niet een dochter -Met name Katharina, schoon en zedig? - -BATTISTA. Ik heb een dochter, heer, met name Katharina. - -GREMIO. Bedaard toch; val niet met de deur in 't huis. - -PETRUCCIO. Gij krenkt mij, Signor Gremio; laat mij maar.-- -'k Ben uit Verona, heer, een edelman; -De roep van hare schoonheid, haar verstand, -Haar minzaamheid, beschroomde zedigheid, -Haar wond're gaven en haar zachten aard, -Heeft mij, schoon ongenood, verlokt, als gast -Ten uwent te verschijnen, om mijn oog -Te doen aanschouwen, wat mijn oor vernam. -En om de' ontvangst, die 'k hoop, mij te verwerven, -Sta ik u hier een van mijn dienaars af, - -(Hij stelt Hortensio aan Battista voor.) - -Die, met muziek en wiskunst wel vertrouwd, -Haar in die vakken deeg'lijk les kan geven, -Waarin zij, naar ik weet, geen vreemd'ling is; -Versmaad hem niet, want anders krenkt gij mij; -Zijn naam is Licio, van Mantua. - -BATTISTA. Wees welkom, heer, en hij om uwentwil; -Maar 'k weet toch, dat mijn dochter Katharina -Niet van uw gading is, zeer tot mijn spijt. - -PETRUCCIO. Gij wilt, naar 'k zie, van haar geen afstand doen; -Of moog'lijk staat u mijn persoon niet aan? - -BATTISTA. Versta mij wèl; ik zeg slechts wat ik meen. -Maar zeg mij, heer, wat is uw naam en stam? - -PETRUCCIO. Ik ben Petruccio, en Antonio's zoon, -Een man, door heel Itaalje wel bekend. - -BATTISTA. Ik ken hem wel, wees zijnentwege welkom. - -GREMIO. Vergeef de stoornis, maar, Petruccio, gun -Ons, armen smeekelingen, ook het woord! -Houd in! gij draaft door dik en dun maar voort. - -PETRUCCIO. Vergeef mij, Signor Gremio, maar 'k wensch gauw klaar -te komen. - -GREMIO. 'k Geloof 't, maar vrees, dat gauw, heer, de pret u wordt -benomen.-- - -Buurman Battista, deze aanbieding is u ongetwijfeld bijzonder -aangenaam. Om u van mijn zijde dezelfde beleefdheid te bewijzen,--en -ik acht mij tot meer beleefdheid verplicht jegens u dan jegens iemand -anders,--veroorloof ik mij, u dezen jeugdigen geleerde aan te bieden -(Hij stelt hem Lucentio voor.), die lang in Reims gestudeerd heeft en -even zoo bedreven is in het Latijn, Grieksch en voor andere talen, -als die ander in muziek en wiskunde; zijn naam is Cambio; ik bid u, -neem zijn diensten aan. - -BATTISTA. Duizendmaal dank; Signore Gremio;--wees van harte welkom, -Cambio.--Maar gij (Tot Tranio.), geachte heer, gij schijnt een -vreemdeling: mag ik zoo vrij zijn te vragen, waaraan ik uw bezoek -verschuldigd ben. - -TRANIO. Vergeef, heer, mijn vrijmoedigheid is groot, -Dat ik, schoon vreemd'ling in deez' stad, het waag -Te dingen naar de hand uwe dochter, -Bianca, rijk in schoonheid en in deugden. -Ook is mij welbekend, dat gij besloot -Het eerst uw oud're dochter uit te huwen; -Wat ik u vraag, is daarom slechts de gunst, -Dat ik, als ge eens mijn afkomst weet, met de and'ren, -Die naar haar hand staan, toegang hebben moog', -Mijn wenschen moge ontvouwen, als ik die and'ren. -Voor 't onderwijs van uwe dochters kan ik -Slechts kleinigheden bieden: deze luit, -Dit stapeltje Latijnsche en Grieksche boeken; -Aanvaardt gij die, dan schenkt gij hun waardij. - -BATTISTA. Lucentio is uw naam? Van waar afkomstig? - -TRANIO. Van Pisa, heer; Vincentio is mijn vader. - -BATTISTA. Een man van aanzien ginds, mij welbekend. -Van hooren zeggen: hartelijk welkom, heer.-- -Neem gij (Tot Hortensio.) de luit, en gij (Tot Lucentio.) dien -stapel boeken; -Zoo daad'lijk zult ge uw kweekelingen zien. -Heidaar! (Een Bediende komt.)--Hier, knaap, geleid deez' heeren naar -Mijn dochters heen; zij zijn haar onderwijzers; -Verzoek voor hen alzoo een heusche ontvangst. - -(De Bediende vertrekt, met Hortensio en Lucentio; Biondello volgt.) - -Komt, gaan wij thans den tuin eens rond, en dan -Aan tafel; allen zijt gij hartlijk welkom; -Houdt u, dit bid ik, hiervan overtuigd. - -PETRUCCIO. Signor Battista, hoor, mijn zaak eischt spoed; -Ik kan niet elken dag hier aanzoek doen. -Daar gij mijn vader kendet, kent ge mij, -Die al zijn land en goed'ren heb geërfd, -En sedert eer vermeêrd heb dan verminderd; -Zeg dus,--als ik het jawoord van haar krijg,-- -Wat mij uw dochter wel ten huw'lijk brengt. - -BATTISTA. De helft van al mijn goed'ren bij mijn dood, -En twintigduizend kronen zoo terstond. - -PETRUCCIO. En ik, van mijnen kant, verzeker haar -Een weduwgift,--als zij mij overleeft,-- -Van al mijn have en goed, hoe ook genaamd; -Nauwkeurig zij dit wett'lijk dus omschreven, -Opdat aan weêrszij het verdrag ons bind'. - -BATTISTA. Ja, als maar eens de hoofdzaak zeker is: -Haar jawoord;--dit is nu het eerst en 't laatst. - -PETRUCCIO. O, dat is niets; want ik verklaar u, vader, -'k Ben even kort van stof als zij hooghartig; -En als één heftig vuur een ander vindt, -Dan wordt, wat hunne woede voedt, verteerd; -Een kleine wind blaast een klein vuur wel aan, -Doch een orkaan blaast vuur en alles uit; -Zoo ben ik haar, zoo geeft zij 't mij gewonnen, -Want ik ben ruw en vrij niet als een melkmuil. - -BATTISTA. Vrij hoe ge wilt; heb er maar zegen op; -Doch wapen u op enk'le booze woorden. - -PETRUCCIO. Ik ben verstaald, onwrikbaar als een rots, -Die pal blijft staan, hoe fel de storm haar trots'. - -(Hortensio komt op, met een wond aan 't hoofd.) - -BATTISTA. Wat is er, vriend? waarom ziet gij zoo bleek? - -HORTENSIO. Zie ik zoo bleek, dan is 't van schrik, geloof me. - -BATTISTA. En heeft mijn dochter aanleg voor muziek? - -HORTENSIO. Eer om soldaat te zijn; misschien houdt staal -Het in haar handen uit; een luit kan 't niet. - -BATTISTA. Dus denkt ge niet, dat zij de luit leert slaan? - -HORTENSIO. Neen, want zij sloeg de luit al op mij stuk. -Ik zeide alleen, haar vingergreep was valsch, -En boog haar zacht de hand tot beet'ren greep; -Daar werd zij ongeduldig, duivelsch; "noemt ge -"Dat grepen?" riep ze, "grijpen kan ik wel!" -En greep de luit en sloeg me er mee op 't hoofd, -Zoodat mijn kop de luit geheel doorboorde; -Ik was een wijl verbluft en stond te kijken, -Als had ik 't halsblok aan en stond te pronk; -En tevens riep ze: "Schelmsche vedelaar;" -En "Brekebeen!" en twintig zulke naampjes, -Als had ze voor mijn smaad die uitgezocht. - -PETRUCCIO. Nu, bij mijn ziel, een aardig meisje! ik houd -Al tienmaal meer van haar dan vroeger; 'k wou, -Dat ik met haar al aan het babb'len was. - -BATTISTA. Kom mee en wees niet zoo ontsteld; hervat -Uw onderwijs maar met mijn jongste dochter, -Die leerzaam en erkent'lijk zich betoont.-- -Signor Petruccio, wilt gij met ons gaan? -Of zend ik hier mijn Kaatje naar u toe? - -PETRUCCIO. Ja, doe dat, wees zoo goed; ik wacht haar hier, - - (Battista, Gremio, Tranio en Hortensio af.) - -En maak haar kluchtig 't hof, zoodra zij komt. -Valt ze uit, dan zeg ik haar eenvoudig weg, -Dat zelfs de nachtegaal zoo mooi niet slaat; -En kijkt ze zwart, ik roem haar blikken, helder -Als morgenrozen, frisch met dauw gedrenkt; -En is ze stom en spreekt ze zelfs geen woord, -Dan roem ik luid de radheid van haar tong -En zeg, dat zulk een taal de ziel beweegt; -En roept ze: "Pak u weg!" dan dank ik haar, -Als had ze mij een week bij zich genood; -Verwerpt zij de' echt, dan vraag ik haar, wanneer -Zij de geboden en het huw'lijk wil;-- -Daar komt ze;--nu, Petruccio, doe uw woord! - -(Katharina komt op.) - -Goê morgen, Kaatje, want zoo heet ge, hoor ik. - -KATHARINA. Gij hoordet wel, maar toch niet naar behooren; -Wie van mij spreekt, die noemt mij Katharina. - -PETRUCCIO. Onwaar, onwaar; men noemt u kortweg Kaatje, -En mooie Kaat, en soms ook korz'le Kaat; -Maar Kaatje, liefste Kaatje in 't christendom, -Kaatje van Kaatjesstein, mijn poez'lig Kaatje,-- -Wat Kaatje heet is poez'lig--daarom Kaatje, -Verneem van mij nu, Kaatje, gij mijn troost, -Ik hoorde alom uw lieve zachtheid prijzen, -Uw deugden noemen, en uw schoonheid roemen,-- -Schoon niet zoo luide als gij verdient,--en dit -Heeft me aangezet om naar uw hand te staan. - -KATHARINA. Zoo? aangezet? Die u heeft aangezet, -Zette u weer weg! 'k Zag daad'lijk, dat gij plooibaar -En wel verzetbaar waart. - -PETRUCCIO. Plooi- en verzetbaar? - -KATHARINA. Zooals een vouwstoel, ja. - -PETRUCCIO. Goed, zet u hier. - -KATHARINA. Juist, ezels moeten dragen, waarom gij niet? - -PETRUCCIO. Juist, vrouwen moeten dragen, waarom gij niet? - -KATHARINA. Dacht gij me een knol, dat ik u dragen zou? - -PETRUCCIO. 'k Zal u geen last, misschien wel lastig zijn; -Want Kaatje, ik weet, ge zijt zoo jong, zoo lucht,-- - -KATHARINA. Te lucht, dan dat een boer mij vangen zou; -Toch niet te licht; ik wil geen last er bij. - -PETRUCCIO. 'k Geloof het wel; de laster zwermt als bij -Vaak om u heen; gij kent zijn steek te wel. - -KATHARINA. Ik ducht dien niet; veeleer moog hij mij duchten. - -PETRUCCIO. Dan zijt ge een wesp, en waarlijk al te fel. - -KATHARINA. Ben ik zoo wespig, ducht mijn angel dan. - -PETRUCCIO. Die doet mij niets; ik ruk hem daad'lijk uit. - -KATHARINA. Ja, als een stumperd wist, waar die wel zit. - -PETRUCCIO. Wie weet niet, waar een wesp haar angel draagt? -Ik vang de wesp, en moog ze ook tegenspart'len, -Ze raakt haar angel kwijt. - -KATHARINA. Haar tong? - -PETRUCCIO. Haar nagels eer, die knipt de man, die u, -Wild Kaatje, vangt, wel af. - -(Katharina wendt zich om tot heengaan. Petruccio houdt haar vast.) - - Lief Kaatje, blijf; -Ik ben een edelman. - -KATHARINA. Dat wil ik zien. - -(Zij slaat zijn handen weg.) - -PETRUCCIO (grijpt haar handen vast). Bij God, ik klop u, waagt gij -'t weer, te slaan. - -KATHARINA. Dan raakt ge uw wapen kwijt. -Want die een vrouw slaat, is geen edelman; -Geen edelman, geen wapen. - -PETRUCCIO. Wat, lief Kaatje! -Gij wapenkoning? Zet mij in uw stamboek! - -KATHARINA. Wat is 't blazoen? Een jonge haan, die koning -Wil kraaien, maar 't niet kan? Of is 't een zotskap? - -PETRUCCIO. Een haan, die kraait, als Kaat mijn hen wil zijn. - -KATHARINA. Geen haan voor mij; gij kraait nog als een kuiken. - -PETRUCCIO. Neen, Kaatje, kom, zet niet zoo'n zuur gezicht. - -KATHARINA. Zoo doe ik steeds, bij 't zien van onrijp ooft. - -PETRUCCIO. Hier is geen onrijp ooft; zie dus niet zuur. - -KATHARINA. Het is er wel. - -PETRUCCIO. Vertoon 't mij dan! - -KATHARINA. Had ik -Een spiegel, 'k deed het. - -PETRUCCIO. Wat? Bedoelt gij mij? - -KATHARINA. Wel knap bedacht voor een, die pas komt kijken. - -PETRUCCIO. Ja, bij Sint Joris, 'k ben te jong voor u. - -KATHARINA. En toch verwelkt! - -PETRUCCIO. Van kwelling. - -KATHARINA. 't Kwelt mij niet. - -(Zij wil heengaan.) - -PETRUCCIO. Neen, Kaatje, hoor mij; zoo ontsnapt gij niet. - -KATHARINA. Mijn blijven zou u erg'ren; laat mij gaan. - -PETRUCCIO. Volstrekt niet; 'k vind u allerliefst. Men had -U mij geschetst als schuw en ruw en geem'lijk; -En nu vind ik 't Gerucht een lastertong, -Want gij zijt vroolijk, geestig, allerhoflijkst; -Wat stil, maar lieflijk als een lentebloem; -Gij fronst het voorhoofd niet, ge kijkt niet donker, -Bijt niet, zooals een feeks doet, op de lip; -Gij hebt geen lust in vinnig tegenspreken, -Maar uw aanbidders boeit gij allerliefst -Met vriend'lijk, zacht, vertrouwelijk gesprek. -Hoe komt men aan 't verhaal, dat Kaatje hinkt? -De wereld liegt, want Kaatje is slank en recht -Gelijk een hazeltak, ze is bruin van haar, -Gelijk een hazelnoot, en zoeter dan haar kern;-- -O loop eens op;--neen, hinken doet ge niet. - -KATHARINA. Loop, dwaas, en geef uw orders aan uw knechts. - -PETRUCCIO. Verheerlijkte ooit Diana zoo het woud, -Als Kaatje's vorstelijke gang deez' zaal? -Wees gij Diaan, en laat haar Kaatje zijn; -En dan zij Kaatje koud, Diana dartel. - -KATHARINA. Waar hebt gij al dien schoonen praat geleerd? - -PETRUCCIO. Het is voor 't vuistje, geest van moederswege. - -KATHARINA. Een geestrijk moeder en zoo'n geestloos zoon! - -PETRUCCIO. Heb ik geen geest? - -KATHARINA. Nu, houd dien geest maar warm. - -PETRUCCIO. Ja, lieve Katharina, in uw arm; -En 'k zet daarom deez' praatjes aan een kant, -En zeg u kort en goed: uw vader stond -Mij 't aanzoek toe; de bruidsschat is bepaald; -En, of gij 't wilt of niet, gij wordt mijn vrouw. -Hoor, Kaatje, ik ben de rechte man voor u; -En bij dit licht, dat op uw schoonheid straalt,-- -Uw schoonheid, die voorwaar me in liefde ontgloeit,-- -Verlang niet naar een and'ren man dan mij; -Want, Kaatje, ik ben de man om u te temmen, -En uit een wilde kat een lief tam Kaatje -Te maken, als een lief en huis'lijk katje. -Daar komt uw vader aan; neen, weiger niet; -Ik moet en zal Kath'rina tot mijn vrouw. - -(Battista, Gremio en Tranio komen weder op.) - -BATTISTA. Hoe is 't, signor Petruccio, u vergaan -Bij mijne dochter? - -PETRUCCIO. Wel, zeer goed, zeer goed; -Hoe kon het anders zijn? Dacht gij van neen? - -BATTISTA. Hoe, dochter Katharina, nog steeds knorrig? - -KATHARINA. Noemt gij mij dochter? Nu, 'k verzeker u, -Gij hebt mij teed're vaderzorg getoond, -Door aan een halfgek mensch mij toe te zeggen, -Een dollen zotskap, een hansworst, die vloekt, -En met zijn vloeken waant zijn zaak te winnen. - -PETRUCCIO. Hoor, vader, hoe het staat:--gijzelf en ieder, -Die van haar sprak, deedt steeds haar onrecht aan; -'t Is politiek, als zij zich korzel toont; -Zij is niet dwars, maar als een duif zoo zacht, -Geen heethoofd, maar gelijk de morgen frisch; -Griseldis streeft zij in geduld op zij, -In kuischheid Rome's roem, Lucretia. -Dus kort en goed,--wij kwamen overeen: -Aanstaanden Zondag zal de trouwdag zijn. - -KATHARINA. Eer wil ik op dien Zondag u zien hangen. - -GREMIO. Petruccio, hoor, zij wil u eer zien hangen. - -TRANIO. Verging 't u zoo?--Vaarwel dan onze kans! - -PETRUCCIO. Stil, heeren, stil; ik koos haar voor mijzelf; -'t Gaat u niet aan, als 't haar en mij zoo wel is. -Wij kwamen met ons tweeën overeen, -Dat zij voor 't oog der wereld boos zou blijven; -Maar 'k zeg u, 't is onmoog'lijk te gelooven, -Hoe veel zij van mij houdt, dat liefste Kaatje!-- -Zij hing mij om den hals; met kus op kus, -Met eed op eed heeft zij mij zoo getroefd, -Dat ze in een oogwenk hart en al mij won. -O, gij zijt nieuw'lingen! 't Is wonderbaar, -Hoe mak, zijn man en vrouw te zaam alleen, -Een lobbes zelfs de felste feeks kan maken; -Uw hand, mijn Kaatje; ik moet nu naar Venetië, -Om voor den trouwdag mij in 't pak te steken;-- -Richt, vader, 't feest maar aan en vraag de gasten; -'k Voorspel, Kath'rina blijkt een schoone bruid. - -BATTISTA. Ik sta verstomd, maar geeft mij beide' uw hand. - -(Hij grijpt beider hand en legt de handen ineen; Katharina houdt het -gelaat afgewend, maar verzet zich niet.) - -Petruccio, alle heil! gij zijt een paar. - -GREMIO EN TRANIO. Wij zijn getuigen en wij zeggen amen. - -PETRUCCIO. Bruid, vader, vrienden, thans vaarwel; ik moet -Nu naar Venetië; Zondag is nabij;-- -Er moeten ringen, dingen, feestdos zijn; -Kom, kus mij, Kaatje; Zondag is 't festijn. - - (Petruccio en Katharina naar verschillende kanten af.) - -GREMIO. Werd ooit een echt zoo plotseling beklonken? - -BATTISTA. Voorwaar, 'k doe als een koopman, die soms slaagt, -Als hij in eens dolzinnig alles waagt. - -TRANIO. Hier zou de waar verliggen, nu zal ze u -Nog voordeel geven, of op zee vergaan. - -BATTISTA. Het voordeel, dat ik zoek, is rust en vreê. - -GREMIO. Geen twijfel, of de rust valt hem niet meê.-- -Maar nu, Battista, van uw jongste dochter; -'t Is nu de dag, zoo lang door ons verbeid. -Ik ben uw buur en vroeg het eerst haar hand. - -TRANIO. Ik min Bianca meer, dan ooit de tong -Kan spreken, of het brein bevroedt. - -GREMIO. Jong mensch, -Mij werd wis meer dan u het hart geboeid. - -TRANIO. Grauwbaard, ùw min verkilt. - -GREMIO. En de uwe schroeit. -Weg, spring-in-'t-veld! alleen wat rijp is voedt. - -TRANIO. Het oog der vrouw vindt enkel jonkheid goed. - -BATTISTA. Stil heeren! 'k maak aan dezen strijd een eind. -Dat daden spreken om den prijs te winnen; -En hij, die van u tweeën aan mijn dochter -Het grootste huw'lijksgoed verzeek'ren kan, -Die voer' de bruid naar huis.-- -Signore Gremio, wat kent gij haar toe? - -GREMIO. Gij kent, vooreerst, mijn huis hier in de stad: -'t Is rijk voorzien van goud- en zilverwerk, -Waschbekken, kommen, voor haar fijne hand, -De wand alom met Turksch tapijt gedekt, -Mijn schat van kronen in ivoren koffers, -Vloerkleeden, fraaie spreien, welbewaard -In cederhouten kisten, bedbehangsels, -Troonhemels, Turksche kussens, rijk bezet -Met paarlen, dan gordijnen, geborduurd -Met gouddraad, werk van Venetiaansche kunst, -Fijn linnen, brons- en koperwerk en alles, -Wat in een deftig huis benoodigd is; -Dan heb ik op mijn hoeve een honderdtal -Melkkoeien, en vette ossen tien dozijn; -En al het oov'rige is zoo navenant. -Ik ben al wat op leeftijd, dit is waar; -Maar sterf ik morgen, al het mijne is 't hare, -Als zij slechts mijn wil zijn, zoolang ik leef. - -TRANIO. Nu, dit "slechts mijn" was kost'lijk;--hoor thans mij! -'k Ben een'ge zoon en erfgenaam mijns vaders; -Schenkt gij uw dochter mij tot vrouw, dan zijn -Voor haar in 't rijke Pisa drie, vier huizen, -Zoo goed als hier in Padua de oude Gremio -Er een maar toonen kan, dan nog tweeduizend -Dukaten jaarlijksche opbrengst van de hoeven -Met vruchtbaar land; dit wordt op haar gezet.-- -Nu, signor Gremio, zit gij niet in 't nauw? - -GREMIO. Tweeduizend stuks dukaten 's jaars van land! -Zooveel brengt al mijn land mij saam niet op; -Doch 't is voor haar; daarbij een koopvaardijschip, -Dat bij Marseille nu ter reede ligt;-- -Nu, sloeg ik u daar met dit handelsschip? - -TRANIO. Mijn vader, Gremio, heeft,--men weet het,--drie -Koopvaarders, dan nog twee galjoten en -Nog twaalf galeiën; 't wordt haar toegekend; -En wat ge ook biedt, ik bied haar tweemaal meer. - -GREMIO. Neen, 'k bood reeds alles aan; ik heb niet meer; -En meer dan 'k heb, kan ik haar toch niet bieden;-- -Verkiest ge mij, dan is al 't mijne aan haar. - -TRANIO. Dan is, naar uw belofte, 't meisje mijn, -En buiten kijf; 'k heb Gremio getroefd. - -BATTISTA. Ja, ik erken, dat gij het meeste biedt; -En als uw vader zekerheid wil geven, -Dan is zij u: zoo niet, verschoon mij dan; -Stierft gij voor hem, waar bleef haar huwlijksgift? - -TRANIO. Geen uitvlucht! hij is oud en ik ben jong. - -GREMIO. De menschen sterven jong, zoowel als oud. - -BATTISTA. Hoort, heeren, mijn besluit. -Gij weet nu, dat mijn dochter Katharina -Aanstaanden Zondag trouwen gaat; den Zondag -Die volgt, vier' dan Bianca haar verloving, -Zoo gij mij zekerheid verschaft, met ù; -Zoo niet, met Signor Gremio; -Vaart beiden wel thans, en aanvaardt mijn dank. - - (Battista af.) - -GREMIO. Dag, buurman!--Knaap, ik ben niet bang; uw vader -Waar' stapelgek, als hij u alles gaf, -En daardoor, oud en zwak, bij u de voeten -Moest steken onder tafel. Dwaas gekal! -Een oude rot loopt zoo niet in den val. - - (Gremio af.) - -TRANIO. Vervloekt uw listig, geel en rimp'lig bakhuis! -Maar 'k nam uw harteboer toch met een tien.-- -Nu komt het er op aan, mijn heer te helpen.-- -Het eenigst is, dat Schijn-Lucentio zorgt -Een vader Schijn-Vincentio te verkrijgen; -Een vreemd geval; 't is meest de taak van vaders -Zich kind'ren te verwekken; bij deze vrijerij -Verwekt het kind een vader; o slimheid, sta mij bij! - - (Tranio af.) - - - - - - - -DERDE BEDRIJF. - - -EERSTE TOONEEL. - - -Een kamer in Battista's huis. - -Lucentio, Hortensio en Bianca komen op. - - -LUCENTIO. Terug, gij veed'laar! Man, gij wordt te vrij! -Ontging u reeds de groet, waarmede u pas -Haar zuster Katharina heeft verfrischt? - -HORTENSIO. Gij, twistziek schoolpedant! deez' jonkvrouw is -De schutsgeest van de harmonie der heem'len; -Laat mij alzoo den voorrang; hebben wij -Een uurtje aan muziek besteed, dan worde -Gelijke tijd aan 't lezen toegewijd. - -LUCENTIO. Bekrompen weetniet, heeft het lezen u -Zelfs niet geleerd, waartoe muziek wel dient? -Is 't niet, om 's menschen geest wat te verfrisschen -Na diep gepeins, na 't zwoegen van den dag? -Erken dus 't voorgaan der philosophie, -En kom in 't rustuur met uw harmonie. - -HORTENSIO. Sinjeur, gij tart mij steeds! dit duld ik niet! - -BIANCA. Maar heeren, beiden doet gij me onrecht aan, -En twist, waar mijn keus toch alleen beslist; -Ik ben geen schoolkind, dat de roede ducht; -'k Wil aan geen uur of tijd gebonden zijn, -Maar neem mijn les zooals ikzelf verkies, -En ik beslecht den twist: hier zetten we ons:-- -Neem gij uw speeltuig, tokkel midd'lerwijl; -Zijn les zal uit zijn, eer gij hebt gestemd. - -HORTENSIO (tot Bianca). Gij houdt met lezen op, als ik gestemd heb? - -(Hij gaat naar den achtergrond.) - -LUCENTIO. Nooit, zou ik wenschen;--(Tot Hortensio.) stem dan -'t instrument. - -BIANCA. Waar zijn we laatst gebleven? - -LUCENTIO. Hier, mejonkvrouw; -Hic ibat Simois, hic est Sigeia tellus; -Hic steterat Priami regia celsa senis. - -BIANCA. Vertaal mij dit. - -LUCENTIO. Hic ibat, zooals ik u reeds gezegd heb,--Simois, ik ben -Lucentio,--hic est, zoon van Vincentio van Pisa,--Sigeia tellus, -zoo verkleed om uw liefde te winnen;--hic steterat, en de Lucentio, -die naar uw hand staat,--Priami, is mijn dienaar Tranio,--regia, -die mijn rol speelt,--celsa senis, om den ouden verliefden gek om -den tuin te leiden. - -HORTENSIO (terugkeerend.) Mejonkvrouw, 't speeltuig is gestemd. - -BIANCA. Laat -hooren! - -(Hortensio speelt.) - -O foei, de discant is nog valsch. - -LUCENTIO. Begin van nieuws af aan, man, stem nog eens. - -(Hortensio gaat terug.) - -BIANCA. Laat mij nu zien of ik 't vertalen kan. - -Hic ibat Simois, ik ken u niet;--hic est Sigeia tellus, ik vertrouw -u niet; hic steterat Priami, pas op, hij hoore ons niet;--regia, -vlei u maar niet; celsa senis, doch wanhoop niet. - -HORTENSIO. Jonkvrouw, 't is nu gestemd. - -(Hij speelt eenige accoorden.) - -LUCENTIO. De bas nog niet. - -HORTENSIO. De bas is zuiver, bas gij maar zoo niet.-- -Wat wordt die hond, die schoolvos, onbeschaamd! -De kerel, bij mijn ziel, hij maakt haar 't hof! -Pedascule, 'k houd u nog meer in 't oog! - -BIANCA. 't Geloof kàn komen, maar ik twijfel nog. - -LUCENTIO. O, twijfel niet;--(Hardop, daar Hortensio nadert.) geloof -me, Æacides -Is Ajax, naar zijn voorzaat zoo genoemd. - -BIANCA. 'k Geloof 't, wijl gij mijn leeraar zijt; doch anders, -'k Verzeker u, ik hield mijn twijfel vol. -Maar 't zij dan zoo.--Thans Licio, tot uw dienst;-- -Gij, goede meesters, duidt het mij niet euvel, -Dat ik zoo met u tweeën heb geschertst. - -HORTENSIO (tot Lucentio). Ga gij maar wand'len; laat mijn les hier -vrij, -Want ik geef niet in trio's onderricht. - -LUCENTIO. Zoo, eischt ge dat, heer?--Nu, 'k blijf in de buurt -En houd een oog in 't zeil, want naar ik denk, -Wordt onze fraaie musicus verliefd. - -(Hij gaat ter zijde.) - -HORTENSIO. Aleer gij, jonkvrouw, in de snaren grijpt -En op mijn wijs de vingerzetting leert, -Begin ik met het A B C der kunst; -De gamma leer ik u in korter tijd -En boeiender; ik ga meer recht naar 't doel, -Dan vóór mij ooit een man van 't vak het deed; -Hier hebt gij haar in keurig duid'lijk schrift. - -BIANCA. Wel man, ik ben de gamma lang voorbij. - -HORTENSIO. Leg toch die van Hortensio niet ter zij. - -BIANCA (leest). Ut ben ik, Gamma--grond van elk accoord; -A re--zegg', welk een pijl Hortensio griefde; -B mi--Bianca, schenk me uw hart, uw woord; -C fa ut--Ach, ik leef slechts door uw liefde; -D sol re--Sleutel met een dubb'le noot; -E la mi--Ja is leven, weig'ring dood. -Is dit een gamma? die bevalt mij niet; -Ik houd mij liefst aan de oude en goede leerwijs, -En heb geen lust in dwaze nieuwigheid. - -(Een Bediende komt op.) - -BEDIENDE. Uw vader, jonkvrouw, vraagt, dat gij voor heden -Uw boeken rust geeft, en uw zusters kamer -Opsieren helpt voor 't bruiloftsfeest van morgen. - -BIANCA. Vaartwel, mijn beste meesters, ik moet heen. - - (Bianca en de Bediende af.) - -LUCENTIO. Dan, jonkvrouw, heb ik ook geen grond tot blijven. - - (Lucentio af.) - -HORTENSIO. Maar ik heb grond, dien schoolvos na te speuren! -Hij ziet er uit, als waar' hij ook verliefd;-- -Maar werpt gij zoo u weg, Bianca, dat -Ge uw dwalend oog op ieder lokaas slaat, -Dan strijk' met u wie wil; zijt gij zoo grillig, -'k Zoek elders heil, en gij wordt me onverschillig. - - (Hortensio af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Aldaar. Voor Battista's huis. - -Battista, Gremio, Tranio, Katharina, Bianca, Lucentio en Bedienden -komen op. - - -BATTISTA (tot Tranio). Dat is de dag, Lucentio, vastgesteld -Voor Katharina's en Petruccio's huw'lijk, -En nog hoor ik van onzen schoonzoon niets; -Wat zal dat een gepraat, een spotten zijn, -Dat er geen bruîgom is, terwijl de priester -Gereed staat om het huwlijk in te zeeg'nen! -Niet waar, Lucentio, welk een smaad op ons! - -KATHARINA. 't Is smaad op mij! Ja, 'k werd genoopt, de hand -Met tegenzin te reiken aan een dollen, -Grilzieken wildeman, die vliegensvlug -Verloofd wil zijn, maar trouwen, als 't hem lust. -Ik zeide 't wel, 't was een bezeten zot; -Die bitt're scherts verbergt in lompheids schijn, -Die graag, om maar voor grappig door te gaan, -Een duizend meisjes vraagt, het huw'lijk afspreekt, -De gasten nooden, de geboden gaan, -Maar 't bruidje op de bruiloft zitten laat. -Nu wijst een elk op de arme Katharina, -En lacht: "Ei ziet, daar gaat Petruccio's vrouw, -Als die maar komen en haar hebben woû!" - -TRANIO. Bedaar, Kath'rina, en ook gij, Battista; -Ik zweer er op, Petruccio meent het goed, -Wat hem ook stremme in 't houden van zijn woord. -Zij hij wat ruw, verstandig is hij zeer; -Drijv' hij den spot, hij is een man van eer. - -KATHARINA. O, had hem Katharina nooit gezien! - -(Katharina gaat weenend heen, gevolgd door Bianca en anderen.) - -BATTISTA. Ga, kind, het spreekt van zelf, dat gij nu weent. -Want zulk een hoon verdroeg geen heil'ge zelfs, -Laat staan een driftkop van uw kreeg'len aard. - -(Biondello komt op.) - -BIONDELLO. O heer, heer! nieuws, oud nieuws en nieuws, zooals gij -nog nooit gehoord hebt! - -BATTISTA. Wat! nieuw en tevens oud? hoe kan dit zijn? - -BIONDELLO. Wat! is het geen nieuws, te hooren, dat daar Petruccio komt? - -BATTISTA. Is hij gekomen? - -BIONDELLO. Wel neen, heer. - -BATTISTA. Wat dan? - -BIONDELLO. Hij is bezig te komen. - -BATTISTA. Wanneer zal hij hier zijn? - -BIONDELLO. Als hij staat, waar ik sta, en u daar ziet. - -TRANIO. Komaan, voor den dag met uw oud nieuws! - -BIONDELLO. Wel, Petruccio komt daar aan, met een nieuwen hoed en -een oud wambuis; met een oude broek, die al driemaal gekeerd is; -met een paar laarzen, die al voor kaarsenbakken gediend hebben, -de een gegespt, de ander geregen, een ouden roestigen degen uit -een stadsarsenaal, met een gebroken gevest en zonder haak; met twee -gebroken broeknestels; zijn paard met ontwrichte heup, met een oud -wormstekig zadel en tweeërlei stijgbeugels; bovendien, kuchende en niet -vrij van ruggemergstering; lijdend aan speekselvloed, last hebbend -van huidworm, vol gallen en met spatten, gestreept van de geelzucht, -met ongeneeslijke halsgezwellen, sterk onderhevig aan duizelingen, -opgevreten van de wormen, met een zadelrug en boegkreupel; zwak -op de voorhand, en met een half verbogen stang en een hoofdstel -van schapenleer, dat gedurig, als men het paard sterk ophield bij -het struikelen, gebroken en dan weer aan elkander geknoopt is; een -cingel, die al zesmaal gelapt is en een staartriem met fluweel van -een dameszadel, waar nog mooi met koperen nagels twee letters van -haar naam op staan, en die hier en daar met pakgaren gelapt is. - -BATTISTA. En wie vergezelt hem? - -BIONDELLO. Zijn lakei, heer, en die is waarachtig al evenzoo opgetuigd -als het paard; hij heeft een garen hoos aan het eene been en een -wollen sok aan het andere; den eenen knieband van rooden, den ander -van blauwen zelfkant; een ouden hoed, en daarop "de veertig lustige -liefdeliedjes" bij wijze van vederbos; een gedrocht, een waar gedrocht -in zijn kleeding, in het geheel niet als een christenbediende of -een edelmanslakei. - -TRANIO. Een vreemde luim, die tot dit doen hem drijft; -Maar toch, hij gaat wel meer wat min gekleed. - -BATTISTA. 'k Ben blij toch, dat hij komt, hoe 't dan ook zij. - -BIONDELLO. Wel, heer, hij komt niet. - -BATTISTA. Hebt gij dan niet gezegd, dat hij daar kwam? - -BIONDELLO. Wie? dat Petruccio kwam? - -BATTISTA. Ja, dat Petruccio kwam. - -BIONDELLO. Neen, heer, zijn paard, komt met hem er bovenop, - -BATTISTA. Och kom, dat is hetzelfde. - -BIONDELLO. Neen, bij Sint Japik, en een duit verwed ik er om: -Een paard en een man is meer dan een, schoon lang geen ruiterdrom. - -(Petruccio en Grumio komen op.) - -PETRUCCIO. Waar is hier 't schoon gezelschap? wie is thuis? - -BATTISTA. Goed, dat gij komt. - -PETRUCCIO. En toch kom ik niet goed. - -BATTISTA. Toch hinkt gij niet, heer. - -TRANIO. Niet zoo goed gekleed, -Als ik wel wenschte. - -PETRUCCIO. Al ware ik fijn gekleed, -Toch stoof ik met dezelfde vaart hier in. -Maar waar is Kaatje? waar mijn lieve bruid?-- -Hoe vaart mijn vader?--Vrienden, zijt gij boos? -Wat gapen mij deze eed'le gasten aan, -Als ware hier iets wondervreemds verschenen, -Als zagen zij een monster, een komeet? - -BATTISTA. Wel, heer, gij weet, dit is uw huwelijksdag; -Eerst waren wij bedroefd, dat gij niet kwaamt; -En thans nog meer bedroefd, dat gij zoo komt. -Foei, weg die kleeding! zij onteert uw stand, -En is een doorn in 't oog bij zulk een feest! - -TRANIO. En zeg ons, welk een oorzaak van gewicht -Zoo lang u van uw bruid verwijderd hield -En zoo onkenbaar u hierhenen dreef? - -PETRUCCIO. 't Verhalen maakte uw oor, mijn tong vermoeid; -Genoeg, ik kwam hier aan en hield mijn woord, -Doch kon niet alles doen wat ik beloofde. -Maar dit zal ik te zijner tijd wel zoo -Rechtvaardigen, dat gij tevreden zijt. -Maar waar is Kaatje? 'k Moest lang bij haar zijn; -De zon staat hoog; 't is tijd ter kerk te gaan. - -TRANIO. Ga toch niet zoo gekleed naar uwe bruid, -Kom met mij mee, trek kleed'ren aan van mij. - -PETRUCCIO. Neen, waarlijk niet; neen, zoo bezoek ik haar. - -BATTISTA. Maar zoo, verwacht ik, gaat gij niet ter trouw. - -PETRUCCIO. Waarachtig, zoo; daarom, geen woorden meer! -Zij trouwt met mij, en niet met mijn gewaad; -Vernieuwde ik, wat zij mij verslijten zal -Zoo snel, als ik dit poover kleed vervang, -'t Waar' goed voor Kaatje en beter voor mijzelf. -Maar dwaas, dat ik met u hier babb'len blijf, -En niet mijn bruid een blijden morgen wensch, -Dien naam bezeeg'lend met een teed'ren kus! - - (Petruccio, Grumio en Biondello af.) - -TRANIO. Hij heeft een doel met deze dolle kleeding; -Maar laat ons, is het moog'lijk, hem bepraten, -Dat hij zich voor den kerkgang beter kleedt. - -BATTISTA. Ik volg hem om te zien, waar dit op uitloopt. - - (Battista, Gremio en Bedienden af.) - -TRANIO (tot Lucentio). Heer, bij haar liefde hebben wij volstrekt -Haars vaders jawoord noodig, en hiertoe -Zie ik, zooals ik u reeds heb gezegd, -Naar iemand uit;--het doet er niet veel toe -Wie 't is; wij zullen hem zijn rol wel leeren,-- -Die voor Vincentio van Pisa speelt; -Die waarborg' schrift'lijk hier in Padua -U grooter sommen zelfs dan ik beloofde. -Dan ziet gij spoedig uwe hoop vervuld, -En huwt uw bruidje met haars vaders wil. - -LUCENTIO. Als maar mijn kameraad, die and're leeraar, -Bianca's schreden niet zoo scherp in 't oog hield, -Dan waar' een heim'lijke echt het best. Is die -Gesloten, zegge ook heel de wereld "neen", -Ik trots geheel de wereld, zij blijft mijn. - -TRANIO. Wij willen dit van stap tot stap bepraten, -En uitzien, wat ons voordeel brengen kan; -Licht foppen wij dan grauwbaard Gremio, -Den schuwen loeroog, vader Minola, -Den smachtenden muziekgek, Licio, -En alles voor mijn heer, Lucentio.-- - -(Gremio komt terug.) - -Reeds uit de kerk terug, signore Gremio? - -GREMIO. Zoo vlug als ik maar ooit de school ontvlood. - -TRANIO. En komt de jonge man en vrouw reeds aan? - -GREMIO. De jonge man? zeg eer, de wildeman, -Een kregelkop, dit zal zij ondervinden. - -TRANIO. Wat, kreeg'ler nog dan zij? Dit kan toch niet. - -GREMIO. Een duivel is hij, duivel, satan zelf. - -TRANIO. Zij is een duivelin, des duivels moêr. - -GREMIO. Zij is een kind, een duifje, een lam bij hem. -'k Zal u vertellen; op des priesters vraag: -"Wenscht gij deez' Katharina tot uw vrouw?" -Riep hij: "Verduiveld graag", en vloekte zoo, -Dat van den schrik de priester 't boek liet vallen; -En toen hij, om het op te rapen, bukte, -Gaf hem de dolle bruîgom zulk een duw, -Dat paap en boek daar lag, en boek en paap; -Toen riep hij: "Raap hen op! wie lust heeft, raap!" - -TRANIO. Wat zei de sukkel, toen hij weder stond? - -GREMIO. Die rilde en beefde; hij toch stampte en zwoer, -Dat hem de kapelaan voor 't lapje hield. -Maar nauw'lijks was de plechtigheid volbracht, -Of hij schreeuwt luid om wijn en roept: "Daar ga je",-- -Als was hij op zijn schip, en met zijn volk -Na storm aan 't drinken,--giet den wijn naar binnen, -En wierp, wat van den huwlijkskoek in 't glas -Nog over was, den koster in 't gezicht; -En uit geen and'ren grond, -Dan dat zijn baard zoo schraal en hong'rig was, -Dat die bij 't drinken om een sopje vroeg; -Toen greep hij woest zijn bruidje om den hals, -En gaf haar zulk een smakkend luiden kus, -Dat, toen hij losliet, heel de kerk weerklonk. -Toen ik dat zag, liep ik van schaamte weg, -En zeker volgt de trein mij op den voet. -Zoo dwaas een huw'lijk werd nog nooit gesloten;-- -Ja, luister! 'k hoor de muzikanten al! - -(Muziek.) - -(Petruccio, Katharina, Bianca, Battista, Hortensio, Gremio en Anderen -komen op.) - -PETRUCCIO. Mijnheeren, vrienden, 'k dank u voor uw moeite; -Ik weet, gij dacht hier met mij aan te zitten -En hebt een kost'lijk bruiloftsmaal gereed; -Maar tot mijn spijt drijft groote haast mij heen, -Waarom ik hier nu afscheid nemen wil. - -BATTISTA. Is 't moog'lijk, wilt gij nog deze' avond weg? - -PETRUCCIO. Ik moet bij dag nog heen, eer de avond valt;-- -Weest niet verbaasd; waar' de oorzaak u bekend, -Eer drongt gij, dat ik ging, dan dat ik bleef. -Vereerd gezelschap, dank u allen, die -Getuigen waart, hoe ik mijn leven aan -Deez' zachte, lieve en eerb're gâ verbond; -Spijst met mijn vader, wijdt een dronk aan ons, -Want ik moet heen;--en nu, vaart allen wel. - -TRANIO. Laat u verbidden, blijf tot na het maal. - -PETRUCCIO. Het kan niet zijn. - -GREMIO. Laat mij u dan verbidden. - -PETRUCCIO. Het kan niet zijn. - -KATHARINA. Laat mij u dan verbidden. - -PETRUCCIO. Nu is het goed. - -KATHARINA. Is 't u nu goed, te blijven? - -PETRUCCIO. Het is mij goed, dat gij me om blijven bidt; -Maar blijven kan ik niet, hoe gij me ook bidt. - -KATHARINA. Zoo gij mij liefhebt, blijf. - -PETRUCCIO. Grumio, mijn paarden! - -GRUMIO. De paarden staan klaar, heer, de haver heeft ze al opgevreten. - -KATHARINA. Nu dan, -Doe wat gij wilt, van daag reis ik niet af; -Ook morgen niet, niet eer dan ik 't verkies. -De deur is open, heer, daar ligt uw weg; -Hots gij maar weg, als gij op spelden staat; -Ik ga niet heen, niet eer dan ik 't verkies;-- -Dat moet toch wel een echte brombeer zijn, -Die zoo op de' eersten dag zijn klauw al toont! - -PETRUCCIO. Kom, Kaatje, kalm; ik bid u, word niet boos. - -KATHARINA. Ik wil nu boos zijn; waarom blijft gij niet? -Neen, vader, stil; hij blijft zoolang ik wil. - -GREMIO. O heer, daar hebt ge 't lieve leven al. - -KATHARINA. Komt, heeren, voorwaarts nu naar 't bruiloftsmaal! -Ik zie het al, de vrouw wierd een malloot, -Had zij de kracht, den moed niet tot verzet. - -PETRUCCIO. Zij zullen doen wat gij gezegd hebt, Kaatje;-- -Gehoorzaamt allen; 't is de bruid, die 't wil; -Viert feest en jubelt; voert de vreugd in top; -Wijdt aan haar vleklooze onschuld meen'gen dronk; -Weest uitgelaten dol,--of hangt u op; -Maar hier mijn beste Kaat, zij gaat met mij. -Neen, blikt niet boos, stampt, raast en tiert maar niet; -'k Wil meester zijn van wat mijn eigen is; -Zij is mijn have en goed; zij is mijn huis, -Mijn huisgerief, mijn veld, mijn korenschuur, -Mijn paard, mijn os, mijn ezel, ja mijn al; -Hier staat ze; wie het hart heeft, raak' haar aan; -Ik daag ter rekenschap wien ook, die stout -Den weg me in Padua verspert.--Trek, Grumio, -Trek, trek uw zwaard; zie, ons omsing'len roovers; -Bevrijd uw meesteres: toon u een man;-- -Vrees niets, mijn schat; zij doen u niets, mijn Kaatje; -Ik ben uw schutse, al waren ze een miljoen! - - (Petruccio, Katharina en Grumio af.) - -BATTISTA. Nu, laat hen gaan, een paar zoo zacht als lamm'ren. - -GREMIO. Waar' 't niet zoo snel gegaan, 'k waar' dood van 't lachen. - -TRANIO. Zoo dol een echt werd nergens ooit vertoond! - -LUCENTIO. Wat zegt ge, jonkvrouw, thans wel van uw zuster? - -BIANCA. Ze is een zottin, en heeft een zot tot maat. - -GREMIO. Ik sta hem borg, zijn Kaatje blijkt een Kaat. - -BATTISTA. Komt, buren, vrienden! Bruid en bruidegom -Ontbreken, ja, aan onze tafel, maar -Daarom ontbreken lekkernijen niet;-- -Neem gij de plaats des bruigoms in, Lucentio; -En gij, Bianca, eens de plaats der bruid. - -TRANIO. Zal dus Bianca leeren bruid te spelen? - -BATTISTA. Dat zal ze, ja, Lucentio.--Vrienden, komt! - - (Allen af.) - - - - - - - -VIERDE BEDRIJF. - - -EERSTE TOONEEL. - - -Een zaal in Petruccio's landhuis. - -Grumio komt op. - - -GRUMIO. Naar den drommel met alle lamme knollen, met alle -dolle meesters, met alle smerige wegen! Werd ooit een mensch zoo -geklopt? werd ooit een mensch zoo beklodderd? werd ooit een mensch -zoo afgebeuld? Ik ben vooruitgestuurd om vuur aan te maken, en zij -komen achterop om zich te warmen. Ja, was ik niet zoo'n kleine pot, -die gauw heet wordt, dan zouden waarachtig mijn lippen aan de tanden -vastvriezen, mijn tong aan mijn gehemelte, mijn hart in mijn lijf, -eer ik vuur genoeg had om mij te ontdooien;--maar ik zal mijzelf -warm maken door het vuur aan te blazen; want, van dit weer gesproken, -een langer kerel dan ik zou koû vatten. Heila, ho, Curtis! - -(Curtis komt op.) - -CURTIS. Wie roept daar met zoo'n bevroren stem? - -GRUMIO. Een stuk ijs; en als je het niet gelooven wilt, glijd dan -maar van mijn schouder tot mijn hiel, zonder meer aanloop dan van -mijn hoofd tot aan mijn nek. Vuur, vuur, beste Curtis! - -CURTIS. Is onze heer op de komst met zijn vrouw, Grumio? - -GRUMIO. Ja, ja, Curtis, ja; en daarom vuur, vuur en gooi er geen water, -geen water op! - -CURTIS. Is zij wezenlijk zoo'n heetgebakerde feeks, als men vertelt? -22 - -GRUMIO. Ja zeker, beste Curtis, maar vóór deze vorst; want, zooals je -weet, de winter maakt alles mak: man, vrouw en beest; want hij heeft -mak gemaakt mijn ouden meester, mijn jonge meesteres en mij ook, -broeder Curtis. - -CURTIS. Loop rond, jij zotskap van drie duim! ik ben geen beest. - -GRUMIO. Ben ik maar drie duim? Nu, je hoorn is wel een voet lang; en -zoo lang ben ik op zijn minst. Maar wil je nu het vuur eens aanmaken, -of zal ik over je klagen bij onze meesteres? dan zult je haar hand,--en -ze is nu ophanden,--gauw voelen, tot je kouden troost, omdat je zoo -lauw bent in je warmen dienst. - -CURTIS. Komaan, Grumio, vertel me, wat gaat er zoo al in de wereld om? - -GRUMIO. De wereld is koud, Curtis, alleen jouw dienst is een warm -baantje, en daarom vuur. Doe wat je doen moet, en je krijgt wat -je hebben moet; want mijn meester en mijn meesteres zijn bijna -doodgevroren. - -CURTIS. Het vuur is al aan, en dus, beste Grumio, voor den dag met -wat nieuws! - -GRUMIO. Nu, hoor dan: "Er waren zeven kikkertjes" (Hij zingt.) en -zooveel nieuwtjes, als er maar willen ontdooien. - -CURTIS. Loop rond met je snorrepijperijen; wat meen je? ik vat je niet. - -GRUMIO. Daar heb je gelijk in, want dan had je ook de koû, die ik -gevat heb; daarom vuur! Waar is de kok? is het avondeten klaar, het -huis netjes in orde, zijn de biezen gestrooid, de hoekjes geraagd, -de lui in hun nieuw bombazijn, hun witte kousen en alle bedienden in -hun bruîgomspakken? - - Zijn de kannen kant en de bekers klaar, - Niets aangebrand en alles goed gaar, - En de vloer wel gezand voor het jonge paar? - Is alles in orde? - -CURTIS. Alles klaar; en daarom, ik bid je, wat nieuws! - -GRUMIO. Dan moet je weten, vooreerst, dat mijn paard doodmoe is; -en dan, dat mijn meester en mijn meesteres wat ongemakkelijk zijn -uitgevallen. - -CURTIS. Zoo? - -GRUMIO. Ja, uit het zaâl in de modder; en daar is een heele -geschiedenis aan vast. - -CURTIS. Zoo, laat hooren, beste Grumio! - -GRUMIO. Stil, aan 't oor. - -CURTIS. Hier. - -GRUMIO. Daar (Hij geeft Curtis een oorveeg.)! - -CURTIS. Dat is het verhaal voelen, in plaats van het te hooren. - -GRUMIO. En daarom mag het een gevoelvol verhaal heeten; maar 't was -alleen om bij je oor aan te kloppen en gehoor te vragen. Nu begin ik: -primo, we kwamen daar een morsigen heuvel af en mijn meester reed -achter mijn meesteres. - -CURTIS. Samen op één paard? - -GRUMIO. Wat vertel je? - -CURTIS. Samen op een paard? - -GRUMIO. Vertel jij dan de geschiedenis;--maar, als je me niet in de -rede was gevallen, zou je gehoord hebben, hoe haar paard viel en zij -onder haar paard; dan zou je gehoord hebben, hoe modderig het daar -was; hoe zij beklodderd werd; hoe hij haar daar liet liggen met haar -paard boven op haar; hoe hij mij sloeg, omdat hààr paard struikelde; -hoe zij door de modder waadde, om hem van mij af te rukken; hoe hij -vloekte; hoe zij smeekte,--zij die nooit te voren gesmeekt had; hoe ik -schreeuwde; hoe de paarden wegliepen; hoe haar teugel doorscheurde; hoe -ik mijn staartriem verloor;--en nog veel andere gedenkwaardige dingen, -die nu in vergetelheid zullen vergaan, en jij zult in onwetendheid -tot uw graf wederkeeren. - -CURTIS. Op die manier is hij nog erger helleveeg dan zij. - -GRUMIO. Ja, en dat zul jij en de verwaandsten van u allen ondervinden, -als hij thuis komt. Maar wat blijf ik over dit alles leuteren?--roep -toch Nathaniel, Jozef, Klaas, Flip, Walter, Suikersnoep en de rest; -laten zij hun haar goed glad kammen, hun blauwe kamizolen goed -borstelen en hun kousebanden gelijk strikken; laten ze een buiging -maken met hun linkerbeenen; en het hart niet hebben om een haar aan -te raken van mijn meesters paardestaart, voordat ze hun handen gekust -hebben. Zijn ze allen klaar? - -CURTIS. Ja zeker. - -GRUMIO. Roep ze dan hier. - -CURTIS. Heila, hoort dan toch! Hier, je moet mijn meester te gemoet -gaan, om een goed figuur te maken voor mijn meesteres. - -GRUMIO. Nu, ze heeft al wel een figuur van haar eigen. - -CURTIS. Nu, wie weet dat niet? - -GRUMIO. Jij niet, zoo het schijnt, daar je anderen oproept om voor -haar een figuur te maken. - -CURTIS. Ik riep hen, om haar eer te bewijzen. - -GRUMIO. Je hoeft haar geen heer te wijzen; ze heeft er al een, en -daar ze 't wel mee doen kan. - -(Eenige Bedienden komen op.) - -NATHANIEL. Welkom thuis, Grumio! - -FLIP. Hoe gaat het, Grumio? - -JOZEF. Kijk eens aan! Grumio! - -KLAAS. Zoo, zoo, onze vriend Grumio! - -NATHANIEL. Hoe staat het ermee, ouwe jongen? - -GRUMIO. Welkom, jij; hoe gaat het? jij; kijk eens, jij; onze vriend, -jij;--en zoo ben ik rond met groeten. En zegt me 'reis, mooie jongens, -is alles klaar, is alles in de puntjes? - -NATHANIEL. Alles is in orde; zal onze baas er al gauw wezen? - -GRUMIO. Hij is vlak bij huis, zal dadelijk afstijgen; past daarom -op,--Heere beware, stil, daar is hij al! - -(Petruccio en Katharina komen op.) - -PETRUCCIO. Waar is 't geboeft? Wat! niemand aan de deur, -Die mij den beugel hield, het paard mij afnam! -Waar is Nathaniel, Gregoor en Flip? - -ALLEN. Hier, hier, heer! hier, heer! - -PETRUCCIO. Hier, heer! hier, heer! hier, heer! hier, heer! -Gij ezelskoppen! luie, lompe vlegels! -Wat, geen ontvangst? geen ijver? geen respect?-- -Zeg, dwaas, dien ik vooruitgezonden heb! - -GRUMIO. Hier, heer; nog even dwaas als toen ik ging, - -PETRUCCIO. Jij boerenlummel, schaapskop, ezelskind! -Heb ik je niet gezegd, dat jij in 't park -Met dit geboeft' mij tegenkomen zoudt? - -GRUMIO. Nathaniels rok, heer, was zoo erg getarnd; -En Gabriels schoenen sloften telkens uit; -Er was geen zwartsel meer voor Peters hoed; -De scheê van Walters dolk werd juist gelapt; -In 't beste pak slechts Adam, Ralph en Flip, -Al de and'ren haav'loos en gescheurd; maar toch, -Zooals ze zijn, ze staan daar tot uw dienst. - -PETRUCCIO. Vlug, schoeljes, vliegt; en brengt het avondmaal!-- - - (De Bedienden af.--Petruccio zingt.) - -"Waar zijn mijn vroeg're dagen heen? -"Waar zijn"--Ga zitten, Kaatje, welkom thuis! -Oef, oef, oef, oef! - -(Het eten wordt opgebracht.) - -Komaan, wat vlug!--Wees vroolijk, liefste Kaatje! -Mijn laarzen uit, schavuiten, vlegels, komt! - -(Hij zingt.) - - "Een kloosterling in grauwe pij, - Die kwam een heilig huis voorbij;"-- -Wat, schurk! je trekt mijn voet daar uit het lid; -Pak aan! (Hij geeft hem een oorveeg.) en trek die and're beter uit.-- -Wees vroolijk, Kaatje;--water hier! en vlug!-- -Waar is mijn poedel Hector?--Knaap, ga zeggen, -Dat Ferdinand, mijn neef, hier komt;--(Een Bediende af.) dìen moet -Gij leeren kennen, Kaatje, kus hem welkom. -Waar zijn mijn muilen?--Komt het water haast? - -(Een Bediende biedt hem een waschkom en waterkan aan.) - -Verfrisch u, Kaatje; wees hier hart'lijk welkom. - -(De Bediende laat de kan vallen.) - -Infame vlegel! laat je 't vallen? Hier! - -(Hij slaat hem.) - -KATHARINA. Verschoon het, man; het was bij ongeluk. - -PETRUCCIO. Het is een schoelje, een langoor, een schavuit! -Ga zitten, Kaatje, gij zult hong'rig zijn. -Doet gij 't gebed, mijn lieve Kaatje, of ik?-- -Wat is dat? Lamsbout? - -EERSTE BEDIENDE. Ja. - -PETRUCCIO. Wie bracht dat? - -EERSTE BEDIENDE. Ik. - -PETRUCCIO. 't Is aangebrand; en zoo is al het eten; -Wat hondevolk!--Waar is die schelmsche kok? -Hoe hebt gij, schurken, 't hart, op onze tafel -Zulk goed te brengen, dat oneetbaar is? -Dáár, houdt het zelf, hier, borden, schotels, alles; - -(Hij werpt het eten enz. over den vloer.) - -Gij stomme vlegels, lomperds, galgenaas; -Wat! bromt ge? 'k Zal je leeren, hoe het hoort! - -KATHARINA. Ik bid u, wees niet driftig, lieve man; -Het eten was heel goed, als gij 't woudt proeven. - -PETRUCCIO. Neen, Kaatje; 't was verdroogd en aangebrand; -Zulk eten is uitdrukk'lijk mij verboden, -Omdat het gal verwekt en ergernis; -Veel beter is het, dat wij beiden vasten,-- -Want beiden zijn we alreeds van aard cholerisch,-- -Dan dat we ons prikk'len met verbraden vleesch. -Geduld maar, morgen zal het beter zijn, -En dezen avond vasten wij eens saam. -Kom mee; ik breng u naar uw bruidsvertrek. - - (Petruccio, Katharina en Curtis af.) - -NATHANIEL. (vooruitkomend.) Zeg, Peter, heb jij ooit zoo iets gezien? - -PETER. Hij maakt haar met haar eigen grillen klein. - -(Curtis komt terug.) - -GRUMIO. Waar is hij? - -CURTIS. In haar kamer, -En prijst met een sermoen haar 't vasten aan; -En schimpt en vloekt en scheldt, dat de arme ziel -Niet weet waarheen, niet opzien durft, niet spreken, -En zit als een, die uit een droom ontwaakt. -Kom, voort, kom mee! daar is hij weer terug. - - (Allen af.) - -(Petruccio komt weder op.) - -PETRUCCIO. 'k Aanvaardde mijn regeering met beleid, -En ben vol moed, dat alles goed zal gaan; -Mijn valk, met leêge maag, ziet mij naar 't oog; -En tot zij mak is, krijgt zij niet volop, -Want anders komt ze niet op mijn geroep. -'k Weet nòg iets, dat mijn schuwen vogel temt -En komen laat op 't roepen van den baas; -Ik houd haar wakker evenals een valk, -Die klept en slaat en ongehoorzaam is. -Zij at van daag geen beet en mag 't ook niet, -Sliep gist'ren niet en zal 't van nacht ook niet; -Zooals van 't eten, zeg ik van het bed, -En zonder grond, dat niets is zooals 't hoort, -En werp het kussen hier, de peluw daar, -En hier het dek en ginds de lakens heen;-- -Ja, en bij al 't getier, geef ik toch voor, -Dat ik zoo doe uit teed're zorg voor haar. -Kortom, ik houd de gansche nacht haar wakker; -En knikkebolt ze soms, dan scheld en raas ik, -Dat haar het leven wel klaar wakker houdt; -Zoo wordt ze klein gemaakt door teed're zorg, -En buig ik wel haar dollen, kreeg'len kop. -Weet voor een temkuur iemand beet'ren raad, -Hij deele 't mee, zijn evenmensch ten baat. - - (Petruccio af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Padua. Voor het huis van Battista. - -Tranio en Hortensio komen op. - - -TRANIO. Vriend Licio, is 't moog'lijk, dat Bianca -Een ander dan Lucentio bemint? -Voorwaar, dan draait ze mij een rad voor 't oog. - -HORTENSIO. Wilt gij bewijs, heer, dat ik waarheid sprak, -Kom hier, en hoor, hoe hij haar onderricht. - -(Zij gaan ter zijde.) - -(Bianca en Lucentio komen op.) - -LUCENTIO. Nu, jonkvrouw, trekt gij nut uit wat gij leest? - -BIANCA. Zeg gij mij, meester, eerst, wat gij wel leest. - -LUCENTIO. Slechts wat ik u verklaar, de Kunst van minnen. - -BIANCA. O blijk weldra, heer, meester in die kunst! - -LUCENTIO. Ja, dier'bre meesteresse, door uw gunst! - -(Zij gaan voorbij.) - -HORTENSIO. Ze zijn volleerd! Wat zegt gij nu? Gij dorst -Een eed doen: uw meest'res Bianca minde -Ter wereld niemand dan Lucentio. - -TRANIO. O, bitterbooze liefde! O trouwloos vrouwvolk! -Ik zeg u, Licio, dit is ongehoord. - -HORTENSIO. Ik werp het masker af; ik ben niet Licio, -Noch leeraar in muziek, zooals ik schijn; -Maar een, wien 't nu verdriet vermomd te zijn -Voor iemand, die een edelman versmaadt -En zulk een schobbejak als God vereert; -Mijn ware naam, heer, is Hortensio. - -TRANIO. Vaak hoorde ik reeds, Signor Hortensio, -Van uwen grooten hartstocht voor Bianca; -Thans was mijn oog van haar lichtzinnigheid -Getuige, en 'k zweer met u,--dunkt dit u goed,-- -Voor eeuwig haar en hare min hier af. - -HORTENSIO. Zie eens dat koozen, kussen!--Hier, Lucentio, -Hier is mijn hand, en hier bezweer ik u:-- -Ik wensch haar hand niet meer; ik zweer haar af, -Omdat zij nooit de teederheid verdiende, -Waarmede ik dwaas'lijk haar bewierookt heb. - -TRANIO. En hier doe ik oprecht denzelfden eed,-- -Haar nooit te huwen, zelfs al vroeg ze 't mij; -Foei, zie, hoe schand'lijk zij daar met hem koost! - -HORTENSIO. Zwoer heel de wereld, buiten hem, haar af!-- -Ikzelf,--zoo houd ik wis mijn eed,--ik neem, -Eer 't jaar drie dagen ouder is, tot vrouw -Een rijke weeuw, die al den tijd, dat mij -Dit preutsche meisje boeide, heeft bemind. -En nu vaarwel, Signor Lucentio. -Geen mooi gezichtje, neen, voorkomendheid -Verwerft mijn liefde; en zoo verlaat ik u, -En staaf gewis den eed, dien ik daar zwoer. - - (Hortensio af.) - -(Lucentio en Bianca komen naar voren.) - -TRANIO. Jonkvrouw Bianca, stroome u ied're zegen, -Dien ooit de teerste liefde wenschte, tegen, -Ja, ja, 'k heb u betrapt, mijn zoet, lief kind, -En afgezworen, met Hortensio. - -BIANCA. Tranio, gij schertst; zwoert gij mij beiden af? - -TRANIO. Ja, jonkvrouw. - -LUCENTIO. Goed; dan zijn wij Licio kwijt. - -TRANIO. O ja, die neemt een willig vroolijk weeuwtje, -Dat wel in één dag bruid en vrouw wil zijn. - -BIANCA. Wel moog' het hem bekomen! - -TRANIO. Ja, en hij maakt haar mak. - -BIANCA. Dit zegt hij, Tranio. - -TRANIO. Ja toch, hij gaat al op de makmaakschool. - -BIANCA. De makmaakschool; wat! is er zulk een ding? - -TRANIO. Ja toch; Petruccio geeft er les, en leert -Er op zijn elf en dertigst, hoe een man -Een booze vrouwetong bezweren kan. - -(Biondello komt haastig aangeloopen.) - -BIONDELLO. O meester, 'k stond zoo lang op wacht, dat ik -Zoo moe ben als een hond; maar eind'lijk daalt -Ginds van den berg een oude hemelzend'ling, -Die juist ons past. - -TRANIO. Wat man is 't, Biondello? - -BIONDELLO. 't Moet een kantoor- of schoolvos wezen, heer, -Wat, weet ik niet, maar naar zijn deftig kleed, -Naar gang en houding op ende op een vader. - -LUCENTIO. Wat wilt ge, Tranio? - -TRANIO. Ik zorg, slaat hij geloof aan mijn verhaal, -Dat hij wàt graag hier voor Vincentio speelt, -En borg is bij Battista Minola, -Als waar' hij onvervalscht Vincentio. -Ga met uw liefste heen; laat mij begaan. - - (Lucentio en Bianca af.) - -(Een Pedant komt op.) - -PEDANT. Gegroet, heer! - -TRANIO. Insgelijks; wees welkom, heer! -Reist gij nog door, of zijt ge reeds aan 't doel? - -PEDANT. Ik ben aan 't doel, heer, voor een week of twee; -Dan reis ik verder op, en wel naar Rome, -En dan, als God wil, heel naar Tripoli. - -TRANIO. Vergun, wat landsman, heer? - -PEDANT. Van Mantua. - -TRANIO. Van Mantua?--Verhoede 't God! En zijt gij -Uw leven moe, dat gij naar Padua komt? - -PEDANT. Mijn leven, heer? Hoe zoo toch? Welk een schrik! - -TRANIO. Elk, die uit Mantua in Padua komt, -Die is des doods. En weet gij niet waarom? -Venetië legt beslag op uwe schepen; -De doge ligt in twist met uwen hertog, -En heeft het openlijk bekendgemaakt. -'t Is vreemd, maar ja, gij komt daar zoo pas aan, -De lezing ware u anders niet ontgaan. - -PEDANT. Helaas, heer, dit is dubbel erg voor mij, -Want ik heb wisselbrieven uit Florence, -Die ik alhier te gelde maken moet. - -TRANIO. Nu, heer, om u van dienst te zijn, wil ik -Dit doen, en dezen raad u geven:--maar -Zeg eerst, zijt gij in Pisa ooit geweest? - -PEDANT. Ja heer, ik ben in Pisa vaak geweest, -Pisa, beroemd door tal van wakk're burgers. - -TRANIO. Kent gij daaronder zeek'ren heer Vincentio? - -PEDANT. Niet van persoon, doch 'k heb van hem gehoord; -Een koopman van onmetelijk fortuin. - -TRANIO. Dat is mijn vader, heer; en, op mijn woord -Hij heeft in zijn gelaat wel wat van u. - -BIONDELLO (ter zijde). Zooals een appel van een oester, ja precies. - -TRANIO. Om 't leven u te redden in deez' nood, -Wil ik om zijnentwil deez' dienst u doen; -Gij, reken het voorwaar geen klein geluk, -Dat ge op den heer Vincentio zoo gelijkt. -Gij borgt van hem den naam nu en 't krediet, -En neemt,--dit spreekt,--uw intrek in mijn huis;-- -Maar zorgt dan ook, dat gij uw rol goed speelt; -Begrepen, heer?--en blijf gerust, tot gij -Uw zaken in de stad hebt afgedaan; -Acht gij dit aanbod goed, heer, neem 't dan aan. - -PEDANT. O gaarne, heer, en immer roem ik u -Als redder van mijn leven en mijn vrijheid. - -TRANIO. Kom mee dan, en terstond aan 't werk getogen! -Voorloopig echter deel ik dit u mee: -Mijn vader wordt hier elken dag verwacht, -Om 't weduwgoed te reeg'len voor mijn bruid, -De dochter van een zeek'ren heer Battista. -Dit alles moet ge omstandig weten, heer; -Maar volg mij nu, en kleed u naar uw stand. - - (Allen af.) - - - - -DERDE TOONEEL. - - -Een kamer in Petruccio's huis. - -Katharina en Grumio komen op. - - -GRUMIO. Neen, neen, voorwaar, ik durf niet 't gold mijn leven. - -KATHARINA. Hoe meer ik lijd, te hooger klimt zijn hoon! -Werd hij mijn man slechts om mij uit te hong'ren? -Geen beed'laar smeekt er aan mijns vaders deur, -Of oogenblikk'lijk krijgt hij ook een aalmoes, -Of anders vindt hij elders wel erbarming; -Doch ik,--die nimmer wist wat smeeken is, -En die de nood tot smeeken nimmer dwong,-- -Ik sterf van honger, suizebol van slaap; -Men vloekt mij wakker, voedt mij met getier; -En,--wat mij dieper krenkt dan al deez' nood,-- -Hij kleurt dit met den schijn van teederheid, -Als zei hij: "Slaap toch niet", en "Eet toch niet; -"'t Maakte u doodziek, ja, plotsling waart ge een lijk."-- -Ik bid u, breng mij iets om te eten! breng -Wat het ook zij, als het maar eetbaar is. - -GRUMIO. Wat dunkt u van een kalfspoot? - -KATHARINA. O heerlijk! breng het maar! gauw, bid ik u. - -GRUMIO. Ik vrees, dat eten is te phlegmatiek.-- -Wat zegt gij wel van goed gebraden rolpens? - -KATHARINA. O, dat is goed, ga; haal het, goede Grumio. - -GRUMIO. Ik vrees, ik vrees, dat is te choleriek. -Wat dunkt u,--een stuk ossevleesch met mosterd? - -KATHARINA. 't Is, Grumio, wel het heerlijkst, dat ik ken. - -GRUMIO. Ja, maar die mosterd is wat al te prikk'lend. - -KATHARINA. Nu, dan het vleesch, en laat den mosterd weg. - -GRUMIO. Neen, dat volstrekt niet, neen, gij krijgt geen mosterd, -Of Grumio haalt voor u geen ossevleesch. - -KATHARINA. Nu, 't een of 't ander, beide, of wat gij wilt. - -GRUMIO. Nu, dan den mosterd zonder 't ossevleesch. - -KATHARINA. Ga, scheer u weg, gij valsche treiter-vlegel, - -(Zij slaat hem.) - -Die mij met etensnamen spijzen wilt; -Verwenscht zijt gij en heel uw boevenbent, -Die u zoo vroolijk maakt om mijn ellend! -Weg, zeg ik, scheer u weg! - -(Petruccio komt op, met een schotel, vergezeld van Hortensio.) - -PETRUCCIO. Hoe is 't, mijn Kaatje? Wat! mijn lief, verdrietig? - -HORTENSIO. Hoe is 't, mevrouw? - -KATHARINA. Nu, waarlijk slecht genoeg. - -PETRUCCIO. Kom, opgewekt! en zie mij vriend'lijk aan. -Zie, liefste, zie, hoe 'k alles voor u doe; -Ik richt het maal zelf aan en breng 't u hier, - -(Hij zet den schotel neer.) - -En reken, lieve Kaatje, op uw dank. -Wat, zelfs geen woord? Dan is 't niet naar uw smaak, -En was mijn moeite en zorg alweer vergeefsch;-- -Hier, neem den schotel weg. - -KATHARINA. Ach, laat hem staan. - -PETRUCCIO. De kleinste dienst wordt nog met dank vergolden, -En vóór gij eten gaat, wacht ik uw dank. - -KATHARINA. Ik dank u zeer. - -HORTENSIO. Signor Petruccio, foei! gij zijt te gispen;-- -Kom, eet, mevrouw; 'k zal u gezelschap houden. - -PETRUCCIO (ter zijde). Hortensio, blijk mijn vriend, eet alles op.-- -'t Bekome u wel, mijn lieve schat! Maar Kaatje, -Eet spoedig af;--want hoor, mijn zoetelief, -Wij gaan nu naar uws vaders huis en komen -Er op het feest eens prachtig voor den dag, -Met zijden kleedjes, hoedjes, gouden ringen, -Met strikken, kwikken, duizend fraaie dingen, -Met sjaals en waaiers, telkens nieuwen tooi, -Met barnsteen, paarlen, duizenderlei mooi. -Hebt gij gedaan? De snijder staat gereed -En hult u in een ruischend zijden kleed. - -(Een Snijder komt op.) - -Kom, snijder, laat uw moois eens zien en sprei -'t Gewaad nu uit.-- - -(Een Hoedenmaker komt op.) - - En gij, wat nieuws brengt gij? - -HOEDENMAKER. Den hoed, heer, dien uw edelheid bestelde. - -PETRUCCIO. Kijk, dat lijkt op een soepbord wel gevormd! -Een schotel van fluweel! Foei, miss'lijk, aak'lig! -O foei, een oester of een notedop, -Een prul, een nest, een niets, een poppenhoed! -Kom, weg er mee, en laat me een groot'ren zien. - -KATHARINA. Ik wil geen groot'ren; dit is juist de smaak; -Zoo dragen het de dames van het hof. - -PETRUCCIO. Wees gij dan hoofsch, dan krijgt ge zulk een hoed, -Doch eerder niet. - -HORTENSIO (ter zijde). Dat loopt nog wel wat aan. - -KATHARINA. Ik mag toch ook nog zeggen, wat ik denk, -En 'k wil het zeggen; 'k ben geen kind, geen zuig'ling; -Ik heb, wat mij op 't hart lag, steeds gezegd, -Aan beet'ren zelfs dan gij; verdraagt gij 't niet, -Stop de ooren dan maar dicht. Ik wil mij uiten; -Mijn hart bezweek van ergernis, zoo 'k zweeg; -En eerder geef ik, wat ik denk en wil, -Al zij het nog zoo fel, in woorden lucht. - -PETRUCCIO. Gij hebt gelijk, afschuw'lijk is de hoed, -Een taartendeksel, een pastei van taf; -'t Is lief van u, dat gij hem ook niet wilt. - -KATHARINA. Vindt gij het lief of niet, die hoed is lief: -Dien wil ik hebben, of ik wil er geen. - - (De Hoedenmaker vertrekt.) - -PETRUCCIO. Ah ja, uw kleed!--Kom, snijder, laat eens zien.-- -Gerechte hemel! goed voor vastelavond! -Wat 's dit?--een mouw? 't lijkt wel een klein kanon, -Gekorven op en neer, als appeltaart; -'t Is snip snap, snij maar toe, en knip maar knap; -'t Lijkt wel een vuurpot uit een scheerderswinkel;-- -Hoe noemt ge, snijder, dit, in 's duivels naam? - -HORTENSIO (ter zijde.) Ik merk het al, zij krijgt nòch hoed nòch kleed. - -SNIJDER. De last was, om het net en, zooals 't hoort, -Te maken naar den laatsten smaak en snit, - -PETRUCCIO. Te maken naar den smaak, ja, maar, let wel, -Ik sprak niet van versnijden naar den smaak. -Ga, dros maar op, door dik en dun, naar huis, -Dros op, maar zonder mijn klandisie, man; -Ik dank je; zie maar, dat je 't elders slijt. - -KATHARINA. Ik zag nog nooit een kleed van beter snit, -Zoo net gewerkt, zoo sierlijk, zoo bevallig; -Het schijnt, ge wilt, dat ik een speelpop word. - -PETRUCCIO. Ja juist, hij wil, dat gij een speelpop wordt. - -SNIJDER. Zij zegt, uwe edelheid wil, dat zij een speelpop wordt. - -PETRUCCIO. Hoe onbeschaamd! Je liegt, jij garenklos, -Jij vingerhoed! -Jij el, drie kwart el, half el, kwart el, achtste! -Jij mug, jij vloo, jij neet, jij schoorsteenkrekel, -Jij endje draad, mij tarten in mijn huis! -Voort, voort, jij lap, jij vod, jij lomp, jij snipper, -Of ik neem met jouw el je zóó de maat, -Dat heel je leven je deez' praatjes rouwen! -Dat kleed, zeg ik nog eens, het is verknipt. - -SNIJDER. Uw edelheid vergist zich; 't is gemaakt, -Precies zooals 't mijn meester werd besteld, -Hier, Grumio, gaf hem op, hoe 't wezen moest. - -GRUMIO. Dat gaf ik hem niet op; ik gaf de stof. - -SNIJDER. En wat hebt gij van 't maken dan gezegd? - -GRUMIO. Dat moest met naald en draad; dat sprak van zelf. - -SNIJDER. En niet gezegd, hoe of de snit moest zijn? - -GRUMIO. Je hebt zeker al heel wat geboord? - -SNIJDER. Nog al. - -GRUMIO. Nu, kom mij dan toch niet aan boord met je praatjes; je hebt -zeker al heel wat gekeerd; maar keer mijn woorden niet om; ik verkies -nòch geboord nòch gekeerd te worden. Ik zeg je, dat ik je meester -gezegd heb, het kleed te snijden; maar ik heb hem niet geheeten, -het heelemaal stuk te snijden; ergo, je liegt. - -SNIJDER. Nu, hier heb ik de bestellijst tot bewijs. - -PETRUCCIO. Lees op. - -GRUMIO. Die lijst liegt, dat ze zwart ziet, als ze zegt, dat ik het -zoo besteld heb. - -SNIJDER. "Imprimis, een kleed met een ruim lijf." - -GRUMIO. Meester, als ik iets van een ruim of een los lijf gesproken -heb, naai me dan in den schoot er van, en sla me dood met een kluwentje -bruin garen; ik heb gezegd: een kleed. - -PETRUCCIO. Ga voort. - -SNIJDER. "Met een smallen, ronden kraag;"-- - -GRUMIO. Ik erken, ik heb gesproken van een kraag. - -SNIJDER. "Met een pofmouw,"-- - -GRUMIO. Ik erken: twee mouwen. - -SNIJDER. "De mouwen naar de mode uitgesneden." - -PETRUCCIO. Ja, daar zit 'em de schelmerij. - -GRUMIO. Dat is fout in de lijst, heer, fout in de lijst! Ik heb -besteld, dat de mouwen uitgesneden zouden worden en weer toegenaaid; -en dat wil ik tegen je volhouden, al is je pink ook met een vingerhoed -gewapend. - -SNIJDER. Het is waar, wat ik zeg; en had ik je ergens anders, dan -zou ik 't je wel leeren. - -GRUMIO. Ik ben dadelijk tot je dienst, man; neem jij je bestellijst -en geef mij je meetstok; en spaar me niet. - -HORTENSIO. Bewaar me, Grumio, je geeft niets voor. - -PETRUCCIO. Nu, kort en goed, man; 't kleed is niet voor mij. - -(Hij werpt het op den grond.) - -GRUMIO. Gij hebt gelijk, 't is voor mijn meest'res. - -PETRUCCIO (tot den Snijder). Neem 't op, man, 't is ten dienste van -uw meester. - -GRUMIO. Schurk, bij je leven niet! het kleed van mijn meesteres -opnemen ten dienste van je meester! - -PETRUCCIO. Wel, man, wat zoek je daarachter? - -GRUMIO. O heer, daar steekt meer achter, dan gij denkt; -Het kleed opnemen van mijn meesteres. -Ten dienste van zijn meester! Foei! foei! foei! - -PETRUCCIO (ter zijde). Hortensio, zeg, dat gij 't betalen zult. -(Luid.) Ga, neem het mee; wat vlug; geen enkel woord meer. - -HORTENSIO (tot den Snijder). Ik neem het kleed, vriend; morgen krijgt -gij 't geld; -En wees maar niet verstoord om zijne drift. -Vlug, neem het mee, en zeg dit aan je meester. - - (Snijder af.) - -PETRUCCIO. Kom nu, mijn Kaatje, eens naar uw vader toe, -In dit armoedig, doch welvoeg'lijk kleed; -Met trotsche beurs, schoon need'rig van gewaad; -De geest alleen geeft aan het lijf waardij; -Gelijk de zon door zwarte wolken breekt, -Zoo schittert de eer zelfs in het need'rigst kleed. -Wie schat den meerkol hooger dan den leeuwrik, -Omdat zijn veed'ren fraaier zijn van kleur? -Wie acht een adder beter dan den aal, -Omdat haar bonte huid het oog bekoort? -Neen, Kaatjelief, gij zijt in 't minst er niet -Te minder om, al is 't gewaad wat min. -Zijt ge er beschaamd om, leg het mij ten last; -Wees dus goedsmoeds; wij gaan nu daad'lijk naar -Uws vaders huis om vroolijk feest te vieren.-- -Ga, roep mijn volk; wij reizen daad'lijk af; -Men breng' de paarden aan het eind der laan; -Daar stijgen we op; wij wandelen er heen.-- -Laat zien; het is nu zeven uur omtrent, -Wij kunnen juist op etenstijd er zijn. - -KATHARINA. Geloof me, waarlijk, 't is niet ver van twee; -'t Is tijd voor 't avondmaal, eer gij er zijt. - -PETRUCCIO. 't Zal zeven zijn, of ik stijg niet te paard; -Zie, wat ik zegge of doe, of wensch te doen, -Nooit is het goed.--Gij knapen, gaat maar heen; -Ik wil vandaag niet gaan, en, eer ik 't doe, -Zal het zoo laat zijn, als ik 't hebben wil. - -HORTENSIO. Ei, ei! dit heer stelt aan de zon de wet. - - (Allen af.) - - - - -VIERDE TOONEEL. - - -Padua. Voor het huis van Battista. - -Tranio en de Pedant, de laatste als Vincentio gekleed, komen op. - - -TRANIO. Heer, dit is 't huis; verlangt gij, dat ik klop? - -PEDANT. Wat anders? en als ik mij niet bedrieg, -Zal ik signor Battista nog wel voorstaan; -'t Mag twintig jaar zijn, sinds we saam in Genua -Onze' intrek hadden in den Pegasus. - -TRANIO. Goed; maar bewaar zoo, wat er ook gebeur', -Uw deftigheid, zooals 't een vader past. - -(Biondello komt op.) - -PEDANT. Ik sta u borg;--maar, heer, daar komt uw dienaar; -Breng hem toch op de hoogte; dit is zaak. - -TRANIO. O, geen bezwaar. Hé, Biondello, luister! -Pas nu goed op, en weet,--vergis u niet,-- -Deez' heer is thans Vincentio in persoon. - -BIONDELLO. O, wees gerust. - -TRANIO. En bracht ge uw boodschap over aan Battista? - -BIONDELLO. Uw vader, zeide ik, was reeds in Venetië, -En wordt vandaag in Padua verwacht. - -TRANIO. Ge zijt een kerel; hier, daar is wat drinkgeld.-- -Daar komt Battista; heer, houd thans u goed. - -(Battista en Lucentio komen op.) - -Signor Battista, dat is wel getroffen.-- -Dit, vader, is de heer, waar ik van sprak. -Ik bid u, geef uw vaderhart het woord; -Verzeker door mijn erfdeel mij Bianca. - -PEDANT. Al zacht, mijn zoon!-- -Vergun mij, heer: ik kwam naar Padua -Om schulden te innen, en daar meldt mijn zoon -Lucentio mij een zeer gewichtig nieuws, -Van liefde tusschen hem en uwe dochter; -En daar ik zooveel goeds van u vernam, -En merk, dat hij uw dochter teer bemint -En zij hem ook, zoo houd ik hem niet op, -En keur, zooals een zorg'lijk vader doet, -Goed, dat hij trouwt; en,--denkt gij zooals ik,-- -Dan vindt ge mij bereid tot een verdrag, -En stemmen wij te zaam in 't huw'lijk toe; -'k Wil geen bedenktijd nemen nu 't u geldt, -Signor Battista; 'k hoor veel goeds van u. - -BATTISTA. Vergun mij, heer, van mijn kant u te zeggen;-- -Dat gij zoo kort en bondig spreekt, bevalt mij; -Wáár is het, dat uw zoon Lucentio hier -Mijn dochter mint en zij hem weer bemint, -Tenzij zij beiden hun gevoelens veinzen; -En daarom, als gij dit mij slechts verklaart, -Dat gij als vader met hem hand'len zult, -En haar een passend weduwgoed verzeek'ren, -Dan zijn wij 't eens en is het huwlijk klaar -En geef ik graag mijn dochter aan uw zoon. - -TRANIO. Ik dank u, heer. En waar vindt gij het best, -Dat de verloving plaats grijp' en 't contract, -Dat wederzijds voldoet, geteekend word'? - -BATTISTA. Niet hier, Lucentio; potten hebben ooren, -Zooals ge weet, en 'k heb vrij wat bedienden; -En de oude Gremio ligt er niet voor niets -Steeds op de loer; licht werden wij gestoord. - -TRANIO. Dan in mijn woning, heer, als gij zoo wilt. -Mijn vader toeft er ook; wij kunnen daar -Van avond stil de zaak in orde brengen; -Ontbied uw dochter door uw dienaar hier; -Mijn dienaar spoede zich naar den notaris. -Het ergst is,--bij 't onvoorbereid bezoek -Vindt gij waarschijnlijk slechts een schraal onthaal. - -BATTISTA. Mij is het goed;--ga, Cambio, huiswaarts nu, -En zeg Bianca met u mee te gaan, -En, wilt ge, deel haar mede, hoe 't hier staat;-- -Dat hier de vader van Lucentio is, -En zij waarschijnlijk met Lucentio trouwt. - -LUCENTIO. De goden geven 't! 't is mijn hartewensch! - -TRANIO. Haal er de goden maar niet bij; doch ga! -Signor Battista, mag ik u eens voorgaan? -Welkom! maar 'k vrees, het maal telt één gerecht; -Doch, heer, in Pisa maken we alles goed. - -BATTISTA. Ik volg u. - - (Tranio, de Pedant en Battista af.) - -BIONDELLO. Cambio! - -LUCENTIO. Wat wilt ge, Biondello? - -BIONDELLO. Hebt gij wel gezien, hoe mijn meester u een oogje gaf en -u toelachte? - -LUCENTIO. Wat zou dat, Biondello? - -BIONDELLO. Och niets; maar hij heeft mij hier achtergelaten, om u de -beteekenis of toepassing van zijn teekens en wenken uit te leggen. - -LUCENTIO. Kom aan dan, voor den dag met de toepassing! - -BIONDELLO. Welnu, Battista is goed bezorgd en wordt aan den praat -gehouden door den bedriegenden vader van een bedrogvollen zoon. - -LUCENTIO. En wat verder met hem? - -BIONDELLO. En zijn dochter moet onder uw geleide er komen avondmalen. - -LUCENTIO. En verder? - -BIONDELLO. De oude priester van de St.-Lucaskerk staat op alle uren -van den dag tot uw beschikking. - -LUCENTIO. En wat moet dit alles? - -BIONDELLO. Meer weet ik er niet van, dan dat ze bezig zijn met een -waardelooze verzekering; verzeker gij u inmiddels van haar, cum -privilegio ad imprimendum solum; naar de kerk; neem den priester, -den koster en ettelijke geldige eerbare getuigen: - - Is dit niet wat ge zocht, dan verklaar ik mij niet, wat ik zag; - Maar zeg Bianca dan vaarwel voor altoos en een dag. - -(Hij wil heengaan.) - -LUCENTIO. Hoor nog eens, Biondello! - -BIONDELLO. Ik heb geen tijd meer, maar ik weet van een deerne, die -trouwde op een achtermiddag, toen ze in den tuin ging, om peterselie -te plukken voor het opvullen van een konijn; zoo kunt gij het ook wel, -heer; en nu vaarwel, heer. Mijn meester heeft mij naar de St.-Lucaskerk -gestuurd, om den pastoor te zeggen, dat hij klaar moet staan tegen -dat gij er komt met uw appendix. - - (Biondello af.) - -LUCENTIO. Ik kan en wil, als zij er maar mee instemt; -Wis stemt zij in; wel, dan geen aarz'ling meer! -Het loop' hoe 't loop', ik ga 't haar ronduit voorslaan; -En veel moet tegen zijn, als wij er ons niet doorslaan. - - (Allen af.) - - - - -VIJFDE TOONEEL. - - -Een openbare weg. - -Petruccio, Katharina en Hortensio komen op. - - -PETRUCCIO. Komaan dan, nu maar naar uws vaders huis! -Heer God, hoe hel, hoe vriend'lijk schijnt de maan! - -KATHARINA. De maan! de zon, 't is nu geen maneschijn. - -PETRUCCIO. Ik zeg, het is de maan, die daar zoo schijnt. - -KATHARINA. Ik zeg, het is de zon, die daar zoo schijnt. - -PETRUCCIO. Nu, bij mijn moeders zoon, dus bij mijzelf, -Maan zal het zijn of ster of wat ik wil, -Eer ik op reis ga naar uws vaders huis;-- -Hei daar! geleidt de paarden maar terug;-- -Steeds tegenspraak, en niets dan tegenspraak! - -HORTENSIO. Geef hem gelijk, of anders gaan wij nooit. - -KATHARINA. O voorwaarts toch; wij zijn nu eens zoo ver; -En zij het maan of zon of wat gij wilt; -Al wildet gij het ook een nachtlicht noemen, -Ik zweer, voortaan zal 't ook voor mij zoo zijn. - -PETRUCCIO. Ik zeg, het is de maan. - -KATHARINA. Ja, 'k weet, zoo is 't. - -PETRUCCIO. Kijk, hoe onwaar! het is de lieve zon. - -KATHARINA. Ja, dan is 't, lieve God, de lieve zon;-- -Maar 't is de zon niet meer, zegt gij van neen; -Zoo wisselt ook de maan naar uwen wil. -Zooals gij 't noemen wilt, zoo is het ook; -En zoo zal 't ook voor Katharina zijn. - -HORTENSIO. Petruccio, nu vooruit; gij houdt het veld. - -PETRUCCIO. Vooruit dan, voort; zoo rolt de bal wel goed -En poedelt niet meer zijwaarts aan 't beschot.-- -Maar kijk, wie komt ons daar gezelschap houden? - -(Vincentio, in reisgewaad, komt op.) - -(Tot Vincentio.) Goê morgen, schoone jonkvrouw, zoo op reis?-- -Zeg, lieve Kaatje, zeg mij eens oprecht, -Zaagt ge ooit een frisscher jonkvrouw, op wier wangen -Het wit en rood zoo om den voorrang streden? -En welke sterren sieren zoo den hemel, -Als die twee oogen 't hemelsche gelaat?-- -Schoon, lieflijk kind, nog eenmaal goeden dag!-- -Omarm haar, Kaatjelief, zij is zoo schoon. - -HORTENSIO. Hij maakt den man nog gek, dien hij tot vrouw maakt. - -KATHARINA. Jong, maagd'lijk knopje, schoon en frisch en zoet; -Waar gaat gij heen? en waar behoort gij thuis? -Gelukkig de ouders van zoo schoon een kind; -Driewerf gelukkig hij, wien 't gunstig lot -U als beminn'lijk echtgenoot beschikt! - -PETRUCCIO. Hoe heb ik 't, Kaatje, zijt gij niet bij zinnen? -Dit is een man, oud, rimp'lig, bleek, verweerd; -En niet een maagd, zooals gij hem daar noemt. - -KATHARINA. Vergeef mij, oude heer, mijn oogen dwaalden; -Zij waren door de felle zon verblind; -En alles, wat ik zag, kwam groen mij voor. -Nu merk ik eerst, gij zijt een waardig vader; -Vergeef mij, bid ik u, deez' dolle dwaling. - -PETRUCCIO. Ja, doe dat, waardig vader, en deel ook -Ons meê, waarheen gij reist; gaan we éénen weg -Dan zal ons uw gezelschap welkom zijn. - -VINCENTIO. Mijn waarde heer,--en gij mijn vroolijk vrouwtje, -Die met uw vreemden groet mij hebt verbaasd,-- -Ik heet Vincentio en ik woon in Pisa, -En wil naar Padua; daar ga ik mijn zoon -Bezoeken, dien 'k in lang niet heb gezien. - -PETRUCCIO. Hoe heet hij, heer? - -VINCENTIO. Lucentio, waarde heer. - -PETRUCCIO. Wees welkom, heer; en dubbel, om uw zoon. -Nu mag ik u, niet om uw leeftijd slechts, -Maar uit verwantschap, vader noemen; want -De zuster van mijn vrouw, deez' dame, is juist -Met uwen zoon getrouwd. Wees niet verschrikt; -'t Zij u geen leed; zij is van elk geacht, -Brengt heel wat mee, en is van eed'len stam; -En ze is begaafd, beschaafd, zooals men voor -De gade van een edelman kan wenschen. -Dus, oude heer Vincentio, reik me uw hand; -En gaan wij samen naar uw wakk'ren zoon, -Wien wis uw aankomst recht verblijden zal. - -VINCENTIO. Maar is dit waar, of is 't uw lust, uit scherts, -Als reizigers wel meer doen, aan een vreemd'ling, -Dien ge aantreft, zoowat op de mouw te spelden? - -HORTENSIO. Neen, 't is zoo, vader, ik verzeker 't u. - -PETRUCCIO. Ga mede en overtuig uzelf er van; -Onze eerste grap doet u wantrouwend zijn. - - (Petruccio, Katharina en Vincentio af.) - -HORTENSIO. Petruccio, zie, dit steekt me een hart in 't lijf. -Naar 't weeuwtje nu; en mocht ze ook eigenzinnig zijn, -Niet vrucht'loos leerdet gij Hortensio goed vinnig zijn. - - (Hortensio af.) - - - - - - - -VIJFDE BEDRIJF. - - -EERSTE TOONEEL. - - -Padua. Voor Lucentio's huis. - -Op den achtergrond komen op: Biondello, Lucentio en Bianca; Gremio -wandelt aan de overzijde van het huis op en neer. - - -BIONDELLO. Stil en vlug, heer; want de priester staat gereed. - -LUCENTIO. Ik vlieg, Biondello; maar ze mochten u thuis noodig hebben; -ga gij dus weg. - -BIONDELLO. Neen, zeker niet; ik moet eerst zien, dat gij de kerkdeur -achter den rug hebt; en dan spoed ik mij, zoo vlug ik kan, naar mijn -meester terug. - - (Lucentio, Bianca en Biondello af.) - -GREMIO. Ik sta verbaasd, dat Cambio nog niet komt. - -(Petruccio, Katharina, Vincentio en Gevolg komen op.) - -PETRUCCIO. Hier is het, heer; dit is Lucentio's huis; -Mijn vader woont wat dichter naar de markt; -Daar moet ik heen, heer, en verlaat u hier. - -VINCENTIO. Toch niet, voordat we een roemer samen leegden; -Ik heet u graag hier welkom met een dronk, -En hoogstwaarschijnlijk wacht ons een feestmaal. - -(Hij klopt aan de deur.) - -GREMIO. Ze zijn daar binnen met iets bezig; gij moogt wel wat harder -aankloppen. - -(De Pedant kijkt uit het venster.) - -PEDANT. Wie klopt daar zoo luid, alsof hij de deur wilde inslaan? - -VINCENTIO. Is signore Lucentio thuis, heer? - -PEDANT. Wel tehuis, heer; maar niet te spreken. - -VINCENTIO. Maar als nu iemand hem een honderd pond of twee kwam -brengen, om er goede sier mee te maken? - -PEDANT. Houd uw honderd pond maar voor uzelf; hij zal ze niet behoeven, -zoolang ik leef. - -PETRUCCIO. Ziet ge, ik heb u wel verteld, dat uw zoon in Padua bemind -is.--Hoor eens, heer,--om allen omhaal te vermijden,--ik bid u, zeg -aan signore Lucentio, dat zijn vader van Pisa is aangekomen en hier -aan de deur staat, om hem te spreken. - -PEDANT. Dat is niet waar; zijn vader is al lang hier en kijkt op dit -oogenblik uit het venster. - -VINCENTIO. Zijt gij zijn vader? - -PEDANT. Ja, heer, als ik zijn moeder gelooven mag; die heeft het mij -altijd gezegd. - -PETRUCCIO (tot Vincentio). Wel zoo, heerschap; dat is toch klinkklare -schurkerij, eens anders naam aan te nemen. - -PEDANT. Houd hem aan, den spitsboef! hij is zeker van plan, iemand -hier in de stad op te lichten, onder mijn naam. - -(Biondello komt weder op.) - -BIONDELLO. Ik heb ze samen in de kerk gezien; de Hemel schenke hun een -gelukkige vaart!--Maar wie is daar? mijn oude meester Vincentio? O wee, -nu is het uit met ons, we zijn verloren! - -VINCENTIO (Biondello bespeurende). Zoo, kom hier, galgebrok! - -BIONDELLO. Ik hoop, heer, dat ik mag kiezen, wat ik wezen wil. - -VINCENTIO. Kom hier, schurk! Wat, wilt ge mij niet kennen? - -BIONDELLO. U kennen, heer? neen, heer; ik kan u niet kennen, want ik -heb u van mijn leven nooit gezien. - -VINCENTIO. Wat, gij doortrapte spitsboef, hebt gij den vader van uw -meester, Vincentio, nooit gezien? - -BIONDELLO. Wat! mijn ouden, eerwaardigen ouden meester? ja zeker, -heer; zie, die kijkt daar uit het venster. - -VINCENTIO. Hoe durf je dat zeggen? - -(Hij slaat hem.) - -BIONDELLO. Help, help, help! hier is een dolleman, die mij wil -vermoorden! - -(Hij loopt weg.) - -PEDANT. Help, mijn zoon! help, signore Battista! - -(Hij gaat van het venster weg.) - -PETRUCCIO. Kom, Kaatje, laat ons wat ter zijde gaan, om te zien, -hoe deze twist afloopt. - -(Zij gaan ter zijde.) - -(De Pedant komt beneden op; verder Battista, Tranio en Bedienden.) - -TRANIO. Heer, wie zijt gij, die mijn dienaar een pak slaag toedient? - -VINCENTIO. Wie ik ben, heer? Neen, wie zijt gij, heer? O -hemelsche goedheid! O opgepinkte schelm! Een zijden kamizool! een -fulpen broek! een scharlaken mantel en een punthoed!--O, ik ben -geruïneerd! geruïneerd! Terwijl ik thuis mijn zaken bij elkander houd, -lappen mijn zoon en mijn dienaar alles op de hoogeschool er door. - -TRANIO. Komaan! wat beteekent dit alles? - -BATTISTA. Wat, is de man niet wijs? - -TRANIO. Heer, naar uw voorkomen schijnt gij een bedaard oud heer, -maar naar uw praatjes is het dolhuis uw plaats. Wat gaat het u aan, -heer, of ik goud en parels draag? Ik dank het mijn goeden vader, -dat ik het doen kan. - -VINCENTIO. Uw vader, schurk! dat is een zeilmaker uit Bergamo. - -BATTISTA. Gij bedriegt u, heer; gij bedriegt u, heer. Hoe denkt gij -dan wel, dat hij heet? - -VINCENTIO. Hoe hij heet? Alsof ik niet wist, hoe hij heet! Ik, die -hem heb grootgebracht van zijn derde jaar af! zijn naam is Tranio. - -PEDANT. Maak, dat gij weg komt, dolle ezel! Zijn naam is Lucentio; -en hij is mijn eenige zoon, en erfgenaam van mijn geheel vermogen, -van mij, signore Vincentio. - -VINCENTIO. Lucentio! O, hij heeft zijn meester omgebracht!--Vat hem, -ik beveel het, in naam des hertogs!--O mijn zoon! mijn zoon! Zeg mij, -gij schurk, waar is mijn zoon Lucentio? - -TRANIO. Roep toch een gerechtsdienaar (Een Dienaar af.), dat deze -dolleman naar de gevangenis gebracht worde;--vader Battista, ik bid u, -draag zorg, dat hij voor het gerecht komt. - -VINCENTIO. Ik naar de gevangenis! - -(De Dienaar komt terug met een Gerechtsdienaar.) - -GREMIO. (Tot den Gerechtsdienaar.) Houd af, man; hij moet niet naar -de gevangenis. - -BATTISTA. Bemoei er u niet mee, signore Gremio; ik zeg, hij moet wel -naar de gevangenis. - -GREMIO. Pas op, signore Battista, dat gij u hierbij de vingers niet -brandt; ik durf er op zweren, dat dit de echte Vincentio is. - -PEDANT. Zweer, als gij durft. - -GREMIO. Neen, zweren durf ik er niet op. - -TRANIO. Dan waart gij ook wel in staat om te zeggen, dat ik niet -Lucentio ben. - -GREMIO. Ja, u ken ik als signore Lucentio. - -BATTISTA. Weg met dien leuteraar; naar de gevangenis met hem! - -VINCENTIO. Worden vreemdelingen hier zoo voortgesleurd en -mishandeld?--O gij afschuwelijke booswicht! - -(Biondello komt terug, met Lucentio en Bianca.) - -BIONDELLO. O het loopt mis met ons, en.... daar staat hij! Verloochen -hem, zweer hem af, of anders is het uit met ons. - -LUCENTIO (knielt voor Vincentio). Vergeving, goede vader! - -VINCENTIO. Beste zoon! gij leeft! - - (Biondello, Tranio en de Pedant loopen weg.) - -BIANCA. Vergeving, waarde vader! - -(Zij knielt voor Battista.) - -BATTISTA. Wáárvoor, kind? -Waar is Lucentio? - -LUCENTIO. Hier, hier is Lucentio, -En de echte zoon van de' echten heer Vincentio; -Door 't huw'lijk werd, terwijl een valsche schijn -Uw oogen heeft misleid, uw dochter mijn. - -GREMIO. 't Is een complot, ik zie 't, om allen te misleiden! - -VINCENTIO. Waar is die duivelsche schavuit, die zoo -Brutaal mij heeft beschimpt, die Tranio? - -BATTISTA. Maar zeg mij, dit is toch mijn Cambio? - -BIANCA. Uit Cambio werd nu Lucentio. - -LUCENTIO. De liefde deed die wond'ren. Liefde voor -Bianca deed mij Tranio's stand aanvaarden, -Terwijl hij mijne rol speelde in de stad; -In 't eind ben ik gelukkig in de haven -Van mijn gewenschte zaligheid geraakt;-- -Wat Tranio deed, deed hij op mijn bevel; -Vergeef hem, vaderlief, om mijnentwil. - -VINCENTIO. Ik splijt den schelm den neus, die mij ten kerker wou -verwijzen. - -BATTISTA (tot Lucentio). Maar gij, heer, hoor eens, hebt gij dus mijn -dochter gehuwd, zonder naar mijn goedvinden te vragen? - -VINCENTIO. Wees maar voor niets beducht, Battista; gij zult wel -tevreden zijn, stel u gerust; maar ik ga naar binnen; ik wil wraak -nemen over die schurkenstreken. - - (Vincentio af.) - -BATTISTA. En ik wil 't mijne hebben van die streken. - - (Battista af.) - -LUCENTIO. Gerust, mijn lief, uw vader zal niet toornen. - - (Lucentio en Bianca af.) - -GREMIO. Mijn koek ligt in de asch, maar ik ga mee naar binnen; -Want buiten het maal heb ik niets meer te winnen. - - (Gremio af.) - -(Petruccio en Katharina komen naar voren.) - -KATHARINA. Kom, mijn gemaal, en zien wij, hoe dit afloopt. - -PETRUCCIO. Geef me eerst een kus, mijn Kaatje, dan is 't goed. - -KATHARINA. Wat! midden op de straat? - -PETRUCCIO. Wat! schaamt ge u over mij? - -KATHARINA. God beware mij, neen;--maar ik schaam mij, te kussen. - -PETRUCCIO. Kom, dan naar huis weer toe;--gij knaap, maak alles klaar. - -KATHARINA. Neen, blijf toch, bid ik u; daar hebt ge uw kusje, man. - -PETRUCCIO. Is 't nu niet goed?--Kom, lieve Kaat, -Beter eens dan nimmer, 't is nimmer te laat. - - (Beiden af.) - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Een zaal in Lucentio's woning.--Een banket is aangerecht. - -Battista, Vincentio, Gremio, de Pedant, Lucentio, Bianca, Petruccio, -Katharina, Hortensio en de Weduwe komen op; Tranio, Biondello, Grumio -en Anderen dienen ververschingen rond. - - -LUCENTIO. Ten laatste stemt, wat lang niet samenklonk; -En is het woeden van den krijg voorbij, -Dan lacht men graag om vroeg'ren schrik en angst.-- -Bianca-lief, begroet gij mijnen vader, -Den uwen groet ik even hartlijk hier;-- -Broeder Petruccio,--zuster Katharina,-- -En gij Hortensio, met uw lieflijk weeuwtje,-- -Viert vroolijk feest, weest welkom in mijn huis; -Dit klein onthaal is slechts een nagerecht -Van 't groote feestmaal; 'k bid u, zet u neer; -En nu bij 't eten 't praten niet vergeten! - -(Zij zetten zich aan tafel.) - -PETRUCCIO. 't Is altijd, zit en eet, en eet en zit! - -BATTISTA. In Padua heerscht vriendlijkheid, Petruccio. - -PETRUCCIO. Ja, Padua schenkt niets dan vriendlijkheid. - -HORTENSIO. Ja, waar' dit zoo, het ware ons beiden goed. - -PETRUCCIO. Zijn weeuwtje, zie ik, ducht Hortensio. - -WEDUWE. Verstijv' mijn tong, indien ik iemand ducht. - -PETRUCCIO. Gij zijt scherpzinnig, toch mist gij den zin; -'k meende, dat Hortensio u ducht. - -WEDUWE. Die duiz'lig is, gelooft, dat alles draait. - -PETRUCCIO. Gij draait er u goed uit. - -KATHARINA (tot de Weduwe). Hoe meent gij dit? - -WEDUWE. Ik geef terug, wat ik van hem ontving. - -PETRUCCIO. Van mij ontving?--Hoe smaakt dit aan Hortensio? - -HORTENSIO. Zij meent, zij geeft aan u uw steek terug. - -PETRUCCIO. Gevat, man; weeuwtje, dit verdient een kus. - -KATHARINA. "Die duiz'lig is, gelooft, dat alles draait;"-- -Ik bid u, zeg toch eens, wat gij bedoelt. - -WEDUWE. Uw man, die door een feeks geplaagd is, meet -Het leed mijns mans naar zijne kwelling af; -Ziedaar, wat ik bedoeld heb. - -KATHARINA. Uw bedoeling -Is boos, zeer boos. - -WEDUWE. Juist, gij toch waart bedoeld. - -KATHARINA. Ja, ik word boos, heb ik met u te doen. - -PETRUCCIO. Kom, troef haar, Kaatje! - -HORTENSIO. Troef haar, weeuwtje! - -PETRUCCIO. Een honderd mark; mijn Kaatje krijgt haar onder. - -HORTENSIO. Dat hoeft niet; ik neem 't aan. - -PETRUCCIO. Gesproken als een man.--Vriend, houd u goed! - -(Hij drinkt Hortensio toe.) - -BATTISTA. Wel, Gremio, wat zegt ge van dit volk? - -GREMIO. Ze stooten met de koppen aardig saam. - -BIANCA. Als jonge bokken zou een spotter zeggen, -Die nog geen wapen hebben voor hun stoot. - -VINCENTIO. Zoo, bruidje, wordt ge wakker op dit punt? - -BIANCA. Wel wakker, niet verschrikt; ik slaap weer in. - -PETRUCCIO. Neen, neen; gij loopt niet vrij, gij zijt begonnen; -Verwacht alzoo een scherpen pijl of twee. - -BIANCA. Ben ik uw vogel? 'k Zoek een ander bosch; -Vervolg mij met uw pijl dan, als gij kunt;-- -Vaart allen wel! - - (Bianca, Katharina en de Weduwe af.) - -PETRUCCIO. Daar is zij mij ontsnapt.--Signore Tranio, -Gij miktet op dat vogeltje en schoot mis! -Een dronk op ieder nu, die schoot en miste. - -TRANIO. O heer, 'k was voor Lucentio als een windhond, -Die dapper loopt en voor zijn meester vangt. - -PETRUCCIO. Een vlugge vergelijking, maar wat hondsch. - -TRANIO. 't Is goed, heer, dat ge voor uzelven jaagdet; -Men meent, uw hinde loopt wel bek-af. - -BATTISTA. Oho, Petruccio! Tranio trof u daar. - -PETRUCCIO. Ik dank u voor dat schampschot, goede Tranio! - -HORTENSIO. Erken, erken! Heeft hij u niet geraakt? - -PETRUCCIO. Hij heeft mij wat geschampt, ik wil 't erkennen; -Maar, vloog de scherts ook raak'lings langs mij heen, -Tien tegen één, zij trof u beide' in 't hart. - -BATTISTA. Nu, 'k denk in goeden ernst, mijn zoon Petruccio, -Gij hebt toch wel het lastigst wijf van allen. - -PETRUCCIO. En ik zeg "neen";--maar neemt de proef er van; -Laat elk van ons zijn vrouw eens hier ontbieden, -En hij, wiens vrouw dan het gehoorzaamst is, -En 't eerste komt, wanneer hij om haar zendt, -Die wint den prijs, waar wij om zullen wedden. - -HORTENSIO. 't Is goed; en wat is de inzet? - -LUCENTIO. Twintig kronen. - -PETRUCCIO. Twintig kronen! -Dat waag en zet ik op mijn valk of hond. -Maar twintigmaal zooveel wel op mijn vrouw. - -LUCENTIO. Nu honderd dan! - -HORTENSIO. 't Is goed. - -PETRUCCIO. Goed, aangenomen! - -HORTENSIO. Wie zal beginnen? - -LUCENTIO. Dat wil ik doen.--Ga, -Biondello, vraag dat uw meest'res hier kome. - -BIONDELLO. Ik ga. - - (Biondello af.) - -BATTISTA. Mijn zoon, ik sta u half; Bianca komt. - -LUCENTIO. Neen, niets daarvan; ik neem 't geheel op mij. - -(Biondello komt terug.) - -Nu, nu, hoe is 't? - -BIONDELLO. Heer, mijn meest'res laat zeggen, -Dat ze iets te doen heeft en niet komen kan! - -PETRUCCIO. Zoo! iets te doen heeft en niet komen kan. -Is dat een antwoord? - -GREMIO. Ja, en vriend'lijk ook; -Bid God, dat u uw vrouw geen erger zend'. - -PETRUCCIO. Ik hoop, een beter. - -HORTENSIO. Biondello, ga, verzoek mijn vrouw, dat zij -Hier daad'lijk bij mij komt. - - (Biondello af.) - -PETRUCCIO. O zoo, verzoeken; -Dan moet en zal ze komen. - -HORTENSIO. Heer, ik vrees, -Doe wat ge wilt, voor u helpt geen verzoek. - -(Biondello komt terug.) - -Waar blijft mijn vrouw? - -BIONDELLO. Zij zegt, gij hebt gewis een grapje voor; -Zij wil niet komen, vraagt, dat gij bij háár komt. - -PETRUCCIO. Van kwaad tot erger! wil niet komen! Ha! -'t Is onverdraaglijk, onuitstaanbaar, slecht! -Nu, Grumio, ga tot uw meest'res, en zeg, -Dat ik beveel, dat zij hier bij mij komt. - - (Grumio af.) - -HORTENSIO. Ik weet, wat volgt. - -PETRUCCIO. Wat dan? - -HORTENSIO. Dat zij niet wil. - -PETRUCCIO. De schâ moet ik dan dragen, dat is al. - -(Katharina komt.) - -BATTISTA. Bij onze lieve vrouw! Zie, Katharina! - -KATHARINA. Wat is uw wensch, heer, dat gij om mij zondt? - -PETRUCCIO. Waar zijn uw zuster en Hortensio's vrouw? - -KATHARINA. Zij zitten bij den haard ginds wat te keuv'len. - -PETRUCCIO. Ga, haal ze hier; en weig'ren zij te komen, -Zweep haar dan flinkweg naar haar mannen toe; -Ga, zeg ik, breng die twee onmidd'lijk hier. - - (Katharina af.) - -LUCENTIO. Spreekt gij van wond'ren, hier is dan een wonder. - -HORTENSIO. Dat is 't; 't zal mij verwond'ren, waar 't op uitloopt. - -PETRUCCIO. Wel op een rustig leven, liefde en vreê, -Erkenning van gezag, een goed bestuur, -Kortom, op wat geluk en vreugde brengt. - -BATTISTA. Nu, heil zij u, mijn zoon Petruccio! -Gij wint uw weddingschap; en aan die winst -Voeg ik nog twintigduizend kronen toe, -Als nieuwe bruidsgift aan een and're dochter, -Want ze is een and're dan ze vroeger was. - -PETRUCCIO. Neen, beter nog win ik mijn weddenschap, -En toon u beter nog haar volgzaamheid, -Haar nieuw verworven deugd van volgzaamheid. - -(Katharina komt terug, met Bianca en de Weduwe.) - -Daar komt ze; ziet, uw dwarse vrouwen zijn -Gevang'nen van haar vrouw'lijke overreding. -Dat mutsje, Katharina, staat u slecht; -Doe weg dat vod; vertrap het met den voet. - -(Katharina neemt haar muts af en werpt die neer.) - -WEDUWE. God geev' mij nimmer reden tot een zucht, -Aleer ik zulk een slaafsche dwaasheid doe! - -BIANCA. Foei, wat een dwaze volgzaamheid van u! - -LUCENTIO. Ware uwe volgzaamheid maar even dwaas! -De wijsheid van uw volgzaamheid, Bianca, -Boort juist me een honderd kronen door den neus. - -BIANCA. Wat domheid, op mijn volgzaamheid te wedden! - -PETRUCCIO. Kath'rina, leer deez' stuggen vrouwen eens, -Wat zij haar heer en gade schuldig zijn. - -WEDUWE. Kom, kom, gij schertst; wij danken voor zoo'n preek. - -PETRUCCIO. Begin maar, zeg ik, en met haar het eerst. - -WEDUWE. Ze zal het niet. - -PETRUCCIO. Ja toch, ze zal;--begin met haar het eerst. - -KATHARINA. O foei, strijk glad dat dreigend, toornig voorhoofd; -En schiet geen booze blikken uit die oogen -Op uwen heer, uw koning, uw gebieder. -'t Verbleekt uw schoon, zooals de vorst een grasveld, -'t Verderft uw roem, als storm, die bloesems schudt, -En is in 't minst niet prijzenswaard of lief. -Een toornig wijf is als een troeb'le bron, -Dik, ondoorschijnend, zwart, van schoon beroofd, -Waar niemand, hoe verhit of dorstig ook, -Aan nippen wil of zelfs een drup van proeft. -Uw eegâ is uw heer, uw schutse, uw leven, -Uw opperhoofd, uw vorst; hij zorgt voor u -En voor uw onderhoud; hij geeft zijn lijf -Aan duizend nooden prijs, te land, ter zee; -Bij nacht houdt storm, bij dag hem koude wakker, -Terwijl gij warm en veilig rust in huis; -Geen and're schatting vraagt hij van uw hand -Dan liefde, een blij gelaat en volgzaamheid,-- -Te kleinen losprijs voor zoo groot een schuld. -Wat de onderdaan zijn vorst verschuldigd is, -Dat heeft de vrouw haar gade te voldoen; -En is zij grillig, geem'lijk, nukkig, norsch, -Geeft ze aan zijn reed'lijke eischen geen gehoor, -Wat is zij, dan een boos, ondankbaar muit'ling, -Die snood de liefde van haar heer miskent?-- -O, 'k schaam mij, als een vrouw in dwazen waan -Wil strijden, waar ze om vrede knielen moest, -Of macht begeert, gezag en overwicht, -Waar zij tot liefde, en dienen is verplicht. -Waarom zijn wij zoo teer en zwak en broos, -Voor moeitevollen arbeid ongeschikt, -Zoo niet, opdat aan onzen fijnen bouw -Een zacht gemoed zich passend paren zou? -Ziet, drieste, zwakke, licht vertreden wormen! -'k Was eens zoo stug van geest als een van u, -Zoo trotsch van hart; en 'k had, naar 'k denk, meer grond, -Om woord met woord en drift met drift te keeren; -Maar 'k zie nu, onze lansen zijn maar stroo; -Zwak onze kracht, niet zelden enkel schijn;-- -Vaak schijnen wij, wat wij volstrekt niet zijn. -Buigt dus uw trots en legt, als onderpand, -Onder den voet uws echtgenoots uw hand; -Verlangt hij dit als blijk van volgzaamheid, -Als hij 't beveelt, hij vindt mijn hand bereid. - -PETRUCCIO. Dàt is me een vrouw!--Kom, Kaatje, kus mij thans! - -HORTENSIO. Nu, oude knaap, gij wint uw zaak met glans. - -VINCENTIO. 't Is lieflijk te hooren, als kind'ren zoo willig zijn. - -LUCENTIO. Doch schrikk'lijk te hooren, als vrouwen zoo grillig zijn. - -PETRUCCIO. Kom, Kaatje, ter rust;--en ik weet nu, hoe 't is, -Drie zijn getrouwd, maar met twee is het mis. -(Tot Lucentio.) Al troft gij het wit ook, ik ben het, die lacht; -De weddenschap won ik, en wensch u goê nacht! - - (Petruccio en Katharina af.) - -HORTENSIO. Geluk dan, de temming der feeks is geschied. - -LUCENTIO. Wonder is het boven wonder, dat ze zoo zich temmen liet. - - (Allen af.) - - - - - - - -AANTEEKENINGEN. - - -Dit stuk, dat in het Engelsch den titel draagt van The Taming of the -Shrew, verscheen voor het eerst in de folio-uitgave der gezamenlijke -werken, van 1623, in druk. Een ander stuk zag in 1594 het licht, -onder den titel: A pleasant conceited Historie called the Taming of a -Shrew. As it was sundry times acted by the Right honourable the Earle -of Pembrooke his servants. Printed at London by Peter Short, and are -to be sold by Cuthbert Burbie, at his shop at the Royal Exchange, -1594. Het werd herdrukt in 1596 en in 1606. - -Laatstgenoemd blijspel, waarvan de schrijver onbekend is gebleven, -begint met een Inductie, Inleiding of Voorspel, waarin optreden: een -Lord, Sluw, een Tapper (bij Sh. een Waardin), een Page, Tooneelspelers -en Jagers. De voorvallen zijn dezelfde als in de Inductie van -Shakespeare's stuk, hoe groot het verschil in de wijze van uitwerking -en in de woorden ook zijn moge.--Het stuk zelf speelt in Athene, -dat van Shakespeare in Padua; beide zetels van geleerdheid. Alfonso, -een koopman van Athene,--de Baptista van Shakespeare,--heeft drie -dochters: Kate, Emelia en Phylema. Aurelius, zoon van den hertog van -Cestus (Sestos) is verliefd op de eene der jongere zusters, Polidor -op de andere, en Ferando,--de Petruccio van Shakespeare,--op Kate, -de snibbe. De koopman heeft gezworen, dat zijn oudste dochter eerst -moet uitgehuwlijkt zijn, eer iemand aan een zijner jongere dochters -het hof mag maken. Het aanzoek van Ferando om Kate heeft op dezelfde -wijze plaats als dat van Petruccio, evenzoo het huwelijk; evenzoo -het schraal onthaal der jonge vrouw op Ferando's landgoed, waar -ook de kleermaker en de hoedenkoopman optreden; evenzoo de gedweeë -gehoorzaamheid der getemde kijfster. Het les geven door verkleede -minnaars heeft geen plaats; in dit opzicht is er verschil. Ten slotte -zijn allen gelukkig: er zijn drie jonge paren, en het stuk eindigt, -als bij Shakespeare, met een weddenschap over de gehoorzaamheid der -jonggehuwde vrouwen. Men ziet, hoeveel verschil er in de uitwerking, -hoeveel ruwer het in 1594 uitgegeven stuk moge wezen, er is zoo groote -overeenkomst, dat men wel een verklaring hiervan mag beproeven. Dat -het eerst uitgegeven stuk een werk is geweest van den jongen, nog -onervaren Shakespeare en dat hij het later zou verbeterd hebben, is, -zooals bij het onderzoek van het stuk blijkt, een ongerijmde meening; -evenmin mag men onderstellen, dat na de vertooning van Shakespeare's -stuk een ander, er zijn bouwstoffen aan ontleenende, een dergelijk, -maar veel ruwer stuk voor een ander tooneelgezelschap zou vervaardigd -hebben. Men moet aannemen, dat Shakespeare het andere stuk, dat in -den smaak van het publiek viel en misschien veel ouder was, omgewerkt, -verfijnd en veredeld heeft, of wel, dat èn Shakespeare èn de onbekende -schrijver van het andere stuk,--dat men wel eens aan Greene of aan -Marlowe of aan beiden heeft toegekend,--uit een ouder stuk geput -hebben. Welke van deze twee laatstgenoemde onderstellingen met de -waarheid overeenkomt, is moeilijk uit te maken, zelfs niet al wist -men zeker, dat Shakespeare's stuk van vóór 1594 dagteekent, want -hij kan "The Taming of a Shrew" zeer wel van vertooningen gekend -hebben; het zou kunnen zijn, dat de bijval, dien Sh.'s stuk vond, -aanleiding is geweest tot de uitgave van het oudere stuk. Hoe dit zij, -dat Shakespeare's stuk inderdaad van tamelijk vroege dagteekening is, -misschien omstreeks denzelfden tijd als "De Klucht der Vergissingen" -en "Veel Gemin, geen Gewin" (Love's Labour's Lost) geschreven is, -mag waarschijnlijk gerekend worden en wordt bevestigd door vele -bijzonderheden, zooals tal van aanhalingen uit de oudheid, de -knuppelverzen, die er in voorkomen enz. Dat er vele gedeelten in -voorkomen, die den lateren Shakespeare niet onwaardig zijn, pleit -er volstrekt niet tegen, want ook de zoo even genoemde stukken, -alsmede de Venus en Adonis en de Lucretia, die in 1593 en 1594 het -licht zagen, bewijzen ten volle, welk een meesterschap de dichter -toen reeds verworven had. Dat Meres in 1598 dit stuk in zijn Palladis -Tamia (zie boven blz. 47 en 120) niet vermeldt, bewijst geenszins, -dat het toen niet bekend was; Meres kan eenvoudig vermeden hebben -het te noemen, omdat ieder wist, dat het niet oorspronkelijk was, -maar een omwerking van een ouder blijspel. De onderstelling, dat -het inderdaad vroegtijdig door den dichter geschreven werd, mag te -eerder aangenomen worden, daar er niets onwaarschijnlijks in is, -dat Shakespeare in het begin zijner loopbaan een vroeger stuk ten -behoeve van zijn tooneelgezelschap aldus heeft omgewerkt, met behoud -van den geheelen gang der handeling en van talrijke bijzonderheden, -die het publiek van vroeger kende en in de nieuwe bewerking niet -zou willen missen; in lateren tijd zou hij misschien anders te werk -zijn gegaan; getuige de wijze, waarop hij bij het schrijven van zijn -"Koning Jan", welk stuk omstreeks 1596 tot stand kwam, zijn taak -volbracht heeft. Doch hetzij het stuk zeer vroeg, 't zij het iets -later geschreven is (zie blz. 55), men moet erkennen, dat alles bij -Shakespeare veel fijner en edeler is, dan in het ruwe plompe stuk van -1594; wie zich hiervan wil overtuigen, raadplege de uittreksels, door -Delius in zijn uitgave van Sh. er van gegeven. Bovendien ontbreekt -in het oude stuk de geschiedenis van Bianca en Lucentio. - -Wij kunnen in het stuk van Shakespeare drieërlei bestanddeelen -onderscheiden. - -Het eerste is de geschiedenis van den Lord en den Ketellapper, die -wij reeds in anderen vorm in de Duizend-en-één-Nacht van den Kalif -Haroen en den herder Aboe-Hassan verhaald vinden; aan Philips den -Goeden, Hertog van Bourgondië, wordt door Heuterus, aan keizer Karel -IV door een Engelsen schrijver, Richard Barkley, een gelijke inval -toegeschreven. Ook Calderon maakt van zulk een verhaal gebruik in -zijn tooneelspel: "Het leven een droom". - -Het tweede is de geschiedenis van de temming der snibbe. - -Ten derde ontleende Shakespeare de vermommingen van Lucentio, Hortensio -en Tranio, de figuur van den ouden Gremio en ook van den pedant, -die, op straat aangetroffen, door de voorspiegelingen van dreigend -gevaar, overreed wordt voor Vincentio op te treden, aan de Suppositi, -een blijspel van Ariosto. De namen Lucio en Petruccio komen beide in -dit stuk, dat reeds in 1566 door Gascoigne in het Engelsch vertaald -werd, voor. Shakespeare heeft echter uit dit blijspel slechts eenige -bijzonderheden geput en het niet in die mate gevolgd, dat het noodig -kan gerekend worden, in een uitvoerige vergelijking van beide stukken -te treden. - -Men moge nu minder ingenomen zijn met de wijze, waarop Kaatje door -Petruccio getemd wordt, het is zeer de vraag, of een zachtzinniger man -dan Petruccio een kregelkop als Catharina had klein gekregen. Bovendien -Shakespeare leefde in een tijd, dat harde middelen, zooals de roede -voor kinderen, in hooge achting stonden. Mochten er leden zijn van -het schoone geslacht, die Shakespeare zijn behandeling der vrouw euvel -duiden, dat zij dan, in plaats van zich te ergeren, zich verlustigen -aan de breede vrouwenrij, die Shakespeare ten tooneele heeft gevoerd; -zij vinden een Julia, Desdemona, Portia, een tweede Portia, de edele -vrouw van Brutus, Rosalinde, Isabella, Perdita, Miranda, Volumnia, -Virginia, Imogeen en anderen, een schare van vrouwen, uitmuntende -door geest en bevalligheid, door goedheid, door onschuld, door edel -karakter, door liefde en zelfopoffering, zooals geen ander dichter -ooit in het leven heeft geroepen,--en dan mogen zij overwegen, hoevele -vrouwen hij, die één snibbige kijfster door barre middelen laat temmen, -op zachte wijze, door de leering van de edelste voorbeelden, van alle -kijfzucht kon afkeerig maken, en misschien afkeerig heeft gemaakt! - -Dat het blijspel in den smaak van het publiek viel, is ontegenzeglijk; -trouwens nog ten huidigen dage wordt het in Duitschland,--en vaak in -zeer verknoeiden vorm,--telkens vertoond, en ook in ons land is het -voor eenige jaren en ook nog zeer onlangs met veel bijval gegeven; -het behoort tot die stukken, die weldra ook buiten Engeland vertoond -en toegejuicht werden. Wat Duitschland betreft, er is reeds uit het -jaar 1658 een stuk bekend: "Die wunderbare Heurath Petruccio's mit -der bösen Catharine"; en in het jaar 1672 verscheen een Duitsche -bewerking van The Taming of the Shrew: "Kunst über alle Künste, -ein bös Weib gut zu machen", die zich vrij nauwkeurig aan het -oorspronkelijke houdt. Reeds vroeger, namelijk in 1654, werd in -Amsterdam een Hollandsche vertaling uitgegeven, onder den titel: -"De dolle bruiloft Bly-eyndend-spel. Gerijmt door A. Sybant. t' -Amsterdam, Gedrukt bij Tymon Houthaak, Voor Dirk Cornelisz. Houthaak, -Boekverkooper, op de hoek aan de Nieuwe-zijdtskolk" 1654. Het werd den -9den November van dat jaar voor het eerst opgevoerd. Dr. J. A. Worp -heeft in "De Nederlandsche Spectator" van 1880 op dit stuk opmerkzaam -gemaakt en er eenige staaltjes uit medegedeeld. Uit zijn mededeelingen -moge hier het een en ander volgen. De "korte inhout" luidt aldus: - - - "Katrina is hier los, en holt na haren zin; - Maar na een knoop geleyt (al schijnt zy 't niet te willen) - Zoo kan Petrutio haar overmoed wel stillen, - Met een gelijk gebruyk; doch al in schijn van Min. - Dees overwinning doet de quade monden zwijgen, - Het quaat heeft een begin zal het een eynd verkrijgen." - - -Het voorspel is weggelaten. Het begin is gewijzigd. Bij Sh. zijn -Lucentio en Tranio juist te Padua aangekomen en maken wij kennis -met Baptista en zijn gezelschap, vernemen Baptista's besluit, -en zien Lucentio verliefd worden; in "de dolle bruiloft" brengt -ons een gesprek van een paar bladzijden tusschen Lucentio en zijn -dienaar Tranio op de hoogte van den stand van zaken. Daarna begint de -vertaling. Biondello verschijnt ten tooneele, en bespeurt, dat zijn -meester en Tranio van kleederen gewisseld hebben; zijn meester zegt -(vergelijk Sh. I. 1. 226): - - -"Daar komt ons Biondell' waar hebt gy schelm geweest? - -BIONDELLO. Waar ik geweest heb, Heer? wel hey, dat lijkt wel scheren, -Maar hoe! waar zijt gy Heer? heeft Tranio uw kleren -Gestolen? of gy zijn? dus bey te gaar verkeert! -Wat wil toch dit bediên? gy zijt bey moy besmeert. - -LUCENTIO. Komt hier rabaut, 't is nu geen tijdt om dus te gekken, -Dus stelt uw wezen naar den tijdt, ik moet vertrekken, -En Tranio, om mijn lijf te bergen, heeft 't gestalt -Van mijn genomen aan, dies doet 't geen mijn gevalt, -En dient hem als mijn zelfs, ik heb van daag gekregen -Een ongeluk, pas op, en laat mij niet verlegen. -Gij vat mijn zin nu? - -BIONDELLO. Ja, zo wel als niet met al. - -LUCENTIO. En rept van Tranio niets, of 'k zweer het u, daar zal -Een straf op staan, hy 's in Lucentio nu verandert. - -BIONDELLO. Dat valt hem vry wat toe, hij is nu nieuw geklandert, -'k Wou 'k ook zo ruilen mocht. - -TRANIO. 't Was mijn om 't even, maat", enz. - - -De geheele vertaling is in alexandrijnen als deze, ook daar, waar -Shakespeare proza bezigt. Als voorbeeld hiervan diene Grumio's aankomst -op Petruccio's landgoed, als hij de aankomst van het jonge paar heeft -te melden (IV. 1. 1). - - -GRUMIO. Foey, foey, de koekoek haal al die bezukte krengen. -Van paerden, dolle Heers, vuyle wegen, waar -Was ooyt een mensch zoo zeer gequelt als ik ben? daar -Ben ik voor uyt gestuurt goed vuur te laten maken; -Mevrouw die beeft van kou, en ik begin te kraken; -Zo 'k geen klein potje was, en in der haast bewarmt, -Zo was het nodig dat zich yder mijns erbarmt, -Ten aanzien van het weer: myn lippen mochten vriezen -Aan mijne tanden, en mijn tong haar spraak verliezen, -En 't hart in mijnen buyk, zo 'k nu by 't vuur niet kon, -Om my 't ontdoijen; och daar schijnt een flauwe Zon. -'t Vuur op te blazen, ja, dat zal my wat verquikken. -Een kloeker kaerel die verkoude wel als ikke, -In zoo'n beslikten wegh. hou, holla Kurtus, hout, -Waar benje Kurtus maat? - -KURTUS. Wie roept daar zoo verkout? - -GRUMIO. Een stuk ys. twijfelt gij? vraagt gij dat? hoe zal 't dyen? -Gij zoudt wel op mijn rug op schaatzen kunnen ryen, -Zo gladt ben ik van ys, vuur Kurtus, vuur bylo! - -KURTUS. Waarom? - -GRUMIO. Mijn Heer komt met zijn Bruydt. - -KURTUS. Hoe, Grumio! -Is 't waar? - -GRUMIO. Vuur Kurtus, vuur. - -KURTUS. Wat ben jy ook een snakert. -Maar is zy, als men zeydt, zo heetjes dan gebakert? - -GRUMIO. Zo heeft zy, Kurtus maat, voor deze vrost geweest; -De winter, als gij weet, temt man, en vrouw, en beest, -Zy heeft getemd mijn Heer, mijn nieuwe Vrouw, en mede -Mijn makker Kurtus zelfs. - -KURTUS. Wech, wech, gy lam van leden, -Gy zotje van drie duym, ik ben geen beest gelijk. - -GRUMIO. Hoe, ben ik maar drie duym? wel hey! ey lieve kijk! -Jou hoorn is wel een voet, zo lang ben ik ten minste", enz. - - -Hier en daar is het een en ander weggelaten of gewijzigd; evenals het -begin is het einde van het blijspel zeer bekort, de weddenschap en de -vermaning van Katharina zijn vervangen door een kort tooneeltje van -nog geen anderhalve bladzijde, dat een einde aan het stuk maakt. Maar -het geheel is toch een vertaling van een stuk van Shakespeare, naar ik -meen de oudste, die in ons land bekend is. Dr. Worp zegt hieromtrent -het volgende: - -"Een nauwkeurige vergelijking der beide blijspelen, vers voor vers, -heeft mij tot de overtuiging gebracht, dat wij hier werkelijk met -een vertaling van "The taming of the shrew" hebben te doen. Van een -andere bron dan Shakespeare zelf kan moeilijk sprake zijn, noch van -"The taming of a shrew", waarnaar de groote dichter zijn blijspel heeft -bewerkt, noch van "Die wunderbare Heurath Petruccio mit der bösen -Catharinen", dat in 1658 te Zittau werd opgevoerd, maar misschien -reeds vóór dien tijd was geschreven (Vgl. Genée, "Geschichte der -Shakesp. Dramen in Deutschland", blz. 174). Evenmin kan er sprake van -zijn, dat het blijspel hier door Engelsche tooneelspelers zou zijn -gebracht; de vertaling volgt het origineel te veel ook in allerlei -kleinigheden, dan dat men aan een bedorven Engelsch libretto of aan -het opschrijven na een voorstelling mag denken. - -"Het bestaan van "De dolle bruyloft" bewijst dus, dat er in het midden -der 17de eeuw exemplaren van sommige werken van Shakspere in ons land -gevonden en gelezen werden." - -Daar er geen oude afzonderlijke uitgaven van de "Taming of the Shrew" -bestaan, moet een exemplaar van de folio van 1623 of van 1632 (de derde -druk is van 1664), of een afschrift, voor de vertaling gediend hebben. - - - -Voorspel. 1. 4. Richard den Veroveraar. Hij meent natuurlijk Willem -den Veroveraar, met wien zoovelen van den oudsten adel in het land -kwamen.--Het paucas pallabris is verdraaid uit het Spaansche pocas -palabras, weinig woorden! evenals sessa uit het Spaansche cesa, -houd op, stil! twee uitheemsche uitdrukkingen, toen, blijkens andere -tooneelspelen van dien tijd, in zwang; ook Brummel gebruikt het woord -palabras in "Veel leven om niets", III. 5. 18. - -Vsp. 1. 9. Ga weg, Jeronimus. Deze woorden zijn genomen uit Kyd's -Spaansche Tragedie, toen ter tijd aan ieder schouwburg-bezoeker -bekend, zoodat zeker de aanhaling dadelijk opgemerkt werd. In de folio -staat "S. Ieronimie"; de S wordt door de uitgevers der Cambridge- en -Globe-edition voor een vraagteeken gehouden, dat voor uitroepingsteeken -gebezigd werd, en zoo is hier vertaald. Doch misschien is het beter de -S als een werkelijke S, dus als een verkorting van Saint, te beschouwen -en te vertalen: "ga weg, Sint Jeronimus!" zoodat de dronkaard den -held der Sp. Tragedie met den heiligen Hieronymus verwart. - -Vsp. 1. 12. Ik ga den schout halen. In de folio staat: I must -go fetch the Headborough. Headborough is een konstabel, een -politieagent. Blijkbaar moet dit woord vervangen worden, zooals in alle -uitgaven geschiedt, door thirdborough; dit blijkt uit Sly's antwoord -Third or fourth, or fifth borough. Thirdborough was een onderkonstabel, -of nagenoeg gelijk met headborough. In The Constable's Guide (1771) -leest men: "There are in several counties of this realm other officers; -that is, by other titles, but not much inferior to our constables; as, -in Warwickshire, a thirdborough.--In de vertaling moest het antwoord -van Sly gewijzigd worden; hij spreekt hier van den schout als van -een soort duivel.--Hij richt verder in zijn dronkenschap het woord -tot den knecht van het bierhuis. - -Vsp. 1. 64. En zegt hij: "Wat, ik ben--", zeg, dat hij droomt. Het komt -mij voor, dat het streepje achter "ik ben" voor iedereen duidelijk moet -maken, dat de dronkaard bij het ontwaken zegt: "Wat! ik ben toch--", -en zijn naam noemt of noemen wil; een gebaar kan bij het spelen -dit "die of die" voor iedereen zichtbaar maken.--Maar in de folio -ontbreekt het streepje, en er staat alleen: And when he sayes he is, -say that he dreames,--en ziedaar! nu wil de eene uitgever aanvullen: -he is lunatic, de andere wil lezen: he 's Sly, een derde vermoedt, -dat er een heel vers verloren is gegaan! - -Vsp. 1. 88. Soto. Het is onbekend, welk stuk hiermee bedoeld is. Er is -geen ouder stuk bewaard gebleven of bekend, waarin een Soto voorkomt. - -Vsp. 1. 122. Die deze zeven jaar enz. Later, Vsp. 2. 81, wordt van -vijftien jaar gesproken. Is het daarom noodig, hier tweemaal zeven -jaar te schrijven? In het geheel niet; men rekene liever de dichters -zoo precies niet na. Shakespeare stoorde zich meermalen niet aan -les petites chicanes de la probabilité, zooals Gustave Planche zulke -narekeningen noemt; men vergelijke de aanteekening op "K. Richard III", -III. 4. 80. - -Vsp. Tweede Tooneel. Een slaapkamer in het huis van den Lord. Men -ziet Sluw enz. In de folio staat: De Dronkaard komt op, boven, met -Gevolg. Sluw verscheen dus op het smalle balkon, dat op den achtergrond -van het toenmalig tooneel zich bevond, en zag van daar het schouwspel, -dat hem voorgediend werd, aan. - -Vsp. 2. 1. Een potteken scharrebier. Dunnebier, sterk schuimend, -werd als middel tegen katterigheid aangewend; het moest ongeveer als -sodawater dienen. - -Vsp. 2. 19. Burtonheide. Hier zal Burton of Barton-on-the-heath, -een vlek op de grens van Warwickshire en Oxfordshire bedoeld zijn. - -Vsp. 2. 23. Wincot. Verkorte uitspraak van Wilmecote, een dorp in -de buurt van Stratford aan de Avon. Shakespeare's grootvader, Robert -Arden, woonde er. - -Vsp. 2. 51. Houdt gij van schilderijen? Ongetwijfeld worden hier -bekende, meermalen voorkomende schilderijen aangehaald. Mythologische -voorstellingen vielen toen in den smaak. De vermelding van Adonis -en Cytherea doet denken aan het sonnet, dat als zesde gedicht in -den Verliefden Pelgrim voorkomt, die van Io aan Correggio's beroemd -schilderstuk, waarvan men echter niet weet, of het toen reeds in -Engeland bekend was. - -Vsp. 2. 112. Els Madame. De ketellapper houdt het woord Madame -blijkbaar voor een familienaam. - -I. 1. 2. Padua, der kunsten wieg. De universiteit van Padua, in -1228 gesticht, was in Sh.'s tijd de beroemdste en meest bezochte van -Italië. Petrarca, Columbus en Galilei hadden er gestudeerd. - -I. 1. 25. Mi perdonate. Shakespeare's tijdgenooten, Ben Jonson, -Webster en vooral Marston strooiden gaarne vreemde gezegden hier en -daar in hun tooneelwerken, hijzelf doet het nagenoeg alleen in dit -stuk; de schoolpedant Holofernes doet het in "Veel gemin, geen gewin", -om zijn geleerdheid te luchten. - -I. 1. 47. Bij het hier volgende optreden der personen staat in de -folio-uitgave: Gremio, a Pantelowne. De Pantalon was een telkens -terugkeerende Italiaansche theaterfiguur; men zie de beschrijving in -"Elk wat wils" (As you like it), II. 7. 158. - -I. 1. 55. Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof. De Engelsche -woordspeling met to court, het hof maken en to cart, op een kar -rondvoeren, zooals men booze vrouwen deed, was natuurlijk niet juist -over te brengen. - -I. 1. 108. Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader -niet. Er staat eigenlijk alleen: "Hun liefde is zoo groot niet"; -doch dit moet beteekenen, wat in de vertaling is uitgedrukt: de -liefde tusschen hen beiden is zoo groot niet, dat zij op den duur een -echtverbintenis van Bianca tegenhoudt, al moeten de twee medevrijers -nu rustig wachten, daar zij op 't oogenblik teleurgesteld zijn. Dit -laatste wordt uitgedrukt door 't ongaar zijn van den koek. - -I. 1. 136. Alle dagen op de markt zou gegeeseld worden. Er staat in -het Engelsch: at the high-cross, "aan het hooge kruis", d. i. een -steenen kruis op de markt, aan welks voet de openbare lijfstraffen -voltrokken werden. - -I. 1. 159. Als Anna met haar zuster Dido was. Duidelijkheidshalve is -uitgedrukt, dat Anna de zuster was van Dido; zij was de vertrouweling, -aan wie Dido haar liefde voor Æneas beleed. In 't Engelsch staat: -"Als Anna aan Carthago's koningin". Aan Sh.'s publiek was Anna bekend -uit Marlowe's stuk: "Dido, koningin van Carthago". - -I. 1. 168. Redime te, captum, quam queas minimo. "Zijt gij gevangen, -koop u dan voor zoo weinig mogelijk vrij." Een aanhaling uit Terentius, -Eunuchus I. 1. 29, maar niet geheel woordelijk, en in dezen vorm, -die beter bij de Engelsche versmaat past, ongetwijfeld aan Lilly's -Grammatica ontleend. - -I. 1. 173. Agenors dochter--de schoone Europa. - -I. 1. 213. Mijn vederhoed. Er staat eigenlijk: mijn kleurigen (of -bonten) hoed; een hoed is bedoeld, zooals alleen voorname lieden -dragen. - -I. 2. 28. Het doet er niet toe, wat hij daar in het Latijn vertelt. Het -moge vreemd schijnen, dat Grumio, de Italiaan, zijn eigen moedertaal -voor Latijn houdt, maar hij spreekt door Shakespeare Engelsch; het -Italiaansch is hem, al speelt het stuk in Italië, een onbekende taal -en kan hem dus Latijn toeschijnen of iedere andere vreemde taal; -alleen voor Italiaansch moet hij het niet houden. - -I. 2. 33. En niet meer meespeelt. In 't Engelsch staat: being, -perhaps, two-and-thirty,--a pip out. Een pip is een oog, een punt -op een speelkaart, a spot on cards. De zegswijze is ontleend aan het -kaartspel: Bone-acre or One and thirty; wie meer had dan één-en-dertig, -viel uit, speelde niet meer mee. Was Petruccio twee-en-dertig, dan -was zijn tijd van spelen voorbij.--Halliwell merkt verder nog op; -"to be two-and-thirty, a pip out, was an old cant phrase applied to -a person who was intoxicated." - -I. 2. 69. Waar' ze ook zoo leelijk als Florentius' bruid enz. Gower -verhaalt in het eerste deel van zijn Confessio Amantis [1] de -geschiedenis van een zekeren ridder Florens of Florentius, die, -om een raadsel op te lossen en hierdoor zijn leven te redden, een -afschuwelijk leelijk wijf trouwde,-- - - - "Which was the lothiest wighte, - That ever man cast on his eye".-- - - -Dezelfde historie, doch zonder naam, vertelt ook Chaucer in The Wife -of Bath's Tale. Voltaire heeft er zijn vertelling Ce qui plaît aux -dames, die door Bilderdijk in Ridder Sox vrij is nagevolgd, naar -gedicht.--Voor het fel en vinnig van den volgenden regel heeft het -Engelsch curst and shrewd. Aangaande dit laatste woord, dat in dit stuk -meermalen voorkomt, moge hier de volgende verklaring van Grant-White -een plaats vinden: "Shrewd now is only used in the sense of keen, -as applied to the mind. But this sense is merely figurative. The -radical idea of the word shrew is irritation, sharp annoyance". - -I. 2. 244. Leda's schoone dochter. Helena, de vrouw van Menelaos, -geschaakt door Paris. De Trojaansche oorlog was aan Shakespeare's -publiek zeer wel bekend. Mythologische toespelingen werden over -het algemeen wel begrepen; dat Hercules ook Alcides heette b.v., -en dat hij twaalf groote werken volbracht had (zie I. 2. 258) wisten -waarschijnlijk velen van de toeschouwers. - -I. 2. 282. U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet. Hij zal -hem dus straks verwelkomen, bij de afgesproken samenkomst, of wel, -volgens afspraak, verkleed zijn opwachting komen maken en hij hoopt -dan welkom te zijn, of hij zal Petruccio welkom zijn, omdat hij hem -aan een rijke vrouw helpt. Woordelijk luidt het oorspronkelijke: - - - "Een aardig plan voorwaar, en zij het zoo! - Petruccio, 'k ben uw ben vénuto". - - -Ben venuto is de Italiaansche groet: welkom! De klemtoon is hier, -als bij Sh., verkeerd gelegd, om een schertsrijm te krijgen. - -Op het eerste bedrijf volgt in het stuk van 1594 een kort gesprek -tusschen den ketellapper en den als bediende verkleeden Lord. Bij -de woorden van Sluw: "Bravo, hier komen twee mooie dames" treden -Katharina en Bianca op. - -II. 1. 33. Barvoets dansen en apen brengen naar de hel. D. i. "als -oude jonge juffer sterven". Zie "Veel leven om niets", II. 1. 43. De -uitdrukking was spreekwoordelijk. Hoe de zegswijze ontstaan is, schijnt -onbekend; het apen brengen naar de hel is misschien als straf gedacht -voor oude juffers, die niet van kinderen hielden en ze afscheepten -of onaardig behandelden. - -II. 1. 101. Dit stapeltje Latijnsche en Grieksche boeken. Men behoeft -hier geenszins uit af te leiden, dat de dochters van Battista geleerder -waren dan andere jonge dames van haar tijd; Latijn, Grieksch, wiskunde -en wijsbegeerte werden toen dikwijls door vrouwen beoefend, ongeveer -als thans muziek. Men denke slechts aan koningin Elizabeth, Lady -Jane Grey, de dochters van Sir Thomas More; en ook in ons vaderland -waren, zooals bekend is, zulke studiën zoo zeldzaam niet. Vooral -in een academiestad als Padua kon men wachten, dat de vrouwen van -de hoogere klassen er zich mee bezighielden. In de nieuwere talen -waren slechts weinige onderhoudende en schoone boeken geschreven, -zooals Macauley in zijn stuk over Lord Bacon terecht opmerkt. - -II. 1. 103. Lucentio is uw naam? De naam Lucentio is nog niet genoemd, -hoe komt Battista dien te weten? Het is licht mogelijk, dat Tranio -eindigde met zijn naam op te geven, en dat deze met Lucentio beginnende -regel bij den druk is weggevallen; het kan ook zijn, dat de dichter -zich vergist heeft. Wil men het verzuim herstellen, dan kan men Tranio -laten zeggen: "Lucentio is mijn naam"; en Battista alleen laten vragen: -"Van waar afkomstig?" - -II. 1. 116. Ik kan niet elken dag hier aanzoek doen. Dit zeggen van -Petruccio: And every day I cannot come to woo, wekte ongetwijfeld zeer -veel vroolijkheid bij de toeschouwers op, want het is woordelijk, -met een kleine omzetting, het refrein van een oude ballade, The -ingenious Bragadoccio betiteld. Ook in een tusschenspel, interlude, -van Puttenham komt de regel voor: I cannot come a wooing every day. - -II. 1. 199. Zooals een vouwstoel, ja. Men vergelijke "Koning Lear" -III. 6. 54. Cry you mercy, I took you for a joint-stool: Verschoon -mij, ik hield u voor een vouwstoel. Het was een gewoon zeggen, als -men iemand opzettelijk over het hoofd had gezien en zich op lompe, ja -beleedigende wijze daarover verontschuldigde.--Het geheele volgende -gesprek vloeit over van woordspelingen, die slechts ten deele met -eenige getrouwheid zijn weer te geven; in reg. 207 wordt uit be, -zijn, bee, bij, verstaan en daarom van buzz, gonzen, gesproken, -waarop weer de vermelding van een buzzard, buizerd of muizerd, volgt; -reg. 215 wordt tail opgevat als staart, en als tale, vertelling; -reg. 216 coxcomb als narrenkap of nar, en als hanekam. Reg. 225 zegt -Petruccio tot Katharina: Put me in thy books, wat hier doelt op het -boek, waarin de herauten de wapens moeten aanteekenen, maar wat ook -beteekent: "sla acht op mij", "denk aan mij", "wees mij gunstig". - -II. 1. 268. Nu, houd dien geest maar warm. Yes, keep you warm. Een -spreekwoordelijk zeggen, vollediger uitgedrukt in "Veel leven om -niets", I. 1. 68: If he have wit enough to keep himself warm, "als -hij geest genoeg heeft, om zich warm te houden". - -II. 1. 297. Griseldis streeft zij in geduld ter zij. Er staat -eigenlijk: "In geduld zal zij een tweede Griseldis blijken". De -geschiedenis van Griseldis, de zachte vrouw, die al de beproevingen, -die haar man haar oplegde, met de grootste lijdzaamheid droeg, was in -Engeland reeds lang bekend. Petrarca had in 1373, het jaar vóór zijn -dood, het verhaal van Boccacio betreffende Griseldis (Decamer. X. 10) -in het Latijn overgebracht: De obedientia et fide uxoria Mythologia; -en deze Latijnsche vertaling werd door Chaucer getrouw gevolgd in zijn -Canterbury tales, waarin de geschiedenis van Griseldis The Clerk's -Tale uitmaakt. Chaucer was in 1372-'73 in Italië en kan er toen reeds -de geschiedenis hebben leeren kennen. - -II. 1. 300. Aanstaanden Zondag zal de trouwdag zijn. Collier zegt, -dat dit het refrein is van een oud lied, waarvan hij een strophe naar -mondelinge overlevering mededeelt: - - - "To church away! - We will have rings - And fine array, - With other things - Against the day, - For I'm to be married on Sunday". - - -Zoo Collier niet een strophe mededeelt, die naar aanleiding van -bovenstaanden regel van Sh. en den voorafgaanden gemaakt is, moet -Shakespeare dit lied gekend hebben. - -II. 1. 348. Gij kent, vooreerst, mijn huis hier in de stad. Indien -Shakespeare niet zelf Italië bezocht heeft, en geen kijkje heeft -genomen in de huizen van aanzienlijken aldaar, vooral in Venetië -en nabijgelegen steden, moet men erkennen, dat hij wonderwel was -ingelicht, want hij heeft de kostbaarheden van zulk een woning zeer -juist beschreven en de ivoren koffers, troonhemels, Turksche kussens -met paarlen zijn terecht als kenschetsend aangehaald, evenzoo de -Venetiaansche kunst, want de gouden kunstwerken van Venetië waren -beroemd. - -III. 1. 28. Hic ibat Simois etc. Dit distichon is uit de -Heldinnebrieven van Ovidius, I. v. 33. Penelope schrijft aan Ulysses, -hoe bij menige andere vrouw, die zoo gelukkig is, dat haar man is -teruggekeerd, na den maaltijd de strijd om Troje met een luttel -geplengden wijn op een tafel wordt duidelijk gemaakt; de verhaler -zegt dan: "Hier liep de Simois, daar is het Sigeïsche veld; ginds -stond het hooge hof van den grijzen Priamus". - -III. 1. 37. Den ouden verliefden gek. In 't oorspronkelijke: "den -ouden Pantalon". Zie boven, bij I. 1. 47. - -III. 1. 50. Pedascule. Blijkbaar een uit Pedant en het Grieksche -Didascalos (Leermeester) gesmeed woord, met den uitgang van den -Latijnschen vocativus. - -III. 1. 73. Ut ben ik, gamma, enz.--Gamut I am, the ground of all -accord etc. Het woord gamut beteekent in dit versje niet de toonladder, -maar de noot Gamma, zoodat het woord in het Engelsch eigenlijk gammut -moest geschreven zijn. - -Gamm'-ut is, in den zin, waarin het woord hier genomen wordt, de -laagste noot der toonladder van Guido Aretino, een Benedictijner -monnik, uit de elfde eeuw, van Arezzo in Toscane. Aan dezen toon, de -G op de onderste lijn van de bas, gaf hij den naam van de derde letter -in het Grieksch Alphabet, G, Gamma, liet den slotklinker weg en stelde -er de lettergreep ut voor in plaats. Dezen, en de overige namen, re, -mi, fa enz., die Guido aan de noten der diatonische toonladder gaf, -ontleende hij aan de volgende verzen, die de eerste strophe uitmaken -van een kerkgezang, van Paulus Diaconus, aan den Heiligen Johannes -Baptista, een bede bevattende der zangers, dat zij niet van heeschheid -mochten te lijden hebben: - - - "Ut queant laxis resonare fibris - Mira gestorum famuli tuorum, - Solve polluti labii reatum, - Sancte Joannes!" - - -De wijze, waarop deze hymne oudtijds in de Katholieke kerk gezongen -werd, klimt met de diatonische intervallen G, A, B, C, D en E, bij -de lettergrepen, die hier cursief gedrukt zijn. - -Door Guido werden de twintig tonen der Gregoriaansche toonladder, met -de G, dat is de G op de onderste lijn (gamma) van de bas, beginnende, -in zeven toonreeksen, zoogenaamde hexachorden, ieder van zes tonen, -ingedeeld. In elk dezer Hexachorden, bij welke van C, F of G als -grondtoon werd uitgegaan, werd deze grondtoon steeds ut genoemd; de -volgende tonen werden re, mi, fa, sol, la geheeten. De tonen werden -dus in de hexachorden vernoemd, zonder dat op de hun toekomende -Gregoriaansche letters gelet werd, zoodat de namen ut, re, mi, fa, -sol, la, niet aan bepaalde tonen eigen waren, maar ut op F, G en C, -re op G, A en D, enz. kon vallen. Tusschen mi en fa lag steeds een -halve toon; de B was in het eerste, vierde en zevende hexachord de -ware B, of B quadratum (bij de Duitschers H), in het derde en zesde -hexachord B mol, of B rotundum (bij de Duitschers B). - -Het eerste hexachord omvatte de tonen G, A, B, C, D, E; het tweede -C, D, E, F, G, a (zoo men door de lettersoort, zooals A, a, a, de -tonen van verschillende hoogte wil uitdrukken). De toon C heette dus -in het eerste hexachord fa, in het tweede ut, D in het eerste sol, -in het tweede re, E in het eerste la, in het tweede mi. - -Zoover reikt het onderwijs, door Hortensio aan Bianca gegeven, dat -alzoo volgens de methode van Guido van Arezzo plaats heeft. Ware hij -verder gegaan, dan hadden zijn volgende versregels moeten beginnen met: -F fa ut, G sol re ut, a la mi re, b fa mi, c sol fa ut, d la sol re, -e la mi, f fa ut, g sol re ut, a la mi re, b fa mi, c sol fa, d la sol, -e la. - -Om het overgaan van het eene hexachord in het andere gemakkelijker -te maken, verbond Guido de namen der tonen aan de gewrichten -en vingertoppen der linkerhand, waarop de zanger het oog moest -vestigen. Men moge hierover een geschiedenis der muziek raadplegen. - -Dat Shakespeare een groot vriend was van muziek en deze kunst hoog -in eere hield, blijkt uit vele plaatsen zijner geschriften. Bovendien -strooit hij hier en daar in zijn stukken liederen, voor welke populaire -wijzen bestaan. Wie hier meer van weten wil, raadplege het groote -werk van W. Chappell, The Ballad literature and popular music of the -olden Time: History of the ancient songs, ballads, and of the Dance -tunes of England etc. London (1855). - -III. 2. 51. De opgenoemde paardekwalen zijn niet alle dezelfde -als in het oorspronkelijke; een getrouwe overzetting zou voor velen -onverstaanbaar geweest zijn of omschrijvingen vereischt hebben, kortom, -een geheel verkeerden indruk gemaakt hebben, door letterknechterij. - -III. 2. 70. "De veertig lustige liefdeliedjes". In 't Engelsch: "the -humour of forty fancies". Volgens Warburton's hoogst waarschijnlijke -gissing een toen ter tijd zeer bekende verzameling van minneliedjes -(fancies). - -III. 2. 84. Neen, bij Sint Japik enz. Het Engelsch Nay, by Sint Jamy, -etc. ziet er wel naar uit, dat het aan een volksballade ontleend is. - -III. 2. 168. Wat zeî de sukkel enz. De tekst heeft: What said the wench -when he rose again? Het woord wench zou met deerne, aan welk woord -men geen ongunstige beteekenis te hechten heeft, juist vertaald zijn: -Wat zeî de deerne, toen de man weer stond? Maar 't is zeer de vraag, -of de lezing wench wel de ware is. Het ligt veel meer voor de hand, -dat Tranio vraagt, wat de priester zeide, toen hij weer op zijn -beenen stond; de jonge vrouw behoefde niet te wachten, met iets te -zeggen, tot de priester was opgestaan. Bovendien is het vers mank, -zooals het in de folio- en de globe-editie staat; behoudt men wench, -dan moet men rose zeker in arose veranderen. Veel beter leest men: -"What said the wretched, when he rose again?" of wel: "What said the -wretch, when he arose again?" zooals Rich. Gosche heeft voorgeslagen. - -III. 2. 175. En wierp, wat van den huwlijkskoek in 't glas nog over -was, enz. Het was toen ter tijd gewoonte, na de inzegening van het -huwelijk, in de kerk wijn en koek [2], welke laatste in den wijn -gedoopt of gesopt werd, aan te bieden. Dit had bij alle huwelijken -plaats, tot welken stand het jonge paar ook behoorde. Zoo wordt, -bij gelegenheid van het huwelijk van Philips en koningin Maria, -in 1554, dat in de kathedraal van Winchester gesloten werd, dit -gedeelte der plechtigheid aldus beschreven: "The trumpets sounded, -and there remained until mass was done; at which time wine and sops -were delivered to them both". - -IV. 1. 20. Vuur, vuur, en gooi er geen water, geen water -op. Ongetwijfeld toespeling op een oud liedje. Blackstone vermeldt -een canon van dezen inhoud: - - - "Scotland burneth, Scotland burneth; - Fire, fire; fire, fire; - Cast on some more water". - - -IV. 1. 51. Zijn de kannen kant enz. Hier moest met eenige vrijheid -vertaald worden, om eenigszins denzelfden indruk te geven als het -oorspronkelijke, dat aldus luidt: Be the jacks fair within, the jils -fair without, the carpets laid, and every thing in order? Hierbij valt -op te merken, dat Jack een zwartlederen drinknap of kan is, en ook -een gewonen boeren- of knechtsnaam, zooals Hans, Jill een aarden vat -of een maat van een kwart pint inhoud, en ook een gewone meidennaam, -zooals Griet; men vergelijke "Een Midzomernachtdroom", III. 2. 461, -en "Veel gemin, geen gewin", V. 2. 885. Carpets zijn tafelkleeden. - -IV. 1. 143. Waar zijn mijn vroegre dagen heen? Een regel uit een liedje -van dien tijd; ook Pistool haalt dien aan in "2 Koning Hendrik IV", -V. 3. 147.--Een oogenblik later volgt iets dergelijks. - -IV. 1. 193. Mijn valk, met leêge maag, enz. Petruccio bezigt inderdaad -dezelfde middelen als voor het temmen van valken gebruikt worden: -vasten en slapeloosheid. - -IV. 2. 61. Een oude hemelzend'ling. In 't Engelsch: an ancient angel, -een engel, wijl hij hulp brengt. Wij behoeven hier dus niet te lezen an -engle, dat men als a gull, iemand, die zich foppen laat, verklaren wil. - -IV. 2. 63. 't Moet een kantoor- of schoolvos wezen. Het oorspronkelijke -bezigt hier twee vreemde woorden: Master, a mercatant, or a pedant, -waarbij pedant den klemtoon heeft op de laatste syllabe. Mercatant -werd in de tooneelwerken van dien tijd meermalen voor "koopman" -gebezigd en is hier wel op zijn plaats, daar het stuk in Italië speelt. - -IV. 3. 91. 't Lijkt wel een vuurpot in een scheerderswinkel. In -de scheerwinkels, waar dikwijls veel menschen bijeen waren, werd -reukwerk gebrand. Daartoe dienden metalen vuurpotten, censers, met -opengewerkt deksel. - -IV. 4. 93. Cum privilegio enz. De Latijnsche formule van het -privilege, dat een drukker het uitsluitend recht tot drukken van een -werk verzekerde. - -IV. 5. 39. Gelukkig de ouders enz. Hier schijnt een herinnering uit -Ovidius' Gedaanteverwisselingen den dichter voor den geest te zweven. - -V. 1. 155. 't Is nimmer te laat. In het stuk, dat in 1594 werd -uitgegeven, volgt nu, boven op den achtergrond van het tooneel, -het volgende gesprek tusschen den Lord en zijn bedienden. Sluw, -de ketellapper, is in slaap gevallen. - - -LORD. Heidaar! is daar iemand? (Eenige Bedienden komen op.) Daar -slaapt hij weer. Neemt hem voorzichtig op en steekt hem weer in zijn -eigen kleêren. Maar past op, dat gij hem niet wakker maakt! - -EEN BEDIENDE. Dat zal gebeuren, heer. (Tot de Anderen.) Komt, helpt -hem wegdragen. (Zij nemen Sluw op en dragen hem weg.) - - -V. Tweede Tooneel. Een banket is aangericht. Een banket is wat wij -nagerecht, dessert, noemen; het werd in Sh.'s tijd steeds in een -andere kamer opgezet. - -V. 2. 56. Men meent, uw hinde loopt u wel bek-af. In het Engelsch: -'Tis thought your deer does hold you at a bay. Een woordspeling met -deer, hinde, en dear, dierbare, liefje. - -V. 2. 118. Haar nieuw-verworven deugd van volgzaamheid. Vreemd is -het, dat in het oorspronkelijke twee regels achtereen met obedience -eindigen. Men leze ter verbetering met Capell in den tweeden regel -virtue of obedience, dus of in plaats van and, dan hindert de -herhaling niet meer, en dit is bij de vertaling gevolgd; of men -moet voor het tweede obedience iets anders in de plaats stellen, -b.v. her submission of her patience. Mocht men dit verkiezen, dan -vervange men in de vertaling het woord volgzaamheid van den eersten -regel door onderwerping. - -V. 2. 181. Nu oude knaap, gij wint uw zaak met glans. Dit gezegde -wordt in de folio en door alle uitgevers aan Lucentio toegeschreven, -maar wordt beter aan een ouden bekende, Hortensio, toegekend. Lucentio -spreekt een oogenblik later. - -V. 2. 186. Al troft gij het wit ook. Wellicht een toespeling op den -naam Bianca. - -V. 2. 189. Zich temmen liet. In het stuk, zooals het in de folio staat -afgedrukt, blijft het voorspel zonder slot; het laatste, dat men er van -merkt, zijn de weinige regels achter het eerste bedrijf van het eerste -tooneel. Het kan zijn, dat Shakespeare, een ouder stuk omwerkende, -het vervolg van het voorspel niet schreef, omdat de tooneelspelers -reeds wisten, wat zij te doen hadden en het met de woorden toch niet -nauw behoefden te nemen; het kan ook zijn, dat het vervolg verloren -is gegaan.--Het stuk van 1594 heeft het slot als volgt: - - - -Twee Bedienden komen op, beneden, en leggen Sluw in zijn eigen kleeding -neder, waar zij hem gevonden hebben; dan gaan zij heen. Daarop komt -de Tapper. - -TAPPER. Nu is de donk're nacht voorbij, en straalt -De daag'raad aan 't kristallen luchtgewelf, -En ik moet uit. Doch stil! wie is dat daar? -O wonder, Sluw lag hier de gansche nacht! -Ik wek hem. Wis, hij zou bezweken zijn, -Had hij zijn pens niet zoo met bier gevuld. -Hé, Sluw! word wakker! kom, 't is schande; ontwaak! - -SLUW. Simon, geef nog wat wijn!--Wat! zijn al de spelers weg? ben ik -geen Lord? - -TAPPER. Een Lord? loop rond! wat! altijddoor nog dronken? - -SLUW. Wie is daar? Tapper, o Lord! Heere, ik heb -Van nacht den schoonsten droom gehad! zoo iets -Hebt ge al uw levensdagen nooit gehoord. - -TAPPER. Nu goed; maar was toch liever thuis gaan slapen! -Uw wijf zal kijven, dat ge 's nachts hier droomt. - -SLUW. Zal kijven? 'k weet een kijfster nu te temmen, -'k Heb daarvan heel de nacht gedroomd tot nu. -Gij riept mij wakker uit den besten droom, -Dien 'k van mijn leven heb gehad. Maar kom, -Ik ga nu naar mijn wijf en tem haar ook, -Als zij het waagt mij boos te maken, ja! - -TAPPER. Neen, wacht nog, Sluw; 'k ga met u meê naar huis; -'k Wil hooren, wat voor droom gij hebt gehad. - - (Beiden af.) - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Gower was een tijdgenoot van Chaucer, werd geboren omstreeks 1325 -en stierf in 1408. Onder zijne voornaamste werken behoort een Engelsch -gedicht, Confessio Amantis geheeten, een samenspraak tusschen een -minnaar en zijn biechtvader, waarin over het wezen en de plichten der -liefde gehandeld wordt, een en ander met geschiedenissen toegelicht. - -[2] Men denke ook aan onzen hijlikmaker. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of De getemde feeks, by William Shakespeare - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GETEMDE FEEKS *** - -***** This file should be named 51691-8.txt or 51691-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/1/6/9/51691/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
