diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 19:59:47 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 19:59:47 -0700 |
| commit | d59763ae5c8cc01bb4a398fcf23dee6086baa7bb (patch) | |
| tree | 64cbfbbf964d537abcfff385413d404e4e9cb8a1 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 33563-0.txt | 13413 | ||||
| -rw-r--r-- | 33563-0.zip | bin | 0 -> 279871 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 33563-h.zip | bin | 0 -> 320543 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 33563-h/33563-h.htm | 15451 | ||||
| -rw-r--r-- | 33563-h/images/book.png | bin | 0 -> 364 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 33563-h/images/external.png | bin | 0 -> 172 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/33563-8.txt | 13442 | ||||
| -rw-r--r-- | old/33563-8.zip | bin | 0 -> 272703 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/33563-h.zip | bin | 0 -> 313647 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/33563-h/33563-h.htm | 15425 | ||||
| -rw-r--r-- | old/33563-h/images/book.png | bin | 0 -> 364 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/33563-h/images/external.png | bin | 0 -> 172 bytes |
15 files changed, 57747 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/33563-0.txt b/33563-0.txt new file mode 100644 index 0000000..24a3e39 --- /dev/null +++ b/33563-0.txt @@ -0,0 +1,13413 @@ +The Project Gutenberg eBook of It aade Friesche Terp, by Johannes Hilarides + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: It aade Friesche Terp + of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen + +Author: Johannes Hilarides + +Editor: J. van Leeuwen + +Release Date: August 28, 2010 [eBook #33563] +[Most recently updated: January 6, 2023] + +Language: Dutch + +Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. (This book was produced from scanned images of +public domain material from the Google Print project.) + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP *** + + + + + IT AADE FRIESCHE TERP + + of + + Kronyk + der Geschiedenissen van de + Vrye Friesen: + + met + Bijvoegsels en Aanteekeningen. + + van + J. van Leeuwen, + Griffier van de Regtbank te Leeuwarden. + + + + te Leeuwarden, bij + J. Proost. + + 1834. + + + + + + + +VOORBERIGT. + + +In den jare 1677 werd te Leeuwarden uitgegeven de eerste druk dezer +Kronijk ander den titel: + + + IT AADE FRIESCHE TERP, + Vertoonende + DE FRYE FRIESEN, + + in haar Oorsprong, Opkomst en Voortgang: Als Landsbestiering, + Waapenhandel, Krychsdaaden, Weetenschap, Vreemde voorvallen, Yver + voor de Vryheit, Afgooderye, Godsdienst en Landstreek. + + In 't gemeen bij een gehoopt, + + Voor de Liefhebbers der Vryheit. + + +Op dezen druk, beginnende met het jaar 313 voor Christus geboorte +en eindigende 1677, volgde een tweede, uitgegeven te Haarlem 1743, +getiteld: It aade Friesche Terp, of Kronyk der Geschiedenissen van de +Vrye Friesen, met een Bijvoegsel gaande tot de geboorte van Willem +Karel Hendrik Friso. Daarna zijn er nog twee Uitgaven in het licht +verschenen de eerste te 's Gravenhage 1746 en de laatste te Leeuwarden +bij Chalmot 1771, welke beiden als een tweede druk worden vermeld en, +uitgezonderd het titelblad, ook letterlijk van inhoud zijn als die +van 1743. Deze tweede druk is behalve het Bijvoegsel aanmerkelijk +vermeerderd en aangevuld met een aantal gebeurtenissen, tot Friesland +en Groningen betrekking hebbende, welke in de eerste druk niet zijn +vermeld, terwijl taal, stijl en spelling naar het gebruik van dien tijd +zijn veranderd. Het Motto, op de keerzijde des titels of op den titel +zelven geplaatst, was het gezegde van Aeneas Silvius of Paus Pius II: +Een Fries weigert niet voor de Vrijheid zelfs in de dood te gaan. + +Ofschoon ook deze Kronijk met de gewone sprookjes, fabelen en wonderen +uit den ouden tijd is voorzien, bevat zij echter een beknopt verhaal +van de meest belangrijke voorvallen uit de verschillende Friesche +Geschiedschrijvers getrokken. Wie echter de Schrijvers of Opstellers +zijn geweest is mij niet gebleken. + +Uit hoofde dit boekje van tijd tot tijd zeldzamer was geworden, komende +de eerste druk bijna nimmer voor, ondernam de Boekhandelaar Proost +alhier eene nieuwe Uitgave, noodigde mij uit die te willen verzorgen, +en er tevens zoodanige Aanteekeningen en Bemerkingen bij te voegen, +als voor de beoefening en opheldering der Friesche Historie, bijzonder +over de XV eerste eeuwen, nuttig en dienstig zouden kunnen zijn. Aan +dit verzoek voldoende, meende ik den tweeden druk der Kronijk in +deze Uitgave getrouw te moeten volgen, mij alleen veroorlovende de +ongelijkheid in de spelling, en de te groote afwijking hier en daar +in de taal wat te verbeteren. + +Bij het doorlezen der kronijken, geschiedboeken, en andere schriften +heb ik voor de Bijvoegsels en Aantekeningen, daaruit overgenomen of +kortelijk aangestipt, wat mij voor mijn oogmerk belangrijk toescheen +en dienen kon de Geschiedenis toe te lichten. Als een hoofddoel van +dezen arbeid heb ik getracht den minder geoefenden tot eigen onderzoek +en nasporing den weg aan te wijzen, weshalve ik al de Schrijvers en +Geschriften naauwkeurig heb aangeteekend, in welken de uitvoeriger +behandeling der zaken te vinden is, en de geschiedenis beter wordt +voorgesteld. Ben ik in deze mijne poging, om anderen van nut te zijn, +ten deele geslaagd, meer voldoening begeer ik niet. + +Over de waarde en geloofwaardigheid der oude kronijken en +geschiedverhalen heb ik met een enkel woord mijne meening gezegd, +en mijne stelling blijven verdedigen, dat aan dezelven daarom zoo +weinig gezag wordt toegekend, omdat zij nimmer oordeelkundig zijn +onderzocht en met de nog vele voorhanden zijnde bronnen vergeleken; +dat geen Schrijver van lateren tijd, de Geschiedenis der Friezen ter +harte heeft genomen, waardoor zij dus bij velen onbekend gebleven, +bij anderen opzettelijk is achterwege gelaten; en dat men te ver +is gegaan om door het Werk van Ubbo Emmius, die als de Feniks aller +Geschiedschrijvers, gelijk Dousa hem noemt, gehuldigd werd, Frieslands +Historie voor voldongen te houden, daar hij geen kritiesch onderzoek +in het werk heeft kunnen stellen, als verstoken van de noodige +hulpmiddelen en bronnen. Niet dat ik de waarde van dezen te regt +hooggeschatten Schrijver wil verkleinen of iets nieuws voortbrengen, +daartoe is mijne kennis te gering: evenmin wil ik als een voorstander +van de leer der oude kronijken met hunne fabels en wonderen beschouwd +worden; maar het is alleen om aan te toonen hoe verkeerd men handelt +onvoorwaardelijk het gezag van anderen te volgen, en zonder eigen +overweging en grondig onderzoek onze oude Schrijvers te verwerpen. En +dit is niet mijn oordeel alleen, hetwelk op de ondervinding steunt; +maar vele geleerde en schrandere mannen, zoo als: v. Schwartzenberg, +Ypeij, Visser, Amersfoordt, Westendorp, v. Halmael en anderen, die de +Friesche Historie bestudeerden, hebben in hunne geschriften ditzelfde +beweerd, tevens de noodzakelijkheid betoogende, welke er sinds lang +heeft bestaan, om de zeer belangrijke Geschiedenis van dit Gewest +van de vroegste tijden af beter te leeren kennen, te onderzoeken en +waarderen, zoodat eene zorgvuldige en oordeelkundige beschrijving, +naar den geest en de smaak des tegenwoordigen tijd ingerigt, allezins +wenschelijk ware. Daartoe heb ik reeds in den jare 1827 alle mijne +pogingen in het werk gesteld, en een plan, hetwelk veel belangstelling, +aanmoediging en ondersteuning, ook bij den Heere Staatsraad, +Gouverneur en Gedeputeerde Staten van dit Gewest, heeft gevonden, +tot stand trachten te brengen, dan door omstandigheden, geheel van +mij onafhankelijk, is hetzelve onvolvoerd gebleven [4]. Een gelijk +lot heeft een tweede Ontwerp van den Heer van Halmael en mij, tot +de Uitgave van een Geslacht- en Wapenboek van den Adel in Friesland, +een werk hoogst gewigtig voor de Geschiedenis, moeten ondergaan. Ik +heb alzoo mijnen wil getoond, en daar ik tot geene Uitgaven op eene +andere dan de door mij voorgestelde wijze besluiten kan, laat ik het +nu aan ieder wie het luste over, om ter liefde voor de Geschiedenis, +ter wille onzer Landgenooten en ten nutte voor de Nakomelingschap +hunne middelen aan te wenden, hopende dat zij met een beter gevolg +in de erkende behoefte [5] en den algemeenen wensch van hen, die de +wetenschappen op prijs stellen, mogen voorzien. + +Voor het Titelplaatje koos ik de aloude adellijke State van den +Potestaat Wiarda te Goutum, thans het eigendom van en bewoond +door de Familie v. Cammingha, welke met Martena-State te Cornjum, +bijna de eenigen zijn, die, in den voorvaderlijken tijd gesticht, +nog de algemeene slooping zijn ontkomen; want ook Tjaerda-Stins +te Rinsumageest zal spoedig, naar het voorbeeld van Liauckama +te Sexbierum, Hania te Holwerd, Holdinga te Anjum, Nieuw-Botnia +te Franeker en zoo vele anderen binnen weinige jaren vernietigd, +in eene puinhoop verkeeren. + + + Den 11 Junij 1834. + + J. van Leeuwen. + + + + + + + + +FRIESCHE KRONYK. + + +Friesland, een van de zeven Vereenigde Nederlandsche Provintien zynde, +legt aan de noordooster zyde van de Zuiderzee en Fliestroom, die het +van Westfriesland afscheid: aan 't noordwesten word het bedekt van de +Wadden, tusschen de Vooreilanden van de Noordzee, als Ter Schelling, +Ameland en Schiermunniks Oog. Het riviertje de Lawers verdeelt het van +de Groninger Ommelanden: van daar naar de zuidzyde is de Drenthe en +het Stigt van Overyzel, loopende bij de Kuinder aan de Zuiderzee. Maar +met de verdeelinge dezer landstreek willen wy den leezer niet ophouden. + +Van ouds was de wydte van zijne landpaalen vry verder uitgestrekt, +als loopende van den Ouden Rhyn, die door Leyden aan Utrecht langs +vloeyende, by Katwyk in zee uitliep: begrypende den geheelen zeekant +en de Zuiderzee, diestyds noch droog zynde, tot aan den Eiderstroom, +die het van Jutland afsnyd. Aan de landzyde van Westfalen, Overyzel, +Gelderland, tot het Ryk van Nieumegen en Utrecht, binnen zyne grenzen. + +Welke alle door verscheidene vyanden en andere voorvallen, als by +lappen afgescheurd zynde, het boven geschreven lapje land, zyne +vryheid, te gelyk met den naam van Friesland, zonder bystelling van +Oost of West, wel yverigst verdedigt hebben. [6] + +Dat is van 't Land, welks Inwoonderen de stoffe van ons schryven zal +zyn, naar het gemeenzaamste gevoelen byeen gesteld, als hier na volgt. + + + + De Heeren, onder welks Gebied de + Friesen van tyd tot tyd + geweest zyn. + +I. ONDER ZEVEN PRINSEN. [7] + + +Het 313de jaar voor dat onze Zaligmaker geboren wierd, was de tyd dat +Frieso, de eerste Prins van Friesland, en Voorganger der Stichters, +door welke dit ons Vaderland eerst bevolkt wierd, hier te lande kwam: +dat zich dusdaniger wyze heeft toegedragen. + +Als die roemruchtige en groote Alexander, die in het bloeyenste van zyn +jeugd het meerendeel van Asia overweldigde, kreeg hy toeloop van veele +volkeren, die hy of overwonnen hadde, of in die gewesten huis hielden; +om zyne gelukkige wapenen tot zo veele spoedige overwinningen te +helpen bevorderen. Onder deze vrywillige krygers waren zommige van de +voornaamsten uit Persien, en hunne onderhoorige Saxen (Sacæ) de minsten +niet. Dewelke, na dat Alexander overleden was, en die voorige verheerde +[8] volkeren, door zijner Nazaaten oneenigheid, de handen ruim kregen, +vreesden dat het hun t'eeniger tyd mogte gewrooken worden: zy maaken +derhalve een besluit, om met malkanderen, naar de wyze van dien tyd, +een veiliger land tot hun wooninge op te zoeken. Hunne Geleiders waren +Frieso en Saxo, om hunne gezelligheid gebroeders gezegt, en eigentlyk +zo genaamt, of naar den volksnaam van hunne landslieden zo bekent: +welker eerste Persiaanen, en de andere hun gebuuren, uit de woestyn, +die nu Belor heet, gemeenlyk Indiaanen genoemt zyn; om datze van ouds, +allen die naar 't Oosten woonden, den naam van Indiaanen gaven. Des +zij tot hunnen sleep [9] een vloot van 300 zeilen toetakelden, en +staken 'er mede af van het land van Cilicien, in Notalia of kleen +Asia, gelegen in de Zwarte Zee. Van waar zy, wonderlyk omkruissende, +door verscheidene woeste zeën heen slingerden, tot dat zy eindelyk, na +veele ondervindingen en verlies van de meeste schepen, met slechts 54 +stuks in de Oostzee zyn vervallen; en waar van 12 op het eiland Rugen, +en 18 in Pruissen zijn aangeland: de overige 24 den Fliestroom (welke +de Roomsche Schryvers den derden Mond des Rhyns noemen) inzeilende, +hebben dit gewest, dat nu van hunnen naam Friesland genaamt word, +aangedaan, landende ten west Staveren op de Kreil, daar nu de volle +zee voor Enkhuizen is: alwaar zy, geen menschen vindende, en na zo een +kommerlyk omzwerven, het eerste stand greepen, en die plaatze den naam +gaven van Staden. Daar Frieso ook een Vryhuis voor de vlugtelingen +bouwde, zelve een weinig oostelyker optrok, en een stad bouwde, die +naderhand Staveren genaamt wierd. Doch als in het volgende jaar de +zomer hoogde, [10] kwamen de Swaaven, die hier 's zomers huis hielden +en 's winters landwaards in weeken, om de overwateringen van de zwaare +stormen: want het land was doe noch met geen dyken omheinigt. Deze, +om datze ruuwe en onervaarene krygslieden waren, zyn ligtelyk van +de Friesen op de vlugt gedreven, die hun zetel hier nu door goede +beschansingen gevestigt hadden. + +Frieso had by zyn wyf Hil zeven zoonen, die hy elk over een gedeelte +des lands, dat in zeven Zeelanden was verdeelt, tot Voogden heeft +gestelt. En daar toe eene dochter, welke hy Weemoed noemde, om dat +haare moeder van haar in den arbeid was gestorven. Daartoe stelden +hy zyn zoon Æsge over de Burgerlyke Rechten, en Scholte over de +Halszaaken. Haaije maakte hy Priester der Druïden, over de bosschen +der Afgoden. Gæle wierd Dykgraaf, om daar opzigt te houden. Hette +verzond hy, om Voogd te zyn over de Katten, een volk in Duitschland, +dat naar zynen naam nu noch Hessen genaamt word. + +In den jaare 308 trouwde Fyt (Vito) of Jutte, een van Friso's zoonen, +de dochter van Bokke (Bocchus,) Koning van Jutland; zo als het +naderhand, naar zynen naam genoemt is: en kreeg tot een huwelyksgoed, +het land dat men nu noch heden Sleeswijk noemt. + +In den jaare 300, wanneer 'er verschil onder de Veehoeders ontstond, +zyn de Saxen, by gemeenen raade, van hun gescheiden: en, op de Elve +aangekomen zynde, hebben zich aan geen zyde, dat nu Noordballingen is, +nedergeslagen. Houdende dat gewest noch den naam van Saxen en Sassen. + +Frieso heeft daar na het land, om dat het zeer laag en moerig was, +met dyken van aarde, en zylen of sluizen, om het water te doen +afloopen, tot hun gebruik bequaam gemaakt: en om de overwateringen +van hooge vloeden alomme verhevene wieren doen opwerpen, en daar +huizen laten opbouwen, het land met beschansingen versterkt, en +met dorpen en buurten rondom lustig bevolkt. En, om de welstand en +eenigheid des volks te bewaaren, liet hij goede wetten en heilzaame +beveelen aankundigen. + +En uit dat broekachtig en waterig land, schynt het, dat zy het +oude Friesche Wapen hebben genomen, hetwelk bestond uit 7 Plompen, +beteekenende de 7 Waterlanden, op 3 Zilveren balken, in een Blaauw veld +[11]. Gelijk die Plompen noch hedendaags in 't Wapen van Groningen +te zien zyn. Hoewel de onweetende teekenaars daar nu 3 Herten van +maken. Bezie hunne munten, tot op de duiten toe. + +In den jaare 245 is Frieso, na dat hy dit land 68 jaaren wijsselijk +in vrede geregeert hadde, eindelyk gestorven, en na zyn vaderlyke +Persiaansche wyze te Staveren staatelyk begraven. + +Aanstonds is Adel, zijn oudste zoon, in 's Vaders plaatze gevolgt: +die zyne nagelaatene wetten bevestigt, vermeerdert, en in schrift +gestelt heeft. Hy bragt in gebruik, om de bequaamheid der gemoederen +te onderzoeken, dat 'er alomme gasteryen en drinkgelagen wierden +gehouden, daar men malkanderen in 't omdrinken, met het geeven van de +regterhand, zoude kussen of zoenen op zyn Persiaans: dat men nu noemt +op zyn plat Fries. In de gasteryen deed hy de geregten by malkander +in een grooten Schotel leggen, en belaste dat men uit een grooten +Hoorn zoude omdrinken. Waar van wy noch zeggen, de Friesche Pateele, +en de Friesche Hoorn, en by zommige Gilden noch in gebruik. Hy trouwde +Swebyne, de dochter van den Koning der Swaaven, zyne gebuuren. Om zyn +rechtvaardigheid, is hy by zyne onderdaanen en gebuuren zo vermaard +geworden, dat alle, die wel regeerden, daar van Adelingen, en van +Adel gezegt wierden. Welke benaamingen tot op den huidigen dag zyn +overgebleven. + +Ubbe, Juttes zoon, om Jutland tegen den aanval der Deenen te bevryden, +zette zyn zoon Fyt ter dezer dagen tot Voogd over Eiderland, en +Hendrik, zyn jongste zoon, over Jutland; die ondertrouwd wierd met +Signe, Dochter des Konings der Finnen. + +En in den jaare 234, Granus, vyfde Koning der Deenen, dit bemerkende, +heeft zich vermomd, en Hendrik op den dag der bruiloft, nevens veele +van zyne vrienden onvoorziens vermoord: en de Bruid, uit Finland +wegvoerende, zelfs getrouwt: edoch dat hy twee jaaren daar na met de +dood moest bekoopen. + +In den jaare 220 heeft Adel, Schotte, zyn broeder Scholtes zoon, naar +'t land, dat naderhand Schotland is genaamt geworden, heen gezonden, +op dat hy 't met volk zoude beplanten. + +In den jaare 201, Jutte, over de dood zyns broeders vergramd zynde, +heeft de Deenen veele jaaren met zeerooveryen geplaagt: tot dat hy +van Froote, achtste Koning der Deenen, in een zeeslag overwonnen +wierd. Die daar op de geheele Friesche kust heeft uitgeplondert; +zynde zulks van de Deenen voorheen nooit ondernomen: en voort het +Flie inzeilende, heeft zelfs het voorste van Duitschland aangetast: +en van daar is hy met zynen roof of buit naar Engeland overgestoken. + +In den jaare 151, is Adel, na dat hy in langduurige vrede loffelyk +het Vaderland bestierd hadde, gestorven. + +Doe wierd Ubbe tot derde Prins in 's Vaders plaats van de Staaten +des Lands aangenomen. + +In den jaare 131, als Ubbe, op 't aanraaden van zyne moeder Swobyne, +zyn grootvader, Koning der Swaaven, om de vrindschap te versterken, +eens bezogt hadde, heeft hy Keulen aan den Rhyn gesticht, ter plaatze +daar nu Duts legt. Daarom zyn de Keulenaars by de Romeinen eertyds +Ubii geheeten, van deze Ubbe. + +In den jaare 127 heeft Baate, zoon van den Koning der Katten, van +Friesche afkomst, met zyn gezelschap zich eerstmaal in de Betuw +nedergeslagen: daar hy Baatenburg en andere plaatzen stichte. Zynde +de oorsprong van die bekende Bataviers, dewelke nu Hollanders genaamt +worden. + +In den jaare 120 heeft Frieso de jonge getrouwd de dochter van Ubbe, +welkers naame Frouw was. Deze Frieso was de zoon van Gryns, zoon +van Gæle, zoon van Haaje, zoon van Frieso de eerste. Hy trok met +een hoop over den Fliestroom, en bewoonde het land, dat van hem noch +Westfriesland is genaamt, en in dien tyd gebynaamt, kleene Friesen +[12]. Daar bouwde hy, omtrent duizent schreeden van Alkmaar, aan een +inham van een arm der Rhyn, die Krabbendam van Kennemerland afscheid, +de stad Vroonen, die zo ryk en vermaard door den koophandel wierd. Waar +van hedendaags niets meer te zien is [13]. + +In den jaare 71 overleed Ubbe; en Azinga Askon, zyn zoon, quam in +zyn plaats: dezelve was een onrustig en eerzuchtig mensch: hy voerde +verscheidene doch ongelukkige oorlogen met den Koning van Tongeren +en de Baatenburgers. + +In den jaare 59 zyn eenige kooplieden uit Indiën, onder den noorder +aspunt om, door storm en onweder aan de Duitsche kust vervallen, en, +zo men meent, in Friesland aangeland. + +Azinga heeft Staveren met muuren omtrokken, en eerst dien naam +gegeeven, naar een ruuwen onbeschaafden Staf, hunnen Afgod; daar +zy God, na de wyze der ongeloovige volkeren, by in erkentenisse +hielden; om dat God de menschen als een staf en leunstok is in alle +gevaaren. Want het was by de Duitsche volkeren gemeen, om God door een +stok, blok, of steen, op hunne wyze te dienen, door dien zy zulken +hoogen achtinge wel van God hadden, dat zy hem met geen duidelyke +gelykenisze, het zy van een mensch, of diergelyke konden afbeelden. + +In den jaare 10, ter gelegentheid, dat de Romeinen onder hunnen Overste +Drusus de Baatenburgers, Geldersche, en nabuurige volkeren overwonnen +hadde, heeft hy de Westfriesen ook aangetast, van welke hy jaarlyks +slegts een getal ossenhuiden bedong: en, zullende de volkeren over +den Eems mede aandoen, hebben de Friesen der Romeinen schepen, die +door de ebbe op hunne wadden waren vast geraakt, uit het gevaar van +vergaan verlost. + +Als Azinga nu in 't 71ste jaar zyner regeeringe was, is de hoope +Izraëls, en de wensch aller Heidenen vervult geworden, als onze +Zaligmaker Jezus Christus te Bethlehem, in het Joodsche Land, gebooren +wierd, tot troost van die geene, die dien dag der zaligheid voor +langen tyd hadden begeeren te zien: terwyl onze Voorvaderen noch in +een dikke duisternis van onwetenheid gezeten waren. + +In den jaare 2, na de geboorte van Christus, Azinga ziende, dat de +Westfriesen, door hulpe der Baatenburgers, onder de Romeinen gebragt, +en van de Roomsche Overste Drusus met 50 Schansen langs den Rhyn +wel bewaart waren, heeft hij de Baatenburgers geweldig bevogten, en +veele ter neder gemaakt. Maar Azinga, door een pyl zwaar gewond zynde, +vlugten de Friesen, hem brengende op zyn slot, omtrent een halve myl +van Staveren, op de Kreil. De Friesen maakende ondertusschen, buiten +zyn bevel, eenen tweeden aanslag, versloegen nochmaals 500 mannen; +waar tegen zy 300 Mannen verlooren, en zyn alzo met overwinning en +goeden buit weder gekeert. + +In den jaare 4 is Diokarus Seegen, neef van Azinga, Ridder geslagen +van Brabo, eerste Hertog van Braband, en met groote eere weder in +Friesland gekomen. + +Ook is by 't Roode Klif, niet verre van Staveren, een vlamme uit +de aarde geborsten, welke 3 dagen duurde. Den 4den dag quam 'er een +groote draak regt om hoog uitvliegen, die de aanschouwers een half +uur lang geweldig verbaasde, en is weder in de spleete neder gerukt. + +In den jaare 5 heeft Azinga die van Tongeren den oorlog aangedaan, +en veele van hen verslagen: doch Brabo, Hertog van Braband, die van +Tongeren te hulpe komende, hebben zy Azinga gevangen gekregen. Doch +om de erkentenisse van Diokarus Seegen, heeft gemelde Hertog hem +alleen maar met verachtelyke woorden gestraft [14], en doe weder na +Friesland gezonden. + +In den jaare 6 heeft Tiberius, Veldoverste der Romeinen, Kennemerland +ingenomen. + +In den jaare 11 is Azinga Askon gestorven: en zyn Neef Diokarus Seegen +quam in zyn plaats. + +In den jaare 15 heeft hy allomme door geheel Friesland schoolen +voor de jeugd ingesteld; en in 't byzonder schermschoolen binnen de +Hoofdstad Staveren en Dokkum; daar 't volk met allen yver driemaal +'s weeks wierd onderwezen. + +In den jaare 16 en 17 zyn de Romeinen met hunne krygsbenden door, langs +en om Friesland getrokken, om de nabuurige volkeren te beheerschen; +zynde de Friesen met hun in een goed verbond. + +In den jaare 29, als de Westfriesen, door de gierigheid der Romeinsche +Overste Holle [15], byna uitgeput waren, alzo hy van hun afeischte +grooter ossenhuiden tot schattinge, als zy konden leveren, zo zyn zy +tegen hem opgestaan, en hebben zyne aangestelde Tolmeester opgehangen, +en het slot op het Flie, daar hy gevlugt was, sterk belegert. Maar, +door den Romeinschen Overste der Duitschers Apronius opgeslagen +zynde [16], hebben nochtans groote overwinninge tegens de Romeinen +gehad: dewelke by de 900 mannen verlooren omtrent het woud Baduhenne; +behalven noch 400 soldaaten, die uit vreeze voor de Friesen malkander +doodsloegen. Waar door Diokarus ook den toenaam van Seegen schynt +bekomen te hebben. + +Omtrent den jaare 44, als de Friesen wel met de Romeinen stonden, en +dat Diokarus zich ook by den Roomschen Keizer Claudius ten stryde +begeeven had, daar hy groote eer behaalde, was 'er een groote +hongersnood in 't land. + +In den jaare 46, als Seegen den staat des lands loffelyk bedient had, +is hy in tyd van vrede gestorven: en zyn oudste zoon Dibbald Seegen is +de zesde Prins der Friesen geworden. Hy was een goedertierend Vorst +omtrent zyne onderdaanen: maar aan de andere zyde zeer onrustig, +en genegen tot den oorlog. Waarom hy zich naar 't Roomsche leger in +Engeland begaf, daar hy veele ridderlyke daaden uitvoerde: laatende +Friesland onder 't bestier van een aangestelden Landvoogd. + +In dien tyd was 'er in Friesland een kloek Ridder, genaamt Idsert +Jetse, van een verwonderlyke kragt, waarom ook onder de wandeling +Sterke Man geheeten, dezelve was acht voeten in de lengte groot, hy +kon in ieder hand een tonne Bier 220 treeden verre dragen, neemende +onder ieder oxel [17] een kaas, omze van 't ligchaam te doen afhouden: +ook droeg hy 2 mannen een halve myl verre op zyne armen: een onbezuist +paard, kon hy met zyn vuist slaan, dat het dood ter aarde viel: en +wanneer hy toornig was, derfde hem geen mensch onder de oogen te komen. + +Na den jaare 48, is Corbulo, een Romeinsche Overste, de Westfriesen +onvoorziens op 't lyf gekomen, wegens hunne wederspannigheid, daar hier +boven van gezegt is: en gyzelaars te pande mede neemende, stelde hun +de paalen, daar zy niet over mogten komen. Het welk men meent de Lek te +zyn, die hy liet graaven tusschen de Maas en Rhyn, daar nu Holland is. + +In den jaare 52 quam Dibbald, van den Roomschen Keizer Claudius +grootelyks begiftigt, weder in Friesland: met hem leidende den Overste +van Camga; daar het edel geslachte van Camminga uit gesproten is. + +In den jaare 55, als Claudius gestorven was, is Dibbald oostwaards +opgetrokken, brandende en blaakende zeer verwoed. + +In den jaare 59, zyn Vryt of Verritus en Malorix, nevens een goed +gezelschap, in gezantschap tot den Keizer Nero naar Rome getrokken, +ter oorzaake van de klagten der Romeinen, dat de Friesen hun met +de akkerbouw al te na by den Rhyn quamen. Vryt was van 't Geslachte +van Hermana, afkomstig van Manne, die een kindskind was van Frieso +de eerste. En Malorix van Camminga. Behalven dat zy van den Keizer +groote eerbewyzingen, nevens het burgerrecht van Romen verkreegen, +zynde daar ook tot het Christelyk geloove bekeert. En Ægistus, een der +70 Discipelen van Christus, quam met hun in Friesland, om daar ook die +leere te verbreiden: doch Seerp, Zoon van Fyt, en derde Priester der +Druïden, op 't Oude Hof te Lewerden [18], stond hem zeer tegen. Zo +dat hy weinig vrugt in 't land deed, en wierd van de ongeloovigen +dood geslagen. + +In den jaare 61, is Dibbald tegen de Duitschers opgetrokken, doch +keerde met verlies van 800 mannen schandelyk weder naar huis. + +In den jaare 62, quamen de Deenen, opgemaakt [19] van de Duitschers, +Friesland plonderen en verwoesten 6 geheele jaaren lang; want Dibbald +lag ziek te bedde. + +In den jaare 69, trok Dibbald met een groote vloot schepen naar +Deenemarken, om zyn leed te wreeken. + +In den jaare 77 deed hy de Gelderschen den oorlog aan: die hem +zo wel onthaalden, dat hy 500 mannen verloor, en hy zelve in een +teeringziekte verviel. + +In den jaare 85 overleed Dibbald, en wierd te Staveren begraven. + +En Tabbe is tot de zevende en laatste Prins van Friesland aangenomen, +dewyl Dibbald zonder kinderen was gestorven. Hy was een der voornaamste +van Dibbalds Veldoversten, een wreed en onstuimig man. Waarom hy ook +geheele 7 jaaren onder den Roomschen Keizer Domitianus ten oorlog trok; +laatende Friesland onder een Stadhouder. + +In den jaare 94 deeden de Noormannen een tocht op Friesland, dat zy +plonderden en veel roof uit haalden. Waar over Tabbe t'huis onboden +zynde, zy zich hebben weggemaakt. Hy ondernam eerst met een goede +vloot, en doe te land, zyn wraak te neemen; maar had weinig voorspoed. + +Omtrent den jaare 100 was Harke, zoon van Seerp, de 4de Priester der +Druïden op 't oude Hof. + +En in den jaare 130 is Tabbe, de laatste Prins, gestorven [20]. + + + + + +II. ONDER ZEVEN HERTOGEN. + + +In het zelve jaar 130 quam Askon in zyn vaders plaats, die zich, +naar de manier der Romeinen, Hertog liet noemen. + +Sinne, de 5de Priester der Druïden, schreef in deze tyden tot Askon: +om de Christenen uit het land te verjaagen, en de Afgoden des lands, +na ouder gewoonte te dienen. + +In den jaare 155 is 'er weder eene groote vlamme op 't Roode Klif +uitgeborsten, ter zelver plaatze, als boven verhaalt is: en alzo de +menschen, daar omtrent woonende, daar zeer bevreest voor wierden, +vroegen zy hunnen Afgod Staf: Wat daar van worden zou? Zo antwoorde +hun de Duivel door den Staf, als eertyds tot Eva door de Slang. Dat +zy voor dit vuur niet behoefden te vreezen; om dat 'er na eenigen +tyd wel wat kouds op mogt volgen. + +In den jaare 163 deeden de Friesen, met de Oosterlingen en Katten +een inval in Frankenland, daar zy 't zeer verwoesten. + +In den jaare 164 is in het zuidwesten, omtrent een halve myl van +Staveren, een put gegraven, die zo veel zout water opgaf, dat men +vreesde het geheele land zoude onderloopen. Waar over den Afgod Staf +nochmaals om raad gevraagt zynde, hun ten antwoord gaf: het bloed +van een driejarig kind daar in te gieten. Dat gedaan wierd, en waar +na het ook ophield, dat 'er zelf geen water meer in de put bleef. Zo +snakt de Duivel naar menschen bloed. + +Askon deed verscheidene fraaije dorpen stichten, als Westerbierum +[21], niet verre van Flieland; en Dyxhorne, tusschen Almeenum, +dat nu Harlingen genaamt word; Ter Schelling [22] en Westerbierum, +die nu beide door de zee verdronken leggen. + +In den jaare 168 zyn 2 Meereminnen uit de Lauwers opgekomen; en +door Friesland omzwervende, tot verwondering van veele lieden, +hebben zich eindelyk by Westerbierum, van waar zy gekomen waren, +weder ondergedompelt. + +In den jaare 173 is Askon, na een vreedzaame en loffelyke regeeringe, +mede gestorven. Hy liet 4 zoonen na, namentlyk, Adelbold, Tiete, +Richold en Radbout. Radbout vertrok naar Friesland, alwaar hy trouwde, +en een zoon won, welke was Diderik, eerste Hertog van Westfriesland: +van wien naderhand de Hertogen en Koningen van Westfriesland +voortgesprooten zyn. + +Maar Adelbold wierd de 2de Hertog in zyn's vaders plaatze; en aanstonds +beoorloogde hy zyne nagebuuren. + +In den jaare 174 vertrok zyn Broeder Tiete naar Romen: alwaar hy +zich in goede konsten, en byzonder in die van de welspreekentheid +oeffende. Waarom hy ook by den Keizer Antoninus, de Philosooph, +wel bemint was. + +Na den jaare 175 had Godefroy Brabo, de zesde Hertog van Braband, +oorlog met de Romeinen; daar Adelbold en Tiete hem met hun volk +te hulpe quamen: alwaar Tiete, om zyn ongemeene dapperheid, Ridder +geslagen wierd van Brabo. + +In den jaare 178, als Keizer Antoninus oorloogde met de volkeren, +die tegen de Romeinen opstonden, heeft Adelbold zyn Broeder Tiete met +hulpbenden tot den Keizer gezonden: die daar over zeer verblyd was, +en zyne vyanden vrees aanjoeg, alzo zy op die tyding de vlugt namen. + +In den jaare 180 vielen de Friesen met een groote furie in Walsland, +afloopende of bedervende al wat hun voor quam; waar doorze by hunne +vyanden een grooten naam en verbaastheid hebben gemaakt. + +In den jaare 183 hebben de Wenden en Gotten, uit de Noordsche Landen +opgeborsten, verscheidene volkeren overvallen. En van de Deenen +afgekeert, quamen ze over de Elve, neemende hun zitplaats aan beide +de zyden van de Weezer; en wierden van dien tyd af Oostfaalingen, +nu Oosterlingen en Westfaalingen, geheeten. Van welke 1500 dachten +in Friesland te vallen: maar wanneer zy zagen, dat de Friesen aan +de andere zyde van de Eems goede beschansingen hadden, derfden zy +niet onderneemen om over te komen. Waar op Tiete, hun van achteren +bespringende, alle heeft geslaagen, behalven 400, die den Eems +overzwommen; doch in Adelbolds handen vervielen, en die 'er goede +buit van maakte. + +In den jaare 186, als Adelbold krank was geworden, wilde hy +zyn broeder Tiete de landbestiering opdraagen. Welke het ernstig +weigerde, doch echter moest aanneemen. Na welken tyd Adelbold noch +veele jaaren leefde. + +Tiete Bojokalus, mogelyk Beukels, was de 3de Hertog van Friesland [23]. + +In den jaare 187 wierd hy ingehuldigt, en regeerde het land met groote +voorzigtigheid, houdende alomme vrede, zo buiten- als binnenslands. + +In den jaare 208 Adelbold gestorven zynde, is met een ongemeene pracht +te Staveren in de groote kerk begraven. + +In den jaare 217 is voor de derdemaal op het Roode Klif eene vlamme +opgeborsten, doch 18 treeden westelyker, als waar van wy hier boven +gezegt hebben; dezelve vertoonde zich 11 dagen lang, tot verschrikkinge +van die daar omtrent woonden. Tiete, na dat hy den Afgod Staf 3 dagen +lang brandoffer toegedient hadde, zo gaf denzelven tot antwoord: +Dat door ten gewapend Ridder 3 kannen water, uit de Noordzee gehaalt, +moest in gegooten worden; alzo het anders niet zoude uitgaan. Zulks +gedaan wordende, zo verdween de vlam. De Duivel kon ligt genoeg zien, +dat het land door de slag van het water geweldig ondermynt wordende, +de Noordsche golven daar wel haast haaren loop zouden neemen. + +In den jaare 240 is Tiete overleden: en zyn neef Ubbe, zoon van +Richold, Tietes Broeder, is in 't zelve jaar tot 4de Hertog +verkooren. Door dien hy zeer vredelievend was, heeft hy 't +Land met treffelyke gebouwen, sterktens, vestingen, dorpen en +steden verheerlykt. In 't 2de jaar van zyne regeeringe bouwde hy +in Westfaalen, dat hy met volk bezet hadde, een slot, geevende het +zelve den naam van Tiete, na zyn oom, of Tietenburg [24]. Het zelve +is nu een stad, maakende met het omleggende gewest het graafschap uit, +voerende beide den naam van Tekelenburg, en in zyn wapen noch tweemaal +3 Plompen, nevens 2 Ankers, uit het oude Friesche wapen. + +In den jaare 248 stichte Ubbe aan de Lauwers een sterk kasteel, +'t welk hy den naam gaf van Dokkenburg, dat zo veel gezegt is als +Havenslot; want Dokke, zeggen de Geleerden, is in oud Duitsch een +haven, doch word in Friesland ook in de beteekenis van een kinder +poppetje gebruikt. Gemelde kasteel was zeer bequaam, om de haven +tegen de zeeroovers te beschermen. Naderhand is 'er de stad Dokkum van +geworden. Staveren heeft hy veel vergroot, en met heerlyke gebouwen +aanzienlyk gemaakt. + +In den jaare 260, ten tyde als Hertog Haron een Heer des lands was, +is 'er naauwelyks eenig landschap in gantsch Duitschland geweest, +of het brande en blakerde van oorlog. In Zweeden, Noorwegen, Hessen, +Friesland, enz. was alles op de been. Van dezen Haron zoude het dorp +Haren alhier zyne benaminge ontfangen hebben. + +In den jaare 279 vielen de Baatenburgers in Friesland, en deeden veel +quaad, eer de Friesen zich verweeren konden: maar als Ubbe hen met +een party volk [25], zo spoedig als hy 't zelve byeen konde krygen, +tegen quam, wierd 'er aan weêrskanten hardnekkig gevogten, en vielen +wederzyds wel omtrent 500 mannen. + +In den jaare 289 zyn de Hollanders, Friesen, Drenthers, enz. in den +winter, als de wateren bevrooren waren, met een schrikkelyk groot +krygsheir den Rhyn gepasseert; inneemende de landen aan geene zyde +dezelve gelegen, doodslaande en verwoestende voorts alles, daar maar +Roomsche bezettinge inlag. + +In den jaare 299 overleed Ubbe, en wierd te Staveren, by zyn oom Tiete, +in de groote kerk begraven. + +Om dat zyn oudste zoon Odilbald by den Keizer Diocletianus, wegens +het inneemen van de stad Alexandria, in groote achting was, en hem +tot wigtige zaaken in Egypten groote dienst deed, zo wierd Haron, +Ubbes jongste zoon, tot 5de Hertog van Friesland verkooren, en trouwde +de dochter van den Koning der Deenen. + +In den jaare 308 en eenige volgende jaaren, heeft Constantinus Magnus, +Roomsch Keizer, deze landen wederom onder zyn gehoorzaamheid gebragt; +doende de guarnisoenen versterken, nieuwe kasteelen bouwen, en de oude +verbeteren [26]. Voorts alle de geene dreigende, die zich in volgende +tyden zouden roeren, hen te vuure en zwaarde te zullen vervolgen. + +Omtrent den jaare 312 is Westfriesland, dat dus lang als verlaaten en +woest had gelegen, van 5 voornaame mannen begonnen bebouwd te worden, +en met dorpen en heerlykheden versiert. Waar van Diderik, zoon van +Radbout, zoon van Askon, eerste Hertog der Friesen, wel de grootste +aanleider was: dezelve heeft ook het eerste ontwerp van Medenblik +gemaakt, en tot een Hoofdstad van Westfriesland gestelt. + +In den jaare 334 heeft Diderik, door deze nieuwe heerlykheden +verhovaardigt zynde, den naam van Koning willen voeren. Waarom Haron, +Hertog der Friesen, hem zo met wapenen te keer ging, dat hy binnen +3 dagen te Staveren quam; en gemelde Diderik dwong zyne Koninglyke +Kroon af te leggen. En Diderik, als overwonnen, zynen overwinnaar om +vergiffenisse bad, die hem eindelyk toestond Hertog van Westfriesland +te blyven: doch met eene eeuwige onderwerpinge onder hem en zyne +nakomelingen. Diderik had een zoon en zoons zoon, die beide Lem of +Willem genaamt waren. Van de laatste draagt Haarlem zynen naam. + +Van dien tyd af is de naam van Westfriesland geweest: ook zyn de +inwoonders doe Friesche Buinen, dat is Plompaarts, (Frisiabones) +genaamt [27]. + +In den jaare 335 is Haron by 't Roode Klif overleden, en te Staveren +by zynen vader in 't graf gelegt. + +Odilbald, Harons zoon, wierd aanstonds tot 6de Hertog verkooren. Hy +was een dapper krygsman, en tot de landbestiering wel onderwezen. + +In den jaare 339 heeft hy Staveren noch wyder uitgezet, en hooger en +breeder muuren daarom getrokken, en met diepe wyde gragten voorzien, +en met heerlyker vryheden begiftigt. Het land liet hy alomme met +meer buurten en dorpen bezetten, en dezelve met volk bewoonen. Aan +de Lauwers, tusschen Dokkenburg en Schiermunniksoog, heeft hy mede +een stad doen bouwen, die Waarden wierd genaamd, om het land voor +zeerooveryen te beschermen. + +In den jaare 344 zyn de Westfaalingen, met die van Angria [28], hunne +gebuuren, tusschen de Eems en de Lauwers, daar nu Groningerland is, +ingevallen. Doch Odilbald heeft niet alleen hunnen roof ontjaagt, +maar hen zelve in hun land vervolgt, dat hy onder zyn gebied bragt, +en eenen Igle Laskon tot Overste daar in gestelt, die 't ook 65 jaaren +trouwhartig bewaarde. Ook bouwde hy aldaar tot zekerheid 3 kasteelen, +als in Angria, Soest en der Yburg: welke 2 laatste nu steden van die +naamen zyn. Na gemelde overwinning, vertrok Odilbald weder tot zyn +slot Dokkenburg. + +Hy bequam ook na eenige dagen tyding van den inval der Baatenburgers +in Friesland. Dewelke van hem aangetast zynde, bleeven 'er wederzyds +omtrent 400 dood: doch de Baatenburgers vlugtende, nam hy eenige +van hunne sterktens in, en versloeg noch van de vlugtelingen wel 250 +vyanden: keerende met goeden buit weder te rugge. En leefde voortaan +gerust, zonder eenige oorlogen. + +In den jaare 357 verbrande de onlangs gebouwde stad Waarden geheel af. + +In den jaare 359 overleed Odilbald, tot droefheid van zyn volk. + +In 't begin van den jaare 360 is Odolf Haron, de laatste Hertog +verkooren. Zyne genegentheid was zeer tot den oorlog, en was door +Laskon in den wapenhandel wel geoeffent en onderwezen. + +In den jaare 368 zyn die van Angria, de Westfaalingen en Gelderschen +tegen Igle Laskon opgestaan. Doch Haron met een machtig leger +afkomende, versloeg hen, plonderde Gelderland, en bragt het onder +zyn gebied. + +Niet lang daar na zond Igle aan Haron een wolf, die over den huid met +veelerlei zeldzaame afbeeldzels van hoofden bezet was. Haron vereerde +denzelve aan den Keizer Valentinianus, als een wonderschepzel. + +In den jaare 376 vergaderde Odolf een grooten hoop volk by Staveren +en Dokkenburg, waar mede hy in 't oost en zuidoost is opgetrokken, +neemende aldaar verscheidene vestingen in, die hy met volk bezette. + +In den jaare 377, heeft Odolf de afgebrande stad Waarden weder +opgebouwt, en Ezonstad genaamt, daar nu Emmerzyl is [29]. + +In den jaare 385 kon Friesland zyne Inwoonders niet voeden, alzo de +traage akkerbouw schaarsheid in levensmiddelen voortbragt, zo dat by +gemeenen raade wierd goedgevonden, een gedeelte strydbaare mannen by +lotinge uit te kiezen, om een ander land op te zoeken: ja de Hertog +Odolf was zelve zo toegeevende, dat hy deze lotinge mede over zyne +eigene zoonen liet gaan, en het lot mede op hen is gevallen: des +Hengst en Hors, zyne zoonen, tot Hoofden van 't uitgelote volk gestelt +zynde, hebben den Eiderstroom aangedaan, en aldaar zich nedergeslagen: +want zy aan 't Hof van den Keizer Valentinianus zeer wel in krygs- +en staatszaaken onderweezen waren; als ook by Karel Taxander, 10de +Hertog van Braband, groote proeven van kloekmoedigheid hadden gegeeven; +en ook by Laskon lang in Westfaalen geweest waren. Het land, dewyl het +laag en broekig was, wierd met dyken en sluizen, tot haar gebruik ten +nutte gemaakt: en gaven 't den naam van kleen Friesland, vervattende +het land dat men nu Eiderstede, Angelen en Strantfriesen noemt [30]. + +In den jaare 389 hebben de volkeren dezer landen aan de Romeinen +schattinge geweigert te geeven, en daar by hunnen Raadsheer Sisinus met +al zyn volk doodgeslagen. Daar op togen zy langs den Rhyn, en vielen +zeer schrikkelyk op de Romeinen in, om hen uit het land tusschen Rhyn +en Maas gelegen te verdryven; doch te sterken tegenstand vindende, +moesten zy vrugteloos weêr te rug trekken. + +In den jaare 420 hebben deze volkeren wederom een schrikkelyk krygsheir +byeen gezamelt, en in de wapenen gebragt; vallende voorts by Doesburg +over den Rhyn, en hakten alles, wat zy van de Romeinen op de been +vonden, kapot; voorts het gansche land doorstroopende, namen zy alle +steden en sterktens tusschen Rhyn en Maas in bezettinge, en bevolkte +dezelve met hun eigen natie. + +In den jaare 429 zyn in Friesland, alschoon Haron en de zyne +afgodendienaars waren, door de Christenen 4 kloosters gesticht. + +In den jaare 432, Haron, wegens zynen ouderdom, de regeering moede +geworden zynde, heeft met goedvinden van de Staaten des Lands, zyn +zwager Offe in deszelfs plaatze gestelt. + + + + + +III. ONDER NEGEN KONINGEN. + + +Zo wierd Richold Offe in Odolfs plaats verkooren, en is 1ste Koning +geworden. + +In den jaare 435 zyn de Noormannen met een groote scheepsvloot in +Groningerland geland, trekkende voorts voorby het Huis Groenenberg, +in 't Drenth, roovende en plonderende alles wat ze konden krygen. Doch +Richold, Koning der Friesen, heeft hen met zyn macht het land wederom +doen ruimen. + +In den jaare 436 overleed Odolf Haron: van doe af aan heeft Richold +den naam van Koning eerst aangenomen, om dat hy zyne gebuuren zulks +zag doen: want hy meer land onder zyn gebied had, als iemand onder hen, +te weeten, van de Fliestroom af tot de Eider, en geheel Westfaalen. + +In den jaare 442, zyn de Noormannen, een onrustig volk, leevende +van den roof, om buit in Friesland gekomen; en hebben 't land tot +den grond toe bedorven, maar Richold, een man van onbezweeken moede, +trok hun by Grunenberg [31], nu Groningen, te gemoet; doch verloor in +dien stryd, alzo zyn volk moede was van den tocht, by de 300 mannen, +en, ten zy de nacht daar niet tusschen gekomen ware, zouden de vyanden +hem met de zynen geheel verslagen hebben. Doch met het aanbreeken van +den dag, is hy andermaal op de Noormannen aangevallen, en versloeg ze, +dat 'er 900 op de vegtplaats dood bleven; de overige wierden van de +landlieden verslagen, ja men weet niet dat 'er een van ontkomen is. + +In den jaare 449, als Hengst en Hors geweldige rooveryen op zee +bedreeven, heeft Vortigern, der Britten Koning, hunne hulpe tegen +de Pikten en Schotten gebruikt, die zy overwonnen; en stichten, na +veel tegenstand, aan de voorkant van Engeland het Ryk, dat noch Kent +genaamt word, en daar Hengst de 1ste Koning is geweest: geevende hunnen +oorspronk aan de tegenwoordige Engelschen, gelyk de naam van Angelen en +Angelboeren, te vooren gemeld, ook wel uitwyzen. 2 Friesche Edelingen, +als Tæke Heerema en Douwe Hiddema, waren hunne Admiraalen, die ook +het Eiland Frisland zouden opgedaan en dien naam gegeeven hebben. + +In den jaare 453 bouwde Richold tusschen Staveren en Medenblik een +groote kerk, en stelde die tot een Vryhuis voor de ballingen [32]. En +in 't volgende jaar maakte hy vrede met de Noormannen. + +In den jaare 463 bouwde hy binnen Staveren een kostelyk en koninglyk +Huis, daar hy alle Prinsen en Hertogen van Frieso den 1sten af, +tot zynen tyd toe, in liet afbeelden; met een naauwkeurig verhaal +van hunne daaden en tyd van regeeringe daar by gestelt. Waar van het +gerucht alomme verspreide tot vreemde volkeren, en nieuwsgierigheid +verwekte, ja zelfs dat Karel de Schoone, Hertog van Braband, nevens +zyne Hovelingen, zich naar Staveren begaven, om de pragt en deftigheid +van dat werk met verwondering te bezichtigen. + +In den jaare 471, als Odilbald, Richolds zoon, aan Haddinge, der +Noormannen Konings dogter, getrouwt was, wierd hy van zyn vader tot +1ste Graaf van Tietenburg gestelt, dat nu Tekelenburg genaamt word. + +In den jaare 496, deed Klodoveus, (Klovis) zoon van Childrik, Koning +van Vrankryk, een inval in Friesland, meenende hetzelve onder zyn +gebied te brengen. Maar Richold heeft hem zoo wel ontfangen, dat hy +met groote schande weder naar Vrankryk moest vlugten. Na dien tyd +had Richold goede vrede, liet veele huizen, hoeven, heerlykheden en +slooten, die wy stinzen noemen, alomme aanbouwen: ook stichte hy, tot +vermaak van zyn hofgezin, een lustige Stins en Lusthof, in een woud, +omtrent een myl verre van Staveren, dat naderhand een geweldige meer is +geworden, die de Flusse genaamt word. En, eer dit jaar ten einde was +geloopen, overleed hy, en wierd van zyn zoon naar Titenburg gevoert, +en aldaar ter aarde bestelt. + +Odilbald, Graaf van Tietenburg, wierd in zyn's vaders plaats de 2de +Koning der Friesen. Hy was een verstandig en beleefd man, goedertierend +over zyne onderdaanen, en kloek tegen zyne vyanden. Zyne zoonen zond +hy tot den Koning der Noormannen, om in den wapenhandel geoeffent +te worden. + +In den jaare 513 zyn in een kelder, omtrent een halve myl van +Dokkenburg, zeer subiet omgekomen 9 mannen, 3 vrouwen en 6 kinderen, +zo men vermoede door een basiliskus. Waar op het huis aanstonds +verbrand wierd, en men vernam geen quaad meer. + +Omtrent dezen tyd gebeurde het, ten huize van Yv Hopper, of Hopheer, +tusschen Staveren en Hoorn, (daar de Zee noch het Hoornsche Hop +genaamt word, en nu diepe baaren schiet; waar van men ook noch zegt: +'t Hoornsche Hop, leegt den krop,) dat een dienstmaagd, als zy water +uit de put schepte, een leevendige haring mede optrok. Waar door Hopper +verschrikte, indachtig wordende, 't geen de Afgod Staf voorzegt had: +dat na dat vuur, daar we op 't jaar 155 van gemeld hebben, wel wat +kouds mogt volgen. Des hy zyne landen verkogt en verruilde, en alzo +voorquam dat hy geen schade door de wegspoeling derzelver behoefde +te lyden [33]. + +In den jaare 516 is geheel Friesland byna door de zee onder geloopen, +waar door meer dan 6000 menschen en veel vee is verdronken. + +In den jaare 517 zyn in Friesland ongemeene groote hagelsteenen +gevallen, waar van zommige een halve voet breed en een heele voet lang +waren, voortgedreven door een zwaaren wind. Groningen, by de Friesen +Grins genaamt, is in dezen tyd met houte planken omheiningt geworden. + +In den jaare 527 is Odilbald te Dokkenburg gestorven, en te Tietenburg +begraaven. + +Richold, zyn oudste zoon, quam door algemeene toestemminge der +Staaten, terstond in zyn's vaders plaats. Om zyne deugden was hy by +de landzaaten zeer bemint. Onder Richolds regeeringe had Dibbald +het gezach over Westfriesland, en nam met verlof van Richold, zyn +Beschermheer, den naam van Koning aan. Zyn zoon Lem, of Willem, bouwde +een slot, dat het volk Heer Lems Slot noemde, en wierd naderhand een +Stad, die nu noch daar van Haarlem genaamt is [34]. + +In den jaare 548 hebben de Deenen het Graafschap Tietenburg jammerlyk +geplaagt en uitgeplondert; doch de komste van Richold gewaar wordende, +zyn doorgegaan. Waar op de Koning zyn Overste Harke, uit het edel +geslachte der Rodmannen, een onverzaagden held, met een grooten +hoop volk naar Deenemarken zond; die daar zeer brande en blaakte, en +komende met een ryken buit weder in Friesland te rug. Middelerwyl zyn +ook de Gelderschen en Westfaalingen wederspannig geworden; doch als +Richold hen, met een groote macht van volk, in een slag overwonnen +had, hebbenze om lyfsgenade moeten bidden, met belofte van eene +eeuwige onderwerping. + +In Westfriesland werd Dibbald van de Baatenburgers mede zeer benaauwt; +dat, ten waare Richold hem met geen machtige hand beschermt hadde, hy +'t halve Land zoude kwyt geweest zyn: doch bequam nu, boven het zyne, +noch verscheidene van hunne vestingen. Hy liet, na zyn overlyden, +Ridzert Aurundulus in zyne plaats, die zyn kindskind was. + +In den jaare 570 ontstond 'er uit het noordwesten een vreesselyk +onweder, dat 3 dagen aanhield, en Friesland jammerlyk onder water +zette. Daar wierden op het Roode Klif 35 zwaare boomen uit den +grond gerukt en ter neêr geworpen: en van het lusthof van den Koning +Odilbald, aldaar gebouwd, wierd niet den eenen steen op den anderen +gelaaten. Ook overleed Richold in dit zelve jaar [35]. + +Beeroald volgde hem in 't landbestier, en quam terstond het gebied +van Westfriesland weder op hem: want Aurundulus gestorven was, wiens +dochter hy trouwde. Van inborst was hy zeer mild en vreedzaam. Hy gewan +twee zoonen, als Adgild en Harke, die een onechte was; die hy deftig in +de schoolen liet onderwyzen: doch Harke verlaatende de schoole buiten +'s vaders kennisse, trok uit lust tot de wapenen naar Braband. + +In den jaare 606 wierd Harke uit Braband, met Pipyn van Landen, +zoon van Karelman, ten hove gezonden naar Vrankryk: daar Harke, +uit afgunst om zyne dapperheid, het hof heimelyk verlaatende, naar +Schotland vertrok; en wierd Overste van 't Schotsche veldleger, +en waar door hy huuwde aan de maagschap van den Koning van Schotland. + +In den jaare 612, Lotrik [36], der Franschen Koning, achtende dat de +roemrugtigheid van Harke tot zyn nadeel zoude strekken, om Friesland +niet te konnen overmeesteren, liet hem door verspieders ombrengen, +tot groot leetwezen van den Schotschen Koning Eugenius. + +In den jaare 628 beeft Dagobert, nieuwe Koning van Oostvrankryk gestelt +zynde van Lotrik zyn vader, Friesland willen onder zyn gebied brengen; +op dat zy tot het Christelyk geloove zouden gebragt worden: des hy +Soest, in Westfaalen, belegerde, wierd hem van Igle of Yge Gaalema +een stuk van zyn helm en eenige hoofdhairen afgeslagen. Waarom hy +zyn vader uit Vrankryk ontbood. + +Des Lotrik, in den jaare 630, een hoop volk byeen rukkende, onverwagt +in Friesland viel. Waar over Beeroald hem omtrent het dorp Englum hef +hoofd bied. En als Lotrik hem zag, die hy meinde al dood te zyn, zei hy +op zyn plat Fries: Ach duw aade schiere bolle, bistu dir salm! [37] Het +welk terstond voor Lotriks ooren komende, week hy niet uit den stryd, +voor dat hy Beeroald gedood hadde. En heeft daarom alle Friesen, drie +dagen lang, dood laaten slaan, die langer waren dan zyn zwaard. Van +dien tyd af heeft Dagobert de Friesen veele landen ontnomen. + +Adgild wierd in zyn's vaders plaats tot 5de Koning van Friesland +gestelt, wegens Lotrik, Koning van Vrankryk; en stelde 4 Friesche +heeren tot Raaden nevens hem, die de Christenen wel mogten lyden. Maar +de landen over de Zuiderzee, verstaande Westfriesland daar niet onder, +wierden hem afgenomen: als mede dat zij buiten Drenth en Twente +hadden bezeten; doch oostwaards aan bleef het in zyn geheel: en een +jaarlyksche schattinge van 600 ossen of koeyen wierd hun opgelegt. + +In den jaare 652 was Friesland in gerustheid, midden in der Franschen +oneenigheden; en Adgild leerde de Ingezetenen, voor de overstroomingen, +hooge aardhoopen, die wy Terpen noemen, opwerpen; om by 't doorbreeken +der zeedyken, met hunne beesten, goed en have aldaar de vlugt te +neemen. Dagobert, Koning van Oostvrankryk, bouwde te dezer tyd een +slot, nevens Wiltenburg, dat hy Utrecht benoemde, alwaar de schepen, +die uit zee den Rhyn opvoeren, zich moesten vertollen. Welke plaats +in voorigen tyd den Friesen had toebehoort. Hy gaf dit nieuw gebouwde +Utrecht aan Thuinibert, Bisschop van Keulen, die daar aan de Thomas +Kerk, een oeffenhuis van predikers, stichte, om de Friesen van hun +ongeloove te bekeeren. Adgild had een zoon gewonnen, die Radbout heete, +en eene dochter, Heile genaamt. + +Omtrent den jaare 671 hadden de Friesen eene goede vrede, terwyl 't +rondom door de wapenen der Franschen als in den brand stond: want +Adgild, erkennende van wien hy 't Ryk ontfangen hadde, deed alles +naar der Franschen zinnelykheid [38], en liet de Christenen hunne +godsdienst met alle vryheid oeffenen. + +In den jaare 672 vertrok Radbout naar Deenemarken, om zich in den +wapenhandel te oeffenen: en wierd, ook aldaar noch meer in zyn +ongeloove gesterkt. + +In den jaare 678 heeft Adgild, den Prediker van Utrecht, genaamt +Kenochius, toegelaaten in Friesland te prediken. En Wilfrid, +Aardsbisschop van Jork, zullende naar Romen reizen, doch door +onweder in Friesland vervallen, wierd den geheelen winter huisvestinge +gegeeven, inmiddels dezelve mede alomme de Christelyke leere verbreide +en veele doopten: doch de Koning en zyn hofgezin begeerden van hun +ongeloove niet af te wyken. Maar, om grootere voortplantinge te doen, +zo vereischten meerdere arbeiders; des hy hier over schreef aan de +Broederen in Engeland. + +In den jaare 679 overleed Adgild, en wierd te Staveren begraven. + +Radbout is de 6de Koning der Friesen geworden, in zyn's vaders +plaatze: hy was onrustig en wreed van gemoed, en tot den oorlog zeer +genegen. Hy nam het zeer euvel op, dat zyn vader zo gewillig onder +de Franschen hadde gestaan: waarom hy ook de landen, die zy zyn vader +hadden afgenomen, met het zwaard wilde wederhaalen. Des hy, om geld te +bekomen, zyne onderdaanen onverdraagelyke schattingen opleide, en de +onvermogenden gebruikte hy, door houte duimyzers, als slaaven. Want +de Friesen lieten zich, buiten redenen, niet vrywillig om den tuin +leiden. En om des te bequaamer tot zyn voorneemen te komen, voerde hy +zyn hofgezin naar Staveren. Van waar hy optrok, en het slot Wiltenburg +en Trajectum, nu beide Utrecht genaamt, weder veroverde. Ondertusschen +was Wigbert, op het schryven van Wilfrid, naar Friesland vertrokken: +doch is, wegens de onbekeerlykheid van het volk, na 2 jaaren, weder +in Engeland te rugge gekomen. + +In den jaare 690, als Egbert, Bisschop van Jork, daar door tot +mededogentheid ontroerd wierd over de Friesen, heeft hy 12 geleerde +mannen, uit verscheidene kloosters, byeen vergadert; waar onder +Willebrord, en zyn neeve Switbert, de voornaamste waren: dewelke +allen den Rhyn inkomende, zyn te Utrecht aangeland, en, wegens de +vredelievende eenvoudigheid van die tyden, hunne goederen in 't gemeen +gebruikende, hebben zy met een heiligen yver, tot het onderwyzen der +onweetende of afgodische Friesen, van daar een aanvang gemaakt. Maar +alzo gemelde Friesen, in hunne afgodery noch als verzoopen lagen, wierd +hun niet toegelaaten om Gods Woord te verkondigen, en met bedreiginge +van leevensstraf, zo zy zulks ondernamen. Des zy de platte landen en +aangrenzende landstreeken van Friesland zyn doorgewandelt, op dat zy +noch eenigen voor Christus mogten gewinnen. + +In den jaare 693 heeft Pepyn, dies tyds Voorvegter der Franschen, +en Hertog van Braband [39], Radbout weder uit Wiltenburg verjaagt: +die zich van dien tyd af als balling op een eiland onthield, alwaar +hy en zyn volk groote afgodery met eenen afgod Foste bedreeven; +waar van gemelde eiland ook Fosteland, nu Heiligeland, genaamt is, +leggende in de bogt van Jutland. + +In den jaare 694 quam Willebrord met de zynen op dat eiland, +en begonnen, na eenige dagen daar geweest te hebben, Christus te +verkondigen: maar konden niet meer als 3 menschen van hun ongeloove +aftrekken, en, na zy de beelden van Jupiter en Foste afgeworpen hadden, +dat Wigbert met de dood moest bekoopen, zynze door Radbout weder van +daar verjaagt. Maar, als zy naar Pipyn vertrokken, wierdenze door +deszelfs toedoen weder in Utrecht herstelt. Van welken tyd af zy zeer +veel bekeerden. + +In den jaare 695 bouwde Willebrord, op de plaats van de afgeworpene +kerk, binnen Utrecht, eene andere ter gedachtenisse van het kruis. + +Daar maaktenze een verdeling, en zonden van hen af, by tweeën en +drieën, na de deelen van Duitschland, om de Christelyke leere aldaar +mede onder de ongeloovigen voort te planten. Willebrord bleef te +Utrecht; en Switbert, met twee medehelpers, vertrokken naar Wyk te +Duurstede, daar nu Baatenburg is: alwaar zy door een wonderwerk +veelen bekeerden. 't Welk zy te Utrecht boodschappende, zo zyn +Willebrord en Switbert, om de zaaken wel te bestellen, tot Hoofden +uitverkooren. Switbert vertrok naar Engeland, daar hy Bisschop +wierd gemaakt, en deed, na zyne wederkomst, in Friesland, Holland, +en Teisterband veele stichtinge. + +In den jaare 697 quam Willebrord weder te Utrecht, zynde in 't +voorgaande jaar van den Paus te Romen aangestelt tot Bisschop der +Friesen, daar in dien tyd de Groningers, Overysselschen, Utrechtschen, +Hollanders, en Gelderschen mede onder begrepen waren; en stelde zynen +zetel te Utrecht: Waar van zyne navolgers Bisschoppen van Utrecht +zyn genaamt geworden, daar hy de eerste van was; en Switbert was +zyn medehelper. + +Dit alles kon Radbout met geene goede oogen aanzien; waarom hy +Gerlacus, een woedend krygsman en Overste van Fosteland of Heiligeland, +woonende te Warns, alwaar hy ook een sterk slot gebouwd hadde, afzond, +eerst om Baatenburg, en dan Utrecht te vermeesteren. Maar is van Pipyn +zodanig overwonnen, dat hy hem veel buit moest achterlaaten, als mede +eene belofte doen, om de Christenen in Friesland te vergunnen, Gods +woord vry te mogen verkondigen. Ook wierd Willebrord ondertusschen +van Pipyn aangemaant, om het heilige werk met yver in Friesland voort +te zetten. + +In den jaare 698 verzond Willebrord veele vroome en geleerde mannen +naar Friesland: maar hunne leere wierd niet aangenomen, en zy in +tegendeel bespot, verjaagt en doodgeslagen. + +In den jaare 700 Wulfranus, Bisschop te Sens, een stad in Champagne, +in Vrankryk, door den geest geroert zynde, is met brieven van +voorschryvinge des Konings van Vrankryk, aan Radbout, in Friesland +gekomen; daar hy, door zyne krachtige welsprekentheid, veel volk won, +en ook den Koning byna bewoogen had, zo dat hy zelve begeerde gedoopt +te zyn. Waar op hy Koning, met den Bisschop buiten Medenblik gaande, +alwaar Radbout dien tyd zyn verblyf had, en reeds den eenen voet nu +al in 't water gezet hebbende, vroeg hy gemelde Bisschop: Waar zyne +voorouderen, die zonder den doop gestorven zyn, waren gebleven? De +Bisschop dien ruuwen mensche, door onvoorzigtigheid, wat t' +onbedagtelyk antwoordende, zeide: Dat buiten de kennisse van Christus, +en den waaren God, met verachtinge van de heilige Sacramenten, geene +zaligheid te bekomen was: en daarom moestenze in de helle zyn. Wel, +antwoorde Radbout, dan zal 't my veel grooter eere en aanzien geeven, +dat ik by myne voortreffelyke en beroemde Voorvaderen in de helle ben, +als met een geringen hoop Christenen in den hemel. En trok aanstonds +zyne voet te rugge uit het water, met beschimpinge van den Bisschop. + +In den jaare 719, als Radbout zag, dat de christenkennisse grootelyks +in Friesland toenam, en zyne afgodendienst in verachtinge quam, +is hy, ten deele uit spyt, en ten deele door een knaaging van zyn +aangeroerd gemoed, na een zesjaarige uitteering, eindelyk binnen +Medenblik overleden, en te Staveren begraven. + +Adgild, de tweede van dien naam, wierd van het volk tot zevende +Koning verkooren, in zyn's vaders plaats. Hy regeerde het land in +groote gerustheid en vrede. Ook liet hy de Christenen onverhindert in +hunne oeffeningen; want hy had zelve de Christelyke leere aangenomen, +en zich laaten doopen. + +In den jaare 726 quam Horne, een onechte zoon van Radbout, uit +Deenemarken; en alschoon hy zyn vader in ongestuimigheid en wrevel +gelyk was, heeft hy zich echter, door Adgilds toedoen, laaten +doopen. Deze heeft de stad Hoorn gebouwd. + +Omtrent den jaare 728, als de christenkennisse te Utrecht zeer +toenam, heeft Bisschop Willebrord wederom verscheidene leeraars +naar Friesland gezonden. Welke, schoon zy vry en veilig konden gaan, +evenwel weinig voordeel by de hardnekkige Friesen hebben kunnen doen: +want de blindheid des volks, en zugt tot hunne afgoderye, was te +groot. Een Veldoverste Richold, veinsde te willen zyn gedoopt, doch +bespotte den Christendienaar op gelyke wyze, als wy hier boven van +Radbout hebben aangeteekent. + +In den jaare 729 is Karel Martel, [40] Koning van Austrasia of +Oostvrankryk, met een groote vloot schepen op de rivier de Burde +aangekomen, zynde van den Bisschop Willebrord daar toe verzogt, om de +Friesen te noodzaaken hunne afgoderye te verlaaten: hy overwon den +Overste Poppe, zoon van Gerke; waar op hy Friesland zeer verwoeste; +de afgodische kerkhoven en beelden uitroeide en verbrande, en veel +roof mede nam. Na welke overwinninge, Willebrord alomme Christen +kerken deed bouwen. En de Friesen, uit vreeze voor de Franschen, +derfde de Christenen niet meer tegenstaan. + +In den jaare 736 is Bisschop Willebrord ontslaapen: uit zyne +onderwyzingen zyn veele deftige leeraars voortgekomen, en is een +werktuig geweest van de bekeering der Friesen, die hem daarom wel in +goede erkentenisse mogen houden. In zyn plaats quam Bonifaas, als +tweede Bisschop der Friesen, te Utrecht, en verbeterde het verval +der kerke grootelyks, met ongemeene stichtinge, in deze landen. + +In den jaare 737 overleed Adgild, en is te Staveren by zyn vader in +'t graf gelegt. Door hem is de stad Alkmaar gesticht. Eene van zyne +dochters, Konovelle genaamt, was uitgehuuwt aan Adelbrik, een voornaam +edelman, die omtrent Sixbierum een slot had gesticht, dat hy Adelburg +noemde. Hy had veele kinderen, aan wien hy zyn goed by zyn leeven +uitdeelde: daarom begeerde hy dat zy zich niet van Adelburg, maar +van Adelen zouden laaten noemen; dat noch tot heden zo gebleven is. + +Gundebald, Adgilds zoon, wierd tot achtste Koning ingehuldigt: hy +was, als zyn vader, mede tot het Christelyk geloove bekeert, en had +gestadige vrede in zynen tyd. Hy heeft van 't kasteel Dokkenburg de +stad Dokkum gebouwt. + +In den jaare 739 quam Saake Rodman, met eene uitmuntende geleerdheid +en krygskunde voorzien, in Friesland, hebbende 13 jaaren op 't hof van +den Keizer, Paus en Hertog van Venetien verkeert, waarom Gundebald +hem tot zynen raadsman aannam: en deed groote weldadigheid aan de +stamme der Rodmannen. + +In den jaare 749 overleed Gundebald, nalaatende twee zoonen, als +Gundebald de tweede en Jan, welke om zyne vroomheid gebynaamt wierd +Priester Jan, daar verscheidene vertellingtjes van zyn. Zyne dochter +Taekle huuwde aan Haaje Kamminga, en haare dochter namaals met eenen +Ode Botnia, Hertog van Zweeden; alwaar 't geslachte van Botnia uit +voortgesprooten is. + +Radbout, de tweede van dien naam, is de laatste Koning der Friesen +geweest; zynde de broeder van Gundebald, en zoon van Adgild de tweede: +van welke hy veel verschilde, doordien hy in Deenemarken opgevoed, +en in de afgoderye zeer gewoon was: hy wierd godloos en wreed, en +alzo hy nog jong was, geen meester van zyne verkeerde hartstogten om +dezelve te bedwingen. + +Zynen afgod Foste stelde hy op Ameland wederom ten toon: om de +Christenen nochmaals dezelve te noodzaken, en van hun geloove af +te trekken; of by weigering, strafte hy dezelve met de dood, of +bande ze uit den lande. Dus handelde hy ook met Rodman en de zynen, +om het Christen geloove, en beroofde hen van alle de waardigheden +en eerampten, by Gundebald voorheen aan hen vergunt. Des Saake, +zyne goederen verlaatende, tot den Koning van Vrankryk de vlugt nam; +die hem in groote achtinge hield. + +In deze dagen had Solke Forteman de geschiedenissen en daaden +der Friesen, van hunnen oorsprong af tot op zynen tyd toe, vlytig +beschreven: en om dat hy Radbout zo veel eere niet gaf, als zyn +gestorven broeder, die de Christelyke leere had voorgestaan, daar +deze de vervloekte afgoderye weder op den troon trachte te stellen, +zo wierd dit Radbout, door zyne benyders, en inzonderheid door toedoen +van Syvert, Priester der Druïden, op 't Oude Hof, aangebragt: waar +op Fortemans boeken voor zyne oogen wierden verbrand, en hy zelve in +de gevangenis geworpen. + +In den jaare 752 heeft Bonifaas tweede Bisschop van Utrecht, +goedgevonden, de Christenheid, die Radbout zo wreevelmoedig verdrukte, +in Friesland wederom te herstellen: des hy met 51 leeraars te +Almeenum, daar nu Harlingen is, aangekomen zynde, hebben zy zich +eerst in Westergo verspreid, de afgoden te landewaarts omgeworpen, +Christen kerken gesticht, en veel volk bekeert: en om andere mede te +stichten, voeren zy de Burde ten einde, hunne tenten nederslaande by +'t dorp Oudeboorn, alwaar zy mede eenige geestelyke voordeelen deeden. + +In den jaare 754, als 'er veele nieuwelingen gedoopt waren, zo beloofde +Bonifaas hun de bevestiginge, naar de wyze der Roomsche kerk, op +Pinxter binnen de stad Dokkum te geeven. Maar ter bestemder plaatze en +tyd quam een hoop moordenaars, die den Bisschop en zyne medearbeiders +wreedelyk vermoorden. Tot even voor de reformatie vertoonde men noch +te Dokkum van dezen Bonifaas zyn herssenpan, Bisschops staf en andere +overblyfzelen; dat zy het volk wilden doen gelooven. + +Omtrent den jaare 769 was in Friesland een dapper en geleerd edelman, +genaamt Feye Forteman; welke namaals Veldoverste onder Karel den +Groote wierd, en die zich mede tot het Christen geloove bekeerde. + +In den jaare 769 heeft Radbout een harden aanval op Utrecht gedaan, +waar door hy haar geweldig plaagde; en van Pipyn geboden zynde, +daar van af te zien, achte hy zulks weinig. + +In den jaare 775, als Radbout uit eigener booze driften, en door +de opstookinge eerst van Syvert, en daar na van Okke, Priesters +der afgodische Druïden, zeer verwoed tegen de Christenen te werk +ging, klaagdenze zeer erbarmlyk aan Karel den Groote, Koning der +Franschen. Welke Koning, na dat hy de Saxen overwonnen hadde, de +Friesen mede beoorloogde, en Radbout in twee veldslagen, overwonnen +hebbende, vluchte dezelve liever in Deenemarken, als dat hy de +Christenen by verdrag of vredeverbond in 't land wilde vrye oeffening +van hunne godsdienst vergunnen. En dit wierd de gelegentheid, dat de +Koninglyke Heerschappye in Friesland een einde nam. + + + + + +IV. VREEMDE HEEREN. + + +Karel de Groote, Friesland dus onder zyn heerschappye gebragt hebbende, +heeft het zelve als een overheerd land of provintie gehouden, en stelde +'er Landvoogden over, die 't in zynen naam bestierden of regeerden. + +Hy nam ook zeer ter harten, dat 'er vroome en geleerde mannen, om de +Christenheid yverig voort te planten, wierden naar toe gezonden. + +In den jaare 777 is Ludger, die te Wierum in Friesland gebooren was, +een man van eene uitsteekende geleerdheid, te Dokkum tot Priester +aangestelt, van wege den Bisschop van Utrecht. Deze heeft de +ongeloovigen stigtelijke onderwyzing gegeeven, en de afgodery geheel +ten lande uitgeroeit. + +Gustavus (mogelyk Goffe of Gosling) Forteman heeft te Almeenum, +dat nu Harlingen is, een kerk, van hout en met riet gedekt, ter +gedachtenisse van den Engel Michaël [41], in dezen tyd laaten bouwen, +om tot een vergaderplaats der Christenen te dienen. Na welk voorbeeld +naderhand veele kerken gemaakt zyn. + +In den jaare 779 vielen de Noormannen by Westerbierum, daar boven van +gemeld is, in Friesland, en versloegen den edelen Heermana: waarom +de Friesen, zeer verbittert zynde, by de 400 Noormannen versloegen, +en ontroofden hunnen geplonderden buit. Des de Noormannen, in hunne +schepen vluchtende, doorgingen. Maar de Friesen afgetrokken zynde, +zo quamen de Noormannen tusschen Kornwerd en Hindeloopen, dat doe +noch een dorp was, weder te land, welke plaatzen zy uitplonderden, +en daags daar aan verbranden. Doch die van Staveren, het eerste zulks +gewaar wordende, verjoegenze nochmaals, veroverden van hen vyf schepen +en al dien geroofden buit. + +In den jaare 784 zyn de Noormannen wederom met Wydekind, Hertog van +Saxen, die door Karel den Groote overwonnen zynde, en in Deenemarken +gevlucht was, op de Eems aangekomen: maar wierden door die van Staveren +en Ezonstad met een goede vloot schepen van daar gejaagt. Zy noch +eens wederkomende, moesten nochmaals het Amelander Gat weder uit: +des de Friesen, hunne vyanden te gering achtende, maar zich zelve +bedriegende, beslooten hunne vloot te Staveren en Ezonstad op te +leggen, als zy deeden. 't Welk de Noormannen gewaar wordende, zo +quamenze onverwagt de Friesen zodanig overrompelen, datze dezelve te +vuur en te zwaard verdreven: en dewyl Wydekind en zy zeer hardnekkige +afgodendienaars waren, dwongen ze de nieuwbekeerde lieden weder tot +hunne afgoden; die zulks weigerden, wierden van hen verdelgt, waar +door veelen vermoord wierden, en ten lande uitvlugten; onder welke +Ludger en Wydekind zich mede bevonden. + +In den jaare 785 is Ludger, als Kerkenleeraar, in de Ommelanden +gezonden, op 't bevel van Karel den Groote; na dat Wydekind by hem +weder in genade was aangenomen, en de Friesen ook bevryd waren: +daar hy op nieuws veele stichtinge deed. + +In den jaare 793 is Radbout in vreemde landen overleden, zonder dat +men eigentlyk weet waar ter plaatze. + +In den jaare 793 zyn door het doorbreeken der dyken, veele menschen en +beesten in Friesland verdronken. Waarom men alomme doe weder Terpen +begon te maken, als voornaamentlyk te Koudum, Almeenum, Midlum, +Hitsum, Winsum, Tjum, Dronryp en Uitgong, dat nu Berlikum genaamt word. + +In den jaare 797 vielen de Deenen met eenige schepen uit Jutland in +de Lauwers, daar zy 't zeer verwoesten en afbranden: doch die van +Staveren, Ezonstad en Dokkum rusteden ook een groote vloot uit, +waar mede zy naar Jutland voeren, en haalden mede van daar eenen +grooten roof. + +In den jaare 804 is te Uitgong, nu Berlikum, een wanschapen kind +gebooren, zynde ruggelings aaneen, maar anders alle leden tweemaal, +of het twee kinderen waren, en is drie weeken oud zynde overleden. + +Te dezer tyd woonde te Sixbierum, op het slot Adelen, Konovelle, +dochter van Adgild den tweede, zevende Koning van Friesland, welke +twee zoonen had, als Fredrik en Alfrik, die zy by den Bisschop van +Utrecht liet onderwyzen; welke zo onderwezen waren in geleerdheid, dat +dezelve beide, na den dood van den Bisschop, Bisschoppen wierden [42]. + +In den jaare 806 wierd de afgod Foste op Ameland door de Christenen +afgebrooken en uitgeroeit. In dit zelve jaar vielen heel zwaare +hagelsteenen, zo groot als henne-eyeren, die veel schade deeden. + +Ook quamen de Deenen in dit jaar met vyf schepen 't Flie in, en +verbranden Dyxherne en Sixbierum, behalven twee huizen en de kerk, +en vertrokken met veel roof. + +In dit jaar overleed binnen Staveren de Overste, door Karel den Groote +over Friesland gestelt, hebbende 30 jaaren het land geregeert. En na +eenigen tyd, quam weder een andere in zyn plaats. + +En in dit zelve jaar, op St. Thomas dag, was 'er een zwaare watervloed +over Friesland, waar door, zo anderen verhaalen, wel 600 menschen en +een groot getal beesten verdronken, en groote schade geschiede. + +In den jaare 808 is Olaus, of Oele, zoon van den Koning van +Deenemarken, in Friesland gevallen; en de Friesen, door zyne groote +krygsmacht, bevreest geworden zynde, ja zo dat de Landvoogd in zyn +moed byna bezweek; doch evenwel eindelyk door de Friesen tot den stryd +aangemoedigt zynde, hervatten zy gezamentlyk een heldhaftig besluit, en +gesterkt met de macht van Gaele, of Jelle (Gellius) Hardeman, Overste +van Staveren, na eenige schermutselingen, versloegenze zyn geheele +leger, neemende hem zelve, met noch 175 mannen op de Eems gevangen. + +In dit jaar wierd te Staveren de St. Nicolaas tooren, daar de afgod +Stavo op gestaan had, door onweder van donder en blixem omgeworpen; +en wierden veele menschen en beesten gedood. Omtrent dien zelven tyd, +liet Igle Tadema, edelman, een zeer diepe put in zyn land graaven, +omtrent in 't noorden van 't woud Kreil, van gedagten zynde, dat 'er +aanstonds water zoude uit komen, doch bleef droog tot aan den avond +van den vierden dag. Doe dacht hy een stemme te hooren, die ettelyke +maalen riep: Verlaat dit land! Verlaat dit land! Waar op hy een weinig +water op den grond van de put ziende, bevond dat het zout als zeewater +was. Waarom gemelde put weder toegedempt wierd; om dat men indachtig +wierd, als hier boven op het jaar 513 gezegt is, of 'er wel na volgen +mogt, 't geen de Duivel door den afgod Staf gezegt had; te meer, om +dat het zelve zynen grootvader ook wedervaaren was. Igle, de derde +week daar na stervende, zo verruilde en verkogt zyn zoon Jouke, die +hier alleen maar kennis van had, alle zyn's vaders landen en erven, +op de Kreil gelegen; en kogt weêr anderen op Geesterland. Zyn neef, +Sibbe Tadema, nam dit zeer euvel op, en vervolgde daarom Jouke zodanig, +dat de stammen van Tadema en Rodman, daar gemelde Jouke eene dochter +uit trouwen zoude, malkanderen op de bruiloft wreedelyk aanvogten +en vernielden, ja zo dat er van beide stammen geen een leevendige +ziele overbleef. + +In dit zelve jaar quamen twee walvissen, de eene 38 en de andere +29 voeten lang, by Ezonstad, daar nu Emmerzyl is, by Oostmahorn, +op strand aandryven. Ook is het paleis van Richold Offe, door een +schielyke brand, geheel verteert [43]. + +Ook quamen de Noormannen dit jaar schielyk te Ezonstad, hebbende +dezelve ingenomen, geplondert en verbrand. Doch wierd weder haastig +opgebouwd. En die van Staveren, Bolswert en Dokkum rusten hier op +een Vloot uit tegen de Deenen, Jutten en Noormannen, die malkanderen +met rooven en branden aan beide zyden zeer lastig vielen: doch ten +laatsten bragten die van Staveren 6 Noordsche schepen met buit te +Dokkum op; waar van zy uitdeelinge deeden aan die 't meeste schade +geleden hadden. Ook overleed dit jaar de tweede Landvoogd, die Karel +de Groote over Friesland gestelt hadde. Waar na gemelde Koning Karel, +inboorlingen uit den Frieschen Adel, tot Landvoogden stelde, in plaats +van Franschen. + +In dit zelve jaar noch is Magnus Forteman van den Koning tot Landvoogd +verkooren, om het land in zynen naam te bestieren, even gelyk als de +Franschen naar hunne wetten gedaan hadden: deze Magnus was een zoon +van Gosse Forteman, waar van boven op 't jaar 777 is gemeld. + +In den jaare 809, als 'er te Romen tusschen den Paus en eenige Edelen +een twist ontstaan was, waar door geheel Italien in oproer quam, en de +Saraseenen in het land vielen, is Karel, met een groote macht, om zulks +te dempen, derwaarts heen gerukt. Zo dra Forteman dit vernomen hadde, +heeft hy de Friesen mede aangeport, om by deze gelegentheid, dewyl zy +nu doch rust van de Noormannen hadden, den Keizer en de Franschen door +gedienstigheid te helpen, om dezelve meer tot hunne gunst te trekken, +en of 'er eens eene deur tot hunne voorige vryheid konde geöpent +worden. Waar op gemelde Magnus, by gemeenen raade en bewilliging, +met veele gewapende Friesen, na veele uitgestaane moeijelykheden, tot +voor Romen is gekomen: gevallig ter zelver tyd, als de Romeinen een +uitval op den Keizer deeden; het welk zy ziende, booden den Keizer +hunne dienst aan, met gereedheid om op die uitgevallene Romers een +kans te waagen. De Keizer hun verzoek toestaande, sloegen zy aanstonds +hand aan 't werk, en bragten het, na eenige schermutselingen, zo verre, +dat zy gemelde Romeinen weder naar binnen dreeven, en mede ter poorten +indringende, maakten de Friesen zich meester van de stad; en Magnus +plante zyn vendel op het hooge raadhuis, dat de Romeinen Capitolium +noemen, hoe dat het de Franschen ook speet. Om welke daad Karel de +Groote en Paus Leo de derde, de Friesen groote aanbiedingen van goud +en zilver deeden: doch zy zulks van de hand wyzende, gaven te kennen, +dat het hen alleen om de vryheid te doen was. Waar op zy van den +Keizer en Paus, met een breedluidende Vrybrief voorzien zynde, op vrye +voeten wierden gestelt, gelyk als zy ten tyde van Karel Martel waren +geweest. Na hunne wederkomst wierd deze Vrybrief, met groote vreugde +door Magnus in den Dom of Kerk te Almeenum ter bewaaringe gebragt, +benevens een Vendel. Alwaar de Roomschgezinde wonderlyke vertellingtjes +van weeten te verhaalen: dat de Harlingers noch, met den stryd van +den Opperengel Michaël tegen den Draak, daar in geschildert, by hun +stads Wapen voegen: en voert noch by ons den naam van Magnus Faene. + +In den jaare 810 zyn de Deenen, ten beveele van hunnen Koning Gotrik +[44] met een vloot van 200 schepen, zeer schielyk aan de Friesche +kust gekomen; en hebbende eerst de vooreilanden afgeloopen, wierden +de Friesen in de derde slag overwonnen, en in Deensche slaavernye +gebragt; moetende jaarlyks een schattinge van 200 ponden zilver +opbrengen [45]. Om welke schattinge te ontfangen, heeft der Deenen +Koning Landvoogden gestelt, en bouwde een tolhuis van 240 voeten lang, +en in 12 egaale vertrekken afgedeelt; in welker eerste de Tolmeester of +Landvoogd zich plaatste, en hebbende in de achterste een koper bekken +geplaatst, alwaar de schatpenningen moesten in geworpen worden, dat +dezelve klonken, of mogt voor geen betaalinge verstrekken, by aldien +gemelde Tolmeester het geluid niet hadde gehoort. + +En verder word verhaalt, dat Gotrik mede gebood, dat de deuren van +der Friesen huizen alle tegen het noorden moesten geplaatst worden, +en van zo een laagte, dat de Friesen, niet zonder kniebuiginge, daar +konden uit of in gaan: op dat zy in erkentenisse zouden houden, wie hun +Landsheer was; en dat zy, ten teeken van slaavernye en dienstbaarheid, +ook houte halsbanden moesten draagen, die van rys en tienen te zamen +gevlochten waren. + +Deze slaavernye der Friesen by Karel den Groote vernomen zynde, +zo verzamelde hy zeer spoedig uit alle omleggende landen veel +krygsvolk byeen: doch, voor hy noch in aantocht was, wierden hem +andere zwaarigheden geboodschapt; als de dood van zyn zoon Pipyn; +gezanten van Constantinopolen en Corsica; behalven een gerucht, dat +de Deenen weder naar hun land waren vertrokken, om dat hunne Koning, +door gemaakte verbintenissen, om 't leeven was gebragt. Alle redenen, +waarom Karel zich weder naar Aken heeft begeeven. En de Friesen, de +handen nu ruim krygende, tasten hunne vryheid weder aan, voorneemende +dezelve met alle mogelyke middelen tegen alle vyandelyke aanvallen +te verdeedigen. Dus quam het bestier weder tot de volgende + + + + + +V. LANDSHEEREN, OF POTESTAATEN. + + +Karel de Groote, overweegende de getrouwe manhaftigheid der Friesen, zo +aan hem in 't verwinnen der Saraseenen, en Wydekind, Hertog van Saxen, +als in verscheidene voorvallen aan zyne voorzaaten Pipyn en Karel +Martel beweezen; benevens hunne genegentheid en gestadige diensten +aan 't Fransche Ryk; verzelt met den onophoudelyken yver tegen de +Noordsche volkeren, van welker slaavernye zy zich nu weder op nieuws, +na 't ombrengen van Gotrik, hadden vry gemaakt: zo heeft hy hen noch +in volkomener vryheid gestelt, en ontlast van de schattinge van eenige +ponden zilver, die zy van voor eenige jaaren hadden moeten betaalen: +vergunnende hun, ten blyke van volkomene vryheid, het recht, om hun +land, als vrygevogtene, naar hunne eigene wetten te regeeren; daar +toe een Overste uit de Edelen van hunne eigene landaard te verkiezen, +om de landzaaken zo in oorlog als vrede te bestieren, die zy den naam +van Potestaat, naar 't gebruik der Italiaanen, zouden geeven. Dezen +Potestaat, dat is Landsheere, wierd van de Staaten een getal van mannen +bygevoegt, om over alle voorvallende verschillen, twee of driemaal +'s jaars, als byzitters of mederechters hun oordeel te vellen. + +Op dat nu de vryheid geen inbreuk zoude lyden, zo wierden de +Landsheeren slegts voor een jaar verkooren: doch ter goeder trouwe +wierden zy doorgaans wel langer toegelaaten. + +Welk vervolg, met de eventydige geschiedenissen, wy nu zullen ophaalen, +zo als die uit de oude schriften na malkanderen zyn aangeteekent; +maar het te dugten is, dat het eigentlyke getal wat onzeker is, alzo +het land by vredestyd wel zonder Landsheere is geweest: doch als +'er een uitlandsch vyand aannaderde, om hen te overvallen, wierd +'er by gemeenen raade, alschoon zy binnen 's lands door twistige +oneenigheden malkanderen verteerden, aanstonds een verkooren. + +Magnus Forteman, die des Keizers Stedehouder was, als boven op den +jaare 808 gemeld is, wierd tot eerste Landsheer verkooren. Behalven +het bovengemelde, heeft hy den Keizer noch verscheidene roemwaardige +diensten, tot lof van zynen landaard, tegen de Saraseenen gedaan: +maar van dezelve eindelyk in eenen stryd verslagen, en zyn ligchaam +in het slagveld onder de dooden door zyne Friesche krygsknechten +gevonden zynde, en die 't naar Romen bragten, is hy aldaar op eene +heerlyke wyze in de St. Michiels kerk begraaven: welke kerk daarom +met eene ryke begiftiging wierd voorzien, ten behoeve der Friesen, +die naar Romen quamen, om het zelve te bezoeken. Ja Magnus wierd zelve +onder de Roomsche Hulpgoden of Heiligen gestelt. Deze geheele historie +staat ter gedachtenisse in gemelde kerk in een marmersteen uitgehouwen. + +In den jaare 814 is Karel de Groote, te gelyk Roomsch Keizer en Koning +van Vrankryk, na een ongemeenen yver voor de Christen leere getoont +te hebben, zo in zyne landen als in Friesland, om dezelve voort te +planten, mede in den Heere gerust. En zyn zoon Louis, toegenaamt de +Vroome, quam in zyn plaats aan het roer van regeeringe. + +In den jaare 819 is Fokke Ludigman, tot tweede Landsheer of Potestaat +verkooren. + +In den jaare 821 vertoonden zich omtrent de Friesche kust 13 Deensche +Zeeroovers: doch de Friesen door Ludigman, uit een waakzaame voorzorg, +met goede schansen of kasteelen voorzien zynde, zo derfden zy het +niet waagen om te landen, maar trokken weder af. + +In den jaare 826 wierd Anscharius, mogelyk Anske of Aanske, gebooren +te Waarden, als wy boven gezegt hebben, van Keizer Lodewyk naar +Deenemarken gezonden, om aldaar het Christen geloove te verkondigen; +alwaar hy veelen bekeerde. Na twee jaaren wederkeerende, verzond +hem gemelde Keizer naar Zweeden; alwaar hy blydelyk van dien Koning +ontfangen wierd; en deed mede binnen een jaar overvloedige stichtinge +ter bekeeringe. Ook is ten tyde van dezen Ludigman te Dokkum een +klooster gebouwd, ter gedachtenis van Bonifaas, aldaar in voorigen +tyd zoo jammerlyk vermoord. + +In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer verkooren, +en had zyn woonstede te Sixbierum. + +In den jaare 835, als de Noormannen, na een schielyken inval in +Friesland, door Keizer Lodewyk verdreven waren, zyn dezelve echter in +'t volgende jaar weder gekomen, en dwongen de Friesen eene schattinge +af [46]. + +In den jaare 838 Frederik van Adelen [47], geboortig van Sixbierum, +Bisschop te Utrecht, zullende de leere der kerke eens onderzoeken, +en komende te Westergo in Friesland, bevond hy aldaar het volk met de +verderfelyke leere der Arriaanen zeer besmet; en kunnende met zyne +medehelpers dat hardnekkige volk van dit besmettende gevoelen niet +afbrengen; zo resolveerde hy noch tot zyne hulpe te roepen, Adolf, +Kanunnik te Utrecht, dewelke om zyne vroomheid tot Leeraar te Staveren +wierd aangestelt; alwaar hy met eenen grooten yver zyn plicht waarnam; +ook een klooster en kerk in het westen der stad heeft gebouwd: die +namaals, doe de zee haaren loop daar kreeg, op de zuidzyde wierd +herbouwt. Waar van, by een laag gety, het muurwerk noch te zien is, +gelyk wy zelve hebben bevonden, leggende nu met gemelde stad geheel +in zee verdronken. + +In den jaare 840 overleed Lodewyk de Vroome, Keizer des Roomschen Ryks +[48]. Een Gustaaf Lappon quam met 800 Gotten aantrekken, om zich in +Friesland neder te zetten: maar de Landsheer Adelbrik van Adelen trok +den zelven met zyne byhebbende macht tegen, en versloegze by Kollum +zodanig, dat 'er naauwlyks overbleven, die deze tyding van hunnen +nederlaag in Zweeden konden brengen. + +In den jaare 850, of omtrent dezen tyd, of voort na het overlyden +van den Bisschop Alfridus, hebben de burgers van Groningen de kerk +van St. Walburg, tegen het overvallen der Noormannen gebouwt. + +In den jaare 867 was in Friesland en elders een groote watervloed, +waar door groote schade aan menschen en beesten geschiede. + +In den jaare 876 quamen de Noormannen, na dat zy de Fransche kusten +hadden uitgeplondert, weder in Friesland, eischende van de Friesen +schattinge: doch afgeslagen zynde, deeden zy zwaare dreigementen +van moord en brand: maar de Friesen, aangevoert van Hessel Hermana, +vierde Landsheer, woonachtig te Minnersga, zynde een kloekmoedig en +onvertzaagd krygsman, tasten dezelve manmoedig aan, en versloegze +zodanig, dat hun Overste en 800 mannen van zyn volk op de vegtplaats +sneuvelden; de overgeblevene bezette zy in een huis, alwaar deze +beloften moesten doen, al hun geroofden buit van goud en zilver over te +geeven, en nimmer weder in 't land te komen stroopen. In dit treffen +wierd Hermana ook gewond, waar van hy stierf. + +Na hem wierd Yge Gaalema [49] tot vyfde Landsheer verkooren; hy +was zeer ervaaren in den krygshandel. Van hem wierden langs de +geheele Friesche kust schildwachten uitgezet, om zo op de invallen +der Noormannen, als wel byzonder op het doorbreeken der dyken te +passen. De vastigheden langs de zeekusten eens bezoekende, gaf hy die +van Ezonstad een waarschouwinge, om voor de Noormannen een waakend +oog in 't zeil te houden, zeggende: + + + Wacht jimme fen dy noordere oord: + Uit dy grims herne komt alle qwaed foort [50]. + + +En overleed in dit zelve jaar, nalaatende eenen zoon, genaamt +Igle Gaalema. + +In den jaare 880 zyn de Noormannen, hebbende groot voordeel op de +Saxen gehad, die zy geweldig plaagden, weder in Friesland gevallen, +van meininge om het zelve geheel te verwoesten: doch by Norden, dat +nu Embderland is, tegenstand vindende, zyn 'er wel 10377 Noormannen +verslagen, behalven noch een grooter getal, die in de rivieren en +poelen gejaagt wierden, en aldaar moesten verdrinken; alzo zy zeer +ongeschikt, door malkanderen loopende, vlugten [51]. + +In den jaare 890, of omtrent dezen tyd, bestonden de Groninger +Ommelanden alleen in vyf, doch zeer wyduitgestrekte dorpen, doe genaamt +Hugomonhi, Hunisga, Fivelga, Emisga en Federitga; en 't eilandje de +Band genaamt, 't welk vermoed word gelegen te hebben tusschen het +Dokummer Diep en de Lauwers [52]. + +In den jaare 910, als Staveren haaren Koophandel in vreemde gewesten +wyd en zyds verspreide, en haar recht tot de Heeselpoort van Nieumegen +uitstrekte, waar van noch ten huidigen dage in een steen uitgehouwen +staat, in het latyn: Dus verre is het Recht van Staveren, doe verbrande +aldaar de kerk, toegewyd aan de Moedermaagd Maria, staande in 't +westen der stad, daar men ging naar 't klooster van Odolf. + +Omtrent dezen tyd quam Ode Botnia, zoon van den Hertog van Botnia, +grenzende aan het noorden van Zweeden, alwaar 't nu als een overheerd +land onder behoort, en gelegen aan de noordelykste inham van de +Oostzee; deze, wegens zyne vroomheid, verkreeg de dochter van Taeke +Camminga tot zyne huisvrouwe, en bouwde een stins in Oostergo. En +deze is de oorsprong van dat geslachte, dat noch onder den naam van +Botnia heden bekent is. + +Westerman heeft uit oude schriften aangeteekent, dat in dit jaar te +Hindeloopen de eerste huizen gebouwd zyn: het welk verstaan moet +worden, van na dien brand, waar van wy hier boven op 't jaar 779 +hebben gesprooken. + +Omtrent den jaare 920 leefde Koppen van Staveren, of Cappidus +Stavriensis, die de geschiedenissen der Friesen, van oude tyden af, +heeft aangeteekent, daar nu slegts noch maar eenige overblyfzelen +van zyn. + +En omtrent den jaare 970 leefde Okke van Scharl, Scharlensis, welke +uit zommige overblyfzelen, nagelaaten van zynen, oom Solke Forteman, +de daaden der Friesen heeft beschreven. + +Omtrent den jaare 989 Gosse Ludigman, nu zesde Landsheer zynde +en woonende te Staveren, is tot hem veldvlugtig [53] uit Holland +overgekomen een zoon van Aarnoud, Graave van Holland, die de Friesen +Sikke noemden: welke van Ludigman minnelyk ontfangen wordende, en ook +na eenigen tyd hem zyne dochter Tet ter vrouwe gaf; alwaar hy twee +zoonen by overwon. En daar na, op den trouwdag van zynen broeder, +weder in Holland ontbooden zynde, zo gaf hem zyn vader ten erfdeel +eenige breede roeden land in Zuidholland en Kennemerland, en 't slot +dat heden tusschen Haarlem en Beverwyk is gelegen, het welk daar van +noch Brederoede of Brederode genaamt word. + +In den jaare 995 wierd te Westerbierum een kind met drie hoofden +gebooren, ziende twee naar voren en het middelste naar achteren. + +In den jaare 998 is door de Noormannen het stedeke Uitgong geheel +verwoest, en tot den grond toe vernietigt. Omtrent die plaats legt +nu het dorp Berlikum. + +In den jaare 999 vertoonde zich boven Staveren een vreesselyke +staartstar of comeet, 10 dagen lang: waar op een zwaare sterfte in +veele landen is gevolgt. + +In den jaare 1006 was 'er byna de geheele waereld door een felle +hongersnood, en groote sterfte in het land; dat zomtyds zelve de +leevendige, in 't begraaven der afgestorvene ligchaamen, wel mede +dood in de graven vielen. + +En in de naastvolgende jaaren deeden de Noormannen geweldige +invallen in Westfriesland, daar de Friesen hen lieten begaan; om +de landpaalen tegen de vyandelykheid der Graaven van Holland niet +te ontblooten. Welke oorlogen met de Westfriesen, in deze eeuw +voorgevallen, hier van ons overgeslagen worden. + +Omtrent dezen tyd zyn eenige Friesche Edelluiden uit de Weezer +gevaaren, die om de Noord vreemde landen zogten op te doen; welke, +boven Ysland omzeilende, na verlies van hunne schepen, aan de Goudkust, +mogelyk Mexica, zyn vervallen; van waar zy het eerste goud en zilver +in deze landen hebben gebragt. + +In den jaare 1040 is het Gôrecht door Keizer Hendrik, bygenaamt de +Zwarte, aan de Stoel van Utrecht geschonken: waar uit naderhand een +groote twist ontstond. Want de Groningers waren van gedachten, het +Gôrecht alleen maar vergeeven te zyn: waar tegen de Bisschoppen en +Clerigie van Utrecht staande hielden, dat de stad Groningen insgelyks +aan hen was geschonken. 't Welk de Bisschoppen ook, met geweld en hunne +geestelyke luister hebben door gedrongen, dat zy daar na honderden van +jaaren Heeren van deze stad zyn geweest, doch niet absolutelyk [54]. + +In den jaare 1042 wierd de stad Bremen door een booswigt in brand +gestoken: waar door de Dom, des Bisschops Paleis en andere heilige +huizen, met de schatten der kerksieraaden en boeken verbranden. + +In deze eeuw leefden verscheidene Friesche Edelen; als onder anderen +een Julius Deekema, die diverse Gezantschappen voor Keizer Hendrik +den tweede bediende. + +In den jaare 1045 zyn verscheidene Friesche Edelen, die met grooten +lof gedient hadden in den oorlog van Keizer Hendrik den derde, tegen +de Hongaaren en Poolen, wederom gekomen. + +In den jaare 1064, wanneer de Edelen te Almeenum, in St. Pieters +kerk zouden ten offer gaan, is een Sasker toe Harns, (waar van de +stad namaals den naam Harns, zo als wy dezelve in 't plat Fries noch +benoemen, zoude gekreegen hebben,) zich in de voorrang stellende, +door eenen Ruerd Jarckes Harliga op het kerkhof doodgeslagen. Zo +veel kragtiger was diestyds de waereldsche eere, boven zaaken van +godsdienst. + +In den jaare 1072 is Friesland door Egbertus, uit het Huis van Saxen, +aan de andere zyde ingenomen. Doch ook door Keizer Hendrik, wel haast +weêr tot afstand gedwongen, en hetzelve aan den Utrechtschen Bisschop +geschonken: des hebben de Friesen zich tegen dat jok aangestelt, +zo dat geen graaf van Holland, Utrechtsche Bisschoppen, of Saxische +Vorsten, in het bezit van Friesland gekomen zyn. + +In den jaare 1076 was 'er een schrikkelyke harde winter, geduurende +van St. Marten tot aan 't einde van Maart in 't volgende jaar; de +Zuiderzee, Rhynstroom en andere rivieren waren zo sterk bevrooren, +datze dien geheelen tyd als de aardbodem gebruikt wierden. + +Diderik de vyfde, Graave van Holland, de Westfriesen in eene zwaare +slag overwonnen hebbende, zette het op Staveren aan; welke stad, +na drie weeken tyd belegert te zyn geweest, genoodzaakt wierd zich +over te geeven: doch kogt haar weder vry voor 1400 kroonen. + +In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus de tweede, alle de Christen +Prinsen van Europa in 't voorgaande jaar hadde gaande gemaakt, om de +ongeloovige Saraseenen uit Natolien en 't Joodsche land te verdryven; +hebben zich veele Friesche Edelen en gemeene lieden daar mede heenen +begeeven, geteekent met een rood wollen kruis op hunne schouders, +onder 't geleide van eenen Peter, Ambiaansche heremyt: en zyn, +na veele gevaaren en ongemakken uitgestaan te hebben, met eenen +ongemeenen yver boven andere volkeren, in Natolien aangekomen. + +In den jaare 1097 overwonnenze aldaar verscheidene steden. + +En in den jaare 1099 is Jerusalem na 10 dagen belegerings ingenomen. + +Na den jaare 1100 trokken op dat gerucht noch derwaarts verscheidene +uit den Frieschen adel; als mede noch veele na dezen tyd [55]. + +In den jaare 1110 quam Hendrik de Dikke, zoon van Otte, Hertog +Van Beijeren, om Friesland af te loopen, dat hem de Keizer reeds +geschonken had: doch de Friesen, om hunne vryheid te beschermen, +joegen zyn volk by Norden op de vlugt, en hy zelve wierd door de +zeelieden aan 't strand gegreepen en in zee geworpen. + +In dit zelve jaar is Groningen, in plaatze van haare houtene +omheininge, met wallen, gragten en een steenen muur omringd. Doch +Godebald, de 24ste Bisschop van Utrecht, heeft in den jaare 1112 de +Groningers gedwongen hunne noch nieuwsgemaakte vestingwerken wederom +af te breeken; en hen geboden, zoodanig een versterken der stad zich +nooit meer te onderwinden, voor dat de Utrechtsche Kerkvoogd daar in +hadde bewilligt. Evenwel heeft deze stad van dien tyd af beginnen te +floreeren en in rykdom toegenomen [56]. + +In den jaare 1119 ontstond tusschen Gaale Yges Gaalema, en Floris +de Vette, Graave van Holland, twist over den eigendom van 't bosch +de Kreil, gelegen tusschen Enkhuizen en Staveren; tot zo verre +dat Gaalema, den Graave aanvegtende, in zynen regterarm eene wond +toebragt, om dat dezelve hem zyne jagers netten en ander tuig had +afhandig gemaakt. Doch deze twist wierd weder bygelegt. Omtrent +in dezen tyd stonden in Dyxherne, tusschen Almeenum en Flieland, +de geweldige stinsen van Gratinga, Harliga en Harns. + +In den jaare 1143 hebben te Groningen eenige oproerige burgers, in +afwezen van hunnen Bisschop, die naar Romen was, St. Walburgs kerk +met vestingwerken versterkt; om daar door den Burggraaf tot eenige +voor lang verzogte zaaken te dwingen. Maar Egbert, Heere van het slot +Groenenberg, vermaande hen, van hun opzet te willen veranderen, doch te +vergeefs: waar op hy aanstonds met zyn volk het slot belegerde, en zeer +dapper aantaste; maar door deszelfs vastigheid niet kunnende vorderen, +heeft hy zich te vreden moeten houden met de sterkte zeer naauw te +besluiten; tot dat eindelyk de Bisschop, wederom gekomen zynde, hen +met een troup soldaaten en krygstuig zodanig aantastede, dat zy zich +by verdrag moesten overgeeven. Doe deed de Bisschop hen zweeren, van +nooit meer tegen de Utrechtsche Stoel te zullen opstaan. Dus bestierde +hy dit alles ten voordeele zyner broederen geevende aan den eenen, +Leffert genaamt, het Burggraafschap van Groningen, en aan den anderen, +Ludolf geheeten, het Kasteleinschap van Koeverden: waar uit naderhand +groote onheilen zyn ontstaan [57]. + +Ondertusschen quam de Paltsgraave, Gouverneur van Benthem, met +zyne macht in Drenth vallen, en verwoeste dat land, zonder eenige +tegenweer. Doch dit volk is naderhand door des Bisschops krygsbenden +by Hemsen verslagen. + +In den jaare 1148 is de stad Utrecht voor 't grootste gedeelte +afgebrand. + +In den jaare 1162, als Miliaan door den Keizer F. Barbarosse [58] +geheel vernielt en geslegt wierd, is Hessel Martena, een Friesch +Edelman, in de belegering omgekomen; na dat dezelve dapper gestreden, +verscheidene bedieningen en bezendingen voor den Keizer had uitgevoert, +en ridder geslagen zynde, bevel over 10000 krygsknegten had gehad. Een +Ofke Reinalda onthield zich ook eenige jaaren in deze Italiaansche +oorlogen van Barbarossa. + +In den jaare 1164 overleed Leffert, Burggraaf van Groningen, zonder +mannelyke erfgenamen na te laaten; waar uit een zwaare oorlog +ontstond. Want deze overledene had wel eene dochter nagelaaten, +hebbende drie zoonen, die het recht van hunnen overledenen grootvader +meinden te erven: maar die tegenwoordige Bisschop van Utrecht weigerde +deze zoonen aan te neemen voor volle neeven van den voorigen Bisschop; +van gedachten zynde, dat door deze dood het Leen verviel, en tot +den Stoel van Utrecht was wedergekeert. De Gemeente was echter tot +de zoonen genegen, en waren 'er ook reeds al in 't bezit; hoewel met +vreeze voor des Bisschops geweld, waarom zy, tot afkeeringe van dien, +den Hertog van Gelder om hulpe verzogten: die voorts met een goede +krygsmacht afquam, en zich voor Groningen vertoonde. De Bisschop +zulks gewaar wordende, trok aanstonds op het kasteel of den tooren, +van waar hy in 't duistere des nachts de vlugt nam naar Floris, Graave +van Holland. Daar op wierd het kasteel met groot geweld aangetast; +tot eindelyk de vrede wierd gemaakt; onder voorwaarde, dat de Bisschop +van deze zoonen zoude ontfangen 300 mark, en dan wederom ten vollen +afstaan het Drost- of Burggraafschap van Groningen [59]. + +In dit jaar was ook een verschrikkelyke watervloed over Friesland, +Juliaans Vloed genaamt; waar door in Friesland en elders wel 100000 +menschen verdronken. + +In den jaare 1170, den derden November, is Nederland door een droevigen +watervloed aangetast, waar door het zeewater met 'er haast voor Utrecht +stond; kabeljauw en wytingen wierden voor de stads muuren gevangen, +en veele menschen en beesten zyn verdronken. + +Omtrent dezen tyd, of eenige jaaren onbegreepen, is Saake Reinalda, de +zevende Landvoogd, tot groote droefheid der Friesen, overleeden. Van +hem word verhaalt, dat men hem noch tweemaalen voorstelde in de +Landvoogdyschap te blyven: maar het zelve t'elkens weigerende, +met dit antwoord: dat zulks strydig was tegens 's Lands wetten +en vrybrieven. Verder verhaalt men, dat hy als Landvoogd goud- en +zilvergeld liet munten. + +Omtrent den jaare 1182 vertoonden zich vier zonnen aan den hemel; +ook zag men gewapende mannen in de lucht, en bloedregen viel op +de aarde. Ook door een geweldig onweder, ondermengt met een dikke +sneeuwjagt, zyn de dyken by Uitgong, een stedeke aan de Burde, +doorgebrooken, waar door die landen geheel onderliepen. Niet lang daar +na brande het gemelde steedje byna geheel af: en het overgeblevene +wierd in vervolg van tyd door de Noormannen vernielt. Nu legt op +dezelve plaats het dorp genaamt Berlikum of Beltjom. + +In den jaare 1190, of omtrent dezen tyd, is de stad Leeuwarden eerst +met wallen versterkt. + +In den jaare 1192 is, door 't uitroeyen van Uitgong, Franeker tot +meerder aanwas gekomen, wordende uitgelegt met twee naastgelegene +akkers, als Froonakker en Godsakker, en zo tot een stad geworden; +waar van zy ook eerst Froonakker genaamt wierd. Godsakker is aldaar +noch hedendaags een bekende Straat. + +In dit zelve jaar, op den vyfden van Juny, is het vermaarde Klooster +van St. Bernard [60], te Aduard begonnen; dat met eene prachtige +kerk en 4 toorens pronkte, deftiger als 'er ooit tusschen de Eems en +Lauwers te zien is geweest. + +In den jaare 1196 ontstond te Groningen onder de burgerye en hunnen +Bisschop een groote onlust, over de kerk van St. Walburg. De burgerye +was van gedachten, dat deze sterkte, eertyds tegen het overvallen der +Noormannen gebouwt, de stad toe quam: en de Bisschop daar en tegen +redeneerde, dat deze kerk van ouds af in zyner voorzaatens macht +hadde gestaan. Dit liep zo hoog, dat de burgers de kerk, het dak +en een gedeelte der muuren deeden afwerpen. Waar over de Bisschop zo +toornig wierd, dat hy den Kastelein van Koeverden, zynde de voornaamste +aanstooker van dit werk, benevens de burgers van Groningen, in den +ban deed, en voorts ook met zyne macht naar Koeverden trekkende, +dwong hy die plaats met geweld tot de overgaaf. Ondertusschen, als +de Bisschop hier mede bezig was, hermaakte de Groningers hunne stads +muuren weder op, na datze hunnen Bevelhebber hadden doodgeslagen [61]. + +Omtrent den jaare 1200 was de stad Staveren noch, van oude tyden af, +in groot gezach, en dreef zwaare koopmanschappen door alle de gewesten +des waerelds, zo dat de inwoonderen, door weelde en dartelheid, +zelfs goud aan hunne stoepens [62] lieten slaan. Waar van zy noch +ten huidigen dagen genoemt worden: De verweende [63] Kinderen van +Staveren. Ten blyke van dit gezegde, dient dit volgende: «eene zekere +ryke koopvrouw verzond een schip naar Dansich, belastende den schipper, +om van de allerkostelykste waren voor haar tot zyne ladinge weêrom +te brengen: dezelve weder komende, en denkende zyne zaak wel verricht +te hebben, quam met weite geladen aan de stad. 't Welk zyne koopvrouw +verstaan hebbende, was daar over t' onvrede, en belaste den schipper, +zyne lading, die zy verstond aan bakboord ingekregen te hebben, aan +stuurboord weder in zee te werpen. Waar op de droogte, die men noch het +Vrouwezand noemt, voor de haven is geschoten, als eene straffe over +hunne verwaantheid; zo dat de haven, na verloop van tyd, noordelyker +heeft moeten verlegt worden; gelyk zy nu noch is. En heeft gemelde +stad, van dien tyd af, allengskens beginnen af te neemen, tot op +haare tegenwoordige staat. Van boven verhaalde koopvrouw werd getuigt, +dat zy zich eindelyk noch met den bedelzak heeft moeten behelpen." + +In den jaare 1210, verbrande, door een geweldige droogen zomer, het +bosch de Flussen geheel af; en wierd, door het inscheuren van het +zeewater, eerst een kleen meertje, en met 'er tyd tot die groote, +als het heden is. + +Omtrent den jaare 1212 vielen 'er geweldige watervloeden over 't +Land, waar door dyken, dammen, hoven en huizen wegspoelden, en wel +100000 menschen verdronken: en by aldien niet veele op de terpen, +stinsen en hooge boomen waren gevlugt, zou Friesland, tusschen den +Rhyn en de Eems van zyne inwoonders zyn ontbloot geworden. Waar +door het volk zo verarmt was geworden, dat zy de dyken, zo haastig +niet kunnende herstellen, moesten laaten verwaarloozen; waar door +met een noordwesten wind de zee, tusschen het Flie en Ter Schelling, +geweldig haaren loop nam, en het land meer en meer overstroomde. Want +in dien tyd was de Fliestroom noch maar een gemeene rivier, die +Westfriesland van ons afscheide; zo dat gemelde aanpersing van water, +met 'er tyd meer en meer toeneemende, eene oorzaak geweest is, dat +de naastgelegene landzaaten afleidingen in gemelden stroom gemaakt +hebben; alwaar de zee haaren loop inneemende, zyn de landeryen eerst +in poelen en meeren afgescheurt. + +In den jaare 1219, den 16 van January, zyn deze landen wederom door +een verschrikkelyken watervloed aangetast, die St. Marcellus Vloed is +genaamt; verwoestende alomme de dyken, dorpen, kerken en kloosters, +groot en kleen vee in meenigte opgeslokt, en waar van word aangeteekent +mede wel 100000 menschen in verdronken zyn. Deze vloed heeft eene +oorzaak geweest, dat de volkeren naderhand de stranden verlieten, +en zich op hooge plaatzen, landwaards in, ter wooninge begaven. + +Omtrent den jaare 1220 is Gryn [64], gelegen tusschen het Flie +en Almeenum, door Siardus, mogelyk Sierd Siersma, Abt van Lidlum, +met gragten en wallen voorzien, en tot een stad gemaakt; alwaar ook +een schoole van geleerdheid of Academie wierd gesticht. Niet lang na +dezen tyd, als de lieden zeer eenvoudig en weinig Onderwezen waren, +hebben de Roomsche Geestelyken, deze slegtigheid [65] des volks +tot hun voordeel neemende, byna het derdendeel van de goederen en +rykdommen des lands in hunne kloosters gesleept; en veele ryke lieden, +om alles na hunne dood te behouden, tot het kloosterleeven bewoogen. + +In den jaare 1221, omtrent Driekoningen Dag, zyn door eenen watervloed +wederom eenige duizenden menschen en beesten in Friesland om 't leeven +geraakt. En den 24ste van February volgde een derde vloed: daar na +een zeer groote droogte zonder regen, die de landen de teelkragt, +om iets voort te brengen, deed verliezen. Hier op volgde, daags na +St. Lambert, wederom een vloed, die de opgedroogde landen met zoute +wateren vervulde. + +In den jaare 1222, in January, was 'er wederom een vloed over deze +landen, waar door veele schade veroorzaakt wierd. + +In dezen tyd leed Groningen zwaare onheilen; want de stad van hare +vestingen beroofd wezende, quam een ieder by dag en nacht daar in, +bedryvende veele gruwelen van moorden en bloedstortingen zonder dat +daar recht over wierd gedaan. + +In den jaare 1224 is Friesland wederom door het zoute water +overstroomt; waar door over de 10000 menschen verdronken, en al wat +meest van de beesten voorhanden was. + +In den jaare 1227 braken de Groninger onlusten wederom op, tusschen +Rudolf, Kastelein van Koeverden, en Egbert, Burggraaf van Groningen, +over deszelfs Burggraafschap. Doch de Utrechtsche Bisschop, Otto +van der Lip, quam met 'er haast herwaards en vereenigde hen. Maar +de Bisschop was zo dra niet vertrokken, of Rudolf, zynde misnoegt +over het gemaakte verbond, heeft Egberts slot by den Ham aangetast +en geruïneert; en daar op zelfs voor Groningen trekkende, wierd hy +door die van zyn aanhang binnen gelaaten. + +Hier op moest Egbert de stad verlaaten, maar verzamelde daar en +tegen een groote macht van Friesen, waar mede hy de stad voort weêr +belegerde; schietende zo een zwaar vuur in dezelve, datze voor 't +grootste gedeelte in weinig tyd verbrande, en hy haar overwon. Rudolf +moest insgelyks vlugten, trok derhalven op Koeverden, en bragt byna +het geheele Drenth in de wapenen; waar mede hy Groningen belegerde, +en met groot geweld aantaste: doch de goede bezetting van binnen deed +hen t'elkens afdeinzen. Ondertusschen quam de Bisschop van Utrecht +mede herwaards, om Egbert te ontzetten, hebbende by hem een machtig +leger van uitgelezene ruiters en soldaaten, met veele Grooten tot hunne +Bevelhebbers, tot omtrent Koeverden; doende het daar ter neêr slaan, +en den Gouverneur Rudolf opentlyk voor een rebel verklaaren. + +Rudolf brak aanstonds de belegeringe voor Groningen op, en marcheerde +zeer moedig met zyne macht tot omtrent zyne vyanden, laatende alleen +een moerassig land tusschen beide. + +Des anderen daags morgens quamen de vyanden voor den dag springen, +om alzo Rudolf en de zynen te overvallen: maar hunne groote stoutheid +bragt hen op de slagtbank; want zo als zy op de moerassige weide +quamen, wierd 'er van achteren zodanig gedrongen, datze 'er voor 't +meerendeel in bleven steeken. Doe viel Rudolf met de zynen op hen in, +en hieuw zo vreesselyk onder die benaauwde vyanden, dat 'er in 't +kort 500 door 't zwaard nedergezabelt wierden, of in 't moeras waren +gesmoord, en waar onder de Bisschop zelve, die op eene zeer wreede +wyze om 't leeven wierd gebragt; vervolgens de vlugtende nagezet, +en veele perzoonen van grooten rang gevangen genomen [66]. + +In den jaare 1228 quam de Utrechtsche Bisschop Wilbrand met een groote +krygsmacht in 't Drenth, om de dood van zyn Voorzaat te wreeken. Hy +pleegde dieshalven eene groote tirannye aan de inwoonders. Rudolf +moest zelve ook voor hem buigen, geevende Koeverden weêr over. Doch +Rudolf hernam door eene krygslist het kasteel van Koeverden wederom, +slaande de geheele bezettinge daar in dood. + +Daar na heeft de Bisschop met een nieuw verzamelde macht, in den +winter, onder de begunstiging van een felle vorst, wederom eene tocht +herwaards gedaan; maar een zeer zwaar onweder van regen en haastige +dooy deed hen alle de vlugt neemen, met achterlaatinge van alle hunne +bagagie, ten voordeele van Rudolf. + +Na dezen bragt die Bisschop wederom een leger op de been, en hy op +het Hardenberger Kasteel zynde, voorneemens om Koeverden te bestormen, +komt Rudolf ondertusschen van het kasteel, om met den Bisschop in der +minne te accordeeren. Maar de Bisschop, het tegendeel zoekende, nam +den Gouverneur Rudolf, nevens zynen raadsman Hendrik van Graastorp, +gevangen, doende hen schrikkelyk pynigen, voorts leevendig râbraaken +en de ligchaamen op raderen stellen. + +In den jaare 1230, den 17de van February, zyn door een tempeest van +donder en blixem, over Friesland gaande, veele huizen, verbrand en +neêrgeworpen; en daar boven een watervloed, in welke veele duizenden +menschen en beesten, verdronken [67]. + +In dit zelve jaar waren de Reilanders en Asschendorpers [68] in +eenen hevigen oorlog; maar de eerste gansch onkundig, vielen met +hunne meeste Edelluiden in des vyands handen. + +In den jaare 1231 ontstond tusschen de dorpelingen van Uithuizen, en +die Van Eendrum, een openbaare oorlog, over een kleen eilandje, aan de +Noorder dyken gelegen. Dit verschil was bevoorens al uitgesprooken door +de Rechters van Upstalsboom [69] ten voordeele van de Uithuizers. Doch +die van Eendrum achte zich verongelykt, en wilden aan het gevelde +vonnis niet gehoorzamen; gingen daarom by de Groningers om hulpe, +die hen ten eersten met een groote hoop krygsbenden bysprongen, +en dus gelykerhand de Uithuizers aantasteden en in hinderlaag bragten. + +Hier tegen kreegen de Uithuizers ook onderstand van de Drenthers, +Drenthwolders, Vredewolders enz., trekkende ieder op hunne post. De +Uithuizers wederom tegen die van Eendrum, slaande hen op de vlugt, +en bequamen veel buit. Maar de Drenthers trokken voor Groningen, +en stieten daar schrikkelyk het hoofd: want, nadatze daar drie dagen +gelegen hadden, wierden zy door die van binnen, uitvallende, deerlyk +verslagen, achterlaatende aan de Groningers 600 paarden, al hunne +proviand enz. Door deze overwinninge kreegen de Eendrumers wederom +moed; vallende daarop in des vyands land, en hielden 'er gruwelyk huis; +want zelve staken zy de brand in de kerk Usquert, welke, behalven de +andere geheiligde dingen daar in, met eene geweide hostie, verbrande; +daar en boven wierden de vrouwen geschonden, en noch oude of jonge, +lieden gespaart. + +Ondertusschen, als de Drenthers voor Groningen waren, quam Bisschop +Wolbrand met zyne soldaaten voor Koeverden; neemende de stad en +voorburg in, en zabelde alles neêr wat 'er in was, zonder zelve de +noch in de wieg leggende kinderen te sparen: hier na gaf hy de plaats +aan zyne soldaaten; die dezelve geheel uitplonderden en naderhand +in brand staken. Maar het kasteel heeft hy, om zyne vastigheid, +niet kunnen bemachtigen; alhoewel het echter op die of een anderen +tyd ook ten eenemaal verdistrueert is geworden [70]. + +In den jaare 1232, in September, was te Groningen een zamenkomst +van die van Husingo, Westerlanders en hunne bondgenooten, welke dus +gelykerhand in Fivelingo vielen, tot omtrent Wester-Embden: maar +wierden door hunne partye zo deerlyk gehavent, datze met 'er haast de +vlugt moesten neemen, met achterlaatinge van 400 dooden of gevangenen, +en veele gekwetsten aan hunne vyanden. + +In den jaare 1233 is Otto de derde, Graaf van Holland, met een groote +krygsmacht in 't Drenth gevallen; heeft de stad Koeverden, benevens +de Drenthers, onder zyne gehoorzaamheid gebragt, en hen daar na +gedwongen, behalven andere breuken te geeven, een klooster te bouwen +[71], ter plaatze daar wel eer de Utrechtsche Bisschop Otto van der +Lip verslagen was. Dit klooster is het volgende jaar aangevangen, en +ter plaatze, daar nu Assen is, volbragt; zynde het zelve dat namaals +en nu noch tegenwoordig tot het Gemeenelands Huis gebruikt word. + +In den jaare 1234 is het stedeke Wartena, door een harden storm, +geheel weggespoelt. Het was gelegen in de Grietenye van Idaarderadeel, +omtrent Grou: waar van nu noch een dorp van die zelven naam is. + +In dezen tyd is 'er weder twist ontstaan, om de voorrang in 't offeren, +tusschen die van Albada en Reinalda te Waaxens, by Holwerd: waar +uit naderhand de scheuringen tusschen de Schieringers en Vetkoopers +gerezen zyn. + +De buurt, omtrent het westen van Almeenum, is in dit jaar tot een +stad geworden, en met haare voorrechten voorzien. Maar, als 'er twist +tusschen de Edelen van Harliga en Harns ontstond om den naam, zo heeft +zy tot heden die beide naamen behouden, en word in de gemeene Spraak +Harlingen, en in de Friesche landspraak Harns genoemt. + +In den jaare 1239 was Sikke Sjaarda of Sjaardema, Landsheer van +Friesland. En Willem, Roomsch Keizer, en 21ste Graave van Holland, +de stad Aken belegert hebbende, ontbood de Friesen tot zyn hulpe: +welke de stad met water bezettede en overwonnen. Voor deze dienst, +aan hem bewezen, bevestigde de Graave hunnen vrybrief, door Karel den +Groote voorheen aan hen gegeven. Daar na verzogt hy Sjaardema, zo door +groote giften van geld, als 't Erfstadhouderschap hem Friesland over +te geeven. Maar dezelve sloeg des Graafs voorstel door een vinnigen +brief plat af; schryvende aan hem: «Meent gy, dat ik, om my en myn +geslacht te verheffen, een verraader wil zyn, en myne nakomelingen +van de vryheid berooven, die onze Voorvaderen boven alle goederen +geächt hebben?" En liet noch, ter beschimpinge en verachtinge van +gemelden Graaf, goude penningen slaan, waar op aan de eene zyde in +'t latyn, doch dus vertaald, stond: Sikke Sjaardema, Landsheer van +Friesland: en aan de andere zyde: Libertas prævalet auro: dat in eene +goede zin gezegt is: Liever Vry, als Ryk. Waarom hier na tusschen +den gemelden Graaf en de Friesen een oorlog is ontstaan, waar in de +eersten, overwonnen zynde, sneuvelde. Hega Holtwada schryft, dat dit +voorgevallen is in den jaare 1255. + +In den jaare 1242 was te Groningen een zamenzweeringe gemaakt +door de Gelkingen, tegen de drie nagelaatene zoonen van Egbert van +Groenenberg. Zy vielen eerst op den oudsten en sloegen hem dood; maar +de andere twee gingen vlugten, verzamelden, goede hulpe, en trokken +op hunne vyanden af. Doe wierd 'er een burgerlyke oorlog binnen de +stads vesten gevoert; leggende een ieder op zyn hoede, om zyne party +afbreuk te doen; bedryvende groot geweld en bloedstortinge. Doch de +meeste neêrlaagen vielen de autheurs van dit werk ten deel, die zelve +veel volk verlooren, en de stad ook moesten ruimen. Hier op wierden +hunne huizen aangetast, beroofd en verscheidene tot den grond toe +geraseert, en in brand gestoken. + +In den jaare 1246 is te Groningen de St. Nikolaas kerk, nu der A, +gebouwd; welke door Bisschop Otto van Utrecht in den jaare 1446, op +verzoek der ingezetenen van de stad, tot een Parochiekerk is opgeregt. + +'t Zelve jaar, in November, was door zwaare storm en onweder een +groote watervloed over Friesland, en elders, waar door aan menschen +en goederen veele schade geschiede. + +In den jaare 1248 braken de Groninger onlusten wederom op, waar in, op +den eersten November, Thetse door Rudolf van Pedesen wierd omgebragt. + +Den 19de der zelve maand volgde hier op een droevige watervloed, +die zelve, behalven de buitendyken, de dyken van het diep genaamt, +welke nu aan de Eems een zyl en verlaat hebben, wegspoelde. + +In 't begin van den jaare 1249 is wederom een watervloed over deze +landen gegaan; wordende door een andere vloed op den 12de van February +gevolgt; en daar na met eene zwaare pestellentie en duuren tyd. + +Evenwel was Groningen noch vol onlusten: want die van de stad, +doe zeer wreed zynde, hielden het koren in dezen bedroefden tyd op +een zeer hoogen prys, en daar boven wierd het vee, 't welk door de +landlieden ter markt wierd gebragt, door eenige oproerige geesten +aangetast en veel beschadigt. + +Omtrent dezen tyd is het Hof in 's Graavenhaage, benevens de groote +Zaal aldaar, door Koning Willem den tweede, en 21ste Graaf van Holland, +gebouwd. + +In den jaare 1250 was te Farmsum een Deken, Sikke genaamt, welke de +Ommelandsche gemoederen zeer ontrustede: hy maakte zelve een verbond +tusschen die van Hunsingo en Fivelingo; en dus met malkanderen te +velde trekkende, wierpen zy het slot Groenenberg omverre, en poogden +Groningen ook te belegeren. + +In dit en 't volgende jaar is Friesland wederom door twee watervloeden +overstroomt geworden; waar door veele duizenden van menschen en +beesten verdronken. + +In den jaare 1251 is Groningen door de Ommelanders belegert en +verscheidene maalen bestormt; doch, door de goede bezettinge, wierden +de bespringers t'elkens afgewezen. Nochtans hebben die van binnen +zich, na een beleg van vier weeken, met verdrag aan hunne vyanden +moeten overgeeven. + +Hier na wierd Groningen, door de ballingen wederom verrast, brengende +in den eersten aanval Hendrik Butel om 't leeven, en roofde doe veele +goederen van de Gelkingen. + +Op dit gerucht trokken de Ommelander bondgenooten wederom welgewapent +voor de stad, welke haar door Conraad, Hoofd der Ballingen, zonder hun +geweld af te wagten, wierd overgegeeven. Hier door geraakte Conraad in +gyzeling; maar kort daar na, door schoone beloften, ook wederom los; +brengende, hoewel tegen zyn gemaakt verbond, een hoop krygsvolk byeen, +waar mede hy het Franciscaner Klooster verraste, laatende het zelve +voort van volk en andere noodwendigheden voorzien. Ook namen zy alle +steene huizen, die vast tegen hunne vyanden waren, in, en deeden die +van proviand en oorlogstuig voorzien. + +De wederparty vlugte tot de kerken van St. Marten en St. Nicolaas; +alwaar zy zo sterk wierden bevogten en in benaauwtheid gebragt, +datze by de landlieden om verdere hulpe riepen. Hier op quamen die +van Fivelingo af, ontzettede hen, en tastede der vyanden bezettinge +zo sterk aan, datze hen, na groote bloestortinge, tot overgeevinge +dwongen, doch Conraad ontstreek hen en ging in 't heetste van 't +gevegt door. + +In den jaare 1254 is Groningen weder door Conraad met verrassinge +ingenomen. De bespringers quamen heimelyk by nacht in de stad, en op +St. Martens Kerk, houdende zich tot den morgenstond verborgen: doe, +de trappen afloopende, vielen zy hunne partye op 't lyf, slaande +9 mannen dood, en de andere salveerden zich, zo zy best konden: +daarop is alles, wat 'er in de kerk gevonden wierd, prys gemaakt, en +daar van een gedeelte aan de gehuurde soldaaten tot soldye gegeeven: +waar door de stad door plonderinge en oproer vervult wierd. + +In den jaare 1255 is Hindeloopen, nu, na de brandstichtinge en +uitplonderinge der Noordsche volkeren, weder haaren wasdom bekomen +hebbende, tot een stad geworden, en met voorrechten en privilegien +begiftigt of voorzien. + +In het zelve jaar, den 18 van January [72], is Willem de tweede, +Graave van Holland, omtrent Hoogwoud van de boeren dood geslagen. Deze +Graaf was van Alkmaar met een groote krygsmacht uitgetrokken, +voor hebbende de Friesen, die tegens hem en zyn voorzaaten altoos +wederspannig hadden geweest, met de wapenen te temmen, en onder zyne +gehoorzaamheid te brengen. Maar de Graaf, door onvoorzigtigheid, +te verre vooruit rydende, trapte het paard door het ys; waarop de +boeren, van achter de struiken komende, hem dood sloegen. + +In den jaare 1257, den 10de van October, is Friesland weder door een +watervloed overstroomt geworden; waar door de dyk in Groningerland, +by Zonda, daar de rivier de Fivela met nieuw werk bedykt was, omverre +wierd geworpen, en voorts het water over het land stroomde. + +In den jaare 1259 quam Hendrik, de achtste Bisschop van Utrecht, in +Drenthwolde, nu 't Gôrecht, en vorderde groote sommen geld van de, +inwoonders: doch wierd hem geweigert. Hierom deed hy de Drenthers +aanstonds wapenen, en de naaste huizen van hunne partyen in brand +steeken. Daar tegen verzamelde de Drenthwolders hunne macht ook byeen, +en vielen aanstonds met eene groote hevigheid op de vyanden in; +waar door zy in den eersten aanval 120 dood sloegen, veele quetsten, +en eenige gevankelyk met zich sleepten. + +In den jaare 1262 wierd in Friesland eene aardbeevinge gevoelt, welke +Groningen mede trof, inzonderheid het klooster Wittewyrum, waar door +de toren instortte: hier op volgde een watervloed door de dyken, +met verbreeking van de zyl Fismar, in den Oldambte. + +In den jaare 1263 is de kerk van het vermaarde klooster St. Bernard, +te Aduwerd, ten tyde van Gayke, de zevende Abt, op eene zeer plechtige +wyze ingewyd, na dat 'er ruim 200 monniken 23 volle jaaren aan hadden +gearbeid, om de kerk op te bouwen en het werk voort te zetten. + +In den jaare 1266 was de tweede Marcellus vloed, waar door Friesland +wederom wierd bezogt: evenwel raakte Fivelingo, door de sterke dyken, +die de monnikken van Wyrum met die van Zonda en hunne nabuuren, daar +'t voorige jaar tegen de Eems hadden gelegt, bevryd. + +In den jaare 1268 wierd D'rYlst, een kleene myl leggende van Sneek, +en doe noch maar eene buurt, mede met Stads voorrechtbrieven of +privilegien voorzien. Indien 'er eene Yle Stins geweest is, schynt +het niet ongeloofelyk, dat het daar van haaren naam ontleent heeft, +volgens gebruikelyke verkortinge en zamentrekking der woorden. + +In den jaare 1270 is te Bolswert het Broere Klooster gesticht, waar +toe het houtwerk voor het grootste gedeelte van de Kreil, by Staveren, +wierd gehaalt. Gelyk ook te Staveren, Hindeloopen en andere plaatzen +in den Zuidhoek, nu noch wel hout, uit het gemelde bosch gehouwen, +te zien is. + +In den jaare 1272 is door geheel Friesland eene zwaare sterfte onder +het vee geweest, als ook een groote hongersnood onder de menschen. + +In den jaare 1273 zyn door eenen watervloed in Friesland wederom wel +2000 menschen verdronken. + +In den jaare 1276, op goede Vrydag, beviel de Graavinne van Hennenberg +te Loosduinen in het kraambed van 365 kinderen; wordende dezelve van +haar oom, Bisschop Otto van Utrecht, in één bekke gedoopt: de knegtjes +wierden Joannes, en de meisjes Elizabeth genaamt. Doch zy stierven alle +nevens de moeder, en wierden te Loosduinen in 't klooster begraven. + +In den jaare 1277, den 25ste van December en den 13de van January 1278, +heeft dit gewest door schrikkelyke watervloeden veel geleden; want +door dezelve verdronken 33 dorpen en veele duizenden van menschen en +beesten in den Dollaart; en doe is het begin gemaakt van dien grooten +Inham, de Dollaart genaamt. + +Omtrent den jaare 1280, na dat de Friesen van de geduurige +bespringingen der Graaven van Holland en der Noormannen, hunnen +hals nu vryer hadden, zyn de oude wrokken, die in 't offeren om +den voorrang zo meenigmaalen ontstaan waren, weder opgeborsten, +en de stinsen, voorheenen tegen de uitlandsche vyanden gemaakt, +wieschen nu in getal en meenigte: en onder schyn van bescherminge +tegen de stormende watervloeden, wierden de landeryen en dorpen met +hooge wieren van aarde digt te zamen gestampt, daar gemelde stinsen +op gebouwd wierden. Waar uit eerst quaad nadenken, doe haat, nyd +en eindelyk openbaare vyandschappen en moorderyen onder de Edelen +ontstonden: het land wierd in tweeën verdeelt; die van Oostergo gaven +de anderen den naam van Schieringers, om dat hunne landstreek, in +broekig en waterachtig land bestaande, en hunne meeste kostwinning en +handel in de visscherye van Schiere Aal, alwaar 't alomme van krielde, +bestond of gelegen was. En zy zelve gaven zich den naam van Vetkoopers, +om dat zy in hunne hooge landen en grasryke weiden met de vetweijeryen +en landbezaaijingen meerendeels zich geneerden. Doch andere verhaalen +om andere inzichten. Van alle welke twisten en oneenigheden wy niet van +voorneemen zyn alle voorvallen te melden, om redenen dat die voor het +meeste gedeelte tusschen byzondere Edelen zyn ontstaan, en daarom voor +geene algemeene landtwisten zyn te houden: maar wy hebben voorgenomen +te melden, de grootste gevallen, en die voor algemeene landtwisten +te houden zyn, en tot eene daadelyke tweespalt des Gemeenen Lands +zyn uitgeborsten, waar van wy alleen de voornaamste ontmoetingen, +die steden en landen eenige merkelyke veranderinge aanbragten, +hebben aangeteekent. Van welk alles in het gemeen geweeten dient, +dat aan beide zyden dikwyls vredeverbonden gemaakt en verbrooken zyn, +maar van ons niet alle aangeteekent, om dat wy kort willen zyn [73]. + +In den jaare 1287 waayde het zo een geweldige stormwind, dat alle +de dyken rondom Friesland doorbraaken, waar door kerken en huizen +wegspoelden. Van het stedeke Gryn bleeven geen 10 huizen staan, en het +getal der verdronkene menschen was wel 80000. By welke gelegentheid, +Floris de vyfde, Graave van Holland, de macht der Friesen nu merkelyk +verzwakt ziende, de Westfriesen met weinig moeite onder zyn gebied +gebragt heeft, en een kasteel te Medenblik, nevens noch drie anderen, +in 't gezigt der Oostersche Friesen, bouwde. + +In den jaare 1292 nam Graaf Floris de stad Staveren in, en begiftigde +haar met verscheidene voorrechten. + +Omtrent dezen tyd begon in Friesland de wortel van die allerverdervende +partyschap, Schieringers en Vetkoopers genaamt, aan te groeijen; +zynde tot noch toe onder den Adel alleen beslooten; maar dat duurde +niet lang, of de Gemeente wierd ook gedeelt en van een gescheurt. Ook +begon men meer en meer steenhuizen of stinsen te bouwen, tot een +toevlugt voor hen zelve, en afbreuk hunner vyanden. + +Gemelde scheuringe is eerst onder den Adel op de brasmaalen +uitgebroeit, en kort daar na tot het gemeen over gegaan. De Vetkoopers +of Vetwyders waren de Hollanders toegedaan: en de Schieringers, +veel geringer van staat, hielden zich aan het Groninger verbond. + +In den jaare 1293 heeft Sneek, nu dagelyks in goede neeringe +aanwasschende, mede stads voorrechten bekomen, tot groot nadeel +van de nabuur-stad D'rYlst: maar in 't volgende jaar trof haar het +ongelukkig lot van brand, welke gemelde stad tot op twee huizen na +geheel in den asch leide en verteerde. + +In den jaare 1296, den 27ste van Juny [74], is Floris de vyfde en +19de Graaf van Holland, door Gerrit van Velsen, Heer van Noordwyk, +op eene moorddaadige wyze omgebragt. + +In den jaare 1299 namen de Friesen de drie nieuwgebouwde kasteelen +der Hollanderen in, als ook Medenblik, nu reeds mede tot een stad +geworden; en, na eenig stryden met de Graaven van Holland, moesten +die Westfriesland weder verlaaten. + +Omtrent den jaare 1303 verscheen in de lucht, boven Scharl en Warns, +verscheidene vertooningen van kryg en oorlog, met een ysselyk geroep: +Help! help! De zon veranderde in bloed, en regen van bloed viel op +de aarde. + +In den jaare 1305 verdroegen de Schieringers en Vetkoopers met +malkanderen, om hunne twisten, door een gevegt van twee mannen uit +hen, ten einde te brengen: dit werkstellig gemaakt zynde, bleven de +Vetkoopers verwinnaars en de Schieringers verliezers. + +In den jaare 1306 quamen de Noormannen met eenige schepen in Friesland, +om onder die inlandsche twisten, eenen roof uit het land te haalen: +doch, Reiner Canga of Camminga, dies tyds Landsheer zynde, heeft hen +met zyn byhebbende macht dapper afgeslagen; en over de 900 vyanden +nedergemaakt hebbende, wierd hy zelve gequetst, waar van hy stierf, +tot groote droefheid zyner landsgenooten. + +Na hem volgde J. Hessel Martena, hoewel tegen zynen zin, in het +Landsheerlyke Gebied, om zyne uitmuntende vredelieventheid. + +Omtrent dezen tyd heeft Johannes Flieterp, Secretaris van Martena, +onverwagt de beschryvinge, van Okke Scharlensis te Staveren gevonden; +en dezelve uit het latyn vertaalt hebbende, met eenige van zyne eigene +aanteekeningen, in het licht gegeeven. + +In dezen tyd wierden de Hollanders, die met hulpe der Westfriesen, +Friesland dachten te berooven, dapper afgekeert: het welk Enkhuizen +door eenen brand moest vergelden. + +In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden, hebbende het land +tegen de aanvallen der vyanden dapper bevryd, en dezelve verscheidene +maalen verjaagt. Om nu een nieuwen Landsheer te verkiezen, ontstond +onder het Friesche volk een zwaare twist: de een begeerde die, +en de ander weêr een anderen, maar alzo in dien tyd stormwinden en +overstroomingen quamen, die wel 500 menschen wegsleepten, staartsterren +gezien wierden, bloedregen neder viel, en andere teekenen aan den +hemel zich vertoonden, zoo quamenze daar door tot bedaaren. Ook +ontstond 'er in dezen tyd een vreesselyke hongersnood; waar uit +droevige exempelen voortquamen: onder anderen, eene zekere Vrouw, +hebbende haar goed by de landtwisten verteert, en te Sixbierum haar +armoede verbergende, sloot haar huis toe en stierf alzo met haare +Kinderen. En een weinig tyds hier na, heeft eene ongemeene sterfte +het derdedeel der menschen weggenoomen. + +In den jaare 1318 quamen de Hollanders met een kleen vaartuig te Makkum +en Kornwert aan land, meenende, onder het gewoel van deze inlandsche +scheuringe, een goeden buit weg te sleepen: maar de Friesen spoelden +hen de voeten, en hebben door hulpe van die zelve schepen Medenblik +en Enkhuizen uitgeplondert. + +In dezen tyd was Staveren mede in het Verbond der Anseesteeden. + +En in dezen tyd bevryden de Friesen hun Land mede voor de aanvallen der +Graaven van Gelder; als mede voor die der Hollanders en Westfriesen, +nu wederom hunne vyanden geworden. + +In den jaare 1323 wierd van alle de Friesen beraamt, voortaan hunne +generaale Rechts-Vergaderinge te Upstalboom, in Oostfriesland, +te houden. + +In den jaare 1324, in November, zyn door een groot tempeest van donder +en blixem, en een watervloed over Friesland en Holland gaande, veele +menschen en beesten verdronken. + +In den jaare 1326, of omtrent dezen tyd, begon Appingadam in alle +neeringe, ambagten en rykdom toe te neemen, zelfs Groningen gelyk +te worden. + +In den jaare 1327, een weinig na Kersmis, zyn de privilegien en keuren +van Appingadam, door de Staaten van Fivelingo, in een zeer plechtige +byeenkomst opgestelt en goedgekeurt. Ook zyn dezelve, weinig dagen +daar na, op een algemeenen Landdag, te Upstalsboom bevestigt, en met +het Zegel [75] bekragtigt. + +In den jaare 1328 was de toestand der Schieringers en Vetkoopers zo +verre gekomen, dat de zwakste party nu begon vreemde soldaaten in +dienst te neemen. + +In den jaare 1332 zyn de wetten gemaakt van de waterlossinge by het +Huis Groenenberg; waar uit een oorlog ontstond; want de Friesen +van Humsterland, Vredewold enz., zich t'zamen voegende tegen de +Groningers, geschiede het eerste gevegt in Hunsingo, en de tweede +slag in Fivelingo, beide tot nadeel der landlieden. Maar de derde +treffinge was zwaarder dan de eerste, en viel de Groningers ten deel. + +Daar na is het Huis Kortinge, by Selwert, zynde met eenige Drentsche +Edelen bezet, door de landlieden stormenderhand ingenomen, en de +gansche bezettinge daar in dood geslagen. Voorts wierd Groningen ook +door hen overweldigt, wordende veele burgers in de eerste furie gedood, +en 60 der voornaamste auteurs van die onlusten opentlyk op de markt, +by de Pelster-, Gaddinge-, en Volkeringe Straat door 't zwaard onthoofd +[76]. + +In den jaare 1334, in November, op St. Klemens Dag, was 'er een groot +onweêr van donder en blixem; en zo een watervloed, dat het zeewater +over de dyken heen stroomde, waardoor veele menschen in Friesland en +elders verdronken. + +In den jaare 1336 zyn te Bolswert 136 huizen verbrand. Ook wierd +Friesland in dit jaar wederom door een watervloed aangetast, daar +door veele menschen en beesten verdronken. + +In den jaare 1342 was het Aduarder klooster zo machtig en weelig +geworden, dat hun verboden wierd, meer goederen en landeryen aan +te koopen. + +In dit zelve jaar, den 25ste van September, is Graaf Willem van +Holland, zo 'er gezegt word, in Friesland gevallen met over de 100000 +mannen: maar wierden van de Friesen zoodanig gehavent, dat zy met +achterlaatinge van 18000 mannen, waar onder de Graaf, en omtrent 200 +Edelen, wederom moesten aftrekken; zynde dit de grootste overwinninge +die de Zeelandsche Friesen ooit hebben bevogten. Want daar word gezegt, +dat de Hollanders 10 mannen tegen de Friesen een sterk waren geweest. + +In den jaare 1346 waren die van Hunsingo met de stad Hamburg in oorlog; +doch de Hamburgers den Frieschen koophandel niet kunnende missen, +bragten door anderen zo veel te weeg, dat de zaak door wederzydsche +gezanten is bygelegt geworden. + +In den jaare 1350 was 'er zulk eene vergiftige pest in en omtrent +Friesland, dat de menschen al gaande en staande dood nedervielen, +blyvende van 1000 naauwelyks 10 in 't leeven. ô Ysselyk verhaal! + +In den jaare 1361 is te Groningen eene generale vergadering gehouden +van alle Magistraatsperzoonen in 't geheele vrye Friesland, tot +conservatie van hunne rust en vrede. + +In den jaare 1364 heeft Hertog Aalbregt van Beyeren, Graave van +Holland, het Eiland Ter Schelling in brand gestoken; doch niet zonder +weêrzydsche bloedstortingen, want het in dien tyd onder Friesland +behoorde. + +In den jaare 1368, den vierden van September, is Groningen door alle +regeerende, en daar toe gerechtigde perzoonen, tusschen de Eems en +Lauwers, gerechtigd tot de Stoel der gemeene Vergaderingen; 't welke +zy voorheen maar naar gewoonte hadde geweest. + +In den jaare 1379 is Koeverden door de Rustringen en Oostringen, +met Sibet en meer andere Hovelingen, ingenomen. + +In den jaare 1387 zyn in Friesland door een watervloed wederom veele +menschen en beesten verdronken. + +In den jaare 1388 heeft Folkmer Allena het steedje Aurik, +in Oostfriesland, ingenomen, en het slot zeer hevig laaten +beschieten. Okko was Bevelhebber daar binnen, die, na stilstand van +wapenen verkreegen te hebben, naar beneden in de stad ging, om over +het verdrag te handelen; maar het zelve niet getroffen wordende, wierd +Okke door zyne trouwlooze vyanden op den 26ste van July doorstoken; +stervende alzo de eerste Ridder in Oostfriesland, Okko, Heer van +Broekmerland. + +In den jaare 1392 is Leeuwarden, door 't aangroeyen der inlandsche +oneenigheden, heimelyk aan de noordzyde in brand gestooken; waar door +'t Prediker klooster en kerk verteerden. + +Hier na quamen de Hollanders met een machtig leger in Friesland +vallen, tot omtrent Schooterzyl: alwaar zy door de Friesen wierden +tegen gestaan, vegtende aan weêrskanten zeer scherp, tot beider groot +verlies; want de Hollanders de overwinning hebbende, verlooren nochtans +1300 mannen, zo aan dooden als gevangenen, en de Friesen daarentegen +600 mannen. + +In den jaare 1397 was Yv Juwinga Landsheer, die van zommigen ook +genoemt word Ju Jongama. In dien tyd quam Albrecht van Beyeren met +eene macht van 18000 mannen in de Kuinre, dies tyds een Graafschap, +om Friesland te overweldigen. En Juwinga, de Friesen tegen hem niet +kunnende afraaden, om geen slag met hen te waagen, kreegen zy by +Schooterzyl de nederlaag, en verlooren omtrent 500 mannen, als mede +den Landsheer zelve. Daar na trok Albrecht naar de Lauwers; daar de +Friesen hem tegenstonden. Ondertusschen verteerden de Schieringers +en Vetkoopers malkander zodanig, door hunne oneenigheden, dat de +Vetkoopers te raade wierden, voor hunne zyde het land aan Albrecht +op te draagen; en de stad Staveren wierd hem ingeruimt. Doch van +de Schieringers tegengestaan zynde, vertrok hy van de Lauwers, door +geheel Oostergo en Westergo. + +In den jaare 1398 nam Albrecht Dokkum in, en deed de voornaamste +der Schieringers naar Groningen vlugten; alwaar dezelve door eenen +Koppen Jarges van Staveren gestyft zynde, benevens de Groningers, +den Hertog weder tegen trokken, onder het geleide van Sikke Deekema, +Gaale Hanja, en Ode Botnia. + +In dit zelve jaar, hebben eenige Ommelander Heeren, de Ommelanden +heimelyk aan den Graaf van Holland opgedraagen. Maar doe de andere +Heeren zulks gewaar wierden, en buiten weeten, zich tegens recht +en privilegien overgelevert te zien aan hunne vyanden, beraamden +daar op het jok af te schudden. Eppo Nittersum, zynde een Patroon +der Schieringers, maakte hier aanstonts een begin van, neemende den +tooren of vastigheid tusschen ten Post en Mude in, en sloeg het daar +binnenleggende guarnisoen, uit Hollanders bestaande, altemaal dood, +of deeden hen in de Damstervaart verdrinken. Ondertusschen wierd +Groningen ook van den Graaf van Holland verzogt, hem voor haren Heere +te neemen; doch te vergeefs. + +In den jaare 1399 namen zy Dokkum, Cammingaburg en het slot ter Luine, +gelegen tusschen Kollummer en Oudwoudumerzyl, weder van den Hertog, en +noodzaakten hem weder uit Friesland te vlugten; alleen noch behoudende +de stad Staveren. Van waar Brederode, meenende de schans te Molkwerren, +dat Winsemius ook Molkenhuizen noemt, in te neemen, doch mislukte: +maar wierd van de Friesen geslagen, en hy zelve gevangen genomen. Doch +weinig tyd hier na is de vrede geslooten in den Briel, tusschen Johan +van Beyeren, Graaf van Holland, de Friesen en de stad Groningen en +Ommelanden. Waar op de Graaf door de Groningers met 50 vette Ossen +wierd vereert. + +De Friesen dus hunne vryheid weder bevogten en gewonnen hebbende, +zyn de drie voornoemde Edelen, de een na den anderen tot Landsheeren +verkooren; doch de een het op den anderen schuivende, hebben zy +'t allen geweigert. + +In den jaare 1400, verzogten de Vetkoopers of Ballingen by den Bisschop +van Utrecht, Frederik van Blankenheim, zyne hulpe, geevende hem een +goede zomme geld, mits dat hy hen by de Groningers in voorige charges +en goederen zoude herstellen. Waar op de Bisschop brieven en gezanten +aan de Groningers afzond, hen zelfs ook gebiedende, de wapenen neêr +te leggen: doch alles te vergeefs. Want die van Groningen en hunne +Bondgenooten zeer moedig zynde, hebben ondertusschen onder het beleid +van den Burgemeester Albert Wigbolts, Aapke Onstema's Huis, te Sauwert, +met veel moeite ingenomen. Dit Huis was zeer sterk, hebbende muuren +van 12 voeten dikte, met een wyde gragt om dezelve, en om welke noch +een andere gragt heenen ging, bevattende 5 steene torens. + +Dit gerucht deed de Bisschop met zyn krygsmacht afkomen, doende de +stad Groningen op St. Jacobs Dag aan de zuidzyde berennen: waar op +veele schermutselingen volgden. Doch, na drie weeken belegs, heeft +de Bisschop de stad wederom moeten verlaten, zich te vreden houdende +alleen een Blokhuis te Blankeweer met volk wel te bezetten. + +Omtrent dezen tyd hebben de Groningers het Stapelrecht bekomen. + +In den jaare 1401 kogten de Groningers van den Bisschop van +Munster zyne vriendschap voor 2000 guldens; mits dat hy zich by den +Utrechtschen Bisschop niet zou voegen. Hier op trokken de Groningers +met grooten moed in de Ommelanden, werpende veele steene huizen +omverre, als van Snelgers huizen in den Dam; van daar na Ripperda's +huis te Farmsum, maar met zo een goeden uitslag niet als by den +eerste; want Ripperda, 400 zeeroovers tot bezetting gekregen hebbende, +vielen op hen uit, en sloegen veelen van de Groningers dood. Waarom +de Groningers aftrokken; doch maakten hunne krygsgereetschappen +wederom in den Dam gereed, waar mede zy, na drie dagen toevens, weder +derwaarts trokken; vallende doe met zo eene verwoedheid op gemeld +huis en hunne vyanden aan, datze in 't kort overwinnaars wierden, +en alles aan stukken hakten, of in 't water deeden verdrinken die 'er +op waren. Daar na trokken de bondgenooten naar Termunten, en haalden +het huis van Menno Houwerda omverre; als ook daar na Gockinga's huis, +te Broeke. + +In den jaare 1404 zyn Sioerd Wiarda en Haring Harinxma, by gemeenen +raade, tot Landsheeren verkooren; hebbende de eerste zyn opzicht +in Oostergo, en de andere in Westergo. In dezen tyd zyn nochmaals +eenige Friesche Edellieden naar het Joodsche Land vertrokken, om +kunne krygslust oeffening te geeven. + +In den jaare 1405, den eersten van October, is de vrede tusschen +den Bisschop van Utrecht en de stad Groningen geslooten; waar door +weêrzyds gevangenen zouden los gelaaten, en de ballingen in hunne +voorige goederen herstelt worden. + +In den jaare 1408 is Darrelt, in Oostfriesland, door de Hollanders +ingenomen, en daar na getracht vast te maaken: doch Jonker Keno, van +Broekmerland, heeft hun voornemen verydelt, en ter plaatze uit gejaagt. + +In den jaare 1409 heeft Jonker Keno Folkmer Allena's huis te +Oosterhuizen, in Oostfriesland, ingenomen, neemende zyne zusters zoonen +gevangen, en wierpze te Aurik in eene, vuile gevangkenisse, alwaar zy, +door toedoen van zyne moeder, van honger en vuiligheid zyn gestorven. + +In den jaare 1412 waren de partyschappen in Friesland tusschen +Schieringers en Vetkoopers schrikkelyk woedende: want de Vetkoopers, +hebbende in eene vergadering voorgedragen, om de Schieringers ten +eenemaal uit te roeijen, zonder zelve de kinderen in de wieg te +spaaren. Hier om wierden de gemoederen der Schieringers noch meer +ontsteeken; en daar zy hunne vyanden maar bespringen konden, sloegenze +die dood. + +In den jaare 1413 is de stad Embden door Jonker Keno van Broekmerland +ingenomen: waarom Proost Hiske, aldaar Heer zynde, naar Groningen de +vlugt nam. + +Door deze overeenkomst van Proost Hiske, begon Groningen ook verdeelt +te worden, door die alverdervende partyschappen van de Schieringers +en Vetkoopers. Die van Rengers, Huginge, Clant, Clinge en Brugge, +neigden naar de Vetkoopers, als zynde de Hollanders toegedaan: de +andere waren meest alle in 't openbaar Schieringers; hun Opperhoofd +was Koppen Jarges, houdende zich aan 't Groninger verbond. + +Deze Scheuringe veroorzaakte eene groote bloedstortinge; want de +Schieringers wilden den gevlugte Proost Hiske [77] helpen, tegen +zyn vyand Jonker Keno; en de Vetkoopers daar en tegen niet. Hier +op stonden de Schieringers, als de sterkste party zynde, den 23ste +van October uit haat op, en vielen op het Raadhuis aan, als de Raad +vergadert was: zy doorstaken aanstonds den Burgemeester Jan Rengers +en Albert Barelts, en Johan Hekman veele wonden toegebragt hebbende, +wierpenze ter venster uit op de markt. Voorts bragten zy Hendrik +Ottesz. Clant mede om 't leeven, als ook Allard Clant, daar hy aan +tafel zat te eeten. Vervolgens deeden zy den Raad besluiten, dat alle +de geene die van de Vetkoopers partye was, zich zonder eenig ophouden, +uit de stad en de Ommelanden zouden vertrekken. + +In den jaare 1414 hebben de Friesen van Westergo de stad Staveren +overrompelt; waar door Friesland geheel van het Hollandsche jok +wierd vry gemaakt. Ook waren de Schieringers, onder Koppen Jarges, +in Groningerland op hunne hoede: want de ballingen, hunne toevlugt by +Jonker Keno genomen hebbende, deeden derhalve alle de aankomsten aan +de Eems met krygsvolk bezetten: ook liet Jarges het goud en zilver +uit de kerken in Fivelingo neemen, waar van te Kampen geld wierd +geslagen; dat naderhand Koppens guldens genaamt wierd. Daar op nam +de landbederving een begin, steekende twee sluizen te Reiderland in +brand, en op verscheidene plaatzen de dyken door. Jonker Keno deed +het zelfde aan de Groninger kant, doorsteekende mede op verscheidene +plaatzen de dyken: moetende alzo het gemeene volk de dolle razernye +der Grooten ontgelden. + +In den jaare 1415 hebben de ballingen of Vetkoopers hunne macht, +benevens hunne vrienden, en die 't met hun hielden, te Eelde, in 't +Drenth, byeen vergadert, waar mede zy op den 13de van September, des +avonds, den dyk langs, stilletjes voor Groningen trekkende, en voorts +over de stads muur klimmende, de sloten van de Aa Poort afhieuwen, +en dus de stad, na veel bloed vergooten te hebben, innamen; hier op +stakenze aanstonds drie huizen in brand, ten teeken voor Jonker Keno; +welke met een vloot schepen voor Delfzyl leggende, ten eersten met zyn +krygsvolk naar de stad afquam, en herstelde de ballingen aanstonds +in hunne voorige bedieningen en goederen. Daar na trok Jonker Keno +met zyn volk door de Ommelanden, en deed verscheidene van der vyanden +heerenhuizen omverre werpen. + +In den jaare 1416 hebben de Groningers, met die van Hunsingo en +Fivelingo, hunne oude verbonden wederom vernieuwt, na dat Jonker Keno +vertrokken was; waar in alle vyandschappen en misdaaden vergeeven +wierden. + +Ook heeft Proost Hiske, met hulpe zyner vrienden, de stad Embden +wederom overweldigt en onder zyn gebied gebragt. + +In den jaare 1417 zijn de Vetkoopers door de Schieringers uit +de Westerlauwers gejaagt. Maar Jonker Keno zulks berigt zynde, +trok hen op den 10de van Juny by Noordhorn tegen; alwaar zeer hevig +gevogten wordende, de Schieringers 500 dooden en 400 gevangenen lieten +zitten. Korts hierna is Jonker Keno ziek geworden, en op 't Huis te +Oldenburg overleden. + +In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier Dokkum ingenomen, geplondert +en in brand gestoken; de bolwerken in de gragt geworpen, en al de +huizen en stinsen der Schieringers geraseert, als mede ook het huis +van A. Kamstra, bezuiden Dokkum: het blokhuis by Esumerzyl wierd +stormerhand ingenomen, waar in vier mannen door den eersten aanval +wierden gedood, en de rest der bezettinge, zynde zeeroovers, door +beuls handen den kop afgeslagen. Doch in het volgende jaar quamen de +Schieringers, onder 't geleide van Sikke Sjaardema, en wierden daar +weder meester van. + +Des Okke van Broek, de zyde der Vetkoopers versterkende, quam met een +hoop volk uit Embderland, dat hy tusschen Staveren en Hindeloopen aan +land zettede, en met Sjaardema in een hevig gevegt raakte: waar in +300 Schieringers verslagen, en 200 gevangen wierden; de overgeblevene +vlugten naar Slooten, dat zy in allen spoed met eene wal versterkten +of omtrokken: en wierden van hunne vyanden belegert: doch door hulp +des Graaven van Holland weder ontzet. + +In den jaare 1419 hebben de Groningers den Bisschop van Utrecht, +Frederik van Blankenheim, voor hunnen Beschermheer aangenomen, +wordende hy in 't begin van Juny gehuldigt, en de Handvest op den +11de dito geteekent. + +In den jaare 1420 liet Sjaardema, door des Graaven volk, Makkum met een +bolwerk omringen. Maar zy, door een listigen brief van Tjeerd Ailua, +Vetkooper te Witmarsum, wierden daar uitgelokt: en is doe die wal weder +geslegt [78]. Ook trof men een veldslag by Hindeloopen, daar wel 200 +mannen wierden verslagen en verdronken, en noch zo veel gevangen. + +Den 30ste van April, in dat zelve jaar, is Bolswert door de +Schieringers ingenomen, wordende aldaar een Jan Tjalling, Hoveling, +met noch eenige Vetkoopers door de kling gejaagt, om dat zy voorheene +eenen van Koppen Jarges volk hadden doodgeslagen. + +Daar na hebben de Vetkoopers, onder het commando van Fokko te Lier, +op den 12de van May, de Schieringers by Catse geslagen; die daar 300 +dooden en 200 gevangenen verlooren. + +Den 26ste van September wonnen de Vetkoopers Staveren, alwaar Koppen +Jarges, zeer dapper vegtende, het leeven verloor. Omtrent dezen +tyd ontstond te Staveren een groote brand, waar door in 't kort 500 +huizen verteerden. + +In den jaare 1421 wierd Leeuwarden door de Vetkoopers vermeestert, +en de Hollanders uit de Lemmer verdreven; daar hun sterk Blokhuis +wierd omverre geworpen en geslegt. + +In 't zelve jaar, den 19de van November, is in Friesland, Holland +en elders, een schrikkelyke watervloed geweest, waar door de dyken +wierden gebroken, veele duizenden van menschen en beesten opgeslokt, +en tusschen Dordrecht en Geertruidenberg 72 dorpen zyn vergaan. + +In den jaare 1422, in February, wierd 'er weder een verdrag van +vrede [79] gemaakt tusschen de Schieringers en Vetkoopers. Waar op +Dokkumerwal, en het slot op Esumerzyl geslegt wierden. Echter bleef +by zommigen noch de twistgierigheid, waar door de zorg voor de dyken +verwaarloost wordende, het water zoodanig inspoelde, dat het land +drie jaaren lang tot aan Drenth en Stellingwerf met het zelve bezet +bleef leggen. + +In dit zelve jaar hebben de Groningers de stad Slooten belegert; +doch vrugteloos: want op St. Benedictus dag hebben de Hollanders de +stad ontzet en de belegeraars geslagen. + +In den jaare 1424 was geheel Westergo in onrust, door de partyschappen +van de geslachten Bonnema en Gerkema. De stins van Gerkema wierd +overweldigt, en zelve met den vader daar in verbrand. Doch twee jaaren +daar na wierd Fokko Bonnema ook verslagen. + +In den jaare 1426, in September, geschiede het bloedige gevegt van +Fokko Ukens, Hoveling te Leer, tegen Nikolaas, Graaf van Oldenburg, en +den Aartsbisschop van Breemen, by Deteren: alwaar Fokko, overwinnaar +wezende, van de vyanden 5000 mannen doodsloeg, en 300 gevangenen +bequam, waar onder veele heeren van grooten rang. + +In den jaare 1427, den 28ste van October, was 'er wederom een zwaare +stryd van Fokko Ukens, tegen Jonker Okko van Broekmerland, tusschen +Veenhuizen en Opgant; daar geschiede een groote bloedstortinge; +want Fokko wel de overhand hebbende, verloor nochtans 4000 mannen; +doch Okko verloor van zyne kant noch meer, en viel zelve in des vyands +handen; alwaar hy, na zes jaaren in de gevangenisse gezeten te hebben, +is komen te sterven. + +In dit zelve jaar deed de Geldersche Hertog, met een groote krygsmacht, +een inval in 't landschap Drenth, steekende verscheide dorpen en +buurtschappen in brand; vernielde het koren; roovende en plunderende +alle de beste goederen, en dezelve met hem naar Gelderland sleepende. + +In den jaare 1428 sloeg Fokko Ukens de slag by Oterdum, tegen de +Groningers; alwaar Fokko, wederom overwinnaar zynde, van de vyanden +500 mannen doode, en veele gevangen nam, waar onder een Burgemeester +van Groningen. + +In den jaare 1429, was Groningen en Hamburg wederom in Oorlog; want +weêrzyds waren schepen ter zee met elkanderen geduurig in actie. In +dezen tyd is overleden Proost Hiske van Embden. + +In den jaare 1430 zag men noch, by een laage ty, de kapel en ringmuur +van 't kerkhof van Odulfs Klooster, by Staveren, in de zee. + +In den jaare 1431 hebben de Hamburgers, met een vloot schepen, voor +Embden leggende, den Drost Imelo Abdema, zynde de zoon van Proost Hiske +boven gemeld, onder schyn van vriendschap, op een gastmaal genoodigt; +'t welke zy tot dien einde op een van de schepen hadden toegericht: +maar de Drost aldaar gekomen zynde, en een buitengewoon glaasje wyn +gedronken hebbende, staken zy ondertusschen in zee, en voerden hem +alzoo over naar Hamburg; alwaar hy in groote elende 24 jaaren lang +gevangen heeft gezeten: en de andere schepen zettede zich voor Embden, +die de stad met geweld en dreigementen tot de overgave dwongen. + +In den jaare 1434 was Groningen met de Hamburgers noch in oorlog; +by deze gelegentheid wierd Willem Wicheringe, Olderman of Hoofdman +der Gilden, thans Olderman van 't Gildrecht genaamt in Groningen, +willende het Stapelrecht voor de stad verdedigen, in een oploop van +de landslieden te Farmsum doodgeslagen. Hier op wierd door de Heeren +van de stad vergoedinge dier doodslag geeischt: doch wierd door Hayo +Ripperda, Heer van Farmsum, geweigert, en begeerde den schuldige van +het gedaane feyt niet over te leveren. Hier door ontstond eene groote +tweespalt onder den Adel; want de Groningers eindelyk de wapenen +aangordende, wilden Ripperda tot vergoedinge dwingen: doch hy zulks +niet afwagtende, bood zich aan tot verdrag; 't welk op den 27ste van +July deszelfden jaars wierd getroffen [80]. + +In den jaare 1435 overleed de dappere Fokko Ukkens, Hoveling te Leer, +op het Huis te Dykhuizen, by Appingadam, wordende in het klooster +aldaar begraven. + +In den jaare 1437 hebben de Hamburgers en Embders der Hovelingen huizen +in Oostfriesland om verre geworpen en geraseert, als te Oosterhuizen, +Hinta, Grimmersum, Groothuizen enz., omdat ze tot geen toevlugt voor +de vyanden zouden wezen. + +Ook was in dezen tyd een watervloed over deze landen, waar door groote +schade aan menschen en beesten geschiede; als mede eene pestilentie, +daar veele duizende menschen door stierven. + +In den jaare 1438, in Augusty, zonden de Groningers by nacht een schip +met volk naar Termunten, en verrasten aldaar het kasteel. Zy joegen +alle de Hamburgers daar uit, en stelden 'er wederom tot Commandant +Lodewyk Hoornken. Daar na namen zy het huis van Eppo Gockinga, te +Broeke, in, als mede de sterke toren te Bellingewolde, die zy ter +neêr wierpen. + +In den jaare 1443 is het Stadshuis te Groningen gebouwt. + +Ter dezer tyd was Friesland wederom in groote onlusten; want die van +Ripperda en Heemstra bedreven groote geweldenaaryen van moorden en +branden tegen elkander. + +In den jaare 1444 is overleden de heer Eppo Gockinga [81], waar door +het geheele Oldambt, volgens accoord en der Oldambsteren toestemminge, +onder des stads jurisdictie is geraakt; wordende voorts door de +Magistraat van Groningen een Drost gestelt, om de zaaken uit hunnen +naam aldaar waar te neemen. + +In den jaare 1446 hebben die van Sjaardema, als hun huis, aan 't oosten +van Franeker, bouwvallig begon te worden, een nieuw huis of Slot aan +'t westereind van de stad gebouwd, op een plaats genaamt Kaale Hei, +alwaar 't noch ten huidigen dage staat. + +In dit zelve jaar, na dat het vuur der Schieringers en Vetkoopers +weêr ontstooken was, hebben de Vetkoopers de kerk en toren te Workum +tegen de Schieringers versterkt. Doch deze laatsten hebben hunne +vyanden aanstonts belegert; en de Overste Ketelhoet, die afgekomen +was om de belegerden te ontzetten, geslagen; alwaar Ketelhoet zelve, +en veele gemeenen zyn gedood en gevangen genomen [82]. + +In den jaare 1448, even na St. Jan, is in Appingadam tusschen de steden +Hamburg en Groningen de vrede geslooten, waar in alles wierd bygelegt, +en de vrye handel open gemaakt. + +In den jaare 1453 is de Utrechtsche Bisschop, Roelof van Diepholt, +door de Groningers voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt. + +Ook heeft Jonker Ulrich in dezen tyd, na dat hy van de Prelaaten, +Hovelingen, enz., tot een Heere van Oostfriesland was aangenomen, +de stad Embden met deszelfs burgt, als ook de burgt te Leeroort, +van de Hamburgers gekogt voor 10000 mark. + +Omtrent dit jaar heeft Philip de Goede, Hertog van Bourgondien, +en Graaf van Holland, eerst door veele laagen, en daar na door +dreigementen, Friesland getracht te overmeesteren. Doch de Friesen +hier tegen, maakten gezamenlyk eene onderlinge verbindtenisse, om +hem met een gemeene macht tegen te gaan. + +In den jaare 1454 was te Groningen onder de burgerye een groote onlust, +ter oorzaake van eene zekere resolutie, by den Raad genomen, dat geen +inwoonder van de stad de waaren, welke van de landlieden ter markt +wierden gebragt, zoude mogen koopen; maar dat deze door opkoopers, +van den Raad daar toe gestelt, alleen zouden mogen worden opgekogt, +en dus verder aan de ingezetenen uitgesleten worden. Maar een Warner +Smith, Raadsheer der stad, stelde zich hier tegen, willende zelfs +zyn gryzen kop daar by opzetten, om de burgers van die last te +bevryden. Hy ging derhalven van het raadhuis, en maakte zulks aan +de Bouwmeesters en Gildens bekent. De Raad dit vernomen hebbende, is +aanstonds met 24 mannen vergadert; welke beslooten, dezen Raadsheer +Warner Smith om 't leeven te laaten brengen. Weinig dagen hier na +vergaderde de Raad weder, en deed den Raadsheer Smith door een stads +Dienaar ontbieden: doch hy merkte het quaad; geevende daarom hier van +aanstonds kennisse aan de Bouwmeesters en Gildens, en hun gebiedende, +naauwe wacht te houden voor het Raadhuis. Hier op ging Smith met eene +groote vrymoedigheid naar boven: maar den beul aan de deur vindende, +trad hy in de Raadkamer, zeggende: «Wat, wilt gy uw gebod met bloed +schryven; door de handen van een beul?" Onderwyl zagen eenige heeren +uit de vensteren, en vernamen dat de geheele markt vol gewapende +en oproerige menschen stond; derhalven wierden zy met de uiterste +verbaastheid aangedaan, en veranderden gansch van resolutie: want de +Raadsheer Smith wierd daar op niet alleen vry verklaart, maar zelfs +de genomene resolutie ook wederom ingetrokken: waarom het gepeupel +weêr vertrok. + +In den jaare 1455 is het Verbond tussen de stad Groningen en de +Ommelanden voor den tyd van 10 jaaren vernieuwt. Waar op St. Martens +toren is gefondeert, en na vyf jaaren voltrokken. + +In den jaare 1456 verscheen over Friesland eene ysselyke staartstar; +waar op, eenige jaaren na malkanderen, een groote duurte omtrent +de leevensmiddelen is gevolgt. Omtrent dezen tyd zoude, door de +dapperheid der Friesen, die doorgaans den H. Kryg volgde, om de +inlandsche oneenigheden te myden, wel 30000 Turken ter neder gemaakt +zyn, in de groote overwinningen die de Hongaren bevogten. + +In dezen tyd deed Tanne Kankena een inval in Oostringen, neemende +Jeveren in; en voerde daar na 300 menschen gevankelyk, als mede 3000 +stuks vee, naar Hargelingeland. + +Omtrent den jaare 1457 is Sneek byna geheel afgebrand, blyvende de +dyk en 't nieuw zand maar alleen over. Doch veel tyd daar na is het +weder opgebouwd. + +Niet lang daar na wierd Slooten mede byna geheel door 't vuur verteert; +zynde in den brand gestooken uit twistende eergierigheid van eenige +Edelen. + +In den jaare 1459 hebben de Groningers hunne stad met nieuwe wallen, +gragten en poorten versterkt. Ook hebben zy David van Bourgondien, +Bisschop van Utrecht, voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt. + +In den jaare 1461 is Harlingen mede door den brand geheel vernielt. + +In den jaare 1462, in October, sloegen de Vetkoopers tegen de +Schieringers by Aalsum; waar in de laatste verscheidene Grooten, +en omtrent 250 gemeenen verlooren. + +In den jaare 1465 is de Zyl of Sluis van Offingawier door storm en +onweder weggescheurt; welke opening weder gestopt wierd door een stuk +land, leggende buitendyks, en afgescheurt zynde, daar weder in dreef, +terwyl het door enige varkens en schaapen beweid wierd. + +In den jaare 1470 heeft Karel de Stoute de Friesen wederom getracht +onder 't Huis van Bourgondien te brengen, op gelyke wyze als zyn vader +Philip, daar wy boven van gemeld hebben. Doch de Friesen vonden zich +geraden nochmaals hunne vryheid te verdedigen. Omtrent dezen tyd, +wierden tusschen Heemelum en Koudum, drie mannen en twee vrouwen +doodgeslagen, zonder dat elders van eenige verdere schade gehoort +wierd. En op Ameland quam een walvis, 83 voeten lang, aandryven. + +In den jaare 1471 hebben de Groningers, na dat de Hertog van Beyeren +hun den oorlog hadde aangekondigt, hunne stad zeer vast gemaakt; +maakende eene aarde wal buiten de gragt, aan de zuidkant, met zes +steene torens: ook een steenhuis aan de inloopinge van de Hunse en +Aa: als mede de Heere en daar na de Ooster poort; en hebbende de stad +tegenwoordig acht poorten, daarze bevoorens 'er maar zes had gehad. + +Omtrent dezen tyd leefde de vermaarde en hooggeleerde jongeling +Andreas Canter, van Groningen, welke 10 jaaren oud zynde, by den Keizer +Frederik de derde ten Hove ontboden wierd, om zyne groote geleertheid +[83]. + +In den jaare 1472 wierd door Jonker Onno van Ewsum een zeer zwaare +toren te Middelstum gebouwd, dat geheel strydig tegen de gemaakte +verbonden was. De Groningers namen het daarom ook zeer qualyk; zendende +eenige Gecommitteerden derwaarts, om het werk te bezigtigen. Hy quam +ondertusschen zelve te Groningen, en betuigde niets quaads tegen de +stad in den zin te hebben; maar dat hy alleen een schuilplaats tegen +zyne vyanden zogt. Echter wierd hem door den Raad geordonneert, dat +de zwaarte der muuren van 6 tot 3 voeten moesten vermindert worden, +volgens hun gemaakt verbond. Doch Jonker Onno voer evenwel met het +werk voort: en om andere zwaarigheden, dachten de Heeren van den Raad +niet meer aan hem. + +In den jaare 1474 deed een watervloed, over Friesland gaande, veel +schade aan menschen en beesten. + +In den jaare 1477, den 17de van September, was 'er de Cosmus en +Damianus vloed: waar door in Friesland en elders zwaare schade +geschiede. By 't klooster te Lidlum wierd een zeekalf gevangen; en in +de gragt van Bolswert wierden mede twee zeldzame visschen gevangen, +schynende de eene vleugelen te hebben, en de andere een zeehond te zyn. + +In den jaare 1478 hebben de Groningers het slot te Wedde, van Hayo, +te Westerwolde, ingenomen en geslegt; maakende aanstonds op een andere +plaats een nieuw slot, en noemde het zelve Pekel a Burg, of Pekelburg; +alwaar de Groningers een Kastelein op stelden, welke over Westerwold +en het deel van den Oldambt, aan de eene zyde van den Dollaart, +zoude richten. + +In den jaare 1480 is binnen Bolswert een kind met twee hoofden +gebooren. En te Leeuwarden zyn in dezen tyd de eerste Gildens in +gestelt. + +In den jaare 1481 quamen de Keizerlyke Gezanten Steenbergen en Loo te +Groningen, en presenteerden hunne brieven aan den Raad en de Gemeente, +waar in de Keizer, den Burgemeesteren en Raaden in Groningen, het +Potestaatschap van Wester-Lauwers eeuwig en erffelyk gaf, zonder te +mogen beroepen worden, enz.; als mede met de ridderlyke orde wierden +begiftigt, zo wel de toekomende als tegenwoordige Burgemeesteren +en Raadsheeren dezer stad. Ook gaf hy hun het recht, om goude +en zilvere munt te slaan. Doch het accoord wierd niet getroffen: +waar van de voornaamste oorzaak was, zo men zegt, om dat de Keizer +een jaarlyksche tribuit van 10000 rhynsche goudguldens eischte, +te betalen uit de inkomsten van Friesland over de Lauwers: 't welk +alhier te zwaar wierd geacht. + +In den jaare 1482 wierd het groote en vermaarde laatste verbond +tusschen de stad Groningen en Ommelanden voor den tyd van 40 jaaren +gemaakt. Waar na Stad en Lande heeft gefloreert, en in rykdommen +toegenomen. Waar op voorts de hooge en zwaare St. Martens tooren is +voltrokken [84]. + +In den jaare 1486, in October, overleed te Heidelberg de Hooggeleerde +en beroemde Rudolf Agricola; hy was te Baflo, in Groningerland +gebooren, en zeer geleerd in de hebreeuwsche, grieksche en latynsche +taalen; ook was hy een groot musicus, hebbende het groote en deftige +orgel in St. Martens kerk te Groningen eerst nieuws gemaakt. + +In den jaare 1487 is de stad Leeuwarden door de Schieringers +gewapenderhand ingenomen. + +Ook hebben de Groningers een rykgeladen Hollands schip, 't welk de +Oostfriesen genomen hadden, hun op de Wadden weêr ontweldigt; wordende +de roovers daar van te Groningen opgebragt, en den kop afgeslagen. + +Daar na trokken de Groningers 't Drenth in, en haalden Jonker Aapke +Ewsums Huis te Roôn om verre. Als mede hadden zy, onder het bevel +van Ulrich, te Dornum, een aanslag op den Dam; doch vrugteloos. + +Omtrent dezen tyd is een vrouwe ligchaam, 12 houtvoeten lang, uit de +zee opgeworpen, en aan het strand van Ter Schelling komen aandryven. + +In den jaare 1490 vermeesterden de Vetkoopers, die nu voor 't +meerendeel door verloop van hunne zaaken, in Holland gevlugt waren, +de stad Workum; komende, onder 't geleide van Yge Gaalema, uit Holland +over 't ys aantreeden. + +In dit zelve jaar is de wydberoemde Wesselius Gansefort, te Groningen +gebooren, aldaar overleden; zynde door zyne theologische Studien +zo beroemd, dat hy 't Licht der Waereld genaamt wierd. Hy was ook +een groot medicus, hebbende Paus Sixtus de vierde eenige jaaren +als Lyfmedicus gedient, en wierd in het geestelyke Maagde-Klooster +begraven. + +In den jaare 1491 heeft Berlikum noch de voorrechten en vryheden van +stads gerechtigheid gehad. Omtrent dezen tyd ontstonden in Friesland +verscheidene branden aan huizen: ook vertoonden zich veele gezichten +aan de lucht, als voorboden van droevige tyden. + +In dit zelve jaar hebben de Groningers die van Dokkum, Dongeradeel, +enz., mede in hun verbond aangenomen, wordende het accoord voorts +opgemaakt, en op St. Lamberts Dag van weêrszyden geteekent. Doch +dit verbond heeft naderhand groote onlusten en bloedstortingen +veroorzaakt. Want de Groningers zyn daar na met een groote krygsmacht +in Friesland gevallen, om de malcontenten, die noch tegen dat verbond +waren, tot gehoorzaamheid te brengen; smeeten veele steenenhuizen +omverre, en zettede eenen Sikko Bolte voor Dokkum op een rad. + +In den jaare 1492 quamen de Leeuwarders mede in het Groninger +verbond. Maar die van Sneek, en meer andere Hovelingen daar +omtrent, bleven daar noch tegen; waarom zy met de Groningers, omtrent +Leeuwarden, in gevegt traden, daar zy zeer ongelukkig vegtende, van hun +100 mannen gedood, en 250 gevangen wierden. Doe stelden de Groningers +een Gouverneur te Leeuwarden en Dokkum, die deze twee steden, en +genoemde landen, uit hunnen naam, aldaar regeeren en bestellen zoude. + +In den jaare 1493 quam de Heer Otto van Langen, als Ambassadeur van +den Keizer Frederik de derde, in Friesland, om de partyschappen +en oorlogen, tusschen de Groningers en die van Sneek, met hunne +aanhangers, by te leggen. + +Ook zyn de Friesen in dezen tyd in Munsterland gevallen, beroofden +en staken verscheidene dorpen in brand, en sloegen veele menschen +dood. Insgelyks deeden de Munsterschen wederom aan de andere kant, +spaarende noch kerk, noch dorp in Friesland. + +In den jaare 1494 hebben de Groningers hunne Gezanten aan den Keizer +Maximiliaan gezonden, die het gemaakte verbond met die van Oostergo +confirmeerde, mits aan hem betaalende 10000, en aan den Hertog van +Saxen 1000 rhynse guldens. Hier na zond de Keizer drie van zyne +Hofraaden in Friesland, te Leeuwarden, Dokkum, enz.; alwaar zy +de Groningers lieten huldigen, plicht en eed doen, uit naame des +H. Roomschen Ryks. + +In dit zelve jaar heeft Keizer Maximiliaan de oude voorrechten +en vryheden der Friesen op nieuws weder door brieven bevestigt; +beveelende hun, als voorheen, wederom uit hunne eigene Edelen +eenen Landsheer te verkiezen, op dat de verwoede handelingen en +heillooze scheuringen eens ten einde mogten komen: dreigende hen, +by nalaatigheid van dien, onder een vreemd Heer te willen zetten, +met een eeuwig verlies van hunne vryheid; alzo hy zulks verstond, +tot merkelyke ruste van het Duitsche Ryk, te behooren. + +Hier op wierd Julius Deekema, van Baard, by gemeenen raade, tot +Landsheer of Potestaat verkooren, om dat hy een man was, vreedzaam +van gemoed, en een haater van tweespalt. + +In dit zelve jaar, 's nachts omtrent twee uuren, hoorde men digt +by Bolswert, een schrikkelyk geraas en getier, als van strydende +heirlegers; zo dat de wacht, de ronde doende, in 't eerst meinde, +dat 'er in der daad een gevegt omtrent de stad was. + +In den jaare 1495 hebben de Schieringers, gesterkt met de vreemde +krygslieden van Hertog Albrecht, uit Holland gehaalt, en wel 2000 +uitmakende, Workum en Hottingahuis ingenomen: brandschattende +Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en geheel Wymertserdeel. Koudum +stakenze in den brand. Doe schattenze de Gaasterlanders. Deze riepen +de Woudlieden om hulp: en zich daar tegen kantende, belegerdenze te +gelyk Slooten. + +In den jaare 1496, in January, hebben de Schieringers, die zich +met veele Geldersche krygslieden, onder den Oversten Fox, binnen +Sneek versterkt hadden, een tocht ondernomen, om de Woudlieden +en Gaasterlanders van 't beleg voor Slooten te doen opbreeken: de +Woudlieden, yverende tegen de onderdrukkingen en brandschattingen der +Schieringers, die nu dagelyks veele Gelderschen in het Land hadden +gehaalt, stelden zich op Sneekermeer tot tegenweer; doch het ys, +door hunne zwaarte, aan stukken barstende, verdronken 'er veelen; +die staande bleeven, verweerden zich tot den laatsten man; zo dat +'er over de 4500 Woudlieden omquamen, en de Overste Fox wierd zelve +mede gequetst. + +De stad Harlingen door de Groningers, die naast eenige dagen in 't +Land gekomen waren, in bezettinge genomen zynde, wierden door die van +Franeker overrompelt; doch, door dien zy 't blokhuis der Groningers +niet meester konden worden, moesten zy gemelde stad weder verlaaten, +na alvoorens dezelve uitgeplondert te hebben, en een Busse of stuk +Geschut, dat 'er ter verdediging der stad gevonden wierd, mede naar +Franeker te neemen. Daar na vermeesterdenze echter het blokhuis, +en de Groningers geraakten het Land uit. + +In den jaare 1497, wierden Redmer Vealma, Ridder, en Barent Conders, +Burgermeester, met 7 a 8000 mannen, door de Groningers naar de +Lemmer gezonden; welke by Takezyl een sterk Kasteel bouwden. Daar na +kogten de Sneekers Jonker Fox met zyn krygsvolk uit Sneek, en geheel +Westfriesland, voor 8000 rhynse guldens. + + + + + +VI. ERFHEEREN. + +1. Albrecht, Hertog van Saxen. + + +In den jaare 1498 is Albrecht, Hertog van Saxen, door Keizer +Maximiliaan in Friesland gezonden; hem aanstellende tot Erfstadhouder, +of Erfpotestaat van Oostergo, Westergo, Sevenwouden, Groningen en +Ommelanden, Ditmarsen, Strandfriesen, Wirsters en van Stellingwerf: +zynde de Keizer, door quaade aandieningen van zyne Gezanten, +verkeerdelyk onderricht omtrent de verschillen der Landzaaten: te +weeten, als dat dezelve wel tot merkelyk nadeel van het Roomsche +Ryk mogten uitvallen: heeft daarom de vryheid der Friesen omverre +geworpen, alschoon dezelve van Karel den Grootes tyden af, ook +by zynen vader Sigismund, en noch onlangs door hem zelve zo wel +bevestigt was. Maar de voornaamste oorzaaken waren, dat Hertog +Albrecht, hebbende de voogdyschap der Graaflykheid van Holland voor +Philip van Oostenryk bedient, die in het voorgaande jaar mondig was +geworden, eischte, voor de onkosten, die hy in den oorlog tusschen +de Hoekschen en Kabeljauwschen te beslegten hadde gemaakt, een zomma +van 350000 rhynsche guldens: ter verzekeringe voor die zomma, eer het +konde opgebragt worden, heeft Maximiliaan Friesland, enz., als een +leengoed des Roomschen Ryks, hem te pande gegeeven; tot 'er tyd toe dat +gemelde 350000 rhynsche guldens door Philip of de zynen aan hem zouden +opgebragt zyn. Waar op Albrecht van Saxen, op zyn luimen leggende, +hoe hy een voet in het Land zoude krygen, heeft door heimelyke listen +en bezendingen zo veel te weege gebragt, dat eenige Schieringers, +die nu de zwaksten waren, een verbond met hem maakten. Doch de Hertog +de Friesen in 't gemeen ongenegen vindende, besloot eerst om dezelve +met geweld te bedwingen; maar in raad weder veranderende, bragt door +verscheidene listen en bedriegeryen vreemde krygslieden in 't Land; +waar door hy de Schieringers met veele geweldenaaryen tot verdrag +bragt, en hem in Westergo innamen. Daar op zyn de Vetkoopers, na +eenige vergeefsche tegenweer, mede tot de huldiging des Hertogs wegens +Oostergo vereenigt. Alleen stond Leeuwarden, en eenige aanhang, hem +noch tegen: doch na eenigen tyd belegert te zyn geweest, gaf het zich +mede in het verdrag. Hier op liet de Hertog te Leeuwarden aanstonds +een blokhuis bouwen, van de steenen der afgebrookene stinsen, die hy +tegens wille van de eigenaars liet afwerpen, om tot gemeld blokhuis +te gebruiken. + +In den jaare 1499 had Graaf Edzard van Oostfriesland het oog op +Groningen, doch die van binnen zulks gewaar wordende, trokken uit, +onder het bevel van Ulrich, te Dornum, met 200 mannen, neemende +den Dam in en bezetteden de aankomsten aan de Eems, als Farmsum, +Oterdum, Reide, enz., en deeden verscheidene Ommelander heerenhuizen +omverre werpen. Evenwel trok Graaf Edzard met zyne krygsmacht over +in den Oldambte, bestaande het geheele leger uit 2800 burgers en +soldaaten, benevens de Ommelander Hovelingen, neemende aanstonds +Pekel a Borg in. Daar na dwongen zy de Oldambsters 2200 rhynse +guldens brandschattinge af; en trokken dus voort voorby Slochteren, +tot in het klooster Wittewyrum: waar door de Groningers den Dam en de +andere plaatsen verlieten; en dezelve door des Graaven volk wederom +in bezettinge wierd genomen. Graaf Edzard zelfs quam met 1000 burgers +over de Eems; hy was uit den Oldambte naar huis getrokken, en deed +groot geweld van rooven, branden, en schattinge te vorderen. Doch +de Groningers spaarden hunne vyanden ook niet. Nochtans maakte Graaf +Edzard een kasteel te Oterdum, en den Dam vast tot een oorlogsstoel. + +Ondertusschen zonden de Groningers 400 soldaaten, met een goed gedeelte +van oorlogsgereetschap voor het huis te Sauwert: 't welk ten eersten +aan hun wierd overgegeven; wordende aldaar de vestingwerken afgeworpen, +en de bezettinge gevangkelyk mede in de stad gevoert. + +Den 22ste van July is Jonker Fox met zyn volk, 250 mannen sterk +zynde uit Friesland, over Drenth, naar Graaf Edzard willende, door de +Groningers omtrent Cropewolde aangetast en geslagen; Fox zelve wilde +zich niet overgeeven, schoon hy verscheidene wonden gekregen had, +maar vogt, op zyn kniën leggende, zo lang tot hy den geest gaf. De +Groningers hadden hier een groote overwinninge, want 30 bleeven 'er, +behalven Fox zelve, van de vyanden dood, en 125 wierden 'er gevangen. + +Alhoewel deze Jonker Fox altoos der Groningers ergste vyand is geweest, +hebbende zy hem evenwel, om zyne dapperheid, naar Groningen gevoert, +en aldaar in de Minnebroeders kerk, met eeretekenen begraven. Door +het verslaan van dezen Jonker Fox, heeft het plaatsje Foxhol zyne +benaaminge bekomen. + +In dit zelve jaar, quam Hertog Albrecht, met zynen zoon Hendrik, te +Harlingen aan; en wierd eerst te Franeker, en daar na te Leeuwarden +op 't Oude Hof ingehuldigt. Binnen Franeker heeft hy, om eene goede +bestellinge der wetten in den Lande te geeven, den Hoogen Raad, +die wy nu noch het Hof van Friesland noemen, ingestelt. + +Daar na vertrok Hertog Albrecht uit Friesland, naar Meissen, in +Duitschland, laatende zyn zoon Hendrik, aangestelt als Stadhouder, +op het Hof binnen Franeker; zynde het Slot van Sjaardema. Doch deze +niet wel onderrecht zynde, leide de gemeente ondraagelyke lasten op; +waar door een groot oproer ontstond. + +In den jaare 1500 hebben de Friesen hem in Franeker met 16000 +mannen komen belegeren: en vooral waakende dat 'er geen meerder +vreemd krygsvolk in 't Land wierd gebragt, zo namenze dit volgende +voor hunne leuze: Fjouwer lotter-claer leep aayen op in finne herne +in ien nest [85]. Die dit niet zeggen kon, achten zy een Uitlander +te zyn, en wierd aanstonds veroordeelt om verdronken te worden. Om +hunne belegeringe voort te zetten, en gemelde stad te vuur en te +zwaard wel aan te tasten, hebben zy de Groningers ondertusschen voor +vier stukken geschut, tot dit beleg benoodigt, alle het zilverwerk +en andere kostelykheden, uit alle kerken en kloosters geligt zynde, +te pande gegeven. Albrecht ondertusschen, met veel volk uit Meissen +te rugge komende, slaat, met een onderstand van den Graaf van Holland, +het leger voor Franeker weder op. Waar op die van Leeuwarden hunne stad +verlaaten: en Hertog Hendrik trok daar weder in, bedryvende alomme veel +moedwille, brengende veele Edelen en gemeene lieden in ballingschap. + +In dit zelve jaar is den Dam door de Groningers belegert, en zeer hevig +beschooten, maar het afkomen van Graaf Edzard, en de overstroominge +van het water, deed hen dezelve wederom verlaaten, en naar Groningen +trekken. Waar op des Graaven volk, in moedwil uitbarstende, hier na +de dorpen Wagenborgen, Uithuizen en Meden in brand stak, waar door +veele huizen verteerden. + +Ook zynze daar na in de Marne gevallen, hebbende de Groningers, +die met de landlieden te zamen vereenigt waren, geslagen; en daar +na ongehoorde gruwelstukken van rooven, moorden en branden, vrouwen +verkragten, en kerkschenderye bedreeven. + +Groningen wierd door de Saxen op den eersten van Augusty aan +de noordzyde belegert, leggende het geheele leger voor de naaste +molenbergen van de stad; van waar hetzelve, doch met weinig schade, +15 a 16 dagen beschoten wierd. Maar hunne schepen van proviand en +oorlogs-ammunutie lagen het Reidiep langs, waar by 1000 mannen Saxen +tot dekking in Jarges tigchelwerk geposteerd waren. + +Onderwylen quam de Bisschop van Utrecht, met verscheidene heeren uit +de Staaten des Lands in 't leger, en bewerkte zo veel tusschen den +Hertog van Saxen en de stad Groningen, dat de vrede op den 21ste van +Augusty te Aduard voor eenige maanden geteekent wierd. Waar op het +beleg aanstonds wierd opgebroken, en 12000 soldaaten daar van naar +Friesland gezonden; trekkende de Hertog zelve met het overige volk +naar den Dam, en van daar naar Embden; daar hy, na eene ziekte en +hoofdwonde, die hy door een musquetkogel in het beleg had ontfangen, +op den 8ste van September is komen te sterven. + + + + + +2. Georg, Hertog van Saxen. + + +Deze is, volgens het recht van erffenisse, in 's vaders plaats +gekomen; na dat zyn broeder Hendrik zyn recht aan hem by verdrag had +over gedaan. + +In den jaare 1501 hebben de Groningers 2000 soldaaten aangenomen, +onder voorwaarde, dat zy hen den Dam zouden helpen winnen, waar +voor zy dan zouden genieten, behalven de plondering, 7000 guldens, +en al het geene dat zy tot dien aanslag noodig zouden hebben. Daar +op zynze den 18de van May met malkander uitgetrokken, en berenden +voorts den Dam aan drie kanten; neemende ondertusschen Delfzyl weg, +en sloegen het daar binnenleggende guarnisoen dood. Vervolgens deeden +zy verscheiden stormen op den Dam, en schooten 'er den brand in: +maar die van binnen zich mannelyk kwytende, sloegen hen t'elkens +af. Ondertusschen quam Graaf Edzard met 4000 mannen over de Eems, +regt uit naar den Dam, stellende zyn krygsvolk, in drieën verdeelt, in +slagorde, met het geschut vooraan, en marcheerde alzo op den weg van +Jukwert, regts tegens hunne vyanden in; waar op het bloedvergieten +aanging, en wierd 'er zo gruwelyk onder de Groningers geslagen, +dat ze den Dam moesten verlaaten, en de vlugtende tot aan Groningen +nagezet; die zo droevig verslagen of in de Damstervaart verdronken, +dat 'er, naar 't zeggen van zommige, 3000 mannen wierden verlooren, +waar onder vier Burgemeesters zoonen van Groningen, als Albert Jarges, +Harmen Jarges, Gosen Schaffer, en Johan Mepsche. Daar na namen de +Saxen het Huis te Mude in, en verbranden eenige molens en kapellen +aan de noordzyde voor Groningen; ook op een na alle de molens en +huizen aan de zuidkant, tot aan de gragtswal. + +In den jaare 1502 quam de jonge Hertog van Saxen in Groningerland, by +hem hebbende zes Graaven, veele Edelen, 200 ruiters en 300 soldaaten, +met allerlei veldstukken en bagagie. De eerste nacht bragt hy door +te Aduard, mits naauwe wacht houdende voor de Groningers, hoewel +'t bestand noch liep. Van daar trok hy naar den Dam, alwaar hem +de burgers met kruissen en vaanen te gemoet traden, en met veele +eeretekenen in haalden. Zy droegen altemaal vellen op hunne knieën, +ten teeken van onderwerping: waar op de hovelingen uit de Ommelanden, +in den Dam wezende, hem mede huldinge en eed hebben gedaan. + +In dezen tyd hebben de Groningers met Hertog Karel van Gelder een +verbond gemaakt; mits dat de wederzydsche burgers in elkanders land +een vryen koophandel zouden mogen dryven. + +In den jaare 1504 heeft Graaf Edzard, by de punterbrug, een zeer +sterk kasteel laaten bouwen; 't welk naderhand Weerdenbras genaamt +is geworden. + +In den jaare 1505 was te Harlingen een zwaare nood van water, waar door +veele dyken doorbraken. Daar op volgde een groote droogte in den lande, +waar door zwaare branden in de veenen wierden veroorzaakt: als ook +te Hindeloopen, dat met 'er kerk voor 't meerendeel geheel verteerde. + +In dit zelve jaar, den 8ste van April, trok een party Groninger burgers +en soldaaten naar Onderdendam, en bragten by hunne te rugkomst 14 +Saxische soldaaten en twee boeren gevankelyk mede in Groningen; +waar door het oorlogsvuur weder ontstooken wierd. + +Den 20ste dito quam een troup Saxischen uit Aduard, in den nacht, by +de Aa Poort, en verbranden aldaar 8 a 9 huizen. Daar tegen zonden de +Groningers 4 a 500 mannen naar Oosterwyrum en de omleggende plaatzen, +brandende het dorp Heveskes geheel af, en haalden een grooten buit van +ossen, koeyen en schaapen van Wytwert, enz.; alwaar de kerken wierden +aangetast, de goederen daar uit gehaalt, en naar Groningen gevoert. + +Den 22ste van Augusty wierden de Groningers en Saxischen te Haren +handgemeen, alwaar de eersten 20, en de laatsten 100 mannen op het +slagveld lieten leggen. + +Aldus de oorlog wederom een begin genomen hebbende, droeg de Hertog +van Saxen het veldheerschap op aan Graaf Edzard van Oostfriesland, +en Jonker Vitus, van Draaksdorf, die de Groningers 'er toegangen +zeer naauw lieten bezetten: waar door die van binnen, zich zeer +geprangt vindende, en van alle hulpe ontbloot ziende, wierd het +gemeene volk nochtans, door de onmenschelyke wreedheden der Saxen, +te meer verbittert: waarom de Groningers hunne bescherminge by iemand +wilden zoeken. Hier op verkozenze Graaf Edzard, van Oostfriesland, +voor hunnen Beschermheer; aan wien zy de stad opdroegen; waar van +de artykelen in den jaare 1506, op den 24ste van April, wierden +bezegelt, wordende in dezelve alle de privilegien en vryheden, die +Groningen met haare ingezetenen ooit gehad hadden, behouden. Daar +op quam de Graaf met zyne keurlyke krygsbenden, verzelt met veele +Edelen, naar Groningen af; gaande de Magistraat van de Stad, +benevens de jonge manschap en soldaaten, door de Poele Poort uit, +hem tot aan Ooster Hoogebrug te gemoet, en deeden hem aldaar den +eed van getrouwheid. By de Poele Poort gekomen zynde, ontfong hy uit +handen van Burgemeesteren de sleutels van de stads poorten. Vervolgens +wierd de Graaf met een prachtige staatsie, onder het losbranden van +'t kanon, trommen- en trompettengeschal, luiden der klokken, enz., +ter stad ingehaalt; rydende alzo de Poelestraat door, naar de markt, +alwaar het krygsvolk in volle wapenen, in ryen en gelederen geschaart +stond, tot aan de hoek van de Gelkingestraat, daar het logement voor +hem bereid was. Daags daar aan ging hy in St. Walburgs kerk, alwaar +de burgers hem huldinge, pligt en eed deeden, volgens inhoud van het +accoord. Daar na deed de Graaf een sterk en zwaar kasteel bouwen, +tusschen de Steenstil en Ooster Poort, zynde voorzien met zeer wyde +en diepe gragten en hooge wallen. + +In den jaare 1506 quam Hertog Georg in Friesland, en wierd +ingehuldigt. Hy gebood, om over geheel Friesland te gebruiken +de Workumer ellen, het Bolswerder loopen, de Leeuwarder kanne, de +Keulsche wicht; en het Hof van Gerichte, by zynen vader te Franeker +ingestelt, liet hy naar Leeuwarden vervoeren. Daar na liet hy het +Bild allereerst bedyken, na dat het al eenige jaaren goed vast land +was geweest, en by zynen vader Albrecht in eigendom ware genomen, +zonder dat de Staaten des lands daar in bewilligt hadden. + +In dezen tyd heeft gemelde Hertog ook de Floreen Rente over den +Lande gestelt, en elk naar hunne schattinge doen betaalen; waarom, +om het zo veel te gemakkelyker in te vorderen, hy het Landschap in +zyne hoofddeelen onderscheiden heeft: die wy nu Grietenyen noemen. + +In den jaare 1507 heeft de Hertog van Saxen, na dat Graaf Edzard +Groningen in 't bezit had genomen, groote pretensien van den Graaf +en de Groningers gevordert. Doch deze questien zyn te Constans op +den Ryksdag gebragt, alwaar wederzydsche Gezanten wierden gezonden; +maar naderhand ook te Keulen hervat. + +In dit zelve jaar is de vaart van Leeuwarden naar Franeker, en naar +Bolswert begonnen gegraaven te worden. + +In den jaare 1508 is Norden, in Oostfriesland, door zyn eigen +vuur voor 't meerendeel verbrand. En op den 16de van October was de +tweede St. Gallus watervloed, welke in Oostfriesland en elders groote +schade veroorzaakte: wordende in de zelve kabeljauw en wytingen voor +Groningen gevangen. + +In den jaare 1509, den 26ste van September, was 'er een hooge +watervloed over Friesland, Groningerland, en elders, waar door niet +alleen verscheidene dyken zyn weggespoelt, maar ook veele menschen +en beesten verdronken. By de Dollaart scheurde een stuk lands af, op +welke 10 a 12 zwaare beesten te weiden gingen, van het overige land +in den Oldambte, en dreef over de Dollaart, in Reiderland, alwaar +het vast en behouden bleef zitten; 't welk naderhand een oorzaak van +proces gaf tusschen die van 't verdrevene en 't aangespoelde stuk land. + +In den jaare 1511 ontstond 'er te Leeuwarden een zwaare brand, die +wel 200 huizen verteerde. + +In den jaare 1512 wierd Koeverden door Roelof van Munster, gewezene +Drost van 't Drenth, met verrassinge ingenomen. Doch zeer kort hier na, +heeft de Bisschop Munster hem wederom belegert, en tot verlaatinge +dier plaats gedwongen; stellende daar doe wederom tot Drost Adolf +van Rechteren. + +In den jaare 1513 zond de Keizer Maximiliaan een scherp mandaat aan +Graaf Edzard, hem gebiedende, op zwaare straffe, de stad Groningen +te verlaaten, en dezelve aan den Hertog van Saxen in te ruimen: +doch vrugteloos. + +In den jaare 1514, in het begin, deed de Hertog van Saxen, ziende +dat hy 't met die van Groningen niet eens konde worden, een inval in +Oostfriesland, doende allerlei wreedheden van moorden, brandschatten +en branden. Zy belegerden zelfs Lieroort; doch dat zy, na de Hertog +van Brunswyk zyn leeven daar voor had verlooren, moesten verlaaten. + +Den 7de van Juny wonnen de Saxen in Groningerland het sterke klooster +Selwert, doende het zelve versterken, en met een sterk guarnisoen +bezetten. Ook hebben zy Delfzyl met geweld ingenomen, slaande aldaar +alles dood dat zy vonden, slegten de werken, en staken het plaatsje +in brand. + +Voorts quam Graaf Edzard, na dat hy zyn eigen land tegen de Saxen +had verdedigt, met 700 mannen hulptroepen te Groningen; die op den +volgenden dag buiten de Bottinge Poort met de Saxen slaags raakten, +waar door veelen sneuvelden. + +Den 21ste van July, trok de Hertog van Saxen met zyn leger, om +zich aan Groningen en Graaf Edzard te wreeken, voor den Dam, doende +die plaats aan drie zyden belegeren. Daar binnen waren 800 kloeke +welgewapende mannen, een goede meenigte boeren, en een strydbaare +burgerye tot bezettinge. Otto van Diepholt was Commandeur; benevens +hem waren 'er noch eenige dappere Edelen. De belegeraars damden de +slooten, en sloegen by nacht een brug over de vaart: zy aprocheerden, +werkten in de aarde, en schooten met gloeijende kogels hevig op de +stads vesten en poorten. Die van binnen queeten zich dapper: maar de +groote menigte der vyanden stormde op den 3de van Augusty op de drie +poorten te gelyk, met een afgrysselyk geweld: na dat zy t'elkens +waren afgeslagen, met den jongen Hertog van Brunswyk achter hen, +roepende vreesselyk, en dreef zyn volk alzo aan, tot dat zy eindelyk +de belegerden overwonnen, en in de stad quamen; waar op het moorden +aanging, wordende in de eerste furie noch kerken, noch autaaren, +noch kraamhuizen gespaart. De jonge Hertog rende door de straaten, +met het bloote zwaard in de hand, roepende: Sla dood, sla dood, tot +wraake van myn Vader! Veelen zyn op de autaaren, eenige met de beelden +omvat, en andere met het kruisifiks in hunne handen, omgebragt. Eylco +Lewe stond met een lang slagzwaard in zyn hand, en sloeg zo gruwelyk +onder de vyanden, dat 'er veelen met hem gedood wierden. Het getal +der dooden wierd in alles op 1136 gerekent. Omtrent 200 soldaaten +en weinige burgers wierden 'er gevangen genomen; doch 150 waren 'er +reeds in den beginne der overval ontkomen. De Commandant Diepholt, +en noch een Kapitein, wierden gekeetent en gevangkelyk naar Medenblik +gevoert. De vrouwen en kinderen wierden ook gevangen gezet en gepynigt, +om de verborgene schatten aan te wyzen; en daar na naakt en bloot +ter stad uitgejaagt. En de schoonste maagden en jonge vrouwen wierden +door de soldaaten eenigen tyd tot vuile lusten gehouden. + +Hier na heeft Graaf Edzard de Regeeringe van Groningen verlaaten: +waar op de Groningers Karel van Egmond, Hertog van Gelderland, voor +hunnen Beschutsheer hebben aangenomen; doende voorts den eed aan zyn +Marschalk Willem van Ojen op den 3de van Novemb. in St. Walburgs kerk. + +In den jaare 1515, omtrent Driekoningen Dag, hebben de Saxischen +uit den Dam de kerk en 't geheele dorp Farmsum geplondert en ten +eenemaal verbrand. + +Den 17de van Maart namen de Groningers het kasteel of blokhuis by +Aduwarderzyl in, en hebben het ten eenemaal geraseert en geslegt. Ook +hebben zy, met hulpe Van Graaf Edzards volk, Delfzyl met geweld +ingenomen: als mede den Dam, alwaar in 't uittrekken der Saxische +troupen een groot tumult ontstond; want de burgers en eenige soldaaten, +de oude bejegeningen noch in 't hoofd zittende, vielen in hunne +achterhoede, plunderden de bagagie, en ontnamen hun vele goederen. + +Daar na quam de zwarte Hoop, zynde een zamengeraapt volk van ruim +5000 koppen, in Friesland vallen; welke alle de dorpen, daarze aan +quamen, in koolen zettede, als mede de steden Workum, Hindeloopen en +Molkwerren ook afbranden. + +Ook hebben de Groningers het kasteel Weerdenbras, by de Punterbrug, +ingenomen. + +Na dat Hertog Georg in voorige jaaren veel moeite met de Groningers en +Graave van Oostfriesland hadde gehad, en de Graave met de Groningers +hunne gerechtigheid aan Karel, Hertog van Gelderland, overgedraagen +hadden, zo hebben de Gelderschen de Sevenwouden en 't grootste gedeelte +van Westergo met een meenigte van volk afgeloopen. Waar op Georg +van Saxen, geen middel ziende om de Friesen weêr onder zyn geweld te +krygen, uit het land vertrokken is; laatende zynen Stadhouder Everwyn, +Graave van Benthem, alhier. + +Ondertusschen maakten de Gelderschen in de Zuidhoek, als te Workum, +Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en Slooten, zeilschepen; om in de +Zuiderzee op het ontzet der Hollanders te kruizen: onder dewelke zich +Groote Pier, geboortig van Kimswert, mede begeeven heeft. Deze Groote +Pier was door de Saxischen van alle zyne goederen en welvaart beroofd, +ook hadden zy het dorp, daar hy woonde, in brand gestooken: waarom hy +met een aanhang van meer dan 500 vrienden, op gemelde schepen gegaan +was: en hebbende verscheidene gelukkige zeeslagen met de Hollanders +gehouden, en veele scheepen van hen genomen, zo maakte hy verder de +geheele Zuiderzee vry. + +Hertog Georg, veel geld en moeiten te vergeefs verspilt hebbende, +om de Friesen te vermeesteren, droeg, na alle zyne nederlagen, het +erfrecht over aan den Prins van + + + + +2. het Huis van Bourgondien. + +1. Karel de Vyfde. + + +In dit zelve jaar 1515, Karel, Koning van Spanje, en na een korten tyd +Keizer van 't Roomsche Ryk, nu Erfheer van Friesland geworden zynde, +stelde Graaf Floris van Ysselstein tot Stadhouder aan; die zich met +de zynen eerst alleen binnen Leeuwarden, Franeker en Harlingen moest +verhouden: zynde het overige des Lands meest door de Gelderschen +bezet; tot welkers voordeel Sneek en Slooten in dien tyd met muuren +en sterktens zyn vast gemaakt [86]. + +En gemelde Groote Pier, speelende alle zeilen blank [87], nam weg +alles wat tegen de Gelderschen aanquam, werpende veele menschen +overboord: en inzonderheid te Workum, dat hy inneemende, de Hollanders +de voeten spoelde, daar by voegende dit grove Friesche vloekwoord: +Sjug ho kenne dy D: tjietten swomme [88]. + +In den jaare 1516, in April, is Delfzyl, na dat de Graaf Edzard +zyne bezetting daar uit had genomen, door Boele Ripperda, van haare +vestingen beroofd. Daar op zyn de Groningers, met hulpe van zommige +Ommelanders, uitgetrokken, hebbende den Dam gedemanteleert, en voorts +Weerdenbras ook geraseert. Verder, het kasteel van Graaf Edzard, +te Groningen gebouwd, wederom afgebroken. + +In den jaare 1517 quam 'er weder zulk een hooge watervloed, dat +het water eene elle boven de dyken stond; waar men de schade wel +kan afmeeten. + +Groote Pier beschermde Sneek, tegen de belegeringe der Bourgoenschen; +en nam Hindeloopen weder in, dat de gemelde Bourgoenschen vast gemaakt, +en met 300 mannen bezet hadden: en daar na Medenblik, dat hy verbrande. + +In dit jaar wierd ook tusschen de Bourgoenschen en den Hertog +van Gelderland een verdrag gemaakt, na dat aan weêrszyden veele +vyandelykheden waren voorgevallen; waar door de steden nu van de eene +en dan van de andere zyde waren ingenomen, en de platte landen veel +geweld, moord en brand hadden geleden. Doch Groote Pier, met die de +Gelderschen aanhingen, zich hier noch niet toe verstaande, bleven +even standvastig tegen de Bourgoenschen, en begeerden Pier voor een +Beschermheer der vryheid geacht te wezen; dat hy voorheen ook zoude +gedaan hebben, byaldien het zommigen niet verbrod hadden. Als hy door +eenen Hollander in een brief tot afstand geraaden wierd, bespotte hy +hem met een rymtje na dien tyd, voegende boven het zelve al boertende +deze Eeretytelen: Ik, Groote Pier, Koning van Friesland, Hertog van +Sneek, Graaf van Slooten, Vryheer van Hindeloopen, en Capitein-Generaal +van de Zuiderzee [89]. + +Dus wierd de vereeniging door de Gelderschen verbrooken, en des +Keizers volk moest, als voorheen, zich alleen in Leeuwarden, Franeker +en Harlingen verhouden. Groote Pier deed ondertusschen de Keizerschen +op de Zuiderzee veel afbreuk, neemende gestadig aan weg alles wat +hem voorquam. + +In den jaare 1518 heeft de Hertog van Gelder het accoord van Maarschalk +Willem van Ojen met de Magistraat van Groningen, uit zyn naam ingegaan, +geconfirmeert en gezegelt. + +In den jaare 1519, den 6de van February, wierd te Arnhem het vorstelyke +bruiloftsfeest van den Hertog van Gelder met de Hertoginne van Brunswyk +Lunenburg zeer prachtig gehouden: zynde aldaar uit deze Provintie +van Groningen mede verzogt, Ludolf Conders, en Klaas Schaffer, +Burgemeesteren; Willem Frederiks, Priester van St. Martens kerk, wegens +de stad; en Roelof Lennep, Ritmeester, wegens de Ommelanden. Dewelke +allen zeer prachtig uitgedost waren; Willem op een wagen, en de anderen +te paard, zynde alle de paarden eveneens met blinkende wapenen over +hunne gansche ligchamen bedekt, verzelt met 30 ruiters, in heerlyke +kleederen. Hunne geschenken, dieze voor het jonge paar mede bragten, +bestonden in twee zilvere wynkannen, en twee zilvere schenkvaten, +zeer konstig verguld en bearbeid, wegende over de 50 mark zilver. Daar +nevens bragten zy 4 welgemeste ossen, van een buitengewoone zwaarte, +en 4 schoone paarden. + +In dit zelve jaar, als Groote Pier bemerkte, dat de Gelderschen het +land, even als de Saxischen voorheen, onder het juk van slaavernye +meenden te brengen, zo quiteerde hy daarom zyn ampt, en zettede zich +gerust binnen Sneek ter neêr, alwaar hy zyn leeven na eenigen tyd +heeft geëindigt. + +In den jaare 1520 wierd het klooster te Aduard, het waereldsche gebied, +mitsgaders het recht van patroonschap over Suidhorm en Wyrum ontnomen, +om reden dat eenige monniken op St. Bernards dag, onder een gastmaal, +dat jaarlyks wierd gehouden, twee Edellieden, Hendrik en Frederik +Gaykinga, vegtenderhand hadden doodgeslagen. [90] + +Als Karel de vyfde nu tot Roomsch Keizer was verkooren, heeft hy in +den jaare 1521 Georg Schenk tot Stadhouder over Friesland aangestelt: +die, met zyn leger te Arum staande, de Geldersche steden, Sneek en +Bolswert heeft gebrandschat: doch Stoffel van Meurs, Stadhouder der +Gelderschen, vertrok naar Workum, dat hy vast maakte, om gemelde +brandschatting der Bourgoenschen af te weeren. + +Hier op dreven de Sneekers de Gelderschen uit; het welk die van +Bolswert, weinig tyd daar na, mede deeden. + +In dit zelve jaar, den 12de van May, is de Hertog van Gelder, door +de Staaten der Ommelanden, mede tot hunnen beschutsheer aangenomen. + +In den jaare 1522, den tweede van November, quam de Hertog van Gelder +te Groningen; wordende door de Magistraat buiten de Oosterpoort +opgehaalt, en tot aan de St. Martens Kerk geleid; alwaar hy door +Mr. Willem, Kerkheer, ontfangen wierd, die hem mede naar zyn huis +nam en logeerde. Des anderen daags ontfing hy op het raadhuis de +sleutelen van de stads poorten, en den eed van de Magistraat en +de Gezworene Gemeente, en vervolgens in St. Walburgs kerk van het +gemeen. Des Sondags daar aan wierd hy door de Magistraat der stad +op het Heeren Wynhuis zeer prachtig ter maaltyd onthaalt. Daar na, +de Hertog vertrokken zynde, zond hy Jasper van Marwyk als Stadhouder +te Groningen, die zyn logiment nam op Munnikeholm. + +In den jaare 1523 bouwde Stoffel van Meurs een blokhuis te Workum, +en den tooren versterkte hy met gragt en wallen, om de zeekust tegen +de Bourgoenschen te beschermen. Maar wierden van Schenk vermeestert, +die den tooren van boven af liet werpen, en het blokhuis met veel +volk bezette. In welken tyd ook de geweldige Stins van Inthiema door +de Keizerschen verbrand en vernietigt is. Doe zonden de Gelderschen +eenige zeeroovers uit Dokkum; het welk de Bourgoenschen belegerden, en +mede by verdrag inkreegen. Ook vlugten de Gelderschen van Bolswert naar +Slooten; dat zich, belegert ziende, mede aan Schenk over gaf. En by +een gemeen opbod der landlieden, zyn de Gelderschen t'eenemaal uit het +land gejaagt: en Karel de vyfde tot Erfheer over Friesland bevestigt. + +Ook is Schenk en Wassenaar, uit naam des Keizers, in de Ommelanden +gekomen, roovende en brandende zeer schielyk onder de landlieden; +vervolgens ontboden zy hen om den Keizer te beëedigen te Noorthorm, +mits tot boete geevende 32000 goudguldens. + +In den jaare 1525, des Vrydags voor St. Laurens, geraakte de stad +Groningen in een groot oproer; alzo de Bouwmeesters en Gildens zich +heimelyk verbonden hadden van hunne goederen 'er by op te zetten, +om alle de accynsen, uitgenomen de wyn en het Hamburger bier, af te +schaffen. Zy hadden dieshalven by de twee Bouwmeesters, noch 24 van +de voornaamste personen uit de Gildens gekooren, die het zelve aan +den Raad zouden voordraagen. Als deze voorstellinge op het raadhuis +geschiede, stond de geheele markt van het gemeen bezet, raazende en +tierende als verwoede menschen, die door des Overigheids redenen +niet te stillen waren. Een groote hoop liep als woedende op het +stadshuis, met een groot stuk hout in de handen, en stoote de deur +van de raadkamer daar mede open; voorneemens om den geheelen Raad +dood te slaan. De geene die beneden stonden, met bloote messen in +hunne handen, riepen: Sla dood, sla dood; werpt ons de verraaders +ter vensteren uit! Waar door de Raad zich genoodzaakt vond, deze +gecommitteerden te zeggen, hunne begeerte te zullen voldoen: doende +daar op de klok luiden, en hunne wille publiceren. Waar door het +woedende gepeupel wederom vertrok. + +In den jaare 1527 was 'er wederom een groote onlust te Groningen, +waar door omtrent verscheidene magistraatspersoonen hun leeven zouden +verlooren hebben: want een Jan Gryp, zynde een groot oproermaker, +trok zyn zwaard uit, en riep: Sla dood! en sloeg den Bouwmeester +Jan.... onder den voet, houwende nochmaals verscheidene keeren naar +hem; doch wierd, door toedoen van anderen, noch gelukkig gered. De +Raad, vergadert zynde, vlood van het stadshuis; ziende ieder om een +goed heenkomen. De Burgemeester Hillebrands, Roltman en Rein Duirds, +met noch eenige andere Raadsheeren, liepen in de St. Martens kerk; +maar de Burgemeester Ludolf Conders viel by de waag onder het gespuis; +waar door hy nochtans door eenige raadsgezinde burgers gelukkig wierd +ontzet, neemende daar op de vlugt, de Heere Poort uit, naar Helpman +op zyn hofstede. + +Dit zelve jaar overleed Graaf Edzard van Oostfriesland, oud zynde 66 +jaaren, binnen Embden; wordende des Vrydags na vastenavond tot Norden +begraven. Na hem succedeerde Graaf Enno daar op, in zyns vaders plaats. + +In den jaare 1530 heeft Keizer Karel aan zynen Stadhouder Schenk last +gegeeven, om Dokkum en Slooten, welke Steden hy, na 't vertrek der +Gelderschen, hadden doen vast maaken, de wallen wederom te slegten. + +In dit zelve jaar, den 10 van July, nam Graaf Enno van Oostfriesland +Widmond door verrassinge in; en belegerde voorts Ezens; waar op +hy verscheidene maalen stormde, en veel volk verloor; doch op den +28ste van September hebben die van binnen zich aan hunne vyanden +overgegeeven; waar op, Jonker Balthazar een voetval voor Graaf Enno +doende, pardon bequam. + +In den jaare 1531 heeft Jonker Balthazar een hoop krygsvolk aangenomen, +waar mede hy in Graaf Enno's land trekkende, alles in brand stak wat +hem voor quam; sleepende een grooten buit met zich; en begaf zich +naderhand onder den Vorst van Gelder. + +In den jaare 1533 heeft Jonker Balthazar den Overste Meindert van Ham +met omtrent 2000 Geldersche soldaaten te Jemmigen, in Reiderland, +gezonden: maar Graaf Enno hen te gemoet trekkende, heeft van hen +een Vendel Gelderschen, welke by de Noorth verachtert waren, ter +neêr geslagen. Doch een weinig tyd daar na, hebben de Gelderschen +de Oostfrieschen aangegreepen, en deerlyk geslagen; waar door in 't +geheel omtrent 400 mannen zyn gebleven, en waar onder veele braave +persoonen van aanzien. + +In den jaare 1535, den 30ste van Maart, zyn omtrent 300 zo +genaamde Wederdoopers, na datze hunne leere in Friesland openbaar +hadden voorgestelt, byeen getrokken, overvallende Oldenklooster, +by Bolswert, en namen het in; noodzaakende de monniken daar uit te +vlugten; en van gedachten zynde, by aldien de Landsheer hen mogt komen +bestormen, zouden de bestormers zelve door hunne eigene wapenen gedood +worden. Maar de Gouverneur G. Schenk zulks gewaar wordende, zond een +troup soldaaten derwaarts, en overweldigde het klooster aanstonds; +waar door in de eerste furie het meestedeel dier arme menschen door de +kling wierden gejaagt: 24 zyn 'er vervolgens aan galgen opgehangen, +en 15 onthalst; en de vrouwen en maagden eenige te Leeuwarden, en +andere in het Hempensermeer doen verdrinken. + +In den jaare 1536 heeft Menno Simons, Priester te Witmaarsum, zyn +priesterambt verlaaten, en zich tot de Wederdoopers begeeven: waar +van dezelve den naam van Mennisten hebben bekomen, zo als zy noch in +Friesland, zonder onderscheid, allen genoemt worden. + +In dit zelve jaar, hebben de Groningers hunne hulpe aan den Hertog +van Gelder tegens Graaf Enno van Oostfriesland opgezegt. Waar over +de Hertog zeer te onvreden zynde, zyne krygsmacht deed vermeerderen, +en den Overste Meinard van Ham met de zelve den 29ste van April naar +den Dam zond; die aldaar ten eerste de vestingen deed versterken, +steekende de voorstad by de Steenstil- en Poelepoort in brand; +als ook de voorstad van de Ebbinge- en Botteringepoort; waar door, +alzo de vlam over de wal quam, omtrent de Peperstraat 5 huizen en 30 +schepen verbrande. + +Waarom door de Staaten van Stad en Lande, door groote verbitteringe +dieze tegens den Gelderschen Vorst gekregen hadden, geresolveerd +wierd, zich aan het Huis van Bourgondien over te geeven; zendende +derhalve hunne Gezanten aan Koningin Maria, zuster van Keizer Karel den +vyfde, in Brabant, met verzoek, dat zy onder de bescherminge van zyn +Keizerlyke Majesteit mogten aangenomen worden. De Koninginne heeft hen +daar op met veele beleeftheid aangenomen, en voorts met een genoegzaame +krygsmacht onder het bevel van Georg Schenk versterkt. Waar op Schenk +den 7de van Juny met groote blydschap ter stad wierd ingehaalt, en +als Stadhouder gehuldigt, doende de Raad en het Gemeen voorts den +eed aan hem, uit naame des Keizers. Wordende dus de stad Groningen +en Ommelanden aan de Nederlanden gehegt. + +Hier na trok Schenk te velde, en sloeg de Holsteinschen in +Westerwolde; nam Delfzyl in; won den Dam, Wedde en Koeverden van de +Gelderschen. Hier na is de vrede tusschen den Keizer en Hertog van +Gelder geslooten, welke te Groningen op den 8ste van December van +'t stadshuis gepubliceert is geworden. + +In den jaare 1538, of omtrent dezen tyd, overleed de trouwelooze +Hertog Karel van Gelder, oud 70 jaaren; hebbende zyne nabuuren 50 +jaaren lang met verscheidene oorlogen beroert. + +En omtrent dien zelfden tyd leefde Vorperus Thaborita, Kanunnik +te Thabor, by Sneek; die, tot op dien tyd, de oude Friesche +Geschiedenissen heeft te zamen gestelt. + +In den jaare 1540 overleed Georg Schenk, Stadhouder van Groningen, in +wiens plaats, hem opvolgde Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren. En +den 24ste van September overleed Graaf Enno van Oostfriesland, +wordende te Embden begraven. + +In den jaare 1542 is een watervloed over deze landen geweest, waar +door veele schade aan menschen en beesten is veroorzaakt. + +In den jaare 1545, omtrent St. Jan, quam Koninginne Maria te Groningen; +wordende aldaar door de Magistraat op eene zeer plechtige wyze +ingehaalt, en met ryke geschenken beschonken. + +In den jaare 1546 is in 't Klooster Wittewyrum eene conferentie +gehouden, over het verschil van de voorbyvaart van Embden, tusschen +de Groningers en de Graavinne van Oostfriesland. + +In den jaare 1548 overleed Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren, +en Stadhouder van Groningen, in wiens plaatze hem opvolgde Jan van +Ligne, Graaf van Arenberg. + +In den jaare 1550 hebben de Groningers, benevens die van de Ommelanden, +aan den Graaf van Arenberg hunnen eed gedaan, wegens Philippus den +tweede, Koning van Spanje. + +In den jaare 1552 was 'er, na 't geweldig doorbreeken der dyken, en +'t vloeijen van water, zulk een harde winter, dat men van Friesland +naar Ter Schelling, van Medenblik naar Staveren, en van Amsterdam +naar Kampen, met paard en slede, kon over de Zuiderzee ryden [91]. + +In den jaare 1555 droeg Keizer Karel de vyfde de bestiering der +Nederlanden over aan zynen zoon Philippus. + + + + +2. Philippus de Tweede, Koning van Spanje. + + +In dit jaar, Philippus de zeventien Nederlandsche Provintien van zynen +vader verkreegen hebbende, in zo een vreedzaame en wettelyke stand, +als Prins of Onderdaanen konden wenschen: kreeg het Land in tegendeel +in Philippus te gelyk een nieuw Heer, met allerlei nasleep van onheilen +en oproer. Want als hy niet wel overdagt hadde, dat zyn vader, door +eene byzondere naarstigheid, op alles een wakend oog had gehouden, +met overal zelve by te zyn; zo ondernam Philippus daar en tegen, +deze Landen in goede rust te zullen houden door eenen Stadhouder, +blyvende zelve in Spanje. + +In den jaare 1559, na Philippus de Nederlanden doorreist hadde, +is hy weder naar Spanje vertrokken; bestellende het gebied der +Landen aan Margareta, Hertoginne van Parma, zyne Bastartzuster: en +iedere byzondere Provintie aan hunne Stadhouders, en Friesland aan +bovengemelden Graaf van Arenberg; die ook het opzicht over Overyssel, +Groningen en Lingen hadde. + +Onder deze aanstellinge gaf hy ook met eene last, die hy hun by zeer +strenge placaaten, voor zyn vertrek, gegeven hadde, en die de waare +oorzaaken van alle volgende onlusten zyn geweest; waar van deze drie +de byzonderste waren: 1. Het aanstellen van 14 nieuwe Bisschoppen, +boven de drie, die 'er voorheenen hadden geweest. 2. Het openbaar +bevel, om de besluiten van het Consilie van Trenten in den Lande +uit te voeren: daar toe aanstellende Inquisiteurs en Kettermeesters +[92], om het volk wegens hun geloove te onderzoeken. En ten 3de. Het +onderhouden van 4000 vreemde krygsknegten, ten laste van den Lande, +en dat in tyd van vrede. + +In dit zelve jaar is te Groningen overleden Regnerus Predrinus, +hebbende aldaar veel tyd Rector der Latynsche schoolen geweest, +predikende op de feestdagen openlyk het Evangelium. + +De leere tegen de Pausselyke dwaalingen, nu door geheel Europa +zich uitgebreid hebbende, en in Vrankryk en Engeland daarom veele +vervolgingen geschiedende, zo quam 'er veel volk naar de Nederlanden +vlugten. Welke vervolging strydig was tegen de oude privilegien en +vryheden van den Lande, die de Koning hun beloofd hadde te behouden. + +De Edelen van den Lande ondertusschen, om zulk een voorneemen naar +vermogen af te weeren, kantteden zich eerst tegen de dwingnagel van +de bovengemelde 4000 soldaaten, waar door het volk grooten overlast +wierd aangedaan, van gevoelen zynde, dat dan de Inquisitie weinig +klem zoude hebben. + +Des zo beraadslaagdenze om den Koning te beweegen, dien last van +soldaaten van hen af te ligten; en zyn, na veele moeijelykheden, +naar Spanje afgescheept in den jaare 1561. + +In dit zelve jaar is Groningen, by het aanstellen van nieuwe +Bisschoppen in de Nederlanden, tot een Bisdom verheven; en wierd tot +eerste Bisschop aangestelt, Heer Johan Cnyf, Minnebroeder. + +In dezen tyd is wederom een watervloed over Oostfriesland gegaan, +welke de dyken verbrekende, en veele beesten om 't leeven bragt [93]. + +In den jaare 1564 is aan de Staaten van Friesland, nevens andere +Provintien, bevel gezonden van de Hertoginne van Parma, om den nieuwen +Bisschop Cunerus Petri aan te neemen, en in te huldigen tot Bisschop +van Friesland; zyn zetel te stellen binnen Leeuwarden, en hem in alles +de hand te bieden: het welk de Staaten weigerden; verzoekende daar +van ontslagen te zyn, als strydig tegens hunne vryheden en voorrechten. + +In dit zelve jaar hebben de Engelschen de stapel der lakenhandel, +in een tyd datze verschil met de Nederlanders hadden, te Embden +geplant. Want daar quam den 23ste van May een groote vloot schepen +met lakens, na dat 'er reeds 6 gekomen waren, te Embden aan. Waar +over de vreugde in die Stad zo groot was, dat 'er eereschooten van +weêrskanten wierden gedaan. Doch de blydschap, en het voordeel datze +zich zelve daar van belooft hadden, verdween zeer haastig: over zulks +de Engelschen, hun verschil met de Nederlanders vereenigt hebbende, +van daar vertrokken, en bragten de lakens naar Antwerpen. + +In den jaare 1565, als de Inquisitie hoe langer hoe wreeder voortging, +hebben de Edelen, na lange te vergeefs by de Hertoginne vertooningen +en verzoekschriften te hebben ingelevert, den Graave van Egmond aan +den Koning gezonden. Dewelke, na eenigen tyd, eerst antwoord bequam, +en hier op uit quam, dat des Konings meininge was, dat zyne beveelen +en strenge placaaten moesten uitgevoert worden. Derhalven heeft de +Gemeente ondertusschen, uit onverduldigheid, om bovenstaand langdraadig +antwoord des Konings, de kerken overvallen, en alle Roomsche beelden +daar uit gestormt. + +Waar op in den jaare 1566 de Heer van Brederode, verzelt met meer +dan 200 Edelen, uit alle Provintien, verzogten aan de Hertoginne +te Brussel, om verzagtinge van die strenge beveelen des Konings te +genieten. By welke gelegentheid de naam van Geusen, waar door de +Gereformeerden beteekent worden, tot op dezen dag, van de geene die +buiten zyn, zynen oorsprong heeft genomen: wat een van 't Hofgezin der +Hertoginne, met naame de Heer van Barlemont, dezen hoop Edelen, die +slegt in de kleederen waren, het eerste aan 't Hof ziende komen, zeide +in de Fransche Spraak, dat 'er een hoop Bedelaars voor de poort waren; +gebruikende het Frans woord Gueux, dat een Bedelaar beteekent. De +Edelen dit verstaan hebbende, schaamden zich hier niet over; maar +begeerden na dien dag altyd Geusen genaamt te zyn: waarom veelen van +hen graauwe kleederen aantrokken, als de bedelende Graauwe Monniken, +en houte nappen aan hunne zyde hongen, met zilvere plaatjes beslagen, +waar op in 't Latyn stond: Het gaa den Geuzen wel: of vivent les Geux. + +Het voorige verzoek der Edelen naar den Koning gezonden zynde, maar +het antwoord te laat aankomende, was 'er ondertusschen weder alomme +door het land een algemeene kerkrooving en beeldstormerye ontstaan; +en de Gereformeerden, door toelaatinge des Prinsen van Oranje, +bouwden openbaarlyk kerken binnen Antwerpen. Waar op de burgers, +zo te Leeuwarden als Sneek, mede de vryheid namen om de beelden uit +hunne kerken te breeken, en de zuivere leere te doen stand grypen; +daar veelen reeds opentlyke belydenisse van deeden. Ondertusschen +hebben de Inquisitiemeesters den nieuwen Bisschop te Leeuwarden +toegestaan, van de inkomsten der kloosters Mariengaard en Lidlum, +tot zyn jaarlyks onderhoud, een zomma van 3000 ducaten; en 't verdere +overschot ten behoeve voor monniken en paapen. + +In dit zelve jaar is de Minnebroeders kerk te Groningen door de +Gereformeerden ingenomen, van de altaaren en beelden, met verlof +van de Magistraat, gezuivert, en die hun stads arbeidsvolk bestelde, +om de vloer van puin en belemmeringen te ontdoen, en bequaam tot de +predikdienst te maaken. Doch deze zaak heeft naderhand, in den jaare +1569, eenige werklieden het leeven gekost. In de Ommelander dorpen, als +te Winsum, Garshuizen, Westerembden, Ten Post, Middelstum en elders, +wierd de boer door den adel opgehitst, en veele kerken, geplondert, +tegens dank en wil der Overheden. + +Arenberg, deze beeldstormerye verstaan hebbende, deed, uit last +der Hertoginne, alle de predikanten het land uitjaagen, en alle +Gereformeerden strengelyk vervolgen. + +Als mede, uit naam van den Koning van Spanje, zond hy op eene +listige wyze, vier compagnien Hoogduitsche soldaten in Groningen; +welke aldaar, gedurende hunne inquartieringe, wegens den Koning, +veel moetwil bedreven aan de burgers, inzonderheid de Gereformeerden; +neemende de stads sleutels na zich, ontwapende de burgerye, en deeden +een jongman, om opgelegt verraad, vierendeelen. + +In den jaare 1567, als de Prins van Oranje zag, dat de zaken, na zo +veele moeijelykheden, van erger tot erger vervielen, vertrok hy, +met een groot gevolg van Edelen en andere aanzienlyke lieden naar +Duitschland. En een schip met Edelen van Amsterdam naar Embden +vlugtende zyn by Harlingen, door trouwloosheid van den schipper, +in handen van Arenberg geraakt: waar onder de twee jonge Heeren van +Baatenburg, en drie Friesche Edelen waren; die, nevens veele van de +anderen, binnen weinig tyd daar na, te Brussel zyn omgebragt. + +De Koning van Spanje ziende, dat de verwerringe al grooter en grooter +wierd, besloot zyne zuster van verdere moeite te ontlasten, en zond +als Stadhouder in haar plaatze dien wreeden en alom beruchten Hertog +van Alva; dewelke een groote krygsmacht mede bragt, van voornemen, +om alles op een wreede en gruuwzame wyze te vervolgen; die ook dien +weêrgaloozen bitteren bloedraad instelde, welke alles het onderste +boven wentelde. + +In den jare 1568, als de vlugtelingen door de wreedheid van Duc d'Alva +dagelyks meer wierden, zoo dagten zy op middelen, om weder in beteren +stand in hun Land te komen. De Prins dan, veel volk vergaderende, +begon van dezen tyd af den Hertog te beoorlogen. + +In dit zelve jaar, in May hebben de Graaven Lodewyk en Adolf van +Nassau, nevens Graaf Joost van Schouwenburg en anderen, met hunne +krygsmacht in Groningerland trekkende, het Huis te Wedde, den Dam, +en daar na meer andere plaatzen ingenomen: hoewelze na een korten +tyd gedwongen wierden den Dam wederom te verlaaten. + +Ondertusschen was de Graaf van Arenberg, nevens den Graaf van Megen, +met hunne krijgsmacht en zes stukken kanon afgekomen: het welk van +Graaf Lodewyk vernomen zynde, trok zyne krygsbenden bijeen, vallende +den 24ste van May met eene groote dapperheid bij Heiligerlee op de +vijanden in, voor dat de Graaf van Megen daar noch was bygekomen, +en sloegen zoo furieus met hun nieuwgeworven krygsvolk onder hen, +dat er in 't kort veelen wierden neergevelt. Waarom Arenberg met +eene groote bitterheid op Graaf Adolf los rende; en, schoon hy +eerst met een kogel doorschooten wierd, heeft hy nochtans dies te +verwoeder, eerst met 't pistool, en daar na met het rapier Graaf +Adolf ook doodelyk gewond; waarop zy alle beide zyn neêrgevallen, +en niet verre van den anderen gestorven. De rest van Arenbergs leger, +alzo 't volk geen kennisse van 't Land hadde, en van de Nassauschen +omsingelt zynde, is meestendeels gequetst of dood gebleven. Omtrent +1600 mannen, zo Spanjaarden als Duitschen, wierden 'er verslagen, +waar onder vele perzoonen van rang; daar by bequam Lodewyk veel buit, +als alle de bagagie van Arenberg, zyn zilverwerk, en daar en boven +veel geld, dat tot betaalinge der soldaaten gekomen was, en zes +stukken kanon. Graaf Adolf wierd te Wedde, en de Graaf van Arenberg +in de kerk van het klooster te Heiligerlee begraven. + +Daar na trok Graaf Lodewyk met zyn leger voor Groningen, doende de stad +aan twee zyden belegeren; maar de vastigheden van die plaats, groote +bezettinge daar binnen, en den belegeraars zwaar geschut ontbreekende, +deed hem niets vorderen: evenwel wierden 'er verscheidene aanvallen +gedaan, inzonderheid op den 22ste van Juny, alwaar wel 200 van de +Nassauschen, en veelen van de beleegerden sneuvelden. Maar het afkomen +van den Hertog van Alva met een leger van 16000 mannen, deed hem de +belegeringe den 14de van July opbreken, marcherende daar mede langs de +Eems, om zich aldaar te versterken; doch de Hertog is hem zeer haastig +nagetrokken, en heeft Graaf Lodewyk op den 21ste dito by Jemmingen +aangetast, en zeer afgryzelyk met al zyn volk, dat niet vegten wilde, +verslagen; daar bleven 'er weinigen over, en veelen wierden door +'t zwaard gejaagd, of in 't water verdronken. Graaf Lodewyk zelve, +als eenigen verhalen, ontquam het met zwemmen over de Eems; doch +anderen willen, dat hy met een scheepje overgeraakt zoude zyn. Daar +wierden verlooren 16 stukken kanon, omtrent 1500 paarden, 20 vendels, +veele horenbeesten, en omtrent 7000 mannen. + +Daar na trok de Hertog langs de dyken naar Delfzyl, voorneemens om +die plaats en Farmsum tot een stad te maaken, en dezelve Marseburg +te noemen: doch de smeekinge der Groningers heeft zulks terug +gehouden. Vervolgens hebben de Spaanschen in het aftrekken veele dorpen +in brand gestoken, eenige duizenden van horenbeesten uit het land +gedreven en groote schade gedaan. Voorts quam de Hertog te Groningen, +en ordonneerde aldaar een kasteel te bouwen, tusschen de Ooster- +en Heere Poort, met 5 bolwerken; dat het jaar daar aan is begonnen. + +Karel Brimeu, Graave van Megen, wierd Stadhouder van Friesland, van +'s Konings wegen, na de dood van Arenberg. + +Den 7de van December is te Leeuwarden, voor de eerstemaal des Heeren +Avondmaal openbaar, naar de wyze der Gereformeerden, uitgedeelt, na dat +de gewapende burgery de beelden, door last van Burgemeesteren, uit de +kerken geworpen hadden, niet tegenstaande des Konings Stadhouder, en +'t Hof zich daar tegen stelden. Ook hebben zy den Koning afgeswooren, +en zich door sterke burgerwachten bevestigt. Ook wierpen verscheidene +paapen hun priesterlyk gewaad weg, en verkondigden nu het zuivere +Woord des Heeren. + +In den jare 1569, in April, quam de Commissaris Quarre te Groningen, +en informeerde zich wegens de kerkplonderinge en andere misdaaden, +in den jaare 1566 gedaan. Waarop eenigen by den kop wierden gevat; +doch de Bouwmeester, met twee arbeidsluiden braken uit de gevangkenis; +maar de andere drie a vier zyn, niet tegenstaande het verlof van de +Magistraat, om hunne begaane misdaad, op de markt onthoofd. hoofd. + +Voorts hier na quam de Bisschop Johan Cnyf ook te Groningen, neemende +zijn logement in het huis dat nu des Stadhouders Hof is. + +Ook wierd door bevel van den Hertog van Alva een kasteel geordonneert; +men bouwde het met vyf bastions, waarvan drie buiten en twee binnen +de stad quamen te leggen: schietende het eene met haar punt op der +Pelsterstraat, en het andere op de Gelkingestraat: waar van de gragt +wierd aangelegt op 100 voeten wyd; en de benedenste voet van de wal +op 75 voeten breed. + +In den jaare 1570, den 1ste November, is 'er een geweldig onweder, +met een verschrikkelyke hooge watersnood, uit den noordwesten ontstaan; +die tot heden met den naam van Allerheiligensvloed bekent is: waar door +het water zeer hoog in Vlaanderen, Holland en Zeeland is opgeloopen, +doch by den dag, en diensvolgens met minder schade, als in Friesland: +alwaar het des avonds, omtrent 9 uuren, het geheele Land overstroomde +tot aan Sevenwouden toe; blyvende Gaasterland, en wel voornaamentlyk +Oud Mardum, Ruigehuizen en Sondel onbeschadigt. De schade aan menschen +en beesten was ontelbaar, en is af te neemen uit 1800 menschen, die +alleen in de Grieteny van Oostdongeradeel verdronken waren; daar de +vloed tot elf voeten hooger, als een gemeen ty, was opgerezen. Van +Sneek naar de Lemmer voer men regt uit op zeven en een halve voet +water over 't vlakke land: râzeilen met drie masten dreven, met +haar volle ladingen door de inbraaken der dyken. En een wieg, met +een leevend kind en kat daar in, quam te Sneek aandryven. + +In den jaare 1571 hebben de Friesen alomme, gelyk ook die van Braband +en Vlaanderen, de beelden bestormt, en de paapen en monniken weder +het land uitgejaagt. + +In den jaare 1572, den 7de van January, overleed binnen Zwol, de +Graaf van Megen, Gouverneur van Friesland, Groningen, enz. In wiens +plaatze hem opvolgde Gillis van Barlamond, Heere van Hierges. + +In dit zelve jaar namen de Watergeusen den Briel in; en de Prins van +Oranje wierd in 't openbaar voor een Hoofd der Vereenigde Bontgenooten +verklaart. Diederik van Bronkhorst nam Sneek, Bolswert en Franeker in, +alzo het volk daar meest uit verloopen was. En des Konings Colonel, +Casper de Robles, Heer van Billi, daarentegen lag bezettinge op +de zeedyken. + +Schouwenburgs volk, gesterkt met een party, van des Prinsen macht, +dat van Ameland naar Oostmahorn over quam, heeft Dokkum ingenomen: +maar de Colonel Robles, hen overvallende, heeft de plaats weder +hernomen, laatende de soldaaten vermoorden en schenden, en de stad +in brand steeken [94]. + +In September is Joost van Schouwenburg, als Stadhouder by den Prins +van Oranje over Friesland, te Sneek gekomen; en, na eenigen tyd, +trok hy binnen Franeker, en zette zich op Sjaardema's Slot ter +neder. Doch na zyn vertrek vielen zy weder in handen van Robles, +gelyk ook die van Bolswert. Ondertusschen hebben 's Prinsen volk de +zeekusten, behalven Harlingen en Staveren, weder onvry gemaakt; alwaar +Gaasterland en de geheele zuidhoek veel verdriet heeft uitgestaan. En +inzonderheid word verhaalt, dat die van Wykel van de roovers wierden +overvallen; Wybren Wykel met zyn vrouwe Doed en dochter Bauk gedood; +Foockel gevankelyk naar Enkhuizen gevoert, en noch eene van hunne +zusters ter vensteren uitgeworpen; Hans, hunne broeder, ontquam het +met de vlugt; en het huis wierd verbrand: van welker afkomst ons noch +een aanzienlyk huisgezin in onze woonplaats bekent is. Robles moest +hier na Sneek weder verlaaten. Diederik van Bronkhorst nam hier op +Bolswert in; alwaar hy de Overigheid veranderde, en de Gereformeerden +opentlyk liet prediken; welke eerste predikatie in de Broeren Kerk +gedaan wierd. Hier van daan vertrok hy naar Sneek en Franeker, alwaar +hy het Stadhoudersampt, in 't afzyn van Schouwenburg, bediende. Daar +na nam 's Prinsen volk het blokhuis te Staveren in: maar daags daar +aan herwonnen 's Konings volk het wederom, en staken de stad in brand. + +Schouwenburg, eenige schattinge by een vergadert hebbende, tot reddinge +der Provintie, is, na hy de zelve ontfangen had, met dien geroofden +buit uit den Lande doorgegaan. + +Ondertusschen heeft de Koning van Spanje, Don Louis de Requesens, +Grootbevelhebber van Castilien, tot een Landvoogd der Nederlanden +gezonden, in plaats van dien bloeddorstigen Hertog van Alva: die hier +op aanstonds weder naar Spanje vertrok; welke roemde, dat 'er door +zyn bevel wel 18000 menschen alleen door beuls handen in Nederland +waren omgebragt, behalven die in den kryg waren gesneuvelt. + +In den jaare 1573, is Groningerland, Friesland en Embderland, door +een watervloed aangetast: waar door de dyken wierden gebroken, en +groote schade aan menschen en beesten geschiede. + +In den jaare 1574 heeft Casper Robles, om de verschillen en +oneenigheden, al van oude tyden af, die ontstaan waren over het +maaken der zeedyken, weg te neemen, uitgevonden, en volgens zyne +gedachten en raad voorgewend, dezelve dyken, tegen zulke zwaare en +hooge watervloeden, waar van zy zo menigmaalen de smerten gevoelt +hadden, in beter order te brengen, en beginnen te verzwaaren. Wordende +omtrent twee jaaren hier na, ter gedachtenisse van dit loffelyke werk, +het Steene Beeld, dat noch heden by Harlingen op den dyk te zien is, +op 's Lands kosten, opgeregt: dienende met eene tot een Scheidbeeld +van de afdeelinge der dyken. + +Alschoon des Konings zaaken dagelyks te post verliepen, zo waren echter +Staveren, Hindeloopen, de Schans te Makkum, Harlingen, en de geheele +kust, na het doorgaan van Schouwenburg, weder met Robles volk bezet +geworden. Doch Wouter Heegeman, Hopman van den Prins van Oranje, van +Texel afvaarende, heeft Hindeloopen, by eene donkere nacht, met 300 +mannen overvallen en ingenomen. Waar op die van Enkhuizen hem kruid +en lood toezonden, om de plaats te versterken. Doch op het gerucht +van Robles volk, dat op hem aanquam, deed hem resolveeren, de stad +uit te plonderen en in brand te steeken. De Drost van Staveren begon +ook zyne vestingen, daags daar aan, weder te versterken. + +In den jaare 1575 Bartel Entes, met eenig volk van Ter Schelling +afvaarende, lande op Oostmahorn, alwaar hy een schans opwierp: doch +na eenige schermutselingen, wierd hy door 't volk van Robles daar +weder uitgedreeven. + +In den jaare 1576 waaide het een geweldige storm, waar door veele +boomen uit den grond wierden gerukt; en het dak van de Oude Hoofster +Kerk te Leeuwarden, dat door oudheid geheel bouwvallig was geworden, +deed instorten: en is tot op dezen dag niet weder opgebouwt. 't Was +mogelyk een voorteeken, dat gelyk het heidendom, voor veele eeuwen, +uit deze plaats uitgeroeit, alzo deze plaats het kerkhof was geweest, +daar het altaar van den Afgod Staf gestaan had, en dezelve geviert +wierd, alzo ook nu het gebouw des Pausdoms in deze Landen wel haast +een geweldige krak zoude krygen. Waarom wy wel mogen zeggen: + + + Het oude Duivels Hof, door schynschrift + lang misbruikt, + Wat wonder, zo 't haar hoofd voor 't regt + Geloove duikt. + + +In dit jaar hebben de Staaten en Voornaamste des Lands met malkanderen +binnen Gent een verbond gemaakt, om de welvaart des Lands, met +raad en daad des Prinsen van Oranje te helpen bevorderen: wordende +gemeld verbond gemeenelyk de Pacificatie van Gent genaamt. Het welk +de Koning daar na ook met zyne onderteekening bevestigde. De inhoud +van dit verdrag bestond voor 't meest: 1. Dat de vreemde krygslieden +uit het Land zouden gevoert worden. 2. Dat de gebruikelykste wyze van +regeeren zoude vastgestelt worden. 3. Dat ieder Provintie de zaaken +van Godsdienst zoude handhaven, na dat het tot ruste des volks het +beste zoude geoordeelt worden. + +In dit jaar is te Madrid overleden Joachim Hopperus, geboortig van +Heemelum; afkomstig van dat oud Geslacht der Hopheeren, waar van boven +op het jaar 513 gemeld is; om zyne uitmuntende geleerdheid, heeft +hy hooge bedieningen bekleed, als Professor der Rechten te Leuven; +Heer van den Grooten Raad te Mechelen, en in den Geheimen Raad te +Brussel, daar Viglius de voorzitplaats had; Heer van den Hoogen Raad +der Nederlandsche Zaaken in Spanje, en 's Konings Zegelbewaarder; +waar by hem de Koning tot Ridder van de Goude Spoor sloeg, te gelyk +en op een uur met Don Jan van Oostenryk. + +Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab Aita, +afkomstig van Swichum, by Leeuwarden; deze is mede om zyne uitsteekende +geleerdheid in groot aanzien geweest, als Professor in de Rechten te +Padua, in Italien, en na 't afslaan van veele eerampten, Ryksraad in +de Kamer te Spiers; wederom wierd hy Professor te Ingolstad, Heer in +den Grooten Raad te Mechelen, Praeses of Voorzitter in den Geheimen +Raad en Raad van Staaten te Brussel, Ridder van 't Gulde Vlies, enz. + +In dit jaar, den 7de van October, is te Groningen de Bisschop Johan +Cnyf, Minnebroeder, aan de pest overleden. + +Den 22ste van November ontstond te Groningen een groote onlust, +door dien de Staaten Generaal, het oog op deze stad hebbende, +eenen M. T. Stella herwaarts hadden gezonden, om de Magistraat en +het krygsvolk tot het aannemen der Pacificatie van Gent te beweegen; +als mede, dat zy 't met de Generaliteit zouden houden; waar voor zy +beloofden, alle de achterstallige schulden, van de soldaten, die zeer +groot waren, te zullen voldoen. + +De Gouverneur Robles, hier kennis van krygende, deed Stella aanstonts +apprehenderen en pynigen, om alzo zyn commissie uit hem gewaar te +worden: doch alles te vergeefs. Ondertusschen wist Stella door zyn +bequaamheden in 't geheim aan de soldaaten te kennen te geeven, +dat zo zy zich voor de Staaten wilden verklaren, zy van alle hunne +achterstallen ten vollen voldaan zouden worden. Hier op waren de +soldaaten aanstonds als vol vuur, namen ten eersten hunnen Gouverneur +Casper de Robles, benevens eenige Spaansche Kapiteinen, of die 't +met hun hielden, gevangen; loopende voorts naar de Waag, en haalden +de daar staande wippe omverre, en verbrandeze op de Markt, roepende: +Lang leeve de Prins! lang leeven de Staaten! Waar op zy aanstonds heen +liepen en maakten Stella los; bragten hem op de Markt, en deeden hem +in de naame der Staaten den eed van getrouwheid. Vervolgens zonden +zy Gecommitteerden met Stella naar Brussel; die aldaar de stad aan +de Staaten opdroegen, en een Gouverneur van hen verzogten: waar op +de Graaf van Rennenberg is afgezonden geworden, die aldaar in den +jare 1577, den 7de van January, met eenige heeren is aangekomen, +en betaalden de soldaaten hunne achterstallen ten vollen, dat +eenige tonnen gouds beliep. Waar op de Waalen den 13de van Maart +ter stad uittrokken; daar die van binnen zeer over verblyd waren, +om hunne gepleegden moetwille, daar ze nu van verlost wierden, dat ze +vreugdevuuren daar over aanstaken; waar door de St. Martens toren in +brand geraakte en zeer beschadigt wierd. Daar na kreeg Rennenberg +Delfzyl, en stelde daar een nieuwen Commandeur. Voorts deeden +de Groningers hem en de Generaliteit den eed van getrouwigheid; +doende daar na het kasteel, door den Hertog van Alva gebouwt, +wederom afbreeken. + +Op den eersten November deed de Gouverneur Rennenberg de Staaten van +Stad en Lande te Groningen vergaderen, alwaar de Ommelander Jonkers +en Hovelingen compareerden in groot getal, doch niet denkende, dat +er iets quaads met hen voor handen was. Maar, als zy vergadert waren, +voor Rennenberg zyn propositie nog had voorgesteld of gedaan, wierden +beide de leden oneens; het welke niet verdraagen wierd; waar door +de Heeren van de Ommelanden door de Heeren van de Stad zyn gevangen +genomen, tot 24 in getal, en in leelyke gevangkenissen geworpen: niet +tegenstaande het ontzach van hunnen Stadhouder, die daar tegenwoordig +was. Daar op wierd de sterkte van Delfzyl den 20ste van December van +hare vestingen berooft; waar afgevoert wierden 9 metaale en 7 yzere +stukken kanon, en 14 bassen. + +In den jaare 1578 zyn des Konings Raaden en Grietmannen in Friesland +afgezet, en andere Heeren voor hen in de plaats verkooren. Waarop de +Gereformeerden, die noch in 't heimelijk hunne oeffeningen deeden, +verzogten om in 't openbaar te moogen leeren en jaargeld te genieten, +om hunne Predikanten eerlyk te kunnen onderhouden: 't welk door den +Religions Vrede, tusschen den Aartshertog Matthias en den Prins van +Oranje, toegestaan zynde, zo bequamen die van Leeuwarden de Jacobiner +kerk tot hun gebruik; alwaar zij voor de tweedemaal de Roomsche +beelden afwierpen, en dezelve kerk tot de zuivere godsdienst inweiden. + +In dit zelve jaar dagten de Ommelanders zich te wreeken; deeden +derhalve in de maand February, onder den Heer Barthold Entes van +Menteda, 12 vendelen soldaaten werven: maar de Groningers zulks gewaar +wordende, vielen op hen uit, en verstrooidenze, waar van eenige wierden +doodgeslagen, de vlugtenden nagezet, en Barthold Entes gevangkelyk +van Koevorden mede naar Groningen gevoert; daar hy groot gevaar liep +van met de andere gevangene Ommelanders onthoofd te worden. Doch de +Aartshertog Matthias en de Staaten Generaal waren hunne voorspraaken, +om het different by te leggen. + +Den 28ste van Maart heeft het zeewater in Groningerland, Oostfriesland +en elders, groote schade gedaan, en veele menschen en beesten +verdronken. + +In den jare 1579, om redenen, dat de Spanjaarden in geenen deele de +articulen der Pacificatie van Gent na quamen, hebben de Staaten van +Nederland goedgevonden, een naauwer verbintenisse te maaken binnen +Utrecht, die men de nadere Unie van Utrecht noemt: waar in de zeven +vereenigde Provintien, als Gelderland, Sutfen, Holland, Zeeland, +Utrecht, Overyssel, Friesland, Groningen en Ommelanden, daar benevens +Lingen en Drenth, hun eerste verbond maakten, bestaande voornaamentlyk +in: 1. Dat deze Provintien een en gemeen zouden zyn, om nooit, onder +wat naam ook, te mogen gescheiden worden: blyvende ieder nochtans +by zyne eigene oude voorrechten. 2. Dat zy malkanderen, tegen alle +vyandelyk geweld, met goed en bloed zullen helpen verdeedigen. En +3. In de oeffeninge van Godsdienst de Pacificatie van Gent na te komen. + +In dit zelve jaar hebben de Heeren van de Ommelanden den Riligions +Vrede mede aangenomen, insgelyks de Graave van Rennenberg; maar +die van Groningen, uit haat tegen de Ommelanden, kantede zich hier +tegen. Waarom Rennenberg een Landdag te Visvliet deed uitschryven, +om alle questien aldaar tusschen de beide leden in der minne by te +leggen. Doch de Groningers, als strydende tegen hunne verbonden, +weigerden aldaar te compareren. Rennenberg deed derhalve zyn krygsmacht +ontbieden, om zich van Groningen nochmaals te verzekeren; doende de +stad voorts op den 22ste van May, aan de noordwestzyde, met omtrent +2000 mannen, doch tot weinig schade der stad, berennen. + +Den eersten van Juny begonnen de belegeraars met die van binnen +handgemeen te worden, neemende hun een groot getal beesten af. Daar +tegen bragten die van de stad 2300 boeren uit hunne jurisdictien +op de been: welke terstond met weinig krygsvolk op de vlugt wierden +gedreven, en daar boven nog met geld geeven gestraft. Den 6de dito +verstonden die van binnen, dat er buskruid in het leger ontbrak, deeden +derhalven met hun geweld van welgewapende boeren en eenig krygsvolk, +met het geschut voor aan, een uitval op de vyanden, hebbende by hen 600 +dienstmaagden, om het geschut te beschanssen. Dus in slagorde staande, +wierd er aan weêrskanten dapper gevogten; waar door veele sneuvelden, +en de partye genoodzaakt wierd te vlugten, welke tot aan de poorten, +niet zonder verlies van volk, wierden vervolgt. + +Daar na begonnen die van binnen naar vrede te luisteren, geevende +zich op den 10de van Juny aan de Staaten Generaal over: de Gouverneur +Rennenberg deed zyn publyke intrede op St. Jans Dag in de stad; +die aldaar de Magistraat veranderde, en dezelve met Staatsgezinden +bezettede; den Riligions Vrede verkondigde, en de Gereformeerden de +St. Walburgs en Minnebroeder kerk deed inruimen. Vervolgens heeft +Rennenberg de fortresse Koevorden wederom vastgemaakt: doch toonde +zeer kort daar na dat hy 't met de Staaten niet wel meende. + +Want in den jare 1580, den 3de van Maart, heeft de trouwlooze Graaf de +stad wederom aan den Koning van Spanje gebragt, na dat hy dezelve maar +9 maanden voor de Staaten Generaal als Gouverneur hadde geregeert. Hy +had zyn voorneemen zo geheim weeten houden, dat, schoon hy beschuldigt +wierd, van heimelyk correspondentie te houden met den Hertog van Parma, +hy nochtans den Burgemeester Hillebrands, zynde de voornaamste daar +die van de Gereformeerde religie zich op vertrouwden, des avonds, +voor dat hy de stad onder zyn geweld bragt, bedroog, terwyl deze hem +voorstelde alle de quade geruchten die er van hem gingen, en dat hy +niet hoopte dat de Graaf iets quaads met hen voor hadde. Waar op de +Graaf antwoorde: «ô Myn Vader! dien ik voor myn Vader houde! zou gy +zulk een quaad vermoeden van my hebben? Wees hierin maar gerust:" en +sloeg het hem dus uit den zin. Evenwel lag de Graaf op zyn luimen, +laatende geen tyd passeeren; want op den tweeden van Maart, des +avonds en des nachts, heeft hy met zyn geheele Hofgezin, en veele +Spaanschgezinde burgers, als mede eenige verborgene krygsknegten, +tegens den morgenstond, den 3de dito, hen gewapent. Zo dra als hy nu +kennisse had bekomen, dat de Gereformeerde wacht in den dageraat was +gaan slaapen, is hy met zyn volk, hebbende witte teekenen aan hunne +linker armen, uit zyn logiment naar de Markt gereden, gewapent zynde +van het hoofd tot de voeten, met de bloote sabel in de vuist, roepende: +Sta by, sta by, goede Burgers! heden ben ik eerst regt Stadhouder dezer +Landen. Op dit gerucht quam de Burgemeester Hillebrands, woonende +in de Heerestraat, haastig met eenige Gereformeerden voor den dag +springen, die direct op hem aanvielen: maar een van Rennenbergs knegts +schoot op hem los, dat hy dood ter aarde viel. Waarom de anderen de +vlugt namen. Eenigen wierden aanstonds gevangen genomen, en anderen +verweerden zich noch in hunne huizen; maar daar bleef niemand dood +als een perzoon. Voorts liepen en renden zij door de straaten, +schietende naar allen, die het hoofd ter vensteren uitstaken. Daar +na de stad doorzoekende, namen zy allen, die in der Spaanschgezinden +ongunst stonden, tot over de 200 voornaamste burgers gevangen; waar +van eenigen zeer qualyk wierden gehandelt; die evenwel naderhand door +verscheidene middelen meest los quamen. + +Op dien zelven dag, als Rennenberg de stad voor den Koning van Spanje +had hernomen, wierd dezelve wederom door Barthold Entes belegert, met +13 vendelen soldaaten en 2 vendelen ruiters. Die van de stad maakten +eenige beschansinge in de voorstad, gelegen op het Schuitendiep, +en noch twee molenbergen buiten de stad, waarmede zy hunne beesten, +die dagelyks in de weide gingen, beveiligden. Vervolgens zonden de +Staaten Generaal den Graaf van Hohenlo, en Graaf Lodewyk van Nassau, +met nog 16 vendelen naar 't beleg. + +Den 16de van May deeden de belegeraars eene attaque op 't +Schuitendiep, alwaar zeer hevig gevogten wierd, en Barthold Entes +zyn leeven verloor. Ondertusschen ontstond een gerugt in 't leger, +dat de Spanjaarden, onder 't bevel van Marten Schenk, afquamen om +Groningen te ontzetten. Hier op trok Hohenlo met eenige vendelen uit +de belegeringe naar Hardenberg, Schenk te gemoet; alwaar het gevegt +op den 16de van Juny, tot groote schade van den Graaf van Hohenlo, +wierd gehouden. Overzulks wierd Groningen door Graaf Lodewyk, na ruim +drie maanden belegert geweest te zyn, wederom verlaaten. + +Den 29 van July is Delfzyl door den Graaf van Rennenberg ingenomen; +ook Enematil; doch wierd kort daar na door Hohenlo wederom herwonnen; +ook joeg hy de Rennenbergschen uit de schans Weerdenbras, by de +Ponterbrug, en nam daarop Koevorden in. + +Den eersten September is Enematil door de Rennenbergschen wederom +ingenomen en geslegt. + +Den 4de dito wierd Hohenlo's volk by de Bourtange door de +Rennenbergschen geslagen. + +Den 6de dito zyn de Rennenbergschen, door de Friesen uit Dokkum +en Kollum, in 't klooster Aduard verrast en verslagen; waar op het +klooster, uit vreeze van wederom overvallen te worden, is in brand +gestoken; waar in de Rennenbergschen wel 300 mannen verlooren. + +Den 20ste dito won Rennenberg Koevorden; onder voorwaarde, dat de +bezettinge, uit 200 mannen bestaande, met zydgeweer zouden mogen +uittrekken. + +In dit zelve jaar, als de Stadhouder Rennenberg door ontrouw van de +Staaten en Prins van Oranje was overgegaan tot den Koning van Spanje +[95], en die van Leeuwarden door het blokhuis, dat noch vast was, +en by hem bezet bleef, meende te dwingen, gelyk hy Groningen reeds +al in zyne macht hadde; zo hebben de burgers, dit bemerkende, het +zelve manmoedig ingenomen, en de wallen en sterktens geslegt: ook +namen de Staaten de blokhuizen van Harlingen en Staveren mede in +hunne macht, en roeiden uit de kerken der Paapen alle de beelden; +en de kloosterinkomsten wierden allen geschikt tot onderhoud der +Predikanten en schoolen. + +De Geestelyken dus uitgeroeit zynde, verkreegen die van Oostergo +de eerste stem in hunne plaats; en de steden de vierde stem in +landszaaken. Koevorden wierd vaster beschanst; en Harlingen met +nieuwe wallen en gragten versterkt. En wegens de ongetrouwigheid +van Rennenberg, zogten de Staaten zich van eenen anderen Stadhouder +te voorzien. + + + + + +VII. STADHOUDERS DER STAATEN. + + +1. Willem, Prins van Oranje, Graave van Nassau, enz., wierd van de +Staaten van Friesland, om het Stadhouderschap van deze Provintie +mede waar te neemen, begroet. Doch, om de moeijelykheden, daar de +andere Provintien in stonden, gaf het hem ongelegentheid, om overal +zelve te gaan; derhalven zond hy Merode, Heer van Rummen, om van +zynent wegen het Stadhoudersampt als Luitenant te bedienen. Hier na +belegerde Rennenberg Steenwyk; neemt de Kuinder en Slooten in; trekt +naar Staveren, daar hy 't kasteel weder opbouwt; werpt te Makkum +weder een nieuwe schans op, en stroopt langs de zeekust tot aan de +Harlinger Poort. Waar door Friesland weder in 't uiterste gevaar quam +om overwonnen te worden. Doch daarentegen ontzette de Overste Norrits +Zwartsluis, 't kasteel van Hattem en Steenwyk; waardoor Rennenbergs +loop ten eenemaal gestuit wierd, en al het voorgemelde weder by de +Staaten herwonnen. + +De onzen verlooren ook een veldslag by Winsum, in Groningerland, +dat Friesland in eene groote benaauwdheid bragt: maar als de Overste +Norrits den vyand by Visvliet geslagen, en tot aan de poorten van +Groningen verjaagt hadde, veranderde het zelve in vreugde. Even hier +na wierd het bolwerk en wallen om Dokkum gemaakt. + +In den jaare 1581, in May, quamen de Rennenbergschen uit Aduard, om +een schans op het Reidiep te maaken, om alzo den Heer van Nienoort +uit zee af te snijden: doch hy wierd zulks tydig gewaar, en voorquam +niet alleen hunne aanslag, maar bragt hen zelve in hinderlaag; waar +door veelen der vyanden wierden verslagen. + +Daar na is Aduard door den Heer van Nienoort belegert; brengende +grof geschut daar voor, om het klooster daar mede daadelijk te +beschieten. Maar de Rennenbergschen van alom hunne macht byeen +rukkende, trokken by Groningen over het Reidiep, om de belegerden te +ontzetten. Nienoort was zulks wel verwittigt, maar door meerderheid +van stemmen geresolveert de vyanden af te wagten: dewelke van achter +het klooster straks quamen toeschieten: waar door de Nienoortschen de +vlugt namen, achterlaatende verscheidene Officieren voor gevangenen, en +eenige dooden aan hunne bespringers. Voorts trokken de Rennenbergschen +op Aduarder-Zyl, en deeden het plaatsje aanstonds, doch vrugteloos, +bestormen: maar met kanon daar voor komende, en een goede bresse +geschoten zynde, quamen zy met de derde storm daar binnen; slaande +doe alles dood wat 'er in was; waar onder Schelto Jarges, een zeer +geleerd en dapper Kapitein. + +Den 9de van July sloeg Norrits de Rennenbergschen by Grypskerk, en +vervolgden hen tot aan Groningen, waar van 700 mannen door de kling +gejaagt, en veelen gevangen wierden genomen; vier stukken kanon, +alle de bagagie, en veele paarden wierden tot buit gemaakt; zynde +des overwinnaars verlies daar tegen zeer gering. + +Den 23ste dito is in Groningen overleden die trouwelooze Graaf van +Rennenberg, Stadhouder van Groningen, enz.; zynde door eene knaaginge +zyner confidentie geheel uitgeteert van mismoedigheid en berouw, +om dat hy de Staaten Generaal zo ontrouw had behandelt; wordende +begraven in St. Martens Kerk, in 't choor. Hy had in zynen laatsten +levenstyd zyne zuster verstooten, die hem tot dezen afval vervoert +had. Daar na is Francois de Verdugo wegens den Prins van Parma, +als Stadhouder van Groningen, in des overleedens plaatze gestelt. + +De algemeene Staaten van gevoelen zynde, dat door deze geduurige +vyandelykheden, de Koning van Spanje meer een openbaare vyand, als een +beschermend Overheer was; hebben daarom geresolveert, hem van alle zyne +voogdye af te zetten, en zyne gehoorzaamheid ten eenemaal afgezwooren: +waar toe de Staaten van de andere Provintien, en Friesland mede, in +dit zelve hebben bewilligt. Waarop des Konings wapenen alomme wierden +afgebroken, uitgestreeken en vernietigt, de zegelen plat geklopt, +en die der Staaten in deszelfs plaats gestelt. + +Rennenberg overleden zynde, heeft de Koning, die de landen daarom +noch niet verlooren gaf, eenen Francois Verdugo, Heer van Schenge, +tot Stadhouder gezonden; die met 1500 Waalen te Groningen komende, +de Friesen zeer verslagen maakte. + +Aanstonds nam Verdugo Reide in. En kort daarna raakte hy in een gevegt +tegen het Staaten volk, onder Norrits, by Noorthorn, dat hy deerlyk +sloeg: alwaar omtrent de helft zo Grooten als gemeenen sneuvelde, +en een groot gedeelte gevangen wierd genomen. + +Des de landlieden, in de wapenen gebragt zynde, hebben in 't dorp +Oudeboorn een schans opgeworpen; welke van Verdugo aangevallen, +maar afgeslagen is: waar op hy, na eenige plonderingen, uit het land +weder vertrok. + +In den jaare 1582 heeft de Stad Groningen van den Koning van Spanje +een bulle bekomen, omtrent het Stapelrecht. + +In den jaare 1583 heeft een Spaansch Overste, Taxis genaamt, Steenwyk +door list ingenomen: en in Friesland vallende, de schans te Oudeboorn +en Rotserschans ingenomen; en alomme het land door stroopingen en +plonderingen geplaagt. + +In het zelve jaar in September is Oterdum door de Heeren van Nienoort +en Azinga Entes verovert; jaagende de Spaanschen bezettinge daar uit, +en deeden het plaatsje daar op versterken; waar mede zy veele dorpen +daar omtrent tot contributie dwongen. Overzulks is Oterdum door de +Spaanschen in de maand December wederom belegert: maar die van binnen +dapper tegenstand biedende, is het beleg, wederom opgebroken. + +Omtrent dezen tyd overleed binnen deze sterkte de Heer van Nienoort, +na eene langduurige ziekte, en wierd aldaar begraven; zynde een +Edelman geweest, die naar zyn vermogen, groote diensten aan het +Vaderland had gedaan. + +In den jaare 1584 heeft de Prins van Oranje den Graave van +Merode uit Friesland opontboden, en Graaf Willem van Nassau tot +Luitenant-Stadhouder in zyn plaats aangestelt. En, vermits de +dagelyksche overvallen der vyanden, hebben de Staaten de schans in +de Lemmer doen vast maaken. + +In dit zelve jaar, den 10de van July, wierd tot groote droefheid van +den lande, binnen Delft, de Prins van Oranje, door een boosaardigen +Franschman met een pistool doorschooten; zynde door de Spanjaarden +daar toe verraadelyk omgekogt [96]. + +2. Willem Lodewyk, Graave van Nassau, enz. wierd in deszelfs plaats +van Luitenant-Stadhouder, door de Staaten van Friesland tot tweeden +Stadhouder, na de afzweeringe van den Spanjaart, verkooren. + +Verdugo, de schans Oterdum op den 18de van September wederom belegert +hebbende, liet dezelve aanstonds met twee stukken kanon beschieten: +doch die van binnen, benevens de schepen die op de Eems lagen, +bleven hun niet schuldig; waar door veelen van de belegeraars gedood +en gequetst wierden. Daar na, in de maand December, wierd de schans +gesecoureert door allerlei nooddruft, alhoewel de belegering noch +zyn gang ging; doch met weinig voordeel. Maar op Lichtmissenacht in +het volgende jaar, zyn de schansen van Verdugo voor Oterdum, door +een geweldigen storm en watervloed weggespoelt; waar door veelen der +belegeraars verdronken; zo dat Verdugo zich genootzaakt vond het beleg +op te breken. Oterdum had weinig door 't water geleden, en wierd ten +eersten herstelt met vier bolwerken, schoone gragten, en een haven, +waar in omtrent 30 schepen te gelyk konden leggen, gemaakt. + +Den laatsten February deed Verdugo een vrugteloozen inval in +Friesland. Maar de Westfriesen deeden insgelyks in Groningerland een +inval van meer nadeel; verbrandende in de Marnkant, van Vierhuizen +tot aan Baflo, meest alle de huizen af, om datze geen contributie +wilden opbrengen. + +Omtrent dezen tyd, had Roelof Ketel een aanslag op Groningen, om deze +plaats aan der Staaten zyde te brengen. Hy begaf zich derhalve met +15 mannen daar binnen, verlaatende hem alleen op de slappigheid der +wacht aan de poorten. Daar by was Graaf Willem van Nassau met 1500 +mannen in 't Drenth, om hem, zo de aanslag gelukte, by te springen: +doch de zaak wierd ontdekt, en Roelof Ketel by den kop gevat zynde, +wierd het hoofd afgeslagen en gevierendeelt. + +Insgelijks heeft Kapitein Schaay, leggende te Niezyl in bezettinge, +een aanslag op Groningen gehad; zynde in een tyd dat de stad gebrek +aan levensmiddelen had: maar dezelve voorts geproviandeert wordende, +mislukte de aanslag. + +In den jaare 1585 hebben de Staaten de bestieringe der landen +opgedragen aan Hendrik den derde, Koning van Vrankryk; maar die hen, +om zyne eigene inlandsche oorlog, alwaar hy zelve zeer mede belemmert +was, moeste afwyzen. Waar op hy Elisabeth, Koninginne van Engeland, +tot bescherminge liet verzoeken: doch die Majesteit weigerde mede +de volle heerschappye. Doch hier na, Prins Maurits in zyns vaders +plaatze en bedieningen gestelt zynde, is van gemelde Koninginne +de Graave van Leicester, als Overste van haare hulpbenden, naar de +Nederlanden gezonden; die de Staaten naderhand tot Stadhouder der +Nederlanden hebben aangenomen. + +Na dat de kloosterinkomsten, als wy boven reeds gemeld hebben, tot +onderhoud van predikanten en schoolmeesters bestelt waren, heeft het +de Staaten des Lands ook goed gedagt, uit de zelve ook een schoole +van geleerdheid of Academie op te regten, en dezelve met bequaame +leermeesters of professoren, en dat 'er verders toebehoort, mildelyk +te voorzien; dezelve plaatzende binnen de Stad Franeker. + +In den jaare 1586 hebben de Spanjaards, over 't ys komende, alzo +het zeer sterk gevrooren hadde, een uitval gedaan, trekkende met +2500 voetknegten en 400 ruiters de Wouden in, door Lemsterland, +en vernachtende omtrent Workum en Hindeloopen; van waar zy voorby +Bolswert, over Marnzyl, door Schettens en Witmarsum, te Tjum zich +nederzettende, quamen ten derden dage te Spannum en Winsum, welke +dorpen zy beide in brand staken: en als zy veel gevlugt volk op de +Winsumer toren gewaar wierden, zo stookten zy een zeer smookend vuur +van onderen aan dezelve, om gemelde vlugtelingen te doen verstikken: +waar door eene zwangere vrouw, gevoelende haare kleederen en +hoofdhairen gezengt, uit de klokgaten sprong; en gevallen zynde, +noch door een Spanjaard op de naakte borst getrapt, en zeer gewond +geworden, waar door zy haare zinnen verloor: doch na twee maanden +quam zy weder tot haare voorige kennis en verstand. En eene andere, +met twee kinderen in haare armen, sprong uit het hoofd van den toren, +en bragt het eene kind noch leevendig te Franeker. De onze in aller +yl met 1000 voetknegten en een Cornet paarden daar na toe trekkende, +vonden zich niet in staat om de vyanden te keer te gaan: des zy van +Oosterlittens naar Boxum afweeken, op hoop van eenige hulp, om zich dan +voordeeliger te kunnen te weêr stellen: maar de vyanden, hen spoedig +nazettende, beletten dit, overvielenze, en een bloedige slag wierd +getroffen, daar wederzyds veel volk sneuvelde; doch de onzen moesten +eindelyk de vlugt neemen, zo naar Leeuwarden, als andere plaatzen; +en een gedeelte wierd in de kerk bezet, en gevangen genomen. Van deze +slag is zulken indruk in de gemoederen der menschen gebleven, dat 'er +in Friesland niets bekender is, als deze Boxumer Slag, voorgevallen +op den 17 January. + +In dit zelve jaar, ondernam Graaf Willem van Nassau een aanslag op +Groningen: doch dezelve wierd door een zeer hoogen springvloed ontdekt +en verydelt. + +In den jaare 1587, in September, had Graaf Willem van Nassau nochmaals +eene vergeefsche aanslag op Groningen. + +Den 17de van December is een zwaare inbreuk van 't zoute water in de +Ommelanden geweest, waar door alle hooge landen onder liepen, wezende +het water byna zo hoog, als de Allerheiligen Vloed van den jaare 1570, +maar deed zoo eene groote schade niet. + +In den jaare 1589, in 't begin van den zomer, had de Gouverneur Graaf +Willem eene vergeefsche aanslag op Delfzyl; doch besprong Reide, en +maakte daar een beschanst Eiland van: ook won hy de schans Eemetille; +en kort daar na Swaagsterzyl en Soltkamp; zynde een schans in de mond +van 't Reidiep, en dat stormenderhand, voor 't gezigte van Verdugo, +slaande 80 mannen dood, en nam veele gevangenen mede. + +Daar na nam Verdugo Eemetille weder in; zond twee booswichten in 't +leger by Kollum, om Graaf Willem te vermoorden: maar dezelve ontdekt +zynde, wierden gevangen genomen en onthoofd. + +In den jaare 1590, in Maart, hebben eenige burgers en inwoonders van +Groningen hunne stad en Staat onder de bescherminge van de Koninginne +van Engeland gepresenteert: doch wierd hun geweigert. Waar op Verdugo, +meer volk van den Hertog van Parma ontfangen hebbende, de schans +Enematil besprong; trekkende van daar op Nieuwezyl. Ondertusschen +quam Graaf Willem, Gouverneur van Friesland, afzakken, en legerde te +Kollum; en alhoewel de legers ruim een uur maar van malkander lagen, +viel er echter weêrzyds niets aanmerkelyks voor. + +In den jaare 1591, den tweeden van July, won Prins Maurits Delfzyl; +waar in gevonden wierd 5 metaale stukken kanon, en 6 yzere +gotelingen. Daar na deeden die van Friesland deze schans grooter +en sterker bouwen; zelfs poogden zy daar van eene stad te maaken, +en dezelve met groote Privilegien te begiftigen: om alzo de burgery +van Groningen daar te trekken. Doch op hoope van Groningen ook te +krygen, is zulks achter gebleven. Van hier trok het leger na de Opslag +van Enematil, leggende op een water, genaamt Nieuwezyl, en dwong de +bezettinge door geweld zich over te geeven, en met witte stokjes in +hunne handen uit te trekken, sterk zynde 150 mannen. Voorts vertrok +de Graaf naar Enematil, en beschoot de schans met 12 stukken kanon, +tot dat de bezettinge zich op den 11de van July overgaven; als ook +een weinig hier na de schans te Lettelbert. + +In den jaare 1592, in Augusty, heeft Prins Maurits de sterke vesting +Koeverden belegert. Graaf Fredrik van den Berg had het bevel daar +binnen, hebbende voor des Prinsen komste alle de huizen buiten de +vesting in brand doen steeken. + +De belegeraars naderden hem met alle vlyt aan de loopgraaven, +en benamen hun de sluizen; waar door zy het water uit de gragten +leiden. Hier op begon het schieten aan weêrskanten dapper aan te +gaan, wordende aan weêrszyden verscheidene mynen onder de wallen +gegraven, die wel haast ter neêr of invielen. Den 7de van September, +quam Verdugo met zyn krygsmacht voor den dag springen, hebbende alle +witte hemden over hunne harnassen, om de belegerden te ontzetten. Hier +op maakte Prins Maurits zich gereed, telde zyn volk in slagorder, met +'t grof geschut vooraan, en ontfong der vyanden macht zo onbeleefd, +dat door 't losbranden van 't kanon, een meenigte van hen over hoop +en in 't moeras raakte. Daar bleven in 't geheel 300 mannen dood, +behalven de gequetsten: en van 's Prinsen zyde bleven er maar 3 +mannen dood en 6 gequetsten, uitgenomen Graaf Willem van Nassau, die +een schot, doch zonder gevaar, door 't dunne van zyn lyf kreeg. Daar +na hebben die van Koeverden zich den 12de van September aan Prins +Maurits overgegeven; mits met hunne vendelen, wapenen en brandende +lonten uit te mogen trekken, behalven de Artillery en amunitie; daar +wierden in gevonden 9 stukken kanon. Voorts is hier tot Gouverneur +gestelt de Heer van Nienoort. + +In den jaare 1593, den 8ste van April, heeft Graaf Willem de +Bellingewolderzyl beginnen te versterken, om alzo het fort de Bourtange +te benaauwen. Hier tegen quam Verdugo met zyn leger by Vlagtwedde, +in 't geheel sterk zynde 2500 mannen, doch derfde niets uitvoeren +tegen dat vast maken. + +Den 29ste van Augusty nam Graaf Willem Wedde in; als mede de vaste +pas Bourtange; 't welk aanstonts sterker wierd gemaakt, eer Verdugo +daar by kon de komen. + +Daar na heeft Verdugo de sterke schans van Aduarderzyl; na den derden +storm, met geweld ingenomen, slaande de geheele bezettinge dood. Van +daar trok hy naar Wedde; dat hy ook in nam, en sloeg van de 117 mannen, +die daar op waren, 50 dood. Voorts legerde hy zich voor de Bourtange; +zynde dit fort tegenwoordig tamelyk sterk, en alzo dat 'er geen geschut +voor gebragt konde worden; de wallen waren redelyk hoog, en de gragten +wel voorzien van water. Vyf vendelen soldaaten, onder den Gouverneur +de Jonge, lagen daar in bezettinge. Ondertusschen wierd Verdugo van +andere gedagten; brak de belegeringe op, en trachte Graaf Willem +aan te tasten; doch te vergeefs; hoewel er eenige schermutzelingen +wierden gehouden, waar door veel volk is gebleven. Daar op trok +Graaf Willem naar de Bourtange, neemende Wedde wederom in: en Verdugo +naar Koeverden, beschanste daar de passagie; maar zyn volk is door +ongemakken voor 't grootste gedeelte verstorven of verloopen. + +In den jaare 1594, den 12de van February, des nachts, hadden de +Groningers een aanslag op Delfzyl: doch die van binnen hen tydig +gewaar wordende, is 'er aan weêrskanten wel twee uuren lang scherp +gevogten. Tot geluk van het Fort, was 'er een oorlogschip, daar omtrent +leggende, dat wat nader aanquam, en de Groningers met 16 stukken kanon +dwars onder hun hoop sterk beschoot, dat zy met groote schade moesten +aftrekken, sleepende wel 35 sleden met dooden en gequetsten met zich +naar de stad, en noch 7 dooden, dieze lieten leggen. Die van binnen +verlooren een Kapitein, een Vendrig, een Sergeant, en 9 Gemeenen. + +Den 6de van May, quam Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau met hun +leger by Koeverden: welke aankomst van Verdugo bezigtigt zynde, hem +deed resolveeren zyne beschansinge by nacht op te ruimen. Overzulks +trok de Prins met zyn krygsbende direct naar Groningen; doende +de stad op den 20 dito berennen, en aanstonds opeischen. Doch +kreeg tot antwoord: Dat dit geen stad was, die zich zo haast konde +overgeven. Prins Maurits liet derhalven al zyn oorlogstuig aan land +zetten, en het kanon voor de stad planten. Onderwylen heeft Graaf +Willem op den laatsten van May de sterke schans Aduarderzyl aangetast, +hebbende over de 135 mannen tot bezettinge, en tot Commandant eenen +Kapitein Prenger, die aan Graaf Willem ten antwoord gaf, als hy de +schans opeischte: Dat hy het met hem zoude wagen, als met een meisje +van 15 jaaren. Maar dit geviel hem niet wel; want de vesting wierd +kort daar na zo gruwelyk sterk beschooten, datze dezelve met 'er +haast beklommen en inkreegen; doe wierd alles aan stukken geslagen wat +'er in was, uitgenomen 8 a 9 perzoonen, die 't ontquamen. + +Ondertusschen had Prins Maurits eenige andere schansen ingenomen, +als Slogteren, Hogerbrugge, enz., waar door de leevensmiddelen in +'t leger zeer goedkoop wierden. + +De Stad Groningen was zeer wel voorzien van een wel in de wapenen +geoeffende burgerye; en geeft ander guarnisoen binnen hebbende, +dan de slegtste burgerye en inwoonders, dewelke al voor langen tyd, +als soldaaten onder vendelen geoeffent, in plaats van bezetting, +van den Koning wierden betaalt: behalven deze, hadden zy krygsvolk +van Verdugo altoos onder haar gebied; en hadden nu onder het beleg 5 +goede oude vendelen daar van, onder den Overste Luitenant Laukema, +buiten de stad, op een gesterkte plaats aan 't Schuitendiep. Van +krygstuig, voorraad enz., wasze alles wel voorzien. Die van de +stad wenden vervolgens alles aan wat hun dacht dat den vyand zoude +krenken. Waarom de Prins zyn begravinge van verre moest neemen, en +aldaar zyne batteryen opwerpen, mits digt onder de stad de belegerden +tegen-batteryen maakten; hebbende 400 groote tonnen met buskruit en +geschut meer, als andere steden. De Groningers deeden verscheidene +uitvallen, waar mede zy meenig braaf Kapitein en soldaat versloegen, +en zelfs eenige vendels binnen bragten: weshalven de loopgraaven +versterkt moesten worden. De belegeraars deeden alle afbreuk met +hun geschut dieze doen konden; doch vorderden nochtans weinig, +tot dat zy een poort met een brug, die na een rondeel liep, omverre +hadden geschooten, eenige bolwerken ondergraven, en eenige gragten +aldaar vulden, alles onder de bescherminge van 't geschut: dis deed +de trouwe burgery gedwee worden, en begon naar verdrag uit te zien; +overzulks zy Jan te Boer met brieven aan Prins Maurits en Graaf Willem +uitzonden, om verdrag: wordende daarop weêrszyds gyselaars gegeven, +en hielden op van schieten. Maar de burgemeester Jarges, zynde een hard +Konings-gezinde, rukte een party voerlieden en schuitevoerders byeen, +en stonden op tegen die geene, die van verdrag hadden gesproken. Hier +na kregen de belegeraars een te smadelyk antwoord, te weeten, dat +de belegerden besloten hadden, noch een tyd lang hun ontzet af te +wagten. Hier op trad Maurits met Willem in de loopgraven, om een +plaats tot een nieuwe batterye af te zien; ondertusschen komt een +kogel zo sterk tegen de rondas, die Maurits voorgehouden wierd, +dat hy achterover viel, doch zonder hem te quetzen. + +Den tweeden van July waren de belegeraars over de gragt, en wel 30 +voeten onder het rondeel gekomen, daar de heele stad haar winst of +verlies aan hing. Drie dagen daar aan was de myn 30 voeten diep, +en opgepropt met 5 a 6000 ponden buskruit, dat den 10de dito, des +avonds, na het gegevene teeken, in brand wierd gestoken; waar door een +groot gedeelte aarde, en alles wat 'er op was, in de lucht sprong, +met wel 140 menschen; waar van twee in 't leger vielen, en de een +noch leevendig: hier op vielen drie vendelen Schotten los, die straks +meester van het rondeel waren, en alles, wat noch leevendig bevonden +wierd, doodsloegen, blyvende daar in 't geheel wel 200 dood. Daar +boven sneuvelden 30 Schotten, behalven noch twee Kapiteins. Dit +bragt onder de gezamentlyke soldaaten, en onder de allerhartigste +burgerye zulk een schrik, bevreest zynde voor meer ondergravingen, +datzy op verdrag dagten. Over zulks zonden zy Gecommitteerden uit, +zo wegens de Geestelyke, Magistraat en Ambagten der stad, als ook +wegens den Overste Luitenant Laukema; en op Ostagiers handelende van +den 16de tot den 22ste van July, met Prins Maurits en Graaf Willem +van Nassau, zyn daar op met advis van den Raad van Staaten eindelyk +overeen gekomen. Dus is Groningen en de Ommelanden op den 24ste van +July onder Maurits gebied gebragt, na dat 'er wel 10000 schooten op +waren gedaan, en 400 mannen voor zyn gebleven: waar tegen de belegerden +ook 300 soldaaten en veele burgers hebben verloren. In de stad wierden +gevonden 36 metaale stukken kanon, behalven de yzeren, en wierd daar +over Graaf Willem van Nassau tot Stadhouder gestelt. Prins Maurits +en Graaf Willem daar binnen komende, wierden verwellekomt door den +klokspeelder, speelende de wys van den 6den Psalm. Daar na wierd +de Magistraat verandert, wordende daar tot eerste Burgemeesters +aangestelt, Mello Conders, Joachim Alting, Harmen Koning en Egbert +Alberda. Voorts wierd de St. Martens Kerk van hare beelden gezuivert, +en de eerste predikatie van de Gereformeerden daar in gedaan: doende +de Magistraat en Burgerye daar na den eed van getrouwigheid aan Graaf +Willem, hunnen Stadhouder en aan de Staaten Generaal. + +In 't zelve jaar is de Aartshertog Ernestus, van 's Konings wegen, +in Nederland tot Stadhouder gezonden. + +In den jaare 1596 is uit last van de algemeene Staaten en den Prins +van Oranje, het Collegie der Admiraliteit te Dokkum ingestelt; om +alzo bequaamelyk over het werven der oorlogschepen van Friesland alle +zaaken te kunnen beraamen. + +In het zelve jaar, den 24ste van Augusty, is Graaf Willem van Nassau, +Stadhouder van Groningen, mede tot Gouverneur over het Landschap +Drenth aangestelt. + +In dit jaar is de Cardinaal Albertus, Aartshertog van Oostenryk, tot +Stadhouder des Konings, in Nederland gekomen; die naderhand huuwde +met Isabelle, Dochter des Konings; en deze landen wierden hem tot +een huwelyks goed toegezegt. + +Omtrent dezen tyd was 'er eene Friesche dochter, Margarita genaamt, +zynde een jong vrouwsperzoon, of moedige Amazoone, en lang van persoon; +deze heeft, in manskleederen, de Heeren Staaten zo binnen Oostende +als elders zeven jaaren gedient, buiten kennisse haarer ouders, in +alle eerbaarheid, eerst een spies gedraagen, en daar na een musquet +gevoert, met een witte veder op de hoed, als een kloek en onvertzaagt +krygsgezel, ja onder de Adelborsten gerekent, en zelve veele schansen +om Groningen en Steenwyk helpen inneemen. Ten laatsten bekent geworden +by haar medegezel, als zy een schoon hemd aandeed, hebbende groote +borsten en rond opgewasschen, meer dan andere welgevleesde jongmans: +op zyn vraage, heeft ze hem beleden, een vrouwsperzoon te zyn, dat +hy verwonderende aanhoorde; is daar op met eere verlieft geworden, en +in 't leger voor Koeverden met haar getrouwt. Zy waren noch woonende +binnen Groningen in den jaare 1602, en veele jaaren daar na, een winkel +doende van vette waaren, in alle stilheid en eerbaarheid huishoudende, +en t'zamen geneerende. Deze Amazoone heeft ook een lied gedicht, de +jonge Dochters tot liefde des krygs, om 't Vaderland te beschermen, +na haar voorbeeld vermaanende. Zie E. v. Meteren [97]. + +In den jaare 1597 verzogten die van Groningen aan de Staaten van +Friesland, om Drenth en Twenth geheel vry te maaken, en den vyand +van daar te vernestelen: welk verzoek uit last van de algemeene +Staaten, door hulp van den Prins van Oranje, wierd vastgestelt: en +alle sterktens en schansen, door de vyanden aldaar bezet, wierden +overwonnen, namentlyk, Grol, Ootmarsen, Oldenzeel, Lingen, enz. + +In dit zelve jaar, den eersten van Juny, is de Overste Sonoy, gewezen +Gouverneur van Noordholland, op Dyxterhuis, een Heerlykheid in de +Ommelanden, overleden; wordende deszelfs ligchaam tot Peterbuuren in +de kerk, in tegenwoordigheid van zyn Genade Graaf Willem van Nassau, +Stadhouder van Groningen, begraven. + +Den 18de van Augusty was 'er een zwaare watervloed in deze landen, +waar door de Delfzylen en anderen uitbarsten, en veele menschen en +beesten verdronken. + +Den 8ste van December is Graaf Willem door de Groningers met groote +toejuichinge ingehaalt. + +In den jaare 1599 is te Groningen door de Heeren Burgermeesteren en +Raad het Burger-Weeshuis opgericht. + +In den jaare 1600 is te Groningen. omtrent de Heere Poort, wederom +een kasteel gebouwt; zijnde ten zuidoosten van de stad, omtrent ter +plaatze daar weleer de kasteelen van Graaf Edzard van Oostfriesland, +en van den Hertog van Alva hadden geweest: welk kasteel over de +400000 guldens quam te kosten. Ook wierd de burgerye ontwapent, +en Jonker Casper van Ewsum met 800 mannen op gemeld kasteel gelegt. + +In dit zelve jaar ontstond 'er groote oneenigheid tusschen de Heeren +van den Lande en Steden, over het stuk van de gemeene lasten en +bezwaaringen te draagen: doch wierd door Gemachtigden van de algemeene +Staaten en den Stadhouder weder bygeleit. + +In den jaare 1605, den 10de van Augusty, zyn te Groningen door +de Heeren Burgemeesteren en Raad, in plaats van vier Kapiteinen +der burgerye, hier Hopmans genaamt, acht aangestelt; en doende de +Kapiteinen de nominatie van de Vendrigs, die door den Raad wierden +geëligeert op den zelfden dito. + +Den 23ste van Augusty quam de Stadhouder Graaf Willem van Nassau +met 18 vendelen, voetvolk en 6 compagnien ruiters binnen Groningen; +waar door de stad van het haar gedreigde quaad bevryd wierd. Ook gaf +men de burgerye hun geweer weder. Prins Maurits verzond ook eenige +troupen ter versterkinge van Koeverden en de Bourtange; zijnde deze +plaatzen alle met groote verbaastheid aangedaan, wegens de veroveringe +van Lingen en Oldenzeel, door de Spaanschen, onder het commando van +den Marquis de Spinola. + +Ambrosius Spinola met zijn macht in Twenth zijnde, om op Friesland een +kans te waagen, en welk land de Koning van Spanje hem reeds ten erve +had geschonken; doch, God zij gedankt, hem nooit heeft kunnen leveren, +moest zich vergenoegen met Lingen en Oldenzeel, en dat Friesland in +groote benaauwtheid bragt. Maar Graaf Willem hield binnen Koeverden +een oog in 't zeil, zo dat Spinola die plaats niet derfde aantasten, +en vertrok druipstaartende weder naar Vlaanderen, ook eenigzints door +de natte zomer verhindert. + +In dit zelve jaar, in Maart, wierd met den Spanjaard een bestand van +acht maanden geslooten. + +In den jaare 1608 was 't zo een harden winter, dat men van de Friesche +kusten naar de vooreilanden, als Ameland, Ter Schelling, en ook naar +Grind niet alleen, maar zelf naar de Hollandsche kusten van Harlingen +af met paard en slede konde overjaagen. Gelyk een Ariën Wierds, +den 9de van February uit de Haven rydende, voor 't poortsluiten te +Amsterdam binnen quam. Ook drilde voor de Harlinger haven op het ys +een compagnie soldaaten. + +In dit zelve jaar zyn de nieuwe fortificatiewerken van de Groningers +begonnen, wordende de stad aan de zuidkant daar door vergroot; ook +is een gedeelte van het Groninger kasteel, tegens de burgers aldaar +gebouwt, wederom afgebroken. + +In den jaare 1609, den 9den van April, is te Antwerpen het twaalfjaarig +bestand geslooten, tusschen den Koning van Spanje en de Staaten +Generaal der vereenigde Nederlanden; zynde wegens de Provintie +van Groningen aldaar gecommitteert Abel Conders, Burgermeester te +Groningen, wordende het zelve op den 18de dito in 's Hage gepubliceert. + +In den jaare 1610, op Nieuwejaarsdag, hebben de burgers van Leeuwarden, +na dat zy eenigen tyd met de Burgermeesteren oneens waren geworden, +de deur van 't Raadhuis met een mast open geloopen, verbreekende de +glazen, vensteren en alles wat hun voor quam. + +Een Jan Cornelisz. Femmes, bestond in dit jaar een reukelooze daad, +spruitende uit een wedspel, waar in hy aannam, om een rond jaar te +willen woonen op het Kamper Zand (dat een droogte is, gelegen tusschen +Ter Schelling en Ameland, loopende met alle etmaalse vloeden onder +water). Op voorwaarde gaf hy aan zyn medewedder paarden, wagen, +ploegen, en andere huismans gereetschappen; zullende hy, by aldien +hy zyn voorneemen een rond jaar uitvoerde, een groote zomme geld in +tegendeel genieten. Hier op bouwde Jan den 2de van Juny aldaar op +eenige roeden of stutten een huisje; en om het zelve by springvloeden +of hooge watertyden om hoog te heffen, gebruikte hy een tistel of +vyzel, waar door hy het om hoog kon opvyzelen, of doen zakken: en dus +hielde hy 't het bestemde jaar volkomen uit; zynde eene ongehoorde +zaak. [98] + +In den jaare 1611, den 25ste van January, heeft Graaf Enno van +Oostfriesland de sterke vesting Lieroort aan haar Hoog Mogende de +Heeren Staaten Generaal overgegeven. + +In den jaare 1612, en 't volgende jaar, is de stad Groningen rondom +vergroot, doch meest naar 't noorden, en is doe vervolgens met zeven +schoone groote poorten voorzien, benevens noch een kleen poortje +bezyden het Schuitendiep; hebbende een zeer breede en hooge wal, +met 17 dwingers of bastions en een diepe besloten gragt. + +In den jaare 1614 is de Academie te Groningen opgericht, onder het +Stadhouderschap van Graaf Willem Lodewyk van Nassau. De inwydinge +geschiede op den 23ste van Augusty. De eerste Professoren zyn +geweest Ubbo Emmius, Professor in de Historiën en Grieksche Taal, +als eerste Rector Magnificus. Herman Ravensberg, Professor in de +Godgeleerdheid. Cornelius Pynaker, Professor in de Rechten. Nicolaas +Mulerius, Professor in de Medicynen en Mathesis. Johan Epinus, +Professor in de Philosophie en Ethicæ, en extr. in de Rechten, +Guill. Macdowel, Professor in de Philosophie, Logicis, Phys: +& Methaphysicis. De inleidings redevoeringe wierd uit naam der +geheele Provintie gedaan, door Do. Pancratius, stads Syndicus. Na 't +eindigen derzelve, deed Do. Ravensberg een andere, op deze handelinge +passende. De eerste Rector in de Rechten, die hier zyn promotie bequam, +was Hugo van Nyeveen; houdende zyn inauguraal dispuit op den 13de van +November 1615, onder het Rectoraat van gemelden Professor Ravensberg. + +In den jaare 1616, den 18de van Maart, is Graaf Willem Lodewyk door +de Groningers zeer plechtig ingehaalt. + +In den jaare 1618 is het Sapmeer droog gemaakt, en is het volgende +jaar met gruppen en een doorgaande vaart voorzien. Waar op is gevolgt +de aanvang en continuatie van deszelfs vaart of diep door 't hooge +en wilde Veen, van Sapmeer tot aan Zuidbroek. + +In den jaare 1619 bequamen die van Staveren vernieuwinge en handhavinge +van hun onderrecht. + +In dit zelve jaar, in July, is de Heerlykheid van Wedde, Westerwolde, +Bellingewolde en Bleyham gekogt van Willem van den Hove, en den +2de Augusty in den Raad geapprobeert, voor de zomma van 140300 +guldens. Voorts heeft de stad deszelfs possessie aanvaart, en is den +21ste van September Edzard Rengers tot Drost, en Michiel Visscher +tot Richter van Bellingwolde en Bleyham gekoren. + +In den jaare 1620, den laatsten van May, is binnen Leeuwarden +overleden Graaf Willem, Stadhouder van Friesland; tot wiens loffelyke +gedachtenisse die heerlyke begraafplaats of tombe in de Jacobyner +Kerk is opgeregt; alwaar hy met zyn Gemalinne na 't leven in steen op +uitgehouwen is: en is zedert dien tyd de rustplaats der Stadhouders +altoos geweest en gebleven. + +3. Ernst Casimier, Graave van Nassau, enz., wierd, na 't overlyden +van zynen broeder, in de maand Augusty, tot Stadhouder van Friesland +verkooren. En die van Groningen, Ommelanden en Drenth verkooren Prins +Maurits tot hunnen Stadhouder. In December begon het zo geweldig te +vriesen, dat men wederom naar Ter Schelling en Ameland met paard +en slede overjoeg. Het volgende jaar, den 2de van February, quam +een Harlinger schipper, met een sleetje en stok in de hand, van +Friesland, over den Fliestroom, te Harlingen binnen treden. Graaf +Ernst, geleidende den jongen Koning van Boheemen, quam met gezelschap +van over de 100 sleden, van Leeuwarden tot op de zee voor Harlingen +afjaagen. + +In den jaare 1621, den 29ste van Maart, is de Burgerye te Groningen +door de Heeren van den Raad in 12 vendelen verdeelt; wordende daar op +den 30ste dito de Officieren gekooren, en den 13de van April door hun +Edelheden goedgekeurt, dat voortaan de Vendrigs onder de Luitenants +zouden staan. + +De volgende winter van het jaar 1621 en 1622 was het mede een +harde winter; waar in Anna Sophia, Gemalinne van den Stadhouder, +vergezelschapt met een compagnie soldaaten, en hun byhebbende +gereedschap, van Enkhuizen naar Staveren langs het ys overquam. + +In den jaare 1622, in Augusty, deeden de Spanjaards een aanval +op Friesland, trekkende met 800 voetknegten en 70 ruiters door +Oudeberkoop, naar Schoot, om 't Heerenveen te overvallen. En vermits +het Staaten Volk zich meest aan den Rhyn nedergeslagen had, waren +slegts maar drie compagnien verstrooit in de Zevenwouden gebleven; +dewelke, naar 't Veen rukkende, den vyand, die een geweldigen storm +deed op een schansje of redout op den weg naar Schoot, wakker afkeerde, +en veelen van zyn volk deeden sneuvelen. De vyanden, misleid zynde, +waren van gedachten geweest, dat 'er boeren en geen soldaaten op het +Veen lagen: en trokken na dit treffen weder af op Ommen: alwaar zy +door des Prinsen volk van achteren bezet wierden, en in de kerk allen +gevangen zyn genomen. + +In October is Ernst Lodewig, Graaf van Mansveld, met zyn krygsbenden, +wel 5000 mannen uitmaakende, in Oostfriesland gevallen, bedervende +de inwoonders en landen elendig, zelfs zodanig, dat zyn eigen volk in +den jaare 1624 meest van honger verliep. Hy had zyn hoofdquartier in +de vesting Lieroort; en eer hy vertrekken wilde, dwong hy Graaf Enno +van Oostfriesland een groote zomme geld af. + +In den jaare 1623 was er een zwaare pestziekte in Groningen; als +mede een groot oproer over het draagen der dooden: want op den 5de +van Augusty zyn de oude lyken des voormiddags door de vrouwen, en de +jonge lyken des namiddags door de maagden ter aarde gebragt. + +In den jaare 1624 deeden de Spanjaards, onder het bevel van Lucas +Cayro, Gouverneur van Lingen, een inval in den Oldambte; zy staken +verscheidene dorpen in brand, als Winschoot, Heiligerlee, Noordbroek, +Scheemda en Slogteren; verzonden in alle omleggende plaatzen brieven +van brandschattinge: waar door de huislieden afquamen om de brand +af te koopen. Maar het geruchte der aankomst van den Oversten +Stakenbroek, deed hen haastelyk de vlugt neemen, doch een grooten +roof mede voerende. + +In den jaare 1625, den 8ste van Maart, is Oostfriesland door een +schrikkelyke watervloed aangetast, alle dyken doorbrekende of +beschadigende, zodanig datze met geen 800000 guldens te herstellen +waren; en de huislieden, door de Mansvelder troupen ten eenemaal +verarmt en bedorven zynde, hadden geen macht om die te repareren, +dies de zee daar uit en in spoelde. + +In dit zelve jaar, den 23ste van April, is Prins Maurits, na een +langduurige krankheid uitgekwynt zynde, in 's Gravenhage ontslaapen. En +zyn broeder Frederik Hendrik wierd aanstonds in zyn plaats tot opperste +Veldoverste verkooren. + +In dit jaar is Graaf Ernst van Nassau tot Stadhouder van Groningen +en Ommelanden, en 't Drenth aangenomen. + +Den 29ste van December overleed binnen Groningen de Hooggeleerde en +wydvermaarde Ubbo Emmius, Professor dier Academie. + +Omtrent den jaare 1627 is het groote Provinciale magazyn of +Artilleryhuis alhier gebouwt, en het Orgel in 't H. Geest-Gasthuis +nieuw gemaakt: ook het Orgel in de groote kerk, eertyds door Agricola +gemaakt, vergroot en vernieuwt. + +In den jaare 1628, in Augusty, is de Nieuwe of Lange-Akkerschans +volveerdigt, en daar in drie compagnien soldaaten tot bezettinge +gelegt, onder den Gouverneur Roussel; dewelke in October de Dylerschans +innamen; doch zyn 'er voort daar na door de Keizerschen wederom +uitgejaagt. + +In den jaare 1631 wierd Prins Frederik Hendrik, behalven Holland en +Zeeland, ook het Stadhouderschap van Gelderland, Utrecht, en Overyssel +opgedraagen. Maar Stad en Lande hebben Graaf Ernst aangenomen. + +In dit zelve jaar, in de maand van May, ontstond door 't geheele +Land een geweldige oploop van 't gemeene volk; waar door beide, zo +Opper- als Onderregenten, by hen verdagt wierden, en alle aanzienlyke +lieden in verachtinge quamen. En den eersten Augusty heeft Graaf +Ernst Oldenzeel ingenomen, en des zelfs vestingen afgeworpen. + +In den jaare 1632 wierd Graaf Ernst, zo als hy van Venlo op Roermond +aankomende, en den grond aldaar bezigtigde, van de wal met een vuurroer +door 't hoofd geschooten; en echter wierd hy dien dag noch meester +van de stad. + +4. Hendrik Ernst, Graave van Nassau, enz., wierd in de plaats van +zynen vader tot Stadhouder van Friesland aangenomen; en weinig tyd +daar na mede van Groningen, enz. + +In den jaare 1633, omtrent Pinxter, was 'er een watervloed in +Oostfriesland, waar door al het koren op 't land verdronk. + +In dezen tyd trokken twee compagnien of 350 burgers uit Groningen +naar de Bourtange; dewelke op het verzoek van haar Hoog Mogende de +Staaten Generaal, en Advis van zyne Exellentie, op 10 stuivers daags +naar buiten zouden marcheren, om hun vaderland te dienen, en op de +vyanden te waaken; en hebben alzo hunne huizen en familien een tydlang +vrywillig verlaaten. + +In den jaare 1634, wanneer de nieuwe Middelen, als Hoofd- en +Schoorsteengelden, enz., ter ondersteuning van den oorlog, eerst +in Friesland verpagt wierden, ontstond 'er in verscheidene steden en +dorpen een groote oploop; waar door zommige Heeren en heerenhuizen zeer +slegt mishandelt wierden: maar door inlegering van soldaaten wierden +de voornaamste belhamels gevat, en alzo weder tot stilte gebragt. In 't +begin van dit voorjaar strande aan Ameland een Walvis: ook schryft men, +dat 'er op dit zelve Eiland mede in dit jaar vorsschen zyn geregent. + +In den jaare 1635 was 'er te Groningen een zwaare pestziekte, waar +door over de 100 menschen in een week stierven. + +In den jaare 1636 is Oostfriesland door twee watervloeden aangetast: +de eerste op den 24ste van Juny, en de andere op den 25ste van July, +waar door de huislieden, wegens gebrek van hooy, hunne beesten naar +andere plaatzen in de kost moesten besteden. + +In den jaare 1638, als het leger van den Prins voor de Graaf lag, +en Graaf Hendrik naar 't huis te Gennip, om het zelve te bezichtigen, +gezonden was, gebeurde het dat zyn paard op zekere plaats achteruit +deinsde, en in een bedekte put tot op den grond nederschoot; maar +Graaf Hendrik zulks voelende, in aller haast zyn voeten uit de beugels +van de stegelreep rukkende, viel achter over de gemelde put heenen; +buiten welke val hy elendig had moeten omkomen en versmooren. + +In den jaare 1640, is Graaf Hendrik, zullende in de belegeringe van +Hulst een schansje of redout bespringen, doodelyk gewond geworden; +na hy en de zynen ongemeen manhaftig gestreden hadden; en onder +andere zyn broeder Graaf Willem, die reeds al op zyn derde paard was +gestegen. En den 17de van July overleed gemelde Graaf aan zyn quetzuur, +die door geheel Nederland zeer beklaagt wierd. + +5. Willem Frederik, Graave van Nassau, enz., wierd, na zyn broeders +overlyden, tot Stadhouder van Friesland aangenomen. En de Prins van +Oranje verkreeg het Stadhouderschap van Groningen en Ommelanden. + +In den jaare 1643 is 'er in veele landen door 't hooge water een +onwaardeerlyke schade geschied, zodanig als by menschen geheugenisse +niet was voorgevallen. In 't dorp Gaast spoelden de dooden uit de +graaven. Door 't doorbreeken der dyken, was het land zo verre onder +water, dat men dwars over het land van Groningen naar Zwartsluis +konde overvaaren. + +In den jaare 1645, den 22ste van January, is Oostfriesland wederom door +een watervloed overstroomt; waar door veele dyken wierden gebroken, +en tot Embden, zo 'er gezegt word, de Corps de Guarde wegspoelde. + +Dit jaar, den eersten van September, quam de Stadhouder Prins Willem +van Oranje te Groningen, om aldaar de doe zwevende verschillen by te +leggen; wordende door de Magistraat en burgerye met groote eertekenen +ingehaalt, 't guarnisoen in de wapenen, benevens 't losbranden van +het kanon, enz. + +In dit zelve jaar, wierd de trekweg van Harlingen naar Leeuwarden +gemaakt. + +In den jaare 1647, den 14de van Maart, is Frederik Hendrik, Prins van +Oranje, in 's Gravenhage ontslaapen. En dien zelven dag deed zynen +Zoon, Willem de tweede, den eed van getrouwigheid aan de Staaten. + +In den jaare 1648, den 30ste van January, is binnen Munster in +Westfaalen, na een oorlog van over de 80 jaaren gevoert, eene vrede +gemaakt, tusschen den Koning van Spanje, en de Staaten der zeven +Provintien: door welke gemelde Koning deze Landen voor eigene en +vrygevogtene landen heeft moeten verklaaren; en zyn recht op dezelve +eeuwig en erflyk afgestaan. + +In dit zelve jaar gebeurde binnen Dokkum, op 't Raadhuis, een gering +doch merkwaardig geval, zinnebeeldig op bovenstaande vrede; men zag +een mossel een muis vangen: dat dus geschiede, een hoop mosselen +aldaar leggende, quam de muis daar zyn aas zoeken, en een treffende, +die gaapte, sloot de mossel haare schelpen toe, en de muis, in de +zyde gevat, was gevangen. + +In den jaare 1650, den 27ste van October, is Prins Willem van Oranje, +in 's Gravenhage, aan de kinderpokjes overleden. + +In den jaare 1651, den 22ste van February, was 'er een watervloed +over de Groninger Provintie, en elders; waar door de dyken wierden +gebroken en groote schade geschiede. + +Den 20ste van May is Graaf Willem Frederik van Nassau, Frieslands +Stadhouder, te Groningen ingereden; wordende door de Magistraat en +burgerye met groose staatsie opgehaalt, en ten zelven dage aldaar tot +Stadhouder en Gouverneur over Stad en Lande aangenomen, gehuldigt, +en in 't openbaar beëedigt. + +In den jaare 1653 is, uit vreeze voor de Engelschen, die zich voor onze +kusten vertoonden, op Ameland, Ter Schelling, Flieland, enz., een goede +wacht van krygsvolk gezet, om een waakend oog in 't zeil te houden. + +Niet lang daar na quamen zy voor de zeegaten van Texel en 't Flie, +met schrobbers en bezems op de masten braveerende; willende daar door +te verstaan geeven, dat zy als Meesters van de zee, dezelve hadden +schoon gemaakt. + +Den 8ste van Augusty geschiede omtrent Texel het zeegevegt van +drie dagen, waar in de Admiraal Tromp door een musquetschoot wierd +getroffen, en dood op den overloop van 't schip ter neêrgeveld. + +In den jaare 1654 was 'er geheel Europa door een groote overvloed +van graanen; alzo dat de Hollandsche kooplieden het zelve op hunne +korenzolders niet kunnende bergen, naar Friesland moesten overvoeren. + +In den jaare 1655, den 10de van November, zyn de eerste trekschuiten +tusschen Groningen en Leeuwarden gevaaren. + +In den jaare 1656, den 8ste van Februarij, heeft de Magistraat van +Groningen, ter gelegentheid van de Raads-keur, voor de eerstemaal met +Goude Boonen beginnen te looten; zijnde het zelve bevoorens altoos +met gemeene Turksche Boonen gedaan. + +In den jaare 1657, den 17de van October, waaide het drie dagen lang +zo een bittere stormende oosten wind, dat de zuiderzee en andere +binnenstroomen het water op veele plaatzen ontliep; zo dat men van +'t eilandje Ens droog over naar Friesland konde gaan. Odulfs Kerk, +en andere oudheden, lagen by Staveren geheel bloot. Waar op volgde +een felle en lange winter. + +In het zelve jaar, den 23ste van October, zyn te Groningen de 12 +vendelen burgerye door de Heeren van den Raad tot op 18 vendelen +vermeerdert. + +Ook was 'er in dit jaar te Groningen zekere onlust; waar door eenige +huizen wierden geplondert: doch door den Stadhouder Prins Willem +wierdze wederom gestilt. + +In den jaare 1659, den 6de van Juny, is de Vorst van Anhalt, Joan +Georg, met de Prinsesse Henrietta Catharina van Oranje, enz., zeer +prachtig te Groningen in de St. Martens Kerk getrouwt. De ingang +van gemelde kerk tot aan het Vorstelyke Trouw-Theater was rondom +zeer heerlyk behangen, en met tapyten belegt. De Prinsesse Bruid was +zeer prachtig gekleed, met een heerlyke kroon vol diamanten op haar +hoofd, enz., wordende verzelt van de Keurvorstinne van Brandenburg, +Graaf Willem van Nassau en zyne Gemalinne, Prins Maurits en meer +andere Grooten. Hier na wierd de geheele stad vervult van vreugde, +zo door konstige vuurwerken, losbranden van het kanon, enz. + +In den jaare 1662, den 28ste van February, heeft Oostfriesland door +een watervloed wederom zeer veel geleden: want daar groote schade +aan dyken geschiede, en tusschen Delfzyl en Embden 8 schepen vergingen. + +In den jaare 1663, den 30ste van October, liep Oostfriesland wederom +geheel onder; waar door veele beesten wierden weggerukt, en groote +schade aan dyken geschiede. + +In den jaare 1664, den 6de van July, is door Graaf Willem, Stadhouder +van Friesland, de Eilerschans by verdrag verovert van den Bisschop +van Munster. + +Den 21ste van Augusty, is Willem Frederik, gemelde Stadhouder, binnen +Leeuwarden, aan een quetzuur overleden; welke hy van onderen in de kin +door een pistool bekomen had, als hy de proef daar van zoude neemen: +schryvende zelf: als zy geen vuur wilde geeven, doe zag ik daar na, +en willende den stempel daar uittrekken, zo ging ze in dien tyd +los. Nalaatende een Prins van 8 jaaren en twee Prinsessen. + +6. Hendrik Casimier, Graave van Nassau, enz., aan wien de Staaten +des Lands al in den jaare 1659, by survivance of overlevinge, de +toezegginge van 't Stadhouderschap, by 's Vaders leeven, hadden +verleent, wierd nu mede het Kapiteinschap Generaal over Friesland +opgedraagen; om deze bedieninge in het 20ste jaar zyns ouderdoms aan +te vaarden. + +In den jaare 1665, in January, als Prins Johan Maurits, wederkeerende +van Leeuwarden van de begraaffenis van Prins Willem Frederik, +Stadhouder van Friesland, en door Franeker reed, zo schoot hy met +zyn paard, op een oude valbrug zynde, in 't water ter neder; doch, +schoon in gevaar van zyn leeven te verliezen, wierd hy echter noch +onbezeert gereddet. + +Den 22ste van September trok de Bisschop van Munster, als een huurling +en in dienst van Engeland [99], om Nederland aan deze zyde te plaagen, +met zyne macht Twenthe en Drenthe in, daar hy alles verwoeste: en +omtrent eene maand verloopen zynde, boorde hy by 't Roveen door; dat +in Friesland geen kleene vrees veroorzaakte. Doch, voor Ommerschans +afgeslagen zynde, vertrok hy naar Groningerland, en nam Winschooterzyl +en Burgerschans in. Maar als hy een goede borstweering by Heiligerlee +vond, en de Bourtang, Koeverden, Ommerschans en Friesland van alles +wel voorzien zag, achte hy zich gelukkig, zonder van Maurits volk +bezet te worden, zelve weder uit te geraaken. + +Den 5de van December was 'er weder een zwaare watervloed in veele +Landen, die Zeeland, Holland, Friesland en de Ommelanden groote +schade toebragt. + +In den jaare 1666, den 15de van July, heeft de dappere en manhafte +Zeeheld Tjerk Hiddes, Luitenant-Admiraal van Friesland, terwyl hy +met den Zeeuwschen Luitenant-Admiraal Jan Evertsz. den Engelschen +Admiraal van de witte vlag aan boord lag, en zeer moedig streed, zyn +been te gelyk met het leeven verlooren: zyn ligchaam wierd staatelyk +binnen Harlingen ter aarde bestelt. + +Den 8ste van Augusty quamen de Engelschen, met menige scheepjes +en vyf branders binnen 't Flie, daar zy de twee convojers, en een +vloot van 170 koopvaarders in den brand staken; van welke ook veelen +door de vlam verteert wierden: waar onder omtrent 30 schippers van +Hindeloopen van hune schepen beroofd wierden; en ook eenige die 't +ontvluchten. Daar op landen zy op Ter Schelling, en staken een onnoozel +weerloos visschers dorpje in den brand: roemende in Engeland als of +zy de geheele waereld gedwongen hadden. Maar Gods wraak vervolgde hen +al te spoedig, alzo het beste gedeelte van de vermaarde stad Londen +in vyf dagen, door een byna onuitblusbaare brand, in de assche wierd +gelegt, tot een onwaardeerlyke schade van veele gegoede lieden. En +de schade door 350 huizen, op Ter Schelling in den brand gestooken, +had een geringe overeenkomst, tegen van hen ruim 35000 huizen door +de vlammen verteert. + +In den jaare 1672, wanneer Louis de veertiende, Koning van Vrankryk, +trachtende na het Oppergebied van geheel Europa, en reeds zulks in +'t werk stellende, het niet voor 't geringste gedeelte van zyne +uitvoeringen achtede, de zeven Vereenigde Nederlanden alvoorens af te +loopen, om onder zyn geweld te brengen; en Friesland, een gedeelte +daar af zynde, na de gelykheid van de leden van het zelve ligchaam, +kon hier niet ongevoelig van zyn. + +Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May, moet voor +een Schrikdag van geheel Nederland aangeteekent worden: van welken +tyd zy geen 50 dagen konden tellen, of was meer als 80 van hunne +sterkste steden en vermaardste beschansingen door den vyand ontbloot. + +Doe wierd Nederland met 6 legers, op 6 verscheidene plaatsen, te +gelyk besprongen, namentlyk van 4 Franschen voor Orsou, Rynberk, +Wezel, Burik, en 2 Bisschopschen voor Grol en in Twenthe. Na alle +bovengemelde veroveringen, den vyand voorttrekkende, nam ook langs +den Rhynstroom alle plaatzen in. + +Den 2de van Juny, ruktenze voorby Schenkenschans, daarze by 't Tolhuis, +langs een droogte in den Rhyn, doorbraaken: zynde die plaats door +den Oversten A. W. van Ailua met eenige Friesen dies tyds bezet. Waar +op Mombas, schynende de Franschen eerst te willen tegen gaan, dwars +heen en weêr met zyn ruitery door het Friesche voetvolk reed, dat +zich zeer mannelyk weerde, alschoon zy door geduurig omzwerven, +dan naar Nieumegen, dan naar Doesburg, Zutfen en Schenkeschans, +zeer vermoeit en afgemat waren: geevende dien verraader Mombas daar +door gelegentheid, dat het Friesche voetvolk onder de voeten van +zyn ruitery, en diesvolgens in een groote verwarringe geraakte, +zo dat zy genootzaakt wierden om quartier of lyfsgenade te roepen, +en alzo elendig wierden overwonnen. Dit doorbreeken in de Betuw, door +dien men meende, dat des vyands macht aan den Rhyn verbrooken zoude +worden, was een droevig begin van alle volgende onheilen: waarom het +ook in Holland zo een verbaastheid verwekte, dat men geene woorden +zou kunnen uitvinden om het zelve uit te drukken. Waar op dat heel +kort daar na het Sticht Utrecht mede onder de macht des vyands quam. + +Den 13de van Juny heeft geheel Overyssel zich by verdrag mede schendig +aan den vyand overgegeeven. En zo is Friesland, door 't verlies van +de Kuinder, Blokzyl, Zwartsluis, Steenwyk, Ommerschans en Roveen zyn +plegtanker afgekapt geworden. Waar over de verbaastheid, ontroeringe, +en flaauwhartigheid, die de winkels innam, de handwerken aan een zyde +wierp, de Rechtbanken toesloot, de Academien en Schoolen ledig maakten, +de lieden van angst en benaauwtheid uit hunne huizen deed loopen, +den eenen tegen den andere aanstootende, en zo alles in verwerringe +bragt. De vreeze en benaauwdheid was te grooter, om dat alles hen +zo schielyk en onverwagt overquam: waar van geen eigener beeldenis +kan vertoont worden, als ieder gevoelig mensch zich, in herdenking +van dien tyd, in zyne gedachten voorstelle: en die het slegts in +een eenvoudig en naakt verhaal wilde te kennen geeven, zoude woorden +moeten uitvinden, om eenigzints uit te drukken. Om daar evenwel iets +van te zeggen, zullen wy daar over, als ook over de eerste gevolgen +van dien, de woorden van Mr. P. Valkenier, Pleitbezorger voor den +Hove van Holland, hier by voegen [100]. Hy schryft: + +«De tydinge van dit schandelyk en haastig overgaan van de geheele +Provintie van Overyssel, vloog aanstonds geheel Friesland en +Groningerland door, en verwekte aldaar zo een groote vreeze en +verbaastheid, als het doorbreeken der Franschen aan 't Tolhuis, en het +verlies van Utrecht, in Holland veroorzaakte. Want elk stond verlegen, +en verwagte alle omzien den vyand. Niemand wist wien het eerst zoude +gelden; alzo het geheele land onbedekt, en zonder de minste afsnydinge +voor hem open lag. Elk wilde met zyne beste losse goederen vluchten, +maar niemand wist byna waar heen. Eenigen, die hunne goederen uit +de steden wilden vervoeren, wierden dezelve of door oploop, of door +plondering van 't gemeene volk kwyt. De Overheden, die mede wat meenden +te bergen, moesten opentlyk het verwyt aanhooren, dat zy verraaders +waren, en de gemeente in deze algemeene nood wilden verlaaten. De +Regeeringe stond raadeloos, en het volk redenloos, alzo het zelve, +als een pot te vuur, opliep, en voorts alles in verwarringe bragt. De +Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland, ziende dat de geheele last +van dit onheil op hunne schouderen aanquam, wierden te raade, om de +Heeren Raaden van 't Hof van Gerichte te verzoeken, dat zy hen in deze +verlegentheid met raad en daad geliefden by te staan. Waar op beide +die aanzienlyke vergaderingen, tusschen den 13de en 14de van Juny, +'s nachts, binnen Leeuwarden, in alle stilheid byeen vergaderden: +alwaar voorgestelt wierd, de bedroefde staat van hunne Provintie. Hoe +dat de doortocht van Meppel, regt naar Dokkum, en voort de Dongerdeelen +in 't Bild door, tot Harlingen toe, om haare hoogte, niet konde onder +water gezet worden. Dat de twee schansen, op die doortocht gelegen, +als Breeberg en de Friesche Paalen, genoegzaam geslegt waren, +en geen wezen meer hadden. Dat het krygsvolk, op hunne bezoldinge +staande, tot bewaaringe der grenzen van andere Provintien zodanig +was gebruikt, dat 'er tot bezettinge van hunne eigene Provintie, +niet een eenige soldaat over was, als alleen eenige compagnien onder +den Luitenant-Generaal Ailua, die uit Overyssel quamen afzakken. En +dat hunne wapenhuizen en de wallen der steden van geschut, wapenen +en leevensmiddelen onvoorzien en geheel ontbloot waren, en alzo in +'t geheel niet of weinig voorraad ter verweering. Hier op begon men +te beraadslagen, hoe men de Provintie op het beste zoude bewaaren uit +den tegenwoordigen nood en gedreigde gevaaren, die hen zo na boven +'t hoofd hingen. Waar op wierd voorgeslagen, dat zulks zou moeten +geschieden door een van deze twee middelen: of gemeenzamerhand en met +alle ernst trachten te verweeren, en het uiterste te waagen: of dat +men zich met een algemeene overgeeving der Provintie uit die onheilen +zoude redden: en ingevalle van overgeeving, dat men dan behoorde +indachtig te zyn, met wat voorwaarden men de gemeene welvaart het +best zoude kunnen verzekeren. + +«Na eenige onderlinge strydigheden, en na dat de Predikanten der +stad Leeuwarden mede in deze vergaderinge verschenen, die byzonderlyk +aanbevoolen, het stuk van godsdienst en gemeene vryheid, wierden alle +zwaarigheden aan eene zyde gestelt, en een moedig en hartelijk besluit +genomen, om, tot behoudinge van godsdienst en vryheid, gezamentlyk +het uiterste te waagen, en goed en bloed tot den laatsten droppel aan +te leggen. Men zond aanstonds uit het midden van deze vergaderinge +eenige Heeren aan hunne Hoog Mogende, aan de Staaten van Holland, +aan die van 't Noorder Quartier, aan die van Stad en Lande, en aan +die van Amsterdam: welke alle, daar na, zonder troost of de minste +hulpe weder te rugge zyn gekomen. Men besloot, om alle sluizen open, +en alle Polders en bedykte landen onder water te zetten. Men deed +een opontbod van alle Steden en Grietenyen; die daar op met vreugde +uittrokken na het Heerenveen, om zich daar met de weinige aankomende +krygslieden, onder den Heer Luitenant-Generaal Ailua, te vereenigen, +en een legertje uit te maaken; om daar mede den vyand te verwagten, +en te betoonen, dat zy noch van 't regte bloed der oude en beroemde +Friesen waren, die in standvastigheid alle volkeren overtroffen." Dus +schryft die Hollander. + +En alschoon het geruchte, wegens dat merkelyk verlies van de Friesche +krygslieden aan het Tolhuis, van welke slegts maar eenige weinigen +door den Oversten Hans W. van Ailua, ter naauwernood uit Zwol gered, +naar de grenzen van Friesland, tot onder Leeuwarden quamen afzakken, +de verslagentheid niet verminderde; zo begon echter evenwel de moed +weder aan te wasschen, door 't bovengemelde legertje, dat ondertusschen +tot 13 a 1400 soldaaten vermeerderde, behalven een goed getal burgers +en boeren, die 'er dagelyks toevloeiden. Dit gemelde legertje wierd +zeer voorzichtig, onder het beleid van den Heer Ailua, op de grenzen +in een geduurige beweeging gehouden, op dat niemand van de Bevelhebbers +konde weeten, hoe sterk of zwak het was. + +Middelertyd, als de vyand zyn aantocht over Steenwyk, op Friesland +had genomen, bequam hy tyding, dat de Friesen met de Groningers zich +wakker tot tegenweer stelden; waar over de Bisschop van Munster +zeer bulderende en geweldig tegen de Friesen uitvoer, barstende +onder anderen in dezen Bisschops vloek uit: Der Teuffel hoole die +Pfhaffen! waar door hy de Predikanten van Leeuwarden verstond. Des +hy van voorneemen veranderde, achte het dienstiger naar Koeverden +te zetten, en heeft eerst d' Eiler-, Oude- en Nieuwe Schans, +Winschooterzyl, en 't Huis te Wedde, met alles wat 'er by of omtrent +was, zonder slag of stoot ingenomen: de Bourtange eischte hy mede op, +en bood aan den Commandeur of Opperbevelhebber Prot 200000 guldens, +en aan ieder Kapitein of Hoofdman 50000 guldens, by aldien zy zich +wilden overgeeven. Maar de Bevelhebber Prot gaf hierop tot antwoord: +dat hy eerst met den Bisschop wel een gesprek wilde houden, daar hy +hem zo veel kogels zou vereeren, als hem guldens waren aangeboden. + +Hier na hield de Bisschop een krygsraad, en de vraag was, of men +Friesland, of Delfzyl, of Groningen zoude overvallen? Het laatste +wierd by hem beslooten. Doch van dien tyd af wierd hy wel degelyk +in zyn raad verbystert, en in zyn voortgang zodanig gestuit, dat hy +daarna niet een voet aarde meer heeft gewonnen. + +Uit de zeesteden zond hy kapers uit, om de Zuiderzee onveilig te +maken: dat, zo men zegt, geen drie dagen voortgang had: want alle +zyne vaartuigen wierden hem afhandig gemaakt: gelyk ook eenige van +zyn volk, meenende het eilandje Urk uit te plonderen, wierden van de +inwoonderen gevangelyk naar Enkhuizen gevoert. + +De steden ondertusschen, waar eenige schyn van bescherminge was, +herstelden haare vestingen. Gelyk mede aan elke zyde van den Zwarten +Weg, omtrent neeven Meedum wierd een schansje gebouwd, en by Tietjerk +een schoone borstweering, reikende langs de weg naar Hardegaryp. + +En door dien men bedugt was, of men in 't toekomende een geweldigen +vyand, of overlastige stroopers te gemoet zag, hebben die van +Hindeloopen, ten opzichte dat zy voor 't grootste gedeelte aan de +zee genoeg bevryd waren, aan de zuidoostzyde, daar zy aan 't land +vast zyn, een vesting van drie bolwerken opgeworpen: bestaande de +werklieden uit de burgerye, die zulks uit eigen drift gewillig bij +der hand namen: maar, nadien zy by ongelegentheid van dien tyd geen +onderstand of fortificatiepenningen, in gelykheid van andere steden, +uit de Gemeene Lands Middelen hebben kunnen bekomen, zo hebbenze het +verdere opmaaken tot op beter gesteltheid van tyden willen opschorten. + +In deze dagen hebben de Bisschopschen uit de Kuinder de Lemmer +opgeeischt, en zoudenze overvallen hebben, ten waare zy de wagens met +vlugtelingen langs de wegen niet voor toevoer van krygsvolk hadden +aangezien: daar zij slegts een borstweering met eenige stukken geschut +op de zeedyk hadden toegestelt; welks toegang zy in 't verborgen +bedekten met heimelyk aan een gekeppelde eggen. + +Den 4de van July heeft de Bisschop van Munster de sterke fortresse +Koeverden met een macht van 16000 mannen belegert, doende dezelven +dag noch aan de loopgraven werken. De twee volgende dagen liet hij zo +een groote menigte bommen en granaaten werpen, dat het tuighuis daar +binnen, met verscheide daar bystaande huizen, in brand geraakten. Den +7de dito liet hij de plaats opeischen, en eerlyke voorwaarden aan de +bezettinge aanbieden. Doch de Commandant Johan van Burum [101], na +die niet willende luisteren, wierd 'er overzulks aan weêrskanten noch +dapper vuur gegeven, tot den 10de der maand; wanneer de Bisschop de +plaats voor de tweedemaal opeischte. Ter zelver tyd zond de Commandant +drie Officieren aan den Bisschop, die den 12de de overgaaf der plaats, +zonder consent van den Bevelhebber, doch op eerlyke voorwaarden, +beslooten. Maar de Bisschop had Koeverden zo dra niet in 't bezit, +of betoonde zyne trouwloosheid en barbaarsche wreedheid aan de +uittrekkende soldaaten. + +Ondertusschen maakte de Overste Ailua, met 1200 uitgeloote of +gecommandeerde burgers en soldaaten, eenen aanslag op de Kuinder; +alwaar de Bisschopschen veel roof hadden te hoop gesleept. Zy zouden +het vermeestert hebben, en hadden reeds al 200 mannen van den vyand +ter nedergeschooten, ten ware de besprookene Hollandsche kaapers, +wegens onstuimig weder opgehouden, hadden kunnen aannaderen, en de +vyand mede geen haastig ontzet van 2000 mannen, zo uit Kampen, als +Zwol had bekomen. Waar op de Friesen, dit ziende, met verlies van 30 +mannen, weder aftrokken. En zy afgetrokken zynde, hebben de vyanden +het zelve uitgeplundert en hunnen buit vervoert. + +Den 16de van July is de Friesche Brandwacht, leggende tusschen Bergum +en de Drachten, niet wel op hun hoede zynde, van 13 standaarden +Bisschopsche ruiters overvallen geworden. Doch zich in tyds noch +naar het gros van 't leger te Bergum begeevende, quam het terstond in +roeren, en viel de ruitery daar op in. Waar door de vyanden achteruit +deinsden, en de Friesen alzo tot nevens hunne hinderlaagen uitlokkende, +die het byna te quaad zouden gehad hebben, door dien een party volk +van den vyand in 't korenland verborgen lag; doch echter, door hunne +manmoedigheid, drevenze de Bisschopschen te rugge, met verlies van +van 150 ruiters, en maar 25 van hunne Friesen. + +Daar na wierd de stad Groningen, op den 19de van July, door den +Bisschop van Munster en den Keurvorst van Keulen, met eene macht van +22000 mannen, aan de zuidkant by twee poorten belegert. De stad had tot +Gouverneur Karel Rabenhaupt, een dapper en ervaaren Kapitein. De Hertog +van Holstein Pleun had het bestier van het voetvolk, en de Colonel +Stoltzenburg van de ruitery. De bezetting bestond in 't begin maar +uit 24 compagnien voetknegten, 4 standaarden ruiters, en 3 vendels +dragonders, die alle te zamen omtrent 2000 mannen uitmaakten. Maar +zy wierd meer dan de helft versterkt, door de 18 vendelen burgers, +die geweer voerden. Daar na wierden 'er noch vier compagnien van +Advocaaten en andere lieden, die tot dezen tyd toe vry van de wacht +hadden geweest, en een compagnie studenten, 150 mannen uitmaakende, +opgericht: en voor dat de stad noch geheel berent was, quamen 'er 200 +met byltjes gewapende mannen, uit het regiment van Koningsmark binnen. + +De sterktens en magazynen waren in goeden staat, met overvloed van +wapenen, krygs- en leevensbehoeften voorzien; de Magistraat meende +het zo wel als het volk, en waren altemaal de bevelen van Rabenhaupt +onderdanig. + +Deze Gouverneur de belegering al van langerhand voorzien hebbende, +had derhalven alle de huizen en tuinen, die buiten die kant van de +stad stonden, doen verbranden of slegten. Op de eerste aantocht der +vyanden deed hy de sluizen openen, en de dyken doorsteeken, om alzo het +land rondom te laten onder loopen. Doch dit weerhield den Munsterschen +Bisschop niet, den 22ste van July zyne krygsbenden te doen aannaderen, +en dien zelven avond aan de loopgraven te laaten werken. Hy deed den +27ste dito van een battery met 5 stukken kanon op de stad schieten; +maar de braave konstapels, waar van de stad voorzien was, maakten +de geheele battery, eer den dag ten einde was, onbruikbaar. Des +anderendaags liet de Bisschop de mortieren te werk stellen, en met +bomben en granaaten op de huizen werpen; doch door de goede voorzorg +van Rabenhaupt en de naarstigheid der Mennoniten deden ze weinig +schade. Maar de volgende dagen schooten de belegeraars geweldiger, +waar door in de stad groote schade wierd veroorzaakt; 't welk de +inwoonders noodzaakte met hun huisgezin naar het noordergedeelte van +de stad, daar zy niet komen konden, te vertrekken. + +Rabenhaupt schikte zyn mortieren zodanig op de wallen, dat hy op 't +laatste van de maand de wyken van den Bisschop, en van de Keurvorst +zeer begon te beschadigen. Hy liet verscheide uitvallen doen, waar +door de belegeraars genootzaakt wierden met verlies te wyken, en +nieuwe werken te beginnen. De burgers, die de beveelen des Gouverneurs +gehoorzaamden, droegen zich zo manhaftig, als de beste in den oorlog +geoeffende en geschikste krygsbenden. De Studenten queeten zich op +zo een verwonderenswaardige manier, dat de Staaten der Provintie +Gedenkpenningen tot hunner eer lieten slaan, om deszelfs geheugenis +voor de nakomelingen over te laaten. Inmiddels zagen de belegeraars +het getal hunner bomben verminderen, zonder veel uit te werken; en +daarom begonnenze in de maand Augusty met gloeiende kogels te schieten: +daar waren 'er geen dan de eerste die schade bybragten, want door den +grooten yver der Mennoniten wierden 'er veelen uitgedooft. Daar na +zond de Bisschop een trompetter en een tamboer aan den Magistraat, +om eerlyke aanbiedingen voor te stellen, indien zy de stad wilden +overgeeven. Doch hem wierd te kennen gegeven: dat in 't algemeen +beslooten was, het uitterste af te wagten, en de stad, die een nieuwe +versterkinge van soldaaten, kruid en geld bekomen had, van volk en +allerlei behoeften voor veele maanden was voorzien, te verdedigen. + +Het vuur van 't geschut en de bomben ging echter met dezelve hevigheid +voort, tot dat het den 25ste van Augusty op de middag begon te +verslappen, en de Bisschop de geheele hoop verloor van een generaale +storm te waagen. Na dien tyd hoorde men in zyn leger niet meer als met +musquetten schieten; 't welk de belegerden deed denken, dat zyn geschut +onbruikbaar was, en vreesden derhalven voor een krygslist: doch 300 +van de ongeduldigste mannen deeden een uitval op de loopgraven van den +Keurvorst van Keulen, daar zy een groot bloedbad maakten, en eenige +gevangenen mede in de stad bragten. De volgende nacht liet de vyand +het gros des legers opbreeken, laatende de mynen, die zy vervaardigt +hadden, springen, en verlieten alle hunne werken. Rabenhaupt kreeg +hier kondschap van, deed daar op den 27ste dito de batteryen in brand +steeken, de gragten vullen, en de wapenen, krygsbehoeftens en tuig, +dat de vyanden achtergelaaten hadden, daar uit halen. De stad wierd +den laatsten dag geheel verlaaten; welke dag door vasten en bidden +gevierd wierd, om God over deze gelukkige verlossinge te danken. + +Het verlies der belegerden was zeer gering, na de groote meenigte +kogels, bomben, en granaaten, die op hen geschooten en geworpen waren; +en daar wierden geen 100 menschen verloren. Maar dat der vyanden was +zeer groot: van 22000 mannen, die zy in 't begin des belegs sterk +waren geweest, gingen 'er maar 12000 te rug; waar onder men 1400 +zieken rekende: 600 quamen 'er in de stad overloopen, en 5000 begaven +zich naar andere plaatzen, zo dat 'er omtrent 4500 dooden waren, +waar onder de 3 Kolonellen, 2 Luitenant-Kolonels en 63 Kapiteinen +wierden gevonden. + +Den 13de van Augusty heeft de Heer Dirk Baard en Kapitein Hania, +geleidende 450 mannen van de Friesche burgery, en met verscheidene +vaartuigen omtrent Blanckenham landende, Blokzyl vermeestert: de +burgery van binnen had een goed gesprek met dezelve, en opende de +poorten, ter beschaaminge van geheel Overyssel. Aanmerkelyk was 't, +dat, terwyl de vyanden de zuiderpoort uitvluchten, zekere Mennoniet +veelen van dezelve in zyn huis riep, zeggende, dat zy zich alle aldaar +voor de eerste oploopentheid der Friesen konden verbergen, en leverde +alzo by de 70 Bisschopsche soldaaten in handen van de onzen gevangen. + +Den 2den van September, als de Kuinder, door het overgaan van Blokzyl, +nu van toevoer afgesneden was, heeft Kapitein Holbarent, met 240 +mannen, een aanval op dezelve gemaakt, met gering verlies van volk, +alzo de Bisschopschen, schoon 250 mannen sterk, na eenige weinige +tegenstand, de vlucht namen; achterlaatende eenigen buit, een karos +en gespan van 6 paarden, en 28 gevangenen: zynde hunne voornaamste +roof al te vooren weggepakt. + +Van den eersten September af begonnen de Groningers ook hunne handen +ruim te krygen. En alles van binnen wel bestelt hebbende, heeft de +Overste Jorman, met 2000 mannen, zo voetvolk als ruitery, Winschooten +vermeestert. Waar op de vyand, door vreeze, de Winschooterschans, Zyl, +'t Huis te Wedde, en Brugschans aanstonds heeft verlaaten. + +Tusschen den 8 en 9de van September, zyn de Bisschopschen, met een +groote furie, tot driemaalen in die zelve nacht, op de Schans van 't +Heerenveen aangevallen; doch telkens manmoedig afgeslagen, alhoewel +daar eene kleene bezetting in lag: hebbende de onzen voorheen een +Ritmeester, een Luitenant, een Cornet, en 4 ruiters gevangen bekomen. + +Den 17de van October is de Oude Schans door de Groningers, onder +het commando van den Oversten Eybergen, wederom belegert, en met +grof geschut beschooten. De belegeraars maakten zeer kort zo een +benaauwtheid, door hun sterk schieten, in deze schans, dat die van de +Nieuwe Schans, versterkt zynde met veel volk uit Munsterland, afquamen +om de belegerden te ontzetten. Doch Eybergen wierd zulks tydig gewaar, +zendende derhalven 250 mannen, onder het commando van den Oversten +Wachtmeester Wyllers, met twee stukken kanon vooraan, hun tegen, +stellende hen by Stoksterhorn in slagordre. Hier op quamen de vyanden, +omtrent 1500 mannen sterk zynde, den 25ste van October op hen los: +maar Wyllers hen zeer na onder het geschut laatende komen, deed hy tot +twee keeren een generaale losbrandinge onder de vyanden; waar door zy +ten eenemaal in confusie de vlugt namen, wordende veele Bevelhebbers +en soldaaten doodgeslagen en eenige gevangenen mede gevoert. + +Daar na verzogten die van de Oude Schans op den 27ste dezes te +capituleren: 't welk den zelven avond noch wierd geslooten; wordende de +plaats voort des anderendaags met 7 vendelen Staatsche troupen bezet. + +Den 26ste van December heeft de Gouverneur Rabenhaupt, na dat hy alles, +wat tot den aanslag op Koeverden noodig was, had laten vervaardigen, en +waar toe een harde vorst, daar op een haastigen dooy en zwaare nevel, +hem grootelyks bevoordeelde, deed hy het ys in de gragten om Groningen +opbreeken. Hy gaf het opperbevel aan den Kolonel Eybergen; dat van het +voetvolk aan den Oversten Wachtmeester Wyllers; en dat van de ruiterye +aan den Majoor Jan Hendrik Sikkinge. Voorts liet hy de konstapels +en grenadiers aannaderen, en het overige van het kleine leger, dat +niet boven de 400 paarden en 1000 voetknegten sterk was, begaf zich +in aantocht op den 27ste der maand. Den 30ste dezes, des morgens ten 3 +uuren, quamen zy voor Koeverden, en verdeelden zich in drie ligchaamen, +ieder op zyn bestemde post. God gaf, om den aanslag te begunstigen, +met het aanbreken van den dag zo een zwaare mist, dat de geene, die +malkanderen aanraakten, zich niet konden onderscheiden. Zy naderden +daar op tot aan de conterscharp, zonder ontdekt te worden; maar door +de biesbruggen over de gragt te leggen, wierdenze van de schildwacht +ontdekt; die daar op alarm maakte. Voorts quam de bezettinge in de +wapenen, en gaven dapper vuur van de wallen. Doch dit weerhield de +bespringers niet, van tot aan de afschutzels en stormpaalen van de +conterscharp te geraaken, die zy met bylen omverre hakten. + +Hier op wierden de wallen, doch met groote moeite en verlies van +hun volk, beklommen; zy geraakten 'er op, en overweldigde den vyand +met het rapier in de vuist, en wierden meester van de poorten des +kasteels. Hier op overstelpte de vreugde de overwinnaars zodanig, +dat de Bevelhebbers, in hunne eerste ontmoetinge op 't kasteel, +geheel als verstomd waren: tot dat eene, als uit verrukkinge van +zinnen opryzende, zeide: Wel hoe is het mogelyk! Waar op dezelve zeer +wel voegende ten antwoord kreeg: Dit is niet anders als Gods hand. + +De Gouverneur Jan de Mooy wierd 'er gedood, na dat hy zyn plicht +als Commandant zeer wel had waargenomen. Maar door zyn verlies liet +de bezettinge de moed zakken, waar van 'er 700 weerbaare mannen in +gevonden wierden; die daar na zagen, datze door de groote meenigte +hunner vyanden overmand waren, liepen 'er 200 de poort uit; omtrent +150 zyn 'er gesneuvelt, en de rest lieten het geweer vallen, en +wierden ten getalle van 400 tot krygsgevangenen gemaakt, en in de +kerk geslooten: ondertusschen stonden de overwinnaars de soldaaten +toe de plaats te plunderen; alwaar zo wel de soldaaten als Officieren +grooten buit bequamen; hebbende van hun kant in 't bespringen omtrent +60 mannen verlooren. + +Deze buitengewoone daad trok de Hollanders, die onder het gebied +der Staaten, in een tyd dat Neêrland overweldigt scheen te worden, +uit hunne algemeene verslagentheid. + +En veele zullen 't noch indachtig zyn, hoedanig die overwinning de +gemoederen in Friesland en Groningen ontroerde, en van vreugde veelen +de traanen uit de oogen deeden barsten. + +De Gouverneur Rabenhaupt wierd daar op van de Staaten, behalven +Luitenant-Generaal dezer Provintie van Groningen en Ommelanden, en +van Gouverneur der stad Groningen, met het Drossaartschap van het +Landschap Drenth en Gouverneur van Koeverden begiftigt. De Kolonel +Eybergen wierd Commandant binnen Koeverden, en Meester Meyndert van +Thynen, die als voornaamste wegwyzer der bespringers had gediend, +wierd aldaar tot Generaal-Commies gemaakt. + +Van dien tyd af hebben de Groningers in 't Graafschap Benthem, Twenth, +en tot onder Zwol en Deventer gestroopt; haalende van daar gestadig +veel roof, en met veele gelukkige schermutselingen op de Bisschopschen. + +In den jaare 1673 is 'er een vuur van oneenigheid opgeborsten uit +de gemeene beroeringen des volks tusschen de Heeren der Regeeringe, +die van de Gemeente zeer mistrouwd wierden, en dat al in 't einde +van 't verloopene jaar had beginnen te smeulen. De oude en nieuwe +Regeeringe wierd elk byzonder gehandhaafd, beide de Souverainiteit +en Oppergezag der Provintie vertoonende, de eene te Leeuwarden en +de andere te Sneek vergaderende, en neemende strydige besluiten +tegen malkanderen, zonder malkanderen te kunnen verstaan; dat zeer +schadelyk voor de Provintie was. Doch wierd gemeld verschil eindelyk +weder door Gelastigden van hunne Hoog Mogenden en den Heer Stadhouder, +als bemiddelaars, bemiddelt. + +In 't begin van 't jaar, in January, bequam de Overste Ailua, in een +hevige schermutzeling tegen den Graave van der Lip, twee trompetten +en een vendel, die hy den Prins van Oranje vereerde. + +In February quam 'er een gerucht, als of de Munsterschen een inval +op Friesland voorgenomen hadden: waar op een goed getal krygsvolk +uit Holland wierd overgescheept. + +In April hebben de Heeren Staaten, ten Landsdage vergadert zynde, +beslooten, hoedaniger wyze men het Land zoude onder water zetten, +indien een hoogdringende nood zulks vereischte: als mede om aan +'t Heerenveen een schans te doen opwerpen, tot verzekeringe van +'t Land. Voorts wierden de overige posten wel verzekert, hebbende +Prins Johan Maurits het Oppergezach over de Hollandsche krygslieden, +Ailua over de Friesche, en Rabenhaupt over de Groningers. + +Den 29ste van April wierd een algemeen, opontbod der landzaaten en +burgery gedaan; wordende ieder huisgezin belast, een weerbaar man, +tusschen de 18 en 60 jaaren oud zynde, uit te leveren, en moetende +binnen 14 dagen met snaphaanen en pieken gereed zyn; zullende ieder +burger ter week 3 guldens soldy genieten. + +Omtrent dezen tyd maakten de Friesche stroopers, uit het leger van +den Oversten Ailua, dagelyks een goeden buit. + +Den 6de van Juny vertoonde zich Houttuin met 18 standaarden ruiters, +en 1500 voetknegten, aan de post te Sonnega, welke hy opeischte: andere +2000 ruiters, met eenige honderden voetvolk verzelt, wierden tusschen +Steenwyk en Blesse ontdekt, waar van een groot gedeelte te paard, +elk met een musquettier achter op, tot aan de Blesbrugge naderde: +maar wierd, door de hulp van de ruitery van Wolvega en Oudeberkoop, +rustig afgekeert. Waar op Prins Maurits met het gros van 't leger, in +meeninge hem op den weg naar Steenwyk te onderscheppen, is afgekomen: +doch zy reeds te verre afgeweken zynde, zo zond hy eenig volk hen +achter na; waar uit zy verstonden, dat het gemelde voetvolk, behalven +de 2000 ruiters, noch 1000 mannen sterk was. Van den vyand zyn twee +Kapiteinen gedood, en 70 gequetsten wierden binnen Deventer gebragt. Na +dit voorval deed Prins Maurits een ongemeenen iever, om het water in +het land te doen loopen, dat door een sterken wind ook zeer schielyk +voortging; en om het ingelaatene te bewaaren, liet hy een dyk in de +Tjonger leggen: waar door het den vyand ondoenlyk wierd om ergens +te kunnen doorbreeken. Ondertusschen quamen 3 geheele compagnien +Munsterschen, met hunne Bevelhebbers, tot de onzen overloopen. + +Den 10de van Juny heeft Rabenhaupt de Nieuwe Schans, na dat hy dezelve +den geheelen winter door geblokkeert had gehad, met geweld van wapenen +aangetast. Hy trok te water met veel volk, geschut en voorraad, +aan geene zyde, en posteerde zich op de Bonder dyk, en daar omtrent, +om de schans van drie zyden aan te doen. + +De Bisschop van Munster deed aanstonds zyn uiterste best in 't werk +stellen, om de belegerden te ontzetten; zendende derhalven een Overste +met 600 dragonders en 400 fantaisyns [102], om het beleg door te +breeken; doch wierden met groot verlies te rug gedreven. Overzulks +wierd de belegeringe sterker voortgezet: zo dat de Bisschop voornam, +tusschen den 29ste en 30ste van deze maand noch eene proef tot ontzet +van deze plaats te neemen, en met een macht van 3500 mannen de post +by Bonda te overvallen; meenende langs een nieuwe passagie door 't +moeras heen eenige vyandlyke troupen af te snyden: doch Rabenhaupt +zulks tydig gewaar wordende, zond aanstonds 9 vendelen, onder het +commando van een Majoor, derwaards; die te zamen den vyand niet +alleen afgekeert, maar hun zelfs met een groote furie hebben op de +vlugt gedreven, laatende wel 300 zo dooden als gequetsten achter. + +Daar na, op den 18de dito, eischte Rabenhaupt de schans op: doch +kreeg tot antwoord: Dat de Ravens dien Winter daar niet nestelen +zouden. Hier op deed zyn Excellentie den Luitenant-Kolonel Tamminga met +zyn krygsbenden aannaderen, en tusschen den 21ste en 22ste de aldaar +leggende redoute aantasten. Des nachts ten een uur ging de attaque aan, +die zo sterk wierd voortgezet, datze, na eenigen tegenstand, dezelve +veroverden; vlugtende de Munsterschen met de uiterste verbaastheid +langs de conterscharp naar de schans: maar de Staatschen volgden hen +op de hielen, datze met hen in de poort, en vervolgens in de schans +geraakten; hoewel zeer weinigen in 't getal, dewyl zy door de engte +van de passagie, maar eene t'effens konden voortgaan: doch de vyand +door deze onverhoedsche overval nochtans verbaast zynde, denkende dat +de geheele macht van de Staatschen binnen quam, wierpen de wapenen +neêr en riepen om quartier, terwyl Rabenhaupt, niet weetende van dit +vervolg, noch dapper op de schans schoot, daar ze al gewonnen was. Dat +het meest te verwonderen is, is dat niet meer als twee mannen van de +Staatschen in dit stormen zyn gebleven. + +Den eersten van July quam Johan Maurits, vergezelt met de Heer +Scheltinga, Gedeputeerde, en den Oversten Ailua, geleidende een +hoop volk van 3000 ruiters, en 600 voetknegten, by zich hebbende 4 +veldstukken, van 't Heerenveen, door Dieveren, om de Munsterschen, +leggende tusschen de Wyk en Staphorst, achter een borstweering en +schansje, doch zonder geschut, te vernestelen: als de dragonders den +aanval deeden, zo wierd des vyands Overste Post gewond en gevangen, +en op zyn woord van eer naar Hasselt gelaaten, neemende de overigen +de vlucht: die door de achterlaage gekeert zouden zyn geweest, by +aldien de bestelde 800 mannen uit Blokzyl, ter bestemder tyd op weg +zynde, die van Hasselt naar 't Rooveen legt, had kunnen tegenwoordig +zyn. Van den vyand wierden 'er 20 by de onzen gevangen genomen, +waar onder 10 Bevelhebbers, en 17 of 18 gedood. De onzen hebben 2 +dragonders by misverstand geschooten. + +Den 3de van Augusty hebben eenige dragonders de brandwacht der +Bisschopschen, bestaande in 18 ruiters, van tot onder Steenwyk +weggehaalt, en in het leger op 't Heerenveen gebragt. + +Den 5de van Augusty zyn 7 vyandlyke ruiters, met hunne volle +wapenrustinge, mede ingehaalt. + +Den 25ste van Augusty zyn over de 8000 vyandlyke voetknegten, en +100 cornetten of standaarden ruitery, van Steenwyk uittrekkende, +op Friesland aangekomen, die zich in zo veele benden afdeelden, +dat zy de schansjes by Meldam, als Blesbrug, Bekaf, Donkerbroek, +Makkinga en Wolvega, die maar bequaam waren om de huislieden voor +strooperyen te beschermen, te gelyk konden bespringen: omtrent +1000 paarden en een regiment dragonders, quamen, onder 't beleid +van Houttuin op Blesbrugge aanzetten, en anderen op Bekaf; 't was +een Mornas, die de zynen door Makkinga, Donkerbroek en Nyjeberkoop, +op Wolvega aanvoerde, alwaar de Overste Ailua het gezach voerde over +6 regimenten, als 3 te paard, 2 te voet en een dragonders. + +Als Prins Maurits bemerkte, dat 's vyands voornemen was, om alle +het bovengemelde van 't Heerenveen af te snyden, zo verwittigde +hy den Overste Ailua en anderen, om gelykelyk naar 't Veen af +te deinsen. Middelerwyl ontmoete de Graave van Dona met zyn 200 +soldaaten, op de heide van Meldam 150 vyandelyke ruiters, waar mede hy +een schermutseling hield, en schooten 26 Bisschopschen onder de voet, +benevens 2 Bevelhebbers, waar van hy de eene, een Ritmeester zynde, met +eigener piek doode. De onzen dus naar 't Veen de wyk genomen hebbende, +zo wierden aanstonds eenigen naar de Jouwer, en anderen naar Gordyk +gezonden. Van waar 60 mannen, den vyand, die over de Veenen meenden +te komen, wierden tegengestelt; en met dezelve in schermutseling +geraakende, liet de vyand 14 dooden, 25 gemeenen en 4 Bevelhebbers, +als gevangenen na. Een andere party van 30 mannen, vervielen in handen +van den vyand: als ook een brandwacht van 15 dragonders achter Bekaf. + +De Bisschopschen dus nu de voet al te Schoot hebbende, konden wel ligt +het Heerenveen trachten te overweldigen, om zo voort Friesland in te +trekken, alzo zy wagens mei stroowerk mede voerden, om de gragten te +kunnen vullen: waarom de Staaten van Friesland alomme de uitgeloote +manschap, ten spoedigste, zo by nacht als dag, derwaards deed pressen. + +Ondertusschen zo stelden zich de Bisschopschen als roofzieke wolven +aan, in 't uitplonderen der onweerbare landzaaten: dat in die gewesten +weder een groot vluchten veroorzaakten. + +Den eersten September vertrokken zy, hebbende wel 600 mannen laaten +zitten, zonder iets merkwaardigs uitgevoert te hebben; als dat zy +het bederf van die boeren wat verhaastenden. + +Den eersten October is de dyk, die de Bisschop van Munster met +veele kosten over de Vecht gemaakt had, en meer als derdehalf uur +gaans lang was, alleen om Koeverden door water te benaauwen, door een +stormwind weggespoelt: waar door omtrent 1400 menschen verdronken. 't +Is aanmerkelyk, dat dit geschiede juist op dien tyd, als men op 't +Heerenveen raadpleegde, om die te overweldigen, en reeds daar toe al +3000 Friesche burgers om de grenzen, als 't Veen en andere te bezetten, +waren uitgezonden. + +Als de Prins, met de Keizersche en Spaansche Bondgenooten den vyand +buiten 't Land lokte, om van krygsbodem te veranderen, in 't Sticht +Keulen en elders waren ingevallen; zo wierden de Franschen daar door +genoodzaakt, hunne veroverde plaatzen weder te verlaaten, gelyk zy +dit jaar alles verlieten, behalven de Graaf. + +In den jaare 1674, den 10de van February, is er vrede gemaakt tusschen +den Koning van Engeland, en de Staaten Generaal, welke den 9de van +February, oude styl, te Londen van gemelden Koning wierd geteekent. + +Den 12de Maart zijn de Bisschopschen, omtrent 1000 mannen sterk, +over de hartgevroorene moerassen, by 't klooster ter Appel, +in Groningerland gevallen, plonderende te Winschooten en daar +omtrent. Waar op Rabenhaupt Nyjenhuys met stormen, en andere steden +met bezettinge innam, en maakte Twenthe geheel zuiver en vry. + +De Bisschop sloot ondertusschen den vrede met den Keizer, die te +Keulen den 11de van April wierd geteekent: als mede daags daar aan +met de Heeren Staaten Generaal. In de Meymaand volgde de Bisschop van +Keulen mede. Waar op zy de overheerde plaatzen, die ze zoo schielyk +hadden overrompelt, noch haastiger weder moesten ontleedigen: en 't +geen zy zo greetig hadden ingeslokt, in weedom van hunne harten, weder +uitbraaken. En alzo zijn de drie verloorene Provintien wederom aan +de andere gehegt, en de bundel der Zeven Pylen weder te zamen gebonden. + +In den jaare 1675 was 't een felle en lange winter; zo dat laat in +'t voorjaar, van Harlingen naar Enkhuizen, over de Zuider-Zee, veele +menschen met geheele gezelschappen, en beesten op 't ys overtrokken: +ja eenigen hadden in 't laatst van April noch op 't ys gestaan. + +In Maart, hebben de Friesen, overwegende beide de loffelyke daaden +en voorzorge van 't Huis van Nassau, en in 't byzonder de groote +gevaaren, die zyn Vorstelyke Doorluchtigheid, onze Heer Stadhouder, +in groote manhaftigheid, had ten dienste van 't gemeen uitgestaan +in de laatst voorigen slag in Henegouwen tegen de Franschen, het +Stadhouderschap hem erflyk opgedraagen: alle de Heeren, zo van 't +Land als Steden, leverden daar toe om de eerste te zijn, te meer, +alzo de Hollanders den Prins van Oranje mede tot Erfstadhouder van +hunne Provintie hadden aangenomen. + +In het zelve jaar, den 12de van Augustij, is te Koeverden overleden +Karel Rabenhaupt, Baron van Zucha en Crombach, Luitenant-Generaal +der Vereenigde Nederlanden, wegens de Provintie van Stad en Lande, +Gouverneur van Groningen, mitsgaders Drossaart van 't Landschap Drenth, +en Gouverneur der fortresse Koeverden: zijnde een krijgsman geweest van +een zonderling beleid en dapperheid. Tot 's mans lof heeft G. Bidloo, +dit volgende bij zijne afbeeldinge gestelt: + + + Dit 's Rabenhaupt, die Dorsten won, + Die Nuis en Lingen temmen kon; + Die Karel, die Lamboy versloeg, + Van Groeningen den Bisschop joeg; + En knoopte aan zyn legerkrans + Van Koeverden, de Nieuwe Schans. + Zo waakt zyn' staatzorg, deugd en hand + Ten dienst van 't Volk, en Kerk en Land. + Zyn' dapperheid is uit zyn weezen + Zo wel, als uit zyn' kling te leezen [103]. + + +Als 'er tusschen den 26ste en 27ste van October, met een noordweste +wind, veele dyken, door de felle aanpersing van 't water, waren +doorgebrooken, leeden die van Friesland mede geen kleene last: want +een gat van 30 roeden brak by Staveren, en omtrent by Molkwerren was +het niet veel kleender, zo dat die geheele landstreek blank van 't +zeewater stond: ook was 'er een gat van 30 roeden breed en zeer diep, +by Zwartsluis. + +In het jaar 1676 was men bezig om op de vredehandeling der Europische +Prinsen, die in 't voorgaande jaar te Nieumegen was begonnen, alle +geschillen, door welke Europa in de grootste verwerringe gebragt was, +te beslechten; terwyl de geweldige oorlogstrompetten noch al geen +minder krygstoerusting verkondigden, als voorheenen. Doch de sterke +rustgeevende Vredevorst gaf hier toe, dat uit het blaakend oorlogsvuur +schielyk ontsproot de heilzaame en zegenryke hoorn des vredes: en +dus wierd de roemruchtigste Vryheid der Friesen weder als herbooren, +en zy eindelyk verlost van de slaavernye des duivels [104]. + + + +In den jaare 1677 zyn de opgerezene staatsgeschillen tusschen +Groningen en de Ommelanden, door de Heeren Staaten Generaal weder +beslegt geworden; gelyk mede te Deventer. + +In den jaare 1678, den 15de van February, is te Groningen de Landsdag +weder aangevangen, na dat de Heere Osebrand Rengers van zyn zesjaarige +gevangenis was ontslagen en herstelt. + +In dit zelve jaar, den 10de van Augusty, is te Nieumegen, de vrede +tusschen den Koning van Vrankryk en de Staaten Generaal geslooten. + +In den jaare 1679, den 10de van April, stond Albertina Agnes, moeder +van den Stadhouder Hendrik Kasimier, nu 20 jaaren oud zynde, haare +Voogdye af, en vertrok naar haare landgoederen in Duitschland. + +In den jaare 1681, den 2de van Augusty, zyn te Groningen vier ringen +aan alle kanten van de zon gezien, en eenigen verhaalen, dat diergelyke +zich mede te Rome en Tubingen hebben vertoont. + +In den jaare 1682, in May, is in Groningerland en Oostfriesland een +zeer hevige veeziekte geweest, waar door veel rundvee is gestorven: +doch op 't uitgaan van het jaar is de sterfte weder opgehouden. + +Den 4de van November is Grietzyl, in Oostfriesland, door de +Baandenburgsche soldaaten overrompelt, die zich naderhand aldaar ook +hebben neêrgelegt, als ook te Norden en Embden. + +In den jaare 1683, in November, is de Erfstadhouder van Friesland, +Hendrik Kasimier, en zyne Gemaalinne Amelia, te Leeuwarden, met +staatsiewagens en vertooningen, nevens een groot en prachtig vuurwerk, +ingehaald: doende, eenige dagen daar na, zynde den 17de van September, +ook zyne intrede binnen Groningen. + +In den jaare 1686, in July, overleed de jonge Prins van Nassau, zoon +van den Erfstadhouder van Friesland, enz.; en omtrent een maand daar +na beviel de Vorstinne weder van een jongen Prins. + +In dit zelve jaar, den 22ste van November, wierd Groningerland, +door een afgrysselyke watervloed aangetast, al het omleggende +land overdekkende; waar door veele menschen en beesten het leeven +verlooren. Het getal der verdronkene menschen beliep 1558, geheel +weggespoelde huizen 631, en de zeer beschadigden 616, de verdronkene +paarden 1387 en de koeyen 7861. + +In den jaare 1687, den 2de van May, overquam Groningen een tweede ramp, +door een schrikkelyke brand in de Veenen van Sapmeer, Wildervank en +Pekel A, waar door alle de gegravene turf tot duizende van vuuren, +eenige huizen en schepen verbranden, en de schade op eenige tonnen +gouds wierd geschat. + +In dit zelve jaar, den 14de van Augusty, is de Prins Jan Willem Friso, +te Dessau gebooren. + +In den jaare 1688, den 11de van November, deed Prins Willem van Oranje +die vermaarde overtocht naar Engeland; landende met zyn byhebbende +krygsbenden den 15de dezer in de haven van Torbay. + +In den jaare 1689, den 11de van April, is de Prins van Oranje, Willem, +nevens Maria, zyn Gemalinne, te Londen met de gewoonlyke plechtigheden +gekroont als Koning en Koninginne van Engeland. + +In den jaare 1690, den eersten van July, geschiede het bloedige +gevegt in de vlakte van Fleury, door de Franschen onder Luxenburg, +en de Geallieerden onder Waldek; waar van 't weêrzyds verlies op +16000 mannen wierd begroot. + +In den jaare 1691, den 5de van February, is Koning Willem in 's +Gravenhaage met zeer groote vreugde en eerteekenen, door praalpoorten, +vol geschilderde zinnebeelden, opgehaalt en naar het Hof gevoert. + +In den jaare 1692, den 3de van Augusty, sloeg het voetvolk der +Geallieerden, onder den Hertog van Wirtenberg, tegens de Franschen +onder Luxenburg, by Steenkerken, doch met weinig voordeel. + +In den jaare 1693, den 29ste van July, geschiede het gevegt by het dorp +Landen, tusschen de Geallieerden, onder Koning William en Keur-Beyeren, +en de Franschen onder Luxenburg, 80000 tegens 40000 mannen: dus schade +aan weêrszyden. + +In den jaare 1694, den 15de van Augusty, wierd te Groningen gejubileert +van des stads overgang voor 100 jaaren aan der Staaten zyde, door +het beleid van Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau; ook datze +de Gereformeerde Religie aannam; by welke gelegentheid ook medaillien +geslagen wierden; waar op staat: + + + Des Prinsen zwaard, met Godes arm, + Bragt Paap en Spanjaard in alarm, + Als leugen voor het licht verdween, + Wier zuivre glans in templen scheen. + Een regte vreugd voor klein en groot, + Die Groningen sluit in haar schoot. + Dit heeft des Heeren hand gedaan, + En deze Penningen doen slaan. + + +In den jaare 1695, den 7de van January, is de Koninginne van Engeland, +Maria Stuart, eene zeer deugdzaame Prinsesse, te Londen overleden. + +In den jaare 1696, den 25ste van Maart, overleed te Leeuwarden +Hendrik Kasimier, Stadhouder van Friesland, enz., aan een borstquaal; +nalaatende een zoon en eenige dochters. Tot wiens lof L. Smids zegt: + + + 't Was Frieslands Stedevoogd, Vorst Willems Bloedverwant, + Zoon, Neef en Naneef van drie nooit volpreezen Helden, + Gedrochtetemmers in 't ontroerde Nederland, + Die, zich, gelyk een wal, voor haat en outer stelden: + Doch dit Geboorterecht nam Hendrik geenzins aan, + Maar stond na heldenroem, door eigene oorlogsdaên. + + +In dit zelve jaar, den 24ste van May, is op Oranjewoud, in Friesland, +overleden Albertina Agnes, moeder van den overledenen Stadhouder, en +dochter van Frederik Hendrik, Prins van Oranje, in den ouderdom van +62 jaaren. En in de maand van Augusty, is Amelia, weduwe van Hendrik +Kasimier, Erfstadhouder van Friesland, enz., te Leeuwarden van eene +Prinsesse bevallen. + +In den jaare 1697, den 20ste van September, is de algemeene vrede +op het huis Nieuburg, te Ryswyk, by 's Gravenhaage, geslooten, +tusschen Engeland, Vrankryk, Spanje, het Duitsche Ryk en de Vereenigde +Nederlanden; zynde hier over den 6de van November alomme vreugdevuuren +aangestoken. + +In den jaare 1698 zyn de sterke fortificatiewerken, aan de zuidkant +buiten Groningen, door den Generaal Koehoorn begonnen; en na eenige +jaaren met zeer vaste muuren opgemetzelt, en de halvemaanen of bastions +met bruggen en poorten voorzien. + +In den jaare 1699, den 15de van November, is in Oostfriesland een +hooge watervloed ontstaan, waar door groote schade geschiede: want de +nieuwshermaakte dyk, om 't dorp Gerdsweer, wierd byna geheel vernielt; +zes huizen spoelden geheel weg, eenigen wierden beschadigt, en veele +beesten zyn verdronken. + +In den jaare 1700, den 27ste van November, heeft de Koning van Sweden, +Karel de XIIde, met 12000 mannen geoeffende troupen, 80000 Moskovieters +verslagen, op de vlugt gedreven, en aldus de stad Nerva geweldiger +hand ontzet. + +In den jaare 1701, in het begin, namen de Franschen alle de steden +van de Spaansche Nederlanden in bezettinge; waar op de toebereidzels +ten oorlog door den Keizer wierden gemaakt. + +Den 28ste van May trokken de Keizerschen, met groote moeite en zwaaren +arbeid, over het Alpische gebergte, in Tirol, maakende vervolgens in +Italien een doortogt met de degen in de vuist. + +In den jaare 1702, den 19de van Maart, is Willem de derde, Koning +van Engeland, te Kensington overleden; zynde op de jagt met zyn +paard gestruikelt, waar door hy het sleutelbeen brak; wordende op +den 23ste van April daar aan volgende, in de Kapel van Westmunster, +zonder uiterlyke pracht, begraven. Hy wierd in de regeeringe opgevolgt +door Prinsesse Anna, Gemaalinne van Prins Georg van Denemarken. + +Den 15de van May wierd byna overal de oorlog tegens den Koning van +Vrankryk gepubliceert. + +Den 11 de van Juny, hebben die van Nieumegen, met een groote +dapperheid, der Franschen hevige aanval, onder den Maarschalk de +Bouflers, van hunne vestingen afgekeert en te rug gedreven. + +Den 16de dito is Keizerszwaard van de Geallieerden belegert en +ingenomen. + +Den 15de van Augusty heeft Prins Eugenius de Franschen met groot +voordeel by Luzzara geslagen. + +Den 8ste van September won Keur-Beyeren Ulm, in Swabenland. + +Den 10de dito is Landau de Franschen ontweldigt; als ook den 23ste +dito Venlo, en den 2de van October Stevenswaart. + +Den 7de van October wierd Roermond met geweld door de Geallieerden +tot overgaaf gedwongen, en den 13de dito is Luyk door de burgers aan +de Geallieerden overgegeven. + +Den 22, 23 en 24ste dito, wierd de Fransche Zilvervloot, by Vigos, +door de Engelschen en Hollanders bemachtigt, geplondert, verbrand +en geruïneert. + +In den jaare 1703, den 15de van February, is Rhynberg door de wapenen +des Konings van Pruyssen bemachtigt; en omtrent dezen tyd Traarbach +door Hessen-Kassel. + +Den 8ste van April won de Beyervorst Regensburg. + +Den eersten van May wierden de Polen door de Zweden, by Pultouw, +geslagen: den 10de dito wonnen de Franschen Tongeren, en den 15de +dito is Bon door de Geallieerden herwonnen. + +Den eersten van July geschiede het bloedig gevegt by Eekeren en +Wilmerdonk, waar in de Hollandsche dapperheid in 't byzonder heeft +uitgeblonken; onaangezien de Generaal Obdam genoodzaakt geweest is +naar Breda te vlugten. + +Den 25ste dito is de stad Hoey den Franschen ontnomen. + +Den 4de van September is Trente door de Franschen gebombardeert, +en Brizak door hun gewonnen; als mede den 27ste dito Limburg door +Marlboroug bemachtigt. + +Den 14de van October wonnen de Zweden de stad Thoorn. + +Den 8ste van December trof een ysselyke zuidweste stormwind, zo +te water als te lande, Engeland, Vlaanderen, Holland, Friesland, +en meer aangrenzende gewesten, waar door veele ongelukken gebeurden. + +Den 16de dito is de stad Gelder door den Koning van Pruyssen verovert. + +In den jaare 1704, in February, wierd Prins Friso in Friesland +geavanceert; verwekkende dit eenig misnoegen by zommige andere +Provintien. + +In dit zelve jaar, den 27ste van Maart, overleed Menno Koehoorn, +in 's Gravenhage; zynde lang ziekelyk geweest, en over de 70 jaaren +oud. J. de Recht heeft op zyn afbeeldzel dit eervaars toegepast: + + + Ziet hier een Held, beproefd in oorlogsblixem vlammen; + Die voor 's Landt Vryheid spreekt uit monden van metaal; + Die 't opgezwolle nat door dyken jaagd en dammen, + En 's vyands krachten breekt door water, vuur en staal, + Den Vriessen Jupiter, die, met zyn donderslaagen, + Den Franssen Faëton bonst uit zyn Zonnewagen. + + +Den 2de van July sloeg Marlboroug en Baden, in Beyeren, de Fransche +en Beyersche krygsmacht, by den Schellenberg; en op den zelven dag +is Brugge door de Geallieerden ook gebombardeert. + +Den 3de dito is door de Geallieerden Donawerth bemachtigt, en den 11de +dito Regensburg; als mede den 26, 27 en 28ste dito, de stad Namen, +doch zonder voordeel, gebombardeert. + +Den 4de van Augusty heeft de Geallieerden vloot, onder Hessen-Darmstad, +Gibralter bemachtigt; en den 13de dito hebben de Geallieerden, onder +de Generaals Marlboroug en Eugenius, de Franschen en Beyerschen by +Hogstet geslagen; zynde hun verlies wel op 40000 mannen begroot. + +Den 18de van November wonnen de Geallieerden, onder den Erfprins van +Hessen-Kassel, Traarbach. + +In den jaare 1705, den 5de van May, overleed te Weenen Keizer +Leopoldus, oud zynde 65 jaaren; wordende van zynen zoon Josefus in +'t Keizerryk gevolgt. + +Den 5de van September zyn 96 schepen van de Groenlandsche vloot voor +Delfzyl gearriveert, hebbende in alles gevangen 1100 vissen. + +Den 14de van October gaf Barcellona zich aan Koning Karel over. Ook +is Stanislaus omtrent dezen tyd tot Koning van Polen verklaart en +gekroont. + +In den jaare 1706, den 23ste van May, sloegen de Geallieerden, +onder Marlboroug, tegens de Franschen, by Ramellies, en bequamen +een roemruchtige overwinninge; waar op zich verscheidene steden in +Braband en Vlaanderen hebben overgegeven. Den 6de van July wonnen +de Geallieerden Oostende: den 22ste van Augusty Meenen; den 5de van +September Dendermonde; en den 7de dito is Turin door Prins Eugenius +gewapenderhand ontzet: en den 3de van October is Aath mede door de +Geallieerden gewonnen. + +In den jaare 1707, den 16de van April, leeden de Geallieerden een +groote neêrlaag in Spanje, by Almanza. Den 20ste van July, heeft +de stad Napels, met haar drie kasteelen, zich aan Koning Karel +onderworpen. + +In dit zelve jaar, in Augusty, is Johan Willem Friso, Stadhouder van +Friesland, enz., getreden in zyn chargie als Generaal der Infantery +of voetknegten. L. Smids, voegde dit onder zyn afbeeldzel: + + + Als Friesland zag het beeld van Frieso; reeds in 't weezen + Oranjes yver en Nassouwers moed kon leezen + Zo sprak zy, (drukkende dit konststuk aan haar mond) + Wat schooner dag beloofd my zulk een morgenstond! + + +In den jaare 1708, in February, is zyne Hoogheid Jan Willem Friso, +Prins van Oranje en Nassau, en der Friesen Erfstadhouder, door de +Edele Groot Mogende de Heeren Staaten van Stad en Lande, tot Stadhouder +over derzelver Provintie aangenomen. + +Den 5de van July is Gent en Brugge door de Franschen ingenomen; +den 11de dito zyn de Franschen door de Geallieerden, onder Eugenius, +Marlboroug en Ouwerkerk, by Oudenaarden geslagen. + +In Augusty wierd aan Prins Friso het Oppergezach der belegeringe +van Ryssel toevertrouwt, ondersteunt van Prins Eugenius; en wierd +dit meesterstuk der krygsbouwkunde by verdrag gewonnen den 22ste van +October, en 't kasteel den 8ste van December. En den 30ste dito wierd +Brugge den Franschen weder ontnomen. + +In den jaare 1709, den 4de van January, hebben de Franschen de stad +Gent wederom verlaaten. + +Den 29ste van April is zyn Hoogheid Jan Willem Friso, Prins van Oranje +en Nassau, met Prinsesse Maria Louisa, dochter van den Landgraaf van +Hessen-Kassel, op het kasteel van Kassel met zeer groote plechtigheid +getrouwt. + +Den 8ste van July wierd de Koning van Zweden, door de Moskovieters, +in de Ukranie, by Pultowa, ten eenemaal geslagen: den 28ste dito +is de stad Doornik aan de Geallieerden overgegaan: den 11de van +September geschiede het wreede en bloedige gevegt der Franschen en +Geallieerden by Malplaquet: en den 25ste dito wonnen de Geallieerden +Bergen, in Henegouwen. + +In den jaare 1710, den 2de van January, is Prins Friso, nevens zyne +Gemalinne, te Leeuwarden, met een buitengemeene staatsie ingehaalt. Als +mede den 18de van Maart te Groningen. + +Den 25ste van Juny is Douay door de Bondgenooten verovert: den 28ste +van Augusty Bethune: den 28ste van September St. Venant: den 8ste +van November Arien. + +In den jare 1711, den 17de van April, is Keizer Josephus te Weenen +overleden, oud zynde 33 jaaren. + +Den 14de van July, op den middag, is zyne Hoogheid, Prins Jan Willem +Friso, Frieslands en der Groningers Stadhouder, in 't overvaaren van +'t Hollandsche Diep, aan 't Stryensche Sas, zeer ongelukkig verdronken; +wordende deszelfs ligchaam door een schipper, van de Klundert komende, +op den 22ste derzelver maand eerst gevonden en opgevischt, voorts haar +Dordrecht gebragt, en aldaar gebalsemt, en vervolgens naar Leeuwarden +gevoert: alwaar het op den 25ste van February 1712 met eene heerlyke +doch droevige lykstaatie in 't graf zyner Voorvaderen wierd bygezet. + +En in hetzelve jaar, den eersten van September, is de Prinsesse van +Friesland, Weduwe van den Stadhouder, van een Prins bevallen, en +genaamt Willem Karel Hendrik Friso, zynde de tegenwoordige Stadhouder. + + + + + + +LANDVERDEELING VAN FRIESLAND. + + +Schoon de aantekeningen van voorgaande Geschiedenissen, zonder +kennisse der gelegentheid van Landen en Steden, in 't naleezen +noch nuttig, noch aangenaam kunnen zyn, zo 'er niet iets nevens of +voor dezelve gemelt word: zo mogen de leezers ook niet met al te +langwylige verhandelingen derzelve opgehouden worden; dewyl anders +zo een beschryvinge op zich zelve en hier van afgescheiden vereischt, +die men de Landbeschryvinge noemt. + +Waarom wy, tot verstand van de voorverhaalde Geschiedenissen, hier +van iets behoevende by te brengen, met een bloote verdeelinge van +de Landstreek, en een optellinge van Steden en Dorpen in iedere +afdeelinge, zonder van de beschryvinge iets te mogen aanroeren, +den eisch der voorgaande bladeren geacht voldaan te hebben. + +De Landstreek van deze Provincie word in drie gedeeltens afgedeelt, +als Oostergo, Westergo en Zevenwouden. In voorige tyden bestond het +in de twee eersten alleen; die ook elk den naam van een Graafschap +by zommige Schrijvers hebben gevoert, en mogelijk ook in der daad +zyn geweest, zonder dat de Wouden als een byzonder deel wierden +aangemerkt. En zyn zo genaamt naar de Goën of Dorpen, in de Ooster- +of Westerverdeeling gelegen; en de Wouden, om de veelheid van 't +geboomte, dat eertyds mogelyk meerder is geweest, als hedendaags: en +zo wat verlatynt zynde, wierden Estrachia, Westrachia en Forestensis +genaamt, by de Schryvers in die taal. + +Deze Leden worden elk in een getal van mindere verdeelingen +onderscheiden, die wy Grietenyen noemen, naar de Bevelhebbers van ieder +gedeelte, die men een Grietman noemt, dat zo veel is als Overheer, +want gritte, greet, en greut, is groot te zeggen. Elke Grieteny vervat +een zeker getal Dorpen onder zich, staande onder de regeering van een +Grietman. De Steden zyn 11 in getal, rustende elk op haar eigen recht; +maakende te zamen in zaaken van regeering het vierde Lid van Staat. In +'t optellen van welke Dorpen, doordien zy naar de verscheidentheid +der byzondere spraaken (dialecten) of anderzins ook verscheiden worden +genoemt, zo komt in bedenkinge, welke wyze gevoegelijkst mag gevolgt +worden: want van de benaaminge der zelve zyn zommige gebruikelyk, + +1. In de gemeene taal, alleen Buitenpost, Donkerbroek. + +2. In de Stadsspraak, als Nyega. + +3. In de Landsspraak alleen, als Tjietjerk, Tjaalebird. + +4. Gemengd, 1. uit de gemeene Stadsspraak, als Peperga, Lutkepost, +Nyjenhuis. 2. Uit de gemeene en Landsspraak, als Langewar, Suerig. En +3. uit Stads- en Landsspraak, als Tserkgaast, Molkweeren. + +5. De zelve Dorpen, anders in 't gemeen, als by stedelingen en +landlieden, als Nieukerk, Nykerk, Nytjerke: Molkweeren, Molkwarren. + +6. Naar oude misspellinge, Hyelsum voor Jelsum; Hyaure voor Jaure of +Joure; en Greonterp voor Grien of Groenterp. + +7. In verkorting, als Birdaard voor Birdewerd, Oestrum voor Eestroom, +Raard voor Raawerd, enz. + +Waar op het wel billyk is, dat men in een schrift, in de gemeene taal +geschreven, als dit tegenwoordige, ook hier de naamen der Dorpen +in die zelve taal zoude stellen: doch nochtans hier niet vry staat +omtrent eenigen, als die haar oorsprong uit de byzondere spraaken +hebben, gelyk Tserkgaast, Adegae en Molkwarren: voor welke men +(hoewel mogelyk in gelyke zin, doch ongerymt) zou zeggen, Kerkburg, +Ouddorp en Melkfennen. Even ongerymt zoudenze alle in de Stads- of +Landsspraak gestelt worden: en geheel overtollig in die alle te gelyk. + +Daarom hebben wy geacht dezelve veilig te mogen gebruiken, naar +de uitspraak die in de gemeene wandeling meest omgaat. Gelyk wy +zien dat in de Saxische bedeelinge, (achter dien Hertogs Wetten, +in die tyden gedrukt) en ook by Winsemius, Schotanus en anderen, +geen eenerlei wyze is gehouden. + + + + + +I. OOSTERGO. + + +Hierin zyn twee Steden gelegen, als Leeuwarden en Dokkum. 't Word +verdeeld in 11 Grietenyen. + +I. Leeuwarderadeel, heeft 14 Dorpen. 't Word in 3 Trindels of +derdendeelen afgedeelt. 1. 't Middeltrindel, is onder de klokslag +van Leeuwarden. 2. Zuidertrindel, Wirdum, Swichchum, Goutum, Huizum, +Hempens en Teerns. 3. Noordertrindel, Steens, Finckum, Hyjum, Britsum, +Kornjum, Jelsum, Lekkum en Meedum. + +II. Ferwerderadeel, heeft 11 Dorpen, als, Ferwert, Hoogebeintum, Blyje, +Hallum, Marrum, Nykerk, Wanswert, Geenum, Jeslum, Reisum en Lichtaard. + +III. Westdongeradeel, heeft 14 Dorpen, als, Holwert, Tennaard, Wierum, +Nes, Hantumhuizen, (Raad, Bierum, Medent, Germerhuizen, Nyjenhuis, +zynde Gebuurten, maakende eene stem,) Jaure, Betterwird, Bornmerhuizen, +Bornwert, Raard, Foudgum, Brantgum en Waaxens. + +IV. Oostdongeradeel, heeft 13 Dorpen, als, Anjum, Engwierum, Ee, +Jouswier, Oestrum, Aalsum, Wetsens, Nyjewier, Nykerk, Paasens, +Ljuessens, Morre en Metselwier. + +V. Kollumerland, heeft 6 Dorpen, als, Kollumerswaag, Westergeest, +Oudwoude, Kollum, Lutkewoude of Ausbuer en Buerom. + +VI. Achtkarspelen, heeft 8 Dorpen, als, Surhuizen, Austynsga, +Harkma-opeinde, Droogeham, De Kooten, Op 't Wyzel, Buitenpost en +Lutkepost. + +VII. Dantumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Driesum, Wouterswoude, +Dantumerwoude, Murmelwoude, Akkerwoude, Rinsmageest, Sybrandahuis, +Janum, Birdaard, Roodkerk, Feenwouden en Swaagwesteinde. + +VIII. Tjietjerksterdeel, heeft 14 Dorpen, als, Wyns, Oudkerk, Oenkerk, +Giekerk, Ryperkerk, Tjietjerk, Suwoude, Hardegaryp, Bergum, Eestrum, +Oostermeer, Sumeer, Garyp en Eernwoude. + +IX. Smallingerland, heeft 7 Dorpen, als, Oudega, Nyjega, Opeinde, +Noorderdrachten, Suiderdrachten, Kortehem en Bornbergum. + +X. Idaarderdeel, heeft 8 Dorpen, als, Idaard, Æaegum, Roodahuizum, +Friens, Grou, Warrega, Warstiens en Wartena. + +XI. Rawerderhem, heeft 6 Dorpen, als, Rawerd, Yrnsum, Poppingawier, +Tersool, Sybrandabuert en Deersum. + + + + +II. WESTERGO. + + +Hier in zyn 8 Steden, namentlyk, Bolswert, Franeker, Sneek, Harlingen, +Staveren, Workum, D'r Ylst en Hindeloopen. 't Word verdeelt in +9 Grietenyen. + +I. Menaldumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Menaldum, Berlikum, Wier, +Beetgum, Englum, Marsum, Deinum, Boxum, Blessum, Dronryp, Schingen, +Slappeterp en 't Klooster Anjum. + +II. Franekerdeel, heeft 11 dorpen, als, Tjum, Hitsum, Achlum, Midlum, +Herbaajum, Doenjum, Boer, Ried, Peins, Sweins en Schalsum. + +III. Barradeel, heeft 8 Dorpen, als, Minnertsga, Firdgum, Tjiemaarum, +Oosterbierum, Sixbierum, Pytersbierum, Winaldum, Almeenum, nu meest +binnen de muuren van Harlingen, daar het haare stem heeft in de Kerk, +en 't Klooster Lidlum. + +IV. Baarderdeel, heeft 16 Dorpen, als, Jorwert, Weidum, Mantgum, +Schillaard, Oosterwierum, Bozum, Wiewert, Britsert, Oosterlittens, +Winsum, Baard, Huins, Lyons, Hilaard, Jellum en Beers. + +V. Hennaarderdeel, heeft 12 Dorpen, als, Hennaard, Ytens, Lutkewierum, +Oosterend, Hidaard, Wommels, Waaxens, Kubaard, Wielsryp, Baajum, +Spannum en Eedens. + +VI. Wonzerdeel, heeft 27 Dorpen, als, Aarum, Allingwier, Burgwert, +Kornwert, Dedgum, Exmorre, Engwier, Ferwoude, Greonterp, Gaast, +Hartwert, Hichtum, Hiezlum, Idzegahuizen, Kunswert, Ruigelollum, +Longerhou, Makkum, Pinsum, Parrega, Pyaam, Schettens, Schraad, Suerig, +Tjerkwert, Witmaarsum en Wons. + +VII. Wymertser- of Wymbritserdeel, heeft 28 Dorpen, dezelve worden +aangeteekent, als, Buitendyks: Oppenhuizen, Uitwellingerga, Jortryp, +Hommerts, Smallebregge, Woudseind, Ypekolsga, Indyk, Heeg, Gasmeer, +Nyjehuis, Santfirde, Oudega en Idzega. Binnendyks: Oosthem, Abbega, +Westhem, Wolsum, Nyland, Folsgaare, Tjaalehuizen, Ysbrechtum, Tirns, +Scharnegoutum, Goinga, Looienga, Gaau en Offingawier. + +VIII. Heemelumer Oudephert en Noordwoude, heeft 9 Dorpen, als, +Heemelum, Koudum, Warns, Scharl, Molkwarren, Oudega, Nyjega, Elahuizen +en Kouderwoude. + +IX. Het Bilt, heeft 3 Dorpen, als, St. Japikskerk, St. Annekerk en +L. Vrouwenkerk. + + + + + +III. ZEVENWOUDEN. + + +Hier in legt de Stad Slooten alleen. 't Word verdeelt in 10 Grietenyen. + +I. Uitingerdeel, heeft 6 Dorpen, als, Oudeboorn, Nes, Akrum, Terhorne, +Terkaple en Akmaryp. + +II. Engwerden, heeft 4 Dorpen, als, Gersloot, Tjaalebird, Luinjebird, +Ter Trebant met Bansterschans, en noch een gedeelte van 't Vlek +Heerenveen. + +III. Doniawerstal, heeft 14 Dorpen, als, Goingaryp, Broek, Austerhaule, +Nyjega, Oudouwer, St. Niklaasga, Doniaga, Tserkgaast, Itskenhuizen, +Leegemeer, Ter Oele, Indyken, Langweer en Bornswaag. + +IV. Hasscherland, heeft 6 Dorpen, als, Westermeer, Snikswaag, +Hasscherdyken, Nyjehassche, Oudehassche en Hasscherschorne. + +V. Schooterland, heeft 18 Dorpen, als, Hornsterswaag, Jubbega, +Schuerega, Oudehorn, Nyjehorn, Katlyk, Brongerga, Nybrongerga, +Melledam, Oudeschoot, Nyjeschoot, Rottum, St. Jansga, De Kleinegaast, +Haule, Roehel of Nyjega, Delfstrahuizen, Oudega en Uitdyken, en een +groot deel van 't Vlek Heerenveen. + +VI. Lemsterland, heeft 5 Dorpen, als, Lemmer, Eesterga, Follega, +Oosterzee en Echten. + +VII. Gaasterland, heeft 7 Dorpen, als, Wykel, Sundel, Nyjemardum, +Oudemardum, Mirns, Haarig, Ruigehuizen en 't Vlek Balk. + +VIII. Upsterland, heeft 13 Dorpen, als, Beets, Beetsterswaag, +Olterterp, Uereterp, Sygerswoude, Duerswoude, Wynjeterp, Hemryk, +Loppenhuizen, Wispel, Korteswaag, Langeswaag en Luxwoude. + +IX. Stellingwarf-Oosteinde, heeft 10 Dorpen, als, Oudeberkoop, +Nyjeberkoop, Makkinga, Donkerbroek, Haule, Oosterwoude, Fochtele, +Appelsche, Langedyk en Elsloo. + +X. Stellingwarf-Westeinde, heeft 20 Dorpen, als, Beuil, Noordwoude, +Finkinga, Steggerden, Peperga, Blesdyk, Nyjehoutpade, Oudehoutpade, +Wolvega, Sonnega, Oudetryne, Nyjetryne, Spangen, Scherpenseel, +Munnekebuuren, Oudelemmer, Nyjelemmer, Nyjehoutwoude, Oudehoutwoude +en Ter Idsert. + + + + Geschreven in slaavernye, en gegeeven + in April, in 't Jaar + onzes Heeren + 1678. + + + + + + + +BIJVOEGSELS EN AANTEEKENINGEN. + + +Bladz. 2. + + +Van den alouden staat onzer Provincie kan geene naauwkeurige +beschrijving worden gegeven, daar er niets dan onzekere berigten en +velerlei uiteenloopende gevoelens tot ons zijn overgekomen. Op eenigen +goeden grond echter mag men besluiten, dat omstreeks de vijfde eeuw +onzer jaartelling Friesland zich van Vlaanderen tot de Elve heeft +uitgestrekt, en hetzelve noordwaards den Eiderstroom tot grensscheiding +had, waardoor dan ook de kustbewoners aan deze rivier, nog heden +ten dage van den naam des Lands, dien van Strandfriezen dragen. Dat +Vlaanderen tot Friesland behoord hebbe, zoo als meermalen is beweerd, +valt zeer te betwijfelen, want aldaar was de grensscheiding. + +Onder Koning Radboud I, en later nog ten tijde van Karel den Groote, +vinden wij de uitgestrektheid van dit Gewest van het land van Katzand +af, tusschen de rivier Sincfal of Zwene (de Suin of Zwin) bij Sluis +[105], tot aan de Elve: de Waal scheidde het van het gebied der +Franken af en de Wezer was tot oostelijke grenspaal gesteld. Al de +landen dus aan de oevers der Noordzee, van het Hertogdom Bremen tot +aan Vlaanderen, maakten het oorspronkelijk en overwonnen gebied der +Friezen uit: het oorspronkelijk of oud Friesland lag tusschen de Eems +en het Vlie langs de Noordzeekusten. Van de Eems tot den Wezer en aan +geene zijde van het Vlie, met een groot deel binnenlands tot aan het +Zwin, was overheerd land. Ook de eilanden tot den mond van de Eems +behoorden den Friezen, doch geenszins Helgoland, zeer verkeerdelijk +voor Radbouds zetel gehouden. + +Weinige jaren voor 's Heilands geboorte, werden de Friezen, tusschen +de Eems en het Vlie wonende, de Groote Friezen, en die tusschen het +Vlie en den Rijn de Kleine Friezen genaamd. De eersten bewoonden +dus gedeelten van Gelderland, Overijssel, Drenthe en het Gooiland, +alsmede de streken beoosten de Zuiderzee en de rivier Flevo tot aan +de Eems toe: de laatsten een gedeelte van Rijnland, Kennemerland, +Amstelland en Noord-Holland. Daarna werden deze West-Friezen en gene +Oost-Friezen geheeten. Een aantal kleine volken van Germaanschen en +Gallischen of Frankischen oorsprong hadden de Friezen tot naburen. + +Te dien tijde, eenige jaren namelijk voor Christus geboorte, toen +de Opperbevelhebber Claudius Drusus Nero, stiefzoon van den Keizer +Augustus, ook Friesland onder de magt der Romeinen wilde brengen, lag +tusschen West-Friesland (Noord-Holland) en het tegenwoordig Friesland +het groote meer Flevo. Het Graafschap Staveren beoosten het Vlie, +wiens uitwatering eerst tusschen Texel en Vlieland, daarna tusschen +Vlieland en Terschelling plaats had, paalde aan Noord-Holland. Het +eiland Flevo, door de verdeelde armen van het Vlie omvat, lag ter +plaatse alwaar nu de zandplaat Bree-sand zich bevindt. Uitgestrekte +bosschen lagen in den omtrek der stad Staveren, thans allen in zee +verzwolgen. De kleine rivier de IJssel liep in 't meer Flevo, hetwelk +na de door Drusus gemaakte vereeniging van den Rijn met den IJssel, +door verschillende stroomen zich in de Middelzee ontlastte [106]. Deze +zee besloeg een groot deel van het noorden der Provincie, scheidende +Oostergo en Westergo, haren loop nemende door de Grietenijen Barradeel, +Idaarderadeel, Hennaarderadeel, Rauwerderhem tot in Wijmbritseradeel, +eindigende bij Bolsward en Sneek. Bij de stad Uitgong, welligt nabij +Berlikum had zij hare uitwatering in de Wadden, en voorts tusschen +Terschelling en Ameland in de Noordzee. + +Wij geven geene meer bepaalde beschrijving van den alouden staat der +Provincie, maar verwijzen den Lezer tot de breedvoeriger behandeling +hiervan te vinden in Winsemius, Schotanus, Emmius, F. Sjoerds, +bijzonder het kort overzigt in den Tegenwoord. Staat van Friesland +I deel, en over de Groote en Kleine Friezen de Aanteekeningen van +Siccama op de Lex Frisionum pag. 137 seq. Men vergelijke hierbij +hetgeen door den heer Westendorp in zijn Jaarboek van en voor de +Provincie Groningen, en door Bilderdyk in het 1 deel van zijne +Geschiedenis des Vaderlands (bepaald op bl. 18 en 251 volgg.) met +betrekking tot de oude Historie is geboekt:--als ook de Geschiedenis +der Nederlandsche Taal van den Hoogleeraar A. Ypeij, II. 106, +die aldaar en elders belangrijke bijvoegsels geeft tot den alouden +staat van Friesland betrekking hebbende.--Over de Middelzee, hare +grenzen en uitgestrektheid bevelen wij zeer aan de Bijdragen tot de +Geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland, door P. Brouwer +Pz. en W. Eekhoff [107]. Zie voorts de Inleiding van mijn Tafereel van +den Watervloed in Friesland. Wij voegen hierbij nog de aanmerking, ook +door anderen gemaakt, van den Ridder Scheltema, voorkomende in zijne +als nog onuitgegevene Geschiedenis der Zuiderzee, dat in vorengemelden +tijd welligt het Gooiland in Holland en Gaasterland in ons Gewest +aaneengehecht waren, verdienende het bijzondere opmerking dat de +grondgesteldheid gelijk is, en aan beide zijden de einden van eene +hooge aardrigchel, in Holland de Muiderberg en bij Staveren het Klif, +aanwezig is; even als de afgebrokene en tegen over elkander liggende +Krijtbergen in Frankrijk en Engeland zouden bewijzen dat eertijds +hier geene scheiding bestond. Waarschijnlijk stroomde er toen nog +geen zout water binnen den kreits der duinen van Terschelling af tot +aan den uitloop der Maas.--Belangrijke opmerkingen deelt de kundige +F. Arends ons mede in zijne Geschiedenis der Noordzeekusten, in welke +hij de veranderingen beschrijft, welke die kusten door stormvloeden, +gedurende een tijdvak van tweeduizend jaren hebben ondergaan [108]. + + +Bl. 2.--Ao 313. + +Wat betreft de heerschappij der Prinsen, Hertogen en Koningen +over Friesland, van den jare 313 voor Christus geboorte tot 773 of +775 jaren na dezelve, waarvan de korte beschrijving in de eerste +drie hoofdstukken dezer kronijk begrepen is, daarin komt zeer veel +onwaarschijnlijks en fabelachtigs voor, zoodat wij niet gaarne op het +gezag van deze en andere Geschied- en Kronijkschrijvers alles voor +goede munt zouden aanprijzen: alles evenwel te verwerpen, gelijk ook +door Friesche Schrijvers-zelve geschied, is evenmin raadzaam. Men leze +en overwege hier naauwkeurig wat de geleerde Baron thoe Schwartzenberg +en Hohelansberg, in de uitmuntende Voorrede voor zijn Charterboek +(vooral I. D. bl. 16 en 17), een geschrift, even nuttig als het +boek-zelf, op dit punt zegt, en aan wiens gevoelen wij eene hooge +waarde hechten. Het was voor den geleerden Emmius en in navolging +van hem voor Foeke Sjoerds en den schranderen van Rhyn, die evenwel +hier en daar niet zoo gestreng is, niet moeijelijk, het gezag van +andere Schrijvers te verwerpen, en, wat niet met krachtige bewijzen +gestaafd konde worden, voor fabels te verklaren. Maar men brenge ook +de meeningen van den Baron van Schwartzenberg ter toetse, en het lijdt +geen' twijfel, of de oordeelkundige Lezer zal, even als wij, tot de +uitkomst moeten komen, dat het gevoelen der eerstgemelden aan gewigtige +tegenbedenking is onderworpen. Het groote en altijd herhaalde argument, +waarom wij toch zoo weinig bij de Romeinsche Schrijvers van alles, +wat de kronijken bevatten, vinden, zal toch wel niet als voldoende +kunnen worden beschouwd:--dan het is hier niet de plaats, daarover +verder uit te weiden, liever willen wij hier invoegen wat de zeer +verdienstelijke Oudheidkundige N. Westendorp, in zijn Jaarboek van +en voor de Provincie Groningen (I. 21 volgg.), op dit onderwerp zegt: + +»De Vriesche jaarboeken beginnen de lijst der Vriesche koningen en +vorsten reeds van vóór den tijd van 's Heilands geboorte af. Alhoewel +wij ons geenszins met zekerheid op de berigten dezer verzamelaars, +ten aanzien dier opvolgingen, durven en willen verlaten; nogtans +deelen wij gansch niet in de twijfelzucht van Emmius en van anderen, +welke hem gevolgd zijn. Vooreerst zijn er geene redenen, om zoo +ten eenenmale de geloofwaardigheid van Cappidus Staurensis, geleefd +omtrent 920, van Occo Scharlensis, welke begon te schrijven in 903 en +zulks vervolgde tot 970, van Johannes Vlieterpius, Schrijver van den +potestaat J. H. Martna en der gemeene Landsregteren, die Occo's kronijk +grootendeels uit het H. S. vertaalde en hier en daar vermeerderde +(1370), van M. Alvinus (1400), van Andreas Cornelius, overleden te +Harlingen in 1589, van Corn. Kempius (1588), van Vorperus Taboritha, +Suffridus Petri, Mart. Hamconius (1624), van Bernh. Gerbr. Furmerius +(1613), en van meer anderen, te verwerpen. Trouwens de Vriezen +hadden weleer hunne barden en bardengezangen: zoo hoorde nog de +bisschop Ludger, eenen Vrieschen bard de daden der vroegere tijden +bezingen. Andr. Cornelius is ook in mijn oog een achtingwaardig +Schrijver. Deze verhaalt in de voorrede van zijn werk, dat Vlieterp +in eene zeer lange voorrede berigtte, dat Occo Scharlensis in de +voorrede van zijn werk in het breede had ontvouwd, hoe zijn oude oom +Solcko Forteman het leven der Vriesche koningen, prinsen en heeren, +die van het begin af in Vriesland hadden geregeerd, ten tijde van den +laatsten Vrieschen koning Radbod naauwkeurig beschreven had: over welk +geschrift hij door dien koning zeer was vervolgd geworden. Schoon nu +dit opstel te dien tijde op koninklijk bevel was verbrand geworden, +nogtans waren al zijne overgeblevene schriften en boeken in handen +van Occo gekomen, door middel van Gatje Takama (zijnen vader), welke +er vele fragmenten en schoone stukken betrekkelijk Vriesland onder +gevonden had. Deze schat bewoog hem, om alles te verzamelen, wat +overgebleven was, en wat hij wist. Volgens getuigenis van Suffridus +Petri, zouden de bouwstoffen tot het werk van Alvinus uit zoodanige +oude liederen genomen zijn. Daarenboven heeft S. Petri toegang +gehad tot alle kloosterkronijken en kloosterpapieren van Vriesland, +waardoor hij in de gelegenheid was, om meer ontwaar te worden dan +anderen. Ook vinden wij er geene de minste tegenstrijdigheid in, dat +de Vriezen, even gelijk de Kymry in Wallis en de Galen in Ierland, +hunne geschiedenis aan de bardenorde toevertrouwden, en dat deze +ook hunne Taliesins gehad hebben. Bij de Kymry en de Ieren zijn +deze liederen nog grootendeels behouden, en dalen mede tot vroegere +tijden terug. De Vriesche berigten, hoezeer vermengd met dichterlijke +bijvoegselen en met aanvullingen van verschillenden aard, verdienen +waarlijk de aandacht van onderzoeklievende mannen" [109]. + +Betrekkelijk den oorsprong der Friezen vinden wij bij Grieksche noch +Romeinsche Schrijvers eenige voldoende berigten, uit hoofde zij hun +gezag van den aanvang niet in deze oorden gevestigd hebben. Over +de benaming en aanvankelijke regeringsvorm zijn ook verschillende +meeningen te berde gebragt. Het gevoelen ten dezen van den heer +Mr. A. van Halmael Jr. ook het onze zijnde, nemen wij hier over, +hetgeen in zijn beknopt Overzigt der Friesche Geschiedenis [110] +is vermeld: + +»De oorsprong van de namen Friezen en Friesland heeft met dien van vele +andere volkeren en landen dit gemeen, dat hij hoogst onzeker is. Even +onzeker schier is het te bepalen, op welke wijze het land in de oudste +tijden is geregeerd geworden; of er één enkel persoon aan het spits +der regering stond, en zoo ja, welken naam hij droeg. Ook naar de +uitgestrektheid van het land, hetwelk den naam van Friesland droeg, +en naar de gedaante van hetzelve, kan men weinig meer dan gissen." + +»Het komt ons echter, wat het eerste betreft, niet onwaarschijnlijk +voor, dat de naam van Friezen niet anders dan vrijen heeft beteekend, +welken naam dat gedeelte der Germaansche of Duitsche volkeren, +hetwelk het eerst Friesland tot woonplaats verkozen heeft, zal hebben +aangenomen, ten einde zich daardoor te onderscheiden van andere +stammen, die misschien minder naijverig waren op hetgeen zij Friezen +verstonden onder vrijheid,--volkomen onafhankelijkheid van allen, +die niet tot hunnen eigenen stam behoorden, of tot de genen welke +zij daarin goedvonden aan te nemen" [111]. + +»Wat der Regering betreft, één persoon schijnt aan het hoofd der +Friezen gestaan te hebben; niet evenwel zonder, in openlijke +aangelegenheden, den raad der Wijsten, dat is Oudsten zijner +landgenooten, in aangelegenheden van algemeen belang, de meening van +het geheele volk ingenomen, en dien van de meerderheid gevolgd te +hebben. Het komt ons wijders niet onaannemelijk voor, dat die ééne +persoon, meerder uitvoerder van 's volks wil dan eigenmagtig gebieder, +maar ook in de uitvoering ongebonden, den naam van Koning droeg, +welken naam wij, naar de afleiding des woords, meenen aangeduid te +hebben: den eersten man van het eerste (d. i. mannelijk) geslacht, +eens heerschenden volks." + +»Daarmede willen wij echter niet geacht worden, de geheele rij +der zeven eerste Koningen (in kronijken Prinsen genoemd), der zeven +Hertogen en der negen, dezen wederom vervangen hebbende Koningen, welke +alle door onze kronijkschrijvers met name genoemd worden, te erkennen." + +»Ook gelooven wij niet dat de oppermagt der Vorsten erfelijk was, +althans niet in de eerste tijden, hoewel meestal de zoon eens konings, +over wiens bewind het volk tevreden was, hem zal opgevolgd zijn." + + + +Er bestaan over den oorsprong des Frieschen volks eenige overleveringen +en sagen uit den overouden tijd, in welken de geschiedkundige waarheid, +met de noodige versierselen en verdichtselen, werd gehuld en bewaard +gebleven is: jammer maar dat het en door den geest der vroegere +tijdperken, en door de wijze der overlevering zoo moeijelijk is +geworden waarheid en fabel van elkander te schiften. Alles komt +echter op dit punt neder, dat de Friezen geene aborigenes, dat is +inboorlingen van Friesland waren, maar over zee naar deze landstreken +waren aangekomen om dezelve te bevolken [112]. Wij willen kortelijk uit +de geschiedenis enigen dier sagen en volksvertellingen bijeenverzamelen +en mededeelen, dewijl onze kronijk slechts van eene enkele gewaagd. + +Naar het gevoelen van Joachim Hopper zouden de Friezen afkomstig zijn +van de Hijperboreische volkeren, van wien zij hunne taal, godsdienst +en zeden hadden ontvangen [113]. + +Cornelius Kempius verhaalt dat een Karthuizer, genaamd Reinerus de +Friezen deed afstammen van een aantal Joden, die door Vespasianus +na de inneming: van Jeruzalem in 't leven gespaard, uit het Joodsche +land verdreven en herwaarts in ballingschap gezonden waren. »Doch de +goede man (zoo zegt Van Rhyn [114]) moet Tacitus en andere schrijvers +niet gelezen hebben, die hem zouden onderricht hebben, dat de Vriezen +hier al woonden omtrent de tijden van Christus,"--dus voor Jeruzalems +verwoesting [115]. Deze overlevering hoorde ook bij de oude Pruissen +te huis, wier voorouders door Salmanzar uit het Joodsche land waren +verdreven [116]. + +Van Frankischen oorsprong schijnt navolgende sage door Joannes +Trithemius, in navolging van Hunibaldus, geboekt in zijne geschiedenis +der Frankische koningen. Frisius was de zoon van koning Coglio; +deze werd met toestemming aller Franken Koning van Friesland, doch +aan deze keus verbonden zij de voorwaarde, dat hij en alle zijne +opvolgers met hunne onderdanen onder de Franken zouden staan, en tot +schatting jaarlijks tweehonderd en zestig koeijen leveren: daarenboven +waren zij verpligt als getrouwe vrienden en bondgenooten der Franken, +dezen in alle oorlogen bij te staan. De Friezen nu zouden, volgens +het beweerde van verschillende schrijvers [117], van dezen Koning den +naam gekregen hebben. Ook dit verhaal wordt door de geschiedschrijvers +van lateren tijd verworpen, daar de Franken toen nog niet als magtig +volk zouden hebben bestaan, maar eerst driehonderd jaar na Christus +geboorte.--Het is echter vrij zeker, dat het Frankisch gezag reeds +zeer vroeg bij de Friezen heeft geheerscht; zelfs de benaming dezer +beide volken wordt vaak verwisseld. Deze geheele sage zal echter van +later dagteekening zijn dan anderen [118]. + +Hubertus Thomas, een Luikenaar, schreef een boek over de Tongren en +Eburonen, waarin hij met kracht van redenen betoogde, dat de Friezen +uit de oude Phrygeers of Trojanen herkomstig waren, welk gevoelen ook +anderen aankleefden [119]. Grunus, een voornaam Trojaan onder hen, had +Groningen gebouwd, het gewest Frisia en dus het volk met den naam van +Friezen gedoopt. Vierhonderd drie en dertig jaren voor Christus waren +deze Trojanen, onder Marcomir, in Duitschland bij de Saksen gekomen en +naar den zeekant afgezakt [120]. Tot een vernuftig bewijs van zijne +stelling brengt Thomas bij, dat het stedeken Ylst niet Elostum, zoo +als sommige Latijnen zeggen, maar Iliacum, dus genaamd naar Ilium, +heeten moet, en dat Aschendorp in Groningerland, naar den befaamden +Ascanius ook den naam Ascania heeft gedragen.--Dit verhaal schijnt +van Oud-Duitsche geboorte te zijn [121]. + +Eggerik Beninga beschrijft in zijne Oost-Friesche Kronijk [122] +den oorsprong der Friezen ook op deze wijze. Ten tijde dat Samuel +regter over de kinderen Israels was, nadat de wereld 2860 jaren had +gestaan, was er een koning van Assyrien, Diedictus genaamd, wiens +gemalinne Albiona bij het volk in kwaad geruchte stond. Op zekeren +tijd liet zij alle hare zusters, twee en dertig in getal, en allen aan +koningen, vorsten en groote heeren door den echt verbonden, bij zich +komen, en, zich niet langer door hare mannen willende laten regeren, +sloten zij in 't geheim een verbond, dat elk zijnen echtgenoot zou +om het leven brengen en dan zelve het bestuur in handen nemen. Maar +de zamenzwering werd ontdekt en tot straf werden de 32 zusters, +met al de medepligtigen, in een schip zonder roer en zeilen gezet +en zoo voor wind en stroom aan de willekeur der woeste golven prijs +gegeven. Na lang omzwervens kwamen zij ten laatste aan een onbewoond +eiland, hetwelk zij, naar den naam der oudste zuster Albion noemden +en langen tijd bewoonden. Uit deze zusters werd het groote en wreede +reuzengeslacht geteeld, dat door Brutus is verslagen en op de vlugt +gejaagd, welke vlugtelingen de Noordzee opstevenden en naar een +nieuw vaderland zochten. Dus aan de Friesche kust gekomen, namen zij +dit land ten deele met geweld in, en zetten zich er neder. Brutus, +nu Heer van Albion, herdoopte het eiland in Brutannien en liet de +stad Londen bouwen, dan ook hij werd op zijnen tijd weder verdreven +door het geweld der Friesche koningen Engistes en Horses.--Zoo ver +Beninga.--In Westendorp's Kronyk wordt verhaald, dat de gevlugte +reuzen, bij hunne aankomst aan den Frieschen wal, onvermoeds door +de ingezetenen des lands verdreven zijn, de Maas zijn opgevaren en +Slavenburg hebben gesticht.--Zoodat volgens dit verhaal dan reeds +het land bevolkt was [123]. Deze overlevering schijnt op de Kelten, +de oudste bewoners van Brittannien te slaan. + +In bijna al de geschied- en kronijkschrijvers, zoo als ook in de onze, +vinden wij de volks-overlevering, welke ook in den Frieschen geest +geheel gestemd is, van de overkomst der drie gebroeders Saxo, Bruno en +Friso [124] vermeld, en wel van verschillenden vorm en inhoud. Vooral +wat betreft de afkomst van den stamvader Friso, daarover is een groot +verschil. De een maakt hem tot een Jood, de ander tot een Macedonier, +velen tot een Indiaan. Sommige oude schrijvers hebben de waarheid van +deze overlevering niet alleen niet in twijfel getrokken, maar die +tegen anders denkenden met hand en tand verdedigd. B. Furmerius en +vooral Suffridus Petri hebben zelfs, (de laatste in zijne Apologie) +Ubbo Emmius en anderen, die dit verhaal voor eene fabel verklaarden, +voor dwarsdrijvers, slechte recensenten en vijanden des vaderlands +verklaard. Andere Friesche schrijvers, even als Emmius, verwerpen het +ook geheel, maar de meesten zijn ook getrouwe navolgers, ja zelfs +naschrijvers en napraters van Emmius, die als de God der Historie +werd aangebeden. Het valt niet te ontkennen, dat zijn geschiedboek +groote waarde heeft, doch ook onvoorwaardelijk in zijne twijfelzucht +te berusten is niet het veilig midden kiezen. + +Uit hoofde men deze sage overal vindt, zullen wij dezelve in zijn +verband niet herhalen, evenmin als de geschiedenis der zeven zonen +van den Frieschen Aartsvader Friso, die de volkplanters in Jutland, +Hessen en Schotland zijn geweest. Men vindt een beknopt verhaal +hiervan in het Nabericht op Vriesland van van Rhyn [125], dat altijd +waardig is gelezen en herlezen te worden. Daarin wordt ook vermeld +hoe de West-Friezen, Keulenaars, Frisiabonen of Nieuwe Friezen, +Zwitsers en Graubunders, Franken, Strand-Friezen en Eiderstedders, +uit de oude Friezen zouden herkomstig zijn; terwijl zij ook in +Oud-Engeland of Brittannien, Ethiopien en Chili in Amerika, zich +zouden hebben voortgeplant. Van de vermelding ten tweede male der +Helvetiers of Zwitsers uit de Friezen gesproten [126], ten tijde van +den Potestaat Magnus Forteman is eene geheel verschillende lezing +in de Corte Chronyck van Sybe Jarichs [127], welke zegt, dat de +Friezen die onder Forteman tegen de Romeinen waren opgetrokken, op +den terugtogt ten deele in Lombardijen en Italien metter woon waren +gebleven, door een hoop volks meestal gedood werden, zoodat er maar +weinigen ontkwamen. Dezen nu zwierven op bergen en in dalen rond, +tot dat zij in Zwitserland gekomen, aldaar zich huizen hebben gebouwd +en een gedeelte lands bevolkt. + +Menso Alting beweert, dat de Friezen van een en dezelfde afkomst zijn +als al de Overrijnsche volkeren. Het voorgeven, dat zij uit Phrygien, +of de Indien herwaarts zijn gekomen, acht hij voor zottengeklap en eene +lange reeks van leugens [128]. Hoezeer eene geheele vergelijking van al +het geschrevene over dit onderwerp, met een naauwkeurig oordeelkundig +onderzoek gepaard, een moeijelijke arbeid ware, en hoe bezwaarlijk +men ook welligt meerder licht in dezen ontvangen zou, was echter de +beproeving daarvan, en eene wijsgeerige beschouwing van alle nog +voorhanden zijnde werken en geschriften der moeite overwaardig en +een zeer verdienstelijk werk. Er is nog zoo veel aanwezig, geschikt +tot bruikbare bouwstoffen, hoezeer dan ook de vernielingswoede vele +belangrijke Charters voor altoos hebbe vernietigd, ja zelfs vele +gedenkstukken der oudheid door zorgelooze onnoozelheid het droevig lot +hebben moeten ondergaan van over de zeepalen te worden geworpen, en +welligt hun graf hebben gevonden in de diepte dier golven, welke over +de verzonken grondvesten der aloude Friesche Koningsstad henenrollen, +even als of men ook de laatste getuigen des voorvaderlijken roems in +hetzelfde graf voor eeuwig wilde begraven. Wenschelijk ware eene meer +algemeene belangstelling in het lot der Historie en in den goeden wil +dier Schrijvers, welke zonder zelfverheffing of eerbejag slechts hun +vaderland en de wetenschappen willen dienen, wier doel en handeling +niet door gloeijende eerzucht of geldgewin worden bestuurd. + +Wij willen hiermede over alles wat den oorsprong der Friezen betreft +afstappen [129]. + + + +Het ligt geheel buiten ons bestek, alles te verzamelen en te vermelden +wat door de geschiedschrijvers al niet geboekt, geoordeeld en gegist +is over het hoogst onzekere tijdvak van de eerste bewoners dezer +Friesche landen, tot op de geboorte van Christus Dit behoort tot +eene volledige Geschiedenis der Friezen; dan met eenige meerdere +zekerheid kunnen worden vermeld, de gebeurtenissen van de komst van +den Veldheer Drusus in Friesland af tot aan de heerschappij van +Karel den Groote. Wij willen derhalve overnemen, hetgeen de heer +van Halmael in zijn zeer belangrijk Overzigt over dit tijdvak heeft +geschreven [130], in hetwelk men natuurlijk wel overeenkomst met de +kronijken, maar tevens ook vele afwijkingen van sommiger stellingen +zal ontdekken. Er heerscht echter over deze tijden ook nog eene vale +schemering, zoo geene duisternis; want de eerste Friesche Koning, wiens +naam en handelingen met genoegzame zekerheid kunnen worden vermeld, +heeft geregeerd in de zevende eeuw en heeft den troon beklommen omtrent +590 of 630. Adgillus de Eerste was die Vorst: wie echter zijn vader +was, daarover hebben de geleerden het niet eens kunnen worden. + +Nu volgt het Overzigt: + + +§ 2. + +»Elf jaren voor Christus geboorte, vertoonde zich de veldheer +der werelddwingende Romeinen, Claudius Drusus Nero in het land der +Batavieren. Men zegt, ten einde de Germanen of Duitschers te straffen, +die in de landen, aan hunne grenzen liggende, en onder het oppergebied +der Romeinen staande, geplunderd hadden. Hij begaf zich langs den Rijn +in den Oceaan, ten einde de monden Van de Eems en Wezer te bezoeken, +tusschen welke de Cauchen of Chauken toen woonden. Aan hunne grenzen +raakte hij in groot gevaar, doch de Friezen, met welke hij bevorens +in een vriendschappelijk verbond was getreden, redden hem." + +»Een jaar later deed hij eene gracht graven, waardoor hij van den Rijn, +door den Ouden IJssel in het meer Flevo komen konde. Van daar konde hij +door de Middelzee en verder over de Wadden, in de Eems geraken. De +Friezen verbonden zich, waarschijnlijk omdat hij hun beloofde, +dat de Romeinen hen bijstaan zouden tegen hunne, immer onrustige, +Germaansche naburen, tot het jaarlijks leveren van een bepaald aantal +ossenhuiden. Ook schijnt hij ter hunner bescherming een kasteel, aan +de Noordzee te hebben aangelegd. Dat kasteel almede Flevo of Flevum +genoemd, plaatsen de oudheidkundigen op het tegenwoordig eiland Grind, +thans eene schulpplaat, niet verre van Terschelling. Daaruit kon de +Romeinsche bezetting spoedig de Eems bereiken [131]." + + +§ 3. + +Jaren na Chr. 29. 48. + +»Met de goede trouw, die van oudsher de Friezen kenschetste +(gelijk de Germanen over het algemeen), voldeden zij eenige jaren +aan hunne verbindtenis, en wel tot aan of in het jaar 29 na Christus +geboorte. Den Romeinschen veldheer Germanicus schijnen zij bijgestaan, +en zelfs zijn leger eenmaal eene groote dienst bewezen te hebben, +met hem zekere plant, door de Romeinen Brittenkruid genaamd, +ter heeling van de scheurbuik aan te wijzen [132]. In gemeld jaar +eischte zekere Olennius, een Romein, die met eenig bevelhebberschap, +misschien wel met dat van het kasteel Flevum, en met het invorderen +der zoogenaamde schatting belast was, eene soort van huiden, welke +zij, evenmin als de waarde van dien, leveren konden. Zij lieten +zich eerst daarvoor hunne ossen, toen hunne landerijen, eindelijk +hunne vrouwen en kinderen tot slaven afnemen, hopende dat men hunne +bereidwilligheid ziende, hun geregtigheid zou doen wedervaren. Maar, +het zij de klagten der armen het oor des Keizers niet bereiken konden, +het zij de Keizer zijne prefecten toeliet in het klein te plunderen, +gelijk hij-zelf in het groot deed, zij vonden geen gehoor, en begonnen +den regvaardigsten krijg. Zij grepen en doodden de hen kwellende +knechten, en belegerden Olennius in de Romeinsche sterkte. Wel moesten +zij het beleg opbreken, omdat er een aantal Romeinsche benden ter +ontzet naderde, alles onderwegen plunderende en verwoestende; doch, +ofschoon de Romeinen, volgens het zeggen hunner geschiedschrijvers, +hen, evenwel niet zonder aanvankelijke nederlagen en groot verlies, +overwonnen, zij schijnen hunne vrouwen en kinderen, en hunne landerijen +toch terug bekomen te hebben, en waarschijnlijk zijn zij zelfs wel +van Romeinen en schatting ontslagen geworden, of ontheven gebleven." + +»Althans men vindt niet weder van Romeinen hier te lande gewag gemaakt, +dan omtrent twintig jaren later. Toen, heet het, hebben de Friezen zich +aan den veldheer Corbulo onderworpen. Hij leidde weder krijgsbezetting +in Friesland, en stichtte er eene sterkte, zoo sommigen meenen ter +plaatse, waar nu Groningen ligt. Doch hij moest die bezetting welhaast +terugtrekken, op bevel van zijnen toenmaligen Keizer, Claudius, die +den Rijn tot grens des Rijks bepaalde:--van eenige schatting wordt +te dier gelegenheid niet gesproken." + + +§ 4. + +J. na Chr. 59. + +»'t Schijnt evenwel dat de Friezen, wier naam, sedert het gebeurde +met Olennius, reeds onder de Germanen doorluchtig was geworden, +bondgenooten der Romeinen gebleven zijn.--Toen toch, eenige jaren +later, een deel der Friezen, onder aanvoering van Verritus en Malorix +[133], die men daarom niet voor Friesche Koningen behoeft te houden, +zich op eene ledige plek gronds, denkelijk aan den linker Rijn-oever +nedersloegen; toen daarop de Romeinsche gezaghebber in dien oord +hun aanzeide, dat zij die weder verlaten moesten, ten zij de Keizer +hun toestond, haar in te nemen, begaven Verritus en Malorix zich, om +'s Vorsten toestemming te verkrijgen, naar Rome. Daar bragt men hen +in den schouwburg; zij zagen er de gezanten der volkeren, die gezegd +worden in trouw en liefde voor Rome uit te munten, op de banken der +Romeinsche Raadsheeren zitten, dat een eerbewijs heette. Daarop begaven +zij zich derwaarts, en zetten er zich insgelijks neder, zeggende: +dat geene stervelingen de Germanen in wapenen of trouw overtroffen. De +Friesche rondheid behaagde zelfs den wellevenden Romeinen." + + +§ 5. + +J. na Chr. 240, 350, 418. + +»Het komt ons voor, dat de Friezen, bij vervolg van tijd, nu eens +de zijde der Romeinen zullen gehouden hebben, in de oorlogen, +welke dezen bij voortduring tegen de Germaansche volkeren voeren +moesten; dan weder, zich met de laatstgemelden tegen de Romeinen +zullen vereenigd hebben. Van het laatste vinden wij een bewijs in +den bekenden oorlog, door de Batavieren, onder Claudius Civilis, +tegen hunne onderdrukkers ondernomen. Ook kan het zijn, dat zij +somtijds inderdaad aan hen onderworpen geweest zijn; doch zij raakten +eindelijk buiten alle betrekking tot dezelven. Gedeeltelijk voorzeker +reeds, toen onderscheidene Germaansche volkeren, onder den naam van +Franken, omtrent het jaar 240, vereenigd, zich ruim honderd jaren +later, vestigden in Taxandrie, waardoor men het voormalig eiland +der Batavieren met de zuidelijk daaraan grenzende landen, en een +gedeelte van Braband, misschien ook Zeeland moet verstaan.--Voor zoo +verre zij zelven, of althans een gedeelte hunner, tot dat verbond +behoord mogten hebben, en onder de Saliers mogen gerekend zijn, +zijn zij nogtans zekerlijk vrij en onafhankelijk gebleven, en dien +Franken niet onderworpen.--Geheel echter, toen die zelfde Franken, +nog ongeveer honderd jaren later, een koningrijk in Gallië, het +tegenwoordige Frankrijk, stichteden, hetgeen Rome erkende. Rome, dat +Rijk, hetwelk intusschen door zijnen opperheer, Theodosius den Groote, +in twee Keizerrijken, het Oostersch, hoofdstad Constantinopolen, en +het Westersch, hoofdstad Rome, was gesplitst geworden, en onder zijn +eigen gewigt bezweek, gelijk alle Staten zullen doen, die, als Rome, +naar de opperheerschappij der wereld trachten;--o troostrijke leer +der Geschiedenis!" + + +§ 6. + +J. na Chr. 62, 68, 90, 183, 186. + +»Als men het gezag onzer kronijken niet geheel wil verwerpen,--en het +zoude zoo ondienstig voor de beoefening der geschiedenis als onbillijk +jegens onze voorvaderen gehandeld zijn, indien wij het deden,--leden +de Friezen intusschen menigen aanstoot van de Noordelijker en +Noord-oostelijker volkeren, onder onderscheidene namen, maar vooral +onder dien van Deenen in gemelde schriften voorkomende. + +Reeds op het jaar 62, wordt van zulk eenen inval der Deenen in +Friesland gesproken, en jaarlijks schijnen zij, tot in 68, hunne +pogingen te hebben herhaald, meer om te plonderen, dan om zich hier +te vestigen. Op het jaar 90 vindt men van eenen inval der Noormannen +gewaagd. Omtrent 183 van eenen dergelijken der Gothen en Wenden. Op 186 +van eenen der Wilten, welke bij die gelegenheid de eerste grondslagen +van Wiltenburg, naderhand de stad Utrecht, zouden gelegd hebben [134]. + +Zijn er inderdaad zulke invallen, bloot met oogmerk te plunderen, +geschied, dan mag men daaruit afnemen, dat deze landen minder arm dan +voorheen waren. De netten van eenige visschers, en het weinige vee +van eenige arme landbouwers, kunnen toch de roofzucht van tamelijk +afgelegene volkeren niet, bij herhaling, hebben aangelokt; en wanneer +het waar is, dat men hier, op zijne beurt zich bereidde tot eenen +zeetogt naar de landen dier lastige plonderaars (welken togt, uit +hoofde van een getroffen bestand, achterwege bleef), schijnt zulks +eene regering aan te kondigen, die niet geheel van magt en veêrkracht +ontbloot was. Doch wij zullen hier niet verder in treden, omdat onze +bronnen niet zekerder en naauwkeuriger zijn [135]." + + +§ 7. + +Jaren na Chr. 280, 449. + +»Inmiddels hadden ook de Saksen zich van een gedeelte van +ons tegenwoordig Nederland meester gemaakt.--Dit volk, welks +oorspronkelijke woonplaats men denkelijk in het tegenwoordige Sleeswijk +en Holstein, over de Elve, langs de Noordzee, en op de eilanden aan de +kust dier zee moet zoeken, schoon het sedert lang zich westwaarts had +uitgebreid, kwam, waarschijnlijk over zee, eerst in Taxandrie (verg. § +5), en trad in verbond met de Franken, die hen de bezette landstreek +behouden lieten. Toen de Franken zich zuidelijker op begaven, hebben +de Saksen meerderen hunner landgenooten tot zich gelokt, en zich +meer en meer van de Franken afscheidende, en een gedeelte hunner +vorige woonplaatsen bezettende, eenen Staat op zich zelven gaan +uitmaken. Franken, Saksen en Friezen, waarin de kleindere natien, +die voorheen ook dezen grond bewoonden, versmolten waren, wat met +name van het overschot der voormalige Batavieren mag gezegd worden, +die zich met de Friezen vereenigd hebben;--Franken, Saksen en Friezen +bezetteden alzoo het grootste deel van het tegenwoordige Frankrijk +en onze Nederlanden, en naarmate de Saksen hunne vorige woonplaatsen +verlieten, hebben de Friezen zich daarin uitgebreid." + +»Toen de Franken nog aan de Friezen grensden, werd er een gedeelte der +eerstgemelden, bij zekere gelegenheid, door den Romeinschen Keizer +Probus naar de kust van Pontus overgebragt. Deze Franken, gedreven +door liefde tot den voormaligen grond, verlangden daarna terug te +keeren. Zij maakten zich meester van eenige Romeinsche schepen, zeilen +daarmede door den Bosphoros en den Hellespont tot in de Middellandsche +zee, plunderen de kusten van Asia, Griekenland, de rijke stad Syrakuse +op het eiland Sicilië; zeilen vervolgens door de straat van Gibraltar, +en zoo komen deze stoutmoedige roovers, langs de kusten van Spanje +en Frankrijk, door het kanaal, aan het strand der Batavieren of +aan dat der Friezen. Dit einde van hunnen togt, welke eene reis om +de wereld mag heeten, maakt het waarschijnlijk dat er ook Friezen +onder deze zeevaarders geweest zijn, en dat de eer dier onderneming, +aan welke men zijne bewondering niet kan weigeren, ook gedeeltelijk +aan onze voorouderen toekomt. Van oudsher was verkleefdheid aan den +vaderlandschen grond een hoofdtrek van het Friesche karakter." + +»Nadat de Saksen de onmiddellijke naburen der Friezen geworden +waren, hebben zij met dezen in verbond geleefd. Ook mag men het +daarvoor houden, dat de lotgevallen der Saksen, bij de Schrijvers +der middeleeuwen vermeld, grootendeels mede die der Friezen geweest +zijn [136], die dan eerst weder met hunnen eigenen naam ten tooneele +verschijnen, nadat de Saksen oostwaarts wijken voor de Franken, die +zich op nieuw tot aan Friesland uitbreiden, en eindelijk ook daar +meester worden." + +»Zoo is het b. v. bij de naauwkeurigste en oordeelkundigste +Geschiedschrijvers zeker, dat er Friezen geweest zijn onder de Saksers +en de met hen vereenigde Anglen (een ander noord-oostelijk volk), +die zich, onder aanvoering van Hengst en Hors, zoo men ze noemt, +in 449 of 50 naar Brittanje, het tegenwoordige Engeland, begaven. En +hoewel het nagenoeg zeker is, dat de aanvoerders zelve Saksen waren, +komt het ons voor, dat zelfs het grootste gedeelte dier vreemdelingen +uit Friezen heeft bestaan." + +»Zij waren tot die overkomst uitgenoodigd geworden door de Britten +zelven, die hunne noordelijke grens-naburen, de Schotten en Pikten, +niet wederstaan konden. Van hen en van de dochter van Hengst, de +schoone Ronixa of Rovena, maken zoowel de Britsche kronijken als de +onze gewag." + +»Hier voor pleit ook de overeenkomst van de Engelsche met de echt +Friesche taal, beide dochters der Saksische, naderhand Anglo-Saksische +genaamd, d. i. dier taal, welke de in Brittanje overgekomene Saksen, +Anglen en Friezen spraken. De Britten tot hun ongeluk te laat beseft +hebbende, dat zij nimmer ter beslissing der twisten op hun eiland, +vreemden hadden moeten inhalen, moesten later die vreemden tot hunne +heeren aannemen, of hun vaderland ontwijken. Velen begaven zich naar +een gedeelte van Frankrijk, naderhand naar hen Bretagne genaamd; de +overigen versmolten in de Anglo-Saksen. De tegenwoordige Engelschen +en de Friezen mag men met regt broeders kinderen heeten. Ware deze +les voor de Friezen slechts niet evenzeer verloren gegaan als voor +zoo vele latere volkeren!" + + +§ 8. + +J. na C. 468, 496, 555, 562, 605, 628, 631. + +»Doch toen de Saksen en Franken elkander wederkeerig te magtig +werden, ontstond er groote vijandschap tusschen deze beide strijdbare +volkeren. Toen de Koning der Franken, Childerik, met zijnen mededinger +Egidius (Gilles) om de kroon twistte, kozen de Saksen de zijde van den +laatstgemelde, die hen om bijstand aanzocht. Staatkundig was het, het +verzoek van den zwakste in te willigen, ter vernedering en verzwakking +van den magtigste.--Maar de Saksers streden zoo ongelukkig, dat zij +genoodzaakt waren, zich aan Childerik te onderwerpen, zelfs hem bij te +staan in zijne oorlogen tegen andere Duitsche volkeren. Daarna weder +in oorlog geraakt met Childerik's zoon, Klovis, schoten zij ook tegen +dezen te kort. Klovis verdeelde, bij zijnen dood, zijn rijk onder +zijne zonen, en dat gedeelte, hetwelk vervolgens onder Oost-Frankrijk +of Austrasie heeft behoord, grensde aan de Saksen.--Eerst het aandeel +van Theodorik I zijnde, geraakte het later in handen van Klovis' +jongsten zoon, Chlotarius I. Deze met de Saksen in oorlog geraakt, +bragt hun verscheidene nederlagen toe. De strijd werd telkens hervat, +en eindigde met de oplegging eener schatting aan den vijand, die van +den Franken 500 koeijen jaarlijks te leveren." + +»Evenmin gelukkig waren zij tegen Sigebert I, zoon van Chlotarius I, +en Koning van Austrasie, die hen sloeg aan het Boerdiep, d. i. de +Middelzee, dus in het hart van ons tegenwoordig Friesland,--tegen +Theodebert II en Theodorik II, kleinzonen van voormelden Sigebert I, +Koningen van Austrasie en Bourgonje,--tegen Chlotarius II, Koning van +geheel Frankrijk, en tegen Dagobert I, diens zoon. Deze laatste schold +hun de schatting kwijt, hun door Chlotarius I opgelegd, mits zij de +Slavoniers, een Noordsch volk, dat hem te magtig was, beteugelden, +'t geen hun echter niet gelukte." + + +§ 9. + +Jaren na Chr. 513, 677. + +»Inmiddels hadden de Noordsche volkeren niet stil gezeten. Nogtans +vielen zij met meer zoo bij voortduring op de Friezen aan als te +voren. 't Schijnt zelfs dat dezen, of om in den stijl van dien tijd te +spreken, de Saksen, hen hebben bijgestaan tot het doen van eenen inval +op het grondgebied van den reeds vermelden Theodorik I. Toen Dagobert +hun de schatting kwijtschold, was Adgillus I Koning der Friezen. Hem +kunnen wij prijzen als een regtvaardig en edel Vorst. Hij vergunde +het prediken van het alleen zaligmakend Evangelie in deze landen. De +heilige Wilfrid, Bisschop van Jork in Brittanje, kwam van daar +herwaarts. Zijne vijanden aan het Engelsche hof, waartoe de Koning zelf +schijnt behoord te hebben, wanende dat hij naar Frankrijk was gegaan, +wisten den ondeugenden Ebroïn, toen Groot-Hofmeester bij den Koning +van Frankrijk, in hun belang te trekken. Deze schreef aan Adgillus, +en beloofde hem eene aanzienlijke som gelds, bijaldien hij hem den +Bisschop, levendig of dood, wilde overleveren. Adgillus was geen +Christen, maar de oude deugd der Duitschers (der Friezen vooral, zeggen +wij) woonde in zijn hart. Hij deed een' brief, in tegenwoordigheid +van Wilfrid en zijne medgezellen, en in dien van Ebroïns gezanten, +luide voorlezen; vervolgens nam hij dien, verscheurde hem, en leverde +het overschot der vlam over, de Frankische afgezondenen den smaad en +der schaamte ter prooi latende." + +»Volgens onze kronijken, deed ook Adgillus zekere hoogten of terpen +opwerpen, opdat zich de landzaten daarop bergen mogten tegen de +overstroomingen, welke van oudsher deze landen met wee en jammer +overstelpten [137]." + + +§ 10. + +J. na Chr. 679, 685, 687, 711, 719. + +»De opvolger van Adgillus, Radboud I, (of hij zijn zoon was, +wordt door sommigen, niet zonder grond, betwijfeld) regeerde niet +gelukkig.--Volgens de Kronijken, werd hij zelfs door de Denen +gevangen genomen en naar Denemarken gevoerd; naderhand echter weder +vrij gegeven. Het Frankische Rijk was een tijdlang ter prooi aan +binnenlandsche oneenigheden. Van deze schijnt Radboud zich aanvankelijk +bediend te hebben, ten einde zijn Rijk tot aan den mond der Schelde +uit te breiden. Dit echter wikkelde hem in eenen krijg met de Franken, +die voorlang de Saksen verdreven hadden uit de landstreken, welke +Radboud nu aan zich trok, en er meesters geworden waren." + +»De Koningen der Franken waren thans slechts Koningen in naam, +en de klem van het bewind was in handen (sedert 687) van den +Groot-Hofmeester Pepijn van Herstal, die zich Hertog en Prins der +Franken noemde. Pepijn schijnt Radboud een aanzienlijk gedeelte van +zijn Rijk ontweldigd te hebben, onder anderen Wiltenburg (Utrecht), 't +welk Pepijn vervolgens ten verblijve gaf aan Willebrord, door den Paus +tot Bisschop der Friezen verheven. Pepijn was een ijverig Christen, +en wist het Christendom wonder wel dienstbaar te maken aan zijne staat- +en heerschzuchtige oogmerken. Radboud haatte Pepijn en het Christendom, +hetwelk hem aan Pepijn onderwerpen moest. Daarom verwoestte hij bij +de eerste gelegenheid de beste den nieuwen Bisschopszetel, doch moest +weder voor Pepijn zwichten." + +»Op nieuw werd de prediking in Friesland hervat. Zelfs nam Radboud's +dochter, Theodesinde of Teutsinda, het Christendom aan, en werd de +echtgenoote van Grimoald, zoon van Pepijn. Dit bewijst duidelijk, +dat de zoo magtige Franken evenwel geene kans zagen, zich de Friezen +te onderwerpen, en dat Pepijn uit dien hoofde, zich door zoodanig eene +verbintenis, ten minste tegen hunne vijandschap, poogde te verzetten." + +»Deze Grimoald werd daarna vermoord door zekeren Rangarius, welke +gezegd wordt tot de lijfwachten van Koning Radboud behoord te +hebben. Daarom wijten sommigen hem, anderen zijner dochter, dien +moord. Doch dit is ver van bewezen, en wij zien inderdaad niet, +dat Radboud enig belang bij den ondergang van Grimoald zoude gehad +hebben, eene reden te minder, om aan die beschuldiging geloof te +slaan.--Wel zegt een onzer Geschiedschrijvers, dat Radboud, die +zich immer nog niet ontzag de Christenen te vervolgen, niet beducht +voor de wraak van Pepijn, wiens jaren hoog geklommen waren, vreezen +moest, dat Grimoald den hoon, zijnen vader aangedaan, zou wreken, +en hem daarom uit den weg moest ruimen; doch wat zou hem dit gebaat +hebben, daar Pepijn nog twee andere volwassen zonen had, door geene +echtverbindtenis aan Radboud verbonden, en van welke hem dus zoodanig +eene wraak nog veel meer stond te vreezen?" + +»Om een bewijs te geven, hoe verschillend de latere Geschiedschrijvers +de gebeurtenissen van dien tijd opvatten, en hoe moeijelijk het +daarom is, een overzigt van denzelven daar te stellen, willen wij, +hetgeen op dien moord volgde, op tweederlei wijze verhalen." + +»Pepijn, zegt een der beroemdste hedendaagsche Duitse +Geschiedschrijvers [138], bepaalde hierop, dat Theudoald, Grimoald's +onechte zoon, Hofmeester in Austrasie zou worden, welke waardigheid +alleen Pepijn eigenlijk had bekleed, hoewel hij ook grooten invloed +op de zaaken van West-Frankrijk (Neustrië of Neustrasie) had. Daarop +deed Plectrude, grootmoeder van Theudoald, de zonen van Pepijn bij +zekere Alpheid (of Alphaïda), Karel (Martel) en Hildebrand gevangen +nemen, opdat zij aan Theudoald de waardigheid van Groot-Hofmeester +niet betwisten zouden. Dit kon niet geschieden zonder voorkennis +van Pepijn.--Pepijn stierf. De West-Franken verkozen toen zekeren +Raginfrid tot hunnen Groot-Hofmeester. Daartegen verzetteden zich de +Oost-Franken, met Theudoald aan 't hoofd. Er viel een veldslag voor, +dien de Neustrasiers wonnen. Theudoald nam de vlugt, en kwam kort +daarna om. Hierop ontkwam Karel Martel zijner gevangenis, en wilde +zich met het Groot-Hofmeesterschap van Austrasie te vreden houden. Ook +dit wilden de Neustrasiers hem niet laten. Nu streed hij dan om het +geheel, en het gelukte hem, Groot-Hofmeester over de beide Rijken, +ook Hertog en Prins te worden. Theudoald was voor het overige ouder +dan Karel, die omstreeks 690 geboren was." + +»Pepijn, zegt een der nieuwere en wijsgeerigste Fransche +Geschiedschrijvers [139], was Groot-Hofmeester over geheel Frankrijk; +eene van zijne grootste zorgen was, alle onderscheiding tusschen +Austrasie en Neustrië te doen verdwijnen; maar hij was genoodzaakt, +die onderscheiding weder op nieuw te maken, ter gunste van zijne +zonen. Toen Grimoald stierf, liet hij eenen zoon na, Theudoald, oud +ongeveer zes jaren. Dezen schonk Pepijn toen het Groot-Hofmeesterschap +van Neustrië. Toen stierf hij. Na zijnen dood deed Plectrude Karel +Martel gevangen nemen,--van Childebrand (Hildebrand) wordt niet +gesproken; dit had Pepijn voorzeker niet gelast. Daardoor veroorzaakte +zij dat Karel, die anders aan Theudoald het Groot-Hofmeesterschap +van Neustrië wel zou gelaten hebben, als zich met dat van Austrasie +kunnende vergenoegen, nu uit wraak, om den hem aangedanen hoon, hem dat +moest betwisten.--De grooten van Neustrië, niet door een kind willende +geregeerd worden, kozen Raganfrid. Deze wilde Groot-Hofmeester van +het geheele Rijk worden. Het overige komt met het verhaal van den +Duitscher nagenoeg overeen. Alleen wordt, bij den Franschman, Ramfroy +(Raganfrid) eerst na de nederlage van degenen, die het voor Theudoald +opnamen, tot Groot-Hofmeester verkoren." + +»Zooveel is intusschen zeker, dat Raganfrid, die alleen wilde +heerschen, en eindigde met alles, op één Graafschap na, te verliezen, +naderhand echter zoo verstandig was, zich met hetzelve tevrede te +houden, hetwelk andere overweldigers, die in het eerste zijn voorbeeld +gevolgd hebben, niet deden; dat deze Raganfrid hulp zocht bij Radboud, +dien de Fransche Schrijvers slechts Hertog der Friezen noemen;--hij +mogt geen hooger rang dan Pepijn en Karel hebben. Dit moet den +doodvijand der Austrasiers welkom geweest zijn.--Hij trok te veld, +en overwon Karel, die hem afzonderlijk aanviel. Hij schijnt zich +vervolgens met de Neustrasiers vereenigd te hebben tot het beleg +van Keulen, in welke stad Plectrude zich onthield, die, nadat de +Neustrasiers hadden moeten aftrekken, omdat Karel hen in den rug +dreigde, hem tot den aftogt, door eene aanzienlijke som gelds, +overhaalde." + +»Hiermede was echter de krijg tusschen Karel en Radboud nog niet +geëindigd. Nadat Frankrijk-zelf was bevredigd geworden, schijnt +Radboud, die misschien zijne aanvallen op dat gedeelte van zijn gebied, +hetwelk hem door Pepijn was afgenomen, hernieuwd heeft, nog eene +nederlage aan de Middelzee te hebben geleden, en dien ten gevolge +op nieuw de prediking van het Christendom door geheel Friesland te +hebben moeten toestaan. Daarna verklaarde hij zich zelfs bereid den +H. Doop te ontvangen. Toen echter Wulfram, laatstelijk Bisschop +van Sens, gereed stond, hem dien toe te dienen, en hij bereids +met den éénen voet in de doopvonte stond, vroeg hij den Bisschop, +of hij zijne voorvaderen en de verstorvene Friesche Edelen ook in +den hemel hervinden zoude? Wulfram's onbedacht antwoord: dat die in +de hel waren, als ongedoopten, deed hem, onder het zeggen, dat hij +liever met zijne voorvaderen en vrienden in de hel, dan met aan hem +onbekende Christenen in den hemel zijn wilde, den voet terugtrekken." + +»Volgens anderen zou dit al onder Pepijn zijn voorgevallen. Sommigen +verklaren de geheele gebeurtenis, welke den inborst van Radboud +nogtans volkomen kenschetst, voor eene fabel." + +»Kort daarop kwam Radboud te sterven." + + +§ 11. + +J. na Chr. 734, 738, 744, 746, 754 of 755. + +»Wie hem opvolgde, is niet geheel zeker; sommigen zeggen, zijn +zoon Adgillus II, anderen, zekeren Poppo. Misschien is het +Radboud I mogelijk geweest, zijn gebied, op het voorbeeld der +Frankische Koningen, onder zijne kinderen te deelen, en dan zal hij +Oost-Friesland, het land der groote Friezen, aan zijn oudsten zoon, +Adgillus II, en wat hem van het overige gebleven was (Noord-Holland), +aan diens broeder Poppo gegeven hebben." + +»Poppo oorloogde met Karel Martel. De twistappel, hetgeen den Frieschen +Koningen van het voormalig land der kleine Friezen ontnomen was, +was voorhanden. Poppo is waarschijnlijk in dien strijd gesneuveld, +zonder dat de Friezen meer gronds verloren; zijn broeder erfde zijn +Rijk, en verdeelde bij zijnen dood hetzelve weder onder zijne zonen, +Gondebald en Radboud II." + +»De laatste bekwam West- de eerstgemelde Oost-Friesland." + +»Gondebald was een vreedzaam Vorst; maar Radboud II had den aard en +de denkenswijze van zijnen voorzaat van gelijken naam, en bovenal +diens afkeer van het Christendom overgeërfd. Met de Saksen verbonden, +beoorloogde hij Karoloman en Pepijn den Korte, zonen en opvolgers van +Karel Martel, maar zonder vrucht. Daarentegen stond hij zijn' broeder, +Pepijn, bij tegen de Saksen. Het schijnt op aandrijving van Radboud +geweest te zijn, dat de vrome Bonifacius, Aartsbisschop van Maintz, +het Christendom verkondigende, in het gebied van Gondebald, omtrent +het toenmalige vlek Dokkum, door de ongeloovige Friezen vermoord is +geworden. Althans Pepijn, toen reeds Koning der Franken, heeft dien +moord op hem gewroken, of dien, tot voorwendsel om hem op nieuw te +beoorlogen, genomen. Radboud moest de vlugt naar Denemarken nemen, +en misschien heeft hij zich toen eenigen tijd op het eiland Helgoland +opgehouden, en aldaar de afgodendienst in al haren vorigen luister +hersteld. Ook zou het kunnen zijn, dat Gondebald eerst toen, na het +vertrek van Radboud, de kroon verkregen heeft, en dat de laatstgemelde +tot dien tijd toe alleen in Friesland geheerscht had. In dit geval +zouden wij onderstellen mogen, dat Radboud de oudste zoon van Adgillus +II geweest is." + + + +Tot dusverre het Overzigt van den heer v. Halmael, uit al +de Geschiedschrijvers bijeengebragt en met zijn eigen oordeel +verrijkt. Het verschil in de jaren, waarin de gebeurtenissen worden +vermeld, is bij vele Schrijvers zeer opmerkelijk; dan een opzettelijk +onderzoek hierover, zou voor ons doel van weinig nut zijn.--Wij zullen +liever de korte geschiedenis van Radboud tot aan zijnen dood vervolgen. + +In den jare 768 stierf Pepijn, nalatende drie zonen, Karloman, Karel +en Gilles; welke beide eersten, daar de laatste tot den geestelijken +stand was opgebragt, het rijk verdeelden. Karloman viel Oost-Frankrijk +en Karel Friesland ten deel. Karel, door zijne regtschapenheid, +vele deugden en groote kundigheden, verwierf zich te regt den naam +van den Grooten [140]; maar zijne onrustige broeder, wien twist en +tweedragt liever was dan rust en vrede, vervolgde hem steeds als een +vijand. Dan slechts drie jaren werd hem daartoe gegeven, want toen +stelde de dood paal en perk aan deze kwelling. Karel werd nu ook als +Koning van Oost-Frankrijk erkend. + +Radboud, de bittere vijand zoowel der Christenen als der Franken, +was in Friesland teruggekeerd, algemeen weder tot Koning erkend, +en begon zijnen woesten aard en wreede vervolging weder vrijen +teugel te vieren. Hij vereenigde zich met der Saksen Koning of +Hertog Witekind, ten einde Karels magt te fnuiken en op den troon +te blijven. Meer dan eens moest hij echter het onderspit delven, +tot hij eindelijk gedrongen werd weder naar de Denen de wijk te +nemen. Een paar jaren daarna, (gelijk sommige Schrijvers beweren) +tijdens den togt van Karel naar Spanje, waarin alwat Frankenland +groot en edels opleverde, tot volkomen nederlaag en vernieling werd +gebragt, kwam de nog woelzieke Radboud in Friesland, en hernam het +bewind, doch slechts voor twee jaren lang.--Karel's legertroepen +joegen den woesten Fries weder naar Denemarken, zijn toevlugtsoord, +alwaar hij in ballingschap zal gestorven zijn. Geene zekere, zelfs +flaauwe narigten van zijn levenseinde, zijne familie of kinderen is +aan de nakomelingschap overgebragt. + +In Oost-Friesland zijn nog overblijfselen uit den ouden tijd aanwezig, +zoo als de Kon-Rebberts- en Rabboltswegen, de Rabboltsbergen en een +deel van de heerbaan in Groningerland, welke Radbodiweg genoemd wordt +[141]. + + +Bl. 6. + +Over het Friesche Wapen meenen wij te mogen aanmerken, dat, wanneer +men het oude Wapen van Friesland, voorkomende bij Winsemius, +Hamconius en anderen, voor het familiewapen der Friesche Koningen +houdt, de geschiedenis hiermede in strijd is, als den oorsprong der +Familienamen en Wapens uit de tijden der Kruistogten, aangevangen in +1096, vermeldende; terwijl de laatste Koning, Radboud II, omtrent +den jare 775 de kroon verloor, en waarschijnlijk kort daarop is +gestorven. Sommigen hebben echter beweerd, dat de oorsprong der Wapens +reeds bij de oude Germanen te zoeken zij; doch hoewel de schilden der +voornaamste krijgshelden onder hen werden beschilderd en versierd, +vindt men geen bewijs voor de regelmatige zamenstelling en afwisseling +van kleuren naar bepaalde regels, of van eenige figuren tot kenteeken +aangenomen. Hebben de Friezen, voor dat zij met de Romeinen bekend +waren, vanen gebruikt, het blijkt nergens uit, dat deze met figuren +zouden zijn voorzien geweest; en van de Romeinen konden zij die niet +overnemen, daar deze wel effen gekleurde en met goud gestikte vanen +bezigden; doch van regelmatige wapen-figuren vindt men niet vermeld +[142]. + +Het oude Friesche Wapen heeft zeer veel overeenkomst met die +wapenschilden, welke sedert de Kruistogten in gebruik kwamen, +en dit versterkt de meening, dat het niet van Friso's tijd af als +Landswapen of als veldteeken is gevoerd.--Hamconius zegt, dat van +Friso af tot Beroald het Wapen bestaan hebbe uit een azuren schild, +waarop drie zilveren balken, op welke zeven roode plompebladeren +(niet pompelbladeren, zegt Dodonaeus) geplaatst waren.--Van Beroald +tot Radboud II werden er een balk met vier bladeren bijgevoegd, +zoodanig als Beroald het veranderde, toen hij, de dochter van Koning +Ridzard gehuwd hebbende, na den dood zijns schoonvaders Oost- en +West-Friesland vereenigde.--Suffr. Petri plaatst de plompebladeren +tusschen de balken en niet op dezelve, strijdig met de regelen der +Wapenkunde, welke niet toelaten, dat men kleuren op kleuren, maar wel +kleuren op metalen plaatst, gelijk men dit bij de Schrijvers over de +Heraldie zal vinden.--Koning Haron zoude vroeger aan de Hertogen van +West-Friesland een Wapen gegeven hebben, met slechts één zilveren balk +en vier roode plompebladeren in het blaauwe schild.--Met de regering +van Karel den Groote kwamen de leeuwen en blokjes in het Landswapen. + + +Bl. 7.--Ao 245. + +De Friesche Pateele en de Friesche Hoorn. Winsemius, Chron. fol. 12, +spreekt niet uitdrukkelijk van de eigenlijke Pateele als door Adel +ingesteld, maar wel van de vriendenmaaltijden en andere bijeenkomsten, +waarop men zich, ook op Duitsche wijze, aan de dronkenschap overgaf: +iets dat aan geen tijdvak zeer vreemd is. Echter werd er spoedig bij de +feesten een ceremonie- of zedemeester aangesteld, wien bij het drinken +vooral het toevoorzigt was gegeven. De kantteekening van Wins. ter +a. p. luidt: »Die Vriesche Hoorn inghestelt met den Schuttel."--Deze +Pateele of schotel zou uit dertien of veertien verschillende geregten +bestaan hebben, en de Hoorn een gewone stierenhoren geweest zijn. Wie +nu de geschiedenis van Adel voor eene fabel houden, beweren, dat de +Friezen het gebruik van uit Horens te drinken van de Denen en Noren +hebben overgenomen.--Dan stellig is het, dat het gebruik in overouden +tijd bestond; als ook, dat men later de Horens niet meer van gemeene +stieren, maar van Ur-ossen genomen heeft, dezelve zeer versierde en +met goud en zilver prachtig liet beslaan.--In de onuitgegeven Kronijk +van Worp van Thabor, Lib. I. cap. 2, wordt hierover uitgewijd. Zie +Hamconius, Frisia, fol 8; Gabbema, Verh. van Leeuw., bl 13; Alkemade, +Displegtigheden, II. 408 volgg. + + +Bl. 7.--Ao 245. + +Adelingen. Ofschoon er reeds in de vroegste tijden, en welligt in +Friesland vroeger dan elders, een stand van mannen bestond, die men +Edelen noemde, is het echter niet aannemelijk, dat zij hunnen naam +van dien van Prins Adel hebben ontvangen. Immers de afleiding van het +woord spreekt het tegen. Het zij voldoende, uit meerderen hier het +aangevoerde van de kundige en schrandere Vertalers en Aanteekenaren +op de Oude Friesche Wetten aan te halen, en als het meest aannemelijk +denkbeeld na te volgen. Aldaar, op bl. 132, lezen wij: »Waar in het +weezen van den Adel, onder de Duitsche volken, bij ouds bestaan +hebbe, kan met geen volkomen zekerheid bepaald worden.--Leibnits +(Excerpt. Mejerian. p. 289) en Gærtner (ad. L. L. Sax. p. 21.) leiden +het woord Edelman af van het over oud woord ot of od predium, +possessio, [een goed, hetzij op het land of in de stad; bezit] +(waar van allod), zoo dat Edelman zooveel zoude zijn als odelman, +predii vel pagi possessor, [groot goed- of landbezitter] en stellen +op dien grond het oorspronglijk weezen van den Adel in de bezitting +van aanzienlijke vaste goederen."--Wachter en anderen stellen het +wezen van den Adel in hooge geboorte; doch altijd blijft de vraag, +hoe de eerste edelman in de wereld gekomen zij. + +Adel dus van od, ode, ade, ede [143], grond, bezitting afkomstig, +zoo is Edele, Edelman oorspronkelijk een grondbezitter. Daar nu deze +Edellieden, als de aanzienlijkste personen, natuurlijke voorregten +genoten, tot hooger ambten en vooral tot hoogere rangen in de +krijgsdienst werden verkozen, hadden zij ook, in de vroegste tijden +namelijk, over hunne minderen het beheer en bestier, zelfs eigene +regtspleging en vrij gebied. In lateren tijd echter werden er algemeene +bepalingen, blijkbaar uit de alleroudste Friesche wetten (Lex Frisionum +sive antiquae Frisiorum leges) gemaakt, waaraan de Edelen zich moesten +houden. De afstammelingen der grondbezitters, rijksten, traden, hoewel +niet regtens, in de voorregten der ouders, met het ontvangen van het +ouderlijk erfdeel (Ethel, in 't Oud-Friesch). De rijken evenwel, die +zich goederen aankochten, werden niet onder den Adelstand opgenomen, +omdat hunne voorouders niet onder de Edelen hadden behoord: zoodat +al zeer vroeg de Adel zijn voorregt aan geboorte toekende.--Destijds +bestonden nog bij den alouden Frieschen Adel geene brieven, wapenen +of teekenen van Adeldom, daar deze eerst in de XI of XII eeuw in +gebruik zijn gekomen. + +Ten tijde van den regerenden Vorst, Hertog Georg van Saxen, (1505) +werd op diens last een register van den Frieschen Adel opgemaakt +[144], in hetwelk de in de Grietenijen aanwezige Edelen, met de wegens +oorlogen of onlusten afwezigen, werden opgeschreven. Hierdoor mogen +wij vooronderstellen, dat van dien tijd af de wezenlijke erkenning +van den Adel heeft plaats gehad, en ook de bepaalde erfopvolging is +begonnen. De Friesche Adel onderscheidde zich alzoo van die van andere +landen, daar de eerste ten gevolge van vrij en onafhankelijk bezit van +goederen tot dien stand was verheven, terwijl de andere ten gevolge van +landgoederen, van zijnen Vorst ontvangen, daartoe geraakte; ook werden +er soms door den Vorst, zonder dit, in den adelstand ingelijfd, dat is, +in diens voorregten gelijk gesteld. Zoo had men dan ook in Friesland +niet de verdeeling in bijzondere rangen, als Graven, Hertogen, Baronnen +en Heeren, [145], maar alleen den rang en titel van Friesch Edelman, +den hoogsten rang en titel, welken men voeren kon en wilde. Echter +verkoos men in den eersten tijd zich Raden, Hoofden en Aanvoerders in +oorlog en vrede, die dan Heerschappen en Hovelingen, en in de steden, +bepaaldelijk Oldermannen genoemd werden. Deze posten bleven ook in +de familiën. + +Onder de regering van Keizer Lotharius II , omstreeks den jare 1125, +bestond er tweederlei Adel,--de Hoogere, die onmiddelijk onder den +Keizer was gesteld, en de Lagere, die onder Hertogen en Graven behoorde +te staan. Dan de Friesche Edellieden wilden geene Hertogen of Graven +van Friesland erkennen, maar alleen onder de oppermagt des Keizers +staan, even als hun land. Leenmannen te wezen was hun een ondragelijk +denkbeeld, even als het voorregt uit vorstengunst gesproten, en zoo was +dan ook de alleen begeerde titel van Friesch Edelman geen mindere, dan +die van Graaf en Hertog. Het gebruik bij den Adel, om zich naar hunne +landerijen en kasteelen te noemen, was in Friesland minder algemeen, +daar men voor geslachtsnaam veeltijds den voornaam zijns Stamvaders +nam. Men leze v. Halmael's Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, § 24: +Friesch Jierboeckjen, 1833. Vergel. voorts het vertoog van Jonkheer +M. Hettema over den Oorsprong van den Frieschen Adel, voorkomende +in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 27 November 1832; +de Narede van den Heer v. Halmael achter zijn Treurspel Ats Bonninga; +F. Sjoerds, Beschr. v. Friesland, I. 470; Wakker van Zon, zijn Boekje +getit. de Adel, door Anonymus Belga, p. 16. volgg. + + +Bl. 10.--Ao 59. + +Over den Afgod Stavo, denzelfden met Thor, leze men Westendorp's +Verhandeling over het gebruik der Noordsche Mythologie, (in de +Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederl. Letterk. II. D. 1 +St.) p. 29-33;--en vergelijke Oudh. en Gest. van Vriesl. I 283-285 +en 485. + + +Bl. 12--Ao 4. + +'t Roode Klif. Al de wonderen van het Roode Klif, nabij Stavoren, +met en zonder het bestuur des Duivels, alhier en vervolgens vermeld, +kunnen wij op geenen goeden grond den waarheidlievenden Lezer +aanbevelen. Echter willen deskundigen, na ontdekking en onderzoek +van eene soort van lava in den grond aanwezig, het denkbeeld niet +verwerpen, dat het Klif een vulkaan van minderen rang is geweest, of +ten minste daarvan eigenschappen heeft gehad.--Over de menschenoffers +in Friesland gebruikelijk, zie de Aant. op 't jaar 700. + + +Bl. 13.--Ao 29. + +Deze Holle, Olennius, was Hoofdman eener Keurbende, en Landvoogd +van wege de Romeinen over Friesland. F. Sjoerds (Jaarb. I. 128) +noemt hem »een gemeen persoon onder de Voorpyllenaars" [146]. + +De verklaring van Holle of Hollo, naar de Friesche taal Hoofd, +Hoofdman, vindt men bij Hamc. Fris. p. 11, en bij S. Petri, de +Frisior. Antiq. et Orig. Lib. I. Cap. IX, welke laatste hem, echter +verkeerd, een Fries van afkomst noemt.--Diocarus ontving eerst, +volgens de kronijken, na de overwinning op de Romeinen den naam van +Segon. Hamc. I. I. + + +Bl. 13.--Ao 29. + +Omtrent het woud Baduhenne. Over den oorsprong en ligging van dit +in de Vaderlandsche Geschiedenis beroemde heilig woud is verschil +ontstaan, zoo als natuurlijk volgen moet, wanneer geene de minste +narigten uit de oudheid overblijven. Er pleit echter meer voor, dat +deszelfs ligging in de Wouden dan bij Franeker geweest zij. Even zoo +is het onzeker welke Godheid, aldaar vereerd, door Baduhenna wordt +aangeduid. Ook de Oudheidkenner Westendorp heeft het onbeslist gelaten +in zijne genoemde Verhandeling. v. Halmael, in het voorberigt voor +zijn Treurspel Adel en Ida, zegt: »De naam van het woud Baduhenna +is voorzeker door Tacitus verlatijnd. Wanneer men er den uitgang +enna of henna (dien wij, hoewel misschien anders gewijzigd, ook +in den naam Nehalennia ontmoeten,) afwerpt, heeft Badu genoegzame +overeenkomst met Balder, om de onderstelling te rechtvaardigen, dat +Baduhenna een aan Balder geheiligd woud was." Dit komt ons geenszins +vreemd voor, daar ook de vereering van den in de Scandinavische +godenleer zeer bekende Godheid Balder, zoon der Godinne Frigga, +voornamelijk en welligt uitsluitend tusschen den Rijn en den Wezer +plaats had, en aldaar in hoogen rang en van groot gezag was.--Dat +er in Friesland gewijde bosschen zijn geweest, is buiten twijfel; +jammer maar dat hunne ligging niet is nagespoord geworden, en dit, +met zoo vele andere zaken, voor een nageslacht bewaard blijft, 't +welk alsdan in zijne nasporingen misschien niets meer ontdekken zal, +dan dat het eenige eeuwen te laat gekomen is!--Vergel. West. zijne +uitstekende Verh. over het gebruik der Noordsche Mythologie. Halma, +Toneel der Vereenigde Nederlanden, enz. + + +Bl. 15--Ao 59. + +Vryt of Verritus en Malorix,--of Maloriges. In de Jaarboeken van +Tacitus, het dertiende, is het voorval dezer beide gezanten, welke +hij regerende Vorsten noemt, in zijne bijzonderheden omschreven, +bepaaldelijk vermeldende hunne vrijmoedigheid, toen zij in den +schouwburg meer met de aanschouwers dan met het spel zich bezig +hielden, en van zitplaats veranderden, om zich in het Raadsheerlijk +gestoelte neder te zetten, onder de afgezanten van andere volken, +die men wegens trouw en vriendschap bijzonder eer bewees. Deze aloude +opregtheid, zoo als men het noemde, beviel niet alleen aan het publiek, +maar ook den Keizer Nero zoo wel, (wien in eene kwade luim zulk een +gedrag weleens zeer mishaagd konde hebben) dat hij den Gezanten het +belangrijk burgerregt te Rome schonk.--Van de bekeering in den tekst +vermeld, ook bij Winsemius geboekt, wordt bij Tacitus niet gewaagd, +zoo als het ook niet voor waarheid wordt aangenomen, onder anderen +door Harkenroht in zijne Oostfr. Oorsprongkelykheeden, p. 24 en 29, +dat Verritus en Malorix, of zoo als zij anders mogen geheeten hebben, +uit de adellijke geslachten der Hermana's en Cammingha's gesproten +zijn, 't welk door Suffr. Petri en Hamconius wordt beweerd.--P. Nota, +in zijn Aanhangzel betreffende de Oudheden van Berlikum, p. 79 +in de noot, vermeent, in de woorden van Tacitus de bevestiging te +vinden, dat Verr. en Malor. geene Friesche maar Duitsche gezanten +geweest zijn. Maar waarom kunnen zij niet enkel Leidslieden van de +uittrekkende Friezen geweest zijn, en een ander Koning of Vorst der +teruggeblevenen? Deze gebeurtenis, zegt West. Jaarb. p. 15, behoort +niet tot de geschiedenis der Groote Friezen. + +Betrekkelijk deze namen vinden wij bij A. Ypeij, Geschied. der +Nederl. Tale, I. D. bl. 161 noot, onder de bewijzen, dat de oude +Friezen vele namen met hunne buren gemeen hadden, en er dus eene groote +wederzijdsche gemeenschap van volk en taal bestond, 't navolgende: +»Reeds onder de oudste Vriezen schijnen er zulke algemeene namen in +gebruik te zijn geweest. Zulks toch mag men opmaken, uit de namen +van twee Vriesche gezanten van Rome, onder Nero, welke Tacitus voor +ons bewaard heeft, namelijk Verritus en Malorix. Ann. Lib. XIII +C. 54. Indien ik mij niet bedriege, waren dit, de nog bekende namen +Gerrit en Maurik. De V toch, gelijk wij weten, verandert ligtelijk in +G, en de L in U. Gelijk de Nederlanders in het algemeen van Gerrit, hun +Geert hebben, zoo hebben, naar het schijnt, de Vriezen bijzonderlijk +van Maurik hun Murk gemaakt." + + +Bl. 16.--Ao 59. + +Op 't Oude Hof te Lewerden. Cappidus van Staveren, Suffr. Petri +en Hamconius zeggen, dat reeds voor Christus geboorte Leeuwarden +onder den naam van Aula Dei, dat is Gods-Hof, bekend was, alwaar het +opperhoofd der Druiden, Barden of Priesters was gesteld. Hier was de +leerschool van de Friezen, en genoten zij onderwijs in de godsdienst, +wetenschappen en wijsbegeerte. Dit gesticht zoude te Oldehove gestaan +en uitstekende mannen hebben voortgebragt. Latere schrijvers verwerpen +dit denkbeeld geheelenal. Wat er van zij is moeijelijk op te sporen, +nog moeijelijker te beslissen. Verg. Oudhed. en Gesticht. I. 283, +alwaar de kundige vertaler, v. Rhyn, in den geest van Emmius steeds +tot verwerpen genegen van de oude kronijken, ook geen geloof daaraan +hecht. Over de goden- en geloofsleer der Druiden, hun priesterschap, +beheer, en hun bestaan in het oude Friesche Rijk, vergelijke +men de meergemelde Verhand. van Westendorp, over de Noordsche +Mythologie, p. 319 volgg. en 331 volgg.--v. Wijn, Huisz. Leven, +I. 8, en Hist. Avondst. I. 123, zegt, dat de Germanen en dus ook de +Friezen geene Druiden of Barden gehad hebben: het tegendeel wordt +door West. bewezen;--zie bl. 287 onzer Aanteekeningen. + + +Bl. 17.--Ao 94. + +De Noormannen. In dezen tijd, en gedurende vele eeuwen later, +werd Friesland van tijd tot tijd door de Noren en Denen vreeslijk +geteisterd en geplonderd. Menigmalen behaalden de Friezen eenen triomf +op dezelven; doch ook dikwijls leden zij bloedige nederlagen. Ocko van +Scharl spreekt reeds van eenen sterken inval op den jare 62, wanneer de +Deensche Koning door sommige Oostersche volken zou opgehitst zijn. In +het jaar 69 wil men dat de Friezen, het jaarlijks rooven, plunderen +en moorden moede, eene groote krijgsmagt naar Denemarken zonden, om +ze in hun eigen land te bevechten, dan storm en onweer hadden dezen +togt belet. In 't volgend jaar echter sloten zij met den Koning een +bestand, 't welk, hoe wonder ook, volkomen stand gehouden heeft tot +den bepaalden tijd. Deze boven bedoelde inval der Noormannen, welke +anderen op den jare 90 stellen, schijnt zeer geweldig geweest te zijn, +en uit hoofde van den weinigen wederstand aan deze zijde, daar de +meeste Friezen in Romeinsche dienst afwezig waren, hadden zij tijd en +gelegenheid zich aan moord en roof ter kele toe te verzadigen. Picardt, +in zijne Annales Drenthiae, spreekt ook alzoo van dit feit.--Zie de +noot p. 305. F. Sjoerds, Jaarb. I. 197. + + +Bl. 17. + +Onder zeven Hertogen. Het algemeen gevoelen is, dat men onder die +waardigheid van Hertog, met welken titel thans dien van Prins, +in navolging der naburige volken, verwisseld werd, niet in eenen +Hoogvorstelijken of Koninklijken staat en magt bestaan hebbe, maar +dat de Hertogen, Heervoerders, Krijgsoversten of Opperbevelhebbers +waren, aan welken het bestuur en beleid des oorlogs, met alwat daartoe +behoorde, was opgedragen. + + +Bl. 22.--Ao 248. + +Dokkenburg. Deze verklaring is zeer juist. Bij Kiliaan vinden +wij Docke, (vetus) navale: waaronder verstaan wordt: stabulum of +armamentarium, ligplaats der schepen, d. i. haven. Ook bij denzelfden +Docke, Germ. poppe: en in den Theutonista, Dock of Pupp, pupa, pupulla, +popje.--Docke van Stro. + +Over de stichting dezer stad zullen wij niet uitweiden; zij is na +Stavoren de oudste, en in allen opzigte zeer merkwaardig geworden. Men +leze hierover de Oudheden en Gestichten, I. 404, met de aanmerkingen +van v. Rhyn, die met Emmius de hooge oudheid betwijfelt. Wat voorts +derzelver geschiedenis betreft, zeer belangrijk is, om herlezen en +vergeleken te worden, de korte Geschiedenis der stad Dokkum voor den +Vrede van Munster, voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant +van den 6 Julij 1830; alsmede de beide stukken in dezelfde Couranten +van 2 en 9 Maart te voren, ter verdediging strekkende tegen de dikwijls +kleingeestige en dwaze aanvallen tegen Dokkum en deszelfs bewoners, +vooral van lieden wier spelend vernuft zich door duizend vervelende +herhalingen van vroegere aardigheden tracht staande te houden. In die +stukken is eene naauwkeurige opgave der groote en beroemde mannen, +die Dokkum heeft opgeleverd, te vinden. + + +Bl. 23. + +In den jaare 289,--of omstreeks dezen tijd, toen Constantius Chlorus, +door Keizer Diocletianus tot den rang van Roomsch Koning verheven, +Galliën met zijne grensprovincien onder zijn gebied verkregen, en de +Franken, Saksen en Friezen in Batavien had overheerd, werden er velen +door hem omgebragt, anderen verplaatst, gevankelijk weggevoerd, in het +Romeinsch leger ingelijfd, of tot harde slavendiensten vernederd. Uit +verbittering en tot weêrwraak moesten nu de Friezen, Overrijnsche +Franken, Cauchen, Chamaven en Bructeren in vereenigde magt, van den +winter en den digtgevrozen Rijn gebruik maken, om Constantius en +zijn heir te overvallen. Dan het goed krijgsgeluk diende hen niet zoo +gunstig als onze kronijk vermeld; de dooi viel in, het eiland werd door +de Romeinen omsingeld, de Friezen ingesloten, vermoord of gevangen, +en nog dieper onder 't juk gebragt. Daarna is er met hen een verbond +gesloten.--Schot. Fr. Hist. p. 30.--F. Sjoerds, Jaarb. I. 225 volgg. + + +Bl. 24. + +Omtrent den jaare 312, enz. De kronijkschrijvers verhalen, dat +omstreeks dezen tijd door vijf aanzienlijke Edellieden, West-Friesland +(d. i. de landen ten westen het Flie) is bevolkt en bebouwd. De in +onze kronijk genoemde Diederik stichtte de hoofdplaats Medemelaca, +Medemblik, aldus genaamd naar de Godin Medea; Geerard bouwde het +dorp Opdijk; Roelaard, 't dorp Wildenes, met een sterk kasteel; Keno +was stichter van Bennenbroek, en Adelbold van het dorp Winckel.--Dit +verhaal heeft eene meerdere beteekenis, dan wij thans nog in staat zijn +te geven. Over Medemblik zijn oorkonden van de IX eeuw voorhanden.--Zie +over den naamsoorsprong enz. den Tegenw. Staat van Holland, II. 502. + + +Bl. 25.--Ao 334. + +Friesche Buinen. Op bl. 9 onzer kronijk wordt reeds gesproken +van West-Friesland, en zou deze benaming er dus vroeger geweest +zijn.--Hamconius, Frisia, bl. 5 en 9, zegt op Firsiabones, dat +Bone in 't oud Friesch Boer beteekende, en dus Frisiabones, Friesche +Boeren zijn, waarvoor onze kronijk Plompaarts geeft. A. W. Schrieck, +in Orig. rerum Celt. et Belg., verklaart het woord door Frisii +separatim habitantes, Friezen die afgezonderd van hun eigenlijk land +en landgenooten woonden. Alting, van Rhyn en anderen beweren, dat +het woord beteekent Friesche Waterbewoners, waarmede zich latere +schrijvers hebben vereenigd, en 't welk ook door den geleerden +Ypeij, in zijne Geschiedenis der Nederl. Tale, I. bl. 164, en +II. bl 109 en volgg. nader is bevestigd. A beteekent water: buen, +boen, wonen, verblijf houden, dus zijn Frisiabones Friezen, die +aan het water wonen; en deze uitlegging is de eenvoudigste en de +beste, wel zoo goed als de ongelukkige inval van Junius (Batavia, +p. 48. Ed. 1652), om van Frisiabones, Friesche apen te maken!--Plinius +noemt dezelve als wonende tusschen het Vlie en het Helium, monden +van den Rijn. Dat deze Schrijver ook hier heeft misgetast, bewijst +Schwartz, Voorr. I. 26. Tacitus zwijgt er van, doch deze kan hen +gehouden hebben onder de Kleine Friezen te behooren. Het denkbeeld +van den Heer Ypeij is zeer aannemelijk, dat de Frisiabonen eene +volkplanting van echte Friezen zijn geweest, wonende aan de linkerzijde +van het Vlie in West-Friesland, onderscheiden van de Kaninefaten, +(waarschijnlijk aan de oevers der Noordzee woonachtig) en van de +Marsatii in de moerassige, naderhand door de Zuiderzee overspoelde +landen zich ophoudende, even zoo als de eerste Bildtbewoners eene +volkplanting was van oorspronkelijke Noord-Hollanders. + + +Bl. 26.--Ao 339. + +Die Waarden wierd genaamd. (Zie ook op de jaren 357 en 377.) Even +zoo ook verhaalt Winsemius, Chronique, fol. 37 doch naderhand; +(fol. 40) noemt hij de stad Norden, om welke reden weet ik niet; +daarin is Soet. in zijn Op- en Nederganck van Stavoren, p. 55, hem +gevolgd, die door Harkenroth, Oostfr. Oorsprongkel. (p. 39 en 232) +daarover zeer gegispt wordt, dat hij Van Esonstad, Norden maken wil; +en toch heeft Soet, slechts het gezag van Wins. gevolgd. Door de +Noren en Denen zoowel als door herhaalde watervloeden heeft die stad +veel geleden, en is dikwijls geplunderd en grootendeels afgebrand +geworden. Westend. Jaarb. p. 19, stelt op 't jaar 398 het bouwen +van Esonstad door den Koning Ubbo (Uffo). Over de oudheid dezer stad +heeft Emmius ook zijnen twijfel mede gedeeld, doch v. Rhyn is hier +wat toegevender dan wel anders.--Zie Oudh. en Gest. I. 454 volgg. + + +Bl. 28 en 31.--Ao 385 en 449. + +Des Hengst en Hors, zijn zoonen enz. In den jaare 449, als Hengst en +Hors enz.--De geschiedenis dezer Koningszonen is belangrijk genoeg +om in aandacht genomen te worden, en wij vinden er, verondersteld +zelfs dat wij onze kronijkschrijvers verwerpen, ook bij den Engelschen +Historieschrijver Beda, (lib. I. Cap. 15) de vermelding van. Deze zegt +dat zij de zoons van den Saxischen Vorst Vergistus (achter-kleinzoon +van Wodan), en dus niet van Odolf Haron waren, hetgeen ook met de +tijdrekening verkeerd zoude uitkomen. Hierover is twist ontstaan, +welke onbeslist is gebleven: echter komt men daarin overeen, dat +Hengistus en Hors aan het hoofd van de Saksen, Friezen, Angelen en +andere naburige volken, door den Britschen Koning Vortigern te hulp +geroepen, derwaarts zijn getogen, en zich eindelijk meester van dat +land hebben gemaakt. Hunne geschiedenis is omstandig beschreven bij +Ocko van Scharl; en hoezeer dezelve ook bij andere schrijvers in een +romantisch gewaad is gewikkeld, draagt zij, in onderlinge vergelijking +gebragt, vele kenmerken van oorspronkelijkheid. Wij kunnen hier in +geene verdere ontwikkeling treden, doch zullen voor dien het lust, de +bronnen en navolgingen aanwijzen, waarin de historie dezer gebroeders +beschreven staat, met derzelver verscheidenheden.--Occo Scharlensis, +Chronyck, op 't jaar 385 en 441; Furmerius, Annal. Phrisic. p. 124 +en 144; Winsem. Chr. fol 43 en 47; Schot. Fr. Hist. fol. 39 en 53; +F. Sjoerds, Jaarb. I. 269 volgg.; Emmius, Lib. III. p. 39 seq.; +Oudheden en Gestichten, Nabericht van v. Rhyn, bl. 368; Wagenaar, +Vad. Hist. I. 289; Beda, Hist. Eccl. Lib. I. cap. 12 etc. en Chronicon; +Jancko Douwama, Boeck der Partijen, p. 37; Westend. Jaarb. I. bl. 26; +Overzigt van v. Halmael hiervoren § 7, jaar 449; Gibbon, Hist. of +the decline and fall of the Rom. Emp. Ch. 38. IV. 395; Hume, +Hist. v. Engel. I. 23 volgg. + + +Bl. 32. + +In den jaare 463. Men vergelijke de tegenspraak in gemeld Nabericht +van v. Rhyn, p. 372. + + +Bl. 32.--Ao 496. + +Deed Klodoveus, een inval in Friesland. F. Sjoerds, Jaarb. I. 290 +en anderen verhalen, dat de Friezen in dezen strijd het onderspit +delfden, de Friezen en Saksen terugkeerden, maar de Allemannen, welke +in dezen strijd deelden, hun gebied verloren; terwijl Koning Clovis, +ingevolge hunne belofte, na de overwinning in dezen hagchelijken kamp, +met 3000 Franken, tot het Christendom overging. Eenige jaren vroeger, +omstreeks 476, was het Westersche Keizerrijk geheel ten gronde gegaan, +en niemand over de Maas en den Rijn gaf gehoor aan het Romeinsche +gezag.--Verg. Bilderdyk, Geschiedenis des Vaderlands, I. 60 en 61. + + +Bl. 34--Ao 517. + +Groningen, bij de Friesen Grins genaamt. In 517 werd, luidens het +verhaal van eene der kronijken, Groninge of Groinge (Grens, Grins) met +een houten staketsel omgeven, ter beveiliging der veste. Deze wijze +van bevestiging was reeds veel vroeger bij de Germanen en Belgiërs +in gebruik, en behoeft, op dezen tijd, niet de minste verwondering +te verwekken. + + +Bl. 34.--Ao 527. + +Richold, zijn oudste zoon. Over de geschiedenis in dit tijdvak +is een bijzonder verschil ontstaan bij vele schrijvers, daar de +verwarringen, zoowel in den tijd als in de personen, aanduiden, dat +men het spoor bijster is geraakt, en men alzoo tot gissingen zijne +toevlugt heeft genomen, om uit de onderlinge tegenspraak tot eenige +waarschijnlijkheid te geraken. Ook onze kronijk geeft geen meerder +licht, maar is schijnbaar in den doolhof medegedwaald. De opgave van +den zoon en kleinzoon van Diderik, (zie op 't jaar 334) beide Lem of +Willem geheeten, en Dibbalds zoon van denzelfden naam, waarvan Haarlem +zijnen naam ontleende, is in 't geheel niet in de haak, schoon ook +Winsemius (fol. 36 en 48) hem hierin is voorgegaan. Verg. Scriverius +in zijden Toets-steen op het Oude Goutsche Chronycxken, p. 204, +205. De andere kronijken springen met die historie, tot op Adgillus +tijd, wonder om, terwijl men het over diens vader maar geheel niet +eens kan worden.--Was Adgillus een Saks of een Fries? Beroald, +Bertoald of Berthold voerde volgens veler gevoelen het gebied over +de Saksen, en daar Ritserd, naderhand bijgenaamd Arundelius, in dien +tijd Koning der Hoog-Friezen was, (in onze kronijk bl. 36 genoemd) +moet Adgillus diens zoon geweest zijn. Dit is mede de gissing van +Emmius, door v. Rhyn goedgekeurd, en door F. Sjoerds (Jaarb. I. 334) +gevolgd. Het is ons wel voorgekomen, dat men Saksen en Friezen, Beroald +en Ridserd met en onder elkander heeft verward, en dat Beroald door +de Saksen tot Koning of Hertog was verkozen;--maar in hoeverre hij +ook een deel der Friezen beheerscht hebbe, en hoedanig van Odibbald +af de geslachtsopvolging geweest zij tot aan Adgillus, behoort tot een +nader naauwkeurig onderzoek. Verg. onder anderen v. Rhyn's Nabericht, +bl. 376-382, te dezen opzigte zeer duidelijk. Over Ridserd Arundelius, +die een dapper en vermaard Vorst moet geweest zijn, West. Jaarb. bl +30 volgg. Schot. Fr. Hist. fol. 47. + + +Bl. 35 + +Watervloeden in Friesland. + +In den jaare 570. Dus ook Winsemius, Soet en anderen, doch Gutberleth, +in zijne Aanteekeningen op Gabbema's Watervloeden, p. 14, vermeldt uit +de geschreven kronijk van Ocko van Scharl, hem ten gebruike gegeven +door Bern. Fullenius, den weêrgaloozen Hoogleeraar in de Wiskunst +in Frieslands Opperschool (gelijk hij zegt), dat aldaar deze vloed +gesteld wordt op den jare 533. Ook de kronijkschrijver Twisk noemt +hetzelfde jaar. + +Door Dirk, Burger van Schoorl, wordt in diens kronijk als eerste +Watervloed opgegeven die van 333 in Noord-Holland, wanneer de Zijpe +is ingebroken en 1200 jaren verdronken heeft gelegen. De stad Grebbe, +door de Romeinen gesticht, liggende aan 't Eimer Swin, thans nabij +het Nieuwe Diep, of een half uur gaans benoorden Wieringen, zou toen +verdronken zijn, schoon anderen dit voorval later stellen [147]. In +435 was er weder een zware vloed over Friesland, zoo als ook in 516, +in onze kronijk vermeld. Na 570 volgde die van 584, met het wonder +zeldzame, vruchtbare jaar. In 586 of 626 [148], of welligt in beide +jaren, werd Friesland alweder overstroomd. Een viertal jaren later +begon de wijze Adgillus vliedbergen en terpen te maken, en gaf der +bedijking hare geboorte. Vele menschen en veel vee verdronken in +den vloed van 792 of 793, en door al deze verwoestingen waren er een +aantal steden, dorpen, bosschen, alsmede eene groote uitgestrektheid +lands verzwolgen en vernietigd, waarvan de onder de golven der zee +liggende zandbanken de sporen van het vorig bestaan aanwijzen. + +De St. Thomas vloed van den jare 806 was geducht voor Friesland; en +van dien tijd tot op de helft der XII eeuw moeten door verscheidene +overstroomingen Friesland, Noord-Holland, Zeeland en Vlaanderen +deerlijk zijn geteisterd, vooral in den jare 839 zou dit gewest bijna +geheel overstroomd geweest zijn, en er eene gansche omwenteling in +den bodem van ons vaderland te weeg zijn gebragt. + +De St. Juliaans-vloed in 't begin van 1164 kostte het leven aan +duizenden van menschen en beesten; waarop de alles verwoestende +Allerheiligen-vloed van 1178 volgde, die de zeebaren tot aan +Utrechts wallen voortjoeg. In dezen tijd kreeg de Zuiderzee eene +groote uitgestrektheid; terwijl de baatzuchtige Friesche Abten vele +verderfelijke doorgravingen deden maken, die de zee in vernielende +krachten deed aanwinnen. Ook in 1200 stroomde een deel van Friesland +over; doch van den schrikkelijken watervloed in Noord-Holland, in +1212, vindt men niets betrekkelijk Friesland vermeld. Dan bij den +ijsselijken Marcellus-vloed, in Januarij 1219, was geene overstrooming +te vergelijken, hetgeen dan ook bij de nakomelingschap ten spreekwoord +is geworden. Alwat tusschen den Wezer en de Schelde op en over de +oppervlakte van den grond aanwezig was, werd op vele plaatsen vernield +en vernietigd, en duizenden menschen van 't leven beroofd. Dezen vloed +(zegt Westend. Jaarb. p. 238) meenden velen te moeten toeschrijven +aan de brooddronkenheid en de woestheid van een zekeren Fries en +kampvechter, die het hoogwaardig sacrament te Wijtwerd en Uskwerd, +ter plaatse waar men naderhand het klooster van St. Jan stichtte, +zeer hoonde en ontheiligde. + +De jaren 1220, 1221, 1222, 1223, 1224, 1227, 1230, 1237, 1246, 1248, +1249, 1250, 1257, 1262, 1266, 1273, 1277, 1285, 1287, 1288 en 1290 +waren uiterst rampvol voor Friesland, en wie kan er zich een denkbeeld +van vormen? twintig overstroomingen in ééne en dezelfde eeuw, in één en +hetzelfde Gewest! En niet alleen door de vloeden, maar ook omstreeks +het midden dezer eeuw werd Friesland door eene vernielende pest onder +menschen en vee jammerlijk geteisterd, terwijl haat en nijd, twist en +tweedragt onder de ingezetenen aller onheil ten top voerden.--In deze +eeuw verdwenen Ezonstad, Camminghaburg bij Leeuwarden, Britsenburg +aan de Middelzee, de stedekens Wartena ten deele en Grind geheel. + +In de veertiende eeuw werd Friesland acht malen gedeeltelijk +overstroomd, en wel ten jare 1313, in welke de beroemde Wijbo Sjoerds +van Grovestins, voornaam hoofd der Vetkoopers, het leven liet, en op +welke overstrooming weder eene pestziekte zoude gevolgd zijn: voorts +in 1334, 1336, 1361, 1377, 1380, 1387 en in 1400, de Friesche vloed +genaamd, welke van belang is geweest voor de opkomst van Amsterdam, +door het aanmerkelijk verwijden van het Marsdiep, het zeegat tusschen +Texel en den Helder. + +Wederom vijftien overstroomingen in de XV eeuw, waren ons gewest ten +geesel en ter vernieling. In 1403 was de 3de Catharina's vloed, maar in +1421 rigtte de St. Elisabeth's-vloed hare ijsselijke verwoestingen aan, +waarin de 72 dorpen in den Zuid-Hollandschen Waard bedolven werden, +zoodat er twintig geheel te niete gingen. De volgende vloeden hadden +plaats in 1425, 1426, 1427, 1428, 1429, 1434, 1437, 1446, 1464, +1470, 1474, 1477, en 1497; en geen wonder dat het land overstroomde, +want de onderlinge twist en tweedragt gaf aan den oorlog voedsel, +terwijl de eendragtige zorgen voor het behoud des lands verloren +waren. West-Workum, Westerbierum en Dijkshorne waren den golven ter +prooi geworden: niet alles echter was verlies, want de Middelzee was +nu geheel aangeslijkt, en gaf kostelijk land. + +Ook in de XVI eeuw was Friesland even ongelukkig door den ramp +der vloeden, zoodat wel twintig malen in dit tijdvak het land +overstroomde. In de jaren 1502, 1503, 1509, 1516, 1517, 1520, 1524, +1525, wanneer er drie vloeden in één jaar waren; in 1530, 1531 en 1532 +(misschien dezelfde), 1552 en 1559 rigtten zij vele verwoestingen +aan. Maar de geweldige Allerheiligen-vloed van 1570 heeft het gansche +land langs de zeekusten van Frankrijk tot aan Noorwegen toe, als in +ééne zee herschapen; terwijl in Friesland de schrik en ellende, die +land en inwoonderen in eenen poel van jammeren stortte, door geene +pen waren te beschrijven, door geene woorden te vermelden. Wel 20,000 +menschen, zeggen de schrijvers, zijn in onze Provincie omgekomen: +1800 telde men in ééne Grietenij.--Daarna had men weder met dit +onheil te kampen in 1572, 1573, 1575, 1577 en 1578. Toen evenwel, door +tusschenkomst en dwang van Caspar de Robles, werd er gedijkt en gedamd. + +Hoewel nu de vloeden in de XVII eeuw minder waren dan in de vorige, was +evenwel de zee niet in banden te houden, maar brak nog dikwijls door de +dijken heen, en bedierf een deel van het zoo vaak geteisterd gewest. In +1610 liep de zuidwesthoek onder: 1623, 1625, 1643, 1651, 1665 en +1675 waren noodlottige jaren, en vooral het jaar 1651, waarin de +St. Pieters-vloed, na dat in Januarij de algemeene rivier-overstrooming +in de Nederlanden had plaats gehad, in de volgende maand vele oorden in +Friesland verwoestte. Voor Noord-Holland was die vloed verschrikkelijk. + +In den aanvang der XVIII eeuw, en wel in 1701 en 1703, zoo ook in +1715, leden door de overstroomingen het land en de zeedijken veel +schade, dan door den 7 kersvloed in 1717 was de verwoesting groot, +vooral in Oost-Friesland.--Ten jare 1731 werd het paalwerk langs +de kusten, en sommige sluisdeuren door de wormen geheel doorknaagd +en verteerd. Bijna zestig jaren lang bleef Friesland voor storm en +vloed beveiligd, doch in 1775 en 1776 had de provincie door twee +overstroomingen, en vooral door de laatste, veel te lijden; dit was +echter niet te vergelijken bij den geduchten watervloed van den jare +1825, die langs de zeekusten van Noord-Jutland af tot Frankrijk toe, +zijne vernielende kracht heeft uitgeoefend. + +Vergelijk de Inleiding voor mijn Geschiedkundig Tafereel van +den Watervloed en de Overstroomingen in de Provincie Vriesland; +voorgevallen in 1825, en alle de afzonderlijk daarin aangehaalde +schrijvers. Westend. Jaarb. van Groningen, op de verschillende jaren, +die echter vele overstroomingen niet heeft vermeld.--Een zeer goed +boek over de laatste overstrooming is dat van den kundigen F. Arends, +Gemählde der Sturmfluthen vom 3 bis 5 Februar 1825: (zu haben bei +dem Verfasser, 1826.) In zijn verdienstelijk reeds aangehaald werk: +Physische Geschichte der Nordsee-Küste, geeft de Schrijver, in het +tweede deel, eene Geschiedenis van al de watervloeden, vermeerderd +met vele bijzonderheden, door vroegere schrijvers niet vermeld. + + +Bl. 37. + +In den jaare 628 enz. Het omstandig verhaal dezen belangrijken strijd, +vindt men bij alle latere geschiedschrijvers bijna op dezelfde wijze +geboekt, en komt in de hoofdzaak overeen. Echter bij vergelijking +der oudste Friesche jaarboeken, zal men eenige afwijking van anderen +vinden. Niet, zoo als deze willen, was Dagobert de aanvallende partij +in Friesland, of wilde dit land dadelijk overheeren; maar de Saksen, +onder Koning Berthold, wilden niet meer onder der Franken gebied +blijven, maar vrij zijn, des zij hunne krijgsboden aan Klotaris +zonden, om dien op een barschen toon den wil van hunnen Koning te +kennen te geven, hetwelk der Franken Opperhoofd dezen zoo hoog afnam, +dat, waren zij niet door de christelijke staatkunde van den Bisschop +van Meaux gered, hij hen welligt het hoofd voor de voeten had doen +leggen. Zij keerden, tot christenen gedoopt, met eere en geschenken +terug. Doch de Saksen verbonden zich met de Friezen, volvoerden hun +plan, rukten tegen Dagobert op, die zijnen vader te hulp roept en de +overwinning behaalt; en nu had er eene ijsselijke slagting onder de +Saksen en Friezen plaats. Die langer dan zijn zwaard waren [149], +dat is, die de wapenen weder zouden kunnen voeren en geschikt ten +strijde waren, werden vermoord; vrouwen en kinders werden in Frankrijk +als slaven verkocht, en daarmede eindigde dit treurtooneel.--Dat dit +gevecht in Friesland bij de Middelzee plaats had, gelijk Rolevink, +en in navolging van hem Furmerius, Winsemius en anderen, beweren, +heeft geen schijn, daar men moet vooronderstellen, dat het niet anders +dan bij den Wezer kan hebben plaats gehad. + +Dagobert moet omstreeks dezen tijd ook een christenkerk te Utrecht +gesticht, en den Bisschop van Keulen het beheer over de Friezen +gegeven hebben; dan dezen, te zeer nog aan hunne afgoden verslaafd, +te stijf van hoofd en stug van aard, boden te veel tegenstand, en +men vorderde dus weinig. + +Dat ook deze Dagobert, als overheerder der Friezen, de insteller +der wetten is geweest, wordt bestreden en met grond betwijfeld.--Zie +daarover Schwartz., Charterb. Voorr. I. bl. 36, 37, 38. Men vindt deze +gebeurtenis beschreven bij Furmerius, Ann. Lib. III. c. IV. p. 172; +Wins. Chr. fol. 52; Schot. Hist. fol. 47; F. Sjoerds, Jaarb. I. 323; +Wagen. Vad. Hist. I. 331; Tegenw. Staat v. Fr. I. 221; Oudh. en +Gest. II. 111, 112 en 377; Cerisier, Gesch. d. Vereen. Ned. I. 90; +Bilderdyk, Gesch. d. Vaderl. I. 66. + + +Bl. 37. + +Adgild wierd enz. Over de regering van den christelijken Adgillus +en onchristelijken Radboud, is in het Overzigt genoegzame melding +gemaakt. Schot. Fr. Hist. p. 55, zegt, dat volgens eene Hollandsche +kronijk, Radboud geen zoon van Adgillus, maar van Diederik, omtrent +den jare 300 Koning van Friesland, bewesten 't Flie, geweest zou +zijn. Wij hebben echter die kronijk niet gevonden, en volgen liever +het getuigenis van alle overige geschiedschrijvers. + + +Bl. 42.--Ao 695. + +In Friesland, Holland en Teisterband. Over het oude graafschap +Teisterband, in 'twelk het geheele Sticht, met het land tusschen Maas +en Rijn, en van daar oostwaarts, met Kleef, Berg en Gulikerland, +vervat werd, leze men Bilderdyk's Geschied. d. Vaderl. I. bl. 161, +193 en 341 volgg. De afleiding is deze: Bant, Ban is jurisdictie, +regtsban, Deister is bogt, kromte van deisen, thans deinzen, +afwijken. Het wordt van ouds algemeen op de kromte van eene rivier +toegepast. Dus is Teister of Deisterbant de regtsban (of 't gezag) +van de bogt (de afwijking) des Rijns, waar hij van noordwaarts ten +westen afdeinst.--Vergel. de door Bild. zelven vervaardigde kaart +achter het I. deel. + + +Bl. 43. + +In den jaare 700. In dezen tijd, en zelfs gedurende een gedeelte der +VIII eeuw, was geheel Friesland nog heidensch. De Menschen-offers, door +geheel Galliën, Germanie en Scandinavie gebruikelijk, bij de Denen +en Noren in zwang, vonden ook in Friesland grooten bijval, zoodat +het geenszins vreemd is, in dezen tijd daarvan in de geschiedenis +voorbeelden te vinden. Men heeft het verhaal van den schoonen jongeling +Ovo, door den Priester Wulfram van den dood verlost, onder de fabels +gesteld, dan tijden, zeden en gewoonten in acht genomen, en de leer +der ondervinding geraadpleegd, zou ik niet weten, waarom, door deze +of gene omstandigheid, hetzij aan hooger magt toe te schrijven, +of vindt men dit te ouderwets gedacht, dan door een toeval, of wel +door eene behendigheid des Priesters, dit voorval niet had kunnen +plaats hebben [150]. Men twijfelt toch, in weerwil der zonderlinge +tegenspraak van sommige geleerden, geenszins aan zoo vele bloedige +offeranden aan de Goden gebragt, aan het slagten, verdrinken of op eene +andere wijze dooden van zoo vele mannen, vrouwen, ja zelfs kinderen, +waarvan de geschiedenis in de eerste eeuwen voorbeelden, aangeeft: en +zou het dus zoo vreemd zijn, dat in de eerste tijden bij verbazende +natuurverschijnselen of andere gebeurtenissen, men in zijnen angst +tot het menschenoffer, (gelijk dat van een driejarig kind, bij het +ontstaan eener zoute welle) als het hoogste, waarmede men zijne Goden +vereeren kon, waarmede men rampen afweren en gunsten verwerven wilde, +toevlugt nam? + +Zeer gegrond is de aanmerking, dat door deze volharding in de +afgodendienst overvloedig blijkt, hoe weinig der Romeinen gezag +en invloed op de Friezen werkte. Men leze over het offeren van +menschen en beesten de meergen. Verhandeling van Westendorp, over het +gebr. der Noordsche Mythologie, bepaaldelijk over de Heilige gebruiken, +bl. 339 volgg. + + +Bl. 44. + +Adgild, de tweede. Sommigen willen liever tot opvolger van Radboud +zijnen zoon Poppo, dan Adgillus hebben; de een onder den titel van +Koning, de ander onder dien van Hertog. De gissing echter in § 11 +van het Overzigt (bl. 315), komt mij zeer aannemelijk voor. Zie van +Loon, Aloude Holl. Hist. I. 324b, 325a; Oudh. en Gest. Naber. p. 393; +Bijv. en Aanm. op Wagenaar, I. 92; West. Jaarb. p. 42. + + +Bl. 46.--Ao 736. + +Is Bisschop Willebrord ontslaapen. Deze heeft ongetwijfeld den +eersten grondslag gelegd, en groot nut aan Friesland gedaan, tot +bekeering der heidensche natie. Volgens Wagenaar (I. 378) stierf hij in +slagtmaand 737, nalatende een alleraanzienlijks vermogen, meest door de +Franken hem geschonken, hetwelk hij aan zijne geliefkoosde Abdij van +Epternach, bij Trier, uit eene gifte van Dagoberts Dochter gesticht, +vermaakte. Omstreeks dezen tijd schijnt ook de Priester Marcellus, +die zeventig jaren lang het Evangeliewerk verrigtte, in Friesland +met goed gevolg gepredikt te hebben. + +Ook in dit tijdvak kwam de vrome en geleerde Bonifacius hier te lande +uit Engeland. Deze bestreed met kracht, verstand en godvruchtigen +ijver, niet alleen de heidensche bijgeloovigheden, ruwheid van zeden +en woestheid der Friezen, maar ging ook met ernst het zedebederf, de +onkunde, boosheid, onwettigheid en valsche leer der geestelijken te +keer, wier doel en middelen met de christelijke godsdienst zoo zeer in +strijd waren. Zie het op bl. 348 aanbevolen werk van den heer Glasius, +IV en V Hoofdst. + + +Bl. 47.--Ao 749. + +Priester Jan.--Zie over dezen Oudh. en Gest. II. 84-86 en +Naber. bl. 349. + + +Bl. 50. + +Vreemde Heeren. De Heer v. Halmael, heeft zijn tweede Tijdperk van het +Overzigt, (gedeeltelijk geplaatst in 't Friesch Jierboeckjen van 1833) +loopende van 773 tot 1498, zijnde van Karel den Groote tot de regering +van Albrecht, Hertog van Saksen, genoemd: Het Vrije Friesland. Niet +dadelijk evenwel (zoo als ook de Schrijver aanmerkt) waren de Friezen +vrij, maar trapsgewijze onder Karel's opvolgers werd die vrijheid +verkregen, niet door Karel zelven hen geschonken. En ook natuurlijk, +want daar onder de hoofdvoorwaarden het aannemen van de Christelijken +Godsdienst, en dus ook onderwerping aan een' Bisschop behoorde, was +het van zelf, dat het onrustig en onstuimig karakter niet zoo dadelijk +met die zachte middelen te temmen was, waardoor dus menig opstand en +oproer dikwijls de reeds geschonken vrijdommen weder deden bekrimpen. + +Karel verdeelde het tegenwoordig Friesland, naar het schijnt, in drie +Graafschappen: Oostergouwe, Westergouwe en Stavoren. Het Graafschap +Islegouwe (IJsselland), waarin Oost- en West-stellingwerf begrepen +zullen zijn, is welligt een Saksisch en geen eigenlijk Friesch +Graafschap geweest of alzoo genoemd. Ieder Graafschap had zijn +opperhoofd, bekleed met de burgerlijke en militaire magt, en over +eenige Graafschappen was een Hertog, uitsluitend het bewind over de +krijgsmagt voerende, gesteld [151]. + +De wetten, naar welke Karel de Friesche Graafschappen in het algemeen +deed regeren, zijn die, welke onder den titel van Leges Frisionum +in druk zijn uitgegeven. Het eerste deel bevat de overoude gewoonten +der Friezen onder de Romeinen, met eenige wetten der Franken, en het +tweede, de ophelderende bijvoegselen van Sachsmund en Wulmar. Echter +beschouwen wij dit niet als een volledig Corpus of wetboek, maar +veeleer voor een handboek voor de Keizerlijke Graven en Ambtenaren, om +daarop regt te doen, ook ter berekening der breuken en boeten. Hieruit +zoowel als van elders blijkt, dat de Friezen destijds in vier +standen of klassen verdeeld waren. Edelen, dit waren de rijksten, +de begoedigsten; Vrijen, minder gegoeden, echter onafhankelijken; +Liten, lijfeigene boeren, en Slaven of Knechten, geheel dienstbaren. + +Karel ontnam den Friezen het regt op de vaderlijke erfenis, alzoo hun +regt op de nagelatene goederen der ouders, dat is: het vrije bezit +der erf-, stam- of landgoederen van den adel en van de welgeboren +lieden; en voerde dus het zoogenaamde Leenregt in. Deze algemeene +hoon en smaad werd weder uitgewischt door Karel's wettigen zoon en +opvolger Lodewijk den Vrome of Godvruchtige [152], die zijne regering +begon met aan de Friezen dit regt, en met dit regt den eernaam van +Vrije Friezen weder te geven. Hij was een zeer menschlievend Vorst, +doch welligt wat al te vroom om zulk een groot gebied en een onverlicht +volk te regeren.--Zie Friesch Jierboeckjen, 1833, §§ 4 en 7; bijzonder +Charterboek, Voorrede I. bl. 40 volgg. en aldaar den Giftbrief; +vergel. West. Jaarb. bl. 55 volgg. + +Ten opzigte der wijze, hoedanig de opgemelde wetten in geschrifte +gesteld zijn, verhaalt men, dat dit door twaalf deskundigen, (welk +getal men in regtszaken steeds hoog waardeerde,) door de Friezen +gekozen, uit de overleveringen moest geschieden. Doch men wilde +liever bij het oud regt blijven, dan deze zware taak te verrigten, +en men was dus onwillig. Des Keizers wil woog echter zwaarder, dan +die der twaalven, en het werk werd volbragt. + +De Sage, zegt de Heer Westendorp (Jaarb. I. 59), heeft deze gebeurtenis +in een kostelijk kleed gestoken: + +»Daar deze twaalf wijzen dan onwillig waren, om de wetten der Vriezen +in schrift te stellen, zoo gaf de Keizer hun zeven dagen tijds om +tusschen de onthoofding, het levende begraven, of het ter prooi geven +aan de woeste golven in een stureloos schip, te kiezen. De wijzen +kozen lijdzaam en moedig het laatste. Men zette hen dan nu in een +schip zonder zeil, roer, riemen en anker, en liet hen voor wind en +weder drijven. Een der Wimoedes, Asega of Azinge geheeten, van het +Wilken-geslacht, en een der eerste Vriezen, die deze benaming droeg, +herinnerde in dezen nood zijnen mede-ambtgenooten aan eene door hem +gehoorde leerrede van Willebrord, nopens de verschijning van Christus +Jezus, voort na zijne opstanding, aan zijne, in druk gezetene, +vrienden, hoewel de deuren gesloten waren. Hij stelde hen tevens +ootmoedig voor, om de hulp, redding en tusschenkomst van Christus +Jezus in dit gevaar biddend af te smeeken. Dit geschiedde eenparig +knielende. En ziet, onder hun gebed vertoonde zich achter in het schip +een man, welke met zijne hand een kromhout hield, en die de twaalven +wederom in de haven terug bragt, vanwaar zij uitgegaan waren. Als nu +de dertiende met de twaalven te lande kwam, wierp hij het kromhout +op den grond, en terstond ontsprong aldaar eene bron, rondom welke +allen gingen zitten: een ieder verkwikte zich met het water van de +bron. De dertiende, welke aan de twaalvde volkomen gelijk en daarvan +niet te onderscheiden was, leerde hen en gaf hun in, welke regten +zij, ter gehoorzaming aan het keizerlijk bevel, zouden uitkiezen en +beschrijven. Als zij nu wel onderrigt waren, zagen zij den dertienden +niet langer; zij gingen aan hunne taak, en volbragten dezelve. »Zij +kozen het landregt, dat hen door Maria's zoon geleerd was," zegt een +der kronijken. Men legde deze verzameling den keizer en den paus +voor, en het werk verwierf de goedkeuring van beiden."--Verg. de +O. Fr. Wetten en de belangrijke Aant. van bl. 103-114, alwaar men +in het verhaal van de twee Kon., Karel en Radboud, deze sage vindt, +zoo als ook bij Beninga en Kempius. + + +Bl. 50. + +In den jaare 777 is Ludger. Het verwondert mij dat onze kronijk, nog al +gehecht aan bijzondere voorvallen, hier niet vermeldt de wonderbare +redding van de moeder van dezen Ludger, te vinden in Schotanus, +Beschryvinge v. Frieslandt, p. 22, overgenomen uit eenen (aldaar +niet genoemden) Levensbeschrijver van Ludger. Dus luidt hoofdzakelijk +aldaar deze gebeurtenis. Wrisung, de grootvader van Ludger, was der +Christen-godsdienst toegedaan, en werd dus door Radboud verdreven. Hij +ging over het Vlie wonen, en volvoerde zijn christelijk werk; zijn' +jongsten zoon Tjadgrim in Utrecht ter leerschool bestellende. Deze +huwde na zijns vaders dood eene vrouw, genaamd Liafburg of Liatburg, +waarbij hij drie zoons en ook onzen Ludger verwekte. Deze Liafburg +geboren zijnde, moest op last van hare heidensche grootmoeder, +verdrietig dat harer schoondochter alleen meisjes werden geboren, door +eene slavin worden verdronken; een regt dat zij volgens hare leer, +op jonggeboren kinderen hadden, om ze om te brengen en te offeren, +mits zij vooraf niets genuttigd of geproefd hadden. Dan het wichtje +greep met zijne handjes het vat of den emmer, waarin het gestoken werd, +om den rand, en worstelde dus tegen den dood. Eene buurvrouw dit ziende +en bewogen met het onnoozel schepsel, ontnam het der slavinne, liep +in haar huis en stak het een weinig honigs in den mond, waardoor het +van den offerdood was verlost. Zij voedde het kindje zorgvuldig op, +gaf het na den dood der grootmoeder aan de ouders terug, en dit meisje +werd de moeder van den geleerden en verdienstelijken Priester Ludger, +van wien men leest, dat hij de Friesche, Engelsche, Frankische en +Latijnsche talen vlug en vaardig sprak, en wiens leven en daden overal +tot zijnen lof zijn beschreven. Als opvolger van den braven Bonifacius +en in diens voetspoor tredende, bekleedde deze wijdvermaarde Fries +eene aanzienlijke plaats onder de Christenherders, die boven velen, +godvruchtig, ijverig en standvastig in zijnen arbeid was. + +Men vindt onder anderen de levensbeschrijving der eerste +Geloofpredikers bij F. Sjoerds, Beschr. v. O. en N. Friesland, VI +Hoofdst.--Over Ludger, Westendorp, I. 64 en volgg. 89 volgg.--die +echter, tegen het verhaal van Schotanus aan, niet de moeder van Ludger +den offerdood doet ontkomen, maar Ludger zelf, waardoor de genoemde +oorzaak zou wegvallen, welke aanleiding tot het ombrengen van het +jonggeboren kind had gegeven. Maar belangrijk is ten dezen het werk +van den heer B. Glasius, de Gesch. der Christ. Kerk en Godsd. in de +Nederl. vóór het vestigen der Herv., waarvan het eerste deel het licht +ziet, en waarin wij voor de eerste pogingen ter verkondiging van het +Christendom in ons Vaderland en der Christenleeraars eene naauwkeurige +en belangrijke beschrijving hebben gevonden. Ook den beoefenaren der +Friesche Historie zij dit werk bij zonder aanbevolen [153]. + + +Bl. 51.--Ao 784. + +Zijn de Noormannen wederom met Wydekind. In het Archief van de +oude Hannoversche stad Goslar is eene oorkonde aanwezig, bevattende +het gebed of de gelofte, waardoor de Saksen over hunnen aanvoerder +Witekind, in den krijg met Karel den Groote, heil en zegen afsmeekten +van hunnen God Wodan, wiens beeld op den Hartsberg vereerd werd. Dit +is de Duitsche tekst: + +»Heiliger, groszer Wodan! Hilf uns unserm Herrn Wittikind, auch +dem Kelta (Unterfeldherrn) von dem aischen (garstigen) Karl-pfui +dem Schlächter! Ich gebe dir einen Ochsen und zwei Schaafe und +den Raub. Ich schlachte dir alle Gefangene auf deinem heiligen +Hartisberge!" De geleerde Ypeij deelt deze bede benevens eene tweede +oorkonde, twee of drie jaren later gesteld, toen de Saksen zich aan +Karel onderworpen hadden, in de Nedersaksische spraak mede [154], +met een aantal belangrijke taalkundige aanmerkingen vooral op het +laatste gedenkstuk. + + +Bl. 54.--Ao 808. + +Omtrent dien zelven tijd liet Igle Tadema. Het is zeker dat het meer +Flevo zich in dezen tijd en ook reeds vroeger merkelijk uitbreidde, +waartoe herhaalde stormen en watervloeden krachtig medewerkten, +zoodat het zoute water niet alleen de tegenwoordige kusten naderde, +maar ook van tijd tot tijd ondermijnde. Het is dus zeer mogelijk, dat +bij het graven van putten, gelijk ook op 't jaar 513 van Juw Hoppers +wordt vermeld, er zout water is opgekomen, en het verhaal van Tadema de +gewone versiering heeft ondergaan, zoo als van vele andere voorvallen, +zonder dat het noodig zij het geheel te verwerpen. Dat Igles zoon op +bevel van zijnen vader het landgoed bij het Kreil verkocht, en zich +in Gaasterland vestigde, dit is zeer natuurlijk, en dat de familie +hier over wrokkend was en zich op eene voor onzen tijd ijsselijk +wreede wijze wraak verschafte, is ook niet zoo vreemd.--Men leze deze +schrikkelijke geschiedenis in O. v. Scharl's Kronijk op 't jaar 808, +die echter 't voorval met Juw Hoppers niet heeft opgeteekend. Zie +Wins. fol. 47 en 85; Schot. Fr. Hist. fol. 53. + + +Bl. 56. + +In den jaare 809, als er te Romen. Op Kersdag van den jare 800 werd +Karel de Groote in de hoofdkerk te Rome als Augustus en Caesar der +Romeinen over het Westen uitgeroepen, gezalfd, gekroond en gehuldigd. + +»De Friezen dienden hunnen nieuwen meester getrouw; doch weinig +geloof zoude 't verhaal verdienen, dat zij met hem Rome zouden +hebben veroverd, gelijk onze en andere Kronijken op den jare 809 of +omstreeks dien tijd vermelden. Men kan dit feit hebben verward met +de verovering van Rome door Arnulph, den laatsten afstammeling van +dezen Karel, wien het vergund was den Westelijken Keizerskroon te +dragen, doch om gekroond te worden, de stad moest overwinnen, waarin +de Friezen beoosten het Flie hem bij stonden." Dit is hoofdzakelijk, +met anderen, ook het gevoelen van den heer v. Halmael: versterkende +dit zijn gevoelen door het argument dat de beschrijvers van het leven +en de daden van Karel daarvan geen gewag maken. Dan Bilderdyk is van +een tegengesteld begrip. »Het zijn de Friezen niet alleen, zegt hij, +die van hunne verovering gewagen. De Romanciers en Heldenboeken +der middeleeuwen zijn er vol van, dat de Friezen Rome voor Karel +innamen. En waarom mag dit niet zijn? Dat hij Friezen in zijne legers +had, is zeker en boven alle bedenkelijkheid; en daar hij ze ook in +Spanje bij zich gehad heeft, daar zij hem over de Pyreneën verzelden +en hun trouw bewezen, waarom mag het niet waar zijn, dat zij 't ook +over de Alpen deden; en dat toen er een oproer in Rome bij Karels +aannadering ontstond, en de poorten hem gesloten werden, zoo als +bij die Romanciers deels gemeld, deels duidelijk ondersteld wordt, +zij het waren, die de poort gewonnen hebben, en hun dus in de stad +gevoerd? Daar is iets zoo natuurlijks in, zoo wel zamenhangende, en zoo +wel passende op de zaak, dat het mij ten minste niet onaannemelijk +voorkomt; en dat zij eene belooning daarvoor gekregen hebben, +geëvenredigd aan het belang dat Karel in de bewezen dienst stelde, is +mede zeer waarschijnelijk. Het zij dat dit in 799 gebeurde, toen hij +den verdreven Paus Leo III op den zetel herstelde; waarbij het niet te +verwonderen is, zoo geweld en dapperheid en bestorming van eene poort +noodig was: het zij in 800 toen hem de keizerkroon opgezet wierd, en +er bij die gelegenheid mooglijk een oproer van de oude partij ontstond, +die men gefnuikt waande, maar zonder de Friezen van gevolge had kunnen +zijn. De zaak kan dus waar zijn; en men heeft onrecht een geheel volk +tegen te spreken, wanneer er eenige samenstemming in zijne overlevering +is met hetgeen van elders getuigd of voor waar en aangenomen is in +een tijd dat de geheugenis nog versch was."--»Men behoeft enz." + +Hoezeer dan ook de Bulle of open Brief van Karel den Groote +ontwijfelbaar valsch is, behoeft daarom het vermelde feit geen fabel +te zijn, en het is onbetwistbaar, dat er dikwijls valsche stukken +zijn gesmeed tot bewijs van wezenlijke waarheden, waarom ik mij +dan ook met de meening van Bilderdyk wel kan vereenigen [155]. Uit +een der te Oxford berustende handschriften, tot de nalatenschap van +Junius behoorende, getiteld: Incipiunt Gesta Fresonum, hetwelk door +het Fr. Genoots. wordt uitgegeven, zal ongetwijfeld dit gevoelen +worden versterkt. + +Wij vinden op dezen jare 809, en ook vooral op het volgend jaar, +aangeteekend, dat er in alle provinciën eene geweldige runderpest +woedde, zoodat er bijkans geen os in het leger overbleef, welke ziekte +nog vele jaren voortduurde. + + +Bl. 58.--Ao 810. + +Een schattinge van 200 ponden zilver. Anderen bepalen die op de +helft. Deze belasting, onder den naam van Klipschild, klinkschatting, +werd dus genoemd omdat de munten in een bekken moesten geworpen +en de klank daarvan in de verte gehoord worden. Zoo moesten ook +de Engelschen lange jaren het zoogenaamde Deangeld aan Godfried +opbrengen. Zie O. Fr. Wetten, bl. 130, in de Aanteekening. + + +Bl. 61.--Ao 808. + +Magnus Forteman. Dat deze de eerste Potestaat is geweest, hebben +latere schrijvers tegengesproken, op grond dat deze waardigheid +zijnen oorsprong uit Karel's Bulle, welke voor valsch verklaard is, +moet hebben gekregen. Echter erkent men, zelfs Emmius ook, dat de +Friezen al van ouds Potestaten hebben gehad, die, als de handhaving +van het regt, of ander algemeen belang, als er oorlog op handen +was of ontstaan zou, verkozen werden. De geschiedenis van Magnus +Forteman kan niet gereedelijk voor waarheid worden aangenomen; doch +het bestaan van zoodanige gezagvoerders, als door het Potestaatschap +wordt bedoeld, kan men ten zijne tijde niet betwisten.--Men leze +hierover ter bevestiging v. Rhyn's Nabericht, bl. 410, 411, 417-420; +F. Sjoerds, Jaarb. I. 440-444, 464, 473; II. 9, 64, 84, 85 en de +aldaar aangehaalde schrijvers [156]. + + +Bl. 62.--Ao 826. + +Anscharius. Vermaarde Monnik uit het te Corveij gestichte klooster, +werd eerste Bisschop te Hamburg, later Aartsbisschop van Bremen en +Hamburg, en stierf in 865. + + +Bl. 62. + +In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer +verkooren. Adgillus II had twee zoons en twee dochters nagelaten, +van welke laatsten de eene Konovella was geheeten. Deze was getrouwd +met een aanzienlijk Edelman van Sexbierum, Adelbrik, wonende op het +slot Adelburg. Twee zonen werden uit dezen echt geboren met namen +Adelbrik, deze Potestaat, en Frederik van Adelen, de Bisschop op +den jare 838 vermeld. Zie Winsemius, fol. 67, 83 en 105, alwaar men +hunne geschiedenis vermeld vindt. Uit dezen zou het beroemd Friesch +geslacht der van Adelens gesproten zijn.--Van den Potestaat, wiens +aanvankelijke regering door sommigen later gesteld wordt, is weinig +aangeteekend; doch van den moord des Bisschops zegt ook onder anderen +de heer v. Halmael (Friesch Jierb. 1833, § 8), dat dit waarschijnlijk +door toedoen of op last van Keizer Lodewijks tweede echtgenoot, Judith, +dochter van Welf, Graaf van Beijeren, is geschied, wier huwelijk hij +bloedschendig verklaarde. »Had de man (voegt deze schrijver er bij) +zich niet bemoeid met zaken, welke hem niet onmiddelijk aangingen, +even als zoo vele andere geestelijken van vroegere en latere tijden, +hem was dit lot denkelijk niet wedervaren. Doch zijn voorbeeld heeft +misschien niemand geleerd het niet na te volgen, en de bemoeiallen +zijn nog niet uitgeroeid."--Verg. F. Sjoerds, Jaarb. II. 23 volgg. + + +Bl. 63.--Ao 838. + +De verderfelijke leere der Arriaanen. Arius, geboren in Lijbië +omstreeks den jare 300, Priester te Alexandrie, wilde na den dood +van Achillas in dit bisdom diens opvolger worden. Dit mislukte hem; +hij besloot ketter te worden, en verkondigde eene leer, welke door de +Synode van Alexandrie in 320, en door de kerkvergadering van Nicea in +325 veroordeeld werd. Arius, schoon gevangen gezet en gebannen, kreeg +talrijke en vermogende aanhangers, bragt de geheele kerk in tweespalt +en won de gunst van Konstantijn, die zich op de Ariaansche wijze liet +doopen, en zelf het Arianismus tot zijne hofreligie maakte. Arius, te +Alexandrie geweigerd, trok in 336 naar Konstantinopel en stierf bij +zijnen plegtigen intogt. Zijne leer echter begon nu eerst te leven +en bragt het geheele Oosten in beroering; doch de haarkloverijen en +spitsvondigheden der Arianen, die elkander onderling verketterden, +bezorgden eindelijk aan de Katholijke kerk de overwinning. Nu en +dan verhieven zij zich weder, doch sedert den ondergang van het +Longobardische rijk, liep ook hun rijk voornamelijk ten einde, en na +de VII eeuw werd de algemeene invloed van hun stelsel krachteloos.--In +Friesland, en vooral in Westergo, schijnt nog later der Arianen leer +gehuldigd te zijn; doch Bisschop Frederik, en na hem de vermaarde +Kanunnik Odulphus (Adolf), gingen ook hier deze ketterijen met kracht +te keer.--Zie Algemeen Noodw. Woordenb. der Zamenleving, op de woorden +Arius en Arianen. + +Onder de verschillende secten dier tijden maakten de Arianen den +meesten naam. Het stelsel van Arius was, dat de Zoon van God, die, ter +verlossinge der menschen, mensch werd, in waardigheid en natuur den +Vader niet gelijk stond, maar, vóór de schepping, door den Vader als +het voornaamste schepsel uit niets is voortgebragt.--Verg. B. Glasius, +Gesch. der Christ. Kerk en Godsdienst, I. 37; F. Sjoerds, +Jaarb. II. 22. + + +Bl. 64. + +In den jaare 840 overleed Lodewijk.--Zijn opvolger Lodewijk de +Duitscher, was een regtschapen en godsdienstig Vorst, de stichter en +grondvester van het Duitsche rijk. Zijne zesendertig-jarige regering +was zeer onstuimig, vol van bloedige oorlogen en moorddadige gevechten +tegen de telkens invallende Noordsche volken. Hij verdeelde in of na +870 het rijk, door hem beheerscht, onder zijne drie zonen, Karloman, +Lodewijk en Karel, bijgenaamd de Dikke. Lodewijk de Jongere bekwam +in zijn aandeel, behalve andere landen, twee deelen van Friesland, +liggende ter regterzijde van den Rijn, en Karel een deel, dat gelegen +was aan de linkerzijde der Maas. Bij een nader vergelijk tusschen de +broeders schijnt geheel Friesland aan Lodewijk den Jongere gekomen te +zijn. Zijne regering was echter niet van langen duur, daar hij in 877 +overleed, wordende opgevolgd door zijnen broeder Karel den Dikke, die, +na den dood van zijnen oom, Karel den Kale, en diens zoon Lodewijk +den Stamelaar, in 879 gestorven, tot de keizerlijke waardigheid werd +verheven. Een gedeelte van Friesland werd door den Keizer aan Gisla, +dochter van Lotharius II, huwende met den Noordschen Vorst Godfried, +ten bruidschat gegeven, ten einde dezen tot vriend te houden; waarom +hij zich dan ook in 822 liet doopen. Deze daad kwam den Friezen duur +te staan, want hij heerschte als een tiran, liet zijne onderdanen, +zoo als men verhaalt met halsbanden boeijen, om ze bij elk gering +vergrijp of naar willekeur te doen ophangen, en maakte hen tot +lastdieren. Eindelijk werd hij ook van kant gemaakt. + +In 880 (anderen stellen 881 en 884) vielen weder de Noormannen +met eene groote magt eerst in Saksen, daarna in Frankrijk, en het +tegenwoordig Friesland en Oost-Friesland, met oogmerk alwat Christen +was uit te roeijen. De Saksen wilden dien woedenden stroom stuiten, +doch hun leger werd vernield met diens Hertog, drie Bisschoppen, +in hoedanigheid van geestelijken het leger volgende, en twaalf +Graven. Verschrikkelijk was hun moorden, branden, plunderen en rooven, +terwijl zoo hier als elders, landen en volken door die helsche benden +werden verwoest en geteisterd. Bij hunnen inval in Friesland moesten +zij het echter ontgelden, want aldaar leden zij de groote nederlaag, +in onze Kronijk bedoeld. Intusschen kwam het, wat ons Friesland betrof, +met Lodewijk tot een vergelijk. Daarna hadden zij, bij een inval in +de Maas, de steden Maastricht, Luik, Tongeren, Keulen, Bonn, Trier, +Mentz en andere plaatsen verwoest en de inwoners deerlijk mishandeld. + +Karel de Dikke, in 't bezit gekomen van het grootste gedeelte der +Monarchij van Karel den Groote, bezat te beperkte geestvermogens om +zulk een groot rijk te bestieren. Hij werd zwak en onmagtig, door zijne +onderdanen verstoten, onttroond en stierf in 888 in armoede en ellende +te Reichenau. Opgevolgd door Arnulph, die onder de Noormannen te +Leuven eene ijsselijke slagting aanrigtede, veroverde deze daarna Rome +met medehulp der Friezen, om aldaar gekroond te worden. Lodewijk, bij +zijns vaders dood nog geen acht jaren oud, en daarom het Kind geheeten, +volgde hem in het rijksgebied op, hetwelk echter bestuurd werd door +Hatto, Aartsbisschop van Mentz, Adalhero, Bisschop van Augsburg, +en Otto, Hertog van Saksen, zijnde de jonge Vorst onder voogdij +van Otto en Hatto gesteld. In zijn achttiende jaar stierf Lodewijk, +ongehuwd en zonder kinderen na te laten, en met hem was het geslacht +des Grooten Karels, en alzoo de Karolingische stam, uitgestorven. + +Over de volgende Vorsten en Regering, den oorsprong van het graafschap +Holland enz. verwijzen wij den Lezer tot het Friesch Jierboeckjen, +1833, § 15 en volgenden. West. Jaarb. I. 131 volgg.; Wagenaar, +F. Sjoerds, en anderen. Belangrijk is ook de geschiedenis van den +Deen Erik, Rorik of Roruk, zoon des Deenschen Konings Heriold, +waarvan in de aangehaalde Schrijvers omstandig gewag gemaakt wordt; +ook Bilderdyk, I. 100, 148 enz., voorts bl. 167 over den oorsprong +van het Graafschap Holland. + + +Bl. 64--Ao 850. + +De kerk van St. Walburg.--Verg. de korte beschrijving van +West. Jaarb. op 't jaar 850. + + +Bl. 64. + +In den jaare 867. In dit jaar werd het Benedictijner klooster op het +eiland Ameland, 't welk 's jaars te voren door den Heer Haijo van +Cammingha, ter plaatse daar de tempel der Godin Foste gestaan had, +was gesticht, met monniken bevolkt door Odilbaldus XII, Bisschop van +Utrecht. Uit hoofde echter dit klooster en zijne bewoners aanhoudend +door de zeeroovers werden geteisterd, is het na verloop van bijna +derdehalf eeuw onder Ferwerd, in Ferwerderadeel, verplaatst, door +de godvruchtige Anna van Cammingha, vrouw van Graaf Adolf van +Fronenberg. Het doel des Stichters was eene kweekschool voor de +wetenschappen, welke destijds bijzonder door de Benedictijnen werden +beoefend, aan te leggen. Oudh. en Gest. II. 286; West. Jaarb. I. 123; +F. Sjoerds, Jaarb. II. 55, 56, 270, enz. + +In den jare 873 kwam er een ontzettend aantal sprinkhanen over +Friesland, welke een duim dik waren, met zes vleugelen en zeer sterke +tanden voorzien. Zij vraten in één uur alles van het veld, zeven à acht +mijlen in den omtrek, en knaagden de takken en basten der jonge boomen +af. Na eene verschrikkelijke verwoesting, dreef de wind hen zeewaarts; +toen verdronken zij, doch door den vloed werd deze geweldige massa +op de oevers geworpen, en veroorzaakte eene pestziekte.--F. Sjoerds, +Jaarb. II. 65. + + +Bl. 67. + +In den jaare 910. Te regt klaagt de Heer West. bij den aanvang van het +tweede Perk des Jaarboeks, als ook de Schrijver van den Tegenwoordige +Staat van Friesland, over de weinige bijdragen en den schralen oogst, +welke de geschiedenis van Friesland ons in de tiende en elfde eeuwen +oplevert. In dit tijdvak zijn bij de Kronijk- en Geschiedschrijvers +weinig belangrijke bijzonderheden vermeld, en ook onze kronijk deelt +er dus weinige mede. + +Friesland strekte zich te dien tijd uit van den Sincfal, de plaats +waar zich de rivier de Maas in zee ontlast, bij Ostende lot aan den +Wezer.--Later werd de verdeeling in zeven Zeelanden daargestelt.--Van +dezen besloeg ons tegenwoordig Friesland er twee, en een deel van het +derde Zeeland. Friesch Jierb. 1834, § 5; voorts West. Jaarb. I. 211, +en de daar aangehaalde Schrijvers. Wiarda, Von den Landt. d. Fries, +b. Upstalsboom, 3 Abschnitt; Meng. Leeuw. Cour. 4 Oct. 1831. + + +Bl. 67.--Ao 910. + +Westerman heeft enz. Adam Westerman, Predikant te Stavoren, +heeft in den jare 1635 uitgegeven: Korte Beschrijvinge van de +oude Anse-stad Stavoren; in welke aangewesen werd haren Ouderdom, +Opgang, Voortreffelijkheid, Afgang, en tegenwoordigen Stand. Eene +herdruk daarvan verscheen te Amsterdam in 1684. De Schrijver schijnt +de kronijken gevolgd te zijn, en niet meer gegeven te hebben dan +H. I. Soet, in zijn: Op- en Neder-ganck van Stavoren. Verg. Pars, +Naamrol van de Batavise en Holl. Schrijvers, bl. 141. + + +Bl. 67.--Ao 920 en 970. + +Koppen van Stavoren--Okke van Scharl. Het bestaan van de schriften +van dezen eersten wordt mede betwist. Suffridus Petri [157] zegt, +dat hij van Andreas Gryphius fragmenten ter leen gehad heeft, door +den Priester Cappidus van Stavoren zamengesteld, welke hem tot zijne +geschriften zeer ten dienste hadden gestaan;--doch ook deze zijne +woorden, welke door geene latere bewijzen bevestigd zijn, hebben +geen geloof kunnen vinden,--even min als zijn verhaal van Ocko van +Scharl. Volgens de overlevering hadden de Schriften van zijn oudoom +Solke, of Carel Solke Forteman, hem de bouwstof geleverd, voor zijne +bekende Kronijk, welke door Johannes Vlijtarp, Geheimschrijver van +den laatsten Potestaat, J. Hessel Martena, in de XIV eeuw is aangevuld +en verbeterd, en daarna door Andreas Cornelis, geboortig van Stavoren +en Organist te Harlingen, werd overgewerkt, vervolgd en na diens dood +uitgegeven in den jare 1597 te Leeuwarden, in folio, bij Jacob Jansz, +doch te Amsterdam gedrukt. Deze kronijk is herdrukt in quarto, en te +Leeuwarden uitgegeven bij Abraham Ferwerda in 1742. Een tweede druk +daarvan verscheen bij D. Balk te Workum in 1753, welke echter zoo +letterlijk, ja stiptelijk met al zijne versierselen gelijk is aan +den vorige, dat alleen de titel het onderscheid uitmaakt, even als +met de Leeuwarder en Franeker drukken van Gysbert Japicx Rijmlerye +en de 3 laatste Uitgaven onzer Kronijk. + +Vele Schrijvers zijn van gevoelen, dat deze Kronijk geen het minste +geloof verdient, als gevuld met fabelen en bijgeloovigheden. Emmius, in +zijne Refut. Apol., van Rhyn, op de Oudh. en Gest. I. 51; F. Sjoerds, +Inleiding voor de Besch. van O. en N. Friesland, en anderen beweren +dit op gelijke gronden; geen gezag aan Suffridus Petri kunnende +toekennen. Ook de Wind, in zijne Inleiding voor de Bibliotheek van +Nederl. Geschiedschrijvers, heeft dit punt met oordeel behandeld. Zijn +gevoelen stemt niet dat van Emmius overeen: »Hoezeer dan ook, zegt +hij, Andreas Cornelis een handschrift moge voor zich gehad hebben, +waaruit hij de drie eerste boeken getrokken heeft, is het onbewezen +dat dit H. S. eene kronijk van O. van Scharl uit de tiende, en van +J. Vlijtarp uit de veertiende eeuw inhield. Veeleer zal dit H. S. het +werk geweest zijn van een Schrijver uit het begin der dertiende eeuw, +die deze fabelen heeft zamengeflanst, in dien tijd, toen bijbel en +ware geschiedenis in het kleed van een roman moesten gehuld worden, +wilde men dezelve aanhooren." Wij willen de gronden van den kundigen +de Wind wel niet betwisten of wederleggen, als hier niet voegende, +dan ik kan er evenwel nog niet toe komen, om met Emmius alles weg te +redeneren; en zelfs naar aanleiding van bovengemeld argument, blijf +ik beweren, dat er veel waarheid, hoe dan ook in fabelen gehuld, +uit deze kronijk en andere dergelijke schriften is op te sporen, +waarom wij met den geleerden Westendorp gereedelijk instemmen, +dat er geene voldoende redenen bestaan, de geloofwaardigheid dier +oude Schrijvers geheel te verwerpen. Zie voorts gem. Biblioth. der +Ned. Geschiedschrijvers, II. St. p. 223; Suffr. Petri, D. 5. c. 9. en +D. 7. c. 4, de Script. Frisiae; Schwartz. Chart. Voorr. II. 67; +onze Aantt. bl. 286-288. + + +Bl. 68. + +Omtrent den jaare 969 Gosse Ludigman. Zie v. Rhyn's Nabericht, bl. 417 +volgg. Vóór het huwelijk van des Potestaats dochter Tet, met Sicco, +zoon van Graaf Arnout, uit wien de Teilingen en Brederoden stamden, +is, schoon betwist, zeer veel te zeggen, hoezeer ook v. Rhyn eene +andere uitlegging heeft. + + +Bl. 68.--Ao 998. + +Het stedeke Uitgong verwoest. De bouwing dezer stad is in de hooge +oudheid te zoeken, en zij moet in den vroegsten tijd zeer belangrijk +voor den handel en met eene goede haven voorzien zijn geweest; liggende +aan het Boerdiep of Middelzee. Na gemelde verwoesting weder opgebouwd +zijnde, werd zij in 1181 door een hevig en brand geteisterd; dan tien +jaren daarna werd de gansche stad door de Noormannen geplunderd, en +te vuur en te zwaard vernield, zoodat met haar bestaan ook zelfs die +naam voor altoos werd uitgewischt. De inwoners schijnen zich metter +woon naar Franeker te hebben begeven. Hoezeer evenwel Uitgong eene +stad of stedeke genoemd werd, vermeent men echter, dat het met geene +wallen of muren omringd, maar eene open plaats geweest is: het had +niettemin stads voorregten en het regt van Oldermanschap. Wij kunnen +over deze belangrijke plaats niet verder uitweiden; wie daartoe lust +hebbe, leze het Aanhangsel betreffende de Oudheden, en voornaamste +Gebeurtenissen van Berlikum, achter het Tweetal Leerredenen van +Petrus Nota, (Franeker, 1781) waarin men alles in een kort bestek +bij elkander heeft en de Schrijvers vindt aangehaald. + +Omstreeks dezen tijd sneuvelde de Hollandsche Graaf Arnout, in een +veldslag nabij Schagen in West-Friesland. De Friezen bleven altoos +weigeren de Graven als hunne Heeren te erkennen. De vermaarde Friesche +Edelman Adelbold, deelende in de gunst van den Keizer Otto III, +werd tot Bisschop van Utrecht benoemd. + + +Bl. 69.--Ao 1006-1010. + +Deeden de Noormannen geweldige invallen. De geschiedschrijvers +vermelden allen, met verschil nogtans van sommige omstandigheden, deze +invallen en gevechten op de jaren 1009 en 1010, en daarmede hield dien +geesel ook voor Friesland op: want dit was der Noren laatste inval, +welke echter nog vele menschenlevens kostte. De meerdere uitbreiding +van 't Christendom, doch ook zwakheid in strijdkrachten, zullen +hiertoe veel bijgebragt hebben. F. Sjoerds, Jaarb. II. 171; Wagenaar, +II. 135; Bilderdyk, II. 7. Deze Schrijver vermeld, een door hem uit +het Yslandsch overgebragt verhaal, van een inval der Noormannen in +'t jaar 943, voorkomende in de Eglo-Saga, dat is, Historie van Egil, +hetwelk wij willen overnemen: + +Uit Egils-Saga, Hafniae 1809. Cap. 72. Ao. 943. + + + »Ambiorn was dien winter 't huis op zijn erf (of land); + maar omtrent de lente lustede 't hem om ten krijg (zeeroof) + te varen. Hij had veel goede schepen. Hij had omtrent de lente + drie lange schepen en die alle sterk. Hij had 300 man. Hij had + bedienden in zijn schip en was zeer wel gescheept. Hij had ook + menige boeren-zonen met zich. Egill besloot met hem te varen + en stuurde (beval) een schip. Ook voeren met hem vele van zijne + luiden, die hij met zich van IJsland genomen had. Een koopschip, + dat hij van IJsland gehad had, liet hij vlieten Oostwaarts naar + Wik, (en) nam daartoe mannen om met zijn pakkaadje te varen, + en zij, Axinbiorn en Egill hielden de lange schepen om meê te + landen. Zoo dan stevenden zij Zuidelijk naar Saxenland, en hier + toefden zij tot den somer en vingen veel buit, en voor den oogst of + herfst keerden zij Noordelijk en landden in Friesland. Op zekeren + nacht, als het weêr gunstig was, zeilden zij den mond van een + rivier op. (Want) daar is 't kwaad te havenen, en een grooten + inham. Daar waren landwaart op groote vlakten en.... bosschen + dichte bij. Daar waren veel plasschen, want het had veel geregend; + daar besloten zij op (aan land) te gaan, en lieten eenige hunner + lieden achter om de schepen te bewaren. Zij gingen op midden + tusschen de rivier en de bosschen. Niet ver van daar was een + dorp en daar woonden veel boeren. Het volk liep uit het dorp naar + 't land, wat het mocht, en de roovers achter hen. Zij kwamen aan + een ander dorp en een derde: de lieden vloden al wat zij konden; + daar waren velden en groote vlakten; daar waren grachten om de + landerijen gegraven en stonden in 't water, en daar waren groote + palen in de grachten gezet, daar waren om over te gaan bruggen + en planken over. Het landvolk vlood in de bosschen; maar als de + roovers ver in 't dorp gekomen waren, zoo trokken de Friezen te + zamen in de bosschen, en als zij bij de 300 hoofden bijéén waren, + zoo trokken zij de roovers in 't gemoet, en geraakten met hen in + strijd; en werd daar een groot gevecht, tot de Friezen vluchteden, + maar de roovers de vluchtenden vervolgden. De hoop dorpelingen + werd verstrooid, en zoo ging 't ook met die hen achter na vlogen; + en dus bleven er weinige bij een. Egill vloog hard achter hen + en weinige mannen met hem. De Friezen kwamen daar aan een gracht + en trokken die over, en namen toen de brug weg. Toen kwam Egill + aan de andere kant en sprong dadelijk over de brug. Maar dat was + geen sprong voor een ander, en niemand deed het hem na, en zijn + makkers snelden naar hunne schepen om hulp te zoeken. En wanneer + de Friezen zagen, dat één man daar over was (en niet meer) zoo + keerden zij om en kwamen op hem aan. Maar hij verdedigde zich, + de gracht van achteren tot beschutsel. Daar vielen hem elf aan, + met dat gevolg, dat hij die allen neêrsloeg. Daarna schoof hij de + brug en kwam over de gracht. Toen, als hij nu zag dat alle naar + de schepen getrokken waren, hield hij zich dicht bij de bosschen; + en dus trok Egill langs de bosschen en zoo naar de schepen, dat + hij in 't hout mocht kunnen wijken zoo 't noodig ware. De roovers + hadden veel slachtvee naar 't strand gedreven, en als zij aan de + schepen kwamen, slachtten sommige die, andere voerden ze te scheep + van daar; sommige maakten een schildburg. Want de Friezen waren + opgekomen in groote menigte en schoten op hen. Maar Egill kwam + op en hij zag wat gebeurde. Daar vloog hij ten snelste op dien + hoop, en greep zijn slagzwaard met beide handen, en wierp zijn + schild op den rug. Hij zwaaide zijn zwaard en sloeg op al wat + daar voor stond, en maakte zoo ruimte onder 't volk, dat hij tot + de zijnen kwam. Daarna gingen zij 't scheep en staken van land, + en zeilden naar Denemarken." + + +Bl. 70.--Ao 1064. + +Den naam Harns. Over den oorsprong van dezen naam, zie men Oudh. en +Gest. II. 142. Sommigen leiden dien af van de twee adellijke Staten +Harliga en Harns, waarbij, of op wier grond de aanleg der stad +gebouwd was, en welke beide namen, naar tijds gewoonte, veel twist +veroorzaakten, wie den boventoon behouden zou; weer anderen willen dat +de Friesche naam Harns, zijn oorsprong had in de ligging der plaats aan +een uithoek van de Middelzee en de Wadden. Vergel. bl. 89 der kronijk. + + +Bl. 71. + +In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus. Wij laten hier volgen een +aaneengeschakeld verhaal van + + + + + +DE KRUISTOGTEN DER FRIEZEN NAAR PALESTINA [158]. + + + Zoo liet het Voorgeslacht het edel denkvermogen + Zich rooven; alles lag voor 't Bijgeloof gebogen: + Hem staat, met krommen hals, de trotsche Huichlarij, + En, 't aangezigt vermomd, Bedrog, zijn vader, bij. + + Haller. + +In de Europesche geschiedenis maken de kruistogten een +allerbelangrijkst tijdvak uit. Door dezen werd Europa ontvolkt; +millioenen vonden in Hongarijen, Griekenland, Syrië, Palestina, Egypte, +in de Middellandsche zee en onder weg hun graf; door dezen schoot het +bijgeloof vaste wortelen, werd de Pauselijke stoel verheven boven de +troonen van wereldlijke regenten, wies het monnikendom door blinde +gehoorzaamheid aan, en ontstonden te voren onbekende orden, kloosters +en prachtige kerken; door dezen werden onnoemelijke schatten van Europa +in Azië begraven, en wereldlijke Vorsten werden, door de verwijdering +van magtige vassalen, despoten. Daarentegen gaven zij aanleiding dat +kunsten en wetenschappen van het eene volk tot het andere overgebragt +en door Europa verbreid werden. In deze Kruistogten hebben ook onze +Voorvaderen, de Friezen, deel genomen. Daar nu de geschiedenis van de +Kruistogten door onze historieschrijvers deels onaangeroerd blijft, +deels stuksgewijze en zonder zamenhang geleverd wordt, zoo veroorloof +ik mij, onze lezers in deze Bijvoegsels een aaneengeschakeld verhaal +te geven. + +Reeds ten jare 637 hadden de Saracenen onder hunnen Kalif Omar I zich +meester gemaakt van Palestina en de Heilige Stad, en zij bleven meer +dan vijfthalve eeuw in derzelver rustig bezit. Tegen het einde der +elfde Eeuw kwam Peter de Kluizenaar, een ondernemende dweeper, te +Rome. Hij schilderde met krachtige verwen de gruwelijke vervolgingen, +die de verdrukte Christenen van de Mohamedanen lijden moesten. Een +bewegelijke brief van Simon, den Patriarch van Jeruzalem, bevestigde +zijne reden. Paus Urbanus II gaf hem volmagt, om de wereldlijke +Vorsten aan te moedigen tot de bevrijding des Heiligen Lands uit de +handen der barbaren. + +Daar liep Peter met het Krucifix in de hand, barrevoets en blootshoofds +Italië, Frankrijk en Duitschland af. Zijne dweeperij, zijn prediken, +de brief des Patriarchs en de Pauselijke Bulle verwekten overal dorst +naar Turkenbloed. In het jaar 1095 hield de Paus, eerst te Piacenza, +en in November deszelfden jaars te Clermont in Auvergne eene groote +kerkvergadering. Na het eindigen eener vurige rede, waarin de Paus +een Kruistogt had bevolen, riep de ontelbare verzamelde menigte uit: +»God wil het, God wil het!"--Ridders, die avonturen zochten; monniken, +welken het klooster te eng, te benaauwd was; verrukte vromen, die met +den helm op het hoofd en het zwaard in de hand den hemel dachten te +verwerven; schuldenaars, die zich van hunne schuldeischers wilden +ontdoen; gaauwdieven en booswichten, die de welverdiende straffen +ontliepen; straatslijpers, die het omzwerven boven eene eerlijke +kostwinning verkozen; knechten, die zich van het juk hunner heeren +ontsloegen; in één woord, allen, die het zwaard konden voeren, maakten +zich voor en na gereed tot eenen krijgstogt tegen de Saracenen. Alle +deze hemelhelden ontvingen, terstond bij hunne aanwerving, een +klein kruis, dat zij op den schouder vastmaakten. Aan dit kruis kon, +een ieder zijnen landgenoot kennen [159]. Naar hetzelve werden de +soldaten Kruisbroeders, en deze togten Kruistogten of ook heilige +Krijgstogten genoemd. + +Er werd dan tot een heiligen krijgstogt besloten en een leger +van 300,000 man onder verschillende hoofden bijeengebragt. Een +Fransch Ridder, Walter (Gautier), trok met 20,000 man vooruit. Deze +Christelijke barbaren pleegden in Bulgariën met moorden en stelen +grooten moedwil; waarom de Bulgaren zich vereenigden en schier deze +gansche voorhoede nedersabelden. Peter de Kluizenaar voerde zelf +20,000 man aan en volgde Wouter. Het ging hem echter in Hongarije en +Bulgariën niet veel beter. Hij kwam evenwel met het gering overschot +zijner troepen in Konstantinopel aan. Nog een ander leger, dat op +200,000 man geschat wordt, en uit Duitschers, Franschen en Engelschen +bestond, leed buitengewoon veel door het zwaard der Hongaren en meer +nog door den honger en het gebrek. Een andere hoop scheepte zich in, +en kwam door de Middellandsche zee in Syrië. Godfried van Bouillon +voerde 80,000 Duitschers aan, en trok met dezen naar Philopolis. In +het jaar 1097 vereenigde zich het gansche Christenleger, dat door +eenige Schrijvers op 500,000 voetknechten en 130,000 ruiters wordt +geschat, te Chalcedon. Nu vingen de Christenen hunne ondernemingen +tegen de Saracenen en Turken aan. Zij veroverden Nicea, Antiochië, +Cesarea en eindelijk in 1099 ook stormenderhand Jeruzalem, alwaar +Godfried van Bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen tot Koning van +Jeruzalem werd uitgeroepen. + +In dezen eersten Kruistogt hebben ook de Friezen deel genomen. Zij +zijn om Frankrijk, Spanje en Italië henen naar Palestina gezeild. De +jaarboekschrijvers noemen ons de voornaamste Edellieden, die den +togt mede ondernomen hebben, als Tjepke Forteman, Jarich Ludinga, +Epo Hartman, Igo Galama, Feico Botnia, Eelco en Sicco Liauckama, en +Ubbo Harmana. Bij de belegering van Nicea zijn Hartman en Forteman, +de laatste van zijn geslacht, gesneuveld. Eelco Liauckama zoude +zich bijzonder onderscheiden hebben. Hij was Generaal over 3000 man +ruiterij, en werd eerst tot bevelhebber van Nicea aangesteld, doch +ging daarna, ontevreden over zijnen werkeloozen toestand, verder in +Palestina in garnizoen. + +Harmana en Galama zijn in een veldslag,--en Eelco Liauckama en +Botnia bij de verovering van Jeruzalem zwaar gewond geworden. Na +hunne herstelling zijn deze beiden eindelijk door Koning Godfried tot +ridder geslagen. Naderhand zijn nog verscheiden Friesche Edellieden, +Homminga, Roorda, Cammingha en Ockinga naar Palestina getogen, en +hebben onder Boudewijn, den tweeden Koning van Jeruzalem, lauweren +bevochten tegen de Saracenen. Daardoor stonden zij bij den Koning +en de voornaamste Hoofden van het Rijk in bijzondere hoogachting. De +faam hunner heldendaden drong gansch Europa door, en de Koning wilde +hen noode ontslaan uit zijne dienst. Hij geleidde hen in persoon +met honderd ruiters naar Jaffa, alwaar zij zich inscheepten, en over +Venetiën en Rome den 15 December 1106 in goeden welstand in Friesland +terugkwamen. Zij werden door hunne vrienden in plegtigen optogt, +met kruis en vanen, onder gejuich en blijdschap ontvangen. In dit +jaar zijn de meeste Friezen weder teruggekomen. + +Watze Herama, vroeger teruggehouden door de ziekte van zijnen +reisgenoot Roorda om naar Palestina te reizen, schijnt in den jare +1119 met dezen en andere Friesche Edelen, als Harmana, Homminga, +Ockinga en Cammingha, over Venetiën en Jaffa den togt te hebben +aangenomen. Zij streden in 1120 dapper, dan dit gevecht viel voor hen +nadeelig uit. Herama en Homminga werden verslagen. Koning Boudewijn +met de Edelen, waaronder ook Cammingha en Ockinga vielen den Parthen +in handen; Roorda en Harmana werden zwaar gewond, doch ook weder +genezen en de gevangenen uitgewisseld. + +In het jaar 1145 liet Paus Eugenius III door den heiligen Bernard +op nieuw het Kruis prediken. Keizer Koenraad en Lodewijk VII van +Frankrijk namen zelven het Kruis aan. De togt werd in 1147 aangevangen, +doch liep, voornamelijk door de trouwloosheid des Oosterschen Keizers +Manuel, ongelukkig af. Na vruchtelooze belegering der stad Damascus, +trok het geringe overschot des Christen-legers weder huiswaarts. + +Dezen tweeden heiligen krijg schijnen de Friezen niet mede bijgewoond +te hebben. De Paus echter beval eenen dubbelen Kruistogt ten zelfden +tijde (1149): eenen naar Spanje om de Saracenen te verdrijven, en +een' anderen tegen de ongeloovige Sclaven aan de Oostzee. Tot beide +Kruistogten hebben zich voornamelijk de Westfalingers, Friezen en +Hollanders laten gebruiken. + +Helmold, een geschiedschrijver, die omtrent dezen tijd leefde, laat +eenen Frieschen Priester Gerlaf toen de Sclaven de Friezen ingesloten +hadden, aldus aanspreken: + +»Nescitis apud Slavos nulla gens detestabilior Fresis? Sane foetet +eis odor noster." + +»Weet gij niet dat bij de Slavoniers geen volk zoo zeer verfoeid +wordt als de Friezen? Zij mogen ons waarlijk niet eenmaal rieken +[160]." Een duidelijk bewijs, dat de Friezen met de Sclaven wakker +aan den slag geweest zijn. + +Intusschen werd de toestand der Christenen in het Oosten van tijd tot +tijd moeijelijker en gevaarlijker. De Sultan Saladin, deze om zijne +grootmoedigheid in de geschiedenis zoo bekende Vorst, veroverde ten +jare 1187 eindelijk Jeruzalem, en maakte een einde aan het Koningrijk, +dat 88 jaren bestaan had. Nu maakte de Paus een gruwelijk alarm, en +bewoog den Keizer Frederik Roodbaard (Barbarossa), Koning Filips II +(Philippus Augustus) van Frankrijk en Richard I (Leeuwenhart) van +Engeland om nog eenen Kruistogt te wagen. In 1189 brak het heirleger +op. De Friezen en Denen rustten 50 schepen uit, vereenigden zich +met de Hollanders en Vlamingen, hielden hier en daar in Spanje aan, +geraakten aldaar slaags met de Saracenen, voegden zich nabij Sicilië +bij de Italiaansche vloot, en kwamen eindelijk te Ptolomais (toen +Acre genoemd) aan. + +Ook in dezen krijgstogt, in welken de Keizer door een toeval het +leven verloor, rigtten de Christenen niets verder uit, dan dat zij +Ptolomais veroverden. Niettegenstaande dezen ongelukkigen uitslag, +liet de Paus Coelestinus in 1197 op nieuw het Kruis prediken. De +Friezen namen met de Denen en die van Lubek en Bremen hunnen gewonen +weg om Spanje, voegden zich op Cyprus bij het hoofdleger en landden +weder te Ptolomais. Ook op dezen togt maakten de Christenen geene de +minste verovering. Zij sloten evenwel met Saladin eenen wapenstilstand +voor 6 jaren. + +Ten jare 1199 keerden de heilige krijgers, die in 1189 en 1197 zich +op reis begeven hadden, voor zooverre zij waren overgebleven, tot de +hunnen terug. + +Zekerlijk kwamen deze Kruisvaarders vermagerd, hongerig en met ledige +handen huiswaarts; doch, gelijk vermeld wordt, had de generaal der +Friezen, Hartwijck, Aartsbisschop van Bremen, eenige beenderen der +Heilige Anna, en het zwaard, waarmede Petrus het oor van Malchus had +afgehouwen, medegebragt [161]. + +Het tijdstip, 't welk ik thans nader, is voor ons des te belangrijker, +omdat de voornaamste feiten meestendeels door gelijktijdige schrijvers +en door bewijzen gestaafd worden. De Pausen moedigden de wereldlijke +Vorsten, toen de met Saladin geslotene wapenstilstand ten einde liep, +tot eenen nieuwen Kruistogt aan; doch wegens de ongelukkige gevolgen +der vorigen, bleef alles bij vrome wenschen. Eindelijk was Paus +Innocentius III zoo gelukkig, dat op eene door hem in 1215 belegde +kerk vergadering tot een nieuwen Kruistogt besloten werd. Hierop +beval de Paus allen Bisschoppen, in hunne kerspelen het Kruis +te laten prediken. De Aartsbisschop van Keulen zond den Keulschen +Leeraar Olivier [162] met bijzondere aanbevelingsbrieven van den Paus +naar Friesland. Deze predikte zelf het Kruis, en gaf aan eene menigte +Vicarien door het geheele land volmagt, om in zijne afwezigheid aflaten +te schenken en rekruten voor den heiligen krijg aan te werven. Hij +liet in de kerken uitgeholde, van boven met ijzer beslagene blokken +nederzetten, opdat ieder door eene daarin zich bevindende opening zijne +bijdragen tot bevordering der krijgstoerusting mogte storten. Het +prediken van Olivier had eenen buitengemeenen indruk gemaakt bij de +Friezen, zoodat een ongeloofelijk aantal het Kruis aannam. Zij schijnen +echter met de toebereidselen tot den optogt zich niet zoozeer gehaast +te hebben; ten minste herinnerde Olivier hun in eenen brief van den +jare 1216, dat, de Denen, Bremers en Keulenaars reeds eene groote +vloot uitrusteden, het ook tijd werd hunne schepen te bemannen. + +Ook in dezen tijd had de geestvervoering tot overwinning van 't +Heilige Land zulk eene algemeene werking, dat duizenden van kinders +naar de zeeplaatsen liepen, om ook deel aan den strijd te nemen, en +hoewel door hunne ouders opgesloten, wisten zij hunne gevangenis te +ontkomen op allerlei wijzen, zonder dat de meesten daarna immer zijn +teruggekeerd. Zeker Schrijver [163] verhaalt er 't volgende van: »In +'t jaar 1211 vereenigde zich een groot aantal kinderen (men geeft het +op voor 90,000), onder aanvoering van een' ouderen knaap, met het +voornemen het Beloofde Land weder te veroveren. De meesten kwamen +uit Duitschland en wandelden blijde naar Genua. Hier ondervonden +zij echter uit onbekendheid, waar eigenlijk het Beloofde Land lag, +onoverkomelijke hinderpalen, om hunne avontuurlijke onderneming verder +ten uitvoer te brengen. Te Marseille kwamen 30,000; een deel daarvan +stierf van ellende, een deel werd vermoord en de overigen als slaven +aan de Saracenen verkocht." + +De Hertog Leopold van Oostenrijk, Boudewijn van Vlaanderen, Lodewijk +van Savoijen, benevens verschillende Bisschoppen en Graven vereenigden +zich met den Koning Andreas van Hongarije en trokken te land naar +Palestina. Daarentegen scheepten de Graaf van Holland (Willem I) en +de Graaf van Wieden met de overigen zich op de Maas in, en stevenden +door de Middellandsche Zee naar Ptolomais, alwaar de verzamelplaats +der Kruisvaarders was. De Friezen behoorden tot de vloot des Graven +van Holland. Deze geheele reis tot op de aankomst in Ptolomais is van +eenen Kruisbroeder [164], die den togt mede heeft gemaakt, naauwkeurig +beschreven geworden. Het reisverhaal daarvan is te vinden in Emo's +Chronicon (p. 16-35), waaruit ik het volgende overneem: + +»Op het einde van Mei 1217 ligtten de Friezen in den Lauwerstroom +de ankers, en staken met groote schepen, die zij Koggen noemden, uit +den stroom in zee. Onder Engeland ontmoetten zij eene groote vloot, +onder bevel der Graven van Holland en Wieden [165]. Hier werden het +plan des geheelen togts en wetten ontworpen, waaraan een iegelijk moest +gehoorzaam zijn. De Graaf van Holland [166] werd tot eersten Admiraal +der gansche vloot benoemd, die in twee afdeelingen afzeilde. De eene +werd door den Graaf van Holland zelven, de andere door dien van Wieden +aangevoerd, en de Friesche schepen behoorden onder het smaldeel des +Graven van Holland. + +Eerst kwamen zij in de havens van St. Mattheus en vervolgens te Faro +(of Ferrol), eene stad in Gallicie, aan. De Kruisbroeders ontscheepten +zich hier, en gingen te voet in bedevaart naar St. Jacob van +Compostella. Hier bezochten zij de heilige overblijfsels (reliquiën) +des Apostels, en bragten hem hunne offers. Toen zij weder scheep +gegaan waren, voeren zij eerst wegens tegenwind noordwaarts af, en +laveerden eindelijk met veel moeite naar Portugal; zij ankerden voor +Salerno, lieten zich daar van den Abt te Alkubar vele wonderen en +avonturen verhalen, en voeren na eenige dagen den Taag op, totdat zij +eindelijk te Lissabon aanlandden. De daar aanwezige Bisschop wendde +al de kunsten zijner welsprekendheid aan, om het Kruisheir te bewegen +tot het verdrijven der Saracenen uit Spanje. Door verdelging dezer +barbaren, zoo sprak hij, zouden de Christenen God dezelfde dienst +bewijzen, als wanneer zij, Hem ter eere, in Palestina hunne handen +in Saracenen-bloed wieschen. Sommigen lieten zich begoochelen, +en bleven met hunne schepen in de haven van Lissabon liggen. De +meeste Kruisvaarders echter en inzonderheid de Friezen lieten zich +van hun voornemen, om in het Heilige Land veroveringen te maken, +niet aftrekken. Zij ligtten vervolgens wederom het anker, en voeren +het gebergte St. Vincent om. Door hevigen storm moesten zij de haven +St. Maria binnenloopen. Deze was eene wel versterkte stad, waarvan +de hooge muren zoo dik waren, dat boven op dezelve twee ruiters +elkander konden voorbij rijden. Het leger was onderling niet eens, +of men de stad aantasten, dan wel met den eersten gunstigen wind weder +onder zeil gaan zoude. Toevallig vertoonden zich vele Saracenen voor +de stad. De Friezen hieven een lofzang (Hymnus) aan, vielen op den +vijand in, en drongen hem binnen de stad terug. In de schemering zag +een Fries eenen Saraceen, die zich door middel van een koord van den +muur liet afzakken. Deze gelegenheid maakte hij zich ten nutte: hij +doodde den Saraceen en steeg naar boven. Als hij nu met dat touw velen +zijner makkers had opgetrokken, plantten zij een krijgsvaan boven op +den muur: deze koene strijders drongen vooruit tot aan de poort. De +wacht, die zich daar bevond, werd op het gezigt der Christenen door +eene plotselijke schrik bevangen, geraakte in wanorde, en kon niet +beletten dat de poort geopend werd. Het gansche leger drong binnen, +en zoo werd de stad veroverd, en nu rigteden de Christenen een groot +bloedbad aan, plunderden alles wat hen voorkwam, en staken tot afscheid +de stad in brand. + +Vele Kruisbroeders, waarschijnlijk dweepzieke monniken, hebben in de +wolken het beeld der heilige Maria gezien, welke over het geluk en +de gedragingen der Christenen met welbehagen glimlachte. De Priesters +hadden moeten doen zien, dat de heilige maagd tranen stortte over deze +Christelijke barbaren!--Dit geschiedde den 1 Augustus:--twee volle +maanden hadden dus onze Friezen reeds rondgezworven. Des anderen +daags ligtten zij wederom de ankers, voeren digt onder de Spaansche +kusten langs, en landden te Roden. Het gerucht van den gruwel der +verwoesting in St. Maria was reeds tot hier doorgedrongen. De bevreesde +Saracenen hadden de stad verlaten; de Christenen trokken de ontvolkte +stad binnen, plunderden dezelve, volgens loffelijke gewoonte, uit, +en legden haar in de assche. Eenige Christenen hadden zich op de bij +de stad liggende wijnbergen verspreid, in de hoop van ook daar nog +eenigen buit te behalen; maar de Saracenen lagen daar in sluipholen +verborgen, kwamen onverwacht te voorschijn, en vermoordden allen, +die zich niet met de vlugt tot aan de haven redden konden. Daarop +gingen de Christenen naar Kadix, en ook deze reeds destijds rijke +stad was van de Saracenen verlaten. De Kruisvaarders sloopten eene +bij uitstek kostbare moskee tot den grond toe, plunderden de stad +en de omliggende landhuizen uit, en namen, van roof verzadigd, het +vroom besluit, deze prachtige stad door het vuur te verwoesten. + +Nu rigteden de Christelijke zeeroovers hunne koers naar de straat van +Gibraltar. Een zware storm uit het Oosten belette hun de doorvaart, +en verstrooide de vloot; 86 schepen, waaronder die der Friezen, liepen +in de havens van Sevila aan den mond der Guadalquivir binnen. Drie +dagen daarna liepen zij uit met eenen gunstigen wind, geraakten +gelukkig door de straat, verzeilden op den vierden dag daaraan uit +onkunde naar het eiland Ivica, en kwamen na eenige dagen te Tortoso +aan den mond van den Ebro. Zij gingen aan land om versch water +in te nemen, bleven hier twee dagen, en stevenden naar Barcelona, +waar zij verscheiden schepen hunner door den storm verstrooide vloot +aantroffen. In de haven van den H. Felicianus (St. Felice de Guixolis) +in Catalonië vonden zij het overschot derzelve weder. + +De vloot ging weder onder zeil, en ankerde in de haven van +St. Mardrianus omtrent Marseille. Nu hielden zij zich digt langs de +kusten van Frankrijk en daarna van Italië, voeren Nizza, Pisa, Genua, +Livorno en andere steden voorbij, en kwamen eindelijk te Piombino in +Toskanen. In Piombino vertoefden zij 8 dagen, en rigtten nu hunnen +koers naar Messina op Sicilië; dan storm en tegenwind dwongen hen +om naar Civita Vecchia te zeilen. Daar het jaargetijde zoo verre was +verloopen, besloot men hier de winter kwartieren te betrekken, want +het was reeds 9 October toen de vloot in de haven van voornoemde stad +voor anker kwam. Vijftehalve maand had dus de vloot van huis af naar +Italië te zoek gebragt. Zulk een lange tijd kan ons niet bevreemden, +als men denkt, dat de vloot geenszins de volle zee, maar altijd de +kusten gehouden, en in vele havens vertoefd heeft. Ondertusschen was +de haven van Civita Vecchia niet ruim genoeg om de schepen allen +te bevatten, weshalve zich eenigen van de vloot afscheidden. 18 +Friesche bodems liepen de haven van Corneto binnen, alwaar zij +op uitdrukkelijken last van Paus Honorius III, inzonderheid omdat +zij in Spanje zoo dapper gestreden, zoo vele Saracenen onthalsd en +steden verwoest hadden, heerlijk onthaald werden; ja, de Paus had +zoo veel met hen op, dat hij hun tweemalen de Veronica (het in den +Zweetdoek afgedrukte gelaat des Heilands) liet zien. Tot den 21 Maart +1218 lagen de Friezen daar in de winterkwartieren. Bij hun vertrek +werden zij door de gezamenlijke ingezetenen met 158 vanen in heiligen +optogt tot aan de schepen begeleid. Zeer velen uit deze stad en het +omliggende land, van Viterbo, Sièna, Vetralla enz. scheepten zich +met 40 vanen met de Friezen in. De bevelhebber van Corneto liet bij +den aftogt het volk eenen kring maken, plaatste zich in het midden, +en hield eene aanspraak, waarin hij de dapperheid der Friezen roemde, +en hun zijne mede vertrekkende landslieden hartelijk aanbeval. Na het +eindigen zijner rede overhandigde hij den Friezen een Krijgsvaan, ten +teeken des opperbevels over de medetrekkende Italianen. Nu gingen zij +aan boord, en vereenigden zich met de van Civita Vecchia uitgeloopen +vloot. Na eenige, hoewel niet belangrijke tegenheden, landden zij te +Sijracuze aan, waar zij den palmzondag vierden. Onder Creta leden +zij eenen zwaren storm, die de vloot verstrooide, doch de meeste +schepen liepen daar eene haven in. Zij zeilden vervolgens Cnidus, +Rhodus en Cyprus voorbij, en kwamen eindelijk, den 26 April 1218, +te Ptolomais aan. + +In deze haven vonden zij Johannes, Koning van Jeruzalem, Andreas, +Koning van Hongarijen, den Koning van Cyprus, de Hertogen van +Oostenrijk en Beijeren en andere groote Heeren met het geheele +Christen-leger, hetwelk men op 80,000 man berekende. Ondertusschen +hadden die Kruisvaarders, welke zich door de reden des Bisschops hadden +laten overhalen in Lissabon te blijven, op de Saracenen in Portugal +eenige veroveringen gemaakt; doch op bevel van den Paus zijn zij van +daar opgebroken, en onder aanvoering van Graaf Willem van Holland met +eenen gunstigen wind, nog vroeger dan hunne voormalige togtgenooten, +te Ptolomais, de verzamelplaats van dezen Kruistogt, aangekomen. + +Het thans weder vereenigde leger maakte het volgende plan: Damiate, +de sleutel van Egypte, zoude veroverd worden, dan ware het den +Christenen gemakkelijk Cairo en Alexandrië den ongeloovigen te +ontrukken. Wanneer op deze wijze Egypte in handen der Christenen viel, +zoo kon men den ongeloovigen in Syrië en Palestina de pas van Egypte, +van waar zij toevoer en rekruten ontvingen, afsnijden, en zoo moesten +dan Syrië en Palestina zich van zelf overgeven. Sed homo proponit; +Deus disponit!--»Doch de mensch maakt plannen; God beschikt!" + +Ingevolge dit plan ligtte de vloot het anker, en stevende in 3 dagen +naar Egypte. Met zeer veel moeite liep zij den Nijl in, waar toen de +manschap niet ver van Damiate aan land stapte. Hier vertoonden zich +vele Saraceensche ruiters aan het strand, hetzij om de ontscheping te +beletten, hetzij om de Christenen te verkennen. Een gespierde Fries +met breede schouders zwaaide zijne lans, en daagde den eersten den +besten Muzelman uit; eene gewoonte, die sedert Goliath's tijd en nog +vroeger zich tot nu toe had staande gehouden. Een Saraceensch ruiter +reed voor, maar werd oogenblikkelijk door den uitdager uit den zadel +geligt en afgemaakt [167]. De Saracenen beschouwden dit als een kwaad +voorteeken, en trokken in de stad terug. Diamiate was eene voor dien +tijd bijzonder sterke stad; zij was met eenen driedubbelden muur, +de een hooger dan de ander, omgeven; digt langs den muur liep de Nijl +met een' krommen arm om dezelve. Op de zijde der stad lag de voorstad, +welke door een' sterken toren gedekt werd. Dezen toren kon men niet +naderen, daar zij op een eilandje stond, welks geheele oppervlakte +door den voet des torens werd beslagen, zoodat de toren uit het +water scheen op te rijzen. Tusschen dezen en eenen anderen even +zoo gelegenen, ofschoon kleineren toren, lag de haven, en van beide +torens was eene zware keten gespannen, om de haven te sluiten. Nadat +men eenige vruchtelooze aanvallen op de stad en den toren had gedaan, +vonden de Duitschers uit het Bisdom Keulen een kunstig werktuig uit, +waarmede zij den toren dachten te veroveren; doch ook dit mislukte. + +De Zomer liep reeds ten einde, zoodat men aan de verovering der +stad begon te wanhopen. In dezen hagchelijken toestand kwamen +de Friezen op eenen bij zonderen inval. Zij klampten twee hunner +grootste schepen aan elkander, welke naar één breed schip geleken: +op deze beide schepen maakten zij vier sterke masten in een vierkant +vast. Tusschen deze masten rigtten zij een houten bolwerk op, dat zij +met sterke kruisgewijze gelegde balken verzorgden, en van buiten met +natte koehuiden overtrokken. Boven op het bolwerk hadden zij lange +ladders, die zij op den toren werpen en waarmede zij dan deszelfs +platte oppervlakte bereiken konden. Vervolgens sloegen zij op een ander +schip een lager bolwerk op met naar buiten vallende bruggen, om aan +den voet des torens te komen, en met deze beide werktuigen voeren de +Christenen tot aan den toren. De Saracenen benaauwden de belegeraars +met hunne pijlen, die zij van boven van den toren afschoten, en met +het Grieksche vuur, dat echter door de natte koehuiden weinig werking +kon doen. Gedurende dit gevecht lagen de Patriarch en gezamenlijke +Geestelijken op de knieën, hieven de gevouwene handen ten hemel, en +riepen God, doch inzonderheid Maria en St. Bartholomeus (het was juist +Bartholomeus-dag) om hulpe aan. Eindelijk gelukte het den Christenen +uit het bovenste bolwerk ladders op den toren te werpen. Hendrik, +een Luikenaar, en Haije, een Fries van Fivelingo uit Groningerland, +waren de eersten, die den toren beklommen. De eerste had eene zware +kolf en de laatste een ijzeren dorschvlegel, die met ijzeren ringen +aan elkander gezet en versterkt was, in de hand. Elke slag gold +eenen gekneusden kop, ontwrichten arm of stukken geslagen beenen; +zoo maaiden zij regts en links om zich henen, en maakten ruimte voor +hunne makkers. De Saracenen, die van boven van den toren naar beneden +gedrongen waren, wierpen Grieksch vuur uit, waardoor de Christenen +zoo bestookt werden, dat zij den toren weder moesten verlaten. Daar +evenwel de vijand ook den toren verlaten had, zoo kreeg het andere +schip met het lage bolwerk lucht. Men wierp de bruggen uit, en naderde +den toren van onderen. Als zij nu met alle magt op de poort aanvielen +om die met geweld te doen bezwijken, gaven de Saracenen den toren bij +verdrag over. Eenige buitenlandsche Schrijvers voegen hierbij, dat +het groote schip van voren met eene sterke ijzeren zaag is voorzien +geweest, en dat de ketting, door tegen haar met volle zeilen aan te +varen, is gesprongen [168]. + +Toen de Christenen den toren hadden, werd ook spoedig daarop +de voorstad bemagtigd; doch de stad zelve konden zij nog niet +bemeesteren, omdat zij bestendig uit het leger des Sultans Meleddin +[169] toevoer en ondersteuning ontving. Het Christen-leger had ook veel +te lijden van overstrooming des Nijls, waarom vast- en biddagen werden +ingesteld. Toen de Nijl naderhand binnen zijne oevers terug trad, +vernielden de Duitsche Kruisbroeders eene schipbrug, over welke de +belegerden toevoer ontvingen uit het Saraceensch leger. Toen wies der +Christenen moed; zij wierpen zich tusschen het leger des Sultans en de +stad, en vielen hem eindelijk nu eens gelukkig, dan eens ongelukkig, +zelfs in zijn leger aan. De Sultan werd deze kwellingen eindelijk +moede, en bood den Christenen het vrije bezit van Palestina, het kruis +des Heilands, het ontslag der Christen-gevangenen en een eeuwigen vrede +aan. Het Kruisleger en vooral de Duitschers en Franschen lieten zich +het aanbod gaarne welgevallen, maar de Pauselijke Legaat protesteerde +en verlangde de geheele uitroeijing der Saracenen en Turken. Deze +zielenherders kregen eindelijk bij de Christelijke schapen gehoor, +men vocht nog een tijdlang met de ongeloovigen, en bereikte ten +laatste, op het einde van Aug. 1219, door bemagtiging van Damiate, +welke stad schier geheel door de pest was uitgestorven, het eerste +gedeelte hunner wenschen. Natuurlijk viel hier in deze rijke en weleer +volkrijke stad weder kostelijken buit te maken, dien de Christenen +eerlijk onder elkander verdeelden. + +Toen Damiate was overgegaan, trok de Sultan naar Cairo terug. Men +hield zich wederzijds langen tijd in dit en het volgende jaar stil, +doch eindelijk beval de Paus tegen den zin der meeste Christenen en +zelfs van Koning Johannes den vijand te vervolgen. Dit bevel kwam +ter kwader uur, daar de Nijl overstroomde, en groote verwoesting in +het Christenleger aanrigtte. Nu zagen zich de Christenen genoodzaakt +met de ongeloovigen vrede te sluiten. De vredesvoorwaarden waren +deze: de gevangenen zouden van wederzijden vrijgelaten worden; de +Christenen moesten Damiate ontruimen, en de Sultan moest hun het +te voren door Saladin veroverde Kruis des Heeren uitleveren. Deze +was de eindelijke vrucht des ganschen togts, want in Aug. 1221 werd +Damiate weder overgegeven. Zoo was dan wederom alles verloren, en de +Christenen trokken weder huiswaarts." + +Ik kan niet voorbij hier nog aan te voeren dat de bovengemelde Olivier +dezen Kruistogt in persoon heeft bijgewoond. Misschien is hij zelf +de vervaardiger van het Itinerarium (Reisverhaal) geweest. Uit het +leger voor Damiate heeft hij een brief aan de Abten, Prelaten en +Burgemeesteren (Consuls) in Friesland geschreven. Ik neem hier het +volgende uit over, dat den Friezen tot eer verstrekt: + +»De Zegepraler in Israël, van wien alle goede gaven en volmaakte giften +afdalen, heeft uw vroom en in de moeijelijkheden der vreemdelingschap +volhardend volk op aarde groot gemaakt, bereidende hun een' +triomfwagen, als hebbende eene eeuwige belooning bij tijdelijken +roem verdiend, dewelke zij nooit zullen verliezen, indien zij den +ingetreden weg ten einde toe blijven bewandelen. Bij Damiate immers +hebben zij zich door betoon van groote nedrigheid, milddadigheid, +gehoorzaamheid en stoutmoedigheid, bij de Saracenen geducht, bij de +Christenen bemind gemaakt. Weshalve wij U, Prelaten" enz., enz. + +»Geschreven bij Damiate op het feest der H. Kruisverheffing." + +De Patriarch van Jeruzalem gaf den Friezen bij hunnen aftogt eene +loffelijke getuigenis mede, waarin onder anderen het volgende voorkomt: + +--»en nadat zij met ons in Egypte zijn gekomen, hebben zij veel +leeds uitgestaan, zoo ten aanzien van hunne personen als van hunne +geldmiddelen. Wij hebben hen van hunne dienst ontslagen en laten +vertrekken, volgens de toelating door de Roomsche Kerk in de algemeene +kerkvergadering verleend. Wij geven eene loffelijke getuigenis aan +het Friesche Volk, daarom, dat zij eenen braven wandel hebben geleid, +en dapper en vroom gestreden hebben in de dienst van J. C. Weshalve +wij u vermanen en van uwe bescheidenheid in den Heere bidden, dat +gij deze zelfde Friezen, uit hunne vreemdelingschap terugkeerende, +in gunst moogt ontvangen," enz.-- + +Zoo veel van dezen togt. + +Naauwelijks waren de Kruisvaarders weder te huis gekomen, of de heilige +Vader Honorius II begon reeds weder alarm te blazen. Keizer Frederik +II nam zelf het Kruis aan, doch scheen zich, na den dood van Honorius, +om zijne gelofte weinig te bekommeren; hij werd door den opvolger +van Honorius, Paus Gregorius, in den ban gedaan, trad wakker met den +Heiligen Vader in het strijdperk, en ondernam eindelijk in 1228 den +Kruistogt. Terstond bij zijne aankomst boden hem de Saracenen eenen +10 jarigen wapenstilstand aan, waarbij zij hem Jeruzalem, Nazareth +en Sidon inruimden. Daarop liet hij zich tot Koning van Jeruzalem +kroonen, en keerde terstond daarna terug. Ook aan dezen togt hebben +de Friezen deel genomen, en zoowel de Paus Honorius, als de Keizer +Frederik moedigden de Friezen aan, den togt mede te ondernemen. De +Paus streek den Friezen in eenen brief van 1226 niet weinig honig om +den mond. Onder anderen zegt hij in dien brief: + +»Voorwaar, daar de Friezen weleer met onderscheiding in den Kruistogt +ter zee den Heere gediend hebben in de overzeesche landen, zoodat +uw gedenkboek van geslacht tot geslacht met vermelding van uwen lof +zal aangehaald worden, zoo hebben wij noodig en raadzaam gedacht, +ulieden als beroemde Kampvechters wel bijzonder tot het volgen van +dezen (togt) te moeten oproepen, vastelijk hopende en vertrouwende, +dat gij, die onder overige volken uitmunt in grootmoedige dapperheid, +den strijd des Heeren mannelijk en met kracht zult strijden. + +»Wij bidden u dan allen enz." + +En Keizer Frederik schrijft onder anderen: + +»Want buitenlands is uw krijgsbeleid gevreesd en ondervonden van +die volken, tot welker uitroeijing gij weleer uwe krachten loffelijk +geoefend hebt, terwijl het bloed van uwe martelaren in de dienst des +Kruises geplengd, glansrijk blinkt, en hunne roemrijke ligchamen door +de bezetting en verovering van Damiate herdacht worden. Ontbrande +dan uwe dapperheid!-- + +»Gegeven te Salerno 1 Febr. 14de Indictie."-- + +Olivier kwam ook weder in Mei 1224 in Friesland, en predikte eerst +in Groningen, daarna in Reiderland en in 't Emderambt het Kruis; +voornamelijk echter hield hij zich te Uttum en Groothuizen (Huttum en +Usum zegt Emo) op, waar hij evenwel weinig uitwerkte. Vervolgens zond +hij door geheel Friesland herderlijke brieven rond, en vermaande de +Friezen met de Denen, Bremers en de Keulenaren, die reeds eene vloot +begonnen uit te rusten, gemeene zaak te maken, terwijl de eerste +bemoeijing der Geestelijken was, om geld voor den te ondernemen +Kruistogt te verzamelen. Onze geschiedschrijver Emo liet zich zelven +daartoe gebruiken, en bragt eene aanzienlijke som bijeen. + +Den 22 Mei 1227 gingen de Friesche schepen bij Borkum onder zeil; +de manschap echter leed veel door allerlei gevaar, storm, ziekte en +honger, en kwam, merkelijk ontdaan, eindelijk in Palestina [170]. Het +einde van dezen togt heb ik reeds boven kortelijk opgegeven. + +In het jaar 1247 werd eene groote kerkvergadering te Lyon in Frankrijk +gehouden, op welke nogmaals een heilige krijg tegen de ongeloovigen +werd vastgesteld. Koning Lodewijk de Heilige nam zelf het Kruis aan, +en de Paus zond, op bijzonder verlangen des Konings, den Bisschop +Albert van Riga en Willibrand, een monnik uit het Mentzsche, naar +Friesland, alwaar zij alle Abten, Dekens, Priesters, Edellieden, +regterlijke Beambten en de voornaamste Mannen verzamelden, en hun den +Pauselijken lastbrief voorlazen. Terstond liet zich eene groote menigte +tot dezen togt aanwerven; maar toen den Friezen werd aangekondigd, +dat zij tegen Mei 1248 reeds tot den togt gereed moesten zijn, +schreeuwden allen, dat deze bepaalde tijd veel te kort was. Daarop +werd de tijd des aftogts tot Mei 1249 uitgesteld. + +Deze Krijgstogt is voor de Christenen van rampzalige gevolgen geweest, +daar bijna het geheele Christelijke leger in Egypte, deels door de +pest, deels door het zwaard, werd vernield, en de Koning Lodewijk +zelf gevangen genomen. Door klinkende munt en eenen schandelijken +vrede kocht hij zijne vrijheid weder. Of nu de Friezen dezen togt +mede gedaan hebben, en werkelijk uitgezeild zijn of niet, melden ons +de geschiedschrijvers niet [171]. Waarschijnlijk hebben de Friezen, +daar zij te huis genoeg te doen hadden, en den nieuw verkozen Roomsch +Koning Willem reeds in 1248 Aken hielpen veroveren, doch daarna met +hem in onmin geraakten, en hem, gelijk uit 's Konings geschiedenis +genoeg bekend is, in de tegenwoordige provincie Friesland om hals +bragten, aan dezen togt geen deel genomen [172]. + +Zeer aardig herinnert een Bisschop van Syrië in eenen uit Ptolomais +geschreven brief na het jaar 1260 hun aan hunne pligten. Hij +noemt zich: »Frater Thomas de ordine Praedicatorium, Dominici +praesepii et virginalis puerperii custos indignus, Apostolicae Sedis +Legatus." »Broeder Thomas van de orde der predikheeren, onwaardige +bewaker van de kribbe van Dominicus en het maagdelijk kraambed, +legaat van den Apostolischen zetel." Hij meldt daarin (de ruimte laat +niet toe, den geheelen merkwaardiger en kluchtigen brief hier in te +lasschen) onder anderen, dat de Friezen, die voor 10 en meer jaren +het Kruis hebben aangenomen, hunne kruisgeloften gestand doen, en +opkomen, of wettige redenen van hun uitblijven opgeven moeten. Daarbij +verzoekt hij de Proosten en Dekenen de Friesche vrouwen, welke het +Kruis hebben aangenomen, den togt af te raden, dewijl men, helaas, +meermalen de treurige ervarenis heeft gehad, dat door verleidingen +des Satans deze vrome vrouwen reeds aanstonds op weg afschuwelijke +hoererij en echtbreuk bedreven hebben. Wanneer deze goede kinderen +slechts zooveel baar geld betaalden, als hun de reis heen en weder +zou kosten, dan konden zij rustig te huis blijven, en nu besluit hij: + +»Aan alle welke voornoemde vrouwen en anderen, die op voorzeide +wijze mogen verschoond worden, wij uit kracht van de aan ons door +den Apostolischen Stoel verleende volmagt die vergeving van zonden +schenken, welke zij zouden verwerven, zoo zij het Heilige Land in +persoon bezocht hadden." + +Koning Lodewijk nam in 1267 andermaal het Kruis aan, en zond naar +Friesland eenen monnik, Gerhard, om aldaar het Kruis te prediken. Deze +trok geheel Friesland door, doch hield zich den meesten tijd, volgens +getuigenis van den gelijktijdigen Schrijver Menco, in Norden op, alwaar +hij het Jakobiten-Klooster stichtte. Het gelukte hem ten behoeve van +dezen voorgenomen togt den ingezetenen groote sommen gelds uit de +beurs te praten, en een groot getal strijdbare mannen te overreden, +zich met het Kruis te laten teekenen. + +Thans werd eene betere orde ingevoerd. Opdat niet wederom allerlei +janhagel den togt mede ondernemen, en zich op kosten van het Kruisleger +mesten, of ook weerlooze vrouwen vervolgens wanorde in het leger +veroorzaken mogten, werd uitdrukkelijk bevolen dat alle vrouwen, +zonder onderscheid, te huis blijven, en ieder Kruissoldaat 7 mark +sterling aan klinkende munt, vervolgens 7 ton boter, een halven os, +een ham, een half mudde meel en zoovele wapens en kleederen, als hij +zou noodig hebben, medenemen moesten. + +In 1269, kort voor Paschen, scheepten de Friezen zich in. Zij +verzamelden zich bij Borkum, en moesten daar 20 dagen wegens westelijke +tegenwinden blijven liggen. De uitgeloopene Friesche vloot bestond, +behalve de kleine schepen, uit 50 koggen. Met goeden wind landden zij, +na volgens gewoonte vooraf in eenige havens te zijn binnengevallen, te +Marseille aan. De Koning van Frankrijk had met de Friezen afgesproken +hen tot St. Jan in te wachten; dan daar deze tijd verstreken was, zoo +was de Koning met zijne vloot reeds voor de aankomst der Friezen naar +Tunis afgezeild. De Sultan had een sterk leger naar Afrika gezonden, +waarom de Koning vreesde, dat de Turken, na den aftogt der Christen +troepen, in Sicilie, Italie, Frankrijk en Spanje eene afwending zouden +maken. Daar ook de Saracenen in Syrië en Palestina veel ondersteuning +en levensmiddelen ontvingen van de Barbarijsche kusten, zoo achtte hij +het voordeelig eerst Tunis te verwoesten. De Friezen morden over dezen +togt, en wilden liever naar Palestina, doch lieten zich ten laatste +door eenen geestelijken overreden den Koning na te zeilen. Bij hunne +aankomst vernamen zij wel, dat de Koning de Ongeloovigen geslagen en +Tunis reeds ingesloten had, doch tevens dat hij zelf kort daarna aan +de pest gestorven was. Op dit berigt wilden de Friezen oogenblikkelijk +weder naar Syrië afzeilen; dan, daar juist ten zelfden tijde de broeder +des overledenen Konings Lodewijk, de Koning Karel van Napels, met eene +versche vloot aankwam, zoo lieten zij zich bewegen, daar te blijven. De +belegering werd dan ijverig voortgezet; de Saracenen deden eenen uitval +op eene afdeeling Duitschers en Friezen, die verspreid nabij de stad +ginds en herwaarts liepen, om den vijand uit zijne verschansingen +te lokken. De Christenen togen aanvankelijk in wanorde terug, maar +herstelden zich weldra weder, rukten als één man tegen den vijand +op, en dreven hem tot eene rivier, die voorbij Tunis stroomt. Vele +Ongeloovigen sneuvelden door het zwaard, de meesten echter verdronken +in den vloed. De stad kon door storm niet ligt veroverd worden, omdat +de pest in het Christenleger eene groote verwoesting had aangerigt: +desniettemin werden de belegerden zoo benaauwd, dat zij den Christenen +eenen vrede aanboden. De inhoud der aangenomene vredes-voorwaarden was, +dat de gevangenen van wederzijde bevrijd,--Tunis aan Koning Karel eene +jaarlijksche schatting betalen,--en de Christenen op de Middellandsche +Zee door geene zeeroovers zouden ontrust worden. Het leger werd +daarop ontbonden, en de meeste Italianen en Franschen gingen weder +naar huis; dan de Friezen, Duitschers en Engelschen vervolgden hunne +reis en zeilden naar Palestina. Onder weg leden zij veel door storm +en ziekte, en kwamen in veel verminderd getal eindelijk te Ptolomais +aan, alwaar zij het Christen-leger in eenen jammerlijken toestand en +verderfelijke oneenigheid aantroffen, welke tweespalt de Saracenen zich +ten nutte, en vele veroveringen hadden gemaakt. Intusschen werden de +Friezen door de Tempelheeren wel ontvangen en kostelijk onthaald: zij +werden naar Tyrus gevoerd, alwaar men aanzienlijke hulptroepen van de +Christenheid en bijzonderlijk van Koning Karel van Napels verwachtte, +doch daar deze uitbleven, zoo kregen ook de Friezen het heimwee. Hunne +uit den storm nog overgeblevene schepen waren zoo jammerlijk gesteld, +dat zij geen zee konden bouwen, zoodat zij zich in vreemde vaartuigen +moesten inschepen, en van elkander afgescheiden, sommigen door Italië, +anderen door Frankrijk afzonderlijk terugkwamen. De meesten echter +hadden hunnen dood in Afrika, in de Middellandsche Zee en in Palestina +gevonden, terwijl het geringe in het Vaderland terugkeerend overschot +ledige buidels, hongerige magen en zieke ligchamen mede terugbragt. + +Van nu af aan waren de Christenen te zwak om den Turken het spits te +bieden. De eene vesting ging na de andere over. Antiochië, Cesarea, +Joppe en andere steden kwamen in handen der Turken. Ten jare 1291 +werden ook Ptolomais, Tyrus en Berytus heroverd. Zoo behielden dus de +Christenen der Latijnsche Kerk, die ter verovering en beheersching +des Heiligen Lands, zoo vele millioenen verspilden, en zoo veel +bloeds deden stroomen, in Palestina geen voet gronds. Paus Nikolaas +IV, wien dit zeer ter harte ging, wekte wel alle geestelijke en +wereldlijke Vorsten tot eenen nieuwen togt op, doch zijne pogingen +waren vruchteloos [173]. + +Palestina, ontbloot van allen bijstand, verzonk weder in de oude +slavernij, die misschien dragelijker was, dan de heerschappij van +teugellooze schraapzuchtige Christenen.--En dit was het einde der +heilige oorlogen of vrome razernij, die omtrent twee honderd jaren +gewoed, en Europa omtrent zeven millioenen menschen en onmetelijke +schatten gekost heeft. + +Wat nu het goed en kwaad betreft, het is moeijelijk te beslissen of de +Kruistogten meer voordeel dan nadeel aan Europa hebben toegebragt. Dus +oordeelt er de Duitsche Geleerde J. G. Mair over [174]. Heeren is door +zijn onderzoek der gevolgen van de Kruistogten voor Europa [175] tot +het gunstig resultaat gekomen, dat zij wel niet op eens eene betere +wereld schiepen, maar die voor de nakomelingschap hebben voorbereid. + +Wakker van Zon heeft, in zijne Bijdrage tot de Geschiedenis der +Kruisvaarten, voor ons Vaderland daarin weinig voordeel kunnen vinden, +en laat het nadeel ver het overwigt behouden; zelfs in de heftigheid +van zijn betoog uitroepende: »Rede! Deugd en Godsdienst! wij leggen +op uw heilig altaar de plegtige en onherroepelijke bekentenis af--, +dat de Kruisvaarten ons Vaderland tot eene bron van onuitrekenbare +ellende verstrekt hebben!"-- + +Zoo zijn er meerdere gevoelens van geleerden uitgebragt, terwijl +die Schrijvers, welke niet overdrijven, maar den middelweg hebben +bewandeld, zoo als Heeren en Luden, gewis den voorrang boven anderen +verdienen [176]. + +Voor Friesland waren gewis de gevolgen ook van groot belang. De +burgerlijke vrijheid is er zeer door bevorderd: want een slaaf werd +vrij man, en de haat en wraak der aanzienlijke geslachten werden +getemperd. Het werkzame deel des volks werd door den landbouw als +anderszins voor armoede beveiligd, en de zedelijke beschaving zal +er allengs bij gewonnen hebben. De handel in de X eeuw nog in zijne +kindschheid, moet eene eeuw na den aanvang der Kruistogten te Stavoren +reeds tot grooten bloei zijn gekomen: want deze stad en Bolsward +tot de Hanzesteden behoorende, voerden hunne koopwaren naar Brugge, +werwaarts de Lombarden hunne Oostersche goederen bragten, om dezelve +zoo door de Hanzesteden weder in het Noorden te verspreiden. De +welvaart, pracht en weelde der XIII en XIV eeuwen kunnen van deze +gevolgen getuigen.--Kunsten en wetenschappen, altoos met den handel +zich parende, moesten ook wel in Friesland toenemen.--Dan het nadeel +heeft zich ook voor dit gewest geopenbaard, en in de onheilen moest +het dus ook aandeel hebben. + + +Bl. 72. + +Omtrent den jare 1100 was er een voornaam Bouwkunstenaar, zijnde een +Fries, die voor den Bisschop van Utrecht eene fraaije kerk bouwde, +doch misnoegd over deszelfs behandeling, den Bisschop om het leven +bragt. Dit zal het bedoelde geval zijn 't welk voorkomt in F. Sjoerds, +Jaarb. II. 285. + + +Bl. 72. + +In den jaare 1110. Door dezen strijd en nederlaag bleef de vrijheid +van Oost-Friesland bewaard, en de Friesche Graafschappen Oostergo en +Westergo genoten een aantal jaren rust en vrede. + + +Bl. 73. + +In den jaare 1119 ontstond. Het verhaal van dezen twist tusschen +Floris II en den Frieschen Edelman Galama is naauwkeurig opgeteekend +door Gabbema in zijne Watervloeden, p. 50 en 51, en bij de +Kronijkschrijvers met eenige kleine veranderingen vermeld. Zie +Tegenw. Staat van Friesland, I. 315; F. Sjoerds, Jaarb. II. 318, +welke te regt in Wagenaar (II. 213,) verbetert, dat Galama niet in +dezen twist is omgekomen, en ook een eigenlijke Fries geen Westfries +was. Schotanus, van dit voorval niet sprekende, heeft men de waarheid +daarvan betwijfeld, waarom ook welligt Cerisier (Geschiedenis der +Nederl. I. 214) niet voor de echtheid wil instaan. Bilderdyk, altijd +kwaadaardigst tegen Wagenaar, zegt in zijne Gesch. des Vaderl. II. 34: +»Wagenaar, altijd kwaadaardigst tegen de braafste Vorsten, brengt +tegen Floris in, »dat zijne uitmuntendheden van geest en lichaam niet +verhinderden, dat de Edelen dezer landen hunne vrijheden tegen het +Grafelijk geweld, dat met den aanwas van 's Graven macht meer dan te +voren gevoeld werd, moediglijk verdedigen durfden."" »En tot bewijs +van dit Grafelijk geweld en het moedig verdedigen van de vrijheden +daar tegen, komt den moedwil van Galama voor den dag.----Het geval +(waar of onwaar, want men twijfelt er aan) is eenvoudig. De Graaf +(wien naar het Leenrecht, als Vorst of wegens den Keizer regeerende, +wouden en wildernissen behooren, en alle jacht die niet afgestaan +is) in het bosch van Kreil (aan den rand der Zuiderzee, die nu dit +gedeelte verzwolgen heeft) jagende, vindt daar jagers van Galama, +wien hij als naar stijle, de daarmeê verbeurde honden ontnemen +doet. Galama verneemt dit, stuift op, zoekt den Graaf in het bosch, +spreekt den Graaf (onbesuisd, zegt Wagenaar) en onvoeglijk aan, en bij +Floris aanmerking op dien onbehoorlijken toon en taal, valt hem met +den blooten degen op het lijf en doorboort hem den arm!--Zie daar" +enz.; hier volgt weder eene onbehoorlijke uitval op Wagenaar en een +schampschot op de onschendbaarheid en wijsheid, gezeten hebbende in +de majestueuze Amsterdammer paruiken. + +Dit is dus met een kort woord aan Galama zijn regt ontnomen, +hem als overtreder des Roomschen regts veroordeeld, en Floris +geregtvaardigd. Wij houden het er daarentegen voor, dat het niet +bewezen is of Graaf Floris in het Kreilerwoud iets had te zeggen, en +zoo niet, dan beschouwen wij de daad van Galama (niet gelijk Bilderdyk) +als die van een dolleman, maar van een regtschapen Fries, die zich door +geen Hollandschen Graaf naar willekeur liet regeren en behandelen, hoe +deze dan ook het Kreil, Galama's eigendom, mogt beschouwen. Waarom +dit voorval onder de verdichtselen geplaatst zou moeten worden, +daarvoor kunnen wij geene reden vinden. Friesch Jierb. 1833, § 22; +Bijvoegsels op Wagenaar, II. D. bl. 72. + + +Bl. 73. + +In den jaare 1143. In onze kronijk wordt niet vermeld, zoo als bij +andere Schrijvers, dat omstreeks dezen tijd, onder de regering van +Keizer Koenraad III, vele bewoners der tegenwoordige Nederlanden, +op verzoek van den Graaf van Holstein, Adolf, na de verdrijving der +Obodriten, eenige landstreken aan de Elve gingen bewonen, en hoezeer +door deze woeste Wandalen weder aangevallen, met ongehoorde dapperheid +tegen dezen streden, en eindelijk, door den stoutmoedigen Priester +Gerlacus aangepord en voorgegaan, met behulp van 's Graven volk de +volkomene overwinning behaalden [177]. + +De Graafschappen Oostergo en Westergo werden door dezen Keizer Koenraad +weder aan den Utrechtschen Bisschop geschonken, welke schenking twee +jaren daarna bij eenen giftbrief werd bevestigd. Hoe echter de Friezen +over deze en dergelijke brieven dachten en hunne vrijheid wisten te +handhaven, ziet men beschreven bij Emmius, bijzonder in het VI boek, +bl. 103 zijner Friesche Geschiedenis. + +Eenige jaren hierna in 1157, of gelijk Emmius in 1165, is het vermaarde +klooster Ludingakerk bewesten Franeker gesticht, waarvan Wigboldus de +eerste Abt is geworden. Uit deze Abdij, met aanzienlijke landerijen +en rijkdommen begiftigd, en van den Roomsch Koning Willem II met het +eiland Flieland beschonken, kwamen de kloosters van Anjum, Achlum, +Oegeklooster en anderen voort. Tusschen Flieland en Terschelling, toen +nog aaneen, groef men, tot bevordering der aanslijking, om nog al meer +voordeelen te genieten, eene wijde gracht, tegen wil en raad van den +verstandigen Lidlumer Abt, Gerhardus, waardoor men de woedende zee +het land vernielen liet, dat noodig was te behouden ter voorkoming +van de latere ellende door storm en vloed ontstaan. F. Sjoerds, +Jaarb. II. 377; Oudh. en Gest. II. 131. + +In 1163 stichtte men het klooster Mariengaard onder Hallum, onder +opzigt en beleid van den waarlijk vromen Pastoor der kerk te Hallum, +Frederik, die daar eerste Abt werd, en de order der Premonstratenzers +omhelsd had. Doordien er een grooter toeloop was dan het klooster +bevatten kon, werd door den Abt, ter plaatse Bartlehiem genoemd in +Tietjerksteradeel, een nonnenklooster, onder den naam Bethlehem, +gebouwd. Onder de waardige Abten die deze kloosters telden, is +de godvruchtige Syardus hoog geroemd. Deze en vele anderen, die +het zoo goed met de godsdienst meenden, waren echter onbestand +tegen het ongeschikte, wanhebbelijk en zedeloos leven der +kloosterlingen.--Oudh. en Gest. I. 385; Tegenw. Staat. I. 345. + +In den jare 1165 werd de Abdij Klaarkamp in Dantumadeel gesticht, +onder 't beheer van den dorpe Rinsumageest, door vrouwe Clara, +eene rijke en godvruchtige weduwe. De Bernardiner of Cistercienzer +monniken, ook naar hunne kleeding witte en zwarte monniken genoemd, +die aanvankelijk om hunnen stichtelijken wandel en goede zeden zeer +geroemd zijn geworden, hebben hetzelve onder den eersten Abt, Eiso +betrokken, en vele kloosters in Friesland en Holland hebben onder +deze Abdij gestaan. De Abt van Klaarkamp had onder de Prelaten ter +Landsvergadering de eerste plaats. + +Deze eeuw was dus bijzonder vruchtbaar in het voortbrengen van Abdijen, +Kloosters, geestelijke Gestichten en Kerken. In den jare 1182 werd +ook door Sybe van Lidlum met hulpe van Tjalling Donia van Winsum, +tusschen Tjummarum en Oosterbierum, het Lidlumer Klooster gesticht, +'t welk na verloop van eene halve eeuw is verplaatst. Het was gesteld +onder de order der Reguliere Kanunniken. Oudh. en Gest. II. 162; +Schotanus, Beschryvinge von Frieslandt, Quarto, p. 311 en verv. + + +Bl. 76.--Ao 1170. + +Omtrent dezen tijd, is Saake Reinalda, overleden. De Geschiedenis +vermeldt dezen Potestaat als een kundig, ervaren, braaf, edelmoedig +en vredelievend man, die in allen opzigte, vrij van vooroordeel en +ongepaste eerzucht, het belang zijner landgenoten zoodanig behartigde, +dat de Edelen, de Staten en het Volk hem levenslang tot hunnen +Landsheer wilden verkiezen, welk voorregt hij echter niet begeerde, +als strijdig met zijne beginselen en 't gebruik der voorvaderen. + + +Bl. 77. + +In den jaare 1190. Omstreeks dezen tijd vindt men bij de meeste +geschiedschrijvers het eerst gewag gemaakt van Leeuwarden als stad; +doch er zijn er, die beweren, dat reeds ten jare 1149 de stad bij +dien naam zou bekend geweest zijn, daarbij aanhalende de twee brieven +door den Abt Wybaldus geschreven, voorkomende in het Charterboek van +van Schwartzenberg, I. 76, de een aan de gemeente van Leeuwarden, +houdende klagten over de zorgeloosheid van vier Priesters aldaar, +en de andere aan den Utrechtschen Bisschop, Heribertus, betrekkelijk +den slechten toestand der kerk. + + +Bl. 77.--Ao 1192. + +Als Froonakker en Godsakker. De Tempelschattingen dienden bij de +Franken tot onderhoud der Priesterschap, tot instandhouding van de +godsdienst, tot aanschaffing der offerdieren, tot bekostiging der +openbare feesten en tot verzekering van regt en veiligheid. Wij vinden +in de Friesche geschiedenis der IX en X eeuw ook de Tempelschattingen +vermeld, welke in iedere kapel, op zekere tijden, aan den Hemelkoning +moesten worden opgebragt; en wat betreft het bezit van landgoederen, +meren, wouden en stroomen, dit wordt genoeg opgehelderd uit de, bij +de bevestiging des Christendoms hier te lande, zoo rijkelijk door +de Frankische vorsten weggeschonken goederen, welke ongetwijfeld, +voor een groot deel, mede hiervan afkomstig waren. En zoo is men +op het vermoeden gekomen, dat de Vroonlanden en Vroonakkers, welke +hier en daar weleer aangetroffen werden, van deze landgoederen +afkomstig waren, en dat Franeker daarvan den naam zoude ontleend +hebben. Verg. Westendorp, Verhand. over het gebruik der Noordsche +Mythologie, bl. 335. + + +Bl. 82.--Ao 1227. + +Kastelein van Koevorden. Een Kastelein was ambtman over een +regtsgebied; oorspronkelijk kasteelman, praefectus arcis;--Borchgreve, +burggraaf, slotvoogd, enz.--Verg. den Teuthonista van G. v. d. Schueren +en Kiliaan. + + +Bl. 85.--Ao 1230. + +In den jaare 1230. Het jaar te voren schrijven de kronijken van eene +groote zonsverduistering, gevolgd door geweldigen hagel, in welk onweer +de Edelman Sixtus Botnia met zijne vrouw zou zijn omgekomen, alsmede +Douwe Galama en Jolke Taijkama. Over den vloed van 1230, zie Gabbema, +Watervloeden, bl. 70; Wins. fol. 163; F. Sjoerds, Jaarb. II. 543. + +In of omtrent dezen tijd vindt men het eerst van de veenen en +turfgraverijen gewag gemaakt. + + +Bl. 86.--Ao 1231. + +Door de Rechters van Upstalsboom. Als hier ter plaatse zeer gepast, +nemen wij een gedeelte over van het belangrijk Overzigt, geplaatst in +het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 4 October 1831, getiteld: +Herinnering aan de Landdagen der Friezen bij Upstalboom, hoofdzakelijk +getrokken uit het werk van T. D. Wiarda over dit onderwerp, en ons +medegedeeld door den kundigen beoefenaar der Friesche Geschiedenis, +Taal-, en Dichtkunde, Mr. A. Telting, Secretaris der stad Franeker. + +»Buiten de stad Aurick in Oost-Friesland is een eerwaardige +plek, rijk in herinneringen aan de vrijheidsmin en volkstrouw +onzer Friesche Vaderen. Deze plek draagt den naam van Upstalboom +(Upstallisbeam, Opstalbeam). Wij zullen ons niet verdiepen in de +verschillende gevoelens omtrent de afleiding en beteekenis van dezen +naam, dien sommigen voor eene zamenstelling houden uit Upstalling, +d. i. hoveling, eigenlijk een man uit een oud geslacht, en beam of +boom, beteekenende alzoo een' boom, waarbij zich de voornaamsten des +volks verzamelen,--anderen samengesteld achten uit up of öp, staal, +boom, d. i. bij den opgerigten boom,--anderen weder uit up of op, saal +(zaal, de oude benaming van eene plaats, waar men geregt hield) en +boom,--en nog anderen eindelijk uit up, stoel en beam, d. i. de boom, +waar de stoel des gerigts wordt gehouden. Wij laten de beslissing aan +anderen over, maar meenen zooveel met zekerheid uit dezen naam te mogen +opmaken, dat daar een of meerdere oude boomen hebben gestaan, onder +welke zich de regters zullen hebben gezeteld, terwijl de verzamelde +afgevaardigden des volks zich daar om heen zullen hebben geschaard, +alles overeenkomstig de zeden der overige Germanen, die, het voor +vrije mannen onbetamelijk achtende in beslotene plaatsen te vergaderen, +daartoe uitgestrekte vlakten of heilige wouden verkozen. Een uur buiten +Aurick vertoont zich dan ook nog een heuvel, waarop naar luid der +overlevering drie groote eiken plagten te staan, en die algemeen als +de vergaderplaats wordt opgegeven. De landlieden noemen dien heuvel den +Boombarg. Men heeft er ten aandenken later eenen grooten beuk geplant, +en de hoogte met eene kleine gracht omgeven. Daar vergaderden op den +eersten Dingsdag na het Pinksterfeest telken jare de afgevaardigden +der zeven Friesche Zeelanden. Men zag er de geestelijkheid, de edelen +en de vrijgeboren mannen uit geheel den Staat zamenvloeijen, om de +belangen des gemeenen Vaderlands voor te staan. De eerste dagen der +bijeenkomst waren der gastvrije vrolijkheid gewijd. Auricks vrouwen +en maagden ontvingen den aankomenden vreemdeling, en bragten hem +den welkomsbeker toe, met den groet: het ghilt eele frye Fryse! Nog +heden dansen hare nakomelingen op den Pinksterdag om den Meiboom, +en zingen haar volkslied: + + + »Mayboom, Mayboom, holt die faste, + Morgen krieg wy fremde lue toe gaste!"-- + + +Wanneer de eerste dagen der gulle vreugde waren vervlogen, en +langzamerhand alle afgevaardigden zich ter bestemder plaatse +hadden vervoegd, ging men over tot de beraadslagingen. Er werden +voorstellen gedaan, en voor te besluiten trok het volk ter onderlinge +beraadslaging, zoo de overlevering wil, naar een nabij gelegen dorp, +dat vandaar den naam van Rahde zou verkregen hebben. Voor den heuvel +liggen twee akkers, nog de Wandelakkers genaamd, waar men wil, +dat de Rigters gedurende deze beraadslagingen van het volk gewoon +waren heen en weêr te wandelen. De besluiten der vergadering werden +in schrift gebragt, en met een zegel voorzien. Dit zegel stelde voor +een' geharnasd' man, met eene spies in de regter en een zwaard in de +linkerhand, staande onder een' bladerrijken boom. Het groote doel +dezer landdagen was,--zoo als blijken kan uit verscheidene wetten, +tot op onze dagen bewaard gebleven, die daar gemaakt zijn,--om in +het belang van het geheele vrije land alle bestaande verschillen +zooveel mogelijk te beslechten, vrede en rust te stichten en te +bewaren, den weêrspanneling desnoods met geweld tot onderwerping te +noodzaken, zich tot gemeenschappelijke weer tegen vreemden aanval +telkens met nieuwe kracht en eendragtigen moed te verbinden, goede +en nuttige wetten in te stellen, de bestaande te herzien en zoo +noodig te verbeteren. De uitvoering der genomene besluiten berustte +bij telken jare op nieuw verkozene regters (zij worden in de Leges +Upstalbomicae van den jare 1323 § 23 Judices Zelandini genoemd, bij +Emo Abt van Werum, in zijn Chronicon, Jurati apud Upstallesbome, ook +Consules terrae). Deze vertegenwoordigden dus de hoogste magt in de +vrije Zeelanden. Wanneer is men het eerst begonnen deze landdagen te +houden?--welke der Friesche Zeelanden hebben daaraan deel genomen?--en +wanneer hebben deze zamenkomsten opgehouden?--ziet daar drie vragen, +die ieder belangstellend lezer zich al dadelijk voorstelt, en waarop +wij kortelijk zullen trachten te antwoorden." + +Wat nu betreft de eerste vraag, zoo komt het antwoord van den Schrijver +hierop neder, dat, ofschoon men met geene volkomene zekerheid kan +bepalen, wanneer de Upstalboomsche landdagen der Friezen een begin +hebben genomen, men echter met eenige waarschijnlijkheid kan besluiten, +dat zij, zoo al niet door Karel den Grooten zelven ingesteld, toch aan +den door hem te Upstalboom gevestigden regtszetel hunnen oorsprong te +danken hebben, en dat de Friezen al zeer vroeg deze regtsplaats, als +in het midden van Friesland gelegen, tot het houden hunner landdagen +bij uitnemendheid geschikt hebben gerekend. De vroegste vermelding +eener gezagsoefening van de Upstalboomsche Regters vindt men bij +Emmius op het jaar 1214 aangeteekend. + +In de eerste tijden namelijk van Karel den Grooten, zullen al de +Friezen van de Maas tot aan den Wezer deel hebben genomen aan die +landdagen. De landen over den Wezer schijnen, vóór de indeeling +van den Frieschen Staat in zeven Zeelanden, te zijn afgescheiden, +en zoo lang nu al deze landen zich in het bezit hunner vrijheid +hebben mogen verheugen, hebben zij ongetwijfeld mede deel genomen +aan de Upstalboomsche vergadering. Wanneer deze zamenkomsten voor +altijd hebben opgehouden kan men met geene zekerheid opgeven; +doch in de eerste helft der vijftiende eeuw, nadat er reeds +onderscheidene beletselen tot het bijeenkomen hadden plaats +gehad, door de dwingelandij van eenige magtige Hovelingen en vele +partijschappen onderling, moet zulks hebben plaats gehad. Zie +voorts gemeld Overzigt. Schotanus, Fr. Hist. bl. 170 volgg.; +Harkenr. Oostfr. Oorsp. 125-127; F. Sjoerds, Besch. I. 62. + + +Bl. 89.--Ao 1234. + +Om de voorrang in 't offeren. Over dezen twist kan men vergelijken +Oudh. en Gest. II. 275; Teg. Staat, I. 360; F. Sjoerds, Beschr. I. 499. + + +Bl. 89.--Ao 1239. + +Sikke Sjaarda of Sjaardema. Over de geschiedenis van den achtsten +Potestaat Sjaerdema en den hier vermelden brief heerscht, eenige +duisterheid. Emmius (in zijn X Boek, p. 157) verklaart in twee +regels, na den dood van Willem II vermeld te hebben, dat hij alles, +wat in dat gedeelte der historie verhaald wordt van Sicco Sjaerda, +op eene smakelooze, laffe wijze (insipide), niet eens der vermelding +waardig acht. Hamconius en de kronijk van O. v. Scharl zwijgen van +dezen Potestaat; doch van Rhyn in het meergedacht Nabericht wil +deze gebeurtenis niet als ongerijmd verwerpen. Winsemius (fol. 169) +en Schotanus (40, bl. 100 en 127) verhalen ons de zaak, gelijk die +in onze kronijk voorkomt met inlassching des briefs van Sjaerdema, +welks echtheid evenwel wordt betwijfeld, en door sommigen voor een +valsch stuk gehouden. Bij het onderzoek: Of de Graven van Holland, +regtens, ooit Heeren van Friesland waren, geplaatst in het Mengelwerk +der Leeuwarder Courant van den 25 Junij 1833, heeft de Schrijver, +de Heer v. Halmael, aangemerkt, dat de valschheid van dezen brief +niet volgt uit de jaarteekening 1239 bij Winsemius, daar het, +uit het op den anderen kant der bladzijde gestelde jaartal 1248, +genoegzaam blijkt, dat dertich eene drukfout is, en men veertich +lezen moet. Ook de Hoogleeraar Ypeij, houdt die dagteekening voor een +misslag; men zie zijne Gesch. der Nederl. Taal, II. 318. F. Sjoerds, +Fr. Jaarb. III. 63, wil den brief in 1254 geschreven hebben, dan dit is +niet te vooronderstellen. Wijders geeft de Schrijver van bovenvermeld +onderzoek nog in bedenking, twee punten: of de Roomsch-Koning den +brief, op welken die van Sjaerdema (zoo hij echt is) een antwoord +is, niet geschreven kan hebben in de hoop, dat de Friezen, schoon +daartoe onverpligt, hem, door bemiddeling van Sjaerdema en behoudens +vergoeding, vrijwillig tot hunnen Potestaat zouden aannemen:--wijders, +of niet beide brieven kunnen gezien hebben op de Noord-Hollanders of +eenigen hunner. Deze Noord-Hollanders kon en mogt Willem als zijne +onderdanen beschouwen, en daarbij rekenen, dat zijn voorregtsbrief +alleen de Friezen tusschen het Flie en de Lauwers (of die, welke ten +westen door het Flie begrensd werden) betrof; en Sjaerdema kon evenzeer +die Friezen, als onder zijn Potestaatschap behoorende, aanmerken, daar +zij toch van oudsher Friezen geweest waren, en zich der Hollandsche +heerschappij niet onderwerpen wilden. Dit laatste schijnt mij wat +eene zeer milde uitlegging, doch overigens hebben de bedenkingen, +mijns inziens, zeer veel grond, en ik vind er geene zwarigheid in, +het daarvoor te houden, dat Sjaerdema weigerde den Koning behulpzaam +te zijn, om Friesland onder zijn beheer te krijgen: Sjaerdema moge hem +als Keizer, en zoodanig als Souverein over Friesland erkend hebben, +dan wilde hem niet huldigen als bijzonderen Heer of Graaf van deze +Provincie. En er was een man van dapperen moede, zoo als Schotanus +(Fr. Hist. bl. 118) hem noemt, noodig, om de listige aanslagen en +heimelijke ondernemingen van vermogende tegenstanders stout en krachtig +het hoofd te bieden, ten einde het eenmaal aangenomen beginsel, door +geen vreemden zich te laten regeren, vast te houden en te doen gelden. + +In den jare 1248 heeft Willem II de Bulle van van Karel, of het +als zoodanig genoemd stuk, hem door de Friezen aangeboden, met zijne +vrijheden en voorregten bekrachtigd, hoewel hij dat stuk niet in zijnen +Voorregtsbrief heeft ingelascht. Dat de Friezen in de verovering van +Aken, het gewigtigst deel hebben gehad, lijdt geen twijfel, hoezeer +dan ook Bilderdyk hiervan evenmin als van den Voorregtsbrief eenig +gewag maakt [178]. + + +Bl. 95.--Ao 1263. + +De kerk van het vermaarde klooster St. Bernard. Deze kerk was 50 +schreden lang en 25 breed. In het midden stelde men aan iederen +kant nog een gebouw, ieder van 25 schreden lang en 24 breed. Het +gebouw rustte op 26 pilaren, en het hooge verwufsel daarenboven werd +ondersteund door een aantal pilasters. Een groot en prachtig altaar +stond in 't midden en elf anderen in evenveel sierlijke kapellen; +van binnen was alles even kostbaar en luisterrijk. + + +Bl. 95.--Ao 1268. + +D'r Ylst, verkorting voor Ter Ylst, volgens Emmius, is de regte naam +Yleke of Ylk, daarna veranderd in Yltz en voorts in Ylst. + +Dat Ylst van ouds welvarender was dan Sneek, en toen dit laatste nog +een dorp was, reeds tot eene stad werd verheven, heeft veel schijn, +en wordt door v. Rhyn (Oudh. en Gest. II. 77), tegen Emmius aan, +niet verworpen. In 1268 was Sneek nog eene buurt of gehucht. + + +Bl. 96. + +In 1270 is te Bolswert het Broereklooster. Reeds in de achtste eeuw +wil men dat Bolsward gesticht zoude zijn, welke stad ongetwijfeld +tot eene hooge oudheid opklimt. Eenige Edelen en godvruchtige lieden +bouwden dit klooster der Minderbroeders, waarvan de kerk in 't jaar +1281 werd gesticht, eerst door Gaudenten, Franciskaner Monniken +en naderhand door Observanten bewoond, die zich naar de hervorming +regelden.--Schot. Fr. Hist. bl. 348; Oudh. en Gest. II. 11. + +In den jare 1503 brandde het klooster af, doch het schijnt naderhand +weder opgebouwd. + + +Bl. 96.--Ao 1273. + +Als ook een groote hongersnood. Deze was een gevolg, deels van +de schaarschheid van geld, door de kruistogten veroorzaakt, deels +door de veepest en de slechte oogsten, maar ook door het bevel des +Munsterschen Bisschops, Gerard, om geene jaarmarkten te houden en allen +handel te staken, zoodat niemand van de Friezen vee, boter en kaas +wilde koopen; daarenboven kwam er van den overvloed van granen uit de +Oostzee niets over, daar ook de uitvoer zwaar belast werd. De ellende +steeg dus ten hoogsten top, en vele menschen stierven den hongerdood; +de liefdadigheid van sommige kloosterlingen alleen behield nog den +verarmden het leven. Die te voren hunne eigene landen bebouwden, +moesten in de dorpen gaan bedelen, of voor den kost in de steden +en voor de kloosters dienen. In de herfst steeg de nood ten top, +een groot aantal leefden van distels en zeker kruid, hondribbe +genoemd.--Verg. West. Jaarb. I. 356; F. Sjoerds, Jaarb. III. 101. + + +Bl. 97. + +Omtrent den jaare 1280. De ware oorsprong der oude Partijschappen, +zoo in Friesland als andere Provincien en Landstreken, is veelal +met de oudheid zelve verdwenen, en de waarheid dus moeijelijk uit te +vinden. Vele zorgvolle nasporingen leveren dikwijls geringe uitkomsten, +want na het lezen en herlezen moet men nog vaak zijn toevlugt nemen +tot gissingen, en met een: »het komt mij, behoudens beter, dus of +zoo voor," besluiten. Ook met betrekking tot den eigenlijken aanleg +en oorsprong der noodlottige verdeeldheden tusschen de Vetkoopers en +Schieringers bleef mijn onderzoek zonder gewenscht gevolg, daar ik +hiervan een kort verslag had willen geven, hoewel het niet dadelijk +of noodwendig tot de Bijvoegsels dezer Kronijk behoort: het zoude +echter tot inlichting goed te stade gekomen zijn. Het een en ander, +hoe gebrekkig, wil ik deswege mededeelen. + +Jancko Douwama, voornaam Friesch Edelman uit het begin der +XVI eeuw, geboren te Oldeboorn, een man, zoo als Schotanus zegt +(Fr. Hist. p. 617) »van voortreffelijk verstand, groot van moede, +een groot beminnaar der vaderlandsche vrijheid, kloek van beleid; +voorspoed en tegenspoed met een gezet en wijs hart kunnende dragen, +en die een beter lot verdiend had, dan in eene gevangenis zijn leven +te laten," heeft te Vilvoorden in den kerker, verstoken van eenig +gebruik van boeken of papieren, uit zijn geheugen over de Geschiedenis +van Friesland, bepaaldelijk ook van zijnen tijd, een geschrift +zamengesteld, getiteld: Boeck der Partijen, waarin hij, afwijkende +van anderen, over de Vetkoopers en Schieringers dit vermeld [179]: + + + van den Anfanck der Falsche Partije + VAN + FRIESLANT. + + +»Als in Hollant then ersten alsulcke commocie anfanckelijcken vp +gestanden were, bij de welcke dattz vast in de landen al misselijck to +ginck, se funden then ersten geen groet wederstant, so begosten daer in +Frieslant oeck voel volcx nae to lusteren; ende dat concept, in Hollant +an gehewen, dochten hoer to mael goet ende wijslijck gedaen to wesen; +doer de welcke dat voele armen luden bij en ander voergadderden. Dan +se wolden niet worden genoempt Hoecken, angeseen datse gene fiskers +weren; oeck so dochten hoer dat to wesen een smaetlijcke name; +en oeck wolden se dat so gewaltlijcken niet doen, alst in Hollant +angehewen were; dan vnderstunden den rijcke luden met goede woerden +to vnderwijsen, dattz also voer Godt ende de Werlt behoerden: Wel +bet dan de ander in goet vermochten, dat he sculdich were to helpen +ende to bate to comen den armen, om sijn armoet to verhoeden. Dan +de rijcke luden wolden daer niet nae hoeren, doer de welcke dat de +arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten. Doen het +daer hen quam, dat se de rijcke begosten in der taske to tasten, +doen funden se hulp genoech; want daer voel Herscapen an de landen +weren, den gewoentlijcken weren met hoer nabueren to to tasten; +als se nv alsulcken oersaecke ende hulp hadden, doen sumeden se hoer +niet te tijdt, dattz hoer gheboeren mochten. Ende den rijcken luden +worden genoempt Fetcopers, ende dat daer vmme, dat se wal hadden, +en fette waer vermochten to koepen; en dan gaewen den rijcke luden +de arme weder een naeme, en noembden se Scirongen, ende dat daer +vmme, dat se erst met goede woerden vnderstanden hadden to doen, +datse nae met gewalt deden; want Sckijren is vp de Friesche spraeke +so voele gesecht als spreken; Scirong is so voele als een relaes; +Scirongen is so voele gesecht als voele groten woerden. Nv ist waer, +he behoert oeck wal to konnen spreken, de een anders goet wil hebben, +sunder daer wat willen weder tegen gewen, dan allene woerden." + +Gabbema, in zijn Verhaal van Leeuwaarden (bl. 16 en 17), geeft hiervan +eene verklaring, en een bladzijde vroeger een verhaal van eene andere +oorzaak der Partijschappen en beteekenis der woorden. Dit verhaal +echter, ook bij andere Schrijvers vermeld, alsof op zekeren maaltijd +door den twist tusschen twee kooplieden, over de keuze van den Sievard +of Zedemeester (thans zouden wij Ceremoniemeester zeggen), de eerste +aanleiding daartoe gegeven zou hebben, vindt geen algemeenen bijval. + +Wanneer men nu de geschiedenis dier tijden raadpleegt, en tot den +oorsprong en aanleg der ongelukkige factie eenigzins wil besluiten, +komt, mijns oordeels, het resultaat hierop neder: dat de reeds vroeg +ontstane twisten tusschen verschillende adellijke of aanzienlijke +familien, zoo als die van Albada en Renalda, Gerbranda, Gratinga en +Douwe van Harns en andere Grooten, ter oorzake van den voorrang in +het offeren, uit hoogmoed, heerschzucht en ongebondenheid, aangeblazen +door bedorven Geestelijken, werkeloosheid en slapheid der Justitie, en +vernedering en onregt den minderen aangedaan, de eerste aanleiding tot, +en door den haat en veete onderling, dadelijk voedsel hebben gegeven, +aan de ongelukkigste en ellendigste der partijschappen, de grootste +der rampen, die ooit een land en volk treffen kan, den Burgeroorlog. + +De algemeene verbittering der adellijke geslachten onderling; de +aanmatiging van rijke en magtige Edelen en Grooten; de verheffing +van dezen in de eerste ambten en betrekkingen, waarvan men zich had +meester gemaakt; daar bij vernedering en onderdrukking van den niet +rijken Adel en de Patriciers, worden steeds, en te regte, als de +grondslagen van alle partijschappen gesteld, hoezeer dan ook eenig +ander doel of oogmerk werd voorgewend, en men eene geheel andere +kleur aan zijne handelingen trachtte te geven [180]. Vandaar dat vele +Edelen en aanzienlijken, niet uit algemeen, maar uit eigen belang, +uit nijd, afgunst en wraakzucht den burgertwist begonnen, en zich aan +het hoofd stelden, en eindelijk steden en landschappen, Landsheeren en +Vorsten daarin deden deelen.--Men leze ter bevestiging de historie +van de Hoekschen en Kabeljaauwschen in Holland, der Heeckerens +en Bronckhorsten in Gelderland, der Lokhorsten en Lichtenbergers +in Utrecht, der Blaauwvoetsche en Isengrine factie in Vlaanderen, +der Guelfen en Gibellinen in Italië, van de Roode en Witte Roos in +Engeland, en zoo vele anderen. + +Zoo zal het dan ook wel in Friesland zijn geweest: want al ware eens +de minder aanzienlijke stand of 't gemeene volk aanlegger van deze +partijschappen geworden, tot welke stelling bij enkele Schrijvers +aanleiding wordt gegeven, zonder hoofden van magt en aanzien zouden +dezelve geen voortgang hebben gehad. Tegen de invallen der Noormannen, +ter beveiliging van watervloeden, en uit hoofde van den toenemenden +overvloed en weelde der ingezetenen, was het getal der aanvankelijk +gebouwde steenen huizen of stinzen aanmerkelijk vermeerderd [181]. Zij +werden nu ook bijzonder tot betere en sterkere vestingen gemaakt, +om als Fries Heer tegen den aanvaller zich te beveiligen, of zijn +gezag eens regt te doen gelden. Koophandel en fabrijken waren naar +den aard der tijden, vooral onder den burgerstand, in vollen bloei, +en de hooggeschatte vrijheid was aller leus. Rijkdom, magt, eer en +aanzien baarden, zoo als altijd, nijd, afgunst en overmoed, terwijl +dezen door regeringloosheid en verwarring geen teugel vonden. Elke +vrije Fries van aanzien kon toch niet dulden, dat een ander boven +hem verheven werd of den meester speelde: wie der eigenerfden kon +voor den anderen bukken, en welk adellijk geslacht zou aan het +ander den voorrang toekennen? Zoo groeiden wrok en wrevel tot eene +hatelijke vijandschap aan; onderlinge tweespalt en verdeeldheid +deden den zwakkeren bijstand zoeken tegen den aanval der sterkeren: +zoo vormden zich geweldige partijen, en elke beleediging, elke twist, +elke kwetsing der eere moest met veel bloeds worden uitgewischt, niet +tot vernietiging der verdeeldheden, maar om al weder den grondslag te +leggen van nieuwen haat en vervolging. Dus werd de woede en vijandschap +der verschillende partijen ontzettend in die tijden: want men gunde +den andersdenkende licht noch leven, totdat na twee volle eeuwen van +roof, moord en verwoesting, verlies van goed, bloed en vrijheid het +eindelijk loon was der Friezen voor hunne boosheid en dwaasheden. + +De Edelen in Oostergo behoorden in den aanvang tot de partij der +Vetkoopers, die zich over de Lauwers vrienden en bondgenooten +kozen, en met Groningen zich vereenigden. De Adel in Westergo +vormde hoofdzakelijk de Schieringer-partij, die bij de Hollanders +ondersteuning zocht. Evenwel voegden zich verschillende geslachten +uit de beide Goën, dan tot deze, dan tot gene partij; zelfs +familiën verdeelden zich, en dit gaf derzelver leden nieuw voedsel +tot scheuring en bederving. De factiën zelve volgden dus geen vast +stelsel van staatkunde, of trokken voor het algemeen welzijn, naar elks +verschillend gevoelen, partij; maar wanneer zij door buitenlandschen +aanval werden bedreigd of overvallen door anderen, dan wapenden +zij zich algemeen tegen den uitheemschen vijand. De Schieringers +hebben over 't algemeen geijverd voor de aloude Friesche vrijheid +en onafhankelijkheid, als afkeerig van vreemde magt en invloed; +daarentegen zochten later de Vetkoopers de inzigten der Hollandsche +Graven te begunstigen. Gedurende het laatste gedeelte der veertiende +en 't begin der vijftiende eeuw stond de stad Groningen aan het hoofd +der Schieringers. In 1491 echter sloten de Vetkoopers met die stad +een verbond, waarbij aan haar groote magt over een deel van Friesland +gegeven werd. + +In dezen tijd stonden de Vetkoopers ook in verbindtenis met de +Kabeljaauwschen in Holland [182]. + +Wat nu den naamsoorsprong betreft, deze is onzeker, en heeft tot +verschillende gissingen aanleiding gegeven. Men zie daarover de +aangehaalde Schrijvers, welke echter geen genoegzame gronden opgeven, +om tot eenige zekerheid te besluiten. Alle verklaringen echter +vereenigen zich hoofdzakelijk in dit punt, dat door Vetkoopers +aanzienlijke en vermogende personen worden aangeduid, en door +Schieringers de minder begoedigden en geringeren stand. De geleerde +Westendorp (Jaarb. I. 355 en 356) voegt hier deze opmerking bij: +»dat men eenen man met een voorkomen van rijkdom en gezag, ook thans +nog eenen Vetkooper, en iemand, die tamelijk, doch zuiver gekleed +is, zonder eenig voorkomen, Schier noemt. Zoo zegt men hier (in +de Provincie Groningen) nog dagelijks: het is een heele Vetkooper, +en hij is hemmel en schier; of ook: hij zit er goed, en, hij heeft +eenen schieren boedel, dat is, een' boedel zonder schulden." In +onze Provincie zegt men wel: hemmel of hemel en schien, beteekenende: +zindelijk, proper (hoewel behoeftig) en schoon. Schier beteekent altoos +graauw, grijs. Verg. Wassenbergh, Idioticon, en Epkema, Woordenboek. + +Een der merkteekenen van onderkenning schijnt in het aanleggen der +turven aan den haard geweest te zijn, leggende de een het vuur boven +en de ander hetzelve onder. + +Bij hunne gastmalen, dus wordt verhaald, werd steeds een bedekte +schotel op tafel gebragt, en na met eenen dronk indachtig te +zijn geweest aan de de verslagen Bondgenooten, na vermelding der +heldendaden, aanvuring en vernieuwing van 't eedverbond, ontdekte +men den schotel, waarin de Zelen lagen, waarmede de opgegeten ossen +waren gebonden geweest, tot herinnering, dat het weder tijd was op +nieuwen roof en buit uit te gaan. Dit noemde men in onze landtaal: +'t Horspil in de patele. Over de beteekenis van 't woord Horspil hebben +de taalgeleerden getwist. In het zeer zeldzaam geworden Geschriftje: +Nuttigheid van de Taalkennis der Middeleeuwen, alsmede van die der +oude Vriesen, door A. ten Broecke Hoekstra (denkelijk in 't jaar 1814 +uitgegeven), p. 22 en 23, vinden wij het volgende: + +»Horspil in de patele, dus noemde men de Koezelen, welke de +Schieringers en Vetkoopers, bij het eindigen der maaltijden, in den +schotel legden, om hunne vrienden en dischgenooten weder tot nieuwen +roof uit te noodigen.--V. Rooy vermoedt, dat Hors in het Oud-Vriesch +eene algemeene benoeming van groot vee geweest zij, en dus zoo wel +eenen os of eene koe, als een paard, beteekend hebbe.--Het is mij +onbegrijpelijk, hoe dat men, zoo weinig met der taalsoorspronkelijkheid +eens Lands bekend, aan uitleggingen van die natuur zich wage; maar +mijne verwondering rijst ten top, wanneer men, daar de uitlegging er +bijgevoegd, en door den Schrijver zelven aangevoerd wordt, naar de +beteekenis des woords gaat rondtasten." + +»Horspil is eene verkorte uitspraak en schrijving van horn-spil: +horn is hoorn, of horen, cornu; en spil, spel, gereedschap, hier +de zelen, ook in Vriesland horn-touwen genoemd: zoo zegt men mede +aldaar tornbeyen (spreek uit toân-beyen) en dit voor thorn beyen, +doren-bessen, braambessen: de ky bornje (spreek uit boânje) dat is: +de koeijen bornen, wateren." + +De geleerde Friesche Taalkenner J. H. Halbertsma gaf mij hierop deze +bedenking: »Deze uitlegging van den heer Hoekstra voldoet niet volkomen +aan eenen taalkenner. In lettergrepen die met rn eindigen, laat de +Fries de r vallen, en houdt de n, gelijk in thoán, boán-je, koán in +plaats van thoarn, boarnje, koarn (garst). In hornspil daarentegen +zou de n verdwenen en de r overgebleven zijn, waarvan ik geen tweede +voorbeeld in de Friesche taal ken. Indien men onderstellen mag dat +Hamconius, en in navolging Gabbema, met zijne gewone onnaauwkeurigheid +in taalkundige onderwerpen, Hornspil in Horspil bedorven hebben, is +de verklaring van Hoekstra volkomen juist. In hoernes hluud, hoornen +geluid (Oude Fr. Wetten, bl. 254), hornfia, horenvee (Chart. I. 342), +hoernleggher, horenleger (Chart. I. 517), ziet men dat de n nooit +van haren post wijkt." + +Bij v. Alkemade, in Nederl. Displegtigheden, I. 466, volgg., wordt +hierover gehandeld, doch hieruit zal men weinig licht scheppen, daar +de Schrijver Horspil voor Paarde-tuig of toom verklaard hebbende, +met de koezelen geen weg weet. + + +Bl. 100. + +Omtrent den jaare 1303. Wij laten deze luchtverschijningen en +bloedregens, niet alleen bij O. van Scharl en Winsemius, maar ook door +Schotanus (fol. 164, quarto bl. 179) vermeld, daar; doch zeker is het, +dat deze en volgende jaren allernoodlottigst voor dit gewest waren; +want de woede der Vetkooper- en Schieringer-partijen steeg zoo hoog, +dat men noch op weg, noch in huis of elders, bijna meer veilig was. Het +regt van den sterkste gold alleen: teugelloos en wreedaardig woelde men +in zijnen ontzindheid voort, en spaarde geene jaren of kunne; vooral de +rijke huislieden waren in den dollen moedwil meesters boven allen, waar +het op moorden, branden en doodslaan aankwam. En onder al dit kwaad, +dat de menschen elkander brouwden, steeg de druk der tijden nog hooger +en hooger, daar geweldige regens en onweders de vruchten der landbouw +vernielden, waardoor kort daarna dure tijden, groote hongersnood en +pestziekten volgden. Dit alles wordt ook beschreven in de kronijk +van Worp van Thabor. Zie voorts F. Sjoerds, Jaarb. III. 219 volgg. + + +Bl. 101.--Ao 1306. + +Omtrent dezen tijd heeft J. Flieterp. Zie onze aanteekeningen op +bl. 286, 288 en 359. + + +Bl. 101. + +In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden. Met den dood van +dezen braven Landsvader vermeerderde ook Frieslands ramp en onheil; +want met de twisten der Regters, die eene wijle tijds het land +bestuurden, namen de ondeugden der kerkelijken en wereldlijken toe; +en waar de geestelijkheid alleen voor haar staatkundig belang ijvert, +gaat regt en godsdienst te gelijk verloren. Men nam dus tot Upstalboom +zijn toevlugt, dat aanvankelijk een beteren toestand beloofde; doch +toen de partijgeest, onder den schijn van vrijheidszucht, weder het +booze hoofd opwaarts stak, was het een jammer zonder einde. + +In dit jaar werd aan de kerk te Ylst de eere gegund, om voor +dengenen die haar in bedevaart bezocht aflaat van zonden te schenken, +met al de gebruikelijke plegtigheden; dan ook door deze en andere +bijgeloovigheden was geen razende partijschap te dempen, waren geene +driften te koelen. Men zie den Aflaatsbrief in 't Charterb. I. 151. De +kronijken verhalen vele schrikkelijke gebeurtenissen en wonderen, in +dezen tijd van hongersnood en ellende voorgevallen. Zie ook Westendorp, +Jaarb. II. 102-109. + + +Bl. 102.--Ao 1318. + +In dezen tijd was Stavoren in het verbond der Anseesteden. Het +merkwaardig Hanzee-verbond moet gesloten zijn aanvankelijk tusschen +de steden Lubek en Hamburg, in 1241, ter beveiliging van den zee- +en landhandel, destijds door roovers en vrijbuiters belemmerd en +benadeeld. Een aantal koopsteden traden tot dit verbond toe, als +hebbende dezelfde behoefte, en zoo werden de Friesche steden ook in +deze handelmaatschappij opgenomen. Daar zij echter eene groote zeemagt +ontwikkelde, en haar bestaan en invloed met die der vermogende Vorsten +van Europa dikwijls in strijd waren, ondervond zij van dezen vele +beletselen. Deze en andere omstandigheden veroorzaakten in 1630 haren +ondergang. Alleen Lubek, Hamburg en Bremen vernieuwden het verdrag. + +De Etymologisten hebben, als naar gewoonte, over den oorsprong des +woords zeer getwist. Kiliaan verklaart Hans als Socius, Collega, +dus Hans-steden voor Sociae et liberae civitates, enz. Bilderdyk +(Geslachtlijst) zegt: »het woord is Hansbeker, d. i. oorbeker van +hanse of anse (Lat. ansa) oor, handvat, Hans-eê is dus bekerverbond, +'t geen men dwaaslijk hans-eê-verbond noemt. Du Cange, in zijn +Glossarium, geeft nog andere afleidingen, strijdig met die van +Bilderdyk, als ook de Teuthonista van van der Schueren. Zie Wagenaar, +Vad. Hist. III. 500, en Aanmerkingen daarop bl. 96, waar men het woord +liefst door Broederschap wil verklaren. Bild. Gesch. der Vad. IV, 350. + + +Bl. 103. + +In den jaare 1332. De vrome en brave Eelko Liauckama, Abt van +Lidlum, werd in dit jaar vermoord. Men leze de korte Levensschets +in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 10 December +1833. Verg. F. Sjoerds, Jaarb. III. 329, en de aangehaalde Schrijvers. + + +Bl. 104--Ao 1342. + +In dit zelve jaar, den 25 September, is Graaf Willem enz. Deze slag +is voorgevallen den 26 of 27 September 1345 [183] nabij Warns, (niet +Werrega, gelijk Wagenaar vermeldt,) wordende het getal dooden bij +sommige Schrijvers op slechts 3700 gesteld:--doch zeker is het, dat de +meesten der Hollandsche huizen er hun hoofd of een afstammeling lieten, +dewijl het Hollandsche leger derwijze werd geslagen en nagejaagd, +dat er weinig meer dan twintig levendig afkwamen, waaronder Jan van +Beaumont behoorde, die door zijn schildknaap, ondanks zijne wonde, +met een vaartuig gered werd. Het lijk des Graven werd tien dagen na +den slag gevonden, en in 't klooster Bloemkamp, bij Bolsward, begraven, +doch later, zoo men wil, naar 's Gravenhage vervoerd. Des Graven dood +gaf alom groote droefheid. Men verklaarde de goederen der Friezen +verbeurd, en eene wraakzuchtige bende begaf zich naar het eiland +Marken, stak een Monnikenklooster, tot de Abdij van Mariëngaarde +behoorende, in brand, en wierp de ongelukkige Cellebroeders in +zee. Verg. Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. III. 118, volgg; Teg. Staat, +I. 493, en de daar vermelde Schrijvers. + + +Bl. 105--Ao 1348. + +Onze kronijk maakt mede geen gewag van het Bestand, tusschen de +Friezen en den Graaf van Holland den 22 Junij 1348 gesloten. Dit voor +de Friesche Geschiedenis zeer gewigtig stuk, in 't Charterb. van +v. Schwartzenberg niet vermeld, komt voor als II Bijlage achter +de uitmuntende Verhandeling over den oorsprong der Hoeksche en +Kabeljaauwsche twisten, van den Rijks-Archivarius Mr. J. C. de Jonge +(Leijden, 1817). Het vredeverdrag werd gesloten met de Edele en +Aanzienlijke Mannen, Heer Willem, Hertog van Beijeren, Graaf van +Holland, Zeeland en West-Friesland en Heer Jan van Beaumont, benevens +de Ridderschap, Steden, overige Ingezetenen der voorzeide Landen, +door de Prelaten, Grietmannen, Hovelingen en de geheele Gemeente der +Landen van Oostergo en Westergo. Deze beloven daarbij met algemeenen +wijzen en rijpen rade aan hunne partijen en al derzelver bondgenooten, +een vast bestand zonder arg of list, gedurende twintig aaneenvolgende +jaren, van af den toen eerstvolgenden St. Jacobsdag, om den kwaden +twist tusschen hen ontstaan te bedaren, uit te dooven en tot goed +verdrag te brengen, en zulks op de volgende voorwaarden: + +Dat de onderdanen van den Graaf de grenzen dezer landen niet zouden +mogen overschrijden, zelfs niet om eenig schijnbaar gevaar te ontgaan; +met uitzondering echter van het geval, dat zij door storm of dergelijke +oorzaken in vrees en angst waren gebragt, als wanneer zij met hunne +goederen en personen, zich moesten houden aan het gezegde bestand. + +Dat, zoo zij echter hier plagten te vertoeven om koophandel te drijven, +zij ten allen tijde en zooveel hun behaagde de drie plaatsen dezer +landen, waar de waren ter koop aangeboden en markten gehouden worden, +namelijk Harich en Cornwerth in Westergo en Holwerth in Oostergo, +zouden mogen bezoeken en die weder verlaten, onder de hierna te melden +voorwaarde van dit zelfde bestand. + +Dat het voorzegde bestand zich zoude uitstrekken tot alle rivieren, +zeeën, steden, dorpen en plaatsen, waar de wederzijdsche ingezetenen +mogten zamenkomen of elkander ontmoeten, buiten de grenzen van +beider gebied. + +Dat zoo iemand door ingeving des Duivels of op eenige andere wijze +buiten belegden rade van regteren en hovelingen dezer landen, iemand +van 's Graven onderdanen mogte beleedigen, dooden of zijner goederen +berooven, tegen den inhoud van dit verdrag, het bestand daardoor niet +gerekend zoude worden verbroken te zijn, maar dat den beleedigden naar +de wetten en gewoonten der plaats, waar het voorzegde misdrijf had +plaats gehad, door de gestelde regters voldoening en schadevergoeding +zoude verschaft worden, gelijk zulks in het omgekeerde geval ook bij +'s Graven ambtenaren naar hunne wetten zou gevorderd worden. + +Dat, om 's Graven wille, dit bestand, zich ook ter goeder trouw +uitstrekken zoude tot die van Stavoren, wier voorspraak Hij geweest +was, en dat hun ten volle vergund werd, om binnen de grenzen dezer +landen terug te keeren en er te verblijven. + +Hierop wordt er het volgende slot bijgevoegd: Ten bewijze hiervan is +deze tegenwoordige bevestigd met de Zegels der Landen van Oostergo +en Westergo, der eerwaarde Heeren Abten van Bethanien en Klaarkamp in +Oostergo, Bloemkamp en Ludingakerk in Westergo, en der steden Dockum +en Leeuwarden in Oostergo, Sneek en Bolsward in Westergo. Gegeven in +'t jaar onzes Heeren 1348 Zondags na het feest der H. Drieeenheid. + +Dit is de zakelijke inhoud van het Bestand, welke aldus is medegedeeld, +met eenige zeer belangrijke ophelderende Aanteekeningen, in het +Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 31 Julij 1832, waarnaar +wij den Lezer verwijzen. + + +Bl. 105. + +In den jaare 1361. Over deze merkwaardige Vergadering en derzelver +werkzaamheden leze men Westend. Jaarb. II. 200, volgg. + + +Bl. 106.--Ao 1388. + +Folkmer Allena. De Kronijkschrijver E. Beninga deelt nopens dezen man +een volksliedje mede, om deszelfs vorm en oudheid merkwaardig. Het +staat in de Anal. v. Mattheus, IV. 158 en 159, en in 't Jaarboek van +Westendorp, II. 245, met eene veranderde spelling. + + +Bl. 107.--Ao 1397. + +In den jaare 1397. Ik houd het er voor dat dit moet zijn 1396. Onze +kronijk echter verwart deze en andere veldtogten met elkander. Van +dit ongelukkig gevecht vinden wij bij alle Schrijvers uitvoerige +vermelding. Winsemius stelt het ook op 1397, tegen de aanteekeningen +van Edo van Jonghama, Petrus van Thabor en Emmius aan. Hier moet +ik opmerken, dat men bij gelegenheid van dezen merkwaardigen togt +van Hertog Albrecht van Beijeren tegen de Friezen het eerst gewag +vindt gemaakt, dat de schepen in deze landen van geschut en buskruid +zijn voorzien. Hiervan wordt melding gemaakt in een Handschrift, +berustende in ons Rijks-Archief, in 't welk men leest, dat, op bevel +van Hertog Albrecht en deszelfs Raad, Bussen, Kruid, Steen, Schutte, +Vierpannen, Torken en andere behoeften worden aangekocht, welke +men in de groote schepen noodig had [184]. In een Hanzee-verbond +van den jare 1418, waartoe ook de Nederlandsche steden behoorden, +wordt aan het scheepsvolk verboden op lijfstraffe wapenen en buskruid +te verkoopen [185]. Twintig jaren later wordt onder de middelen van +verdediging en afbreuk op de schepen uitdrukkelijk van Bussen, dat +is, van kanon, melding gemaakt. Sedert dien tijd werd het geschut en +ook het handgeweer meer en meer algemeen, en op de schepen de gewone +wapenen [186]. + +Over den tijd der uitvinding van het buskruid is men oneens, daar +velen, niet te onregt, beweren, dat het vóór Berthold den Zwarten +reeds bestond. Zeker is het, dat het gebruik daarvan, hier te lande +eerst in 1350 of 1351 is geweest, en wel in het beleg van het Kasteel +Rozenburg, nabij Voorschoten. + +Maar ik mag niet voorbijgaan het koddig verhaal van Cornelis Kempius, +waarin hij beweert, dat een Friesch Koning, met name Chimoscus, den +Graaf van Holland en zijne twee zonen met een musket had doodgeschoten, +en ook in een tweegevecht, ter oorzake van 's Graven dochter, de +schoone Olimpia, met Graaf Roeland van Vlaanderen, zijn schutgeweer +gebruikt had, zoodat de Friezen uitvinders van het buskruid zijn, +hetwelk Hamconius ook bevestigt, die mede Chimoscus voor den uitvinder +daarvan houdt. Wij evenwel betwijfelen het zeer, en geven liever +aan het dichterlijk vernuft van den geestigen Ariosto, aan wien +Kempius zijn verhaal ontleende, de eer dezer vinding. Verg. Oudh. en +Gest. II. 354-357. E. Beninga, in zijne Hist. van Oost-Vriesland op de +jaren 1379 en 1380, vermeldt, dat men destijds in de Friesche onlusten +zich van buskruid en geschut bediende. Zie Driessen, Mon. Groningana, +II. 399. + + +Bl. 109 en 110. + +In den jaare 1400-1401. Onder al de twisten en oorlogen, de rampen +en onheilen daaruit geboren, waren het niet altoos de Friezen en +onderlinge partijen, bij welke men de aanleiding en oorzaak zoeken +moet, maar aanhitsing en ondersteuning van buiten, alles naar +staatkunde en eigenbelang berekend, heerschzucht en vijandschap +van Bisschoppen, Graven en anderen, gaven meestal voedsel aan den +burgeroorlog. Vandaar ook die (zoo als men ze noemde) Groote, dat +is, woeste en beruchte lieden dezer eeuw. Onder de zeeroovers dier +tijden was Stortenbeker een befaamd man, in het drinken zoowel als +in het vechten: dit blijkt uit den bij hem gevonden grooten beker, +toen hij gevangen genomen werd, waarop dit kreupel vers stond: + + + Ick Joncker Sissingha, + Van Groninga, + Dronck dees hensa, + In een flensa, + Door myn kraga, + In myn maga. + + +Bl. 111.--Ao 1404. + +Sjoerd Wiarda. Naar dezen Potestaat ontving het slot te Goutum den +naam van Wiarda-State, hetwelk hij reeds in den jare 1404, toen +hij met Harinxma tot Potestaat verkozen werd, bewoonde. Ons werd de +navolgende geschrevene aantekening, op Schotanus zijne Beschryvinge, +van den Old-Raadsheer Tjalling Edo van Sminia, medegedeeld: + +»Goutum. Hier ligt de State Wiarda, een groot sieraad van dit dorp, een +schoon gebouw met zijn hovinge en graften, bewoond bij den Hr. Jonkheer +Tiberius Pipinius van Eminga; wierde bijgenaamd Schenkinsma, gelijk +daar ook leggen Putsma, nieulinks met eene nieuwe hovinge en een +welbeplante opreed versiert door den Hr. Jonkheer Ruurdt van Burmania; +en Drinkuitsma door denselven afgebroken en geslegt, daar nabij +gelegen. Deze drie plaatsen plegen van drie Gebroederen bewoond te +worden, die groot vermaak schepten in 't drinken, en daarop roemden; +tot hare gedachtenisse wierde dit versje gemaakt: + + + Qui nos tres geminos superat certamine Bacchi + Hic venit Alcides redivivus conteret Hydram." + + +d. i. vrij overgezet: + + + Eer dat ons dapper driemanschap, + In Bacchus' school volleerd, + Worde in een Frieschen bekerstrijd + Verslagen of verheerd; + Eer zal de woeste Hercules + Herrijzen uit zijn graf, + En slaan een tweeden monsterdier + Tienduizend koppen af! + + +Bl. 112, op de Noot. + +Hiske Abdena was Proost en Hoveling te Emden, een hoog heerschzuchtig +man, die zich aan het hoofd der Schieringers in Oostfriesland had +gesteld en in naauw verband met de Groningers stond. Gevlugt naar +Groningen, wilden de Schieringers hem ondersteunen, doch de Vetkoopers +hielden de partij van Keno ten Broek,--en ziehier den oorsprong der +partijnamen Hisk- of Hikhorsters en Bronkhorsters. + + +Bl. 113.--Ao 1414. + +Ook liet Jarges het goud en zilver enz. Niet alleen te Fivelgo, maar +ook te Midwolde en Loppersum, maakte hij zich meester van het gouden +en zilveren vaatwerk, en liet de ongezinde kerkvoogden eenigen tijd +vastzetten, om zoo zijn oogmerk te bereiken. + +De Koppens-gulden was dezelfde met den Arendsgulden, welke naar de +tegenwoordige munt, eene waarde moet gehad hebben van 37 1/2 cent. In +1453 gold hij 7 braspenningen van 9 duiten 't stuk: in 1491 werd +dezelve afgezet. + + +Bl. 115. + +In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier. Fokke Uken, Ukena of Ukessen, +Hoveling [187] te Evermoer in Leer, Heer van Aurich en Broekmerland +of te Broekum, die eene groote en belangrijke rol in de onlusten der +Schieringers en Vetkoopers in 't begin van de XV eeuw speelde, was uit +eene voorname adellijke, doch niet vermogende Oost-friesche familie +gesproten. Zijn vader heette Uko en zijne moeder Amke van Lengen. De +ruïnen van hunnen ouden burgt waren ten tijde van den geschiedschrijver +Emmius nog aanwezig: thans toont men slechts de plaats aan, waar +dezelve stond, op de veenakkers tusschen Aurich en Leer. Nergens vindt +men Fokke's geboortejaar vermeld; doch hij stierf, oud van jaren, +den 29 Augustus 1435, gelijk sommigen beweren, ten gevolge van het +nuttigen van eene vergiftigde biersoep, door zijne Echtgenoote Hidde +hem toegediend. Hij trad als officier in dienst van Keno ten Broek: +zijne eerste vrouw was Theda van Reide, bij welke hij twee zoons +en twee dochters had: zijne tweede vrouw was Hidde van Dijkhuizen, +uit welk huwelijk zijne dochter Ulske, gehuwd aan Unico Ripperda, +sproot. Beide deze vrouwen bragten hem een groot vermogen aan, en +het gelukte hem zijne kinders aan zeer aanzienlijke, rijke familiën +uit te huwen. Hij was verstandig en omzigtig in het aanleggen zijner +plannen, dapper en koen aan de spits zijns legers, onverschrokken in +gevaren, trotsch in zijne handelingen, die vermeerdering zijner magt +en rijkdom ten doel hadden, en wraakgierig tegen zijne vijanden. Van +zijnen jeugdigen leeftijd wordt nergens gewag gemaakt, en op het einde +van de XIV eeuw is men het eerst in de geschiedenis zijns gedachtig. + +Er is eene korte levensbeschrijving van hem in 't Latijn zamengesteld +uit Emmius en Beninga. De verdienstelijke Wiarda echter heeft +eene uitvoerige beschrijving van zijn leven en bedrijf gegeven, +en geplaatst in het Tijdschrift: Ost-Friesische Mannigfaltigkeiten, +erster Jahrgang, Aurich 1784, getrokken uit de beste bronnen destijds +in druk en handschrift aanwezig, en met bijzondere naauwkeurigheid +behandeld. Ik heb daarvan eene vertaling gegeven in het Mengelwerk +der Leeuwarder Couranten van den 4 en 11 September, 2 en 16 October +1832, welke bijdrage tot de geschiedenis van dien tijd zeer belangrijk +is. Men verg. overigens het Jaarb. van Westendorp, op 1411-1435. Het +portret van Ukena bevindt zich thans op het buitengoed van Jonkheer +Hora Siccama van de Harkstede. + + +Bl. 116.--Ao 1420. + +De Schieringers hij Catse geslagen. Schotanus noemt ook te Catze, +aan een plaets geheeten Palesloot: Petr. Thab. ter Colze. Volgens +Amersf. en Visser moet men waarschijnlijk hierdoor den omtrek van +Koudum verstaan. Winsem. en Emmius plaatsen ook den slag omtrent +Palesloot, tusschen Hindeloopen en Molkwerum, op de kaart van Schotanus +nog aangeduid, zoo als ook de Fokke-graft of Fokke-sloot, uit het +Slootermeer komende, en waarin Fokko, na zijne nederlaag bij Slooten, +die op zijne overwinning volgde, eene groote busse of stuk kanen, +door hem uit Groningen medegenomen, zinken liet. + + +Bl. 117. + +In den jaare 1421. Ook in dit jaar braken de Groningers met Sikko +Sjaerdema, Hoveling te Franeker, Hoofd der Schieringers. Zij +beschuldigden hem heimelijk den Graaf van Holland, Hertog Jan van +Beijeren, te zijn toegedaan, en met de vijandelijke vrijbuiters te +heulen--namen twee schepen met hout geladen, aan de kerk te Franeker +toebehoorende, weg, en zes Franeker burgers gevangen. Zij dreigden +hem te zullen belegeren, indien hij niet te Groningen kwam om zich te +verantwoorden, of zijnen twaalfjarigen zoon als gijzelaar zond. Tot +dit laatste werd hij genoodzaakt, deels voor zijne overeenkomst, +deels voor de betaling eener door deze Vetkoopers uitgeschrevene +schatting van 1000 schilden over de Schieringers, tusschen Stavoren +en Gerkesbrugge. Sjaerdema kwam zelf te Groningen en verantwoordde +zich, weshalve hij zijnen eenigen zoon terug begeerde. Men beloofde de +terugzending, dan men hield geen woord. Daarop zond hij een vertrouwd +vriend, om het kind af te halen, die het vond aan een ijzeren keten +gesloten, waarmede hij in eene kamer kon rondwandelen; doch ook deze +moest onverrigter zake terugkeeren. Nog in hetzelfde jaar overleed +de knaap, volgens voorgeven, aan de pest: doch men vermoedde, dat +de Groningers hem hadden omgebragt; in het volgend jaar stierf zijn +vader. Zie Westendorp, Jaarb. op 't jaar 1421, en de aangehaalde +Schrijvers. F. Sjoerds, Jaarb. IV. 447. + + +Bl. 120.--Ao 1434. + +Het Stapelrecht. In 't jaar 1430 vinden wij het eerst hiervan +betrekkelijk Groningen vermelding. Het woord Stapel, eigenlijk een +staf, stok of stut beteekenende; is ook een hoop van dingen, die op +een afzonderlijk steunsel opgehoopt of gestapeld zijn. Vervolgens +heeft stapel overdragtelijk de beteekenis van een hoop koopwaren, +die op eene bijzondere marktplaats opgestapeld waren, en eindelijk +van de markt of verkoopplaats zelve. Aldaar moesten zekere van buiten +inkomende goederen ter verkoop aangeboden, voor een tijd opgestapeld +en bij gebrek aan koopers vertold worden. Dordrecht, Middelburg +en andere steden waren in het bezit van het Stapelregt der wijnen +enz. Zeer verschillend was dit regt op onderscheidene plaatsen, +en bepaalde zich tot allerhande koopwaren. + + +Bl. 122-123. + +In den jaare 1453-1454. Over deze gebeurtenissen is verschillend +geschreven, en men heeft het bij waarschijnlijkheid moeten laten +blijven. Verg. S. Jarichs, Beninga en Emmius. + + +Bl. 128.--Ao 1478. + +Haijo te Westerwolde. Hajo Addinga van Westerwolde had eed en hulde aan +den Bisschop van Munster gedaan, en volgde zijnen vader in het leen +van Westerwolde op. Hij was een wreedaardig en woest mensch, roofde +en verkwistte met zijne trawanten, plaagde zijn volk, en wie hem niet +ter wille was werd gekluisterd, gepijnigd en gemarteld op allerhande +wijze. Den Priester van Onswedde, die hem zijn slecht gedrag verweet, +liet hij, de handen op den rug gebonden, aan den staart eens paards +voorgesleept, dus vaneen trappen en verscheuren. Een ander Priester +werd daarna ook jammerlijk om het leven gebragt, en zoo pleegde hij +vele gruwelen. Zie West. op 't jaar 1477. + + +Bl. 129.--Ao 1486. + +Rudolf Agricola. Dezen, in zijnen tijd zoo vermaarden man, noemde men +den hersteller der Wetenschappen in het Duitsche Rijk, den grootsten +redenaar van zijnen tijd, den eersten Duitschen Hoogleeraar in de +Grieksche, Latijnsche en Hebreeuwsche talen; dengenen, die door geenen +geleerde, ook zelfs van Italië, werd overtroffen; eene ster der eerste +grootte. Westend. Jaarb. II. 645. + + +Bl. 129. + +In den jaare 1487. Dit doelt op 't zoogenaamde Bier-Oproer. De +Regering van Leeuwarden had, op aandrang der burgerij, op nieuw +eene ordonnantie afgekondigd, waarbij het gebruik van het geliefde +Haarlemmer Bier, Kuit genaamd, verboden, en alleen het in de stad +gebrouwen bier werd toegelaten. Eenige landlieden overtraden dit gebod, +waardoor tusschen hen en de brouwers, ondersteund door de burgers, +een gevecht ontstond. De landlieden, de minsten zijnde, namen de vlugt +op 't Amelandshuis, destijds de stins van den Schieringer Pieter +Cammingha, hetwelk met overmeestering en plundering bedreigd werd, +daar Cammingha de gevlugte landlieden aan hunne vervolgers niet wilde +overgeven. Het gerucht hiervan bragt de Schieringers in Ooster- en +Westergo spoedig tegen het Vetkoopersgezinde Leeuwarden op de been, +die vervolgens deze stad innamen. Meester Pieter Sybrands Auckama, +bijgenaamd Pinckert, Olderman der stad, sneuvelde in dit gevecht [188]. + +Dat het Haarlemmer Bier destijds een artikel van veel belang was, +blijkt onder anderen ook uit het door Winsemius op 't jaar 1480 +vermelde sprookje, (dus te schrijven): + + + De Leidske Lape, + In Harlimmer Tape, + In schiere iel + Bringt Frieslân yn'e wiel. + + +»Het Leidsche laken, Haarlemmer bier (Kuit genaamd) en Schieraal, helpt +Friesland in den grond." Verg. hierbij Wassenbergh, Taalk. Bijdr. tot +den Frieschen Tongval, II. St, bl. 17, noot f en bl. 156. Vol van bier +zijn, te bier gaan, boven zijn bier zijn en dergelijke uitdrukkingen +waren in dien tijd, zoowel in Holland als Friesland, algemeen, daar +het bier een algemeene drank was, en de kracht daarvan, bij den +overmatigen drinker, een bierroes ten gevolge had. + + +Bl. 130.--Ao 1490. + +In dit zelve jaar is de wijdberoemde Wesselius Ganzevoort. Hij werd +geboren te Groningen in 1419, en overleed 1489. Deze hoogst vermaarde +en geleerde man, was ook een der edelste kweekelingen van de stichting +der Broederschap van Gerard Groote. Zijne verlichte denkwijs vooral +werd zeer geroemd, zoodat Luther zelf getuigde: »Indien ik vroeger +de werken van Wessel gelezen had, zouden mijne vijanden mogen +vooronderstellen, dat ik alles uit zijne schriften geput had. Het +geeft mij vreugde en kracht, en ik twijfel niet meer aan de waarheid +van hetgeen ik leer; wanneer ik tusschen hem en mij eene volslagene +overeenstemming van gedachten en zelfs van woorden bespeur." + +In de bestrijding van bijgeloof en dweepzucht kent men dezen man, boven +Erasmus zelfs den voorrang toe, terwijl in al zijn streven tot dit +doel, hij eene waarheidsliefde en eene zedelijke kracht ontwikkelde, +voor welke Erasmus niet vatbaar was. Als letterkundige, wijsgeer, +godgeleerde en geneeskundige was hij bijna even groot; zijne matige +leefwijze stak bijzonder af bij de zwelgerij en dronkenschap van +vele geleerde tijdgenooten, waardoor hij dan ook tot zijn zeventigste +jaar eene sterke gezondheid genoot. Hij reisde de wereld door, om den +schat zijner reeds verkregene kennis te vermeerderen, en daarvan ten +nutte der wereld dubbelde renten uit te deelen. Van Paus Sixtus, wiens +vriend en lijfarts hij was en die hem tot bisschop wilde verheffen, +verzocht hij alleen de gunst, om de Handschriften van eenen Griekschen +en Hebreeuwschen bijbel te mogen bezitten. Zijne laatste levensdagen +sleet hij in 't klooster der adellijke maagden te Groningen, in hetwelk +hij overleed. Zie zijne leerstellingen kortelijk aangeteekend bij +Westendorp, Jaarb. op den jare 1489; en verg. de Verhandeling over +de Broederschap van G. Groote, door G. H. M. Delprat, bl. 79-81, +112 en Bijl. VII. + + +Bl. 131. + +In den jaare 1492. Men vergelijke op dit en de twee volgende jaren, +West. Jaarb., die daarmede het derde Tijdperk en het tweede Stuk van +zijn werk eindigt, waarmede hij den beoefenaren der Geschiedenis eene +gewigtige dienst heeft bewezen, Petr. Thab. op dezelfde jaren. + + +Bl. 133.--Ao 1496. + +Onder den Oversten Fox. Nittert of Nuttert Fox, volgens Gabbema +in Frankenland geboren, was bevelhebber van eene bende de Groote +Garde genaamd. Hij zelf droeg den naam van Grooten Kapitein. Petrus +van Thabor vermeld hem als Joncker Voecks op 't jaar 1498. Zie het +Archief van Visser en Amersfoort, I. 74, alwaar mede wordt aangemerkt, +dat in de middeleeuwen veelal de ellendige gewoonte bestond, dat een +hoop soldaten, die zeker niet tot de beste lieden behoorden, onder +een hoofd, door hen verkozen, zich vereenigden, en vervolgens aan den +meestbiedende, hetzelfde welke zaak hij voor had, zich verhuurden. Zoo +waren er zelfs benden, die geheel zonder opperhoofd rondzwierven, zoo +als de in onze Kronijk op bl. 150 vermelden Zwarten Hoop of Saksische +knechten. Schotanus, Fr. Hist, fol. 419, geeft hem den titel van: +»Capiteyn van een deel af-gedanckte Companyen, op de grensen van +Nederlandt omhengelende, op hoope van nieuwe beroerten;"--doch roemt +hem mede ook als een krijgshaftig en stoutmoedig soldaat. E. Beninga +maakte op de jaren 1492 en 1499 van Fox melding. In eene noot op +bl. 362 zijner Hist. van Oostfr. wordt mede, gelijk in onze Kronijk +op bl. 138, beweerd, dat de plaats, waar hij vechtende stierf, naar +hem Foxhol genoemd zoude zijn; doch te onregt: want reeds in een +brief van 1460 komt dit gehucht voor als Vossehol. Zie Tegenw. Staat +van Stad en Lande, I. 225; Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. IV. 316, +noemt Fox Witterfox. + + +Bl. 138.--Ao 1499. + +Den Hoogen Raad enz. Ten tijde van Karel den Grooten schijnt er reeds +over geheel Friesland eene opperste Regtbank of Hof, misschien wel +door hemzelven ingesteld, bestaan te hebben en te Franeker geweest +te zijn, welk Hof nog in 't begin der XV eeuw den naam droeg van dat +hageste Keijzer riocht to Franeker. Onder de woelende twisten der +Schieringers en Vetkoopers moest het zijn gezag verliezen, doch bleef +nog bestaan in die algemeene en hoogere Regtbank, aan welke de vijf +eerste Grietenijen in Westergo, hare twistgedingen, in het laatste +ressort onderwierpen. Thans hergaf de Hertog dit Geregtshof zijnen +ouden luister, door de nieuwe instelling op st. Jacobs dag (24 Julij) +van 't jaar 1499. Het bestond toen uit 12 Leden, zes Geestelijken en +zes Friesche Edelen, terwijl de Kanselier Phlug het Voorzitters-ambt +bekleedde. Op Sjaerdema-slot was het aanvankelijk gezeteld, doch +werd daarna naar Leeuwarden verplaatst. Men vindt dit alles in het +breede beschreven in mijne meergemelde Geschiedenis der Kanselarij +te Leeuwarden. Over de Wetten vergelijke men onder anderen § 4 van +het Overzigt in 't Friesch Jierboeckjen van 1833, en § 3 van 1834. + + +Bl. 138.--Ao 1500. + +Fjouwer lotter-claer enz. Wassenbergh, Idioticon op 't woord Fenne, +vertaalt deze leus: »vier gelouterde (beproefde, in het water +onderzochte) klaare Kievitseieren, op den hoek van een aan huis +geleegen Kamp, in één nest." Zie voorts Epkema, Woordenb. op Finne, +en Weiland, N. T. Woordb. op Veen. + + +Bl. 142. - Ao 1504. + +Weerdenbras. O. van Scharl, op 't jaar 1505, geeft den oorsprong op +van deze benaming, welke bevestigd wordt bij Schot. bl. 507 en 508, +die in zijn XIV en XV boek een zeer omstandig verhaal geeft, van +den strijd met Groningen en wat daartoe betrekking heeft. Ook bij +Winsemius, Emmius, Petr. van Thabor, Sicco en Eggerik Beninga enz. + +Vitus Draaksdorp of Traxdorp, was, bij afwezigheid van Hertog Georg, +Opperbevelhebber over het krijgsvolk. Verg. Archief van Visser en +Amersf. II. st. bl. 112; Aantt. op bl. 169. + + +Bl. 146. + +In den jaare 1511. Zie Gabbema, bl. 265; Winsemius op dit jaar. + + +Bl. 147, 149.--Ao 1514. + +Den 21 van July.--Hier na heeft Graaf Edzard. Verg. Tegenw. Staat van +Stad en Lande, I. 303, volgg.; Wins. bl. 376 volgg; Schot. XV boek, +Beninga, III. B. bl. 490; alwaar over de wreedheden der Saksen, de +misleiding door graaf Edzard en zijne vergelding daarvoor van den +Gelderschen Hertog in het breede gewaagd wordt. Zie gem. Archief, +II. bl. 171-176, en de Aantt. daarop; ook het Nabericht van van Rhyn, +bl. 537. + + +Bl. 150.--Ao 1515. + +De zwarte Hoop. Zie Aantt. op Nittert Fox, bl. 431; Petr. v. Thabor +zegt, dat er verschillende uitleggingen van die benaming zijn, als: +omdat zij met den Hertog van Brunswijk gekomen waren, of omdat hun +aangezigt was zwart en leelijk geworden, wegens het lijden van koude +en overlast in den winter, of uithoofde dat hun bij den dood der +Hertogen van Brunswijk zwart laken was gegeven, tot teeken van rouw; +het is mogelijk, dat al het genoemde met elkander tot de benaming +aanleiding hebbe gegeven. + + +Bl. 150 en 151. + +Deze Groote Pier. Gelijk het met vele groote en zeldzame mannen +gaat, die eene belangrijke rol in hunnen leeftijd hebben gespeeld, +en daarover verschillend worden beoordeeld, zoo is het ook met Groote +Pier gelegen. De een noemt hem een roemruchtig held zonder wederga, +die voor de vrijheid en voor Friesland wonderen deed; anderen +noemen hem een wreedaardig krijgsman en verachtelijk zeeschuimer, +die slechts roof en moord beoogde. Wanneer men de geschiedenis van +dien tijd naauwkeurig gadeslaat, den toestand van Groote Pier en +zijne bedoelingen beschouwt, daarbij den geest des tijds, de wijze van +oorlogen, vooral ter zee, het Saksisch despotisme in tegenoverstelling +van het Friesch karakter, en de laagheid des Hertogen van Gelder in +aanmerking neemt, dan zal de onpartijdigheid ten voordeele van den +man moeten beslissen, wiens bedoelingen eerlijk waren, maar wiens +daden het merk van ruwheid droegen, en door de fortuin begunstigd +in euvelmoed en woestheid ontaard zijn. Zijn tijdgenoot Petrus van +Thabor schetst hem in zijn ware licht; woest en onbesuisd van aard, +maar rond en eerlijk van inborst. Zie het Archief van Visser en +Amersf. II. 259. In het Gedenks. van Neerl. Heldend. ter Zee van +Engelbert Gerrits, I. 76 volgg., is de beoordeeling minder juist. Zie +voorts de schets van Groote Pier en zijne daden in het Mengelwerk der +Leeuwarder Courant van 11 Maart 1834, door W. Eekhoff zamengesteld, +en de daar aangehaalde Schrijvers. Op welk eene wijze het zeewezen +in Friesland bestierd werd, leest men na het aangehaalde werk van de +Jonge, over het Nederl. Zeewezen, I. 154 volgg. Tot in de XVI eeuw +was het eene algemeene gewoonte, de gevangenen zonder genade over +boord te werpen. + + +Bl. 151.--Ao 1515. + +Hertog Georg. Aldus werd Friesland als 't ware weder +verkocht, en, zooveel de Saks vermogt, geleverd voor +honderd duizend goudguldens. Wagenaar, Vad. Hist. IV. 390, en +Bild. Gesch. V. 11. maaken er 350,000 van, doch de Acte van afstand +van den 19 Mei 1515, bij Schwartzenberg in het tweede deel zijns +Charterboeks voorhanden, spreekt dit tegen. Een Rijnse gulden en een +Goudgulden hadden ieder 90 cents waarde. + + +Bl. 151. + +Karel de Vyfde. Het belangrijkste gedeelte van het Boeck der +Partijen van Jancko Douwama loopt over de gebeurtenissen onder het +Saksisch bewind, alsmede over de eerste regeringsjaren van Keizer +Karel den Vijfden. Men leert hierin die gebeurtenissen in Friesland, +gedurende dit gewigtig tijdvak, van eene geheel nieuwe en onbekende +zijde kennen; en al ware het, dat niet al de berigten van Douwama +volkomen geloof verdienden, zoo blijft het echter, bij de voorhanden +zijnde bescheiden, meestal onder den invloed van het Bourgondisch +bewind opgesteld, van het hoogste belang, door zijne tusschenkomst, +ook eens de gedachten van de andere partij te kunnen vernemen. Zie +over J. Douwama en zijne geschriften, het Verslag der Handelingen +van het Prov. Friesch Genootschap, bl. 57 volgg. + + +Bl. 151.--Ao 1515. + +Graaf Floris van Ysselstein. Floris van Egmond, Heer van IJsselstein, +als Stadhouder gehuldigd zijnde, werden er verschillende voorwaarden +gemaakt. Zie Gabbema, Verh. van Leeuw., bl. 302; Schot. fol. 573, +en Wins. fol. 431; welke eerste hem ook Floorken dunn'- bier noemt. + + +Bl. 155.--Ao 1520. + +Hendrik en Frederik Gaykinga. Belangrijk is het verhaal van Sicco +Beninga, Chronickel der Vriescher Landen, in de Anal. van v. Nidek, +bl. 321 volgg. + + +Bl. 158.--Ao 1523. + +En Karel de vyfde tot Erfheer. Verg. Cerisier, Gesch. der +Nederl. II. 420-423; Schot. fol. 621. Na lange en rustelooze woelingen, +het aanstoken van partijschappen, het voeden van den burgerkrijg, +en het vergieten van stroomen bloeds, genoot nu Friesland, bewesten +de Lauwers, met uitzondering van nog eenen inval der Gelderschen, +eene rust van bijna eene halve eeuw; terwijl de voortdurende onlusten +te Groningen veel onheils bleven stichten, en de geest van muiterij +de overhand behield. + + +Bl. 160. + +In den jaare 1535. Verg. Wins. fol. 506; Schot. 664 volgg.; +Egg. Beninga, die echter zeer onvolledig is in zijn verhaal. O. van +Scharl op 't jaar 1535; Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 365 +volgg. [189] + +De Sententieboeken van het Hof van Friesland nagaande, vonden wij +onder vele vonnissen, bij welke in dit jaar een aantal Wederdoopers +veroordeeld zijn, om onthoofd te worden, twee derzelve van den 12 +April, houdende veroordeeling, de eene van 31 vrouwen en de andere +van twee, om verdronken te worden, uithoofde zij: »onlangs bevonden +zyn in Oldeclooster myt de andere seditieuse ende oproerighe persoonen +der Secten van de Anabaptisten ende anderen van 't verbundt van dien +zy adhoererende." + +Nog langen tijd daarna moesten er ook in Friesland maatregelen tegen +de woelingen der Wederdoopers worden genomen, onder anderen blijkbaar +uit de Brieven en Aanschrijvingen ter voorzieninge van de Landvoogdes, +Maria van Hongarijen, gerigt aan den President en Raden van het Hof van +Friesland. Van deze brieven zijn nog eenigen aanwezig in het Archief +van gemeld Hof, door de Landvoogdes onderteekend, welke niet in het +Charterboek vermeld zijn. Wij willen hier een' van dezelven overnemen: + + + MARIA, by der gratie Gods Coninginne + Douagiere van Hongryen ende Beemen, + Regente. + + »Lieue ende Besundere. Volgende den afscheet ende Resolutie hier + onlancx genomen, int bijwesen van v President, beroerende de + secten ende ketterien, zoo van wederdooperie als andere dwalingen, + die anderwers vpstaen in Vrieslant ende omliggenden landen. Wij + schicken jegenwoirdelick aldaer den Deken van sinte Marie tot + Vtrecht, Heer Herman Betinatius, ende meester Franchois Zonnius, + Domheere aldaer, bede doctueren in den heiligen scriften, bringers + van desen, Commissarisen van wegen des hieligen Stoeles van Roome, + ende by Keys. Majest. onsen Heere weauctoriseert, om tegens de + besmette van den voirsz. secten te Inquireren ende procederen, + alsoe behoiren zal, gelijck ghy naeder by de voirsz. Commissarisen + sult mogen verstaen. Ende alsoe ons ernstich begeren es, dat + tegens de voirsz. ketterien geremedieert ende voirsien worde, + beuelen ende ordineren v van wegen zijner Majest., dat ghij de + voirsz. Commissarisen Informatie doet geuen, ende hun bericht + van tgene deser zaken beroeren mach ende notelick wesen sal: + Doende hun voirts alle bijstant ende vorderingen int volbringen + van hueren laste v mogelick zijnde; Ende indien ghij eenige + ongeregeltheit beuint onder de geestelicheit desselfs lants, + sunderlinge in cloisteren ende godshuysen, sult hun sulcx mogen + te kennen geuen, ende samentlick daerinne voirsien, alst behoiren + sal, volgende den last die zij des hebben, zoe wel van ons, als + van den geestelicken ordinarisen. Ende want het zeer oirboirlick + waere in desen tijt eenige goede jonghen tonderhouden in die + Vniuersiteit van Loeuen, studerende in de heilige scriften, + om metter tijt daer vuyt geleerde priesters ende pastoirs in + Vrieslant te ouercommen, zult ghij, zoe verre v van node duncken + zal, duer de voirmelte Commissarisen sulcx aen den prelaten van + Vrieslant laeten versoucken ende de selue onderwijsen, dat zij + ende yegelick van hun tot voirderinge der heiliger Religie, + ende der gemeene weltvaert des lants daertoe willen verstaen + ende contribueren. Lieue ende Besundere, onse heere God zij met + v. Gescreuen te Brussele den XVIJen van Octobre 1553. + + + (get.) MARIE. (onder stond) + De Langhe. + + +Het opschrift is: Onsen Lieuen ende Besunderen, den President ende +Raden des Keysers, geordonneert in Vrieslant. + + +Bl. 163.--Ao 1538. + +Vorperus Thaborita, Kanunnik te Thabor. Worp van Thabor, geboren +omtrent het jaar 1538, wellicht afkomstig van het adellijk geslacht +Tziaerda, was eerst Pastoor in zijne geboorteplaats Rinsumageest, en +daarna Prior van 't Reguliere Kanonniken Klooster Thabor, te Tirns bij +Sneek. Hij schreef in de Latijnsche taal eene kronijk van Friesland, +in drie boeken verdeeld. Het eerste boek handelt over den oorsprong +der Friezen en hun Land, en eindigt met de heerschappij van Karel den +Grooten. Het tweede loopt tot het bestuur der Graven van Holland, en +het derde eindigt met den tijd zijns levens. Baron v. Schwartzenberg +heeft vijf afschriften van die kronijk met elkander vergeleken, +getuigt zeer gunstig van dezelve, en had het plan tot de uitgave +gevormd. Dit is niet tot stand gekomen, en die uitgave bleef tot +heden achter, zoodat het wel niet te hopen, maar toch te vreezen is, +dat met zoo vele anderen, ook dit merkwaardig gedenkstuk der oudheid, +het licht niet zal gegund worden. In de Voorrede van het II Deel van 't +Charterboek wordt een uitvoerig verslag van dit Handschrift gegeven, +waartoe wij den Lezer verwijzen. Aldaar staat ook aangeteekend, +hoe Schotanus in zijne Friesche Historie, vele bladzijden uit den +Chronicon Frisiae van Worp, woordelijk vertaald, heeft overgenomen, +en voor zijn eigen arbeid laten doorgaan. + +Een beter lot heeft in het belang der wetenschappen getroffen, het +geschrift van Petrus van Thabor, in onze kronijk niet vermeld. Deze, +wiens leeftijd voorviel tusschen de jaren 1460 en 1530, en welke hij +voornamelijk als Leekebroeder in het klooster Thabor [190] sleet, +schreef eene uitvoerige kronijk van Friesland, vooral ten doel +hebbende de gebeurtenissen, gedurende zijn eigen leven voorgevallen, +met naauwkeurigheid en waarheidsliefde te boeken, in den vorm van een +Dagboek. Daardoor is dit werk ook belangrijk voor de kennis van den +inwendigen burgerlijken en zedelijken toestand des Lands, terwijl het +van bijgeloof, wonderen en duivelskunsten geheel vrij is. De Heeren +Amersfoordt en Visser, hebben daarvan de Uitgave in het Archief voor +Vaderl. en Vriesche Geschiedenis bezorgd, en verrijkt met een aantal +uitmuntende Aanteekeningen, hoofdzakelijk door den eersten bewerkt, +welke van de kunde en geleerdheid des vervaardigers getuigen. + +Door dezen Petrus van Thabor is omstandiger dan elders beschreven, +de Donia-oorlog, eene der merkwaardigste en treffendste burger- +en familietwisten, door welke Friesland meermalen werd geteisterd, +welke geduurd heeft van 1458 tot 1496. Verg. het Archief, I. p. 16-24 +en de Aanteekeningen, alsmede de aanmerkingen van den Heer van Halmael, +benevens het antwoord daarop van den Heer Amersfoordt, in de Leeuwarder +Couranten van 14 en 21 Junij 1831; 3, 10, 17 April en 1 Mei 1832; +welke stukken voor de geschiedenis van te veel waarde zijn, om niet +in een beter en duurzamer vorm te worden overgegoten. + + +Bl. 166.--Ao 1559. + +Regnerus Predrinus of Reinier van Winsum, geboren 1508, was een +zeer geleerd en verdienstelijk man en een der leerlingen uit het +Fraterhuis. Zijne gehoorzaal was met een toevloed van leerlingen +opgevuld, met welken hij de schriften van Plato, Aristoteles, +Demosthenes, Cicero en Quinctilianus behandelde. Gansche scharen uit +Oost- en West-Friesland, Braband, Vlaanderen, Duitschland, Frankrijk, +Italië, Spanje en Polen kwamen tot hem over, en vormden als het ware +eene Hoogeschool rondom hem. Kort na zijnen dood, in 1563, verdween +de gansche stichting der Broederschap. In 1582 deed de Regering eene +poging, om haar te doen herleven, door de aanstelling van Antonius +Folcard of Folkerts van Boornbergum, tot Overste, doch dit besluit werd +niet uitgevoerd. De oprigting der Hoogeschool in Groningen, in het jaar +1614, gaf deswege eene nieuwe schadeloosstelling. Reeds in den aanvang +der XVI eeuw begon die Broederschap voor de Hervorming van Luther te +wijken: de minachting voor de kloosterinrigtingen deed haar in die +oorden te niete gaan; maar in andere gewesten werd zij verdrongen +door eene veel magtiger orde, die met gesloten gelederen overal eene +Broederschap vervolgde, welke immer daarop roem kon dragen, dat zij +noch dezelfde verdedigingsmiddelen, noch dezelfde wapens kende. Het +waren de Jezuiten, die zich in hunne plaats stelden. Delprat, +Verh. over de Broederschap van G. Groote, bl. 117 en 186. + + +Bl. 169.--Ao 1566. + +Waar op in 't Latyn stond. Moet zijn in 't Fransch. Zie over +de Geuzennapjes v. Alkemade. Displegt. II. 459 en van Loon, +Ned. Hist. Penn. I. 82. In het algemeen waren de nappen eigenlijk +uitgeholde houten bakken van middelmatige grootte, welke dienen moesten +om eenig vocht in zich te houden. Zij waren, zoowel als de bedelzakken, +het kenteeken der bedelaars, en werden door dezen gebruikt, om er de +soep in te ontvangen, welke hun aan de kloosters werd uitgereikt, +wanneer zij het godsdienstig onderwijs genoten hadden. Tot gebruik +over tafel, om er elkander den dronk uit toe te brengen, afgezonderd +zijnde, zijn de nappen natuurlijk tot napjes gebragt. Collot d'Escury, +Holl. Roem, II. A. 111. + + +Bl. 170.--Ao 1567. + +En een schip met Edelen. Breedvoerig vindt men dit verhaal bij +Wins. fol. 538; verg. Gabbema, Verh. van Leeuw. bl. 493. + + +Bl. 172--Ao 1568. + +Waarom Arenberg--op Graaf Adolf los rende. Dat de beide Graven door +elkanders handen zouden zijn gesneuveld, wordt door van Meteren en +anderen tegengesproken, hoezeer er eene oude overlevering is, welke +dit vermeldt, en door onze kronijk schijnt gevolgd te zijn. Het is mij +ook voorgekomen, dat de Schrijver of Schrijvers van It aade Friesche +Terp zich op vele plaatsen niet van de beste bronnen hebben bediend, +dan het ligt niet in ons plan, over de verschillende gebeurtenissen +breedvoerig uit te weiden, en de gebreken allen aan te wijzen, waardoor +wij het bestek dezer Aanteekeningen verre zouden overschrijden. Men +vergelijke over dit geheele tijdvak den Tegenwoordige Staat van Stad +en Lande, I. Deel. + + +Bl. 174.--Ao 1568. + +Den 7de van December. Niet in December 1568 is dit gebeurd, maar in +het begin van Herfstmaand 1566: want reeds in 1567 werd de Roomsche +godsdienst weder hersteld, en in 1570 zond Alba Cunerus Petri als +Bisschop naar Leeuwarden, alwaar hij den 1 Februarij op nieuw de kerken +inwijdde, en de getrouw geblevene gemeente inzegende. Zie Gabbema, +Verh. van Leeuw. bl. 457, die den 7 of 16 van Wintermaand noemt, +gelijk ook Wins. en Schot. schrijven, terwijl September moet worden +gesteld. Verg. ook ten dezen het Iets over de Kerken, kloosters en +voormalige gasthuizen binnen Leeuwarden, van den Heer van Halmael, +geplaatst in het Mengelw. der Leeuward. Courant van den 14 Augustus +1832. + + +Bl. 178.--Ao 1574. + +Casper Robles. Verg. de Inleiding van mijn Tafereel van den Watervloed, +bl. XLI en XLII; Scheltema, Staatk. Nederland, II. 250 en de +aangehaalde Schrijvers; Outhof, Verhaal van alle hooge Watervloeden, +bl. 535; Dumbar, Analecta, III, in hetwelk door Reinico Fresinga +van Frennicker (zoo als hij zich onderschrijft), in diens Memorien, +ook een cort verhaal van Billys gelegentheyt wordt gegeven [191]. De +beschrijving in 't Latijn, over de daden van de Robles in Friesland +bedreven, door Johannes Carolus, uitgegeven te Leeuwarden 1731, door de +zorg van den beroemden Petrus Wesseling, loopt slechts over een kort +tijdsbestek, en is met eene scherpe pen geschreven [192]. Zie voorts +Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 534; Wins. Historiae, L. III, +en Chron. XVI boek. Over het Kolonels- of Roblesdiep, Tegenw. Staat +van Friesland, II. 228. + + +Bl. 181.--Ao 1576. + +Joachim Hopperus. Deze zeer vermaarde man werd in den jare 1523 te +Sneek geboren, uit een edel geslachte, bekleedde gewigtige ambten, werd +de stichter der Hoogeschool te Douaij, en behaalde als Regtsgeleerde +hoogen roem. Als Staatsman echter was hij te veel hoveling, om, +naar der Friezen aard, als zoodanig door hen op hoogen prijs te +worden gesteld. Men geeft hem zelfs na, dat de spotvogels hem met +den bijnaam van Oui, Madame! bestempelden, daar hij de Landvoogdes +in den Raad nimmer zoude tegenspreken. Hij was echter om zijne +groote kundigheden teregt zeer beroemd; en men mag nooit uit het +oog verliezen, dat hij in zijne hooge betrekkingen altoos, vooral +in dien tijd, op een zeer gevaarlijk standpunt was geplaatst. Zeer +waardig is aan hem en zijne geschriften herdacht door den geleerden +Gabinus de Wal, in zijn klassiek werk: Oratio de claris Frisiae +Jurisconsultis, pag. 27 van de Oratie, 90 volgg. der Aanteekeningen, +en 428 der Bijvoegselen. Verg. Scheltema, Staatk. Nederl. I. 492; +Wins. fol. 599. In de Nalezingen op Wagenaar van van Wyn zijn vele +bijzonderheden uit de brieven van Hopper te vinden, en van zijn leven +is eene goede beschrijving aanwezig in de Levens van Nederl. Mannen +en Vrouwen, IV Deel. Onze voornaamste Geschiedschrijvers hebben van +zijne schriften gebruik gemaakt. Zijne brieven aan Viglius, welke +de Antwerpsche Bisschop, de Nelis, heeft laten drukken, en daarna +uitgegeven zijn, zijn hoogst belangrijk voor de geschiedenis. In +de bibliotheek te Brussel bevinden zich nog een aantal andere +oorspronkelijke brieven van hem en Viglius, in hunne landtaal +geschreven, bevattende vele zaken, welke zij elkander in 't geheim +wilden mededeelen. Zie de Wind, Bibliotheek, II. 172. + + +Bl. 181.--Ao 1576. + +Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab +Aita. Een groot aantal geleerde en kundige mannen hebben zich van tijd +tot tijd bezig gehouden, met het beschrijven van het leven en de daden +van den wijdvermaarden Fries, Wigle van Aytta van Zwichum, den 19den +van Wijnmaand 1507, op de State Barahuis [193], onder den dorpe Wirdum +geboren, uit eene der oudste en aanzienlijkste Friesche geslachten, +en gestorven den 8 van Bloeimaand 1577 binnen Brussel. Onder deze +geschriften verdient bijzondere opmerking, de uitmuntende Redevoering +van den Amsterdamschen Rector van Ommeren, in welke (gelijk de Ridder +Scheltema te regte vermeldt [194]), het karakter van Viglius van +de beschuldiging van zwakheid en ongelijkmatigheid meesterlijk is +vrijgepleit [195]. + +Ook het uitstekend en krachtvolle Verhaal van het leven en de daden +van Vigle van Ayta, door Mr. A. Telting met oordeel en verstand +zamengesteld, plaatst den grooten man in een helder daglicht, +en geeft hem de verdiende eere [196], hoezeer anderen een minder +gunstig oordeel over hem hebben geveld. Verg. hierover Holland's +Roem in Kunsten en Wetenschappen door den Baron Collot d' Escury, +II. 23 en Aantt. bl. 69. Deze Schrijver maakt tevens gewag in de +Aanteekeningen op zijn eerste Deel van den glazen beker, door Viglius +aan Keizer Karel toegebragt, toen deze Utrecht bezocht heeft, en welke +naderhand op vele gastmalen gebruikt werd, wanneer men hem al drinkende +ronddraaide, om met de lippen dezelfde plaats te treffen, als die de +Keizer had aangeroerd. Op dezen beker, van dik bruin glas, thans in +bezit van Z. E. den Minister van Maanen, heeft Anna Maria Schurman +met een diamant het volgende geschreven en met haren naam onderteekend: + + + Viglius Zuichemius. + + Al ben ik duister, + De naam geeft luister. + + +Zie v. Alkemade, Displegtigh. II. 528. Uitvoerige melding van +Viglius en zijne geschriften vindt men in de aangehaalde Oratie +van den Hoogleeraar de Wal, bl. 31, 103, 430 volgg. Verg. de Wind, +Bibliotheek, II. 188. + + +Bl. 182.--Ao 1577. + +Waar op de Graaf van Rennenberg. Georg van Lalaing, Heer van Velle +en Graaf van Rennenberg, gesproten uit een der aanzienlijkste en +oudste stamhuizen van Henegouwen, reeds in de XII eeuw bekend, was +een man van grooten aanleg en kunde. Tot Stadhouder van Friesland, +Groningen en Overijssel benoemd, bekleedde hij in den aanvang +het Staatsambt met wijsheid en matigheid, doch later schandvlekte +hij zich zelven in 's Lands geschiedenis als eenen verrader. De +verdienstelijke Rijks-Archivarius de Jonge [197] vermeent, dat hij +welligt door onze Voorvaderen, om deze daad, zonder inachtneming +der omstandigheden, te streng veroordeeld; doch wanneer wij bij +den uitmuntenden Geschiedschrijver A. Kluit, in diens Historie der +Hollandsche Staatsregering (I. 176, noot), lezen, dat, hoezeer de ware +staatkundige redenen van den afval van Rennenberg, niet zoo zeer bekend +zijn, men het echter, naar aanleiding zijner eigenhandige brieven, +aan zijne vrienden geschreven, daarvoor moet houden, dat die redenen +gelegen waren in jalouzij op Nassau en bevordering van eigen grootheid; +hoe zal men dan nog voor zulk een boos en misdadig opzet, in een +Bestuurder des Lands, middelen ter verdediging kunnen vinden? Zijn +karakter vinden wij juist beschreven door een zijner tijdgenooten, +die de meeste gebeurtenissen zelf heeft bijgewoond, en wel tot de +Staatsgezinde partij behoorde, dan met onpartijdigheid een uitgebreid +verhaal van de jaren 1576 tot 1582 heeft gegeven. Dit is de Franeker +Burgemeester Renico of Rienk Fresinga, hier voren gemeld, wiens +boeksken vooral over dit tijdvak belangrijk is [198]. De onsterfelijke +Hooft geeft navolgende uitnemende karakterschets van den Graaf: + +»Hij was geweest een Heer, eedelaardigh, milddaadigh, heusch +en minlyk van zeeden; verfoeyer van wreetheit, geweldenaary, en +dronckenschap; betrachter der krystught, en lief den landzaaten, +zonder nochtans de gunst der soldaaten te verliezen, mits de zorghe +die hy voor hunne betaaling droegh; hier beneevens versiert met meer +dan gemeene geleertheit; welgeoeffent in de Grieksche, Latynsche, +en andere taalen; zeer zoet op de wiskonstighe weetenschapen, +inzonderheit de maatzang. Al dat 'er in te berispen scheen, was een' +blaakzuchtighe ruimborstigheit in 't houden van hof en disch, booven +zijn' inkomst; een toegeeven aan zyn' geneigtheit tot vrouweeren; +opstyghing van moedt, als 't geluk hem meede; stryking, als 't +hem teeghen liep; en 't ontzuivren van zyn' eer en gewisse met +verandering van parthy. Eevenwel om de kosten zynes staatvoerens te +vergelden, schrobd' hy nooit de gemeente, en stak maar eighe middelen +af. Zyn' boelaadjen beleidd' hy zoo heimelyk, dat ze ten minste geen' +arghernis baarden. Onbestendigheit in voor- en teeghenspoedt is de +zeldzaamste der menschelijke zwakheeden niet. Zyn' trouwbreuk strekte +eenen naaghel aan zyn' doodkist, en werd geboet met een berouw dat +zyn' ziel doorsneed: 't en zy hem 't quaalyk beslaaghen meer dan +'t misdryf gezeurt heeft. Oover Groninge, zeeker, in zyn' ziekte, +riep hy dikwyls, wenschende 't nooit gezien te hebben. Ook verbood hy +in de laatste daaghen, zyn' zuster Kornelia, als het dwaallicht dat +hem verleidt had, onder zyn' ooghen te koomen. De gemelde deughden, +en fraayigheden naa deughd zweemende, deeden hem beklaaghen, zelfs van +zyn' meeste vyanden, dien 't jammerde dat hy tot dien val geraakt was." + +Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 810 volgg., bij welken Schrijver +men op bl. 884 deze karakterschets wedervindt, er (uit Fresinga) +bijvoegende, dat zijne zuster Kornelia hem ook had bekoord en gevleid, +met het uitzigt op een huwelijk met Maria van Brimeu, Gravinne van +Megen, weduwe van Lancelot Barlaimont, hetwelk echter mislukte. Zie +Wins. Chron. XVIII Boek; Histor. p. 544; J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te +Land, bl. 257, 265, 266; welke laatste zijnen afval toeschrijft, +aan gemoedelijk bezwaar en ontzag voor de Katholijke kerk. + + +Bl. 191.--Ao 1580. + +Merode, Heer van Rummen. De geschiedenis getuigt van hem als van +een edel, eerlijk en standvastig voorstander der vrijheid, getrouw +voor de goede zaak, dapper in den krijg, en wiens verkregen roem, +door zijn verstandig stadhouderlijk bestuur in Friesland is staande +gehouden. Er is nog in geschrifte van dien tijd, aanwezig een +Journaal van voorgevallene saacken in Friesland, enz., geholden +bij Bernard van Meroode, Stadholder,--van den 7 Julij 1580 tot den +12 Junij 1583: aan de achterzijde op den pergamenten omslag staat: +Prothocol de la Secretairie du Gowerneur de Frise. Dit belangrijk +Handschrift onderzoekende, bevond ik dat hetzelve bevatte vele +Commissiën, Instructiën, Resolutiën, Ordonnantiën, bijzonder voor +de Hoofden der Krijgsmagt en voor de burgerlijke Besturen; voorts +Paspoorten, Sauvegardes, Brieven aan Vorsten en Edelen, Requesten, +Plakkaten en andere Staatsstukken, van welke slechts zeer weinigen in +het Charterboek van Schwartzenb. voorhanden zijn, en wel alleen die, +welke te vinden waren in de Leeuwarder Plakkaatb. + +In 1583 verzocht Merode, uit hoofde van zijnen hoogen ouderdom, om de +gedurige onrust der tijden, de twist en tweedragt om het Meesterschap +tusschen de Staten en het Hof, en omdat de Edelen geen ontzag voor +hem hadden, zijn ontslag, en verkreeg zulks op eene zeer vereerende +wijze. Zijne Commissie van den Prins van Oranje, om in zijnen naam +Friesland te besturen, is van den 17 Junij 1580, Chartb. IV. 172; +Wins. fol. 670. Verg. Leven van Willem I, door L. F. de Beaufort, +XI Boek. Bernard van Merode en zijn broeder Willem behoorden tot +de eersten, die onder den Prins dienst namen, en in het veld door +dapperheid en wijs beleid uitmuntten. Dit geslacht heeft aanzienlijke +bezittingen in de Provincie Noord-Braband, doch behoorde van overouden +tijd tot den Belgischen Adel. Verg. J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te +Land, bl. 243. + + +Bl. 196.--Ao 1584. + +Wij laten hier volgen een kort overzigt van de Stadhouders van +Friesland, uit het Huis van Nassau: + + +WILLEM LODEWIJK. +EERSTE STADHOUDER. + +Willem Lodewijk, Graaf van Nassau, was de zoon van Johan den Ouden, +Graaf van Nassau-Dillenburg, Broeder van Willem I. Hij werd geboren +op den 13 Maart 1560; huwde in den jare 1587 Prinses Anna, Dochter +van zijnen Oom Willem I, verwekt bij diens tweede Gemalinne Anna van +Saksen [199]. Slechts ruim zeven maanden duurde deze echt, daar de +Prinses in den jare 1588 ten huize van Julius van Botnia, een der +voornaamste Friesche Edelen, ijveraar voor vrijheid en godsdienst, +in den ouderdom van 26 jaren te Franeker is overleden. WILLEM zelf +is den 31 Mei 1620, ten gevolge eener beroerte binnen Leeuwarden +gestorven; zoo men verhaalt, terwijl hij bezig was zijnen Neef Maurits +bij geschrifte te raadplegen, wat hem te doen zou staan, indien eens +Maurits, zonder behoorlijke schikkingen te hebben gemaakt, door een' +plotselingen dood werd overvallen. + +In 1583, in de plaats van Merode gesteld zijnde, werd hij op den +16 October 1584 door de Staten van Friesland, op den Landsdag te +Franeker, tot absoluut Stadhouder en Gouverneur over dat Gewest, +verkoren, nadat men plegtig den Koning van Spanje afgezworen had. + +Hij was een voortreffelijk Vorst, een dapper en bekwaam krijgsman, een +voorstander van de godsdienst, en, hoewel deelende in de kerkelijke +scheuring, meer gematigd dan Prins Maurits. Loffelijk getuigen +Ubbo Emmius, van Reijd en Willem van Haren van zijne krijgskundige +verdiensten en grondige kennis, zoowel der theorie als praktijk. Als +beminnaar en hoogachter van letteren en geleerdheid, erkent men in hem +den Stichter der Friesche Hoogeschool, welke, zoowel als de geheele +Provincie, die door hem weder in rust gebragt werd, zijne bijzondere +bescherming heeft genoten. Ook aan hem mag de eer worden toegekend +van de oprigting der Groninger Akademie. + +Hij regeerde van 1584 tot 1620. + + +ERNST CASIMIR. +TWEEDE STADHOUDER. + +Ernst Casimir, Graaf van Nassau, Broeder van Willem Lodewijk, werd +diens Opvolger in het Stadhouderschap over Friesland. Hij was geboren +den 22 of 24 December 1573, trouwde in den jare 1607 met Anna Sophia, +dochter van den den Hertog Julius van Brunswijk, welke Prinses in +1642 is overleden. Uit dit huwelijk zijn twee zonen en twee dochters +geboren, welke laatsten jong en ongehuwd overleden zijn; de beide +zoons, Hendrik Casimir en Willem Frederik, zijn hem in de regering +opgevolgd. Na een aantal gewigtige zendingen ten dienste van den Staat, +werd hij eerst Stadhouder van Friesland, en daarna door Groningen +en Drenthe in die waardigheid erkend. In vele krijgsverrigtingen +muntte zijn beleid en dapperheid bijzonder uit; doch in het beleg van +Roermonde, op den 2 Junij 1632, trof een vijandelijke musketkogel, +terwijl hij de loopgraven bezigtigde, zoodanig zijn hoofd, dat hij +na verloop van drie uren daarna den geest gaf. Als staatsman vond +ik hem niet bijzonder vermeld: in het kerkelijke bezat hij minder +gematigdheid dan zijn broeder. + +Hij regeerde van 1620 tot 1632. + + +HENDRIK CASIMIR I. +DERDE STADHOUDER. + +Hendrik Casimir I, Graaf van Nassau, oudste Zoon van Ernst Casimir +en Anna Sophia, werd in den jare 1611 geboren en is niet gehuwd +geweest. Men roemt hem als een dapper held, wiens leven in velerlei +krijgstogten werd gesleten, terwijl een schoon getuigenis wordt gegeven +van zijn godsdienstig, standvastig en braaf karakter. Zelfs zijner +wederpartij dwong hij zoodanige hoogachting af, dat een vijandlijk +Officier bij 's Vorsten doodberigt had uitgeroepen: »Nu is de braafste +Kapitein in Nederland gestorven!" Onder de beroerten in Friesland +in 1635 bewees hij ook dat Gewest groote diensten. Bij de belegering +van Hulst en Brugge trof hem een pistoolschot in den rug, welke wonde +hem op den 12 of 13 van Hooimaand 1640 den dood veroorzaakte. + +Hij regeerde van 1632 tot 1640. + + +WILLEM FREDERIK. +VIERDE STADHOUDER. + +Willem Frederik, Graaf of Prins van Nassau, jongste Zoon van Ernst +Casimir, werd te Arnhem op den 7 Augustus 1613 geboren, en trad den 2 +Mei 1652 in den echt met Albertina Agnes, Dochter van Frederik Hendrik, +Prins van Oranje. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: Prinses +Amelia, met den Hertog van Saksen-Eysenach getrouwd; Sophia Hedwich, +omtrent derdehalf jaren oud gestorven, en Hendrik Casimir. Willem +Frederik verlangde zijnen Broeder Hendrik op te volgen als Stadhouder +van Friesland, Groningen en Drenthe, doch Frederik Hendrik, begeerde +over al de gewesten te heerschen. Hierover ontstond geschil, en beide +namen hunne maatregelen om tot hun doel te geraken. Willem Frederik +werd door de Staten van Friesland tot Stadhouder, en Frederik Hendrik, +door die van Groningen en Drenthe verkozen. Gelijk alle twisten +tusschen hooge personen nadeelig werken voor Land en Volk, had ook dit +geschil buitendien voor den Vorst zeer onaangename gevolgen: want de +magtiger Frederik dwong zijnen mededinger tot menige vernedering. Op +eene noodlottige wijze verloor hij het leven: want bij het beproeven +van een zadelpistool, zullende dienen op zijne voorgenomene reis naar +Westfalen, ging het schot af, en trof hem dermate in het aangezigt, +dat hij drie dagen daarna overleed. Dit was op den 21 October 1664, +terwijl de Stadhouder te Leeuwarden resideerde. + +Hij was een bekwaam krijgsman, bedreven in staatszaken en van karakter +uitstekend: daarenboven een beoefenaar en hoogschatter der Letteren, +waarvan de Hoogleeraar Ulrik Huber getuigt, dat de werken van Tacitus +en Seneca, zoowel des nachts als des daags door den Prins werden +gelezen, en in het geheugen geprent. De Franeker Hoogeschool verloor +in hem eenen sterken voorstander en verdediger. + +Hij regeerde van 1640 tot 1664. + + +ALBERTINA AGNES. +VOOGDESSE. + +Albertina Agnes, Prinses van Oranje, in 's Gravenhage op den 29 +April 1634 geboren, had gedurende den tijd der voogdijschap over +haren zoon Hendrik Casimir, die nog geen acht jaren oud was bij den +dood zijns Vaders, het bestuur over dit Gewest, en verwierf zich +veel gezag bij de Friezen. Zij was eene verstandige, beminnelijke en +zeer godsdienstige vrouw; eene voortreffelijke echtgenoot, en eene +waardige en zorgvuldige moeder voor hare kinderen, welke zij allen, +voor zich ten grave zag dalen. Den 24 Mei 1696 overleed zij op hare +lustplaats, het Oranjewoud, alwaar zij een geruimen tijd van haren +weduwlijken staat had doorgebragt. + +Zij regeerde van 1664 tot 1679. + + +HENDRIK CASIMIR II. +VIJFDE STADHOUDER. + +Hendrik Casimir II, Prins van Nassau, eenige Zoon van Willem Frederik +en Albertina Agnes, werd geboren op den 18 Januarij 1657. Op zijn +vijftiende jaar legde hij als Stadhouder den eed af, welke waardigheid +drie jaren later door de Staten van Friesland, Groningen en Drenthe, +voor zijne mannelijke nakomelingen, erfelijk verklaard werd. Op zijn +22 jaar echter kreeg hij eerst het Stadhouderlijk bewind alleen in +handen. Den 16 November 1683 trad bij in den echt met Amelia, Prinses +van Anhalt-Dessau, Dochter van Johan Georg II, waarmede hij dertien +jaren vereenigd was, en uit welk huwelijk zijn gesproten zeven dochters +en twee zoons: Willem Georg Friso, die een jaar na zijne geboorte is +gestorven, en Johan Willem Friso, zijns Vaders opvolger. + +Zijne benoeming tot Kapitein-Generaal en andere voorvallen gaven +aanleiding tot twisten tusschen hem en Prins Willem III, welke echter +door diens uitzigt op de kroon van Engeland bedaarden, en in 1685, +onder bemiddeling van den vermaarden Hoogleeraar Joh. van der Waeijen, +daarna des Stadhouders Raadsman, geheel werden bijgelegd. Op zijn +zeventiende jaar stortte hij bij een gevegt, te stoutmoedig met +den degen in de vuist op den vijand indringende, met zijn paard in +eene laagte, ten gevolge van welken val, hij steeds onderhevig aan +bloedspuwingen is geweest; en door deze kwaal in zijne gezondheid +ondermijnd, overleed hij te Leeuwarden op den 25 Maart 1696. + +Hij studeerde in den jare 1671 te Franeker, en gaf vele blijken van +verstand, oordeel en ervarenheid; dan vooral in het krijgswezen muntte +hij uit in moed, beleid en onverschrokkenheid. De dappere Generaal +Hans Willem, Baron van Aylva, die den Lande in een zeer netelig +tijdperk voortreffelijke diensten bewees, was hem een Leermeester +zonder wederga, en had hem den weg tot een onsterfelijken roem helpen +banen. Zijn dood was voor Friesland een zware slag, want in hem werd +een schrander, deugdzaam en edelmoedig Vorst, een magtig Beschermheer +verloren. + +Hij regeerde van 1679 tot 1696. + + +AMELIA. +VOOGDESSE. + +Amelia, Prinses van Anhalt-Dessau, geboren in 1666, werd als Voogdesse +erkend over haren zoon Johan Willem Friso, oud ruim acht jaren bij het +overlijden zijns Vaders, en had tot zijne meerderjarigheid het bestuur +in handen. Zij kocht voor haren zoon de Heerlijkheid Ameland, voor +170,000 Karels guldens. Men vindt weinige bijzondere berigten over haar +vermeld: zij moet eene schoone, vernuftige en schrandere vrouw geweest +zijn, wier zucht echter tot pracht en weelde der spaarzaamheid zeer +in den weg stond. In den jare 1726 is zij in Duitschland gestorven. + +Zij regeerde van 1696 tot 1707. + + +JOHAN WILLEM FRISO. +ZESDE STADHOUDER. + +Johan Willem Friso, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 14 Augustus +1687 te Dessau, aanvaardde in 1707 het Stadhouderschap over Friesland, +en het jaar daarna over Groningen en Ommelanden. Na den dood zijns +Vaders nam Prins Willem III de zorg zijner opvoeding op zich, en deze, +zonder kinderen overlijdende, maakte zijn geliefden kweekeling tot +zijnen eenigen erfgenaam. Op den 1 Mei 1709 trad hij in den echt met +Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, uit welk huwelijk zijn geboren +twee kinderen: eene dochter Anna Charlotta Amelia, getrouwd met den +Prins van Baden-Durlach, en een zoon, Willem Karel Hendrik Friso. Op +den 14 Julij 1711 is de Stadhouder, in zijnen jeugdigen leeftijd, +op eene droevige wijze omgekomen, daar hij bij de overvaart van het +Strijensche Sas aan den Moerdijk, toen door een rukwind de pont werd +omgeslagen, zijn dood in de golven vond. Zijn krijgsroem was reeds +gevestigd; zijne deugden waren velen, en had hem een langer leven +mogen te beurt vallen, hij zou ongetwijfeld in 's Lands geschiedenis +eene luisterrijke plaats hebben bekleed. Gedurende anderhalf jaar, in +1700 en 1701, heeft de Prins te Franeker gestudeerd, en bijzonder het +onderwijs van den beroemden Fullenius genoten, waarna hij, op begeerte +van zijnen Voogd, Prins Willem III, zich ook naar de Hoogeschool te +Utrecht begaf. + +Hij regeerde van 1707 tot 1711. + + +MARIA LOUISA. +VOOGDESSE. + +Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, een der veertien kinderen +van den Landgraaf Karel en Maria Amelia, Prinses van Courland, is +geboren op den 17 Februarij 1688. Onder de leiding harer uitmuntende +moeder, wier evenbeeld zij werd, ontwikkelde zich in haren jeugdigen +leeftijd reeds den voortreffelijken aanleg tot deugd en bekwaamheid, +welke het sieraad eener vrouwe zijn, en de Vorstin bovendien tot een +verheven en magtig voorbeeld voor hare onderdanen stelt. Gedurende +de minderjarigheid van haren Zoon, bestuurde zij 's Lands zaken met +beleid en verstand, zoodat zelfs de Staten van dit gewest, haar met +een geschenk van 5000 gulden vereerden, en eene levenslange jaarwedde +van eene gelijke som. Na den dood van Prins Willem IV en deszelfs +Weduwe werd haar weder de waarneming van het Stadhouderlijk bewind +over Friesland opgedragen, hetwelk zij met welgezindheid aanvaardde +en met ijver behartigde. Op den 9 April 1765, dus ruim 77 jaren +oud, is deze Vorstin te Leeuwarden overleden, en hare nagedachtenis +is door alle tijden bij de Friezen in zegening gebleven: want zij +was godsdienstig, nederig, milddadig en beminnelijk van karakter, +zoodat men dan ook haar steeds met den vereerenden lievelingsnaam +van Maryke-Mui bestempelde. Als Stadhouderes regeerde zij met +wijsheid en gematigdheid. Zoowel voor de stille rust als voor het +woelige hofleven geschikt, bragt zij in godsdienstige afzondering en +vrolijke uitspanning vele dagen door in haren lusttuin Marienburg, +bij Leeuwarden, of op het geliefkoosd Oranjewoud [200]. + +Zij regeerde van 1711 tot 1731, wanneer haar zoon meerderjarig +werd. Van diens dood tot in 1759, in welk jaar hare schoondochter +Prinses Anna, is overleden, had zij eenig deel aan 't Stadhouderlijk +bewind, en na dien tijd regeerde zij weder geheel tot 1765. + + +WILLEM KAREL HENDRIK FRISO. +ZEVENDE STADHOUDER. + +Willem Karel Hendrik Friso, of Willem IV, Prins van Oranje-Nassau, +werd te Leeuwarden geboren den eersten van Herfstmaand 1711, zes +weken na zijns Vaders overlijden. In den eersten leeftijd onder het +oog zijner verstandige moeder opgevoed, daarna door de beroemdste +geleerden, zoo als Wesseling, Hemsterhuis, Heineccius en anderen, +aan de Friesche en Utrechtsche Hoogescholen, onderwezen, moest +zijn krachtvolle geest zich spoedig ontwikkelen, en eene grondige +kennis van zaken bekomen, welke den echten Landsvader kenmerken, en +zijn bestuur ten beste der onderdanen doen gedijen. In den jare 1731 +aanvaardde hij de waardigheid van Stadhouder over Friesland, na reeds +daarin over Groningen, Drenthe en Gelderland te zijn bevestigd. In het +merkwaardig jaar 1747 werd een perk gesteld aan de verdeeldheden eener +vijfenveertigjarige Stadhouderlooze regering in de overige Provincien, +en Willem IV tot Algemeen Stadhouder over al de gewesten verkoren, met +erfelijk-verklaring dier hooge waardigheden, zoowel in de vrouwelijke +als mannelijke linie. Hij trad in den echt met Anna, Kroonprinses van +Groot-Brittanje op den 25 Maart 1734. De spruiten uit dezen echt waren, +behalve drie dochters, welke allen kort na de geboorte zijn overleden, +Prinses Carolina en Prins Willem V. Hij regeerde gelijk het den Vorst +betaamt, wien zijn Land en Volk, als zijn eigen welzijn, zeer ter +harte gaan. Twee groote Nederlandsche Historieschrijvers, Stuart en +Scheltema, getuigen beide van hem: »dat hij de grootheid van zijn +Huis alleen zocht in de ware grootheid van den Staat; zijn hoogste +eerzucht in de liefde zijns Volks stellende." Geen offer achtte +hij te dier voor de belangen der natie, en standvastig van geest +volgde hij steeds het hem aangewezen moeijelijk pad. Vele goede en +beminnelijke hoedanigheden waren van de Moeder op den Zoon overgegaan; +godsvrucht en christenliefde paarde zich aan opregtheid en eerlijkheid +[201]. Als vriend der geleerden en voorstander der wetenschappen, vond +ook de Friesche Hoogeschool in hem eenen ijverigen Beschermheer. In +den ouderdom van ruim veertig jaren bezweek zijn van tijd tot tijd +verzwakt ligchaam, onder de rusteloosheid van eenen veelvuldigen +zwaren arbeid. Hij stierf den 22 October 1751, en werd te Delft in +den Vorstelijken grafkelder van Willem I begraven. + +Hij regeerde van 1731 tot 1751. + + + + + +Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje, Prinses van +Brunswijk-Lunenburg, Gemalinne van Willem IV, was de oudste Dochter +van Koning George II, en werd geboren den 2 November 1709. Zij was +eene schoone vrouw, helder en krachtvol van geest, kloek van verstand, +edel van ziel en grootmoedig van karakter; de geschiedenis getuigt +van haar, dat zij niet alleen vele voortreffelijke deugden, maar +ook uitstekende talenten bezat, zoodat zij in verschillende talen +oordeelkundige werken over godsdienst, geschiedenis en zedekunde +geschreven heeft, en dit wel, hetgeen bijzondere opmerking verdient, +niet om te schitteren, maar tot eigen oefening en anderer nut. Dat +zij alzoo voor haren Gemaal een onschatbaar kleinood was, zal wel +geen betoog behoeven: want, ook in staatszaken ervaren, ondersteunde +zij in die oproerige tijden den vredelievenden Vorst met wijzen +raad. Na den dood van dezen had zij bij het voeren des bewinds en +'t bestier der voogdij, eene standvastigheid en kloekheid betoond, +die den Grooten Frederik, op het ontvangen van haar doodberigt, aan +der Staten Gezant schrijven deed: »Ik heb eene Vriendin verloren, +die door hare grootmoedigheid, wijsheid en eene hare kunne te boven +gaande kracht van geest al mijne achting verdiende." Op den 12 van +Louwmaand 1759 ontsliep zij in den ouderdom van ruim 49 jaren te +'s Gravenhage, en werd bij haren Gemaal te Delft begraven. + +Zij regeerde als Gouvernante van 1751 tot 1759; terwijl echter +het beheer in Friesland aan de Staten en Prinses Maria Louisa was +opgedragen. + + +CAROLINA. +REGENTESSE. + +Aan Carolina, Prinses van Oranje, eenige overgeblevene dochter van +Willem IV, geboren te Leeuwarden den 28 Februarij 1743, werden, na +den dood harer Grootmoeder Maria Louisa, in den jare 1765, ten gevolge +der Landsverordeningen op de Voogdij, de Magistraatsbeschikkingen in +de Friesche steden opgedragen, tot aan de meerderjarigheid van haren +Broeder. Zij huwde in 1759, dus zestien jaren oud, na vele staatkundige +tegenstribbelingen, aan Carel Christiaan, Prins van Nassau-Weilburg, +gesproten uit de linie van Walram. + +Zij regeerde tot in 1766. + + +WILLEM V. +ALGEMEEN STADHOUDER. + +Willem V, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 8 Maart 1748, aanvaardde +het Stadhouderschap over al de Gewesten den 8 Maart 1766. Hij trad +in den echt den 4 October 1767 met Frederica Sophia Wilhelmina, +Prinses van Pruissen, Nicht van Koning Frederik II, den 7 Aug. 1751 +geboren. Deze zijn de doorluchtige Ouders van onzen geëerbiedigden +Koning. Prins Willem overleed te Brunswijk in Grasmaand 1806, en +zijne verhevene Gemalinne op het Loo 9 Junij 1820. + + +Bl. 201.--Ao 1591. + +En 6 yzere gotelingen. In dezen tijd was voornamelijk ook eene +soort van geschut in gebruik, genaamd Gotelingen, van 18, 8, 6, 4, +3 en 2-1/2 pond, benevens metalen Kartouwen, Colverijns, Veldslangen, +Sakers, Dranken, Mignions en anderen; die vooral op de schepen gebezigd +werden. De Jonge, Gesch. van het Zeewezen, I. 402. Verg. Kiliaan op +'t woord. + + +Bl. 208.--Ao 1594. + +En op Ostagiers handelende. Ostagier, Stagier beteekent een gijzelaar; +vandaar: op Ostagiers geven, handelen, nemen, d. i. gijzelaars ten +onderpand geven of ontvangen. Zie Kiliaan. Over dit merkwaardig +beleg vergelijke men den Tegenw. Staat van Stad en Lande, I. 518; +Wins. fol. 817, enz. + + +Bl. 216.--Ao 1620. + +Die heerlyke begraafplaats. De Groote of Jacobijner kerk is volgens +Gabbema, Verhaal van Leeuwaarden, gebouwd in den jare 1487, doch, +volgens J. van den Bosch, in zijn meergem. werk, was zij reeds door +de Heeren van Cammingha en eenige rijke burgers in 1228 gesticht; +en daarna afgebrand zijnde, werd zij herbouwd in 1487. In derzelver +Koor aanschouwde men de prachtige marmeren graftombe van Graaf Willem +van Nassau en zijne Gemalinne Anna, onder welke tombe de Vorstelijke +Grafkelder zich bevond, waarin zijn bijgezet geworden: + + + 1. Prinses Anna, Gemalin van Willem Lodewijk. + 2. Graaf Willem Lodewijk, eerste Stadhouder. + 3. Graaf Ernst Casimir, tweede Stadhouder. + 4. Graaf Hendrik Casimir, derde Stadhouder. + 5. Prinses Anna Sophia, Weduwe van Graaf Ernst Casimir. + 6. Graaf Willem Frederik, vierde Stadhouder. + 7. Prinses Sophia Hedwich, dochter van Graaf Willem Frederik. + 8. Prinses Albertina Agnes, Weduwe van Graaf Willem Frederik. + + +Nog stonden in dezen grafkelder twee kleine kisten, waarin +waarschijnlijk de dochters van Graaf Ernst Casimir zijn bijgezet; zoo +bevonden er zich drie kleine houten kistjes, in welke tinnen doozen, +waren geplaatst, die ingewanden van gebalsemde Vorstelijke lijken +zullen hebben bevat. + +Toen deze begraafplaats te klein geworden was is door Prinses Amelia +eene tweede aangelegd, in welke zijn bijgezet: + + + 1. Prins Willem Georg Friso, zoon van Prins Casimir II, geboren + te Leeuwarden 24 Junij 1685. + 2. Prins Hendrik Casimir II, vijfde Stadhouder. + 3. Prins Johan Willem Friso, zesde Stadhouder. + 4. De tweede dochter van Prins Willem IV, bij de geboorte gestorven + 22 December 1739. + 5. Prinses Anna, jongste dochter van Prins Willem IV, geboren te + Leeuwarden 15 November, en den 29 December 1746 overleden. + 6. Prinses Maria Louisa, weduwe van Prins Johan Willem Friso. + + +Van deze Vorstelijke begraafplaats en het marmeren grafgesticht +is niets meer overgebleven, dan het aandenken aan derzelver vorig +bestaan. Niet door den vernielenden tand des tijds, die al wat +onvergankelijk schijnt aan stukken knaagt, maar door den geesel der +verwoesting en het teugelloos geweld, uit overdreven vrijheidszucht, +haat en partijschap geboren, wier blinde drift zelfs de graven der +afgestorvenen niet eerbiedigt, zijn deze gedenkteekenen vernietigd. Dan +wij willen de treurige herinnering aan die tijden niet verlevendigen, +en dergelijke gebeurtenissen liever der vergetelheid overgeven. + +Van de zeven Stadhouders, de Prinsessen Amelia, Maria Louisa en Anna, +benevens de Graven Johan Maurits, Adolf, Jan en Albert van Nassau, +zijn op het Hof te Leeuwarden nog uitmuntend geschilderde beeldtenissen +bewaard gebleven. + + +Bl. 221.--Ao 1636. + +Een oud boekje getiteld: Teghen-gifte teghen de Peste, door Lucas +Trelcatius beschreven, uitgegeven te Leeuwarden 1637, meldt in +een Aenhanghsel, dat de verschrikkelijke Pest, welke in dit jaar in +Holland heerschte ook tot Friesland was overgeslagen, en in de dorpen +nog heviger woedde dan in de steden, vooral in Anjum, Grouw, Oldkerk, +enz. terwijl binnen Leeuwarden ettelijke weken lang, bij en over de +200 dooden werden begraven, waarna men de verwoesting in de dorpen +aangerigt kan afmeten. + + +Bl. 227.--Ao 1665. + +De Veldmaarschalk Graaf Johan Maurits van Nassau was de kleinzoon van +Johan den Ouden, den Vader des eersten Frieschen Stadhouders. Bij +gelegenheid van dit ongeluk maakte hij te Franeker zijn uiterste +wille, en gaf die over ter bewaring aan de Akademie. In 1679 overleed +deze zachtaardige en brave man te Bergendaal bij Kleef, alwaar zijne +nederige grafstede nog jaarlijks door vele reizenden bezigtigd wordt. + + +Bl. 229.--Ao 1672. + +Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May. Voor dat +men den tijd naar behooren geregeld en verdeeld had, of willekeurig +verdeelde, om te voorkomen dat de Saizoenen zich niet verplaatsten, +was het opzigt hierover aan de Priesters des volks aanbevolen. Eene +halve eeuw voor onze jaartelling maakte Julius Caesar een einde aan de +verwarde tijdsberekeningen en derzelver gevolgen in zijnen Staat. Hij +bepaalde het zonnejaar op 365 dagen en 6 uren. Het burgerlijk jaar +werd dus verordend: er zouden telkens drie achtereenvolgende jaren +ieder van 365 dagen loopen, en het vierde of schrikkeljaar moest een +dag meer dragen, welke dag in de maand Februarij werd ingelascht. Het +jaar bestond uit 12 eenigzins ongelijke maanden, zoo als het nu nog +bestaat. Dit was de Juliaansche Jaarrekening of Stijl, Oude Stijl +genaamd. + +De bepaling des zonnejaars van 365 dagen en 6 uren was echter ruim +elf minuten te groot genomen, hetwelk eene afwijking of verloop +moest veroorzaken, die dan ook na vier eeuwen tijds bij de viering +van het Paaschfeest, waarvan de berekening op de maan gegrond was, +duidelijk werd opgemerkt. Men nam maatregelen welke echter onvoldoende +waren, en gedurende vele eeuwen bleef dit gebrek bestaan, zoodat in +de XVI eeuw de lente-nachtevening van den 21 Maart op den 10 was +gekomen. Eindelijk nam Paus Gregorius XIII zich de zaak ernstig +ter harte, liet door geleerden en deskundigen het ontwerp van +Aloisius Lilius, een geneesheer van Verona, onderzoeken, en na rijp +beraad werd er in den jare 1581, bij Apostolische Bulle, eene nieuwe +verbetering aangekondigd en bevolen. De sedert het Concilie van Nicea +vervroegde tien dagen, moesten in het jaar 1582 in de maand October +worden uitgelaten, zoodat men van den 4 dadelijk op den 15 telde. Het +verschil van de elf minuten, die men vroeger op het zonnejaar te veel +gerekend had; werd gevonden, door in vier eeuwen, telkens op het einde +van ieder eeuw één schrikkeljaar over te slaan; dus zoude het jaar +1600 een schrikkeljaar blijven, maar 1700, 1800 en 1900 gemeene jaren +van 365 dagen, en 2000 weder een schrikkeljaar zijn. Het zonnejaar +werd alzoo vastgesteld op 365 en het schrikkeljaar op 366 dagen. Deze +inrigting noemde men de Gregoriaansche Jaarrekening of Stijl, en in +tegenoverstelling van den Juliaanschen den Nieuwen Stijl. + +Door deze verstandige en doeltreffende instelling was er geene +afwijking of verloop van tijdsberekening in eeuwen meer te duchten; +en was men overal verstandig genoeg geweest, men zou niet geaarseld +hebben daarin te berusten, dan vooroordeel, dwaze driften, koppigheid +en ongodsdienstige ijver, keerden aanvankelijk in die woelige tijden +van hervorming onder zoo vele goede zaken ook deze. In de Catholijke +Landen werd de verbeterde Calender spoedig aangenomen, dan eerst in +en omstreeks den aanvang der XVIII eeuw, ging men daartoe in andere +Landen, en ook in de Nederlanden over: Braband, Vlaanderen, Zeeland +en Holland waren de eerste gewesten, daarna volgden Friesland, +Groningen, Gelderland, Utrecht en Overijssel. Dat deze instelling +op ongelijke tijden aangenomen, en dus de een zich van den Ouden, +de ander van den Nieuwen Stijl bedienende, veel verwarring te weeg +bragt, is meermalen gebleken. Zoo schreef b. v. Graaf Johan Maurits +van Nassau, hiervoren gemeld, uit 's Gravenhage eene Missive aan +den Rector en Senaat van de Akademie te Franeker, op den 3 September +1670, en het antwoord op dezelve, drie dagen na dien datum afgezonden, +droeg de dagteekening van den 27 Augustus. In Engeland heeft men eerst +in 1752, en in Zweden een jaar daarna, den Nieuwen Stijl ingevoerd: +in Rusland volgt men nog den Juliaanschen. + +Ingevolge Resolutiën der Staten van Friesland van den 10 en 11 +October 1700 werd vastgesteld en bij Publicatie van den 12 dier +maand afgekondigd, dat op den 1 Januarij 1701, in plaats van den +Ouden Stijl de Nieuwe zou worden ingevoerd, en men op dien dag niet +den eersten maar den twaalfden Januarij zoude schrijven, en aldus +de telling vervolgen. Alzoo eindigde in Friesland het jaar 1700 op +Dingsdag den 31 December, en den volgenden dag, Woensdag, heeft men +12 Januarij 1701 geschreven [202]. In de Provincie Groningen is ten +zelfde dage en op gelijke wijze de Nieuwe Stijl ingevoerd. + +Het verschil alzoo tusschen den Ouden en Nieuwen Stijl, door vele +schrijvers niet in acht genomen, waardoor misstellingen in de +dagteekeningen zijn ontstaan, of bij sommigen verkeerd aangeduid, +bestaat alleen hierin, dat men altoos tien dagen tellen moet bij de +dagteekening, welke de Oude of Juliaansche Jaarrekening aangeeft. + +Men vergelijke de Historische Verhandeling over den zoogenaamden +Nieuwen Stijl door den Oud-Hoogleeraar Mr. J. W. de Crane, geplaatst +in het II. Stuk van het Archief der Heeren Visser en Amersfoordt. + + +Bl. 259. + +In den jaare 1677. Hetgeen hier volgt tot bladzijde 271 is een +bijvoegsel van den tweeden druk, en heeft niet uitsluitend betrekking +op Friesland, maar is meer eene kronijksgewijze opgave van algemeene +gebeurtenissen. Wij hebben ons moeten onthouden van eene meerdere +uitbreiding onzer Aanteekeningen over het belangrijk tijdvak der +geschiedenis in de laatste eeuwen, daar dezelve reeds tot een aantal +bladen zijn aangegroeid, en ons bestek geen grootere uitvoerigheid +gedoogde. Ook mogen wij het daarvoor houden, dat dit gedeelte +der Historie, en bepaaldelijk die der Stadhouderlijke Regering, +den Lezer meer bekend zij, als zijnde daarover ook genoegzame +bronnen voorhanden. Wij hebben achterwege gelaten de onbelangrijke +beschrijving van den intogt des Prinsen J. W. Friso in Groningen, +op bl. 327 en 328 van den tweeden druk der kronijk voorkomende, als +mede de berijmde Nareeden, of zoo als achter den eersten druk staat, +Aanspraak op Naaspraak, hoewel tot onderschrift voerende: 't Kan niet +beeter; want wie zal thans nog smaak vinden in verzen als deze? + + + Wiens breinkas gestoffeerd met puik van waarde stoffen, + Zal ooit op eenge stoff, wiens loff maar stoff is stoffen. + + +of + + + Een keurger keure, keur de keur, met keur in 't leezen; + In 't geen hy keurig keurt, met keur 't zyn uit te leesen. + + +Ook het Treurig gesprek tusschen een Vreemdeling en een Fries, over +het verongelukken van Johan Willem Friso, in zeer middelmatig rijm +van de door haren tijdgenoot Lucas Pater en daarna door den heer J. de +Vries hoog verheven, door Witsen Geysbeek daarentegen diep vernederde +Friesche Dichteres Jetske Reinou van der Malen, hebben wij gedacht +veilig te kunnen weglaten. + + +Bl. 273. + +De Landstreek van deze Provincie. Over deze verdeeling en het bestuur +der Graafschappen, vergelijke men onze Aantt. bl. 344; § 4 van het +Overzigt in het Friesch Jierboeckjen 1833, en de 2de § van dat van +1834. Over de benamingen van Estrachia of Austrachia en Westrachia, +moet ik nog wel aanmerken, dat Alting in zijne Descriptio agri Batavi +et Frisii, of Notit. Germ. Inf. zeer verkeerd op alle zijne kaarten de +eilanden Ameland en Terschelling dus noemt, in navolging van zekeren +Fredegarius, een Schrijver van de VII eeuw, (die echter voor Austrachia +Anistrachia schrijft,) als zullende beteekenen Ooster- en Wester-oog, +van achia, age, oog, welke benaming dikwijls aan eilanden gegeven +wordt, zoo als Schiermonnikoog, Spikeroog, Langeroog enz. Te vergeefs +zal men bij eenig Friesch Schrijver die eilanden, dus genoemd, zoeken, +maar wel vindt men, dat eertijds Westrachia Westergo, en Austrachia +Oostergo beteekende. Winsemius bevestigt zulks op den jare 728, +toen Karel Martel Oostergo en Westergo plonderde en verwoestte. In +de afbeelding van Oud-Friesland door Schotanus, de eenige oude kaart, +welke het best met de geschiedenis overeenkomt en 't meest vertrouwen +verdient, gevoegd in zijne Beschr. van Frieslandt en achter de Groote +Atlas, worden de streken beoosten en bewesten de Burdo of Middelzee, +welke ook het best door hem is afgeteekend, te regte Austrachia en +Westrachia genoemd. Verg. Oudh. en Gest. II. 287, alwaar v. Rhyn +in 't breede hierover uitweidt, aan Fredegarius geen gezag boven +Friesche Schrijvers toekennende. Alting, II. in voc. Austrachia +Burdine, Westrachia; Brouwer en Eekhoff, Nasporingen betrekkelijk de +Middelzee, bl. 31 noot, 116 en 117, waarin ook de gebrekkigheid van +de oude kaarten wordt aangetoond. + + +Bl. 273. + +Die men een Grietman noemt. In het laatst der XIII en in het begin +der XIV eeuwen, wordt het eerst van Grietmannen gewaagd. Van ouds +moet de verkiezing door de gemeente, de ingezetenen of de bezitters +der stemhebbende Staten hebben plaats gehad. Zij hadden Assessoren of +Bijzitters en andere Regters van minderen rang onder zich, terwijl er +tevens Schouten hebben bestaan, welk ambt later weder is vernietigd +of in die des Grietmans is overgegaan. Aanvankelijk waren zij Regters, +maar in den drang en druk der oproerige tijden, in welke geene regten +geëerbiedigd werden, moesten zij zich tot Beschermheeren verheffen, +en wisten van hunne magt en invloed een krachtig, soms al te krachtig +gebruik te maken. Elke Grietenij had één Grietman, voor één jaar +benoemd tot Hoofd; doch eene enkele uitzondering was er op dezen regel: +bij latere inrigting werd bepaald, dat ieder, die de vereischten bezat, +op zijn beurt den post van Grietman en Regter zoude waarnemen. Onder +de Hertogen van Saksen en daarna onder het Stadhouderlijk Bewind was +de begeving van dit ambt ook aan dezen en aan het Hof verbleven. + +Maar nu den oorsprong van den naam Grietman te bepalen, dit is eene +moeijelijke zaak, waarover reeds vele geleerden zijn geraadpleegd en +veler gevoelen ter toetse is gebragt, doch het is als nog onbeslist, +welke beteekenis voor de eigenlijke en oorspronkelijke moet worden +gehouden. Onze Kronijk is er, mijns bedunkens, niet achter en geen +wonder, want de Heer Beyma, in zijn Tractatus de Grietmannis geeft een +aantal verschillende gevoelens op, en na dezen Schrijver zijn er nog +meerdere te berde gebragt [203]. Het meest aannemelijk gevoelen is, dat +men den naam moet afleiden van het Oud-Friesche Greta, klagen en dus +Greet- of Grietman degeen was, die aan de klagers regt verschafte. Zeer +belangrijk zijn de Aanteekeningen over de Grietmannen van de Heeren +H. en W. v. S. voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten +van den 15 en 29 Mei 1832, tot welke wij den Lezer verwijzen, als +mede tot opgenoemd Tractatus de Grietmannis van C. L. van Beyma, +Franeq. 1780. + +Wat het kerkelijk Bestuur van Friesland in de vroegste tijden aangaat, +dit is ons niet klaar genoeg gebleken: later was dit gewest den +Bisschop van Utrecht onderworpen, die tot het Aartsbisdom van Keulen +behoorde. Friesland was verdeeld in Dekenschappen, waarvan de Dekens +door den Bisschop werden gekozen en met groot gezag en magt bekleed. De +Hoofdpriesters of Priesters in eene parochiekerk werden Personae +genoemd, en de mindere Priesters Kapellanen. De Abten waren Oversten +of Bestuurders der Kloosters en derzelver aanhoorigheden: zij stonden +op zich zelven, hadden vele voorregten, samen de eerste plaats op de +Landsdagen, en waren alleen den Paus onderworpen: de Priors waren +oorspronkelijk hoofden van minderen rang, gelijk ook de Proosten, +hoezeer dikwijls deze verschillende benamingen door elkander gebruikt +werden. Zie hierover onder anderen Friesch Jierb. 1833. Oersicht § 4. + + + + + + + + + + + + +DRUKFOUTEN. + + +Op Bladz. 66, 281 tot 372, komt meermalen in den 2den en 3den + naamval voor: Karel den Groote; ook Lodewijk den + Vrome, Godvruchtige, Jongere, Karel den Dikke, + den Kale; men voege achter 't bijv. naamwoord + eene n. + +» » 284 staat: Barradeel, lees: Baarderadeel. +» » » » Bijdragen tot de Gesch. lees: Nasporingen + betrekkelijk de Gesch. +» » 327 » dat men onder die waardigh. lees: dat die + waardigheid. +» » 336 » 1178 lees: 1170. +» » 367 » bij hunne aanwer-een ving, lees: bij hunne + aanwerving, een. +» » 415 » der landbouw, lees: van den landb. +» » 439 » weauctoriseert, » geauctoriseert. +» » 448 » Heer van Velle, » Heer van Ville. + +De Bladz. 391 is verkeerdelijk gemerkt 191. + + +De Lezer gelieve geringere drukfeilen, als: Friesen voor Friezen, +Firsiabones voor Fris.; Theutonista voor Teuthon.; geene voor geen; +noordwaards voor noordwaarts of dergelijken over het hoofd te zien. + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een korte beschrijving van dit document. + +[2] Kort stukje promotionele tekst voor op de achterflap. + +[3] Kort extract uit de tekst. + +[4] Deze belangstelling is onder anderen ook gebleken uit de plaatsing +van het Prospectus of Berigt, waarbij ik mijn oogmerk heb ontwikkeld, +in de derde Mnemosyne, 1829, I. 278, en de aanbeveling van den +Hoogleeraar H. W. Tydeman; als mede uit de opname van hetzelve in de +Handleiding tot de kennis van het Staatsbestuur in het Koningrijk der +Nederlanden, V. 646, alwaar tevens de wensch wordt geuit dat dit plan +spoedig moge verwezenlijkt worden. + +[5] Ook tot een goed Schoolboek van de Geschiedenis van Friesland +strekt zich deze behoefte uit. + +[6] Deze zeer onbepaalde beschrijving van den alouden Staat der +Provincie is in de Bijvoegsels en Aantt. aangevuld. + +[7] De regering dezer Prinsen, zoo wel als die der opvolgende Hertogen +en Koningen, behoort tot het fabelachtig gedeelte der Historie, welke +ook met betrekking tot de gebroeders Friso, Saxo en Bruno (de laatste +wordt hier niet gemeld) zeer verschillend wordt voorgedragen. Zie de +Bijv. en Aantt. + +[8] Verheerd, d.i. overwonnen, te onder gebragt. + +[9] Gevolg. + +[10] Als de zomer hoogde, d. i. in het midden van den zomer. + +[11] Ook Hamconius en Cappidus van Stavoren beweren, dat er van +Friso's tijd af een wapen heeft bestaan, hetwelk echter moeijelijk +valt te gelooven, daar men het er voor houden moet, dat in den tijd +der kruistogten, dus niet vroeger dan in het begin der XII eeuw, +de familiewapens zijn uitgevonden. Men zie over dit onderwerp de +Bijv. en Aantt. + +[12] Over de groote en kleine Friesen zie Bijv. en Aantt. over den +alouden staat van Friesland. + +[13] In de Uitgave van 1677 staat: "Waar van heedendaachs noch top, +noch teil (tegel) te zien is." + +[14] In de Ie uitgave staat: "Heeft de Hertog hem bekeeven." + +[15] Holle is Olennius. Zie Aantt. + +[16] d. i. gedwongen om het beleg op te breken. + +[17] Oxel, Oksel, holligheid onder den arm. + +[18] Het Gods Hof of Aula Dei, kweekschool van Priesters, waarvan +C. Stavriensis, S. Petri, Hamconius en anderen spreken. Zie Aantt. + +[19] d. i. aangehitst, opgestookt. + +[20] Het beknopt Chronykjen van Friesland opgesteld en bijeenverzameld +door C. G. Jacoby, Leeuwarden 1755, voornamelijk bestaande in een +uittreksel van Ocko van Scharl, vermeld slechts vijf Prinsen, latende +Adel en Ubbe buiten het spel, en springt dus een tijdvak van bijna +twee eeuwen over. + +[21] Lees Westerwierum. + +[22] Lees: tusschen Almenum en Terschelling. Verg. Hamconius, Frisia, +fol. 14, die deze gebeurtenissen van 't Klif en der Meerminnen +verhaalt, echter den Duivel buiten het spel laat. + +[23] Bij andere Schrijvers Basterd-Broeder van Adelbold genoemd. + +[24] Volgens anderen door Tiete of Titus zelf gebouwd. + +[25] De oude Uitgave zegt: "Met een gaar geraapten hoop." + +[26] Dit geschiedde langs den geheelen Rijn tot aan de Noordzee, +uit wantrouwen tegen de Germanen. + +[27] Over de verschillende gevoelens dezer benamingen hebben wij het +noodig geacht in de Bijvoegsels het een en ander aan te stippen. + +[28] Engeren, Angeren. + +[29] De Ezumazijl nabij Ezonstad, alwaar in den tijd van Foeke Sjoerds +(Beschr. van O. en N. Friesland I. 240) nog eenige overblijfselen +van te zien zoude geweest zijn. Zie verder Aant. op 't jaar 339. + +[30] Over de Geschiedenis der Gebroeders Hengst en Hors, die Brittanje +zouden hebben veroverd, zijn de Geleerden het mede niet eens. Zie +daarop de Bijv. en Aantt. + +[31] 't Kasteel Grunenberg of Gronenberg was de oudste Burgt, volgens +de Friesche Overlevering, tusschen de Eems en het Vlie. + +[32] Vergel. Westendorp, Jaarboek van en over Groningen, p. 24, op +'t jaar 409;--alsmede de beschrijving der vrije Schuilplaatsen p. 110. + +[33] Zie de Aantt. op 't jaar 808. + +[34] Vergel. p. 23, waar ook van twee Lems of Willems gesproken +wordt. Zie voorts Bijv. en Aantt. + +[35] Uit hoofde van der Schrijveren verschil in de jaren, waarin de +watervloeden hebben plaats gehad, hebben wij in de Aantt. eene opgave, +zoo naauwkeurig mogelijk, geplaatst. + +[36] Chlotarius II. + +[37] F. Sjoerds voegt hierbij de woorden: an fen dead wir libben +werden! Schot. Fr. Hist. heeft het tweeledig, zie p. 47 en 54. + +[38] In de Uitgave van 1677 staat: "naar den Franschen zin, En liet +de Christenen vryjelijk toe." + +[39] Pepyn van Herstal of de Dikke noemde zich Hertog en Prins der +Franken, en was Groot-Hofmeester. + +[40] Natuurlijke zoon van Pepyn; was Groot-Hofmeester. + +[41] Van daar Sant Michiels dom genaamd. + +[42] Men zie de Aant. op 't jaar 830. + +[43] Vergel. op 't jaar 463. + +[44] Godfried. + +[45] Deze belasting heette Klipschild. + +[46] Deze togt geschiedde onder bevel van den Deenschen +Koningszoon Hendrik. Van tijd tot tijd moest het handwerk van +zeerooverij worden herhaald op alle kusten, om de jonge manschap te +oefenen. Geloofwaardige Fransche Kronyken vermelden het verwoesten door +de Noren in 837 van drie koopsteden: Antwerpen aan de Schelde, Witha of +Wintland aan den mond der Maas, en Groningen aan de Eems. West. Jaarb. + +[47] Men zie Aant. op 't jaar 830. + +[48] Zijn zoon Lodewijk, bijgenaamd de Duitscher, volgde hem op. + +[49] Thans was Lodewijks zoon, Lodewijk de jonge, Heer der Friesche +Landen. + +[50] Winsemius: Haadet goede wacht tyen da Nordera oordt, Want vuyt +da Grimma herna comt ws alle quaed voort. + + +[51] Nu kwam Lodewijks Broeder, Karel de Dikke aan het gebied. Zie +voorts over dezen strijd de Bijv. + +[52] Omstreeks dezen tijd werd Karel de Dikke onttroond, en de +laatste van den stam van Karel de Groote, die 't Westen regeerde, +met name Arnulph, natuurlijke zoon van Karloman volgde hem op, +regeerde drie jaren en stierf, wordende door zijn zoon Lodewijk in +'t gebied vervangen. Zie Aant. op het jaar 840. + +[53] Een veldvlugtige is een overlooper. + +[54] Men zie over deze begiftiging het Jaarb. van den Heer Westendorp +op de jaren 1040 en 1046. + +[55] Wij hebben het niet ondienstig geacht over de Kruistogten der +Friezen een aangeschakeld verhaal in de Bijvoegsels eene plaats te +geven,--waardoor wij ons onthouden, van alle andere aanteekeningen +op de verschillende jaren, waarin dezelve zijn voorgevallen, 't welk +anders noodig zoude zijn. + +[56] Vergel. Westendorp Jaarb. op 1112. + +[57] Als voren op 't jaar 1143. + +[58] Onder de namen bekend van Frederik I, Aenobarbus, Roodbaard, +ook Keizer Frederik de Groote.-- + +[59] Dit verhaal komt hoofdzakelijk overeen met het Jaarboek van +den Heer Westendorp, de vermelding op den jaare 1160,--en andere +Schrijvers. + +[60] Of van de St. Cistercie-orde. Deze Abdy is de vermaardste geworden +in de Ommelanden, bezittende aanzienelijke rijkdommen. + +[61] Over dit voorval, 't welk eene andere oorzaak gehad heeft, +vergel. men West. Jaarb. op 't jaar 1195. + +[62] Stoepens zijn Stoopen of Drinkkannen geweest en geenszins de +Stoepen voor de deuren, waarvan anderen uit gebrek aan taalkennis +ooit de Kloppers aan de deuren gemaakt hebben. + +[63] Verweend is verwaand; ook fier,--lekker opgebragt, weelderig +enz.-- + +[64] Of Grind. + +[65] Slegtigheid is hier eenvoudigheid, onbeschaafdheid. + +[66] Men zie over dezen strijd West. Jaarb. op de jaren 1226 enz.-- + +[67] Vergel. de Aantt. + +[68] Westendorp Jaarb. na 't jaar 1232 noemt de Reiderlanders en +Emisgooërs, welke twist ontstaan was door het verdrinken van een +Reiderlander, omdat hij de lieden, die van de jaarmarkt kwamen, +had willen berooven.--Verg. denzelven I. 280. + +[69] Upstalsboom, gelegen een uur gaans ten zuidwesten van +Aurik. Alhier stonden drie hooge eike boomen, met de takken en kroonen +meest aan malkanderen gegroeit, hebbende op 2 a 300 treden na geene +huizen omtrent. De Rechtspleeginge geschiede aldaar onder den blaauwen +Hemel, van de Regeerende en daar toe gerechtigde Perzoonen van alle +de Frieslanden, en richtede alhier over alle zwaare zaaken, welke bij +de mindere Collegien niet afgedaan wierden; als wanneer daar tenten +opgeslagen en banken van opgegraavene aarde wierden gemaakt. + +[70] West. Jaarb. I. 282 beschrijft kortelijk dezen oorlog voornamelijk +naar de verhalen van E. Beninga en Harkenroth gevolgd, bewerende +tevens dat het niet de Eenrummers maar de Emersen geweest zijn. + +[71] Voor de zusters van de Cistercie-orde, opdat de schimmen der +verslagenen mogten verzoend worden. Het werd eerst aangelegd by +Koevorden aan de A, doch naderhand verplaatst. + +[72] Is gebeurd 21 Januarij 1256 op zijnen togt tegen de +West-Friesen.--Zie voorts de Aant. op Sikko Sjaardema in 't jaar 1239. + +[73] Over deze twisten zie men de algemeene Aanteekeningen. + +[74] Over den juisten dag, waarop deze gruwelijke moord heeft plaats +gehad, zijn vele Schrijvers het niet eens en in zonderlingen twist +geraakt.-- + +[75] Dit Zegel der vrye Frieslanden verbeelt een geheel gewapent Man, +houdende in zyn regterhand een Lans, en in de linkerhand een bloot +Zwaard, dat na de schouder opgeheven word, en staande onder een Boom. + +[76] Men zie Westend. Jaarb. over dezen strijd op de jaren 1232 +en 1233, die dezelve toeschrijft aan de partijschappen tusschen +de Vetkoopers en Schieringers, en waarin deze laatsten de overhand +behielden. + +[77] Deze Proost Hiske had eene dochter, genaamt Reinske, welke met +Hayo te Westerwolde trouwde; en naderhand uit haare eigene goederen de +Groote Kerk met vier Torens te Mildwolde, in den Oldambte, heeft laaten +bouwen; zynde de zelve die voor enige jaaren is afgesleeten geworden. + +[78] Vergelijk over deze list +Wins. fol. 242. Schot. Fr. Hist. p. 253. Petrus Thab. op dit jaar. + +[79] Zoo als meermalen was ook thans het eerste artikel van +het verdrag: "volkomen verzoening en een eeuwige vrede!" Bij +West. Jaarb. op dit jaar vindt men eene reeks van voorwaarden. + +[80] Vergelijk West. Jaarb. op hetzelfde jaar. + +[81] Te regt wordt van hem gezegd dat zijn leven een strijd en +worsteling op deze wereld geweest is.--In dit jaar werd ook door de +Friesen en Groningers een verbond aangegaan ter wering bijzonder van +dieverijen en ander misdrijf. Vergel. Schwartz. Charterb. I. 526. + +[82] Zie op dit jaar Westend. + +[83] De Keizer Frederik de III. roemt hem wegens zijne ongemeene kunde +in de vrije kunsten, in de Keizerlijke regten, in het Kerkelijk regt, +en vooral zijne gevatheid en vaardigheid in de openbare zintwisten. + +[84] Een der heerlijkste werken der bouwkunde van de middeleeuwen. Men +plaatste op den toren een koperen paard van de grootte van eene gewone +noordsche kidde, hetwelk tot een windhaan diende en het teeken was +van St. Maarten van Utrecht. West. + +[85] Dus ook Winsemius, Schotanus geeft de leus aldus op: Op uws Finne +herne, lizze fjouwer klaer lotter Ljep-Ayen ijn ien Nest. Zie Aant. + +[86] Vast maken is zoo hier als op alle vorige en volgende plaatsen: +Versterken. + +[87] Spelen alle zeilen blank: dit gezegde heeft zijn' oorsprong van de +zeerooverij, waarin men van vriend en vijand kaapt en rooft, wat men +vangen en grijpen kan:--alles wegrooven wat men op zee ontmoet. Zie +Winschootens Zeeman, op 't woord Seil, en Weiland N. T. Woord. + +[88] Hij smeet (zegt Winsemius fol. 446,) vele Hollanders in plaats +van Borgoenschen over boord, volgens Martinus Ylst uit de overlevering +van Bonne Haisma zijne medgezellen toeroepende: Siuch faynten, ho +kenne da deels kijetten swomma. + +[89] Zie hierover de Bijv. en Aantt. + +[90] Frederik Gaykinga, in den jaare 1360, Abt van Aduard zynde, had, +tot nadeel van zyn geslacht, hoewel tot eere, dit klooster met veele +goederen begiftigt; doch op zekere voorwaarden, waartoe zyn geslacht +altoos gerechtigt zou wezen. Bestaande 't voornaamste hier in, dat die +van Gaykinga voor eeuwig zouden hebben alle jaar op St. Martens avond +een witte Zwaan, een Capoen, en een kanne Wyn, en zouden voor altoos +eene misse houden in 't Kapittelhuis, en een brandende lampe voor 't +geheele geslachte. Wanneer iemand van 't geslachte quam te verarmen, +zoude aldaar voor zyn leeven de kost hebben; ook wanneer zy met hun +gezinde quamen, zoude de Abdy voor hun geöpent, en de tafel gedekt +worden, na de waardigheid des geslachts, in de voornaamste kamer; +benevens jaarlyks op St. Bernards dag te gast genoodigt worden. Aldus +was Hendrik op dit jaar genoodigt, maar Jan en Frederik quamen van +zelfs. Waar op, onder de monniken een jalousie ontstond, die hun zeer +qualyk bejegende, en waar door het gevegt ontstond. + +[91] Wins. Chronyck fol. 519. + +[92] Kettermeester hetzelfde als Geloofsonderzoeker. + +[93] In de maanden Mei en Julij hadden er twee overstroomingen plaats, +door welken, vooral den laatsten, waarvan bij Outhof geen gewag +gemaakt wordt, ook vele menschen omkwamen.--Zie F. Arends Physische +Geschichte der Nordsee-kuste. II. 96. + +[94] Zie over dezen strijd het uitvoerig verhaal van Winsemius +Chronyck, fol. 565 volgg. + +[95] In den eersten druk van 1677 staat: »Als de Stadhouder +Rennenberg zich door ontrou omgekeert hebbende tot de Papisten; die +van Leeuwarden," enz.--Het woord Papen is overal in den tekst behouden, +omdat de Schrijver er de Roomschgezinden over 't algemeen, zoo leeken +als priesters, mede bedoeld, en het dus hier voor geen scheldwoord moet +worden gehouden, evenmin als Arminianen, Menisten, Calvinisten, enz. + +[96] Balthazar Gerards genaamd, geboren te Villefans in Bourgondien, +oud 26 a 27 jaren. Onder verschillende personen, die zich op 't +leven des Prinsen toelagen, moet ook zekere Koopman te Vlissingen, +Hans Hanses, geweest zijn, wiens aanslag echter door eenen Fries, +uit het geslacht der Auckama's ware ontdekt. Gevat zijnde had +hij beleden, daartoe middelen te hebben aangewend.--Gerards werd +daarna als Martelaar hoog vereerd en waardig geacht gecanoniseerd +te worden--onder de belooningen, wil men, was ook de verheffing der +familie in den adelstand. + +[97] Nederl. Oorl. en Geschied. 1623, fol. 474 verso. + +[98] Dit voorval wordt omstandig beschreven bij Winsemius, Chronyck +fol. 897. + +[99] In de druk van 1677 staat: (een gehuerde vleegel enz.) + +[100] Zie 't Verwerd Europa ofte Polityke en Historische Beschryvinge +enz., Amst. 1675, bl. 596 volgg.--Van dezen Schrijver, welks werk twee +jaren vroeger dan de eerste druk van onze Kronyk was uitgekomen, is +veel gebruik gemaakt en daaruit overgenomen door onze Kronykschrijvers. + +[101] De Leezer dient te weten, dat zekere Broersma hier eigentlyk +Commandant zynde, door de Staaten Generaal was opontboden; doch in +plaats van in den Haag te compareeren, ging hy over by den Bisschop +van Munster, en wierd aldus een verraader van zyn eigen Commandement. + +[102] Fantassin, Fant: voetknechten, infanterie.-- + +[103] Mengel-Poezy, bl. 257. + +[104] en der zonde, voegt de eerste druk dezer Kronyk hierbij, +waarmede zij haar verhaal eindigt en de Landverdeeling van Friesland +volgen laat. + +[105] Dat de Schelde en de Sincfal, later Zwene geheten, niet dezelfde +rivieren zijn, en dus niet voor elkander genomen moeten worden, wordt +behalve in de Bijv. voor het I. D. van Wagenaars Vad. Hist. ook in +het breede betoogd door den Hoogleeraar Ypeij, in het II. D. zijner +Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 115 volgg. + +[106] Over deze vergraving lezen wij in Bilderdyks Geschiedenis des +Vaderlands, I. 24: »'t Was natuurlijk dat Drusus, geheel het zuidelijk +Land zijner Landvoogdij jaarlijks overstroomd ziende, bedacht was +om het Rijnwater af te leiden. Naderhand deed Corbulo 't zelfde met +den zoogenaamden Vliet te graven. Maar beide ondernemingen hadden +gelijke gevolgen: Het verderf van een groot gedeelte Lands. Gelukkig +Holland, zoo men nooit gegraven en nooit gedijkt had! Wij zouden +thans boven de rivieren wonen, die het Land doorsnijden moesten, en +er nu over heen loopen in gemaakte goten, wier bodem steeds verhoogt +door de vallende slib, en die dus hoe langer hoe meer boven het land +rijzen en in kracht en gewelddadigheid hunne dijken overmeesteren; +terwijl men haar nog bovendien door de droogmaking van meeren, +de noodige boezems onttrokken heeft, om zich, bij voorkomende +opzetting van boven, te kunnen ontlasten, zonder hunne boorden te +verwoesten."--Hoezeer deze en dergelijke gevoelens tegenstanders +vinden, kan ik er echter bijvoegen, dat met andere deskundigen ook +de zeer bekwame Waterbouwkundige Cornelis Zillesen in zijne werken +zeer tegen alle vergravingen ijvert. Nog op zijn negentigste jaar +heeft hij daartegen ernstig gewaarschuwd in zijn belangrijk stukje, +getiteld: Iets over de natuurlijke oorzaken der steeds toenemende +Zeeoverstroomingen (Rott. 1825), waarin hij ook beweert en bewijst, +dat de Alwijze Schepper der natuur voor de ontlasting des waters had +gezorgd, en dat, om van land water te maken, alleen daar noodig was, +waar door rivieren of binnenvaarten de kanalen verbeterd moesten +worden, terwijl de verhooging der rivierdijken en de daarin begane +misslagen zoodanig de inkeldering der binnenlanden en woningen +had veroorzaakt, dat bij elke doorbraak de rivieren die landen tot +hunne beddingen verkozen. Ook had deze maatregel een ander nadeel ten +gevolge, het onderhoud namelijk, tot groote kosten van den landbouw, +op plaatsen daar men reeds niet meer het water door sluizen kon +ontlasten, van 2000 watermolens alleen in Holland. De Schrijver geeft +voorts onkostbare behoedmiddelen aan de hand, en dit boekje verdient +de opmerking des onpartijdigen. + +[107] Door den Emeritus Predikant P. Brouwer, een man van kennis +en verstand, was in geschriften nagelaten eene Nasporing en +Aanwijzing van den Loop en de Grenzen der opgeslijkte Middelzee, +welk stuk te gelijk wordt uitgegeven (terwijl deze ter perse is,) +met een zeer naauwkeurig en grondig Onderzoek naar de oorspronkelijke +uitgestrektheid, en den tijd en wijze van opslijking der Middelzee; +alsmede hoe Leeuwarden door haar is bespoeld geweest, zamengesteld +door den ijverigen beoefenaar der Geschiedenis W. Eekhoff. Eene zeer +aanbevelende Voorrede van den kundigen Worp v. Peyma versiert dit +werk. Het onderzoek van Do. Brouwer bepaalt zich tot den omvang en +begrensdheid der Middelzee in de 13 eeuw. Eekhoff heeft getracht aan +te toonen en tot eenen hoogen trap van waarschijnlijkheid te brengen, +welke in de oudste tijden de grenzen dier Zee waren, kennende haar eene +veel meerdere uitgestrektheid toe, dan waarvan de geschiedenis gewaagt. + +[108] Dit werk getiteld: Physische Geschichte der Nordsee-Küste und +deren Veränderungen durch Sturmfluthen seit der Cymbrischen Fluth +bis jetzt, is in twee deelen uitgekomen te Emden 1833, en was het +laatste voortbrengsel van dezen verdienstelijken man, ten nutte +van zijn Vaderland, omdat hij dat Vaderland verlaten en zich naar +een ander werelddeel begeven moest, ten einde zich een voortdurend +bestaan te verschaffen. + +[109] Vergelijk hierbij de Voorrede voor het II deel van 't +Charterboek, p. 65 en 66. + +[110] Vervaardigd voor het, door 't Friesch Genootschap uitgegeven, +Friesch Jierboeckjen. Het eerste gedeelte is geplaatst in dat van 1831: +Kirt Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, fenne fierste tijd oon it jier +1814 to, loopende dit deel van de vroegste tijden af tot aan Karel +den Groote, dat is, tot aan 't jaar 773 of daaromtrent. Dit tijdvak +noemt de Schrijver het Fabelachtige Friesland. + +Het tweede tijdperk, loopende tot op de aanneming van Albrecht, +Hertog van Saksen, tot Heer van Friesland, d. i., tot aan 1498, +wordt genoemd het Vrije Friesland. + +Het derde, de geschiedenis zullende bevatten van 1498 tot op de +afzwering van Philips II., Koning van Spanje, als Heer der Nederlanden, +heet het Overheerde Friesland. + +Het vierde tijdvak, van 1584 tot aan 1795, tijdstip van het vertrek van +Prins Willem den V., laatste Stadhouder der VII Vereenigde Gewesten, +uit Holland, zal het Stadhouderlijk Friesland genoemd worden. + +Het vijfde, zullende gaan van 1795 tot de omwenteling van 1813, zal +den naam ontvangen van het Nieuwere Friesland.--Zie gem. Jierboeckjen. + +[111] Het gevoelen van den heer Hettema, ontwikkeld in zijn Iets over +de Geschiedenis van Friesland (zie het Mengelwerk van de Leeuwarder +Courant van den 10 Augustus 1830, No. 64), vind ik niet aannemelijk, +dat namelijk Friezen hetzelfde zoude beteekenen als Frigen, Frisschen +of vreemde volkplantingen;--hoezeer dan ook M. Alting in zijne +Notitia Bat. et Frisiae Ant. in voce Frisii deze beteekenis aan +de hand geeft en daartoe overhelt. H. v. Rhyn, in zijne Aantt. op +de Friesche Oudhed. en Gest. I. 43, en andere Geleerden houden het +met de beteekenis van vrijen. Dat de frissche of koude landstreek +den naam Friezen zou geschapen hebben, zal toch wel geen' ingang +vinden.--Vergelijk ook de voorrede van Gutberleth, voor Gabbema's +Verh. van Leeuwaarden. + +[112] Vg. bl. 206, II. deel van de Bekn. Geschied. der Nederl. Taal +door A. Ypeij, over de herkomst der Friezen.-- + +[113] Winsemius in zijne Chronique, f. 6, en Suffr. Petri de +Frisior. antiq. et orig. p. 234, noemen Hoppers een beroemd en +verdienstelijk man, de eer der Friesche natie; v. Rhyn en na hem +F. Sjoerds zeggen echter, dat zijn gevoelen geene voorstanders heeft. + +[114] Gemelde Aantt. p. 44. + +[115] Cf. Suffr. Petri de Fr. Or. L. I. Cap. XVIII. + +[116] Zie deswegens v. Rhyn t. a. p. en Westendorp, Jaarboek van en +voor Groningen, p. 5. + +[117] Hunibaldus, Trithemius, Funccius, Panthaleo; of hebben zij +zonder onderzoek elkander nageschreven? + +[118] Westendorp, Kronyk, p. 6 en 7.--V. Rhyn, ll. F. Sjoerds, +Fr. Jaarb. I. 14 enz. + +[119] Wolfgang, Lazius en Aventinus. + +[120] Zie Westendorp, p. 8. Van deze omstandigheid, in de Kronyk van +Eggerik Beninga vermeld, maken V. Rhyn, F. Sjoerds en anderen geen +gewag.--Over andere volksvertellingen der stichting van Groningen, +zie men onder anderen West., p. 19. + +[121] Men zie ook wat Bilderdyk, Geschied. des Vaderlands. I. 296 +over de Sagen zegt. + +[122] Vergel. A. Matthæi veter. ævi Anal. T. IV. p. 9, de derde +Ankomst der Fresen. + +[123] Bl. 6.--De Heer Westendorp zijne bronnen in het I. deel van +zijn Jaarboek nergens hebbende opgegeven, heb ik te vergeefs gezocht +naar den veranderden inhoud dier sage. + +[124] Waarom onze schrijver Bruno heeft verkiezen weg te laten, is +mij een raadsel, daar hij toch in alle andere kronijken mede zijne +rol speelt. + +[125] Achter de Oudheden en Gestichten van Vriesland geplaatst, +tot aanvulling van vele onvermelde zaken in dit werk, in welks +voorafspraak bij de Friesche schrijvers luchtig beoordeelt. Hij +verwerpt S. Petri, Furmerius, Winsemius, Hamconius en Zoeteboom, +en houdt zich aan Emmius, Douza, Schotanus, Buchelius, Huetius en +Alting. F. Sjoerds komt met zijn oordeel zeer naauwkeurig overeen in +al wat van Rhyn geoordeeld heeft. + +[126] Zie gem. Nabericht, p. 350. + +[127] Cf. M. B. v. Nidek, Anal. Medii aevi, p. 140, drukfout voor +440.-- + +[128] Not. Bat. in voce Frisii. + +[129] Men vergelijke voorts de Chronyk van Eggerik Beninga in de +Ann. van Mattheus. + +Onder verschillende schrijvers die over de Friezen en derzelver +oorsprong geschreven hebben, kwam mij als niet een der geloofwaardigste +voor, den minder bekenden en in Mencker's Gelerthen Lexicon, door +Jöcher uitgegeven, vermelden Werner Rolevink de Laer, een Karthuizer +Monnik te Keulen, uit Westfalen geboortig. Hij bloeide omstreeks 1495, +onderzocht vlijtig de H. Schrift, leidde een godvruchtig leven en +stierf in eenen hoogen ouderdom. Deze heeft onder vele werken ook een +ten titel voerende: De origine Frisionum uitgegeven.--Suffr. Petri +in Origine Frisionum maakt gewag van hem op p. 237,--en Furmerius +heeft bij het opstellen zijner Annales gebruik van hem gemaakt. + +[130] Friesch Jierboeckjen foar it jier 1831, bl. XII en volgg. + +[131] Ook op Texel stichtte Drusus een burgt, waarvan het bewijs nog +aanwezig is in den naam der hoofdplaats, terwijl grafheuvels en andere +oudheden van het verblijf der Romeinen in die streken getuigen. + +Waarschijnlijk is destijds de stad Grebbe gesticht, welke gelegen heeft +omtrent een half uur gaans benoorden Wieringen, aan het tegenwoordig +Amsteldiep. Omstreeks 1710 was er nog veel muurwerk overig, en voorheen +moet de massa van dat muurwerk ongelijk grooter geweest zijn, vermits +men om het midden der XVII eeuw zeer veel duifsteen heeft opgehaald en +met kagen naar Amsterdam vervoerd.--Over het bestaan dezer stad is veel +getwist en aan de kronijkschrijvers Twisk, Borger, Valkoog en Zoeteboom +voorheen (zoo als aan de oude Friesche kronijken) allen geloof in dezen +ontzegd; doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, +in onzen leeftijd gedaan en gegeven, is die twijfel opgehouden.--Dat +Drusus in deze streken dijken heeft aangelegd, is door de berigten en +ontdekkingen van de geleerde oudheidkundigen A. Junius, den Marquis +de Saint Simon en R. Paludanus buiten twijfel gesteld.--Scheltema, +Geschiedenis der Zuiderzee. M. S. + +[132] Over deze daad en het Brittenkruid vergelijke +men Plinius XXV. 3. F. Sjoerds, Fr. Jaarb. I. 125 +en 126,--Beschr. v. Fr. I. 344. Schotanus, +Friesche Hist. p. 8. West. Jaarb. p. 14. Wagenaar, +Vad. Hist. I. 79. H. Cannegiet. Dissert. de Herba Brittanica +etc. p. 40.--Tegenw. Staat van Friesl. I. p. 19 volgg. en p. 126. + +[133] 't Zal met deze namen den Romeinen, als den lateren Franschen +met die van de Admiralen Tjerk Hiddes en van Duvenvoorde gegaan +zijn. Dezen heetten zij Kierkides en Vandenfort. + +[134] Zie F. Sjoerds, Jaarb. I. 203. Schot, +Fr. Hist. bl. 26. Tegenwoordige Staat van Utrecht, I. 13 volgg. + +[135] Ook Westendorp (Jaarb. p. 16) heeft hier geen licht verspreid, +verklarende niet te weten, op welk gezag de Jaarboekschrijvers +van eenen inval der Noormannen in 't jaar 90, bij F. Sjoerds Gothen +genoemd, gewagen.--Dit punt verdiende mede een opzettelijk onderzoek, +daar men toch niet kan vooronderstellen, dat deze vermelde feiten, +op verschillende tijden geschied, uit de lucht gegrepen zouden zijn. + +[136] Vergel. F. Sjoerds, Jaarb. I. 220 en volgg. + +[137] Vergelijk Westendorp, Jaarb. van en over Groningen, p. 32 en +volgg., zoo over deze als de opvolgende tijdvakken, onder de regering +der Koningen Radboud I, Adgillus II, Gondebald en Radboud II., de +laatste Koning over Friesland. + +[138] Luden, Geschichte des Teutschen Volks. Een onwaardeerbaar boek! + +[139] Gaillard, Histoire de Charlemagne. Niet een van de minsten, +wat zijnen schrijftrant betreft. + +[140] Hoezeer te dikwijls de kleine daden van groote mannen tot +bouwstof moeten dienen, om des Schrijvers historie met luister op te +sieren, is echter in de geschiedenis van dezen Karel, hoe dikwijls +ook beschreven, geen verdicht sieraad noodig: want altoos levert +zij een grootsch tafereel op van een merkwaardig Vorst, aan wien de +wetenschappen en letteren, maar vooral de vrijheid en onafhankelijkheid +van geheel de Christenheid, alles te danken hebben. + +[141] Over deze en al de oude wegen in Oost-Friesland is eene zeer +uitvoerige beschrijving gegeven door Fr. Arends, in het Ostfrisisches +Volks-Buch van het jaar 1832, waarvan eene gedeeltelijke vertaling +door mij is gegeven, in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant. + +[142] Men zie hierover Adam en Meijer, Römische Altherthümer, II. D., +en vergelijke de Aanteekeningen over het Oude Friesche Wapen, +in het Mengelw. Leeuw. Courant, 20 Sept. 1831. alwaar dit breeder +ontwikkeld is. + +[143] Bilderdyk, Geslachtlyst op het woord Adel, zegt: het is slechts +eene andere uitspraak van edel; van aad, oud. Van deze meening moeten +wij, met anderen, verschillen. + +[144] Dit Register is onder anderen te vinden bij Winsemius, +Chron. fol. 402. + +[145] Graven waren Bestuurders namens den Vorst in de +Provinciën,--Hertogen waren Legerhoofden,--Baronnen of Baanderheeren +Hoofden van een District--en Heeren Krijgsmannen. + +[146] Tacitus zegt: Olennius e primipilaribus regendis Frisiis +impositus.--De Primipilares behoorden tot de eerste compagnie der +Triariërs; vandaar Primipilares scil. Centurio, de Hoofdman van die +eerste compagnie: Stuart, Rom. Gesch. XXII. noemt Olennius een der +eerste Hoplieden eener keurbende. + +[147] Men weet dat er over het bestaan van deze stad Grebbe bij de +oudheidkundigen is getwist. Aan de latere kronijkschrijvers Twisk, +Borger, Valkoog en Zoeteboom werd voorheen in dezen geloof ontzegd, +doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, in onzen +leeftijd gedaan en gegeven, heeft de twijfel opgehouden. Scheltema, +Geschiedenis der Zuiderzee. M.S. + +[148] Westend. Jaarb. spreekt in 662 van een zwaren watervloed over +West-Friesland. Deze heb ik niet kunnen vinden; welligt is 't eene +drukfout voor 626. + +[149] Westendorp, Jaarb. p. 31 zegt: die langer dan de Spies van +Klotarius waren: dit zou nog al verschil maken. + +[150] Het is beschreven onder anderen bij Wins. Chronique, fol. 61; +West. Jaarb. p. 39. Vergel. F. Sjoerds, Beschr. I. 546. + +[151] Over de Graven en Hertogen vergelijke men +Bild. Gesch. d. Vad. I. 107 volgg. + +[152] Algemeen noemt men hem Lodewijk den Vrome doch Bilderdijk zegt +(Gesch. d. Vaderl. I. 100. noot), dat pius niet vroom beteekent, +want dat vroom eigenlijk is 't geen de Romeinen strenuus, +dapper, noemen.--Beter noemden hem de Franschen, le debonnaire, +de Zachtmoedige. + +[153] Uitgegeven te Leiden bij S. en J. Luchtmans, 1833. + +[154] Gesch. d. Ned. Taal, II. 136. De aanmerking van den Schrijver, +dat er in het woord karelui in den Neders. tekst door onachtzaamheid +of onkunde der afschrijvers een misslag begaan is, en dit Karelen of +Karels zal moeten zijn, zal ook in den Duitschen tekst gelden, daar de +Duitsche overzetter van Karelui, Karl-pfui schijnt gemaakt te hebben. + +[155] Zie de Aanteek. op den jare 1239. Fr. Jierb. 1833, §§ 5 en 14; +Bild. Gesch. I. 89, 92-94, 252 en 296. + +[156] Westendorp maakt geen gewag van deze Potestaten. Ook Bild. laat +dit punt onaangeroerd. + +[157] De Script. Frisiae, Dec. VII. C. 3 et Dec. XII. C. 6. + +[158] Wij hebben dit verhaal hoofdzakelijk getrokken uit een door +den geschiedkundigen T. D. Wiarda bewerkt stuk, zamengesteld uit de +Friesche en andere Kronijk- en Geschiedschrijvers, benevens eenige +Handschriften. Men vindt het in het Tijdschrift Ost-Friesische +Mannigfaltigkeiten, 3 Jahrgang, Aurich, 1786.--Waar het ons +noodig dacht, hebben wij eenige veranderingen en vermeerderingen +gemaakt. Wiarda heeft alle zijne bronnen naauwkeurig aangewezen, welke +aanhalingen wij hebben achterwege gelaten, doch eenige ophelderende +aanteekeningen er bij gevoegd. In het Mengelw. der Leeuwarder Couranten +van 4 Junij, 6, 20 Aug. en 10 Sep. 1833, in welke wij dit stuk als +eene bijdrage geven, zijn de eersten te vinden. + +[159] De meeste Geschiedschrijvers spreken van roode kruisen. Dit +kan van dezen eersten Kruistogt waar zijn; doch in de volgenden +hebben voorzeker de onderscheidene natiën zich door de kleuren +kenbaar gemaakt. »De Koning van Frankrijk neemt met de zijnen roode, +de Koning van Engeland met de zijnen witte, de Graaf van Vlaanderen +met de zijnen groene kruisen aan:" + +Et Rex Franciae cum suis rubeas cruces, Rex Angliae cum suis albas, +Comis Flandrensis cum suis virides suscipiunt. Andr. Sylv. Marcian: +ad ann. 1188. + +[160] Helmoldi Chron. Slav. L. 2. C. 66. Dit geval vindt men beter +en omstandiger vermeld bij F. Sjoerds, Jaarb. II, 361-363.--Schotanus +zegt: »Onse reuck is stanck in hare neus-gaten."-- + +Volgens Ebert, Bibliogr. Lexicon, is de Kronijk van Helmold naar het +H. S. te Lubeck uitgegeven in den jare 1659, en met nooten voorzien +door H. Bangertus in quarto;--de eerste druk echter is van 1556. + +[161] Van de groote bijgeloovigheid dier tijden kan men zich bijna +geen denkbeeld maken. Het ontbrak in Friesland niet aan kruisen +in de lucht: misschien reeds de vliegeruitvinding, om het volk te +verbijsteren. F. Sjoerds, Jaarb. II, 491. + +[162] Deze Olivier werd in 1223 Bisschop te Paderborn en in 1226 +Kardinaal. Vid. Nic. Schat. Hist. Westph. L. XX, p. 996 seq.--Deze +N. Schaten was een Jesuit in Westfalen, geboren 1608, heeft ook +de daden van Karel den Groote beschreven: zijne geschiedenis van +Westfalen kwam het eerst uit in 1690. Ebert in voce. + +[163] K. Muchler, Abendzeitung, August. 1831. F. Sjoerds, Jaarb. II, +492; J. C. Maier, Geschiedenis der kruistogten, p. 187. + +[164] Misschien van Olivier zelven, die den togt mede gedaan, +en ook eene Historia Damiatina (Geschiedenis van Damiate) +geschreven heeft. Eccard heeft in Corp. Hist. med. aevi dezelve doen +afdrukken. Het spijt mij, dat mij dit werk, 't welk ik hier met nut +gebruiken kon, niet ten dienste staat. + +[165] Het Itinerarium zegt van 12 schepen. Emmius, die dit Itinerarium +desgelijks in Mspt. (want het was toen nog niet afgedrukt) voor zich +had, spreekt van 212 schepen. Het eerste is zeker eene drukfout. Ook +in de Wijsgeerige en Staatkundige Geschiedenis der Wereld, van +K. H. L. Pölitz, door Wits. Geysbeek vertaald, wordt slechts van 12 +schepen gemeld; dan volgens F. Sjoerds, Jaarb. II, 493 en anderen, +stak Graaf Willem met 12 schepen uit de Maas in zee, wordende gevolgd +van een groot aantal volks. Naar Engeland overstekende, vereenigden +zich de Hollandsche en Friesche vloten met die der Engelschen, onder +bevel van George, Grave van Wight, welke vereenigde vloten uit 212 +schepen zullen bestaan hebben. + +[166] Volgens de woorden van Emo's Chronicon: (vid Matth. Analecta +vet. aev. II, 26)--Comes de Wetha Praedux totius classis est electus, +posteriore custodia Comiti Hollandiae deputata, quem Ducem et Dominum +jam totus sibi delegerat exercitus.--was niet den Graaf van Holland, +maar den Graaf van Wieden het Opper-Admiraalschap opgedragen. + +[167] Wij willen hierbij voegen, hetgene voorkomt in het +geslachtregister van Friesche Adellijke Familien, opgemaakt door +S. v. Adelen van Cronenburgh, en vervolgd door P. van Albada ter +Oele (M. S.), betrekkelijk het Geslacht der Roordaas, die eertijds +in hun wapen mede rozen boven de baar voerden, maar dit naderhand +hebben veranderd. + +De oorzaak van deze verandering is dit: »'t Is gebeurd ten tijde dat +veel verscheidene Natiën, gelijk de Friezen, in 't H. Land waren +getogen, om hetzelve uit de handen en het geweld der Saracenen of +Turken te verlossen, dat onder anderen verscheidene Edellingen uit +Friesland, ook die van het Geslacht van Roorda, met de menigte aldaar +zijn geweest, onder welke zoo het gebeurde, tusschen de beide heiren +van de Christenen en Saracenen, dat er een uitnemend groot, stout en +vaillant Moorsch Prins was uit het Saraceensche heir, die voor het +Christen-leger zeer hoogmoedig ging braveeren, uitdagende aldaar een +van de vaillantste Ridderen der Christenen, om met hem een kampslag +te slaan; zoo heeft er terstond een stoutmoedige edele Fries uit het +geslacht van Roorda verlof van zijnen Prins begeerd, om met dezen +man een kampslag te doen; 't welk hem toegestaan zijnde, is hij in +het aanzien van beide legers tegen dezen Moor in het veld getreden, +en heeft aldaar zulk eene forsigheid met feiten van wapens bedreven, +dat hij ten laatste dezen Moor heeft overweldigd, ter neêr gehouwen en +onthoofd, het hooft ook tot een teeken van victorien op de poot van +zijn geweer naar het Christen-leger triumphantlijk gebragt; alwaar +hij bij alle de Prinsen, Heeren en Ridders zeer loffelijk van zijne +stoutmoedigheid zeer geprezen, en mede Ridder geslagen en eerlijk +ontvangen is. En is hem ook, alsmede zijnen nakomelingen, tot een +teeken en memorie van eene zoo vrome daad, een Moriaanshoofd in zijn +schild en wapens vereerd, gelijk zijn geslacht nog tegenwoordig voert, +benevens zeer loffelijke brieven en attestatie met Prinsen en Heeren +Zegelen bevestigd." + +[168] In het Grand Theatre Historique, T. III, p. 328 vindt men de +plaat van dit met eene zaag voorziene schip. De stad Haarlem eigent +zich dit schip toe. Men vindt daarom nog in de groote kerk zelfs een +model van dat schip. Ook maken er de Dokkumers aanspraak op. Zij +hebben er een model van tot windwijzer op den toren der groote +kerk gemaakt. Idsinga, Staatsregt van Groningen, p. 126.--Wagenaar, +Vad. Hist. II, 350. + +[169] Meleddin was de oudste zoon van den Sultan Saphaddin, die +gedurende het beleg van Damiate gestorven was. + +[170] De te voren vermelde verovering der stad Damiate plaatst Beninga +verkeerdelijk in het jaar 1229, in de Geschiedenis dezes Kruistogts +onder Frederik II. + +[171] Dat zij aan dezen Kruistogt geen deel genomen hebben, +is genoegzaam zeker, want op verzoek van den Koning Willem had +de Kardinaal Caputio, namens den Paus, de Friezen van hunnen +Kruistogt naar het H. Land ontslagen, mits zij Willem Aken hielpen +veroveren, waarop zij bij gansche scharen naar zijn leger optrokken, +natuurlijkerwijze dezen togt ver de voorkeur gevende, boven den meer +verwijderden naar Palestina. Verg. J. Meerman, Gesch. van Graaf Willem +van Holland, Roomsch Koning, I. 263-264. + +[172] Willem is, gelijke bekend staat, en onze Kronijk zegt, niet in +Friesland, maar te Hoogwoude in Noord-Holland door de West-Friezen +vermoord. Zie Meerman, als voren. De opgave van Wiarda is dus +hier onjuist. Vergelijk Wagenaar, Vad. Hist. II. 401; Bilderdyk, +Geschiedenis des Vaderlands, II. 151, 152. + +[173] Tot dusver loopt het verhaal van Wiarda. + +[174] Zie het slot van aangehaalde werk: Proeve van eene Geschiedenis +der Kruistogten en derzelver gevolgen, bl. 546, waarin echter +zeer uitroerig over de voordeelen en weinig over de nadeelen wordt +gesproken. + +[175] Dit uitmuntend werk is door den zeer kundigen Steenbergen +van Goor in den jare 1823 uit het Hoogduitsch vertaald en met vele +belangrijke aanmerkingen voorzien. Het gevoelen van dezen was het +volgende: »Dat Europa door de Kruistogten veel geleden heeft, zal +niemand ontkennen; maar dat het tevens door dezelve in burgerlijke +vrijheid, beschaving, verlichting, koophandel en kunstvlijt veel, +zeer veel heeft gewonnen, is onbetwistbaar. En nu vrage men, of die +voordeelen destijds voor eenen minderen prijs te verkrijgen zouden +geweest zijn?" Ook Luden in zijne Allgemeine Geschichte der Völker +und Staaten des Mittelalters, is ten dezen niet genoeg aan te bevelen. + +[176] Verg. Styl, Opkomst en Bloei der Nederlanden, bl. 28; +Tegenwoordige Staat van Friesland, I. 312; West., Jaarb. I. 209; +Cerisier, Geschiedenis der Nederlanden, I. 209. + +[177] Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 92; Egger. Beninga, Kronijk, bl. 101; +Dumbar, Analecta, I. 333. + +[178] Vergel. Gesch. des Vaderl. II. 130, waar het anders had +behooren vermeld te zijn. Over de Bulle van Karel Byv. en Aanm. op +Wagenaar, I. 107, en A. Kluit, Hist. der Holl. Staatsr. V. 52, +die het vrij zeker stelt, dat voor den jare 1300 dat stuk +bestond. Aantt. O. Fr. Wett. 109, 112. Zie over den dood van Willem, +onze noot op bl. 387, Tegenw. Staat, I. 409 en 410. + +[179] Op bl. 20 en 21; welk Geschiedverhaal met de andere Geschriften +van Jancko Douwama worden uitgegeven door het Provinciaal Genootschap +ter beoefening der Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, waarvan +de eerste aflevering in den jare 1830 is uitgekomen. + +[180] Verg. H. W. Tydeman, Over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, +bl. 111. + +[181] Winsemius, fol. 174: »Wat meer is die oude gheschreven Chroniquen +ghetuygen, dat door 't selve quaedt van tweedracht, die inghesetenen +deser landen, nu in ryckdom ende weelde sittende, alle hare macht +aengheleyt te hebben tot stiftinghe der Stinsen ende vasticheden, +in sulcken aentale, dat in een Dorp 't begrijp van dertich huysen, +hebbende, sesthien Stinsen uyt den ouden Vrieschen Steen gemaeckt +(welcke van hardicheyt een vlintsteen ghelyck was) ghevonden zyn." + +[182] Over het vroeger tijdvak en de gesloten verbonden en +overeenkomsten zijn belangrijk de Monumenta Groningana veteris +aevi inedita, door den geleerden Keuchenius Driessen uitgegeven, en +met uitnemende Aanteekeningen verrijkt; bijzonder zijne Aantt. op +bl. 335, 398, 475, 493, 797 en 831. Verg. Iets over den Oorsprong +en de Partijnamen der Schieringers en Vetkoopers, door den Heer +P. Burggraaff, in No. I van het Tijdschrift voor Onderwijzers, die +alleen als oorzaak der twisten beschouwt: het ontstaan, de uitbreiding +en het toenemend aanzien van den vierden stand der maatschappij dien +der burgers. + +[183] In de eerste druk van onze kronijk staat ook dit jaar vermeld. + +[184] Dit H. S. is de oorspronkelijke Grafelijke Rekening van den +Heer Garbrand van der Couster, Proost van Berghen in Henegouwen, +ende Jorghel, mijns Heeren Camerling, van 't geen sy ontfaen +hebben van mijnen lieven Heere van Holland, toter reyze behoef van +Oistvrieslant; verrekend en gesloten op den 18 Maart 1396, hofstijl, +d. i. 1397. Zie de uitmuntende Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen, +door den Archivarius de Jonge, I. 30 en 31. + +[185] Wagenaar, V. H. III. 502. + +[186] de Jonge, t. a. p. + +[187] Hoveling. De Edellieden, die op vaste burgten, sloten of stinzen +woonden, werden in Friesland Hovelingen genoemd. Verg. Archief +voor Vaderl. en Vriesche Geschiedenis van Visser en Amersfoordt, +Aant. I. bl. 25. + +[188] De Geschiedschrijvers vermelden dit voorval breedvoerig: +O. v. Scharl. quarto, bl. 245-247; Wins. Chron. fol. 306; +Schot. Fr. Hist. fol. 372; Gabbema, Verhaal van Leeuw. 164; +Petr. Thaborita op 't jaar 1487; Kronijk en Beschrijving van de stad +Sneek, door Napjus, 2e dr. bl. 11, enz. De Heer van Halmael heeft +in een gedicht dit feit herdacht. Zie Mengelwerk der Leeuw. Courant, +20 April 1830. + +[189] Onder de oudere Schrijvers heeft de geleerde en verdienstelijke +Historieschrijver Lambertus Hortensius van Montfoort, in zijn werk: +de tumultu Anabaptistarum, te Bazel in 1548 uitgegeven, van dit oproer +in Friesland een getrouw verslag gedaan. In de zeldzame Hollandsche +vertaling van 1659, in klein Octavo, versierd met fraaije plaatjes, +is ook eene afbeelding van de belegering des kloosters. De Wind, +Bibliotheek, I. 150 noemt een' druk van 1660. + +[190] Vele oude kloosters, en ook het Convent Thabor, waren zeer +uitgebreid en groot gebouwd, zoodat zij zelfs een aantal krijgslieden +konden bevatten en verzorgen. Deze Schrijver verhaalt, dat zijn Convent +de navolgende gebouwen had: een Molkenhuis, Bakhuis, Waschhuis, +Schoenmakershuis, Poorthuis, Bouwhuis, Timmerhuis (welligt met het +Bouwhuis hetzelfde), Koehuis, Molkenhuis, Brouwhuis, Ziekenhuis, +verscheidene Dormters, slaapplaatsen der Geestelijken en Leeken, +eene Kloosterkerk, Sacristij, Capittelhuis enz., voorts Binnenhof, +Tuin, Bosch en Boomgaard.--De bewoners waren Geestelijken, Leeken, +Priesters en Monniken: Beambten waren er velen, als Bouwmeester, +Opzigter, Kellener, Molkenmeester, Portier, Biermeester enz., +terwijl er voor de gewone behoeften een aantal bedienden nodig waren. + +[191] Deze Memorien zijn eerst uitgegeven in 1564, daarna door Dumbar +in zijne Analecta geplaatst, met vele bijgevoegde aanteekeningen, +uithoofde dit werk uiterst zeldzaam was geworden. Zie Aantt. op +bl. 182 der kronijk. + +[192] De titel is: Joannis Caroli de rebus Casparis â Robles Billaei +in Frisia gestis commentariorum Libri IV. De Schrijver, geboren te +Antwerpen in de laatste helft der XVI eeuw, was lid van den Grooten +Raad te Mechelen, uithoofde van welke betrekking hij in den jare 1567 +in Friesland kwam, en Algemeen Geregtsverzorger (Procureur Generaal) +werd. Hij legde daarna zijne ambten neder, werd Franciskaner Monnik, +doch stierf nog voor het einde van zijn proefjaar in 1598. + +[193] Bara-Huis, Bara-Stins en Bara-Convent waarschijnlijk dus genoemd +naar den naam des stichters, die even onbekend is als den tijd waarin +de stichting heeft plaats gehad. Men kan echter voor zeker stellen, +dat de Middelzee nog in volle kracht was, toen de bouwing heeft plaats +gehad. In de burgeroorlogen der Friesche partijen werden er meene +dagen, vergaderingen en bijeenkomsten, gehouden. Twee boereplaatsen +zijn aldaar nu aanwezig, waarvan de eene waarschijnlijk op den bouwval +van het Convent zal zijn aangelegd, en in de tweede boerderij, aan +den straatweg gelegen, wordt de naam nog bewaard. + +[194] Staatkundig Nederland, I. 49. Aldaar wordt ook melding gemaakt +van de marmeren poort van Viglius, voorzien met zijne spreuk: Vita +mortalium Vigilia (het leven der stervelingen is eene nachtwake), +geplaatst in de voorzaal der Kanselarij. Doch dit was zij weleer, +want ook dit eerwaardig gedenkstuk der oudheid moest in de algemeene +vernietiging deelen. + +[195] Deze redevoering is uitgesproken in een Letterkundig Genootschap +te Amsterdam na 1795, en na 's mans dood gedrukt en uitgegeven, +door de zorg van den verdienstelijken Hoogleeraar H. W. Tydeman, +in de Mnemosijne, XIV Deel. + +[196] Deze Verhandeling, in het openbaar uitgesproken, is daarna +geplaatst in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van 23 en 30 +Maart 1830. + +[197] Zie de Unie van Brussel des jaars 1577, naar het oorspronkelijke +uitgegeven door Mr. J. C. de Jonge, bl. 95 en 166-169. + +[198] Zie het Cort Verhael van Rennenburgs leven, op bl. 469-473 zijner +Memorien. Dit geschrift heeft hoofdzakelijk tot bouwstof gediend voor +de Schrijvers van den Tegenwoordige Staat van Stad en Lande, I. 420 tot +502, bevattende Rennenberg's geschiedenis; voor van Meteren, in het +breede 't beleg van Steenwijk vermeldende en voor Wagenaar over dit +tijdvak, welke ook schijnt te betwijfelen: »of hem de kwaade uitslag +zyns bedryfs niet meer dan de snoodheid en 't verraad gesmert hebbe." + +[199] Van dit Huwelijk wordt bij Winsemius, Wagenaar en anderen geene +melding gemaakt. Kok, Vaderl. Woordenb. zegt dat Graaf Willem niet +getrouwd is geweest. Wij hebben ook misstellingen en veel verschil in +de dagteekeningen ontdekt, en daarom de opschriften der grafzerken, +zoo ver vermeld, gevolgd. Men vergelijke onder anderen over deze en de +volgende Stadhouders Johannes van den Bosch, de Heeren Stadhouderen +van Vriesland,--beschreven, enz.;--de Redevoering van A. G. Camper, +bij de inhuldiging van Vrieslands Athenaeum uitgesproken, met het +eerste bijvoegsel, en Holland's Roem, door den Baron Collot d'Escury, +IV. Aantt. bl. 220, 221. + +[200] Over de begraving der Vorstelijke Familiën, zie de Noot op den +jare 1620. + +[201] Uit eene verzameling van eigenhandige en vertrouwelijke Brieven +van den Stadhouder, geschreven van de jaren 1734 tot 1747, aan zijnen +Vriend en Raadsman den Heere van der Mieden, Raadsheer in het Hof van +Holland, mij goedgunstig door deszelfs Neef, Mr. J. Schonck, Raad in +het Hoog Geregtshof te 's Gravenhage, medegedeeld, blijkt des Vorsten +uitnemend karakter. Ook is deze hoogst belangrijke Correspondentie +tevens bevattende een aantal eigenhandige brieven van Prinses Anna, +den Baron H. van Aylva, den Hertog Lodewijk van Brunswijk, den +Opperstalmeester Grovestins, den Secretaris van Prinses Anna, de +Larrey en anderen, voor de geschiedenis van dien tijd van hooge waarde. + +[202] In ons Gewest bleef echter van die invoering tot op den huidigen +dag een gebruik over, bij anderen niet aangenomen, zijn oorsprong +ontleenende uit het verschil van dagen, door den Ouden en Nieuwen +Stijl ontstaan. Alle verhuringen en verhuizingen hebben plaats op +den 12 Mei, niet op den eersten; zoo komen alle dienstboden op den +12 Mei en 12 November, welke dagen men oude Mei en oude Allerheiligen +noemt, in hunne diensten; dit gebruik is gewettigd geworden bij eene +nadere Publicatie der Provinciale Staten van 29 Januarij 1701. Men +verkoopt en verhuurt de Zathen en Landen enz. te aanvaarden, voor de +landen St. Petri, dat is den 5 Maart, (oude Sint Pieter), en voor de +huizinge en schuur den 12 Mei; overigens rigt men zich in alles naar +den gewonen Gregoriaanschen Almanak. + +[203] In de nagelatene Adversaria van een' onzer verdienstelijke +Friesche Geleerden, vond ik nog deze aanteekening op het woord +Grietman: »De geregtelijke tweegevechten werden gehouden in eene +plaats het Krijtveld genaamd. Kryt staat voor het Hoogd. griet +of gries, (gruis), dat volgens Veit Weber, Sagen der Vorzeit, +B. 11. p. 101, beteekent het Steenzand, waarmede de kampplaats +wordt bestrooid. Kan de benaming Grietman hiervan ook eenig licht +erlangen? Hij zoude dan oorspronkelijk de Opziener over zulk eene +Regterlijke kampplaats, Hoofd van zulk eene Regtspleging geweest zijn, +en het zou dan eigenlijk hetzelfde beteekenen als in de Oude Wetten +'t woord grieswart, grieswärtel, tournooivoogd, of volgens nog ouder +schrijfwijs greiswärtel. Zie Haltaus, Gloss. Germ. med. aev. p. 753, +die hetzelve drie beteekenissen toekent, welke met die waardigheid +overeenkomen. Het woord greta, waarvan het afgeleid wordt bij Beyma, +is, meen ik, oorspronkelijk ook alleen gebruikt van oproeping of +dagvaarding ten kampstrijd; (si vacat, hoc ulterius demonstrabo)." + +»Huydecoper op Melis Stoke, III. 54, legt krijt uit door kring (kreis, +kreits), doch ten aanzien van onze gissing over den oorsprong van +het Woord Grietman is dit hetzelfde." + +B. A. + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that: + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/33563-0.zip b/33563-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bf89a06 --- /dev/null +++ b/33563-0.zip diff --git a/33563-h.zip b/33563-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8aed59f --- /dev/null +++ b/33563-h.zip diff --git a/33563-h/33563-h.htm b/33563-h/33563-h.htm new file mode 100644 index 0000000..7379c99 --- /dev/null +++ b/33563-h/33563-h.htm @@ -0,0 +1,15451 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2010-08-28T21:43:49.853+02:00. --> +<html lang="nl"> +<head> +<meta name="generator" content= +"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> +<title>It aade Friesche Terp; of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye +Friesen</title> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> +<meta name="generator" content= +"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/"> +<meta name="author" content= +"Johannes Hilarides (1648–1725) Jacob van Leeuwen (1787–1857)"> +<link rel="schema.DC" href= +"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="DC.Creator" content= +"Johannes Hilarides (1648–1725) Jacob van Leeuwen (1787–1857)"> +<meta name="DC.Title" content= +"It aade Friesche Terp; of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<meta name="DC:Subject" content="Friesland (Netherlands) - History"> +<style type="text/css"> +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} +/***** Titlepage *****************************************************/ +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle +{ +line-height: 3.5em; +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle +{ +font-size: 1.8em; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle +{ +font-size: 1.44em; +} +.titlePage .byline +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-size:1.2em; +line-height:1.72em; +} +.titlePage .byline .docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.titlePage .docImprint +{ +margin: 4em 0% 0em 0%; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.72em; +} +.titlePage .docImprint .docDate +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +/***** End Titlepage *****/ +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.advertisment +{ +background-color:#FFFEE0; +border:black 1px dotted; +color:#000; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.width20 +{ +width: 20%; +} +.width40 +{ +width: 40%; +} +.indextoc +{ +text-align: center; +} +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} +.index +{ +font-size: 80%; +} +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} +.apparatusnote +{ +text-decoration: none; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .pseudoh3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h4, pseudoh4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} +.alignleft +{ +text-align:left; +} +.alignright +{ +text-align:right; +} +.alignblock +{ +text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} +p.dateline +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +p.signed +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl +{ +display: block; +text-align: right; +} +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} +.figure +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} +.figAnnotation +{ +font-size:80%; +position:relative; +margin: 0 auto; /* center this */ +} +.figTopLeft, .figBottomLeft +{ +float: left; +} +.figTop, .figBottom +{ +} +.figTopRight, .figBottomRight +{ +float: right; +} +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} +img +{ +border-width:0; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} +.marginnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +.displayfootnote +{ +display: none; +} +div.footnotes +{ +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote +{ +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ +float:left; +width:2em; +height:12pt; +display:block; +} +/****** Tables ******/ +td.sum +{ +padding-top: 2px; border-top: solid black 1px; +} +/****** Poetry ******/ +.lgouter +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */ +} +.lg +{ +text-align: left; +} +.lg h4, .lgouter h4 +{ +font-weight: normal; +} +.lg .linenum, .sp .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left: 16%; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} +p.line +{ +margin: 0 0% 0 0%; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ +color: white; +} +.versenum +{ +font-weight:bold; +} +/***** Drama *****/ +.speaker +{ +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line +{ +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +/***** End Drama *****/ +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} +/****** Font Styles and Colors *****/ +.ex +{ +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc +{ +font-variant: small-caps; +} +.uc +{ +text-transform: uppercase; +} +/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */ +.overline, .overtilde +{ +text-decoration: overline; +} +.rm +{ +font-style: normal; +} +.red +{ +color: red; +} +/***** End Font Styles and Colors *****/ +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} +.aligncenter, div.figure +{ +text-align:center; +} +h1, h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} +h1.label, h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h5, h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} +p +{ +text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} +.lg +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote, div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +/***** External Links *****/ +.exlink +{ +background: url(images/external.png) center right no-repeat; +padding-right: 13px; +} +.exlink:hover +{ +background-color: #FFDCDC; +} +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ +color: black; +} +h1, .pseudoh1 +{ +padding-bottom: 5em; +} +h1, h2, .pseudoh1, .pseudoh2 +{ +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline +{ +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum +{ +color: #660000; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-weight: normal; +} +table +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.tablecaption +{ +text-align: center; +} +.pagenum, .linenum +{ +speak: none; +} +</style> + +<style type="text/css"> +.xref, .xsection +{ +margin-top: 2em; +margin-bottom: .5em; +font-weight: bold; +} +.pseudoh1 +{ +padding: 0; +margin-top: 2em; +margin-bottom: 1em; +} +.pseudoh2 +{ +padding: 0; +margin-top: 1em; +margin-bottom: 0.75em; +} +.xd20e102 +{ +text-align:center; +} +.xd20e1232 +{ +font-style:italic; +} +.xd20e2637 +{ +text-indent:2em; +} +.xd20e7739 +{ +text-align:right; +} +</style> +</head> +<body> + +<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of It aade Friesche Terp, by Johannes Hilarides</p> +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online +at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you +are not located in the United States, you will have to check the laws of the +country where you are located before using this eBook. +</div> + +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: It aade Friesche Terp<br> + of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen</div> +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Johannes Hilarides</div> +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Editor: J. van Leeuwen</div> +<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: August 28, 2010 [eBook #33563]<br> +[Most recently updated: January 6, 2023]</p> +<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p> + <p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em; text-align:left'>Produced by: + Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project + Gutenberg. (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Print project.)</p> +<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP ***</div> + + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<p class="firstpar xd20e102">Kronyk<br> +der<br> +Geschiedenissen<br> +van de<br> +<i>Vrye Friesen.</i> <span class="pagenum">[<a id="xd20e116" href= +"#xd20e116" name="xd20e116">3</a>]</span></p> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<div class="mainTitle">It aade Friesche Terp</div> +<br> +<div class="subTitle">of<br> +Kronyk<br> +der Geschiedenissen van de<br> +Vrye Friesen:<br> +met<br> +Bijvoegsels en Aanteekeningen.</div> +</div> +<div class="byline"><i>van</i><br> +<span class="docAuthor"><i>J. van Leeuwen,</i></span><br> +<i>Griffier van de Regtbank te Leeuwarden.</i></div> +<div class="docImprint">te Leeuwarden, bij<br> +J. Proost.<br> +<span class="docDate">1834.</span></div> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e157" href="#xd20e157" name= +"xd20e157">I</a>]</span></p> +<div id="voorberigt" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e159" class="main">Voorberigt.</h2> +<p class="firstpar"><i>In den jare 1677 werd te Leeuwarden uitgegeven +de eerste druk dezer Kronijk ander den titel:</i></p> +<div class="blockquote"> +<p class="firstpar xd20e102"><span class="sc">IT AADE FRIESCHE +TERP,</span><br> +<i>Vertoonende</i><br> +DE FRYE FRIESEN,</p> +<p>in haar Oorsprong, Opkomst en Voortgang: Als Landsbestiering, +Waapenhandel, Krychsdaaden, Weetenschap, Vreemde voorvallen, Yver voor +de Vryheit, Afgooderye, Godsdienst en Landstreek.</p> +<p class="xd20e102"><i>In ’t gemeen bij een gehoopt,</i></p> +<p class="xd20e102"><span class="sc">Voor de Liefhebbers der +Vryheit.</span></p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e185" href="#xd20e185" name= +"xd20e185">II</a>]</span></p> +<p><i>Op dezen druk, beginnende met het jaar 313 voor Christus geboorte +en eindigende 1677, volgde een tweede, uitgegeven te Haarlem 1743, +getiteld: <span class="rm">It aade Friesche Terp, of <span class= +"sc">Kronyk</span> der Geschiedenissen van de <span class="sc">Vrye +Friesen</span></span>, met een Bijvoegsel gaande tot de geboorte van +<span class="rm"><span class="sc">Willem Karel Hendrik +Friso</span></span>. Daarna zijn er nog twee Uitgaven in het licht +verschenen de eerste te ’s Gravenhage 1746 en de laatste te +Leeuwarden bij Chalmot 1771, welke beiden als een tweede druk worden +vermeld en, uitgezonderd het titelblad, ook letterlijk van inhoud zijn +als die van 1743. Deze tweede druk is behalve het Bijvoegsel +aanmerkelijk vermeerderd en aangevuld met een aantal gebeurtenissen, +tot Friesland en Groningen betrekking hebbende, welke in de eerste druk +niet zijn vermeld, terwijl taal, stijl en spelling naar het gebruik van +dien tijd zijn veranderd. Het Motto, op de keerzijde des titels of op +den titel zelven geplaatst, was het gezegde van <span class= +"rm"><span class="sc">Aeneas Silvius</span></span> of Paus <span class= +"rm"><span class="sc">Pius II</span></span>: <span class="rm">Een Fries +weigert niet voor de <span class="sc">Vrijheid</span> zelfs in de dood +te gaan.</span></i> <span class="pagenum">[<a id="xd20e215" href= +"#xd20e215" name="xd20e215">III</a>]</span></p> +<p><i>Ofschoon ook deze Kronijk met de gewone sprookjes, fabelen en +wonderen uit den ouden tijd is voorzien, bevat zij echter een beknopt +verhaal van de meest belangrijke voorvallen uit de verschillende +Friesche Geschiedschrijvers getrokken. Wie echter de Schrijvers of +Opstellers zijn geweest is mij niet gebleken.</i></p> +<p><i>Uit hoofde dit boekje van tijd tot tijd zeldzamer was geworden, +komende de eerste druk bijna nimmer voor, ondernam de Boekhandelaar +<span class="rm"><span class="sc">Proost</span></span> alhier eene +nieuwe Uitgave, noodigde mij uit die te willen verzorgen, en er tevens +zoodanige Aanteekeningen en Bemerkingen bij te voegen, als voor de +beoefening en opheldering der Friesche Historie, bijzonder over de XV +eerste eeuwen, nuttig en dienstig zouden kunnen zijn. Aan dit verzoek +voldoende, meende ik den tweeden druk der Kronijk in deze Uitgave +getrouw te moeten volgen, mij alleen veroorlovende de ongelijkheid in +de spelling, en de te groote afwijking hier en daar in de taal wat te +verbeteren.</i></p> +<p><i>Bij het doorlezen der kronijken, geschiedboeken, en andere +schriften heb ik voor de <span class="pagenum">[<a id="xd20e231" href= +"#xd20e231" name="xd20e231">IV</a>]</span>Bijvoegsels en Aantekeningen, +daaruit overgenomen of kortelijk aangestipt, wat mij voor mijn oogmerk +belangrijk toescheen en dienen kon de Geschiedenis toe te lichten. Als +een hoofddoel van dezen arbeid heb ik getracht den minder geoefenden +tot eigen onderzoek en nasporing den weg aan te wijzen, weshalve ik al +de Schrijvers en Geschriften naauwkeurig heb aangeteekend, in welken de +uitvoeriger behandeling der zaken te vinden is, en de geschiedenis +beter wordt voorgesteld. Ben ik in deze mijne poging, om anderen van +nut te zijn, ten deele geslaagd, meer voldoening begeer ik +niet.</i></p> +<p><i>Over de waarde en geloofwaardigheid der oude kronijken en +geschiedverhalen heb ik met een enkel woord mijne meening gezegd, en +mijne stelling blijven verdedigen, dat aan dezelven daarom zoo weinig +gezag wordt toegekend, omdat zij nimmer oordeelkundig zijn onderzocht +en met de nog vele voorhanden zijnde bronnen vergeleken; dat geen +Schrijver van lateren tijd, de Geschiedenis der Friezen ter harte heeft +genomen, waardoor zij dus bij velen onbekend <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e237" href="#xd20e237" name= +"xd20e237">V</a>]</span>gebleven, bij anderen opzettelijk is achterwege +gelaten; en dat men te ver is gegaan om door het Werk van <span class= +"rm"><span class="sc">Ubbo Emmius</span></span>, die als de Feniks +aller Geschiedschrijvers, gelijk <span class="rm"><span class= +"sc">Dousa</span></span> hem noemt, gehuldigd werd, Frieslands Historie +voor voldongen te houden, daar hij geen kritiesch onderzoek in het werk +heeft kunnen stellen, als verstoken van de noodige hulpmiddelen en +bronnen. Niet dat ik de waarde van dezen te regt hooggeschatten +Schrijver wil verkleinen of iets nieuws voortbrengen, daartoe is mijne +kennis te gering: evenmin wil ik als een voorstander van de leer der +oude kronijken met hunne fabels en wonderen beschouwd worden; maar het +is alleen om aan te toonen hoe verkeerd men handelt onvoorwaardelijk +het gezag van anderen te volgen, en zonder eigen overweging en grondig +onderzoek onze oude Schrijvers te verwerpen. En dit is niet mijn +oordeel alleen, hetwelk op de ondervinding steunt; maar vele geleerde +en schrandere mannen, zoo als: <span class="rm"><span class="sc">v. +Schwartzenberg</span></span>, <span class="rm"><span class= +"sc">Ypeij</span></span>, <span class="rm"><span class= +"sc">Visser</span></span>, <span class="rm"><span class= +"sc">Amersfoordt</span></span>, <span class="rm"><span class= +"sc">Westendorp</span></span>, <span class="rm"><span class="sc">v. +Halmael</span></span> en anderen, die de <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e272" href="#xd20e272" name="xd20e272">VI</a>]</span>Friesche +Historie bestudeerden, hebben in hunne geschriften ditzelfde beweerd, +tevens de noodzakelijkheid betoogende, welke er sinds lang heeft +bestaan, om de zeer belangrijke Geschiedenis van dit Gewest van de +vroegste tijden af beter te leeren kennen, te onderzoeken en waarderen, +zoodat eene zorgvuldige en oordeelkundige beschrijving, naar den geest +en de smaak des tegenwoordigen tijd ingerigt, allezins wenschelijk +ware. Daartoe heb ik reeds in den jare 1827 alle mijne pogingen in het +werk gesteld, en een plan, hetwelk veel belangstelling, aanmoediging en +ondersteuning, ook bij den Heere <span class="sc">Staatsraad</span>, +<span class="sc">Gouverneur</span> en <span class="sc">Gedeputeerde +Staten</span> van dit Gewest, heeft gevonden, tot stand trachten te +brengen, dan door omstandigheden, <span class="rm">geheel van mij +onafhankelijk</span>, is hetzelve onvolvoerd gebleven<a class="noteref" +id="xd20e287src" href="#xd20e287" name="xd20e287src">1</a>. Een gelijk +lot heeft een tweede <span class="pagenum">[<a id="xd20e314" href= +"#xd20e314" name="xd20e314">VII</a>]</span>Ontwerp van den Heer +<span class="rm"><span class="sc">van Halmael</span></span> en mij, tot +de Uitgave van een <span class="rm">Geslacht- en Wapenboek van den Adel +in Friesland</span>, een werk hoogst gewigtig voor de Geschiedenis, +moeten ondergaan. Ik heb alzoo mijnen wil getoond, en daar ik tot geene +Uitgaven op eene andere dan de door mij voorgestelde wijze besluiten +kan, laat ik het nu aan ieder wie het luste over, om ter liefde voor de +Geschiedenis, ter wille onzer Landgenooten en ten nutte voor de +Nakomelingschap hunne middelen aan te wenden, hopende dat zij met een +beter gevolg in de erkende behoefte<a class="noteref" id="xd20e324src" +href="#xd20e324" name="xd20e324src">2</a> en den algemeenen wensch van +hen, die de wetenschappen op prijs stellen, mogen voorzien.</i></p> +<p><i>Voor het Titelplaatje koos ik de aloude adellijke State van den +Potestaat <span class="rm"><span class="sc">Wiarda</span></span> +<span class="pagenum">[<a id="xd20e338" href="#xd20e338" name= +"xd20e338">VIII</a>]</span>te Goutum, thans het eigendom van en bewoond +door de Familie <span class="rm"><span class="sc">v. +Cammingha</span></span>, welke met Martena-State te Cornjum, bijna de +eenigen zijn, die, in den voorvaderlijken tijd gesticht, nog de +algemeene slooping zijn ontkomen; want ook Tjaerda-Stins te +Rinsumageest zal spoedig, naar het voorbeeld van Liauckama te +Sexbierum, Hania te Holwerd, Holdinga te Anjum, Nieuw-Botnia te +Franeker en zoo vele anderen binnen weinige jaren vernietigd, in eene +puinhoop verkeeren.</i></p> +<p class="signed"><i>Den 11 Junij 1834.</i></p> +<p class="signed"><span class="sc">J. van Leeuwen.</span> <span class= +"pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name="pb1">1</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e287" href="#xd20e287src" name="xd20e287">1</a></span> Deze +belangstelling is onder anderen ook gebleken uit de plaatsing van het +<i>Prospectus</i> of <i>Berigt</i>, waarbij ik mijn oogmerk heb +ontwikkeld, in de derde <i>Mnemosyne</i>, 1829, <i>I.</i> 278, en de +aanbeveling van den Hoogleeraar <span class="sc">H. W. Tydeman</span>; +als mede uit de opname van hetzelve in de <i>Handleiding tot de kennis +van het Staatsbestuur in het Koningrijk der Nederlanden</i>, <i>V.</i> +646, alwaar tevens de wensch wordt geuit dat dit plan spoedig moge +verwezenlijkt worden.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e324" href="#xd20e324src" name="xd20e324">2</a></span> Ook tot een +goed <i>Schoolboek</i> van de Geschiedenis van Friesland strekt zich +deze behoefte uit.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="kronyk" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e356" class="main">Friesche Kronyk.</h2> +<p class="firstpar"><span class="rm">F</span>riesland, een van de zeven +Vereenigde Nederlandsche Provintien zynde, legt aan de noordooster zyde +van de Zuiderzee en Fliestroom, die het van Westfriesland afscheid: aan +’t noordwesten word het bedekt van de Wadden, tusschen de +Vooreilanden van de Noordzee, als Ter Schelling, Ameland en +Schiermunniks Oog. Het riviertje de Lawers verdeelt het van de +Groninger Ommelanden: van daar naar de zuidzyde is de Drenthe en het +Stigt van Overyzel, loopende bij de Kuinder aan de Zuiderzee. Maar met +de verdeelinge dezer landstreek willen wy den leezer niet ophouden.</p> +<p>Van ouds was de wydte van zijne landpaalen vry verder uitgestrekt, +als loopende van den Ouden Rhyn, die door Leyden aan Utrecht langs +vloeyende, by Katwyk in zee uitliep: begrypende den geheelen zeekant en +de Zuiderzee, diestyds noch droog zynde, tot aan den Eiderstroom, die +het van Jutland afsnyd. Aan de landzyde van Westfalen, Overyzel, +Gelderland, tot het <span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2" +name="pb2">2</a>]</span>Ryk van Nieumegen en Utrecht, binnen zyne +grenzen.</p> +<p>Welke alle door verscheidene vyanden en andere voorvallen, als by +lappen afgescheurd zynde, het boven geschreven lapje land, zyne +vryheid, te gelyk met den naam van Friesland, zonder bystelling van +Oost of West, wel yverigst verdedigt hebben.<a class="noteref" id= +"xd20e368src" href="#xd20e368" name="xd20e368src">1</a></p> +<p>Dat is van ’t Land, welks Inwoonderen de stoffe van ons +schryven zal zyn, naar het gemeenzaamste gevoelen byeen gesteld, als +hier na volgt.</p> +<div class="div2" id="zevenprinsen"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e374" class="super">De Heeren, onder welks Gebied de +Friesen van tyd tot tyd geweest zyn.</h3> +<h3 class="main">I. Onder zeven Prinsen.<a class="noteref" id= +"xd20e378src" href="#xd20e378" name="xd20e378src">2</a></h3> +<p class="firstpar">Het 313de jaar voor dat onze Zaligmaker geboren +wierd, was de tyd dat <span class="sc">Frieso,</span> de eerste Prins +van Friesland, en Voorganger <span class="pagenum">[<a id="pb3" href= +"#pb3" name="pb3">3</a>]</span>der Stichters, door welke dit ons +Vaderland eerst bevolkt wierd, hier te lande kwam: dat zich dusdaniger +wyze heeft toegedragen.</p> +<p>Als die roemruchtige en groote Alexander, die in het bloeyenste van +zyn jeugd het meerendeel van Asia overweldigde, kreeg hy toeloop van +veele volkeren, die hy of overwonnen hadde, of in die gewesten huis +hielden; om zyne gelukkige wapenen tot zo veele spoedige overwinningen +te helpen bevorderen. Onder deze vrywillige krygers waren zommige van +de voornaamsten uit Persien, en hunne onderhoorige Saxen (Sacæ) +de minsten niet. Dewelke, na dat Alexander overleden was, en die +voorige verheerde<a class="noteref" id="xd20e389src" href="#xd20e389" +name="xd20e389src">3</a> volkeren, door zijner Nazaaten oneenigheid, de +handen ruim kregen, vreesden dat het hun t’eeniger tyd mogte +gewrooken worden: zy maaken derhalve een besluit, om met malkanderen, +naar de wyze van dien tyd, een veiliger land tot hun wooninge op te +zoeken. Hunne Geleiders waren Frieso en Saxo, om hunne gezelligheid +gebroeders gezegt, en eigentlyk zo genaamt, of naar den volksnaam van +hunne landslieden zo bekent: welker eerste Persiaanen, en de andere hun +gebuuren, uit de woestyn, die nu Belor heet, gemeenlyk Indiaanen +genoemt zyn; om datze van ouds, <span class="pagenum">[<a id="pb4" +href="#pb4" name="pb4">4</a>]</span>allen die naar ’t Oosten +woonden, den naam van Indiaanen gaven. Des zij tot hunnen +sleep<a class="noteref" id="xd20e394src" href="#xd20e394" name= +"xd20e394src">4</a> een vloot van 300 zeilen toetakelden, en staken +’er mede af van het land van Cilicien, in Notalia of kleen Asia, +gelegen in de Zwarte Zee. Van waar zy, wonderlyk omkruissende, door +verscheidene woeste zeën heen slingerden, tot dat zy eindelyk, na +veele ondervindingen en verlies van de meeste schepen, met slechts 54 +stuks in de Oostzee zyn vervallen; en waar van 12 op het eiland Rugen, +en 18 in Pruissen zijn aangeland: de overige 24 den Fliestroom (welke +de Roomsche Schryvers den derden Mond des Rhyns noemen) inzeilende, +hebben dit gewest, dat nu van hunnen naam Friesland genaamt word, +aangedaan, landende ten west Staveren op de Kreil, daar nu de volle zee +voor Enkhuizen is: alwaar zy, geen menschen vindende, en na zo een +kommerlyk omzwerven, het eerste stand greepen, en die plaatze den naam +gaven van Staden. Daar Frieso ook een Vryhuis voor de vlugtelingen +bouwde, zelve een weinig oostelyker optrok, en een stad bouwde, die +naderhand Staveren genaamt wierd. Doch als in het volgende jaar de +zomer hoogde,<a class="noteref" id="xd20e397src" href="#xd20e397" name= +"xd20e397src">5</a> kwamen <span class="pagenum">[<a id="pb5" href= +"#pb5" name="pb5">5</a>]</span>de Swaaven, die hier ’s zomers +huis hielden en ’s winters landwaards in weeken, om de +overwateringen van de zwaare stormen: want het land was doe noch met +geen dyken omheinigt. Deze, om datze ruuwe en onervaarene krygslieden +waren, zyn ligtelyk van de Friesen op de vlugt gedreven, die hun zetel +hier nu door goede beschansingen gevestigt hadden.</p> +<p>Frieso had by zyn wyf Hil zeven zoonen, die hy elk over een gedeelte +des lands, dat in zeven Zeelanden was verdeelt, tot Voogden heeft +gestelt. En daar toe eene dochter, welke hy Weemoed noemde, om dat +haare moeder van haar in den arbeid was gestorven. Daartoe stelden hy +zyn zoon Æsge over de Burgerlyke Rechten, en Scholte over de +Halszaaken. Haaije maakte hy Priester der Druïden, over de +bosschen der Afgoden. Gæle wierd Dykgraaf, om daar opzigt te +houden. Hette verzond hy, om Voogd te zyn over de Katten, een volk in +Duitschland, dat naar zynen naam nu noch Hessen genaamt word.</p> +<p>In den jaare 308 trouwde Fyt (Vito) of Jutte, een van Friso’s +zoonen, de dochter van Bokke (Bocchus,) Koning van Jutland; zo als het +naderhand, naar zynen naam <span class="corr" id="xd20e406" title= +"Bron: ge-genoemt">genoemt</span> is: en kreeg tot een huwelyksgoed, +het land dat men nu noch heden Sleeswijk noemt.</p> +<p>In den jaare 300, wanneer ’er verschil onder de Veehoeders +ontstond, zyn de <span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name= +"pb6">6</a>]</span>Saxen, by gemeenen raade, van hun gescheiden: en, op +de Elve aangekomen zynde, hebben zich aan geen zyde, dat nu +Noordballingen is, nedergeslagen. Houdende dat gewest noch den naam van +Saxen en Sassen.</p> +<p>Frieso heeft daar na het land, om dat het zeer laag en moerig was, +met dyken van aarde, en zylen of sluizen, om het water te doen +afloopen, tot hun gebruik bequaam gemaakt: en om de overwateringen van +hooge vloeden alomme verhevene wieren doen opwerpen, en daar huizen +laten opbouwen, het land met beschansingen versterkt, en met dorpen en +buurten rondom lustig bevolkt. En, om de welstand en eenigheid des +volks te bewaaren, liet hij goede wetten en heilzaame beveelen +aankundigen.</p> +<p>En uit dat broekachtig en waterig land, schynt het, dat zy het oude +Friesche Wapen hebben genomen, hetwelk bestond uit 7 Plompen, +beteekenende de 7 Waterlanden, op 3 Zilveren balken, in een Blaauw +veld<a class="noteref" id="xd20e417src" href="#xd20e417" name= +"xd20e417src">6</a>. Gelijk die Plompen noch hedendaags in ’t +Wapen van Groningen te zien zyn. Hoewel de onweetende teekenaars daar +nu 3 Herten <span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name= +"pb7">7</a>]</span>van maken. Bezie hunne munten, tot op de duiten +toe.</p> +<p>In den jaare 245 is Frieso, na dat hy dit land 68 jaaren wijsselijk +in vrede geregeert hadde, eindelyk gestorven, en na zyn vaderlyke +Persiaansche wyze te Staveren staatelyk begraven.</p> +<p>Aanstonds is <span class="sc">Adel,</span> zijn oudste zoon, in +’s Vaders plaatze gevolgt: die zyne nagelaatene wetten bevestigt, +vermeerdert, en in schrift gestelt heeft. Hy bragt in gebruik, om de +bequaamheid der gemoederen te onderzoeken, dat ’er alomme +gasteryen en drinkgelagen wierden gehouden, daar men malkanderen in +’t omdrinken, met het geeven van de regterhand, zoude kussen of +zoenen op zyn Persiaans: dat men nu noemt op zyn plat Fries. In de +gasteryen deed hy de geregten by malkander in een grooten Schotel +leggen, en belaste dat men uit een grooten Hoorn zoude omdrinken. Waar +van wy noch zeggen, de Friesche Pateele, en de Friesche Hoorn, en by +zommige Gilden noch in gebruik. Hy trouwde Swebyne, de dochter van den +Koning der Swaaven, zyne gebuuren. Om zyn rechtvaardigheid, is hy by +zyne onderdaanen en gebuuren zo vermaard geworden, dat alle, die wel +regeerden, daar van Adelingen, en van Adel gezegt wierden. Welke +benaamingen tot op den huidigen dag zyn overgebleven.</p> +<p>Ubbe, Juttes zoon, om Jutland tegen <span class="pagenum">[<a id= +"pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>den aanval der Deenen te +bevryden, zette zyn zoon Fyt ter dezer dagen tot Voogd over Eiderland, +en Hendrik, zyn jongste zoon, over Jutland; die ondertrouwd wierd met +Signe, Dochter des Konings der Finnen.</p> +<p>En in den jaare 234, Granus, vyfde Koning der Deenen, dit +bemerkende, heeft zich vermomd, en Hendrik op den dag der bruiloft, +nevens veele van zyne vrienden onvoorziens vermoord: en de Bruid, uit +Finland wegvoerende, zelfs getrouwt: edoch dat hy twee jaaren daar na +met de dood moest bekoopen.</p> +<p>In den jaare 220 heeft Adel, Schotte, zyn broeder Scholtes zoon, +naar ’t land, dat naderhand Schotland is genaamt geworden, heen +gezonden, op dat hy ’t met volk zoude beplanten.</p> +<p>In den jaare 201, Jutte, over de dood zyns broeders vergramd zynde, +heeft de Deenen veele jaaren met zeerooveryen geplaagt: tot dat hy van +Froote, achtste Koning der Deenen, in een zeeslag overwonnen wierd. Die +daar op de geheele Friesche kust heeft uitgeplondert; zynde zulks van +de Deenen voorheen nooit ondernomen: en voort het Flie inzeilende, +heeft zelfs het voorste van Duitschland aangetast: en van daar is hy +met zynen roof of buit naar Engeland overgestoken.</p> +<p>In den jaare 151, is Adel, na dat hy in langduurige vrede loffelyk +het Vaderland bestierd hadde, gestorven. <span class="pagenum">[<a id= +"pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span></p> +<p>Doe wierd <span class="sc">Ubbe</span> tot derde Prins in ’s +Vaders plaats van de Staaten des Lands aangenomen.</p> +<p>In den jaare 131, als Ubbe, op ’t aanraaden van zyne moeder +Swobyne, zyn grootvader, Koning der Swaaven, om de vrindschap te +versterken, eens bezogt hadde, heeft hy Keulen aan den Rhyn gesticht, +ter plaatze daar nu Duts legt. Daarom zyn de Keulenaars by de Romeinen +eertyds Ubii geheeten, van deze Ubbe.</p> +<p>In den jaare 127 heeft Baate, zoon van den Koning der Katten, van +Friesche afkomst, met zyn gezelschap zich eerstmaal in de Betuw +nedergeslagen: daar hy Baatenburg en andere plaatzen stichte. Zynde de +oorsprong van die bekende Bataviers, dewelke nu Hollanders genaamt +worden.</p> +<p>In den jaare 120 heeft Frieso de jonge getrouwd de dochter van Ubbe, +welkers naame Frouw was. Deze Frieso was de zoon van Gryns, zoon van +Gæle, zoon van Haaje, zoon van Frieso de eerste. Hy trok met een +hoop over den Fliestroom, en bewoonde het land, dat van hem noch +Westfriesland is genaamt, en in dien tyd gebynaamt, kleene +Friesen<a class="noteref" id="xd20e460src" href="#xd20e460" name= +"xd20e460src">7</a>. Daar bouwde hy, omtrent duizent schreeden van +Alkmaar, aan een inham van een arm der <span class="pagenum">[<a id= +"pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span>Rhyn, die Krabbendam van +Kennemerland afscheid, de stad Vroonen, die zo ryk en vermaard door den +koophandel wierd. Waar van hedendaags niets meer te zien is<a class= +"noteref" id="xd20e465src" href="#xd20e465" name= +"xd20e465src">8</a>.</p> +<p>In den jaare 71 overleed Ubbe; en <span class="sc">Azinga +Askon,</span> zyn zoon, quam in zyn plaats: dezelve was een onrustig en +eerzuchtig mensch: hy voerde verscheidene doch ongelukkige oorlogen met +den Koning van Tongeren en de Baatenburgers.</p> +<p>In den jaare 59 zyn eenige kooplieden uit Indiën, onder den +noorder aspunt om, door storm en onweder aan de Duitsche kust +vervallen, en, zo men meent, in Friesland aangeland.</p> +<p>Azinga heeft Staveren met muuren omtrokken, en eerst dien naam +gegeeven, naar een ruuwen onbeschaafden Staf, hunnen Afgod; daar zy +God, na de wyze der ongeloovige volkeren, by in erkentenisse hielden; +om dat God de menschen als een staf en leunstok is in alle gevaaren. +Want het was by de Duitsche volkeren gemeen, om God door een stok, +blok, of steen, op hunne wyze te dienen, door dien zy zulken hoogen +achtinge wel van God hadden, dat zy hem met geen duidelyke gelykenisze, +het zy van een mensch, of diergelyke konden afbeelden. <span class= +"pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span></p> +<p>In den jaare 10, ter gelegentheid, dat de Romeinen onder hunnen +Overste Drusus de Baatenburgers, Geldersche, en nabuurige volkeren +overwonnen hadde, heeft hy de Westfriesen ook aangetast, van welke hy +jaarlyks slegts een getal ossenhuiden bedong: en, zullende de volkeren +over den Eems mede aandoen, hebben de Friesen der Romeinen schepen, die +door de ebbe op hunne wadden waren vast geraakt, uit het gevaar van +vergaan verlost.</p> +<p>Als Azinga nu in ’t 71ste jaar zyner regeeringe was, is de +hoope Izraëls, en de wensch aller Heidenen vervult geworden, als +onze Zaligmaker <span class="sc">Jezus Christus</span> te Bethlehem, in +het Joodsche Land, gebooren wierd, tot troost van die geene, die dien +dag der zaligheid voor langen tyd hadden begeeren te zien: terwyl onze +Voorvaderen noch in een dikke duisternis van onwetenheid gezeten +waren.</p> +<p>In den jaare 2, na de geboorte van Christus, Azinga ziende, dat de +Westfriesen, door hulpe der Baatenburgers, onder de Romeinen gebragt, +en van de Roomsche Overste Drusus met 50 Schansen langs den Rhyn wel +bewaart waren, heeft hij de Baatenburgers geweldig bevogten, en veele +ter neder gemaakt. Maar Azinga, door een pyl zwaar gewond zynde, +vlugten de Friesen, hem brengende op zyn slot, omtrent een halve myl +van Staveren, op de Kreil. De Friesen maakende ondertusschen, buiten +zyn <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name= +"pb12">12</a>]</span>bevel, eenen tweeden aanslag, versloegen nochmaals +500 mannen; waar tegen zy 300 Mannen verlooren, en zyn alzo met +overwinning en goeden buit weder gekeert.</p> +<p>In den jaare 4 is Diokarus Seegen, neef van Azinga, Ridder geslagen +van Brabo, eerste Hertog van Braband, en met groote eere weder in +Friesland gekomen.</p> +<p>Ook is by ’t Roode Klif, niet verre van Staveren, een vlamme +uit de aarde geborsten, welke 3 dagen duurde. Den 4den dag quam +’er een groote draak regt om hoog uitvliegen, die de aanschouwers +een half uur lang geweldig verbaasde, en is weder in de spleete neder +gerukt.</p> +<p>In den jaare 5 heeft Azinga die van Tongeren den oorlog aangedaan, +en veele van hen verslagen: doch Brabo, Hertog van Braband, die van +Tongeren te hulpe komende, hebben zy Azinga gevangen gekregen. Doch om +de erkentenisse van Diokarus Seegen, heeft gemelde Hertog hem alleen +maar met <span class="corr" id="xd20e496" title= +"Bron: verachtelyde">verachtelyke</span> woorden gestraft<a class= +"noteref" id="xd20e499src" href="#xd20e499" name="xd20e499src">9</a>, +en doe weder na Friesland gezonden.</p> +<p>In den jaare 6 heeft Tiberius, Veldoverste der Romeinen, +Kennemerland ingenomen.</p> +<p>In den jaare 11 is Azinga Askon gestorven: <span class= +"pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>en zyn +Neef <span class="sc">Diokarus Seegen</span> quam in zyn plaats.</p> +<p>In den jaare 15 heeft hy allomme door geheel Friesland schoolen voor +de jeugd ingesteld; en in ’t byzonder schermschoolen binnen de +Hoofdstad Staveren en Dokkum; daar ’t volk met allen yver +driemaal ’s weeks wierd onderwezen.</p> +<p>In den jaare 16 en 17 zyn de Romeinen met hunne krygsbenden door, +langs en om Friesland getrokken, om de nabuurige volkeren te +beheerschen; zynde de Friesen met hun in een goed verbond.</p> +<p>In den jaare 29, als de Westfriesen, door de gierigheid der +Romeinsche Overste Holle<a class="noteref" id="xd20e522src" href= +"#xd20e522" name="xd20e522src">10</a>, byna uitgeput waren, alzo hy van +hun afeischte grooter ossenhuiden tot schattinge, als zy konden +leveren, zo zyn zy tegen hem opgestaan, en hebben zyne aangestelde +Tolmeester opgehangen, en het slot op het Flie, daar hy gevlugt was, +sterk belegert. Maar, door den Romeinschen Overste der Duitschers +Apronius opgeslagen zynde<a class="noteref" id="xd20e525src" href= +"#xd20e525" name="xd20e525src">11</a>, hebben nochtans groote +overwinninge tegens de Romeinen gehad: dewelke by de 900 mannen +verlooren omtrent het woud Baduhenne; behalven noch 400 soldaaten, die +uit vreeze voor de Friesen <span class="pagenum">[<a id="pb14" href= +"#pb14" name="pb14">14</a>]</span>malkander doodsloegen. Waar door +Diokarus ook den toenaam van Seegen schynt bekomen te hebben.</p> +<p>Omtrent den jaare 44, als de Friesen wel met de Romeinen stonden, en +dat Diokarus zich ook by den Roomschen Keizer Claudius ten stryde +begeeven had, daar hy groote eer behaalde, was ’er een groote +hongersnood in ’t land.</p> +<p>In den jaare 46, als Seegen den staat des lands loffelyk bedient +had, is hy in tyd van vrede gestorven: en zyn oudste zoon <span class= +"sc">Dibbald Seegen</span> is de zesde Prins der Friesen geworden. Hy +was een goedertierend Vorst omtrent zyne onderdaanen: maar aan de +andere zyde zeer onrustig, en genegen tot den oorlog. Waarom hy zich +naar ’t Roomsche leger in Engeland begaf, daar hy veele +ridderlyke daaden uitvoerde: laatende Friesland onder ’t bestier +van een aangestelden Landvoogd.</p> +<p>In dien tyd was ’er in Friesland een kloek Ridder, genaamt +Idsert Jetse, van een verwonderlyke kragt, waarom ook onder de +wandeling Sterke Man geheeten, dezelve was acht voeten in de lengte +groot, hy kon in ieder hand een tonne Bier 220 treeden verre dragen, +neemende onder ieder oxel<a class="noteref" id="xd20e539src" href= +"#xd20e539" name="xd20e539src">12</a> een kaas, omze van ’t +ligchaam te doen afhouden: ook droeg hy 2 mannen een halve <span class= +"pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span>myl +verre op zyne armen: een onbezuist paard, kon hy met zyn vuist slaan, +dat het dood ter aarde viel: en wanneer hy toornig was, derfde hem geen +mensch onder de oogen te komen.</p> +<p>Na den jaare 48, is Corbulo, een Romeinsche Overste, de Westfriesen +onvoorziens op ’t lyf gekomen, wegens hunne wederspannigheid, +daar hier boven van gezegt is: en gyzelaars te pande mede neemende, +stelde hun de paalen, daar zy niet over mogten komen. Het welk men +meent de Lek te zyn, die hy liet graaven tusschen de Maas en Rhyn, daar +nu Holland is.</p> +<p>In den jaare 52 quam Dibbald, van den Roomschen Keizer Claudius +grootelyks begiftigt, weder in Friesland: met hem leidende den Overste +van Camga; daar het edel geslachte van Camminga uit gesproten is.</p> +<p>In den jaare 55, als Claudius gestorven was, is Dibbald oostwaards +opgetrokken, brandende en blaakende zeer verwoed.</p> +<p>In den jaare 59, zyn Vryt of Verritus en Malorix, nevens een goed +gezelschap, in gezantschap tot den Keizer Nero naar Rome getrokken, ter +oorzaake van de klagten der Romeinen, dat de Friesen hun met de +akkerbouw al te na by den Rhyn quamen. Vryt was van ’t Geslachte +van Hermana, afkomstig van Manne, die een kindskind was van Frieso de +eerste. En Malorix van Camminga. Behalven dat zy van den Keizer groote +eerbewyzingen, nevens het <span class="pagenum">[<a id="pb16" href= +"#pb16" name="pb16">16</a>]</span>burgerrecht van Romen verkreegen, +zynde daar ook tot het Christelyk geloove bekeert. En Ægistus, +een der 70 Discipelen van Christus, quam met hun in Friesland, om daar +ook die leere te verbreiden: doch Seerp, Zoon van Fyt, en derde +Priester der Druïden, op ’t Oude Hof te Lewerden<a class= +"noteref" id="xd20e554src" href="#xd20e554" name="xd20e554src">13</a>, +stond hem zeer tegen. Zo dat hy weinig vrugt in ’t land deed, en +wierd van de ongeloovigen dood geslagen.</p> +<p>In den jaare 61, is Dibbald tegen de Duitschers opgetrokken, doch +keerde met verlies van 800 mannen schandelyk weder naar huis.</p> +<p>In den jaare 62, quamen de Deenen, opgemaakt<a class="noteref" id= +"xd20e561src" href="#xd20e561" name="xd20e561src">14</a> van de +Duitschers, Friesland plonderen en verwoesten 6 geheele jaaren lang; +want Dibbald lag ziek te bedde.</p> +<p>In den jaare 69, trok Dibbald met een groote vloot schepen naar +Deenemarken, om zyn leed te wreeken.</p> +<p>In den jaare 77 deed hy de Gelderschen den oorlog aan: die hem zo +wel onthaalden, dat hy 500 mannen verloor, en hy zelve in een +teeringziekte verviel.</p> +<p>In den jaare 85 overleed Dibbald, en wierd te Staveren begraven. +<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name= +"pb17">17</a>]</span></p> +<p>En <span class="sc">Tabbe</span> is tot de zevende en laatste Prins +van Friesland aangenomen, dewyl Dibbald zonder kinderen was gestorven. +Hy was een der voornaamste van Dibbalds Veldoversten, een wreed en +onstuimig man. Waarom hy ook geheele 7 jaaren onder den Roomschen +Keizer Domitianus ten oorlog trok; laatende Friesland onder een +Stadhouder.</p> +<p>In den jaare 94 deeden de Noormannen een tocht op Friesland, dat zy +<span class="corr" id="xd20e579" title= +"Bron: plonderde">plonderden</span> en veel roof uit haalden. Waar over +Tabbe t’huis onboden zynde, zy zich hebben weggemaakt. Hy +ondernam eerst met een goede vloot, en doe te land, zyn wraak te +neemen; maar had weinig voorspoed.</p> +<p>Omtrent den jaare 100 was Harke, zoon van Seerp, de 4de Priester der +Druïden op ’t oude Hof.</p> +<p>En in den jaare 130 is Tabbe, de laatste Prins, gestorven<a class= +"noteref" id="xd20e586src" href="#xd20e586" name= +"xd20e586src">15</a>.</p> +</div> +<div class="div2" id="zevenhertogen"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e596" class="main">II. Onder zeven Hertogen.</h3> +<p class="firstpar">In het zelve jaar 130 quam <span class= +"sc">Askon</span> in <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" +name="pb18">18</a>]</span>zyn vaders plaats, die zich, naar de manier +der Romeinen, Hertog liet noemen.</p> +<p>Sinne, de 5de Priester der Druïden, schreef in deze tyden tot +Askon: om de Christenen uit het land te verjaagen, en de Afgoden des +lands, na ouder gewoonte te dienen.</p> +<p>In den jaare 155 is ’er weder eene groote vlamme op ’t +Roode Klif uitgeborsten, ter zelver plaatze, als boven verhaalt is: en +alzo de menschen, daar omtrent woonende, daar zeer bevreest voor +wierden, vroegen zy hunnen Afgod Staf: Wat daar van worden zou? Zo +antwoorde hun de Duivel door den Staf, als eertyds tot Eva door de +Slang. Dat zy voor dit vuur niet behoefden te vreezen; om dat ’er +na eenigen tyd wel wat kouds op mogt volgen.</p> +<p>In den jaare 163 deeden de Friesen, met de Oosterlingen en Katten +een inval in Frankenland, daar zy ’t zeer verwoesten.</p> +<p>In den jaare 164 is in het zuidwesten, omtrent een halve myl van +Staveren, een put gegraven, die zo veel zout water opgaf, dat men +vreesde het geheele land zoude onderloopen. Waar over den Afgod Staf +nochmaals om raad gevraagt zynde, hun ten antwoord gaf: het bloed van +een driejarig kind daar in te gieten. Dat gedaan wierd, en waar na het +ook ophield, dat ’er zelf geen water meer in de put bleef. Zo +snakt de Duivel naar menschen bloed.</p> +<p>Askon deed verscheidene fraaije dorpen <span class="pagenum">[<a id= +"pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span>stichten, als +Westerbierum<a class="noteref" id="xd20e617src" href="#xd20e617" name= +"xd20e617src">16</a>, niet verre van Flieland; en Dyxhorne, tusschen +Almeenum, dat nu Harlingen genaamt word; Ter Schelling<a class= +"noteref" id="xd20e620src" href="#xd20e620" name="xd20e620src">17</a> +en Westerbierum, die nu beide door de zee verdronken leggen.</p> +<p>In den jaare 168 zyn 2 Meereminnen uit de Lauwers opgekomen; en door +Friesland omzwervende, tot verwondering van veele lieden, hebben zich +eindelyk by Westerbierum, van waar zy gekomen waren, weder +ondergedompelt.</p> +<p>In den jaare 173 is Askon, na een vreedzaame en loffelyke +regeeringe, mede gestorven. Hy liet 4 zoonen na, namentlyk, Adelbold, +Tiete, Richold en Radbout. Radbout vertrok naar Friesland, alwaar hy +trouwde, en een zoon won, welke was Diderik, eerste Hertog van +Westfriesland: van wien naderhand de Hertogen en Koningen van +Westfriesland voortgesprooten zyn.</p> +<p>Maar Adelbold wierd de 2de Hertog in zyn’s vaders plaatze; en +aanstonds beoorloogde hy zyne nagebuuren.</p> +<p>In den jaare 174 vertrok zyn Broeder Tiete naar Romen: alwaar hy +zich in goede <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name= +"pb20">20</a>]</span>konsten, en byzonder in die van de +welspreekentheid oeffende. Waarom hy ook by den Keizer Antoninus, de +Philosooph, wel bemint was.</p> +<p>Na den jaare 175 had Godefroy Brabo, de zesde Hertog van Braband, +oorlog met de Romeinen; daar Adelbold en Tiete hem met hun volk te +hulpe quamen: alwaar Tiete, om zyn ongemeene dapperheid, Ridder +geslagen wierd van Brabo.</p> +<p>In den jaare 178, als Keizer Antoninus oorloogde met de volkeren, +die tegen de Romeinen opstonden, heeft Adelbold zyn Broeder Tiete met +hulpbenden tot den Keizer gezonden: die daar over zeer verblyd was, en +zyne vyanden vrees aanjoeg, alzo zy op die tyding de vlugt namen.</p> +<p>In den jaare 180 vielen de Friesen met een groote furie in Walsland, +afloopende of bedervende al wat hun voor quam; waar doorze by hunne +vyanden een grooten naam en verbaastheid hebben gemaakt.</p> +<p>In den jaare 183 hebben de Wenden en Gotten, uit de Noordsche Landen +opgeborsten, verscheidene volkeren overvallen. En van de Deenen +afgekeert, quamen ze over de Elve, neemende hun zitplaats aan beide de +zyden van de Weezer; en wierden van dien tyd af Oostfaalingen, nu +Oosterlingen en Westfaalingen, geheeten. Van welke 1500 dachten in +Friesland te vallen: maar wanneer zy zagen, dat de Friesen aan de +andere zyde van de Eems goede beschansingen <span class= +"pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>hadden, +derfden zy niet onderneemen om over te komen. Waar op Tiete, hun van +achteren bespringende, alle heeft geslaagen, behalven 400, die den Eems +overzwommen; doch in Adelbolds handen vervielen, en die ’er goede +buit van maakte.</p> +<p>In den jaare 186, als Adelbold krank was geworden, wilde hy zyn +broeder Tiete de landbestiering opdraagen. Welke het ernstig weigerde, +doch echter moest aanneemen. Na welken tyd Adelbold noch veele jaaren +leefde.</p> +<p><span class="sc">Tiete Bojokalus,</span> mogelyk <span class= +"sc">Beukels,</span> was de 3de Hertog van Friesland<a class="noteref" +id="xd20e664src" href="#xd20e664" name="xd20e664src">18</a>.</p> +<p>In den jaare 187 wierd hy ingehuldigt, en regeerde het land met +groote voorzigtigheid, houdende alomme vrede, zo buiten- als +binnenslands.</p> +<p>In den jaare 208 Adelbold gestorven zynde, is met een ongemeene +pracht te Staveren in de groote kerk begraven.</p> +<p>In den jaare 217 is voor de derdemaal op het Roode Klif eene vlamme +opgeborsten, doch 18 treeden westelyker, als waar van wy hier boven +gezegt hebben; dezelve vertoonde zich 11 dagen lang, tot verschrikkinge +van die daar omtrent woonden. Tiete, na dat hy den Afgod Staf 3 dagen +lang brandoffer toegedient hadde, zo gaf denzelven <span class= +"pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name="pb22">22</a>]</span>tot +antwoord: Dat door ten gewapend Ridder 3 kannen water, uit de Noordzee +gehaalt, moest in gegooten worden; alzo het anders niet zoude uitgaan. +Zulks gedaan wordende, zo verdween de vlam. De Duivel kon ligt genoeg +zien, dat het land door de slag van het water geweldig ondermynt +wordende, de Noordsche golven daar wel haast haaren loop zouden +neemen.</p> +<p>In den jaare 240 is Tiete overleden: en zyn neef <span class= +"sc">Ubbe</span>, zoon van Richold, Tietes Broeder, is in ’t +zelve jaar tot 4de Hertog verkooren. Door dien hy zeer vredelievend +was, heeft hy ’t Land met treffelyke gebouwen, sterktens, +vestingen, dorpen en steden verheerlykt. In ’t 2de jaar van zyne +regeeringe bouwde hy in Westfaalen, dat hy met volk bezet hadde, een +slot, geevende het zelve den naam van Tiete, na zyn oom, of +Tietenburg<a class="noteref" id="xd20e683src" href="#xd20e683" name= +"xd20e683src">19</a>. Het zelve is nu een stad, maakende met het +omleggende gewest het graafschap uit, voerende beide den naam van +Tekelenburg, en in zyn wapen noch tweemaal 3 Plompen, nevens 2 Ankers, +uit het oude Friesche wapen.</p> +<p>In den jaare 248 stichte Ubbe aan de Lauwers een sterk kasteel, +’t welk hy den naam gaf van Dokkenburg, dat zo veel gezegt is als +Havenslot; want Dokke, zeggen <span class="pagenum">[<a id="pb23" href= +"#pb23" name="pb23">23</a>]</span>de Geleerden, is in oud Duitsch een +haven, doch word in Friesland ook in de beteekenis van een kinder +poppetje gebruikt. Gemelde kasteel was zeer bequaam, om de haven tegen +de zeeroovers te beschermen. Naderhand is ’er de stad Dokkum van +geworden. Staveren heeft hy veel vergroot, en met heerlyke gebouwen +aanzienlyk gemaakt.</p> +<p>In den jaare 260, ten tyde als Hertog Haron een Heer des lands was, +is ’er naauwelyks eenig landschap in gantsch Duitschland geweest, +of het brande en blakerde van oorlog. In Zweeden, Noorwegen, Hessen, +Friesland, enz. was alles op de been. Van dezen Haron zoude het dorp +Haren alhier zyne benaminge ontfangen hebben.</p> +<p>In den jaare 279 vielen de Baatenburgers in Friesland, en deeden +veel quaad, eer de Friesen zich verweeren konden: maar als Ubbe hen met +een party volk<a class="noteref" id="xd20e701src" href="#xd20e701" +name="xd20e701src">20</a>, zo spoedig als hy ’t zelve byeen konde +krygen, tegen quam, wierd ’er aan weêrskanten hardnekkig +gevogten, en vielen wederzyds wel omtrent 500 mannen.</p> +<p>In den jaare 289 zyn de Hollanders, Friesen, Drenthers, enz. in den +winter, als de wateren bevrooren waren, met een schrikkelyk groot +krygsheir den Rhyn gepasseert; inneemende de landen aan geene zyde +dezelve <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name= +"pb24">24</a>]</span>gelegen, doodslaande en verwoestende voorts alles, +daar maar Roomsche bezettinge inlag.</p> +<p>In den jaare 299 overleed Ubbe, en wierd te Staveren, by zyn oom +Tiete, in de groote kerk begraven.</p> +<p>Om dat zyn oudste zoon Odilbald by den Keizer Diocletianus, wegens +het inneemen van de stad Alexandria, in groote achting was, en hem tot +wigtige zaaken in Egypten groote dienst deed, zo wierd <span class= +"sc">Haron</span>, Ubbes jongste zoon, tot 5de Hertog van Friesland +verkooren, en trouwde de dochter van den Koning der Deenen.</p> +<p>In den jaare 308 en eenige volgende jaaren, heeft Constantinus +Magnus, Roomsch Keizer, deze landen wederom onder zyn gehoorzaamheid +gebragt; doende de guarnisoenen versterken, nieuwe kasteelen bouwen, en +de oude verbeteren<a class="noteref" id="xd20e717src" href="#xd20e717" +name="xd20e717src">21</a>. Voorts alle de geene dreigende, die zich in +volgende tyden zouden roeren, hen te vuure en zwaarde te zullen +vervolgen.</p> +<p>Omtrent den jaare 312 is Westfriesland, dat dus lang als verlaaten +en woest had gelegen, van 5 voornaame mannen begonnen bebouwd te +worden, en met dorpen en heerlykheden versiert. Waar van Diderik, zoon +van Radbout, zoon van Askon, eerste <span class="pagenum">[<a id="pb25" +href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span>Hertog der Friesen, wel de +grootste aanleider was: dezelve heeft ook het eerste ontwerp van +Medenblik gemaakt, en tot een Hoofdstad van Westfriesland gestelt.</p> +<p>In den jaare 334 heeft Diderik, door deze nieuwe heerlykheden +verhovaardigt zynde, den naam van Koning willen voeren. Waarom Haron, +Hertog der Friesen, hem zo met wapenen te keer ging, dat hy binnen 3 +dagen te Staveren quam; en gemelde Diderik dwong zyne Koninglyke Kroon +af te leggen. En Diderik, als overwonnen, zynen overwinnaar om +vergiffenisse bad, die hem eindelyk toestond Hertog van Westfriesland +te blyven: doch met eene eeuwige onderwerpinge onder hem en zyne +nakomelingen. Diderik had een zoon en zoons zoon, die beide Lem of +Willem genaamt waren. Van de laatste draagt Haarlem zynen naam.</p> +<p>Van dien tyd af is de naam van Westfriesland geweest: ook zyn de +inwoonders doe Friesche Buinen, dat is Plompaarts, (Frisiabones) +genaamt<a class="noteref" id="xd20e731src" href="#xd20e731" name= +"xd20e731src">22</a>.</p> +<p>In den jaare 335 is Haron by ’t Roode Klif overleden, en te +Staveren by zynen vader in ’t graf gelegt.</p> +<p><span class="sc">Odilbald</span>, Harons zoon, wierd aanstonds +<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name= +"pb26">26</a>]</span>tot 6de Hertog verkooren. Hy was een dapper +krygsman, en tot de landbestiering wel onderwezen.</p> +<p>In den jaare 339 heeft hy Staveren noch wyder uitgezet, en hooger en +breeder muuren daarom getrokken, en met diepe wyde gragten voorzien, en +met heerlyker vryheden begiftigt. Het land liet hy alomme met meer +buurten en dorpen bezetten, en dezelve met volk bewoonen. Aan de +Lauwers, tusschen Dokkenburg en Schiermunniksoog, heeft hy mede een +stad doen bouwen, die Waarden wierd genaamd, om het land voor +zeerooveryen te beschermen.</p> +<p>In den jaare 344 zyn de Westfaalingen, met die van Angria<a class= +"noteref" id="xd20e747src" href="#xd20e747" name="xd20e747src">23</a>, +hunne gebuuren, tusschen de Eems en de Lauwers, daar nu Groningerland +is, ingevallen. Doch Odilbald heeft niet alleen hunnen roof ontjaagt, +maar hen zelve in hun land vervolgt, dat hy onder zyn gebied bragt, en +eenen Igle Laskon tot Overste daar in gestelt, die ’t ook 65 +jaaren trouwhartig bewaarde. Ook bouwde hy aldaar tot zekerheid 3 +kasteelen, als in Angria, Soest en der Yburg: welke 2 laatste nu steden +van die naamen zyn. Na gemelde overwinning, vertrok Odilbald weder tot +zyn slot Dokkenburg.</p> +<p>Hy bequam ook na eenige dagen tyding van den inval der Baatenburgers +in Friesland. <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name= +"pb27">27</a>]</span>Dewelke van hem aangetast zynde, bleeven ’er +wederzyds omtrent 400 dood: doch de Baatenburgers vlugtende, nam hy +eenige van hunne sterktens in, en versloeg noch van de vlugtelingen wel +250 vyanden: keerende met goeden buit weder te rugge. En leefde +voortaan gerust, zonder eenige oorlogen.</p> +<p>In den jaare 357 verbrande de onlangs gebouwde stad Waarden geheel +af.</p> +<p>In den jaare 359 overleed Odilbald, tot droefheid van zyn volk.</p> +<p>In ’t begin van den jaare 360 is <span class="sc">Odolf +Haron,</span> de laatste Hertog verkooren. Zyne genegentheid was zeer +tot den oorlog, en was door Laskon in den wapenhandel wel geoeffent en +onderwezen.</p> +<p>In den jaare 368 zyn die van Angria, de Westfaalingen en Gelderschen +tegen Igle Laskon opgestaan. Doch Haron met een machtig leger +afkomende, versloeg hen, plonderde Gelderland, en bragt het onder zyn +gebied.</p> +<p>Niet lang daar na zond Igle aan Haron een wolf, die over den huid +met veelerlei zeldzaame afbeeldzels van hoofden bezet was. Haron +vereerde denzelve aan den Keizer Valentinianus, als een +wonderschepzel.</p> +<p>In den jaare 376 vergaderde Odolf een grooten hoop volk by Staveren +en Dokkenburg, waar mede hy in ’t oost en zuidoost is +opgetrokken, neemende aldaar verscheidene vestingen in, die hy met volk +bezette. <span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name= +"pb28">28</a>]</span></p> +<p>In den jaare 377, heeft Odolf de afgebrande stad Waarden weder +opgebouwt, en Ezonstad genaamt, daar nu Emmerzyl is<a class="noteref" +id="xd20e772src" href="#xd20e772" name="xd20e772src">24</a>.</p> +<p>In den jaare 385 kon Friesland zyne Inwoonders niet voeden, alzo de +traage akkerbouw schaarsheid in levensmiddelen voortbragt, zo dat by +gemeenen raade wierd goedgevonden, een gedeelte strydbaare mannen by +lotinge uit te kiezen, om een ander land op te zoeken: ja de Hertog +Odolf was zelve zo toegeevende, dat hy deze lotinge mede over zyne +eigene zoonen liet gaan, en het lot mede op hen is gevallen: des Hengst +en Hors, zyne zoonen, tot Hoofden van ’t uitgelote volk gestelt +zynde, hebben den Eiderstroom aangedaan, en aldaar zich nedergeslagen: +want zy aan ’t Hof van den Keizer Valentinianus zeer wel in +krygs- en staatszaaken onderweezen waren; als ook by Karel Taxander, +10de Hertog van Braband, groote proeven van kloekmoedigheid hadden +gegeeven; en ook by Laskon lang in Westfaalen geweest waren. Het land, +dewyl het laag en broekig was, wierd met dyken en sluizen, tot haar +gebruik ten nutte gemaakt: en gaven ’t den naam van kleen +Friesland, vervattende het land dat <span class="pagenum">[<a id="pb29" +href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span>men nu Eiderstede, Angelen en +Strantfriesen noemt<a class="noteref" id="xd20e782src" href="#xd20e782" +name="xd20e782src">25</a>.</p> +<p>In den jaare 389 hebben de volkeren dezer landen aan de Romeinen +schattinge geweigert te geeven, en daar by hunnen Raadsheer Sisinus met +al zyn volk doodgeslagen. Daar op togen zy langs den Rhyn, en vielen +zeer schrikkelyk op de Romeinen in, om hen uit het land tusschen Rhyn +en Maas gelegen te verdryven; doch te sterken tegenstand vindende, +moesten zy vrugteloos weêr te rug trekken.</p> +<p>In den jaare 420 hebben deze volkeren wederom een schrikkelyk +krygsheir byeen gezamelt, en in de wapenen gebragt; vallende voorts by +Doesburg over den Rhyn, en hakten alles, wat zy van de Romeinen op de +been vonden, kapot; voorts het gansche land doorstroopende, namen zy +alle steden en sterktens tusschen Rhyn en Maas in bezettinge, en +bevolkte dezelve met hun eigen natie.</p> +<p>In den jaare 429 zyn in Friesland, alschoon Haron en de zyne +afgodendienaars waren, door de Christenen 4 kloosters gesticht.</p> +<p>In den jaare 432, Haron, wegens zynen ouderdom, de regeering moede +geworden zynde, heeft met goedvinden van de Staaten des Lands, zyn +zwager Offe in deszelfs plaatze gestelt. <span class="pagenum">[<a id= +"pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span></p> +</div> +<div class="div2" id="negenkoningen"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e796" class="main">III. Onder negen Koningen.</h3> +<p class="firstpar">Zo wierd <span class="sc">Richold Offe</span> in +Odolfs plaats verkooren, en is 1ste Koning geworden.</p> +<p>In den jaare 435 zyn de Noormannen met een groote scheepsvloot in +Groningerland geland, trekkende voorts voorby het Huis Groenenberg, in +’t Drenth, roovende en plonderende alles wat ze konden krygen. +Doch Richold, Koning der Friesen, heeft hen met zyn macht het land +wederom doen ruimen.</p> +<p>In den jaare 436 overleed Odolf Haron: van doe af aan heeft Richold +den naam van Koning eerst aangenomen, om dat hy zyne gebuuren zulks zag +doen: want hy meer land onder zyn gebied had, als iemand onder hen, te +weeten, van de Fliestroom af tot de Eider, en geheel Westfaalen.</p> +<p>In den jaare 442, zyn de Noormannen, een onrustig volk, leevende van +den roof, om buit in Friesland gekomen; en hebben ’t land tot den +grond toe bedorven, maar Richold, een man van onbezweeken moede, trok +hun by Grunenberg<a class="noteref" id="xd20e809src" href="#xd20e809" +name="xd20e809src">26</a>, nu Groningen, te gemoet; doch verloor in +dien stryd, alzo zyn volk moede was van den tocht, by de 300 mannen, +en, ten zy de nacht daar <span class="pagenum">[<a id="pb31" href= +"#pb31" name="pb31">31</a>]</span>niet tusschen gekomen ware, zouden de +vyanden hem met de zynen geheel verslagen hebben. Doch met het +aanbreeken van den dag, is hy andermaal op de Noormannen aangevallen, +en <span class="corr" id="xd20e814" title="Bron: versloegze">versloeg +ze</span>, dat ’er 900 op de vegtplaats dood bleven; de overige +wierden van de landlieden verslagen, ja men weet niet dat ’er een +van ontkomen is.</p> +<p>In den jaare 449, als Hengst en Hors geweldige rooveryen op zee +bedreeven, heeft Vortigern, der Britten Koning, hunne hulpe tegen de +Pikten en Schotten gebruikt, die zy overwonnen; en stichten, na veel +tegenstand, aan de voorkant van Engeland het Ryk, dat noch Kent genaamt +word, en daar Hengst de 1ste Koning is geweest: geevende hunnen +oorspronk aan de tegenwoordige Engelschen, gelyk de naam van Angelen en +Angelboeren, te vooren gemeld, ook wel uitwyzen. 2 Friesche Edelingen, +als Tæke Heerema en Douwe Hiddema, waren hunne Admiraalen, die +ook het Eiland Frisland zouden opgedaan en dien naam gegeeven +hebben.</p> +<p>In den jaare 453 bouwde Richold tusschen Staveren en Medenblik een +groote kerk, en stelde die tot een Vryhuis voor de ballingen<a class= +"noteref" id="xd20e821src" href="#xd20e821" name="xd20e821src">27</a>. +En in ’t volgende jaar maakte hy vrede met de Noormannen. +<span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name= +"pb32">32</a>]</span></p> +<p>In den jaare 463 bouwde hy binnen Staveren een kostelyk en koninglyk +Huis, daar hy alle Prinsen en Hertogen van Frieso den 1sten af, tot +zynen tyd toe, in liet afbeelden; met een naauwkeurig verhaal van hunne +daaden en tyd van regeeringe daar by gestelt. Waar van het gerucht +alomme verspreide tot vreemde volkeren, en nieuwsgierigheid verwekte, +ja zelfs dat Karel de Schoone, Hertog van Braband, nevens zyne +Hovelingen, zich naar Staveren begaven, om de pragt en deftigheid van +dat werk met verwondering te bezichtigen.</p> +<p>In den jaare 471, als Odilbald, Richolds zoon, aan Haddinge, der +Noormannen Konings dogter, getrouwt was, wierd hy van zyn vader tot +1ste Graaf van Tietenburg gestelt, dat nu Tekelenburg genaamt word.</p> +<p>In den jaare 496, deed Klodoveus, (Klovis) zoon van Childrik, Koning +van Vrankryk, een inval in Friesland, meenende hetzelve onder zyn +gebied te brengen. Maar Richold heeft hem zoo wel ontfangen, dat hy met +groote schande weder naar Vrankryk moest vlugten. Na dien tyd had +Richold goede vrede, liet veele huizen, hoeven, heerlykheden en +slooten, die wy stinzen noemen, alomme aanbouwen: ook stichte hy, tot +vermaak van zyn hofgezin, een lustige Stins en Lusthof, in een woud, +omtrent een myl verre van Staveren, dat naderhand een geweldige meer is +geworden, die de Flusse genaamt word. En, eer dit <span class= +"pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span>jaar ten +einde was geloopen, overleed hy, en wierd van zyn zoon naar Titenburg +gevoert, en aldaar ter aarde bestelt.</p> +<p><span class="sc">Odilbald,</span> Graaf van Tietenburg, wierd in +zyn’s vaders plaats de 2de Koning der Friesen. Hy was een +verstandig en beleefd man, goedertierend over zyne onderdaanen, en +kloek tegen zyne vyanden. Zyne zoonen zond hy tot den Koning der +Noormannen, om in den wapenhandel geoeffent te worden<span class="corr" +id="xd20e846" title="Niet in bron">.</span></p> +<p>In den jaare 513 zyn in een kelder, omtrent een halve myl van +Dokkenburg, zeer subiet omgekomen 9 mannen, 3 vrouwen en 6 kinderen, zo +men vermoede door een basiliskus<span class="corr" id="xd20e852" title= +"Niet in bron">.</span> Waar op het huis aanstonds verbrand wierd, en +men vernam geen quaad meer.</p> +<p>Omtrent dezen tyd gebeurde het, ten huize van Yv Hopper, of Hopheer, +tusschen Staveren en Hoorn, (daar de Zee noch het Hoornsche Hop genaamt +word, en nu diepe baaren schiet; waar van men ook noch zegt: +<i>’t Hoornsche Hop, leegt den krop</i>,) dat een dienstmaagd, +als zy water uit de put schepte, een leevendige haring mede optrok. +Waar door Hopper verschrikte, indachtig wordende, ’t geen de +Afgod Staf voorzegt had: dat na dat vuur, daar we op ’t jaar 155 +van gemeld hebben, wel wat kouds mogt volgen. Des hy zyne landen +verkogt en verruilde, en alzo voorquam dat hy geen <span class= +"pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span>schade +door de wegspoeling derzelver behoefde te lyden<a class="noteref" id= +"xd20e862src" href="#xd20e862" name="xd20e862src">28</a>.</p> +<p>In den jaare 516 is geheel Friesland byna door de zee onder +geloopen, waar door meer dan 6000 menschen en veel vee is +verdronken.</p> +<p>In den jaare 517 zyn in Friesland ongemeene groote hagelsteenen +gevallen, waar van zommige een halve voet breed en een heele voet lang +waren, voortgedreven door een zwaaren wind. Groningen, by de Friesen +Grins genaamt, is in dezen tyd met houte planken omheiningt +geworden.</p> +<p>In den jaare 527 is Odilbald te Dokkenburg gestorven, en te +Tietenburg begraaven.</p> +<p><span class="sc">Richold,</span> zyn oudste zoon, quam door +algemeene toestemminge der Staaten, terstond in zyn’s vaders +plaats. Om zyne deugden was hy by de landzaaten zeer bemint. Onder +Richolds regeeringe had Dibbald het gezach over Westfriesland, en nam +met verlof van Richold, zyn Beschermheer, den naam van Koning +aan<span class="corr" id="xd20e875" title="Niet in bron">.</span> Zyn +zoon Lem, of Willem, bouwde een slot, dat het volk Heer Lems Slot +noemde, en wierd naderhand een Stad, die nu noch daar van Haarlem +genaamt is<a class="noteref" id="xd20e878src" href="#xd20e878" name= +"xd20e878src">29</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" +name="pb35">35</a>]</span></p> +<p>In den jaare 548 hebben de Deenen het Graafschap Tietenburg +jammerlyk geplaagt en uitgeplondert; doch de komste van Richold gewaar +wordende, zyn doorgegaan. Waar op de Koning zyn Overste Harke, uit het +edel geslachte der Rodmannen, een onverzaagden held, met een grooten +hoop volk naar Deenemarken zond; die daar zeer brande en blaakte, en +komende met een ryken buit weder in Friesland te rug. Middelerwyl zyn +ook de Gelderschen en Westfaalingen wederspannig geworden; doch als +Richold hen, met een groote macht van volk, in een slag overwonnen had, +hebbenze om lyfsgenade moeten bidden, met belofte van eene eeuwige +onderwerping.</p> +<p>In Westfriesland werd Dibbald van de Baatenburgers mede zeer +benaauwt; dat, ten waare Richold hem met geen machtige hand beschermt +hadde, hy ’t halve Land zoude kwyt geweest zyn: doch bequam nu, +boven het zyne, noch verscheidene van hunne vestingen. Hy liet, na zyn +overlyden, Ridzert Aurundulus in zyne plaats, die zyn kindskind +was.</p> +<p>In den jaare 570 ontstond ’er uit het noordwesten een +vreesselyk onweder, dat 3 dagen aanhield, en Friesland jammerlyk onder +water zette. Daar wierden op het Roode Klif 35 zwaare boomen uit den +grond gerukt en ter neêr geworpen: en van het lusthof van den +Koning Odilbald, aldaar gebouwd, wierd niet den eenen steen op den +anderen <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name= +"pb36">36</a>]</span>gelaaten. Ook overleed Richold in dit zelve +jaar<a class="noteref" id="xd20e890src" href="#xd20e890" name= +"xd20e890src">30</a>.</p> +<p><span class="sc">Beeroald</span> volgde hem in ’t landbestier, +en quam terstond het gebied van Westfriesland weder op hem: want +Aurundulus gestorven was, wiens dochter hy trouwde. Van inborst was hy +zeer mild en vreedzaam. Hy gewan twee zoonen, als Adgild en Harke, die +een onechte was; die hy deftig in de schoolen liet onderwyzen: doch +Harke verlaatende de schoole buiten ’s vaders kennisse, trok uit +lust tot de wapenen naar Braband.</p> +<p>In den jaare 606 wierd Harke uit Braband, met Pipyn van Landen, zoon +van Karelman, ten hove gezonden naar Vrankryk: daar Harke, uit afgunst +om zyne dapperheid, het hof heimelyk verlaatende, naar Schotland +vertrok; en wierd Overste van ’t Schotsche veldleger, en waar +door hy huuwde aan de maagschap van den Koning van Schotland.</p> +<p>In den jaare 612, Lotrik<a class="noteref" id="xd20e902src" href= +"#xd20e902" name="xd20e902src">31</a>, der Franschen Koning, achtende +dat de roemrugtigheid van Harke tot zyn nadeel zoude strekken, om +Friesland niet te konnen overmeesteren, liet hem door verspieders +ombrengen, <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name= +"pb37">37</a>]</span>tot groot leetwezen van den Schotschen Koning +Eugenius.</p> +<p>In den jaare 628 beeft Dagobert, nieuwe Koning van Oostvrankryk +gestelt zynde van Lotrik zyn vader, Friesland willen onder zyn gebied +brengen; op dat zy tot het Christelyk geloove zouden gebragt worden: +des hy Soest, in Westfaalen, belegerde, wierd hem van Igle of Yge +Gaalema een stuk van zyn helm en eenige hoofdhairen afgeslagen. Waarom +hy zyn vader uit Vrankryk ontbood.</p> +<p>Des Lotrik, in den jaare 630, een hoop volk byeen rukkende, +onverwagt in Friesland viel. Waar over Beeroald hem omtrent het dorp +Englum hef hoofd bied. En als Lotrik hem zag, die hy meinde al dood te +zyn, zei hy op zyn plat Fries: <i lang="fy">Ach duw aade schiere bolle, +bistu dir salm!<a class="noteref" id="xd20e913src" href="#xd20e913" +name="xd20e913src">32</a></i> Het welk terstond voor Lotriks ooren +komende, week hy niet uit den stryd, voor dat hy Beeroald gedood hadde. +En heeft daarom alle Friesen, drie dagen lang, dood laaten slaan, die +langer waren dan zyn zwaard. Van dien tyd af heeft Dagobert de Friesen +veele landen ontnomen.</p> +<p><span class="sc">Adgild</span> wierd in zyn’s vaders plaats +tot 5de Koning van Friesland gestelt, wegens <span class= +"pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name="pb38">38</a>]</span>Lotrik, +Koning van Vrankryk; en stelde 4 Friesche heeren tot Raaden nevens hem, +die de Christenen wel mogten lyden. Maar de landen over de Zuiderzee, +verstaande Westfriesland daar niet onder, wierden hem afgenomen: als +mede dat zij buiten Drenth en Twente hadden bezeten; doch oostwaards +aan bleef het in zyn geheel: en een jaarlyksche schattinge van 600 +ossen of koeyen wierd hun opgelegt.</p> +<p>In den jaare 652 was Friesland in gerustheid, midden in der +Franschen oneenigheden; en Adgild leerde de Ingezetenen, voor de +overstroomingen, hooge aardhoopen, die wy Terpen noemen, opwerpen; om +by ’t doorbreeken der zeedyken, met hunne beesten, goed en have +aldaar de vlugt te neemen. Dagobert, Koning van Oostvrankryk, bouwde te +dezer tyd een slot, nevens Wiltenburg, dat hy Utrecht benoemde, alwaar +de schepen, die uit zee den Rhyn opvoeren, zich moesten vertollen. +Welke plaats in voorigen tyd den Friesen had toebehoort. Hy gaf dit +nieuw gebouwde Utrecht aan Thuinibert, Bisschop van Keulen, die daar +aan de Thomas Kerk, een oeffenhuis van predikers, stichte, om de +Friesen van hun ongeloove te bekeeren. Adgild had een zoon gewonnen, +die Radbout heete, en eene dochter, Heile genaamt.</p> +<p>Omtrent den jaare 671 hadden de Friesen eene goede vrede, terwyl +’t rondom door <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" +name="pb39">39</a>]</span>de wapenen der Franschen als in den brand +stond: want Adgild, erkennende van wien hy ’t Ryk ontfangen +hadde, deed alles naar der Franschen zinnelykheid<a class="noteref" id= +"xd20e939src" href="#xd20e939" name="xd20e939src">33</a>, en liet de +Christenen hunne godsdienst met alle vryheid oeffenen.</p> +<p>In den jaare 672 vertrok Radbout naar Deenemarken, om zich in den +wapenhandel te oeffenen: en wierd, ook aldaar noch meer in zyn +ongeloove gesterkt.</p> +<p>In den jaare 678 heeft Adgild, den Prediker van Utrecht, genaamt +Kenochius, toegelaaten in Friesland te prediken. En Wilfrid, +Aardsbisschop van Jork, zullende naar Romen reizen, doch door onweder +in Friesland vervallen, wierd den geheelen winter huisvestinge +gegeeven, inmiddels dezelve mede alomme de Christelyke leere verbreide +en veele doopten: doch de Koning en zyn hofgezin begeerden van hun +ongeloove niet af te wyken. Maar, om grootere voortplantinge te doen, +zo vereischten meerdere arbeiders; des hy hier over schreef aan de +Broederen in Engeland.</p> +<p>In den jaare 679 overleed Adgild, en wierd te Staveren begraven.</p> +<p><span class="sc">Radbout</span> is de 6de Koning der Friesen +geworden, in zyn’s vaders plaatze: hy was <span class= +"pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name="pb40">40</a>]</span>onrustig +en wreed van gemoed, en tot den oorlog zeer genegen. Hy nam het zeer +euvel op, dat zyn vader zo gewillig onder de Franschen hadde gestaan: +waarom hy ook de landen, die zy zyn vader hadden afgenomen, met het +zwaard wilde wederhaalen. Des hy, om geld te bekomen, zyne onderdaanen +onverdraagelyke schattingen opleide, en de onvermogenden gebruikte hy, +door houte duimyzers, als slaaven. Want de Friesen lieten zich, buiten +redenen, niet vrywillig om den tuin leiden. En om des te bequaamer tot +zyn voorneemen te komen, voerde hy zyn hofgezin naar Staveren. Van waar +hy optrok, en het slot Wiltenburg en Trajectum, nu beide Utrecht +genaamt, weder veroverde. Ondertusschen was Wigbert, op het schryven +van Wilfrid, naar Friesland vertrokken: doch is, wegens de +onbekeerlykheid van het volk, na 2 jaaren, weder in Engeland te rugge +gekomen.</p> +<p>In den jaare 690, als Egbert, Bisschop van Jork, daar door tot +mededogentheid ontroerd wierd over de Friesen, heeft hy 12 geleerde +mannen, uit verscheidene kloosters, byeen vergadert; waar onder +Willebrord, en zyn neeve Switbert, de voornaamste waren: dewelke allen +den Rhyn inkomende, zyn te Utrecht aangeland, en, wegens de +vredelievende eenvoudigheid van die tyden, hunne goederen in ’t +gemeen gebruikende, hebben zy met een heiligen yver, tot het onderwyzen +<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name= +"pb41">41</a>]</span>der onweetende of afgodische Friesen, van daar een +aanvang gemaakt. Maar alzo gemelde Friesen, in hunne afgodery noch als +verzoopen lagen, wierd hun niet toegelaaten om Gods Woord te +verkondigen, en met bedreiginge van leevensstraf, zo zy zulks +ondernamen. Des zy de platte landen en aangrenzende landstreeken van +Friesland zyn doorgewandelt, op dat zy noch eenigen voor Christus +mogten gewinnen.</p> +<p>In den jaare 693 heeft Pepyn, dies tyds Voorvegter der Franschen, en +Hertog van Braband<a class="noteref" id="xd20e961src" href="#xd20e961" +name="xd20e961src">34</a>, Radbout weder uit Wiltenburg verjaagt: die +zich van dien tyd af als balling op een eiland onthield, alwaar hy en +zyn volk groote afgodery met eenen afgod Foste bedreeven; waar van +gemelde eiland ook Fosteland, nu Heiligeland, genaamt is, leggende in +de bogt van Jutland.</p> +<p>In den jaare 694 quam Willebrord met de zynen op dat eiland, en +begonnen, na eenige dagen daar geweest te hebben, Christus te +verkondigen: maar konden niet meer als 3 menschen van hun ongeloove +aftrekken, en, na zy de beelden van Jupiter en Foste afgeworpen hadden, +dat Wigbert met de dood moest bekoopen, zynze door Radbout weder +<span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name= +"pb42">42</a>]</span>van daar verjaagt. Maar, als zy naar Pipyn +vertrokken, wierdenze door deszelfs toedoen weder in Utrecht herstelt. +Van welken tyd af zy zeer veel bekeerden.</p> +<p>In den jaare 695 bouwde Willebrord, op de plaats van de afgeworpene +kerk, binnen Utrecht, eene andere ter gedachtenisse van het kruis.</p> +<p>Daar maaktenze een verdeling, en zonden van hen af, by tweeën +en drieën, na de deelen van Duitschland, om de Christelyke leere +aldaar mede onder de ongeloovigen voort te planten. Willebrord bleef te +Utrecht; en Switbert, met twee medehelpers, vertrokken naar Wyk te +Duurstede, daar nu Baatenburg is: alwaar zy door een wonderwerk veelen +bekeerden. ’t Welk zy te Utrecht boodschappende, zo zyn +Willebrord en Switbert, om de zaaken wel te bestellen, tot Hoofden +uitverkooren. Switbert vertrok naar Engeland, daar hy Bisschop wierd +gemaakt, en deed, na zyne wederkomst, in Friesland, Holland, en +Teisterband veele stichtinge.</p> +<p>In den jaare 697 quam Willebrord weder te Utrecht, zynde in ’t +voorgaande jaar van den Paus te Romen aangestelt tot Bisschop der +Friesen, daar in dien tyd de Groningers, Overysselschen, Utrechtschen, +Hollanders, en Gelderschen mede onder begrepen waren; en stelde zynen +zetel te Utrecht: Waar van zyne navolgers Bisschoppen van Utrecht zyn +genaamt geworden, daar hy de <span class="pagenum">[<a id="pb43" href= +"#pb43" name="pb43">43</a>]</span>eerste van was; en Switbert was zyn +medehelper.</p> +<p>Dit alles kon Radbout met geene goede oogen aanzien; waarom hy +Gerlacus, een woedend krygsman en Overste van Fosteland of Heiligeland, +woonende te Warns, alwaar hy ook een sterk slot gebouwd hadde, afzond, +eerst om Baatenburg, en dan Utrecht te vermeesteren. Maar is van Pipyn +zodanig overwonnen, dat hy hem veel buit moest achterlaaten, als mede +eene belofte doen, om de Christenen in Friesland te vergunnen, Gods +woord vry te mogen verkondigen. Ook wierd Willebrord ondertusschen van +Pipyn aangemaant, om het heilige werk met yver in Friesland voort te +zetten.</p> +<p>In den jaare 698 verzond Willebrord veele vroome en geleerde mannen +naar Friesland: maar hunne leere wierd niet aangenomen, en zy in +tegendeel bespot, verjaagt en doodgeslagen.</p> +<p>In den jaare 700 Wulfranus, Bisschop te Sens, een stad in Champagne, +in Vrankryk, door den geest geroert zynde, is met brieven van +voorschryvinge des Konings van Vrankryk, aan Radbout, in Friesland +gekomen; daar hy, door zyne krachtige welsprekentheid, veel volk won, +en ook den Koning byna bewoogen had, zo dat hy zelve begeerde gedoopt +te zyn. Waar op hy Koning, met den Bisschop buiten Medenblik gaande, +alwaar Radbout dien tyd zyn verblyf had, en reeds den eenen voet nu al +in <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name= +"pb44">44</a>]</span>’t water gezet hebbende, vroeg hy gemelde +Bisschop: Waar zyne voorouderen, die zonder den doop gestorven zyn, +waren gebleven? De Bisschop dien ruuwen mensche, door onvoorzigtigheid, +wat t’ onbedagtelyk antwoordende, zeide: Dat buiten de kennisse +van Christus, en den waaren God, met verachtinge van de heilige +Sacramenten, geene zaligheid te bekomen was: en daarom moestenze in de +helle zyn. <i>Wel,</i> antwoorde Radbout, <i>dan zal ’t my veel +grooter eere en aanzien geeven, dat ik by myne voortreffelyke en +beroemde Voorvaderen in de helle ben, als met een geringen hoop +Christenen in den hemel.</i> En trok aanstonds zyne voet te rugge uit +het water, met beschimpinge van den Bisschop.</p> +<p>In den jaare 719, als Radbout zag, dat de christenkennisse +grootelyks in Friesland toenam, en zyne afgodendienst in verachtinge +quam, is hy, ten deele uit spyt, en ten deele door een knaaging van zyn +aangeroerd gemoed, na een zesjaarige uitteering, eindelyk binnen +Medenblik overleden, en te Staveren begraven.</p> +<p><span class="sc">Adgild,</span> de tweede van dien naam, wierd van +het volk tot zevende Koning verkooren, in zyn’s vaders plaats. Hy +regeerde het land in groote gerustheid en vrede. Ook liet hy de +Christenen onverhindert in hunne oeffeningen; want hy had zelve de +Christelyke leere aangenomen, en zich laaten doopen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name="pb45">45</a>]</span></p> +<p>In den jaare 726 quam Horne, een onechte zoon van Radbout, uit +Deenemarken; en alschoon hy zyn vader in ongestuimigheid en wrevel +gelyk was, heeft hy zich echter, door Adgilds toedoen, laaten doopen. +Deze heeft de stad Hoorn gebouwd.</p> +<p>Omtrent den jaare 728, als de christenkennisse te Utrecht zeer +toenam, heeft Bisschop Willebrord wederom verscheidene leeraars naar +Friesland gezonden. Welke, schoon zy vry en veilig konden gaan, evenwel +weinig voordeel by de hardnekkige Friesen hebben kunnen doen: want de +blindheid des volks, en zugt tot hunne afgoderye, was te groot. Een +Veldoverste Richold, veinsde te willen zyn gedoopt, doch bespotte den +Christendienaar op gelyke wyze, als wy hier boven van Radbout hebben +aangeteekent.</p> +<p>In den jaare 729 is Karel Martel,<a class="noteref" id= +"xd20e1004src" href="#xd20e1004" name="xd20e1004src">35</a> Koning van +Austrasia of Oostvrankryk, met een groote vloot schepen op de rivier de +Burde aangekomen, zynde van den Bisschop Willebrord daar toe verzogt, +om de Friesen te noodzaaken hunne afgoderye te verlaaten: hy overwon +den Overste Poppe, zoon van Gerke; waar op hy Friesland zeer verwoeste; +de afgodische kerkhoven en beelden <span class="pagenum">[<a id="pb46" +href="#pb46" name="pb46">46</a>]</span>uitroeide en verbrande, en veel +roof mede nam. Na welke overwinninge, Willebrord alomme Christen kerken +deed bouwen. En de Friesen, uit vreeze voor de Franschen, derfde de +Christenen niet meer tegenstaan.</p> +<p>In den jaare 736 is Bisschop Willebrord ontslaapen: uit zyne +onderwyzingen zyn veele deftige leeraars voortgekomen, en is een +werktuig geweest van de bekeering der Friesen, die hem daarom wel in +goede erkentenisse mogen houden. In zyn plaats quam Bonifaas, als +tweede Bisschop der Friesen, te Utrecht, en verbeterde het verval der +kerke grootelyks, met ongemeene stichtinge, in deze landen.</p> +<p>In den jaare 737 overleed Adgild, en is te Staveren by zyn vader in +’t graf gelegt. Door hem is de stad Alkmaar gesticht. Eene van +zyne dochters, Konovelle genaamt, was uitgehuuwt aan Adelbrik, een +voornaam edelman, die omtrent Sixbierum een slot had gesticht, dat hy +Adelburg noemde. Hy had veele kinderen, aan wien hy zyn goed by zyn +leeven uitdeelde: daarom begeerde hy dat zy zich niet van Adelburg, +maar van Adelen zouden laaten noemen; dat noch tot heden zo gebleven +is.</p> +<p><span class="sc">Gundebald,</span> Adgilds zoon, wierd tot achtste +Koning ingehuldigt: hy was, als zyn vader, mede tot het Christelyk +geloove bekeert, en had gestadige vrede in zynen tyd. Hy heeft van +’t kasteel Dokkenburg de stad Dokkum gebouwt. <span class= +"pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name="pb47">47</a>]</span></p> +<p>In den jaare 739 quam Saake Rodman, met eene uitmuntende geleerdheid +en krygskunde voorzien, in Friesland, hebbende 13 jaaren op ’t +hof van den Keizer, Paus en Hertog van Venetien verkeert, waarom +Gundebald hem tot zynen raadsman aannam: en deed groote weldadigheid +aan de stamme der Rodmannen.</p> +<p>In den jaare 749 overleed Gundebald, nalaatende twee zoonen, als +Gundebald de tweede en Jan, welke om zyne vroomheid gebynaamt wierd +Priester Jan, daar verscheidene vertellingtjes van zyn. Zyne dochter +Taekle huuwde aan Haaje Kamminga, en haare dochter namaals met eenen +Ode Botnia, Hertog van Zweeden; alwaar ’t geslachte van Botnia +uit voortgesprooten is.</p> +<p><span class="sc">Radbout,</span> de tweede van dien naam, is de +laatste Koning der Friesen geweest; zynde de broeder van Gundebald, en +zoon van Adgild de tweede: van welke hy veel verschilde, doordien hy in +Deenemarken opgevoed, en in de afgoderye zeer gewoon was: hy wierd +godloos en wreed, en alzo hy nog jong was, geen meester van zyne +verkeerde hartstogten om dezelve te bedwingen.</p> +<p>Zynen afgod Foste stelde hy op Ameland wederom ten toon: om de +Christenen nochmaals dezelve te noodzaken, en van hun geloove af te +trekken; of by weigering, strafte hy dezelve met de dood, of bande ze +uit den lande. Dus handelde hy ook met Rodman en de zynen, om het +Christen <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name= +"pb48">48</a>]</span>geloove, en beroofde hen van alle de waardigheden +en eerampten, by Gundebald voorheen aan hen vergunt. Des Saake, zyne +goederen verlaatende, tot den Koning van Vrankryk de vlugt nam; die hem +in groote achtinge hield.</p> +<p>In deze dagen had Solke Forteman de geschiedenissen en daaden der +Friesen, van hunnen oorsprong af tot op zynen tyd toe, vlytig +beschreven: en om dat hy Radbout zo veel eere niet gaf, als zyn +gestorven broeder, die de Christelyke leere had voorgestaan, daar deze +de vervloekte afgoderye weder op den troon trachte te stellen, zo wierd +dit Radbout, door zyne benyders, en inzonderheid door toedoen van +Syvert, Priester der Druïden, op ’t Oude Hof, aangebragt: +waar op Fortemans boeken voor zyne oogen wierden verbrand, en hy zelve +in de gevangenis geworpen.</p> +<p>In den jaare 752 heeft Bonifaas tweede Bisschop van Utrecht, +goedgevonden, de Christenheid, die Radbout zo wreevelmoedig verdrukte, +in Friesland wederom te herstellen: des hy met 51 leeraars te Almeenum, +daar nu Harlingen is, aangekomen zynde, hebben zy zich eerst in +Westergo verspreid, de afgoden te landewaarts omgeworpen, Christen +kerken gesticht, en veel volk bekeert: en om andere mede te stichten, +voeren zy de Burde ten einde, hunne tenten nederslaande by ’t +dorp Oudeboorn, <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name= +"pb49">49</a>]</span>alwaar zy mede eenige geestelyke voordeelen +deeden.</p> +<p>In den jaare 754, als ’er veele nieuwelingen gedoopt waren, zo +beloofde Bonifaas hun de bevestiginge, naar de wyze der Roomsche kerk, +op Pinxter binnen de stad Dokkum te geeven. Maar ter bestemder plaatze +en tyd quam een hoop moordenaars, die den Bisschop en zyne +medearbeiders wreedelyk vermoorden. Tot even voor de reformatie +vertoonde men noch te Dokkum van dezen Bonifaas zyn herssenpan, +Bisschops staf en andere overblyfzelen; dat zy het volk wilden doen +gelooven.</p> +<p>Omtrent den jaare 769 was in Friesland een dapper en geleerd +edelman, genaamt Feye Forteman; welke namaals Veldoverste onder Karel +den Groote wierd, en die zich mede tot het Christen geloove +bekeerde.</p> +<p>In den jaare 769 heeft Radbout een harden aanval op Utrecht gedaan, +waar door hy haar geweldig plaagde; en van Pipyn geboden zynde, daar +van af te zien, achte hy zulks weinig.</p> +<p>In den jaare 775, als Radbout uit eigener booze driften, en door de +opstookinge eerst van Syvert, en daar na van Okke, Priesters der +afgodische Druïden, zeer verwoed tegen de Christenen te werk ging, +klaagdenze zeer erbarmlyk aan Karel den Groote, Koning der Franschen. +Welke Koning, na dat hy de Saxen overwonnen hadde, de Friesen mede +beoorloogde, en Radbout in twee veldslagen, <span class= +"pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name= +"pb50">50</a>]</span>overwonnen hebbende, vluchte dezelve liever in +Deenemarken, als dat hy de Christenen by verdrag of vredeverbond in +’t land wilde vrye oeffening van hunne godsdienst vergunnen. En +dit wierd de gelegentheid, dat de Koninglyke Heerschappye in Friesland +een einde nam.</p> +</div> +<div class="div2" id="vreemdeheren"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e1048" class="main">IV. Vreemde Heeren.</h3> +<p class="firstpar"><span class="sc">Karel</span> de <span class= +"sc">Groote,</span> Friesland dus onder zyn heerschappye gebragt +hebbende, heeft het zelve als een overheerd land of provintie gehouden, +en stelde ’er Landvoogden over, die ’t in zynen naam +bestierden of regeerden.</p> +<p>Hy nam ook zeer ter harten, dat ’er vroome en geleerde mannen, +om de Christenheid yverig voort te planten, wierden naar toe +gezonden.</p> +<p>In den jaare 777 is Ludger, die te Wierum in Friesland gebooren was, +een man van eene uitsteekende geleerdheid, te Dokkum tot Priester +aangestelt, van wege den Bisschop van Utrecht. Deze heeft de +ongeloovigen stigtelijke onderwyzing gegeeven, en de afgodery geheel +ten lande uitgeroeit.</p> +<p>Gustavus (mogelyk Goffe of Gosling) Forteman heeft te Almeenum, dat +nu Harlingen is, een kerk, van hout en met riet gedekt, ter +gedachtenisse van den Engel Michaël<a class="noteref" id= +"xd20e1063src" href="#xd20e1063" name="xd20e1063src">36</a>, in dezen +tyd laaten bouwen, om tot een vergaderplaats <span class= +"pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>der +Christenen te dienen. Na welk voorbeeld naderhand veele kerken gemaakt +zyn.</p> +<p>In den jaare 779 vielen de Noormannen by Westerbierum, daar boven +van gemeld is, in Friesland, en versloegen den edelen Heermana: waarom +de Friesen, zeer verbittert zynde, by de 400 Noormannen versloegen, en +ontroofden hunnen geplonderden buit. Des de Noormannen, in hunne +schepen vluchtende, doorgingen. Maar de Friesen afgetrokken zynde, zo +quamen de Noormannen tusschen Kornwerd en Hindeloopen, dat doe noch een +dorp was, weder te land, welke plaatzen zy uitplonderden, en daags daar +aan verbranden. Doch die van Staveren, het eerste zulks gewaar +wordende, verjoegenze nochmaals, veroverden van hen vyf schepen en al +dien geroofden buit.</p> +<p>In den jaare 784 zyn de Noormannen wederom met Wydekind, Hertog van +Saxen, die door Karel den Groote overwonnen zynde, en in Deenemarken +gevlucht was, op de Eems aangekomen: maar wierden door die van Staveren +en Ezonstad met een goede vloot schepen van daar gejaagt. Zy noch eens +wederkomende, moesten nochmaals het Amelander Gat weder uit: des de +Friesen, hunne vyanden te gering achtende, maar zich zelve bedriegende, +beslooten hunne vloot te Staveren en Ezonstad op te leggen, als zy +deeden. ’t Welk de Noormannen gewaar wordende, zo quamenze +onverwagt de Friesen <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" +name="pb52">52</a>]</span>zodanig overrompelen, datze dezelve te vuur +en te zwaard verdreven: en dewyl Wydekind en zy zeer hardnekkige +afgodendienaars waren, dwongen ze de nieuwbekeerde lieden weder tot +hunne afgoden; die zulks weigerden, wierden van hen verdelgt, waar door +veelen vermoord wierden, en ten lande uitvlugten; onder welke Ludger en +Wydekind zich mede bevonden.</p> +<p>In den jaare 785 is Ludger, als Kerkenleeraar, in de Ommelanden +gezonden, op ’t bevel van Karel den Groote; na dat Wydekind by +hem weder in genade was aangenomen, en de Friesen ook bevryd waren: +daar hy op nieuws veele stichtinge deed.</p> +<p>In den jaare 793 is Radbout in vreemde landen overleden, zonder dat +men eigentlyk weet waar ter plaatze.</p> +<p>In den jaare 793 zyn door het doorbreeken der dyken, veele menschen +en beesten in Friesland verdronken. Waarom men alomme doe weder Terpen +begon te maken, als voornaamentlyk te Koudum, Almeenum, Midlum, Hitsum, +Winsum, Tjum, Dronryp en Uitgong, dat nu Berlikum genaamt word.</p> +<p>In den jaare 797 vielen de Deenen met eenige schepen uit Jutland in +de Lauwers, daar zy ’t zeer verwoesten en afbranden: doch die van +Staveren, Ezonstad en Dokkum rusteden ook een groote vloot uit, waar +mede zy naar Jutland voeren, en haalden mede van daar eenen grooten +roof.</p> +<p>In den jaare 804 is te Uitgong, nu Berlikum, <span class= +"pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>een +wanschapen kind gebooren, zynde ruggelings aaneen, maar anders alle +leden tweemaal, of het twee kinderen waren, en is drie weeken oud zynde +overleden.</p> +<p>Te dezer tyd woonde te Sixbierum, op het slot Adelen, Konovelle, +dochter van Adgild den tweede, zevende Koning van Friesland, welke twee +zoonen had, als Fredrik en Alfrik, die zy by den Bisschop van Utrecht +liet onderwyzen; welke zo onderwezen waren in geleerdheid, dat dezelve +beide, na den dood van den Bisschop, Bisschoppen wierden<a class= +"noteref" id="xd20e1089src" href="#xd20e1089" name= +"xd20e1089src">37</a>.</p> +<p>In den jaare 806 wierd de afgod Foste op Ameland door de Christenen +afgebrooken en uitgeroeit. In dit zelve jaar vielen heel zwaare +hagelsteenen, zo groot als henne-eyeren, die veel schade deeden.</p> +<p>Ook quamen de Deenen in dit jaar met vyf schepen ’t Flie in, +en verbranden Dyxherne en Sixbierum, behalven twee huizen en de kerk, +en vertrokken met veel roof.</p> +<p>In dit jaar overleed binnen Staveren de Overste, door Karel den +Groote over <span class="corr" id="xd20e1098" title= +"Bron: Fries-gestelt">Friesland gestelt</span>, hebbende 30 jaaren het +land geregeert. En na eenigen tyd, quam weder een andere in zyn +plaats.</p> +<p>En in dit zelve jaar, op St. Thomas dag, was ’er een zwaare +watervloed over Friesland, waar door, zo anderen verhaalen, +<span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name= +"pb54">54</a>]</span>wel 600 menschen en een groot getal beesten +verdronken, en groote schade geschiede.</p> +<p>In den jaare 808 is Olaus, of Oele, zoon van den Koning van +Deenemarken, in Friesland gevallen; en de Friesen, door zyne groote +krygsmacht, bevreest geworden zynde, ja zo dat de Landvoogd in zyn moed +byna bezweek; doch evenwel eindelyk door de Friesen tot den stryd +aangemoedigt zynde, hervatten zy gezamentlyk een heldhaftig besluit, en +gesterkt met de macht van Gaele, of Jelle (Gellius) Hardeman, Overste +van Staveren, na eenige schermutselingen, versloegenze zyn geheele +leger, neemende hem zelve, met noch 175 mannen op de Eems gevangen.</p> +<p>In dit jaar wierd te Staveren de St. Nicolaas tooren, daar de afgod +Stavo op gestaan had, door onweder van donder en blixem omgeworpen; en +wierden veele menschen en beesten gedood. Omtrent dien zelven tyd, liet +Igle Tadema, edelman, een zeer diepe put in zyn land graaven, omtrent +in ’t noorden van ’t woud Kreil, van gedagten zynde, dat +’er aanstonds water zoude uit komen, doch bleef droog tot aan den +avond van den vierden dag. Doe dacht hy een stemme te hooren, die +ettelyke maalen riep: <i>Verlaat dit land! Verlaat dit land!</i> Waar +op hy een weinig water op den grond van de put ziende, bevond dat het +zout als zeewater was. Waarom gemelde put weder toegedempt wierd; om +dat <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name= +"pb55">55</a>]</span>men indachtig wierd, als hier boven op het jaar +513 gezegt is, of ’er wel na volgen mogt, ’t geen de Duivel +door den afgod Staf gezegt had; te meer, om dat het zelve zynen +grootvader ook wedervaaren was. Igle, de derde week daar na stervende, +zo verruilde en verkogt zyn zoon Jouke, die hier alleen maar kennis van +had, alle zyn’s vaders landen en erven, op de Kreil gelegen; en +kogt weêr anderen op Geesterland. Zyn neef, Sibbe Tadema, nam dit +zeer euvel op, en vervolgde daarom Jouke zodanig, dat de stammen van +Tadema en Rodman, daar gemelde Jouke eene dochter uit trouwen zoude, +malkanderen op de bruiloft wreedelyk aanvogten en vernielden, ja zo dat +er van beide stammen geen een leevendige ziele overbleef.</p> +<p>In dit zelve jaar quamen twee walvissen, de eene 38 en de andere 29 +voeten lang, by Ezonstad, daar nu Emmerzyl is, by Oostmahorn, op strand +aandryven. Ook is het paleis van Richold Offe, door een schielyke +brand, geheel verteert<a class="noteref" id="xd20e1116src" href= +"#xd20e1116" name="xd20e1116src">38</a>.</p> +<p>Ook quamen de Noormannen dit jaar schielyk te Ezonstad, hebbende +dezelve ingenomen, geplondert en verbrand. Doch wierd weder haastig +opgebouwd. En die van Staveren, Bolswert en Dokkum rusten hier op een +Vloot uit tegen de Deenen, Jutten en <span class="pagenum">[<a id= +"pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span>Noormannen, die +malkanderen met rooven en branden aan beide zyden zeer lastig vielen: +doch ten laatsten bragten die van Staveren 6 Noordsche schepen met buit +te Dokkum op; waar van zy uitdeelinge deeden aan die ’t meeste +schade geleden hadden. Ook overleed dit jaar de tweede Landvoogd, die +Karel de Groote over Friesland gestelt hadde. Waar na gemelde Koning +Karel, inboorlingen uit den Frieschen Adel, tot Landvoogden stelde, in +plaats van Franschen.</p> +<p>In dit zelve jaar noch is Magnus Forteman van den Koning tot +Landvoogd verkooren, om het land in zynen naam te bestieren, even gelyk +als de Franschen naar hunne wetten gedaan hadden: deze Magnus was een +zoon van Gosse Forteman, waar van boven op ’t jaar 777 is +gemeld.</p> +<p>In den jaare 809, als ’er te Romen tusschen den Paus en eenige +Edelen een twist ontstaan was, waar door geheel Italien in oproer quam, +en de Saraseenen in het land vielen, is Karel, met een groote macht, om +zulks te dempen, derwaarts heen gerukt. Zo dra Forteman dit vernomen +hadde, heeft hy de Friesen mede aangeport, om by deze gelegentheid, +dewyl zy nu doch rust van de Noormannen hadden, den Keizer en de +Franschen door gedienstigheid te helpen, om dezelve meer tot hunne +gunst te trekken, en of ’er eens eene deur tot hunne voorige +vryheid konde geöpent worden. <span class="pagenum">[<a id="pb57" +href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span>Waar op gemelde Magnus, by +gemeenen raade en bewilliging, met veele gewapende Friesen, na veele +uitgestaane moeijelykheden, tot voor Romen is gekomen: gevallig ter +zelver tyd, als de Romeinen een uitval op den Keizer deeden; het welk +zy ziende, booden den Keizer hunne dienst aan, met gereedheid om op die +uitgevallene Romers een kans te waagen. De Keizer hun verzoek +toestaande, sloegen zy aanstonds hand aan ’t werk, en bragten +het, na eenige schermutselingen, zo verre, dat zy gemelde Romeinen +weder naar binnen dreeven, en mede ter poorten indringende, maakten de +Friesen zich meester van de stad; en Magnus plante zyn vendel op het +hooge raadhuis, dat de Romeinen Capitolium noemen, hoe dat het de +Franschen ook speet. Om welke daad Karel de Groote en Paus Leo de +derde, de Friesen groote aanbiedingen van goud en zilver deeden: doch +zy zulks van de hand wyzende, gaven te kennen, dat het hen alleen om de +vryheid te doen was. Waar op zy van den Keizer en Paus, met een +breedluidende Vrybrief voorzien zynde, op vrye voeten wierden gestelt, +gelyk als zy ten tyde van Karel Martel waren geweest. Na hunne +wederkomst wierd deze Vrybrief, met groote vreugde door Magnus in den +Dom of Kerk te Almeenum ter bewaaringe gebragt, benevens een Vendel. +Alwaar de Roomschgezinde wonderlyke vertellingtjes van weeten te +verhaalen: dat <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name= +"pb58">58</a>]</span>de Harlingers noch, met den stryd van den +Opperengel Michaël tegen den Draak, daar in geschildert, by hun +stads Wapen voegen: en voert noch by ons den naam van Magnus Faene.</p> +<p>In den jaare 810 zyn de Deenen, ten beveele van hunnen Koning +Gotrik<a class="noteref" id="xd20e1134src" href="#xd20e1134" name= +"xd20e1134src">39</a> met een vloot van 200 schepen, zeer schielyk aan +de Friesche kust gekomen; en hebbende eerst de vooreilanden afgeloopen, +wierden de Friesen in de derde slag overwonnen, en in Deensche +slaavernye gebragt; moetende jaarlyks een schattinge van 200 ponden +zilver opbrengen<a class="noteref" id="xd20e1137src" href="#xd20e1137" +name="xd20e1137src">40</a>. Om welke schattinge te ontfangen, heeft der +Deenen Koning Landvoogden gestelt, en bouwde een tolhuis van 240 voeten +lang, en in 12 egaale vertrekken afgedeelt; in welker eerste de +Tolmeester of Landvoogd zich plaatste, en hebbende in de achterste een +koper bekken geplaatst, alwaar de schatpenningen moesten in geworpen +worden, dat dezelve klonken, of mogt voor geen betaalinge verstrekken, +by aldien gemelde Tolmeester het geluid niet hadde gehoort.</p> +<p>En verder word verhaalt, dat Gotrik mede gebood, dat de deuren van +der Friesen huizen alle tegen het noorden moesten geplaatst +<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name= +"pb59">59</a>]</span>worden, en van zo een laagte, dat de Friesen, niet +zonder kniebuiginge, daar konden uit of in gaan: op dat zy in +erkentenisse zouden houden, wie hun Landsheer was; en dat zy, ten +teeken van slaavernye en dienstbaarheid, ook houte halsbanden moesten +draagen, die van rys en tienen te zamen gevlochten waren.</p> +<p>Deze slaavernye der Friesen by Karel den Groote vernomen zynde, zo +verzamelde hy zeer spoedig uit alle omleggende landen veel krygsvolk +byeen: doch, voor hy noch in aantocht was, wierden hem andere +zwaarigheden geboodschapt; als de dood van zyn zoon Pipyn; gezanten van +Constantinopolen en Corsica; behalven een gerucht, dat de Deenen weder +naar hun land waren vertrokken, om dat hunne Koning, door gemaakte +verbintenissen, om ’t leeven was gebragt. Alle redenen, waarom +Karel zich weder naar Aken heeft begeeven. En de Friesen, de handen nu +ruim krygende, tasten hunne vryheid weder aan, voorneemende dezelve met +alle mogelyke middelen tegen alle vyandelyke aanvallen te verdeedigen. +Dus quam het bestier weder tot de volgende</p> +</div> +<div class="div2" id="landsheeren"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e1150" class="main">V. Landsheeren, of Potestaaten.</h3> +<p class="firstpar">Karel de Groote, overweegende de getrouwe +manhaftigheid der Friesen, zo aan hem <span class="pagenum">[<a id= +"pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>in ’t verwinnen der +Saraseenen, en Wydekind, Hertog van Saxen, als in verscheidene +voorvallen aan zyne voorzaaten Pipyn en Karel Martel beweezen; benevens +hunne genegentheid en gestadige diensten aan ’t Fransche Ryk; +verzelt met den onophoudelyken yver tegen de Noordsche volkeren, van +welker slaavernye zy zich nu weder op nieuws, na ’t ombrengen van +Gotrik, hadden vry gemaakt: zo heeft hy hen noch in volkomener vryheid +gestelt, en ontlast van de schattinge van eenige ponden zilver, die zy +van voor eenige jaaren hadden moeten betaalen: vergunnende hun, ten +blyke van volkomene vryheid, het recht, om hun land, als vrygevogtene, +naar hunne eigene wetten te regeeren; daar toe een Overste uit de +Edelen van hunne eigene landaard te verkiezen, om de landzaaken zo in +oorlog als vrede te bestieren, die zy den naam van Potestaat, naar +’t gebruik der Italiaanen, zouden geeven. Dezen Potestaat, dat is +Landsheere, wierd van de Staaten een getal van mannen bygevoegt, om +over alle voorvallende verschillen, twee of driemaal ’s jaars, +als byzitters of mederechters hun oordeel te vellen.</p> +<p>Op dat nu de vryheid geen inbreuk zoude lyden, zo wierden de +Landsheeren slegts voor een jaar verkooren: doch ter goeder trouwe +wierden zy doorgaans wel langer toegelaaten.</p> +<p>Welk vervolg, met de eventydige geschiedenissen, <span class= +"pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span>wy nu +zullen ophaalen, zo als die uit de oude schriften na malkanderen zyn +<span class="corr" id="xd20e1162" title= +"Bron: aaangeteekent">aangeteekent</span>; maar het te dugten is, dat +het eigentlyke getal wat onzeker is, alzo het land by vredestyd wel +zonder Landsheere is geweest: doch als ’er een uitlandsch vyand +aannaderde, om hen te overvallen, wierd ’er by gemeenen raade, +alschoon zy binnen ’s lands door twistige oneenigheden +malkanderen verteerden, aanstonds een verkooren.</p> +<p><span class="sc">Magnus Forteman,</span> die des Keizers Stedehouder +was, als boven op den jaare 808 gemeld is, wierd tot eerste Landsheer +verkooren. Behalven het bovengemelde, heeft hy den Keizer noch +verscheidene roemwaardige diensten, tot lof van zynen landaard, tegen +de Saraseenen gedaan: maar van dezelve eindelyk in eenen stryd +verslagen, en zyn ligchaam in het slagveld onder de dooden door zyne +Friesche krygsknechten gevonden zynde, en die ’t naar Romen +bragten, is hy aldaar op eene heerlyke wyze in de St. Michiels kerk +begraaven: welke kerk daarom met eene ryke begiftiging wierd voorzien, +ten behoeve der Friesen, die naar Romen quamen, om het zelve te +bezoeken. Ja Magnus wierd zelve onder de Roomsche Hulpgoden of Heiligen +gestelt. Deze geheele historie staat ter gedachtenisse in gemelde kerk +in een marmersteen uitgehouwen.</p> +<p>In den jaare 814 is Karel de Groote, te gelyk Roomsch Keizer en +Koning van Vrankryk, <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" +name="pb62">62</a>]</span>na een ongemeenen yver voor de Christen leere +getoont te hebben, zo in zyne landen als in Friesland, om dezelve voort +te planten, mede in den Heere gerust. En zyn zoon Louis, toegenaamt de +Vroome, quam in zyn plaats aan het roer van regeeringe.</p> +<p>In den jaare 819 is <span class="sc">Fokke Ludigman,</span> tot +tweede Landsheer of Potestaat verkooren.</p> +<p>In den jaare 821 vertoonden zich omtrent de Friesche kust 13 +Deensche Zeeroovers: doch de Friesen door Ludigman, uit een waakzaame +voorzorg, met goede schansen of kasteelen voorzien zynde, zo derfden zy +het niet waagen om te landen, maar trokken weder af.</p> +<p>In den jaare 826 wierd Anscharius, mogelyk Anske of Aanske, gebooren +te Waarden, als wy boven gezegt hebben, van Keizer Lodewyk naar +Deenemarken gezonden, om aldaar het Christen geloove te verkondigen; +alwaar hy veelen bekeerde. Na twee jaaren wederkeerende, verzond hem +gemelde Keizer naar Zweeden; alwaar hy blydelyk van dien Koning +ontfangen wierd; en deed mede binnen een jaar overvloedige stichtinge +ter bekeeringe. Ook is ten tyde van dezen Ludigman te Dokkum een +klooster gebouwd, ter gedachtenis van Bonifaas, aldaar in voorigen tyd +zoo jammerlyk vermoord.</p> +<p>In den jaare 830 wierd <span class="sc">Adelbrik</span> van +<span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name= +"pb63">63</a>]</span><span class="sc">Adelen</span> tot Landsheer +verkooren, en had zyn woonstede te Sixbierum.</p> +<p>In den jaare 835, als de Noormannen, na een schielyken inval in +Friesland, door Keizer Lodewyk verdreven waren, zyn dezelve echter in +’t volgende jaar weder gekomen, en dwongen de Friesen eene +schattinge af<a class="noteref" id="xd20e1193src" href="#xd20e1193" +name="xd20e1193src">41</a>.</p> +<p>In den jaare 838 Frederik van Adelen<a class="noteref" id= +"xd20e1204src" href="#xd20e1204" name="xd20e1204src">42</a>, geboortig +van Sixbierum, Bisschop te Utrecht, zullende de leere der kerke eens +onderzoeken, en komende te Westergo in Friesland, bevond hy aldaar het +volk met de verderfelyke leere der Arriaanen zeer besmet; en kunnende +met zyne medehelpers dat hardnekkige volk van dit besmettende gevoelen +niet afbrengen; zo resolveerde hy noch tot zyne hulpe te roepen, Adolf, +Kanunnik te Utrecht, dewelke om zyne vroomheid tot Leeraar te Staveren +wierd aangestelt; alwaar hy met eenen grooten yver zyn plicht waarnam; +ook een klooster en <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" +name="pb64">64</a>]</span>kerk in het westen der stad heeft gebouwd: +die namaals, doe de zee haaren loop daar kreeg, op de zuidzyde wierd +herbouwt. Waar van, by een laag gety, het muurwerk noch te zien is, +gelyk wy zelve hebben bevonden, leggende nu met gemelde stad geheel in +zee verdronken.</p> +<p>In den jaare 840 overleed Lodewyk de Vroome, Keizer des Roomschen +Ryks<a class="noteref" id="xd20e1211src" href="#xd20e1211" name= +"xd20e1211src">43</a>. Een Gustaaf Lappon quam met 800 Gotten +aantrekken, om zich in Friesland neder te zetten: maar de Landsheer +Adelbrik van Adelen trok den zelven met zyne byhebbende macht tegen, en +versloegze by Kollum zodanig, dat ’er naauwlyks overbleven, die +deze tyding van hunnen nederlaag in Zweeden konden brengen.</p> +<p>In den jaare 850, of omtrent dezen tyd, of voort na het overlyden +van den Bisschop Alfridus, hebben de burgers van Groningen de kerk van +St. Walburg, tegen het overvallen der Noormannen gebouwt.</p> +<p>In den jaare 867 was in Friesland en elders een groote watervloed, +waar door groote schade aan menschen en beesten geschiede.</p> +<p>In den jaare 876 quamen de Noormannen, na dat zy de Fransche kusten +hadden uitgeplondert, weder in Friesland, eischende van de Friesen +schattinge: doch afgeslagen <span class="pagenum">[<a id="pb65" href= +"#pb65" name="pb65">65</a>]</span>zynde, deeden zy zwaare dreigementen +van moord en brand: maar de Friesen, aangevoert van <span class= +"sc">Hessel Hermana,</span> vierde Landsheer, woonachtig te Minnersga, +zynde een kloekmoedig en onvertzaagd krygsman, tasten dezelve manmoedig +aan, en versloegze zodanig, dat hun Overste en 800 mannen van zyn volk +op de vegtplaats sneuvelden; de overgeblevene bezette zy in een huis, +alwaar deze beloften moesten doen, al hun geroofden buit van goud en +zilver over te geeven, en nimmer weder in ’t land te komen +stroopen. In dit treffen wierd Hermana ook gewond, waar van hy +stierf.</p> +<p>Na hem wierd <span class="sc">Yge Gaalema</span><a class="noteref" +id="xd20e1229src" href="#xd20e1229" name="xd20e1229src">44</a> tot +vyfde Landsheer verkooren; hy was zeer ervaaren in den krygshandel. Van +hem wierden langs de geheele Friesche kust schildwachten uitgezet, om +zo op de invallen der Noormannen, als wel byzonder op het doorbreeken +der dyken te passen. De vastigheden langs de zeekusten eens bezoekende, +gaf hy die van Ezonstad een waarschouwinge, om voor de Noormannen een +waakend oog in ’t zeil te houden, zeggende:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Wacht jimme fen dy noordere oord:</p> +<p class="line">Uit dy grims herne komt alle qwaed foort<a class= +"noteref" id="xd20e1237src" href="#xd20e1237" name= +"xd20e1237src">45</a>.</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name= +"pb66">66</a>]</span></p> +<p>En overleed in dit zelve jaar, nalaatende eenen zoon, genaamt Igle +Gaalema.</p> +<p>In den jaare 880 zyn de Noormannen, hebbende groot voordeel op de +Saxen gehad, die zy geweldig plaagden, weder in Friesland gevallen, van +meininge om het zelve geheel te verwoesten: doch by Norden, dat nu +Embderland is, tegenstand vindende, zyn ’er wel 10377 Noormannen +verslagen, behalven noch een grooter getal, die in de rivieren en +poelen gejaagt wierden, en aldaar moesten verdrinken; alzo zy zeer +ongeschikt, door malkanderen loopende, vlugten<a class="noteref" id= +"xd20e1249src" href="#xd20e1249" name="xd20e1249src">46</a>.</p> +<p>In den jaare 890, of omtrent dezen tyd, bestonden de Groninger +Ommelanden alleen in vyf, doch zeer wyduitgestrekte dorpen, doe genaamt +Hugomonhi, Hunisga, Fivelga, Emisga en Federitga; en ’t eilandje +de Band genaamt, ’t welk vermoed word gelegen te hebben tusschen +het Dokummer Diep en de Lauwers<a class="noteref" id="xd20e1254src" +href="#xd20e1254" name="xd20e1254src">47</a>. <span class= +"pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span></p> +<p>In den jaare 910, als Staveren haaren Koophandel in vreemde gewesten +wyd en zyds verspreide, en haar recht tot de Heeselpoort van Nieumegen +uitstrekte, waar van noch ten huidigen dage in een steen uitgehouwen +staat, in het latyn: <i>Dus verre is het Recht van Staveren</i>, doe +verbrande aldaar de kerk, toegewyd aan de Moedermaagd Maria, staande in +’t westen der stad, daar men ging naar ’t klooster van +Odolf.</p> +<p>Omtrent dezen tyd quam Ode Botnia, zoon van den Hertog van Botnia, +grenzende aan het noorden van Zweeden, alwaar ’t nu als een +overheerd land onder behoort, en gelegen aan de noordelykste inham van +de Oostzee; deze, wegens zyne vroomheid, verkreeg de dochter van Taeke +Camminga tot zyne huisvrouwe, en bouwde een stins in Oostergo. En deze +is de oorsprong van dat geslachte, dat noch onder den naam van Botnia +heden bekent is.</p> +<p>Westerman heeft uit oude schriften aangeteekent, dat in dit jaar te +Hindeloopen de eerste huizen gebouwd zyn: het welk verstaan moet +worden, van na dien brand, waar van wy hier boven op ’t jaar 779 +hebben gesprooken.</p> +<p>Omtrent den jaare 920 leefde Koppen van Staveren, of Cappidus +Stavriensis, die de geschiedenissen der Friesen, van oude tyden af, +heeft aangeteekent, daar nu slegts noch maar eenige overblyfzelen van +zyn.</p> +<p>En omtrent den jaare 970 leefde Okke <span class="pagenum">[<a id= +"pb68" href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span>van Scharl, Scharlensis, +welke uit zommige overblyfzelen, nagelaaten van zynen, oom Solke +Forteman, de daaden der Friesen heeft beschreven.</p> +<p>Omtrent den jaare 989 <span class="sc">Gosse Ludigman,</span> nu +zesde Landsheer zynde en woonende te Staveren, is tot hem +veldvlugtig<a class="noteref" id="xd20e1279src" href="#xd20e1279" name= +"xd20e1279src">48</a> uit Holland overgekomen een zoon van Aarnoud, +Graave van Holland, die de Friesen Sikke noemden: welke van Ludigman +minnelyk ontfangen wordende, en ook na eenigen tyd hem zyne dochter Tet +ter vrouwe gaf; alwaar hy twee zoonen by overwon. En daar na, op den +trouwdag van zynen broeder, weder in Holland ontbooden zynde, zo gaf +hem zyn vader ten erfdeel eenige breede roeden land in Zuidholland en +Kennemerland, en ’t slot dat heden tusschen Haarlem en Beverwyk +is gelegen, het welk daar van noch Brederoede of Brederode genaamt +word.</p> +<p>In den jaare 995 wierd te Westerbierum een kind met drie hoofden +gebooren, ziende twee naar voren en het middelste naar achteren.</p> +<p>In den jaare 998 is door de Noormannen het stedeke Uitgong geheel +verwoest, en tot den grond toe vernietigt. Omtrent die plaats legt nu +het dorp Berlikum.</p> +<p>In den jaare 999 vertoonde zich boven <span class="pagenum">[<a id= +"pb69" href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span>Staveren een vreesselyke +staartstar of comeet, 10 dagen lang: waar op een zwaare sterfte in +veele landen is gevolgt.</p> +<p>In den jaare 1006 was ’er byna de geheele waereld door een +felle hongersnood, en groote sterfte in het land; dat zomtyds zelve de +leevendige, in ’t begraaven der afgestorvene ligchaamen, wel mede +dood in de graven vielen.</p> +<p>En in de naastvolgende jaaren deeden de Noormannen geweldige +invallen in Westfriesland, daar de Friesen hen lieten begaan; om de +landpaalen tegen de vyandelykheid der Graaven van Holland niet te +ontblooten. Welke oorlogen met de Westfriesen, in deze eeuw +voorgevallen, hier van ons overgeslagen worden.</p> +<p>Omtrent dezen tyd zyn eenige Friesche Edelluiden uit de Weezer +gevaaren, die om de Noord vreemde landen zogten op te doen; welke, +boven Ysland omzeilende, na verlies van hunne schepen, aan de Goudkust, +mogelyk Mexica, zyn vervallen; van waar zy het eerste goud en zilver in +deze landen hebben gebragt.</p> +<p>In den jaare 1040 is het Gôrecht door Keizer Hendrik, +bygenaamt de Zwarte, aan de Stoel van Utrecht geschonken: waar uit +naderhand een groote twist ontstond. Want de Groningers waren van +gedachten, het Gôrecht alleen maar vergeeven te zyn: waar tegen +de Bisschoppen en Clerigie van Utrecht staande hielden, dat de stad +Groningen <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name= +"pb70">70</a>]</span>insgelyks aan hen was geschonken. ’t Welk de +Bisschoppen ook, met geweld en hunne geestelyke luister hebben door +gedrongen, dat zy daar na honderden van jaaren Heeren van deze stad zyn +geweest, doch niet absolutelyk<a class="noteref" id="xd20e1301src" +href="#xd20e1301" name="xd20e1301src">49</a>.</p> +<p>In den jaare 1042 wierd de stad Bremen door een booswigt in brand +gestoken: waar door de Dom, des Bisschops Paleis en andere heilige +huizen, met de schatten der kerksieraaden en boeken verbranden.</p> +<p>In deze eeuw leefden verscheidene Friesche Edelen; als onder anderen +een Julius Deekema, die diverse Gezantschappen voor Keizer Hendrik den +tweede bediende.</p> +<p>In den jaare 1045 zyn verscheidene Friesche Edelen, die met grooten +lof gedient hadden in den oorlog van Keizer Hendrik den derde, tegen de +Hongaaren en Poolen, wederom gekomen.</p> +<p>In den jaare 1064, wanneer de Edelen te Almeenum, in St. Pieters +kerk zouden ten offer gaan, is een Sasker toe Harns, (waar van de stad +namaals den naam Harns, zo als wy dezelve in ’t plat Fries noch +benoemen, zoude gekreegen hebben,) zich in de voorrang stellende, door +eenen Ruerd Jarckes Harliga op het kerkhof doodgeslagen. Zo veel +kragtiger was diestyds de waereldsche eere, boven zaaken van +godsdienst. <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name= +"pb71">71</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1072 is Friesland door Egbertus, uit het Huis van +Saxen, aan de andere zyde ingenomen. Doch ook door Keizer Hendrik, wel +haast weêr tot afstand gedwongen, en hetzelve aan den +Utrechtschen Bisschop geschonken: des hebben de Friesen zich tegen dat +jok aangestelt, zo dat geen graaf van Holland, Utrechtsche Bisschoppen, +of Saxische Vorsten, in het bezit van Friesland gekomen zyn.</p> +<p>In den jaare 1076 was ’er een schrikkelyke harde winter, +geduurende van St. Marten tot aan ’t einde van Maart in ’t +volgende jaar; de Zuiderzee, Rhynstroom en andere rivieren waren zo +sterk bevrooren, datze dien geheelen tyd als de aardbodem gebruikt +wierden.</p> +<p>Diderik de vyfde, Graave van Holland, de Westfriesen in eene zwaare +slag overwonnen hebbende, zette het op Staveren aan; welke stad, na +drie weeken tyd belegert te zyn geweest, genoodzaakt wierd zich over te +geeven: doch kogt haar weder vry voor 1400 kroonen.</p> +<p>In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus de tweede, alle de Christen +Prinsen van Europa in ’t voorgaande jaar hadde gaande gemaakt, om +de ongeloovige Saraseenen uit Natolien en ’t Joodsche land te +verdryven; hebben zich veele Friesche Edelen en gemeene lieden daar +mede heenen begeeven, geteekent met een rood wollen kruis op hunne +schouders, onder ’t geleide van eenen <span class= +"pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>Peter, +Ambiaansche heremyt: en zyn, na veele gevaaren en ongemakken uitgestaan +te hebben, met eenen ongemeenen yver boven andere volkeren, in Natolien +aangekomen.</p> +<p>In den jaare 1097 overwonnenze aldaar verscheidene steden.</p> +<p>En in den jaare 1099 is Jerusalem na 10 dagen belegerings +ingenomen.</p> +<p>Na den jaare 1100 trokken op dat gerucht noch derwaarts verscheidene +uit den Frieschen adel; als mede noch veele na dezen tyd<a class= +"noteref" id="xd20e1336src" href="#xd20e1336" name= +"xd20e1336src">50</a>.</p> +<p>In den jaare 1110 quam Hendrik de Dikke, zoon van Otte, Hertog Van +Beijeren, om Friesland af te loopen, dat hem de Keizer reeds geschonken +had: doch de Friesen, om hunne vryheid te beschermen, joegen zyn volk +by Norden op de vlugt, en hy zelve wierd door de zeelieden aan ’t +strand gegreepen en in zee geworpen.</p> +<p>In dit zelve jaar is Groningen, in plaatze van haare houtene +omheininge, met wallen, gragten en een steenen muur omringd. Doch +Godebald, de 24ste Bisschop van Utrecht, heeft in den jaare 1112 de +Groningers gedwongen hunne noch nieuwsgemaakte vestingwerken +<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name= +"pb73">73</a>]</span>wederom af te breeken; en hen geboden, zoodanig +een versterken der stad zich nooit meer te onderwinden, voor dat de +Utrechtsche Kerkvoogd daar in hadde bewilligt. Evenwel heeft deze stad +van dien tyd af beginnen te floreeren en in rykdom toegenomen<a class= +"noteref" id="xd20e1345src" href="#xd20e1345" name= +"xd20e1345src">51</a>.</p> +<p>In den jaare 1119 ontstond tusschen Gaale Yges Gaalema, en Floris de +Vette, Graave van Holland, twist over den eigendom van ’t bosch +de Kreil, gelegen tusschen Enkhuizen en Staveren; tot zo verre dat +Gaalema, den Graave aanvegtende, in zynen regterarm eene wond toebragt, +om dat dezelve hem zyne jagers netten en ander tuig had afhandig +gemaakt. Doch deze twist wierd weder bygelegt. Omtrent in dezen tyd +stonden in Dyxherne, tusschen Almeenum en Flieland, de geweldige +stinsen van Gratinga, Harliga en Harns.</p> +<p>In den jaare 1143 hebben te Groningen eenige oproerige burgers, in +afwezen van hunnen Bisschop, die naar Romen was, St. Walburgs kerk met +vestingwerken versterkt; om daar door den Burggraaf tot eenige voor +lang verzogte zaaken te dwingen. Maar Egbert, Heere van het slot +Groenenberg, vermaande hen, van hun opzet te willen veranderen, doch te +vergeefs: waar op hy aanstonds met zyn volk het slot belegerde, +<span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name= +"pb74">74</a>]</span>en zeer dapper aantaste; maar door deszelfs +vastigheid niet kunnende vorderen, heeft hy zich te vreden moeten +houden met de sterkte zeer naauw te besluiten; tot dat eindelyk de +Bisschop, wederom gekomen zynde, hen met een troup soldaaten en +krygstuig zodanig aantastede, dat zy zich by verdrag moesten +overgeeven. Doe deed de Bisschop hen zweeren, van nooit meer tegen de +Utrechtsche Stoel te zullen opstaan. Dus bestierde hy dit alles ten +voordeele zyner broederen geevende aan den eenen, Leffert genaamt, het +Burggraafschap van Groningen, en aan den anderen, Ludolf geheeten, het +Kasteleinschap van Koeverden: waar uit naderhand groote onheilen zyn +ontstaan<a class="noteref" id="xd20e1360src" href="#xd20e1360" name= +"xd20e1360src">52</a>.</p> +<p>Ondertusschen quam de Paltsgraave, Gouverneur van Benthem, met zyne +macht in Drenth vallen, en verwoeste dat land, zonder eenige tegenweer. +Doch dit volk is naderhand door des Bisschops krygsbenden by Hemsen +verslagen.</p> +<p>In den jaare 1148 is de stad Utrecht voor ’t grootste gedeelte +afgebrand.</p> +<p>In den jaare 1162, als Miliaan door den Keizer F. +Barbarosse<a class="noteref" id="xd20e1369src" href="#xd20e1369" name= +"xd20e1369src">53</a> geheel vernielt en geslegt wierd, is Hessel +Martena, een <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name= +"pb75">75</a>]</span>Friesch Edelman, in de belegering omgekomen; na +dat dezelve dapper gestreden, verscheidene bedieningen en bezendingen +voor den Keizer had uitgevoert, en ridder geslagen zynde, bevel over +10000 krygsknegten had gehad. Een Ofke Reinalda onthield zich ook +eenige jaaren in deze Italiaansche oorlogen van Barbarossa.</p> +<p>In den jaare 1164 overleed Leffert, Burggraaf van Groningen, zonder +mannelyke erfgenamen na te laaten; waar uit een zwaare oorlog ontstond. +Want deze overledene had wel eene dochter nagelaaten, hebbende drie +zoonen, die het recht van hunnen overledenen grootvader meinden te +erven: maar die tegenwoordige Bisschop van Utrecht weigerde deze zoonen +aan te neemen voor volle neeven van den voorigen Bisschop; van +gedachten zynde, dat door deze dood het Leen verviel, en tot den Stoel +van Utrecht was wedergekeert. De Gemeente was echter tot de zoonen +genegen, en waren ’er ook reeds al in ’t bezit; hoewel met +vreeze voor des Bisschops geweld, waarom zy, tot afkeeringe van dien, +den Hertog van Gelder om hulpe verzogten: die voorts met een goede +krygsmacht afquam, en zich voor Groningen vertoonde. De Bisschop zulks +gewaar wordende, trok aanstonds op het kasteel of den tooren, van waar +hy in ’t duistere des nachts de vlugt nam naar Floris, Graave van +Holland. Daar op wierd het kasteel met groot geweld aangetast; tot +<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name= +"pb76">76</a>]</span>eindelyk de vrede wierd gemaakt; onder voorwaarde, +dat de Bisschop van deze zoonen zoude ontfangen 300 mark, en dan +wederom ten vollen afstaan het Drost- of Burggraafschap van +Groningen<a class="noteref" id="xd20e1378src" href="#xd20e1378" name= +"xd20e1378src">54</a>.</p> +<p>In dit jaar was ook een verschrikkelyke watervloed over Friesland, +Juliaans Vloed genaamt; waar door in Friesland en elders wel 100000 +menschen verdronken.</p> +<p>In den jaare 1170, den derden November, is Nederland door een +droevigen watervloed aangetast, waar door het zeewater met ’er +haast voor Utrecht stond; kabeljauw en wytingen wierden voor de stads +muuren gevangen, en veele menschen en beesten zyn verdronken.</p> +<p>Omtrent dezen tyd, of eenige jaaren onbegreepen, is <span class= +"sc">Saake Reinalda,</span> de zevende Landvoogd, tot groote droefheid +der Friesen, overleeden. Van hem word verhaalt, dat men hem noch +tweemaalen voorstelde in de Landvoogdyschap te blyven: maar het zelve +t’elkens weigerende, met dit antwoord: dat zulks strydig was +tegens ’s Lands wetten en vrybrieven. Verder verhaalt men, dat hy +als Landvoogd goud- en zilvergeld liet munten.</p> +<p>Omtrent den jaare 1182 vertoonden zich vier zonnen aan den hemel; +ook zag men <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name= +"pb77">77</a>]</span>gewapende mannen in de lucht, en bloedregen viel +op de aarde. Ook door een geweldig onweder, ondermengt met een dikke +sneeuwjagt, zyn de dyken by Uitgong, een stedeke aan de Burde, +doorgebrooken, waar door die landen geheel onderliepen. Niet lang daar +na brande het gemelde steedje byna geheel af: en het overgeblevene +wierd in vervolg van tyd door de Noormannen vernielt. Nu legt op +dezelve plaats het dorp genaamt Berlikum of Beltjom.</p> +<p>In den jaare 1190, of omtrent dezen tyd, is de stad Leeuwarden eerst +met wallen versterkt.</p> +<p>In den jaare 1192 is, door ’t uitroeyen van Uitgong, Franeker +tot meerder aanwas gekomen, wordende uitgelegt met twee naastgelegene +akkers, als Froonakker en Godsakker, en zo tot een stad geworden; waar +van zy ook eerst Froonakker genaamt wierd. Godsakker is aldaar noch +hedendaags een bekende Straat.</p> +<p>In dit zelve jaar, op den vyfden van Juny, is het vermaarde Klooster +van St. Bernard<a class="noteref" id="xd20e1407src" href="#xd20e1407" +name="xd20e1407src">55</a>, te Aduard begonnen; dat met eene prachtige +kerk en 4 toorens pronkte, deftiger als ’er ooit tusschen de Eems +en Lauwers te zien is geweest. <span class="pagenum">[<a id="pb78" +href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1196 ontstond te Groningen onder de burgerye en hunnen +Bisschop een groote onlust, over de kerk van St. Walburg. De burgerye +was van gedachten, dat deze sterkte, eertyds tegen het overvallen der +Noormannen gebouwt, de stad toe quam: en de Bisschop daar en tegen +redeneerde, dat deze kerk van ouds af in zyner voorzaatens macht hadde +gestaan. Dit liep zo hoog, dat de burgers de kerk, het dak en een +gedeelte der muuren deeden afwerpen. Waar over de Bisschop zo toornig +wierd, dat hy den Kastelein van Koeverden, zynde de voornaamste +aanstooker van dit werk, benevens de burgers van Groningen, in den ban +deed, en voorts ook met zyne macht naar Koeverden trekkende, dwong hy +die plaats met geweld tot de overgaaf. Ondertusschen, als de Bisschop +hier mede bezig was, hermaakte de Groningers hunne stads muuren weder +op, na datze hunnen Bevelhebber hadden doodgeslagen<a class="noteref" +id="xd20e1413src" href="#xd20e1413" name="xd20e1413src">56</a>.</p> +<p>Omtrent den jaare 1200 was de stad Staveren noch, van oude tyden af, +in groot gezach, en dreef zwaare koopmanschappen door alle de gewesten +des waerelds, zo dat de inwoonderen, door weelde en dartelheid, +<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name= +"pb79">79</a>]</span>zelfs goud aan hunne stoepens<a class="noteref" +id="xd20e1426src" href="#xd20e1426" name="xd20e1426src">57</a> lieten +slaan. Waar van zy noch ten huidigen dagen genoemt worden: <i>De +verweende<a class="noteref" id="xd20e1445src" href="#xd20e1445" name= +"xd20e1445src">58</a> Kinderen van Staveren</i>. Ten blyke van dit +gezegde, dient dit volgende: «eene zekere ryke koopvrouw verzond +een schip naar Dansich, belastende den schipper, om van de +allerkostelykste waren voor haar tot zyne ladinge weêrom te +brengen: dezelve weder komende, en denkende zyne zaak wel verricht te +hebben, quam met weite geladen aan de stad. ’t Welk zyne +koopvrouw verstaan hebbende, was daar over t’ onvrede, en belaste +den schipper, zyne lading, die zy verstond aan bakboord ingekregen te +hebben, aan stuurboord weder in zee te werpen. Waar op de droogte, die +men noch het Vrouwezand noemt, voor de haven is geschoten, als eene +straffe over hunne verwaantheid; zo dat de haven, na verloop van tyd, +noordelyker heeft moeten verlegt worden; gelyk zy nu noch is. En heeft +gemelde stad, van dien tyd af, allengskens beginnen af te neemen, tot +op haare tegenwoordige staat. Van boven verhaalde koopvrouw werd +getuigt, dat zy zich <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" +name="pb80">80</a>]</span>eindelyk noch met den bedelzak heeft moeten +behelpen.”</p> +<p>In den jaare 1210, verbrande, door een geweldige droogen zomer, het +bosch de Flussen geheel af; en wierd, door het inscheuren van het +zeewater, eerst een kleen meertje, en met ’er tyd tot die groote, +als het heden is.</p> +<p>Omtrent den jaare 1212 vielen ’er geweldige watervloeden over +’t Land, waar door dyken, dammen, hoven en huizen wegspoelden, en +wel 100000 menschen verdronken: en by aldien niet veele op de terpen, +stinsen en hooge boomen waren gevlugt, zou Friesland, tusschen den Rhyn +en de Eems van zyne inwoonders zyn ontbloot geworden. Waar door het +volk zo verarmt was geworden, dat zy de dyken, zo haastig niet kunnende +herstellen, moesten laaten verwaarloozen; waar door met een noordwesten +wind de zee, tusschen het Flie en Ter Schelling, geweldig haaren loop +nam, en het land meer en meer overstroomde. Want in dien tyd was de +Fliestroom noch maar een gemeene rivier, die Westfriesland van ons +afscheide; zo dat gemelde aanpersing van water, met ’er tyd meer +en meer toeneemende, eene oorzaak geweest is, dat de naastgelegene +landzaaten afleidingen in gemelden stroom gemaakt hebben; alwaar de zee +haaren loop inneemende, zyn de landeryen eerst in poelen en meeren +afgescheurt. <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name= +"pb81">81</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1219, den 16 van January, zyn deze landen wederom door +een verschrikkelyken watervloed aangetast, die St. Marcellus Vloed is +genaamt; verwoestende alomme de dyken, dorpen, kerken en kloosters, +groot en kleen vee in meenigte opgeslokt, en waar van word aangeteekent +mede wel 100000 menschen in verdronken zyn. Deze vloed heeft eene +oorzaak geweest, dat de volkeren naderhand de stranden verlieten, en +zich op hooge plaatzen, landwaards in, ter wooninge begaven.</p> +<p>Omtrent den jaare 1220 is Gryn<a class="noteref" id="xd20e1463src" +href="#xd20e1463" name="xd20e1463src">59</a>, gelegen tusschen het Flie +en Almeenum, door Siardus, mogelyk Sierd Siersma, Abt van Lidlum, met +gragten en wallen voorzien, en tot een stad gemaakt; alwaar ook een +schoole van geleerdheid of Academie wierd gesticht. Niet lang na dezen +tyd, als de lieden zeer eenvoudig en weinig Onderwezen waren, hebben de +Roomsche Geestelyken, deze slegtigheid<a class="noteref" id= +"xd20e1466src" href="#xd20e1466" name="xd20e1466src">60</a> des volks +tot hun voordeel neemende, byna het derdendeel van de goederen en +rykdommen des lands in hunne kloosters gesleept; en veele ryke lieden, +om alles na hunne dood te behouden, tot het kloosterleeven +bewoogen.</p> +<p>In den jaare 1221, omtrent Driekoningen Dag, zyn door eenen +watervloed wederom <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" +name="pb82">82</a>]</span>eenige duizenden menschen en beesten in +Friesland om ’t leeven geraakt. En den 24ste van February volgde +een derde vloed: daar na een zeer groote droogte zonder regen, die de +landen de teelkragt, om iets voort te brengen, deed verliezen. Hier op +volgde, daags na St. Lambert, wederom een vloed, die de opgedroogde +landen met zoute wateren vervulde.</p> +<p>In den jaare 1222, in January, was ’er wederom een vloed over +deze landen, waar door veele schade veroorzaakt wierd.</p> +<p>In dezen tyd leed Groningen zwaare onheilen; want de stad van hare +vestingen beroofd wezende, quam een ieder by dag en nacht daar in, +bedryvende veele gruwelen van moorden en bloedstortingen zonder dat +daar recht over wierd gedaan.</p> +<p>In den jaare 1224 is Friesland wederom door het zoute water +overstroomt; waar door over de 10000 menschen verdronken, en al wat +meest van de beesten voorhanden was.</p> +<p>In den jaare 1227 braken de Groninger onlusten wederom op, tusschen +Rudolf, Kastelein van Koeverden, en Egbert, Burggraaf van Groningen, +over deszelfs Burggraafschap. Doch de Utrechtsche Bisschop, Otto van +der Lip, quam met ’er haast herwaards en vereenigde hen. Maar de +Bisschop was zo dra niet vertrokken, of Rudolf, zynde misnoegt over het +gemaakte verbond, heeft Egberts slot by den Ham <span class= +"pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name= +"pb83">83</a>]</span>aangetast en geruïneert; en daar op zelfs +voor Groningen trekkende, wierd hy door die van zyn aanhang binnen +gelaaten.</p> +<p>Hier op moest Egbert de stad verlaaten, maar verzamelde daar en +tegen een groote macht van Friesen, waar mede hy de stad voort +weêr belegerde; schietende zo een zwaar vuur in dezelve, datze +voor ’t grootste gedeelte in weinig tyd verbrande, en hy haar +overwon. Rudolf moest insgelyks vlugten, trok derhalven op Koeverden, +en bragt byna het geheele Drenth in de wapenen; waar mede hy Groningen +belegerde, en met groot geweld aantaste: doch de goede bezetting van +binnen deed hen t’elkens afdeinzen. Ondertusschen quam de +Bisschop van Utrecht mede herwaards, om Egbert te ontzetten, hebbende +by hem een machtig leger van uitgelezene ruiters en soldaaten, met +veele Grooten tot hunne Bevelhebbers, tot omtrent Koeverden; doende het +daar ter neêr slaan, en den Gouverneur Rudolf opentlyk voor een +rebel verklaaren.</p> +<p>Rudolf brak aanstonds de belegeringe voor Groningen op, en +marcheerde zeer moedig met zyne macht tot omtrent zyne vyanden, +laatende alleen een moerassig land tusschen beide.</p> +<p>Des anderen daags morgens quamen de vyanden voor den dag springen, +om alzo Rudolf en de zynen te overvallen: maar hunne groote stoutheid +bragt hen op de slagtbank; want zo als zy op de moerassige <span class= +"pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name="pb84">84</a>]</span>weide +quamen, wierd ’er van achteren zodanig gedrongen, datze ’er +voor ’t meerendeel in bleven steeken. Doe viel Rudolf met de +zynen op hen in, en hieuw zo vreesselyk onder die benaauwde vyanden, +dat ’er in ’t kort 500 door ’t zwaard nedergezabelt +wierden, of in ’t moeras waren gesmoord, en waar onder de +Bisschop zelve, die op eene zeer wreede wyze om ’t leeven wierd +gebragt; vervolgens de vlugtende nagezet, en veele perzoonen van +grooten rang gevangen genomen<a class="noteref" id="xd20e1491src" href= +"#xd20e1491" name="xd20e1491src">61</a>.</p> +<p>In den jaare 1228 quam de Utrechtsche Bisschop Wilbrand met een +groote krygsmacht in ’t Drenth, om de dood van zyn Voorzaat te +wreeken. Hy pleegde dieshalven eene groote tirannye aan de inwoonders. +Rudolf moest zelve ook voor hem buigen, geevende Koeverden weêr +over. Doch Rudolf hernam door eene krygslist het kasteel van Koeverden +wederom, slaande de geheele bezettinge daar in dood.</p> +<p>Daar na heeft de Bisschop met een nieuw verzamelde macht, in den +winter, onder de begunstiging van een felle vorst, wederom eene tocht +herwaards gedaan; maar een zeer zwaar onweder van regen en haastige +dooy deed hen alle de vlugt neemen, met achterlaatinge van alle hunne +bagagie, ten voordeele van Rudolf. <span class="pagenum">[<a id="pb85" +href="#pb85" name="pb85">85</a>]</span></p> +<p>Na dezen bragt die Bisschop wederom een leger op de been, en hy op +het Hardenberger Kasteel zynde, voorneemens om Koeverden te bestormen, +komt Rudolf ondertusschen van het kasteel, om met den Bisschop in der +minne te accordeeren. Maar de Bisschop, het tegendeel zoekende, nam den +Gouverneur Rudolf, nevens zynen raadsman Hendrik van Graastorp, +gevangen, doende hen schrikkelyk pynigen, voorts leevendig +râbraaken en de ligchaamen op raderen stellen.</p> +<p>In den jaare 1230, den 17de van February, zyn door een tempeest van +donder en blixem, over Friesland gaande, veele huizen, verbrand en +neêrgeworpen; en daar boven een watervloed, in welke veele +duizenden menschen en beesten, verdronken<a class="noteref" id= +"xd20e1510src" href="#xd20e1510" name="xd20e1510src">62</a>.</p> +<p>In dit zelve jaar waren de Reilanders en Asschendorpers<a class= +"noteref" id="xd20e1515src" href="#xd20e1515" name= +"xd20e1515src">63</a> in eenen hevigen oorlog; maar de eerste gansch +onkundig, vielen met hunne meeste Edelluiden in des vyands handen.</p> +<p>In den jaare 1231 ontstond tusschen de <span class="pagenum">[<a id= +"pb86" href="#pb86" name="pb86">86</a>]</span>dorpelingen van +Uithuizen, en die Van Eendrum, een openbaare oorlog, over een kleen +eilandje, aan de Noorder dyken gelegen. Dit verschil was bevoorens al +uitgesprooken door de Rechters van Upstalsboom<a class="noteref" id= +"xd20e1527src" href="#xd20e1527" name="xd20e1527src">64</a> ten +voordeele van de Uithuizers. Doch die van Eendrum achte zich +verongelykt, en wilden aan het gevelde vonnis niet gehoorzamen; gingen +daarom by de Groningers om hulpe, die hen ten eersten met een groote +hoop krygsbenden bysprongen, en dus gelykerhand de Uithuizers +aantasteden en in hinderlaag bragten.</p> +<p>Hier tegen kreegen de Uithuizers ook onderstand van de Drenthers, +Drenthwolders, Vredewolders enz., trekkende ieder op hunne post. De +Uithuizers wederom tegen die van Eendrum, slaande hen op de vlugt, en +bequamen veel buit. Maar de Drenthers trokken voor Groningen, en +stieten daar schrikkelyk het hoofd: want, nadatze daar drie dagen +gelegen hadden, wierden zy door <span class="pagenum">[<a id="pb87" +href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span>die van binnen, uitvallende, +deerlyk verslagen, achterlaatende aan de Groningers 600 paarden, al +hunne proviand enz. Door deze overwinninge kreegen de Eendrumers +wederom moed; vallende daarop in des vyands land, en hielden ’er +gruwelyk huis; want zelve staken zy de brand in de kerk Usquert, welke, +behalven de andere geheiligde dingen daar in, met eene geweide hostie, +verbrande; daar en boven wierden de vrouwen geschonden, en noch oude of +jonge, lieden gespaart.</p> +<p>Ondertusschen, als de Drenthers voor Groningen waren, quam Bisschop +Wolbrand met zyne soldaaten voor Koeverden; neemende de stad en +voorburg in, en zabelde alles neêr wat ’er in was, zonder +zelve de noch in de wieg leggende kinderen te sparen: hier na gaf hy de +plaats aan zyne soldaaten; die dezelve geheel uitplonderden en +naderhand in brand staken. Maar het kasteel heeft hy, om zyne +vastigheid, niet kunnen bemachtigen; alhoewel het echter op die of een +anderen tyd ook ten eenemaal verdistrueert is geworden<a class= +"noteref" id="xd20e1537src" href="#xd20e1537" name= +"xd20e1537src">65</a>.</p> +<p>In den jaare 1232, in September, was te Groningen een zamenkomst van +die van Husingo, <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name= +"pb88">88</a>]</span>Westerlanders en hunne bondgenooten, welke dus +gelykerhand in Fivelingo vielen, tot omtrent Wester-Embden: maar +wierden door hunne partye zo deerlyk gehavent, datze met ’er +haast de vlugt moesten neemen, met achterlaatinge van 400 dooden of +gevangenen, en veele gekwetsten aan hunne vyanden.</p> +<p>In den jaare 1233 is Otto de derde, Graaf van Holland, met een +groote krygsmacht in ’t Drenth gevallen; heeft de stad Koeverden, +benevens de Drenthers, onder zyne gehoorzaamheid gebragt, en hen daar +na gedwongen, behalven andere breuken te geeven, een klooster te +bouwen<a class="noteref" id="xd20e1557src" href="#xd20e1557" name= +"xd20e1557src">66</a>, ter plaatze daar wel eer de Utrechtsche Bisschop +Otto van der Lip verslagen was. Dit klooster is het volgende jaar +aangevangen, en ter plaatze, daar nu Assen is, volbragt; zynde het +zelve dat namaals en nu noch tegenwoordig tot het Gemeenelands Huis +gebruikt word.</p> +<p>In den jaare 1234 is het stedeke Wartena, door een harden storm, +geheel weggespoelt. Het was gelegen in de Grietenye van Idaarderadeel, +omtrent Grou: waar van nu noch een dorp van die zelven naam is.</p> +<p>In dezen tyd is ’er weder twist ontstaan, <span class= +"pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name="pb89">89</a>]</span>om de +voorrang in ’t offeren, tusschen die van Albada en Reinalda te +Waaxens, by Holwerd: waar uit naderhand de scheuringen tusschen de +Schieringers en Vetkoopers gerezen zyn.</p> +<p>De buurt, omtrent het westen van Almeenum, is in dit jaar tot een +stad geworden, en met haare voorrechten voorzien. Maar, als ’er +twist tusschen de Edelen van Harliga en Harns ontstond om den naam, zo +heeft zy tot heden die beide naamen behouden, en word in de gemeene +Spraak Harlingen, en in de Friesche landspraak Harns genoemt.</p> +<p>In den jaare 1239 was <span class="sc">Sikke Sjaarda</span> of +<span class="sc">Sjaardema,</span> Landsheer van Friesland. En Willem, +Roomsch Keizer, en 21ste Graave van Holland, de stad Aken belegert +hebbende, ontbood de Friesen tot zyn hulpe: welke de stad met water +bezettede en overwonnen. Voor deze dienst, aan hem bewezen, bevestigde +de Graave hunnen vrybrief, door Karel den Groote voorheen aan hen +gegeven. Daar na verzogt hy Sjaardema, zo door groote giften van geld, +als ’t Erfstadhouderschap hem Friesland over te geeven. Maar +dezelve sloeg des Graafs voorstel door een vinnigen brief plat af; +schryvende aan hem: «<i>Meent gy, dat ik, om my en myn geslacht +te verheffen, een verraader wil zyn, en myne nakomelingen van de +vryheid berooven, die onze Voorvaderen boven alle goederen geächt +<span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name= +"pb90">90</a>]</span>hebben?</i>” En liet noch, ter beschimpinge +en verachtinge van gemelden Graaf, goude penningen slaan, waar op aan +de eene zyde in ’t latyn, doch dus vertaald, stond: <span class= +"sc">Sikke Sjaardema, Landsheer van Friesland</span>: en aan de andere +zyde: <span class="sc">Libertas prævalet auro</span>: dat in eene +goede zin gezegt is: <i>Liever Vry, als Ryk</i>. Waarom hier na +tusschen den gemelden Graaf en de Friesen een oorlog is ontstaan, waar +in de eersten, overwonnen zynde, sneuvelde. Hega Holtwada schryft, dat +dit voorgevallen is in den jaare 1255.</p> +<p>In den jaare 1242 was te Groningen een zamenzweeringe gemaakt door +de Gelkingen, tegen de drie nagelaatene zoonen van Egbert van +Groenenberg. Zy vielen eerst op den oudsten en sloegen hem dood; maar +de andere twee gingen vlugten, verzamelden, goede hulpe, en trokken op +hunne vyanden af. Doe wierd ’er een burgerlyke oorlog binnen de +stads vesten gevoert; leggende een ieder op zyn hoede, om zyne party +afbreuk te doen; bedryvende groot geweld en bloedstortinge. Doch de +meeste neêrlaagen vielen de autheurs van dit werk ten deel, die +zelve veel volk verlooren, en de stad ook moesten ruimen. Hier op +wierden hunne huizen aangetast, beroofd en verscheidene tot den grond +toe geraseert, en in brand gestoken.</p> +<p>In den jaare 1246 is te Groningen de St. Nikolaas kerk, nu der A, +gebouwd; <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name= +"pb91">91</a>]</span>welke door Bisschop Otto van Utrecht in den jaare +1446, op verzoek der ingezetenen van de stad, tot een Parochiekerk is +opgeregt.</p> +<p>’t Zelve jaar, in November, was door zwaare storm en onweder +een groote watervloed over Friesland, en elders, waar door aan menschen +en goederen veele schade geschiede.</p> +<p>In den jaare 1248 braken de Groninger onlusten wederom op, waar in, +op den eersten November, Thetse door Rudolf van Pedesen wierd +omgebragt.</p> +<p>Den 19de der zelve maand volgde hier op een droevige watervloed, die +zelve, behalven de buitendyken, de dyken van het diep genaamt, welke nu +aan de Eems een zyl en verlaat hebben, wegspoelde.</p> +<p>In ’t begin van den jaare 1249 is wederom een watervloed over +deze landen gegaan; wordende door een andere vloed op den 12de van +February gevolgt; en daar na met eene zwaare pestellentie en duuren +tyd.</p> +<p>Evenwel was Groningen noch vol onlusten: want die van de stad, doe +zeer wreed zynde, hielden het koren in dezen bedroefden tyd op een zeer +hoogen prys, en daar boven wierd het vee, ’t welk door de +landlieden ter markt wierd gebragt, door eenige oproerige geesten +aangetast en veel beschadigt.</p> +<p>Omtrent dezen tyd is het Hof in ’s Graavenhaage, <span class= +"pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span>benevens +de groote Zaal aldaar, door Koning Willem den tweede, en 21ste Graaf +van Holland, gebouwd.</p> +<p>In den jaare 1250 was te Farmsum een Deken, Sikke genaamt, welke de +Ommelandsche gemoederen zeer ontrustede: hy maakte zelve een verbond +tusschen die van Hunsingo en Fivelingo; en dus met malkanderen te velde +trekkende, wierpen zy het slot Groenenberg omverre, en poogden +Groningen ook te belegeren.</p> +<p>In dit en ’t volgende jaar is Friesland wederom door twee +watervloeden overstroomt geworden; waar door veele duizenden van +menschen en beesten verdronken.</p> +<p>In den jaare 1251 is Groningen door de Ommelanders belegert en +verscheidene maalen bestormt; doch, door de goede bezettinge, wierden +de bespringers t’elkens afgewezen. Nochtans hebben die van binnen +zich, na een beleg van vier weeken, met verdrag aan hunne vyanden +moeten overgeeven.</p> +<p>Hier na wierd Groningen, door de ballingen wederom verrast, +brengende in den eersten aanval Hendrik Butel om ’t leeven, en +roofde doe veele goederen van de Gelkingen.</p> +<p>Op dit gerucht trokken de Ommelander bondgenooten wederom +welgewapent voor de stad, welke haar door Conraad, Hoofd der Ballingen, +zonder hun geweld af te wagten, wierd overgegeeven. Hier door geraakte +Conraad <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name= +"pb93">93</a>]</span>in gyzeling; maar kort daar na, door schoone +beloften, ook wederom los; brengende, hoewel tegen zyn gemaakt verbond, +een hoop krygsvolk byeen, waar mede hy het Franciscaner Klooster +verraste, laatende het zelve voort van volk en andere noodwendigheden +voorzien. Ook namen zy alle steene huizen, die vast tegen hunne vyanden +waren, in, en deeden die van proviand en oorlogstuig voorzien.</p> +<p>De wederparty vlugte tot de kerken van St. Marten en St. Nicolaas; +alwaar zy zo sterk wierden bevogten en in benaauwtheid gebragt, datze +by de landlieden om verdere hulpe riepen. Hier op quamen die van +Fivelingo af, ontzettede hen, en tastede der vyanden bezettinge zo +sterk aan, datze hen, na groote bloestortinge, tot overgeevinge +dwongen, doch Conraad ontstreek hen en ging in ’t heetste van +’t gevegt door.</p> +<p>In den jaare 1254 is Groningen weder door Conraad met verrassinge +ingenomen. De bespringers quamen heimelyk by nacht in de stad, en op +St. Martens Kerk, houdende zich tot den morgenstond verborgen: doe, de +trappen afloopende, vielen zy hunne partye op ’t lyf, slaande 9 +mannen dood, en de andere salveerden zich, zo zy best konden: daarop is +alles, wat ’er in de kerk gevonden wierd, prys gemaakt, en daar +van een gedeelte aan de gehuurde soldaaten tot soldye gegeeven: waar +door de stad door plonderinge en oproer vervult wierd. <span class= +"pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1255 is Hindeloopen, nu, na de brandstichtinge en +uitplonderinge der Noordsche volkeren, weder haaren wasdom bekomen +hebbende, tot een stad geworden, en met voorrechten en privilegien +begiftigt of voorzien.</p> +<p>In het zelve jaar, den 18 van January<a class="noteref" id= +"xd20e1634src" href="#xd20e1634" name="xd20e1634src">67</a>, is Willem +de tweede, Graave van Holland, omtrent Hoogwoud van de boeren dood +geslagen. Deze Graaf was van Alkmaar met een groote krygsmacht +uitgetrokken, voor hebbende de Friesen, die tegens hem en zyn +voorzaaten altoos wederspannig hadden geweest, met de wapenen te +temmen, en onder zyne gehoorzaamheid te brengen. Maar de Graaf, door +onvoorzigtigheid, te verre vooruit rydende, trapte het paard door het +ys; waarop de boeren, van achter de struiken komende, hem dood +sloegen.</p> +<p>In den jaare 1257, den 10de van October, is Friesland weder door een +watervloed overstroomt geworden; waar door de dyk in Groningerland, by +Zonda, daar de rivier de Fivela met nieuw werk bedykt was, omverre +wierd geworpen, en voorts het water over het land stroomde.</p> +<p>In den jaare 1259 quam Hendrik, de achtste Bisschop van Utrecht, in +Drenthwolde, nu ’t Gôrecht, en vorderde groote <span class= +"pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>sommen +geld van de, inwoonders: doch wierd hem geweigert. Hierom deed hy de +Drenthers aanstonds wapenen, en de naaste huizen van hunne partyen in +brand steeken. Daar tegen verzamelde de Drenthwolders hunne macht ook +byeen, en vielen aanstonds met eene groote hevigheid op de vyanden in; +waar door zy in den eersten aanval 120 dood sloegen, veele quetsten, en +eenige gevankelyk met zich sleepten.</p> +<p>In den jaare 1262 wierd in Friesland eene aardbeevinge gevoelt, +welke Groningen mede trof, inzonderheid het klooster Wittewyrum, waar +door de toren <span class="corr" id="xd20e1645" title= +"Bron: instorte">instortte</span>: hier op volgde een watervloed door +de dyken, met verbreeking van de zyl Fismar, in den Oldambte.</p> +<p>In den jaare 1263 is de kerk van het vermaarde klooster St. Bernard, +te Aduwerd, ten tyde van Gayke, de zevende Abt, op eene zeer plechtige +wyze ingewyd, na dat ’er ruim 200 monniken 23 volle jaaren aan +hadden gearbeid, om de kerk op te bouwen en het werk voort te +zetten.</p> +<p>In den jaare 1266 was de tweede Marcellus vloed, waar door Friesland +wederom wierd bezogt: evenwel raakte Fivelingo, door de sterke dyken, +die de monnikken van Wyrum met die van Zonda en hunne nabuuren, daar +’t voorige jaar tegen de Eems hadden gelegt, bevryd.</p> +<p>In den jaare 1268 wierd D’rYlst, een kleene myl leggende van +Sneek, en doe noch <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" +name="pb96">96</a>]</span>maar eene buurt, mede met Stads +voorrechtbrieven of privilegien voorzien. Indien ’er eene Yle +Stins geweest is, schynt het niet ongeloofelyk, dat het daar van haaren +naam ontleent heeft, volgens gebruikelyke verkortinge en zamentrekking +der woorden.</p> +<p>In den jaare 1270 is te Bolswert het Broere Klooster gesticht, waar +toe het houtwerk voor het grootste gedeelte van de Kreil, by Staveren, +wierd gehaalt. Gelyk ook te Staveren, Hindeloopen en andere plaatzen in +den Zuidhoek, nu noch wel hout, uit het gemelde bosch gehouwen, te zien +is.</p> +<p>In den jaare 1272 is door geheel Friesland eene zwaare sterfte onder +het vee geweest, als ook een groote hongersnood onder de menschen.</p> +<p>In den jaare 1273 zyn door eenen watervloed in Friesland wederom wel +2000 menschen verdronken.</p> +<p>In den jaare 1276, op goede Vrydag, beviel de Graavinne van +Hennenberg te Loosduinen in het kraambed van 365 kinderen; wordende +dezelve van haar oom, Bisschop Otto van Utrecht, in één +bekke gedoopt: de knegtjes wierden Joannes, en de meisjes Elizabeth +genaamt. Doch zy stierven alle nevens de moeder, en wierden te +Loosduinen in ’t klooster begraven.</p> +<p>In den jaare 1277, den 25ste van December en den 13de van January +1278, heeft dit gewest door schrikkelyke watervloeden veel geleden; +want door dezelve verdronken <span class="pagenum">[<a id="pb97" href= +"#pb97" name="pb97">97</a>]</span>33 dorpen en veele duizenden van +menschen en beesten in den Dollaart; en doe is het begin gemaakt van +dien grooten Inham, de Dollaart genaamt.</p> +<p>Omtrent den jaare 1280, na dat de Friesen van de geduurige +bespringingen der Graaven van Holland en der Noormannen, hunnen hals nu +vryer hadden, zyn de oude wrokken, die in ’t offeren om den +voorrang zo meenigmaalen ontstaan waren, weder opgeborsten, en de +stinsen, voorheenen tegen de uitlandsche vyanden gemaakt, wieschen nu +in getal en meenigte: en onder schyn van bescherminge tegen de +stormende watervloeden, wierden de landeryen en dorpen met hooge wieren +van aarde digt te zamen gestampt, daar gemelde stinsen op gebouwd +wierden. Waar uit eerst quaad nadenken, doe haat, nyd en eindelyk +openbaare vyandschappen en moorderyen onder de Edelen ontstonden: het +land wierd in tweeën verdeelt; die van Oostergo gaven de anderen +den naam van <i>Schieringers</i>, om dat hunne landstreek, in broekig +en waterachtig land bestaande, en hunne meeste kostwinning en handel in +de visscherye van Schiere Aal, alwaar ’t alomme van krielde, +bestond of gelegen was. En zy zelve gaven zich den naam van +<i>Vetkoopers</i>, om dat zy in hunne hooge landen en grasryke weiden +met de vetweijeryen en landbezaaijingen meerendeels zich geneerden. +Doch andere verhaalen om andere inzichten. Van alle <span class= +"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>welke +twisten en oneenigheden wy niet van voorneemen zyn alle voorvallen te +melden, om redenen dat die voor het meeste gedeelte tusschen byzondere +Edelen zyn ontstaan, en daarom voor geene algemeene landtwisten zyn te +houden: maar wy hebben voorgenomen te melden, de grootste gevallen, en +die voor algemeene landtwisten te houden zyn, en tot eene daadelyke +tweespalt des Gemeenen Lands zyn uitgeborsten, waar van wy alleen de +voornaamste ontmoetingen, die steden en landen eenige merkelyke +veranderinge aanbragten, hebben aangeteekent. Van welk alles in het +gemeen geweeten dient, dat aan beide zyden dikwyls vredeverbonden +gemaakt en verbrooken zyn, maar van ons niet alle aangeteekent, om dat +wy kort willen zyn<a class="noteref" id="xd20e1682src" href= +"#xd20e1682" name="xd20e1682src">68</a>.</p> +<p>In den jaare 1287 waayde het zo een geweldige stormwind, dat alle de +dyken rondom Friesland doorbraaken, waar door kerken en huizen +wegspoelden. Van het stedeke Gryn bleeven geen 10 huizen staan, en het +getal der verdronkene menschen was wel 80000. By welke gelegentheid, +Floris de vyfde, Graave van Holland, de macht der Friesen nu merkelyk +verzwakt ziende, de Westfriesen met weinig moeite onder zyn gebied +gebragt heeft, en een kasteel te Medenblik, <span class= +"pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>nevens +noch drie anderen, in ’t gezigt der Oostersche Friesen, +bouwde.</p> +<p>In den jaare 1292 nam Graaf Floris de stad Staveren in, en +begiftigde haar met verscheidene voorrechten.</p> +<p>Omtrent dezen tyd begon in Friesland de wortel van die +allerverdervende partyschap, Schieringers en Vetkoopers genaamt, aan te +groeijen; zynde tot noch toe onder den Adel alleen beslooten; maar dat +duurde niet lang, of de Gemeente wierd ook gedeelt en van een +gescheurt. Ook begon men meer en meer steenhuizen of stinsen te bouwen, +tot een toevlugt voor hen zelve, en afbreuk hunner vyanden.</p> +<p>Gemelde scheuringe is eerst onder den Adel op de brasmaalen +uitgebroeit, en kort daar na tot het gemeen over gegaan. De Vetkoopers +of Vetwyders waren de Hollanders toegedaan: en de Schieringers, veel +geringer van staat, hielden zich aan het Groninger verbond.</p> +<p>In den jaare 1293 heeft Sneek, nu dagelyks in goede neeringe +aanwasschende, mede stads voorrechten bekomen, tot groot nadeel van de +nabuur-stad D’rYlst: maar in ’t volgende jaar trof haar het +ongelukkig lot van brand, welke gemelde stad tot op twee huizen na +geheel in den asch leide en verteerde.</p> +<p>In den jaare 1296, den 27ste van Juny<a class="noteref" id= +"xd20e1700src" href="#xd20e1700" name="xd20e1700src">69</a>, +<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name= +"pb100">100</a>]</span>is Floris de vyfde en 19de Graaf van Holland, +door Gerrit van Velsen, Heer van Noordwyk, op eene moorddaadige wyze +omgebragt.</p> +<p>In den jaare 1299 namen de Friesen de drie nieuwgebouwde kasteelen +der Hollanderen in, als ook Medenblik, nu reeds mede tot een stad +geworden; en, na eenig stryden met de Graaven van Holland, moesten die +Westfriesland weder verlaaten.</p> +<p>Omtrent den jaare 1303 verscheen in de lucht, boven Scharl en Warns, +verscheidene vertooningen van kryg en oorlog, met een ysselyk geroep: +<i>Help! help!</i> De zon veranderde in bloed, en regen van bloed viel +op de aarde.</p> +<p>In den jaare 1305 verdroegen de Schieringers en Vetkoopers met +malkanderen, om hunne twisten, door een gevegt van twee mannen uit hen, +ten einde te brengen: dit werkstellig gemaakt zynde, bleven de +Vetkoopers verwinnaars en de Schieringers verliezers.</p> +<p>In den jaare 1306 quamen de Noormannen met eenige schepen in +Friesland, om onder die inlandsche twisten, eenen roof uit het land te +haalen: doch, <span class="sc">Reiner Canga</span> of <span class= +"sc">Camminga,</span> dies tyds Landsheer zynde, heeft hen met zyn +byhebbende <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name= +"pb101">101</a>]</span>macht dapper afgeslagen; en over de 900 vyanden +nedergemaakt hebbende, wierd hy zelve gequetst, waar van hy stierf, tot +groote droefheid zyner landsgenooten.</p> +<p>Na hem volgde <span class="sc">J. Hessel Martena,</span> hoewel +tegen zynen zin, in het Landsheerlyke Gebied, om zyne uitmuntende +vredelieventheid.</p> +<p>Omtrent dezen tyd heeft Johannes Flieterp, Secretaris van Martena, +onverwagt de beschryvinge, van Okke Scharlensis te Staveren gevonden; +en dezelve uit het latyn vertaalt hebbende, met eenige van zyne eigene +aanteekeningen, in het licht gegeeven.</p> +<p>In dezen tyd wierden de Hollanders, die met hulpe der Westfriesen, +Friesland dachten te berooven, dapper afgekeert: het welk Enkhuizen +door eenen brand moest vergelden.</p> +<p>In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden, hebbende het +land tegen de aanvallen der vyanden dapper bevryd, en dezelve +verscheidene maalen verjaagt. Om nu een nieuwen Landsheer te verkiezen, +ontstond onder het Friesche volk een zwaare twist: de een begeerde die, +en de ander weêr een anderen, maar alzo in dien tyd stormwinden +en overstroomingen quamen, die wel 500 menschen wegsleepten, +staartsterren gezien wierden, bloedregen neder viel, en andere teekenen +aan den hemel zich vertoonden, zoo quamenze daar door tot bedaaren. Ook +ontstond ’er in dezen tyd een vreesselyke hongersnood; waar uit +droevige <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name= +"pb102">102</a>]</span>exempelen voortquamen: onder anderen, eene +zekere Vrouw, hebbende haar goed by de landtwisten verteert, en te +Sixbierum haar armoede verbergende, sloot haar huis toe en stierf alzo +met haare Kinderen. En een weinig tyds hier na, heeft eene ongemeene +sterfte het derdedeel der menschen weggenoomen.</p> +<p>In den jaare 1318 quamen de Hollanders met een kleen vaartuig te +Makkum en Kornwert aan land, meenende, onder het gewoel van deze +inlandsche scheuringe, een goeden buit weg te sleepen: maar de Friesen +spoelden hen de voeten, en hebben door hulpe van die zelve schepen +Medenblik en Enkhuizen uitgeplondert.</p> +<p>In dezen tyd was Staveren mede in het Verbond der Anseesteeden.</p> +<p>En in dezen tyd bevryden de Friesen hun Land mede voor de aanvallen +der Graaven van Gelder; als mede voor die der Hollanders en +Westfriesen, nu wederom hunne vyanden geworden.</p> +<p>In den jaare 1323 wierd van alle de Friesen beraamt, voortaan hunne +generaale Rechts-Vergaderinge te Upstalboom, in Oostfriesland, te +houden.</p> +<p>In den jaare 1324, in November, zyn door een groot tempeest van +donder en blixem, en een watervloed over Friesland en Holland gaande, +veele menschen en beesten verdronken.</p> +<p>In den jaare 1326, of omtrent dezen tyd, <span class= +"pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" name= +"pb103">103</a>]</span>begon Appingadam in alle neeringe, ambagten en +rykdom toe te neemen, zelfs Groningen gelyk te worden.</p> +<p>In den jaare 1327, een weinig na Kersmis, zyn de privilegien en +keuren van Appingadam, door de Staaten van Fivelingo, in een zeer +plechtige byeenkomst opgestelt en goedgekeurt. Ook zyn dezelve, weinig +dagen daar na, op een algemeenen Landdag, te Upstalsboom bevestigt, en +met het Zegel<a class="noteref" id="xd20e1754src" href="#xd20e1754" +name="xd20e1754src">70</a> bekragtigt.</p> +<p>In den jaare 1328 was de toestand der Schieringers en Vetkoopers zo +verre gekomen, dat de zwakste party nu begon vreemde soldaaten in +dienst te neemen.</p> +<p>In den jaare 1332 zyn de wetten gemaakt van de waterlossinge by het +Huis Groenenberg; waar uit een oorlog ontstond; want de Friesen van +Humsterland, Vredewold enz., zich t’zamen voegende tegen de +Groningers, geschiede het eerste gevegt in Hunsingo, en de tweede slag +in Fivelingo, beide tot nadeel der landlieden. Maar de derde treffinge +was zwaarder dan de eerste, en viel de Groningers ten deel.</p> +<p>Daar na is het Huis Kortinge, by Selwert, zynde met eenige Drentsche +Edelen <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name= +"pb104">104</a>]</span>bezet, door de landlieden stormenderhand +ingenomen, en de gansche bezettinge daar in dood geslagen. Voorts wierd +Groningen ook door hen overweldigt, wordende veele burgers in de eerste +furie gedood, en 60 der voornaamste auteurs van die onlusten opentlyk +op de markt, by de Pelster-, Gaddinge-, en Volkeringe Straat door +’t zwaard onthoofd<a class="noteref" id="xd20e1766src" href= +"#xd20e1766" name="xd20e1766src">71</a>.</p> +<p>In den jaare 1334, in November, op St. Klemens Dag, was ’er +een groot onweêr van donder en blixem; en zo een watervloed, dat +het zeewater over de dyken heen stroomde, waardoor veele menschen in +Friesland en elders verdronken.</p> +<p>In den jaare 1336 zyn te Bolswert 136 huizen verbrand. Ook wierd +Friesland in dit jaar wederom door een watervloed aangetast, daar door +veele menschen en beesten verdronken.</p> +<p>In den jaare 1342 was het Aduarder klooster zo machtig en weelig +geworden, dat hun verboden wierd, meer goederen en landeryen aan te +koopen.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 25ste van September, is Graaf Willem van +Holland, zo ’er gezegt word, in Friesland gevallen met over +<span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name= +"pb105">105</a>]</span>de 100000 mannen: maar wierden van de Friesen +zoodanig gehavent, dat zy met achterlaatinge van 18000 mannen, waar +onder de Graaf, en omtrent 200 Edelen, wederom moesten aftrekken; zynde +dit de grootste overwinninge die de Zeelandsche Friesen ooit hebben +bevogten. Want daar word gezegt, dat de Hollanders 10 mannen tegen de +Friesen een sterk waren geweest.</p> +<p>In den jaare 1346 waren die van Hunsingo met de stad Hamburg in +oorlog; doch de Hamburgers den Frieschen koophandel niet kunnende +missen, bragten door anderen zo veel te weeg, dat de zaak door +wederzydsche gezanten is bygelegt geworden.</p> +<p>In den jaare 1350 was ’er zulk eene vergiftige pest in en +omtrent Friesland, dat de menschen al gaande en staande dood +nedervielen, blyvende van 1000 naauwelyks 10 in ’t leeven. +ô Ysselyk verhaal!</p> +<p>In den jaare 1361 is te Groningen eene generale vergadering gehouden +van alle Magistraatsperzoonen in ’t geheele vrye Friesland, tot +conservatie van hunne rust en vrede.</p> +<p>In den jaare 1364 heeft Hertog Aalbregt van Beyeren, Graave van +Holland, het Eiland Ter Schelling in brand gestoken; doch niet zonder +weêrzydsche bloedstortingen, want het in dien tyd onder Friesland +behoorde.</p> +<p>In den jaare 1368, den vierden van September, is Groningen door alle +regeerende, <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name= +"pb106">106</a>]</span>en daar toe gerechtigde perzoonen, tusschen de +Eems en Lauwers, gerechtigd tot de Stoel der gemeene Vergaderingen; +’t welke zy voorheen maar naar gewoonte hadde geweest.</p> +<p>In den jaare 1379 is Koeverden door de Rustringen en Oostringen, met +Sibet en meer andere Hovelingen, ingenomen.</p> +<p>In den jaare 1387 zyn in Friesland door een watervloed wederom veele +menschen en beesten verdronken.</p> +<p>In den jaare 1388 heeft Folkmer Allena het steedje Aurik, in +Oostfriesland, ingenomen, en het slot zeer hevig laaten beschieten. +Okko was Bevelhebber daar binnen, die, na stilstand van wapenen +verkreegen te hebben, naar beneden in de stad ging, om over het verdrag +te handelen; maar het zelve niet getroffen wordende, wierd Okke door +zyne trouwlooze vyanden op den 26ste van July doorstoken; stervende +alzo de eerste Ridder in Oostfriesland, Okko, Heer van +Broekmerland.</p> +<p>In den jaare 1392 is Leeuwarden, door ’t aangroeyen der +inlandsche oneenigheden, heimelyk aan de noordzyde in brand gestooken; +waar door ’t Prediker klooster en kerk verteerden.</p> +<p>Hier na quamen de Hollanders met een machtig leger in Friesland +vallen, tot omtrent Schooterzyl: alwaar zy door de Friesen wierden +tegen gestaan, vegtende aan weêrskanten zeer scherp, tot beider +groot <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name= +"pb107">107</a>]</span>verlies; want de Hollanders de overwinning +hebbende, verlooren nochtans 1300 mannen, zo aan dooden als gevangenen, +en de Friesen daarentegen 600 mannen.</p> +<p>In den jaare 1397 was <span class="sc">Yv Juwinga</span> Landsheer, +die van zommigen ook genoemt word <span class="sc">Ju Jongama.</span> +In dien tyd quam Albrecht van Beyeren met eene macht van 18000 mannen +in de Kuinre, dies tyds een Graafschap, om Friesland te overweldigen. +En Juwinga, de Friesen tegen hem niet kunnende afraaden, om geen slag +met hen te waagen, kreegen zy by Schooterzyl de nederlaag, en verlooren +omtrent 500 mannen, als mede den Landsheer zelve. Daar na trok Albrecht +naar de Lauwers; daar de Friesen hem tegenstonden. Ondertusschen +verteerden de Schieringers en Vetkoopers malkander zodanig, door hunne +oneenigheden, dat de Vetkoopers te raade wierden, voor hunne zyde het +land aan Albrecht op te draagen; en de stad Staveren wierd hem +ingeruimt. Doch van de Schieringers tegengestaan zynde, vertrok hy van +de Lauwers, door geheel Oostergo en Westergo.</p> +<p>In den jaare 1398 nam Albrecht Dokkum in, en deed de voornaamste der +Schieringers naar Groningen vlugten; alwaar dezelve door eenen Koppen +Jarges van Staveren gestyft zynde, benevens de Groningers, den Hertog +weder tegen trokken, onder het <span class="pagenum">[<a id="pb108" +href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span>geleide van Sikke Deekema, +Gaale Hanja, en Ode Botnia.</p> +<p>In dit zelve jaar, hebben eenige Ommelander Heeren, de Ommelanden +heimelyk aan den Graaf van Holland opgedraagen. Maar doe de andere +Heeren zulks gewaar wierden, en buiten weeten, zich tegens recht en +privilegien overgelevert te zien aan hunne vyanden, beraamden daar op +het jok af te schudden. Eppo Nittersum, zynde een Patroon der +Schieringers, maakte hier aanstonts een begin van, neemende den tooren +of vastigheid tusschen ten Post en Mude in, en sloeg het daar +binnenleggende guarnisoen, uit Hollanders bestaande, altemaal dood, of +deeden hen in de Damstervaart verdrinken. Ondertusschen wierd Groningen +ook van den Graaf van Holland verzogt, hem voor haren Heere te neemen; +doch te vergeefs.</p> +<p>In den jaare 1399 namen zy Dokkum, Cammingaburg en het slot ter +Luine, gelegen tusschen Kollummer en Oudwoudumerzyl, weder van den +Hertog, en noodzaakten hem weder uit Friesland te vlugten; alleen noch +behoudende de stad Staveren. Van waar Brederode, meenende de schans te +Molkwerren, dat Winsemius ook Molkenhuizen noemt, in te neemen, doch +mislukte: maar wierd van de Friesen geslagen, en hy zelve gevangen +genomen. Doch weinig tyd hier na is de vrede geslooten in den Briel, +tusschen Johan van Beyeren, Graaf <span class="pagenum">[<a id="pb109" +href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>van Holland, de Friesen en de +stad Groningen en Ommelanden. Waar op de Graaf door de Groningers met +50 vette Ossen wierd vereert.</p> +<p>De Friesen dus hunne vryheid weder bevogten en gewonnen hebbende, +zyn de drie voornoemde Edelen, de een na den anderen tot Landsheeren +verkooren; doch de een het op den anderen schuivende, hebben zy +’t allen geweigert.</p> +<p>In den jaare 1400, verzogten de Vetkoopers of Ballingen by den +Bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim, zyne hulpe, geevende +hem een goede zomme geld, mits dat hy hen by de Groningers in voorige +charges en goederen zoude herstellen. Waar op de Bisschop brieven en +gezanten aan de Groningers afzond, hen zelfs ook gebiedende, de wapenen +neêr te leggen: doch alles te vergeefs. Want die van Groningen en +hunne Bondgenooten zeer moedig zynde, hebben ondertusschen onder het +beleid van den Burgemeester Albert Wigbolts, Aapke Onstema’s +Huis, te Sauwert, met veel moeite ingenomen. Dit Huis was zeer sterk, +hebbende muuren van 12 voeten dikte, met een wyde gragt om dezelve, en +om welke noch een andere gragt heenen ging, bevattende 5 steene +torens.</p> +<p>Dit gerucht deed de Bisschop met zyn krygsmacht afkomen, doende de +stad Groningen op St. Jacobs Dag aan de zuidzyde berennen: waar op +veele schermutselingen <span class="pagenum">[<a id="pb110" href= +"#pb110" name="pb110">110</a>]</span>volgden. Doch, na drie weeken +belegs, heeft de Bisschop de stad wederom moeten verlaten, zich te +vreden houdende alleen een Blokhuis te Blankeweer met volk wel te +bezetten.</p> +<p>Omtrent dezen tyd hebben de Groningers het Stapelrecht bekomen.</p> +<p>In den jaare 1401 kogten de Groningers van den Bisschop van Munster +zyne vriendschap voor 2000 guldens; mits dat hy zich by den +Utrechtschen Bisschop niet zou voegen. Hier op trokken de Groningers +met grooten moed in de Ommelanden, werpende veele steene huizen +omverre, als van Snelgers huizen in den Dam; van daar na +Ripperda’s huis te Farmsum, maar met zo een goeden uitslag niet +als by den eerste; want Ripperda, 400 zeeroovers tot bezetting gekregen +hebbende, vielen op hen uit, en sloegen veelen van de Groningers dood. +Waarom de Groningers aftrokken; doch maakten hunne krygsgereetschappen +wederom in den Dam gereed, waar mede zy, na drie dagen toevens, weder +derwaarts trokken; vallende doe met zo eene verwoedheid op gemeld huis +en hunne vyanden aan, datze in ’t kort overwinnaars wierden, en +alles aan stukken hakten, of in ’t water deeden verdrinken die +’er op waren. Daar na trokken de bondgenooten naar Termunten, en +haalden het huis van Menno Houwerda omverre; als ook daar na +Gockinga’s huis, te Broeke. <span class="pagenum">[<a id="pb111" +href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1404 zyn <span class="sc">Sioerd Wiarda</span> en +<span class="sc">Haring Harinxma,</span> by gemeenen raade, tot +Landsheeren verkooren; hebbende de eerste zyn opzicht in Oostergo, en +de andere in Westergo. In dezen tyd zyn nochmaals eenige Friesche +Edellieden naar het Joodsche Land vertrokken, om kunne krygslust +oeffening te geeven.</p> +<p>In den jaare 1405, den eersten van October, is de vrede tusschen den +Bisschop van Utrecht en de stad Groningen geslooten; waar door +weêrzyds gevangenen zouden los gelaaten, en de ballingen in hunne +voorige goederen herstelt worden.</p> +<p>In den jaare 1408 is Darrelt, in Oostfriesland, door de Hollanders +ingenomen, en daar na getracht vast te maaken: doch Jonker Keno, van +Broekmerland, heeft hun voornemen verydelt, en ter plaatze uit +gejaagt.</p> +<p>In den jaare 1409 heeft Jonker Keno Folkmer Allena’s huis te +Oosterhuizen, in Oostfriesland, ingenomen, neemende zyne zusters zoonen +gevangen, en wierpze te Aurik in eene, vuile gevangkenisse, alwaar zy, +door toedoen van zyne moeder, van honger en vuiligheid zyn +gestorven.</p> +<p>In den jaare 1412 waren de partyschappen in Friesland tusschen +Schieringers en Vetkoopers schrikkelyk woedende: want de Vetkoopers, +hebbende in eene vergadering voorgedragen, om de Schieringers ten +eenemaal uit te roeijen, zonder zelve de kinderen <span class= +"pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span>in +de wieg te spaaren. Hier om wierden de gemoederen der Schieringers noch +meer ontsteeken; en daar zy hunne vyanden maar bespringen konden, +sloegenze die dood.</p> +<p>In den jaare 1413 is de stad Embden door Jonker Keno van +Broekmerland ingenomen: waarom Proost Hiske, aldaar Heer zynde, naar +Groningen de vlugt nam.</p> +<p>Door deze overeenkomst van Proost Hiske, begon Groningen ook +verdeelt te worden, door die alverdervende partyschappen van de +Schieringers en Vetkoopers. Die van Rengers, Huginge, Clant, Clinge en +Brugge, neigden naar de Vetkoopers, als zynde de Hollanders toegedaan: +de andere waren meest alle in ’t openbaar Schieringers; hun +Opperhoofd was Koppen Jarges, houdende zich aan ’t Groninger +verbond.</p> +<p>Deze Scheuringe veroorzaakte eene groote bloedstortinge; want de +Schieringers wilden den gevlugte Proost Hiske<a class="noteref" id= +"xd20e1867src" href="#xd20e1867" name="xd20e1867src">72</a> helpen, +tegen zyn vyand Jonker Keno; en de Vetkoopers daar en tegen niet. Hier +op stonden de Schieringers, als de sterkste party zynde, den 23ste van +October uit haat op, <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" +name="pb113">113</a>]</span>en vielen op het Raadhuis aan, als de Raad +vergadert was: zy doorstaken aanstonds den Burgemeester Jan Rengers en +Albert Barelts, en Johan Hekman veele wonden toegebragt hebbende, +wierpenze ter venster uit op de markt. Voorts bragten zy Hendrik +Ottesz. Clant mede om ’t leeven, als ook Allard Clant, daar hy +aan tafel zat te eeten. Vervolgens deeden zy den Raad besluiten, dat +alle de geene die van de Vetkoopers partye was, zich zonder eenig +ophouden, uit de stad en de Ommelanden zouden vertrekken.</p> +<p>In den jaare 1414 hebben de Friesen van Westergo de stad Staveren +overrompelt; waar door Friesland geheel van het Hollandsche jok wierd +vry gemaakt. Ook waren de Schieringers, onder Koppen Jarges, in +Groningerland op hunne hoede: want de ballingen, hunne toevlugt by +Jonker Keno genomen hebbende, deeden derhalve alle de aankomsten aan de +Eems met krygsvolk bezetten: ook liet Jarges het goud en zilver uit de +kerken in Fivelingo neemen, waar van te Kampen geld wierd geslagen; dat +naderhand Koppens guldens genaamt wierd. Daar op nam de landbederving +een begin, steekende twee sluizen te Reiderland in brand, en op +verscheidene plaatzen de dyken door. Jonker Keno deed het zelfde aan de +Groninger kant, doorsteekende mede op verscheidene plaatzen de dyken: +moetende <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name= +"pb114">114</a>]</span>alzo het gemeene volk de dolle razernye der +Grooten ontgelden.</p> +<p>In den jaare 1415 hebben de ballingen of Vetkoopers hunne macht, +benevens hunne vrienden, en die ’t met hun hielden, te Eelde, in +’t Drenth, byeen vergadert, waar mede zy op den 13de van +September, des avonds, den dyk langs, stilletjes voor Groningen +trekkende, en voorts over de stads muur klimmende, de sloten van de Aa +Poort afhieuwen, en dus de stad, na veel bloed vergooten te hebben, +innamen; hier op stakenze aanstonds drie huizen in brand, ten teeken +voor Jonker Keno; welke met een vloot schepen voor Delfzyl leggende, +ten eersten met zyn krygsvolk naar de stad afquam, en herstelde de +ballingen aanstonds in hunne voorige bedieningen en goederen. Daar na +trok Jonker Keno met zyn volk door de Ommelanden, en deed verscheidene +van der vyanden heerenhuizen omverre werpen.</p> +<p>In den jaare 1416 hebben de Groningers, met die van Hunsingo en +Fivelingo, hunne oude verbonden wederom vernieuwt, na dat Jonker Keno +vertrokken was; waar in alle vyandschappen en misdaaden vergeeven +wierden.</p> +<p>Ook heeft Proost Hiske, met hulpe zyner vrienden, de stad Embden +wederom overweldigt en onder zyn gebied gebragt.</p> +<p>In den jaare 1417 zijn de Vetkoopers door de Schieringers uit de +Westerlauwers <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name= +"pb115">115</a>]</span>gejaagt. Maar Jonker Keno zulks berigt zynde, +trok hen op den 10de van Juny by Noordhorn tegen; alwaar zeer hevig +gevogten wordende, de Schieringers 500 dooden en 400 gevangenen lieten +zitten. Korts hierna is Jonker Keno ziek geworden, en op ’t Huis +te Oldenburg overleden.</p> +<p>In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier Dokkum ingenomen, geplondert +en in brand gestoken; de bolwerken in de gragt geworpen, en al de +huizen en stinsen der Schieringers geraseert, als mede ook het huis van +A. Kamstra, bezuiden Dokkum: het blokhuis by Esumerzyl wierd +stormerhand ingenomen, waar in vier mannen door den eersten aanval +wierden gedood, en de rest der bezettinge, zynde zeeroovers, door beuls +handen den kop afgeslagen. Doch in het volgende jaar quamen de +Schieringers, onder ’t geleide van Sikke Sjaardema, en wierden +daar weder meester van.</p> +<p>Des Okke van Broek, de zyde der Vetkoopers versterkende, quam met +een hoop volk uit Embderland, dat hy tusschen Staveren en Hindeloopen +aan land zettede, en met Sjaardema in een hevig gevegt raakte: waar in +300 Schieringers verslagen, en 200 gevangen wierden; de overgeblevene +vlugten naar Slooten, dat zy in allen spoed met eene wal versterkten of +omtrokken: en wierden van hunne vyanden belegert: doch door hulp des +Graaven van Holland weder ontzet.</p> +<p>In den jaare 1419 hebben de Groningers <span class="pagenum">[<a id= +"pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span>den Bisschop van +Utrecht, Frederik van Blankenheim, voor hunnen Beschermheer aangenomen, +wordende hy in ’t begin van Juny gehuldigt, en de Handvest op den +11de dito geteekent.</p> +<p>In den jaare 1420 liet Sjaardema, door des Graaven volk, Makkum met +een bolwerk omringen. Maar zy, door een listigen brief van Tjeerd +Ailua, Vetkooper te Witmarsum, wierden daar uitgelokt: en is doe die +wal weder geslegt<a class="noteref" id="xd20e1898src" href="#xd20e1898" +name="xd20e1898src">73</a>. Ook trof men een veldslag by Hindeloopen, +daar wel 200 mannen wierden verslagen en verdronken, en noch zo veel +gevangen.</p> +<p>Den 30ste van April, in dat zelve jaar, is Bolswert door de +Schieringers ingenomen, wordende aldaar een Jan Tjalling, Hoveling, met +noch eenige Vetkoopers door de kling gejaagt, om dat zy voorheene eenen +van Koppen Jarges volk hadden <span class="corr" id="xd20e1915" title= +"Bron: doodgegeslagen">doodgeslagen</span>.</p> +<p>Daar na hebben de Vetkoopers, onder het commando van Fokko te Lier, +op den 12de van May, de Schieringers by Catse geslagen; die daar 300 +dooden en 200 gevangenen verlooren.</p> +<p>Den 26ste van September wonnen de Vetkoopers Staveren, alwaar Koppen +Jarges, zeer dapper vegtende, het leeven verloor. <span class= +"pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name= +"pb117">117</a>]</span>Omtrent dezen tyd ontstond te Staveren een +groote brand, waar door in ’t kort 500 huizen verteerden.</p> +<p>In den jaare 1421 wierd Leeuwarden door de Vetkoopers vermeestert, +en de Hollanders uit de Lemmer verdreven; daar hun sterk Blokhuis wierd +omverre geworpen en geslegt.</p> +<p>In ’t zelve jaar, den 19de van November, is in Friesland, +Holland en elders, een schrikkelyke watervloed geweest, waar door de +dyken wierden gebroken, veele duizenden van menschen en beesten +opgeslokt, en tusschen Dordrecht en Geertruidenberg 72 dorpen zyn +vergaan.</p> +<p>In den jaare 1422, in February, wierd ’er weder een verdrag +van vrede<a class="noteref" id="xd20e1931src" href="#xd20e1931" name= +"xd20e1931src">74</a> gemaakt tusschen de Schieringers en Vetkoopers. +Waar op Dokkumerwal, en het slot op Esumerzyl geslegt wierden. Echter +bleef by zommigen noch de twistgierigheid, waar door de zorg voor de +dyken verwaarloost wordende, het water zoodanig inspoelde, dat het land +drie jaaren lang tot aan Drenth en Stellingwerf met het zelve bezet +bleef leggen.</p> +<p>In dit zelve jaar hebben de Groningers de stad Slooten belegert; +doch vrugteloos: want op St. Benedictus dag hebben de Hollanders +<span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" name= +"pb118">118</a>]</span>de stad ontzet en de belegeraars geslagen.</p> +<p>In den jaare 1424 was geheel Westergo in onrust, door de +partyschappen van de geslachten Bonnema en Gerkema. De stins van +Gerkema wierd overweldigt, en zelve met den vader daar in verbrand. +Doch twee jaaren daar na wierd Fokko Bonnema ook verslagen.</p> +<p>In den jaare 1426, in September, geschiede het bloedige gevegt van +Fokko Ukens, Hoveling te Leer, tegen Nikolaas, Graaf van Oldenburg, en +den Aartsbisschop van Breemen, by Deteren: alwaar Fokko, overwinnaar +wezende, van de vyanden 5000 mannen doodsloeg, en 300 gevangenen +bequam, waar onder veele heeren van grooten rang.</p> +<p>In den jaare 1427, den 28ste van October, was ’er wederom een +zwaare stryd van Fokko Ukens, tegen Jonker Okko van Broekmerland, +tusschen Veenhuizen en Opgant; daar geschiede een groote +bloedstortinge; want Fokko wel de overhand hebbende, verloor nochtans +4000 mannen; doch Okko verloor van zyne kant noch meer, en viel zelve +in des vyands handen; alwaar hy, na zes jaaren in de gevangenisse +gezeten te hebben, is komen te sterven.</p> +<p>In dit zelve jaar deed de Geldersche Hertog, met een groote +krygsmacht, een inval in ’t landschap Drenth, steekende +verscheide dorpen en buurtschappen in brand; vernielde het koren; +roovende en plunderende <span class="pagenum">[<a id="pb119" href= +"#pb119" name="pb119">119</a>]</span>alle de beste goederen, en dezelve +met hem naar Gelderland sleepende.</p> +<p>In den jaare 1428 sloeg Fokko Ukens de slag by Oterdum, tegen de +Groningers; alwaar Fokko, wederom overwinnaar zynde, van de vyanden 500 +mannen doode, en veele gevangen nam, waar onder een Burgemeester van +Groningen.</p> +<p>In den jaare 1429, was Groningen en Hamburg wederom in Oorlog; want +weêrzyds waren schepen ter zee met elkanderen geduurig in actie. +In dezen tyd is overleden Proost Hiske van Embden.</p> +<p>In den jaare 1430 zag men noch, by een laage ty, de kapel en +ringmuur van ’t kerkhof van Odulfs Klooster, by Staveren, in de +zee.</p> +<p>In den jaare 1431 hebben de Hamburgers, met een vloot schepen, voor +Embden leggende, den Drost Imelo Abdema, zynde de zoon van Proost Hiske +boven gemeld, onder schyn van vriendschap, op een gastmaal genoodigt; +’t welke zy tot dien einde op een van de schepen hadden +toegericht: maar de Drost aldaar gekomen zynde, en een buitengewoon +glaasje wyn gedronken hebbende, staken zy ondertusschen in zee, en +voerden hem alzoo over naar Hamburg; alwaar hy in groote elende 24 +jaaren lang gevangen heeft gezeten: en de andere schepen zettede zich +voor Embden, die de stad met geweld en dreigementen tot de overgave +dwongen. <span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name= +"pb120">120</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1434 was Groningen met de Hamburgers noch in oorlog; by +deze gelegentheid wierd Willem Wicheringe, Olderman of Hoofdman der +Gilden, thans Olderman van ’t Gildrecht genaamt in Groningen, +willende het Stapelrecht voor de stad verdedigen, in een oploop van de +landslieden te Farmsum doodgeslagen. Hier op wierd door de Heeren van +de stad vergoedinge dier doodslag geeischt: doch wierd door Hayo +Ripperda, Heer van Farmsum, geweigert, en begeerde den schuldige van +het gedaane feyt niet over te leveren. Hier door ontstond eene groote +tweespalt onder den Adel; want de Groningers eindelyk de wapenen +aangordende, wilden Ripperda tot vergoedinge dwingen: doch hy zulks +niet afwagtende, bood zich aan tot verdrag; ’t welk op den 27ste +van July deszelfden jaars wierd getroffen<a class="noteref" id= +"xd20e1968src" href="#xd20e1968" name="xd20e1968src">75</a>.</p> +<p>In den jaare 1435 overleed de dappere Fokko Ukkens, Hoveling te +Leer, op het Huis te Dykhuizen, by Appingadam, wordende in het klooster +aldaar begraven.</p> +<p>In den jaare 1437 hebben de Hamburgers en Embders der Hovelingen +huizen in Oostfriesland om verre geworpen en geraseert, als te +Oosterhuizen, Hinta, Grimmersum, Groothuizen enz., omdat ze tot geen +toevlugt voor de vyanden zouden wezen. <span class="pagenum">[<a id= +"pb121" href="#pb121" name="pb121">121</a>]</span></p> +<p>Ook was in dezen tyd een watervloed over deze landen, waar door +groote schade aan menschen en beesten geschiede; als mede eene +pestilentie, daar veele duizende menschen door stierven.</p> +<p>In den jaare 1438, in Augusty, zonden de Groningers by nacht een +schip met volk naar Termunten, en verrasten aldaar het kasteel. Zy +joegen alle de Hamburgers daar uit, en stelden ’er wederom tot +Commandant Lodewyk Hoornken. Daar na namen zy het huis van Eppo +Gockinga, te Broeke, in, als mede de sterke toren te Bellingewolde, die +zy ter neêr wierpen.</p> +<p>In den jaare 1443 is het Stadshuis te Groningen gebouwt.</p> +<p>Ter dezer tyd was Friesland wederom in groote onlusten; want die van +Ripperda en Heemstra bedreven groote geweldenaaryen van moorden en +branden tegen elkander.</p> +<p>In den jaare 1444 is overleden de heer Eppo Gockinga<a class= +"noteref" id="xd20e1993src" href="#xd20e1993" name= +"xd20e1993src">76</a>, waar door het geheele Oldambt, volgens accoord +en der Oldambsteren toestemminge, onder des stads jurisdictie is +geraakt; wordende voorts door de Magistraat van Groningen een Drost +gestelt, <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name= +"pb122">122</a>]</span>om de zaaken uit hunnen naam aldaar waar te +neemen.</p> +<p>In den jaare 1446 hebben die van Sjaardema, als hun huis, aan +’t oosten van Franeker, bouwvallig begon te worden, een nieuw +huis of Slot aan ’t westereind van de stad gebouwd, op een plaats +genaamt <i>Kaale Hei</i>, alwaar ’t noch ten huidigen dage +staat.</p> +<p>In dit zelve jaar, na dat het vuur der Schieringers en Vetkoopers +weêr ontstooken was, hebben de Vetkoopers de kerk en toren te +Workum tegen de Schieringers versterkt. Doch deze laatsten hebben hunne +vyanden aanstonts belegert; en de Overste Ketelhoet, die afgekomen was +om de belegerden te ontzetten, geslagen; alwaar Ketelhoet zelve, en +veele gemeenen zyn gedood en gevangen genomen<a class="noteref" id= +"xd20e2005src" href="#xd20e2005" name="xd20e2005src">77</a>.</p> +<p>In den jaare 1448, even na St. Jan, is in Appingadam tusschen de +steden Hamburg en Groningen de vrede geslooten, waar in alles wierd +bygelegt, en de vrye handel open gemaakt.</p> +<p>In den jaare 1453 is de Utrechtsche Bisschop, Roelof van Diepholt, +door de Groningers voor hunnen Beschermheer aangenomen en +gehuldigt.</p> +<p>Ook heeft Jonker Ulrich in dezen tyd, na dat hy van de Prelaaten, +Hovelingen, enz., tot een Heere van Oostfriesland was <span class= +"pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name= +"pb123">123</a>]</span>aangenomen, de stad Embden met deszelfs burgt, +als ook de burgt te Leeroort, van de Hamburgers gekogt voor 10000 +mark.</p> +<p>Omtrent dit jaar heeft Philip de Goede, Hertog van Bourgondien, en +Graaf van Holland, eerst door veele laagen, en daar na door +dreigementen, Friesland getracht te overmeesteren. Doch de Friesen hier +tegen, maakten gezamenlyk eene onderlinge verbindtenisse, om hem met +een gemeene macht tegen te gaan.</p> +<p>In den jaare 1454 was te Groningen onder de burgerye een groote +onlust, ter oorzaake van eene zekere resolutie, by den Raad genomen, +dat geen inwoonder van de stad de waaren, welke van de landlieden ter +markt wierden gebragt, zoude mogen koopen; maar dat deze door +opkoopers, van den Raad daar toe gestelt, alleen zouden mogen worden +opgekogt, en dus verder aan de ingezetenen uitgesleten worden. Maar een +Warner Smith, Raadsheer der stad, stelde zich hier tegen, willende +zelfs zyn gryzen kop daar by opzetten, om de burgers van die last te +bevryden. Hy ging derhalven van het raadhuis, en maakte zulks aan de +Bouwmeesters en Gildens bekent. De Raad dit vernomen hebbende, is +aanstonds met 24 mannen vergadert; welke beslooten, dezen Raadsheer +Warner Smith om ’t leeven te laaten brengen. Weinig dagen hier na +vergaderde de Raad weder, en deed den Raadsheer Smith door een stads +Dienaar <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name= +"pb124">124</a>]</span>ontbieden: doch hy merkte het quaad; geevende +daarom hier van aanstonds kennisse aan de Bouwmeesters en Gildens, en +hun gebiedende, naauwe wacht te houden voor het Raadhuis. Hier op ging +Smith met eene groote vrymoedigheid naar boven: maar den beul aan de +deur vindende, trad hy in de Raadkamer, zeggende: «<i>Wat, wilt +gy uw gebod met bloed schryven; door de handen van een beul?</i>” +Onderwyl zagen eenige heeren uit de vensteren, en vernamen dat de +geheele markt vol gewapende en oproerige menschen stond; derhalven +wierden zy met de uiterste verbaastheid aangedaan, en veranderden +gansch van resolutie: want de Raadsheer Smith wierd daar op niet alleen +vry verklaart, maar zelfs de genomene resolutie ook wederom +ingetrokken: waarom het gepeupel weêr vertrok.</p> +<p>In den jaare 1455 is het Verbond tussen de stad Groningen en de +Ommelanden voor den tyd van 10 jaaren vernieuwt. Waar op St. Martens +toren is gefondeert, en na vyf jaaren voltrokken.</p> +<p>In den jaare 1456 verscheen over Friesland eene ysselyke staartstar; +waar op, eenige jaaren na malkanderen, een groote duurte omtrent de +leevensmiddelen is gevolgt. Omtrent dezen tyd zoude, door de dapperheid +der Friesen, die doorgaans den H. Kryg volgde, om de inlandsche +oneenigheden te myden, wel 30000 Turken ter <span class= +"pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name= +"pb125">125</a>]</span>neder gemaakt zyn, in de groote overwinningen +die de Hongaren bevogten.</p> +<p>In dezen tyd deed Tanne Kankena een inval in Oostringen, neemende +Jeveren in; en voerde daar na 300 menschen gevankelyk, als mede 3000 +stuks vee, naar Hargelingeland.</p> +<p>Omtrent den jaare 1457 is Sneek byna geheel afgebrand, blyvende de +dyk en ’t nieuw zand maar alleen over. Doch veel tyd daar na is +het weder opgebouwd.</p> +<p>Niet lang daar na wierd Slooten mede byna geheel door ’t vuur +verteert; zynde in den brand gestooken uit twistende eergierigheid van +eenige Edelen.</p> +<p>In den jaare 1459 hebben de Groningers hunne stad met nieuwe wallen, +gragten en poorten versterkt. Ook hebben zy David van Bourgondien, +Bisschop van Utrecht, voor hunnen Beschermheer aangenomen en +gehuldigt.</p> +<p>In den jaare 1461 is Harlingen mede door den brand geheel +vernielt.</p> +<p>In den jaare 1462, in October, sloegen de Vetkoopers tegen de +Schieringers by Aalsum; waar in de laatste verscheidene Grooten, en +omtrent 250 gemeenen verlooren.</p> +<p>In den jaare 1465 is de Zyl of Sluis van Offingawier door storm en +onweder weggescheurt; welke opening weder gestopt wierd door een stuk +land, leggende buitendyks, en afgescheurt zynde, daar weder in dreef, +<span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name= +"pb126">126</a>]</span>terwyl het door enige varkens en schaapen beweid +wierd.</p> +<p>In den jaare 1470 heeft Karel de Stoute de Friesen wederom getracht +onder ’t Huis van Bourgondien te brengen, op gelyke wyze als zyn +vader Philip, daar wy boven van gemeld hebben. Doch de Friesen vonden +zich geraden nochmaals hunne vryheid te verdedigen. Omtrent dezen tyd, +wierden tusschen Heemelum en Koudum, drie mannen en twee vrouwen +doodgeslagen, zonder dat elders van eenige verdere schade gehoort +wierd. En op Ameland quam een walvis, 83 voeten lang, aandryven.</p> +<p>In den jaare 1471 hebben de Groningers, na dat de Hertog van Beyeren +hun den oorlog hadde aangekondigt, hunne stad zeer vast gemaakt; +maakende eene aarde wal buiten de gragt, aan de zuidkant, met zes +steene torens: ook een steenhuis aan de inloopinge van de Hunse en Aa: +als mede de Heere en daar na de Ooster poort; en hebbende de stad +tegenwoordig acht poorten, daarze bevoorens ’er maar zes had +gehad.</p> +<p>Omtrent dezen tyd leefde de vermaarde en hooggeleerde jongeling +Andreas Canter, van Groningen, welke 10 jaaren oud zynde, by den Keizer +Frederik de derde ten Hove ontboden wierd, om zyne groote +geleertheid<a class="noteref" id="xd20e2057src" href="#xd20e2057" name= +"xd20e2057src">78</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb127" href= +"#pb127" name="pb127">127</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1472 wierd door Jonker Onno van Ewsum een zeer zwaare +toren te Middelstum gebouwd, dat geheel strydig tegen de gemaakte +verbonden was. De Groningers namen het daarom ook zeer qualyk; zendende +eenige Gecommitteerden derwaarts, om het werk te bezigtigen. Hy quam +ondertusschen zelve te Groningen, en betuigde niets quaads tegen de +stad in den zin te hebben; maar dat hy alleen een schuilplaats tegen +zyne vyanden zogt. Echter wierd hem door den Raad geordonneert, dat de +zwaarte der muuren van 6 tot 3 voeten moesten vermindert worden, +volgens hun gemaakt verbond. Doch Jonker Onno voer evenwel met het werk +voort: en om andere zwaarigheden, dachten de Heeren van den Raad niet +meer aan hem.</p> +<p>In den jaare 1474 deed een watervloed, over Friesland gaande, veel +schade aan menschen en beesten.</p> +<p>In den jaare 1477, den 17de van September, was ’er de Cosmus +en Damianus vloed: waar door in Friesland en elders zwaare schade +geschiede. By ’t klooster te Lidlum wierd een zeekalf gevangen; +en in de gragt van Bolswert wierden mede twee zeldzame visschen +gevangen, schynende de <span class="pagenum">[<a id="pb128" href= +"#pb128" name="pb128">128</a>]</span>eene vleugelen te hebben, en de +andere een zeehond te zyn.</p> +<p>In den jaare 1478 hebben de Groningers het slot te Wedde, van Hayo, +te Westerwolde, ingenomen en geslegt; maakende aanstonds op een andere +plaats een nieuw slot, en noemde het zelve Pekel a Burg, of Pekelburg; +alwaar de Groningers een Kastelein op stelden, welke over Westerwold en +het deel van den Oldambt, aan de eene zyde van den Dollaart, zoude +richten.</p> +<p>In den jaare 1480 is binnen Bolswert een kind met twee hoofden +gebooren. En te Leeuwarden zyn in dezen tyd de eerste Gildens in +gestelt.</p> +<p>In den jaare 1481 quamen de Keizerlyke Gezanten Steenbergen en Loo +te Groningen, en presenteerden hunne brieven aan den Raad en de +Gemeente, waar in de Keizer, den Burgemeesteren en Raaden in Groningen, +het Potestaatschap van Wester-Lauwers eeuwig en erffelyk gaf, zonder te +mogen beroepen worden, enz.; als mede met de ridderlyke <span class= +"corr" id="xd20e2077" title="Bron: ordre">orde</span> wierden +begiftigt, zo wel de toekomende als tegenwoordige Burgemeesteren en +Raadsheeren dezer stad. Ook gaf hy hun het recht, om goude en zilvere +munt te slaan. Doch het accoord wierd niet getroffen: waar van de +voornaamste oorzaak was, zo men zegt, om dat de Keizer een jaarlyksche +tribuit van 10000 rhynsche goudguldens eischte, te betalen uit de +inkomsten van Friesland over de <span class="pagenum">[<a id="pb129" +href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span>Lauwers: ’t welk alhier +te zwaar wierd geacht.</p> +<p>In den jaare 1482 wierd het groote en vermaarde laatste verbond +tusschen de stad Groningen en Ommelanden voor den tyd van 40 jaaren +gemaakt. Waar na Stad en Lande heeft gefloreert, en in rykdommen +toegenomen. Waar op voorts de hooge en zwaare St. Martens tooren is +voltrokken<a class="noteref" id="xd20e2084src" href="#xd20e2084" name= +"xd20e2084src">79</a>.</p> +<p>In den jaare 1486, in October, overleed te Heidelberg de +Hooggeleerde en beroemde Rudolf Agricola; hy was te Baflo, in +Groningerland gebooren, en zeer geleerd in de hebreeuwsche, grieksche +en latynsche taalen; ook was hy een groot musicus, hebbende het groote +en deftige orgel in St. Martens kerk te Groningen eerst nieuws +gemaakt.</p> +<p>In den jaare 1487 is de stad Leeuwarden door de Schieringers +gewapenderhand ingenomen.</p> +<p>Ook hebben de Groningers een rykgeladen Hollands schip, ’t +welk de Oostfriesen genomen hadden, hun op de Wadden weêr +ontweldigt; wordende de roovers daar van te Groningen opgebragt, en den +kop afgeslagen. <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" +name="pb130">130</a>]</span></p> +<p>Daar na trokken de Groningers ’t Drenth in, en haalden Jonker +Aapke Ewsums Huis te Roôn om verre. Als mede hadden zy, onder het +bevel van Ulrich, te Dornum, een aanslag op den Dam; doch +vrugteloos.</p> +<p>Omtrent dezen tyd is een vrouwe ligchaam, 12 houtvoeten lang, uit de +zee opgeworpen, en aan het strand van Ter Schelling komen +aandryven.</p> +<p>In den jaare 1490 vermeesterden de Vetkoopers, die nu voor ’t +meerendeel door verloop van hunne zaaken, in Holland gevlugt waren, de +stad Workum; komende, onder ’t geleide van Yge Gaalema, uit +Holland over ’t ys aantreeden.</p> +<p>In dit zelve jaar is de wydberoemde Wesselius Gansefort, te +Groningen gebooren, aldaar overleden; zynde door zyne theologische +Studien zo beroemd, dat hy <i>’t Licht der Waereld</i> genaamt +wierd. Hy was ook een groot medicus, hebbende Paus Sixtus de vierde +eenige jaaren als Lyfmedicus gedient, en wierd in het geestelyke +Maagde-Klooster begraven.</p> +<p>In den jaare 1491 heeft Berlikum noch de voorrechten en vryheden van +stads gerechtigheid gehad. Omtrent dezen tyd ontstonden in Friesland +verscheidene branden aan huizen: ook vertoonden zich veele gezichten +aan de lucht, als voorboden van droevige tyden.</p> +<p>In dit zelve jaar hebben de Groningers die van Dokkum, Dongeradeel, +enz., mede <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name= +"pb131">131</a>]</span>in hun verbond aangenomen, wordende het accoord +voorts opgemaakt, en op St. Lamberts Dag van weêrszyden +geteekent. Doch dit verbond heeft naderhand groote onlusten en +bloedstortingen veroorzaakt. Want de Groningers zyn daar na met een +groote krygsmacht in Friesland gevallen, om de malcontenten, die noch +tegen dat verbond waren, tot gehoorzaamheid te brengen; smeeten veele +steenenhuizen omverre, en zettede eenen Sikko Bolte voor Dokkum op een +rad.</p> +<p>In den jaare 1492 quamen de Leeuwarders mede in het Groninger +verbond. Maar die van Sneek, en meer andere Hovelingen daar omtrent, +bleven daar noch tegen; waarom zy met de Groningers, omtrent +Leeuwarden, in gevegt traden, daar zy zeer ongelukkig vegtende, van hun +100 mannen gedood, en 250 gevangen wierden. Doe stelden de Groningers +een Gouverneur te Leeuwarden en Dokkum, die deze twee steden, en +genoemde landen, uit hunnen naam, aldaar regeeren en bestellen +zoude.</p> +<p>In den jaare 1493 quam de Heer Otto van Langen, als Ambassadeur van +den Keizer Frederik de derde, in Friesland, om de partyschappen en +oorlogen, tusschen de Groningers en die van Sneek, met hunne +aanhangers, by te leggen.</p> +<p>Ook zyn de Friesen in dezen tyd in Munsterland gevallen, beroofden +en staken verscheidene dorpen in brand, en sloegen veele <span class= +"pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name= +"pb132">132</a>]</span>menschen dood. Insgelyks deeden de Munsterschen +wederom aan de andere kant, spaarende noch kerk, noch dorp in +Friesland.</p> +<p>In den jaare 1494 hebben de Groningers hunne Gezanten aan den Keizer +Maximiliaan gezonden, die het gemaakte verbond met die van Oostergo +confirmeerde, mits aan hem betaalende 10000, en aan den Hertog van +Saxen 1000 rhynse guldens. Hier na zond de Keizer drie van zyne +Hofraaden in Friesland, te Leeuwarden, Dokkum, enz.; alwaar zy de +Groningers lieten huldigen, plicht en eed doen, uit naame des H. +Roomschen Ryks.</p> +<p>In dit zelve jaar heeft Keizer Maximiliaan de oude voorrechten en +vryheden der Friesen op nieuws weder door brieven bevestigt; beveelende +hun, als voorheen, wederom uit hunne eigene Edelen eenen Landsheer te +verkiezen, op dat de verwoede handelingen en heillooze scheuringen eens +ten einde mogten komen: dreigende hen, by nalaatigheid van dien, onder +een vreemd Heer te willen zetten, met een eeuwig verlies van hunne +vryheid; alzo hy zulks verstond, tot merkelyke ruste van het Duitsche +Ryk, te behooren.</p> +<p>Hier op wierd <span class="sc">Julius Deekema,</span> van Baard, by +gemeenen raade, tot Landsheer of Potestaat verkooren, om dat hy een man +was, vreedzaam van gemoed, en een haater van tweespalt.</p> +<p>In dit zelve jaar, ’s nachts omtrent twee <span class= +"pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name= +"pb133">133</a>]</span>uuren, hoorde men digt by Bolswert, een +schrikkelyk geraas en getier, als van strydende heirlegers; zo dat de +wacht, de ronde doende, in ’t eerst meinde, dat ’er in der +daad een gevegt omtrent de stad was.</p> +<p>In den jaare 1495 hebben de Schieringers, gesterkt met de vreemde +krygslieden van Hertog Albrecht, uit Holland gehaalt, en wel 2000 +uitmakende, Workum en Hottingahuis ingenomen: brandschattende +Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en geheel Wymertserdeel. Koudum +stakenze in den brand. Doe schattenze de Gaasterlanders. Deze riepen de +Woudlieden om hulp: en zich daar tegen kantende, belegerdenze te gelyk +Slooten.</p> +<p>In den jaare 1496, in January, hebben de Schieringers, die zich met +veele Geldersche krygslieden, onder den Oversten Fox, binnen Sneek +versterkt hadden, een tocht ondernomen, om de Woudlieden en +Gaasterlanders van ’t beleg voor Slooten te doen opbreeken: de +Woudlieden, yverende tegen de onderdrukkingen en brandschattingen der +Schieringers, die nu dagelyks veele Gelderschen in het Land hadden +gehaalt, stelden zich op Sneekermeer tot tegenweer; doch het ys, door +hunne zwaarte, aan stukken barstende, verdronken ’er veelen; die +staande bleeven, verweerden zich tot den laatsten man; zo dat ’er +over de 4500 Woudlieden omquamen, en de Overste Fox wierd zelve mede +gequetst. <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name= +"pb134">134</a>]</span></p> +<p>De stad Harlingen door de Groningers, die naast eenige dagen in +’t Land gekomen waren, in bezettinge genomen zynde, wierden door +die van Franeker overrompelt; doch, door dien zy ’t blokhuis der +Groningers niet meester konden worden, moesten zy gemelde stad weder +verlaaten, na alvoorens dezelve uitgeplondert te hebben, en een Busse +of stuk Geschut, dat ’er ter verdediging der stad gevonden wierd, +mede naar Franeker te neemen. Daar na vermeesterdenze echter het +blokhuis, en de Groningers geraakten het Land uit.</p> +<p>In den jaare 1497, wierden Redmer Vealma, Ridder, en Barent Conders, +Burgermeester, met 7 a 8000 mannen, door de Groningers naar de Lemmer +gezonden; welke by Takezyl een sterk Kasteel bouwden. Daar na kogten de +Sneekers Jonker Fox met zyn krygsvolk uit Sneek, en geheel +Westfriesland, voor 8000 rhynse guldens.</p> +</div> +<div class="div2" id="erfheeren"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e2146" class="main">VI. Erfheeren.</h3> +<div class="div3" id="albrecht"> +<h4 id="xd20e2149" class="main">1. Albrecht, Hertog van Saxen.</h4> +<p class="firstpar">In den jaare 1498 is Albrecht, Hertog van Saxen, +door Keizer Maximiliaan in Friesland gezonden; hem aanstellende tot +Erfstadhouder, of Erfpotestaat van Oostergo, Westergo, Sevenwouden, +Groningen en Ommelanden, Ditmarsen, Strandfriesen, Wirsters en van +Stellingwerf: zynde de Keizer, <span class="pagenum">[<a id="pb135" +href="#pb135" name="pb135">135</a>]</span>door quaade aandieningen van +zyne Gezanten, verkeerdelyk onderricht omtrent de verschillen der +Landzaaten: te weeten, als dat dezelve wel tot merkelyk nadeel van het +Roomsche Ryk mogten uitvallen: heeft daarom de vryheid der Friesen +omverre geworpen, alschoon dezelve van Karel den Grootes tyden af, ook +by zynen vader Sigismund, en noch onlangs door hem zelve zo wel +bevestigt was. Maar de voornaamste oorzaaken waren, dat Hertog +Albrecht, hebbende de voogdyschap der Graaflykheid van Holland voor +Philip van Oostenryk bedient, die in het voorgaande jaar mondig was +geworden, eischte, voor de onkosten, die hy in den oorlog tusschen de +Hoekschen en Kabeljauwschen te beslegten hadde gemaakt, een zomma van +350000 rhynsche guldens: ter verzekeringe voor die zomma, eer het konde +opgebragt worden, heeft Maximiliaan Friesland, enz., als een leengoed +des Roomschen Ryks, hem te pande gegeeven; tot ’er tyd toe dat +gemelde 350000 rhynsche guldens door Philip of de zynen aan hem zouden +opgebragt zyn. Waar op Albrecht van Saxen, op zyn luimen leggende, hoe +hy een voet in het Land zoude krygen, heeft door heimelyke listen en +bezendingen zo veel te weege gebragt, dat eenige Schieringers, die nu +de zwaksten waren, een verbond met hem maakten. Doch de Hertog de +Friesen in ’t gemeen ongenegen vindende, besloot eerst om dezelve +met geweld te bedwingen; <span class="pagenum">[<a id="pb136" href= +"#pb136" name="pb136">136</a>]</span>maar in raad weder veranderende, +bragt door verscheidene listen en bedriegeryen vreemde krygslieden in +’t Land; waar door hy de Schieringers met veele geweldenaaryen +tot verdrag bragt, en hem in Westergo innamen. Daar op zyn de +Vetkoopers, na eenige vergeefsche tegenweer, mede tot de huldiging des +Hertogs wegens Oostergo vereenigt. Alleen stond Leeuwarden, en eenige +aanhang, hem noch tegen: doch na eenigen tyd belegert te zyn geweest, +gaf het zich mede in het verdrag. Hier op liet de Hertog te Leeuwarden +aanstonds een blokhuis bouwen, van de steenen der afgebrookene stinsen, +die hy tegens wille van de eigenaars liet afwerpen, om tot gemeld +blokhuis te gebruiken.</p> +<p>In den jaare 1499 had Graaf Edzard van Oostfriesland het oog op +Groningen, doch die van binnen zulks gewaar wordende, trokken uit, +onder het bevel van Ulrich, te Dornum, met 200 mannen, neemende den Dam +in en bezetteden de aankomsten aan de Eems, als Farmsum, Oterdum, +Reide, enz., en deeden verscheidene Ommelander heerenhuizen omverre +werpen. Evenwel trok Graaf Edzard met zyne krygsmacht over in den +Oldambte, bestaande het geheele leger uit 2800 burgers en soldaaten, +benevens de Ommelander Hovelingen, neemende aanstonds Pekel a Borg in. +Daar na dwongen zy de Oldambsters 2200 rhynse guldens brandschattinge +af; en trokken dus <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" +name="pb137">137</a>]</span>voort voorby Slochteren, tot in het +klooster Wittewyrum: waar door de Groningers den Dam en de andere +plaatsen verlieten; en dezelve door des Graaven volk wederom in +bezettinge wierd genomen. Graaf Edzard zelfs quam met 1000 burgers over +de Eems; hy was uit den Oldambte naar huis getrokken, en deed groot +geweld van rooven, branden, en schattinge te vorderen. Doch de +Groningers spaarden hunne vyanden ook niet. Nochtans maakte Graaf +Edzard een kasteel te Oterdum, en den Dam vast tot een +oorlogsstoel.</p> +<p>Ondertusschen zonden de Groningers 400 soldaaten, met een goed +gedeelte van oorlogsgereetschap voor het huis te Sauwert: ’t welk +ten eersten aan hun wierd overgegeven; wordende aldaar de vestingwerken +afgeworpen, en de bezettinge gevangkelyk mede in de stad gevoert.</p> +<p>Den 22ste van July is Jonker Fox met zyn volk, 250 mannen sterk +zynde uit Friesland, over Drenth, naar Graaf Edzard willende, door de +Groningers omtrent Cropewolde aangetast en geslagen; Fox zelve wilde +zich niet overgeeven, schoon hy verscheidene wonden gekregen had, maar +vogt, op zyn kniën leggende, zo lang tot hy den geest gaf. De +Groningers hadden hier een groote overwinninge, want 30 bleeven +’er, behalven Fox zelve, van de vyanden dood, en 125 wierden +’er gevangen.</p> +<p>Alhoewel deze Jonker Fox altoos der Groningers <span class= +"pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name= +"pb138">138</a>]</span>ergste vyand is geweest, hebbende zy hem +evenwel, om zyne dapperheid, naar Groningen gevoert, en aldaar in de +Minnebroeders kerk, met eeretekenen begraven. Door het verslaan van +dezen Jonker Fox, heeft het plaatsje Foxhol zyne benaaminge +bekomen.</p> +<p>In dit zelve jaar, quam Hertog Albrecht, met zynen zoon Hendrik, te +Harlingen aan; en wierd eerst te Franeker, en daar na te Leeuwarden op +’t Oude Hof ingehuldigt. Binnen Franeker heeft hy, om eene goede +bestellinge der wetten in den Lande te geeven, den Hoogen Raad, die wy +nu noch het Hof van Friesland noemen, ingestelt.</p> +<p>Daar na vertrok Hertog Albrecht uit Friesland, naar Meissen, in +Duitschland, laatende zyn zoon Hendrik, aangestelt als Stadhouder, op +het Hof binnen Franeker; zynde het Slot van Sjaardema. Doch deze niet +wel onderrecht zynde, leide de gemeente ondraagelyke lasten op; waar +door een groot oproer ontstond.</p> +<p>In den jaare 1500 hebben de Friesen hem in Franeker met 16000 mannen +komen belegeren: en vooral waakende dat ’er geen meerder vreemd +krygsvolk in ’t Land wierd gebragt, zo namenze dit volgende voor +hunne leuze: <i lang="fy">Fjouwer lotter-claer leep aayen op in finne +herne in ien nest<a class="noteref" id="xd20e2177src" href="#xd20e2177" +name="xd20e2177src">80</a>.</i> Die dit <span class="pagenum">[<a id= +"pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span>niet zeggen kon, +achten zy een Uitlander te zyn, en wierd aanstonds veroordeelt om +verdronken te worden. Om hunne belegeringe voort te zetten, en gemelde +stad te vuur en te zwaard wel aan te tasten, hebben zy de Groningers +ondertusschen voor vier stukken geschut, tot dit beleg benoodigt, alle +het zilverwerk en andere kostelykheden, uit alle kerken en kloosters +geligt zynde, te pande gegeven. Albrecht ondertusschen, met veel volk +uit Meissen te rugge komende, slaat, met een onderstand van den Graaf +van Holland, het leger voor Franeker weder op. Waar op die van +Leeuwarden hunne stad verlaaten: en Hertog Hendrik trok daar weder in, +bedryvende alomme veel moedwille, brengende veele Edelen en gemeene +lieden in ballingschap.</p> +<p>In dit zelve jaar is den Dam door de Groningers belegert, en zeer +hevig beschooten, maar het afkomen van Graaf Edzard, en de +overstroominge van het water, deed hen dezelve wederom verlaaten, en +naar Groningen trekken. Waar op des Graaven volk, in moedwil +uitbarstende, hier na de dorpen Wagenborgen, Uithuizen en Meden in +brand stak, waar door veele huizen verteerden.</p> +<p>Ook zynze daar na in de Marne gevallen, hebbende de Groningers, die +met de landlieden te zamen vereenigt waren, geslagen; en daar na +ongehoorde gruwelstukken van rooven, moorden en branden, <span class= +"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name= +"pb140">140</a>]</span>vrouwen verkragten, en kerkschenderye +bedreeven.</p> +<p>Groningen wierd door de Saxen op den eersten van Augusty aan de +noordzyde belegert, leggende het geheele leger voor de naaste +molenbergen van de stad; van waar hetzelve, doch met weinig schade, 15 +a 16 dagen beschoten wierd. Maar hunne schepen van proviand en +oorlogs-ammunutie lagen het Reidiep langs, waar by 1000 mannen Saxen +tot dekking in Jarges tigchelwerk geposteerd waren.</p> +<p>Onderwylen quam de Bisschop van Utrecht, met verscheidene heeren uit +de Staaten des Lands in ’t leger, en bewerkte zo veel tusschen +den Hertog van Saxen en de stad Groningen, dat de vrede op den 21ste +van Augusty te Aduard voor eenige maanden geteekent wierd. Waar op het +beleg aanstonds wierd opgebroken, en 12000 soldaaten daar van naar +Friesland gezonden; trekkende de Hertog zelve met het overige volk naar +den Dam, en van daar naar Embden; daar hy, na eene ziekte en +hoofdwonde, die hy door een musquetkogel in het beleg had ontfangen, op +den 8ste van September is komen te sterven.</p> +</div> +<div class="div3" id="k6.2"> +<h4 id="xd20e2204" class="main">2. Georg, Hertog van Saxen.</h4> +<p class="firstpar">Deze is, volgens het recht van erffenisse, in +’s vaders plaats gekomen; na dat zyn <span class= +"pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name= +"pb141">141</a>]</span>broeder Hendrik zyn recht aan hem by verdrag had +over gedaan.</p> +<p>In den jaare 1501 hebben de Groningers 2000 soldaaten aangenomen, +onder voorwaarde, dat zy hen den Dam zouden helpen winnen, waar voor zy +dan zouden genieten, behalven de plondering, 7000 guldens, en al het +geene dat zy tot dien aanslag noodig zouden hebben. Daar op zynze den +18de van May met malkander uitgetrokken, en berenden voorts den Dam aan +drie kanten; neemende ondertusschen Delfzyl weg, en sloegen het daar +binnenleggende guarnisoen dood. Vervolgens deeden zy verscheiden +stormen op den Dam, en schooten ’er den brand in: maar die van +binnen zich mannelyk kwytende, sloegen hen t’elkens af. +Ondertusschen quam Graaf Edzard met 4000 mannen over de Eems, regt uit +naar den Dam, stellende zyn krygsvolk, in drieën verdeelt, in +slagorde, met het geschut vooraan, en marcheerde alzo op den weg van +Jukwert, regts tegens hunne vyanden in; waar op het bloedvergieten +aanging, en wierd ’er zo gruwelyk onder de Groningers geslagen, +dat ze den Dam moesten verlaaten, en de vlugtende tot aan Groningen +nagezet; die zo droevig verslagen of in de Damstervaart verdronken, dat +’er, naar ’t zeggen van zommige, 3000 mannen wierden +verlooren, waar onder vier Burgemeesters zoonen van Groningen, als +Albert Jarges, Harmen Jarges, Gosen Schaffer, en Johan Mepsche. +<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name= +"pb142">142</a>]</span>Daar na namen de Saxen het Huis te Mude in, en +verbranden eenige molens en kapellen aan de noordzyde voor Groningen; +ook op een na alle de molens en huizen aan de zuidkant, tot aan de +gragtswal.</p> +<p>In den jaare 1502 quam de jonge Hertog van Saxen in Groningerland, +by hem hebbende zes Graaven, veele Edelen, 200 ruiters en 300 +soldaaten, met allerlei veldstukken en bagagie. De eerste nacht bragt +hy door te Aduard, mits naauwe wacht houdende voor de Groningers, +hoewel ’t bestand noch liep. Van daar trok hy naar den Dam, +alwaar hem de burgers met kruissen en vaanen te gemoet traden, en met +veele eeretekenen in haalden. Zy droegen altemaal vellen op hunne +knieën, ten teeken van onderwerping: waar op de hovelingen uit de +Ommelanden, in den Dam wezende, hem mede huldinge en eed hebben +gedaan.</p> +<p>In dezen tyd hebben de Groningers met Hertog Karel van Gelder een +verbond gemaakt; mits dat de wederzydsche burgers in elkanders land een +vryen koophandel zouden mogen dryven.</p> +<p>In den jaare 1504 heeft Graaf Edzard, by de punterbrug, een zeer +sterk kasteel laaten bouwen; ’t welk naderhand Weerdenbras +genaamt is geworden.</p> +<p>In den jaare 1505 was te Harlingen een zwaare nood van water, waar +door veele dyken doorbraken. Daar op volgde een groote droogte in den +lande, waar door <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" +name="pb143">143</a>]</span>zwaare branden in de veenen wierden +veroorzaakt: als ook te Hindeloopen, dat met ’er kerk voor +’t meerendeel geheel verteerde.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 8ste van April, trok een party Groninger +burgers en soldaaten naar Onderdendam, en bragten by hunne te rugkomst +14 Saxische soldaaten en twee boeren gevankelyk mede in Groningen; waar +door het oorlogsvuur weder ontstooken wierd.</p> +<p>Den 20ste dito quam een troup Saxischen uit Aduard, in den nacht, by +de Aa Poort, en verbranden aldaar 8 a 9 huizen. Daar tegen zonden de +Groningers 4 a 500 mannen naar Oosterwyrum en de omleggende plaatzen, +brandende het dorp Heveskes geheel af, en haalden een grooten buit van +ossen, koeyen en schaapen van Wytwert, enz.; alwaar de kerken wierden +aangetast, de goederen daar uit gehaalt, en naar Groningen gevoert.</p> +<p>Den 22ste van Augusty wierden de Groningers en Saxischen te Haren +handgemeen, alwaar de eersten 20, en de laatsten 100 mannen op het +slagveld lieten leggen.</p> +<p>Aldus de oorlog wederom een begin genomen hebbende, droeg de Hertog +van Saxen het veldheerschap op aan Graaf Edzard van Oostfriesland, en +Jonker Vitus, van Draaksdorf, die de Groningers ’er toegangen +zeer naauw lieten bezetten: waar door die van binnen, zich zeer +geprangt vindende, en van alle hulpe ontbloot ziende, wierd het +<span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name= +"pb144">144</a>]</span>gemeene volk nochtans, door de onmenschelyke +wreedheden der Saxen, te meer verbittert: waarom de Groningers hunne +bescherminge by iemand wilden zoeken. Hier op verkozenze Graaf Edzard, +van Oostfriesland, voor hunnen Beschermheer; aan wien zy de stad +opdroegen; waar van de artykelen in den jaare 1506, op den 24ste van +April, wierden bezegelt, wordende in dezelve alle de privilegien en +vryheden, die Groningen met haare ingezetenen ooit gehad hadden, +behouden. Daar op quam de Graaf met zyne keurlyke krygsbenden, verzelt +met veele Edelen, naar Groningen af; gaande de Magistraat van de Stad, +benevens de jonge manschap en soldaaten, door de Poele Poort uit, hem +tot aan Ooster Hoogebrug te gemoet, en deeden hem aldaar den eed van +getrouwheid. By de Poele Poort gekomen zynde, ontfong hy uit handen van +Burgemeesteren de sleutels van de stads poorten. Vervolgens wierd de +Graaf met een prachtige staatsie, onder het losbranden van ’t +kanon, trommen- en trompettengeschal, luiden der klokken, enz., ter +stad ingehaalt; rydende alzo de Poelestraat door, naar de markt, alwaar +het krygsvolk in volle wapenen, in ryen en gelederen geschaart stond, +tot aan de hoek van de Gelkingestraat, daar het logement voor hem +bereid was. Daags daar aan ging hy in St. Walburgs kerk, alwaar de +burgers hem huldinge, pligt en eed deeden, volgens inhoud <span class= +"pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name="pb145">145</a>]</span>van +het accoord. Daar na deed de Graaf een sterk en zwaar kasteel bouwen, +tusschen de Steenstil en Ooster Poort, zynde voorzien met zeer wyde en +diepe gragten en hooge wallen.</p> +<p>In den jaare 1506 quam Hertog Georg in Friesland, en wierd +ingehuldigt. Hy gebood, om over geheel Friesland te gebruiken de +Workumer ellen, het Bolswerder loopen, de Leeuwarder kanne, de Keulsche +wicht; en het Hof van Gerichte, by zynen vader te Franeker ingestelt, +liet hy naar Leeuwarden vervoeren. Daar na liet hy het Bild allereerst +bedyken, na dat het al eenige jaaren goed vast land was geweest, en by +zynen vader Albrecht in eigendom ware genomen, zonder dat de Staaten +des lands daar in bewilligt hadden.</p> +<p>In dezen tyd heeft gemelde Hertog ook de Floreen Rente over den +Lande gestelt, en elk naar hunne schattinge doen betaalen; waarom, om +het zo veel te gemakkelyker in te vorderen, hy het Landschap in zyne +hoofddeelen onderscheiden heeft: die wy nu Grietenyen noemen.</p> +<p>In den jaare 1507 heeft de Hertog van Saxen, na dat Graaf Edzard +Groningen in ’t bezit had genomen, groote pretensien van den +Graaf en de Groningers gevordert. Doch deze questien zyn te Constans op +den Ryksdag gebragt, alwaar wederzydsche Gezanten wierden gezonden; +maar naderhand ook te Keulen hervat. <span class="pagenum">[<a id= +"pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span></p> +<p>In dit zelve jaar is de vaart van Leeuwarden naar Franeker, en naar +Bolswert begonnen gegraaven te worden.</p> +<p>In den jaare 1508 is Norden, in Oostfriesland, door zyn eigen vuur +voor ’t meerendeel verbrand. En op den 16de van October was de +tweede St. Gallus watervloed, welke in Oostfriesland en elders groote +schade veroorzaakte: wordende in de zelve kabeljauw en wytingen voor +Groningen gevangen.</p> +<p>In den jaare 1509, den 26ste van September, was ’er een hooge +watervloed over Friesland, Groningerland, en elders, waar door niet +alleen verscheidene dyken zyn weggespoelt, maar ook veele menschen en +beesten verdronken. By de Dollaart scheurde een stuk lands af, op welke +10 a 12 zwaare beesten te weiden gingen, van het overige land in den +Oldambte, en dreef over de Dollaart, in Reiderland, alwaar het vast en +behouden bleef zitten; ’t welk naderhand een oorzaak van proces +gaf tusschen die van ’t verdrevene en ’t aangespoelde stuk +land.</p> +<p>In den jaare 1511 ontstond ’er te Leeuwarden een zwaare brand, +die wel 200 huizen verteerde.</p> +<p>In den jaare 1512 wierd Koeverden door Roelof van Munster, gewezene +Drost van ’t Drenth, met verrassinge ingenomen. Doch zeer kort +hier na, heeft de Bisschop Munster hem wederom belegert, en tot +verlaatinge <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name= +"pb147">147</a>]</span>dier plaats gedwongen; stellende daar doe +wederom tot Drost Adolf van Rechteren.</p> +<p>In den jaare 1513 zond de Keizer Maximiliaan een scherp mandaat aan +Graaf Edzard, hem gebiedende, op zwaare straffe, de stad Groningen te +verlaaten, en dezelve aan den Hertog van Saxen in te ruimen: doch +vrugteloos.</p> +<p>In den jaare 1514, in het begin, deed de Hertog van Saxen, ziende +dat hy ’t met die van Groningen niet eens konde worden, een inval +in Oostfriesland, doende allerlei wreedheden van moorden, brandschatten +en branden. Zy belegerden zelfs Lieroort; doch dat zy, na de Hertog van +Brunswyk zyn leeven daar voor had verlooren, moesten verlaaten.</p> +<p>Den 7de van Juny wonnen de Saxen in Groningerland het sterke +klooster Selwert, doende het zelve versterken, en met een sterk +guarnisoen bezetten. Ook hebben zy Delfzyl met geweld ingenomen, +slaande aldaar alles dood dat zy vonden, slegten de werken, en staken +het plaatsje in brand.</p> +<p>Voorts quam Graaf Edzard, na dat hy zyn eigen land tegen de Saxen +had verdedigt, met 700 mannen hulptroepen te Groningen; die op den +volgenden dag buiten de Bottinge Poort met de Saxen slaags raakten, +waar door veelen sneuvelden.</p> +<p>Den 21ste van July, trok de Hertog van Saxen met zyn leger, om zich +aan Groningen <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name= +"pb148">148</a>]</span>en Graaf Edzard te wreeken, voor den Dam, doende +die plaats aan drie zyden belegeren. Daar binnen waren 800 kloeke +welgewapende mannen, een goede meenigte boeren, en een strydbaare +burgerye tot bezettinge. Otto van Diepholt was Commandeur; benevens hem +waren ’er noch eenige dappere Edelen. De belegeraars damden de +slooten, en sloegen by nacht een brug over de vaart: zy aprocheerden, +werkten in de aarde, en schooten met gloeijende kogels hevig op de +stads vesten en poorten. Die van binnen queeten zich dapper: maar de +groote menigte der vyanden stormde op den 3de van Augusty op de drie +poorten te gelyk, met een afgrysselyk geweld: na dat zy t’elkens +waren afgeslagen, met den jongen Hertog van Brunswyk achter hen, +roepende vreesselyk, en dreef zyn volk alzo aan, tot dat zy eindelyk de +belegerden overwonnen, en in de stad quamen; waar op het moorden +aanging, wordende in de eerste furie noch kerken, noch autaaren, noch +kraamhuizen gespaart. De jonge Hertog rende door de straaten, met het +bloote zwaard in de hand, roepende: <i>Sla dood, sla dood, tot wraake +van myn Vader!</i> Veelen zyn op de autaaren, eenige met de beelden +omvat, en andere met het kruisifiks in hunne handen, omgebragt. Eylco +Lewe stond met een lang slagzwaard in zyn hand, en sloeg zo gruwelyk +onder de vyanden, dat ’er veelen met hem gedood wierden. Het +getal der <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name= +"pb149">149</a>]</span>dooden wierd in alles op 1136 gerekent. Omtrent +200 soldaaten en weinige burgers wierden ’er gevangen genomen; +doch 150 waren ’er reeds in den beginne der overval ontkomen. De +Commandant Diepholt, en noch een Kapitein, wierden gekeetent en +gevangkelyk naar Medenblik gevoert. De vrouwen en kinderen wierden ook +gevangen gezet en gepynigt, om de verborgene schatten aan te wyzen; en +daar na naakt en bloot ter stad uitgejaagt. En de schoonste maagden en +jonge vrouwen wierden door de soldaaten eenigen tyd tot vuile lusten +gehouden.</p> +<p>Hier na heeft Graaf Edzard de Regeeringe van Groningen verlaaten: +waar op de Groningers Karel van Egmond, Hertog van Gelderland, voor +hunnen Beschutsheer hebben aangenomen; doende voorts den eed aan zyn +Marschalk Willem van Ojen op den 3de van Novemb. in St. Walburgs +kerk.</p> +<p>In den jaare 1515, omtrent Driekoningen Dag, hebben de Saxischen uit +den Dam de kerk en ’t geheele dorp Farmsum geplondert en ten +eenemaal verbrand.</p> +<p>Den 17de van Maart namen de Groningers het kasteel of blokhuis by +Aduwarderzyl in, en hebben het ten eenemaal geraseert en geslegt. Ook +hebben zy, met hulpe Van Graaf Edzards volk, Delfzyl met geweld +ingenomen: als mede den Dam, alwaar in ’t uittrekken der Saxische +troupen een groot tumult ontstond; want de burgers en eenige +<span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name= +"pb150">150</a>]</span>soldaaten, de oude bejegeningen noch in ’t +hoofd zittende, vielen in hunne achterhoede, plunderden de bagagie, en +ontnamen hun vele goederen.</p> +<p>Daar na quam de zwarte Hoop, zynde een zamengeraapt volk van ruim +5000 koppen, in Friesland vallen; welke alle de dorpen, daarze aan +quamen, in koolen zettede, als mede de steden Workum, Hindeloopen en +Molkwerren ook afbranden.</p> +<p>Ook hebben de Groningers het kasteel Weerdenbras, by de Punterbrug, +ingenomen.</p> +<p>Na dat Hertog Georg in voorige jaaren veel moeite met de Groningers +en Graave van Oostfriesland hadde gehad, en de Graave met de Groningers +hunne gerechtigheid aan Karel, Hertog van Gelderland, overgedraagen +hadden, zo hebben de Gelderschen de Sevenwouden en ’t grootste +gedeelte van Westergo met een meenigte van volk afgeloopen. Waar op +Georg van Saxen, geen middel ziende om de Friesen weêr onder zyn +geweld te krygen, uit het land vertrokken is; laatende zynen Stadhouder +Everwyn, Graave van Benthem, alhier.</p> +<p>Ondertusschen maakten de Gelderschen in de Zuidhoek, als te Workum, +Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en Slooten, <span class="corr" id= +"xd20e2290" title="Bron: zeinschepen">zeilschepen</span>; om in de +Zuiderzee op het ontzet der Hollanders te kruizen: onder dewelke zich +Groote Pier, geboortig van Kimswert, mede begeeven heeft. Deze Groote +<span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name= +"pb151">151</a>]</span>Pier was door de Saxischen van alle zyne +goederen en welvaart beroofd, ook hadden zy het dorp, daar hy woonde, +in brand gestooken: waarom hy met een aanhang van meer dan 500 +vrienden, op gemelde schepen gegaan was: en hebbende verscheidene +gelukkige zeeslagen met de Hollanders gehouden, en veele scheepen van +hen genomen, zo maakte hy verder de geheele Zuiderzee vry.</p> +<p>Hertog Georg, veel geld en moeiten te vergeefs verspilt hebbende, om +de Friesen te vermeesteren, droeg, na alle zyne nederlagen, het +erfrecht over aan den Prins van</p> +</div> +<div class="div3" id="bourgandien"> +<h4 id="xd20e2298" class="main">2. het Huis van Bourgondien.</h4> +<div class="div4" id="karel5"> +<h5 id="xd20e2301" class="main">1. Karel de Vyfde.</h5> +<p class="firstpar">In dit zelve jaar 1515, <span class= +"sc">Karel,</span> Koning van Spanje, en na een korten tyd Keizer van +’t Roomsche Ryk, nu Erfheer van Friesland geworden zynde, stelde +Graaf Floris van Ysselstein tot Stadhouder aan; die zich met de zynen +eerst alleen binnen Leeuwarden, Franeker en Harlingen moest verhouden: +zynde het overige des Lands meest door de Gelderschen bezet; tot +welkers voordeel Sneek en Slooten in dien tyd <span class= +"pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span>met +muuren en sterktens zyn vast gemaakt<a class="noteref" id= +"xd20e2310src" href="#xd20e2310" name="xd20e2310src">81</a>.</p> +<p>En gemelde Groote Pier, speelende alle zeilen blank<a class= +"noteref" id="xd20e2318src" href="#xd20e2318" name= +"xd20e2318src">82</a>, nam weg alles wat tegen de Gelderschen aanquam, +werpende veele menschen overboord: en inzonderheid te Workum, dat hy +inneemende, de Hollanders de voeten spoelde, daar by voegende dit grove +Friesche vloekwoord: <i lang="fy">Sjug ho kenne dy D: tjietten +swomme<a class="noteref" id="xd20e2339src" href="#xd20e2339" name= +"xd20e2339src">83</a>.</i></p> +<p>In den jaare 1516, in April, is Delfzyl, na dat de Graaf Edzard zyne +bezetting daar uit had genomen, door Boele Ripperda, van haare +vestingen beroofd. Daar op zyn de Groningers, met hulpe van zommige +Ommelanders, uitgetrokken, hebbende den Dam gedemanteleert, en voorts +Weerdenbras ook geraseert. Verder, het kasteel van <span class= +"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name= +"pb153">153</a>]</span>Graaf Edzard, te Groningen gebouwd, wederom +afgebroken.</p> +<p>In den jaare 1517 quam ’er weder zulk een hooge watervloed, +dat het water eene elle boven de dyken stond; waar men de schade wel +kan afmeeten.</p> +<p>Groote Pier beschermde Sneek, tegen de belegeringe der +Bourgoenschen; en nam Hindeloopen weder in, dat de gemelde +Bourgoenschen vast gemaakt, en met 300 mannen bezet hadden: en daar na +Medenblik, dat hy verbrande.</p> +<p>In dit jaar wierd ook tusschen de Bourgoenschen en den Hertog van +Gelderland een verdrag gemaakt, na dat aan weêrszyden veele +vyandelykheden waren voorgevallen; waar door de steden nu van de eene +en dan van de andere zyde waren ingenomen, en de platte landen veel +geweld, moord en brand hadden geleden. Doch Groote Pier, met die de +Gelderschen aanhingen, zich hier noch niet toe verstaande, bleven even +standvastig tegen de Bourgoenschen, en begeerden Pier voor een +Beschermheer der vryheid geacht te wezen; dat hy voorheen ook zoude +gedaan hebben, byaldien het zommigen niet verbrod hadden. Als hy door +eenen Hollander in een brief tot afstand geraaden wierd, bespotte hy +hem met een rymtje na dien tyd, voegende boven het zelve al boertende +deze Eeretytelen: <i>Ik, Groote Pier, Koning van Friesland, Hertog van +Sneek, Graaf van Slooten, Vryheer van <span class="pagenum">[<a id= +"pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span>Hindeloopen, en +Capitein-Generaal van de Zuiderzee</i><a class="noteref" id= +"xd20e2372src" href="#xd20e2372" name="xd20e2372src">84</a>.</p> +<p>Dus wierd de vereeniging door de Gelderschen verbrooken, en des +Keizers volk moest, als voorheen, zich alleen in Leeuwarden, Franeker +en Harlingen verhouden. Groote Pier deed ondertusschen de Keizerschen +op de Zuiderzee veel afbreuk, neemende gestadig aan weg alles wat hem +voorquam.</p> +<p>In den jaare 1518 heeft de Hertog van Gelder het accoord van +Maarschalk Willem van Ojen met de Magistraat van Groningen, uit zyn +naam ingegaan, geconfirmeert en gezegelt.</p> +<p>In den jaare 1519, den 6de van February, wierd te Arnhem het +vorstelyke bruiloftsfeest van den Hertog van Gelder met de Hertoginne +van Brunswyk Lunenburg zeer prachtig gehouden: zynde aldaar uit deze +Provintie van Groningen mede verzogt, Ludolf Conders, en Klaas +Schaffer, Burgemeesteren; Willem Frederiks, Priester van St. Martens +kerk, wegens de stad; en Roelof Lennep, Ritmeester, wegens de +Ommelanden. Dewelke allen zeer prachtig uitgedost waren; Willem op een +wagen, en de anderen te paard, zynde alle de paarden eveneens met +blinkende wapenen over hunne gansche ligchamen bedekt, verzelt +<span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name= +"pb155">155</a>]</span>met 30 ruiters, in heerlyke kleederen. Hunne +geschenken, dieze voor het jonge paar mede bragten, bestonden in twee +zilvere wynkannen, en twee zilvere schenkvaten, zeer konstig verguld en +bearbeid, wegende over de 50 mark zilver. Daar nevens bragten zy 4 +welgemeste ossen, van een buitengewoone zwaarte, en 4 schoone +paarden.</p> +<p>In dit zelve jaar, als Groote Pier bemerkte, dat de Gelderschen het +land, even als de Saxischen voorheen, onder het juk van slaavernye +meenden te brengen, zo quiteerde hy daarom zyn ampt, en zettede zich +gerust binnen Sneek ter neêr, alwaar hy zyn leeven na eenigen tyd +heeft geëindigt.</p> +<p>In den jaare 1520 wierd het klooster te Aduard, het waereldsche +gebied, mitsgaders het recht van patroonschap over Suidhorm en Wyrum +ontnomen, om reden dat eenige monniken op St. Bernards dag, onder een +gastmaal, dat jaarlyks wierd gehouden, twee Edellieden, Hendrik en +Frederik Gaykinga, vegtenderhand hadden doodgeslagen.<a class="noteref" +id="xd20e2388src" href="#xd20e2388" name="xd20e2388src">85</a> +<span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name= +"pb156">156</a>]</span></p> +<p>Als Karel de vyfde nu tot Roomsch Keizer was verkooren, heeft hy in +den jaare 1521 Georg Schenk tot Stadhouder over Friesland aangestelt: +die, met zyn leger te Arum staande, de Geldersche steden, Sneek en +Bolswert heeft gebrandschat: doch Stoffel van Meurs, Stadhouder der +Gelderschen, vertrok naar Workum, dat hy vast maakte, om gemelde +brandschatting der Bourgoenschen af te weeren.</p> +<p>Hier op dreven de Sneekers de Gelderschen uit; het welk die van +Bolswert, weinig tyd daar na, mede deeden.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 12de van May, is de Hertog van Gelder, door +de Staaten der Ommelanden, mede tot hunnen beschutsheer aangenomen.</p> +<p>In den jaare 1522, den tweede van November, quam de Hertog van +Gelder te Groningen; wordende door de Magistraat buiten <span class= +"pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name="pb157">157</a>]</span>de +Oosterpoort opgehaalt, en tot aan de St<span class="corr" id= +"xd20e2406" title="Bron: ,">.</span> Martens Kerk geleid; alwaar hy +door Mr. Willem, Kerkheer, ontfangen wierd, die hem mede naar zyn huis +nam en logeerde. Des anderen daags ontfing hy op het raadhuis de +sleutelen van de stads poorten, en den eed van de Magistraat en de +Gezworene Gemeente, en vervolgens in St. Walburgs kerk van het gemeen. +Des Sondags daar aan wierd hy door de Magistraat der stad op het Heeren +Wynhuis zeer prachtig ter maaltyd onthaalt. Daar na, de Hertog +vertrokken zynde, zond hy Jasper van Marwyk als Stadhouder te +Groningen, die zyn logiment nam op Munnikeholm.</p> +<p>In den jaare 1523 bouwde Stoffel van Meurs een blokhuis te Workum, +en den tooren versterkte hy met gragt en wallen, om de zeekust tegen de +Bourgoenschen te beschermen. Maar wierden van Schenk vermeestert, die +den tooren van boven af liet werpen, en het blokhuis met veel volk +bezette. In welken tyd ook de geweldige Stins van Inthiema door de +Keizerschen verbrand en vernietigt is. Doe zonden de Gelderschen eenige +zeeroovers uit Dokkum; het welk de Bourgoenschen belegerden, en mede by +verdrag inkreegen. Ook vlugten de Gelderschen van Bolswert naar +Slooten; dat zich, belegert ziende, mede aan Schenk over gaf. En by een +gemeen opbod der landlieden, zyn de Gelderschen t’eenemaal +<span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name= +"pb158">158</a>]</span>uit het land gejaagt: en Karel de vyfde tot +Erfheer over Friesland bevestigt.</p> +<p>Ook is Schenk en Wassenaar, uit naam des Keizers, in de Ommelanden +gekomen, roovende en brandende zeer schielyk onder de landlieden; +vervolgens ontboden zy hen om den Keizer te beëedigen te +Noorthorm, mits tot boete geevende 32000 goudguldens.</p> +<p>In den jaare 1525, des Vrydags voor St. Laurens, geraakte de stad +Groningen in een groot oproer; alzo de Bouwmeesters en Gildens zich +heimelyk verbonden hadden van hunne goederen ’er by op te zetten, +om alle de accynsen, uitgenomen de wyn en het Hamburger bier, af te +schaffen. Zy hadden dieshalven by de twee Bouwmeesters, noch 24 van de +voornaamste personen uit de Gildens gekooren, die het zelve aan den +Raad zouden voordraagen. Als deze voorstellinge op het raadhuis +geschiede, stond de geheele markt van het gemeen bezet, raazende en +tierende als verwoede menschen, die door des Overigheids redenen niet +te stillen waren. Een groote hoop liep als woedende op het stadshuis, +met een groot stuk hout in de handen, en stoote de deur van de +raadkamer daar mede open; voorneemens om den geheelen Raad dood te +slaan. De geene die beneden stonden, met bloote messen in hunne handen, +riepen: <i>Sla dood, sla dood; werpt ons de verraaders ter vensteren +uit!</i> Waar door de Raad zich genoodzaakt vond, deze gecommitteerden +<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name= +"pb159">159</a>]</span>te zeggen, hunne begeerte te zullen voldoen: +doende daar op de klok luiden, en hunne wille publiceren. Waar door het +woedende gepeupel wederom vertrok.</p> +<p>In den jaare 1527 was ’er wederom een groote onlust te +Groningen, waar door omtrent verscheidene magistraatspersoonen hun +leeven zouden verlooren hebben: want een Jan Gryp, zynde een groot +oproermaker, trok zyn zwaard uit, en riep: <i>Sla dood!</i> en sloeg +den Bouwmeester Jan.... onder den voet, houwende nochmaals verscheidene +keeren naar hem; doch wierd, door toedoen van anderen, noch gelukkig +gered. De Raad, vergadert zynde, vlood van het stadshuis; ziende ieder +om een goed heenkomen. De Burgemeester Hillebrands, Roltman en Rein +Duirds, met noch eenige andere Raadsheeren, liepen in de St. Martens +kerk; maar de Burgemeester Ludolf Conders viel by de waag onder het +gespuis; waar door hy nochtans door eenige raadsgezinde burgers +gelukkig wierd ontzet, neemende daar op de vlugt, de Heere Poort uit, +naar Helpman op zyn hofstede.</p> +<p>Dit zelve jaar overleed Graaf Edzard van Oostfriesland, oud zynde 66 +jaaren, binnen Embden; wordende des Vrydags na vastenavond tot Norden +begraven. Na hem succedeerde Graaf Enno daar op, in zyns vaders +plaats.</p> +<p>In den jaare 1530 heeft Keizer Karel aan zynen Stadhouder Schenk +last gegeeven, <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name= +"pb160">160</a>]</span>om Dokkum en Slooten, welke Steden hy, na +’t vertrek der Gelderschen, hadden doen vast maaken, de wallen +wederom te slegten.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 10 van July, nam Graaf Enno van Oostfriesland +Widmond door verrassinge in; en belegerde voorts Ezens; waar op hy +verscheidene maalen stormde, en veel volk verloor; doch op den 28ste +van September hebben die van binnen zich aan hunne vyanden +overgegeeven; waar op, Jonker Balthazar een voetval voor Graaf Enno +doende, pardon bequam.</p> +<p>In den jaare 1531 heeft Jonker Balthazar een hoop krygsvolk +aangenomen, waar mede hy in Graaf Enno’s land trekkende, alles in +brand stak wat hem voor quam; sleepende een grooten buit met zich; en +begaf zich naderhand onder den Vorst van Gelder.</p> +<p>In den jaare 1533 heeft Jonker Balthazar den Overste Meindert van +Ham met omtrent 2000 Geldersche soldaaten te Jemmigen, in Reiderland, +gezonden: maar Graaf Enno hen te gemoet trekkende, heeft van hen een +Vendel Gelderschen, welke by de Noorth verachtert waren, ter neêr +geslagen. Doch een weinig tyd daar na, hebben de Gelderschen de +Oostfrieschen aangegreepen, en deerlyk geslagen; waar door in ’t +geheel omtrent 400 mannen zyn gebleven, en waar onder veele braave +persoonen van aanzien.</p> +<p>In den jaare 1535, den 30ste van Maart, zyn omtrent 300 zo genaamde +Wederdoopers, na datze hunne leere in Friesland <span class= +"pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name= +"pb161">161</a>]</span>openbaar hadden voorgestelt, byeen getrokken, +overvallende Oldenklooster, by Bolswert, en namen het in; noodzaakende +de monniken daar uit te vlugten; en van gedachten zynde, by aldien de +Landsheer hen mogt komen bestormen, zouden de bestormers zelve door +hunne eigene wapenen gedood worden. Maar de Gouverneur G. Schenk zulks +gewaar wordende, zond een troup soldaaten derwaarts, en overweldigde +het klooster aanstonds; waar door in de eerste furie het meestedeel +dier arme menschen door de kling wierden gejaagt: 24 zyn ’er +vervolgens aan galgen opgehangen, en 15 onthalst; en de vrouwen en +maagden eenige te Leeuwarden, en andere in het Hempensermeer doen +verdrinken.</p> +<p>In den jaare 1536 heeft Menno Simons, Priester te Witmaarsum, zyn +priesterambt verlaaten, en zich tot de Wederdoopers begeeven: waar van +dezelve den naam van Mennisten hebben bekomen, zo als zy noch in +Friesland, zonder onderscheid, allen genoemt worden.</p> +<p>In dit zelve jaar, hebben de Groningers hunne hulpe aan den Hertog +van Gelder tegens Graaf Enno van Oostfriesland opgezegt. Waar over de +Hertog zeer te onvreden zynde, zyne krygsmacht deed vermeerderen, en +den Overste Meinard van Ham met de zelve den 29ste van April naar den +Dam zond; die aldaar ten eerste de vestingen deed versterken, steekende +de voorstad by de Steenstil- <span class="pagenum">[<a id="pb162" href= +"#pb162" name="pb162">162</a>]</span>en Poelepoort in brand; als ook de +voorstad van de Ebbinge- en Botteringepoort; waar door, alzo de vlam +over de wal quam, omtrent de Peperstraat 5 huizen en 30 schepen +verbrande.</p> +<p>Waarom door de Staaten van Stad en Lande, door groote verbitteringe +dieze tegens den Gelderschen Vorst gekregen hadden, geresolveerd wierd, +zich aan het Huis van Bourgondien over te geeven; zendende derhalve +hunne Gezanten aan Koningin Maria, zuster van Keizer Karel den vyfde, +in Brabant, met verzoek, dat zy onder de bescherminge van zyn +Keizerlyke Majesteit mogten aangenomen worden. De Koninginne heeft hen +daar op met veele beleeftheid aangenomen, en voorts met een genoegzaame +krygsmacht onder het bevel van Georg Schenk versterkt. Waar op Schenk +den 7de van Juny met groote blydschap ter stad wierd ingehaalt, en als +Stadhouder gehuldigt, doende de Raad en het Gemeen voorts den eed aan +hem, uit naame des Keizers. Wordende dus de stad Groningen en +Ommelanden aan de Nederlanden gehegt.</p> +<p>Hier na trok Schenk te velde, en sloeg de Holsteinschen in +Westerwolde; nam Delfzyl in; won den Dam, Wedde en Koeverden van de +Gelderschen. Hier na is de vrede tusschen den Keizer en Hertog van +Gelder geslooten, welke te Groningen op den 8ste van December van +’t stadshuis gepubliceert is geworden. <span class= +"pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name="pb163">163</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1538, of omtrent dezen tyd, overleed de trouwelooze +Hertog Karel van Gelder, oud 70 jaaren; hebbende zyne nabuuren 50 +jaaren lang met verscheidene oorlogen beroert.</p> +<p>En omtrent dien zelfden tyd leefde Vorperus Thaborita, Kanunnik te +Thabor, by Sneek; die, tot op dien tyd, de oude Friesche +Geschiedenissen heeft te zamen gestelt.</p> +<p>In den jaare 1540 overleed Georg Schenk, Stadhouder van Groningen, +in wiens plaats, hem opvolgde Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren. +En den 24ste van September overleed Graaf Enno van Oostfriesland, +wordende te Embden begraven.</p> +<p>In den jaare 1542 is een watervloed over deze landen geweest, waar +door veele schade aan menschen en beesten is veroorzaakt.</p> +<p>In den jaare 1545, omtrent St. Jan, quam Koninginne Maria te +Groningen; wordende aldaar door de Magistraat op eene zeer plechtige +wyze ingehaalt, en met ryke geschenken beschonken.</p> +<p>In den jaare 1546 is in ’t Klooster Wittewyrum eene +conferentie gehouden, over het verschil van de voorbyvaart van Embden, +tusschen de Groningers en de Graavinne van Oostfriesland.</p> +<p>In den jaare 1548 overleed Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren, +en Stadhouder van Groningen, in wiens plaatze hem opvolgde Jan van +Ligne, Graaf van Arenberg. <span class="pagenum">[<a id="pb164" href= +"#pb164" name="pb164">164</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1550 hebben de Groningers, benevens die van de +Ommelanden, aan den Graaf van Arenberg hunnen eed gedaan, wegens +Philippus den tweede, Koning van Spanje.</p> +<p>In den jaare 1552 was ’er, na ’t geweldig doorbreeken +der dyken, en ’t vloeijen van water, zulk een harde winter, dat +men van Friesland naar Ter Schelling, van Medenblik naar Staveren, en +van Amsterdam naar Kampen, met paard en slede, kon over de Zuiderzee +ryden<a class="noteref" id="xd20e2475src" href="#xd20e2475" name= +"xd20e2475src">86</a>.</p> +<p>In den jaare 1555 droeg Keizer Karel de vyfde de bestiering der +Nederlanden over aan zynen zoon Philippus.</p> +</div> +<div class="div4" id="philippus2"> +<h5 id="xd20e2486" class="main">2. Philippus de Tweede, Koning van +Spanje.</h5> +<p class="firstpar">In dit jaar, Philippus de zeventien Nederlandsche +Provintien van zynen vader verkreegen hebbende, in zo een vreedzaame en +wettelyke stand, als Prins of Onderdaanen konden wenschen: kreeg het +Land in tegendeel in Philippus te gelyk een nieuw Heer, met allerlei +nasleep van onheilen en oproer. Want als hy niet wel overdagt hadde, +dat <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name= +"pb165">165</a>]</span>zyn vader, door eene byzondere naarstigheid, op +alles een wakend oog had gehouden, met overal zelve by te zyn; zo +ondernam Philippus daar en tegen, deze Landen in goede rust te zullen +houden door eenen Stadhouder, blyvende zelve in Spanje.</p> +<p>In den jaare 1559, na Philippus de Nederlanden doorreist hadde, is +hy weder naar Spanje vertrokken; bestellende het gebied der Landen aan +Margareta, Hertoginne van Parma, zyne Bastartzuster: en iedere +byzondere Provintie aan hunne Stadhouders, en Friesland aan +bovengemelden Graaf van Arenberg; die ook het opzicht over Overyssel, +Groningen en Lingen hadde.</p> +<p>Onder deze aanstellinge gaf hy ook met eene last, die hy hun by zeer +strenge placaaten, voor zyn vertrek, gegeven hadde, en die de waare +oorzaaken van alle volgende onlusten zyn geweest; waar van deze drie de +byzonderste waren: 1. Het aanstellen van 14 nieuwe Bisschoppen, boven +de drie, die ’er voorheenen hadden geweest. 2. Het openbaar +bevel, om de besluiten van het Consilie van Trenten in den Lande uit te +voeren: daar toe aanstellende Inquisiteurs en Kettermeesters<a class= +"noteref" id="xd20e2496src" href="#xd20e2496" name= +"xd20e2496src">87</a>, om het volk wegens hun geloove te onderzoeken. +En ten 3de. Het onderhouden van 4000 vreemde krygsknegten, ten laste +van den Lande, en dat in tyd van vrede. <span class="pagenum">[<a id= +"pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span></p> +<p>In dit zelve jaar is te Groningen overleden Regnerus Predrinus, +hebbende aldaar veel tyd Rector der Latynsche schoolen geweest, +predikende op de feestdagen openlyk het Evangelium.</p> +<p>De leere tegen de Pausselyke dwaalingen, nu door geheel Europa zich +uitgebreid hebbende, en in Vrankryk en Engeland daarom veele +vervolgingen geschiedende, zo quam ’er veel volk naar de +Nederlanden vlugten. Welke vervolging strydig was tegen de oude +privilegien en vryheden van den Lande, die de Koning hun beloofd hadde +te behouden.</p> +<p>De Edelen van den Lande ondertusschen, om zulk een voorneemen naar +vermogen af te weeren, kantteden zich eerst tegen de dwingnagel van de +bovengemelde 4000 soldaaten, waar door het volk grooten overlast wierd +aangedaan, van gevoelen zynde, dat dan de Inquisitie weinig klem zoude +hebben.</p> +<p>Des zo beraadslaagdenze om den Koning te beweegen, dien last van +soldaaten van hen af te ligten; en zyn, na veele moeijelykheden, naar +Spanje afgescheept in den jaare 1561.</p> +<p>In dit zelve jaar is Groningen, by het aanstellen van nieuwe +Bisschoppen in de Nederlanden, tot een Bisdom verheven; en wierd tot +eerste Bisschop aangestelt, Heer Johan Cnyf, Minnebroeder.</p> +<p>In dezen tyd is wederom een watervloed over Oostfriesland gegaan, +welke de dyken <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name= +"pb167">167</a>]</span>verbrekende, en veele beesten om ’t leeven +bragt<a class="noteref" id="xd20e2514src" href="#xd20e2514" name= +"xd20e2514src">88</a>.</p> +<p>In den jaare 1564 is aan de Staaten van Friesland, nevens andere +Provintien, bevel gezonden van de Hertoginne van Parma, om den nieuwen +Bisschop Cunerus Petri aan te neemen, en in te huldigen tot Bisschop +van Friesland; zyn zetel te stellen binnen Leeuwarden, en hem in alles +de hand te bieden: het welk de Staaten weigerden; verzoekende daar van +ontslagen te zyn, als strydig tegens hunne vryheden en voorrechten.</p> +<p>In dit zelve jaar hebben de Engelschen de stapel der lakenhandel, in +een tyd datze verschil met de Nederlanders hadden, te Embden geplant. +Want daar quam den 23ste van May een groote vloot schepen met lakens, +na dat ’er reeds 6 gekomen waren, te Embden aan. Waar over de +vreugde in die Stad zo groot was, dat ’er eereschooten van +weêrskanten wierden gedaan. Doch de blydschap, en het voordeel +datze zich zelve daar van belooft hadden, verdween zeer haastig: over +zulks de Engelschen, hun verschil met de Nederlanders vereenigt +hebbende, van daar vertrokken, en bragten de lakens naar Antwerpen. +<span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name= +"pb168">168</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1565, als de Inquisitie hoe langer hoe wreeder +voortging, hebben de Edelen, na lange te vergeefs by de Hertoginne +vertooningen en verzoekschriften te hebben ingelevert, den Graave van +Egmond aan den Koning gezonden. Dewelke, na eenigen tyd, eerst antwoord +bequam, en hier op uit quam, dat des Konings meininge was, dat zyne +beveelen en strenge placaaten moesten uitgevoert worden. Derhalven +heeft de Gemeente ondertusschen, uit onverduldigheid, om bovenstaand +langdraadig antwoord des Konings, de kerken overvallen, en alle +Roomsche beelden daar uit gestormt.</p> +<p>Waar op in den jaare 1566 de Heer van Brederode, verzelt met meer +dan 200 Edelen, uit alle Provintien, verzogten aan de Hertoginne te +Brussel, om verzagtinge van die strenge beveelen des Konings te +genieten. By welke gelegentheid de naam van Geusen, waar door de +Gereformeerden beteekent worden, tot op dezen dag, van de geene die +buiten zyn, zynen oorsprong heeft genomen: wat een van ’t +Hofgezin der Hertoginne, met naame de Heer van Barlemont, dezen hoop +Edelen, die slegt in de kleederen waren, het eerste aan ’t Hof +ziende komen, zeide in de Fransche Spraak, dat ’er een hoop +Bedelaars voor de poort waren; gebruikende het Frans woord Gueux, dat +een Bedelaar beteekent. De Edelen dit verstaan hebbende, schaamden zich +hier niet over; maar begeerden na dien dag altyd Geusen <span class= +"pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name= +"pb169">169</a>]</span>genaamt te zyn: waarom veelen van hen graauwe +kleederen aantrokken, als de bedelende Graauwe Monniken, en houte +nappen aan hunne zyde hongen, met zilvere plaatjes beslagen, waar op in +’t Latyn stond: <i>Het gaa den Geuzen wel</i>: of <i>vivent les +Geux</i>.</p> +<p>Het voorige verzoek der Edelen naar den Koning gezonden zynde, maar +het antwoord te laat aankomende, was ’er ondertusschen weder +alomme door het land een algemeene kerkrooving en beeldstormerye +ontstaan; en de Gereformeerden, door toelaatinge des Prinsen van +Oranje, bouwden openbaarlyk kerken binnen Antwerpen. Waar op de +burgers, zo te Leeuwarden als Sneek, mede de vryheid namen om de +beelden uit hunne kerken te breeken, en de zuivere leere te doen stand +grypen; daar veelen reeds opentlyke belydenisse van deeden. +Ondertusschen hebben de Inquisitiemeesters den nieuwen Bisschop te +Leeuwarden toegestaan, van de inkomsten der kloosters Mariengaard en +Lidlum, tot zyn jaarlyks onderhoud, een zomma van 3000 ducaten; en +’t verdere overschot ten behoeve voor monniken en paapen.</p> +<p>In dit zelve jaar is de Minnebroeders kerk te Groningen door de +Gereformeerden ingenomen, van de altaaren en beelden, met verlof van de +Magistraat, gezuivert, en die hun stads arbeidsvolk bestelde, om de +vloer van puin en belemmeringen te ontdoen, en <span class= +"pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name= +"pb170">170</a>]</span>bequaam tot de predikdienst te maaken. Doch deze +zaak heeft naderhand, in den jaare 1569, eenige werklieden het leeven +gekost. In de Ommelander dorpen, als te Winsum, Garshuizen, +Westerembden, Ten Post, Middelstum en elders, wierd de boer door den +adel opgehitst, en veele kerken, geplondert, tegens dank en wil der +Overheden.</p> +<p>Arenberg, deze beeldstormerye verstaan hebbende, deed, uit last der +Hertoginne, alle de predikanten het land uitjaagen, en alle +Gereformeerden strengelyk vervolgen.</p> +<p>Als mede, uit naam van den Koning van Spanje, zond hy op eene +listige wyze, vier compagnien Hoogduitsche soldaten in Groningen; welke +aldaar, gedurende hunne inquartieringe, wegens den Koning, veel moetwil +bedreven aan de burgers, inzonderheid de Gereformeerden; neemende de +stads sleutels na zich, ontwapende de burgerye, en deeden een jongman, +om opgelegt verraad, vierendeelen.</p> +<p>In den jaare 1567, als de Prins van Oranje zag, dat de zaken, na zo +veele moeijelykheden, van erger tot erger vervielen, vertrok hy, met +een groot gevolg van Edelen en andere aanzienlyke lieden naar +Duitschland. En een schip met Edelen van Amsterdam naar Embden +vlugtende zyn by Harlingen, door trouwloosheid van den schipper, in +handen van Arenberg geraakt: waar onder <span class="pagenum">[<a id= +"pb171" href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span>de twee jonge Heeren +van Baatenburg, en drie Friesche Edelen waren; die, nevens veele van de +anderen, binnen weinig tyd daar na, te Brussel zyn omgebragt.</p> +<p>De Koning van Spanje ziende, dat de verwerringe al grooter en +grooter wierd, besloot zyne zuster van verdere moeite te ontlasten, en +zond als Stadhouder in haar plaatze dien wreeden en alom beruchten +Hertog van Alva; dewelke een groote krygsmacht mede bragt, van +voornemen, om alles op een wreede en gruuwzame wyze te vervolgen; die +ook dien weêrgaloozen bitteren bloedraad instelde, welke alles +het onderste boven wentelde.</p> +<p>In den jare 1568, als de vlugtelingen door de wreedheid van Duc +d’Alva dagelyks meer wierden, zoo dagten zy op middelen, om weder +in beteren stand in hun Land te komen. De Prins dan, veel volk +vergaderende, begon van dezen tyd af den Hertog te beoorlogen.</p> +<p>In dit zelve jaar, in May hebben de Graaven Lodewyk en Adolf van +Nassau, nevens Graaf Joost van Schouwenburg en anderen, met hunne +krygsmacht in Groningerland trekkende, het Huis te Wedde, den Dam, en +daar na meer andere plaatzen ingenomen: hoewelze na een korten tyd +gedwongen wierden den Dam wederom te verlaaten.</p> +<p>Ondertusschen was de Graaf van Arenberg, nevens den Graaf van Megen, +met hunne krijgsmacht en zes stukken kanon afgekomen: <span class= +"pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172" name="pb172">172</a>]</span>het +welk van Graaf Lodewyk vernomen zynde, trok zyne krygsbenden bijeen, +vallende den 24ste van May met eene groote dapperheid bij Heiligerlee +op de vijanden in, voor dat de Graaf van Megen daar noch was bygekomen, +en sloegen zoo furieus met hun nieuwgeworven krygsvolk onder hen, dat +er in ’t kort veelen wierden neergevelt. Waarom Arenberg met eene +groote bitterheid op Graaf Adolf los rende; en, schoon hy eerst met een +kogel doorschooten wierd, heeft hy nochtans dies te verwoeder, eerst +met ’t pistool, en daar na met het rapier Graaf Adolf ook +doodelyk gewond; waarop zy alle beide zyn neêrgevallen, en niet +verre van den anderen gestorven. De rest van Arenbergs leger, alzo +’t volk geen kennisse van ’t Land hadde, en van de +Nassauschen omsingelt zynde, is meestendeels gequetst of dood gebleven. +Omtrent 1600 mannen, zo Spanjaarden als Duitschen, wierden ’er +verslagen, waar onder vele perzoonen van rang; daar by bequam Lodewyk +veel buit, als alle de bagagie van Arenberg, zyn zilverwerk, en daar en +boven veel geld, dat tot betaalinge der soldaaten gekomen was, en zes +stukken kanon. Graaf Adolf wierd te Wedde, en de Graaf van Arenberg in +de kerk van het klooster te Heiligerlee begraven.</p> +<p>Daar na trok Graaf Lodewyk met zyn leger voor Groningen, doende de +stad aan twee zyden belegeren; maar de vastigheden van die plaats, +groote bezettinge daar binnen, en den <span class="pagenum">[<a id= +"pb173" href="#pb173" name="pb173">173</a>]</span>belegeraars zwaar +geschut ontbreekende, deed hem niets vorderen: evenwel wierden +’er verscheidene aanvallen gedaan, inzonderheid op den 22ste van +Juny, alwaar wel 200 van de Nassauschen, en veelen van de beleegerden +sneuvelden. Maar het afkomen van den Hertog van Alva met een leger van +16000 mannen, deed hem de belegeringe den 14de van July opbreken, +marcherende daar mede langs de Eems, om zich aldaar te versterken; doch +de Hertog is hem zeer haastig nagetrokken, en heeft Graaf Lodewyk op +den 21ste dito by Jemmingen aangetast, en zeer afgryzelyk met al zyn +volk, dat niet vegten wilde, verslagen; daar bleven ’er weinigen +over, en veelen wierden door ’t zwaard gejaagd, of in ’t +water verdronken. Graaf Lodewyk zelve, als eenigen verhalen, ontquam +het met zwemmen over de Eems; doch anderen willen, dat hy met een +scheepje overgeraakt zoude zyn. Daar wierden verlooren 16 stukken +kanon, omtrent 1500 paarden, 20 vendels, veele horenbeesten, en omtrent +7000 mannen.</p> +<p>Daar na trok de Hertog langs de dyken naar Delfzyl, voorneemens om +die plaats en Farmsum tot een stad te maaken, en dezelve Marseburg te +noemen: doch de smeekinge der Groningers heeft zulks terug gehouden. +Vervolgens hebben de Spaanschen in het aftrekken veele dorpen in brand +gestoken, eenige duizenden van horenbeesten uit het land gedreven en +groote schade gedaan. Voorts <span class="pagenum">[<a id="pb174" href= +"#pb174" name="pb174">174</a>]</span>quam de Hertog te Groningen, en +ordonneerde aldaar een kasteel te bouwen, tusschen de Ooster- en Heere +Poort, met 5 bolwerken; dat het jaar daar aan is begonnen.</p> +<p>Karel Brimeu, Graave van Megen, wierd Stadhouder van Friesland, van +’s Konings wegen, na de dood van Arenberg.</p> +<p>Den 7de van December is te Leeuwarden, voor de eerstemaal des Heeren +Avondmaal openbaar, naar de wyze der Gereformeerden, uitgedeelt, na dat +de gewapende burgery de beelden, door last van Burgemeesteren, uit de +kerken geworpen hadden, niet tegenstaande des Konings Stadhouder, en +’t Hof zich daar tegen stelden. Ook hebben zy den Koning +afgeswooren, en zich door sterke burgerwachten bevestigt. Ook wierpen +verscheidene paapen hun priesterlyk gewaad weg, en verkondigden nu het +zuivere Woord des Heeren.</p> +<p>In den jare 1569, in April, quam de Commissaris Quarre te Groningen, +en informeerde zich wegens de kerkplonderinge en andere misdaaden, in +den jaare 1566 gedaan. Waarop eenigen by den kop wierden gevat; doch de +Bouwmeester, met twee arbeidsluiden braken uit de gevangkenis; maar de +andere drie a vier zyn, niet tegenstaande het verlof van de Magistraat, +om hunne begaane misdaad, op de markt onthoofd. hoofd.</p> +<p>Voorts hier na quam de Bisschop Johan Cnyf ook te Groningen, +neemende zijn logement <span class="pagenum">[<a id="pb175" href= +"#pb175" name="pb175">175</a>]</span>in het huis dat nu des Stadhouders +Hof is.</p> +<p>Ook wierd door bevel van den Hertog van Alva een kasteel +geordonneert; men bouwde het met vyf bastions, waarvan drie buiten en +twee binnen de stad quamen te leggen: schietende het eene met haar punt +op der Pelsterstraat, en het andere op de Gelkingestraat: waar van de +gragt wierd aangelegt op 100 voeten wyd; en de benedenste voet van de +wal op 75 voeten breed.</p> +<p>In den jaare 1570, den 1ste November, is ’er een geweldig +onweder, met een verschrikkelyke hooge watersnood, uit den noordwesten +ontstaan; die tot heden met den naam van Allerheiligensvloed bekent is: +waar door het water zeer hoog in Vlaanderen, Holland en Zeeland is +opgeloopen, doch by den dag, en diensvolgens met minder schade, als in +Friesland: alwaar het des avonds, omtrent 9 uuren, het geheele Land +overstroomde tot aan Sevenwouden toe; blyvende Gaasterland, en wel +voornaamentlyk Oud Mardum, Ruigehuizen en Sondel onbeschadigt. De +schade aan menschen en beesten was ontelbaar, en is af te neemen uit +1800 menschen, die alleen in de Grieteny van Oostdongeradeel verdronken +waren; daar de vloed tot elf voeten hooger, als een gemeen ty, was +opgerezen. Van Sneek naar de Lemmer voer men regt uit op zeven en een +halve voet water over ’t vlakke land: râzeilen met drie +masten dreven, <span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name= +"pb176">176</a>]</span>met haar volle ladingen door de inbraaken der +dyken. En een wieg, met een leevend kind en kat daar in, quam te Sneek +aandryven.</p> +<p>In den jaare 1571 hebben de Friesen alomme, gelyk ook die van +Braband en Vlaanderen, de beelden bestormt, en de paapen en monniken +weder het land uitgejaagt.</p> +<p>In den jaare 1572, den 7de van January, overleed binnen Zwol, de +Graaf van Megen, Gouverneur van Friesland, Groningen, enz. In wiens +plaatze hem opvolgde Gillis van Barlamond, Heere van Hierges.</p> +<p>In dit zelve jaar namen de Watergeusen den Briel in; en de Prins van +Oranje wierd in ’t openbaar voor een Hoofd der Vereenigde +Bontgenooten verklaart. Diederik van Bronkhorst nam Sneek, Bolswert en +Franeker in, alzo het volk daar meest uit verloopen was. En des Konings +Colonel, Casper de Robles, Heer van Billi, daarentegen lag bezettinge +op de zeedyken.</p> +<p>Schouwenburgs volk, gesterkt met een party, van des Prinsen macht, +dat van Ameland naar Oostmahorn over quam, heeft Dokkum ingenomen: maar +de Colonel Robles, hen overvallende, heeft de plaats weder hernomen, +laatende de soldaaten vermoorden en schenden, en de stad in brand +steeken<a class="noteref" id="xd20e2602src" href="#xd20e2602" name= +"xd20e2602src">89</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb177" href= +"#pb177" name="pb177">177</a>]</span></p> +<p>In September is Joost van Schouwenburg, als Stadhouder by den Prins +van Oranje over Friesland, te Sneek gekomen; en, na eenigen tyd, trok +hy binnen Franeker, en zette zich op Sjaardema’s Slot ter neder. +Doch na zyn vertrek vielen zy weder in handen van Robles, gelyk ook die +van Bolswert. Ondertusschen hebben ’s Prinsen volk de zeekusten, +behalven Harlingen en Staveren, weder onvry gemaakt; alwaar Gaasterland +en de geheele zuidhoek veel verdriet heeft uitgestaan. En inzonderheid +word verhaalt, dat die van Wykel van de roovers wierden overvallen; +Wybren Wykel met zyn vrouwe Doed en dochter Bauk gedood; Foockel +gevankelyk naar Enkhuizen gevoert, en noch eene van hunne zusters ter +vensteren uitgeworpen; Hans, hunne broeder, ontquam het met de vlugt; +en het huis wierd verbrand: van welker afkomst ons noch een aanzienlyk +huisgezin in onze woonplaats bekent is. Robles moest hier na Sneek +weder verlaaten. Diederik van Bronkhorst nam hier op Bolswert in; +alwaar hy de Overigheid veranderde, en de Gereformeerden opentlyk liet +prediken; welke eerste predikatie in de Broeren Kerk gedaan wierd. Hier +van daan vertrok hy naar Sneek en Franeker, alwaar hy het +Stadhoudersampt, in ’t afzyn van Schouwenburg, bediende. Daar na +nam ’s Prinsen volk het blokhuis te Staveren in: maar daags daar +aan herwonnen <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name= +"pb178">178</a>]</span>’s Konings volk het wederom, en staken de +stad in brand.</p> +<p>Schouwenburg, eenige schattinge by een vergadert hebbende, tot +reddinge der Provintie, is, na hy de zelve ontfangen had, met dien +geroofden buit uit den Lande doorgegaan.</p> +<p>Ondertusschen heeft de Koning van Spanje, Don Louis de Requesens, +Grootbevelhebber van Castilien, tot een Landvoogd der Nederlanden +gezonden, in plaats van dien bloeddorstigen Hertog van Alva: die hier +op aanstonds weder naar Spanje vertrok; welke roemde, dat ’er +door zyn bevel wel 18000 menschen alleen door beuls handen in Nederland +waren omgebragt, behalven die in den kryg waren gesneuvelt.</p> +<p>In den jaare 1573, is Groningerland, Friesland en Embderland, door +een watervloed aangetast: waar door de dyken wierden gebroken, en +groote schade aan menschen en beesten geschiede.</p> +<p>In den jaare 1574 heeft Casper Robles, om de verschillen en +oneenigheden, al van oude tyden af, die ontstaan waren over het maaken +der zeedyken, weg te neemen, uitgevonden, en volgens zyne gedachten en +raad voorgewend, dezelve dyken, tegen zulke zwaare en hooge +watervloeden, waar van zy zo menigmaalen de smerten gevoelt hadden, in +beter order te brengen, en beginnen te verzwaaren. Wordende omtrent +twee jaaren hier na, ter gedachtenisse van dit loffelyke <span class= +"pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" name= +"pb179">179</a>]</span>werk, het Steene Beeld, dat noch heden by +Harlingen op den dyk te zien is, op ’s Lands kosten, opgeregt: +dienende met eene tot een Scheidbeeld van de afdeelinge der dyken.</p> +<p>Alschoon des Konings zaaken dagelyks te post verliepen, zo waren +echter Staveren, Hindeloopen, de Schans te Makkum, Harlingen, en de +geheele kust, na het doorgaan van Schouwenburg, weder met Robles volk +bezet geworden. Doch Wouter Heegeman, Hopman van den Prins van Oranje, +van Texel afvaarende, heeft Hindeloopen, by eene donkere nacht, met 300 +mannen overvallen en ingenomen. Waar op die van Enkhuizen hem kruid en +lood toezonden, om de plaats te versterken. Doch op het gerucht van +Robles volk, dat op hem aanquam, deed hem resolveeren, de stad uit te +plonderen en in brand te steeken. De Drost van Staveren begon ook zyne +vestingen, daags daar aan, weder te versterken.</p> +<p>In den jaare 1575 Bartel Entes, met eenig volk van Ter Schelling +afvaarende, lande op Oostmahorn, alwaar hy een schans opwierp: doch na +eenige schermutselingen, wierd hy door ’t volk van Robles daar +weder uitgedreeven.</p> +<p>In den jaare 1576 waaide het een geweldige storm, waar door veele +boomen uit den grond wierden gerukt; en het dak van de Oude Hoofster +Kerk te Leeuwarden, dat door oudheid geheel bouwvallig was geworden, +<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name= +"pb180">180</a>]</span>deed instorten: en is tot op dezen dag niet +weder opgebouwt. ’t Was mogelyk een voorteeken, dat gelyk het +heidendom, voor veele eeuwen, uit deze plaats uitgeroeit, alzo deze +plaats het kerkhof was geweest, daar het altaar van den Afgod Staf +gestaan had, en dezelve geviert wierd, alzo ook nu het gebouw des +Pausdoms in deze Landen wel haast een geweldige krak zoude krygen. +Waarom wy wel mogen zeggen:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Het oude Duivels Hof, door schynschrift</p> +<p class="line xd20e2637">lang misbruikt,</p> +<p class="line">Wat wonder, zo ’t haar hoofd voor ’t +regt</p> +<p class="line xd20e2637">Geloove duikt.</p> +</div> +<p class="firstpar">In dit jaar hebben de Staaten en Voornaamste des +Lands met malkanderen binnen Gent een verbond gemaakt, om de welvaart +des Lands, met raad en daad des Prinsen van Oranje te helpen +bevorderen: wordende gemeld verbond gemeenelyk de Pacificatie van Gent +genaamt. Het welk de Koning daar na ook met zyne onderteekening +bevestigde. De inhoud van dit verdrag bestond voor ’t meest: 1. +Dat de vreemde krygslieden uit het Land zouden gevoert worden. 2. Dat +de gebruikelykste wyze van regeeren zoude vastgestelt worden. 3. Dat +ieder Provintie de zaaken van Godsdienst zoude handhaven, na dat het +tot ruste des volks het beste zoude geoordeelt worden.</p> +<p>In dit jaar is te Madrid overleden Joachim <span class= +"pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name= +"pb181">181</a>]</span>Hopperus, geboortig van Heemelum; afkomstig van +dat oud Geslacht der Hopheeren, waar van boven op het jaar 513 gemeld +is; om zyne uitmuntende geleerdheid, heeft hy hooge bedieningen +bekleed, als Professor der Rechten te Leuven; Heer van den Grooten Raad +te Mechelen, en in den Geheimen Raad te Brussel, daar Viglius de +voorzitplaats had; Heer van den Hoogen Raad der Nederlandsche Zaaken in +Spanje, en ’s Konings Zegelbewaarder; waar by hem de Koning tot +Ridder van de Goude Spoor sloeg, te gelyk en op een uur met Don Jan van +Oostenryk.</p> +<p>Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab Aita, +afkomstig van Swichum, by Leeuwarden; deze is mede om zyne uitsteekende +geleerdheid in groot aanzien geweest, als Professor in de Rechten te +Padua, in Italien, en na ’t afslaan van veele eerampten, Ryksraad +in de Kamer te Spiers; wederom wierd hy Professor te Ingolstad, Heer in +den Grooten Raad te Mechelen, Praeses of Voorzitter in den Geheimen +Raad en Raad van Staaten te Brussel, Ridder van ’t Gulde Vlies, +enz.</p> +<p>In dit jaar, den 7de van October, is te Groningen de Bisschop Johan +Cnyf, Minnebroeder, aan de pest overleden.</p> +<p>Den 22ste van November ontstond te Groningen een groote onlust, door +dien de Staaten Generaal, het oog op deze stad hebbende, eenen M. T. +Stella herwaarts hadden <span class="pagenum">[<a id="pb182" href= +"#pb182" name="pb182">182</a>]</span>gezonden, om de Magistraat en het +krygsvolk tot het aannemen der Pacificatie van Gent te beweegen; als +mede, dat zy ’t met de Generaliteit zouden houden; waar voor zy +beloofden, alle de achterstallige schulden, van de soldaten, die zeer +groot waren, te zullen voldoen.</p> +<p>De Gouverneur Robles, hier kennis van krygende, deed Stella +aanstonts apprehenderen en pynigen, om alzo zyn commissie uit hem +gewaar te worden: doch alles te vergeefs. Ondertusschen wist Stella +door zyn bequaamheden in ’t geheim aan de soldaaten te kennen te +geeven, dat zo zy zich voor de Staaten wilden verklaren, zy van alle +hunne achterstallen ten vollen voldaan zouden worden. Hier op waren de +soldaaten aanstonds als vol vuur, namen ten eersten hunnen Gouverneur +Casper de Robles, benevens eenige Spaansche Kapiteinen, of die ’t +met hun hielden, gevangen; loopende voorts naar de Waag, en haalden de +daar staande wippe omverre, en verbrandeze op de Markt, roepende: +<i>Lang leeve de Prins! lang leeven de Staaten!</i> Waar op zy +aanstonds heen liepen en maakten Stella los; bragten hem op de Markt, +en deeden hem in de naame der Staaten den eed van getrouwheid. +Vervolgens zonden zy Gecommitteerden met Stella naar Brussel; die +aldaar de stad aan de Staaten opdroegen, en een Gouverneur van hen +verzogten: waar op de Graaf van Rennenberg is afgezonden geworden, die +aldaar in den <span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name= +"pb183">183</a>]</span>jare 1577, den 7de van January, met eenige +heeren is aangekomen, en betaalden de soldaaten hunne achterstallen ten +vollen, dat eenige tonnen gouds beliep. Waar op de Waalen den 13de van +Maart ter stad uittrokken; daar die van binnen zeer over verblyd waren, +om hunne gepleegden moetwille, daar ze nu van verlost wierden, dat ze +vreugdevuuren daar over aanstaken; waar door de St. Martens toren in +brand geraakte en zeer beschadigt wierd. Daar na kreeg Rennenberg +Delfzyl, en stelde daar een nieuwen Commandeur. Voorts deeden de +Groningers hem en de Generaliteit den eed van getrouwigheid; doende +daar na het kasteel, door den Hertog van Alva gebouwt, wederom +afbreeken.</p> +<p>Op den eersten November deed de Gouverneur Rennenberg de Staaten van +Stad en Lande te Groningen vergaderen, alwaar de Ommelander Jonkers en +Hovelingen compareerden in groot getal, doch niet denkende, dat er iets +quaads met hen voor handen was. Maar, als zy vergadert waren, voor +Rennenberg zyn propositie nog had voorgesteld of gedaan, wierden beide +de leden oneens; het welke niet verdraagen wierd; waar door de Heeren +van de Ommelanden door de Heeren van de Stad zyn gevangen genomen, tot +24 in getal, en in leelyke gevangkenissen geworpen: niet tegenstaande +het ontzach van hunnen Stadhouder, die daar tegenwoordig was. Daar op +wierd de sterkte <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" +name="pb184">184</a>]</span>van Delfzyl den 20ste van December van hare +vestingen berooft; waar afgevoert wierden 9 metaale en 7 yzere stukken +kanon, en 14 bassen.</p> +<p>In den jaare 1578 zyn des Konings Raaden en Grietmannen in Friesland +afgezet, en andere Heeren voor hen in de plaats verkooren. Waarop de +Gereformeerden, die noch in ’t heimelijk hunne oeffeningen +deeden, verzogten om in ’t openbaar te moogen leeren en jaargeld +te genieten, om hunne Predikanten eerlyk te kunnen onderhouden: +’t welk door den Religions Vrede, tusschen den Aartshertog +Matthias en den Prins van Oranje, toegestaan zynde, zo bequamen die van +Leeuwarden de Jacobiner kerk tot hun gebruik; alwaar zij voor de +tweedemaal de Roomsche beelden afwierpen, en dezelve kerk tot de +zuivere godsdienst inweiden.</p> +<p>In dit zelve jaar dagten de Ommelanders zich te wreeken; deeden +derhalve in de maand February, onder den Heer Barthold Entes van +Menteda, 12 vendelen soldaaten werven: maar de Groningers zulks gewaar +wordende, vielen op hen uit, en verstrooidenze, waar van eenige wierden +doodgeslagen, de vlugtenden nagezet, en Barthold Entes gevangkelyk van +Koevorden mede naar Groningen gevoert; daar hy groot gevaar liep van +met de andere gevangene Ommelanders onthoofd te worden. Doch de +Aartshertog Matthias en de Staaten Generaal waren hunne voorspraaken, +om het different by te leggen. <span class="pagenum">[<a id="pb185" +href="#pb185" name="pb185">185</a>]</span></p> +<p>Den 28ste van Maart heeft het zeewater in Groningerland, +Oostfriesland en elders, groote schade gedaan, en veele menschen en +beesten verdronken.</p> +<p>In den jare 1579, om redenen, dat de Spanjaarden in geenen deele de +articulen der Pacificatie van Gent na quamen, hebben de Staaten van +Nederland goedgevonden, een naauwer verbintenisse te maaken binnen +Utrecht, die men de nadere Unie van Utrecht noemt: waar in de zeven +vereenigde Provintien, als Gelderland, Sutfen, Holland, Zeeland, +Utrecht, Overyssel, Friesland, Groningen en Ommelanden, daar benevens +Lingen en Drenth, hun eerste verbond maakten, bestaande voornaamentlyk +in: 1. Dat deze Provintien een en gemeen zouden zyn, om nooit, onder +wat naam ook, te mogen gescheiden worden: blyvende ieder nochtans by +zyne eigene oude voorrechten. 2. Dat zy malkanderen, tegen alle +vyandelyk geweld, met goed en bloed zullen helpen verdeedigen. En 3. In +de oeffeninge van Godsdienst de Pacificatie van Gent na te komen.</p> +<p>In dit zelve jaar hebben de Heeren van de Ommelanden den Riligions +Vrede mede aangenomen, insgelyks de Graave van Rennenberg; maar die van +Groningen, uit haat tegen de Ommelanden, kantede zich hier tegen. +Waarom Rennenberg een Landdag te Visvliet deed uitschryven, om alle +questien aldaar tusschen de beide leden in der minne by te leggen. Doch +de Groningers, als strydende <span class="pagenum">[<a id="pb186" href= +"#pb186" name="pb186">186</a>]</span>tegen hunne verbonden, weigerden +aldaar te compareren. Rennenberg deed derhalve zyn krygsmacht +ontbieden, om zich van Groningen nochmaals te verzekeren; doende de +stad voorts op den 22ste van May, aan de noordwestzyde, met omtrent +2000 mannen, doch tot weinig schade der stad, berennen.</p> +<p>Den eersten van Juny begonnen de belegeraars met die van binnen +handgemeen te worden, neemende hun een groot getal beesten af. Daar +tegen bragten die van de stad 2300 boeren uit hunne jurisdictien op de +been: welke terstond met weinig krygsvolk op de vlugt wierden gedreven, +en daar boven nog met geld geeven gestraft. Den 6de dito verstonden die +van binnen, dat er buskruid in het leger ontbrak, deeden derhalven met +hun geweld van welgewapende boeren en eenig krygsvolk, met het geschut +voor aan, een uitval op de vyanden, hebbende by hen 600 dienstmaagden, +om het geschut te beschanssen. Dus in slagorde staande, wierd er aan +weêrskanten dapper gevogten; waar door veele sneuvelden, en de +partye genoodzaakt wierd te vlugten, welke tot aan de poorten, niet +zonder verlies van volk, wierden vervolgt.</p> +<p>Daar na begonnen die van binnen naar vrede te luisteren, geevende +zich op den 10de van Juny aan de Staaten Generaal over: de Gouverneur +Rennenberg deed zyn publyke intrede op St. Jans Dag in de stad; die +aldaar <span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name= +"pb187">187</a>]</span>de Magistraat veranderde, en dezelve met +Staatsgezinden bezettede; den Riligions Vrede verkondigde, en de +Gereformeerden de St. Walburgs en Minnebroeder kerk deed inruimen. +Vervolgens heeft Rennenberg de fortresse Koevorden wederom vastgemaakt: +doch toonde zeer kort daar na dat hy ’t met de Staaten niet wel +meende.</p> +<p>Want in den jare 1580, den 3de van Maart, heeft de trouwlooze Graaf +de stad wederom aan den Koning van Spanje gebragt, na dat hy dezelve +maar 9 maanden voor de Staaten Generaal als Gouverneur hadde geregeert. +Hy had zyn voorneemen zo geheim weeten houden, dat, schoon hy +beschuldigt wierd, van heimelyk correspondentie te houden met den +Hertog van Parma, hy nochtans den Burgemeester Hillebrands, zynde de +voornaamste daar die van de Gereformeerde religie zich op vertrouwden, +des avonds, voor dat hy de stad onder zyn geweld bragt, bedroog, terwyl +deze hem voorstelde alle de quade geruchten die er van hem gingen, en +dat hy niet hoopte dat de Graaf iets quaads met hen voor hadde. Waar op +de Graaf antwoorde: «ô Myn Vader! dien ik voor myn Vader +houde! zou gy zulk een quaad vermoeden van my hebben? Wees hierin maar +gerust:” en sloeg het hem dus uit den zin. Evenwel lag de Graaf +op zyn luimen, laatende geen tyd passeeren; want op den tweeden van +Maart, des avonds en des nachts, heeft hy met zyn <span class= +"pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name= +"pb188">188</a>]</span>geheele Hofgezin, en veele Spaanschgezinde +burgers, als mede eenige verborgene krygsknegten, tegens den +morgenstond, den 3de dito, hen gewapent. Zo dra als hy nu kennisse had +bekomen, dat de Gereformeerde wacht in den dageraat was gaan slaapen, +is hy met zyn volk, hebbende witte teekenen aan hunne linker armen, uit +zyn logiment naar de Markt gereden, gewapent zynde van het hoofd tot de +voeten, met de bloote sabel in de vuist, roepende: <i>Sta by, sta by, +goede Burgers! heden ben ik eerst regt Stadhouder dezer Landen.</i> Op +dit gerucht quam de Burgemeester Hillebrands, woonende in de +Heerestraat, haastig met eenige Gereformeerden voor den dag springen, +die direct op hem aanvielen: maar een van Rennenbergs knegts schoot op +hem los, dat hy dood ter aarde viel. Waarom de anderen de vlugt namen. +Eenigen wierden aanstonds gevangen genomen, en anderen verweerden zich +noch in hunne huizen; maar daar bleef niemand dood als een perzoon. +Voorts liepen en renden zij door de straaten, schietende naar allen, +die het hoofd ter vensteren uitstaken. Daar na de stad doorzoekende, +namen zy allen, die in der Spaanschgezinden ongunst stonden, tot over +de 200 voornaamste burgers gevangen; waar van eenigen zeer qualyk +wierden gehandelt; die evenwel naderhand door verscheidene middelen +meest los quamen.</p> +<p>Op dien zelven dag, als Rennenberg de <span class="pagenum">[<a id= +"pb189" href="#pb189" name="pb189">189</a>]</span>stad voor den Koning +van Spanje had hernomen, wierd dezelve wederom door Barthold Entes +belegert, met 13 vendelen soldaaten en 2 vendelen ruiters. Die van de +stad maakten eenige beschansinge in de voorstad, gelegen op het +Schuitendiep, en noch twee molenbergen buiten de stad, waarmede zy +hunne beesten, die dagelyks in de weide gingen, beveiligden. Vervolgens +zonden de Staaten Generaal den Graaf van Hohenlo, en Graaf Lodewyk van +Nassau, met nog 16 vendelen naar ’t beleg.</p> +<p>Den 16de van May deeden de belegeraars eene attaque op ’t +Schuitendiep, alwaar zeer hevig gevogten wierd, en Barthold Entes zyn +leeven verloor. Ondertusschen ontstond een gerugt in ’t leger, +dat de Spanjaarden, onder ’t bevel van Marten Schenk, afquamen om +Groningen te ontzetten. Hier op trok Hohenlo met eenige vendelen uit de +belegeringe naar Hardenberg, Schenk te gemoet; alwaar het gevegt op den +16de van Juny, tot groote schade van den Graaf van Hohenlo, wierd +gehouden. Overzulks wierd Groningen door Graaf Lodewyk, na ruim drie +maanden belegert geweest te zyn, wederom verlaaten.</p> +<p>Den 29 van July is Delfzyl door den Graaf van Rennenberg ingenomen; +ook Enematil; doch wierd kort daar na door Hohenlo wederom herwonnen; +ook joeg hy de Rennenbergschen uit de schans Weerdenbras, by de +Ponterbrug, en nam daarop Koevorden in. <span class="pagenum">[<a id= +"pb190" href="#pb190" name="pb190">190</a>]</span></p> +<p>Den eersten September is Enematil door de Rennenbergschen wederom +ingenomen en geslegt.</p> +<p>Den 4de dito wierd Hohenlo’s volk by de Bourtange door de +Rennenbergschen geslagen.</p> +<p>Den 6de dito zyn de Rennenbergschen, door de Friesen uit Dokkum en +Kollum, in ’t klooster Aduard verrast en verslagen; waar op het +klooster, uit vreeze van wederom overvallen te worden, is in brand +gestoken; waar in de Rennenbergschen wel 300 mannen verlooren.</p> +<p>Den 20ste dito won Rennenberg Koevorden; onder voorwaarde, dat de +bezettinge, uit 200 mannen bestaande, met zydgeweer zouden mogen +uittrekken.</p> +<p>In dit zelve jaar, als de Stadhouder Rennenberg door ontrouw van de +Staaten en Prins van Oranje was overgegaan tot den Koning van +Spanje<a class="noteref" id="xd20e2716src" href="#xd20e2716" name= +"xd20e2716src">90</a>, en die van Leeuwarden door het blokhuis, dat +noch vast was, en by hem bezet bleef, meende te dwingen, gelyk hy +Groningen reeds al in zyne macht hadde; zo hebben de burgers, dit +bemerkende, <span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name= +"pb191">191</a>]</span>het zelve manmoedig ingenomen, en de wallen en +sterktens geslegt: ook namen de Staaten de blokhuizen van Harlingen en +Staveren mede in hunne macht, en roeiden uit de kerken der Paapen alle +de beelden; en de kloosterinkomsten wierden allen geschikt tot +onderhoud der Predikanten en schoolen.</p> +<p>De Geestelyken dus uitgeroeit zynde, verkreegen die van Oostergo de +eerste stem in hunne plaats; en de steden de vierde stem in +landszaaken. Koevorden wierd vaster beschanst; en Harlingen met nieuwe +wallen en gragten versterkt. En wegens de ongetrouwigheid van +Rennenberg, zogten de Staaten zich van eenen anderen Stadhouder te +voorzien.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2" id="stadhouders"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e2737" class="main">VII. Stadhouders der Staaten.</h3> +<p class="firstpar">1. <span class="sc">Willem</span>, Prins van +Oranje, Graave van Nassau, enz., wierd van de Staaten van Friesland, om +het Stadhouderschap van deze Provintie mede waar te neemen, begroet. +Doch, om de moeijelykheden, daar de andere Provintien in stonden, gaf +het hem ongelegentheid, om overal zelve te gaan; derhalven zond hy +Merode, Heer van Rummen, om van zynent wegen het Stadhoudersampt als +Luitenant te bedienen. Hier na belegerde Rennenberg Steenwyk; neemt de +<span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name= +"pb192">192</a>]</span>Kuinder en Slooten in; trekt naar Staveren, daar +hy ’t kasteel weder opbouwt; werpt te Makkum weder een nieuwe +schans op, en stroopt <span class="corr" id="xd20e2746" title= +"Bron: lang">langs</span> de zeekust tot aan de Harlinger Poort. Waar +door Friesland weder in ’t uiterste gevaar quam om overwonnen te +worden. Doch daarentegen ontzette de Overste Norrits Zwartsluis, +’t kasteel van Hattem en Steenwyk; waardoor Rennenbergs loop ten +eenemaal gestuit wierd, en al het voorgemelde weder by de Staaten +herwonnen.</p> +<p>De onzen verlooren ook een veldslag by Winsum, in Groningerland, dat +Friesland in eene groote benaauwdheid bragt: maar als de Overste +Norrits den vyand by Visvliet <span class="corr" id="xd20e2751" title= +"Bron: ge-geslagen">geslagen</span>, en tot aan de poorten van +Groningen verjaagt hadde, veranderde het zelve in vreugde. Even hier na +wierd het bolwerk en wallen om Dokkum gemaakt.</p> +<p>In den jaare 1581, in May, quamen de Rennenbergschen uit Aduard, om +een schans op het Reidiep te maaken, om alzo den Heer van Nienoort uit +zee af te snijden: doch hy wierd zulks tydig gewaar, en voorquam niet +alleen hunne aanslag, maar bragt hen zelve in hinderlaag; waar door +veelen der vyanden wierden verslagen.</p> +<p>Daar na is Aduard door den Heer van Nienoort belegert; brengende +grof geschut daar voor, om het klooster daar mede daadelijk te +beschieten. Maar de Rennenbergschen van alom hunne macht byeen +rukkende, trokken by Groningen over het Reidiep, <span class= +"pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name="pb193">193</a>]</span>om +de belegerden te ontzetten. Nienoort was zulks wel verwittigt, maar +door meerderheid van stemmen geresolveert de vyanden af te wagten: +dewelke van achter het klooster straks quamen toeschieten: waar door de +Nienoortschen de vlugt namen, achterlaatende verscheidene Officieren +voor gevangenen, en eenige dooden aan hunne bespringers. Voorts trokken +de Rennenbergschen op Aduarder-Zyl, en deeden het plaatsje aanstonds, +doch vrugteloos, bestormen: maar met kanon daar voor komende, en een +goede bresse geschoten zynde, quamen zy met de derde storm daar binnen; +slaande doe alles dood wat ’er in was; waar onder Schelto Jarges, +een zeer geleerd en dapper Kapitein.</p> +<p>Den 9de van July sloeg Norrits de Rennenbergschen by Grypskerk, en +vervolgden hen tot aan Groningen, waar van 700 mannen door de kling +gejaagt, en veelen gevangen wierden genomen; vier stukken kanon, alle +de bagagie, en veele paarden wierden tot buit gemaakt; zynde des +overwinnaars verlies daar tegen zeer gering.</p> +<p>Den 23ste dito is in Groningen overleden die trouwelooze Graaf van +Rennenberg, Stadhouder van Groningen, enz.; zynde door eene knaaginge +zyner confidentie geheel uitgeteert van mismoedigheid en berouw, om dat +hy de Staaten Generaal zo ontrouw had behandelt; wordende begraven in +St. Martens Kerk, in ’t choor. Hy had <span class= +"pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span>in +zynen laatsten levenstyd zyne zuster verstooten, die hem tot dezen +afval vervoert had. Daar na is Francois de Verdugo wegens den Prins van +Parma, als Stadhouder van Groningen, in des overleedens plaatze +gestelt.</p> +<p>De algemeene Staaten van gevoelen zynde, dat door deze geduurige +vyandelykheden, de Koning van Spanje meer een openbaare vyand, als een +beschermend Overheer was; hebben daarom geresolveert, hem van alle zyne +voogdye af te zetten, en zyne gehoorzaamheid ten eenemaal afgezwooren: +waar toe de Staaten van de andere Provintien, en Friesland mede, in dit +zelve hebben bewilligt. Waarop des Konings wapenen alomme wierden +afgebroken, uitgestreeken en vernietigt, de zegelen plat geklopt, en +die der Staaten in deszelfs plaats gestelt.</p> +<p>Rennenberg overleden zynde, heeft de Koning, die de landen daarom +noch niet verlooren gaf, eenen Francois Verdugo, Heer van Schenge, tot +Stadhouder gezonden; die met 1500 Waalen te Groningen komende, de +Friesen zeer verslagen maakte.</p> +<p>Aanstonds nam Verdugo Reide in. En kort daarna raakte hy in een +gevegt tegen het Staaten volk, onder Norrits, by Noorthorn, dat hy +deerlyk sloeg: alwaar omtrent de helft zo Grooten als gemeenen +sneuvelde, en een groot gedeelte gevangen wierd genomen.</p> +<p>Des de landlieden, in de wapenen gebragt <span class= +"pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name= +"pb195">195</a>]</span>zynde, hebben in ’t dorp Oudeboorn een +schans opgeworpen; welke van Verdugo aangevallen, maar afgeslagen is: +waar op hy, na eenige plonderingen, uit het land weder vertrok.</p> +<p>In den jaare 1582 heeft de Stad Groningen van den Koning van Spanje +een bulle bekomen, omtrent het Stapelrecht.</p> +<p>In den jaare 1583 heeft een Spaansch Overste, Taxis genaamt, +Steenwyk door list ingenomen: en in Friesland vallende, de schans te +Oudeboorn en Rotserschans ingenomen; en alomme het land door +stroopingen en plonderingen geplaagt.</p> +<p>In het zelve jaar in September is Oterdum door de Heeren van +Nienoort en Azinga Entes verovert; jaagende de Spaanschen bezettinge +daar uit, en deeden het plaatsje daar op versterken; waar mede zy veele +dorpen daar omtrent tot contributie dwongen. Overzulks is Oterdum door +de Spaanschen in de maand December wederom belegert: maar die van +binnen dapper tegenstand biedende, is het beleg, wederom +opgebroken.</p> +<p>Omtrent dezen tyd overleed binnen deze sterkte de Heer van Nienoort, +na eene langduurige ziekte, en wierd aldaar begraven; zynde een Edelman +geweest, die naar zyn vermogen, groote diensten aan het Vaderland had +gedaan.</p> +<p>In den jaare 1584 heeft de Prins van Oranje den Graave van Merode +uit Friesland <span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name= +"pb196">196</a>]</span>opontboden, en Graaf Willem van Nassau tot +Luitenant-Stadhouder in zyn plaats aangestelt. En, vermits de +dagelyksche overvallen der vyanden, hebben de Staaten de schans in de +Lemmer doen vast maaken.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 10de van July, wierd tot groote droefheid van +den lande, binnen Delft, de Prins van Oranje, door een boosaardigen +Franschman met een pistool doorschooten; zynde door de Spanjaarden daar +toe verraadelyk omgekogt<a class="noteref" id="xd20e2791src" href= +"#xd20e2791" name="xd20e2791src">91</a>.</p> +<p>2. <span class="sc">Willem Lodewyk</span>, Graave van Nassau, enz. +wierd in deszelfs plaats van Luitenant-Stadhouder, door de Staaten van +Friesland tot tweeden Stadhouder, na de afzweeringe van den Spanjaart, +verkooren.</p> +<p>Verdugo, de schans Oterdum op den 18de van September wederom +belegert hebbende, liet dezelve aanstonds met twee stukken kanon +beschieten: doch die van binnen, benevens de schepen die op de Eems +lagen, bleven hun niet schuldig; waar door veelen <span class= +"pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span>van +de belegeraars gedood en gequetst wierden. Daar na, in de maand +December, wierd de schans gesecoureert door allerlei nooddruft, +alhoewel de belegering noch zyn gang ging; doch met weinig voordeel. +Maar op Lichtmissenacht in het volgende jaar, zyn de schansen van +Verdugo voor Oterdum, door een geweldigen storm en watervloed +weggespoelt; waar door veelen der belegeraars <span class="corr" id= +"xd20e2806" title="Bron: verdroken">verdronken</span>; zo dat Verdugo +zich genootzaakt vond het beleg op te breken. Oterdum had weinig door +’t water geleden, en wierd ten eersten herstelt met vier +bolwerken, schoone gragten, en een haven, waar in omtrent 30 schepen te +gelyk konden leggen, gemaakt.</p> +<p>Den laatsten February deed Verdugo een vrugteloozen inval in +Friesland. Maar de Westfriesen deeden insgelyks in Groningerland een +inval van meer nadeel; verbrandende in de Marnkant, van Vierhuizen tot +aan Baflo, meest alle de huizen af, om datze geen contributie wilden +opbrengen.</p> +<p>Omtrent dezen tyd, had Roelof Ketel een aanslag op Groningen, om +deze plaats aan der Staaten zyde te brengen. Hy begaf zich derhalve met +15 mannen daar binnen, verlaatende hem alleen op de slappigheid der +wacht aan de poorten. Daar by was Graaf Willem van Nassau met 1500 +mannen in ’t Drenth, om hem, zo de aanslag gelukte, by te +springen: doch de zaak wierd ontdekt, en Roelof Ketel by den kop gevat +<span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name= +"pb198">198</a>]</span>zynde, wierd het hoofd afgeslagen en +gevierendeelt.</p> +<p>Insgelijks heeft Kapitein Schaay, leggende te Niezyl in bezettinge, +een aanslag op Groningen gehad; zynde in een tyd dat de stad gebrek aan +levensmiddelen had: maar dezelve voorts geproviandeert wordende, +mislukte de aanslag.</p> +<p>In den jaare 1585 hebben de Staaten de bestieringe der landen +opgedragen aan Hendrik den derde, Koning van Vrankryk; maar die hen, om +zyne eigene inlandsche oorlog, alwaar hy zelve zeer mede belemmert was, +moeste afwyzen. Waar op hy Elisabeth, Koninginne van Engeland, tot +bescherminge liet verzoeken: doch die Majesteit weigerde mede de volle +heerschappye. Doch hier na, Prins Maurits in zyns vaders plaatze en +bedieningen gestelt zynde, is van gemelde Koninginne de Graave van +Leicester, als Overste van haare hulpbenden, naar de Nederlanden +gezonden; die de Staaten naderhand tot Stadhouder der Nederlanden +hebben aangenomen.</p> +<p>Na dat de kloosterinkomsten, als wy boven reeds gemeld hebben, tot +onderhoud van predikanten en schoolmeesters bestelt waren, heeft het de +Staaten des Lands ook goed gedagt, uit de zelve ook een schoole van +geleerdheid of Academie op te regten, en dezelve met bequaame +leermeesters of professoren, en dat ’er verders toebehoort, +<span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name= +"pb199">199</a>]</span>mildelyk te voorzien; dezelve plaatzende binnen +de Stad Franeker.</p> +<p>In den jaare 1586 hebben de Spanjaards, over ’t ys komende, +alzo het zeer sterk gevrooren hadde, een uitval gedaan, trekkende met +2500 voetknegten en 400 ruiters de Wouden in, door Lemsterland, en +vernachtende omtrent Workum en Hindeloopen; van waar zy voorby +Bolswert, over Marnzyl, door Schettens en Witmarsum, te Tjum zich +nederzettende, quamen ten derden dage te Spannum en Winsum, welke +dorpen zy beide in brand staken: en als zy veel gevlugt volk op de +Winsumer toren gewaar wierden, zo stookten zy een zeer smookend vuur +van onderen aan dezelve, om gemelde vlugtelingen te doen verstikken: +waar door eene zwangere vrouw, gevoelende haare kleederen en +hoofdhairen gezengt, uit de klokgaten sprong; en gevallen zynde, noch +door een Spanjaard op de naakte borst getrapt, en zeer gewond geworden, +waar door zy haare zinnen verloor: doch na twee maanden quam zy weder +tot haare voorige kennis en verstand. En eene andere, met twee kinderen +in haare armen, sprong uit het hoofd van den toren, en bragt het eene +kind noch leevendig te Franeker. De onze in aller yl met 1000 +voetknegten en een Cornet paarden daar na toe trekkende, vonden zich +niet in staat om de vyanden te keer te gaan: des zy van Oosterlittens +naar Boxum afweeken, op hoop <span class="pagenum">[<a id="pb200" href= +"#pb200" name="pb200">200</a>]</span>van eenige hulp, om zich dan +voordeeliger te kunnen te weêr stellen: maar de vyanden, hen +spoedig nazettende, beletten dit, overvielenze, en een bloedige slag +wierd getroffen, daar wederzyds veel volk sneuvelde; doch de onzen +moesten eindelyk de vlugt neemen, zo naar Leeuwarden, als andere +plaatzen; en een gedeelte wierd in de kerk bezet, en gevangen genomen. +Van deze slag is zulken indruk in de gemoederen der menschen gebleven, +dat ’er in Friesland niets bekender is, als deze Boxumer Slag, +voorgevallen op den 17 January.</p> +<p>In dit zelve jaar, ondernam Graaf Willem van Nassau een aanslag op +Groningen: doch dezelve wierd door een zeer hoogen springvloed ontdekt +en verydelt.</p> +<p>In den jaare 1587, in September, had Graaf Willem van Nassau +nochmaals eene vergeefsche aanslag op Groningen.</p> +<p>Den 17de van December is een zwaare inbreuk van ’t zoute water +in de Ommelanden geweest, waar door alle hooge landen onder liepen, +wezende het water byna zo hoog, als de Allerheiligen Vloed van den +jaare 1570, maar deed zoo eene groote schade niet.</p> +<p>In den jaare 1589, in ’t begin van den zomer, had de +Gouverneur Graaf Willem eene vergeefsche aanslag op Delfzyl; doch +besprong Reide, en maakte daar een beschanst Eiland van: ook won hy de +schans Eemetille; en kort daar na Swaagsterzyl en <span class= +"pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name= +"pb201">201</a>]</span>Soltkamp; zynde een schans in de mond van +’t Reidiep, en dat stormenderhand, voor ’t gezigte van +Verdugo, slaande 80 mannen dood, en nam veele gevangenen mede.</p> +<p>Daar na nam Verdugo Eemetille weder in; zond twee booswichten in +’t leger by Kollum, om Graaf Willem te vermoorden: maar dezelve +ontdekt zynde, wierden gevangen genomen en onthoofd.</p> +<p>In den jaare 1590, in Maart, hebben eenige burgers en inwoonders van +Groningen hunne stad en Staat onder de bescherminge van de Koninginne +van Engeland gepresenteert: doch wierd hun geweigert. Waar op Verdugo, +meer volk van den Hertog van Parma ontfangen hebbende, de schans +Enematil besprong; trekkende van daar op Nieuwezyl<span class="corr" +id="xd20e2842" title="Niet in bron">.</span> Ondertusschen quam Graaf +Willem, Gouverneur van Friesland, afzakken, en legerde te Kollum; en +alhoewel de legers ruim een uur maar van malkander lagen, viel er +echter weêrzyds niets aanmerkelyks voor.</p> +<p>In den jaare 1591, den tweeden van July, won Prins Maurits Delfzyl; +waar in gevonden wierd 5 metaale stukken kanon, en 6 yzere gotelingen. +Daar na deeden die van Friesland deze schans grooter en sterker bouwen; +zelfs poogden zy daar van eene stad te maaken, en dezelve met groote +Privilegien te begiftigen: om alzo de burgery van Groningen daar te +trekken. Doch op <span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" +name="pb202">202</a>]</span>hoope van Groningen ook te krygen, is zulks +achter gebleven. Van hier trok het leger na de Opslag van Enematil, +leggende op een water, genaamt Nieuwezyl, en dwong de bezettinge door +geweld zich over te geeven, en met witte stokjes in hunne handen uit te +trekken, sterk zynde 150 mannen. Voorts vertrok de Graaf naar Enematil, +en beschoot de schans met 12 stukken <span class="corr" id="xd20e2849" +title="Bron: kauon">kanon</span>, tot dat de bezettinge zich op den +11de van July overgaven; als ook een weinig hier na de schans te +Lettelbert.</p> +<p>In den jaare 1592, in Augusty, heeft Prins Maurits de sterke vesting +Koeverden belegert. Graaf Fredrik van den Berg had het bevel daar +binnen, hebbende voor des Prinsen komste alle de huizen buiten de +vesting in brand doen steeken.</p> +<p>De belegeraars naderden hem met alle vlyt aan de loopgraaven, en +benamen hun de sluizen; waar door zy het water uit de gragten leiden. +Hier op begon het schieten aan weêrskanten dapper aan te gaan, +wordende aan weêrszyden verscheidene mynen onder de wallen +gegraven, die wel haast ter neêr of invielen. Den 7de van +September, quam Verdugo met zyn krygsmacht voor den dag springen, +hebbende alle witte hemden over hunne harnassen, om de belegerden te +ontzetten. Hier op maakte Prins Maurits zich gereed, telde zyn volk in +slagorder, met ’t grof geschut vooraan, en ontfong der vyanden +macht zo onbeleefd, dat door <span class="pagenum">[<a id="pb203" href= +"#pb203" name="pb203">203</a>]</span>’t losbranden van ’t +kanon, een meenigte van hen over hoop en in ’t moeras raakte. +Daar bleven in ’t geheel 300 mannen dood, behalven de gequetsten: +en van ’s Prinsen zyde bleven er maar 3 mannen dood en 6 +gequetsten, uitgenomen Graaf Willem van Nassau, die een schot, doch +zonder gevaar, door ’t dunne van zyn lyf kreeg. Daar na hebben +die van Koeverden zich den 12de van September aan Prins Maurits +overgegeven; mits met hunne vendelen, wapenen en brandende lonten uit +te mogen trekken, behalven de Artillery en amunitie; daar wierden in +gevonden 9 stukken kanon. Voorts is hier tot Gouverneur gestelt de Heer +van Nienoort.</p> +<p>In den jaare 1593, den 8ste van April, heeft Graaf Willem de +Bellingewolderzyl beginnen te versterken, om alzo het fort de Bourtange +te benaauwen. Hier tegen quam Verdugo met zyn leger by Vlagtwedde, in +’t geheel sterk zynde 2500 mannen, doch derfde niets uitvoeren +tegen dat vast maken.</p> +<p>Den 29ste van Augusty nam Graaf Willem Wedde in; als mede de vaste +pas Bourtange; ’t welk aanstonts sterker wierd gemaakt, eer +Verdugo daar by kon de komen.</p> +<p>Daar na heeft Verdugo de sterke schans van Aduarderzyl; na den +derden storm, met geweld ingenomen, slaande de geheele bezettinge dood. +Van daar trok hy naar Wedde; dat hy ook in nam, en sloeg van de 117 +mannen, die daar op waren, 50 dood. <span class="pagenum">[<a id= +"pb204" href="#pb204" name="pb204">204</a>]</span>Voorts legerde hy +zich voor de Bourtange; zynde dit fort tegenwoordig tamelyk sterk, en +alzo dat ’er geen geschut voor gebragt konde worden; de wallen +waren redelyk hoog, en de gragten wel voorzien van water. Vyf vendelen +soldaaten, onder den Gouverneur de Jonge, lagen daar in bezettinge. +Ondertusschen wierd Verdugo van andere gedagten; brak de belegeringe +op, en trachte Graaf Willem aan te tasten; doch te vergeefs; hoewel er +eenige schermutzelingen wierden gehouden, waar door veel volk is +gebleven. Daar op trok Graaf Willem naar de Bourtange, neemende Wedde +wederom in: en Verdugo naar Koeverden, beschanste daar de passagie; +maar zyn volk is door ongemakken voor ’t grootste gedeelte +verstorven of verloopen.</p> +<p>In den jaare 1594, den 12de van February, des nachts, hadden de +Groningers een aanslag op Delfzyl: doch die van binnen hen tydig gewaar +wordende, is ’er aan weêrskanten wel twee uuren lang scherp +gevogten. Tot geluk van het Fort, was ’er een oorlogschip, daar +omtrent leggende, dat wat nader aanquam, en de Groningers met 16 +stukken kanon dwars onder hun hoop sterk beschoot, dat zy met groote +schade moesten aftrekken, sleepende wel 35 sleden met dooden en +gequetsten met zich naar de stad, en noch 7 dooden, dieze lieten +leggen. Die van binnen verlooren een Kapitein, een Vendrig, een +Sergeant, en 9 Gemeenen. <span class="pagenum">[<a id="pb205" href= +"#pb205" name="pb205">205</a>]</span></p> +<p>Den 6de van May, quam Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau met +hun leger by Koeverden: welke aankomst van Verdugo bezigtigt zynde, hem +deed resolveeren zyne beschansinge by nacht op te ruimen. Overzulks +trok de Prins met zyn krygsbende direct naar Groningen; doende de stad +op den 20 dito berennen, en aanstonds opeischen. Doch kreeg tot +antwoord: Dat dit geen stad was, die zich zo haast konde overgeven. +Prins Maurits liet derhalven al zyn oorlogstuig aan land zetten, en het +kanon voor de stad planten. Onderwylen heeft Graaf Willem op den +laatsten van May de sterke schans Aduarderzyl aangetast, hebbende over +de 135 mannen tot bezettinge, en tot Commandant eenen Kapitein Prenger, +die aan Graaf Willem ten antwoord gaf, als hy de schans opeischte: Dat +hy het met hem zoude wagen, als met een meisje van 15 jaaren. Maar dit +geviel hem niet wel; want de vesting wierd kort daar na zo gruwelyk +sterk beschooten, datze dezelve met ’er haast beklommen en +inkreegen; doe wierd alles aan stukken geslagen wat ’er in was, +uitgenomen 8 a 9 perzoonen, die ’t ontquamen.</p> +<p>Ondertusschen had Prins Maurits eenige andere schansen ingenomen, +als Slogteren, Hogerbrugge, enz., waar door de leevensmiddelen in +’t leger zeer goedkoop wierden.</p> +<p>De Stad Groningen was zeer wel voorzien van een wel in de wapenen +geoeffende burgerye; <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" +name="pb206">206</a>]</span>en geeft ander guarnisoen binnen hebbende, +dan de slegtste burgerye en inwoonders, dewelke al voor langen tyd, als +soldaaten onder vendelen geoeffent, in plaats van bezetting, van den +Koning wierden betaalt: behalven deze, hadden zy krygsvolk van Verdugo +altoos onder haar gebied; en hadden nu onder het beleg 5 goede oude +vendelen daar van, onder den Overste Luitenant Laukema, buiten de stad, +op een gesterkte plaats aan ’t Schuitendiep. Van krygstuig, +voorraad enz., wasze alles wel voorzien. Die van de stad wenden +vervolgens alles aan wat hun dacht dat den vyand zoude krenken. Waarom +de Prins zyn begravinge van verre moest neemen, en aldaar zyne +batteryen opwerpen, mits digt onder de stad de belegerden +tegen-batteryen maakten; hebbende 400 groote tonnen met buskruit en +geschut meer, als andere steden. De Groningers deeden verscheidene +uitvallen, waar mede zy meenig braaf Kapitein en soldaat versloegen, en +zelfs eenige vendels binnen bragten: weshalven de loopgraaven versterkt +moesten worden. De belegeraars deeden alle afbreuk met hun geschut +dieze doen konden; doch vorderden nochtans weinig, tot dat zy een poort +met een brug, die na een rondeel liep, omverre hadden geschooten, +eenige bolwerken ondergraven, en eenige gragten aldaar vulden, alles +<span class="corr" id="xd20e2878" title="Bron: ouder">onder</span> de +bescherminge van ’t geschut: dis deed de trouwe burgery gedwee +worden, <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name= +"pb207">207</a>]</span>en begon naar verdrag uit te zien; overzulks zy +Jan te Boer met brieven aan Prins Maurits en Graaf Willem uitzonden, om +verdrag: wordende daarop weêrszyds gyselaars gegeven, en hielden +op van schieten. Maar de burgemeester Jarges, zynde een hard +Konings-gezinde, rukte een party voerlieden en schuitevoerders byeen, +en stonden op tegen die geene, die van verdrag hadden gesproken. Hier +na kregen de belegeraars een te smadelyk antwoord, te weeten, dat de +belegerden besloten hadden, noch een tyd lang hun ontzet af te wagten. +Hier op trad Maurits met Willem in de loopgraven, om een plaats tot een +nieuwe batterye af te zien; ondertusschen komt een kogel zo sterk tegen +de rondas, die Maurits voorgehouden wierd, dat hy achterover viel, doch +zonder hem te quetzen.</p> +<p>Den tweeden van July waren de belegeraars over de gragt, en wel 30 +voeten onder het rondeel gekomen, daar de heele stad haar winst of +verlies aan hing. Drie dagen daar aan was de myn 30 voeten diep, en +opgepropt met 5 a 6000 ponden buskruit, dat den 10de dito, des avonds, +na het gegevene teeken, in brand wierd gestoken; waar door een groot +gedeelte aarde, en alles wat ’er op was, in de lucht sprong, met +wel 140 menschen; waar van twee in ’t leger vielen, en de een +noch leevendig: hier op vielen drie vendelen Schotten los, die straks +meester van het rondeel waren, en alles, wat <span class= +"pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name="pb208">208</a>]</span>noch +leevendig bevonden wierd, doodsloegen, blyvende daar in ’t geheel +wel 200 dood. Daar boven sneuvelden 30 Schotten, behalven noch twee +Kapiteins. Dit bragt onder de gezamentlyke soldaaten, en onder de +allerhartigste burgerye zulk een schrik, bevreest zynde voor meer +ondergravingen, datzy op verdrag dagten. Over zulks zonden zy +Gecommitteerden uit, zo wegens de Geestelyke, Magistraat en Ambagten +der stad, als ook wegens den Overste Luitenant Laukema; en op Ostagiers +handelende van den 16de tot den 22ste van July, met Prins Maurits en +Graaf Willem van Nassau, zyn daar op met advis van den Raad van Staaten +eindelyk overeen gekomen. Dus is Groningen en de Ommelanden op den +24ste van July onder Maurits gebied gebragt, na dat ’er wel 10000 +schooten op waren gedaan, en 400 mannen voor zyn gebleven: waar tegen +de belegerden ook 300 soldaaten en veele burgers hebben verloren. In de +stad wierden gevonden 36 metaale stukken kanon, behalven de yzeren, en +wierd daar over Graaf Willem van Nassau tot Stadhouder gestelt. Prins +Maurits en Graaf Willem daar binnen komende, wierden verwellekomt door +den klokspeelder, speelende de wys van den 6den Psalm. Daar na wierd de +Magistraat verandert, wordende daar tot eerste Burgemeesters +aangestelt, Mello Conders, Joachim Alting, Harmen Koning en Egbert +Alberda. Voorts wierd de St. Martens <span class="pagenum">[<a id= +"pb209" href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span>Kerk van hare beelden +gezuivert, en de eerste predikatie van de Gereformeerden daar in +gedaan: doende de Magistraat en Burgerye daar na den eed van +getrouwigheid aan Graaf Willem, hunnen Stadhouder en aan de Staaten +Generaal.</p> +<p>In ’t zelve jaar is de Aartshertog Ernestus, van ’s +Konings wegen, in Nederland tot Stadhouder gezonden.</p> +<p>In den jaare 1596 is uit last van de algemeene Staaten en den Prins +van Oranje, het Collegie der Admiraliteit te Dokkum ingestelt; om alzo +bequaamelyk over het werven der oorlogschepen van Friesland alle zaaken +te kunnen beraamen.</p> +<p>In het zelve jaar, den 24ste van Augusty, is Graaf Willem van +Nassau, Stadhouder van Groningen, mede tot Gouverneur over het +Landschap Drenth aangestelt.</p> +<p>In dit jaar is de Cardinaal Albertus, Aartshertog van Oostenryk, tot +Stadhouder des Konings, in Nederland gekomen; die naderhand huuwde met +Isabelle, Dochter des Konings; en deze landen wierden hem tot een +huwelyks goed toegezegt.</p> +<p>Omtrent dezen tyd was ’er eene Friesche dochter, Margarita +genaamt, zynde een jong vrouwsperzoon, of moedige Amazoone, en lang van +persoon; deze heeft, in manskleederen, de Heeren Staaten zo binnen +Oostende als elders zeven jaaren gedient, buiten kennisse haarer +ouders, in alle eerbaarheid, eerst een spies gedraagen, en daar +<span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name= +"pb210">210</a>]</span>na een musquet gevoert, met een witte veder op +de hoed, als een kloek en onvertzaagt krygsgezel, ja onder de +Adelborsten gerekent, en zelve veele schansen om Groningen en Steenwyk +helpen inneemen. Ten laatsten bekent geworden by haar medegezel, als zy +een schoon hemd aandeed, hebbende groote borsten en rond opgewasschen, +meer dan andere welgevleesde jongmans: op zyn vraage, heeft ze hem +beleden, een vrouwsperzoon te zyn, dat hy verwonderende aanhoorde; is +daar op met eere verlieft geworden, en in ’t leger voor Koeverden +met haar getrouwt. Zy waren noch woonende binnen Groningen in den jaare +1602, en veele jaaren daar na, een winkel doende van vette waaren, in +alle stilheid en eerbaarheid huishoudende, en t’zamen geneerende. +Deze Amazoone heeft ook een lied gedicht, de jonge Dochters tot liefde +des krygs, om ’t Vaderland te beschermen, na haar voorbeeld +vermaanende. Zie E. v. Meteren<a class="noteref" id="xd20e2902src" +href="#xd20e2902" name="xd20e2902src">92</a>.</p> +<p>In den jaare 1597 verzogten die van Groningen aan de Staaten van +Friesland, om Drenth en Twenth geheel vry te maaken, en den vyand van +daar te vernestelen: welk verzoek uit last van de algemeene Staaten, +door hulp van den Prins van Oranje, wierd vastgestelt: en alle +sterktens en schansen, door de vyanden aldaar bezet, wierden +overwonnen, namentlyk, Grol, Ootmarsen, Oldenzeel, Lingen, enz. +<span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name= +"pb211">211</a>]</span></p> +<p>In dit zelve jaar, den eersten van Juny, is de Overste Sonoy, +gewezen Gouverneur van Noordholland, op Dyxterhuis, een Heerlykheid in +de Ommelanden, overleden; wordende deszelfs ligchaam tot Peterbuuren in +de kerk, in tegenwoordigheid van zyn Genade Graaf Willem van Nassau, +Stadhouder van Groningen, begraven.</p> +<p>Den 18de van Augusty was ’er een zwaare watervloed in deze +landen, waar door de Delfzylen en anderen uitbarsten, en veele menschen +en beesten verdronken.</p> +<p>Den 8ste van December is Graaf Willem door de Groningers met groote +toejuichinge ingehaalt.</p> +<p>In den jaare 1599 is te Groningen door de Heeren Burgermeesteren en +Raad het Burger-Weeshuis opgericht.</p> +<p>In den jaare 1600 is te Groningen. omtrent de Heere Poort, wederom +een kasteel gebouwt; zijnde ten zuidoosten van de stad, omtrent ter +plaatze daar weleer de kasteelen van Graaf Edzard van Oostfriesland, en +van den Hertog van Alva hadden geweest: welk kasteel over de 400000 +guldens quam te kosten. Ook wierd de burgerye ontwapent, en Jonker +Casper van Ewsum met 800 mannen op gemeld kasteel gelegt.</p> +<p>In dit zelve jaar ontstond ’er groote oneenigheid tusschen de +Heeren van den Lande en Steden, over het stuk van de gemeene lasten en +bezwaaringen te draagen: doch wierd door Gemachtigden van de algemeene +Staaten en den Stadhouder weder bygeleit. <span class="pagenum">[<a id= +"pb212" href="#pb212" name="pb212">212</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1605, den 10de van Augusty, zyn te Groningen door de +Heeren Burgemeesteren en Raad, in plaats van vier Kapiteinen der +burgerye, hier Hopmans genaamt, acht aangestelt; en doende de +Kapiteinen de nominatie van de Vendrigs, die door den Raad wierden +geëligeert op den zelfden dito.</p> +<p>Den 23ste van Augusty quam de Stadhouder Graaf Willem van Nassau met +18 vendelen, voetvolk en 6 compagnien ruiters binnen Groningen; waar +door de stad van het haar gedreigde quaad bevryd wierd. Ook gaf men de +burgerye hun geweer weder. Prins Maurits verzond ook eenige troupen ter +versterkinge van Koeverden en de Bourtange; zijnde deze plaatzen alle +met groote verbaastheid aangedaan, wegens de veroveringe van Lingen en +Oldenzeel, door de Spaanschen, onder het commando van den Marquis de +Spinola.</p> +<p>Ambrosius Spinola met zijn macht in Twenth zijnde, om op Friesland +een kans te waagen, en welk land de Koning van Spanje hem reeds ten +erve had geschonken; doch, God zij gedankt, hem nooit heeft kunnen +leveren, moest zich vergenoegen met Lingen en Oldenzeel, en dat +Friesland in groote benaauwtheid bragt. Maar Graaf Willem hield binnen +Koeverden een oog in ’t zeil, zo dat Spinola die plaats niet +derfde aantasten, en vertrok druipstaartende weder naar Vlaanderen, ook +eenigzints door de natte zomer verhindert.</p> +<p>In dit zelve jaar, in Maart, wierd met <span class="pagenum">[<a id= +"pb213" href="#pb213" name="pb213">213</a>]</span>den Spanjaard een +bestand van acht maanden geslooten.</p> +<p>In den jaare 1608 was ’t zo een harden winter, dat men van de +Friesche kusten naar de vooreilanden, als Ameland, Ter Schelling, en +ook naar Grind niet alleen, maar zelf naar de Hollandsche kusten van +Harlingen af met paard en slede konde overjaagen. Gelyk een Ariën +Wierds, den 9de van February uit de Haven rydende, voor ’t +poortsluiten te Amsterdam binnen quam. Ook drilde voor de Harlinger +haven op het ys een compagnie soldaaten.</p> +<p>In dit zelve jaar zyn de nieuwe fortificatiewerken van de Groningers +begonnen, wordende de stad aan de zuidkant daar door vergroot; ook is +een gedeelte van het Groninger kasteel, tegens de burgers aldaar +gebouwt, wederom afgebroken.</p> +<p>In den jaare 1609, den 9den van April, is te Antwerpen het +twaalfjaarig bestand geslooten, tusschen den Koning van Spanje en de +Staaten Generaal der vereenigde Nederlanden; zynde wegens de Provintie +van Groningen aldaar gecommitteert Abel Conders, Burgermeester te +Groningen, wordende het zelve op den 18de dito in ’s Hage +gepubliceert.</p> +<p>In den jaare 1610, op Nieuwejaarsdag, hebben de burgers van +Leeuwarden, na dat zy eenigen tyd met de Burgermeesteren oneens waren +geworden, de deur van ’t Raadhuis met een mast open geloopen, +verbreekende <span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name= +"pb214">214</a>]</span>de glazen, vensteren en alles wat hun voor +quam.</p> +<p>Een Jan Cornelisz. Femmes, bestond in dit jaar een reukelooze daad, +spruitende uit een wedspel, waar in hy aannam, om een rond jaar te +willen woonen op het Kamper Zand (dat een droogte is, gelegen tusschen +Ter Schelling en Ameland, loopende met alle etmaalse vloeden onder +water). Op voorwaarde gaf hy aan zyn medewedder paarden, wagen, +ploegen, en andere huismans gereetschappen; zullende hy, by aldien hy +zyn voorneemen een rond jaar uitvoerde, een groote zomme geld in +tegendeel genieten. Hier op bouwde Jan den 2de van Juny aldaar op +eenige roeden of stutten een huisje; en om het zelve by springvloeden +of hooge watertyden om hoog te heffen, gebruikte hy een tistel of +vyzel, waar door hy het om hoog kon opvyzelen, of doen zakken: en dus +hielde hy ’t het bestemde jaar volkomen uit; zynde eene +ongehoorde zaak.<a class="noteref" id="xd20e2949src" href="#xd20e2949" +name="xd20e2949src">93</a></p> +<p>In den jaare 1611, den 25ste van January, heeft Graaf Enno van +Oostfriesland de sterke vesting Lieroort aan haar Hoog Mogende de +Heeren Staaten Generaal overgegeven.</p> +<p>In den jaare 1612, en ’t volgende jaar, is de stad Groningen +rondom vergroot, doch meest naar ’t noorden, en is doe vervolgens +met zeven schoone groote poorten voorzien, <span class= +"pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name= +"pb215">215</a>]</span>benevens noch een kleen poortje bezyden het +Schuitendiep; hebbende een zeer breede en hooge wal, met 17 dwingers of +bastions en een diepe besloten gragt.</p> +<p>In den jaare 1614 is de Academie te Groningen opgericht, onder het +Stadhouderschap van Graaf Willem Lodewyk van Nassau. De inwydinge +geschiede op den 23ste van Augusty. De eerste Professoren zyn geweest +Ubbo Emmius, Professor in de Historiën en Grieksche Taal, als +eerste Rector Magnificus. Herman Ravensberg, Professor in de +Godgeleerdheid. Cornelius Pynaker, Professor in de Rechten. Nicolaas +Mulerius, Professor in de Medicynen en Mathesis. Johan Epinus, +Professor in de Philosophie en Ethicæ, en extr. in de Rechten, +Guill. Macdowel, Professor in de Philosophie, Logicis, Phys: & +Methaphysicis. De inleidings redevoeringe wierd uit naam der geheele +Provintie gedaan, door Do. Pancratius, stads Syndicus. Na ’t +eindigen derzelve, deed Do. Ravensberg een andere, op deze handelinge +passende. De eerste Rector in de Rechten, die hier zyn promotie bequam, +was Hugo van Nyeveen; houdende zyn inauguraal dispuit op den 13de van +November 1615, onder het Rectoraat van gemelden Professor +Ravensberg.</p> +<p>In den jaare 1616, den 18de van Maart, is Graaf Willem Lodewyk door +de Groningers zeer plechtig ingehaalt.</p> +<p>In den jaare 1618 is het Sapmeer droog <span class="pagenum">[<a id= +"pb216" href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span>gemaakt, en is het +volgende jaar met gruppen en een doorgaande vaart voorzien. Waar op is +gevolgt de aanvang en continuatie van deszelfs vaart of diep door +’t hooge en wilde Veen, van Sapmeer tot aan Zuidbroek.</p> +<p>In den jaare 1619 bequamen die van Staveren vernieuwinge en +handhavinge van hun onderrecht.</p> +<p>In dit zelve jaar, in July, is de Heerlykheid van Wedde, +Westerwolde, Bellingewolde en Bleyham gekogt van Willem van den Hove, +en den 2de Augusty in den Raad geapprobeert, voor de zomma van 140300 +guldens. Voorts heeft de stad deszelfs possessie aanvaart, en is den +21ste van September Edzard Rengers tot Drost, en Michiel Visscher tot +Richter van Bellingwolde en Bleyham gekoren.</p> +<p>In den jaare 1620, den laatsten van May, is binnen Leeuwarden +overleden Graaf Willem, Stadhouder van Friesland; tot wiens loffelyke +gedachtenisse die heerlyke begraafplaats of tombe in de Jacobyner Kerk +is opgeregt; alwaar hy met zyn Gemalinne na ’t leven in steen op +uitgehouwen is: en is zedert dien tyd de rustplaats der Stadhouders +altoos geweest en gebleven.</p> +<p>3. <span class="sc">Ernst Casimier</span>, Graave van Nassau, enz., +wierd, na ’t overlyden van zynen broeder, in de maand Augusty, +tot Stadhouder van Friesland verkooren. En die van Groningen, +Ommelanden en Drenth verkooren Prins Maurits tot hunnen Stadhouder. +<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name= +"pb217">217</a>]</span>In December begon het zo geweldig te vriesen, +dat men wederom naar Ter Schelling en Ameland met paard en slede +overjoeg. Het volgende jaar, den 2de van February, quam een Harlinger +schipper, met een sleetje en stok in de hand, van Friesland, over den +Fliestroom, te Harlingen binnen treden. Graaf Ernst, geleidende den +jongen Koning van Boheemen, quam met gezelschap van over de 100 sleden, +van Leeuwarden tot op de zee voor Harlingen afjaagen.</p> +<p>In den jaare 1621, den 29ste van Maart, is de Burgerye te Groningen +door de Heeren van den Raad in 12 vendelen verdeelt; wordende daar op +den 30ste dito de Officieren gekooren, en den 13de van April door hun +Edelheden goedgekeurt, dat voortaan de Vendrigs onder de Luitenants +zouden staan.</p> +<p>De volgende winter van het jaar 1621 en 1622 was het mede een harde +winter; waar in Anna Sophia, Gemalinne van den Stadhouder, +vergezelschapt met een compagnie soldaaten, en hun byhebbende +gereedschap, van Enkhuizen naar Staveren langs het ys overquam.</p> +<p>In den jaare 1622, in Augusty, deeden de Spanjaards een aanval op +Friesland, trekkende met 800 voetknegten en 70 ruiters door +Oudeberkoop, naar Schoot, om ’t Heerenveen te overvallen. En +vermits het Staaten Volk zich meest aan den Rhyn nedergeslagen +<span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name= +"pb218">218</a>]</span>had, waren slegts maar drie compagnien +verstrooit in de Zevenwouden gebleven; dewelke, naar ’t Veen +rukkende, den vyand, die een geweldigen storm deed op een schansje of +redout op den weg naar Schoot, wakker afkeerde, en veelen van zyn volk +deeden sneuvelen. De vyanden, misleid zynde, waren van gedachten +geweest, dat ’er boeren en geen soldaaten op het Veen lagen: en +trokken na dit treffen weder af op Ommen: alwaar zy door des Prinsen +volk van achteren bezet wierden, en in de kerk allen gevangen zyn +genomen.</p> +<p>In October is Ernst Lodewig, Graaf van Mansveld, met zyn +krygsbenden, wel 5000 mannen uitmaakende, in Oostfriesland gevallen, +bedervende de inwoonders en landen elendig, zelfs zodanig, dat zyn +eigen volk in den jaare 1624 meest van honger verliep. Hy had zyn +hoofdquartier in de vesting Lieroort; en eer hy vertrekken wilde, dwong +hy Graaf Enno van Oostfriesland een groote zomme geld af.</p> +<p>In den jaare 1623 was er een zwaare pestziekte in Groningen; als +mede een groot oproer over het draagen der dooden: want op den 5de van +Augusty zyn de oude lyken des voormiddags door de vrouwen, en de jonge +lyken des namiddags door de maagden ter aarde gebragt.</p> +<p>In den jaare 1624 deeden de Spanjaards, onder het bevel van Lucas +Cayro, Gouverneur van Lingen, een inval in den Oldambte; <span class= +"pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span>zy +staken verscheidene dorpen in brand, als Winschoot, Heiligerlee, +Noordbroek, Scheemda en Slogteren; verzonden in alle omleggende +plaatzen brieven van brandschattinge: waar door de huislieden afquamen +om de brand af te koopen. Maar het geruchte der aankomst van den +Oversten Stakenbroek, deed hen haastelyk de vlugt neemen, doch een +grooten roof mede voerende.</p> +<p>In den jaare 1625, den 8ste van Maart, is Oostfriesland door een +schrikkelyke watervloed aangetast, alle dyken doorbrekende of +beschadigende, zodanig datze met geen 800000 guldens te herstellen +waren; en de huislieden, door de Mansvelder troupen ten eenemaal +verarmt en bedorven zynde, hadden geen macht om die te repareren, dies +de zee daar uit en in spoelde.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 23ste van April, is Prins Maurits, na een +langduurige krankheid uitgekwynt zynde, in ’s Gravenhage +ontslaapen. En zyn broeder Frederik Hendrik wierd aanstonds in zyn +plaats tot opperste Veldoverste verkooren<span class="corr" id= +"xd20e3007" title="Niet in bron">.</span></p> +<p>In dit jaar is Graaf Ernst van Nassau tot Stadhouder van Groningen +en Ommelanden, en ’t Drenth aangenomen.</p> +<p>Den 29ste van December overleed binnen Groningen de Hooggeleerde en +wydvermaarde Ubbo Emmius, Professor dier Academie.</p> +<p>Omtrent den jaare 1627 is het groote Provinciale magazyn of +Artilleryhuis alhier gebouwt, en het Orgel in ’t H. +Geest-Gasthuis <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name= +"pb220">220</a>]</span>nieuw gemaakt: ook het Orgel in de groote kerk, +eertyds door Agricola gemaakt, vergroot en vernieuwt.</p> +<p>In den jaare 1628, in Augusty, is de Nieuwe of Lange-Akkerschans +volveerdigt, en daar in drie compagnien soldaaten tot bezettinge +gelegt, onder den Gouverneur Roussel; dewelke in October de Dylerschans +innamen; doch zyn ’er voort daar na door de Keizerschen wederom +uitgejaagt.</p> +<p>In den jaare 1631 wierd Prins Frederik Hendrik, behalven Holland en +Zeeland, ook het Stadhouderschap van Gelderland, Utrecht, en Overyssel +opgedraagen. Maar Stad en Lande hebben Graaf Ernst aangenomen.</p> +<p>In dit zelve jaar, in de maand van May, ontstond door ’t +geheele Land een geweldige oploop van ’t gemeene volk; waar door +beide, zo Opper- als Onderregenten, by hen verdagt wierden, en alle +aanzienlyke lieden in verachtinge quamen. En den eersten Augusty heeft +Graaf Ernst Oldenzeel ingenomen, en des zelfs vestingen afgeworpen.</p> +<p>In den jaare 1632 wierd Graaf Ernst, zo als hy van Venlo op Roermond +aankomende, en den grond aldaar bezigtigde, van de wal met een vuurroer +door ’t hoofd geschooten; en echter wierd hy dien dag noch +meester van de stad.</p> +<p>4. <span class="sc">Hendrik Ernst</span>, Graave van Nassau, enz., +wierd in de plaats van zynen vader tot Stadhouder van Friesland +aangenomen; en weinig tyd daar na mede van Groningen, enz. <span class= +"pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1633, omtrent Pinxter, was ’er een watervloed in +Oostfriesland, waar door al het koren op ’t land verdronk.</p> +<p>In dezen tyd trokken twee compagnien of 350 burgers uit Groningen +naar de Bourtange; dewelke op het verzoek van haar Hoog Mogende de +Staaten Generaal, en Advis van zyne Exellentie, op 10 stuivers daags +naar buiten zouden marcheren, om hun vaderland te dienen, en op de +vyanden te waaken; en hebben alzo hunne huizen en familien een tydlang +vrywillig verlaaten.</p> +<p>In den jaare 1634, wanneer de nieuwe Middelen, als Hoofd- en +Schoorsteengelden, enz., ter ondersteuning van den oorlog, eerst in +Friesland verpagt wierden, ontstond ’er in verscheidene steden en +dorpen een groote oploop; waar door zommige Heeren en heerenhuizen zeer +slegt mishandelt wierden: maar door inlegering van soldaaten wierden de +voornaamste belhamels gevat, en alzo weder tot stilte gebragt. In +’t begin van dit voorjaar strande aan Ameland een Walvis: ook +schryft men, dat ’er op dit zelve Eiland mede in dit jaar +vorsschen zyn geregent.</p> +<p>In den jaare 1635 was ’er te Groningen een zwaare pestziekte, +waar door over de 100 menschen in een week stierven.</p> +<p>In den jaare 1636 is Oostfriesland door twee watervloeden aangetast: +de eerste op den 24ste van Juny, en de andere op den 25ste van July, +waar door de huislieden, wegens gebrek van hooy, hunne beesten naar +<span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name= +"pb222">222</a>]</span>andere plaatzen in de kost moesten besteden.</p> +<p>In den jaare 1638, als het leger van den Prins voor de Graaf lag, en +Graaf Hendrik naar ’t huis te Gennip, om het zelve te +bezichtigen, gezonden was, gebeurde het dat zyn paard op zekere plaats +achteruit deinsde, en in een bedekte put tot op den grond nederschoot; +maar Graaf Hendrik zulks voelende, in aller haast zyn voeten uit de +beugels van de stegelreep rukkende, viel achter over de gemelde put +heenen; buiten welke val hy elendig had moeten omkomen en +versmooren.</p> +<p>In den jaare 1640, is Graaf Hendrik, zullende in de belegeringe van +Hulst een schansje of redout bespringen, doodelyk gewond geworden; na +hy en de zynen ongemeen manhaftig gestreden hadden; en onder andere zyn +broeder Graaf Willem, die reeds al op zyn derde paard was gestegen. En +den 17de van July overleed gemelde Graaf aan zyn quetzuur, die door +geheel Nederland zeer beklaagt wierd.</p> +<p>5. <span class="sc">Willem Frederik</span>, Graave van Nassau, enz., +wierd, na zyn broeders overlyden, tot Stadhouder van Friesland +aangenomen. En de Prins van Oranje verkreeg het Stadhouderschap van +Groningen en Ommelanden.</p> +<p>In den jaare 1643 is ’er in veele landen door ’t hooge +water een onwaardeerlyke schade geschied, zodanig als by menschen +geheugenisse niet was voorgevallen. In ’t dorp <span class= +"pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name= +"pb223">223</a>]</span>Gaast spoelden de dooden uit de graaven. Door +’t doorbreeken der dyken, was het land zo verre onder water, dat +men dwars over het land van Groningen naar Zwartsluis konde +overvaaren.</p> +<p>In den jaare 1645, den 22ste van January, is Oostfriesland wederom +door een watervloed overstroomt; waar door veele dyken wierden +gebroken, en tot Embden, zo ’er gezegt word, de Corps de Guarde +wegspoelde.</p> +<p>Dit jaar, den eersten van September, quam de Stadhouder Prins Willem +van Oranje te Groningen, om aldaar de doe zwevende verschillen by te +leggen; wordende door de Magistraat en burgerye met groote eertekenen +ingehaalt, ’t guarnisoen in de wapenen, benevens ’t +losbranden van het kanon, enz.</p> +<p>In dit zelve jaar, wierd de trekweg van Harlingen naar Leeuwarden +gemaakt.</p> +<p>In den jaare 1647, den 14de van Maart, is Frederik Hendrik, Prins +van Oranje, in ’s Gravenhage ontslaapen. En dien zelven dag deed +zynen Zoon, Willem de tweede, den eed van getrouwigheid aan de +Staaten.</p> +<p>In den jaare 1648, den 30ste van January, is binnen Munster in +Westfaalen, na een oorlog van over de 80 jaaren gevoert, eene vrede +gemaakt, tusschen den Koning van Spanje, en de Staaten der zeven +Provintien: door welke gemelde Koning deze Landen voor eigene en +vrygevogtene landen heeft moeten verklaaren; en zyn recht op dezelve +eeuwig en erflyk afgestaan. <span class="pagenum">[<a id="pb224" href= +"#pb224" name="pb224">224</a>]</span></p> +<p>In dit zelve jaar gebeurde binnen Dokkum, op ’t Raadhuis, een +gering doch merkwaardig geval, zinnebeeldig op bovenstaande vrede; men +zag een mossel een muis vangen: dat dus geschiede, een hoop mosselen +aldaar leggende, quam de muis daar zyn aas zoeken, en een treffende, +die gaapte, sloot de mossel haare schelpen toe, en de muis, in de zyde +gevat, was gevangen.</p> +<p>In den jaare 1650, den 27ste van October, is Prins Willem van +Oranje, in ’s Gravenhage, aan de kinderpokjes overleden.</p> +<p>In den jaare 1651, den 22ste van February, was ’er een +watervloed over de Groninger Provintie, en elders; waar door de dyken +wierden gebroken en groote schade geschiede.</p> +<p>Den 20ste van May is Graaf Willem Frederik van Nassau, Frieslands +Stadhouder, te Groningen ingereden; wordende door de Magistraat en +burgerye met groose staatsie opgehaalt, en ten zelven dage aldaar tot +Stadhouder en Gouverneur over Stad en Lande aangenomen, gehuldigt, en +in ’t openbaar beëedigt.</p> +<p>In den jaare 1653 is, uit vreeze voor de Engelschen, die zich voor +onze kusten vertoonden, op Ameland, Ter Schelling, Flieland, enz., een +goede wacht van krygsvolk gezet, om een waakend oog in ’t zeil te +houden.</p> +<p>Niet lang daar na quamen zy voor de zeegaten van Texel en ’t +Flie, met schrobbers <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" +name="pb225">225</a>]</span>en bezems op de masten braveerende; +willende daar door te verstaan geeven, dat zy als Meesters van de zee, +dezelve hadden schoon gemaakt.</p> +<p>Den 8ste van Augusty geschiede omtrent Texel het zeegevegt van drie +dagen, waar in de Admiraal Tromp door een musquetschoot wierd +getroffen, en dood op den overloop van ’t schip ter +neêrgeveld.</p> +<p>In den jaare 1654 was ’er geheel Europa door een groote +overvloed van graanen; alzo dat de Hollandsche kooplieden het zelve op +hunne korenzolders niet kunnende bergen, naar Friesland moesten +overvoeren.</p> +<p>In den jaare 1655, den 10de van November, zyn de eerste trekschuiten +tusschen Groningen en Leeuwarden gevaaren.</p> +<p>In den jaare 1656, den 8ste van Februarij, heeft de Magistraat van +Groningen, ter gelegentheid van de Raads-keur, voor de eerstemaal met +Goude Boonen beginnen te looten; zijnde het zelve bevoorens altoos met +gemeene Turksche Boonen gedaan.</p> +<p>In den jaare 1657, den 17de van October, waaide het drie dagen lang +zo een bittere stormende oosten wind, dat de zuiderzee en andere +binnenstroomen het water op veele plaatzen ontliep; zo dat men van +’t eilandje Ens droog over naar Friesland konde gaan. Odulfs +Kerk, en andere oudheden, lagen by Staveren geheel bloot. Waar op +volgde een felle en lange winter.</p> +<p>In het zelve jaar, den 23ste van October, <span class= +"pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name="pb226">226</a>]</span>zyn +te Groningen de 12 vendelen burgerye door de Heeren van den Raad tot op +18 vendelen vermeerdert.</p> +<p>Ook was ’er in dit jaar te Groningen zekere onlust; waar door +eenige huizen wierden geplondert: doch door den Stadhouder Prins Willem +wierdze wederom gestilt.</p> +<p>In den jaare 1659, den 6de van Juny, is de Vorst van Anhalt, Joan +Georg, met de Prinsesse Henrietta Catharina van Oranje, enz., zeer +prachtig te Groningen in de St. Martens Kerk getrouwt. De ingang van +gemelde kerk tot aan het Vorstelyke Trouw-Theater was rondom zeer +heerlyk behangen, en met tapyten belegt. De Prinsesse Bruid was zeer +prachtig gekleed, met een heerlyke kroon vol diamanten op haar hoofd, +enz., wordende verzelt van de Keurvorstinne van Brandenburg, Graaf +Willem van Nassau en zyne Gemalinne, Prins Maurits en meer andere +Grooten. Hier na wierd de geheele stad vervult van vreugde, zo door +konstige vuurwerken, losbranden van het kanon, enz.</p> +<p>In den jaare 1662, den 28ste van February, heeft Oostfriesland door +een watervloed wederom zeer veel geleden: want daar groote schade aan +dyken geschiede, en tusschen Delfzyl en Embden 8 schepen vergingen.</p> +<p>In den jaare 1663, den 30ste van October, liep Oostfriesland wederom +geheel onder; waar door veele beesten wierden weggerukt, en groote +schade aan dyken geschiede.</p> +<p>In den jaare 1664, den 6de van July, <span class="pagenum">[<a id= +"pb227" href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span>is door Graaf Willem, +Stadhouder van Friesland, de Eilerschans by verdrag verovert van den +Bisschop van Munster.</p> +<p>Den 21ste van Augusty, is Willem Frederik, gemelde Stadhouder, +binnen Leeuwarden, aan een quetzuur overleden; welke hy van onderen in +de kin door een pistool bekomen had, als hy de proef daar van zoude +neemen: schryvende zelf: <i>als zy geen vuur wilde geeven, doe zag ik +daar na, en willende den stempel daar uittrekken, zo ging ze in dien +tyd los</i>. Nalaatende een Prins van 8 jaaren en twee Prinsessen.</p> +<p>6. <span class="sc">Hendrik Casimier</span>, Graave van Nassau, +enz., aan wien de Staaten des Lands al in den jaare 1659, by survivance +of overlevinge, de toezegginge van ’t Stadhouderschap, by +’s Vaders leeven, hadden verleent, wierd nu mede het +Kapiteinschap Generaal over Friesland opgedraagen; om deze bedieninge +in het 20ste jaar zyns ouderdoms aan te vaarden.</p> +<p>In den jaare 1665, in January, als Prins Johan Maurits, +wederkeerende van Leeuwarden van de begraaffenis van Prins Willem +Frederik, Stadhouder van Friesland, en door Franeker reed, zo schoot hy +met zyn paard, op een oude valbrug zynde, in ’t water ter neder; +doch, schoon in gevaar van zyn leeven te verliezen, wierd hy echter +noch onbezeert gereddet.</p> +<p>Den 22ste van September trok de Bisschop van Munster, als een +huurling en in dienst <span class="pagenum">[<a id="pb228" href= +"#pb228" name="pb228">228</a>]</span>van Engeland<a class="noteref" id= +"xd20e3128src" href="#xd20e3128" name="xd20e3128src">94</a>, om +Nederland aan deze zyde te plaagen, met zyne macht Twenthe en Drenthe +in, daar hy alles verwoeste: en omtrent eene maand verloopen zynde, +boorde hy by ’t Roveen door; dat in Friesland geen kleene vrees +veroorzaakte. Doch, voor Ommerschans afgeslagen zynde, vertrok hy naar +Groningerland, en nam Winschooterzyl en Burgerschans in. Maar als hy +een goede borstweering by Heiligerlee vond, en de Bourtang, Koeverden, +Ommerschans en Friesland van alles wel voorzien zag, achte hy zich +gelukkig, zonder van Maurits volk bezet te worden, zelve weder uit te +geraaken.</p> +<p>Den 5de van December was ’er weder een zwaare watervloed in +veele Landen, die Zeeland, Holland, Friesland en de Ommelanden groote +schade toebragt.</p> +<p>In den jaare 1666, den 15de van July, heeft de dappere en manhafte +Zeeheld Tjerk Hiddes, Luitenant-Admiraal van Friesland, terwyl hy met +den Zeeuwschen Luitenant-Admiraal Jan Evertsz. den Engelschen Admiraal +van de witte vlag aan boord lag, en zeer moedig streed, zyn been te +gelyk met het leeven verlooren: zyn ligchaam wierd staatelyk binnen +Harlingen ter aarde bestelt.</p> +<p>Den 8ste van Augusty quamen de Engelschen, met menige scheepjes en +vyf branders binnen ’t Flie, daar zy de twee convojers, +<span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name= +"pb229">229</a>]</span>en een vloot van 170 koopvaarders in den brand +staken; van welke ook veelen door de vlam verteert wierden: waar onder +omtrent 30 schippers van Hindeloopen van hune schepen beroofd wierden; +en ook eenige die ’t ontvluchten. Daar op landen zy op Ter +Schelling, en staken een onnoozel weerloos visschers dorpje in den +brand: roemende in Engeland als of zy de geheele waereld gedwongen +hadden. Maar Gods wraak vervolgde hen al te spoedig, alzo het beste +gedeelte van de vermaarde stad Londen in vyf dagen, door een byna +onuitblusbaare brand, in de assche wierd gelegt, tot een onwaardeerlyke +schade van veele gegoede lieden. En de schade door 350 huizen, op Ter +Schelling in den brand gestooken, had een geringe overeenkomst, tegen +van hen ruim 35000 huizen door de vlammen verteert.</p> +<p>In den jaare 1672, wanneer Louis de veertiende, Koning van Vrankryk, +trachtende na het Oppergebied van geheel Europa, en reeds zulks in +’t werk stellende, het niet voor ’t geringste gedeelte van +zyne uitvoeringen achtede, de zeven Vereenigde Nederlanden alvoorens af +te loopen, om onder zyn geweld te brengen; en Friesland, een gedeelte +daar af zynde, na de gelykheid van de leden van het zelve ligchaam, kon +hier niet ongevoelig van zyn.</p> +<p>Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May, moet +voor een Schrikdag van geheel Nederland aangeteekent worden: +<span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name= +"pb230">230</a>]</span>van welken tyd zy geen 50 dagen konden tellen, +of was meer als 80 van hunne sterkste steden en vermaardste +beschansingen door den vyand ontbloot.</p> +<p>Doe wierd Nederland met 6 legers, op 6 verscheidene plaatsen, te +gelyk besprongen, namentlyk van 4 Franschen voor Orsou, Rynberk, Wezel, +Burik, en 2 Bisschopschen voor Grol en in Twenthe. Na alle bovengemelde +veroveringen, den vyand voorttrekkende, nam ook langs den Rhynstroom +alle plaatzen in.</p> +<p>Den 2de van Juny, ruktenze voorby Schenkenschans, daarze by ’t +Tolhuis, langs een droogte in den Rhyn, doorbraaken: zynde die plaats +door den Oversten A. W. van Ailua met eenige Friesen dies tyds bezet. +Waar op Mombas, schynende de Franschen eerst te willen tegen gaan, +dwars heen en weêr met zyn ruitery door het Friesche voetvolk +reed, dat zich zeer mannelyk weerde, alschoon zy door geduurig +omzwerven, dan naar Nieumegen, dan naar Doesburg, Zutfen en +Schenkeschans, zeer vermoeit en afgemat waren: geevende dien verraader +Mombas daar door gelegentheid, dat het Friesche voetvolk onder de +voeten van zyn ruitery, en diesvolgens in een groote verwarringe +geraakte, zo dat zy genootzaakt wierden om quartier of lyfsgenade te +roepen, en alzo elendig wierden overwonnen. Dit doorbreeken in de +Betuw, door dien men meende, dat des vyands macht aan den Rhyn +<span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name= +"pb231">231</a>]</span>verbrooken zoude worden, was een droevig begin +van alle volgende onheilen: waarom het ook in Holland zo een +verbaastheid verwekte, dat men geene woorden zou kunnen uitvinden om +het zelve uit te drukken. Waar op dat heel kort daar na het Sticht +Utrecht mede onder de macht des vyands quam.</p> +<p>Den 13de van Juny heeft geheel Overyssel zich by verdrag mede +schendig aan den vyand overgegeeven. En zo is Friesland, door ’t +verlies van de Kuinder, Blokzyl, Zwartsluis, Steenwyk, Ommerschans en +Roveen zyn plegtanker afgekapt geworden. Waar over de verbaastheid, +ontroeringe, en flaauwhartigheid, die de winkels innam, de handwerken +aan een zyde wierp, de Rechtbanken toesloot, de Academien en Schoolen +ledig maakten, de lieden van angst en benaauwtheid uit hunne huizen +deed loopen, den eenen tegen den andere aanstootende, en zo alles in +verwerringe bragt. De vreeze en benaauwdheid was te grooter, om dat +alles hen zo schielyk en onverwagt overquam: waar van geen eigener +beeldenis kan vertoont worden, als ieder gevoelig mensch zich, in +herdenking van dien tyd, in zyne gedachten voorstelle: en die het +slegts in een eenvoudig en naakt verhaal wilde te kennen geeven, zoude +woorden moeten uitvinden, om eenigzints uit te drukken. Om daar evenwel +iets van te zeggen, zullen wy daar over, als ook over de eerste +gevolgen van dien, de woorden van Mr. P. Valkenier, <span class= +"pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name= +"pb232">232</a>]</span>Pleitbezorger voor den Hove van Holland, hier by +voegen<a class="noteref" id="xd20e3155src" href="#xd20e3155" name= +"xd20e3155src">95</a>. Hy schryft:</p> +<p>«De tydinge van dit schandelyk en haastig overgaan van de +geheele Provintie van Overyssel, vloog aanstonds geheel Friesland en +Groningerland door, en verwekte aldaar zo een groote vreeze en +verbaastheid, als het doorbreeken der Franschen aan ’t Tolhuis, +en het verlies van Utrecht, in Holland veroorzaakte. Want elk stond +verlegen, en verwagte alle omzien den vyand. Niemand wist wien het +eerst zoude gelden; alzo het geheele land onbedekt, en zonder de minste +afsnydinge voor hem open lag. Elk wilde met zyne beste losse goederen +vluchten, maar niemand wist byna waar heen. Eenigen, die hunne goederen +uit de steden wilden vervoeren, wierden dezelve of door oploop, of door +plondering van ’t gemeene volk kwyt. De Overheden, die mede wat +meenden te bergen, moesten opentlyk het verwyt aanhooren, dat zy +verraaders waren, en de gemeente in deze algemeene nood wilden +verlaaten. De Regeeringe stond raadeloos, en het volk redenloos, alzo +het zelve, als een pot te vuur, opliep, en voorts alles <span class= +"pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span>in +verwarringe bragt. De Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland, ziende +dat de geheele last van dit onheil op hunne schouderen aanquam, wierden +te raade, om de Heeren Raaden van ’t Hof van Gerichte te +verzoeken, dat zy hen in deze verlegentheid met raad en daad geliefden +by te staan. Waar op beide die aanzienlyke vergaderingen, tusschen den +13de en 14de van Juny, ’s nachts, binnen Leeuwarden, in alle +stilheid byeen vergaderden: alwaar voorgestelt wierd, de bedroefde +staat van hunne Provintie. Hoe dat de doortocht van Meppel, regt naar +Dokkum, en voort de Dongerdeelen in ’t Bild door, tot Harlingen +toe, om haare hoogte, niet konde onder water gezet worden. Dat de twee +schansen, op die doortocht gelegen, als Breeberg en de Friesche Paalen, +genoegzaam geslegt waren, en geen wezen meer hadden. Dat het krygsvolk, +op hunne bezoldinge staande, tot bewaaringe der grenzen van andere +Provintien zodanig was gebruikt, dat ’er tot bezettinge van hunne +eigene Provintie, niet een eenige soldaat over was, als alleen eenige +compagnien onder den Luitenant-Generaal Ailua, die uit Overyssel quamen +afzakken. En dat hunne wapenhuizen en de wallen der steden van geschut, +wapenen en leevensmiddelen onvoorzien en geheel ontbloot waren, en alzo +in ’t geheel niet of weinig voorraad ter verweering. Hier op +begon men te beraadslagen, hoe men de Provintie op het <span class= +"pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name= +"pb234">234</a>]</span>beste zoude bewaaren uit den tegenwoordigen nood +en gedreigde gevaaren, die hen zo na boven ’t hoofd hingen. Waar +op wierd voorgeslagen, dat zulks zou moeten geschieden door een van +deze twee middelen: of gemeenzamerhand en met alle ernst trachten te +verweeren, en het uiterste te waagen: of dat men zich met een algemeene +overgeeving der Provintie uit die onheilen zoude redden: en ingevalle +van overgeeving, dat men dan behoorde indachtig te zyn, met wat +voorwaarden men de gemeene welvaart het best zoude kunnen +verzekeren.</p> +<p>«Na eenige onderlinge strydigheden, en na dat de Predikanten +der stad Leeuwarden mede in deze vergaderinge verschenen, die +byzonderlyk aanbevoolen, het stuk van godsdienst en gemeene vryheid, +wierden alle zwaarigheden aan eene zyde gestelt, en een moedig en +hartelijk besluit genomen, om, tot behoudinge van godsdienst en +vryheid, gezamentlyk het uiterste te waagen, en goed en bloed tot den +laatsten droppel aan te leggen. Men zond aanstonds uit het midden van +deze vergaderinge eenige Heeren aan hunne Hoog Mogende, aan de Staaten +van Holland, aan die van ’t Noorder Quartier, aan die van Stad en +Lande, en aan die van Amsterdam: welke alle, daar na, zonder troost of +de minste hulpe weder te rugge zyn gekomen. Men besloot, om alle +sluizen open, en alle Polders en bedykte landen onder water te zetten. +Men deed een opontbod van <span class="pagenum">[<a id="pb235" href= +"#pb235" name="pb235">235</a>]</span>alle Steden en Grietenyen; die +daar op met vreugde uittrokken na het Heerenveen, om zich daar met de +weinige aankomende krygslieden, onder den Heer Luitenant-Generaal +Ailua, te vereenigen, en een legertje uit te maaken; om daar mede den +vyand te verwagten, en te betoonen, dat zy noch van ’t regte +bloed der oude en beroemde Friesen waren, die in standvastigheid alle +volkeren overtroffen.” Dus schryft die Hollander.</p> +<p>En alschoon het geruchte, wegens dat merkelyk verlies van de +Friesche krygslieden aan het Tolhuis, van welke slegts maar eenige +weinigen door den Oversten Hans W. van Ailua, ter naauwernood uit Zwol +gered, naar de grenzen van Friesland, tot onder Leeuwarden quamen +afzakken, de verslagentheid niet verminderde; zo begon echter evenwel +de moed weder aan te wasschen, door ’t bovengemelde legertje, dat +ondertusschen tot 13 a 1400 soldaaten vermeerderde, behalven een goed +getal burgers en boeren, die ’er dagelyks toevloeiden. Dit +gemelde legertje wierd zeer voorzichtig, onder het beleid van den Heer +Ailua, op de grenzen in een geduurige beweeging gehouden, op dat +niemand van de Bevelhebbers konde weeten, hoe sterk of zwak het +was.</p> +<p>Middelertyd, als de vyand zyn aantocht over Steenwyk, op Friesland +had genomen, bequam hy tyding, dat de Friesen met de Groningers zich +wakker tot tegenweer stelden; waar over de Bisschop van Munster +<span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name= +"pb236">236</a>]</span>zeer bulderende en geweldig tegen de Friesen +uitvoer, barstende onder anderen in dezen Bisschops vloek uit: <i>Der +Teuffel hoole die Pfhaffen!</i> waar door hy de Predikanten van +Leeuwarden verstond. Des hy van voorneemen veranderde, achte het +dienstiger naar Koeverden te zetten, en heeft eerst d’ Eiler-, +Oude- en Nieuwe Schans, Winschooterzyl, en ’t Huis te Wedde, met +alles wat ’er by of omtrent was, zonder slag of stoot ingenomen: +de Bourtange eischte hy mede op, en bood aan den Commandeur of +Opperbevelhebber Prot 200000 guldens, en aan ieder Kapitein of Hoofdman +50000 guldens, by aldien zy zich wilden overgeeven. Maar de Bevelhebber +Prot gaf hierop tot antwoord: <i>dat hy eerst met den Bisschop wel een +gesprek wilde houden, daar hy hem zo veel kogels zou vereeren, als hem +guldens waren aangeboden</i>.</p> +<p>Hier na hield de Bisschop een krygsraad, en de vraag was, of men +Friesland, of Delfzyl, of Groningen zoude overvallen? Het laatste wierd +by hem beslooten. Doch van dien tyd af wierd hy wel degelyk in zyn raad +verbystert, en in zyn voortgang zodanig gestuit, dat hy daarna niet een +voet aarde meer heeft gewonnen.</p> +<p>Uit de zeesteden zond hy kapers uit, om de Zuiderzee onveilig te +maken: dat, zo men zegt, geen drie dagen voortgang had: want alle zyne +vaartuigen wierden hem afhandig gemaakt: gelyk ook eenige van zyn +<span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name= +"pb237">237</a>]</span>volk, meenende het eilandje Urk uit te +plonderen, wierden van de inwoonderen gevangelyk naar Enkhuizen +gevoert.</p> +<p>De steden ondertusschen, waar eenige schyn van bescherminge was, +herstelden haare vestingen. Gelyk mede aan elke zyde van den Zwarten +Weg, omtrent neeven Meedum wierd een schansje gebouwd, en by Tietjerk +een schoone borstweering, reikende langs de weg naar Hardegaryp.</p> +<p>En door dien men bedugt was, of men in ’t toekomende een +geweldigen vyand, of overlastige stroopers te gemoet zag, hebben die +van Hindeloopen, ten opzichte dat zy voor ’t grootste gedeelte +aan de zee genoeg bevryd waren, aan de zuidoostzyde, daar zy aan +’t land vast zyn, een vesting van drie bolwerken opgeworpen: +bestaande de werklieden uit de burgerye, die zulks uit eigen drift +gewillig bij der hand namen: maar, nadien zy by ongelegentheid van dien +tyd geen onderstand of fortificatiepenningen, in gelykheid van andere +steden, uit de Gemeene Lands Middelen hebben kunnen bekomen, zo +hebbenze het verdere opmaaken tot op beter gesteltheid van tyden willen +opschorten.</p> +<p>In deze dagen hebben de Bisschopschen uit de Kuinder de Lemmer +opgeeischt, en zoudenze overvallen hebben, ten waare zy de wagens met +vlugtelingen langs de wegen niet voor toevoer van krygsvolk hadden +aangezien: daar zij slegts een borstweering met eenige stukken geschut +op de zeedyk hadden <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238" +name="pb238">238</a>]</span>toegestelt; welks toegang zy in ’t +verborgen bedekten met heimelyk aan een gekeppelde eggen.</p> +<p>Den 4de van July heeft de Bisschop van Munster de sterke fortresse +Koeverden met een macht van 16000 mannen belegert, doende dezelven dag +noch aan de loopgraven werken. De twee volgende dagen liet hij zo een +groote menigte bommen en granaaten werpen, dat het tuighuis daar +binnen, met verscheide daar bystaande huizen, in brand geraakten. Den +7de dito liet hij de plaats opeischen, en eerlyke voorwaarden aan de +bezettinge aanbieden. Doch de Commandant Johan van Burum<a class= +"noteref" id="xd20e3212src" href="#xd20e3212" name= +"xd20e3212src">96</a>, na die niet willende luisteren, wierd ’er +overzulks aan weêrskanten noch dapper vuur gegeven, tot den 10de +der maand; wanneer de Bisschop de plaats voor de tweedemaal opeischte. +Ter zelver tyd zond de Commandant drie Officieren aan den Bisschop, die +den 12de de overgaaf der plaats, zonder consent van den Bevelhebber, +doch op eerlyke voorwaarden, beslooten. Maar de Bisschop had Koeverden +zo dra niet in ’t bezit, of betoonde <span class= +"pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239" name="pb239">239</a>]</span>zyne +trouwloosheid en barbaarsche wreedheid aan de uittrekkende +soldaaten.</p> +<p>Ondertusschen maakte de Overste Ailua, met 1200 uitgeloote of +gecommandeerde burgers en soldaaten, eenen aanslag op de Kuinder; +alwaar de Bisschopschen veel roof hadden te hoop gesleept. Zy zouden +het vermeestert hebben, en hadden reeds al 200 mannen van den vyand ter +nedergeschooten, ten ware de besprookene Hollandsche kaapers, wegens +onstuimig weder opgehouden, hadden kunnen aannaderen, en de vyand mede +geen haastig ontzet van 2000 mannen, zo uit Kampen, als Zwol had +bekomen. Waar op de Friesen, dit ziende, met verlies van 30 mannen, +weder aftrokken. En zy afgetrokken zynde, hebben de vyanden het zelve +uitgeplundert en hunnen buit vervoert.</p> +<p>Den 16de van July is de Friesche Brandwacht, leggende tusschen +Bergum en de Drachten, niet wel op hun hoede zynde, van 13 standaarden +Bisschopsche ruiters overvallen geworden. Doch zich in tyds noch naar +het gros van ’t leger te Bergum begeevende, quam het terstond in +roeren, en viel de ruitery daar op in. Waar door de vyanden achteruit +deinsden, en de Friesen alzo tot nevens hunne hinderlaagen uitlokkende, +die het byna te quaad zouden gehad hebben, door dien een party volk van +den vyand in ’t korenland verborgen lag; doch echter, door hunne +manmoedigheid, drevenze de Bisschopschen te rugge, met verlies van +<span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name= +"pb240">240</a>]</span>van 150 ruiters, en maar 25 van hunne +Friesen.</p> +<p>Daar na wierd de stad Groningen, op den 19de van July, door den +Bisschop van Munster en den Keurvorst van Keulen, met eene macht van +22000 mannen, aan de zuidkant by twee poorten belegert. De stad had tot +Gouverneur Karel Rabenhaupt, een dapper en ervaaren Kapitein. De Hertog +van Holstein Pleun had het bestier van het voetvolk, en de Colonel +Stoltzenburg van de ruitery. De bezetting bestond in ’t begin +maar uit 24 compagnien voetknegten, 4 standaarden ruiters, en 3 vendels +dragonders, die alle te zamen omtrent 2000 mannen uitmaakten. Maar zy +wierd meer dan de helft versterkt, door de 18 vendelen burgers, die +geweer voerden. Daar na wierden ’er noch vier compagnien van +Advocaaten en andere lieden, die tot dezen tyd toe vry van de wacht +hadden geweest, en een compagnie studenten, 150 mannen uitmaakende, +opgericht: en voor dat de stad noch geheel berent was, quamen ’er +200 met byltjes gewapende mannen, uit het regiment van Koningsmark +binnen.</p> +<p>De sterktens en magazynen waren in goeden staat, met overvloed van +wapenen, krygs- en leevensbehoeften voorzien; de Magistraat meende het +zo wel als het volk, en waren altemaal de bevelen van Rabenhaupt +onderdanig.</p> +<p>Deze Gouverneur de belegering al van <span class="pagenum">[<a id= +"pb241" href="#pb241" name="pb241">241</a>]</span>langerhand voorzien +hebbende, had derhalven alle de huizen en tuinen, die buiten die kant +van de stad stonden, doen verbranden of slegten. Op de eerste aantocht +der vyanden deed hy de sluizen openen, en de dyken doorsteeken, om alzo +het land rondom te laten onder loopen. Doch dit weerhield den +Munsterschen Bisschop niet, den 22ste van July zyne krygsbenden te doen +aannaderen, en dien zelven avond aan de loopgraven te laaten werken. Hy +deed den 27ste dito van een battery met 5 stukken kanon op de stad +schieten; maar de braave konstapels, waar van de stad voorzien was, +maakten de geheele battery, eer den dag ten einde was, onbruikbaar. Des +anderendaags liet de Bisschop de mortieren te werk stellen, en met +bomben en granaaten op de huizen werpen; doch door de goede voorzorg +van Rabenhaupt en de naarstigheid der Mennoniten deden ze weinig +schade. Maar de volgende dagen schooten de belegeraars geweldiger, waar +door in de stad groote schade wierd veroorzaakt; ’t welk de +inwoonders noodzaakte met hun huisgezin naar het noordergedeelte van de +stad, daar zy niet komen konden, te vertrekken.</p> +<p>Rabenhaupt schikte zyn mortieren zodanig op de wallen, dat hy op +’t laatste van de maand de wyken van den Bisschop, en van de +Keurvorst zeer begon te beschadigen. Hy liet verscheide uitvallen doen, +waar door de belegeraars genootzaakt wierden met verlies <span class= +"pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name="pb242">242</a>]</span>te +wyken, en nieuwe werken te beginnen. De burgers, die de beveelen des +Gouverneurs gehoorzaamden, droegen zich zo manhaftig, als de beste in +den oorlog geoeffende en geschikste krygsbenden. De Studenten queeten +zich op zo een verwonderenswaardige manier, dat de Staaten der +Provintie Gedenkpenningen tot hunner eer lieten slaan, om deszelfs +geheugenis voor de nakomelingen over te laaten. Inmiddels zagen de +belegeraars het getal hunner bomben verminderen, zonder veel uit te +werken; en daarom begonnenze in de maand Augusty met gloeiende kogels +te schieten: daar waren ’er geen dan de eerste die schade +bybragten, want door den grooten yver der Mennoniten wierden ’er +veelen uitgedooft. Daar na zond de Bisschop een trompetter en een +tamboer aan den Magistraat, om eerlyke aanbiedingen voor te stellen, +indien zy de stad wilden overgeeven. Doch hem wierd te kennen gegeven: +dat in ’t algemeen beslooten was, het uitterste af te wagten, en +de stad, die een nieuwe versterkinge van soldaaten, kruid en geld +bekomen had, van volk en allerlei behoeften voor veele maanden was +voorzien, te verdedigen.</p> +<p>Het vuur van ’t geschut en de bomben ging echter met dezelve +hevigheid voort, tot dat het den 25ste van Augusty op de middag begon +te verslappen, en de Bisschop de geheele hoop verloor van een generaale +storm te waagen. Na dien tyd hoorde men in zyn <span class= +"pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name= +"pb243">243</a>]</span>leger niet meer als met musquetten schieten; +’t welk de belegerden deed denken, dat zyn geschut onbruikbaar +was, en vreesden derhalven voor een krygslist: doch 300 van de +ongeduldigste mannen deeden een uitval op de loopgraven van den +Keurvorst van Keulen, daar zy een groot bloedbad maakten, en eenige +gevangenen mede in de stad bragten. De volgende nacht liet de vyand het +gros des legers opbreeken, laatende de mynen, die zy vervaardigt +hadden, springen, en verlieten alle hunne werken. Rabenhaupt kreeg hier +kondschap van, deed daar op den 27ste dito de batteryen in brand +steeken, de gragten vullen, en de wapenen, krygsbehoeftens en tuig, dat +de vyanden achtergelaaten hadden, daar uit halen. De stad wierd den +laatsten dag geheel verlaaten; welke dag door vasten en bidden gevierd +wierd, om God over deze gelukkige verlossinge te danken.</p> +<p>Het verlies der belegerden was zeer gering, na de groote meenigte +kogels, bomben, en granaaten, die op hen geschooten en geworpen waren; +en daar wierden geen 100 menschen verloren. Maar dat der vyanden was +zeer groot: van 22000 mannen, die zy in ’t begin des belegs sterk +waren geweest, gingen ’er maar 12000 te rug; waar onder men 1400 +zieken rekende: 600 quamen ’er in de stad overloopen, en 5000 +begaven zich naar andere plaatzen, zo dat ’er omtrent 4500 dooden +waren, waar onder de 3 Kolonellen, <span class="pagenum">[<a id="pb244" +href="#pb244" name="pb244">244</a>]</span>2 Luitenant-Kolonels en 63 +Kapiteinen wierden gevonden.</p> +<p>Den 13de van Augusty heeft de Heer Dirk Baard en Kapitein Hania, +geleidende 450 mannen van de Friesche burgery, en met verscheidene +vaartuigen omtrent Blanckenham landende, Blokzyl vermeestert: de +burgery van binnen had een goed gesprek met dezelve, en opende de +poorten, ter beschaaminge van geheel Overyssel. Aanmerkelyk was +’t, dat, terwyl de vyanden de zuiderpoort uitvluchten, zekere +Mennoniet veelen van dezelve in zyn huis riep, zeggende, dat zy zich +alle aldaar voor de eerste oploopentheid der Friesen konden verbergen, +en leverde alzo by de 70 Bisschopsche soldaaten in handen van de onzen +gevangen.</p> +<p>Den 2den van September, als de Kuinder, door het overgaan van +Blokzyl, nu van toevoer afgesneden was, heeft Kapitein Holbarent, met +240 mannen, een aanval op dezelve gemaakt, met gering verlies van volk, +alzo de Bisschopschen, schoon 250 mannen sterk, na eenige weinige +tegenstand, de vlucht namen; achterlaatende eenigen buit, een karos en +gespan van 6 paarden, en 28 gevangenen: zynde hunne voornaamste roof al +te vooren weggepakt.</p> +<p>Van den eersten September af begonnen de Groningers ook hunne handen +ruim te krygen. En alles van binnen wel bestelt hebbende, heeft de +Overste Jorman, met 2000 mannen, zo voetvolk als ruitery, Winschooten +<span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name= +"pb245">245</a>]</span>vermeestert. Waar op de vyand, door vreeze, de +Winschooterschans, Zyl, ’t Huis te Wedde, en Brugschans aanstonds +heeft verlaaten.</p> +<p>Tusschen den 8 en 9de van September, zyn de Bisschopschen, met een +groote furie, tot driemaalen in die zelve nacht, op de Schans van +’t Heerenveen aangevallen; doch telkens manmoedig afgeslagen, +alhoewel daar eene kleene bezetting in lag: hebbende de onzen voorheen +een Ritmeester, een Luitenant, een Cornet, en 4 ruiters gevangen +bekomen.</p> +<p>Den 17de van October is de Oude Schans door de Groningers, onder het +commando van den Oversten Eybergen, wederom belegert, en met grof +geschut beschooten. De belegeraars maakten zeer kort zo een +benaauwtheid, door hun sterk schieten, in deze schans, dat die van de +Nieuwe Schans, versterkt zynde met veel volk uit Munsterland, afquamen +om de belegerden te ontzetten. Doch Eybergen wierd zulks tydig gewaar, +zendende derhalven 250 mannen, onder het commando van den Oversten +Wachtmeester Wyllers, met twee stukken kanon vooraan, hun tegen, +stellende hen by Stoksterhorn in slagordre. Hier op quamen de vyanden, +omtrent 1500 mannen sterk zynde, den 25ste van October op hen los: maar +Wyllers hen zeer na onder het geschut laatende komen, deed hy tot twee +keeren een generaale losbrandinge onder de vyanden; <span class= +"pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span>waar +door zy ten eenemaal in confusie de vlugt namen, wordende veele +Bevelhebbers en soldaaten doodgeslagen en eenige gevangenen mede +gevoert.</p> +<p>Daar na verzogten die van de Oude Schans op den 27ste dezes te +capituleren: ’t welk den zelven avond noch wierd geslooten; +wordende de plaats voort des anderendaags met 7 vendelen Staatsche +troupen bezet.</p> +<p>Den 26ste van December heeft de Gouverneur Rabenhaupt, na dat hy +alles, wat tot den aanslag op Koeverden noodig was, had laten +vervaardigen, en waar toe een harde vorst, daar op een haastigen dooy +en zwaare nevel, hem grootelyks bevoordeelde, deed hy het ys in de +gragten om Groningen opbreeken. Hy gaf het opperbevel aan den Kolonel +Eybergen; dat van het voetvolk aan den Oversten Wachtmeester Wyllers; +en dat van de ruiterye aan den Majoor Jan Hendrik Sikkinge. Voorts liet +hy de konstapels en grenadiers aannaderen, en het overige van het +kleine leger, dat niet boven de 400 paarden en 1000 voetknegten sterk +was, begaf zich in aantocht op den 27ste der maand. Den 30ste dezes, +des morgens ten 3 uuren, quamen zy voor Koeverden, en verdeelden zich +in drie ligchaamen, ieder op zyn bestemde post. God gaf, om den aanslag +te begunstigen, met het aanbreken van den dag zo een zwaare mist, dat +de geene, die malkanderen aanraakten, zich niet konden onderscheiden. +Zy naderden daar op tot <span class="pagenum">[<a id="pb247" href= +"#pb247" name="pb247">247</a>]</span>aan de conterscharp, zonder +ontdekt te worden; maar door de biesbruggen over de gragt te leggen, +wierdenze van de schildwacht ontdekt; die daar op alarm maakte. Voorts +quam de bezettinge in de wapenen, en gaven dapper vuur van de wallen. +Doch dit weerhield de bespringers niet, van tot aan de afschutzels en +stormpaalen van de conterscharp te geraaken, die zy met bylen omverre +hakten.</p> +<p>Hier op wierden de wallen, doch met groote moeite en verlies van hun +volk, beklommen; zy geraakten ’er op, en overweldigde den vyand +met het rapier in de vuist, en wierden meester van de poorten des +kasteels. Hier op overstelpte de vreugde de overwinnaars zodanig, dat +de Bevelhebbers, in hunne eerste ontmoetinge op ’t kasteel, +geheel als verstomd waren: tot dat eene, als uit verrukkinge van zinnen +opryzende, zeide: <i>Wel hoe is het mogelyk!</i> Waar op dezelve zeer +wel voegende ten antwoord kreeg: <i>Dit is niet anders als Gods +hand.</i></p> +<p>De Gouverneur Jan de Mooy wierd ’er gedood, na dat hy zyn +plicht als Commandant zeer wel had waargenomen. Maar door zyn verlies +liet de bezettinge de moed zakken, waar van ’er 700 weerbaare +mannen in gevonden wierden; die daar na zagen, datze door de groote +meenigte hunner vyanden overmand waren, liepen ’er 200 de poort +uit; omtrent 150 zyn ’er gesneuvelt, en de rest lieten het geweer +vallen, en wierden <span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" +name="pb248">248</a>]</span>ten getalle van 400 tot krygsgevangenen +gemaakt, en in de kerk geslooten: ondertusschen stonden de overwinnaars +de soldaaten toe de plaats te plunderen; alwaar zo wel de soldaaten als +Officieren grooten buit bequamen; hebbende van hun kant in ’t +bespringen omtrent 60 mannen verlooren.</p> +<p>Deze buitengewoone daad trok de Hollanders, die onder het gebied der +Staaten, in een tyd dat Neêrland overweldigt scheen te worden, +uit hunne algemeene verslagentheid.</p> +<p>En veele zullen ’t noch indachtig zyn, hoedanig die +overwinning de gemoederen in Friesland en Groningen ontroerde, en van +vreugde veelen de traanen uit de oogen deeden barsten.</p> +<p>De Gouverneur Rabenhaupt wierd daar op van de Staaten, behalven +Luitenant-Generaal dezer Provintie van Groningen en Ommelanden, en van +Gouverneur der stad Groningen, met het Drossaartschap van het Landschap +Drenth en Gouverneur van Koeverden begiftigt. De Kolonel Eybergen wierd +Commandant binnen Koeverden, en Meester Meyndert van Thynen, die als +voornaamste wegwyzer der bespringers had gediend, wierd aldaar tot +Generaal-Commies gemaakt.</p> +<p>Van dien tyd af hebben de Groningers in ’t Graafschap Benthem, +Twenth, en tot onder Zwol en Deventer gestroopt; haalende van daar +gestadig veel roof, en met veele gelukkige schermutselingen op de +Bisschopschen. <span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name= +"pb249">249</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1673 is ’er een vuur van oneenigheid opgeborsten +uit de gemeene beroeringen des volks tusschen de Heeren der Regeeringe, +die van de Gemeente zeer mistrouwd wierden, en dat al in ’t einde +van ’t verloopene jaar had beginnen te smeulen. De oude en nieuwe +Regeeringe wierd elk byzonder gehandhaafd, beide de Souverainiteit en +Oppergezag der Provintie vertoonende, de eene te Leeuwarden en de +andere te Sneek vergaderende, en neemende strydige besluiten tegen +malkanderen, zonder malkanderen te kunnen verstaan; dat zeer schadelyk +voor de Provintie was. Doch wierd gemeld verschil eindelyk weder door +Gelastigden van hunne Hoog Mogenden en den Heer Stadhouder, als +bemiddelaars, bemiddelt.</p> +<p>In ’t begin van ’t jaar, in January, bequam de Overste +Ailua, in een hevige schermutzeling tegen den Graave van der Lip, twee +trompetten en een vendel, die hy den Prins van Oranje vereerde.</p> +<p>In February quam ’er een gerucht, als of de Munsterschen een +inval op Friesland voorgenomen hadden: waar op een goed getal krygsvolk +uit Holland wierd overgescheept.</p> +<p>In April hebben de Heeren Staaten, ten Landsdage vergadert zynde, +beslooten, hoedaniger wyze men het Land zoude onder water zetten, +indien een hoogdringende nood zulks vereischte: als mede om aan +’t Heerenveen een schans te doen opwerpen, tot verzekeringe van +’t Land. Voorts wierden <span class="pagenum">[<a id="pb250" +href="#pb250" name="pb250">250</a>]</span>de overige posten wel +verzekert, hebbende Prins Johan Maurits het Oppergezach over de +Hollandsche krygslieden, Ailua over de Friesche, en Rabenhaupt over de +Groningers.</p> +<p>Den 29ste van April wierd een algemeen, opontbod der landzaaten en +burgery gedaan; wordende ieder huisgezin belast, een weerbaar man, +tusschen de 18 en 60 jaaren oud zynde, uit te leveren, en moetende +binnen 14 dagen met snaphaanen en pieken gereed zyn; zullende ieder +burger ter week 3 guldens soldy genieten.</p> +<p>Omtrent dezen tyd maakten de Friesche stroopers, uit het leger van +den Oversten Ailua, dagelyks een goeden buit.</p> +<p>Den 6de van Juny vertoonde zich Houttuin met 18 standaarden ruiters, +en 1500 voetknegten, aan de post te Sonnega, welke hy opeischte: andere +2000 ruiters, met eenige honderden voetvolk verzelt, wierden tusschen +Steenwyk en Blesse ontdekt, waar van een groot gedeelte te paard, elk +met een musquettier achter op, tot aan de Blesbrugge naderde: maar +wierd, door de hulp van de ruitery van Wolvega en Oudeberkoop, rustig +afgekeert. Waar op Prins Maurits met het gros van ’t leger, in +meeninge hem op den weg naar Steenwyk te onderscheppen, is afgekomen: +doch zy reeds te verre afgeweken zynde, zo zond hy eenig volk hen +achter na; waar uit zy verstonden, dat het gemelde voetvolk, behalven +de 2000 ruiters, <span class="pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" +name="pb251">251</a>]</span>noch 1000 mannen sterk was. Van den vyand +zyn twee Kapiteinen gedood, en 70 gequetsten wierden binnen Deventer +gebragt. Na dit voorval deed Prins Maurits een ongemeenen iever, om het +water in het land te doen loopen, dat door een sterken wind ook zeer +schielyk voortging; en om het ingelaatene te bewaaren, liet hy een dyk +in de Tjonger leggen: waar door het den vyand ondoenlyk wierd om ergens +te kunnen doorbreeken. Ondertusschen quamen 3 geheele compagnien +Munsterschen, met hunne Bevelhebbers, tot de onzen overloopen.</p> +<p>Den 10de van Juny heeft Rabenhaupt de Nieuwe Schans, na dat hy +dezelve den geheelen winter door geblokkeert had gehad, met geweld van +wapenen aangetast. Hy trok te water met veel volk, geschut en voorraad, +aan geene zyde, en posteerde zich op de Bonder dyk, en daar omtrent, om +de schans van drie zyden aan te doen.</p> +<p>De Bisschop van Munster deed aanstonds zyn uiterste best in ’t +werk stellen, om de belegerden te ontzetten; zendende derhalven een +Overste met 600 dragonders en 400 fantaisyns<a class="noteref" id= +"xd20e3310src" href="#xd20e3310" name="xd20e3310src">97</a>, om het +beleg door te breeken; doch wierden met groot verlies te rug gedreven. +Overzulks wierd de belegeringe sterker voortgezet: zo dat de Bisschop +voornam, tusschen den 29ste en 30ste van deze maand <span class= +"pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>noch +eene proef tot ontzet van deze plaats te neemen, en met een macht van +3500 mannen de post by Bonda te overvallen; meenende langs een nieuwe +passagie door ’t moeras heen eenige vyandlyke troupen af te +snyden: doch Rabenhaupt zulks tydig gewaar wordende, zond aanstonds 9 +vendelen, onder het commando van een Majoor, derwaards; die te zamen +den vyand niet alleen afgekeert, maar hun zelfs met een groote furie +hebben op de vlugt gedreven, laatende wel 300 zo dooden als gequetsten +achter.</p> +<p>Daar na, op den 18de dito, eischte Rabenhaupt de schans op: doch +kreeg tot antwoord: <i>Dat de Ravens dien Winter daar niet nestelen +zouden</i>. Hier op deed zyn Excellentie den Luitenant-Kolonel Tamminga +met zyn krygsbenden aannaderen, en tusschen den 21ste en 22ste de +aldaar leggende redoute aantasten. Des nachts ten een uur ging de +attaque aan, die zo sterk wierd voortgezet, datze, na eenigen +tegenstand, dezelve veroverden; vlugtende de Munsterschen met de +uiterste verbaastheid langs de conterscharp naar de schans: maar de +Staatschen volgden hen op de hielen, datze met hen in de poort, en +vervolgens in de schans geraakten; hoewel zeer weinigen in ’t +getal, dewyl zy door de engte van de passagie, maar eene t’effens +konden voortgaan: doch de vyand door deze onverhoedsche overval +nochtans verbaast zynde, denkende dat de geheele macht van de +Staatschen <span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name= +"pb253">253</a>]</span>binnen quam, wierpen de wapenen neêr en +riepen om quartier, terwyl Rabenhaupt, niet weetende van dit vervolg, +noch dapper op de schans schoot, daar ze al gewonnen was. Dat het meest +te verwonderen is, is dat niet meer als twee mannen van de Staatschen +in dit stormen zyn gebleven.</p> +<p>Den eersten van July quam Johan Maurits, vergezelt met de Heer +Scheltinga, Gedeputeerde, en den Oversten Ailua, geleidende een hoop +volk van 3000 ruiters, en 600 voetknegten, by zich hebbende 4 +veldstukken, van ’t Heerenveen, door Dieveren, om de +Munsterschen, leggende tusschen de Wyk en Staphorst, achter een +borstweering en schansje, doch zonder geschut, te vernestelen: als de +dragonders den aanval deeden, zo wierd des vyands Overste Post gewond +en gevangen, en op zyn woord van eer naar Hasselt gelaaten, neemende de +overigen de vlucht: die door de achterlaage gekeert zouden zyn geweest, +by aldien de bestelde 800 mannen uit Blokzyl, ter bestemder tyd op weg +zynde, die van Hasselt naar ’t Rooveen legt, had kunnen +tegenwoordig zyn. Van den vyand wierden ’er 20 by de onzen +gevangen genomen, waar onder 10 Bevelhebbers, en 17 of 18 gedood. De +onzen hebben 2 dragonders by misverstand geschooten.</p> +<p>Den 3de van Augusty hebben eenige dragonders de brandwacht der +Bisschopschen, bestaande in 18 ruiters, van tot onder Steenwyk +<span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254" name= +"pb254">254</a>]</span>weggehaalt, en in het leger op ’t +Heerenveen gebragt.</p> +<p>Den 5de van Augusty zyn 7 vyandlyke ruiters, met hunne volle +wapenrustinge, mede ingehaalt.</p> +<p>Den 25ste van Augusty zyn over de 8000 vyandlyke voetknegten, en 100 +cornetten of standaarden ruitery, van Steenwyk uittrekkende, op +Friesland aangekomen, die zich in zo veele benden afdeelden, dat zy de +schansjes by Meldam, als Blesbrug, Bekaf, Donkerbroek, Makkinga en +Wolvega, die maar bequaam waren om de huislieden voor strooperyen te +beschermen, te gelyk konden bespringen: omtrent 1000 paarden en een +regiment dragonders, quamen, onder ’t beleid van Houttuin op +Blesbrugge aanzetten, en anderen op Bekaf; ’t was een Mornas, die +de zynen door Makkinga, Donkerbroek en Nyjeberkoop, op Wolvega +aanvoerde, alwaar de Overste Ailua het gezach voerde over 6 regimenten, +als 3 te paard, 2 te voet en een dragonders.</p> +<p>Als Prins Maurits bemerkte, dat ’s vyands voornemen was, om +alle het bovengemelde van ’t Heerenveen af te snyden, zo +verwittigde hy den Overste Ailua en anderen, om gelykelyk naar ’t +Veen af te deinsen. Middelerwyl ontmoete de Graave van Dona met zyn 200 +soldaaten, op de heide van Meldam 150 vyandelyke ruiters, waar mede hy +een schermutseling hield, en schooten 26 Bisschopschen onder de voet, +benevens <span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name= +"pb255">255</a>]</span>2 Bevelhebbers, waar van hy de eene, een +Ritmeester zynde, met eigener piek doode. De onzen dus naar ’t +Veen de wyk genomen hebbende, zo wierden aanstonds eenigen naar de +Jouwer, en anderen naar Gordyk gezonden. Van waar 60 mannen, den vyand, +die over de Veenen meenden te komen, wierden tegengestelt; en met +dezelve in schermutseling geraakende, liet de vyand 14 dooden, 25 +gemeenen en 4 Bevelhebbers, als gevangenen na. Een andere party van 30 +mannen, vervielen in handen van den vyand: als ook een brandwacht van +15 dragonders achter Bekaf.</p> +<p>De Bisschopschen dus nu de voet al te Schoot hebbende, konden wel +ligt het Heerenveen trachten te overweldigen, om zo voort Friesland in +te trekken, alzo zy wagens mei stroowerk mede voerden, om de gragten te +kunnen vullen: waarom de Staaten van Friesland alomme de uitgeloote +manschap, ten spoedigste, zo by nacht als dag, derwaards deed +pressen.</p> +<p>Ondertusschen zo stelden zich de Bisschopschen als roofzieke wolven +aan, in ’t uitplonderen der onweerbare landzaaten: dat in die +gewesten weder een groot vluchten veroorzaakten.</p> +<p>Den eersten September vertrokken zy, hebbende wel 600 mannen laaten +zitten, zonder iets merkwaardigs uitgevoert te hebben; als dat zy het +bederf van die boeren wat verhaastenden. <span class="pagenum">[<a id= +"pb256" href="#pb256" name="pb256">256</a>]</span></p> +<p>Den eersten October is de dyk, die de Bisschop van Munster met veele +kosten over de Vecht gemaakt had, en meer als derdehalf uur gaans lang +was, alleen om Koeverden door water te benaauwen, door een stormwind +weggespoelt: waar door omtrent 1400 menschen verdronken. ’t Is +aanmerkelyk, dat dit geschiede juist op dien tyd, als men op ’t +Heerenveen raadpleegde, om die te overweldigen, en reeds daar toe al +3000 Friesche burgers om de grenzen, als ’t Veen en andere te +bezetten, waren uitgezonden.</p> +<p>Als de Prins, met de Keizersche en Spaansche Bondgenooten den vyand +buiten ’t Land lokte, om van krygsbodem te veranderen, in +’t Sticht Keulen en elders waren ingevallen; zo wierden de +Franschen daar door genoodzaakt, hunne veroverde plaatzen weder te +verlaaten, gelyk zy dit jaar alles verlieten, behalven de Graaf.</p> +<p>In den jaare 1674, den 10de van February, is er vrede gemaakt +tusschen den Koning van Engeland, en de Staaten Generaal, welke den 9de +van February, oude styl, te Londen van gemelden Koning wierd +geteekent.</p> +<p>Den 12de Maart zijn de Bisschopschen, omtrent 1000 mannen sterk, +over de hartgevroorene moerassen, by ’t klooster ter Appel, in +Groningerland gevallen, plonderende te Winschooten en daar omtrent. +Waar op Rabenhaupt Nyjenhuys met stormen, <span class="pagenum">[<a id= +"pb257" href="#pb257" name="pb257">257</a>]</span>en andere steden met +bezettinge innam, en maakte Twenthe geheel zuiver en vry.</p> +<p>De Bisschop sloot ondertusschen den vrede met den Keizer, die te +Keulen den 11de van April wierd geteekent: als mede daags daar aan met +de Heeren Staaten Generaal. In de Meymaand volgde de Bisschop van +Keulen mede. Waar op zy de overheerde plaatzen, die ze zoo schielyk +hadden overrompelt, noch haastiger weder moesten ontleedigen: en +’t geen zy zo greetig hadden ingeslokt, in weedom van hunne +harten, weder uitbraaken. En alzo zijn de drie verloorene Provintien +wederom aan de andere gehegt, en de bundel der Zeven Pylen weder te +zamen gebonden.</p> +<p>In den jaare 1675 was ’t een felle en lange winter; zo dat +laat in ’t voorjaar, van Harlingen naar Enkhuizen, over de +Zuider-Zee, veele menschen met geheele gezelschappen, en beesten op +’t ys overtrokken: ja eenigen hadden in ’t laatst van April +noch op ’t ys gestaan.</p> +<p>In Maart, hebben de Friesen, overwegende beide de loffelyke daaden +en voorzorge van ’t Huis van Nassau, en in ’t byzonder de +groote gevaaren, die zyn Vorstelyke Doorluchtigheid, onze Heer +Stadhouder, in groote manhaftigheid, had ten dienste van ’t +gemeen uitgestaan in de laatst voorigen slag in Henegouwen tegen de +Franschen, het Stadhouderschap hem erflyk opgedraagen: alle de Heeren, +zo van ’t Land als <span class="pagenum">[<a id="pb258" href= +"#pb258" name="pb258">258</a>]</span>Steden, leverden daar toe om de +eerste te zijn, te meer, alzo de Hollanders den Prins van Oranje mede +tot Erfstadhouder van hunne Provintie hadden aangenomen.</p> +<p>In het zelve jaar, den 12de van Augustij, is te Koeverden overleden +Karel Rabenhaupt, Baron van Zucha en Crombach, Luitenant-Generaal der +Vereenigde Nederlanden, wegens de Provintie van Stad en Lande, +Gouverneur van Groningen, mitsgaders Drossaart van ’t Landschap +Drenth, en Gouverneur der fortresse Koeverden: zijnde een krijgsman +geweest van een zonderling beleid en dapperheid. Tot ’s mans lof +heeft G. Bidloo, dit volgende bij zijne afbeeldinge gestelt:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Dit ’s <span class="sc">Rabenhaupt</span>, die +Dorsten won,</p> +<p class="line">Die Nuis en Lingen temmen kon;</p> +<p class="line">Die Karel, die Lamboy versloeg,</p> +<p class="line">Van Groeningen den Bisschop joeg;</p> +<p class="line">En knoopte aan zyn legerkrans</p> +<p class="line">Van Koeverden, de Nieuwe Schans.</p> +<p class="line">Zo waakt zyn’ staatzorg, deugd en hand</p> +<p class="line">Ten dienst van ’t Volk, en Kerk en Land.</p> +<p class="line">Zyn’ dapperheid is uit zyn weezen</p> +<p class="line">Zo wel, als uit zyn’ kling te leezen<a class= +"noteref" id="xd20e3394src" href="#xd20e3394" name= +"xd20e3394src">98</a>.</p> +</div> +<p class="firstpar">Als ’er tusschen den 26ste en 27ste van +October, met een noordweste wind, veele dyken, door de felle aanpersing +van ’t water, <span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259" +name="pb259">259</a>]</span>waren doorgebrooken, leeden die van +Friesland mede geen kleene last: want een gat van 30 roeden brak by +Staveren, en omtrent by Molkwerren was het niet veel kleender, zo dat +die geheele landstreek blank van ’t zeewater stond: ook was +’er een gat van 30 roeden breed en zeer diep, by Zwartsluis.</p> +<p>In het jaar 1676 was men bezig om op de vredehandeling der +Europische Prinsen, die in ’t voorgaande jaar te Nieumegen was +begonnen, alle geschillen, door welke Europa in de grootste verwerringe +gebragt was, te beslechten; terwyl de geweldige oorlogstrompetten noch +al geen minder krygstoerusting verkondigden, als voorheenen. Doch de +sterke rustgeevende Vredevorst gaf hier toe, dat uit het blaakend +oorlogsvuur schielyk ontsproot de heilzaame en zegenryke hoorn des +vredes: en dus wierd de roemruchtigste Vryheid der Friesen weder als +herbooren, en zy eindelyk verlost van de slaavernye des +duivels<a class="noteref" id="xd20e3403src" href="#xd20e3403" name= +"xd20e3403src">99</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>In den jaare 1677 zyn de opgerezene staatsgeschillen tusschen +Groningen en de Ommelanden, door de Heeren Staaten Generaal +<span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260" name= +"pb260">260</a>]</span>weder beslegt geworden; gelyk mede te +Deventer.</p> +<p>In den jaare 1678, den 15de van February, is te Groningen de +Landsdag weder aangevangen, na dat de Heere Osebrand Rengers van zyn +zesjaarige gevangenis was ontslagen en herstelt.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 10de van Augusty, is te Nieumegen, de vrede +tusschen den Koning van Vrankryk en de Staaten Generaal geslooten.</p> +<p>In den jaare 1679, den 10de van April, stond Albertina Agnes, moeder +van den Stadhouder Hendrik Kasimier, nu 20 jaaren oud zynde, haare +Voogdye af, en vertrok naar haare landgoederen in Duitschland.</p> +<p>In den jaare 1681, den 2de van Augusty, zyn te Groningen vier ringen +aan alle kanten van de zon gezien, en eenigen verhaalen, dat diergelyke +zich mede te Rome en Tubingen hebben vertoont.</p> +<p>In den jaare 1682, in May, is in Groningerland en Oostfriesland een +zeer hevige veeziekte geweest, waar door veel rundvee is gestorven: +doch op ’t uitgaan van het jaar is de sterfte weder +opgehouden.</p> +<p>Den 4de van November is Grietzyl, in Oostfriesland, door de +Baandenburgsche soldaaten overrompelt, die zich naderhand aldaar ook +hebben neêrgelegt, als ook te Norden en Embden.</p> +<p>In den jaare 1683, in November, is de Erfstadhouder van Friesland, +Hendrik Kasimier, <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" +name="pb261">261</a>]</span>en zyne Gemaalinne Amelia, te Leeuwarden, +met staatsiewagens en vertooningen, nevens een groot en prachtig +vuurwerk, ingehaald: doende, eenige dagen daar na, zynde den 17de van +September, ook zyne intrede binnen Groningen.</p> +<p>In den jaare 1686, in July, overleed de jonge Prins van Nassau, zoon +van den Erfstadhouder van Friesland, enz.; en omtrent een maand daar na +beviel de Vorstinne weder van een jongen Prins.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 22ste van November, wierd Groningerland, door +een afgrysselyke watervloed aangetast, al het omleggende land +overdekkende; waar door veele menschen en beesten het leeven verlooren. +Het getal der verdronkene menschen beliep 1558, geheel weggespoelde +huizen 631, en de zeer beschadigden 616, de verdronkene paarden 1387 en +de koeyen 7861.</p> +<p>In den jaare 1687, den 2de van May, overquam Groningen een tweede +ramp, door een schrikkelyke brand in de Veenen van Sapmeer, Wildervank +en Pekel A, waar door alle de gegravene turf tot duizende van vuuren, +eenige huizen en schepen verbranden, en de schade op eenige tonnen +gouds wierd geschat.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 14de van Augusty, is de Prins Jan Willem +Friso, te Dessau gebooren.</p> +<p>In den jaare 1688, den 11de van November, deed Prins Willem van +Oranje die <span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name= +"pb262">262</a>]</span>vermaarde overtocht naar Engeland; landende met +zyn byhebbende krygsbenden den 15de dezer in de haven van Torbay.</p> +<p>In den jaare 1689, den 11de van April, is de Prins van Oranje, +Willem, nevens Maria, zyn Gemalinne, te Londen met de gewoonlyke +plechtigheden gekroont als Koning en Koninginne van Engeland.</p> +<p>In den jaare 1690, den eersten van July, geschiede het bloedige +gevegt in de vlakte van Fleury, door de Franschen onder Luxenburg, en +de Geallieerden onder Waldek; waar van ’t weêrzyds verlies +op 16000 mannen wierd begroot.</p> +<p>In den jaare 1691, den 5de van February, is Koning Willem in +’s Gravenhaage met zeer groote vreugde en eerteekenen, door +praalpoorten, vol geschilderde zinnebeelden, opgehaalt en naar het Hof +gevoert.</p> +<p>In den jaare 1692, den 3de van Augusty, sloeg het voetvolk der +Geallieerden, onder den Hertog van Wirtenberg, tegens de Franschen +onder Luxenburg, by Steenkerken, doch met weinig voordeel.</p> +<p>In den jaare 1693, den 29ste van July, geschiede het gevegt by het +dorp Landen, tusschen de Geallieerden, onder Koning William en +Keur-Beyeren, en de Franschen onder Luxenburg, 80000 tegens 40000 +mannen: dus schade aan weêrszyden.</p> +<p>In den jaare 1694, den 15de van Augusty, wierd te Groningen +gejubileert van des stads overgang voor 100 jaaren aan der <span class= +"pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263" name= +"pb263">263</a>]</span>Staaten zyde, door het beleid van Prins Maurits +en Graaf Willem van Nassau; ook datze de Gereformeerde Religie aannam; +by welke gelegentheid ook medaillien geslagen wierden; waar op +staat:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Des Prinsen zwaard, met Godes arm,</p> +<p class="line">Bragt Paap en Spanjaard in alarm,</p> +<p class="line">Als leugen voor het licht verdween,</p> +<p class="line">Wier zuivre glans in templen scheen.</p> +<p class="line">Een regte vreugd voor klein en groot,</p> +<p class="line">Die Groningen sluit in haar schoot.</p> +<p class="line">Dit heeft des Heeren hand gedaan,</p> +<p class="line">En deze Penningen doen slaan.</p> +</div> +<p class="firstpar">In den jaare 1695, den 7de van January, is de +Koninginne van Engeland, Maria Stuart, eene zeer deugdzaame Prinsesse, +te Londen overleden.</p> +<p>In den jaare 1696, den 25ste van Maart, overleed te Leeuwarden +Hendrik Kasimier, Stadhouder van Friesland, enz., aan een borstquaal; +nalaatende een zoon en eenige dochters. Tot wiens lof L. Smids +zegt:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line xd20e2637">’t Was Frieslands Stedevoogd, Vorst +Willems Bloedverwant,</p> +<p class="line">Zoon, Neef en Naneef van drie nooit volpreezen +Helden,</p> +<p class="line xd20e2637">Gedrochtetemmers in ’t ontroerde +Nederland,</p> +<p class="line">Die, zich, gelyk een wal, voor haat en outer +stelden:</p> +<p class="line xd20e2637">Doch dit Geboorterecht nam Hendrik geenzins +aan,</p> +<p class="line xd20e2637">Maar stond na heldenroem, door eigene +oorlogsdaên.</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264" name= +"pb264">264</a>]</span></p> +<p>In dit zelve jaar, den 24ste van May, is op Oranjewoud, in +Friesland, overleden Albertina Agnes, moeder van den overledenen +Stadhouder, en dochter van Frederik Hendrik, Prins van Oranje, in den +ouderdom van 62 jaaren. En in de maand van Augusty, is Amelia, weduwe +van Hendrik Kasimier, Erfstadhouder van Friesland, enz., te Leeuwarden +van eene Prinsesse bevallen.</p> +<p>In den jaare 1697, den 20ste van September, is de algemeene vrede op +het huis Nieuburg, te Ryswyk, by ’s Gravenhaage, geslooten, +tusschen Engeland, Vrankryk, Spanje, het Duitsche Ryk en de Vereenigde +Nederlanden; zynde hier over den 6de van November alomme vreugdevuuren +aangestoken.</p> +<p>In den jaare 1698 zyn de sterke fortificatiewerken, aan de zuidkant +buiten Groningen, door den Generaal Koehoorn begonnen; en na eenige +jaaren met zeer vaste muuren opgemetzelt, en de halvemaanen of bastions +met bruggen en poorten voorzien.</p> +<p>In den jaare 1699, den 15de van November, is in Oostfriesland een +hooge watervloed ontstaan, waar door groote schade geschiede: want de +nieuwshermaakte dyk, om ’t dorp Gerdsweer, wierd byna geheel +vernielt; zes huizen spoelden geheel weg, eenigen wierden beschadigt, +en veele beesten zyn verdronken.</p> +<p>In den jaare 1700, den 27ste van November, heeft de Koning van +Sweden, Karel <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" name= +"pb265">265</a>]</span>de XIIde, met 12000 mannen geoeffende troupen, +80000 Moskovieters verslagen, op de vlugt gedreven, en aldus de stad +Nerva geweldiger hand ontzet.</p> +<p>In den jaare 1701, in het begin, namen de Franschen alle de steden +van de Spaansche Nederlanden in bezettinge; waar op de toebereidzels +ten oorlog door den Keizer wierden gemaakt.</p> +<p>Den 28ste van May trokken de Keizerschen, met groote moeite en +zwaaren arbeid, over het Alpische gebergte, in Tirol, maakende +vervolgens in Italien een doortogt met de degen in de vuist.</p> +<p>In den jaare 1702, den 19de van Maart, is Willem de derde, Koning +van Engeland, te Kensington overleden; zynde op de jagt met zyn paard +gestruikelt, waar door hy het sleutelbeen brak; wordende op den 23ste +van April daar aan volgende, in de Kapel van Westmunster, zonder +uiterlyke pracht, begraven. Hy wierd in de regeeringe opgevolgt door +Prinsesse Anna, Gemaalinne van Prins Georg van Denemarken.</p> +<p>Den 15de van May wierd byna overal de oorlog tegens den Koning van +Vrankryk gepubliceert.</p> +<p>Den 11 de van Juny, hebben die van Nieumegen, met een groote +dapperheid, der Franschen hevige aanval, onder den Maarschalk de +Bouflers, van hunne vestingen afgekeert en te rug gedreven.</p> +<p>Den 16de dito is Keizerszwaard van de Geallieerden belegert en +ingenomen. <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266" name= +"pb266">266</a>]</span></p> +<p>Den 15de van Augusty heeft Prins Eugenius de Franschen met groot +voordeel by Luzzara geslagen.</p> +<p>Den 8ste van September won Keur-Beyeren Ulm, in Swabenland.</p> +<p>Den 10de dito is Landau de Franschen ontweldigt; als ook den 23ste +dito Venlo, en den 2de van October Stevenswaart.</p> +<p>Den 7de van October wierd Roermond met geweld door de Geallieerden +tot overgaaf gedwongen, en den 13de dito is Luyk door de burgers aan de +Geallieerden overgegeven.</p> +<p>Den 22, 23 en 24ste dito, wierd de Fransche Zilvervloot, by Vigos, +door de Engelschen en Hollanders bemachtigt, geplondert, verbrand en +geruïneert.</p> +<p>In den jaare 1703, den 15de van February, is Rhynberg door de +wapenen des Konings van Pruyssen bemachtigt; en omtrent dezen tyd +Traarbach door Hessen-Kassel.</p> +<p>Den 8ste van April won de Beyervorst Regensburg.</p> +<p>Den eersten van May wierden de Polen door de Zweden, by Pultouw, +geslagen: den 10de dito wonnen de Franschen Tongeren, en den 15de dito +is Bon door de Geallieerden herwonnen.</p> +<p>Den eersten van July geschiede het bloedig gevegt by Eekeren en +Wilmerdonk, waar in de Hollandsche dapperheid in ’t byzonder +heeft uitgeblonken; onaangezien de Generaal Obdam genoodzaakt geweest +is naar Breda te vlugten. <span class="pagenum">[<a id="pb267" href= +"#pb267" name="pb267">267</a>]</span></p> +<p>Den 25ste dito is de stad Hoey den Franschen ontnomen.</p> +<p>Den 4de van September is Trente door de Franschen gebombardeert, en +Brizak door hun gewonnen; als mede den 27ste dito Limburg door +Marlboroug bemachtigt.</p> +<p>Den 14de van October wonnen de Zweden de stad Thoorn.</p> +<p>Den 8ste van December trof een ysselyke zuidweste stormwind, zo te +water als te lande, Engeland, Vlaanderen, Holland, Friesland, en meer +aangrenzende gewesten, waar door veele ongelukken gebeurden.</p> +<p>Den 16de dito is de stad Gelder door den Koning van Pruyssen +verovert.</p> +<p>In den jaare 1704, in February, wierd Prins Friso in Friesland +geavanceert; verwekkende dit eenig misnoegen by zommige andere +Provintien.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 27ste van Maart, overleed Menno Koehoorn, in +’s Gravenhage; zynde lang ziekelyk geweest, en over de 70 jaaren +oud. J. de Recht heeft op zyn afbeeldzel dit eervaars toegepast:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Ziet hier een Held, beproefd in oorlogsblixem +vlammen;</p> +<p class="line">Die voor ’s Landt Vryheid spreekt uit monden van +metaal;</p> +<p class="line">Die ’t opgezwolle nat door dyken jaagd en +dammen,</p> +<p class="line">En ’s vyands krachten breekt door water, vuur en +staal,</p> +<p class="line">Den Vriessen Jupiter, die, met zyn donderslaagen,</p> +<p class="line">Den Franssen Faëton bonst uit zyn Zonnewagen.</p> +</div> +<p class="firstpar">Den 2de van July sloeg Marlboroug en <span class= +"pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name= +"pb268">268</a>]</span>Baden, in Beyeren, de Fransche en Beyersche +krygsmacht, by den Schellenberg; en op den zelven dag is Brugge door de +Geallieerden ook gebombardeert.</p> +<p>Den 3de dito is door de Geallieerden Donawerth bemachtigt, en den +11de dito Regensburg; als mede den 26, 27 en 28ste dito, de stad Namen, +doch zonder voordeel, gebombardeert.</p> +<p>Den 4de van Augusty heeft de Geallieerden vloot, onder +Hessen-Darmstad, Gibralter bemachtigt; en den 13de dito hebben de +Geallieerden, onder de Generaals Marlboroug en Eugenius, de Franschen +en Beyerschen by Hogstet geslagen; zynde hun verlies wel op 40000 +mannen begroot.</p> +<p>Den 18de van November wonnen de Geallieerden, onder den Erfprins van +Hessen-Kassel, Traarbach.</p> +<p>In den jaare 1705, den 5de van May, overleed te Weenen Keizer +Leopoldus, oud zynde 65 jaaren; wordende van zynen zoon Josefus in +’t Keizerryk gevolgt.</p> +<p>Den 5de van September zyn 96 schepen van de Groenlandsche vloot voor +Delfzyl gearriveert, hebbende in alles gevangen 1100 vissen.</p> +<p>Den 14de van October gaf Barcellona zich aan Koning Karel over. Ook +is Stanislaus omtrent dezen tyd tot Koning van Polen verklaart en +gekroont.</p> +<p>In den jaare 1706, den 23ste van May, sloegen de Geallieerden, onder +Marlboroug, <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name= +"pb269">269</a>]</span>tegens de Franschen, by Ramellies, en bequamen +een roemruchtige overwinninge; waar op zich verscheidene steden in +Braband en Vlaanderen hebben overgegeven. Den 6de van July wonnen de +Geallieerden Oostende: den 22ste van Augusty Meenen; den 5de van +September Dendermonde; en den 7de dito is Turin door Prins Eugenius +gewapenderhand ontzet: en den 3de van October is Aath mede door de +Geallieerden gewonnen.</p> +<p>In den jaare 1707, den 16de van April, leeden de Geallieerden een +groote neêrlaag in Spanje, by Almanza. Den 20ste van July, heeft +de stad Napels, met haar drie kasteelen, zich aan Koning Karel +onderworpen.</p> +<p>In dit zelve jaar, in Augusty, is Johan Willem Friso, Stadhouder van +Friesland, enz., getreden in zyn chargie als Generaal der Infantery of +voetknegten. L. Smids, voegde dit onder zyn afbeeldzel:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Als Friesland zag het beeld van Frieso; reeds in +’t weezen</p> +<p class="line">Oranjes yver en Nassouwers moed kon leezen</p> +<p class="line">Zo sprak zy, (drukkende dit konststuk aan haar +mond)</p> +<p class="line">Wat schooner dag beloofd my zulk een morgenstond!</p> +</div> +<p class="firstpar">In den jaare 1708, in February, is zyne Hoogheid +Jan Willem Friso, Prins van Oranje en Nassau, en der Friesen +Erfstadhouder, door de Edele Groot Mogende de Heeren Staaten van Stad +en Lande, tot Stadhouder over derzelver Provintie aangenomen. +<span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270" name= +"pb270">270</a>]</span></p> +<p>Den 5de van July is Gent en Brugge door de Franschen ingenomen; den +11de dito zyn de Franschen door de Geallieerden, onder Eugenius, +Marlboroug en Ouwerkerk, by Oudenaarden geslagen.</p> +<p>In Augusty wierd aan Prins Friso het Oppergezach der belegeringe van +Ryssel toevertrouwt, ondersteunt van Prins Eugenius; en wierd dit +meesterstuk der krygsbouwkunde by verdrag gewonnen den 22ste van +October, en ’t kasteel den 8ste van December. En den 30ste dito +wierd Brugge den Franschen weder ontnomen.</p> +<p>In den jaare 1709, den 4de van January, hebben de Franschen de stad +Gent wederom verlaaten.</p> +<p>Den 29ste van April is zyn Hoogheid Jan Willem Friso, Prins van +Oranje en Nassau, met Prinsesse Maria Louisa, dochter van den Landgraaf +van Hessen-Kassel, op het kasteel van Kassel met zeer groote +plechtigheid getrouwt.</p> +<p>Den 8ste van July wierd de Koning van Zweden, door de Moskovieters, +in de Ukranie, by Pultowa, ten eenemaal geslagen: den 28ste dito is de +stad Doornik aan de Geallieerden overgegaan: den 11de van September +geschiede het wreede en bloedige gevegt der Franschen en Geallieerden +by Malplaquet: en den 25ste dito wonnen de Geallieerden Bergen, in +Henegouwen.</p> +<p>In den jaare 1710, den 2de van January, is Prins Friso, nevens zyne +Gemalinne, te <span class="pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271" name= +"pb271">271</a>]</span>Leeuwarden, met een buitengemeene staatsie +ingehaalt. Als mede den 18de van Maart te Groningen.</p> +<p>Den 25ste van Juny is Douay door de Bondgenooten verovert: den 28ste +van Augusty Bethune: den 28ste van September St. Venant: den 8ste van +November Arien.</p> +<p>In den jare 1711, den 17de van April, is Keizer Josephus te Weenen +overleden, oud zynde 33 jaaren.</p> +<p>Den 14de van July, op den middag, is zyne Hoogheid, Prins Jan Willem +Friso, Frieslands en der Groningers Stadhouder, in ’t overvaaren +van ’t Hollandsche Diep, aan ’t Stryensche Sas, zeer +ongelukkig verdronken; wordende deszelfs ligchaam door een schipper, +van de Klundert komende, op den 22ste derzelver maand eerst gevonden en +opgevischt, voorts haar Dordrecht gebragt, en aldaar gebalsemt, en +vervolgens naar Leeuwarden gevoert: alwaar het op den 25ste van +February 1712 met eene heerlyke doch droevige lykstaatie in ’t +graf zyner Voorvaderen wierd bygezet.</p> +<p>En in hetzelve jaar, den eersten van September, is de Prinsesse van +Friesland, Weduwe van den Stadhouder, van een Prins bevallen, en +genaamt Willem Karel Hendrik Friso, zynde de tegenwoordige Stadhouder. +<span class="pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272" name= +"pb272">272</a>]</span></p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e368" href="#xd20e368src" name="xd20e368">1</a></span> Deze zeer +onbepaalde beschrijving van den alouden Staat der Provincie is in de +Bijvoegsels en Aantt. aangevuld.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e378" href="#xd20e378src" name="xd20e378">2</a></span> De regering +dezer Prinsen, zoo wel als die der opvolgende Hertogen en Koningen, +behoort tot het fabelachtig gedeelte der Historie, welke ook met +betrekking tot de gebroeders Friso, Saxo en Bruno (de laatste wordt +hier niet gemeld) zeer verschillend wordt voorgedragen. Zie de Bijv. en +Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e389" href="#xd20e389src" name="xd20e389">3</a></span> Verheerd, +d.i. overwonnen, te onder gebragt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e394" href="#xd20e394src" name="xd20e394">4</a></span> Gevolg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e397" href="#xd20e397src" name="xd20e397">5</a></span> Als de +zomer hoogde, d. i. in het midden van den zomer.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e417" href="#xd20e417src" name="xd20e417">6</a></span> Ook +<span class="sc">Hamconius</span> en <span class="sc">Cappidus van +Stavoren</span> beweren, dat er van Friso’s tijd af een wapen +heeft bestaan, hetwelk echter moeijelijk valt te gelooven, daar men het +er voor houden moet, dat in den tijd der kruistogten, dus niet vroeger +dan in het begin der XII eeuw, de familiewapens zijn uitgevonden. Men +zie over dit onderwerp de Bijv. en Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e460" href="#xd20e460src" name="xd20e460">7</a></span> Over de +groote en kleine Friesen zie Bijv. en Aantt. over den alouden staat van +Friesland.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e465" href="#xd20e465src" name="xd20e465">8</a></span> In de +Uitgave van 1677 staat: “Waar van heedendaachs noch top, noch +teil (tegel) te zien is.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e499" href="#xd20e499src" name="xd20e499">9</a></span> In de +I<span class="corr" id="xd20e501" title= +"Niet in bron"><sup>e</sup></span> uitgave staat: “Heeft de +Hertog hem bekeeven.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e522" href="#xd20e522src" name="xd20e522">10</a></span> Holle is +Olennius. Zie Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e525" href="#xd20e525src" name="xd20e525">11</a></span> d. i. +gedwongen om het beleg op te breken.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e539" href="#xd20e539src" name="xd20e539">12</a></span> Oxel, +Oksel, holligheid onder den arm.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e554" href="#xd20e554src" name="xd20e554">13</a></span> Het Gods +Hof of Aula Dei, kweekschool van Priesters, waarvan C. Stavriensis, S. +Petri, Hamconius en anderen spreken. Zie Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e561" href="#xd20e561src" name="xd20e561">14</a></span> d. i. +aangehitst, opgestookt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e586" href="#xd20e586src" name="xd20e586">15</a></span> Het +beknopt Chronykjen van Friesland opgesteld en bijeenverzameld door +<i>C. G. Jacoby</i>, Leeuwarden 1755, voornamelijk bestaande in een +uittreksel van <i>Ocko van Scharl</i>, vermeld slechts vijf Prinsen, +latende Adel en Ubbe buiten het spel, en springt dus een tijdvak van +bijna twee eeuwen over.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e617" href="#xd20e617src" name="xd20e617">16</a></span> Lees +Westerwierum.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e620" href="#xd20e620src" name="xd20e620">17</a></span> Lees: +tusschen Almenum en Terschelling. Verg. <span class= +"sc">Hamconius</span>, <i>Frisia</i>, <i>fol<span class="corr" id= +"xd20e630" title="Niet in bron">.</span></i> 14, die deze +gebeurtenissen van ’t Klif en der Meerminnen verhaalt, echter den +Duivel buiten het spel laat.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e664" href="#xd20e664src" name="xd20e664">18</a></span> Bij andere +Schrijvers <i>Basterd-Broeder</i> van Adelbold genoemd.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e683" href="#xd20e683src" name="xd20e683">19</a></span> Volgens +anderen door <i>Tiete</i> of <i>Titus</i> zelf gebouwd.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e701" href="#xd20e701src" name="xd20e701">20</a></span> De oude +Uitgave zegt: “Met een gaar geraapten hoop.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e717" href="#xd20e717src" name="xd20e717">21</a></span> Dit +geschiedde langs den geheelen Rijn tot aan de Noordzee, uit wantrouwen +tegen de Germanen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e731" href="#xd20e731src" name="xd20e731">22</a></span> Over de +verschillende gevoelens dezer benamingen hebben wij het noodig geacht +in de Bijvoegsels het een en ander aan te stippen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e747" href="#xd20e747src" name="xd20e747">23</a></span> Engeren, +Angeren.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e772" href="#xd20e772src" name="xd20e772">24</a></span> De +Ezumazijl nabij Ezonstad, alwaar in den tijd van <i>Foeke Sjoerds</i> +(Beschr. van O. en N. Friesland I. 240) nog eenige overblijfselen van +te zien zoude geweest zijn. Zie verder Aant. op ’t jaar 339.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e782" href="#xd20e782src" name="xd20e782">25</a></span> Over de +Geschiedenis der Gebroeders Hengst en Hors, die Brittanje zouden hebben +veroverd, zijn de Geleerden het mede niet eens. Zie daarop de Bijv. en +Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e809" href="#xd20e809src" name="xd20e809">26</a></span> ’t +Kasteel Grunenberg of Gronenberg was de oudste Burgt, volgens de +Friesche Overlevering, tusschen de Eems en het Vlie.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e821" href="#xd20e821src" name="xd20e821">27</a></span> Vergel. +<span class="sc">Westendorp</span>, <i>Jaarboek van en over +Groningen</i>, p. 24, op ’t jaar 409;—alsmede de +beschrijving der vrije <span class="corr" id="xd20e829" title= +"Bron: Schuilpaatsen">Schuilplaatsen</span> p. 110.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e862" href="#xd20e862src" name="xd20e862">28</a></span> Zie de +Aantt. op ’t jaar 808.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e878" href="#xd20e878src" name="xd20e878">29</a></span> Vergel. p. +23, waar ook van twee Lems of Willems gesproken wordt. Zie voorts Bijv. +en Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e890" href="#xd20e890src" name="xd20e890">30</a></span> Uit hoofde +van der Schrijveren verschil in de jaren, waarin de watervloeden hebben +plaats gehad, hebben wij in de Aantt. eene opgave, zoo naauwkeurig +mogelijk, geplaatst.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e902" href="#xd20e902src" name="xd20e902">31</a></span> Chlotarius +II.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e913" href="#xd20e913src" name="xd20e913">32</a></span> +<span class="sc">F. Sjoerds</span> voegt hierbij de woorden: <i lang= +"fy">an fen dead wir libben werden!</i> <span class="sc">Schot.</span> +<i>Fr. Hist.</i> heeft het tweeledig, zie p. 47 en 54.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e939" href="#xd20e939src" name="xd20e939">33</a></span> In de +Uitgave van 1677 staat: “naar den Franschen zin, En liet de +Christenen vryjelijk toe.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e961" href="#xd20e961src" name="xd20e961">34</a></span> Pepyn van +Herstal of de Dikke noemde zich Hertog en Prins der Franken, en was +Groot-Hofmeester.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1004" href="#xd20e1004src" name="xd20e1004">35</a></span> +Natuurlijke zoon van Pepyn; was Groot-Hofmeester.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1063" href="#xd20e1063src" name="xd20e1063">36</a></span> Van +daar Sant Michiels dom genaamd.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1089" href="#xd20e1089src" name="xd20e1089">37</a></span> Men zie +de Aant. op ’t jaar 830.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1116" href="#xd20e1116src" name="xd20e1116">38</a></span> Vergel. +op ’t jaar 463.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1134" href="#xd20e1134src" name="xd20e1134">39</a></span> +Godfried.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1137" href="#xd20e1137src" name="xd20e1137">40</a></span> Deze +belasting heette <i>Klipschild</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1193" href="#xd20e1193src" name="xd20e1193">41</a></span> Deze +togt geschiedde onder bevel van den Deenschen Koningszoon Hendrik. Van +tijd tot tijd moest het handwerk van zeerooverij worden herhaald op +alle kusten, om de jonge manschap te oefenen. Geloofwaardige Fransche +Kronyken vermelden het verwoesten door de Noren in 837 van drie +koopsteden: Antwerpen aan de Schelde, Witha of Wintland aan den mond +der Maas, en Groningen aan de Eems. <span class="sc">West.</span> +<i>Jaarb.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1204" href="#xd20e1204src" name="xd20e1204">42</a></span> Men zie +Aant. op ’t jaar 830.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1211" href="#xd20e1211src" name="xd20e1211">43</a></span> Zijn +zoon Lodewijk, bijgenaamd de Duitscher, volgde hem op.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1229" href="#xd20e1229src" name="xd20e1229">44</a></span> Thans +was Lodewijks zoon, Lodewijk de jonge, Heer der Friesche Landen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1237" href="#xd20e1237src" name="xd20e1237">45</a></span> +<span class="sc">Winsemius</span>: <i>Haadet goede wacht tyen da +Nordera oordt, Want vuyt da Grimma herna comt ws alle quaed +voort.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1249" href="#xd20e1249src" name="xd20e1249">46</a></span> Nu kwam +Lodewijks Broeder, Karel de Dikke aan het gebied. Zie voorts over dezen +strijd de Bijv.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1254" href="#xd20e1254src" name="xd20e1254">47</a></span> +Omstreeks dezen tijd werd Karel de Dikke onttroond, en de laatste van +den stam van Karel de Groote, die ’t Westen regeerde, met name +Arnulph, natuurlijke zoon van Karloman volgde hem op, regeerde drie +jaren en stierf, wordende door zijn zoon Lodewijk in ’t gebied +vervangen. Zie Aant. op het jaar 840.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1279" href="#xd20e1279src" name="xd20e1279">48</a></span> Een +veldvlugtige is een overlooper.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1301" href="#xd20e1301src" name="xd20e1301">49</a></span> Men zie +over deze begiftiging het <i>Jaarb.</i> van den Heer <span class= +"sc">Westendorp</span> op de jaren 1040 en 1046.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1336" href="#xd20e1336src" name="xd20e1336">50</a></span> Wij +hebben het niet ondienstig geacht over de Kruistogten der Friezen een +aangeschakeld verhaal in de Bijvoegsels eene plaats te +geven,—waardoor wij ons onthouden, van alle andere aanteekeningen +op de verschillende jaren, waarin dezelve zijn voorgevallen, ’t +welk anders noodig zoude zijn.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1345" href="#xd20e1345src" name="xd20e1345">51</a></span> Vergel. +<span class="sc">Westendorp</span> <i>Jaarb.</i> op 1112.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1360" href="#xd20e1360src" name="xd20e1360">52</a></span> Als +voren op ’t jaar 1143.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1369" href="#xd20e1369src" name="xd20e1369">53</a></span> Onder +de namen bekend van Frederik I, Aenobarbus, Roodbaard, ook Keizer +Frederik de Groote.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1378" href="#xd20e1378src" name="xd20e1378">54</a></span> Dit +verhaal komt hoofdzakelijk overeen met het <i>Jaarboek</i> van den Heer +<span class="sc">Westendorp</span>, de vermelding op den jaare +1160,—en andere Schrijvers.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1407" href="#xd20e1407src" name="xd20e1407">55</a></span> Of van +de St. Cistercie-orde. Deze Abdy is de vermaardste geworden in de +Ommelanden, bezittende aanzienelijke rijkdommen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1413" href="#xd20e1413src" name="xd20e1413">56</a></span> Over +dit voorval, ’t welk eene andere oorzaak gehad heeft, vergel. men +<span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> op ’t jaar 1195.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1426" href="#xd20e1426src" name="xd20e1426">57</a></span> +<i>Stoepens</i> zijn <i>Stoopen</i> of <i>Drinkkannen</i> geweest en +geenszins de <i>Stoepen</i> voor de deuren, waarvan anderen uit gebrek +aan taalkennis ooit de <i>Kloppers</i> aan de deuren gemaakt +hebben.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1445" href="#xd20e1445src" name="xd20e1445">58</a></span> +<i>Verweend</i> is verwaand; ook fier,—lekker opgebragt, +weelderig enz.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1463" href="#xd20e1463src" name="xd20e1463">59</a></span> Of +Grind.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1466" href="#xd20e1466src" name="xd20e1466">60</a></span> +Slegtigheid is hier eenvoudigheid, onbeschaafdheid.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1491" href="#xd20e1491src" name="xd20e1491">61</a></span> Men zie +over dezen strijd <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> op de +jaren 1226 enz.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1510" href="#xd20e1510src" name="xd20e1510">62</a></span> Vergel. +de Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1515" href="#xd20e1515src" name="xd20e1515">63</a></span> +<span class="sc">Westendorp</span> <i>Jaarb.</i> na ’t jaar 1232 +noemt de Reiderlanders en Emisgooërs, welke twist ontstaan was +door het verdrinken van een Reiderlander, omdat hij de lieden, die van +de jaarmarkt kwamen, had willen berooven.—Verg. denzelven I. +280.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1527" href="#xd20e1527src" name="xd20e1527">64</a></span> +<i>Upstalsboom, gelegen een uur gaans ten zuidwesten van Aurik. Alhier +stonden drie hooge eike boomen, met de takken en kroonen meest aan +malkanderen gegroeit, hebbende op 2 a 300 treden na geene huizen +omtrent. De Rechtspleeginge geschiede aldaar onder den blaauwen Hemel, +van de Regeerende en daar toe gerechtigde Perzoonen van alle de +Frieslanden, en richtede alhier over alle zwaare zaaken, welke bij de +mindere Collegien niet afgedaan wierden; als wanneer daar tenten +opgeslagen en banken van opgegraavene aarde wierden gemaakt.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1537" href="#xd20e1537src" name="xd20e1537">65</a></span> +<span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> I. 282 beschrijft kortelijk +dezen oorlog voornamelijk naar de verhalen van E. Beninga en Harkenroth +gevolgd, bewerende tevens dat het niet de <i>Eenrummers</i> maar de +<i>Emersen</i> geweest zijn.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1557" href="#xd20e1557src" name="xd20e1557">66</a></span> Voor de +zusters van de Cistercie-orde, opdat de schimmen der verslagenen mogten +verzoend worden. Het werd eerst aangelegd by Koevorden aan de A, doch +naderhand verplaatst.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1634" href="#xd20e1634src" name="xd20e1634">67</a></span> Is +gebeurd 21 Januarij 1256 op zijnen togt tegen de +West-Friesen.—Zie voorts de Aant. op Sikko Sjaardema in ’t +jaar 1239.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1682" href="#xd20e1682src" name="xd20e1682">68</a></span> Over +deze twisten zie men de algemeene Aanteekeningen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1700" href="#xd20e1700src" name="xd20e1700">69</a></span> Over +den juisten dag, waarop deze gruwelijke moord heeft plaats gehad, zijn +vele Schrijvers het niet eens en in zonderlingen twist +geraakt.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1754" href="#xd20e1754src" name="xd20e1754">70</a></span> <i>Dit +Zegel der vrye Frieslanden verbeelt een geheel gewapent Man, houdende +in zyn regterhand een Lans, en in de linkerhand een bloot Zwaard, dat +na de schouder opgeheven word, en staande onder een Boom.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1766" href="#xd20e1766src" name="xd20e1766">71</a></span> Men zie +<span class="sc">Westend.</span> <i>Jaarb.</i> over dezen strijd op de +jaren 1232 en 1233, die dezelve toeschrijft aan de partijschappen +tusschen de Vetkoopers en Schieringers, en waarin deze laatsten de +overhand behielden.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1867" href="#xd20e1867src" name="xd20e1867">72</a></span> <i>Deze +Proost Hiske had eene dochter, genaamt Reinske, welke met Hayo te +Westerwolde trouwde; en naderhand uit haare eigene goederen de Groote +Kerk met vier Torens te Mildwolde, in den Oldambte, heeft laaten +bouwen; zynde de zelve die voor enige jaaren is afgesleeten +geworden.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1898" href="#xd20e1898src" name="xd20e1898">73</a></span> +Vergelijk over deze list <span class="sc">Wins.</span> fol. 242. +<span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> p. 253. <span class= +"sc">Petrus Thab.</span> op dit jaar.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1931" href="#xd20e1931src" name="xd20e1931">74</a></span> Zoo als +meermalen was ook thans het eerste artikel van het verdrag: +“volkomen verzoening en een <i>eeuwige</i> vrede!” Bij +<span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> op dit jaar vindt men eene +reeks van voorwaarden.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1968" href="#xd20e1968src" name="xd20e1968">75</a></span> +Vergelijk <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> op hetzelfde +jaar.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1993" href="#xd20e1993src" name="xd20e1993">76</a></span> Te regt +wordt van hem gezegd dat zijn leven een strijd en worsteling op deze +wereld geweest is.—In dit jaar werd ook door de Friesen en +Groningers een verbond aangegaan ter wering bijzonder van dieverijen en +ander misdrijf. Vergel. Schwartz. Charterb. I. 526.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2005" href="#xd20e2005src" name="xd20e2005">77</a></span> Zie op +dit jaar <span class="sc">Westend.</span></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2057" href="#xd20e2057src" name="xd20e2057">78</a></span> De +Keizer Frederik de III. roemt hem wegens zijne ongemeene kunde in de +vrije kunsten, in de Keizerlijke regten, in het Kerkelijk regt, en +vooral zijne gevatheid en vaardigheid in de openbare zintwisten.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2084" href="#xd20e2084src" name="xd20e2084">79</a></span> Een der +heerlijkste werken der bouwkunde van de middeleeuwen. Men plaatste op +den toren een koperen paard van de grootte van eene gewone noordsche +kidde, hetwelk tot een windhaan diende en het teeken was van St. +Maarten van Utrecht. <span class="sc">West.</span></p> +<p class="footnote" lang="nl"><span class="label"><a class= +"noteref" id="xd20e2177" href="#xd20e2177src" name= +"xd20e2177">80</a></span> Dus ook <span class="sc">Winsemius</span>, +<span class="sc">Schotanus</span> geeft de leus aldus op: <i lang= +"fy">Op uws Finne herne, lizze fjouwer klaer lotter Ljep-Ayen ijn ien +Nest.</i> Zie Aant.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2310" href="#xd20e2310src" name="xd20e2310">81</a></span> Vast +maken is zoo hier als op alle vorige en volgende plaatsen: +<i>Versterken</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2318" href="#xd20e2318src" name="xd20e2318">82</a></span> +<i>Spelen alle zeilen blank</i>: dit gezegde heeft zijn’ +oorsprong van de zeerooverij, waarin men van vriend en vijand kaapt en +rooft, wat men vangen en grijpen kan:—alles wegrooven wat men op +zee ontmoet. Zie <span class="sc">Winschootens</span> <i>Zeeman</i>, op +’t woord <span class="sc">Seil</span>, en <span class= +"sc">Weiland</span> N. T. <i>Woord.</i></p> +<p class="footnote" lang="nl"><span class="label"><a class= +"noteref" id="xd20e2339" href="#xd20e2339src" name= +"xd20e2339">83</a></span> Hij smeet (zegt <span class= +"sc">Winsemius</span> fol. 446,) vele <i>Hollanders</i> in plaats van +Borgoenschen over boord, volgens <i>Martinus Ylst</i> uit de +overlevering van <i>Bonne Haisma</i> zijne medgezellen toeroepende: +<i lang="fy">Siuch faynten, ho kenne da deels kijetten swomma</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2372" href="#xd20e2372src" name="xd20e2372">84</a></span> Zie +hierover de Bijv. en Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2388" href="#xd20e2388src" name="xd20e2388">85</a></span> +<i>Frederik Gaykinga, in den jaare 1360, Abt van Aduard zynde, had, tot +nadeel van zyn geslacht, hoewel tot eere, dit klooster met veele +goederen begiftigt; doch op zekere voorwaarden, waartoe zyn geslacht +altoos gerechtigt zou wezen. Bestaande ’t voornaamste hier in, +dat die van Gaykinga voor eeuwig zouden hebben alle jaar op St. Martens +avond een witte Zwaan, een Capoen, en een kanne Wyn, en zouden voor +altoos eene misse houden in ’t Kapittelhuis, en een brandende +lampe voor ’t geheele geslachte. Wanneer iemand van ’t +geslachte quam te verarmen, zoude aldaar voor zyn leeven de kost +hebben; ook wanneer zy met hun gezinde quamen, zoude de Abdy voor hun +geöpent, en de tafel gedekt worden, na de waardigheid des +geslachts, in de voornaamste kamer; benevens jaarlyks op St. Bernards +dag te gast genoodigt worden. Aldus was Hendrik op dit jaar genoodigt, +maar Jan en Frederik quamen van zelfs. Waar op, onder de monniken een +jalousie ontstond, die hun zeer qualyk bejegende, en waar door het +gevegt ontstond</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2475" href="#xd20e2475src" name="xd20e2475">86</a></span> +<span class="sc">Wins.</span> <i>Chronyck</i> fol. 519.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2496" href="#xd20e2496src" name="xd20e2496">87</a></span> +Kettermeester hetzelfde als Geloofsonderzoeker.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2514" href="#xd20e2514src" name="xd20e2514">88</a></span> In de +maanden Mei en Julij hadden er twee overstroomingen plaats, door +welken, vooral den laatsten, waarvan bij <span class="sc">Outhof</span> +geen gewag gemaakt wordt, ook vele menschen omkwamen.—Zie +<span class="sc">F. Arends</span> <i>Physische Geschichte der +Nordsee-kuste</i>. II. 96.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2602" href="#xd20e2602src" name="xd20e2602">89</a></span> Zie +over dezen strijd het uitvoerig verhaal van <span class= +"sc">Winsemius</span> <i>Chronyck</i>, fol. 565 volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2716" href="#xd20e2716src" name="xd20e2716">90</a></span> In den +eersten druk van 1677 staat: »Als de Stadhouder Rennenberg zich +door ontrou omgekeert hebbende tot de Papisten; die van +Leeuwarden,” enz.—Het woord <i>Papen</i> is overal in den +tekst behouden, omdat de Schrijver er de Roomschgezinden over ’t +algemeen, zoo leeken als priesters, mede bedoeld, en het dus hier voor +geen scheldwoord moet worden gehouden, evenmin als <i>Arminianen</i>, +<i>Menisten</i>, <i>Calvinisten</i>, enz.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2791" href="#xd20e2791src" name="xd20e2791">91</a></span> +Balthazar Gerards genaamd, geboren te Villefans in Bourgondien, oud 26 +a 27 jaren. Onder verschillende personen, die zich op ’t leven +des Prinsen toelagen, moet ook zekere Koopman te Vlissingen, Hans +Hanses, geweest zijn, wiens aanslag echter door eenen Fries, uit het +geslacht der <i>Auckama’s</i> ware ontdekt. Gevat zijnde had hij +beleden, daartoe middelen te hebben aangewend.—Gerards werd +daarna als Martelaar hoog vereerd en waardig geacht gecanoniseerd te +worden—onder de belooningen, wil men, was ook de verheffing der +familie in den adelstand.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2902" href="#xd20e2902src" name="xd20e2902">92</a></span> +<i>Nederl. Oorl. en Geschied. 1623</i>, fol. 474 <i>verso</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2949" href="#xd20e2949src" name="xd20e2949">93</a></span> Dit +voorval wordt omstandig beschreven bij <span class= +"sc">Winsemius</span>, <i>Chronyck</i> fol. 897.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3128" href="#xd20e3128src" name="xd20e3128">94</a></span> In de +druk van 1677 staat: (een gehuerde vleegel enz.)</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3155" href="#xd20e3155src" name="xd20e3155">95</a></span> Zie +’t <i>Verwerd Europa</i> ofte <i>Polityke</i> en <i>Historische +Beschryvinge</i> enz., <i>Amst. 1675</i>, <i>bl. 596</i> +volgg.—Van dezen Schrijver, welks werk twee jaren vroeger dan de +eerste druk van onze Kronyk was uitgekomen, is veel gebruik gemaakt en +daaruit overgenomen door onze Kronykschrijvers.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3212" href="#xd20e3212src" name="xd20e3212">96</a></span> <i>De +Leezer dient te weten, dat zekere Broersma hier eigentlyk Commandant +zynde, door de Staaten Generaal was opontboden; doch in plaats van in +den Haag te compareeren, ging hy over by den Bisschop van Munster, en +wierd aldus een verraader van zyn eigen Commandement.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3310" href="#xd20e3310src" name="xd20e3310">97</a></span> +<i>Fantassin</i>, <i>Fant</i>: voetknechten, infanterie.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3394" href="#xd20e3394src" name="xd20e3394">98</a></span> +Mengel-Poezy, bl. 257.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3403" href="#xd20e3403src" name="xd20e3403">99</a></span> <i>en +der zonde</i>, voegt de eerste druk dezer Kronyk hierbij, waarmede zij +haar verhaal eindigt en de <i>Landverdeeling van <span class= +"sc">Friesland</span></i> volgen laat.</p> +</div> +</div> +<div id="landverdeeling" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e3634" class="main">Landverdeeling van Friesland.</h2> +<p class="firstpar">Schoon de aantekeningen van voorgaande +Geschiedenissen, zonder kennisse der gelegentheid van Landen en Steden, +in ’t naleezen noch nuttig, noch aangenaam kunnen zyn, zo +’er niet iets nevens of voor dezelve gemelt word: zo mogen de +leezers ook niet met al te langwylige verhandelingen derzelve +opgehouden worden; dewyl anders zo een beschryvinge op zich zelve en +hier van afgescheiden vereischt, die men de Landbeschryvinge noemt.</p> +<p>Waarom wy, tot verstand van de voorverhaalde Geschiedenissen, hier +van iets behoevende by te brengen, met een bloote verdeelinge van de +Landstreek, en een optellinge van Steden en Dorpen in iedere +afdeelinge, zonder van de beschryvinge iets te mogen aanroeren, den +eisch der voorgaande bladeren geacht voldaan te hebben. <span class= +"pagenum">[<a id="pb273" href="#pb273" name="pb273">273</a>]</span></p> +<p>De Landstreek van deze Provincie word in drie gedeeltens afgedeelt, +als Oostergo, Westergo en Zevenwouden. In voorige tyden bestond het in +de twee eersten alleen; die ook elk den naam van een Graafschap by +zommige Schrijvers hebben gevoert, en mogelijk ook in der daad zyn +geweest, zonder dat de Wouden als een byzonder deel wierden aangemerkt. +En zyn zo genaamt naar de Goën of Dorpen, in de Ooster- of +Westerverdeeling gelegen; en de Wouden, om de veelheid van ’t +geboomte, dat eertyds mogelyk meerder is geweest, als hedendaags: en zo +wat verlatynt zynde, wierden Estrachia, Westrachia en Forestensis +genaamt, by de Schryvers in die taal.</p> +<p>Deze Leden worden elk in een getal van mindere verdeelingen +onderscheiden, die wy Grietenyen noemen, naar de Bevelhebbers van ieder +gedeelte, die men een Grietman noemt, dat zo veel is als Overheer, want +gritte, greet, en greut, is groot te zeggen. Elke Grieteny vervat een +zeker getal Dorpen onder zich, staande onder de regeering van een +Grietman. De Steden zyn 11 in getal, rustende elk op haar eigen recht; +maakende te zamen in zaaken van regeering het vierde Lid van Staat. In +’t optellen van welke Dorpen, doordien zy naar de +verscheidentheid der byzondere spraaken (dialecten) of anderzins ook +verscheiden worden genoemt, zo komt in bedenkinge, welke wyze +gevoegelijkst mag gevolgt worden: want van de <span class= +"pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name= +"pb274">274</a>]</span>benaaminge der zelve zyn zommige +gebruikelyk,</p> +<p>1. In de gemeene taal, alleen Buitenpost, Donkerbroek.</p> +<p>2. In de Stadsspraak, als Nyega.</p> +<p>3. In de Landsspraak alleen, als Tjietjerk, Tjaalebird.</p> +<p>4. Gemengd, 1. uit de gemeene Stadsspraak, als Peperga, Lutkepost, +Nyjenhuis. 2. Uit de gemeene en Landsspraak, als Langewar, Suerig. En +3. uit Stads- en Landsspraak, als Tserkgaast, Molkweeren.</p> +<p>5. De zelve Dorpen, anders in ’t gemeen, als by stedelingen en +landlieden, als Nieukerk, Nykerk, Nytjerke: Molkweeren, Molkwarren.</p> +<p>6. Naar oude misspellinge, Hyelsum voor Jelsum; Hyaure voor Jaure of +Joure; en Greonterp voor Grien of Groenterp.</p> +<p>7. In verkorting, als Birdaard voor Birdewerd, Oestrum voor +Eestroom, Raard voor Raawerd, enz.</p> +<p>Waar op het wel billyk is, dat men in een schrift, in de gemeene +taal geschreven, als dit tegenwoordige, ook hier de naamen der Dorpen +in die zelve taal zoude stellen: doch nochtans hier niet vry staat +omtrent eenigen, als die haar oorsprong uit de byzondere spraaken +hebben, gelyk Tserkgaast, Adegae en Molkwarren: voor welke men (hoewel +mogelyk in gelyke zin, doch ongerymt) zou zeggen, Kerkburg, Ouddorp en +Melkfennen. Even ongerymt zoudenze alle <span class="pagenum">[<a id= +"pb275" href="#pb275" name="pb275">275</a>]</span>in de Stads- of +Landsspraak gestelt worden: en geheel overtollig in die alle te +gelyk.</p> +<p>Daarom hebben wy geacht dezelve veilig te mogen gebruiken, naar de +uitspraak die in de gemeene wandeling meest omgaat. Gelyk wy zien dat +in de Saxische bedeelinge, (achter dien Hertogs Wetten, in die tyden +gedrukt) en ook by Winsemius, Schotanus en anderen, geen eenerlei wyze +is gehouden.</p> +<div class="div2" id="oostergo"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e3669" class="main">I. Oostergo.</h3> +<p class="firstpar">Hierin zyn twee Steden gelegen, als Leeuwarden en +Dokkum. ’t Word verdeeld in 11 Grietenyen.</p> +<p>I. Leeuwarderadeel, heeft 14 Dorpen. ’t Word in 3 Trindels of +derdendeelen afgedeelt. 1. ’t Middeltrindel, is onder de klokslag +van Leeuwarden. 2. Zuidertrindel, Wirdum, Swichchum, Goutum, Huizum, +Hempens en Teerns. 3. Noordertrindel, Steens, Finckum, Hyjum, Britsum, +Kornjum, Jelsum, Lekkum en Meedum.</p> +<p>II. Ferwerderadeel, heeft 11 Dorpen, als, Ferwert, Hoogebeintum, +Blyje, Hallum, Marrum, Nykerk, Wanswert, Geenum, Jeslum, Reisum en +Lichtaard.</p> +<p>III. Westdongeradeel, heeft 14 Dorpen, als, Holwert, Tennaard, +Wierum, Nes, Hantumhuizen, (Raad, Bierum, Medent, <span class= +"pagenum">[<a id="pb276" href="#pb276" name= +"pb276">276</a>]</span>Germerhuizen, Nyjenhuis, zynde Gebuurten, +maakende eene stem,) Jaure, Betterwird, Bornmerhuizen, Bornwert, Raard, +Foudgum, Brantgum en Waaxens.</p> +<p>IV. Oostdongeradeel, heeft 13 Dorpen, als, Anjum, Engwierum, Ee, +Jouswier, Oestrum, Aalsum, Wetsens, Nyjewier, Nykerk, Paasens, +Ljuessens, Morre en Metselwier.</p> +<p>V. Kollumerland, heeft 6 Dorpen, als, Kollumerswaag, Westergeest, +Oudwoude, Kollum, Lutkewoude of Ausbuer en Buerom.</p> +<p>VI. Achtkarspelen, heeft 8 Dorpen, als, Surhuizen, Austynsga, +Harkma-opeinde, Droogeham, De Kooten, Op ’t Wyzel, Buitenpost en +Lutkepost.</p> +<p>VII. Dantumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Driesum, Wouterswoude, +Dantumerwoude, Murmelwoude, Akkerwoude, Rinsmageest, Sybrandahuis, +Janum, Birdaard, Roodkerk, Feenwouden en Swaagwesteinde.</p> +<p>VIII. Tjietjerksterdeel, heeft 14 Dorpen, als, Wyns, Oudkerk, +Oenkerk, Giekerk, Ryperkerk, Tjietjerk, Suwoude, Hardegaryp, Bergum, +Eestrum, Oostermeer, Sumeer, Garyp en Eernwoude.</p> +<p>IX. Smallingerland, heeft 7 Dorpen, als, Oudega, Nyjega, Opeinde, +Noorderdrachten, Suiderdrachten, Kortehem en Bornbergum.</p> +<p>X. Idaarderdeel, heeft 8 Dorpen, als, Idaard, Æaegum, +Roodahuizum, Friens, Grou, Warrega, Warstiens en Wartena. <span class= +"pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name="pb277">277</a>]</span></p> +<p>XI. Rawerderhem, heeft 6 Dorpen, als, Rawerd, Yrnsum, Poppingawier, +Tersool, Sybrandabuert en Deersum.</p> +</div> +<div class="div2" id="westergo"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e3700" class="main">II. Westergo.</h3> +<p class="firstpar">Hier in zyn 8 Steden, namentlyk, Bolswert, +Franeker, Sneek, Harlingen, Staveren, Workum, D’r Ylst en +Hindeloopen. ’t Word verdeelt in 9 Grietenyen.</p> +<p>I. Menaldumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Menaldum, Berlikum, Wier, +Beetgum, Englum, Marsum, Deinum, Boxum, Blessum, Dronryp, Schingen, +Slappeterp en ’t Klooster Anjum.</p> +<p>II. Franekerdeel, heeft 11 dorpen, als, Tjum, Hitsum, Achlum, +Midlum, Herbaajum, Doenjum, Boer, Ried, Peins, Sweins en Schalsum.</p> +<p>III. Barradeel, heeft 8 Dorpen, als, Minnertsga, Firdgum, +Tjiemaarum, Oosterbierum, Sixbierum, Pytersbierum, Winaldum, Almeenum, +nu meest binnen de muuren van Harlingen, daar het haare stem heeft in +de Kerk, en ’t Klooster Lidlum.</p> +<p>IV. Baarderdeel, heeft 16 Dorpen, als, Jorwert, Weidum, Mantgum, +Schillaard, Oosterwierum, Bozum, Wiewert, Britsert, Oosterlittens, +Winsum, Baard, Huins, Lyons, Hilaard, Jellum en Beers. <span class= +"pagenum">[<a id="pb278" href="#pb278" name="pb278">278</a>]</span></p> +<p>V. Hennaarderdeel, heeft 12 Dorpen, als, Hennaard, Ytens, +Lutkewierum, Oosterend, Hidaard, Wommels, Waaxens, Kubaard, Wielsryp, +Baajum, Spannum en Eedens.</p> +<p>VI. Wonzerdeel, heeft 27 Dorpen, als, Aarum, Allingwier, Burgwert, +Kornwert, Dedgum, Exmorre, Engwier, Ferwoude, Greonterp, Gaast, +Hartwert, Hichtum, Hiezlum, Idzegahuizen, Kunswert, Ruigelollum, +Longerhou, Makkum, Pinsum, Parrega, Pyaam, Schettens, Schraad, Suerig, +Tjerkwert, Witmaarsum en Wons.</p> +<p>VII. Wymertser- of Wymbritserdeel, heeft 28 Dorpen, dezelve worden +aangeteekent, als, Buitendyks: Oppenhuizen, Uitwellingerga, Jortryp, +Hommerts, Smallebregge, Woudseind, Ypekolsga, Indyk, Heeg, Gasmeer, +Nyjehuis, Santfirde, Oudega en Idzega. Binnendyks: Oosthem, Abbega, +Westhem, Wolsum, Nyland, Folsgaare, Tjaalehuizen, Ysbrechtum, Tirns, +Scharnegoutum, Goinga, Looienga, Gaau en Offingawier.</p> +<p>VIII. Heemelumer Oudephert en Noordwoude, heeft 9 Dorpen, als, +Heemelum, Koudum, Warns, Scharl, Molkwarren, Oudega, Nyjega, Elahuizen +en Kouderwoude.</p> +<p>IX. Het Bilt, heeft 3 Dorpen, als, St. Japikskerk, St. Annekerk en +L. Vrouwenkerk. <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" +name="pb279">279</a>]</span></p> +</div> +<div class="div2" id="zevenwouden"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e3725" class="main">III. Zevenwouden.</h3> +<p class="firstpar">Hier in legt de Stad Slooten alleen. ’t Word +verdeelt in 10 Grietenyen.</p> +<p>I. Uitingerdeel, heeft 6 Dorpen, als, Oudeboorn, Nes, Akrum, +Terhorne, Terkaple en Akmaryp.</p> +<p>II. Engwerden, heeft 4 Dorpen, als, Gersloot, Tjaalebird, +Luinjebird, Ter Trebant met Bansterschans, en noch een gedeelte van +’t Vlek Heerenveen.</p> +<p>III. Doniawerstal, heeft 14 Dorpen, als, Goingaryp, Broek, +Austerhaule, Nyjega, Oudouwer, St. Niklaasga, Doniaga, Tserkgaast, +Itskenhuizen, Leegemeer, Ter Oele, Indyken, Langweer en Bornswaag.</p> +<p>IV. Hasscherland, heeft 6 Dorpen, als, Westermeer, Snikswaag, +Hasscherdyken, Nyjehassche, Oudehassche en Hasscherschorne.</p> +<p>V. Schooterland, heeft 18 Dorpen, als, Hornsterswaag, Jubbega, +Schuerega, Oudehorn, Nyjehorn, Katlyk, Brongerga, Nybrongerga, +Melledam, Oudeschoot, Nyjeschoot, Rottum, St. Jansga, De Kleinegaast, +Haule, Roehel of Nyjega, Delfstrahuizen, Oudega en Uitdyken, en een +groot deel van ’t Vlek Heerenveen.</p> +<p>VI. Lemsterland, heeft 5 Dorpen, als, <span class="pagenum">[<a id= +"pb280" href="#pb280" name="pb280">280</a>]</span>Lemmer, Eesterga, +Follega, Oosterzee en Echten.</p> +<p>VII. Gaasterland, heeft 7 Dorpen, als, Wykel, Sundel, Nyjemardum, +Oudemardum, Mirns, Haarig, Ruigehuizen en ’t Vlek Balk.</p> +<p>VIII. Upsterland, heeft 13 Dorpen, als, Beets, Beetsterswaag, +Olterterp, Uereterp, Sygerswoude, Duerswoude, Wynjeterp, Hemryk, +Loppenhuizen, Wispel, Korteswaag, Langeswaag en Luxwoude.</p> +<p>IX. Stellingwarf-Oosteinde, heeft 10 Dorpen, als, Oudeberkoop, +Nyjeberkoop, Makkinga, Donkerbroek, Haule, Oosterwoude, Fochtele, +Appelsche, Langedyk en Elsloo.</p> +<p>X. Stellingwarf-Westeinde, heeft 20 Dorpen, als, Beuil, Noordwoude, +Finkinga, Steggerden, Peperga, Blesdyk, Nyjehoutpade, Oudehoutpade, +Wolvega, Sonnega, Oudetryne, Nyjetryne, Spangen, Scherpenseel, +Munnekebuuren, Oudelemmer, Nyjelemmer, Nyjehoutwoude, Oudehoutwoude en +Ter Idsert.</p> +<hr class="tb"> +<p class="xd20e102"><i>Geschreven in slaavernye, en gegeeven<br> +in April, in ’t Jaar<br> +onzes Heeren<br> +<span class="rm">1678</span>.</i> <span class="pagenum">[<a id="pb281" +href="#pb281" name="pb281">281</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="bijvoegsels" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e3769" class="main">Bijvoegsels en Aanteekeningen.</h2> +<p class="firstpar xref">Bladz. <a href="#pb2" class= +"pageref">2</a>.</p> +<p>Van den alouden staat onzer Provincie kan geene naauwkeurige +beschrijving worden gegeven, daar er niets dan onzekere berigten en +velerlei uiteenloopende gevoelens tot ons zijn overgekomen. Op eenigen +goeden grond echter mag men besluiten, dat omstreeks de vijfde eeuw +onzer jaartelling Friesland zich van Vlaanderen tot de Elve heeft +uitgestrekt, en hetzelve noordwaards den Eiderstroom tot grensscheiding +had, waardoor dan ook de kustbewoners aan deze rivier, nog heden ten +dage van den naam des Lands, dien van Strandfriezen dragen. Dat +Vlaanderen tot Friesland behoord hebbe, zoo als meermalen is beweerd, +valt zeer te betwijfelen, want aldaar was de grensscheiding.</p> +<p>Onder Koning Radboud I, en later nog ten tijde van Karel den Groote, +vinden wij de uitgestrektheid van dit Gewest van het land van Katzand +af, tusschen de rivier Sincfal of Zwene (de Suin of Zwin) bij +Sluis<a class="noteref" id="xd20e3780src" href="#xd20e3780" name= +"xd20e3780src">1</a>, tot aan de Elve: de Waal scheidde het +<span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name= +"pb282">282</a>]</span>van het gebied der Franken af en de Wezer was +tot oostelijke grenspaal gesteld. Al de landen dus aan de oevers der +Noordzee, van het Hertogdom Bremen tot aan Vlaanderen, maakten het +oorspronkelijk en overwonnen gebied der Friezen uit: het oorspronkelijk +of oud Friesland lag tusschen de Eems en het Vlie langs de +Noordzeekusten. Van de Eems tot den Wezer en aan geene zijde van het +Vlie, met een groot deel binnenlands tot aan het Zwin, was overheerd +land. Ook de eilanden tot den mond van de Eems behoorden den Friezen, +doch geenszins Helgoland, zeer verkeerdelijk voor Radbouds zetel +gehouden.</p> +<p>Weinige jaren voor ’s Heilands geboorte, werden de Friezen, +tusschen de Eems en het Vlie wonende, de <i>Groote Friezen</i>, en die +tusschen het Vlie en den Rijn de <i>Kleine Friezen</i> genaamd. De +eersten bewoonden dus gedeelten van Gelderland, Overijssel, Drenthe en +het Gooiland, alsmede de streken beoosten de Zuiderzee en de rivier +Flevo tot aan de Eems toe: de laatsten een gedeelte van Rijnland, +Kennemerland, Amstelland en Noord-Holland. Daarna werden deze +West-Friezen en gene Oost-Friezen geheeten. Een aantal kleine volken +van Germaanschen en Gallischen of Frankischen oorsprong hadden de +Friezen tot naburen.</p> +<p>Te dien tijde, eenige jaren namelijk voor Christus geboorte, toen de +Opperbevelhebber Claudius Drusus Nero, stiefzoon van den Keizer +Augustus, ook Friesland onder de magt der Romeinen wilde brengen, lag +tusschen West-Friesland (Noord-Holland) en het tegenwoordig Friesland +het groote meer Flevo. Het Graafschap Staveren beoosten het Vlie, wiens +uitwatering eerst tusschen Texel en Vlieland, daarna tusschen Vlieland +en Terschelling plaats had, paalde aan Noord-Holland. Het eiland Flevo, +door de verdeelde armen van het Vlie omvat, lag ter plaatse alwaar nu +de zandplaat <i>Bree-sand</i> zich bevindt. Uitgestrekte bosschen lagen +in den omtrek der stad Staveren, thans allen in zee verzwolgen. De +kleine rivier de IJssel liep in ’t meer Flevo, hetwelk na de +<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283" name= +"pb283">283</a>]</span>door Drusus gemaakte vereeniging van den Rijn +met den IJssel, door verschillende stroomen zich in de Middelzee +ontlastte<a class="noteref" id="xd20e3825src" href="#xd20e3825" name= +"xd20e3825src">2</a>. Deze zee besloeg een groot <span class= +"pagenum">[<a id="pb284" href="#pb284" name="pb284">284</a>]</span>deel +van het noorden der Provincie, scheidende Oostergo en Westergo, haren +loop nemende door de Grietenijen <span class="corr" id="xd20e3844" +title="Bron: Barradeel">Baarderadeel</span>, Idaarderadeel, +Hennaarderadeel, Rauwerderhem tot in Wijmbritseradeel, eindigende bij +Bolsward en Sneek. Bij de stad Uitgong, welligt nabij Berlikum had zij +hare uitwatering in de Wadden, en voorts tusschen Terschelling en +Ameland in de Noordzee.</p> +<p>Wij geven geene meer bepaalde beschrijving van den alouden staat der +Provincie, maar verwijzen den Lezer tot de breedvoeriger behandeling +hiervan te vinden in <span class="sc">Winsemius</span>, <span class= +"sc">Schotanus</span>, <span class="sc">Emmius</span>, <span class= +"sc">F. Sjoerds</span>, bijzonder het kort overzigt in den +<i>Tegenwoord. Staat van Friesland I deel</i>, en over de Groote en +Kleine Friezen de Aanteekeningen van <span class="sc">Siccama</span> op +de <i>Lex Frisionum</i> pag. 137 seq. Men vergelijke hierbij hetgeen +door den heer <span class="sc">Westendorp</span> in zijn <i>Jaarboek +van en voor de Provincie Groningen</i>, en door <span class= +"sc">Bilderdyk</span> in het 1 deel van zijne <i>Geschiedenis des +Vaderlands</i> (bepaald op bl. 18 en 251 volgg.) met betrekking tot de +oude Historie is geboekt:—als ook de <i>Geschiedenis der +Nederlandsche Taal</i> van den Hoogleeraar <span class="sc">A. +<span class="corr" id="xd20e3889" title= +"Bron: Ypey">Ypeij</span></span>, II. 106, die aldaar en elders +belangrijke bijvoegsels geeft tot den alouden staat van Friesland +betrekking hebbende.—Over de Middelzee, hare grenzen en +uitgestrektheid bevelen wij zeer aan de <i><span class="corr" id= +"xd20e3893" title="Bron: Bijdragen tot">Nasporingen betrekkelijk</span> +de Geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland</i>, door +<span class="sc">P. Brouwer Pz.</span> en <span class="sc">W. +Eekhoff</span><a class="noteref" id="xd20e3902src" href="#xd20e3902" +name="xd20e3902src">3</a>. Zie voorts de <i>Inleiding van mijn Tafereel +<span class="pagenum">[<a id="pb285" href="#pb285" name= +"pb285">285</a>]</span>van den Watervloed in Friesland</i>. Wij voegen +hierbij nog de aanmerking, ook door anderen gemaakt, van den Ridder +<span class="sc">Scheltema</span>, voorkomende in zijne als nog +onuitgegevene <i>Geschiedenis der Zuiderzee</i>, dat in vorengemelden +tijd welligt het Gooiland in Holland en Gaasterland in ons Gewest +aaneengehecht waren, verdienende het bijzondere opmerking dat de +grondgesteldheid gelijk is, en aan beide zijden de einden van eene +hooge aardrigchel, in Holland de Muiderberg en bij Staveren het Klif, +aanwezig is; even als de afgebrokene en tegen over elkander liggende +Krijtbergen in Frankrijk en Engeland zouden bewijzen dat eertijds hier +geene scheiding bestond. Waarschijnlijk stroomde er toen nog geen zout +water binnen den kreits der duinen van Terschelling af tot aan den +uitloop der Maas.—Belangrijke opmerkingen deelt de kundige +<span class="sc">F. Arends</span> ons mede in zijne Geschiedenis der +Noordzeekusten, in welke hij de veranderingen beschrijft, welke die +kusten door stormvloeden, gedurende een tijdvak van tweeduizend jaren +hebben ondergaan<a class="noteref" id="xd20e3938src" href="#xd20e3938" +name="xd20e3938src">4</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb286" href= +"#pb286" name="pb286">286</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb2" class= +"pageref">2</a>.—A<sup>o</sup> 313.</p> +<p>Wat betreft de heerschappij der Prinsen, Hertogen en Koningen over +Friesland, van den jare 313 voor Christus geboorte tot 773 of 775 jaren +na dezelve, waarvan de korte beschrijving in de eerste drie +hoofdstukken dezer kronijk begrepen is, daarin komt zeer veel +onwaarschijnlijks en fabelachtigs voor, zoodat wij niet gaarne op het +gezag van deze en andere Geschied- en Kronijkschrijvers alles voor +goede munt zouden aanprijzen: alles evenwel te verwerpen, gelijk ook +door Friesche Schrijvers-zelve geschied, is evenmin raadzaam. Men leze +en overwege hier naauwkeurig wat de geleerde Baron <span class= +"sc">thoe Schwartzenberg</span> en <span class= +"sc">Hohelansberg</span>, in de uitmuntende <i>Voorrede</i> voor zijn +<i>Charterboek</i> (vooral I. D. bl. 16 en 17), een geschrift, even +nuttig als het boek-zelf, op dit punt zegt, en aan wiens gevoelen wij +eene hooge waarde hechten. Het was voor den geleerden <span class= +"sc">Emmius</span> en in navolging van hem voor <span class="sc">Foeke +Sjoerds</span> en den schranderen <span class="sc">van Rhyn</span>, die +evenwel hier en daar niet zoo gestreng is, niet moeijelijk, het gezag +van andere Schrijvers te verwerpen, en, wat niet met krachtige bewijzen +gestaafd konde worden, voor fabels te verklaren. Maar men brenge ook de +meeningen van den Baron van <span class="sc"><span class="corr" id= +"xd20e3983" title="Bron: Shwartzenberg">Schwartzenberg</span></span> +ter toetse, en het lijdt geen’ twijfel, of de oordeelkundige +Lezer zal, even als wij, tot de uitkomst moeten komen, dat het gevoelen +der eerstgemelden aan gewigtige tegenbedenking is onderworpen. Het +groote en altijd herhaalde argument, waarom wij toch zoo weinig bij de +Romeinsche <span class="pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287" name= +"pb287">287</a>]</span>Schrijvers van alles, wat de kronijken bevatten, +vinden, zal toch wel niet als voldoende kunnen worden +beschouwd:—dan het is hier niet de plaats, daarover verder uit te +weiden, liever willen wij hier invoegen wat de zeer verdienstelijke +Oudheidkundige <span class="sc">N. Westendorp</span>, in zijn +<i>Jaarboek van en voor de Provincie Groningen</i> (I. 21 volgg.), op +dit onderwerp zegt:</p> +<p>»De Vriesche jaarboeken beginnen de lijst der Vriesche +koningen en vorsten reeds van vóór den tijd van ’s +Heilands geboorte af. Alhoewel wij ons geenszins met zekerheid op de +berigten dezer verzamelaars, ten aanzien dier opvolgingen, durven en +willen verlaten; nogtans deelen wij gansch niet in de twijfelzucht van +<span class="sc">Emmius</span> en van anderen, welke hem gevolgd zijn. +Vooreerst zijn er geene redenen, om zoo ten eenenmale de +geloofwaardigheid van <span class="sc">Cappidus Staurensis</span>, +geleefd omtrent 920, van <span class="sc">Occo Scharlensis</span>, +welke begon te schrijven in 903 en zulks vervolgde tot 970, van +<span class="sc">Johannes Vlieterpius</span>, Schrijver van den +potestaat <span class="sc">J. H. Martna</span> en der gemeene +Landsregteren, die <span class="sc">Occo’s</span> kronijk +grootendeels uit het H. S. vertaalde en hier en daar vermeerderde +(1370), van <span class="sc">M. Alvinus</span> (1400), van <span class= +"sc">Andreas Cornelius</span>, overleden te Harlingen in 1589, van +<span class="sc">Corn. Kempius</span> (1588), van <span class= +"sc">Vorperus Taboritha</span>, <span class="sc">Suffridus +Petri</span>, <span class="sc">Mart. Hamconius</span> (1624), van +<span class="sc">Bernh. Gerbr. Furmerius</span> (1613), en van meer +anderen, te verwerpen. Trouwens de Vriezen hadden weleer hunne barden +en bardengezangen: zoo hoorde nog de bisschop <span class= +"sc">Ludger</span>, eenen Vrieschen bard de daden der vroegere tijden +bezingen. <span class="sc">Andr. Cornelius</span> is ook in mijn oog +een achtingwaardig Schrijver. Deze verhaalt in de voorrede van zijn +werk, dat <span class="sc">Vlieterp</span> in eene zeer lange voorrede +berigtte, dat <span class="sc">Occo Scharlensis</span> in de voorrede +van zijn werk in het breede had ontvouwd, hoe zijn oude oom +<span class="sc">Solcko Forteman</span> het leven der Vriesche +koningen, prinsen en heeren, die van het begin af in Vriesland hadden +geregeerd, ten tijde van den laatsten Vrieschen koning <span class= +"pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name= +"pb288">288</a>]</span>Radbod naauwkeurig beschreven had: over welk +geschrift hij door dien koning zeer was vervolgd geworden. Schoon nu +dit opstel te dien tijde op koninklijk bevel was verbrand geworden, +nogtans waren al zijne overgeblevene schriften en boeken in handen van +<span class="sc">Occo</span> gekomen, door middel van <span class= +"sc">Gatje Takama</span> (zijnen vader), welke er vele fragmenten en +schoone stukken betrekkelijk Vriesland onder gevonden had. Deze schat +bewoog hem, om alles te verzamelen, wat overgebleven was, en wat hij +wist. Volgens getuigenis van <span class="sc">Suffridus Petri</span>, +zouden de bouwstoffen tot het werk van <span class="sc">Alvinus</span> +uit zoodanige oude liederen genomen zijn. Daarenboven heeft +<span class="sc">S. Petri</span> toegang gehad tot alle +kloosterkronijken en kloosterpapieren van Vriesland, waardoor hij in de +gelegenheid was, om meer ontwaar te worden dan anderen. Ook vinden wij +er geene de minste tegenstrijdigheid in, dat de Vriezen, even gelijk de +Kymry in Wallis en de Galen in Ierland, hunne geschiedenis aan de +bardenorde toevertrouwden, en dat deze ook hunne Taliesins gehad +hebben. Bij de Kymry en de Ieren zijn deze liederen nog grootendeels +behouden, en dalen mede tot vroegere tijden terug. De Vriesche +berigten, hoezeer vermengd met dichterlijke bijvoegselen en met +aanvullingen van verschillenden aard, verdienen waarlijk de aandacht +van onderzoeklievende mannen”<a class="noteref" id="xd20e4071src" +href="#xd20e4071" name="xd20e4071src">5</a>.</p> +<p>Betrekkelijk den oorsprong der Friezen vinden wij bij Grieksche noch +Romeinsche Schrijvers eenige voldoende berigten, uit hoofde zij hun +gezag van den aanvang niet in deze oorden gevestigd hebben. Over de +benaming en aanvankelijke regeringsvorm zijn ook verschillende +meeningen te berde gebragt. Het gevoelen ten dezen van den heer Mr. +<span class="sc">A. van Halmael</span> Jr. ook het onze zijnde, nemen +wij hier over, hetgeen in zijn <i>beknopt Overzigt der <span class= +"pagenum">[<a id="pb289" href="#pb289" name= +"pb289">289</a>]</span>Friesche Geschiedenis</i><a class="noteref" id= +"xd20e4086src" href="#xd20e4086" name="xd20e4086src">6</a> is +vermeld:</p> +<p>»De oorsprong van de namen <i>Friezen</i> en <i>Friesland</i> +heeft met dien van vele andere volkeren en landen dit gemeen, dat hij +hoogst onzeker is. Even onzeker schier is het te bepalen, op welke +wijze het land in de oudste tijden is geregeerd geworden; of er +één enkel persoon aan het spits der regering stond, en +zoo ja, welken naam hij droeg. Ook naar de uitgestrektheid van het +land, hetwelk den naam van <i>Friesland</i> droeg, en naar de gedaante +van hetzelve, kan men weinig meer dan gissen.”</p> +<p>»Het komt ons echter, wat het eerste betreft, niet +onwaarschijnlijk voor, dat de naam van <i>Friezen</i> niet anders dan +<i>vrijen</i> heeft beteekend, welken naam dat gedeelte der Germaansche +of Duitsche volkeren, <span class="pagenum">[<a id="pb290" href= +"#pb290" name="pb290">290</a>]</span>hetwelk het eerst <i>Friesland</i> +tot woonplaats verkozen heeft, zal hebben aangenomen, ten einde zich +daardoor te onderscheiden van andere stammen, die misschien minder +naijverig waren op hetgeen zij <i>Friezen</i> verstonden onder +vrijheid,—volkomen onafhankelijkheid van allen, die niet tot +hunnen eigenen stam behoorden, of tot de genen welke zij daarin +goedvonden aan te nemen”<a class="noteref" id="xd20e4151src" +href="#xd20e4151" name="xd20e4151src">7</a>.</p> +<p>»Wat der Regering betreft, één persoon schijnt +aan het hoofd der <i>Friezen</i> gestaan te hebben; niet evenwel +zonder, in openlijke aangelegenheden, den raad der <i>Wijsten</i>, dat +is <i>Oudsten</i> zijner landgenooten, in aangelegenheden van algemeen +belang, de meening van het geheele volk ingenomen, en dien van de +meerderheid gevolgd te hebben. Het komt ons wijders niet onaannemelijk +voor, dat die ééne persoon, meerder uitvoerder van +’s volks wil dan eigenmagtig gebieder, maar ook in de uitvoering +ongebonden, den naam van <i>Koning</i> droeg, welken naam wij, naar de +afleiding des woords, meenen aangeduid te hebben: <i>den eersten man +van het eerste <span class="rm">(d. i<span class="corr" id="xd20e4232" +title="Niet in bron">.</span> mannelijk)</span> geslacht, eens +heerschenden volks</i>.”</p> +<p>»Daarmede willen wij echter niet geacht worden, <span class= +"pagenum">[<a id="pb291" href="#pb291" name="pb291">291</a>]</span>de +geheele rij der <i>zeven</i> eerste Koningen (in kronijken +<i>Prinsen</i> genoemd), der <i>zeven</i> Hertogen en der <i>negen</i>, +dezen wederom vervangen hebbende Koningen, welke alle door onze +kronijkschrijvers met name genoemd worden, te erkennen.”</p> +<p>»Ook gelooven wij niet dat de oppermagt der Vorsten erfelijk +was, althans niet in de eerste tijden, hoewel meestal de zoon eens +konings, over wiens bewind het volk tevreden was, hem zal opgevolgd +zijn.”</p> +<hr class="tb"> +<p>Er bestaan over den oorsprong des Frieschen volks eenige +overleveringen en sagen uit den overouden tijd, in welken de +geschiedkundige waarheid, met de noodige versierselen en verdichtselen, +werd gehuld en bewaard gebleven is: jammer maar dat het en door den +geest der vroegere tijdperken, en door de wijze der overlevering zoo +moeijelijk is geworden waarheid en fabel van elkander te schiften. +Alles komt echter op dit punt neder, dat de Friezen geene +<i>aborigenes</i>, dat is inboorlingen van Friesland waren, maar over +zee naar deze landstreken waren aangekomen om dezelve te +bevolken<a class="noteref" id="xd20e4262src" href="#xd20e4262" name= +"xd20e4262src">8</a>. Wij willen kortelijk uit de geschiedenis enigen +dier sagen en volksvertellingen bijeenverzamelen en mededeelen, dewijl +onze kronijk slechts van eene enkele gewaagd.</p> +<p>Naar het gevoelen van <span class="sc">Joachim Hopper</span> zouden +de Friezen afkomstig zijn van de Hijperboreische volkeren, van wien zij +hunne taal, godsdienst en zeden hadden ontvangen<a class="noteref" id= +"xd20e4276src" href="#xd20e4276" name="xd20e4276src">9</a>. +<span class="pagenum">[<a id="pb292" href="#pb292" name= +"pb292">292</a>]</span></p> +<p><span class="sc">Cornelius Kempius</span> verhaalt dat een +Karthuizer, genaamd Reinerus de Friezen deed afstammen van een aantal +Joden, die door Vespasianus na de inneming: van Jeruzalem in ’t +leven gespaard, uit het Joodsche land verdreven en herwaarts in +ballingschap gezonden waren. »Doch de goede man (zoo zegt +<span class="sc">Van Rhyn</span><a class="noteref" id="xd20e4307src" +href="#xd20e4307" name="xd20e4307src">10</a>) moet <span class= +"sc">Tacitus</span> en andere schrijvers niet gelezen hebben, die hem +zouden onderricht hebben, dat de Vriezen hier al woonden omtrent de +tijden van Christus,”—dus voor Jeruzalems +verwoesting<a class="noteref" id="xd20e4313src" href="#xd20e4313" name= +"xd20e4313src">11</a>. Deze overlevering hoorde ook bij de oude +Pruissen te huis, wier voorouders door Salmanzar uit het Joodsche land +waren verdreven<a class="noteref" id="xd20e4322src" href="#xd20e4322" +name="xd20e4322src">12</a>.</p> +<p>Van Frankischen oorsprong schijnt navolgende sage door <span class= +"sc">Joannes Trithemius</span>, in navolging van <span class= +"sc">Hunibaldus</span>, geboekt in zijne geschiedenis der Frankische +koningen. Frisius was de zoon van koning Coglio; deze werd met +toestemming aller Franken Koning van Friesland, doch aan deze keus +verbonden zij de voorwaarde, dat hij en alle zijne opvolgers met hunne +onderdanen onder de Franken zouden staan, en tot schatting jaarlijks +tweehonderd en zestig koeijen leveren: daarenboven waren zij verpligt +als getrouwe vrienden en bondgenooten der Franken, dezen in alle +oorlogen bij te staan. De Friezen nu zouden, volgens het beweerde van +verschillende schrijvers<a class="noteref" id="xd20e4342src" href= +"#xd20e4342" name="xd20e4342src">13</a>, van dezen Koning den naam +gekregen hebben. Ook dit verhaal wordt door de geschiedschrijvers van +lateren tijd verworpen, <span class="pagenum">[<a id="pb293" href= +"#pb293" name="pb293">293</a>]</span>daar de Franken toen nog niet als +magtig volk zouden hebben bestaan, maar eerst driehonderd jaar na +Christus geboorte.—Het is echter vrij zeker, dat het Frankisch +gezag reeds zeer vroeg bij de Friezen heeft geheerscht; zelfs de +benaming dezer beide volken wordt vaak verwisseld. Deze geheele sage +zal echter van later dagteekening zijn dan anderen<a class="noteref" +id="xd20e4358src" href="#xd20e4358" name="xd20e4358src">14</a>.</p> +<p><span class="sc">Hubertus Thomas</span>, een Luikenaar, schreef een +boek over de Tongren en Eburonen, waarin hij met kracht van redenen +betoogde, dat de Friezen uit de oude Phrygeers of Trojanen herkomstig +waren, welk gevoelen ook anderen aankleefden<a class="noteref" id= +"xd20e4382src" href="#xd20e4382" name="xd20e4382src">15</a>. Grunus, +een voornaam Trojaan onder hen, had Groningen gebouwd, het gewest +Frisia en dus het volk met den naam van Friezen gedoopt. Vierhonderd +drie en dertig jaren voor Christus waren deze Trojanen, onder Marcomir, +in Duitschland bij de Saksen gekomen en naar den zeekant +afgezakt<a class="noteref" id="xd20e4393src" href="#xd20e4393" name= +"xd20e4393src">16</a>. Tot een vernuftig bewijs van zijne stelling +brengt <span class="sc">Thomas</span> bij, dat het stedeken Ylst niet +Elostum, zoo als sommige Latijnen zeggen, maar Iliacum, dus genaamd +naar Ilium, heeten moet, en dat Aschendorp in Groningerland, naar den +befaamden Ascanius ook den naam Ascania heeft gedragen.—Dit +verhaal schijnt van Oud-Duitsche geboorte te zijn<a class="noteref" id= +"xd20e4418src" href="#xd20e4418" name="xd20e4418src">17</a>.</p> +<p><span class="sc">Eggerik Beninga</span> beschrijft in zijne +Oost-Friesche <span class="pagenum">[<a id="pb294" href="#pb294" name= +"pb294">294</a>]</span>Kronijk<a class="noteref" id="xd20e4433src" +href="#xd20e4433" name="xd20e4433src">18</a> den oorsprong der Friezen +ook op deze wijze. Ten tijde dat Samuel regter over de kinderen Israels +was, nadat de wereld 2860 jaren had gestaan, was er een koning van +Assyrien, Diedictus genaamd, wiens gemalinne Albiona bij het volk in +kwaad geruchte stond. Op zekeren tijd liet zij alle hare zusters, twee +en dertig in getal, en allen aan koningen, vorsten en groote heeren +door den echt verbonden, bij zich komen, en, zich niet langer door hare +mannen willende laten regeren, sloten zij in ’t geheim een +verbond, dat elk zijnen echtgenoot zou om het leven brengen en dan +zelve het bestuur in handen nemen. Maar de zamenzwering werd ontdekt en +tot straf werden de 32 zusters, met al de medepligtigen, in een schip +zonder roer en zeilen gezet en zoo voor wind en stroom aan de willekeur +der woeste golven prijs gegeven. Na lang omzwervens kwamen zij ten +laatste aan een onbewoond eiland, hetwelk zij, naar den naam der oudste +zuster Albion noemden en langen tijd bewoonden. Uit deze zusters werd +het groote en wreede reuzengeslacht geteeld, dat door Brutus is +verslagen en op de vlugt gejaagd, welke vlugtelingen de Noordzee +opstevenden en naar een nieuw vaderland zochten. Dus aan de Friesche +kust gekomen, namen zij dit land ten deele met geweld in, en zetten +zich er neder. Brutus, nu Heer van Albion, herdoopte het eiland in +Brutannien en liet de stad Londen bouwen, dan ook hij werd op zijnen +tijd weder verdreven door het geweld der Friesche koningen Engistes en +Horses.—Zoo ver <span class="sc">Beninga</span>.—In +<span class="sc">Westendorp’s</span> <i>Kronyk</i> wordt +verhaald, dat de gevlugte reuzen, bij hunne aankomst aan den Frieschen +wal, onvermoeds door de ingezetenen des lands verdreven zijn, de Maas +zijn opgevaren en Slavenburg hebben gesticht.—Zoodat volgens dit +verhaal dan reeds het land bevolkt <span class="pagenum">[<a id="pb295" +href="#pb295" name="pb295">295</a>]</span>was<a class="noteref" id= +"xd20e4454src" href="#xd20e4454" name="xd20e4454src">19</a>. Deze +overlevering schijnt op de Kelten, de oudste bewoners van Brittannien +te slaan.</p> +<p>In bijna al de geschied- en kronijkschrijvers, zoo als ook in de +onze, vinden wij de volks-overlevering, welke ook in den Frieschen +geest geheel gestemd is, van de overkomst der drie gebroeders Saxo, +Bruno en Friso<a class="noteref" id="xd20e4463src" href="#xd20e4463" +name="xd20e4463src">20</a> vermeld, en wel van verschillenden vorm en +inhoud. Vooral wat betreft de afkomst van den stamvader Friso, daarover +is een groot verschil. De een maakt hem tot een Jood, de ander tot een +Macedonier, velen tot een Indiaan. Sommige oude schrijvers hebben de +waarheid van deze overlevering niet alleen niet in twijfel getrokken, +maar die tegen anders denkenden met hand en tand verdedigd. +<span class="sc">B. Furmerius</span> en vooral <span class= +"sc">Suffridus Petri</span> hebben zelfs, (de laatste in zijne +Apologie) <span class="sc">Ubbo Emmius</span> en anderen, die dit +verhaal voor eene fabel verklaarden, voor dwarsdrijvers, slechte +recensenten en vijanden des vaderlands verklaard. Andere Friesche +schrijvers, even als <span class="sc">Emmius</span>, verwerpen het ook +geheel, maar de meesten zijn ook getrouwe navolgers, ja zelfs +naschrijvers en napraters van <span class="sc">Emmius</span>, die als +de God der Historie werd aangebeden. Het valt niet te ontkennen, dat +zijn geschiedboek groote waarde heeft, doch ook onvoorwaardelijk in +zijne twijfelzucht te berusten is niet het veilig midden kiezen.</p> +<p>Uit hoofde men deze sage overal vindt, zullen wij dezelve in zijn +verband niet herhalen, evenmin als de geschiedenis der zeven zonen van +den Frieschen Aartsvader Friso, die de volkplanters in Jutland, Hessen +en Schotland zijn geweest. Men vindt een <span class="pagenum">[<a id= +"pb296" href="#pb296" name="pb296">296</a>]</span>beknopt verhaal +hiervan in het <i>Nabericht op Vriesland</i> van <span class="sc">van +Rhyn</span><a class="noteref" id="xd20e4494src" href="#xd20e4494" name= +"xd20e4494src">21</a>, dat altijd waardig is gelezen en herlezen te +worden. Daarin wordt ook vermeld hoe de West-Friezen, Keulenaars, +Frisiabonen of Nieuwe Friezen, Zwitsers en Graubunders, Franken, +Strand-Friezen en Eiderstedders, uit de oude Friezen zouden herkomstig +zijn; terwijl zij ook in Oud-Engeland of Brittannien, Ethiopien en +Chili in Amerika, zich zouden hebben voortgeplant. Van de vermelding +ten tweede male der Helvetiers of Zwitsers uit de Friezen +gesproten<a class="noteref" id="xd20e4541src" href="#xd20e4541" name= +"xd20e4541src">22</a>, ten tijde van den Potestaat Magnus Forteman is +eene geheel verschillende lezing in <i>de Corte Chronyck</i> van +<span class="sc">Sybe Jarichs</span><a class="noteref" id= +"xd20e4553src" href="#xd20e4553" name="xd20e4553src">23</a>, welke +zegt, dat de Friezen die onder Forteman tegen de Romeinen waren +opgetrokken, op den terugtogt ten deele in Lombardijen en Italien +metter woon waren gebleven, door een hoop volks meestal gedood werden, +zoodat er maar weinigen ontkwamen. Dezen nu zwierven op bergen en in +dalen rond, tot dat zij in Zwitserland gekomen, aldaar zich huizen +hebben gebouwd en een gedeelte lands bevolkt.</p> +<p><span class="sc">Menso Alting</span> beweert, dat de Friezen van een +en dezelfde afkomst zijn als al de Overrijnsche volkeren. Het +voorgeven, dat zij uit Phrygien, of de Indien herwaarts zijn gekomen, +acht hij voor zottengeklap <span class="pagenum">[<a id="pb297" href= +"#pb297" name="pb297">297</a>]</span>en eene lange reeks van +leugens<a class="noteref" id="xd20e4568src" href="#xd20e4568" name= +"xd20e4568src">24</a>. Hoezeer eene geheele vergelijking van al het +geschrevene over dit onderwerp, met een naauwkeurig oordeelkundig +onderzoek gepaard, een moeijelijke arbeid ware, en hoe bezwaarlijk men +ook welligt meerder licht in dezen ontvangen zou, was echter de +beproeving daarvan, en eene wijsgeerige beschouwing van alle nog +voorhanden zijnde werken en geschriften der moeite overwaardig en een +zeer verdienstelijk werk. Er is nog zoo veel aanwezig, geschikt tot +bruikbare bouwstoffen, hoezeer dan ook de vernielingswoede vele +belangrijke Charters voor altoos hebbe vernietigd, ja zelfs vele +gedenkstukken der oudheid door zorgelooze onnoozelheid het droevig lot +hebben moeten ondergaan van over de zeepalen te worden geworpen, en +welligt hun graf hebben gevonden in de diepte dier golven, welke over +de verzonken grondvesten der aloude Friesche Koningsstad henenrollen, +even als of men ook de laatste getuigen des voorvaderlijken roems in +hetzelfde graf voor eeuwig wilde begraven. Wenschelijk ware eene meer +algemeene belangstelling in het lot der Historie en in den goeden wil +dier Schrijvers, welke zonder zelfverheffing of eerbejag slechts hun +vaderland en de wetenschappen willen dienen, wier doel en handeling +niet door gloeijende eerzucht of geldgewin worden bestuurd.</p> +<p>Wij willen hiermede over alles wat den oorsprong der Friezen betreft +afstappen<a class="noteref" id="xd20e4578src" href="#xd20e4578" name= +"xd20e4578src">25</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb298" href= +"#pb298" name="pb298">298</a>]</span></p> +<hr class="tb"> +<p>Het ligt geheel buiten ons bestek, alles te verzamelen en te +vermelden wat door de geschiedschrijvers al niet geboekt, geoordeeld en +gegist is over het hoogst onzekere tijdvak van de eerste bewoners dezer +Friesche landen, tot op de geboorte van Christus Dit behoort tot eene +volledige Geschiedenis der Friezen; dan met eenige meerdere zekerheid +kunnen worden vermeld, de gebeurtenissen van de komst van den Veldheer +Drusus in Friesland af tot aan de heerschappij van Karel den Groote. +Wij willen derhalve overnemen, hetgeen de heer <span class="sc">van +Halmael</span> in zijn zeer belangrijk <i>Overzigt</i> over dit tijdvak +heeft geschreven<a class="noteref" id="xd20e4638src" href="#xd20e4638" +name="xd20e4638src">26</a>, in hetwelk men natuurlijk wel overeenkomst +met de kronijken, maar tevens ook vele afwijkingen van sommiger +stellingen zal ontdekken. Er heerscht echter over deze tijden ook nog +eene vale schemering, zoo geene duisternis; want de eerste Friesche +Koning, wiens naam en handelingen met genoegzame zekerheid kunnen +worden vermeld, heeft geregeerd in de zevende eeuw en heeft den troon +beklommen omtrent 590 of 630. Adgillus de Eerste was die Vorst: wie +echter zijn vader was, daarover hebben de geleerden het niet eens +kunnen worden.</p> +<p>Nu volgt het Overzigt: <span class="pagenum">[<a id="pb299" href= +"#pb299" name="pb299">299</a>]</span></p> +<p class="xsection">§ 2.</p> +<p>»Elf jaren voor Christus geboorte, vertoonde zich de veldheer +der werelddwingende Romeinen, Claudius Drusus Nero in het land der +Batavieren. Men zegt, ten einde de Germanen of Duitschers te straffen, +die in de landen, aan hunne grenzen liggende, en onder het oppergebied +der Romeinen staande, geplunderd hadden. Hij begaf zich langs den Rijn +in den Oceaan, ten einde de monden Van de Eems en Wezer te bezoeken, +tusschen welke de Cauchen of Chauken toen woonden. Aan hunne grenzen +raakte hij in groot gevaar, doch de Friezen, met welke hij bevorens in +een vriendschappelijk verbond was getreden, redden hem.”</p> +<p>»Een jaar later deed hij eene gracht graven, waardoor hij van +den Rijn, door den Ouden IJssel in het meer Flevo komen konde. Van daar +konde hij door de Middelzee en verder over de Wadden, in de Eems +geraken. De Friezen verbonden zich, waarschijnlijk omdat hij hun +beloofde, dat de Romeinen hen bijstaan zouden tegen hunne, immer +onrustige, Germaansche naburen, tot het jaarlijks leveren van een +bepaald aantal ossenhuiden. Ook schijnt hij ter hunner bescherming een +kasteel, aan de Noordzee te hebben aangelegd. Dat kasteel almede Flevo +of Flevum genoemd, plaatsen de oudheidkundigen op het tegenwoordig +eiland Grind, thans eene schulpplaat, niet verre van Terschelling. +Daaruit kon de Romeinsche bezetting spoedig de Eems bereiken<a class= +"noteref" id="xd20e4653src" href="#xd20e4653" name= +"xd20e4653src">27</a>.” <span class="pagenum">[<a id="pb300" +href="#pb300" name="pb300">300</a>]</span></p> +<p class="xsection">§ 3.</p> +<p>Jaren na Chr. 29. 48.</p> +<p>»Met de goede trouw, die van oudsher de Friezen kenschetste +(gelijk de Germanen over het algemeen), voldeden zij eenige jaren aan +hunne verbindtenis, en wel tot aan of in het jaar 29 na Christus +geboorte. Den Romeinschen veldheer Germanicus schijnen zij bijgestaan, +en zelfs zijn leger eenmaal eene groote dienst bewezen te hebben, met +hem zekere plant, door de Romeinen Brittenkruid genaamd, ter heeling +van de scheurbuik aan te wijzen<a class="noteref" id="xd20e4700src" +href="#xd20e4700" name="xd20e4700src">28</a>. In gemeld jaar eischte +zekere Olennius, <span class="pagenum">[<a id="pb301" href="#pb301" +name="pb301">301</a>]</span>een Romein, die met eenig bevelhebberschap, +misschien wel met dat van het kasteel Flevum, en met het invorderen der +zoogenaamde schatting belast was, eene soort van huiden, welke zij, +evenmin als de waarde van dien, leveren konden. Zij lieten zich eerst +daarvoor hunne ossen, toen hunne landerijen, eindelijk hunne vrouwen en +kinderen tot slaven afnemen, hopende dat men hunne bereidwilligheid +ziende, hun geregtigheid zou doen wedervaren. Maar, het zij de klagten +der armen het oor des Keizers niet bereiken konden, het zij de Keizer +zijne prefecten toeliet in het klein te plunderen, gelijk hij-zelf in +het groot deed, zij vonden geen gehoor, en begonnen den regvaardigsten +krijg. Zij grepen en doodden de hen kwellende knechten, en belegerden +Olennius in de Romeinsche sterkte. Wel moesten zij het beleg opbreken, +omdat er een aantal Romeinsche benden ter ontzet naderde, alles +onderwegen plunderende en verwoestende; doch, ofschoon de Romeinen, +volgens het zeggen hunner geschiedschrijvers, hen, evenwel niet zonder +aanvankelijke nederlagen en groot verlies, overwonnen, zij schijnen +hunne vrouwen en kinderen, en hunne landerijen toch terug bekomen te +hebben, en waarschijnlijk zijn zij zelfs wel van Romeinen en schatting +ontslagen geworden, of ontheven gebleven.”</p> +<p>»Althans men vindt niet weder van Romeinen hier te lande gewag +gemaakt, dan omtrent twintig jaren later. Toen, heet het, hebben de +Friezen zich aan den veldheer Corbulo onderworpen. Hij leidde weder +krijgsbezetting in Friesland, en stichtte er eene sterkte, zoo sommigen +meenen ter plaatse, waar nu Groningen ligt. Doch hij moest die +bezetting welhaast <span class="pagenum">[<a id="pb302" href="#pb302" +name="pb302">302</a>]</span>terugtrekken, op bevel van zijnen +toenmaligen Keizer, Claudius, die den Rijn tot grens des Rijks +bepaalde:—van eenige schatting wordt te dier gelegenheid niet +gesproken.”</p> +<p class="xsection">§ 4.</p> +<p>J. na Chr. 59.</p> +<p>»’t Schijnt evenwel dat de Friezen, wier naam, sedert +het gebeurde met Olennius, reeds onder de Germanen doorluchtig was +geworden, bondgenooten der Romeinen gebleven zijn.—Toen toch, +eenige jaren later, een deel der Friezen, onder aanvoering van Verritus +en Malorix<a class="noteref" id="xd20e4761src" href="#xd20e4761" name= +"xd20e4761src">29</a>, die men daarom niet voor Friesche Koningen +behoeft te houden, zich op eene ledige plek gronds, denkelijk aan den +linker Rijn-oever nedersloegen; toen daarop de Romeinsche gezaghebber +in dien oord hun aanzeide, dat zij die weder verlaten moesten, ten zij +de Keizer hun toestond, haar in te nemen, begaven Verritus en Malorix +zich, om ’s Vorsten toestemming te verkrijgen, naar Rome. Daar +bragt men hen in den schouwburg; zij zagen er de gezanten der volkeren, +die gezegd worden in trouw en liefde voor Rome uit te munten, op de +banken der Romeinsche Raadsheeren zitten, dat een eerbewijs heette. +Daarop begaven zij zich derwaarts, en zetten er zich insgelijks neder, +zeggende: dat geene stervelingen de Germanen in wapenen of trouw +overtroffen. De Friesche rondheid behaagde zelfs den wellevenden +Romeinen.” <span class="pagenum">[<a id="pb303" href="#pb303" +name="pb303">303</a>]</span></p> +<p class="xsection">§ 5.</p> +<p>J. na Chr. 240, 350, 418.</p> +<p>»Het komt ons voor, dat de Friezen, bij vervolg van tijd, nu +eens de zijde der Romeinen zullen gehouden hebben, in de oorlogen, +welke dezen bij voortduring tegen de Germaansche volkeren voeren +moesten; dan weder, zich met de laatstgemelden tegen de Romeinen zullen +vereenigd hebben. Van het laatste vinden wij een bewijs in den bekenden +oorlog, door de Batavieren, onder Claudius Civilis, tegen hunne +onderdrukkers ondernomen. Ook kan het zijn, dat zij somtijds inderdaad +aan hen onderworpen geweest zijn; doch zij raakten eindelijk buiten +alle betrekking tot dezelven. Gedeeltelijk voorzeker reeds, toen +onderscheidene Germaansche volkeren, onder den naam van Franken, +omtrent het jaar 240, vereenigd, zich ruim honderd jaren later, +vestigden in Taxandrie, waardoor men het voormalig eiland der +Batavieren met de zuidelijk daaraan grenzende landen, en een gedeelte +van Braband, misschien ook Zeeland moet verstaan.—Voor zoo verre +zij zelven, of althans een gedeelte hunner, tot dat verbond behoord +mogten hebben, en onder de Saliers mogen gerekend zijn, zijn zij +nogtans zekerlijk vrij en onafhankelijk gebleven, en dien Franken niet +onderworpen.—Geheel echter, toen die zelfde Franken, nog ongeveer +honderd jaren later, een koningrijk in Gallië, het tegenwoordige +Frankrijk, stichteden, hetgeen Rome erkende. Rome, dat Rijk, hetwelk +intusschen door zijnen opperheer, Theodosius den Groote, in twee +Keizerrijken, het Oostersch, hoofdstad Constantinopolen, en het +Westersch, hoofdstad Rome, was gesplitst geworden, en onder zijn eigen +gewigt bezweek, gelijk alle Staten zullen doen, die, als Rome, naar de +opperheerschappij der wereld trachten;—o troostrijke leer der +Geschiedenis!” <span class="pagenum">[<a id="pb304" href="#pb304" +name="pb304">304</a>]</span></p> +<p class="xsection">§ 6.</p> +<p>J. na Chr. 62, 68, 90, 183, 186.</p> +<p>»Als men het gezag onzer kronijken niet geheel wil +verwerpen,—en het zoude zoo ondienstig voor de beoefening der +geschiedenis als onbillijk jegens onze voorvaderen gehandeld zijn, +indien wij het deden,—leden de Friezen intusschen menigen +aanstoot van de Noordelijker en Noord-oostelijker volkeren, onder +onderscheidene namen, maar vooral onder dien van Deenen in gemelde +schriften voorkomende.</p> +<p>Reeds op het jaar 62, wordt van zulk eenen inval der Deenen in +Friesland gesproken, en jaarlijks schijnen zij, tot in 68, hunne +pogingen te hebben herhaald, meer om te plonderen, dan om zich hier te +vestigen. Op het jaar 90 vindt men van eenen inval der Noormannen +gewaagd. Omtrent 183 van eenen dergelijken der Gothen en Wenden. Op 186 +van eenen der Wilten, welke bij die gelegenheid de eerste grondslagen +van Wiltenburg, naderhand de stad Utrecht, zouden gelegd +hebben<a class="noteref" id="xd20e4802src" href="#xd20e4802" name= +"xd20e4802src">30</a>.</p> +<p>Zijn er inderdaad zulke invallen, bloot met oogmerk te plunderen, +geschied, dan mag men daaruit afnemen, dat deze landen minder arm dan +voorheen waren. De netten van eenige visschers, en het weinige vee van +eenige arme landbouwers, kunnen toch de roofzucht van tamelijk +afgelegene volkeren niet, bij herhaling, hebben aangelokt; en wanneer +het waar is, dat men hier, op zijne beurt zich bereidde tot eenen +zeetogt naar de landen dier lastige plonderaars (welken togt, uit +hoofde van een getroffen bestand, achterwege bleef), schijnt zulks +<span class="pagenum">[<a id="pb305" href="#pb305" name= +"pb305">305</a>]</span>eene regering aan te kondigen, die niet geheel +van magt en veêrkracht ontbloot was. Doch wij zullen hier niet +verder in treden, omdat onze bronnen niet zekerder en naauwkeuriger +zijn<a class="noteref" id="xd20e4824src" href="#xd20e4824" name= +"xd20e4824src">31</a>.”</p> +<p class="xsection">§ 7.</p> +<p>Jaren na Chr. 280, 449.</p> +<p>»Inmiddels hadden ook de Saksen zich van een gedeelte van ons +tegenwoordig Nederland meester gemaakt.—Dit volk, welks +oorspronkelijke woonplaats men denkelijk in het tegenwoordige Sleeswijk +en Holstein, over de Elve, langs de Noordzee, en op de eilanden aan de +kust dier zee moet zoeken, schoon het sedert lang zich westwaarts had +uitgebreid, kwam, waarschijnlijk over zee, eerst in Taxandrie (verg. +§ 5), en trad in verbond met de Franken, die hen de bezette +landstreek behouden lieten. Toen de Franken zich zuidelijker op +begaven, hebben de Saksen meerderen hunner landgenooten tot zich +gelokt, en zich meer en meer van de Franken afscheidende, en een +gedeelte hunner vorige woonplaatsen bezettende, eenen Staat op zich +zelven gaan uitmaken. Franken, Saksen en Friezen, waarin de kleindere +natien, die voorheen ook dezen grond bewoonden, versmolten waren, wat +met name van het overschot der voormalige Batavieren <span class= +"pagenum">[<a id="pb306" href="#pb306" name="pb306">306</a>]</span>mag +gezegd worden, die zich met de Friezen vereenigd hebben;—Franken, +Saksen en Friezen bezetteden alzoo het grootste deel van het +tegenwoordige Frankrijk en onze Nederlanden, en naarmate de Saksen +hunne vorige woonplaatsen verlieten, hebben de Friezen zich daarin +uitgebreid.”</p> +<p>»Toen de Franken nog aan de Friezen grensden, werd er een +gedeelte der eerstgemelden, bij zekere gelegenheid, door den +Romeinschen Keizer Probus naar de kust van Pontus overgebragt. Deze +Franken, gedreven door liefde tot den voormaligen grond, verlangden +daarna terug te keeren. Zij maakten zich meester van eenige Romeinsche +schepen, zeilen daarmede door den Bosphoros en den Hellespont tot in de +Middellandsche zee, plunderen de kusten van Asia, Griekenland, de rijke +stad Syrakuse op het eiland Sicilië; zeilen vervolgens door de +straat van Gibraltar, en zoo komen deze stoutmoedige roovers, langs de +kusten van Spanje en Frankrijk, door het kanaal, aan het strand der +Batavieren of aan dat der Friezen. Dit einde van hunnen togt, welke +eene reis om de wereld mag heeten, maakt het waarschijnlijk dat er ook +Friezen onder deze zeevaarders geweest zijn, en dat de eer dier +onderneming, aan welke men zijne bewondering niet kan weigeren, ook +gedeeltelijk aan onze voorouderen toekomt. Van oudsher was +verkleefdheid aan den vaderlandschen grond een hoofdtrek van het +Friesche karakter.”</p> +<p>»Nadat de Saksen de onmiddellijke naburen der Friezen geworden +waren, hebben zij met dezen in verbond geleefd. Ook mag men het +daarvoor houden, dat de lotgevallen der Saksen, bij de Schrijvers der +middeleeuwen vermeld, grootendeels mede die der Friezen geweest +zijn<a class="noteref" id="xd20e4848src" href="#xd20e4848" name= +"xd20e4848src">32</a>, die dan eerst weder met hunnen eigenen naam ten +tooneele verschijnen, nadat de Saksen oostwaarts wijken voor de +Franken, die zich op nieuw tot aan Friesland uitbreiden, en eindelijk +ook daar meester worden.” <span class="pagenum">[<a id="pb307" +href="#pb307" name="pb307">307</a>]</span></p> +<p>»Zoo is het b. v. bij de naauwkeurigste en oordeelkundigste +Geschiedschrijvers zeker, dat er Friezen geweest zijn onder de Saksers +en de met hen vereenigde Anglen (een ander noord-oostelijk volk), die +zich, onder aanvoering van Hengst en Hors, zoo men ze noemt, in 449 of +50 naar Brittanje, het tegenwoordige Engeland, begaven. En hoewel het +nagenoeg zeker is, dat de aanvoerders zelve Saksen waren, komt het ons +voor, dat zelfs het grootste gedeelte dier vreemdelingen uit Friezen +heeft bestaan.”</p> +<p>»Zij waren tot die overkomst uitgenoodigd geworden door de +Britten zelven, die hunne noordelijke grens-naburen, de Schotten en +Pikten, niet wederstaan konden. Van hen en van de dochter van Hengst, +de schoone Ronixa of Rovena, maken zoowel de Britsche kronijken als de +onze gewag.”</p> +<p>»Hier voor pleit ook de overeenkomst van de Engelsche met de +echt Friesche taal, beide dochters der Saksische, naderhand +Anglo-Saksische genaamd, d. i. dier taal, welke de in Brittanje +overgekomene Saksen, Anglen en Friezen spraken. De Britten tot hun +ongeluk te laat beseft hebbende, dat zij nimmer ter beslissing der +twisten op hun eiland, vreemden hadden moeten inhalen, moesten later +die vreemden tot hunne heeren aannemen, of hun vaderland ontwijken. +Velen begaven zich naar een gedeelte van Frankrijk, naderhand naar hen +Bretagne genaamd; de overigen versmolten in de Anglo-Saksen. De +tegenwoordige Engelschen en de Friezen mag men met regt broeders +kinderen heeten. Ware deze les voor de Friezen slechts niet evenzeer +verloren gegaan als voor zoo vele latere volkeren!”</p> +<p class="xsection">§ 8.</p> +<p>J. na C. 468, 496, 555, 562, 605, 628, 631.</p> +<p>»Doch toen de Saksen en Franken elkander wederkeerig te magtig +werden, ontstond er groote vijandschap <span class="pagenum">[<a id= +"pb308" href="#pb308" name="pb308">308</a>]</span>tusschen deze beide +strijdbare volkeren. Toen de Koning der Franken, Childerik, met zijnen +mededinger Egidius (Gilles) om de kroon twistte, kozen de Saksen de +zijde van den laatstgemelde, die hen om bijstand aanzocht. Staatkundig +was het, het verzoek van den zwakste in te willigen, ter vernedering en +verzwakking van den magtigste.—Maar de Saksers streden zoo +ongelukkig, dat zij genoodzaakt waren, zich aan Childerik te +onderwerpen, zelfs hem bij te staan in zijne oorlogen tegen andere +Duitsche volkeren. Daarna weder in oorlog geraakt met Childerik’s +zoon, Klovis, schoten zij ook tegen dezen te kort. Klovis verdeelde, +bij zijnen dood, zijn rijk onder zijne zonen, en dat gedeelte, hetwelk +vervolgens onder Oost-Frankrijk of Austrasie heeft behoord, grensde aan +de Saksen.—Eerst het aandeel van Theodorik I zijnde, geraakte het +later in handen van Klovis’ jongsten zoon, Chlotarius I. Deze met +de Saksen in oorlog geraakt, bragt hun verscheidene nederlagen toe. De +strijd werd telkens hervat, en eindigde met de oplegging eener +schatting aan den vijand, die van den Franken 500 koeijen jaarlijks te +leveren.”</p> +<p>»Evenmin gelukkig waren zij tegen Sigebert I, zoon van +Chlotarius I, en Koning van Austrasie, die hen sloeg aan het Boerdiep, +d. i. de Middelzee, dus in het hart van ons tegenwoordig +Friesland,—tegen Theodebert II en Theodorik II, kleinzonen van +voormelden Sigebert I, Koningen van Austrasie en Bourgonje,—tegen +Chlotarius II, Koning van geheel Frankrijk, en tegen Dagobert I, diens +zoon. Deze laatste schold hun de schatting kwijt, hun door Chlotarius I +opgelegd, mits zij de Slavoniers, een Noordsch volk, dat hem te magtig +was, beteugelden, ’t geen hun echter niet gelukte.”</p> +<p class="xsection">§ 9.</p> +<p>Jaren na Chr. 513, 677.</p> +<p>»Inmiddels hadden de Noordsche volkeren niet stil <span class= +"pagenum">[<a id="pb309" href="#pb309" name= +"pb309">309</a>]</span>gezeten. Nogtans vielen zij met meer zoo bij +voortduring op de Friezen aan als te voren. ’t Schijnt zelfs dat +dezen, of om in den stijl van dien tijd te spreken, de Saksen, hen +hebben bijgestaan tot het doen van eenen inval op het grondgebied van +den reeds vermelden Theodorik I. Toen Dagobert hun de schatting +kwijtschold, was Adgillus I Koning der Friezen. Hem kunnen wij prijzen +als een regtvaardig en edel Vorst. Hij vergunde het prediken van het +alleen zaligmakend Evangelie in deze landen. De heilige Wilfrid, +Bisschop van Jork in Brittanje, kwam van daar herwaarts. Zijne vijanden +aan het Engelsche hof, waartoe de Koning zelf schijnt behoord te +hebben, wanende dat hij naar Frankrijk was gegaan, wisten den +ondeugenden Ebroïn, toen Groot-Hofmeester bij den Koning van +Frankrijk, in hun belang te trekken. Deze schreef aan Adgillus, en +beloofde hem eene aanzienlijke som gelds, bijaldien hij hem den +Bisschop, levendig of dood, wilde overleveren. Adgillus was geen +Christen, maar de oude deugd der Duitschers (der Friezen vooral, zeggen +wij) woonde in zijn hart. Hij deed een’ brief, in +tegenwoordigheid van Wilfrid en zijne medgezellen, en in dien van +Ebroïns gezanten, luide voorlezen; vervolgens nam hij dien, +verscheurde hem, en leverde het overschot der vlam over, de Frankische +afgezondenen den smaad en der schaamte ter prooi latende.”</p> +<p>»Volgens onze kronijken, deed ook Adgillus zekere hoogten of +terpen opwerpen, opdat zich de landzaten daarop bergen mogten tegen de +overstroomingen, welke van oudsher deze landen met wee en jammer +overstelpten<a class="noteref" id="xd20e4885src" href="#xd20e4885" +name="xd20e4885src">33</a>.” <span class="pagenum">[<a id="pb310" +href="#pb310" name="pb310">310</a>]</span></p> +<p class="xsection">§ 10.</p> +<p>J. na Chr. 679, 685, 687, 711, 719.</p> +<p>»De opvolger van Adgillus, Radboud I, (of hij zijn zoon was, +wordt door sommigen, niet zonder grond, betwijfeld) regeerde niet +gelukkig.—Volgens de Kronijken, werd hij zelfs door de Denen +gevangen genomen en naar Denemarken gevoerd; naderhand echter weder +vrij gegeven. Het Frankische Rijk was een tijdlang ter prooi aan +binnenlandsche oneenigheden. Van deze schijnt Radboud zich aanvankelijk +bediend te hebben, ten einde zijn Rijk tot aan den mond der Schelde uit +te breiden. Dit echter wikkelde hem in eenen krijg met de Franken, die +voorlang de Saksen verdreven hadden uit de landstreken, welke Radboud +nu aan zich trok, en er meesters geworden waren.”</p> +<p>»De Koningen der Franken waren thans slechts Koningen in naam, +en de klem van het bewind was in handen (sedert 687) van den +Groot-Hofmeester Pepijn van Herstal, die zich Hertog en Prins der +Franken noemde. Pepijn schijnt Radboud een aanzienlijk gedeelte van +zijn Rijk ontweldigd te hebben, onder anderen Wiltenburg (Utrecht), +’t welk Pepijn vervolgens ten verblijve gaf aan Willebrord, door +den Paus tot Bisschop der Friezen verheven. Pepijn was een ijverig +Christen, en wist het Christendom wonder wel dienstbaar te maken aan +zijne staat- en heerschzuchtige oogmerken. Radboud haatte Pepijn en het +Christendom, hetwelk hem aan Pepijn onderwerpen moest. Daarom +verwoestte hij bij de eerste gelegenheid de beste den nieuwen +Bisschopszetel, doch moest weder voor Pepijn zwichten.”</p> +<p>»Op nieuw werd de prediking in Friesland hervat. Zelfs nam +Radboud’s dochter, Theodesinde of Teutsinda, het Christendom aan, +en werd de echtgenoote <span class="pagenum">[<a id="pb311" href= +"#pb311" name="pb311">311</a>]</span>van Grimoald, zoon van Pepijn. Dit +bewijst duidelijk, dat de zoo magtige Franken evenwel geene kans zagen, +zich de Friezen te onderwerpen, en dat Pepijn uit dien hoofde, zich +door zoodanig eene verbintenis, ten minste tegen hunne vijandschap, +poogde te verzetten.”</p> +<p>»Deze Grimoald werd daarna vermoord door zekeren Rangarius, +welke gezegd wordt tot de lijfwachten van Koning Radboud behoord te +hebben. Daarom wijten sommigen hem, anderen zijner dochter, dien moord. +Doch dit is ver van bewezen, en wij zien inderdaad niet, dat Radboud +enig belang bij den ondergang van Grimoald zoude gehad hebben, eene +reden te minder, om aan die beschuldiging geloof te slaan.—Wel +zegt een onzer Geschiedschrijvers, dat Radboud, die zich immer nog niet +ontzag de Christenen te vervolgen, niet beducht voor de wraak van +Pepijn, wiens jaren hoog geklommen waren, vreezen moest, dat Grimoald +den hoon, zijnen vader aangedaan, zou wreken, en hem daarom uit den weg +moest ruimen; doch wat zou hem dit gebaat hebben, daar Pepijn nog twee +andere volwassen zonen had, door geene echtverbindtenis aan Radboud +verbonden, en van welke hem dus zoodanig eene wraak nog veel meer stond +te vreezen?”</p> +<p>»Om een bewijs te geven, hoe verschillend de latere +Geschiedschrijvers de gebeurtenissen van dien tijd opvatten, en hoe +moeijelijk het daarom is, een overzigt van denzelven daar te stellen, +willen wij, hetgeen op dien moord volgde, op tweederlei wijze +verhalen.”</p> +<p><span class="corr" id="xd20e4913" title= +"Bron: «">»</span>Pepijn, zegt een der beroemdste +hedendaagsche Duitse Geschiedschrijvers<a class="noteref" id= +"xd20e4916src" href="#xd20e4916" name="xd20e4916src">34</a>, bepaalde +hierop, dat Theudoald, Grimoald’s onechte zoon, Hofmeester in +Austrasie zou worden, welke waardigheid alleen Pepijn eigenlijk had +bekleed, hoewel hij ook grooten invloed op de zaaken van West-Frankrijk +<span class="pagenum">[<a id="pb312" href="#pb312" name= +"pb312">312</a>]</span>(Neustrië of Neustrasie) had. Daarop deed +Plectrude, grootmoeder van Theudoald, de zonen van Pepijn bij zekere +Alpheid (of Alphaïda), Karel (Martel) en Hildebrand gevangen +nemen, opdat zij aan Theudoald de waardigheid van Groot-Hofmeester niet +betwisten zouden. Dit kon niet geschieden zonder voorkennis van +Pepijn.—Pepijn stierf. De West-Franken verkozen toen zekeren +Raginfrid tot hunnen Groot-Hofmeester. Daartegen verzetteden zich de +Oost-Franken, met Theudoald aan ’t hoofd. Er viel een veldslag +voor, dien de Neustrasiers wonnen. Theudoald nam de vlugt, en kwam kort +daarna om. Hierop ontkwam Karel Martel zijner gevangenis, en wilde zich +met het Groot-Hofmeesterschap van Austrasie te vreden houden. Ook dit +wilden de Neustrasiers hem niet laten. Nu streed hij dan om het geheel, +en het gelukte hem, Groot-Hofmeester over de beide Rijken, ook Hertog +en Prins te worden. Theudoald was voor het overige ouder dan Karel, die +omstreeks 690 geboren was.”</p> +<p>»Pepijn, zegt een der nieuwere en wijsgeerigste Fransche +Geschiedschrijvers<a class="noteref" id="xd20e4928src" href= +"#xd20e4928" name="xd20e4928src">35</a>, was Groot-Hofmeester over +geheel Frankrijk; eene van zijne grootste zorgen was, alle +onderscheiding tusschen Austrasie en Neustrië te doen verdwijnen; +maar hij was genoodzaakt, die onderscheiding weder op nieuw te maken, +ter gunste van zijne zonen. Toen Grimoald stierf, liet hij eenen zoon +na, Theudoald, oud ongeveer zes jaren. Dezen schonk Pepijn toen het +Groot-Hofmeesterschap van Neustrië. Toen stierf hij. Na zijnen +dood deed Plectrude Karel Martel gevangen nemen,—van Childebrand +(Hildebrand) wordt niet gesproken; dit had Pepijn voorzeker niet +gelast. Daardoor veroorzaakte zij dat Karel, die anders aan Theudoald +het Groot-Hofmeesterschap van Neustrië wel zou gelaten hebben, als +zich met dat van Austrasie kunnende vergenoegen, nu uit wraak, om den +hem aangedanen hoon, hem dat moest <span class="pagenum">[<a id="pb313" +href="#pb313" name="pb313">313</a>]</span>betwisten.—De grooten +van Neustrië, niet door een kind willende geregeerd worden, kozen +Raganfrid. Deze wilde Groot-Hofmeester van het geheele Rijk worden. Het +overige komt met het verhaal van den Duitscher nagenoeg overeen. Alleen +wordt, bij den Franschman, Ramfroy (Raganfrid) eerst na de nederlage +van degenen, die het voor Theudoald opnamen, tot Groot-Hofmeester +verkoren.”</p> +<p>»Zooveel is intusschen zeker, dat Raganfrid, die alleen wilde +heerschen, en eindigde met alles, op één Graafschap na, +te verliezen, naderhand echter zoo verstandig was, zich met hetzelve +tevrede te houden, hetwelk andere overweldigers, die in het eerste zijn +voorbeeld gevolgd hebben, niet deden; dat deze Raganfrid hulp zocht bij +Radboud, dien de Fransche Schrijvers slechts Hertog der Friezen +noemen;—hij mogt geen hooger rang dan Pepijn en Karel hebben. Dit +moet den doodvijand der Austrasiers welkom geweest zijn.—Hij trok +te veld, en overwon Karel, die hem afzonderlijk aanviel. Hij schijnt +zich vervolgens met de Neustrasiers vereenigd te hebben tot het beleg +van Keulen, in welke stad Plectrude zich onthield, die, nadat de +Neustrasiers hadden moeten aftrekken, omdat Karel hen in den rug +dreigde, hem tot den aftogt, door eene aanzienlijke som gelds, +overhaalde.”</p> +<p>»Hiermede was echter de krijg tusschen Karel en Radboud nog +niet geëindigd. Nadat Frankrijk-zelf was bevredigd geworden, +schijnt Radboud, die misschien zijne aanvallen op dat gedeelte van zijn +gebied, hetwelk hem door Pepijn was afgenomen, hernieuwd heeft, nog +eene nederlage aan de Middelzee te hebben geleden, en dien ten gevolge +op nieuw de prediking van het Christendom door geheel Friesland te +hebben moeten toestaan. Daarna verklaarde hij zich zelfs bereid den H. +Doop te ontvangen. Toen echter Wulfram, laatstelijk Bisschop van Sens, +gereed stond, hem dien toe te dienen, en hij bereids met den +éénen voet in de doopvonte stond, vroeg hij den Bisschop, +of hij zijne voorvaderen en de verstorvene Friesche Edelen ook in den +<span class="pagenum">[<a id="pb314" href="#pb314" name= +"pb314">314</a>]</span>hemel hervinden zoude? Wulfram’s onbedacht +antwoord: dat die in de hel waren, als ongedoopten, deed hem, onder het +zeggen, dat hij liever met zijne voorvaderen en vrienden in de hel, dan +met aan hem onbekende Christenen in den hemel zijn wilde, den voet +terugtrekken.”</p> +<p>»Volgens anderen zou dit al onder Pepijn zijn voorgevallen. +Sommigen verklaren de geheele gebeurtenis, welke den inborst van +Radboud nogtans volkomen kenschetst, voor eene fabel.”</p> +<p>»Kort daarop kwam Radboud te sterven.”</p> +<p class="xsection">§ 11.</p> +<p>J. na Chr. 734, 738, 744, 746, 754 of 755.</p> +<p>»Wie hem opvolgde, is niet geheel zeker; sommigen zeggen, zijn +zoon Adgillus II, anderen, zekeren Poppo. Misschien is het Radboud I +mogelijk geweest, zijn gebied, op het voorbeeld der Frankische +Koningen, onder zijne kinderen te deelen, en dan zal hij +Oost-Friesland, het land der groote Friezen, aan zijn oudsten zoon, +Adgillus II, en wat hem van het overige gebleven was (Noord-Holland), +aan diens broeder Poppo gegeven hebben.”</p> +<p>»Poppo oorloogde met Karel Martel. De twistappel, hetgeen den +Frieschen Koningen van het voormalig land der kleine Friezen ontnomen +was, was voorhanden. Poppo is waarschijnlijk in dien strijd gesneuveld, +zonder dat de Friezen meer gronds verloren; zijn broeder erfde zijn +Rijk, en verdeelde bij zijnen dood hetzelve weder onder zijne zonen, +Gondebald en Radboud II.”</p> +<p>»De laatste bekwam West- de eerstgemelde +Oost-Friesland.”</p> +<p>»Gondebald was een vreedzaam Vorst; maar Radboud II had den +aard en de denkenswijze van zijnen voorzaat van gelijken naam, en +bovenal diens afkeer van het Christendom overgeërfd. Met de Saksen +verbonden, beoorloogde hij Karoloman en <span class="pagenum">[<a id= +"pb315" href="#pb315" name="pb315">315</a>]</span>Pepijn den Korte, +zonen en opvolgers van Karel Martel, maar zonder vrucht. Daarentegen +stond hij zijn’ broeder, Pepijn, bij tegen de Saksen. Het schijnt +op aandrijving van Radboud geweest te zijn, dat de vrome Bonifacius, +Aartsbisschop van Maintz, het Christendom verkondigende, in het gebied +van Gondebald, omtrent het toenmalige vlek Dokkum, door de ongeloovige +Friezen vermoord is geworden. Althans Pepijn, toen reeds Koning der +Franken, heeft dien moord op hem gewroken, of dien, tot voorwendsel om +hem op nieuw te beoorlogen, genomen. Radboud moest de vlugt naar +Denemarken nemen, en misschien heeft hij zich toen eenigen tijd op het +eiland Helgoland opgehouden, en aldaar de afgodendienst in al haren +vorigen luister hersteld. Ook zou het kunnen zijn, dat Gondebald eerst +toen, na het vertrek van Radboud, de kroon verkregen heeft, en dat de +laatstgemelde tot dien tijd toe alleen in Friesland geheerscht had. In +dit geval zouden wij onderstellen mogen, dat Radboud de oudste zoon van +Adgillus II geweest is.”</p> +<hr class="tb"> +<p>Tot dusverre het Overzigt van den heer <span class="sc">v. +Halmael</span>, uit al de Geschiedschrijvers bijeengebragt en met zijn +eigen oordeel verrijkt. Het verschil in de jaren, waarin de +gebeurtenissen worden vermeld, is bij vele Schrijvers zeer opmerkelijk; +dan een opzettelijk onderzoek hierover, zou voor ons doel van weinig +nut zijn.—Wij zullen liever de korte geschiedenis van Radboud tot +aan zijnen dood vervolgen.</p> +<p>In den jare 768 stierf Pepijn, nalatende drie zonen, Karloman, Karel +en Gilles; welke beide eersten, daar de laatste tot den geestelijken +stand was opgebragt, het rijk verdeelden. Karloman viel Oost-Frankrijk +en Karel Friesland ten deel. Karel, door zijne regtschapenheid, vele +deugden en groote kundigheden, verwierf zich te regt den naam van +<i>den <span class="pagenum">[<a id="pb316" href="#pb316" name= +"pb316">316</a>]</span>Grooten</i><a class="noteref" id="xd20e4976src" +href="#xd20e4976" name="xd20e4976src">36</a>; maar zijne onrustige +broeder, wien twist en tweedragt liever was dan rust en vrede, +vervolgde hem steeds als een vijand. Dan slechts drie jaren werd hem +daartoe gegeven, want toen stelde de dood paal en perk aan deze +kwelling. Karel werd nu ook als Koning van Oost-Frankrijk erkend.</p> +<p>Radboud, de bittere vijand zoowel der Christenen als der Franken, +was in Friesland teruggekeerd, algemeen weder tot Koning erkend, en +begon zijnen woesten aard en wreede vervolging weder vrijen teugel te +vieren. Hij vereenigde zich met der Saksen Koning of Hertog Witekind, +ten einde Karels magt te fnuiken en op den troon te blijven. Meer dan +eens moest hij echter het onderspit delven, tot hij eindelijk gedrongen +werd weder naar de Denen de wijk te nemen. Een paar jaren daarna, +(gelijk sommige Schrijvers beweren) tijdens den togt van Karel naar +Spanje, waarin alwat Frankenland groot en edels opleverde, tot volkomen +nederlaag en vernieling werd gebragt, kwam de nog woelzieke Radboud in +Friesland, en hernam het bewind, doch slechts voor twee jaren +lang.—Karel’s legertroepen joegen den woesten Fries weder +naar Denemarken, zijn toevlugtsoord, alwaar hij in ballingschap zal +gestorven zijn. Geene zekere, zelfs flaauwe narigten van zijn +levenseinde, zijne familie of kinderen is aan de nakomelingschap +overgebragt.</p> +<p>In Oost-Friesland zijn nog overblijfselen uit den ouden tijd +aanwezig, zoo als de Kon-Rebberts- en Rabboltswegen, de Rabboltsbergen +en een deel van <span class="pagenum">[<a id="pb317" href="#pb317" +name="pb317">317</a>]</span>de heerbaan in Groningerland, welke +Radbodiweg genoemd wordt<a class="noteref" id="xd20e4988src" href= +"#xd20e4988" name="xd20e4988src">37</a>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb6" class="pageref">6</a>.</p> +<p>Over het <i>Friesche Wapen</i> meenen wij te mogen aanmerken, dat, +wanneer men het oude Wapen van Friesland, voorkomende bij <span class= +"sc">Winsemius</span>, <span class="sc">Hamconius</span> en anderen, +voor het familiewapen der Friesche Koningen houdt, de geschiedenis +hiermede in strijd is, als den oorsprong der Familienamen en Wapens uit +de tijden der Kruistogten, aangevangen in 1096, vermeldende; terwijl de +laatste Koning, Radboud II, omtrent den jare 775 de kroon verloor, en +waarschijnlijk kort daarop is gestorven. Sommigen hebben echter +beweerd, dat de oorsprong der Wapens reeds bij de oude Germanen te +zoeken zij; doch hoewel de schilden der voornaamste krijgshelden onder +hen werden beschilderd en versierd, vindt men geen bewijs voor de +regelmatige zamenstelling en afwisseling van kleuren naar bepaalde +regels, of van eenige figuren tot kenteeken aangenomen. Hebben de +Friezen, voor dat zij met de Romeinen bekend waren, vanen gebruikt, het +blijkt nergens uit, dat deze met figuren zouden zijn voorzien geweest; +en van de Romeinen konden zij die niet overnemen, daar deze wel effen +gekleurde en met goud gestikte vanen bezigden; doch van regelmatige +wapen-figuren vindt men niet vermeld<a class="noteref" id= +"xd20e5013src" href="#xd20e5013" name="xd20e5013src">38</a>. +<span class="pagenum">[<a id="pb318" href="#pb318" name= +"pb318">318</a>]</span></p> +<p>Het oude Friesche Wapen heeft zeer veel overeenkomst met die +wapenschilden, welke sedert de Kruistogten in gebruik kwamen, en dit +versterkt de meening, dat het niet van Friso’s tijd af als +Landswapen of als veldteeken is gevoerd.—<span class= +"sc">Hamconius</span> zegt, dat van Friso af tot Beroald het Wapen +bestaan hebbe uit een azuren schild, waarop drie zilveren balken, op +welke zeven roode plompebladeren (niet pompelbladeren, zegt +<span class="sc">Dodonaeus</span>) geplaatst waren.—Van Beroald +tot Radboud II werden er een balk met vier bladeren bijgevoegd, +zoodanig als Beroald het veranderde, toen hij, de dochter van Koning +Ridzard gehuwd hebbende, na den dood zijns schoonvaders Oost- en +West-Friesland vereenigde.—<span class="sc">Suffr. Petri</span> +plaatst de plompebladeren <i>tusschen</i> de balken en niet <i>op</i> +dezelve, strijdig met de regelen der Wapenkunde, welke niet toelaten, +dat men kleuren op kleuren, maar wel kleuren op metalen plaatst, gelijk +men dit bij de Schrijvers over de Heraldie zal vinden.—Koning +Haron zoude vroeger aan de Hertogen van West-Friesland een Wapen +gegeven hebben, met slechts één zilveren balk en vier +roode plompebladeren in het blaauwe schild.—Met de regering van +Karel den Groote kwamen de leeuwen en blokjes in het Landswapen.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb7" class= +"pageref">7</a>.—A<sup>o</sup> 245.</p> +<p><i>De Friesche Pateele en de Friesche Hoorn</i>. <span class= +"sc">Winsemius</span>, <i>Chron.</i> fol. 12, spreekt niet +uitdrukkelijk van de eigenlijke <i>Pateele</i> als door Adel ingesteld, +maar wel van de vriendenmaaltijden en andere bijeenkomsten, waarop men +zich, ook op Duitsche wijze, aan de dronkenschap overgaf: iets dat aan +geen tijdvak zeer vreemd is. Echter werd er spoedig <span class= +"pagenum">[<a id="pb319" href="#pb319" name="pb319">319</a>]</span>bij +de feesten een ceremonie- of zedemeester aangesteld, wien bij het +drinken vooral het toevoorzigt was gegeven. De kantteekening van +<span class="sc">Wins.</span> ter a. p. luidt: »<i><span class= +"ex">Die Vriesche Hoorn inghestelt met den +Schuttel.</span></i>”—Deze <i>Pateele</i> of schotel zou +uit dertien of veertien verschillende geregten bestaan hebben, en de +<i>Hoorn</i> een gewone stierenhoren geweest zijn. Wie nu de +geschiedenis van Adel voor eene fabel houden, beweren, dat de Friezen +het gebruik van uit Horens te drinken van de Denen en Noren hebben +overgenomen.—Dan stellig is het, dat het gebruik in overouden +tijd bestond; als ook, dat men later de Horens niet meer van gemeene +stieren, maar van Ur-ossen genomen heeft, dezelve zeer versierde en met +goud en zilver prachtig liet beslaan.—In de onuitgegeven +<i>Kronijk</i> van <span class="sc">Worp van Thabor</span>, Lib. I. +cap. 2, wordt hierover uitgewijd. Zie <span class= +"sc">Hamconius</span>, <i>Frisia</i>, fol 8; <span class= +"sc">Gabbema</span>, <i>Verh. van Leeuw.</i>, bl 13; <span class= +"sc">Alkemade</span>, <i>Displegtigheden, II</i>. 408 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb7" class= +"pageref">7</a>.—A<sup>o</sup> 245.</p> +<p><i>Adelingen.</i> Ofschoon er reeds in de vroegste tijden, en +welligt in Friesland vroeger dan elders, een stand van mannen bestond, +die men <i>Edelen</i> noemde, is het echter niet aannemelijk, dat zij +hunnen naam van dien van Prins Adel hebben ontvangen. Immers de +afleiding van het woord spreekt het tegen. Het zij voldoende, uit +meerderen hier het aangevoerde van de kundige en schrandere Vertalers +en Aanteekenaren op de <i>Oude Friesche Wetten</i> aan te halen, en als +het meest aannemelijk denkbeeld na te volgen. Aldaar, op bl. 132, lezen +wij: »Waar in het weezen van den Adel, onder de Duitsche volken, +bij ouds bestaan hebbe, kan met geen volkomen zekerheid bepaald +worden.—<span class="sc">Leibnits</span> (<i>Excerpt. +Mejerian.</i> p. 289) en <span class="sc">Gærtner</span> (<i>ad. +L. L. <span class="pagenum">[<a id="pb320" href="#pb320" name= +"pb320">320</a>]</span>Sax.</i> p. 21.) leiden het woord <i>Edelman</i> +af van het over oud woord <i><span class="ex">ot</span></i> of +<i><span class="ex">od</span> predium</i>, <i>possessio</i>, [een goed, +hetzij op het land of in de stad; bezit] (waar van <i><span class= +"ex">allod</span></i>), zoo dat <i>Edelman</i> zooveel zoude zijn als +<i><span class="ex">odelman</span></i>, <i>predii vel pagi +possessor</i>, [groot goed- of landbezitter] en stellen op dien grond +het oorspronglijk weezen van den Adel in de bezitting van aanzienlijke +vaste goederen.”—<span class="sc">Wachter</span> en anderen +stellen het wezen van den Adel in hooge geboorte; doch altijd blijft de +vraag, hoe de eerste edelman in de wereld gekomen zij.</p> +<p><i><span class="ex">Adel</span></i> dus van <i>od</i>, <i>ode</i>, +<i>ade</i>, <i>ede</i><a class="noteref" id="xd20e5200src" href= +"#xd20e5200" name="xd20e5200src">39</a>, <i>grond</i>, <i>bezitting</i> +afkomstig, zoo is <i>Edele</i>, <i>Edelman</i> oorspronkelijk een +grondbezitter. Daar nu deze Edellieden, als de aanzienlijkste personen, +natuurlijke voorregten genoten, tot hooger ambten en vooral tot hoogere +rangen in de krijgsdienst werden verkozen, hadden zij ook, in de +vroegste tijden namelijk, over hunne minderen het beheer en bestier, +zelfs eigene regtspleging en vrij gebied. In lateren tijd echter werden +er algemeene bepalingen, blijkbaar uit de alleroudste Friesche wetten +(<i>Lex Frisionum sive antiquae Frisiorum leges</i>) gemaakt, waaraan +de Edelen zich moesten houden. De afstammelingen der grondbezitters, +rijksten, traden, hoewel niet regtens, in de voorregten der ouders, met +het ontvangen van het ouderlijk erfdeel (<i>Ethel</i>, in ’t +Oud-Friesch). De rijken evenwel, die zich goederen aankochten, werden +niet onder den Adelstand opgenomen, omdat hunne voorouders niet onder +de Edelen hadden behoord: zoodat al zeer vroeg de Adel zijn voorregt +aan geboorte toekende.—Destijds bestonden nog bij den alouden +Frieschen Adel geene brieven, wapenen of teekenen van Adeldom, daar +deze eerst in de XI of XII eeuw in gebruik zijn gekomen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb321" href="#pb321" name="pb321">321</a>]</span></p> +<p>Ten tijde van den regerenden Vorst, Hertog Georg van Saxen, (1505) +werd op diens last een register van den Frieschen Adel +opgemaakt<a class="noteref" id="xd20e5243src" href="#xd20e5243" name= +"xd20e5243src">40</a>, in hetwelk de in de Grietenijen aanwezige +Edelen, met de wegens oorlogen of onlusten afwezigen, werden +opgeschreven. Hierdoor mogen wij vooronderstellen, dat van dien tijd af +de wezenlijke erkenning van den Adel heeft plaats gehad, en ook de +bepaalde erfopvolging is begonnen. De Friesche Adel onderscheidde zich +alzoo van die van andere landen, daar de eerste ten gevolge van vrij en +onafhankelijk bezit van goederen tot dien stand was verheven, terwijl +de andere ten gevolge van landgoederen, van zijnen Vorst ontvangen, +daartoe geraakte; ook werden er soms door den Vorst, zonder dit, in den +adelstand ingelijfd, dat is, in diens voorregten gelijk gesteld. Zoo +had men dan ook in Friesland niet de verdeeling in bijzondere rangen, +als Graven, Hertogen, Baronnen en Heeren,<a class="noteref" id= +"xd20e5252src" href="#xd20e5252" name="xd20e5252src">41</a>, maar +alleen den rang en titel van <span class="ex">Friesch Edelman</span>, +den hoogsten rang en titel, welken men voeren kon en wilde. Echter +verkoos men in den eersten tijd zich Raden, Hoofden en Aanvoerders in +oorlog en vrede, die dan <i>Heerschappen</i> en <i>Hovelingen</i>, en +in de steden, bepaaldelijk <i>Oldermannen</i> genoemd werden. Deze +posten bleven ook in de familiën.</p> +<p>Onder de regering van Keizer <span class="sc">Lotharius II</span> , +omstreeks den jare 1125, bestond er tweederlei Adel,—de +<i>Hoogere</i>, die onmiddelijk onder den Keizer was gesteld, en de +<i>Lagere</i>, die onder Hertogen en Graven behoorde te staan. Dan de +Friesche Edellieden wilden geene Hertogen of Graven van Friesland +<span class="pagenum">[<a id="pb322" href="#pb322" name= +"pb322">322</a>]</span>erkennen, maar alleen onder de oppermagt des +Keizers staan, even als hun land. Leenmannen te wezen was hun een +ondragelijk denkbeeld, even als het voorregt uit vorstengunst +gesproten, en zoo was dan ook de alleen begeerde titel van Friesch +Edelman geen mindere, dan die van Graaf en Hertog. Het gebruik bij den +Adel, om zich naar hunne landerijen en kasteelen te noemen, was in +Friesland minder algemeen, daar men voor geslachtsnaam veeltijds den +voornaam zijns Stamvaders nam. Men leze <span class="sc">v. +Halmael’s</span> <i>Oersicht oer Frieslâns Schijdnis</i>, +§ 24: <span class="ex">Friesch Jierboeckjen</span>, 1833. Vergel. +voorts het vertoog van Jonkheer <span class="sc">M. Hettema</span> over +den <i>Oorsprong van den Frieschen Adel</i>, voorkomende in het +<i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant</i> van den 27 November 1832; de +<i>Narede</i> van den Heer <span class="sc">v. Halmael</span> achter +zijn <i>Treurspel Ats Bonninga</i>; <span class="sc">F. Sjoerds</span>, +<i>Beschr. v. Friesland</i>, I. 470; <span class="sc">Wakker van +Zon</span>, zijn Boekje getit. <i>de Adel, door</i> <span class= +"sc">Anonymus Belga</span>, p. 16. volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb10" class= +"pageref">10</a>.—A<sup>o</sup> 59.</p> +<p>Over den Afgod <i>Stavo</i>, denzelfden met <i>Thor</i>, leze men +<span class="sc">Westendorp’s</span> <i>Verhandeling over het +gebruik der Noordsche Mythologie</i>, (in de Nieuwe Werken van de +Maatschappij der Nederl. Letterk. II. D. 1 St.) p. +29–33;—en vergelijke <i>Oudh. en Gest. van Vriesl.</i> I +283–285 en 485.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb12" class= +"pageref">12</a>—A<sup>o</sup> 4.</p> +<p><i>’t Roode Klif</i>. Al de wonderen van het Roode Klif, nabij +Stavoren, met en zonder het bestuur des Duivels, alhier en vervolgens +vermeld, kunnen wij op geenen goeden grond den waarheidlievenden Lezer +<span class="pagenum">[<a id="pb323" href="#pb323" name= +"pb323">323</a>]</span>aanbevelen. Echter willen deskundigen, na +ontdekking en onderzoek van eene soort van lava in den grond aanwezig, +het denkbeeld niet verwerpen, dat het Klif een vulkaan van minderen +rang is geweest, of ten minste daarvan eigenschappen heeft +gehad.—Over de menschenoffers in Friesland gebruikelijk, zie de +<i>Aant.</i> op ’t jaar 700.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb13" class= +"pageref">13</a>.—A<sup>o</sup> 29.</p> +<p>Deze <i>Holle</i>, <i>Olennius</i>, was Hoofdman eener Keurbende, en +Landvoogd van wege de Romeinen over Friesland. <span class="sc">F. +Sjoerds</span> (<i>Jaarb.</i> I. 128) noemt hem »een gemeen +persoon onder de <i>Voorpyllenaars</i>”<a class="noteref" id= +"xd20e5409src" href="#xd20e5409" name="xd20e5409src">42</a>.</p> +<p>De verklaring van <i>Holle</i> of <i>Hollo</i>, naar de Friesche +taal Hoofd, Hoofdman, vindt men bij <span class="sc">Hamc.</span> +<i>Fris.</i> p. 11, en bij <span class="sc">S. Petri</span>, <i>de +Frisior. Antiq. et Orig. Lib. I. Cap. IX</i>, welke laatste hem, echter +verkeerd, een Fries van afkomst noemt.—<i>Diocarus</i> ontving +eerst, volgens de kronijken, na de overwinning op de Romeinen den naam +van <i>Segon</i>. <span class="sc">Hamc.</span> I. I.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb13" class= +"pageref">13</a>.—A<sup>o</sup> 29.</p> +<p><i>Omtrent het woud Baduhenne</i>. Over den oorsprong en ligging van +dit in de Vaderlandsche Geschiedenis beroemde heilig woud is verschil +ontstaan, zoo als natuurlijk volgen moet, wanneer geene de <span class= +"pagenum">[<a id="pb324" href="#pb324" name= +"pb324">324</a>]</span>minste narigten uit de oudheid overblijven. Er +pleit echter meer voor, dat deszelfs ligging in de Wouden dan bij +Franeker geweest zij. Even zoo is het onzeker welke Godheid, aldaar +vereerd, door <i>Baduhenna</i> wordt aangeduid. Ook de Oudheidkenner +<span class="sc">Westendorp</span> heeft het onbeslist gelaten in zijne +genoemde Verhandeling. <span class="sc">v. Halmael</span>, in het +voorberigt voor zijn Treurspel <span class="sc">Adel</span> en +<span class="sc">Ida</span>, zegt<span class="corr" id="xd20e5496" +title="Bron: .">:</span> »De naam van het woud <i>Baduhenna</i> +is voorzeker door <span class="sc">Tacitus</span> verlatijnd. Wanneer +men er den uitgang <i>enna</i> of <i>henna</i> (dien wij, hoewel +misschien anders gewijzigd, ook in den naam <i>Nehalennia</i> +ontmoeten,) afwerpt, heeft <i>Badu</i> genoegzame overeenkomst met +<span class="sc">Balder</span>, om de onderstelling te rechtvaardigen, +dat <i>Baduhenna</i> een aan <span class="sc">Balder</span> geheiligd +woud was.” Dit komt ons geenszins vreemd voor, daar ook de +vereering van den in de Scandinavische godenleer zeer bekende Godheid +<span class="sc">Balder</span>, zoon der Godinne <span class= +"sc">Frigga</span>, voornamelijk en welligt uitsluitend tusschen den +Rijn en den Wezer plaats had, en aldaar in hoogen rang en van groot +gezag was.—Dat er in Friesland gewijde bosschen zijn geweest, is +buiten twijfel; jammer maar dat hunne ligging niet is nagespoord +geworden, en dit, met zoo vele andere zaken, voor een nageslacht +bewaard blijft, ’t welk alsdan in zijne nasporingen misschien +niets meer ontdekken zal, dan dat het eenige eeuwen te laat gekomen +is!—Vergel. <span class="sc">West.</span> zijne uitstekende +<i>Verh. over het gebruik der Noordsche Mythologie</i>. <span class= +"sc">Halma</span>, <i>Toneel der Vereenigde Nederlanden</i>, enz.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb15" class= +"pageref">15</a>—A<sup>o</sup> 59.</p> +<p><i>Vryt</i> of <i>Verritus en Malorix</i>,—of Maloriges. In de +Jaarboeken van <span class="sc">Tacitus</span>, het dertiende, is het +voorval dezer beide gezanten, welke hij regerende Vorsten noemt, in +zijne bijzonderheden omschreven, <span class="pagenum">[<a id="pb325" +href="#pb325" name="pb325">325</a>]</span>bepaaldelijk vermeldende +hunne vrijmoedigheid, toen zij in den schouwburg meer met de +aanschouwers dan met het spel zich bezig hielden, en van zitplaats +veranderden, om zich in het Raadsheerlijk gestoelte neder te zetten, +onder de afgezanten van andere volken, die men wegens trouw en +vriendschap bijzonder eer bewees. Deze aloude opregtheid, zoo als men +het noemde, beviel niet alleen aan het publiek, maar ook den Keizer +Nero zoo wel, (wien in eene kwade luim zulk een gedrag weleens zeer +mishaagd konde hebben) dat hij den Gezanten het belangrijk burgerregt +te <i>Rome</i> schonk.—Van de bekeering in den tekst vermeld, ook +bij <span class="sc">Winsemius</span> geboekt, wordt bij <span class= +"sc">Tacitus</span> niet gewaagd, zoo als het ook niet voor waarheid +wordt aangenomen, onder anderen door <span class="sc">Harkenroht</span> +in zijne <i>Oostfr. Oorsprongkelykheeden</i>, p. 24 en 29, dat Verritus +en Malorix, of zoo als zij anders mogen geheeten hebben, uit de +adellijke geslachten der <i>Hermana’s</i> en +<i>Cammingha’s</i> gesproten zijn, ’t welk door +<span class="sc">Suffr. Petri</span> en <span class= +"sc">Hamconius</span> wordt beweerd.—<span class="sc">P. +Nota</span>, in zijn <i><span class="corr" id="xd20e5599" title= +"Bron: Aanhanzel">Aanhangzel</span> betreffende de Oudheden van +Berlikum</i>, p. 79 in de noot, vermeent, in de woorden van +<span class="sc">Tacitus</span> de bevestiging te vinden, dat +<span class="sc">Verr.</span> en <span class="sc">Malor.</span> geene +Friesche maar Duitsche gezanten geweest zijn. Maar waarom kunnen zij +niet enkel Leidslieden van de uittrekkende Friezen geweest zijn, en een +ander Koning of Vorst der teruggeblevenen? Deze gebeurtenis, zegt +<span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> p. 15, behoort niet tot de +geschiedenis der Groote Friezen.</p> +<p>Betrekkelijk deze namen vinden wij bij <span class="sc">A. +Ypeij</span>, <i>Geschied. der Nederl. Tale, I.</i> D. bl. 161 noot, +onder de bewijzen, dat de oude Friezen vele namen met hunne buren +gemeen hadden, en er dus eene groote wederzijdsche gemeenschap van volk +en taal bestond, ’t navolgende: »Reeds onder de oudste +Vriezen schijnen er zulke algemeene namen in gebruik te zijn geweest. +Zulks toch mag men opmaken, uit de namen van twee <i>Vriesche</i> +gezanten van <i>Rome</i>, onder <span class="sc">Nero</span>, welke +<span class="sc">Tacitus</span> voor ons bewaard heeft, namelijk +<span class="sc">Verritus</span> en <span class="sc">Malorix</span>. +<span class="pagenum">[<a id="pb326" href="#pb326" name= +"pb326">326</a>]</span><i>Ann. Lib.</i> XIII C. 54. Indien ik mij niet +bedriege, waren dit, de nog bekende namen <span class= +"sc">Gerrit</span> en <span class="sc">Maurik</span>. De V toch, gelijk +wij weten, verandert ligtelijk in G, en de L in U. Gelijk de +Nederlanders in het algemeen van <span class="sc">Gerrit</span>, hun +<span class="sc">Geert</span> hebben, zoo hebben, naar het schijnt, de +Vriezen bijzonderlijk van <span class="sc">Maurik</span> hun +<span class="sc">Murk</span> gemaakt.”</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb16" class= +"pageref">16</a>.—A<sup>o</sup> 59.</p> +<p><i>Op ’t Oude Hof te Lewerden.</i> <span class="sc">Cappidus +van Staveren</span>, <span class="sc">Suffr. Petri</span> en +<span class="sc">Hamconius</span> zeggen, dat reeds voor Christus +geboorte <i>Leeuwarden</i> onder den naam van <i>Aula Dei</i>, dat is +Gods-Hof, bekend was, alwaar het opperhoofd der Druiden, Barden of +Priesters was gesteld. Hier was de leerschool van de Friezen, en +genoten zij onderwijs in de godsdienst, wetenschappen en wijsbegeerte. +Dit gesticht zoude te Oldehove gestaan en uitstekende mannen hebben +voortgebragt. Latere schrijvers verwerpen dit denkbeeld geheelenal. Wat +er van zij is moeijelijk op te sporen, nog moeijelijker te beslissen. +Verg. <i>Oudhed. en Gesticht.</i> I. 283, alwaar de kundige vertaler, +<span class="sc">v. Rhyn</span>, in den geest van <span class= +"sc">Emmius</span> steeds tot verwerpen genegen van de oude kronijken, +ook geen geloof daaraan hecht. Over de goden- en geloofsleer der +Druiden, hun priesterschap, beheer, en hun bestaan in het oude Friesche +Rijk, vergelijke men de meergemelde <i>Verhand.</i> van <span class= +"sc">Westendorp</span>, <i>over de Noordsche Mythologie</i>, p. 319 +volgg. en 331 volgg.—<span class="sc">v. Wijn</span>, <i>Huisz. +Leven, I.</i> 8, en <i>Hist. Avondst. I.</i> 123, zegt, dat de Germanen +en dus ook de Friezen geene Druiden of Barden gehad hebben: het +tegendeel wordt door <span class="sc">West.</span> bewezen;—zie +bl. 287 onzer Aanteekeningen.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb17" class= +"pageref">17</a>.—A<sup>o</sup> 94.</p> +<p><i>De Noormannen.</i> In dezen tijd, en gedurende <span class= +"pagenum">[<a id="pb327" href="#pb327" name="pb327">327</a>]</span>vele +eeuwen later, werd Friesland van tijd tot tijd door de Noren en Denen +vreeslijk geteisterd en geplonderd. Menigmalen behaalden de Friezen +eenen triomf op dezelven; doch ook dikwijls leden zij bloedige +nederlagen. <span class="sc">Ocko van Scharl</span> spreekt reeds van +eenen sterken inval op den jare 62, wanneer de Deensche Koning door +sommige Oostersche volken zou opgehitst zijn. In het jaar 69 wil men +dat de Friezen, het jaarlijks rooven, plunderen en moorden moede, eene +groote krijgsmagt naar Denemarken zonden, om ze in hun eigen land te +bevechten, dan storm en onweer hadden dezen togt belet. In ’t +volgend jaar echter sloten zij met den Koning een bestand, ’t +welk, hoe wonder ook, volkomen stand gehouden heeft tot den bepaalden +tijd. Deze boven bedoelde inval der Noormannen, welke anderen op den +jare 90 stellen, schijnt zeer geweldig geweest te zijn, en uit hoofde +van den weinigen wederstand aan deze zijde, daar de meeste Friezen in +Romeinsche dienst afwezig waren, hadden zij tijd en gelegenheid zich +aan moord en roof ter kele toe te verzadigen. <span class= +"sc">Picardt</span>, in zijne <i>Annales Drenthiae</i>, spreekt ook +alzoo van dit feit.—Zie de noot p. 305. <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 197.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb17" class="pageref">17</a>.</p> +<p><i>Onder zeven <span class="sc">Hertogen</span>.</i> Het algemeen +gevoelen is, <span class="corr" id="xd20e5771" title= +"Bron: dat men onder die">dat die</span> waardigheid van <i>Hertog</i>, +met welken titel thans dien van <i>Prins</i>, in navolging der naburige +volken, verwisseld werd, niet in eenen Hoogvorstelijken of Koninklijken +staat en magt bestaan hebbe, maar dat de Hertogen, Heervoerders, +Krijgsoversten of Opperbevelhebbers waren, aan welken het bestuur en +beleid des oorlogs, met alwat daartoe behoorde, was opgedragen. +<span class="pagenum">[<a id="pb328" href="#pb328" name= +"pb328">328</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb22" class= +"pageref">22</a>.—A<sup>o</sup> 248.</p> +<p><i>Dokkenburg.</i> Deze verklaring is zeer juist. Bij <span class= +"sc">Kiliaan</span> vinden wij <span class="sc">Docke</span>, +<i>(vetus) navale</i>: waaronder verstaan wordt: <i>stabulum</i> of +<i lang="la">armamentarium</i>, ligplaats der schepen, d. i. haven. Ook +bij denzelfden <span class="sc">Docke</span>, <i><span class= +"ex">Germ.</span> poppe</i>: en in den <span class= +"sc">Theutonista</span>, <i>Dock</i> of <i>Pupp, pupa, pupulla, +popje</i>.—<i><span class="ex">Docke van Stro</span></i>.</p> +<p>Over de stichting dezer stad zullen wij niet uitweiden; zij is na +Stavoren de oudste, en in allen opzigte zeer merkwaardig geworden. Men +leze hierover de <i>Oudheden en Gestichten</i>, <i>I.</i> 404, met de +aanmerkingen van <span class="sc">v. Rhyn</span>, die met <span class= +"sc">Emmius</span> de hooge oudheid betwijfelt. Wat voorts derzelver +geschiedenis betreft, zeer belangrijk is, om herlezen en vergeleken te +worden, de <i>korte Geschiedenis der stad Dokkum voor den Vrede van +Munster</i>, voorkomende in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder +Courant</i> van den 6 Julij 1830; alsmede de beide stukken in dezelfde +Couranten van 2 en 9 Maart te voren, ter verdediging strekkende tegen +de dikwijls kleingeestige en dwaze aanvallen tegen <i>Dokkum</i> en +deszelfs bewoners, vooral van lieden wier spelend vernuft zich door +duizend vervelende herhalingen van vroegere aardigheden tracht staande +te houden. In die stukken is eene naauwkeurige opgave der groote en +beroemde mannen, die <i>Dokkum</i> heeft opgeleverd, te vinden.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb23" class="pageref">23</a>.</p> +<p><i>In den jaare 289</i>,—of omstreeks dezen tijd, toen +Constantius Chlorus, door Keizer Diocletianus tot den rang van Roomsch +Koning verheven, Galliën met zijne grensprovincien onder zijn +gebied verkregen, en de Franken, Saksen en Friezen in Batavien had +overheerd, werden er velen door hem omgebragt, anderen verplaatst, +gevankelijk weggevoerd, in het Romeinsch leger ingelijfd, of tot harde +slavendiensten <span class="pagenum">[<a id="pb329" href="#pb329" name= +"pb329">329</a>]</span>vernederd. Uit verbittering en tot +weêrwraak moesten nu de Friezen, Overrijnsche Franken, Cauchen, +Chamaven en Bructeren in vereenigde magt, van den winter en den +digtgevrozen Rijn gebruik maken, om Constantius en zijn heir te +overvallen. Dan het goed krijgsgeluk diende hen niet zoo gunstig als +onze kronijk vermeld; de dooi viel in, het eiland werd door de Romeinen +omsingeld, de Friezen ingesloten, vermoord of gevangen, en nog dieper +onder ’t juk gebragt. Daarna is er met hen een verbond +gesloten.—<span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> p. +30.—<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 225 +volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb24" class="pageref">24</a>.</p> +<p><i>Omtrent den jaare 312</i>, enz. De kronijkschrijvers verhalen, +dat omstreeks dezen tijd door vijf aanzienlijke Edellieden, +West-Friesland (d. i. de landen ten westen het Flie) is bevolkt en +bebouwd. De in onze kronijk genoemde Diederik stichtte de hoofdplaats +Medemelaca, Medemblik, aldus genaamd naar de Godin Medea; Geerard +bouwde het dorp Opdijk; Roelaard, ’t dorp Wildenes, met een sterk +kasteel; Keno was stichter van Bennenbroek, en Adelbold van het dorp +Winckel.—Dit verhaal heeft eene meerdere beteekenis, dan wij +thans nog in staat zijn te geven. Over Medemblik zijn oorkonden van de +IX eeuw voorhanden.—Zie over den naamsoorsprong enz. den +<i>Tegenw. Staat van Holland</i>, <i>II.</i> 502.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb25" class= +"pageref">25</a>.—A<sup>o</sup> 334.</p> +<p><i>Friesche Buinen.</i> Op bl. 9 onzer kronijk wordt reeds gesproken +van West-Friesland, en zou deze benaming er dus vroeger geweest +zijn.—<span class="sc">Hamconius</span>, <span class= +"pagenum">[<a id="pb330" href="#pb330" name= +"pb330">330</a>]</span><i>Frisia</i>, bl. 5 en 9, zegt op +<i>Firsiabones</i>, dat <i>Bone</i> in ’t oud Friesch <i>Boer</i> +beteekende, en dus <i>Frisiabones</i>, <i>Friesche Boeren</i> zijn, +waarvoor onze kronijk <i>Plompaarts</i> geeft. <span class="sc">A. W. +Schrieck</span>, in <i>Orig. rerum Celt. et Belg.</i>, verklaart het +woord door <i>Frisii separatim habitantes</i>, Friezen die afgezonderd +van hun eigenlijk land en landgenooten woonden. <span class= +"sc">Alting</span>, <span class="sc">van Rhyn</span> en anderen +beweren, dat het woord beteekent <i>Friesche Waterbewoners</i>, +waarmede zich latere schrijvers hebben vereenigd, en ’t welk ook +door den geleerden <span class="sc">Ypeij</span>, in zijne +<i>Geschiedenis der Nederl. Tale</i>, <i>I.</i> bl. 164, en <i>II.</i> +bl 109 en volgg. nader is bevestigd. A beteekent <i>water</i>: +<span class="ex">buen</span>, <span class="ex">boen</span>, +<i>wonen</i>, <i>verblijf houden</i>, dus zijn <i>Frisiabones</i> +Friezen, die aan het water wonen; en deze uitlegging is de eenvoudigste +en de beste, wel zoo goed als de ongelukkige inval van <span class= +"sc">Junius</span> (<i>Batavia</i>, p. 48. Ed. 1652), om van +<i>Frisiabones</i>, <i>Friesche apen</i> te maken!—<span class= +"sc">Plinius</span> noemt dezelve als wonende tusschen het Vlie en het +Helium, monden van den Rijn. Dat deze Schrijver ook hier heeft +misgetast, bewijst <span class="sc">Schwartz</span>, <i>Voorr. I.</i> +26. <span class="sc">Tacitus</span> zwijgt er van, doch deze kan hen +gehouden hebben onder de Kleine Friezen te behooren. Het denkbeeld van +den Heer <span class="sc">Ypeij</span> is zeer aannemelijk, dat de +<i>Frisiabonen</i> eene volkplanting van echte Friezen zijn geweest, +wonende aan de linkerzijde van het Vlie in West-Friesland, +onderscheiden van de Kaninefaten, (waarschijnlijk aan de oevers der +Noordzee woonachtig) en van de Marsatii in de moerassige, naderhand +door de Zuiderzee overspoelde landen zich ophoudende, even zoo als de +eerste Bildtbewoners eene volkplanting was van oorspronkelijke +Noord-Hollanders.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb26" class= +"pageref">26</a>.—A<sup>o</sup> 339.</p> +<p><i>Die <span class="sc">Waarden</span> wierd genaamd.</i> (Zie ook +op de jaren 357 en 377.) Even zoo ook verhaalt <span class= +"sc">Winsemius</span>, <span class="pagenum">[<a id="pb331" href= +"#pb331" name="pb331">331</a>]</span><i>Chronique</i>, fol. 37 doch +naderhand; (fol. 40) noemt hij de stad <i>Norden</i>, om welke reden +weet ik niet; daarin is <span class="sc">Soet.</span> in zijn <i>Op- en +Nederganck van Stavoren</i>, p. 55, hem gevolgd, die door <span class= +"sc">Harkenroth</span>, <i>Oostfr. Oorsprongkel.</i> (p. 39 en 232) +daarover zeer gegispt wordt, dat hij Van Esonstad, Norden maken wil; en +toch heeft <span class="sc">Soet,</span> slechts het gezag van +<span class="sc">Wins.</span> gevolgd. Door de Noren en Denen zoowel +als door herhaalde watervloeden heeft die stad veel geleden, en is +dikwijls geplunderd en grootendeels afgebrand geworden. <span class= +"sc">Westend.</span> <i>Jaarb.</i> p. 19, stelt op ’t jaar 398 +het bouwen van Esonstad door den Koning Ubbo (Uffo). Over de oudheid +dezer stad heeft <span class="sc">Emmius</span> ook zijnen twijfel mede +gedeeld, doch <span class="sc">v. Rhyn</span> is hier wat toegevender +dan wel anders.—Zie <i>Oudh. en Gest. I.</i> 454 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb28" class="pageref">28</a> en +31.—A<sup>o</sup> 385 en 449.</p> +<p><i>Des Hengst en Hors, zijn zoonen</i> enz. <i>In den jaare 449, als +Hengst en Hors</i> enz.—De geschiedenis dezer Koningszonen is +belangrijk genoeg om in aandacht genomen te worden, en wij vinden er, +verondersteld zelfs dat wij onze kronijkschrijvers <span class="corr" +id="xd20e6091" title="Bron: verwer-werpen">verwerpen</span>, ook bij +den Engelschen Historieschrijver <span class="sc">Beda</span>, (<i>lib. +I. Cap.</i> 15) de vermelding van. Deze zegt dat zij de zoons van den +Saxischen Vorst <i>Vergistus</i> (achter-kleinzoon van Wodan), en dus +niet van Odolf Haron waren, hetgeen ook met de tijdrekening verkeerd +zoude uitkomen. Hierover is twist ontstaan, welke onbeslist is +gebleven: echter komt men daarin overeen, dat <i>Hengistus</i> en +<i>Hors</i> aan het hoofd van de Saksen, Friezen, Angelen en andere +naburige volken, door den Britschen Koning Vortigern te hulp geroepen, +derwaarts zijn getogen, en zich eindelijk meester van dat land hebben +gemaakt. Hunne geschiedenis is omstandig beschreven bij <span class= +"sc">Ocko van Scharl</span>; en hoezeer dezelve ook bij andere +<span class="pagenum">[<a id="pb332" href="#pb332" name= +"pb332">332</a>]</span>schrijvers in een romantisch gewaad is +gewikkeld, draagt zij, in onderlinge vergelijking gebragt, vele +kenmerken van oorspronkelijkheid. Wij kunnen hier in geene verdere +ontwikkeling treden, doch zullen voor dien het lust, de bronnen en +navolgingen aanwijzen, waarin de historie dezer gebroeders beschreven +staat, met derzelver verscheidenheden.—<span class="sc">Occo +Scharlensis</span>, <i>Chronyck</i>, op ’t jaar 385 en 441; +<span class="sc">Furmerius</span>, <i>Annal. Phrisic.</i> p. 124 en +144; <span class="sc">Winsem<span class="corr" id="xd20e6130" title= +"Niet in bron">.</span></span> <i>Chr.</i> fol 43 en 47; <span class= +"sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> fol<span class="corr" id= +"xd20e6143" title="Niet in bron">.</span> 39 en 53; <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 269 volgg.; <span class= +"sc">Emmius</span>, <i>Lib. III.</i> p. 39 seq.; <i>Oudheden en +Gestichten, Nabericht van</i> <span class="sc">v. Rhyn</span>, bl. 368; +<span class="sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. I.</i> 289; +<span class="sc">Beda</span>, <i>Hist. Eccl. Lib. I. cap.</i> 12 etc. +en <i>Chronicon</i>; <span class="sc">Jancko Douwama</span>, <i>Boeck +der Partijen</i>, p. 37; <span class="sc">Westend.</span> <i>Jaarb. +I.</i> bl. 26; <i>Overzigt</i> van <span class="sc">v. Halmael</span> +hiervoren § 7, jaar 449; <span class="sc">Gibbon</span>, <i>Hist. +of the decline and fall of the Rom. Emp. Ch.</i> 38. <i>IV.</i> 395; +<span class="sc">Hume</span>, <i>Hist. v. Engel. I.</i> 23 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb32" class="pageref">32</a>.</p> +<p><i>In den jaare 463</i>. Men vergelijke de tegenspraak in gemeld +<i>Nabericht</i> van <span class="sc">v. Rhyn</span>, p. 372.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb32" class= +"pageref">32</a>.—A<sup>o</sup> 496.</p> +<p><i>Deed Klodoveus, een inval in Friesland</i>. <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 290 en anderen verhalen, dat de +Friezen in dezen strijd het onderspit delfden, de Friezen en Saksen +terugkeerden, maar de Allemannen, welke in dezen strijd deelden, hun +gebied verloren; terwijl Koning Clovis, ingevolge hunne belofte, na de +overwinning in dezen hagchelijken kamp, met 3000 Franken, tot het +Christendom overging. Eenige jaren vroeger, omstreeks 476, was het +Westersche Keizerrijk <span class="pagenum">[<a id="pb333" href= +"#pb333" name="pb333">333</a>]</span>geheel ten gronde gegaan, en +niemand over de Maas en den Rijn gaf gehoor aan het Romeinsche +gezag.—Verg. <span class="sc">Bilderdyk</span>, <i>Geschiedenis +des Vaderlands</i>, <i>I.</i> 60 en 61.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb34" class= +"pageref">34</a>—A<sup>o</sup> 517.</p> +<p><i>Groningen, bij de Friesen Grins genaamt</i>. In 517 werd, luidens +het verhaal van eene der kronijken, Groninge of Groinge (Grens, Grins) +met een houten staketsel omgeven, ter beveiliging der veste. Deze wijze +van bevestiging was reeds veel vroeger bij de Germanen en Belgiërs +in gebruik, en behoeft, op dezen tijd, niet de minste verwondering te +verwekken.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb34" class= +"pageref">34</a>.—A<sup>o</sup> 527.</p> +<p><span class="sc">Richold</span>, <i>zijn oudste zoon</i>. Over de +geschiedenis in dit tijdvak is een bijzonder verschil ontstaan bij vele +schrijvers, daar de verwarringen, zoowel in den tijd als in de +personen, aanduiden, dat men het spoor bijster is geraakt, en men alzoo +tot gissingen zijne toevlugt heeft genomen, om uit de onderlinge +tegenspraak tot eenige waarschijnlijkheid te geraken. Ook onze kronijk +geeft geen meerder licht, maar is schijnbaar in den doolhof +medegedwaald. De opgave van den zoon en kleinzoon van Diderik, (zie op +’t jaar 334) beide Lem of Willem geheeten, en Dibbalds zoon van +denzelfden naam, waarvan <i>Haarlem</i> zijnen naam ontleende, is in +’t geheel niet in de haak, schoon ook <span class= +"sc">Winsemius</span> (fol. 36 en 48) hem hierin is voorgegaan. Verg. +<span class="sc">Scriverius</span> in zijden <i>Toets-steen</i> op het +<i>Oude Goutsche Chronycxken</i>, p. 204, 205. De andere kronijken +springen met die historie, tot op Adgillus tijd, wonder om, terwijl +<span class="pagenum">[<a id="pb334" href="#pb334" name= +"pb334">334</a>]</span>men het over diens vader maar geheel niet eens +kan worden.—Was Adgillus een Saks of een Fries? Beroald, Bertoald +of Berthold voerde volgens veler gevoelen het gebied over de Saksen, en +daar Ritserd, naderhand bijgenaamd Arundelius, in dien tijd Koning der +Hoog-Friezen was, (in onze kronijk bl. 36 genoemd) moet Adgillus diens +zoon geweest zijn. Dit is mede de gissing van <span class= +"sc">Emmius</span>, door <span class="sc">v. Rhyn</span> goedgekeurd, +en door <span class="sc">F. Sjoerds</span> (<i>Jaarb. I.</i> 334) +gevolgd. Het is ons wel voorgekomen, dat men Saksen en Friezen, Beroald +en Ridserd met en onder elkander heeft verward, en dat Beroald door de +Saksen tot Koning of Hertog was verkozen;—maar in hoeverre hij +ook een deel der Friezen beheerscht hebbe, en hoedanig van Odibbald af +de geslachtsopvolging geweest zij tot aan Adgillus, behoort tot een +nader naauwkeurig onderzoek. Verg. onder anderen <span class="sc">v. +Rhyn’s</span> <i>Nabericht</i>, bl. 376–382, te dezen +opzigte zeer duidelijk. Over Ridserd Arundelius, die een dapper en +vermaard Vorst moet geweest zijn, <span class="sc">West.</span> +<i>Jaarb.</i> bl 30 volgg. <span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. +Hist.</i> fol. 47.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb35" class="pageref">35</a></p> +<p><i>Watervloeden in Friesland.</i></p> +<p><i>In den jaare 570</i>. Dus ook <span class="sc">Winsemius</span>, +<span class="sc">Soet</span> en anderen, doch <span class= +"sc">Gutberleth</span>, in zijne Aanteekeningen op <span class= +"sc">Gabbema’s</span> <i>Watervloeden</i>, p. 14, vermeldt uit de +geschreven kronijk van <span class="sc">Ocko van Scharl</span>, hem ten +gebruike gegeven door Bern. Fullenius, den weêrgaloozen +Hoogleeraar in de Wiskunst in Frieslands Opperschool (gelijk hij zegt), +dat aldaar deze vloed gesteld wordt op den jare 533. Ook de +kronijkschrijver <span class="sc">Twisk</span> noemt hetzelfde jaar. +<span class="pagenum">[<a id="pb335" href="#pb335" name= +"pb335">335</a>]</span></p> +<p>Door <span class="sc">Dirk, Burger van Schoorl</span>, wordt in +diens kronijk als eerste Watervloed opgegeven die van 333 in +Noord-Holland, wanneer de Zijpe is ingebroken en 1200 jaren verdronken +heeft gelegen. De stad Grebbe, door de Romeinen gesticht, liggende aan +’t Eimer Swin, thans nabij het Nieuwe Diep, of een half uur gaans +benoorden Wieringen, zou toen verdronken zijn, schoon anderen dit +voorval later stellen<a class="noteref" id="xd20e6378src" href= +"#xd20e6378" name="xd20e6378src">43</a>. In 435 was er weder een zware +vloed over Friesland, zoo als ook in 516, in onze kronijk vermeld. Na +570 volgde die van 584, met het wonder zeldzame, vruchtbare jaar. In +586 of 626<a class="noteref" id="xd20e6403src" href="#xd20e6403" name= +"xd20e6403src">44</a>, of welligt in beide jaren, werd Friesland +alweder overstroomd. Een viertal jaren later begon de wijze Adgillus +vliedbergen en terpen te maken, en gaf der bedijking hare geboorte. +Vele menschen en veel vee verdronken in den vloed van 792 of 793, en +door al deze verwoestingen waren er een aantal steden, dorpen, +bosschen, alsmede eene groote uitgestrektheid lands verzwolgen en +vernietigd, waarvan de onder de golven der zee liggende zandbanken de +sporen van het vorig bestaan aanwijzen.</p> +<p>De St. Thomas vloed van den jare 806 was geducht voor Friesland; en +van dien tijd tot op de helft der XII eeuw moeten door verscheidene +overstroomingen Friesland, Noord-Holland, Zeeland en Vlaanderen +deerlijk zijn geteisterd, vooral in den jare 839 <span class= +"pagenum">[<a id="pb336" href="#pb336" name="pb336">336</a>]</span>zou +dit gewest bijna geheel overstroomd geweest zijn, en er eene gansche +omwenteling in den bodem van ons vaderland te weeg zijn gebragt.</p> +<p>De St. Juliaans-vloed in ’t begin van 1164 kostte het leven +aan duizenden van menschen en beesten; waarop de alles verwoestende +Allerheiligen-vloed van 1178 volgde, die de zeebaren tot aan Utrechts +wallen voortjoeg. In dezen tijd kreeg de Zuiderzee eene groote +uitgestrektheid; terwijl de baatzuchtige Friesche Abten vele +verderfelijke doorgravingen deden maken, die de zee in vernielende +krachten deed aanwinnen. Ook in 1200 stroomde een deel van Friesland +over; doch van den schrikkelijken watervloed in Noord-Holland, in 1212, +vindt men niets betrekkelijk Friesland vermeld. Dan bij den ijsselijken +Marcellus-vloed, in Januarij 1219, was geene overstrooming te +vergelijken, hetgeen dan ook bij de nakomelingschap ten spreekwoord is +geworden. Alwat tusschen den Wezer en de Schelde op en over de +oppervlakte van den grond aanwezig was, werd op vele plaatsen vernield +en vernietigd, en duizenden menschen van ’t leven beroofd. Dezen +vloed (zegt <span class="sc">Westend.</span> <i>Jaarb.</i> p. 238) +meenden velen te moeten toeschrijven aan de brooddronkenheid en de +woestheid van een zekeren Fries en kampvechter, die het hoogwaardig +sacrament te Wijtwerd en Uskwerd, ter plaatse waar men naderhand het +klooster van St. Jan stichtte, zeer hoonde en ontheiligde.</p> +<p>De jaren 1220, 1221, 1222, 1223, 1224, 1227, 1230, 1237, 1246, 1248, +1249, 1250, 1257, 1262, 1266, 1273, 1277, 1285, 1287, 1288 en 1290 +waren uiterst rampvol voor Friesland, en wie kan er zich een denkbeeld +van vormen? twintig overstroomingen in ééne en dezelfde +eeuw, in één en hetzelfde Gewest! En niet alleen door de +vloeden, maar ook omstreeks het midden dezer eeuw werd Friesland door +eene vernielende pest onder menschen en vee jammerlijk geteisterd, +terwijl haat en nijd, twist en tweedragt onder de ingezetenen aller +onheil ten top voerden.—In deze eeuw verdwenen Ezonstad, +<span class="pagenum">[<a id="pb337" href="#pb337" name= +"pb337">337</a>]</span>Camminghaburg bij Leeuwarden, Britsenburg aan de +Middelzee, de stedekens Wartena ten deele en Grind geheel.</p> +<p>In de veertiende eeuw werd Friesland acht malen gedeeltelijk +overstroomd, en wel ten jare 1313, in welke de beroemde <i>Wijbo +Sjoerds van Grovestins</i>, voornaam hoofd der Vetkoopers, het leven +liet, en op welke overstrooming weder eene pestziekte zoude gevolgd +zijn: voorts in 1334, 1336, 1361, 1377, 1380, 1387 en in 1400, de +Friesche vloed genaamd, welke van belang is geweest voor de opkomst van +Amsterdam, door het aanmerkelijk verwijden van het Marsdiep, het zeegat +tusschen Texel en den Helder.</p> +<p>Wederom vijftien overstroomingen in de XV eeuw, waren ons gewest ten +geesel en ter vernieling. In 1403 was de 3de Catharina’s vloed, +maar in 1421 rigtte de St. Elisabeth’s-vloed hare ijsselijke +verwoestingen aan, waarin de 72 dorpen in den Zuid-Hollandschen Waard +bedolven werden, zoodat er twintig geheel te niete gingen. De volgende +vloeden hadden plaats in 1425, 1426, 1427, 1428, 1429, 1434, 1437, +1446, 1464, 1470, 1474, 1477, en 1497; en geen wonder dat het land +overstroomde, want de onderlinge twist en tweedragt gaf aan den oorlog +voedsel, terwijl de eendragtige zorgen voor het behoud des lands +verloren waren. West-Workum, Westerbierum en Dijkshorne waren den +golven ter prooi geworden: niet alles echter was verlies, want de +Middelzee was nu geheel aangeslijkt, en gaf kostelijk land.</p> +<p>Ook in de XVI eeuw was Friesland even ongelukkig door den ramp der +vloeden, zoodat wel twintig malen in dit tijdvak het land overstroomde. +In de jaren 1502, 1503, 1509, 1516, 1517, 1520, 1524, 1525, wanneer er +drie vloeden in één jaar waren; in 1530, 1531 en 1532 +(misschien dezelfde), 1552 en 1559 rigtten zij vele verwoestingen aan. +Maar de geweldige Allerheiligen-vloed van 1570 heeft het gansche land +langs de zeekusten van Frankrijk tot aan Noorwegen toe, als in +ééne zee herschapen; terwijl in Friesland de schrik en +ellende, die land en inwoonderen in eenen <span class="pagenum">[<a id= +"pb338" href="#pb338" name="pb338">338</a>]</span>poel van jammeren +stortte, door geene pen waren te beschrijven, door geene woorden te +vermelden. Wel 20,000 menschen, zeggen de schrijvers, zijn in onze +Provincie omgekomen: 1800 telde men in ééne +Grietenij.—Daarna had men weder met dit onheil te kampen in 1572, +1573, 1575, 1577 en 1578. Toen evenwel, door tusschenkomst en dwang van +Caspar de Robles, werd er gedijkt en gedamd.</p> +<p>Hoewel nu de vloeden in de XVII eeuw minder waren dan in de vorige, +was evenwel de zee niet in banden te houden, maar brak nog dikwijls +door de dijken heen, en bedierf een deel van het zoo vaak geteisterd +gewest. In 1610 liep de zuidwesthoek onder: 1623, 1625, 1643, 1651, +1665 en 1675 waren noodlottige jaren, en vooral het jaar 1651, waarin +de St. Pieters-vloed, na dat in Januarij de algemeene +rivier-overstrooming in de Nederlanden had plaats gehad, in de volgende +maand vele oorden in Friesland verwoestte. Voor Noord-Holland was die +vloed verschrikkelijk.</p> +<p>In den aanvang der XVIII eeuw, en wel in 1701 en 1703, zoo ook in +1715, leden door de overstroomingen het land en de zeedijken veel +schade, dan door den 7 kersvloed in 1717 was de verwoesting groot, +vooral in Oost-Friesland.—Ten jare 1731 werd het paalwerk langs +de kusten, en sommige sluisdeuren door de wormen geheel doorknaagd en +verteerd. Bijna zestig jaren lang bleef Friesland voor storm en vloed +beveiligd, doch in 1775 en 1776 had de provincie door twee +overstroomingen, en vooral door de laatste, veel te lijden; dit was +echter niet te vergelijken bij den geduchten watervloed van den jare +1825, die langs de zeekusten van Noord-Jutland af tot Frankrijk toe, +zijne vernielende kracht heeft uitgeoefend.</p> +<p>Vergelijk de <i>Inleiding</i> voor mijn <i>Geschiedkundig Tafereel +van den Watervloed en de Overstroomingen in de Provincie Vriesland; +voorgevallen in 1825</i>, en alle de afzonderlijk daarin aangehaalde +schrijvers. <span class="sc">Westend.</span> <i>Jaarb. van +Groningen</i>, op de verschillende jaren, die echter vele +overstroomingen niet heeft vermeld.—Een zeer goed boek over de +laatste overstrooming <span class="pagenum">[<a id="pb339" href= +"#pb339" name="pb339">339</a>]</span>is dat van den kundigen +<span class="sc">F. Arends</span>, <i>Gemählde der Sturmfluthen +vom 3 bis 5 Februar 1825</i>: (zu haben bei dem Verfasser, 1826.) In +zijn verdienstelijk reeds aangehaald werk: <i>Physische Geschichte der +Nordsee-Küste</i>, geeft de Schrijver, in het tweede deel, eene +Geschiedenis van al de watervloeden, vermeerderd met vele +bijzonderheden, door vroegere schrijvers niet vermeld.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb37" class="pageref">37</a>.</p> +<p><i>In den jaare 628</i> enz. Het omstandig verhaal dezen +belangrijken strijd, vindt men bij alle latere geschiedschrijvers bijna +op dezelfde wijze geboekt, en komt in de hoofdzaak overeen. Echter bij +vergelijking der oudste Friesche jaarboeken, zal men eenige afwijking +van anderen vinden. Niet, zoo als deze willen, was Dagobert de +aanvallende partij in Friesland, of wilde dit land dadelijk overheeren; +maar de Saksen, onder Koning Berthold, wilden niet meer onder der +Franken gebied blijven, maar vrij zijn, des zij hunne krijgsboden aan +Klotaris zonden, om dien op een barschen toon den wil van hunnen Koning +te kennen te geven, hetwelk der Franken Opperhoofd dezen zoo hoog +afnam, dat, waren zij niet door de christelijke staatkunde van den +Bisschop van Meaux gered, hij hen welligt het hoofd voor de voeten had +doen leggen. Zij keerden, tot christenen gedoopt, met eere en +geschenken terug. Doch de Saksen verbonden zich met de Friezen, +volvoerden hun plan, rukten tegen Dagobert op, die zijnen vader te hulp +roept en de overwinning behaalt; en nu had er eene ijsselijke slagting +onder de Saksen en Friezen plaats. Die langer dan zijn zwaard +waren<a class="noteref" id="xd20e6481src" href="#xd20e6481" name= +"xd20e6481src">45</a>, dat is, die de wapenen <span class= +"pagenum">[<a id="pb340" href="#pb340" name= +"pb340">340</a>]</span>weder zouden kunnen voeren en geschikt ten +strijde waren, werden vermoord; vrouwen en kinders werden in Frankrijk +als slaven verkocht, en daarmede eindigde dit treurtooneel.—Dat +dit gevecht in Friesland bij de Middelzee plaats had, gelijk +<span class="sc">Rolevink</span>, en in navolging van hem <span class= +"sc">Furmerius</span>, <span class="sc">Winsemius</span> en anderen, +beweren, heeft geen schijn, daar men moet vooronderstellen, dat het +niet anders dan bij den Wezer kan hebben plaats gehad.</p> +<p>Dagobert moet omstreeks dezen tijd ook een christenkerk te Utrecht +gesticht, en den Bisschop van Keulen het beheer over de Friezen gegeven +hebben; dan dezen, te zeer nog aan hunne afgoden verslaafd, te stijf +van hoofd en stug van aard, boden te veel tegenstand, en men vorderde +dus weinig.</p> +<p>Dat ook deze Dagobert, als overheerder der Friezen, de insteller der +wetten is geweest, wordt bestreden en met grond betwijfeld.—Zie +daarover <span class="sc">Schwartz.</span>, <i>Charterb. Voorr. I.</i> +bl. 36, 37, 38. Men vindt deze gebeurtenis beschreven bij <span class= +"sc">Furmerius</span>, <i>Ann. Lib. III.</i> c. <i>IV.</i> p. 172; +<span class="sc">Wins.</span> <i>Chr.</i> fol. 52; <span class= +"sc">Schot.</span> <i>Hist.</i> fol. 47; <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 323; <span class="sc">Wagen.</span> +<i>Vad. Hist. I.</i> 331; <i>Tegenw. Staat v. Fr. I.</i> 221; <i>Oudh. +en Gest. II.</i> 111, 112 en 377; <span class="sc">Cerisier</span>, +<i>Gesch. d. Vereen. Ned. I.</i> 90; <span class="sc">Bilderdyk</span>, +<i>Gesch. d. Vaderl. I.</i> 66.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb37" class="pageref">37</a>.</p> +<p><span class="sc">Adgild</span> <i>wierd</i> enz. Over de regering +van den christelijken Adgillus en onchristelijken Radboud, is in het +Overzigt genoegzame melding gemaakt. <span class="sc">Schot.</span> +<i>Fr. Hist.</i> p. 55, zegt, dat volgens eene Hollandsche kronijk, +Radboud geen zoon van Adgillus, maar van Diederik, omtrent den jare 300 +Koning van Friesland, bewesten ’t Flie, geweest zou zijn. Wij +hebben echter die kronijk niet gevonden, en volgen liever het +getuigenis van alle overige geschiedschrijvers. <span class= +"pagenum">[<a id="pb341" href="#pb341" name="pb341">341</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb42" class= +"pageref">42</a>.—A<sup>o</sup> 695.</p> +<p><i>In Friesland, Holland en Teisterband</i>. Over het oude +graafschap <i>Teisterband</i>, in ’twelk het geheele Sticht, met +het land tusschen Maas en Rijn, en van daar oostwaarts, met Kleef, Berg +en Gulikerland, vervat werd, leze men <span class= +"sc">Bilderdyk</span>’s <i>Geschied. d. Vaderl. I.</i> bl. 161, +193 en 341 volgg. De afleiding is deze: <i>Bant</i>, <i>Ban</i> is +jurisdictie, regtsban, <i>Deister</i> is bogt, kromte van +<i>deisen</i>, thans <i>deinzen</i>, afwijken. Het wordt van ouds +algemeen op de kromte van eene rivier toegepast. Dus is <i>Teister</i> +of <i>Deisterbant</i> de <i>regtsban</i> (of ’t gezag) <i>van de +bogt</i> (de afwijking) des Rijns, waar hij van noordwaarts ten westen +afdeinst.—Vergel. de door <span class="sc">Bild.</span> zelven +vervaardigde kaart achter het <i>I.</i> deel.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb43" class="pageref">43</a>.</p> +<p><i>In den jaare 700</i>. In dezen tijd, en zelfs gedurende een +gedeelte der VIII eeuw, was geheel Friesland nog heidensch. De +<i>Menschen-offers</i>, door geheel Galliën, Germanie en +Scandinavie gebruikelijk, bij de Denen en Noren in zwang, vonden ook in +Friesland grooten bijval, zoodat het geenszins vreemd is, in dezen tijd +daarvan in de geschiedenis voorbeelden te vinden. Men heeft het verhaal +van den schoonen jongeling <i>Ovo</i>, door den Priester Wulfram van +den dood verlost, onder de fabels gesteld, dan tijden, zeden en +gewoonten in acht genomen, en de leer der ondervinding geraadpleegd, +zou ik niet weten, waarom, door deze of gene omstandigheid, hetzij aan +hooger magt toe te schrijven, of vindt men dit te ouderwets gedacht, +dan door een toeval, of wel door eene behendigheid des Priesters, dit +<span class="pagenum">[<a id="pb342" href="#pb342" name= +"pb342">342</a>]</span>voorval niet had kunnen plaats hebben<a class= +"noteref" id="xd20e6660src" href="#xd20e6660" name= +"xd20e6660src">46</a>. Men twijfelt toch, in weerwil der zonderlinge +tegenspraak van sommige geleerden, geenszins aan zoo vele bloedige +offeranden aan de Goden gebragt, aan het slagten, verdrinken of op eene +andere wijze dooden van zoo vele mannen, vrouwen, ja zelfs kinderen, +waarvan de geschiedenis in de eerste eeuwen voorbeelden, aangeeft: en +zou het dus zoo vreemd zijn, dat in de eerste tijden bij verbazende +natuurverschijnselen of andere gebeurtenissen, men in zijnen angst tot +het menschenoffer, (gelijk dat van een driejarig kind, bij het ontstaan +eener zoute welle) als het hoogste, waarmede men zijne Goden vereeren +kon, waarmede men rampen afweren en gunsten verwerven wilde, toevlugt +nam?</p> +<p>Zeer gegrond is de aanmerking, dat door deze volharding in de +afgodendienst overvloedig blijkt, hoe weinig der Romeinen gezag en +invloed op de Friezen werkte. Men leze over het offeren van menschen en +beesten de meergen. Verhandeling van <span class= +"sc">Westendorp</span>, <i>over het gebr. der Noordsche Mythologie</i>, +bepaaldelijk over de <i>Heilige gebruiken</i>, bl. 339 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb44" class="pageref">44</a>.</p> +<p><span class="sc">Adgild</span>, <i>de tweede</i>. Sommigen willen +liever tot opvolger van Radboud zijnen zoon Poppo, dan Adgillus hebben; +de een onder den titel van Koning, de ander onder dien van Hertog. De +gissing echter in § 11 van het Overzigt (bl. 315), komt mij zeer +aannemelijk voor. Zie <span class="sc">van Loon</span>, <i>Aloude Holl. +Hist. I.</i> 324<i>b</i><span class="corr" id="xd20e6713" title= +"Niet in bron">,</span> 325<i>a</i>; <i>Oudh. en Gest. Naber.</i> p. +393; <i>Bijv. en Aanm.</i> op <span class="sc">Wagenaar</span>, +<i>I.</i> 92; <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> p. 42. +<span class="pagenum">[<a id="pb343" href="#pb343" name= +"pb343">343</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb46" class= +"pageref">46</a>.—A<sup>o</sup> 736.</p> +<p><i>Is Bisschop Willebrord ontslaapen</i>. Deze heeft ongetwijfeld +den eersten grondslag gelegd, en groot nut aan Friesland gedaan, tot +bekeering der heidensche natie. Volgens <span class= +"sc">Wagenaar</span> (<i>I.</i> 378) stierf hij in slagtmaand 737, +nalatende een alleraanzienlijks vermogen, meest door de Franken hem +geschonken, hetwelk hij aan zijne geliefkoosde Abdij van Epternach, bij +Trier, uit eene gifte van Dagoberts Dochter gesticht, vermaakte. +Omstreeks dezen tijd schijnt ook de Priester Marcellus, die zeventig +jaren lang het Evangeliewerk verrigtte, in Friesland met goed gevolg +gepredikt te hebben.</p> +<p>Ook in dit tijdvak kwam de vrome en geleerde Bonifacius hier te +lande uit Engeland. Deze bestreed met kracht, verstand en godvruchtigen +ijver, niet alleen de heidensche bijgeloovigheden, ruwheid van zeden en +woestheid der Friezen, maar ging ook met ernst het zedebederf, de +onkunde, boosheid, onwettigheid en valsche leer der geestelijken te +keer, wier doel en middelen met de christelijke godsdienst zoo zeer in +strijd waren. Zie het op bl. <a href="#pb348" class="pageref">348</a> +aanbevolen werk van den heer <span class="sc">Glasius</span>, IV en V +Hoofdst.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb47" class= +"pageref">47</a>.—A<sup>o</sup> 749.</p> +<p><i>Priester Jan</i>.—Zie over dezen <i>Oudh. en Gest. II.</i> +84–86 en <i>Naber.</i> bl. 349.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb50" class="pageref">50</a>.</p> +<p><i>Vreemde</i> <span class="sc">Heeren</span>. De Heer <span class= +"sc">v. Halmael</span>, heeft zijn tweede Tijdperk van het Overzigt, +(gedeeltelijk geplaatst <span class="pagenum">[<a id="pb344" href= +"#pb344" name="pb344">344</a>]</span>in <i>’t Friesch +Jierboeckjen</i> van 1833) loopende van 773 tot 1498, zijnde van Karel +den Groote tot de regering van Albrecht, Hertog van Saksen, genoemd: +<i><span class="ex">Het Vrije Friesland</span></i>. Niet dadelijk +evenwel (zoo als ook de Schrijver aanmerkt) waren de Friezen vrij, maar +trapsgewijze onder Karel’s opvolgers werd die vrijheid verkregen, +niet door Karel zelven hen geschonken. En ook natuurlijk, want daar +onder de hoofdvoorwaarden het aannemen van de Christelijken Godsdienst, +en dus ook onderwerping aan een’ Bisschop behoorde, was het van +zelf, dat het onrustig en onstuimig karakter niet zoo dadelijk met die +zachte middelen te temmen was, waardoor dus menig opstand en oproer +dikwijls de reeds geschonken vrijdommen weder deden bekrimpen.</p> +<p>Karel verdeelde het tegenwoordig Friesland, naar het schijnt, in +drie Graafschappen: <i>Oostergouwe</i>, <i>Westergouwe</i> en +<i>Stavoren</i>. Het Graafschap <i>Islegouwe</i> (IJsselland), waarin +Oost- en West-stellingwerf begrepen zullen zijn, is welligt een +<i>Saksisch</i> en geen eigenlijk <i>Friesch</i> Graafschap geweest of +alzoo genoemd. Ieder Graafschap had zijn opperhoofd, bekleed met de +burgerlijke en militaire magt, en over eenige Graafschappen was een +Hertog, uitsluitend het bewind over de krijgsmagt voerende, +gesteld<a class="noteref" id="xd20e6833src" href="#xd20e6833" name= +"xd20e6833src">47</a>.</p> +<p>De wetten, naar welke Karel de Friesche Graafschappen in het +algemeen deed regeren, zijn die, welke onder den titel van <i>Leges +Frisionum</i> in druk zijn uitgegeven. Het eerste deel bevat de +overoude gewoonten der Friezen onder de Romeinen, met eenige wetten der +Franken, en het tweede, de ophelderende bijvoegselen van +<i>Sachsmund</i> en <i>Wulmar</i>. Echter beschouwen wij dit niet als +een volledig Corpus of wetboek, maar veeleer voor een handboek voor de +Keizerlijke Graven en Ambtenaren, om daarop regt te doen, ook ter +berekening der breuken en boeten. <span class="pagenum">[<a id="pb345" +href="#pb345" name="pb345">345</a>]</span>Hieruit zoowel als van elders +blijkt, dat de Friezen destijds in vier standen of klassen verdeeld +waren. <i>Edelen</i>, dit waren de rijksten, de begoedigsten; +<i>Vrijen</i>, minder gegoeden, echter onafhankelijken; <i>Liten</i>, +lijfeigene boeren, en <i>Slaven</i> of <i>Knechten</i>, geheel +dienstbaren.</p> +<p>Karel ontnam den Friezen het regt op de vaderlijke erfenis, alzoo +hun regt op de nagelatene goederen der ouders, dat is: het vrije bezit +der erf-<span class="corr" id="xd20e6873" title="Niet in bron">,</span> +stam- of landgoederen van den adel en van de welgeboren lieden; en +voerde dus het zoogenaamde <i>Leenregt</i> in. Deze algemeene hoon en +smaad werd weder uitgewischt door Karel’s wettigen zoon en +opvolger Lodewijk den Vrome of Godvruchtige<a class="noteref" id= +"xd20e6879src" href="#xd20e6879" name="xd20e6879src">48</a>, die zijne +regering begon met aan de Friezen dit regt, en met dit regt den eernaam +van <i>Vrije Friezen</i> weder te geven. Hij was een zeer menschlievend +Vorst, doch welligt wat al te vroom om zulk een groot gebied en een +onverlicht volk te regeren.—Zie <i>Friesch Jierboeckjen</i>, +1833, §§ 4 en 7; bijzonder <i>Charterboek, Voorrede I</i>. +bl. 40 volgg. en aldaar den Giftbrief; vergel. <span class= +"sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> bl. 55 volgg.</p> +<p>Ten opzigte der wijze, hoedanig de opgemelde wetten in geschrifte +gesteld zijn, verhaalt men, dat dit door twaalf deskundigen, (welk +getal men in regtszaken steeds hoog waardeerde,) door de Friezen +gekozen, uit de overleveringen moest geschieden. Doch men wilde liever +bij het oud regt blijven, dan deze zware taak te verrigten, en men was +dus onwillig. Des Keizers wil woog echter zwaarder, dan die der +twaalven, en het werk werd volbragt.</p> +<p>De Sage, zegt de Heer <span class="sc">Westendorp</span> (<i>Jaarb. +I.</i> 59), heeft deze gebeurtenis in een kostelijk kleed gestoken: +<span class="pagenum">[<a id="pb346" href="#pb346" name= +"pb346">346</a>]</span></p> +<p>»Daar deze twaalf wijzen dan onwillig waren, om de wetten der +Vriezen in schrift te stellen, zoo gaf de Keizer hun zeven dagen tijds +om tusschen de onthoofding, het levende begraven, of het ter prooi +geven aan de woeste golven in een stureloos schip, te kiezen. De wijzen +kozen lijdzaam en moedig het laatste. Men zette hen dan nu in een schip +zonder zeil, roer, riemen en anker, en liet hen voor wind en weder +drijven. Een der Wimoedes, Asega of Azinge geheeten, van het +Wilken-geslacht, en een der eerste Vriezen, die deze benaming droeg, +herinnerde in dezen nood zijnen mede-ambtgenooten aan eene door hem +gehoorde leerrede van Willebrord, nopens de verschijning van Christus +Jezus, voort na zijne opstanding, aan zijne, in druk gezetene, +vrienden, hoewel de deuren gesloten waren. Hij stelde hen tevens +ootmoedig voor, om de hulp, redding en tusschenkomst van Christus Jezus +in dit gevaar biddend af te smeeken. Dit geschiedde eenparig knielende. +En ziet, onder hun gebed vertoonde zich achter in het schip een man, +welke met zijne hand een kromhout hield, en die de twaalven wederom in +de haven terug bragt, vanwaar zij uitgegaan waren. Als nu de dertiende +met de twaalven te lande kwam, wierp hij het kromhout op den grond, en +terstond ontsprong aldaar eene bron, rondom welke allen gingen zitten: +een ieder verkwikte zich met het water van de bron. De dertiende, welke +aan de <span class="corr" id="xd20e6933" title= +"Bron: twaalve">twaalvde</span> volkomen gelijk en daarvan niet te +onderscheiden was, leerde hen en gaf hun in, welke regten zij, ter +gehoorzaming aan het keizerlijk bevel, zouden uitkiezen en beschrijven. +Als zij nu wel onderrigt waren, zagen zij den dertienden niet langer; +zij gingen aan hunne taak, en volbragten dezelve. »Zij kozen het +landregt, dat hen door Maria’s zoon geleerd was,” zegt een +der kronijken. Men legde deze verzameling den keizer en den paus voor, +en het werk verwierf de goedkeuring van beiden.”—Verg. de +<i>O. Fr. Wetten</i> en de belangrijke Aant. van bl. 103–114, +alwaar men in het verhaal van de twee Kon., Karel en Radboud, deze sage +vindt, zoo als ook bij <span class="sc">Beninga</span> en <span class= +"sc">Kempius</span>. <span class="pagenum">[<a id="pb347" href="#pb347" +name="pb347">347</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb50" class="pageref">50</a>.</p> +<p><i>In den jaare 777 is Ludger</i>. Het verwondert mij dat onze +kronijk, nog al gehecht aan bijzondere voorvallen, hier niet +<span class="corr" id="xd20e6955" title="Bron: vermeld">vermeldt</span> +de wonderbare redding van de moeder van dezen Ludger, te vinden in +<span class="sc">Schotanus</span>, <i>Beschryvinge v. Frieslandt</i>, +p. 22, overgenomen uit eenen (aldaar niet genoemden) Levensbeschrijver +van Ludger. Dus luidt hoofdzakelijk aldaar deze gebeurtenis. Wrisung, +de grootvader van Ludger, was der Christen-godsdienst toegedaan, en +werd dus door Radboud verdreven. Hij ging over het Vlie wonen, en +volvoerde zijn christelijk werk; zijn’ jongsten zoon Tjadgrim in +Utrecht ter leerschool bestellende. Deze huwde na zijns vaders dood +eene vrouw, genaamd Liafburg of Liatburg, waarbij hij drie zoons en ook +onzen Ludger verwekte. Deze Liafburg geboren zijnde, moest op last van +hare heidensche grootmoeder, verdrietig dat harer schoondochter alleen +meisjes werden geboren, door eene slavin worden verdronken; een regt +dat zij volgens<a id="xd20e6964" name="xd20e6964"></a> hare leer, op +jonggeboren kinderen hadden, om ze om te brengen en te offeren, mits +zij vooraf niets genuttigd of geproefd hadden. Dan het wichtje greep +met zijne handjes het vat of den emmer, waarin het gestoken werd, om +den rand, en worstelde dus tegen den dood. Eene buurvrouw dit ziende en +bewogen met het onnoozel schepsel, ontnam het der slavinne, liep in +haar huis en stak het een weinig honigs in den mond, waardoor het van +den offerdood was verlost. Zij voedde het kindje zorgvuldig op, gaf het +na den dood der grootmoeder aan de ouders terug, en dit meisje werd de +moeder van den geleerden en verdienstelijken Priester Ludger, van wien +men leest, dat hij de Friesche, Engelsche, Frankische en Latijnsche +talen vlug en vaardig sprak, en wiens leven en daden overal tot zijnen +lof zijn beschreven. Als opvolger van den braven Bonifacius en in diens +voetspoor <span class="pagenum">[<a id="pb348" href="#pb348" name= +"pb348">348</a>]</span>tredende, bekleedde deze wijdvermaarde Fries +eene aanzienlijke plaats onder de Christenherders, die boven velen, +godvruchtig, ijverig en standvastig in zijnen arbeid was.</p> +<p>Men vindt onder anderen de levensbeschrijving der eerste +Geloofpredikers bij <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Beschr. v. +<span class="rm">O. en N.</span> Friesland, VI Hoofdst.</i>—Over +Ludger, <span class="sc">Westendorp</span>, <i>I.</i> 64 en volgg. 89 +volgg.—die echter, tegen het verhaal van <span class= +"sc">Schotanus</span> aan, niet de moeder van Ludger den offerdood doet +ontkomen, maar Ludger zelf, waardoor de genoemde oorzaak zou wegvallen, +welke aanleiding tot het ombrengen van het jonggeboren kind had +gegeven. Maar belangrijk is ten dezen het werk van den heer +<span class="sc">B. Glasius</span>, <i>de Gesch. der Christ. Kerk en +Godsd. in de Nederl. vóór het vestigen der Herv.</i>, +waarvan het eerste deel het licht ziet, en waarin wij voor de eerste +pogingen ter verkondiging van het Christendom in ons Vaderland en der +Christenleeraars eene naauwkeurige en belangrijke beschrijving hebben +gevonden. Ook den beoefenaren der Friesche Historie zij dit werk bij +zonder aanbevolen<a class="noteref" id="xd20e6995src" href="#xd20e6995" +name="xd20e6995src">49</a>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb51" class= +"pageref">51</a>.—A<sup>o</sup> 784.</p> +<p><i>Zijn de Noormannen wederom met Wydekind</i>. In het Archief van +de oude Hannoversche stad Goslar is eene oorkonde aanwezig, bevattende +het gebed of de gelofte, waardoor de Saksen over hunnen aanvoerder +Witekind, in den krijg met Karel den Groote, heil en zegen afsmeekten +van hunnen God Wodan, wiens beeld op den Hartsberg vereerd werd. Dit is +de Duitsche tekst:</p> +<p>»<i lang="de">Heiliger, groszer Wodan! Hilf uns unserm Herrn +Wittikind, auch dem Kelta <span class="rm">(Unterfeldherrn)</span> von +dem aischen <span class="rm">(garstigen)</span> Karl-pfui dem +Schlächter! Ich gebe dir einen Ochsen und zwei Schaafe und den +Raub. Ich schlachte dir alle Gefangene auf deinem heiligen +Hartisberge!</i>” De geleerde <span class="sc">Ypeij</span> deelt +deze bede benevens eene <span class="pagenum">[<a id="pb349" href= +"#pb349" name="pb349">349</a>]</span>tweede oorkonde, twee of drie +jaren later gesteld, toen de Saksen zich aan Karel onderworpen hadden, +in de Nedersaksische spraak mede<a class="noteref" id="xd20e7027src" +href="#xd20e7027" name="xd20e7027src">50</a>, met een aantal +belangrijke taalkundige aanmerkingen vooral op het laatste +gedenkstuk.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb54" class= +"pageref">54</a>.—A<sup>o</sup> 808.</p> +<p><i>Omtrent dien zelven tijd liet Igle Tadema</i><span class="corr" +id="xd20e7058" title="Niet in bron">.</span> Het is zeker dat het meer +Flevo zich in dezen tijd en ook reeds vroeger merkelijk uitbreidde, +waartoe herhaalde stormen en watervloeden krachtig medewerkten, zoodat +het zoute water niet alleen de tegenwoordige kusten naderde, maar ook +van tijd tot tijd ondermijnde. Het is dus zeer mogelijk, dat bij het +graven van putten, gelijk ook op ’t jaar 513 van Juw Hoppers +wordt vermeld, er zout water is opgekomen, en het verhaal van +<span class="sc">Tadema</span> de gewone versiering heeft ondergaan, +zoo als van vele andere voorvallen, zonder dat het noodig zij het +geheel te verwerpen. Dat Igles zoon op bevel van zijnen vader het +landgoed bij het Kreil verkocht, en zich in Gaasterland vestigde, dit +is zeer natuurlijk, en dat de familie hier over wrokkend was en zich op +eene voor onzen tijd ijsselijk wreede wijze wraak verschafte, is ook +niet zoo vreemd.—Men leze deze schrikkelijke geschiedenis in +<span class="sc">O. v. Scharl</span>’s <i>Kronijk</i> op ’t +jaar 808, die echter ’t voorval met Juw Hoppers niet heeft +opgeteekend. Zie <span class="sc">Wins.</span> fol. 47 en 85; +<span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> fol. 53. <span class= +"pagenum">[<a id="pb350" href="#pb350" name="pb350">350</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb56" class="pageref">56</a>.</p> +<p><i>In den jaare 809, als er te Romen.</i> Op Kersdag van den jare +800 werd Karel de Groote in de hoofdkerk te Rome als Augustus en Caesar +der Romeinen over het Westen uitgeroepen, gezalfd, gekroond en +gehuldigd.</p> +<p>»De Friezen dienden hunnen nieuwen meester getrouw; doch +weinig geloof zoude ’t verhaal verdienen, dat zij met hem Rome +zouden hebben veroverd, gelijk onze en andere Kronijken op den jare 809 +of omstreeks dien tijd vermelden. Men kan dit feit hebben verward met +de verovering van Rome door Arnulph, den laatsten afstammeling van +dezen Karel, wien het vergund was den Westelijken Keizerskroon te +dragen, doch om gekroond te worden, de stad moest overwinnen, waarin de +Friezen beoosten het Flie hem bij stonden.” Dit is hoofdzakelijk, +met anderen, ook het gevoelen van den heer <span class="sc">v. +Halmael</span>: versterkende dit zijn gevoelen door het argument dat de +beschrijvers van het leven en de daden van Karel daarvan geen gewag +maken. Dan <span class="sc">Bilderdyk</span> is van een tegengesteld +begrip. »Het zijn de Friezen niet alleen, zegt hij, die van hunne +verovering gewagen. De Romanciers en Heldenboeken der middeleeuwen zijn +er vol van, dat de Friezen Rome voor Karel innamen. En waarom mag dit +niet zijn? Dat hij Friezen in zijne legers had, is zeker en boven alle +bedenkelijkheid; en daar hij ze ook in Spanje bij zich gehad heeft, +daar zij hem over de Pyreneën verzelden en hun trouw bewezen, +waarom mag het niet waar zijn, dat zij ’t ook over de Alpen +deden; en dat toen er een oproer in Rome bij Karels aannadering +ontstond, en de poorten hem gesloten werden, zoo als bij die Romanciers +deels gemeld, deels duidelijk ondersteld wordt, zij het waren, die de +poort gewonnen hebben, en hun dus in de stad gevoerd? Daar is iets zoo +natuurlijks in, zoo wel zamenhangende, en zoo wel passende op de zaak, +dat <span class="pagenum">[<a id="pb351" href="#pb351" name= +"pb351">351</a>]</span>het mij ten minste niet onaannemelijk voorkomt; +en dat zij eene belooning daarvoor gekregen hebben, geëvenredigd +aan het belang dat Karel in de bewezen dienst stelde, is mede zeer +waarschijnelijk. Het zij dat dit in 799 gebeurde, toen hij den +verdreven Paus Leo III op den zetel herstelde; waarbij het niet te +verwonderen is, zoo geweld en dapperheid en bestorming van eene poort +noodig was: het zij in 800 toen hem de keizerkroon opgezet wierd, en er +bij die gelegenheid mooglijk een oproer van de oude partij ontstond, +die men gefnuikt waande, maar zonder de Friezen van gevolge had kunnen +zijn. De zaak kan dus waar zijn; en men heeft onrecht een geheel volk +tegen te spreken, wanneer er eenige samenstemming in zijne overlevering +is met hetgeen van elders getuigd of voor waar en aangenomen is in een +tijd dat de geheugenis nog versch was.”—»Men behoeft +enz.”</p> +<p>Hoezeer dan ook de Bulle of open Brief van Karel den Groote +ontwijfelbaar valsch is, behoeft daarom het vermelde feit geen fabel te +zijn, en het is onbetwistbaar, dat er dikwijls valsche stukken zijn +gesmeed tot bewijs van wezenlijke waarheden, waarom ik mij dan ook met +de meening van <span class="sc">Bilderdyk</span> wel kan +vereenigen<a class="noteref" id="xd20e7105src" href="#xd20e7105" name= +"xd20e7105src">51</a>. Uit een der te <i>Oxford</i> berustende +handschriften, tot de nalatenschap van <i>Junius</i> behoorende, +getiteld: <i>Incipiunt Gesta Fresonum</i>, hetwelk door het Fr. +Genoots. wordt uitgegeven, zal ongetwijfeld dit gevoelen worden +versterkt.</p> +<p>Wij vinden op dezen jare 809, en ook vooral op het volgend jaar, +aangeteekend, dat er in alle provinciën eene geweldige runderpest +woedde, zoodat er bijkans geen os in het leger overbleef, welke ziekte +nog vele jaren voortduurde.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb58" class= +"pageref">58</a>.—A<sup>o</sup> 810.</p> +<p><i>Een schattinge van 200 ponden zilver.</i> Anderen <span class= +"pagenum">[<a id="pb352" href="#pb352" name= +"pb352">352</a>]</span>bepalen die op de helft. Deze belasting, onder +den naam van Klipschild, klinkschatting, werd dus genoemd omdat de +munten in een bekken moesten geworpen en de klank daarvan in de verte +gehoord worden. Zoo moesten ook de Engelschen lange jaren het +zoogenaamde <i>Deangeld</i> aan Godfried opbrengen. Zie <i>O. Fr. +Wetten</i>, bl. 130, in de Aanteekening.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb61" class= +"pageref">61</a>.—A<sup>o</sup> 808.</p> +<p><span class="sc">Magnus Forteman</span>. Dat deze de eerste +Potestaat is geweest, hebben latere schrijvers tegengesproken, op grond +dat deze waardigheid zijnen oorsprong uit Karel’s Bulle, welke +voor valsch verklaard is, moet hebben gekregen. Echter erkent men, +zelfs <span class="sc">Emmius</span> ook, dat de Friezen al van ouds +Potestaten hebben gehad, die, als de handhaving van het regt, of ander +algemeen belang, als er oorlog op handen was of <span class="corr" id= +"xd20e7164" title="Bron: onstaan">ontstaan</span> zou, verkozen werden. +De geschiedenis van Magnus Forteman kan niet gereedelijk voor waarheid +worden aangenomen; doch het bestaan van zoodanige gezagvoerders, als +door het Potestaatschap wordt bedoeld, kan men ten zijne tijde niet +betwisten.—Men leze hierover ter bevestiging <span class="sc">v. +Rhyn’s</span> <i>Nabericht</i>, bl. 410, 411, 417–420; +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 440–444, +464, 473; <i>II</i>. 9, 64, 84, 85 en de aldaar aangehaalde +schrijvers<a class="noteref" id="xd20e7183src" href="#xd20e7183" name= +"xd20e7183src">52</a>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb62" class= +"pageref">62</a>.—A<sup>o</sup> 826.</p> +<p><i>Anscharius</i>. Vermaarde Monnik uit het te Corveij gestichte +klooster, werd eerste Bisschop te Hamburg, later Aartsbisschop van +Bremen en Hamburg, en stierf in 865. <span class="pagenum">[<a id= +"pb353" href="#pb353" name="pb353">353</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb62" class="pageref">62</a>.</p> +<p><i>In den jaare 830 wierd <span class="sc">Adelbrik</span> van +<span class="sc">Adelen</span> tot Landsheer verkooren.</i> Adgillus II +had twee zoons en twee dochters nagelaten, van welke laatsten de eene +<i>Konovella</i> was geheeten. Deze was getrouwd met een aanzienlijk +Edelman van Sexbierum, Adelbrik, wonende op het slot Adelburg. Twee +zonen werden uit dezen echt geboren met namen <i>Adelbrik</i>, deze +Potestaat, en <i>Frederik van Adelen</i>, de Bisschop op den jare 838 +vermeld. Zie <span class="sc">Winsemius</span>, fol. 67, 83 en 105, +alwaar men hunne geschiedenis vermeld vindt. Uit dezen zou het beroemd +Friesch geslacht der <i>van Adelens</i> gesproten zijn.—Van den +Potestaat, wiens aanvankelijke regering door sommigen later gesteld +wordt, is weinig aangeteekend; doch van den moord des Bisschops zegt +ook onder anderen de heer <span class="sc">v. Halmael</span> +(<i>Friesch Jierb.</i> 1833, § 8), dat dit waarschijnlijk door +toedoen of op last van Keizer Lodewijks tweede echtgenoot, Judith, +dochter van Welf, Graaf van Beijeren, is geschied, wier huwelijk hij +bloedschendig verklaarde. »Had de man (voegt deze schrijver er +bij) zich niet bemoeid met zaken, welke hem niet onmiddelijk aangingen, +even als zoo vele andere geestelijken van vroegere en latere tijden, +hem was dit lot denkelijk niet wedervaren. Doch zijn voorbeeld heeft +misschien niemand geleerd het niet na te volgen, en de bemoeiallen zijn +nog niet uitgeroeid.”—Verg. <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II.</i> 23 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb63" class= +"pageref">63</a>.—A<sup>o</sup> 838.</p> +<p><i>De verderfelijke leere der Arriaanen.</i> <span class= +"sc">Arius</span>, geboren in Lijbië omstreeks den jare 300, +Priester te Alexandrie, wilde na den dood van Achillas in dit +<span class="pagenum">[<a id="pb354" href="#pb354" name= +"pb354">354</a>]</span>bisdom diens opvolger worden. Dit mislukte hem; +hij besloot ketter te worden, en verkondigde eene leer, welke door de +Synode van Alexandrie in 320, en door de kerkvergadering van Nicea in +325 veroordeeld werd. Arius, schoon gevangen gezet en gebannen, kreeg +talrijke en vermogende aanhangers, bragt de geheele kerk in tweespalt +en won de gunst van Konstantijn, die zich op de Ariaansche wijze liet +doopen, en zelf het Arianismus tot zijne hofreligie maakte. Arius, te +Alexandrie geweigerd, trok in 336 naar Konstantinopel en stierf bij +zijnen plegtigen intogt. Zijne leer echter begon nu eerst te leven en +bragt het geheele Oosten in beroering; doch de haarkloverijen en +spitsvondigheden der Arianen, die elkander onderling verketterden, +bezorgden eindelijk aan de Katholijke kerk de overwinning. Nu en dan +verhieven zij zich weder, doch sedert den ondergang van het +Longobardische rijk, liep ook hun rijk voornamelijk ten einde, en na de +VII eeuw werd de algemeene invloed van hun stelsel +krachteloos.—In Friesland, en vooral in Westergo, schijnt nog +later der Arianen leer gehuldigd te zijn; doch Bisschop Frederik, en na +hem de vermaarde Kanunnik Odulphus (Adolf), gingen ook hier deze +ketterijen met kracht te keer.—Zie <i>Algemeen Noodw. Woordenb. +der Zamenleving</i>, op de woorden <span class="sc">Arius</span> en +<span class="sc">Arianen</span>.</p> +<p>Onder de verschillende secten dier tijden maakten de Arianen den +meesten naam. Het stelsel van Arius was, dat de Zoon van God, die, ter +verlossinge der menschen, mensch werd, in waardigheid en natuur den +Vader niet gelijk stond, maar, vóór de schepping, door +den Vader als het voornaamste schepsel uit niets is +voortgebragt.—Verg. <span class="sc">B. Glasius</span>, <i>Gesch. +der Christ. Kerk en Godsdienst, I.</i> 37; <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II.</i> 22.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb64" class="pageref">64</a>.</p> +<p><i>In den jaare 840 overleed Lodewijk.</i>—Zijn opvolger +<span class="pagenum">[<a id="pb355" href="#pb355" name= +"pb355">355</a>]</span>Lodewijk de Duitscher, was een regtschapen en +godsdienstig Vorst, de stichter en grondvester van het Duitsche rijk. +Zijne zesendertig-jarige regering was zeer onstuimig, vol van bloedige +oorlogen en moorddadige gevechten tegen de telkens invallende Noordsche +volken. Hij verdeelde in of na 870 het rijk, door hem beheerscht, onder +zijne drie zonen, Karloman, Lodewijk en Karel, bijgenaamd de Dikke. +Lodewijk de Jongere bekwam in zijn aandeel, behalve andere landen, twee +deelen van Friesland, liggende ter regterzijde van den Rijn, en Karel +een deel, dat gelegen was aan de linkerzijde der Maas. Bij een nader +vergelijk tusschen de broeders schijnt geheel Friesland aan Lodewijk +den Jongere gekomen te zijn. Zijne regering was echter niet van langen +duur, daar hij in 877 overleed, wordende opgevolgd door zijnen broeder +Karel den Dikke, die, na den dood van zijnen oom, Karel den Kale, en +diens zoon Lodewijk den Stamelaar, in 879 gestorven, tot de keizerlijke +waardigheid werd verheven. Een gedeelte van Friesland werd door den +Keizer aan Gisla, dochter van Lotharius II, huwende met den Noordschen +Vorst Godfried, ten bruidschat gegeven, ten einde dezen tot vriend te +houden; waarom hij zich dan ook in 822 liet doopen. Deze daad kwam den +Friezen duur te staan, want hij heerschte als een tiran, liet zijne +onderdanen, zoo als men verhaalt met halsbanden boeijen, om ze bij elk +gering vergrijp of naar willekeur te doen ophangen, en maakte hen tot +lastdieren. Eindelijk werd hij ook van kant gemaakt.</p> +<p>In 880 (anderen stellen 881 en 884) vielen weder de Noormannen met +eene groote magt eerst in Saksen, daarna in Frankrijk, en het +tegenwoordig Friesland en Oost-Friesland, met oogmerk alwat Christen +was uit te roeijen. De Saksen wilden dien woedenden stroom stuiten, +doch hun leger werd vernield met diens Hertog, drie Bisschoppen, in +hoedanigheid van geestelijken het leger volgende, en twaalf Graven. +Verschrikkelijk was hun moorden, branden, plunderen en rooven, terwijl +zoo hier als <span class="pagenum">[<a id="pb356" href="#pb356" name= +"pb356">356</a>]</span>elders, landen en volken door die helsche benden +werden verwoest en geteisterd. Bij hunnen inval in Friesland moesten +zij het echter ontgelden, want aldaar leden zij de groote nederlaag, in +onze Kronijk bedoeld. Intusschen kwam het, wat ons Friesland betrof, +met Lodewijk tot een vergelijk. Daarna hadden zij, bij een inval in de +Maas, de steden Maastricht, Luik, Tongeren, Keulen, Bonn, Trier, Mentz +en andere plaatsen verwoest en de inwoners deerlijk mishandeld.</p> +<p>Karel de Dikke, in ’t bezit gekomen van het grootste gedeelte +der Monarchij van Karel den Groote, bezat te beperkte geestvermogens om +zulk een groot rijk te bestieren. Hij werd zwak en onmagtig, door zijne +onderdanen verstoten, onttroond en stierf in 888 in armoede en ellende +te Reichenau. Opgevolgd door Arnulph, die onder de Noormannen te Leuven +eene ijsselijke slagting aanrigtede, veroverde deze daarna Rome met +medehulp der Friezen, om aldaar gekroond te worden. Lodewijk, bij zijns +vaders dood nog geen acht jaren oud, en daarom <i>het Kind</i> +geheeten, volgde hem in het rijksgebied op, hetwelk echter bestuurd +werd door Hatto, Aartsbisschop van Mentz, Adalhero, Bisschop van +Augsburg, en Otto, Hertog van Saksen, zijnde de jonge Vorst onder +voogdij van Otto en Hatto gesteld. In zijn achttiende jaar stierf +Lodewijk, ongehuwd en zonder kinderen na te laten, en met hem was het +geslacht des Grooten Karels, en alzoo de Karolingische stam, +uitgestorven.</p> +<p>Over de volgende Vorsten en Regering, den oorsprong van het +graafschap Holland enz. verwijzen wij den Lezer tot het <i>Friesch +Jierboeckjen</i>, 1833, § 15 en volgenden. <span class= +"sc">West.</span> <i>Jaarb. I.</i> 131 volgg.; <span class= +"sc">Wagenaar</span>, <span class="sc">F. Sjoerds</span>, en anderen. +Belangrijk is ook de geschiedenis van den Deen Erik, Rorik of Roruk, +zoon des Deenschen Konings Heriold, waarvan in de aangehaalde +Schrijvers omstandig gewag gemaakt wordt; ook <span class= +"sc">Bilderdyk</span>, <i>I.</i> 100, 148 enz., voorts bl. 167 over den +oorsprong van het Graafschap Holland. <span class="pagenum">[<a id= +"pb357" href="#pb357" name="pb357">357</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb64" class= +"pageref">64</a>—A<sup>o</sup> 850.</p> +<p><i>De kerk van St. Walburg.</i>—Verg. de korte beschrijving +van <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> op ’t jaar +850.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb64" class="pageref">64</a>.</p> +<p><i>In den jaare 867.</i> In dit jaar werd het Benedictijner klooster +op het eiland Ameland, ’t welk ’s jaars te voren door den +Heer Haijo van Cammingha, ter plaatse daar de tempel der Godin Foste +gestaan had, was gesticht, met monniken bevolkt door Odilbaldus XII, +Bisschop van Utrecht. Uit hoofde echter dit klooster en zijne bewoners +aanhoudend door de zeeroovers werden geteisterd, is het na verloop van +bijna derdehalf eeuw onder Ferwerd, in Ferwerderadeel, verplaatst, door +de godvruchtige Anna van Cammingha, vrouw van Graaf Adolf van +Fronenberg. Het doel des Stichters was eene kweekschool voor de +wetenschappen, welke destijds bijzonder door de Benedictijnen werden +beoefend, aan te leggen. <i>Oudh. en Gest. II.</i> 286; <span class= +"sc">West.</span> <i>Jaarb. I.</i> 123; <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II.</i> 55, 56, 270, enz.</p> +<p>In den jare 873 kwam er een ontzettend aantal sprinkhanen over +Friesland, welke een duim dik waren, met zes vleugelen en zeer sterke +tanden voorzien. Zij vraten in één uur alles van het +veld, zeven à acht mijlen in den omtrek, en knaagden de takken +en basten der jonge boomen af. Na eene verschrikkelijke verwoesting, +dreef de wind hen zeewaarts; toen verdronken zij, doch door den vloed +werd deze geweldige massa op de oevers geworpen, en veroorzaakte eene +pestziekte.—<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II.</i> +65. <span class="pagenum">[<a id="pb358" href="#pb358" name= +"pb358">358</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb67" class="pageref">67</a>.</p> +<p><i>In den jaare 910.</i> Te regt klaagt de Heer <span class= +"sc">West.</span> bij den aanvang van het tweede Perk des Jaarboeks, +als ook de Schrijver van den <i>Tegenwoordige Staat van Friesland</i>, +over de weinige bijdragen en den schralen oogst, welke de geschiedenis +van Friesland ons in de tiende en elfde eeuwen oplevert. In dit tijdvak +zijn bij de Kronijk- en Geschiedschrijvers weinig belangrijke +bijzonderheden vermeld, en ook onze kronijk deelt er dus weinige +mede.</p> +<p>Friesland strekte zich te dien tijd uit van den Sincfal, de plaats +waar zich de rivier de Maas in zee ontlast, bij Ostende lot aan den +Wezer.—Later werd de verdeeling in zeven Zeelanden +daargestelt.—Van dezen besloeg ons tegenwoordig Friesland er +twee, en een deel van het derde Zeeland. <i>Friesch Jierb.</i> 1834, +§ 5; voorts <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb. I.</i> 211, en +de daar aangehaalde Schrijvers. <span class="sc">Wiarda</span>, <i>Von +den Landt. d. Fries, b. Upstalsboom, 3 Abschnitt</i>; <i>Meng. Leeuw. +Cour. 4 Oct. 1831<span class="corr" id="xd20e7420" title= +"Niet in bron">.</span></i></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb67" class= +"pageref">67</a>.—A<sup>o</sup> 910.</p> +<p><i>Westerman heeft</i> enz. <span class="sc">Adam Westerman</span>, +Predikant te Stavoren, heeft in den jare 1635 uitgegeven: <i>Korte +Beschrijvinge van de oude Anse-stad Stavoren; in welke aangewesen werd +haren Ouderdom, Opgang, Voortreffelijkheid, Afgang, en tegenwoordigen +Stand</i>. Eene herdruk daarvan verscheen te Amsterdam in 1684. De +Schrijver schijnt de kronijken gevolgd te zijn, en niet meer gegeven te +hebben dan <span class="sc">H. I. Soet</span>, in zijn: <i>Op- en +Neder-ganck van Stavoren</i>. Verg. <span class="sc">Pars</span>, +<i>Naamrol van de Batavise en Holl. Schrijvers</i>, bl. 141. +<span class="pagenum">[<a id="pb359" href="#pb359" name= +"pb359">359</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb67" class= +"pageref">67</a>.—A<sup>o</sup> 920 en 970.</p> +<p><i>Koppen van Stavoren—Okke van Scharl.</i> Het bestaan van de +schriften van dezen eersten wordt mede betwist. <span class= +"sc">Suffridus Petri</span><a class="noteref" id="xd20e7469src" href= +"#xd20e7469" name="xd20e7469src">53</a> zegt, dat hij van Andreas +Gryphius fragmenten ter leen gehad heeft, door den Priester Cappidus +van Stavoren zamengesteld, welke hem tot zijne geschriften zeer ten +dienste hadden gestaan;—doch ook deze zijne woorden, welke door +geene latere bewijzen bevestigd zijn, hebben geen geloof kunnen +vinden,—even min als zijn verhaal van <span class="sc">Ocko van +Scharl</span>. Volgens de overlevering hadden de Schriften van zijn +oudoom Solke, of Carel Solke Forteman, hem de bouwstof geleverd, voor +zijne bekende Kronijk, welke door Johannes Vlijtarp, Geheimschrijver +van den laatsten Potestaat, J. Hessel Martena, in de XIV eeuw is +aangevuld en verbeterd, en daarna door Andreas Cornelis, geboortig van +Stavoren en Organist te Harlingen, werd overgewerkt, vervolgd en na +diens dood uitgegeven in den jare 1597 te Leeuwarden, in folio, bij +Jacob Jansz, doch te Amsterdam gedrukt. Deze kronijk is herdrukt in +quarto, en te Leeuwarden uitgegeven bij Abraham Ferwerda in 1742. Een +tweede druk daarvan verscheen bij D. Balk te Workum in 1753, welke +echter zoo letterlijk, ja stiptelijk met al zijne versierselen gelijk +is aan den vorige, dat <i>alleen de titel</i> het onderscheid uitmaakt, +even als met de Leeuwarder en Franeker drukken van <span class= +"sc">Gysbert Japicx</span> <i>Rijmlerye</i> en de 3 laatste Uitgaven +onzer Kronijk.</p> +<p>Vele Schrijvers zijn van gevoelen, dat deze Kronijk geen het minste +geloof verdient, als gevuld met fabelen en bijgeloovigheden. +<span class="sc">Emmius</span>, in zijne <i>Refut. Apol.</i>, +<span class="sc">van Rhyn</span>, op de <i>Oudh. en Gest. I.</i> 51; +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Inleiding voor de Besch. van O. +<span class="pagenum">[<a id="pb360" href="#pb360" name= +"pb360">360</a>]</span>en N. Friesland</i>, en anderen beweren dit op +gelijke gronden; geen gezag aan <span class="sc">Suffridus Petri</span> +kunnende toekennen. Ook <span class="sc">de Wind</span>, in zijne +Inleiding voor de <i>Bibliotheek van Nederl. Geschiedschrijvers</i>, +heeft dit punt met oordeel behandeld. Zijn gevoelen stemt niet dat van +<span class="sc">Emmius</span> overeen: »Hoezeer dan ook, zegt +hij, Andreas Cornelis een handschrift moge voor zich gehad hebben, +waaruit hij de drie eerste boeken getrokken heeft, is het onbewezen dat +dit H. S. eene kronijk van O. van Scharl uit de tiende, en van J. +Vlijtarp uit de veertiende eeuw inhield. Veeleer zal dit H. S. het werk +geweest zijn van een Schrijver uit het begin der dertiende eeuw, die +deze fabelen heeft zamengeflanst, in dien tijd, toen bijbel en ware +geschiedenis in het kleed van een roman moesten gehuld worden, wilde +men dezelve aanhooren.” Wij willen de gronden van den kundigen +<span class="sc">de Wind</span> wel niet betwisten of wederleggen, als +hier niet voegende, dan ik kan er evenwel nog niet toe komen, om met +<span class="sc">Emmius</span> alles weg te redeneren; en zelfs naar +aanleiding van bovengemeld argument, blijf ik beweren, dat er veel +waarheid, hoe dan ook in fabelen gehuld, uit deze kronijk en andere +dergelijke schriften is op te sporen, waarom wij met den geleerden +<span class="sc">Westendorp</span> gereedelijk instemmen, dat er geene +voldoende redenen bestaan, de geloofwaardigheid dier oude Schrijvers +geheel te verwerpen. Zie voorts gem. <i>Biblioth. der Ned. +Geschiedschrijvers, II.</i> St. p. 223; <span class="sc">Suffr. +Petri</span>, D. 5. c. 9. en D. 7. c. 4, <i>de Script. Frisiae</i>; +<span class="sc">Schwartz</span>. <i>Chart. Voorr. II.</i> 67; onze +Aantt. bl. 286–288.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb68" class="pageref">68</a>.</p> +<p><i>Omtrent den jaare</i> 969 <span class="sc">Gosse Ludigman</span>. +Zie <span class="sc">v. Rhyn’s</span> <i>Nabericht</i>, bl. 417 +volgg. Vóór het huwelijk van des Potestaats dochter Tet, +met Sicco, zoon van Graaf Arnout, uit wien de Teilingen en <span class= +"pagenum">[<a id="pb361" href="#pb361" name= +"pb361">361</a>]</span>Brederoden stamden, is, schoon betwist, zeer +veel te zeggen, hoezeer ook <span class="sc">v. Rhyn</span> eene andere +uitlegging heeft.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb68" class= +"pageref">68</a>.—A<sup>o</sup> 998.</p> +<p><i>Het stedeke Uitgong verwoest.</i> De bouwing dezer stad is in de +hooge oudheid te zoeken, en zij moet in den vroegsten tijd zeer +belangrijk voor den handel en met eene goede haven voorzien zijn +geweest; liggende aan het Boerdiep of Middelzee. Na gemelde verwoesting +weder opgebouwd zijnde, werd zij in 1181 door een hevig en brand +geteisterd; dan tien jaren daarna werd de gansche stad door de +Noormannen geplunderd, en te vuur en te zwaard vernield, zoodat met +haar bestaan ook zelfs die naam voor altoos werd uitgewischt. De +inwoners schijnen zich metter woon naar Franeker te hebben begeven. +Hoezeer evenwel Uitgong eene stad of stedeke genoemd werd, vermeent men +echter, dat het met geene wallen of muren omringd, maar eene open +plaats geweest is: het had niettemin stads voorregten en het regt van +Oldermanschap. Wij kunnen over deze belangrijke plaats niet verder +uitweiden; wie daartoe lust hebbe, leze het <i>Aanhangsel betreffende +de Oudheden, en voornaamste Gebeurtenissen van Berlikum</i>, achter het +<i>Tweetal Leerredenen</i> van <span class="sc">Petrus Nota</span>, +(Franeker, 1781) waarin men alles in een kort bestek bij elkander heeft +en de Schrijvers vindt aangehaald.</p> +<p>Omstreeks dezen tijd sneuvelde de Hollandsche Graaf Arnout, in een +veldslag nabij Schagen in West-Friesland. De Friezen bleven altoos +weigeren de Graven als hunne Heeren te erkennen. De vermaarde Friesche +Edelman Adelbold, deelende in de gunst van den Keizer Otto III, werd +tot Bisschop van Utrecht benoemd. <span class="pagenum">[<a id="pb362" +href="#pb362" name="pb362">362</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb69" class= +"pageref">69</a>.—A<sup>o</sup> 1006–1010.</p> +<p><i>Deeden de Noormannen geweldige invallen.</i> De +geschiedschrijvers vermelden allen, met verschil nogtans van sommige +omstandigheden, deze invallen en gevechten op de jaren 1009 en 1010, en +daarmede hield dien geesel ook voor Friesland op: want dit was der +Noren laatste inval, welke echter nog vele menschenlevens kostte. De +meerdere uitbreiding van ’t Christendom, doch ook zwakheid in +strijdkrachten, zullen hiertoe veel bijgebragt hebben. <span class= +"sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II.</i> 171; <span class= +"sc">Wagenaar</span>, <i>II.</i> 135; <span class= +"sc">Bilderdyk</span>, <i>II.</i> 7. Deze Schrijver vermeld, een door +hem uit het Yslandsch overgebragt verhaal, van een inval der Noormannen +in ’t jaar 943, voorkomende in de <i>Eglo-Saga</i>, dat is, +Historie van Egil, hetwelk wij willen overnemen:</p> +<p><i>Uit</i> <span class="sc">Egils-Saga</span>, <i>Hafniae</i> 1809. +<i>Cap.</i> 72. <i>Ao.</i> 943.</p> +<div class="blockquote"> +<p class="firstpar">»Ambiorn was dien winter ’t huis op +zijn erf (of land); maar omtrent de lente <i>lustede ’t hem</i> +om ten krijg (zeeroof) te varen. Hij had veel goede schepen. Hij had +omtrent de lente drie lange schepen en die alle sterk. Hij had 300 man. +Hij had bedienden in zijn schip en was zeer wel gescheept. Hij had ook +menige <i>boeren</i>-zonen met zich. Egill besloot met hem te varen en +stuurde (beval) een schip. Ook voeren met hem vele van zijne luiden, +die hij met zich van IJsland genomen had. Een koopschip, dat hij van +IJsland gehad had, liet hij <i>vlieten</i> Oostwaarts naar Wik, (en) +nam daartoe mannen om met zijn pakkaadje te varen, en zij, Axinbiorn en +Egill hielden de lange schepen om meê te landen. Zoo dan +stevenden zij Zuidelijk naar Saxenland, en hier toefden zij tot den +somer en vingen veel buit, en voor den oogst of herfst keerden zij +Noordelijk en landden in Friesland. Op zekeren nacht, als het +weêr gunstig <span class="pagenum">[<a id="pb363" href="#pb363" +name="pb363">363</a>]</span>was, zeilden zij den mond van een rivier +op. (Want) daar is ’t kwaad te havenen, en een grooten inham. +Daar waren landwaart op groote vlakten en.... bosschen dichte bij. Daar +waren veel plasschen, want het had veel geregend; daar besloten zij op +(aan land) te gaan, en lieten eenige hunner lieden achter om de schepen +te bewaren. Zij gingen op midden tusschen de rivier en de bosschen. +Niet ver van daar was een dorp en daar woonden veel boeren. Het volk +liep uit het dorp naar ’t land, wat het mocht, en de roovers +achter hen. Zij kwamen aan een ander dorp en een derde: de lieden +vloden al wat zij konden; daar waren velden en groote vlakten; daar +waren grachten om de landerijen gegraven en stonden in ’t water, +en daar waren groote palen in de grachten gezet, daar waren om over te +gaan bruggen en planken over. Het landvolk vlood in de bosschen; maar +als de roovers ver in ’t dorp gekomen waren, zoo trokken de +Friezen te zamen in de bosschen, en als zij bij de 300 hoofden +bijéén waren, zoo trokken zij de roovers in ’t +gemoet, en geraakten met hen in strijd; en werd daar een groot gevecht, +tot de Friezen vluchteden, maar de roovers de vluchtenden vervolgden. +De hoop dorpelingen werd verstrooid, en zoo ging ’t ook met die +hen achter na vlogen; en dus bleven er weinige bij een. Egill vloog +hard achter hen en weinige mannen met hem. De Friezen kwamen daar aan +een gracht en trokken die over, en namen toen de brug weg. Toen kwam +Egill aan de andere kant en sprong dadelijk over de brug. Maar dat was +geen sprong voor een ander, en niemand deed het hem na, en zijn makkers +snelden naar hunne schepen om hulp te zoeken. En wanneer de Friezen +zagen, dat één man daar over was (en niet meer) zoo +keerden zij om en kwamen op hem aan. Maar hij verdedigde zich, de +gracht van achteren tot beschutsel. Daar vielen hem elf aan, met dat +gevolg, dat hij die allen neêrsloeg. Daarna schoof hij de brug en +kwam over de gracht. Toen, als hij nu zag dat alle naar de schepen +getrokken waren, hield hij zich dicht bij de bosschen; en <span class= +"pagenum">[<a id="pb364" href="#pb364" name="pb364">364</a>]</span>dus +trok Egill langs de bosschen en zoo naar de schepen, dat hij in +’t hout mocht kunnen wijken zoo ’t noodig ware. De roovers +hadden veel slachtvee naar ’t strand gedreven, en als zij aan de +schepen kwamen, slachtten sommige die, andere voerden ze te scheep van +daar; sommige maakten een schildburg. Want de Friezen waren opgekomen +in groote menigte en schoten op hen. Maar Egill kwam op en hij zag wat +gebeurde. Daar vloog hij ten snelste op dien hoop, en greep zijn +slagzwaard met beide handen, en wierp zijn schild op den rug. Hij +zwaaide zijn zwaard en sloeg op al wat daar voor stond, en maakte zoo +ruimte onder ’t volk, dat hij tot de zijnen kwam. Daarna gingen +zij ’t scheep en staken van land, en zeilden naar +Denemarken.”</p> +</div> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb70" class= +"pageref">70</a>.—A<sup>o</sup> 1064.</p> +<p><i>Den naam Harns.</i> Over den oorsprong van dezen naam, zie men +<i>Oudh. en Gest. II.</i> 142. Sommigen leiden dien af van de twee +adellijke Staten <i>Harliga</i> en <i>Harns</i>, waarbij, of op wier +grond de aanleg der stad gebouwd was, en welke beide namen, naar tijds +gewoonte, veel twist veroorzaakten, wie den boventoon behouden zou; +weer anderen willen dat de Friesche naam <i>Harns</i>, zijn oorsprong +had in de ligging der plaats aan een uithoek van de Middelzee en de +Wadden. Vergel. bl. 89 der kronijk.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb71" class="pageref">71</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus.</i> Wij laten hier +volgen een aaneengeschakeld verhaal van <span class="pagenum">[<a id= +"pb365" href="#pb365" name="pb365">365</a>]</span></p> +<div class="blockquote"> +<div class="body"> +<div class="div1"> +<h2 class="main">De Kruistogten der Friezen</h2> +<p class="firstpar"><span class="sc">naar Palestina<a class="noteref" +id="xd20e7705src" href="#xd20e7705" name= +"xd20e7705src">54</a>.</span></p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Zoo liet het Voorgeslacht het edel denkvermogen</p> +<p class="line">Zich rooven; alles lag voor ’t Bijgeloof +gebogen:</p> +<p class="line">Hem staat, met krommen hals, de trotsche +Huichlarij,</p> +<p class="line">En, ’t aangezigt vermomd, Bedrog, zijn vader, +bij.</p> +</div> +<p class="firstpar xd20e7739"><span class="sc">Haller.</span></p> +<p>In de Europesche geschiedenis maken de kruistogten een +allerbelangrijkst tijdvak uit. Door dezen werd Europa ontvolkt; +millioenen vonden in Hongarijen, Griekenland, Syrië, Palestina, +Egypte, in de Middellandsche zee en onder weg hun graf; door dezen +schoot het bijgeloof vaste wortelen, werd de Pauselijke stoel verheven +boven de troonen van wereldlijke regenten, wies het monnikendom door +blinde gehoorzaamheid aan, en ontstonden te voren onbekende +<span class="pagenum">[<a id="pb366" href="#pb366" name= +"pb366">366</a>]</span>orden, kloosters en prachtige kerken; door dezen +werden onnoemelijke schatten van Europa in Azië begraven, en +wereldlijke Vorsten werden, door de verwijdering van magtige vassalen, +despoten. Daarentegen gaven zij aanleiding dat kunsten en wetenschappen +van het eene volk tot het andere overgebragt en door Europa verbreid +werden. In deze Kruistogten hebben ook onze Voorvaderen, de Friezen, +deel genomen. Daar nu de geschiedenis van de Kruistogten door onze +historieschrijvers deels onaangeroerd blijft, deels stuksgewijze en +zonder zamenhang geleverd wordt, zoo veroorloof ik mij, onze lezers in +deze Bijvoegsels een aaneengeschakeld verhaal te geven.</p> +<p>Reeds ten jare 637 hadden de Saracenen onder hunnen Kalif Omar I +zich meester gemaakt van Palestina en de Heilige Stad, en zij bleven +meer dan vijfthalve eeuw in derzelver rustig bezit. Tegen het einde der +elfde Eeuw kwam Peter de Kluizenaar, een ondernemende dweeper, te Rome. +Hij schilderde met krachtige verwen de gruwelijke vervolgingen, die de +verdrukte Christenen van de Mohamedanen lijden moesten. Een bewegelijke +brief van Simon, den Patriarch van Jeruzalem, bevestigde zijne reden. +Paus Urbanus II gaf hem volmagt, om de wereldlijke Vorsten aan te +moedigen tot de bevrijding des Heiligen Lands uit de handen der +barbaren.</p> +<p>Daar liep Peter met het Krucifix in de hand, barrevoets en +blootshoofds Italië, Frankrijk en Duitschland af. Zijne dweeperij, +zijn prediken, de brief des Patriarchs en de Pauselijke Bulle verwekten +overal dorst naar Turkenbloed. In het jaar 1095 hield <span class= +"pagenum">[<a id="pb367" href="#pb367" name="pb367">367</a>]</span>de +Paus, eerst te Piacenza, en in November deszelfden jaars te Clermont in +Auvergne eene groote kerkvergadering. Na het eindigen eener vurige +rede, waarin de Paus een Kruistogt had bevolen, riep de ontelbare +verzamelde menigte uit: »<i>God wil het, God wil +het!</i>”—Ridders, die avonturen zochten; monniken, welken +het klooster te eng, te benaauwd was; verrukte vromen, die met den helm +op het hoofd en het zwaard in de hand den hemel dachten te verwerven; +schuldenaars, die zich van hunne schuldeischers wilden ontdoen; +gaauwdieven en booswichten, die de welverdiende straffen ontliepen; +straatslijpers, die het omzwerven boven eene eerlijke kostwinning +verkozen; knechten, die zich van het juk hunner heeren ontsloegen; in +één woord, allen, die het zwaard konden voeren, maakten +zich voor en na gereed tot eenen krijgstogt tegen de Saracenen. Alle +deze hemelhelden ontvingen, terstond bij hunne <span class="corr" id= +"xd20e7756" title="Bron: aanwer-een ving,">aanwerving, een</span> klein +kruis, dat zij op den schouder vastmaakten. Aan dit kruis kon, een +ieder zijnen landgenoot kennen<a class="noteref" id="xd20e7759src" +href="#xd20e7759" name="xd20e7759src">55</a>. Naar hetzelve werden de +soldaten Kruisbroeders<a id="xd20e7774" name="xd20e7774"></a>, en deze +togten Kruistogten of ook heilige Krijgstogten genoemd.</p> +<p>Er werd dan tot een heiligen krijgstogt besloten en een leger van +300,000 man onder verschillende hoofden bijeengebragt. Een Fransch +Ridder, Walter (Gautier), trok met 20,000 man vooruit. Deze +<span class="pagenum">[<a id="pb368" href="#pb368" name= +"pb368">368</a>]</span>Christelijke barbaren pleegden in Bulgariën +met moorden en stelen grooten moedwil; waarom de Bulgaren zich +vereenigden en schier deze gansche voorhoede nedersabelden. Peter de +Kluizenaar voerde zelf 20,000 man aan en volgde Wouter. Het ging hem +echter in Hongarije en Bulgariën niet veel beter. Hij kwam evenwel +met het gering overschot zijner troepen in Konstantinopel aan. Nog een +ander leger, dat op 200,000 man geschat wordt, en uit Duitschers, +Franschen en Engelschen bestond, leed buitengewoon veel door het zwaard +der Hongaren en meer nog door den honger en het gebrek. Een andere hoop +scheepte zich in, en kwam door de Middellandsche zee in Syrië. +Godfried van Bouillon voerde 80,000 Duitschers aan, en trok met dezen +naar Philopolis. In het jaar 1097 vereenigde zich het gansche +Christenleger, dat door eenige Schrijvers op 500,000 voetknechten en +130,000 ruiters wordt geschat, te Chalcedon. Nu vingen de Christenen +hunne ondernemingen tegen de Saracenen en Turken aan. Zij veroverden +Nicea, Antiochië, Cesarea en eindelijk in 1099 ook stormenderhand +Jeruzalem, alwaar Godfried van Bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen +tot Koning van Jeruzalem werd uitgeroepen.</p> +<p>In dezen eersten Kruistogt hebben ook de Friezen deel genomen. Zij +zijn om Frankrijk, Spanje en Italië henen naar Palestina gezeild. +De jaarboekschrijvers noemen ons de voornaamste Edellieden, die den +togt mede ondernomen hebben, als Tjepke Forteman, Jarich Ludinga, Epo +Hartman, Igo Galama, Feico Botnia, Eelco en Sicco Liauckama, en Ubbo +Harmana. Bij de belegering van Nicea zijn Hartman en Forteman, de +laatste van zijn geslacht, gesneuveld. Eelco Liauckama zoude zich +bijzonder onderscheiden hebben. Hij was Generaal over 3000 man +ruiterij, en werd eerst tot bevelhebber van Nicea aangesteld, doch ging +daarna, ontevreden over zijnen werkeloozen toestand, verder in +Palestina in garnizoen.</p> +<p>Harmana en Galama zijn in een veldslag,—en Eelco Liauckama en +Botnia bij de verovering van Jeruzalem zwaar gewond geworden. Na hunne +herstelling <span class="pagenum">[<a id="pb369" href="#pb369" name= +"pb369">369</a>]</span>zijn deze beiden eindelijk door Koning Godfried +tot ridder geslagen. Naderhand zijn nog verscheiden Friesche +Edellieden, Homminga, Roorda, Cammingha en Ockinga naar Palestina +getogen, en hebben onder Boudewijn, den tweeden Koning van Jeruzalem, +lauweren bevochten tegen de Saracenen. Daardoor stonden zij bij den +Koning en de voornaamste Hoofden van het Rijk in bijzondere +hoogachting. De faam hunner heldendaden drong gansch Europa door, en de +Koning wilde hen noode ontslaan uit zijne dienst. Hij geleidde hen in +persoon met honderd ruiters naar Jaffa, alwaar zij zich inscheepten, en +over Venetiën en Rome den 15 December 1106 in goeden welstand in +Friesland terugkwamen. Zij werden door hunne vrienden in plegtigen +optogt, met kruis en vanen, onder gejuich en blijdschap ontvangen. In +dit jaar zijn de meeste Friezen weder teruggekomen.</p> +<p>Watze Herama, vroeger teruggehouden door de ziekte van zijnen +reisgenoot Roorda om naar Palestina te reizen, schijnt in den jare 1119 +met dezen en andere Friesche Edelen, als Harmana, Homminga, Ockinga en +Cammingha, over Venetiën en Jaffa den togt te hebben aangenomen. +Zij streden in 1120 dapper, dan dit gevecht viel voor hen nadeelig uit. +Herama en Homminga werden verslagen. Koning Boudewijn met de Edelen, +waaronder ook Cammingha en Ockinga vielen den Parthen in handen; Roorda +en Harmana werden zwaar gewond, doch ook weder genezen en de gevangenen +uitgewisseld.</p> +<p>In het jaar 1145 liet Paus Eugenius III door den heiligen Bernard op +nieuw het Kruis prediken. Keizer Koenraad en Lodewijk VII van Frankrijk +namen zelven het Kruis aan. De togt werd in 1147 aangevangen, doch +liep, voornamelijk door de trouwloosheid des Oosterschen Keizers +Manuel, ongelukkig af. Na vruchtelooze belegering der stad Damascus, +trok het geringe overschot des Christen-legers weder huiswaarts.</p> +<p>Dezen tweeden heiligen krijg schijnen de Friezen niet mede +bijgewoond te hebben. De Paus echter <span class="pagenum">[<a id= +"pb370" href="#pb370" name="pb370">370</a>]</span>beval eenen dubbelen +Kruistogt ten zelfden tijde (1149): eenen naar Spanje om de Saracenen +te verdrijven, en een’ anderen tegen de ongeloovige Sclaven aan +de Oostzee. Tot beide Kruistogten hebben zich voornamelijk de +Westfalingers, Friezen en Hollanders laten gebruiken.</p> +<p>Helmold<span class="corr" id="xd20e7797" title= +"Niet in bron">,</span> een geschiedschrijver, die omtrent dezen tijd +leefde, laat eenen Frieschen Priester Gerlaf toen de Sclaven de Friezen +ingesloten hadden, aldus aanspreken:</p> +<p>»<i lang="la">Nescitis apud Slavos nulla gens detestabilior +Fresis? Sane foetet eis odor noster.</i>”</p> +<p>»Weet gij niet dat bij de Slavoniers geen volk zoo zeer +verfoeid wordt als de Friezen? Zij mogen ons waarlijk niet eenmaal +rieken<a class="noteref" id="xd20e7807src" href="#xd20e7807" name= +"xd20e7807src">56</a>.” Een duidelijk bewijs, dat de Friezen met +de Sclaven wakker aan den slag geweest zijn.</p> +<p>Intusschen werd de toestand der Christenen in het Oosten van tijd +tot tijd moeijelijker en gevaarlijker. De Sultan Saladin, deze om zijne +grootmoedigheid in de geschiedenis zoo bekende Vorst, veroverde ten +jare 1187 eindelijk Jeruzalem, en maakte een einde aan het Koningrijk, +dat 88 jaren bestaan had. Nu maakte de Paus een gruwelijk alarm, en +bewoog den Keizer Frederik Roodbaard (Barbarossa), Koning Filips II +(Philippus Augustus) van Frankrijk en Richard I (Leeuwenhart) van +Engeland om nog eenen Kruistogt te wagen. In 1189 brak het heirleger +op. De Friezen en Denen rustten 50 schepen uit, vereenigden zich met de +Hollanders en Vlamingen, hielden hier en daar in Spanje aan, geraakten +aldaar slaags met de Saracenen, voegden zich nabij Sicilië +<span class="pagenum">[<a id="pb371" href="#pb371" name= +"pb371">371</a>]</span>bij de Italiaansche vloot, en kwamen eindelijk +te Ptolomais (toen Acre genoemd) aan.</p> +<p>Ook in dezen krijgstogt, in welken de Keizer door een toeval het +leven verloor, rigtten de Christenen niets verder uit, dan dat zij +Ptolomais veroverden. Niettegenstaande dezen ongelukkigen uitslag, liet +de Paus Coelestinus in 1197 op nieuw het Kruis prediken. De Friezen +namen met de Denen en die van Lubek en Bremen hunnen gewonen weg om +Spanje, voegden zich op Cyprus bij het hoofdleger en landden weder te +Ptolomais. Ook op dezen togt maakten de Christenen geene de minste +verovering. Zij sloten evenwel met Saladin eenen wapenstilstand voor 6 +jaren.</p> +<p>Ten jare 1199 keerden de heilige krijgers, die in 1189 en 1197 zich +op reis begeven hadden, voor zooverre zij waren overgebleven, tot de +hunnen terug.</p> +<p>Zekerlijk kwamen deze Kruisvaarders vermagerd, hongerig en met +ledige handen huiswaarts; doch, gelijk vermeld wordt, had de generaal +der Friezen, Hartwijck, Aartsbisschop van Bremen, eenige beenderen der +Heilige Anna, en het zwaard, waarmede Petrus het oor van Malchus had +afgehouwen, medegebragt<a class="noteref" id="xd20e7849src" href= +"#xd20e7849" name="xd20e7849src">57</a>.</p> +<p>Het tijdstip, ’t welk ik thans nader, is voor ons des te +belangrijker, omdat de voornaamste feiten meestendeels door +gelijktijdige schrijvers en door bewijzen gestaafd worden. De Pausen +moedigden de wereldlijke Vorsten, toen de met Saladin geslotene +wapenstilstand ten einde liep, tot eenen nieuwen Kruistogt aan; doch +wegens de ongelukkige gevolgen der vorigen, bleef alles bij vrome +wenschen. Eindelijk was Paus Innocentius III zoo gelukkig, dat op eene +door hem in 1215 belegde kerk vergadering tot <span class= +"pagenum">[<a id="pb372" href="#pb372" name="pb372">372</a>]</span>een +nieuwen Kruistogt besloten werd. Hierop beval de Paus allen +Bisschoppen, in hunne kerspelen het Kruis te laten prediken. De +Aartsbisschop van Keulen zond den Keulschen Leeraar Olivier<a class= +"noteref" id="xd20e7862src" href="#xd20e7862" name= +"xd20e7862src">58</a> met bijzondere aanbevelingsbrieven van den Paus +naar Friesland. Deze predikte zelf het Kruis, en gaf aan eene menigte +Vicarien door het geheele land volmagt, om in zijne afwezigheid aflaten +te schenken en rekruten voor den heiligen krijg aan te werven. Hij liet +in de kerken uitgeholde, van boven met ijzer beslagene blokken +nederzetten, opdat ieder door eene daarin zich bevindende opening zijne +bijdragen tot bevordering der krijgstoerusting mogte storten. Het +prediken van Olivier had eenen buitengemeenen indruk gemaakt bij de +Friezen, zoodat een ongeloofelijk aantal het Kruis aannam. Zij schijnen +echter met de toebereidselen tot den optogt zich niet zoozeer gehaast +te hebben; ten minste herinnerde Olivier hun in eenen brief van den +jare 1216, dat, de Denen, Bremers en Keulenaars reeds eene groote vloot +uitrusteden, het ook tijd werd hunne schepen te bemannen.</p> +<p>Ook in dezen tijd had de geestvervoering tot overwinning van +’t Heilige Land zulk eene algemeene werking, dat duizenden van +kinders naar de zeeplaatsen liepen, om ook deel aan den strijd te +nemen, en hoewel door hunne ouders opgesloten, wisten zij hunne +gevangenis te ontkomen op allerlei wijzen, zonder dat de meesten daarna +immer zijn teruggekeerd. Zeker Schrijver<a class="noteref" id= +"xd20e7882src" href="#xd20e7882" name="xd20e7882src">59</a> verhaalt er +’t volgende van: »In <span class="pagenum">[<a id="pb373" +href="#pb373" name="pb373">373</a>]</span>’t jaar 1211 vereenigde +zich een groot aantal kinderen (men geeft het op voor 90,000), onder +aanvoering van een’ ouderen knaap, met het voornemen het Beloofde +Land weder te veroveren. De meesten kwamen uit Duitschland en wandelden +blijde naar Genua. Hier ondervonden zij echter uit onbekendheid, waar +eigenlijk het Beloofde Land lag, onoverkomelijke hinderpalen, om hunne +avontuurlijke onderneming verder ten uitvoer te brengen. Te Marseille +kwamen 30,000; een deel daarvan stierf van ellende, een deel werd +vermoord en de overigen als slaven aan de Saracenen +verkocht.”</p> +<p>De Hertog Leopold van Oostenrijk, Boudewijn van Vlaanderen, Lodewijk +van Savoijen, benevens verschillende Bisschoppen en Graven vereenigden +zich met den Koning Andreas van Hongarije en trokken te land naar +Palestina. Daarentegen scheepten de Graaf van Holland (Willem I) en de +Graaf van Wieden met de overigen zich op de Maas in, en stevenden door +de Middellandsche Zee naar Ptolomais, alwaar de verzamelplaats der +Kruisvaarders was. De Friezen behoorden tot de vloot des Graven van +Holland. Deze geheele reis tot op de aankomst in Ptolomais is van eenen +Kruisbroeder<a class="noteref" id="xd20e7911src" href="#xd20e7911" +name="xd20e7911src">60</a>, die den togt mede heeft gemaakt, +naauwkeurig beschreven geworden. Het reisverhaal daarvan is te vinden +in <span class="sc">Emo’s</span> <i>Chronicon</i> (p. +16–35), waaruit ik het volgende overneem:</p> +<p>»Op het einde van Mei 1217 ligtten de Friezen in den +Lauwerstroom de ankers, en staken met groote schepen, die zij Koggen +noemden, uit den stroom in zee. Onder Engeland ontmoetten zij eene +groote vloot, onder bevel der Graven van Holland en Wieden<a class= +"noteref" id="xd20e7934src" href="#xd20e7934" name= +"xd20e7934src">61</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb374" href= +"#pb374" name="pb374">374</a>]</span>Hier werden het plan des geheelen +togts en wetten ontworpen, waaraan een iegelijk moest gehoorzaam zijn. +De Graaf van Holland<a class="noteref" id="xd20e7961src" href= +"#xd20e7961" name="xd20e7961src">62</a> werd tot eersten Admiraal der +gansche vloot benoemd, die in twee afdeelingen afzeilde. De eene werd +door den Graaf van Holland zelven, de andere door dien van Wieden +aangevoerd, en de Friesche schepen behoorden onder het smaldeel des +Graven van Holland.</p> +<p>Eerst kwamen zij in de havens van St. Mattheus en vervolgens te Faro +(of Ferrol), eene stad in Gallicie, aan. De Kruisbroeders ontscheepten +zich hier, en gingen te voet in bedevaart naar St. Jacob van +Compostella. Hier bezochten zij de heilige overblijfsels +(reliquiën) des Apostels, en bragten hem hunne offers. Toen zij +weder scheep gegaan waren, voeren zij eerst wegens tegenwind +noordwaarts af, en laveerden eindelijk met veel moeite naar Portugal; +zij ankerden voor Salerno, lieten zich daar van den <span class= +"pagenum">[<a id="pb375" href="#pb375" name="pb375">375</a>]</span>Abt +te Alkubar vele wonderen en avonturen verhalen, en voeren na eenige +dagen den Taag op, totdat zij eindelijk te Lissabon aanlandden. De daar +aanwezige Bisschop wendde al de kunsten zijner welsprekendheid aan, om +het Kruisheir te bewegen tot het verdrijven der Saracenen uit Spanje. +Door verdelging dezer barbaren, zoo sprak hij, zouden de Christenen God +dezelfde dienst bewijzen, als wanneer zij, Hem ter eere, in Palestina +hunne handen in Saracenen-bloed wieschen. Sommigen lieten zich +begoochelen, en bleven met hunne schepen in de haven van Lissabon +liggen. De meeste Kruisvaarders echter en inzonderheid de Friezen +lieten zich van hun voornemen, om in het Heilige Land veroveringen te +maken, niet aftrekken. Zij ligtten vervolgens wederom het anker, en +voeren het gebergte St. Vincent om. Door hevigen storm moesten zij de +haven St. Maria binnenloopen. Deze was eene wel versterkte stad, +waarvan de hooge muren zoo dik waren, dat boven op dezelve twee ruiters +elkander konden voorbij rijden. Het leger was onderling niet eens, of +men de stad aantasten, dan wel met den eersten gunstigen wind weder +onder zeil gaan zoude. Toevallig vertoonden zich vele Saracenen voor de +stad<span class="corr" id="xd20e7983" title="Niet in bron">.</span> De +Friezen hieven een lofzang (Hymnus) aan, vielen op den vijand in, en +drongen hem binnen de stad terug. In de schemering zag een Fries eenen +Saraceen, die zich door middel van een koord van den muur liet +afzakken. Deze gelegenheid maakte hij zich ten nutte: hij doodde den +Saraceen en steeg naar boven. Als hij nu met dat touw velen zijner +makkers had opgetrokken, plantten zij een krijgsvaan boven op den muur: +deze koene strijders drongen vooruit tot aan de poort. De wacht, die +zich daar bevond, werd op het gezigt der Christenen door eene +plotselijke schrik bevangen, geraakte in wanorde, en kon niet beletten +dat de poort geopend werd. Het gansche leger drong binnen, en zoo werd +de stad veroverd, en nu rigteden de Christenen een groot bloedbad aan, +plunderden alles wat hen voorkwam, en staken tot afscheid de stad in +brand.</p> +<p>Vele Kruisbroeders, waarschijnlijk dweepzieke monniken, <span class= +"pagenum">[<a id="pb376" href="#pb376" name= +"pb376">376</a>]</span>hebben in de wolken het beeld der heilige Maria +gezien, welke over het geluk en de gedragingen der Christenen met +welbehagen glimlachte. De Priesters hadden moeten doen zien, dat de +heilige maagd tranen stortte over deze Christelijke barbaren!—Dit +geschiedde den 1 Augustus:—twee volle maanden hadden dus onze +Friezen reeds rondgezworven. Des anderen daags ligtten zij wederom de +ankers, voeren digt onder de Spaansche kusten langs, en landden te +Roden. Het gerucht van den gruwel der verwoesting in St. Maria was +reeds tot hier doorgedrongen. De bevreesde Saracenen hadden de stad +verlaten; de Christenen trokken de ontvolkte stad binnen, plunderden +dezelve, volgens loffelijke gewoonte, uit, en legden haar in de assche. +Eenige Christenen hadden zich op de bij de stad liggende wijnbergen +verspreid, in de hoop van ook daar nog eenigen buit te behalen; maar de +Saracenen lagen daar in sluipholen verborgen, kwamen onverwacht te +voorschijn, en vermoordden allen, die zich niet met de vlugt tot aan de +haven redden konden. Daarop gingen de Christenen naar Kadix, en ook +deze reeds destijds rijke stad was van de Saracenen verlaten. De +Kruisvaarders sloopten eene bij uitstek kostbare moskee tot den grond +toe, plunderden de stad en de omliggende landhuizen uit, en namen, van +roof verzadigd, het vroom besluit, deze prachtige stad door het vuur te +verwoesten.</p> +<p>Nu rigteden de Christelijke zeeroovers hunne koers naar de straat +van Gibraltar. Een zware storm uit het Oosten belette hun de doorvaart, +en verstrooide de vloot; 86 schepen, waaronder die der Friezen, liepen +in de havens van Sevila aan den mond der Guadalquivir binnen. Drie +dagen daarna liepen zij uit met eenen gunstigen wind, geraakten +gelukkig door de straat, verzeilden op den vierden dag daaraan uit +onkunde naar het eiland Ivica, en kwamen na eenige dagen te Tortoso aan +den mond van den Ebro. Zij gingen aan land om versch water in te nemen, +bleven hier twee dagen, en stevenden naar Barcelona, waar zij +verscheiden schepen <span class="pagenum">[<a id="pb377" href="#pb377" +name="pb377">377</a>]</span>hunner door den storm verstrooide vloot +aantroffen. In de haven van den H. Felicianus (St. Felice de Guixolis) +in Catalonië vonden zij het overschot derzelve weder.</p> +<p>De vloot ging weder onder zeil, en ankerde in de haven van St. +Mardrianus omtrent Marseille. Nu hielden zij zich digt langs de kusten +van Frankrijk en daarna van Italië, voeren Nizza, Pisa, Genua, +Livorno en andere steden voorbij, en kwamen eindelijk te Piombino in +Toskanen. In Piombino vertoefden zij 8 dagen, en rigtten nu hunnen +koers naar Messina op Sicilië; dan storm en tegenwind dwongen hen +om naar Civita Vecchia te zeilen. Daar het jaargetijde zoo verre was +verloopen, besloot men hier de winter kwartieren te betrekken, want het +was reeds 9 October toen de vloot in de haven van voornoemde stad voor +anker kwam. Vijftehalve maand had dus de vloot van huis af naar +Italië te zoek gebragt. Zulk een lange tijd kan ons niet +bevreemden, als men denkt, dat de vloot geenszins de volle zee, maar +altijd de kusten gehouden, en in vele havens vertoefd heeft. +Ondertusschen was de haven van Civita Vecchia niet ruim genoeg om de +schepen allen te bevatten, weshalve zich eenigen van de vloot +afscheidden. 18 Friesche bodems liepen de haven van Corneto binnen, +alwaar zij op uitdrukkelijken last van Paus Honorius III, inzonderheid +omdat zij in Spanje zoo dapper gestreden, zoo vele Saracenen onthalsd +en steden verwoest hadden, heerlijk onthaald werden; ja, de Paus had +zoo veel met hen op, dat hij hun tweemalen de Veronica (het in den +Zweetdoek afgedrukte gelaat des Heilands) liet zien. Tot den 21 Maart +1218 lagen de Friezen daar in de winterkwartieren. Bij hun vertrek +werden zij door de gezamenlijke ingezetenen met 158 vanen in heiligen +optogt tot aan de schepen begeleid. Zeer velen uit deze stad en het +omliggende land, van Viterbo, Sièna, Vetralla enz. scheepten +zich met 40 vanen met de Friezen in. De bevelhebber van Corneto liet +bij den aftogt het volk eenen kring maken, plaatste zich in het midden, +en <span class="pagenum">[<a id="pb378" href="#pb378" name= +"pb378">378</a>]</span>hield eene aanspraak, waarin hij de dapperheid +der Friezen roemde, en hun zijne mede vertrekkende landslieden +hartelijk aanbeval. Na het eindigen zijner rede overhandigde hij den +Friezen een Krijgsvaan, ten teeken des opperbevels over de +medetrekkende Italianen. Nu gingen zij aan boord, en vereenigden zich +met de van Civita Vecchia uitgeloopen vloot. Na eenige, hoewel niet +belangrijke tegenheden, landden zij te Sijracuze aan, waar zij den +palmzondag vierden. Onder Creta leden zij eenen zwaren storm, die de +vloot verstrooide, doch de meeste schepen liepen daar eene haven in. +Zij zeilden vervolgens Cnidus, Rhodus en Cyprus voorbij, en kwamen +eindelijk, den 26 April 1218, te Ptolomais aan.</p> +<p>In deze haven vonden zij Johannes, Koning van Jeruzalem, Andreas, +Koning van Hongarijen, den Koning van Cyprus, de Hertogen van +Oostenrijk en Beijeren en andere groote Heeren met het geheele +Christen-leger, hetwelk men op 80,000 man berekende. Ondertusschen +hadden die Kruisvaarders, welke zich door de reden des Bisschops hadden +laten overhalen in Lissabon te blijven, op de Saracenen in Portugal +eenige veroveringen gemaakt; doch op bevel van den Paus zijn zij van +daar opgebroken, en onder aanvoering van Graaf Willem van Holland met +eenen gunstigen wind, nog vroeger dan hunne voormalige togtgenooten, te +Ptolomais, de verzamelplaats van dezen Kruistogt, aangekomen.</p> +<p>Het thans weder vereenigde leger maakte het volgende plan: Damiate, +de sleutel van Egypte, zoude veroverd worden, dan ware het den +Christenen gemakkelijk Cairo en Alexandrië den ongeloovigen te +ontrukken<span class="corr" id="xd20e8002" title= +"Niet in bron">.</span> Wanneer op deze wijze Egypte in handen der +Christenen viel, zoo kon men den ongeloovigen in <span class="corr" id= +"xd20e8005" title="Bron: Syrie">Syrië</span> en Palestina de pas +van Egypte, van waar zij toevoer en rekruten ontvingen, afsnijden, en +zoo moesten dan Syrië en Palestina zich van zelf overgeven. +<i lang="la">Sed homo proponit; Deus disponit!</i>—»Doch de +mensch maakt plannen; God beschikt!”</p> +<p>Ingevolge dit plan ligtte de vloot het anker, en <span class= +"pagenum">[<a id="pb379" href="#pb379" name= +"pb379">379</a>]</span>stevende in 3 dagen naar Egypte. Met zeer veel +moeite liep zij den Nijl in, waar toen de manschap niet ver van Damiate +aan land stapte. Hier vertoonden zich vele Saraceensche ruiters aan het +strand, hetzij om de ontscheping te beletten, hetzij om de Christenen +te verkennen. Een gespierde Fries met breede schouders zwaaide zijne +lans, en daagde den eersten den besten Muzelman uit; eene gewoonte, die +sedert Goliath’s tijd en nog vroeger zich tot nu toe had staande +gehouden. Een Saraceensch ruiter reed voor, maar werd oogenblikkelijk +door den uitdager uit den zadel geligt en afgemaakt<a class="noteref" +id="xd20e8015src" href="#xd20e8015" name="xd20e8015src">63</a>. De +Saracenen beschouwden <span class="pagenum">[<a id="pb380" href= +"#pb380" name="pb380">380</a>]</span>dit als een kwaad voorteeken, en +trokken in de stad terug. Diamiate was eene voor dien tijd bijzonder +sterke stad; zij was met eenen driedubbelden muur, de een hooger dan de +ander, omgeven; digt langs den muur liep de Nijl met een’ krommen +arm om dezelve. Op de zijde der stad lag de voorstad, welke door +een’ sterken toren gedekt werd. Dezen toren kon men niet naderen, +daar zij op een eilandje stond, welks geheele oppervlakte door den voet +des torens werd beslagen, zoodat de toren uit het water scheen op te +rijzen. Tusschen dezen en eenen anderen even zoo gelegenen, ofschoon +kleineren toren, lag de haven, en van beide torens was eene zware keten +gespannen, om de haven te sluiten. Nadat men eenige vruchtelooze +aanvallen op de stad en den toren had gedaan, vonden de Duitschers uit +het Bisdom Keulen een kunstig werktuig uit, waarmede zij den toren +dachten te veroveren; doch ook dit mislukte.</p> +<p>De Zomer liep reeds ten einde, zoodat men aan de verovering der stad +begon te wanhopen. In dezen hagchelijken toestand kwamen de Friezen op +eenen bij zonderen inval. Zij klampten twee hunner grootste schepen aan +elkander, welke naar één breed schip geleken: op deze +beide schepen maakten zij vier sterke masten in een vierkant vast. +Tusschen deze masten rigtten zij een houten bolwerk op, dat zij met +sterke kruisgewijze gelegde balken <span class="pagenum">[<a id="pb381" +href="#pb381" name="pb381">381</a>]</span>verzorgden, en van buiten met +natte koehuiden overtrokken. Boven op het bolwerk hadden zij lange +ladders, die zij op den toren werpen en waarmede zij dan deszelfs +platte oppervlakte bereiken konden. Vervolgens sloegen zij op een ander +schip een lager bolwerk op met naar buiten vallende bruggen, om aan den +voet des torens te komen, en met deze beide werktuigen voeren de +Christenen tot aan den toren. De Saracenen benaauwden de belegeraars +met hunne pijlen, die zij van boven van den toren afschoten, en met het +Grieksche vuur, dat echter door de natte koehuiden weinig werking kon +doen. Gedurende dit gevecht lagen de Patriarch en gezamenlijke +Geestelijken op de knieën, hieven de gevouwene handen ten hemel, +en riepen God, doch inzonderheid Maria en St. Bartholomeus (het was +juist Bartholomeus-dag) om hulpe aan. Eindelijk gelukte het den +Christenen uit het bovenste bolwerk ladders op den toren te werpen. +Hendrik, een Luikenaar, en Haije, een Fries van Fivelingo uit +Groningerland, waren de eersten, die den toren beklommen. De eerste had +eene zware kolf en de laatste een ijzeren dorschvlegel, die met ijzeren +ringen aan elkander gezet en versterkt was, in de hand. Elke slag gold +eenen gekneusden kop, ontwrichten arm of stukken geslagen beenen; zoo +maaiden zij regts en links om zich henen, en maakten ruimte voor hunne +makkers. De Saracenen, die van boven van den toren naar beneden +gedrongen waren, wierpen Grieksch vuur uit, waardoor de Christenen zoo +bestookt werden, dat zij den toren weder moesten verlaten. Daar evenwel +de vijand ook den toren verlaten had, zoo kreeg het andere schip met +het lage bolwerk lucht. Men wierp de bruggen uit, en naderde den toren +van onderen. Als zij nu met alle magt op de poort aanvielen om die met +geweld te doen bezwijken, gaven de Saracenen den toren bij verdrag +over. Eenige buitenlandsche Schrijvers voegen hierbij, dat het groote +schip van voren met eene sterke ijzeren zaag is voorzien geweest, en +dat de ketting, door tegen haar <span class="pagenum">[<a id="pb382" +href="#pb382" name="pb382">382</a>]</span>met volle zeilen aan te +varen, is gesprongen<a class="noteref" id="xd20e8052src" href= +"#xd20e8052" name="xd20e8052src">64</a>.</p> +<p>Toen de Christenen den toren hadden, werd ook spoedig daarop de +voorstad bemagtigd; doch de stad zelve konden zij nog niet bemeesteren, +omdat zij bestendig uit het leger des Sultans Meleddin<a class= +"noteref" id="xd20e8072src" href="#xd20e8072" name= +"xd20e8072src">65</a> toevoer en ondersteuning ontving<span class= +"corr" id="xd20e8079" title="Niet in bron">.</span> Het Christen-leger +had ook veel te lijden van overstrooming des Nijls, waarom vast- en +biddagen werden ingesteld. Toen de Nijl naderhand binnen zijne oevers +terug trad, vernielden de Duitsche Kruisbroeders eene schipbrug, over +welke de belegerden toevoer ontvingen uit het Saraceensch +leger<span class="corr" id="xd20e8082" title="Niet in bron">.</span> +Toen wies der Christenen moed; zij wierpen zich tusschen het leger des +Sultans en de stad, en vielen hem eindelijk nu eens gelukkig, dan eens +ongelukkig, zelfs in zijn leger aan. De Sultan werd deze kwellingen +eindelijk moede, en bood den Christenen het vrije bezit van Palestina, +het kruis des Heilands, het ontslag der Christen-gevangenen en een +eeuwigen vrede aan. Het Kruisleger en vooral de Duitschers en Franschen +lieten zich het aanbod gaarne welgevallen, maar de Pauselijke Legaat +protesteerde en verlangde de geheele uitroeijing der Saracenen en +Turken. Deze zielenherders kregen eindelijk bij de Christelijke schapen +gehoor, men vocht nog een tijdlang met de ongeloovigen, en bereikte ten +laatste, op het einde van Aug. 1219, door bemagtiging van Damiate, +<span class="pagenum">[<a id="pb383" href="#pb383" name= +"pb383">383</a>]</span>welke stad schier geheel door de pest was +uitgestorven, het eerste gedeelte hunner wenschen. Natuurlijk viel hier +in deze rijke en weleer volkrijke stad weder kostelijken buit te maken, +dien de Christenen eerlijk onder elkander verdeelden.</p> +<p>Toen Damiate was overgegaan, trok de Sultan naar Cairo terug. Men +hield zich wederzijds langen tijd in dit en het volgende jaar stil, +doch eindelijk beval de Paus tegen den zin der meeste Christenen en +zelfs van Koning Johannes den vijand te vervolgen. Dit bevel kwam ter +kwader uur, daar de Nijl overstroomde, en groote verwoesting in het +Christenleger aanrigtte. Nu zagen zich de Christenen genoodzaakt met de +ongeloovigen vrede te sluiten. De vredesvoorwaarden waren deze: de +gevangenen zouden van wederzijden vrijgelaten worden; de Christenen +moesten Damiate ontruimen, en de Sultan moest hun het te voren door +Saladin veroverde Kruis des Heeren uitleveren. Deze was de eindelijke +vrucht des ganschen togts, want in Aug. 1221 werd Damiate weder +overgegeven. Zoo was dan wederom alles verloren, en de Christenen +trokken weder huiswaarts.”</p> +<p>Ik kan niet voorbij hier nog aan te voeren dat de bovengemelde +Olivier dezen Kruistogt in persoon heeft bijgewoond. Misschien is hij +zelf de vervaardiger van het Itinerarium (Reisverhaal) geweest. Uit het +leger voor Damiate heeft hij een brief aan de Abten, Prelaten en +Burgemeesteren (Consuls) in Friesland geschreven. Ik neem hier het +volgende uit over, dat den Friezen tot eer verstrekt:</p> +<p>»De Zegepraler in Israël, van wien alle goede gaven en +volmaakte giften afdalen, heeft uw vroom en in de moeijelijkheden der +vreemdelingschap volhardend volk op aarde groot gemaakt, bereidende hun +een’ triomfwagen, als hebbende eene eeuwige belooning bij +tijdelijken roem verdiend, dewelke zij nooit zullen verliezen, indien +zij den ingetreden weg ten einde toe blijven bewandelen. Bij Damiate +immers hebben zij zich door betoon van groote nedrigheid, +milddadigheid, gehoorzaamheid en stoutmoedigheid, bij de Saracenen +geducht, bij de Christenen <span class="pagenum">[<a id="pb384" href= +"#pb384" name="pb384">384</a>]</span>bemind gemaakt. Weshalve wij U, +Prelaten” enz., enz.</p> +<p>»Geschreven bij Damiate op het feest der H. +Kruisverheffing.”</p> +<p>De Patriarch van Jeruzalem gaf den Friezen bij hunnen aftogt eene +loffelijke getuigenis mede, waarin onder anderen het volgende +voorkomt:</p> +<p>—»en nadat zij met ons in Egypte zijn gekomen, hebben +zij veel leeds uitgestaan, zoo ten aanzien van hunne personen als van +hunne geldmiddelen. Wij hebben hen van hunne dienst ontslagen en laten +vertrekken, volgens de toelating door de Roomsche Kerk in de algemeene +kerkvergadering verleend. Wij geven eene loffelijke getuigenis aan het +Friesche Volk, daarom, dat zij eenen braven wandel hebben geleid, en +dapper en vroom gestreden hebben in de dienst van J. C. Weshalve wij u +vermanen en van uwe bescheidenheid in den Heere bidden, dat gij deze +zelfde Friezen, uit hunne vreemdelingschap terugkeerende, in gunst +moogt ontvangen,” enz.—</p> +<p>Zoo veel van dezen togt.</p> +<p>Naauwelijks waren de Kruisvaarders weder te huis gekomen, of de +heilige Vader Honorius II begon reeds weder alarm te blazen. Keizer +Frederik II nam zelf het Kruis aan, doch scheen zich, na den dood van +Honorius, om zijne gelofte weinig te bekommeren; hij werd door den +opvolger van Honorius, Paus Gregorius, in den ban gedaan, trad wakker +met den Heiligen Vader in het strijdperk, en ondernam eindelijk in 1228 +den Kruistogt. Terstond bij zijne aankomst boden hem de Saracenen eenen +10 jarigen wapenstilstand aan, waarbij zij hem Jeruzalem, Nazareth en +Sidon inruimden. Daarop liet hij zich tot Koning van Jeruzalem kroonen, +en keerde terstond daarna terug. Ook aan dezen togt hebben de Friezen +deel genomen, en zoowel de Paus Honorius, als de Keizer Frederik +moedigden de Friezen aan, den togt mede te ondernemen. De Paus streek +den Friezen in eenen brief van 1226 niet weinig honig om den mond. +Onder anderen zegt hij in dien brief:</p> +<p>»Voorwaar, daar de Friezen weleer met onderscheiding +<span class="pagenum">[<a id="pb385" href="#pb385" name= +"pb385">385</a>]</span>in den Kruistogt ter zee den Heere gediend +hebben in de overzeesche landen, zoodat uw gedenkboek van geslacht tot +geslacht met vermelding van uwen lof zal aangehaald worden, zoo hebben +wij noodig en raadzaam gedacht, ulieden als beroemde Kampvechters wel +bijzonder tot het volgen van dezen (togt) te moeten oproepen, vastelijk +hopende en vertrouwende, dat gij, die onder overige volken uitmunt in +grootmoedige dapperheid, den strijd des Heeren mannelijk en met kracht +zult strijden.</p> +<p>»Wij bidden u dan allen enz.”</p> +<p>En Keizer Frederik schrijft onder anderen:</p> +<p>»Want buitenlands is uw krijgsbeleid gevreesd en ondervonden +van die volken, tot welker uitroeijing gij weleer uwe krachten +loffelijk geoefend hebt, terwijl het bloed van uwe martelaren in de +dienst des Kruises geplengd, glansrijk blinkt, en hunne roemrijke +ligchamen door de bezetting en verovering van Damiate herdacht worden. +Ontbrande dan uwe dapperheid!—</p> +<p>»Gegeven te Salerno 1 Febr. 14de Indictie.”—</p> +<p>Olivier kwam ook weder in Mei 1224 in Friesland, en predikte eerst +in Groningen, daarna in Reiderland en in ’t Emderambt het Kruis; +voornamelijk echter hield hij zich te Uttum en Groothuizen (Huttum en +Usum zegt Emo) op, waar hij evenwel weinig uitwerkte. Vervolgens zond +hij door geheel Friesland herderlijke brieven rond, en vermaande de +Friezen met de Denen, Bremers en de Keulenaren, die reeds eene vloot +begonnen uit te rusten, gemeene zaak te maken, terwijl de eerste +bemoeijing der Geestelijken was, om geld voor den te ondernemen +Kruistogt te verzamelen. Onze geschiedschrijver Emo liet zich zelven +daartoe gebruiken, en bragt eene aanzienlijke som bijeen.</p> +<p>Den 22 Mei 1227 gingen de Friesche schepen bij Borkum onder zeil; de +manschap echter leed veel door allerlei gevaar, storm, ziekte en +honger, en kwam, merkelijk ontdaan, eindelijk in Palestina<a class= +"noteref" id="xd20e8123src" href="#xd20e8123" name= +"xd20e8123src">66</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb386" href= +"#pb386" name="pb386">386</a>]</span>Het einde van dezen togt heb ik +reeds boven kortelijk opgegeven.</p> +<p>In het jaar 1247 werd eene groote kerkvergadering te Lyon in +Frankrijk gehouden, op welke nogmaals een heilige krijg tegen de +ongeloovigen werd vastgesteld. Koning Lodewijk de Heilige nam zelf het +Kruis aan, en de Paus zond, op bijzonder verlangen des Konings, den +Bisschop Albert van Riga en Willibrand, een monnik uit het Mentzsche, +naar Friesland, alwaar zij alle Abten, Dekens, Priesters, Edellieden, +regterlijke Beambten en de voornaamste Mannen verzamelden, en hun den +Pauselijken lastbrief voorlazen. Terstond liet zich eene groote menigte +tot dezen togt aanwerven; maar toen den Friezen werd aangekondigd, dat +zij tegen Mei 1248 reeds tot den togt gereed moesten zijn, schreeuwden +allen, dat deze bepaalde tijd veel te kort was. Daarop werd de tijd des +aftogts tot Mei 1249 uitgesteld.</p> +<p>Deze Krijgstogt is voor de Christenen van rampzalige gevolgen +geweest, daar bijna het geheele Christelijke leger in Egypte, deels +door de pest, deels door het zwaard, werd vernield, en de Koning +Lodewijk zelf gevangen genomen. Door klinkende munt en eenen +schandelijken vrede kocht hij zijne vrijheid weder. Of nu de Friezen +dezen togt mede gedaan hebben, en werkelijk uitgezeild zijn of niet, +melden ons de geschiedschrijvers niet<a class="noteref" id= +"xd20e8137src" href="#xd20e8137" name="xd20e8137src">67</a>. +Waarschijnlijk <span class="pagenum">[<a id="pb387" href="#pb387" name= +"pb387">387</a>]</span>hebben de Friezen, daar zij te huis genoeg te +doen hadden, en den nieuw verkozen Roomsch Koning Willem reeds in 1248 +Aken hielpen veroveren, doch daarna met hem in onmin geraakten, en hem, +gelijk uit ’s Konings geschiedenis genoeg bekend is, in de +tegenwoordige provincie Friesland om hals bragten, aan dezen togt geen +deel genomen<a class="noteref" id="xd20e8148src" href="#xd20e8148" +name="xd20e8148src">68</a>.</p> +<p>Zeer aardig herinnert een Bisschop van Syrië in eenen uit +Ptolomais geschreven brief na het jaar 1260 hun aan hunne +pligten<span class="corr" id="xd20e8172" title="Niet in bron">.</span> +Hij noemt zich: »<i lang="la">Frater Thomas de ordine +Praedicatorium, Dominici praesepii et virginalis puerperii custos +indignus, Apostolicae Sedis Legatus.</i>” »Broeder Thomas +van de orde der predikheeren, onwaardige bewaker van de kribbe van +Dominicus en het maagdelijk kraambed, legaat van den Apostolischen +zetel.” Hij meldt daarin (de ruimte laat niet toe, den geheelen +merkwaardiger en kluchtigen brief hier in te lasschen) onder anderen, +dat de Friezen, die voor 10 en meer jaren het Kruis hebben aangenomen, +hunne kruisgeloften gestand doen, en opkomen, of wettige redenen van +hun uitblijven opgeven moeten. Daarbij verzoekt hij de Proosten en +Dekenen de Friesche vrouwen, welke het Kruis hebben aangenomen, den +togt af te raden, dewijl men, helaas, meermalen de treurige ervarenis +heeft gehad, dat door verleidingen des Satans deze vrome vrouwen reeds +aanstonds op weg afschuwelijke hoererij en echtbreuk bedreven hebben. +Wanneer deze goede kinderen slechts zooveel baar geld betaalden, als +hun de reis heen en weder zou kosten, dan konden zij rustig te huis +blijven, en nu besluit hij: <span class="pagenum">[<a id="pb388" href= +"#pb388" name="pb388">388</a>]</span></p> +<p>»Aan alle welke voornoemde vrouwen en anderen, die op +voorzeide wijze mogen verschoond worden, wij uit kracht van de aan ons +door den Apostolischen Stoel verleende volmagt die vergeving van zonden +schenken, welke zij zouden verwerven, zoo zij het Heilige Land in +persoon bezocht hadden.”</p> +<p>Koning Lodewijk nam in 1267 andermaal het Kruis aan, en zond naar +Friesland eenen monnik, Gerhard, om aldaar het Kruis te prediken. Deze +trok geheel Friesland door, doch hield zich den meesten tijd, volgens +getuigenis van den gelijktijdigen Schrijver Menco, in Norden op, alwaar +hij het Jakobiten-Klooster stichtte. Het gelukte hem ten behoeve van +dezen voorgenomen togt den ingezetenen groote sommen gelds uit de beurs +te praten, en een groot getal strijdbare mannen te overreden, zich met +het Kruis te laten teekenen.</p> +<p>Thans werd eene betere orde ingevoerd. Opdat niet wederom allerlei +janhagel den togt mede ondernemen, en zich op kosten van het Kruisleger +mesten, of ook weerlooze vrouwen vervolgens wanorde in het leger +veroorzaken mogten, werd uitdrukkelijk bevolen dat alle vrouwen, zonder +onderscheid, te huis blijven, en ieder Kruissoldaat 7 mark sterling aan +klinkende munt, vervolgens 7 ton boter, een halven os, een ham, een +half mudde meel en zoovele wapens en kleederen, als hij zou noodig +hebben, medenemen moesten.</p> +<p>In 1269, kort voor Paschen, scheepten de Friezen zich in. Zij +verzamelden zich bij Borkum, en moesten daar 20 dagen wegens westelijke +tegenwinden blijven liggen. De uitgeloopene Friesche vloot bestond, +behalve de kleine schepen, uit 50 koggen. Met goeden wind landden zij, +na volgens gewoonte vooraf in eenige havens te zijn binnengevallen, te +Marseille aan. De Koning van Frankrijk had met de Friezen afgesproken +hen tot St. Jan in te wachten; dan daar deze tijd verstreken was, zoo +was de Koning met zijne vloot reeds voor de aankomst der Friezen naar +Tunis afgezeild. De Sultan had een <span class="pagenum">[<a id="pb389" +href="#pb389" name="pb389">389</a>]</span>sterk leger naar Afrika +gezonden, waarom de Koning vreesde, dat de Turken, na den aftogt der +Christen troepen, in Sicilie, Italie, Frankrijk en Spanje eene +afwending zouden maken. Daar ook de Saracenen in Syrië en +Palestina veel ondersteuning en levensmiddelen ontvingen van de +Barbarijsche kusten, zoo achtte hij het voordeelig eerst Tunis te +verwoesten. De Friezen morden over dezen togt, en wilden liever naar +Palestina, doch lieten zich ten laatste door eenen geestelijken +overreden den Koning na te zeilen. Bij hunne aankomst vernamen zij wel, +dat de Koning de Ongeloovigen geslagen en Tunis reeds ingesloten had, +doch tevens dat hij zelf kort daarna aan de pest gestorven was. Op dit +berigt wilden de Friezen oogenblikkelijk weder naar Syrië +afzeilen; dan, daar juist ten zelfden tijde de broeder des overledenen +Konings Lodewijk, de Koning Karel van Napels, met eene versche vloot +aankwam, zoo lieten zij zich bewegen, daar te blijven. De belegering +werd dan ijverig voortgezet; de Saracenen deden eenen uitval op eene +afdeeling Duitschers en Friezen, die verspreid nabij de stad ginds en +herwaarts liepen, om den vijand uit zijne verschansingen te +lokken<span class="corr" id="xd20e8189" title="Niet in bron">.</span> +De Christenen togen aanvankelijk in wanorde terug, maar herstelden zich +weldra weder, rukten als één man tegen den vijand op, en +dreven hem tot eene rivier, die voorbij Tunis stroomt<span class="corr" +id="xd20e8192" title="Niet in bron">.</span> Vele Ongeloovigen +sneuvelden door het zwaard, de meesten echter verdronken in den vloed. +De stad kon door storm niet ligt veroverd worden, omdat de pest in het +Christenleger eene groote verwoesting had aangerigt: desniettemin +werden de belegerden zoo benaauwd, dat zij den Christenen eenen vrede +aanboden. De inhoud der aangenomene vredes-voorwaarden was, dat de +gevangenen van wederzijde bevrijd,—Tunis aan Koning Karel eene +jaarlijksche schatting betalen,—en de Christenen op de +Middellandsche Zee door geene zeeroovers zouden ontrust worden. Het +leger werd daarop ontbonden, en de meeste Italianen en Franschen gingen +weder naar huis; dan de Friezen, Duitschers en Engelschen <span class= +"pagenum">[<a id="pb390" href="#pb390" name= +"pb390">390</a>]</span>vervolgden hunne reis en zeilden naar Palestina. +Onder weg leden zij veel door storm en ziekte, en kwamen in veel +verminderd getal eindelijk te Ptolomais aan, alwaar zij het +Christen-leger in eenen jammerlijken toestand en verderfelijke +oneenigheid aantroffen, welke tweespalt de Saracenen zich ten nutte, en +vele veroveringen hadden gemaakt. Intusschen werden de Friezen door de +Tempelheeren wel ontvangen en kostelijk onthaald: zij werden naar Tyrus +gevoerd, alwaar men aanzienlijke hulptroepen van de Christenheid en +bijzonderlijk van Koning Karel van Napels verwachtte, doch daar deze +uitbleven, zoo kregen ook de Friezen het heimwee. Hunne uit den storm +nog overgeblevene schepen waren zoo jammerlijk gesteld, dat zij geen +zee konden bouwen, zoodat zij zich in vreemde vaartuigen moesten +inschepen, en van elkander afgescheiden, sommigen door Italië, +anderen door Frankrijk afzonderlijk terugkwamen. De meesten echter +hadden hunnen dood in Afrika, in de <span class="corr" id="xd20e8197" +title="Bron: Middellansche">Middellandsche</span> Zee en in Palestina +gevonden, terwijl het geringe in het Vaderland terugkeerend overschot +ledige buidels, hongerige magen en zieke ligchamen mede terugbragt.</p> +<p>Van nu af aan waren de Christenen te zwak om den Turken het spits te +bieden. De eene vesting ging na de andere over. Antiochië, +Cesarea, Joppe en andere steden kwamen in handen der Turken. Ten jare +1291 werden ook Ptolomais, Tyrus en Berytus heroverd. Zoo behielden dus +de Christenen der Latijnsche Kerk, die ter verovering en beheersching +des Heiligen Lands, zoo vele millioenen verspilden, en zoo veel bloeds +deden stroomen, in Palestina geen voet gronds. Paus Nikolaas IV, wien +dit zeer ter harte ging, wekte wel alle geestelijke en wereldlijke +Vorsten tot eenen nieuwen togt op, doch zijne pogingen waren +vruchteloos<a class="noteref" id="xd20e8203src" href="#xd20e8203" name= +"xd20e8203src">69</a>.</p> +<p>Palestina, ontbloot van allen bijstand, verzonk weder <span class= +"pagenum">[<a id="pb391" href="#pb391" name="pb391">391</a>]</span>in +de oude slavernij, die misschien dragelijker was, dan de heerschappij +van teugellooze schraapzuchtige Christenen.—En dit was het einde +der heilige oorlogen of vrome razernij, die omtrent twee honderd jaren +gewoed, en Europa omtrent zeven millioenen menschen en onmetelijke +schatten gekost heeft.</p> +<p>Wat nu het goed en kwaad betreft, het is moeijelijk te beslissen of +de Kruistogten meer voordeel dan nadeel aan Europa hebben toegebragt. +Dus oordeelt er de Duitsche Geleerde <span class="sc">J. G. Mair</span> +over<a class="noteref" id="xd20e8218src" href="#xd20e8218" name= +"xd20e8218src">70</a>. <span class="sc">Heeren</span> is door zijn +onderzoek der gevolgen van de Kruistogten voor Europa<a class="noteref" +id="xd20e8227src" href="#xd20e8227" name="xd20e8227src">71</a> tot het +gunstig resultaat gekomen, dat zij wel niet op eens eene betere wereld +schiepen, maar die voor de nakomelingschap hebben voorbereid.</p> +<p><span class="sc">Wakker van Zon</span> heeft, in zijne <i>Bijdrage +tot de Geschiedenis der Kruisvaarten</i>, voor ons Vaderland daarin +weinig voordeel kunnen vinden, en laat het nadeel ver het overwigt +behouden; zelfs in de heftigheid van zijn betoog uitroepende: +»Rede! Deugd <span class="pagenum">[<a id="pb392" href="#pb392" +name="pb392">392</a>]</span>en Godsdienst! wij leggen op uw heilig +altaar de plegtige en onherroepelijke bekentenis af—, dat de +Kruisvaarten ons Vaderland tot eene bron van onuitrekenbare ellende +verstrekt hebben!”—</p> +<p>Zoo zijn er meerdere gevoelens van geleerden uitgebragt, terwijl die +Schrijvers, welke niet overdrijven, maar den middelweg hebben +bewandeld, zoo als <span class="sc">Heeren</span> en <span class= +"sc">Luden</span>, gewis den voorrang boven anderen verdienen<a class= +"noteref" id="xd20e8262src" href="#xd20e8262" name= +"xd20e8262src">72</a>.</p> +<p>Voor Friesland waren gewis de gevolgen ook van groot belang. De +burgerlijke vrijheid is er zeer door bevorderd: want een slaaf werd +vrij man, en de haat en wraak der aanzienlijke geslachten werden +getemperd. Het werkzame deel des volks werd door den landbouw als +anderszins voor armoede beveiligd, en de zedelijke beschaving zal er +allengs bij gewonnen hebben. De handel in de X eeuw nog in zijne +kindschheid, moet eene eeuw na den aanvang der Kruistogten te Stavoren +reeds tot grooten bloei zijn gekomen: want deze stad en Bolsward tot de +Hanzesteden behoorende, voerden hunne koopwaren naar Brugge, werwaarts +de Lombarden hunne Oostersche goederen bragten, om dezelve zoo door de +Hanzesteden weder in het Noorden te verspreiden. De welvaart, pracht en +weelde der XIII en XIV eeuwen kunnen van deze gevolgen +getuigen.—Kunsten en wetenschappen, altoos met den handel zich +parende, moesten ook wel in Friesland toenemen.—Dan het nadeel +heeft zich ook voor dit gewest geopenbaard, en in de onheilen moest het +dus ook aandeel hebben.</p> +</div> +</div> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb393" href="#pb393" name= +"pb393">393</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb72" class="pageref">72</a>.</p> +<p>Omtrent den jare 1100 was er een voornaam Bouwkunstenaar, zijnde een +Fries, die voor den Bisschop van Utrecht eene fraaije kerk bouwde, doch +misnoegd over deszelfs behandeling, den Bisschop om het leven bragt. +Dit zal het bedoelde geval zijn ’t welk voorkomt in <span class= +"sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>. 285.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb72" class="pageref">72</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1110</i>. Door dezen strijd en nederlaag bleef de +vrijheid van Oost-Friesland bewaard, en de Friesche Graafschappen +Oostergo en Westergo genoten een aantal jaren rust en vrede.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb73" class="pageref">73</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1119 ontstond</i>. Het verhaal van dezen twist +tusschen Floris II en den Frieschen Edelman Galama is naauwkeurig +opgeteekend door <span class="sc">Gabbema</span> in zijne +<i>Watervloeden</i>, p. 50 en 51, en bij de Kronijkschrijvers met +eenige kleine veranderingen vermeld. <i>Zie Tegenw. Staat van +Friesland, I</i>. 315; <span class="sc">F. Sjoerds</span>, +<i>Jaarb<span class="corr" id="xd20e8337" title="Niet in bron">.</span> +II</i>. 318, welke te regt in <span class="sc">Wagenaar</span> +(<i>II</i>. 213,) verbetert, dat Galama niet in dezen twist is +omgekomen, en ook een eigenlijke <i>Fries</i> geen Westfries +was<span class="corr" id="xd20e8351" title="Niet in bron">.</span> +<span class="sc">Schotanus</span>, van dit voorval niet sprekende, +heeft men de waarheid daarvan betwijfeld, waarom ook welligt +<span class="sc">Cerisier</span> (<i>Geschiedenis der Nederl. I</i>. +214) niet voor de echtheid wil instaan. <span class= +"sc">Bilderdyk</span>, altijd <i>kwaadaardigst</i> tegen <span class= +"sc">Wagenaar</span>, zegt in zijne <i>Gesch. des Vaderl. II</i>. 34: +»<span class="sc">Wagenaar</span>, altijd <i>kwaadaardigst</i> +tegen de braafste <span class="pagenum">[<a id="pb394" href="#pb394" +name="pb394">394</a>]</span>Vorsten, brengt tegen Floris in, »dat +zijne uitmuntendheden van geest en lichaam niet verhinderden, dat de +Edelen dezer landen hunne vrijheden tegen het Grafelijk geweld, dat met +den aanwas van ’s Graven macht meer dan te voren gevoeld werd, +moediglijk verdedigen durfden.”” »En tot bewijs van +dit Grafelijk geweld en het moedig verdedigen van de vrijheden daar +tegen, komt den moedwil van Galama voor den dag.——Het geval +(waar of onwaar, want men twijfelt er aan) is eenvoudig. De Graaf (wien +naar het Leenrecht, als Vorst of wegens den Keizer regeerende, wouden +en wildernissen behooren, en alle jacht die niet afgestaan is) in het +bosch van <i>Kreil</i> (aan den rand der Zuiderzee, die nu dit gedeelte +verzwolgen heeft) jagende, vindt daar jagers van Galama, wien hij als +naar stijle, de daarmeê verbeurde honden ontnemen doet. Galama +verneemt dit, stuift op, zoekt den Graaf in het bosch, spreekt den +Graaf (onbesuisd, zegt <span class="sc">Wagenaar</span>) en onvoeglijk +aan, en bij Floris aanmerking op dien onbehoorlijken toon en taal, valt +hem met den blooten degen op het lijf en doorboort hem den +arm!—Zie daar” enz.; hier volgt weder eene onbehoorlijke +uitval op <span class="sc">Wagenaar</span> en een schampschot op de +onschendbaarheid en wijsheid, gezeten hebbende in de majestueuze +Amsterdammer paruiken.</p> +<p>Dit is dus met een kort woord aan Galama zijn regt ontnomen, hem als +overtreder des Roomschen regts veroordeeld, en Floris geregtvaardigd. +Wij houden het er daarentegen voor, dat het niet bewezen is of Graaf +Floris in het Kreilerwoud iets had te zeggen, en zoo niet, dan +beschouwen wij de daad van Galama (niet gelijk <span class= +"sc">Bilderdyk</span>) als die van een dolleman, maar van een +regtschapen Fries, die zich door geen Hollandschen Graaf naar willekeur +liet regeren en behandelen, hoe deze dan ook het Kreil, Galama’s +eigendom, mogt beschouwen. Waarom dit voorval onder de verdichtselen +geplaatst zou moeten worden, daarvoor kunnen wij geene reden vinden. +<i>Friesch Jierb. 1833</i>, § 22; <i>Bijvoegsels</i> op +<span class="sc">Wagenaar</span>, <i>II</i>. D. bl. 72. <span class= +"pagenum">[<a id="pb395" href="#pb395" name="pb395">395</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb73" class="pageref">73</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1143</i>. In onze kronijk wordt niet vermeld, zoo +als bij andere Schrijvers, dat omstreeks dezen tijd, onder de regering +van Keizer Koenraad III, vele bewoners der tegenwoordige Nederlanden, +op verzoek van den Graaf van Holstein, Adolf, na de verdrijving der +Obodriten, eenige landstreken aan de Elve gingen bewonen, en hoezeer +door deze woeste Wandalen weder aangevallen, met ongehoorde dapperheid +tegen dezen streden, en eindelijk, door den stoutmoedigen Priester +Gerlacus aangepord en voorgegaan, met behulp van ’s Graven volk +de volkomene overwinning behaalden<a class="noteref" id="xd20e8422src" +href="#xd20e8422" name="xd20e8422src">73</a>.</p> +<p>De Graafschappen Oostergo en Westergo werden door dezen Keizer +Koenraad weder aan den Utrechtschen Bisschop geschonken, welke +schenking twee jaren daarna bij eenen giftbrief werd bevestigd. Hoe +echter de Friezen over deze en dergelijke brieven dachten en hunne +vrijheid wisten te handhaven, ziet men beschreven bij <span class= +"sc">Emmius</span>, bijzonder in het VI boek, bl. 103 zijner Friesche +Geschiedenis.</p> +<p>Eenige jaren hierna in 1157, of gelijk <span class= +"sc">Emmius</span> in 1165, is het vermaarde klooster Ludingakerk +bewesten Franeker gesticht, waarvan Wigboldus de eerste Abt is +geworden. Uit deze Abdij, met aanzienlijke landerijen en rijkdommen +begiftigd, en van den Roomsch Koning Willem II met het eiland Flieland +beschonken, kwamen de kloosters van Anjum, Achlum, Oegeklooster en +anderen voort. Tusschen Flieland en Terschelling, toen nog aaneen, +groef men, tot bevordering der aanslijking, om nog al meer voordeelen +te genieten, eene wijde gracht, tegen wil en raad van den verstandigen +Lidlumer Abt, Gerhardus, <span class="pagenum">[<a id="pb396" href= +"#pb396" name="pb396">396</a>]</span>waardoor men de woedende zee het +land vernielen liet, dat noodig was te behouden ter voorkoming van de +latere ellende door storm en vloed ontstaan. <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>. 377; <i>Oudh. en Gest. II</i>. +131.</p> +<p>In 1163 stichtte men het klooster Mariengaard onder Hallum, onder +opzigt en beleid van den waarlijk vromen Pastoor der kerk te Hallum, +Frederik, die daar eerste Abt werd, en de order der Premonstratenzers +omhelsd had. Doordien er een grooter toeloop was dan het klooster +bevatten kon, werd door den Abt, ter plaatse Bartlehiem genoemd in +Tietjerksteradeel, een nonnenklooster, onder den naam <i>Bethlehem</i>, +gebouwd. Onder de waardige Abten die deze kloosters telden, is de +godvruchtige Syardus hoog geroemd. Deze en vele anderen, die het zoo +goed met de godsdienst meenden, waren echter onbestand tegen het +ongeschikte, wanhebbelijk en zedeloos leven der +kloosterlingen.—<i>Oudh. en Gest. I</i>. 385; <i>Tegenw. Staat. +I</i>. 345<span class="corr" id="xd20e8479" title= +"Niet in bron">.</span></p> +<p>In den jare 1165 werd de Abdij Klaarkamp in Dantumadeel gesticht, +onder ’t beheer van den dorpe Rinsumageest, door vrouwe Clara, +eene rijke en godvruchtige weduwe. De Bernardiner of Cistercienzer +monniken, ook naar hunne kleeding witte en zwarte monniken genoemd, die +aanvankelijk om hunnen stichtelijken wandel en goede zeden zeer geroemd +zijn geworden, hebben hetzelve onder den eersten Abt, Eiso betrokken, +en vele kloosters in Friesland en Holland hebben onder deze Abdij +gestaan. De Abt van Klaarkamp had onder de Prelaten ter +Landsvergadering de eerste plaats.</p> +<p>Deze eeuw was dus bijzonder vruchtbaar in het voortbrengen van +Abdijen, Kloosters, geestelijke Gestichten en Kerken<span class="corr" +id="xd20e8486" title="Niet in bron">.</span> In den jare 1182 werd ook +door Sybe van Lidlum met hulpe van Tjalling Donia van Winsum, tusschen +Tjummarum en Oosterbierum, het Lidlumer Klooster gesticht, ’t +welk na verloop van eene halve eeuw is verplaatst. Het was gesteld +onder de order der Reguliere Kanunniken. <i>Oudh. <span class= +"pagenum">[<a id="pb397" href="#pb397" name="pb397">397</a>]</span>en +Gest. II</i>. 162; <span class="sc">Schotanus</span>, <i>Beschryvinge +von Frieslandt</i>, Quarto, p. 311 en verv.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb76" class= +"pageref">76</a>.—A<sup>o</sup> 1170.</p> +<p><i>Omtrent dezen tijd, is</i> <span class="sc">Saake +Reinalda</span>, <i>overleden</i>. De Geschiedenis vermeldt dezen +Potestaat als een kundig, ervaren, braaf, edelmoedig en vredelievend +man, die in allen opzigte, vrij van vooroordeel en ongepaste eerzucht, +het belang zijner landgenoten zoodanig behartigde, dat de Edelen, de +Staten en het Volk hem levenslang tot hunnen Landsheer wilden +verkiezen, welk voorregt hij echter niet begeerde, als strijdig met +zijne beginselen en ’t gebruik der voorvaderen.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb77" class="pageref">77</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1190</i>. Omstreeks dezen tijd vindt men bij de +meeste geschiedschrijvers het eerst gewag gemaakt van Leeuwarden als +stad; doch er zijn er, die beweren, dat reeds ten jare 1149 de stad bij +dien naam zou bekend geweest zijn, daarbij aanhalende de twee brieven +door den Abt Wybaldus geschreven, voorkomende in het <i>Charterboek</i> +van <span class="sc">van Schwartzenberg</span>, <i>I</i>. 76, de een +aan de gemeente van Leeuwarden, houdende klagten over de zorgeloosheid +van vier Priesters aldaar, en de andere aan den Utrechtschen Bisschop, +Heribertus, betrekkelijk den slechten toestand der kerk.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb77" class= +"pageref">77</a>.—A<sup>o</sup> 1192.</p> +<p><i>Als Froonakker en Godsakker</i>. De Tempelschattingen +<span class="pagenum">[<a id="pb398" href="#pb398" name= +"pb398">398</a>]</span>dienden bij de Franken tot onderhoud der +Priesterschap, tot instandhouding van de godsdienst, tot aanschaffing +der offerdieren, tot bekostiging der openbare feesten en tot +verzekering van regt en veiligheid. Wij vinden in de Friesche +geschiedenis der IX en X eeuw ook de Tempelschattingen vermeld, welke +in iedere kapel, op zekere tijden, aan den Hemelkoning moesten worden +opgebragt; en wat betreft het bezit van landgoederen, meren, wouden en +stroomen, dit wordt genoeg opgehelderd uit de, bij de bevestiging des +Christendoms hier te lande, zoo rijkelijk door de Frankische vorsten +weggeschonken goederen, welke ongetwijfeld, voor een groot deel, mede +hiervan afkomstig waren. En zoo is men op het vermoeden gekomen, dat de +<i>Vroonlanden</i> en <i>Vroonakkers</i>, welke hier en daar weleer +aangetroffen werden, van deze landgoederen afkomstig waren, en dat +Franeker daarvan den naam zoude ontleend hebben. Verg. <span class= +"sc">Westendorp</span>, <i>Verhand. over het gebruik der Noordsche +Mythologie</i>, bl. 335.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb82" class= +"pageref">82</a>.—A<sup>o</sup> 1227.</p> +<p><i>Kastelein van Koevorden</i>. Een Kastelein was ambtman over een +regtsgebied; oorspronkelijk <i>kasteelman</i>, praefectus +arcis;—<i>Borchgreve</i>, burggraaf, slotvoogd, enz.—Verg. +den <i>Teuthonista</i> van <span class="sc">G. v. d. Schueren</span> en +<span class="sc">Kiliaan</span>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb85" class= +"pageref">85</a>.—A<sup>o</sup> 1230.</p> +<p><i>In den jaare 1230</i>. Het jaar te voren schrijven de kronijken +van eene groote zonsverduistering, gevolgd door geweldigen hagel, in +welk onweer de Edelman Sixtus Botnia met zijne vrouw zou zijn +omgekomen, alsmede Douwe Galama en Jolke Taijkama. <span class= +"pagenum">[<a id="pb399" href="#pb399" name="pb399">399</a>]</span>Over +den vloed van 1230, zie <span class="sc">Gabbema</span>, +<i>Watervloeden</i>, bl. 70; <span class="sc">Wins.</span> fol. 163; +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>. 543.</p> +<p>In of omtrent dezen tijd vindt men het eerst van de veenen en +turfgraverijen gewag gemaakt.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb86" class= +"pageref">86</a>.—A<sup>o</sup> 1231.</p> +<p><i>Door de Rechters van Upstalsboom</i>. Als hier ter plaatse zeer +gepast, nemen wij een gedeelte over van het belangrijk Overzigt, +geplaatst in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 4 October +1831</i>, getiteld: <i>Herinnering aan de Landdagen der Friezen bij +Upstalboom</i>, hoofdzakelijk getrokken uit het werk van <span class= +"sc">T. D. Wiarda</span> over dit onderwerp, en ons medegedeeld door +den kundigen beoefenaar der Friesche Geschiedenis, Taal-, en +Dichtkunde, Mr. <span class="sc">A. Telting</span>, Secretaris der stad +Franeker.</p> +<p>»Buiten de stad <i>Aurick</i> in <i>Oost-Friesland</i> is een +eerwaardige plek, rijk in herinneringen aan de vrijheidsmin en +volkstrouw onzer Friesche Vaderen. Deze plek draagt den naam van +<i>Upstalboom</i> (<i>Upstallisbeam</i>, <i>Opstalbeam</i>). Wij zullen +ons niet verdiepen in de verschillende gevoelens omtrent de afleiding +en beteekenis van dezen naam, dien sommigen voor eene zamenstelling +houden uit <i>Upstalling</i>, d. i. <i>hoveling</i>, eigenlijk <i>een +man uit een oud geslacht</i>, en <i>beam</i> of boom, beteekenende +alzoo een’ boom, waarbij zich de voornaamsten des volks +verzamelen,—anderen samengesteld achten uit <i>up</i> of +<i>öp</i>, <i>staal</i>, <i>boom</i>, d. i. bij den <i>opgerigten +boom</i>,—anderen weder uit <i>up</i> of <i>op</i>, <i>saal</i> +(<i>zaal</i>, de oude benaming van eene plaats, waar men geregt hield) +en <i>boom</i>,—en nog anderen eindelijk uit <i>up</i>, +<i>stoel</i> en <i>beam</i>, d<span class="corr" id="xd20e8718" title= +"Niet in bron">.</span> i. de boom, waar de stoel des gerigts wordt +gehouden. Wij laten de beslissing aan anderen over, maar meenen zooveel +met zekerheid uit dezen naam te mogen opmaken, dat daar een of meerdere +oude boomen hebben gestaan, onder welke zich de regters zullen hebben +<span class="pagenum">[<a id="pb400" href="#pb400" name= +"pb400">400</a>]</span>gezeteld, terwijl de verzamelde afgevaardigden +des volks zich daar om heen zullen hebben geschaard, alles +overeenkomstig de zeden der overige Germanen, die, het voor vrije +mannen onbetamelijk achtende in beslotene plaatsen te vergaderen, +daartoe uitgestrekte vlakten of heilige wouden verkozen. Een uur buiten +Aurick vertoont zich dan ook nog een heuvel, waarop naar luid der +overlevering drie groote eiken plagten te staan, en die algemeen als de +vergaderplaats wordt opgegeven. De landlieden noemen dien heuvel den +<i>Boombarg</i><span class="corr" id="xd20e8726" title= +"Niet in bron">.</span> Men heeft er ten aandenken later eenen grooten +beuk geplant, en de hoogte met eene kleine gracht omgeven. Daar +vergaderden op den eersten Dingsdag na het Pinksterfeest telken jare de +afgevaardigden der zeven Friesche Zeelanden. Men zag er de +geestelijkheid, de edelen en de vrijgeboren mannen uit geheel den Staat +zamenvloeijen, om de belangen des gemeenen Vaderlands voor te staan. De +eerste dagen der bijeenkomst waren der gastvrije vrolijkheid gewijd. +Auricks vrouwen en maagden ontvingen den aankomenden vreemdeling, en +bragten hem den welkomsbeker toe, met den groet: <i>het ghilt eele frye +Fryse</i>! Nog heden dansen hare nakomelingen op den Pinksterdag om den +Meiboom, en zingen haar volkslied:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">»Mayboom, Mayboom, holt die faste,</p> +<p class="line">Morgen krieg wy fremde lue toe gaste!”—</p> +</div> +<p class="firstpar">Wanneer de eerste dagen der gulle vreugde waren +vervlogen, en langzamerhand alle afgevaardigden zich ter bestemder +plaatse hadden vervoegd, ging men over tot de beraadslagingen. Er +werden voorstellen gedaan, en voor te besluiten trok het volk ter +onderlinge beraadslaging, zoo de overlevering wil, naar een nabij +gelegen dorp, dat vandaar den naam van <i>Rahde</i> zou verkregen +hebben. Voor den heuvel liggen twee akkers, nog de <i>Wandelakkers</i> +genaamd, waar men wil, dat de Rigters gedurende deze beraadslagingen +van het volk gewoon waren heen en weêr te wandelen. De besluiten +der vergadering werden in schrift gebragt, en met een zegel voorzien. +Dit zegel stelde voor een’ geharnasd’ man, met eene +<span class="pagenum">[<a id="pb401" href="#pb401" name= +"pb401">401</a>]</span>spies in de regter en een zwaard in de +linkerhand, staande onder een’ bladerrijken boom. Het groote doel +dezer landdagen was,—zoo als blijken kan uit verscheidene wetten, +tot op onze dagen bewaard gebleven, die daar gemaakt zijn,—om in +het belang van het geheele vrije land alle bestaande verschillen +zooveel mogelijk te beslechten, vrede en rust te stichten en te +bewaren, den weêrspanneling desnoods met geweld tot onderwerping +te noodzaken, zich tot gemeenschappelijke weer tegen vreemden aanval +telkens met nieuwe kracht en eendragtigen moed te verbinden, goede en +nuttige wetten in te stellen, de bestaande te herzien en zoo noodig te +verbeteren. De uitvoering der genomene besluiten berustte bij telken +jare op nieuw verkozene regters (zij worden in de <i lang="la">Leges +Upstalbomicae</i> van den jare 1323 § 23 <i lang="la">Judices +Zelandini</i> genoemd, bij <span class="sc">Emo</span> Abt van Werum, +in zijn <i>Chronicon</i>, <i lang="la">Jurati apud Upstallesbome</i>, +ook <i lang="la">Consules terrae</i>). Deze vertegenwoordigden dus de +hoogste magt in de vrije Zeelanden. Wanneer is men het eerst begonnen +deze landdagen te houden?—welke der Friesche Zeelanden hebben +daaraan deel genomen?—en wanneer hebben deze zamenkomsten +opgehouden?—ziet daar drie vragen, die ieder belangstellend lezer +zich al dadelijk voorstelt, en waarop wij kortelijk zullen trachten te +antwoorden.”</p> +<p>Wat nu betreft de eerste vraag, zoo komt het antwoord van den +Schrijver hierop neder, dat, ofschoon men met geene volkomene zekerheid +kan bepalen, wanneer de Upstalboomsche landdagen der Friezen een begin +hebben genomen, men echter met eenige waarschijnlijkheid kan besluiten, +dat zij, zoo al niet door Karel den Grooten zelven ingesteld, toch aan +den door hem te Upstalboom gevestigden regtszetel hunnen oorsprong te +danken hebben, en dat de Friezen al zeer vroeg deze regtsplaats, als in +het midden van Friesland gelegen, tot het houden hunner landdagen bij +uitnemendheid geschikt hebben gerekend. De vroegste vermelding eener +gezagsoefening van de Upstalboomsche Regters vindt men bij <span class= +"sc">Emmius</span> op het jaar 1214 aangeteekend. <span class= +"pagenum">[<a id="pb402" href="#pb402" name="pb402">402</a>]</span></p> +<p>In de eerste tijden namelijk van Karel den Grooten, zullen al de +Friezen van de Maas tot aan den Wezer deel hebben genomen aan die +landdagen. De landen over den Wezer schijnen, vóór de +indeeling van den Frieschen Staat in zeven Zeelanden, te zijn +afgescheiden, en zoo lang nu al deze landen zich in het bezit hunner +vrijheid hebben mogen verheugen, hebben zij ongetwijfeld mede deel +genomen aan de Upstalboomsche vergadering. Wanneer deze zamenkomsten +voor altijd hebben opgehouden kan men met geene zekerheid opgeven; doch +in de eerste helft der vijftiende eeuw, nadat er reeds onderscheidene +beletselen tot het bijeenkomen hadden plaats gehad, door de +dwingelandij van eenige magtige Hovelingen en vele partijschappen +onderling, moet zulks hebben plaats gehad. Zie voorts gemeld Overzigt. +<span class="sc">Schotanus</span>, <i>Fr. Hist.</i> bl. 170 volgg.; +<span class="sc">Harkenr.</span> <i>Oostfr. Oorsp.</i> 125–127; +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Besch. I</i>. 62.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb89" class= +"pageref">89</a>.—A<sup>o</sup> 1234.</p> +<p><i>Om de voorrang in ’t offeren.</i> Over dezen twist kan men +vergelijken <i>Oudh. en Gest. II</i>. 275; <i>Teg. Staat, I</i>. 360; +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Beschr. I</i>. 499.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb89" class= +"pageref">89</a>.—A<sup>o</sup> 1239.</p> +<p><span class="sc">Sikke Sjaarda</span> of <span class= +"sc">Sjaardema</span>. Over de geschiedenis van den <span class="corr" +id="xd20e8832" title="Bron: achsten">achtsten</span> Potestaat +Sjaerdema en den hier vermelden brief heerscht, eenige duisterheid. +<span class="sc">Emmius</span> (in zijn X Boek, p. 157) verklaart in +twee regels, na den dood van Willem II vermeld te hebben, dat hij +alles, wat in dat gedeelte der historie verhaald wordt van Sicco +Sjaerda, op eene smakelooze, laffe wijze (<i>insipide</i>), niet eens +der vermelding <span class="pagenum">[<a id="pb403" href="#pb403" name= +"pb403">403</a>]</span>waardig acht. <span class="sc">Hamconius</span> +en de kronijk van <span class="sc">O. v. Scharl</span> zwijgen van +dezen Potestaat; doch <span class="sc">van Rhyn</span> in het +meergedacht <i>Nabericht</i> wil deze gebeurtenis niet als ongerijmd +verwerpen. <span class="sc">Winsemius</span> (fol. 169) en <span class= +"sc">Schotanus</span> (40, bl. 100 en 127) verhalen ons de zaak, gelijk +die in onze kronijk voorkomt met inlassching des briefs van Sjaerdema, +welks echtheid evenwel wordt betwijfeld, en door sommigen voor een +valsch stuk gehouden. Bij het onderzoek: <i>Of de Graven van Holland, +regtens, ooit Heeren van Friesland waren</i>, geplaatst in het +<i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 25 Junij 1833</i>, heeft +de Schrijver, de Heer <span class="sc">v. Halmael</span>, aangemerkt, +dat de valschheid van dezen brief niet volgt uit de jaarteekening 1239 +bij <span class="sc">Winsemius</span>, daar het, uit het op den anderen +kant der bladzijde gestelde jaartal 1248, genoegzaam blijkt, dat +<i>dertich</i> eene drukfout is, en men <i>veertich</i> lezen moet. Ook +de Hoogleeraar <span class="sc">Ypeij</span>, houdt die dagteekening +voor een misslag; men zie zijne <i>Gesch. der Nederl. Taal, II</i>. +318. <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Fr. Jaarb. III</i>. 63, wil +den brief in 1254 geschreven hebben, dan dit is niet te +vooronderstellen. Wijders geeft de Schrijver van bovenvermeld onderzoek +nog in bedenking, twee punten: of de Roomsch-Koning den brief, op +welken die van Sjaerdema (zoo hij echt is) een antwoord is, niet +geschreven kan hebben in de hoop, dat de Friezen, schoon daartoe +onverpligt, hem, door bemiddeling van Sjaerdema en behoudens +vergoeding, vrijwillig tot hunnen Potestaat zouden +aannemen:—wijders, of niet beide brieven kunnen gezien hebben op +de Noord-Hollanders of eenigen hunner. Deze Noord-Hollanders kon en +mogt Willem als zijne onderdanen beschouwen, en daarbij rekenen, dat +zijn voorregtsbrief alleen de Friezen tusschen het Flie en de Lauwers +(of die, welke ten westen door het Flie begrensd werden) betrof; en +Sjaerdema kon evenzeer die Friezen, als onder zijn Potestaatschap +behoorende, aanmerken, daar zij toch van oudsher Friezen geweest waren, +en zich der Hollandsche heerschappij niet onderwerpen wilden. Dit +laatste schijnt mij wat eene zeer <span class="pagenum">[<a id="pb404" +href="#pb404" name="pb404">404</a>]</span>milde uitlegging, doch +overigens hebben de bedenkingen, mijns inziens, zeer veel grond, en ik +vind er geene zwarigheid in, het daarvoor te houden, dat Sjaerdema +weigerde den Koning behulpzaam te zijn, om Friesland onder zijn beheer +te krijgen: Sjaerdema moge hem als Keizer, en zoodanig als Souverein +over Friesland erkend hebben, dan wilde hem niet huldigen als +bijzonderen Heer of Graaf van deze Provincie. En er was een man van +dapperen moede, zoo als <span class="sc">Schotanus</span> (<i>Fr. +Hist.</i> bl. 118) hem noemt, noodig, om de listige aanslagen en +heimelijke ondernemingen van vermogende tegenstanders stout en krachtig +het hoofd te bieden, ten einde het eenmaal aangenomen beginsel, door +geen vreemden zich te laten regeren, vast te houden en te doen +gelden.</p> +<p>In den jare 1248 heeft Willem II de Bulle van van Karel, of het als +zoodanig genoemd stuk, hem door de Friezen aangeboden, met zijne +vrijheden en voorregten bekrachtigd, hoewel hij dat stuk niet in zijnen +Voorregtsbrief heeft ingelascht. Dat de Friezen in de verovering van +Aken, het gewigtigst deel hebben gehad, lijdt geen twijfel, hoezeer dan +ook <span class="sc">Bilderdyk</span> hiervan evenmin als van den +Voorregtsbrief eenig gewag maakt<a class="noteref" id="xd20e8908src" +href="#xd20e8908" name="xd20e8908src">74</a>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb95" class= +"pageref">95</a>.—A<sup>o</sup> 1263.</p> +<p><i>De kerk van het vermaarde klooster St. Bernard.</i> Deze kerk was +50 schreden lang en 25 breed. In <span class="pagenum">[<a id="pb405" +href="#pb405" name="pb405">405</a>]</span>het midden stelde men aan +iederen kant nog een gebouw, ieder van 25 schreden lang en 24 breed. +Het gebouw rustte op 26 pilaren, en het hooge verwufsel daarenboven +werd ondersteund door een aantal pilasters. Een groot en prachtig +altaar stond in ’t midden en elf anderen in evenveel sierlijke +kapellen; van binnen was alles even kostbaar en luisterrijk.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb95" class= +"pageref">95</a>.—A<sup>o</sup> 1268.</p> +<p><i>D’r Ylst</i>, verkorting voor Ter Ylst, volgens +<span class="sc">Emmius</span>, is de regte naam <i>Yleke</i> of +<i>Ylk</i>, daarna veranderd in <i>Yltz</i> en voorts in +<i>Ylst</i>.</p> +<p>Dat Ylst van ouds welvarender was dan Sneek, en toen dit laatste nog +een dorp was, reeds tot eene stad werd verheven, heeft veel schijn, en +wordt door <span class="sc">v. Rhyn</span> (<i>Oudh. en Gest. II</i>. +77), tegen <span class="sc">Emmius</span> aan, niet verworpen. In 1268 +was Sneek nog eene buurt of gehucht.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb96" class="pageref">96</a>.</p> +<p><i>In 1270 is te Bolswert het Broereklooster.</i> Reeds in de +achtste eeuw wil men dat Bolsward gesticht zoude zijn, welke stad +ongetwijfeld tot eene hooge oudheid opklimt. Eenige Edelen en +godvruchtige lieden bouwden dit klooster der Minderbroeders, waarvan de +kerk in ’t jaar 1281 werd gesticht, eerst door Gaudenten, +Franciskaner Monniken en naderhand door Observanten bewoond, die zich +naar de hervorming regelden.—<span class="sc">Schot.</span> +<i>Fr. Hist.</i> bl. 348; <i>Oudh. en Gest. II</i>. 11.</p> +<p>In den jare 1503 brandde het klooster af, doch het schijnt naderhand +weder opgebouwd. <span class="pagenum">[<a id="pb406" href="#pb406" +name="pb406">406</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb96" class= +"pageref">96</a>.—A<sup>o</sup> 1273.</p> +<p><i>Als ook een groote hongersnood.</i> Deze was een gevolg, deels +van de schaarschheid van geld, door de kruistogten veroorzaakt, deels +door de veepest en de slechte oogsten, maar ook door het bevel des +Munsterschen Bisschops, Gerard, om geene jaarmarkten te houden en allen +handel te staken, zoodat niemand van de Friezen vee, boter en kaas +wilde koopen; daarenboven kwam er van den overvloed van granen uit de +Oostzee niets over, daar ook de uitvoer zwaar belast werd. De ellende +steeg dus ten hoogsten top, en vele menschen stierven den hongerdood; +de liefdadigheid van sommige kloosterlingen alleen behield nog den +verarmden het leven. Die te voren hunne eigene landen bebouwden, +moesten in de dorpen gaan bedelen, of voor den kost in de steden en +voor de kloosters dienen. In de herfst steeg de nood ten top, een groot +aantal leefden van distels en zeker kruid, hondribbe +genoemd.—Verg. <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb. I</i>. +356; <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. III</i>. 101.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb97" class="pageref">97</a>.</p> +<p><i>Omtrent den jaare 1280.</i> De ware oorsprong der oude +Partijschappen, zoo in Friesland als andere Provincien en Landstreken, +is veelal met de oudheid zelve verdwenen, en de waarheid dus moeijelijk +uit te vinden. Vele zorgvolle nasporingen leveren dikwijls geringe +uitkomsten, want na het lezen en herlezen moet men nog vaak zijn +toevlugt nemen tot gissingen, en met een: »het komt mij, +behoudens beter, dus of zoo voor,” besluiten. Ook met betrekking +tot den eigenlijken aanleg en oorsprong der noodlottige verdeeldheden +tusschen de <i>Vetkoopers</i> en <i>Schieringers</i> bleef mijn +onderzoek zonder gewenscht <span class="pagenum">[<a id="pb407" href= +"#pb407" name="pb407">407</a>]</span>gevolg, daar ik hiervan een kort +verslag had willen geven, hoewel het niet dadelijk of noodwendig tot de +Bijvoegsels dezer Kronijk behoort: het zoude echter tot inlichting goed +te stade gekomen zijn. Het een en ander, hoe gebrekkig, wil ik deswege +mededeelen.</p> +<p><span class="sc">Jancko Douwama</span>, voornaam Friesch Edelman uit +het begin der XVI eeuw, geboren te Oldeboorn, een man, zoo als +<span class="sc">Schotanus</span> zegt (<i>Fr. Hist.</i> p. 617) +»van voortreffelijk verstand, groot van moede, een groot +beminnaar der vaderlandsche vrijheid, kloek van beleid; voorspoed en +tegenspoed met een gezet en wijs hart kunnende dragen, en die een beter +lot verdiend had, dan in eene gevangenis zijn leven te laten,” +heeft te Vilvoorden in den kerker, verstoken van eenig gebruik van +boeken of papieren, uit zijn geheugen over de Geschiedenis van +Friesland, bepaaldelijk ook van zijnen tijd, een geschrift +zamengesteld, getiteld: <span class="sc">Boeck der Partijen</span>, +waarin hij, afwijkende van anderen, over de <i>Vetkoopers</i> en +<i>Schieringers</i> dit vermeld<a class="noteref" id="xd20e9072src" +href="#xd20e9072" name="xd20e9072src">75</a>:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="firstpar xd20e102"><i><span class="sc">van den Anfanck der +Falsche Partije</span></i></p> +<p class="xd20e102">VAN</p> +<p class="xd20e102"><b>FRIESLANT</b>.</p> +</div> +<p>»Als in <i>Hollant</i> then ersten alsulcke commocie +anfanckelijcken vp gestanden were, bij de welcke <span class= +"pagenum">[<a id="pb408" href="#pb408" name= +"pb408">408</a>]</span>dattz vast in de landen al misselijck to ginck, +se funden then ersten geen groet wederstant, so begosten daer in +<i>Frieslant</i> oeck voel volcx nae to lusteren; ende dat concept, in +<i>Hollant</i> an gehewen, dochten hoer to mael goet ende wijslijck +gedaen to wesen; doer de welcke dat voele armen luden bij en ander +voergadderden. Dan se wolden niet worden genoempt <i>Hoecken</i>, +angeseen datse gene fiskers weren; oeck so dochten hoer dat to wesen +een smaetlijcke name; en oeck wolden se dat so gewaltlijcken niet doen, +alst in <i>Hollant</i> angehewen were; dan vnderstunden den rijcke +luden met goede woerden to vnderwijsen, dattz also voer Godt ende de +Werlt behoerden: Wel bet dan de ander in goet vermochten, dat he +sculdich were to helpen ende to bate to comen den armen, om sijn armoet +to verhoeden. Dan de rijcke luden wolden daer niet nae hoeren, doer de +welcke dat de arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten. +Doen het daer hen quam, dat se de rijcke begosten in der taske to +tasten, doen funden se hulp genoech; want daer voel Herscapen an de +landen weren, den gewoentlijcken weren met hoer nabueren to to tasten; +als se nv alsulcken oersaecke ende hulp hadden, doen sumeden se hoer +niet te tijdt, dattz hoer gheboeren mochten. Ende den rijcken luden +worden genoempt <i>Fetcopers</i>, ende dat daer vmme, dat se wal +hadden, en fette waer vermochten to koepen; en dan gaewen den rijcke +luden de arme weder een naeme, en noembden se <i>Scirongen</i>, ende +dat daer vmme, dat se erst met goede woerden vnderstanden hadden to +doen, datse nae met gewalt deden; want <i>Sckijren</i> is vp de +Friesche spraeke so voele gesecht als <i>spreken</i>; <i>Scirong</i> is +so voele als een <i>relaes</i>; <i>Scirongen</i> is so voele gesecht +als <i>voele groten woerden</i>. Nv ist waer, he behoert oeck wal to +konnen spreken, de een anders goet wil hebben, sunder daer wat willen +weder tegen gewen, dan allene woerden.”</p> +<p><span class="sc">Gabbema</span>, in zijn <i>Verhaal van +Leeuwaarden</i> (bl. 16 en 17), geeft hiervan eene verklaring, en een +bladzijde <span class="pagenum">[<a id="pb409" href="#pb409" name= +"pb409">409</a>]</span>vroeger een verhaal van eene andere oorzaak der +Partijschappen en beteekenis der woorden. Dit verhaal echter, ook bij +andere Schrijvers vermeld, alsof op zekeren maaltijd door den twist +tusschen twee kooplieden, over de keuze van den Sievard of Zedemeester +(thans zouden wij Ceremoniemeester <span class="corr" id="xd20e9148" +title="Bron: zeggende,">zeggen),</span> de eerste aanleiding daartoe +gegeven zou<a id="xd20e9151" name="xd20e9151"></a> hebben, vindt geen +algemeenen bijval.</p> +<p>Wanneer men nu de geschiedenis dier tijden raadpleegt, en tot den +oorsprong en aanleg der ongelukkige factie eenigzins wil besluiten, +komt, mijns oordeels, het resultaat hierop neder: dat de reeds vroeg +ontstane twisten tusschen verschillende adellijke of aanzienlijke +familien, zoo als die van Albada en Renalda, Gerbranda, Gratinga en +Douwe van Harns en andere Grooten, ter oorzake van den voorrang in het +offeren, uit hoogmoed, heerschzucht en ongebondenheid, aangeblazen door +bedorven Geestelijken, werkeloosheid en slapheid der Justitie, en +vernedering en onregt den minderen aangedaan, de eerste aanleiding tot, +en door den haat en veete onderling, dadelijk voedsel hebben gegeven, +aan de ongelukkigste en ellendigste der partijschappen, de grootste der +rampen, die ooit een land en volk treffen kan, den +<i>Burgeroorlog</i>.</p> +<p>De algemeene verbittering der adellijke geslachten onderling; de +aanmatiging van rijke en magtige Edelen en Grooten; de verheffing van +dezen in de eerste ambten en betrekkingen, waarvan men zich had meester +gemaakt; daar bij vernedering en onderdrukking van den niet rijken Adel +en de Patriciers, worden steeds, en te regte, als de grondslagen van +alle partijschappen gesteld, hoezeer dan ook eenig ander doel of +oogmerk werd voorgewend, en men eene geheel andere kleur aan zijne +handelingen trachtte te geven<a class="noteref" id="xd20e9160src" href= +"#xd20e9160" name="xd20e9160src">76</a>. Vandaar dat vele Edelen en +aanzienlijken, niet uit algemeen, maar uit eigen belang, uit +<span class="pagenum">[<a id="pb410" href="#pb410" name= +"pb410">410</a>]</span>nijd, afgunst en wraakzucht den burgertwist +begonnen, en zich aan het hoofd stelden, en eindelijk steden en +landschappen, Landsheeren en Vorsten daarin deden deelen.—Men +leze ter bevestiging de historie van de Hoekschen en Kabeljaauwschen in +Holland, der Heeckerens en Bronckhorsten in Gelderland, der Lokhorsten +en Lichtenbergers in Utrecht, der Blaauwvoetsche en Isengrine factie in +Vlaanderen, der Guelfen en Gibellinen in Italië, van de Roode en +Witte Roos in Engeland, en zoo vele anderen.</p> +<p>Zoo zal het dan ook wel in Friesland zijn geweest: want al ware eens +de minder aanzienlijke stand of ’t gemeene volk aanlegger van +deze partijschappen geworden, tot welke stelling bij enkele Schrijvers +aanleiding wordt gegeven, zonder hoofden van magt en aanzien zouden +dezelve geen voortgang hebben gehad. Tegen de invallen der Noormannen, +ter beveiliging van watervloeden, en uit hoofde van den toenemenden +overvloed en weelde der ingezetenen, was het getal der aanvankelijk +gebouwde steenen huizen of stinzen aanmerkelijk vermeerderd<a class= +"noteref" id="xd20e9173src" href="#xd20e9173" name= +"xd20e9173src">77</a>. Zij werden nu ook bijzonder tot betere en +sterkere vestingen gemaakt, om als Fries Heer tegen den aanvaller zich +te beveiligen, of zijn gezag eens regt te doen gelden. Koophandel en +fabrijken waren naar den aard der tijden, vooral onder den burgerstand, +in vollen bloei, en de hooggeschatte vrijheid was aller leus. Rijkdom, +magt, eer en aanzien baarden, zoo als altijd, nijd, afgunst en +overmoed, terwijl <span class="pagenum">[<a id="pb411" href="#pb411" +name="pb411">411</a>]</span>dezen door regeringloosheid en verwarring +geen teugel vonden. Elke vrije Fries van aanzien kon toch niet dulden, +dat een ander boven hem verheven werd of den meester speelde: wie der +eigenerfden kon voor den anderen bukken, en welk adellijk geslacht zou +aan het ander den voorrang toekennen? Zoo groeiden wrok en wrevel tot +eene hatelijke vijandschap aan; onderlinge tweespalt en verdeeldheid +deden den zwakkeren bijstand zoeken tegen den aanval der sterkeren: zoo +vormden zich geweldige partijen, en elke beleediging, elke twist, elke +kwetsing der eere moest met veel bloeds worden uitgewischt, niet tot +vernietiging der verdeeldheden, maar om al weder den grondslag te +leggen van nieuwen haat en vervolging. Dus werd de woede en vijandschap +der verschillende partijen ontzettend in die tijden: want men gunde den +andersdenkende licht noch leven, totdat na twee volle eeuwen van roof, +moord en verwoesting, verlies van goed, bloed en vrijheid het eindelijk +loon was der Friezen voor hunne boosheid en dwaasheden.</p> +<p>De Edelen in Oostergo behoorden in den aanvang tot de partij der +<i>Vetkoopers</i>, die zich over de Lauwers vrienden en bondgenooten +kozen, en met Groningen zich vereenigden. De Adel in Westergo vormde +hoofdzakelijk de <i>Schieringer</i>-partij, die bij de Hollanders +ondersteuning zocht. Evenwel voegden zich verschillende geslachten uit +de beide Goën, dan tot deze, dan tot gene partij; zelfs +familiën verdeelden zich, en dit gaf derzelver leden nieuw voedsel +tot scheuring en bederving. De factiën zelve volgden dus geen vast +stelsel van staatkunde, of trokken voor het algemeen welzijn, naar elks +verschillend gevoelen, partij; maar wanneer zij door buitenlandschen +aanval werden bedreigd of overvallen door anderen, dan wapenden zij +zich algemeen tegen den uitheemschen vijand. De <i>Schieringers</i> +hebben over ’t algemeen geijverd voor de aloude Friesche vrijheid +en onafhankelijkheid, als afkeerig van vreemde magt en invloed; +daarentegen zochten later de <i>Vetkoopers</i> de inzigten der +Hollandsche Graven te begunstigen. <span class="pagenum">[<a id="pb412" +href="#pb412" name="pb412">412</a>]</span>Gedurende het laatste +gedeelte der veertiende en ’t begin der vijftiende eeuw stond de +stad Groningen aan het hoofd der <i>Schieringers</i><span class="corr" +id="xd20e9205" title="Niet in bron">.</span> In 1491 echter sloten de +<i>Vetkoopers</i> met die stad een verbond, waarbij aan haar groote +magt over een deel van Friesland gegeven werd.</p> +<p>In dezen tijd stonden de <i>Vetkoopers</i> ook in verbindtenis met +de Kabeljaauwschen in Holland<a class="noteref" id="xd20e9216src" href= +"#xd20e9216" name="xd20e9216src">78</a>.</p> +<p>Wat nu den naamsoorsprong betreft, deze is onzeker, en heeft tot +verschillende gissingen aanleiding gegeven. Men zie daarover de +aangehaalde Schrijvers, welke echter geen genoegzame gronden opgeven, +om tot eenige zekerheid te besluiten<span class="corr" id="xd20e9236" +title="Niet in bron">.</span> Alle verklaringen echter vereenigen zich +hoofdzakelijk in dit punt, dat door <i>Vetkoopers</i> aanzienlijke en +vermogende personen worden aangeduid, en door <i>Schieringers</i> de +minder begoedigden en geringeren stand. De geleerde <span class= +"sc">Westendorp</span> (<i>Jaarb. I</i>. 355 en 356) voegt hier deze +opmerking bij: »dat men eenen man met een voorkomen van rijkdom +en gezag, ook thans nog eenen <i>Vetkooper</i>, en iemand, die +tamelijk, doch zuiver gekleed is, zonder eenig voorkomen, <i>Schier</i> +noemt. Zoo zegt men hier (in de Provincie Groningen) nog dagelijks: het +is een heele <i>Vetkooper</i>, en hij is <i>hemmel</i> en +<i>schier</i>; of ook: hij zit er goed, en, hij heeft eenen +<i>schieren</i> boedel, dat is, een’ <span class= +"pagenum">[<a id="pb413" href="#pb413" name= +"pb413">413</a>]</span>boedel zonder schulden.” In onze Provincie +zegt men wel: <i>hemmel</i> of <i>hemel</i> en <i>schien</i>, +beteekenende: <i>zindelijk</i>, <i>proper</i> (hoewel behoeftig) en +<i>schoon</i>. <i>Schier</i> beteekent altoos <i>graauw</i>, +<i>grijs</i>. Verg. <span class="sc">Wassenbergh</span>, +<i>Idioticon</i>, en <span class="sc">Epkema</span>, +<i>Woordenboek</i>.</p> +<p>Een der merkteekenen van onderkenning schijnt in het aanleggen der +turven aan den haard geweest te zijn, leggende de een het vuur boven en +de ander hetzelve onder.</p> +<p>Bij hunne gastmalen, dus wordt verhaald, werd steeds een bedekte +schotel op tafel gebragt, en na met eenen dronk indachtig te zijn +geweest aan de de verslagen Bondgenooten, na vermelding der +heldendaden, aanvuring en vernieuwing van ’t eedverbond, ontdekte +men den schotel, waarin de Zelen lagen, waarmede de opgegeten ossen +waren gebonden geweest, tot herinnering, dat het weder tijd was op +nieuwen roof en buit uit te gaan. Dit noemde men in onze landtaal: +’t <span class="sc">Horspil in de patele</span>. Over de +beteekenis van ’t woord <i>Horspil</i> hebben de taalgeleerden +getwist. In het zeer zeldzaam geworden Geschriftje: <i>Nuttigheid van +de Taalkennis der Middeleeuwen, alsmede van die der oude Vriesen</i>, +door <span class="sc">A. ten Broecke Hoekstra</span> (denkelijk in +’t jaar 1814 uitgegeven), p. 22 en 23, vinden wij het +volgende:</p> +<p>»<i>Horspil in de patele</i>, dus noemde men de Koezelen, +welke de Schieringers en Vetkoopers, bij het eindigen der maaltijden, +in den schotel legden, om hunne vrienden en dischgenooten weder tot +nieuwen roof uit te noodigen.—<span class="sc">V. Rooy</span> +vermoedt, dat <i>Hors</i> in het Oud-Vriesch eene algemeene benoeming +van <i>groot vee</i> geweest zij, en dus zoo wel eenen <i>os</i> of +eene <i>koe</i>, als een <i>paard</i>, beteekend hebbe.—Het is +mij onbegrijpelijk, hoe dat men, zoo weinig met der +taalsoorspronkelijkheid eens Lands bekend, aan uitleggingen van die +natuur zich wage; maar mijne verwondering rijst ten top, wanneer men, +daar de uitlegging er bijgevoegd, en door den Schrijver zelven +aangevoerd wordt, naar de beteekenis des woords gaat +rondtasten.”</p> +<p>»<i>Horspil</i> is eene verkorte uitspraak en schrijving +<span class="pagenum">[<a id="pb414" href="#pb414" name= +"pb414">414</a>]</span>van <i>horn-spil</i>: <i>horn</i> is hoorn, of +horen, cornu; en <i>spil, spel</i>, gereedschap, hier de <i>zelen</i>, +ook in Vriesland <i>horn-touwen</i> genoemd: zoo zegt men mede aldaar +<i>tornbeyen</i> (spreek uit <i>toân-beyen</i>) en dit voor +<i>thorn beyen, doren-bessen, braambessen</i>: de <i>ky bornje</i> +(spreek uit <i>boânje</i>) dat is: de koeijen bornen, +wateren<span class="corr" id="xd20e9394" title= +"Niet in bron">.</span>”</p> +<p>De geleerde Friesche Taalkenner <span class="sc">J. H. +Halbertsma</span> gaf mij hierop deze bedenking: »Deze uitlegging +van den heer <span class="sc">Hoekstra</span> voldoet niet volkomen aan +eenen taalkenner. In lettergrepen die met <i>rn</i> eindigen, laat de +Fries de <i>r</i> vallen, en houdt de <i>n</i>, gelijk in +<i>thoán, boán-je, koán</i> in plaats van +<i>thoarn, boarnje, koarn</i> (garst). In <i>hornspil</i> daarentegen +zou de <i>n</i> verdwenen en de <i>r</i> overgebleven zijn, waarvan ik +geen tweede voorbeeld in de Friesche taal ken. Indien men onderstellen +mag dat <span class="sc">Hamconius</span>, en in navolging <span class= +"sc">Gabbema</span>, met zijne gewone onnaauwkeurigheid in taalkundige +onderwerpen, <i>Hornspil</i> in <i>Horspil</i> bedorven hebben, is de +verklaring van <span class="sc">Hoekstra</span> volkomen juist. In +<i>hoernes hluud</i>, hoornen geluid (<i>Oude Fr. Wetten</i>, bl. 254), +<i>hornfia</i>, horenvee (<i>Chart. I</i>. 342), <i>hoernleggher</i>, +horenleger (<i>Chart. I</i>. 517), ziet men dat de <i>n</i> nooit van +haren post wijkt.”</p> +<p>Bij <span class="sc">v. Alkemade</span>, in <i>Nederl. +Displegtigheden, I</i>. 466, volgg., wordt hierover gehandeld, doch +hieruit zal men weinig licht scheppen, daar de Schrijver <i>Horspil</i> +voor <i>Paarde-tuig</i> of <i>toom</i> verklaard hebbende, met de +<i>koezelen</i> geen weg weet.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb100" class="pageref">100</a>.</p> +<p><i>Omtrent den jaare 1303.</i> Wij laten deze luchtverschijningen en +bloedregens, niet alleen bij <span class="sc">O. van Scharl</span> en +<span class="sc">Winsemius</span>, maar ook door <span class= +"sc">Schotanus</span> (fol. 164, quarto bl. 179) vermeld, daar; doch +zeker is het, dat deze en volgende jaren allernoodlottigst <span class= +"pagenum">[<a id="pb415" href="#pb415" name="pb415">415</a>]</span>voor +dit gewest waren; want de woede der Vetkooper- en Schieringer-partijen +steeg zoo hoog, dat men noch op weg, noch in huis of elders, bijna meer +veilig was. Het regt van den <span class="corr" id="xd20e9509" title= +"Bron: serkste">sterkste</span> gold alleen: teugelloos en wreedaardig +woelde men in zijnen ontzindheid voort, en spaarde geene jaren of +kunne; vooral de rijke huislieden waren in den dollen moedwil meesters +boven allen, waar het op moorden, branden en doodslaan aankwam. En +onder al dit kwaad, dat de menschen elkander brouwden, steeg de druk +der tijden nog hooger en hooger, daar geweldige regens en onweders de +vruchten <span class="corr" id="xd20e9513" title= +"Bron: der landbouw">van den landbouw</span> vernielden, waardoor kort +daarna dure tijden, groote hongersnood en pestziekten volgden. Dit +alles wordt ook beschreven in de kronijk van <span class="sc">Worp van +Thabor</span>. Zie voorts <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. +III</i>. 219 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb101" class= +"pageref">101</a>.—A<sup>o</sup> 1306.</p> +<p><i>Omtrent dezen tijd heeft J. Flieterp.</i> Zie onze aanteekeningen +op bl. 286, 288 en 359.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb101" class="pageref">101</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden.</i> Met den +dood van dezen braven Landsvader vermeerderde ook Frieslands ramp en +onheil; want met de twisten der Regters, die eene wijle tijds het land +bestuurden, namen de ondeugden der kerkelijken en wereldlijken toe; en +waar de geestelijkheid alleen voor haar staatkundig belang ijvert, gaat +regt en godsdienst te gelijk verloren. Men nam dus tot Upstalboom zijn +toevlugt, dat aanvankelijk een beteren toestand beloofde; doch toen de +partijgeest, onder den schijn van vrijheidszucht, weder <span class= +"pagenum">[<a id="pb416" href="#pb416" name="pb416">416</a>]</span>het +booze hoofd opwaarts stak, was het een jammer zonder einde.</p> +<p>In dit jaar werd aan de kerk te Ylst de eere gegund, om voor +dengenen die haar in bedevaart bezocht aflaat van zonden te schenken, +met al de gebruikelijke plegtigheden; dan ook door deze en andere +bijgeloovigheden was geen razende partijschap te dempen, waren geene +driften te koelen. Men zie den Aflaatsbrief in ’t <i>Charterb. +I</i>. 151. De kronijken verhalen vele schrikkelijke gebeurtenissen en +wonderen, in dezen tijd van hongersnood en ellende voorgevallen. Zie +ook <span class="sc">Westendorp</span>, <i>Jaarb. II</i>. +102–109.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb102" class= +"pageref">102</a>.—A<sup>o</sup> 1318.</p> +<p><i>In dezen tijd was Stavoren in het verbond der Anseesteden.</i> +Het merkwaardig Hanzee-verbond moet gesloten zijn aanvankelijk tusschen +de steden Lubek en Hamburg, in 1241, ter beveiliging van den zee- en +landhandel, destijds door roovers en vrijbuiters belemmerd en +benadeeld. Een aantal koopsteden traden tot dit verbond toe, als +hebbende dezelfde behoefte, en zoo werden de Friesche steden ook in +deze handelmaatschappij opgenomen. Daar zij echter eene groote zeemagt +ontwikkelde, en haar bestaan en invloed met die der vermogende Vorsten +van Europa dikwijls in strijd waren, ondervond zij van dezen vele +beletselen. Deze en andere omstandigheden veroorzaakten in 1630 haren +ondergang. Alleen Lubek, Hamburg en Bremen vernieuwden het verdrag.</p> +<p>De Etymologisten hebben, als naar gewoonte, over den oorsprong des +woords zeer getwist. <span class="sc">Kiliaan</span> verklaart +<i>Hans</i> als <i>Socius</i>, <i>Collega</i>, dus <i>Hans-steden</i> +voor <i>Sociae et liberae civitates</i>, enz. <span class= +"sc">Bilderdyk</span> (<i>Geslachtlijst</i>) zegt: »het woord is +<i>Hansbeker</i>, d. i. <i>oorbeker</i> van <i>hanse</i> of <i>anse</i> +(Lat. <i>ansa</i>) <i>oor</i>, <i>handvat</i>, <i>Hans-eê</i> is +dus <i>bekerverbond</i>, ’t geen men dwaaslijk <span class= +"pagenum">[<a id="pb417" href="#pb417" name= +"pb417">417</a>]</span><i>hans-eê-verbond</i> noemt. <span class= +"sc">Du Cange</span>, in zijn <i>Glossarium</i>, geeft nog andere +afleidingen, strijdig met die van <span class="sc">Bilderdyk</span>, +als ook de <i>Teuthonista</i> van <span class="sc">van der +Schueren</span>. Zie <span class="sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. +III</i>. 500, en <i>Aanmerkingen</i> daarop bl<span class="corr" id= +"xd20e9657" title="Niet in bron">.</span> 96, waar men het woord liefst +door <i>Broederschap</i> wil verklaren. <span class="sc">Bild.</span> +<i>Gesch. der Vad.</i> IV, 350.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb103" class="pageref">103</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1332.</i> De vrome en brave <i>Eelko Liauckama</i>, +Abt van Lidlum, werd in dit jaar vermoord. Men leze de korte +Levensschets in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 10 +December 1833</i>. Verg. <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. +III</i>. 329, en de aangehaalde Schrijvers.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb104" class= +"pageref">104</a>—A<sup>o</sup> 1342.</p> +<p><i>In dit zelve jaar, den 25 September, is Graaf Willem</i> enz. +Deze slag is voorgevallen den 26 of 27 September 1345<a class="noteref" +id="xd20e9703src" href="#xd20e9703" name="xd20e9703src">79</a> nabij +Warns, (niet <i>Werrega</i>, gelijk <span class="sc">Wagenaar</span> +vermeldt,) wordende het getal dooden bij sommige Schrijvers op slechts +3700 gesteld:—doch zeker is het, dat de meesten der Hollandsche +huizen er hun hoofd of een afstammeling lieten, dewijl het Hollandsche +leger derwijze werd geslagen en nagejaagd, dat er weinig meer dan +twintig levendig afkwamen, waaronder Jan van Beaumont behoorde, die +door zijn schildknaap, ondanks zijne wonde, met een vaartuig gered +werd. Het lijk des Graven werd tien dagen na den slag gevonden, en in +’t klooster Bloemkamp, bij Bolsward, begraven, <span class= +"pagenum">[<a id="pb418" href="#pb418" name="pb418">418</a>]</span>doch +later, zoo men wil, naar ’s Gravenhage vervoerd. Des Graven dood +gaf alom groote droefheid. Men verklaarde de goederen der Friezen +verbeurd, en eene wraakzuchtige bende begaf zich naar het eiland +Marken, stak een Monnikenklooster, tot de Abdij van Mariëngaarde +behoorende, in brand, en wierp de ongelukkige Cellebroeders in zee. +Verg. <span class="sc">Bilderdyk</span>, <i>Gesch. des Vaderl. III</i>. +118, volgg; <i>Teg. Staat, I</i>. 493, en de daar vermelde +Schrijvers.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb105" class= +"pageref">105</a>—A<sup>o</sup> 1348.</p> +<p>Onze kronijk maakt mede geen gewag van het Bestand, tusschen de +Friezen en den Graaf van Holland den 22 Junij 1348 gesloten. Dit voor +de Friesche Geschiedenis zeer gewigtig stuk, in ’t +<i>Charterb.</i> van <span class="sc">v. Schwartzenberg</span> niet +vermeld, komt voor als <i>II Bijlage</i> achter de uitmuntende +<i>Verhandeling over den oorsprong der Hoeksche en Kabeljaauwsche +twisten</i>, van den <i>Rijks-Archivarius</i> Mr. <span class="sc">J. +C. de Jonge</span> (<i>Leijden</i>, 1817). Het vredeverdrag werd +gesloten met de Edele en Aanzienlijke Mannen, Heer Willem, Hertog van +Beijeren, Graaf van Holland, Zeeland en West-Friesland en Heer Jan van +Beaumont, benevens de Ridderschap, Steden, overige Ingezetenen der +voorzeide Landen, door de Prelaten, Grietmannen, Hovelingen en de +geheele Gemeente der Landen van Oostergo en Westergo. Deze beloven +daarbij met algemeenen wijzen en rijpen rade aan hunne partijen en al +derzelver bondgenooten, een vast bestand zonder arg of list, gedurende +twintig aaneenvolgende jaren, van af den toen eerstvolgenden St. +Jacobsdag, om den kwaden twist tusschen hen ontstaan te bedaren, uit te +dooven en tot goed verdrag te brengen, en zulks op de volgende +voorwaarden:</p> +<p>Dat de onderdanen van den Graaf de grenzen dezer landen niet zouden +mogen overschrijden, zelfs niet om eenig schijnbaar gevaar te ontgaan; +met uitzondering <span class="pagenum">[<a id="pb419" href="#pb419" +name="pb419">419</a>]</span>echter van het geval, dat zij door storm of +dergelijke oorzaken in vrees en angst waren gebragt, als wanneer zij +met hunne goederen en personen, zich moesten houden aan het gezegde +bestand.</p> +<p>Dat, zoo zij echter hier plagten te vertoeven om koophandel te +drijven, zij ten allen tijde en zooveel hun behaagde de drie plaatsen +dezer landen, waar de waren ter koop aangeboden en markten gehouden +worden, namelijk Harich en Cornwerth in Westergo en Holwerth in +Oostergo, zouden mogen bezoeken en die weder verlaten, onder de hierna +te melden voorwaarde van dit zelfde bestand.</p> +<p>Dat het voorzegde bestand zich zoude uitstrekken tot alle rivieren, +zeeën, steden, dorpen en plaatsen, waar de wederzijdsche +ingezetenen mogten zamenkomen of elkander ontmoeten, buiten de grenzen +van beider gebied.</p> +<p>Dat zoo iemand door ingeving des Duivels of op eenige andere wijze +buiten belegden rade van regteren en hovelingen dezer landen, iemand +van ’s Graven onderdanen mogte beleedigen, dooden of zijner +goederen berooven, tegen den inhoud van dit verdrag, het bestand +daardoor niet gerekend zoude worden verbroken te zijn, maar dat den +beleedigden naar de wetten en gewoonten der plaats, waar het voorzegde +misdrijf had plaats gehad, door de gestelde regters voldoening en +schadevergoeding zoude verschaft worden, gelijk zulks in het omgekeerde +geval ook bij ’s Graven ambtenaren naar hunne wetten zou +gevorderd worden.</p> +<p>Dat, om ’s Graven wille, dit bestand, zich ook ter goeder +trouw uitstrekken zoude tot die van Stavoren, wier voorspraak Hij +geweest was, en dat hun ten volle vergund werd, om binnen de grenzen +dezer landen terug te keeren en er te verblijven.</p> +<p>Hierop wordt er het volgende slot bijgevoegd: Ten bewijze hiervan is +deze tegenwoordige bevestigd met de Zegels der Landen van Oostergo en +Westergo, der eerwaarde Heeren Abten van Bethanien en Klaarkamp in +Oostergo, Bloemkamp en Ludingakerk in Westergo, en der steden Dockum en +Leeuwarden in <span class="pagenum">[<a id="pb420" href="#pb420" name= +"pb420">420</a>]</span>Oostergo, Sneek en Bolsward in Westergo. Gegeven +in ’t jaar onzes Heeren 1348 Zondags na het feest der H. +Drieeenheid.</p> +<p>Dit is de zakelijke inhoud van het Bestand, welke aldus is +medegedeeld, met eenige zeer belangrijke ophelderende Aanteekeningen, +in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 31 Julij 1832</i>, +waarnaar wij den Lezer verwijzen.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb105" class="pageref">105</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1361.</i> Over deze merkwaardige Vergadering en +derzelver werkzaamheden leze men <span class="sc">Westend.</span> +<i>Jaarb. II</i>. 200, volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb106" class= +"pageref">106</a>.—A<sup>o</sup> 1388.</p> +<p><i>Folkmer Allena.</i> De Kronijkschrijver <span class="sc">E. +Beninga</span> deelt nopens dezen man een volksliedje mede, om deszelfs +vorm en oudheid merkwaardig. Het staat in de <i>Anal.</i> <span class= +"sc">v. Mattheus</span>, <i>IV</i>. 158 en 159, en in ’t +<i>Jaarboek</i> van <span class="sc">Westendorp</span>, <i>II</i>. 245, +met eene veranderde spelling.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb107" class= +"pageref">107</a>.—A<sup>o</sup> 1397.</p> +<p><i>In den jaare 1397.</i> Ik houd het er voor dat dit moet zijn +1396. Onze kronijk echter verwart deze en andere veldtogten met +elkander. Van dit ongelukkig gevecht vinden wij bij alle Schrijvers +uitvoerige vermelding. <span class="sc">Winsemius</span> stelt het ook +op 1397, tegen de aanteekeningen van <span class="sc">Edo van +Jonghama</span>, <span class="sc">Petrus van Thabor</span> en +<span class="sc">Emmius</span> aan. Hier moet ik opmerken, dat men bij +gelegenheid van dezen <span class="pagenum">[<a id="pb421" href= +"#pb421" name="pb421">421</a>]</span>merkwaardigen togt van Hertog +Albrecht van Beijeren tegen de Friezen het <i>eerst</i> gewag vindt +gemaakt, dat de schepen in deze landen van geschut en buskruid zijn +voorzien. Hiervan wordt melding gemaakt in een Handschrift, berustende +in ons Rijks-Archief, in ’t welk men leest, dat, op bevel van +Hertog Albrecht en deszelfs Raad, <i>Bussen</i>, <i>Kruid</i>, +<i>Steen</i>, <i>Schutte</i>, <i>Vierpannen</i>, <i>Torken</i> en +andere behoeften worden aangekocht, welke men in de groote schepen +noodig had<a class="noteref" id="xd20e9877src" href="#xd20e9877" name= +"xd20e9877src">80</a>. In een Hanzee-verbond van den jare 1418, waartoe +ook de Nederlandsche steden behoorden, wordt aan het scheepsvolk +verboden op lijfstraffe wapenen en buskruid te verkoopen<a class= +"noteref" id="xd20e9889src" href="#xd20e9889" name= +"xd20e9889src">81</a>. Twintig jaren later wordt onder de middelen van +verdediging en afbreuk op de schepen uitdrukkelijk van <i>Bussen</i>, +dat is, van kanon, melding gemaakt. Sedert dien tijd werd het geschut +en ook het handgeweer meer en meer algemeen, en op de schepen de gewone +wapenen<a class="noteref" id="xd20e9900src" href="#xd20e9900" name= +"xd20e9900src">82</a>.</p> +<p>Over den tijd der uitvinding van het buskruid is men oneens, daar +velen, niet te onregt, beweren, dat het vóór Berthold den +Zwarten reeds bestond. Zeker is het, dat het gebruik daarvan, hier te +lande eerst in 1350 of 1351 is geweest, en wel in het beleg van het +Kasteel Rozenburg, nabij Voorschoten.</p> +<p>Maar ik mag niet voorbijgaan het koddig verhaal van <span class= +"sc">Cornelis Kempius</span>, waarin hij beweert, dat een Friesch +Koning, met name Chimoscus, den Graaf van Holland <span class= +"pagenum">[<a id="pb422" href="#pb422" name="pb422">422</a>]</span>en +zijne twee zonen met een musket had doodgeschoten, en ook in een +tweegevecht, ter oorzake van ’s Graven dochter, de schoone +Olimpia, met Graaf Roeland van Vlaanderen, zijn schutgeweer gebruikt +had, zoodat de Friezen uitvinders van het buskruid zijn, hetwelk +<span class="sc">Hamconius</span> ook bevestigt, die mede Chimoscus +voor den uitvinder daarvan houdt. Wij evenwel betwijfelen het zeer, en +geven liever aan het dichterlijk vernuft van den geestigen Ariosto, aan +wien Kempius zijn verhaal ontleende, de eer dezer vinding. Verg. +<i>Oudh. en Gest. II</i>. 354–357. <span class="sc">E. +Beninga</span>, in zijne <i>Hist. van Oost-Vriesland</i> op de jaren +1379 en 1380, vermeldt, dat men destijds in de Friesche onlusten zich +van buskruid en geschut bediende. Zie <span class="sc">Driessen</span>, +<i>Mon. Groningana</i>, <i>II</i>. 399.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb109" class="pageref">109</a> en +110.</p> +<p><i>In den jaare 1400–1401.</i> Onder al de twisten en +oorlogen, de rampen en onheilen daaruit geboren, waren het niet altoos +de Friezen en onderlinge partijen, bij welke men de aanleiding en +oorzaak zoeken<a id="xd20e9945" name="xd20e9945"></a> moet<span class= +"corr" id="xd20e9947" title="Niet in bron">,</span> maar aanhitsing en +ondersteuning van buiten, alles naar staatkunde en eigenbelang +berekend, heerschzucht en vijandschap van Bisschoppen, Graven en +anderen, gaven meestal voedsel aan den burgeroorlog. Vandaar ook die +(zoo als men ze noemde) Groote, dat is, woeste en beruchte lieden dezer +eeuw. Onder de zeeroovers dier tijden was <i>Stortenbeker</i> een +befaamd man, in het drinken zoowel als in het vechten: dit blijkt uit +den bij hem gevonden grooten beker, toen hij gevangen genomen werd, +waarop dit kreupel vers stond:</p> +<p class="signed"><i>Ick Joncker Sissingha,</i><br> +<i>Van Groninga,</i><br> +<i>Dronck dees hensa,</i><br> +<i>In een flensa,</i><span class="pagenum">[<a id="pb423" href="#pb423" +name="pb423">423</a>]</span><br> +<i>Door myn kraga,</i><br> +<i>In myn maga.</i></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb111" class= +"pageref">111</a>.—A<sup>o</sup> 1404.</p> +<p><span class="sc">Sjoerd Wiarda</span>. Naar dezen Potestaat ontving +het slot te Goutum den naam van <i>Wiarda-State</i>, hetwelk hij reeds +in den jare 1404, toen hij met Harinxma tot Potestaat verkozen werd, +bewoonde. Ons werd de navolgende geschrevene aantekening, op +<span class="sc">Schotanus</span> zijne <i>Beschryvinge</i>, van den +Old-Raadsheer <span class="sc">Tjalling Edo van Sminia</span>, +medegedeeld:</p> +<p>»<i>Goutum</i>. Hier ligt de State <i>Wiarda</i>, een groot +sieraad van dit dorp, een schoon gebouw met zijn hovinge en graften, +bewoond bij den Hr. Jonkheer <span class="sc">Tiberius Pipinius van +Eminga</span>; wierde bijgenaamd <i>Schenkinsma</i>, gelijk daar ook +leggen <i>Putsma</i>, nieulinks met eene nieuwe hovinge en een +welbeplante opreed versiert door den Hr. Jonkheer <span class= +"sc">Ruurdt van Burmania</span>; en <i>Drinkuitsma</i> door denselven +afgebroken en geslegt, daar nabij gelegen. Deze drie plaatsen plegen +van drie Gebroederen bewoond te worden, die groot vermaak schepten in +’t drinken, en daarop roemden; tot hare gedachtenisse wierde dit +versje gemaakt:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Qui nos tres geminos superat certamine Bacchi</p> +<p class="line">Hic venit Alcides redivivus conteret Hydram.”</p> +</div> +<p class="firstpar">d. i. vrij overgezet:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Eer dat ons dapper driemanschap,</p> +<p class="line xd20e2637">In Bacchus’ school volleerd,</p> +<p class="line">Worde in een Frieschen bekerstrijd</p> +<p class="line xd20e2637">Verslagen of verheerd;</p> +<p class="line">Eer zal de woeste Hercules</p> +<p class="line xd20e2637">Herrijzen uit zijn graf,</p> +<p class="line">En slaan een tweeden monsterdier</p> +<p class="line xd20e2637">Tienduizend koppen af!</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb424" href="#pb424" name= +"pb424">424</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb112" class="pageref">112</a>, op de +Noot.</p> +<p><i>Hiske Abdena</i> was Proost en Hoveling te Emden, een hoog +heerschzuchtig man, die zich aan het hoofd der Schieringers in +Oostfriesland had gesteld en in naauw verband met de Groningers stond. +Gevlugt naar Groningen, wilden de Schieringers hem ondersteunen, doch +de Vetkoopers hielden de partij van Keno ten Broek,—en ziehier +den oorsprong der partijnamen <i>Hisk-</i> of <i>Hikhorsters</i> en +<i>Bronkhorsters</i>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb113" class= +"pageref">113</a>.—A<sup>o</sup> 1414.</p> +<p><i>Ook liet Jarges het goud en zilver</i> enz. Niet alleen te +Fivelgo, maar ook te Midwolde en Loppersum, maakte hij zich meester van +het gouden en zilveren vaatwerk, en liet de ongezinde kerkvoogden +eenigen tijd vastzetten, om zoo zijn oogmerk te bereiken.</p> +<p>De Koppens-gulden was dezelfde met den Arendsgulden, welke naar de +tegenwoordige munt, eene waarde moet gehad hebben van 37½ cent. +In 1453 gold hij 7 braspenningen van 9 duiten ’t stuk: in 1491 +werd dezelve afgezet.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb115" class="pageref">115</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier.</i> <span class="sc">Fokke +Uken</span>, <span class="sc">Ukena</span> of <span class= +"sc">Ukessen</span>, Hoveling<a class="noteref" id="xd20e10103src" +href="#xd20e10103" name="xd20e10103src">83</a> te Evermoer <span class= +"pagenum">[<a id="pb425" href="#pb425" name="pb425">425</a>]</span>in +Leer, Heer van Aurich en Broekmerland of te Broekum, die eene groote en +belangrijke rol in de onlusten der Schieringers en Vetkoopers in +’t begin van de XV eeuw speelde, was uit eene voorname adellijke, +doch niet vermogende Oost-friesche familie gesproten. Zijn vader heette +<i>Uko</i> en zijne moeder <i>Amke van Lengen</i>. De ruïnen van +hunnen ouden burgt waren ten tijde van den geschiedschrijver +<span class="sc">Emmius</span> nog aanwezig: thans toont men slechts de +plaats aan, waar dezelve stond, op de veenakkers tusschen Aurich en +Leer. Nergens vindt men Fokke’s geboortejaar vermeld; doch hij +stierf, oud van jaren, den 29 Augustus 1435, gelijk sommigen beweren, +ten gevolge van het nuttigen van eene vergiftigde biersoep, door zijne +Echtgenoote <i>Hidde</i> hem toegediend. Hij trad als officier in +dienst van Keno ten Broek: zijne eerste vrouw was <i>Theda van +Reide</i>, bij welke hij twee zoons en twee dochters had: zijne tweede +vrouw was <i>Hidde van Dijkhuizen</i>, uit welk huwelijk zijne dochter +Ulske, gehuwd aan Unico Ripperda, sproot. Beide deze vrouwen bragten +hem een groot vermogen aan, en het gelukte hem zijne kinders aan zeer +aanzienlijke, rijke familiën uit te huwen. Hij was verstandig en +omzigtig in het aanleggen zijner plannen, dapper en koen aan de spits +zijns legers, onverschrokken in gevaren, trotsch in zijne handelingen, +die vermeerdering zijner magt en rijkdom ten doel hadden, en +wraakgierig tegen zijne vijanden. Van zijnen jeugdigen leeftijd wordt +nergens gewag gemaakt, en op het einde van de XIV eeuw is men het eerst +in de geschiedenis zijns gedachtig.</p> +<p>Er is eene korte levensbeschrijving van hem in ’t Latijn +zamengesteld uit <span class="sc">Emmius</span> en <span class= +"sc">Beninga</span>. De verdienstelijke <span class="sc">Wiarda</span> +echter heeft eene uitvoerige beschrijving van zijn leven en bedrijf +gegeven, en geplaatst in het Tijdschrift: <i>Ost-Friesische +Mannigfaltigkeiten, erster Jahrgang</i>, <i>Aurich</i> 1784, getrokken +uit de beste bronnen destijds in druk en handschrift aanwezig, en met +bijzondere naauwkeurigheid behandeld. Ik heb daarvan eene vertaling +gegeven <span class="pagenum">[<a id="pb426" href="#pb426" name= +"pb426">426</a>]</span>in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder Couranten +van den 4 en 11 September, 2 en 16 October 1832</i>, welke bijdrage tot +de geschiedenis van dien tijd zeer belangrijk is. Men verg. overigens +het <i>Jaarb.</i> van <span class="sc">Westendorp</span>, op +1411–1435. Het portret van <span class="sc">Ukena</span> bevindt +zich thans op het buitengoed van Jonkheer <span class="sc">Hora +Siccama</span> <i>van de Harkstede</i>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb116" class= +"pageref">116</a>.—A<sup>o</sup> 1420.</p> +<p><i>De Schieringers hij Catse geslagen.</i> <span class= +"sc">Schotanus</span> noemt ook <i>te Catze, aan een plaets geheeten +Palesloot</i>: <span class="sc">Petr. Thab.</span> <i>ter Colze</i>. +Volgens <span class="sc">Amersf.</span> en <span class= +"sc">Visser</span> moet men waarschijnlijk hierdoor den omtrek van +Koudum verstaan. <span class="sc">Winsem.</span> en <span class= +"sc">Emmius</span> plaatsen ook den slag omtrent <i>Palesloot</i>, +tusschen <i>Hindeloopen</i> en <i>Molkwerum</i>, op de kaart van +<span class="sc">Schotanus</span> nog aangeduid, zoo als ook de +<i>Fokke-graft</i> of <i>Fokke-sloot</i>, uit het Slootermeer komende, +en waarin Fokko, na zijne nederlaag bij Slooten, die op zijne +overwinning volgde, eene groote busse of stuk kanen, door hem uit +Groningen medegenomen, zinken liet.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb117" class="pageref">117</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1421.</i> Ook in dit jaar braken de Groningers met +Sikko Sjaerdema, Hoveling te Franeker, Hoofd der Schieringers. Zij +beschuldigden hem heimelijk den Graaf van Holland, Hertog Jan van +Beijeren, te zijn toegedaan, en met de vijandelijke vrijbuiters te +heulen—namen twee schepen met hout geladen, aan de kerk te +Franeker toebehoorende, weg, en zes Franeker burgers gevangen. Zij +<span class="pagenum">[<a id="pb427" href="#pb427" name= +"pb427">427</a>]</span>dreigden hem te zullen belegeren, indien hij +niet te Groningen kwam om zich te verantwoorden, of zijnen +twaalfjarigen zoon als gijzelaar zond. Tot dit laatste werd hij +genoodzaakt, deels voor zijne overeenkomst, deels voor de betaling +eener door deze Vetkoopers uitgeschrevene schatting van 1000 schilden +over de Schieringers, tusschen Stavoren en Gerkesbrugge. Sjaerdema kwam +zelf te Groningen en verantwoordde zich, weshalve hij zijnen eenigen +zoon terug begeerde. Men beloofde de terugzending, dan men hield geen +woord. Daarop zond hij een vertrouwd vriend, om het kind af te halen, +die het vond aan een ijzeren keten gesloten, waarmede hij in eene kamer +kon rondwandelen; doch ook deze moest onverrigter zake terugkeeren. Nog +in hetzelfde jaar overleed de knaap, volgens voorgeven, aan de pest: +doch men vermoedde, dat de Groningers hem hadden omgebragt; in het +volgend jaar stierf zijn vader. Zie <span class="sc">Westendorp</span>, +<i>Jaarb.</i> op ’t jaar 1421, en de aangehaalde Schrijvers. +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. IV</i>. 447.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb120" class= +"pageref">120</a>.—A<sup>o</sup> 1434.</p> +<p><i>Het Stapelrecht.</i> In ’t jaar 1430 vinden wij het eerst +hiervan betrekkelijk Groningen vermelding. Het woord <i>Stapel</i>, +eigenlijk een staf, stok of stut beteekenende; is ook een hoop van +dingen, die op een afzonderlijk steunsel opgehoopt of gestapeld zijn. +Vervolgens heeft <i>stapel</i> overdragtelijk de beteekenis van een +hoop koopwaren, die op eene bijzondere marktplaats opgestapeld waren, +en eindelijk van de <i>markt</i> of <i>verkoopplaats</i> zelve. Aldaar +moesten zekere van buiten inkomende goederen ter verkoop aangeboden, +voor een tijd opgestapeld en bij gebrek aan koopers vertold worden. +Dordrecht, Middelburg en andere steden waren in het bezit van het +Stapelregt der wijnen enz. Zeer verschillend was dit regt op +onderscheidene <span class="pagenum">[<a id="pb428" href="#pb428" name= +"pb428">428</a>]</span>plaatsen, en bepaalde zich tot allerhande +koopwaren.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb122" class= +"pageref">122</a>–123.</p> +<p><i>In den jaare 1453–1454.</i> Over deze gebeurtenissen is +verschillend geschreven, en men heeft het bij waarschijnlijkheid moeten +laten blijven. Verg. <span class="sc">S. Jarichs</span>, <span class= +"sc">Beninga</span> en <span class="sc">Emmius</span>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb128" class= +"pageref">128</a>.—A<sup>o</sup> 1478.</p> +<p><i>Haijo te Westerwolde.</i> <i>Hajo Addinga</i> van Westerwolde had +eed en hulde aan den Bisschop van Munster gedaan, en volgde zijnen +vader in het leen van Westerwolde op. Hij was een wreedaardig en woest +mensch, roofde en verkwistte met zijne trawanten, plaagde zijn volk, en +wie hem niet ter wille was werd gekluisterd, gepijnigd en gemarteld op +allerhande wijze. Den Priester van Onswedde, die hem zijn slecht gedrag +verweet, liet hij, de handen op den rug gebonden, aan den staart eens +paards voorgesleept, dus vaneen trappen en verscheuren. Een ander +Priester werd daarna ook jammerlijk om het leven gebragt, en zoo +pleegde hij vele gruwelen. Zie <span class="sc">West.</span> op +’t jaar 1477.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb129" class= +"pageref">129</a>.—A<sup>o</sup> 1486.</p> +<p><i>Rudolf Agricola.</i> Dezen, in zijnen tijd zoo vermaarden man, +noemde men den hersteller der Wetenschappen in het Duitsche Rijk, den +grootsten redenaar van zijnen tijd, den eersten Duitschen Hoogleeraar +<span class="pagenum">[<a id="pb429" href="#pb429" name= +"pb429">429</a>]</span>in de Grieksche, Latijnsche en Hebreeuwsche +talen; dengenen, die door geenen geleerde, ook zelfs van Italië, +werd overtroffen; eene ster der eerste grootte. <span class= +"sc">Westend.</span> <i>Jaarb. II</i>. 645.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb129" class="pageref">129</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1487.</i> Dit doelt op ’t zoogenaamde +<i>Bier-Oproer</i>. De Regering van Leeuwarden had, op aandrang der +burgerij, op nieuw eene ordonnantie afgekondigd, waarbij het gebruik +van het geliefde Haarlemmer Bier, <i>Kuit</i> genaamd, verboden, en +alleen het in de stad gebrouwen bier werd toegelaten. Eenige landlieden +overtraden dit gebod, waardoor tusschen hen en de brouwers, ondersteund +door de burgers, een gevecht ontstond. De landlieden, de minsten +zijnde, namen de vlugt op ’t Amelandshuis, destijds de stins van +den Schieringer <span class="sc">Pieter Cammingha</span>, hetwelk met +overmeestering en plundering bedreigd werd, daar <span class= +"sc">Cammingha</span> de gevlugte landlieden aan hunne vervolgers niet +wilde overgeven. Het gerucht hiervan bragt de Schieringers in Ooster- +en Westergo spoedig tegen het Vetkoopersgezinde Leeuwarden op de been, +die vervolgens deze stad innamen. Meester <span class="sc">Pieter +Sybrands Auckama</span>, bijgenaamd <i>Pinckert</i>, Olderman der stad, +sneuvelde in dit gevecht<a class="noteref" id="xd20e10376src" href= +"#xd20e10376" name="xd20e10376src">84</a>.</p> +<p>Dat het Haarlemmer Bier destijds een artikel van veel belang was, +blijkt onder anderen ook uit het <span class="pagenum">[<a id="pb430" +href="#pb430" name="pb430">430</a>]</span>door <span class= +"sc">Winsemius</span> op ’t jaar 1480 vermelde sprookje, (dus te +schrijven):</p> +<p class="signed"><i>De Leidske Lape,</i><br> +<i>In Harlimmer Tape,</i><br> +<i>In schiere iel</i><br> +<i>Bringt Frieslân yn’e wiel.</i></p> +<p>»Het Leidsche laken, Haarlemmer bier (Kuit genaamd) en +Schieraal, helpt Friesland in den grond.” Verg. hierbij +<span class="sc">Wassenbergh</span>, <i>Taalk. Bijdr. tot den Frieschen +Tongval, II</i>. St, bl. 17, noot f en bl. 156. <i>Vol van bier +zijn</i>, <i>te bier gaan</i>, <i>boven zijn bier zijn</i> en +dergelijke uitdrukkingen waren in dien tijd, zoowel in Holland als +Friesland, algemeen, daar het bier een algemeene drank was, en de +kracht daarvan, bij den overmatigen drinker, een bierroes ten gevolge +had.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb130" class= +"pageref">130</a>.—A<sup>o</sup> 1490.</p> +<p><i>In dit zelve jaar is de wijdberoemde Wesselius Ganzevoort.</i> +Hij werd geboren te Groningen in 1419, en overleed 1489. Deze hoogst +vermaarde en geleerde man, was ook een der edelste kweekelingen van de +stichting der Broederschap van <span class="sc">Gerard Groote</span>. +Zijne verlichte denkwijs vooral werd zeer geroemd, zoodat <span class= +"sc">Luther</span> zelf getuigde: »Indien ik vroeger de werken +van <span class="sc">Wessel</span> gelezen had, zouden mijne vijanden +mogen vooronderstellen, dat ik alles uit zijne schriften geput had. Het +geeft mij vreugde en kracht, en ik twijfel niet meer aan de waarheid +van hetgeen ik leer; wanneer ik tusschen hem en mij eene volslagene +overeenstemming van gedachten en zelfs van woorden bespeur.”</p> +<p>In de bestrijding van bijgeloof en dweepzucht kent men dezen man, +boven <span class="sc">Erasmus</span> zelfs den voorrang toe, terwijl +in al zijn streven tot dit doel, hij eene waarheidsliefde en eene +zedelijke kracht ontwikkelde, voor welke <span class= +"sc">Erasmus</span> niet vatbaar was. Als letterkundige, <span class= +"pagenum">[<a id="pb431" href="#pb431" name= +"pb431">431</a>]</span>wijsgeer, godgeleerde en geneeskundige was hij +bijna even groot; zijne matige leefwijze stak bijzonder af bij de +zwelgerij en dronkenschap van vele geleerde tijdgenooten, waardoor hij +dan ook tot zijn zeventigste jaar eene sterke gezondheid genoot. Hij +reisde de wereld door, om den schat zijner reeds verkregene kennis te +vermeerderen, en daarvan ten nutte der wereld dubbelde renten uit te +deelen. Van Paus Sixtus, wiens vriend en lijfarts hij was en die hem +tot bisschop wilde verheffen, verzocht hij alleen de gunst, om de +Handschriften van eenen Griekschen en Hebreeuwschen bijbel te mogen +bezitten. Zijne laatste levensdagen sleet hij in ’t klooster der +adellijke maagden te Groningen, in hetwelk hij overleed. Zie zijne +leerstellingen kortelijk aangeteekend bij <span class= +"sc">Westendorp</span>, <i>Jaarb.</i> op den jare 1489; en verg. de +<i>Verhandeling over de Broederschap</i> van <span class="sc">G. +Groote</span>, door <span class="sc">G. H. M. Delprat</span>, bl. +79–81, 112 en <i>Bijl. VII</i>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb131" class="pageref">131</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1492.</i> Men vergelijke op dit en de twee volgende +jaren, <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i>, die daarmede het +derde Tijdperk en het tweede Stuk van zijn werk eindigt, waarmede hij +den beoefenaren der Geschiedenis eene gewigtige dienst heeft bewezen, +<span class="sc">Petr. Thab.</span> op dezelfde jaren.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb133" class= +"pageref">133</a>.—A<sup>o</sup> 1496.</p> +<p><i>Onder den Oversten Fox.</i> <span class="sc">Nittert</span> of +<span class="sc">Nuttert Fox</span>, volgens <span class= +"sc">Gabbema</span> in Frankenland geboren, was bevelhebber van eene +bende de <i>Groote Garde</i> genaamd. Hij zelf droeg den naam van +<i>Grooten Kapitein</i>. <span class="sc">Petrus van Thabor</span> +vermeld hem als <i>Joncker Voecks</i> op ’t jaar 1498. Zie het +<i>Archief</i> van <span class="sc">Visser</span> <span class= +"pagenum">[<a id="pb432" href="#pb432" name="pb432">432</a>]</span>en +<span class="sc">Amersfoort</span>, <i>I</i>. 74, alwaar mede wordt +aangemerkt, dat in de middeleeuwen veelal de ellendige gewoonte +bestond, dat een hoop soldaten, die zeker niet tot de beste lieden +behoorden, onder een hoofd, door hen verkozen, zich vereenigden, en +vervolgens aan den meestbiedende, hetzelfde welke zaak hij voor had, +zich verhuurden. Zoo waren er zelfs benden, die geheel zonder +opperhoofd rondzwierven, zoo als de in onze Kronijk op bl. 150 +vermelden <i>Zwarten Hoop</i> of Saksische knechten. <span class= +"sc">Schotanus</span>, <i>Fr. Hist,</i> fol. 419, geeft hem den titel +van: »Capiteyn van een deel af-gedanckte Companyen, op de grensen +van Nederlandt omhengelende, op hoope van nieuwe +beroerten;”—doch roemt hem mede ook als een krijgshaftig en +stoutmoedig soldaat. <span class="sc">E. Beninga</span> maakte op de +jaren 1492 en 1499 van Fox melding. In eene noot op bl. 362 zijner +<i>Hist. van Oostfr.</i> wordt mede, gelijk in onze Kronijk op bl. 138, +beweerd, dat de plaats, waar hij vechtende stierf, naar hem +<i>Foxhol</i> genoemd zoude zijn; doch te onregt: want reeds in een +brief van 1460 komt dit gehucht voor als <i>Vossehol</i>. Zie +<i>Tegenw. Staat van Stad en Lande, I</i>. 225; <span class= +"sc">Bilderdyk</span>, <i>Gesch. des Vaderl. IV</i>. 316, noemt +<i>Fox</i> <span class="sc">Witterfox</span>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb138" class= +"pageref">138</a>.—A<sup>o</sup> 1499.</p> +<p><i>Den Hoogen Raad</i> enz. Ten tijde van Karel den Grooten schijnt +er reeds over geheel Friesland eene opperste Regtbank of Hof, misschien +wel door hemzelven ingesteld, bestaan te hebben en te Franeker geweest +te zijn, welk Hof nog in ’t begin der XV eeuw den naam droeg van +<i>dat hageste Keijzer riocht to Franeker</i>. Onder de woelende +twisten der Schieringers en Vetkoopers moest het zijn gezag verliezen, +doch bleef nog bestaan in die algemeene en hoogere Regtbank, aan welke +de vijf eerste Grietenijen in Westergo, hare twistgedingen, in het +laatste ressort onderwierpen. Thans hergaf de Hertog <span class= +"pagenum">[<a id="pb433" href="#pb433" name="pb433">433</a>]</span>dit +Geregtshof zijnen ouden luister, door de nieuwe instelling op st. +Jacobs dag (24 Julij) van ’t jaar 1499. Het bestond toen uit 12 +Leden, zes Geestelijken en zes Friesche Edelen, terwijl de Kanselier +Phlug het Voorzitters-ambt bekleedde. Op Sjaerdema-slot was het +aanvankelijk gezeteld, doch werd daarna naar Leeuwarden verplaatst. Men +vindt dit alles in het breede beschreven in mijne meergemelde +<i>Geschiedenis der Kanselarij te Leeuwarden</i>. Over de Wetten +vergelijke men onder anderen § 4 van het Overzigt in ’t +<i>Friesch Jierboeckjen</i> van 1833, en § 3 van 1834.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb138" class= +"pageref">138</a>.—A<sup>o</sup> 1500.</p> +<p><i>Fjouwer lotter-claer</i> enz. <span class= +"sc">Wassenbergh</span>, <i>Idioticon</i> op ’t woord +<i>Fenne</i>, vertaalt deze leus: »vier gelouterde (beproefde, in +het water onderzochte) klaare Kievitseieren, op den hoek van een aan +huis geleegen Kamp, in één nest.” Zie voorts +<span class="sc">Epkema</span>, <i>Woordenb.</i> op <span class= +"sc">Finne</span>, en <span class="sc">Weiland</span>, <i>N. T. +Woordb.</i> op <span class="sc">Veen</span>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb142" class="pageref">142</a>. - +A<sup>o</sup> 1504.</p> +<p><i>Weerdenbras.</i> <span class="sc">O. van Scharl</span>, op +’t jaar 1505, geeft den oorsprong op van deze benaming, welke +bevestigd wordt bij <span class="sc">Schot.</span> bl. 507 en 508, die +in zijn XIV en XV boek een zeer omstandig verhaal geeft, van den strijd +met Groningen en wat daartoe betrekking heeft. Ook bij <span class= +"sc">Winsemius</span>, <span class="sc">Emmius</span>, <span class= +"sc">Petr. van Thabor</span>, <span class="sc">Sicco</span> en +<span class="sc">Eggerik Beninga</span> enz.</p> +<p>Vitus Draaksdorp of Traxdorp, was, bij afwezigheid van Hertog Georg, +Opperbevelhebber over het krijgsvolk. Verg. <i>Archief</i> van +<span class="sc">Visser</span> en <span class="sc">Amersf.</span> +<i>II</i>. st. bl. 112; <i>Aantt.</i> op bl. 169. <span class= +"pagenum">[<a id="pb434" href="#pb434" name="pb434">434</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb146" class="pageref">146</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1511.</i> Zie <span class="sc">Gabbema</span>, bl. +265; <b>Winsemius</b> op dit jaar.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb147" class="pageref">147</a>, +149.—A<sup>o</sup> 1514.</p> +<p><i>Den 21 van July.—Hier na heeft Graaf Edzard.</i> Verg. +<i>Tegenw. Staat van Stad en Lande, I</i>. 303, volgg.; <span class= +"sc">Wins.</span> bl. 376 volgg; <span class="sc">Schot.</span> <i>XV +boek</i>, <span class="sc">Beninga</span>, <i>III</i>. B. bl. 490; +alwaar over de wreedheden der Saksen, de misleiding door graaf Edzard +en zijne vergelding daarvoor van den Gelderschen Hertog in het breede +gewaagd wordt. Zie gem. <i>Archief, II</i>. bl. 171–176, en de +<i>Aantt.</i> daarop; ook het <i>Nabericht</i> van <span class="sc">van +Rhyn</span>, bl. 537.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb150" class= +"pageref">150</a>.—A<sup>o</sup> 1515.</p> +<p><i>De zwarte Hoop.</i> Zie <i>Aantt.</i> op <span class="sc">Nittert +Fox</span>, bl. 431; <span class="sc">Petr. v. Thabor</span> zegt, dat +er verschillende uitleggingen van die benaming zijn, als: omdat zij met +den Hertog van Brunswijk gekomen waren, of omdat hun aangezigt was +zwart en leelijk geworden, wegens het lijden van koude en overlast in +den winter, of uithoofde dat hun bij den dood der Hertogen van +Brunswijk zwart laken was gegeven, tot teeken van rouw; het is +mogelijk, dat al het genoemde met elkander tot de benaming aanleiding +hebbe gegeven. <span class="pagenum">[<a id="pb435" href="#pb435" name= +"pb435">435</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb150" class="pageref">150</a> en +151.</p> +<p><i>Deze Groote Pier.</i> Gelijk het met vele groote en zeldzame +mannen gaat, die eene belangrijke rol in hunnen leeftijd hebben +gespeeld, en daarover verschillend worden beoordeeld, zoo is het ook +met <span class="sc">Groote Pier</span> gelegen. De een noemt hem een +roemruchtig held zonder wederga, die voor de vrijheid en voor Friesland +wonderen deed; anderen noemen hem een wreedaardig krijgsman en +verachtelijk zeeschuimer, die slechts roof en moord beoogde. Wanneer +men de geschiedenis van dien tijd naauwkeurig gadeslaat, den toestand +van <span class="sc">Groote Pier</span> en zijne bedoelingen beschouwt, +daarbij den geest des tijds, de wijze van oorlogen, vooral ter zee, het +Saksisch despotisme in tegenoverstelling van het Friesch karakter, en +de laagheid des Hertogen van Gelder in aanmerking neemt, dan zal de +onpartijdigheid ten voordeele van den man moeten beslissen, wiens +bedoelingen eerlijk waren, maar wiens daden het merk van ruwheid +droegen, en door de fortuin begunstigd in euvelmoed en woestheid +ontaard zijn. Zijn tijdgenoot <span class="sc">Petrus van Thabor</span> +schetst hem in zijn ware licht; woest en onbesuisd van aard, maar rond +en eerlijk van inborst. Zie het <i>Archief</i> van <span class= +"sc">Visser</span> en <span class="sc">Amersf.</span> <i>II</i>. 259. +In het <i>Gedenks. van Neerl. Heldend. ter Zee</i> van <span class= +"sc">Engelbert Gerrits</span>, <i>I</i>. 76 volgg., is de beoordeeling +minder juist. Zie voorts de schets van <span class="sc">Groote +Pier</span> en zijne daden in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant +van 11 Maart 1834</i>, door <span class="sc">W. Eekhoff</span> +zamengesteld, en de daar aangehaalde Schrijvers. Op welk eene wijze het +zeewezen in Friesland bestierd werd, leest men na het aangehaalde werk +van <span class="sc">de Jonge</span>, over het <i>Nederl. Zeewezen, +I</i>. 154 volgg. Tot in de XVI eeuw was het eene algemeene gewoonte, +de gevangenen zonder genade over boord te werpen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb436" href="#pb436" name="pb436">436</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb151" class= +"pageref">151</a>.—A<sup>o</sup> 1515.</p> +<p><i>Hertog Georg.</i> Aldus werd Friesland als ’t ware weder +verkocht, en, zooveel de Saks vermogt, geleverd voor honderd duizend +goudguldens. <span class="sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. IV</i>. +390, en <span class="sc">Bild.</span> <i>Gesch. V</i>. 11. maaken er +350,000 van, doch de Acte van afstand van den 19 Mei 1515, bij +<span class="sc">Schwartzenberg</span> in het tweede deel zijns +<i>Charterboeks</i> voorhanden, spreekt dit tegen. Een Rijnse gulden en +een Goudgulden hadden ieder 90 cents waarde.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb151" class="pageref">151</a>.</p> +<p><span class="sc">Karel</span> <i>de Vyfde</i>. Het <span class= +"corr" id="xd20e10913" title="Bron: belangrijkst">belangrijkste</span> +gedeelte van het <i>Boeck der Partijen</i> van <span class="sc">Jancko +Douwama</span> loopt over de gebeurtenissen onder het Saksisch bewind, +alsmede over de eerste regeringsjaren van Keizer Karel den Vijfden. Men +leert hierin die gebeurtenissen in Friesland, gedurende dit gewigtig +tijdvak, van eene geheel nieuwe en onbekende zijde kennen; en al ware +het, dat niet al de berigten van <span class="sc">Douwama</span> +volkomen geloof verdienden, zoo blijft het echter, bij de voorhanden +zijnde bescheiden, meestal onder den invloed van het Bourgondisch +bewind opgesteld, van het hoogste belang, door zijne tusschenkomst, ook +eens de gedachten van de andere partij te kunnen vernemen. Zie over +<span class="sc">J. Douwama</span> en zijne geschriften, het <i>Verslag +der Handelingen van het Prov. Friesch Genootschap</i>, bl. 57 +volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb151" class= +"pageref">151</a>.—A<sup>o</sup> 1515.</p> +<p><i>Graaf Floris van Ysselstein.</i> Floris van Egmond, <span class= +"pagenum">[<a id="pb437" href="#pb437" name="pb437">437</a>]</span>Heer +van IJsselstein, als Stadhouder gehuldigd zijnde, werden er +verschillende voorwaarden gemaakt. Zie <span class="sc">Gabbema</span>, +<i>Verh. van Leeuw.</i>, bl. 302; <span class="sc">Schot.</span> fol. +573, en <span class="sc">Wins.</span> fol. 431; welke eerste hem ook +<i>Floorken dunn’- bier</i> noemt.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb155" class= +"pageref">155</a>.—A<sup>o</sup> 1520.</p> +<p><i>Hendrik</i> en <i>Frederik Gaykinga</i>. Belangrijk is het +verhaal van <span class="sc">Sicco Beninga</span>, <i>Chronickel der +Vriescher Landen</i>, in de <i>Anal.</i> van <span class="sc">v. +Nidek</span>, bl. 321 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb158" class= +"pageref">158</a>.—A<sup>o</sup> 1523.</p> +<p><i>En Karel de vyfde tot Erfheer</i>. Verg. <span class= +"sc">Cerisier</span>, <i>Gesch. der Nederl. II</i>. 420–423; +<span class="sc">Schot.</span> fol. 621. Na lange en rustelooze +woelingen, het aanstoken van partijschappen, het voeden van den +burgerkrijg, en het vergieten van stroomen bloeds, genoot nu Friesland, +bewesten de Lauwers, met uitzondering van nog eenen inval der +Gelderschen, eene rust van bijna eene halve eeuw; terwijl de +voortdurende onlusten te Groningen veel onheils bleven stichten, en de +geest van muiterij de overhand behield.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb160" class="pageref">160</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1535</i>. Verg. <span class="sc">Wins.</span> fol. +506; <span class="sc">Schot</span>. 664 volgg.; <span class="sc">Egg. +Beninga</span>, die echter zeer onvolledig is in zijn verhaal. +<span class="sc">O. van Scharl</span> op ’t jaar 1535; +<span class="sc">Gabbema</span>, <i>Verh. van Leeuwaarden</i>, bl. 365 +volgg.<a class="noteref" id="xd20e11039src" href="#xd20e11039" name= +"xd20e11039src">85</a> <span class="pagenum">[<a id="pb438" href= +"#pb438" name="pb438">438</a>]</span></p> +<p>De Sententieboeken van het Hof van Friesland nagaande, vonden wij +onder vele vonnissen, bij welke in dit jaar een aantal Wederdoopers +veroordeeld zijn, om onthoofd te worden, twee derzelve van den 12 +April, houdende veroordeeling, de eene van 31 vrouwen en de andere van +twee, om verdronken te worden, uithoofde zij: »<i>onlangs +bevonden zyn in Oldeclooster myt de andere seditieuse ende oproerighe +persoonen der Secten van de Anabaptisten ende anderen van ’t +verbundt van dien zy adhœrerende.</i>”</p> +<p>Nog langen tijd daarna moesten er ook in Friesland maatregelen tegen +de woelingen der Wederdoopers worden genomen, onder anderen blijkbaar +uit de Brieven en Aanschrijvingen ter voorzieninge van de Landvoogdes, +Maria van Hongarijen, gerigt aan den President en Raden van het Hof van +Friesland. Van deze brieven zijn nog eenigen aanwezig in het Archief +van gemeld Hof, door de Landvoogdes onderteekend, welke niet in het +Charterboek vermeld zijn. Wij willen hier een’ van dezelven +overnemen:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="firstpar">MARIA, by der gratie Gods Coninginne<br> +Douagiere van Hongryen ende Beemen,<br> +Regente.</p> +<p>»<i>Lieue ende Besundere. Volgende den afscheet ende Resolutie +hier onlancx genomen, int bijwesen van v President, beroerende de +secten ende ketterien, zoo van wederdooperie als andere dwalingen, die +anderwers vpstaen <span class="pagenum">[<a id="pb439" href="#pb439" +name="pb439">439</a>]</span>in Vrieslant ende omliggenden landen. Wij +schicken jegenwoirdelick aldaer den Deken van sinte Marie tot Vtrecht, +Heer Herman Betinatius, ende meester Franchois Zonnius, Domheere +aldaer, bede doctueren in den heiligen scriften, bringers van desen, +Commissarisen van wegen des hieligen Stoeles van Roome, ende by Keys. +Majest. onsen Heere <span class="corr" id="xd20e11081" title= +"Bron: weauctoriseert">geauctoriseert</span>, om tegens de besmette van +den voirsz. secten te Inquireren ende procederen, alsoe behoiren zal, +gelijck ghy naeder by de voirsz. Commissarisen sult mogen verstaen. +Ende alsoe ons ernstich begeren es, dat tegens de voirsz. ketterien +geremedieert ende voirsien worde, beuelen ende ordineren v van wegen +zijner Majest., dat ghij de voirsz. Commissarisen Informatie doet +geuen, ende hun bericht van tgene deser zaken beroeren mach ende +notelick wesen sal: Doende hun voirts alle bijstant ende vorderingen +int volbringen van hueren laste v mogelick zijnde; Ende indien ghij +eenige ongeregeltheit beuint onder de geestelicheit desselfs lants, +sunderlinge in cloisteren ende godshuysen, sult hun sulcx mogen te +kennen geuen, ende samentlick daerinne voirsien, alst behoiren sal, +volgende den last die zij des hebben, zoe wel van ons, als van den +geestelicken ordinarisen. Ende want het zeer oirboirlick waere in desen +tijt eenige goede jonghen tonderhouden in die Vniuersiteit van Loeuen, +studerende in de heilige scriften, om metter tijt daer vuyt geleerde +priesters ende pastoirs in Vrieslant te ouercommen, zult ghij, zoe +verre v van node duncken zal, duer de voirmelte Commissarisen sulcx aen +den prelaten van Vrieslant laeten versoucken ende de selue onderwijsen, +dat zij ende yegelick van hun tot voirderinge der heiliger Religie, +ende der gemeene weltvaert des lants daertoe willen verstaen ende +contribueren. Lieue ende Besundere, onse heere God zij met v. Gescreuen +te Brussele den XVIJen van Octobre 1553.</i></p> +<p class="signed">(get.) <span class="sc">MARIE</span>. (onder stond) +<span class="sc">De Langhe</span>.</p> +</div> +<p>Het opschrift is: <i>Onsen Lieuen ende Besunderen, den President +ende Raden des Keysers, geordonneert in Vrieslant.</i> <span class= +"pagenum">[<a id="pb440" href="#pb440" name="pb440">440</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb163" class= +"pageref">163</a>.—A<sup>o</sup> 1538.</p> +<p><i>Vorperus Thaborita, Kanunnik te Thabor</i>. <span class="sc">Worp +van Thabor</span>, geboren omtrent het jaar 1538, <span class="corr" +id="xd20e11115" title="Bron: welligtaf komstig">wellicht +afkomstig</span> van het adellijk geslacht <i>Tziaerda</i>, was eerst +Pastoor in zijne geboorteplaats Rinsumageest, en daarna Prior van +’t Reguliere Kanonniken Klooster Thabor, te Tirns bij Sneek. Hij +schreef in de Latijnsche taal eene kronijk van Friesland, in drie +boeken verdeeld. Het eerste boek handelt over den oorsprong der Friezen +en hun Land, en eindigt met de heerschappij van Karel den Grooten. Het +tweede loopt tot het bestuur der Graven van Holland, en het derde +eindigt met den tijd zijns levens. Baron <span class="sc">v. +Schwartzenberg</span> heeft vijf afschriften van die kronijk met +elkander vergeleken, getuigt zeer gunstig van dezelve, en had het plan +tot de uitgave gevormd. Dit is niet tot stand gekomen, en die uitgave +bleef tot heden achter, zoodat het wel niet te hopen, maar toch te +vreezen is, dat met zoo vele anderen, ook dit merkwaardig gedenkstuk +der oudheid, het licht niet zal gegund worden. In de Voorrede van het +II Deel van ’t Charterboek wordt een uitvoerig verslag van dit +Handschrift gegeven, waartoe wij den Lezer verwijzen. Aldaar staat ook +aangeteekend, hoe <span class="sc">Schotanus</span> in zijne +<i>Friesche Historie</i>, vele bladzijden uit den <i>Chronicon +Frisiae</i> van <span class="sc">Worp</span>, woordelijk vertaald, +heeft overgenomen, en voor zijn eigen arbeid laten doorgaan.</p> +<p>Een beter lot heeft in het belang der wetenschappen getroffen, het +geschrift van <span class="sc">Petrus van Thabor</span>, in onze +kronijk niet vermeld. Deze, wiens leeftijd voorviel tusschen de jaren +1460 en 1530, en welke hij voornamelijk als Leekebroeder in het +klooster Thabor<a class="noteref" id="xd20e11143src" href="#xd20e11143" +name="xd20e11143src">86</a> sleet, schreef eene uitvoerige <span class= +"pagenum">[<a id="pb441" href="#pb441" name= +"pb441">441</a>]</span>kronijk van Friesland, vooral ten doel hebbende +de gebeurtenissen, gedurende zijn eigen leven voorgevallen, met +naauwkeurigheid en waarheidsliefde te boeken, in den vorm van een +Dagboek. Daardoor is dit werk ook belangrijk voor de kennis van den +inwendigen burgerlijken en zedelijken toestand des Lands, terwijl het +van bijgeloof, wonderen en duivelskunsten geheel vrij is. De Heeren +<span class="sc">Amersfoordt</span> en <span class="sc">Visser</span>, +hebben daarvan de Uitgave in het <i>Archief voor Vaderl. en Vriesche +Geschiedenis</i> bezorgd, en verrijkt met een aantal uitmuntende +Aanteekeningen, hoofdzakelijk door den eersten bewerkt, welke van de +kunde en geleerdheid des vervaardigers getuigen.</p> +<p>Door dezen <span class="sc">Petrus van Thabor</span> is omstandiger +dan elders beschreven, de <i>Donia-oorlog</i>, eene der merkwaardigste +en treffendste burger- en familietwisten, door welke Friesland +meermalen werd geteisterd, welke geduurd heeft van 1458 tot 1496. Verg. +het <i>Archief, I</i>. p. 16–24 en de Aanteekeningen, alsmede de +aanmerkingen van den Heer <span class="sc">van Halmael</span>, benevens +het antwoord daarop van den Heer <span class="sc">Amersfoordt</span>, +in de <i>Leeuwarder Couranten van 14 en 21 Junij 1831; 3, 10, 17 April +en 1 Mei 1832</i>; welke stukken voor de geschiedenis van te veel +waarde zijn, om niet in een beter en duurzamer vorm te worden +overgegoten. <span class="pagenum">[<a id="pb442" href="#pb442" name= +"pb442">442</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb166" class= +"pageref">166</a>.—A<sup>o</sup> 1559.</p> +<p><i>Regnerus Predrinus</i> of Reinier van Winsum, geboren 1508, was +een zeer geleerd en verdienstelijk man en een der leerlingen uit het +Fraterhuis. Zijne gehoorzaal was met een toevloed van leerlingen +opgevuld, met welken hij de schriften van Plato, Aristoteles, +Demosthenes, Cicero en Quinctilianus behandelde. Gansche scharen uit +Oost- en West-Friesland, Braband, Vlaanderen, Duitschland, Frankrijk, +Italië, Spanje en Polen kwamen tot hem over, en vormden als het +ware eene Hoogeschool rondom hem. Kort na zijnen dood, in 1563, +verdween de gansche stichting der Broederschap. In 1582 deed de +Regering eene poging, om haar te doen herleven, door de aanstelling van +Antonius Folcard of Folkerts van Boornbergum, tot Overste, doch dit +besluit werd niet uitgevoerd. De oprigting der Hoogeschool in +Groningen, in het jaar 1614, gaf deswege eene nieuwe +schadeloosstelling. Reeds in den aanvang der XVI eeuw begon die +Broederschap voor de Hervorming van Luther te wijken: de minachting +voor de kloosterinrigtingen deed haar in die oorden te niete gaan; maar +in andere gewesten werd zij verdrongen door eene veel magtiger orde, +die met gesloten gelederen overal eene Broederschap vervolgde, welke +immer daarop roem kon dragen, dat zij noch dezelfde +verdedigingsmiddelen, noch dezelfde wapens kende. Het waren de +Jezuiten, die zich in hunne plaats stelden. <span class= +"sc">Delprat</span>, <i>Verh. over de Broederschap van</i> <span class= +"sc">G. Groote</span>, bl. 117 en 186. <span class="pagenum">[<a id= +"pb443" href="#pb443" name="pb443">443</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb169" class= +"pageref">169</a>.—A<sup>o</sup> 1566.</p> +<p><i>Waar op in ’t Latyn stond</i>. Moet zijn in ’t +Fransch. Zie over de Geuzennapjes <span class="sc">v. Alkemade</span>. +<i>Displegt. II</i>. 459 en <span class="sc">van Loon</span>, <i>Ned. +Hist. Penn. I</i>. 82. In het algemeen waren de nappen eigenlijk +uitgeholde houten bakken van middelmatige grootte, welke dienen moesten +om eenig vocht in zich te houden<span class="corr" id="xd20e11230" +title="Niet in bron">.</span> Zij waren, zoowel als de bedelzakken, het +kenteeken der bedelaars, en werden door dezen gebruikt, om er de soep +in te ontvangen, welke hun aan de kloosters werd uitgereikt, wanneer +zij het godsdienstig onderwijs genoten hadden. Tot gebruik over tafel, +om er elkander den dronk uit toe te brengen, afgezonderd zijnde, zijn +de nappen natuurlijk tot napjes gebragt. <span class="sc">Collot +d’Escury</span>, <i>Holl. Roem, II</i>. A. 111.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb170" class= +"pageref">170</a>.—A<sup>o</sup> 1567.</p> +<p><i>En een schip met Edelen</i>. Breedvoerig vindt men dit verhaal +bij <span class="sc">Wins.</span> fol. 538; verg. <span class= +"sc">Gabbema</span>, <i>Verh. van Leeuw.</i> bl. 493.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb172" class= +"pageref">172</a>—A<sup>o</sup> 1568.</p> +<p><i>Waarom Arenberg—op Graaf Adolf los rende</i>. Dat de beide +Graven door elkanders handen zouden zijn gesneuveld, wordt door +<span class="sc">van Meteren</span> en anderen tegengesproken, hoezeer +er eene oude overlevering is, welke dit vermeldt, en door onze kronijk +schijnt gevolgd te zijn. Het is mij ook voorgekomen, dat de Schrijver +of Schrijvers van <i>It aade Friesche Terp</i> zich op vele plaatsen +niet van de beste bronnen hebben bediend, dan het ligt niet in ons +plan, <span class="pagenum">[<a id="pb444" href="#pb444" name= +"pb444">444</a>]</span>over de verschillende gebeurtenissen breedvoerig +uit te weiden, en de gebreken allen aan te wijzen, waardoor wij het +bestek dezer Aanteekeningen verre zouden overschrijden. Men vergelijke +over dit geheele tijdvak den <i>Tegenwoordige Staat van Stad en Lande, +I</i>. Deel.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb174" class= +"pageref">174</a>.—A<sup>o</sup> 1568.</p> +<p><i>Den 7de van December</i>. Niet in December 1568 is dit gebeurd, +maar in het begin van Herfstmaand 1566: want reeds in 1567 werd de +Roomsche godsdienst weder hersteld, en in 1570 zond Alba <i>Cunerus +Petri</i> als Bisschop naar Leeuwarden, alwaar hij den 1 Februarij op +nieuw de kerken inwijdde, en de getrouw geblevene gemeente inzegende. +Zie <span class="sc">Gabbema</span>, <i>Verh. van Leeuw</i>. bl. 457, +die den 7 of 16 van Wintermaand noemt, gelijk ook <span class= +"sc">Wins.</span> en <span class="sc">Schot.</span> schrijven, terwijl +September moet worden gesteld. Verg. ook ten dezen het <i>Iets over de +Kerken, kloosters en voormalige gasthuizen binnen Leeuwarden</i>, van +den Heer <span class="sc">van Halmael</span>, geplaatst in het +<i>Mengelw. der Leeuward. Courant van den 14 Augustus 1832</i>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb178" class= +"pageref">178</a>.—A<sup>o</sup> 1574.</p> +<p><i>Casper Robles</i>. Verg. de <i>Inleiding van mijn Tafereel van +den Watervloed</i>, bl. XLI en XLII; <span class="sc">Scheltema</span>, +<i>Staatk. Nederland, II</i>. 250 en de aangehaalde Schrijvers; +<span class="sc">Outhof</span>, <i>Verhaal van alle hooge +Watervloeden</i>, bl. 535; <span class="sc">Dumbar</span>, <i>Analecta, +III</i>, in hetwelk door <span class="sc">Reinico Fresinga</span> van +<i>Frennicker</i> (zoo als hij zich onderschrijft), in diens +<i>Memorien</i>, ook een <i>cort verhaal van Billys gelegentheyt</i> +wordt gegeven<a class="noteref" id="xd20e11369src" href="#xd20e11369" +name="xd20e11369src">87</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb445" href= +"#pb445" name="pb445">445</a>]</span>De beschrijving in ’t +Latijn, over de daden van de Robles in Friesland bedreven, door +<span class="sc">Johannes Carolus</span>, uitgegeven te Leeuwarden +1731, door de zorg van den beroemden <span class="sc">Petrus +Wesseling</span>, loopt slechts over een kort tijdsbestek, en is met +eene scherpe pen geschreven<a class="noteref" id="xd20e11391src" href= +"#xd20e11391" name="xd20e11391src">88</a>. Zie voorts <span class= +"sc">Gabbema</span>, <i>Verh. van Leeuwaarden</i>, bl. 534; +<span class="sc">Wins.</span> <i>Historiae, L. III</i>, en <i>Chron. +XVI</i> boek. Over het Kolonels- of Roblesdiep, <i>Tegenw. Staat van +Friesland, II</i>. 228.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb181" class= +"pageref">181</a>.—A<sup>o</sup> 1576.</p> +<p><i>Joachim Hopperus</i>. Deze zeer vermaarde man werd in den jare +1523 te Sneek geboren, uit een edel geslachte, bekleedde gewigtige +ambten, werd de stichter der Hoogeschool te Douaij, en behaalde als +Regtsgeleerde hoogen roem. Als Staatsman echter was hij te veel +hoveling, om, naar der Friezen aard, als zoodanig door hen op hoogen +prijs te worden gesteld. Men geeft hem zelfs na, dat de spotvogels hem +met den bijnaam van <i>Oui, Madame!</i> bestempelden, daar hij de +Landvoogdes in den Raad nimmer zoude tegenspreken. Hij was echter om +zijne groote kundigheden teregt zeer beroemd; en men <span class= +"pagenum">[<a id="pb446" href="#pb446" name="pb446">446</a>]</span>mag +nooit uit het oog verliezen, dat hij in zijne hooge betrekkingen +altoos, vooral in dien tijd, op een zeer gevaarlijk standpunt was +geplaatst. Zeer waardig is aan hem en zijne geschriften herdacht door +den geleerden <span class="sc">Gabinus de Wal</span>, in zijn klassiek +werk: <i>Oratio de claris Frisiae Jurisconsultis</i>, pag. 27 van de +Oratie, 90 volgg. der Aanteekeningen, en 428 der Bijvoegselen. Verg. +<span class="sc">Scheltema</span>, <i>Staatk. Nederl. I.</i> 492; +<span class="sc">Wins</span>. fol. 599. In de <i>Nalezingen</i> op +<span class="sc">Wagenaar</span> van <span class="sc">van Wyn</span> +zijn vele bijzonderheden uit de brieven van <span class= +"sc">Hopper</span> te vinden, en van zijn leven is eene goede +beschrijving aanwezig in de <i>Levens van Nederl. Mannen en Vrouwen, +IV</i> Deel. Onze voornaamste Geschiedschrijvers hebben van zijne +schriften gebruik gemaakt. Zijne brieven aan Viglius, welke de +Antwerpsche Bisschop, <i>de Nelis</i>, heeft laten drukken, en daarna +uitgegeven zijn, zijn hoogst belangrijk voor de geschiedenis. In de +bibliotheek te Brussel bevinden zich nog een aantal andere +oorspronkelijke brieven van hem en Viglius, in hunne landtaal +geschreven, bevattende vele zaken, welke zij elkander in ’t +geheim wilden mededeelen. Zie <span class="sc">de Wind</span>, +<i>Bibliotheek</i>, <i>II.</i> 172.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb181" class= +"pageref">181</a>.—A<sup>o</sup> 1576.</p> +<p><i>Ook overleed in dit zelve jaar</i>, <i>te Gent</i>, <i>Viglius +Swichemius ab Aita.</i> Een groot aantal geleerde en kundige mannen +hebben zich van tijd tot tijd bezig gehouden, met het beschrijven van +het leven en de daden van den wijdvermaarden Fries, <i>Wigle van Aytta +van Zwichum</i>, den 19den van Wijnmaand 1507, op de State +Barahuis<a class="noteref" id="xd20e11514src" href="#xd20e11514" name= +"xd20e11514src">89</a>, onder den dorpe Wirdum <span class= +"pagenum">[<a id="pb447" href="#pb447" name= +"pb447">447</a>]</span>geboren, uit eene der oudste en aanzienlijkste +Friesche geslachten, en gestorven den 8 van Bloeimaand 1577 binnen +Brussel. Onder deze geschriften verdient bijzondere opmerking, de +uitmuntende Redevoering van den Amsterdamschen <span class="sc">Rector +van Ommeren</span>, in welke (gelijk de Ridder <span class= +"sc">Scheltema</span> te regte vermeldt<a class="noteref" id= +"xd20e11539src" href="#xd20e11539" name="xd20e11539src">90</a>), het +karakter van <i>Viglius</i> van de beschuldiging van zwakheid en +ongelijkmatigheid meesterlijk is vrijgepleit<a class="noteref" id= +"xd20e11550src" href="#xd20e11550" name="xd20e11550src">91</a>.</p> +<p>Ook het uitstekend en krachtvolle <i>Verhaal van het leven en de +daden van Vigle van Ayta</i>, door Mr. A. <span class= +"sc">Telting</span> met oordeel en verstand zamengesteld, plaatst den +grooten man in een helder daglicht, en geeft hem de verdiende +eere<a class="noteref" id="xd20e11567src" href="#xd20e11567" name= +"xd20e11567src">92</a>, hoezeer anderen een minder gunstig oordeel over +hem hebben geveld. Verg. <span class="pagenum">[<a id="pb448" href= +"#pb448" name="pb448">448</a>]</span>hierover <i>Holland’s Roem +in Kunsten en Wetenschappen</i> door den Baron <span class="sc">Collot +d’ Escury</span>, <i>II</i>. 23 en <i>Aantt.</i> bl. 69. Deze +Schrijver maakt tevens gewag in de Aanteekeningen op zijn eerste Deel +van den glazen beker, door Viglius aan Keizer Karel toegebragt, toen +deze Utrecht bezocht heeft, en welke naderhand op vele gastmalen +gebruikt werd, wanneer men hem al drinkende ronddraaide, om met de +lippen dezelfde plaats te treffen, als die de Keizer had aangeroerd. Op +dezen beker, van dik bruin glas, thans in bezit van Z. E. den Minister +<span class="sc">van Maanen</span>, heeft Anna Maria Schurman met een +diamant het volgende geschreven en met haren naam onderteekend:</p> +<div class="lgouter"> +<h4><span class="sc">Viglius Zuichemius.</span></h4> +<div class="lg xd20e1232"> +<p class="line">Al ben ik duister,</p> +<p class="line">De naam geeft luister.</p> +</div> +</div> +<p class="firstpar">Zie <span class="sc">v. Alkemade</span>, +<i>Displegtigh. II</i>. 528. Uitvoerige melding van Viglius en zijne +geschriften vindt men in de aangehaalde <i>Oratie</i> van den +Hoogleeraar <span class="sc">de Wal</span>, bl. 31, 103, 430 volgg. +Verg. <span class="sc">de Wind</span>, <i>Bibliotheek, II</i>. 188.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb182" class= +"pageref">182</a>.—A<sup>o</sup> 1577.</p> +<p><i>Waar op de Graaf van Rennenberg.</i> Georg van Lalaing, Heer van +<span class="corr" id="xd20e11634" title="Bron: Velle">Ville</span> en +Graaf van Rennenberg, gesproten uit een der aanzienlijkste en oudste +stamhuizen van Henegouwen, reeds in de XII eeuw bekend, was een man van +grooten aanleg en kunde. Tot Stadhouder van Friesland, Groningen en +Overijssel benoemd, bekleedde hij in den aanvang het Staatsambt met +wijsheid en matigheid, doch later schandvlekte hij zich zelven in +’s Lands geschiedenis als eenen verrader. De verdienstelijke +Rijks-Archivarius <span class="sc">de Jonge</span><a class="noteref" +id="xd20e11639src" href="#xd20e11639" name="xd20e11639src">93</a> +vermeent, dat hij welligt door onze <span class="pagenum">[<a id= +"pb449" href="#pb449" name="pb449">449</a>]</span>Voorvaderen, om deze +daad, zonder inachtneming der omstandigheden, te streng veroordeeld; +doch wanneer wij bij den uitmuntenden Geschiedschrijver <span class= +"sc">A. Kluit</span>, in diens <i>Historie der Hollandsche +Staatsregering</i> (<i>I</i>. 176, noot), lezen, dat, hoezeer de ware +staatkundige redenen van den afval van Rennenberg, niet zoo zeer bekend +zijn, men het echter, naar aanleiding zijner eigenhandige brieven, aan +zijne vrienden geschreven, daarvoor moet houden, dat die redenen +gelegen waren in <i>jalouzij</i> op Nassau en bevordering van <i>eigen +grootheid</i>; hoe zal men dan nog voor zulk een boos en misdadig +opzet, in een Bestuurder des Lands, middelen ter verdediging kunnen +vinden? Zijn karakter vinden wij juist beschreven door een zijner +tijdgenooten, die de meeste gebeurtenissen zelf heeft bijgewoond, en +wel tot de Staatsgezinde partij behoorde, dan met onpartijdigheid een +uitgebreid verhaal van de jaren 1576 tot 1582 heeft gegeven. Dit is de +Franeker Burgemeester <span class="sc">Renico</span> of <span class= +"sc">Rienk Fresinga</span>, hier voren gemeld, wiens boeksken vooral +over dit tijdvak belangrijk is<a class="noteref" id="xd20e11675src" +href="#xd20e11675" name="xd20e11675src">94</a>. De onsterfelijke +<span class="sc">Hooft</span> geeft navolgende uitnemende +karakterschets van den Graaf:</p> +<p>»Hij was geweest een Heer, eedelaardigh, milddaadigh, heusch +en minlyk van zeeden; verfoeyer van wreetheit, geweldenaary, en +dronckenschap; betrachter der krystught, en lief den landzaaten, zonder +<span class="pagenum">[<a id="pb450" href="#pb450" name= +"pb450">450</a>]</span>nochtans de gunst der soldaaten te verliezen, +mits de zorghe die hy voor hunne betaaling droegh; hier beneevens +versiert met meer dan gemeene geleertheit; welgeoeffent in de +Grieksche, Latynsche, en andere taalen; zeer zoet op de wiskonstighe +weetenschapen, inzonderheit de maatzang. Al dat ’er in te +berispen scheen, was een’ blaakzuchtighe ruimborstigheit in +’t houden van hof en disch, booven zijn’ inkomst; een +toegeeven aan zyn’ geneigtheit tot vrouweeren; opstyghing van +moedt, als ’t geluk hem meede; stryking, als ’t hem teeghen +liep; en ’t ontzuivren van zyn’ eer en gewisse met +verandering van parthy. Eevenwel om de kosten zynes staatvoerens te +vergelden, schrobd’ hy nooit de gemeente, en stak maar eighe +middelen af. Zyn’ boelaadjen beleidd’ hy zoo heimelyk, dat +ze ten minste geen’ arghernis baarden. Onbestendigheit in voor- +en teeghenspoedt is de zeldzaamste der menschelijke zwakheeden niet. +Zyn’ trouwbreuk strekte eenen naaghel aan zyn’ doodkist, en +werd geboet met een berouw dat zyn’ ziel doorsneed: ’t en +zy hem ’t quaalyk beslaaghen meer dan ’t misdryf gezeurt +heeft. Oover Groninge, zeeker, in zyn’ ziekte, riep hy dikwyls, +wenschende ’t nooit gezien te hebben. Ook verbood hy in de +laatste daaghen, zyn’ zuster Kornelia, als het dwaallicht dat hem +verleidt had, onder zyn’ ooghen te koomen. De gemelde deughden, +en fraayigheden naa deughd zweemende, deeden hem beklaaghen, zelfs van +zyn’ meeste vyanden, dien ’t jammerde dat hy tot dien val +geraakt was.”</p> +<p>Verg. <span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> bl. 810 +volgg., bij welken Schrijver men op bl. 884 deze karakterschets +wedervindt, er (uit <span class="sc">Fresinga</span>) bijvoegende, dat +zijne zuster Kornelia hem ook had bekoord en gevleid, met het uitzigt +op een huwelijk met Maria van Brimeu, Gravinne van Megen, weduwe van +Lancelot Barlaimont, hetwelk echter mislukte. Zie <span class= +"sc">Wins.</span> <i>Chron. XVIII</i> Boek; <i>Histor.</i> p. 544; +<span class="sc">J. Bosscha</span>, <i>Neêrl. Heldend. te +Land</i>, bl. 257, 265, 266; welke <span class="pagenum">[<a id="pb451" +href="#pb451" name="pb451">451</a>]</span>laatste zijnen afval +toeschrijft, aan gemoedelijk bezwaar en ontzag voor de Katholijke +kerk.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb191" class= +"pageref">191</a>.—A<sup>o</sup> 1580.</p> +<p><i>Merode, Heer van Rummen.</i> De geschiedenis getuigt van hem als +van een edel, eerlijk en standvastig voorstander der vrijheid, getrouw +voor de goede zaak, dapper in den krijg, en wiens verkregen roem, door +zijn verstandig stadhouderlijk bestuur in Friesland is staande +gehouden. Er is nog in geschrifte van dien tijd, aanwezig een +<span class="sc">Journaal</span> <i>van voorgevallene saacken in +Friesland</i>, enz., <i>geholden bij</i> <span class="sc">Bernard van +Meroode</span>, <i>Stadholder</i>,—<i>van den 7 Julij 1580 tot +den 12 Junij 1583</i>: aan de achterzijde op den pergamenten omslag +staat: <span class="sc">Prothocol</span> <i>de la Secretairie du +Gowerneur de Frise</i>. Dit belangrijk Handschrift onderzoekende, +bevond ik dat hetzelve bevatte vele Commissiën, Instructiën, +Resolutiën, Ordonnantiën, bijzonder voor de Hoofden der +Krijgsmagt en voor de burgerlijke Besturen; voorts Paspoorten, +Sauvegardes, Brieven aan Vorsten en Edelen, Requesten, Plakkaten en +andere Staatsstukken, van welke slechts zeer weinigen in het +<i>Charterboek</i> van <span class="sc">Schwartzenb.</span> voorhanden +zijn, en wel alleen die, welke te vinden waren in de <i>Leeuwarder +Plakkaatb.</i></p> +<p>In 1583 verzocht Merode, uit hoofde van zijnen hoogen ouderdom, om +de gedurige onrust der tijden, de twist en tweedragt om het +Meesterschap tusschen de Staten en het Hof, en omdat de Edelen geen +ontzag voor hem hadden, zijn ontslag, en verkreeg zulks op eene zeer +vereerende wijze. Zijne Commissie van den Prins van Oranje, om in +zijnen naam Friesland te besturen, is van den 17 Junij 1580, <i>Chartb. +IV</i>. 172; <span class="sc">Wins.</span> fol. 670. Verg. <i>Leven van +Willem I</i>, door <span class="sc">L. F. de Beaufort</span>, <i>XI</i> +Boek. Bernard van Merode en zijn broeder Willem behoorden tot de +eersten, die onder den Prins dienst namen, en in het veld door +dapperheid en wijs beleid <span class="pagenum">[<a id="pb452" href= +"#pb452" name="pb452">452</a>]</span>uitmuntten. Dit geslacht heeft +aanzienlijke bezittingen in de Provincie Noord-Braband, doch behoorde +van overouden tijd tot den Belgischen Adel. Verg. <span class="sc">J. +Bosscha</span>, <i>Neêrl. Heldend. te Land</i>, bl. 243.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb196" class= +"pageref">196</a>.—A<sup>o</sup> 1584.</p> +<p>Wij laten hier volgen een kort overzigt van de <i><span class= +"sc">Stadhouders van Friesland</span>, uit het Huis van <span class= +"sc">Nassau</span></i>:</p> +<p class="pseudoh1">Willem Lodewijk.</p> +<p class="pseudoh2">Eerste Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Willem Lodewijk, Graaf van Nassau</span>, was de +zoon van <span class="sc">Johan den Ouden</span>, Graaf van +Nassau-Dillenburg, Broeder van Willem I. Hij werd geboren op den 13 +Maart 1560; huwde in den jare 1587 Prinses <span class= +"sc">Anna</span>, Dochter van zijnen Oom Willem I, verwekt bij diens +tweede Gemalinne Anna van Saksen<a class="noteref" id="xd20e11832src" +href="#xd20e11832" name="xd20e11832src">95</a>. Slechts ruim zeven +maanden duurde deze echt, daar de Prinses in den jare 1588 ten huize +van <span class="pagenum">[<a id="pb453" href="#pb453" name= +"pb453">453</a>]</span>Julius van Botnia, een der voornaamste Friesche +Edelen, ijveraar voor vrijheid en godsdienst, in den ouderdom van 26 +jaren te Franeker is overleden. WILLEM zelf is den 31 Mei 1620, ten +gevolge eener beroerte binnen Leeuwarden gestorven; zoo men verhaalt, +terwijl hij bezig was zijnen Neef Maurits bij geschrifte te raadplegen, +wat hem te doen zou staan, indien eens Maurits, zonder behoorlijke +schikkingen te hebben gemaakt, door een’ plotselingen dood werd +overvallen.</p> +<p>In 1583, in de plaats van Merode gesteld zijnde, werd hij op den 16 +October 1584 door de Staten van Friesland, op den Landsdag te Franeker, +tot absoluut Stadhouder en Gouverneur over dat Gewest, verkoren, nadat +men plegtig den Koning van Spanje afgezworen had.</p> +<p>Hij was een voortreffelijk Vorst, een dapper en bekwaam krijgsman, +een voorstander van de godsdienst, en, hoewel deelende in de kerkelijke +scheuring, meer gematigd dan Prins Maurits. Loffelijk getuigen +<span class="sc">Ubbo Emmius</span>, <span class="sc">van Reijd</span> +en <span class="sc">Willem van Haren</span> van zijne krijgskundige +verdiensten en grondige kennis, zoowel der theorie als praktijk. Als +beminnaar en hoogachter van letteren en geleerdheid, erkent men in hem +den Stichter der Friesche Hoogeschool, welke, zoowel als de geheele +Provincie, die door hem weder in rust gebragt werd, zijne bijzondere +bescherming heeft genoten. Ook aan hem mag de eer worden toegekend van +de oprigting der Groninger Akademie.</p> +<p>Hij regeerde van 1584 tot 1620.</p> +<p class="pseudoh1">Ernst Casimir.</p> +<p class="pseudoh2">Tweede Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Ernst Casimir, Graaf van Nassau</span>, Broeder van +<span class="sc">Willem Lodewijk</span>, werd diens Opvolger in +<span class="corr" id="xd20e11905" title="Bron: het het">het</span> +Stadhouderschap over Friesland. Hij was geboren den 22 of 24 December +1573, trouwde in den jare 1607 met <span class="sc">Anna Sophia</span>, +dochter van den <span class="pagenum">[<a id="pb454" href="#pb454" +name="pb454">454</a>]</span>den Hertog Julius van Brunswijk, welke +Prinses in 1642 is overleden. Uit dit huwelijk zijn twee zonen en twee +dochters geboren, welke laatsten jong en ongehuwd overleden zijn; de +beide zoons, Hendrik Casimir en Willem Frederik, zijn hem in de +regering opgevolgd. Na een aantal gewigtige zendingen ten dienste van +den Staat, werd hij eerst Stadhouder van Friesland, en daarna door +Groningen en Drenthe in die waardigheid erkend. In vele +krijgsverrigtingen muntte zijn beleid en dapperheid bijzonder uit; doch +in het beleg van Roermonde, op den 2 Junij 1632, trof een vijandelijke +musketkogel, terwijl hij de loopgraven bezigtigde, zoodanig zijn hoofd, +dat hij na verloop van drie uren daarna den geest gaf. Als staatsman +vond ik hem niet bijzonder vermeld: in het kerkelijke bezat hij minder +gematigdheid dan zijn broeder.</p> +<p>Hij regeerde van 1620 tot 1632.</p> +<p class="pseudoh1">Hendrik Casimir I.</p> +<p class="pseudoh2">Derde Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Hendrik Casimir I, Graaf van Nassau</span>, oudste +Zoon van <span class="sc">Ernst Casimir</span> en <span class="sc">Anna +Sophia</span>, werd in den jare 1611 geboren en is niet gehuwd geweest. +Men roemt hem als een dapper held, wiens leven in velerlei krijgstogten +werd gesleten, terwijl een schoon getuigenis wordt gegeven van zijn +godsdienstig, standvastig en braaf karakter. Zelfs zijner wederpartij +dwong hij zoodanige hoogachting af, dat een vijandlijk Officier bij +’s Vorsten doodberigt had uitgeroepen: »Nu is de braafste +Kapitein in Nederland gestorven!” Onder de beroerten in Friesland +in 1635 bewees hij ook dat Gewest groote diensten. Bij de belegering +van Hulst en Brugge trof hem een pistoolschot in den rug, welke wonde +hem op den 12 of 13 van Hooimaand 1640 den dood veroorzaakte.</p> +<p>Hij regeerde van 1632 tot 1640. <span class="pagenum">[<a id="pb455" +href="#pb455" name="pb455">455</a>]</span></p> +<p class="pseudoh1">Willem Frederik.</p> +<p class="pseudoh2">Vierde Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Willem Frederik, Graaf</span> of <span class= +"sc">Prins van Nassau</span>, jongste Zoon van <span class="sc">Ernst +Casimir</span>, werd te Arnhem op den 7 Augustus 1613 geboren, en trad +den 2 Mei 1652 in den echt met <span class="sc">Albertina Agnes</span>, +Dochter van <span class="sc">Frederik Hendrik</span>, Prins van Oranje. +Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: Prinses Amelia, met den +Hertog van Saksen-Eysenach getrouwd; Sophia Hedwich, omtrent derdehalf +jaren oud gestorven, en Hendrik Casimir. <span class="sc">Willem +Frederik</span> verlangde zijnen Broeder Hendrik op te volgen als +Stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, doch Frederik Hendrik, +begeerde over al de gewesten te heerschen. Hierover ontstond geschil, +en beide namen hunne maatregelen om tot hun doel te geraken. +<span class="sc">Willem Frederik</span> werd door de Staten van +Friesland tot Stadhouder, en Frederik Hendrik, door die van Groningen +en Drenthe verkozen. Gelijk alle twisten tusschen hooge personen +nadeelig werken voor Land en Volk, had ook dit geschil buitendien voor +den Vorst zeer onaangename gevolgen: want de magtiger Frederik dwong +zijnen mededinger tot menige vernedering. Op eene noodlottige wijze +verloor hij het leven: want bij het beproeven van een zadelpistool, +zullende dienen op zijne voorgenomene reis naar Westfalen, ging het +schot af, en trof hem dermate in het aangezigt, dat hij drie dagen +daarna overleed. Dit was op den 21 October 1664, terwijl de Stadhouder +te Leeuwarden resideerde.</p> +<p>Hij was een bekwaam krijgsman, bedreven in staatszaken en van +karakter uitstekend: daarenboven een beoefenaar en hoogschatter der +Letteren, waarvan de Hoogleeraar <span class="sc">Ulrik Huber</span> +getuigt, dat de werken van <span class="sc">Tacitus</span> en +<span class="sc">Seneca</span>, zoowel des nachts als des daags door +den Prins werden gelezen, en in <span class="pagenum">[<a id="pb456" +href="#pb456" name="pb456">456</a>]</span>het geheugen geprent. De +Franeker Hoogeschool verloor in hem eenen sterken voorstander en +verdediger.</p> +<p>Hij regeerde van 1640 tot 1664.</p> +<p class="pseudoh1">Albertina Agnes.</p> +<p class="pseudoh2">Voogdesse.</p> +<p><span class="sc">Albertina Agnes, Prinses van Oranje</span>, in +’s Gravenhage op den 29 April 1634 geboren, had gedurende den +tijd der voogdijschap over haren zoon Hendrik Casimir, die nog geen +acht jaren oud was bij den dood zijns Vaders, het bestuur over dit +Gewest, en verwierf zich veel gezag bij de Friezen. Zij was eene +verstandige, beminnelijke en zeer godsdienstige vrouw; eene +voortreffelijke echtgenoot, en eene waardige en zorgvuldige moeder voor +hare kinderen, welke zij allen, voor zich ten grave zag dalen. Den 24 +Mei 1696 overleed zij op hare lustplaats, het Oranjewoud, alwaar zij +een geruimen tijd van haren weduwlijken staat had doorgebragt.</p> +<p>Zij regeerde van 1664 tot 1679.</p> +<p class="pseudoh1">Hendrik Casimir II.</p> +<p class="pseudoh2">Vijfde Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Hendrik Casimir II, Prins van Nassau</span>, eenige +Zoon van <span class="sc">Willem Frederik</span> en <span class= +"sc">Albertina Agnes</span>, werd geboren op den 18 Januarij 1657. Op +zijn vijftiende jaar legde hij als Stadhouder den eed af, welke +waardigheid drie jaren later door de Staten van Friesland, Groningen en +Drenthe, voor zijne mannelijke nakomelingen, erfelijk verklaard werd. +Op zijn 22 jaar echter kreeg hij eerst het Stadhouderlijk bewind alleen +in handen. Den 16 November 1683 trad bij in den echt met <span class= +"sc">Amelia</span>, Prinses van Anhalt-Dessau, <span class= +"pagenum">[<a id="pb457" href="#pb457" name= +"pb457">457</a>]</span>Dochter van Johan Georg II, waarmede hij dertien +jaren vereenigd was, en uit welk huwelijk zijn gesproten zeven dochters +en twee zoons<span class="corr" id="xd20e12005" title= +"Niet in bron">:</span> Willem Georg Friso, die een jaar na zijne +geboorte is gestorven, en Johan Willem Friso, zijns Vaders +opvolger.</p> +<p>Zijne benoeming tot Kapitein-Generaal en andere voorvallen gaven +aanleiding tot twisten tusschen hem en Prins Willem III, welke echter +door diens uitzigt op de kroon van Engeland bedaarden, en in 1685, +onder bemiddeling van den vermaarden Hoogleeraar Joh. van der Waeijen, +daarna des Stadhouders Raadsman, geheel werden bijgelegd. Op zijn +zeventiende jaar stortte hij bij een gevegt, te stoutmoedig met den +degen in de vuist op den vijand indringende, met zijn paard in eene +laagte, ten gevolge van welken val, hij steeds onderhevig aan +bloedspuwingen is geweest; en door deze kwaal in zijne gezondheid +ondermijnd, overleed hij te Leeuwarden op den 25 Maart 1696.</p> +<p>Hij studeerde in den jare 1671 te Franeker, en gaf vele blijken van +verstand, oordeel en ervarenheid; dan vooral in het krijgswezen muntte +hij uit in moed, beleid en onverschrokkenheid. De dappere Generaal Hans +Willem, Baron van Aylva, die den Lande in een zeer netelig tijdperk +voortreffelijke diensten bewees, was hem een Leermeester zonder +wederga, en had hem den weg tot een onsterfelijken roem helpen banen. +Zijn dood was voor Friesland een zware slag, want in hem werd een +schrander, deugdzaam en edelmoedig Vorst, een magtig Beschermheer +verloren.</p> +<p>Hij regeerde van 1679 tot 1696.</p> +<p class="pseudoh1">Amelia.</p> +<p class="pseudoh2">Voogdesse.</p> +<p><span class="sc">Amelia, Prinses van Anhalt-Dessau</span>, geboren +in 1666, werd als Voogdesse erkend over haren zoon <span class= +"sc">Johan Willem Friso</span>, oud ruim acht <span class= +"pagenum">[<a id="pb458" href="#pb458" name= +"pb458">458</a>]</span>jaren bij het overlijden zijns Vaders, en had +tot zijne meerderjarigheid het bestuur in handen. Zij kocht voor haren +zoon de Heerlijkheid Ameland, voor 170,000 Karels guldens. Men vindt +weinige bijzondere berigten over haar vermeld: zij moet eene schoone, +vernuftige en schrandere vrouw geweest zijn, wier zucht echter tot +pracht en weelde der spaarzaamheid zeer in den weg stond. In den jare +1726 is zij in Duitschland gestorven.</p> +<p>Zij regeerde van 1696 tot 1707.</p> +<p class="pseudoh1">Johan Willem Friso.</p> +<p class="pseudoh2">Zesde Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Johan Willem Friso, Prins van Oranje-Nassau</span>, +geboren den 14 Augustus 1687 te Dessau, aanvaardde in 1707 het +Stadhouderschap over Friesland, en het jaar daarna over Groningen en +Ommelanden. Na den dood zijns Vaders nam Prins Willem III de zorg +zijner opvoeding op zich, en deze, zonder kinderen overlijdende, maakte +zijn geliefden kweekeling tot zijnen eenigen erfgenaam. Op den 1 Mei +1709 trad hij in den echt met <span class="sc">Maria Louisa</span>, +Prinses van Hessen-Cassel, uit welk huwelijk zijn geboren twee +kinderen: eene dochter Anna Charlotta Amelia, getrouwd met den Prins +van Baden-Durlach, en een zoon, Willem Karel Hendrik Friso. Op den 14 +Julij 1711 is de Stadhouder, in zijnen jeugdigen leeftijd, op eene +droevige wijze omgekomen, daar hij bij de overvaart van het Strijensche +Sas aan den Moerdijk, toen door een rukwind de pont werd omgeslagen, +zijn dood in de golven vond. Zijn krijgsroem was reeds gevestigd; zijne +deugden waren velen, en had hem een langer leven mogen te beurt vallen, +hij zou ongetwijfeld in ’s Lands geschiedenis eene luisterrijke +plaats hebben bekleed. Gedurende anderhalf jaar, in 1700 en 1701, heeft +de Prins te Franeker gestudeerd, en bijzonder het onderwijs van den +beroemden Fullenius genoten, waarna <span class="pagenum">[<a id= +"pb459" href="#pb459" name="pb459">459</a>]</span>hij, op begeerte van +zijnen Voogd, Prins Willem III, zich ook naar de Hoogeschool te Utrecht +begaf.</p> +<p>Hij regeerde van 1707 tot 1711.</p> +<p class="pseudoh1">Maria Louisa.</p> +<p class="pseudoh2">Voogdesse.</p> +<p><span class="sc">Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel</span>, een +der veertien kinderen van den Landgraaf <span class="sc">Karel</span> +en <span class="sc">Maria Amelia</span>, Prinses van Courland, is +geboren op den 17 Februarij 1688. Onder de leiding harer uitmuntende +moeder, wier evenbeeld zij werd, ontwikkelde zich in haren jeugdigen +leeftijd reeds den voortreffelijken aanleg tot deugd en bekwaamheid, +welke het sieraad eener vrouwe zijn, en de Vorstin bovendien tot een +verheven en magtig voorbeeld voor hare onderdanen stelt. Gedurende de +minderjarigheid van haren Zoon, bestuurde zij ’s Lands zaken met +beleid en verstand, zoodat zelfs de Staten van dit gewest, haar met een +geschenk van 5000 gulden vereerden, en eene levenslange jaarwedde van +eene gelijke som. Na den dood van Prins Willem IV en deszelfs Weduwe +werd haar weder de waarneming van het Stadhouderlijk bewind over +Friesland opgedragen, hetwelk zij met welgezindheid aanvaardde en met +ijver behartigde. Op den 9 April 1765, dus ruim 77 jaren oud, is deze +Vorstin te Leeuwarden overleden, en hare nagedachtenis is door alle +tijden bij de Friezen in zegening gebleven: want zij was godsdienstig, +nederig, milddadig en beminnelijk van karakter, zoodat men dan ook haar +steeds met den vereerenden lievelingsnaam van <i>Maryke-Mui</i> +bestempelde. Als Stadhouderes regeerde zij met wijsheid en +gematigdheid. Zoowel voor de stille rust als voor het woelige hofleven +geschikt, bragt zij in godsdienstige afzondering en vrolijke +uitspanning <span class="pagenum">[<a id="pb460" href="#pb460" name= +"pb460">460</a>]</span>vele dagen door in haren lusttuin Marienburg, +bij Leeuwarden, of op het geliefkoosd Oranjewoud<a class="noteref" id= +"xd20e12064src" href="#xd20e12064" name="xd20e12064src">96</a>.</p> +<p>Zij regeerde van 1711 tot 1731, wanneer haar zoon meerderjarig werd. +Van diens dood tot in 1759, in welk jaar hare schoondochter Prinses +Anna, is overleden, had zij eenig deel aan ’t Stadhouderlijk +bewind, en na dien tijd regeerde zij weder geheel tot 1765.</p> +<p class="pseudoh1">Willem Karel Hendrik Friso.</p> +<p class="pseudoh2">Zevende Stadhouder.</p> +<p>Willem Karel Hendrik Friso, of <span class="sc">Willem IV, Prins van +Oranje-Nassau</span>, werd te Leeuwarden geboren den eersten van +Herfstmaand 1711, zes weken na zijns Vaders overlijden. In den eersten +leeftijd onder het oog zijner verstandige moeder opgevoed, daarna door +de beroemdste geleerden, zoo als Wesseling, Hemsterhuis, Heineccius en +<span class="corr" id="xd20e12078" title= +"Bron: andederen">anderen</span>, aan de Friesche en Utrechtsche +Hoogescholen, onderwezen, moest zijn krachtvolle geest zich spoedig +ontwikkelen, en eene grondige kennis van zaken bekomen, welke den +echten Landsvader kenmerken, en zijn bestuur ten beste der onderdanen +doen gedijen. In den jare 1731 aanvaardde hij de waardigheid van +Stadhouder over Friesland, na reeds daarin over Groningen, Drenthe en +Gelderland te zijn bevestigd. In het merkwaardig jaar 1747 werd een +perk gesteld aan de verdeeldheden eener vijfenveertigjarige +Stadhouderlooze regering in de overige Provincien, en <span class= +"sc">Willem IV</span> tot Algemeen Stadhouder over al de gewesten +verkoren, met erfelijk-verklaring dier hooge waardigheden, zoowel in de +vrouwelijke als mannelijke linie. Hij trad in den echt met <span class= +"sc">Anna</span>, Kroonprinses van Groot-Brittanje op den 25 Maart +1734. De spruiten uit dezen echt waren, <span class="pagenum">[<a id= +"pb461" href="#pb461" name="pb461">461</a>]</span>behalve drie +dochters, welke allen kort na de geboorte zijn overleden, Prinses +Carolina en Prins Willem V. Hij regeerde gelijk het den Vorst betaamt, +wien zijn Land en Volk, als zijn eigen welzijn, zeer ter harte gaan. +Twee groote Nederlandsche Historieschrijvers, <span class= +"sc">Stuart</span> en <span class="sc">Scheltema</span>, getuigen beide +van hem: »dat hij de grootheid van zijn Huis alleen zocht in de +ware grootheid van den Staat; zijn hoogste eerzucht in de liefde zijns +Volks stellende.” Geen offer achtte hij te dier voor de belangen +der natie, en standvastig van geest volgde hij steeds het hem +aangewezen moeijelijk pad. Vele goede en beminnelijke hoedanigheden +waren van de Moeder op den Zoon overgegaan; godsvrucht en +christenliefde paarde zich aan opregtheid en eerlijkheid<a class= +"noteref" id="xd20e12096src" href="#xd20e12096" name= +"xd20e12096src">97</a>. Als vriend der geleerden en voorstander der +wetenschappen, vond ook de Friesche Hoogeschool in hem eenen ijverigen +Beschermheer. In den ouderdom van ruim veertig jaren bezweek zijn van +tijd tot tijd verzwakt ligchaam, onder de rusteloosheid van eenen +veelvuldigen zwaren arbeid. Hij stierf den 22 October 1751, en werd te +Delft in den Vorstelijken grafkelder van Willem I begraven.</p> +<p>Hij regeerde van 1731 tot 1751. <span class="pagenum">[<a id="pb462" +href="#pb462" name="pb462">462</a>]</span></p> +<p><span class="sc">Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje, Prinses van +Brunswijk-Lunenburg</span>, Gemalinne van <span class="sc">Willem +IV</span>, was de oudste Dochter van Koning <span class="sc">George +II</span>, en werd geboren den 2 November 1709. Zij was eene schoone +vrouw, helder en krachtvol van geest, kloek van verstand, edel van ziel +en grootmoedig van karakter; de geschiedenis getuigt van haar, dat zij +niet alleen vele voortreffelijke deugden, maar ook uitstekende talenten +bezat, zoodat zij in verschillende talen oordeelkundige werken over +godsdienst, geschiedenis en zedekunde geschreven heeft, en dit wel, +hetgeen bijzondere opmerking verdient, niet om te schitteren, maar tot +eigen oefening en anderer nut. Dat zij alzoo voor haren Gemaal een +onschatbaar kleinood was, zal wel geen betoog behoeven: want, ook in +staatszaken ervaren, ondersteunde zij in die oproerige tijden den +vredelievenden Vorst met wijzen raad. Na den dood van dezen had zij bij +het voeren des bewinds en ’t bestier der voogdij, eene +standvastigheid en kloekheid betoond, die den Grooten Frederik, op het +ontvangen van haar doodberigt, aan der Staten Gezant schrijven deed: +»Ik heb eene Vriendin verloren, die door hare grootmoedigheid, +wijsheid en eene hare kunne te boven gaande kracht van geest al mijne +achting verdiende.” Op den 12 van Louwmaand 1759 ontsliep zij in +den ouderdom van ruim 49 jaren te ’s Gravenhage, en werd bij +haren Gemaal te Delft begraven.</p> +<p>Zij regeerde als Gouvernante van 1751 tot 1759; terwijl echter het +beheer in Friesland aan de Staten en Prinses Maria Louisa was +opgedragen.</p> +<p class="pseudoh1">Carolina.</p> +<p class="pseudoh2">Regentesse.</p> +<p>Aan <span class="sc">Carolina, Prinses van Oranje</span>, eenige +overgeblevene dochter van <span class="sc">Willem IV</span>, geboren te +<span class="pagenum">[<a id="pb463" href="#pb463" name= +"pb463">463</a>]</span>Leeuwarden den 28 Februarij 1743, werden, na +<span class="corr" id="xd20e12138" title="Bron: den den">den</span> +dood harer Grootmoeder Maria Louisa, in den jare 1765, ten gevolge der +Landsverordeningen op de Voogdij, de Magistraatsbeschikkingen in de +Friesche steden opgedragen, tot aan de meerderjarigheid van haren +Broeder. Zij huwde in 1759, dus zestien jaren oud, na vele staatkundige +tegenstribbelingen, aan <span class="sc">Carel Christiaan, Prins van +Nassau-Weilburg</span>, gesproten uit de linie van <span class= +"sc">Walram</span>.</p> +<p>Zij regeerde tot in 1766.</p> +<p class="pseudoh1">Willem V.</p> +<p class="pseudoh2">Algemeen Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Willem V, Prins van Oranje-Nassau</span>, geboren +den 8 Maart 1748, aanvaardde het Stadhouderschap over al de Gewesten +den 8 Maart 1766. Hij trad in den echt den 4 October 1767 met +<span class="sc">Frederica Sophia Wilhelmina, Prinses van +Pruissen</span>, Nicht van Koning Frederik II, den 7 Aug. 1751 geboren. +Deze zijn de doorluchtige Ouders van onzen geëerbiedigden Koning. +Prins <span class="sc">Willem</span> overleed te Brunswijk in Grasmaand +1806, en zijne verhevene Gemalinne op het Loo 9 Junij 1820.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb201" class= +"pageref">201</a>.—A<sup>o</sup> 1591.</p> +<p><i>En 6 yzere gotelingen.</i> In dezen tijd was voornamelijk ook +eene soort van geschut in gebruik, genaamd <i>Gotelingen</i>, van 18, +8, 6, 4, 3 en 2½ pond, benevens metalen <i>Kartouwen</i>, +<i>Colverijns</i>, <i>Veldslangen</i>, <i>Sakers</i>, <i>Dranken</i>, +<i>Mignions</i> en anderen; die vooral op de schepen gebezigd werden. +<span class="sc"><span class="corr" id="xd20e12199" title= +"Bron: de">De</span> Jonge</span>, <i>Gesch. van het Zeewezen, I</i>. +402. Verg. <span class="sc">Kiliaan</span> op ’t woord. +<span class="pagenum">[<a id="pb464" href="#pb464" name= +"pb464">464</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb208" class= +"pageref">208</a>.—A<sup>o</sup> 1594.</p> +<p><i>En op Ostagiers handelende.</i> <span class="sc">Ostagier</span>, +<span class="sc">Stagier</span> beteekent een <i>gijzelaar</i>; +vandaar: <i>op Ostagiers geven, handelen, nemen</i>, d. i. gijzelaars +ten onderpand geven of ontvangen. Zie <span class="sc">Kiliaan</span>. +Over dit merkwaardig beleg vergelijke men den <i>Tegenw. Staat van Stad +en Lande, I</i>. 518; <span class="sc">Wins.</span> fol. 817, enz.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb216" class= +"pageref">216</a>.—A<sup>o</sup> 1620.</p> +<p><i>Die heerlyke begraafplaats.</i> De Groote of Jacobijner kerk is +volgens <span class="sc">Gabbema</span>, <i>Verhaal van +Leeuwaarden</i>, gebouwd in den jare 1487, doch, volgens <span class= +"sc">J. van den Bosch</span>, in zijn meergem. werk, was zij reeds door +de Heeren van Cammingha en eenige rijke burgers in 1228 gesticht; en +daarna afgebrand zijnde, werd zij herbouwd in 1487. In derzelver Koor +aanschouwde men de prachtige marmeren graftombe van Graaf Willem van +Nassau en zijne Gemalinne Anna, onder welke tombe de Vorstelijke +Grafkelder zich bevond, waarin zijn bijgezet geworden:</p> +<ul> +<li>1. Prinses <span class="sc">Anna</span>, Gemalin van Willem +Lodewijk.</li> +<li>2. Graaf <span class="sc">Willem Lodewijk</span>, eerste +Stadhouder.</li> +<li>3. Graaf <span class="sc">Ernst Casimir</span>, tweede +Stadhouder.</li> +<li>4. Graaf <span class="sc">Hendrik Casimir</span>, derde +Stadhouder.</li> +<li>5. Prinses <span class="sc">Anna Sophia</span>, Weduwe van Graaf +Ernst Casimir.</li> +<li>6. Graaf <span class="sc">Willem Frederik</span>, vierde +Stadhouder.</li> +<li>7. Prinses <span class="sc">Sophia Hedwich</span>, dochter van +Graaf Willem <span class="corr" id="xd20e12302" title= +"Bron: Frederïk">Frederik</span>.</li> +<li>8. Prinses <span class="sc">Albertina Agnes</span>, Weduwe van +Graaf Willem Frederik.</li> +</ul> +<p>Nog stonden in dezen grafkelder twee kleine kisten, waarin +waarschijnlijk de dochters van Graaf <span class="pagenum">[<a id= +"pb465" href="#pb465" name="pb465">465</a>]</span>Ernst Casimir zijn +bijgezet; zoo bevonden er zich drie kleine houten kistjes, in welke +tinnen doozen, waren geplaatst, die ingewanden van gebalsemde +Vorstelijke lijken zullen hebben bevat.</p> +<p>Toen deze begraafplaats te klein geworden was is door Prinses Amelia +eene tweede aangelegd, in welke zijn bijgezet:</p> +<ul> +<li>1. Prins <span class="sc">Willem Georg Friso</span>, zoon van Prins +Casimir II, geboren te Leeuwarden 24 Junij 1685.</li> +<li>2. Prins <span class="sc">Hendrik Casimir II</span>, vijfde +Stadhouder.</li> +<li>3. Prins <span class="sc">Johan Willem Friso</span>, zesde +Stadhouder.</li> +<li>4. De tweede dochter van Prins <span class="sc">Willem IV</span>, +bij de geboorte gestorven 22 December 1739.</li> +<li>5. Prinses <span class="sc">Anna</span>, jongste dochter van Prins +Willem IV, geboren te Leeuwarden 15 November, en den 29 December 1746 +overleden.</li> +<li>6. Prinses <span class="sc">Maria Louisa</span>, weduwe van Prins +Johan Willem Friso.</li> +</ul> +<p>Van deze Vorstelijke begraafplaats en het marmeren grafgesticht is +niets meer overgebleven, dan het aandenken aan derzelver vorig bestaan. +Niet door den vernielenden tand des tijds, die al wat onvergankelijk +schijnt aan stukken knaagt, maar door den geesel der verwoesting en het +teugelloos geweld, uit overdreven vrijheidszucht, haat en partijschap +geboren, wier blinde drift zelfs de graven der afgestorvenen niet +eerbiedigt, zijn deze gedenkteekenen vernietigd. Dan wij willen de +treurige herinnering aan die tijden niet verlevendigen, en dergelijke +gebeurtenissen liever der vergetelheid overgeven.</p> +<p>Van de zeven Stadhouders, de Prinsessen Amelia, Maria Louisa en +Anna, benevens de Graven Johan Maurits, Adolf, Jan en Albert van +Nassau, zijn op het Hof te Leeuwarden nog uitmuntend geschilderde +beeldtenissen bewaard gebleven.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb221" class= +"pageref">221</a>.—A<sup>o</sup> 1636.</p> +<p>Een oud boekje getiteld: <i>Teghen-gifte teghen de <span class= +"pagenum">[<a id="pb466" href="#pb466" name= +"pb466">466</a>]</span>Peste</i>, door <span class="sc">Lucas +Trelcatius</span> beschreven, uitgegeven te Leeuwarden 1637, meldt in +een <i>Aenhanghsel</i>, dat de verschrikkelijke Pest, welke in dit jaar +in Holland heerschte ook tot Friesland was overgeslagen, en in de +dorpen nog heviger woedde dan in de steden, vooral in Anjum, Grouw, +Oldkerk, enz. terwijl binnen Leeuwarden ettelijke weken lang, bij en +over de 200 dooden werden begraven, waarna men de verwoesting in de +dorpen aangerigt kan afmeten.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb227" class= +"pageref">227</a>.—A<sup>o</sup> 1665.</p> +<p>De Veldmaarschalk Graaf <span class="sc">Johan Maurits van +Nassau</span> was de kleinzoon van Johan den Ouden, den Vader des +eersten Frieschen Stadhouders. Bij gelegenheid van dit ongeluk maakte +hij te Franeker zijn uiterste wille, en gaf die over ter bewaring aan +de Akademie. In 1679 overleed deze zachtaardige en brave man te +Bergendaal bij Kleef, alwaar zijne nederige grafstede nog jaarlijks +door vele reizenden bezigtigd wordt.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb229" class= +"pageref">229</a>.—A<sup>o</sup> 1672.</p> +<p><i>Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May.</i> +Voor dat men den tijd naar behooren geregeld en verdeeld had, of +willekeurig verdeelde, om te voorkomen dat de Saizoenen zich niet +verplaatsten, was het opzigt hierover aan de Priesters des volks +aanbevolen. Eene halve eeuw voor onze jaartelling maakte Julius Caesar +een einde aan de verwarde tijdsberekeningen en derzelver gevolgen in +zijnen Staat. Hij bepaalde het zonnejaar op 365 dagen en 6 uren. Het +burgerlijk jaar werd dus verordend: er zouden telkens drie +achtereenvolgende jaren ieder <span class="pagenum">[<a id="pb467" +href="#pb467" name="pb467">467</a>]</span>van 365 dagen loopen, en het +vierde of schrikkeljaar moest een dag meer dragen, welke dag in de +maand Februarij werd ingelascht. Het jaar bestond uit 12 eenigzins +ongelijke maanden, zoo als het nu nog bestaat. Dit was de +<i>Juliaansche Jaarrekening</i> of <i>Stijl</i>, <span class="sc">Oude +Stijl</span> genaamd.</p> +<p>De bepaling des zonnejaars van 365 dagen en 6 uren was echter ruim +elf minuten te groot genomen, hetwelk eene afwijking of verloop moest +veroorzaken, die dan ook na vier eeuwen tijds bij de viering van het +Paaschfeest, waarvan de berekening op de maan gegrond was, duidelijk +werd opgemerkt. Men nam maatregelen welke echter onvoldoende waren, en +gedurende vele eeuwen bleef dit gebrek bestaan, zoodat in de XVI eeuw +de lente-nachtevening van den 21 Maart op den 10 was +gekomen<span class="corr" id="xd20e12413" title="Niet in bron">.</span> +Eindelijk nam Paus Gregorius XIII zich de zaak ernstig ter harte, liet +door geleerden en deskundigen het ontwerp van Aloisius Lilius, een +geneesheer van Verona, onderzoeken, en na rijp beraad werd er in den +jare 1581, bij Apostolische Bulle, eene nieuwe verbetering aangekondigd +en bevolen. De sedert het Concilie van Nicea vervroegde tien dagen, +moesten in het jaar 1582 in de maand October worden uitgelaten, zoodat +men van den 4 dadelijk op den 15 telde. Het verschil van de elf +minuten, die men vroeger op het zonnejaar te veel gerekend had; werd +gevonden, door in vier eeuwen, telkens op het einde van ieder eeuw +één schrikkeljaar over te slaan; dus zoude het jaar 1600 +een schrikkeljaar blijven, maar 1700, 1800 en 1900 gemeene jaren van +365 dagen, en 2000 weder een schrikkeljaar zijn. Het zonnejaar werd +alzoo vastgesteld op 365 en het schrikkeljaar op 366 dagen. Deze +inrigting noemde men de <i>Gregoriaansche Jaarrekening</i> of +<i>Stijl</i>, en in tegenoverstelling van den Juliaanschen den +<span class="sc">Nieuwen Stijl</span>.</p> +<p>Door deze verstandige en doeltreffende instelling was er geene +afwijking of verloop van tijdsberekening in eeuwen meer te duchten; en +was men overal verstandig genoeg geweest, men zou niet geaarseld +<span class="pagenum">[<a id="pb468" href="#pb468" name= +"pb468">468</a>]</span>hebben daarin te berusten, dan vooroordeel, +dwaze driften, koppigheid en ongodsdienstige ijver, keerden +aanvankelijk in die woelige tijden van hervorming onder zoo vele goede +zaken ook deze. In de Catholijke Landen werd de verbeterde Calender +spoedig aangenomen, dan eerst in en omstreeks den aanvang der XVIII +eeuw, ging men daartoe in andere Landen, en ook in de Nederlanden over: +Braband, Vlaanderen, Zeeland en Holland waren de eerste gewesten, +daarna volgden Friesland, Groningen, Gelderland, Utrecht en Overijssel. +Dat deze instelling op ongelijke tijden aangenomen, en dus de een zich +van den Ouden, de ander van den Nieuwen Stijl bedienende, veel +verwarring te weeg bragt, is meermalen gebleken. Zoo schreef b. v. +Graaf Johan Maurits van Nassau, hiervoren gemeld, uit ’s +Gravenhage eene Missive aan den Rector en Senaat van de Akademie te +Franeker, op den 3 September 1670, en het antwoord op dezelve, drie +dagen na dien datum afgezonden, droeg de dagteekening van den 27 +Augustus. In Engeland heeft men eerst in 1752, en in Zweden een jaar +daarna, den Nieuwen Stijl ingevoerd: in Rusland volgt men nog den +Juliaanschen.</p> +<p>Ingevolge Resolutiën der Staten van Friesland van den 10 en 11 +October 1700 werd vastgesteld en bij Publicatie van den 12 dier maand +afgekondigd, dat op den 1 Januarij 1701, in plaats van den <i>Ouden +Stijl</i> de <i>Nieuwe</i> zou worden ingevoerd, en men op dien dag +niet den <i>eersten</i> maar den <i>twaalfden Januarij</i> zoude +schrijven, en aldus de telling vervolgen. Alzoo eindigde in Friesland +het jaar 1700 op Dingsdag den 31 December, en den volgenden dag, +Woensdag, heeft men 12 Januarij 1701 geschreven<a class="noteref" id= +"xd20e12443src" href="#xd20e12443" name="xd20e12443src">98</a>. In de +Provincie <span class="pagenum">[<a id="pb469" href="#pb469" name= +"pb469">469</a>]</span>Groningen is ten zelfde dage en op gelijke wijze +de Nieuwe Stijl ingevoerd.</p> +<p>Het verschil alzoo tusschen den Ouden en Nieuwen Stijl, door vele +schrijvers niet in acht genomen, waardoor misstellingen in de +dagteekeningen zijn ontstaan, of bij sommigen verkeerd aangeduid, +bestaat alleen hierin, dat men altoos <i>tien</i> dagen tellen moet bij +de dagteekening, welke de Oude of Juliaansche Jaarrekening +aangeeft.</p> +<p>Men vergelijke de <i>Historische Verhandeling over den zoogenaamden +Nieuwen Stijl</i> door den Oud-Hoogleeraar Mr. <span class="sc">J. W. +de Crane</span>, geplaatst in het <i>II</i>. Stuk van het +<i>Archief</i> der Heeren <span class="sc">Visser</span> en +<span class="sc">Amersfoordt</span>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb259" class="pageref">259</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1677.</i> Hetgeen hier volgt tot bladzijde 271 is +een bijvoegsel van den tweeden druk, en heeft niet uitsluitend +betrekking op Friesland, maar is meer eene kronijksgewijze opgave van +algemeene gebeurtenissen. Wij hebben ons moeten onthouden van eene +meerdere uitbreiding onzer Aanteekeningen over het belangrijk tijdvak +der geschiedenis in de laatste eeuwen, daar dezelve reeds tot een +aantal bladen zijn aangegroeid, en ons bestek geen grootere +uitvoerigheid gedoogde. Ook mogen wij <span class="pagenum">[<a id= +"pb470" href="#pb470" name="pb470">470</a>]</span>het daarvoor houden, +dat dit gedeelte der Historie, en bepaaldelijk die der Stadhouderlijke +Regering, den Lezer meer bekend zij, als zijnde daarover ook genoegzame +bronnen voorhanden. Wij hebben achterwege gelaten de onbelangrijke +beschrijving van den intogt des Prinsen J. W. Friso in Groningen, op +bl. 327 en 328 van den tweeden druk der kronijk voorkomende, als mede +de berijmde <i>Nareeden</i>, of zoo als achter den eersten druk staat, +<i>Aanspraak op Naaspraak</i>, hoewel tot onderschrift voerende: +’t <span class="sc">Kan niet beeter</span>; want wie zal thans +nog smaak vinden in verzen als deze?</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Wiens breinkas gestoffeerd met puik van waarde +stoffen,</p> +<p class="line">Zal ooit op eenge stoff, wiens loff maar stoff is +stoffen.</p> +</div> +<p class="firstpar">of</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Een keurger keure, keur de keur, met keur in ’t +leezen;</p> +<p class="line">In ’t geen hy keurig keurt, met keur ’t zyn +uit te leesen.</p> +</div> +<p class="firstpar">Ook het <i>Treurig gesprek tusschen een Vreemdeling +en een Fries, over het verongelukken van</i> <span class="sc">Johan +Willem Friso</span>, in zeer middelmatig rijm van de door haren +tijdgenoot <span class="sc">Lucas Pater</span> en daarna door den heer +<span class="sc">J. de Vries</span> hoog verheven, door <span class= +"sc">Witsen Geysbeek</span> daarentegen diep vernederde Friesche +Dichteres <span class="sc">Jetske Reinou van der Malen</span>, hebben +wij gedacht veilig te kunnen weglaten.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb273" class="pageref">273</a>.</p> +<p><i>De Landstreek van deze Provincie.</i> Over deze verdeeling en het +bestuur der Graafschappen, vergelijke men onze <i>Aantt.</i> bl. 344; +§ 4 van het Overzigt in het <i>Friesch Jierboeckjen 1833</i>, en +de 2de § van dat van 1834. Over de benamingen van <i>Estrachia</i> +of <i>Austrachia</i> en <i>Westrachia</i>, moet ik nog wel aanmerken, +dat <span class="sc">Alting</span> in zijne <i>Descriptio agri Batavi +et Frisii</i>, of <i>Notit. Germ<span class="corr" id="xd20e12570" +title="Niet in bron">.</span> Inf.</i> zeer verkeerd <span class= +"pagenum">[<a id="pb471" href="#pb471" name="pb471">471</a>]</span>op +alle zijne kaarten de eilanden Ameland en Terschelling dus noemt, in +navolging van zekeren <span class="sc">Fredegarius</span>, een +Schrijver van de VII eeuw, (die echter voor <i>Austrachia +Anistrachia</i> schrijft,) als zullende beteekenen <i>Ooster-</i> en +<i>Wester-oog</i>, van <i>achia</i>, <i>age</i>, <i>oog</i>, welke +benaming dikwijls aan eilanden gegeven wordt, zoo als Schiermonnikoog, +Spikeroog, Langeroog enz. Te vergeefs zal men bij eenig Friesch +Schrijver die eilanden, dus genoemd, zoeken, maar wel vindt men, dat +eertijds <i>Westrachia</i> <span class="sc">Westergo</span>, en +<i>Austrachia</i> <span class="sc">Oostergo</span> beteekende. +<span class="sc">Winsemius</span> bevestigt zulks op den jare 728, toen +Karel Martel Oostergo en Westergo plonderde en verwoestte. In de +afbeelding van Oud-Friesland door <span class="sc">Schotanus</span>, de +eenige oude kaart, welke het best met de geschiedenis overeenkomt en +’t meest vertrouwen verdient, gevoegd in zijne <i>Beschr. van +Frieslandt</i> en achter de <i>Groote Atlas</i>, worden de streken +beoosten en bewesten de Burdo of Middelzee, welke ook het best door hem +is afgeteekend, te regte <i>Austrachia</i> en <i>Westrachia</i> +genoemd. Verg. <i>Oudh. en Gest. II</i>. 287, alwaar <span class= +"sc">v. Rhyn</span> in ’t breede hierover uitweidt, aan +<span class="sc">Fredegarius</span> geen gezag boven Friesche +Schrijvers toekennende. <span class="sc">Alting</span>, <i>II</i>. in +voc. <i>Austrachia Burdine, Westrachia</i>; <span class= +"sc">Brouwer</span> en <span class="sc">Eekhoff</span>, <i>Nasporingen +betrekkelijk de Middelzee</i>, bl. 31 noot, 116 en 117, waarin ook de +gebrekkigheid van de oude kaarten wordt aangetoond.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb273" class="pageref">273</a>.</p> +<p><i>Die men een Grietman noemt.</i> In het laatst der XIII en in het +begin der XIV eeuwen, wordt het eerst van Grietmannen gewaagd. Van ouds +moet de verkiezing door de gemeente, de ingezetenen of de bezitters der +stemhebbende Staten hebben plaats gehad. Zij hadden Assessoren of +Bijzitters en andere Regters van minderen rang onder zich, terwijl er +tevens Schouten hebben bestaan, welk ambt later <span class= +"pagenum">[<a id="pb472" href="#pb472" name= +"pb472">472</a>]</span>weder is vernietigd of in die des Grietmans is +overgegaan. Aanvankelijk waren zij Regters, maar in den drang en druk +der oproerige tijden, in welke geene regten geëerbiedigd werden, +moesten zij zich tot Beschermheeren verheffen, en wisten van hunne magt +en invloed een krachtig, soms al te krachtig gebruik te maken. Elke +Grietenij had één Grietman, voor één jaar +benoemd tot Hoofd; doch eene enkele uitzondering was er op dezen regel: +bij latere inrigting werd bepaald, dat ieder, die de vereischten bezat, +op zijn beurt den post van Grietman en Regter zoude waarnemen. Onder de +Hertogen van Saksen en daarna onder het Stadhouderlijk Bewind was de +begeving van dit ambt ook aan dezen en aan het Hof verbleven.</p> +<p>Maar nu den oorsprong van den naam <i>Grietman</i> te bepalen, dit +is eene moeijelijke zaak, waarover reeds vele geleerden zijn +geraadpleegd en veler gevoelen ter toetse is gebragt, doch het is als +nog onbeslist, welke beteekenis voor de eigenlijke en oorspronkelijke +moet worden gehouden. Onze Kronijk is er, mijns bedunkens, niet achter +en geen wonder, want de Heer <span class="sc">Beyma</span>, in zijn +<i>Tractatus de Grietmannis</i> geeft een aantal verschillende +gevoelens op, en na dezen Schrijver zijn er nog meerdere te berde +gebragt<a class="noteref" id="xd20e12680src" href="#xd20e12680" name= +"xd20e12680src">99</a>. Het meest aannemelijk gevoelen is, dat +<span class="pagenum">[<a id="pb473" href="#pb473" name= +"pb473">473</a>]</span>men den naam moet afleiden van het Oud-Friesche +<span class="sc">Greta</span>, <i>klagen</i> en dus <i>Greet-</i> of +<i>Grietman</i> degeen was, die aan de klagers regt verschafte. Zeer +belangrijk zijn de Aanteekeningen over de <span class= +"sc">Grietmannen</span> van de Heeren <span class="sc">H.</span> en +<span class="sc">W. v. S.</span> voorkomende in het <i>Mengelwerk der +Leeuwarder Couranten van den 15</i> en <i>29 Mei 1832</i>, tot welke +wij den Lezer verwijzen, als mede tot opgenoemd <i>Tractatus de +Grietmannis</i> van <span class="sc">C. L. van Beyma</span>, +<i>Franeq.</i> 1780.</p> +<p>Wat het kerkelijk Bestuur van Friesland in de vroegste tijden +aangaat, dit is ons niet klaar genoeg gebleken: later was dit gewest +den Bisschop van Utrecht onderworpen, die tot het Aartsbisdom van +Keulen behoorde. Friesland was verdeeld in Dekenschappen, waarvan de +Dekens door den Bisschop werden gekozen en met groot gezag en magt +bekleed. De Hoofdpriesters of Priesters in eene parochiekerk werden +<i>Personae</i> genoemd, en de mindere Priesters <i>Kapellanen</i>. De +Abten waren Oversten of Bestuurders der Kloosters en derzelver +aanhoorigheden: zij stonden op zich zelven, hadden vele voorregten, +samen de eerste plaats op de Landsdagen, en waren alleen den Paus +onderworpen: de Priors waren oorspronkelijk hoofden van minderen rang, +gelijk ook de Proosten, hoezeer dikwijls deze verschillende benamingen +door elkander gebruikt werden. Zie hierover onder anderen <i>Friesch +Jierb. 1833</i>. <i>Oersicht</i> § 4. <span class= +"pagenum">[<a id="pb475" href="#pb475" name="pb475">475</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3780" href="#xd20e3780src" name="xd20e3780">1</a></span> Dat de +<i>Schelde</i> en de <i>Sincfal</i>, later <i>Zwene</i> geheten, niet +dezelfde rivieren zijn, en dus niet voor elkander genomen moeten +worden, wordt behalve in de <i>Bijv.</i> voor het I. D. van +<span class="sc">Wagenaars</span> <i>Vad. Hist.</i> ook in het breede +betoogd door den Hoogleeraar <span class="sc">Ypeij</span>, in het II. +D. zijner <i>Geschiedenis der Nederl. Taal</i>, bl. 115 volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3825" href="#xd20e3825src" name="xd20e3825">2</a></span> Over +deze vergraving lezen wij in <span class="sc">Bilderdyks</span> +<i>Geschiedenis des Vaderlands</i>, I. 24: »’t Was +natuurlijk dat Drusus, geheel het zuidelijk Land zijner Landvoogdij +jaarlijks overstroomd ziende, bedacht was om het Rijnwater af te +leiden. Naderhand deed Corbulo ’t zelfde met den zoogenaamden +Vliet te graven. Maar beide ondernemingen hadden gelijke gevolgen: Het +verderf van een groot gedeelte Lands. Gelukkig Holland, zoo men nooit +gegraven en nooit gedijkt had! Wij zouden thans boven de rivieren +wonen, die het Land doorsnijden moesten, en er nu over heen loopen in +gemaakte goten, wier bodem steeds verhoogt door de vallende slib, en +die dus hoe langer hoe meer boven het land rijzen en in kracht en +gewelddadigheid hunne dijken overmeesteren; terwijl men haar nog +bovendien door de droogmaking van meeren, de noodige boezems onttrokken +heeft, om zich, bij voorkomende opzetting van boven, te kunnen +ontlasten, zonder hunne boorden te verwoesten.”—Hoezeer +deze en dergelijke gevoelens tegenstanders vinden, kan ik er echter +bijvoegen, dat met andere deskundigen ook de zeer bekwame +Waterbouwkundige <span class="sc">Cornelis Zillesen</span> in zijne +werken zeer tegen alle vergravingen ijvert. Nog op zijn negentigste +jaar heeft hij daartegen ernstig gewaarschuwd in zijn belangrijk +stukje, getiteld: <i>Iets over de natuurlijke oorzaken der steeds +toenemende Zeeoverstroomingen</i> (Rott. 1825), waarin hij ook beweert +en bewijst, dat de Alwijze Schepper der natuur voor de ontlasting des +waters had gezorgd, en dat, om van land water te maken, alleen daar +noodig was, waar door rivieren of binnenvaarten de kanalen verbeterd +moesten worden, terwijl de verhooging der rivierdijken en de daarin +begane misslagen zoodanig de inkeldering der binnenlanden en woningen +had veroorzaakt, dat bij elke doorbraak de rivieren die landen tot +hunne beddingen verkozen. Ook had deze maatregel een ander nadeel ten +gevolge, het onderhoud namelijk, tot groote kosten van den landbouw, op +plaatsen daar men reeds niet meer het water door sluizen kon ontlasten, +van 2000 watermolens alleen in Holland. De Schrijver geeft voorts +onkostbare behoedmiddelen aan de hand, en dit boekje verdient de +opmerking des onpartijdigen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3902" href="#xd20e3902src" name="xd20e3902">3</a></span> Door den +Emeritus Predikant <span class="sc">P. Brouwer</span>, een man van +kennis en verstand, was in geschriften nagelaten eene Nasporing en +Aanwijzing van den Loop en de Grenzen der opgeslijkte Middelzee, welk +stuk te gelijk wordt uitgegeven (terwijl deze ter perse is,) met een +zeer naauwkeurig en grondig Onderzoek naar de oorspronkelijke +uitgestrektheid, en den tijd en wijze van opslijking der Middelzee; +alsmede hoe Leeuwarden door haar is bespoeld geweest, zamengesteld door +den ijverigen beoefenaar der Geschiedenis <span class="sc">W. +Eekhoff</span>. Eene zeer aanbevelende Voorrede van den kundigen +<span class="sc">Worp v. Peyma</span> versiert dit werk. Het onderzoek +van Do. <span class="sc">Brouwer</span> bepaalt zich tot den omvang en +begrensdheid der Middelzee in de 13 eeuw. <span class= +"sc">Eekhoff</span> heeft getracht aan te toonen en tot eenen hoogen +trap van waarschijnlijkheid te brengen, welke in de oudste tijden de +grenzen dier Zee waren, kennende haar eene veel meerdere +uitgestrektheid toe, dan waarvan de geschiedenis gewaagt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3938" href="#xd20e3938src" name="xd20e3938">4</a></span> Dit werk +getiteld: <i>Physische Geschichte der Nordsee-Küste und deren +Veränderungen durch Sturmfluthen seit der Cymbrischen Fluth bis +jetzt</i>, is in twee deelen uitgekomen te Emden 1833, en was het +<i>laatste</i> voortbrengsel van dezen verdienstelijken man, ten nutte +van zijn Vaderland, omdat hij dat Vaderland verlaten en zich naar een +ander werelddeel begeven moest, ten einde zich een voortdurend bestaan +te verschaffen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4071" href="#xd20e4071src" name="xd20e4071">5</a></span> +Vergelijk hierbij de Voorrede voor het II deel van ’t +<i>Charterboek</i>, p. 65 en 66.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4086" href="#xd20e4086src" name="xd20e4086">6</a></span> +Vervaardigd voor het, door ’t Friesch Genootschap uitgegeven, +<span class="ex">Friesch Jierboeckjen</span>. Het eerste gedeelte is +geplaatst in dat van 1831: <i>Kirt Oersicht oer Frieslâns +Schijdnis, fenne fierste tijd oon it jier 1814 to</i>, loopende dit +deel van de vroegste tijden af tot aan Karel den Groote, dat is, tot +aan ’t jaar 773 of daaromtrent. Dit tijdvak noemt de Schrijver +<i>het Fabelachtige Friesland</i>.</p> +<p class="footnote">Het tweede tijdperk, loopende tot op de aanneming +van Albrecht, Hertog van Saksen, tot Heer van <i>Friesland</i>, d. i., +tot aan 1498, wordt genoemd <i>het Vrije Friesland</i>.</p> +<p class="footnote">Het derde, de geschiedenis zullende bevatten van +1498 tot op de afzwering van Philips II., Koning van Spanje, als Heer +der Nederlanden, heet <i>het Overheerde Friesland</i>.</p> +<p class="footnote">Het vierde tijdvak, van 1584 tot aan 1795, tijdstip +van het vertrek van Prins Willem den V., laatste Stadhouder der VII +Vereenigde Gewesten, uit Holland, zal <i>het Stadhouderlijk +Friesland</i> genoemd worden.</p> +<p class="footnote">Het vijfde, zullende gaan van 1795 tot de +omwenteling van 1813, zal den naam ontvangen van <i>het Nieuwere +Friesland</i>.—Zie gem. Jierboeckjen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4151" href="#xd20e4151src" name="xd20e4151">7</a></span> Het +gevoelen van den heer <span class="sc">Hettema</span>, ontwikkeld in +zijn <i>Iets over de Geschiedenis van Friesland</i> (zie het Mengelwerk +van de Leeuwarder Courant van den 10 Augustus 1830, No. 64), vind ik +niet aannemelijk, dat namelijk <i>Friezen</i> hetzelfde zoude +beteekenen als <i>Frigen</i>, <i>Frisschen</i> of <i>vreemde</i> +volkplantingen;—hoezeer dan ook <span class="sc">M. Alting</span> +in zijne <i>Notitia Bat. et Frisiae Ant.</i> in voce <span class= +"ex">Frisii</span> deze beteekenis aan de hand geeft en daartoe +overhelt. <span class="sc">H. v. Rhyn</span>, in zijne <i>Aantt.</i> op +de Friesche <i>Oudhed. en Gest.</i> I. 43, en andere Geleerden houden +het met de beteekenis van <i>vrijen</i>. Dat de <i>frissche</i> of +<i>koude</i> landstreek den naam <i>Friezen</i> zou geschapen hebben, +zal toch wel geen’ ingang vinden.—Vergelijk ook de voorrede +van <span class="sc">Gutberleth</span>, voor <span class= +"sc">Gabbema’s</span> <i>Verh. van Leeuwaarden</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4262" href="#xd20e4262src" name="xd20e4262">8</a></span> Vg. bl. +206, II. deel van de <i>Bekn. Geschied. der Nederl. Taal</i> door +<span class="sc">A. Ypeij</span>, over de herkomst der +Friezen.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4276" href="#xd20e4276src" name="xd20e4276">9</a></span> +<span class="sc">Winsemius</span> in zijne <i>Chronique</i>, f. 6, en +<span class="sc">Suffr. Petri</span> <i>de Frisior. antiq. et orig.</i> +p. 234, noemen <span class="sc">Hoppers</span> een beroemd en +verdienstelijk man, de eer der Friesche natie; <span class="sc">v. +Rhyn</span> en na hem <span class="sc">F. Sjoerds</span> zeggen echter, +dat zijn gevoelen geene voorstanders heeft.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4307" href="#xd20e4307src" name="xd20e4307">10</a></span> Gemelde +Aantt. p. 44.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4313" href="#xd20e4313src" name="xd20e4313">11</a></span> Cf. +<span class="sc">Suffr. Petri</span> <i>de Fr. Or.</i> L. I. Cap. +XVIII.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4322" href="#xd20e4322src" name="xd20e4322">12</a></span> Zie +deswegens <span class="sc">v. Rhyn</span> t. a. p. en <span class= +"sc">Westendorp</span>, <i>Jaarboek van en voor Groningen</i>, p. +5.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4342" href="#xd20e4342src" name="xd20e4342">13</a></span> +<span class="sc">Hunibaldus</span>, <span class="sc">Trithemius</span>, +<span class="sc">Funccius</span>, <span class="sc">Panthaleo</span>; of +hebben zij zonder onderzoek elkander nageschreven?</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4358" href="#xd20e4358src" name="xd20e4358">14</a></span> +<span class="sc">Westendorp</span>, <i>Kronyk</i>, p. 6 en +7.—<span class="sc">V. Rhyn</span>, <i>ll.</i> <span class= +"sc">F. Sjoerds</span>, <i>Fr. Jaarb. I.</i> 14 enz.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4382" href="#xd20e4382src" name="xd20e4382">15</a></span> +<span class="sc">Wolfgang</span>, <span class="sc">Lazius</span> en +<span class="sc">Aventinus</span>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4393" href="#xd20e4393src" name="xd20e4393">16</a></span> Zie +<span class="sc">Westendorp</span>, p. 8. Van deze omstandigheid, in de +<i>Kronyk</i> van <span class="sc">Eggerik Beninga</span> vermeld, +maken <span class="sc">V. Rhyn</span>, <span class="sc">F. +Sjoerds</span> en anderen geen gewag.—Over andere +volksvertellingen der stichting van Groningen, zie men onder anderen +<span class="sc">West.</span>, p. 19.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4418" href="#xd20e4418src" name="xd20e4418">17</a></span> Men zie +ook wat <span class="sc">Bilderdyk</span>, <i>Geschied. des Vaderlands. +I.</i> 296 over de Sagen zegt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4433" href="#xd20e4433src" name="xd20e4433">18</a></span> Vergel. +<span class="sc">A. Matthæi</span> <i>veter. ævi Anal. T. +IV.</i> p. 9, de derde Ankomst der Fresen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4454" href="#xd20e4454src" name="xd20e4454">19</a></span> Bl. +6.—De Heer <span class="sc">Westendorp</span> zijne bronnen in +het I. deel van zijn Jaarboek nergens hebbende opgegeven, heb ik te +vergeefs gezocht naar den veranderden inhoud dier sage.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4463" href="#xd20e4463src" name="xd20e4463">20</a></span> Waarom +onze schrijver <i>Bruno</i> heeft verkiezen weg te laten, is mij een +raadsel, daar hij toch in alle andere kronijken mede zijne rol +speelt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4494" href="#xd20e4494src" name="xd20e4494">21</a></span> Achter +de <i>Oudheden en Gestichten van Vriesland</i> geplaatst, tot +aanvulling van vele onvermelde zaken in dit werk, in welks voorafspraak +bij de Friesche schrijvers luchtig beoordeelt. Hij verwerpt +<span class="sc">S. Petri</span>, <span class="sc">Furmerius</span>, +<span class="sc">Winsemius</span>, <span class="sc">Hamconius</span> en +<span class="sc">Zoeteboom</span>, en houdt zich aan <span class= +"sc">Emmius</span>, <span class="sc">Douza</span>, <span class= +"sc">Schotanus</span>, <span class="sc">Buchelius</span>, <span class= +"sc">Huetius</span> en <span class="sc">Alting</span>. <span class= +"sc">F. Sjoerds</span> komt met zijn oordeel zeer naauwkeurig overeen +in al wat <span class="sc">van Rhyn</span> geoordeeld heeft.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4541" href="#xd20e4541src" name="xd20e4541">22</a></span> Zie +gem. <i>Nabericht</i>, p. 350.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4553" href="#xd20e4553src" name="xd20e4553">23</a></span> Cf. +<span class="sc">M. B. v. Nidek</span>, <i>Anal. Medii aevi</i>, p. +140, drukfout voor 440.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4568" href="#xd20e4568src" name="xd20e4568">24</a></span> <i>Not. +Bat.</i> in voce <span class="ex">Frisii</span>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4578" href="#xd20e4578src" name="xd20e4578">25</a></span> Men +vergelijke voorts de <i>Chronyk</i> van <span class="sc">Eggerik +Beninga</span> in de <i>Ann.</i> van <span class= +"sc">Mattheus</span>.</p> +<p class="footnote">Onder verschillende schrijvers die over de Friezen +en derzelver oorsprong geschreven hebben, kwam mij als niet een der +geloofwaardigste voor, den minder bekenden en in <span class= +"sc">Mencker</span>’s <i>Gelerthen Lexicon</i>, door <span class= +"sc">Jöcher</span> uitgegeven, vermelden <span class="sc">Werner +Rolevink de Laer</span>, een Karthuizer Monnik te Keulen, uit Westfalen +geboortig. Hij bloeide omstreeks 1495, onderzocht vlijtig de H. +Schrift, leidde een godvruchtig leven en stierf in eenen hoogen +ouderdom. Deze heeft onder vele werken ook een ten titel voerende: +<i>De origine Frisionum</i> uitgegeven.—<span class="sc">Suffr. +Petri</span> in <i>Origine Frisionum</i> maakt gewag van hem op p. +237,—en <span class="sc">Furmerius</span> heeft bij het opstellen +zijner <i>Annales</i> gebruik van hem gemaakt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4638" href="#xd20e4638src" name="xd20e4638">26</a></span> +<i>Friesch Jierboeckjen foar it jier 1831</i>, bl. XII en volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4653" href="#xd20e4653src" name="xd20e4653">27</a></span> Ook op +Texel stichtte Drusus een burgt, waarvan het bewijs nog aanwezig is in +den naam der hoofdplaats, terwijl grafheuvels en andere oudheden van +het verblijf der Romeinen in die streken getuigen.</p> +<p class="footnote">Waarschijnlijk is destijds de stad Grebbe gesticht, +welke gelegen heeft omtrent een half uur gaans benoorden Wieringen, aan +het tegenwoordig Amsteldiep. Omstreeks 1710 was er nog veel muurwerk +overig, en voorheen moet de massa van dat muurwerk ongelijk grooter +geweest zijn, vermits men om het midden der XVII eeuw zeer veel +duifsteen heeft opgehaald en met kagen naar Amsterdam +vervoerd.—Over het bestaan dezer stad is veel getwist en aan de +kronijkschrijvers <span class="sc">Twisk</span>, <span class= +"sc">Borger</span>, <span class="sc">Valkoog</span> en <span class= +"sc">Zoeteboom</span> voorheen (zoo als aan de oude Friesche kronijken) +allen geloof in dezen ontzegd; doch na de opsporingen en berigten van +<span class="sc">Paludanus</span> en anderen, in onzen leeftijd gedaan +en gegeven, is die twijfel opgehouden.—Dat Drusus in deze streken +dijken heeft aangelegd, is door de berigten en ontdekkingen van de +geleerde oudheidkundigen <span class="sc">A. Junius</span>, den Marquis +<span class="sc">de Saint Simon</span> en <span class="sc">R. +Paludanus</span> buiten twijfel gesteld.—<span class= +"sc">Scheltema</span>, <i>Geschiedenis der Zuiderzee</i>. M. S.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4700" href="#xd20e4700src" name="xd20e4700">28</a></span> Over +deze daad en het Brittenkruid vergelijke men <span class= +"sc">Plinius</span> XXV. 3. <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Fr. +Jaarb. I.</i> 125 en 126,—<i>Beschr. v. Fr<span class="corr" id= +"xd20e4715" title="Niet in bron">.</span> I.</i> 344. <span class= +"sc">Schotanus</span>, <i>Friesche Hist.</i> p. 8. <span class= +"sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> p. 14. <span class= +"sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. I.</i> 79. <span class="sc">H. +Cannegiet.</span> <i>Dissert. de Herba Brittanica</i> etc. p. +40.—<i>Tegenw. Staat van Friesl. I.</i> p. 19 volgg. en p. +126.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4761" href="#xd20e4761src" name="xd20e4761">29</a></span> +’t Zal met deze namen den <i>Romeinen</i>, als den lateren +<i>Franschen</i> met die van de Admiralen <span class="sc">Tjerk +Hiddes</span> en <span class="sc">van Duvenvoorde</span> gegaan zijn. +Dezen heetten zij <span class="sc">Kierkides</span> en <span class= +"sc">Vandenfort</span>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4802" href="#xd20e4802src" name="xd20e4802">30</a></span> Zie +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 203. <span class= +"sc">Schot</span>, <i>Fr. Hist.</i> bl. 26. <i>Tegenwoordige Staat van +Utrecht, I.</i> 13 volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4824" href="#xd20e4824src" name="xd20e4824">31</a></span> Ook +<span class="sc">Westendorp</span> (<i>Jaarb.</i> p. 16) heeft hier +geen licht verspreid, verklarende niet te weten, op welk gezag de +Jaarboekschrijvers van eenen inval der Noormannen in ’t jaar 90, +bij <span class="sc">F. Sjoerds</span> Gothen genoemd, +gewagen.—Dit punt verdiende mede een opzettelijk onderzoek, daar +men toch niet kan vooronderstellen, dat deze vermelde feiten, op +verschillende tijden geschied, uit de lucht gegrepen zouden zijn.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4848" href="#xd20e4848src" name="xd20e4848">32</a></span> Vergel. +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 220 en volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4885" href="#xd20e4885src" name="xd20e4885">33</a></span> +Vergelijk <span class="sc">Westendorp</span>, <i>Jaarb. van en over +Groningen</i>, p. 32 en volgg., zoo over deze als de opvolgende +tijdvakken, onder de regering der Koningen Radboud I, Adgillus II, +Gondebald en Radboud II., de laatste Koning over Friesland.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4916" href="#xd20e4916src" name="xd20e4916">34</a></span> +<span class="sc">Luden</span>, <i>Geschichte des Teutschen Volks</i>. +Een onwaardeerbaar boek!</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4928" href="#xd20e4928src" name="xd20e4928">35</a></span> +<span class="sc">Gaillard</span>, <i lang="fr">Histoire de +Charlemagne</i>. Niet een van de minsten, wat zijnen schrijftrant +betreft.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4976" href="#xd20e4976src" name="xd20e4976">36</a></span> Hoezeer +te dikwijls de kleine daden van groote mannen tot bouwstof moeten +dienen, om des Schrijvers historie met luister op te sieren, is echter +in de geschiedenis van dezen <i>Karel</i>, hoe dikwijls ook beschreven, +geen verdicht sieraad noodig: want altoos levert zij een grootsch +tafereel op van een merkwaardig Vorst, aan wien de wetenschappen en +letteren, maar vooral de vrijheid en onafhankelijkheid van geheel de +Christenheid, alles te danken hebben.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4988" href="#xd20e4988src" name="xd20e4988">37</a></span> Over +deze en al de oude wegen in Oost-Friesland is eene zeer uitvoerige +beschrijving gegeven door <span class="sc">Fr. Arends</span>, in het +<i>Ostfrisisches Volks-Buch</i> van het jaar 1832, waarvan eene +gedeeltelijke vertaling door mij is gegeven, in het Mengelwerk der +Leeuwarder Courant.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5013" href="#xd20e5013src" name="xd20e5013">38</a></span> Men zie +hierover <span class="sc">Adam</span> en <span class= +"sc">Meijer</span>, <i>Römische Altherthümer</i>, II. D., en +vergelijke de <i>Aanteekeningen over het Oude Friesche Wapen</i>, in +het <i>Mengelw. Leeuw. Courant</i>, <i>20 Sept. 1831</i>. alwaar dit +breeder ontwikkeld is.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5200" href="#xd20e5200src" name="xd20e5200">39</a></span> +<span class="sc">Bilderdyk</span>, <i>Geslachtlyst</i> op het woord +<i>Adel</i>, zegt: het is slechts eene andere uitspraak van +<i>edel</i>; van <i>aad</i>, <i>oud</i>. Van deze meening moeten wij, +met anderen, verschillen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5243" href="#xd20e5243src" name="xd20e5243">40</a></span> Dit +Register is onder anderen te vinden bij <span class= +"sc">Winsemius</span>, <i>Chron.</i> fol. 402.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5252" href="#xd20e5252src" name="xd20e5252">41</a></span> +<i>Graven</i> waren Bestuurders namens den Vorst in de +Provinciën,—<i>Hertogen</i> waren +Legerhoofden,—<i>Baronnen</i> of <i>Baanderheeren</i> Hoofden van +een District—en <i>Heeren</i> Krijgsmannen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5409" href="#xd20e5409src" name="xd20e5409">42</a></span> +<span class="sc">Tacitus</span> zegt: <i>Olennius</i> e primipilaribus +regendis Frisiis impositus.—De <i>Primipilares</i> behoorden tot +de eerste compagnie der Triariërs; vandaar <i>Primipilares</i> +scil. <i>Centurio</i>, de Hoofdman van die eerste compagnie: +<span class="sc">Stuart</span>, <i>Rom. Gesch. XXII</i>. noemt +<i>Olennius</i> een der eerste Hoplieden eener keurbende.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6378" href="#xd20e6378src" name="xd20e6378">43</a></span> Men +weet dat er over het bestaan van deze stad Grebbe bij de +oudheidkundigen is getwist. Aan de latere kronijkschrijvers +<span class="sc">Twisk</span>, <span class="sc">Borger</span>, +<span class="sc">Valkoog</span> en <span class="sc">Zoeteboom</span> +werd voorheen in dezen geloof ontzegd, doch na de opsporingen en +berigten van <span class="sc">Paludanus</span> en anderen, in onzen +leeftijd gedaan en gegeven, heeft de twijfel opgehouden. <span class= +"sc">Scheltema</span>, <i>Geschiedenis der Zuiderzee</i>. M.S.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6403" href="#xd20e6403src" name="xd20e6403">44</a></span> +<span class="sc">Westend.</span> <i>Jaarb.</i> spreekt in 662 van een +zwaren watervloed over <i>West-Friesland</i>. Deze heb ik niet kunnen +vinden; welligt is ’t eene drukfout voor 626.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6481" href="#xd20e6481src" name="xd20e6481">45</a></span> +<span class="sc">Westendorp</span>, <i>Jaarb.</i> p. 31 zegt: die +langer dan de <i>Spies</i> van Klotarius waren: dit zou nog al verschil +maken.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6660" href="#xd20e6660src" name="xd20e6660">46</a></span> Het is +beschreven onder anderen bij <span class="sc">Wins.</span> +<i>Chronique</i>, fol. 61; <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> +p. 39. Vergel. <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Beschr. I.</i> +546.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6833" href="#xd20e6833src" name="xd20e6833">47</a></span> Over de +Graven en Hertogen vergelijke men <span class="sc">Bild.</span> +<i>Gesch. d. Vad. I.</i> 107 volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6879" href="#xd20e6879src" name="xd20e6879">48</a></span> +Algemeen noemt men hem Lodewijk <i>den Vrome</i> doch <span class= +"sc">Bilderdijk</span> zegt (<i>Gesch. d. Vaderl. I.</i> 100. +<i>noot</i>), dat <i>pius</i> niet vroom beteekent, want dat vroom +eigenlijk is ’t geen de Romeinen <i>strenuus</i>, dapper, +noemen.—Beter noemden hem de Franschen, <i>le debonnaire</i>, de +Zachtmoedige.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6995" href="#xd20e6995src" name="xd20e6995">49</a></span> +Uitgegeven te Leiden bij S. en J. Luchtmans, 1833.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7027" href="#xd20e7027src" name="xd20e7027">50</a></span> +<i>Gesch. d. Ned. Taal, II.</i> 136. De aanmerking van den Schrijver, +dat er in het woord <i>karelui</i> in den Neders. tekst door +onachtzaamheid of onkunde der afschrijvers een misslag begaan is, en +dit <i>Karelen</i> of <i>Karels</i> zal moeten zijn, zal ook in den +Duitschen tekst gelden, daar de Duitsche overzetter van <i>Karelui</i>, +<i>Karl-pfui</i> schijnt gemaakt te hebben.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7105" href="#xd20e7105src" name="xd20e7105">51</a></span> Zie de +Aanteek. op den jare 1239. <i>Fr. Jierb.</i> 1833, §§ 5 en +14; <span class="sc">Bild.</span> <i>Gesch. I.</i> 89, 92–94, 252 +en 296.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7183" href="#xd20e7183src" name="xd20e7183">52</a></span> +<span class="sc">Westendorp</span> maakt geen gewag van deze +Potestaten. Ook <span class="sc">Bild.</span> laat dit punt +onaangeroerd.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7469" href="#xd20e7469src" name="xd20e7469">53</a></span> De +Script. Frisiae, Dec. VII. C. 3 et Dec. XII. C. 6.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7705" href="#xd20e7705src" name="xd20e7705">54</a></span> Wij +hebben dit verhaal hoofdzakelijk getrokken uit een door den +geschiedkundigen <span class="sc">T. D. Wiarda</span> bewerkt stuk, +zamengesteld uit de Friesche en andere Kronijk- en Geschiedschrijvers, +benevens eenige Handschriften. Men vindt het in het Tijdschrift +<i>Ost-Friesische Mannigfaltigkeiten</i>, <i>3 Jahrgang</i>, +<i>Aurich</i>, 1786.—Waar het ons noodig dacht, hebben wij eenige +veranderingen en vermeerderingen gemaakt. <span class= +"sc">Wiarda</span> heeft alle zijne bronnen naauwkeurig aangewezen, +welke aanhalingen wij hebben achterwege gelaten, doch eenige +ophelderende aanteekeningen er bij gevoegd. In het <i>Mengelw. der +Leeuwarder Couranten</i> van 4 Junij, 6, 20 Aug. en 10 Sep. 1833, in +welke wij dit stuk als eene bijdrage geven, zijn de eersten te +vinden.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7759" href="#xd20e7759src" name="xd20e7759">55</a></span> De +meeste Geschiedschrijvers spreken van roode kruisen. Dit kan van dezen +eersten Kruistogt waar zijn; doch in de volgenden hebben voorzeker de +onderscheidene natiën zich door de kleuren kenbaar gemaakt. +»De Koning van Frankrijk neemt met de zijnen roode, de Koning van +Engeland met de zijnen witte, de Graaf van Vlaanderen met de zijnen +groene kruisen aan:”</p> +<p class="footnote"><b><i lang="la">Et Rex Franciae cum suis rubeas +cruces, Rex Angliae cum suis albas, Comis Flandrensis cum suis virides +suscipiunt.</i> <span class="sc">Andr. Sylv. Marcian</span>: <i>ad ann. +1188</i>.</b></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7807" href="#xd20e7807src" name="xd20e7807">56</a></span> +<span class="sc">Helmoldi</span> <i>Chron. Slav.</i> L. 2. C. 66. Dit +geval vindt men beter en omstandiger vermeld bij <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>, 361–363.—<span class= +"sc">Schotanus</span> zegt: »Onse reuck is stanck in hare +neus-gaten.”—</p> +<p class="footnote">Volgens <span class="sc">Ebert</span>, <i>Bibliogr. +Lexicon</i>, is de Kronijk van <i>Helmold</i> naar het H. S. te Lubeck +uitgegeven in den jare 1659, en met nooten voorzien door <i>H. +Bangertus</i> in quarto;—de eerste druk echter is van 1556.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7849" href="#xd20e7849src" name="xd20e7849">57</a></span> Van de +groote bijgeloovigheid dier tijden kan men zich bijna geen denkbeeld +maken. Het ontbrak in Friesland niet aan kruisen in de lucht: misschien +reeds de vliegeruitvinding, om het volk te verbijsteren. <span class= +"sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>, 491.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7862" href="#xd20e7862src" name="xd20e7862">58</a></span> Deze +<span class="sc">Olivier</span> werd in 1223 Bisschop te Paderborn en +in 1226 Kardinaal. Vid. <span class="sc">Nic. Schat</span>. <i>Hist. +Westph.</i> L. XX, p. 996 seq.—Deze <span class="sc">N. +Schaten</span> was een Jesuit in Westfalen, geboren 1608, heeft ook de +daden van Karel den Groote beschreven: zijne geschiedenis van Westfalen +kwam het eerst uit in 1690. <span class="sc">Ebert</span> in voce.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7882" href="#xd20e7882src" name="xd20e7882">59</a></span> +<span class="sc">K. Muchler</span>, <i>Abendzeitung</i>, <i>August.</i> +1831. <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>, 492; +<span class="sc">J. C. Maier</span>, <i>Geschiedenis der +kruistogten</i>, p. 187.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7911" href="#xd20e7911src" name="xd20e7911">60</a></span> +Misschien van <span class="sc">Olivier</span> zelven, die den togt mede +gedaan, en ook eene <i>Historia Damiatina</i> (Geschiedenis van +Damiate) geschreven heeft. <span class="sc">Eccard</span> heeft in +<i>Corp. Hist. med. aevi</i> dezelve doen afdrukken. Het spijt mij, dat +mij dit werk, ’t welk ik hier met nut gebruiken kon, niet ten +dienste staat.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7934" href="#xd20e7934src" name="xd20e7934">61</a></span> Het +<i>Itinerarium</i> zegt van 12 schepen. <span class="sc">Emmius</span>, +die dit Itinerarium desgelijks in Mspt. (want het was toen nog niet +afgedrukt) voor zich had, spreekt van 212 schepen. Het eerste is zeker +eene drukfout. Ook in de <i>Wijsgeerige en Staatkundige Geschiedenis +der Wereld, van</i> <span class="sc">K. H. L. Pölitz</span>, door +<span class="sc">Wits. Geysbeek</span> vertaald, wordt slechts van 12 +schepen gemeld; dan volgens <span class="sc">F. Sjoerds</span>, +<i>Jaarb. II</i>, 493 en anderen, stak Graaf Willem met 12 schepen uit +de Maas in zee, wordende gevolgd van een groot aantal volks. Naar +Engeland overstekende, vereenigden zich de Hollandsche en Friesche +vloten met die der Engelschen, onder bevel van George, Grave van Wight, +welke vereenigde vloten uit 212 schepen zullen bestaan hebben.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7961" href="#xd20e7961src" name="xd20e7961">62</a></span> Volgens +de woorden van <span class="sc">Emo’s</span> <i>Chronicon</i>: +(vid <span class="sc">Matth.</span> <i>Analecta vet. aev.</i> II, +26)—<i>Comes de Wetha Praedux totius classis est electus, +posteriore custodia Comiti Hollandiae deputata, quem Ducem et Dominum +jam totus sibi delegerat exercitus.</i>—was niet den Graaf van +Holland, maar den Graaf van Wieden het Opper-Admiraalschap +opgedragen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8015" href="#xd20e8015src" name="xd20e8015">63</a></span> Wij +willen hierbij voegen, hetgene voorkomt in het geslachtregister van +Friesche <i>Adellijke Familien</i>, opgemaakt door <span class="sc">S. +v. Adelen van Cronenburgh</span>, en vervolgd door <span class="sc">P. +van Albada ter Oele</span> (M. S.), betrekkelijk het Geslacht der +<i>Roordaas</i>, die eertijds in hun wapen mede rozen boven de baar +voerden, maar dit naderhand hebben veranderd.</p> +<p class="footnote">De oorzaak van deze verandering is dit: +»’t Is gebeurd ten tijde dat veel verscheidene Natiën, +gelijk de Friezen, in ’t H. Land waren getogen, om hetzelve uit +de handen en het geweld der Saracenen of Turken te verlossen, dat onder +anderen verscheidene Edellingen uit Friesland, ook die van het Geslacht +van <i>Roorda</i>, met de menigte aldaar zijn geweest, onder welke zoo +het gebeurde, tusschen de beide heiren van de Christenen en Saracenen, +dat er een uitnemend groot, stout en vaillant Moorsch Prins was uit het +Saraceensche heir, die voor het Christen-leger zeer hoogmoedig ging +braveeren, uitdagende aldaar een van de vaillantste Ridderen der +Christenen, om met hem een kampslag te slaan; zoo heeft er terstond een +stoutmoedige edele Fries uit het geslacht van <i>Roorda</i> verlof van +zijnen Prins begeerd, om met dezen man een kampslag te doen; ’t +welk hem toegestaan zijnde, is hij in het aanzien van beide legers +tegen dezen Moor in het veld getreden, en heeft aldaar zulk eene +forsigheid met feiten van wapens bedreven, dat hij ten laatste dezen +Moor heeft overweldigd, ter neêr gehouwen en onthoofd, het hooft +ook tot een teeken van victorien op de poot van zijn geweer naar het +Christen-leger triumphantlijk gebragt; alwaar hij bij alle de Prinsen, +Heeren en Ridders zeer loffelijk van zijne stoutmoedigheid zeer +geprezen, en mede Ridder geslagen en eerlijk ontvangen is. En is hem +ook, alsmede zijnen nakomelingen, tot een teeken en memorie van eene +zoo vrome daad, een <i>Moriaanshoofd</i> in zijn schild en wapens +vereerd, gelijk zijn geslacht nog tegenwoordig voert, benevens zeer +loffelijke brieven en attestatie met Prinsen en Heeren Zegelen +bevestigd.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8052" href="#xd20e8052src" name="xd20e8052">64</a></span> In het +<i lang="fr">Grand Theatre Historique, T. III</i>, p. 328 vindt men de +plaat van dit met eene zaag voorziene schip. De stad Haarlem eigent +zich dit schip toe. Men vindt daarom nog in de groote kerk zelfs een +model van dat schip. Ook maken er de Dokkumers aanspraak op. Zij hebben +er een model van tot windwijzer op den toren der groote kerk gemaakt. +<span class="sc">Idsinga</span>, <i>Staatsregt van Groningen</i>, p. +126.—<span class="sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. II</i>, +350.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8072" href="#xd20e8072src" name="xd20e8072">65</a></span> +<i>Meleddin</i> was de oudste zoon van den Sultan Saphaddin, die +gedurende het beleg van Damiate gestorven was<span class="corr" id= +"xd20e8076" title="Niet in bron">.</span></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8123" href="#xd20e8123src" name="xd20e8123">66</a></span> De te +voren vermelde verovering der stad Damiate plaatst <span class= +"sc">Beninga</span> verkeerdelijk in het jaar 1229, in de Geschiedenis +dezes Kruistogts onder Frederik II.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8137" href="#xd20e8137src" name="xd20e8137">67</a></span> Dat zij +aan dezen Kruistogt geen deel genomen hebben, is genoegzaam zeker, want +op verzoek van den Koning Willem had de Kardinaal Caputio, namens den +Paus, de Friezen van hunnen Kruistogt naar het H. Land ontslagen, mits +zij Willem Aken hielpen veroveren, waarop zij bij gansche scharen naar +zijn leger optrokken, natuurlijkerwijze dezen togt ver de voorkeur +gevende, boven den meer verwijderden naar Palestina. Verg. <span class= +"sc">J. Meerman</span>, <i>Gesch. van Graaf Willem van Holland, Roomsch +Koning, I</i>. 263–264.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8148" href="#xd20e8148src" name="xd20e8148">68</a></span> Willem +is, gelijke bekend staat, en onze Kronijk zegt, niet in Friesland, maar +te Hoogwoude in Noord-Holland door de West-Friezen vermoord. Zie +<span class="sc">Meerman</span>, als voren. De opgave van <span class= +"sc">Wiarda</span> is dus hier onjuist. Vergelijk <span class= +"sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. II</i>. 401; <span class= +"sc">Bilderdyk</span>, <i>Geschiedenis des Vaderlands, II</i>. 151, +152.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8203" href="#xd20e8203src" name="xd20e8203">69</a></span> Tot +dusver loopt het verhaal van <span class="sc">Wiarda</span>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8218" href="#xd20e8218src" name="xd20e8218">70</a></span> Zie het +slot van aangehaalde werk: <i>Proeve van eene Geschiedenis der +Kruistogten en derzelver gevolgen</i>, bl. 546, waarin echter zeer +uitroerig over de voordeelen en weinig over de nadeelen wordt +gesproken.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8227" href="#xd20e8227src" name="xd20e8227">71</a></span> Dit +uitmuntend werk is door den zeer kundigen <span class="sc">Steenbergen +van Goor</span> in den jare 1823 uit het Hoogduitsch vertaald en met +vele belangrijke aanmerkingen voorzien. Het gevoelen van dezen was het +volgende: »Dat <span class="sc">Europa</span> door de Kruistogten +veel geleden heeft, zal niemand ontkennen; maar dat het tevens door +dezelve in burgerlijke vrijheid, beschaving, verlichting, koophandel en +kunstvlijt veel, zeer veel heeft gewonnen, is onbetwistbaar. En nu +vrage men, of die voordeelen <i>destijds</i> voor eenen minderen prijs +te verkrijgen zouden geweest zijn?” Ook <span class= +"sc">Luden</span> in zijne <i>Allgemeine Geschichte der Völker und +Staaten des Mittelalters</i>, is ten dezen niet genoeg aan te +bevelen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8262" href="#xd20e8262src" name="xd20e8262">72</a></span> Verg. +<span class="sc">Styl</span>, <i>Opkomst en Bloei der Nederlanden</i>, +bl. 28; <i>Tegenwoordige Staat van Friesland, I</i>. 312; <span class= +"sc">West.</span>, <i>Jaarb. I</i>. 209; <span class= +"sc">Cerisier</span>, <i>Geschiedenis der Nederlanden, I</i>. 209.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8422" href="#xd20e8422src" name="xd20e8422">73</a></span> Verg. +<span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> bl. 92; <span class= +"sc">Egger</span>. <span class="sc">Beninga</span>, <i>Kronijk</i>, bl. +101; <span class="sc">Dumbar</span>, <i>Analecta, I</i>. 333.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8908" href="#xd20e8908src" name="xd20e8908">74</a></span> Vergel. +<i>Gesch. des Vaderl. II</i>. 130, waar het anders had behooren vermeld +te zijn. Over de Bulle van Karel <i>Byv. en Aanm.</i> op <span class= +"sc">Wagenaar</span>, <i>I</i>. 107, en <span class="sc">A. +Kluit</span>, <i>Hist. der Holl. Staatsr. V</i>. 52, die het vrij zeker +stelt, dat voor den jare 1300 dat stuk bestond. Aantt. <i>O. Fr. +Wett.</i> 109, 112. Zie over den dood van Willem, onze noot op bl. 387, +<i>Tegenw. Staat, I</i>. 409 en 410.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9072" href="#xd20e9072src" name="xd20e9072">75</a></span> Op bl. +20 en 21; welk Geschiedverhaal met de andere Geschriften van +<span class="sc">Jancko Douwama</span> worden uitgegeven door het +<i>Provinciaal Genootschap ter beoefening der Friesche Geschied-, +Oudheid- en Taalkunde</i>, waarvan de eerste aflevering in den jare +1830 is uitgekomen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9160" href="#xd20e9160src" name="xd20e9160">76</a></span> Verg. +<span class="sc">H. W. Tydeman</span>, <i>Over de Hoeksche en +Kabeljaauwsche twisten</i>, bl. 111.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9173" href="#xd20e9173src" name="xd20e9173">77</a></span> +<span class="sc">Winsemius</span>, fol. 174: »Wat meer is die +oude gheschreven Chroniquen ghetuygen, dat door ’t selve quaedt +van tweedracht, die inghesetenen deser landen, nu in ryckdom ende +weelde sittende, alle hare macht aengheleyt te hebben tot stiftinghe +der Stinsen ende vasticheden, in sulcken aentale, dat in een Dorp +’t begrijp van dertich huysen, hebbende, <i>sesthien</i> Stinsen +uyt den ouden <i>Vrieschen</i> Steen gemaeckt (welcke van hardicheyt +een vlintsteen ghelyck was) ghevonden zyn.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9216" href="#xd20e9216src" name="xd20e9216">78</a></span> Over +het vroeger tijdvak en de gesloten verbonden en overeenkomsten zijn +belangrijk de <i>Monumenta Groningana veteris aevi inedita</i>, door +den geleerden <span class="sc">Keuchenius Driessen</span> uitgegeven, +en met uitnemende Aanteekeningen verrijkt; bijzonder zijne Aantt. op +bl. 335, 398, 475, 493, 797 en 831. Verg. <i>Iets over den Oorsprong en +de Partijnamen der Schieringers en Vetkoopers</i>, door den Heer +<span class="sc">P. Burggraaff</span>, in No. I van het <i>Tijdschrift +voor Onderwijzers</i>, die alleen als oorzaak der twisten beschouwt: +het ontstaan, de uitbreiding en het toenemend aanzien van den vierden +stand der maatschappij dien der burgers.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9703" href="#xd20e9703src" name="xd20e9703">79</a></span> In de +eerste druk van onze kronijk staat ook dit jaar vermeld.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9877" href="#xd20e9877src" name="xd20e9877">80</a></span> Dit H. +S. is de oorspronkelijke Grafelijke Rekening van den Heer Garbrand van +der Couster, Proost van Berghen in Henegouwen, ende Jorghel, mijns +Heeren Camerling, van ’t geen sy ontfaen hebben van mijnen lieven +Heere van Holland, toter reyze behoef van Oistvrieslant; verrekend en +gesloten op den 18 Maart 1396, hofstijl, d. i. 1397. Zie de uitmuntende +<i>Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen</i>, door den Archivarius +<span class="sc">de Jonge</span>, <i>I</i>. 30 en 31.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9889" href="#xd20e9889src" name="xd20e9889">81</a></span> +<span class="sc">Wagenaar</span>, <i>V. H. III</i>. 502.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9900" href="#xd20e9900src" name="xd20e9900">82</a></span> +<span class="sc">de Jonge</span>, t. a. p.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10103" href="#xd20e10103src" name="xd20e10103">83</a></span> +<i>Hoveling.</i> De Edellieden, die op vaste burgten, sloten of stinzen +woonden, werden in Friesland <i>Hovelingen</i> genoemd. Verg. +<i>Archief voor Vaderl. en Vriesche Geschiedenis</i> van <span class= +"sc">Visser</span> en <span class="sc">Amersfoordt</span>, <i>Aant. +I</i>. bl. 25.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10376" href="#xd20e10376src" name="xd20e10376">84</a></span> De +Geschiedschrijvers vermelden dit voorval breedvoerig: <span class= +"sc">O. v. Scharl</span>. quarto, bl. 245–247<span class="corr" +id="xd20e10381" title="Bron: .">;</span> <span class="sc">Wins.</span> +<i>Chron.</i> fol. 306; <span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> +fol. 372; <span class="sc">Gabbema</span>, <i>Verhaal van Leeuw</i>. +164; <span class="sc">Petr. Thaborita</span> op ’t jaar 1487; +<i>Kronijk en Beschrijving van de stad Sneek</i>, door <span class= +"sc">Napjus</span>, 2e dr. bl. 11, enz. De Heer <span class="sc">van +Halmael</span> heeft in een gedicht dit feit herdacht. Zie +<i>Mengelwerk der Leeuw. Courant, 20 April 1830</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11039" href="#xd20e11039src" name="xd20e11039">85</a></span> +Onder de oudere Schrijvers heeft de geleerde en verdienstelijke +Historieschrijver <span class="sc">Lambertus Hortensius</span> van +<span class="sc">Montfoort</span>, in zijn werk: <i lang="la">de +tumultu Anabaptistarum</i>, te Bazel in 1548 uitgegeven, van dit oproer +in Friesland een getrouw verslag gedaan. In de zeldzame Hollandsche +vertaling van 1659, in klein Octavo, versierd met fraaije plaatjes, is +ook eene afbeelding van de belegering des kloosters. <span class= +"sc">De Wind</span>, <i>Bibliotheek, I</i>. 150 noemt een’ druk +van 1660.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11143" href="#xd20e11143src" name="xd20e11143">86</a></span> Vele +oude kloosters, en ook het Convent Thabor, waren zeer uitgebreid en +groot gebouwd, zoodat zij zelfs een aantal krijgslieden konden bevatten +en verzorgen. Deze Schrijver verhaalt, dat zijn Convent de navolgende +gebouwen had: een Molkenhuis, Bakhuis, Waschhuis, Schoenmakershuis, +Poorthuis, Bouwhuis, Timmerhuis (welligt met het Bouwhuis hetzelfde), +Koehuis, Molkenhuis, Brouwhuis, Ziekenhuis, verscheidene Dormters, +slaapplaatsen der Geestelijken en Leeken, eene Kloosterkerk, Sacristij, +Capittelhuis enz., voorts Binnenhof, Tuin, Bosch en Boomgaard.—De +bewoners waren Geestelijken, Leeken, Priesters en Monniken: Beambten +waren er velen, als Bouwmeester, Opzigter, Kellener, Molkenmeester, +Portier, Biermeester enz., terwijl er voor de gewone behoeften een +aantal bedienden nodig waren.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11369" href="#xd20e11369src" name="xd20e11369">87</a></span> Deze +<i>Memorien</i> zijn eerst uitgegeven in 1564, daarna door <span class= +"sc">Dumbar</span> in zijne <i>Analecta</i> geplaatst, met vele +bijgevoegde aanteekeningen, uithoofde dit werk uiterst zeldzaam was +geworden. Zie Aantt. op bl. 182 der kronijk.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11391" href="#xd20e11391src" name="xd20e11391">88</a></span> De +titel is: <span class="sc">Joannis Caroli</span> <i>de rebus</i> +<span class="sc">Casparis</span> <i>â</i> <span class= +"sc">Robles</span> <i>Billaei in Frisia gestis commentariorum Libri +IV</i>. De Schrijver, geboren te Antwerpen in de laatste helft der XVI +eeuw, was lid van den Grooten Raad te Mechelen, uithoofde van welke +betrekking hij in den jare 1567 in Friesland kwam, en Algemeen +Geregtsverzorger (Procureur Generaal) werd. Hij legde daarna zijne +ambten neder, werd Franciskaner Monnik, doch stierf nog voor het einde +van zijn proefjaar in 1598.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11514" href="#xd20e11514src" name="xd20e11514">89</a></span> +<i>Bara-Huis</i>, <i>Bara-Stins</i> en <i>Bara-Conven</i>t +waarschijnlijk dus genoemd naar den naam des stichters, die even +onbekend is als den tijd waarin de stichting heeft plaats gehad. Men +kan echter voor zeker stellen, dat de Middelzee nog in volle kracht +was, toen de bouwing heeft plaats gehad. In de burgeroorlogen der +Friesche partijen werden er <i>meene dagen</i>, vergaderingen en +bijeenkomsten, gehouden. Twee boereplaatsen zijn aldaar nu aanwezig, +waarvan de eene waarschijnlijk op den bouwval van het Convent zal zijn +aangelegd, en in de tweede boerderij, aan den straatweg gelegen, wordt +de naam nog bewaard.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11539" href="#xd20e11539src" name="xd20e11539">90</a></span> +<i>Staatkundig Nederland, I.</i> 49. Aldaar wordt ook melding gemaakt +van de marmeren poort van Viglius, voorzien met zijne spreuk: <i>Vita +mortalium Vigilia</i> (het leven der stervelingen is eene nachtwake), +geplaatst in de voorzaal der Kanselarij. Doch dit was zij weleer, want +ook dit eerwaardig gedenkstuk der oudheid moest in de algemeene +vernietiging deelen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11550" href="#xd20e11550src" name="xd20e11550">91</a></span> Deze +redevoering is uitgesproken in een Letterkundig Genootschap te +Amsterdam na 1795, en na ’s mans dood gedrukt en uitgegeven, door +de zorg van den verdienstelijken Hoogleeraar <span class="sc">H. W. +Tydeman</span>, in de <i>Mnemosijne</i>, XIV Deel.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11567" href="#xd20e11567src" name="xd20e11567">92</a></span> Deze +Verhandeling, in het openbaar uitgesproken, is daarna geplaatst in het +<i>Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van 23 en 30 Maart 1830</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11639" href="#xd20e11639src" name="xd20e11639">93</a></span> Zie +<i>de Unie van Brussel des jaars 1577, naar het oorspronkelijke +uitgegeven</i> door Mr. <span class="sc">J. C. de Jonge</span>, bl. 95 +en 166–169.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11675" href="#xd20e11675src" name="xd20e11675">94</a></span> Zie +<i>het Cort Verhael van Rennenburgs leven</i>, op bl. 469–473 +zijner <i>Memorien</i>. Dit geschrift heeft hoofdzakelijk tot bouwstof +gediend voor de Schrijvers van den <i>Tegenwoordige Staat van Stad en +Lande, I</i>. 420 tot 502, bevattende Rennenberg’s geschiedenis; +voor <span class="sc">van Meteren</span>, in het breede ’t beleg +van Steenwijk vermeldende en voor <span class="sc">Wagenaar</span> over +dit tijdvak, welke ook schijnt te betwijfelen: »of hem de kwaade +uitslag zyns bedryfs niet meer dan de snoodheid en ’t verraad +gesmert hebbe.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11832" href="#xd20e11832src" name="xd20e11832">95</a></span> Van +dit Huwelijk wordt bij <span class="sc">Winsemius</span>, <span class= +"sc">Wagenaar</span> en anderen geene melding gemaakt. <span class= +"sc">Kok</span>, <i>Vaderl. Woordenb.</i> zegt dat Graaf Willem niet +getrouwd is geweest. Wij hebben ook misstellingen en veel verschil in +de dagteekeningen ontdekt, en daarom de opschriften der grafzerken, zoo +ver vermeld, gevolgd. Men vergelijke onder anderen over deze en de +volgende Stadhouders <span class="sc">Johannes van den Bosch</span>, +<i>de Heeren Stadhouderen van Vriesland</i>,—<i>beschreven</i>, +enz.;—<i>de Redevoering van</i> <span class="sc">A. G. +Camper</span>, bij de inhuldiging van Vrieslands Athenaeum +uitgesproken, met het eerste bijvoegsel, en <i>Holland’s +Roem</i>, door den Baron <span class="sc">Collot d’Escury</span>, +<i>IV</i>. <i>Aantt.</i> bl. 220, 221.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12064" href="#xd20e12064src" name="xd20e12064">96</a></span> Over +de begraving der Vorstelijke Familiën, zie de Noot op den jare +1620.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12096" href="#xd20e12096src" name="xd20e12096">97</a></span> Uit +eene verzameling van eigenhandige en vertrouwelijke Brieven van den +Stadhouder, geschreven van de jaren 1734 tot 1747, aan zijnen Vriend en +Raadsman den Heere <i>van der Mieden</i>, Raadsheer in het Hof van +Holland, mij goedgunstig door deszelfs Neef, Mr. <i>J. Schonck</i>, +Raad in het Hoog Geregtshof te ’s Gravenhage, medegedeeld, blijkt +des Vorsten uitnemend karakter. Ook is deze hoogst belangrijke +Correspondentie tevens bevattende een aantal eigenhandige brieven van +Prinses Anna, den Baron H. van Aylva, den Hertog Lodewijk van +Brunswijk, den Opperstalmeester Grovestins, den Secretaris van Prinses +Anna, de Larrey en anderen, voor de geschiedenis van dien tijd van +hooge waarde.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12443" href="#xd20e12443src" name="xd20e12443">98</a></span> In +ons Gewest bleef echter van die invoering tot op den huidigen dag een +gebruik over, bij anderen niet aangenomen, zijn oorsprong ontleenende +uit het verschil van dagen, door den Ouden en Nieuwen Stijl ontstaan. +Alle verhuringen en verhuizingen hebben plaats op den 12 Mei, niet op +den eersten; zoo komen alle dienstboden op den 12 Mei en 12 November, +welke dagen men <i>oude Mei</i> en <i>oude Allerheiligen</i> noemt, in +hunne diensten; dit gebruik is gewettigd geworden bij eene nadere +Publicatie der Provinciale Staten van 29 Januarij 1701. Men verkoopt en +verhuurt de Zathen en Landen enz. te aanvaarden, voor de landen St. +Petri, dat is den 5 Maart, (oude Sint Pieter), en voor de huizinge en +schuur den 12 Mei; overigens rigt men zich in alles naar den gewonen +Gregoriaanschen Almanak.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12680" href="#xd20e12680src" name="xd20e12680">99</a></span> In +de nagelatene Adversaria van een’ onzer verdienstelijke Friesche +Geleerden, vond ik nog deze aanteekening op het woord <span class= +"sc">Grietman</span>: »De geregtelijke tweegevechten werden +gehouden in eene plaats het <i>Krijtveld</i> genaamd. <i>Kryt</i> staat +voor het Hoogd. <i>griet</i> of <i>gries</i>, (gruis), dat volgens +<span class="sc">Veit Weber</span>, <i>Sagen der Vorzeit</i>, B. 11. p. +101, beteekent het <i>Steenzand</i>, waarmede de kampplaats wordt +bestrooid. Kan de benaming <i>Grietman</i> hiervan ook eenig licht +erlangen? Hij zoude dan oorspronkelijk de Opziener over zulk eene +Regterlijke kampplaats, Hoofd van zulk eene Regtspleging geweest zijn, +en het zou dan eigenlijk hetzelfde beteekenen als in de Oude Wetten +’t woord <i>grieswart</i>, <i>grieswärtel</i>, +<i>tournooivoogd</i>, of volgens nog ouder schrijfwijs +<i>greiswärtel</i>. Zie <span class="sc">Haltaus</span>, <i>Gloss. +Germ. med. aev.</i> p. 753, die hetzelve drie beteekenissen toekent, +welke met die waardigheid overeenkomen. Het woord <i>greta</i>, waarvan +het afgeleid wordt bij <span class="sc">Beyma</span>, is, meen ik, +oorspronkelijk ook alleen gebruikt van <i>oproeping</i> of +<i>dagvaarding ten kampstrijd</i>; (si vacat, hoc ulterius +demonstrabo).”</p> +<p class="footnote">»<span class="sc">Huydecoper</span> op +<span class="sc">Melis Stoke</span>, <i>III</i>. 54, legt <i>krijt</i> +uit door <i>kring</i> (kreis, kreits), doch ten aanzien van onze +gissing over den oorsprong van het Woord <i>Grietman</i> is dit +hetzelfde.”</p> +<p class="footnote">B. A.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div id="register" class="div1 index"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e12826" class="main">Register op de Bijvoegsels en +Aanteekeningen.</h2> +<div class="transcribernote indextoc"><a href="#xd20e12830">A</a> | +<a href="#xd20e13045">B</a> | <a href="#xd20e13170">C</a> | <a href= +"#xd20e13220">D</a> | <a href="#xd20e13286">E</a> | <a href= +"#xd20e13311">F</a> | <a href="#xd20e13463">G</a> | <a href= +"#xd20e13605">H</a> | <a href="#xd20e13699">I</a> | <a href= +"#xd20e13749">K</a> | <a href="#xd20e13880">L</a> | <a href= +"#xd20e13980">M</a> | <a href="#xd20e14097">N</a> | <a href= +"#xd20e14116">O</a> | <a href="#xd20e14166">P</a> | <a href= +"#xd20e14272">R</a> | <a href="#xd20e14363">S</a> | <a href= +"#xd20e14483">T</a> | <a href="#xd20e14541">U</a> | <a href= +"#xd20e14571">V</a> | <a href="#xd20e14645">W</a> | <a href= +"#xd20e14809">Y</a> | <a href="#xd20e14820">Z</a></div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e12830" class="main">A.</h3> +<p class="firstpar"><i>Abdena</i>, <a href="#pb424" class= +"pageref">424</a>.<br> +<i>Addinga</i>, <a href="#pb428" class="pageref">428</a>.<br> +Adel, <a href="#pb319" class="pageref">319</a>.<br> +<i>Adelen</i>. (<i>Ad. v</i>.), <a href="#pb353" class= +"pageref">353</a>.<br> +<i>Adgillus</i>, <a href="#pb333" class="pageref">333</a>, <a href= +"#pb335" class="pageref">335</a>, <a href="#pb340" class= +"pageref">340</a>,-2.<br> +<i>Adolf</i>, <a href="#pb443" class="pageref">443</a>.<br> +Aflaten, <a href="#pb416" class="pageref">416</a>.<br> +<i>Agricola</i>, <a href="#pb428" class="pageref">428</a>.<br> +<i>Aytta</i>, <a href="#pb446" class="pageref">446</a>.<br> +Aylva. (<i>H. W. v.</i>), <a href="#pb457" class="pageref">457</a>.<br> +Aken, <a href="#pb386" class="pageref">386</a>,-7, <a href="#pb404" +class="pageref">404</a>.<br> +<i>Alb. Agnes</i>, <a href="#pb455" class="pageref">455</a>,-6, +<a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Ameland, <a href="#pb357" class="pageref">357</a>, <a href="#pb458" +class="pageref">458</a>.<br> +<i>Amelia</i>, <a href="#pb456" class="pageref">456</a>,-7.<br> +<i>Anna</i>, <a href="#pb465" class="pageref">465</a>.<br> +<i>Anna v. Gr. Br</i>, <a href="#pb460" class="pageref">460</a>,-2.<br> +<i>Anna. v. Saks</i>, <a href="#pb452" class="pageref">452</a>.<br> +<i>Anna Sophia</i>, <a href="#pb453" class="pageref">453</a>, <a href= +"#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +<i>Anscharius</i>, <a href="#pb352" class="pageref">352</a>.<br> +<i>Aremberg</i>, <a href="#pb443" class="pageref">443</a>.<br> +Arianen, <a href="#pb353" class="pageref">353</a>.<br> +<i>Arundelius</i>, <a href="#pb334" class="pageref">334</a>.<br> +<i>Auckama</i>, <a href="#pb429" class="pageref">429</a>.<br> +Aula Dei, <a href="#pb326" class="pageref">326</a>.<br> +Austrachia, <a href="#pb470" class="pageref">470</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13045" class="main">B.</h3> +<p class="firstpar">Baduhenna, <a href="#pb323" class= +"pageref">323</a>.<br> +Bara-Huis, <a href="#pb446" class="pageref">446</a>.<br> +Barden, <a href="#pb287" class="pageref">287</a>, <a href="#pb326" +class="pageref">326</a>.<br> +Begraafplaats, <a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Beker, <a href="#pb422" class="pageref">422</a>, <a href="#pb448" +class="pageref">448</a>.<br> +Berlikum, <a href="#pb361" class="pageref">361</a>.<br> +Bernard. (Kerk v. St.), <a href="#pb404" class="pageref">404</a>.<br> +Bestand. (1348), <a href="#pb418" class="pageref">418</a>.<br> +Bier-Oproer, <a href="#pb429" class="pageref">429</a>.<br> +Bolsward, <a href="#pb405" class="pageref">405</a>.<br> +<i>Bonifacius</i>, <a href="#pb343" class="pageref">343</a>.<br> +<i>Botnia</i>, <a href="#pb398" class="pageref">398</a>.<br> +Bouwkunstenaar, <a href="#pb393" class="pageref">393</a>.<br> +Brieven, <a href="#pb439" class="pageref">439</a>, <a href="#pb446" +class="pageref">446</a>, <a href="#pb461" class="pageref">461</a>.<br> +Brittenkruid, <a href="#pb300" class="pageref">300</a>.<br> +<span class="pagenum">[<a id="pb476" href="#pb476" name= +"pb476">476</a>]</span> Bulle v. <i>Karel</i>, <a href="#pb351" class= +"pageref">351</a>, <a href="#pb404" class="pageref">404</a>.<br> +Buskruid, <a href="#pb421" class="pageref">421</a>.<br> +Bussen, <a href="#pb421" class="pageref">421</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13170" class="main">C.</h3> +<p class="firstpar"><i>Carel Chr</i>, <a href="#pb463" class= +"pageref">463</a>.<br> +<i>Carolina</i>, <a href="#pb462" class="pageref">462</a>.<br> +<i>Carolus</i>, <a href="#pb445" class="pageref">445</a>.<br> +Catze, <a href="#pb426" class="pageref">426</a>.<br> +<i>Clovis</i>, <a href="#pb332" class="pageref">332</a><span class= +"corr" id="xd20e13209" title="Niet in bron">.</span><br> +<i>Cunerus Petri</i>, <a href="#pb444" class="pageref">444</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13220" class="main">D.</h3> +<p class="firstpar"><i>Dagobert</i>, <a href="#pb339" class= +"pageref">339</a>.<br> +<i>Dijkhuizen</i> (<i>H. v.</i>), <a href="#pb425" class= +"pageref">425</a>.<br> +Dokkenburg, <a href="#pb328" class="pageref">328</a>.<br> +Dokkum, <a href="#pb328" class="pageref">328</a>.<br> +<i>Douwama</i>, <a href="#pb436" class="pageref">436</a>.<br> +<i>Draaksdorp</i>, <a href="#pb433" class="pageref">433</a>.<br> +Drinkuitsma, <a href="#pb423" class="pageref">423</a>.<br> +<i>Drusus</i>, <a href="#pb283" class="pageref">283</a>, <a href= +"#pb299" class="pageref">299</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13286" class="main">E.</h3> +<p class="firstpar">Egils-saga, <a href="#pb362" class= +"pageref">362</a>.<br> +<i>Ernst Cas</i>, <a href="#pb453" class="pageref">453</a>, <a href= +"#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Esonstad, <a href="#pb331" class="pageref">331</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13311" class="main">F.</h3> +<p class="firstpar">Fjouwer lott. enz., <a href="#pb433" class= +"pageref">433</a>.<br> +<i>Floorken dunn’ bier</i>, <a href="#pb437" class= +"pageref">437</a>.<br> +<i>Floris II</i>, <a href="#pb393" class="pageref">393</a>.<br> +<i>Floris v. Egm</i>, <a href="#pb437" class="pageref">437</a>.<br> +Fokke-sloot, <a href="#pb426" class="pageref">426</a>.<br> +<i>Folkerts</i>, <a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +<i>Forteman</i>, <a href="#pb352" class="pageref">352</a>.<br> +<i>Fox</i>, <a href="#pb431" class="pageref">431</a>.<br> +Foxhol, <a href="#pb432" class="pageref">432</a>.<br> +Franeker, <a href="#pb398" class="pageref">398</a>, <a href="#pb432" +class="pageref">432</a>.<br> +Fraterhuis, <a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +<i>Fred. Hendrik</i>, <a href="#pb455" class="pageref">455</a>.<br> +<i>Frederika S. W.</i>, <a href="#pb463" class="pageref">463</a>.<br> +<i>Fresinga</i>, <a href="#pb444" class="pageref">444</a>,-9.<br> +Friesland. (Prins. over), <a href="#pb286" class="pageref">286</a>.<br> +Friesland. (Staat v.), <a href="#pb281" class="pageref">281</a>.<br> +Friezen. (Gesch. der), <a href="#pb299" class="pageref">299</a>.<br> +Friezen. (Kruist. der), <a href="#pb365" class="pageref">365</a>.<br> +Friezen. (Oors. d.), <a href="#pb289" class="pageref">289</a>, <a href= +"#pb291" class="pageref">291</a>.<br> +<i>Frisiabones</i>, <a href="#pb329" class="pageref">329</a>.<br> +Froonakker, <a href="#pb397" class="pageref">397</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13463" class="main">G.</h3> +<p class="firstpar"><i>Gaykinga’s</i>, <a href="#pb437" class= +"pageref">437</a>.<br> +<i>Galama’s</i>, <a href="#pb393" class="pageref">393</a>,-8.<br> +<i>Ganzevoort</i>, <a href="#pb430" class="pageref">430</a>.<br> +Gebed der Saks, <a href="#pb348" class="pageref">348</a>.<br> +<i>Georg</i> (Hertog), <a href="#pb436" class="pageref">436</a>.<br> +Geregtshof, <a href="#pb433" class="pageref">433</a>.<br> +Geschut, <a href="#pb421" class="pageref">421</a>.<br> +Geuzennapjes, <a href="#pb443" class="pageref">443</a>.<br> +Godsakker, <a href="#pb397" class="pageref">397</a>.<br> +Gods-Hof, <a href="#pb326" class="pageref">326</a>.<br> +Goteling, <a href="#pb463" class="pageref">463</a>.<br> +<span class="pagenum">[<a id="pb477" href="#pb477" name= +"pb477">477</a>]</span> Goutum, <a href="#pb423" class= +"pageref">423</a>.<br> +Graaf v. Holl, <a href="#pb418" class="pageref">418</a>.<br> +Graafschappen, <a href="#pb344" class="pageref">344</a>.<br> +Grafkelder, <a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Grebbe, <a href="#pb300" class="pageref">300</a>.<br> +Grietman, <a href="#pb471" class="pageref">471</a>.<br> +<i>Groote</i> (<i>Ger</i>.), <a href="#pb430" class="pageref">430</a>, +<a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +Gulden. (Arends-), <a href="#pb424" class="pageref">424</a>.<br> +Gulden. (Goud-), <a href="#pb436" class="pageref">436</a>.<br> +Gulden. (Koppens-), <a href="#pb424" class="pageref">424</a>.<br> +Gulden. (Rijnse), <a href="#pb436" class="pageref">436</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13605" class="main">H.</h3> +<p class="firstpar">Hanzee-verbond, <a href="#pb416" class= +"pageref">416</a>.<br> +Harns, <a href="#pb364" class="pageref">364</a>.<br> +<i>Hend. Cas. I</i>, <a href="#pb454" class="pageref">454</a>, <a href= +"#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +<i>Hend. Cas. II</i>, <a href="#pb456" class="pageref">456</a>, +<a href="#pb465" class="pageref">465</a>.<br> +<i>Heng. en Hors</i>, <a href="#pb331" class="pageref">331</a>.<br> +Hertogen, <a href="#pb327" class="pageref">327</a>.<br> +Hof. (Oude), <a href="#pb326" class="pageref">326</a>.<br> +Hongersnood, <a href="#pb406" class="pageref">406</a>.<br> +<i>Hooft</i>, <a href="#pb449" class="pageref">449</a>.<br> +Hoorn. (Friesche), <a href="#pb318" class="pageref">318</a>.<br> +<i>Hopper</i>, <a href="#pb445" class="pageref">445</a>.<br> +Horspil, <a href="#pb413" class="pageref">413</a>.<br> +Hovelingen, <a href="#pb424" class="pageref">424</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13699" class="main">I. J.</h3> +<p class="firstpar"><i>Jarges</i>, <a href="#pb424" class= +"pageref">424</a>.<br> +Jezuiten, <a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +<i>Joh. Mauritz</i>, <a href="#pb466" class="pageref">466</a>.<br> +<i>Joh de Oude</i>, <a href="#pb452" class="pageref">452</a>.<br> +<i>Joh. W. Friso</i>, <a href="#pb457" class="pageref">457</a>,-8, +<a href="#pb465" class="pageref">465</a>.<br> +Islegouwe, <a href="#pb344" class="pageref">344</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13749" class="main">K.</h3> +<p class="firstpar">Kapellanen, <a href="#pb473" class= +"pageref">473</a>.<br> +<i>Karel de Dikke</i>, <a href="#pb355" class="pageref">355</a>.<br> +<i>Karel de Gr</i>, <a href="#pb316" class="pageref">316</a>, <a href= +"#pb344" class="pageref">344</a>, <a href="#pb350" class= +"pageref">350</a>.<br> +<i>Karel v. Hess.-C</i>, <a href="#pb459" class="pageref">459</a>.<br> +<i>Karel de Kale</i>, <a href="#pb357" class="pageref">357</a>.<br> +<i>Karel V</i>, <a href="#pb436" class="pageref">436</a>,-7.<br> +Kastelein, <a href="#pb398" class="pageref">398</a>.<br> +Kerk. (Groote), <a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Klaarkamp, <a href="#pb396" class="pageref">396</a>.<br> +Klif. (’t Roode), <a href="#pb322" class="pageref">322</a>.<br> +Klipschild, <a href="#pb351" class="pageref">351</a>.<br> +Kloosters, <a href="#pb357" class="pageref">357</a>, <a href="#pb395" +class="pageref">395</a>,-6, <a href="#pb405" class="pageref">405</a>, +<a href="#pb440" class="pageref">440</a>.<br> +<i>Klotaris</i>, <a href="#pb339" class="pageref">339</a>.<br> +<i>Koenraad III</i>, <a href="#pb395" class="pageref">395</a>.<br> +Kronijkschrijvers, <a href="#pb287" class="pageref">287</a>.<br> +Kruistogten, <a href="#pb365" class="pageref">365</a>.<br> +Kuit, <a href="#pb429" class="pageref">429</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13880" class="main">L.</h3> +<p class="firstpar"><i>Lalaing</i>, <a href="#pb448" class= +"pageref">448</a>.<br> +Leeuwarden, <a href="#pb397" class="pageref">397</a>.<br> +Leges Fris, <a href="#pb344" class="pageref">344</a>.<br> +Lem, <a href="#pb333" class="pageref">333</a>.<br> +<i>Lengen</i> (<i>A. v.</i>), <a href="#pb425" class= +"pageref">425</a>.<br> +<i>Liauckama</i> (<i>E.</i>), <a href="#pb417" class= +"pageref">417</a>.<br> +Lidlum, <a href="#pb396" class="pageref">396</a>.<br> +<span class="pagenum">[<a id="pb478" href="#pb478" name= +"pb478">478</a>]</span> <i>Lodew. de Duitscher</i>, <a href="#pb354" +class="pageref">354</a>.<br> +<i>Lodew. de Jongere</i>, <a href="#pb355" class="pageref">355</a>.<br> +<i>Lodew. ’t Kind</i>,356.<br> +<i>Lodew. de Vrome</i>, <a href="#pb345" class="pageref">345</a>.<br> +<i>Ludger</i>, <a href="#pb347" class="pageref">347</a>.<br> +Ludingakerk, <a href="#pb395" class="pageref">395</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13980" class="main">M.</h3> +<p class="firstpar"><i>Malen</i>. (<i>J. R. v. d.</i>), <a href= +"#pb470" class="pageref">470</a>.<br> +<i>Malorix</i>, <a href="#pb302" class="pageref">302</a>, <a href= +"#pb324" class="pageref">324</a>.<br> +<i>Marcellus</i>, <a href="#pb343" class="pageref">343</a>.<br> +<i>Maria Amelia</i>, <a href="#pb459" class="pageref">459</a>.<br> +<i>Maria v. Hong</i>, <a href="#pb438" class="pageref">438</a>.<br> +<i>Maria Louisa</i>, <a href="#pb458" class="pageref">458</a>,-9, +<a href="#pb465" class="pageref">465</a>.<br> +Mariengaard, <a href="#pb396" class="pageref">396</a>, <a href="#pb418" +class="pageref">418</a>.<br> +Marken, <a href="#pb418" class="pageref">418</a>.<br> +<i>Martena</i>, <a href="#pb415" class="pageref">415</a>.<br> +<i>Maryke-Mui</i>, <a href="#pb459" class="pageref">459</a>.<br> +Medemblik, <a href="#pb329" class="pageref">329</a>.<br> +Menschen-offers, <a href="#pb341" class="pageref">341</a>.<br> +<i>Merode</i>, <a href="#pb451" class="pageref">451</a>.<br> +Middelzee, <a href="#pb284" class="pageref">284</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14097" class="main">N.</h3> +<p class="firstpar">Noord-Holland, <a href="#pb329" class= +"pageref">329</a>.<br> +Noormann, <a href="#pb326" class="pageref">326</a>, <a href="#pb355" +class="pageref">355</a>, <a href="#pb362" class="pageref">362</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14116" class="main">O.</h3> +<p class="firstpar">Offeren, <a href="#pb402" class= +"pageref">402</a>.<br> +<i>Olennius</i>, <a href="#pb301" class="pageref">301</a>, <a href= +"#pb323" class="pageref">323</a>.<br> +Ostagiers, <a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Overlever, <a href="#pb291" class="pageref">291</a>, <a href="#pb346" +class="pageref">346</a>, <a href="#pb362" class="pageref">362</a>.<br> +Overzigt, <a href="#pb298" class="pageref">298</a>.<br> +<i>Ovo</i>, <a href="#pb341" class="pageref">341</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14166" class="main">P.</h3> +<p class="firstpar">Palesloot, <a href="#pb426" class= +"pageref">426</a>.<br> +Patele, <a href="#pb318" class="pageref">318</a>, <a href="#pb413" +class="pageref">413</a>.<br> +Persona, <a href="#pb473" class="pageref">473</a>.<br> +Pest, <a href="#pb466" class="pageref">466</a>.<br> +<i>Petri</i>. (<i>Cun.</i>), <a href="#pb444" class= +"pageref">444</a>.<br> +<i>Pier</i>. (<i>Groote</i>), <a href="#pb435" class= +"pageref">435</a>.<br> +<i>Pinckert</i>, <a href="#pb429" class="pageref">429</a>.<br> +Portretten, <a href="#pb426" class="pageref">426</a>, <a href="#pb465" +class="pageref">465</a>.<br> +Potestaten, <a href="#pb352" class="pageref">352</a>.<br> +<i>Predrinus</i>, <a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +<i>Priester-Jan</i>, <a href="#pb343" class="pageref">343</a>.<br> +Priors, <a href="#pb473" class="pageref">473</a>.<br> +Proosten, <a href="#pb473" class="pageref">473</a>.<br> +Putsma, <a href="#pb423" class="pageref">423</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14272" class="main">R.</h3> +<p class="firstpar">Raad. (Hooge), <a href="#pb432" class= +"pageref">432</a>.<br> +<i>Radboud</i>, <a href="#pb310" class="pageref">310</a>, <a href= +"#pb316" class="pageref">316</a>.<br> +Regtbank, <a href="#pb432" class="pageref">432</a>.<br> +<i>Reide.</i> (<i>Th. v.</i>), <a href="#pb425" class= +"pageref">425</a>.<br> +<i>Reinalda</i>, <a href="#pb397" class="pageref">397</a>.<br> +<i>Reinier v. Wins</i>, <a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +<i>Rennenberg</i>, <a href="#pb448" class="pageref">448</a>.<br> +<i>Ridserd</i>, <a href="#pb334" class="pageref">334</a>.<br> +<i>Robles</i>, <a href="#pb444" class="pageref">444</a>.<br> +Rome, <a href="#pb350" class="pageref">350</a>.<br> +Roorda, <a href="#pb379" class="pageref">379</a>. <span class= +"pagenum">[<a id="pb479" href="#pb479" name="pb479">479</a>]</span></p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14363" class="main">S.</h3> +<p class="firstpar">Sagen, <a href="#pb291" class="pageref">291</a>, +<a href="#pb346" class="pageref">346</a>, <a href="#pb362" class= +"pageref">362</a>.<br> +<i>Scharl.</i> (<i>O. v.</i>), <a href="#pb287" class= +"pageref">287</a>, <a href="#pb359" class="pageref">359</a>.<br> +Schelde, <a href="#pb281" class="pageref">281</a>.<br> +Schenkinsma, <a href="#pb423" class="pageref">423</a>.<br> +Schieringers, <a href="#pb406" class="pageref">406</a>.<br> +<i>Sjaerdema’s</i>, <a href="#pb402" class="pageref">402</a>, +<a href="#pb426" class="pageref">426</a>.<br> +Sincfal, <a href="#pb281" class="pageref">281</a>.<br> +<i>Sophia Hedwich</i>, <a href="#pb455" class="pageref">455</a>, +<a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Sprinkhanen, <a href="#pb357" class="pageref">357</a>.<br> +Stadhouders, <a href="#pb452" class="pageref">452</a>.<br> +Stapelregt, <a href="#pb427" class="pageref">427</a>.<br> +Stavo, <a href="#pb322" class="pageref">322</a>.<br> +<i>Stavoren</i>. (<i>Kopp. v</i>.), <a href="#pb359" class= +"pageref">359</a>.<br> +Stijl. (O. en N.), <a href="#pb466" class="pageref">466</a>.<br> +<i>Stortenbeker</i>, <a href="#pb422" class="pageref">422</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14483" class="main">T.</h3> +<p class="firstpar"><i>Tadema</i>, <a href="#pb349" class= +"pageref">349</a>.<br> +<i>Taijkama</i>, <a href="#pb398" class="pageref">398</a>.<br> +Thabor. (Convent), <a href="#pb440" class="pageref">440</a>.<br> +<i>Thabor</i>. (<i>P. v</i>.), <a href="#pb440" class= +"pageref">440</a>.<br> +<i>Thabor</i>. (<i>W. v</i>.), <a href="#pb440" class= +"pageref">440</a>.<br> +Teisterband, <a href="#pb341" class="pageref">341</a>.<br> +Tempelschatting, <a href="#pb398" class="pageref">398</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14541" class="main">U.</h3> +<p class="firstpar">Uitgong, <a href="#pb361" class= +"pageref">361</a>.<br> +<i>Uken</i>, <a href="#pb424" class="pageref">424</a>.<br> +<i>Uko</i>, <a href="#pb425" class="pageref">425</a>.<br> +Upstalsboom, <a href="#pb399" class="pageref">399</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14571" class="main">V.</h3> +<p class="firstpar">Vergraven, <a href="#pb283" class= +"pageref">283</a>, <a href="#pb336" class="pageref">336</a>.<br> +<i>Verritus</i>, <a href="#pb302" class="pageref">302</a>, <a href= +"#pb324" class="pageref">324</a>.<br> +Vetkoopers, <a href="#pb406" class="pageref">406</a>.<br> +<i>Viglius</i>, <a href="#pb446" class="pageref">446</a>.<br> +<i>Vlytarp</i>, <a href="#pb359" class="pageref">359</a>.<br> +Volksliedje, <a href="#pb420" class="pageref">420</a>.<br> +Volksverh, <a href="#pb291" class="pageref">291</a>, <a href="#pb346" +class="pageref">346</a>, <a href="#pb362" class="pageref">362</a>.<br> +Vossehol, <a href="#pb432" class="pageref">432</a>.<br> +Vredeverd. (1348), <a href="#pb418" class="pageref">418</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14645" class="main">W.</h3> +<p class="firstpar">Waarden, <a href="#pb330" class= +"pageref">330</a>.<br> +Wapens, <a href="#pb317" class="pageref">317</a>, <a href="#pb379" +class="pageref">379</a>.<br> +Watervloeden, <a href="#pb334" class="pageref">334</a>.<br> +Wederdoopers, <a href="#pb437" class="pageref">437</a>.<br> +Weerdenbras, <a href="#pb433" class="pageref">433</a>.<br> +<i>Westerman</i>, <a href="#pb358" class="pageref">358</a>.<br> +Westrachia, <a href="#pb470" class="pageref">470</a>.<br> +Wetten, <a href="#pb344" class="pageref">344</a>.<br> +<i>Wiarda</i>, <a href="#pb423" class="pageref">423</a>.<br> +Wiarda-State, <a href="#pb423" class="pageref">423</a>.<br> +<i>Willebrod</i>, <a href="#pb343" class="pageref">343</a>.<br> +<i>Willem I</i>, <a href="#pb452" class="pageref">452</a>.<br> +<i>Willem III</i>, <a href="#pb457" class="pageref">457</a>,-8.<br> +<i>Willem IV</i>, <a href="#pb460" class="pageref">460</a>,-5.<br> +<i>Willem V</i>, <a href="#pb463" class="pageref">463</a>.<br> +<i>Willem</i> (Graaf), <a href="#pb417" class="pageref">417</a>.<br> +<i>Willem Georg Fr</i>, <a href="#pb457" class="pageref">457</a>, +<a href="#pb465" class="pageref">465</a>.<br> +<i>Willem Frederik</i>, <a href="#pb455" class="pageref">455</a>, +<a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +<span class="pagenum">[<a id="pb480" href="#pb480" name= +"pb480">480</a>]</span> <i>Willem Lod</i>, <a href="#pb452" class= +"pageref">452</a>, <a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +<i>Winsum</i>. (<i>R. v</i>.), <a href="#pb442" class= +"pageref">442</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14809" class="main">Y.</h3> +<p class="firstpar">Ylst, <a href="#pb405" class="pageref">405</a>, +<a href="#pb416" class="pageref">416</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14820" class="main">Z.</h3> +<p class="firstpar">Zwarte Hoop, <a href="#pb432" class= +"pageref">432</a>, <a href="#pb434" class="pageref">434</a>.<br> +Zwene, <a href="#pb281" class="pageref">281</a>.</p> +</div> +</div> +<div id="drukfouten" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e14836" class="main">Drukfouten.</h2> +<p lang="nl" class="firstpar transcribernote">De expliciet aangegeven +drukfouten zijn in deze editie van de tekst verbeterd.</p> +<div class="table"> +<table> +<tr valign="top"> +<td valign="top">Op Bladz. 66,</td> +<td valign="top" colspan="3">281 tot 372, komt meermalen in den 2den en +3den naamval voor: Karel den Groote; ook Lodewijk den Vrome, +Godvruchtige, Jongere, Karel den Dikke, den Kale; men voege achter +’t bijv. naamwoord eene n.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">284</td> +<td valign="top">staat:</td> +<td valign="top">Barradeel, lees: Baarderadeel.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top"><i>Bijdragen tot de Gesch</i>. lees: <i>Nasporingen +betrekkelijk de Gesch</i>.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">327</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">dat men onder die waardigh. lees: dat die +waardigheid.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">336</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">1178 lees: 1170.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">367</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">bij hunne aanwer-een ving, lees: bij hunne aanwerving, +een.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">415</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">der landbouw, lees: van den landb.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">439</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top"><i>weauctoriseert</i>, » +<i>geauctoriseert</i>.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">448</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">Heer van Velle, » Heer van Ville.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top" colspan="4">De Bladz. 391 is verkeerdelijk gemerkt +191.</td> +</tr> +</table> +</div> +<p>De Lezer gelieve geringere drukfeilen, als: Friesen voor Friezen, +<i>Firsiabones</i> voor <i>Fris</i>.; <span class="sc">Theutonista voor +Teuthon</span>.; geene voor geen; noordwaards voor noordwaarts of +dergelijken over het hoofd te zien.</p> +</div> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#voorberigt">Voorberigt.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e159">I</a></span></li> +<li><a href="#kronyk">Friesche Kronyk.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e356">1</a></span> +<ul> +<li><a href="#zevenprinsen">De Heeren, onder welks Gebied de Friesen +van tyd tot tyd geweest zyn.: I. Onder zeven Prinsen.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e374">2</a></span></li> +<li><a href="#zevenhertogen">II. Onder zeven Hertogen.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e596">17</a></span></li> +<li><a href="#negenkoningen">III. Onder negen Koningen.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e796">30</a></span></li> +<li><a href="#vreemdeheren">IV. Vreemde Heeren.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e1048">50</a></span></li> +<li><a href="#landsheeren">V. Landsheeren, of +Potestaaten.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e1150">59</a></span></li> +<li><a href="#erfheeren">VI. Erfheeren.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2146">134</a></span> +<ul> +<li><a href="#albrecht">1. Albrecht, Hertog van Saxen.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2149">134</a></span></li> +<li><a href="#k6.2">2. Georg, Hertog van Saxen.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2204">140</a></span></li> +<li><a href="#bourgandien">2. het Huis van Bourgondien.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2298">151</a></span> +<ul> +<li><a href="#karel5">1. Karel de Vyfde.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2301">151</a></span></li> +<li><a href="#philippus2">2. Philippus de Tweede, Koning van +Spanje.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e2486">164</a></span></li> +</ul> +</li> +</ul> +</li> +<li><a href="#stadhouders">VII. Stadhouders der +Staaten.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e2737">191</a></span></li> +</ul> +</li> +<li><a href="#landverdeeling">Landverdeeling van +Friesland.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e3634">272</a></span> +<ul> +<li><a href="#oostergo">I. Oostergo.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e3669">275</a></span></li> +<li><a href="#westergo">II. Westergo.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e3700">277</a></span></li> +<li><a href="#zevenwouden">III. Zevenwouden.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e3725">279</a></span></li> +</ul> +</li> +<li><a href="#bijvoegsels">Bijvoegsels en +Aanteekeningen.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e3769">281</a></span></li> +<li><a href="#register">Register op de Bijvoegsels en +Aanteekeningen.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e12826">475</a></span></li> +<li><a href="#drukfouten">Drukfouten.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e14836">480</a></span></li> +</ul> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> +<p class="firstpar">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen +overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de +Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a class= +"exlink" title="Externe link" href= +"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie +team op <a class="exlink" title="Externe link" href= +"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> +<p>De tekst van dit boek, dat in 1677 voor het eerst verscheen wordt +toegeschreven aan de Friese taalpedagoog Johannes Hilarides.</p> +<p>Deze tekst is gebaseerd op scan beschikbaar gemaakt door Google +(<a class="exlink" title="Externe link" href= +"http://books.google.nl/books?id=Zgs-AAAAYAAJ">1</a>, <a class="exlink" +title="Externe link" href= +"http://books.google.nl/books?id=tKQBAAAAYAAJ">2</a>; Kopie op het +<a class="exlink" title="Externe link" href= +"http://www.archive.org/details/itaadefrieschet00leeugoog">Internet +Archive</a>).</p> +<p>Een alternative kopie is beschikbaar bij <a class="exlink" title= +"Externe link" href= +"http://www.wumkes.nl/index.php?volg=1&id=43">wumkes.nl</a>.</p> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p class="firstpar">Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is +geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in +het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd +met het corr-element.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2010-08-20 Begonnen.</li> +</ul> +<h3 class="main">Externe Referenties</h3> +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn +dat deze links voor u niet werken.</p> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%" summary= +"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e406">5</a></td> +<td class="width40">ge-genoemt</td> +<td class="width40">genoemt</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e496">12</a></td> +<td class="width40">verachtelyde</td> +<td class="width40">verachtelyke</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e501">12</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40"><sup>e</sup></td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e579">17</a></td> +<td class="width40">plonderde</td> +<td class="width40">plonderden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e630">19</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e814">31</a></td> +<td class="width40">versloegze</td> +<td class="width40">versloeg ze</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e829">31</a></td> +<td class="width40">Schuilpaatsen</td> +<td class="width40">Schuilplaatsen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e846">33</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e852">33</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e875">34</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1098">53</a></td> +<td class="width40">Fries-gestelt</td> +<td class="width40">Friesland gestelt</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1162">61</a></td> +<td class="width40">aaangeteekent</td> +<td class="width40">aangeteekent</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1645">95</a></td> +<td class="width40">instorte</td> +<td class="width40">instortte</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1915">116</a></td> +<td class="width40">doodgegeslagen</td> +<td class="width40">doodgeslagen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2077">128</a></td> +<td class="width40">ordre</td> +<td class="width40">orde</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2290">150</a></td> +<td class="width40">zeinschepen</td> +<td class="width40">zeilschepen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2406">157</a></td> +<td class="width40">,</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2746">192</a></td> +<td class="width40">lang</td> +<td class="width40">langs</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2751">192</a></td> +<td class="width40">ge-geslagen</td> +<td class="width40">geslagen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2806">197</a></td> +<td class="width40">verdroken</td> +<td class="width40">verdronken</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2842">201</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2849">202</a></td> +<td class="width40">kauon</td> +<td class="width40">kanon</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2878">206</a></td> +<td class="width40">ouder</td> +<td class="width40">onder</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3007">219</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3844">284</a></td> +<td class="width40">Barradeel</td> +<td class="width40">Baarderadeel</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3889">284</a></td> +<td class="width40">Ypey</td> +<td class="width40">Ypeij</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3893">284</a></td> +<td class="width40">Bijdragen tot</td> +<td class="width40">Nasporingen betrekkelijk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3983">286</a></td> +<td class="width40">Shwartzenberg</td> +<td class="width40">Schwartzenberg</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4232">290</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href= +"#xd20e4715">n.v.t.</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4913">311</a></td> +<td class="width40">«</td> +<td class="width40">»</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e5496">324</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">:</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e5599">325</a></td> +<td class="width40">Aanhanzel</td> +<td class="width40">Aanhangzel</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e5771">327</a></td> +<td class="width40">dat men onder die</td> +<td class="width40">dat die</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6091">331</a></td> +<td class="width40">verwer-werpen</td> +<td class="width40">verwerpen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6130">332</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6143">332</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6713">342</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6873">345</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6933">346</a></td> +<td class="width40">twaalve</td> +<td class="width40">twaalvde</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6955">347</a></td> +<td class="width40">vermeld</td> +<td class="width40">vermeldt</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6964">347</a></td> +<td class="width40">,</td> +<td class="width40">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7058">349</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7164">352</a></td> +<td class="width40">onstaan</td> +<td class="width40">ontstaan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7420">358</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7756">367</a></td> +<td class="width40">aanwer-een ving,</td> +<td class="width40">aanwerving, een</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7774">367</a></td> +<td class="width40">-</td> +<td class="width40">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7797">370</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7983">375</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8002">378</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8005">378</a></td> +<td class="width40">Syrie</td> +<td class="width40">Syrië</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8076">382</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8079">382</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8082">382</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8172">387</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8189">389</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8192">389</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8197">390</a></td> +<td class="width40">Middellansche</td> +<td class="width40">Middellandsche</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8337">393</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8351">393</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8479">396</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8486">396</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8718">399</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8726">400</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8832">402</a></td> +<td class="width40">achsten</td> +<td class="width40">achtsten</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9148">409</a></td> +<td class="width40">zeggende,</td> +<td class="width40">zeggen),</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9151">409</a></td> +<td class="width40">,</td> +<td class="width40">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9205">412</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9236">412</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9394">414</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9509">415</a></td> +<td class="width40">serkste</td> +<td class="width40">sterkste</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9513">415</a></td> +<td class="width40">der landbouw</td> +<td class="width40">van den landbouw</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9657">417</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9945">422</a></td> +<td class="width40">;</td> +<td class="width40">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9947">422</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e10381">429</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">;</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e10913">436</a></td> +<td class="width40">belangrijkst</td> +<td class="width40">belangrijkste</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e11081">439</a></td> +<td class="width40">weauctoriseert</td> +<td class="width40">geauctoriseert</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e11115">440</a></td> +<td class="width40">welligtaf komstig</td> +<td class="width40">wellicht afkomstig</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e11230">443</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e11634">448</a></td> +<td class="width40">Velle</td> +<td class="width40">Ville</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e11905">453</a></td> +<td class="width40">het het</td> +<td class="width40">het</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12005">457</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">:</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12078">460</a></td> +<td class="width40">andederen</td> +<td class="width40">anderen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12138">463</a></td> +<td class="width40">den den</td> +<td class="width40">den</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12199">463</a></td> +<td class="width40">de</td> +<td class="width40">De</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12302">464</a></td> +<td class="width40">Frederïk</td> +<td class="width40">Frederik</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12413">467</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12570">470</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e13209">476</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + +<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP ***</div> +<div style='text-align:left'> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Updated editions will replace the previous one—the old editions will +be renamed. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United +States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. +</div> + +<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div> +<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div> +<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase “Project +Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg™ License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person +or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ +electronic works. See paragraph 1.E below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the +Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg™ License when +you share it without charge with others. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work +on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the +phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: +</div> + +<blockquote> + <div style='display:block; margin:1em 0'> + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most + other parts of the world at no cost and with almost no restrictions + whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms + of the Project Gutenberg License included with this eBook or online + at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you + are not located in the United States, you will have to check the laws + of the country where you are located before using this eBook. + </div> +</blockquote> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase “Project +Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg™. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg™ License. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format +other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg™ website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain +Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works +provided that: +</div> + +<div style='margin-left:0.7em;'> + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation.” + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ + works. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg™ works. + </div> +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right +of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any +Defect you cause. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s +goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg™ and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state’s laws. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation’s website +and official page at www.gutenberg.org/contact +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread +public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state +visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of +volunteer support. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Most people start at our website which has the main PG search +facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This website includes information about Project Gutenberg™, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. +</div> +</div> + +</body> +</html> diff --git a/33563-h/images/book.png b/33563-h/images/book.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..963d165 --- /dev/null +++ b/33563-h/images/book.png diff --git a/33563-h/images/external.png b/33563-h/images/external.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ba4f205 --- /dev/null +++ b/33563-h/images/external.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..d65c4d7 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #33563 (https://www.gutenberg.org/ebooks/33563) diff --git a/old/33563-8.txt b/old/33563-8.txt new file mode 100644 index 0000000..f0b174e --- /dev/null +++ b/old/33563-8.txt @@ -0,0 +1,13442 @@ +The Project Gutenberg EBook of It aade Friesche Terp, by Johannes Hilarides + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: It aade Friesche Terp + of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen + +Author: Johannes Hilarides + +Editor: J. van Leeuwen + +Release Date: August 28, 2010 [EBook #33563] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. (This book was produced from scanned images of +public domain material from the Google Print project.) + + + + + + + + + IT AADE FRIESCHE TERP + + of + + Kronyk + der Geschiedenissen van de + Vrye Friesen: + + met + Bijvoegsels en Aanteekeningen. + + van + J. van Leeuwen, + Griffier van de Regtbank te Leeuwarden. + + + + te Leeuwarden, bij + J. Proost. + + 1834. + + + + + + + +VOORBERIGT. + + +In den jare 1677 werd te Leeuwarden uitgegeven de eerste druk dezer +Kronijk ander den titel: + + + IT AADE FRIESCHE TERP, + Vertoonende + DE FRYE FRIESEN, + + in haar Oorsprong, Opkomst en Voortgang: Als Landsbestiering, + Waapenhandel, Krychsdaaden, Weetenschap, Vreemde voorvallen, Yver + voor de Vryheit, Afgooderye, Godsdienst en Landstreek. + + In 't gemeen bij een gehoopt, + + Voor de Liefhebbers der Vryheit. + + +Op dezen druk, beginnende met het jaar 313 voor Christus geboorte +en eindigende 1677, volgde een tweede, uitgegeven te Haarlem 1743, +getiteld: It aade Friesche Terp, of Kronyk der Geschiedenissen van de +Vrye Friesen, met een Bijvoegsel gaande tot de geboorte van Willem +Karel Hendrik Friso. Daarna zijn er nog twee Uitgaven in het licht +verschenen de eerste te 's Gravenhage 1746 en de laatste te Leeuwarden +bij Chalmot 1771, welke beiden als een tweede druk worden vermeld en, +uitgezonderd het titelblad, ook letterlijk van inhoud zijn als die +van 1743. Deze tweede druk is behalve het Bijvoegsel aanmerkelijk +vermeerderd en aangevuld met een aantal gebeurtenissen, tot Friesland +en Groningen betrekking hebbende, welke in de eerste druk niet zijn +vermeld, terwijl taal, stijl en spelling naar het gebruik van dien tijd +zijn veranderd. Het Motto, op de keerzijde des titels of op den titel +zelven geplaatst, was het gezegde van Aeneas Silvius of Paus Pius II: +Een Fries weigert niet voor de Vrijheid zelfs in de dood te gaan. + +Ofschoon ook deze Kronijk met de gewone sprookjes, fabelen en wonderen +uit den ouden tijd is voorzien, bevat zij echter een beknopt verhaal +van de meest belangrijke voorvallen uit de verschillende Friesche +Geschiedschrijvers getrokken. Wie echter de Schrijvers of Opstellers +zijn geweest is mij niet gebleken. + +Uit hoofde dit boekje van tijd tot tijd zeldzamer was geworden, komende +de eerste druk bijna nimmer voor, ondernam de Boekhandelaar Proost +alhier eene nieuwe Uitgave, noodigde mij uit die te willen verzorgen, +en er tevens zoodanige Aanteekeningen en Bemerkingen bij te voegen, +als voor de beoefening en opheldering der Friesche Historie, bijzonder +over de XV eerste eeuwen, nuttig en dienstig zouden kunnen zijn. Aan +dit verzoek voldoende, meende ik den tweeden druk der Kronijk in +deze Uitgave getrouw te moeten volgen, mij alleen veroorlovende de +ongelijkheid in de spelling, en de te groote afwijking hier en daar +in de taal wat te verbeteren. + +Bij het doorlezen der kronijken, geschiedboeken, en andere schriften +heb ik voor de Bijvoegsels en Aantekeningen, daaruit overgenomen of +kortelijk aangestipt, wat mij voor mijn oogmerk belangrijk toescheen +en dienen kon de Geschiedenis toe te lichten. Als een hoofddoel van +dezen arbeid heb ik getracht den minder geoefenden tot eigen onderzoek +en nasporing den weg aan te wijzen, weshalve ik al de Schrijvers en +Geschriften naauwkeurig heb aangeteekend, in welken de uitvoeriger +behandeling der zaken te vinden is, en de geschiedenis beter wordt +voorgesteld. Ben ik in deze mijne poging, om anderen van nut te zijn, +ten deele geslaagd, meer voldoening begeer ik niet. + +Over de waarde en geloofwaardigheid der oude kronijken en +geschiedverhalen heb ik met een enkel woord mijne meening gezegd, +en mijne stelling blijven verdedigen, dat aan dezelven daarom zoo +weinig gezag wordt toegekend, omdat zij nimmer oordeelkundig zijn +onderzocht en met de nog vele voorhanden zijnde bronnen vergeleken; +dat geen Schrijver van lateren tijd, de Geschiedenis der Friezen ter +harte heeft genomen, waardoor zij dus bij velen onbekend gebleven, +bij anderen opzettelijk is achterwege gelaten; en dat men te ver +is gegaan om door het Werk van Ubbo Emmius, die als de Feniks aller +Geschiedschrijvers, gelijk Dousa hem noemt, gehuldigd werd, Frieslands +Historie voor voldongen te houden, daar hij geen kritiesch onderzoek +in het werk heeft kunnen stellen, als verstoken van de noodige +hulpmiddelen en bronnen. Niet dat ik de waarde van dezen te regt +hooggeschatten Schrijver wil verkleinen of iets nieuws voortbrengen, +daartoe is mijne kennis te gering: evenmin wil ik als een voorstander +van de leer der oude kronijken met hunne fabels en wonderen beschouwd +worden; maar het is alleen om aan te toonen hoe verkeerd men handelt +onvoorwaardelijk het gezag van anderen te volgen, en zonder eigen +overweging en grondig onderzoek onze oude Schrijvers te verwerpen. En +dit is niet mijn oordeel alleen, hetwelk op de ondervinding steunt; +maar vele geleerde en schrandere mannen, zoo als: v. Schwartzenberg, +Ypeij, Visser, Amersfoordt, Westendorp, v. Halmael en anderen, die de +Friesche Historie bestudeerden, hebben in hunne geschriften ditzelfde +beweerd, tevens de noodzakelijkheid betoogende, welke er sinds lang +heeft bestaan, om de zeer belangrijke Geschiedenis van dit Gewest +van de vroegste tijden af beter te leeren kennen, te onderzoeken en +waarderen, zoodat eene zorgvuldige en oordeelkundige beschrijving, +naar den geest en de smaak des tegenwoordigen tijd ingerigt, allezins +wenschelijk ware. Daartoe heb ik reeds in den jare 1827 alle mijne +pogingen in het werk gesteld, en een plan, hetwelk veel belangstelling, +aanmoediging en ondersteuning, ook bij den Heere Staatsraad, +Gouverneur en Gedeputeerde Staten van dit Gewest, heeft gevonden, +tot stand trachten te brengen, dan door omstandigheden, geheel van +mij onafhankelijk, is hetzelve onvolvoerd gebleven [4]. Een gelijk +lot heeft een tweede Ontwerp van den Heer van Halmael en mij, tot +de Uitgave van een Geslacht- en Wapenboek van den Adel in Friesland, +een werk hoogst gewigtig voor de Geschiedenis, moeten ondergaan. Ik +heb alzoo mijnen wil getoond, en daar ik tot geene Uitgaven op eene +andere dan de door mij voorgestelde wijze besluiten kan, laat ik het +nu aan ieder wie het luste over, om ter liefde voor de Geschiedenis, +ter wille onzer Landgenooten en ten nutte voor de Nakomelingschap +hunne middelen aan te wenden, hopende dat zij met een beter gevolg +in de erkende behoefte [5] en den algemeenen wensch van hen, die de +wetenschappen op prijs stellen, mogen voorzien. + +Voor het Titelplaatje koos ik de aloude adellijke State van den +Potestaat Wiarda te Goutum, thans het eigendom van en bewoond +door de Familie v. Cammingha, welke met Martena-State te Cornjum, +bijna de eenigen zijn, die, in den voorvaderlijken tijd gesticht, +nog de algemeene slooping zijn ontkomen; want ook Tjaerda-Stins +te Rinsumageest zal spoedig, naar het voorbeeld van Liauckama +te Sexbierum, Hania te Holwerd, Holdinga te Anjum, Nieuw-Botnia +te Franeker en zoo vele anderen binnen weinige jaren vernietigd, +in eene puinhoop verkeeren. + + + Den 11 Junij 1834. + + J. van Leeuwen. + + + + + + + + +FRIESCHE KRONYK. + + +Friesland, een van de zeven Vereenigde Nederlandsche Provintien zynde, +legt aan de noordooster zyde van de Zuiderzee en Fliestroom, die het +van Westfriesland afscheid: aan 't noordwesten word het bedekt van de +Wadden, tusschen de Vooreilanden van de Noordzee, als Ter Schelling, +Ameland en Schiermunniks Oog. Het riviertje de Lawers verdeelt het van +de Groninger Ommelanden: van daar naar de zuidzyde is de Drenthe en +het Stigt van Overyzel, loopende bij de Kuinder aan de Zuiderzee. Maar +met de verdeelinge dezer landstreek willen wy den leezer niet ophouden. + +Van ouds was de wydte van zijne landpaalen vry verder uitgestrekt, +als loopende van den Ouden Rhyn, die door Leyden aan Utrecht langs +vloeyende, by Katwyk in zee uitliep: begrypende den geheelen zeekant +en de Zuiderzee, diestyds noch droog zynde, tot aan den Eiderstroom, +die het van Jutland afsnyd. Aan de landzyde van Westfalen, Overyzel, +Gelderland, tot het Ryk van Nieumegen en Utrecht, binnen zyne grenzen. + +Welke alle door verscheidene vyanden en andere voorvallen, als by +lappen afgescheurd zynde, het boven geschreven lapje land, zyne +vryheid, te gelyk met den naam van Friesland, zonder bystelling van +Oost of West, wel yverigst verdedigt hebben. [6] + +Dat is van 't Land, welks Inwoonderen de stoffe van ons schryven zal +zyn, naar het gemeenzaamste gevoelen byeen gesteld, als hier na volgt. + + + + De Heeren, onder welks Gebied de + Friesen van tyd tot tyd + geweest zyn. + +I. ONDER ZEVEN PRINSEN. [7] + + +Het 313de jaar voor dat onze Zaligmaker geboren wierd, was de tyd dat +Frieso, de eerste Prins van Friesland, en Voorganger der Stichters, +door welke dit ons Vaderland eerst bevolkt wierd, hier te lande kwam: +dat zich dusdaniger wyze heeft toegedragen. + +Als die roemruchtige en groote Alexander, die in het bloeyenste van zyn +jeugd het meerendeel van Asia overweldigde, kreeg hy toeloop van veele +volkeren, die hy of overwonnen hadde, of in die gewesten huis hielden; +om zyne gelukkige wapenen tot zo veele spoedige overwinningen te +helpen bevorderen. Onder deze vrywillige krygers waren zommige van de +voornaamsten uit Persien, en hunne onderhoorige Saxen (Sacæ) de minsten +niet. Dewelke, na dat Alexander overleden was, en die voorige verheerde +[8] volkeren, door zijner Nazaaten oneenigheid, de handen ruim kregen, +vreesden dat het hun t'eeniger tyd mogte gewrooken worden: zy maaken +derhalve een besluit, om met malkanderen, naar de wyze van dien tyd, +een veiliger land tot hun wooninge op te zoeken. Hunne Geleiders waren +Frieso en Saxo, om hunne gezelligheid gebroeders gezegt, en eigentlyk +zo genaamt, of naar den volksnaam van hunne landslieden zo bekent: +welker eerste Persiaanen, en de andere hun gebuuren, uit de woestyn, +die nu Belor heet, gemeenlyk Indiaanen genoemt zyn; om datze van ouds, +allen die naar 't Oosten woonden, den naam van Indiaanen gaven. Des +zij tot hunnen sleep [9] een vloot van 300 zeilen toetakelden, en +staken 'er mede af van het land van Cilicien, in Notalia of kleen +Asia, gelegen in de Zwarte Zee. Van waar zy, wonderlyk omkruissende, +door verscheidene woeste zeën heen slingerden, tot dat zy eindelyk, na +veele ondervindingen en verlies van de meeste schepen, met slechts 54 +stuks in de Oostzee zyn vervallen; en waar van 12 op het eiland Rugen, +en 18 in Pruissen zijn aangeland: de overige 24 den Fliestroom (welke +de Roomsche Schryvers den derden Mond des Rhyns noemen) inzeilende, +hebben dit gewest, dat nu van hunnen naam Friesland genaamt word, +aangedaan, landende ten west Staveren op de Kreil, daar nu de volle +zee voor Enkhuizen is: alwaar zy, geen menschen vindende, en na zo een +kommerlyk omzwerven, het eerste stand greepen, en die plaatze den naam +gaven van Staden. Daar Frieso ook een Vryhuis voor de vlugtelingen +bouwde, zelve een weinig oostelyker optrok, en een stad bouwde, die +naderhand Staveren genaamt wierd. Doch als in het volgende jaar de +zomer hoogde, [10] kwamen de Swaaven, die hier 's zomers huis hielden +en 's winters landwaards in weeken, om de overwateringen van de zwaare +stormen: want het land was doe noch met geen dyken omheinigt. Deze, +om datze ruuwe en onervaarene krygslieden waren, zyn ligtelyk van +de Friesen op de vlugt gedreven, die hun zetel hier nu door goede +beschansingen gevestigt hadden. + +Frieso had by zyn wyf Hil zeven zoonen, die hy elk over een gedeelte +des lands, dat in zeven Zeelanden was verdeelt, tot Voogden heeft +gestelt. En daar toe eene dochter, welke hy Weemoed noemde, om dat +haare moeder van haar in den arbeid was gestorven. Daartoe stelden +hy zyn zoon Æsge over de Burgerlyke Rechten, en Scholte over de +Halszaaken. Haaije maakte hy Priester der Druïden, over de bosschen +der Afgoden. Gæle wierd Dykgraaf, om daar opzigt te houden. Hette +verzond hy, om Voogd te zyn over de Katten, een volk in Duitschland, +dat naar zynen naam nu noch Hessen genaamt word. + +In den jaare 308 trouwde Fyt (Vito) of Jutte, een van Friso's zoonen, +de dochter van Bokke (Bocchus,) Koning van Jutland; zo als het +naderhand, naar zynen naam genoemt is: en kreeg tot een huwelyksgoed, +het land dat men nu noch heden Sleeswijk noemt. + +In den jaare 300, wanneer 'er verschil onder de Veehoeders ontstond, +zyn de Saxen, by gemeenen raade, van hun gescheiden: en, op de Elve +aangekomen zynde, hebben zich aan geen zyde, dat nu Noordballingen is, +nedergeslagen. Houdende dat gewest noch den naam van Saxen en Sassen. + +Frieso heeft daar na het land, om dat het zeer laag en moerig was, +met dyken van aarde, en zylen of sluizen, om het water te doen +afloopen, tot hun gebruik bequaam gemaakt: en om de overwateringen +van hooge vloeden alomme verhevene wieren doen opwerpen, en daar +huizen laten opbouwen, het land met beschansingen versterkt, en +met dorpen en buurten rondom lustig bevolkt. En, om de welstand en +eenigheid des volks te bewaaren, liet hij goede wetten en heilzaame +beveelen aankundigen. + +En uit dat broekachtig en waterig land, schynt het, dat zy het +oude Friesche Wapen hebben genomen, hetwelk bestond uit 7 Plompen, +beteekenende de 7 Waterlanden, op 3 Zilveren balken, in een Blaauw veld +[11]. Gelijk die Plompen noch hedendaags in 't Wapen van Groningen +te zien zyn. Hoewel de onweetende teekenaars daar nu 3 Herten van +maken. Bezie hunne munten, tot op de duiten toe. + +In den jaare 245 is Frieso, na dat hy dit land 68 jaaren wijsselijk +in vrede geregeert hadde, eindelyk gestorven, en na zyn vaderlyke +Persiaansche wyze te Staveren staatelyk begraven. + +Aanstonds is Adel, zijn oudste zoon, in 's Vaders plaatze gevolgt: +die zyne nagelaatene wetten bevestigt, vermeerdert, en in schrift +gestelt heeft. Hy bragt in gebruik, om de bequaamheid der gemoederen +te onderzoeken, dat 'er alomme gasteryen en drinkgelagen wierden +gehouden, daar men malkanderen in 't omdrinken, met het geeven van de +regterhand, zoude kussen of zoenen op zyn Persiaans: dat men nu noemt +op zyn plat Fries. In de gasteryen deed hy de geregten by malkander +in een grooten Schotel leggen, en belaste dat men uit een grooten +Hoorn zoude omdrinken. Waar van wy noch zeggen, de Friesche Pateele, +en de Friesche Hoorn, en by zommige Gilden noch in gebruik. Hy trouwde +Swebyne, de dochter van den Koning der Swaaven, zyne gebuuren. Om zyn +rechtvaardigheid, is hy by zyne onderdaanen en gebuuren zo vermaard +geworden, dat alle, die wel regeerden, daar van Adelingen, en van +Adel gezegt wierden. Welke benaamingen tot op den huidigen dag zyn +overgebleven. + +Ubbe, Juttes zoon, om Jutland tegen den aanval der Deenen te bevryden, +zette zyn zoon Fyt ter dezer dagen tot Voogd over Eiderland, en +Hendrik, zyn jongste zoon, over Jutland; die ondertrouwd wierd met +Signe, Dochter des Konings der Finnen. + +En in den jaare 234, Granus, vyfde Koning der Deenen, dit bemerkende, +heeft zich vermomd, en Hendrik op den dag der bruiloft, nevens veele +van zyne vrienden onvoorziens vermoord: en de Bruid, uit Finland +wegvoerende, zelfs getrouwt: edoch dat hy twee jaaren daar na met de +dood moest bekoopen. + +In den jaare 220 heeft Adel, Schotte, zyn broeder Scholtes zoon, naar +'t land, dat naderhand Schotland is genaamt geworden, heen gezonden, +op dat hy 't met volk zoude beplanten. + +In den jaare 201, Jutte, over de dood zyns broeders vergramd zynde, +heeft de Deenen veele jaaren met zeerooveryen geplaagt: tot dat hy +van Froote, achtste Koning der Deenen, in een zeeslag overwonnen +wierd. Die daar op de geheele Friesche kust heeft uitgeplondert; +zynde zulks van de Deenen voorheen nooit ondernomen: en voort het +Flie inzeilende, heeft zelfs het voorste van Duitschland aangetast: +en van daar is hy met zynen roof of buit naar Engeland overgestoken. + +In den jaare 151, is Adel, na dat hy in langduurige vrede loffelyk +het Vaderland bestierd hadde, gestorven. + +Doe wierd Ubbe tot derde Prins in 's Vaders plaats van de Staaten +des Lands aangenomen. + +In den jaare 131, als Ubbe, op 't aanraaden van zyne moeder Swobyne, +zyn grootvader, Koning der Swaaven, om de vrindschap te versterken, +eens bezogt hadde, heeft hy Keulen aan den Rhyn gesticht, ter plaatze +daar nu Duts legt. Daarom zyn de Keulenaars by de Romeinen eertyds +Ubii geheeten, van deze Ubbe. + +In den jaare 127 heeft Baate, zoon van den Koning der Katten, van +Friesche afkomst, met zyn gezelschap zich eerstmaal in de Betuw +nedergeslagen: daar hy Baatenburg en andere plaatzen stichte. Zynde +de oorsprong van die bekende Bataviers, dewelke nu Hollanders genaamt +worden. + +In den jaare 120 heeft Frieso de jonge getrouwd de dochter van Ubbe, +welkers naame Frouw was. Deze Frieso was de zoon van Gryns, zoon +van Gæle, zoon van Haaje, zoon van Frieso de eerste. Hy trok met +een hoop over den Fliestroom, en bewoonde het land, dat van hem noch +Westfriesland is genaamt, en in dien tyd gebynaamt, kleene Friesen +[12]. Daar bouwde hy, omtrent duizent schreeden van Alkmaar, aan een +inham van een arm der Rhyn, die Krabbendam van Kennemerland afscheid, +de stad Vroonen, die zo ryk en vermaard door den koophandel wierd. Waar +van hedendaags niets meer te zien is [13]. + +In den jaare 71 overleed Ubbe; en Azinga Askon, zyn zoon, quam in +zyn plaats: dezelve was een onrustig en eerzuchtig mensch: hy voerde +verscheidene doch ongelukkige oorlogen met den Koning van Tongeren +en de Baatenburgers. + +In den jaare 59 zyn eenige kooplieden uit Indiën, onder den noorder +aspunt om, door storm en onweder aan de Duitsche kust vervallen, en, +zo men meent, in Friesland aangeland. + +Azinga heeft Staveren met muuren omtrokken, en eerst dien naam +gegeeven, naar een ruuwen onbeschaafden Staf, hunnen Afgod; daar +zy God, na de wyze der ongeloovige volkeren, by in erkentenisse +hielden; om dat God de menschen als een staf en leunstok is in alle +gevaaren. Want het was by de Duitsche volkeren gemeen, om God door een +stok, blok, of steen, op hunne wyze te dienen, door dien zy zulken +hoogen achtinge wel van God hadden, dat zy hem met geen duidelyke +gelykenisze, het zy van een mensch, of diergelyke konden afbeelden. + +In den jaare 10, ter gelegentheid, dat de Romeinen onder hunnen Overste +Drusus de Baatenburgers, Geldersche, en nabuurige volkeren overwonnen +hadde, heeft hy de Westfriesen ook aangetast, van welke hy jaarlyks +slegts een getal ossenhuiden bedong: en, zullende de volkeren over +den Eems mede aandoen, hebben de Friesen der Romeinen schepen, die +door de ebbe op hunne wadden waren vast geraakt, uit het gevaar van +vergaan verlost. + +Als Azinga nu in 't 71ste jaar zyner regeeringe was, is de hoope +Izraëls, en de wensch aller Heidenen vervult geworden, als onze +Zaligmaker Jezus Christus te Bethlehem, in het Joodsche Land, gebooren +wierd, tot troost van die geene, die dien dag der zaligheid voor +langen tyd hadden begeeren te zien: terwyl onze Voorvaderen noch in +een dikke duisternis van onwetenheid gezeten waren. + +In den jaare 2, na de geboorte van Christus, Azinga ziende, dat de +Westfriesen, door hulpe der Baatenburgers, onder de Romeinen gebragt, +en van de Roomsche Overste Drusus met 50 Schansen langs den Rhyn +wel bewaart waren, heeft hij de Baatenburgers geweldig bevogten, en +veele ter neder gemaakt. Maar Azinga, door een pyl zwaar gewond zynde, +vlugten de Friesen, hem brengende op zyn slot, omtrent een halve myl +van Staveren, op de Kreil. De Friesen maakende ondertusschen, buiten +zyn bevel, eenen tweeden aanslag, versloegen nochmaals 500 mannen; +waar tegen zy 300 Mannen verlooren, en zyn alzo met overwinning en +goeden buit weder gekeert. + +In den jaare 4 is Diokarus Seegen, neef van Azinga, Ridder geslagen +van Brabo, eerste Hertog van Braband, en met groote eere weder in +Friesland gekomen. + +Ook is by 't Roode Klif, niet verre van Staveren, een vlamme uit +de aarde geborsten, welke 3 dagen duurde. Den 4den dag quam 'er een +groote draak regt om hoog uitvliegen, die de aanschouwers een half +uur lang geweldig verbaasde, en is weder in de spleete neder gerukt. + +In den jaare 5 heeft Azinga die van Tongeren den oorlog aangedaan, +en veele van hen verslagen: doch Brabo, Hertog van Braband, die van +Tongeren te hulpe komende, hebben zy Azinga gevangen gekregen. Doch +om de erkentenisse van Diokarus Seegen, heeft gemelde Hertog hem +alleen maar met verachtelyke woorden gestraft [14], en doe weder na +Friesland gezonden. + +In den jaare 6 heeft Tiberius, Veldoverste der Romeinen, Kennemerland +ingenomen. + +In den jaare 11 is Azinga Askon gestorven: en zyn Neef Diokarus Seegen +quam in zyn plaats. + +In den jaare 15 heeft hy allomme door geheel Friesland schoolen +voor de jeugd ingesteld; en in 't byzonder schermschoolen binnen de +Hoofdstad Staveren en Dokkum; daar 't volk met allen yver driemaal +'s weeks wierd onderwezen. + +In den jaare 16 en 17 zyn de Romeinen met hunne krygsbenden door, langs +en om Friesland getrokken, om de nabuurige volkeren te beheerschen; +zynde de Friesen met hun in een goed verbond. + +In den jaare 29, als de Westfriesen, door de gierigheid der Romeinsche +Overste Holle [15], byna uitgeput waren, alzo hy van hun afeischte +grooter ossenhuiden tot schattinge, als zy konden leveren, zo zyn zy +tegen hem opgestaan, en hebben zyne aangestelde Tolmeester opgehangen, +en het slot op het Flie, daar hy gevlugt was, sterk belegert. Maar, +door den Romeinschen Overste der Duitschers Apronius opgeslagen +zynde [16], hebben nochtans groote overwinninge tegens de Romeinen +gehad: dewelke by de 900 mannen verlooren omtrent het woud Baduhenne; +behalven noch 400 soldaaten, die uit vreeze voor de Friesen malkander +doodsloegen. Waar door Diokarus ook den toenaam van Seegen schynt +bekomen te hebben. + +Omtrent den jaare 44, als de Friesen wel met de Romeinen stonden, en +dat Diokarus zich ook by den Roomschen Keizer Claudius ten stryde +begeeven had, daar hy groote eer behaalde, was 'er een groote +hongersnood in 't land. + +In den jaare 46, als Seegen den staat des lands loffelyk bedient had, +is hy in tyd van vrede gestorven: en zyn oudste zoon Dibbald Seegen is +de zesde Prins der Friesen geworden. Hy was een goedertierend Vorst +omtrent zyne onderdaanen: maar aan de andere zyde zeer onrustig, +en genegen tot den oorlog. Waarom hy zich naar 't Roomsche leger in +Engeland begaf, daar hy veele ridderlyke daaden uitvoerde: laatende +Friesland onder 't bestier van een aangestelden Landvoogd. + +In dien tyd was 'er in Friesland een kloek Ridder, genaamt Idsert +Jetse, van een verwonderlyke kragt, waarom ook onder de wandeling +Sterke Man geheeten, dezelve was acht voeten in de lengte groot, hy +kon in ieder hand een tonne Bier 220 treeden verre dragen, neemende +onder ieder oxel [17] een kaas, omze van 't ligchaam te doen afhouden: +ook droeg hy 2 mannen een halve myl verre op zyne armen: een onbezuist +paard, kon hy met zyn vuist slaan, dat het dood ter aarde viel: en +wanneer hy toornig was, derfde hem geen mensch onder de oogen te komen. + +Na den jaare 48, is Corbulo, een Romeinsche Overste, de Westfriesen +onvoorziens op 't lyf gekomen, wegens hunne wederspannigheid, daar hier +boven van gezegt is: en gyzelaars te pande mede neemende, stelde hun +de paalen, daar zy niet over mogten komen. Het welk men meent de Lek te +zyn, die hy liet graaven tusschen de Maas en Rhyn, daar nu Holland is. + +In den jaare 52 quam Dibbald, van den Roomschen Keizer Claudius +grootelyks begiftigt, weder in Friesland: met hem leidende den Overste +van Camga; daar het edel geslachte van Camminga uit gesproten is. + +In den jaare 55, als Claudius gestorven was, is Dibbald oostwaards +opgetrokken, brandende en blaakende zeer verwoed. + +In den jaare 59, zyn Vryt of Verritus en Malorix, nevens een goed +gezelschap, in gezantschap tot den Keizer Nero naar Rome getrokken, +ter oorzaake van de klagten der Romeinen, dat de Friesen hun met +de akkerbouw al te na by den Rhyn quamen. Vryt was van 't Geslachte +van Hermana, afkomstig van Manne, die een kindskind was van Frieso +de eerste. En Malorix van Camminga. Behalven dat zy van den Keizer +groote eerbewyzingen, nevens het burgerrecht van Romen verkreegen, +zynde daar ook tot het Christelyk geloove bekeert. En Ægistus, een der +70 Discipelen van Christus, quam met hun in Friesland, om daar ook die +leere te verbreiden: doch Seerp, Zoon van Fyt, en derde Priester der +Druïden, op 't Oude Hof te Lewerden [18], stond hem zeer tegen. Zo +dat hy weinig vrugt in 't land deed, en wierd van de ongeloovigen +dood geslagen. + +In den jaare 61, is Dibbald tegen de Duitschers opgetrokken, doch +keerde met verlies van 800 mannen schandelyk weder naar huis. + +In den jaare 62, quamen de Deenen, opgemaakt [19] van de Duitschers, +Friesland plonderen en verwoesten 6 geheele jaaren lang; want Dibbald +lag ziek te bedde. + +In den jaare 69, trok Dibbald met een groote vloot schepen naar +Deenemarken, om zyn leed te wreeken. + +In den jaare 77 deed hy de Gelderschen den oorlog aan: die hem +zo wel onthaalden, dat hy 500 mannen verloor, en hy zelve in een +teeringziekte verviel. + +In den jaare 85 overleed Dibbald, en wierd te Staveren begraven. + +En Tabbe is tot de zevende en laatste Prins van Friesland aangenomen, +dewyl Dibbald zonder kinderen was gestorven. Hy was een der voornaamste +van Dibbalds Veldoversten, een wreed en onstuimig man. Waarom hy ook +geheele 7 jaaren onder den Roomschen Keizer Domitianus ten oorlog trok; +laatende Friesland onder een Stadhouder. + +In den jaare 94 deeden de Noormannen een tocht op Friesland, dat zy +plonderden en veel roof uit haalden. Waar over Tabbe t'huis onboden +zynde, zy zich hebben weggemaakt. Hy ondernam eerst met een goede +vloot, en doe te land, zyn wraak te neemen; maar had weinig voorspoed. + +Omtrent den jaare 100 was Harke, zoon van Seerp, de 4de Priester der +Druïden op 't oude Hof. + +En in den jaare 130 is Tabbe, de laatste Prins, gestorven [20]. + + + + + +II. ONDER ZEVEN HERTOGEN. + + +In het zelve jaar 130 quam Askon in zyn vaders plaats, die zich, +naar de manier der Romeinen, Hertog liet noemen. + +Sinne, de 5de Priester der Druïden, schreef in deze tyden tot Askon: +om de Christenen uit het land te verjaagen, en de Afgoden des lands, +na ouder gewoonte te dienen. + +In den jaare 155 is 'er weder eene groote vlamme op 't Roode Klif +uitgeborsten, ter zelver plaatze, als boven verhaalt is: en alzo de +menschen, daar omtrent woonende, daar zeer bevreest voor wierden, +vroegen zy hunnen Afgod Staf: Wat daar van worden zou? Zo antwoorde +hun de Duivel door den Staf, als eertyds tot Eva door de Slang. Dat +zy voor dit vuur niet behoefden te vreezen; om dat 'er na eenigen +tyd wel wat kouds op mogt volgen. + +In den jaare 163 deeden de Friesen, met de Oosterlingen en Katten +een inval in Frankenland, daar zy 't zeer verwoesten. + +In den jaare 164 is in het zuidwesten, omtrent een halve myl van +Staveren, een put gegraven, die zo veel zout water opgaf, dat men +vreesde het geheele land zoude onderloopen. Waar over den Afgod Staf +nochmaals om raad gevraagt zynde, hun ten antwoord gaf: het bloed +van een driejarig kind daar in te gieten. Dat gedaan wierd, en waar +na het ook ophield, dat 'er zelf geen water meer in de put bleef. Zo +snakt de Duivel naar menschen bloed. + +Askon deed verscheidene fraaije dorpen stichten, als Westerbierum +[21], niet verre van Flieland; en Dyxhorne, tusschen Almeenum, +dat nu Harlingen genaamt word; Ter Schelling [22] en Westerbierum, +die nu beide door de zee verdronken leggen. + +In den jaare 168 zyn 2 Meereminnen uit de Lauwers opgekomen; en +door Friesland omzwervende, tot verwondering van veele lieden, +hebben zich eindelyk by Westerbierum, van waar zy gekomen waren, +weder ondergedompelt. + +In den jaare 173 is Askon, na een vreedzaame en loffelyke regeeringe, +mede gestorven. Hy liet 4 zoonen na, namentlyk, Adelbold, Tiete, +Richold en Radbout. Radbout vertrok naar Friesland, alwaar hy trouwde, +en een zoon won, welke was Diderik, eerste Hertog van Westfriesland: +van wien naderhand de Hertogen en Koningen van Westfriesland +voortgesprooten zyn. + +Maar Adelbold wierd de 2de Hertog in zyn's vaders plaatze; en aanstonds +beoorloogde hy zyne nagebuuren. + +In den jaare 174 vertrok zyn Broeder Tiete naar Romen: alwaar hy +zich in goede konsten, en byzonder in die van de welspreekentheid +oeffende. Waarom hy ook by den Keizer Antoninus, de Philosooph, +wel bemint was. + +Na den jaare 175 had Godefroy Brabo, de zesde Hertog van Braband, +oorlog met de Romeinen; daar Adelbold en Tiete hem met hun volk +te hulpe quamen: alwaar Tiete, om zyn ongemeene dapperheid, Ridder +geslagen wierd van Brabo. + +In den jaare 178, als Keizer Antoninus oorloogde met de volkeren, +die tegen de Romeinen opstonden, heeft Adelbold zyn Broeder Tiete met +hulpbenden tot den Keizer gezonden: die daar over zeer verblyd was, +en zyne vyanden vrees aanjoeg, alzo zy op die tyding de vlugt namen. + +In den jaare 180 vielen de Friesen met een groote furie in Walsland, +afloopende of bedervende al wat hun voor quam; waar doorze by hunne +vyanden een grooten naam en verbaastheid hebben gemaakt. + +In den jaare 183 hebben de Wenden en Gotten, uit de Noordsche Landen +opgeborsten, verscheidene volkeren overvallen. En van de Deenen +afgekeert, quamen ze over de Elve, neemende hun zitplaats aan beide +de zyden van de Weezer; en wierden van dien tyd af Oostfaalingen, +nu Oosterlingen en Westfaalingen, geheeten. Van welke 1500 dachten +in Friesland te vallen: maar wanneer zy zagen, dat de Friesen aan +de andere zyde van de Eems goede beschansingen hadden, derfden zy +niet onderneemen om over te komen. Waar op Tiete, hun van achteren +bespringende, alle heeft geslaagen, behalven 400, die den Eems +overzwommen; doch in Adelbolds handen vervielen, en die 'er goede +buit van maakte. + +In den jaare 186, als Adelbold krank was geworden, wilde hy +zyn broeder Tiete de landbestiering opdraagen. Welke het ernstig +weigerde, doch echter moest aanneemen. Na welken tyd Adelbold noch +veele jaaren leefde. + +Tiete Bojokalus, mogelyk Beukels, was de 3de Hertog van Friesland [23]. + +In den jaare 187 wierd hy ingehuldigt, en regeerde het land met groote +voorzigtigheid, houdende alomme vrede, zo buiten- als binnenslands. + +In den jaare 208 Adelbold gestorven zynde, is met een ongemeene pracht +te Staveren in de groote kerk begraven. + +In den jaare 217 is voor de derdemaal op het Roode Klif eene vlamme +opgeborsten, doch 18 treeden westelyker, als waar van wy hier boven +gezegt hebben; dezelve vertoonde zich 11 dagen lang, tot verschrikkinge +van die daar omtrent woonden. Tiete, na dat hy den Afgod Staf 3 dagen +lang brandoffer toegedient hadde, zo gaf denzelven tot antwoord: +Dat door ten gewapend Ridder 3 kannen water, uit de Noordzee gehaalt, +moest in gegooten worden; alzo het anders niet zoude uitgaan. Zulks +gedaan wordende, zo verdween de vlam. De Duivel kon ligt genoeg zien, +dat het land door de slag van het water geweldig ondermynt wordende, +de Noordsche golven daar wel haast haaren loop zouden neemen. + +In den jaare 240 is Tiete overleden: en zyn neef Ubbe, zoon van +Richold, Tietes Broeder, is in 't zelve jaar tot 4de Hertog +verkooren. Door dien hy zeer vredelievend was, heeft hy 't +Land met treffelyke gebouwen, sterktens, vestingen, dorpen en +steden verheerlykt. In 't 2de jaar van zyne regeeringe bouwde hy +in Westfaalen, dat hy met volk bezet hadde, een slot, geevende het +zelve den naam van Tiete, na zyn oom, of Tietenburg [24]. Het zelve +is nu een stad, maakende met het omleggende gewest het graafschap uit, +voerende beide den naam van Tekelenburg, en in zyn wapen noch tweemaal +3 Plompen, nevens 2 Ankers, uit het oude Friesche wapen. + +In den jaare 248 stichte Ubbe aan de Lauwers een sterk kasteel, +'t welk hy den naam gaf van Dokkenburg, dat zo veel gezegt is als +Havenslot; want Dokke, zeggen de Geleerden, is in oud Duitsch een +haven, doch word in Friesland ook in de beteekenis van een kinder +poppetje gebruikt. Gemelde kasteel was zeer bequaam, om de haven +tegen de zeeroovers te beschermen. Naderhand is 'er de stad Dokkum van +geworden. Staveren heeft hy veel vergroot, en met heerlyke gebouwen +aanzienlyk gemaakt. + +In den jaare 260, ten tyde als Hertog Haron een Heer des lands was, +is 'er naauwelyks eenig landschap in gantsch Duitschland geweest, +of het brande en blakerde van oorlog. In Zweeden, Noorwegen, Hessen, +Friesland, enz. was alles op de been. Van dezen Haron zoude het dorp +Haren alhier zyne benaminge ontfangen hebben. + +In den jaare 279 vielen de Baatenburgers in Friesland, en deeden veel +quaad, eer de Friesen zich verweeren konden: maar als Ubbe hen met +een party volk [25], zo spoedig als hy 't zelve byeen konde krygen, +tegen quam, wierd 'er aan weêrskanten hardnekkig gevogten, en vielen +wederzyds wel omtrent 500 mannen. + +In den jaare 289 zyn de Hollanders, Friesen, Drenthers, enz. in den +winter, als de wateren bevrooren waren, met een schrikkelyk groot +krygsheir den Rhyn gepasseert; inneemende de landen aan geene zyde +dezelve gelegen, doodslaande en verwoestende voorts alles, daar maar +Roomsche bezettinge inlag. + +In den jaare 299 overleed Ubbe, en wierd te Staveren, by zyn oom Tiete, +in de groote kerk begraven. + +Om dat zyn oudste zoon Odilbald by den Keizer Diocletianus, wegens +het inneemen van de stad Alexandria, in groote achting was, en hem +tot wigtige zaaken in Egypten groote dienst deed, zo wierd Haron, +Ubbes jongste zoon, tot 5de Hertog van Friesland verkooren, en trouwde +de dochter van den Koning der Deenen. + +In den jaare 308 en eenige volgende jaaren, heeft Constantinus Magnus, +Roomsch Keizer, deze landen wederom onder zyn gehoorzaamheid gebragt; +doende de guarnisoenen versterken, nieuwe kasteelen bouwen, en de oude +verbeteren [26]. Voorts alle de geene dreigende, die zich in volgende +tyden zouden roeren, hen te vuure en zwaarde te zullen vervolgen. + +Omtrent den jaare 312 is Westfriesland, dat dus lang als verlaaten en +woest had gelegen, van 5 voornaame mannen begonnen bebouwd te worden, +en met dorpen en heerlykheden versiert. Waar van Diderik, zoon van +Radbout, zoon van Askon, eerste Hertog der Friesen, wel de grootste +aanleider was: dezelve heeft ook het eerste ontwerp van Medenblik +gemaakt, en tot een Hoofdstad van Westfriesland gestelt. + +In den jaare 334 heeft Diderik, door deze nieuwe heerlykheden +verhovaardigt zynde, den naam van Koning willen voeren. Waarom Haron, +Hertog der Friesen, hem zo met wapenen te keer ging, dat hy binnen +3 dagen te Staveren quam; en gemelde Diderik dwong zyne Koninglyke +Kroon af te leggen. En Diderik, als overwonnen, zynen overwinnaar om +vergiffenisse bad, die hem eindelyk toestond Hertog van Westfriesland +te blyven: doch met eene eeuwige onderwerpinge onder hem en zyne +nakomelingen. Diderik had een zoon en zoons zoon, die beide Lem of +Willem genaamt waren. Van de laatste draagt Haarlem zynen naam. + +Van dien tyd af is de naam van Westfriesland geweest: ook zyn de +inwoonders doe Friesche Buinen, dat is Plompaarts, (Frisiabones) +genaamt [27]. + +In den jaare 335 is Haron by 't Roode Klif overleden, en te Staveren +by zynen vader in 't graf gelegt. + +Odilbald, Harons zoon, wierd aanstonds tot 6de Hertog verkooren. Hy +was een dapper krygsman, en tot de landbestiering wel onderwezen. + +In den jaare 339 heeft hy Staveren noch wyder uitgezet, en hooger en +breeder muuren daarom getrokken, en met diepe wyde gragten voorzien, +en met heerlyker vryheden begiftigt. Het land liet hy alomme met +meer buurten en dorpen bezetten, en dezelve met volk bewoonen. Aan +de Lauwers, tusschen Dokkenburg en Schiermunniksoog, heeft hy mede +een stad doen bouwen, die Waarden wierd genaamd, om het land voor +zeerooveryen te beschermen. + +In den jaare 344 zyn de Westfaalingen, met die van Angria [28], hunne +gebuuren, tusschen de Eems en de Lauwers, daar nu Groningerland is, +ingevallen. Doch Odilbald heeft niet alleen hunnen roof ontjaagt, +maar hen zelve in hun land vervolgt, dat hy onder zyn gebied bragt, +en eenen Igle Laskon tot Overste daar in gestelt, die 't ook 65 jaaren +trouwhartig bewaarde. Ook bouwde hy aldaar tot zekerheid 3 kasteelen, +als in Angria, Soest en der Yburg: welke 2 laatste nu steden van die +naamen zyn. Na gemelde overwinning, vertrok Odilbald weder tot zyn +slot Dokkenburg. + +Hy bequam ook na eenige dagen tyding van den inval der Baatenburgers +in Friesland. Dewelke van hem aangetast zynde, bleeven 'er wederzyds +omtrent 400 dood: doch de Baatenburgers vlugtende, nam hy eenige +van hunne sterktens in, en versloeg noch van de vlugtelingen wel 250 +vyanden: keerende met goeden buit weder te rugge. En leefde voortaan +gerust, zonder eenige oorlogen. + +In den jaare 357 verbrande de onlangs gebouwde stad Waarden geheel af. + +In den jaare 359 overleed Odilbald, tot droefheid van zyn volk. + +In 't begin van den jaare 360 is Odolf Haron, de laatste Hertog +verkooren. Zyne genegentheid was zeer tot den oorlog, en was door +Laskon in den wapenhandel wel geoeffent en onderwezen. + +In den jaare 368 zyn die van Angria, de Westfaalingen en Gelderschen +tegen Igle Laskon opgestaan. Doch Haron met een machtig leger +afkomende, versloeg hen, plonderde Gelderland, en bragt het onder +zyn gebied. + +Niet lang daar na zond Igle aan Haron een wolf, die over den huid met +veelerlei zeldzaame afbeeldzels van hoofden bezet was. Haron vereerde +denzelve aan den Keizer Valentinianus, als een wonderschepzel. + +In den jaare 376 vergaderde Odolf een grooten hoop volk by Staveren +en Dokkenburg, waar mede hy in 't oost en zuidoost is opgetrokken, +neemende aldaar verscheidene vestingen in, die hy met volk bezette. + +In den jaare 377, heeft Odolf de afgebrande stad Waarden weder +opgebouwt, en Ezonstad genaamt, daar nu Emmerzyl is [29]. + +In den jaare 385 kon Friesland zyne Inwoonders niet voeden, alzo de +traage akkerbouw schaarsheid in levensmiddelen voortbragt, zo dat by +gemeenen raade wierd goedgevonden, een gedeelte strydbaare mannen by +lotinge uit te kiezen, om een ander land op te zoeken: ja de Hertog +Odolf was zelve zo toegeevende, dat hy deze lotinge mede over zyne +eigene zoonen liet gaan, en het lot mede op hen is gevallen: des +Hengst en Hors, zyne zoonen, tot Hoofden van 't uitgelote volk gestelt +zynde, hebben den Eiderstroom aangedaan, en aldaar zich nedergeslagen: +want zy aan 't Hof van den Keizer Valentinianus zeer wel in krygs- +en staatszaaken onderweezen waren; als ook by Karel Taxander, 10de +Hertog van Braband, groote proeven van kloekmoedigheid hadden gegeeven; +en ook by Laskon lang in Westfaalen geweest waren. Het land, dewyl het +laag en broekig was, wierd met dyken en sluizen, tot haar gebruik ten +nutte gemaakt: en gaven 't den naam van kleen Friesland, vervattende +het land dat men nu Eiderstede, Angelen en Strantfriesen noemt [30]. + +In den jaare 389 hebben de volkeren dezer landen aan de Romeinen +schattinge geweigert te geeven, en daar by hunnen Raadsheer Sisinus met +al zyn volk doodgeslagen. Daar op togen zy langs den Rhyn, en vielen +zeer schrikkelyk op de Romeinen in, om hen uit het land tusschen Rhyn +en Maas gelegen te verdryven; doch te sterken tegenstand vindende, +moesten zy vrugteloos weêr te rug trekken. + +In den jaare 420 hebben deze volkeren wederom een schrikkelyk krygsheir +byeen gezamelt, en in de wapenen gebragt; vallende voorts by Doesburg +over den Rhyn, en hakten alles, wat zy van de Romeinen op de been +vonden, kapot; voorts het gansche land doorstroopende, namen zy alle +steden en sterktens tusschen Rhyn en Maas in bezettinge, en bevolkte +dezelve met hun eigen natie. + +In den jaare 429 zyn in Friesland, alschoon Haron en de zyne +afgodendienaars waren, door de Christenen 4 kloosters gesticht. + +In den jaare 432, Haron, wegens zynen ouderdom, de regeering moede +geworden zynde, heeft met goedvinden van de Staaten des Lands, zyn +zwager Offe in deszelfs plaatze gestelt. + + + + + +III. ONDER NEGEN KONINGEN. + + +Zo wierd Richold Offe in Odolfs plaats verkooren, en is 1ste Koning +geworden. + +In den jaare 435 zyn de Noormannen met een groote scheepsvloot in +Groningerland geland, trekkende voorts voorby het Huis Groenenberg, +in 't Drenth, roovende en plonderende alles wat ze konden krygen. Doch +Richold, Koning der Friesen, heeft hen met zyn macht het land wederom +doen ruimen. + +In den jaare 436 overleed Odolf Haron: van doe af aan heeft Richold +den naam van Koning eerst aangenomen, om dat hy zyne gebuuren zulks +zag doen: want hy meer land onder zyn gebied had, als iemand onder hen, +te weeten, van de Fliestroom af tot de Eider, en geheel Westfaalen. + +In den jaare 442, zyn de Noormannen, een onrustig volk, leevende +van den roof, om buit in Friesland gekomen; en hebben 't land tot +den grond toe bedorven, maar Richold, een man van onbezweeken moede, +trok hun by Grunenberg [31], nu Groningen, te gemoet; doch verloor in +dien stryd, alzo zyn volk moede was van den tocht, by de 300 mannen, +en, ten zy de nacht daar niet tusschen gekomen ware, zouden de vyanden +hem met de zynen geheel verslagen hebben. Doch met het aanbreeken van +den dag, is hy andermaal op de Noormannen aangevallen, en versloeg ze, +dat 'er 900 op de vegtplaats dood bleven; de overige wierden van de +landlieden verslagen, ja men weet niet dat 'er een van ontkomen is. + +In den jaare 449, als Hengst en Hors geweldige rooveryen op zee +bedreeven, heeft Vortigern, der Britten Koning, hunne hulpe tegen +de Pikten en Schotten gebruikt, die zy overwonnen; en stichten, na +veel tegenstand, aan de voorkant van Engeland het Ryk, dat noch Kent +genaamt word, en daar Hengst de 1ste Koning is geweest: geevende hunnen +oorspronk aan de tegenwoordige Engelschen, gelyk de naam van Angelen en +Angelboeren, te vooren gemeld, ook wel uitwyzen. 2 Friesche Edelingen, +als Tæke Heerema en Douwe Hiddema, waren hunne Admiraalen, die ook +het Eiland Frisland zouden opgedaan en dien naam gegeeven hebben. + +In den jaare 453 bouwde Richold tusschen Staveren en Medenblik een +groote kerk, en stelde die tot een Vryhuis voor de ballingen [32]. En +in 't volgende jaar maakte hy vrede met de Noormannen. + +In den jaare 463 bouwde hy binnen Staveren een kostelyk en koninglyk +Huis, daar hy alle Prinsen en Hertogen van Frieso den 1sten af, +tot zynen tyd toe, in liet afbeelden; met een naauwkeurig verhaal +van hunne daaden en tyd van regeeringe daar by gestelt. Waar van het +gerucht alomme verspreide tot vreemde volkeren, en nieuwsgierigheid +verwekte, ja zelfs dat Karel de Schoone, Hertog van Braband, nevens +zyne Hovelingen, zich naar Staveren begaven, om de pragt en deftigheid +van dat werk met verwondering te bezichtigen. + +In den jaare 471, als Odilbald, Richolds zoon, aan Haddinge, der +Noormannen Konings dogter, getrouwt was, wierd hy van zyn vader tot +1ste Graaf van Tietenburg gestelt, dat nu Tekelenburg genaamt word. + +In den jaare 496, deed Klodoveus, (Klovis) zoon van Childrik, Koning +van Vrankryk, een inval in Friesland, meenende hetzelve onder zyn +gebied te brengen. Maar Richold heeft hem zoo wel ontfangen, dat hy +met groote schande weder naar Vrankryk moest vlugten. Na dien tyd +had Richold goede vrede, liet veele huizen, hoeven, heerlykheden en +slooten, die wy stinzen noemen, alomme aanbouwen: ook stichte hy, tot +vermaak van zyn hofgezin, een lustige Stins en Lusthof, in een woud, +omtrent een myl verre van Staveren, dat naderhand een geweldige meer is +geworden, die de Flusse genaamt word. En, eer dit jaar ten einde was +geloopen, overleed hy, en wierd van zyn zoon naar Titenburg gevoert, +en aldaar ter aarde bestelt. + +Odilbald, Graaf van Tietenburg, wierd in zyn's vaders plaats de 2de +Koning der Friesen. Hy was een verstandig en beleefd man, goedertierend +over zyne onderdaanen, en kloek tegen zyne vyanden. Zyne zoonen zond +hy tot den Koning der Noormannen, om in den wapenhandel geoeffent +te worden. + +In den jaare 513 zyn in een kelder, omtrent een halve myl van +Dokkenburg, zeer subiet omgekomen 9 mannen, 3 vrouwen en 6 kinderen, +zo men vermoede door een basiliskus. Waar op het huis aanstonds +verbrand wierd, en men vernam geen quaad meer. + +Omtrent dezen tyd gebeurde het, ten huize van Yv Hopper, of Hopheer, +tusschen Staveren en Hoorn, (daar de Zee noch het Hoornsche Hop +genaamt word, en nu diepe baaren schiet; waar van men ook noch zegt: +'t Hoornsche Hop, leegt den krop,) dat een dienstmaagd, als zy water +uit de put schepte, een leevendige haring mede optrok. Waar door Hopper +verschrikte, indachtig wordende, 't geen de Afgod Staf voorzegt had: +dat na dat vuur, daar we op 't jaar 155 van gemeld hebben, wel wat +kouds mogt volgen. Des hy zyne landen verkogt en verruilde, en alzo +voorquam dat hy geen schade door de wegspoeling derzelver behoefde +te lyden [33]. + +In den jaare 516 is geheel Friesland byna door de zee onder geloopen, +waar door meer dan 6000 menschen en veel vee is verdronken. + +In den jaare 517 zyn in Friesland ongemeene groote hagelsteenen +gevallen, waar van zommige een halve voet breed en een heele voet lang +waren, voortgedreven door een zwaaren wind. Groningen, by de Friesen +Grins genaamt, is in dezen tyd met houte planken omheiningt geworden. + +In den jaare 527 is Odilbald te Dokkenburg gestorven, en te Tietenburg +begraaven. + +Richold, zyn oudste zoon, quam door algemeene toestemminge der +Staaten, terstond in zyn's vaders plaats. Om zyne deugden was hy by +de landzaaten zeer bemint. Onder Richolds regeeringe had Dibbald +het gezach over Westfriesland, en nam met verlof van Richold, zyn +Beschermheer, den naam van Koning aan. Zyn zoon Lem, of Willem, bouwde +een slot, dat het volk Heer Lems Slot noemde, en wierd naderhand een +Stad, die nu noch daar van Haarlem genaamt is [34]. + +In den jaare 548 hebben de Deenen het Graafschap Tietenburg jammerlyk +geplaagt en uitgeplondert; doch de komste van Richold gewaar wordende, +zyn doorgegaan. Waar op de Koning zyn Overste Harke, uit het edel +geslachte der Rodmannen, een onverzaagden held, met een grooten +hoop volk naar Deenemarken zond; die daar zeer brande en blaakte, en +komende met een ryken buit weder in Friesland te rug. Middelerwyl zyn +ook de Gelderschen en Westfaalingen wederspannig geworden; doch als +Richold hen, met een groote macht van volk, in een slag overwonnen +had, hebbenze om lyfsgenade moeten bidden, met belofte van eene +eeuwige onderwerping. + +In Westfriesland werd Dibbald van de Baatenburgers mede zeer benaauwt; +dat, ten waare Richold hem met geen machtige hand beschermt hadde, hy +'t halve Land zoude kwyt geweest zyn: doch bequam nu, boven het zyne, +noch verscheidene van hunne vestingen. Hy liet, na zyn overlyden, +Ridzert Aurundulus in zyne plaats, die zyn kindskind was. + +In den jaare 570 ontstond 'er uit het noordwesten een vreesselyk +onweder, dat 3 dagen aanhield, en Friesland jammerlyk onder water +zette. Daar wierden op het Roode Klif 35 zwaare boomen uit den +grond gerukt en ter neêr geworpen: en van het lusthof van den Koning +Odilbald, aldaar gebouwd, wierd niet den eenen steen op den anderen +gelaaten. Ook overleed Richold in dit zelve jaar [35]. + +Beeroald volgde hem in 't landbestier, en quam terstond het gebied +van Westfriesland weder op hem: want Aurundulus gestorven was, wiens +dochter hy trouwde. Van inborst was hy zeer mild en vreedzaam. Hy gewan +twee zoonen, als Adgild en Harke, die een onechte was; die hy deftig in +de schoolen liet onderwyzen: doch Harke verlaatende de schoole buiten +'s vaders kennisse, trok uit lust tot de wapenen naar Braband. + +In den jaare 606 wierd Harke uit Braband, met Pipyn van Landen, +zoon van Karelman, ten hove gezonden naar Vrankryk: daar Harke, +uit afgunst om zyne dapperheid, het hof heimelyk verlaatende, naar +Schotland vertrok; en wierd Overste van 't Schotsche veldleger, +en waar door hy huuwde aan de maagschap van den Koning van Schotland. + +In den jaare 612, Lotrik [36], der Franschen Koning, achtende dat de +roemrugtigheid van Harke tot zyn nadeel zoude strekken, om Friesland +niet te konnen overmeesteren, liet hem door verspieders ombrengen, +tot groot leetwezen van den Schotschen Koning Eugenius. + +In den jaare 628 beeft Dagobert, nieuwe Koning van Oostvrankryk gestelt +zynde van Lotrik zyn vader, Friesland willen onder zyn gebied brengen; +op dat zy tot het Christelyk geloove zouden gebragt worden: des hy +Soest, in Westfaalen, belegerde, wierd hem van Igle of Yge Gaalema +een stuk van zyn helm en eenige hoofdhairen afgeslagen. Waarom hy +zyn vader uit Vrankryk ontbood. + +Des Lotrik, in den jaare 630, een hoop volk byeen rukkende, onverwagt +in Friesland viel. Waar over Beeroald hem omtrent het dorp Englum hef +hoofd bied. En als Lotrik hem zag, die hy meinde al dood te zyn, zei hy +op zyn plat Fries: Ach duw aade schiere bolle, bistu dir salm! [37] Het +welk terstond voor Lotriks ooren komende, week hy niet uit den stryd, +voor dat hy Beeroald gedood hadde. En heeft daarom alle Friesen, drie +dagen lang, dood laaten slaan, die langer waren dan zyn zwaard. Van +dien tyd af heeft Dagobert de Friesen veele landen ontnomen. + +Adgild wierd in zyn's vaders plaats tot 5de Koning van Friesland +gestelt, wegens Lotrik, Koning van Vrankryk; en stelde 4 Friesche +heeren tot Raaden nevens hem, die de Christenen wel mogten lyden. Maar +de landen over de Zuiderzee, verstaande Westfriesland daar niet onder, +wierden hem afgenomen: als mede dat zij buiten Drenth en Twente +hadden bezeten; doch oostwaards aan bleef het in zyn geheel: en een +jaarlyksche schattinge van 600 ossen of koeyen wierd hun opgelegt. + +In den jaare 652 was Friesland in gerustheid, midden in der Franschen +oneenigheden; en Adgild leerde de Ingezetenen, voor de overstroomingen, +hooge aardhoopen, die wy Terpen noemen, opwerpen; om by 't doorbreeken +der zeedyken, met hunne beesten, goed en have aldaar de vlugt te +neemen. Dagobert, Koning van Oostvrankryk, bouwde te dezer tyd een +slot, nevens Wiltenburg, dat hy Utrecht benoemde, alwaar de schepen, +die uit zee den Rhyn opvoeren, zich moesten vertollen. Welke plaats +in voorigen tyd den Friesen had toebehoort. Hy gaf dit nieuw gebouwde +Utrecht aan Thuinibert, Bisschop van Keulen, die daar aan de Thomas +Kerk, een oeffenhuis van predikers, stichte, om de Friesen van hun +ongeloove te bekeeren. Adgild had een zoon gewonnen, die Radbout heete, +en eene dochter, Heile genaamt. + +Omtrent den jaare 671 hadden de Friesen eene goede vrede, terwyl 't +rondom door de wapenen der Franschen als in den brand stond: want +Adgild, erkennende van wien hy 't Ryk ontfangen hadde, deed alles +naar der Franschen zinnelykheid [38], en liet de Christenen hunne +godsdienst met alle vryheid oeffenen. + +In den jaare 672 vertrok Radbout naar Deenemarken, om zich in den +wapenhandel te oeffenen: en wierd, ook aldaar noch meer in zyn +ongeloove gesterkt. + +In den jaare 678 heeft Adgild, den Prediker van Utrecht, genaamt +Kenochius, toegelaaten in Friesland te prediken. En Wilfrid, +Aardsbisschop van Jork, zullende naar Romen reizen, doch door +onweder in Friesland vervallen, wierd den geheelen winter huisvestinge +gegeeven, inmiddels dezelve mede alomme de Christelyke leere verbreide +en veele doopten: doch de Koning en zyn hofgezin begeerden van hun +ongeloove niet af te wyken. Maar, om grootere voortplantinge te doen, +zo vereischten meerdere arbeiders; des hy hier over schreef aan de +Broederen in Engeland. + +In den jaare 679 overleed Adgild, en wierd te Staveren begraven. + +Radbout is de 6de Koning der Friesen geworden, in zyn's vaders +plaatze: hy was onrustig en wreed van gemoed, en tot den oorlog zeer +genegen. Hy nam het zeer euvel op, dat zyn vader zo gewillig onder +de Franschen hadde gestaan: waarom hy ook de landen, die zy zyn vader +hadden afgenomen, met het zwaard wilde wederhaalen. Des hy, om geld te +bekomen, zyne onderdaanen onverdraagelyke schattingen opleide, en de +onvermogenden gebruikte hy, door houte duimyzers, als slaaven. Want +de Friesen lieten zich, buiten redenen, niet vrywillig om den tuin +leiden. En om des te bequaamer tot zyn voorneemen te komen, voerde hy +zyn hofgezin naar Staveren. Van waar hy optrok, en het slot Wiltenburg +en Trajectum, nu beide Utrecht genaamt, weder veroverde. Ondertusschen +was Wigbert, op het schryven van Wilfrid, naar Friesland vertrokken: +doch is, wegens de onbekeerlykheid van het volk, na 2 jaaren, weder +in Engeland te rugge gekomen. + +In den jaare 690, als Egbert, Bisschop van Jork, daar door tot +mededogentheid ontroerd wierd over de Friesen, heeft hy 12 geleerde +mannen, uit verscheidene kloosters, byeen vergadert; waar onder +Willebrord, en zyn neeve Switbert, de voornaamste waren: dewelke +allen den Rhyn inkomende, zyn te Utrecht aangeland, en, wegens de +vredelievende eenvoudigheid van die tyden, hunne goederen in 't gemeen +gebruikende, hebben zy met een heiligen yver, tot het onderwyzen der +onweetende of afgodische Friesen, van daar een aanvang gemaakt. Maar +alzo gemelde Friesen, in hunne afgodery noch als verzoopen lagen, wierd +hun niet toegelaaten om Gods Woord te verkondigen, en met bedreiginge +van leevensstraf, zo zy zulks ondernamen. Des zy de platte landen en +aangrenzende landstreeken van Friesland zyn doorgewandelt, op dat zy +noch eenigen voor Christus mogten gewinnen. + +In den jaare 693 heeft Pepyn, dies tyds Voorvegter der Franschen, +en Hertog van Braband [39], Radbout weder uit Wiltenburg verjaagt: +die zich van dien tyd af als balling op een eiland onthield, alwaar +hy en zyn volk groote afgodery met eenen afgod Foste bedreeven; +waar van gemelde eiland ook Fosteland, nu Heiligeland, genaamt is, +leggende in de bogt van Jutland. + +In den jaare 694 quam Willebrord met de zynen op dat eiland, +en begonnen, na eenige dagen daar geweest te hebben, Christus te +verkondigen: maar konden niet meer als 3 menschen van hun ongeloove +aftrekken, en, na zy de beelden van Jupiter en Foste afgeworpen hadden, +dat Wigbert met de dood moest bekoopen, zynze door Radbout weder van +daar verjaagt. Maar, als zy naar Pipyn vertrokken, wierdenze door +deszelfs toedoen weder in Utrecht herstelt. Van welken tyd af zy zeer +veel bekeerden. + +In den jaare 695 bouwde Willebrord, op de plaats van de afgeworpene +kerk, binnen Utrecht, eene andere ter gedachtenisse van het kruis. + +Daar maaktenze een verdeling, en zonden van hen af, by tweeën en +drieën, na de deelen van Duitschland, om de Christelyke leere aldaar +mede onder de ongeloovigen voort te planten. Willebrord bleef te +Utrecht; en Switbert, met twee medehelpers, vertrokken naar Wyk te +Duurstede, daar nu Baatenburg is: alwaar zy door een wonderwerk +veelen bekeerden. 't Welk zy te Utrecht boodschappende, zo zyn +Willebrord en Switbert, om de zaaken wel te bestellen, tot Hoofden +uitverkooren. Switbert vertrok naar Engeland, daar hy Bisschop +wierd gemaakt, en deed, na zyne wederkomst, in Friesland, Holland, +en Teisterband veele stichtinge. + +In den jaare 697 quam Willebrord weder te Utrecht, zynde in 't +voorgaande jaar van den Paus te Romen aangestelt tot Bisschop der +Friesen, daar in dien tyd de Groningers, Overysselschen, Utrechtschen, +Hollanders, en Gelderschen mede onder begrepen waren; en stelde zynen +zetel te Utrecht: Waar van zyne navolgers Bisschoppen van Utrecht +zyn genaamt geworden, daar hy de eerste van was; en Switbert was +zyn medehelper. + +Dit alles kon Radbout met geene goede oogen aanzien; waarom hy +Gerlacus, een woedend krygsman en Overste van Fosteland of Heiligeland, +woonende te Warns, alwaar hy ook een sterk slot gebouwd hadde, afzond, +eerst om Baatenburg, en dan Utrecht te vermeesteren. Maar is van Pipyn +zodanig overwonnen, dat hy hem veel buit moest achterlaaten, als mede +eene belofte doen, om de Christenen in Friesland te vergunnen, Gods +woord vry te mogen verkondigen. Ook wierd Willebrord ondertusschen +van Pipyn aangemaant, om het heilige werk met yver in Friesland voort +te zetten. + +In den jaare 698 verzond Willebrord veele vroome en geleerde mannen +naar Friesland: maar hunne leere wierd niet aangenomen, en zy in +tegendeel bespot, verjaagt en doodgeslagen. + +In den jaare 700 Wulfranus, Bisschop te Sens, een stad in Champagne, +in Vrankryk, door den geest geroert zynde, is met brieven van +voorschryvinge des Konings van Vrankryk, aan Radbout, in Friesland +gekomen; daar hy, door zyne krachtige welsprekentheid, veel volk won, +en ook den Koning byna bewoogen had, zo dat hy zelve begeerde gedoopt +te zyn. Waar op hy Koning, met den Bisschop buiten Medenblik gaande, +alwaar Radbout dien tyd zyn verblyf had, en reeds den eenen voet nu +al in 't water gezet hebbende, vroeg hy gemelde Bisschop: Waar zyne +voorouderen, die zonder den doop gestorven zyn, waren gebleven? De +Bisschop dien ruuwen mensche, door onvoorzigtigheid, wat t' +onbedagtelyk antwoordende, zeide: Dat buiten de kennisse van Christus, +en den waaren God, met verachtinge van de heilige Sacramenten, geene +zaligheid te bekomen was: en daarom moestenze in de helle zyn. Wel, +antwoorde Radbout, dan zal 't my veel grooter eere en aanzien geeven, +dat ik by myne voortreffelyke en beroemde Voorvaderen in de helle ben, +als met een geringen hoop Christenen in den hemel. En trok aanstonds +zyne voet te rugge uit het water, met beschimpinge van den Bisschop. + +In den jaare 719, als Radbout zag, dat de christenkennisse grootelyks +in Friesland toenam, en zyne afgodendienst in verachtinge quam, +is hy, ten deele uit spyt, en ten deele door een knaaging van zyn +aangeroerd gemoed, na een zesjaarige uitteering, eindelyk binnen +Medenblik overleden, en te Staveren begraven. + +Adgild, de tweede van dien naam, wierd van het volk tot zevende +Koning verkooren, in zyn's vaders plaats. Hy regeerde het land in +groote gerustheid en vrede. Ook liet hy de Christenen onverhindert in +hunne oeffeningen; want hy had zelve de Christelyke leere aangenomen, +en zich laaten doopen. + +In den jaare 726 quam Horne, een onechte zoon van Radbout, uit +Deenemarken; en alschoon hy zyn vader in ongestuimigheid en wrevel +gelyk was, heeft hy zich echter, door Adgilds toedoen, laaten +doopen. Deze heeft de stad Hoorn gebouwd. + +Omtrent den jaare 728, als de christenkennisse te Utrecht zeer +toenam, heeft Bisschop Willebrord wederom verscheidene leeraars +naar Friesland gezonden. Welke, schoon zy vry en veilig konden gaan, +evenwel weinig voordeel by de hardnekkige Friesen hebben kunnen doen: +want de blindheid des volks, en zugt tot hunne afgoderye, was te +groot. Een Veldoverste Richold, veinsde te willen zyn gedoopt, doch +bespotte den Christendienaar op gelyke wyze, als wy hier boven van +Radbout hebben aangeteekent. + +In den jaare 729 is Karel Martel, [40] Koning van Austrasia of +Oostvrankryk, met een groote vloot schepen op de rivier de Burde +aangekomen, zynde van den Bisschop Willebrord daar toe verzogt, om de +Friesen te noodzaaken hunne afgoderye te verlaaten: hy overwon den +Overste Poppe, zoon van Gerke; waar op hy Friesland zeer verwoeste; +de afgodische kerkhoven en beelden uitroeide en verbrande, en veel +roof mede nam. Na welke overwinninge, Willebrord alomme Christen +kerken deed bouwen. En de Friesen, uit vreeze voor de Franschen, +derfde de Christenen niet meer tegenstaan. + +In den jaare 736 is Bisschop Willebrord ontslaapen: uit zyne +onderwyzingen zyn veele deftige leeraars voortgekomen, en is een +werktuig geweest van de bekeering der Friesen, die hem daarom wel in +goede erkentenisse mogen houden. In zyn plaats quam Bonifaas, als +tweede Bisschop der Friesen, te Utrecht, en verbeterde het verval +der kerke grootelyks, met ongemeene stichtinge, in deze landen. + +In den jaare 737 overleed Adgild, en is te Staveren by zyn vader in +'t graf gelegt. Door hem is de stad Alkmaar gesticht. Eene van zyne +dochters, Konovelle genaamt, was uitgehuuwt aan Adelbrik, een voornaam +edelman, die omtrent Sixbierum een slot had gesticht, dat hy Adelburg +noemde. Hy had veele kinderen, aan wien hy zyn goed by zyn leeven +uitdeelde: daarom begeerde hy dat zy zich niet van Adelburg, maar +van Adelen zouden laaten noemen; dat noch tot heden zo gebleven is. + +Gundebald, Adgilds zoon, wierd tot achtste Koning ingehuldigt: hy +was, als zyn vader, mede tot het Christelyk geloove bekeert, en had +gestadige vrede in zynen tyd. Hy heeft van 't kasteel Dokkenburg de +stad Dokkum gebouwt. + +In den jaare 739 quam Saake Rodman, met eene uitmuntende geleerdheid +en krygskunde voorzien, in Friesland, hebbende 13 jaaren op 't hof van +den Keizer, Paus en Hertog van Venetien verkeert, waarom Gundebald +hem tot zynen raadsman aannam: en deed groote weldadigheid aan de +stamme der Rodmannen. + +In den jaare 749 overleed Gundebald, nalaatende twee zoonen, als +Gundebald de tweede en Jan, welke om zyne vroomheid gebynaamt wierd +Priester Jan, daar verscheidene vertellingtjes van zyn. Zyne dochter +Taekle huuwde aan Haaje Kamminga, en haare dochter namaals met eenen +Ode Botnia, Hertog van Zweeden; alwaar 't geslachte van Botnia uit +voortgesprooten is. + +Radbout, de tweede van dien naam, is de laatste Koning der Friesen +geweest; zynde de broeder van Gundebald, en zoon van Adgild de tweede: +van welke hy veel verschilde, doordien hy in Deenemarken opgevoed, +en in de afgoderye zeer gewoon was: hy wierd godloos en wreed, en +alzo hy nog jong was, geen meester van zyne verkeerde hartstogten om +dezelve te bedwingen. + +Zynen afgod Foste stelde hy op Ameland wederom ten toon: om de +Christenen nochmaals dezelve te noodzaken, en van hun geloove af +te trekken; of by weigering, strafte hy dezelve met de dood, of +bande ze uit den lande. Dus handelde hy ook met Rodman en de zynen, +om het Christen geloove, en beroofde hen van alle de waardigheden +en eerampten, by Gundebald voorheen aan hen vergunt. Des Saake, +zyne goederen verlaatende, tot den Koning van Vrankryk de vlugt nam; +die hem in groote achtinge hield. + +In deze dagen had Solke Forteman de geschiedenissen en daaden +der Friesen, van hunnen oorsprong af tot op zynen tyd toe, vlytig +beschreven: en om dat hy Radbout zo veel eere niet gaf, als zyn +gestorven broeder, die de Christelyke leere had voorgestaan, daar +deze de vervloekte afgoderye weder op den troon trachte te stellen, +zo wierd dit Radbout, door zyne benyders, en inzonderheid door toedoen +van Syvert, Priester der Druïden, op 't Oude Hof, aangebragt: waar +op Fortemans boeken voor zyne oogen wierden verbrand, en hy zelve in +de gevangenis geworpen. + +In den jaare 752 heeft Bonifaas tweede Bisschop van Utrecht, +goedgevonden, de Christenheid, die Radbout zo wreevelmoedig verdrukte, +in Friesland wederom te herstellen: des hy met 51 leeraars te +Almeenum, daar nu Harlingen is, aangekomen zynde, hebben zy zich +eerst in Westergo verspreid, de afgoden te landewaarts omgeworpen, +Christen kerken gesticht, en veel volk bekeert: en om andere mede te +stichten, voeren zy de Burde ten einde, hunne tenten nederslaande by +'t dorp Oudeboorn, alwaar zy mede eenige geestelyke voordeelen deeden. + +In den jaare 754, als 'er veele nieuwelingen gedoopt waren, zo beloofde +Bonifaas hun de bevestiginge, naar de wyze der Roomsche kerk, op +Pinxter binnen de stad Dokkum te geeven. Maar ter bestemder plaatze en +tyd quam een hoop moordenaars, die den Bisschop en zyne medearbeiders +wreedelyk vermoorden. Tot even voor de reformatie vertoonde men noch +te Dokkum van dezen Bonifaas zyn herssenpan, Bisschops staf en andere +overblyfzelen; dat zy het volk wilden doen gelooven. + +Omtrent den jaare 769 was in Friesland een dapper en geleerd edelman, +genaamt Feye Forteman; welke namaals Veldoverste onder Karel den +Groote wierd, en die zich mede tot het Christen geloove bekeerde. + +In den jaare 769 heeft Radbout een harden aanval op Utrecht gedaan, +waar door hy haar geweldig plaagde; en van Pipyn geboden zynde, +daar van af te zien, achte hy zulks weinig. + +In den jaare 775, als Radbout uit eigener booze driften, en door +de opstookinge eerst van Syvert, en daar na van Okke, Priesters +der afgodische Druïden, zeer verwoed tegen de Christenen te werk +ging, klaagdenze zeer erbarmlyk aan Karel den Groote, Koning der +Franschen. Welke Koning, na dat hy de Saxen overwonnen hadde, de +Friesen mede beoorloogde, en Radbout in twee veldslagen, overwonnen +hebbende, vluchte dezelve liever in Deenemarken, als dat hy de +Christenen by verdrag of vredeverbond in 't land wilde vrye oeffening +van hunne godsdienst vergunnen. En dit wierd de gelegentheid, dat de +Koninglyke Heerschappye in Friesland een einde nam. + + + + + +IV. VREEMDE HEEREN. + + +Karel de Groote, Friesland dus onder zyn heerschappye gebragt hebbende, +heeft het zelve als een overheerd land of provintie gehouden, en stelde +'er Landvoogden over, die 't in zynen naam bestierden of regeerden. + +Hy nam ook zeer ter harten, dat 'er vroome en geleerde mannen, om de +Christenheid yverig voort te planten, wierden naar toe gezonden. + +In den jaare 777 is Ludger, die te Wierum in Friesland gebooren was, +een man van eene uitsteekende geleerdheid, te Dokkum tot Priester +aangestelt, van wege den Bisschop van Utrecht. Deze heeft de +ongeloovigen stigtelijke onderwyzing gegeeven, en de afgodery geheel +ten lande uitgeroeit. + +Gustavus (mogelyk Goffe of Gosling) Forteman heeft te Almeenum, +dat nu Harlingen is, een kerk, van hout en met riet gedekt, ter +gedachtenisse van den Engel Michaël [41], in dezen tyd laaten bouwen, +om tot een vergaderplaats der Christenen te dienen. Na welk voorbeeld +naderhand veele kerken gemaakt zyn. + +In den jaare 779 vielen de Noormannen by Westerbierum, daar boven van +gemeld is, in Friesland, en versloegen den edelen Heermana: waarom +de Friesen, zeer verbittert zynde, by de 400 Noormannen versloegen, +en ontroofden hunnen geplonderden buit. Des de Noormannen, in hunne +schepen vluchtende, doorgingen. Maar de Friesen afgetrokken zynde, +zo quamen de Noormannen tusschen Kornwerd en Hindeloopen, dat doe +noch een dorp was, weder te land, welke plaatzen zy uitplonderden, +en daags daar aan verbranden. Doch die van Staveren, het eerste zulks +gewaar wordende, verjoegenze nochmaals, veroverden van hen vyf schepen +en al dien geroofden buit. + +In den jaare 784 zyn de Noormannen wederom met Wydekind, Hertog van +Saxen, die door Karel den Groote overwonnen zynde, en in Deenemarken +gevlucht was, op de Eems aangekomen: maar wierden door die van Staveren +en Ezonstad met een goede vloot schepen van daar gejaagt. Zy noch +eens wederkomende, moesten nochmaals het Amelander Gat weder uit: +des de Friesen, hunne vyanden te gering achtende, maar zich zelve +bedriegende, beslooten hunne vloot te Staveren en Ezonstad op te +leggen, als zy deeden. 't Welk de Noormannen gewaar wordende, zo +quamenze onverwagt de Friesen zodanig overrompelen, datze dezelve te +vuur en te zwaard verdreven: en dewyl Wydekind en zy zeer hardnekkige +afgodendienaars waren, dwongen ze de nieuwbekeerde lieden weder tot +hunne afgoden; die zulks weigerden, wierden van hen verdelgt, waar +door veelen vermoord wierden, en ten lande uitvlugten; onder welke +Ludger en Wydekind zich mede bevonden. + +In den jaare 785 is Ludger, als Kerkenleeraar, in de Ommelanden +gezonden, op 't bevel van Karel den Groote; na dat Wydekind by hem +weder in genade was aangenomen, en de Friesen ook bevryd waren: +daar hy op nieuws veele stichtinge deed. + +In den jaare 793 is Radbout in vreemde landen overleden, zonder dat +men eigentlyk weet waar ter plaatze. + +In den jaare 793 zyn door het doorbreeken der dyken, veele menschen en +beesten in Friesland verdronken. Waarom men alomme doe weder Terpen +begon te maken, als voornaamentlyk te Koudum, Almeenum, Midlum, +Hitsum, Winsum, Tjum, Dronryp en Uitgong, dat nu Berlikum genaamt word. + +In den jaare 797 vielen de Deenen met eenige schepen uit Jutland in +de Lauwers, daar zy 't zeer verwoesten en afbranden: doch die van +Staveren, Ezonstad en Dokkum rusteden ook een groote vloot uit, +waar mede zy naar Jutland voeren, en haalden mede van daar eenen +grooten roof. + +In den jaare 804 is te Uitgong, nu Berlikum, een wanschapen kind +gebooren, zynde ruggelings aaneen, maar anders alle leden tweemaal, +of het twee kinderen waren, en is drie weeken oud zynde overleden. + +Te dezer tyd woonde te Sixbierum, op het slot Adelen, Konovelle, +dochter van Adgild den tweede, zevende Koning van Friesland, welke +twee zoonen had, als Fredrik en Alfrik, die zy by den Bisschop van +Utrecht liet onderwyzen; welke zo onderwezen waren in geleerdheid, dat +dezelve beide, na den dood van den Bisschop, Bisschoppen wierden [42]. + +In den jaare 806 wierd de afgod Foste op Ameland door de Christenen +afgebrooken en uitgeroeit. In dit zelve jaar vielen heel zwaare +hagelsteenen, zo groot als henne-eyeren, die veel schade deeden. + +Ook quamen de Deenen in dit jaar met vyf schepen 't Flie in, en +verbranden Dyxherne en Sixbierum, behalven twee huizen en de kerk, +en vertrokken met veel roof. + +In dit jaar overleed binnen Staveren de Overste, door Karel den Groote +over Friesland gestelt, hebbende 30 jaaren het land geregeert. En na +eenigen tyd, quam weder een andere in zyn plaats. + +En in dit zelve jaar, op St. Thomas dag, was 'er een zwaare watervloed +over Friesland, waar door, zo anderen verhaalen, wel 600 menschen en +een groot getal beesten verdronken, en groote schade geschiede. + +In den jaare 808 is Olaus, of Oele, zoon van den Koning van +Deenemarken, in Friesland gevallen; en de Friesen, door zyne groote +krygsmacht, bevreest geworden zynde, ja zo dat de Landvoogd in zyn +moed byna bezweek; doch evenwel eindelyk door de Friesen tot den stryd +aangemoedigt zynde, hervatten zy gezamentlyk een heldhaftig besluit, en +gesterkt met de macht van Gaele, of Jelle (Gellius) Hardeman, Overste +van Staveren, na eenige schermutselingen, versloegenze zyn geheele +leger, neemende hem zelve, met noch 175 mannen op de Eems gevangen. + +In dit jaar wierd te Staveren de St. Nicolaas tooren, daar de afgod +Stavo op gestaan had, door onweder van donder en blixem omgeworpen; +en wierden veele menschen en beesten gedood. Omtrent dien zelven tyd, +liet Igle Tadema, edelman, een zeer diepe put in zyn land graaven, +omtrent in 't noorden van 't woud Kreil, van gedagten zynde, dat 'er +aanstonds water zoude uit komen, doch bleef droog tot aan den avond +van den vierden dag. Doe dacht hy een stemme te hooren, die ettelyke +maalen riep: Verlaat dit land! Verlaat dit land! Waar op hy een weinig +water op den grond van de put ziende, bevond dat het zout als zeewater +was. Waarom gemelde put weder toegedempt wierd; om dat men indachtig +wierd, als hier boven op het jaar 513 gezegt is, of 'er wel na volgen +mogt, 't geen de Duivel door den afgod Staf gezegt had; te meer, om +dat het zelve zynen grootvader ook wedervaaren was. Igle, de derde +week daar na stervende, zo verruilde en verkogt zyn zoon Jouke, die +hier alleen maar kennis van had, alle zyn's vaders landen en erven, +op de Kreil gelegen; en kogt weêr anderen op Geesterland. Zyn neef, +Sibbe Tadema, nam dit zeer euvel op, en vervolgde daarom Jouke zodanig, +dat de stammen van Tadema en Rodman, daar gemelde Jouke eene dochter +uit trouwen zoude, malkanderen op de bruiloft wreedelyk aanvogten +en vernielden, ja zo dat er van beide stammen geen een leevendige +ziele overbleef. + +In dit zelve jaar quamen twee walvissen, de eene 38 en de andere +29 voeten lang, by Ezonstad, daar nu Emmerzyl is, by Oostmahorn, +op strand aandryven. Ook is het paleis van Richold Offe, door een +schielyke brand, geheel verteert [43]. + +Ook quamen de Noormannen dit jaar schielyk te Ezonstad, hebbende +dezelve ingenomen, geplondert en verbrand. Doch wierd weder haastig +opgebouwd. En die van Staveren, Bolswert en Dokkum rusten hier op +een Vloot uit tegen de Deenen, Jutten en Noormannen, die malkanderen +met rooven en branden aan beide zyden zeer lastig vielen: doch ten +laatsten bragten die van Staveren 6 Noordsche schepen met buit te +Dokkum op; waar van zy uitdeelinge deeden aan die 't meeste schade +geleden hadden. Ook overleed dit jaar de tweede Landvoogd, die Karel +de Groote over Friesland gestelt hadde. Waar na gemelde Koning Karel, +inboorlingen uit den Frieschen Adel, tot Landvoogden stelde, in plaats +van Franschen. + +In dit zelve jaar noch is Magnus Forteman van den Koning tot Landvoogd +verkooren, om het land in zynen naam te bestieren, even gelyk als de +Franschen naar hunne wetten gedaan hadden: deze Magnus was een zoon +van Gosse Forteman, waar van boven op 't jaar 777 is gemeld. + +In den jaare 809, als 'er te Romen tusschen den Paus en eenige Edelen +een twist ontstaan was, waar door geheel Italien in oproer quam, en de +Saraseenen in het land vielen, is Karel, met een groote macht, om zulks +te dempen, derwaarts heen gerukt. Zo dra Forteman dit vernomen hadde, +heeft hy de Friesen mede aangeport, om by deze gelegentheid, dewyl zy +nu doch rust van de Noormannen hadden, den Keizer en de Franschen door +gedienstigheid te helpen, om dezelve meer tot hunne gunst te trekken, +en of 'er eens eene deur tot hunne voorige vryheid konde geöpent +worden. Waar op gemelde Magnus, by gemeenen raade en bewilliging, +met veele gewapende Friesen, na veele uitgestaane moeijelykheden, tot +voor Romen is gekomen: gevallig ter zelver tyd, als de Romeinen een +uitval op den Keizer deeden; het welk zy ziende, booden den Keizer +hunne dienst aan, met gereedheid om op die uitgevallene Romers een +kans te waagen. De Keizer hun verzoek toestaande, sloegen zy aanstonds +hand aan 't werk, en bragten het, na eenige schermutselingen, zo verre, +dat zy gemelde Romeinen weder naar binnen dreeven, en mede ter poorten +indringende, maakten de Friesen zich meester van de stad; en Magnus +plante zyn vendel op het hooge raadhuis, dat de Romeinen Capitolium +noemen, hoe dat het de Franschen ook speet. Om welke daad Karel de +Groote en Paus Leo de derde, de Friesen groote aanbiedingen van goud +en zilver deeden: doch zy zulks van de hand wyzende, gaven te kennen, +dat het hen alleen om de vryheid te doen was. Waar op zy van den +Keizer en Paus, met een breedluidende Vrybrief voorzien zynde, op vrye +voeten wierden gestelt, gelyk als zy ten tyde van Karel Martel waren +geweest. Na hunne wederkomst wierd deze Vrybrief, met groote vreugde +door Magnus in den Dom of Kerk te Almeenum ter bewaaringe gebragt, +benevens een Vendel. Alwaar de Roomschgezinde wonderlyke vertellingtjes +van weeten te verhaalen: dat de Harlingers noch, met den stryd van +den Opperengel Michaël tegen den Draak, daar in geschildert, by hun +stads Wapen voegen: en voert noch by ons den naam van Magnus Faene. + +In den jaare 810 zyn de Deenen, ten beveele van hunnen Koning Gotrik +[44] met een vloot van 200 schepen, zeer schielyk aan de Friesche +kust gekomen; en hebbende eerst de vooreilanden afgeloopen, wierden +de Friesen in de derde slag overwonnen, en in Deensche slaavernye +gebragt; moetende jaarlyks een schattinge van 200 ponden zilver +opbrengen [45]. Om welke schattinge te ontfangen, heeft der Deenen +Koning Landvoogden gestelt, en bouwde een tolhuis van 240 voeten lang, +en in 12 egaale vertrekken afgedeelt; in welker eerste de Tolmeester of +Landvoogd zich plaatste, en hebbende in de achterste een koper bekken +geplaatst, alwaar de schatpenningen moesten in geworpen worden, dat +dezelve klonken, of mogt voor geen betaalinge verstrekken, by aldien +gemelde Tolmeester het geluid niet hadde gehoort. + +En verder word verhaalt, dat Gotrik mede gebood, dat de deuren van +der Friesen huizen alle tegen het noorden moesten geplaatst worden, +en van zo een laagte, dat de Friesen, niet zonder kniebuiginge, daar +konden uit of in gaan: op dat zy in erkentenisse zouden houden, wie hun +Landsheer was; en dat zy, ten teeken van slaavernye en dienstbaarheid, +ook houte halsbanden moesten draagen, die van rys en tienen te zamen +gevlochten waren. + +Deze slaavernye der Friesen by Karel den Groote vernomen zynde, +zo verzamelde hy zeer spoedig uit alle omleggende landen veel +krygsvolk byeen: doch, voor hy noch in aantocht was, wierden hem +andere zwaarigheden geboodschapt; als de dood van zyn zoon Pipyn; +gezanten van Constantinopolen en Corsica; behalven een gerucht, dat +de Deenen weder naar hun land waren vertrokken, om dat hunne Koning, +door gemaakte verbintenissen, om 't leeven was gebragt. Alle redenen, +waarom Karel zich weder naar Aken heeft begeeven. En de Friesen, de +handen nu ruim krygende, tasten hunne vryheid weder aan, voorneemende +dezelve met alle mogelyke middelen tegen alle vyandelyke aanvallen +te verdeedigen. Dus quam het bestier weder tot de volgende + + + + + +V. LANDSHEEREN, OF POTESTAATEN. + + +Karel de Groote, overweegende de getrouwe manhaftigheid der Friesen, zo +aan hem in 't verwinnen der Saraseenen, en Wydekind, Hertog van Saxen, +als in verscheidene voorvallen aan zyne voorzaaten Pipyn en Karel +Martel beweezen; benevens hunne genegentheid en gestadige diensten +aan 't Fransche Ryk; verzelt met den onophoudelyken yver tegen de +Noordsche volkeren, van welker slaavernye zy zich nu weder op nieuws, +na 't ombrengen van Gotrik, hadden vry gemaakt: zo heeft hy hen noch +in volkomener vryheid gestelt, en ontlast van de schattinge van eenige +ponden zilver, die zy van voor eenige jaaren hadden moeten betaalen: +vergunnende hun, ten blyke van volkomene vryheid, het recht, om hun +land, als vrygevogtene, naar hunne eigene wetten te regeeren; daar +toe een Overste uit de Edelen van hunne eigene landaard te verkiezen, +om de landzaaken zo in oorlog als vrede te bestieren, die zy den naam +van Potestaat, naar 't gebruik der Italiaanen, zouden geeven. Dezen +Potestaat, dat is Landsheere, wierd van de Staaten een getal van mannen +bygevoegt, om over alle voorvallende verschillen, twee of driemaal +'s jaars, als byzitters of mederechters hun oordeel te vellen. + +Op dat nu de vryheid geen inbreuk zoude lyden, zo wierden de +Landsheeren slegts voor een jaar verkooren: doch ter goeder trouwe +wierden zy doorgaans wel langer toegelaaten. + +Welk vervolg, met de eventydige geschiedenissen, wy nu zullen ophaalen, +zo als die uit de oude schriften na malkanderen zyn aangeteekent; +maar het te dugten is, dat het eigentlyke getal wat onzeker is, alzo +het land by vredestyd wel zonder Landsheere is geweest: doch als +'er een uitlandsch vyand aannaderde, om hen te overvallen, wierd +'er by gemeenen raade, alschoon zy binnen 's lands door twistige +oneenigheden malkanderen verteerden, aanstonds een verkooren. + +Magnus Forteman, die des Keizers Stedehouder was, als boven op den +jaare 808 gemeld is, wierd tot eerste Landsheer verkooren. Behalven +het bovengemelde, heeft hy den Keizer noch verscheidene roemwaardige +diensten, tot lof van zynen landaard, tegen de Saraseenen gedaan: +maar van dezelve eindelyk in eenen stryd verslagen, en zyn ligchaam +in het slagveld onder de dooden door zyne Friesche krygsknechten +gevonden zynde, en die 't naar Romen bragten, is hy aldaar op eene +heerlyke wyze in de St. Michiels kerk begraaven: welke kerk daarom +met eene ryke begiftiging wierd voorzien, ten behoeve der Friesen, +die naar Romen quamen, om het zelve te bezoeken. Ja Magnus wierd zelve +onder de Roomsche Hulpgoden of Heiligen gestelt. Deze geheele historie +staat ter gedachtenisse in gemelde kerk in een marmersteen uitgehouwen. + +In den jaare 814 is Karel de Groote, te gelyk Roomsch Keizer en Koning +van Vrankryk, na een ongemeenen yver voor de Christen leere getoont +te hebben, zo in zyne landen als in Friesland, om dezelve voort te +planten, mede in den Heere gerust. En zyn zoon Louis, toegenaamt de +Vroome, quam in zyn plaats aan het roer van regeeringe. + +In den jaare 819 is Fokke Ludigman, tot tweede Landsheer of Potestaat +verkooren. + +In den jaare 821 vertoonden zich omtrent de Friesche kust 13 Deensche +Zeeroovers: doch de Friesen door Ludigman, uit een waakzaame voorzorg, +met goede schansen of kasteelen voorzien zynde, zo derfden zy het +niet waagen om te landen, maar trokken weder af. + +In den jaare 826 wierd Anscharius, mogelyk Anske of Aanske, gebooren +te Waarden, als wy boven gezegt hebben, van Keizer Lodewyk naar +Deenemarken gezonden, om aldaar het Christen geloove te verkondigen; +alwaar hy veelen bekeerde. Na twee jaaren wederkeerende, verzond +hem gemelde Keizer naar Zweeden; alwaar hy blydelyk van dien Koning +ontfangen wierd; en deed mede binnen een jaar overvloedige stichtinge +ter bekeeringe. Ook is ten tyde van dezen Ludigman te Dokkum een +klooster gebouwd, ter gedachtenis van Bonifaas, aldaar in voorigen +tyd zoo jammerlyk vermoord. + +In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer verkooren, +en had zyn woonstede te Sixbierum. + +In den jaare 835, als de Noormannen, na een schielyken inval in +Friesland, door Keizer Lodewyk verdreven waren, zyn dezelve echter in +'t volgende jaar weder gekomen, en dwongen de Friesen eene schattinge +af [46]. + +In den jaare 838 Frederik van Adelen [47], geboortig van Sixbierum, +Bisschop te Utrecht, zullende de leere der kerke eens onderzoeken, +en komende te Westergo in Friesland, bevond hy aldaar het volk met de +verderfelyke leere der Arriaanen zeer besmet; en kunnende met zyne +medehelpers dat hardnekkige volk van dit besmettende gevoelen niet +afbrengen; zo resolveerde hy noch tot zyne hulpe te roepen, Adolf, +Kanunnik te Utrecht, dewelke om zyne vroomheid tot Leeraar te Staveren +wierd aangestelt; alwaar hy met eenen grooten yver zyn plicht waarnam; +ook een klooster en kerk in het westen der stad heeft gebouwd: die +namaals, doe de zee haaren loop daar kreeg, op de zuidzyde wierd +herbouwt. Waar van, by een laag gety, het muurwerk noch te zien is, +gelyk wy zelve hebben bevonden, leggende nu met gemelde stad geheel +in zee verdronken. + +In den jaare 840 overleed Lodewyk de Vroome, Keizer des Roomschen Ryks +[48]. Een Gustaaf Lappon quam met 800 Gotten aantrekken, om zich in +Friesland neder te zetten: maar de Landsheer Adelbrik van Adelen trok +den zelven met zyne byhebbende macht tegen, en versloegze by Kollum +zodanig, dat 'er naauwlyks overbleven, die deze tyding van hunnen +nederlaag in Zweeden konden brengen. + +In den jaare 850, of omtrent dezen tyd, of voort na het overlyden +van den Bisschop Alfridus, hebben de burgers van Groningen de kerk +van St. Walburg, tegen het overvallen der Noormannen gebouwt. + +In den jaare 867 was in Friesland en elders een groote watervloed, +waar door groote schade aan menschen en beesten geschiede. + +In den jaare 876 quamen de Noormannen, na dat zy de Fransche kusten +hadden uitgeplondert, weder in Friesland, eischende van de Friesen +schattinge: doch afgeslagen zynde, deeden zy zwaare dreigementen +van moord en brand: maar de Friesen, aangevoert van Hessel Hermana, +vierde Landsheer, woonachtig te Minnersga, zynde een kloekmoedig en +onvertzaagd krygsman, tasten dezelve manmoedig aan, en versloegze +zodanig, dat hun Overste en 800 mannen van zyn volk op de vegtplaats +sneuvelden; de overgeblevene bezette zy in een huis, alwaar deze +beloften moesten doen, al hun geroofden buit van goud en zilver over te +geeven, en nimmer weder in 't land te komen stroopen. In dit treffen +wierd Hermana ook gewond, waar van hy stierf. + +Na hem wierd Yge Gaalema [49] tot vyfde Landsheer verkooren; hy +was zeer ervaaren in den krygshandel. Van hem wierden langs de +geheele Friesche kust schildwachten uitgezet, om zo op de invallen +der Noormannen, als wel byzonder op het doorbreeken der dyken te +passen. De vastigheden langs de zeekusten eens bezoekende, gaf hy die +van Ezonstad een waarschouwinge, om voor de Noormannen een waakend +oog in 't zeil te houden, zeggende: + + + Wacht jimme fen dy noordere oord: + Uit dy grims herne komt alle qwaed foort [50]. + + +En overleed in dit zelve jaar, nalaatende eenen zoon, genaamt +Igle Gaalema. + +In den jaare 880 zyn de Noormannen, hebbende groot voordeel op de +Saxen gehad, die zy geweldig plaagden, weder in Friesland gevallen, +van meininge om het zelve geheel te verwoesten: doch by Norden, dat +nu Embderland is, tegenstand vindende, zyn 'er wel 10377 Noormannen +verslagen, behalven noch een grooter getal, die in de rivieren en +poelen gejaagt wierden, en aldaar moesten verdrinken; alzo zy zeer +ongeschikt, door malkanderen loopende, vlugten [51]. + +In den jaare 890, of omtrent dezen tyd, bestonden de Groninger +Ommelanden alleen in vyf, doch zeer wyduitgestrekte dorpen, doe genaamt +Hugomonhi, Hunisga, Fivelga, Emisga en Federitga; en 't eilandje de +Band genaamt, 't welk vermoed word gelegen te hebben tusschen het +Dokummer Diep en de Lauwers [52]. + +In den jaare 910, als Staveren haaren Koophandel in vreemde gewesten +wyd en zyds verspreide, en haar recht tot de Heeselpoort van Nieumegen +uitstrekte, waar van noch ten huidigen dage in een steen uitgehouwen +staat, in het latyn: Dus verre is het Recht van Staveren, doe verbrande +aldaar de kerk, toegewyd aan de Moedermaagd Maria, staande in 't +westen der stad, daar men ging naar 't klooster van Odolf. + +Omtrent dezen tyd quam Ode Botnia, zoon van den Hertog van Botnia, +grenzende aan het noorden van Zweeden, alwaar 't nu als een overheerd +land onder behoort, en gelegen aan de noordelykste inham van de +Oostzee; deze, wegens zyne vroomheid, verkreeg de dochter van Taeke +Camminga tot zyne huisvrouwe, en bouwde een stins in Oostergo. En +deze is de oorsprong van dat geslachte, dat noch onder den naam van +Botnia heden bekent is. + +Westerman heeft uit oude schriften aangeteekent, dat in dit jaar te +Hindeloopen de eerste huizen gebouwd zyn: het welk verstaan moet +worden, van na dien brand, waar van wy hier boven op 't jaar 779 +hebben gesprooken. + +Omtrent den jaare 920 leefde Koppen van Staveren, of Cappidus +Stavriensis, die de geschiedenissen der Friesen, van oude tyden af, +heeft aangeteekent, daar nu slegts noch maar eenige overblyfzelen +van zyn. + +En omtrent den jaare 970 leefde Okke van Scharl, Scharlensis, welke +uit zommige overblyfzelen, nagelaaten van zynen, oom Solke Forteman, +de daaden der Friesen heeft beschreven. + +Omtrent den jaare 989 Gosse Ludigman, nu zesde Landsheer zynde +en woonende te Staveren, is tot hem veldvlugtig [53] uit Holland +overgekomen een zoon van Aarnoud, Graave van Holland, die de Friesen +Sikke noemden: welke van Ludigman minnelyk ontfangen wordende, en ook +na eenigen tyd hem zyne dochter Tet ter vrouwe gaf; alwaar hy twee +zoonen by overwon. En daar na, op den trouwdag van zynen broeder, +weder in Holland ontbooden zynde, zo gaf hem zyn vader ten erfdeel +eenige breede roeden land in Zuidholland en Kennemerland, en 't slot +dat heden tusschen Haarlem en Beverwyk is gelegen, het welk daar van +noch Brederoede of Brederode genaamt word. + +In den jaare 995 wierd te Westerbierum een kind met drie hoofden +gebooren, ziende twee naar voren en het middelste naar achteren. + +In den jaare 998 is door de Noormannen het stedeke Uitgong geheel +verwoest, en tot den grond toe vernietigt. Omtrent die plaats legt +nu het dorp Berlikum. + +In den jaare 999 vertoonde zich boven Staveren een vreesselyke +staartstar of comeet, 10 dagen lang: waar op een zwaare sterfte in +veele landen is gevolgt. + +In den jaare 1006 was 'er byna de geheele waereld door een felle +hongersnood, en groote sterfte in het land; dat zomtyds zelve de +leevendige, in 't begraaven der afgestorvene ligchaamen, wel mede +dood in de graven vielen. + +En in de naastvolgende jaaren deeden de Noormannen geweldige +invallen in Westfriesland, daar de Friesen hen lieten begaan; om +de landpaalen tegen de vyandelykheid der Graaven van Holland niet +te ontblooten. Welke oorlogen met de Westfriesen, in deze eeuw +voorgevallen, hier van ons overgeslagen worden. + +Omtrent dezen tyd zyn eenige Friesche Edelluiden uit de Weezer +gevaaren, die om de Noord vreemde landen zogten op te doen; welke, +boven Ysland omzeilende, na verlies van hunne schepen, aan de Goudkust, +mogelyk Mexica, zyn vervallen; van waar zy het eerste goud en zilver +in deze landen hebben gebragt. + +In den jaare 1040 is het Gôrecht door Keizer Hendrik, bygenaamt de +Zwarte, aan de Stoel van Utrecht geschonken: waar uit naderhand een +groote twist ontstond. Want de Groningers waren van gedachten, het +Gôrecht alleen maar vergeeven te zyn: waar tegen de Bisschoppen en +Clerigie van Utrecht staande hielden, dat de stad Groningen insgelyks +aan hen was geschonken. 't Welk de Bisschoppen ook, met geweld en hunne +geestelyke luister hebben door gedrongen, dat zy daar na honderden van +jaaren Heeren van deze stad zyn geweest, doch niet absolutelyk [54]. + +In den jaare 1042 wierd de stad Bremen door een booswigt in brand +gestoken: waar door de Dom, des Bisschops Paleis en andere heilige +huizen, met de schatten der kerksieraaden en boeken verbranden. + +In deze eeuw leefden verscheidene Friesche Edelen; als onder anderen +een Julius Deekema, die diverse Gezantschappen voor Keizer Hendrik +den tweede bediende. + +In den jaare 1045 zyn verscheidene Friesche Edelen, die met grooten +lof gedient hadden in den oorlog van Keizer Hendrik den derde, tegen +de Hongaaren en Poolen, wederom gekomen. + +In den jaare 1064, wanneer de Edelen te Almeenum, in St. Pieters +kerk zouden ten offer gaan, is een Sasker toe Harns, (waar van de +stad namaals den naam Harns, zo als wy dezelve in 't plat Fries noch +benoemen, zoude gekreegen hebben,) zich in de voorrang stellende, +door eenen Ruerd Jarckes Harliga op het kerkhof doodgeslagen. Zo +veel kragtiger was diestyds de waereldsche eere, boven zaaken van +godsdienst. + +In den jaare 1072 is Friesland door Egbertus, uit het Huis van Saxen, +aan de andere zyde ingenomen. Doch ook door Keizer Hendrik, wel haast +weêr tot afstand gedwongen, en hetzelve aan den Utrechtschen Bisschop +geschonken: des hebben de Friesen zich tegen dat jok aangestelt, +zo dat geen graaf van Holland, Utrechtsche Bisschoppen, of Saxische +Vorsten, in het bezit van Friesland gekomen zyn. + +In den jaare 1076 was 'er een schrikkelyke harde winter, geduurende +van St. Marten tot aan 't einde van Maart in 't volgende jaar; de +Zuiderzee, Rhynstroom en andere rivieren waren zo sterk bevrooren, +datze dien geheelen tyd als de aardbodem gebruikt wierden. + +Diderik de vyfde, Graave van Holland, de Westfriesen in eene zwaare +slag overwonnen hebbende, zette het op Staveren aan; welke stad, +na drie weeken tyd belegert te zyn geweest, genoodzaakt wierd zich +over te geeven: doch kogt haar weder vry voor 1400 kroonen. + +In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus de tweede, alle de Christen +Prinsen van Europa in 't voorgaande jaar hadde gaande gemaakt, om de +ongeloovige Saraseenen uit Natolien en 't Joodsche land te verdryven; +hebben zich veele Friesche Edelen en gemeene lieden daar mede heenen +begeeven, geteekent met een rood wollen kruis op hunne schouders, +onder 't geleide van eenen Peter, Ambiaansche heremyt: en zyn, +na veele gevaaren en ongemakken uitgestaan te hebben, met eenen +ongemeenen yver boven andere volkeren, in Natolien aangekomen. + +In den jaare 1097 overwonnenze aldaar verscheidene steden. + +En in den jaare 1099 is Jerusalem na 10 dagen belegerings ingenomen. + +Na den jaare 1100 trokken op dat gerucht noch derwaarts verscheidene +uit den Frieschen adel; als mede noch veele na dezen tyd [55]. + +In den jaare 1110 quam Hendrik de Dikke, zoon van Otte, Hertog +Van Beijeren, om Friesland af te loopen, dat hem de Keizer reeds +geschonken had: doch de Friesen, om hunne vryheid te beschermen, +joegen zyn volk by Norden op de vlugt, en hy zelve wierd door de +zeelieden aan 't strand gegreepen en in zee geworpen. + +In dit zelve jaar is Groningen, in plaatze van haare houtene +omheininge, met wallen, gragten en een steenen muur omringd. Doch +Godebald, de 24ste Bisschop van Utrecht, heeft in den jaare 1112 de +Groningers gedwongen hunne noch nieuwsgemaakte vestingwerken wederom +af te breeken; en hen geboden, zoodanig een versterken der stad zich +nooit meer te onderwinden, voor dat de Utrechtsche Kerkvoogd daar in +hadde bewilligt. Evenwel heeft deze stad van dien tyd af beginnen te +floreeren en in rykdom toegenomen [56]. + +In den jaare 1119 ontstond tusschen Gaale Yges Gaalema, en Floris +de Vette, Graave van Holland, twist over den eigendom van 't bosch +de Kreil, gelegen tusschen Enkhuizen en Staveren; tot zo verre +dat Gaalema, den Graave aanvegtende, in zynen regterarm eene wond +toebragt, om dat dezelve hem zyne jagers netten en ander tuig had +afhandig gemaakt. Doch deze twist wierd weder bygelegt. Omtrent +in dezen tyd stonden in Dyxherne, tusschen Almeenum en Flieland, +de geweldige stinsen van Gratinga, Harliga en Harns. + +In den jaare 1143 hebben te Groningen eenige oproerige burgers, in +afwezen van hunnen Bisschop, die naar Romen was, St. Walburgs kerk +met vestingwerken versterkt; om daar door den Burggraaf tot eenige +voor lang verzogte zaaken te dwingen. Maar Egbert, Heere van het slot +Groenenberg, vermaande hen, van hun opzet te willen veranderen, doch te +vergeefs: waar op hy aanstonds met zyn volk het slot belegerde, en zeer +dapper aantaste; maar door deszelfs vastigheid niet kunnende vorderen, +heeft hy zich te vreden moeten houden met de sterkte zeer naauw te +besluiten; tot dat eindelyk de Bisschop, wederom gekomen zynde, hen +met een troup soldaaten en krygstuig zodanig aantastede, dat zy zich +by verdrag moesten overgeeven. Doe deed de Bisschop hen zweeren, van +nooit meer tegen de Utrechtsche Stoel te zullen opstaan. Dus bestierde +hy dit alles ten voordeele zyner broederen geevende aan den eenen, +Leffert genaamt, het Burggraafschap van Groningen, en aan den anderen, +Ludolf geheeten, het Kasteleinschap van Koeverden: waar uit naderhand +groote onheilen zyn ontstaan [57]. + +Ondertusschen quam de Paltsgraave, Gouverneur van Benthem, met +zyne macht in Drenth vallen, en verwoeste dat land, zonder eenige +tegenweer. Doch dit volk is naderhand door des Bisschops krygsbenden +by Hemsen verslagen. + +In den jaare 1148 is de stad Utrecht voor 't grootste gedeelte +afgebrand. + +In den jaare 1162, als Miliaan door den Keizer F. Barbarosse [58] +geheel vernielt en geslegt wierd, is Hessel Martena, een Friesch +Edelman, in de belegering omgekomen; na dat dezelve dapper gestreden, +verscheidene bedieningen en bezendingen voor den Keizer had uitgevoert, +en ridder geslagen zynde, bevel over 10000 krygsknegten had gehad. Een +Ofke Reinalda onthield zich ook eenige jaaren in deze Italiaansche +oorlogen van Barbarossa. + +In den jaare 1164 overleed Leffert, Burggraaf van Groningen, zonder +mannelyke erfgenamen na te laaten; waar uit een zwaare oorlog +ontstond. Want deze overledene had wel eene dochter nagelaaten, +hebbende drie zoonen, die het recht van hunnen overledenen grootvader +meinden te erven: maar die tegenwoordige Bisschop van Utrecht weigerde +deze zoonen aan te neemen voor volle neeven van den voorigen Bisschop; +van gedachten zynde, dat door deze dood het Leen verviel, en tot +den Stoel van Utrecht was wedergekeert. De Gemeente was echter tot +de zoonen genegen, en waren 'er ook reeds al in 't bezit; hoewel met +vreeze voor des Bisschops geweld, waarom zy, tot afkeeringe van dien, +den Hertog van Gelder om hulpe verzogten: die voorts met een goede +krygsmacht afquam, en zich voor Groningen vertoonde. De Bisschop +zulks gewaar wordende, trok aanstonds op het kasteel of den tooren, +van waar hy in 't duistere des nachts de vlugt nam naar Floris, Graave +van Holland. Daar op wierd het kasteel met groot geweld aangetast; +tot eindelyk de vrede wierd gemaakt; onder voorwaarde, dat de Bisschop +van deze zoonen zoude ontfangen 300 mark, en dan wederom ten vollen +afstaan het Drost- of Burggraafschap van Groningen [59]. + +In dit jaar was ook een verschrikkelyke watervloed over Friesland, +Juliaans Vloed genaamt; waar door in Friesland en elders wel 100000 +menschen verdronken. + +In den jaare 1170, den derden November, is Nederland door een droevigen +watervloed aangetast, waar door het zeewater met 'er haast voor Utrecht +stond; kabeljauw en wytingen wierden voor de stads muuren gevangen, +en veele menschen en beesten zyn verdronken. + +Omtrent dezen tyd, of eenige jaaren onbegreepen, is Saake Reinalda, de +zevende Landvoogd, tot groote droefheid der Friesen, overleeden. Van +hem word verhaalt, dat men hem noch tweemaalen voorstelde in de +Landvoogdyschap te blyven: maar het zelve t'elkens weigerende, +met dit antwoord: dat zulks strydig was tegens 's Lands wetten +en vrybrieven. Verder verhaalt men, dat hy als Landvoogd goud- en +zilvergeld liet munten. + +Omtrent den jaare 1182 vertoonden zich vier zonnen aan den hemel; +ook zag men gewapende mannen in de lucht, en bloedregen viel op +de aarde. Ook door een geweldig onweder, ondermengt met een dikke +sneeuwjagt, zyn de dyken by Uitgong, een stedeke aan de Burde, +doorgebrooken, waar door die landen geheel onderliepen. Niet lang daar +na brande het gemelde steedje byna geheel af: en het overgeblevene +wierd in vervolg van tyd door de Noormannen vernielt. Nu legt op +dezelve plaats het dorp genaamt Berlikum of Beltjom. + +In den jaare 1190, of omtrent dezen tyd, is de stad Leeuwarden eerst +met wallen versterkt. + +In den jaare 1192 is, door 't uitroeyen van Uitgong, Franeker tot +meerder aanwas gekomen, wordende uitgelegt met twee naastgelegene +akkers, als Froonakker en Godsakker, en zo tot een stad geworden; +waar van zy ook eerst Froonakker genaamt wierd. Godsakker is aldaar +noch hedendaags een bekende Straat. + +In dit zelve jaar, op den vyfden van Juny, is het vermaarde Klooster +van St. Bernard [60], te Aduard begonnen; dat met eene prachtige +kerk en 4 toorens pronkte, deftiger als 'er ooit tusschen de Eems en +Lauwers te zien is geweest. + +In den jaare 1196 ontstond te Groningen onder de burgerye en hunnen +Bisschop een groote onlust, over de kerk van St. Walburg. De burgerye +was van gedachten, dat deze sterkte, eertyds tegen het overvallen der +Noormannen gebouwt, de stad toe quam: en de Bisschop daar en tegen +redeneerde, dat deze kerk van ouds af in zyner voorzaatens macht +hadde gestaan. Dit liep zo hoog, dat de burgers de kerk, het dak +en een gedeelte der muuren deeden afwerpen. Waar over de Bisschop zo +toornig wierd, dat hy den Kastelein van Koeverden, zynde de voornaamste +aanstooker van dit werk, benevens de burgers van Groningen, in den +ban deed, en voorts ook met zyne macht naar Koeverden trekkende, +dwong hy die plaats met geweld tot de overgaaf. Ondertusschen, als +de Bisschop hier mede bezig was, hermaakte de Groningers hunne stads +muuren weder op, na datze hunnen Bevelhebber hadden doodgeslagen [61]. + +Omtrent den jaare 1200 was de stad Staveren noch, van oude tyden af, +in groot gezach, en dreef zwaare koopmanschappen door alle de gewesten +des waerelds, zo dat de inwoonderen, door weelde en dartelheid, +zelfs goud aan hunne stoepens [62] lieten slaan. Waar van zy noch +ten huidigen dagen genoemt worden: De verweende [63] Kinderen van +Staveren. Ten blyke van dit gezegde, dient dit volgende: «eene zekere +ryke koopvrouw verzond een schip naar Dansich, belastende den schipper, +om van de allerkostelykste waren voor haar tot zyne ladinge weêrom +te brengen: dezelve weder komende, en denkende zyne zaak wel verricht +te hebben, quam met weite geladen aan de stad. 't Welk zyne koopvrouw +verstaan hebbende, was daar over t' onvrede, en belaste den schipper, +zyne lading, die zy verstond aan bakboord ingekregen te hebben, aan +stuurboord weder in zee te werpen. Waar op de droogte, die men noch het +Vrouwezand noemt, voor de haven is geschoten, als eene straffe over +hunne verwaantheid; zo dat de haven, na verloop van tyd, noordelyker +heeft moeten verlegt worden; gelyk zy nu noch is. En heeft gemelde +stad, van dien tyd af, allengskens beginnen af te neemen, tot op +haare tegenwoordige staat. Van boven verhaalde koopvrouw werd getuigt, +dat zy zich eindelyk noch met den bedelzak heeft moeten behelpen." + +In den jaare 1210, verbrande, door een geweldige droogen zomer, het +bosch de Flussen geheel af; en wierd, door het inscheuren van het +zeewater, eerst een kleen meertje, en met 'er tyd tot die groote, +als het heden is. + +Omtrent den jaare 1212 vielen 'er geweldige watervloeden over 't +Land, waar door dyken, dammen, hoven en huizen wegspoelden, en wel +100000 menschen verdronken: en by aldien niet veele op de terpen, +stinsen en hooge boomen waren gevlugt, zou Friesland, tusschen den +Rhyn en de Eems van zyne inwoonders zyn ontbloot geworden. Waar +door het volk zo verarmt was geworden, dat zy de dyken, zo haastig +niet kunnende herstellen, moesten laaten verwaarloozen; waar door +met een noordwesten wind de zee, tusschen het Flie en Ter Schelling, +geweldig haaren loop nam, en het land meer en meer overstroomde. Want +in dien tyd was de Fliestroom noch maar een gemeene rivier, die +Westfriesland van ons afscheide; zo dat gemelde aanpersing van water, +met 'er tyd meer en meer toeneemende, eene oorzaak geweest is, dat +de naastgelegene landzaaten afleidingen in gemelden stroom gemaakt +hebben; alwaar de zee haaren loop inneemende, zyn de landeryen eerst +in poelen en meeren afgescheurt. + +In den jaare 1219, den 16 van January, zyn deze landen wederom door +een verschrikkelyken watervloed aangetast, die St. Marcellus Vloed is +genaamt; verwoestende alomme de dyken, dorpen, kerken en kloosters, +groot en kleen vee in meenigte opgeslokt, en waar van word aangeteekent +mede wel 100000 menschen in verdronken zyn. Deze vloed heeft eene +oorzaak geweest, dat de volkeren naderhand de stranden verlieten, +en zich op hooge plaatzen, landwaards in, ter wooninge begaven. + +Omtrent den jaare 1220 is Gryn [64], gelegen tusschen het Flie +en Almeenum, door Siardus, mogelyk Sierd Siersma, Abt van Lidlum, +met gragten en wallen voorzien, en tot een stad gemaakt; alwaar ook +een schoole van geleerdheid of Academie wierd gesticht. Niet lang na +dezen tyd, als de lieden zeer eenvoudig en weinig Onderwezen waren, +hebben de Roomsche Geestelyken, deze slegtigheid [65] des volks +tot hun voordeel neemende, byna het derdendeel van de goederen en +rykdommen des lands in hunne kloosters gesleept; en veele ryke lieden, +om alles na hunne dood te behouden, tot het kloosterleeven bewoogen. + +In den jaare 1221, omtrent Driekoningen Dag, zyn door eenen watervloed +wederom eenige duizenden menschen en beesten in Friesland om 't leeven +geraakt. En den 24ste van February volgde een derde vloed: daar na +een zeer groote droogte zonder regen, die de landen de teelkragt, +om iets voort te brengen, deed verliezen. Hier op volgde, daags na +St. Lambert, wederom een vloed, die de opgedroogde landen met zoute +wateren vervulde. + +In den jaare 1222, in January, was 'er wederom een vloed over deze +landen, waar door veele schade veroorzaakt wierd. + +In dezen tyd leed Groningen zwaare onheilen; want de stad van hare +vestingen beroofd wezende, quam een ieder by dag en nacht daar in, +bedryvende veele gruwelen van moorden en bloedstortingen zonder dat +daar recht over wierd gedaan. + +In den jaare 1224 is Friesland wederom door het zoute water +overstroomt; waar door over de 10000 menschen verdronken, en al wat +meest van de beesten voorhanden was. + +In den jaare 1227 braken de Groninger onlusten wederom op, tusschen +Rudolf, Kastelein van Koeverden, en Egbert, Burggraaf van Groningen, +over deszelfs Burggraafschap. Doch de Utrechtsche Bisschop, Otto +van der Lip, quam met 'er haast herwaards en vereenigde hen. Maar +de Bisschop was zo dra niet vertrokken, of Rudolf, zynde misnoegt +over het gemaakte verbond, heeft Egberts slot by den Ham aangetast +en geruïneert; en daar op zelfs voor Groningen trekkende, wierd hy +door die van zyn aanhang binnen gelaaten. + +Hier op moest Egbert de stad verlaaten, maar verzamelde daar en +tegen een groote macht van Friesen, waar mede hy de stad voort weêr +belegerde; schietende zo een zwaar vuur in dezelve, datze voor 't +grootste gedeelte in weinig tyd verbrande, en hy haar overwon. Rudolf +moest insgelyks vlugten, trok derhalven op Koeverden, en bragt byna +het geheele Drenth in de wapenen; waar mede hy Groningen belegerde, +en met groot geweld aantaste: doch de goede bezetting van binnen deed +hen t'elkens afdeinzen. Ondertusschen quam de Bisschop van Utrecht +mede herwaards, om Egbert te ontzetten, hebbende by hem een machtig +leger van uitgelezene ruiters en soldaaten, met veele Grooten tot hunne +Bevelhebbers, tot omtrent Koeverden; doende het daar ter neêr slaan, +en den Gouverneur Rudolf opentlyk voor een rebel verklaaren. + +Rudolf brak aanstonds de belegeringe voor Groningen op, en marcheerde +zeer moedig met zyne macht tot omtrent zyne vyanden, laatende alleen +een moerassig land tusschen beide. + +Des anderen daags morgens quamen de vyanden voor den dag springen, +om alzo Rudolf en de zynen te overvallen: maar hunne groote stoutheid +bragt hen op de slagtbank; want zo als zy op de moerassige weide +quamen, wierd 'er van achteren zodanig gedrongen, datze 'er voor 't +meerendeel in bleven steeken. Doe viel Rudolf met de zynen op hen in, +en hieuw zo vreesselyk onder die benaauwde vyanden, dat 'er in 't +kort 500 door 't zwaard nedergezabelt wierden, of in 't moeras waren +gesmoord, en waar onder de Bisschop zelve, die op eene zeer wreede +wyze om 't leeven wierd gebragt; vervolgens de vlugtende nagezet, +en veele perzoonen van grooten rang gevangen genomen [66]. + +In den jaare 1228 quam de Utrechtsche Bisschop Wilbrand met een groote +krygsmacht in 't Drenth, om de dood van zyn Voorzaat te wreeken. Hy +pleegde dieshalven eene groote tirannye aan de inwoonders. Rudolf +moest zelve ook voor hem buigen, geevende Koeverden weêr over. Doch +Rudolf hernam door eene krygslist het kasteel van Koeverden wederom, +slaande de geheele bezettinge daar in dood. + +Daar na heeft de Bisschop met een nieuw verzamelde macht, in den +winter, onder de begunstiging van een felle vorst, wederom eene tocht +herwaards gedaan; maar een zeer zwaar onweder van regen en haastige +dooy deed hen alle de vlugt neemen, met achterlaatinge van alle hunne +bagagie, ten voordeele van Rudolf. + +Na dezen bragt die Bisschop wederom een leger op de been, en hy op +het Hardenberger Kasteel zynde, voorneemens om Koeverden te bestormen, +komt Rudolf ondertusschen van het kasteel, om met den Bisschop in der +minne te accordeeren. Maar de Bisschop, het tegendeel zoekende, nam +den Gouverneur Rudolf, nevens zynen raadsman Hendrik van Graastorp, +gevangen, doende hen schrikkelyk pynigen, voorts leevendig râbraaken +en de ligchaamen op raderen stellen. + +In den jaare 1230, den 17de van February, zyn door een tempeest van +donder en blixem, over Friesland gaande, veele huizen, verbrand en +neêrgeworpen; en daar boven een watervloed, in welke veele duizenden +menschen en beesten, verdronken [67]. + +In dit zelve jaar waren de Reilanders en Asschendorpers [68] in +eenen hevigen oorlog; maar de eerste gansch onkundig, vielen met +hunne meeste Edelluiden in des vyands handen. + +In den jaare 1231 ontstond tusschen de dorpelingen van Uithuizen, en +die Van Eendrum, een openbaare oorlog, over een kleen eilandje, aan de +Noorder dyken gelegen. Dit verschil was bevoorens al uitgesprooken door +de Rechters van Upstalsboom [69] ten voordeele van de Uithuizers. Doch +die van Eendrum achte zich verongelykt, en wilden aan het gevelde +vonnis niet gehoorzamen; gingen daarom by de Groningers om hulpe, +die hen ten eersten met een groote hoop krygsbenden bysprongen, +en dus gelykerhand de Uithuizers aantasteden en in hinderlaag bragten. + +Hier tegen kreegen de Uithuizers ook onderstand van de Drenthers, +Drenthwolders, Vredewolders enz., trekkende ieder op hunne post. De +Uithuizers wederom tegen die van Eendrum, slaande hen op de vlugt, +en bequamen veel buit. Maar de Drenthers trokken voor Groningen, +en stieten daar schrikkelyk het hoofd: want, nadatze daar drie dagen +gelegen hadden, wierden zy door die van binnen, uitvallende, deerlyk +verslagen, achterlaatende aan de Groningers 600 paarden, al hunne +proviand enz. Door deze overwinninge kreegen de Eendrumers wederom +moed; vallende daarop in des vyands land, en hielden 'er gruwelyk huis; +want zelve staken zy de brand in de kerk Usquert, welke, behalven de +andere geheiligde dingen daar in, met eene geweide hostie, verbrande; +daar en boven wierden de vrouwen geschonden, en noch oude of jonge, +lieden gespaart. + +Ondertusschen, als de Drenthers voor Groningen waren, quam Bisschop +Wolbrand met zyne soldaaten voor Koeverden; neemende de stad en +voorburg in, en zabelde alles neêr wat 'er in was, zonder zelve de +noch in de wieg leggende kinderen te sparen: hier na gaf hy de plaats +aan zyne soldaaten; die dezelve geheel uitplonderden en naderhand +in brand staken. Maar het kasteel heeft hy, om zyne vastigheid, +niet kunnen bemachtigen; alhoewel het echter op die of een anderen +tyd ook ten eenemaal verdistrueert is geworden [70]. + +In den jaare 1232, in September, was te Groningen een zamenkomst +van die van Husingo, Westerlanders en hunne bondgenooten, welke dus +gelykerhand in Fivelingo vielen, tot omtrent Wester-Embden: maar +wierden door hunne partye zo deerlyk gehavent, datze met 'er haast de +vlugt moesten neemen, met achterlaatinge van 400 dooden of gevangenen, +en veele gekwetsten aan hunne vyanden. + +In den jaare 1233 is Otto de derde, Graaf van Holland, met een groote +krygsmacht in 't Drenth gevallen; heeft de stad Koeverden, benevens +de Drenthers, onder zyne gehoorzaamheid gebragt, en hen daar na +gedwongen, behalven andere breuken te geeven, een klooster te bouwen +[71], ter plaatze daar wel eer de Utrechtsche Bisschop Otto van der +Lip verslagen was. Dit klooster is het volgende jaar aangevangen, en +ter plaatze, daar nu Assen is, volbragt; zynde het zelve dat namaals +en nu noch tegenwoordig tot het Gemeenelands Huis gebruikt word. + +In den jaare 1234 is het stedeke Wartena, door een harden storm, +geheel weggespoelt. Het was gelegen in de Grietenye van Idaarderadeel, +omtrent Grou: waar van nu noch een dorp van die zelven naam is. + +In dezen tyd is 'er weder twist ontstaan, om de voorrang in 't offeren, +tusschen die van Albada en Reinalda te Waaxens, by Holwerd: waar +uit naderhand de scheuringen tusschen de Schieringers en Vetkoopers +gerezen zyn. + +De buurt, omtrent het westen van Almeenum, is in dit jaar tot een +stad geworden, en met haare voorrechten voorzien. Maar, als 'er twist +tusschen de Edelen van Harliga en Harns ontstond om den naam, zo heeft +zy tot heden die beide naamen behouden, en word in de gemeene Spraak +Harlingen, en in de Friesche landspraak Harns genoemt. + +In den jaare 1239 was Sikke Sjaarda of Sjaardema, Landsheer van +Friesland. En Willem, Roomsch Keizer, en 21ste Graave van Holland, +de stad Aken belegert hebbende, ontbood de Friesen tot zyn hulpe: +welke de stad met water bezettede en overwonnen. Voor deze dienst, +aan hem bewezen, bevestigde de Graave hunnen vrybrief, door Karel den +Groote voorheen aan hen gegeven. Daar na verzogt hy Sjaardema, zo door +groote giften van geld, als 't Erfstadhouderschap hem Friesland over +te geeven. Maar dezelve sloeg des Graafs voorstel door een vinnigen +brief plat af; schryvende aan hem: «Meent gy, dat ik, om my en myn +geslacht te verheffen, een verraader wil zyn, en myne nakomelingen +van de vryheid berooven, die onze Voorvaderen boven alle goederen +geächt hebben?" En liet noch, ter beschimpinge en verachtinge van +gemelden Graaf, goude penningen slaan, waar op aan de eene zyde in +'t latyn, doch dus vertaald, stond: Sikke Sjaardema, Landsheer van +Friesland: en aan de andere zyde: Libertas prævalet auro: dat in eene +goede zin gezegt is: Liever Vry, als Ryk. Waarom hier na tusschen +den gemelden Graaf en de Friesen een oorlog is ontstaan, waar in de +eersten, overwonnen zynde, sneuvelde. Hega Holtwada schryft, dat dit +voorgevallen is in den jaare 1255. + +In den jaare 1242 was te Groningen een zamenzweeringe gemaakt +door de Gelkingen, tegen de drie nagelaatene zoonen van Egbert van +Groenenberg. Zy vielen eerst op den oudsten en sloegen hem dood; maar +de andere twee gingen vlugten, verzamelden, goede hulpe, en trokken +op hunne vyanden af. Doe wierd 'er een burgerlyke oorlog binnen de +stads vesten gevoert; leggende een ieder op zyn hoede, om zyne party +afbreuk te doen; bedryvende groot geweld en bloedstortinge. Doch de +meeste neêrlaagen vielen de autheurs van dit werk ten deel, die zelve +veel volk verlooren, en de stad ook moesten ruimen. Hier op wierden +hunne huizen aangetast, beroofd en verscheidene tot den grond toe +geraseert, en in brand gestoken. + +In den jaare 1246 is te Groningen de St. Nikolaas kerk, nu der A, +gebouwd; welke door Bisschop Otto van Utrecht in den jaare 1446, op +verzoek der ingezetenen van de stad, tot een Parochiekerk is opgeregt. + +'t Zelve jaar, in November, was door zwaare storm en onweder een +groote watervloed over Friesland, en elders, waar door aan menschen +en goederen veele schade geschiede. + +In den jaare 1248 braken de Groninger onlusten wederom op, waar in, op +den eersten November, Thetse door Rudolf van Pedesen wierd omgebragt. + +Den 19de der zelve maand volgde hier op een droevige watervloed, +die zelve, behalven de buitendyken, de dyken van het diep genaamt, +welke nu aan de Eems een zyl en verlaat hebben, wegspoelde. + +In 't begin van den jaare 1249 is wederom een watervloed over deze +landen gegaan; wordende door een andere vloed op den 12de van February +gevolgt; en daar na met eene zwaare pestellentie en duuren tyd. + +Evenwel was Groningen noch vol onlusten: want die van de stad, +doe zeer wreed zynde, hielden het koren in dezen bedroefden tyd op +een zeer hoogen prys, en daar boven wierd het vee, 't welk door de +landlieden ter markt wierd gebragt, door eenige oproerige geesten +aangetast en veel beschadigt. + +Omtrent dezen tyd is het Hof in 's Graavenhaage, benevens de groote +Zaal aldaar, door Koning Willem den tweede, en 21ste Graaf van Holland, +gebouwd. + +In den jaare 1250 was te Farmsum een Deken, Sikke genaamt, welke de +Ommelandsche gemoederen zeer ontrustede: hy maakte zelve een verbond +tusschen die van Hunsingo en Fivelingo; en dus met malkanderen te +velde trekkende, wierpen zy het slot Groenenberg omverre, en poogden +Groningen ook te belegeren. + +In dit en 't volgende jaar is Friesland wederom door twee watervloeden +overstroomt geworden; waar door veele duizenden van menschen en +beesten verdronken. + +In den jaare 1251 is Groningen door de Ommelanders belegert en +verscheidene maalen bestormt; doch, door de goede bezettinge, wierden +de bespringers t'elkens afgewezen. Nochtans hebben die van binnen +zich, na een beleg van vier weeken, met verdrag aan hunne vyanden +moeten overgeeven. + +Hier na wierd Groningen, door de ballingen wederom verrast, brengende +in den eersten aanval Hendrik Butel om 't leeven, en roofde doe veele +goederen van de Gelkingen. + +Op dit gerucht trokken de Ommelander bondgenooten wederom welgewapent +voor de stad, welke haar door Conraad, Hoofd der Ballingen, zonder hun +geweld af te wagten, wierd overgegeeven. Hier door geraakte Conraad in +gyzeling; maar kort daar na, door schoone beloften, ook wederom los; +brengende, hoewel tegen zyn gemaakt verbond, een hoop krygsvolk byeen, +waar mede hy het Franciscaner Klooster verraste, laatende het zelve +voort van volk en andere noodwendigheden voorzien. Ook namen zy alle +steene huizen, die vast tegen hunne vyanden waren, in, en deeden die +van proviand en oorlogstuig voorzien. + +De wederparty vlugte tot de kerken van St. Marten en St. Nicolaas; +alwaar zy zo sterk wierden bevogten en in benaauwtheid gebragt, +datze by de landlieden om verdere hulpe riepen. Hier op quamen die +van Fivelingo af, ontzettede hen, en tastede der vyanden bezettinge +zo sterk aan, datze hen, na groote bloestortinge, tot overgeevinge +dwongen, doch Conraad ontstreek hen en ging in 't heetste van 't +gevegt door. + +In den jaare 1254 is Groningen weder door Conraad met verrassinge +ingenomen. De bespringers quamen heimelyk by nacht in de stad, en op +St. Martens Kerk, houdende zich tot den morgenstond verborgen: doe, +de trappen afloopende, vielen zy hunne partye op 't lyf, slaande +9 mannen dood, en de andere salveerden zich, zo zy best konden: +daarop is alles, wat 'er in de kerk gevonden wierd, prys gemaakt, en +daar van een gedeelte aan de gehuurde soldaaten tot soldye gegeeven: +waar door de stad door plonderinge en oproer vervult wierd. + +In den jaare 1255 is Hindeloopen, nu, na de brandstichtinge en +uitplonderinge der Noordsche volkeren, weder haaren wasdom bekomen +hebbende, tot een stad geworden, en met voorrechten en privilegien +begiftigt of voorzien. + +In het zelve jaar, den 18 van January [72], is Willem de tweede, +Graave van Holland, omtrent Hoogwoud van de boeren dood geslagen. Deze +Graaf was van Alkmaar met een groote krygsmacht uitgetrokken, +voor hebbende de Friesen, die tegens hem en zyn voorzaaten altoos +wederspannig hadden geweest, met de wapenen te temmen, en onder zyne +gehoorzaamheid te brengen. Maar de Graaf, door onvoorzigtigheid, +te verre vooruit rydende, trapte het paard door het ys; waarop de +boeren, van achter de struiken komende, hem dood sloegen. + +In den jaare 1257, den 10de van October, is Friesland weder door een +watervloed overstroomt geworden; waar door de dyk in Groningerland, +by Zonda, daar de rivier de Fivela met nieuw werk bedykt was, omverre +wierd geworpen, en voorts het water over het land stroomde. + +In den jaare 1259 quam Hendrik, de achtste Bisschop van Utrecht, in +Drenthwolde, nu 't Gôrecht, en vorderde groote sommen geld van de, +inwoonders: doch wierd hem geweigert. Hierom deed hy de Drenthers +aanstonds wapenen, en de naaste huizen van hunne partyen in brand +steeken. Daar tegen verzamelde de Drenthwolders hunne macht ook byeen, +en vielen aanstonds met eene groote hevigheid op de vyanden in; +waar door zy in den eersten aanval 120 dood sloegen, veele quetsten, +en eenige gevankelyk met zich sleepten. + +In den jaare 1262 wierd in Friesland eene aardbeevinge gevoelt, welke +Groningen mede trof, inzonderheid het klooster Wittewyrum, waar door +de toren instortte: hier op volgde een watervloed door de dyken, +met verbreeking van de zyl Fismar, in den Oldambte. + +In den jaare 1263 is de kerk van het vermaarde klooster St. Bernard, +te Aduwerd, ten tyde van Gayke, de zevende Abt, op eene zeer plechtige +wyze ingewyd, na dat 'er ruim 200 monniken 23 volle jaaren aan hadden +gearbeid, om de kerk op te bouwen en het werk voort te zetten. + +In den jaare 1266 was de tweede Marcellus vloed, waar door Friesland +wederom wierd bezogt: evenwel raakte Fivelingo, door de sterke dyken, +die de monnikken van Wyrum met die van Zonda en hunne nabuuren, daar +'t voorige jaar tegen de Eems hadden gelegt, bevryd. + +In den jaare 1268 wierd D'rYlst, een kleene myl leggende van Sneek, +en doe noch maar eene buurt, mede met Stads voorrechtbrieven of +privilegien voorzien. Indien 'er eene Yle Stins geweest is, schynt +het niet ongeloofelyk, dat het daar van haaren naam ontleent heeft, +volgens gebruikelyke verkortinge en zamentrekking der woorden. + +In den jaare 1270 is te Bolswert het Broere Klooster gesticht, waar +toe het houtwerk voor het grootste gedeelte van de Kreil, by Staveren, +wierd gehaalt. Gelyk ook te Staveren, Hindeloopen en andere plaatzen +in den Zuidhoek, nu noch wel hout, uit het gemelde bosch gehouwen, +te zien is. + +In den jaare 1272 is door geheel Friesland eene zwaare sterfte onder +het vee geweest, als ook een groote hongersnood onder de menschen. + +In den jaare 1273 zyn door eenen watervloed in Friesland wederom wel +2000 menschen verdronken. + +In den jaare 1276, op goede Vrydag, beviel de Graavinne van Hennenberg +te Loosduinen in het kraambed van 365 kinderen; wordende dezelve van +haar oom, Bisschop Otto van Utrecht, in één bekke gedoopt: de knegtjes +wierden Joannes, en de meisjes Elizabeth genaamt. Doch zy stierven alle +nevens de moeder, en wierden te Loosduinen in 't klooster begraven. + +In den jaare 1277, den 25ste van December en den 13de van January 1278, +heeft dit gewest door schrikkelyke watervloeden veel geleden; want +door dezelve verdronken 33 dorpen en veele duizenden van menschen en +beesten in den Dollaart; en doe is het begin gemaakt van dien grooten +Inham, de Dollaart genaamt. + +Omtrent den jaare 1280, na dat de Friesen van de geduurige +bespringingen der Graaven van Holland en der Noormannen, hunnen +hals nu vryer hadden, zyn de oude wrokken, die in 't offeren om +den voorrang zo meenigmaalen ontstaan waren, weder opgeborsten, +en de stinsen, voorheenen tegen de uitlandsche vyanden gemaakt, +wieschen nu in getal en meenigte: en onder schyn van bescherminge +tegen de stormende watervloeden, wierden de landeryen en dorpen met +hooge wieren van aarde digt te zamen gestampt, daar gemelde stinsen +op gebouwd wierden. Waar uit eerst quaad nadenken, doe haat, nyd +en eindelyk openbaare vyandschappen en moorderyen onder de Edelen +ontstonden: het land wierd in tweeën verdeelt; die van Oostergo gaven +de anderen den naam van Schieringers, om dat hunne landstreek, in +broekig en waterachtig land bestaande, en hunne meeste kostwinning en +handel in de visscherye van Schiere Aal, alwaar 't alomme van krielde, +bestond of gelegen was. En zy zelve gaven zich den naam van Vetkoopers, +om dat zy in hunne hooge landen en grasryke weiden met de vetweijeryen +en landbezaaijingen meerendeels zich geneerden. Doch andere verhaalen +om andere inzichten. Van alle welke twisten en oneenigheden wy niet van +voorneemen zyn alle voorvallen te melden, om redenen dat die voor het +meeste gedeelte tusschen byzondere Edelen zyn ontstaan, en daarom voor +geene algemeene landtwisten zyn te houden: maar wy hebben voorgenomen +te melden, de grootste gevallen, en die voor algemeene landtwisten +te houden zyn, en tot eene daadelyke tweespalt des Gemeenen Lands +zyn uitgeborsten, waar van wy alleen de voornaamste ontmoetingen, +die steden en landen eenige merkelyke veranderinge aanbragten, +hebben aangeteekent. Van welk alles in het gemeen geweeten dient, +dat aan beide zyden dikwyls vredeverbonden gemaakt en verbrooken zyn, +maar van ons niet alle aangeteekent, om dat wy kort willen zyn [73]. + +In den jaare 1287 waayde het zo een geweldige stormwind, dat alle +de dyken rondom Friesland doorbraaken, waar door kerken en huizen +wegspoelden. Van het stedeke Gryn bleeven geen 10 huizen staan, en het +getal der verdronkene menschen was wel 80000. By welke gelegentheid, +Floris de vyfde, Graave van Holland, de macht der Friesen nu merkelyk +verzwakt ziende, de Westfriesen met weinig moeite onder zyn gebied +gebragt heeft, en een kasteel te Medenblik, nevens noch drie anderen, +in 't gezigt der Oostersche Friesen, bouwde. + +In den jaare 1292 nam Graaf Floris de stad Staveren in, en begiftigde +haar met verscheidene voorrechten. + +Omtrent dezen tyd begon in Friesland de wortel van die allerverdervende +partyschap, Schieringers en Vetkoopers genaamt, aan te groeijen; +zynde tot noch toe onder den Adel alleen beslooten; maar dat duurde +niet lang, of de Gemeente wierd ook gedeelt en van een gescheurt. Ook +begon men meer en meer steenhuizen of stinsen te bouwen, tot een +toevlugt voor hen zelve, en afbreuk hunner vyanden. + +Gemelde scheuringe is eerst onder den Adel op de brasmaalen +uitgebroeit, en kort daar na tot het gemeen over gegaan. De Vetkoopers +of Vetwyders waren de Hollanders toegedaan: en de Schieringers, +veel geringer van staat, hielden zich aan het Groninger verbond. + +In den jaare 1293 heeft Sneek, nu dagelyks in goede neeringe +aanwasschende, mede stads voorrechten bekomen, tot groot nadeel +van de nabuur-stad D'rYlst: maar in 't volgende jaar trof haar het +ongelukkig lot van brand, welke gemelde stad tot op twee huizen na +geheel in den asch leide en verteerde. + +In den jaare 1296, den 27ste van Juny [74], is Floris de vyfde en +19de Graaf van Holland, door Gerrit van Velsen, Heer van Noordwyk, +op eene moorddaadige wyze omgebragt. + +In den jaare 1299 namen de Friesen de drie nieuwgebouwde kasteelen +der Hollanderen in, als ook Medenblik, nu reeds mede tot een stad +geworden; en, na eenig stryden met de Graaven van Holland, moesten +die Westfriesland weder verlaaten. + +Omtrent den jaare 1303 verscheen in de lucht, boven Scharl en Warns, +verscheidene vertooningen van kryg en oorlog, met een ysselyk geroep: +Help! help! De zon veranderde in bloed, en regen van bloed viel op +de aarde. + +In den jaare 1305 verdroegen de Schieringers en Vetkoopers met +malkanderen, om hunne twisten, door een gevegt van twee mannen uit +hen, ten einde te brengen: dit werkstellig gemaakt zynde, bleven de +Vetkoopers verwinnaars en de Schieringers verliezers. + +In den jaare 1306 quamen de Noormannen met eenige schepen in Friesland, +om onder die inlandsche twisten, eenen roof uit het land te haalen: +doch, Reiner Canga of Camminga, dies tyds Landsheer zynde, heeft hen +met zyn byhebbende macht dapper afgeslagen; en over de 900 vyanden +nedergemaakt hebbende, wierd hy zelve gequetst, waar van hy stierf, +tot groote droefheid zyner landsgenooten. + +Na hem volgde J. Hessel Martena, hoewel tegen zynen zin, in het +Landsheerlyke Gebied, om zyne uitmuntende vredelieventheid. + +Omtrent dezen tyd heeft Johannes Flieterp, Secretaris van Martena, +onverwagt de beschryvinge, van Okke Scharlensis te Staveren gevonden; +en dezelve uit het latyn vertaalt hebbende, met eenige van zyne eigene +aanteekeningen, in het licht gegeeven. + +In dezen tyd wierden de Hollanders, die met hulpe der Westfriesen, +Friesland dachten te berooven, dapper afgekeert: het welk Enkhuizen +door eenen brand moest vergelden. + +In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden, hebbende het land +tegen de aanvallen der vyanden dapper bevryd, en dezelve verscheidene +maalen verjaagt. Om nu een nieuwen Landsheer te verkiezen, ontstond +onder het Friesche volk een zwaare twist: de een begeerde die, +en de ander weêr een anderen, maar alzo in dien tyd stormwinden en +overstroomingen quamen, die wel 500 menschen wegsleepten, staartsterren +gezien wierden, bloedregen neder viel, en andere teekenen aan den +hemel zich vertoonden, zoo quamenze daar door tot bedaaren. Ook +ontstond 'er in dezen tyd een vreesselyke hongersnood; waar uit +droevige exempelen voortquamen: onder anderen, eene zekere Vrouw, +hebbende haar goed by de landtwisten verteert, en te Sixbierum haar +armoede verbergende, sloot haar huis toe en stierf alzo met haare +Kinderen. En een weinig tyds hier na, heeft eene ongemeene sterfte +het derdedeel der menschen weggenoomen. + +In den jaare 1318 quamen de Hollanders met een kleen vaartuig te Makkum +en Kornwert aan land, meenende, onder het gewoel van deze inlandsche +scheuringe, een goeden buit weg te sleepen: maar de Friesen spoelden +hen de voeten, en hebben door hulpe van die zelve schepen Medenblik +en Enkhuizen uitgeplondert. + +In dezen tyd was Staveren mede in het Verbond der Anseesteeden. + +En in dezen tyd bevryden de Friesen hun Land mede voor de aanvallen der +Graaven van Gelder; als mede voor die der Hollanders en Westfriesen, +nu wederom hunne vyanden geworden. + +In den jaare 1323 wierd van alle de Friesen beraamt, voortaan hunne +generaale Rechts-Vergaderinge te Upstalboom, in Oostfriesland, +te houden. + +In den jaare 1324, in November, zyn door een groot tempeest van donder +en blixem, en een watervloed over Friesland en Holland gaande, veele +menschen en beesten verdronken. + +In den jaare 1326, of omtrent dezen tyd, begon Appingadam in alle +neeringe, ambagten en rykdom toe te neemen, zelfs Groningen gelyk +te worden. + +In den jaare 1327, een weinig na Kersmis, zyn de privilegien en keuren +van Appingadam, door de Staaten van Fivelingo, in een zeer plechtige +byeenkomst opgestelt en goedgekeurt. Ook zyn dezelve, weinig dagen +daar na, op een algemeenen Landdag, te Upstalsboom bevestigt, en met +het Zegel [75] bekragtigt. + +In den jaare 1328 was de toestand der Schieringers en Vetkoopers zo +verre gekomen, dat de zwakste party nu begon vreemde soldaaten in +dienst te neemen. + +In den jaare 1332 zyn de wetten gemaakt van de waterlossinge by het +Huis Groenenberg; waar uit een oorlog ontstond; want de Friesen +van Humsterland, Vredewold enz., zich t'zamen voegende tegen de +Groningers, geschiede het eerste gevegt in Hunsingo, en de tweede +slag in Fivelingo, beide tot nadeel der landlieden. Maar de derde +treffinge was zwaarder dan de eerste, en viel de Groningers ten deel. + +Daar na is het Huis Kortinge, by Selwert, zynde met eenige Drentsche +Edelen bezet, door de landlieden stormenderhand ingenomen, en de +gansche bezettinge daar in dood geslagen. Voorts wierd Groningen ook +door hen overweldigt, wordende veele burgers in de eerste furie gedood, +en 60 der voornaamste auteurs van die onlusten opentlyk op de markt, +by de Pelster-, Gaddinge-, en Volkeringe Straat door 't zwaard onthoofd +[76]. + +In den jaare 1334, in November, op St. Klemens Dag, was 'er een groot +onweêr van donder en blixem; en zo een watervloed, dat het zeewater +over de dyken heen stroomde, waardoor veele menschen in Friesland en +elders verdronken. + +In den jaare 1336 zyn te Bolswert 136 huizen verbrand. Ook wierd +Friesland in dit jaar wederom door een watervloed aangetast, daar +door veele menschen en beesten verdronken. + +In den jaare 1342 was het Aduarder klooster zo machtig en weelig +geworden, dat hun verboden wierd, meer goederen en landeryen aan +te koopen. + +In dit zelve jaar, den 25ste van September, is Graaf Willem van +Holland, zo 'er gezegt word, in Friesland gevallen met over de 100000 +mannen: maar wierden van de Friesen zoodanig gehavent, dat zy met +achterlaatinge van 18000 mannen, waar onder de Graaf, en omtrent 200 +Edelen, wederom moesten aftrekken; zynde dit de grootste overwinninge +die de Zeelandsche Friesen ooit hebben bevogten. Want daar word gezegt, +dat de Hollanders 10 mannen tegen de Friesen een sterk waren geweest. + +In den jaare 1346 waren die van Hunsingo met de stad Hamburg in oorlog; +doch de Hamburgers den Frieschen koophandel niet kunnende missen, +bragten door anderen zo veel te weeg, dat de zaak door wederzydsche +gezanten is bygelegt geworden. + +In den jaare 1350 was 'er zulk eene vergiftige pest in en omtrent +Friesland, dat de menschen al gaande en staande dood nedervielen, +blyvende van 1000 naauwelyks 10 in 't leeven. ô Ysselyk verhaal! + +In den jaare 1361 is te Groningen eene generale vergadering gehouden +van alle Magistraatsperzoonen in 't geheele vrye Friesland, tot +conservatie van hunne rust en vrede. + +In den jaare 1364 heeft Hertog Aalbregt van Beyeren, Graave van +Holland, het Eiland Ter Schelling in brand gestoken; doch niet zonder +weêrzydsche bloedstortingen, want het in dien tyd onder Friesland +behoorde. + +In den jaare 1368, den vierden van September, is Groningen door alle +regeerende, en daar toe gerechtigde perzoonen, tusschen de Eems en +Lauwers, gerechtigd tot de Stoel der gemeene Vergaderingen; 't welke +zy voorheen maar naar gewoonte hadde geweest. + +In den jaare 1379 is Koeverden door de Rustringen en Oostringen, +met Sibet en meer andere Hovelingen, ingenomen. + +In den jaare 1387 zyn in Friesland door een watervloed wederom veele +menschen en beesten verdronken. + +In den jaare 1388 heeft Folkmer Allena het steedje Aurik, +in Oostfriesland, ingenomen, en het slot zeer hevig laaten +beschieten. Okko was Bevelhebber daar binnen, die, na stilstand van +wapenen verkreegen te hebben, naar beneden in de stad ging, om over +het verdrag te handelen; maar het zelve niet getroffen wordende, wierd +Okke door zyne trouwlooze vyanden op den 26ste van July doorstoken; +stervende alzo de eerste Ridder in Oostfriesland, Okko, Heer van +Broekmerland. + +In den jaare 1392 is Leeuwarden, door 't aangroeyen der inlandsche +oneenigheden, heimelyk aan de noordzyde in brand gestooken; waar door +'t Prediker klooster en kerk verteerden. + +Hier na quamen de Hollanders met een machtig leger in Friesland +vallen, tot omtrent Schooterzyl: alwaar zy door de Friesen wierden +tegen gestaan, vegtende aan weêrskanten zeer scherp, tot beider groot +verlies; want de Hollanders de overwinning hebbende, verlooren nochtans +1300 mannen, zo aan dooden als gevangenen, en de Friesen daarentegen +600 mannen. + +In den jaare 1397 was Yv Juwinga Landsheer, die van zommigen ook +genoemt word Ju Jongama. In dien tyd quam Albrecht van Beyeren met +eene macht van 18000 mannen in de Kuinre, dies tyds een Graafschap, +om Friesland te overweldigen. En Juwinga, de Friesen tegen hem niet +kunnende afraaden, om geen slag met hen te waagen, kreegen zy by +Schooterzyl de nederlaag, en verlooren omtrent 500 mannen, als mede +den Landsheer zelve. Daar na trok Albrecht naar de Lauwers; daar de +Friesen hem tegenstonden. Ondertusschen verteerden de Schieringers +en Vetkoopers malkander zodanig, door hunne oneenigheden, dat de +Vetkoopers te raade wierden, voor hunne zyde het land aan Albrecht +op te draagen; en de stad Staveren wierd hem ingeruimt. Doch van +de Schieringers tegengestaan zynde, vertrok hy van de Lauwers, door +geheel Oostergo en Westergo. + +In den jaare 1398 nam Albrecht Dokkum in, en deed de voornaamste +der Schieringers naar Groningen vlugten; alwaar dezelve door eenen +Koppen Jarges van Staveren gestyft zynde, benevens de Groningers, +den Hertog weder tegen trokken, onder het geleide van Sikke Deekema, +Gaale Hanja, en Ode Botnia. + +In dit zelve jaar, hebben eenige Ommelander Heeren, de Ommelanden +heimelyk aan den Graaf van Holland opgedraagen. Maar doe de andere +Heeren zulks gewaar wierden, en buiten weeten, zich tegens recht +en privilegien overgelevert te zien aan hunne vyanden, beraamden +daar op het jok af te schudden. Eppo Nittersum, zynde een Patroon +der Schieringers, maakte hier aanstonts een begin van, neemende den +tooren of vastigheid tusschen ten Post en Mude in, en sloeg het daar +binnenleggende guarnisoen, uit Hollanders bestaande, altemaal dood, +of deeden hen in de Damstervaart verdrinken. Ondertusschen wierd +Groningen ook van den Graaf van Holland verzogt, hem voor haren Heere +te neemen; doch te vergeefs. + +In den jaare 1399 namen zy Dokkum, Cammingaburg en het slot ter Luine, +gelegen tusschen Kollummer en Oudwoudumerzyl, weder van den Hertog, en +noodzaakten hem weder uit Friesland te vlugten; alleen noch behoudende +de stad Staveren. Van waar Brederode, meenende de schans te Molkwerren, +dat Winsemius ook Molkenhuizen noemt, in te neemen, doch mislukte: +maar wierd van de Friesen geslagen, en hy zelve gevangen genomen. Doch +weinig tyd hier na is de vrede geslooten in den Briel, tusschen Johan +van Beyeren, Graaf van Holland, de Friesen en de stad Groningen en +Ommelanden. Waar op de Graaf door de Groningers met 50 vette Ossen +wierd vereert. + +De Friesen dus hunne vryheid weder bevogten en gewonnen hebbende, +zyn de drie voornoemde Edelen, de een na den anderen tot Landsheeren +verkooren; doch de een het op den anderen schuivende, hebben zy +'t allen geweigert. + +In den jaare 1400, verzogten de Vetkoopers of Ballingen by den Bisschop +van Utrecht, Frederik van Blankenheim, zyne hulpe, geevende hem een +goede zomme geld, mits dat hy hen by de Groningers in voorige charges +en goederen zoude herstellen. Waar op de Bisschop brieven en gezanten +aan de Groningers afzond, hen zelfs ook gebiedende, de wapenen neêr +te leggen: doch alles te vergeefs. Want die van Groningen en hunne +Bondgenooten zeer moedig zynde, hebben ondertusschen onder het beleid +van den Burgemeester Albert Wigbolts, Aapke Onstema's Huis, te Sauwert, +met veel moeite ingenomen. Dit Huis was zeer sterk, hebbende muuren +van 12 voeten dikte, met een wyde gragt om dezelve, en om welke noch +een andere gragt heenen ging, bevattende 5 steene torens. + +Dit gerucht deed de Bisschop met zyn krygsmacht afkomen, doende de +stad Groningen op St. Jacobs Dag aan de zuidzyde berennen: waar op +veele schermutselingen volgden. Doch, na drie weeken belegs, heeft +de Bisschop de stad wederom moeten verlaten, zich te vreden houdende +alleen een Blokhuis te Blankeweer met volk wel te bezetten. + +Omtrent dezen tyd hebben de Groningers het Stapelrecht bekomen. + +In den jaare 1401 kogten de Groningers van den Bisschop van +Munster zyne vriendschap voor 2000 guldens; mits dat hy zich by den +Utrechtschen Bisschop niet zou voegen. Hier op trokken de Groningers +met grooten moed in de Ommelanden, werpende veele steene huizen +omverre, als van Snelgers huizen in den Dam; van daar na Ripperda's +huis te Farmsum, maar met zo een goeden uitslag niet als by den +eerste; want Ripperda, 400 zeeroovers tot bezetting gekregen hebbende, +vielen op hen uit, en sloegen veelen van de Groningers dood. Waarom +de Groningers aftrokken; doch maakten hunne krygsgereetschappen +wederom in den Dam gereed, waar mede zy, na drie dagen toevens, weder +derwaarts trokken; vallende doe met zo eene verwoedheid op gemeld +huis en hunne vyanden aan, datze in 't kort overwinnaars wierden, +en alles aan stukken hakten, of in 't water deeden verdrinken die 'er +op waren. Daar na trokken de bondgenooten naar Termunten, en haalden +het huis van Menno Houwerda omverre; als ook daar na Gockinga's huis, +te Broeke. + +In den jaare 1404 zyn Sioerd Wiarda en Haring Harinxma, by gemeenen +raade, tot Landsheeren verkooren; hebbende de eerste zyn opzicht +in Oostergo, en de andere in Westergo. In dezen tyd zyn nochmaals +eenige Friesche Edellieden naar het Joodsche Land vertrokken, om +kunne krygslust oeffening te geeven. + +In den jaare 1405, den eersten van October, is de vrede tusschen +den Bisschop van Utrecht en de stad Groningen geslooten; waar door +weêrzyds gevangenen zouden los gelaaten, en de ballingen in hunne +voorige goederen herstelt worden. + +In den jaare 1408 is Darrelt, in Oostfriesland, door de Hollanders +ingenomen, en daar na getracht vast te maaken: doch Jonker Keno, van +Broekmerland, heeft hun voornemen verydelt, en ter plaatze uit gejaagt. + +In den jaare 1409 heeft Jonker Keno Folkmer Allena's huis te +Oosterhuizen, in Oostfriesland, ingenomen, neemende zyne zusters zoonen +gevangen, en wierpze te Aurik in eene, vuile gevangkenisse, alwaar zy, +door toedoen van zyne moeder, van honger en vuiligheid zyn gestorven. + +In den jaare 1412 waren de partyschappen in Friesland tusschen +Schieringers en Vetkoopers schrikkelyk woedende: want de Vetkoopers, +hebbende in eene vergadering voorgedragen, om de Schieringers ten +eenemaal uit te roeijen, zonder zelve de kinderen in de wieg te +spaaren. Hier om wierden de gemoederen der Schieringers noch meer +ontsteeken; en daar zy hunne vyanden maar bespringen konden, sloegenze +die dood. + +In den jaare 1413 is de stad Embden door Jonker Keno van Broekmerland +ingenomen: waarom Proost Hiske, aldaar Heer zynde, naar Groningen de +vlugt nam. + +Door deze overeenkomst van Proost Hiske, begon Groningen ook verdeelt +te worden, door die alverdervende partyschappen van de Schieringers +en Vetkoopers. Die van Rengers, Huginge, Clant, Clinge en Brugge, +neigden naar de Vetkoopers, als zynde de Hollanders toegedaan: de +andere waren meest alle in 't openbaar Schieringers; hun Opperhoofd +was Koppen Jarges, houdende zich aan 't Groninger verbond. + +Deze Scheuringe veroorzaakte eene groote bloedstortinge; want de +Schieringers wilden den gevlugte Proost Hiske [77] helpen, tegen +zyn vyand Jonker Keno; en de Vetkoopers daar en tegen niet. Hier +op stonden de Schieringers, als de sterkste party zynde, den 23ste +van October uit haat op, en vielen op het Raadhuis aan, als de Raad +vergadert was: zy doorstaken aanstonds den Burgemeester Jan Rengers +en Albert Barelts, en Johan Hekman veele wonden toegebragt hebbende, +wierpenze ter venster uit op de markt. Voorts bragten zy Hendrik +Ottesz. Clant mede om 't leeven, als ook Allard Clant, daar hy aan +tafel zat te eeten. Vervolgens deeden zy den Raad besluiten, dat alle +de geene die van de Vetkoopers partye was, zich zonder eenig ophouden, +uit de stad en de Ommelanden zouden vertrekken. + +In den jaare 1414 hebben de Friesen van Westergo de stad Staveren +overrompelt; waar door Friesland geheel van het Hollandsche jok +wierd vry gemaakt. Ook waren de Schieringers, onder Koppen Jarges, +in Groningerland op hunne hoede: want de ballingen, hunne toevlugt by +Jonker Keno genomen hebbende, deeden derhalve alle de aankomsten aan +de Eems met krygsvolk bezetten: ook liet Jarges het goud en zilver +uit de kerken in Fivelingo neemen, waar van te Kampen geld wierd +geslagen; dat naderhand Koppens guldens genaamt wierd. Daar op nam +de landbederving een begin, steekende twee sluizen te Reiderland in +brand, en op verscheidene plaatzen de dyken door. Jonker Keno deed +het zelfde aan de Groninger kant, doorsteekende mede op verscheidene +plaatzen de dyken: moetende alzo het gemeene volk de dolle razernye +der Grooten ontgelden. + +In den jaare 1415 hebben de ballingen of Vetkoopers hunne macht, +benevens hunne vrienden, en die 't met hun hielden, te Eelde, in 't +Drenth, byeen vergadert, waar mede zy op den 13de van September, des +avonds, den dyk langs, stilletjes voor Groningen trekkende, en voorts +over de stads muur klimmende, de sloten van de Aa Poort afhieuwen, +en dus de stad, na veel bloed vergooten te hebben, innamen; hier op +stakenze aanstonds drie huizen in brand, ten teeken voor Jonker Keno; +welke met een vloot schepen voor Delfzyl leggende, ten eersten met zyn +krygsvolk naar de stad afquam, en herstelde de ballingen aanstonds +in hunne voorige bedieningen en goederen. Daar na trok Jonker Keno +met zyn volk door de Ommelanden, en deed verscheidene van der vyanden +heerenhuizen omverre werpen. + +In den jaare 1416 hebben de Groningers, met die van Hunsingo en +Fivelingo, hunne oude verbonden wederom vernieuwt, na dat Jonker Keno +vertrokken was; waar in alle vyandschappen en misdaaden vergeeven +wierden. + +Ook heeft Proost Hiske, met hulpe zyner vrienden, de stad Embden +wederom overweldigt en onder zyn gebied gebragt. + +In den jaare 1417 zijn de Vetkoopers door de Schieringers uit +de Westerlauwers gejaagt. Maar Jonker Keno zulks berigt zynde, +trok hen op den 10de van Juny by Noordhorn tegen; alwaar zeer hevig +gevogten wordende, de Schieringers 500 dooden en 400 gevangenen lieten +zitten. Korts hierna is Jonker Keno ziek geworden, en op 't Huis te +Oldenburg overleden. + +In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier Dokkum ingenomen, geplondert +en in brand gestoken; de bolwerken in de gragt geworpen, en al de +huizen en stinsen der Schieringers geraseert, als mede ook het huis +van A. Kamstra, bezuiden Dokkum: het blokhuis by Esumerzyl wierd +stormerhand ingenomen, waar in vier mannen door den eersten aanval +wierden gedood, en de rest der bezettinge, zynde zeeroovers, door +beuls handen den kop afgeslagen. Doch in het volgende jaar quamen de +Schieringers, onder 't geleide van Sikke Sjaardema, en wierden daar +weder meester van. + +Des Okke van Broek, de zyde der Vetkoopers versterkende, quam met een +hoop volk uit Embderland, dat hy tusschen Staveren en Hindeloopen aan +land zettede, en met Sjaardema in een hevig gevegt raakte: waar in +300 Schieringers verslagen, en 200 gevangen wierden; de overgeblevene +vlugten naar Slooten, dat zy in allen spoed met eene wal versterkten +of omtrokken: en wierden van hunne vyanden belegert: doch door hulp +des Graaven van Holland weder ontzet. + +In den jaare 1419 hebben de Groningers den Bisschop van Utrecht, +Frederik van Blankenheim, voor hunnen Beschermheer aangenomen, +wordende hy in 't begin van Juny gehuldigt, en de Handvest op den +11de dito geteekent. + +In den jaare 1420 liet Sjaardema, door des Graaven volk, Makkum met een +bolwerk omringen. Maar zy, door een listigen brief van Tjeerd Ailua, +Vetkooper te Witmarsum, wierden daar uitgelokt: en is doe die wal weder +geslegt [78]. Ook trof men een veldslag by Hindeloopen, daar wel 200 +mannen wierden verslagen en verdronken, en noch zo veel gevangen. + +Den 30ste van April, in dat zelve jaar, is Bolswert door de +Schieringers ingenomen, wordende aldaar een Jan Tjalling, Hoveling, +met noch eenige Vetkoopers door de kling gejaagt, om dat zy voorheene +eenen van Koppen Jarges volk hadden doodgeslagen. + +Daar na hebben de Vetkoopers, onder het commando van Fokko te Lier, +op den 12de van May, de Schieringers by Catse geslagen; die daar 300 +dooden en 200 gevangenen verlooren. + +Den 26ste van September wonnen de Vetkoopers Staveren, alwaar Koppen +Jarges, zeer dapper vegtende, het leeven verloor. Omtrent dezen +tyd ontstond te Staveren een groote brand, waar door in 't kort 500 +huizen verteerden. + +In den jaare 1421 wierd Leeuwarden door de Vetkoopers vermeestert, +en de Hollanders uit de Lemmer verdreven; daar hun sterk Blokhuis +wierd omverre geworpen en geslegt. + +In 't zelve jaar, den 19de van November, is in Friesland, Holland +en elders, een schrikkelyke watervloed geweest, waar door de dyken +wierden gebroken, veele duizenden van menschen en beesten opgeslokt, +en tusschen Dordrecht en Geertruidenberg 72 dorpen zyn vergaan. + +In den jaare 1422, in February, wierd 'er weder een verdrag van +vrede [79] gemaakt tusschen de Schieringers en Vetkoopers. Waar op +Dokkumerwal, en het slot op Esumerzyl geslegt wierden. Echter bleef +by zommigen noch de twistgierigheid, waar door de zorg voor de dyken +verwaarloost wordende, het water zoodanig inspoelde, dat het land +drie jaaren lang tot aan Drenth en Stellingwerf met het zelve bezet +bleef leggen. + +In dit zelve jaar hebben de Groningers de stad Slooten belegert; +doch vrugteloos: want op St. Benedictus dag hebben de Hollanders de +stad ontzet en de belegeraars geslagen. + +In den jaare 1424 was geheel Westergo in onrust, door de partyschappen +van de geslachten Bonnema en Gerkema. De stins van Gerkema wierd +overweldigt, en zelve met den vader daar in verbrand. Doch twee jaaren +daar na wierd Fokko Bonnema ook verslagen. + +In den jaare 1426, in September, geschiede het bloedige gevegt van +Fokko Ukens, Hoveling te Leer, tegen Nikolaas, Graaf van Oldenburg, en +den Aartsbisschop van Breemen, by Deteren: alwaar Fokko, overwinnaar +wezende, van de vyanden 5000 mannen doodsloeg, en 300 gevangenen +bequam, waar onder veele heeren van grooten rang. + +In den jaare 1427, den 28ste van October, was 'er wederom een zwaare +stryd van Fokko Ukens, tegen Jonker Okko van Broekmerland, tusschen +Veenhuizen en Opgant; daar geschiede een groote bloedstortinge; +want Fokko wel de overhand hebbende, verloor nochtans 4000 mannen; +doch Okko verloor van zyne kant noch meer, en viel zelve in des vyands +handen; alwaar hy, na zes jaaren in de gevangenisse gezeten te hebben, +is komen te sterven. + +In dit zelve jaar deed de Geldersche Hertog, met een groote krygsmacht, +een inval in 't landschap Drenth, steekende verscheide dorpen en +buurtschappen in brand; vernielde het koren; roovende en plunderende +alle de beste goederen, en dezelve met hem naar Gelderland sleepende. + +In den jaare 1428 sloeg Fokko Ukens de slag by Oterdum, tegen de +Groningers; alwaar Fokko, wederom overwinnaar zynde, van de vyanden +500 mannen doode, en veele gevangen nam, waar onder een Burgemeester +van Groningen. + +In den jaare 1429, was Groningen en Hamburg wederom in Oorlog; want +weêrzyds waren schepen ter zee met elkanderen geduurig in actie. In +dezen tyd is overleden Proost Hiske van Embden. + +In den jaare 1430 zag men noch, by een laage ty, de kapel en ringmuur +van 't kerkhof van Odulfs Klooster, by Staveren, in de zee. + +In den jaare 1431 hebben de Hamburgers, met een vloot schepen, voor +Embden leggende, den Drost Imelo Abdema, zynde de zoon van Proost Hiske +boven gemeld, onder schyn van vriendschap, op een gastmaal genoodigt; +'t welke zy tot dien einde op een van de schepen hadden toegericht: +maar de Drost aldaar gekomen zynde, en een buitengewoon glaasje wyn +gedronken hebbende, staken zy ondertusschen in zee, en voerden hem +alzoo over naar Hamburg; alwaar hy in groote elende 24 jaaren lang +gevangen heeft gezeten: en de andere schepen zettede zich voor Embden, +die de stad met geweld en dreigementen tot de overgave dwongen. + +In den jaare 1434 was Groningen met de Hamburgers noch in oorlog; +by deze gelegentheid wierd Willem Wicheringe, Olderman of Hoofdman +der Gilden, thans Olderman van 't Gildrecht genaamt in Groningen, +willende het Stapelrecht voor de stad verdedigen, in een oploop van +de landslieden te Farmsum doodgeslagen. Hier op wierd door de Heeren +van de stad vergoedinge dier doodslag geeischt: doch wierd door Hayo +Ripperda, Heer van Farmsum, geweigert, en begeerde den schuldige van +het gedaane feyt niet over te leveren. Hier door ontstond eene groote +tweespalt onder den Adel; want de Groningers eindelyk de wapenen +aangordende, wilden Ripperda tot vergoedinge dwingen: doch hy zulks +niet afwagtende, bood zich aan tot verdrag; 't welk op den 27ste van +July deszelfden jaars wierd getroffen [80]. + +In den jaare 1435 overleed de dappere Fokko Ukkens, Hoveling te Leer, +op het Huis te Dykhuizen, by Appingadam, wordende in het klooster +aldaar begraven. + +In den jaare 1437 hebben de Hamburgers en Embders der Hovelingen huizen +in Oostfriesland om verre geworpen en geraseert, als te Oosterhuizen, +Hinta, Grimmersum, Groothuizen enz., omdat ze tot geen toevlugt voor +de vyanden zouden wezen. + +Ook was in dezen tyd een watervloed over deze landen, waar door groote +schade aan menschen en beesten geschiede; als mede eene pestilentie, +daar veele duizende menschen door stierven. + +In den jaare 1438, in Augusty, zonden de Groningers by nacht een schip +met volk naar Termunten, en verrasten aldaar het kasteel. Zy joegen +alle de Hamburgers daar uit, en stelden 'er wederom tot Commandant +Lodewyk Hoornken. Daar na namen zy het huis van Eppo Gockinga, te +Broeke, in, als mede de sterke toren te Bellingewolde, die zy ter +neêr wierpen. + +In den jaare 1443 is het Stadshuis te Groningen gebouwt. + +Ter dezer tyd was Friesland wederom in groote onlusten; want die van +Ripperda en Heemstra bedreven groote geweldenaaryen van moorden en +branden tegen elkander. + +In den jaare 1444 is overleden de heer Eppo Gockinga [81], waar door +het geheele Oldambt, volgens accoord en der Oldambsteren toestemminge, +onder des stads jurisdictie is geraakt; wordende voorts door de +Magistraat van Groningen een Drost gestelt, om de zaaken uit hunnen +naam aldaar waar te neemen. + +In den jaare 1446 hebben die van Sjaardema, als hun huis, aan 't oosten +van Franeker, bouwvallig begon te worden, een nieuw huis of Slot aan +'t westereind van de stad gebouwd, op een plaats genaamt Kaale Hei, +alwaar 't noch ten huidigen dage staat. + +In dit zelve jaar, na dat het vuur der Schieringers en Vetkoopers +weêr ontstooken was, hebben de Vetkoopers de kerk en toren te Workum +tegen de Schieringers versterkt. Doch deze laatsten hebben hunne +vyanden aanstonts belegert; en de Overste Ketelhoet, die afgekomen +was om de belegerden te ontzetten, geslagen; alwaar Ketelhoet zelve, +en veele gemeenen zyn gedood en gevangen genomen [82]. + +In den jaare 1448, even na St. Jan, is in Appingadam tusschen de steden +Hamburg en Groningen de vrede geslooten, waar in alles wierd bygelegt, +en de vrye handel open gemaakt. + +In den jaare 1453 is de Utrechtsche Bisschop, Roelof van Diepholt, +door de Groningers voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt. + +Ook heeft Jonker Ulrich in dezen tyd, na dat hy van de Prelaaten, +Hovelingen, enz., tot een Heere van Oostfriesland was aangenomen, +de stad Embden met deszelfs burgt, als ook de burgt te Leeroort, +van de Hamburgers gekogt voor 10000 mark. + +Omtrent dit jaar heeft Philip de Goede, Hertog van Bourgondien, +en Graaf van Holland, eerst door veele laagen, en daar na door +dreigementen, Friesland getracht te overmeesteren. Doch de Friesen +hier tegen, maakten gezamenlyk eene onderlinge verbindtenisse, om +hem met een gemeene macht tegen te gaan. + +In den jaare 1454 was te Groningen onder de burgerye een groote onlust, +ter oorzaake van eene zekere resolutie, by den Raad genomen, dat geen +inwoonder van de stad de waaren, welke van de landlieden ter markt +wierden gebragt, zoude mogen koopen; maar dat deze door opkoopers, +van den Raad daar toe gestelt, alleen zouden mogen worden opgekogt, +en dus verder aan de ingezetenen uitgesleten worden. Maar een Warner +Smith, Raadsheer der stad, stelde zich hier tegen, willende zelfs +zyn gryzen kop daar by opzetten, om de burgers van die last te +bevryden. Hy ging derhalven van het raadhuis, en maakte zulks aan +de Bouwmeesters en Gildens bekent. De Raad dit vernomen hebbende, is +aanstonds met 24 mannen vergadert; welke beslooten, dezen Raadsheer +Warner Smith om 't leeven te laaten brengen. Weinig dagen hier na +vergaderde de Raad weder, en deed den Raadsheer Smith door een stads +Dienaar ontbieden: doch hy merkte het quaad; geevende daarom hier van +aanstonds kennisse aan de Bouwmeesters en Gildens, en hun gebiedende, +naauwe wacht te houden voor het Raadhuis. Hier op ging Smith met eene +groote vrymoedigheid naar boven: maar den beul aan de deur vindende, +trad hy in de Raadkamer, zeggende: «Wat, wilt gy uw gebod met bloed +schryven; door de handen van een beul?" Onderwyl zagen eenige heeren +uit de vensteren, en vernamen dat de geheele markt vol gewapende +en oproerige menschen stond; derhalven wierden zy met de uiterste +verbaastheid aangedaan, en veranderden gansch van resolutie: want de +Raadsheer Smith wierd daar op niet alleen vry verklaart, maar zelfs +de genomene resolutie ook wederom ingetrokken: waarom het gepeupel +weêr vertrok. + +In den jaare 1455 is het Verbond tussen de stad Groningen en de +Ommelanden voor den tyd van 10 jaaren vernieuwt. Waar op St. Martens +toren is gefondeert, en na vyf jaaren voltrokken. + +In den jaare 1456 verscheen over Friesland eene ysselyke staartstar; +waar op, eenige jaaren na malkanderen, een groote duurte omtrent +de leevensmiddelen is gevolgt. Omtrent dezen tyd zoude, door de +dapperheid der Friesen, die doorgaans den H. Kryg volgde, om de +inlandsche oneenigheden te myden, wel 30000 Turken ter neder gemaakt +zyn, in de groote overwinningen die de Hongaren bevogten. + +In dezen tyd deed Tanne Kankena een inval in Oostringen, neemende +Jeveren in; en voerde daar na 300 menschen gevankelyk, als mede 3000 +stuks vee, naar Hargelingeland. + +Omtrent den jaare 1457 is Sneek byna geheel afgebrand, blyvende de +dyk en 't nieuw zand maar alleen over. Doch veel tyd daar na is het +weder opgebouwd. + +Niet lang daar na wierd Slooten mede byna geheel door 't vuur verteert; +zynde in den brand gestooken uit twistende eergierigheid van eenige +Edelen. + +In den jaare 1459 hebben de Groningers hunne stad met nieuwe wallen, +gragten en poorten versterkt. Ook hebben zy David van Bourgondien, +Bisschop van Utrecht, voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt. + +In den jaare 1461 is Harlingen mede door den brand geheel vernielt. + +In den jaare 1462, in October, sloegen de Vetkoopers tegen de +Schieringers by Aalsum; waar in de laatste verscheidene Grooten, +en omtrent 250 gemeenen verlooren. + +In den jaare 1465 is de Zyl of Sluis van Offingawier door storm en +onweder weggescheurt; welke opening weder gestopt wierd door een stuk +land, leggende buitendyks, en afgescheurt zynde, daar weder in dreef, +terwyl het door enige varkens en schaapen beweid wierd. + +In den jaare 1470 heeft Karel de Stoute de Friesen wederom getracht +onder 't Huis van Bourgondien te brengen, op gelyke wyze als zyn vader +Philip, daar wy boven van gemeld hebben. Doch de Friesen vonden zich +geraden nochmaals hunne vryheid te verdedigen. Omtrent dezen tyd, +wierden tusschen Heemelum en Koudum, drie mannen en twee vrouwen +doodgeslagen, zonder dat elders van eenige verdere schade gehoort +wierd. En op Ameland quam een walvis, 83 voeten lang, aandryven. + +In den jaare 1471 hebben de Groningers, na dat de Hertog van Beyeren +hun den oorlog hadde aangekondigt, hunne stad zeer vast gemaakt; +maakende eene aarde wal buiten de gragt, aan de zuidkant, met zes +steene torens: ook een steenhuis aan de inloopinge van de Hunse en +Aa: als mede de Heere en daar na de Ooster poort; en hebbende de stad +tegenwoordig acht poorten, daarze bevoorens 'er maar zes had gehad. + +Omtrent dezen tyd leefde de vermaarde en hooggeleerde jongeling +Andreas Canter, van Groningen, welke 10 jaaren oud zynde, by den Keizer +Frederik de derde ten Hove ontboden wierd, om zyne groote geleertheid +[83]. + +In den jaare 1472 wierd door Jonker Onno van Ewsum een zeer zwaare +toren te Middelstum gebouwd, dat geheel strydig tegen de gemaakte +verbonden was. De Groningers namen het daarom ook zeer qualyk; zendende +eenige Gecommitteerden derwaarts, om het werk te bezigtigen. Hy quam +ondertusschen zelve te Groningen, en betuigde niets quaads tegen de +stad in den zin te hebben; maar dat hy alleen een schuilplaats tegen +zyne vyanden zogt. Echter wierd hem door den Raad geordonneert, dat +de zwaarte der muuren van 6 tot 3 voeten moesten vermindert worden, +volgens hun gemaakt verbond. Doch Jonker Onno voer evenwel met het +werk voort: en om andere zwaarigheden, dachten de Heeren van den Raad +niet meer aan hem. + +In den jaare 1474 deed een watervloed, over Friesland gaande, veel +schade aan menschen en beesten. + +In den jaare 1477, den 17de van September, was 'er de Cosmus en +Damianus vloed: waar door in Friesland en elders zwaare schade +geschiede. By 't klooster te Lidlum wierd een zeekalf gevangen; en in +de gragt van Bolswert wierden mede twee zeldzame visschen gevangen, +schynende de eene vleugelen te hebben, en de andere een zeehond te zyn. + +In den jaare 1478 hebben de Groningers het slot te Wedde, van Hayo, +te Westerwolde, ingenomen en geslegt; maakende aanstonds op een andere +plaats een nieuw slot, en noemde het zelve Pekel a Burg, of Pekelburg; +alwaar de Groningers een Kastelein op stelden, welke over Westerwold +en het deel van den Oldambt, aan de eene zyde van den Dollaart, +zoude richten. + +In den jaare 1480 is binnen Bolswert een kind met twee hoofden +gebooren. En te Leeuwarden zyn in dezen tyd de eerste Gildens in +gestelt. + +In den jaare 1481 quamen de Keizerlyke Gezanten Steenbergen en Loo te +Groningen, en presenteerden hunne brieven aan den Raad en de Gemeente, +waar in de Keizer, den Burgemeesteren en Raaden in Groningen, het +Potestaatschap van Wester-Lauwers eeuwig en erffelyk gaf, zonder te +mogen beroepen worden, enz.; als mede met de ridderlyke orde wierden +begiftigt, zo wel de toekomende als tegenwoordige Burgemeesteren +en Raadsheeren dezer stad. Ook gaf hy hun het recht, om goude +en zilvere munt te slaan. Doch het accoord wierd niet getroffen: +waar van de voornaamste oorzaak was, zo men zegt, om dat de Keizer +een jaarlyksche tribuit van 10000 rhynsche goudguldens eischte, +te betalen uit de inkomsten van Friesland over de Lauwers: 't welk +alhier te zwaar wierd geacht. + +In den jaare 1482 wierd het groote en vermaarde laatste verbond +tusschen de stad Groningen en Ommelanden voor den tyd van 40 jaaren +gemaakt. Waar na Stad en Lande heeft gefloreert, en in rykdommen +toegenomen. Waar op voorts de hooge en zwaare St. Martens tooren is +voltrokken [84]. + +In den jaare 1486, in October, overleed te Heidelberg de Hooggeleerde +en beroemde Rudolf Agricola; hy was te Baflo, in Groningerland +gebooren, en zeer geleerd in de hebreeuwsche, grieksche en latynsche +taalen; ook was hy een groot musicus, hebbende het groote en deftige +orgel in St. Martens kerk te Groningen eerst nieuws gemaakt. + +In den jaare 1487 is de stad Leeuwarden door de Schieringers +gewapenderhand ingenomen. + +Ook hebben de Groningers een rykgeladen Hollands schip, 't welk de +Oostfriesen genomen hadden, hun op de Wadden weêr ontweldigt; wordende +de roovers daar van te Groningen opgebragt, en den kop afgeslagen. + +Daar na trokken de Groningers 't Drenth in, en haalden Jonker Aapke +Ewsums Huis te Roôn om verre. Als mede hadden zy, onder het bevel +van Ulrich, te Dornum, een aanslag op den Dam; doch vrugteloos. + +Omtrent dezen tyd is een vrouwe ligchaam, 12 houtvoeten lang, uit de +zee opgeworpen, en aan het strand van Ter Schelling komen aandryven. + +In den jaare 1490 vermeesterden de Vetkoopers, die nu voor 't +meerendeel door verloop van hunne zaaken, in Holland gevlugt waren, +de stad Workum; komende, onder 't geleide van Yge Gaalema, uit Holland +over 't ys aantreeden. + +In dit zelve jaar is de wydberoemde Wesselius Gansefort, te Groningen +gebooren, aldaar overleden; zynde door zyne theologische Studien +zo beroemd, dat hy 't Licht der Waereld genaamt wierd. Hy was ook +een groot medicus, hebbende Paus Sixtus de vierde eenige jaaren +als Lyfmedicus gedient, en wierd in het geestelyke Maagde-Klooster +begraven. + +In den jaare 1491 heeft Berlikum noch de voorrechten en vryheden van +stads gerechtigheid gehad. Omtrent dezen tyd ontstonden in Friesland +verscheidene branden aan huizen: ook vertoonden zich veele gezichten +aan de lucht, als voorboden van droevige tyden. + +In dit zelve jaar hebben de Groningers die van Dokkum, Dongeradeel, +enz., mede in hun verbond aangenomen, wordende het accoord voorts +opgemaakt, en op St. Lamberts Dag van weêrszyden geteekent. Doch +dit verbond heeft naderhand groote onlusten en bloedstortingen +veroorzaakt. Want de Groningers zyn daar na met een groote krygsmacht +in Friesland gevallen, om de malcontenten, die noch tegen dat verbond +waren, tot gehoorzaamheid te brengen; smeeten veele steenenhuizen +omverre, en zettede eenen Sikko Bolte voor Dokkum op een rad. + +In den jaare 1492 quamen de Leeuwarders mede in het Groninger +verbond. Maar die van Sneek, en meer andere Hovelingen daar +omtrent, bleven daar noch tegen; waarom zy met de Groningers, omtrent +Leeuwarden, in gevegt traden, daar zy zeer ongelukkig vegtende, van hun +100 mannen gedood, en 250 gevangen wierden. Doe stelden de Groningers +een Gouverneur te Leeuwarden en Dokkum, die deze twee steden, en +genoemde landen, uit hunnen naam, aldaar regeeren en bestellen zoude. + +In den jaare 1493 quam de Heer Otto van Langen, als Ambassadeur van +den Keizer Frederik de derde, in Friesland, om de partyschappen +en oorlogen, tusschen de Groningers en die van Sneek, met hunne +aanhangers, by te leggen. + +Ook zyn de Friesen in dezen tyd in Munsterland gevallen, beroofden +en staken verscheidene dorpen in brand, en sloegen veele menschen +dood. Insgelyks deeden de Munsterschen wederom aan de andere kant, +spaarende noch kerk, noch dorp in Friesland. + +In den jaare 1494 hebben de Groningers hunne Gezanten aan den Keizer +Maximiliaan gezonden, die het gemaakte verbond met die van Oostergo +confirmeerde, mits aan hem betaalende 10000, en aan den Hertog van +Saxen 1000 rhynse guldens. Hier na zond de Keizer drie van zyne +Hofraaden in Friesland, te Leeuwarden, Dokkum, enz.; alwaar zy +de Groningers lieten huldigen, plicht en eed doen, uit naame des +H. Roomschen Ryks. + +In dit zelve jaar heeft Keizer Maximiliaan de oude voorrechten +en vryheden der Friesen op nieuws weder door brieven bevestigt; +beveelende hun, als voorheen, wederom uit hunne eigene Edelen +eenen Landsheer te verkiezen, op dat de verwoede handelingen en +heillooze scheuringen eens ten einde mogten komen: dreigende hen, +by nalaatigheid van dien, onder een vreemd Heer te willen zetten, +met een eeuwig verlies van hunne vryheid; alzo hy zulks verstond, +tot merkelyke ruste van het Duitsche Ryk, te behooren. + +Hier op wierd Julius Deekema, van Baard, by gemeenen raade, tot +Landsheer of Potestaat verkooren, om dat hy een man was, vreedzaam +van gemoed, en een haater van tweespalt. + +In dit zelve jaar, 's nachts omtrent twee uuren, hoorde men digt +by Bolswert, een schrikkelyk geraas en getier, als van strydende +heirlegers; zo dat de wacht, de ronde doende, in 't eerst meinde, +dat 'er in der daad een gevegt omtrent de stad was. + +In den jaare 1495 hebben de Schieringers, gesterkt met de vreemde +krygslieden van Hertog Albrecht, uit Holland gehaalt, en wel 2000 +uitmakende, Workum en Hottingahuis ingenomen: brandschattende +Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en geheel Wymertserdeel. Koudum +stakenze in den brand. Doe schattenze de Gaasterlanders. Deze riepen +de Woudlieden om hulp: en zich daar tegen kantende, belegerdenze te +gelyk Slooten. + +In den jaare 1496, in January, hebben de Schieringers, die zich +met veele Geldersche krygslieden, onder den Oversten Fox, binnen +Sneek versterkt hadden, een tocht ondernomen, om de Woudlieden +en Gaasterlanders van 't beleg voor Slooten te doen opbreeken: de +Woudlieden, yverende tegen de onderdrukkingen en brandschattingen der +Schieringers, die nu dagelyks veele Gelderschen in het Land hadden +gehaalt, stelden zich op Sneekermeer tot tegenweer; doch het ys, +door hunne zwaarte, aan stukken barstende, verdronken 'er veelen; +die staande bleeven, verweerden zich tot den laatsten man; zo dat +'er over de 4500 Woudlieden omquamen, en de Overste Fox wierd zelve +mede gequetst. + +De stad Harlingen door de Groningers, die naast eenige dagen in 't +Land gekomen waren, in bezettinge genomen zynde, wierden door die van +Franeker overrompelt; doch, door dien zy 't blokhuis der Groningers +niet meester konden worden, moesten zy gemelde stad weder verlaaten, +na alvoorens dezelve uitgeplondert te hebben, en een Busse of stuk +Geschut, dat 'er ter verdediging der stad gevonden wierd, mede naar +Franeker te neemen. Daar na vermeesterdenze echter het blokhuis, +en de Groningers geraakten het Land uit. + +In den jaare 1497, wierden Redmer Vealma, Ridder, en Barent Conders, +Burgermeester, met 7 a 8000 mannen, door de Groningers naar de +Lemmer gezonden; welke by Takezyl een sterk Kasteel bouwden. Daar na +kogten de Sneekers Jonker Fox met zyn krygsvolk uit Sneek, en geheel +Westfriesland, voor 8000 rhynse guldens. + + + + + +VI. ERFHEEREN. + +1. Albrecht, Hertog van Saxen. + + +In den jaare 1498 is Albrecht, Hertog van Saxen, door Keizer +Maximiliaan in Friesland gezonden; hem aanstellende tot Erfstadhouder, +of Erfpotestaat van Oostergo, Westergo, Sevenwouden, Groningen en +Ommelanden, Ditmarsen, Strandfriesen, Wirsters en van Stellingwerf: +zynde de Keizer, door quaade aandieningen van zyne Gezanten, +verkeerdelyk onderricht omtrent de verschillen der Landzaaten: te +weeten, als dat dezelve wel tot merkelyk nadeel van het Roomsche +Ryk mogten uitvallen: heeft daarom de vryheid der Friesen omverre +geworpen, alschoon dezelve van Karel den Grootes tyden af, ook +by zynen vader Sigismund, en noch onlangs door hem zelve zo wel +bevestigt was. Maar de voornaamste oorzaaken waren, dat Hertog +Albrecht, hebbende de voogdyschap der Graaflykheid van Holland voor +Philip van Oostenryk bedient, die in het voorgaande jaar mondig was +geworden, eischte, voor de onkosten, die hy in den oorlog tusschen +de Hoekschen en Kabeljauwschen te beslegten hadde gemaakt, een zomma +van 350000 rhynsche guldens: ter verzekeringe voor die zomma, eer het +konde opgebragt worden, heeft Maximiliaan Friesland, enz., als een +leengoed des Roomschen Ryks, hem te pande gegeeven; tot 'er tyd toe dat +gemelde 350000 rhynsche guldens door Philip of de zynen aan hem zouden +opgebragt zyn. Waar op Albrecht van Saxen, op zyn luimen leggende, +hoe hy een voet in het Land zoude krygen, heeft door heimelyke listen +en bezendingen zo veel te weege gebragt, dat eenige Schieringers, +die nu de zwaksten waren, een verbond met hem maakten. Doch de Hertog +de Friesen in 't gemeen ongenegen vindende, besloot eerst om dezelve +met geweld te bedwingen; maar in raad weder veranderende, bragt door +verscheidene listen en bedriegeryen vreemde krygslieden in 't Land; +waar door hy de Schieringers met veele geweldenaaryen tot verdrag +bragt, en hem in Westergo innamen. Daar op zyn de Vetkoopers, na +eenige vergeefsche tegenweer, mede tot de huldiging des Hertogs wegens +Oostergo vereenigt. Alleen stond Leeuwarden, en eenige aanhang, hem +noch tegen: doch na eenigen tyd belegert te zyn geweest, gaf het zich +mede in het verdrag. Hier op liet de Hertog te Leeuwarden aanstonds +een blokhuis bouwen, van de steenen der afgebrookene stinsen, die hy +tegens wille van de eigenaars liet afwerpen, om tot gemeld blokhuis +te gebruiken. + +In den jaare 1499 had Graaf Edzard van Oostfriesland het oog op +Groningen, doch die van binnen zulks gewaar wordende, trokken uit, +onder het bevel van Ulrich, te Dornum, met 200 mannen, neemende +den Dam in en bezetteden de aankomsten aan de Eems, als Farmsum, +Oterdum, Reide, enz., en deeden verscheidene Ommelander heerenhuizen +omverre werpen. Evenwel trok Graaf Edzard met zyne krygsmacht over +in den Oldambte, bestaande het geheele leger uit 2800 burgers en +soldaaten, benevens de Ommelander Hovelingen, neemende aanstonds +Pekel a Borg in. Daar na dwongen zy de Oldambsters 2200 rhynse +guldens brandschattinge af; en trokken dus voort voorby Slochteren, +tot in het klooster Wittewyrum: waar door de Groningers den Dam en de +andere plaatsen verlieten; en dezelve door des Graaven volk wederom +in bezettinge wierd genomen. Graaf Edzard zelfs quam met 1000 burgers +over de Eems; hy was uit den Oldambte naar huis getrokken, en deed +groot geweld van rooven, branden, en schattinge te vorderen. Doch +de Groningers spaarden hunne vyanden ook niet. Nochtans maakte Graaf +Edzard een kasteel te Oterdum, en den Dam vast tot een oorlogsstoel. + +Ondertusschen zonden de Groningers 400 soldaaten, met een goed gedeelte +van oorlogsgereetschap voor het huis te Sauwert: 't welk ten eersten +aan hun wierd overgegeven; wordende aldaar de vestingwerken afgeworpen, +en de bezettinge gevangkelyk mede in de stad gevoert. + +Den 22ste van July is Jonker Fox met zyn volk, 250 mannen sterk +zynde uit Friesland, over Drenth, naar Graaf Edzard willende, door de +Groningers omtrent Cropewolde aangetast en geslagen; Fox zelve wilde +zich niet overgeeven, schoon hy verscheidene wonden gekregen had, +maar vogt, op zyn kniën leggende, zo lang tot hy den geest gaf. De +Groningers hadden hier een groote overwinninge, want 30 bleeven 'er, +behalven Fox zelve, van de vyanden dood, en 125 wierden 'er gevangen. + +Alhoewel deze Jonker Fox altoos der Groningers ergste vyand is geweest, +hebbende zy hem evenwel, om zyne dapperheid, naar Groningen gevoert, +en aldaar in de Minnebroeders kerk, met eeretekenen begraven. Door +het verslaan van dezen Jonker Fox, heeft het plaatsje Foxhol zyne +benaaminge bekomen. + +In dit zelve jaar, quam Hertog Albrecht, met zynen zoon Hendrik, te +Harlingen aan; en wierd eerst te Franeker, en daar na te Leeuwarden +op 't Oude Hof ingehuldigt. Binnen Franeker heeft hy, om eene goede +bestellinge der wetten in den Lande te geeven, den Hoogen Raad, +die wy nu noch het Hof van Friesland noemen, ingestelt. + +Daar na vertrok Hertog Albrecht uit Friesland, naar Meissen, in +Duitschland, laatende zyn zoon Hendrik, aangestelt als Stadhouder, +op het Hof binnen Franeker; zynde het Slot van Sjaardema. Doch deze +niet wel onderrecht zynde, leide de gemeente ondraagelyke lasten op; +waar door een groot oproer ontstond. + +In den jaare 1500 hebben de Friesen hem in Franeker met 16000 +mannen komen belegeren: en vooral waakende dat 'er geen meerder +vreemd krygsvolk in 't Land wierd gebragt, zo namenze dit volgende +voor hunne leuze: Fjouwer lotter-claer leep aayen op in finne herne +in ien nest [85]. Die dit niet zeggen kon, achten zy een Uitlander +te zyn, en wierd aanstonds veroordeelt om verdronken te worden. Om +hunne belegeringe voort te zetten, en gemelde stad te vuur en te +zwaard wel aan te tasten, hebben zy de Groningers ondertusschen voor +vier stukken geschut, tot dit beleg benoodigt, alle het zilverwerk +en andere kostelykheden, uit alle kerken en kloosters geligt zynde, +te pande gegeven. Albrecht ondertusschen, met veel volk uit Meissen +te rugge komende, slaat, met een onderstand van den Graaf van Holland, +het leger voor Franeker weder op. Waar op die van Leeuwarden hunne stad +verlaaten: en Hertog Hendrik trok daar weder in, bedryvende alomme veel +moedwille, brengende veele Edelen en gemeene lieden in ballingschap. + +In dit zelve jaar is den Dam door de Groningers belegert, en zeer hevig +beschooten, maar het afkomen van Graaf Edzard, en de overstroominge +van het water, deed hen dezelve wederom verlaaten, en naar Groningen +trekken. Waar op des Graaven volk, in moedwil uitbarstende, hier na +de dorpen Wagenborgen, Uithuizen en Meden in brand stak, waar door +veele huizen verteerden. + +Ook zynze daar na in de Marne gevallen, hebbende de Groningers, +die met de landlieden te zamen vereenigt waren, geslagen; en daar +na ongehoorde gruwelstukken van rooven, moorden en branden, vrouwen +verkragten, en kerkschenderye bedreeven. + +Groningen wierd door de Saxen op den eersten van Augusty aan +de noordzyde belegert, leggende het geheele leger voor de naaste +molenbergen van de stad; van waar hetzelve, doch met weinig schade, +15 a 16 dagen beschoten wierd. Maar hunne schepen van proviand en +oorlogs-ammunutie lagen het Reidiep langs, waar by 1000 mannen Saxen +tot dekking in Jarges tigchelwerk geposteerd waren. + +Onderwylen quam de Bisschop van Utrecht, met verscheidene heeren uit +de Staaten des Lands in 't leger, en bewerkte zo veel tusschen den +Hertog van Saxen en de stad Groningen, dat de vrede op den 21ste van +Augusty te Aduard voor eenige maanden geteekent wierd. Waar op het +beleg aanstonds wierd opgebroken, en 12000 soldaaten daar van naar +Friesland gezonden; trekkende de Hertog zelve met het overige volk +naar den Dam, en van daar naar Embden; daar hy, na eene ziekte en +hoofdwonde, die hy door een musquetkogel in het beleg had ontfangen, +op den 8ste van September is komen te sterven. + + + + + +2. Georg, Hertog van Saxen. + + +Deze is, volgens het recht van erffenisse, in 's vaders plaats +gekomen; na dat zyn broeder Hendrik zyn recht aan hem by verdrag had +over gedaan. + +In den jaare 1501 hebben de Groningers 2000 soldaaten aangenomen, +onder voorwaarde, dat zy hen den Dam zouden helpen winnen, waar +voor zy dan zouden genieten, behalven de plondering, 7000 guldens, +en al het geene dat zy tot dien aanslag noodig zouden hebben. Daar +op zynze den 18de van May met malkander uitgetrokken, en berenden +voorts den Dam aan drie kanten; neemende ondertusschen Delfzyl weg, +en sloegen het daar binnenleggende guarnisoen dood. Vervolgens deeden +zy verscheiden stormen op den Dam, en schooten 'er den brand in: +maar die van binnen zich mannelyk kwytende, sloegen hen t'elkens +af. Ondertusschen quam Graaf Edzard met 4000 mannen over de Eems, +regt uit naar den Dam, stellende zyn krygsvolk, in drieën verdeelt, in +slagorde, met het geschut vooraan, en marcheerde alzo op den weg van +Jukwert, regts tegens hunne vyanden in; waar op het bloedvergieten +aanging, en wierd 'er zo gruwelyk onder de Groningers geslagen, +dat ze den Dam moesten verlaaten, en de vlugtende tot aan Groningen +nagezet; die zo droevig verslagen of in de Damstervaart verdronken, +dat 'er, naar 't zeggen van zommige, 3000 mannen wierden verlooren, +waar onder vier Burgemeesters zoonen van Groningen, als Albert Jarges, +Harmen Jarges, Gosen Schaffer, en Johan Mepsche. Daar na namen de +Saxen het Huis te Mude in, en verbranden eenige molens en kapellen +aan de noordzyde voor Groningen; ook op een na alle de molens en +huizen aan de zuidkant, tot aan de gragtswal. + +In den jaare 1502 quam de jonge Hertog van Saxen in Groningerland, by +hem hebbende zes Graaven, veele Edelen, 200 ruiters en 300 soldaaten, +met allerlei veldstukken en bagagie. De eerste nacht bragt hy door +te Aduard, mits naauwe wacht houdende voor de Groningers, hoewel +'t bestand noch liep. Van daar trok hy naar den Dam, alwaar hem +de burgers met kruissen en vaanen te gemoet traden, en met veele +eeretekenen in haalden. Zy droegen altemaal vellen op hunne knieën, +ten teeken van onderwerping: waar op de hovelingen uit de Ommelanden, +in den Dam wezende, hem mede huldinge en eed hebben gedaan. + +In dezen tyd hebben de Groningers met Hertog Karel van Gelder een +verbond gemaakt; mits dat de wederzydsche burgers in elkanders land +een vryen koophandel zouden mogen dryven. + +In den jaare 1504 heeft Graaf Edzard, by de punterbrug, een zeer +sterk kasteel laaten bouwen; 't welk naderhand Weerdenbras genaamt +is geworden. + +In den jaare 1505 was te Harlingen een zwaare nood van water, waar door +veele dyken doorbraken. Daar op volgde een groote droogte in den lande, +waar door zwaare branden in de veenen wierden veroorzaakt: als ook +te Hindeloopen, dat met 'er kerk voor 't meerendeel geheel verteerde. + +In dit zelve jaar, den 8ste van April, trok een party Groninger burgers +en soldaaten naar Onderdendam, en bragten by hunne te rugkomst 14 +Saxische soldaaten en twee boeren gevankelyk mede in Groningen; +waar door het oorlogsvuur weder ontstooken wierd. + +Den 20ste dito quam een troup Saxischen uit Aduard, in den nacht, by +de Aa Poort, en verbranden aldaar 8 a 9 huizen. Daar tegen zonden de +Groningers 4 a 500 mannen naar Oosterwyrum en de omleggende plaatzen, +brandende het dorp Heveskes geheel af, en haalden een grooten buit van +ossen, koeyen en schaapen van Wytwert, enz.; alwaar de kerken wierden +aangetast, de goederen daar uit gehaalt, en naar Groningen gevoert. + +Den 22ste van Augusty wierden de Groningers en Saxischen te Haren +handgemeen, alwaar de eersten 20, en de laatsten 100 mannen op het +slagveld lieten leggen. + +Aldus de oorlog wederom een begin genomen hebbende, droeg de Hertog +van Saxen het veldheerschap op aan Graaf Edzard van Oostfriesland, +en Jonker Vitus, van Draaksdorf, die de Groningers 'er toegangen +zeer naauw lieten bezetten: waar door die van binnen, zich zeer +geprangt vindende, en van alle hulpe ontbloot ziende, wierd het +gemeene volk nochtans, door de onmenschelyke wreedheden der Saxen, +te meer verbittert: waarom de Groningers hunne bescherminge by iemand +wilden zoeken. Hier op verkozenze Graaf Edzard, van Oostfriesland, +voor hunnen Beschermheer; aan wien zy de stad opdroegen; waar van +de artykelen in den jaare 1506, op den 24ste van April, wierden +bezegelt, wordende in dezelve alle de privilegien en vryheden, die +Groningen met haare ingezetenen ooit gehad hadden, behouden. Daar +op quam de Graaf met zyne keurlyke krygsbenden, verzelt met veele +Edelen, naar Groningen af; gaande de Magistraat van de Stad, +benevens de jonge manschap en soldaaten, door de Poele Poort uit, +hem tot aan Ooster Hoogebrug te gemoet, en deeden hem aldaar den +eed van getrouwheid. By de Poele Poort gekomen zynde, ontfong hy uit +handen van Burgemeesteren de sleutels van de stads poorten. Vervolgens +wierd de Graaf met een prachtige staatsie, onder het losbranden van +'t kanon, trommen- en trompettengeschal, luiden der klokken, enz., +ter stad ingehaalt; rydende alzo de Poelestraat door, naar de markt, +alwaar het krygsvolk in volle wapenen, in ryen en gelederen geschaart +stond, tot aan de hoek van de Gelkingestraat, daar het logement voor +hem bereid was. Daags daar aan ging hy in St. Walburgs kerk, alwaar +de burgers hem huldinge, pligt en eed deeden, volgens inhoud van het +accoord. Daar na deed de Graaf een sterk en zwaar kasteel bouwen, +tusschen de Steenstil en Ooster Poort, zynde voorzien met zeer wyde +en diepe gragten en hooge wallen. + +In den jaare 1506 quam Hertog Georg in Friesland, en wierd +ingehuldigt. Hy gebood, om over geheel Friesland te gebruiken +de Workumer ellen, het Bolswerder loopen, de Leeuwarder kanne, de +Keulsche wicht; en het Hof van Gerichte, by zynen vader te Franeker +ingestelt, liet hy naar Leeuwarden vervoeren. Daar na liet hy het +Bild allereerst bedyken, na dat het al eenige jaaren goed vast land +was geweest, en by zynen vader Albrecht in eigendom ware genomen, +zonder dat de Staaten des lands daar in bewilligt hadden. + +In dezen tyd heeft gemelde Hertog ook de Floreen Rente over den +Lande gestelt, en elk naar hunne schattinge doen betaalen; waarom, +om het zo veel te gemakkelyker in te vorderen, hy het Landschap in +zyne hoofddeelen onderscheiden heeft: die wy nu Grietenyen noemen. + +In den jaare 1507 heeft de Hertog van Saxen, na dat Graaf Edzard +Groningen in 't bezit had genomen, groote pretensien van den Graaf +en de Groningers gevordert. Doch deze questien zyn te Constans op +den Ryksdag gebragt, alwaar wederzydsche Gezanten wierden gezonden; +maar naderhand ook te Keulen hervat. + +In dit zelve jaar is de vaart van Leeuwarden naar Franeker, en naar +Bolswert begonnen gegraaven te worden. + +In den jaare 1508 is Norden, in Oostfriesland, door zyn eigen +vuur voor 't meerendeel verbrand. En op den 16de van October was de +tweede St. Gallus watervloed, welke in Oostfriesland en elders groote +schade veroorzaakte: wordende in de zelve kabeljauw en wytingen voor +Groningen gevangen. + +In den jaare 1509, den 26ste van September, was 'er een hooge +watervloed over Friesland, Groningerland, en elders, waar door niet +alleen verscheidene dyken zyn weggespoelt, maar ook veele menschen +en beesten verdronken. By de Dollaart scheurde een stuk lands af, op +welke 10 a 12 zwaare beesten te weiden gingen, van het overige land +in den Oldambte, en dreef over de Dollaart, in Reiderland, alwaar +het vast en behouden bleef zitten; 't welk naderhand een oorzaak van +proces gaf tusschen die van 't verdrevene en 't aangespoelde stuk land. + +In den jaare 1511 ontstond 'er te Leeuwarden een zwaare brand, die +wel 200 huizen verteerde. + +In den jaare 1512 wierd Koeverden door Roelof van Munster, gewezene +Drost van 't Drenth, met verrassinge ingenomen. Doch zeer kort hier na, +heeft de Bisschop Munster hem wederom belegert, en tot verlaatinge +dier plaats gedwongen; stellende daar doe wederom tot Drost Adolf +van Rechteren. + +In den jaare 1513 zond de Keizer Maximiliaan een scherp mandaat aan +Graaf Edzard, hem gebiedende, op zwaare straffe, de stad Groningen +te verlaaten, en dezelve aan den Hertog van Saxen in te ruimen: +doch vrugteloos. + +In den jaare 1514, in het begin, deed de Hertog van Saxen, ziende +dat hy 't met die van Groningen niet eens konde worden, een inval in +Oostfriesland, doende allerlei wreedheden van moorden, brandschatten +en branden. Zy belegerden zelfs Lieroort; doch dat zy, na de Hertog +van Brunswyk zyn leeven daar voor had verlooren, moesten verlaaten. + +Den 7de van Juny wonnen de Saxen in Groningerland het sterke klooster +Selwert, doende het zelve versterken, en met een sterk guarnisoen +bezetten. Ook hebben zy Delfzyl met geweld ingenomen, slaande aldaar +alles dood dat zy vonden, slegten de werken, en staken het plaatsje +in brand. + +Voorts quam Graaf Edzard, na dat hy zyn eigen land tegen de Saxen +had verdedigt, met 700 mannen hulptroepen te Groningen; die op den +volgenden dag buiten de Bottinge Poort met de Saxen slaags raakten, +waar door veelen sneuvelden. + +Den 21ste van July, trok de Hertog van Saxen met zyn leger, om +zich aan Groningen en Graaf Edzard te wreeken, voor den Dam, doende +die plaats aan drie zyden belegeren. Daar binnen waren 800 kloeke +welgewapende mannen, een goede meenigte boeren, en een strydbaare +burgerye tot bezettinge. Otto van Diepholt was Commandeur; benevens +hem waren 'er noch eenige dappere Edelen. De belegeraars damden de +slooten, en sloegen by nacht een brug over de vaart: zy aprocheerden, +werkten in de aarde, en schooten met gloeijende kogels hevig op de +stads vesten en poorten. Die van binnen queeten zich dapper: maar de +groote menigte der vyanden stormde op den 3de van Augusty op de drie +poorten te gelyk, met een afgrysselyk geweld: na dat zy t'elkens +waren afgeslagen, met den jongen Hertog van Brunswyk achter hen, +roepende vreesselyk, en dreef zyn volk alzo aan, tot dat zy eindelyk +de belegerden overwonnen, en in de stad quamen; waar op het moorden +aanging, wordende in de eerste furie noch kerken, noch autaaren, +noch kraamhuizen gespaart. De jonge Hertog rende door de straaten, +met het bloote zwaard in de hand, roepende: Sla dood, sla dood, tot +wraake van myn Vader! Veelen zyn op de autaaren, eenige met de beelden +omvat, en andere met het kruisifiks in hunne handen, omgebragt. Eylco +Lewe stond met een lang slagzwaard in zyn hand, en sloeg zo gruwelyk +onder de vyanden, dat 'er veelen met hem gedood wierden. Het getal +der dooden wierd in alles op 1136 gerekent. Omtrent 200 soldaaten +en weinige burgers wierden 'er gevangen genomen; doch 150 waren 'er +reeds in den beginne der overval ontkomen. De Commandant Diepholt, +en noch een Kapitein, wierden gekeetent en gevangkelyk naar Medenblik +gevoert. De vrouwen en kinderen wierden ook gevangen gezet en gepynigt, +om de verborgene schatten aan te wyzen; en daar na naakt en bloot +ter stad uitgejaagt. En de schoonste maagden en jonge vrouwen wierden +door de soldaaten eenigen tyd tot vuile lusten gehouden. + +Hier na heeft Graaf Edzard de Regeeringe van Groningen verlaaten: +waar op de Groningers Karel van Egmond, Hertog van Gelderland, voor +hunnen Beschutsheer hebben aangenomen; doende voorts den eed aan zyn +Marschalk Willem van Ojen op den 3de van Novemb. in St. Walburgs kerk. + +In den jaare 1515, omtrent Driekoningen Dag, hebben de Saxischen +uit den Dam de kerk en 't geheele dorp Farmsum geplondert en ten +eenemaal verbrand. + +Den 17de van Maart namen de Groningers het kasteel of blokhuis by +Aduwarderzyl in, en hebben het ten eenemaal geraseert en geslegt. Ook +hebben zy, met hulpe Van Graaf Edzards volk, Delfzyl met geweld +ingenomen: als mede den Dam, alwaar in 't uittrekken der Saxische +troupen een groot tumult ontstond; want de burgers en eenige soldaaten, +de oude bejegeningen noch in 't hoofd zittende, vielen in hunne +achterhoede, plunderden de bagagie, en ontnamen hun vele goederen. + +Daar na quam de zwarte Hoop, zynde een zamengeraapt volk van ruim +5000 koppen, in Friesland vallen; welke alle de dorpen, daarze aan +quamen, in koolen zettede, als mede de steden Workum, Hindeloopen en +Molkwerren ook afbranden. + +Ook hebben de Groningers het kasteel Weerdenbras, by de Punterbrug, +ingenomen. + +Na dat Hertog Georg in voorige jaaren veel moeite met de Groningers en +Graave van Oostfriesland hadde gehad, en de Graave met de Groningers +hunne gerechtigheid aan Karel, Hertog van Gelderland, overgedraagen +hadden, zo hebben de Gelderschen de Sevenwouden en 't grootste gedeelte +van Westergo met een meenigte van volk afgeloopen. Waar op Georg +van Saxen, geen middel ziende om de Friesen weêr onder zyn geweld te +krygen, uit het land vertrokken is; laatende zynen Stadhouder Everwyn, +Graave van Benthem, alhier. + +Ondertusschen maakten de Gelderschen in de Zuidhoek, als te Workum, +Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en Slooten, zeilschepen; om in de +Zuiderzee op het ontzet der Hollanders te kruizen: onder dewelke zich +Groote Pier, geboortig van Kimswert, mede begeeven heeft. Deze Groote +Pier was door de Saxischen van alle zyne goederen en welvaart beroofd, +ook hadden zy het dorp, daar hy woonde, in brand gestooken: waarom hy +met een aanhang van meer dan 500 vrienden, op gemelde schepen gegaan +was: en hebbende verscheidene gelukkige zeeslagen met de Hollanders +gehouden, en veele scheepen van hen genomen, zo maakte hy verder de +geheele Zuiderzee vry. + +Hertog Georg, veel geld en moeiten te vergeefs verspilt hebbende, +om de Friesen te vermeesteren, droeg, na alle zyne nederlagen, het +erfrecht over aan den Prins van + + + + +2. het Huis van Bourgondien. + +1. Karel de Vyfde. + + +In dit zelve jaar 1515, Karel, Koning van Spanje, en na een korten tyd +Keizer van 't Roomsche Ryk, nu Erfheer van Friesland geworden zynde, +stelde Graaf Floris van Ysselstein tot Stadhouder aan; die zich met +de zynen eerst alleen binnen Leeuwarden, Franeker en Harlingen moest +verhouden: zynde het overige des Lands meest door de Gelderschen +bezet; tot welkers voordeel Sneek en Slooten in dien tyd met muuren +en sterktens zyn vast gemaakt [86]. + +En gemelde Groote Pier, speelende alle zeilen blank [87], nam weg +alles wat tegen de Gelderschen aanquam, werpende veele menschen +overboord: en inzonderheid te Workum, dat hy inneemende, de Hollanders +de voeten spoelde, daar by voegende dit grove Friesche vloekwoord: +Sjug ho kenne dy D: tjietten swomme [88]. + +In den jaare 1516, in April, is Delfzyl, na dat de Graaf Edzard +zyne bezetting daar uit had genomen, door Boele Ripperda, van haare +vestingen beroofd. Daar op zyn de Groningers, met hulpe van zommige +Ommelanders, uitgetrokken, hebbende den Dam gedemanteleert, en voorts +Weerdenbras ook geraseert. Verder, het kasteel van Graaf Edzard, +te Groningen gebouwd, wederom afgebroken. + +In den jaare 1517 quam 'er weder zulk een hooge watervloed, dat +het water eene elle boven de dyken stond; waar men de schade wel +kan afmeeten. + +Groote Pier beschermde Sneek, tegen de belegeringe der Bourgoenschen; +en nam Hindeloopen weder in, dat de gemelde Bourgoenschen vast gemaakt, +en met 300 mannen bezet hadden: en daar na Medenblik, dat hy verbrande. + +In dit jaar wierd ook tusschen de Bourgoenschen en den Hertog +van Gelderland een verdrag gemaakt, na dat aan weêrszyden veele +vyandelykheden waren voorgevallen; waar door de steden nu van de eene +en dan van de andere zyde waren ingenomen, en de platte landen veel +geweld, moord en brand hadden geleden. Doch Groote Pier, met die de +Gelderschen aanhingen, zich hier noch niet toe verstaande, bleven +even standvastig tegen de Bourgoenschen, en begeerden Pier voor een +Beschermheer der vryheid geacht te wezen; dat hy voorheen ook zoude +gedaan hebben, byaldien het zommigen niet verbrod hadden. Als hy door +eenen Hollander in een brief tot afstand geraaden wierd, bespotte hy +hem met een rymtje na dien tyd, voegende boven het zelve al boertende +deze Eeretytelen: Ik, Groote Pier, Koning van Friesland, Hertog van +Sneek, Graaf van Slooten, Vryheer van Hindeloopen, en Capitein-Generaal +van de Zuiderzee [89]. + +Dus wierd de vereeniging door de Gelderschen verbrooken, en des +Keizers volk moest, als voorheen, zich alleen in Leeuwarden, Franeker +en Harlingen verhouden. Groote Pier deed ondertusschen de Keizerschen +op de Zuiderzee veel afbreuk, neemende gestadig aan weg alles wat +hem voorquam. + +In den jaare 1518 heeft de Hertog van Gelder het accoord van Maarschalk +Willem van Ojen met de Magistraat van Groningen, uit zyn naam ingegaan, +geconfirmeert en gezegelt. + +In den jaare 1519, den 6de van February, wierd te Arnhem het vorstelyke +bruiloftsfeest van den Hertog van Gelder met de Hertoginne van Brunswyk +Lunenburg zeer prachtig gehouden: zynde aldaar uit deze Provintie +van Groningen mede verzogt, Ludolf Conders, en Klaas Schaffer, +Burgemeesteren; Willem Frederiks, Priester van St. Martens kerk, wegens +de stad; en Roelof Lennep, Ritmeester, wegens de Ommelanden. Dewelke +allen zeer prachtig uitgedost waren; Willem op een wagen, en de anderen +te paard, zynde alle de paarden eveneens met blinkende wapenen over +hunne gansche ligchamen bedekt, verzelt met 30 ruiters, in heerlyke +kleederen. Hunne geschenken, dieze voor het jonge paar mede bragten, +bestonden in twee zilvere wynkannen, en twee zilvere schenkvaten, +zeer konstig verguld en bearbeid, wegende over de 50 mark zilver. Daar +nevens bragten zy 4 welgemeste ossen, van een buitengewoone zwaarte, +en 4 schoone paarden. + +In dit zelve jaar, als Groote Pier bemerkte, dat de Gelderschen het +land, even als de Saxischen voorheen, onder het juk van slaavernye +meenden te brengen, zo quiteerde hy daarom zyn ampt, en zettede zich +gerust binnen Sneek ter neêr, alwaar hy zyn leeven na eenigen tyd +heeft geëindigt. + +In den jaare 1520 wierd het klooster te Aduard, het waereldsche gebied, +mitsgaders het recht van patroonschap over Suidhorm en Wyrum ontnomen, +om reden dat eenige monniken op St. Bernards dag, onder een gastmaal, +dat jaarlyks wierd gehouden, twee Edellieden, Hendrik en Frederik +Gaykinga, vegtenderhand hadden doodgeslagen. [90] + +Als Karel de vyfde nu tot Roomsch Keizer was verkooren, heeft hy in +den jaare 1521 Georg Schenk tot Stadhouder over Friesland aangestelt: +die, met zyn leger te Arum staande, de Geldersche steden, Sneek en +Bolswert heeft gebrandschat: doch Stoffel van Meurs, Stadhouder der +Gelderschen, vertrok naar Workum, dat hy vast maakte, om gemelde +brandschatting der Bourgoenschen af te weeren. + +Hier op dreven de Sneekers de Gelderschen uit; het welk die van +Bolswert, weinig tyd daar na, mede deeden. + +In dit zelve jaar, den 12de van May, is de Hertog van Gelder, door +de Staaten der Ommelanden, mede tot hunnen beschutsheer aangenomen. + +In den jaare 1522, den tweede van November, quam de Hertog van Gelder +te Groningen; wordende door de Magistraat buiten de Oosterpoort +opgehaalt, en tot aan de St. Martens Kerk geleid; alwaar hy door +Mr. Willem, Kerkheer, ontfangen wierd, die hem mede naar zyn huis +nam en logeerde. Des anderen daags ontfing hy op het raadhuis de +sleutelen van de stads poorten, en den eed van de Magistraat en +de Gezworene Gemeente, en vervolgens in St. Walburgs kerk van het +gemeen. Des Sondags daar aan wierd hy door de Magistraat der stad +op het Heeren Wynhuis zeer prachtig ter maaltyd onthaalt. Daar na, +de Hertog vertrokken zynde, zond hy Jasper van Marwyk als Stadhouder +te Groningen, die zyn logiment nam op Munnikeholm. + +In den jaare 1523 bouwde Stoffel van Meurs een blokhuis te Workum, +en den tooren versterkte hy met gragt en wallen, om de zeekust tegen +de Bourgoenschen te beschermen. Maar wierden van Schenk vermeestert, +die den tooren van boven af liet werpen, en het blokhuis met veel +volk bezette. In welken tyd ook de geweldige Stins van Inthiema door +de Keizerschen verbrand en vernietigt is. Doe zonden de Gelderschen +eenige zeeroovers uit Dokkum; het welk de Bourgoenschen belegerden, en +mede by verdrag inkreegen. Ook vlugten de Gelderschen van Bolswert naar +Slooten; dat zich, belegert ziende, mede aan Schenk over gaf. En by +een gemeen opbod der landlieden, zyn de Gelderschen t'eenemaal uit het +land gejaagt: en Karel de vyfde tot Erfheer over Friesland bevestigt. + +Ook is Schenk en Wassenaar, uit naam des Keizers, in de Ommelanden +gekomen, roovende en brandende zeer schielyk onder de landlieden; +vervolgens ontboden zy hen om den Keizer te beëedigen te Noorthorm, +mits tot boete geevende 32000 goudguldens. + +In den jaare 1525, des Vrydags voor St. Laurens, geraakte de stad +Groningen in een groot oproer; alzo de Bouwmeesters en Gildens zich +heimelyk verbonden hadden van hunne goederen 'er by op te zetten, +om alle de accynsen, uitgenomen de wyn en het Hamburger bier, af te +schaffen. Zy hadden dieshalven by de twee Bouwmeesters, noch 24 van +de voornaamste personen uit de Gildens gekooren, die het zelve aan +den Raad zouden voordraagen. Als deze voorstellinge op het raadhuis +geschiede, stond de geheele markt van het gemeen bezet, raazende en +tierende als verwoede menschen, die door des Overigheids redenen +niet te stillen waren. Een groote hoop liep als woedende op het +stadshuis, met een groot stuk hout in de handen, en stoote de deur +van de raadkamer daar mede open; voorneemens om den geheelen Raad +dood te slaan. De geene die beneden stonden, met bloote messen in +hunne handen, riepen: Sla dood, sla dood; werpt ons de verraaders +ter vensteren uit! Waar door de Raad zich genoodzaakt vond, deze +gecommitteerden te zeggen, hunne begeerte te zullen voldoen: doende +daar op de klok luiden, en hunne wille publiceren. Waar door het +woedende gepeupel wederom vertrok. + +In den jaare 1527 was 'er wederom een groote onlust te Groningen, +waar door omtrent verscheidene magistraatspersoonen hun leeven zouden +verlooren hebben: want een Jan Gryp, zynde een groot oproermaker, +trok zyn zwaard uit, en riep: Sla dood! en sloeg den Bouwmeester +Jan.... onder den voet, houwende nochmaals verscheidene keeren naar +hem; doch wierd, door toedoen van anderen, noch gelukkig gered. De +Raad, vergadert zynde, vlood van het stadshuis; ziende ieder om een +goed heenkomen. De Burgemeester Hillebrands, Roltman en Rein Duirds, +met noch eenige andere Raadsheeren, liepen in de St. Martens kerk; +maar de Burgemeester Ludolf Conders viel by de waag onder het gespuis; +waar door hy nochtans door eenige raadsgezinde burgers gelukkig wierd +ontzet, neemende daar op de vlugt, de Heere Poort uit, naar Helpman +op zyn hofstede. + +Dit zelve jaar overleed Graaf Edzard van Oostfriesland, oud zynde 66 +jaaren, binnen Embden; wordende des Vrydags na vastenavond tot Norden +begraven. Na hem succedeerde Graaf Enno daar op, in zyns vaders plaats. + +In den jaare 1530 heeft Keizer Karel aan zynen Stadhouder Schenk last +gegeeven, om Dokkum en Slooten, welke Steden hy, na 't vertrek der +Gelderschen, hadden doen vast maaken, de wallen wederom te slegten. + +In dit zelve jaar, den 10 van July, nam Graaf Enno van Oostfriesland +Widmond door verrassinge in; en belegerde voorts Ezens; waar op +hy verscheidene maalen stormde, en veel volk verloor; doch op den +28ste van September hebben die van binnen zich aan hunne vyanden +overgegeeven; waar op, Jonker Balthazar een voetval voor Graaf Enno +doende, pardon bequam. + +In den jaare 1531 heeft Jonker Balthazar een hoop krygsvolk aangenomen, +waar mede hy in Graaf Enno's land trekkende, alles in brand stak wat +hem voor quam; sleepende een grooten buit met zich; en begaf zich +naderhand onder den Vorst van Gelder. + +In den jaare 1533 heeft Jonker Balthazar den Overste Meindert van Ham +met omtrent 2000 Geldersche soldaaten te Jemmigen, in Reiderland, +gezonden: maar Graaf Enno hen te gemoet trekkende, heeft van hen +een Vendel Gelderschen, welke by de Noorth verachtert waren, ter +neêr geslagen. Doch een weinig tyd daar na, hebben de Gelderschen +de Oostfrieschen aangegreepen, en deerlyk geslagen; waar door in 't +geheel omtrent 400 mannen zyn gebleven, en waar onder veele braave +persoonen van aanzien. + +In den jaare 1535, den 30ste van Maart, zyn omtrent 300 zo +genaamde Wederdoopers, na datze hunne leere in Friesland openbaar +hadden voorgestelt, byeen getrokken, overvallende Oldenklooster, +by Bolswert, en namen het in; noodzaakende de monniken daar uit te +vlugten; en van gedachten zynde, by aldien de Landsheer hen mogt komen +bestormen, zouden de bestormers zelve door hunne eigene wapenen gedood +worden. Maar de Gouverneur G. Schenk zulks gewaar wordende, zond een +troup soldaaten derwaarts, en overweldigde het klooster aanstonds; +waar door in de eerste furie het meestedeel dier arme menschen door de +kling wierden gejaagt: 24 zyn 'er vervolgens aan galgen opgehangen, +en 15 onthalst; en de vrouwen en maagden eenige te Leeuwarden, en +andere in het Hempensermeer doen verdrinken. + +In den jaare 1536 heeft Menno Simons, Priester te Witmaarsum, zyn +priesterambt verlaaten, en zich tot de Wederdoopers begeeven: waar +van dezelve den naam van Mennisten hebben bekomen, zo als zy noch in +Friesland, zonder onderscheid, allen genoemt worden. + +In dit zelve jaar, hebben de Groningers hunne hulpe aan den Hertog +van Gelder tegens Graaf Enno van Oostfriesland opgezegt. Waar over +de Hertog zeer te onvreden zynde, zyne krygsmacht deed vermeerderen, +en den Overste Meinard van Ham met de zelve den 29ste van April naar +den Dam zond; die aldaar ten eerste de vestingen deed versterken, +steekende de voorstad by de Steenstil- en Poelepoort in brand; +als ook de voorstad van de Ebbinge- en Botteringepoort; waar door, +alzo de vlam over de wal quam, omtrent de Peperstraat 5 huizen en 30 +schepen verbrande. + +Waarom door de Staaten van Stad en Lande, door groote verbitteringe +dieze tegens den Gelderschen Vorst gekregen hadden, geresolveerd +wierd, zich aan het Huis van Bourgondien over te geeven; zendende +derhalve hunne Gezanten aan Koningin Maria, zuster van Keizer Karel den +vyfde, in Brabant, met verzoek, dat zy onder de bescherminge van zyn +Keizerlyke Majesteit mogten aangenomen worden. De Koninginne heeft hen +daar op met veele beleeftheid aangenomen, en voorts met een genoegzaame +krygsmacht onder het bevel van Georg Schenk versterkt. Waar op Schenk +den 7de van Juny met groote blydschap ter stad wierd ingehaalt, en +als Stadhouder gehuldigt, doende de Raad en het Gemeen voorts den +eed aan hem, uit naame des Keizers. Wordende dus de stad Groningen +en Ommelanden aan de Nederlanden gehegt. + +Hier na trok Schenk te velde, en sloeg de Holsteinschen in +Westerwolde; nam Delfzyl in; won den Dam, Wedde en Koeverden van de +Gelderschen. Hier na is de vrede tusschen den Keizer en Hertog van +Gelder geslooten, welke te Groningen op den 8ste van December van +'t stadshuis gepubliceert is geworden. + +In den jaare 1538, of omtrent dezen tyd, overleed de trouwelooze +Hertog Karel van Gelder, oud 70 jaaren; hebbende zyne nabuuren 50 +jaaren lang met verscheidene oorlogen beroert. + +En omtrent dien zelfden tyd leefde Vorperus Thaborita, Kanunnik +te Thabor, by Sneek; die, tot op dien tyd, de oude Friesche +Geschiedenissen heeft te zamen gestelt. + +In den jaare 1540 overleed Georg Schenk, Stadhouder van Groningen, in +wiens plaats, hem opvolgde Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren. En +den 24ste van September overleed Graaf Enno van Oostfriesland, +wordende te Embden begraven. + +In den jaare 1542 is een watervloed over deze landen geweest, waar +door veele schade aan menschen en beesten is veroorzaakt. + +In den jaare 1545, omtrent St. Jan, quam Koninginne Maria te Groningen; +wordende aldaar door de Magistraat op eene zeer plechtige wyze +ingehaalt, en met ryke geschenken beschonken. + +In den jaare 1546 is in 't Klooster Wittewyrum eene conferentie +gehouden, over het verschil van de voorbyvaart van Embden, tusschen +de Groningers en de Graavinne van Oostfriesland. + +In den jaare 1548 overleed Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren, +en Stadhouder van Groningen, in wiens plaatze hem opvolgde Jan van +Ligne, Graaf van Arenberg. + +In den jaare 1550 hebben de Groningers, benevens die van de Ommelanden, +aan den Graaf van Arenberg hunnen eed gedaan, wegens Philippus den +tweede, Koning van Spanje. + +In den jaare 1552 was 'er, na 't geweldig doorbreeken der dyken, en +'t vloeijen van water, zulk een harde winter, dat men van Friesland +naar Ter Schelling, van Medenblik naar Staveren, en van Amsterdam +naar Kampen, met paard en slede, kon over de Zuiderzee ryden [91]. + +In den jaare 1555 droeg Keizer Karel de vyfde de bestiering der +Nederlanden over aan zynen zoon Philippus. + + + + +2. Philippus de Tweede, Koning van Spanje. + + +In dit jaar, Philippus de zeventien Nederlandsche Provintien van zynen +vader verkreegen hebbende, in zo een vreedzaame en wettelyke stand, +als Prins of Onderdaanen konden wenschen: kreeg het Land in tegendeel +in Philippus te gelyk een nieuw Heer, met allerlei nasleep van onheilen +en oproer. Want als hy niet wel overdagt hadde, dat zyn vader, door +eene byzondere naarstigheid, op alles een wakend oog had gehouden, +met overal zelve by te zyn; zo ondernam Philippus daar en tegen, +deze Landen in goede rust te zullen houden door eenen Stadhouder, +blyvende zelve in Spanje. + +In den jaare 1559, na Philippus de Nederlanden doorreist hadde, +is hy weder naar Spanje vertrokken; bestellende het gebied der +Landen aan Margareta, Hertoginne van Parma, zyne Bastartzuster: en +iedere byzondere Provintie aan hunne Stadhouders, en Friesland aan +bovengemelden Graaf van Arenberg; die ook het opzicht over Overyssel, +Groningen en Lingen hadde. + +Onder deze aanstellinge gaf hy ook met eene last, die hy hun by zeer +strenge placaaten, voor zyn vertrek, gegeven hadde, en die de waare +oorzaaken van alle volgende onlusten zyn geweest; waar van deze drie +de byzonderste waren: 1. Het aanstellen van 14 nieuwe Bisschoppen, +boven de drie, die 'er voorheenen hadden geweest. 2. Het openbaar +bevel, om de besluiten van het Consilie van Trenten in den Lande +uit te voeren: daar toe aanstellende Inquisiteurs en Kettermeesters +[92], om het volk wegens hun geloove te onderzoeken. En ten 3de. Het +onderhouden van 4000 vreemde krygsknegten, ten laste van den Lande, +en dat in tyd van vrede. + +In dit zelve jaar is te Groningen overleden Regnerus Predrinus, +hebbende aldaar veel tyd Rector der Latynsche schoolen geweest, +predikende op de feestdagen openlyk het Evangelium. + +De leere tegen de Pausselyke dwaalingen, nu door geheel Europa +zich uitgebreid hebbende, en in Vrankryk en Engeland daarom veele +vervolgingen geschiedende, zo quam 'er veel volk naar de Nederlanden +vlugten. Welke vervolging strydig was tegen de oude privilegien en +vryheden van den Lande, die de Koning hun beloofd hadde te behouden. + +De Edelen van den Lande ondertusschen, om zulk een voorneemen naar +vermogen af te weeren, kantteden zich eerst tegen de dwingnagel van +de bovengemelde 4000 soldaaten, waar door het volk grooten overlast +wierd aangedaan, van gevoelen zynde, dat dan de Inquisitie weinig +klem zoude hebben. + +Des zo beraadslaagdenze om den Koning te beweegen, dien last van +soldaaten van hen af te ligten; en zyn, na veele moeijelykheden, +naar Spanje afgescheept in den jaare 1561. + +In dit zelve jaar is Groningen, by het aanstellen van nieuwe +Bisschoppen in de Nederlanden, tot een Bisdom verheven; en wierd tot +eerste Bisschop aangestelt, Heer Johan Cnyf, Minnebroeder. + +In dezen tyd is wederom een watervloed over Oostfriesland gegaan, +welke de dyken verbrekende, en veele beesten om 't leeven bragt [93]. + +In den jaare 1564 is aan de Staaten van Friesland, nevens andere +Provintien, bevel gezonden van de Hertoginne van Parma, om den nieuwen +Bisschop Cunerus Petri aan te neemen, en in te huldigen tot Bisschop +van Friesland; zyn zetel te stellen binnen Leeuwarden, en hem in alles +de hand te bieden: het welk de Staaten weigerden; verzoekende daar +van ontslagen te zyn, als strydig tegens hunne vryheden en voorrechten. + +In dit zelve jaar hebben de Engelschen de stapel der lakenhandel, +in een tyd datze verschil met de Nederlanders hadden, te Embden +geplant. Want daar quam den 23ste van May een groote vloot schepen +met lakens, na dat 'er reeds 6 gekomen waren, te Embden aan. Waar +over de vreugde in die Stad zo groot was, dat 'er eereschooten van +weêrskanten wierden gedaan. Doch de blydschap, en het voordeel datze +zich zelve daar van belooft hadden, verdween zeer haastig: over zulks +de Engelschen, hun verschil met de Nederlanders vereenigt hebbende, +van daar vertrokken, en bragten de lakens naar Antwerpen. + +In den jaare 1565, als de Inquisitie hoe langer hoe wreeder voortging, +hebben de Edelen, na lange te vergeefs by de Hertoginne vertooningen +en verzoekschriften te hebben ingelevert, den Graave van Egmond aan +den Koning gezonden. Dewelke, na eenigen tyd, eerst antwoord bequam, +en hier op uit quam, dat des Konings meininge was, dat zyne beveelen +en strenge placaaten moesten uitgevoert worden. Derhalven heeft de +Gemeente ondertusschen, uit onverduldigheid, om bovenstaand langdraadig +antwoord des Konings, de kerken overvallen, en alle Roomsche beelden +daar uit gestormt. + +Waar op in den jaare 1566 de Heer van Brederode, verzelt met meer +dan 200 Edelen, uit alle Provintien, verzogten aan de Hertoginne +te Brussel, om verzagtinge van die strenge beveelen des Konings te +genieten. By welke gelegentheid de naam van Geusen, waar door de +Gereformeerden beteekent worden, tot op dezen dag, van de geene die +buiten zyn, zynen oorsprong heeft genomen: wat een van 't Hofgezin der +Hertoginne, met naame de Heer van Barlemont, dezen hoop Edelen, die +slegt in de kleederen waren, het eerste aan 't Hof ziende komen, zeide +in de Fransche Spraak, dat 'er een hoop Bedelaars voor de poort waren; +gebruikende het Frans woord Gueux, dat een Bedelaar beteekent. De +Edelen dit verstaan hebbende, schaamden zich hier niet over; maar +begeerden na dien dag altyd Geusen genaamt te zyn: waarom veelen van +hen graauwe kleederen aantrokken, als de bedelende Graauwe Monniken, +en houte nappen aan hunne zyde hongen, met zilvere plaatjes beslagen, +waar op in 't Latyn stond: Het gaa den Geuzen wel: of vivent les Geux. + +Het voorige verzoek der Edelen naar den Koning gezonden zynde, maar +het antwoord te laat aankomende, was 'er ondertusschen weder alomme +door het land een algemeene kerkrooving en beeldstormerye ontstaan; +en de Gereformeerden, door toelaatinge des Prinsen van Oranje, +bouwden openbaarlyk kerken binnen Antwerpen. Waar op de burgers, +zo te Leeuwarden als Sneek, mede de vryheid namen om de beelden uit +hunne kerken te breeken, en de zuivere leere te doen stand grypen; +daar veelen reeds opentlyke belydenisse van deeden. Ondertusschen +hebben de Inquisitiemeesters den nieuwen Bisschop te Leeuwarden +toegestaan, van de inkomsten der kloosters Mariengaard en Lidlum, +tot zyn jaarlyks onderhoud, een zomma van 3000 ducaten; en 't verdere +overschot ten behoeve voor monniken en paapen. + +In dit zelve jaar is de Minnebroeders kerk te Groningen door de +Gereformeerden ingenomen, van de altaaren en beelden, met verlof +van de Magistraat, gezuivert, en die hun stads arbeidsvolk bestelde, +om de vloer van puin en belemmeringen te ontdoen, en bequaam tot de +predikdienst te maaken. Doch deze zaak heeft naderhand, in den jaare +1569, eenige werklieden het leeven gekost. In de Ommelander dorpen, als +te Winsum, Garshuizen, Westerembden, Ten Post, Middelstum en elders, +wierd de boer door den adel opgehitst, en veele kerken, geplondert, +tegens dank en wil der Overheden. + +Arenberg, deze beeldstormerye verstaan hebbende, deed, uit last +der Hertoginne, alle de predikanten het land uitjaagen, en alle +Gereformeerden strengelyk vervolgen. + +Als mede, uit naam van den Koning van Spanje, zond hy op eene +listige wyze, vier compagnien Hoogduitsche soldaten in Groningen; +welke aldaar, gedurende hunne inquartieringe, wegens den Koning, +veel moetwil bedreven aan de burgers, inzonderheid de Gereformeerden; +neemende de stads sleutels na zich, ontwapende de burgerye, en deeden +een jongman, om opgelegt verraad, vierendeelen. + +In den jaare 1567, als de Prins van Oranje zag, dat de zaken, na zo +veele moeijelykheden, van erger tot erger vervielen, vertrok hy, +met een groot gevolg van Edelen en andere aanzienlyke lieden naar +Duitschland. En een schip met Edelen van Amsterdam naar Embden +vlugtende zyn by Harlingen, door trouwloosheid van den schipper, +in handen van Arenberg geraakt: waar onder de twee jonge Heeren van +Baatenburg, en drie Friesche Edelen waren; die, nevens veele van de +anderen, binnen weinig tyd daar na, te Brussel zyn omgebragt. + +De Koning van Spanje ziende, dat de verwerringe al grooter en grooter +wierd, besloot zyne zuster van verdere moeite te ontlasten, en zond +als Stadhouder in haar plaatze dien wreeden en alom beruchten Hertog +van Alva; dewelke een groote krygsmacht mede bragt, van voornemen, +om alles op een wreede en gruuwzame wyze te vervolgen; die ook dien +weêrgaloozen bitteren bloedraad instelde, welke alles het onderste +boven wentelde. + +In den jare 1568, als de vlugtelingen door de wreedheid van Duc d'Alva +dagelyks meer wierden, zoo dagten zy op middelen, om weder in beteren +stand in hun Land te komen. De Prins dan, veel volk vergaderende, +begon van dezen tyd af den Hertog te beoorlogen. + +In dit zelve jaar, in May hebben de Graaven Lodewyk en Adolf van +Nassau, nevens Graaf Joost van Schouwenburg en anderen, met hunne +krygsmacht in Groningerland trekkende, het Huis te Wedde, den Dam, +en daar na meer andere plaatzen ingenomen: hoewelze na een korten +tyd gedwongen wierden den Dam wederom te verlaaten. + +Ondertusschen was de Graaf van Arenberg, nevens den Graaf van Megen, +met hunne krijgsmacht en zes stukken kanon afgekomen: het welk van +Graaf Lodewyk vernomen zynde, trok zyne krygsbenden bijeen, vallende +den 24ste van May met eene groote dapperheid bij Heiligerlee op de +vijanden in, voor dat de Graaf van Megen daar noch was bygekomen, +en sloegen zoo furieus met hun nieuwgeworven krygsvolk onder hen, +dat er in 't kort veelen wierden neergevelt. Waarom Arenberg met +eene groote bitterheid op Graaf Adolf los rende; en, schoon hy +eerst met een kogel doorschooten wierd, heeft hy nochtans dies te +verwoeder, eerst met 't pistool, en daar na met het rapier Graaf +Adolf ook doodelyk gewond; waarop zy alle beide zyn neêrgevallen, +en niet verre van den anderen gestorven. De rest van Arenbergs leger, +alzo 't volk geen kennisse van 't Land hadde, en van de Nassauschen +omsingelt zynde, is meestendeels gequetst of dood gebleven. Omtrent +1600 mannen, zo Spanjaarden als Duitschen, wierden 'er verslagen, +waar onder vele perzoonen van rang; daar by bequam Lodewyk veel buit, +als alle de bagagie van Arenberg, zyn zilverwerk, en daar en boven +veel geld, dat tot betaalinge der soldaaten gekomen was, en zes +stukken kanon. Graaf Adolf wierd te Wedde, en de Graaf van Arenberg +in de kerk van het klooster te Heiligerlee begraven. + +Daar na trok Graaf Lodewyk met zyn leger voor Groningen, doende de stad +aan twee zyden belegeren; maar de vastigheden van die plaats, groote +bezettinge daar binnen, en den belegeraars zwaar geschut ontbreekende, +deed hem niets vorderen: evenwel wierden 'er verscheidene aanvallen +gedaan, inzonderheid op den 22ste van Juny, alwaar wel 200 van de +Nassauschen, en veelen van de beleegerden sneuvelden. Maar het afkomen +van den Hertog van Alva met een leger van 16000 mannen, deed hem de +belegeringe den 14de van July opbreken, marcherende daar mede langs de +Eems, om zich aldaar te versterken; doch de Hertog is hem zeer haastig +nagetrokken, en heeft Graaf Lodewyk op den 21ste dito by Jemmingen +aangetast, en zeer afgryzelyk met al zyn volk, dat niet vegten wilde, +verslagen; daar bleven 'er weinigen over, en veelen wierden door +'t zwaard gejaagd, of in 't water verdronken. Graaf Lodewyk zelve, +als eenigen verhalen, ontquam het met zwemmen over de Eems; doch +anderen willen, dat hy met een scheepje overgeraakt zoude zyn. Daar +wierden verlooren 16 stukken kanon, omtrent 1500 paarden, 20 vendels, +veele horenbeesten, en omtrent 7000 mannen. + +Daar na trok de Hertog langs de dyken naar Delfzyl, voorneemens om +die plaats en Farmsum tot een stad te maaken, en dezelve Marseburg +te noemen: doch de smeekinge der Groningers heeft zulks terug +gehouden. Vervolgens hebben de Spaanschen in het aftrekken veele dorpen +in brand gestoken, eenige duizenden van horenbeesten uit het land +gedreven en groote schade gedaan. Voorts quam de Hertog te Groningen, +en ordonneerde aldaar een kasteel te bouwen, tusschen de Ooster- +en Heere Poort, met 5 bolwerken; dat het jaar daar aan is begonnen. + +Karel Brimeu, Graave van Megen, wierd Stadhouder van Friesland, van +'s Konings wegen, na de dood van Arenberg. + +Den 7de van December is te Leeuwarden, voor de eerstemaal des Heeren +Avondmaal openbaar, naar de wyze der Gereformeerden, uitgedeelt, na dat +de gewapende burgery de beelden, door last van Burgemeesteren, uit de +kerken geworpen hadden, niet tegenstaande des Konings Stadhouder, en +'t Hof zich daar tegen stelden. Ook hebben zy den Koning afgeswooren, +en zich door sterke burgerwachten bevestigt. Ook wierpen verscheidene +paapen hun priesterlyk gewaad weg, en verkondigden nu het zuivere +Woord des Heeren. + +In den jare 1569, in April, quam de Commissaris Quarre te Groningen, +en informeerde zich wegens de kerkplonderinge en andere misdaaden, +in den jaare 1566 gedaan. Waarop eenigen by den kop wierden gevat; +doch de Bouwmeester, met twee arbeidsluiden braken uit de gevangkenis; +maar de andere drie a vier zyn, niet tegenstaande het verlof van de +Magistraat, om hunne begaane misdaad, op de markt onthoofd. hoofd. + +Voorts hier na quam de Bisschop Johan Cnyf ook te Groningen, neemende +zijn logement in het huis dat nu des Stadhouders Hof is. + +Ook wierd door bevel van den Hertog van Alva een kasteel geordonneert; +men bouwde het met vyf bastions, waarvan drie buiten en twee binnen +de stad quamen te leggen: schietende het eene met haar punt op der +Pelsterstraat, en het andere op de Gelkingestraat: waar van de gragt +wierd aangelegt op 100 voeten wyd; en de benedenste voet van de wal +op 75 voeten breed. + +In den jaare 1570, den 1ste November, is 'er een geweldig onweder, +met een verschrikkelyke hooge watersnood, uit den noordwesten ontstaan; +die tot heden met den naam van Allerheiligensvloed bekent is: waar door +het water zeer hoog in Vlaanderen, Holland en Zeeland is opgeloopen, +doch by den dag, en diensvolgens met minder schade, als in Friesland: +alwaar het des avonds, omtrent 9 uuren, het geheele Land overstroomde +tot aan Sevenwouden toe; blyvende Gaasterland, en wel voornaamentlyk +Oud Mardum, Ruigehuizen en Sondel onbeschadigt. De schade aan menschen +en beesten was ontelbaar, en is af te neemen uit 1800 menschen, die +alleen in de Grieteny van Oostdongeradeel verdronken waren; daar de +vloed tot elf voeten hooger, als een gemeen ty, was opgerezen. Van +Sneek naar de Lemmer voer men regt uit op zeven en een halve voet +water over 't vlakke land: râzeilen met drie masten dreven, met +haar volle ladingen door de inbraaken der dyken. En een wieg, met +een leevend kind en kat daar in, quam te Sneek aandryven. + +In den jaare 1571 hebben de Friesen alomme, gelyk ook die van Braband +en Vlaanderen, de beelden bestormt, en de paapen en monniken weder +het land uitgejaagt. + +In den jaare 1572, den 7de van January, overleed binnen Zwol, de +Graaf van Megen, Gouverneur van Friesland, Groningen, enz. In wiens +plaatze hem opvolgde Gillis van Barlamond, Heere van Hierges. + +In dit zelve jaar namen de Watergeusen den Briel in; en de Prins van +Oranje wierd in 't openbaar voor een Hoofd der Vereenigde Bontgenooten +verklaart. Diederik van Bronkhorst nam Sneek, Bolswert en Franeker in, +alzo het volk daar meest uit verloopen was. En des Konings Colonel, +Casper de Robles, Heer van Billi, daarentegen lag bezettinge op +de zeedyken. + +Schouwenburgs volk, gesterkt met een party, van des Prinsen macht, +dat van Ameland naar Oostmahorn over quam, heeft Dokkum ingenomen: +maar de Colonel Robles, hen overvallende, heeft de plaats weder +hernomen, laatende de soldaaten vermoorden en schenden, en de stad +in brand steeken [94]. + +In September is Joost van Schouwenburg, als Stadhouder by den Prins +van Oranje over Friesland, te Sneek gekomen; en, na eenigen tyd, +trok hy binnen Franeker, en zette zich op Sjaardema's Slot ter +neder. Doch na zyn vertrek vielen zy weder in handen van Robles, +gelyk ook die van Bolswert. Ondertusschen hebben 's Prinsen volk de +zeekusten, behalven Harlingen en Staveren, weder onvry gemaakt; alwaar +Gaasterland en de geheele zuidhoek veel verdriet heeft uitgestaan. En +inzonderheid word verhaalt, dat die van Wykel van de roovers wierden +overvallen; Wybren Wykel met zyn vrouwe Doed en dochter Bauk gedood; +Foockel gevankelyk naar Enkhuizen gevoert, en noch eene van hunne +zusters ter vensteren uitgeworpen; Hans, hunne broeder, ontquam het +met de vlugt; en het huis wierd verbrand: van welker afkomst ons noch +een aanzienlyk huisgezin in onze woonplaats bekent is. Robles moest +hier na Sneek weder verlaaten. Diederik van Bronkhorst nam hier op +Bolswert in; alwaar hy de Overigheid veranderde, en de Gereformeerden +opentlyk liet prediken; welke eerste predikatie in de Broeren Kerk +gedaan wierd. Hier van daan vertrok hy naar Sneek en Franeker, alwaar +hy het Stadhoudersampt, in 't afzyn van Schouwenburg, bediende. Daar +na nam 's Prinsen volk het blokhuis te Staveren in: maar daags daar +aan herwonnen 's Konings volk het wederom, en staken de stad in brand. + +Schouwenburg, eenige schattinge by een vergadert hebbende, tot reddinge +der Provintie, is, na hy de zelve ontfangen had, met dien geroofden +buit uit den Lande doorgegaan. + +Ondertusschen heeft de Koning van Spanje, Don Louis de Requesens, +Grootbevelhebber van Castilien, tot een Landvoogd der Nederlanden +gezonden, in plaats van dien bloeddorstigen Hertog van Alva: die hier +op aanstonds weder naar Spanje vertrok; welke roemde, dat 'er door +zyn bevel wel 18000 menschen alleen door beuls handen in Nederland +waren omgebragt, behalven die in den kryg waren gesneuvelt. + +In den jaare 1573, is Groningerland, Friesland en Embderland, door +een watervloed aangetast: waar door de dyken wierden gebroken, en +groote schade aan menschen en beesten geschiede. + +In den jaare 1574 heeft Casper Robles, om de verschillen en +oneenigheden, al van oude tyden af, die ontstaan waren over het +maaken der zeedyken, weg te neemen, uitgevonden, en volgens zyne +gedachten en raad voorgewend, dezelve dyken, tegen zulke zwaare en +hooge watervloeden, waar van zy zo menigmaalen de smerten gevoelt +hadden, in beter order te brengen, en beginnen te verzwaaren. Wordende +omtrent twee jaaren hier na, ter gedachtenisse van dit loffelyke werk, +het Steene Beeld, dat noch heden by Harlingen op den dyk te zien is, +op 's Lands kosten, opgeregt: dienende met eene tot een Scheidbeeld +van de afdeelinge der dyken. + +Alschoon des Konings zaaken dagelyks te post verliepen, zo waren echter +Staveren, Hindeloopen, de Schans te Makkum, Harlingen, en de geheele +kust, na het doorgaan van Schouwenburg, weder met Robles volk bezet +geworden. Doch Wouter Heegeman, Hopman van den Prins van Oranje, van +Texel afvaarende, heeft Hindeloopen, by eene donkere nacht, met 300 +mannen overvallen en ingenomen. Waar op die van Enkhuizen hem kruid +en lood toezonden, om de plaats te versterken. Doch op het gerucht +van Robles volk, dat op hem aanquam, deed hem resolveeren, de stad +uit te plonderen en in brand te steeken. De Drost van Staveren begon +ook zyne vestingen, daags daar aan, weder te versterken. + +In den jaare 1575 Bartel Entes, met eenig volk van Ter Schelling +afvaarende, lande op Oostmahorn, alwaar hy een schans opwierp: doch +na eenige schermutselingen, wierd hy door 't volk van Robles daar +weder uitgedreeven. + +In den jaare 1576 waaide het een geweldige storm, waar door veele +boomen uit den grond wierden gerukt; en het dak van de Oude Hoofster +Kerk te Leeuwarden, dat door oudheid geheel bouwvallig was geworden, +deed instorten: en is tot op dezen dag niet weder opgebouwt. 't Was +mogelyk een voorteeken, dat gelyk het heidendom, voor veele eeuwen, +uit deze plaats uitgeroeit, alzo deze plaats het kerkhof was geweest, +daar het altaar van den Afgod Staf gestaan had, en dezelve geviert +wierd, alzo ook nu het gebouw des Pausdoms in deze Landen wel haast +een geweldige krak zoude krygen. Waarom wy wel mogen zeggen: + + + Het oude Duivels Hof, door schynschrift + lang misbruikt, + Wat wonder, zo 't haar hoofd voor 't regt + Geloove duikt. + + +In dit jaar hebben de Staaten en Voornaamste des Lands met malkanderen +binnen Gent een verbond gemaakt, om de welvaart des Lands, met +raad en daad des Prinsen van Oranje te helpen bevorderen: wordende +gemeld verbond gemeenelyk de Pacificatie van Gent genaamt. Het welk +de Koning daar na ook met zyne onderteekening bevestigde. De inhoud +van dit verdrag bestond voor 't meest: 1. Dat de vreemde krygslieden +uit het Land zouden gevoert worden. 2. Dat de gebruikelykste wyze van +regeeren zoude vastgestelt worden. 3. Dat ieder Provintie de zaaken +van Godsdienst zoude handhaven, na dat het tot ruste des volks het +beste zoude geoordeelt worden. + +In dit jaar is te Madrid overleden Joachim Hopperus, geboortig van +Heemelum; afkomstig van dat oud Geslacht der Hopheeren, waar van boven +op het jaar 513 gemeld is; om zyne uitmuntende geleerdheid, heeft +hy hooge bedieningen bekleed, als Professor der Rechten te Leuven; +Heer van den Grooten Raad te Mechelen, en in den Geheimen Raad te +Brussel, daar Viglius de voorzitplaats had; Heer van den Hoogen Raad +der Nederlandsche Zaaken in Spanje, en 's Konings Zegelbewaarder; +waar by hem de Koning tot Ridder van de Goude Spoor sloeg, te gelyk +en op een uur met Don Jan van Oostenryk. + +Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab Aita, +afkomstig van Swichum, by Leeuwarden; deze is mede om zyne uitsteekende +geleerdheid in groot aanzien geweest, als Professor in de Rechten te +Padua, in Italien, en na 't afslaan van veele eerampten, Ryksraad in +de Kamer te Spiers; wederom wierd hy Professor te Ingolstad, Heer in +den Grooten Raad te Mechelen, Praeses of Voorzitter in den Geheimen +Raad en Raad van Staaten te Brussel, Ridder van 't Gulde Vlies, enz. + +In dit jaar, den 7de van October, is te Groningen de Bisschop Johan +Cnyf, Minnebroeder, aan de pest overleden. + +Den 22ste van November ontstond te Groningen een groote onlust, +door dien de Staaten Generaal, het oog op deze stad hebbende, +eenen M. T. Stella herwaarts hadden gezonden, om de Magistraat en +het krygsvolk tot het aannemen der Pacificatie van Gent te beweegen; +als mede, dat zy 't met de Generaliteit zouden houden; waar voor zy +beloofden, alle de achterstallige schulden, van de soldaten, die zeer +groot waren, te zullen voldoen. + +De Gouverneur Robles, hier kennis van krygende, deed Stella aanstonts +apprehenderen en pynigen, om alzo zyn commissie uit hem gewaar te +worden: doch alles te vergeefs. Ondertusschen wist Stella door zyn +bequaamheden in 't geheim aan de soldaaten te kennen te geeven, +dat zo zy zich voor de Staaten wilden verklaren, zy van alle hunne +achterstallen ten vollen voldaan zouden worden. Hier op waren de +soldaaten aanstonds als vol vuur, namen ten eersten hunnen Gouverneur +Casper de Robles, benevens eenige Spaansche Kapiteinen, of die 't +met hun hielden, gevangen; loopende voorts naar de Waag, en haalden +de daar staande wippe omverre, en verbrandeze op de Markt, roepende: +Lang leeve de Prins! lang leeven de Staaten! Waar op zy aanstonds heen +liepen en maakten Stella los; bragten hem op de Markt, en deeden hem +in de naame der Staaten den eed van getrouwheid. Vervolgens zonden +zy Gecommitteerden met Stella naar Brussel; die aldaar de stad aan +de Staaten opdroegen, en een Gouverneur van hen verzogten: waar op +de Graaf van Rennenberg is afgezonden geworden, die aldaar in den +jare 1577, den 7de van January, met eenige heeren is aangekomen, +en betaalden de soldaaten hunne achterstallen ten vollen, dat +eenige tonnen gouds beliep. Waar op de Waalen den 13de van Maart +ter stad uittrokken; daar die van binnen zeer over verblyd waren, +om hunne gepleegden moetwille, daar ze nu van verlost wierden, dat ze +vreugdevuuren daar over aanstaken; waar door de St. Martens toren in +brand geraakte en zeer beschadigt wierd. Daar na kreeg Rennenberg +Delfzyl, en stelde daar een nieuwen Commandeur. Voorts deeden +de Groningers hem en de Generaliteit den eed van getrouwigheid; +doende daar na het kasteel, door den Hertog van Alva gebouwt, +wederom afbreeken. + +Op den eersten November deed de Gouverneur Rennenberg de Staaten van +Stad en Lande te Groningen vergaderen, alwaar de Ommelander Jonkers +en Hovelingen compareerden in groot getal, doch niet denkende, dat +er iets quaads met hen voor handen was. Maar, als zy vergadert waren, +voor Rennenberg zyn propositie nog had voorgesteld of gedaan, wierden +beide de leden oneens; het welke niet verdraagen wierd; waar door +de Heeren van de Ommelanden door de Heeren van de Stad zyn gevangen +genomen, tot 24 in getal, en in leelyke gevangkenissen geworpen: niet +tegenstaande het ontzach van hunnen Stadhouder, die daar tegenwoordig +was. Daar op wierd de sterkte van Delfzyl den 20ste van December van +hare vestingen berooft; waar afgevoert wierden 9 metaale en 7 yzere +stukken kanon, en 14 bassen. + +In den jaare 1578 zyn des Konings Raaden en Grietmannen in Friesland +afgezet, en andere Heeren voor hen in de plaats verkooren. Waarop de +Gereformeerden, die noch in 't heimelijk hunne oeffeningen deeden, +verzogten om in 't openbaar te moogen leeren en jaargeld te genieten, +om hunne Predikanten eerlyk te kunnen onderhouden: 't welk door den +Religions Vrede, tusschen den Aartshertog Matthias en den Prins van +Oranje, toegestaan zynde, zo bequamen die van Leeuwarden de Jacobiner +kerk tot hun gebruik; alwaar zij voor de tweedemaal de Roomsche +beelden afwierpen, en dezelve kerk tot de zuivere godsdienst inweiden. + +In dit zelve jaar dagten de Ommelanders zich te wreeken; deeden +derhalve in de maand February, onder den Heer Barthold Entes van +Menteda, 12 vendelen soldaaten werven: maar de Groningers zulks gewaar +wordende, vielen op hen uit, en verstrooidenze, waar van eenige wierden +doodgeslagen, de vlugtenden nagezet, en Barthold Entes gevangkelyk +van Koevorden mede naar Groningen gevoert; daar hy groot gevaar liep +van met de andere gevangene Ommelanders onthoofd te worden. Doch de +Aartshertog Matthias en de Staaten Generaal waren hunne voorspraaken, +om het different by te leggen. + +Den 28ste van Maart heeft het zeewater in Groningerland, Oostfriesland +en elders, groote schade gedaan, en veele menschen en beesten +verdronken. + +In den jare 1579, om redenen, dat de Spanjaarden in geenen deele de +articulen der Pacificatie van Gent na quamen, hebben de Staaten van +Nederland goedgevonden, een naauwer verbintenisse te maaken binnen +Utrecht, die men de nadere Unie van Utrecht noemt: waar in de zeven +vereenigde Provintien, als Gelderland, Sutfen, Holland, Zeeland, +Utrecht, Overyssel, Friesland, Groningen en Ommelanden, daar benevens +Lingen en Drenth, hun eerste verbond maakten, bestaande voornaamentlyk +in: 1. Dat deze Provintien een en gemeen zouden zyn, om nooit, onder +wat naam ook, te mogen gescheiden worden: blyvende ieder nochtans +by zyne eigene oude voorrechten. 2. Dat zy malkanderen, tegen alle +vyandelyk geweld, met goed en bloed zullen helpen verdeedigen. En +3. In de oeffeninge van Godsdienst de Pacificatie van Gent na te komen. + +In dit zelve jaar hebben de Heeren van de Ommelanden den Riligions +Vrede mede aangenomen, insgelyks de Graave van Rennenberg; maar +die van Groningen, uit haat tegen de Ommelanden, kantede zich hier +tegen. Waarom Rennenberg een Landdag te Visvliet deed uitschryven, +om alle questien aldaar tusschen de beide leden in der minne by te +leggen. Doch de Groningers, als strydende tegen hunne verbonden, +weigerden aldaar te compareren. Rennenberg deed derhalve zyn krygsmacht +ontbieden, om zich van Groningen nochmaals te verzekeren; doende de +stad voorts op den 22ste van May, aan de noordwestzyde, met omtrent +2000 mannen, doch tot weinig schade der stad, berennen. + +Den eersten van Juny begonnen de belegeraars met die van binnen +handgemeen te worden, neemende hun een groot getal beesten af. Daar +tegen bragten die van de stad 2300 boeren uit hunne jurisdictien +op de been: welke terstond met weinig krygsvolk op de vlugt wierden +gedreven, en daar boven nog met geld geeven gestraft. Den 6de dito +verstonden die van binnen, dat er buskruid in het leger ontbrak, deeden +derhalven met hun geweld van welgewapende boeren en eenig krygsvolk, +met het geschut voor aan, een uitval op de vyanden, hebbende by hen 600 +dienstmaagden, om het geschut te beschanssen. Dus in slagorde staande, +wierd er aan weêrskanten dapper gevogten; waar door veele sneuvelden, +en de partye genoodzaakt wierd te vlugten, welke tot aan de poorten, +niet zonder verlies van volk, wierden vervolgt. + +Daar na begonnen die van binnen naar vrede te luisteren, geevende +zich op den 10de van Juny aan de Staaten Generaal over: de Gouverneur +Rennenberg deed zyn publyke intrede op St. Jans Dag in de stad; +die aldaar de Magistraat veranderde, en dezelve met Staatsgezinden +bezettede; den Riligions Vrede verkondigde, en de Gereformeerden de +St. Walburgs en Minnebroeder kerk deed inruimen. Vervolgens heeft +Rennenberg de fortresse Koevorden wederom vastgemaakt: doch toonde +zeer kort daar na dat hy 't met de Staaten niet wel meende. + +Want in den jare 1580, den 3de van Maart, heeft de trouwlooze Graaf de +stad wederom aan den Koning van Spanje gebragt, na dat hy dezelve maar +9 maanden voor de Staaten Generaal als Gouverneur hadde geregeert. Hy +had zyn voorneemen zo geheim weeten houden, dat, schoon hy beschuldigt +wierd, van heimelyk correspondentie te houden met den Hertog van Parma, +hy nochtans den Burgemeester Hillebrands, zynde de voornaamste daar +die van de Gereformeerde religie zich op vertrouwden, des avonds, +voor dat hy de stad onder zyn geweld bragt, bedroog, terwyl deze hem +voorstelde alle de quade geruchten die er van hem gingen, en dat hy +niet hoopte dat de Graaf iets quaads met hen voor hadde. Waar op de +Graaf antwoorde: «ô Myn Vader! dien ik voor myn Vader houde! zou gy +zulk een quaad vermoeden van my hebben? Wees hierin maar gerust:" en +sloeg het hem dus uit den zin. Evenwel lag de Graaf op zyn luimen, +laatende geen tyd passeeren; want op den tweeden van Maart, des +avonds en des nachts, heeft hy met zyn geheele Hofgezin, en veele +Spaanschgezinde burgers, als mede eenige verborgene krygsknegten, +tegens den morgenstond, den 3de dito, hen gewapent. Zo dra als hy nu +kennisse had bekomen, dat de Gereformeerde wacht in den dageraat was +gaan slaapen, is hy met zyn volk, hebbende witte teekenen aan hunne +linker armen, uit zyn logiment naar de Markt gereden, gewapent zynde +van het hoofd tot de voeten, met de bloote sabel in de vuist, roepende: +Sta by, sta by, goede Burgers! heden ben ik eerst regt Stadhouder dezer +Landen. Op dit gerucht quam de Burgemeester Hillebrands, woonende +in de Heerestraat, haastig met eenige Gereformeerden voor den dag +springen, die direct op hem aanvielen: maar een van Rennenbergs knegts +schoot op hem los, dat hy dood ter aarde viel. Waarom de anderen de +vlugt namen. Eenigen wierden aanstonds gevangen genomen, en anderen +verweerden zich noch in hunne huizen; maar daar bleef niemand dood +als een perzoon. Voorts liepen en renden zij door de straaten, +schietende naar allen, die het hoofd ter vensteren uitstaken. Daar +na de stad doorzoekende, namen zy allen, die in der Spaanschgezinden +ongunst stonden, tot over de 200 voornaamste burgers gevangen; waar +van eenigen zeer qualyk wierden gehandelt; die evenwel naderhand door +verscheidene middelen meest los quamen. + +Op dien zelven dag, als Rennenberg de stad voor den Koning van Spanje +had hernomen, wierd dezelve wederom door Barthold Entes belegert, met +13 vendelen soldaaten en 2 vendelen ruiters. Die van de stad maakten +eenige beschansinge in de voorstad, gelegen op het Schuitendiep, +en noch twee molenbergen buiten de stad, waarmede zy hunne beesten, +die dagelyks in de weide gingen, beveiligden. Vervolgens zonden de +Staaten Generaal den Graaf van Hohenlo, en Graaf Lodewyk van Nassau, +met nog 16 vendelen naar 't beleg. + +Den 16de van May deeden de belegeraars eene attaque op 't +Schuitendiep, alwaar zeer hevig gevogten wierd, en Barthold Entes +zyn leeven verloor. Ondertusschen ontstond een gerugt in 't leger, +dat de Spanjaarden, onder 't bevel van Marten Schenk, afquamen om +Groningen te ontzetten. Hier op trok Hohenlo met eenige vendelen uit +de belegeringe naar Hardenberg, Schenk te gemoet; alwaar het gevegt +op den 16de van Juny, tot groote schade van den Graaf van Hohenlo, +wierd gehouden. Overzulks wierd Groningen door Graaf Lodewyk, na ruim +drie maanden belegert geweest te zyn, wederom verlaaten. + +Den 29 van July is Delfzyl door den Graaf van Rennenberg ingenomen; +ook Enematil; doch wierd kort daar na door Hohenlo wederom herwonnen; +ook joeg hy de Rennenbergschen uit de schans Weerdenbras, by de +Ponterbrug, en nam daarop Koevorden in. + +Den eersten September is Enematil door de Rennenbergschen wederom +ingenomen en geslegt. + +Den 4de dito wierd Hohenlo's volk by de Bourtange door de +Rennenbergschen geslagen. + +Den 6de dito zyn de Rennenbergschen, door de Friesen uit Dokkum +en Kollum, in 't klooster Aduard verrast en verslagen; waar op het +klooster, uit vreeze van wederom overvallen te worden, is in brand +gestoken; waar in de Rennenbergschen wel 300 mannen verlooren. + +Den 20ste dito won Rennenberg Koevorden; onder voorwaarde, dat de +bezettinge, uit 200 mannen bestaande, met zydgeweer zouden mogen +uittrekken. + +In dit zelve jaar, als de Stadhouder Rennenberg door ontrouw van de +Staaten en Prins van Oranje was overgegaan tot den Koning van Spanje +[95], en die van Leeuwarden door het blokhuis, dat noch vast was, +en by hem bezet bleef, meende te dwingen, gelyk hy Groningen reeds +al in zyne macht hadde; zo hebben de burgers, dit bemerkende, het +zelve manmoedig ingenomen, en de wallen en sterktens geslegt: ook +namen de Staaten de blokhuizen van Harlingen en Staveren mede in +hunne macht, en roeiden uit de kerken der Paapen alle de beelden; +en de kloosterinkomsten wierden allen geschikt tot onderhoud der +Predikanten en schoolen. + +De Geestelyken dus uitgeroeit zynde, verkreegen die van Oostergo +de eerste stem in hunne plaats; en de steden de vierde stem in +landszaaken. Koevorden wierd vaster beschanst; en Harlingen met +nieuwe wallen en gragten versterkt. En wegens de ongetrouwigheid +van Rennenberg, zogten de Staaten zich van eenen anderen Stadhouder +te voorzien. + + + + + +VII. STADHOUDERS DER STAATEN. + + +1. Willem, Prins van Oranje, Graave van Nassau, enz., wierd van de +Staaten van Friesland, om het Stadhouderschap van deze Provintie +mede waar te neemen, begroet. Doch, om de moeijelykheden, daar de +andere Provintien in stonden, gaf het hem ongelegentheid, om overal +zelve te gaan; derhalven zond hy Merode, Heer van Rummen, om van +zynent wegen het Stadhoudersampt als Luitenant te bedienen. Hier na +belegerde Rennenberg Steenwyk; neemt de Kuinder en Slooten in; trekt +naar Staveren, daar hy 't kasteel weder opbouwt; werpt te Makkum +weder een nieuwe schans op, en stroopt langs de zeekust tot aan de +Harlinger Poort. Waar door Friesland weder in 't uiterste gevaar quam +om overwonnen te worden. Doch daarentegen ontzette de Overste Norrits +Zwartsluis, 't kasteel van Hattem en Steenwyk; waardoor Rennenbergs +loop ten eenemaal gestuit wierd, en al het voorgemelde weder by de +Staaten herwonnen. + +De onzen verlooren ook een veldslag by Winsum, in Groningerland, +dat Friesland in eene groote benaauwdheid bragt: maar als de Overste +Norrits den vyand by Visvliet geslagen, en tot aan de poorten van +Groningen verjaagt hadde, veranderde het zelve in vreugde. Even hier +na wierd het bolwerk en wallen om Dokkum gemaakt. + +In den jaare 1581, in May, quamen de Rennenbergschen uit Aduard, om +een schans op het Reidiep te maaken, om alzo den Heer van Nienoort +uit zee af te snijden: doch hy wierd zulks tydig gewaar, en voorquam +niet alleen hunne aanslag, maar bragt hen zelve in hinderlaag; waar +door veelen der vyanden wierden verslagen. + +Daar na is Aduard door den Heer van Nienoort belegert; brengende +grof geschut daar voor, om het klooster daar mede daadelijk te +beschieten. Maar de Rennenbergschen van alom hunne macht byeen +rukkende, trokken by Groningen over het Reidiep, om de belegerden te +ontzetten. Nienoort was zulks wel verwittigt, maar door meerderheid +van stemmen geresolveert de vyanden af te wagten: dewelke van achter +het klooster straks quamen toeschieten: waar door de Nienoortschen de +vlugt namen, achterlaatende verscheidene Officieren voor gevangenen, en +eenige dooden aan hunne bespringers. Voorts trokken de Rennenbergschen +op Aduarder-Zyl, en deeden het plaatsje aanstonds, doch vrugteloos, +bestormen: maar met kanon daar voor komende, en een goede bresse +geschoten zynde, quamen zy met de derde storm daar binnen; slaande +doe alles dood wat 'er in was; waar onder Schelto Jarges, een zeer +geleerd en dapper Kapitein. + +Den 9de van July sloeg Norrits de Rennenbergschen by Grypskerk, en +vervolgden hen tot aan Groningen, waar van 700 mannen door de kling +gejaagt, en veelen gevangen wierden genomen; vier stukken kanon, +alle de bagagie, en veele paarden wierden tot buit gemaakt; zynde +des overwinnaars verlies daar tegen zeer gering. + +Den 23ste dito is in Groningen overleden die trouwelooze Graaf van +Rennenberg, Stadhouder van Groningen, enz.; zynde door eene knaaginge +zyner confidentie geheel uitgeteert van mismoedigheid en berouw, +om dat hy de Staaten Generaal zo ontrouw had behandelt; wordende +begraven in St. Martens Kerk, in 't choor. Hy had in zynen laatsten +levenstyd zyne zuster verstooten, die hem tot dezen afval vervoert +had. Daar na is Francois de Verdugo wegens den Prins van Parma, +als Stadhouder van Groningen, in des overleedens plaatze gestelt. + +De algemeene Staaten van gevoelen zynde, dat door deze geduurige +vyandelykheden, de Koning van Spanje meer een openbaare vyand, als een +beschermend Overheer was; hebben daarom geresolveert, hem van alle zyne +voogdye af te zetten, en zyne gehoorzaamheid ten eenemaal afgezwooren: +waar toe de Staaten van de andere Provintien, en Friesland mede, in +dit zelve hebben bewilligt. Waarop des Konings wapenen alomme wierden +afgebroken, uitgestreeken en vernietigt, de zegelen plat geklopt, +en die der Staaten in deszelfs plaats gestelt. + +Rennenberg overleden zynde, heeft de Koning, die de landen daarom +noch niet verlooren gaf, eenen Francois Verdugo, Heer van Schenge, +tot Stadhouder gezonden; die met 1500 Waalen te Groningen komende, +de Friesen zeer verslagen maakte. + +Aanstonds nam Verdugo Reide in. En kort daarna raakte hy in een gevegt +tegen het Staaten volk, onder Norrits, by Noorthorn, dat hy deerlyk +sloeg: alwaar omtrent de helft zo Grooten als gemeenen sneuvelde, +en een groot gedeelte gevangen wierd genomen. + +Des de landlieden, in de wapenen gebragt zynde, hebben in 't dorp +Oudeboorn een schans opgeworpen; welke van Verdugo aangevallen, +maar afgeslagen is: waar op hy, na eenige plonderingen, uit het land +weder vertrok. + +In den jaare 1582 heeft de Stad Groningen van den Koning van Spanje +een bulle bekomen, omtrent het Stapelrecht. + +In den jaare 1583 heeft een Spaansch Overste, Taxis genaamt, Steenwyk +door list ingenomen: en in Friesland vallende, de schans te Oudeboorn +en Rotserschans ingenomen; en alomme het land door stroopingen en +plonderingen geplaagt. + +In het zelve jaar in September is Oterdum door de Heeren van Nienoort +en Azinga Entes verovert; jaagende de Spaanschen bezettinge daar uit, +en deeden het plaatsje daar op versterken; waar mede zy veele dorpen +daar omtrent tot contributie dwongen. Overzulks is Oterdum door de +Spaanschen in de maand December wederom belegert: maar die van binnen +dapper tegenstand biedende, is het beleg, wederom opgebroken. + +Omtrent dezen tyd overleed binnen deze sterkte de Heer van Nienoort, +na eene langduurige ziekte, en wierd aldaar begraven; zynde een +Edelman geweest, die naar zyn vermogen, groote diensten aan het +Vaderland had gedaan. + +In den jaare 1584 heeft de Prins van Oranje den Graave van +Merode uit Friesland opontboden, en Graaf Willem van Nassau tot +Luitenant-Stadhouder in zyn plaats aangestelt. En, vermits de +dagelyksche overvallen der vyanden, hebben de Staaten de schans in +de Lemmer doen vast maaken. + +In dit zelve jaar, den 10de van July, wierd tot groote droefheid van +den lande, binnen Delft, de Prins van Oranje, door een boosaardigen +Franschman met een pistool doorschooten; zynde door de Spanjaarden +daar toe verraadelyk omgekogt [96]. + +2. Willem Lodewyk, Graave van Nassau, enz. wierd in deszelfs plaats +van Luitenant-Stadhouder, door de Staaten van Friesland tot tweeden +Stadhouder, na de afzweeringe van den Spanjaart, verkooren. + +Verdugo, de schans Oterdum op den 18de van September wederom belegert +hebbende, liet dezelve aanstonds met twee stukken kanon beschieten: +doch die van binnen, benevens de schepen die op de Eems lagen, +bleven hun niet schuldig; waar door veelen van de belegeraars gedood +en gequetst wierden. Daar na, in de maand December, wierd de schans +gesecoureert door allerlei nooddruft, alhoewel de belegering noch +zyn gang ging; doch met weinig voordeel. Maar op Lichtmissenacht in +het volgende jaar, zyn de schansen van Verdugo voor Oterdum, door +een geweldigen storm en watervloed weggespoelt; waar door veelen der +belegeraars verdronken; zo dat Verdugo zich genootzaakt vond het beleg +op te breken. Oterdum had weinig door 't water geleden, en wierd ten +eersten herstelt met vier bolwerken, schoone gragten, en een haven, +waar in omtrent 30 schepen te gelyk konden leggen, gemaakt. + +Den laatsten February deed Verdugo een vrugteloozen inval in +Friesland. Maar de Westfriesen deeden insgelyks in Groningerland een +inval van meer nadeel; verbrandende in de Marnkant, van Vierhuizen +tot aan Baflo, meest alle de huizen af, om datze geen contributie +wilden opbrengen. + +Omtrent dezen tyd, had Roelof Ketel een aanslag op Groningen, om deze +plaats aan der Staaten zyde te brengen. Hy begaf zich derhalve met +15 mannen daar binnen, verlaatende hem alleen op de slappigheid der +wacht aan de poorten. Daar by was Graaf Willem van Nassau met 1500 +mannen in 't Drenth, om hem, zo de aanslag gelukte, by te springen: +doch de zaak wierd ontdekt, en Roelof Ketel by den kop gevat zynde, +wierd het hoofd afgeslagen en gevierendeelt. + +Insgelijks heeft Kapitein Schaay, leggende te Niezyl in bezettinge, +een aanslag op Groningen gehad; zynde in een tyd dat de stad gebrek +aan levensmiddelen had: maar dezelve voorts geproviandeert wordende, +mislukte de aanslag. + +In den jaare 1585 hebben de Staaten de bestieringe der landen +opgedragen aan Hendrik den derde, Koning van Vrankryk; maar die hen, +om zyne eigene inlandsche oorlog, alwaar hy zelve zeer mede belemmert +was, moeste afwyzen. Waar op hy Elisabeth, Koninginne van Engeland, +tot bescherminge liet verzoeken: doch die Majesteit weigerde mede +de volle heerschappye. Doch hier na, Prins Maurits in zyns vaders +plaatze en bedieningen gestelt zynde, is van gemelde Koninginne +de Graave van Leicester, als Overste van haare hulpbenden, naar de +Nederlanden gezonden; die de Staaten naderhand tot Stadhouder der +Nederlanden hebben aangenomen. + +Na dat de kloosterinkomsten, als wy boven reeds gemeld hebben, tot +onderhoud van predikanten en schoolmeesters bestelt waren, heeft het +de Staaten des Lands ook goed gedagt, uit de zelve ook een schoole +van geleerdheid of Academie op te regten, en dezelve met bequaame +leermeesters of professoren, en dat 'er verders toebehoort, mildelyk +te voorzien; dezelve plaatzende binnen de Stad Franeker. + +In den jaare 1586 hebben de Spanjaards, over 't ys komende, alzo +het zeer sterk gevrooren hadde, een uitval gedaan, trekkende met +2500 voetknegten en 400 ruiters de Wouden in, door Lemsterland, +en vernachtende omtrent Workum en Hindeloopen; van waar zy voorby +Bolswert, over Marnzyl, door Schettens en Witmarsum, te Tjum zich +nederzettende, quamen ten derden dage te Spannum en Winsum, welke +dorpen zy beide in brand staken: en als zy veel gevlugt volk op de +Winsumer toren gewaar wierden, zo stookten zy een zeer smookend vuur +van onderen aan dezelve, om gemelde vlugtelingen te doen verstikken: +waar door eene zwangere vrouw, gevoelende haare kleederen en +hoofdhairen gezengt, uit de klokgaten sprong; en gevallen zynde, +noch door een Spanjaard op de naakte borst getrapt, en zeer gewond +geworden, waar door zy haare zinnen verloor: doch na twee maanden +quam zy weder tot haare voorige kennis en verstand. En eene andere, +met twee kinderen in haare armen, sprong uit het hoofd van den toren, +en bragt het eene kind noch leevendig te Franeker. De onze in aller +yl met 1000 voetknegten en een Cornet paarden daar na toe trekkende, +vonden zich niet in staat om de vyanden te keer te gaan: des zy van +Oosterlittens naar Boxum afweeken, op hoop van eenige hulp, om zich dan +voordeeliger te kunnen te weêr stellen: maar de vyanden, hen spoedig +nazettende, beletten dit, overvielenze, en een bloedige slag wierd +getroffen, daar wederzyds veel volk sneuvelde; doch de onzen moesten +eindelyk de vlugt neemen, zo naar Leeuwarden, als andere plaatzen; +en een gedeelte wierd in de kerk bezet, en gevangen genomen. Van deze +slag is zulken indruk in de gemoederen der menschen gebleven, dat 'er +in Friesland niets bekender is, als deze Boxumer Slag, voorgevallen +op den 17 January. + +In dit zelve jaar, ondernam Graaf Willem van Nassau een aanslag op +Groningen: doch dezelve wierd door een zeer hoogen springvloed ontdekt +en verydelt. + +In den jaare 1587, in September, had Graaf Willem van Nassau nochmaals +eene vergeefsche aanslag op Groningen. + +Den 17de van December is een zwaare inbreuk van 't zoute water in de +Ommelanden geweest, waar door alle hooge landen onder liepen, wezende +het water byna zo hoog, als de Allerheiligen Vloed van den jaare 1570, +maar deed zoo eene groote schade niet. + +In den jaare 1589, in 't begin van den zomer, had de Gouverneur Graaf +Willem eene vergeefsche aanslag op Delfzyl; doch besprong Reide, en +maakte daar een beschanst Eiland van: ook won hy de schans Eemetille; +en kort daar na Swaagsterzyl en Soltkamp; zynde een schans in de mond +van 't Reidiep, en dat stormenderhand, voor 't gezigte van Verdugo, +slaande 80 mannen dood, en nam veele gevangenen mede. + +Daar na nam Verdugo Eemetille weder in; zond twee booswichten in 't +leger by Kollum, om Graaf Willem te vermoorden: maar dezelve ontdekt +zynde, wierden gevangen genomen en onthoofd. + +In den jaare 1590, in Maart, hebben eenige burgers en inwoonders van +Groningen hunne stad en Staat onder de bescherminge van de Koninginne +van Engeland gepresenteert: doch wierd hun geweigert. Waar op Verdugo, +meer volk van den Hertog van Parma ontfangen hebbende, de schans +Enematil besprong; trekkende van daar op Nieuwezyl. Ondertusschen +quam Graaf Willem, Gouverneur van Friesland, afzakken, en legerde te +Kollum; en alhoewel de legers ruim een uur maar van malkander lagen, +viel er echter weêrzyds niets aanmerkelyks voor. + +In den jaare 1591, den tweeden van July, won Prins Maurits Delfzyl; +waar in gevonden wierd 5 metaale stukken kanon, en 6 yzere +gotelingen. Daar na deeden die van Friesland deze schans grooter +en sterker bouwen; zelfs poogden zy daar van eene stad te maaken, +en dezelve met groote Privilegien te begiftigen: om alzo de burgery +van Groningen daar te trekken. Doch op hoope van Groningen ook te +krygen, is zulks achter gebleven. Van hier trok het leger na de Opslag +van Enematil, leggende op een water, genaamt Nieuwezyl, en dwong de +bezettinge door geweld zich over te geeven, en met witte stokjes in +hunne handen uit te trekken, sterk zynde 150 mannen. Voorts vertrok +de Graaf naar Enematil, en beschoot de schans met 12 stukken kanon, +tot dat de bezettinge zich op den 11de van July overgaven; als ook +een weinig hier na de schans te Lettelbert. + +In den jaare 1592, in Augusty, heeft Prins Maurits de sterke vesting +Koeverden belegert. Graaf Fredrik van den Berg had het bevel daar +binnen, hebbende voor des Prinsen komste alle de huizen buiten de +vesting in brand doen steeken. + +De belegeraars naderden hem met alle vlyt aan de loopgraaven, +en benamen hun de sluizen; waar door zy het water uit de gragten +leiden. Hier op begon het schieten aan weêrskanten dapper aan te +gaan, wordende aan weêrszyden verscheidene mynen onder de wallen +gegraven, die wel haast ter neêr of invielen. Den 7de van September, +quam Verdugo met zyn krygsmacht voor den dag springen, hebbende alle +witte hemden over hunne harnassen, om de belegerden te ontzetten. Hier +op maakte Prins Maurits zich gereed, telde zyn volk in slagorder, met +'t grof geschut vooraan, en ontfong der vyanden macht zo onbeleefd, +dat door 't losbranden van 't kanon, een meenigte van hen over hoop +en in 't moeras raakte. Daar bleven in 't geheel 300 mannen dood, +behalven de gequetsten: en van 's Prinsen zyde bleven er maar 3 +mannen dood en 6 gequetsten, uitgenomen Graaf Willem van Nassau, die +een schot, doch zonder gevaar, door 't dunne van zyn lyf kreeg. Daar +na hebben die van Koeverden zich den 12de van September aan Prins +Maurits overgegeven; mits met hunne vendelen, wapenen en brandende +lonten uit te mogen trekken, behalven de Artillery en amunitie; daar +wierden in gevonden 9 stukken kanon. Voorts is hier tot Gouverneur +gestelt de Heer van Nienoort. + +In den jaare 1593, den 8ste van April, heeft Graaf Willem de +Bellingewolderzyl beginnen te versterken, om alzo het fort de Bourtange +te benaauwen. Hier tegen quam Verdugo met zyn leger by Vlagtwedde, +in 't geheel sterk zynde 2500 mannen, doch derfde niets uitvoeren +tegen dat vast maken. + +Den 29ste van Augusty nam Graaf Willem Wedde in; als mede de vaste +pas Bourtange; 't welk aanstonts sterker wierd gemaakt, eer Verdugo +daar by kon de komen. + +Daar na heeft Verdugo de sterke schans van Aduarderzyl; na den derden +storm, met geweld ingenomen, slaande de geheele bezettinge dood. Van +daar trok hy naar Wedde; dat hy ook in nam, en sloeg van de 117 mannen, +die daar op waren, 50 dood. Voorts legerde hy zich voor de Bourtange; +zynde dit fort tegenwoordig tamelyk sterk, en alzo dat 'er geen geschut +voor gebragt konde worden; de wallen waren redelyk hoog, en de gragten +wel voorzien van water. Vyf vendelen soldaaten, onder den Gouverneur +de Jonge, lagen daar in bezettinge. Ondertusschen wierd Verdugo van +andere gedagten; brak de belegeringe op, en trachte Graaf Willem +aan te tasten; doch te vergeefs; hoewel er eenige schermutzelingen +wierden gehouden, waar door veel volk is gebleven. Daar op trok +Graaf Willem naar de Bourtange, neemende Wedde wederom in: en Verdugo +naar Koeverden, beschanste daar de passagie; maar zyn volk is door +ongemakken voor 't grootste gedeelte verstorven of verloopen. + +In den jaare 1594, den 12de van February, des nachts, hadden de +Groningers een aanslag op Delfzyl: doch die van binnen hen tydig +gewaar wordende, is 'er aan weêrskanten wel twee uuren lang scherp +gevogten. Tot geluk van het Fort, was 'er een oorlogschip, daar omtrent +leggende, dat wat nader aanquam, en de Groningers met 16 stukken kanon +dwars onder hun hoop sterk beschoot, dat zy met groote schade moesten +aftrekken, sleepende wel 35 sleden met dooden en gequetsten met zich +naar de stad, en noch 7 dooden, dieze lieten leggen. Die van binnen +verlooren een Kapitein, een Vendrig, een Sergeant, en 9 Gemeenen. + +Den 6de van May, quam Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau met hun +leger by Koeverden: welke aankomst van Verdugo bezigtigt zynde, hem +deed resolveeren zyne beschansinge by nacht op te ruimen. Overzulks +trok de Prins met zyn krygsbende direct naar Groningen; doende +de stad op den 20 dito berennen, en aanstonds opeischen. Doch +kreeg tot antwoord: Dat dit geen stad was, die zich zo haast konde +overgeven. Prins Maurits liet derhalven al zyn oorlogstuig aan land +zetten, en het kanon voor de stad planten. Onderwylen heeft Graaf +Willem op den laatsten van May de sterke schans Aduarderzyl aangetast, +hebbende over de 135 mannen tot bezettinge, en tot Commandant eenen +Kapitein Prenger, die aan Graaf Willem ten antwoord gaf, als hy de +schans opeischte: Dat hy het met hem zoude wagen, als met een meisje +van 15 jaaren. Maar dit geviel hem niet wel; want de vesting wierd +kort daar na zo gruwelyk sterk beschooten, datze dezelve met 'er +haast beklommen en inkreegen; doe wierd alles aan stukken geslagen wat +'er in was, uitgenomen 8 a 9 perzoonen, die 't ontquamen. + +Ondertusschen had Prins Maurits eenige andere schansen ingenomen, +als Slogteren, Hogerbrugge, enz., waar door de leevensmiddelen in +'t leger zeer goedkoop wierden. + +De Stad Groningen was zeer wel voorzien van een wel in de wapenen +geoeffende burgerye; en geeft ander guarnisoen binnen hebbende, +dan de slegtste burgerye en inwoonders, dewelke al voor langen tyd, +als soldaaten onder vendelen geoeffent, in plaats van bezetting, +van den Koning wierden betaalt: behalven deze, hadden zy krygsvolk +van Verdugo altoos onder haar gebied; en hadden nu onder het beleg 5 +goede oude vendelen daar van, onder den Overste Luitenant Laukema, +buiten de stad, op een gesterkte plaats aan 't Schuitendiep. Van +krygstuig, voorraad enz., wasze alles wel voorzien. Die van de +stad wenden vervolgens alles aan wat hun dacht dat den vyand zoude +krenken. Waarom de Prins zyn begravinge van verre moest neemen, en +aldaar zyne batteryen opwerpen, mits digt onder de stad de belegerden +tegen-batteryen maakten; hebbende 400 groote tonnen met buskruit en +geschut meer, als andere steden. De Groningers deeden verscheidene +uitvallen, waar mede zy meenig braaf Kapitein en soldaat versloegen, +en zelfs eenige vendels binnen bragten: weshalven de loopgraaven +versterkt moesten worden. De belegeraars deeden alle afbreuk met +hun geschut dieze doen konden; doch vorderden nochtans weinig, +tot dat zy een poort met een brug, die na een rondeel liep, omverre +hadden geschooten, eenige bolwerken ondergraven, en eenige gragten +aldaar vulden, alles onder de bescherminge van 't geschut: dis deed +de trouwe burgery gedwee worden, en begon naar verdrag uit te zien; +overzulks zy Jan te Boer met brieven aan Prins Maurits en Graaf Willem +uitzonden, om verdrag: wordende daarop weêrszyds gyselaars gegeven, +en hielden op van schieten. Maar de burgemeester Jarges, zynde een hard +Konings-gezinde, rukte een party voerlieden en schuitevoerders byeen, +en stonden op tegen die geene, die van verdrag hadden gesproken. Hier +na kregen de belegeraars een te smadelyk antwoord, te weeten, dat +de belegerden besloten hadden, noch een tyd lang hun ontzet af te +wagten. Hier op trad Maurits met Willem in de loopgraven, om een +plaats tot een nieuwe batterye af te zien; ondertusschen komt een +kogel zo sterk tegen de rondas, die Maurits voorgehouden wierd, +dat hy achterover viel, doch zonder hem te quetzen. + +Den tweeden van July waren de belegeraars over de gragt, en wel 30 +voeten onder het rondeel gekomen, daar de heele stad haar winst of +verlies aan hing. Drie dagen daar aan was de myn 30 voeten diep, +en opgepropt met 5 a 6000 ponden buskruit, dat den 10de dito, des +avonds, na het gegevene teeken, in brand wierd gestoken; waar door een +groot gedeelte aarde, en alles wat 'er op was, in de lucht sprong, +met wel 140 menschen; waar van twee in 't leger vielen, en de een +noch leevendig: hier op vielen drie vendelen Schotten los, die straks +meester van het rondeel waren, en alles, wat noch leevendig bevonden +wierd, doodsloegen, blyvende daar in 't geheel wel 200 dood. Daar +boven sneuvelden 30 Schotten, behalven noch twee Kapiteins. Dit +bragt onder de gezamentlyke soldaaten, en onder de allerhartigste +burgerye zulk een schrik, bevreest zynde voor meer ondergravingen, +datzy op verdrag dagten. Over zulks zonden zy Gecommitteerden uit, +zo wegens de Geestelyke, Magistraat en Ambagten der stad, als ook +wegens den Overste Luitenant Laukema; en op Ostagiers handelende van +den 16de tot den 22ste van July, met Prins Maurits en Graaf Willem +van Nassau, zyn daar op met advis van den Raad van Staaten eindelyk +overeen gekomen. Dus is Groningen en de Ommelanden op den 24ste van +July onder Maurits gebied gebragt, na dat 'er wel 10000 schooten op +waren gedaan, en 400 mannen voor zyn gebleven: waar tegen de belegerden +ook 300 soldaaten en veele burgers hebben verloren. In de stad wierden +gevonden 36 metaale stukken kanon, behalven de yzeren, en wierd daar +over Graaf Willem van Nassau tot Stadhouder gestelt. Prins Maurits +en Graaf Willem daar binnen komende, wierden verwellekomt door den +klokspeelder, speelende de wys van den 6den Psalm. Daar na wierd +de Magistraat verandert, wordende daar tot eerste Burgemeesters +aangestelt, Mello Conders, Joachim Alting, Harmen Koning en Egbert +Alberda. Voorts wierd de St. Martens Kerk van hare beelden gezuivert, +en de eerste predikatie van de Gereformeerden daar in gedaan: doende +de Magistraat en Burgerye daar na den eed van getrouwigheid aan Graaf +Willem, hunnen Stadhouder en aan de Staaten Generaal. + +In 't zelve jaar is de Aartshertog Ernestus, van 's Konings wegen, +in Nederland tot Stadhouder gezonden. + +In den jaare 1596 is uit last van de algemeene Staaten en den Prins +van Oranje, het Collegie der Admiraliteit te Dokkum ingestelt; om +alzo bequaamelyk over het werven der oorlogschepen van Friesland alle +zaaken te kunnen beraamen. + +In het zelve jaar, den 24ste van Augusty, is Graaf Willem van Nassau, +Stadhouder van Groningen, mede tot Gouverneur over het Landschap +Drenth aangestelt. + +In dit jaar is de Cardinaal Albertus, Aartshertog van Oostenryk, tot +Stadhouder des Konings, in Nederland gekomen; die naderhand huuwde +met Isabelle, Dochter des Konings; en deze landen wierden hem tot +een huwelyks goed toegezegt. + +Omtrent dezen tyd was 'er eene Friesche dochter, Margarita genaamt, +zynde een jong vrouwsperzoon, of moedige Amazoone, en lang van persoon; +deze heeft, in manskleederen, de Heeren Staaten zo binnen Oostende +als elders zeven jaaren gedient, buiten kennisse haarer ouders, in +alle eerbaarheid, eerst een spies gedraagen, en daar na een musquet +gevoert, met een witte veder op de hoed, als een kloek en onvertzaagt +krygsgezel, ja onder de Adelborsten gerekent, en zelve veele schansen +om Groningen en Steenwyk helpen inneemen. Ten laatsten bekent geworden +by haar medegezel, als zy een schoon hemd aandeed, hebbende groote +borsten en rond opgewasschen, meer dan andere welgevleesde jongmans: +op zyn vraage, heeft ze hem beleden, een vrouwsperzoon te zyn, dat +hy verwonderende aanhoorde; is daar op met eere verlieft geworden, en +in 't leger voor Koeverden met haar getrouwt. Zy waren noch woonende +binnen Groningen in den jaare 1602, en veele jaaren daar na, een winkel +doende van vette waaren, in alle stilheid en eerbaarheid huishoudende, +en t'zamen geneerende. Deze Amazoone heeft ook een lied gedicht, de +jonge Dochters tot liefde des krygs, om 't Vaderland te beschermen, +na haar voorbeeld vermaanende. Zie E. v. Meteren [97]. + +In den jaare 1597 verzogten die van Groningen aan de Staaten van +Friesland, om Drenth en Twenth geheel vry te maaken, en den vyand +van daar te vernestelen: welk verzoek uit last van de algemeene +Staaten, door hulp van den Prins van Oranje, wierd vastgestelt: en +alle sterktens en schansen, door de vyanden aldaar bezet, wierden +overwonnen, namentlyk, Grol, Ootmarsen, Oldenzeel, Lingen, enz. + +In dit zelve jaar, den eersten van Juny, is de Overste Sonoy, gewezen +Gouverneur van Noordholland, op Dyxterhuis, een Heerlykheid in de +Ommelanden, overleden; wordende deszelfs ligchaam tot Peterbuuren in +de kerk, in tegenwoordigheid van zyn Genade Graaf Willem van Nassau, +Stadhouder van Groningen, begraven. + +Den 18de van Augusty was 'er een zwaare watervloed in deze landen, +waar door de Delfzylen en anderen uitbarsten, en veele menschen en +beesten verdronken. + +Den 8ste van December is Graaf Willem door de Groningers met groote +toejuichinge ingehaalt. + +In den jaare 1599 is te Groningen door de Heeren Burgermeesteren en +Raad het Burger-Weeshuis opgericht. + +In den jaare 1600 is te Groningen. omtrent de Heere Poort, wederom +een kasteel gebouwt; zijnde ten zuidoosten van de stad, omtrent ter +plaatze daar weleer de kasteelen van Graaf Edzard van Oostfriesland, +en van den Hertog van Alva hadden geweest: welk kasteel over de +400000 guldens quam te kosten. Ook wierd de burgerye ontwapent, +en Jonker Casper van Ewsum met 800 mannen op gemeld kasteel gelegt. + +In dit zelve jaar ontstond 'er groote oneenigheid tusschen de Heeren +van den Lande en Steden, over het stuk van de gemeene lasten en +bezwaaringen te draagen: doch wierd door Gemachtigden van de algemeene +Staaten en den Stadhouder weder bygeleit. + +In den jaare 1605, den 10de van Augusty, zyn te Groningen door +de Heeren Burgemeesteren en Raad, in plaats van vier Kapiteinen +der burgerye, hier Hopmans genaamt, acht aangestelt; en doende de +Kapiteinen de nominatie van de Vendrigs, die door den Raad wierden +geëligeert op den zelfden dito. + +Den 23ste van Augusty quam de Stadhouder Graaf Willem van Nassau +met 18 vendelen, voetvolk en 6 compagnien ruiters binnen Groningen; +waar door de stad van het haar gedreigde quaad bevryd wierd. Ook gaf +men de burgerye hun geweer weder. Prins Maurits verzond ook eenige +troupen ter versterkinge van Koeverden en de Bourtange; zijnde deze +plaatzen alle met groote verbaastheid aangedaan, wegens de veroveringe +van Lingen en Oldenzeel, door de Spaanschen, onder het commando van +den Marquis de Spinola. + +Ambrosius Spinola met zijn macht in Twenth zijnde, om op Friesland een +kans te waagen, en welk land de Koning van Spanje hem reeds ten erve +had geschonken; doch, God zij gedankt, hem nooit heeft kunnen leveren, +moest zich vergenoegen met Lingen en Oldenzeel, en dat Friesland in +groote benaauwtheid bragt. Maar Graaf Willem hield binnen Koeverden +een oog in 't zeil, zo dat Spinola die plaats niet derfde aantasten, +en vertrok druipstaartende weder naar Vlaanderen, ook eenigzints door +de natte zomer verhindert. + +In dit zelve jaar, in Maart, wierd met den Spanjaard een bestand van +acht maanden geslooten. + +In den jaare 1608 was 't zo een harden winter, dat men van de Friesche +kusten naar de vooreilanden, als Ameland, Ter Schelling, en ook naar +Grind niet alleen, maar zelf naar de Hollandsche kusten van Harlingen +af met paard en slede konde overjaagen. Gelyk een Ariën Wierds, +den 9de van February uit de Haven rydende, voor 't poortsluiten te +Amsterdam binnen quam. Ook drilde voor de Harlinger haven op het ys +een compagnie soldaaten. + +In dit zelve jaar zyn de nieuwe fortificatiewerken van de Groningers +begonnen, wordende de stad aan de zuidkant daar door vergroot; ook +is een gedeelte van het Groninger kasteel, tegens de burgers aldaar +gebouwt, wederom afgebroken. + +In den jaare 1609, den 9den van April, is te Antwerpen het twaalfjaarig +bestand geslooten, tusschen den Koning van Spanje en de Staaten +Generaal der vereenigde Nederlanden; zynde wegens de Provintie +van Groningen aldaar gecommitteert Abel Conders, Burgermeester te +Groningen, wordende het zelve op den 18de dito in 's Hage gepubliceert. + +In den jaare 1610, op Nieuwejaarsdag, hebben de burgers van Leeuwarden, +na dat zy eenigen tyd met de Burgermeesteren oneens waren geworden, +de deur van 't Raadhuis met een mast open geloopen, verbreekende de +glazen, vensteren en alles wat hun voor quam. + +Een Jan Cornelisz. Femmes, bestond in dit jaar een reukelooze daad, +spruitende uit een wedspel, waar in hy aannam, om een rond jaar te +willen woonen op het Kamper Zand (dat een droogte is, gelegen tusschen +Ter Schelling en Ameland, loopende met alle etmaalse vloeden onder +water). Op voorwaarde gaf hy aan zyn medewedder paarden, wagen, +ploegen, en andere huismans gereetschappen; zullende hy, by aldien +hy zyn voorneemen een rond jaar uitvoerde, een groote zomme geld in +tegendeel genieten. Hier op bouwde Jan den 2de van Juny aldaar op +eenige roeden of stutten een huisje; en om het zelve by springvloeden +of hooge watertyden om hoog te heffen, gebruikte hy een tistel of +vyzel, waar door hy het om hoog kon opvyzelen, of doen zakken: en dus +hielde hy 't het bestemde jaar volkomen uit; zynde eene ongehoorde +zaak. [98] + +In den jaare 1611, den 25ste van January, heeft Graaf Enno van +Oostfriesland de sterke vesting Lieroort aan haar Hoog Mogende de +Heeren Staaten Generaal overgegeven. + +In den jaare 1612, en 't volgende jaar, is de stad Groningen rondom +vergroot, doch meest naar 't noorden, en is doe vervolgens met zeven +schoone groote poorten voorzien, benevens noch een kleen poortje +bezyden het Schuitendiep; hebbende een zeer breede en hooge wal, +met 17 dwingers of bastions en een diepe besloten gragt. + +In den jaare 1614 is de Academie te Groningen opgericht, onder het +Stadhouderschap van Graaf Willem Lodewyk van Nassau. De inwydinge +geschiede op den 23ste van Augusty. De eerste Professoren zyn +geweest Ubbo Emmius, Professor in de Historiën en Grieksche Taal, +als eerste Rector Magnificus. Herman Ravensberg, Professor in de +Godgeleerdheid. Cornelius Pynaker, Professor in de Rechten. Nicolaas +Mulerius, Professor in de Medicynen en Mathesis. Johan Epinus, +Professor in de Philosophie en Ethicæ, en extr. in de Rechten, +Guill. Macdowel, Professor in de Philosophie, Logicis, Phys: +& Methaphysicis. De inleidings redevoeringe wierd uit naam der +geheele Provintie gedaan, door Do. Pancratius, stads Syndicus. Na 't +eindigen derzelve, deed Do. Ravensberg een andere, op deze handelinge +passende. De eerste Rector in de Rechten, die hier zyn promotie bequam, +was Hugo van Nyeveen; houdende zyn inauguraal dispuit op den 13de van +November 1615, onder het Rectoraat van gemelden Professor Ravensberg. + +In den jaare 1616, den 18de van Maart, is Graaf Willem Lodewyk door +de Groningers zeer plechtig ingehaalt. + +In den jaare 1618 is het Sapmeer droog gemaakt, en is het volgende +jaar met gruppen en een doorgaande vaart voorzien. Waar op is gevolgt +de aanvang en continuatie van deszelfs vaart of diep door 't hooge +en wilde Veen, van Sapmeer tot aan Zuidbroek. + +In den jaare 1619 bequamen die van Staveren vernieuwinge en handhavinge +van hun onderrecht. + +In dit zelve jaar, in July, is de Heerlykheid van Wedde, Westerwolde, +Bellingewolde en Bleyham gekogt van Willem van den Hove, en den +2de Augusty in den Raad geapprobeert, voor de zomma van 140300 +guldens. Voorts heeft de stad deszelfs possessie aanvaart, en is den +21ste van September Edzard Rengers tot Drost, en Michiel Visscher +tot Richter van Bellingwolde en Bleyham gekoren. + +In den jaare 1620, den laatsten van May, is binnen Leeuwarden +overleden Graaf Willem, Stadhouder van Friesland; tot wiens loffelyke +gedachtenisse die heerlyke begraafplaats of tombe in de Jacobyner +Kerk is opgeregt; alwaar hy met zyn Gemalinne na 't leven in steen op +uitgehouwen is: en is zedert dien tyd de rustplaats der Stadhouders +altoos geweest en gebleven. + +3. Ernst Casimier, Graave van Nassau, enz., wierd, na 't overlyden +van zynen broeder, in de maand Augusty, tot Stadhouder van Friesland +verkooren. En die van Groningen, Ommelanden en Drenth verkooren Prins +Maurits tot hunnen Stadhouder. In December begon het zo geweldig te +vriesen, dat men wederom naar Ter Schelling en Ameland met paard +en slede overjoeg. Het volgende jaar, den 2de van February, quam +een Harlinger schipper, met een sleetje en stok in de hand, van +Friesland, over den Fliestroom, te Harlingen binnen treden. Graaf +Ernst, geleidende den jongen Koning van Boheemen, quam met gezelschap +van over de 100 sleden, van Leeuwarden tot op de zee voor Harlingen +afjaagen. + +In den jaare 1621, den 29ste van Maart, is de Burgerye te Groningen +door de Heeren van den Raad in 12 vendelen verdeelt; wordende daar op +den 30ste dito de Officieren gekooren, en den 13de van April door hun +Edelheden goedgekeurt, dat voortaan de Vendrigs onder de Luitenants +zouden staan. + +De volgende winter van het jaar 1621 en 1622 was het mede een +harde winter; waar in Anna Sophia, Gemalinne van den Stadhouder, +vergezelschapt met een compagnie soldaaten, en hun byhebbende +gereedschap, van Enkhuizen naar Staveren langs het ys overquam. + +In den jaare 1622, in Augusty, deeden de Spanjaards een aanval +op Friesland, trekkende met 800 voetknegten en 70 ruiters door +Oudeberkoop, naar Schoot, om 't Heerenveen te overvallen. En vermits +het Staaten Volk zich meest aan den Rhyn nedergeslagen had, waren +slegts maar drie compagnien verstrooit in de Zevenwouden gebleven; +dewelke, naar 't Veen rukkende, den vyand, die een geweldigen storm +deed op een schansje of redout op den weg naar Schoot, wakker afkeerde, +en veelen van zyn volk deeden sneuvelen. De vyanden, misleid zynde, +waren van gedachten geweest, dat 'er boeren en geen soldaaten op het +Veen lagen: en trokken na dit treffen weder af op Ommen: alwaar zy +door des Prinsen volk van achteren bezet wierden, en in de kerk allen +gevangen zyn genomen. + +In October is Ernst Lodewig, Graaf van Mansveld, met zyn krygsbenden, +wel 5000 mannen uitmaakende, in Oostfriesland gevallen, bedervende +de inwoonders en landen elendig, zelfs zodanig, dat zyn eigen volk in +den jaare 1624 meest van honger verliep. Hy had zyn hoofdquartier in +de vesting Lieroort; en eer hy vertrekken wilde, dwong hy Graaf Enno +van Oostfriesland een groote zomme geld af. + +In den jaare 1623 was er een zwaare pestziekte in Groningen; als +mede een groot oproer over het draagen der dooden: want op den 5de +van Augusty zyn de oude lyken des voormiddags door de vrouwen, en de +jonge lyken des namiddags door de maagden ter aarde gebragt. + +In den jaare 1624 deeden de Spanjaards, onder het bevel van Lucas +Cayro, Gouverneur van Lingen, een inval in den Oldambte; zy staken +verscheidene dorpen in brand, als Winschoot, Heiligerlee, Noordbroek, +Scheemda en Slogteren; verzonden in alle omleggende plaatzen brieven +van brandschattinge: waar door de huislieden afquamen om de brand +af te koopen. Maar het geruchte der aankomst van den Oversten +Stakenbroek, deed hen haastelyk de vlugt neemen, doch een grooten +roof mede voerende. + +In den jaare 1625, den 8ste van Maart, is Oostfriesland door een +schrikkelyke watervloed aangetast, alle dyken doorbrekende of +beschadigende, zodanig datze met geen 800000 guldens te herstellen +waren; en de huislieden, door de Mansvelder troupen ten eenemaal +verarmt en bedorven zynde, hadden geen macht om die te repareren, +dies de zee daar uit en in spoelde. + +In dit zelve jaar, den 23ste van April, is Prins Maurits, na een +langduurige krankheid uitgekwynt zynde, in 's Gravenhage ontslaapen. En +zyn broeder Frederik Hendrik wierd aanstonds in zyn plaats tot opperste +Veldoverste verkooren. + +In dit jaar is Graaf Ernst van Nassau tot Stadhouder van Groningen +en Ommelanden, en 't Drenth aangenomen. + +Den 29ste van December overleed binnen Groningen de Hooggeleerde en +wydvermaarde Ubbo Emmius, Professor dier Academie. + +Omtrent den jaare 1627 is het groote Provinciale magazyn of +Artilleryhuis alhier gebouwt, en het Orgel in 't H. Geest-Gasthuis +nieuw gemaakt: ook het Orgel in de groote kerk, eertyds door Agricola +gemaakt, vergroot en vernieuwt. + +In den jaare 1628, in Augusty, is de Nieuwe of Lange-Akkerschans +volveerdigt, en daar in drie compagnien soldaaten tot bezettinge +gelegt, onder den Gouverneur Roussel; dewelke in October de Dylerschans +innamen; doch zyn 'er voort daar na door de Keizerschen wederom +uitgejaagt. + +In den jaare 1631 wierd Prins Frederik Hendrik, behalven Holland en +Zeeland, ook het Stadhouderschap van Gelderland, Utrecht, en Overyssel +opgedraagen. Maar Stad en Lande hebben Graaf Ernst aangenomen. + +In dit zelve jaar, in de maand van May, ontstond door 't geheele +Land een geweldige oploop van 't gemeene volk; waar door beide, zo +Opper- als Onderregenten, by hen verdagt wierden, en alle aanzienlyke +lieden in verachtinge quamen. En den eersten Augusty heeft Graaf +Ernst Oldenzeel ingenomen, en des zelfs vestingen afgeworpen. + +In den jaare 1632 wierd Graaf Ernst, zo als hy van Venlo op Roermond +aankomende, en den grond aldaar bezigtigde, van de wal met een vuurroer +door 't hoofd geschooten; en echter wierd hy dien dag noch meester +van de stad. + +4. Hendrik Ernst, Graave van Nassau, enz., wierd in de plaats van +zynen vader tot Stadhouder van Friesland aangenomen; en weinig tyd +daar na mede van Groningen, enz. + +In den jaare 1633, omtrent Pinxter, was 'er een watervloed in +Oostfriesland, waar door al het koren op 't land verdronk. + +In dezen tyd trokken twee compagnien of 350 burgers uit Groningen +naar de Bourtange; dewelke op het verzoek van haar Hoog Mogende de +Staaten Generaal, en Advis van zyne Exellentie, op 10 stuivers daags +naar buiten zouden marcheren, om hun vaderland te dienen, en op de +vyanden te waaken; en hebben alzo hunne huizen en familien een tydlang +vrywillig verlaaten. + +In den jaare 1634, wanneer de nieuwe Middelen, als Hoofd- en +Schoorsteengelden, enz., ter ondersteuning van den oorlog, eerst +in Friesland verpagt wierden, ontstond 'er in verscheidene steden en +dorpen een groote oploop; waar door zommige Heeren en heerenhuizen zeer +slegt mishandelt wierden: maar door inlegering van soldaaten wierden +de voornaamste belhamels gevat, en alzo weder tot stilte gebragt. In 't +begin van dit voorjaar strande aan Ameland een Walvis: ook schryft men, +dat 'er op dit zelve Eiland mede in dit jaar vorsschen zyn geregent. + +In den jaare 1635 was 'er te Groningen een zwaare pestziekte, waar +door over de 100 menschen in een week stierven. + +In den jaare 1636 is Oostfriesland door twee watervloeden aangetast: +de eerste op den 24ste van Juny, en de andere op den 25ste van July, +waar door de huislieden, wegens gebrek van hooy, hunne beesten naar +andere plaatzen in de kost moesten besteden. + +In den jaare 1638, als het leger van den Prins voor de Graaf lag, +en Graaf Hendrik naar 't huis te Gennip, om het zelve te bezichtigen, +gezonden was, gebeurde het dat zyn paard op zekere plaats achteruit +deinsde, en in een bedekte put tot op den grond nederschoot; maar +Graaf Hendrik zulks voelende, in aller haast zyn voeten uit de beugels +van de stegelreep rukkende, viel achter over de gemelde put heenen; +buiten welke val hy elendig had moeten omkomen en versmooren. + +In den jaare 1640, is Graaf Hendrik, zullende in de belegeringe van +Hulst een schansje of redout bespringen, doodelyk gewond geworden; +na hy en de zynen ongemeen manhaftig gestreden hadden; en onder +andere zyn broeder Graaf Willem, die reeds al op zyn derde paard was +gestegen. En den 17de van July overleed gemelde Graaf aan zyn quetzuur, +die door geheel Nederland zeer beklaagt wierd. + +5. Willem Frederik, Graave van Nassau, enz., wierd, na zyn broeders +overlyden, tot Stadhouder van Friesland aangenomen. En de Prins van +Oranje verkreeg het Stadhouderschap van Groningen en Ommelanden. + +In den jaare 1643 is 'er in veele landen door 't hooge water een +onwaardeerlyke schade geschied, zodanig als by menschen geheugenisse +niet was voorgevallen. In 't dorp Gaast spoelden de dooden uit de +graaven. Door 't doorbreeken der dyken, was het land zo verre onder +water, dat men dwars over het land van Groningen naar Zwartsluis +konde overvaaren. + +In den jaare 1645, den 22ste van January, is Oostfriesland wederom door +een watervloed overstroomt; waar door veele dyken wierden gebroken, +en tot Embden, zo 'er gezegt word, de Corps de Guarde wegspoelde. + +Dit jaar, den eersten van September, quam de Stadhouder Prins Willem +van Oranje te Groningen, om aldaar de doe zwevende verschillen by te +leggen; wordende door de Magistraat en burgerye met groote eertekenen +ingehaalt, 't guarnisoen in de wapenen, benevens 't losbranden van +het kanon, enz. + +In dit zelve jaar, wierd de trekweg van Harlingen naar Leeuwarden +gemaakt. + +In den jaare 1647, den 14de van Maart, is Frederik Hendrik, Prins van +Oranje, in 's Gravenhage ontslaapen. En dien zelven dag deed zynen +Zoon, Willem de tweede, den eed van getrouwigheid aan de Staaten. + +In den jaare 1648, den 30ste van January, is binnen Munster in +Westfaalen, na een oorlog van over de 80 jaaren gevoert, eene vrede +gemaakt, tusschen den Koning van Spanje, en de Staaten der zeven +Provintien: door welke gemelde Koning deze Landen voor eigene en +vrygevogtene landen heeft moeten verklaaren; en zyn recht op dezelve +eeuwig en erflyk afgestaan. + +In dit zelve jaar gebeurde binnen Dokkum, op 't Raadhuis, een gering +doch merkwaardig geval, zinnebeeldig op bovenstaande vrede; men zag +een mossel een muis vangen: dat dus geschiede, een hoop mosselen +aldaar leggende, quam de muis daar zyn aas zoeken, en een treffende, +die gaapte, sloot de mossel haare schelpen toe, en de muis, in de +zyde gevat, was gevangen. + +In den jaare 1650, den 27ste van October, is Prins Willem van Oranje, +in 's Gravenhage, aan de kinderpokjes overleden. + +In den jaare 1651, den 22ste van February, was 'er een watervloed +over de Groninger Provintie, en elders; waar door de dyken wierden +gebroken en groote schade geschiede. + +Den 20ste van May is Graaf Willem Frederik van Nassau, Frieslands +Stadhouder, te Groningen ingereden; wordende door de Magistraat en +burgerye met groose staatsie opgehaalt, en ten zelven dage aldaar tot +Stadhouder en Gouverneur over Stad en Lande aangenomen, gehuldigt, +en in 't openbaar beëedigt. + +In den jaare 1653 is, uit vreeze voor de Engelschen, die zich voor onze +kusten vertoonden, op Ameland, Ter Schelling, Flieland, enz., een goede +wacht van krygsvolk gezet, om een waakend oog in 't zeil te houden. + +Niet lang daar na quamen zy voor de zeegaten van Texel en 't Flie, +met schrobbers en bezems op de masten braveerende; willende daar door +te verstaan geeven, dat zy als Meesters van de zee, dezelve hadden +schoon gemaakt. + +Den 8ste van Augusty geschiede omtrent Texel het zeegevegt van +drie dagen, waar in de Admiraal Tromp door een musquetschoot wierd +getroffen, en dood op den overloop van 't schip ter neêrgeveld. + +In den jaare 1654 was 'er geheel Europa door een groote overvloed +van graanen; alzo dat de Hollandsche kooplieden het zelve op hunne +korenzolders niet kunnende bergen, naar Friesland moesten overvoeren. + +In den jaare 1655, den 10de van November, zyn de eerste trekschuiten +tusschen Groningen en Leeuwarden gevaaren. + +In den jaare 1656, den 8ste van Februarij, heeft de Magistraat van +Groningen, ter gelegentheid van de Raads-keur, voor de eerstemaal met +Goude Boonen beginnen te looten; zijnde het zelve bevoorens altoos +met gemeene Turksche Boonen gedaan. + +In den jaare 1657, den 17de van October, waaide het drie dagen lang +zo een bittere stormende oosten wind, dat de zuiderzee en andere +binnenstroomen het water op veele plaatzen ontliep; zo dat men van +'t eilandje Ens droog over naar Friesland konde gaan. Odulfs Kerk, +en andere oudheden, lagen by Staveren geheel bloot. Waar op volgde +een felle en lange winter. + +In het zelve jaar, den 23ste van October, zyn te Groningen de 12 +vendelen burgerye door de Heeren van den Raad tot op 18 vendelen +vermeerdert. + +Ook was 'er in dit jaar te Groningen zekere onlust; waar door eenige +huizen wierden geplondert: doch door den Stadhouder Prins Willem +wierdze wederom gestilt. + +In den jaare 1659, den 6de van Juny, is de Vorst van Anhalt, Joan +Georg, met de Prinsesse Henrietta Catharina van Oranje, enz., zeer +prachtig te Groningen in de St. Martens Kerk getrouwt. De ingang +van gemelde kerk tot aan het Vorstelyke Trouw-Theater was rondom +zeer heerlyk behangen, en met tapyten belegt. De Prinsesse Bruid was +zeer prachtig gekleed, met een heerlyke kroon vol diamanten op haar +hoofd, enz., wordende verzelt van de Keurvorstinne van Brandenburg, +Graaf Willem van Nassau en zyne Gemalinne, Prins Maurits en meer +andere Grooten. Hier na wierd de geheele stad vervult van vreugde, +zo door konstige vuurwerken, losbranden van het kanon, enz. + +In den jaare 1662, den 28ste van February, heeft Oostfriesland door +een watervloed wederom zeer veel geleden: want daar groote schade +aan dyken geschiede, en tusschen Delfzyl en Embden 8 schepen vergingen. + +In den jaare 1663, den 30ste van October, liep Oostfriesland wederom +geheel onder; waar door veele beesten wierden weggerukt, en groote +schade aan dyken geschiede. + +In den jaare 1664, den 6de van July, is door Graaf Willem, Stadhouder +van Friesland, de Eilerschans by verdrag verovert van den Bisschop +van Munster. + +Den 21ste van Augusty, is Willem Frederik, gemelde Stadhouder, binnen +Leeuwarden, aan een quetzuur overleden; welke hy van onderen in de kin +door een pistool bekomen had, als hy de proef daar van zoude neemen: +schryvende zelf: als zy geen vuur wilde geeven, doe zag ik daar na, +en willende den stempel daar uittrekken, zo ging ze in dien tyd +los. Nalaatende een Prins van 8 jaaren en twee Prinsessen. + +6. Hendrik Casimier, Graave van Nassau, enz., aan wien de Staaten +des Lands al in den jaare 1659, by survivance of overlevinge, de +toezegginge van 't Stadhouderschap, by 's Vaders leeven, hadden +verleent, wierd nu mede het Kapiteinschap Generaal over Friesland +opgedraagen; om deze bedieninge in het 20ste jaar zyns ouderdoms aan +te vaarden. + +In den jaare 1665, in January, als Prins Johan Maurits, wederkeerende +van Leeuwarden van de begraaffenis van Prins Willem Frederik, +Stadhouder van Friesland, en door Franeker reed, zo schoot hy met +zyn paard, op een oude valbrug zynde, in 't water ter neder; doch, +schoon in gevaar van zyn leeven te verliezen, wierd hy echter noch +onbezeert gereddet. + +Den 22ste van September trok de Bisschop van Munster, als een huurling +en in dienst van Engeland [99], om Nederland aan deze zyde te plaagen, +met zyne macht Twenthe en Drenthe in, daar hy alles verwoeste: en +omtrent eene maand verloopen zynde, boorde hy by 't Roveen door; dat +in Friesland geen kleene vrees veroorzaakte. Doch, voor Ommerschans +afgeslagen zynde, vertrok hy naar Groningerland, en nam Winschooterzyl +en Burgerschans in. Maar als hy een goede borstweering by Heiligerlee +vond, en de Bourtang, Koeverden, Ommerschans en Friesland van alles +wel voorzien zag, achte hy zich gelukkig, zonder van Maurits volk +bezet te worden, zelve weder uit te geraaken. + +Den 5de van December was 'er weder een zwaare watervloed in veele +Landen, die Zeeland, Holland, Friesland en de Ommelanden groote +schade toebragt. + +In den jaare 1666, den 15de van July, heeft de dappere en manhafte +Zeeheld Tjerk Hiddes, Luitenant-Admiraal van Friesland, terwyl hy +met den Zeeuwschen Luitenant-Admiraal Jan Evertsz. den Engelschen +Admiraal van de witte vlag aan boord lag, en zeer moedig streed, zyn +been te gelyk met het leeven verlooren: zyn ligchaam wierd staatelyk +binnen Harlingen ter aarde bestelt. + +Den 8ste van Augusty quamen de Engelschen, met menige scheepjes +en vyf branders binnen 't Flie, daar zy de twee convojers, en een +vloot van 170 koopvaarders in den brand staken; van welke ook veelen +door de vlam verteert wierden: waar onder omtrent 30 schippers van +Hindeloopen van hune schepen beroofd wierden; en ook eenige die 't +ontvluchten. Daar op landen zy op Ter Schelling, en staken een onnoozel +weerloos visschers dorpje in den brand: roemende in Engeland als of +zy de geheele waereld gedwongen hadden. Maar Gods wraak vervolgde hen +al te spoedig, alzo het beste gedeelte van de vermaarde stad Londen +in vyf dagen, door een byna onuitblusbaare brand, in de assche wierd +gelegt, tot een onwaardeerlyke schade van veele gegoede lieden. En +de schade door 350 huizen, op Ter Schelling in den brand gestooken, +had een geringe overeenkomst, tegen van hen ruim 35000 huizen door +de vlammen verteert. + +In den jaare 1672, wanneer Louis de veertiende, Koning van Vrankryk, +trachtende na het Oppergebied van geheel Europa, en reeds zulks in +'t werk stellende, het niet voor 't geringste gedeelte van zyne +uitvoeringen achtede, de zeven Vereenigde Nederlanden alvoorens af te +loopen, om onder zyn geweld te brengen; en Friesland, een gedeelte +daar af zynde, na de gelykheid van de leden van het zelve ligchaam, +kon hier niet ongevoelig van zyn. + +Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May, moet voor +een Schrikdag van geheel Nederland aangeteekent worden: van welken +tyd zy geen 50 dagen konden tellen, of was meer als 80 van hunne +sterkste steden en vermaardste beschansingen door den vyand ontbloot. + +Doe wierd Nederland met 6 legers, op 6 verscheidene plaatsen, te +gelyk besprongen, namentlyk van 4 Franschen voor Orsou, Rynberk, +Wezel, Burik, en 2 Bisschopschen voor Grol en in Twenthe. Na alle +bovengemelde veroveringen, den vyand voorttrekkende, nam ook langs +den Rhynstroom alle plaatzen in. + +Den 2de van Juny, ruktenze voorby Schenkenschans, daarze by 't Tolhuis, +langs een droogte in den Rhyn, doorbraaken: zynde die plaats door +den Oversten A. W. van Ailua met eenige Friesen dies tyds bezet. Waar +op Mombas, schynende de Franschen eerst te willen tegen gaan, dwars +heen en weêr met zyn ruitery door het Friesche voetvolk reed, dat +zich zeer mannelyk weerde, alschoon zy door geduurig omzwerven, +dan naar Nieumegen, dan naar Doesburg, Zutfen en Schenkeschans, +zeer vermoeit en afgemat waren: geevende dien verraader Mombas daar +door gelegentheid, dat het Friesche voetvolk onder de voeten van +zyn ruitery, en diesvolgens in een groote verwarringe geraakte, +zo dat zy genootzaakt wierden om quartier of lyfsgenade te roepen, +en alzo elendig wierden overwonnen. Dit doorbreeken in de Betuw, door +dien men meende, dat des vyands macht aan den Rhyn verbrooken zoude +worden, was een droevig begin van alle volgende onheilen: waarom het +ook in Holland zo een verbaastheid verwekte, dat men geene woorden +zou kunnen uitvinden om het zelve uit te drukken. Waar op dat heel +kort daar na het Sticht Utrecht mede onder de macht des vyands quam. + +Den 13de van Juny heeft geheel Overyssel zich by verdrag mede schendig +aan den vyand overgegeeven. En zo is Friesland, door 't verlies van +de Kuinder, Blokzyl, Zwartsluis, Steenwyk, Ommerschans en Roveen zyn +plegtanker afgekapt geworden. Waar over de verbaastheid, ontroeringe, +en flaauwhartigheid, die de winkels innam, de handwerken aan een zyde +wierp, de Rechtbanken toesloot, de Academien en Schoolen ledig maakten, +de lieden van angst en benaauwtheid uit hunne huizen deed loopen, +den eenen tegen den andere aanstootende, en zo alles in verwerringe +bragt. De vreeze en benaauwdheid was te grooter, om dat alles hen +zo schielyk en onverwagt overquam: waar van geen eigener beeldenis +kan vertoont worden, als ieder gevoelig mensch zich, in herdenking +van dien tyd, in zyne gedachten voorstelle: en die het slegts in +een eenvoudig en naakt verhaal wilde te kennen geeven, zoude woorden +moeten uitvinden, om eenigzints uit te drukken. Om daar evenwel iets +van te zeggen, zullen wy daar over, als ook over de eerste gevolgen +van dien, de woorden van Mr. P. Valkenier, Pleitbezorger voor den +Hove van Holland, hier by voegen [100]. Hy schryft: + +«De tydinge van dit schandelyk en haastig overgaan van de geheele +Provintie van Overyssel, vloog aanstonds geheel Friesland en +Groningerland door, en verwekte aldaar zo een groote vreeze en +verbaastheid, als het doorbreeken der Franschen aan 't Tolhuis, en het +verlies van Utrecht, in Holland veroorzaakte. Want elk stond verlegen, +en verwagte alle omzien den vyand. Niemand wist wien het eerst zoude +gelden; alzo het geheele land onbedekt, en zonder de minste afsnydinge +voor hem open lag. Elk wilde met zyne beste losse goederen vluchten, +maar niemand wist byna waar heen. Eenigen, die hunne goederen uit +de steden wilden vervoeren, wierden dezelve of door oploop, of door +plondering van 't gemeene volk kwyt. De Overheden, die mede wat meenden +te bergen, moesten opentlyk het verwyt aanhooren, dat zy verraaders +waren, en de gemeente in deze algemeene nood wilden verlaaten. De +Regeeringe stond raadeloos, en het volk redenloos, alzo het zelve, +als een pot te vuur, opliep, en voorts alles in verwarringe bragt. De +Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland, ziende dat de geheele last +van dit onheil op hunne schouderen aanquam, wierden te raade, om de +Heeren Raaden van 't Hof van Gerichte te verzoeken, dat zy hen in deze +verlegentheid met raad en daad geliefden by te staan. Waar op beide +die aanzienlyke vergaderingen, tusschen den 13de en 14de van Juny, +'s nachts, binnen Leeuwarden, in alle stilheid byeen vergaderden: +alwaar voorgestelt wierd, de bedroefde staat van hunne Provintie. Hoe +dat de doortocht van Meppel, regt naar Dokkum, en voort de Dongerdeelen +in 't Bild door, tot Harlingen toe, om haare hoogte, niet konde onder +water gezet worden. Dat de twee schansen, op die doortocht gelegen, +als Breeberg en de Friesche Paalen, genoegzaam geslegt waren, +en geen wezen meer hadden. Dat het krygsvolk, op hunne bezoldinge +staande, tot bewaaringe der grenzen van andere Provintien zodanig +was gebruikt, dat 'er tot bezettinge van hunne eigene Provintie, +niet een eenige soldaat over was, als alleen eenige compagnien onder +den Luitenant-Generaal Ailua, die uit Overyssel quamen afzakken. En +dat hunne wapenhuizen en de wallen der steden van geschut, wapenen +en leevensmiddelen onvoorzien en geheel ontbloot waren, en alzo in +'t geheel niet of weinig voorraad ter verweering. Hier op begon men +te beraadslagen, hoe men de Provintie op het beste zoude bewaaren uit +den tegenwoordigen nood en gedreigde gevaaren, die hen zo na boven +'t hoofd hingen. Waar op wierd voorgeslagen, dat zulks zou moeten +geschieden door een van deze twee middelen: of gemeenzamerhand en met +alle ernst trachten te verweeren, en het uiterste te waagen: of dat +men zich met een algemeene overgeeving der Provintie uit die onheilen +zoude redden: en ingevalle van overgeeving, dat men dan behoorde +indachtig te zyn, met wat voorwaarden men de gemeene welvaart het +best zoude kunnen verzekeren. + +«Na eenige onderlinge strydigheden, en na dat de Predikanten der +stad Leeuwarden mede in deze vergaderinge verschenen, die byzonderlyk +aanbevoolen, het stuk van godsdienst en gemeene vryheid, wierden alle +zwaarigheden aan eene zyde gestelt, en een moedig en hartelijk besluit +genomen, om, tot behoudinge van godsdienst en vryheid, gezamentlyk +het uiterste te waagen, en goed en bloed tot den laatsten droppel aan +te leggen. Men zond aanstonds uit het midden van deze vergaderinge +eenige Heeren aan hunne Hoog Mogende, aan de Staaten van Holland, +aan die van 't Noorder Quartier, aan die van Stad en Lande, en aan +die van Amsterdam: welke alle, daar na, zonder troost of de minste +hulpe weder te rugge zyn gekomen. Men besloot, om alle sluizen open, +en alle Polders en bedykte landen onder water te zetten. Men deed +een opontbod van alle Steden en Grietenyen; die daar op met vreugde +uittrokken na het Heerenveen, om zich daar met de weinige aankomende +krygslieden, onder den Heer Luitenant-Generaal Ailua, te vereenigen, +en een legertje uit te maaken; om daar mede den vyand te verwagten, +en te betoonen, dat zy noch van 't regte bloed der oude en beroemde +Friesen waren, die in standvastigheid alle volkeren overtroffen." Dus +schryft die Hollander. + +En alschoon het geruchte, wegens dat merkelyk verlies van de Friesche +krygslieden aan het Tolhuis, van welke slegts maar eenige weinigen +door den Oversten Hans W. van Ailua, ter naauwernood uit Zwol gered, +naar de grenzen van Friesland, tot onder Leeuwarden quamen afzakken, +de verslagentheid niet verminderde; zo begon echter evenwel de moed +weder aan te wasschen, door 't bovengemelde legertje, dat ondertusschen +tot 13 a 1400 soldaaten vermeerderde, behalven een goed getal burgers +en boeren, die 'er dagelyks toevloeiden. Dit gemelde legertje wierd +zeer voorzichtig, onder het beleid van den Heer Ailua, op de grenzen +in een geduurige beweeging gehouden, op dat niemand van de Bevelhebbers +konde weeten, hoe sterk of zwak het was. + +Middelertyd, als de vyand zyn aantocht over Steenwyk, op Friesland +had genomen, bequam hy tyding, dat de Friesen met de Groningers zich +wakker tot tegenweer stelden; waar over de Bisschop van Munster +zeer bulderende en geweldig tegen de Friesen uitvoer, barstende +onder anderen in dezen Bisschops vloek uit: Der Teuffel hoole die +Pfhaffen! waar door hy de Predikanten van Leeuwarden verstond. Des +hy van voorneemen veranderde, achte het dienstiger naar Koeverden +te zetten, en heeft eerst d' Eiler-, Oude- en Nieuwe Schans, +Winschooterzyl, en 't Huis te Wedde, met alles wat 'er by of omtrent +was, zonder slag of stoot ingenomen: de Bourtange eischte hy mede op, +en bood aan den Commandeur of Opperbevelhebber Prot 200000 guldens, +en aan ieder Kapitein of Hoofdman 50000 guldens, by aldien zy zich +wilden overgeeven. Maar de Bevelhebber Prot gaf hierop tot antwoord: +dat hy eerst met den Bisschop wel een gesprek wilde houden, daar hy +hem zo veel kogels zou vereeren, als hem guldens waren aangeboden. + +Hier na hield de Bisschop een krygsraad, en de vraag was, of men +Friesland, of Delfzyl, of Groningen zoude overvallen? Het laatste +wierd by hem beslooten. Doch van dien tyd af wierd hy wel degelyk +in zyn raad verbystert, en in zyn voortgang zodanig gestuit, dat hy +daarna niet een voet aarde meer heeft gewonnen. + +Uit de zeesteden zond hy kapers uit, om de Zuiderzee onveilig te +maken: dat, zo men zegt, geen drie dagen voortgang had: want alle +zyne vaartuigen wierden hem afhandig gemaakt: gelyk ook eenige van +zyn volk, meenende het eilandje Urk uit te plonderen, wierden van de +inwoonderen gevangelyk naar Enkhuizen gevoert. + +De steden ondertusschen, waar eenige schyn van bescherminge was, +herstelden haare vestingen. Gelyk mede aan elke zyde van den Zwarten +Weg, omtrent neeven Meedum wierd een schansje gebouwd, en by Tietjerk +een schoone borstweering, reikende langs de weg naar Hardegaryp. + +En door dien men bedugt was, of men in 't toekomende een geweldigen +vyand, of overlastige stroopers te gemoet zag, hebben die van +Hindeloopen, ten opzichte dat zy voor 't grootste gedeelte aan de +zee genoeg bevryd waren, aan de zuidoostzyde, daar zy aan 't land +vast zyn, een vesting van drie bolwerken opgeworpen: bestaande de +werklieden uit de burgerye, die zulks uit eigen drift gewillig bij +der hand namen: maar, nadien zy by ongelegentheid van dien tyd geen +onderstand of fortificatiepenningen, in gelykheid van andere steden, +uit de Gemeene Lands Middelen hebben kunnen bekomen, zo hebbenze het +verdere opmaaken tot op beter gesteltheid van tyden willen opschorten. + +In deze dagen hebben de Bisschopschen uit de Kuinder de Lemmer +opgeeischt, en zoudenze overvallen hebben, ten waare zy de wagens met +vlugtelingen langs de wegen niet voor toevoer van krygsvolk hadden +aangezien: daar zij slegts een borstweering met eenige stukken geschut +op de zeedyk hadden toegestelt; welks toegang zy in 't verborgen +bedekten met heimelyk aan een gekeppelde eggen. + +Den 4de van July heeft de Bisschop van Munster de sterke fortresse +Koeverden met een macht van 16000 mannen belegert, doende dezelven +dag noch aan de loopgraven werken. De twee volgende dagen liet hij zo +een groote menigte bommen en granaaten werpen, dat het tuighuis daar +binnen, met verscheide daar bystaande huizen, in brand geraakten. Den +7de dito liet hij de plaats opeischen, en eerlyke voorwaarden aan de +bezettinge aanbieden. Doch de Commandant Johan van Burum [101], na +die niet willende luisteren, wierd 'er overzulks aan weêrskanten noch +dapper vuur gegeven, tot den 10de der maand; wanneer de Bisschop de +plaats voor de tweedemaal opeischte. Ter zelver tyd zond de Commandant +drie Officieren aan den Bisschop, die den 12de de overgaaf der plaats, +zonder consent van den Bevelhebber, doch op eerlyke voorwaarden, +beslooten. Maar de Bisschop had Koeverden zo dra niet in 't bezit, +of betoonde zyne trouwloosheid en barbaarsche wreedheid aan de +uittrekkende soldaaten. + +Ondertusschen maakte de Overste Ailua, met 1200 uitgeloote of +gecommandeerde burgers en soldaaten, eenen aanslag op de Kuinder; +alwaar de Bisschopschen veel roof hadden te hoop gesleept. Zy zouden +het vermeestert hebben, en hadden reeds al 200 mannen van den vyand +ter nedergeschooten, ten ware de besprookene Hollandsche kaapers, +wegens onstuimig weder opgehouden, hadden kunnen aannaderen, en de +vyand mede geen haastig ontzet van 2000 mannen, zo uit Kampen, als +Zwol had bekomen. Waar op de Friesen, dit ziende, met verlies van 30 +mannen, weder aftrokken. En zy afgetrokken zynde, hebben de vyanden +het zelve uitgeplundert en hunnen buit vervoert. + +Den 16de van July is de Friesche Brandwacht, leggende tusschen Bergum +en de Drachten, niet wel op hun hoede zynde, van 13 standaarden +Bisschopsche ruiters overvallen geworden. Doch zich in tyds noch +naar het gros van 't leger te Bergum begeevende, quam het terstond in +roeren, en viel de ruitery daar op in. Waar door de vyanden achteruit +deinsden, en de Friesen alzo tot nevens hunne hinderlaagen uitlokkende, +die het byna te quaad zouden gehad hebben, door dien een party volk +van den vyand in 't korenland verborgen lag; doch echter, door hunne +manmoedigheid, drevenze de Bisschopschen te rugge, met verlies van +van 150 ruiters, en maar 25 van hunne Friesen. + +Daar na wierd de stad Groningen, op den 19de van July, door den +Bisschop van Munster en den Keurvorst van Keulen, met eene macht van +22000 mannen, aan de zuidkant by twee poorten belegert. De stad had tot +Gouverneur Karel Rabenhaupt, een dapper en ervaaren Kapitein. De Hertog +van Holstein Pleun had het bestier van het voetvolk, en de Colonel +Stoltzenburg van de ruitery. De bezetting bestond in 't begin maar +uit 24 compagnien voetknegten, 4 standaarden ruiters, en 3 vendels +dragonders, die alle te zamen omtrent 2000 mannen uitmaakten. Maar +zy wierd meer dan de helft versterkt, door de 18 vendelen burgers, +die geweer voerden. Daar na wierden 'er noch vier compagnien van +Advocaaten en andere lieden, die tot dezen tyd toe vry van de wacht +hadden geweest, en een compagnie studenten, 150 mannen uitmaakende, +opgericht: en voor dat de stad noch geheel berent was, quamen 'er 200 +met byltjes gewapende mannen, uit het regiment van Koningsmark binnen. + +De sterktens en magazynen waren in goeden staat, met overvloed van +wapenen, krygs- en leevensbehoeften voorzien; de Magistraat meende +het zo wel als het volk, en waren altemaal de bevelen van Rabenhaupt +onderdanig. + +Deze Gouverneur de belegering al van langerhand voorzien hebbende, +had derhalven alle de huizen en tuinen, die buiten die kant van de +stad stonden, doen verbranden of slegten. Op de eerste aantocht der +vyanden deed hy de sluizen openen, en de dyken doorsteeken, om alzo het +land rondom te laten onder loopen. Doch dit weerhield den Munsterschen +Bisschop niet, den 22ste van July zyne krygsbenden te doen aannaderen, +en dien zelven avond aan de loopgraven te laaten werken. Hy deed den +27ste dito van een battery met 5 stukken kanon op de stad schieten; +maar de braave konstapels, waar van de stad voorzien was, maakten +de geheele battery, eer den dag ten einde was, onbruikbaar. Des +anderendaags liet de Bisschop de mortieren te werk stellen, en met +bomben en granaaten op de huizen werpen; doch door de goede voorzorg +van Rabenhaupt en de naarstigheid der Mennoniten deden ze weinig +schade. Maar de volgende dagen schooten de belegeraars geweldiger, +waar door in de stad groote schade wierd veroorzaakt; 't welk de +inwoonders noodzaakte met hun huisgezin naar het noordergedeelte van +de stad, daar zy niet komen konden, te vertrekken. + +Rabenhaupt schikte zyn mortieren zodanig op de wallen, dat hy op 't +laatste van de maand de wyken van den Bisschop, en van de Keurvorst +zeer begon te beschadigen. Hy liet verscheide uitvallen doen, waar +door de belegeraars genootzaakt wierden met verlies te wyken, en +nieuwe werken te beginnen. De burgers, die de beveelen des Gouverneurs +gehoorzaamden, droegen zich zo manhaftig, als de beste in den oorlog +geoeffende en geschikste krygsbenden. De Studenten queeten zich op +zo een verwonderenswaardige manier, dat de Staaten der Provintie +Gedenkpenningen tot hunner eer lieten slaan, om deszelfs geheugenis +voor de nakomelingen over te laaten. Inmiddels zagen de belegeraars +het getal hunner bomben verminderen, zonder veel uit te werken; en +daarom begonnenze in de maand Augusty met gloeiende kogels te schieten: +daar waren 'er geen dan de eerste die schade bybragten, want door den +grooten yver der Mennoniten wierden 'er veelen uitgedooft. Daar na +zond de Bisschop een trompetter en een tamboer aan den Magistraat, +om eerlyke aanbiedingen voor te stellen, indien zy de stad wilden +overgeeven. Doch hem wierd te kennen gegeven: dat in 't algemeen +beslooten was, het uitterste af te wagten, en de stad, die een nieuwe +versterkinge van soldaaten, kruid en geld bekomen had, van volk en +allerlei behoeften voor veele maanden was voorzien, te verdedigen. + +Het vuur van 't geschut en de bomben ging echter met dezelve hevigheid +voort, tot dat het den 25ste van Augusty op de middag begon te +verslappen, en de Bisschop de geheele hoop verloor van een generaale +storm te waagen. Na dien tyd hoorde men in zyn leger niet meer als met +musquetten schieten; 't welk de belegerden deed denken, dat zyn geschut +onbruikbaar was, en vreesden derhalven voor een krygslist: doch 300 +van de ongeduldigste mannen deeden een uitval op de loopgraven van den +Keurvorst van Keulen, daar zy een groot bloedbad maakten, en eenige +gevangenen mede in de stad bragten. De volgende nacht liet de vyand +het gros des legers opbreeken, laatende de mynen, die zy vervaardigt +hadden, springen, en verlieten alle hunne werken. Rabenhaupt kreeg +hier kondschap van, deed daar op den 27ste dito de batteryen in brand +steeken, de gragten vullen, en de wapenen, krygsbehoeftens en tuig, +dat de vyanden achtergelaaten hadden, daar uit halen. De stad wierd +den laatsten dag geheel verlaaten; welke dag door vasten en bidden +gevierd wierd, om God over deze gelukkige verlossinge te danken. + +Het verlies der belegerden was zeer gering, na de groote meenigte +kogels, bomben, en granaaten, die op hen geschooten en geworpen waren; +en daar wierden geen 100 menschen verloren. Maar dat der vyanden was +zeer groot: van 22000 mannen, die zy in 't begin des belegs sterk +waren geweest, gingen 'er maar 12000 te rug; waar onder men 1400 +zieken rekende: 600 quamen 'er in de stad overloopen, en 5000 begaven +zich naar andere plaatzen, zo dat 'er omtrent 4500 dooden waren, +waar onder de 3 Kolonellen, 2 Luitenant-Kolonels en 63 Kapiteinen +wierden gevonden. + +Den 13de van Augusty heeft de Heer Dirk Baard en Kapitein Hania, +geleidende 450 mannen van de Friesche burgery, en met verscheidene +vaartuigen omtrent Blanckenham landende, Blokzyl vermeestert: de +burgery van binnen had een goed gesprek met dezelve, en opende de +poorten, ter beschaaminge van geheel Overyssel. Aanmerkelyk was 't, +dat, terwyl de vyanden de zuiderpoort uitvluchten, zekere Mennoniet +veelen van dezelve in zyn huis riep, zeggende, dat zy zich alle aldaar +voor de eerste oploopentheid der Friesen konden verbergen, en leverde +alzo by de 70 Bisschopsche soldaaten in handen van de onzen gevangen. + +Den 2den van September, als de Kuinder, door het overgaan van Blokzyl, +nu van toevoer afgesneden was, heeft Kapitein Holbarent, met 240 +mannen, een aanval op dezelve gemaakt, met gering verlies van volk, +alzo de Bisschopschen, schoon 250 mannen sterk, na eenige weinige +tegenstand, de vlucht namen; achterlaatende eenigen buit, een karos +en gespan van 6 paarden, en 28 gevangenen: zynde hunne voornaamste +roof al te vooren weggepakt. + +Van den eersten September af begonnen de Groningers ook hunne handen +ruim te krygen. En alles van binnen wel bestelt hebbende, heeft de +Overste Jorman, met 2000 mannen, zo voetvolk als ruitery, Winschooten +vermeestert. Waar op de vyand, door vreeze, de Winschooterschans, Zyl, +'t Huis te Wedde, en Brugschans aanstonds heeft verlaaten. + +Tusschen den 8 en 9de van September, zyn de Bisschopschen, met een +groote furie, tot driemaalen in die zelve nacht, op de Schans van 't +Heerenveen aangevallen; doch telkens manmoedig afgeslagen, alhoewel +daar eene kleene bezetting in lag: hebbende de onzen voorheen een +Ritmeester, een Luitenant, een Cornet, en 4 ruiters gevangen bekomen. + +Den 17de van October is de Oude Schans door de Groningers, onder +het commando van den Oversten Eybergen, wederom belegert, en met +grof geschut beschooten. De belegeraars maakten zeer kort zo een +benaauwtheid, door hun sterk schieten, in deze schans, dat die van de +Nieuwe Schans, versterkt zynde met veel volk uit Munsterland, afquamen +om de belegerden te ontzetten. Doch Eybergen wierd zulks tydig gewaar, +zendende derhalven 250 mannen, onder het commando van den Oversten +Wachtmeester Wyllers, met twee stukken kanon vooraan, hun tegen, +stellende hen by Stoksterhorn in slagordre. Hier op quamen de vyanden, +omtrent 1500 mannen sterk zynde, den 25ste van October op hen los: +maar Wyllers hen zeer na onder het geschut laatende komen, deed hy tot +twee keeren een generaale losbrandinge onder de vyanden; waar door zy +ten eenemaal in confusie de vlugt namen, wordende veele Bevelhebbers +en soldaaten doodgeslagen en eenige gevangenen mede gevoert. + +Daar na verzogten die van de Oude Schans op den 27ste dezes te +capituleren: 't welk den zelven avond noch wierd geslooten; wordende de +plaats voort des anderendaags met 7 vendelen Staatsche troupen bezet. + +Den 26ste van December heeft de Gouverneur Rabenhaupt, na dat hy alles, +wat tot den aanslag op Koeverden noodig was, had laten vervaardigen, en +waar toe een harde vorst, daar op een haastigen dooy en zwaare nevel, +hem grootelyks bevoordeelde, deed hy het ys in de gragten om Groningen +opbreeken. Hy gaf het opperbevel aan den Kolonel Eybergen; dat van het +voetvolk aan den Oversten Wachtmeester Wyllers; en dat van de ruiterye +aan den Majoor Jan Hendrik Sikkinge. Voorts liet hy de konstapels +en grenadiers aannaderen, en het overige van het kleine leger, dat +niet boven de 400 paarden en 1000 voetknegten sterk was, begaf zich +in aantocht op den 27ste der maand. Den 30ste dezes, des morgens ten 3 +uuren, quamen zy voor Koeverden, en verdeelden zich in drie ligchaamen, +ieder op zyn bestemde post. God gaf, om den aanslag te begunstigen, +met het aanbreken van den dag zo een zwaare mist, dat de geene, die +malkanderen aanraakten, zich niet konden onderscheiden. Zy naderden +daar op tot aan de conterscharp, zonder ontdekt te worden; maar door +de biesbruggen over de gragt te leggen, wierdenze van de schildwacht +ontdekt; die daar op alarm maakte. Voorts quam de bezettinge in de +wapenen, en gaven dapper vuur van de wallen. Doch dit weerhield de +bespringers niet, van tot aan de afschutzels en stormpaalen van de +conterscharp te geraaken, die zy met bylen omverre hakten. + +Hier op wierden de wallen, doch met groote moeite en verlies van +hun volk, beklommen; zy geraakten 'er op, en overweldigde den vyand +met het rapier in de vuist, en wierden meester van de poorten des +kasteels. Hier op overstelpte de vreugde de overwinnaars zodanig, +dat de Bevelhebbers, in hunne eerste ontmoetinge op 't kasteel, +geheel als verstomd waren: tot dat eene, als uit verrukkinge van +zinnen opryzende, zeide: Wel hoe is het mogelyk! Waar op dezelve zeer +wel voegende ten antwoord kreeg: Dit is niet anders als Gods hand. + +De Gouverneur Jan de Mooy wierd 'er gedood, na dat hy zyn plicht +als Commandant zeer wel had waargenomen. Maar door zyn verlies liet +de bezettinge de moed zakken, waar van 'er 700 weerbaare mannen in +gevonden wierden; die daar na zagen, datze door de groote meenigte +hunner vyanden overmand waren, liepen 'er 200 de poort uit; omtrent +150 zyn 'er gesneuvelt, en de rest lieten het geweer vallen, en +wierden ten getalle van 400 tot krygsgevangenen gemaakt, en in de +kerk geslooten: ondertusschen stonden de overwinnaars de soldaaten +toe de plaats te plunderen; alwaar zo wel de soldaaten als Officieren +grooten buit bequamen; hebbende van hun kant in 't bespringen omtrent +60 mannen verlooren. + +Deze buitengewoone daad trok de Hollanders, die onder het gebied +der Staaten, in een tyd dat Neêrland overweldigt scheen te worden, +uit hunne algemeene verslagentheid. + +En veele zullen 't noch indachtig zyn, hoedanig die overwinning de +gemoederen in Friesland en Groningen ontroerde, en van vreugde veelen +de traanen uit de oogen deeden barsten. + +De Gouverneur Rabenhaupt wierd daar op van de Staaten, behalven +Luitenant-Generaal dezer Provintie van Groningen en Ommelanden, en +van Gouverneur der stad Groningen, met het Drossaartschap van het +Landschap Drenth en Gouverneur van Koeverden begiftigt. De Kolonel +Eybergen wierd Commandant binnen Koeverden, en Meester Meyndert van +Thynen, die als voornaamste wegwyzer der bespringers had gediend, +wierd aldaar tot Generaal-Commies gemaakt. + +Van dien tyd af hebben de Groningers in 't Graafschap Benthem, Twenth, +en tot onder Zwol en Deventer gestroopt; haalende van daar gestadig +veel roof, en met veele gelukkige schermutselingen op de Bisschopschen. + +In den jaare 1673 is 'er een vuur van oneenigheid opgeborsten uit +de gemeene beroeringen des volks tusschen de Heeren der Regeeringe, +die van de Gemeente zeer mistrouwd wierden, en dat al in 't einde +van 't verloopene jaar had beginnen te smeulen. De oude en nieuwe +Regeeringe wierd elk byzonder gehandhaafd, beide de Souverainiteit +en Oppergezag der Provintie vertoonende, de eene te Leeuwarden en +de andere te Sneek vergaderende, en neemende strydige besluiten +tegen malkanderen, zonder malkanderen te kunnen verstaan; dat zeer +schadelyk voor de Provintie was. Doch wierd gemeld verschil eindelyk +weder door Gelastigden van hunne Hoog Mogenden en den Heer Stadhouder, +als bemiddelaars, bemiddelt. + +In 't begin van 't jaar, in January, bequam de Overste Ailua, in een +hevige schermutzeling tegen den Graave van der Lip, twee trompetten +en een vendel, die hy den Prins van Oranje vereerde. + +In February quam 'er een gerucht, als of de Munsterschen een inval +op Friesland voorgenomen hadden: waar op een goed getal krygsvolk +uit Holland wierd overgescheept. + +In April hebben de Heeren Staaten, ten Landsdage vergadert zynde, +beslooten, hoedaniger wyze men het Land zoude onder water zetten, +indien een hoogdringende nood zulks vereischte: als mede om aan +'t Heerenveen een schans te doen opwerpen, tot verzekeringe van +'t Land. Voorts wierden de overige posten wel verzekert, hebbende +Prins Johan Maurits het Oppergezach over de Hollandsche krygslieden, +Ailua over de Friesche, en Rabenhaupt over de Groningers. + +Den 29ste van April wierd een algemeen, opontbod der landzaaten en +burgery gedaan; wordende ieder huisgezin belast, een weerbaar man, +tusschen de 18 en 60 jaaren oud zynde, uit te leveren, en moetende +binnen 14 dagen met snaphaanen en pieken gereed zyn; zullende ieder +burger ter week 3 guldens soldy genieten. + +Omtrent dezen tyd maakten de Friesche stroopers, uit het leger van +den Oversten Ailua, dagelyks een goeden buit. + +Den 6de van Juny vertoonde zich Houttuin met 18 standaarden ruiters, +en 1500 voetknegten, aan de post te Sonnega, welke hy opeischte: andere +2000 ruiters, met eenige honderden voetvolk verzelt, wierden tusschen +Steenwyk en Blesse ontdekt, waar van een groot gedeelte te paard, +elk met een musquettier achter op, tot aan de Blesbrugge naderde: +maar wierd, door de hulp van de ruitery van Wolvega en Oudeberkoop, +rustig afgekeert. Waar op Prins Maurits met het gros van 't leger, in +meeninge hem op den weg naar Steenwyk te onderscheppen, is afgekomen: +doch zy reeds te verre afgeweken zynde, zo zond hy eenig volk hen +achter na; waar uit zy verstonden, dat het gemelde voetvolk, behalven +de 2000 ruiters, noch 1000 mannen sterk was. Van den vyand zyn twee +Kapiteinen gedood, en 70 gequetsten wierden binnen Deventer gebragt. Na +dit voorval deed Prins Maurits een ongemeenen iever, om het water in +het land te doen loopen, dat door een sterken wind ook zeer schielyk +voortging; en om het ingelaatene te bewaaren, liet hy een dyk in de +Tjonger leggen: waar door het den vyand ondoenlyk wierd om ergens +te kunnen doorbreeken. Ondertusschen quamen 3 geheele compagnien +Munsterschen, met hunne Bevelhebbers, tot de onzen overloopen. + +Den 10de van Juny heeft Rabenhaupt de Nieuwe Schans, na dat hy dezelve +den geheelen winter door geblokkeert had gehad, met geweld van wapenen +aangetast. Hy trok te water met veel volk, geschut en voorraad, +aan geene zyde, en posteerde zich op de Bonder dyk, en daar omtrent, +om de schans van drie zyden aan te doen. + +De Bisschop van Munster deed aanstonds zyn uiterste best in 't werk +stellen, om de belegerden te ontzetten; zendende derhalven een Overste +met 600 dragonders en 400 fantaisyns [102], om het beleg door te +breeken; doch wierden met groot verlies te rug gedreven. Overzulks +wierd de belegeringe sterker voortgezet: zo dat de Bisschop voornam, +tusschen den 29ste en 30ste van deze maand noch eene proef tot ontzet +van deze plaats te neemen, en met een macht van 3500 mannen de post +by Bonda te overvallen; meenende langs een nieuwe passagie door 't +moeras heen eenige vyandlyke troupen af te snyden: doch Rabenhaupt +zulks tydig gewaar wordende, zond aanstonds 9 vendelen, onder het +commando van een Majoor, derwaards; die te zamen den vyand niet +alleen afgekeert, maar hun zelfs met een groote furie hebben op de +vlugt gedreven, laatende wel 300 zo dooden als gequetsten achter. + +Daar na, op den 18de dito, eischte Rabenhaupt de schans op: doch +kreeg tot antwoord: Dat de Ravens dien Winter daar niet nestelen +zouden. Hier op deed zyn Excellentie den Luitenant-Kolonel Tamminga met +zyn krygsbenden aannaderen, en tusschen den 21ste en 22ste de aldaar +leggende redoute aantasten. Des nachts ten een uur ging de attaque aan, +die zo sterk wierd voortgezet, datze, na eenigen tegenstand, dezelve +veroverden; vlugtende de Munsterschen met de uiterste verbaastheid +langs de conterscharp naar de schans: maar de Staatschen volgden hen +op de hielen, datze met hen in de poort, en vervolgens in de schans +geraakten; hoewel zeer weinigen in 't getal, dewyl zy door de engte +van de passagie, maar eene t'effens konden voortgaan: doch de vyand +door deze onverhoedsche overval nochtans verbaast zynde, denkende dat +de geheele macht van de Staatschen binnen quam, wierpen de wapenen +neêr en riepen om quartier, terwyl Rabenhaupt, niet weetende van dit +vervolg, noch dapper op de schans schoot, daar ze al gewonnen was. Dat +het meest te verwonderen is, is dat niet meer als twee mannen van de +Staatschen in dit stormen zyn gebleven. + +Den eersten van July quam Johan Maurits, vergezelt met de Heer +Scheltinga, Gedeputeerde, en den Oversten Ailua, geleidende een +hoop volk van 3000 ruiters, en 600 voetknegten, by zich hebbende 4 +veldstukken, van 't Heerenveen, door Dieveren, om de Munsterschen, +leggende tusschen de Wyk en Staphorst, achter een borstweering en +schansje, doch zonder geschut, te vernestelen: als de dragonders den +aanval deeden, zo wierd des vyands Overste Post gewond en gevangen, +en op zyn woord van eer naar Hasselt gelaaten, neemende de overigen +de vlucht: die door de achterlaage gekeert zouden zyn geweest, by +aldien de bestelde 800 mannen uit Blokzyl, ter bestemder tyd op weg +zynde, die van Hasselt naar 't Rooveen legt, had kunnen tegenwoordig +zyn. Van den vyand wierden 'er 20 by de onzen gevangen genomen, +waar onder 10 Bevelhebbers, en 17 of 18 gedood. De onzen hebben 2 +dragonders by misverstand geschooten. + +Den 3de van Augusty hebben eenige dragonders de brandwacht der +Bisschopschen, bestaande in 18 ruiters, van tot onder Steenwyk +weggehaalt, en in het leger op 't Heerenveen gebragt. + +Den 5de van Augusty zyn 7 vyandlyke ruiters, met hunne volle +wapenrustinge, mede ingehaalt. + +Den 25ste van Augusty zyn over de 8000 vyandlyke voetknegten, en +100 cornetten of standaarden ruitery, van Steenwyk uittrekkende, +op Friesland aangekomen, die zich in zo veele benden afdeelden, +dat zy de schansjes by Meldam, als Blesbrug, Bekaf, Donkerbroek, +Makkinga en Wolvega, die maar bequaam waren om de huislieden voor +strooperyen te beschermen, te gelyk konden bespringen: omtrent +1000 paarden en een regiment dragonders, quamen, onder 't beleid +van Houttuin op Blesbrugge aanzetten, en anderen op Bekaf; 't was +een Mornas, die de zynen door Makkinga, Donkerbroek en Nyjeberkoop, +op Wolvega aanvoerde, alwaar de Overste Ailua het gezach voerde over +6 regimenten, als 3 te paard, 2 te voet en een dragonders. + +Als Prins Maurits bemerkte, dat 's vyands voornemen was, om alle +het bovengemelde van 't Heerenveen af te snyden, zo verwittigde +hy den Overste Ailua en anderen, om gelykelyk naar 't Veen af +te deinsen. Middelerwyl ontmoete de Graave van Dona met zyn 200 +soldaaten, op de heide van Meldam 150 vyandelyke ruiters, waar mede hy +een schermutseling hield, en schooten 26 Bisschopschen onder de voet, +benevens 2 Bevelhebbers, waar van hy de eene, een Ritmeester zynde, met +eigener piek doode. De onzen dus naar 't Veen de wyk genomen hebbende, +zo wierden aanstonds eenigen naar de Jouwer, en anderen naar Gordyk +gezonden. Van waar 60 mannen, den vyand, die over de Veenen meenden +te komen, wierden tegengestelt; en met dezelve in schermutseling +geraakende, liet de vyand 14 dooden, 25 gemeenen en 4 Bevelhebbers, +als gevangenen na. Een andere party van 30 mannen, vervielen in handen +van den vyand: als ook een brandwacht van 15 dragonders achter Bekaf. + +De Bisschopschen dus nu de voet al te Schoot hebbende, konden wel ligt +het Heerenveen trachten te overweldigen, om zo voort Friesland in te +trekken, alzo zy wagens mei stroowerk mede voerden, om de gragten te +kunnen vullen: waarom de Staaten van Friesland alomme de uitgeloote +manschap, ten spoedigste, zo by nacht als dag, derwaards deed pressen. + +Ondertusschen zo stelden zich de Bisschopschen als roofzieke wolven +aan, in 't uitplonderen der onweerbare landzaaten: dat in die gewesten +weder een groot vluchten veroorzaakten. + +Den eersten September vertrokken zy, hebbende wel 600 mannen laaten +zitten, zonder iets merkwaardigs uitgevoert te hebben; als dat zy +het bederf van die boeren wat verhaastenden. + +Den eersten October is de dyk, die de Bisschop van Munster met +veele kosten over de Vecht gemaakt had, en meer als derdehalf uur +gaans lang was, alleen om Koeverden door water te benaauwen, door een +stormwind weggespoelt: waar door omtrent 1400 menschen verdronken. 't +Is aanmerkelyk, dat dit geschiede juist op dien tyd, als men op 't +Heerenveen raadpleegde, om die te overweldigen, en reeds daar toe al +3000 Friesche burgers om de grenzen, als 't Veen en andere te bezetten, +waren uitgezonden. + +Als de Prins, met de Keizersche en Spaansche Bondgenooten den vyand +buiten 't Land lokte, om van krygsbodem te veranderen, in 't Sticht +Keulen en elders waren ingevallen; zo wierden de Franschen daar door +genoodzaakt, hunne veroverde plaatzen weder te verlaaten, gelyk zy +dit jaar alles verlieten, behalven de Graaf. + +In den jaare 1674, den 10de van February, is er vrede gemaakt tusschen +den Koning van Engeland, en de Staaten Generaal, welke den 9de van +February, oude styl, te Londen van gemelden Koning wierd geteekent. + +Den 12de Maart zijn de Bisschopschen, omtrent 1000 mannen sterk, +over de hartgevroorene moerassen, by 't klooster ter Appel, +in Groningerland gevallen, plonderende te Winschooten en daar +omtrent. Waar op Rabenhaupt Nyjenhuys met stormen, en andere steden +met bezettinge innam, en maakte Twenthe geheel zuiver en vry. + +De Bisschop sloot ondertusschen den vrede met den Keizer, die te +Keulen den 11de van April wierd geteekent: als mede daags daar aan +met de Heeren Staaten Generaal. In de Meymaand volgde de Bisschop van +Keulen mede. Waar op zy de overheerde plaatzen, die ze zoo schielyk +hadden overrompelt, noch haastiger weder moesten ontleedigen: en 't +geen zy zo greetig hadden ingeslokt, in weedom van hunne harten, weder +uitbraaken. En alzo zijn de drie verloorene Provintien wederom aan +de andere gehegt, en de bundel der Zeven Pylen weder te zamen gebonden. + +In den jaare 1675 was 't een felle en lange winter; zo dat laat in +'t voorjaar, van Harlingen naar Enkhuizen, over de Zuider-Zee, veele +menschen met geheele gezelschappen, en beesten op 't ys overtrokken: +ja eenigen hadden in 't laatst van April noch op 't ys gestaan. + +In Maart, hebben de Friesen, overwegende beide de loffelyke daaden +en voorzorge van 't Huis van Nassau, en in 't byzonder de groote +gevaaren, die zyn Vorstelyke Doorluchtigheid, onze Heer Stadhouder, +in groote manhaftigheid, had ten dienste van 't gemeen uitgestaan +in de laatst voorigen slag in Henegouwen tegen de Franschen, het +Stadhouderschap hem erflyk opgedraagen: alle de Heeren, zo van 't +Land als Steden, leverden daar toe om de eerste te zijn, te meer, +alzo de Hollanders den Prins van Oranje mede tot Erfstadhouder van +hunne Provintie hadden aangenomen. + +In het zelve jaar, den 12de van Augustij, is te Koeverden overleden +Karel Rabenhaupt, Baron van Zucha en Crombach, Luitenant-Generaal +der Vereenigde Nederlanden, wegens de Provintie van Stad en Lande, +Gouverneur van Groningen, mitsgaders Drossaart van 't Landschap Drenth, +en Gouverneur der fortresse Koeverden: zijnde een krijgsman geweest van +een zonderling beleid en dapperheid. Tot 's mans lof heeft G. Bidloo, +dit volgende bij zijne afbeeldinge gestelt: + + + Dit 's Rabenhaupt, die Dorsten won, + Die Nuis en Lingen temmen kon; + Die Karel, die Lamboy versloeg, + Van Groeningen den Bisschop joeg; + En knoopte aan zyn legerkrans + Van Koeverden, de Nieuwe Schans. + Zo waakt zyn' staatzorg, deugd en hand + Ten dienst van 't Volk, en Kerk en Land. + Zyn' dapperheid is uit zyn weezen + Zo wel, als uit zyn' kling te leezen [103]. + + +Als 'er tusschen den 26ste en 27ste van October, met een noordweste +wind, veele dyken, door de felle aanpersing van 't water, waren +doorgebrooken, leeden die van Friesland mede geen kleene last: want +een gat van 30 roeden brak by Staveren, en omtrent by Molkwerren was +het niet veel kleender, zo dat die geheele landstreek blank van 't +zeewater stond: ook was 'er een gat van 30 roeden breed en zeer diep, +by Zwartsluis. + +In het jaar 1676 was men bezig om op de vredehandeling der Europische +Prinsen, die in 't voorgaande jaar te Nieumegen was begonnen, alle +geschillen, door welke Europa in de grootste verwerringe gebragt was, +te beslechten; terwyl de geweldige oorlogstrompetten noch al geen +minder krygstoerusting verkondigden, als voorheenen. Doch de sterke +rustgeevende Vredevorst gaf hier toe, dat uit het blaakend oorlogsvuur +schielyk ontsproot de heilzaame en zegenryke hoorn des vredes: en +dus wierd de roemruchtigste Vryheid der Friesen weder als herbooren, +en zy eindelyk verlost van de slaavernye des duivels [104]. + + + +In den jaare 1677 zyn de opgerezene staatsgeschillen tusschen +Groningen en de Ommelanden, door de Heeren Staaten Generaal weder +beslegt geworden; gelyk mede te Deventer. + +In den jaare 1678, den 15de van February, is te Groningen de Landsdag +weder aangevangen, na dat de Heere Osebrand Rengers van zyn zesjaarige +gevangenis was ontslagen en herstelt. + +In dit zelve jaar, den 10de van Augusty, is te Nieumegen, de vrede +tusschen den Koning van Vrankryk en de Staaten Generaal geslooten. + +In den jaare 1679, den 10de van April, stond Albertina Agnes, moeder +van den Stadhouder Hendrik Kasimier, nu 20 jaaren oud zynde, haare +Voogdye af, en vertrok naar haare landgoederen in Duitschland. + +In den jaare 1681, den 2de van Augusty, zyn te Groningen vier ringen +aan alle kanten van de zon gezien, en eenigen verhaalen, dat diergelyke +zich mede te Rome en Tubingen hebben vertoont. + +In den jaare 1682, in May, is in Groningerland en Oostfriesland een +zeer hevige veeziekte geweest, waar door veel rundvee is gestorven: +doch op 't uitgaan van het jaar is de sterfte weder opgehouden. + +Den 4de van November is Grietzyl, in Oostfriesland, door de +Baandenburgsche soldaaten overrompelt, die zich naderhand aldaar ook +hebben neêrgelegt, als ook te Norden en Embden. + +In den jaare 1683, in November, is de Erfstadhouder van Friesland, +Hendrik Kasimier, en zyne Gemaalinne Amelia, te Leeuwarden, met +staatsiewagens en vertooningen, nevens een groot en prachtig vuurwerk, +ingehaald: doende, eenige dagen daar na, zynde den 17de van September, +ook zyne intrede binnen Groningen. + +In den jaare 1686, in July, overleed de jonge Prins van Nassau, zoon +van den Erfstadhouder van Friesland, enz.; en omtrent een maand daar +na beviel de Vorstinne weder van een jongen Prins. + +In dit zelve jaar, den 22ste van November, wierd Groningerland, +door een afgrysselyke watervloed aangetast, al het omleggende +land overdekkende; waar door veele menschen en beesten het leeven +verlooren. Het getal der verdronkene menschen beliep 1558, geheel +weggespoelde huizen 631, en de zeer beschadigden 616, de verdronkene +paarden 1387 en de koeyen 7861. + +In den jaare 1687, den 2de van May, overquam Groningen een tweede ramp, +door een schrikkelyke brand in de Veenen van Sapmeer, Wildervank en +Pekel A, waar door alle de gegravene turf tot duizende van vuuren, +eenige huizen en schepen verbranden, en de schade op eenige tonnen +gouds wierd geschat. + +In dit zelve jaar, den 14de van Augusty, is de Prins Jan Willem Friso, +te Dessau gebooren. + +In den jaare 1688, den 11de van November, deed Prins Willem van Oranje +die vermaarde overtocht naar Engeland; landende met zyn byhebbende +krygsbenden den 15de dezer in de haven van Torbay. + +In den jaare 1689, den 11de van April, is de Prins van Oranje, Willem, +nevens Maria, zyn Gemalinne, te Londen met de gewoonlyke plechtigheden +gekroont als Koning en Koninginne van Engeland. + +In den jaare 1690, den eersten van July, geschiede het bloedige +gevegt in de vlakte van Fleury, door de Franschen onder Luxenburg, +en de Geallieerden onder Waldek; waar van 't weêrzyds verlies op +16000 mannen wierd begroot. + +In den jaare 1691, den 5de van February, is Koning Willem in 's +Gravenhaage met zeer groote vreugde en eerteekenen, door praalpoorten, +vol geschilderde zinnebeelden, opgehaalt en naar het Hof gevoert. + +In den jaare 1692, den 3de van Augusty, sloeg het voetvolk der +Geallieerden, onder den Hertog van Wirtenberg, tegens de Franschen +onder Luxenburg, by Steenkerken, doch met weinig voordeel. + +In den jaare 1693, den 29ste van July, geschiede het gevegt by het dorp +Landen, tusschen de Geallieerden, onder Koning William en Keur-Beyeren, +en de Franschen onder Luxenburg, 80000 tegens 40000 mannen: dus schade +aan weêrszyden. + +In den jaare 1694, den 15de van Augusty, wierd te Groningen gejubileert +van des stads overgang voor 100 jaaren aan der Staaten zyde, door +het beleid van Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau; ook datze +de Gereformeerde Religie aannam; by welke gelegentheid ook medaillien +geslagen wierden; waar op staat: + + + Des Prinsen zwaard, met Godes arm, + Bragt Paap en Spanjaard in alarm, + Als leugen voor het licht verdween, + Wier zuivre glans in templen scheen. + Een regte vreugd voor klein en groot, + Die Groningen sluit in haar schoot. + Dit heeft des Heeren hand gedaan, + En deze Penningen doen slaan. + + +In den jaare 1695, den 7de van January, is de Koninginne van Engeland, +Maria Stuart, eene zeer deugdzaame Prinsesse, te Londen overleden. + +In den jaare 1696, den 25ste van Maart, overleed te Leeuwarden +Hendrik Kasimier, Stadhouder van Friesland, enz., aan een borstquaal; +nalaatende een zoon en eenige dochters. Tot wiens lof L. Smids zegt: + + + 't Was Frieslands Stedevoogd, Vorst Willems Bloedverwant, + Zoon, Neef en Naneef van drie nooit volpreezen Helden, + Gedrochtetemmers in 't ontroerde Nederland, + Die, zich, gelyk een wal, voor haat en outer stelden: + Doch dit Geboorterecht nam Hendrik geenzins aan, + Maar stond na heldenroem, door eigene oorlogsdaên. + + +In dit zelve jaar, den 24ste van May, is op Oranjewoud, in Friesland, +overleden Albertina Agnes, moeder van den overledenen Stadhouder, en +dochter van Frederik Hendrik, Prins van Oranje, in den ouderdom van +62 jaaren. En in de maand van Augusty, is Amelia, weduwe van Hendrik +Kasimier, Erfstadhouder van Friesland, enz., te Leeuwarden van eene +Prinsesse bevallen. + +In den jaare 1697, den 20ste van September, is de algemeene vrede +op het huis Nieuburg, te Ryswyk, by 's Gravenhaage, geslooten, +tusschen Engeland, Vrankryk, Spanje, het Duitsche Ryk en de Vereenigde +Nederlanden; zynde hier over den 6de van November alomme vreugdevuuren +aangestoken. + +In den jaare 1698 zyn de sterke fortificatiewerken, aan de zuidkant +buiten Groningen, door den Generaal Koehoorn begonnen; en na eenige +jaaren met zeer vaste muuren opgemetzelt, en de halvemaanen of bastions +met bruggen en poorten voorzien. + +In den jaare 1699, den 15de van November, is in Oostfriesland een +hooge watervloed ontstaan, waar door groote schade geschiede: want de +nieuwshermaakte dyk, om 't dorp Gerdsweer, wierd byna geheel vernielt; +zes huizen spoelden geheel weg, eenigen wierden beschadigt, en veele +beesten zyn verdronken. + +In den jaare 1700, den 27ste van November, heeft de Koning van Sweden, +Karel de XIIde, met 12000 mannen geoeffende troupen, 80000 Moskovieters +verslagen, op de vlugt gedreven, en aldus de stad Nerva geweldiger +hand ontzet. + +In den jaare 1701, in het begin, namen de Franschen alle de steden +van de Spaansche Nederlanden in bezettinge; waar op de toebereidzels +ten oorlog door den Keizer wierden gemaakt. + +Den 28ste van May trokken de Keizerschen, met groote moeite en zwaaren +arbeid, over het Alpische gebergte, in Tirol, maakende vervolgens in +Italien een doortogt met de degen in de vuist. + +In den jaare 1702, den 19de van Maart, is Willem de derde, Koning +van Engeland, te Kensington overleden; zynde op de jagt met zyn +paard gestruikelt, waar door hy het sleutelbeen brak; wordende op +den 23ste van April daar aan volgende, in de Kapel van Westmunster, +zonder uiterlyke pracht, begraven. Hy wierd in de regeeringe opgevolgt +door Prinsesse Anna, Gemaalinne van Prins Georg van Denemarken. + +Den 15de van May wierd byna overal de oorlog tegens den Koning van +Vrankryk gepubliceert. + +Den 11 de van Juny, hebben die van Nieumegen, met een groote +dapperheid, der Franschen hevige aanval, onder den Maarschalk de +Bouflers, van hunne vestingen afgekeert en te rug gedreven. + +Den 16de dito is Keizerszwaard van de Geallieerden belegert en +ingenomen. + +Den 15de van Augusty heeft Prins Eugenius de Franschen met groot +voordeel by Luzzara geslagen. + +Den 8ste van September won Keur-Beyeren Ulm, in Swabenland. + +Den 10de dito is Landau de Franschen ontweldigt; als ook den 23ste +dito Venlo, en den 2de van October Stevenswaart. + +Den 7de van October wierd Roermond met geweld door de Geallieerden +tot overgaaf gedwongen, en den 13de dito is Luyk door de burgers aan +de Geallieerden overgegeven. + +Den 22, 23 en 24ste dito, wierd de Fransche Zilvervloot, by Vigos, +door de Engelschen en Hollanders bemachtigt, geplondert, verbrand +en geruïneert. + +In den jaare 1703, den 15de van February, is Rhynberg door de wapenen +des Konings van Pruyssen bemachtigt; en omtrent dezen tyd Traarbach +door Hessen-Kassel. + +Den 8ste van April won de Beyervorst Regensburg. + +Den eersten van May wierden de Polen door de Zweden, by Pultouw, +geslagen: den 10de dito wonnen de Franschen Tongeren, en den 15de +dito is Bon door de Geallieerden herwonnen. + +Den eersten van July geschiede het bloedig gevegt by Eekeren en +Wilmerdonk, waar in de Hollandsche dapperheid in 't byzonder heeft +uitgeblonken; onaangezien de Generaal Obdam genoodzaakt geweest is +naar Breda te vlugten. + +Den 25ste dito is de stad Hoey den Franschen ontnomen. + +Den 4de van September is Trente door de Franschen gebombardeert, +en Brizak door hun gewonnen; als mede den 27ste dito Limburg door +Marlboroug bemachtigt. + +Den 14de van October wonnen de Zweden de stad Thoorn. + +Den 8ste van December trof een ysselyke zuidweste stormwind, zo +te water als te lande, Engeland, Vlaanderen, Holland, Friesland, +en meer aangrenzende gewesten, waar door veele ongelukken gebeurden. + +Den 16de dito is de stad Gelder door den Koning van Pruyssen verovert. + +In den jaare 1704, in February, wierd Prins Friso in Friesland +geavanceert; verwekkende dit eenig misnoegen by zommige andere +Provintien. + +In dit zelve jaar, den 27ste van Maart, overleed Menno Koehoorn, +in 's Gravenhage; zynde lang ziekelyk geweest, en over de 70 jaaren +oud. J. de Recht heeft op zyn afbeeldzel dit eervaars toegepast: + + + Ziet hier een Held, beproefd in oorlogsblixem vlammen; + Die voor 's Landt Vryheid spreekt uit monden van metaal; + Die 't opgezwolle nat door dyken jaagd en dammen, + En 's vyands krachten breekt door water, vuur en staal, + Den Vriessen Jupiter, die, met zyn donderslaagen, + Den Franssen Faëton bonst uit zyn Zonnewagen. + + +Den 2de van July sloeg Marlboroug en Baden, in Beyeren, de Fransche +en Beyersche krygsmacht, by den Schellenberg; en op den zelven dag +is Brugge door de Geallieerden ook gebombardeert. + +Den 3de dito is door de Geallieerden Donawerth bemachtigt, en den 11de +dito Regensburg; als mede den 26, 27 en 28ste dito, de stad Namen, +doch zonder voordeel, gebombardeert. + +Den 4de van Augusty heeft de Geallieerden vloot, onder Hessen-Darmstad, +Gibralter bemachtigt; en den 13de dito hebben de Geallieerden, onder +de Generaals Marlboroug en Eugenius, de Franschen en Beyerschen by +Hogstet geslagen; zynde hun verlies wel op 40000 mannen begroot. + +Den 18de van November wonnen de Geallieerden, onder den Erfprins van +Hessen-Kassel, Traarbach. + +In den jaare 1705, den 5de van May, overleed te Weenen Keizer +Leopoldus, oud zynde 65 jaaren; wordende van zynen zoon Josefus in +'t Keizerryk gevolgt. + +Den 5de van September zyn 96 schepen van de Groenlandsche vloot voor +Delfzyl gearriveert, hebbende in alles gevangen 1100 vissen. + +Den 14de van October gaf Barcellona zich aan Koning Karel over. Ook +is Stanislaus omtrent dezen tyd tot Koning van Polen verklaart en +gekroont. + +In den jaare 1706, den 23ste van May, sloegen de Geallieerden, +onder Marlboroug, tegens de Franschen, by Ramellies, en bequamen +een roemruchtige overwinninge; waar op zich verscheidene steden in +Braband en Vlaanderen hebben overgegeven. Den 6de van July wonnen +de Geallieerden Oostende: den 22ste van Augusty Meenen; den 5de van +September Dendermonde; en den 7de dito is Turin door Prins Eugenius +gewapenderhand ontzet: en den 3de van October is Aath mede door de +Geallieerden gewonnen. + +In den jaare 1707, den 16de van April, leeden de Geallieerden een +groote neêrlaag in Spanje, by Almanza. Den 20ste van July, heeft +de stad Napels, met haar drie kasteelen, zich aan Koning Karel +onderworpen. + +In dit zelve jaar, in Augusty, is Johan Willem Friso, Stadhouder van +Friesland, enz., getreden in zyn chargie als Generaal der Infantery +of voetknegten. L. Smids, voegde dit onder zyn afbeeldzel: + + + Als Friesland zag het beeld van Frieso; reeds in 't weezen + Oranjes yver en Nassouwers moed kon leezen + Zo sprak zy, (drukkende dit konststuk aan haar mond) + Wat schooner dag beloofd my zulk een morgenstond! + + +In den jaare 1708, in February, is zyne Hoogheid Jan Willem Friso, +Prins van Oranje en Nassau, en der Friesen Erfstadhouder, door de +Edele Groot Mogende de Heeren Staaten van Stad en Lande, tot Stadhouder +over derzelver Provintie aangenomen. + +Den 5de van July is Gent en Brugge door de Franschen ingenomen; +den 11de dito zyn de Franschen door de Geallieerden, onder Eugenius, +Marlboroug en Ouwerkerk, by Oudenaarden geslagen. + +In Augusty wierd aan Prins Friso het Oppergezach der belegeringe +van Ryssel toevertrouwt, ondersteunt van Prins Eugenius; en wierd +dit meesterstuk der krygsbouwkunde by verdrag gewonnen den 22ste van +October, en 't kasteel den 8ste van December. En den 30ste dito wierd +Brugge den Franschen weder ontnomen. + +In den jaare 1709, den 4de van January, hebben de Franschen de stad +Gent wederom verlaaten. + +Den 29ste van April is zyn Hoogheid Jan Willem Friso, Prins van Oranje +en Nassau, met Prinsesse Maria Louisa, dochter van den Landgraaf van +Hessen-Kassel, op het kasteel van Kassel met zeer groote plechtigheid +getrouwt. + +Den 8ste van July wierd de Koning van Zweden, door de Moskovieters, +in de Ukranie, by Pultowa, ten eenemaal geslagen: den 28ste dito +is de stad Doornik aan de Geallieerden overgegaan: den 11de van +September geschiede het wreede en bloedige gevegt der Franschen en +Geallieerden by Malplaquet: en den 25ste dito wonnen de Geallieerden +Bergen, in Henegouwen. + +In den jaare 1710, den 2de van January, is Prins Friso, nevens zyne +Gemalinne, te Leeuwarden, met een buitengemeene staatsie ingehaalt. Als +mede den 18de van Maart te Groningen. + +Den 25ste van Juny is Douay door de Bondgenooten verovert: den 28ste +van Augusty Bethune: den 28ste van September St. Venant: den 8ste +van November Arien. + +In den jare 1711, den 17de van April, is Keizer Josephus te Weenen +overleden, oud zynde 33 jaaren. + +Den 14de van July, op den middag, is zyne Hoogheid, Prins Jan Willem +Friso, Frieslands en der Groningers Stadhouder, in 't overvaaren van +'t Hollandsche Diep, aan 't Stryensche Sas, zeer ongelukkig verdronken; +wordende deszelfs ligchaam door een schipper, van de Klundert komende, +op den 22ste derzelver maand eerst gevonden en opgevischt, voorts haar +Dordrecht gebragt, en aldaar gebalsemt, en vervolgens naar Leeuwarden +gevoert: alwaar het op den 25ste van February 1712 met eene heerlyke +doch droevige lykstaatie in 't graf zyner Voorvaderen wierd bygezet. + +En in hetzelve jaar, den eersten van September, is de Prinsesse van +Friesland, Weduwe van den Stadhouder, van een Prins bevallen, en +genaamt Willem Karel Hendrik Friso, zynde de tegenwoordige Stadhouder. + + + + + + +LANDVERDEELING VAN FRIESLAND. + + +Schoon de aantekeningen van voorgaande Geschiedenissen, zonder +kennisse der gelegentheid van Landen en Steden, in 't naleezen +noch nuttig, noch aangenaam kunnen zyn, zo 'er niet iets nevens of +voor dezelve gemelt word: zo mogen de leezers ook niet met al te +langwylige verhandelingen derzelve opgehouden worden; dewyl anders +zo een beschryvinge op zich zelve en hier van afgescheiden vereischt, +die men de Landbeschryvinge noemt. + +Waarom wy, tot verstand van de voorverhaalde Geschiedenissen, hier +van iets behoevende by te brengen, met een bloote verdeelinge van +de Landstreek, en een optellinge van Steden en Dorpen in iedere +afdeelinge, zonder van de beschryvinge iets te mogen aanroeren, +den eisch der voorgaande bladeren geacht voldaan te hebben. + +De Landstreek van deze Provincie word in drie gedeeltens afgedeelt, +als Oostergo, Westergo en Zevenwouden. In voorige tyden bestond het +in de twee eersten alleen; die ook elk den naam van een Graafschap +by zommige Schrijvers hebben gevoert, en mogelijk ook in der daad +zyn geweest, zonder dat de Wouden als een byzonder deel wierden +aangemerkt. En zyn zo genaamt naar de Goën of Dorpen, in de Ooster- +of Westerverdeeling gelegen; en de Wouden, om de veelheid van 't +geboomte, dat eertyds mogelyk meerder is geweest, als hedendaags: en +zo wat verlatynt zynde, wierden Estrachia, Westrachia en Forestensis +genaamt, by de Schryvers in die taal. + +Deze Leden worden elk in een getal van mindere verdeelingen +onderscheiden, die wy Grietenyen noemen, naar de Bevelhebbers van ieder +gedeelte, die men een Grietman noemt, dat zo veel is als Overheer, +want gritte, greet, en greut, is groot te zeggen. Elke Grieteny vervat +een zeker getal Dorpen onder zich, staande onder de regeering van een +Grietman. De Steden zyn 11 in getal, rustende elk op haar eigen recht; +maakende te zamen in zaaken van regeering het vierde Lid van Staat. In +'t optellen van welke Dorpen, doordien zy naar de verscheidentheid +der byzondere spraaken (dialecten) of anderzins ook verscheiden worden +genoemt, zo komt in bedenkinge, welke wyze gevoegelijkst mag gevolgt +worden: want van de benaaminge der zelve zyn zommige gebruikelyk, + +1. In de gemeene taal, alleen Buitenpost, Donkerbroek. + +2. In de Stadsspraak, als Nyega. + +3. In de Landsspraak alleen, als Tjietjerk, Tjaalebird. + +4. Gemengd, 1. uit de gemeene Stadsspraak, als Peperga, Lutkepost, +Nyjenhuis. 2. Uit de gemeene en Landsspraak, als Langewar, Suerig. En +3. uit Stads- en Landsspraak, als Tserkgaast, Molkweeren. + +5. De zelve Dorpen, anders in 't gemeen, als by stedelingen en +landlieden, als Nieukerk, Nykerk, Nytjerke: Molkweeren, Molkwarren. + +6. Naar oude misspellinge, Hyelsum voor Jelsum; Hyaure voor Jaure of +Joure; en Greonterp voor Grien of Groenterp. + +7. In verkorting, als Birdaard voor Birdewerd, Oestrum voor Eestroom, +Raard voor Raawerd, enz. + +Waar op het wel billyk is, dat men in een schrift, in de gemeene taal +geschreven, als dit tegenwoordige, ook hier de naamen der Dorpen +in die zelve taal zoude stellen: doch nochtans hier niet vry staat +omtrent eenigen, als die haar oorsprong uit de byzondere spraaken +hebben, gelyk Tserkgaast, Adegae en Molkwarren: voor welke men +(hoewel mogelyk in gelyke zin, doch ongerymt) zou zeggen, Kerkburg, +Ouddorp en Melkfennen. Even ongerymt zoudenze alle in de Stads- of +Landsspraak gestelt worden: en geheel overtollig in die alle te gelyk. + +Daarom hebben wy geacht dezelve veilig te mogen gebruiken, naar +de uitspraak die in de gemeene wandeling meest omgaat. Gelyk wy +zien dat in de Saxische bedeelinge, (achter dien Hertogs Wetten, +in die tyden gedrukt) en ook by Winsemius, Schotanus en anderen, +geen eenerlei wyze is gehouden. + + + + + +I. OOSTERGO. + + +Hierin zyn twee Steden gelegen, als Leeuwarden en Dokkum. 't Word +verdeeld in 11 Grietenyen. + +I. Leeuwarderadeel, heeft 14 Dorpen. 't Word in 3 Trindels of +derdendeelen afgedeelt. 1. 't Middeltrindel, is onder de klokslag +van Leeuwarden. 2. Zuidertrindel, Wirdum, Swichchum, Goutum, Huizum, +Hempens en Teerns. 3. Noordertrindel, Steens, Finckum, Hyjum, Britsum, +Kornjum, Jelsum, Lekkum en Meedum. + +II. Ferwerderadeel, heeft 11 Dorpen, als, Ferwert, Hoogebeintum, Blyje, +Hallum, Marrum, Nykerk, Wanswert, Geenum, Jeslum, Reisum en Lichtaard. + +III. Westdongeradeel, heeft 14 Dorpen, als, Holwert, Tennaard, Wierum, +Nes, Hantumhuizen, (Raad, Bierum, Medent, Germerhuizen, Nyjenhuis, +zynde Gebuurten, maakende eene stem,) Jaure, Betterwird, Bornmerhuizen, +Bornwert, Raard, Foudgum, Brantgum en Waaxens. + +IV. Oostdongeradeel, heeft 13 Dorpen, als, Anjum, Engwierum, Ee, +Jouswier, Oestrum, Aalsum, Wetsens, Nyjewier, Nykerk, Paasens, +Ljuessens, Morre en Metselwier. + +V. Kollumerland, heeft 6 Dorpen, als, Kollumerswaag, Westergeest, +Oudwoude, Kollum, Lutkewoude of Ausbuer en Buerom. + +VI. Achtkarspelen, heeft 8 Dorpen, als, Surhuizen, Austynsga, +Harkma-opeinde, Droogeham, De Kooten, Op 't Wyzel, Buitenpost en +Lutkepost. + +VII. Dantumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Driesum, Wouterswoude, +Dantumerwoude, Murmelwoude, Akkerwoude, Rinsmageest, Sybrandahuis, +Janum, Birdaard, Roodkerk, Feenwouden en Swaagwesteinde. + +VIII. Tjietjerksterdeel, heeft 14 Dorpen, als, Wyns, Oudkerk, Oenkerk, +Giekerk, Ryperkerk, Tjietjerk, Suwoude, Hardegaryp, Bergum, Eestrum, +Oostermeer, Sumeer, Garyp en Eernwoude. + +IX. Smallingerland, heeft 7 Dorpen, als, Oudega, Nyjega, Opeinde, +Noorderdrachten, Suiderdrachten, Kortehem en Bornbergum. + +X. Idaarderdeel, heeft 8 Dorpen, als, Idaard, Æaegum, Roodahuizum, +Friens, Grou, Warrega, Warstiens en Wartena. + +XI. Rawerderhem, heeft 6 Dorpen, als, Rawerd, Yrnsum, Poppingawier, +Tersool, Sybrandabuert en Deersum. + + + + +II. WESTERGO. + + +Hier in zyn 8 Steden, namentlyk, Bolswert, Franeker, Sneek, Harlingen, +Staveren, Workum, D'r Ylst en Hindeloopen. 't Word verdeelt in +9 Grietenyen. + +I. Menaldumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Menaldum, Berlikum, Wier, +Beetgum, Englum, Marsum, Deinum, Boxum, Blessum, Dronryp, Schingen, +Slappeterp en 't Klooster Anjum. + +II. Franekerdeel, heeft 11 dorpen, als, Tjum, Hitsum, Achlum, Midlum, +Herbaajum, Doenjum, Boer, Ried, Peins, Sweins en Schalsum. + +III. Barradeel, heeft 8 Dorpen, als, Minnertsga, Firdgum, Tjiemaarum, +Oosterbierum, Sixbierum, Pytersbierum, Winaldum, Almeenum, nu meest +binnen de muuren van Harlingen, daar het haare stem heeft in de Kerk, +en 't Klooster Lidlum. + +IV. Baarderdeel, heeft 16 Dorpen, als, Jorwert, Weidum, Mantgum, +Schillaard, Oosterwierum, Bozum, Wiewert, Britsert, Oosterlittens, +Winsum, Baard, Huins, Lyons, Hilaard, Jellum en Beers. + +V. Hennaarderdeel, heeft 12 Dorpen, als, Hennaard, Ytens, Lutkewierum, +Oosterend, Hidaard, Wommels, Waaxens, Kubaard, Wielsryp, Baajum, +Spannum en Eedens. + +VI. Wonzerdeel, heeft 27 Dorpen, als, Aarum, Allingwier, Burgwert, +Kornwert, Dedgum, Exmorre, Engwier, Ferwoude, Greonterp, Gaast, +Hartwert, Hichtum, Hiezlum, Idzegahuizen, Kunswert, Ruigelollum, +Longerhou, Makkum, Pinsum, Parrega, Pyaam, Schettens, Schraad, Suerig, +Tjerkwert, Witmaarsum en Wons. + +VII. Wymertser- of Wymbritserdeel, heeft 28 Dorpen, dezelve worden +aangeteekent, als, Buitendyks: Oppenhuizen, Uitwellingerga, Jortryp, +Hommerts, Smallebregge, Woudseind, Ypekolsga, Indyk, Heeg, Gasmeer, +Nyjehuis, Santfirde, Oudega en Idzega. Binnendyks: Oosthem, Abbega, +Westhem, Wolsum, Nyland, Folsgaare, Tjaalehuizen, Ysbrechtum, Tirns, +Scharnegoutum, Goinga, Looienga, Gaau en Offingawier. + +VIII. Heemelumer Oudephert en Noordwoude, heeft 9 Dorpen, als, +Heemelum, Koudum, Warns, Scharl, Molkwarren, Oudega, Nyjega, Elahuizen +en Kouderwoude. + +IX. Het Bilt, heeft 3 Dorpen, als, St. Japikskerk, St. Annekerk en +L. Vrouwenkerk. + + + + + +III. ZEVENWOUDEN. + + +Hier in legt de Stad Slooten alleen. 't Word verdeelt in 10 Grietenyen. + +I. Uitingerdeel, heeft 6 Dorpen, als, Oudeboorn, Nes, Akrum, Terhorne, +Terkaple en Akmaryp. + +II. Engwerden, heeft 4 Dorpen, als, Gersloot, Tjaalebird, Luinjebird, +Ter Trebant met Bansterschans, en noch een gedeelte van 't Vlek +Heerenveen. + +III. Doniawerstal, heeft 14 Dorpen, als, Goingaryp, Broek, Austerhaule, +Nyjega, Oudouwer, St. Niklaasga, Doniaga, Tserkgaast, Itskenhuizen, +Leegemeer, Ter Oele, Indyken, Langweer en Bornswaag. + +IV. Hasscherland, heeft 6 Dorpen, als, Westermeer, Snikswaag, +Hasscherdyken, Nyjehassche, Oudehassche en Hasscherschorne. + +V. Schooterland, heeft 18 Dorpen, als, Hornsterswaag, Jubbega, +Schuerega, Oudehorn, Nyjehorn, Katlyk, Brongerga, Nybrongerga, +Melledam, Oudeschoot, Nyjeschoot, Rottum, St. Jansga, De Kleinegaast, +Haule, Roehel of Nyjega, Delfstrahuizen, Oudega en Uitdyken, en een +groot deel van 't Vlek Heerenveen. + +VI. Lemsterland, heeft 5 Dorpen, als, Lemmer, Eesterga, Follega, +Oosterzee en Echten. + +VII. Gaasterland, heeft 7 Dorpen, als, Wykel, Sundel, Nyjemardum, +Oudemardum, Mirns, Haarig, Ruigehuizen en 't Vlek Balk. + +VIII. Upsterland, heeft 13 Dorpen, als, Beets, Beetsterswaag, +Olterterp, Uereterp, Sygerswoude, Duerswoude, Wynjeterp, Hemryk, +Loppenhuizen, Wispel, Korteswaag, Langeswaag en Luxwoude. + +IX. Stellingwarf-Oosteinde, heeft 10 Dorpen, als, Oudeberkoop, +Nyjeberkoop, Makkinga, Donkerbroek, Haule, Oosterwoude, Fochtele, +Appelsche, Langedyk en Elsloo. + +X. Stellingwarf-Westeinde, heeft 20 Dorpen, als, Beuil, Noordwoude, +Finkinga, Steggerden, Peperga, Blesdyk, Nyjehoutpade, Oudehoutpade, +Wolvega, Sonnega, Oudetryne, Nyjetryne, Spangen, Scherpenseel, +Munnekebuuren, Oudelemmer, Nyjelemmer, Nyjehoutwoude, Oudehoutwoude +en Ter Idsert. + + + + Geschreven in slaavernye, en gegeeven + in April, in 't Jaar + onzes Heeren + 1678. + + + + + + + +BIJVOEGSELS EN AANTEEKENINGEN. + + +Bladz. 2. + + +Van den alouden staat onzer Provincie kan geene naauwkeurige +beschrijving worden gegeven, daar er niets dan onzekere berigten en +velerlei uiteenloopende gevoelens tot ons zijn overgekomen. Op eenigen +goeden grond echter mag men besluiten, dat omstreeks de vijfde eeuw +onzer jaartelling Friesland zich van Vlaanderen tot de Elve heeft +uitgestrekt, en hetzelve noordwaards den Eiderstroom tot grensscheiding +had, waardoor dan ook de kustbewoners aan deze rivier, nog heden +ten dage van den naam des Lands, dien van Strandfriezen dragen. Dat +Vlaanderen tot Friesland behoord hebbe, zoo als meermalen is beweerd, +valt zeer te betwijfelen, want aldaar was de grensscheiding. + +Onder Koning Radboud I, en later nog ten tijde van Karel den Groote, +vinden wij de uitgestrektheid van dit Gewest van het land van Katzand +af, tusschen de rivier Sincfal of Zwene (de Suin of Zwin) bij Sluis +[105], tot aan de Elve: de Waal scheidde het van het gebied der +Franken af en de Wezer was tot oostelijke grenspaal gesteld. Al de +landen dus aan de oevers der Noordzee, van het Hertogdom Bremen tot +aan Vlaanderen, maakten het oorspronkelijk en overwonnen gebied der +Friezen uit: het oorspronkelijk of oud Friesland lag tusschen de Eems +en het Vlie langs de Noordzeekusten. Van de Eems tot den Wezer en aan +geene zijde van het Vlie, met een groot deel binnenlands tot aan het +Zwin, was overheerd land. Ook de eilanden tot den mond van de Eems +behoorden den Friezen, doch geenszins Helgoland, zeer verkeerdelijk +voor Radbouds zetel gehouden. + +Weinige jaren voor 's Heilands geboorte, werden de Friezen, tusschen +de Eems en het Vlie wonende, de Groote Friezen, en die tusschen het +Vlie en den Rijn de Kleine Friezen genaamd. De eersten bewoonden +dus gedeelten van Gelderland, Overijssel, Drenthe en het Gooiland, +alsmede de streken beoosten de Zuiderzee en de rivier Flevo tot aan +de Eems toe: de laatsten een gedeelte van Rijnland, Kennemerland, +Amstelland en Noord-Holland. Daarna werden deze West-Friezen en gene +Oost-Friezen geheeten. Een aantal kleine volken van Germaanschen en +Gallischen of Frankischen oorsprong hadden de Friezen tot naburen. + +Te dien tijde, eenige jaren namelijk voor Christus geboorte, toen +de Opperbevelhebber Claudius Drusus Nero, stiefzoon van den Keizer +Augustus, ook Friesland onder de magt der Romeinen wilde brengen, lag +tusschen West-Friesland (Noord-Holland) en het tegenwoordig Friesland +het groote meer Flevo. Het Graafschap Staveren beoosten het Vlie, +wiens uitwatering eerst tusschen Texel en Vlieland, daarna tusschen +Vlieland en Terschelling plaats had, paalde aan Noord-Holland. Het +eiland Flevo, door de verdeelde armen van het Vlie omvat, lag ter +plaatse alwaar nu de zandplaat Bree-sand zich bevindt. Uitgestrekte +bosschen lagen in den omtrek der stad Staveren, thans allen in zee +verzwolgen. De kleine rivier de IJssel liep in 't meer Flevo, hetwelk +na de door Drusus gemaakte vereeniging van den Rijn met den IJssel, +door verschillende stroomen zich in de Middelzee ontlastte [106]. Deze +zee besloeg een groot deel van het noorden der Provincie, scheidende +Oostergo en Westergo, haren loop nemende door de Grietenijen Barradeel, +Idaarderadeel, Hennaarderadeel, Rauwerderhem tot in Wijmbritseradeel, +eindigende bij Bolsward en Sneek. Bij de stad Uitgong, welligt nabij +Berlikum had zij hare uitwatering in de Wadden, en voorts tusschen +Terschelling en Ameland in de Noordzee. + +Wij geven geene meer bepaalde beschrijving van den alouden staat der +Provincie, maar verwijzen den Lezer tot de breedvoeriger behandeling +hiervan te vinden in Winsemius, Schotanus, Emmius, F. Sjoerds, +bijzonder het kort overzigt in den Tegenwoord. Staat van Friesland +I deel, en over de Groote en Kleine Friezen de Aanteekeningen van +Siccama op de Lex Frisionum pag. 137 seq. Men vergelijke hierbij +hetgeen door den heer Westendorp in zijn Jaarboek van en voor de +Provincie Groningen, en door Bilderdyk in het 1 deel van zijne +Geschiedenis des Vaderlands (bepaald op bl. 18 en 251 volgg.) met +betrekking tot de oude Historie is geboekt:--als ook de Geschiedenis +der Nederlandsche Taal van den Hoogleeraar A. Ypeij, II. 106, +die aldaar en elders belangrijke bijvoegsels geeft tot den alouden +staat van Friesland betrekking hebbende.--Over de Middelzee, hare +grenzen en uitgestrektheid bevelen wij zeer aan de Bijdragen tot de +Geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland, door P. Brouwer +Pz. en W. Eekhoff [107]. Zie voorts de Inleiding van mijn Tafereel van +den Watervloed in Friesland. Wij voegen hierbij nog de aanmerking, ook +door anderen gemaakt, van den Ridder Scheltema, voorkomende in zijne +als nog onuitgegevene Geschiedenis der Zuiderzee, dat in vorengemelden +tijd welligt het Gooiland in Holland en Gaasterland in ons Gewest +aaneengehecht waren, verdienende het bijzondere opmerking dat de +grondgesteldheid gelijk is, en aan beide zijden de einden van eene +hooge aardrigchel, in Holland de Muiderberg en bij Staveren het Klif, +aanwezig is; even als de afgebrokene en tegen over elkander liggende +Krijtbergen in Frankrijk en Engeland zouden bewijzen dat eertijds +hier geene scheiding bestond. Waarschijnlijk stroomde er toen nog +geen zout water binnen den kreits der duinen van Terschelling af tot +aan den uitloop der Maas.--Belangrijke opmerkingen deelt de kundige +F. Arends ons mede in zijne Geschiedenis der Noordzeekusten, in welke +hij de veranderingen beschrijft, welke die kusten door stormvloeden, +gedurende een tijdvak van tweeduizend jaren hebben ondergaan [108]. + + +Bl. 2.--Ao 313. + +Wat betreft de heerschappij der Prinsen, Hertogen en Koningen +over Friesland, van den jare 313 voor Christus geboorte tot 773 of +775 jaren na dezelve, waarvan de korte beschrijving in de eerste +drie hoofdstukken dezer kronijk begrepen is, daarin komt zeer veel +onwaarschijnlijks en fabelachtigs voor, zoodat wij niet gaarne op het +gezag van deze en andere Geschied- en Kronijkschrijvers alles voor +goede munt zouden aanprijzen: alles evenwel te verwerpen, gelijk ook +door Friesche Schrijvers-zelve geschied, is evenmin raadzaam. Men leze +en overwege hier naauwkeurig wat de geleerde Baron thoe Schwartzenberg +en Hohelansberg, in de uitmuntende Voorrede voor zijn Charterboek +(vooral I. D. bl. 16 en 17), een geschrift, even nuttig als het +boek-zelf, op dit punt zegt, en aan wiens gevoelen wij eene hooge +waarde hechten. Het was voor den geleerden Emmius en in navolging +van hem voor Foeke Sjoerds en den schranderen van Rhyn, die evenwel +hier en daar niet zoo gestreng is, niet moeijelijk, het gezag van +andere Schrijvers te verwerpen, en, wat niet met krachtige bewijzen +gestaafd konde worden, voor fabels te verklaren. Maar men brenge ook +de meeningen van den Baron van Schwartzenberg ter toetse, en het lijdt +geen' twijfel, of de oordeelkundige Lezer zal, even als wij, tot de +uitkomst moeten komen, dat het gevoelen der eerstgemelden aan gewigtige +tegenbedenking is onderworpen. Het groote en altijd herhaalde argument, +waarom wij toch zoo weinig bij de Romeinsche Schrijvers van alles, +wat de kronijken bevatten, vinden, zal toch wel niet als voldoende +kunnen worden beschouwd:--dan het is hier niet de plaats, daarover +verder uit te weiden, liever willen wij hier invoegen wat de zeer +verdienstelijke Oudheidkundige N. Westendorp, in zijn Jaarboek van +en voor de Provincie Groningen (I. 21 volgg.), op dit onderwerp zegt: + +»De Vriesche jaarboeken beginnen de lijst der Vriesche koningen en +vorsten reeds van vóór den tijd van 's Heilands geboorte af. Alhoewel +wij ons geenszins met zekerheid op de berigten dezer verzamelaars, +ten aanzien dier opvolgingen, durven en willen verlaten; nogtans +deelen wij gansch niet in de twijfelzucht van Emmius en van anderen, +welke hem gevolgd zijn. Vooreerst zijn er geene redenen, om zoo +ten eenenmale de geloofwaardigheid van Cappidus Staurensis, geleefd +omtrent 920, van Occo Scharlensis, welke begon te schrijven in 903 en +zulks vervolgde tot 970, van Johannes Vlieterpius, Schrijver van den +potestaat J. H. Martna en der gemeene Landsregteren, die Occo's kronijk +grootendeels uit het H. S. vertaalde en hier en daar vermeerderde +(1370), van M. Alvinus (1400), van Andreas Cornelius, overleden te +Harlingen in 1589, van Corn. Kempius (1588), van Vorperus Taboritha, +Suffridus Petri, Mart. Hamconius (1624), van Bernh. Gerbr. Furmerius +(1613), en van meer anderen, te verwerpen. Trouwens de Vriezen +hadden weleer hunne barden en bardengezangen: zoo hoorde nog de +bisschop Ludger, eenen Vrieschen bard de daden der vroegere tijden +bezingen. Andr. Cornelius is ook in mijn oog een achtingwaardig +Schrijver. Deze verhaalt in de voorrede van zijn werk, dat Vlieterp +in eene zeer lange voorrede berigtte, dat Occo Scharlensis in de +voorrede van zijn werk in het breede had ontvouwd, hoe zijn oude oom +Solcko Forteman het leven der Vriesche koningen, prinsen en heeren, +die van het begin af in Vriesland hadden geregeerd, ten tijde van den +laatsten Vrieschen koning Radbod naauwkeurig beschreven had: over welk +geschrift hij door dien koning zeer was vervolgd geworden. Schoon nu +dit opstel te dien tijde op koninklijk bevel was verbrand geworden, +nogtans waren al zijne overgeblevene schriften en boeken in handen +van Occo gekomen, door middel van Gatje Takama (zijnen vader), welke +er vele fragmenten en schoone stukken betrekkelijk Vriesland onder +gevonden had. Deze schat bewoog hem, om alles te verzamelen, wat +overgebleven was, en wat hij wist. Volgens getuigenis van Suffridus +Petri, zouden de bouwstoffen tot het werk van Alvinus uit zoodanige +oude liederen genomen zijn. Daarenboven heeft S. Petri toegang +gehad tot alle kloosterkronijken en kloosterpapieren van Vriesland, +waardoor hij in de gelegenheid was, om meer ontwaar te worden dan +anderen. Ook vinden wij er geene de minste tegenstrijdigheid in, dat +de Vriezen, even gelijk de Kymry in Wallis en de Galen in Ierland, +hunne geschiedenis aan de bardenorde toevertrouwden, en dat deze +ook hunne Taliesins gehad hebben. Bij de Kymry en de Ieren zijn +deze liederen nog grootendeels behouden, en dalen mede tot vroegere +tijden terug. De Vriesche berigten, hoezeer vermengd met dichterlijke +bijvoegselen en met aanvullingen van verschillenden aard, verdienen +waarlijk de aandacht van onderzoeklievende mannen" [109]. + +Betrekkelijk den oorsprong der Friezen vinden wij bij Grieksche noch +Romeinsche Schrijvers eenige voldoende berigten, uit hoofde zij hun +gezag van den aanvang niet in deze oorden gevestigd hebben. Over +de benaming en aanvankelijke regeringsvorm zijn ook verschillende +meeningen te berde gebragt. Het gevoelen ten dezen van den heer +Mr. A. van Halmael Jr. ook het onze zijnde, nemen wij hier over, +hetgeen in zijn beknopt Overzigt der Friesche Geschiedenis [110] +is vermeld: + +»De oorsprong van de namen Friezen en Friesland heeft met dien van vele +andere volkeren en landen dit gemeen, dat hij hoogst onzeker is. Even +onzeker schier is het te bepalen, op welke wijze het land in de oudste +tijden is geregeerd geworden; of er één enkel persoon aan het spits +der regering stond, en zoo ja, welken naam hij droeg. Ook naar de +uitgestrektheid van het land, hetwelk den naam van Friesland droeg, +en naar de gedaante van hetzelve, kan men weinig meer dan gissen." + +»Het komt ons echter, wat het eerste betreft, niet onwaarschijnlijk +voor, dat de naam van Friezen niet anders dan vrijen heeft beteekend, +welken naam dat gedeelte der Germaansche of Duitsche volkeren, +hetwelk het eerst Friesland tot woonplaats verkozen heeft, zal hebben +aangenomen, ten einde zich daardoor te onderscheiden van andere +stammen, die misschien minder naijverig waren op hetgeen zij Friezen +verstonden onder vrijheid,--volkomen onafhankelijkheid van allen, +die niet tot hunnen eigenen stam behoorden, of tot de genen welke +zij daarin goedvonden aan te nemen" [111]. + +»Wat der Regering betreft, één persoon schijnt aan het hoofd der +Friezen gestaan te hebben; niet evenwel zonder, in openlijke +aangelegenheden, den raad der Wijsten, dat is Oudsten zijner +landgenooten, in aangelegenheden van algemeen belang, de meening van +het geheele volk ingenomen, en dien van de meerderheid gevolgd te +hebben. Het komt ons wijders niet onaannemelijk voor, dat die ééne +persoon, meerder uitvoerder van 's volks wil dan eigenmagtig gebieder, +maar ook in de uitvoering ongebonden, den naam van Koning droeg, +welken naam wij, naar de afleiding des woords, meenen aangeduid te +hebben: den eersten man van het eerste (d. i. mannelijk) geslacht, +eens heerschenden volks." + +»Daarmede willen wij echter niet geacht worden, de geheele rij +der zeven eerste Koningen (in kronijken Prinsen genoemd), der zeven +Hertogen en der negen, dezen wederom vervangen hebbende Koningen, welke +alle door onze kronijkschrijvers met name genoemd worden, te erkennen." + +»Ook gelooven wij niet dat de oppermagt der Vorsten erfelijk was, +althans niet in de eerste tijden, hoewel meestal de zoon eens konings, +over wiens bewind het volk tevreden was, hem zal opgevolgd zijn." + + + +Er bestaan over den oorsprong des Frieschen volks eenige overleveringen +en sagen uit den overouden tijd, in welken de geschiedkundige waarheid, +met de noodige versierselen en verdichtselen, werd gehuld en bewaard +gebleven is: jammer maar dat het en door den geest der vroegere +tijdperken, en door de wijze der overlevering zoo moeijelijk is +geworden waarheid en fabel van elkander te schiften. Alles komt +echter op dit punt neder, dat de Friezen geene aborigenes, dat is +inboorlingen van Friesland waren, maar over zee naar deze landstreken +waren aangekomen om dezelve te bevolken [112]. Wij willen kortelijk uit +de geschiedenis enigen dier sagen en volksvertellingen bijeenverzamelen +en mededeelen, dewijl onze kronijk slechts van eene enkele gewaagd. + +Naar het gevoelen van Joachim Hopper zouden de Friezen afkomstig zijn +van de Hijperboreische volkeren, van wien zij hunne taal, godsdienst +en zeden hadden ontvangen [113]. + +Cornelius Kempius verhaalt dat een Karthuizer, genaamd Reinerus de +Friezen deed afstammen van een aantal Joden, die door Vespasianus +na de inneming: van Jeruzalem in 't leven gespaard, uit het Joodsche +land verdreven en herwaarts in ballingschap gezonden waren. »Doch de +goede man (zoo zegt Van Rhyn [114]) moet Tacitus en andere schrijvers +niet gelezen hebben, die hem zouden onderricht hebben, dat de Vriezen +hier al woonden omtrent de tijden van Christus,"--dus voor Jeruzalems +verwoesting [115]. Deze overlevering hoorde ook bij de oude Pruissen +te huis, wier voorouders door Salmanzar uit het Joodsche land waren +verdreven [116]. + +Van Frankischen oorsprong schijnt navolgende sage door Joannes +Trithemius, in navolging van Hunibaldus, geboekt in zijne geschiedenis +der Frankische koningen. Frisius was de zoon van koning Coglio; +deze werd met toestemming aller Franken Koning van Friesland, doch +aan deze keus verbonden zij de voorwaarde, dat hij en alle zijne +opvolgers met hunne onderdanen onder de Franken zouden staan, en tot +schatting jaarlijks tweehonderd en zestig koeijen leveren: daarenboven +waren zij verpligt als getrouwe vrienden en bondgenooten der Franken, +dezen in alle oorlogen bij te staan. De Friezen nu zouden, volgens +het beweerde van verschillende schrijvers [117], van dezen Koning den +naam gekregen hebben. Ook dit verhaal wordt door de geschiedschrijvers +van lateren tijd verworpen, daar de Franken toen nog niet als magtig +volk zouden hebben bestaan, maar eerst driehonderd jaar na Christus +geboorte.--Het is echter vrij zeker, dat het Frankisch gezag reeds +zeer vroeg bij de Friezen heeft geheerscht; zelfs de benaming dezer +beide volken wordt vaak verwisseld. Deze geheele sage zal echter van +later dagteekening zijn dan anderen [118]. + +Hubertus Thomas, een Luikenaar, schreef een boek over de Tongren en +Eburonen, waarin hij met kracht van redenen betoogde, dat de Friezen +uit de oude Phrygeers of Trojanen herkomstig waren, welk gevoelen ook +anderen aankleefden [119]. Grunus, een voornaam Trojaan onder hen, had +Groningen gebouwd, het gewest Frisia en dus het volk met den naam van +Friezen gedoopt. Vierhonderd drie en dertig jaren voor Christus waren +deze Trojanen, onder Marcomir, in Duitschland bij de Saksen gekomen en +naar den zeekant afgezakt [120]. Tot een vernuftig bewijs van zijne +stelling brengt Thomas bij, dat het stedeken Ylst niet Elostum, zoo +als sommige Latijnen zeggen, maar Iliacum, dus genaamd naar Ilium, +heeten moet, en dat Aschendorp in Groningerland, naar den befaamden +Ascanius ook den naam Ascania heeft gedragen.--Dit verhaal schijnt +van Oud-Duitsche geboorte te zijn [121]. + +Eggerik Beninga beschrijft in zijne Oost-Friesche Kronijk [122] +den oorsprong der Friezen ook op deze wijze. Ten tijde dat Samuel +regter over de kinderen Israels was, nadat de wereld 2860 jaren had +gestaan, was er een koning van Assyrien, Diedictus genaamd, wiens +gemalinne Albiona bij het volk in kwaad geruchte stond. Op zekeren +tijd liet zij alle hare zusters, twee en dertig in getal, en allen aan +koningen, vorsten en groote heeren door den echt verbonden, bij zich +komen, en, zich niet langer door hare mannen willende laten regeren, +sloten zij in 't geheim een verbond, dat elk zijnen echtgenoot zou +om het leven brengen en dan zelve het bestuur in handen nemen. Maar +de zamenzwering werd ontdekt en tot straf werden de 32 zusters, +met al de medepligtigen, in een schip zonder roer en zeilen gezet +en zoo voor wind en stroom aan de willekeur der woeste golven prijs +gegeven. Na lang omzwervens kwamen zij ten laatste aan een onbewoond +eiland, hetwelk zij, naar den naam der oudste zuster Albion noemden +en langen tijd bewoonden. Uit deze zusters werd het groote en wreede +reuzengeslacht geteeld, dat door Brutus is verslagen en op de vlugt +gejaagd, welke vlugtelingen de Noordzee opstevenden en naar een +nieuw vaderland zochten. Dus aan de Friesche kust gekomen, namen zij +dit land ten deele met geweld in, en zetten zich er neder. Brutus, +nu Heer van Albion, herdoopte het eiland in Brutannien en liet de +stad Londen bouwen, dan ook hij werd op zijnen tijd weder verdreven +door het geweld der Friesche koningen Engistes en Horses.--Zoo ver +Beninga.--In Westendorp's Kronyk wordt verhaald, dat de gevlugte +reuzen, bij hunne aankomst aan den Frieschen wal, onvermoeds door +de ingezetenen des lands verdreven zijn, de Maas zijn opgevaren en +Slavenburg hebben gesticht.--Zoodat volgens dit verhaal dan reeds +het land bevolkt was [123]. Deze overlevering schijnt op de Kelten, +de oudste bewoners van Brittannien te slaan. + +In bijna al de geschied- en kronijkschrijvers, zoo als ook in de onze, +vinden wij de volks-overlevering, welke ook in den Frieschen geest +geheel gestemd is, van de overkomst der drie gebroeders Saxo, Bruno en +Friso [124] vermeld, en wel van verschillenden vorm en inhoud. Vooral +wat betreft de afkomst van den stamvader Friso, daarover is een groot +verschil. De een maakt hem tot een Jood, de ander tot een Macedonier, +velen tot een Indiaan. Sommige oude schrijvers hebben de waarheid van +deze overlevering niet alleen niet in twijfel getrokken, maar die +tegen anders denkenden met hand en tand verdedigd. B. Furmerius en +vooral Suffridus Petri hebben zelfs, (de laatste in zijne Apologie) +Ubbo Emmius en anderen, die dit verhaal voor eene fabel verklaarden, +voor dwarsdrijvers, slechte recensenten en vijanden des vaderlands +verklaard. Andere Friesche schrijvers, even als Emmius, verwerpen het +ook geheel, maar de meesten zijn ook getrouwe navolgers, ja zelfs +naschrijvers en napraters van Emmius, die als de God der Historie +werd aangebeden. Het valt niet te ontkennen, dat zijn geschiedboek +groote waarde heeft, doch ook onvoorwaardelijk in zijne twijfelzucht +te berusten is niet het veilig midden kiezen. + +Uit hoofde men deze sage overal vindt, zullen wij dezelve in zijn +verband niet herhalen, evenmin als de geschiedenis der zeven zonen +van den Frieschen Aartsvader Friso, die de volkplanters in Jutland, +Hessen en Schotland zijn geweest. Men vindt een beknopt verhaal +hiervan in het Nabericht op Vriesland van van Rhyn [125], dat altijd +waardig is gelezen en herlezen te worden. Daarin wordt ook vermeld +hoe de West-Friezen, Keulenaars, Frisiabonen of Nieuwe Friezen, +Zwitsers en Graubunders, Franken, Strand-Friezen en Eiderstedders, +uit de oude Friezen zouden herkomstig zijn; terwijl zij ook in +Oud-Engeland of Brittannien, Ethiopien en Chili in Amerika, zich +zouden hebben voortgeplant. Van de vermelding ten tweede male der +Helvetiers of Zwitsers uit de Friezen gesproten [126], ten tijde van +den Potestaat Magnus Forteman is eene geheel verschillende lezing +in de Corte Chronyck van Sybe Jarichs [127], welke zegt, dat de +Friezen die onder Forteman tegen de Romeinen waren opgetrokken, op +den terugtogt ten deele in Lombardijen en Italien metter woon waren +gebleven, door een hoop volks meestal gedood werden, zoodat er maar +weinigen ontkwamen. Dezen nu zwierven op bergen en in dalen rond, +tot dat zij in Zwitserland gekomen, aldaar zich huizen hebben gebouwd +en een gedeelte lands bevolkt. + +Menso Alting beweert, dat de Friezen van een en dezelfde afkomst zijn +als al de Overrijnsche volkeren. Het voorgeven, dat zij uit Phrygien, +of de Indien herwaarts zijn gekomen, acht hij voor zottengeklap en eene +lange reeks van leugens [128]. Hoezeer eene geheele vergelijking van al +het geschrevene over dit onderwerp, met een naauwkeurig oordeelkundig +onderzoek gepaard, een moeijelijke arbeid ware, en hoe bezwaarlijk +men ook welligt meerder licht in dezen ontvangen zou, was echter de +beproeving daarvan, en eene wijsgeerige beschouwing van alle nog +voorhanden zijnde werken en geschriften der moeite overwaardig en +een zeer verdienstelijk werk. Er is nog zoo veel aanwezig, geschikt +tot bruikbare bouwstoffen, hoezeer dan ook de vernielingswoede vele +belangrijke Charters voor altoos hebbe vernietigd, ja zelfs vele +gedenkstukken der oudheid door zorgelooze onnoozelheid het droevig lot +hebben moeten ondergaan van over de zeepalen te worden geworpen, en +welligt hun graf hebben gevonden in de diepte dier golven, welke over +de verzonken grondvesten der aloude Friesche Koningsstad henenrollen, +even als of men ook de laatste getuigen des voorvaderlijken roems in +hetzelfde graf voor eeuwig wilde begraven. Wenschelijk ware eene meer +algemeene belangstelling in het lot der Historie en in den goeden wil +dier Schrijvers, welke zonder zelfverheffing of eerbejag slechts hun +vaderland en de wetenschappen willen dienen, wier doel en handeling +niet door gloeijende eerzucht of geldgewin worden bestuurd. + +Wij willen hiermede over alles wat den oorsprong der Friezen betreft +afstappen [129]. + + + +Het ligt geheel buiten ons bestek, alles te verzamelen en te vermelden +wat door de geschiedschrijvers al niet geboekt, geoordeeld en gegist +is over het hoogst onzekere tijdvak van de eerste bewoners dezer +Friesche landen, tot op de geboorte van Christus Dit behoort tot +eene volledige Geschiedenis der Friezen; dan met eenige meerdere +zekerheid kunnen worden vermeld, de gebeurtenissen van de komst van +den Veldheer Drusus in Friesland af tot aan de heerschappij van +Karel den Groote. Wij willen derhalve overnemen, hetgeen de heer +van Halmael in zijn zeer belangrijk Overzigt over dit tijdvak heeft +geschreven [130], in hetwelk men natuurlijk wel overeenkomst met de +kronijken, maar tevens ook vele afwijkingen van sommiger stellingen +zal ontdekken. Er heerscht echter over deze tijden ook nog eene vale +schemering, zoo geene duisternis; want de eerste Friesche Koning, wiens +naam en handelingen met genoegzame zekerheid kunnen worden vermeld, +heeft geregeerd in de zevende eeuw en heeft den troon beklommen omtrent +590 of 630. Adgillus de Eerste was die Vorst: wie echter zijn vader +was, daarover hebben de geleerden het niet eens kunnen worden. + +Nu volgt het Overzigt: + + +§ 2. + +»Elf jaren voor Christus geboorte, vertoonde zich de veldheer +der werelddwingende Romeinen, Claudius Drusus Nero in het land der +Batavieren. Men zegt, ten einde de Germanen of Duitschers te straffen, +die in de landen, aan hunne grenzen liggende, en onder het oppergebied +der Romeinen staande, geplunderd hadden. Hij begaf zich langs den Rijn +in den Oceaan, ten einde de monden Van de Eems en Wezer te bezoeken, +tusschen welke de Cauchen of Chauken toen woonden. Aan hunne grenzen +raakte hij in groot gevaar, doch de Friezen, met welke hij bevorens +in een vriendschappelijk verbond was getreden, redden hem." + +»Een jaar later deed hij eene gracht graven, waardoor hij van den Rijn, +door den Ouden IJssel in het meer Flevo komen konde. Van daar konde hij +door de Middelzee en verder over de Wadden, in de Eems geraken. De +Friezen verbonden zich, waarschijnlijk omdat hij hun beloofde, +dat de Romeinen hen bijstaan zouden tegen hunne, immer onrustige, +Germaansche naburen, tot het jaarlijks leveren van een bepaald aantal +ossenhuiden. Ook schijnt hij ter hunner bescherming een kasteel, aan +de Noordzee te hebben aangelegd. Dat kasteel almede Flevo of Flevum +genoemd, plaatsen de oudheidkundigen op het tegenwoordig eiland Grind, +thans eene schulpplaat, niet verre van Terschelling. Daaruit kon de +Romeinsche bezetting spoedig de Eems bereiken [131]." + + +§ 3. + +Jaren na Chr. 29. 48. + +»Met de goede trouw, die van oudsher de Friezen kenschetste +(gelijk de Germanen over het algemeen), voldeden zij eenige jaren +aan hunne verbindtenis, en wel tot aan of in het jaar 29 na Christus +geboorte. Den Romeinschen veldheer Germanicus schijnen zij bijgestaan, +en zelfs zijn leger eenmaal eene groote dienst bewezen te hebben, +met hem zekere plant, door de Romeinen Brittenkruid genaamd, +ter heeling van de scheurbuik aan te wijzen [132]. In gemeld jaar +eischte zekere Olennius, een Romein, die met eenig bevelhebberschap, +misschien wel met dat van het kasteel Flevum, en met het invorderen +der zoogenaamde schatting belast was, eene soort van huiden, welke +zij, evenmin als de waarde van dien, leveren konden. Zij lieten +zich eerst daarvoor hunne ossen, toen hunne landerijen, eindelijk +hunne vrouwen en kinderen tot slaven afnemen, hopende dat men hunne +bereidwilligheid ziende, hun geregtigheid zou doen wedervaren. Maar, +het zij de klagten der armen het oor des Keizers niet bereiken konden, +het zij de Keizer zijne prefecten toeliet in het klein te plunderen, +gelijk hij-zelf in het groot deed, zij vonden geen gehoor, en begonnen +den regvaardigsten krijg. Zij grepen en doodden de hen kwellende +knechten, en belegerden Olennius in de Romeinsche sterkte. Wel moesten +zij het beleg opbreken, omdat er een aantal Romeinsche benden ter +ontzet naderde, alles onderwegen plunderende en verwoestende; doch, +ofschoon de Romeinen, volgens het zeggen hunner geschiedschrijvers, +hen, evenwel niet zonder aanvankelijke nederlagen en groot verlies, +overwonnen, zij schijnen hunne vrouwen en kinderen, en hunne landerijen +toch terug bekomen te hebben, en waarschijnlijk zijn zij zelfs wel +van Romeinen en schatting ontslagen geworden, of ontheven gebleven." + +»Althans men vindt niet weder van Romeinen hier te lande gewag gemaakt, +dan omtrent twintig jaren later. Toen, heet het, hebben de Friezen zich +aan den veldheer Corbulo onderworpen. Hij leidde weder krijgsbezetting +in Friesland, en stichtte er eene sterkte, zoo sommigen meenen ter +plaatse, waar nu Groningen ligt. Doch hij moest die bezetting welhaast +terugtrekken, op bevel van zijnen toenmaligen Keizer, Claudius, die +den Rijn tot grens des Rijks bepaalde:--van eenige schatting wordt +te dier gelegenheid niet gesproken." + + +§ 4. + +J. na Chr. 59. + +»'t Schijnt evenwel dat de Friezen, wier naam, sedert het gebeurde +met Olennius, reeds onder de Germanen doorluchtig was geworden, +bondgenooten der Romeinen gebleven zijn.--Toen toch, eenige jaren +later, een deel der Friezen, onder aanvoering van Verritus en Malorix +[133], die men daarom niet voor Friesche Koningen behoeft te houden, +zich op eene ledige plek gronds, denkelijk aan den linker Rijn-oever +nedersloegen; toen daarop de Romeinsche gezaghebber in dien oord +hun aanzeide, dat zij die weder verlaten moesten, ten zij de Keizer +hun toestond, haar in te nemen, begaven Verritus en Malorix zich, om +'s Vorsten toestemming te verkrijgen, naar Rome. Daar bragt men hen +in den schouwburg; zij zagen er de gezanten der volkeren, die gezegd +worden in trouw en liefde voor Rome uit te munten, op de banken der +Romeinsche Raadsheeren zitten, dat een eerbewijs heette. Daarop begaven +zij zich derwaarts, en zetten er zich insgelijks neder, zeggende: +dat geene stervelingen de Germanen in wapenen of trouw overtroffen. De +Friesche rondheid behaagde zelfs den wellevenden Romeinen." + + +§ 5. + +J. na Chr. 240, 350, 418. + +»Het komt ons voor, dat de Friezen, bij vervolg van tijd, nu eens +de zijde der Romeinen zullen gehouden hebben, in de oorlogen, +welke dezen bij voortduring tegen de Germaansche volkeren voeren +moesten; dan weder, zich met de laatstgemelden tegen de Romeinen +zullen vereenigd hebben. Van het laatste vinden wij een bewijs in +den bekenden oorlog, door de Batavieren, onder Claudius Civilis, +tegen hunne onderdrukkers ondernomen. Ook kan het zijn, dat zij +somtijds inderdaad aan hen onderworpen geweest zijn; doch zij raakten +eindelijk buiten alle betrekking tot dezelven. Gedeeltelijk voorzeker +reeds, toen onderscheidene Germaansche volkeren, onder den naam van +Franken, omtrent het jaar 240, vereenigd, zich ruim honderd jaren +later, vestigden in Taxandrie, waardoor men het voormalig eiland +der Batavieren met de zuidelijk daaraan grenzende landen, en een +gedeelte van Braband, misschien ook Zeeland moet verstaan.--Voor zoo +verre zij zelven, of althans een gedeelte hunner, tot dat verbond +behoord mogten hebben, en onder de Saliers mogen gerekend zijn, +zijn zij nogtans zekerlijk vrij en onafhankelijk gebleven, en dien +Franken niet onderworpen.--Geheel echter, toen die zelfde Franken, +nog ongeveer honderd jaren later, een koningrijk in Gallië, het +tegenwoordige Frankrijk, stichteden, hetgeen Rome erkende. Rome, dat +Rijk, hetwelk intusschen door zijnen opperheer, Theodosius den Groote, +in twee Keizerrijken, het Oostersch, hoofdstad Constantinopolen, en +het Westersch, hoofdstad Rome, was gesplitst geworden, en onder zijn +eigen gewigt bezweek, gelijk alle Staten zullen doen, die, als Rome, +naar de opperheerschappij der wereld trachten;--o troostrijke leer +der Geschiedenis!" + + +§ 6. + +J. na Chr. 62, 68, 90, 183, 186. + +»Als men het gezag onzer kronijken niet geheel wil verwerpen,--en het +zoude zoo ondienstig voor de beoefening der geschiedenis als onbillijk +jegens onze voorvaderen gehandeld zijn, indien wij het deden,--leden +de Friezen intusschen menigen aanstoot van de Noordelijker en +Noord-oostelijker volkeren, onder onderscheidene namen, maar vooral +onder dien van Deenen in gemelde schriften voorkomende. + +Reeds op het jaar 62, wordt van zulk eenen inval der Deenen in +Friesland gesproken, en jaarlijks schijnen zij, tot in 68, hunne +pogingen te hebben herhaald, meer om te plonderen, dan om zich hier +te vestigen. Op het jaar 90 vindt men van eenen inval der Noormannen +gewaagd. Omtrent 183 van eenen dergelijken der Gothen en Wenden. Op 186 +van eenen der Wilten, welke bij die gelegenheid de eerste grondslagen +van Wiltenburg, naderhand de stad Utrecht, zouden gelegd hebben [134]. + +Zijn er inderdaad zulke invallen, bloot met oogmerk te plunderen, +geschied, dan mag men daaruit afnemen, dat deze landen minder arm dan +voorheen waren. De netten van eenige visschers, en het weinige vee +van eenige arme landbouwers, kunnen toch de roofzucht van tamelijk +afgelegene volkeren niet, bij herhaling, hebben aangelokt; en wanneer +het waar is, dat men hier, op zijne beurt zich bereidde tot eenen +zeetogt naar de landen dier lastige plonderaars (welken togt, uit +hoofde van een getroffen bestand, achterwege bleef), schijnt zulks +eene regering aan te kondigen, die niet geheel van magt en veêrkracht +ontbloot was. Doch wij zullen hier niet verder in treden, omdat onze +bronnen niet zekerder en naauwkeuriger zijn [135]." + + +§ 7. + +Jaren na Chr. 280, 449. + +»Inmiddels hadden ook de Saksen zich van een gedeelte van +ons tegenwoordig Nederland meester gemaakt.--Dit volk, welks +oorspronkelijke woonplaats men denkelijk in het tegenwoordige Sleeswijk +en Holstein, over de Elve, langs de Noordzee, en op de eilanden aan de +kust dier zee moet zoeken, schoon het sedert lang zich westwaarts had +uitgebreid, kwam, waarschijnlijk over zee, eerst in Taxandrie (verg. § +5), en trad in verbond met de Franken, die hen de bezette landstreek +behouden lieten. Toen de Franken zich zuidelijker op begaven, hebben +de Saksen meerderen hunner landgenooten tot zich gelokt, en zich +meer en meer van de Franken afscheidende, en een gedeelte hunner +vorige woonplaatsen bezettende, eenen Staat op zich zelven gaan +uitmaken. Franken, Saksen en Friezen, waarin de kleindere natien, +die voorheen ook dezen grond bewoonden, versmolten waren, wat met +name van het overschot der voormalige Batavieren mag gezegd worden, +die zich met de Friezen vereenigd hebben;--Franken, Saksen en Friezen +bezetteden alzoo het grootste deel van het tegenwoordige Frankrijk +en onze Nederlanden, en naarmate de Saksen hunne vorige woonplaatsen +verlieten, hebben de Friezen zich daarin uitgebreid." + +»Toen de Franken nog aan de Friezen grensden, werd er een gedeelte der +eerstgemelden, bij zekere gelegenheid, door den Romeinschen Keizer +Probus naar de kust van Pontus overgebragt. Deze Franken, gedreven +door liefde tot den voormaligen grond, verlangden daarna terug te +keeren. Zij maakten zich meester van eenige Romeinsche schepen, zeilen +daarmede door den Bosphoros en den Hellespont tot in de Middellandsche +zee, plunderen de kusten van Asia, Griekenland, de rijke stad Syrakuse +op het eiland Sicilië; zeilen vervolgens door de straat van Gibraltar, +en zoo komen deze stoutmoedige roovers, langs de kusten van Spanje +en Frankrijk, door het kanaal, aan het strand der Batavieren of +aan dat der Friezen. Dit einde van hunnen togt, welke eene reis om +de wereld mag heeten, maakt het waarschijnlijk dat er ook Friezen +onder deze zeevaarders geweest zijn, en dat de eer dier onderneming, +aan welke men zijne bewondering niet kan weigeren, ook gedeeltelijk +aan onze voorouderen toekomt. Van oudsher was verkleefdheid aan den +vaderlandschen grond een hoofdtrek van het Friesche karakter." + +»Nadat de Saksen de onmiddellijke naburen der Friezen geworden +waren, hebben zij met dezen in verbond geleefd. Ook mag men het +daarvoor houden, dat de lotgevallen der Saksen, bij de Schrijvers +der middeleeuwen vermeld, grootendeels mede die der Friezen geweest +zijn [136], die dan eerst weder met hunnen eigenen naam ten tooneele +verschijnen, nadat de Saksen oostwaarts wijken voor de Franken, die +zich op nieuw tot aan Friesland uitbreiden, en eindelijk ook daar +meester worden." + +»Zoo is het b. v. bij de naauwkeurigste en oordeelkundigste +Geschiedschrijvers zeker, dat er Friezen geweest zijn onder de Saksers +en de met hen vereenigde Anglen (een ander noord-oostelijk volk), +die zich, onder aanvoering van Hengst en Hors, zoo men ze noemt, +in 449 of 50 naar Brittanje, het tegenwoordige Engeland, begaven. En +hoewel het nagenoeg zeker is, dat de aanvoerders zelve Saksen waren, +komt het ons voor, dat zelfs het grootste gedeelte dier vreemdelingen +uit Friezen heeft bestaan." + +»Zij waren tot die overkomst uitgenoodigd geworden door de Britten +zelven, die hunne noordelijke grens-naburen, de Schotten en Pikten, +niet wederstaan konden. Van hen en van de dochter van Hengst, de +schoone Ronixa of Rovena, maken zoowel de Britsche kronijken als de +onze gewag." + +»Hier voor pleit ook de overeenkomst van de Engelsche met de echt +Friesche taal, beide dochters der Saksische, naderhand Anglo-Saksische +genaamd, d. i. dier taal, welke de in Brittanje overgekomene Saksen, +Anglen en Friezen spraken. De Britten tot hun ongeluk te laat beseft +hebbende, dat zij nimmer ter beslissing der twisten op hun eiland, +vreemden hadden moeten inhalen, moesten later die vreemden tot hunne +heeren aannemen, of hun vaderland ontwijken. Velen begaven zich naar +een gedeelte van Frankrijk, naderhand naar hen Bretagne genaamd; de +overigen versmolten in de Anglo-Saksen. De tegenwoordige Engelschen +en de Friezen mag men met regt broeders kinderen heeten. Ware deze +les voor de Friezen slechts niet evenzeer verloren gegaan als voor +zoo vele latere volkeren!" + + +§ 8. + +J. na C. 468, 496, 555, 562, 605, 628, 631. + +»Doch toen de Saksen en Franken elkander wederkeerig te magtig +werden, ontstond er groote vijandschap tusschen deze beide strijdbare +volkeren. Toen de Koning der Franken, Childerik, met zijnen mededinger +Egidius (Gilles) om de kroon twistte, kozen de Saksen de zijde van den +laatstgemelde, die hen om bijstand aanzocht. Staatkundig was het, het +verzoek van den zwakste in te willigen, ter vernedering en verzwakking +van den magtigste.--Maar de Saksers streden zoo ongelukkig, dat zij +genoodzaakt waren, zich aan Childerik te onderwerpen, zelfs hem bij te +staan in zijne oorlogen tegen andere Duitsche volkeren. Daarna weder +in oorlog geraakt met Childerik's zoon, Klovis, schoten zij ook tegen +dezen te kort. Klovis verdeelde, bij zijnen dood, zijn rijk onder +zijne zonen, en dat gedeelte, hetwelk vervolgens onder Oost-Frankrijk +of Austrasie heeft behoord, grensde aan de Saksen.--Eerst het aandeel +van Theodorik I zijnde, geraakte het later in handen van Klovis' +jongsten zoon, Chlotarius I. Deze met de Saksen in oorlog geraakt, +bragt hun verscheidene nederlagen toe. De strijd werd telkens hervat, +en eindigde met de oplegging eener schatting aan den vijand, die van +den Franken 500 koeijen jaarlijks te leveren." + +»Evenmin gelukkig waren zij tegen Sigebert I, zoon van Chlotarius I, +en Koning van Austrasie, die hen sloeg aan het Boerdiep, d. i. de +Middelzee, dus in het hart van ons tegenwoordig Friesland,--tegen +Theodebert II en Theodorik II, kleinzonen van voormelden Sigebert I, +Koningen van Austrasie en Bourgonje,--tegen Chlotarius II, Koning van +geheel Frankrijk, en tegen Dagobert I, diens zoon. Deze laatste schold +hun de schatting kwijt, hun door Chlotarius I opgelegd, mits zij de +Slavoniers, een Noordsch volk, dat hem te magtig was, beteugelden, +'t geen hun echter niet gelukte." + + +§ 9. + +Jaren na Chr. 513, 677. + +»Inmiddels hadden de Noordsche volkeren niet stil gezeten. Nogtans +vielen zij met meer zoo bij voortduring op de Friezen aan als te +voren. 't Schijnt zelfs dat dezen, of om in den stijl van dien tijd te +spreken, de Saksen, hen hebben bijgestaan tot het doen van eenen inval +op het grondgebied van den reeds vermelden Theodorik I. Toen Dagobert +hun de schatting kwijtschold, was Adgillus I Koning der Friezen. Hem +kunnen wij prijzen als een regtvaardig en edel Vorst. Hij vergunde +het prediken van het alleen zaligmakend Evangelie in deze landen. De +heilige Wilfrid, Bisschop van Jork in Brittanje, kwam van daar +herwaarts. Zijne vijanden aan het Engelsche hof, waartoe de Koning zelf +schijnt behoord te hebben, wanende dat hij naar Frankrijk was gegaan, +wisten den ondeugenden Ebroïn, toen Groot-Hofmeester bij den Koning +van Frankrijk, in hun belang te trekken. Deze schreef aan Adgillus, +en beloofde hem eene aanzienlijke som gelds, bijaldien hij hem den +Bisschop, levendig of dood, wilde overleveren. Adgillus was geen +Christen, maar de oude deugd der Duitschers (der Friezen vooral, zeggen +wij) woonde in zijn hart. Hij deed een' brief, in tegenwoordigheid +van Wilfrid en zijne medgezellen, en in dien van Ebroïns gezanten, +luide voorlezen; vervolgens nam hij dien, verscheurde hem, en leverde +het overschot der vlam over, de Frankische afgezondenen den smaad en +der schaamte ter prooi latende." + +»Volgens onze kronijken, deed ook Adgillus zekere hoogten of terpen +opwerpen, opdat zich de landzaten daarop bergen mogten tegen de +overstroomingen, welke van oudsher deze landen met wee en jammer +overstelpten [137]." + + +§ 10. + +J. na Chr. 679, 685, 687, 711, 719. + +»De opvolger van Adgillus, Radboud I, (of hij zijn zoon was, +wordt door sommigen, niet zonder grond, betwijfeld) regeerde niet +gelukkig.--Volgens de Kronijken, werd hij zelfs door de Denen +gevangen genomen en naar Denemarken gevoerd; naderhand echter weder +vrij gegeven. Het Frankische Rijk was een tijdlang ter prooi aan +binnenlandsche oneenigheden. Van deze schijnt Radboud zich aanvankelijk +bediend te hebben, ten einde zijn Rijk tot aan den mond der Schelde +uit te breiden. Dit echter wikkelde hem in eenen krijg met de Franken, +die voorlang de Saksen verdreven hadden uit de landstreken, welke +Radboud nu aan zich trok, en er meesters geworden waren." + +»De Koningen der Franken waren thans slechts Koningen in naam, +en de klem van het bewind was in handen (sedert 687) van den +Groot-Hofmeester Pepijn van Herstal, die zich Hertog en Prins der +Franken noemde. Pepijn schijnt Radboud een aanzienlijk gedeelte van +zijn Rijk ontweldigd te hebben, onder anderen Wiltenburg (Utrecht), 't +welk Pepijn vervolgens ten verblijve gaf aan Willebrord, door den Paus +tot Bisschop der Friezen verheven. Pepijn was een ijverig Christen, +en wist het Christendom wonder wel dienstbaar te maken aan zijne staat- +en heerschzuchtige oogmerken. Radboud haatte Pepijn en het Christendom, +hetwelk hem aan Pepijn onderwerpen moest. Daarom verwoestte hij bij +de eerste gelegenheid de beste den nieuwen Bisschopszetel, doch moest +weder voor Pepijn zwichten." + +»Op nieuw werd de prediking in Friesland hervat. Zelfs nam Radboud's +dochter, Theodesinde of Teutsinda, het Christendom aan, en werd de +echtgenoote van Grimoald, zoon van Pepijn. Dit bewijst duidelijk, +dat de zoo magtige Franken evenwel geene kans zagen, zich de Friezen +te onderwerpen, en dat Pepijn uit dien hoofde, zich door zoodanig eene +verbintenis, ten minste tegen hunne vijandschap, poogde te verzetten." + +»Deze Grimoald werd daarna vermoord door zekeren Rangarius, welke +gezegd wordt tot de lijfwachten van Koning Radboud behoord te +hebben. Daarom wijten sommigen hem, anderen zijner dochter, dien +moord. Doch dit is ver van bewezen, en wij zien inderdaad niet, +dat Radboud enig belang bij den ondergang van Grimoald zoude gehad +hebben, eene reden te minder, om aan die beschuldiging geloof te +slaan.--Wel zegt een onzer Geschiedschrijvers, dat Radboud, die +zich immer nog niet ontzag de Christenen te vervolgen, niet beducht +voor de wraak van Pepijn, wiens jaren hoog geklommen waren, vreezen +moest, dat Grimoald den hoon, zijnen vader aangedaan, zou wreken, +en hem daarom uit den weg moest ruimen; doch wat zou hem dit gebaat +hebben, daar Pepijn nog twee andere volwassen zonen had, door geene +echtverbindtenis aan Radboud verbonden, en van welke hem dus zoodanig +eene wraak nog veel meer stond te vreezen?" + +»Om een bewijs te geven, hoe verschillend de latere Geschiedschrijvers +de gebeurtenissen van dien tijd opvatten, en hoe moeijelijk het +daarom is, een overzigt van denzelven daar te stellen, willen wij, +hetgeen op dien moord volgde, op tweederlei wijze verhalen." + +»Pepijn, zegt een der beroemdste hedendaagsche Duitse +Geschiedschrijvers [138], bepaalde hierop, dat Theudoald, Grimoald's +onechte zoon, Hofmeester in Austrasie zou worden, welke waardigheid +alleen Pepijn eigenlijk had bekleed, hoewel hij ook grooten invloed +op de zaaken van West-Frankrijk (Neustrië of Neustrasie) had. Daarop +deed Plectrude, grootmoeder van Theudoald, de zonen van Pepijn bij +zekere Alpheid (of Alphaïda), Karel (Martel) en Hildebrand gevangen +nemen, opdat zij aan Theudoald de waardigheid van Groot-Hofmeester +niet betwisten zouden. Dit kon niet geschieden zonder voorkennis +van Pepijn.--Pepijn stierf. De West-Franken verkozen toen zekeren +Raginfrid tot hunnen Groot-Hofmeester. Daartegen verzetteden zich de +Oost-Franken, met Theudoald aan 't hoofd. Er viel een veldslag voor, +dien de Neustrasiers wonnen. Theudoald nam de vlugt, en kwam kort +daarna om. Hierop ontkwam Karel Martel zijner gevangenis, en wilde +zich met het Groot-Hofmeesterschap van Austrasie te vreden houden. Ook +dit wilden de Neustrasiers hem niet laten. Nu streed hij dan om het +geheel, en het gelukte hem, Groot-Hofmeester over de beide Rijken, +ook Hertog en Prins te worden. Theudoald was voor het overige ouder +dan Karel, die omstreeks 690 geboren was." + +»Pepijn, zegt een der nieuwere en wijsgeerigste Fransche +Geschiedschrijvers [139], was Groot-Hofmeester over geheel Frankrijk; +eene van zijne grootste zorgen was, alle onderscheiding tusschen +Austrasie en Neustrië te doen verdwijnen; maar hij was genoodzaakt, +die onderscheiding weder op nieuw te maken, ter gunste van zijne +zonen. Toen Grimoald stierf, liet hij eenen zoon na, Theudoald, oud +ongeveer zes jaren. Dezen schonk Pepijn toen het Groot-Hofmeesterschap +van Neustrië. Toen stierf hij. Na zijnen dood deed Plectrude Karel +Martel gevangen nemen,--van Childebrand (Hildebrand) wordt niet +gesproken; dit had Pepijn voorzeker niet gelast. Daardoor veroorzaakte +zij dat Karel, die anders aan Theudoald het Groot-Hofmeesterschap +van Neustrië wel zou gelaten hebben, als zich met dat van Austrasie +kunnende vergenoegen, nu uit wraak, om den hem aangedanen hoon, hem dat +moest betwisten.--De grooten van Neustrië, niet door een kind willende +geregeerd worden, kozen Raganfrid. Deze wilde Groot-Hofmeester van +het geheele Rijk worden. Het overige komt met het verhaal van den +Duitscher nagenoeg overeen. Alleen wordt, bij den Franschman, Ramfroy +(Raganfrid) eerst na de nederlage van degenen, die het voor Theudoald +opnamen, tot Groot-Hofmeester verkoren." + +»Zooveel is intusschen zeker, dat Raganfrid, die alleen wilde +heerschen, en eindigde met alles, op één Graafschap na, te verliezen, +naderhand echter zoo verstandig was, zich met hetzelve tevrede te +houden, hetwelk andere overweldigers, die in het eerste zijn voorbeeld +gevolgd hebben, niet deden; dat deze Raganfrid hulp zocht bij Radboud, +dien de Fransche Schrijvers slechts Hertog der Friezen noemen;--hij +mogt geen hooger rang dan Pepijn en Karel hebben. Dit moet den +doodvijand der Austrasiers welkom geweest zijn.--Hij trok te veld, +en overwon Karel, die hem afzonderlijk aanviel. Hij schijnt zich +vervolgens met de Neustrasiers vereenigd te hebben tot het beleg +van Keulen, in welke stad Plectrude zich onthield, die, nadat de +Neustrasiers hadden moeten aftrekken, omdat Karel hen in den rug +dreigde, hem tot den aftogt, door eene aanzienlijke som gelds, +overhaalde." + +»Hiermede was echter de krijg tusschen Karel en Radboud nog niet +geëindigd. Nadat Frankrijk-zelf was bevredigd geworden, schijnt +Radboud, die misschien zijne aanvallen op dat gedeelte van zijn gebied, +hetwelk hem door Pepijn was afgenomen, hernieuwd heeft, nog eene +nederlage aan de Middelzee te hebben geleden, en dien ten gevolge +op nieuw de prediking van het Christendom door geheel Friesland te +hebben moeten toestaan. Daarna verklaarde hij zich zelfs bereid den +H. Doop te ontvangen. Toen echter Wulfram, laatstelijk Bisschop +van Sens, gereed stond, hem dien toe te dienen, en hij bereids +met den éénen voet in de doopvonte stond, vroeg hij den Bisschop, +of hij zijne voorvaderen en de verstorvene Friesche Edelen ook in +den hemel hervinden zoude? Wulfram's onbedacht antwoord: dat die in +de hel waren, als ongedoopten, deed hem, onder het zeggen, dat hij +liever met zijne voorvaderen en vrienden in de hel, dan met aan hem +onbekende Christenen in den hemel zijn wilde, den voet terugtrekken." + +»Volgens anderen zou dit al onder Pepijn zijn voorgevallen. Sommigen +verklaren de geheele gebeurtenis, welke den inborst van Radboud +nogtans volkomen kenschetst, voor eene fabel." + +»Kort daarop kwam Radboud te sterven." + + +§ 11. + +J. na Chr. 734, 738, 744, 746, 754 of 755. + +»Wie hem opvolgde, is niet geheel zeker; sommigen zeggen, zijn +zoon Adgillus II, anderen, zekeren Poppo. Misschien is het +Radboud I mogelijk geweest, zijn gebied, op het voorbeeld der +Frankische Koningen, onder zijne kinderen te deelen, en dan zal hij +Oost-Friesland, het land der groote Friezen, aan zijn oudsten zoon, +Adgillus II, en wat hem van het overige gebleven was (Noord-Holland), +aan diens broeder Poppo gegeven hebben." + +»Poppo oorloogde met Karel Martel. De twistappel, hetgeen den Frieschen +Koningen van het voormalig land der kleine Friezen ontnomen was, +was voorhanden. Poppo is waarschijnlijk in dien strijd gesneuveld, +zonder dat de Friezen meer gronds verloren; zijn broeder erfde zijn +Rijk, en verdeelde bij zijnen dood hetzelve weder onder zijne zonen, +Gondebald en Radboud II." + +»De laatste bekwam West- de eerstgemelde Oost-Friesland." + +»Gondebald was een vreedzaam Vorst; maar Radboud II had den aard en +de denkenswijze van zijnen voorzaat van gelijken naam, en bovenal +diens afkeer van het Christendom overgeërfd. Met de Saksen verbonden, +beoorloogde hij Karoloman en Pepijn den Korte, zonen en opvolgers van +Karel Martel, maar zonder vrucht. Daarentegen stond hij zijn' broeder, +Pepijn, bij tegen de Saksen. Het schijnt op aandrijving van Radboud +geweest te zijn, dat de vrome Bonifacius, Aartsbisschop van Maintz, +het Christendom verkondigende, in het gebied van Gondebald, omtrent +het toenmalige vlek Dokkum, door de ongeloovige Friezen vermoord is +geworden. Althans Pepijn, toen reeds Koning der Franken, heeft dien +moord op hem gewroken, of dien, tot voorwendsel om hem op nieuw te +beoorlogen, genomen. Radboud moest de vlugt naar Denemarken nemen, +en misschien heeft hij zich toen eenigen tijd op het eiland Helgoland +opgehouden, en aldaar de afgodendienst in al haren vorigen luister +hersteld. Ook zou het kunnen zijn, dat Gondebald eerst toen, na het +vertrek van Radboud, de kroon verkregen heeft, en dat de laatstgemelde +tot dien tijd toe alleen in Friesland geheerscht had. In dit geval +zouden wij onderstellen mogen, dat Radboud de oudste zoon van Adgillus +II geweest is." + + + +Tot dusverre het Overzigt van den heer v. Halmael, uit al +de Geschiedschrijvers bijeengebragt en met zijn eigen oordeel +verrijkt. Het verschil in de jaren, waarin de gebeurtenissen worden +vermeld, is bij vele Schrijvers zeer opmerkelijk; dan een opzettelijk +onderzoek hierover, zou voor ons doel van weinig nut zijn.--Wij zullen +liever de korte geschiedenis van Radboud tot aan zijnen dood vervolgen. + +In den jare 768 stierf Pepijn, nalatende drie zonen, Karloman, Karel +en Gilles; welke beide eersten, daar de laatste tot den geestelijken +stand was opgebragt, het rijk verdeelden. Karloman viel Oost-Frankrijk +en Karel Friesland ten deel. Karel, door zijne regtschapenheid, +vele deugden en groote kundigheden, verwierf zich te regt den naam +van den Grooten [140]; maar zijne onrustige broeder, wien twist en +tweedragt liever was dan rust en vrede, vervolgde hem steeds als een +vijand. Dan slechts drie jaren werd hem daartoe gegeven, want toen +stelde de dood paal en perk aan deze kwelling. Karel werd nu ook als +Koning van Oost-Frankrijk erkend. + +Radboud, de bittere vijand zoowel der Christenen als der Franken, +was in Friesland teruggekeerd, algemeen weder tot Koning erkend, +en begon zijnen woesten aard en wreede vervolging weder vrijen +teugel te vieren. Hij vereenigde zich met der Saksen Koning of +Hertog Witekind, ten einde Karels magt te fnuiken en op den troon +te blijven. Meer dan eens moest hij echter het onderspit delven, +tot hij eindelijk gedrongen werd weder naar de Denen de wijk te +nemen. Een paar jaren daarna, (gelijk sommige Schrijvers beweren) +tijdens den togt van Karel naar Spanje, waarin alwat Frankenland +groot en edels opleverde, tot volkomen nederlaag en vernieling werd +gebragt, kwam de nog woelzieke Radboud in Friesland, en hernam het +bewind, doch slechts voor twee jaren lang.--Karel's legertroepen +joegen den woesten Fries weder naar Denemarken, zijn toevlugtsoord, +alwaar hij in ballingschap zal gestorven zijn. Geene zekere, zelfs +flaauwe narigten van zijn levenseinde, zijne familie of kinderen is +aan de nakomelingschap overgebragt. + +In Oost-Friesland zijn nog overblijfselen uit den ouden tijd aanwezig, +zoo als de Kon-Rebberts- en Rabboltswegen, de Rabboltsbergen en een +deel van de heerbaan in Groningerland, welke Radbodiweg genoemd wordt +[141]. + + +Bl. 6. + +Over het Friesche Wapen meenen wij te mogen aanmerken, dat, wanneer +men het oude Wapen van Friesland, voorkomende bij Winsemius, +Hamconius en anderen, voor het familiewapen der Friesche Koningen +houdt, de geschiedenis hiermede in strijd is, als den oorsprong der +Familienamen en Wapens uit de tijden der Kruistogten, aangevangen in +1096, vermeldende; terwijl de laatste Koning, Radboud II, omtrent +den jare 775 de kroon verloor, en waarschijnlijk kort daarop is +gestorven. Sommigen hebben echter beweerd, dat de oorsprong der Wapens +reeds bij de oude Germanen te zoeken zij; doch hoewel de schilden der +voornaamste krijgshelden onder hen werden beschilderd en versierd, +vindt men geen bewijs voor de regelmatige zamenstelling en afwisseling +van kleuren naar bepaalde regels, of van eenige figuren tot kenteeken +aangenomen. Hebben de Friezen, voor dat zij met de Romeinen bekend +waren, vanen gebruikt, het blijkt nergens uit, dat deze met figuren +zouden zijn voorzien geweest; en van de Romeinen konden zij die niet +overnemen, daar deze wel effen gekleurde en met goud gestikte vanen +bezigden; doch van regelmatige wapen-figuren vindt men niet vermeld +[142]. + +Het oude Friesche Wapen heeft zeer veel overeenkomst met die +wapenschilden, welke sedert de Kruistogten in gebruik kwamen, +en dit versterkt de meening, dat het niet van Friso's tijd af als +Landswapen of als veldteeken is gevoerd.--Hamconius zegt, dat van +Friso af tot Beroald het Wapen bestaan hebbe uit een azuren schild, +waarop drie zilveren balken, op welke zeven roode plompebladeren +(niet pompelbladeren, zegt Dodonaeus) geplaatst waren.--Van Beroald +tot Radboud II werden er een balk met vier bladeren bijgevoegd, +zoodanig als Beroald het veranderde, toen hij, de dochter van Koning +Ridzard gehuwd hebbende, na den dood zijns schoonvaders Oost- en +West-Friesland vereenigde.--Suffr. Petri plaatst de plompebladeren +tusschen de balken en niet op dezelve, strijdig met de regelen der +Wapenkunde, welke niet toelaten, dat men kleuren op kleuren, maar wel +kleuren op metalen plaatst, gelijk men dit bij de Schrijvers over de +Heraldie zal vinden.--Koning Haron zoude vroeger aan de Hertogen van +West-Friesland een Wapen gegeven hebben, met slechts één zilveren balk +en vier roode plompebladeren in het blaauwe schild.--Met de regering +van Karel den Groote kwamen de leeuwen en blokjes in het Landswapen. + + +Bl. 7.--Ao 245. + +De Friesche Pateele en de Friesche Hoorn. Winsemius, Chron. fol. 12, +spreekt niet uitdrukkelijk van de eigenlijke Pateele als door Adel +ingesteld, maar wel van de vriendenmaaltijden en andere bijeenkomsten, +waarop men zich, ook op Duitsche wijze, aan de dronkenschap overgaf: +iets dat aan geen tijdvak zeer vreemd is. Echter werd er spoedig bij de +feesten een ceremonie- of zedemeester aangesteld, wien bij het drinken +vooral het toevoorzigt was gegeven. De kantteekening van Wins. ter +a. p. luidt: »Die Vriesche Hoorn inghestelt met den Schuttel."--Deze +Pateele of schotel zou uit dertien of veertien verschillende geregten +bestaan hebben, en de Hoorn een gewone stierenhoren geweest zijn. Wie +nu de geschiedenis van Adel voor eene fabel houden, beweren, dat de +Friezen het gebruik van uit Horens te drinken van de Denen en Noren +hebben overgenomen.--Dan stellig is het, dat het gebruik in overouden +tijd bestond; als ook, dat men later de Horens niet meer van gemeene +stieren, maar van Ur-ossen genomen heeft, dezelve zeer versierde en +met goud en zilver prachtig liet beslaan.--In de onuitgegeven Kronijk +van Worp van Thabor, Lib. I. cap. 2, wordt hierover uitgewijd. Zie +Hamconius, Frisia, fol 8; Gabbema, Verh. van Leeuw., bl 13; Alkemade, +Displegtigheden, II. 408 volgg. + + +Bl. 7.--Ao 245. + +Adelingen. Ofschoon er reeds in de vroegste tijden, en welligt in +Friesland vroeger dan elders, een stand van mannen bestond, die men +Edelen noemde, is het echter niet aannemelijk, dat zij hunnen naam +van dien van Prins Adel hebben ontvangen. Immers de afleiding van het +woord spreekt het tegen. Het zij voldoende, uit meerderen hier het +aangevoerde van de kundige en schrandere Vertalers en Aanteekenaren +op de Oude Friesche Wetten aan te halen, en als het meest aannemelijk +denkbeeld na te volgen. Aldaar, op bl. 132, lezen wij: »Waar in het +weezen van den Adel, onder de Duitsche volken, bij ouds bestaan +hebbe, kan met geen volkomen zekerheid bepaald worden.--Leibnits +(Excerpt. Mejerian. p. 289) en Gærtner (ad. L. L. Sax. p. 21.) leiden +het woord Edelman af van het over oud woord ot of od predium, +possessio, [een goed, hetzij op het land of in de stad; bezit] +(waar van allod), zoo dat Edelman zooveel zoude zijn als odelman, +predii vel pagi possessor, [groot goed- of landbezitter] en stellen +op dien grond het oorspronglijk weezen van den Adel in de bezitting +van aanzienlijke vaste goederen."--Wachter en anderen stellen het +wezen van den Adel in hooge geboorte; doch altijd blijft de vraag, +hoe de eerste edelman in de wereld gekomen zij. + +Adel dus van od, ode, ade, ede [143], grond, bezitting afkomstig, +zoo is Edele, Edelman oorspronkelijk een grondbezitter. Daar nu deze +Edellieden, als de aanzienlijkste personen, natuurlijke voorregten +genoten, tot hooger ambten en vooral tot hoogere rangen in de +krijgsdienst werden verkozen, hadden zij ook, in de vroegste tijden +namelijk, over hunne minderen het beheer en bestier, zelfs eigene +regtspleging en vrij gebied. In lateren tijd echter werden er algemeene +bepalingen, blijkbaar uit de alleroudste Friesche wetten (Lex Frisionum +sive antiquae Frisiorum leges) gemaakt, waaraan de Edelen zich moesten +houden. De afstammelingen der grondbezitters, rijksten, traden, hoewel +niet regtens, in de voorregten der ouders, met het ontvangen van het +ouderlijk erfdeel (Ethel, in 't Oud-Friesch). De rijken evenwel, die +zich goederen aankochten, werden niet onder den Adelstand opgenomen, +omdat hunne voorouders niet onder de Edelen hadden behoord: zoodat +al zeer vroeg de Adel zijn voorregt aan geboorte toekende.--Destijds +bestonden nog bij den alouden Frieschen Adel geene brieven, wapenen +of teekenen van Adeldom, daar deze eerst in de XI of XII eeuw in +gebruik zijn gekomen. + +Ten tijde van den regerenden Vorst, Hertog Georg van Saxen, (1505) +werd op diens last een register van den Frieschen Adel opgemaakt +[144], in hetwelk de in de Grietenijen aanwezige Edelen, met de wegens +oorlogen of onlusten afwezigen, werden opgeschreven. Hierdoor mogen +wij vooronderstellen, dat van dien tijd af de wezenlijke erkenning +van den Adel heeft plaats gehad, en ook de bepaalde erfopvolging is +begonnen. De Friesche Adel onderscheidde zich alzoo van die van andere +landen, daar de eerste ten gevolge van vrij en onafhankelijk bezit van +goederen tot dien stand was verheven, terwijl de andere ten gevolge van +landgoederen, van zijnen Vorst ontvangen, daartoe geraakte; ook werden +er soms door den Vorst, zonder dit, in den adelstand ingelijfd, dat is, +in diens voorregten gelijk gesteld. Zoo had men dan ook in Friesland +niet de verdeeling in bijzondere rangen, als Graven, Hertogen, Baronnen +en Heeren, [145], maar alleen den rang en titel van Friesch Edelman, +den hoogsten rang en titel, welken men voeren kon en wilde. Echter +verkoos men in den eersten tijd zich Raden, Hoofden en Aanvoerders in +oorlog en vrede, die dan Heerschappen en Hovelingen, en in de steden, +bepaaldelijk Oldermannen genoemd werden. Deze posten bleven ook in +de familiën. + +Onder de regering van Keizer Lotharius II , omstreeks den jare 1125, +bestond er tweederlei Adel,--de Hoogere, die onmiddelijk onder den +Keizer was gesteld, en de Lagere, die onder Hertogen en Graven behoorde +te staan. Dan de Friesche Edellieden wilden geene Hertogen of Graven +van Friesland erkennen, maar alleen onder de oppermagt des Keizers +staan, even als hun land. Leenmannen te wezen was hun een ondragelijk +denkbeeld, even als het voorregt uit vorstengunst gesproten, en zoo was +dan ook de alleen begeerde titel van Friesch Edelman geen mindere, dan +die van Graaf en Hertog. Het gebruik bij den Adel, om zich naar hunne +landerijen en kasteelen te noemen, was in Friesland minder algemeen, +daar men voor geslachtsnaam veeltijds den voornaam zijns Stamvaders +nam. Men leze v. Halmael's Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, § 24: +Friesch Jierboeckjen, 1833. Vergel. voorts het vertoog van Jonkheer +M. Hettema over den Oorsprong van den Frieschen Adel, voorkomende +in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 27 November 1832; +de Narede van den Heer v. Halmael achter zijn Treurspel Ats Bonninga; +F. Sjoerds, Beschr. v. Friesland, I. 470; Wakker van Zon, zijn Boekje +getit. de Adel, door Anonymus Belga, p. 16. volgg. + + +Bl. 10.--Ao 59. + +Over den Afgod Stavo, denzelfden met Thor, leze men Westendorp's +Verhandeling over het gebruik der Noordsche Mythologie, (in de +Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederl. Letterk. II. D. 1 +St.) p. 29-33;--en vergelijke Oudh. en Gest. van Vriesl. I 283-285 +en 485. + + +Bl. 12--Ao 4. + +'t Roode Klif. Al de wonderen van het Roode Klif, nabij Stavoren, +met en zonder het bestuur des Duivels, alhier en vervolgens vermeld, +kunnen wij op geenen goeden grond den waarheidlievenden Lezer +aanbevelen. Echter willen deskundigen, na ontdekking en onderzoek +van eene soort van lava in den grond aanwezig, het denkbeeld niet +verwerpen, dat het Klif een vulkaan van minderen rang is geweest, of +ten minste daarvan eigenschappen heeft gehad.--Over de menschenoffers +in Friesland gebruikelijk, zie de Aant. op 't jaar 700. + + +Bl. 13.--Ao 29. + +Deze Holle, Olennius, was Hoofdman eener Keurbende, en Landvoogd +van wege de Romeinen over Friesland. F. Sjoerds (Jaarb. I. 128) +noemt hem »een gemeen persoon onder de Voorpyllenaars" [146]. + +De verklaring van Holle of Hollo, naar de Friesche taal Hoofd, +Hoofdman, vindt men bij Hamc. Fris. p. 11, en bij S. Petri, de +Frisior. Antiq. et Orig. Lib. I. Cap. IX, welke laatste hem, echter +verkeerd, een Fries van afkomst noemt.--Diocarus ontving eerst, +volgens de kronijken, na de overwinning op de Romeinen den naam van +Segon. Hamc. I. I. + + +Bl. 13.--Ao 29. + +Omtrent het woud Baduhenne. Over den oorsprong en ligging van dit +in de Vaderlandsche Geschiedenis beroemde heilig woud is verschil +ontstaan, zoo als natuurlijk volgen moet, wanneer geene de minste +narigten uit de oudheid overblijven. Er pleit echter meer voor, dat +deszelfs ligging in de Wouden dan bij Franeker geweest zij. Even zoo +is het onzeker welke Godheid, aldaar vereerd, door Baduhenna wordt +aangeduid. Ook de Oudheidkenner Westendorp heeft het onbeslist gelaten +in zijne genoemde Verhandeling. v. Halmael, in het voorberigt voor +zijn Treurspel Adel en Ida, zegt: »De naam van het woud Baduhenna +is voorzeker door Tacitus verlatijnd. Wanneer men er den uitgang +enna of henna (dien wij, hoewel misschien anders gewijzigd, ook +in den naam Nehalennia ontmoeten,) afwerpt, heeft Badu genoegzame +overeenkomst met Balder, om de onderstelling te rechtvaardigen, dat +Baduhenna een aan Balder geheiligd woud was." Dit komt ons geenszins +vreemd voor, daar ook de vereering van den in de Scandinavische +godenleer zeer bekende Godheid Balder, zoon der Godinne Frigga, +voornamelijk en welligt uitsluitend tusschen den Rijn en den Wezer +plaats had, en aldaar in hoogen rang en van groot gezag was.--Dat +er in Friesland gewijde bosschen zijn geweest, is buiten twijfel; +jammer maar dat hunne ligging niet is nagespoord geworden, en dit, +met zoo vele andere zaken, voor een nageslacht bewaard blijft, 't +welk alsdan in zijne nasporingen misschien niets meer ontdekken zal, +dan dat het eenige eeuwen te laat gekomen is!--Vergel. West. zijne +uitstekende Verh. over het gebruik der Noordsche Mythologie. Halma, +Toneel der Vereenigde Nederlanden, enz. + + +Bl. 15--Ao 59. + +Vryt of Verritus en Malorix,--of Maloriges. In de Jaarboeken van +Tacitus, het dertiende, is het voorval dezer beide gezanten, welke +hij regerende Vorsten noemt, in zijne bijzonderheden omschreven, +bepaaldelijk vermeldende hunne vrijmoedigheid, toen zij in den +schouwburg meer met de aanschouwers dan met het spel zich bezig +hielden, en van zitplaats veranderden, om zich in het Raadsheerlijk +gestoelte neder te zetten, onder de afgezanten van andere volken, +die men wegens trouw en vriendschap bijzonder eer bewees. Deze aloude +opregtheid, zoo als men het noemde, beviel niet alleen aan het publiek, +maar ook den Keizer Nero zoo wel, (wien in eene kwade luim zulk een +gedrag weleens zeer mishaagd konde hebben) dat hij den Gezanten het +belangrijk burgerregt te Rome schonk.--Van de bekeering in den tekst +vermeld, ook bij Winsemius geboekt, wordt bij Tacitus niet gewaagd, +zoo als het ook niet voor waarheid wordt aangenomen, onder anderen +door Harkenroht in zijne Oostfr. Oorsprongkelykheeden, p. 24 en 29, +dat Verritus en Malorix, of zoo als zij anders mogen geheeten hebben, +uit de adellijke geslachten der Hermana's en Cammingha's gesproten +zijn, 't welk door Suffr. Petri en Hamconius wordt beweerd.--P. Nota, +in zijn Aanhangzel betreffende de Oudheden van Berlikum, p. 79 +in de noot, vermeent, in de woorden van Tacitus de bevestiging te +vinden, dat Verr. en Malor. geene Friesche maar Duitsche gezanten +geweest zijn. Maar waarom kunnen zij niet enkel Leidslieden van de +uittrekkende Friezen geweest zijn, en een ander Koning of Vorst der +teruggeblevenen? Deze gebeurtenis, zegt West. Jaarb. p. 15, behoort +niet tot de geschiedenis der Groote Friezen. + +Betrekkelijk deze namen vinden wij bij A. Ypeij, Geschied. der +Nederl. Tale, I. D. bl. 161 noot, onder de bewijzen, dat de oude +Friezen vele namen met hunne buren gemeen hadden, en er dus eene groote +wederzijdsche gemeenschap van volk en taal bestond, 't navolgende: +»Reeds onder de oudste Vriezen schijnen er zulke algemeene namen in +gebruik te zijn geweest. Zulks toch mag men opmaken, uit de namen +van twee Vriesche gezanten van Rome, onder Nero, welke Tacitus voor +ons bewaard heeft, namelijk Verritus en Malorix. Ann. Lib. XIII +C. 54. Indien ik mij niet bedriege, waren dit, de nog bekende namen +Gerrit en Maurik. De V toch, gelijk wij weten, verandert ligtelijk in +G, en de L in U. Gelijk de Nederlanders in het algemeen van Gerrit, hun +Geert hebben, zoo hebben, naar het schijnt, de Vriezen bijzonderlijk +van Maurik hun Murk gemaakt." + + +Bl. 16.--Ao 59. + +Op 't Oude Hof te Lewerden. Cappidus van Staveren, Suffr. Petri +en Hamconius zeggen, dat reeds voor Christus geboorte Leeuwarden +onder den naam van Aula Dei, dat is Gods-Hof, bekend was, alwaar het +opperhoofd der Druiden, Barden of Priesters was gesteld. Hier was de +leerschool van de Friezen, en genoten zij onderwijs in de godsdienst, +wetenschappen en wijsbegeerte. Dit gesticht zoude te Oldehove gestaan +en uitstekende mannen hebben voortgebragt. Latere schrijvers verwerpen +dit denkbeeld geheelenal. Wat er van zij is moeijelijk op te sporen, +nog moeijelijker te beslissen. Verg. Oudhed. en Gesticht. I. 283, +alwaar de kundige vertaler, v. Rhyn, in den geest van Emmius steeds +tot verwerpen genegen van de oude kronijken, ook geen geloof daaraan +hecht. Over de goden- en geloofsleer der Druiden, hun priesterschap, +beheer, en hun bestaan in het oude Friesche Rijk, vergelijke +men de meergemelde Verhand. van Westendorp, over de Noordsche +Mythologie, p. 319 volgg. en 331 volgg.--v. Wijn, Huisz. Leven, +I. 8, en Hist. Avondst. I. 123, zegt, dat de Germanen en dus ook de +Friezen geene Druiden of Barden gehad hebben: het tegendeel wordt +door West. bewezen;--zie bl. 287 onzer Aanteekeningen. + + +Bl. 17.--Ao 94. + +De Noormannen. In dezen tijd, en gedurende vele eeuwen later, +werd Friesland van tijd tot tijd door de Noren en Denen vreeslijk +geteisterd en geplonderd. Menigmalen behaalden de Friezen eenen triomf +op dezelven; doch ook dikwijls leden zij bloedige nederlagen. Ocko van +Scharl spreekt reeds van eenen sterken inval op den jare 62, wanneer de +Deensche Koning door sommige Oostersche volken zou opgehitst zijn. In +het jaar 69 wil men dat de Friezen, het jaarlijks rooven, plunderen +en moorden moede, eene groote krijgsmagt naar Denemarken zonden, om +ze in hun eigen land te bevechten, dan storm en onweer hadden dezen +togt belet. In 't volgend jaar echter sloten zij met den Koning een +bestand, 't welk, hoe wonder ook, volkomen stand gehouden heeft tot +den bepaalden tijd. Deze boven bedoelde inval der Noormannen, welke +anderen op den jare 90 stellen, schijnt zeer geweldig geweest te zijn, +en uit hoofde van den weinigen wederstand aan deze zijde, daar de +meeste Friezen in Romeinsche dienst afwezig waren, hadden zij tijd en +gelegenheid zich aan moord en roof ter kele toe te verzadigen. Picardt, +in zijne Annales Drenthiae, spreekt ook alzoo van dit feit.--Zie de +noot p. 305. F. Sjoerds, Jaarb. I. 197. + + +Bl. 17. + +Onder zeven Hertogen. Het algemeen gevoelen is, dat men onder die +waardigheid van Hertog, met welken titel thans dien van Prins, +in navolging der naburige volken, verwisseld werd, niet in eenen +Hoogvorstelijken of Koninklijken staat en magt bestaan hebbe, maar +dat de Hertogen, Heervoerders, Krijgsoversten of Opperbevelhebbers +waren, aan welken het bestuur en beleid des oorlogs, met alwat daartoe +behoorde, was opgedragen. + + +Bl. 22.--Ao 248. + +Dokkenburg. Deze verklaring is zeer juist. Bij Kiliaan vinden +wij Docke, (vetus) navale: waaronder verstaan wordt: stabulum of +armamentarium, ligplaats der schepen, d. i. haven. Ook bij denzelfden +Docke, Germ. poppe: en in den Theutonista, Dock of Pupp, pupa, pupulla, +popje.--Docke van Stro. + +Over de stichting dezer stad zullen wij niet uitweiden; zij is na +Stavoren de oudste, en in allen opzigte zeer merkwaardig geworden. Men +leze hierover de Oudheden en Gestichten, I. 404, met de aanmerkingen +van v. Rhyn, die met Emmius de hooge oudheid betwijfelt. Wat voorts +derzelver geschiedenis betreft, zeer belangrijk is, om herlezen en +vergeleken te worden, de korte Geschiedenis der stad Dokkum voor den +Vrede van Munster, voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant +van den 6 Julij 1830; alsmede de beide stukken in dezelfde Couranten +van 2 en 9 Maart te voren, ter verdediging strekkende tegen de dikwijls +kleingeestige en dwaze aanvallen tegen Dokkum en deszelfs bewoners, +vooral van lieden wier spelend vernuft zich door duizend vervelende +herhalingen van vroegere aardigheden tracht staande te houden. In die +stukken is eene naauwkeurige opgave der groote en beroemde mannen, +die Dokkum heeft opgeleverd, te vinden. + + +Bl. 23. + +In den jaare 289,--of omstreeks dezen tijd, toen Constantius Chlorus, +door Keizer Diocletianus tot den rang van Roomsch Koning verheven, +Galliën met zijne grensprovincien onder zijn gebied verkregen, en de +Franken, Saksen en Friezen in Batavien had overheerd, werden er velen +door hem omgebragt, anderen verplaatst, gevankelijk weggevoerd, in het +Romeinsch leger ingelijfd, of tot harde slavendiensten vernederd. Uit +verbittering en tot weêrwraak moesten nu de Friezen, Overrijnsche +Franken, Cauchen, Chamaven en Bructeren in vereenigde magt, van den +winter en den digtgevrozen Rijn gebruik maken, om Constantius en +zijn heir te overvallen. Dan het goed krijgsgeluk diende hen niet zoo +gunstig als onze kronijk vermeld; de dooi viel in, het eiland werd door +de Romeinen omsingeld, de Friezen ingesloten, vermoord of gevangen, +en nog dieper onder 't juk gebragt. Daarna is er met hen een verbond +gesloten.--Schot. Fr. Hist. p. 30.--F. Sjoerds, Jaarb. I. 225 volgg. + + +Bl. 24. + +Omtrent den jaare 312, enz. De kronijkschrijvers verhalen, dat +omstreeks dezen tijd door vijf aanzienlijke Edellieden, West-Friesland +(d. i. de landen ten westen het Flie) is bevolkt en bebouwd. De in +onze kronijk genoemde Diederik stichtte de hoofdplaats Medemelaca, +Medemblik, aldus genaamd naar de Godin Medea; Geerard bouwde het +dorp Opdijk; Roelaard, 't dorp Wildenes, met een sterk kasteel; Keno +was stichter van Bennenbroek, en Adelbold van het dorp Winckel.--Dit +verhaal heeft eene meerdere beteekenis, dan wij thans nog in staat zijn +te geven. Over Medemblik zijn oorkonden van de IX eeuw voorhanden.--Zie +over den naamsoorsprong enz. den Tegenw. Staat van Holland, II. 502. + + +Bl. 25.--Ao 334. + +Friesche Buinen. Op bl. 9 onzer kronijk wordt reeds gesproken +van West-Friesland, en zou deze benaming er dus vroeger geweest +zijn.--Hamconius, Frisia, bl. 5 en 9, zegt op Firsiabones, dat +Bone in 't oud Friesch Boer beteekende, en dus Frisiabones, Friesche +Boeren zijn, waarvoor onze kronijk Plompaarts geeft. A. W. Schrieck, +in Orig. rerum Celt. et Belg., verklaart het woord door Frisii +separatim habitantes, Friezen die afgezonderd van hun eigenlijk land +en landgenooten woonden. Alting, van Rhyn en anderen beweren, dat +het woord beteekent Friesche Waterbewoners, waarmede zich latere +schrijvers hebben vereenigd, en 't welk ook door den geleerden +Ypeij, in zijne Geschiedenis der Nederl. Tale, I. bl. 164, en +II. bl 109 en volgg. nader is bevestigd. A beteekent water: buen, +boen, wonen, verblijf houden, dus zijn Frisiabones Friezen, die +aan het water wonen; en deze uitlegging is de eenvoudigste en de +beste, wel zoo goed als de ongelukkige inval van Junius (Batavia, +p. 48. Ed. 1652), om van Frisiabones, Friesche apen te maken!--Plinius +noemt dezelve als wonende tusschen het Vlie en het Helium, monden +van den Rijn. Dat deze Schrijver ook hier heeft misgetast, bewijst +Schwartz, Voorr. I. 26. Tacitus zwijgt er van, doch deze kan hen +gehouden hebben onder de Kleine Friezen te behooren. Het denkbeeld +van den Heer Ypeij is zeer aannemelijk, dat de Frisiabonen eene +volkplanting van echte Friezen zijn geweest, wonende aan de linkerzijde +van het Vlie in West-Friesland, onderscheiden van de Kaninefaten, +(waarschijnlijk aan de oevers der Noordzee woonachtig) en van de +Marsatii in de moerassige, naderhand door de Zuiderzee overspoelde +landen zich ophoudende, even zoo als de eerste Bildtbewoners eene +volkplanting was van oorspronkelijke Noord-Hollanders. + + +Bl. 26.--Ao 339. + +Die Waarden wierd genaamd. (Zie ook op de jaren 357 en 377.) Even +zoo ook verhaalt Winsemius, Chronique, fol. 37 doch naderhand; +(fol. 40) noemt hij de stad Norden, om welke reden weet ik niet; +daarin is Soet. in zijn Op- en Nederganck van Stavoren, p. 55, hem +gevolgd, die door Harkenroth, Oostfr. Oorsprongkel. (p. 39 en 232) +daarover zeer gegispt wordt, dat hij Van Esonstad, Norden maken wil; +en toch heeft Soet, slechts het gezag van Wins. gevolgd. Door de +Noren en Denen zoowel als door herhaalde watervloeden heeft die stad +veel geleden, en is dikwijls geplunderd en grootendeels afgebrand +geworden. Westend. Jaarb. p. 19, stelt op 't jaar 398 het bouwen +van Esonstad door den Koning Ubbo (Uffo). Over de oudheid dezer stad +heeft Emmius ook zijnen twijfel mede gedeeld, doch v. Rhyn is hier +wat toegevender dan wel anders.--Zie Oudh. en Gest. I. 454 volgg. + + +Bl. 28 en 31.--Ao 385 en 449. + +Des Hengst en Hors, zijn zoonen enz. In den jaare 449, als Hengst en +Hors enz.--De geschiedenis dezer Koningszonen is belangrijk genoeg +om in aandacht genomen te worden, en wij vinden er, verondersteld +zelfs dat wij onze kronijkschrijvers verwerpen, ook bij den Engelschen +Historieschrijver Beda, (lib. I. Cap. 15) de vermelding van. Deze zegt +dat zij de zoons van den Saxischen Vorst Vergistus (achter-kleinzoon +van Wodan), en dus niet van Odolf Haron waren, hetgeen ook met de +tijdrekening verkeerd zoude uitkomen. Hierover is twist ontstaan, +welke onbeslist is gebleven: echter komt men daarin overeen, dat +Hengistus en Hors aan het hoofd van de Saksen, Friezen, Angelen en +andere naburige volken, door den Britschen Koning Vortigern te hulp +geroepen, derwaarts zijn getogen, en zich eindelijk meester van dat +land hebben gemaakt. Hunne geschiedenis is omstandig beschreven bij +Ocko van Scharl; en hoezeer dezelve ook bij andere schrijvers in een +romantisch gewaad is gewikkeld, draagt zij, in onderlinge vergelijking +gebragt, vele kenmerken van oorspronkelijkheid. Wij kunnen hier in +geene verdere ontwikkeling treden, doch zullen voor dien het lust, de +bronnen en navolgingen aanwijzen, waarin de historie dezer gebroeders +beschreven staat, met derzelver verscheidenheden.--Occo Scharlensis, +Chronyck, op 't jaar 385 en 441; Furmerius, Annal. Phrisic. p. 124 +en 144; Winsem. Chr. fol 43 en 47; Schot. Fr. Hist. fol. 39 en 53; +F. Sjoerds, Jaarb. I. 269 volgg.; Emmius, Lib. III. p. 39 seq.; +Oudheden en Gestichten, Nabericht van v. Rhyn, bl. 368; Wagenaar, +Vad. Hist. I. 289; Beda, Hist. Eccl. Lib. I. cap. 12 etc. en Chronicon; +Jancko Douwama, Boeck der Partijen, p. 37; Westend. Jaarb. I. bl. 26; +Overzigt van v. Halmael hiervoren § 7, jaar 449; Gibbon, Hist. of +the decline and fall of the Rom. Emp. Ch. 38. IV. 395; Hume, +Hist. v. Engel. I. 23 volgg. + + +Bl. 32. + +In den jaare 463. Men vergelijke de tegenspraak in gemeld Nabericht +van v. Rhyn, p. 372. + + +Bl. 32.--Ao 496. + +Deed Klodoveus, een inval in Friesland. F. Sjoerds, Jaarb. I. 290 +en anderen verhalen, dat de Friezen in dezen strijd het onderspit +delfden, de Friezen en Saksen terugkeerden, maar de Allemannen, welke +in dezen strijd deelden, hun gebied verloren; terwijl Koning Clovis, +ingevolge hunne belofte, na de overwinning in dezen hagchelijken kamp, +met 3000 Franken, tot het Christendom overging. Eenige jaren vroeger, +omstreeks 476, was het Westersche Keizerrijk geheel ten gronde gegaan, +en niemand over de Maas en den Rijn gaf gehoor aan het Romeinsche +gezag.--Verg. Bilderdyk, Geschiedenis des Vaderlands, I. 60 en 61. + + +Bl. 34--Ao 517. + +Groningen, bij de Friesen Grins genaamt. In 517 werd, luidens het +verhaal van eene der kronijken, Groninge of Groinge (Grens, Grins) met +een houten staketsel omgeven, ter beveiliging der veste. Deze wijze +van bevestiging was reeds veel vroeger bij de Germanen en Belgiërs +in gebruik, en behoeft, op dezen tijd, niet de minste verwondering +te verwekken. + + +Bl. 34.--Ao 527. + +Richold, zijn oudste zoon. Over de geschiedenis in dit tijdvak +is een bijzonder verschil ontstaan bij vele schrijvers, daar de +verwarringen, zoowel in den tijd als in de personen, aanduiden, dat +men het spoor bijster is geraakt, en men alzoo tot gissingen zijne +toevlugt heeft genomen, om uit de onderlinge tegenspraak tot eenige +waarschijnlijkheid te geraken. Ook onze kronijk geeft geen meerder +licht, maar is schijnbaar in den doolhof medegedwaald. De opgave van +den zoon en kleinzoon van Diderik, (zie op 't jaar 334) beide Lem of +Willem geheeten, en Dibbalds zoon van denzelfden naam, waarvan Haarlem +zijnen naam ontleende, is in 't geheel niet in de haak, schoon ook +Winsemius (fol. 36 en 48) hem hierin is voorgegaan. Verg. Scriverius +in zijden Toets-steen op het Oude Goutsche Chronycxken, p. 204, +205. De andere kronijken springen met die historie, tot op Adgillus +tijd, wonder om, terwijl men het over diens vader maar geheel niet +eens kan worden.--Was Adgillus een Saks of een Fries? Beroald, +Bertoald of Berthold voerde volgens veler gevoelen het gebied over +de Saksen, en daar Ritserd, naderhand bijgenaamd Arundelius, in dien +tijd Koning der Hoog-Friezen was, (in onze kronijk bl. 36 genoemd) +moet Adgillus diens zoon geweest zijn. Dit is mede de gissing van +Emmius, door v. Rhyn goedgekeurd, en door F. Sjoerds (Jaarb. I. 334) +gevolgd. Het is ons wel voorgekomen, dat men Saksen en Friezen, Beroald +en Ridserd met en onder elkander heeft verward, en dat Beroald door +de Saksen tot Koning of Hertog was verkozen;--maar in hoeverre hij +ook een deel der Friezen beheerscht hebbe, en hoedanig van Odibbald +af de geslachtsopvolging geweest zij tot aan Adgillus, behoort tot een +nader naauwkeurig onderzoek. Verg. onder anderen v. Rhyn's Nabericht, +bl. 376-382, te dezen opzigte zeer duidelijk. Over Ridserd Arundelius, +die een dapper en vermaard Vorst moet geweest zijn, West. Jaarb. bl +30 volgg. Schot. Fr. Hist. fol. 47. + + +Bl. 35 + +Watervloeden in Friesland. + +In den jaare 570. Dus ook Winsemius, Soet en anderen, doch Gutberleth, +in zijne Aanteekeningen op Gabbema's Watervloeden, p. 14, vermeldt uit +de geschreven kronijk van Ocko van Scharl, hem ten gebruike gegeven +door Bern. Fullenius, den weêrgaloozen Hoogleeraar in de Wiskunst +in Frieslands Opperschool (gelijk hij zegt), dat aldaar deze vloed +gesteld wordt op den jare 533. Ook de kronijkschrijver Twisk noemt +hetzelfde jaar. + +Door Dirk, Burger van Schoorl, wordt in diens kronijk als eerste +Watervloed opgegeven die van 333 in Noord-Holland, wanneer de Zijpe +is ingebroken en 1200 jaren verdronken heeft gelegen. De stad Grebbe, +door de Romeinen gesticht, liggende aan 't Eimer Swin, thans nabij +het Nieuwe Diep, of een half uur gaans benoorden Wieringen, zou toen +verdronken zijn, schoon anderen dit voorval later stellen [147]. In +435 was er weder een zware vloed over Friesland, zoo als ook in 516, +in onze kronijk vermeld. Na 570 volgde die van 584, met het wonder +zeldzame, vruchtbare jaar. In 586 of 626 [148], of welligt in beide +jaren, werd Friesland alweder overstroomd. Een viertal jaren later +begon de wijze Adgillus vliedbergen en terpen te maken, en gaf der +bedijking hare geboorte. Vele menschen en veel vee verdronken in +den vloed van 792 of 793, en door al deze verwoestingen waren er een +aantal steden, dorpen, bosschen, alsmede eene groote uitgestrektheid +lands verzwolgen en vernietigd, waarvan de onder de golven der zee +liggende zandbanken de sporen van het vorig bestaan aanwijzen. + +De St. Thomas vloed van den jare 806 was geducht voor Friesland; en +van dien tijd tot op de helft der XII eeuw moeten door verscheidene +overstroomingen Friesland, Noord-Holland, Zeeland en Vlaanderen +deerlijk zijn geteisterd, vooral in den jare 839 zou dit gewest bijna +geheel overstroomd geweest zijn, en er eene gansche omwenteling in +den bodem van ons vaderland te weeg zijn gebragt. + +De St. Juliaans-vloed in 't begin van 1164 kostte het leven aan +duizenden van menschen en beesten; waarop de alles verwoestende +Allerheiligen-vloed van 1178 volgde, die de zeebaren tot aan +Utrechts wallen voortjoeg. In dezen tijd kreeg de Zuiderzee eene +groote uitgestrektheid; terwijl de baatzuchtige Friesche Abten vele +verderfelijke doorgravingen deden maken, die de zee in vernielende +krachten deed aanwinnen. Ook in 1200 stroomde een deel van Friesland +over; doch van den schrikkelijken watervloed in Noord-Holland, in +1212, vindt men niets betrekkelijk Friesland vermeld. Dan bij den +ijsselijken Marcellus-vloed, in Januarij 1219, was geene overstrooming +te vergelijken, hetgeen dan ook bij de nakomelingschap ten spreekwoord +is geworden. Alwat tusschen den Wezer en de Schelde op en over de +oppervlakte van den grond aanwezig was, werd op vele plaatsen vernield +en vernietigd, en duizenden menschen van 't leven beroofd. Dezen vloed +(zegt Westend. Jaarb. p. 238) meenden velen te moeten toeschrijven +aan de brooddronkenheid en de woestheid van een zekeren Fries en +kampvechter, die het hoogwaardig sacrament te Wijtwerd en Uskwerd, +ter plaatse waar men naderhand het klooster van St. Jan stichtte, +zeer hoonde en ontheiligde. + +De jaren 1220, 1221, 1222, 1223, 1224, 1227, 1230, 1237, 1246, 1248, +1249, 1250, 1257, 1262, 1266, 1273, 1277, 1285, 1287, 1288 en 1290 +waren uiterst rampvol voor Friesland, en wie kan er zich een denkbeeld +van vormen? twintig overstroomingen in ééne en dezelfde eeuw, in één en +hetzelfde Gewest! En niet alleen door de vloeden, maar ook omstreeks +het midden dezer eeuw werd Friesland door eene vernielende pest onder +menschen en vee jammerlijk geteisterd, terwijl haat en nijd, twist en +tweedragt onder de ingezetenen aller onheil ten top voerden.--In deze +eeuw verdwenen Ezonstad, Camminghaburg bij Leeuwarden, Britsenburg +aan de Middelzee, de stedekens Wartena ten deele en Grind geheel. + +In de veertiende eeuw werd Friesland acht malen gedeeltelijk +overstroomd, en wel ten jare 1313, in welke de beroemde Wijbo Sjoerds +van Grovestins, voornaam hoofd der Vetkoopers, het leven liet, en op +welke overstrooming weder eene pestziekte zoude gevolgd zijn: voorts +in 1334, 1336, 1361, 1377, 1380, 1387 en in 1400, de Friesche vloed +genaamd, welke van belang is geweest voor de opkomst van Amsterdam, +door het aanmerkelijk verwijden van het Marsdiep, het zeegat tusschen +Texel en den Helder. + +Wederom vijftien overstroomingen in de XV eeuw, waren ons gewest ten +geesel en ter vernieling. In 1403 was de 3de Catharina's vloed, maar in +1421 rigtte de St. Elisabeth's-vloed hare ijsselijke verwoestingen aan, +waarin de 72 dorpen in den Zuid-Hollandschen Waard bedolven werden, +zoodat er twintig geheel te niete gingen. De volgende vloeden hadden +plaats in 1425, 1426, 1427, 1428, 1429, 1434, 1437, 1446, 1464, +1470, 1474, 1477, en 1497; en geen wonder dat het land overstroomde, +want de onderlinge twist en tweedragt gaf aan den oorlog voedsel, +terwijl de eendragtige zorgen voor het behoud des lands verloren +waren. West-Workum, Westerbierum en Dijkshorne waren den golven ter +prooi geworden: niet alles echter was verlies, want de Middelzee was +nu geheel aangeslijkt, en gaf kostelijk land. + +Ook in de XVI eeuw was Friesland even ongelukkig door den ramp +der vloeden, zoodat wel twintig malen in dit tijdvak het land +overstroomde. In de jaren 1502, 1503, 1509, 1516, 1517, 1520, 1524, +1525, wanneer er drie vloeden in één jaar waren; in 1530, 1531 en 1532 +(misschien dezelfde), 1552 en 1559 rigtten zij vele verwoestingen +aan. Maar de geweldige Allerheiligen-vloed van 1570 heeft het gansche +land langs de zeekusten van Frankrijk tot aan Noorwegen toe, als in +ééne zee herschapen; terwijl in Friesland de schrik en ellende, die +land en inwoonderen in eenen poel van jammeren stortte, door geene +pen waren te beschrijven, door geene woorden te vermelden. Wel 20,000 +menschen, zeggen de schrijvers, zijn in onze Provincie omgekomen: +1800 telde men in ééne Grietenij.--Daarna had men weder met dit +onheil te kampen in 1572, 1573, 1575, 1577 en 1578. Toen evenwel, door +tusschenkomst en dwang van Caspar de Robles, werd er gedijkt en gedamd. + +Hoewel nu de vloeden in de XVII eeuw minder waren dan in de vorige, was +evenwel de zee niet in banden te houden, maar brak nog dikwijls door de +dijken heen, en bedierf een deel van het zoo vaak geteisterd gewest. In +1610 liep de zuidwesthoek onder: 1623, 1625, 1643, 1651, 1665 en +1675 waren noodlottige jaren, en vooral het jaar 1651, waarin de +St. Pieters-vloed, na dat in Januarij de algemeene rivier-overstrooming +in de Nederlanden had plaats gehad, in de volgende maand vele oorden in +Friesland verwoestte. Voor Noord-Holland was die vloed verschrikkelijk. + +In den aanvang der XVIII eeuw, en wel in 1701 en 1703, zoo ook in +1715, leden door de overstroomingen het land en de zeedijken veel +schade, dan door den 7 kersvloed in 1717 was de verwoesting groot, +vooral in Oost-Friesland.--Ten jare 1731 werd het paalwerk langs +de kusten, en sommige sluisdeuren door de wormen geheel doorknaagd +en verteerd. Bijna zestig jaren lang bleef Friesland voor storm en +vloed beveiligd, doch in 1775 en 1776 had de provincie door twee +overstroomingen, en vooral door de laatste, veel te lijden; dit was +echter niet te vergelijken bij den geduchten watervloed van den jare +1825, die langs de zeekusten van Noord-Jutland af tot Frankrijk toe, +zijne vernielende kracht heeft uitgeoefend. + +Vergelijk de Inleiding voor mijn Geschiedkundig Tafereel van +den Watervloed en de Overstroomingen in de Provincie Vriesland; +voorgevallen in 1825, en alle de afzonderlijk daarin aangehaalde +schrijvers. Westend. Jaarb. van Groningen, op de verschillende jaren, +die echter vele overstroomingen niet heeft vermeld.--Een zeer goed +boek over de laatste overstrooming is dat van den kundigen F. Arends, +Gemählde der Sturmfluthen vom 3 bis 5 Februar 1825: (zu haben bei +dem Verfasser, 1826.) In zijn verdienstelijk reeds aangehaald werk: +Physische Geschichte der Nordsee-Küste, geeft de Schrijver, in het +tweede deel, eene Geschiedenis van al de watervloeden, vermeerderd +met vele bijzonderheden, door vroegere schrijvers niet vermeld. + + +Bl. 37. + +In den jaare 628 enz. Het omstandig verhaal dezen belangrijken strijd, +vindt men bij alle latere geschiedschrijvers bijna op dezelfde wijze +geboekt, en komt in de hoofdzaak overeen. Echter bij vergelijking +der oudste Friesche jaarboeken, zal men eenige afwijking van anderen +vinden. Niet, zoo als deze willen, was Dagobert de aanvallende partij +in Friesland, of wilde dit land dadelijk overheeren; maar de Saksen, +onder Koning Berthold, wilden niet meer onder der Franken gebied +blijven, maar vrij zijn, des zij hunne krijgsboden aan Klotaris +zonden, om dien op een barschen toon den wil van hunnen Koning te +kennen te geven, hetwelk der Franken Opperhoofd dezen zoo hoog afnam, +dat, waren zij niet door de christelijke staatkunde van den Bisschop +van Meaux gered, hij hen welligt het hoofd voor de voeten had doen +leggen. Zij keerden, tot christenen gedoopt, met eere en geschenken +terug. Doch de Saksen verbonden zich met de Friezen, volvoerden hun +plan, rukten tegen Dagobert op, die zijnen vader te hulp roept en de +overwinning behaalt; en nu had er eene ijsselijke slagting onder de +Saksen en Friezen plaats. Die langer dan zijn zwaard waren [149], +dat is, die de wapenen weder zouden kunnen voeren en geschikt ten +strijde waren, werden vermoord; vrouwen en kinders werden in Frankrijk +als slaven verkocht, en daarmede eindigde dit treurtooneel.--Dat dit +gevecht in Friesland bij de Middelzee plaats had, gelijk Rolevink, +en in navolging van hem Furmerius, Winsemius en anderen, beweren, +heeft geen schijn, daar men moet vooronderstellen, dat het niet anders +dan bij den Wezer kan hebben plaats gehad. + +Dagobert moet omstreeks dezen tijd ook een christenkerk te Utrecht +gesticht, en den Bisschop van Keulen het beheer over de Friezen +gegeven hebben; dan dezen, te zeer nog aan hunne afgoden verslaafd, +te stijf van hoofd en stug van aard, boden te veel tegenstand, en +men vorderde dus weinig. + +Dat ook deze Dagobert, als overheerder der Friezen, de insteller +der wetten is geweest, wordt bestreden en met grond betwijfeld.--Zie +daarover Schwartz., Charterb. Voorr. I. bl. 36, 37, 38. Men vindt deze +gebeurtenis beschreven bij Furmerius, Ann. Lib. III. c. IV. p. 172; +Wins. Chr. fol. 52; Schot. Hist. fol. 47; F. Sjoerds, Jaarb. I. 323; +Wagen. Vad. Hist. I. 331; Tegenw. Staat v. Fr. I. 221; Oudh. en +Gest. II. 111, 112 en 377; Cerisier, Gesch. d. Vereen. Ned. I. 90; +Bilderdyk, Gesch. d. Vaderl. I. 66. + + +Bl. 37. + +Adgild wierd enz. Over de regering van den christelijken Adgillus +en onchristelijken Radboud, is in het Overzigt genoegzame melding +gemaakt. Schot. Fr. Hist. p. 55, zegt, dat volgens eene Hollandsche +kronijk, Radboud geen zoon van Adgillus, maar van Diederik, omtrent +den jare 300 Koning van Friesland, bewesten 't Flie, geweest zou +zijn. Wij hebben echter die kronijk niet gevonden, en volgen liever +het getuigenis van alle overige geschiedschrijvers. + + +Bl. 42.--Ao 695. + +In Friesland, Holland en Teisterband. Over het oude graafschap +Teisterband, in 'twelk het geheele Sticht, met het land tusschen Maas +en Rijn, en van daar oostwaarts, met Kleef, Berg en Gulikerland, +vervat werd, leze men Bilderdyk's Geschied. d. Vaderl. I. bl. 161, +193 en 341 volgg. De afleiding is deze: Bant, Ban is jurisdictie, +regtsban, Deister is bogt, kromte van deisen, thans deinzen, +afwijken. Het wordt van ouds algemeen op de kromte van eene rivier +toegepast. Dus is Teister of Deisterbant de regtsban (of 't gezag) +van de bogt (de afwijking) des Rijns, waar hij van noordwaarts ten +westen afdeinst.--Vergel. de door Bild. zelven vervaardigde kaart +achter het I. deel. + + +Bl. 43. + +In den jaare 700. In dezen tijd, en zelfs gedurende een gedeelte der +VIII eeuw, was geheel Friesland nog heidensch. De Menschen-offers, door +geheel Galliën, Germanie en Scandinavie gebruikelijk, bij de Denen +en Noren in zwang, vonden ook in Friesland grooten bijval, zoodat +het geenszins vreemd is, in dezen tijd daarvan in de geschiedenis +voorbeelden te vinden. Men heeft het verhaal van den schoonen jongeling +Ovo, door den Priester Wulfram van den dood verlost, onder de fabels +gesteld, dan tijden, zeden en gewoonten in acht genomen, en de leer +der ondervinding geraadpleegd, zou ik niet weten, waarom, door deze +of gene omstandigheid, hetzij aan hooger magt toe te schrijven, +of vindt men dit te ouderwets gedacht, dan door een toeval, of wel +door eene behendigheid des Priesters, dit voorval niet had kunnen +plaats hebben [150]. Men twijfelt toch, in weerwil der zonderlinge +tegenspraak van sommige geleerden, geenszins aan zoo vele bloedige +offeranden aan de Goden gebragt, aan het slagten, verdrinken of op eene +andere wijze dooden van zoo vele mannen, vrouwen, ja zelfs kinderen, +waarvan de geschiedenis in de eerste eeuwen voorbeelden, aangeeft: en +zou het dus zoo vreemd zijn, dat in de eerste tijden bij verbazende +natuurverschijnselen of andere gebeurtenissen, men in zijnen angst +tot het menschenoffer, (gelijk dat van een driejarig kind, bij het +ontstaan eener zoute welle) als het hoogste, waarmede men zijne Goden +vereeren kon, waarmede men rampen afweren en gunsten verwerven wilde, +toevlugt nam? + +Zeer gegrond is de aanmerking, dat door deze volharding in de +afgodendienst overvloedig blijkt, hoe weinig der Romeinen gezag +en invloed op de Friezen werkte. Men leze over het offeren van +menschen en beesten de meergen. Verhandeling van Westendorp, over het +gebr. der Noordsche Mythologie, bepaaldelijk over de Heilige gebruiken, +bl. 339 volgg. + + +Bl. 44. + +Adgild, de tweede. Sommigen willen liever tot opvolger van Radboud +zijnen zoon Poppo, dan Adgillus hebben; de een onder den titel van +Koning, de ander onder dien van Hertog. De gissing echter in § 11 +van het Overzigt (bl. 315), komt mij zeer aannemelijk voor. Zie van +Loon, Aloude Holl. Hist. I. 324b, 325a; Oudh. en Gest. Naber. p. 393; +Bijv. en Aanm. op Wagenaar, I. 92; West. Jaarb. p. 42. + + +Bl. 46.--Ao 736. + +Is Bisschop Willebrord ontslaapen. Deze heeft ongetwijfeld den +eersten grondslag gelegd, en groot nut aan Friesland gedaan, tot +bekeering der heidensche natie. Volgens Wagenaar (I. 378) stierf hij in +slagtmaand 737, nalatende een alleraanzienlijks vermogen, meest door de +Franken hem geschonken, hetwelk hij aan zijne geliefkoosde Abdij van +Epternach, bij Trier, uit eene gifte van Dagoberts Dochter gesticht, +vermaakte. Omstreeks dezen tijd schijnt ook de Priester Marcellus, +die zeventig jaren lang het Evangeliewerk verrigtte, in Friesland +met goed gevolg gepredikt te hebben. + +Ook in dit tijdvak kwam de vrome en geleerde Bonifacius hier te lande +uit Engeland. Deze bestreed met kracht, verstand en godvruchtigen +ijver, niet alleen de heidensche bijgeloovigheden, ruwheid van zeden +en woestheid der Friezen, maar ging ook met ernst het zedebederf, de +onkunde, boosheid, onwettigheid en valsche leer der geestelijken te +keer, wier doel en middelen met de christelijke godsdienst zoo zeer in +strijd waren. Zie het op bl. 348 aanbevolen werk van den heer Glasius, +IV en V Hoofdst. + + +Bl. 47.--Ao 749. + +Priester Jan.--Zie over dezen Oudh. en Gest. II. 84-86 en +Naber. bl. 349. + + +Bl. 50. + +Vreemde Heeren. De Heer v. Halmael, heeft zijn tweede Tijdperk van het +Overzigt, (gedeeltelijk geplaatst in 't Friesch Jierboeckjen van 1833) +loopende van 773 tot 1498, zijnde van Karel den Groote tot de regering +van Albrecht, Hertog van Saksen, genoemd: Het Vrije Friesland. Niet +dadelijk evenwel (zoo als ook de Schrijver aanmerkt) waren de Friezen +vrij, maar trapsgewijze onder Karel's opvolgers werd die vrijheid +verkregen, niet door Karel zelven hen geschonken. En ook natuurlijk, +want daar onder de hoofdvoorwaarden het aannemen van de Christelijken +Godsdienst, en dus ook onderwerping aan een' Bisschop behoorde, was +het van zelf, dat het onrustig en onstuimig karakter niet zoo dadelijk +met die zachte middelen te temmen was, waardoor dus menig opstand en +oproer dikwijls de reeds geschonken vrijdommen weder deden bekrimpen. + +Karel verdeelde het tegenwoordig Friesland, naar het schijnt, in drie +Graafschappen: Oostergouwe, Westergouwe en Stavoren. Het Graafschap +Islegouwe (IJsselland), waarin Oost- en West-stellingwerf begrepen +zullen zijn, is welligt een Saksisch en geen eigenlijk Friesch +Graafschap geweest of alzoo genoemd. Ieder Graafschap had zijn +opperhoofd, bekleed met de burgerlijke en militaire magt, en over +eenige Graafschappen was een Hertog, uitsluitend het bewind over de +krijgsmagt voerende, gesteld [151]. + +De wetten, naar welke Karel de Friesche Graafschappen in het algemeen +deed regeren, zijn die, welke onder den titel van Leges Frisionum +in druk zijn uitgegeven. Het eerste deel bevat de overoude gewoonten +der Friezen onder de Romeinen, met eenige wetten der Franken, en het +tweede, de ophelderende bijvoegselen van Sachsmund en Wulmar. Echter +beschouwen wij dit niet als een volledig Corpus of wetboek, maar +veeleer voor een handboek voor de Keizerlijke Graven en Ambtenaren, om +daarop regt te doen, ook ter berekening der breuken en boeten. Hieruit +zoowel als van elders blijkt, dat de Friezen destijds in vier +standen of klassen verdeeld waren. Edelen, dit waren de rijksten, +de begoedigsten; Vrijen, minder gegoeden, echter onafhankelijken; +Liten, lijfeigene boeren, en Slaven of Knechten, geheel dienstbaren. + +Karel ontnam den Friezen het regt op de vaderlijke erfenis, alzoo hun +regt op de nagelatene goederen der ouders, dat is: het vrije bezit +der erf-, stam- of landgoederen van den adel en van de welgeboren +lieden; en voerde dus het zoogenaamde Leenregt in. Deze algemeene +hoon en smaad werd weder uitgewischt door Karel's wettigen zoon en +opvolger Lodewijk den Vrome of Godvruchtige [152], die zijne regering +begon met aan de Friezen dit regt, en met dit regt den eernaam van +Vrije Friezen weder te geven. Hij was een zeer menschlievend Vorst, +doch welligt wat al te vroom om zulk een groot gebied en een onverlicht +volk te regeren.--Zie Friesch Jierboeckjen, 1833, §§ 4 en 7; bijzonder +Charterboek, Voorrede I. bl. 40 volgg. en aldaar den Giftbrief; +vergel. West. Jaarb. bl. 55 volgg. + +Ten opzigte der wijze, hoedanig de opgemelde wetten in geschrifte +gesteld zijn, verhaalt men, dat dit door twaalf deskundigen, (welk +getal men in regtszaken steeds hoog waardeerde,) door de Friezen +gekozen, uit de overleveringen moest geschieden. Doch men wilde +liever bij het oud regt blijven, dan deze zware taak te verrigten, +en men was dus onwillig. Des Keizers wil woog echter zwaarder, dan +die der twaalven, en het werk werd volbragt. + +De Sage, zegt de Heer Westendorp (Jaarb. I. 59), heeft deze gebeurtenis +in een kostelijk kleed gestoken: + +»Daar deze twaalf wijzen dan onwillig waren, om de wetten der Vriezen +in schrift te stellen, zoo gaf de Keizer hun zeven dagen tijds om +tusschen de onthoofding, het levende begraven, of het ter prooi geven +aan de woeste golven in een stureloos schip, te kiezen. De wijzen +kozen lijdzaam en moedig het laatste. Men zette hen dan nu in een +schip zonder zeil, roer, riemen en anker, en liet hen voor wind en +weder drijven. Een der Wimoedes, Asega of Azinge geheeten, van het +Wilken-geslacht, en een der eerste Vriezen, die deze benaming droeg, +herinnerde in dezen nood zijnen mede-ambtgenooten aan eene door hem +gehoorde leerrede van Willebrord, nopens de verschijning van Christus +Jezus, voort na zijne opstanding, aan zijne, in druk gezetene, +vrienden, hoewel de deuren gesloten waren. Hij stelde hen tevens +ootmoedig voor, om de hulp, redding en tusschenkomst van Christus +Jezus in dit gevaar biddend af te smeeken. Dit geschiedde eenparig +knielende. En ziet, onder hun gebed vertoonde zich achter in het schip +een man, welke met zijne hand een kromhout hield, en die de twaalven +wederom in de haven terug bragt, vanwaar zij uitgegaan waren. Als nu +de dertiende met de twaalven te lande kwam, wierp hij het kromhout +op den grond, en terstond ontsprong aldaar eene bron, rondom welke +allen gingen zitten: een ieder verkwikte zich met het water van de +bron. De dertiende, welke aan de twaalvde volkomen gelijk en daarvan +niet te onderscheiden was, leerde hen en gaf hun in, welke regten +zij, ter gehoorzaming aan het keizerlijk bevel, zouden uitkiezen en +beschrijven. Als zij nu wel onderrigt waren, zagen zij den dertienden +niet langer; zij gingen aan hunne taak, en volbragten dezelve. »Zij +kozen het landregt, dat hen door Maria's zoon geleerd was," zegt een +der kronijken. Men legde deze verzameling den keizer en den paus +voor, en het werk verwierf de goedkeuring van beiden."--Verg. de +O. Fr. Wetten en de belangrijke Aant. van bl. 103-114, alwaar men +in het verhaal van de twee Kon., Karel en Radboud, deze sage vindt, +zoo als ook bij Beninga en Kempius. + + +Bl. 50. + +In den jaare 777 is Ludger. Het verwondert mij dat onze kronijk, nog al +gehecht aan bijzondere voorvallen, hier niet vermeldt de wonderbare +redding van de moeder van dezen Ludger, te vinden in Schotanus, +Beschryvinge v. Frieslandt, p. 22, overgenomen uit eenen (aldaar +niet genoemden) Levensbeschrijver van Ludger. Dus luidt hoofdzakelijk +aldaar deze gebeurtenis. Wrisung, de grootvader van Ludger, was der +Christen-godsdienst toegedaan, en werd dus door Radboud verdreven. Hij +ging over het Vlie wonen, en volvoerde zijn christelijk werk; zijn' +jongsten zoon Tjadgrim in Utrecht ter leerschool bestellende. Deze +huwde na zijns vaders dood eene vrouw, genaamd Liafburg of Liatburg, +waarbij hij drie zoons en ook onzen Ludger verwekte. Deze Liafburg +geboren zijnde, moest op last van hare heidensche grootmoeder, +verdrietig dat harer schoondochter alleen meisjes werden geboren, door +eene slavin worden verdronken; een regt dat zij volgens hare leer, +op jonggeboren kinderen hadden, om ze om te brengen en te offeren, +mits zij vooraf niets genuttigd of geproefd hadden. Dan het wichtje +greep met zijne handjes het vat of den emmer, waarin het gestoken werd, +om den rand, en worstelde dus tegen den dood. Eene buurvrouw dit ziende +en bewogen met het onnoozel schepsel, ontnam het der slavinne, liep +in haar huis en stak het een weinig honigs in den mond, waardoor het +van den offerdood was verlost. Zij voedde het kindje zorgvuldig op, +gaf het na den dood der grootmoeder aan de ouders terug, en dit meisje +werd de moeder van den geleerden en verdienstelijken Priester Ludger, +van wien men leest, dat hij de Friesche, Engelsche, Frankische en +Latijnsche talen vlug en vaardig sprak, en wiens leven en daden overal +tot zijnen lof zijn beschreven. Als opvolger van den braven Bonifacius +en in diens voetspoor tredende, bekleedde deze wijdvermaarde Fries +eene aanzienlijke plaats onder de Christenherders, die boven velen, +godvruchtig, ijverig en standvastig in zijnen arbeid was. + +Men vindt onder anderen de levensbeschrijving der eerste +Geloofpredikers bij F. Sjoerds, Beschr. v. O. en N. Friesland, VI +Hoofdst.--Over Ludger, Westendorp, I. 64 en volgg. 89 volgg.--die +echter, tegen het verhaal van Schotanus aan, niet de moeder van Ludger +den offerdood doet ontkomen, maar Ludger zelf, waardoor de genoemde +oorzaak zou wegvallen, welke aanleiding tot het ombrengen van het +jonggeboren kind had gegeven. Maar belangrijk is ten dezen het werk +van den heer B. Glasius, de Gesch. der Christ. Kerk en Godsd. in de +Nederl. vóór het vestigen der Herv., waarvan het eerste deel het licht +ziet, en waarin wij voor de eerste pogingen ter verkondiging van het +Christendom in ons Vaderland en der Christenleeraars eene naauwkeurige +en belangrijke beschrijving hebben gevonden. Ook den beoefenaren der +Friesche Historie zij dit werk bij zonder aanbevolen [153]. + + +Bl. 51.--Ao 784. + +Zijn de Noormannen wederom met Wydekind. In het Archief van de +oude Hannoversche stad Goslar is eene oorkonde aanwezig, bevattende +het gebed of de gelofte, waardoor de Saksen over hunnen aanvoerder +Witekind, in den krijg met Karel den Groote, heil en zegen afsmeekten +van hunnen God Wodan, wiens beeld op den Hartsberg vereerd werd. Dit +is de Duitsche tekst: + +»Heiliger, groszer Wodan! Hilf uns unserm Herrn Wittikind, auch +dem Kelta (Unterfeldherrn) von dem aischen (garstigen) Karl-pfui +dem Schlächter! Ich gebe dir einen Ochsen und zwei Schaafe und +den Raub. Ich schlachte dir alle Gefangene auf deinem heiligen +Hartisberge!" De geleerde Ypeij deelt deze bede benevens eene tweede +oorkonde, twee of drie jaren later gesteld, toen de Saksen zich aan +Karel onderworpen hadden, in de Nedersaksische spraak mede [154], +met een aantal belangrijke taalkundige aanmerkingen vooral op het +laatste gedenkstuk. + + +Bl. 54.--Ao 808. + +Omtrent dien zelven tijd liet Igle Tadema. Het is zeker dat het meer +Flevo zich in dezen tijd en ook reeds vroeger merkelijk uitbreidde, +waartoe herhaalde stormen en watervloeden krachtig medewerkten, +zoodat het zoute water niet alleen de tegenwoordige kusten naderde, +maar ook van tijd tot tijd ondermijnde. Het is dus zeer mogelijk, dat +bij het graven van putten, gelijk ook op 't jaar 513 van Juw Hoppers +wordt vermeld, er zout water is opgekomen, en het verhaal van Tadema de +gewone versiering heeft ondergaan, zoo als van vele andere voorvallen, +zonder dat het noodig zij het geheel te verwerpen. Dat Igles zoon op +bevel van zijnen vader het landgoed bij het Kreil verkocht, en zich +in Gaasterland vestigde, dit is zeer natuurlijk, en dat de familie +hier over wrokkend was en zich op eene voor onzen tijd ijsselijk +wreede wijze wraak verschafte, is ook niet zoo vreemd.--Men leze deze +schrikkelijke geschiedenis in O. v. Scharl's Kronijk op 't jaar 808, +die echter 't voorval met Juw Hoppers niet heeft opgeteekend. Zie +Wins. fol. 47 en 85; Schot. Fr. Hist. fol. 53. + + +Bl. 56. + +In den jaare 809, als er te Romen. Op Kersdag van den jare 800 werd +Karel de Groote in de hoofdkerk te Rome als Augustus en Caesar der +Romeinen over het Westen uitgeroepen, gezalfd, gekroond en gehuldigd. + +»De Friezen dienden hunnen nieuwen meester getrouw; doch weinig +geloof zoude 't verhaal verdienen, dat zij met hem Rome zouden +hebben veroverd, gelijk onze en andere Kronijken op den jare 809 of +omstreeks dien tijd vermelden. Men kan dit feit hebben verward met +de verovering van Rome door Arnulph, den laatsten afstammeling van +dezen Karel, wien het vergund was den Westelijken Keizerskroon te +dragen, doch om gekroond te worden, de stad moest overwinnen, waarin +de Friezen beoosten het Flie hem bij stonden." Dit is hoofdzakelijk, +met anderen, ook het gevoelen van den heer v. Halmael: versterkende +dit zijn gevoelen door het argument dat de beschrijvers van het leven +en de daden van Karel daarvan geen gewag maken. Dan Bilderdyk is van +een tegengesteld begrip. »Het zijn de Friezen niet alleen, zegt hij, +die van hunne verovering gewagen. De Romanciers en Heldenboeken +der middeleeuwen zijn er vol van, dat de Friezen Rome voor Karel +innamen. En waarom mag dit niet zijn? Dat hij Friezen in zijne legers +had, is zeker en boven alle bedenkelijkheid; en daar hij ze ook in +Spanje bij zich gehad heeft, daar zij hem over de Pyreneën verzelden +en hun trouw bewezen, waarom mag het niet waar zijn, dat zij 't ook +over de Alpen deden; en dat toen er een oproer in Rome bij Karels +aannadering ontstond, en de poorten hem gesloten werden, zoo als +bij die Romanciers deels gemeld, deels duidelijk ondersteld wordt, +zij het waren, die de poort gewonnen hebben, en hun dus in de stad +gevoerd? Daar is iets zoo natuurlijks in, zoo wel zamenhangende, en zoo +wel passende op de zaak, dat het mij ten minste niet onaannemelijk +voorkomt; en dat zij eene belooning daarvoor gekregen hebben, +geëvenredigd aan het belang dat Karel in de bewezen dienst stelde, is +mede zeer waarschijnelijk. Het zij dat dit in 799 gebeurde, toen hij +den verdreven Paus Leo III op den zetel herstelde; waarbij het niet te +verwonderen is, zoo geweld en dapperheid en bestorming van eene poort +noodig was: het zij in 800 toen hem de keizerkroon opgezet wierd, en +er bij die gelegenheid mooglijk een oproer van de oude partij ontstond, +die men gefnuikt waande, maar zonder de Friezen van gevolge had kunnen +zijn. De zaak kan dus waar zijn; en men heeft onrecht een geheel volk +tegen te spreken, wanneer er eenige samenstemming in zijne overlevering +is met hetgeen van elders getuigd of voor waar en aangenomen is in +een tijd dat de geheugenis nog versch was."--»Men behoeft enz." + +Hoezeer dan ook de Bulle of open Brief van Karel den Groote +ontwijfelbaar valsch is, behoeft daarom het vermelde feit geen fabel +te zijn, en het is onbetwistbaar, dat er dikwijls valsche stukken +zijn gesmeed tot bewijs van wezenlijke waarheden, waarom ik mij +dan ook met de meening van Bilderdyk wel kan vereenigen [155]. Uit +een der te Oxford berustende handschriften, tot de nalatenschap van +Junius behoorende, getiteld: Incipiunt Gesta Fresonum, hetwelk door +het Fr. Genoots. wordt uitgegeven, zal ongetwijfeld dit gevoelen +worden versterkt. + +Wij vinden op dezen jare 809, en ook vooral op het volgend jaar, +aangeteekend, dat er in alle provinciën eene geweldige runderpest +woedde, zoodat er bijkans geen os in het leger overbleef, welke ziekte +nog vele jaren voortduurde. + + +Bl. 58.--Ao 810. + +Een schattinge van 200 ponden zilver. Anderen bepalen die op de +helft. Deze belasting, onder den naam van Klipschild, klinkschatting, +werd dus genoemd omdat de munten in een bekken moesten geworpen +en de klank daarvan in de verte gehoord worden. Zoo moesten ook +de Engelschen lange jaren het zoogenaamde Deangeld aan Godfried +opbrengen. Zie O. Fr. Wetten, bl. 130, in de Aanteekening. + + +Bl. 61.--Ao 808. + +Magnus Forteman. Dat deze de eerste Potestaat is geweest, hebben +latere schrijvers tegengesproken, op grond dat deze waardigheid +zijnen oorsprong uit Karel's Bulle, welke voor valsch verklaard is, +moet hebben gekregen. Echter erkent men, zelfs Emmius ook, dat de +Friezen al van ouds Potestaten hebben gehad, die, als de handhaving +van het regt, of ander algemeen belang, als er oorlog op handen +was of ontstaan zou, verkozen werden. De geschiedenis van Magnus +Forteman kan niet gereedelijk voor waarheid worden aangenomen; doch +het bestaan van zoodanige gezagvoerders, als door het Potestaatschap +wordt bedoeld, kan men ten zijne tijde niet betwisten.--Men leze +hierover ter bevestiging v. Rhyn's Nabericht, bl. 410, 411, 417-420; +F. Sjoerds, Jaarb. I. 440-444, 464, 473; II. 9, 64, 84, 85 en de +aldaar aangehaalde schrijvers [156]. + + +Bl. 62.--Ao 826. + +Anscharius. Vermaarde Monnik uit het te Corveij gestichte klooster, +werd eerste Bisschop te Hamburg, later Aartsbisschop van Bremen en +Hamburg, en stierf in 865. + + +Bl. 62. + +In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer +verkooren. Adgillus II had twee zoons en twee dochters nagelaten, +van welke laatsten de eene Konovella was geheeten. Deze was getrouwd +met een aanzienlijk Edelman van Sexbierum, Adelbrik, wonende op het +slot Adelburg. Twee zonen werden uit dezen echt geboren met namen +Adelbrik, deze Potestaat, en Frederik van Adelen, de Bisschop op +den jare 838 vermeld. Zie Winsemius, fol. 67, 83 en 105, alwaar men +hunne geschiedenis vermeld vindt. Uit dezen zou het beroemd Friesch +geslacht der van Adelens gesproten zijn.--Van den Potestaat, wiens +aanvankelijke regering door sommigen later gesteld wordt, is weinig +aangeteekend; doch van den moord des Bisschops zegt ook onder anderen +de heer v. Halmael (Friesch Jierb. 1833, § 8), dat dit waarschijnlijk +door toedoen of op last van Keizer Lodewijks tweede echtgenoot, Judith, +dochter van Welf, Graaf van Beijeren, is geschied, wier huwelijk hij +bloedschendig verklaarde. »Had de man (voegt deze schrijver er bij) +zich niet bemoeid met zaken, welke hem niet onmiddelijk aangingen, +even als zoo vele andere geestelijken van vroegere en latere tijden, +hem was dit lot denkelijk niet wedervaren. Doch zijn voorbeeld heeft +misschien niemand geleerd het niet na te volgen, en de bemoeiallen +zijn nog niet uitgeroeid."--Verg. F. Sjoerds, Jaarb. II. 23 volgg. + + +Bl. 63.--Ao 838. + +De verderfelijke leere der Arriaanen. Arius, geboren in Lijbië +omstreeks den jare 300, Priester te Alexandrie, wilde na den dood +van Achillas in dit bisdom diens opvolger worden. Dit mislukte hem; +hij besloot ketter te worden, en verkondigde eene leer, welke door de +Synode van Alexandrie in 320, en door de kerkvergadering van Nicea in +325 veroordeeld werd. Arius, schoon gevangen gezet en gebannen, kreeg +talrijke en vermogende aanhangers, bragt de geheele kerk in tweespalt +en won de gunst van Konstantijn, die zich op de Ariaansche wijze liet +doopen, en zelf het Arianismus tot zijne hofreligie maakte. Arius, te +Alexandrie geweigerd, trok in 336 naar Konstantinopel en stierf bij +zijnen plegtigen intogt. Zijne leer echter begon nu eerst te leven +en bragt het geheele Oosten in beroering; doch de haarkloverijen en +spitsvondigheden der Arianen, die elkander onderling verketterden, +bezorgden eindelijk aan de Katholijke kerk de overwinning. Nu en +dan verhieven zij zich weder, doch sedert den ondergang van het +Longobardische rijk, liep ook hun rijk voornamelijk ten einde, en na +de VII eeuw werd de algemeene invloed van hun stelsel krachteloos.--In +Friesland, en vooral in Westergo, schijnt nog later der Arianen leer +gehuldigd te zijn; doch Bisschop Frederik, en na hem de vermaarde +Kanunnik Odulphus (Adolf), gingen ook hier deze ketterijen met kracht +te keer.--Zie Algemeen Noodw. Woordenb. der Zamenleving, op de woorden +Arius en Arianen. + +Onder de verschillende secten dier tijden maakten de Arianen den +meesten naam. Het stelsel van Arius was, dat de Zoon van God, die, ter +verlossinge der menschen, mensch werd, in waardigheid en natuur den +Vader niet gelijk stond, maar, vóór de schepping, door den Vader als +het voornaamste schepsel uit niets is voortgebragt.--Verg. B. Glasius, +Gesch. der Christ. Kerk en Godsdienst, I. 37; F. Sjoerds, +Jaarb. II. 22. + + +Bl. 64. + +In den jaare 840 overleed Lodewijk.--Zijn opvolger Lodewijk de +Duitscher, was een regtschapen en godsdienstig Vorst, de stichter en +grondvester van het Duitsche rijk. Zijne zesendertig-jarige regering +was zeer onstuimig, vol van bloedige oorlogen en moorddadige gevechten +tegen de telkens invallende Noordsche volken. Hij verdeelde in of na +870 het rijk, door hem beheerscht, onder zijne drie zonen, Karloman, +Lodewijk en Karel, bijgenaamd de Dikke. Lodewijk de Jongere bekwam +in zijn aandeel, behalve andere landen, twee deelen van Friesland, +liggende ter regterzijde van den Rijn, en Karel een deel, dat gelegen +was aan de linkerzijde der Maas. Bij een nader vergelijk tusschen de +broeders schijnt geheel Friesland aan Lodewijk den Jongere gekomen te +zijn. Zijne regering was echter niet van langen duur, daar hij in 877 +overleed, wordende opgevolgd door zijnen broeder Karel den Dikke, die, +na den dood van zijnen oom, Karel den Kale, en diens zoon Lodewijk +den Stamelaar, in 879 gestorven, tot de keizerlijke waardigheid werd +verheven. Een gedeelte van Friesland werd door den Keizer aan Gisla, +dochter van Lotharius II, huwende met den Noordschen Vorst Godfried, +ten bruidschat gegeven, ten einde dezen tot vriend te houden; waarom +hij zich dan ook in 822 liet doopen. Deze daad kwam den Friezen duur +te staan, want hij heerschte als een tiran, liet zijne onderdanen, +zoo als men verhaalt met halsbanden boeijen, om ze bij elk gering +vergrijp of naar willekeur te doen ophangen, en maakte hen tot +lastdieren. Eindelijk werd hij ook van kant gemaakt. + +In 880 (anderen stellen 881 en 884) vielen weder de Noormannen +met eene groote magt eerst in Saksen, daarna in Frankrijk, en het +tegenwoordig Friesland en Oost-Friesland, met oogmerk alwat Christen +was uit te roeijen. De Saksen wilden dien woedenden stroom stuiten, +doch hun leger werd vernield met diens Hertog, drie Bisschoppen, +in hoedanigheid van geestelijken het leger volgende, en twaalf +Graven. Verschrikkelijk was hun moorden, branden, plunderen en rooven, +terwijl zoo hier als elders, landen en volken door die helsche benden +werden verwoest en geteisterd. Bij hunnen inval in Friesland moesten +zij het echter ontgelden, want aldaar leden zij de groote nederlaag, +in onze Kronijk bedoeld. Intusschen kwam het, wat ons Friesland betrof, +met Lodewijk tot een vergelijk. Daarna hadden zij, bij een inval in +de Maas, de steden Maastricht, Luik, Tongeren, Keulen, Bonn, Trier, +Mentz en andere plaatsen verwoest en de inwoners deerlijk mishandeld. + +Karel de Dikke, in 't bezit gekomen van het grootste gedeelte der +Monarchij van Karel den Groote, bezat te beperkte geestvermogens om +zulk een groot rijk te bestieren. Hij werd zwak en onmagtig, door zijne +onderdanen verstoten, onttroond en stierf in 888 in armoede en ellende +te Reichenau. Opgevolgd door Arnulph, die onder de Noormannen te +Leuven eene ijsselijke slagting aanrigtede, veroverde deze daarna Rome +met medehulp der Friezen, om aldaar gekroond te worden. Lodewijk, bij +zijns vaders dood nog geen acht jaren oud, en daarom het Kind geheeten, +volgde hem in het rijksgebied op, hetwelk echter bestuurd werd door +Hatto, Aartsbisschop van Mentz, Adalhero, Bisschop van Augsburg, +en Otto, Hertog van Saksen, zijnde de jonge Vorst onder voogdij +van Otto en Hatto gesteld. In zijn achttiende jaar stierf Lodewijk, +ongehuwd en zonder kinderen na te laten, en met hem was het geslacht +des Grooten Karels, en alzoo de Karolingische stam, uitgestorven. + +Over de volgende Vorsten en Regering, den oorsprong van het graafschap +Holland enz. verwijzen wij den Lezer tot het Friesch Jierboeckjen, +1833, § 15 en volgenden. West. Jaarb. I. 131 volgg.; Wagenaar, +F. Sjoerds, en anderen. Belangrijk is ook de geschiedenis van den +Deen Erik, Rorik of Roruk, zoon des Deenschen Konings Heriold, +waarvan in de aangehaalde Schrijvers omstandig gewag gemaakt wordt; +ook Bilderdyk, I. 100, 148 enz., voorts bl. 167 over den oorsprong +van het Graafschap Holland. + + +Bl. 64--Ao 850. + +De kerk van St. Walburg.--Verg. de korte beschrijving van +West. Jaarb. op 't jaar 850. + + +Bl. 64. + +In den jaare 867. In dit jaar werd het Benedictijner klooster op het +eiland Ameland, 't welk 's jaars te voren door den Heer Haijo van +Cammingha, ter plaatse daar de tempel der Godin Foste gestaan had, +was gesticht, met monniken bevolkt door Odilbaldus XII, Bisschop van +Utrecht. Uit hoofde echter dit klooster en zijne bewoners aanhoudend +door de zeeroovers werden geteisterd, is het na verloop van bijna +derdehalf eeuw onder Ferwerd, in Ferwerderadeel, verplaatst, door +de godvruchtige Anna van Cammingha, vrouw van Graaf Adolf van +Fronenberg. Het doel des Stichters was eene kweekschool voor de +wetenschappen, welke destijds bijzonder door de Benedictijnen werden +beoefend, aan te leggen. Oudh. en Gest. II. 286; West. Jaarb. I. 123; +F. Sjoerds, Jaarb. II. 55, 56, 270, enz. + +In den jare 873 kwam er een ontzettend aantal sprinkhanen over +Friesland, welke een duim dik waren, met zes vleugelen en zeer sterke +tanden voorzien. Zij vraten in één uur alles van het veld, zeven à acht +mijlen in den omtrek, en knaagden de takken en basten der jonge boomen +af. Na eene verschrikkelijke verwoesting, dreef de wind hen zeewaarts; +toen verdronken zij, doch door den vloed werd deze geweldige massa +op de oevers geworpen, en veroorzaakte eene pestziekte.--F. Sjoerds, +Jaarb. II. 65. + + +Bl. 67. + +In den jaare 910. Te regt klaagt de Heer West. bij den aanvang van het +tweede Perk des Jaarboeks, als ook de Schrijver van den Tegenwoordige +Staat van Friesland, over de weinige bijdragen en den schralen oogst, +welke de geschiedenis van Friesland ons in de tiende en elfde eeuwen +oplevert. In dit tijdvak zijn bij de Kronijk- en Geschiedschrijvers +weinig belangrijke bijzonderheden vermeld, en ook onze kronijk deelt +er dus weinige mede. + +Friesland strekte zich te dien tijd uit van den Sincfal, de plaats +waar zich de rivier de Maas in zee ontlast, bij Ostende lot aan den +Wezer.--Later werd de verdeeling in zeven Zeelanden daargestelt.--Van +dezen besloeg ons tegenwoordig Friesland er twee, en een deel van het +derde Zeeland. Friesch Jierb. 1834, § 5; voorts West. Jaarb. I. 211, +en de daar aangehaalde Schrijvers. Wiarda, Von den Landt. d. Fries, +b. Upstalsboom, 3 Abschnitt; Meng. Leeuw. Cour. 4 Oct. 1831. + + +Bl. 67.--Ao 910. + +Westerman heeft enz. Adam Westerman, Predikant te Stavoren, +heeft in den jare 1635 uitgegeven: Korte Beschrijvinge van de +oude Anse-stad Stavoren; in welke aangewesen werd haren Ouderdom, +Opgang, Voortreffelijkheid, Afgang, en tegenwoordigen Stand. Eene +herdruk daarvan verscheen te Amsterdam in 1684. De Schrijver schijnt +de kronijken gevolgd te zijn, en niet meer gegeven te hebben dan +H. I. Soet, in zijn: Op- en Neder-ganck van Stavoren. Verg. Pars, +Naamrol van de Batavise en Holl. Schrijvers, bl. 141. + + +Bl. 67.--Ao 920 en 970. + +Koppen van Stavoren--Okke van Scharl. Het bestaan van de schriften +van dezen eersten wordt mede betwist. Suffridus Petri [157] zegt, +dat hij van Andreas Gryphius fragmenten ter leen gehad heeft, door +den Priester Cappidus van Stavoren zamengesteld, welke hem tot zijne +geschriften zeer ten dienste hadden gestaan;--doch ook deze zijne +woorden, welke door geene latere bewijzen bevestigd zijn, hebben +geen geloof kunnen vinden,--even min als zijn verhaal van Ocko van +Scharl. Volgens de overlevering hadden de Schriften van zijn oudoom +Solke, of Carel Solke Forteman, hem de bouwstof geleverd, voor zijne +bekende Kronijk, welke door Johannes Vlijtarp, Geheimschrijver van +den laatsten Potestaat, J. Hessel Martena, in de XIV eeuw is aangevuld +en verbeterd, en daarna door Andreas Cornelis, geboortig van Stavoren +en Organist te Harlingen, werd overgewerkt, vervolgd en na diens dood +uitgegeven in den jare 1597 te Leeuwarden, in folio, bij Jacob Jansz, +doch te Amsterdam gedrukt. Deze kronijk is herdrukt in quarto, en te +Leeuwarden uitgegeven bij Abraham Ferwerda in 1742. Een tweede druk +daarvan verscheen bij D. Balk te Workum in 1753, welke echter zoo +letterlijk, ja stiptelijk met al zijne versierselen gelijk is aan +den vorige, dat alleen de titel het onderscheid uitmaakt, even als +met de Leeuwarder en Franeker drukken van Gysbert Japicx Rijmlerye +en de 3 laatste Uitgaven onzer Kronijk. + +Vele Schrijvers zijn van gevoelen, dat deze Kronijk geen het minste +geloof verdient, als gevuld met fabelen en bijgeloovigheden. Emmius, in +zijne Refut. Apol., van Rhyn, op de Oudh. en Gest. I. 51; F. Sjoerds, +Inleiding voor de Besch. van O. en N. Friesland, en anderen beweren +dit op gelijke gronden; geen gezag aan Suffridus Petri kunnende +toekennen. Ook de Wind, in zijne Inleiding voor de Bibliotheek van +Nederl. Geschiedschrijvers, heeft dit punt met oordeel behandeld. Zijn +gevoelen stemt niet dat van Emmius overeen: »Hoezeer dan ook, zegt +hij, Andreas Cornelis een handschrift moge voor zich gehad hebben, +waaruit hij de drie eerste boeken getrokken heeft, is het onbewezen +dat dit H. S. eene kronijk van O. van Scharl uit de tiende, en van +J. Vlijtarp uit de veertiende eeuw inhield. Veeleer zal dit H. S. het +werk geweest zijn van een Schrijver uit het begin der dertiende eeuw, +die deze fabelen heeft zamengeflanst, in dien tijd, toen bijbel en +ware geschiedenis in het kleed van een roman moesten gehuld worden, +wilde men dezelve aanhooren." Wij willen de gronden van den kundigen +de Wind wel niet betwisten of wederleggen, als hier niet voegende, +dan ik kan er evenwel nog niet toe komen, om met Emmius alles weg te +redeneren; en zelfs naar aanleiding van bovengemeld argument, blijf +ik beweren, dat er veel waarheid, hoe dan ook in fabelen gehuld, +uit deze kronijk en andere dergelijke schriften is op te sporen, +waarom wij met den geleerden Westendorp gereedelijk instemmen, +dat er geene voldoende redenen bestaan, de geloofwaardigheid dier +oude Schrijvers geheel te verwerpen. Zie voorts gem. Biblioth. der +Ned. Geschiedschrijvers, II. St. p. 223; Suffr. Petri, D. 5. c. 9. en +D. 7. c. 4, de Script. Frisiae; Schwartz. Chart. Voorr. II. 67; +onze Aantt. bl. 286-288. + + +Bl. 68. + +Omtrent den jaare 969 Gosse Ludigman. Zie v. Rhyn's Nabericht, bl. 417 +volgg. Vóór het huwelijk van des Potestaats dochter Tet, met Sicco, +zoon van Graaf Arnout, uit wien de Teilingen en Brederoden stamden, +is, schoon betwist, zeer veel te zeggen, hoezeer ook v. Rhyn eene +andere uitlegging heeft. + + +Bl. 68.--Ao 998. + +Het stedeke Uitgong verwoest. De bouwing dezer stad is in de hooge +oudheid te zoeken, en zij moet in den vroegsten tijd zeer belangrijk +voor den handel en met eene goede haven voorzien zijn geweest; liggende +aan het Boerdiep of Middelzee. Na gemelde verwoesting weder opgebouwd +zijnde, werd zij in 1181 door een hevig en brand geteisterd; dan tien +jaren daarna werd de gansche stad door de Noormannen geplunderd, en +te vuur en te zwaard vernield, zoodat met haar bestaan ook zelfs die +naam voor altoos werd uitgewischt. De inwoners schijnen zich metter +woon naar Franeker te hebben begeven. Hoezeer evenwel Uitgong eene +stad of stedeke genoemd werd, vermeent men echter, dat het met geene +wallen of muren omringd, maar eene open plaats geweest is: het had +niettemin stads voorregten en het regt van Oldermanschap. Wij kunnen +over deze belangrijke plaats niet verder uitweiden; wie daartoe lust +hebbe, leze het Aanhangsel betreffende de Oudheden, en voornaamste +Gebeurtenissen van Berlikum, achter het Tweetal Leerredenen van +Petrus Nota, (Franeker, 1781) waarin men alles in een kort bestek +bij elkander heeft en de Schrijvers vindt aangehaald. + +Omstreeks dezen tijd sneuvelde de Hollandsche Graaf Arnout, in een +veldslag nabij Schagen in West-Friesland. De Friezen bleven altoos +weigeren de Graven als hunne Heeren te erkennen. De vermaarde Friesche +Edelman Adelbold, deelende in de gunst van den Keizer Otto III, +werd tot Bisschop van Utrecht benoemd. + + +Bl. 69.--Ao 1006-1010. + +Deeden de Noormannen geweldige invallen. De geschiedschrijvers +vermelden allen, met verschil nogtans van sommige omstandigheden, deze +invallen en gevechten op de jaren 1009 en 1010, en daarmede hield dien +geesel ook voor Friesland op: want dit was der Noren laatste inval, +welke echter nog vele menschenlevens kostte. De meerdere uitbreiding +van 't Christendom, doch ook zwakheid in strijdkrachten, zullen +hiertoe veel bijgebragt hebben. F. Sjoerds, Jaarb. II. 171; Wagenaar, +II. 135; Bilderdyk, II. 7. Deze Schrijver vermeld, een door hem uit +het Yslandsch overgebragt verhaal, van een inval der Noormannen in +'t jaar 943, voorkomende in de Eglo-Saga, dat is, Historie van Egil, +hetwelk wij willen overnemen: + +Uit Egils-Saga, Hafniae 1809. Cap. 72. Ao. 943. + + + »Ambiorn was dien winter 't huis op zijn erf (of land); + maar omtrent de lente lustede 't hem om ten krijg (zeeroof) + te varen. Hij had veel goede schepen. Hij had omtrent de lente + drie lange schepen en die alle sterk. Hij had 300 man. Hij had + bedienden in zijn schip en was zeer wel gescheept. Hij had ook + menige boeren-zonen met zich. Egill besloot met hem te varen + en stuurde (beval) een schip. Ook voeren met hem vele van zijne + luiden, die hij met zich van IJsland genomen had. Een koopschip, + dat hij van IJsland gehad had, liet hij vlieten Oostwaarts naar + Wik, (en) nam daartoe mannen om met zijn pakkaadje te varen, + en zij, Axinbiorn en Egill hielden de lange schepen om meê te + landen. Zoo dan stevenden zij Zuidelijk naar Saxenland, en hier + toefden zij tot den somer en vingen veel buit, en voor den oogst of + herfst keerden zij Noordelijk en landden in Friesland. Op zekeren + nacht, als het weêr gunstig was, zeilden zij den mond van een + rivier op. (Want) daar is 't kwaad te havenen, en een grooten + inham. Daar waren landwaart op groote vlakten en.... bosschen + dichte bij. Daar waren veel plasschen, want het had veel geregend; + daar besloten zij op (aan land) te gaan, en lieten eenige hunner + lieden achter om de schepen te bewaren. Zij gingen op midden + tusschen de rivier en de bosschen. Niet ver van daar was een + dorp en daar woonden veel boeren. Het volk liep uit het dorp naar + 't land, wat het mocht, en de roovers achter hen. Zij kwamen aan + een ander dorp en een derde: de lieden vloden al wat zij konden; + daar waren velden en groote vlakten; daar waren grachten om de + landerijen gegraven en stonden in 't water, en daar waren groote + palen in de grachten gezet, daar waren om over te gaan bruggen + en planken over. Het landvolk vlood in de bosschen; maar als de + roovers ver in 't dorp gekomen waren, zoo trokken de Friezen te + zamen in de bosschen, en als zij bij de 300 hoofden bijéén waren, + zoo trokken zij de roovers in 't gemoet, en geraakten met hen in + strijd; en werd daar een groot gevecht, tot de Friezen vluchteden, + maar de roovers de vluchtenden vervolgden. De hoop dorpelingen + werd verstrooid, en zoo ging 't ook met die hen achter na vlogen; + en dus bleven er weinige bij een. Egill vloog hard achter hen + en weinige mannen met hem. De Friezen kwamen daar aan een gracht + en trokken die over, en namen toen de brug weg. Toen kwam Egill + aan de andere kant en sprong dadelijk over de brug. Maar dat was + geen sprong voor een ander, en niemand deed het hem na, en zijn + makkers snelden naar hunne schepen om hulp te zoeken. En wanneer + de Friezen zagen, dat één man daar over was (en niet meer) zoo + keerden zij om en kwamen op hem aan. Maar hij verdedigde zich, + de gracht van achteren tot beschutsel. Daar vielen hem elf aan, + met dat gevolg, dat hij die allen neêrsloeg. Daarna schoof hij de + brug en kwam over de gracht. Toen, als hij nu zag dat alle naar + de schepen getrokken waren, hield hij zich dicht bij de bosschen; + en dus trok Egill langs de bosschen en zoo naar de schepen, dat + hij in 't hout mocht kunnen wijken zoo 't noodig ware. De roovers + hadden veel slachtvee naar 't strand gedreven, en als zij aan de + schepen kwamen, slachtten sommige die, andere voerden ze te scheep + van daar; sommige maakten een schildburg. Want de Friezen waren + opgekomen in groote menigte en schoten op hen. Maar Egill kwam + op en hij zag wat gebeurde. Daar vloog hij ten snelste op dien + hoop, en greep zijn slagzwaard met beide handen, en wierp zijn + schild op den rug. Hij zwaaide zijn zwaard en sloeg op al wat + daar voor stond, en maakte zoo ruimte onder 't volk, dat hij tot + de zijnen kwam. Daarna gingen zij 't scheep en staken van land, + en zeilden naar Denemarken." + + +Bl. 70.--Ao 1064. + +Den naam Harns. Over den oorsprong van dezen naam, zie men Oudh. en +Gest. II. 142. Sommigen leiden dien af van de twee adellijke Staten +Harliga en Harns, waarbij, of op wier grond de aanleg der stad +gebouwd was, en welke beide namen, naar tijds gewoonte, veel twist +veroorzaakten, wie den boventoon behouden zou; weer anderen willen dat +de Friesche naam Harns, zijn oorsprong had in de ligging der plaats aan +een uithoek van de Middelzee en de Wadden. Vergel. bl. 89 der kronijk. + + +Bl. 71. + +In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus. Wij laten hier volgen een +aaneengeschakeld verhaal van + + + + + +DE KRUISTOGTEN DER FRIEZEN NAAR PALESTINA [158]. + + + Zoo liet het Voorgeslacht het edel denkvermogen + Zich rooven; alles lag voor 't Bijgeloof gebogen: + Hem staat, met krommen hals, de trotsche Huichlarij, + En, 't aangezigt vermomd, Bedrog, zijn vader, bij. + + Haller. + +In de Europesche geschiedenis maken de kruistogten een +allerbelangrijkst tijdvak uit. Door dezen werd Europa ontvolkt; +millioenen vonden in Hongarijen, Griekenland, Syrië, Palestina, Egypte, +in de Middellandsche zee en onder weg hun graf; door dezen schoot het +bijgeloof vaste wortelen, werd de Pauselijke stoel verheven boven de +troonen van wereldlijke regenten, wies het monnikendom door blinde +gehoorzaamheid aan, en ontstonden te voren onbekende orden, kloosters +en prachtige kerken; door dezen werden onnoemelijke schatten van Europa +in Azië begraven, en wereldlijke Vorsten werden, door de verwijdering +van magtige vassalen, despoten. Daarentegen gaven zij aanleiding dat +kunsten en wetenschappen van het eene volk tot het andere overgebragt +en door Europa verbreid werden. In deze Kruistogten hebben ook onze +Voorvaderen, de Friezen, deel genomen. Daar nu de geschiedenis van de +Kruistogten door onze historieschrijvers deels onaangeroerd blijft, +deels stuksgewijze en zonder zamenhang geleverd wordt, zoo veroorloof +ik mij, onze lezers in deze Bijvoegsels een aaneengeschakeld verhaal +te geven. + +Reeds ten jare 637 hadden de Saracenen onder hunnen Kalif Omar I zich +meester gemaakt van Palestina en de Heilige Stad, en zij bleven meer +dan vijfthalve eeuw in derzelver rustig bezit. Tegen het einde der +elfde Eeuw kwam Peter de Kluizenaar, een ondernemende dweeper, te +Rome. Hij schilderde met krachtige verwen de gruwelijke vervolgingen, +die de verdrukte Christenen van de Mohamedanen lijden moesten. Een +bewegelijke brief van Simon, den Patriarch van Jeruzalem, bevestigde +zijne reden. Paus Urbanus II gaf hem volmagt, om de wereldlijke +Vorsten aan te moedigen tot de bevrijding des Heiligen Lands uit de +handen der barbaren. + +Daar liep Peter met het Krucifix in de hand, barrevoets en blootshoofds +Italië, Frankrijk en Duitschland af. Zijne dweeperij, zijn prediken, +de brief des Patriarchs en de Pauselijke Bulle verwekten overal dorst +naar Turkenbloed. In het jaar 1095 hield de Paus, eerst te Piacenza, +en in November deszelfden jaars te Clermont in Auvergne eene groote +kerkvergadering. Na het eindigen eener vurige rede, waarin de Paus +een Kruistogt had bevolen, riep de ontelbare verzamelde menigte uit: +»God wil het, God wil het!"--Ridders, die avonturen zochten; monniken, +welken het klooster te eng, te benaauwd was; verrukte vromen, die met +den helm op het hoofd en het zwaard in de hand den hemel dachten te +verwerven; schuldenaars, die zich van hunne schuldeischers wilden +ontdoen; gaauwdieven en booswichten, die de welverdiende straffen +ontliepen; straatslijpers, die het omzwerven boven eene eerlijke +kostwinning verkozen; knechten, die zich van het juk hunner heeren +ontsloegen; in één woord, allen, die het zwaard konden voeren, maakten +zich voor en na gereed tot eenen krijgstogt tegen de Saracenen. Alle +deze hemelhelden ontvingen, terstond bij hunne aanwerving, een +klein kruis, dat zij op den schouder vastmaakten. Aan dit kruis kon, +een ieder zijnen landgenoot kennen [159]. Naar hetzelve werden de +soldaten Kruisbroeders, en deze togten Kruistogten of ook heilige +Krijgstogten genoemd. + +Er werd dan tot een heiligen krijgstogt besloten en een leger +van 300,000 man onder verschillende hoofden bijeengebragt. Een +Fransch Ridder, Walter (Gautier), trok met 20,000 man vooruit. Deze +Christelijke barbaren pleegden in Bulgariën met moorden en stelen +grooten moedwil; waarom de Bulgaren zich vereenigden en schier deze +gansche voorhoede nedersabelden. Peter de Kluizenaar voerde zelf +20,000 man aan en volgde Wouter. Het ging hem echter in Hongarije en +Bulgariën niet veel beter. Hij kwam evenwel met het gering overschot +zijner troepen in Konstantinopel aan. Nog een ander leger, dat op +200,000 man geschat wordt, en uit Duitschers, Franschen en Engelschen +bestond, leed buitengewoon veel door het zwaard der Hongaren en meer +nog door den honger en het gebrek. Een andere hoop scheepte zich in, +en kwam door de Middellandsche zee in Syrië. Godfried van Bouillon +voerde 80,000 Duitschers aan, en trok met dezen naar Philopolis. In +het jaar 1097 vereenigde zich het gansche Christenleger, dat door +eenige Schrijvers op 500,000 voetknechten en 130,000 ruiters wordt +geschat, te Chalcedon. Nu vingen de Christenen hunne ondernemingen +tegen de Saracenen en Turken aan. Zij veroverden Nicea, Antiochië, +Cesarea en eindelijk in 1099 ook stormenderhand Jeruzalem, alwaar +Godfried van Bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen tot Koning van +Jeruzalem werd uitgeroepen. + +In dezen eersten Kruistogt hebben ook de Friezen deel genomen. Zij +zijn om Frankrijk, Spanje en Italië henen naar Palestina gezeild. De +jaarboekschrijvers noemen ons de voornaamste Edellieden, die den +togt mede ondernomen hebben, als Tjepke Forteman, Jarich Ludinga, +Epo Hartman, Igo Galama, Feico Botnia, Eelco en Sicco Liauckama, en +Ubbo Harmana. Bij de belegering van Nicea zijn Hartman en Forteman, +de laatste van zijn geslacht, gesneuveld. Eelco Liauckama zoude +zich bijzonder onderscheiden hebben. Hij was Generaal over 3000 man +ruiterij, en werd eerst tot bevelhebber van Nicea aangesteld, doch +ging daarna, ontevreden over zijnen werkeloozen toestand, verder in +Palestina in garnizoen. + +Harmana en Galama zijn in een veldslag,--en Eelco Liauckama en +Botnia bij de verovering van Jeruzalem zwaar gewond geworden. Na +hunne herstelling zijn deze beiden eindelijk door Koning Godfried tot +ridder geslagen. Naderhand zijn nog verscheiden Friesche Edellieden, +Homminga, Roorda, Cammingha en Ockinga naar Palestina getogen, en +hebben onder Boudewijn, den tweeden Koning van Jeruzalem, lauweren +bevochten tegen de Saracenen. Daardoor stonden zij bij den Koning +en de voornaamste Hoofden van het Rijk in bijzondere hoogachting. De +faam hunner heldendaden drong gansch Europa door, en de Koning wilde +hen noode ontslaan uit zijne dienst. Hij geleidde hen in persoon +met honderd ruiters naar Jaffa, alwaar zij zich inscheepten, en over +Venetiën en Rome den 15 December 1106 in goeden welstand in Friesland +terugkwamen. Zij werden door hunne vrienden in plegtigen optogt, +met kruis en vanen, onder gejuich en blijdschap ontvangen. In dit +jaar zijn de meeste Friezen weder teruggekomen. + +Watze Herama, vroeger teruggehouden door de ziekte van zijnen +reisgenoot Roorda om naar Palestina te reizen, schijnt in den jare +1119 met dezen en andere Friesche Edelen, als Harmana, Homminga, +Ockinga en Cammingha, over Venetiën en Jaffa den togt te hebben +aangenomen. Zij streden in 1120 dapper, dan dit gevecht viel voor hen +nadeelig uit. Herama en Homminga werden verslagen. Koning Boudewijn +met de Edelen, waaronder ook Cammingha en Ockinga vielen den Parthen +in handen; Roorda en Harmana werden zwaar gewond, doch ook weder +genezen en de gevangenen uitgewisseld. + +In het jaar 1145 liet Paus Eugenius III door den heiligen Bernard +op nieuw het Kruis prediken. Keizer Koenraad en Lodewijk VII van +Frankrijk namen zelven het Kruis aan. De togt werd in 1147 aangevangen, +doch liep, voornamelijk door de trouwloosheid des Oosterschen Keizers +Manuel, ongelukkig af. Na vruchtelooze belegering der stad Damascus, +trok het geringe overschot des Christen-legers weder huiswaarts. + +Dezen tweeden heiligen krijg schijnen de Friezen niet mede bijgewoond +te hebben. De Paus echter beval eenen dubbelen Kruistogt ten zelfden +tijde (1149): eenen naar Spanje om de Saracenen te verdrijven, en +een' anderen tegen de ongeloovige Sclaven aan de Oostzee. Tot beide +Kruistogten hebben zich voornamelijk de Westfalingers, Friezen en +Hollanders laten gebruiken. + +Helmold, een geschiedschrijver, die omtrent dezen tijd leefde, laat +eenen Frieschen Priester Gerlaf toen de Sclaven de Friezen ingesloten +hadden, aldus aanspreken: + +»Nescitis apud Slavos nulla gens detestabilior Fresis? Sane foetet +eis odor noster." + +»Weet gij niet dat bij de Slavoniers geen volk zoo zeer verfoeid +wordt als de Friezen? Zij mogen ons waarlijk niet eenmaal rieken +[160]." Een duidelijk bewijs, dat de Friezen met de Sclaven wakker +aan den slag geweest zijn. + +Intusschen werd de toestand der Christenen in het Oosten van tijd tot +tijd moeijelijker en gevaarlijker. De Sultan Saladin, deze om zijne +grootmoedigheid in de geschiedenis zoo bekende Vorst, veroverde ten +jare 1187 eindelijk Jeruzalem, en maakte een einde aan het Koningrijk, +dat 88 jaren bestaan had. Nu maakte de Paus een gruwelijk alarm, en +bewoog den Keizer Frederik Roodbaard (Barbarossa), Koning Filips II +(Philippus Augustus) van Frankrijk en Richard I (Leeuwenhart) van +Engeland om nog eenen Kruistogt te wagen. In 1189 brak het heirleger +op. De Friezen en Denen rustten 50 schepen uit, vereenigden zich +met de Hollanders en Vlamingen, hielden hier en daar in Spanje aan, +geraakten aldaar slaags met de Saracenen, voegden zich nabij Sicilië +bij de Italiaansche vloot, en kwamen eindelijk te Ptolomais (toen +Acre genoemd) aan. + +Ook in dezen krijgstogt, in welken de Keizer door een toeval het +leven verloor, rigtten de Christenen niets verder uit, dan dat zij +Ptolomais veroverden. Niettegenstaande dezen ongelukkigen uitslag, +liet de Paus Coelestinus in 1197 op nieuw het Kruis prediken. De +Friezen namen met de Denen en die van Lubek en Bremen hunnen gewonen +weg om Spanje, voegden zich op Cyprus bij het hoofdleger en landden +weder te Ptolomais. Ook op dezen togt maakten de Christenen geene de +minste verovering. Zij sloten evenwel met Saladin eenen wapenstilstand +voor 6 jaren. + +Ten jare 1199 keerden de heilige krijgers, die in 1189 en 1197 zich +op reis begeven hadden, voor zooverre zij waren overgebleven, tot de +hunnen terug. + +Zekerlijk kwamen deze Kruisvaarders vermagerd, hongerig en met ledige +handen huiswaarts; doch, gelijk vermeld wordt, had de generaal der +Friezen, Hartwijck, Aartsbisschop van Bremen, eenige beenderen der +Heilige Anna, en het zwaard, waarmede Petrus het oor van Malchus had +afgehouwen, medegebragt [161]. + +Het tijdstip, 't welk ik thans nader, is voor ons des te belangrijker, +omdat de voornaamste feiten meestendeels door gelijktijdige schrijvers +en door bewijzen gestaafd worden. De Pausen moedigden de wereldlijke +Vorsten, toen de met Saladin geslotene wapenstilstand ten einde liep, +tot eenen nieuwen Kruistogt aan; doch wegens de ongelukkige gevolgen +der vorigen, bleef alles bij vrome wenschen. Eindelijk was Paus +Innocentius III zoo gelukkig, dat op eene door hem in 1215 belegde +kerk vergadering tot een nieuwen Kruistogt besloten werd. Hierop +beval de Paus allen Bisschoppen, in hunne kerspelen het Kruis +te laten prediken. De Aartsbisschop van Keulen zond den Keulschen +Leeraar Olivier [162] met bijzondere aanbevelingsbrieven van den Paus +naar Friesland. Deze predikte zelf het Kruis, en gaf aan eene menigte +Vicarien door het geheele land volmagt, om in zijne afwezigheid aflaten +te schenken en rekruten voor den heiligen krijg aan te werven. Hij +liet in de kerken uitgeholde, van boven met ijzer beslagene blokken +nederzetten, opdat ieder door eene daarin zich bevindende opening zijne +bijdragen tot bevordering der krijgstoerusting mogte storten. Het +prediken van Olivier had eenen buitengemeenen indruk gemaakt bij de +Friezen, zoodat een ongeloofelijk aantal het Kruis aannam. Zij schijnen +echter met de toebereidselen tot den optogt zich niet zoozeer gehaast +te hebben; ten minste herinnerde Olivier hun in eenen brief van den +jare 1216, dat, de Denen, Bremers en Keulenaars reeds eene groote +vloot uitrusteden, het ook tijd werd hunne schepen te bemannen. + +Ook in dezen tijd had de geestvervoering tot overwinning van 't +Heilige Land zulk eene algemeene werking, dat duizenden van kinders +naar de zeeplaatsen liepen, om ook deel aan den strijd te nemen, en +hoewel door hunne ouders opgesloten, wisten zij hunne gevangenis te +ontkomen op allerlei wijzen, zonder dat de meesten daarna immer zijn +teruggekeerd. Zeker Schrijver [163] verhaalt er 't volgende van: »In +'t jaar 1211 vereenigde zich een groot aantal kinderen (men geeft het +op voor 90,000), onder aanvoering van een' ouderen knaap, met het +voornemen het Beloofde Land weder te veroveren. De meesten kwamen +uit Duitschland en wandelden blijde naar Genua. Hier ondervonden +zij echter uit onbekendheid, waar eigenlijk het Beloofde Land lag, +onoverkomelijke hinderpalen, om hunne avontuurlijke onderneming verder +ten uitvoer te brengen. Te Marseille kwamen 30,000; een deel daarvan +stierf van ellende, een deel werd vermoord en de overigen als slaven +aan de Saracenen verkocht." + +De Hertog Leopold van Oostenrijk, Boudewijn van Vlaanderen, Lodewijk +van Savoijen, benevens verschillende Bisschoppen en Graven vereenigden +zich met den Koning Andreas van Hongarije en trokken te land naar +Palestina. Daarentegen scheepten de Graaf van Holland (Willem I) en +de Graaf van Wieden met de overigen zich op de Maas in, en stevenden +door de Middellandsche Zee naar Ptolomais, alwaar de verzamelplaats +der Kruisvaarders was. De Friezen behoorden tot de vloot des Graven +van Holland. Deze geheele reis tot op de aankomst in Ptolomais is van +eenen Kruisbroeder [164], die den togt mede heeft gemaakt, naauwkeurig +beschreven geworden. Het reisverhaal daarvan is te vinden in Emo's +Chronicon (p. 16-35), waaruit ik het volgende overneem: + +»Op het einde van Mei 1217 ligtten de Friezen in den Lauwerstroom +de ankers, en staken met groote schepen, die zij Koggen noemden, uit +den stroom in zee. Onder Engeland ontmoetten zij eene groote vloot, +onder bevel der Graven van Holland en Wieden [165]. Hier werden het +plan des geheelen togts en wetten ontworpen, waaraan een iegelijk moest +gehoorzaam zijn. De Graaf van Holland [166] werd tot eersten Admiraal +der gansche vloot benoemd, die in twee afdeelingen afzeilde. De eene +werd door den Graaf van Holland zelven, de andere door dien van Wieden +aangevoerd, en de Friesche schepen behoorden onder het smaldeel des +Graven van Holland. + +Eerst kwamen zij in de havens van St. Mattheus en vervolgens te Faro +(of Ferrol), eene stad in Gallicie, aan. De Kruisbroeders ontscheepten +zich hier, en gingen te voet in bedevaart naar St. Jacob van +Compostella. Hier bezochten zij de heilige overblijfsels (reliquiën) +des Apostels, en bragten hem hunne offers. Toen zij weder scheep +gegaan waren, voeren zij eerst wegens tegenwind noordwaarts af, en +laveerden eindelijk met veel moeite naar Portugal; zij ankerden voor +Salerno, lieten zich daar van den Abt te Alkubar vele wonderen en +avonturen verhalen, en voeren na eenige dagen den Taag op, totdat zij +eindelijk te Lissabon aanlandden. De daar aanwezige Bisschop wendde +al de kunsten zijner welsprekendheid aan, om het Kruisheir te bewegen +tot het verdrijven der Saracenen uit Spanje. Door verdelging dezer +barbaren, zoo sprak hij, zouden de Christenen God dezelfde dienst +bewijzen, als wanneer zij, Hem ter eere, in Palestina hunne handen +in Saracenen-bloed wieschen. Sommigen lieten zich begoochelen, +en bleven met hunne schepen in de haven van Lissabon liggen. De +meeste Kruisvaarders echter en inzonderheid de Friezen lieten zich +van hun voornemen, om in het Heilige Land veroveringen te maken, +niet aftrekken. Zij ligtten vervolgens wederom het anker, en voeren +het gebergte St. Vincent om. Door hevigen storm moesten zij de haven +St. Maria binnenloopen. Deze was eene wel versterkte stad, waarvan +de hooge muren zoo dik waren, dat boven op dezelve twee ruiters +elkander konden voorbij rijden. Het leger was onderling niet eens, +of men de stad aantasten, dan wel met den eersten gunstigen wind weder +onder zeil gaan zoude. Toevallig vertoonden zich vele Saracenen voor +de stad. De Friezen hieven een lofzang (Hymnus) aan, vielen op den +vijand in, en drongen hem binnen de stad terug. In de schemering zag +een Fries eenen Saraceen, die zich door middel van een koord van den +muur liet afzakken. Deze gelegenheid maakte hij zich ten nutte: hij +doodde den Saraceen en steeg naar boven. Als hij nu met dat touw velen +zijner makkers had opgetrokken, plantten zij een krijgsvaan boven op +den muur: deze koene strijders drongen vooruit tot aan de poort. De +wacht, die zich daar bevond, werd op het gezigt der Christenen door +eene plotselijke schrik bevangen, geraakte in wanorde, en kon niet +beletten dat de poort geopend werd. Het gansche leger drong binnen, +en zoo werd de stad veroverd, en nu rigteden de Christenen een groot +bloedbad aan, plunderden alles wat hen voorkwam, en staken tot afscheid +de stad in brand. + +Vele Kruisbroeders, waarschijnlijk dweepzieke monniken, hebben in de +wolken het beeld der heilige Maria gezien, welke over het geluk en +de gedragingen der Christenen met welbehagen glimlachte. De Priesters +hadden moeten doen zien, dat de heilige maagd tranen stortte over deze +Christelijke barbaren!--Dit geschiedde den 1 Augustus:--twee volle +maanden hadden dus onze Friezen reeds rondgezworven. Des anderen +daags ligtten zij wederom de ankers, voeren digt onder de Spaansche +kusten langs, en landden te Roden. Het gerucht van den gruwel der +verwoesting in St. Maria was reeds tot hier doorgedrongen. De bevreesde +Saracenen hadden de stad verlaten; de Christenen trokken de ontvolkte +stad binnen, plunderden dezelve, volgens loffelijke gewoonte, uit, +en legden haar in de assche. Eenige Christenen hadden zich op de bij +de stad liggende wijnbergen verspreid, in de hoop van ook daar nog +eenigen buit te behalen; maar de Saracenen lagen daar in sluipholen +verborgen, kwamen onverwacht te voorschijn, en vermoordden allen, +die zich niet met de vlugt tot aan de haven redden konden. Daarop +gingen de Christenen naar Kadix, en ook deze reeds destijds rijke +stad was van de Saracenen verlaten. De Kruisvaarders sloopten eene +bij uitstek kostbare moskee tot den grond toe, plunderden de stad +en de omliggende landhuizen uit, en namen, van roof verzadigd, het +vroom besluit, deze prachtige stad door het vuur te verwoesten. + +Nu rigteden de Christelijke zeeroovers hunne koers naar de straat van +Gibraltar. Een zware storm uit het Oosten belette hun de doorvaart, +en verstrooide de vloot; 86 schepen, waaronder die der Friezen, liepen +in de havens van Sevila aan den mond der Guadalquivir binnen. Drie +dagen daarna liepen zij uit met eenen gunstigen wind, geraakten +gelukkig door de straat, verzeilden op den vierden dag daaraan uit +onkunde naar het eiland Ivica, en kwamen na eenige dagen te Tortoso +aan den mond van den Ebro. Zij gingen aan land om versch water +in te nemen, bleven hier twee dagen, en stevenden naar Barcelona, +waar zij verscheiden schepen hunner door den storm verstrooide vloot +aantroffen. In de haven van den H. Felicianus (St. Felice de Guixolis) +in Catalonië vonden zij het overschot derzelve weder. + +De vloot ging weder onder zeil, en ankerde in de haven van +St. Mardrianus omtrent Marseille. Nu hielden zij zich digt langs de +kusten van Frankrijk en daarna van Italië, voeren Nizza, Pisa, Genua, +Livorno en andere steden voorbij, en kwamen eindelijk te Piombino in +Toskanen. In Piombino vertoefden zij 8 dagen, en rigtten nu hunnen +koers naar Messina op Sicilië; dan storm en tegenwind dwongen hen +om naar Civita Vecchia te zeilen. Daar het jaargetijde zoo verre was +verloopen, besloot men hier de winter kwartieren te betrekken, want +het was reeds 9 October toen de vloot in de haven van voornoemde stad +voor anker kwam. Vijftehalve maand had dus de vloot van huis af naar +Italië te zoek gebragt. Zulk een lange tijd kan ons niet bevreemden, +als men denkt, dat de vloot geenszins de volle zee, maar altijd de +kusten gehouden, en in vele havens vertoefd heeft. Ondertusschen was +de haven van Civita Vecchia niet ruim genoeg om de schepen allen +te bevatten, weshalve zich eenigen van de vloot afscheidden. 18 +Friesche bodems liepen de haven van Corneto binnen, alwaar zij +op uitdrukkelijken last van Paus Honorius III, inzonderheid omdat +zij in Spanje zoo dapper gestreden, zoo vele Saracenen onthalsd en +steden verwoest hadden, heerlijk onthaald werden; ja, de Paus had +zoo veel met hen op, dat hij hun tweemalen de Veronica (het in den +Zweetdoek afgedrukte gelaat des Heilands) liet zien. Tot den 21 Maart +1218 lagen de Friezen daar in de winterkwartieren. Bij hun vertrek +werden zij door de gezamenlijke ingezetenen met 158 vanen in heiligen +optogt tot aan de schepen begeleid. Zeer velen uit deze stad en het +omliggende land, van Viterbo, Sièna, Vetralla enz. scheepten zich +met 40 vanen met de Friezen in. De bevelhebber van Corneto liet bij +den aftogt het volk eenen kring maken, plaatste zich in het midden, +en hield eene aanspraak, waarin hij de dapperheid der Friezen roemde, +en hun zijne mede vertrekkende landslieden hartelijk aanbeval. Na het +eindigen zijner rede overhandigde hij den Friezen een Krijgsvaan, ten +teeken des opperbevels over de medetrekkende Italianen. Nu gingen zij +aan boord, en vereenigden zich met de van Civita Vecchia uitgeloopen +vloot. Na eenige, hoewel niet belangrijke tegenheden, landden zij te +Sijracuze aan, waar zij den palmzondag vierden. Onder Creta leden +zij eenen zwaren storm, die de vloot verstrooide, doch de meeste +schepen liepen daar eene haven in. Zij zeilden vervolgens Cnidus, +Rhodus en Cyprus voorbij, en kwamen eindelijk, den 26 April 1218, +te Ptolomais aan. + +In deze haven vonden zij Johannes, Koning van Jeruzalem, Andreas, +Koning van Hongarijen, den Koning van Cyprus, de Hertogen van +Oostenrijk en Beijeren en andere groote Heeren met het geheele +Christen-leger, hetwelk men op 80,000 man berekende. Ondertusschen +hadden die Kruisvaarders, welke zich door de reden des Bisschops hadden +laten overhalen in Lissabon te blijven, op de Saracenen in Portugal +eenige veroveringen gemaakt; doch op bevel van den Paus zijn zij van +daar opgebroken, en onder aanvoering van Graaf Willem van Holland met +eenen gunstigen wind, nog vroeger dan hunne voormalige togtgenooten, +te Ptolomais, de verzamelplaats van dezen Kruistogt, aangekomen. + +Het thans weder vereenigde leger maakte het volgende plan: Damiate, +de sleutel van Egypte, zoude veroverd worden, dan ware het den +Christenen gemakkelijk Cairo en Alexandrië den ongeloovigen te +ontrukken. Wanneer op deze wijze Egypte in handen der Christenen viel, +zoo kon men den ongeloovigen in Syrië en Palestina de pas van Egypte, +van waar zij toevoer en rekruten ontvingen, afsnijden, en zoo moesten +dan Syrië en Palestina zich van zelf overgeven. Sed homo proponit; +Deus disponit!--»Doch de mensch maakt plannen; God beschikt!" + +Ingevolge dit plan ligtte de vloot het anker, en stevende in 3 dagen +naar Egypte. Met zeer veel moeite liep zij den Nijl in, waar toen de +manschap niet ver van Damiate aan land stapte. Hier vertoonden zich +vele Saraceensche ruiters aan het strand, hetzij om de ontscheping te +beletten, hetzij om de Christenen te verkennen. Een gespierde Fries +met breede schouders zwaaide zijne lans, en daagde den eersten den +besten Muzelman uit; eene gewoonte, die sedert Goliath's tijd en nog +vroeger zich tot nu toe had staande gehouden. Een Saraceensch ruiter +reed voor, maar werd oogenblikkelijk door den uitdager uit den zadel +geligt en afgemaakt [167]. De Saracenen beschouwden dit als een kwaad +voorteeken, en trokken in de stad terug. Diamiate was eene voor dien +tijd bijzonder sterke stad; zij was met eenen driedubbelden muur, +de een hooger dan de ander, omgeven; digt langs den muur liep de Nijl +met een' krommen arm om dezelve. Op de zijde der stad lag de voorstad, +welke door een' sterken toren gedekt werd. Dezen toren kon men niet +naderen, daar zij op een eilandje stond, welks geheele oppervlakte +door den voet des torens werd beslagen, zoodat de toren uit het +water scheen op te rijzen. Tusschen dezen en eenen anderen even +zoo gelegenen, ofschoon kleineren toren, lag de haven, en van beide +torens was eene zware keten gespannen, om de haven te sluiten. Nadat +men eenige vruchtelooze aanvallen op de stad en den toren had gedaan, +vonden de Duitschers uit het Bisdom Keulen een kunstig werktuig uit, +waarmede zij den toren dachten te veroveren; doch ook dit mislukte. + +De Zomer liep reeds ten einde, zoodat men aan de verovering der +stad begon te wanhopen. In dezen hagchelijken toestand kwamen +de Friezen op eenen bij zonderen inval. Zij klampten twee hunner +grootste schepen aan elkander, welke naar één breed schip geleken: +op deze beide schepen maakten zij vier sterke masten in een vierkant +vast. Tusschen deze masten rigtten zij een houten bolwerk op, dat zij +met sterke kruisgewijze gelegde balken verzorgden, en van buiten met +natte koehuiden overtrokken. Boven op het bolwerk hadden zij lange +ladders, die zij op den toren werpen en waarmede zij dan deszelfs +platte oppervlakte bereiken konden. Vervolgens sloegen zij op een ander +schip een lager bolwerk op met naar buiten vallende bruggen, om aan +den voet des torens te komen, en met deze beide werktuigen voeren de +Christenen tot aan den toren. De Saracenen benaauwden de belegeraars +met hunne pijlen, die zij van boven van den toren afschoten, en met +het Grieksche vuur, dat echter door de natte koehuiden weinig werking +kon doen. Gedurende dit gevecht lagen de Patriarch en gezamenlijke +Geestelijken op de knieën, hieven de gevouwene handen ten hemel, en +riepen God, doch inzonderheid Maria en St. Bartholomeus (het was juist +Bartholomeus-dag) om hulpe aan. Eindelijk gelukte het den Christenen +uit het bovenste bolwerk ladders op den toren te werpen. Hendrik, +een Luikenaar, en Haije, een Fries van Fivelingo uit Groningerland, +waren de eersten, die den toren beklommen. De eerste had eene zware +kolf en de laatste een ijzeren dorschvlegel, die met ijzeren ringen +aan elkander gezet en versterkt was, in de hand. Elke slag gold +eenen gekneusden kop, ontwrichten arm of stukken geslagen beenen; +zoo maaiden zij regts en links om zich henen, en maakten ruimte voor +hunne makkers. De Saracenen, die van boven van den toren naar beneden +gedrongen waren, wierpen Grieksch vuur uit, waardoor de Christenen +zoo bestookt werden, dat zij den toren weder moesten verlaten. Daar +evenwel de vijand ook den toren verlaten had, zoo kreeg het andere +schip met het lage bolwerk lucht. Men wierp de bruggen uit, en naderde +den toren van onderen. Als zij nu met alle magt op de poort aanvielen +om die met geweld te doen bezwijken, gaven de Saracenen den toren bij +verdrag over. Eenige buitenlandsche Schrijvers voegen hierbij, dat +het groote schip van voren met eene sterke ijzeren zaag is voorzien +geweest, en dat de ketting, door tegen haar met volle zeilen aan te +varen, is gesprongen [168]. + +Toen de Christenen den toren hadden, werd ook spoedig daarop +de voorstad bemagtigd; doch de stad zelve konden zij nog niet +bemeesteren, omdat zij bestendig uit het leger des Sultans Meleddin +[169] toevoer en ondersteuning ontving. Het Christen-leger had ook veel +te lijden van overstrooming des Nijls, waarom vast- en biddagen werden +ingesteld. Toen de Nijl naderhand binnen zijne oevers terug trad, +vernielden de Duitsche Kruisbroeders eene schipbrug, over welke de +belegerden toevoer ontvingen uit het Saraceensch leger. Toen wies der +Christenen moed; zij wierpen zich tusschen het leger des Sultans en de +stad, en vielen hem eindelijk nu eens gelukkig, dan eens ongelukkig, +zelfs in zijn leger aan. De Sultan werd deze kwellingen eindelijk +moede, en bood den Christenen het vrije bezit van Palestina, het kruis +des Heilands, het ontslag der Christen-gevangenen en een eeuwigen vrede +aan. Het Kruisleger en vooral de Duitschers en Franschen lieten zich +het aanbod gaarne welgevallen, maar de Pauselijke Legaat protesteerde +en verlangde de geheele uitroeijing der Saracenen en Turken. Deze +zielenherders kregen eindelijk bij de Christelijke schapen gehoor, +men vocht nog een tijdlang met de ongeloovigen, en bereikte ten +laatste, op het einde van Aug. 1219, door bemagtiging van Damiate, +welke stad schier geheel door de pest was uitgestorven, het eerste +gedeelte hunner wenschen. Natuurlijk viel hier in deze rijke en weleer +volkrijke stad weder kostelijken buit te maken, dien de Christenen +eerlijk onder elkander verdeelden. + +Toen Damiate was overgegaan, trok de Sultan naar Cairo terug. Men +hield zich wederzijds langen tijd in dit en het volgende jaar stil, +doch eindelijk beval de Paus tegen den zin der meeste Christenen en +zelfs van Koning Johannes den vijand te vervolgen. Dit bevel kwam +ter kwader uur, daar de Nijl overstroomde, en groote verwoesting in +het Christenleger aanrigtte. Nu zagen zich de Christenen genoodzaakt +met de ongeloovigen vrede te sluiten. De vredesvoorwaarden waren +deze: de gevangenen zouden van wederzijden vrijgelaten worden; de +Christenen moesten Damiate ontruimen, en de Sultan moest hun het +te voren door Saladin veroverde Kruis des Heeren uitleveren. Deze +was de eindelijke vrucht des ganschen togts, want in Aug. 1221 werd +Damiate weder overgegeven. Zoo was dan wederom alles verloren, en de +Christenen trokken weder huiswaarts." + +Ik kan niet voorbij hier nog aan te voeren dat de bovengemelde Olivier +dezen Kruistogt in persoon heeft bijgewoond. Misschien is hij zelf +de vervaardiger van het Itinerarium (Reisverhaal) geweest. Uit het +leger voor Damiate heeft hij een brief aan de Abten, Prelaten en +Burgemeesteren (Consuls) in Friesland geschreven. Ik neem hier het +volgende uit over, dat den Friezen tot eer verstrekt: + +»De Zegepraler in Israël, van wien alle goede gaven en volmaakte giften +afdalen, heeft uw vroom en in de moeijelijkheden der vreemdelingschap +volhardend volk op aarde groot gemaakt, bereidende hun een' +triomfwagen, als hebbende eene eeuwige belooning bij tijdelijken +roem verdiend, dewelke zij nooit zullen verliezen, indien zij den +ingetreden weg ten einde toe blijven bewandelen. Bij Damiate immers +hebben zij zich door betoon van groote nedrigheid, milddadigheid, +gehoorzaamheid en stoutmoedigheid, bij de Saracenen geducht, bij de +Christenen bemind gemaakt. Weshalve wij U, Prelaten" enz., enz. + +»Geschreven bij Damiate op het feest der H. Kruisverheffing." + +De Patriarch van Jeruzalem gaf den Friezen bij hunnen aftogt eene +loffelijke getuigenis mede, waarin onder anderen het volgende voorkomt: + +--»en nadat zij met ons in Egypte zijn gekomen, hebben zij veel +leeds uitgestaan, zoo ten aanzien van hunne personen als van hunne +geldmiddelen. Wij hebben hen van hunne dienst ontslagen en laten +vertrekken, volgens de toelating door de Roomsche Kerk in de algemeene +kerkvergadering verleend. Wij geven eene loffelijke getuigenis aan +het Friesche Volk, daarom, dat zij eenen braven wandel hebben geleid, +en dapper en vroom gestreden hebben in de dienst van J. C. Weshalve +wij u vermanen en van uwe bescheidenheid in den Heere bidden, dat +gij deze zelfde Friezen, uit hunne vreemdelingschap terugkeerende, +in gunst moogt ontvangen," enz.-- + +Zoo veel van dezen togt. + +Naauwelijks waren de Kruisvaarders weder te huis gekomen, of de heilige +Vader Honorius II begon reeds weder alarm te blazen. Keizer Frederik +II nam zelf het Kruis aan, doch scheen zich, na den dood van Honorius, +om zijne gelofte weinig te bekommeren; hij werd door den opvolger +van Honorius, Paus Gregorius, in den ban gedaan, trad wakker met den +Heiligen Vader in het strijdperk, en ondernam eindelijk in 1228 den +Kruistogt. Terstond bij zijne aankomst boden hem de Saracenen eenen +10 jarigen wapenstilstand aan, waarbij zij hem Jeruzalem, Nazareth +en Sidon inruimden. Daarop liet hij zich tot Koning van Jeruzalem +kroonen, en keerde terstond daarna terug. Ook aan dezen togt hebben +de Friezen deel genomen, en zoowel de Paus Honorius, als de Keizer +Frederik moedigden de Friezen aan, den togt mede te ondernemen. De +Paus streek den Friezen in eenen brief van 1226 niet weinig honig om +den mond. Onder anderen zegt hij in dien brief: + +»Voorwaar, daar de Friezen weleer met onderscheiding in den Kruistogt +ter zee den Heere gediend hebben in de overzeesche landen, zoodat +uw gedenkboek van geslacht tot geslacht met vermelding van uwen lof +zal aangehaald worden, zoo hebben wij noodig en raadzaam gedacht, +ulieden als beroemde Kampvechters wel bijzonder tot het volgen van +dezen (togt) te moeten oproepen, vastelijk hopende en vertrouwende, +dat gij, die onder overige volken uitmunt in grootmoedige dapperheid, +den strijd des Heeren mannelijk en met kracht zult strijden. + +»Wij bidden u dan allen enz." + +En Keizer Frederik schrijft onder anderen: + +»Want buitenlands is uw krijgsbeleid gevreesd en ondervonden van +die volken, tot welker uitroeijing gij weleer uwe krachten loffelijk +geoefend hebt, terwijl het bloed van uwe martelaren in de dienst des +Kruises geplengd, glansrijk blinkt, en hunne roemrijke ligchamen door +de bezetting en verovering van Damiate herdacht worden. Ontbrande +dan uwe dapperheid!-- + +»Gegeven te Salerno 1 Febr. 14de Indictie."-- + +Olivier kwam ook weder in Mei 1224 in Friesland, en predikte eerst +in Groningen, daarna in Reiderland en in 't Emderambt het Kruis; +voornamelijk echter hield hij zich te Uttum en Groothuizen (Huttum en +Usum zegt Emo) op, waar hij evenwel weinig uitwerkte. Vervolgens zond +hij door geheel Friesland herderlijke brieven rond, en vermaande de +Friezen met de Denen, Bremers en de Keulenaren, die reeds eene vloot +begonnen uit te rusten, gemeene zaak te maken, terwijl de eerste +bemoeijing der Geestelijken was, om geld voor den te ondernemen +Kruistogt te verzamelen. Onze geschiedschrijver Emo liet zich zelven +daartoe gebruiken, en bragt eene aanzienlijke som bijeen. + +Den 22 Mei 1227 gingen de Friesche schepen bij Borkum onder zeil; +de manschap echter leed veel door allerlei gevaar, storm, ziekte en +honger, en kwam, merkelijk ontdaan, eindelijk in Palestina [170]. Het +einde van dezen togt heb ik reeds boven kortelijk opgegeven. + +In het jaar 1247 werd eene groote kerkvergadering te Lyon in Frankrijk +gehouden, op welke nogmaals een heilige krijg tegen de ongeloovigen +werd vastgesteld. Koning Lodewijk de Heilige nam zelf het Kruis aan, +en de Paus zond, op bijzonder verlangen des Konings, den Bisschop +Albert van Riga en Willibrand, een monnik uit het Mentzsche, naar +Friesland, alwaar zij alle Abten, Dekens, Priesters, Edellieden, +regterlijke Beambten en de voornaamste Mannen verzamelden, en hun den +Pauselijken lastbrief voorlazen. Terstond liet zich eene groote menigte +tot dezen togt aanwerven; maar toen den Friezen werd aangekondigd, +dat zij tegen Mei 1248 reeds tot den togt gereed moesten zijn, +schreeuwden allen, dat deze bepaalde tijd veel te kort was. Daarop +werd de tijd des aftogts tot Mei 1249 uitgesteld. + +Deze Krijgstogt is voor de Christenen van rampzalige gevolgen geweest, +daar bijna het geheele Christelijke leger in Egypte, deels door de +pest, deels door het zwaard, werd vernield, en de Koning Lodewijk +zelf gevangen genomen. Door klinkende munt en eenen schandelijken +vrede kocht hij zijne vrijheid weder. Of nu de Friezen dezen togt +mede gedaan hebben, en werkelijk uitgezeild zijn of niet, melden ons +de geschiedschrijvers niet [171]. Waarschijnlijk hebben de Friezen, +daar zij te huis genoeg te doen hadden, en den nieuw verkozen Roomsch +Koning Willem reeds in 1248 Aken hielpen veroveren, doch daarna met +hem in onmin geraakten, en hem, gelijk uit 's Konings geschiedenis +genoeg bekend is, in de tegenwoordige provincie Friesland om hals +bragten, aan dezen togt geen deel genomen [172]. + +Zeer aardig herinnert een Bisschop van Syrië in eenen uit Ptolomais +geschreven brief na het jaar 1260 hun aan hunne pligten. Hij +noemt zich: »Frater Thomas de ordine Praedicatorium, Dominici +praesepii et virginalis puerperii custos indignus, Apostolicae Sedis +Legatus." »Broeder Thomas van de orde der predikheeren, onwaardige +bewaker van de kribbe van Dominicus en het maagdelijk kraambed, +legaat van den Apostolischen zetel." Hij meldt daarin (de ruimte laat +niet toe, den geheelen merkwaardiger en kluchtigen brief hier in te +lasschen) onder anderen, dat de Friezen, die voor 10 en meer jaren +het Kruis hebben aangenomen, hunne kruisgeloften gestand doen, en +opkomen, of wettige redenen van hun uitblijven opgeven moeten. Daarbij +verzoekt hij de Proosten en Dekenen de Friesche vrouwen, welke het +Kruis hebben aangenomen, den togt af te raden, dewijl men, helaas, +meermalen de treurige ervarenis heeft gehad, dat door verleidingen +des Satans deze vrome vrouwen reeds aanstonds op weg afschuwelijke +hoererij en echtbreuk bedreven hebben. Wanneer deze goede kinderen +slechts zooveel baar geld betaalden, als hun de reis heen en weder +zou kosten, dan konden zij rustig te huis blijven, en nu besluit hij: + +»Aan alle welke voornoemde vrouwen en anderen, die op voorzeide +wijze mogen verschoond worden, wij uit kracht van de aan ons door +den Apostolischen Stoel verleende volmagt die vergeving van zonden +schenken, welke zij zouden verwerven, zoo zij het Heilige Land in +persoon bezocht hadden." + +Koning Lodewijk nam in 1267 andermaal het Kruis aan, en zond naar +Friesland eenen monnik, Gerhard, om aldaar het Kruis te prediken. Deze +trok geheel Friesland door, doch hield zich den meesten tijd, volgens +getuigenis van den gelijktijdigen Schrijver Menco, in Norden op, alwaar +hij het Jakobiten-Klooster stichtte. Het gelukte hem ten behoeve van +dezen voorgenomen togt den ingezetenen groote sommen gelds uit de +beurs te praten, en een groot getal strijdbare mannen te overreden, +zich met het Kruis te laten teekenen. + +Thans werd eene betere orde ingevoerd. Opdat niet wederom allerlei +janhagel den togt mede ondernemen, en zich op kosten van het Kruisleger +mesten, of ook weerlooze vrouwen vervolgens wanorde in het leger +veroorzaken mogten, werd uitdrukkelijk bevolen dat alle vrouwen, +zonder onderscheid, te huis blijven, en ieder Kruissoldaat 7 mark +sterling aan klinkende munt, vervolgens 7 ton boter, een halven os, +een ham, een half mudde meel en zoovele wapens en kleederen, als hij +zou noodig hebben, medenemen moesten. + +In 1269, kort voor Paschen, scheepten de Friezen zich in. Zij +verzamelden zich bij Borkum, en moesten daar 20 dagen wegens westelijke +tegenwinden blijven liggen. De uitgeloopene Friesche vloot bestond, +behalve de kleine schepen, uit 50 koggen. Met goeden wind landden zij, +na volgens gewoonte vooraf in eenige havens te zijn binnengevallen, te +Marseille aan. De Koning van Frankrijk had met de Friezen afgesproken +hen tot St. Jan in te wachten; dan daar deze tijd verstreken was, zoo +was de Koning met zijne vloot reeds voor de aankomst der Friezen naar +Tunis afgezeild. De Sultan had een sterk leger naar Afrika gezonden, +waarom de Koning vreesde, dat de Turken, na den aftogt der Christen +troepen, in Sicilie, Italie, Frankrijk en Spanje eene afwending zouden +maken. Daar ook de Saracenen in Syrië en Palestina veel ondersteuning +en levensmiddelen ontvingen van de Barbarijsche kusten, zoo achtte hij +het voordeelig eerst Tunis te verwoesten. De Friezen morden over dezen +togt, en wilden liever naar Palestina, doch lieten zich ten laatste +door eenen geestelijken overreden den Koning na te zeilen. Bij hunne +aankomst vernamen zij wel, dat de Koning de Ongeloovigen geslagen en +Tunis reeds ingesloten had, doch tevens dat hij zelf kort daarna aan +de pest gestorven was. Op dit berigt wilden de Friezen oogenblikkelijk +weder naar Syrië afzeilen; dan, daar juist ten zelfden tijde de broeder +des overledenen Konings Lodewijk, de Koning Karel van Napels, met eene +versche vloot aankwam, zoo lieten zij zich bewegen, daar te blijven. De +belegering werd dan ijverig voortgezet; de Saracenen deden eenen uitval +op eene afdeeling Duitschers en Friezen, die verspreid nabij de stad +ginds en herwaarts liepen, om den vijand uit zijne verschansingen +te lokken. De Christenen togen aanvankelijk in wanorde terug, maar +herstelden zich weldra weder, rukten als één man tegen den vijand +op, en dreven hem tot eene rivier, die voorbij Tunis stroomt. Vele +Ongeloovigen sneuvelden door het zwaard, de meesten echter verdronken +in den vloed. De stad kon door storm niet ligt veroverd worden, omdat +de pest in het Christenleger eene groote verwoesting had aangerigt: +desniettemin werden de belegerden zoo benaauwd, dat zij den Christenen +eenen vrede aanboden. De inhoud der aangenomene vredes-voorwaarden was, +dat de gevangenen van wederzijde bevrijd,--Tunis aan Koning Karel eene +jaarlijksche schatting betalen,--en de Christenen op de Middellandsche +Zee door geene zeeroovers zouden ontrust worden. Het leger werd +daarop ontbonden, en de meeste Italianen en Franschen gingen weder +naar huis; dan de Friezen, Duitschers en Engelschen vervolgden hunne +reis en zeilden naar Palestina. Onder weg leden zij veel door storm +en ziekte, en kwamen in veel verminderd getal eindelijk te Ptolomais +aan, alwaar zij het Christen-leger in eenen jammerlijken toestand en +verderfelijke oneenigheid aantroffen, welke tweespalt de Saracenen zich +ten nutte, en vele veroveringen hadden gemaakt. Intusschen werden de +Friezen door de Tempelheeren wel ontvangen en kostelijk onthaald: zij +werden naar Tyrus gevoerd, alwaar men aanzienlijke hulptroepen van de +Christenheid en bijzonderlijk van Koning Karel van Napels verwachtte, +doch daar deze uitbleven, zoo kregen ook de Friezen het heimwee. Hunne +uit den storm nog overgeblevene schepen waren zoo jammerlijk gesteld, +dat zij geen zee konden bouwen, zoodat zij zich in vreemde vaartuigen +moesten inschepen, en van elkander afgescheiden, sommigen door Italië, +anderen door Frankrijk afzonderlijk terugkwamen. De meesten echter +hadden hunnen dood in Afrika, in de Middellandsche Zee en in Palestina +gevonden, terwijl het geringe in het Vaderland terugkeerend overschot +ledige buidels, hongerige magen en zieke ligchamen mede terugbragt. + +Van nu af aan waren de Christenen te zwak om den Turken het spits te +bieden. De eene vesting ging na de andere over. Antiochië, Cesarea, +Joppe en andere steden kwamen in handen der Turken. Ten jare 1291 +werden ook Ptolomais, Tyrus en Berytus heroverd. Zoo behielden dus de +Christenen der Latijnsche Kerk, die ter verovering en beheersching +des Heiligen Lands, zoo vele millioenen verspilden, en zoo veel +bloeds deden stroomen, in Palestina geen voet gronds. Paus Nikolaas +IV, wien dit zeer ter harte ging, wekte wel alle geestelijke en +wereldlijke Vorsten tot eenen nieuwen togt op, doch zijne pogingen +waren vruchteloos [173]. + +Palestina, ontbloot van allen bijstand, verzonk weder in de oude +slavernij, die misschien dragelijker was, dan de heerschappij van +teugellooze schraapzuchtige Christenen.--En dit was het einde der +heilige oorlogen of vrome razernij, die omtrent twee honderd jaren +gewoed, en Europa omtrent zeven millioenen menschen en onmetelijke +schatten gekost heeft. + +Wat nu het goed en kwaad betreft, het is moeijelijk te beslissen of de +Kruistogten meer voordeel dan nadeel aan Europa hebben toegebragt. Dus +oordeelt er de Duitsche Geleerde J. G. Mair over [174]. Heeren is door +zijn onderzoek der gevolgen van de Kruistogten voor Europa [175] tot +het gunstig resultaat gekomen, dat zij wel niet op eens eene betere +wereld schiepen, maar die voor de nakomelingschap hebben voorbereid. + +Wakker van Zon heeft, in zijne Bijdrage tot de Geschiedenis der +Kruisvaarten, voor ons Vaderland daarin weinig voordeel kunnen vinden, +en laat het nadeel ver het overwigt behouden; zelfs in de heftigheid +van zijn betoog uitroepende: »Rede! Deugd en Godsdienst! wij leggen +op uw heilig altaar de plegtige en onherroepelijke bekentenis af--, +dat de Kruisvaarten ons Vaderland tot eene bron van onuitrekenbare +ellende verstrekt hebben!"-- + +Zoo zijn er meerdere gevoelens van geleerden uitgebragt, terwijl +die Schrijvers, welke niet overdrijven, maar den middelweg hebben +bewandeld, zoo als Heeren en Luden, gewis den voorrang boven anderen +verdienen [176]. + +Voor Friesland waren gewis de gevolgen ook van groot belang. De +burgerlijke vrijheid is er zeer door bevorderd: want een slaaf werd +vrij man, en de haat en wraak der aanzienlijke geslachten werden +getemperd. Het werkzame deel des volks werd door den landbouw als +anderszins voor armoede beveiligd, en de zedelijke beschaving zal +er allengs bij gewonnen hebben. De handel in de X eeuw nog in zijne +kindschheid, moet eene eeuw na den aanvang der Kruistogten te Stavoren +reeds tot grooten bloei zijn gekomen: want deze stad en Bolsward +tot de Hanzesteden behoorende, voerden hunne koopwaren naar Brugge, +werwaarts de Lombarden hunne Oostersche goederen bragten, om dezelve +zoo door de Hanzesteden weder in het Noorden te verspreiden. De +welvaart, pracht en weelde der XIII en XIV eeuwen kunnen van deze +gevolgen getuigen.--Kunsten en wetenschappen, altoos met den handel +zich parende, moesten ook wel in Friesland toenemen.--Dan het nadeel +heeft zich ook voor dit gewest geopenbaard, en in de onheilen moest +het dus ook aandeel hebben. + + +Bl. 72. + +Omtrent den jare 1100 was er een voornaam Bouwkunstenaar, zijnde een +Fries, die voor den Bisschop van Utrecht eene fraaije kerk bouwde, +doch misnoegd over deszelfs behandeling, den Bisschop om het leven +bragt. Dit zal het bedoelde geval zijn 't welk voorkomt in F. Sjoerds, +Jaarb. II. 285. + + +Bl. 72. + +In den jaare 1110. Door dezen strijd en nederlaag bleef de vrijheid +van Oost-Friesland bewaard, en de Friesche Graafschappen Oostergo en +Westergo genoten een aantal jaren rust en vrede. + + +Bl. 73. + +In den jaare 1119 ontstond. Het verhaal van dezen twist tusschen +Floris II en den Frieschen Edelman Galama is naauwkeurig opgeteekend +door Gabbema in zijne Watervloeden, p. 50 en 51, en bij de +Kronijkschrijvers met eenige kleine veranderingen vermeld. Zie +Tegenw. Staat van Friesland, I. 315; F. Sjoerds, Jaarb. II. 318, +welke te regt in Wagenaar (II. 213,) verbetert, dat Galama niet in +dezen twist is omgekomen, en ook een eigenlijke Fries geen Westfries +was. Schotanus, van dit voorval niet sprekende, heeft men de waarheid +daarvan betwijfeld, waarom ook welligt Cerisier (Geschiedenis der +Nederl. I. 214) niet voor de echtheid wil instaan. Bilderdyk, altijd +kwaadaardigst tegen Wagenaar, zegt in zijne Gesch. des Vaderl. II. 34: +»Wagenaar, altijd kwaadaardigst tegen de braafste Vorsten, brengt +tegen Floris in, »dat zijne uitmuntendheden van geest en lichaam niet +verhinderden, dat de Edelen dezer landen hunne vrijheden tegen het +Grafelijk geweld, dat met den aanwas van 's Graven macht meer dan te +voren gevoeld werd, moediglijk verdedigen durfden."" »En tot bewijs +van dit Grafelijk geweld en het moedig verdedigen van de vrijheden +daar tegen, komt den moedwil van Galama voor den dag.----Het geval +(waar of onwaar, want men twijfelt er aan) is eenvoudig. De Graaf +(wien naar het Leenrecht, als Vorst of wegens den Keizer regeerende, +wouden en wildernissen behooren, en alle jacht die niet afgestaan +is) in het bosch van Kreil (aan den rand der Zuiderzee, die nu dit +gedeelte verzwolgen heeft) jagende, vindt daar jagers van Galama, +wien hij als naar stijle, de daarmeê verbeurde honden ontnemen +doet. Galama verneemt dit, stuift op, zoekt den Graaf in het bosch, +spreekt den Graaf (onbesuisd, zegt Wagenaar) en onvoeglijk aan, en bij +Floris aanmerking op dien onbehoorlijken toon en taal, valt hem met +den blooten degen op het lijf en doorboort hem den arm!--Zie daar" +enz.; hier volgt weder eene onbehoorlijke uitval op Wagenaar en een +schampschot op de onschendbaarheid en wijsheid, gezeten hebbende in +de majestueuze Amsterdammer paruiken. + +Dit is dus met een kort woord aan Galama zijn regt ontnomen, +hem als overtreder des Roomschen regts veroordeeld, en Floris +geregtvaardigd. Wij houden het er daarentegen voor, dat het niet +bewezen is of Graaf Floris in het Kreilerwoud iets had te zeggen, en +zoo niet, dan beschouwen wij de daad van Galama (niet gelijk Bilderdyk) +als die van een dolleman, maar van een regtschapen Fries, die zich door +geen Hollandschen Graaf naar willekeur liet regeren en behandelen, hoe +deze dan ook het Kreil, Galama's eigendom, mogt beschouwen. Waarom +dit voorval onder de verdichtselen geplaatst zou moeten worden, +daarvoor kunnen wij geene reden vinden. Friesch Jierb. 1833, § 22; +Bijvoegsels op Wagenaar, II. D. bl. 72. + + +Bl. 73. + +In den jaare 1143. In onze kronijk wordt niet vermeld, zoo als bij +andere Schrijvers, dat omstreeks dezen tijd, onder de regering van +Keizer Koenraad III, vele bewoners der tegenwoordige Nederlanden, +op verzoek van den Graaf van Holstein, Adolf, na de verdrijving der +Obodriten, eenige landstreken aan de Elve gingen bewonen, en hoezeer +door deze woeste Wandalen weder aangevallen, met ongehoorde dapperheid +tegen dezen streden, en eindelijk, door den stoutmoedigen Priester +Gerlacus aangepord en voorgegaan, met behulp van 's Graven volk de +volkomene overwinning behaalden [177]. + +De Graafschappen Oostergo en Westergo werden door dezen Keizer Koenraad +weder aan den Utrechtschen Bisschop geschonken, welke schenking twee +jaren daarna bij eenen giftbrief werd bevestigd. Hoe echter de Friezen +over deze en dergelijke brieven dachten en hunne vrijheid wisten te +handhaven, ziet men beschreven bij Emmius, bijzonder in het VI boek, +bl. 103 zijner Friesche Geschiedenis. + +Eenige jaren hierna in 1157, of gelijk Emmius in 1165, is het vermaarde +klooster Ludingakerk bewesten Franeker gesticht, waarvan Wigboldus de +eerste Abt is geworden. Uit deze Abdij, met aanzienlijke landerijen +en rijkdommen begiftigd, en van den Roomsch Koning Willem II met het +eiland Flieland beschonken, kwamen de kloosters van Anjum, Achlum, +Oegeklooster en anderen voort. Tusschen Flieland en Terschelling, toen +nog aaneen, groef men, tot bevordering der aanslijking, om nog al meer +voordeelen te genieten, eene wijde gracht, tegen wil en raad van den +verstandigen Lidlumer Abt, Gerhardus, waardoor men de woedende zee +het land vernielen liet, dat noodig was te behouden ter voorkoming +van de latere ellende door storm en vloed ontstaan. F. Sjoerds, +Jaarb. II. 377; Oudh. en Gest. II. 131. + +In 1163 stichtte men het klooster Mariengaard onder Hallum, onder +opzigt en beleid van den waarlijk vromen Pastoor der kerk te Hallum, +Frederik, die daar eerste Abt werd, en de order der Premonstratenzers +omhelsd had. Doordien er een grooter toeloop was dan het klooster +bevatten kon, werd door den Abt, ter plaatse Bartlehiem genoemd in +Tietjerksteradeel, een nonnenklooster, onder den naam Bethlehem, +gebouwd. Onder de waardige Abten die deze kloosters telden, is +de godvruchtige Syardus hoog geroemd. Deze en vele anderen, die +het zoo goed met de godsdienst meenden, waren echter onbestand +tegen het ongeschikte, wanhebbelijk en zedeloos leven der +kloosterlingen.--Oudh. en Gest. I. 385; Tegenw. Staat. I. 345. + +In den jare 1165 werd de Abdij Klaarkamp in Dantumadeel gesticht, +onder 't beheer van den dorpe Rinsumageest, door vrouwe Clara, +eene rijke en godvruchtige weduwe. De Bernardiner of Cistercienzer +monniken, ook naar hunne kleeding witte en zwarte monniken genoemd, +die aanvankelijk om hunnen stichtelijken wandel en goede zeden zeer +geroemd zijn geworden, hebben hetzelve onder den eersten Abt, Eiso +betrokken, en vele kloosters in Friesland en Holland hebben onder +deze Abdij gestaan. De Abt van Klaarkamp had onder de Prelaten ter +Landsvergadering de eerste plaats. + +Deze eeuw was dus bijzonder vruchtbaar in het voortbrengen van Abdijen, +Kloosters, geestelijke Gestichten en Kerken. In den jare 1182 werd +ook door Sybe van Lidlum met hulpe van Tjalling Donia van Winsum, +tusschen Tjummarum en Oosterbierum, het Lidlumer Klooster gesticht, +'t welk na verloop van eene halve eeuw is verplaatst. Het was gesteld +onder de order der Reguliere Kanunniken. Oudh. en Gest. II. 162; +Schotanus, Beschryvinge von Frieslandt, Quarto, p. 311 en verv. + + +Bl. 76.--Ao 1170. + +Omtrent dezen tijd, is Saake Reinalda, overleden. De Geschiedenis +vermeldt dezen Potestaat als een kundig, ervaren, braaf, edelmoedig +en vredelievend man, die in allen opzigte, vrij van vooroordeel en +ongepaste eerzucht, het belang zijner landgenoten zoodanig behartigde, +dat de Edelen, de Staten en het Volk hem levenslang tot hunnen +Landsheer wilden verkiezen, welk voorregt hij echter niet begeerde, +als strijdig met zijne beginselen en 't gebruik der voorvaderen. + + +Bl. 77. + +In den jaare 1190. Omstreeks dezen tijd vindt men bij de meeste +geschiedschrijvers het eerst gewag gemaakt van Leeuwarden als stad; +doch er zijn er, die beweren, dat reeds ten jare 1149 de stad bij +dien naam zou bekend geweest zijn, daarbij aanhalende de twee brieven +door den Abt Wybaldus geschreven, voorkomende in het Charterboek van +van Schwartzenberg, I. 76, de een aan de gemeente van Leeuwarden, +houdende klagten over de zorgeloosheid van vier Priesters aldaar, +en de andere aan den Utrechtschen Bisschop, Heribertus, betrekkelijk +den slechten toestand der kerk. + + +Bl. 77.--Ao 1192. + +Als Froonakker en Godsakker. De Tempelschattingen dienden bij de +Franken tot onderhoud der Priesterschap, tot instandhouding van de +godsdienst, tot aanschaffing der offerdieren, tot bekostiging der +openbare feesten en tot verzekering van regt en veiligheid. Wij vinden +in de Friesche geschiedenis der IX en X eeuw ook de Tempelschattingen +vermeld, welke in iedere kapel, op zekere tijden, aan den Hemelkoning +moesten worden opgebragt; en wat betreft het bezit van landgoederen, +meren, wouden en stroomen, dit wordt genoeg opgehelderd uit de, bij +de bevestiging des Christendoms hier te lande, zoo rijkelijk door +de Frankische vorsten weggeschonken goederen, welke ongetwijfeld, +voor een groot deel, mede hiervan afkomstig waren. En zoo is men +op het vermoeden gekomen, dat de Vroonlanden en Vroonakkers, welke +hier en daar weleer aangetroffen werden, van deze landgoederen +afkomstig waren, en dat Franeker daarvan den naam zoude ontleend +hebben. Verg. Westendorp, Verhand. over het gebruik der Noordsche +Mythologie, bl. 335. + + +Bl. 82.--Ao 1227. + +Kastelein van Koevorden. Een Kastelein was ambtman over een +regtsgebied; oorspronkelijk kasteelman, praefectus arcis;--Borchgreve, +burggraaf, slotvoogd, enz.--Verg. den Teuthonista van G. v. d. Schueren +en Kiliaan. + + +Bl. 85.--Ao 1230. + +In den jaare 1230. Het jaar te voren schrijven de kronijken van eene +groote zonsverduistering, gevolgd door geweldigen hagel, in welk onweer +de Edelman Sixtus Botnia met zijne vrouw zou zijn omgekomen, alsmede +Douwe Galama en Jolke Taijkama. Over den vloed van 1230, zie Gabbema, +Watervloeden, bl. 70; Wins. fol. 163; F. Sjoerds, Jaarb. II. 543. + +In of omtrent dezen tijd vindt men het eerst van de veenen en +turfgraverijen gewag gemaakt. + + +Bl. 86.--Ao 1231. + +Door de Rechters van Upstalsboom. Als hier ter plaatse zeer gepast, +nemen wij een gedeelte over van het belangrijk Overzigt, geplaatst in +het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 4 October 1831, getiteld: +Herinnering aan de Landdagen der Friezen bij Upstalboom, hoofdzakelijk +getrokken uit het werk van T. D. Wiarda over dit onderwerp, en ons +medegedeeld door den kundigen beoefenaar der Friesche Geschiedenis, +Taal-, en Dichtkunde, Mr. A. Telting, Secretaris der stad Franeker. + +»Buiten de stad Aurick in Oost-Friesland is een eerwaardige +plek, rijk in herinneringen aan de vrijheidsmin en volkstrouw +onzer Friesche Vaderen. Deze plek draagt den naam van Upstalboom +(Upstallisbeam, Opstalbeam). Wij zullen ons niet verdiepen in de +verschillende gevoelens omtrent de afleiding en beteekenis van dezen +naam, dien sommigen voor eene zamenstelling houden uit Upstalling, +d. i. hoveling, eigenlijk een man uit een oud geslacht, en beam of +boom, beteekenende alzoo een' boom, waarbij zich de voornaamsten des +volks verzamelen,--anderen samengesteld achten uit up of öp, staal, +boom, d. i. bij den opgerigten boom,--anderen weder uit up of op, saal +(zaal, de oude benaming van eene plaats, waar men geregt hield) en +boom,--en nog anderen eindelijk uit up, stoel en beam, d. i. de boom, +waar de stoel des gerigts wordt gehouden. Wij laten de beslissing aan +anderen over, maar meenen zooveel met zekerheid uit dezen naam te mogen +opmaken, dat daar een of meerdere oude boomen hebben gestaan, onder +welke zich de regters zullen hebben gezeteld, terwijl de verzamelde +afgevaardigden des volks zich daar om heen zullen hebben geschaard, +alles overeenkomstig de zeden der overige Germanen, die, het voor +vrije mannen onbetamelijk achtende in beslotene plaatsen te vergaderen, +daartoe uitgestrekte vlakten of heilige wouden verkozen. Een uur buiten +Aurick vertoont zich dan ook nog een heuvel, waarop naar luid der +overlevering drie groote eiken plagten te staan, en die algemeen als +de vergaderplaats wordt opgegeven. De landlieden noemen dien heuvel den +Boombarg. Men heeft er ten aandenken later eenen grooten beuk geplant, +en de hoogte met eene kleine gracht omgeven. Daar vergaderden op den +eersten Dingsdag na het Pinksterfeest telken jare de afgevaardigden +der zeven Friesche Zeelanden. Men zag er de geestelijkheid, de edelen +en de vrijgeboren mannen uit geheel den Staat zamenvloeijen, om de +belangen des gemeenen Vaderlands voor te staan. De eerste dagen der +bijeenkomst waren der gastvrije vrolijkheid gewijd. Auricks vrouwen +en maagden ontvingen den aankomenden vreemdeling, en bragten hem +den welkomsbeker toe, met den groet: het ghilt eele frye Fryse! Nog +heden dansen hare nakomelingen op den Pinksterdag om den Meiboom, +en zingen haar volkslied: + + + »Mayboom, Mayboom, holt die faste, + Morgen krieg wy fremde lue toe gaste!"-- + + +Wanneer de eerste dagen der gulle vreugde waren vervlogen, en +langzamerhand alle afgevaardigden zich ter bestemder plaatse +hadden vervoegd, ging men over tot de beraadslagingen. Er werden +voorstellen gedaan, en voor te besluiten trok het volk ter onderlinge +beraadslaging, zoo de overlevering wil, naar een nabij gelegen dorp, +dat vandaar den naam van Rahde zou verkregen hebben. Voor den heuvel +liggen twee akkers, nog de Wandelakkers genaamd, waar men wil, +dat de Rigters gedurende deze beraadslagingen van het volk gewoon +waren heen en weêr te wandelen. De besluiten der vergadering werden +in schrift gebragt, en met een zegel voorzien. Dit zegel stelde voor +een' geharnasd' man, met eene spies in de regter en een zwaard in de +linkerhand, staande onder een' bladerrijken boom. Het groote doel +dezer landdagen was,--zoo als blijken kan uit verscheidene wetten, +tot op onze dagen bewaard gebleven, die daar gemaakt zijn,--om in +het belang van het geheele vrije land alle bestaande verschillen +zooveel mogelijk te beslechten, vrede en rust te stichten en te +bewaren, den weêrspanneling desnoods met geweld tot onderwerping te +noodzaken, zich tot gemeenschappelijke weer tegen vreemden aanval +telkens met nieuwe kracht en eendragtigen moed te verbinden, goede +en nuttige wetten in te stellen, de bestaande te herzien en zoo +noodig te verbeteren. De uitvoering der genomene besluiten berustte +bij telken jare op nieuw verkozene regters (zij worden in de Leges +Upstalbomicae van den jare 1323 § 23 Judices Zelandini genoemd, bij +Emo Abt van Werum, in zijn Chronicon, Jurati apud Upstallesbome, ook +Consules terrae). Deze vertegenwoordigden dus de hoogste magt in de +vrije Zeelanden. Wanneer is men het eerst begonnen deze landdagen te +houden?--welke der Friesche Zeelanden hebben daaraan deel genomen?--en +wanneer hebben deze zamenkomsten opgehouden?--ziet daar drie vragen, +die ieder belangstellend lezer zich al dadelijk voorstelt, en waarop +wij kortelijk zullen trachten te antwoorden." + +Wat nu betreft de eerste vraag, zoo komt het antwoord van den Schrijver +hierop neder, dat, ofschoon men met geene volkomene zekerheid kan +bepalen, wanneer de Upstalboomsche landdagen der Friezen een begin +hebben genomen, men echter met eenige waarschijnlijkheid kan besluiten, +dat zij, zoo al niet door Karel den Grooten zelven ingesteld, toch aan +den door hem te Upstalboom gevestigden regtszetel hunnen oorsprong te +danken hebben, en dat de Friezen al zeer vroeg deze regtsplaats, als +in het midden van Friesland gelegen, tot het houden hunner landdagen +bij uitnemendheid geschikt hebben gerekend. De vroegste vermelding +eener gezagsoefening van de Upstalboomsche Regters vindt men bij +Emmius op het jaar 1214 aangeteekend. + +In de eerste tijden namelijk van Karel den Grooten, zullen al de +Friezen van de Maas tot aan den Wezer deel hebben genomen aan die +landdagen. De landen over den Wezer schijnen, vóór de indeeling +van den Frieschen Staat in zeven Zeelanden, te zijn afgescheiden, +en zoo lang nu al deze landen zich in het bezit hunner vrijheid +hebben mogen verheugen, hebben zij ongetwijfeld mede deel genomen +aan de Upstalboomsche vergadering. Wanneer deze zamenkomsten voor +altijd hebben opgehouden kan men met geene zekerheid opgeven; +doch in de eerste helft der vijftiende eeuw, nadat er reeds +onderscheidene beletselen tot het bijeenkomen hadden plaats +gehad, door de dwingelandij van eenige magtige Hovelingen en vele +partijschappen onderling, moet zulks hebben plaats gehad. Zie +voorts gemeld Overzigt. Schotanus, Fr. Hist. bl. 170 volgg.; +Harkenr. Oostfr. Oorsp. 125-127; F. Sjoerds, Besch. I. 62. + + +Bl. 89.--Ao 1234. + +Om de voorrang in 't offeren. Over dezen twist kan men vergelijken +Oudh. en Gest. II. 275; Teg. Staat, I. 360; F. Sjoerds, Beschr. I. 499. + + +Bl. 89.--Ao 1239. + +Sikke Sjaarda of Sjaardema. Over de geschiedenis van den achtsten +Potestaat Sjaerdema en den hier vermelden brief heerscht, eenige +duisterheid. Emmius (in zijn X Boek, p. 157) verklaart in twee +regels, na den dood van Willem II vermeld te hebben, dat hij alles, +wat in dat gedeelte der historie verhaald wordt van Sicco Sjaerda, +op eene smakelooze, laffe wijze (insipide), niet eens der vermelding +waardig acht. Hamconius en de kronijk van O. v. Scharl zwijgen van +dezen Potestaat; doch van Rhyn in het meergedacht Nabericht wil +deze gebeurtenis niet als ongerijmd verwerpen. Winsemius (fol. 169) +en Schotanus (40, bl. 100 en 127) verhalen ons de zaak, gelijk die +in onze kronijk voorkomt met inlassching des briefs van Sjaerdema, +welks echtheid evenwel wordt betwijfeld, en door sommigen voor een +valsch stuk gehouden. Bij het onderzoek: Of de Graven van Holland, +regtens, ooit Heeren van Friesland waren, geplaatst in het Mengelwerk +der Leeuwarder Courant van den 25 Junij 1833, heeft de Schrijver, +de Heer v. Halmael, aangemerkt, dat de valschheid van dezen brief +niet volgt uit de jaarteekening 1239 bij Winsemius, daar het, +uit het op den anderen kant der bladzijde gestelde jaartal 1248, +genoegzaam blijkt, dat dertich eene drukfout is, en men veertich +lezen moet. Ook de Hoogleeraar Ypeij, houdt die dagteekening voor een +misslag; men zie zijne Gesch. der Nederl. Taal, II. 318. F. Sjoerds, +Fr. Jaarb. III. 63, wil den brief in 1254 geschreven hebben, dan dit is +niet te vooronderstellen. Wijders geeft de Schrijver van bovenvermeld +onderzoek nog in bedenking, twee punten: of de Roomsch-Koning den +brief, op welken die van Sjaerdema (zoo hij echt is) een antwoord +is, niet geschreven kan hebben in de hoop, dat de Friezen, schoon +daartoe onverpligt, hem, door bemiddeling van Sjaerdema en behoudens +vergoeding, vrijwillig tot hunnen Potestaat zouden aannemen:--wijders, +of niet beide brieven kunnen gezien hebben op de Noord-Hollanders of +eenigen hunner. Deze Noord-Hollanders kon en mogt Willem als zijne +onderdanen beschouwen, en daarbij rekenen, dat zijn voorregtsbrief +alleen de Friezen tusschen het Flie en de Lauwers (of die, welke ten +westen door het Flie begrensd werden) betrof; en Sjaerdema kon evenzeer +die Friezen, als onder zijn Potestaatschap behoorende, aanmerken, daar +zij toch van oudsher Friezen geweest waren, en zich der Hollandsche +heerschappij niet onderwerpen wilden. Dit laatste schijnt mij wat +eene zeer milde uitlegging, doch overigens hebben de bedenkingen, +mijns inziens, zeer veel grond, en ik vind er geene zwarigheid in, +het daarvoor te houden, dat Sjaerdema weigerde den Koning behulpzaam +te zijn, om Friesland onder zijn beheer te krijgen: Sjaerdema moge hem +als Keizer, en zoodanig als Souverein over Friesland erkend hebben, +dan wilde hem niet huldigen als bijzonderen Heer of Graaf van deze +Provincie. En er was een man van dapperen moede, zoo als Schotanus +(Fr. Hist. bl. 118) hem noemt, noodig, om de listige aanslagen en +heimelijke ondernemingen van vermogende tegenstanders stout en krachtig +het hoofd te bieden, ten einde het eenmaal aangenomen beginsel, door +geen vreemden zich te laten regeren, vast te houden en te doen gelden. + +In den jare 1248 heeft Willem II de Bulle van van Karel, of het +als zoodanig genoemd stuk, hem door de Friezen aangeboden, met zijne +vrijheden en voorregten bekrachtigd, hoewel hij dat stuk niet in zijnen +Voorregtsbrief heeft ingelascht. Dat de Friezen in de verovering van +Aken, het gewigtigst deel hebben gehad, lijdt geen twijfel, hoezeer +dan ook Bilderdyk hiervan evenmin als van den Voorregtsbrief eenig +gewag maakt [178]. + + +Bl. 95.--Ao 1263. + +De kerk van het vermaarde klooster St. Bernard. Deze kerk was 50 +schreden lang en 25 breed. In het midden stelde men aan iederen +kant nog een gebouw, ieder van 25 schreden lang en 24 breed. Het +gebouw rustte op 26 pilaren, en het hooge verwufsel daarenboven werd +ondersteund door een aantal pilasters. Een groot en prachtig altaar +stond in 't midden en elf anderen in evenveel sierlijke kapellen; +van binnen was alles even kostbaar en luisterrijk. + + +Bl. 95.--Ao 1268. + +D'r Ylst, verkorting voor Ter Ylst, volgens Emmius, is de regte naam +Yleke of Ylk, daarna veranderd in Yltz en voorts in Ylst. + +Dat Ylst van ouds welvarender was dan Sneek, en toen dit laatste nog +een dorp was, reeds tot eene stad werd verheven, heeft veel schijn, +en wordt door v. Rhyn (Oudh. en Gest. II. 77), tegen Emmius aan, +niet verworpen. In 1268 was Sneek nog eene buurt of gehucht. + + +Bl. 96. + +In 1270 is te Bolswert het Broereklooster. Reeds in de achtste eeuw +wil men dat Bolsward gesticht zoude zijn, welke stad ongetwijfeld +tot eene hooge oudheid opklimt. Eenige Edelen en godvruchtige lieden +bouwden dit klooster der Minderbroeders, waarvan de kerk in 't jaar +1281 werd gesticht, eerst door Gaudenten, Franciskaner Monniken +en naderhand door Observanten bewoond, die zich naar de hervorming +regelden.--Schot. Fr. Hist. bl. 348; Oudh. en Gest. II. 11. + +In den jare 1503 brandde het klooster af, doch het schijnt naderhand +weder opgebouwd. + + +Bl. 96.--Ao 1273. + +Als ook een groote hongersnood. Deze was een gevolg, deels van +de schaarschheid van geld, door de kruistogten veroorzaakt, deels +door de veepest en de slechte oogsten, maar ook door het bevel des +Munsterschen Bisschops, Gerard, om geene jaarmarkten te houden en allen +handel te staken, zoodat niemand van de Friezen vee, boter en kaas +wilde koopen; daarenboven kwam er van den overvloed van granen uit de +Oostzee niets over, daar ook de uitvoer zwaar belast werd. De ellende +steeg dus ten hoogsten top, en vele menschen stierven den hongerdood; +de liefdadigheid van sommige kloosterlingen alleen behield nog den +verarmden het leven. Die te voren hunne eigene landen bebouwden, +moesten in de dorpen gaan bedelen, of voor den kost in de steden +en voor de kloosters dienen. In de herfst steeg de nood ten top, +een groot aantal leefden van distels en zeker kruid, hondribbe +genoemd.--Verg. West. Jaarb. I. 356; F. Sjoerds, Jaarb. III. 101. + + +Bl. 97. + +Omtrent den jaare 1280. De ware oorsprong der oude Partijschappen, +zoo in Friesland als andere Provincien en Landstreken, is veelal +met de oudheid zelve verdwenen, en de waarheid dus moeijelijk uit te +vinden. Vele zorgvolle nasporingen leveren dikwijls geringe uitkomsten, +want na het lezen en herlezen moet men nog vaak zijn toevlugt nemen +tot gissingen, en met een: »het komt mij, behoudens beter, dus of +zoo voor," besluiten. Ook met betrekking tot den eigenlijken aanleg +en oorsprong der noodlottige verdeeldheden tusschen de Vetkoopers en +Schieringers bleef mijn onderzoek zonder gewenscht gevolg, daar ik +hiervan een kort verslag had willen geven, hoewel het niet dadelijk +of noodwendig tot de Bijvoegsels dezer Kronijk behoort: het zoude +echter tot inlichting goed te stade gekomen zijn. Het een en ander, +hoe gebrekkig, wil ik deswege mededeelen. + +Jancko Douwama, voornaam Friesch Edelman uit het begin der +XVI eeuw, geboren te Oldeboorn, een man, zoo als Schotanus zegt +(Fr. Hist. p. 617) »van voortreffelijk verstand, groot van moede, +een groot beminnaar der vaderlandsche vrijheid, kloek van beleid; +voorspoed en tegenspoed met een gezet en wijs hart kunnende dragen, +en die een beter lot verdiend had, dan in eene gevangenis zijn leven +te laten," heeft te Vilvoorden in den kerker, verstoken van eenig +gebruik van boeken of papieren, uit zijn geheugen over de Geschiedenis +van Friesland, bepaaldelijk ook van zijnen tijd, een geschrift +zamengesteld, getiteld: Boeck der Partijen, waarin hij, afwijkende +van anderen, over de Vetkoopers en Schieringers dit vermeld [179]: + + + van den Anfanck der Falsche Partije + VAN + FRIESLANT. + + +»Als in Hollant then ersten alsulcke commocie anfanckelijcken vp +gestanden were, bij de welcke dattz vast in de landen al misselijck to +ginck, se funden then ersten geen groet wederstant, so begosten daer in +Frieslant oeck voel volcx nae to lusteren; ende dat concept, in Hollant +an gehewen, dochten hoer to mael goet ende wijslijck gedaen to wesen; +doer de welcke dat voele armen luden bij en ander voergadderden. Dan +se wolden niet worden genoempt Hoecken, angeseen datse gene fiskers +weren; oeck so dochten hoer dat to wesen een smaetlijcke name; +en oeck wolden se dat so gewaltlijcken niet doen, alst in Hollant +angehewen were; dan vnderstunden den rijcke luden met goede woerden +to vnderwijsen, dattz also voer Godt ende de Werlt behoerden: Wel +bet dan de ander in goet vermochten, dat he sculdich were to helpen +ende to bate to comen den armen, om sijn armoet to verhoeden. Dan +de rijcke luden wolden daer niet nae hoeren, doer de welcke dat de +arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten. Doen het +daer hen quam, dat se de rijcke begosten in der taske to tasten, +doen funden se hulp genoech; want daer voel Herscapen an de landen +weren, den gewoentlijcken weren met hoer nabueren to to tasten; +als se nv alsulcken oersaecke ende hulp hadden, doen sumeden se hoer +niet te tijdt, dattz hoer gheboeren mochten. Ende den rijcken luden +worden genoempt Fetcopers, ende dat daer vmme, dat se wal hadden, +en fette waer vermochten to koepen; en dan gaewen den rijcke luden +de arme weder een naeme, en noembden se Scirongen, ende dat daer +vmme, dat se erst met goede woerden vnderstanden hadden to doen, +datse nae met gewalt deden; want Sckijren is vp de Friesche spraeke +so voele gesecht als spreken; Scirong is so voele als een relaes; +Scirongen is so voele gesecht als voele groten woerden. Nv ist waer, +he behoert oeck wal to konnen spreken, de een anders goet wil hebben, +sunder daer wat willen weder tegen gewen, dan allene woerden." + +Gabbema, in zijn Verhaal van Leeuwaarden (bl. 16 en 17), geeft hiervan +eene verklaring, en een bladzijde vroeger een verhaal van eene andere +oorzaak der Partijschappen en beteekenis der woorden. Dit verhaal +echter, ook bij andere Schrijvers vermeld, alsof op zekeren maaltijd +door den twist tusschen twee kooplieden, over de keuze van den Sievard +of Zedemeester (thans zouden wij Ceremoniemeester zeggen), de eerste +aanleiding daartoe gegeven zou hebben, vindt geen algemeenen bijval. + +Wanneer men nu de geschiedenis dier tijden raadpleegt, en tot den +oorsprong en aanleg der ongelukkige factie eenigzins wil besluiten, +komt, mijns oordeels, het resultaat hierop neder: dat de reeds vroeg +ontstane twisten tusschen verschillende adellijke of aanzienlijke +familien, zoo als die van Albada en Renalda, Gerbranda, Gratinga en +Douwe van Harns en andere Grooten, ter oorzake van den voorrang in +het offeren, uit hoogmoed, heerschzucht en ongebondenheid, aangeblazen +door bedorven Geestelijken, werkeloosheid en slapheid der Justitie, en +vernedering en onregt den minderen aangedaan, de eerste aanleiding tot, +en door den haat en veete onderling, dadelijk voedsel hebben gegeven, +aan de ongelukkigste en ellendigste der partijschappen, de grootste +der rampen, die ooit een land en volk treffen kan, den Burgeroorlog. + +De algemeene verbittering der adellijke geslachten onderling; de +aanmatiging van rijke en magtige Edelen en Grooten; de verheffing +van dezen in de eerste ambten en betrekkingen, waarvan men zich had +meester gemaakt; daar bij vernedering en onderdrukking van den niet +rijken Adel en de Patriciers, worden steeds, en te regte, als de +grondslagen van alle partijschappen gesteld, hoezeer dan ook eenig +ander doel of oogmerk werd voorgewend, en men eene geheel andere +kleur aan zijne handelingen trachtte te geven [180]. Vandaar dat vele +Edelen en aanzienlijken, niet uit algemeen, maar uit eigen belang, +uit nijd, afgunst en wraakzucht den burgertwist begonnen, en zich aan +het hoofd stelden, en eindelijk steden en landschappen, Landsheeren en +Vorsten daarin deden deelen.--Men leze ter bevestiging de historie +van de Hoekschen en Kabeljaauwschen in Holland, der Heeckerens +en Bronckhorsten in Gelderland, der Lokhorsten en Lichtenbergers +in Utrecht, der Blaauwvoetsche en Isengrine factie in Vlaanderen, +der Guelfen en Gibellinen in Italië, van de Roode en Witte Roos in +Engeland, en zoo vele anderen. + +Zoo zal het dan ook wel in Friesland zijn geweest: want al ware eens +de minder aanzienlijke stand of 't gemeene volk aanlegger van deze +partijschappen geworden, tot welke stelling bij enkele Schrijvers +aanleiding wordt gegeven, zonder hoofden van magt en aanzien zouden +dezelve geen voortgang hebben gehad. Tegen de invallen der Noormannen, +ter beveiliging van watervloeden, en uit hoofde van den toenemenden +overvloed en weelde der ingezetenen, was het getal der aanvankelijk +gebouwde steenen huizen of stinzen aanmerkelijk vermeerderd [181]. Zij +werden nu ook bijzonder tot betere en sterkere vestingen gemaakt, +om als Fries Heer tegen den aanvaller zich te beveiligen, of zijn +gezag eens regt te doen gelden. Koophandel en fabrijken waren naar +den aard der tijden, vooral onder den burgerstand, in vollen bloei, +en de hooggeschatte vrijheid was aller leus. Rijkdom, magt, eer en +aanzien baarden, zoo als altijd, nijd, afgunst en overmoed, terwijl +dezen door regeringloosheid en verwarring geen teugel vonden. Elke +vrije Fries van aanzien kon toch niet dulden, dat een ander boven +hem verheven werd of den meester speelde: wie der eigenerfden kon +voor den anderen bukken, en welk adellijk geslacht zou aan het +ander den voorrang toekennen? Zoo groeiden wrok en wrevel tot eene +hatelijke vijandschap aan; onderlinge tweespalt en verdeeldheid +deden den zwakkeren bijstand zoeken tegen den aanval der sterkeren: +zoo vormden zich geweldige partijen, en elke beleediging, elke twist, +elke kwetsing der eere moest met veel bloeds worden uitgewischt, niet +tot vernietiging der verdeeldheden, maar om al weder den grondslag te +leggen van nieuwen haat en vervolging. Dus werd de woede en vijandschap +der verschillende partijen ontzettend in die tijden: want men gunde +den andersdenkende licht noch leven, totdat na twee volle eeuwen van +roof, moord en verwoesting, verlies van goed, bloed en vrijheid het +eindelijk loon was der Friezen voor hunne boosheid en dwaasheden. + +De Edelen in Oostergo behoorden in den aanvang tot de partij der +Vetkoopers, die zich over de Lauwers vrienden en bondgenooten +kozen, en met Groningen zich vereenigden. De Adel in Westergo +vormde hoofdzakelijk de Schieringer-partij, die bij de Hollanders +ondersteuning zocht. Evenwel voegden zich verschillende geslachten +uit de beide Goën, dan tot deze, dan tot gene partij; zelfs +familiën verdeelden zich, en dit gaf derzelver leden nieuw voedsel +tot scheuring en bederving. De factiën zelve volgden dus geen vast +stelsel van staatkunde, of trokken voor het algemeen welzijn, naar elks +verschillend gevoelen, partij; maar wanneer zij door buitenlandschen +aanval werden bedreigd of overvallen door anderen, dan wapenden +zij zich algemeen tegen den uitheemschen vijand. De Schieringers +hebben over 't algemeen geijverd voor de aloude Friesche vrijheid +en onafhankelijkheid, als afkeerig van vreemde magt en invloed; +daarentegen zochten later de Vetkoopers de inzigten der Hollandsche +Graven te begunstigen. Gedurende het laatste gedeelte der veertiende +en 't begin der vijftiende eeuw stond de stad Groningen aan het hoofd +der Schieringers. In 1491 echter sloten de Vetkoopers met die stad +een verbond, waarbij aan haar groote magt over een deel van Friesland +gegeven werd. + +In dezen tijd stonden de Vetkoopers ook in verbindtenis met de +Kabeljaauwschen in Holland [182]. + +Wat nu den naamsoorsprong betreft, deze is onzeker, en heeft tot +verschillende gissingen aanleiding gegeven. Men zie daarover de +aangehaalde Schrijvers, welke echter geen genoegzame gronden opgeven, +om tot eenige zekerheid te besluiten. Alle verklaringen echter +vereenigen zich hoofdzakelijk in dit punt, dat door Vetkoopers +aanzienlijke en vermogende personen worden aangeduid, en door +Schieringers de minder begoedigden en geringeren stand. De geleerde +Westendorp (Jaarb. I. 355 en 356) voegt hier deze opmerking bij: +»dat men eenen man met een voorkomen van rijkdom en gezag, ook thans +nog eenen Vetkooper, en iemand, die tamelijk, doch zuiver gekleed +is, zonder eenig voorkomen, Schier noemt. Zoo zegt men hier (in +de Provincie Groningen) nog dagelijks: het is een heele Vetkooper, +en hij is hemmel en schier; of ook: hij zit er goed, en, hij heeft +eenen schieren boedel, dat is, een' boedel zonder schulden." In +onze Provincie zegt men wel: hemmel of hemel en schien, beteekenende: +zindelijk, proper (hoewel behoeftig) en schoon. Schier beteekent altoos +graauw, grijs. Verg. Wassenbergh, Idioticon, en Epkema, Woordenboek. + +Een der merkteekenen van onderkenning schijnt in het aanleggen der +turven aan den haard geweest te zijn, leggende de een het vuur boven +en de ander hetzelve onder. + +Bij hunne gastmalen, dus wordt verhaald, werd steeds een bedekte +schotel op tafel gebragt, en na met eenen dronk indachtig te +zijn geweest aan de de verslagen Bondgenooten, na vermelding der +heldendaden, aanvuring en vernieuwing van 't eedverbond, ontdekte +men den schotel, waarin de Zelen lagen, waarmede de opgegeten ossen +waren gebonden geweest, tot herinnering, dat het weder tijd was op +nieuwen roof en buit uit te gaan. Dit noemde men in onze landtaal: +'t Horspil in de patele. Over de beteekenis van 't woord Horspil hebben +de taalgeleerden getwist. In het zeer zeldzaam geworden Geschriftje: +Nuttigheid van de Taalkennis der Middeleeuwen, alsmede van die der +oude Vriesen, door A. ten Broecke Hoekstra (denkelijk in 't jaar 1814 +uitgegeven), p. 22 en 23, vinden wij het volgende: + +»Horspil in de patele, dus noemde men de Koezelen, welke de +Schieringers en Vetkoopers, bij het eindigen der maaltijden, in den +schotel legden, om hunne vrienden en dischgenooten weder tot nieuwen +roof uit te noodigen.--V. Rooy vermoedt, dat Hors in het Oud-Vriesch +eene algemeene benoeming van groot vee geweest zij, en dus zoo wel +eenen os of eene koe, als een paard, beteekend hebbe.--Het is mij +onbegrijpelijk, hoe dat men, zoo weinig met der taalsoorspronkelijkheid +eens Lands bekend, aan uitleggingen van die natuur zich wage; maar +mijne verwondering rijst ten top, wanneer men, daar de uitlegging er +bijgevoegd, en door den Schrijver zelven aangevoerd wordt, naar de +beteekenis des woords gaat rondtasten." + +»Horspil is eene verkorte uitspraak en schrijving van horn-spil: +horn is hoorn, of horen, cornu; en spil, spel, gereedschap, hier +de zelen, ook in Vriesland horn-touwen genoemd: zoo zegt men mede +aldaar tornbeyen (spreek uit toân-beyen) en dit voor thorn beyen, +doren-bessen, braambessen: de ky bornje (spreek uit boânje) dat is: +de koeijen bornen, wateren." + +De geleerde Friesche Taalkenner J. H. Halbertsma gaf mij hierop deze +bedenking: »Deze uitlegging van den heer Hoekstra voldoet niet volkomen +aan eenen taalkenner. In lettergrepen die met rn eindigen, laat de +Fries de r vallen, en houdt de n, gelijk in thoán, boán-je, koán in +plaats van thoarn, boarnje, koarn (garst). In hornspil daarentegen +zou de n verdwenen en de r overgebleven zijn, waarvan ik geen tweede +voorbeeld in de Friesche taal ken. Indien men onderstellen mag dat +Hamconius, en in navolging Gabbema, met zijne gewone onnaauwkeurigheid +in taalkundige onderwerpen, Hornspil in Horspil bedorven hebben, is +de verklaring van Hoekstra volkomen juist. In hoernes hluud, hoornen +geluid (Oude Fr. Wetten, bl. 254), hornfia, horenvee (Chart. I. 342), +hoernleggher, horenleger (Chart. I. 517), ziet men dat de n nooit +van haren post wijkt." + +Bij v. Alkemade, in Nederl. Displegtigheden, I. 466, volgg., wordt +hierover gehandeld, doch hieruit zal men weinig licht scheppen, daar +de Schrijver Horspil voor Paarde-tuig of toom verklaard hebbende, +met de koezelen geen weg weet. + + +Bl. 100. + +Omtrent den jaare 1303. Wij laten deze luchtverschijningen en +bloedregens, niet alleen bij O. van Scharl en Winsemius, maar ook door +Schotanus (fol. 164, quarto bl. 179) vermeld, daar; doch zeker is het, +dat deze en volgende jaren allernoodlottigst voor dit gewest waren; +want de woede der Vetkooper- en Schieringer-partijen steeg zoo hoog, +dat men noch op weg, noch in huis of elders, bijna meer veilig was. Het +regt van den sterkste gold alleen: teugelloos en wreedaardig woelde men +in zijnen ontzindheid voort, en spaarde geene jaren of kunne; vooral de +rijke huislieden waren in den dollen moedwil meesters boven allen, waar +het op moorden, branden en doodslaan aankwam. En onder al dit kwaad, +dat de menschen elkander brouwden, steeg de druk der tijden nog hooger +en hooger, daar geweldige regens en onweders de vruchten der landbouw +vernielden, waardoor kort daarna dure tijden, groote hongersnood en +pestziekten volgden. Dit alles wordt ook beschreven in de kronijk +van Worp van Thabor. Zie voorts F. Sjoerds, Jaarb. III. 219 volgg. + + +Bl. 101.--Ao 1306. + +Omtrent dezen tijd heeft J. Flieterp. Zie onze aanteekeningen op +bl. 286, 288 en 359. + + +Bl. 101. + +In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden. Met den dood van +dezen braven Landsvader vermeerderde ook Frieslands ramp en onheil; +want met de twisten der Regters, die eene wijle tijds het land +bestuurden, namen de ondeugden der kerkelijken en wereldlijken toe; +en waar de geestelijkheid alleen voor haar staatkundig belang ijvert, +gaat regt en godsdienst te gelijk verloren. Men nam dus tot Upstalboom +zijn toevlugt, dat aanvankelijk een beteren toestand beloofde; doch +toen de partijgeest, onder den schijn van vrijheidszucht, weder het +booze hoofd opwaarts stak, was het een jammer zonder einde. + +In dit jaar werd aan de kerk te Ylst de eere gegund, om voor +dengenen die haar in bedevaart bezocht aflaat van zonden te schenken, +met al de gebruikelijke plegtigheden; dan ook door deze en andere +bijgeloovigheden was geen razende partijschap te dempen, waren geene +driften te koelen. Men zie den Aflaatsbrief in 't Charterb. I. 151. De +kronijken verhalen vele schrikkelijke gebeurtenissen en wonderen, in +dezen tijd van hongersnood en ellende voorgevallen. Zie ook Westendorp, +Jaarb. II. 102-109. + + +Bl. 102.--Ao 1318. + +In dezen tijd was Stavoren in het verbond der Anseesteden. Het +merkwaardig Hanzee-verbond moet gesloten zijn aanvankelijk tusschen +de steden Lubek en Hamburg, in 1241, ter beveiliging van den zee- +en landhandel, destijds door roovers en vrijbuiters belemmerd en +benadeeld. Een aantal koopsteden traden tot dit verbond toe, als +hebbende dezelfde behoefte, en zoo werden de Friesche steden ook in +deze handelmaatschappij opgenomen. Daar zij echter eene groote zeemagt +ontwikkelde, en haar bestaan en invloed met die der vermogende Vorsten +van Europa dikwijls in strijd waren, ondervond zij van dezen vele +beletselen. Deze en andere omstandigheden veroorzaakten in 1630 haren +ondergang. Alleen Lubek, Hamburg en Bremen vernieuwden het verdrag. + +De Etymologisten hebben, als naar gewoonte, over den oorsprong des +woords zeer getwist. Kiliaan verklaart Hans als Socius, Collega, +dus Hans-steden voor Sociae et liberae civitates, enz. Bilderdyk +(Geslachtlijst) zegt: »het woord is Hansbeker, d. i. oorbeker van +hanse of anse (Lat. ansa) oor, handvat, Hans-eê is dus bekerverbond, +'t geen men dwaaslijk hans-eê-verbond noemt. Du Cange, in zijn +Glossarium, geeft nog andere afleidingen, strijdig met die van +Bilderdyk, als ook de Teuthonista van van der Schueren. Zie Wagenaar, +Vad. Hist. III. 500, en Aanmerkingen daarop bl. 96, waar men het woord +liefst door Broederschap wil verklaren. Bild. Gesch. der Vad. IV, 350. + + +Bl. 103. + +In den jaare 1332. De vrome en brave Eelko Liauckama, Abt van +Lidlum, werd in dit jaar vermoord. Men leze de korte Levensschets +in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 10 December +1833. Verg. F. Sjoerds, Jaarb. III. 329, en de aangehaalde Schrijvers. + + +Bl. 104--Ao 1342. + +In dit zelve jaar, den 25 September, is Graaf Willem enz. Deze slag +is voorgevallen den 26 of 27 September 1345 [183] nabij Warns, (niet +Werrega, gelijk Wagenaar vermeldt,) wordende het getal dooden bij +sommige Schrijvers op slechts 3700 gesteld:--doch zeker is het, dat de +meesten der Hollandsche huizen er hun hoofd of een afstammeling lieten, +dewijl het Hollandsche leger derwijze werd geslagen en nagejaagd, +dat er weinig meer dan twintig levendig afkwamen, waaronder Jan van +Beaumont behoorde, die door zijn schildknaap, ondanks zijne wonde, +met een vaartuig gered werd. Het lijk des Graven werd tien dagen na +den slag gevonden, en in 't klooster Bloemkamp, bij Bolsward, begraven, +doch later, zoo men wil, naar 's Gravenhage vervoerd. Des Graven dood +gaf alom groote droefheid. Men verklaarde de goederen der Friezen +verbeurd, en eene wraakzuchtige bende begaf zich naar het eiland +Marken, stak een Monnikenklooster, tot de Abdij van Mariëngaarde +behoorende, in brand, en wierp de ongelukkige Cellebroeders in +zee. Verg. Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. III. 118, volgg; Teg. Staat, +I. 493, en de daar vermelde Schrijvers. + + +Bl. 105--Ao 1348. + +Onze kronijk maakt mede geen gewag van het Bestand, tusschen de +Friezen en den Graaf van Holland den 22 Junij 1348 gesloten. Dit voor +de Friesche Geschiedenis zeer gewigtig stuk, in 't Charterb. van +v. Schwartzenberg niet vermeld, komt voor als II Bijlage achter +de uitmuntende Verhandeling over den oorsprong der Hoeksche en +Kabeljaauwsche twisten, van den Rijks-Archivarius Mr. J. C. de Jonge +(Leijden, 1817). Het vredeverdrag werd gesloten met de Edele en +Aanzienlijke Mannen, Heer Willem, Hertog van Beijeren, Graaf van +Holland, Zeeland en West-Friesland en Heer Jan van Beaumont, benevens +de Ridderschap, Steden, overige Ingezetenen der voorzeide Landen, +door de Prelaten, Grietmannen, Hovelingen en de geheele Gemeente der +Landen van Oostergo en Westergo. Deze beloven daarbij met algemeenen +wijzen en rijpen rade aan hunne partijen en al derzelver bondgenooten, +een vast bestand zonder arg of list, gedurende twintig aaneenvolgende +jaren, van af den toen eerstvolgenden St. Jacobsdag, om den kwaden +twist tusschen hen ontstaan te bedaren, uit te dooven en tot goed +verdrag te brengen, en zulks op de volgende voorwaarden: + +Dat de onderdanen van den Graaf de grenzen dezer landen niet zouden +mogen overschrijden, zelfs niet om eenig schijnbaar gevaar te ontgaan; +met uitzondering echter van het geval, dat zij door storm of dergelijke +oorzaken in vrees en angst waren gebragt, als wanneer zij met hunne +goederen en personen, zich moesten houden aan het gezegde bestand. + +Dat, zoo zij echter hier plagten te vertoeven om koophandel te drijven, +zij ten allen tijde en zooveel hun behaagde de drie plaatsen dezer +landen, waar de waren ter koop aangeboden en markten gehouden worden, +namelijk Harich en Cornwerth in Westergo en Holwerth in Oostergo, +zouden mogen bezoeken en die weder verlaten, onder de hierna te melden +voorwaarde van dit zelfde bestand. + +Dat het voorzegde bestand zich zoude uitstrekken tot alle rivieren, +zeeën, steden, dorpen en plaatsen, waar de wederzijdsche ingezetenen +mogten zamenkomen of elkander ontmoeten, buiten de grenzen van +beider gebied. + +Dat zoo iemand door ingeving des Duivels of op eenige andere wijze +buiten belegden rade van regteren en hovelingen dezer landen, iemand +van 's Graven onderdanen mogte beleedigen, dooden of zijner goederen +berooven, tegen den inhoud van dit verdrag, het bestand daardoor niet +gerekend zoude worden verbroken te zijn, maar dat den beleedigden naar +de wetten en gewoonten der plaats, waar het voorzegde misdrijf had +plaats gehad, door de gestelde regters voldoening en schadevergoeding +zoude verschaft worden, gelijk zulks in het omgekeerde geval ook bij +'s Graven ambtenaren naar hunne wetten zou gevorderd worden. + +Dat, om 's Graven wille, dit bestand, zich ook ter goeder trouw +uitstrekken zoude tot die van Stavoren, wier voorspraak Hij geweest +was, en dat hun ten volle vergund werd, om binnen de grenzen dezer +landen terug te keeren en er te verblijven. + +Hierop wordt er het volgende slot bijgevoegd: Ten bewijze hiervan is +deze tegenwoordige bevestigd met de Zegels der Landen van Oostergo +en Westergo, der eerwaarde Heeren Abten van Bethanien en Klaarkamp in +Oostergo, Bloemkamp en Ludingakerk in Westergo, en der steden Dockum +en Leeuwarden in Oostergo, Sneek en Bolsward in Westergo. Gegeven in +'t jaar onzes Heeren 1348 Zondags na het feest der H. Drieeenheid. + +Dit is de zakelijke inhoud van het Bestand, welke aldus is medegedeeld, +met eenige zeer belangrijke ophelderende Aanteekeningen, in het +Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 31 Julij 1832, waarnaar +wij den Lezer verwijzen. + + +Bl. 105. + +In den jaare 1361. Over deze merkwaardige Vergadering en derzelver +werkzaamheden leze men Westend. Jaarb. II. 200, volgg. + + +Bl. 106.--Ao 1388. + +Folkmer Allena. De Kronijkschrijver E. Beninga deelt nopens dezen man +een volksliedje mede, om deszelfs vorm en oudheid merkwaardig. Het +staat in de Anal. v. Mattheus, IV. 158 en 159, en in 't Jaarboek van +Westendorp, II. 245, met eene veranderde spelling. + + +Bl. 107.--Ao 1397. + +In den jaare 1397. Ik houd het er voor dat dit moet zijn 1396. Onze +kronijk echter verwart deze en andere veldtogten met elkander. Van +dit ongelukkig gevecht vinden wij bij alle Schrijvers uitvoerige +vermelding. Winsemius stelt het ook op 1397, tegen de aanteekeningen +van Edo van Jonghama, Petrus van Thabor en Emmius aan. Hier moet +ik opmerken, dat men bij gelegenheid van dezen merkwaardigen togt +van Hertog Albrecht van Beijeren tegen de Friezen het eerst gewag +vindt gemaakt, dat de schepen in deze landen van geschut en buskruid +zijn voorzien. Hiervan wordt melding gemaakt in een Handschrift, +berustende in ons Rijks-Archief, in 't welk men leest, dat, op bevel +van Hertog Albrecht en deszelfs Raad, Bussen, Kruid, Steen, Schutte, +Vierpannen, Torken en andere behoeften worden aangekocht, welke +men in de groote schepen noodig had [184]. In een Hanzee-verbond +van den jare 1418, waartoe ook de Nederlandsche steden behoorden, +wordt aan het scheepsvolk verboden op lijfstraffe wapenen en buskruid +te verkoopen [185]. Twintig jaren later wordt onder de middelen van +verdediging en afbreuk op de schepen uitdrukkelijk van Bussen, dat +is, van kanon, melding gemaakt. Sedert dien tijd werd het geschut en +ook het handgeweer meer en meer algemeen, en op de schepen de gewone +wapenen [186]. + +Over den tijd der uitvinding van het buskruid is men oneens, daar +velen, niet te onregt, beweren, dat het vóór Berthold den Zwarten +reeds bestond. Zeker is het, dat het gebruik daarvan, hier te lande +eerst in 1350 of 1351 is geweest, en wel in het beleg van het Kasteel +Rozenburg, nabij Voorschoten. + +Maar ik mag niet voorbijgaan het koddig verhaal van Cornelis Kempius, +waarin hij beweert, dat een Friesch Koning, met name Chimoscus, den +Graaf van Holland en zijne twee zonen met een musket had doodgeschoten, +en ook in een tweegevecht, ter oorzake van 's Graven dochter, de +schoone Olimpia, met Graaf Roeland van Vlaanderen, zijn schutgeweer +gebruikt had, zoodat de Friezen uitvinders van het buskruid zijn, +hetwelk Hamconius ook bevestigt, die mede Chimoscus voor den uitvinder +daarvan houdt. Wij evenwel betwijfelen het zeer, en geven liever +aan het dichterlijk vernuft van den geestigen Ariosto, aan wien +Kempius zijn verhaal ontleende, de eer dezer vinding. Verg. Oudh. en +Gest. II. 354-357. E. Beninga, in zijne Hist. van Oost-Vriesland op de +jaren 1379 en 1380, vermeldt, dat men destijds in de Friesche onlusten +zich van buskruid en geschut bediende. Zie Driessen, Mon. Groningana, +II. 399. + + +Bl. 109 en 110. + +In den jaare 1400-1401. Onder al de twisten en oorlogen, de rampen +en onheilen daaruit geboren, waren het niet altoos de Friezen en +onderlinge partijen, bij welke men de aanleiding en oorzaak zoeken +moet, maar aanhitsing en ondersteuning van buiten, alles naar +staatkunde en eigenbelang berekend, heerschzucht en vijandschap +van Bisschoppen, Graven en anderen, gaven meestal voedsel aan den +burgeroorlog. Vandaar ook die (zoo als men ze noemde) Groote, dat +is, woeste en beruchte lieden dezer eeuw. Onder de zeeroovers dier +tijden was Stortenbeker een befaamd man, in het drinken zoowel als +in het vechten: dit blijkt uit den bij hem gevonden grooten beker, +toen hij gevangen genomen werd, waarop dit kreupel vers stond: + + + Ick Joncker Sissingha, + Van Groninga, + Dronck dees hensa, + In een flensa, + Door myn kraga, + In myn maga. + + +Bl. 111.--Ao 1404. + +Sjoerd Wiarda. Naar dezen Potestaat ontving het slot te Goutum den +naam van Wiarda-State, hetwelk hij reeds in den jare 1404, toen +hij met Harinxma tot Potestaat verkozen werd, bewoonde. Ons werd de +navolgende geschrevene aantekening, op Schotanus zijne Beschryvinge, +van den Old-Raadsheer Tjalling Edo van Sminia, medegedeeld: + +»Goutum. Hier ligt de State Wiarda, een groot sieraad van dit dorp, een +schoon gebouw met zijn hovinge en graften, bewoond bij den Hr. Jonkheer +Tiberius Pipinius van Eminga; wierde bijgenaamd Schenkinsma, gelijk +daar ook leggen Putsma, nieulinks met eene nieuwe hovinge en een +welbeplante opreed versiert door den Hr. Jonkheer Ruurdt van Burmania; +en Drinkuitsma door denselven afgebroken en geslegt, daar nabij +gelegen. Deze drie plaatsen plegen van drie Gebroederen bewoond te +worden, die groot vermaak schepten in 't drinken, en daarop roemden; +tot hare gedachtenisse wierde dit versje gemaakt: + + + Qui nos tres geminos superat certamine Bacchi + Hic venit Alcides redivivus conteret Hydram." + + +d. i. vrij overgezet: + + + Eer dat ons dapper driemanschap, + In Bacchus' school volleerd, + Worde in een Frieschen bekerstrijd + Verslagen of verheerd; + Eer zal de woeste Hercules + Herrijzen uit zijn graf, + En slaan een tweeden monsterdier + Tienduizend koppen af! + + +Bl. 112, op de Noot. + +Hiske Abdena was Proost en Hoveling te Emden, een hoog heerschzuchtig +man, die zich aan het hoofd der Schieringers in Oostfriesland had +gesteld en in naauw verband met de Groningers stond. Gevlugt naar +Groningen, wilden de Schieringers hem ondersteunen, doch de Vetkoopers +hielden de partij van Keno ten Broek,--en ziehier den oorsprong der +partijnamen Hisk- of Hikhorsters en Bronkhorsters. + + +Bl. 113.--Ao 1414. + +Ook liet Jarges het goud en zilver enz. Niet alleen te Fivelgo, maar +ook te Midwolde en Loppersum, maakte hij zich meester van het gouden +en zilveren vaatwerk, en liet de ongezinde kerkvoogden eenigen tijd +vastzetten, om zoo zijn oogmerk te bereiken. + +De Koppens-gulden was dezelfde met den Arendsgulden, welke naar de +tegenwoordige munt, eene waarde moet gehad hebben van 37 1/2 cent. In +1453 gold hij 7 braspenningen van 9 duiten 't stuk: in 1491 werd +dezelve afgezet. + + +Bl. 115. + +In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier. Fokke Uken, Ukena of Ukessen, +Hoveling [187] te Evermoer in Leer, Heer van Aurich en Broekmerland +of te Broekum, die eene groote en belangrijke rol in de onlusten der +Schieringers en Vetkoopers in 't begin van de XV eeuw speelde, was uit +eene voorname adellijke, doch niet vermogende Oost-friesche familie +gesproten. Zijn vader heette Uko en zijne moeder Amke van Lengen. De +ruïnen van hunnen ouden burgt waren ten tijde van den geschiedschrijver +Emmius nog aanwezig: thans toont men slechts de plaats aan, waar +dezelve stond, op de veenakkers tusschen Aurich en Leer. Nergens vindt +men Fokke's geboortejaar vermeld; doch hij stierf, oud van jaren, +den 29 Augustus 1435, gelijk sommigen beweren, ten gevolge van het +nuttigen van eene vergiftigde biersoep, door zijne Echtgenoote Hidde +hem toegediend. Hij trad als officier in dienst van Keno ten Broek: +zijne eerste vrouw was Theda van Reide, bij welke hij twee zoons +en twee dochters had: zijne tweede vrouw was Hidde van Dijkhuizen, +uit welk huwelijk zijne dochter Ulske, gehuwd aan Unico Ripperda, +sproot. Beide deze vrouwen bragten hem een groot vermogen aan, en +het gelukte hem zijne kinders aan zeer aanzienlijke, rijke familiën +uit te huwen. Hij was verstandig en omzigtig in het aanleggen zijner +plannen, dapper en koen aan de spits zijns legers, onverschrokken in +gevaren, trotsch in zijne handelingen, die vermeerdering zijner magt +en rijkdom ten doel hadden, en wraakgierig tegen zijne vijanden. Van +zijnen jeugdigen leeftijd wordt nergens gewag gemaakt, en op het einde +van de XIV eeuw is men het eerst in de geschiedenis zijns gedachtig. + +Er is eene korte levensbeschrijving van hem in 't Latijn zamengesteld +uit Emmius en Beninga. De verdienstelijke Wiarda echter heeft +eene uitvoerige beschrijving van zijn leven en bedrijf gegeven, +en geplaatst in het Tijdschrift: Ost-Friesische Mannigfaltigkeiten, +erster Jahrgang, Aurich 1784, getrokken uit de beste bronnen destijds +in druk en handschrift aanwezig, en met bijzondere naauwkeurigheid +behandeld. Ik heb daarvan eene vertaling gegeven in het Mengelwerk +der Leeuwarder Couranten van den 4 en 11 September, 2 en 16 October +1832, welke bijdrage tot de geschiedenis van dien tijd zeer belangrijk +is. Men verg. overigens het Jaarb. van Westendorp, op 1411-1435. Het +portret van Ukena bevindt zich thans op het buitengoed van Jonkheer +Hora Siccama van de Harkstede. + + +Bl. 116.--Ao 1420. + +De Schieringers hij Catse geslagen. Schotanus noemt ook te Catze, +aan een plaets geheeten Palesloot: Petr. Thab. ter Colze. Volgens +Amersf. en Visser moet men waarschijnlijk hierdoor den omtrek van +Koudum verstaan. Winsem. en Emmius plaatsen ook den slag omtrent +Palesloot, tusschen Hindeloopen en Molkwerum, op de kaart van Schotanus +nog aangeduid, zoo als ook de Fokke-graft of Fokke-sloot, uit het +Slootermeer komende, en waarin Fokko, na zijne nederlaag bij Slooten, +die op zijne overwinning volgde, eene groote busse of stuk kanen, +door hem uit Groningen medegenomen, zinken liet. + + +Bl. 117. + +In den jaare 1421. Ook in dit jaar braken de Groningers met Sikko +Sjaerdema, Hoveling te Franeker, Hoofd der Schieringers. Zij +beschuldigden hem heimelijk den Graaf van Holland, Hertog Jan van +Beijeren, te zijn toegedaan, en met de vijandelijke vrijbuiters te +heulen--namen twee schepen met hout geladen, aan de kerk te Franeker +toebehoorende, weg, en zes Franeker burgers gevangen. Zij dreigden +hem te zullen belegeren, indien hij niet te Groningen kwam om zich te +verantwoorden, of zijnen twaalfjarigen zoon als gijzelaar zond. Tot +dit laatste werd hij genoodzaakt, deels voor zijne overeenkomst, +deels voor de betaling eener door deze Vetkoopers uitgeschrevene +schatting van 1000 schilden over de Schieringers, tusschen Stavoren +en Gerkesbrugge. Sjaerdema kwam zelf te Groningen en verantwoordde +zich, weshalve hij zijnen eenigen zoon terug begeerde. Men beloofde de +terugzending, dan men hield geen woord. Daarop zond hij een vertrouwd +vriend, om het kind af te halen, die het vond aan een ijzeren keten +gesloten, waarmede hij in eene kamer kon rondwandelen; doch ook deze +moest onverrigter zake terugkeeren. Nog in hetzelfde jaar overleed +de knaap, volgens voorgeven, aan de pest: doch men vermoedde, dat +de Groningers hem hadden omgebragt; in het volgend jaar stierf zijn +vader. Zie Westendorp, Jaarb. op 't jaar 1421, en de aangehaalde +Schrijvers. F. Sjoerds, Jaarb. IV. 447. + + +Bl. 120.--Ao 1434. + +Het Stapelrecht. In 't jaar 1430 vinden wij het eerst hiervan +betrekkelijk Groningen vermelding. Het woord Stapel, eigenlijk een +staf, stok of stut beteekenende; is ook een hoop van dingen, die op +een afzonderlijk steunsel opgehoopt of gestapeld zijn. Vervolgens +heeft stapel overdragtelijk de beteekenis van een hoop koopwaren, +die op eene bijzondere marktplaats opgestapeld waren, en eindelijk +van de markt of verkoopplaats zelve. Aldaar moesten zekere van buiten +inkomende goederen ter verkoop aangeboden, voor een tijd opgestapeld +en bij gebrek aan koopers vertold worden. Dordrecht, Middelburg +en andere steden waren in het bezit van het Stapelregt der wijnen +enz. Zeer verschillend was dit regt op onderscheidene plaatsen, +en bepaalde zich tot allerhande koopwaren. + + +Bl. 122-123. + +In den jaare 1453-1454. Over deze gebeurtenissen is verschillend +geschreven, en men heeft het bij waarschijnlijkheid moeten laten +blijven. Verg. S. Jarichs, Beninga en Emmius. + + +Bl. 128.--Ao 1478. + +Haijo te Westerwolde. Hajo Addinga van Westerwolde had eed en hulde aan +den Bisschop van Munster gedaan, en volgde zijnen vader in het leen +van Westerwolde op. Hij was een wreedaardig en woest mensch, roofde +en verkwistte met zijne trawanten, plaagde zijn volk, en wie hem niet +ter wille was werd gekluisterd, gepijnigd en gemarteld op allerhande +wijze. Den Priester van Onswedde, die hem zijn slecht gedrag verweet, +liet hij, de handen op den rug gebonden, aan den staart eens paards +voorgesleept, dus vaneen trappen en verscheuren. Een ander Priester +werd daarna ook jammerlijk om het leven gebragt, en zoo pleegde hij +vele gruwelen. Zie West. op 't jaar 1477. + + +Bl. 129.--Ao 1486. + +Rudolf Agricola. Dezen, in zijnen tijd zoo vermaarden man, noemde men +den hersteller der Wetenschappen in het Duitsche Rijk, den grootsten +redenaar van zijnen tijd, den eersten Duitschen Hoogleeraar in de +Grieksche, Latijnsche en Hebreeuwsche talen; dengenen, die door geenen +geleerde, ook zelfs van Italië, werd overtroffen; eene ster der eerste +grootte. Westend. Jaarb. II. 645. + + +Bl. 129. + +In den jaare 1487. Dit doelt op 't zoogenaamde Bier-Oproer. De +Regering van Leeuwarden had, op aandrang der burgerij, op nieuw +eene ordonnantie afgekondigd, waarbij het gebruik van het geliefde +Haarlemmer Bier, Kuit genaamd, verboden, en alleen het in de stad +gebrouwen bier werd toegelaten. Eenige landlieden overtraden dit gebod, +waardoor tusschen hen en de brouwers, ondersteund door de burgers, +een gevecht ontstond. De landlieden, de minsten zijnde, namen de vlugt +op 't Amelandshuis, destijds de stins van den Schieringer Pieter +Cammingha, hetwelk met overmeestering en plundering bedreigd werd, +daar Cammingha de gevlugte landlieden aan hunne vervolgers niet wilde +overgeven. Het gerucht hiervan bragt de Schieringers in Ooster- en +Westergo spoedig tegen het Vetkoopersgezinde Leeuwarden op de been, +die vervolgens deze stad innamen. Meester Pieter Sybrands Auckama, +bijgenaamd Pinckert, Olderman der stad, sneuvelde in dit gevecht [188]. + +Dat het Haarlemmer Bier destijds een artikel van veel belang was, +blijkt onder anderen ook uit het door Winsemius op 't jaar 1480 +vermelde sprookje, (dus te schrijven): + + + De Leidske Lape, + In Harlimmer Tape, + In schiere iel + Bringt Frieslân yn'e wiel. + + +»Het Leidsche laken, Haarlemmer bier (Kuit genaamd) en Schieraal, helpt +Friesland in den grond." Verg. hierbij Wassenbergh, Taalk. Bijdr. tot +den Frieschen Tongval, II. St, bl. 17, noot f en bl. 156. Vol van bier +zijn, te bier gaan, boven zijn bier zijn en dergelijke uitdrukkingen +waren in dien tijd, zoowel in Holland als Friesland, algemeen, daar +het bier een algemeene drank was, en de kracht daarvan, bij den +overmatigen drinker, een bierroes ten gevolge had. + + +Bl. 130.--Ao 1490. + +In dit zelve jaar is de wijdberoemde Wesselius Ganzevoort. Hij werd +geboren te Groningen in 1419, en overleed 1489. Deze hoogst vermaarde +en geleerde man, was ook een der edelste kweekelingen van de stichting +der Broederschap van Gerard Groote. Zijne verlichte denkwijs vooral +werd zeer geroemd, zoodat Luther zelf getuigde: »Indien ik vroeger +de werken van Wessel gelezen had, zouden mijne vijanden mogen +vooronderstellen, dat ik alles uit zijne schriften geput had. Het +geeft mij vreugde en kracht, en ik twijfel niet meer aan de waarheid +van hetgeen ik leer; wanneer ik tusschen hem en mij eene volslagene +overeenstemming van gedachten en zelfs van woorden bespeur." + +In de bestrijding van bijgeloof en dweepzucht kent men dezen man, boven +Erasmus zelfs den voorrang toe, terwijl in al zijn streven tot dit +doel, hij eene waarheidsliefde en eene zedelijke kracht ontwikkelde, +voor welke Erasmus niet vatbaar was. Als letterkundige, wijsgeer, +godgeleerde en geneeskundige was hij bijna even groot; zijne matige +leefwijze stak bijzonder af bij de zwelgerij en dronkenschap van +vele geleerde tijdgenooten, waardoor hij dan ook tot zijn zeventigste +jaar eene sterke gezondheid genoot. Hij reisde de wereld door, om den +schat zijner reeds verkregene kennis te vermeerderen, en daarvan ten +nutte der wereld dubbelde renten uit te deelen. Van Paus Sixtus, wiens +vriend en lijfarts hij was en die hem tot bisschop wilde verheffen, +verzocht hij alleen de gunst, om de Handschriften van eenen Griekschen +en Hebreeuwschen bijbel te mogen bezitten. Zijne laatste levensdagen +sleet hij in 't klooster der adellijke maagden te Groningen, in hetwelk +hij overleed. Zie zijne leerstellingen kortelijk aangeteekend bij +Westendorp, Jaarb. op den jare 1489; en verg. de Verhandeling over +de Broederschap van G. Groote, door G. H. M. Delprat, bl. 79-81, +112 en Bijl. VII. + + +Bl. 131. + +In den jaare 1492. Men vergelijke op dit en de twee volgende jaren, +West. Jaarb., die daarmede het derde Tijdperk en het tweede Stuk van +zijn werk eindigt, waarmede hij den beoefenaren der Geschiedenis eene +gewigtige dienst heeft bewezen, Petr. Thab. op dezelfde jaren. + + +Bl. 133.--Ao 1496. + +Onder den Oversten Fox. Nittert of Nuttert Fox, volgens Gabbema +in Frankenland geboren, was bevelhebber van eene bende de Groote +Garde genaamd. Hij zelf droeg den naam van Grooten Kapitein. Petrus +van Thabor vermeld hem als Joncker Voecks op 't jaar 1498. Zie het +Archief van Visser en Amersfoort, I. 74, alwaar mede wordt aangemerkt, +dat in de middeleeuwen veelal de ellendige gewoonte bestond, dat een +hoop soldaten, die zeker niet tot de beste lieden behoorden, onder +een hoofd, door hen verkozen, zich vereenigden, en vervolgens aan den +meestbiedende, hetzelfde welke zaak hij voor had, zich verhuurden. Zoo +waren er zelfs benden, die geheel zonder opperhoofd rondzwierven, zoo +als de in onze Kronijk op bl. 150 vermelden Zwarten Hoop of Saksische +knechten. Schotanus, Fr. Hist, fol. 419, geeft hem den titel van: +»Capiteyn van een deel af-gedanckte Companyen, op de grensen van +Nederlandt omhengelende, op hoope van nieuwe beroerten;"--doch roemt +hem mede ook als een krijgshaftig en stoutmoedig soldaat. E. Beninga +maakte op de jaren 1492 en 1499 van Fox melding. In eene noot op +bl. 362 zijner Hist. van Oostfr. wordt mede, gelijk in onze Kronijk +op bl. 138, beweerd, dat de plaats, waar hij vechtende stierf, naar +hem Foxhol genoemd zoude zijn; doch te onregt: want reeds in een +brief van 1460 komt dit gehucht voor als Vossehol. Zie Tegenw. Staat +van Stad en Lande, I. 225; Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. IV. 316, +noemt Fox Witterfox. + + +Bl. 138.--Ao 1499. + +Den Hoogen Raad enz. Ten tijde van Karel den Grooten schijnt er reeds +over geheel Friesland eene opperste Regtbank of Hof, misschien wel +door hemzelven ingesteld, bestaan te hebben en te Franeker geweest +te zijn, welk Hof nog in 't begin der XV eeuw den naam droeg van dat +hageste Keijzer riocht to Franeker. Onder de woelende twisten der +Schieringers en Vetkoopers moest het zijn gezag verliezen, doch bleef +nog bestaan in die algemeene en hoogere Regtbank, aan welke de vijf +eerste Grietenijen in Westergo, hare twistgedingen, in het laatste +ressort onderwierpen. Thans hergaf de Hertog dit Geregtshof zijnen +ouden luister, door de nieuwe instelling op st. Jacobs dag (24 Julij) +van 't jaar 1499. Het bestond toen uit 12 Leden, zes Geestelijken en +zes Friesche Edelen, terwijl de Kanselier Phlug het Voorzitters-ambt +bekleedde. Op Sjaerdema-slot was het aanvankelijk gezeteld, doch +werd daarna naar Leeuwarden verplaatst. Men vindt dit alles in het +breede beschreven in mijne meergemelde Geschiedenis der Kanselarij +te Leeuwarden. Over de Wetten vergelijke men onder anderen § 4 van +het Overzigt in 't Friesch Jierboeckjen van 1833, en § 3 van 1834. + + +Bl. 138.--Ao 1500. + +Fjouwer lotter-claer enz. Wassenbergh, Idioticon op 't woord Fenne, +vertaalt deze leus: »vier gelouterde (beproefde, in het water +onderzochte) klaare Kievitseieren, op den hoek van een aan huis +geleegen Kamp, in één nest." Zie voorts Epkema, Woordenb. op Finne, +en Weiland, N. T. Woordb. op Veen. + + +Bl. 142. - Ao 1504. + +Weerdenbras. O. van Scharl, op 't jaar 1505, geeft den oorsprong op +van deze benaming, welke bevestigd wordt bij Schot. bl. 507 en 508, +die in zijn XIV en XV boek een zeer omstandig verhaal geeft, van +den strijd met Groningen en wat daartoe betrekking heeft. Ook bij +Winsemius, Emmius, Petr. van Thabor, Sicco en Eggerik Beninga enz. + +Vitus Draaksdorp of Traxdorp, was, bij afwezigheid van Hertog Georg, +Opperbevelhebber over het krijgsvolk. Verg. Archief van Visser en +Amersf. II. st. bl. 112; Aantt. op bl. 169. + + +Bl. 146. + +In den jaare 1511. Zie Gabbema, bl. 265; Winsemius op dit jaar. + + +Bl. 147, 149.--Ao 1514. + +Den 21 van July.--Hier na heeft Graaf Edzard. Verg. Tegenw. Staat van +Stad en Lande, I. 303, volgg.; Wins. bl. 376 volgg; Schot. XV boek, +Beninga, III. B. bl. 490; alwaar over de wreedheden der Saksen, de +misleiding door graaf Edzard en zijne vergelding daarvoor van den +Gelderschen Hertog in het breede gewaagd wordt. Zie gem. Archief, +II. bl. 171-176, en de Aantt. daarop; ook het Nabericht van van Rhyn, +bl. 537. + + +Bl. 150.--Ao 1515. + +De zwarte Hoop. Zie Aantt. op Nittert Fox, bl. 431; Petr. v. Thabor +zegt, dat er verschillende uitleggingen van die benaming zijn, als: +omdat zij met den Hertog van Brunswijk gekomen waren, of omdat hun +aangezigt was zwart en leelijk geworden, wegens het lijden van koude +en overlast in den winter, of uithoofde dat hun bij den dood der +Hertogen van Brunswijk zwart laken was gegeven, tot teeken van rouw; +het is mogelijk, dat al het genoemde met elkander tot de benaming +aanleiding hebbe gegeven. + + +Bl. 150 en 151. + +Deze Groote Pier. Gelijk het met vele groote en zeldzame mannen +gaat, die eene belangrijke rol in hunnen leeftijd hebben gespeeld, +en daarover verschillend worden beoordeeld, zoo is het ook met Groote +Pier gelegen. De een noemt hem een roemruchtig held zonder wederga, +die voor de vrijheid en voor Friesland wonderen deed; anderen +noemen hem een wreedaardig krijgsman en verachtelijk zeeschuimer, +die slechts roof en moord beoogde. Wanneer men de geschiedenis van +dien tijd naauwkeurig gadeslaat, den toestand van Groote Pier en +zijne bedoelingen beschouwt, daarbij den geest des tijds, de wijze van +oorlogen, vooral ter zee, het Saksisch despotisme in tegenoverstelling +van het Friesch karakter, en de laagheid des Hertogen van Gelder in +aanmerking neemt, dan zal de onpartijdigheid ten voordeele van den +man moeten beslissen, wiens bedoelingen eerlijk waren, maar wiens +daden het merk van ruwheid droegen, en door de fortuin begunstigd +in euvelmoed en woestheid ontaard zijn. Zijn tijdgenoot Petrus van +Thabor schetst hem in zijn ware licht; woest en onbesuisd van aard, +maar rond en eerlijk van inborst. Zie het Archief van Visser en +Amersf. II. 259. In het Gedenks. van Neerl. Heldend. ter Zee van +Engelbert Gerrits, I. 76 volgg., is de beoordeeling minder juist. Zie +voorts de schets van Groote Pier en zijne daden in het Mengelwerk der +Leeuwarder Courant van 11 Maart 1834, door W. Eekhoff zamengesteld, +en de daar aangehaalde Schrijvers. Op welk eene wijze het zeewezen +in Friesland bestierd werd, leest men na het aangehaalde werk van de +Jonge, over het Nederl. Zeewezen, I. 154 volgg. Tot in de XVI eeuw +was het eene algemeene gewoonte, de gevangenen zonder genade over +boord te werpen. + + +Bl. 151.--Ao 1515. + +Hertog Georg. Aldus werd Friesland als 't ware weder +verkocht, en, zooveel de Saks vermogt, geleverd voor +honderd duizend goudguldens. Wagenaar, Vad. Hist. IV. 390, en +Bild. Gesch. V. 11. maaken er 350,000 van, doch de Acte van afstand +van den 19 Mei 1515, bij Schwartzenberg in het tweede deel zijns +Charterboeks voorhanden, spreekt dit tegen. Een Rijnse gulden en een +Goudgulden hadden ieder 90 cents waarde. + + +Bl. 151. + +Karel de Vyfde. Het belangrijkste gedeelte van het Boeck der +Partijen van Jancko Douwama loopt over de gebeurtenissen onder het +Saksisch bewind, alsmede over de eerste regeringsjaren van Keizer +Karel den Vijfden. Men leert hierin die gebeurtenissen in Friesland, +gedurende dit gewigtig tijdvak, van eene geheel nieuwe en onbekende +zijde kennen; en al ware het, dat niet al de berigten van Douwama +volkomen geloof verdienden, zoo blijft het echter, bij de voorhanden +zijnde bescheiden, meestal onder den invloed van het Bourgondisch +bewind opgesteld, van het hoogste belang, door zijne tusschenkomst, +ook eens de gedachten van de andere partij te kunnen vernemen. Zie +over J. Douwama en zijne geschriften, het Verslag der Handelingen +van het Prov. Friesch Genootschap, bl. 57 volgg. + + +Bl. 151.--Ao 1515. + +Graaf Floris van Ysselstein. Floris van Egmond, Heer van IJsselstein, +als Stadhouder gehuldigd zijnde, werden er verschillende voorwaarden +gemaakt. Zie Gabbema, Verh. van Leeuw., bl. 302; Schot. fol. 573, +en Wins. fol. 431; welke eerste hem ook Floorken dunn'- bier noemt. + + +Bl. 155.--Ao 1520. + +Hendrik en Frederik Gaykinga. Belangrijk is het verhaal van Sicco +Beninga, Chronickel der Vriescher Landen, in de Anal. van v. Nidek, +bl. 321 volgg. + + +Bl. 158.--Ao 1523. + +En Karel de vyfde tot Erfheer. Verg. Cerisier, Gesch. der +Nederl. II. 420-423; Schot. fol. 621. Na lange en rustelooze woelingen, +het aanstoken van partijschappen, het voeden van den burgerkrijg, +en het vergieten van stroomen bloeds, genoot nu Friesland, bewesten +de Lauwers, met uitzondering van nog eenen inval der Gelderschen, +eene rust van bijna eene halve eeuw; terwijl de voortdurende onlusten +te Groningen veel onheils bleven stichten, en de geest van muiterij +de overhand behield. + + +Bl. 160. + +In den jaare 1535. Verg. Wins. fol. 506; Schot. 664 volgg.; +Egg. Beninga, die echter zeer onvolledig is in zijn verhaal. O. van +Scharl op 't jaar 1535; Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 365 +volgg. [189] + +De Sententieboeken van het Hof van Friesland nagaande, vonden wij +onder vele vonnissen, bij welke in dit jaar een aantal Wederdoopers +veroordeeld zijn, om onthoofd te worden, twee derzelve van den 12 +April, houdende veroordeeling, de eene van 31 vrouwen en de andere +van twee, om verdronken te worden, uithoofde zij: »onlangs bevonden +zyn in Oldeclooster myt de andere seditieuse ende oproerighe persoonen +der Secten van de Anabaptisten ende anderen van 't verbundt van dien +zy adhoererende." + +Nog langen tijd daarna moesten er ook in Friesland maatregelen tegen +de woelingen der Wederdoopers worden genomen, onder anderen blijkbaar +uit de Brieven en Aanschrijvingen ter voorzieninge van de Landvoogdes, +Maria van Hongarijen, gerigt aan den President en Raden van het Hof van +Friesland. Van deze brieven zijn nog eenigen aanwezig in het Archief +van gemeld Hof, door de Landvoogdes onderteekend, welke niet in het +Charterboek vermeld zijn. Wij willen hier een' van dezelven overnemen: + + + MARIA, by der gratie Gods Coninginne + Douagiere van Hongryen ende Beemen, + Regente. + + »Lieue ende Besundere. Volgende den afscheet ende Resolutie hier + onlancx genomen, int bijwesen van v President, beroerende de + secten ende ketterien, zoo van wederdooperie als andere dwalingen, + die anderwers vpstaen in Vrieslant ende omliggenden landen. Wij + schicken jegenwoirdelick aldaer den Deken van sinte Marie tot + Vtrecht, Heer Herman Betinatius, ende meester Franchois Zonnius, + Domheere aldaer, bede doctueren in den heiligen scriften, bringers + van desen, Commissarisen van wegen des hieligen Stoeles van Roome, + ende by Keys. Majest. onsen Heere weauctoriseert, om tegens de + besmette van den voirsz. secten te Inquireren ende procederen, + alsoe behoiren zal, gelijck ghy naeder by de voirsz. Commissarisen + sult mogen verstaen. Ende alsoe ons ernstich begeren es, dat + tegens de voirsz. ketterien geremedieert ende voirsien worde, + beuelen ende ordineren v van wegen zijner Majest., dat ghij de + voirsz. Commissarisen Informatie doet geuen, ende hun bericht + van tgene deser zaken beroeren mach ende notelick wesen sal: + Doende hun voirts alle bijstant ende vorderingen int volbringen + van hueren laste v mogelick zijnde; Ende indien ghij eenige + ongeregeltheit beuint onder de geestelicheit desselfs lants, + sunderlinge in cloisteren ende godshuysen, sult hun sulcx mogen + te kennen geuen, ende samentlick daerinne voirsien, alst behoiren + sal, volgende den last die zij des hebben, zoe wel van ons, als + van den geestelicken ordinarisen. Ende want het zeer oirboirlick + waere in desen tijt eenige goede jonghen tonderhouden in die + Vniuersiteit van Loeuen, studerende in de heilige scriften, + om metter tijt daer vuyt geleerde priesters ende pastoirs in + Vrieslant te ouercommen, zult ghij, zoe verre v van node duncken + zal, duer de voirmelte Commissarisen sulcx aen den prelaten van + Vrieslant laeten versoucken ende de selue onderwijsen, dat zij + ende yegelick van hun tot voirderinge der heiliger Religie, + ende der gemeene weltvaert des lants daertoe willen verstaen + ende contribueren. Lieue ende Besundere, onse heere God zij met + v. Gescreuen te Brussele den XVIJen van Octobre 1553. + + + (get.) MARIE. (onder stond) + De Langhe. + + +Het opschrift is: Onsen Lieuen ende Besunderen, den President ende +Raden des Keysers, geordonneert in Vrieslant. + + +Bl. 163.--Ao 1538. + +Vorperus Thaborita, Kanunnik te Thabor. Worp van Thabor, geboren +omtrent het jaar 1538, wellicht afkomstig van het adellijk geslacht +Tziaerda, was eerst Pastoor in zijne geboorteplaats Rinsumageest, en +daarna Prior van 't Reguliere Kanonniken Klooster Thabor, te Tirns bij +Sneek. Hij schreef in de Latijnsche taal eene kronijk van Friesland, +in drie boeken verdeeld. Het eerste boek handelt over den oorsprong +der Friezen en hun Land, en eindigt met de heerschappij van Karel den +Grooten. Het tweede loopt tot het bestuur der Graven van Holland, en +het derde eindigt met den tijd zijns levens. Baron v. Schwartzenberg +heeft vijf afschriften van die kronijk met elkander vergeleken, +getuigt zeer gunstig van dezelve, en had het plan tot de uitgave +gevormd. Dit is niet tot stand gekomen, en die uitgave bleef tot +heden achter, zoodat het wel niet te hopen, maar toch te vreezen is, +dat met zoo vele anderen, ook dit merkwaardig gedenkstuk der oudheid, +het licht niet zal gegund worden. In de Voorrede van het II Deel van 't +Charterboek wordt een uitvoerig verslag van dit Handschrift gegeven, +waartoe wij den Lezer verwijzen. Aldaar staat ook aangeteekend, +hoe Schotanus in zijne Friesche Historie, vele bladzijden uit den +Chronicon Frisiae van Worp, woordelijk vertaald, heeft overgenomen, +en voor zijn eigen arbeid laten doorgaan. + +Een beter lot heeft in het belang der wetenschappen getroffen, het +geschrift van Petrus van Thabor, in onze kronijk niet vermeld. Deze, +wiens leeftijd voorviel tusschen de jaren 1460 en 1530, en welke hij +voornamelijk als Leekebroeder in het klooster Thabor [190] sleet, +schreef eene uitvoerige kronijk van Friesland, vooral ten doel +hebbende de gebeurtenissen, gedurende zijn eigen leven voorgevallen, +met naauwkeurigheid en waarheidsliefde te boeken, in den vorm van een +Dagboek. Daardoor is dit werk ook belangrijk voor de kennis van den +inwendigen burgerlijken en zedelijken toestand des Lands, terwijl het +van bijgeloof, wonderen en duivelskunsten geheel vrij is. De Heeren +Amersfoordt en Visser, hebben daarvan de Uitgave in het Archief voor +Vaderl. en Vriesche Geschiedenis bezorgd, en verrijkt met een aantal +uitmuntende Aanteekeningen, hoofdzakelijk door den eersten bewerkt, +welke van de kunde en geleerdheid des vervaardigers getuigen. + +Door dezen Petrus van Thabor is omstandiger dan elders beschreven, +de Donia-oorlog, eene der merkwaardigste en treffendste burger- +en familietwisten, door welke Friesland meermalen werd geteisterd, +welke geduurd heeft van 1458 tot 1496. Verg. het Archief, I. p. 16-24 +en de Aanteekeningen, alsmede de aanmerkingen van den Heer van Halmael, +benevens het antwoord daarop van den Heer Amersfoordt, in de Leeuwarder +Couranten van 14 en 21 Junij 1831; 3, 10, 17 April en 1 Mei 1832; +welke stukken voor de geschiedenis van te veel waarde zijn, om niet +in een beter en duurzamer vorm te worden overgegoten. + + +Bl. 166.--Ao 1559. + +Regnerus Predrinus of Reinier van Winsum, geboren 1508, was een +zeer geleerd en verdienstelijk man en een der leerlingen uit het +Fraterhuis. Zijne gehoorzaal was met een toevloed van leerlingen +opgevuld, met welken hij de schriften van Plato, Aristoteles, +Demosthenes, Cicero en Quinctilianus behandelde. Gansche scharen uit +Oost- en West-Friesland, Braband, Vlaanderen, Duitschland, Frankrijk, +Italië, Spanje en Polen kwamen tot hem over, en vormden als het ware +eene Hoogeschool rondom hem. Kort na zijnen dood, in 1563, verdween +de gansche stichting der Broederschap. In 1582 deed de Regering eene +poging, om haar te doen herleven, door de aanstelling van Antonius +Folcard of Folkerts van Boornbergum, tot Overste, doch dit besluit werd +niet uitgevoerd. De oprigting der Hoogeschool in Groningen, in het jaar +1614, gaf deswege eene nieuwe schadeloosstelling. Reeds in den aanvang +der XVI eeuw begon die Broederschap voor de Hervorming van Luther te +wijken: de minachting voor de kloosterinrigtingen deed haar in die +oorden te niete gaan; maar in andere gewesten werd zij verdrongen +door eene veel magtiger orde, die met gesloten gelederen overal eene +Broederschap vervolgde, welke immer daarop roem kon dragen, dat zij +noch dezelfde verdedigingsmiddelen, noch dezelfde wapens kende. Het +waren de Jezuiten, die zich in hunne plaats stelden. Delprat, +Verh. over de Broederschap van G. Groote, bl. 117 en 186. + + +Bl. 169.--Ao 1566. + +Waar op in 't Latyn stond. Moet zijn in 't Fransch. Zie over +de Geuzennapjes v. Alkemade. Displegt. II. 459 en van Loon, +Ned. Hist. Penn. I. 82. In het algemeen waren de nappen eigenlijk +uitgeholde houten bakken van middelmatige grootte, welke dienen moesten +om eenig vocht in zich te houden. Zij waren, zoowel als de bedelzakken, +het kenteeken der bedelaars, en werden door dezen gebruikt, om er de +soep in te ontvangen, welke hun aan de kloosters werd uitgereikt, +wanneer zij het godsdienstig onderwijs genoten hadden. Tot gebruik +over tafel, om er elkander den dronk uit toe te brengen, afgezonderd +zijnde, zijn de nappen natuurlijk tot napjes gebragt. Collot d'Escury, +Holl. Roem, II. A. 111. + + +Bl. 170.--Ao 1567. + +En een schip met Edelen. Breedvoerig vindt men dit verhaal bij +Wins. fol. 538; verg. Gabbema, Verh. van Leeuw. bl. 493. + + +Bl. 172--Ao 1568. + +Waarom Arenberg--op Graaf Adolf los rende. Dat de beide Graven door +elkanders handen zouden zijn gesneuveld, wordt door van Meteren en +anderen tegengesproken, hoezeer er eene oude overlevering is, welke +dit vermeldt, en door onze kronijk schijnt gevolgd te zijn. Het is mij +ook voorgekomen, dat de Schrijver of Schrijvers van It aade Friesche +Terp zich op vele plaatsen niet van de beste bronnen hebben bediend, +dan het ligt niet in ons plan, over de verschillende gebeurtenissen +breedvoerig uit te weiden, en de gebreken allen aan te wijzen, waardoor +wij het bestek dezer Aanteekeningen verre zouden overschrijden. Men +vergelijke over dit geheele tijdvak den Tegenwoordige Staat van Stad +en Lande, I. Deel. + + +Bl. 174.--Ao 1568. + +Den 7de van December. Niet in December 1568 is dit gebeurd, maar in +het begin van Herfstmaand 1566: want reeds in 1567 werd de Roomsche +godsdienst weder hersteld, en in 1570 zond Alba Cunerus Petri als +Bisschop naar Leeuwarden, alwaar hij den 1 Februarij op nieuw de kerken +inwijdde, en de getrouw geblevene gemeente inzegende. Zie Gabbema, +Verh. van Leeuw. bl. 457, die den 7 of 16 van Wintermaand noemt, +gelijk ook Wins. en Schot. schrijven, terwijl September moet worden +gesteld. Verg. ook ten dezen het Iets over de Kerken, kloosters en +voormalige gasthuizen binnen Leeuwarden, van den Heer van Halmael, +geplaatst in het Mengelw. der Leeuward. Courant van den 14 Augustus +1832. + + +Bl. 178.--Ao 1574. + +Casper Robles. Verg. de Inleiding van mijn Tafereel van den Watervloed, +bl. XLI en XLII; Scheltema, Staatk. Nederland, II. 250 en de +aangehaalde Schrijvers; Outhof, Verhaal van alle hooge Watervloeden, +bl. 535; Dumbar, Analecta, III, in hetwelk door Reinico Fresinga +van Frennicker (zoo als hij zich onderschrijft), in diens Memorien, +ook een cort verhaal van Billys gelegentheyt wordt gegeven [191]. De +beschrijving in 't Latijn, over de daden van de Robles in Friesland +bedreven, door Johannes Carolus, uitgegeven te Leeuwarden 1731, door de +zorg van den beroemden Petrus Wesseling, loopt slechts over een kort +tijdsbestek, en is met eene scherpe pen geschreven [192]. Zie voorts +Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 534; Wins. Historiae, L. III, +en Chron. XVI boek. Over het Kolonels- of Roblesdiep, Tegenw. Staat +van Friesland, II. 228. + + +Bl. 181.--Ao 1576. + +Joachim Hopperus. Deze zeer vermaarde man werd in den jare 1523 te +Sneek geboren, uit een edel geslachte, bekleedde gewigtige ambten, werd +de stichter der Hoogeschool te Douaij, en behaalde als Regtsgeleerde +hoogen roem. Als Staatsman echter was hij te veel hoveling, om, +naar der Friezen aard, als zoodanig door hen op hoogen prijs te +worden gesteld. Men geeft hem zelfs na, dat de spotvogels hem met +den bijnaam van Oui, Madame! bestempelden, daar hij de Landvoogdes +in den Raad nimmer zoude tegenspreken. Hij was echter om zijne +groote kundigheden teregt zeer beroemd; en men mag nooit uit het +oog verliezen, dat hij in zijne hooge betrekkingen altoos, vooral +in dien tijd, op een zeer gevaarlijk standpunt was geplaatst. Zeer +waardig is aan hem en zijne geschriften herdacht door den geleerden +Gabinus de Wal, in zijn klassiek werk: Oratio de claris Frisiae +Jurisconsultis, pag. 27 van de Oratie, 90 volgg. der Aanteekeningen, +en 428 der Bijvoegselen. Verg. Scheltema, Staatk. Nederl. I. 492; +Wins. fol. 599. In de Nalezingen op Wagenaar van van Wyn zijn vele +bijzonderheden uit de brieven van Hopper te vinden, en van zijn leven +is eene goede beschrijving aanwezig in de Levens van Nederl. Mannen +en Vrouwen, IV Deel. Onze voornaamste Geschiedschrijvers hebben van +zijne schriften gebruik gemaakt. Zijne brieven aan Viglius, welke +de Antwerpsche Bisschop, de Nelis, heeft laten drukken, en daarna +uitgegeven zijn, zijn hoogst belangrijk voor de geschiedenis. In +de bibliotheek te Brussel bevinden zich nog een aantal andere +oorspronkelijke brieven van hem en Viglius, in hunne landtaal +geschreven, bevattende vele zaken, welke zij elkander in 't geheim +wilden mededeelen. Zie de Wind, Bibliotheek, II. 172. + + +Bl. 181.--Ao 1576. + +Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab +Aita. Een groot aantal geleerde en kundige mannen hebben zich van tijd +tot tijd bezig gehouden, met het beschrijven van het leven en de daden +van den wijdvermaarden Fries, Wigle van Aytta van Zwichum, den 19den +van Wijnmaand 1507, op de State Barahuis [193], onder den dorpe Wirdum +geboren, uit eene der oudste en aanzienlijkste Friesche geslachten, +en gestorven den 8 van Bloeimaand 1577 binnen Brussel. Onder deze +geschriften verdient bijzondere opmerking, de uitmuntende Redevoering +van den Amsterdamschen Rector van Ommeren, in welke (gelijk de Ridder +Scheltema te regte vermeldt [194]), het karakter van Viglius van +de beschuldiging van zwakheid en ongelijkmatigheid meesterlijk is +vrijgepleit [195]. + +Ook het uitstekend en krachtvolle Verhaal van het leven en de daden +van Vigle van Ayta, door Mr. A. Telting met oordeel en verstand +zamengesteld, plaatst den grooten man in een helder daglicht, +en geeft hem de verdiende eere [196], hoezeer anderen een minder +gunstig oordeel over hem hebben geveld. Verg. hierover Holland's +Roem in Kunsten en Wetenschappen door den Baron Collot d' Escury, +II. 23 en Aantt. bl. 69. Deze Schrijver maakt tevens gewag in de +Aanteekeningen op zijn eerste Deel van den glazen beker, door Viglius +aan Keizer Karel toegebragt, toen deze Utrecht bezocht heeft, en welke +naderhand op vele gastmalen gebruikt werd, wanneer men hem al drinkende +ronddraaide, om met de lippen dezelfde plaats te treffen, als die de +Keizer had aangeroerd. Op dezen beker, van dik bruin glas, thans in +bezit van Z. E. den Minister van Maanen, heeft Anna Maria Schurman +met een diamant het volgende geschreven en met haren naam onderteekend: + + + Viglius Zuichemius. + + Al ben ik duister, + De naam geeft luister. + + +Zie v. Alkemade, Displegtigh. II. 528. Uitvoerige melding van +Viglius en zijne geschriften vindt men in de aangehaalde Oratie +van den Hoogleeraar de Wal, bl. 31, 103, 430 volgg. Verg. de Wind, +Bibliotheek, II. 188. + + +Bl. 182.--Ao 1577. + +Waar op de Graaf van Rennenberg. Georg van Lalaing, Heer van Velle +en Graaf van Rennenberg, gesproten uit een der aanzienlijkste en +oudste stamhuizen van Henegouwen, reeds in de XII eeuw bekend, was +een man van grooten aanleg en kunde. Tot Stadhouder van Friesland, +Groningen en Overijssel benoemd, bekleedde hij in den aanvang +het Staatsambt met wijsheid en matigheid, doch later schandvlekte +hij zich zelven in 's Lands geschiedenis als eenen verrader. De +verdienstelijke Rijks-Archivarius de Jonge [197] vermeent, dat hij +welligt door onze Voorvaderen, om deze daad, zonder inachtneming +der omstandigheden, te streng veroordeeld; doch wanneer wij bij +den uitmuntenden Geschiedschrijver A. Kluit, in diens Historie der +Hollandsche Staatsregering (I. 176, noot), lezen, dat, hoezeer de ware +staatkundige redenen van den afval van Rennenberg, niet zoo zeer bekend +zijn, men het echter, naar aanleiding zijner eigenhandige brieven, +aan zijne vrienden geschreven, daarvoor moet houden, dat die redenen +gelegen waren in jalouzij op Nassau en bevordering van eigen grootheid; +hoe zal men dan nog voor zulk een boos en misdadig opzet, in een +Bestuurder des Lands, middelen ter verdediging kunnen vinden? Zijn +karakter vinden wij juist beschreven door een zijner tijdgenooten, +die de meeste gebeurtenissen zelf heeft bijgewoond, en wel tot de +Staatsgezinde partij behoorde, dan met onpartijdigheid een uitgebreid +verhaal van de jaren 1576 tot 1582 heeft gegeven. Dit is de Franeker +Burgemeester Renico of Rienk Fresinga, hier voren gemeld, wiens +boeksken vooral over dit tijdvak belangrijk is [198]. De onsterfelijke +Hooft geeft navolgende uitnemende karakterschets van den Graaf: + +»Hij was geweest een Heer, eedelaardigh, milddaadigh, heusch +en minlyk van zeeden; verfoeyer van wreetheit, geweldenaary, en +dronckenschap; betrachter der krystught, en lief den landzaaten, +zonder nochtans de gunst der soldaaten te verliezen, mits de zorghe +die hy voor hunne betaaling droegh; hier beneevens versiert met meer +dan gemeene geleertheit; welgeoeffent in de Grieksche, Latynsche, +en andere taalen; zeer zoet op de wiskonstighe weetenschapen, +inzonderheit de maatzang. Al dat 'er in te berispen scheen, was een' +blaakzuchtighe ruimborstigheit in 't houden van hof en disch, booven +zijn' inkomst; een toegeeven aan zyn' geneigtheit tot vrouweeren; +opstyghing van moedt, als 't geluk hem meede; stryking, als 't +hem teeghen liep; en 't ontzuivren van zyn' eer en gewisse met +verandering van parthy. Eevenwel om de kosten zynes staatvoerens te +vergelden, schrobd' hy nooit de gemeente, en stak maar eighe middelen +af. Zyn' boelaadjen beleidd' hy zoo heimelyk, dat ze ten minste geen' +arghernis baarden. Onbestendigheit in voor- en teeghenspoedt is de +zeldzaamste der menschelijke zwakheeden niet. Zyn' trouwbreuk strekte +eenen naaghel aan zyn' doodkist, en werd geboet met een berouw dat +zyn' ziel doorsneed: 't en zy hem 't quaalyk beslaaghen meer dan +'t misdryf gezeurt heeft. Oover Groninge, zeeker, in zyn' ziekte, +riep hy dikwyls, wenschende 't nooit gezien te hebben. Ook verbood hy +in de laatste daaghen, zyn' zuster Kornelia, als het dwaallicht dat +hem verleidt had, onder zyn' ooghen te koomen. De gemelde deughden, +en fraayigheden naa deughd zweemende, deeden hem beklaaghen, zelfs van +zyn' meeste vyanden, dien 't jammerde dat hy tot dien val geraakt was." + +Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 810 volgg., bij welken Schrijver +men op bl. 884 deze karakterschets wedervindt, er (uit Fresinga) +bijvoegende, dat zijne zuster Kornelia hem ook had bekoord en gevleid, +met het uitzigt op een huwelijk met Maria van Brimeu, Gravinne van +Megen, weduwe van Lancelot Barlaimont, hetwelk echter mislukte. Zie +Wins. Chron. XVIII Boek; Histor. p. 544; J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te +Land, bl. 257, 265, 266; welke laatste zijnen afval toeschrijft, +aan gemoedelijk bezwaar en ontzag voor de Katholijke kerk. + + +Bl. 191.--Ao 1580. + +Merode, Heer van Rummen. De geschiedenis getuigt van hem als van +een edel, eerlijk en standvastig voorstander der vrijheid, getrouw +voor de goede zaak, dapper in den krijg, en wiens verkregen roem, +door zijn verstandig stadhouderlijk bestuur in Friesland is staande +gehouden. Er is nog in geschrifte van dien tijd, aanwezig een +Journaal van voorgevallene saacken in Friesland, enz., geholden +bij Bernard van Meroode, Stadholder,--van den 7 Julij 1580 tot den +12 Junij 1583: aan de achterzijde op den pergamenten omslag staat: +Prothocol de la Secretairie du Gowerneur de Frise. Dit belangrijk +Handschrift onderzoekende, bevond ik dat hetzelve bevatte vele +Commissiën, Instructiën, Resolutiën, Ordonnantiën, bijzonder voor +de Hoofden der Krijgsmagt en voor de burgerlijke Besturen; voorts +Paspoorten, Sauvegardes, Brieven aan Vorsten en Edelen, Requesten, +Plakkaten en andere Staatsstukken, van welke slechts zeer weinigen in +het Charterboek van Schwartzenb. voorhanden zijn, en wel alleen die, +welke te vinden waren in de Leeuwarder Plakkaatb. + +In 1583 verzocht Merode, uit hoofde van zijnen hoogen ouderdom, om de +gedurige onrust der tijden, de twist en tweedragt om het Meesterschap +tusschen de Staten en het Hof, en omdat de Edelen geen ontzag voor +hem hadden, zijn ontslag, en verkreeg zulks op eene zeer vereerende +wijze. Zijne Commissie van den Prins van Oranje, om in zijnen naam +Friesland te besturen, is van den 17 Junij 1580, Chartb. IV. 172; +Wins. fol. 670. Verg. Leven van Willem I, door L. F. de Beaufort, +XI Boek. Bernard van Merode en zijn broeder Willem behoorden tot +de eersten, die onder den Prins dienst namen, en in het veld door +dapperheid en wijs beleid uitmuntten. Dit geslacht heeft aanzienlijke +bezittingen in de Provincie Noord-Braband, doch behoorde van overouden +tijd tot den Belgischen Adel. Verg. J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te +Land, bl. 243. + + +Bl. 196.--Ao 1584. + +Wij laten hier volgen een kort overzigt van de Stadhouders van +Friesland, uit het Huis van Nassau: + + +WILLEM LODEWIJK. +EERSTE STADHOUDER. + +Willem Lodewijk, Graaf van Nassau, was de zoon van Johan den Ouden, +Graaf van Nassau-Dillenburg, Broeder van Willem I. Hij werd geboren +op den 13 Maart 1560; huwde in den jare 1587 Prinses Anna, Dochter +van zijnen Oom Willem I, verwekt bij diens tweede Gemalinne Anna van +Saksen [199]. Slechts ruim zeven maanden duurde deze echt, daar de +Prinses in den jare 1588 ten huize van Julius van Botnia, een der +voornaamste Friesche Edelen, ijveraar voor vrijheid en godsdienst, +in den ouderdom van 26 jaren te Franeker is overleden. WILLEM zelf +is den 31 Mei 1620, ten gevolge eener beroerte binnen Leeuwarden +gestorven; zoo men verhaalt, terwijl hij bezig was zijnen Neef Maurits +bij geschrifte te raadplegen, wat hem te doen zou staan, indien eens +Maurits, zonder behoorlijke schikkingen te hebben gemaakt, door een' +plotselingen dood werd overvallen. + +In 1583, in de plaats van Merode gesteld zijnde, werd hij op den +16 October 1584 door de Staten van Friesland, op den Landsdag te +Franeker, tot absoluut Stadhouder en Gouverneur over dat Gewest, +verkoren, nadat men plegtig den Koning van Spanje afgezworen had. + +Hij was een voortreffelijk Vorst, een dapper en bekwaam krijgsman, een +voorstander van de godsdienst, en, hoewel deelende in de kerkelijke +scheuring, meer gematigd dan Prins Maurits. Loffelijk getuigen +Ubbo Emmius, van Reijd en Willem van Haren van zijne krijgskundige +verdiensten en grondige kennis, zoowel der theorie als praktijk. Als +beminnaar en hoogachter van letteren en geleerdheid, erkent men in hem +den Stichter der Friesche Hoogeschool, welke, zoowel als de geheele +Provincie, die door hem weder in rust gebragt werd, zijne bijzondere +bescherming heeft genoten. Ook aan hem mag de eer worden toegekend +van de oprigting der Groninger Akademie. + +Hij regeerde van 1584 tot 1620. + + +ERNST CASIMIR. +TWEEDE STADHOUDER. + +Ernst Casimir, Graaf van Nassau, Broeder van Willem Lodewijk, werd +diens Opvolger in het Stadhouderschap over Friesland. Hij was geboren +den 22 of 24 December 1573, trouwde in den jare 1607 met Anna Sophia, +dochter van den den Hertog Julius van Brunswijk, welke Prinses in +1642 is overleden. Uit dit huwelijk zijn twee zonen en twee dochters +geboren, welke laatsten jong en ongehuwd overleden zijn; de beide +zoons, Hendrik Casimir en Willem Frederik, zijn hem in de regering +opgevolgd. Na een aantal gewigtige zendingen ten dienste van den Staat, +werd hij eerst Stadhouder van Friesland, en daarna door Groningen +en Drenthe in die waardigheid erkend. In vele krijgsverrigtingen +muntte zijn beleid en dapperheid bijzonder uit; doch in het beleg van +Roermonde, op den 2 Junij 1632, trof een vijandelijke musketkogel, +terwijl hij de loopgraven bezigtigde, zoodanig zijn hoofd, dat hij +na verloop van drie uren daarna den geest gaf. Als staatsman vond +ik hem niet bijzonder vermeld: in het kerkelijke bezat hij minder +gematigdheid dan zijn broeder. + +Hij regeerde van 1620 tot 1632. + + +HENDRIK CASIMIR I. +DERDE STADHOUDER. + +Hendrik Casimir I, Graaf van Nassau, oudste Zoon van Ernst Casimir +en Anna Sophia, werd in den jare 1611 geboren en is niet gehuwd +geweest. Men roemt hem als een dapper held, wiens leven in velerlei +krijgstogten werd gesleten, terwijl een schoon getuigenis wordt gegeven +van zijn godsdienstig, standvastig en braaf karakter. Zelfs zijner +wederpartij dwong hij zoodanige hoogachting af, dat een vijandlijk +Officier bij 's Vorsten doodberigt had uitgeroepen: »Nu is de braafste +Kapitein in Nederland gestorven!" Onder de beroerten in Friesland +in 1635 bewees hij ook dat Gewest groote diensten. Bij de belegering +van Hulst en Brugge trof hem een pistoolschot in den rug, welke wonde +hem op den 12 of 13 van Hooimaand 1640 den dood veroorzaakte. + +Hij regeerde van 1632 tot 1640. + + +WILLEM FREDERIK. +VIERDE STADHOUDER. + +Willem Frederik, Graaf of Prins van Nassau, jongste Zoon van Ernst +Casimir, werd te Arnhem op den 7 Augustus 1613 geboren, en trad den 2 +Mei 1652 in den echt met Albertina Agnes, Dochter van Frederik Hendrik, +Prins van Oranje. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: Prinses +Amelia, met den Hertog van Saksen-Eysenach getrouwd; Sophia Hedwich, +omtrent derdehalf jaren oud gestorven, en Hendrik Casimir. Willem +Frederik verlangde zijnen Broeder Hendrik op te volgen als Stadhouder +van Friesland, Groningen en Drenthe, doch Frederik Hendrik, begeerde +over al de gewesten te heerschen. Hierover ontstond geschil, en beide +namen hunne maatregelen om tot hun doel te geraken. Willem Frederik +werd door de Staten van Friesland tot Stadhouder, en Frederik Hendrik, +door die van Groningen en Drenthe verkozen. Gelijk alle twisten +tusschen hooge personen nadeelig werken voor Land en Volk, had ook dit +geschil buitendien voor den Vorst zeer onaangename gevolgen: want de +magtiger Frederik dwong zijnen mededinger tot menige vernedering. Op +eene noodlottige wijze verloor hij het leven: want bij het beproeven +van een zadelpistool, zullende dienen op zijne voorgenomene reis naar +Westfalen, ging het schot af, en trof hem dermate in het aangezigt, +dat hij drie dagen daarna overleed. Dit was op den 21 October 1664, +terwijl de Stadhouder te Leeuwarden resideerde. + +Hij was een bekwaam krijgsman, bedreven in staatszaken en van karakter +uitstekend: daarenboven een beoefenaar en hoogschatter der Letteren, +waarvan de Hoogleeraar Ulrik Huber getuigt, dat de werken van Tacitus +en Seneca, zoowel des nachts als des daags door den Prins werden +gelezen, en in het geheugen geprent. De Franeker Hoogeschool verloor +in hem eenen sterken voorstander en verdediger. + +Hij regeerde van 1640 tot 1664. + + +ALBERTINA AGNES. +VOOGDESSE. + +Albertina Agnes, Prinses van Oranje, in 's Gravenhage op den 29 +April 1634 geboren, had gedurende den tijd der voogdijschap over +haren zoon Hendrik Casimir, die nog geen acht jaren oud was bij den +dood zijns Vaders, het bestuur over dit Gewest, en verwierf zich +veel gezag bij de Friezen. Zij was eene verstandige, beminnelijke en +zeer godsdienstige vrouw; eene voortreffelijke echtgenoot, en eene +waardige en zorgvuldige moeder voor hare kinderen, welke zij allen, +voor zich ten grave zag dalen. Den 24 Mei 1696 overleed zij op hare +lustplaats, het Oranjewoud, alwaar zij een geruimen tijd van haren +weduwlijken staat had doorgebragt. + +Zij regeerde van 1664 tot 1679. + + +HENDRIK CASIMIR II. +VIJFDE STADHOUDER. + +Hendrik Casimir II, Prins van Nassau, eenige Zoon van Willem Frederik +en Albertina Agnes, werd geboren op den 18 Januarij 1657. Op zijn +vijftiende jaar legde hij als Stadhouder den eed af, welke waardigheid +drie jaren later door de Staten van Friesland, Groningen en Drenthe, +voor zijne mannelijke nakomelingen, erfelijk verklaard werd. Op zijn +22 jaar echter kreeg hij eerst het Stadhouderlijk bewind alleen in +handen. Den 16 November 1683 trad bij in den echt met Amelia, Prinses +van Anhalt-Dessau, Dochter van Johan Georg II, waarmede hij dertien +jaren vereenigd was, en uit welk huwelijk zijn gesproten zeven dochters +en twee zoons: Willem Georg Friso, die een jaar na zijne geboorte is +gestorven, en Johan Willem Friso, zijns Vaders opvolger. + +Zijne benoeming tot Kapitein-Generaal en andere voorvallen gaven +aanleiding tot twisten tusschen hem en Prins Willem III, welke echter +door diens uitzigt op de kroon van Engeland bedaarden, en in 1685, +onder bemiddeling van den vermaarden Hoogleeraar Joh. van der Waeijen, +daarna des Stadhouders Raadsman, geheel werden bijgelegd. Op zijn +zeventiende jaar stortte hij bij een gevegt, te stoutmoedig met +den degen in de vuist op den vijand indringende, met zijn paard in +eene laagte, ten gevolge van welken val, hij steeds onderhevig aan +bloedspuwingen is geweest; en door deze kwaal in zijne gezondheid +ondermijnd, overleed hij te Leeuwarden op den 25 Maart 1696. + +Hij studeerde in den jare 1671 te Franeker, en gaf vele blijken van +verstand, oordeel en ervarenheid; dan vooral in het krijgswezen muntte +hij uit in moed, beleid en onverschrokkenheid. De dappere Generaal +Hans Willem, Baron van Aylva, die den Lande in een zeer netelig +tijdperk voortreffelijke diensten bewees, was hem een Leermeester +zonder wederga, en had hem den weg tot een onsterfelijken roem helpen +banen. Zijn dood was voor Friesland een zware slag, want in hem werd +een schrander, deugdzaam en edelmoedig Vorst, een magtig Beschermheer +verloren. + +Hij regeerde van 1679 tot 1696. + + +AMELIA. +VOOGDESSE. + +Amelia, Prinses van Anhalt-Dessau, geboren in 1666, werd als Voogdesse +erkend over haren zoon Johan Willem Friso, oud ruim acht jaren bij het +overlijden zijns Vaders, en had tot zijne meerderjarigheid het bestuur +in handen. Zij kocht voor haren zoon de Heerlijkheid Ameland, voor +170,000 Karels guldens. Men vindt weinige bijzondere berigten over haar +vermeld: zij moet eene schoone, vernuftige en schrandere vrouw geweest +zijn, wier zucht echter tot pracht en weelde der spaarzaamheid zeer +in den weg stond. In den jare 1726 is zij in Duitschland gestorven. + +Zij regeerde van 1696 tot 1707. + + +JOHAN WILLEM FRISO. +ZESDE STADHOUDER. + +Johan Willem Friso, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 14 Augustus +1687 te Dessau, aanvaardde in 1707 het Stadhouderschap over Friesland, +en het jaar daarna over Groningen en Ommelanden. Na den dood zijns +Vaders nam Prins Willem III de zorg zijner opvoeding op zich, en deze, +zonder kinderen overlijdende, maakte zijn geliefden kweekeling tot +zijnen eenigen erfgenaam. Op den 1 Mei 1709 trad hij in den echt met +Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, uit welk huwelijk zijn geboren +twee kinderen: eene dochter Anna Charlotta Amelia, getrouwd met den +Prins van Baden-Durlach, en een zoon, Willem Karel Hendrik Friso. Op +den 14 Julij 1711 is de Stadhouder, in zijnen jeugdigen leeftijd, +op eene droevige wijze omgekomen, daar hij bij de overvaart van het +Strijensche Sas aan den Moerdijk, toen door een rukwind de pont werd +omgeslagen, zijn dood in de golven vond. Zijn krijgsroem was reeds +gevestigd; zijne deugden waren velen, en had hem een langer leven +mogen te beurt vallen, hij zou ongetwijfeld in 's Lands geschiedenis +eene luisterrijke plaats hebben bekleed. Gedurende anderhalf jaar, in +1700 en 1701, heeft de Prins te Franeker gestudeerd, en bijzonder het +onderwijs van den beroemden Fullenius genoten, waarna hij, op begeerte +van zijnen Voogd, Prins Willem III, zich ook naar de Hoogeschool te +Utrecht begaf. + +Hij regeerde van 1707 tot 1711. + + +MARIA LOUISA. +VOOGDESSE. + +Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, een der veertien kinderen +van den Landgraaf Karel en Maria Amelia, Prinses van Courland, is +geboren op den 17 Februarij 1688. Onder de leiding harer uitmuntende +moeder, wier evenbeeld zij werd, ontwikkelde zich in haren jeugdigen +leeftijd reeds den voortreffelijken aanleg tot deugd en bekwaamheid, +welke het sieraad eener vrouwe zijn, en de Vorstin bovendien tot een +verheven en magtig voorbeeld voor hare onderdanen stelt. Gedurende +de minderjarigheid van haren Zoon, bestuurde zij 's Lands zaken met +beleid en verstand, zoodat zelfs de Staten van dit gewest, haar met +een geschenk van 5000 gulden vereerden, en eene levenslange jaarwedde +van eene gelijke som. Na den dood van Prins Willem IV en deszelfs +Weduwe werd haar weder de waarneming van het Stadhouderlijk bewind +over Friesland opgedragen, hetwelk zij met welgezindheid aanvaardde +en met ijver behartigde. Op den 9 April 1765, dus ruim 77 jaren +oud, is deze Vorstin te Leeuwarden overleden, en hare nagedachtenis +is door alle tijden bij de Friezen in zegening gebleven: want zij +was godsdienstig, nederig, milddadig en beminnelijk van karakter, +zoodat men dan ook haar steeds met den vereerenden lievelingsnaam +van Maryke-Mui bestempelde. Als Stadhouderes regeerde zij met +wijsheid en gematigdheid. Zoowel voor de stille rust als voor het +woelige hofleven geschikt, bragt zij in godsdienstige afzondering en +vrolijke uitspanning vele dagen door in haren lusttuin Marienburg, +bij Leeuwarden, of op het geliefkoosd Oranjewoud [200]. + +Zij regeerde van 1711 tot 1731, wanneer haar zoon meerderjarig +werd. Van diens dood tot in 1759, in welk jaar hare schoondochter +Prinses Anna, is overleden, had zij eenig deel aan 't Stadhouderlijk +bewind, en na dien tijd regeerde zij weder geheel tot 1765. + + +WILLEM KAREL HENDRIK FRISO. +ZEVENDE STADHOUDER. + +Willem Karel Hendrik Friso, of Willem IV, Prins van Oranje-Nassau, +werd te Leeuwarden geboren den eersten van Herfstmaand 1711, zes +weken na zijns Vaders overlijden. In den eersten leeftijd onder het +oog zijner verstandige moeder opgevoed, daarna door de beroemdste +geleerden, zoo als Wesseling, Hemsterhuis, Heineccius en anderen, +aan de Friesche en Utrechtsche Hoogescholen, onderwezen, moest +zijn krachtvolle geest zich spoedig ontwikkelen, en eene grondige +kennis van zaken bekomen, welke den echten Landsvader kenmerken, en +zijn bestuur ten beste der onderdanen doen gedijen. In den jare 1731 +aanvaardde hij de waardigheid van Stadhouder over Friesland, na reeds +daarin over Groningen, Drenthe en Gelderland te zijn bevestigd. In het +merkwaardig jaar 1747 werd een perk gesteld aan de verdeeldheden eener +vijfenveertigjarige Stadhouderlooze regering in de overige Provincien, +en Willem IV tot Algemeen Stadhouder over al de gewesten verkoren, met +erfelijk-verklaring dier hooge waardigheden, zoowel in de vrouwelijke +als mannelijke linie. Hij trad in den echt met Anna, Kroonprinses van +Groot-Brittanje op den 25 Maart 1734. De spruiten uit dezen echt waren, +behalve drie dochters, welke allen kort na de geboorte zijn overleden, +Prinses Carolina en Prins Willem V. Hij regeerde gelijk het den Vorst +betaamt, wien zijn Land en Volk, als zijn eigen welzijn, zeer ter +harte gaan. Twee groote Nederlandsche Historieschrijvers, Stuart en +Scheltema, getuigen beide van hem: »dat hij de grootheid van zijn +Huis alleen zocht in de ware grootheid van den Staat; zijn hoogste +eerzucht in de liefde zijns Volks stellende." Geen offer achtte +hij te dier voor de belangen der natie, en standvastig van geest +volgde hij steeds het hem aangewezen moeijelijk pad. Vele goede en +beminnelijke hoedanigheden waren van de Moeder op den Zoon overgegaan; +godsvrucht en christenliefde paarde zich aan opregtheid en eerlijkheid +[201]. Als vriend der geleerden en voorstander der wetenschappen, vond +ook de Friesche Hoogeschool in hem eenen ijverigen Beschermheer. In +den ouderdom van ruim veertig jaren bezweek zijn van tijd tot tijd +verzwakt ligchaam, onder de rusteloosheid van eenen veelvuldigen +zwaren arbeid. Hij stierf den 22 October 1751, en werd te Delft in +den Vorstelijken grafkelder van Willem I begraven. + +Hij regeerde van 1731 tot 1751. + + + + + +Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje, Prinses van +Brunswijk-Lunenburg, Gemalinne van Willem IV, was de oudste Dochter +van Koning George II, en werd geboren den 2 November 1709. Zij was +eene schoone vrouw, helder en krachtvol van geest, kloek van verstand, +edel van ziel en grootmoedig van karakter; de geschiedenis getuigt +van haar, dat zij niet alleen vele voortreffelijke deugden, maar +ook uitstekende talenten bezat, zoodat zij in verschillende talen +oordeelkundige werken over godsdienst, geschiedenis en zedekunde +geschreven heeft, en dit wel, hetgeen bijzondere opmerking verdient, +niet om te schitteren, maar tot eigen oefening en anderer nut. Dat +zij alzoo voor haren Gemaal een onschatbaar kleinood was, zal wel +geen betoog behoeven: want, ook in staatszaken ervaren, ondersteunde +zij in die oproerige tijden den vredelievenden Vorst met wijzen +raad. Na den dood van dezen had zij bij het voeren des bewinds en +'t bestier der voogdij, eene standvastigheid en kloekheid betoond, +die den Grooten Frederik, op het ontvangen van haar doodberigt, aan +der Staten Gezant schrijven deed: »Ik heb eene Vriendin verloren, +die door hare grootmoedigheid, wijsheid en eene hare kunne te boven +gaande kracht van geest al mijne achting verdiende." Op den 12 van +Louwmaand 1759 ontsliep zij in den ouderdom van ruim 49 jaren te +'s Gravenhage, en werd bij haren Gemaal te Delft begraven. + +Zij regeerde als Gouvernante van 1751 tot 1759; terwijl echter +het beheer in Friesland aan de Staten en Prinses Maria Louisa was +opgedragen. + + +CAROLINA. +REGENTESSE. + +Aan Carolina, Prinses van Oranje, eenige overgeblevene dochter van +Willem IV, geboren te Leeuwarden den 28 Februarij 1743, werden, na +den dood harer Grootmoeder Maria Louisa, in den jare 1765, ten gevolge +der Landsverordeningen op de Voogdij, de Magistraatsbeschikkingen in +de Friesche steden opgedragen, tot aan de meerderjarigheid van haren +Broeder. Zij huwde in 1759, dus zestien jaren oud, na vele staatkundige +tegenstribbelingen, aan Carel Christiaan, Prins van Nassau-Weilburg, +gesproten uit de linie van Walram. + +Zij regeerde tot in 1766. + + +WILLEM V. +ALGEMEEN STADHOUDER. + +Willem V, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 8 Maart 1748, aanvaardde +het Stadhouderschap over al de Gewesten den 8 Maart 1766. Hij trad +in den echt den 4 October 1767 met Frederica Sophia Wilhelmina, +Prinses van Pruissen, Nicht van Koning Frederik II, den 7 Aug. 1751 +geboren. Deze zijn de doorluchtige Ouders van onzen geëerbiedigden +Koning. Prins Willem overleed te Brunswijk in Grasmaand 1806, en +zijne verhevene Gemalinne op het Loo 9 Junij 1820. + + +Bl. 201.--Ao 1591. + +En 6 yzere gotelingen. In dezen tijd was voornamelijk ook eene +soort van geschut in gebruik, genaamd Gotelingen, van 18, 8, 6, 4, +3 en 2-1/2 pond, benevens metalen Kartouwen, Colverijns, Veldslangen, +Sakers, Dranken, Mignions en anderen; die vooral op de schepen gebezigd +werden. De Jonge, Gesch. van het Zeewezen, I. 402. Verg. Kiliaan op +'t woord. + + +Bl. 208.--Ao 1594. + +En op Ostagiers handelende. Ostagier, Stagier beteekent een gijzelaar; +vandaar: op Ostagiers geven, handelen, nemen, d. i. gijzelaars ten +onderpand geven of ontvangen. Zie Kiliaan. Over dit merkwaardig +beleg vergelijke men den Tegenw. Staat van Stad en Lande, I. 518; +Wins. fol. 817, enz. + + +Bl. 216.--Ao 1620. + +Die heerlyke begraafplaats. De Groote of Jacobijner kerk is volgens +Gabbema, Verhaal van Leeuwaarden, gebouwd in den jare 1487, doch, +volgens J. van den Bosch, in zijn meergem. werk, was zij reeds door +de Heeren van Cammingha en eenige rijke burgers in 1228 gesticht; +en daarna afgebrand zijnde, werd zij herbouwd in 1487. In derzelver +Koor aanschouwde men de prachtige marmeren graftombe van Graaf Willem +van Nassau en zijne Gemalinne Anna, onder welke tombe de Vorstelijke +Grafkelder zich bevond, waarin zijn bijgezet geworden: + + + 1. Prinses Anna, Gemalin van Willem Lodewijk. + 2. Graaf Willem Lodewijk, eerste Stadhouder. + 3. Graaf Ernst Casimir, tweede Stadhouder. + 4. Graaf Hendrik Casimir, derde Stadhouder. + 5. Prinses Anna Sophia, Weduwe van Graaf Ernst Casimir. + 6. Graaf Willem Frederik, vierde Stadhouder. + 7. Prinses Sophia Hedwich, dochter van Graaf Willem Frederik. + 8. Prinses Albertina Agnes, Weduwe van Graaf Willem Frederik. + + +Nog stonden in dezen grafkelder twee kleine kisten, waarin +waarschijnlijk de dochters van Graaf Ernst Casimir zijn bijgezet; zoo +bevonden er zich drie kleine houten kistjes, in welke tinnen doozen, +waren geplaatst, die ingewanden van gebalsemde Vorstelijke lijken +zullen hebben bevat. + +Toen deze begraafplaats te klein geworden was is door Prinses Amelia +eene tweede aangelegd, in welke zijn bijgezet: + + + 1. Prins Willem Georg Friso, zoon van Prins Casimir II, geboren + te Leeuwarden 24 Junij 1685. + 2. Prins Hendrik Casimir II, vijfde Stadhouder. + 3. Prins Johan Willem Friso, zesde Stadhouder. + 4. De tweede dochter van Prins Willem IV, bij de geboorte gestorven + 22 December 1739. + 5. Prinses Anna, jongste dochter van Prins Willem IV, geboren te + Leeuwarden 15 November, en den 29 December 1746 overleden. + 6. Prinses Maria Louisa, weduwe van Prins Johan Willem Friso. + + +Van deze Vorstelijke begraafplaats en het marmeren grafgesticht +is niets meer overgebleven, dan het aandenken aan derzelver vorig +bestaan. Niet door den vernielenden tand des tijds, die al wat +onvergankelijk schijnt aan stukken knaagt, maar door den geesel der +verwoesting en het teugelloos geweld, uit overdreven vrijheidszucht, +haat en partijschap geboren, wier blinde drift zelfs de graven der +afgestorvenen niet eerbiedigt, zijn deze gedenkteekenen vernietigd. Dan +wij willen de treurige herinnering aan die tijden niet verlevendigen, +en dergelijke gebeurtenissen liever der vergetelheid overgeven. + +Van de zeven Stadhouders, de Prinsessen Amelia, Maria Louisa en Anna, +benevens de Graven Johan Maurits, Adolf, Jan en Albert van Nassau, +zijn op het Hof te Leeuwarden nog uitmuntend geschilderde beeldtenissen +bewaard gebleven. + + +Bl. 221.--Ao 1636. + +Een oud boekje getiteld: Teghen-gifte teghen de Peste, door Lucas +Trelcatius beschreven, uitgegeven te Leeuwarden 1637, meldt in +een Aenhanghsel, dat de verschrikkelijke Pest, welke in dit jaar in +Holland heerschte ook tot Friesland was overgeslagen, en in de dorpen +nog heviger woedde dan in de steden, vooral in Anjum, Grouw, Oldkerk, +enz. terwijl binnen Leeuwarden ettelijke weken lang, bij en over de +200 dooden werden begraven, waarna men de verwoesting in de dorpen +aangerigt kan afmeten. + + +Bl. 227.--Ao 1665. + +De Veldmaarschalk Graaf Johan Maurits van Nassau was de kleinzoon van +Johan den Ouden, den Vader des eersten Frieschen Stadhouders. Bij +gelegenheid van dit ongeluk maakte hij te Franeker zijn uiterste +wille, en gaf die over ter bewaring aan de Akademie. In 1679 overleed +deze zachtaardige en brave man te Bergendaal bij Kleef, alwaar zijne +nederige grafstede nog jaarlijks door vele reizenden bezigtigd wordt. + + +Bl. 229.--Ao 1672. + +Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May. Voor dat +men den tijd naar behooren geregeld en verdeeld had, of willekeurig +verdeelde, om te voorkomen dat de Saizoenen zich niet verplaatsten, +was het opzigt hierover aan de Priesters des volks aanbevolen. Eene +halve eeuw voor onze jaartelling maakte Julius Caesar een einde aan de +verwarde tijdsberekeningen en derzelver gevolgen in zijnen Staat. Hij +bepaalde het zonnejaar op 365 dagen en 6 uren. Het burgerlijk jaar +werd dus verordend: er zouden telkens drie achtereenvolgende jaren +ieder van 365 dagen loopen, en het vierde of schrikkeljaar moest een +dag meer dragen, welke dag in de maand Februarij werd ingelascht. Het +jaar bestond uit 12 eenigzins ongelijke maanden, zoo als het nu nog +bestaat. Dit was de Juliaansche Jaarrekening of Stijl, Oude Stijl +genaamd. + +De bepaling des zonnejaars van 365 dagen en 6 uren was echter ruim +elf minuten te groot genomen, hetwelk eene afwijking of verloop +moest veroorzaken, die dan ook na vier eeuwen tijds bij de viering +van het Paaschfeest, waarvan de berekening op de maan gegrond was, +duidelijk werd opgemerkt. Men nam maatregelen welke echter onvoldoende +waren, en gedurende vele eeuwen bleef dit gebrek bestaan, zoodat in +de XVI eeuw de lente-nachtevening van den 21 Maart op den 10 was +gekomen. Eindelijk nam Paus Gregorius XIII zich de zaak ernstig +ter harte, liet door geleerden en deskundigen het ontwerp van +Aloisius Lilius, een geneesheer van Verona, onderzoeken, en na rijp +beraad werd er in den jare 1581, bij Apostolische Bulle, eene nieuwe +verbetering aangekondigd en bevolen. De sedert het Concilie van Nicea +vervroegde tien dagen, moesten in het jaar 1582 in de maand October +worden uitgelaten, zoodat men van den 4 dadelijk op den 15 telde. Het +verschil van de elf minuten, die men vroeger op het zonnejaar te veel +gerekend had; werd gevonden, door in vier eeuwen, telkens op het einde +van ieder eeuw één schrikkeljaar over te slaan; dus zoude het jaar +1600 een schrikkeljaar blijven, maar 1700, 1800 en 1900 gemeene jaren +van 365 dagen, en 2000 weder een schrikkeljaar zijn. Het zonnejaar +werd alzoo vastgesteld op 365 en het schrikkeljaar op 366 dagen. Deze +inrigting noemde men de Gregoriaansche Jaarrekening of Stijl, en in +tegenoverstelling van den Juliaanschen den Nieuwen Stijl. + +Door deze verstandige en doeltreffende instelling was er geene +afwijking of verloop van tijdsberekening in eeuwen meer te duchten; +en was men overal verstandig genoeg geweest, men zou niet geaarseld +hebben daarin te berusten, dan vooroordeel, dwaze driften, koppigheid +en ongodsdienstige ijver, keerden aanvankelijk in die woelige tijden +van hervorming onder zoo vele goede zaken ook deze. In de Catholijke +Landen werd de verbeterde Calender spoedig aangenomen, dan eerst in +en omstreeks den aanvang der XVIII eeuw, ging men daartoe in andere +Landen, en ook in de Nederlanden over: Braband, Vlaanderen, Zeeland +en Holland waren de eerste gewesten, daarna volgden Friesland, +Groningen, Gelderland, Utrecht en Overijssel. Dat deze instelling +op ongelijke tijden aangenomen, en dus de een zich van den Ouden, +de ander van den Nieuwen Stijl bedienende, veel verwarring te weeg +bragt, is meermalen gebleken. Zoo schreef b. v. Graaf Johan Maurits +van Nassau, hiervoren gemeld, uit 's Gravenhage eene Missive aan +den Rector en Senaat van de Akademie te Franeker, op den 3 September +1670, en het antwoord op dezelve, drie dagen na dien datum afgezonden, +droeg de dagteekening van den 27 Augustus. In Engeland heeft men eerst +in 1752, en in Zweden een jaar daarna, den Nieuwen Stijl ingevoerd: +in Rusland volgt men nog den Juliaanschen. + +Ingevolge Resolutiën der Staten van Friesland van den 10 en 11 +October 1700 werd vastgesteld en bij Publicatie van den 12 dier +maand afgekondigd, dat op den 1 Januarij 1701, in plaats van den +Ouden Stijl de Nieuwe zou worden ingevoerd, en men op dien dag niet +den eersten maar den twaalfden Januarij zoude schrijven, en aldus +de telling vervolgen. Alzoo eindigde in Friesland het jaar 1700 op +Dingsdag den 31 December, en den volgenden dag, Woensdag, heeft men +12 Januarij 1701 geschreven [202]. In de Provincie Groningen is ten +zelfde dage en op gelijke wijze de Nieuwe Stijl ingevoerd. + +Het verschil alzoo tusschen den Ouden en Nieuwen Stijl, door vele +schrijvers niet in acht genomen, waardoor misstellingen in de +dagteekeningen zijn ontstaan, of bij sommigen verkeerd aangeduid, +bestaat alleen hierin, dat men altoos tien dagen tellen moet bij de +dagteekening, welke de Oude of Juliaansche Jaarrekening aangeeft. + +Men vergelijke de Historische Verhandeling over den zoogenaamden +Nieuwen Stijl door den Oud-Hoogleeraar Mr. J. W. de Crane, geplaatst +in het II. Stuk van het Archief der Heeren Visser en Amersfoordt. + + +Bl. 259. + +In den jaare 1677. Hetgeen hier volgt tot bladzijde 271 is een +bijvoegsel van den tweeden druk, en heeft niet uitsluitend betrekking +op Friesland, maar is meer eene kronijksgewijze opgave van algemeene +gebeurtenissen. Wij hebben ons moeten onthouden van eene meerdere +uitbreiding onzer Aanteekeningen over het belangrijk tijdvak der +geschiedenis in de laatste eeuwen, daar dezelve reeds tot een aantal +bladen zijn aangegroeid, en ons bestek geen grootere uitvoerigheid +gedoogde. Ook mogen wij het daarvoor houden, dat dit gedeelte +der Historie, en bepaaldelijk die der Stadhouderlijke Regering, +den Lezer meer bekend zij, als zijnde daarover ook genoegzame +bronnen voorhanden. Wij hebben achterwege gelaten de onbelangrijke +beschrijving van den intogt des Prinsen J. W. Friso in Groningen, +op bl. 327 en 328 van den tweeden druk der kronijk voorkomende, als +mede de berijmde Nareeden, of zoo als achter den eersten druk staat, +Aanspraak op Naaspraak, hoewel tot onderschrift voerende: 't Kan niet +beeter; want wie zal thans nog smaak vinden in verzen als deze? + + + Wiens breinkas gestoffeerd met puik van waarde stoffen, + Zal ooit op eenge stoff, wiens loff maar stoff is stoffen. + + +of + + + Een keurger keure, keur de keur, met keur in 't leezen; + In 't geen hy keurig keurt, met keur 't zyn uit te leesen. + + +Ook het Treurig gesprek tusschen een Vreemdeling en een Fries, over +het verongelukken van Johan Willem Friso, in zeer middelmatig rijm +van de door haren tijdgenoot Lucas Pater en daarna door den heer J. de +Vries hoog verheven, door Witsen Geysbeek daarentegen diep vernederde +Friesche Dichteres Jetske Reinou van der Malen, hebben wij gedacht +veilig te kunnen weglaten. + + +Bl. 273. + +De Landstreek van deze Provincie. Over deze verdeeling en het bestuur +der Graafschappen, vergelijke men onze Aantt. bl. 344; § 4 van het +Overzigt in het Friesch Jierboeckjen 1833, en de 2de § van dat van +1834. Over de benamingen van Estrachia of Austrachia en Westrachia, +moet ik nog wel aanmerken, dat Alting in zijne Descriptio agri Batavi +et Frisii, of Notit. Germ. Inf. zeer verkeerd op alle zijne kaarten de +eilanden Ameland en Terschelling dus noemt, in navolging van zekeren +Fredegarius, een Schrijver van de VII eeuw, (die echter voor Austrachia +Anistrachia schrijft,) als zullende beteekenen Ooster- en Wester-oog, +van achia, age, oog, welke benaming dikwijls aan eilanden gegeven +wordt, zoo als Schiermonnikoog, Spikeroog, Langeroog enz. Te vergeefs +zal men bij eenig Friesch Schrijver die eilanden, dus genoemd, zoeken, +maar wel vindt men, dat eertijds Westrachia Westergo, en Austrachia +Oostergo beteekende. Winsemius bevestigt zulks op den jare 728, +toen Karel Martel Oostergo en Westergo plonderde en verwoestte. In +de afbeelding van Oud-Friesland door Schotanus, de eenige oude kaart, +welke het best met de geschiedenis overeenkomt en 't meest vertrouwen +verdient, gevoegd in zijne Beschr. van Frieslandt en achter de Groote +Atlas, worden de streken beoosten en bewesten de Burdo of Middelzee, +welke ook het best door hem is afgeteekend, te regte Austrachia en +Westrachia genoemd. Verg. Oudh. en Gest. II. 287, alwaar v. Rhyn +in 't breede hierover uitweidt, aan Fredegarius geen gezag boven +Friesche Schrijvers toekennende. Alting, II. in voc. Austrachia +Burdine, Westrachia; Brouwer en Eekhoff, Nasporingen betrekkelijk de +Middelzee, bl. 31 noot, 116 en 117, waarin ook de gebrekkigheid van +de oude kaarten wordt aangetoond. + + +Bl. 273. + +Die men een Grietman noemt. In het laatst der XIII en in het begin +der XIV eeuwen, wordt het eerst van Grietmannen gewaagd. Van ouds +moet de verkiezing door de gemeente, de ingezetenen of de bezitters +der stemhebbende Staten hebben plaats gehad. Zij hadden Assessoren of +Bijzitters en andere Regters van minderen rang onder zich, terwijl er +tevens Schouten hebben bestaan, welk ambt later weder is vernietigd +of in die des Grietmans is overgegaan. Aanvankelijk waren zij Regters, +maar in den drang en druk der oproerige tijden, in welke geene regten +geëerbiedigd werden, moesten zij zich tot Beschermheeren verheffen, +en wisten van hunne magt en invloed een krachtig, soms al te krachtig +gebruik te maken. Elke Grietenij had één Grietman, voor één jaar +benoemd tot Hoofd; doch eene enkele uitzondering was er op dezen regel: +bij latere inrigting werd bepaald, dat ieder, die de vereischten bezat, +op zijn beurt den post van Grietman en Regter zoude waarnemen. Onder +de Hertogen van Saksen en daarna onder het Stadhouderlijk Bewind was +de begeving van dit ambt ook aan dezen en aan het Hof verbleven. + +Maar nu den oorsprong van den naam Grietman te bepalen, dit is eene +moeijelijke zaak, waarover reeds vele geleerden zijn geraadpleegd en +veler gevoelen ter toetse is gebragt, doch het is als nog onbeslist, +welke beteekenis voor de eigenlijke en oorspronkelijke moet worden +gehouden. Onze Kronijk is er, mijns bedunkens, niet achter en geen +wonder, want de Heer Beyma, in zijn Tractatus de Grietmannis geeft een +aantal verschillende gevoelens op, en na dezen Schrijver zijn er nog +meerdere te berde gebragt [203]. Het meest aannemelijk gevoelen is, dat +men den naam moet afleiden van het Oud-Friesche Greta, klagen en dus +Greet- of Grietman degeen was, die aan de klagers regt verschafte. Zeer +belangrijk zijn de Aanteekeningen over de Grietmannen van de Heeren +H. en W. v. S. voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten +van den 15 en 29 Mei 1832, tot welke wij den Lezer verwijzen, als +mede tot opgenoemd Tractatus de Grietmannis van C. L. van Beyma, +Franeq. 1780. + +Wat het kerkelijk Bestuur van Friesland in de vroegste tijden aangaat, +dit is ons niet klaar genoeg gebleken: later was dit gewest den +Bisschop van Utrecht onderworpen, die tot het Aartsbisdom van Keulen +behoorde. Friesland was verdeeld in Dekenschappen, waarvan de Dekens +door den Bisschop werden gekozen en met groot gezag en magt bekleed. De +Hoofdpriesters of Priesters in eene parochiekerk werden Personae +genoemd, en de mindere Priesters Kapellanen. De Abten waren Oversten +of Bestuurders der Kloosters en derzelver aanhoorigheden: zij stonden +op zich zelven, hadden vele voorregten, samen de eerste plaats op de +Landsdagen, en waren alleen den Paus onderworpen: de Priors waren +oorspronkelijk hoofden van minderen rang, gelijk ook de Proosten, +hoezeer dikwijls deze verschillende benamingen door elkander gebruikt +werden. Zie hierover onder anderen Friesch Jierb. 1833. Oersicht § 4. + + + + + + + + + + + + +DRUKFOUTEN. + + +Op Bladz. 66, 281 tot 372, komt meermalen in den 2den en 3den + naamval voor: Karel den Groote; ook Lodewijk den + Vrome, Godvruchtige, Jongere, Karel den Dikke, + den Kale; men voege achter 't bijv. naamwoord + eene n. + +» » 284 staat: Barradeel, lees: Baarderadeel. +» » » » Bijdragen tot de Gesch. lees: Nasporingen + betrekkelijk de Gesch. +» » 327 » dat men onder die waardigh. lees: dat die + waardigheid. +» » 336 » 1178 lees: 1170. +» » 367 » bij hunne aanwer-een ving, lees: bij hunne + aanwerving, een. +» » 415 » der landbouw, lees: van den landb. +» » 439 » weauctoriseert, » geauctoriseert. +» » 448 » Heer van Velle, » Heer van Ville. + +De Bladz. 391 is verkeerdelijk gemerkt 191. + + +De Lezer gelieve geringere drukfeilen, als: Friesen voor Friezen, +Firsiabones voor Fris.; Theutonista voor Teuthon.; geene voor geen; +noordwaards voor noordwaarts of dergelijken over het hoofd te zien. + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een korte beschrijving van dit document. + +[2] Kort stukje promotionele tekst voor op de achterflap. + +[3] Kort extract uit de tekst. + +[4] Deze belangstelling is onder anderen ook gebleken uit de plaatsing +van het Prospectus of Berigt, waarbij ik mijn oogmerk heb ontwikkeld, +in de derde Mnemosyne, 1829, I. 278, en de aanbeveling van den +Hoogleeraar H. W. Tydeman; als mede uit de opname van hetzelve in de +Handleiding tot de kennis van het Staatsbestuur in het Koningrijk der +Nederlanden, V. 646, alwaar tevens de wensch wordt geuit dat dit plan +spoedig moge verwezenlijkt worden. + +[5] Ook tot een goed Schoolboek van de Geschiedenis van Friesland +strekt zich deze behoefte uit. + +[6] Deze zeer onbepaalde beschrijving van den alouden Staat der +Provincie is in de Bijvoegsels en Aantt. aangevuld. + +[7] De regering dezer Prinsen, zoo wel als die der opvolgende Hertogen +en Koningen, behoort tot het fabelachtig gedeelte der Historie, welke +ook met betrekking tot de gebroeders Friso, Saxo en Bruno (de laatste +wordt hier niet gemeld) zeer verschillend wordt voorgedragen. Zie de +Bijv. en Aantt. + +[8] Verheerd, d.i. overwonnen, te onder gebragt. + +[9] Gevolg. + +[10] Als de zomer hoogde, d. i. in het midden van den zomer. + +[11] Ook Hamconius en Cappidus van Stavoren beweren, dat er van +Friso's tijd af een wapen heeft bestaan, hetwelk echter moeijelijk +valt te gelooven, daar men het er voor houden moet, dat in den tijd +der kruistogten, dus niet vroeger dan in het begin der XII eeuw, +de familiewapens zijn uitgevonden. Men zie over dit onderwerp de +Bijv. en Aantt. + +[12] Over de groote en kleine Friesen zie Bijv. en Aantt. over den +alouden staat van Friesland. + +[13] In de Uitgave van 1677 staat: "Waar van heedendaachs noch top, +noch teil (tegel) te zien is." + +[14] In de Ie uitgave staat: "Heeft de Hertog hem bekeeven." + +[15] Holle is Olennius. Zie Aantt. + +[16] d. i. gedwongen om het beleg op te breken. + +[17] Oxel, Oksel, holligheid onder den arm. + +[18] Het Gods Hof of Aula Dei, kweekschool van Priesters, waarvan +C. Stavriensis, S. Petri, Hamconius en anderen spreken. Zie Aantt. + +[19] d. i. aangehitst, opgestookt. + +[20] Het beknopt Chronykjen van Friesland opgesteld en bijeenverzameld +door C. G. Jacoby, Leeuwarden 1755, voornamelijk bestaande in een +uittreksel van Ocko van Scharl, vermeld slechts vijf Prinsen, latende +Adel en Ubbe buiten het spel, en springt dus een tijdvak van bijna +twee eeuwen over. + +[21] Lees Westerwierum. + +[22] Lees: tusschen Almenum en Terschelling. Verg. Hamconius, Frisia, +fol. 14, die deze gebeurtenissen van 't Klif en der Meerminnen +verhaalt, echter den Duivel buiten het spel laat. + +[23] Bij andere Schrijvers Basterd-Broeder van Adelbold genoemd. + +[24] Volgens anderen door Tiete of Titus zelf gebouwd. + +[25] De oude Uitgave zegt: "Met een gaar geraapten hoop." + +[26] Dit geschiedde langs den geheelen Rijn tot aan de Noordzee, +uit wantrouwen tegen de Germanen. + +[27] Over de verschillende gevoelens dezer benamingen hebben wij het +noodig geacht in de Bijvoegsels het een en ander aan te stippen. + +[28] Engeren, Angeren. + +[29] De Ezumazijl nabij Ezonstad, alwaar in den tijd van Foeke Sjoerds +(Beschr. van O. en N. Friesland I. 240) nog eenige overblijfselen +van te zien zoude geweest zijn. Zie verder Aant. op 't jaar 339. + +[30] Over de Geschiedenis der Gebroeders Hengst en Hors, die Brittanje +zouden hebben veroverd, zijn de Geleerden het mede niet eens. Zie +daarop de Bijv. en Aantt. + +[31] 't Kasteel Grunenberg of Gronenberg was de oudste Burgt, volgens +de Friesche Overlevering, tusschen de Eems en het Vlie. + +[32] Vergel. Westendorp, Jaarboek van en over Groningen, p. 24, op +'t jaar 409;--alsmede de beschrijving der vrije Schuilplaatsen p. 110. + +[33] Zie de Aantt. op 't jaar 808. + +[34] Vergel. p. 23, waar ook van twee Lems of Willems gesproken +wordt. Zie voorts Bijv. en Aantt. + +[35] Uit hoofde van der Schrijveren verschil in de jaren, waarin de +watervloeden hebben plaats gehad, hebben wij in de Aantt. eene opgave, +zoo naauwkeurig mogelijk, geplaatst. + +[36] Chlotarius II. + +[37] F. Sjoerds voegt hierbij de woorden: an fen dead wir libben +werden! Schot. Fr. Hist. heeft het tweeledig, zie p. 47 en 54. + +[38] In de Uitgave van 1677 staat: "naar den Franschen zin, En liet +de Christenen vryjelijk toe." + +[39] Pepyn van Herstal of de Dikke noemde zich Hertog en Prins der +Franken, en was Groot-Hofmeester. + +[40] Natuurlijke zoon van Pepyn; was Groot-Hofmeester. + +[41] Van daar Sant Michiels dom genaamd. + +[42] Men zie de Aant. op 't jaar 830. + +[43] Vergel. op 't jaar 463. + +[44] Godfried. + +[45] Deze belasting heette Klipschild. + +[46] Deze togt geschiedde onder bevel van den Deenschen +Koningszoon Hendrik. Van tijd tot tijd moest het handwerk van +zeerooverij worden herhaald op alle kusten, om de jonge manschap te +oefenen. Geloofwaardige Fransche Kronyken vermelden het verwoesten door +de Noren in 837 van drie koopsteden: Antwerpen aan de Schelde, Witha of +Wintland aan den mond der Maas, en Groningen aan de Eems. West. Jaarb. + +[47] Men zie Aant. op 't jaar 830. + +[48] Zijn zoon Lodewijk, bijgenaamd de Duitscher, volgde hem op. + +[49] Thans was Lodewijks zoon, Lodewijk de jonge, Heer der Friesche +Landen. + +[50] Winsemius: Haadet goede wacht tyen da Nordera oordt, Want vuyt +da Grimma herna comt ws alle quaed voort. + + +[51] Nu kwam Lodewijks Broeder, Karel de Dikke aan het gebied. Zie +voorts over dezen strijd de Bijv. + +[52] Omstreeks dezen tijd werd Karel de Dikke onttroond, en de +laatste van den stam van Karel de Groote, die 't Westen regeerde, +met name Arnulph, natuurlijke zoon van Karloman volgde hem op, +regeerde drie jaren en stierf, wordende door zijn zoon Lodewijk in +'t gebied vervangen. Zie Aant. op het jaar 840. + +[53] Een veldvlugtige is een overlooper. + +[54] Men zie over deze begiftiging het Jaarb. van den Heer Westendorp +op de jaren 1040 en 1046. + +[55] Wij hebben het niet ondienstig geacht over de Kruistogten der +Friezen een aangeschakeld verhaal in de Bijvoegsels eene plaats te +geven,--waardoor wij ons onthouden, van alle andere aanteekeningen +op de verschillende jaren, waarin dezelve zijn voorgevallen, 't welk +anders noodig zoude zijn. + +[56] Vergel. Westendorp Jaarb. op 1112. + +[57] Als voren op 't jaar 1143. + +[58] Onder de namen bekend van Frederik I, Aenobarbus, Roodbaard, +ook Keizer Frederik de Groote.-- + +[59] Dit verhaal komt hoofdzakelijk overeen met het Jaarboek van +den Heer Westendorp, de vermelding op den jaare 1160,--en andere +Schrijvers. + +[60] Of van de St. Cistercie-orde. Deze Abdy is de vermaardste geworden +in de Ommelanden, bezittende aanzienelijke rijkdommen. + +[61] Over dit voorval, 't welk eene andere oorzaak gehad heeft, +vergel. men West. Jaarb. op 't jaar 1195. + +[62] Stoepens zijn Stoopen of Drinkkannen geweest en geenszins de +Stoepen voor de deuren, waarvan anderen uit gebrek aan taalkennis +ooit de Kloppers aan de deuren gemaakt hebben. + +[63] Verweend is verwaand; ook fier,--lekker opgebragt, weelderig +enz.-- + +[64] Of Grind. + +[65] Slegtigheid is hier eenvoudigheid, onbeschaafdheid. + +[66] Men zie over dezen strijd West. Jaarb. op de jaren 1226 enz.-- + +[67] Vergel. de Aantt. + +[68] Westendorp Jaarb. na 't jaar 1232 noemt de Reiderlanders en +Emisgooërs, welke twist ontstaan was door het verdrinken van een +Reiderlander, omdat hij de lieden, die van de jaarmarkt kwamen, +had willen berooven.--Verg. denzelven I. 280. + +[69] Upstalsboom, gelegen een uur gaans ten zuidwesten van +Aurik. Alhier stonden drie hooge eike boomen, met de takken en kroonen +meest aan malkanderen gegroeit, hebbende op 2 a 300 treden na geene +huizen omtrent. De Rechtspleeginge geschiede aldaar onder den blaauwen +Hemel, van de Regeerende en daar toe gerechtigde Perzoonen van alle +de Frieslanden, en richtede alhier over alle zwaare zaaken, welke bij +de mindere Collegien niet afgedaan wierden; als wanneer daar tenten +opgeslagen en banken van opgegraavene aarde wierden gemaakt. + +[70] West. Jaarb. I. 282 beschrijft kortelijk dezen oorlog voornamelijk +naar de verhalen van E. Beninga en Harkenroth gevolgd, bewerende +tevens dat het niet de Eenrummers maar de Emersen geweest zijn. + +[71] Voor de zusters van de Cistercie-orde, opdat de schimmen der +verslagenen mogten verzoend worden. Het werd eerst aangelegd by +Koevorden aan de A, doch naderhand verplaatst. + +[72] Is gebeurd 21 Januarij 1256 op zijnen togt tegen de +West-Friesen.--Zie voorts de Aant. op Sikko Sjaardema in 't jaar 1239. + +[73] Over deze twisten zie men de algemeene Aanteekeningen. + +[74] Over den juisten dag, waarop deze gruwelijke moord heeft plaats +gehad, zijn vele Schrijvers het niet eens en in zonderlingen twist +geraakt.-- + +[75] Dit Zegel der vrye Frieslanden verbeelt een geheel gewapent Man, +houdende in zyn regterhand een Lans, en in de linkerhand een bloot +Zwaard, dat na de schouder opgeheven word, en staande onder een Boom. + +[76] Men zie Westend. Jaarb. over dezen strijd op de jaren 1232 +en 1233, die dezelve toeschrijft aan de partijschappen tusschen +de Vetkoopers en Schieringers, en waarin deze laatsten de overhand +behielden. + +[77] Deze Proost Hiske had eene dochter, genaamt Reinske, welke met +Hayo te Westerwolde trouwde; en naderhand uit haare eigene goederen de +Groote Kerk met vier Torens te Mildwolde, in den Oldambte, heeft laaten +bouwen; zynde de zelve die voor enige jaaren is afgesleeten geworden. + +[78] Vergelijk over deze list +Wins. fol. 242. Schot. Fr. Hist. p. 253. Petrus Thab. op dit jaar. + +[79] Zoo als meermalen was ook thans het eerste artikel van +het verdrag: "volkomen verzoening en een eeuwige vrede!" Bij +West. Jaarb. op dit jaar vindt men eene reeks van voorwaarden. + +[80] Vergelijk West. Jaarb. op hetzelfde jaar. + +[81] Te regt wordt van hem gezegd dat zijn leven een strijd en +worsteling op deze wereld geweest is.--In dit jaar werd ook door de +Friesen en Groningers een verbond aangegaan ter wering bijzonder van +dieverijen en ander misdrijf. Vergel. Schwartz. Charterb. I. 526. + +[82] Zie op dit jaar Westend. + +[83] De Keizer Frederik de III. roemt hem wegens zijne ongemeene kunde +in de vrije kunsten, in de Keizerlijke regten, in het Kerkelijk regt, +en vooral zijne gevatheid en vaardigheid in de openbare zintwisten. + +[84] Een der heerlijkste werken der bouwkunde van de middeleeuwen. Men +plaatste op den toren een koperen paard van de grootte van eene gewone +noordsche kidde, hetwelk tot een windhaan diende en het teeken was +van St. Maarten van Utrecht. West. + +[85] Dus ook Winsemius, Schotanus geeft de leus aldus op: Op uws Finne +herne, lizze fjouwer klaer lotter Ljep-Ayen ijn ien Nest. Zie Aant. + +[86] Vast maken is zoo hier als op alle vorige en volgende plaatsen: +Versterken. + +[87] Spelen alle zeilen blank: dit gezegde heeft zijn' oorsprong van de +zeerooverij, waarin men van vriend en vijand kaapt en rooft, wat men +vangen en grijpen kan:--alles wegrooven wat men op zee ontmoet. Zie +Winschootens Zeeman, op 't woord Seil, en Weiland N. T. Woord. + +[88] Hij smeet (zegt Winsemius fol. 446,) vele Hollanders in plaats +van Borgoenschen over boord, volgens Martinus Ylst uit de overlevering +van Bonne Haisma zijne medgezellen toeroepende: Siuch faynten, ho +kenne da deels kijetten swomma. + +[89] Zie hierover de Bijv. en Aantt. + +[90] Frederik Gaykinga, in den jaare 1360, Abt van Aduard zynde, had, +tot nadeel van zyn geslacht, hoewel tot eere, dit klooster met veele +goederen begiftigt; doch op zekere voorwaarden, waartoe zyn geslacht +altoos gerechtigt zou wezen. Bestaande 't voornaamste hier in, dat die +van Gaykinga voor eeuwig zouden hebben alle jaar op St. Martens avond +een witte Zwaan, een Capoen, en een kanne Wyn, en zouden voor altoos +eene misse houden in 't Kapittelhuis, en een brandende lampe voor 't +geheele geslachte. Wanneer iemand van 't geslachte quam te verarmen, +zoude aldaar voor zyn leeven de kost hebben; ook wanneer zy met hun +gezinde quamen, zoude de Abdy voor hun geöpent, en de tafel gedekt +worden, na de waardigheid des geslachts, in de voornaamste kamer; +benevens jaarlyks op St. Bernards dag te gast genoodigt worden. Aldus +was Hendrik op dit jaar genoodigt, maar Jan en Frederik quamen van +zelfs. Waar op, onder de monniken een jalousie ontstond, die hun zeer +qualyk bejegende, en waar door het gevegt ontstond. + +[91] Wins. Chronyck fol. 519. + +[92] Kettermeester hetzelfde als Geloofsonderzoeker. + +[93] In de maanden Mei en Julij hadden er twee overstroomingen plaats, +door welken, vooral den laatsten, waarvan bij Outhof geen gewag +gemaakt wordt, ook vele menschen omkwamen.--Zie F. Arends Physische +Geschichte der Nordsee-kuste. II. 96. + +[94] Zie over dezen strijd het uitvoerig verhaal van Winsemius +Chronyck, fol. 565 volgg. + +[95] In den eersten druk van 1677 staat: »Als de Stadhouder +Rennenberg zich door ontrou omgekeert hebbende tot de Papisten; die +van Leeuwarden," enz.--Het woord Papen is overal in den tekst behouden, +omdat de Schrijver er de Roomschgezinden over 't algemeen, zoo leeken +als priesters, mede bedoeld, en het dus hier voor geen scheldwoord moet +worden gehouden, evenmin als Arminianen, Menisten, Calvinisten, enz. + +[96] Balthazar Gerards genaamd, geboren te Villefans in Bourgondien, +oud 26 a 27 jaren. Onder verschillende personen, die zich op 't +leven des Prinsen toelagen, moet ook zekere Koopman te Vlissingen, +Hans Hanses, geweest zijn, wiens aanslag echter door eenen Fries, +uit het geslacht der Auckama's ware ontdekt. Gevat zijnde had +hij beleden, daartoe middelen te hebben aangewend.--Gerards werd +daarna als Martelaar hoog vereerd en waardig geacht gecanoniseerd +te worden--onder de belooningen, wil men, was ook de verheffing der +familie in den adelstand. + +[97] Nederl. Oorl. en Geschied. 1623, fol. 474 verso. + +[98] Dit voorval wordt omstandig beschreven bij Winsemius, Chronyck +fol. 897. + +[99] In de druk van 1677 staat: (een gehuerde vleegel enz.) + +[100] Zie 't Verwerd Europa ofte Polityke en Historische Beschryvinge +enz., Amst. 1675, bl. 596 volgg.--Van dezen Schrijver, welks werk twee +jaren vroeger dan de eerste druk van onze Kronyk was uitgekomen, is +veel gebruik gemaakt en daaruit overgenomen door onze Kronykschrijvers. + +[101] De Leezer dient te weten, dat zekere Broersma hier eigentlyk +Commandant zynde, door de Staaten Generaal was opontboden; doch in +plaats van in den Haag te compareeren, ging hy over by den Bisschop +van Munster, en wierd aldus een verraader van zyn eigen Commandement. + +[102] Fantassin, Fant: voetknechten, infanterie.-- + +[103] Mengel-Poezy, bl. 257. + +[104] en der zonde, voegt de eerste druk dezer Kronyk hierbij, +waarmede zij haar verhaal eindigt en de Landverdeeling van Friesland +volgen laat. + +[105] Dat de Schelde en de Sincfal, later Zwene geheten, niet dezelfde +rivieren zijn, en dus niet voor elkander genomen moeten worden, wordt +behalve in de Bijv. voor het I. D. van Wagenaars Vad. Hist. ook in +het breede betoogd door den Hoogleeraar Ypeij, in het II. D. zijner +Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 115 volgg. + +[106] Over deze vergraving lezen wij in Bilderdyks Geschiedenis des +Vaderlands, I. 24: »'t Was natuurlijk dat Drusus, geheel het zuidelijk +Land zijner Landvoogdij jaarlijks overstroomd ziende, bedacht was +om het Rijnwater af te leiden. Naderhand deed Corbulo 't zelfde met +den zoogenaamden Vliet te graven. Maar beide ondernemingen hadden +gelijke gevolgen: Het verderf van een groot gedeelte Lands. Gelukkig +Holland, zoo men nooit gegraven en nooit gedijkt had! Wij zouden +thans boven de rivieren wonen, die het Land doorsnijden moesten, en +er nu over heen loopen in gemaakte goten, wier bodem steeds verhoogt +door de vallende slib, en die dus hoe langer hoe meer boven het land +rijzen en in kracht en gewelddadigheid hunne dijken overmeesteren; +terwijl men haar nog bovendien door de droogmaking van meeren, +de noodige boezems onttrokken heeft, om zich, bij voorkomende +opzetting van boven, te kunnen ontlasten, zonder hunne boorden te +verwoesten."--Hoezeer deze en dergelijke gevoelens tegenstanders +vinden, kan ik er echter bijvoegen, dat met andere deskundigen ook +de zeer bekwame Waterbouwkundige Cornelis Zillesen in zijne werken +zeer tegen alle vergravingen ijvert. Nog op zijn negentigste jaar +heeft hij daartegen ernstig gewaarschuwd in zijn belangrijk stukje, +getiteld: Iets over de natuurlijke oorzaken der steeds toenemende +Zeeoverstroomingen (Rott. 1825), waarin hij ook beweert en bewijst, +dat de Alwijze Schepper der natuur voor de ontlasting des waters had +gezorgd, en dat, om van land water te maken, alleen daar noodig was, +waar door rivieren of binnenvaarten de kanalen verbeterd moesten +worden, terwijl de verhooging der rivierdijken en de daarin begane +misslagen zoodanig de inkeldering der binnenlanden en woningen +had veroorzaakt, dat bij elke doorbraak de rivieren die landen tot +hunne beddingen verkozen. Ook had deze maatregel een ander nadeel ten +gevolge, het onderhoud namelijk, tot groote kosten van den landbouw, +op plaatsen daar men reeds niet meer het water door sluizen kon +ontlasten, van 2000 watermolens alleen in Holland. De Schrijver geeft +voorts onkostbare behoedmiddelen aan de hand, en dit boekje verdient +de opmerking des onpartijdigen. + +[107] Door den Emeritus Predikant P. Brouwer, een man van kennis +en verstand, was in geschriften nagelaten eene Nasporing en +Aanwijzing van den Loop en de Grenzen der opgeslijkte Middelzee, +welk stuk te gelijk wordt uitgegeven (terwijl deze ter perse is,) +met een zeer naauwkeurig en grondig Onderzoek naar de oorspronkelijke +uitgestrektheid, en den tijd en wijze van opslijking der Middelzee; +alsmede hoe Leeuwarden door haar is bespoeld geweest, zamengesteld +door den ijverigen beoefenaar der Geschiedenis W. Eekhoff. Eene zeer +aanbevelende Voorrede van den kundigen Worp v. Peyma versiert dit +werk. Het onderzoek van Do. Brouwer bepaalt zich tot den omvang en +begrensdheid der Middelzee in de 13 eeuw. Eekhoff heeft getracht aan +te toonen en tot eenen hoogen trap van waarschijnlijkheid te brengen, +welke in de oudste tijden de grenzen dier Zee waren, kennende haar eene +veel meerdere uitgestrektheid toe, dan waarvan de geschiedenis gewaagt. + +[108] Dit werk getiteld: Physische Geschichte der Nordsee-Küste und +deren Veränderungen durch Sturmfluthen seit der Cymbrischen Fluth +bis jetzt, is in twee deelen uitgekomen te Emden 1833, en was het +laatste voortbrengsel van dezen verdienstelijken man, ten nutte +van zijn Vaderland, omdat hij dat Vaderland verlaten en zich naar +een ander werelddeel begeven moest, ten einde zich een voortdurend +bestaan te verschaffen. + +[109] Vergelijk hierbij de Voorrede voor het II deel van 't +Charterboek, p. 65 en 66. + +[110] Vervaardigd voor het, door 't Friesch Genootschap uitgegeven, +Friesch Jierboeckjen. Het eerste gedeelte is geplaatst in dat van 1831: +Kirt Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, fenne fierste tijd oon it jier +1814 to, loopende dit deel van de vroegste tijden af tot aan Karel +den Groote, dat is, tot aan 't jaar 773 of daaromtrent. Dit tijdvak +noemt de Schrijver het Fabelachtige Friesland. + +Het tweede tijdperk, loopende tot op de aanneming van Albrecht, +Hertog van Saksen, tot Heer van Friesland, d. i., tot aan 1498, +wordt genoemd het Vrije Friesland. + +Het derde, de geschiedenis zullende bevatten van 1498 tot op de +afzwering van Philips II., Koning van Spanje, als Heer der Nederlanden, +heet het Overheerde Friesland. + +Het vierde tijdvak, van 1584 tot aan 1795, tijdstip van het vertrek van +Prins Willem den V., laatste Stadhouder der VII Vereenigde Gewesten, +uit Holland, zal het Stadhouderlijk Friesland genoemd worden. + +Het vijfde, zullende gaan van 1795 tot de omwenteling van 1813, zal +den naam ontvangen van het Nieuwere Friesland.--Zie gem. Jierboeckjen. + +[111] Het gevoelen van den heer Hettema, ontwikkeld in zijn Iets over +de Geschiedenis van Friesland (zie het Mengelwerk van de Leeuwarder +Courant van den 10 Augustus 1830, No. 64), vind ik niet aannemelijk, +dat namelijk Friezen hetzelfde zoude beteekenen als Frigen, Frisschen +of vreemde volkplantingen;--hoezeer dan ook M. Alting in zijne +Notitia Bat. et Frisiae Ant. in voce Frisii deze beteekenis aan +de hand geeft en daartoe overhelt. H. v. Rhyn, in zijne Aantt. op +de Friesche Oudhed. en Gest. I. 43, en andere Geleerden houden het +met de beteekenis van vrijen. Dat de frissche of koude landstreek +den naam Friezen zou geschapen hebben, zal toch wel geen' ingang +vinden.--Vergelijk ook de voorrede van Gutberleth, voor Gabbema's +Verh. van Leeuwaarden. + +[112] Vg. bl. 206, II. deel van de Bekn. Geschied. der Nederl. Taal +door A. Ypeij, over de herkomst der Friezen.-- + +[113] Winsemius in zijne Chronique, f. 6, en Suffr. Petri de +Frisior. antiq. et orig. p. 234, noemen Hoppers een beroemd en +verdienstelijk man, de eer der Friesche natie; v. Rhyn en na hem +F. Sjoerds zeggen echter, dat zijn gevoelen geene voorstanders heeft. + +[114] Gemelde Aantt. p. 44. + +[115] Cf. Suffr. Petri de Fr. Or. L. I. Cap. XVIII. + +[116] Zie deswegens v. Rhyn t. a. p. en Westendorp, Jaarboek van en +voor Groningen, p. 5. + +[117] Hunibaldus, Trithemius, Funccius, Panthaleo; of hebben zij +zonder onderzoek elkander nageschreven? + +[118] Westendorp, Kronyk, p. 6 en 7.--V. Rhyn, ll. F. Sjoerds, +Fr. Jaarb. I. 14 enz. + +[119] Wolfgang, Lazius en Aventinus. + +[120] Zie Westendorp, p. 8. Van deze omstandigheid, in de Kronyk van +Eggerik Beninga vermeld, maken V. Rhyn, F. Sjoerds en anderen geen +gewag.--Over andere volksvertellingen der stichting van Groningen, +zie men onder anderen West., p. 19. + +[121] Men zie ook wat Bilderdyk, Geschied. des Vaderlands. I. 296 +over de Sagen zegt. + +[122] Vergel. A. Matthæi veter. ævi Anal. T. IV. p. 9, de derde +Ankomst der Fresen. + +[123] Bl. 6.--De Heer Westendorp zijne bronnen in het I. deel van +zijn Jaarboek nergens hebbende opgegeven, heb ik te vergeefs gezocht +naar den veranderden inhoud dier sage. + +[124] Waarom onze schrijver Bruno heeft verkiezen weg te laten, is +mij een raadsel, daar hij toch in alle andere kronijken mede zijne +rol speelt. + +[125] Achter de Oudheden en Gestichten van Vriesland geplaatst, +tot aanvulling van vele onvermelde zaken in dit werk, in welks +voorafspraak bij de Friesche schrijvers luchtig beoordeelt. Hij +verwerpt S. Petri, Furmerius, Winsemius, Hamconius en Zoeteboom, +en houdt zich aan Emmius, Douza, Schotanus, Buchelius, Huetius en +Alting. F. Sjoerds komt met zijn oordeel zeer naauwkeurig overeen in +al wat van Rhyn geoordeeld heeft. + +[126] Zie gem. Nabericht, p. 350. + +[127] Cf. M. B. v. Nidek, Anal. Medii aevi, p. 140, drukfout voor +440.-- + +[128] Not. Bat. in voce Frisii. + +[129] Men vergelijke voorts de Chronyk van Eggerik Beninga in de +Ann. van Mattheus. + +Onder verschillende schrijvers die over de Friezen en derzelver +oorsprong geschreven hebben, kwam mij als niet een der geloofwaardigste +voor, den minder bekenden en in Mencker's Gelerthen Lexicon, door +Jöcher uitgegeven, vermelden Werner Rolevink de Laer, een Karthuizer +Monnik te Keulen, uit Westfalen geboortig. Hij bloeide omstreeks 1495, +onderzocht vlijtig de H. Schrift, leidde een godvruchtig leven en +stierf in eenen hoogen ouderdom. Deze heeft onder vele werken ook een +ten titel voerende: De origine Frisionum uitgegeven.--Suffr. Petri +in Origine Frisionum maakt gewag van hem op p. 237,--en Furmerius +heeft bij het opstellen zijner Annales gebruik van hem gemaakt. + +[130] Friesch Jierboeckjen foar it jier 1831, bl. XII en volgg. + +[131] Ook op Texel stichtte Drusus een burgt, waarvan het bewijs nog +aanwezig is in den naam der hoofdplaats, terwijl grafheuvels en andere +oudheden van het verblijf der Romeinen in die streken getuigen. + +Waarschijnlijk is destijds de stad Grebbe gesticht, welke gelegen heeft +omtrent een half uur gaans benoorden Wieringen, aan het tegenwoordig +Amsteldiep. Omstreeks 1710 was er nog veel muurwerk overig, en voorheen +moet de massa van dat muurwerk ongelijk grooter geweest zijn, vermits +men om het midden der XVII eeuw zeer veel duifsteen heeft opgehaald en +met kagen naar Amsterdam vervoerd.--Over het bestaan dezer stad is veel +getwist en aan de kronijkschrijvers Twisk, Borger, Valkoog en Zoeteboom +voorheen (zoo als aan de oude Friesche kronijken) allen geloof in dezen +ontzegd; doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, +in onzen leeftijd gedaan en gegeven, is die twijfel opgehouden.--Dat +Drusus in deze streken dijken heeft aangelegd, is door de berigten en +ontdekkingen van de geleerde oudheidkundigen A. Junius, den Marquis +de Saint Simon en R. Paludanus buiten twijfel gesteld.--Scheltema, +Geschiedenis der Zuiderzee. M. S. + +[132] Over deze daad en het Brittenkruid vergelijke +men Plinius XXV. 3. F. Sjoerds, Fr. Jaarb. I. 125 +en 126,--Beschr. v. Fr. I. 344. Schotanus, +Friesche Hist. p. 8. West. Jaarb. p. 14. Wagenaar, +Vad. Hist. I. 79. H. Cannegiet. Dissert. de Herba Brittanica +etc. p. 40.--Tegenw. Staat van Friesl. I. p. 19 volgg. en p. 126. + +[133] 't Zal met deze namen den Romeinen, als den lateren Franschen +met die van de Admiralen Tjerk Hiddes en van Duvenvoorde gegaan +zijn. Dezen heetten zij Kierkides en Vandenfort. + +[134] Zie F. Sjoerds, Jaarb. I. 203. Schot, +Fr. Hist. bl. 26. Tegenwoordige Staat van Utrecht, I. 13 volgg. + +[135] Ook Westendorp (Jaarb. p. 16) heeft hier geen licht verspreid, +verklarende niet te weten, op welk gezag de Jaarboekschrijvers +van eenen inval der Noormannen in 't jaar 90, bij F. Sjoerds Gothen +genoemd, gewagen.--Dit punt verdiende mede een opzettelijk onderzoek, +daar men toch niet kan vooronderstellen, dat deze vermelde feiten, +op verschillende tijden geschied, uit de lucht gegrepen zouden zijn. + +[136] Vergel. F. Sjoerds, Jaarb. I. 220 en volgg. + +[137] Vergelijk Westendorp, Jaarb. van en over Groningen, p. 32 en +volgg., zoo over deze als de opvolgende tijdvakken, onder de regering +der Koningen Radboud I, Adgillus II, Gondebald en Radboud II., de +laatste Koning over Friesland. + +[138] Luden, Geschichte des Teutschen Volks. Een onwaardeerbaar boek! + +[139] Gaillard, Histoire de Charlemagne. Niet een van de minsten, +wat zijnen schrijftrant betreft. + +[140] Hoezeer te dikwijls de kleine daden van groote mannen tot +bouwstof moeten dienen, om des Schrijvers historie met luister op te +sieren, is echter in de geschiedenis van dezen Karel, hoe dikwijls +ook beschreven, geen verdicht sieraad noodig: want altoos levert +zij een grootsch tafereel op van een merkwaardig Vorst, aan wien de +wetenschappen en letteren, maar vooral de vrijheid en onafhankelijkheid +van geheel de Christenheid, alles te danken hebben. + +[141] Over deze en al de oude wegen in Oost-Friesland is eene zeer +uitvoerige beschrijving gegeven door Fr. Arends, in het Ostfrisisches +Volks-Buch van het jaar 1832, waarvan eene gedeeltelijke vertaling +door mij is gegeven, in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant. + +[142] Men zie hierover Adam en Meijer, Römische Altherthümer, II. D., +en vergelijke de Aanteekeningen over het Oude Friesche Wapen, +in het Mengelw. Leeuw. Courant, 20 Sept. 1831. alwaar dit breeder +ontwikkeld is. + +[143] Bilderdyk, Geslachtlyst op het woord Adel, zegt: het is slechts +eene andere uitspraak van edel; van aad, oud. Van deze meening moeten +wij, met anderen, verschillen. + +[144] Dit Register is onder anderen te vinden bij Winsemius, +Chron. fol. 402. + +[145] Graven waren Bestuurders namens den Vorst in de +Provinciën,--Hertogen waren Legerhoofden,--Baronnen of Baanderheeren +Hoofden van een District--en Heeren Krijgsmannen. + +[146] Tacitus zegt: Olennius e primipilaribus regendis Frisiis +impositus.--De Primipilares behoorden tot de eerste compagnie der +Triariërs; vandaar Primipilares scil. Centurio, de Hoofdman van die +eerste compagnie: Stuart, Rom. Gesch. XXII. noemt Olennius een der +eerste Hoplieden eener keurbende. + +[147] Men weet dat er over het bestaan van deze stad Grebbe bij de +oudheidkundigen is getwist. Aan de latere kronijkschrijvers Twisk, +Borger, Valkoog en Zoeteboom werd voorheen in dezen geloof ontzegd, +doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, in onzen +leeftijd gedaan en gegeven, heeft de twijfel opgehouden. Scheltema, +Geschiedenis der Zuiderzee. M.S. + +[148] Westend. Jaarb. spreekt in 662 van een zwaren watervloed over +West-Friesland. Deze heb ik niet kunnen vinden; welligt is 't eene +drukfout voor 626. + +[149] Westendorp, Jaarb. p. 31 zegt: die langer dan de Spies van +Klotarius waren: dit zou nog al verschil maken. + +[150] Het is beschreven onder anderen bij Wins. Chronique, fol. 61; +West. Jaarb. p. 39. Vergel. F. Sjoerds, Beschr. I. 546. + +[151] Over de Graven en Hertogen vergelijke men +Bild. Gesch. d. Vad. I. 107 volgg. + +[152] Algemeen noemt men hem Lodewijk den Vrome doch Bilderdijk zegt +(Gesch. d. Vaderl. I. 100. noot), dat pius niet vroom beteekent, +want dat vroom eigenlijk is 't geen de Romeinen strenuus, +dapper, noemen.--Beter noemden hem de Franschen, le debonnaire, +de Zachtmoedige. + +[153] Uitgegeven te Leiden bij S. en J. Luchtmans, 1833. + +[154] Gesch. d. Ned. Taal, II. 136. De aanmerking van den Schrijver, +dat er in het woord karelui in den Neders. tekst door onachtzaamheid +of onkunde der afschrijvers een misslag begaan is, en dit Karelen of +Karels zal moeten zijn, zal ook in den Duitschen tekst gelden, daar de +Duitsche overzetter van Karelui, Karl-pfui schijnt gemaakt te hebben. + +[155] Zie de Aanteek. op den jare 1239. Fr. Jierb. 1833, §§ 5 en 14; +Bild. Gesch. I. 89, 92-94, 252 en 296. + +[156] Westendorp maakt geen gewag van deze Potestaten. Ook Bild. laat +dit punt onaangeroerd. + +[157] De Script. Frisiae, Dec. VII. C. 3 et Dec. XII. C. 6. + +[158] Wij hebben dit verhaal hoofdzakelijk getrokken uit een door +den geschiedkundigen T. D. Wiarda bewerkt stuk, zamengesteld uit de +Friesche en andere Kronijk- en Geschiedschrijvers, benevens eenige +Handschriften. Men vindt het in het Tijdschrift Ost-Friesische +Mannigfaltigkeiten, 3 Jahrgang, Aurich, 1786.--Waar het ons +noodig dacht, hebben wij eenige veranderingen en vermeerderingen +gemaakt. Wiarda heeft alle zijne bronnen naauwkeurig aangewezen, welke +aanhalingen wij hebben achterwege gelaten, doch eenige ophelderende +aanteekeningen er bij gevoegd. In het Mengelw. der Leeuwarder Couranten +van 4 Junij, 6, 20 Aug. en 10 Sep. 1833, in welke wij dit stuk als +eene bijdrage geven, zijn de eersten te vinden. + +[159] De meeste Geschiedschrijvers spreken van roode kruisen. Dit +kan van dezen eersten Kruistogt waar zijn; doch in de volgenden +hebben voorzeker de onderscheidene natiën zich door de kleuren +kenbaar gemaakt. »De Koning van Frankrijk neemt met de zijnen roode, +de Koning van Engeland met de zijnen witte, de Graaf van Vlaanderen +met de zijnen groene kruisen aan:" + +Et Rex Franciae cum suis rubeas cruces, Rex Angliae cum suis albas, +Comis Flandrensis cum suis virides suscipiunt. Andr. Sylv. Marcian: +ad ann. 1188. + +[160] Helmoldi Chron. Slav. L. 2. C. 66. Dit geval vindt men beter +en omstandiger vermeld bij F. Sjoerds, Jaarb. II, 361-363.--Schotanus +zegt: »Onse reuck is stanck in hare neus-gaten."-- + +Volgens Ebert, Bibliogr. Lexicon, is de Kronijk van Helmold naar het +H. S. te Lubeck uitgegeven in den jare 1659, en met nooten voorzien +door H. Bangertus in quarto;--de eerste druk echter is van 1556. + +[161] Van de groote bijgeloovigheid dier tijden kan men zich bijna +geen denkbeeld maken. Het ontbrak in Friesland niet aan kruisen +in de lucht: misschien reeds de vliegeruitvinding, om het volk te +verbijsteren. F. Sjoerds, Jaarb. II, 491. + +[162] Deze Olivier werd in 1223 Bisschop te Paderborn en in 1226 +Kardinaal. Vid. Nic. Schat. Hist. Westph. L. XX, p. 996 seq.--Deze +N. Schaten was een Jesuit in Westfalen, geboren 1608, heeft ook +de daden van Karel den Groote beschreven: zijne geschiedenis van +Westfalen kwam het eerst uit in 1690. Ebert in voce. + +[163] K. Muchler, Abendzeitung, August. 1831. F. Sjoerds, Jaarb. II, +492; J. C. Maier, Geschiedenis der kruistogten, p. 187. + +[164] Misschien van Olivier zelven, die den togt mede gedaan, +en ook eene Historia Damiatina (Geschiedenis van Damiate) +geschreven heeft. Eccard heeft in Corp. Hist. med. aevi dezelve doen +afdrukken. Het spijt mij, dat mij dit werk, 't welk ik hier met nut +gebruiken kon, niet ten dienste staat. + +[165] Het Itinerarium zegt van 12 schepen. Emmius, die dit Itinerarium +desgelijks in Mspt. (want het was toen nog niet afgedrukt) voor zich +had, spreekt van 212 schepen. Het eerste is zeker eene drukfout. Ook +in de Wijsgeerige en Staatkundige Geschiedenis der Wereld, van +K. H. L. Pölitz, door Wits. Geysbeek vertaald, wordt slechts van 12 +schepen gemeld; dan volgens F. Sjoerds, Jaarb. II, 493 en anderen, +stak Graaf Willem met 12 schepen uit de Maas in zee, wordende gevolgd +van een groot aantal volks. Naar Engeland overstekende, vereenigden +zich de Hollandsche en Friesche vloten met die der Engelschen, onder +bevel van George, Grave van Wight, welke vereenigde vloten uit 212 +schepen zullen bestaan hebben. + +[166] Volgens de woorden van Emo's Chronicon: (vid Matth. Analecta +vet. aev. II, 26)--Comes de Wetha Praedux totius classis est electus, +posteriore custodia Comiti Hollandiae deputata, quem Ducem et Dominum +jam totus sibi delegerat exercitus.--was niet den Graaf van Holland, +maar den Graaf van Wieden het Opper-Admiraalschap opgedragen. + +[167] Wij willen hierbij voegen, hetgene voorkomt in het +geslachtregister van Friesche Adellijke Familien, opgemaakt door +S. v. Adelen van Cronenburgh, en vervolgd door P. van Albada ter +Oele (M. S.), betrekkelijk het Geslacht der Roordaas, die eertijds +in hun wapen mede rozen boven de baar voerden, maar dit naderhand +hebben veranderd. + +De oorzaak van deze verandering is dit: »'t Is gebeurd ten tijde dat +veel verscheidene Natiën, gelijk de Friezen, in 't H. Land waren +getogen, om hetzelve uit de handen en het geweld der Saracenen of +Turken te verlossen, dat onder anderen verscheidene Edellingen uit +Friesland, ook die van het Geslacht van Roorda, met de menigte aldaar +zijn geweest, onder welke zoo het gebeurde, tusschen de beide heiren +van de Christenen en Saracenen, dat er een uitnemend groot, stout en +vaillant Moorsch Prins was uit het Saraceensche heir, die voor het +Christen-leger zeer hoogmoedig ging braveeren, uitdagende aldaar een +van de vaillantste Ridderen der Christenen, om met hem een kampslag +te slaan; zoo heeft er terstond een stoutmoedige edele Fries uit het +geslacht van Roorda verlof van zijnen Prins begeerd, om met dezen +man een kampslag te doen; 't welk hem toegestaan zijnde, is hij in +het aanzien van beide legers tegen dezen Moor in het veld getreden, +en heeft aldaar zulk eene forsigheid met feiten van wapens bedreven, +dat hij ten laatste dezen Moor heeft overweldigd, ter neêr gehouwen en +onthoofd, het hooft ook tot een teeken van victorien op de poot van +zijn geweer naar het Christen-leger triumphantlijk gebragt; alwaar +hij bij alle de Prinsen, Heeren en Ridders zeer loffelijk van zijne +stoutmoedigheid zeer geprezen, en mede Ridder geslagen en eerlijk +ontvangen is. En is hem ook, alsmede zijnen nakomelingen, tot een +teeken en memorie van eene zoo vrome daad, een Moriaanshoofd in zijn +schild en wapens vereerd, gelijk zijn geslacht nog tegenwoordig voert, +benevens zeer loffelijke brieven en attestatie met Prinsen en Heeren +Zegelen bevestigd." + +[168] In het Grand Theatre Historique, T. III, p. 328 vindt men de +plaat van dit met eene zaag voorziene schip. De stad Haarlem eigent +zich dit schip toe. Men vindt daarom nog in de groote kerk zelfs een +model van dat schip. Ook maken er de Dokkumers aanspraak op. Zij +hebben er een model van tot windwijzer op den toren der groote +kerk gemaakt. Idsinga, Staatsregt van Groningen, p. 126.--Wagenaar, +Vad. Hist. II, 350. + +[169] Meleddin was de oudste zoon van den Sultan Saphaddin, die +gedurende het beleg van Damiate gestorven was. + +[170] De te voren vermelde verovering der stad Damiate plaatst Beninga +verkeerdelijk in het jaar 1229, in de Geschiedenis dezes Kruistogts +onder Frederik II. + +[171] Dat zij aan dezen Kruistogt geen deel genomen hebben, +is genoegzaam zeker, want op verzoek van den Koning Willem had +de Kardinaal Caputio, namens den Paus, de Friezen van hunnen +Kruistogt naar het H. Land ontslagen, mits zij Willem Aken hielpen +veroveren, waarop zij bij gansche scharen naar zijn leger optrokken, +natuurlijkerwijze dezen togt ver de voorkeur gevende, boven den meer +verwijderden naar Palestina. Verg. J. Meerman, Gesch. van Graaf Willem +van Holland, Roomsch Koning, I. 263-264. + +[172] Willem is, gelijke bekend staat, en onze Kronijk zegt, niet in +Friesland, maar te Hoogwoude in Noord-Holland door de West-Friezen +vermoord. Zie Meerman, als voren. De opgave van Wiarda is dus +hier onjuist. Vergelijk Wagenaar, Vad. Hist. II. 401; Bilderdyk, +Geschiedenis des Vaderlands, II. 151, 152. + +[173] Tot dusver loopt het verhaal van Wiarda. + +[174] Zie het slot van aangehaalde werk: Proeve van eene Geschiedenis +der Kruistogten en derzelver gevolgen, bl. 546, waarin echter +zeer uitroerig over de voordeelen en weinig over de nadeelen wordt +gesproken. + +[175] Dit uitmuntend werk is door den zeer kundigen Steenbergen +van Goor in den jare 1823 uit het Hoogduitsch vertaald en met vele +belangrijke aanmerkingen voorzien. Het gevoelen van dezen was het +volgende: »Dat Europa door de Kruistogten veel geleden heeft, zal +niemand ontkennen; maar dat het tevens door dezelve in burgerlijke +vrijheid, beschaving, verlichting, koophandel en kunstvlijt veel, +zeer veel heeft gewonnen, is onbetwistbaar. En nu vrage men, of die +voordeelen destijds voor eenen minderen prijs te verkrijgen zouden +geweest zijn?" Ook Luden in zijne Allgemeine Geschichte der Völker +und Staaten des Mittelalters, is ten dezen niet genoeg aan te bevelen. + +[176] Verg. Styl, Opkomst en Bloei der Nederlanden, bl. 28; +Tegenwoordige Staat van Friesland, I. 312; West., Jaarb. I. 209; +Cerisier, Geschiedenis der Nederlanden, I. 209. + +[177] Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 92; Egger. Beninga, Kronijk, bl. 101; +Dumbar, Analecta, I. 333. + +[178] Vergel. Gesch. des Vaderl. II. 130, waar het anders had +behooren vermeld te zijn. Over de Bulle van Karel Byv. en Aanm. op +Wagenaar, I. 107, en A. Kluit, Hist. der Holl. Staatsr. V. 52, +die het vrij zeker stelt, dat voor den jare 1300 dat stuk +bestond. Aantt. O. Fr. Wett. 109, 112. Zie over den dood van Willem, +onze noot op bl. 387, Tegenw. Staat, I. 409 en 410. + +[179] Op bl. 20 en 21; welk Geschiedverhaal met de andere Geschriften +van Jancko Douwama worden uitgegeven door het Provinciaal Genootschap +ter beoefening der Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, waarvan +de eerste aflevering in den jare 1830 is uitgekomen. + +[180] Verg. H. W. Tydeman, Over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, +bl. 111. + +[181] Winsemius, fol. 174: »Wat meer is die oude gheschreven Chroniquen +ghetuygen, dat door 't selve quaedt van tweedracht, die inghesetenen +deser landen, nu in ryckdom ende weelde sittende, alle hare macht +aengheleyt te hebben tot stiftinghe der Stinsen ende vasticheden, +in sulcken aentale, dat in een Dorp 't begrijp van dertich huysen, +hebbende, sesthien Stinsen uyt den ouden Vrieschen Steen gemaeckt +(welcke van hardicheyt een vlintsteen ghelyck was) ghevonden zyn." + +[182] Over het vroeger tijdvak en de gesloten verbonden en +overeenkomsten zijn belangrijk de Monumenta Groningana veteris +aevi inedita, door den geleerden Keuchenius Driessen uitgegeven, en +met uitnemende Aanteekeningen verrijkt; bijzonder zijne Aantt. op +bl. 335, 398, 475, 493, 797 en 831. Verg. Iets over den Oorsprong +en de Partijnamen der Schieringers en Vetkoopers, door den Heer +P. Burggraaff, in No. I van het Tijdschrift voor Onderwijzers, die +alleen als oorzaak der twisten beschouwt: het ontstaan, de uitbreiding +en het toenemend aanzien van den vierden stand der maatschappij dien +der burgers. + +[183] In de eerste druk van onze kronijk staat ook dit jaar vermeld. + +[184] Dit H. S. is de oorspronkelijke Grafelijke Rekening van den +Heer Garbrand van der Couster, Proost van Berghen in Henegouwen, +ende Jorghel, mijns Heeren Camerling, van 't geen sy ontfaen +hebben van mijnen lieven Heere van Holland, toter reyze behoef van +Oistvrieslant; verrekend en gesloten op den 18 Maart 1396, hofstijl, +d. i. 1397. Zie de uitmuntende Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen, +door den Archivarius de Jonge, I. 30 en 31. + +[185] Wagenaar, V. H. III. 502. + +[186] de Jonge, t. a. p. + +[187] Hoveling. De Edellieden, die op vaste burgten, sloten of stinzen +woonden, werden in Friesland Hovelingen genoemd. Verg. Archief +voor Vaderl. en Vriesche Geschiedenis van Visser en Amersfoordt, +Aant. I. bl. 25. + +[188] De Geschiedschrijvers vermelden dit voorval breedvoerig: +O. v. Scharl. quarto, bl. 245-247; Wins. Chron. fol. 306; +Schot. Fr. Hist. fol. 372; Gabbema, Verhaal van Leeuw. 164; +Petr. Thaborita op 't jaar 1487; Kronijk en Beschrijving van de stad +Sneek, door Napjus, 2e dr. bl. 11, enz. De Heer van Halmael heeft +in een gedicht dit feit herdacht. Zie Mengelwerk der Leeuw. Courant, +20 April 1830. + +[189] Onder de oudere Schrijvers heeft de geleerde en verdienstelijke +Historieschrijver Lambertus Hortensius van Montfoort, in zijn werk: +de tumultu Anabaptistarum, te Bazel in 1548 uitgegeven, van dit oproer +in Friesland een getrouw verslag gedaan. In de zeldzame Hollandsche +vertaling van 1659, in klein Octavo, versierd met fraaije plaatjes, +is ook eene afbeelding van de belegering des kloosters. De Wind, +Bibliotheek, I. 150 noemt een' druk van 1660. + +[190] Vele oude kloosters, en ook het Convent Thabor, waren zeer +uitgebreid en groot gebouwd, zoodat zij zelfs een aantal krijgslieden +konden bevatten en verzorgen. Deze Schrijver verhaalt, dat zijn Convent +de navolgende gebouwen had: een Molkenhuis, Bakhuis, Waschhuis, +Schoenmakershuis, Poorthuis, Bouwhuis, Timmerhuis (welligt met het +Bouwhuis hetzelfde), Koehuis, Molkenhuis, Brouwhuis, Ziekenhuis, +verscheidene Dormters, slaapplaatsen der Geestelijken en Leeken, +eene Kloosterkerk, Sacristij, Capittelhuis enz., voorts Binnenhof, +Tuin, Bosch en Boomgaard.--De bewoners waren Geestelijken, Leeken, +Priesters en Monniken: Beambten waren er velen, als Bouwmeester, +Opzigter, Kellener, Molkenmeester, Portier, Biermeester enz., +terwijl er voor de gewone behoeften een aantal bedienden nodig waren. + +[191] Deze Memorien zijn eerst uitgegeven in 1564, daarna door Dumbar +in zijne Analecta geplaatst, met vele bijgevoegde aanteekeningen, +uithoofde dit werk uiterst zeldzaam was geworden. Zie Aantt. op +bl. 182 der kronijk. + +[192] De titel is: Joannis Caroli de rebus Casparis â Robles Billaei +in Frisia gestis commentariorum Libri IV. De Schrijver, geboren te +Antwerpen in de laatste helft der XVI eeuw, was lid van den Grooten +Raad te Mechelen, uithoofde van welke betrekking hij in den jare 1567 +in Friesland kwam, en Algemeen Geregtsverzorger (Procureur Generaal) +werd. Hij legde daarna zijne ambten neder, werd Franciskaner Monnik, +doch stierf nog voor het einde van zijn proefjaar in 1598. + +[193] Bara-Huis, Bara-Stins en Bara-Convent waarschijnlijk dus genoemd +naar den naam des stichters, die even onbekend is als den tijd waarin +de stichting heeft plaats gehad. Men kan echter voor zeker stellen, +dat de Middelzee nog in volle kracht was, toen de bouwing heeft plaats +gehad. In de burgeroorlogen der Friesche partijen werden er meene +dagen, vergaderingen en bijeenkomsten, gehouden. Twee boereplaatsen +zijn aldaar nu aanwezig, waarvan de eene waarschijnlijk op den bouwval +van het Convent zal zijn aangelegd, en in de tweede boerderij, aan +den straatweg gelegen, wordt de naam nog bewaard. + +[194] Staatkundig Nederland, I. 49. Aldaar wordt ook melding gemaakt +van de marmeren poort van Viglius, voorzien met zijne spreuk: Vita +mortalium Vigilia (het leven der stervelingen is eene nachtwake), +geplaatst in de voorzaal der Kanselarij. Doch dit was zij weleer, +want ook dit eerwaardig gedenkstuk der oudheid moest in de algemeene +vernietiging deelen. + +[195] Deze redevoering is uitgesproken in een Letterkundig Genootschap +te Amsterdam na 1795, en na 's mans dood gedrukt en uitgegeven, +door de zorg van den verdienstelijken Hoogleeraar H. W. Tydeman, +in de Mnemosijne, XIV Deel. + +[196] Deze Verhandeling, in het openbaar uitgesproken, is daarna +geplaatst in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van 23 en 30 +Maart 1830. + +[197] Zie de Unie van Brussel des jaars 1577, naar het oorspronkelijke +uitgegeven door Mr. J. C. de Jonge, bl. 95 en 166-169. + +[198] Zie het Cort Verhael van Rennenburgs leven, op bl. 469-473 zijner +Memorien. Dit geschrift heeft hoofdzakelijk tot bouwstof gediend voor +de Schrijvers van den Tegenwoordige Staat van Stad en Lande, I. 420 tot +502, bevattende Rennenberg's geschiedenis; voor van Meteren, in het +breede 't beleg van Steenwijk vermeldende en voor Wagenaar over dit +tijdvak, welke ook schijnt te betwijfelen: »of hem de kwaade uitslag +zyns bedryfs niet meer dan de snoodheid en 't verraad gesmert hebbe." + +[199] Van dit Huwelijk wordt bij Winsemius, Wagenaar en anderen geene +melding gemaakt. Kok, Vaderl. Woordenb. zegt dat Graaf Willem niet +getrouwd is geweest. Wij hebben ook misstellingen en veel verschil in +de dagteekeningen ontdekt, en daarom de opschriften der grafzerken, +zoo ver vermeld, gevolgd. Men vergelijke onder anderen over deze en de +volgende Stadhouders Johannes van den Bosch, de Heeren Stadhouderen +van Vriesland,--beschreven, enz.;--de Redevoering van A. G. Camper, +bij de inhuldiging van Vrieslands Athenaeum uitgesproken, met het +eerste bijvoegsel, en Holland's Roem, door den Baron Collot d'Escury, +IV. Aantt. bl. 220, 221. + +[200] Over de begraving der Vorstelijke Familiën, zie de Noot op den +jare 1620. + +[201] Uit eene verzameling van eigenhandige en vertrouwelijke Brieven +van den Stadhouder, geschreven van de jaren 1734 tot 1747, aan zijnen +Vriend en Raadsman den Heere van der Mieden, Raadsheer in het Hof van +Holland, mij goedgunstig door deszelfs Neef, Mr. J. Schonck, Raad in +het Hoog Geregtshof te 's Gravenhage, medegedeeld, blijkt des Vorsten +uitnemend karakter. Ook is deze hoogst belangrijke Correspondentie +tevens bevattende een aantal eigenhandige brieven van Prinses Anna, +den Baron H. van Aylva, den Hertog Lodewijk van Brunswijk, den +Opperstalmeester Grovestins, den Secretaris van Prinses Anna, de +Larrey en anderen, voor de geschiedenis van dien tijd van hooge waarde. + +[202] In ons Gewest bleef echter van die invoering tot op den huidigen +dag een gebruik over, bij anderen niet aangenomen, zijn oorsprong +ontleenende uit het verschil van dagen, door den Ouden en Nieuwen +Stijl ontstaan. Alle verhuringen en verhuizingen hebben plaats op +den 12 Mei, niet op den eersten; zoo komen alle dienstboden op den +12 Mei en 12 November, welke dagen men oude Mei en oude Allerheiligen +noemt, in hunne diensten; dit gebruik is gewettigd geworden bij eene +nadere Publicatie der Provinciale Staten van 29 Januarij 1701. Men +verkoopt en verhuurt de Zathen en Landen enz. te aanvaarden, voor de +landen St. Petri, dat is den 5 Maart, (oude Sint Pieter), en voor de +huizinge en schuur den 12 Mei; overigens rigt men zich in alles naar +den gewonen Gregoriaanschen Almanak. + +[203] In de nagelatene Adversaria van een' onzer verdienstelijke +Friesche Geleerden, vond ik nog deze aanteekening op het woord +Grietman: »De geregtelijke tweegevechten werden gehouden in eene +plaats het Krijtveld genaamd. Kryt staat voor het Hoogd. griet +of gries, (gruis), dat volgens Veit Weber, Sagen der Vorzeit, +B. 11. p. 101, beteekent het Steenzand, waarmede de kampplaats +wordt bestrooid. Kan de benaming Grietman hiervan ook eenig licht +erlangen? Hij zoude dan oorspronkelijk de Opziener over zulk eene +Regterlijke kampplaats, Hoofd van zulk eene Regtspleging geweest zijn, +en het zou dan eigenlijk hetzelfde beteekenen als in de Oude Wetten +'t woord grieswart, grieswärtel, tournooivoogd, of volgens nog ouder +schrijfwijs greiswärtel. Zie Haltaus, Gloss. Germ. med. aev. p. 753, +die hetzelve drie beteekenissen toekent, welke met die waardigheid +overeenkomen. Het woord greta, waarvan het afgeleid wordt bij Beyma, +is, meen ik, oorspronkelijk ook alleen gebruikt van oproeping of +dagvaarding ten kampstrijd; (si vacat, hoc ulterius demonstrabo)." + +»Huydecoper op Melis Stoke, III. 54, legt krijt uit door kring (kreis, +kreits), doch ten aanzien van onze gissing over den oorsprong van +het Woord Grietman is dit hetzelfde." + +B. A. + + + + + + +End of Project Gutenberg's It aade Friesche Terp, by Johannes Hilarides + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP *** + +***** This file should be named 33563-8.txt or 33563-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/3/5/6/33563/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. (This book was produced from scanned images of +public domain material from the Google Print project.) + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/33563-8.zip b/old/33563-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1ad34fa --- /dev/null +++ b/old/33563-8.zip diff --git a/old/33563-h.zip b/old/33563-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1392c46 --- /dev/null +++ b/old/33563-h.zip diff --git a/old/33563-h/33563-h.htm b/old/33563-h/33563-h.htm new file mode 100644 index 0000000..3b88d66 --- /dev/null +++ b/old/33563-h/33563-h.htm @@ -0,0 +1,15425 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2010-08-28T21:43:49.853+02:00. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta name="generator" content= +"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> +<title>It aade Friesche Terp; of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye +Friesen</title> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=us-ascii"> +<meta name="generator" content= +"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/"> +<meta name="author" content= +"Johannes Hilarides (1648–1725) Jacob van Leeuwen (1787–1857)"> +<link rel="schema.DC" href= +"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="DC.Creator" content= +"Johannes Hilarides (1648–1725) Jacob van Leeuwen (1787–1857)"> +<meta name="DC.Title" content= +"It aade Friesche Terp; of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<meta name="DC:Subject" content="Friesland (Netherlands) - History"> +<style type="text/css"> +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} +/***** Titlepage *****************************************************/ +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle +{ +line-height: 3.5em; +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle +{ +font-size: 1.8em; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle +{ +font-size: 1.44em; +} +.titlePage .byline +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-size:1.2em; +line-height:1.72em; +} +.titlePage .byline .docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.titlePage .docImprint +{ +margin: 4em 0% 0em 0%; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.72em; +} +.titlePage .docImprint .docDate +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +/***** End Titlepage *****/ +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.advertisment +{ +background-color:#FFFEE0; +border:black 1px dotted; +color:#000; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.width20 +{ +width: 20%; +} +.width40 +{ +width: 40%; +} +.indextoc +{ +text-align: center; +} +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} +.index +{ +font-size: 80%; +} +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} +.apparatusnote +{ +text-decoration: none; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .pseudoh3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h4, pseudoh4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} +.alignleft +{ +text-align:left; +} +.alignright +{ +text-align:right; +} +.alignblock +{ +text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} +p.dateline +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +p.signed +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl +{ +display: block; +text-align: right; +} +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} +.figure +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} +.figAnnotation +{ +font-size:80%; +position:relative; +margin: 0 auto; /* center this */ +} +.figTopLeft, .figBottomLeft +{ +float: left; +} +.figTop, .figBottom +{ +} +.figTopRight, .figBottomRight +{ +float: right; +} +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} +img +{ +border-width:0; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} +.marginnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +.displayfootnote +{ +display: none; +} +div.footnotes +{ +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote +{ +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ +float:left; +width:2em; +height:12pt; +display:block; +} +/****** Tables ******/ +td.sum +{ +padding-top: 2px; border-top: solid black 1px; +} +/****** Poetry ******/ +.lgouter +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */ +} +.lg +{ +text-align: left; +} +.lg h4, .lgouter h4 +{ +font-weight: normal; +} +.lg .linenum, .sp .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left: 16%; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} +p.line +{ +margin: 0 0% 0 0%; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ +color: white; +} +.versenum +{ +font-weight:bold; +} +/***** Drama *****/ +.speaker +{ +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line +{ +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +/***** End Drama *****/ +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} +/****** Font Styles and Colors *****/ +.ex +{ +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc +{ +font-variant: small-caps; +} +.uc +{ +text-transform: uppercase; +} +/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */ +.overline, .overtilde +{ +text-decoration: overline; +} +.rm +{ +font-style: normal; +} +.red +{ +color: red; +} +/***** End Font Styles and Colors *****/ +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} +.aligncenter, div.figure +{ +text-align:center; +} +h1, h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} +h1.label, h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h5, h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} +p +{ +text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} +.lg +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote, div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +/***** External Links *****/ +.pglink +{ +background: url(images/book.png) center right no-repeat; +padding-right: 18px; +} +.catlink +{ +background: url(images/card.png) center right no-repeat; +padding-right: 17px; +} +.exlink +{ +background: url(images/external.png) center right no-repeat; +padding-right: 13px; +} +.pglink:hover +{ +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover +{ +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover +{ +background-color: #FFDCDC; +} +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ +color: black; +} +h1, .pseudoh1 +{ +padding-bottom: 5em; +} +h1, h2, .pseudoh1, .pseudoh2 +{ +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline +{ +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum +{ +color: #660000; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-weight: normal; +} +table +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.tablecaption +{ +text-align: center; +} +.pagenum, .linenum +{ +speak: none; +} +</style> + +<style type="text/css"> +.xref, .xsection +{ +margin-top: 2em; +margin-bottom: .5em; +font-weight: bold; +} +.pseudoh1 +{ +padding: 0; +margin-top: 2em; +margin-bottom: 1em; +} +.pseudoh2 +{ +padding: 0; +margin-top: 1em; +margin-bottom: 0.75em; +} +.xd20e102 +{ +text-align:center; +} +.xd20e1232 +{ +font-style:italic; +} +.xd20e2637 +{ +text-indent:2em; +} +.xd20e7739 +{ +text-align:right; +} +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of It aade Friesche Terp, by Johannes Hilarides + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: It aade Friesche Terp + of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen + +Author: Johannes Hilarides + +Editor: J. van Leeuwen + +Release Date: August 28, 2010 [EBook #33563] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. (This book was produced from scanned images of +public domain material from the Google Print project.) + + + + + + +</pre> + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<p class="firstpar xd20e102">Kronyk<br> +der<br> +Geschiedenissen<br> +van de<br> +<i>Vrye Friesen.</i> <span class="pagenum">[<a id="xd20e116" href= +"#xd20e116" name="xd20e116">3</a>]</span></p> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<div class="mainTitle">It aade Friesche Terp</div> +<br> +<div class="subTitle">of<br> +Kronyk<br> +der Geschiedenissen van de<br> +Vrye Friesen:<br> +met<br> +Bijvoegsels en Aanteekeningen.</div> +</div> +<div class="byline"><i>van</i><br> +<span class="docAuthor"><i>J. van Leeuwen,</i></span><br> +<i>Griffier van de Regtbank te Leeuwarden.</i></div> +<div class="docImprint">te Leeuwarden, bij<br> +J. Proost.<br> +<span class="docDate">1834.</span></div> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e157" href="#xd20e157" name= +"xd20e157">I</a>]</span></p> +<div id="voorberigt" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e159" class="main">Voorberigt.</h2> +<p class="firstpar"><i>In den jare 1677 werd te Leeuwarden uitgegeven +de eerste druk dezer Kronijk ander den titel:</i></p> +<div class="blockquote"> +<p class="firstpar xd20e102"><span class="sc">IT AADE FRIESCHE +TERP,</span><br> +<i>Vertoonende</i><br> +DE FRYE FRIESEN,</p> +<p>in haar Oorsprong, Opkomst en Voortgang: Als Landsbestiering, +Waapenhandel, Krychsdaaden, Weetenschap, Vreemde voorvallen, Yver voor +de Vryheit, Afgooderye, Godsdienst en Landstreek.</p> +<p class="xd20e102"><i>In ’t gemeen bij een gehoopt,</i></p> +<p class="xd20e102"><span class="sc">Voor de Liefhebbers der +Vryheit.</span></p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e185" href="#xd20e185" name= +"xd20e185">II</a>]</span></p> +<p><i>Op dezen druk, beginnende met het jaar 313 voor Christus geboorte +en eindigende 1677, volgde een tweede, uitgegeven te Haarlem 1743, +getiteld: <span class="rm">It aade Friesche Terp, of <span class= +"sc">Kronyk</span> der Geschiedenissen van de <span class="sc">Vrye +Friesen</span></span>, met een Bijvoegsel gaande tot de geboorte van +<span class="rm"><span class="sc">Willem Karel Hendrik +Friso</span></span>. Daarna zijn er nog twee Uitgaven in het licht +verschenen de eerste te ’s Gravenhage 1746 en de laatste te +Leeuwarden bij Chalmot 1771, welke beiden als een tweede druk worden +vermeld en, uitgezonderd het titelblad, ook letterlijk van inhoud zijn +als die van 1743. Deze tweede druk is behalve het Bijvoegsel +aanmerkelijk vermeerderd en aangevuld met een aantal gebeurtenissen, +tot Friesland en Groningen betrekking hebbende, welke in de eerste druk +niet zijn vermeld, terwijl taal, stijl en spelling naar het gebruik van +dien tijd zijn veranderd. Het Motto, op de keerzijde des titels of op +den titel zelven geplaatst, was het gezegde van <span class= +"rm"><span class="sc">Aeneas Silvius</span></span> of Paus <span class= +"rm"><span class="sc">Pius II</span></span>: <span class="rm">Een Fries +weigert niet voor de <span class="sc">Vrijheid</span> zelfs in de dood +te gaan.</span></i> <span class="pagenum">[<a id="xd20e215" href= +"#xd20e215" name="xd20e215">III</a>]</span></p> +<p><i>Ofschoon ook deze Kronijk met de gewone sprookjes, fabelen en +wonderen uit den ouden tijd is voorzien, bevat zij echter een beknopt +verhaal van de meest belangrijke voorvallen uit de verschillende +Friesche Geschiedschrijvers getrokken. Wie echter de Schrijvers of +Opstellers zijn geweest is mij niet gebleken.</i></p> +<p><i>Uit hoofde dit boekje van tijd tot tijd zeldzamer was geworden, +komende de eerste druk bijna nimmer voor, ondernam de Boekhandelaar +<span class="rm"><span class="sc">Proost</span></span> alhier eene +nieuwe Uitgave, noodigde mij uit die te willen verzorgen, en er tevens +zoodanige Aanteekeningen en Bemerkingen bij te voegen, als voor de +beoefening en opheldering der Friesche Historie, bijzonder over de XV +eerste eeuwen, nuttig en dienstig zouden kunnen zijn. Aan dit verzoek +voldoende, meende ik den tweeden druk der Kronijk in deze Uitgave +getrouw te moeten volgen, mij alleen veroorlovende de ongelijkheid in +de spelling, en de te groote afwijking hier en daar in de taal wat te +verbeteren.</i></p> +<p><i>Bij het doorlezen der kronijken, geschiedboeken, en andere +schriften heb ik voor de <span class="pagenum">[<a id="xd20e231" href= +"#xd20e231" name="xd20e231">IV</a>]</span>Bijvoegsels en Aantekeningen, +daaruit overgenomen of kortelijk aangestipt, wat mij voor mijn oogmerk +belangrijk toescheen en dienen kon de Geschiedenis toe te lichten. Als +een hoofddoel van dezen arbeid heb ik getracht den minder geoefenden +tot eigen onderzoek en nasporing den weg aan te wijzen, weshalve ik al +de Schrijvers en Geschriften naauwkeurig heb aangeteekend, in welken de +uitvoeriger behandeling der zaken te vinden is, en de geschiedenis +beter wordt voorgesteld. Ben ik in deze mijne poging, om anderen van +nut te zijn, ten deele geslaagd, meer voldoening begeer ik +niet.</i></p> +<p><i>Over de waarde en geloofwaardigheid der oude kronijken en +geschiedverhalen heb ik met een enkel woord mijne meening gezegd, en +mijne stelling blijven verdedigen, dat aan dezelven daarom zoo weinig +gezag wordt toegekend, omdat zij nimmer oordeelkundig zijn onderzocht +en met de nog vele voorhanden zijnde bronnen vergeleken; dat geen +Schrijver van lateren tijd, de Geschiedenis der Friezen ter harte heeft +genomen, waardoor zij dus bij velen onbekend <span class= +"pagenum">[<a id="xd20e237" href="#xd20e237" name= +"xd20e237">V</a>]</span>gebleven, bij anderen opzettelijk is achterwege +gelaten; en dat men te ver is gegaan om door het Werk van <span class= +"rm"><span class="sc">Ubbo Emmius</span></span>, die als de Feniks +aller Geschiedschrijvers, gelijk <span class="rm"><span class= +"sc">Dousa</span></span> hem noemt, gehuldigd werd, Frieslands Historie +voor voldongen te houden, daar hij geen kritiesch onderzoek in het werk +heeft kunnen stellen, als verstoken van de noodige hulpmiddelen en +bronnen. Niet dat ik de waarde van dezen te regt hooggeschatten +Schrijver wil verkleinen of iets nieuws voortbrengen, daartoe is mijne +kennis te gering: evenmin wil ik als een voorstander van de leer der +oude kronijken met hunne fabels en wonderen beschouwd worden; maar het +is alleen om aan te toonen hoe verkeerd men handelt onvoorwaardelijk +het gezag van anderen te volgen, en zonder eigen overweging en grondig +onderzoek onze oude Schrijvers te verwerpen. En dit is niet mijn +oordeel alleen, hetwelk op de ondervinding steunt; maar vele geleerde +en schrandere mannen, zoo als: <span class="rm"><span class="sc">v. +Schwartzenberg</span></span>, <span class="rm"><span class= +"sc">Ypeij</span></span>, <span class="rm"><span class= +"sc">Visser</span></span>, <span class="rm"><span class= +"sc">Amersfoordt</span></span>, <span class="rm"><span class= +"sc">Westendorp</span></span>, <span class="rm"><span class="sc">v. +Halmael</span></span> en anderen, die de <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e272" href="#xd20e272" name="xd20e272">VI</a>]</span>Friesche +Historie bestudeerden, hebben in hunne geschriften ditzelfde beweerd, +tevens de noodzakelijkheid betoogende, welke er sinds lang heeft +bestaan, om de zeer belangrijke Geschiedenis van dit Gewest van de +vroegste tijden af beter te leeren kennen, te onderzoeken en waarderen, +zoodat eene zorgvuldige en oordeelkundige beschrijving, naar den geest +en de smaak des tegenwoordigen tijd ingerigt, allezins wenschelijk +ware. Daartoe heb ik reeds in den jare 1827 alle mijne pogingen in het +werk gesteld, en een plan, hetwelk veel belangstelling, aanmoediging en +ondersteuning, ook bij den Heere <span class="sc">Staatsraad</span>, +<span class="sc">Gouverneur</span> en <span class="sc">Gedeputeerde +Staten</span> van dit Gewest, heeft gevonden, tot stand trachten te +brengen, dan door omstandigheden, <span class="rm">geheel van mij +onafhankelijk</span>, is hetzelve onvolvoerd gebleven<a class="noteref" +id="xd20e287src" href="#xd20e287" name="xd20e287src">1</a>. Een gelijk +lot heeft een tweede <span class="pagenum">[<a id="xd20e314" href= +"#xd20e314" name="xd20e314">VII</a>]</span>Ontwerp van den Heer +<span class="rm"><span class="sc">van Halmael</span></span> en mij, tot +de Uitgave van een <span class="rm">Geslacht- en Wapenboek van den Adel +in Friesland</span>, een werk hoogst gewigtig voor de Geschiedenis, +moeten ondergaan. Ik heb alzoo mijnen wil getoond, en daar ik tot geene +Uitgaven op eene andere dan de door mij voorgestelde wijze besluiten +kan, laat ik het nu aan ieder wie het luste over, om ter liefde voor de +Geschiedenis, ter wille onzer Landgenooten en ten nutte voor de +Nakomelingschap hunne middelen aan te wenden, hopende dat zij met een +beter gevolg in de erkende behoefte<a class="noteref" id="xd20e324src" +href="#xd20e324" name="xd20e324src">2</a> en den algemeenen wensch van +hen, die de wetenschappen op prijs stellen, mogen voorzien.</i></p> +<p><i>Voor het Titelplaatje koos ik de aloude adellijke State van den +Potestaat <span class="rm"><span class="sc">Wiarda</span></span> +<span class="pagenum">[<a id="xd20e338" href="#xd20e338" name= +"xd20e338">VIII</a>]</span>te Goutum, thans het eigendom van en bewoond +door de Familie <span class="rm"><span class="sc">v. +Cammingha</span></span>, welke met Martena-State te Cornjum, bijna de +eenigen zijn, die, in den voorvaderlijken tijd gesticht, nog de +algemeene slooping zijn ontkomen; want ook Tjaerda-Stins te +Rinsumageest zal spoedig, naar het voorbeeld van Liauckama te +Sexbierum, Hania te Holwerd, Holdinga te Anjum, Nieuw-Botnia te +Franeker en zoo vele anderen binnen weinige jaren vernietigd, in eene +puinhoop verkeeren.</i></p> +<p class="signed"><i>Den 11 Junij 1834.</i></p> +<p class="signed"><span class="sc">J. van Leeuwen.</span> <span class= +"pagenum">[<a id="pb1" href="#pb1" name="pb1">1</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e287" href="#xd20e287src" name="xd20e287">1</a></span> Deze +belangstelling is onder anderen ook gebleken uit de plaatsing van het +<i>Prospectus</i> of <i>Berigt</i>, waarbij ik mijn oogmerk heb +ontwikkeld, in de derde <i>Mnemosyne</i>, 1829, <i>I.</i> 278, en de +aanbeveling van den Hoogleeraar <span class="sc">H. W. Tydeman</span>; +als mede uit de opname van hetzelve in de <i>Handleiding tot de kennis +van het Staatsbestuur in het Koningrijk der Nederlanden</i>, <i>V.</i> +646, alwaar tevens de wensch wordt geuit dat dit plan spoedig moge +verwezenlijkt worden.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e324" href="#xd20e324src" name="xd20e324">2</a></span> Ook tot een +goed <i>Schoolboek</i> van de Geschiedenis van Friesland strekt zich +deze behoefte uit.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="kronyk" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e356" class="main">Friesche Kronyk.</h2> +<p class="firstpar"><span class="rm">F</span>riesland, een van de zeven +Vereenigde Nederlandsche Provintien zynde, legt aan de noordooster zyde +van de Zuiderzee en Fliestroom, die het van Westfriesland afscheid: aan +’t noordwesten word het bedekt van de Wadden, tusschen de +Vooreilanden van de Noordzee, als Ter Schelling, Ameland en +Schiermunniks Oog. Het riviertje de Lawers verdeelt het van de +Groninger Ommelanden: van daar naar de zuidzyde is de Drenthe en het +Stigt van Overyzel, loopende bij de Kuinder aan de Zuiderzee. Maar met +de verdeelinge dezer landstreek willen wy den leezer niet ophouden.</p> +<p>Van ouds was de wydte van zijne landpaalen vry verder uitgestrekt, +als loopende van den Ouden Rhyn, die door Leyden aan Utrecht langs +vloeyende, by Katwyk in zee uitliep: begrypende den geheelen zeekant en +de Zuiderzee, diestyds noch droog zynde, tot aan den Eiderstroom, die +het van Jutland afsnyd. Aan de landzyde van Westfalen, Overyzel, +Gelderland, tot het <span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2" +name="pb2">2</a>]</span>Ryk van Nieumegen en Utrecht, binnen zyne +grenzen.</p> +<p>Welke alle door verscheidene vyanden en andere voorvallen, als by +lappen afgescheurd zynde, het boven geschreven lapje land, zyne +vryheid, te gelyk met den naam van Friesland, zonder bystelling van +Oost of West, wel yverigst verdedigt hebben.<a class="noteref" id= +"xd20e368src" href="#xd20e368" name="xd20e368src">1</a></p> +<p>Dat is van ’t Land, welks Inwoonderen de stoffe van ons +schryven zal zyn, naar het gemeenzaamste gevoelen byeen gesteld, als +hier na volgt.</p> +<div class="div2" id="zevenprinsen"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e374" class="super">De Heeren, onder welks Gebied de +Friesen van tyd tot tyd geweest zyn.</h3> +<h3 class="main">I. Onder zeven Prinsen.<a class="noteref" id= +"xd20e378src" href="#xd20e378" name="xd20e378src">2</a></h3> +<p class="firstpar">Het 313de jaar voor dat onze Zaligmaker geboren +wierd, was de tyd dat <span class="sc">Frieso,</span> de eerste Prins +van Friesland, en Voorganger <span class="pagenum">[<a id="pb3" href= +"#pb3" name="pb3">3</a>]</span>der Stichters, door welke dit ons +Vaderland eerst bevolkt wierd, hier te lande kwam: dat zich dusdaniger +wyze heeft toegedragen.</p> +<p>Als die roemruchtige en groote Alexander, die in het bloeyenste van +zyn jeugd het meerendeel van Asia overweldigde, kreeg hy toeloop van +veele volkeren, die hy of overwonnen hadde, of in die gewesten huis +hielden; om zyne gelukkige wapenen tot zo veele spoedige overwinningen +te helpen bevorderen. Onder deze vrywillige krygers waren zommige van +de voornaamsten uit Persien, en hunne onderhoorige Saxen (Sacæ) +de minsten niet. Dewelke, na dat Alexander overleden was, en die +voorige verheerde<a class="noteref" id="xd20e389src" href="#xd20e389" +name="xd20e389src">3</a> volkeren, door zijner Nazaaten oneenigheid, de +handen ruim kregen, vreesden dat het hun t’eeniger tyd mogte +gewrooken worden: zy maaken derhalve een besluit, om met malkanderen, +naar de wyze van dien tyd, een veiliger land tot hun wooninge op te +zoeken. Hunne Geleiders waren Frieso en Saxo, om hunne gezelligheid +gebroeders gezegt, en eigentlyk zo genaamt, of naar den volksnaam van +hunne landslieden zo bekent: welker eerste Persiaanen, en de andere hun +gebuuren, uit de woestyn, die nu Belor heet, gemeenlyk Indiaanen +genoemt zyn; om datze van ouds, <span class="pagenum">[<a id="pb4" +href="#pb4" name="pb4">4</a>]</span>allen die naar ’t Oosten +woonden, den naam van Indiaanen gaven. Des zij tot hunnen +sleep<a class="noteref" id="xd20e394src" href="#xd20e394" name= +"xd20e394src">4</a> een vloot van 300 zeilen toetakelden, en staken +’er mede af van het land van Cilicien, in Notalia of kleen Asia, +gelegen in de Zwarte Zee. Van waar zy, wonderlyk omkruissende, door +verscheidene woeste zeën heen slingerden, tot dat zy eindelyk, na +veele ondervindingen en verlies van de meeste schepen, met slechts 54 +stuks in de Oostzee zyn vervallen; en waar van 12 op het eiland Rugen, +en 18 in Pruissen zijn aangeland: de overige 24 den Fliestroom (welke +de Roomsche Schryvers den derden Mond des Rhyns noemen) inzeilende, +hebben dit gewest, dat nu van hunnen naam Friesland genaamt word, +aangedaan, landende ten west Staveren op de Kreil, daar nu de volle zee +voor Enkhuizen is: alwaar zy, geen menschen vindende, en na zo een +kommerlyk omzwerven, het eerste stand greepen, en die plaatze den naam +gaven van Staden. Daar Frieso ook een Vryhuis voor de vlugtelingen +bouwde, zelve een weinig oostelyker optrok, en een stad bouwde, die +naderhand Staveren genaamt wierd. Doch als in het volgende jaar de +zomer hoogde,<a class="noteref" id="xd20e397src" href="#xd20e397" name= +"xd20e397src">5</a> kwamen <span class="pagenum">[<a id="pb5" href= +"#pb5" name="pb5">5</a>]</span>de Swaaven, die hier ’s zomers +huis hielden en ’s winters landwaards in weeken, om de +overwateringen van de zwaare stormen: want het land was doe noch met +geen dyken omheinigt. Deze, om datze ruuwe en onervaarene krygslieden +waren, zyn ligtelyk van de Friesen op de vlugt gedreven, die hun zetel +hier nu door goede beschansingen gevestigt hadden.</p> +<p>Frieso had by zyn wyf Hil zeven zoonen, die hy elk over een gedeelte +des lands, dat in zeven Zeelanden was verdeelt, tot Voogden heeft +gestelt. En daar toe eene dochter, welke hy Weemoed noemde, om dat +haare moeder van haar in den arbeid was gestorven. Daartoe stelden hy +zyn zoon Æsge over de Burgerlyke Rechten, en Scholte over de +Halszaaken. Haaije maakte hy Priester der Druïden, over de +bosschen der Afgoden. Gæle wierd Dykgraaf, om daar opzigt te +houden. Hette verzond hy, om Voogd te zyn over de Katten, een volk in +Duitschland, dat naar zynen naam nu noch Hessen genaamt word.</p> +<p>In den jaare 308 trouwde Fyt (Vito) of Jutte, een van Friso’s +zoonen, de dochter van Bokke (Bocchus,) Koning van Jutland; zo als het +naderhand, naar zynen naam <span class="corr" id="xd20e406" title= +"Bron: ge-genoemt">genoemt</span> is: en kreeg tot een huwelyksgoed, +het land dat men nu noch heden Sleeswijk noemt.</p> +<p>In den jaare 300, wanneer ’er verschil onder de Veehoeders +ontstond, zyn de <span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name= +"pb6">6</a>]</span>Saxen, by gemeenen raade, van hun gescheiden: en, op +de Elve aangekomen zynde, hebben zich aan geen zyde, dat nu +Noordballingen is, nedergeslagen. Houdende dat gewest noch den naam van +Saxen en Sassen.</p> +<p>Frieso heeft daar na het land, om dat het zeer laag en moerig was, +met dyken van aarde, en zylen of sluizen, om het water te doen +afloopen, tot hun gebruik bequaam gemaakt: en om de overwateringen van +hooge vloeden alomme verhevene wieren doen opwerpen, en daar huizen +laten opbouwen, het land met beschansingen versterkt, en met dorpen en +buurten rondom lustig bevolkt. En, om de welstand en eenigheid des +volks te bewaaren, liet hij goede wetten en heilzaame beveelen +aankundigen.</p> +<p>En uit dat broekachtig en waterig land, schynt het, dat zy het oude +Friesche Wapen hebben genomen, hetwelk bestond uit 7 Plompen, +beteekenende de 7 Waterlanden, op 3 Zilveren balken, in een Blaauw +veld<a class="noteref" id="xd20e417src" href="#xd20e417" name= +"xd20e417src">6</a>. Gelijk die Plompen noch hedendaags in ’t +Wapen van Groningen te zien zyn. Hoewel de onweetende teekenaars daar +nu 3 Herten <span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name= +"pb7">7</a>]</span>van maken. Bezie hunne munten, tot op de duiten +toe.</p> +<p>In den jaare 245 is Frieso, na dat hy dit land 68 jaaren wijsselijk +in vrede geregeert hadde, eindelyk gestorven, en na zyn vaderlyke +Persiaansche wyze te Staveren staatelyk begraven.</p> +<p>Aanstonds is <span class="sc">Adel,</span> zijn oudste zoon, in +’s Vaders plaatze gevolgt: die zyne nagelaatene wetten bevestigt, +vermeerdert, en in schrift gestelt heeft. Hy bragt in gebruik, om de +bequaamheid der gemoederen te onderzoeken, dat ’er alomme +gasteryen en drinkgelagen wierden gehouden, daar men malkanderen in +’t omdrinken, met het geeven van de regterhand, zoude kussen of +zoenen op zyn Persiaans: dat men nu noemt op zyn plat Fries. In de +gasteryen deed hy de geregten by malkander in een grooten Schotel +leggen, en belaste dat men uit een grooten Hoorn zoude omdrinken. Waar +van wy noch zeggen, de Friesche Pateele, en de Friesche Hoorn, en by +zommige Gilden noch in gebruik. Hy trouwde Swebyne, de dochter van den +Koning der Swaaven, zyne gebuuren. Om zyn rechtvaardigheid, is hy by +zyne onderdaanen en gebuuren zo vermaard geworden, dat alle, die wel +regeerden, daar van Adelingen, en van Adel gezegt wierden. Welke +benaamingen tot op den huidigen dag zyn overgebleven.</p> +<p>Ubbe, Juttes zoon, om Jutland tegen <span class="pagenum">[<a id= +"pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>den aanval der Deenen te +bevryden, zette zyn zoon Fyt ter dezer dagen tot Voogd over Eiderland, +en Hendrik, zyn jongste zoon, over Jutland; die ondertrouwd wierd met +Signe, Dochter des Konings der Finnen.</p> +<p>En in den jaare 234, Granus, vyfde Koning der Deenen, dit +bemerkende, heeft zich vermomd, en Hendrik op den dag der bruiloft, +nevens veele van zyne vrienden onvoorziens vermoord: en de Bruid, uit +Finland wegvoerende, zelfs getrouwt: edoch dat hy twee jaaren daar na +met de dood moest bekoopen.</p> +<p>In den jaare 220 heeft Adel, Schotte, zyn broeder Scholtes zoon, +naar ’t land, dat naderhand Schotland is genaamt geworden, heen +gezonden, op dat hy ’t met volk zoude beplanten.</p> +<p>In den jaare 201, Jutte, over de dood zyns broeders vergramd zynde, +heeft de Deenen veele jaaren met zeerooveryen geplaagt: tot dat hy van +Froote, achtste Koning der Deenen, in een zeeslag overwonnen wierd. Die +daar op de geheele Friesche kust heeft uitgeplondert; zynde zulks van +de Deenen voorheen nooit ondernomen: en voort het Flie inzeilende, +heeft zelfs het voorste van Duitschland aangetast: en van daar is hy +met zynen roof of buit naar Engeland overgestoken.</p> +<p>In den jaare 151, is Adel, na dat hy in langduurige vrede loffelyk +het Vaderland bestierd hadde, gestorven. <span class="pagenum">[<a id= +"pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span></p> +<p>Doe wierd <span class="sc">Ubbe</span> tot derde Prins in ’s +Vaders plaats van de Staaten des Lands aangenomen.</p> +<p>In den jaare 131, als Ubbe, op ’t aanraaden van zyne moeder +Swobyne, zyn grootvader, Koning der Swaaven, om de vrindschap te +versterken, eens bezogt hadde, heeft hy Keulen aan den Rhyn gesticht, +ter plaatze daar nu Duts legt. Daarom zyn de Keulenaars by de Romeinen +eertyds Ubii geheeten, van deze Ubbe.</p> +<p>In den jaare 127 heeft Baate, zoon van den Koning der Katten, van +Friesche afkomst, met zyn gezelschap zich eerstmaal in de Betuw +nedergeslagen: daar hy Baatenburg en andere plaatzen stichte. Zynde de +oorsprong van die bekende Bataviers, dewelke nu Hollanders genaamt +worden.</p> +<p>In den jaare 120 heeft Frieso de jonge getrouwd de dochter van Ubbe, +welkers naame Frouw was. Deze Frieso was de zoon van Gryns, zoon van +Gæle, zoon van Haaje, zoon van Frieso de eerste. Hy trok met een +hoop over den Fliestroom, en bewoonde het land, dat van hem noch +Westfriesland is genaamt, en in dien tyd gebynaamt, kleene +Friesen<a class="noteref" id="xd20e460src" href="#xd20e460" name= +"xd20e460src">7</a>. Daar bouwde hy, omtrent duizent schreeden van +Alkmaar, aan een inham van een arm der <span class="pagenum">[<a id= +"pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span>Rhyn, die Krabbendam van +Kennemerland afscheid, de stad Vroonen, die zo ryk en vermaard door den +koophandel wierd. Waar van hedendaags niets meer te zien is<a class= +"noteref" id="xd20e465src" href="#xd20e465" name= +"xd20e465src">8</a>.</p> +<p>In den jaare 71 overleed Ubbe; en <span class="sc">Azinga +Askon,</span> zyn zoon, quam in zyn plaats: dezelve was een onrustig en +eerzuchtig mensch: hy voerde verscheidene doch ongelukkige oorlogen met +den Koning van Tongeren en de Baatenburgers.</p> +<p>In den jaare 59 zyn eenige kooplieden uit Indiën, onder den +noorder aspunt om, door storm en onweder aan de Duitsche kust +vervallen, en, zo men meent, in Friesland aangeland.</p> +<p>Azinga heeft Staveren met muuren omtrokken, en eerst dien naam +gegeeven, naar een ruuwen onbeschaafden Staf, hunnen Afgod; daar zy +God, na de wyze der ongeloovige volkeren, by in erkentenisse hielden; +om dat God de menschen als een staf en leunstok is in alle gevaaren. +Want het was by de Duitsche volkeren gemeen, om God door een stok, +blok, of steen, op hunne wyze te dienen, door dien zy zulken hoogen +achtinge wel van God hadden, dat zy hem met geen duidelyke gelykenisze, +het zy van een mensch, of diergelyke konden afbeelden. <span class= +"pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span></p> +<p>In den jaare 10, ter gelegentheid, dat de Romeinen onder hunnen +Overste Drusus de Baatenburgers, Geldersche, en nabuurige volkeren +overwonnen hadde, heeft hy de Westfriesen ook aangetast, van welke hy +jaarlyks slegts een getal ossenhuiden bedong: en, zullende de volkeren +over den Eems mede aandoen, hebben de Friesen der Romeinen schepen, die +door de ebbe op hunne wadden waren vast geraakt, uit het gevaar van +vergaan verlost.</p> +<p>Als Azinga nu in ’t 71ste jaar zyner regeeringe was, is de +hoope Izraëls, en de wensch aller Heidenen vervult geworden, als +onze Zaligmaker <span class="sc">Jezus Christus</span> te Bethlehem, in +het Joodsche Land, gebooren wierd, tot troost van die geene, die dien +dag der zaligheid voor langen tyd hadden begeeren te zien: terwyl onze +Voorvaderen noch in een dikke duisternis van onwetenheid gezeten +waren.</p> +<p>In den jaare 2, na de geboorte van Christus, Azinga ziende, dat de +Westfriesen, door hulpe der Baatenburgers, onder de Romeinen gebragt, +en van de Roomsche Overste Drusus met 50 Schansen langs den Rhyn wel +bewaart waren, heeft hij de Baatenburgers geweldig bevogten, en veele +ter neder gemaakt. Maar Azinga, door een pyl zwaar gewond zynde, +vlugten de Friesen, hem brengende op zyn slot, omtrent een halve myl +van Staveren, op de Kreil. De Friesen maakende ondertusschen, buiten +zyn <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name= +"pb12">12</a>]</span>bevel, eenen tweeden aanslag, versloegen nochmaals +500 mannen; waar tegen zy 300 Mannen verlooren, en zyn alzo met +overwinning en goeden buit weder gekeert.</p> +<p>In den jaare 4 is Diokarus Seegen, neef van Azinga, Ridder geslagen +van Brabo, eerste Hertog van Braband, en met groote eere weder in +Friesland gekomen.</p> +<p>Ook is by ’t Roode Klif, niet verre van Staveren, een vlamme +uit de aarde geborsten, welke 3 dagen duurde. Den 4den dag quam +’er een groote draak regt om hoog uitvliegen, die de aanschouwers +een half uur lang geweldig verbaasde, en is weder in de spleete neder +gerukt.</p> +<p>In den jaare 5 heeft Azinga die van Tongeren den oorlog aangedaan, +en veele van hen verslagen: doch Brabo, Hertog van Braband, die van +Tongeren te hulpe komende, hebben zy Azinga gevangen gekregen. Doch om +de erkentenisse van Diokarus Seegen, heeft gemelde Hertog hem alleen +maar met <span class="corr" id="xd20e496" title= +"Bron: verachtelyde">verachtelyke</span> woorden gestraft<a class= +"noteref" id="xd20e499src" href="#xd20e499" name="xd20e499src">9</a>, +en doe weder na Friesland gezonden.</p> +<p>In den jaare 6 heeft Tiberius, Veldoverste der Romeinen, +Kennemerland ingenomen.</p> +<p>In den jaare 11 is Azinga Askon gestorven: <span class= +"pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>en zyn +Neef <span class="sc">Diokarus Seegen</span> quam in zyn plaats.</p> +<p>In den jaare 15 heeft hy allomme door geheel Friesland schoolen voor +de jeugd ingesteld; en in ’t byzonder schermschoolen binnen de +Hoofdstad Staveren en Dokkum; daar ’t volk met allen yver +driemaal ’s weeks wierd onderwezen.</p> +<p>In den jaare 16 en 17 zyn de Romeinen met hunne krygsbenden door, +langs en om Friesland getrokken, om de nabuurige volkeren te +beheerschen; zynde de Friesen met hun in een goed verbond.</p> +<p>In den jaare 29, als de Westfriesen, door de gierigheid der +Romeinsche Overste Holle<a class="noteref" id="xd20e522src" href= +"#xd20e522" name="xd20e522src">10</a>, byna uitgeput waren, alzo hy van +hun afeischte grooter ossenhuiden tot schattinge, als zy konden +leveren, zo zyn zy tegen hem opgestaan, en hebben zyne aangestelde +Tolmeester opgehangen, en het slot op het Flie, daar hy gevlugt was, +sterk belegert. Maar, door den Romeinschen Overste der Duitschers +Apronius opgeslagen zynde<a class="noteref" id="xd20e525src" href= +"#xd20e525" name="xd20e525src">11</a>, hebben nochtans groote +overwinninge tegens de Romeinen gehad: dewelke by de 900 mannen +verlooren omtrent het woud Baduhenne; behalven noch 400 soldaaten, die +uit vreeze voor de Friesen <span class="pagenum">[<a id="pb14" href= +"#pb14" name="pb14">14</a>]</span>malkander doodsloegen. Waar door +Diokarus ook den toenaam van Seegen schynt bekomen te hebben.</p> +<p>Omtrent den jaare 44, als de Friesen wel met de Romeinen stonden, en +dat Diokarus zich ook by den Roomschen Keizer Claudius ten stryde +begeeven had, daar hy groote eer behaalde, was ’er een groote +hongersnood in ’t land.</p> +<p>In den jaare 46, als Seegen den staat des lands loffelyk bedient +had, is hy in tyd van vrede gestorven: en zyn oudste zoon <span class= +"sc">Dibbald Seegen</span> is de zesde Prins der Friesen geworden. Hy +was een goedertierend Vorst omtrent zyne onderdaanen: maar aan de +andere zyde zeer onrustig, en genegen tot den oorlog. Waarom hy zich +naar ’t Roomsche leger in Engeland begaf, daar hy veele +ridderlyke daaden uitvoerde: laatende Friesland onder ’t bestier +van een aangestelden Landvoogd.</p> +<p>In dien tyd was ’er in Friesland een kloek Ridder, genaamt +Idsert Jetse, van een verwonderlyke kragt, waarom ook onder de +wandeling Sterke Man geheeten, dezelve was acht voeten in de lengte +groot, hy kon in ieder hand een tonne Bier 220 treeden verre dragen, +neemende onder ieder oxel<a class="noteref" id="xd20e539src" href= +"#xd20e539" name="xd20e539src">12</a> een kaas, omze van ’t +ligchaam te doen afhouden: ook droeg hy 2 mannen een halve <span class= +"pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span>myl +verre op zyne armen: een onbezuist paard, kon hy met zyn vuist slaan, +dat het dood ter aarde viel: en wanneer hy toornig was, derfde hem geen +mensch onder de oogen te komen.</p> +<p>Na den jaare 48, is Corbulo, een Romeinsche Overste, de Westfriesen +onvoorziens op ’t lyf gekomen, wegens hunne wederspannigheid, +daar hier boven van gezegt is: en gyzelaars te pande mede neemende, +stelde hun de paalen, daar zy niet over mogten komen. Het welk men +meent de Lek te zyn, die hy liet graaven tusschen de Maas en Rhyn, daar +nu Holland is.</p> +<p>In den jaare 52 quam Dibbald, van den Roomschen Keizer Claudius +grootelyks begiftigt, weder in Friesland: met hem leidende den Overste +van Camga; daar het edel geslachte van Camminga uit gesproten is.</p> +<p>In den jaare 55, als Claudius gestorven was, is Dibbald oostwaards +opgetrokken, brandende en blaakende zeer verwoed.</p> +<p>In den jaare 59, zyn Vryt of Verritus en Malorix, nevens een goed +gezelschap, in gezantschap tot den Keizer Nero naar Rome getrokken, ter +oorzaake van de klagten der Romeinen, dat de Friesen hun met de +akkerbouw al te na by den Rhyn quamen. Vryt was van ’t Geslachte +van Hermana, afkomstig van Manne, die een kindskind was van Frieso de +eerste. En Malorix van Camminga. Behalven dat zy van den Keizer groote +eerbewyzingen, nevens het <span class="pagenum">[<a id="pb16" href= +"#pb16" name="pb16">16</a>]</span>burgerrecht van Romen verkreegen, +zynde daar ook tot het Christelyk geloove bekeert. En Ægistus, +een der 70 Discipelen van Christus, quam met hun in Friesland, om daar +ook die leere te verbreiden: doch Seerp, Zoon van Fyt, en derde +Priester der Druïden, op ’t Oude Hof te Lewerden<a class= +"noteref" id="xd20e554src" href="#xd20e554" name="xd20e554src">13</a>, +stond hem zeer tegen. Zo dat hy weinig vrugt in ’t land deed, en +wierd van de ongeloovigen dood geslagen.</p> +<p>In den jaare 61, is Dibbald tegen de Duitschers opgetrokken, doch +keerde met verlies van 800 mannen schandelyk weder naar huis.</p> +<p>In den jaare 62, quamen de Deenen, opgemaakt<a class="noteref" id= +"xd20e561src" href="#xd20e561" name="xd20e561src">14</a> van de +Duitschers, Friesland plonderen en verwoesten 6 geheele jaaren lang; +want Dibbald lag ziek te bedde.</p> +<p>In den jaare 69, trok Dibbald met een groote vloot schepen naar +Deenemarken, om zyn leed te wreeken.</p> +<p>In den jaare 77 deed hy de Gelderschen den oorlog aan: die hem zo +wel onthaalden, dat hy 500 mannen verloor, en hy zelve in een +teeringziekte verviel.</p> +<p>In den jaare 85 overleed Dibbald, en wierd te Staveren begraven. +<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name= +"pb17">17</a>]</span></p> +<p>En <span class="sc">Tabbe</span> is tot de zevende en laatste Prins +van Friesland aangenomen, dewyl Dibbald zonder kinderen was gestorven. +Hy was een der voornaamste van Dibbalds Veldoversten, een wreed en +onstuimig man. Waarom hy ook geheele 7 jaaren onder den Roomschen +Keizer Domitianus ten oorlog trok; laatende Friesland onder een +Stadhouder.</p> +<p>In den jaare 94 deeden de Noormannen een tocht op Friesland, dat zy +<span class="corr" id="xd20e579" title= +"Bron: plonderde">plonderden</span> en veel roof uit haalden. Waar over +Tabbe t’huis onboden zynde, zy zich hebben weggemaakt. Hy +ondernam eerst met een goede vloot, en doe te land, zyn wraak te +neemen; maar had weinig voorspoed.</p> +<p>Omtrent den jaare 100 was Harke, zoon van Seerp, de 4de Priester der +Druïden op ’t oude Hof.</p> +<p>En in den jaare 130 is Tabbe, de laatste Prins, gestorven<a class= +"noteref" id="xd20e586src" href="#xd20e586" name= +"xd20e586src">15</a>.</p> +</div> +<div class="div2" id="zevenhertogen"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e596" class="main">II. Onder zeven Hertogen.</h3> +<p class="firstpar">In het zelve jaar 130 quam <span class= +"sc">Askon</span> in <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" +name="pb18">18</a>]</span>zyn vaders plaats, die zich, naar de manier +der Romeinen, Hertog liet noemen.</p> +<p>Sinne, de 5de Priester der Druïden, schreef in deze tyden tot +Askon: om de Christenen uit het land te verjaagen, en de Afgoden des +lands, na ouder gewoonte te dienen.</p> +<p>In den jaare 155 is ’er weder eene groote vlamme op ’t +Roode Klif uitgeborsten, ter zelver plaatze, als boven verhaalt is: en +alzo de menschen, daar omtrent woonende, daar zeer bevreest voor +wierden, vroegen zy hunnen Afgod Staf: Wat daar van worden zou? Zo +antwoorde hun de Duivel door den Staf, als eertyds tot Eva door de +Slang. Dat zy voor dit vuur niet behoefden te vreezen; om dat ’er +na eenigen tyd wel wat kouds op mogt volgen.</p> +<p>In den jaare 163 deeden de Friesen, met de Oosterlingen en Katten +een inval in Frankenland, daar zy ’t zeer verwoesten.</p> +<p>In den jaare 164 is in het zuidwesten, omtrent een halve myl van +Staveren, een put gegraven, die zo veel zout water opgaf, dat men +vreesde het geheele land zoude onderloopen. Waar over den Afgod Staf +nochmaals om raad gevraagt zynde, hun ten antwoord gaf: het bloed van +een driejarig kind daar in te gieten. Dat gedaan wierd, en waar na het +ook ophield, dat ’er zelf geen water meer in de put bleef. Zo +snakt de Duivel naar menschen bloed.</p> +<p>Askon deed verscheidene fraaije dorpen <span class="pagenum">[<a id= +"pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span>stichten, als +Westerbierum<a class="noteref" id="xd20e617src" href="#xd20e617" name= +"xd20e617src">16</a>, niet verre van Flieland; en Dyxhorne, tusschen +Almeenum, dat nu Harlingen genaamt word; Ter Schelling<a class= +"noteref" id="xd20e620src" href="#xd20e620" name="xd20e620src">17</a> +en Westerbierum, die nu beide door de zee verdronken leggen.</p> +<p>In den jaare 168 zyn 2 Meereminnen uit de Lauwers opgekomen; en door +Friesland omzwervende, tot verwondering van veele lieden, hebben zich +eindelyk by Westerbierum, van waar zy gekomen waren, weder +ondergedompelt.</p> +<p>In den jaare 173 is Askon, na een vreedzaame en loffelyke +regeeringe, mede gestorven. Hy liet 4 zoonen na, namentlyk, Adelbold, +Tiete, Richold en Radbout. Radbout vertrok naar Friesland, alwaar hy +trouwde, en een zoon won, welke was Diderik, eerste Hertog van +Westfriesland: van wien naderhand de Hertogen en Koningen van +Westfriesland voortgesprooten zyn.</p> +<p>Maar Adelbold wierd de 2de Hertog in zyn’s vaders plaatze; en +aanstonds beoorloogde hy zyne nagebuuren.</p> +<p>In den jaare 174 vertrok zyn Broeder Tiete naar Romen: alwaar hy +zich in goede <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name= +"pb20">20</a>]</span>konsten, en byzonder in die van de +welspreekentheid oeffende. Waarom hy ook by den Keizer Antoninus, de +Philosooph, wel bemint was.</p> +<p>Na den jaare 175 had Godefroy Brabo, de zesde Hertog van Braband, +oorlog met de Romeinen; daar Adelbold en Tiete hem met hun volk te +hulpe quamen: alwaar Tiete, om zyn ongemeene dapperheid, Ridder +geslagen wierd van Brabo.</p> +<p>In den jaare 178, als Keizer Antoninus oorloogde met de volkeren, +die tegen de Romeinen opstonden, heeft Adelbold zyn Broeder Tiete met +hulpbenden tot den Keizer gezonden: die daar over zeer verblyd was, en +zyne vyanden vrees aanjoeg, alzo zy op die tyding de vlugt namen.</p> +<p>In den jaare 180 vielen de Friesen met een groote furie in Walsland, +afloopende of bedervende al wat hun voor quam; waar doorze by hunne +vyanden een grooten naam en verbaastheid hebben gemaakt.</p> +<p>In den jaare 183 hebben de Wenden en Gotten, uit de Noordsche Landen +opgeborsten, verscheidene volkeren overvallen. En van de Deenen +afgekeert, quamen ze over de Elve, neemende hun zitplaats aan beide de +zyden van de Weezer; en wierden van dien tyd af Oostfaalingen, nu +Oosterlingen en Westfaalingen, geheeten. Van welke 1500 dachten in +Friesland te vallen: maar wanneer zy zagen, dat de Friesen aan de +andere zyde van de Eems goede beschansingen <span class= +"pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>hadden, +derfden zy niet onderneemen om over te komen. Waar op Tiete, hun van +achteren bespringende, alle heeft geslaagen, behalven 400, die den Eems +overzwommen; doch in Adelbolds handen vervielen, en die ’er goede +buit van maakte.</p> +<p>In den jaare 186, als Adelbold krank was geworden, wilde hy zyn +broeder Tiete de landbestiering opdraagen. Welke het ernstig weigerde, +doch echter moest aanneemen. Na welken tyd Adelbold noch veele jaaren +leefde.</p> +<p><span class="sc">Tiete Bojokalus,</span> mogelyk <span class= +"sc">Beukels,</span> was de 3de Hertog van Friesland<a class="noteref" +id="xd20e664src" href="#xd20e664" name="xd20e664src">18</a>.</p> +<p>In den jaare 187 wierd hy ingehuldigt, en regeerde het land met +groote voorzigtigheid, houdende alomme vrede, zo buiten- als +binnenslands.</p> +<p>In den jaare 208 Adelbold gestorven zynde, is met een ongemeene +pracht te Staveren in de groote kerk begraven.</p> +<p>In den jaare 217 is voor de derdemaal op het Roode Klif eene vlamme +opgeborsten, doch 18 treeden westelyker, als waar van wy hier boven +gezegt hebben; dezelve vertoonde zich 11 dagen lang, tot verschrikkinge +van die daar omtrent woonden. Tiete, na dat hy den Afgod Staf 3 dagen +lang brandoffer toegedient hadde, zo gaf denzelven <span class= +"pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name="pb22">22</a>]</span>tot +antwoord: Dat door ten gewapend Ridder 3 kannen water, uit de Noordzee +gehaalt, moest in gegooten worden; alzo het anders niet zoude uitgaan. +Zulks gedaan wordende, zo verdween de vlam. De Duivel kon ligt genoeg +zien, dat het land door de slag van het water geweldig ondermynt +wordende, de Noordsche golven daar wel haast haaren loop zouden +neemen.</p> +<p>In den jaare 240 is Tiete overleden: en zyn neef <span class= +"sc">Ubbe</span>, zoon van Richold, Tietes Broeder, is in ’t +zelve jaar tot 4de Hertog verkooren. Door dien hy zeer vredelievend +was, heeft hy ’t Land met treffelyke gebouwen, sterktens, +vestingen, dorpen en steden verheerlykt. In ’t 2de jaar van zyne +regeeringe bouwde hy in Westfaalen, dat hy met volk bezet hadde, een +slot, geevende het zelve den naam van Tiete, na zyn oom, of +Tietenburg<a class="noteref" id="xd20e683src" href="#xd20e683" name= +"xd20e683src">19</a>. Het zelve is nu een stad, maakende met het +omleggende gewest het graafschap uit, voerende beide den naam van +Tekelenburg, en in zyn wapen noch tweemaal 3 Plompen, nevens 2 Ankers, +uit het oude Friesche wapen.</p> +<p>In den jaare 248 stichte Ubbe aan de Lauwers een sterk kasteel, +’t welk hy den naam gaf van Dokkenburg, dat zo veel gezegt is als +Havenslot; want Dokke, zeggen <span class="pagenum">[<a id="pb23" href= +"#pb23" name="pb23">23</a>]</span>de Geleerden, is in oud Duitsch een +haven, doch word in Friesland ook in de beteekenis van een kinder +poppetje gebruikt. Gemelde kasteel was zeer bequaam, om de haven tegen +de zeeroovers te beschermen. Naderhand is ’er de stad Dokkum van +geworden. Staveren heeft hy veel vergroot, en met heerlyke gebouwen +aanzienlyk gemaakt.</p> +<p>In den jaare 260, ten tyde als Hertog Haron een Heer des lands was, +is ’er naauwelyks eenig landschap in gantsch Duitschland geweest, +of het brande en blakerde van oorlog. In Zweeden, Noorwegen, Hessen, +Friesland, enz. was alles op de been. Van dezen Haron zoude het dorp +Haren alhier zyne benaminge ontfangen hebben.</p> +<p>In den jaare 279 vielen de Baatenburgers in Friesland, en deeden +veel quaad, eer de Friesen zich verweeren konden: maar als Ubbe hen met +een party volk<a class="noteref" id="xd20e701src" href="#xd20e701" +name="xd20e701src">20</a>, zo spoedig als hy ’t zelve byeen konde +krygen, tegen quam, wierd ’er aan weêrskanten hardnekkig +gevogten, en vielen wederzyds wel omtrent 500 mannen.</p> +<p>In den jaare 289 zyn de Hollanders, Friesen, Drenthers, enz. in den +winter, als de wateren bevrooren waren, met een schrikkelyk groot +krygsheir den Rhyn gepasseert; inneemende de landen aan geene zyde +dezelve <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name= +"pb24">24</a>]</span>gelegen, doodslaande en verwoestende voorts alles, +daar maar Roomsche bezettinge inlag.</p> +<p>In den jaare 299 overleed Ubbe, en wierd te Staveren, by zyn oom +Tiete, in de groote kerk begraven.</p> +<p>Om dat zyn oudste zoon Odilbald by den Keizer Diocletianus, wegens +het inneemen van de stad Alexandria, in groote achting was, en hem tot +wigtige zaaken in Egypten groote dienst deed, zo wierd <span class= +"sc">Haron</span>, Ubbes jongste zoon, tot 5de Hertog van Friesland +verkooren, en trouwde de dochter van den Koning der Deenen.</p> +<p>In den jaare 308 en eenige volgende jaaren, heeft Constantinus +Magnus, Roomsch Keizer, deze landen wederom onder zyn gehoorzaamheid +gebragt; doende de guarnisoenen versterken, nieuwe kasteelen bouwen, en +de oude verbeteren<a class="noteref" id="xd20e717src" href="#xd20e717" +name="xd20e717src">21</a>. Voorts alle de geene dreigende, die zich in +volgende tyden zouden roeren, hen te vuure en zwaarde te zullen +vervolgen.</p> +<p>Omtrent den jaare 312 is Westfriesland, dat dus lang als verlaaten +en woest had gelegen, van 5 voornaame mannen begonnen bebouwd te +worden, en met dorpen en heerlykheden versiert. Waar van Diderik, zoon +van Radbout, zoon van Askon, eerste <span class="pagenum">[<a id="pb25" +href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span>Hertog der Friesen, wel de +grootste aanleider was: dezelve heeft ook het eerste ontwerp van +Medenblik gemaakt, en tot een Hoofdstad van Westfriesland gestelt.</p> +<p>In den jaare 334 heeft Diderik, door deze nieuwe heerlykheden +verhovaardigt zynde, den naam van Koning willen voeren. Waarom Haron, +Hertog der Friesen, hem zo met wapenen te keer ging, dat hy binnen 3 +dagen te Staveren quam; en gemelde Diderik dwong zyne Koninglyke Kroon +af te leggen. En Diderik, als overwonnen, zynen overwinnaar om +vergiffenisse bad, die hem eindelyk toestond Hertog van Westfriesland +te blyven: doch met eene eeuwige onderwerpinge onder hem en zyne +nakomelingen. Diderik had een zoon en zoons zoon, die beide Lem of +Willem genaamt waren. Van de laatste draagt Haarlem zynen naam.</p> +<p>Van dien tyd af is de naam van Westfriesland geweest: ook zyn de +inwoonders doe Friesche Buinen, dat is Plompaarts, (Frisiabones) +genaamt<a class="noteref" id="xd20e731src" href="#xd20e731" name= +"xd20e731src">22</a>.</p> +<p>In den jaare 335 is Haron by ’t Roode Klif overleden, en te +Staveren by zynen vader in ’t graf gelegt.</p> +<p><span class="sc">Odilbald</span>, Harons zoon, wierd aanstonds +<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name= +"pb26">26</a>]</span>tot 6de Hertog verkooren. Hy was een dapper +krygsman, en tot de landbestiering wel onderwezen.</p> +<p>In den jaare 339 heeft hy Staveren noch wyder uitgezet, en hooger en +breeder muuren daarom getrokken, en met diepe wyde gragten voorzien, en +met heerlyker vryheden begiftigt. Het land liet hy alomme met meer +buurten en dorpen bezetten, en dezelve met volk bewoonen. Aan de +Lauwers, tusschen Dokkenburg en Schiermunniksoog, heeft hy mede een +stad doen bouwen, die Waarden wierd genaamd, om het land voor +zeerooveryen te beschermen.</p> +<p>In den jaare 344 zyn de Westfaalingen, met die van Angria<a class= +"noteref" id="xd20e747src" href="#xd20e747" name="xd20e747src">23</a>, +hunne gebuuren, tusschen de Eems en de Lauwers, daar nu Groningerland +is, ingevallen. Doch Odilbald heeft niet alleen hunnen roof ontjaagt, +maar hen zelve in hun land vervolgt, dat hy onder zyn gebied bragt, en +eenen Igle Laskon tot Overste daar in gestelt, die ’t ook 65 +jaaren trouwhartig bewaarde. Ook bouwde hy aldaar tot zekerheid 3 +kasteelen, als in Angria, Soest en der Yburg: welke 2 laatste nu steden +van die naamen zyn. Na gemelde overwinning, vertrok Odilbald weder tot +zyn slot Dokkenburg.</p> +<p>Hy bequam ook na eenige dagen tyding van den inval der Baatenburgers +in Friesland. <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name= +"pb27">27</a>]</span>Dewelke van hem aangetast zynde, bleeven ’er +wederzyds omtrent 400 dood: doch de Baatenburgers vlugtende, nam hy +eenige van hunne sterktens in, en versloeg noch van de vlugtelingen wel +250 vyanden: keerende met goeden buit weder te rugge. En leefde +voortaan gerust, zonder eenige oorlogen.</p> +<p>In den jaare 357 verbrande de onlangs gebouwde stad Waarden geheel +af.</p> +<p>In den jaare 359 overleed Odilbald, tot droefheid van zyn volk.</p> +<p>In ’t begin van den jaare 360 is <span class="sc">Odolf +Haron,</span> de laatste Hertog verkooren. Zyne genegentheid was zeer +tot den oorlog, en was door Laskon in den wapenhandel wel geoeffent en +onderwezen.</p> +<p>In den jaare 368 zyn die van Angria, de Westfaalingen en Gelderschen +tegen Igle Laskon opgestaan. Doch Haron met een machtig leger +afkomende, versloeg hen, plonderde Gelderland, en bragt het onder zyn +gebied.</p> +<p>Niet lang daar na zond Igle aan Haron een wolf, die over den huid +met veelerlei zeldzaame afbeeldzels van hoofden bezet was. Haron +vereerde denzelve aan den Keizer Valentinianus, als een +wonderschepzel.</p> +<p>In den jaare 376 vergaderde Odolf een grooten hoop volk by Staveren +en Dokkenburg, waar mede hy in ’t oost en zuidoost is +opgetrokken, neemende aldaar verscheidene vestingen in, die hy met volk +bezette. <span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name= +"pb28">28</a>]</span></p> +<p>In den jaare 377, heeft Odolf de afgebrande stad Waarden weder +opgebouwt, en Ezonstad genaamt, daar nu Emmerzyl is<a class="noteref" +id="xd20e772src" href="#xd20e772" name="xd20e772src">24</a>.</p> +<p>In den jaare 385 kon Friesland zyne Inwoonders niet voeden, alzo de +traage akkerbouw schaarsheid in levensmiddelen voortbragt, zo dat by +gemeenen raade wierd goedgevonden, een gedeelte strydbaare mannen by +lotinge uit te kiezen, om een ander land op te zoeken: ja de Hertog +Odolf was zelve zo toegeevende, dat hy deze lotinge mede over zyne +eigene zoonen liet gaan, en het lot mede op hen is gevallen: des Hengst +en Hors, zyne zoonen, tot Hoofden van ’t uitgelote volk gestelt +zynde, hebben den Eiderstroom aangedaan, en aldaar zich nedergeslagen: +want zy aan ’t Hof van den Keizer Valentinianus zeer wel in +krygs- en staatszaaken onderweezen waren; als ook by Karel Taxander, +10de Hertog van Braband, groote proeven van kloekmoedigheid hadden +gegeeven; en ook by Laskon lang in Westfaalen geweest waren. Het land, +dewyl het laag en broekig was, wierd met dyken en sluizen, tot haar +gebruik ten nutte gemaakt: en gaven ’t den naam van kleen +Friesland, vervattende het land dat <span class="pagenum">[<a id="pb29" +href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span>men nu Eiderstede, Angelen en +Strantfriesen noemt<a class="noteref" id="xd20e782src" href="#xd20e782" +name="xd20e782src">25</a>.</p> +<p>In den jaare 389 hebben de volkeren dezer landen aan de Romeinen +schattinge geweigert te geeven, en daar by hunnen Raadsheer Sisinus met +al zyn volk doodgeslagen. Daar op togen zy langs den Rhyn, en vielen +zeer schrikkelyk op de Romeinen in, om hen uit het land tusschen Rhyn +en Maas gelegen te verdryven; doch te sterken tegenstand vindende, +moesten zy vrugteloos weêr te rug trekken.</p> +<p>In den jaare 420 hebben deze volkeren wederom een schrikkelyk +krygsheir byeen gezamelt, en in de wapenen gebragt; vallende voorts by +Doesburg over den Rhyn, en hakten alles, wat zy van de Romeinen op de +been vonden, kapot; voorts het gansche land doorstroopende, namen zy +alle steden en sterktens tusschen Rhyn en Maas in bezettinge, en +bevolkte dezelve met hun eigen natie.</p> +<p>In den jaare 429 zyn in Friesland, alschoon Haron en de zyne +afgodendienaars waren, door de Christenen 4 kloosters gesticht.</p> +<p>In den jaare 432, Haron, wegens zynen ouderdom, de regeering moede +geworden zynde, heeft met goedvinden van de Staaten des Lands, zyn +zwager Offe in deszelfs plaatze gestelt. <span class="pagenum">[<a id= +"pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span></p> +</div> +<div class="div2" id="negenkoningen"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e796" class="main">III. Onder negen Koningen.</h3> +<p class="firstpar">Zo wierd <span class="sc">Richold Offe</span> in +Odolfs plaats verkooren, en is 1ste Koning geworden.</p> +<p>In den jaare 435 zyn de Noormannen met een groote scheepsvloot in +Groningerland geland, trekkende voorts voorby het Huis Groenenberg, in +’t Drenth, roovende en plonderende alles wat ze konden krygen. +Doch Richold, Koning der Friesen, heeft hen met zyn macht het land +wederom doen ruimen.</p> +<p>In den jaare 436 overleed Odolf Haron: van doe af aan heeft Richold +den naam van Koning eerst aangenomen, om dat hy zyne gebuuren zulks zag +doen: want hy meer land onder zyn gebied had, als iemand onder hen, te +weeten, van de Fliestroom af tot de Eider, en geheel Westfaalen.</p> +<p>In den jaare 442, zyn de Noormannen, een onrustig volk, leevende van +den roof, om buit in Friesland gekomen; en hebben ’t land tot den +grond toe bedorven, maar Richold, een man van onbezweeken moede, trok +hun by Grunenberg<a class="noteref" id="xd20e809src" href="#xd20e809" +name="xd20e809src">26</a>, nu Groningen, te gemoet; doch verloor in +dien stryd, alzo zyn volk moede was van den tocht, by de 300 mannen, +en, ten zy de nacht daar <span class="pagenum">[<a id="pb31" href= +"#pb31" name="pb31">31</a>]</span>niet tusschen gekomen ware, zouden de +vyanden hem met de zynen geheel verslagen hebben. Doch met het +aanbreeken van den dag, is hy andermaal op de Noormannen aangevallen, +en <span class="corr" id="xd20e814" title="Bron: versloegze">versloeg +ze</span>, dat ’er 900 op de vegtplaats dood bleven; de overige +wierden van de landlieden verslagen, ja men weet niet dat ’er een +van ontkomen is.</p> +<p>In den jaare 449, als Hengst en Hors geweldige rooveryen op zee +bedreeven, heeft Vortigern, der Britten Koning, hunne hulpe tegen de +Pikten en Schotten gebruikt, die zy overwonnen; en stichten, na veel +tegenstand, aan de voorkant van Engeland het Ryk, dat noch Kent genaamt +word, en daar Hengst de 1ste Koning is geweest: geevende hunnen +oorspronk aan de tegenwoordige Engelschen, gelyk de naam van Angelen en +Angelboeren, te vooren gemeld, ook wel uitwyzen. 2 Friesche Edelingen, +als Tæke Heerema en Douwe Hiddema, waren hunne Admiraalen, die +ook het Eiland Frisland zouden opgedaan en dien naam gegeeven +hebben.</p> +<p>In den jaare 453 bouwde Richold tusschen Staveren en Medenblik een +groote kerk, en stelde die tot een Vryhuis voor de ballingen<a class= +"noteref" id="xd20e821src" href="#xd20e821" name="xd20e821src">27</a>. +En in ’t volgende jaar maakte hy vrede met de Noormannen. +<span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name= +"pb32">32</a>]</span></p> +<p>In den jaare 463 bouwde hy binnen Staveren een kostelyk en koninglyk +Huis, daar hy alle Prinsen en Hertogen van Frieso den 1sten af, tot +zynen tyd toe, in liet afbeelden; met een naauwkeurig verhaal van hunne +daaden en tyd van regeeringe daar by gestelt. Waar van het gerucht +alomme verspreide tot vreemde volkeren, en nieuwsgierigheid verwekte, +ja zelfs dat Karel de Schoone, Hertog van Braband, nevens zyne +Hovelingen, zich naar Staveren begaven, om de pragt en deftigheid van +dat werk met verwondering te bezichtigen.</p> +<p>In den jaare 471, als Odilbald, Richolds zoon, aan Haddinge, der +Noormannen Konings dogter, getrouwt was, wierd hy van zyn vader tot +1ste Graaf van Tietenburg gestelt, dat nu Tekelenburg genaamt word.</p> +<p>In den jaare 496, deed Klodoveus, (Klovis) zoon van Childrik, Koning +van Vrankryk, een inval in Friesland, meenende hetzelve onder zyn +gebied te brengen. Maar Richold heeft hem zoo wel ontfangen, dat hy met +groote schande weder naar Vrankryk moest vlugten. Na dien tyd had +Richold goede vrede, liet veele huizen, hoeven, heerlykheden en +slooten, die wy stinzen noemen, alomme aanbouwen: ook stichte hy, tot +vermaak van zyn hofgezin, een lustige Stins en Lusthof, in een woud, +omtrent een myl verre van Staveren, dat naderhand een geweldige meer is +geworden, die de Flusse genaamt word. En, eer dit <span class= +"pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span>jaar ten +einde was geloopen, overleed hy, en wierd van zyn zoon naar Titenburg +gevoert, en aldaar ter aarde bestelt.</p> +<p><span class="sc">Odilbald,</span> Graaf van Tietenburg, wierd in +zyn’s vaders plaats de 2de Koning der Friesen. Hy was een +verstandig en beleefd man, goedertierend over zyne onderdaanen, en +kloek tegen zyne vyanden. Zyne zoonen zond hy tot den Koning der +Noormannen, om in den wapenhandel geoeffent te worden<span class="corr" +id="xd20e846" title="Niet in bron">.</span></p> +<p>In den jaare 513 zyn in een kelder, omtrent een halve myl van +Dokkenburg, zeer subiet omgekomen 9 mannen, 3 vrouwen en 6 kinderen, zo +men vermoede door een basiliskus<span class="corr" id="xd20e852" title= +"Niet in bron">.</span> Waar op het huis aanstonds verbrand wierd, en +men vernam geen quaad meer.</p> +<p>Omtrent dezen tyd gebeurde het, ten huize van Yv Hopper, of Hopheer, +tusschen Staveren en Hoorn, (daar de Zee noch het Hoornsche Hop genaamt +word, en nu diepe baaren schiet; waar van men ook noch zegt: +<i>’t Hoornsche Hop, leegt den krop</i>,) dat een dienstmaagd, +als zy water uit de put schepte, een leevendige haring mede optrok. +Waar door Hopper verschrikte, indachtig wordende, ’t geen de +Afgod Staf voorzegt had: dat na dat vuur, daar we op ’t jaar 155 +van gemeld hebben, wel wat kouds mogt volgen. Des hy zyne landen +verkogt en verruilde, en alzo voorquam dat hy geen <span class= +"pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span>schade +door de wegspoeling derzelver behoefde te lyden<a class="noteref" id= +"xd20e862src" href="#xd20e862" name="xd20e862src">28</a>.</p> +<p>In den jaare 516 is geheel Friesland byna door de zee onder +geloopen, waar door meer dan 6000 menschen en veel vee is +verdronken.</p> +<p>In den jaare 517 zyn in Friesland ongemeene groote hagelsteenen +gevallen, waar van zommige een halve voet breed en een heele voet lang +waren, voortgedreven door een zwaaren wind. Groningen, by de Friesen +Grins genaamt, is in dezen tyd met houte planken omheiningt +geworden.</p> +<p>In den jaare 527 is Odilbald te Dokkenburg gestorven, en te +Tietenburg begraaven.</p> +<p><span class="sc">Richold,</span> zyn oudste zoon, quam door +algemeene toestemminge der Staaten, terstond in zyn’s vaders +plaats. Om zyne deugden was hy by de landzaaten zeer bemint. Onder +Richolds regeeringe had Dibbald het gezach over Westfriesland, en nam +met verlof van Richold, zyn Beschermheer, den naam van Koning +aan<span class="corr" id="xd20e875" title="Niet in bron">.</span> Zyn +zoon Lem, of Willem, bouwde een slot, dat het volk Heer Lems Slot +noemde, en wierd naderhand een Stad, die nu noch daar van Haarlem +genaamt is<a class="noteref" id="xd20e878src" href="#xd20e878" name= +"xd20e878src">29</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" +name="pb35">35</a>]</span></p> +<p>In den jaare 548 hebben de Deenen het Graafschap Tietenburg +jammerlyk geplaagt en uitgeplondert; doch de komste van Richold gewaar +wordende, zyn doorgegaan. Waar op de Koning zyn Overste Harke, uit het +edel geslachte der Rodmannen, een onverzaagden held, met een grooten +hoop volk naar Deenemarken zond; die daar zeer brande en blaakte, en +komende met een ryken buit weder in Friesland te rug. Middelerwyl zyn +ook de Gelderschen en Westfaalingen wederspannig geworden; doch als +Richold hen, met een groote macht van volk, in een slag overwonnen had, +hebbenze om lyfsgenade moeten bidden, met belofte van eene eeuwige +onderwerping.</p> +<p>In Westfriesland werd Dibbald van de Baatenburgers mede zeer +benaauwt; dat, ten waare Richold hem met geen machtige hand beschermt +hadde, hy ’t halve Land zoude kwyt geweest zyn: doch bequam nu, +boven het zyne, noch verscheidene van hunne vestingen. Hy liet, na zyn +overlyden, Ridzert Aurundulus in zyne plaats, die zyn kindskind +was.</p> +<p>In den jaare 570 ontstond ’er uit het noordwesten een +vreesselyk onweder, dat 3 dagen aanhield, en Friesland jammerlyk onder +water zette. Daar wierden op het Roode Klif 35 zwaare boomen uit den +grond gerukt en ter neêr geworpen: en van het lusthof van den +Koning Odilbald, aldaar gebouwd, wierd niet den eenen steen op den +anderen <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name= +"pb36">36</a>]</span>gelaaten. Ook overleed Richold in dit zelve +jaar<a class="noteref" id="xd20e890src" href="#xd20e890" name= +"xd20e890src">30</a>.</p> +<p><span class="sc">Beeroald</span> volgde hem in ’t landbestier, +en quam terstond het gebied van Westfriesland weder op hem: want +Aurundulus gestorven was, wiens dochter hy trouwde. Van inborst was hy +zeer mild en vreedzaam. Hy gewan twee zoonen, als Adgild en Harke, die +een onechte was; die hy deftig in de schoolen liet onderwyzen: doch +Harke verlaatende de schoole buiten ’s vaders kennisse, trok uit +lust tot de wapenen naar Braband.</p> +<p>In den jaare 606 wierd Harke uit Braband, met Pipyn van Landen, zoon +van Karelman, ten hove gezonden naar Vrankryk: daar Harke, uit afgunst +om zyne dapperheid, het hof heimelyk verlaatende, naar Schotland +vertrok; en wierd Overste van ’t Schotsche veldleger, en waar +door hy huuwde aan de maagschap van den Koning van Schotland.</p> +<p>In den jaare 612, Lotrik<a class="noteref" id="xd20e902src" href= +"#xd20e902" name="xd20e902src">31</a>, der Franschen Koning, achtende +dat de roemrugtigheid van Harke tot zyn nadeel zoude strekken, om +Friesland niet te konnen overmeesteren, liet hem door verspieders +ombrengen, <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name= +"pb37">37</a>]</span>tot groot leetwezen van den Schotschen Koning +Eugenius.</p> +<p>In den jaare 628 beeft Dagobert, nieuwe Koning van Oostvrankryk +gestelt zynde van Lotrik zyn vader, Friesland willen onder zyn gebied +brengen; op dat zy tot het Christelyk geloove zouden gebragt worden: +des hy Soest, in Westfaalen, belegerde, wierd hem van Igle of Yge +Gaalema een stuk van zyn helm en eenige hoofdhairen afgeslagen. Waarom +hy zyn vader uit Vrankryk ontbood.</p> +<p>Des Lotrik, in den jaare 630, een hoop volk byeen rukkende, +onverwagt in Friesland viel. Waar over Beeroald hem omtrent het dorp +Englum hef hoofd bied. En als Lotrik hem zag, die hy meinde al dood te +zyn, zei hy op zyn plat Fries: <i lang="fy">Ach duw aade schiere bolle, +bistu dir salm!<a class="noteref" id="xd20e913src" href="#xd20e913" +name="xd20e913src">32</a></i> Het welk terstond voor Lotriks ooren +komende, week hy niet uit den stryd, voor dat hy Beeroald gedood hadde. +En heeft daarom alle Friesen, drie dagen lang, dood laaten slaan, die +langer waren dan zyn zwaard. Van dien tyd af heeft Dagobert de Friesen +veele landen ontnomen.</p> +<p><span class="sc">Adgild</span> wierd in zyn’s vaders plaats +tot 5de Koning van Friesland gestelt, wegens <span class= +"pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name="pb38">38</a>]</span>Lotrik, +Koning van Vrankryk; en stelde 4 Friesche heeren tot Raaden nevens hem, +die de Christenen wel mogten lyden. Maar de landen over de Zuiderzee, +verstaande Westfriesland daar niet onder, wierden hem afgenomen: als +mede dat zij buiten Drenth en Twente hadden bezeten; doch oostwaards +aan bleef het in zyn geheel: en een jaarlyksche schattinge van 600 +ossen of koeyen wierd hun opgelegt.</p> +<p>In den jaare 652 was Friesland in gerustheid, midden in der +Franschen oneenigheden; en Adgild leerde de Ingezetenen, voor de +overstroomingen, hooge aardhoopen, die wy Terpen noemen, opwerpen; om +by ’t doorbreeken der zeedyken, met hunne beesten, goed en have +aldaar de vlugt te neemen. Dagobert, Koning van Oostvrankryk, bouwde te +dezer tyd een slot, nevens Wiltenburg, dat hy Utrecht benoemde, alwaar +de schepen, die uit zee den Rhyn opvoeren, zich moesten vertollen. +Welke plaats in voorigen tyd den Friesen had toebehoort. Hy gaf dit +nieuw gebouwde Utrecht aan Thuinibert, Bisschop van Keulen, die daar +aan de Thomas Kerk, een oeffenhuis van predikers, stichte, om de +Friesen van hun ongeloove te bekeeren. Adgild had een zoon gewonnen, +die Radbout heete, en eene dochter, Heile genaamt.</p> +<p>Omtrent den jaare 671 hadden de Friesen eene goede vrede, terwyl +’t rondom door <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" +name="pb39">39</a>]</span>de wapenen der Franschen als in den brand +stond: want Adgild, erkennende van wien hy ’t Ryk ontfangen +hadde, deed alles naar der Franschen zinnelykheid<a class="noteref" id= +"xd20e939src" href="#xd20e939" name="xd20e939src">33</a>, en liet de +Christenen hunne godsdienst met alle vryheid oeffenen.</p> +<p>In den jaare 672 vertrok Radbout naar Deenemarken, om zich in den +wapenhandel te oeffenen: en wierd, ook aldaar noch meer in zyn +ongeloove gesterkt.</p> +<p>In den jaare 678 heeft Adgild, den Prediker van Utrecht, genaamt +Kenochius, toegelaaten in Friesland te prediken. En Wilfrid, +Aardsbisschop van Jork, zullende naar Romen reizen, doch door onweder +in Friesland vervallen, wierd den geheelen winter huisvestinge +gegeeven, inmiddels dezelve mede alomme de Christelyke leere verbreide +en veele doopten: doch de Koning en zyn hofgezin begeerden van hun +ongeloove niet af te wyken. Maar, om grootere voortplantinge te doen, +zo vereischten meerdere arbeiders; des hy hier over schreef aan de +Broederen in Engeland.</p> +<p>In den jaare 679 overleed Adgild, en wierd te Staveren begraven.</p> +<p><span class="sc">Radbout</span> is de 6de Koning der Friesen +geworden, in zyn’s vaders plaatze: hy was <span class= +"pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name="pb40">40</a>]</span>onrustig +en wreed van gemoed, en tot den oorlog zeer genegen. Hy nam het zeer +euvel op, dat zyn vader zo gewillig onder de Franschen hadde gestaan: +waarom hy ook de landen, die zy zyn vader hadden afgenomen, met het +zwaard wilde wederhaalen. Des hy, om geld te bekomen, zyne onderdaanen +onverdraagelyke schattingen opleide, en de onvermogenden gebruikte hy, +door houte duimyzers, als slaaven. Want de Friesen lieten zich, buiten +redenen, niet vrywillig om den tuin leiden. En om des te bequaamer tot +zyn voorneemen te komen, voerde hy zyn hofgezin naar Staveren. Van waar +hy optrok, en het slot Wiltenburg en Trajectum, nu beide Utrecht +genaamt, weder veroverde. Ondertusschen was Wigbert, op het schryven +van Wilfrid, naar Friesland vertrokken: doch is, wegens de +onbekeerlykheid van het volk, na 2 jaaren, weder in Engeland te rugge +gekomen.</p> +<p>In den jaare 690, als Egbert, Bisschop van Jork, daar door tot +mededogentheid ontroerd wierd over de Friesen, heeft hy 12 geleerde +mannen, uit verscheidene kloosters, byeen vergadert; waar onder +Willebrord, en zyn neeve Switbert, de voornaamste waren: dewelke allen +den Rhyn inkomende, zyn te Utrecht aangeland, en, wegens de +vredelievende eenvoudigheid van die tyden, hunne goederen in ’t +gemeen gebruikende, hebben zy met een heiligen yver, tot het onderwyzen +<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name= +"pb41">41</a>]</span>der onweetende of afgodische Friesen, van daar een +aanvang gemaakt. Maar alzo gemelde Friesen, in hunne afgodery noch als +verzoopen lagen, wierd hun niet toegelaaten om Gods Woord te +verkondigen, en met bedreiginge van leevensstraf, zo zy zulks +ondernamen. Des zy de platte landen en aangrenzende landstreeken van +Friesland zyn doorgewandelt, op dat zy noch eenigen voor Christus +mogten gewinnen.</p> +<p>In den jaare 693 heeft Pepyn, dies tyds Voorvegter der Franschen, en +Hertog van Braband<a class="noteref" id="xd20e961src" href="#xd20e961" +name="xd20e961src">34</a>, Radbout weder uit Wiltenburg verjaagt: die +zich van dien tyd af als balling op een eiland onthield, alwaar hy en +zyn volk groote afgodery met eenen afgod Foste bedreeven; waar van +gemelde eiland ook Fosteland, nu Heiligeland, genaamt is, leggende in +de bogt van Jutland.</p> +<p>In den jaare 694 quam Willebrord met de zynen op dat eiland, en +begonnen, na eenige dagen daar geweest te hebben, Christus te +verkondigen: maar konden niet meer als 3 menschen van hun ongeloove +aftrekken, en, na zy de beelden van Jupiter en Foste afgeworpen hadden, +dat Wigbert met de dood moest bekoopen, zynze door Radbout weder +<span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name= +"pb42">42</a>]</span>van daar verjaagt. Maar, als zy naar Pipyn +vertrokken, wierdenze door deszelfs toedoen weder in Utrecht herstelt. +Van welken tyd af zy zeer veel bekeerden.</p> +<p>In den jaare 695 bouwde Willebrord, op de plaats van de afgeworpene +kerk, binnen Utrecht, eene andere ter gedachtenisse van het kruis.</p> +<p>Daar maaktenze een verdeling, en zonden van hen af, by tweeën +en drieën, na de deelen van Duitschland, om de Christelyke leere +aldaar mede onder de ongeloovigen voort te planten. Willebrord bleef te +Utrecht; en Switbert, met twee medehelpers, vertrokken naar Wyk te +Duurstede, daar nu Baatenburg is: alwaar zy door een wonderwerk veelen +bekeerden. ’t Welk zy te Utrecht boodschappende, zo zyn +Willebrord en Switbert, om de zaaken wel te bestellen, tot Hoofden +uitverkooren. Switbert vertrok naar Engeland, daar hy Bisschop wierd +gemaakt, en deed, na zyne wederkomst, in Friesland, Holland, en +Teisterband veele stichtinge.</p> +<p>In den jaare 697 quam Willebrord weder te Utrecht, zynde in ’t +voorgaande jaar van den Paus te Romen aangestelt tot Bisschop der +Friesen, daar in dien tyd de Groningers, Overysselschen, Utrechtschen, +Hollanders, en Gelderschen mede onder begrepen waren; en stelde zynen +zetel te Utrecht: Waar van zyne navolgers Bisschoppen van Utrecht zyn +genaamt geworden, daar hy de <span class="pagenum">[<a id="pb43" href= +"#pb43" name="pb43">43</a>]</span>eerste van was; en Switbert was zyn +medehelper.</p> +<p>Dit alles kon Radbout met geene goede oogen aanzien; waarom hy +Gerlacus, een woedend krygsman en Overste van Fosteland of Heiligeland, +woonende te Warns, alwaar hy ook een sterk slot gebouwd hadde, afzond, +eerst om Baatenburg, en dan Utrecht te vermeesteren. Maar is van Pipyn +zodanig overwonnen, dat hy hem veel buit moest achterlaaten, als mede +eene belofte doen, om de Christenen in Friesland te vergunnen, Gods +woord vry te mogen verkondigen. Ook wierd Willebrord ondertusschen van +Pipyn aangemaant, om het heilige werk met yver in Friesland voort te +zetten.</p> +<p>In den jaare 698 verzond Willebrord veele vroome en geleerde mannen +naar Friesland: maar hunne leere wierd niet aangenomen, en zy in +tegendeel bespot, verjaagt en doodgeslagen.</p> +<p>In den jaare 700 Wulfranus, Bisschop te Sens, een stad in Champagne, +in Vrankryk, door den geest geroert zynde, is met brieven van +voorschryvinge des Konings van Vrankryk, aan Radbout, in Friesland +gekomen; daar hy, door zyne krachtige welsprekentheid, veel volk won, +en ook den Koning byna bewoogen had, zo dat hy zelve begeerde gedoopt +te zyn. Waar op hy Koning, met den Bisschop buiten Medenblik gaande, +alwaar Radbout dien tyd zyn verblyf had, en reeds den eenen voet nu al +in <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name= +"pb44">44</a>]</span>’t water gezet hebbende, vroeg hy gemelde +Bisschop: Waar zyne voorouderen, die zonder den doop gestorven zyn, +waren gebleven? De Bisschop dien ruuwen mensche, door onvoorzigtigheid, +wat t’ onbedagtelyk antwoordende, zeide: Dat buiten de kennisse +van Christus, en den waaren God, met verachtinge van de heilige +Sacramenten, geene zaligheid te bekomen was: en daarom moestenze in de +helle zyn. <i>Wel,</i> antwoorde Radbout, <i>dan zal ’t my veel +grooter eere en aanzien geeven, dat ik by myne voortreffelyke en +beroemde Voorvaderen in de helle ben, als met een geringen hoop +Christenen in den hemel.</i> En trok aanstonds zyne voet te rugge uit +het water, met beschimpinge van den Bisschop.</p> +<p>In den jaare 719, als Radbout zag, dat de christenkennisse +grootelyks in Friesland toenam, en zyne afgodendienst in verachtinge +quam, is hy, ten deele uit spyt, en ten deele door een knaaging van zyn +aangeroerd gemoed, na een zesjaarige uitteering, eindelyk binnen +Medenblik overleden, en te Staveren begraven.</p> +<p><span class="sc">Adgild,</span> de tweede van dien naam, wierd van +het volk tot zevende Koning verkooren, in zyn’s vaders plaats. Hy +regeerde het land in groote gerustheid en vrede. Ook liet hy de +Christenen onverhindert in hunne oeffeningen; want hy had zelve de +Christelyke leere aangenomen, en zich laaten doopen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name="pb45">45</a>]</span></p> +<p>In den jaare 726 quam Horne, een onechte zoon van Radbout, uit +Deenemarken; en alschoon hy zyn vader in ongestuimigheid en wrevel +gelyk was, heeft hy zich echter, door Adgilds toedoen, laaten doopen. +Deze heeft de stad Hoorn gebouwd.</p> +<p>Omtrent den jaare 728, als de christenkennisse te Utrecht zeer +toenam, heeft Bisschop Willebrord wederom verscheidene leeraars naar +Friesland gezonden. Welke, schoon zy vry en veilig konden gaan, evenwel +weinig voordeel by de hardnekkige Friesen hebben kunnen doen: want de +blindheid des volks, en zugt tot hunne afgoderye, was te groot. Een +Veldoverste Richold, veinsde te willen zyn gedoopt, doch bespotte den +Christendienaar op gelyke wyze, als wy hier boven van Radbout hebben +aangeteekent.</p> +<p>In den jaare 729 is Karel Martel,<a class="noteref" id= +"xd20e1004src" href="#xd20e1004" name="xd20e1004src">35</a> Koning van +Austrasia of Oostvrankryk, met een groote vloot schepen op de rivier de +Burde aangekomen, zynde van den Bisschop Willebrord daar toe verzogt, +om de Friesen te noodzaaken hunne afgoderye te verlaaten: hy overwon +den Overste Poppe, zoon van Gerke; waar op hy Friesland zeer verwoeste; +de afgodische kerkhoven en beelden <span class="pagenum">[<a id="pb46" +href="#pb46" name="pb46">46</a>]</span>uitroeide en verbrande, en veel +roof mede nam. Na welke overwinninge, Willebrord alomme Christen kerken +deed bouwen. En de Friesen, uit vreeze voor de Franschen, derfde de +Christenen niet meer tegenstaan.</p> +<p>In den jaare 736 is Bisschop Willebrord ontslaapen: uit zyne +onderwyzingen zyn veele deftige leeraars voortgekomen, en is een +werktuig geweest van de bekeering der Friesen, die hem daarom wel in +goede erkentenisse mogen houden. In zyn plaats quam Bonifaas, als +tweede Bisschop der Friesen, te Utrecht, en verbeterde het verval der +kerke grootelyks, met ongemeene stichtinge, in deze landen.</p> +<p>In den jaare 737 overleed Adgild, en is te Staveren by zyn vader in +’t graf gelegt. Door hem is de stad Alkmaar gesticht. Eene van +zyne dochters, Konovelle genaamt, was uitgehuuwt aan Adelbrik, een +voornaam edelman, die omtrent Sixbierum een slot had gesticht, dat hy +Adelburg noemde. Hy had veele kinderen, aan wien hy zyn goed by zyn +leeven uitdeelde: daarom begeerde hy dat zy zich niet van Adelburg, +maar van Adelen zouden laaten noemen; dat noch tot heden zo gebleven +is.</p> +<p><span class="sc">Gundebald,</span> Adgilds zoon, wierd tot achtste +Koning ingehuldigt: hy was, als zyn vader, mede tot het Christelyk +geloove bekeert, en had gestadige vrede in zynen tyd. Hy heeft van +’t kasteel Dokkenburg de stad Dokkum gebouwt. <span class= +"pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name="pb47">47</a>]</span></p> +<p>In den jaare 739 quam Saake Rodman, met eene uitmuntende geleerdheid +en krygskunde voorzien, in Friesland, hebbende 13 jaaren op ’t +hof van den Keizer, Paus en Hertog van Venetien verkeert, waarom +Gundebald hem tot zynen raadsman aannam: en deed groote weldadigheid +aan de stamme der Rodmannen.</p> +<p>In den jaare 749 overleed Gundebald, nalaatende twee zoonen, als +Gundebald de tweede en Jan, welke om zyne vroomheid gebynaamt wierd +Priester Jan, daar verscheidene vertellingtjes van zyn. Zyne dochter +Taekle huuwde aan Haaje Kamminga, en haare dochter namaals met eenen +Ode Botnia, Hertog van Zweeden; alwaar ’t geslachte van Botnia +uit voortgesprooten is.</p> +<p><span class="sc">Radbout,</span> de tweede van dien naam, is de +laatste Koning der Friesen geweest; zynde de broeder van Gundebald, en +zoon van Adgild de tweede: van welke hy veel verschilde, doordien hy in +Deenemarken opgevoed, en in de afgoderye zeer gewoon was: hy wierd +godloos en wreed, en alzo hy nog jong was, geen meester van zyne +verkeerde hartstogten om dezelve te bedwingen.</p> +<p>Zynen afgod Foste stelde hy op Ameland wederom ten toon: om de +Christenen nochmaals dezelve te noodzaken, en van hun geloove af te +trekken; of by weigering, strafte hy dezelve met de dood, of bande ze +uit den lande. Dus handelde hy ook met Rodman en de zynen, om het +Christen <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name= +"pb48">48</a>]</span>geloove, en beroofde hen van alle de waardigheden +en eerampten, by Gundebald voorheen aan hen vergunt. Des Saake, zyne +goederen verlaatende, tot den Koning van Vrankryk de vlugt nam; die hem +in groote achtinge hield.</p> +<p>In deze dagen had Solke Forteman de geschiedenissen en daaden der +Friesen, van hunnen oorsprong af tot op zynen tyd toe, vlytig +beschreven: en om dat hy Radbout zo veel eere niet gaf, als zyn +gestorven broeder, die de Christelyke leere had voorgestaan, daar deze +de vervloekte afgoderye weder op den troon trachte te stellen, zo wierd +dit Radbout, door zyne benyders, en inzonderheid door toedoen van +Syvert, Priester der Druïden, op ’t Oude Hof, aangebragt: +waar op Fortemans boeken voor zyne oogen wierden verbrand, en hy zelve +in de gevangenis geworpen.</p> +<p>In den jaare 752 heeft Bonifaas tweede Bisschop van Utrecht, +goedgevonden, de Christenheid, die Radbout zo wreevelmoedig verdrukte, +in Friesland wederom te herstellen: des hy met 51 leeraars te Almeenum, +daar nu Harlingen is, aangekomen zynde, hebben zy zich eerst in +Westergo verspreid, de afgoden te landewaarts omgeworpen, Christen +kerken gesticht, en veel volk bekeert: en om andere mede te stichten, +voeren zy de Burde ten einde, hunne tenten nederslaande by ’t +dorp Oudeboorn, <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name= +"pb49">49</a>]</span>alwaar zy mede eenige geestelyke voordeelen +deeden.</p> +<p>In den jaare 754, als ’er veele nieuwelingen gedoopt waren, zo +beloofde Bonifaas hun de bevestiginge, naar de wyze der Roomsche kerk, +op Pinxter binnen de stad Dokkum te geeven. Maar ter bestemder plaatze +en tyd quam een hoop moordenaars, die den Bisschop en zyne +medearbeiders wreedelyk vermoorden. Tot even voor de reformatie +vertoonde men noch te Dokkum van dezen Bonifaas zyn herssenpan, +Bisschops staf en andere overblyfzelen; dat zy het volk wilden doen +gelooven.</p> +<p>Omtrent den jaare 769 was in Friesland een dapper en geleerd +edelman, genaamt Feye Forteman; welke namaals Veldoverste onder Karel +den Groote wierd, en die zich mede tot het Christen geloove +bekeerde.</p> +<p>In den jaare 769 heeft Radbout een harden aanval op Utrecht gedaan, +waar door hy haar geweldig plaagde; en van Pipyn geboden zynde, daar +van af te zien, achte hy zulks weinig.</p> +<p>In den jaare 775, als Radbout uit eigener booze driften, en door de +opstookinge eerst van Syvert, en daar na van Okke, Priesters der +afgodische Druïden, zeer verwoed tegen de Christenen te werk ging, +klaagdenze zeer erbarmlyk aan Karel den Groote, Koning der Franschen. +Welke Koning, na dat hy de Saxen overwonnen hadde, de Friesen mede +beoorloogde, en Radbout in twee veldslagen, <span class= +"pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name= +"pb50">50</a>]</span>overwonnen hebbende, vluchte dezelve liever in +Deenemarken, als dat hy de Christenen by verdrag of vredeverbond in +’t land wilde vrye oeffening van hunne godsdienst vergunnen. En +dit wierd de gelegentheid, dat de Koninglyke Heerschappye in Friesland +een einde nam.</p> +</div> +<div class="div2" id="vreemdeheren"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e1048" class="main">IV. Vreemde Heeren.</h3> +<p class="firstpar"><span class="sc">Karel</span> de <span class= +"sc">Groote,</span> Friesland dus onder zyn heerschappye gebragt +hebbende, heeft het zelve als een overheerd land of provintie gehouden, +en stelde ’er Landvoogden over, die ’t in zynen naam +bestierden of regeerden.</p> +<p>Hy nam ook zeer ter harten, dat ’er vroome en geleerde mannen, +om de Christenheid yverig voort te planten, wierden naar toe +gezonden.</p> +<p>In den jaare 777 is Ludger, die te Wierum in Friesland gebooren was, +een man van eene uitsteekende geleerdheid, te Dokkum tot Priester +aangestelt, van wege den Bisschop van Utrecht. Deze heeft de +ongeloovigen stigtelijke onderwyzing gegeeven, en de afgodery geheel +ten lande uitgeroeit.</p> +<p>Gustavus (mogelyk Goffe of Gosling) Forteman heeft te Almeenum, dat +nu Harlingen is, een kerk, van hout en met riet gedekt, ter +gedachtenisse van den Engel Michaël<a class="noteref" id= +"xd20e1063src" href="#xd20e1063" name="xd20e1063src">36</a>, in dezen +tyd laaten bouwen, om tot een vergaderplaats <span class= +"pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>der +Christenen te dienen. Na welk voorbeeld naderhand veele kerken gemaakt +zyn.</p> +<p>In den jaare 779 vielen de Noormannen by Westerbierum, daar boven +van gemeld is, in Friesland, en versloegen den edelen Heermana: waarom +de Friesen, zeer verbittert zynde, by de 400 Noormannen versloegen, en +ontroofden hunnen geplonderden buit. Des de Noormannen, in hunne +schepen vluchtende, doorgingen. Maar de Friesen afgetrokken zynde, zo +quamen de Noormannen tusschen Kornwerd en Hindeloopen, dat doe noch een +dorp was, weder te land, welke plaatzen zy uitplonderden, en daags daar +aan verbranden. Doch die van Staveren, het eerste zulks gewaar +wordende, verjoegenze nochmaals, veroverden van hen vyf schepen en al +dien geroofden buit.</p> +<p>In den jaare 784 zyn de Noormannen wederom met Wydekind, Hertog van +Saxen, die door Karel den Groote overwonnen zynde, en in Deenemarken +gevlucht was, op de Eems aangekomen: maar wierden door die van Staveren +en Ezonstad met een goede vloot schepen van daar gejaagt. Zy noch eens +wederkomende, moesten nochmaals het Amelander Gat weder uit: des de +Friesen, hunne vyanden te gering achtende, maar zich zelve bedriegende, +beslooten hunne vloot te Staveren en Ezonstad op te leggen, als zy +deeden. ’t Welk de Noormannen gewaar wordende, zo quamenze +onverwagt de Friesen <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" +name="pb52">52</a>]</span>zodanig overrompelen, datze dezelve te vuur +en te zwaard verdreven: en dewyl Wydekind en zy zeer hardnekkige +afgodendienaars waren, dwongen ze de nieuwbekeerde lieden weder tot +hunne afgoden; die zulks weigerden, wierden van hen verdelgt, waar door +veelen vermoord wierden, en ten lande uitvlugten; onder welke Ludger en +Wydekind zich mede bevonden.</p> +<p>In den jaare 785 is Ludger, als Kerkenleeraar, in de Ommelanden +gezonden, op ’t bevel van Karel den Groote; na dat Wydekind by +hem weder in genade was aangenomen, en de Friesen ook bevryd waren: +daar hy op nieuws veele stichtinge deed.</p> +<p>In den jaare 793 is Radbout in vreemde landen overleden, zonder dat +men eigentlyk weet waar ter plaatze.</p> +<p>In den jaare 793 zyn door het doorbreeken der dyken, veele menschen +en beesten in Friesland verdronken. Waarom men alomme doe weder Terpen +begon te maken, als voornaamentlyk te Koudum, Almeenum, Midlum, Hitsum, +Winsum, Tjum, Dronryp en Uitgong, dat nu Berlikum genaamt word.</p> +<p>In den jaare 797 vielen de Deenen met eenige schepen uit Jutland in +de Lauwers, daar zy ’t zeer verwoesten en afbranden: doch die van +Staveren, Ezonstad en Dokkum rusteden ook een groote vloot uit, waar +mede zy naar Jutland voeren, en haalden mede van daar eenen grooten +roof.</p> +<p>In den jaare 804 is te Uitgong, nu Berlikum, <span class= +"pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>een +wanschapen kind gebooren, zynde ruggelings aaneen, maar anders alle +leden tweemaal, of het twee kinderen waren, en is drie weeken oud zynde +overleden.</p> +<p>Te dezer tyd woonde te Sixbierum, op het slot Adelen, Konovelle, +dochter van Adgild den tweede, zevende Koning van Friesland, welke twee +zoonen had, als Fredrik en Alfrik, die zy by den Bisschop van Utrecht +liet onderwyzen; welke zo onderwezen waren in geleerdheid, dat dezelve +beide, na den dood van den Bisschop, Bisschoppen wierden<a class= +"noteref" id="xd20e1089src" href="#xd20e1089" name= +"xd20e1089src">37</a>.</p> +<p>In den jaare 806 wierd de afgod Foste op Ameland door de Christenen +afgebrooken en uitgeroeit. In dit zelve jaar vielen heel zwaare +hagelsteenen, zo groot als henne-eyeren, die veel schade deeden.</p> +<p>Ook quamen de Deenen in dit jaar met vyf schepen ’t Flie in, +en verbranden Dyxherne en Sixbierum, behalven twee huizen en de kerk, +en vertrokken met veel roof.</p> +<p>In dit jaar overleed binnen Staveren de Overste, door Karel den +Groote over <span class="corr" id="xd20e1098" title= +"Bron: Fries-gestelt">Friesland gestelt</span>, hebbende 30 jaaren het +land geregeert. En na eenigen tyd, quam weder een andere in zyn +plaats.</p> +<p>En in dit zelve jaar, op St. Thomas dag, was ’er een zwaare +watervloed over Friesland, waar door, zo anderen verhaalen, +<span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name= +"pb54">54</a>]</span>wel 600 menschen en een groot getal beesten +verdronken, en groote schade geschiede.</p> +<p>In den jaare 808 is Olaus, of Oele, zoon van den Koning van +Deenemarken, in Friesland gevallen; en de Friesen, door zyne groote +krygsmacht, bevreest geworden zynde, ja zo dat de Landvoogd in zyn moed +byna bezweek; doch evenwel eindelyk door de Friesen tot den stryd +aangemoedigt zynde, hervatten zy gezamentlyk een heldhaftig besluit, en +gesterkt met de macht van Gaele, of Jelle (Gellius) Hardeman, Overste +van Staveren, na eenige schermutselingen, versloegenze zyn geheele +leger, neemende hem zelve, met noch 175 mannen op de Eems gevangen.</p> +<p>In dit jaar wierd te Staveren de St. Nicolaas tooren, daar de afgod +Stavo op gestaan had, door onweder van donder en blixem omgeworpen; en +wierden veele menschen en beesten gedood. Omtrent dien zelven tyd, liet +Igle Tadema, edelman, een zeer diepe put in zyn land graaven, omtrent +in ’t noorden van ’t woud Kreil, van gedagten zynde, dat +’er aanstonds water zoude uit komen, doch bleef droog tot aan den +avond van den vierden dag. Doe dacht hy een stemme te hooren, die +ettelyke maalen riep: <i>Verlaat dit land! Verlaat dit land!</i> Waar +op hy een weinig water op den grond van de put ziende, bevond dat het +zout als zeewater was. Waarom gemelde put weder toegedempt wierd; om +dat <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name= +"pb55">55</a>]</span>men indachtig wierd, als hier boven op het jaar +513 gezegt is, of ’er wel na volgen mogt, ’t geen de Duivel +door den afgod Staf gezegt had; te meer, om dat het zelve zynen +grootvader ook wedervaaren was. Igle, de derde week daar na stervende, +zo verruilde en verkogt zyn zoon Jouke, die hier alleen maar kennis van +had, alle zyn’s vaders landen en erven, op de Kreil gelegen; en +kogt weêr anderen op Geesterland. Zyn neef, Sibbe Tadema, nam dit +zeer euvel op, en vervolgde daarom Jouke zodanig, dat de stammen van +Tadema en Rodman, daar gemelde Jouke eene dochter uit trouwen zoude, +malkanderen op de bruiloft wreedelyk aanvogten en vernielden, ja zo dat +er van beide stammen geen een leevendige ziele overbleef.</p> +<p>In dit zelve jaar quamen twee walvissen, de eene 38 en de andere 29 +voeten lang, by Ezonstad, daar nu Emmerzyl is, by Oostmahorn, op strand +aandryven. Ook is het paleis van Richold Offe, door een schielyke +brand, geheel verteert<a class="noteref" id="xd20e1116src" href= +"#xd20e1116" name="xd20e1116src">38</a>.</p> +<p>Ook quamen de Noormannen dit jaar schielyk te Ezonstad, hebbende +dezelve ingenomen, geplondert en verbrand. Doch wierd weder haastig +opgebouwd. En die van Staveren, Bolswert en Dokkum rusten hier op een +Vloot uit tegen de Deenen, Jutten en <span class="pagenum">[<a id= +"pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span>Noormannen, die +malkanderen met rooven en branden aan beide zyden zeer lastig vielen: +doch ten laatsten bragten die van Staveren 6 Noordsche schepen met buit +te Dokkum op; waar van zy uitdeelinge deeden aan die ’t meeste +schade geleden hadden. Ook overleed dit jaar de tweede Landvoogd, die +Karel de Groote over Friesland gestelt hadde. Waar na gemelde Koning +Karel, inboorlingen uit den Frieschen Adel, tot Landvoogden stelde, in +plaats van Franschen.</p> +<p>In dit zelve jaar noch is Magnus Forteman van den Koning tot +Landvoogd verkooren, om het land in zynen naam te bestieren, even gelyk +als de Franschen naar hunne wetten gedaan hadden: deze Magnus was een +zoon van Gosse Forteman, waar van boven op ’t jaar 777 is +gemeld.</p> +<p>In den jaare 809, als ’er te Romen tusschen den Paus en eenige +Edelen een twist ontstaan was, waar door geheel Italien in oproer quam, +en de Saraseenen in het land vielen, is Karel, met een groote macht, om +zulks te dempen, derwaarts heen gerukt. Zo dra Forteman dit vernomen +hadde, heeft hy de Friesen mede aangeport, om by deze gelegentheid, +dewyl zy nu doch rust van de Noormannen hadden, den Keizer en de +Franschen door gedienstigheid te helpen, om dezelve meer tot hunne +gunst te trekken, en of ’er eens eene deur tot hunne voorige +vryheid konde geöpent worden. <span class="pagenum">[<a id="pb57" +href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span>Waar op gemelde Magnus, by +gemeenen raade en bewilliging, met veele gewapende Friesen, na veele +uitgestaane moeijelykheden, tot voor Romen is gekomen: gevallig ter +zelver tyd, als de Romeinen een uitval op den Keizer deeden; het welk +zy ziende, booden den Keizer hunne dienst aan, met gereedheid om op die +uitgevallene Romers een kans te waagen. De Keizer hun verzoek +toestaande, sloegen zy aanstonds hand aan ’t werk, en bragten +het, na eenige schermutselingen, zo verre, dat zy gemelde Romeinen +weder naar binnen dreeven, en mede ter poorten indringende, maakten de +Friesen zich meester van de stad; en Magnus plante zyn vendel op het +hooge raadhuis, dat de Romeinen Capitolium noemen, hoe dat het de +Franschen ook speet. Om welke daad Karel de Groote en Paus Leo de +derde, de Friesen groote aanbiedingen van goud en zilver deeden: doch +zy zulks van de hand wyzende, gaven te kennen, dat het hen alleen om de +vryheid te doen was. Waar op zy van den Keizer en Paus, met een +breedluidende Vrybrief voorzien zynde, op vrye voeten wierden gestelt, +gelyk als zy ten tyde van Karel Martel waren geweest. Na hunne +wederkomst wierd deze Vrybrief, met groote vreugde door Magnus in den +Dom of Kerk te Almeenum ter bewaaringe gebragt, benevens een Vendel. +Alwaar de Roomschgezinde wonderlyke vertellingtjes van weeten te +verhaalen: dat <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name= +"pb58">58</a>]</span>de Harlingers noch, met den stryd van den +Opperengel Michaël tegen den Draak, daar in geschildert, by hun +stads Wapen voegen: en voert noch by ons den naam van Magnus Faene.</p> +<p>In den jaare 810 zyn de Deenen, ten beveele van hunnen Koning +Gotrik<a class="noteref" id="xd20e1134src" href="#xd20e1134" name= +"xd20e1134src">39</a> met een vloot van 200 schepen, zeer schielyk aan +de Friesche kust gekomen; en hebbende eerst de vooreilanden afgeloopen, +wierden de Friesen in de derde slag overwonnen, en in Deensche +slaavernye gebragt; moetende jaarlyks een schattinge van 200 ponden +zilver opbrengen<a class="noteref" id="xd20e1137src" href="#xd20e1137" +name="xd20e1137src">40</a>. Om welke schattinge te ontfangen, heeft der +Deenen Koning Landvoogden gestelt, en bouwde een tolhuis van 240 voeten +lang, en in 12 egaale vertrekken afgedeelt; in welker eerste de +Tolmeester of Landvoogd zich plaatste, en hebbende in de achterste een +koper bekken geplaatst, alwaar de schatpenningen moesten in geworpen +worden, dat dezelve klonken, of mogt voor geen betaalinge verstrekken, +by aldien gemelde Tolmeester het geluid niet hadde gehoort.</p> +<p>En verder word verhaalt, dat Gotrik mede gebood, dat de deuren van +der Friesen huizen alle tegen het noorden moesten geplaatst +<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name= +"pb59">59</a>]</span>worden, en van zo een laagte, dat de Friesen, niet +zonder kniebuiginge, daar konden uit of in gaan: op dat zy in +erkentenisse zouden houden, wie hun Landsheer was; en dat zy, ten +teeken van slaavernye en dienstbaarheid, ook houte halsbanden moesten +draagen, die van rys en tienen te zamen gevlochten waren.</p> +<p>Deze slaavernye der Friesen by Karel den Groote vernomen zynde, zo +verzamelde hy zeer spoedig uit alle omleggende landen veel krygsvolk +byeen: doch, voor hy noch in aantocht was, wierden hem andere +zwaarigheden geboodschapt; als de dood van zyn zoon Pipyn; gezanten van +Constantinopolen en Corsica; behalven een gerucht, dat de Deenen weder +naar hun land waren vertrokken, om dat hunne Koning, door gemaakte +verbintenissen, om ’t leeven was gebragt. Alle redenen, waarom +Karel zich weder naar Aken heeft begeeven. En de Friesen, de handen nu +ruim krygende, tasten hunne vryheid weder aan, voorneemende dezelve met +alle mogelyke middelen tegen alle vyandelyke aanvallen te verdeedigen. +Dus quam het bestier weder tot de volgende</p> +</div> +<div class="div2" id="landsheeren"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e1150" class="main">V. Landsheeren, of Potestaaten.</h3> +<p class="firstpar">Karel de Groote, overweegende de getrouwe +manhaftigheid der Friesen, zo aan hem <span class="pagenum">[<a id= +"pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>in ’t verwinnen der +Saraseenen, en Wydekind, Hertog van Saxen, als in verscheidene +voorvallen aan zyne voorzaaten Pipyn en Karel Martel beweezen; benevens +hunne genegentheid en gestadige diensten aan ’t Fransche Ryk; +verzelt met den onophoudelyken yver tegen de Noordsche volkeren, van +welker slaavernye zy zich nu weder op nieuws, na ’t ombrengen van +Gotrik, hadden vry gemaakt: zo heeft hy hen noch in volkomener vryheid +gestelt, en ontlast van de schattinge van eenige ponden zilver, die zy +van voor eenige jaaren hadden moeten betaalen: vergunnende hun, ten +blyke van volkomene vryheid, het recht, om hun land, als vrygevogtene, +naar hunne eigene wetten te regeeren; daar toe een Overste uit de +Edelen van hunne eigene landaard te verkiezen, om de landzaaken zo in +oorlog als vrede te bestieren, die zy den naam van Potestaat, naar +’t gebruik der Italiaanen, zouden geeven. Dezen Potestaat, dat is +Landsheere, wierd van de Staaten een getal van mannen bygevoegt, om +over alle voorvallende verschillen, twee of driemaal ’s jaars, +als byzitters of mederechters hun oordeel te vellen.</p> +<p>Op dat nu de vryheid geen inbreuk zoude lyden, zo wierden de +Landsheeren slegts voor een jaar verkooren: doch ter goeder trouwe +wierden zy doorgaans wel langer toegelaaten.</p> +<p>Welk vervolg, met de eventydige geschiedenissen, <span class= +"pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span>wy nu +zullen ophaalen, zo als die uit de oude schriften na malkanderen zyn +<span class="corr" id="xd20e1162" title= +"Bron: aaangeteekent">aangeteekent</span>; maar het te dugten is, dat +het eigentlyke getal wat onzeker is, alzo het land by vredestyd wel +zonder Landsheere is geweest: doch als ’er een uitlandsch vyand +aannaderde, om hen te overvallen, wierd ’er by gemeenen raade, +alschoon zy binnen ’s lands door twistige oneenigheden +malkanderen verteerden, aanstonds een verkooren.</p> +<p><span class="sc">Magnus Forteman,</span> die des Keizers Stedehouder +was, als boven op den jaare 808 gemeld is, wierd tot eerste Landsheer +verkooren. Behalven het bovengemelde, heeft hy den Keizer noch +verscheidene roemwaardige diensten, tot lof van zynen landaard, tegen +de Saraseenen gedaan: maar van dezelve eindelyk in eenen stryd +verslagen, en zyn ligchaam in het slagveld onder de dooden door zyne +Friesche krygsknechten gevonden zynde, en die ’t naar Romen +bragten, is hy aldaar op eene heerlyke wyze in de St. Michiels kerk +begraaven: welke kerk daarom met eene ryke begiftiging wierd voorzien, +ten behoeve der Friesen, die naar Romen quamen, om het zelve te +bezoeken. Ja Magnus wierd zelve onder de Roomsche Hulpgoden of Heiligen +gestelt. Deze geheele historie staat ter gedachtenisse in gemelde kerk +in een marmersteen uitgehouwen.</p> +<p>In den jaare 814 is Karel de Groote, te gelyk Roomsch Keizer en +Koning van Vrankryk, <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" +name="pb62">62</a>]</span>na een ongemeenen yver voor de Christen leere +getoont te hebben, zo in zyne landen als in Friesland, om dezelve voort +te planten, mede in den Heere gerust. En zyn zoon Louis, toegenaamt de +Vroome, quam in zyn plaats aan het roer van regeeringe.</p> +<p>In den jaare 819 is <span class="sc">Fokke Ludigman,</span> tot +tweede Landsheer of Potestaat verkooren.</p> +<p>In den jaare 821 vertoonden zich omtrent de Friesche kust 13 +Deensche Zeeroovers: doch de Friesen door Ludigman, uit een waakzaame +voorzorg, met goede schansen of kasteelen voorzien zynde, zo derfden zy +het niet waagen om te landen, maar trokken weder af.</p> +<p>In den jaare 826 wierd Anscharius, mogelyk Anske of Aanske, gebooren +te Waarden, als wy boven gezegt hebben, van Keizer Lodewyk naar +Deenemarken gezonden, om aldaar het Christen geloove te verkondigen; +alwaar hy veelen bekeerde. Na twee jaaren wederkeerende, verzond hem +gemelde Keizer naar Zweeden; alwaar hy blydelyk van dien Koning +ontfangen wierd; en deed mede binnen een jaar overvloedige stichtinge +ter bekeeringe. Ook is ten tyde van dezen Ludigman te Dokkum een +klooster gebouwd, ter gedachtenis van Bonifaas, aldaar in voorigen tyd +zoo jammerlyk vermoord.</p> +<p>In den jaare 830 wierd <span class="sc">Adelbrik</span> van +<span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name= +"pb63">63</a>]</span><span class="sc">Adelen</span> tot Landsheer +verkooren, en had zyn woonstede te Sixbierum.</p> +<p>In den jaare 835, als de Noormannen, na een schielyken inval in +Friesland, door Keizer Lodewyk verdreven waren, zyn dezelve echter in +’t volgende jaar weder gekomen, en dwongen de Friesen eene +schattinge af<a class="noteref" id="xd20e1193src" href="#xd20e1193" +name="xd20e1193src">41</a>.</p> +<p>In den jaare 838 Frederik van Adelen<a class="noteref" id= +"xd20e1204src" href="#xd20e1204" name="xd20e1204src">42</a>, geboortig +van Sixbierum, Bisschop te Utrecht, zullende de leere der kerke eens +onderzoeken, en komende te Westergo in Friesland, bevond hy aldaar het +volk met de verderfelyke leere der Arriaanen zeer besmet; en kunnende +met zyne medehelpers dat hardnekkige volk van dit besmettende gevoelen +niet afbrengen; zo resolveerde hy noch tot zyne hulpe te roepen, Adolf, +Kanunnik te Utrecht, dewelke om zyne vroomheid tot Leeraar te Staveren +wierd aangestelt; alwaar hy met eenen grooten yver zyn plicht waarnam; +ook een klooster en <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" +name="pb64">64</a>]</span>kerk in het westen der stad heeft gebouwd: +die namaals, doe de zee haaren loop daar kreeg, op de zuidzyde wierd +herbouwt. Waar van, by een laag gety, het muurwerk noch te zien is, +gelyk wy zelve hebben bevonden, leggende nu met gemelde stad geheel in +zee verdronken.</p> +<p>In den jaare 840 overleed Lodewyk de Vroome, Keizer des Roomschen +Ryks<a class="noteref" id="xd20e1211src" href="#xd20e1211" name= +"xd20e1211src">43</a>. Een Gustaaf Lappon quam met 800 Gotten +aantrekken, om zich in Friesland neder te zetten: maar de Landsheer +Adelbrik van Adelen trok den zelven met zyne byhebbende macht tegen, en +versloegze by Kollum zodanig, dat ’er naauwlyks overbleven, die +deze tyding van hunnen nederlaag in Zweeden konden brengen.</p> +<p>In den jaare 850, of omtrent dezen tyd, of voort na het overlyden +van den Bisschop Alfridus, hebben de burgers van Groningen de kerk van +St. Walburg, tegen het overvallen der Noormannen gebouwt.</p> +<p>In den jaare 867 was in Friesland en elders een groote watervloed, +waar door groote schade aan menschen en beesten geschiede.</p> +<p>In den jaare 876 quamen de Noormannen, na dat zy de Fransche kusten +hadden uitgeplondert, weder in Friesland, eischende van de Friesen +schattinge: doch afgeslagen <span class="pagenum">[<a id="pb65" href= +"#pb65" name="pb65">65</a>]</span>zynde, deeden zy zwaare dreigementen +van moord en brand: maar de Friesen, aangevoert van <span class= +"sc">Hessel Hermana,</span> vierde Landsheer, woonachtig te Minnersga, +zynde een kloekmoedig en onvertzaagd krygsman, tasten dezelve manmoedig +aan, en versloegze zodanig, dat hun Overste en 800 mannen van zyn volk +op de vegtplaats sneuvelden; de overgeblevene bezette zy in een huis, +alwaar deze beloften moesten doen, al hun geroofden buit van goud en +zilver over te geeven, en nimmer weder in ’t land te komen +stroopen. In dit treffen wierd Hermana ook gewond, waar van hy +stierf.</p> +<p>Na hem wierd <span class="sc">Yge Gaalema</span><a class="noteref" +id="xd20e1229src" href="#xd20e1229" name="xd20e1229src">44</a> tot +vyfde Landsheer verkooren; hy was zeer ervaaren in den krygshandel. Van +hem wierden langs de geheele Friesche kust schildwachten uitgezet, om +zo op de invallen der Noormannen, als wel byzonder op het doorbreeken +der dyken te passen. De vastigheden langs de zeekusten eens bezoekende, +gaf hy die van Ezonstad een waarschouwinge, om voor de Noormannen een +waakend oog in ’t zeil te houden, zeggende:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Wacht jimme fen dy noordere oord:</p> +<p class="line">Uit dy grims herne komt alle qwaed foort<a class= +"noteref" id="xd20e1237src" href="#xd20e1237" name= +"xd20e1237src">45</a>.</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name= +"pb66">66</a>]</span></p> +<p>En overleed in dit zelve jaar, nalaatende eenen zoon, genaamt Igle +Gaalema.</p> +<p>In den jaare 880 zyn de Noormannen, hebbende groot voordeel op de +Saxen gehad, die zy geweldig plaagden, weder in Friesland gevallen, van +meininge om het zelve geheel te verwoesten: doch by Norden, dat nu +Embderland is, tegenstand vindende, zyn ’er wel 10377 Noormannen +verslagen, behalven noch een grooter getal, die in de rivieren en +poelen gejaagt wierden, en aldaar moesten verdrinken; alzo zy zeer +ongeschikt, door malkanderen loopende, vlugten<a class="noteref" id= +"xd20e1249src" href="#xd20e1249" name="xd20e1249src">46</a>.</p> +<p>In den jaare 890, of omtrent dezen tyd, bestonden de Groninger +Ommelanden alleen in vyf, doch zeer wyduitgestrekte dorpen, doe genaamt +Hugomonhi, Hunisga, Fivelga, Emisga en Federitga; en ’t eilandje +de Band genaamt, ’t welk vermoed word gelegen te hebben tusschen +het Dokummer Diep en de Lauwers<a class="noteref" id="xd20e1254src" +href="#xd20e1254" name="xd20e1254src">47</a>. <span class= +"pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span></p> +<p>In den jaare 910, als Staveren haaren Koophandel in vreemde gewesten +wyd en zyds verspreide, en haar recht tot de Heeselpoort van Nieumegen +uitstrekte, waar van noch ten huidigen dage in een steen uitgehouwen +staat, in het latyn: <i>Dus verre is het Recht van Staveren</i>, doe +verbrande aldaar de kerk, toegewyd aan de Moedermaagd Maria, staande in +’t westen der stad, daar men ging naar ’t klooster van +Odolf.</p> +<p>Omtrent dezen tyd quam Ode Botnia, zoon van den Hertog van Botnia, +grenzende aan het noorden van Zweeden, alwaar ’t nu als een +overheerd land onder behoort, en gelegen aan de noordelykste inham van +de Oostzee; deze, wegens zyne vroomheid, verkreeg de dochter van Taeke +Camminga tot zyne huisvrouwe, en bouwde een stins in Oostergo. En deze +is de oorsprong van dat geslachte, dat noch onder den naam van Botnia +heden bekent is.</p> +<p>Westerman heeft uit oude schriften aangeteekent, dat in dit jaar te +Hindeloopen de eerste huizen gebouwd zyn: het welk verstaan moet +worden, van na dien brand, waar van wy hier boven op ’t jaar 779 +hebben gesprooken.</p> +<p>Omtrent den jaare 920 leefde Koppen van Staveren, of Cappidus +Stavriensis, die de geschiedenissen der Friesen, van oude tyden af, +heeft aangeteekent, daar nu slegts noch maar eenige overblyfzelen van +zyn.</p> +<p>En omtrent den jaare 970 leefde Okke <span class="pagenum">[<a id= +"pb68" href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span>van Scharl, Scharlensis, +welke uit zommige overblyfzelen, nagelaaten van zynen, oom Solke +Forteman, de daaden der Friesen heeft beschreven.</p> +<p>Omtrent den jaare 989 <span class="sc">Gosse Ludigman,</span> nu +zesde Landsheer zynde en woonende te Staveren, is tot hem +veldvlugtig<a class="noteref" id="xd20e1279src" href="#xd20e1279" name= +"xd20e1279src">48</a> uit Holland overgekomen een zoon van Aarnoud, +Graave van Holland, die de Friesen Sikke noemden: welke van Ludigman +minnelyk ontfangen wordende, en ook na eenigen tyd hem zyne dochter Tet +ter vrouwe gaf; alwaar hy twee zoonen by overwon. En daar na, op den +trouwdag van zynen broeder, weder in Holland ontbooden zynde, zo gaf +hem zyn vader ten erfdeel eenige breede roeden land in Zuidholland en +Kennemerland, en ’t slot dat heden tusschen Haarlem en Beverwyk +is gelegen, het welk daar van noch Brederoede of Brederode genaamt +word.</p> +<p>In den jaare 995 wierd te Westerbierum een kind met drie hoofden +gebooren, ziende twee naar voren en het middelste naar achteren.</p> +<p>In den jaare 998 is door de Noormannen het stedeke Uitgong geheel +verwoest, en tot den grond toe vernietigt. Omtrent die plaats legt nu +het dorp Berlikum.</p> +<p>In den jaare 999 vertoonde zich boven <span class="pagenum">[<a id= +"pb69" href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span>Staveren een vreesselyke +staartstar of comeet, 10 dagen lang: waar op een zwaare sterfte in +veele landen is gevolgt.</p> +<p>In den jaare 1006 was ’er byna de geheele waereld door een +felle hongersnood, en groote sterfte in het land; dat zomtyds zelve de +leevendige, in ’t begraaven der afgestorvene ligchaamen, wel mede +dood in de graven vielen.</p> +<p>En in de naastvolgende jaaren deeden de Noormannen geweldige +invallen in Westfriesland, daar de Friesen hen lieten begaan; om de +landpaalen tegen de vyandelykheid der Graaven van Holland niet te +ontblooten. Welke oorlogen met de Westfriesen, in deze eeuw +voorgevallen, hier van ons overgeslagen worden.</p> +<p>Omtrent dezen tyd zyn eenige Friesche Edelluiden uit de Weezer +gevaaren, die om de Noord vreemde landen zogten op te doen; welke, +boven Ysland omzeilende, na verlies van hunne schepen, aan de Goudkust, +mogelyk Mexica, zyn vervallen; van waar zy het eerste goud en zilver in +deze landen hebben gebragt.</p> +<p>In den jaare 1040 is het Gôrecht door Keizer Hendrik, +bygenaamt de Zwarte, aan de Stoel van Utrecht geschonken: waar uit +naderhand een groote twist ontstond. Want de Groningers waren van +gedachten, het Gôrecht alleen maar vergeeven te zyn: waar tegen +de Bisschoppen en Clerigie van Utrecht staande hielden, dat de stad +Groningen <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name= +"pb70">70</a>]</span>insgelyks aan hen was geschonken. ’t Welk de +Bisschoppen ook, met geweld en hunne geestelyke luister hebben door +gedrongen, dat zy daar na honderden van jaaren Heeren van deze stad zyn +geweest, doch niet absolutelyk<a class="noteref" id="xd20e1301src" +href="#xd20e1301" name="xd20e1301src">49</a>.</p> +<p>In den jaare 1042 wierd de stad Bremen door een booswigt in brand +gestoken: waar door de Dom, des Bisschops Paleis en andere heilige +huizen, met de schatten der kerksieraaden en boeken verbranden.</p> +<p>In deze eeuw leefden verscheidene Friesche Edelen; als onder anderen +een Julius Deekema, die diverse Gezantschappen voor Keizer Hendrik den +tweede bediende.</p> +<p>In den jaare 1045 zyn verscheidene Friesche Edelen, die met grooten +lof gedient hadden in den oorlog van Keizer Hendrik den derde, tegen de +Hongaaren en Poolen, wederom gekomen.</p> +<p>In den jaare 1064, wanneer de Edelen te Almeenum, in St. Pieters +kerk zouden ten offer gaan, is een Sasker toe Harns, (waar van de stad +namaals den naam Harns, zo als wy dezelve in ’t plat Fries noch +benoemen, zoude gekreegen hebben,) zich in de voorrang stellende, door +eenen Ruerd Jarckes Harliga op het kerkhof doodgeslagen. Zo veel +kragtiger was diestyds de waereldsche eere, boven zaaken van +godsdienst. <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name= +"pb71">71</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1072 is Friesland door Egbertus, uit het Huis van +Saxen, aan de andere zyde ingenomen. Doch ook door Keizer Hendrik, wel +haast weêr tot afstand gedwongen, en hetzelve aan den +Utrechtschen Bisschop geschonken: des hebben de Friesen zich tegen dat +jok aangestelt, zo dat geen graaf van Holland, Utrechtsche Bisschoppen, +of Saxische Vorsten, in het bezit van Friesland gekomen zyn.</p> +<p>In den jaare 1076 was ’er een schrikkelyke harde winter, +geduurende van St. Marten tot aan ’t einde van Maart in ’t +volgende jaar; de Zuiderzee, Rhynstroom en andere rivieren waren zo +sterk bevrooren, datze dien geheelen tyd als de aardbodem gebruikt +wierden.</p> +<p>Diderik de vyfde, Graave van Holland, de Westfriesen in eene zwaare +slag overwonnen hebbende, zette het op Staveren aan; welke stad, na +drie weeken tyd belegert te zyn geweest, genoodzaakt wierd zich over te +geeven: doch kogt haar weder vry voor 1400 kroonen.</p> +<p>In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus de tweede, alle de Christen +Prinsen van Europa in ’t voorgaande jaar hadde gaande gemaakt, om +de ongeloovige Saraseenen uit Natolien en ’t Joodsche land te +verdryven; hebben zich veele Friesche Edelen en gemeene lieden daar +mede heenen begeeven, geteekent met een rood wollen kruis op hunne +schouders, onder ’t geleide van eenen <span class= +"pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>Peter, +Ambiaansche heremyt: en zyn, na veele gevaaren en ongemakken uitgestaan +te hebben, met eenen ongemeenen yver boven andere volkeren, in Natolien +aangekomen.</p> +<p>In den jaare 1097 overwonnenze aldaar verscheidene steden.</p> +<p>En in den jaare 1099 is Jerusalem na 10 dagen belegerings +ingenomen.</p> +<p>Na den jaare 1100 trokken op dat gerucht noch derwaarts verscheidene +uit den Frieschen adel; als mede noch veele na dezen tyd<a class= +"noteref" id="xd20e1336src" href="#xd20e1336" name= +"xd20e1336src">50</a>.</p> +<p>In den jaare 1110 quam Hendrik de Dikke, zoon van Otte, Hertog Van +Beijeren, om Friesland af te loopen, dat hem de Keizer reeds geschonken +had: doch de Friesen, om hunne vryheid te beschermen, joegen zyn volk +by Norden op de vlugt, en hy zelve wierd door de zeelieden aan ’t +strand gegreepen en in zee geworpen.</p> +<p>In dit zelve jaar is Groningen, in plaatze van haare houtene +omheininge, met wallen, gragten en een steenen muur omringd. Doch +Godebald, de 24ste Bisschop van Utrecht, heeft in den jaare 1112 de +Groningers gedwongen hunne noch nieuwsgemaakte vestingwerken +<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name= +"pb73">73</a>]</span>wederom af te breeken; en hen geboden, zoodanig +een versterken der stad zich nooit meer te onderwinden, voor dat de +Utrechtsche Kerkvoogd daar in hadde bewilligt. Evenwel heeft deze stad +van dien tyd af beginnen te floreeren en in rykdom toegenomen<a class= +"noteref" id="xd20e1345src" href="#xd20e1345" name= +"xd20e1345src">51</a>.</p> +<p>In den jaare 1119 ontstond tusschen Gaale Yges Gaalema, en Floris de +Vette, Graave van Holland, twist over den eigendom van ’t bosch +de Kreil, gelegen tusschen Enkhuizen en Staveren; tot zo verre dat +Gaalema, den Graave aanvegtende, in zynen regterarm eene wond toebragt, +om dat dezelve hem zyne jagers netten en ander tuig had afhandig +gemaakt. Doch deze twist wierd weder bygelegt. Omtrent in dezen tyd +stonden in Dyxherne, tusschen Almeenum en Flieland, de geweldige +stinsen van Gratinga, Harliga en Harns.</p> +<p>In den jaare 1143 hebben te Groningen eenige oproerige burgers, in +afwezen van hunnen Bisschop, die naar Romen was, St. Walburgs kerk met +vestingwerken versterkt; om daar door den Burggraaf tot eenige voor +lang verzogte zaaken te dwingen. Maar Egbert, Heere van het slot +Groenenberg, vermaande hen, van hun opzet te willen veranderen, doch te +vergeefs: waar op hy aanstonds met zyn volk het slot belegerde, +<span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name= +"pb74">74</a>]</span>en zeer dapper aantaste; maar door deszelfs +vastigheid niet kunnende vorderen, heeft hy zich te vreden moeten +houden met de sterkte zeer naauw te besluiten; tot dat eindelyk de +Bisschop, wederom gekomen zynde, hen met een troup soldaaten en +krygstuig zodanig aantastede, dat zy zich by verdrag moesten +overgeeven. Doe deed de Bisschop hen zweeren, van nooit meer tegen de +Utrechtsche Stoel te zullen opstaan. Dus bestierde hy dit alles ten +voordeele zyner broederen geevende aan den eenen, Leffert genaamt, het +Burggraafschap van Groningen, en aan den anderen, Ludolf geheeten, het +Kasteleinschap van Koeverden: waar uit naderhand groote onheilen zyn +ontstaan<a class="noteref" id="xd20e1360src" href="#xd20e1360" name= +"xd20e1360src">52</a>.</p> +<p>Ondertusschen quam de Paltsgraave, Gouverneur van Benthem, met zyne +macht in Drenth vallen, en verwoeste dat land, zonder eenige tegenweer. +Doch dit volk is naderhand door des Bisschops krygsbenden by Hemsen +verslagen.</p> +<p>In den jaare 1148 is de stad Utrecht voor ’t grootste gedeelte +afgebrand.</p> +<p>In den jaare 1162, als Miliaan door den Keizer F. +Barbarosse<a class="noteref" id="xd20e1369src" href="#xd20e1369" name= +"xd20e1369src">53</a> geheel vernielt en geslegt wierd, is Hessel +Martena, een <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name= +"pb75">75</a>]</span>Friesch Edelman, in de belegering omgekomen; na +dat dezelve dapper gestreden, verscheidene bedieningen en bezendingen +voor den Keizer had uitgevoert, en ridder geslagen zynde, bevel over +10000 krygsknegten had gehad. Een Ofke Reinalda onthield zich ook +eenige jaaren in deze Italiaansche oorlogen van Barbarossa.</p> +<p>In den jaare 1164 overleed Leffert, Burggraaf van Groningen, zonder +mannelyke erfgenamen na te laaten; waar uit een zwaare oorlog ontstond. +Want deze overledene had wel eene dochter nagelaaten, hebbende drie +zoonen, die het recht van hunnen overledenen grootvader meinden te +erven: maar die tegenwoordige Bisschop van Utrecht weigerde deze zoonen +aan te neemen voor volle neeven van den voorigen Bisschop; van +gedachten zynde, dat door deze dood het Leen verviel, en tot den Stoel +van Utrecht was wedergekeert. De Gemeente was echter tot de zoonen +genegen, en waren ’er ook reeds al in ’t bezit; hoewel met +vreeze voor des Bisschops geweld, waarom zy, tot afkeeringe van dien, +den Hertog van Gelder om hulpe verzogten: die voorts met een goede +krygsmacht afquam, en zich voor Groningen vertoonde. De Bisschop zulks +gewaar wordende, trok aanstonds op het kasteel of den tooren, van waar +hy in ’t duistere des nachts de vlugt nam naar Floris, Graave van +Holland. Daar op wierd het kasteel met groot geweld aangetast; tot +<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name= +"pb76">76</a>]</span>eindelyk de vrede wierd gemaakt; onder voorwaarde, +dat de Bisschop van deze zoonen zoude ontfangen 300 mark, en dan +wederom ten vollen afstaan het Drost- of Burggraafschap van +Groningen<a class="noteref" id="xd20e1378src" href="#xd20e1378" name= +"xd20e1378src">54</a>.</p> +<p>In dit jaar was ook een verschrikkelyke watervloed over Friesland, +Juliaans Vloed genaamt; waar door in Friesland en elders wel 100000 +menschen verdronken.</p> +<p>In den jaare 1170, den derden November, is Nederland door een +droevigen watervloed aangetast, waar door het zeewater met ’er +haast voor Utrecht stond; kabeljauw en wytingen wierden voor de stads +muuren gevangen, en veele menschen en beesten zyn verdronken.</p> +<p>Omtrent dezen tyd, of eenige jaaren onbegreepen, is <span class= +"sc">Saake Reinalda,</span> de zevende Landvoogd, tot groote droefheid +der Friesen, overleeden. Van hem word verhaalt, dat men hem noch +tweemaalen voorstelde in de Landvoogdyschap te blyven: maar het zelve +t’elkens weigerende, met dit antwoord: dat zulks strydig was +tegens ’s Lands wetten en vrybrieven. Verder verhaalt men, dat hy +als Landvoogd goud- en zilvergeld liet munten.</p> +<p>Omtrent den jaare 1182 vertoonden zich vier zonnen aan den hemel; +ook zag men <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name= +"pb77">77</a>]</span>gewapende mannen in de lucht, en bloedregen viel +op de aarde. Ook door een geweldig onweder, ondermengt met een dikke +sneeuwjagt, zyn de dyken by Uitgong, een stedeke aan de Burde, +doorgebrooken, waar door die landen geheel onderliepen. Niet lang daar +na brande het gemelde steedje byna geheel af: en het overgeblevene +wierd in vervolg van tyd door de Noormannen vernielt. Nu legt op +dezelve plaats het dorp genaamt Berlikum of Beltjom.</p> +<p>In den jaare 1190, of omtrent dezen tyd, is de stad Leeuwarden eerst +met wallen versterkt.</p> +<p>In den jaare 1192 is, door ’t uitroeyen van Uitgong, Franeker +tot meerder aanwas gekomen, wordende uitgelegt met twee naastgelegene +akkers, als Froonakker en Godsakker, en zo tot een stad geworden; waar +van zy ook eerst Froonakker genaamt wierd. Godsakker is aldaar noch +hedendaags een bekende Straat.</p> +<p>In dit zelve jaar, op den vyfden van Juny, is het vermaarde Klooster +van St. Bernard<a class="noteref" id="xd20e1407src" href="#xd20e1407" +name="xd20e1407src">55</a>, te Aduard begonnen; dat met eene prachtige +kerk en 4 toorens pronkte, deftiger als ’er ooit tusschen de Eems +en Lauwers te zien is geweest. <span class="pagenum">[<a id="pb78" +href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1196 ontstond te Groningen onder de burgerye en hunnen +Bisschop een groote onlust, over de kerk van St. Walburg. De burgerye +was van gedachten, dat deze sterkte, eertyds tegen het overvallen der +Noormannen gebouwt, de stad toe quam: en de Bisschop daar en tegen +redeneerde, dat deze kerk van ouds af in zyner voorzaatens macht hadde +gestaan. Dit liep zo hoog, dat de burgers de kerk, het dak en een +gedeelte der muuren deeden afwerpen. Waar over de Bisschop zo toornig +wierd, dat hy den Kastelein van Koeverden, zynde de voornaamste +aanstooker van dit werk, benevens de burgers van Groningen, in den ban +deed, en voorts ook met zyne macht naar Koeverden trekkende, dwong hy +die plaats met geweld tot de overgaaf. Ondertusschen, als de Bisschop +hier mede bezig was, hermaakte de Groningers hunne stads muuren weder +op, na datze hunnen Bevelhebber hadden doodgeslagen<a class="noteref" +id="xd20e1413src" href="#xd20e1413" name="xd20e1413src">56</a>.</p> +<p>Omtrent den jaare 1200 was de stad Staveren noch, van oude tyden af, +in groot gezach, en dreef zwaare koopmanschappen door alle de gewesten +des waerelds, zo dat de inwoonderen, door weelde en dartelheid, +<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name= +"pb79">79</a>]</span>zelfs goud aan hunne stoepens<a class="noteref" +id="xd20e1426src" href="#xd20e1426" name="xd20e1426src">57</a> lieten +slaan. Waar van zy noch ten huidigen dagen genoemt worden: <i>De +verweende<a class="noteref" id="xd20e1445src" href="#xd20e1445" name= +"xd20e1445src">58</a> Kinderen van Staveren</i>. Ten blyke van dit +gezegde, dient dit volgende: «eene zekere ryke koopvrouw verzond +een schip naar Dansich, belastende den schipper, om van de +allerkostelykste waren voor haar tot zyne ladinge weêrom te +brengen: dezelve weder komende, en denkende zyne zaak wel verricht te +hebben, quam met weite geladen aan de stad. ’t Welk zyne +koopvrouw verstaan hebbende, was daar over t’ onvrede, en belaste +den schipper, zyne lading, die zy verstond aan bakboord ingekregen te +hebben, aan stuurboord weder in zee te werpen. Waar op de droogte, die +men noch het Vrouwezand noemt, voor de haven is geschoten, als eene +straffe over hunne verwaantheid; zo dat de haven, na verloop van tyd, +noordelyker heeft moeten verlegt worden; gelyk zy nu noch is. En heeft +gemelde stad, van dien tyd af, allengskens beginnen af te neemen, tot +op haare tegenwoordige staat. Van boven verhaalde koopvrouw werd +getuigt, dat zy zich <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" +name="pb80">80</a>]</span>eindelyk noch met den bedelzak heeft moeten +behelpen.”</p> +<p>In den jaare 1210, verbrande, door een geweldige droogen zomer, het +bosch de Flussen geheel af; en wierd, door het inscheuren van het +zeewater, eerst een kleen meertje, en met ’er tyd tot die groote, +als het heden is.</p> +<p>Omtrent den jaare 1212 vielen ’er geweldige watervloeden over +’t Land, waar door dyken, dammen, hoven en huizen wegspoelden, en +wel 100000 menschen verdronken: en by aldien niet veele op de terpen, +stinsen en hooge boomen waren gevlugt, zou Friesland, tusschen den Rhyn +en de Eems van zyne inwoonders zyn ontbloot geworden. Waar door het +volk zo verarmt was geworden, dat zy de dyken, zo haastig niet kunnende +herstellen, moesten laaten verwaarloozen; waar door met een noordwesten +wind de zee, tusschen het Flie en Ter Schelling, geweldig haaren loop +nam, en het land meer en meer overstroomde. Want in dien tyd was de +Fliestroom noch maar een gemeene rivier, die Westfriesland van ons +afscheide; zo dat gemelde aanpersing van water, met ’er tyd meer +en meer toeneemende, eene oorzaak geweest is, dat de naastgelegene +landzaaten afleidingen in gemelden stroom gemaakt hebben; alwaar de zee +haaren loop inneemende, zyn de landeryen eerst in poelen en meeren +afgescheurt. <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name= +"pb81">81</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1219, den 16 van January, zyn deze landen wederom door +een verschrikkelyken watervloed aangetast, die St. Marcellus Vloed is +genaamt; verwoestende alomme de dyken, dorpen, kerken en kloosters, +groot en kleen vee in meenigte opgeslokt, en waar van word aangeteekent +mede wel 100000 menschen in verdronken zyn. Deze vloed heeft eene +oorzaak geweest, dat de volkeren naderhand de stranden verlieten, en +zich op hooge plaatzen, landwaards in, ter wooninge begaven.</p> +<p>Omtrent den jaare 1220 is Gryn<a class="noteref" id="xd20e1463src" +href="#xd20e1463" name="xd20e1463src">59</a>, gelegen tusschen het Flie +en Almeenum, door Siardus, mogelyk Sierd Siersma, Abt van Lidlum, met +gragten en wallen voorzien, en tot een stad gemaakt; alwaar ook een +schoole van geleerdheid of Academie wierd gesticht. Niet lang na dezen +tyd, als de lieden zeer eenvoudig en weinig Onderwezen waren, hebben de +Roomsche Geestelyken, deze slegtigheid<a class="noteref" id= +"xd20e1466src" href="#xd20e1466" name="xd20e1466src">60</a> des volks +tot hun voordeel neemende, byna het derdendeel van de goederen en +rykdommen des lands in hunne kloosters gesleept; en veele ryke lieden, +om alles na hunne dood te behouden, tot het kloosterleeven +bewoogen.</p> +<p>In den jaare 1221, omtrent Driekoningen Dag, zyn door eenen +watervloed wederom <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" +name="pb82">82</a>]</span>eenige duizenden menschen en beesten in +Friesland om ’t leeven geraakt. En den 24ste van February volgde +een derde vloed: daar na een zeer groote droogte zonder regen, die de +landen de teelkragt, om iets voort te brengen, deed verliezen. Hier op +volgde, daags na St. Lambert, wederom een vloed, die de opgedroogde +landen met zoute wateren vervulde.</p> +<p>In den jaare 1222, in January, was ’er wederom een vloed over +deze landen, waar door veele schade veroorzaakt wierd.</p> +<p>In dezen tyd leed Groningen zwaare onheilen; want de stad van hare +vestingen beroofd wezende, quam een ieder by dag en nacht daar in, +bedryvende veele gruwelen van moorden en bloedstortingen zonder dat +daar recht over wierd gedaan.</p> +<p>In den jaare 1224 is Friesland wederom door het zoute water +overstroomt; waar door over de 10000 menschen verdronken, en al wat +meest van de beesten voorhanden was.</p> +<p>In den jaare 1227 braken de Groninger onlusten wederom op, tusschen +Rudolf, Kastelein van Koeverden, en Egbert, Burggraaf van Groningen, +over deszelfs Burggraafschap. Doch de Utrechtsche Bisschop, Otto van +der Lip, quam met ’er haast herwaards en vereenigde hen. Maar de +Bisschop was zo dra niet vertrokken, of Rudolf, zynde misnoegt over het +gemaakte verbond, heeft Egberts slot by den Ham <span class= +"pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name= +"pb83">83</a>]</span>aangetast en geruïneert; en daar op zelfs +voor Groningen trekkende, wierd hy door die van zyn aanhang binnen +gelaaten.</p> +<p>Hier op moest Egbert de stad verlaaten, maar verzamelde daar en +tegen een groote macht van Friesen, waar mede hy de stad voort +weêr belegerde; schietende zo een zwaar vuur in dezelve, datze +voor ’t grootste gedeelte in weinig tyd verbrande, en hy haar +overwon. Rudolf moest insgelyks vlugten, trok derhalven op Koeverden, +en bragt byna het geheele Drenth in de wapenen; waar mede hy Groningen +belegerde, en met groot geweld aantaste: doch de goede bezetting van +binnen deed hen t’elkens afdeinzen. Ondertusschen quam de +Bisschop van Utrecht mede herwaards, om Egbert te ontzetten, hebbende +by hem een machtig leger van uitgelezene ruiters en soldaaten, met +veele Grooten tot hunne Bevelhebbers, tot omtrent Koeverden; doende het +daar ter neêr slaan, en den Gouverneur Rudolf opentlyk voor een +rebel verklaaren.</p> +<p>Rudolf brak aanstonds de belegeringe voor Groningen op, en +marcheerde zeer moedig met zyne macht tot omtrent zyne vyanden, +laatende alleen een moerassig land tusschen beide.</p> +<p>Des anderen daags morgens quamen de vyanden voor den dag springen, +om alzo Rudolf en de zynen te overvallen: maar hunne groote stoutheid +bragt hen op de slagtbank; want zo als zy op de moerassige <span class= +"pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name="pb84">84</a>]</span>weide +quamen, wierd ’er van achteren zodanig gedrongen, datze ’er +voor ’t meerendeel in bleven steeken. Doe viel Rudolf met de +zynen op hen in, en hieuw zo vreesselyk onder die benaauwde vyanden, +dat ’er in ’t kort 500 door ’t zwaard nedergezabelt +wierden, of in ’t moeras waren gesmoord, en waar onder de +Bisschop zelve, die op eene zeer wreede wyze om ’t leeven wierd +gebragt; vervolgens de vlugtende nagezet, en veele perzoonen van +grooten rang gevangen genomen<a class="noteref" id="xd20e1491src" href= +"#xd20e1491" name="xd20e1491src">61</a>.</p> +<p>In den jaare 1228 quam de Utrechtsche Bisschop Wilbrand met een +groote krygsmacht in ’t Drenth, om de dood van zyn Voorzaat te +wreeken. Hy pleegde dieshalven eene groote tirannye aan de inwoonders. +Rudolf moest zelve ook voor hem buigen, geevende Koeverden weêr +over. Doch Rudolf hernam door eene krygslist het kasteel van Koeverden +wederom, slaande de geheele bezettinge daar in dood.</p> +<p>Daar na heeft de Bisschop met een nieuw verzamelde macht, in den +winter, onder de begunstiging van een felle vorst, wederom eene tocht +herwaards gedaan; maar een zeer zwaar onweder van regen en haastige +dooy deed hen alle de vlugt neemen, met achterlaatinge van alle hunne +bagagie, ten voordeele van Rudolf. <span class="pagenum">[<a id="pb85" +href="#pb85" name="pb85">85</a>]</span></p> +<p>Na dezen bragt die Bisschop wederom een leger op de been, en hy op +het Hardenberger Kasteel zynde, voorneemens om Koeverden te bestormen, +komt Rudolf ondertusschen van het kasteel, om met den Bisschop in der +minne te accordeeren. Maar de Bisschop, het tegendeel zoekende, nam den +Gouverneur Rudolf, nevens zynen raadsman Hendrik van Graastorp, +gevangen, doende hen schrikkelyk pynigen, voorts leevendig +râbraaken en de ligchaamen op raderen stellen.</p> +<p>In den jaare 1230, den 17de van February, zyn door een tempeest van +donder en blixem, over Friesland gaande, veele huizen, verbrand en +neêrgeworpen; en daar boven een watervloed, in welke veele +duizenden menschen en beesten, verdronken<a class="noteref" id= +"xd20e1510src" href="#xd20e1510" name="xd20e1510src">62</a>.</p> +<p>In dit zelve jaar waren de Reilanders en Asschendorpers<a class= +"noteref" id="xd20e1515src" href="#xd20e1515" name= +"xd20e1515src">63</a> in eenen hevigen oorlog; maar de eerste gansch +onkundig, vielen met hunne meeste Edelluiden in des vyands handen.</p> +<p>In den jaare 1231 ontstond tusschen de <span class="pagenum">[<a id= +"pb86" href="#pb86" name="pb86">86</a>]</span>dorpelingen van +Uithuizen, en die Van Eendrum, een openbaare oorlog, over een kleen +eilandje, aan de Noorder dyken gelegen. Dit verschil was bevoorens al +uitgesprooken door de Rechters van Upstalsboom<a class="noteref" id= +"xd20e1527src" href="#xd20e1527" name="xd20e1527src">64</a> ten +voordeele van de Uithuizers. Doch die van Eendrum achte zich +verongelykt, en wilden aan het gevelde vonnis niet gehoorzamen; gingen +daarom by de Groningers om hulpe, die hen ten eersten met een groote +hoop krygsbenden bysprongen, en dus gelykerhand de Uithuizers +aantasteden en in hinderlaag bragten.</p> +<p>Hier tegen kreegen de Uithuizers ook onderstand van de Drenthers, +Drenthwolders, Vredewolders enz., trekkende ieder op hunne post. De +Uithuizers wederom tegen die van Eendrum, slaande hen op de vlugt, en +bequamen veel buit. Maar de Drenthers trokken voor Groningen, en +stieten daar schrikkelyk het hoofd: want, nadatze daar drie dagen +gelegen hadden, wierden zy door <span class="pagenum">[<a id="pb87" +href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span>die van binnen, uitvallende, +deerlyk verslagen, achterlaatende aan de Groningers 600 paarden, al +hunne proviand enz. Door deze overwinninge kreegen de Eendrumers +wederom moed; vallende daarop in des vyands land, en hielden ’er +gruwelyk huis; want zelve staken zy de brand in de kerk Usquert, welke, +behalven de andere geheiligde dingen daar in, met eene geweide hostie, +verbrande; daar en boven wierden de vrouwen geschonden, en noch oude of +jonge, lieden gespaart.</p> +<p>Ondertusschen, als de Drenthers voor Groningen waren, quam Bisschop +Wolbrand met zyne soldaaten voor Koeverden; neemende de stad en +voorburg in, en zabelde alles neêr wat ’er in was, zonder +zelve de noch in de wieg leggende kinderen te sparen: hier na gaf hy de +plaats aan zyne soldaaten; die dezelve geheel uitplonderden en +naderhand in brand staken. Maar het kasteel heeft hy, om zyne +vastigheid, niet kunnen bemachtigen; alhoewel het echter op die of een +anderen tyd ook ten eenemaal verdistrueert is geworden<a class= +"noteref" id="xd20e1537src" href="#xd20e1537" name= +"xd20e1537src">65</a>.</p> +<p>In den jaare 1232, in September, was te Groningen een zamenkomst van +die van Husingo, <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name= +"pb88">88</a>]</span>Westerlanders en hunne bondgenooten, welke dus +gelykerhand in Fivelingo vielen, tot omtrent Wester-Embden: maar +wierden door hunne partye zo deerlyk gehavent, datze met ’er +haast de vlugt moesten neemen, met achterlaatinge van 400 dooden of +gevangenen, en veele gekwetsten aan hunne vyanden.</p> +<p>In den jaare 1233 is Otto de derde, Graaf van Holland, met een +groote krygsmacht in ’t Drenth gevallen; heeft de stad Koeverden, +benevens de Drenthers, onder zyne gehoorzaamheid gebragt, en hen daar +na gedwongen, behalven andere breuken te geeven, een klooster te +bouwen<a class="noteref" id="xd20e1557src" href="#xd20e1557" name= +"xd20e1557src">66</a>, ter plaatze daar wel eer de Utrechtsche Bisschop +Otto van der Lip verslagen was. Dit klooster is het volgende jaar +aangevangen, en ter plaatze, daar nu Assen is, volbragt; zynde het +zelve dat namaals en nu noch tegenwoordig tot het Gemeenelands Huis +gebruikt word.</p> +<p>In den jaare 1234 is het stedeke Wartena, door een harden storm, +geheel weggespoelt. Het was gelegen in de Grietenye van Idaarderadeel, +omtrent Grou: waar van nu noch een dorp van die zelven naam is.</p> +<p>In dezen tyd is ’er weder twist ontstaan, <span class= +"pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name="pb89">89</a>]</span>om de +voorrang in ’t offeren, tusschen die van Albada en Reinalda te +Waaxens, by Holwerd: waar uit naderhand de scheuringen tusschen de +Schieringers en Vetkoopers gerezen zyn.</p> +<p>De buurt, omtrent het westen van Almeenum, is in dit jaar tot een +stad geworden, en met haare voorrechten voorzien. Maar, als ’er +twist tusschen de Edelen van Harliga en Harns ontstond om den naam, zo +heeft zy tot heden die beide naamen behouden, en word in de gemeene +Spraak Harlingen, en in de Friesche landspraak Harns genoemt.</p> +<p>In den jaare 1239 was <span class="sc">Sikke Sjaarda</span> of +<span class="sc">Sjaardema,</span> Landsheer van Friesland. En Willem, +Roomsch Keizer, en 21ste Graave van Holland, de stad Aken belegert +hebbende, ontbood de Friesen tot zyn hulpe: welke de stad met water +bezettede en overwonnen. Voor deze dienst, aan hem bewezen, bevestigde +de Graave hunnen vrybrief, door Karel den Groote voorheen aan hen +gegeven. Daar na verzogt hy Sjaardema, zo door groote giften van geld, +als ’t Erfstadhouderschap hem Friesland over te geeven. Maar +dezelve sloeg des Graafs voorstel door een vinnigen brief plat af; +schryvende aan hem: «<i>Meent gy, dat ik, om my en myn geslacht +te verheffen, een verraader wil zyn, en myne nakomelingen van de +vryheid berooven, die onze Voorvaderen boven alle goederen geächt +<span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name= +"pb90">90</a>]</span>hebben?</i>” En liet noch, ter beschimpinge +en verachtinge van gemelden Graaf, goude penningen slaan, waar op aan +de eene zyde in ’t latyn, doch dus vertaald, stond: <span class= +"sc">Sikke Sjaardema, Landsheer van Friesland</span>: en aan de andere +zyde: <span class="sc">Libertas prævalet auro</span>: dat in eene +goede zin gezegt is: <i>Liever Vry, als Ryk</i>. Waarom hier na +tusschen den gemelden Graaf en de Friesen een oorlog is ontstaan, waar +in de eersten, overwonnen zynde, sneuvelde. Hega Holtwada schryft, dat +dit voorgevallen is in den jaare 1255.</p> +<p>In den jaare 1242 was te Groningen een zamenzweeringe gemaakt door +de Gelkingen, tegen de drie nagelaatene zoonen van Egbert van +Groenenberg. Zy vielen eerst op den oudsten en sloegen hem dood; maar +de andere twee gingen vlugten, verzamelden, goede hulpe, en trokken op +hunne vyanden af. Doe wierd ’er een burgerlyke oorlog binnen de +stads vesten gevoert; leggende een ieder op zyn hoede, om zyne party +afbreuk te doen; bedryvende groot geweld en bloedstortinge. Doch de +meeste neêrlaagen vielen de autheurs van dit werk ten deel, die +zelve veel volk verlooren, en de stad ook moesten ruimen. Hier op +wierden hunne huizen aangetast, beroofd en verscheidene tot den grond +toe geraseert, en in brand gestoken.</p> +<p>In den jaare 1246 is te Groningen de St. Nikolaas kerk, nu der A, +gebouwd; <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name= +"pb91">91</a>]</span>welke door Bisschop Otto van Utrecht in den jaare +1446, op verzoek der ingezetenen van de stad, tot een Parochiekerk is +opgeregt.</p> +<p>’t Zelve jaar, in November, was door zwaare storm en onweder +een groote watervloed over Friesland, en elders, waar door aan menschen +en goederen veele schade geschiede.</p> +<p>In den jaare 1248 braken de Groninger onlusten wederom op, waar in, +op den eersten November, Thetse door Rudolf van Pedesen wierd +omgebragt.</p> +<p>Den 19de der zelve maand volgde hier op een droevige watervloed, die +zelve, behalven de buitendyken, de dyken van het diep genaamt, welke nu +aan de Eems een zyl en verlaat hebben, wegspoelde.</p> +<p>In ’t begin van den jaare 1249 is wederom een watervloed over +deze landen gegaan; wordende door een andere vloed op den 12de van +February gevolgt; en daar na met eene zwaare pestellentie en duuren +tyd.</p> +<p>Evenwel was Groningen noch vol onlusten: want die van de stad, doe +zeer wreed zynde, hielden het koren in dezen bedroefden tyd op een zeer +hoogen prys, en daar boven wierd het vee, ’t welk door de +landlieden ter markt wierd gebragt, door eenige oproerige geesten +aangetast en veel beschadigt.</p> +<p>Omtrent dezen tyd is het Hof in ’s Graavenhaage, <span class= +"pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span>benevens +de groote Zaal aldaar, door Koning Willem den tweede, en 21ste Graaf +van Holland, gebouwd.</p> +<p>In den jaare 1250 was te Farmsum een Deken, Sikke genaamt, welke de +Ommelandsche gemoederen zeer ontrustede: hy maakte zelve een verbond +tusschen die van Hunsingo en Fivelingo; en dus met malkanderen te velde +trekkende, wierpen zy het slot Groenenberg omverre, en poogden +Groningen ook te belegeren.</p> +<p>In dit en ’t volgende jaar is Friesland wederom door twee +watervloeden overstroomt geworden; waar door veele duizenden van +menschen en beesten verdronken.</p> +<p>In den jaare 1251 is Groningen door de Ommelanders belegert en +verscheidene maalen bestormt; doch, door de goede bezettinge, wierden +de bespringers t’elkens afgewezen. Nochtans hebben die van binnen +zich, na een beleg van vier weeken, met verdrag aan hunne vyanden +moeten overgeeven.</p> +<p>Hier na wierd Groningen, door de ballingen wederom verrast, +brengende in den eersten aanval Hendrik Butel om ’t leeven, en +roofde doe veele goederen van de Gelkingen.</p> +<p>Op dit gerucht trokken de Ommelander bondgenooten wederom +welgewapent voor de stad, welke haar door Conraad, Hoofd der Ballingen, +zonder hun geweld af te wagten, wierd overgegeeven. Hier door geraakte +Conraad <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name= +"pb93">93</a>]</span>in gyzeling; maar kort daar na, door schoone +beloften, ook wederom los; brengende, hoewel tegen zyn gemaakt verbond, +een hoop krygsvolk byeen, waar mede hy het Franciscaner Klooster +verraste, laatende het zelve voort van volk en andere noodwendigheden +voorzien. Ook namen zy alle steene huizen, die vast tegen hunne vyanden +waren, in, en deeden die van proviand en oorlogstuig voorzien.</p> +<p>De wederparty vlugte tot de kerken van St. Marten en St. Nicolaas; +alwaar zy zo sterk wierden bevogten en in benaauwtheid gebragt, datze +by de landlieden om verdere hulpe riepen. Hier op quamen die van +Fivelingo af, ontzettede hen, en tastede der vyanden bezettinge zo +sterk aan, datze hen, na groote bloestortinge, tot overgeevinge +dwongen, doch Conraad ontstreek hen en ging in ’t heetste van +’t gevegt door.</p> +<p>In den jaare 1254 is Groningen weder door Conraad met verrassinge +ingenomen. De bespringers quamen heimelyk by nacht in de stad, en op +St. Martens Kerk, houdende zich tot den morgenstond verborgen: doe, de +trappen afloopende, vielen zy hunne partye op ’t lyf, slaande 9 +mannen dood, en de andere salveerden zich, zo zy best konden: daarop is +alles, wat ’er in de kerk gevonden wierd, prys gemaakt, en daar +van een gedeelte aan de gehuurde soldaaten tot soldye gegeeven: waar +door de stad door plonderinge en oproer vervult wierd. <span class= +"pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1255 is Hindeloopen, nu, na de brandstichtinge en +uitplonderinge der Noordsche volkeren, weder haaren wasdom bekomen +hebbende, tot een stad geworden, en met voorrechten en privilegien +begiftigt of voorzien.</p> +<p>In het zelve jaar, den 18 van January<a class="noteref" id= +"xd20e1634src" href="#xd20e1634" name="xd20e1634src">67</a>, is Willem +de tweede, Graave van Holland, omtrent Hoogwoud van de boeren dood +geslagen. Deze Graaf was van Alkmaar met een groote krygsmacht +uitgetrokken, voor hebbende de Friesen, die tegens hem en zyn +voorzaaten altoos wederspannig hadden geweest, met de wapenen te +temmen, en onder zyne gehoorzaamheid te brengen. Maar de Graaf, door +onvoorzigtigheid, te verre vooruit rydende, trapte het paard door het +ys; waarop de boeren, van achter de struiken komende, hem dood +sloegen.</p> +<p>In den jaare 1257, den 10de van October, is Friesland weder door een +watervloed overstroomt geworden; waar door de dyk in Groningerland, by +Zonda, daar de rivier de Fivela met nieuw werk bedykt was, omverre +wierd geworpen, en voorts het water over het land stroomde.</p> +<p>In den jaare 1259 quam Hendrik, de achtste Bisschop van Utrecht, in +Drenthwolde, nu ’t Gôrecht, en vorderde groote <span class= +"pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span>sommen +geld van de, inwoonders: doch wierd hem geweigert. Hierom deed hy de +Drenthers aanstonds wapenen, en de naaste huizen van hunne partyen in +brand steeken. Daar tegen verzamelde de Drenthwolders hunne macht ook +byeen, en vielen aanstonds met eene groote hevigheid op de vyanden in; +waar door zy in den eersten aanval 120 dood sloegen, veele quetsten, en +eenige gevankelyk met zich sleepten.</p> +<p>In den jaare 1262 wierd in Friesland eene aardbeevinge gevoelt, +welke Groningen mede trof, inzonderheid het klooster Wittewyrum, waar +door de toren <span class="corr" id="xd20e1645" title= +"Bron: instorte">instortte</span>: hier op volgde een watervloed door +de dyken, met verbreeking van de zyl Fismar, in den Oldambte.</p> +<p>In den jaare 1263 is de kerk van het vermaarde klooster St. Bernard, +te Aduwerd, ten tyde van Gayke, de zevende Abt, op eene zeer plechtige +wyze ingewyd, na dat ’er ruim 200 monniken 23 volle jaaren aan +hadden gearbeid, om de kerk op te bouwen en het werk voort te +zetten.</p> +<p>In den jaare 1266 was de tweede Marcellus vloed, waar door Friesland +wederom wierd bezogt: evenwel raakte Fivelingo, door de sterke dyken, +die de monnikken van Wyrum met die van Zonda en hunne nabuuren, daar +’t voorige jaar tegen de Eems hadden gelegt, bevryd.</p> +<p>In den jaare 1268 wierd D’rYlst, een kleene myl leggende van +Sneek, en doe noch <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" +name="pb96">96</a>]</span>maar eene buurt, mede met Stads +voorrechtbrieven of privilegien voorzien. Indien ’er eene Yle +Stins geweest is, schynt het niet ongeloofelyk, dat het daar van haaren +naam ontleent heeft, volgens gebruikelyke verkortinge en zamentrekking +der woorden.</p> +<p>In den jaare 1270 is te Bolswert het Broere Klooster gesticht, waar +toe het houtwerk voor het grootste gedeelte van de Kreil, by Staveren, +wierd gehaalt. Gelyk ook te Staveren, Hindeloopen en andere plaatzen in +den Zuidhoek, nu noch wel hout, uit het gemelde bosch gehouwen, te zien +is.</p> +<p>In den jaare 1272 is door geheel Friesland eene zwaare sterfte onder +het vee geweest, als ook een groote hongersnood onder de menschen.</p> +<p>In den jaare 1273 zyn door eenen watervloed in Friesland wederom wel +2000 menschen verdronken.</p> +<p>In den jaare 1276, op goede Vrydag, beviel de Graavinne van +Hennenberg te Loosduinen in het kraambed van 365 kinderen; wordende +dezelve van haar oom, Bisschop Otto van Utrecht, in één +bekke gedoopt: de knegtjes wierden Joannes, en de meisjes Elizabeth +genaamt. Doch zy stierven alle nevens de moeder, en wierden te +Loosduinen in ’t klooster begraven.</p> +<p>In den jaare 1277, den 25ste van December en den 13de van January +1278, heeft dit gewest door schrikkelyke watervloeden veel geleden; +want door dezelve verdronken <span class="pagenum">[<a id="pb97" href= +"#pb97" name="pb97">97</a>]</span>33 dorpen en veele duizenden van +menschen en beesten in den Dollaart; en doe is het begin gemaakt van +dien grooten Inham, de Dollaart genaamt.</p> +<p>Omtrent den jaare 1280, na dat de Friesen van de geduurige +bespringingen der Graaven van Holland en der Noormannen, hunnen hals nu +vryer hadden, zyn de oude wrokken, die in ’t offeren om den +voorrang zo meenigmaalen ontstaan waren, weder opgeborsten, en de +stinsen, voorheenen tegen de uitlandsche vyanden gemaakt, wieschen nu +in getal en meenigte: en onder schyn van bescherminge tegen de +stormende watervloeden, wierden de landeryen en dorpen met hooge wieren +van aarde digt te zamen gestampt, daar gemelde stinsen op gebouwd +wierden. Waar uit eerst quaad nadenken, doe haat, nyd en eindelyk +openbaare vyandschappen en moorderyen onder de Edelen ontstonden: het +land wierd in tweeën verdeelt; die van Oostergo gaven de anderen +den naam van <i>Schieringers</i>, om dat hunne landstreek, in broekig +en waterachtig land bestaande, en hunne meeste kostwinning en handel in +de visscherye van Schiere Aal, alwaar ’t alomme van krielde, +bestond of gelegen was. En zy zelve gaven zich den naam van +<i>Vetkoopers</i>, om dat zy in hunne hooge landen en grasryke weiden +met de vetweijeryen en landbezaaijingen meerendeels zich geneerden. +Doch andere verhaalen om andere inzichten. Van alle <span class= +"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>welke +twisten en oneenigheden wy niet van voorneemen zyn alle voorvallen te +melden, om redenen dat die voor het meeste gedeelte tusschen byzondere +Edelen zyn ontstaan, en daarom voor geene algemeene landtwisten zyn te +houden: maar wy hebben voorgenomen te melden, de grootste gevallen, en +die voor algemeene landtwisten te houden zyn, en tot eene daadelyke +tweespalt des Gemeenen Lands zyn uitgeborsten, waar van wy alleen de +voornaamste ontmoetingen, die steden en landen eenige merkelyke +veranderinge aanbragten, hebben aangeteekent. Van welk alles in het +gemeen geweeten dient, dat aan beide zyden dikwyls vredeverbonden +gemaakt en verbrooken zyn, maar van ons niet alle aangeteekent, om dat +wy kort willen zyn<a class="noteref" id="xd20e1682src" href= +"#xd20e1682" name="xd20e1682src">68</a>.</p> +<p>In den jaare 1287 waayde het zo een geweldige stormwind, dat alle de +dyken rondom Friesland doorbraaken, waar door kerken en huizen +wegspoelden. Van het stedeke Gryn bleeven geen 10 huizen staan, en het +getal der verdronkene menschen was wel 80000. By welke gelegentheid, +Floris de vyfde, Graave van Holland, de macht der Friesen nu merkelyk +verzwakt ziende, de Westfriesen met weinig moeite onder zyn gebied +gebragt heeft, en een kasteel te Medenblik, <span class= +"pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>nevens +noch drie anderen, in ’t gezigt der Oostersche Friesen, +bouwde.</p> +<p>In den jaare 1292 nam Graaf Floris de stad Staveren in, en +begiftigde haar met verscheidene voorrechten.</p> +<p>Omtrent dezen tyd begon in Friesland de wortel van die +allerverdervende partyschap, Schieringers en Vetkoopers genaamt, aan te +groeijen; zynde tot noch toe onder den Adel alleen beslooten; maar dat +duurde niet lang, of de Gemeente wierd ook gedeelt en van een +gescheurt. Ook begon men meer en meer steenhuizen of stinsen te bouwen, +tot een toevlugt voor hen zelve, en afbreuk hunner vyanden.</p> +<p>Gemelde scheuringe is eerst onder den Adel op de brasmaalen +uitgebroeit, en kort daar na tot het gemeen over gegaan. De Vetkoopers +of Vetwyders waren de Hollanders toegedaan: en de Schieringers, veel +geringer van staat, hielden zich aan het Groninger verbond.</p> +<p>In den jaare 1293 heeft Sneek, nu dagelyks in goede neeringe +aanwasschende, mede stads voorrechten bekomen, tot groot nadeel van de +nabuur-stad D’rYlst: maar in ’t volgende jaar trof haar het +ongelukkig lot van brand, welke gemelde stad tot op twee huizen na +geheel in den asch leide en verteerde.</p> +<p>In den jaare 1296, den 27ste van Juny<a class="noteref" id= +"xd20e1700src" href="#xd20e1700" name="xd20e1700src">69</a>, +<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name= +"pb100">100</a>]</span>is Floris de vyfde en 19de Graaf van Holland, +door Gerrit van Velsen, Heer van Noordwyk, op eene moorddaadige wyze +omgebragt.</p> +<p>In den jaare 1299 namen de Friesen de drie nieuwgebouwde kasteelen +der Hollanderen in, als ook Medenblik, nu reeds mede tot een stad +geworden; en, na eenig stryden met de Graaven van Holland, moesten die +Westfriesland weder verlaaten.</p> +<p>Omtrent den jaare 1303 verscheen in de lucht, boven Scharl en Warns, +verscheidene vertooningen van kryg en oorlog, met een ysselyk geroep: +<i>Help! help!</i> De zon veranderde in bloed, en regen van bloed viel +op de aarde.</p> +<p>In den jaare 1305 verdroegen de Schieringers en Vetkoopers met +malkanderen, om hunne twisten, door een gevegt van twee mannen uit hen, +ten einde te brengen: dit werkstellig gemaakt zynde, bleven de +Vetkoopers verwinnaars en de Schieringers verliezers.</p> +<p>In den jaare 1306 quamen de Noormannen met eenige schepen in +Friesland, om onder die inlandsche twisten, eenen roof uit het land te +haalen: doch, <span class="sc">Reiner Canga</span> of <span class= +"sc">Camminga,</span> dies tyds Landsheer zynde, heeft hen met zyn +byhebbende <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name= +"pb101">101</a>]</span>macht dapper afgeslagen; en over de 900 vyanden +nedergemaakt hebbende, wierd hy zelve gequetst, waar van hy stierf, tot +groote droefheid zyner landsgenooten.</p> +<p>Na hem volgde <span class="sc">J. Hessel Martena,</span> hoewel +tegen zynen zin, in het Landsheerlyke Gebied, om zyne uitmuntende +vredelieventheid.</p> +<p>Omtrent dezen tyd heeft Johannes Flieterp, Secretaris van Martena, +onverwagt de beschryvinge, van Okke Scharlensis te Staveren gevonden; +en dezelve uit het latyn vertaalt hebbende, met eenige van zyne eigene +aanteekeningen, in het licht gegeeven.</p> +<p>In dezen tyd wierden de Hollanders, die met hulpe der Westfriesen, +Friesland dachten te berooven, dapper afgekeert: het welk Enkhuizen +door eenen brand moest vergelden.</p> +<p>In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden, hebbende het +land tegen de aanvallen der vyanden dapper bevryd, en dezelve +verscheidene maalen verjaagt. Om nu een nieuwen Landsheer te verkiezen, +ontstond onder het Friesche volk een zwaare twist: de een begeerde die, +en de ander weêr een anderen, maar alzo in dien tyd stormwinden +en overstroomingen quamen, die wel 500 menschen wegsleepten, +staartsterren gezien wierden, bloedregen neder viel, en andere teekenen +aan den hemel zich vertoonden, zoo quamenze daar door tot bedaaren. Ook +ontstond ’er in dezen tyd een vreesselyke hongersnood; waar uit +droevige <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name= +"pb102">102</a>]</span>exempelen voortquamen: onder anderen, eene +zekere Vrouw, hebbende haar goed by de landtwisten verteert, en te +Sixbierum haar armoede verbergende, sloot haar huis toe en stierf alzo +met haare Kinderen. En een weinig tyds hier na, heeft eene ongemeene +sterfte het derdedeel der menschen weggenoomen.</p> +<p>In den jaare 1318 quamen de Hollanders met een kleen vaartuig te +Makkum en Kornwert aan land, meenende, onder het gewoel van deze +inlandsche scheuringe, een goeden buit weg te sleepen: maar de Friesen +spoelden hen de voeten, en hebben door hulpe van die zelve schepen +Medenblik en Enkhuizen uitgeplondert.</p> +<p>In dezen tyd was Staveren mede in het Verbond der Anseesteeden.</p> +<p>En in dezen tyd bevryden de Friesen hun Land mede voor de aanvallen +der Graaven van Gelder; als mede voor die der Hollanders en +Westfriesen, nu wederom hunne vyanden geworden.</p> +<p>In den jaare 1323 wierd van alle de Friesen beraamt, voortaan hunne +generaale Rechts-Vergaderinge te Upstalboom, in Oostfriesland, te +houden.</p> +<p>In den jaare 1324, in November, zyn door een groot tempeest van +donder en blixem, en een watervloed over Friesland en Holland gaande, +veele menschen en beesten verdronken.</p> +<p>In den jaare 1326, of omtrent dezen tyd, <span class= +"pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" name= +"pb103">103</a>]</span>begon Appingadam in alle neeringe, ambagten en +rykdom toe te neemen, zelfs Groningen gelyk te worden.</p> +<p>In den jaare 1327, een weinig na Kersmis, zyn de privilegien en +keuren van Appingadam, door de Staaten van Fivelingo, in een zeer +plechtige byeenkomst opgestelt en goedgekeurt. Ook zyn dezelve, weinig +dagen daar na, op een algemeenen Landdag, te Upstalsboom bevestigt, en +met het Zegel<a class="noteref" id="xd20e1754src" href="#xd20e1754" +name="xd20e1754src">70</a> bekragtigt.</p> +<p>In den jaare 1328 was de toestand der Schieringers en Vetkoopers zo +verre gekomen, dat de zwakste party nu begon vreemde soldaaten in +dienst te neemen.</p> +<p>In den jaare 1332 zyn de wetten gemaakt van de waterlossinge by het +Huis Groenenberg; waar uit een oorlog ontstond; want de Friesen van +Humsterland, Vredewold enz., zich t’zamen voegende tegen de +Groningers, geschiede het eerste gevegt in Hunsingo, en de tweede slag +in Fivelingo, beide tot nadeel der landlieden. Maar de derde treffinge +was zwaarder dan de eerste, en viel de Groningers ten deel.</p> +<p>Daar na is het Huis Kortinge, by Selwert, zynde met eenige Drentsche +Edelen <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name= +"pb104">104</a>]</span>bezet, door de landlieden stormenderhand +ingenomen, en de gansche bezettinge daar in dood geslagen. Voorts wierd +Groningen ook door hen overweldigt, wordende veele burgers in de eerste +furie gedood, en 60 der voornaamste auteurs van die onlusten opentlyk +op de markt, by de Pelster-, Gaddinge-, en Volkeringe Straat door +’t zwaard onthoofd<a class="noteref" id="xd20e1766src" href= +"#xd20e1766" name="xd20e1766src">71</a>.</p> +<p>In den jaare 1334, in November, op St. Klemens Dag, was ’er +een groot onweêr van donder en blixem; en zo een watervloed, dat +het zeewater over de dyken heen stroomde, waardoor veele menschen in +Friesland en elders verdronken.</p> +<p>In den jaare 1336 zyn te Bolswert 136 huizen verbrand. Ook wierd +Friesland in dit jaar wederom door een watervloed aangetast, daar door +veele menschen en beesten verdronken.</p> +<p>In den jaare 1342 was het Aduarder klooster zo machtig en weelig +geworden, dat hun verboden wierd, meer goederen en landeryen aan te +koopen.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 25ste van September, is Graaf Willem van +Holland, zo ’er gezegt word, in Friesland gevallen met over +<span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name= +"pb105">105</a>]</span>de 100000 mannen: maar wierden van de Friesen +zoodanig gehavent, dat zy met achterlaatinge van 18000 mannen, waar +onder de Graaf, en omtrent 200 Edelen, wederom moesten aftrekken; zynde +dit de grootste overwinninge die de Zeelandsche Friesen ooit hebben +bevogten. Want daar word gezegt, dat de Hollanders 10 mannen tegen de +Friesen een sterk waren geweest.</p> +<p>In den jaare 1346 waren die van Hunsingo met de stad Hamburg in +oorlog; doch de Hamburgers den Frieschen koophandel niet kunnende +missen, bragten door anderen zo veel te weeg, dat de zaak door +wederzydsche gezanten is bygelegt geworden.</p> +<p>In den jaare 1350 was ’er zulk eene vergiftige pest in en +omtrent Friesland, dat de menschen al gaande en staande dood +nedervielen, blyvende van 1000 naauwelyks 10 in ’t leeven. +ô Ysselyk verhaal!</p> +<p>In den jaare 1361 is te Groningen eene generale vergadering gehouden +van alle Magistraatsperzoonen in ’t geheele vrye Friesland, tot +conservatie van hunne rust en vrede.</p> +<p>In den jaare 1364 heeft Hertog Aalbregt van Beyeren, Graave van +Holland, het Eiland Ter Schelling in brand gestoken; doch niet zonder +weêrzydsche bloedstortingen, want het in dien tyd onder Friesland +behoorde.</p> +<p>In den jaare 1368, den vierden van September, is Groningen door alle +regeerende, <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name= +"pb106">106</a>]</span>en daar toe gerechtigde perzoonen, tusschen de +Eems en Lauwers, gerechtigd tot de Stoel der gemeene Vergaderingen; +’t welke zy voorheen maar naar gewoonte hadde geweest.</p> +<p>In den jaare 1379 is Koeverden door de Rustringen en Oostringen, met +Sibet en meer andere Hovelingen, ingenomen.</p> +<p>In den jaare 1387 zyn in Friesland door een watervloed wederom veele +menschen en beesten verdronken.</p> +<p>In den jaare 1388 heeft Folkmer Allena het steedje Aurik, in +Oostfriesland, ingenomen, en het slot zeer hevig laaten beschieten. +Okko was Bevelhebber daar binnen, die, na stilstand van wapenen +verkreegen te hebben, naar beneden in de stad ging, om over het verdrag +te handelen; maar het zelve niet getroffen wordende, wierd Okke door +zyne trouwlooze vyanden op den 26ste van July doorstoken; stervende +alzo de eerste Ridder in Oostfriesland, Okko, Heer van +Broekmerland.</p> +<p>In den jaare 1392 is Leeuwarden, door ’t aangroeyen der +inlandsche oneenigheden, heimelyk aan de noordzyde in brand gestooken; +waar door ’t Prediker klooster en kerk verteerden.</p> +<p>Hier na quamen de Hollanders met een machtig leger in Friesland +vallen, tot omtrent Schooterzyl: alwaar zy door de Friesen wierden +tegen gestaan, vegtende aan weêrskanten zeer scherp, tot beider +groot <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name= +"pb107">107</a>]</span>verlies; want de Hollanders de overwinning +hebbende, verlooren nochtans 1300 mannen, zo aan dooden als gevangenen, +en de Friesen daarentegen 600 mannen.</p> +<p>In den jaare 1397 was <span class="sc">Yv Juwinga</span> Landsheer, +die van zommigen ook genoemt word <span class="sc">Ju Jongama.</span> +In dien tyd quam Albrecht van Beyeren met eene macht van 18000 mannen +in de Kuinre, dies tyds een Graafschap, om Friesland te overweldigen. +En Juwinga, de Friesen tegen hem niet kunnende afraaden, om geen slag +met hen te waagen, kreegen zy by Schooterzyl de nederlaag, en verlooren +omtrent 500 mannen, als mede den Landsheer zelve. Daar na trok Albrecht +naar de Lauwers; daar de Friesen hem tegenstonden. Ondertusschen +verteerden de Schieringers en Vetkoopers malkander zodanig, door hunne +oneenigheden, dat de Vetkoopers te raade wierden, voor hunne zyde het +land aan Albrecht op te draagen; en de stad Staveren wierd hem +ingeruimt. Doch van de Schieringers tegengestaan zynde, vertrok hy van +de Lauwers, door geheel Oostergo en Westergo.</p> +<p>In den jaare 1398 nam Albrecht Dokkum in, en deed de voornaamste der +Schieringers naar Groningen vlugten; alwaar dezelve door eenen Koppen +Jarges van Staveren gestyft zynde, benevens de Groningers, den Hertog +weder tegen trokken, onder het <span class="pagenum">[<a id="pb108" +href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span>geleide van Sikke Deekema, +Gaale Hanja, en Ode Botnia.</p> +<p>In dit zelve jaar, hebben eenige Ommelander Heeren, de Ommelanden +heimelyk aan den Graaf van Holland opgedraagen. Maar doe de andere +Heeren zulks gewaar wierden, en buiten weeten, zich tegens recht en +privilegien overgelevert te zien aan hunne vyanden, beraamden daar op +het jok af te schudden. Eppo Nittersum, zynde een Patroon der +Schieringers, maakte hier aanstonts een begin van, neemende den tooren +of vastigheid tusschen ten Post en Mude in, en sloeg het daar +binnenleggende guarnisoen, uit Hollanders bestaande, altemaal dood, of +deeden hen in de Damstervaart verdrinken. Ondertusschen wierd Groningen +ook van den Graaf van Holland verzogt, hem voor haren Heere te neemen; +doch te vergeefs.</p> +<p>In den jaare 1399 namen zy Dokkum, Cammingaburg en het slot ter +Luine, gelegen tusschen Kollummer en Oudwoudumerzyl, weder van den +Hertog, en noodzaakten hem weder uit Friesland te vlugten; alleen noch +behoudende de stad Staveren. Van waar Brederode, meenende de schans te +Molkwerren, dat Winsemius ook Molkenhuizen noemt, in te neemen, doch +mislukte: maar wierd van de Friesen geslagen, en hy zelve gevangen +genomen. Doch weinig tyd hier na is de vrede geslooten in den Briel, +tusschen Johan van Beyeren, Graaf <span class="pagenum">[<a id="pb109" +href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>van Holland, de Friesen en de +stad Groningen en Ommelanden. Waar op de Graaf door de Groningers met +50 vette Ossen wierd vereert.</p> +<p>De Friesen dus hunne vryheid weder bevogten en gewonnen hebbende, +zyn de drie voornoemde Edelen, de een na den anderen tot Landsheeren +verkooren; doch de een het op den anderen schuivende, hebben zy +’t allen geweigert.</p> +<p>In den jaare 1400, verzogten de Vetkoopers of Ballingen by den +Bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim, zyne hulpe, geevende +hem een goede zomme geld, mits dat hy hen by de Groningers in voorige +charges en goederen zoude herstellen. Waar op de Bisschop brieven en +gezanten aan de Groningers afzond, hen zelfs ook gebiedende, de wapenen +neêr te leggen: doch alles te vergeefs. Want die van Groningen en +hunne Bondgenooten zeer moedig zynde, hebben ondertusschen onder het +beleid van den Burgemeester Albert Wigbolts, Aapke Onstema’s +Huis, te Sauwert, met veel moeite ingenomen. Dit Huis was zeer sterk, +hebbende muuren van 12 voeten dikte, met een wyde gragt om dezelve, en +om welke noch een andere gragt heenen ging, bevattende 5 steene +torens.</p> +<p>Dit gerucht deed de Bisschop met zyn krygsmacht afkomen, doende de +stad Groningen op St. Jacobs Dag aan de zuidzyde berennen: waar op +veele schermutselingen <span class="pagenum">[<a id="pb110" href= +"#pb110" name="pb110">110</a>]</span>volgden. Doch, na drie weeken +belegs, heeft de Bisschop de stad wederom moeten verlaten, zich te +vreden houdende alleen een Blokhuis te Blankeweer met volk wel te +bezetten.</p> +<p>Omtrent dezen tyd hebben de Groningers het Stapelrecht bekomen.</p> +<p>In den jaare 1401 kogten de Groningers van den Bisschop van Munster +zyne vriendschap voor 2000 guldens; mits dat hy zich by den +Utrechtschen Bisschop niet zou voegen. Hier op trokken de Groningers +met grooten moed in de Ommelanden, werpende veele steene huizen +omverre, als van Snelgers huizen in den Dam; van daar na +Ripperda’s huis te Farmsum, maar met zo een goeden uitslag niet +als by den eerste; want Ripperda, 400 zeeroovers tot bezetting gekregen +hebbende, vielen op hen uit, en sloegen veelen van de Groningers dood. +Waarom de Groningers aftrokken; doch maakten hunne krygsgereetschappen +wederom in den Dam gereed, waar mede zy, na drie dagen toevens, weder +derwaarts trokken; vallende doe met zo eene verwoedheid op gemeld huis +en hunne vyanden aan, datze in ’t kort overwinnaars wierden, en +alles aan stukken hakten, of in ’t water deeden verdrinken die +’er op waren. Daar na trokken de bondgenooten naar Termunten, en +haalden het huis van Menno Houwerda omverre; als ook daar na +Gockinga’s huis, te Broeke. <span class="pagenum">[<a id="pb111" +href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1404 zyn <span class="sc">Sioerd Wiarda</span> en +<span class="sc">Haring Harinxma,</span> by gemeenen raade, tot +Landsheeren verkooren; hebbende de eerste zyn opzicht in Oostergo, en +de andere in Westergo. In dezen tyd zyn nochmaals eenige Friesche +Edellieden naar het Joodsche Land vertrokken, om kunne krygslust +oeffening te geeven.</p> +<p>In den jaare 1405, den eersten van October, is de vrede tusschen den +Bisschop van Utrecht en de stad Groningen geslooten; waar door +weêrzyds gevangenen zouden los gelaaten, en de ballingen in hunne +voorige goederen herstelt worden.</p> +<p>In den jaare 1408 is Darrelt, in Oostfriesland, door de Hollanders +ingenomen, en daar na getracht vast te maaken: doch Jonker Keno, van +Broekmerland, heeft hun voornemen verydelt, en ter plaatze uit +gejaagt.</p> +<p>In den jaare 1409 heeft Jonker Keno Folkmer Allena’s huis te +Oosterhuizen, in Oostfriesland, ingenomen, neemende zyne zusters zoonen +gevangen, en wierpze te Aurik in eene, vuile gevangkenisse, alwaar zy, +door toedoen van zyne moeder, van honger en vuiligheid zyn +gestorven.</p> +<p>In den jaare 1412 waren de partyschappen in Friesland tusschen +Schieringers en Vetkoopers schrikkelyk woedende: want de Vetkoopers, +hebbende in eene vergadering voorgedragen, om de Schieringers ten +eenemaal uit te roeijen, zonder zelve de kinderen <span class= +"pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span>in +de wieg te spaaren. Hier om wierden de gemoederen der Schieringers noch +meer ontsteeken; en daar zy hunne vyanden maar bespringen konden, +sloegenze die dood.</p> +<p>In den jaare 1413 is de stad Embden door Jonker Keno van +Broekmerland ingenomen: waarom Proost Hiske, aldaar Heer zynde, naar +Groningen de vlugt nam.</p> +<p>Door deze overeenkomst van Proost Hiske, begon Groningen ook +verdeelt te worden, door die alverdervende partyschappen van de +Schieringers en Vetkoopers. Die van Rengers, Huginge, Clant, Clinge en +Brugge, neigden naar de Vetkoopers, als zynde de Hollanders toegedaan: +de andere waren meest alle in ’t openbaar Schieringers; hun +Opperhoofd was Koppen Jarges, houdende zich aan ’t Groninger +verbond.</p> +<p>Deze Scheuringe veroorzaakte eene groote bloedstortinge; want de +Schieringers wilden den gevlugte Proost Hiske<a class="noteref" id= +"xd20e1867src" href="#xd20e1867" name="xd20e1867src">72</a> helpen, +tegen zyn vyand Jonker Keno; en de Vetkoopers daar en tegen niet. Hier +op stonden de Schieringers, als de sterkste party zynde, den 23ste van +October uit haat op, <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" +name="pb113">113</a>]</span>en vielen op het Raadhuis aan, als de Raad +vergadert was: zy doorstaken aanstonds den Burgemeester Jan Rengers en +Albert Barelts, en Johan Hekman veele wonden toegebragt hebbende, +wierpenze ter venster uit op de markt. Voorts bragten zy Hendrik +Ottesz. Clant mede om ’t leeven, als ook Allard Clant, daar hy +aan tafel zat te eeten. Vervolgens deeden zy den Raad besluiten, dat +alle de geene die van de Vetkoopers partye was, zich zonder eenig +ophouden, uit de stad en de Ommelanden zouden vertrekken.</p> +<p>In den jaare 1414 hebben de Friesen van Westergo de stad Staveren +overrompelt; waar door Friesland geheel van het Hollandsche jok wierd +vry gemaakt. Ook waren de Schieringers, onder Koppen Jarges, in +Groningerland op hunne hoede: want de ballingen, hunne toevlugt by +Jonker Keno genomen hebbende, deeden derhalve alle de aankomsten aan de +Eems met krygsvolk bezetten: ook liet Jarges het goud en zilver uit de +kerken in Fivelingo neemen, waar van te Kampen geld wierd geslagen; dat +naderhand Koppens guldens genaamt wierd. Daar op nam de landbederving +een begin, steekende twee sluizen te Reiderland in brand, en op +verscheidene plaatzen de dyken door. Jonker Keno deed het zelfde aan de +Groninger kant, doorsteekende mede op verscheidene plaatzen de dyken: +moetende <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name= +"pb114">114</a>]</span>alzo het gemeene volk de dolle razernye der +Grooten ontgelden.</p> +<p>In den jaare 1415 hebben de ballingen of Vetkoopers hunne macht, +benevens hunne vrienden, en die ’t met hun hielden, te Eelde, in +’t Drenth, byeen vergadert, waar mede zy op den 13de van +September, des avonds, den dyk langs, stilletjes voor Groningen +trekkende, en voorts over de stads muur klimmende, de sloten van de Aa +Poort afhieuwen, en dus de stad, na veel bloed vergooten te hebben, +innamen; hier op stakenze aanstonds drie huizen in brand, ten teeken +voor Jonker Keno; welke met een vloot schepen voor Delfzyl leggende, +ten eersten met zyn krygsvolk naar de stad afquam, en herstelde de +ballingen aanstonds in hunne voorige bedieningen en goederen. Daar na +trok Jonker Keno met zyn volk door de Ommelanden, en deed verscheidene +van der vyanden heerenhuizen omverre werpen.</p> +<p>In den jaare 1416 hebben de Groningers, met die van Hunsingo en +Fivelingo, hunne oude verbonden wederom vernieuwt, na dat Jonker Keno +vertrokken was; waar in alle vyandschappen en misdaaden vergeeven +wierden.</p> +<p>Ook heeft Proost Hiske, met hulpe zyner vrienden, de stad Embden +wederom overweldigt en onder zyn gebied gebragt.</p> +<p>In den jaare 1417 zijn de Vetkoopers door de Schieringers uit de +Westerlauwers <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name= +"pb115">115</a>]</span>gejaagt. Maar Jonker Keno zulks berigt zynde, +trok hen op den 10de van Juny by Noordhorn tegen; alwaar zeer hevig +gevogten wordende, de Schieringers 500 dooden en 400 gevangenen lieten +zitten. Korts hierna is Jonker Keno ziek geworden, en op ’t Huis +te Oldenburg overleden.</p> +<p>In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier Dokkum ingenomen, geplondert +en in brand gestoken; de bolwerken in de gragt geworpen, en al de +huizen en stinsen der Schieringers geraseert, als mede ook het huis van +A. Kamstra, bezuiden Dokkum: het blokhuis by Esumerzyl wierd +stormerhand ingenomen, waar in vier mannen door den eersten aanval +wierden gedood, en de rest der bezettinge, zynde zeeroovers, door beuls +handen den kop afgeslagen. Doch in het volgende jaar quamen de +Schieringers, onder ’t geleide van Sikke Sjaardema, en wierden +daar weder meester van.</p> +<p>Des Okke van Broek, de zyde der Vetkoopers versterkende, quam met +een hoop volk uit Embderland, dat hy tusschen Staveren en Hindeloopen +aan land zettede, en met Sjaardema in een hevig gevegt raakte: waar in +300 Schieringers verslagen, en 200 gevangen wierden; de overgeblevene +vlugten naar Slooten, dat zy in allen spoed met eene wal versterkten of +omtrokken: en wierden van hunne vyanden belegert: doch door hulp des +Graaven van Holland weder ontzet.</p> +<p>In den jaare 1419 hebben de Groningers <span class="pagenum">[<a id= +"pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span>den Bisschop van +Utrecht, Frederik van Blankenheim, voor hunnen Beschermheer aangenomen, +wordende hy in ’t begin van Juny gehuldigt, en de Handvest op den +11de dito geteekent.</p> +<p>In den jaare 1420 liet Sjaardema, door des Graaven volk, Makkum met +een bolwerk omringen. Maar zy, door een listigen brief van Tjeerd +Ailua, Vetkooper te Witmarsum, wierden daar uitgelokt: en is doe die +wal weder geslegt<a class="noteref" id="xd20e1898src" href="#xd20e1898" +name="xd20e1898src">73</a>. Ook trof men een veldslag by Hindeloopen, +daar wel 200 mannen wierden verslagen en verdronken, en noch zo veel +gevangen.</p> +<p>Den 30ste van April, in dat zelve jaar, is Bolswert door de +Schieringers ingenomen, wordende aldaar een Jan Tjalling, Hoveling, met +noch eenige Vetkoopers door de kling gejaagt, om dat zy voorheene eenen +van Koppen Jarges volk hadden <span class="corr" id="xd20e1915" title= +"Bron: doodgegeslagen">doodgeslagen</span>.</p> +<p>Daar na hebben de Vetkoopers, onder het commando van Fokko te Lier, +op den 12de van May, de Schieringers by Catse geslagen; die daar 300 +dooden en 200 gevangenen verlooren.</p> +<p>Den 26ste van September wonnen de Vetkoopers Staveren, alwaar Koppen +Jarges, zeer dapper vegtende, het leeven verloor. <span class= +"pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name= +"pb117">117</a>]</span>Omtrent dezen tyd ontstond te Staveren een +groote brand, waar door in ’t kort 500 huizen verteerden.</p> +<p>In den jaare 1421 wierd Leeuwarden door de Vetkoopers vermeestert, +en de Hollanders uit de Lemmer verdreven; daar hun sterk Blokhuis wierd +omverre geworpen en geslegt.</p> +<p>In ’t zelve jaar, den 19de van November, is in Friesland, +Holland en elders, een schrikkelyke watervloed geweest, waar door de +dyken wierden gebroken, veele duizenden van menschen en beesten +opgeslokt, en tusschen Dordrecht en Geertruidenberg 72 dorpen zyn +vergaan.</p> +<p>In den jaare 1422, in February, wierd ’er weder een verdrag +van vrede<a class="noteref" id="xd20e1931src" href="#xd20e1931" name= +"xd20e1931src">74</a> gemaakt tusschen de Schieringers en Vetkoopers. +Waar op Dokkumerwal, en het slot op Esumerzyl geslegt wierden. Echter +bleef by zommigen noch de twistgierigheid, waar door de zorg voor de +dyken verwaarloost wordende, het water zoodanig inspoelde, dat het land +drie jaaren lang tot aan Drenth en Stellingwerf met het zelve bezet +bleef leggen.</p> +<p>In dit zelve jaar hebben de Groningers de stad Slooten belegert; +doch vrugteloos: want op St. Benedictus dag hebben de Hollanders +<span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" name= +"pb118">118</a>]</span>de stad ontzet en de belegeraars geslagen.</p> +<p>In den jaare 1424 was geheel Westergo in onrust, door de +partyschappen van de geslachten Bonnema en Gerkema. De stins van +Gerkema wierd overweldigt, en zelve met den vader daar in verbrand. +Doch twee jaaren daar na wierd Fokko Bonnema ook verslagen.</p> +<p>In den jaare 1426, in September, geschiede het bloedige gevegt van +Fokko Ukens, Hoveling te Leer, tegen Nikolaas, Graaf van Oldenburg, en +den Aartsbisschop van Breemen, by Deteren: alwaar Fokko, overwinnaar +wezende, van de vyanden 5000 mannen doodsloeg, en 300 gevangenen +bequam, waar onder veele heeren van grooten rang.</p> +<p>In den jaare 1427, den 28ste van October, was ’er wederom een +zwaare stryd van Fokko Ukens, tegen Jonker Okko van Broekmerland, +tusschen Veenhuizen en Opgant; daar geschiede een groote +bloedstortinge; want Fokko wel de overhand hebbende, verloor nochtans +4000 mannen; doch Okko verloor van zyne kant noch meer, en viel zelve +in des vyands handen; alwaar hy, na zes jaaren in de gevangenisse +gezeten te hebben, is komen te sterven.</p> +<p>In dit zelve jaar deed de Geldersche Hertog, met een groote +krygsmacht, een inval in ’t landschap Drenth, steekende +verscheide dorpen en buurtschappen in brand; vernielde het koren; +roovende en plunderende <span class="pagenum">[<a id="pb119" href= +"#pb119" name="pb119">119</a>]</span>alle de beste goederen, en dezelve +met hem naar Gelderland sleepende.</p> +<p>In den jaare 1428 sloeg Fokko Ukens de slag by Oterdum, tegen de +Groningers; alwaar Fokko, wederom overwinnaar zynde, van de vyanden 500 +mannen doode, en veele gevangen nam, waar onder een Burgemeester van +Groningen.</p> +<p>In den jaare 1429, was Groningen en Hamburg wederom in Oorlog; want +weêrzyds waren schepen ter zee met elkanderen geduurig in actie. +In dezen tyd is overleden Proost Hiske van Embden.</p> +<p>In den jaare 1430 zag men noch, by een laage ty, de kapel en +ringmuur van ’t kerkhof van Odulfs Klooster, by Staveren, in de +zee.</p> +<p>In den jaare 1431 hebben de Hamburgers, met een vloot schepen, voor +Embden leggende, den Drost Imelo Abdema, zynde de zoon van Proost Hiske +boven gemeld, onder schyn van vriendschap, op een gastmaal genoodigt; +’t welke zy tot dien einde op een van de schepen hadden +toegericht: maar de Drost aldaar gekomen zynde, en een buitengewoon +glaasje wyn gedronken hebbende, staken zy ondertusschen in zee, en +voerden hem alzoo over naar Hamburg; alwaar hy in groote elende 24 +jaaren lang gevangen heeft gezeten: en de andere schepen zettede zich +voor Embden, die de stad met geweld en dreigementen tot de overgave +dwongen. <span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name= +"pb120">120</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1434 was Groningen met de Hamburgers noch in oorlog; by +deze gelegentheid wierd Willem Wicheringe, Olderman of Hoofdman der +Gilden, thans Olderman van ’t Gildrecht genaamt in Groningen, +willende het Stapelrecht voor de stad verdedigen, in een oploop van de +landslieden te Farmsum doodgeslagen. Hier op wierd door de Heeren van +de stad vergoedinge dier doodslag geeischt: doch wierd door Hayo +Ripperda, Heer van Farmsum, geweigert, en begeerde den schuldige van +het gedaane feyt niet over te leveren. Hier door ontstond eene groote +tweespalt onder den Adel; want de Groningers eindelyk de wapenen +aangordende, wilden Ripperda tot vergoedinge dwingen: doch hy zulks +niet afwagtende, bood zich aan tot verdrag; ’t welk op den 27ste +van July deszelfden jaars wierd getroffen<a class="noteref" id= +"xd20e1968src" href="#xd20e1968" name="xd20e1968src">75</a>.</p> +<p>In den jaare 1435 overleed de dappere Fokko Ukkens, Hoveling te +Leer, op het Huis te Dykhuizen, by Appingadam, wordende in het klooster +aldaar begraven.</p> +<p>In den jaare 1437 hebben de Hamburgers en Embders der Hovelingen +huizen in Oostfriesland om verre geworpen en geraseert, als te +Oosterhuizen, Hinta, Grimmersum, Groothuizen enz., omdat ze tot geen +toevlugt voor de vyanden zouden wezen. <span class="pagenum">[<a id= +"pb121" href="#pb121" name="pb121">121</a>]</span></p> +<p>Ook was in dezen tyd een watervloed over deze landen, waar door +groote schade aan menschen en beesten geschiede; als mede eene +pestilentie, daar veele duizende menschen door stierven.</p> +<p>In den jaare 1438, in Augusty, zonden de Groningers by nacht een +schip met volk naar Termunten, en verrasten aldaar het kasteel. Zy +joegen alle de Hamburgers daar uit, en stelden ’er wederom tot +Commandant Lodewyk Hoornken. Daar na namen zy het huis van Eppo +Gockinga, te Broeke, in, als mede de sterke toren te Bellingewolde, die +zy ter neêr wierpen.</p> +<p>In den jaare 1443 is het Stadshuis te Groningen gebouwt.</p> +<p>Ter dezer tyd was Friesland wederom in groote onlusten; want die van +Ripperda en Heemstra bedreven groote geweldenaaryen van moorden en +branden tegen elkander.</p> +<p>In den jaare 1444 is overleden de heer Eppo Gockinga<a class= +"noteref" id="xd20e1993src" href="#xd20e1993" name= +"xd20e1993src">76</a>, waar door het geheele Oldambt, volgens accoord +en der Oldambsteren toestemminge, onder des stads jurisdictie is +geraakt; wordende voorts door de Magistraat van Groningen een Drost +gestelt, <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name= +"pb122">122</a>]</span>om de zaaken uit hunnen naam aldaar waar te +neemen.</p> +<p>In den jaare 1446 hebben die van Sjaardema, als hun huis, aan +’t oosten van Franeker, bouwvallig begon te worden, een nieuw +huis of Slot aan ’t westereind van de stad gebouwd, op een plaats +genaamt <i>Kaale Hei</i>, alwaar ’t noch ten huidigen dage +staat.</p> +<p>In dit zelve jaar, na dat het vuur der Schieringers en Vetkoopers +weêr ontstooken was, hebben de Vetkoopers de kerk en toren te +Workum tegen de Schieringers versterkt. Doch deze laatsten hebben hunne +vyanden aanstonts belegert; en de Overste Ketelhoet, die afgekomen was +om de belegerden te ontzetten, geslagen; alwaar Ketelhoet zelve, en +veele gemeenen zyn gedood en gevangen genomen<a class="noteref" id= +"xd20e2005src" href="#xd20e2005" name="xd20e2005src">77</a>.</p> +<p>In den jaare 1448, even na St. Jan, is in Appingadam tusschen de +steden Hamburg en Groningen de vrede geslooten, waar in alles wierd +bygelegt, en de vrye handel open gemaakt.</p> +<p>In den jaare 1453 is de Utrechtsche Bisschop, Roelof van Diepholt, +door de Groningers voor hunnen Beschermheer aangenomen en +gehuldigt.</p> +<p>Ook heeft Jonker Ulrich in dezen tyd, na dat hy van de Prelaaten, +Hovelingen, enz., tot een Heere van Oostfriesland was <span class= +"pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name= +"pb123">123</a>]</span>aangenomen, de stad Embden met deszelfs burgt, +als ook de burgt te Leeroort, van de Hamburgers gekogt voor 10000 +mark.</p> +<p>Omtrent dit jaar heeft Philip de Goede, Hertog van Bourgondien, en +Graaf van Holland, eerst door veele laagen, en daar na door +dreigementen, Friesland getracht te overmeesteren. Doch de Friesen hier +tegen, maakten gezamenlyk eene onderlinge verbindtenisse, om hem met +een gemeene macht tegen te gaan.</p> +<p>In den jaare 1454 was te Groningen onder de burgerye een groote +onlust, ter oorzaake van eene zekere resolutie, by den Raad genomen, +dat geen inwoonder van de stad de waaren, welke van de landlieden ter +markt wierden gebragt, zoude mogen koopen; maar dat deze door +opkoopers, van den Raad daar toe gestelt, alleen zouden mogen worden +opgekogt, en dus verder aan de ingezetenen uitgesleten worden. Maar een +Warner Smith, Raadsheer der stad, stelde zich hier tegen, willende +zelfs zyn gryzen kop daar by opzetten, om de burgers van die last te +bevryden. Hy ging derhalven van het raadhuis, en maakte zulks aan de +Bouwmeesters en Gildens bekent. De Raad dit vernomen hebbende, is +aanstonds met 24 mannen vergadert; welke beslooten, dezen Raadsheer +Warner Smith om ’t leeven te laaten brengen. Weinig dagen hier na +vergaderde de Raad weder, en deed den Raadsheer Smith door een stads +Dienaar <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name= +"pb124">124</a>]</span>ontbieden: doch hy merkte het quaad; geevende +daarom hier van aanstonds kennisse aan de Bouwmeesters en Gildens, en +hun gebiedende, naauwe wacht te houden voor het Raadhuis. Hier op ging +Smith met eene groote vrymoedigheid naar boven: maar den beul aan de +deur vindende, trad hy in de Raadkamer, zeggende: «<i>Wat, wilt +gy uw gebod met bloed schryven; door de handen van een beul?</i>” +Onderwyl zagen eenige heeren uit de vensteren, en vernamen dat de +geheele markt vol gewapende en oproerige menschen stond; derhalven +wierden zy met de uiterste verbaastheid aangedaan, en veranderden +gansch van resolutie: want de Raadsheer Smith wierd daar op niet alleen +vry verklaart, maar zelfs de genomene resolutie ook wederom +ingetrokken: waarom het gepeupel weêr vertrok.</p> +<p>In den jaare 1455 is het Verbond tussen de stad Groningen en de +Ommelanden voor den tyd van 10 jaaren vernieuwt. Waar op St. Martens +toren is gefondeert, en na vyf jaaren voltrokken.</p> +<p>In den jaare 1456 verscheen over Friesland eene ysselyke staartstar; +waar op, eenige jaaren na malkanderen, een groote duurte omtrent de +leevensmiddelen is gevolgt. Omtrent dezen tyd zoude, door de dapperheid +der Friesen, die doorgaans den H. Kryg volgde, om de inlandsche +oneenigheden te myden, wel 30000 Turken ter <span class= +"pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name= +"pb125">125</a>]</span>neder gemaakt zyn, in de groote overwinningen +die de Hongaren bevogten.</p> +<p>In dezen tyd deed Tanne Kankena een inval in Oostringen, neemende +Jeveren in; en voerde daar na 300 menschen gevankelyk, als mede 3000 +stuks vee, naar Hargelingeland.</p> +<p>Omtrent den jaare 1457 is Sneek byna geheel afgebrand, blyvende de +dyk en ’t nieuw zand maar alleen over. Doch veel tyd daar na is +het weder opgebouwd.</p> +<p>Niet lang daar na wierd Slooten mede byna geheel door ’t vuur +verteert; zynde in den brand gestooken uit twistende eergierigheid van +eenige Edelen.</p> +<p>In den jaare 1459 hebben de Groningers hunne stad met nieuwe wallen, +gragten en poorten versterkt. Ook hebben zy David van Bourgondien, +Bisschop van Utrecht, voor hunnen Beschermheer aangenomen en +gehuldigt.</p> +<p>In den jaare 1461 is Harlingen mede door den brand geheel +vernielt.</p> +<p>In den jaare 1462, in October, sloegen de Vetkoopers tegen de +Schieringers by Aalsum; waar in de laatste verscheidene Grooten, en +omtrent 250 gemeenen verlooren.</p> +<p>In den jaare 1465 is de Zyl of Sluis van Offingawier door storm en +onweder weggescheurt; welke opening weder gestopt wierd door een stuk +land, leggende buitendyks, en afgescheurt zynde, daar weder in dreef, +<span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name= +"pb126">126</a>]</span>terwyl het door enige varkens en schaapen beweid +wierd.</p> +<p>In den jaare 1470 heeft Karel de Stoute de Friesen wederom getracht +onder ’t Huis van Bourgondien te brengen, op gelyke wyze als zyn +vader Philip, daar wy boven van gemeld hebben. Doch de Friesen vonden +zich geraden nochmaals hunne vryheid te verdedigen. Omtrent dezen tyd, +wierden tusschen Heemelum en Koudum, drie mannen en twee vrouwen +doodgeslagen, zonder dat elders van eenige verdere schade gehoort +wierd. En op Ameland quam een walvis, 83 voeten lang, aandryven.</p> +<p>In den jaare 1471 hebben de Groningers, na dat de Hertog van Beyeren +hun den oorlog hadde aangekondigt, hunne stad zeer vast gemaakt; +maakende eene aarde wal buiten de gragt, aan de zuidkant, met zes +steene torens: ook een steenhuis aan de inloopinge van de Hunse en Aa: +als mede de Heere en daar na de Ooster poort; en hebbende de stad +tegenwoordig acht poorten, daarze bevoorens ’er maar zes had +gehad.</p> +<p>Omtrent dezen tyd leefde de vermaarde en hooggeleerde jongeling +Andreas Canter, van Groningen, welke 10 jaaren oud zynde, by den Keizer +Frederik de derde ten Hove ontboden wierd, om zyne groote +geleertheid<a class="noteref" id="xd20e2057src" href="#xd20e2057" name= +"xd20e2057src">78</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb127" href= +"#pb127" name="pb127">127</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1472 wierd door Jonker Onno van Ewsum een zeer zwaare +toren te Middelstum gebouwd, dat geheel strydig tegen de gemaakte +verbonden was. De Groningers namen het daarom ook zeer qualyk; zendende +eenige Gecommitteerden derwaarts, om het werk te bezigtigen. Hy quam +ondertusschen zelve te Groningen, en betuigde niets quaads tegen de +stad in den zin te hebben; maar dat hy alleen een schuilplaats tegen +zyne vyanden zogt. Echter wierd hem door den Raad geordonneert, dat de +zwaarte der muuren van 6 tot 3 voeten moesten vermindert worden, +volgens hun gemaakt verbond. Doch Jonker Onno voer evenwel met het werk +voort: en om andere zwaarigheden, dachten de Heeren van den Raad niet +meer aan hem.</p> +<p>In den jaare 1474 deed een watervloed, over Friesland gaande, veel +schade aan menschen en beesten.</p> +<p>In den jaare 1477, den 17de van September, was ’er de Cosmus +en Damianus vloed: waar door in Friesland en elders zwaare schade +geschiede. By ’t klooster te Lidlum wierd een zeekalf gevangen; +en in de gragt van Bolswert wierden mede twee zeldzame visschen +gevangen, schynende de <span class="pagenum">[<a id="pb128" href= +"#pb128" name="pb128">128</a>]</span>eene vleugelen te hebben, en de +andere een zeehond te zyn.</p> +<p>In den jaare 1478 hebben de Groningers het slot te Wedde, van Hayo, +te Westerwolde, ingenomen en geslegt; maakende aanstonds op een andere +plaats een nieuw slot, en noemde het zelve Pekel a Burg, of Pekelburg; +alwaar de Groningers een Kastelein op stelden, welke over Westerwold en +het deel van den Oldambt, aan de eene zyde van den Dollaart, zoude +richten.</p> +<p>In den jaare 1480 is binnen Bolswert een kind met twee hoofden +gebooren. En te Leeuwarden zyn in dezen tyd de eerste Gildens in +gestelt.</p> +<p>In den jaare 1481 quamen de Keizerlyke Gezanten Steenbergen en Loo +te Groningen, en presenteerden hunne brieven aan den Raad en de +Gemeente, waar in de Keizer, den Burgemeesteren en Raaden in Groningen, +het Potestaatschap van Wester-Lauwers eeuwig en erffelyk gaf, zonder te +mogen beroepen worden, enz.; als mede met de ridderlyke <span class= +"corr" id="xd20e2077" title="Bron: ordre">orde</span> wierden +begiftigt, zo wel de toekomende als tegenwoordige Burgemeesteren en +Raadsheeren dezer stad. Ook gaf hy hun het recht, om goude en zilvere +munt te slaan. Doch het accoord wierd niet getroffen: waar van de +voornaamste oorzaak was, zo men zegt, om dat de Keizer een jaarlyksche +tribuit van 10000 rhynsche goudguldens eischte, te betalen uit de +inkomsten van Friesland over de <span class="pagenum">[<a id="pb129" +href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span>Lauwers: ’t welk alhier +te zwaar wierd geacht.</p> +<p>In den jaare 1482 wierd het groote en vermaarde laatste verbond +tusschen de stad Groningen en Ommelanden voor den tyd van 40 jaaren +gemaakt. Waar na Stad en Lande heeft gefloreert, en in rykdommen +toegenomen. Waar op voorts de hooge en zwaare St. Martens tooren is +voltrokken<a class="noteref" id="xd20e2084src" href="#xd20e2084" name= +"xd20e2084src">79</a>.</p> +<p>In den jaare 1486, in October, overleed te Heidelberg de +Hooggeleerde en beroemde Rudolf Agricola; hy was te Baflo, in +Groningerland gebooren, en zeer geleerd in de hebreeuwsche, grieksche +en latynsche taalen; ook was hy een groot musicus, hebbende het groote +en deftige orgel in St. Martens kerk te Groningen eerst nieuws +gemaakt.</p> +<p>In den jaare 1487 is de stad Leeuwarden door de Schieringers +gewapenderhand ingenomen.</p> +<p>Ook hebben de Groningers een rykgeladen Hollands schip, ’t +welk de Oostfriesen genomen hadden, hun op de Wadden weêr +ontweldigt; wordende de roovers daar van te Groningen opgebragt, en den +kop afgeslagen. <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" +name="pb130">130</a>]</span></p> +<p>Daar na trokken de Groningers ’t Drenth in, en haalden Jonker +Aapke Ewsums Huis te Roôn om verre. Als mede hadden zy, onder het +bevel van Ulrich, te Dornum, een aanslag op den Dam; doch +vrugteloos.</p> +<p>Omtrent dezen tyd is een vrouwe ligchaam, 12 houtvoeten lang, uit de +zee opgeworpen, en aan het strand van Ter Schelling komen +aandryven.</p> +<p>In den jaare 1490 vermeesterden de Vetkoopers, die nu voor ’t +meerendeel door verloop van hunne zaaken, in Holland gevlugt waren, de +stad Workum; komende, onder ’t geleide van Yge Gaalema, uit +Holland over ’t ys aantreeden.</p> +<p>In dit zelve jaar is de wydberoemde Wesselius Gansefort, te +Groningen gebooren, aldaar overleden; zynde door zyne theologische +Studien zo beroemd, dat hy <i>’t Licht der Waereld</i> genaamt +wierd. Hy was ook een groot medicus, hebbende Paus Sixtus de vierde +eenige jaaren als Lyfmedicus gedient, en wierd in het geestelyke +Maagde-Klooster begraven.</p> +<p>In den jaare 1491 heeft Berlikum noch de voorrechten en vryheden van +stads gerechtigheid gehad. Omtrent dezen tyd ontstonden in Friesland +verscheidene branden aan huizen: ook vertoonden zich veele gezichten +aan de lucht, als voorboden van droevige tyden.</p> +<p>In dit zelve jaar hebben de Groningers die van Dokkum, Dongeradeel, +enz., mede <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name= +"pb131">131</a>]</span>in hun verbond aangenomen, wordende het accoord +voorts opgemaakt, en op St. Lamberts Dag van weêrszyden +geteekent. Doch dit verbond heeft naderhand groote onlusten en +bloedstortingen veroorzaakt. Want de Groningers zyn daar na met een +groote krygsmacht in Friesland gevallen, om de malcontenten, die noch +tegen dat verbond waren, tot gehoorzaamheid te brengen; smeeten veele +steenenhuizen omverre, en zettede eenen Sikko Bolte voor Dokkum op een +rad.</p> +<p>In den jaare 1492 quamen de Leeuwarders mede in het Groninger +verbond. Maar die van Sneek, en meer andere Hovelingen daar omtrent, +bleven daar noch tegen; waarom zy met de Groningers, omtrent +Leeuwarden, in gevegt traden, daar zy zeer ongelukkig vegtende, van hun +100 mannen gedood, en 250 gevangen wierden. Doe stelden de Groningers +een Gouverneur te Leeuwarden en Dokkum, die deze twee steden, en +genoemde landen, uit hunnen naam, aldaar regeeren en bestellen +zoude.</p> +<p>In den jaare 1493 quam de Heer Otto van Langen, als Ambassadeur van +den Keizer Frederik de derde, in Friesland, om de partyschappen en +oorlogen, tusschen de Groningers en die van Sneek, met hunne +aanhangers, by te leggen.</p> +<p>Ook zyn de Friesen in dezen tyd in Munsterland gevallen, beroofden +en staken verscheidene dorpen in brand, en sloegen veele <span class= +"pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name= +"pb132">132</a>]</span>menschen dood. Insgelyks deeden de Munsterschen +wederom aan de andere kant, spaarende noch kerk, noch dorp in +Friesland.</p> +<p>In den jaare 1494 hebben de Groningers hunne Gezanten aan den Keizer +Maximiliaan gezonden, die het gemaakte verbond met die van Oostergo +confirmeerde, mits aan hem betaalende 10000, en aan den Hertog van +Saxen 1000 rhynse guldens. Hier na zond de Keizer drie van zyne +Hofraaden in Friesland, te Leeuwarden, Dokkum, enz.; alwaar zy de +Groningers lieten huldigen, plicht en eed doen, uit naame des H. +Roomschen Ryks.</p> +<p>In dit zelve jaar heeft Keizer Maximiliaan de oude voorrechten en +vryheden der Friesen op nieuws weder door brieven bevestigt; beveelende +hun, als voorheen, wederom uit hunne eigene Edelen eenen Landsheer te +verkiezen, op dat de verwoede handelingen en heillooze scheuringen eens +ten einde mogten komen: dreigende hen, by nalaatigheid van dien, onder +een vreemd Heer te willen zetten, met een eeuwig verlies van hunne +vryheid; alzo hy zulks verstond, tot merkelyke ruste van het Duitsche +Ryk, te behooren.</p> +<p>Hier op wierd <span class="sc">Julius Deekema,</span> van Baard, by +gemeenen raade, tot Landsheer of Potestaat verkooren, om dat hy een man +was, vreedzaam van gemoed, en een haater van tweespalt.</p> +<p>In dit zelve jaar, ’s nachts omtrent twee <span class= +"pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name= +"pb133">133</a>]</span>uuren, hoorde men digt by Bolswert, een +schrikkelyk geraas en getier, als van strydende heirlegers; zo dat de +wacht, de ronde doende, in ’t eerst meinde, dat ’er in der +daad een gevegt omtrent de stad was.</p> +<p>In den jaare 1495 hebben de Schieringers, gesterkt met de vreemde +krygslieden van Hertog Albrecht, uit Holland gehaalt, en wel 2000 +uitmakende, Workum en Hottingahuis ingenomen: brandschattende +Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en geheel Wymertserdeel. Koudum +stakenze in den brand. Doe schattenze de Gaasterlanders. Deze riepen de +Woudlieden om hulp: en zich daar tegen kantende, belegerdenze te gelyk +Slooten.</p> +<p>In den jaare 1496, in January, hebben de Schieringers, die zich met +veele Geldersche krygslieden, onder den Oversten Fox, binnen Sneek +versterkt hadden, een tocht ondernomen, om de Woudlieden en +Gaasterlanders van ’t beleg voor Slooten te doen opbreeken: de +Woudlieden, yverende tegen de onderdrukkingen en brandschattingen der +Schieringers, die nu dagelyks veele Gelderschen in het Land hadden +gehaalt, stelden zich op Sneekermeer tot tegenweer; doch het ys, door +hunne zwaarte, aan stukken barstende, verdronken ’er veelen; die +staande bleeven, verweerden zich tot den laatsten man; zo dat ’er +over de 4500 Woudlieden omquamen, en de Overste Fox wierd zelve mede +gequetst. <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name= +"pb134">134</a>]</span></p> +<p>De stad Harlingen door de Groningers, die naast eenige dagen in +’t Land gekomen waren, in bezettinge genomen zynde, wierden door +die van Franeker overrompelt; doch, door dien zy ’t blokhuis der +Groningers niet meester konden worden, moesten zy gemelde stad weder +verlaaten, na alvoorens dezelve uitgeplondert te hebben, en een Busse +of stuk Geschut, dat ’er ter verdediging der stad gevonden wierd, +mede naar Franeker te neemen. Daar na vermeesterdenze echter het +blokhuis, en de Groningers geraakten het Land uit.</p> +<p>In den jaare 1497, wierden Redmer Vealma, Ridder, en Barent Conders, +Burgermeester, met 7 a 8000 mannen, door de Groningers naar de Lemmer +gezonden; welke by Takezyl een sterk Kasteel bouwden. Daar na kogten de +Sneekers Jonker Fox met zyn krygsvolk uit Sneek, en geheel +Westfriesland, voor 8000 rhynse guldens.</p> +</div> +<div class="div2" id="erfheeren"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e2146" class="main">VI. Erfheeren.</h3> +<div class="div3" id="albrecht"> +<h4 id="xd20e2149" class="main">1. Albrecht, Hertog van Saxen.</h4> +<p class="firstpar">In den jaare 1498 is Albrecht, Hertog van Saxen, +door Keizer Maximiliaan in Friesland gezonden; hem aanstellende tot +Erfstadhouder, of Erfpotestaat van Oostergo, Westergo, Sevenwouden, +Groningen en Ommelanden, Ditmarsen, Strandfriesen, Wirsters en van +Stellingwerf: zynde de Keizer, <span class="pagenum">[<a id="pb135" +href="#pb135" name="pb135">135</a>]</span>door quaade aandieningen van +zyne Gezanten, verkeerdelyk onderricht omtrent de verschillen der +Landzaaten: te weeten, als dat dezelve wel tot merkelyk nadeel van het +Roomsche Ryk mogten uitvallen: heeft daarom de vryheid der Friesen +omverre geworpen, alschoon dezelve van Karel den Grootes tyden af, ook +by zynen vader Sigismund, en noch onlangs door hem zelve zo wel +bevestigt was. Maar de voornaamste oorzaaken waren, dat Hertog +Albrecht, hebbende de voogdyschap der Graaflykheid van Holland voor +Philip van Oostenryk bedient, die in het voorgaande jaar mondig was +geworden, eischte, voor de onkosten, die hy in den oorlog tusschen de +Hoekschen en Kabeljauwschen te beslegten hadde gemaakt, een zomma van +350000 rhynsche guldens: ter verzekeringe voor die zomma, eer het konde +opgebragt worden, heeft Maximiliaan Friesland, enz., als een leengoed +des Roomschen Ryks, hem te pande gegeeven; tot ’er tyd toe dat +gemelde 350000 rhynsche guldens door Philip of de zynen aan hem zouden +opgebragt zyn. Waar op Albrecht van Saxen, op zyn luimen leggende, hoe +hy een voet in het Land zoude krygen, heeft door heimelyke listen en +bezendingen zo veel te weege gebragt, dat eenige Schieringers, die nu +de zwaksten waren, een verbond met hem maakten. Doch de Hertog de +Friesen in ’t gemeen ongenegen vindende, besloot eerst om dezelve +met geweld te bedwingen; <span class="pagenum">[<a id="pb136" href= +"#pb136" name="pb136">136</a>]</span>maar in raad weder veranderende, +bragt door verscheidene listen en bedriegeryen vreemde krygslieden in +’t Land; waar door hy de Schieringers met veele geweldenaaryen +tot verdrag bragt, en hem in Westergo innamen. Daar op zyn de +Vetkoopers, na eenige vergeefsche tegenweer, mede tot de huldiging des +Hertogs wegens Oostergo vereenigt. Alleen stond Leeuwarden, en eenige +aanhang, hem noch tegen: doch na eenigen tyd belegert te zyn geweest, +gaf het zich mede in het verdrag. Hier op liet de Hertog te Leeuwarden +aanstonds een blokhuis bouwen, van de steenen der afgebrookene stinsen, +die hy tegens wille van de eigenaars liet afwerpen, om tot gemeld +blokhuis te gebruiken.</p> +<p>In den jaare 1499 had Graaf Edzard van Oostfriesland het oog op +Groningen, doch die van binnen zulks gewaar wordende, trokken uit, +onder het bevel van Ulrich, te Dornum, met 200 mannen, neemende den Dam +in en bezetteden de aankomsten aan de Eems, als Farmsum, Oterdum, +Reide, enz., en deeden verscheidene Ommelander heerenhuizen omverre +werpen. Evenwel trok Graaf Edzard met zyne krygsmacht over in den +Oldambte, bestaande het geheele leger uit 2800 burgers en soldaaten, +benevens de Ommelander Hovelingen, neemende aanstonds Pekel a Borg in. +Daar na dwongen zy de Oldambsters 2200 rhynse guldens brandschattinge +af; en trokken dus <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" +name="pb137">137</a>]</span>voort voorby Slochteren, tot in het +klooster Wittewyrum: waar door de Groningers den Dam en de andere +plaatsen verlieten; en dezelve door des Graaven volk wederom in +bezettinge wierd genomen. Graaf Edzard zelfs quam met 1000 burgers over +de Eems; hy was uit den Oldambte naar huis getrokken, en deed groot +geweld van rooven, branden, en schattinge te vorderen. Doch de +Groningers spaarden hunne vyanden ook niet. Nochtans maakte Graaf +Edzard een kasteel te Oterdum, en den Dam vast tot een +oorlogsstoel.</p> +<p>Ondertusschen zonden de Groningers 400 soldaaten, met een goed +gedeelte van oorlogsgereetschap voor het huis te Sauwert: ’t welk +ten eersten aan hun wierd overgegeven; wordende aldaar de vestingwerken +afgeworpen, en de bezettinge gevangkelyk mede in de stad gevoert.</p> +<p>Den 22ste van July is Jonker Fox met zyn volk, 250 mannen sterk +zynde uit Friesland, over Drenth, naar Graaf Edzard willende, door de +Groningers omtrent Cropewolde aangetast en geslagen; Fox zelve wilde +zich niet overgeeven, schoon hy verscheidene wonden gekregen had, maar +vogt, op zyn kniën leggende, zo lang tot hy den geest gaf. De +Groningers hadden hier een groote overwinninge, want 30 bleeven +’er, behalven Fox zelve, van de vyanden dood, en 125 wierden +’er gevangen.</p> +<p>Alhoewel deze Jonker Fox altoos der Groningers <span class= +"pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name= +"pb138">138</a>]</span>ergste vyand is geweest, hebbende zy hem +evenwel, om zyne dapperheid, naar Groningen gevoert, en aldaar in de +Minnebroeders kerk, met eeretekenen begraven. Door het verslaan van +dezen Jonker Fox, heeft het plaatsje Foxhol zyne benaaminge +bekomen.</p> +<p>In dit zelve jaar, quam Hertog Albrecht, met zynen zoon Hendrik, te +Harlingen aan; en wierd eerst te Franeker, en daar na te Leeuwarden op +’t Oude Hof ingehuldigt. Binnen Franeker heeft hy, om eene goede +bestellinge der wetten in den Lande te geeven, den Hoogen Raad, die wy +nu noch het Hof van Friesland noemen, ingestelt.</p> +<p>Daar na vertrok Hertog Albrecht uit Friesland, naar Meissen, in +Duitschland, laatende zyn zoon Hendrik, aangestelt als Stadhouder, op +het Hof binnen Franeker; zynde het Slot van Sjaardema. Doch deze niet +wel onderrecht zynde, leide de gemeente ondraagelyke lasten op; waar +door een groot oproer ontstond.</p> +<p>In den jaare 1500 hebben de Friesen hem in Franeker met 16000 mannen +komen belegeren: en vooral waakende dat ’er geen meerder vreemd +krygsvolk in ’t Land wierd gebragt, zo namenze dit volgende voor +hunne leuze: <i lang="fy">Fjouwer lotter-claer leep aayen op in finne +herne in ien nest<a class="noteref" id="xd20e2177src" href="#xd20e2177" +name="xd20e2177src">80</a>.</i> Die dit <span class="pagenum">[<a id= +"pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span>niet zeggen kon, +achten zy een Uitlander te zyn, en wierd aanstonds veroordeelt om +verdronken te worden. Om hunne belegeringe voort te zetten, en gemelde +stad te vuur en te zwaard wel aan te tasten, hebben zy de Groningers +ondertusschen voor vier stukken geschut, tot dit beleg benoodigt, alle +het zilverwerk en andere kostelykheden, uit alle kerken en kloosters +geligt zynde, te pande gegeven. Albrecht ondertusschen, met veel volk +uit Meissen te rugge komende, slaat, met een onderstand van den Graaf +van Holland, het leger voor Franeker weder op. Waar op die van +Leeuwarden hunne stad verlaaten: en Hertog Hendrik trok daar weder in, +bedryvende alomme veel moedwille, brengende veele Edelen en gemeene +lieden in ballingschap.</p> +<p>In dit zelve jaar is den Dam door de Groningers belegert, en zeer +hevig beschooten, maar het afkomen van Graaf Edzard, en de +overstroominge van het water, deed hen dezelve wederom verlaaten, en +naar Groningen trekken. Waar op des Graaven volk, in moedwil +uitbarstende, hier na de dorpen Wagenborgen, Uithuizen en Meden in +brand stak, waar door veele huizen verteerden.</p> +<p>Ook zynze daar na in de Marne gevallen, hebbende de Groningers, die +met de landlieden te zamen vereenigt waren, geslagen; en daar na +ongehoorde gruwelstukken van rooven, moorden en branden, <span class= +"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name= +"pb140">140</a>]</span>vrouwen verkragten, en kerkschenderye +bedreeven.</p> +<p>Groningen wierd door de Saxen op den eersten van Augusty aan de +noordzyde belegert, leggende het geheele leger voor de naaste +molenbergen van de stad; van waar hetzelve, doch met weinig schade, 15 +a 16 dagen beschoten wierd. Maar hunne schepen van proviand en +oorlogs-ammunutie lagen het Reidiep langs, waar by 1000 mannen Saxen +tot dekking in Jarges tigchelwerk geposteerd waren.</p> +<p>Onderwylen quam de Bisschop van Utrecht, met verscheidene heeren uit +de Staaten des Lands in ’t leger, en bewerkte zo veel tusschen +den Hertog van Saxen en de stad Groningen, dat de vrede op den 21ste +van Augusty te Aduard voor eenige maanden geteekent wierd. Waar op het +beleg aanstonds wierd opgebroken, en 12000 soldaaten daar van naar +Friesland gezonden; trekkende de Hertog zelve met het overige volk naar +den Dam, en van daar naar Embden; daar hy, na eene ziekte en +hoofdwonde, die hy door een musquetkogel in het beleg had ontfangen, op +den 8ste van September is komen te sterven.</p> +</div> +<div class="div3" id="k6.2"> +<h4 id="xd20e2204" class="main">2. Georg, Hertog van Saxen.</h4> +<p class="firstpar">Deze is, volgens het recht van erffenisse, in +’s vaders plaats gekomen; na dat zyn <span class= +"pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name= +"pb141">141</a>]</span>broeder Hendrik zyn recht aan hem by verdrag had +over gedaan.</p> +<p>In den jaare 1501 hebben de Groningers 2000 soldaaten aangenomen, +onder voorwaarde, dat zy hen den Dam zouden helpen winnen, waar voor zy +dan zouden genieten, behalven de plondering, 7000 guldens, en al het +geene dat zy tot dien aanslag noodig zouden hebben. Daar op zynze den +18de van May met malkander uitgetrokken, en berenden voorts den Dam aan +drie kanten; neemende ondertusschen Delfzyl weg, en sloegen het daar +binnenleggende guarnisoen dood. Vervolgens deeden zy verscheiden +stormen op den Dam, en schooten ’er den brand in: maar die van +binnen zich mannelyk kwytende, sloegen hen t’elkens af. +Ondertusschen quam Graaf Edzard met 4000 mannen over de Eems, regt uit +naar den Dam, stellende zyn krygsvolk, in drieën verdeelt, in +slagorde, met het geschut vooraan, en marcheerde alzo op den weg van +Jukwert, regts tegens hunne vyanden in; waar op het bloedvergieten +aanging, en wierd ’er zo gruwelyk onder de Groningers geslagen, +dat ze den Dam moesten verlaaten, en de vlugtende tot aan Groningen +nagezet; die zo droevig verslagen of in de Damstervaart verdronken, dat +’er, naar ’t zeggen van zommige, 3000 mannen wierden +verlooren, waar onder vier Burgemeesters zoonen van Groningen, als +Albert Jarges, Harmen Jarges, Gosen Schaffer, en Johan Mepsche. +<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name= +"pb142">142</a>]</span>Daar na namen de Saxen het Huis te Mude in, en +verbranden eenige molens en kapellen aan de noordzyde voor Groningen; +ook op een na alle de molens en huizen aan de zuidkant, tot aan de +gragtswal.</p> +<p>In den jaare 1502 quam de jonge Hertog van Saxen in Groningerland, +by hem hebbende zes Graaven, veele Edelen, 200 ruiters en 300 +soldaaten, met allerlei veldstukken en bagagie. De eerste nacht bragt +hy door te Aduard, mits naauwe wacht houdende voor de Groningers, +hoewel ’t bestand noch liep. Van daar trok hy naar den Dam, +alwaar hem de burgers met kruissen en vaanen te gemoet traden, en met +veele eeretekenen in haalden. Zy droegen altemaal vellen op hunne +knieën, ten teeken van onderwerping: waar op de hovelingen uit de +Ommelanden, in den Dam wezende, hem mede huldinge en eed hebben +gedaan.</p> +<p>In dezen tyd hebben de Groningers met Hertog Karel van Gelder een +verbond gemaakt; mits dat de wederzydsche burgers in elkanders land een +vryen koophandel zouden mogen dryven.</p> +<p>In den jaare 1504 heeft Graaf Edzard, by de punterbrug, een zeer +sterk kasteel laaten bouwen; ’t welk naderhand Weerdenbras +genaamt is geworden.</p> +<p>In den jaare 1505 was te Harlingen een zwaare nood van water, waar +door veele dyken doorbraken. Daar op volgde een groote droogte in den +lande, waar door <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" +name="pb143">143</a>]</span>zwaare branden in de veenen wierden +veroorzaakt: als ook te Hindeloopen, dat met ’er kerk voor +’t meerendeel geheel verteerde.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 8ste van April, trok een party Groninger +burgers en soldaaten naar Onderdendam, en bragten by hunne te rugkomst +14 Saxische soldaaten en twee boeren gevankelyk mede in Groningen; waar +door het oorlogsvuur weder ontstooken wierd.</p> +<p>Den 20ste dito quam een troup Saxischen uit Aduard, in den nacht, by +de Aa Poort, en verbranden aldaar 8 a 9 huizen. Daar tegen zonden de +Groningers 4 a 500 mannen naar Oosterwyrum en de omleggende plaatzen, +brandende het dorp Heveskes geheel af, en haalden een grooten buit van +ossen, koeyen en schaapen van Wytwert, enz.; alwaar de kerken wierden +aangetast, de goederen daar uit gehaalt, en naar Groningen gevoert.</p> +<p>Den 22ste van Augusty wierden de Groningers en Saxischen te Haren +handgemeen, alwaar de eersten 20, en de laatsten 100 mannen op het +slagveld lieten leggen.</p> +<p>Aldus de oorlog wederom een begin genomen hebbende, droeg de Hertog +van Saxen het veldheerschap op aan Graaf Edzard van Oostfriesland, en +Jonker Vitus, van Draaksdorf, die de Groningers ’er toegangen +zeer naauw lieten bezetten: waar door die van binnen, zich zeer +geprangt vindende, en van alle hulpe ontbloot ziende, wierd het +<span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name= +"pb144">144</a>]</span>gemeene volk nochtans, door de onmenschelyke +wreedheden der Saxen, te meer verbittert: waarom de Groningers hunne +bescherminge by iemand wilden zoeken. Hier op verkozenze Graaf Edzard, +van Oostfriesland, voor hunnen Beschermheer; aan wien zy de stad +opdroegen; waar van de artykelen in den jaare 1506, op den 24ste van +April, wierden bezegelt, wordende in dezelve alle de privilegien en +vryheden, die Groningen met haare ingezetenen ooit gehad hadden, +behouden. Daar op quam de Graaf met zyne keurlyke krygsbenden, verzelt +met veele Edelen, naar Groningen af; gaande de Magistraat van de Stad, +benevens de jonge manschap en soldaaten, door de Poele Poort uit, hem +tot aan Ooster Hoogebrug te gemoet, en deeden hem aldaar den eed van +getrouwheid. By de Poele Poort gekomen zynde, ontfong hy uit handen van +Burgemeesteren de sleutels van de stads poorten. Vervolgens wierd de +Graaf met een prachtige staatsie, onder het losbranden van ’t +kanon, trommen- en trompettengeschal, luiden der klokken, enz., ter +stad ingehaalt; rydende alzo de Poelestraat door, naar de markt, alwaar +het krygsvolk in volle wapenen, in ryen en gelederen geschaart stond, +tot aan de hoek van de Gelkingestraat, daar het logement voor hem +bereid was. Daags daar aan ging hy in St. Walburgs kerk, alwaar de +burgers hem huldinge, pligt en eed deeden, volgens inhoud <span class= +"pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name="pb145">145</a>]</span>van +het accoord. Daar na deed de Graaf een sterk en zwaar kasteel bouwen, +tusschen de Steenstil en Ooster Poort, zynde voorzien met zeer wyde en +diepe gragten en hooge wallen.</p> +<p>In den jaare 1506 quam Hertog Georg in Friesland, en wierd +ingehuldigt. Hy gebood, om over geheel Friesland te gebruiken de +Workumer ellen, het Bolswerder loopen, de Leeuwarder kanne, de Keulsche +wicht; en het Hof van Gerichte, by zynen vader te Franeker ingestelt, +liet hy naar Leeuwarden vervoeren. Daar na liet hy het Bild allereerst +bedyken, na dat het al eenige jaaren goed vast land was geweest, en by +zynen vader Albrecht in eigendom ware genomen, zonder dat de Staaten +des lands daar in bewilligt hadden.</p> +<p>In dezen tyd heeft gemelde Hertog ook de Floreen Rente over den +Lande gestelt, en elk naar hunne schattinge doen betaalen; waarom, om +het zo veel te gemakkelyker in te vorderen, hy het Landschap in zyne +hoofddeelen onderscheiden heeft: die wy nu Grietenyen noemen.</p> +<p>In den jaare 1507 heeft de Hertog van Saxen, na dat Graaf Edzard +Groningen in ’t bezit had genomen, groote pretensien van den +Graaf en de Groningers gevordert. Doch deze questien zyn te Constans op +den Ryksdag gebragt, alwaar wederzydsche Gezanten wierden gezonden; +maar naderhand ook te Keulen hervat. <span class="pagenum">[<a id= +"pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span></p> +<p>In dit zelve jaar is de vaart van Leeuwarden naar Franeker, en naar +Bolswert begonnen gegraaven te worden.</p> +<p>In den jaare 1508 is Norden, in Oostfriesland, door zyn eigen vuur +voor ’t meerendeel verbrand. En op den 16de van October was de +tweede St. Gallus watervloed, welke in Oostfriesland en elders groote +schade veroorzaakte: wordende in de zelve kabeljauw en wytingen voor +Groningen gevangen.</p> +<p>In den jaare 1509, den 26ste van September, was ’er een hooge +watervloed over Friesland, Groningerland, en elders, waar door niet +alleen verscheidene dyken zyn weggespoelt, maar ook veele menschen en +beesten verdronken. By de Dollaart scheurde een stuk lands af, op welke +10 a 12 zwaare beesten te weiden gingen, van het overige land in den +Oldambte, en dreef over de Dollaart, in Reiderland, alwaar het vast en +behouden bleef zitten; ’t welk naderhand een oorzaak van proces +gaf tusschen die van ’t verdrevene en ’t aangespoelde stuk +land.</p> +<p>In den jaare 1511 ontstond ’er te Leeuwarden een zwaare brand, +die wel 200 huizen verteerde.</p> +<p>In den jaare 1512 wierd Koeverden door Roelof van Munster, gewezene +Drost van ’t Drenth, met verrassinge ingenomen. Doch zeer kort +hier na, heeft de Bisschop Munster hem wederom belegert, en tot +verlaatinge <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name= +"pb147">147</a>]</span>dier plaats gedwongen; stellende daar doe +wederom tot Drost Adolf van Rechteren.</p> +<p>In den jaare 1513 zond de Keizer Maximiliaan een scherp mandaat aan +Graaf Edzard, hem gebiedende, op zwaare straffe, de stad Groningen te +verlaaten, en dezelve aan den Hertog van Saxen in te ruimen: doch +vrugteloos.</p> +<p>In den jaare 1514, in het begin, deed de Hertog van Saxen, ziende +dat hy ’t met die van Groningen niet eens konde worden, een inval +in Oostfriesland, doende allerlei wreedheden van moorden, brandschatten +en branden. Zy belegerden zelfs Lieroort; doch dat zy, na de Hertog van +Brunswyk zyn leeven daar voor had verlooren, moesten verlaaten.</p> +<p>Den 7de van Juny wonnen de Saxen in Groningerland het sterke +klooster Selwert, doende het zelve versterken, en met een sterk +guarnisoen bezetten. Ook hebben zy Delfzyl met geweld ingenomen, +slaande aldaar alles dood dat zy vonden, slegten de werken, en staken +het plaatsje in brand.</p> +<p>Voorts quam Graaf Edzard, na dat hy zyn eigen land tegen de Saxen +had verdedigt, met 700 mannen hulptroepen te Groningen; die op den +volgenden dag buiten de Bottinge Poort met de Saxen slaags raakten, +waar door veelen sneuvelden.</p> +<p>Den 21ste van July, trok de Hertog van Saxen met zyn leger, om zich +aan Groningen <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name= +"pb148">148</a>]</span>en Graaf Edzard te wreeken, voor den Dam, doende +die plaats aan drie zyden belegeren. Daar binnen waren 800 kloeke +welgewapende mannen, een goede meenigte boeren, en een strydbaare +burgerye tot bezettinge. Otto van Diepholt was Commandeur; benevens hem +waren ’er noch eenige dappere Edelen. De belegeraars damden de +slooten, en sloegen by nacht een brug over de vaart: zy aprocheerden, +werkten in de aarde, en schooten met gloeijende kogels hevig op de +stads vesten en poorten. Die van binnen queeten zich dapper: maar de +groote menigte der vyanden stormde op den 3de van Augusty op de drie +poorten te gelyk, met een afgrysselyk geweld: na dat zy t’elkens +waren afgeslagen, met den jongen Hertog van Brunswyk achter hen, +roepende vreesselyk, en dreef zyn volk alzo aan, tot dat zy eindelyk de +belegerden overwonnen, en in de stad quamen; waar op het moorden +aanging, wordende in de eerste furie noch kerken, noch autaaren, noch +kraamhuizen gespaart. De jonge Hertog rende door de straaten, met het +bloote zwaard in de hand, roepende: <i>Sla dood, sla dood, tot wraake +van myn Vader!</i> Veelen zyn op de autaaren, eenige met de beelden +omvat, en andere met het kruisifiks in hunne handen, omgebragt. Eylco +Lewe stond met een lang slagzwaard in zyn hand, en sloeg zo gruwelyk +onder de vyanden, dat ’er veelen met hem gedood wierden. Het +getal der <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name= +"pb149">149</a>]</span>dooden wierd in alles op 1136 gerekent. Omtrent +200 soldaaten en weinige burgers wierden ’er gevangen genomen; +doch 150 waren ’er reeds in den beginne der overval ontkomen. De +Commandant Diepholt, en noch een Kapitein, wierden gekeetent en +gevangkelyk naar Medenblik gevoert. De vrouwen en kinderen wierden ook +gevangen gezet en gepynigt, om de verborgene schatten aan te wyzen; en +daar na naakt en bloot ter stad uitgejaagt. En de schoonste maagden en +jonge vrouwen wierden door de soldaaten eenigen tyd tot vuile lusten +gehouden.</p> +<p>Hier na heeft Graaf Edzard de Regeeringe van Groningen verlaaten: +waar op de Groningers Karel van Egmond, Hertog van Gelderland, voor +hunnen Beschutsheer hebben aangenomen; doende voorts den eed aan zyn +Marschalk Willem van Ojen op den 3de van Novemb. in St. Walburgs +kerk.</p> +<p>In den jaare 1515, omtrent Driekoningen Dag, hebben de Saxischen uit +den Dam de kerk en ’t geheele dorp Farmsum geplondert en ten +eenemaal verbrand.</p> +<p>Den 17de van Maart namen de Groningers het kasteel of blokhuis by +Aduwarderzyl in, en hebben het ten eenemaal geraseert en geslegt. Ook +hebben zy, met hulpe Van Graaf Edzards volk, Delfzyl met geweld +ingenomen: als mede den Dam, alwaar in ’t uittrekken der Saxische +troupen een groot tumult ontstond; want de burgers en eenige +<span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name= +"pb150">150</a>]</span>soldaaten, de oude bejegeningen noch in ’t +hoofd zittende, vielen in hunne achterhoede, plunderden de bagagie, en +ontnamen hun vele goederen.</p> +<p>Daar na quam de zwarte Hoop, zynde een zamengeraapt volk van ruim +5000 koppen, in Friesland vallen; welke alle de dorpen, daarze aan +quamen, in koolen zettede, als mede de steden Workum, Hindeloopen en +Molkwerren ook afbranden.</p> +<p>Ook hebben de Groningers het kasteel Weerdenbras, by de Punterbrug, +ingenomen.</p> +<p>Na dat Hertog Georg in voorige jaaren veel moeite met de Groningers +en Graave van Oostfriesland hadde gehad, en de Graave met de Groningers +hunne gerechtigheid aan Karel, Hertog van Gelderland, overgedraagen +hadden, zo hebben de Gelderschen de Sevenwouden en ’t grootste +gedeelte van Westergo met een meenigte van volk afgeloopen. Waar op +Georg van Saxen, geen middel ziende om de Friesen weêr onder zyn +geweld te krygen, uit het land vertrokken is; laatende zynen Stadhouder +Everwyn, Graave van Benthem, alhier.</p> +<p>Ondertusschen maakten de Gelderschen in de Zuidhoek, als te Workum, +Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en Slooten, <span class="corr" id= +"xd20e2290" title="Bron: zeinschepen">zeilschepen</span>; om in de +Zuiderzee op het ontzet der Hollanders te kruizen: onder dewelke zich +Groote Pier, geboortig van Kimswert, mede begeeven heeft. Deze Groote +<span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name= +"pb151">151</a>]</span>Pier was door de Saxischen van alle zyne +goederen en welvaart beroofd, ook hadden zy het dorp, daar hy woonde, +in brand gestooken: waarom hy met een aanhang van meer dan 500 +vrienden, op gemelde schepen gegaan was: en hebbende verscheidene +gelukkige zeeslagen met de Hollanders gehouden, en veele scheepen van +hen genomen, zo maakte hy verder de geheele Zuiderzee vry.</p> +<p>Hertog Georg, veel geld en moeiten te vergeefs verspilt hebbende, om +de Friesen te vermeesteren, droeg, na alle zyne nederlagen, het +erfrecht over aan den Prins van</p> +</div> +<div class="div3" id="bourgandien"> +<h4 id="xd20e2298" class="main">2. het Huis van Bourgondien.</h4> +<div class="div4" id="karel5"> +<h5 id="xd20e2301" class="main">1. Karel de Vyfde.</h5> +<p class="firstpar">In dit zelve jaar 1515, <span class= +"sc">Karel,</span> Koning van Spanje, en na een korten tyd Keizer van +’t Roomsche Ryk, nu Erfheer van Friesland geworden zynde, stelde +Graaf Floris van Ysselstein tot Stadhouder aan; die zich met de zynen +eerst alleen binnen Leeuwarden, Franeker en Harlingen moest verhouden: +zynde het overige des Lands meest door de Gelderschen bezet; tot +welkers voordeel Sneek en Slooten in dien tyd <span class= +"pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span>met +muuren en sterktens zyn vast gemaakt<a class="noteref" id= +"xd20e2310src" href="#xd20e2310" name="xd20e2310src">81</a>.</p> +<p>En gemelde Groote Pier, speelende alle zeilen blank<a class= +"noteref" id="xd20e2318src" href="#xd20e2318" name= +"xd20e2318src">82</a>, nam weg alles wat tegen de Gelderschen aanquam, +werpende veele menschen overboord: en inzonderheid te Workum, dat hy +inneemende, de Hollanders de voeten spoelde, daar by voegende dit grove +Friesche vloekwoord: <i lang="fy">Sjug ho kenne dy D: tjietten +swomme<a class="noteref" id="xd20e2339src" href="#xd20e2339" name= +"xd20e2339src">83</a>.</i></p> +<p>In den jaare 1516, in April, is Delfzyl, na dat de Graaf Edzard zyne +bezetting daar uit had genomen, door Boele Ripperda, van haare +vestingen beroofd. Daar op zyn de Groningers, met hulpe van zommige +Ommelanders, uitgetrokken, hebbende den Dam gedemanteleert, en voorts +Weerdenbras ook geraseert. Verder, het kasteel van <span class= +"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name= +"pb153">153</a>]</span>Graaf Edzard, te Groningen gebouwd, wederom +afgebroken.</p> +<p>In den jaare 1517 quam ’er weder zulk een hooge watervloed, +dat het water eene elle boven de dyken stond; waar men de schade wel +kan afmeeten.</p> +<p>Groote Pier beschermde Sneek, tegen de belegeringe der +Bourgoenschen; en nam Hindeloopen weder in, dat de gemelde +Bourgoenschen vast gemaakt, en met 300 mannen bezet hadden: en daar na +Medenblik, dat hy verbrande.</p> +<p>In dit jaar wierd ook tusschen de Bourgoenschen en den Hertog van +Gelderland een verdrag gemaakt, na dat aan weêrszyden veele +vyandelykheden waren voorgevallen; waar door de steden nu van de eene +en dan van de andere zyde waren ingenomen, en de platte landen veel +geweld, moord en brand hadden geleden. Doch Groote Pier, met die de +Gelderschen aanhingen, zich hier noch niet toe verstaande, bleven even +standvastig tegen de Bourgoenschen, en begeerden Pier voor een +Beschermheer der vryheid geacht te wezen; dat hy voorheen ook zoude +gedaan hebben, byaldien het zommigen niet verbrod hadden. Als hy door +eenen Hollander in een brief tot afstand geraaden wierd, bespotte hy +hem met een rymtje na dien tyd, voegende boven het zelve al boertende +deze Eeretytelen: <i>Ik, Groote Pier, Koning van Friesland, Hertog van +Sneek, Graaf van Slooten, Vryheer van <span class="pagenum">[<a id= +"pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span>Hindeloopen, en +Capitein-Generaal van de Zuiderzee</i><a class="noteref" id= +"xd20e2372src" href="#xd20e2372" name="xd20e2372src">84</a>.</p> +<p>Dus wierd de vereeniging door de Gelderschen verbrooken, en des +Keizers volk moest, als voorheen, zich alleen in Leeuwarden, Franeker +en Harlingen verhouden. Groote Pier deed ondertusschen de Keizerschen +op de Zuiderzee veel afbreuk, neemende gestadig aan weg alles wat hem +voorquam.</p> +<p>In den jaare 1518 heeft de Hertog van Gelder het accoord van +Maarschalk Willem van Ojen met de Magistraat van Groningen, uit zyn +naam ingegaan, geconfirmeert en gezegelt.</p> +<p>In den jaare 1519, den 6de van February, wierd te Arnhem het +vorstelyke bruiloftsfeest van den Hertog van Gelder met de Hertoginne +van Brunswyk Lunenburg zeer prachtig gehouden: zynde aldaar uit deze +Provintie van Groningen mede verzogt, Ludolf Conders, en Klaas +Schaffer, Burgemeesteren; Willem Frederiks, Priester van St. Martens +kerk, wegens de stad; en Roelof Lennep, Ritmeester, wegens de +Ommelanden. Dewelke allen zeer prachtig uitgedost waren; Willem op een +wagen, en de anderen te paard, zynde alle de paarden eveneens met +blinkende wapenen over hunne gansche ligchamen bedekt, verzelt +<span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name= +"pb155">155</a>]</span>met 30 ruiters, in heerlyke kleederen. Hunne +geschenken, dieze voor het jonge paar mede bragten, bestonden in twee +zilvere wynkannen, en twee zilvere schenkvaten, zeer konstig verguld en +bearbeid, wegende over de 50 mark zilver. Daar nevens bragten zy 4 +welgemeste ossen, van een buitengewoone zwaarte, en 4 schoone +paarden.</p> +<p>In dit zelve jaar, als Groote Pier bemerkte, dat de Gelderschen het +land, even als de Saxischen voorheen, onder het juk van slaavernye +meenden te brengen, zo quiteerde hy daarom zyn ampt, en zettede zich +gerust binnen Sneek ter neêr, alwaar hy zyn leeven na eenigen tyd +heeft geëindigt.</p> +<p>In den jaare 1520 wierd het klooster te Aduard, het waereldsche +gebied, mitsgaders het recht van patroonschap over Suidhorm en Wyrum +ontnomen, om reden dat eenige monniken op St. Bernards dag, onder een +gastmaal, dat jaarlyks wierd gehouden, twee Edellieden, Hendrik en +Frederik Gaykinga, vegtenderhand hadden doodgeslagen.<a class="noteref" +id="xd20e2388src" href="#xd20e2388" name="xd20e2388src">85</a> +<span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name= +"pb156">156</a>]</span></p> +<p>Als Karel de vyfde nu tot Roomsch Keizer was verkooren, heeft hy in +den jaare 1521 Georg Schenk tot Stadhouder over Friesland aangestelt: +die, met zyn leger te Arum staande, de Geldersche steden, Sneek en +Bolswert heeft gebrandschat: doch Stoffel van Meurs, Stadhouder der +Gelderschen, vertrok naar Workum, dat hy vast maakte, om gemelde +brandschatting der Bourgoenschen af te weeren.</p> +<p>Hier op dreven de Sneekers de Gelderschen uit; het welk die van +Bolswert, weinig tyd daar na, mede deeden.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 12de van May, is de Hertog van Gelder, door +de Staaten der Ommelanden, mede tot hunnen beschutsheer aangenomen.</p> +<p>In den jaare 1522, den tweede van November, quam de Hertog van +Gelder te Groningen; wordende door de Magistraat buiten <span class= +"pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name="pb157">157</a>]</span>de +Oosterpoort opgehaalt, en tot aan de St<span class="corr" id= +"xd20e2406" title="Bron: ,">.</span> Martens Kerk geleid; alwaar hy +door Mr. Willem, Kerkheer, ontfangen wierd, die hem mede naar zyn huis +nam en logeerde. Des anderen daags ontfing hy op het raadhuis de +sleutelen van de stads poorten, en den eed van de Magistraat en de +Gezworene Gemeente, en vervolgens in St. Walburgs kerk van het gemeen. +Des Sondags daar aan wierd hy door de Magistraat der stad op het Heeren +Wynhuis zeer prachtig ter maaltyd onthaalt. Daar na, de Hertog +vertrokken zynde, zond hy Jasper van Marwyk als Stadhouder te +Groningen, die zyn logiment nam op Munnikeholm.</p> +<p>In den jaare 1523 bouwde Stoffel van Meurs een blokhuis te Workum, +en den tooren versterkte hy met gragt en wallen, om de zeekust tegen de +Bourgoenschen te beschermen. Maar wierden van Schenk vermeestert, die +den tooren van boven af liet werpen, en het blokhuis met veel volk +bezette. In welken tyd ook de geweldige Stins van Inthiema door de +Keizerschen verbrand en vernietigt is. Doe zonden de Gelderschen eenige +zeeroovers uit Dokkum; het welk de Bourgoenschen belegerden, en mede by +verdrag inkreegen. Ook vlugten de Gelderschen van Bolswert naar +Slooten; dat zich, belegert ziende, mede aan Schenk over gaf. En by een +gemeen opbod der landlieden, zyn de Gelderschen t’eenemaal +<span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name= +"pb158">158</a>]</span>uit het land gejaagt: en Karel de vyfde tot +Erfheer over Friesland bevestigt.</p> +<p>Ook is Schenk en Wassenaar, uit naam des Keizers, in de Ommelanden +gekomen, roovende en brandende zeer schielyk onder de landlieden; +vervolgens ontboden zy hen om den Keizer te beëedigen te +Noorthorm, mits tot boete geevende 32000 goudguldens.</p> +<p>In den jaare 1525, des Vrydags voor St. Laurens, geraakte de stad +Groningen in een groot oproer; alzo de Bouwmeesters en Gildens zich +heimelyk verbonden hadden van hunne goederen ’er by op te zetten, +om alle de accynsen, uitgenomen de wyn en het Hamburger bier, af te +schaffen. Zy hadden dieshalven by de twee Bouwmeesters, noch 24 van de +voornaamste personen uit de Gildens gekooren, die het zelve aan den +Raad zouden voordraagen. Als deze voorstellinge op het raadhuis +geschiede, stond de geheele markt van het gemeen bezet, raazende en +tierende als verwoede menschen, die door des Overigheids redenen niet +te stillen waren. Een groote hoop liep als woedende op het stadshuis, +met een groot stuk hout in de handen, en stoote de deur van de +raadkamer daar mede open; voorneemens om den geheelen Raad dood te +slaan. De geene die beneden stonden, met bloote messen in hunne handen, +riepen: <i>Sla dood, sla dood; werpt ons de verraaders ter vensteren +uit!</i> Waar door de Raad zich genoodzaakt vond, deze gecommitteerden +<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name= +"pb159">159</a>]</span>te zeggen, hunne begeerte te zullen voldoen: +doende daar op de klok luiden, en hunne wille publiceren. Waar door het +woedende gepeupel wederom vertrok.</p> +<p>In den jaare 1527 was ’er wederom een groote onlust te +Groningen, waar door omtrent verscheidene magistraatspersoonen hun +leeven zouden verlooren hebben: want een Jan Gryp, zynde een groot +oproermaker, trok zyn zwaard uit, en riep: <i>Sla dood!</i> en sloeg +den Bouwmeester Jan.... onder den voet, houwende nochmaals verscheidene +keeren naar hem; doch wierd, door toedoen van anderen, noch gelukkig +gered. De Raad, vergadert zynde, vlood van het stadshuis; ziende ieder +om een goed heenkomen. De Burgemeester Hillebrands, Roltman en Rein +Duirds, met noch eenige andere Raadsheeren, liepen in de St. Martens +kerk; maar de Burgemeester Ludolf Conders viel by de waag onder het +gespuis; waar door hy nochtans door eenige raadsgezinde burgers +gelukkig wierd ontzet, neemende daar op de vlugt, de Heere Poort uit, +naar Helpman op zyn hofstede.</p> +<p>Dit zelve jaar overleed Graaf Edzard van Oostfriesland, oud zynde 66 +jaaren, binnen Embden; wordende des Vrydags na vastenavond tot Norden +begraven. Na hem succedeerde Graaf Enno daar op, in zyns vaders +plaats.</p> +<p>In den jaare 1530 heeft Keizer Karel aan zynen Stadhouder Schenk +last gegeeven, <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name= +"pb160">160</a>]</span>om Dokkum en Slooten, welke Steden hy, na +’t vertrek der Gelderschen, hadden doen vast maaken, de wallen +wederom te slegten.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 10 van July, nam Graaf Enno van Oostfriesland +Widmond door verrassinge in; en belegerde voorts Ezens; waar op hy +verscheidene maalen stormde, en veel volk verloor; doch op den 28ste +van September hebben die van binnen zich aan hunne vyanden +overgegeeven; waar op, Jonker Balthazar een voetval voor Graaf Enno +doende, pardon bequam.</p> +<p>In den jaare 1531 heeft Jonker Balthazar een hoop krygsvolk +aangenomen, waar mede hy in Graaf Enno’s land trekkende, alles in +brand stak wat hem voor quam; sleepende een grooten buit met zich; en +begaf zich naderhand onder den Vorst van Gelder.</p> +<p>In den jaare 1533 heeft Jonker Balthazar den Overste Meindert van +Ham met omtrent 2000 Geldersche soldaaten te Jemmigen, in Reiderland, +gezonden: maar Graaf Enno hen te gemoet trekkende, heeft van hen een +Vendel Gelderschen, welke by de Noorth verachtert waren, ter neêr +geslagen. Doch een weinig tyd daar na, hebben de Gelderschen de +Oostfrieschen aangegreepen, en deerlyk geslagen; waar door in ’t +geheel omtrent 400 mannen zyn gebleven, en waar onder veele braave +persoonen van aanzien.</p> +<p>In den jaare 1535, den 30ste van Maart, zyn omtrent 300 zo genaamde +Wederdoopers, na datze hunne leere in Friesland <span class= +"pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name= +"pb161">161</a>]</span>openbaar hadden voorgestelt, byeen getrokken, +overvallende Oldenklooster, by Bolswert, en namen het in; noodzaakende +de monniken daar uit te vlugten; en van gedachten zynde, by aldien de +Landsheer hen mogt komen bestormen, zouden de bestormers zelve door +hunne eigene wapenen gedood worden. Maar de Gouverneur G. Schenk zulks +gewaar wordende, zond een troup soldaaten derwaarts, en overweldigde +het klooster aanstonds; waar door in de eerste furie het meestedeel +dier arme menschen door de kling wierden gejaagt: 24 zyn ’er +vervolgens aan galgen opgehangen, en 15 onthalst; en de vrouwen en +maagden eenige te Leeuwarden, en andere in het Hempensermeer doen +verdrinken.</p> +<p>In den jaare 1536 heeft Menno Simons, Priester te Witmaarsum, zyn +priesterambt verlaaten, en zich tot de Wederdoopers begeeven: waar van +dezelve den naam van Mennisten hebben bekomen, zo als zy noch in +Friesland, zonder onderscheid, allen genoemt worden.</p> +<p>In dit zelve jaar, hebben de Groningers hunne hulpe aan den Hertog +van Gelder tegens Graaf Enno van Oostfriesland opgezegt. Waar over de +Hertog zeer te onvreden zynde, zyne krygsmacht deed vermeerderen, en +den Overste Meinard van Ham met de zelve den 29ste van April naar den +Dam zond; die aldaar ten eerste de vestingen deed versterken, steekende +de voorstad by de Steenstil- <span class="pagenum">[<a id="pb162" href= +"#pb162" name="pb162">162</a>]</span>en Poelepoort in brand; als ook de +voorstad van de Ebbinge- en Botteringepoort; waar door, alzo de vlam +over de wal quam, omtrent de Peperstraat 5 huizen en 30 schepen +verbrande.</p> +<p>Waarom door de Staaten van Stad en Lande, door groote verbitteringe +dieze tegens den Gelderschen Vorst gekregen hadden, geresolveerd wierd, +zich aan het Huis van Bourgondien over te geeven; zendende derhalve +hunne Gezanten aan Koningin Maria, zuster van Keizer Karel den vyfde, +in Brabant, met verzoek, dat zy onder de bescherminge van zyn +Keizerlyke Majesteit mogten aangenomen worden. De Koninginne heeft hen +daar op met veele beleeftheid aangenomen, en voorts met een genoegzaame +krygsmacht onder het bevel van Georg Schenk versterkt. Waar op Schenk +den 7de van Juny met groote blydschap ter stad wierd ingehaalt, en als +Stadhouder gehuldigt, doende de Raad en het Gemeen voorts den eed aan +hem, uit naame des Keizers. Wordende dus de stad Groningen en +Ommelanden aan de Nederlanden gehegt.</p> +<p>Hier na trok Schenk te velde, en sloeg de Holsteinschen in +Westerwolde; nam Delfzyl in; won den Dam, Wedde en Koeverden van de +Gelderschen. Hier na is de vrede tusschen den Keizer en Hertog van +Gelder geslooten, welke te Groningen op den 8ste van December van +’t stadshuis gepubliceert is geworden. <span class= +"pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name="pb163">163</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1538, of omtrent dezen tyd, overleed de trouwelooze +Hertog Karel van Gelder, oud 70 jaaren; hebbende zyne nabuuren 50 +jaaren lang met verscheidene oorlogen beroert.</p> +<p>En omtrent dien zelfden tyd leefde Vorperus Thaborita, Kanunnik te +Thabor, by Sneek; die, tot op dien tyd, de oude Friesche +Geschiedenissen heeft te zamen gestelt.</p> +<p>In den jaare 1540 overleed Georg Schenk, Stadhouder van Groningen, +in wiens plaats, hem opvolgde Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren. +En den 24ste van September overleed Graaf Enno van Oostfriesland, +wordende te Embden begraven.</p> +<p>In den jaare 1542 is een watervloed over deze landen geweest, waar +door veele schade aan menschen en beesten is veroorzaakt.</p> +<p>In den jaare 1545, omtrent St. Jan, quam Koninginne Maria te +Groningen; wordende aldaar door de Magistraat op eene zeer plechtige +wyze ingehaalt, en met ryke geschenken beschonken.</p> +<p>In den jaare 1546 is in ’t Klooster Wittewyrum eene +conferentie gehouden, over het verschil van de voorbyvaart van Embden, +tusschen de Groningers en de Graavinne van Oostfriesland.</p> +<p>In den jaare 1548 overleed Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren, +en Stadhouder van Groningen, in wiens plaatze hem opvolgde Jan van +Ligne, Graaf van Arenberg. <span class="pagenum">[<a id="pb164" href= +"#pb164" name="pb164">164</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1550 hebben de Groningers, benevens die van de +Ommelanden, aan den Graaf van Arenberg hunnen eed gedaan, wegens +Philippus den tweede, Koning van Spanje.</p> +<p>In den jaare 1552 was ’er, na ’t geweldig doorbreeken +der dyken, en ’t vloeijen van water, zulk een harde winter, dat +men van Friesland naar Ter Schelling, van Medenblik naar Staveren, en +van Amsterdam naar Kampen, met paard en slede, kon over de Zuiderzee +ryden<a class="noteref" id="xd20e2475src" href="#xd20e2475" name= +"xd20e2475src">86</a>.</p> +<p>In den jaare 1555 droeg Keizer Karel de vyfde de bestiering der +Nederlanden over aan zynen zoon Philippus.</p> +</div> +<div class="div4" id="philippus2"> +<h5 id="xd20e2486" class="main">2. Philippus de Tweede, Koning van +Spanje.</h5> +<p class="firstpar">In dit jaar, Philippus de zeventien Nederlandsche +Provintien van zynen vader verkreegen hebbende, in zo een vreedzaame en +wettelyke stand, als Prins of Onderdaanen konden wenschen: kreeg het +Land in tegendeel in Philippus te gelyk een nieuw Heer, met allerlei +nasleep van onheilen en oproer. Want als hy niet wel overdagt hadde, +dat <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name= +"pb165">165</a>]</span>zyn vader, door eene byzondere naarstigheid, op +alles een wakend oog had gehouden, met overal zelve by te zyn; zo +ondernam Philippus daar en tegen, deze Landen in goede rust te zullen +houden door eenen Stadhouder, blyvende zelve in Spanje.</p> +<p>In den jaare 1559, na Philippus de Nederlanden doorreist hadde, is +hy weder naar Spanje vertrokken; bestellende het gebied der Landen aan +Margareta, Hertoginne van Parma, zyne Bastartzuster: en iedere +byzondere Provintie aan hunne Stadhouders, en Friesland aan +bovengemelden Graaf van Arenberg; die ook het opzicht over Overyssel, +Groningen en Lingen hadde.</p> +<p>Onder deze aanstellinge gaf hy ook met eene last, die hy hun by zeer +strenge placaaten, voor zyn vertrek, gegeven hadde, en die de waare +oorzaaken van alle volgende onlusten zyn geweest; waar van deze drie de +byzonderste waren: 1. Het aanstellen van 14 nieuwe Bisschoppen, boven +de drie, die ’er voorheenen hadden geweest. 2. Het openbaar +bevel, om de besluiten van het Consilie van Trenten in den Lande uit te +voeren: daar toe aanstellende Inquisiteurs en Kettermeesters<a class= +"noteref" id="xd20e2496src" href="#xd20e2496" name= +"xd20e2496src">87</a>, om het volk wegens hun geloove te onderzoeken. +En ten 3de. Het onderhouden van 4000 vreemde krygsknegten, ten laste +van den Lande, en dat in tyd van vrede. <span class="pagenum">[<a id= +"pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span></p> +<p>In dit zelve jaar is te Groningen overleden Regnerus Predrinus, +hebbende aldaar veel tyd Rector der Latynsche schoolen geweest, +predikende op de feestdagen openlyk het Evangelium.</p> +<p>De leere tegen de Pausselyke dwaalingen, nu door geheel Europa zich +uitgebreid hebbende, en in Vrankryk en Engeland daarom veele +vervolgingen geschiedende, zo quam ’er veel volk naar de +Nederlanden vlugten. Welke vervolging strydig was tegen de oude +privilegien en vryheden van den Lande, die de Koning hun beloofd hadde +te behouden.</p> +<p>De Edelen van den Lande ondertusschen, om zulk een voorneemen naar +vermogen af te weeren, kantteden zich eerst tegen de dwingnagel van de +bovengemelde 4000 soldaaten, waar door het volk grooten overlast wierd +aangedaan, van gevoelen zynde, dat dan de Inquisitie weinig klem zoude +hebben.</p> +<p>Des zo beraadslaagdenze om den Koning te beweegen, dien last van +soldaaten van hen af te ligten; en zyn, na veele moeijelykheden, naar +Spanje afgescheept in den jaare 1561.</p> +<p>In dit zelve jaar is Groningen, by het aanstellen van nieuwe +Bisschoppen in de Nederlanden, tot een Bisdom verheven; en wierd tot +eerste Bisschop aangestelt, Heer Johan Cnyf, Minnebroeder.</p> +<p>In dezen tyd is wederom een watervloed over Oostfriesland gegaan, +welke de dyken <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name= +"pb167">167</a>]</span>verbrekende, en veele beesten om ’t leeven +bragt<a class="noteref" id="xd20e2514src" href="#xd20e2514" name= +"xd20e2514src">88</a>.</p> +<p>In den jaare 1564 is aan de Staaten van Friesland, nevens andere +Provintien, bevel gezonden van de Hertoginne van Parma, om den nieuwen +Bisschop Cunerus Petri aan te neemen, en in te huldigen tot Bisschop +van Friesland; zyn zetel te stellen binnen Leeuwarden, en hem in alles +de hand te bieden: het welk de Staaten weigerden; verzoekende daar van +ontslagen te zyn, als strydig tegens hunne vryheden en voorrechten.</p> +<p>In dit zelve jaar hebben de Engelschen de stapel der lakenhandel, in +een tyd datze verschil met de Nederlanders hadden, te Embden geplant. +Want daar quam den 23ste van May een groote vloot schepen met lakens, +na dat ’er reeds 6 gekomen waren, te Embden aan. Waar over de +vreugde in die Stad zo groot was, dat ’er eereschooten van +weêrskanten wierden gedaan. Doch de blydschap, en het voordeel +datze zich zelve daar van belooft hadden, verdween zeer haastig: over +zulks de Engelschen, hun verschil met de Nederlanders vereenigt +hebbende, van daar vertrokken, en bragten de lakens naar Antwerpen. +<span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name= +"pb168">168</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1565, als de Inquisitie hoe langer hoe wreeder +voortging, hebben de Edelen, na lange te vergeefs by de Hertoginne +vertooningen en verzoekschriften te hebben ingelevert, den Graave van +Egmond aan den Koning gezonden. Dewelke, na eenigen tyd, eerst antwoord +bequam, en hier op uit quam, dat des Konings meininge was, dat zyne +beveelen en strenge placaaten moesten uitgevoert worden. Derhalven +heeft de Gemeente ondertusschen, uit onverduldigheid, om bovenstaand +langdraadig antwoord des Konings, de kerken overvallen, en alle +Roomsche beelden daar uit gestormt.</p> +<p>Waar op in den jaare 1566 de Heer van Brederode, verzelt met meer +dan 200 Edelen, uit alle Provintien, verzogten aan de Hertoginne te +Brussel, om verzagtinge van die strenge beveelen des Konings te +genieten. By welke gelegentheid de naam van Geusen, waar door de +Gereformeerden beteekent worden, tot op dezen dag, van de geene die +buiten zyn, zynen oorsprong heeft genomen: wat een van ’t +Hofgezin der Hertoginne, met naame de Heer van Barlemont, dezen hoop +Edelen, die slegt in de kleederen waren, het eerste aan ’t Hof +ziende komen, zeide in de Fransche Spraak, dat ’er een hoop +Bedelaars voor de poort waren; gebruikende het Frans woord Gueux, dat +een Bedelaar beteekent. De Edelen dit verstaan hebbende, schaamden zich +hier niet over; maar begeerden na dien dag altyd Geusen <span class= +"pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name= +"pb169">169</a>]</span>genaamt te zyn: waarom veelen van hen graauwe +kleederen aantrokken, als de bedelende Graauwe Monniken, en houte +nappen aan hunne zyde hongen, met zilvere plaatjes beslagen, waar op in +’t Latyn stond: <i>Het gaa den Geuzen wel</i>: of <i>vivent les +Geux</i>.</p> +<p>Het voorige verzoek der Edelen naar den Koning gezonden zynde, maar +het antwoord te laat aankomende, was ’er ondertusschen weder +alomme door het land een algemeene kerkrooving en beeldstormerye +ontstaan; en de Gereformeerden, door toelaatinge des Prinsen van +Oranje, bouwden openbaarlyk kerken binnen Antwerpen. Waar op de +burgers, zo te Leeuwarden als Sneek, mede de vryheid namen om de +beelden uit hunne kerken te breeken, en de zuivere leere te doen stand +grypen; daar veelen reeds opentlyke belydenisse van deeden. +Ondertusschen hebben de Inquisitiemeesters den nieuwen Bisschop te +Leeuwarden toegestaan, van de inkomsten der kloosters Mariengaard en +Lidlum, tot zyn jaarlyks onderhoud, een zomma van 3000 ducaten; en +’t verdere overschot ten behoeve voor monniken en paapen.</p> +<p>In dit zelve jaar is de Minnebroeders kerk te Groningen door de +Gereformeerden ingenomen, van de altaaren en beelden, met verlof van de +Magistraat, gezuivert, en die hun stads arbeidsvolk bestelde, om de +vloer van puin en belemmeringen te ontdoen, en <span class= +"pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name= +"pb170">170</a>]</span>bequaam tot de predikdienst te maaken. Doch deze +zaak heeft naderhand, in den jaare 1569, eenige werklieden het leeven +gekost. In de Ommelander dorpen, als te Winsum, Garshuizen, +Westerembden, Ten Post, Middelstum en elders, wierd de boer door den +adel opgehitst, en veele kerken, geplondert, tegens dank en wil der +Overheden.</p> +<p>Arenberg, deze beeldstormerye verstaan hebbende, deed, uit last der +Hertoginne, alle de predikanten het land uitjaagen, en alle +Gereformeerden strengelyk vervolgen.</p> +<p>Als mede, uit naam van den Koning van Spanje, zond hy op eene +listige wyze, vier compagnien Hoogduitsche soldaten in Groningen; welke +aldaar, gedurende hunne inquartieringe, wegens den Koning, veel moetwil +bedreven aan de burgers, inzonderheid de Gereformeerden; neemende de +stads sleutels na zich, ontwapende de burgerye, en deeden een jongman, +om opgelegt verraad, vierendeelen.</p> +<p>In den jaare 1567, als de Prins van Oranje zag, dat de zaken, na zo +veele moeijelykheden, van erger tot erger vervielen, vertrok hy, met +een groot gevolg van Edelen en andere aanzienlyke lieden naar +Duitschland. En een schip met Edelen van Amsterdam naar Embden +vlugtende zyn by Harlingen, door trouwloosheid van den schipper, in +handen van Arenberg geraakt: waar onder <span class="pagenum">[<a id= +"pb171" href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span>de twee jonge Heeren +van Baatenburg, en drie Friesche Edelen waren; die, nevens veele van de +anderen, binnen weinig tyd daar na, te Brussel zyn omgebragt.</p> +<p>De Koning van Spanje ziende, dat de verwerringe al grooter en +grooter wierd, besloot zyne zuster van verdere moeite te ontlasten, en +zond als Stadhouder in haar plaatze dien wreeden en alom beruchten +Hertog van Alva; dewelke een groote krygsmacht mede bragt, van +voornemen, om alles op een wreede en gruuwzame wyze te vervolgen; die +ook dien weêrgaloozen bitteren bloedraad instelde, welke alles +het onderste boven wentelde.</p> +<p>In den jare 1568, als de vlugtelingen door de wreedheid van Duc +d’Alva dagelyks meer wierden, zoo dagten zy op middelen, om weder +in beteren stand in hun Land te komen. De Prins dan, veel volk +vergaderende, begon van dezen tyd af den Hertog te beoorlogen.</p> +<p>In dit zelve jaar, in May hebben de Graaven Lodewyk en Adolf van +Nassau, nevens Graaf Joost van Schouwenburg en anderen, met hunne +krygsmacht in Groningerland trekkende, het Huis te Wedde, den Dam, en +daar na meer andere plaatzen ingenomen: hoewelze na een korten tyd +gedwongen wierden den Dam wederom te verlaaten.</p> +<p>Ondertusschen was de Graaf van Arenberg, nevens den Graaf van Megen, +met hunne krijgsmacht en zes stukken kanon afgekomen: <span class= +"pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172" name="pb172">172</a>]</span>het +welk van Graaf Lodewyk vernomen zynde, trok zyne krygsbenden bijeen, +vallende den 24ste van May met eene groote dapperheid bij Heiligerlee +op de vijanden in, voor dat de Graaf van Megen daar noch was bygekomen, +en sloegen zoo furieus met hun nieuwgeworven krygsvolk onder hen, dat +er in ’t kort veelen wierden neergevelt. Waarom Arenberg met eene +groote bitterheid op Graaf Adolf los rende; en, schoon hy eerst met een +kogel doorschooten wierd, heeft hy nochtans dies te verwoeder, eerst +met ’t pistool, en daar na met het rapier Graaf Adolf ook +doodelyk gewond; waarop zy alle beide zyn neêrgevallen, en niet +verre van den anderen gestorven. De rest van Arenbergs leger, alzo +’t volk geen kennisse van ’t Land hadde, en van de +Nassauschen omsingelt zynde, is meestendeels gequetst of dood gebleven. +Omtrent 1600 mannen, zo Spanjaarden als Duitschen, wierden ’er +verslagen, waar onder vele perzoonen van rang; daar by bequam Lodewyk +veel buit, als alle de bagagie van Arenberg, zyn zilverwerk, en daar en +boven veel geld, dat tot betaalinge der soldaaten gekomen was, en zes +stukken kanon. Graaf Adolf wierd te Wedde, en de Graaf van Arenberg in +de kerk van het klooster te Heiligerlee begraven.</p> +<p>Daar na trok Graaf Lodewyk met zyn leger voor Groningen, doende de +stad aan twee zyden belegeren; maar de vastigheden van die plaats, +groote bezettinge daar binnen, en den <span class="pagenum">[<a id= +"pb173" href="#pb173" name="pb173">173</a>]</span>belegeraars zwaar +geschut ontbreekende, deed hem niets vorderen: evenwel wierden +’er verscheidene aanvallen gedaan, inzonderheid op den 22ste van +Juny, alwaar wel 200 van de Nassauschen, en veelen van de beleegerden +sneuvelden. Maar het afkomen van den Hertog van Alva met een leger van +16000 mannen, deed hem de belegeringe den 14de van July opbreken, +marcherende daar mede langs de Eems, om zich aldaar te versterken; doch +de Hertog is hem zeer haastig nagetrokken, en heeft Graaf Lodewyk op +den 21ste dito by Jemmingen aangetast, en zeer afgryzelyk met al zyn +volk, dat niet vegten wilde, verslagen; daar bleven ’er weinigen +over, en veelen wierden door ’t zwaard gejaagd, of in ’t +water verdronken. Graaf Lodewyk zelve, als eenigen verhalen, ontquam +het met zwemmen over de Eems; doch anderen willen, dat hy met een +scheepje overgeraakt zoude zyn. Daar wierden verlooren 16 stukken +kanon, omtrent 1500 paarden, 20 vendels, veele horenbeesten, en omtrent +7000 mannen.</p> +<p>Daar na trok de Hertog langs de dyken naar Delfzyl, voorneemens om +die plaats en Farmsum tot een stad te maaken, en dezelve Marseburg te +noemen: doch de smeekinge der Groningers heeft zulks terug gehouden. +Vervolgens hebben de Spaanschen in het aftrekken veele dorpen in brand +gestoken, eenige duizenden van horenbeesten uit het land gedreven en +groote schade gedaan. Voorts <span class="pagenum">[<a id="pb174" href= +"#pb174" name="pb174">174</a>]</span>quam de Hertog te Groningen, en +ordonneerde aldaar een kasteel te bouwen, tusschen de Ooster- en Heere +Poort, met 5 bolwerken; dat het jaar daar aan is begonnen.</p> +<p>Karel Brimeu, Graave van Megen, wierd Stadhouder van Friesland, van +’s Konings wegen, na de dood van Arenberg.</p> +<p>Den 7de van December is te Leeuwarden, voor de eerstemaal des Heeren +Avondmaal openbaar, naar de wyze der Gereformeerden, uitgedeelt, na dat +de gewapende burgery de beelden, door last van Burgemeesteren, uit de +kerken geworpen hadden, niet tegenstaande des Konings Stadhouder, en +’t Hof zich daar tegen stelden. Ook hebben zy den Koning +afgeswooren, en zich door sterke burgerwachten bevestigt. Ook wierpen +verscheidene paapen hun priesterlyk gewaad weg, en verkondigden nu het +zuivere Woord des Heeren.</p> +<p>In den jare 1569, in April, quam de Commissaris Quarre te Groningen, +en informeerde zich wegens de kerkplonderinge en andere misdaaden, in +den jaare 1566 gedaan. Waarop eenigen by den kop wierden gevat; doch de +Bouwmeester, met twee arbeidsluiden braken uit de gevangkenis; maar de +andere drie a vier zyn, niet tegenstaande het verlof van de Magistraat, +om hunne begaane misdaad, op de markt onthoofd. hoofd.</p> +<p>Voorts hier na quam de Bisschop Johan Cnyf ook te Groningen, +neemende zijn logement <span class="pagenum">[<a id="pb175" href= +"#pb175" name="pb175">175</a>]</span>in het huis dat nu des Stadhouders +Hof is.</p> +<p>Ook wierd door bevel van den Hertog van Alva een kasteel +geordonneert; men bouwde het met vyf bastions, waarvan drie buiten en +twee binnen de stad quamen te leggen: schietende het eene met haar punt +op der Pelsterstraat, en het andere op de Gelkingestraat: waar van de +gragt wierd aangelegt op 100 voeten wyd; en de benedenste voet van de +wal op 75 voeten breed.</p> +<p>In den jaare 1570, den 1ste November, is ’er een geweldig +onweder, met een verschrikkelyke hooge watersnood, uit den noordwesten +ontstaan; die tot heden met den naam van Allerheiligensvloed bekent is: +waar door het water zeer hoog in Vlaanderen, Holland en Zeeland is +opgeloopen, doch by den dag, en diensvolgens met minder schade, als in +Friesland: alwaar het des avonds, omtrent 9 uuren, het geheele Land +overstroomde tot aan Sevenwouden toe; blyvende Gaasterland, en wel +voornaamentlyk Oud Mardum, Ruigehuizen en Sondel onbeschadigt. De +schade aan menschen en beesten was ontelbaar, en is af te neemen uit +1800 menschen, die alleen in de Grieteny van Oostdongeradeel verdronken +waren; daar de vloed tot elf voeten hooger, als een gemeen ty, was +opgerezen. Van Sneek naar de Lemmer voer men regt uit op zeven en een +halve voet water over ’t vlakke land: râzeilen met drie +masten dreven, <span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name= +"pb176">176</a>]</span>met haar volle ladingen door de inbraaken der +dyken. En een wieg, met een leevend kind en kat daar in, quam te Sneek +aandryven.</p> +<p>In den jaare 1571 hebben de Friesen alomme, gelyk ook die van +Braband en Vlaanderen, de beelden bestormt, en de paapen en monniken +weder het land uitgejaagt.</p> +<p>In den jaare 1572, den 7de van January, overleed binnen Zwol, de +Graaf van Megen, Gouverneur van Friesland, Groningen, enz. In wiens +plaatze hem opvolgde Gillis van Barlamond, Heere van Hierges.</p> +<p>In dit zelve jaar namen de Watergeusen den Briel in; en de Prins van +Oranje wierd in ’t openbaar voor een Hoofd der Vereenigde +Bontgenooten verklaart. Diederik van Bronkhorst nam Sneek, Bolswert en +Franeker in, alzo het volk daar meest uit verloopen was. En des Konings +Colonel, Casper de Robles, Heer van Billi, daarentegen lag bezettinge +op de zeedyken.</p> +<p>Schouwenburgs volk, gesterkt met een party, van des Prinsen macht, +dat van Ameland naar Oostmahorn over quam, heeft Dokkum ingenomen: maar +de Colonel Robles, hen overvallende, heeft de plaats weder hernomen, +laatende de soldaaten vermoorden en schenden, en de stad in brand +steeken<a class="noteref" id="xd20e2602src" href="#xd20e2602" name= +"xd20e2602src">89</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb177" href= +"#pb177" name="pb177">177</a>]</span></p> +<p>In September is Joost van Schouwenburg, als Stadhouder by den Prins +van Oranje over Friesland, te Sneek gekomen; en, na eenigen tyd, trok +hy binnen Franeker, en zette zich op Sjaardema’s Slot ter neder. +Doch na zyn vertrek vielen zy weder in handen van Robles, gelyk ook die +van Bolswert. Ondertusschen hebben ’s Prinsen volk de zeekusten, +behalven Harlingen en Staveren, weder onvry gemaakt; alwaar Gaasterland +en de geheele zuidhoek veel verdriet heeft uitgestaan. En inzonderheid +word verhaalt, dat die van Wykel van de roovers wierden overvallen; +Wybren Wykel met zyn vrouwe Doed en dochter Bauk gedood; Foockel +gevankelyk naar Enkhuizen gevoert, en noch eene van hunne zusters ter +vensteren uitgeworpen; Hans, hunne broeder, ontquam het met de vlugt; +en het huis wierd verbrand: van welker afkomst ons noch een aanzienlyk +huisgezin in onze woonplaats bekent is. Robles moest hier na Sneek +weder verlaaten. Diederik van Bronkhorst nam hier op Bolswert in; +alwaar hy de Overigheid veranderde, en de Gereformeerden opentlyk liet +prediken; welke eerste predikatie in de Broeren Kerk gedaan wierd. Hier +van daan vertrok hy naar Sneek en Franeker, alwaar hy het +Stadhoudersampt, in ’t afzyn van Schouwenburg, bediende. Daar na +nam ’s Prinsen volk het blokhuis te Staveren in: maar daags daar +aan herwonnen <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name= +"pb178">178</a>]</span>’s Konings volk het wederom, en staken de +stad in brand.</p> +<p>Schouwenburg, eenige schattinge by een vergadert hebbende, tot +reddinge der Provintie, is, na hy de zelve ontfangen had, met dien +geroofden buit uit den Lande doorgegaan.</p> +<p>Ondertusschen heeft de Koning van Spanje, Don Louis de Requesens, +Grootbevelhebber van Castilien, tot een Landvoogd der Nederlanden +gezonden, in plaats van dien bloeddorstigen Hertog van Alva: die hier +op aanstonds weder naar Spanje vertrok; welke roemde, dat ’er +door zyn bevel wel 18000 menschen alleen door beuls handen in Nederland +waren omgebragt, behalven die in den kryg waren gesneuvelt.</p> +<p>In den jaare 1573, is Groningerland, Friesland en Embderland, door +een watervloed aangetast: waar door de dyken wierden gebroken, en +groote schade aan menschen en beesten geschiede.</p> +<p>In den jaare 1574 heeft Casper Robles, om de verschillen en +oneenigheden, al van oude tyden af, die ontstaan waren over het maaken +der zeedyken, weg te neemen, uitgevonden, en volgens zyne gedachten en +raad voorgewend, dezelve dyken, tegen zulke zwaare en hooge +watervloeden, waar van zy zo menigmaalen de smerten gevoelt hadden, in +beter order te brengen, en beginnen te verzwaaren. Wordende omtrent +twee jaaren hier na, ter gedachtenisse van dit loffelyke <span class= +"pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" name= +"pb179">179</a>]</span>werk, het Steene Beeld, dat noch heden by +Harlingen op den dyk te zien is, op ’s Lands kosten, opgeregt: +dienende met eene tot een Scheidbeeld van de afdeelinge der dyken.</p> +<p>Alschoon des Konings zaaken dagelyks te post verliepen, zo waren +echter Staveren, Hindeloopen, de Schans te Makkum, Harlingen, en de +geheele kust, na het doorgaan van Schouwenburg, weder met Robles volk +bezet geworden. Doch Wouter Heegeman, Hopman van den Prins van Oranje, +van Texel afvaarende, heeft Hindeloopen, by eene donkere nacht, met 300 +mannen overvallen en ingenomen. Waar op die van Enkhuizen hem kruid en +lood toezonden, om de plaats te versterken. Doch op het gerucht van +Robles volk, dat op hem aanquam, deed hem resolveeren, de stad uit te +plonderen en in brand te steeken. De Drost van Staveren begon ook zyne +vestingen, daags daar aan, weder te versterken.</p> +<p>In den jaare 1575 Bartel Entes, met eenig volk van Ter Schelling +afvaarende, lande op Oostmahorn, alwaar hy een schans opwierp: doch na +eenige schermutselingen, wierd hy door ’t volk van Robles daar +weder uitgedreeven.</p> +<p>In den jaare 1576 waaide het een geweldige storm, waar door veele +boomen uit den grond wierden gerukt; en het dak van de Oude Hoofster +Kerk te Leeuwarden, dat door oudheid geheel bouwvallig was geworden, +<span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name= +"pb180">180</a>]</span>deed instorten: en is tot op dezen dag niet +weder opgebouwt. ’t Was mogelyk een voorteeken, dat gelyk het +heidendom, voor veele eeuwen, uit deze plaats uitgeroeit, alzo deze +plaats het kerkhof was geweest, daar het altaar van den Afgod Staf +gestaan had, en dezelve geviert wierd, alzo ook nu het gebouw des +Pausdoms in deze Landen wel haast een geweldige krak zoude krygen. +Waarom wy wel mogen zeggen:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Het oude Duivels Hof, door schynschrift</p> +<p class="line xd20e2637">lang misbruikt,</p> +<p class="line">Wat wonder, zo ’t haar hoofd voor ’t +regt</p> +<p class="line xd20e2637">Geloove duikt.</p> +</div> +<p class="firstpar">In dit jaar hebben de Staaten en Voornaamste des +Lands met malkanderen binnen Gent een verbond gemaakt, om de welvaart +des Lands, met raad en daad des Prinsen van Oranje te helpen +bevorderen: wordende gemeld verbond gemeenelyk de Pacificatie van Gent +genaamt. Het welk de Koning daar na ook met zyne onderteekening +bevestigde. De inhoud van dit verdrag bestond voor ’t meest: 1. +Dat de vreemde krygslieden uit het Land zouden gevoert worden. 2. Dat +de gebruikelykste wyze van regeeren zoude vastgestelt worden. 3. Dat +ieder Provintie de zaaken van Godsdienst zoude handhaven, na dat het +tot ruste des volks het beste zoude geoordeelt worden.</p> +<p>In dit jaar is te Madrid overleden Joachim <span class= +"pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name= +"pb181">181</a>]</span>Hopperus, geboortig van Heemelum; afkomstig van +dat oud Geslacht der Hopheeren, waar van boven op het jaar 513 gemeld +is; om zyne uitmuntende geleerdheid, heeft hy hooge bedieningen +bekleed, als Professor der Rechten te Leuven; Heer van den Grooten Raad +te Mechelen, en in den Geheimen Raad te Brussel, daar Viglius de +voorzitplaats had; Heer van den Hoogen Raad der Nederlandsche Zaaken in +Spanje, en ’s Konings Zegelbewaarder; waar by hem de Koning tot +Ridder van de Goude Spoor sloeg, te gelyk en op een uur met Don Jan van +Oostenryk.</p> +<p>Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab Aita, +afkomstig van Swichum, by Leeuwarden; deze is mede om zyne uitsteekende +geleerdheid in groot aanzien geweest, als Professor in de Rechten te +Padua, in Italien, en na ’t afslaan van veele eerampten, Ryksraad +in de Kamer te Spiers; wederom wierd hy Professor te Ingolstad, Heer in +den Grooten Raad te Mechelen, Praeses of Voorzitter in den Geheimen +Raad en Raad van Staaten te Brussel, Ridder van ’t Gulde Vlies, +enz.</p> +<p>In dit jaar, den 7de van October, is te Groningen de Bisschop Johan +Cnyf, Minnebroeder, aan de pest overleden.</p> +<p>Den 22ste van November ontstond te Groningen een groote onlust, door +dien de Staaten Generaal, het oog op deze stad hebbende, eenen M. T. +Stella herwaarts hadden <span class="pagenum">[<a id="pb182" href= +"#pb182" name="pb182">182</a>]</span>gezonden, om de Magistraat en het +krygsvolk tot het aannemen der Pacificatie van Gent te beweegen; als +mede, dat zy ’t met de Generaliteit zouden houden; waar voor zy +beloofden, alle de achterstallige schulden, van de soldaten, die zeer +groot waren, te zullen voldoen.</p> +<p>De Gouverneur Robles, hier kennis van krygende, deed Stella +aanstonts apprehenderen en pynigen, om alzo zyn commissie uit hem +gewaar te worden: doch alles te vergeefs. Ondertusschen wist Stella +door zyn bequaamheden in ’t geheim aan de soldaaten te kennen te +geeven, dat zo zy zich voor de Staaten wilden verklaren, zy van alle +hunne achterstallen ten vollen voldaan zouden worden. Hier op waren de +soldaaten aanstonds als vol vuur, namen ten eersten hunnen Gouverneur +Casper de Robles, benevens eenige Spaansche Kapiteinen, of die ’t +met hun hielden, gevangen; loopende voorts naar de Waag, en haalden de +daar staande wippe omverre, en verbrandeze op de Markt, roepende: +<i>Lang leeve de Prins! lang leeven de Staaten!</i> Waar op zy +aanstonds heen liepen en maakten Stella los; bragten hem op de Markt, +en deeden hem in de naame der Staaten den eed van getrouwheid. +Vervolgens zonden zy Gecommitteerden met Stella naar Brussel; die +aldaar de stad aan de Staaten opdroegen, en een Gouverneur van hen +verzogten: waar op de Graaf van Rennenberg is afgezonden geworden, die +aldaar in den <span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name= +"pb183">183</a>]</span>jare 1577, den 7de van January, met eenige +heeren is aangekomen, en betaalden de soldaaten hunne achterstallen ten +vollen, dat eenige tonnen gouds beliep. Waar op de Waalen den 13de van +Maart ter stad uittrokken; daar die van binnen zeer over verblyd waren, +om hunne gepleegden moetwille, daar ze nu van verlost wierden, dat ze +vreugdevuuren daar over aanstaken; waar door de St. Martens toren in +brand geraakte en zeer beschadigt wierd. Daar na kreeg Rennenberg +Delfzyl, en stelde daar een nieuwen Commandeur. Voorts deeden de +Groningers hem en de Generaliteit den eed van getrouwigheid; doende +daar na het kasteel, door den Hertog van Alva gebouwt, wederom +afbreeken.</p> +<p>Op den eersten November deed de Gouverneur Rennenberg de Staaten van +Stad en Lande te Groningen vergaderen, alwaar de Ommelander Jonkers en +Hovelingen compareerden in groot getal, doch niet denkende, dat er iets +quaads met hen voor handen was. Maar, als zy vergadert waren, voor +Rennenberg zyn propositie nog had voorgesteld of gedaan, wierden beide +de leden oneens; het welke niet verdraagen wierd; waar door de Heeren +van de Ommelanden door de Heeren van de Stad zyn gevangen genomen, tot +24 in getal, en in leelyke gevangkenissen geworpen: niet tegenstaande +het ontzach van hunnen Stadhouder, die daar tegenwoordig was. Daar op +wierd de sterkte <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" +name="pb184">184</a>]</span>van Delfzyl den 20ste van December van hare +vestingen berooft; waar afgevoert wierden 9 metaale en 7 yzere stukken +kanon, en 14 bassen.</p> +<p>In den jaare 1578 zyn des Konings Raaden en Grietmannen in Friesland +afgezet, en andere Heeren voor hen in de plaats verkooren. Waarop de +Gereformeerden, die noch in ’t heimelijk hunne oeffeningen +deeden, verzogten om in ’t openbaar te moogen leeren en jaargeld +te genieten, om hunne Predikanten eerlyk te kunnen onderhouden: +’t welk door den Religions Vrede, tusschen den Aartshertog +Matthias en den Prins van Oranje, toegestaan zynde, zo bequamen die van +Leeuwarden de Jacobiner kerk tot hun gebruik; alwaar zij voor de +tweedemaal de Roomsche beelden afwierpen, en dezelve kerk tot de +zuivere godsdienst inweiden.</p> +<p>In dit zelve jaar dagten de Ommelanders zich te wreeken; deeden +derhalve in de maand February, onder den Heer Barthold Entes van +Menteda, 12 vendelen soldaaten werven: maar de Groningers zulks gewaar +wordende, vielen op hen uit, en verstrooidenze, waar van eenige wierden +doodgeslagen, de vlugtenden nagezet, en Barthold Entes gevangkelyk van +Koevorden mede naar Groningen gevoert; daar hy groot gevaar liep van +met de andere gevangene Ommelanders onthoofd te worden. Doch de +Aartshertog Matthias en de Staaten Generaal waren hunne voorspraaken, +om het different by te leggen. <span class="pagenum">[<a id="pb185" +href="#pb185" name="pb185">185</a>]</span></p> +<p>Den 28ste van Maart heeft het zeewater in Groningerland, +Oostfriesland en elders, groote schade gedaan, en veele menschen en +beesten verdronken.</p> +<p>In den jare 1579, om redenen, dat de Spanjaarden in geenen deele de +articulen der Pacificatie van Gent na quamen, hebben de Staaten van +Nederland goedgevonden, een naauwer verbintenisse te maaken binnen +Utrecht, die men de nadere Unie van Utrecht noemt: waar in de zeven +vereenigde Provintien, als Gelderland, Sutfen, Holland, Zeeland, +Utrecht, Overyssel, Friesland, Groningen en Ommelanden, daar benevens +Lingen en Drenth, hun eerste verbond maakten, bestaande voornaamentlyk +in: 1. Dat deze Provintien een en gemeen zouden zyn, om nooit, onder +wat naam ook, te mogen gescheiden worden: blyvende ieder nochtans by +zyne eigene oude voorrechten. 2. Dat zy malkanderen, tegen alle +vyandelyk geweld, met goed en bloed zullen helpen verdeedigen. En 3. In +de oeffeninge van Godsdienst de Pacificatie van Gent na te komen.</p> +<p>In dit zelve jaar hebben de Heeren van de Ommelanden den Riligions +Vrede mede aangenomen, insgelyks de Graave van Rennenberg; maar die van +Groningen, uit haat tegen de Ommelanden, kantede zich hier tegen. +Waarom Rennenberg een Landdag te Visvliet deed uitschryven, om alle +questien aldaar tusschen de beide leden in der minne by te leggen. Doch +de Groningers, als strydende <span class="pagenum">[<a id="pb186" href= +"#pb186" name="pb186">186</a>]</span>tegen hunne verbonden, weigerden +aldaar te compareren. Rennenberg deed derhalve zyn krygsmacht +ontbieden, om zich van Groningen nochmaals te verzekeren; doende de +stad voorts op den 22ste van May, aan de noordwestzyde, met omtrent +2000 mannen, doch tot weinig schade der stad, berennen.</p> +<p>Den eersten van Juny begonnen de belegeraars met die van binnen +handgemeen te worden, neemende hun een groot getal beesten af. Daar +tegen bragten die van de stad 2300 boeren uit hunne jurisdictien op de +been: welke terstond met weinig krygsvolk op de vlugt wierden gedreven, +en daar boven nog met geld geeven gestraft. Den 6de dito verstonden die +van binnen, dat er buskruid in het leger ontbrak, deeden derhalven met +hun geweld van welgewapende boeren en eenig krygsvolk, met het geschut +voor aan, een uitval op de vyanden, hebbende by hen 600 dienstmaagden, +om het geschut te beschanssen. Dus in slagorde staande, wierd er aan +weêrskanten dapper gevogten; waar door veele sneuvelden, en de +partye genoodzaakt wierd te vlugten, welke tot aan de poorten, niet +zonder verlies van volk, wierden vervolgt.</p> +<p>Daar na begonnen die van binnen naar vrede te luisteren, geevende +zich op den 10de van Juny aan de Staaten Generaal over: de Gouverneur +Rennenberg deed zyn publyke intrede op St. Jans Dag in de stad; die +aldaar <span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name= +"pb187">187</a>]</span>de Magistraat veranderde, en dezelve met +Staatsgezinden bezettede; den Riligions Vrede verkondigde, en de +Gereformeerden de St. Walburgs en Minnebroeder kerk deed inruimen. +Vervolgens heeft Rennenberg de fortresse Koevorden wederom vastgemaakt: +doch toonde zeer kort daar na dat hy ’t met de Staaten niet wel +meende.</p> +<p>Want in den jare 1580, den 3de van Maart, heeft de trouwlooze Graaf +de stad wederom aan den Koning van Spanje gebragt, na dat hy dezelve +maar 9 maanden voor de Staaten Generaal als Gouverneur hadde geregeert. +Hy had zyn voorneemen zo geheim weeten houden, dat, schoon hy +beschuldigt wierd, van heimelyk correspondentie te houden met den +Hertog van Parma, hy nochtans den Burgemeester Hillebrands, zynde de +voornaamste daar die van de Gereformeerde religie zich op vertrouwden, +des avonds, voor dat hy de stad onder zyn geweld bragt, bedroog, terwyl +deze hem voorstelde alle de quade geruchten die er van hem gingen, en +dat hy niet hoopte dat de Graaf iets quaads met hen voor hadde. Waar op +de Graaf antwoorde: «ô Myn Vader! dien ik voor myn Vader +houde! zou gy zulk een quaad vermoeden van my hebben? Wees hierin maar +gerust:” en sloeg het hem dus uit den zin. Evenwel lag de Graaf +op zyn luimen, laatende geen tyd passeeren; want op den tweeden van +Maart, des avonds en des nachts, heeft hy met zyn <span class= +"pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name= +"pb188">188</a>]</span>geheele Hofgezin, en veele Spaanschgezinde +burgers, als mede eenige verborgene krygsknegten, tegens den +morgenstond, den 3de dito, hen gewapent. Zo dra als hy nu kennisse had +bekomen, dat de Gereformeerde wacht in den dageraat was gaan slaapen, +is hy met zyn volk, hebbende witte teekenen aan hunne linker armen, uit +zyn logiment naar de Markt gereden, gewapent zynde van het hoofd tot de +voeten, met de bloote sabel in de vuist, roepende: <i>Sta by, sta by, +goede Burgers! heden ben ik eerst regt Stadhouder dezer Landen.</i> Op +dit gerucht quam de Burgemeester Hillebrands, woonende in de +Heerestraat, haastig met eenige Gereformeerden voor den dag springen, +die direct op hem aanvielen: maar een van Rennenbergs knegts schoot op +hem los, dat hy dood ter aarde viel. Waarom de anderen de vlugt namen. +Eenigen wierden aanstonds gevangen genomen, en anderen verweerden zich +noch in hunne huizen; maar daar bleef niemand dood als een perzoon. +Voorts liepen en renden zij door de straaten, schietende naar allen, +die het hoofd ter vensteren uitstaken. Daar na de stad doorzoekende, +namen zy allen, die in der Spaanschgezinden ongunst stonden, tot over +de 200 voornaamste burgers gevangen; waar van eenigen zeer qualyk +wierden gehandelt; die evenwel naderhand door verscheidene middelen +meest los quamen.</p> +<p>Op dien zelven dag, als Rennenberg de <span class="pagenum">[<a id= +"pb189" href="#pb189" name="pb189">189</a>]</span>stad voor den Koning +van Spanje had hernomen, wierd dezelve wederom door Barthold Entes +belegert, met 13 vendelen soldaaten en 2 vendelen ruiters. Die van de +stad maakten eenige beschansinge in de voorstad, gelegen op het +Schuitendiep, en noch twee molenbergen buiten de stad, waarmede zy +hunne beesten, die dagelyks in de weide gingen, beveiligden. Vervolgens +zonden de Staaten Generaal den Graaf van Hohenlo, en Graaf Lodewyk van +Nassau, met nog 16 vendelen naar ’t beleg.</p> +<p>Den 16de van May deeden de belegeraars eene attaque op ’t +Schuitendiep, alwaar zeer hevig gevogten wierd, en Barthold Entes zyn +leeven verloor. Ondertusschen ontstond een gerugt in ’t leger, +dat de Spanjaarden, onder ’t bevel van Marten Schenk, afquamen om +Groningen te ontzetten. Hier op trok Hohenlo met eenige vendelen uit de +belegeringe naar Hardenberg, Schenk te gemoet; alwaar het gevegt op den +16de van Juny, tot groote schade van den Graaf van Hohenlo, wierd +gehouden. Overzulks wierd Groningen door Graaf Lodewyk, na ruim drie +maanden belegert geweest te zyn, wederom verlaaten.</p> +<p>Den 29 van July is Delfzyl door den Graaf van Rennenberg ingenomen; +ook Enematil; doch wierd kort daar na door Hohenlo wederom herwonnen; +ook joeg hy de Rennenbergschen uit de schans Weerdenbras, by de +Ponterbrug, en nam daarop Koevorden in. <span class="pagenum">[<a id= +"pb190" href="#pb190" name="pb190">190</a>]</span></p> +<p>Den eersten September is Enematil door de Rennenbergschen wederom +ingenomen en geslegt.</p> +<p>Den 4de dito wierd Hohenlo’s volk by de Bourtange door de +Rennenbergschen geslagen.</p> +<p>Den 6de dito zyn de Rennenbergschen, door de Friesen uit Dokkum en +Kollum, in ’t klooster Aduard verrast en verslagen; waar op het +klooster, uit vreeze van wederom overvallen te worden, is in brand +gestoken; waar in de Rennenbergschen wel 300 mannen verlooren.</p> +<p>Den 20ste dito won Rennenberg Koevorden; onder voorwaarde, dat de +bezettinge, uit 200 mannen bestaande, met zydgeweer zouden mogen +uittrekken.</p> +<p>In dit zelve jaar, als de Stadhouder Rennenberg door ontrouw van de +Staaten en Prins van Oranje was overgegaan tot den Koning van +Spanje<a class="noteref" id="xd20e2716src" href="#xd20e2716" name= +"xd20e2716src">90</a>, en die van Leeuwarden door het blokhuis, dat +noch vast was, en by hem bezet bleef, meende te dwingen, gelyk hy +Groningen reeds al in zyne macht hadde; zo hebben de burgers, dit +bemerkende, <span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name= +"pb191">191</a>]</span>het zelve manmoedig ingenomen, en de wallen en +sterktens geslegt: ook namen de Staaten de blokhuizen van Harlingen en +Staveren mede in hunne macht, en roeiden uit de kerken der Paapen alle +de beelden; en de kloosterinkomsten wierden allen geschikt tot +onderhoud der Predikanten en schoolen.</p> +<p>De Geestelyken dus uitgeroeit zynde, verkreegen die van Oostergo de +eerste stem in hunne plaats; en de steden de vierde stem in +landszaaken. Koevorden wierd vaster beschanst; en Harlingen met nieuwe +wallen en gragten versterkt. En wegens de ongetrouwigheid van +Rennenberg, zogten de Staaten zich van eenen anderen Stadhouder te +voorzien.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div2" id="stadhouders"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e2737" class="main">VII. Stadhouders der Staaten.</h3> +<p class="firstpar">1. <span class="sc">Willem</span>, Prins van +Oranje, Graave van Nassau, enz., wierd van de Staaten van Friesland, om +het Stadhouderschap van deze Provintie mede waar te neemen, begroet. +Doch, om de moeijelykheden, daar de andere Provintien in stonden, gaf +het hem ongelegentheid, om overal zelve te gaan; derhalven zond hy +Merode, Heer van Rummen, om van zynent wegen het Stadhoudersampt als +Luitenant te bedienen. Hier na belegerde Rennenberg Steenwyk; neemt de +<span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name= +"pb192">192</a>]</span>Kuinder en Slooten in; trekt naar Staveren, daar +hy ’t kasteel weder opbouwt; werpt te Makkum weder een nieuwe +schans op, en stroopt <span class="corr" id="xd20e2746" title= +"Bron: lang">langs</span> de zeekust tot aan de Harlinger Poort. Waar +door Friesland weder in ’t uiterste gevaar quam om overwonnen te +worden. Doch daarentegen ontzette de Overste Norrits Zwartsluis, +’t kasteel van Hattem en Steenwyk; waardoor Rennenbergs loop ten +eenemaal gestuit wierd, en al het voorgemelde weder by de Staaten +herwonnen.</p> +<p>De onzen verlooren ook een veldslag by Winsum, in Groningerland, dat +Friesland in eene groote benaauwdheid bragt: maar als de Overste +Norrits den vyand by Visvliet <span class="corr" id="xd20e2751" title= +"Bron: ge-geslagen">geslagen</span>, en tot aan de poorten van +Groningen verjaagt hadde, veranderde het zelve in vreugde. Even hier na +wierd het bolwerk en wallen om Dokkum gemaakt.</p> +<p>In den jaare 1581, in May, quamen de Rennenbergschen uit Aduard, om +een schans op het Reidiep te maaken, om alzo den Heer van Nienoort uit +zee af te snijden: doch hy wierd zulks tydig gewaar, en voorquam niet +alleen hunne aanslag, maar bragt hen zelve in hinderlaag; waar door +veelen der vyanden wierden verslagen.</p> +<p>Daar na is Aduard door den Heer van Nienoort belegert; brengende +grof geschut daar voor, om het klooster daar mede daadelijk te +beschieten. Maar de Rennenbergschen van alom hunne macht byeen +rukkende, trokken by Groningen over het Reidiep, <span class= +"pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name="pb193">193</a>]</span>om +de belegerden te ontzetten. Nienoort was zulks wel verwittigt, maar +door meerderheid van stemmen geresolveert de vyanden af te wagten: +dewelke van achter het klooster straks quamen toeschieten: waar door de +Nienoortschen de vlugt namen, achterlaatende verscheidene Officieren +voor gevangenen, en eenige dooden aan hunne bespringers. Voorts trokken +de Rennenbergschen op Aduarder-Zyl, en deeden het plaatsje aanstonds, +doch vrugteloos, bestormen: maar met kanon daar voor komende, en een +goede bresse geschoten zynde, quamen zy met de derde storm daar binnen; +slaande doe alles dood wat ’er in was; waar onder Schelto Jarges, +een zeer geleerd en dapper Kapitein.</p> +<p>Den 9de van July sloeg Norrits de Rennenbergschen by Grypskerk, en +vervolgden hen tot aan Groningen, waar van 700 mannen door de kling +gejaagt, en veelen gevangen wierden genomen; vier stukken kanon, alle +de bagagie, en veele paarden wierden tot buit gemaakt; zynde des +overwinnaars verlies daar tegen zeer gering.</p> +<p>Den 23ste dito is in Groningen overleden die trouwelooze Graaf van +Rennenberg, Stadhouder van Groningen, enz.; zynde door eene knaaginge +zyner confidentie geheel uitgeteert van mismoedigheid en berouw, om dat +hy de Staaten Generaal zo ontrouw had behandelt; wordende begraven in +St. Martens Kerk, in ’t choor. Hy had <span class= +"pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span>in +zynen laatsten levenstyd zyne zuster verstooten, die hem tot dezen +afval vervoert had. Daar na is Francois de Verdugo wegens den Prins van +Parma, als Stadhouder van Groningen, in des overleedens plaatze +gestelt.</p> +<p>De algemeene Staaten van gevoelen zynde, dat door deze geduurige +vyandelykheden, de Koning van Spanje meer een openbaare vyand, als een +beschermend Overheer was; hebben daarom geresolveert, hem van alle zyne +voogdye af te zetten, en zyne gehoorzaamheid ten eenemaal afgezwooren: +waar toe de Staaten van de andere Provintien, en Friesland mede, in dit +zelve hebben bewilligt. Waarop des Konings wapenen alomme wierden +afgebroken, uitgestreeken en vernietigt, de zegelen plat geklopt, en +die der Staaten in deszelfs plaats gestelt.</p> +<p>Rennenberg overleden zynde, heeft de Koning, die de landen daarom +noch niet verlooren gaf, eenen Francois Verdugo, Heer van Schenge, tot +Stadhouder gezonden; die met 1500 Waalen te Groningen komende, de +Friesen zeer verslagen maakte.</p> +<p>Aanstonds nam Verdugo Reide in. En kort daarna raakte hy in een +gevegt tegen het Staaten volk, onder Norrits, by Noorthorn, dat hy +deerlyk sloeg: alwaar omtrent de helft zo Grooten als gemeenen +sneuvelde, en een groot gedeelte gevangen wierd genomen.</p> +<p>Des de landlieden, in de wapenen gebragt <span class= +"pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name= +"pb195">195</a>]</span>zynde, hebben in ’t dorp Oudeboorn een +schans opgeworpen; welke van Verdugo aangevallen, maar afgeslagen is: +waar op hy, na eenige plonderingen, uit het land weder vertrok.</p> +<p>In den jaare 1582 heeft de Stad Groningen van den Koning van Spanje +een bulle bekomen, omtrent het Stapelrecht.</p> +<p>In den jaare 1583 heeft een Spaansch Overste, Taxis genaamt, +Steenwyk door list ingenomen: en in Friesland vallende, de schans te +Oudeboorn en Rotserschans ingenomen; en alomme het land door +stroopingen en plonderingen geplaagt.</p> +<p>In het zelve jaar in September is Oterdum door de Heeren van +Nienoort en Azinga Entes verovert; jaagende de Spaanschen bezettinge +daar uit, en deeden het plaatsje daar op versterken; waar mede zy veele +dorpen daar omtrent tot contributie dwongen. Overzulks is Oterdum door +de Spaanschen in de maand December wederom belegert: maar die van +binnen dapper tegenstand biedende, is het beleg, wederom +opgebroken.</p> +<p>Omtrent dezen tyd overleed binnen deze sterkte de Heer van Nienoort, +na eene langduurige ziekte, en wierd aldaar begraven; zynde een Edelman +geweest, die naar zyn vermogen, groote diensten aan het Vaderland had +gedaan.</p> +<p>In den jaare 1584 heeft de Prins van Oranje den Graave van Merode +uit Friesland <span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name= +"pb196">196</a>]</span>opontboden, en Graaf Willem van Nassau tot +Luitenant-Stadhouder in zyn plaats aangestelt. En, vermits de +dagelyksche overvallen der vyanden, hebben de Staaten de schans in de +Lemmer doen vast maaken.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 10de van July, wierd tot groote droefheid van +den lande, binnen Delft, de Prins van Oranje, door een boosaardigen +Franschman met een pistool doorschooten; zynde door de Spanjaarden daar +toe verraadelyk omgekogt<a class="noteref" id="xd20e2791src" href= +"#xd20e2791" name="xd20e2791src">91</a>.</p> +<p>2. <span class="sc">Willem Lodewyk</span>, Graave van Nassau, enz. +wierd in deszelfs plaats van Luitenant-Stadhouder, door de Staaten van +Friesland tot tweeden Stadhouder, na de afzweeringe van den Spanjaart, +verkooren.</p> +<p>Verdugo, de schans Oterdum op den 18de van September wederom +belegert hebbende, liet dezelve aanstonds met twee stukken kanon +beschieten: doch die van binnen, benevens de schepen die op de Eems +lagen, bleven hun niet schuldig; waar door veelen <span class= +"pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span>van +de belegeraars gedood en gequetst wierden. Daar na, in de maand +December, wierd de schans gesecoureert door allerlei nooddruft, +alhoewel de belegering noch zyn gang ging; doch met weinig voordeel. +Maar op Lichtmissenacht in het volgende jaar, zyn de schansen van +Verdugo voor Oterdum, door een geweldigen storm en watervloed +weggespoelt; waar door veelen der belegeraars <span class="corr" id= +"xd20e2806" title="Bron: verdroken">verdronken</span>; zo dat Verdugo +zich genootzaakt vond het beleg op te breken. Oterdum had weinig door +’t water geleden, en wierd ten eersten herstelt met vier +bolwerken, schoone gragten, en een haven, waar in omtrent 30 schepen te +gelyk konden leggen, gemaakt.</p> +<p>Den laatsten February deed Verdugo een vrugteloozen inval in +Friesland. Maar de Westfriesen deeden insgelyks in Groningerland een +inval van meer nadeel; verbrandende in de Marnkant, van Vierhuizen tot +aan Baflo, meest alle de huizen af, om datze geen contributie wilden +opbrengen.</p> +<p>Omtrent dezen tyd, had Roelof Ketel een aanslag op Groningen, om +deze plaats aan der Staaten zyde te brengen. Hy begaf zich derhalve met +15 mannen daar binnen, verlaatende hem alleen op de slappigheid der +wacht aan de poorten. Daar by was Graaf Willem van Nassau met 1500 +mannen in ’t Drenth, om hem, zo de aanslag gelukte, by te +springen: doch de zaak wierd ontdekt, en Roelof Ketel by den kop gevat +<span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name= +"pb198">198</a>]</span>zynde, wierd het hoofd afgeslagen en +gevierendeelt.</p> +<p>Insgelijks heeft Kapitein Schaay, leggende te Niezyl in bezettinge, +een aanslag op Groningen gehad; zynde in een tyd dat de stad gebrek aan +levensmiddelen had: maar dezelve voorts geproviandeert wordende, +mislukte de aanslag.</p> +<p>In den jaare 1585 hebben de Staaten de bestieringe der landen +opgedragen aan Hendrik den derde, Koning van Vrankryk; maar die hen, om +zyne eigene inlandsche oorlog, alwaar hy zelve zeer mede belemmert was, +moeste afwyzen. Waar op hy Elisabeth, Koninginne van Engeland, tot +bescherminge liet verzoeken: doch die Majesteit weigerde mede de volle +heerschappye. Doch hier na, Prins Maurits in zyns vaders plaatze en +bedieningen gestelt zynde, is van gemelde Koninginne de Graave van +Leicester, als Overste van haare hulpbenden, naar de Nederlanden +gezonden; die de Staaten naderhand tot Stadhouder der Nederlanden +hebben aangenomen.</p> +<p>Na dat de kloosterinkomsten, als wy boven reeds gemeld hebben, tot +onderhoud van predikanten en schoolmeesters bestelt waren, heeft het de +Staaten des Lands ook goed gedagt, uit de zelve ook een schoole van +geleerdheid of Academie op te regten, en dezelve met bequaame +leermeesters of professoren, en dat ’er verders toebehoort, +<span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name= +"pb199">199</a>]</span>mildelyk te voorzien; dezelve plaatzende binnen +de Stad Franeker.</p> +<p>In den jaare 1586 hebben de Spanjaards, over ’t ys komende, +alzo het zeer sterk gevrooren hadde, een uitval gedaan, trekkende met +2500 voetknegten en 400 ruiters de Wouden in, door Lemsterland, en +vernachtende omtrent Workum en Hindeloopen; van waar zy voorby +Bolswert, over Marnzyl, door Schettens en Witmarsum, te Tjum zich +nederzettende, quamen ten derden dage te Spannum en Winsum, welke +dorpen zy beide in brand staken: en als zy veel gevlugt volk op de +Winsumer toren gewaar wierden, zo stookten zy een zeer smookend vuur +van onderen aan dezelve, om gemelde vlugtelingen te doen verstikken: +waar door eene zwangere vrouw, gevoelende haare kleederen en +hoofdhairen gezengt, uit de klokgaten sprong; en gevallen zynde, noch +door een Spanjaard op de naakte borst getrapt, en zeer gewond geworden, +waar door zy haare zinnen verloor: doch na twee maanden quam zy weder +tot haare voorige kennis en verstand. En eene andere, met twee kinderen +in haare armen, sprong uit het hoofd van den toren, en bragt het eene +kind noch leevendig te Franeker. De onze in aller yl met 1000 +voetknegten en een Cornet paarden daar na toe trekkende, vonden zich +niet in staat om de vyanden te keer te gaan: des zy van Oosterlittens +naar Boxum afweeken, op hoop <span class="pagenum">[<a id="pb200" href= +"#pb200" name="pb200">200</a>]</span>van eenige hulp, om zich dan +voordeeliger te kunnen te weêr stellen: maar de vyanden, hen +spoedig nazettende, beletten dit, overvielenze, en een bloedige slag +wierd getroffen, daar wederzyds veel volk sneuvelde; doch de onzen +moesten eindelyk de vlugt neemen, zo naar Leeuwarden, als andere +plaatzen; en een gedeelte wierd in de kerk bezet, en gevangen genomen. +Van deze slag is zulken indruk in de gemoederen der menschen gebleven, +dat ’er in Friesland niets bekender is, als deze Boxumer Slag, +voorgevallen op den 17 January.</p> +<p>In dit zelve jaar, ondernam Graaf Willem van Nassau een aanslag op +Groningen: doch dezelve wierd door een zeer hoogen springvloed ontdekt +en verydelt.</p> +<p>In den jaare 1587, in September, had Graaf Willem van Nassau +nochmaals eene vergeefsche aanslag op Groningen.</p> +<p>Den 17de van December is een zwaare inbreuk van ’t zoute water +in de Ommelanden geweest, waar door alle hooge landen onder liepen, +wezende het water byna zo hoog, als de Allerheiligen Vloed van den +jaare 1570, maar deed zoo eene groote schade niet.</p> +<p>In den jaare 1589, in ’t begin van den zomer, had de +Gouverneur Graaf Willem eene vergeefsche aanslag op Delfzyl; doch +besprong Reide, en maakte daar een beschanst Eiland van: ook won hy de +schans Eemetille; en kort daar na Swaagsterzyl en <span class= +"pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name= +"pb201">201</a>]</span>Soltkamp; zynde een schans in de mond van +’t Reidiep, en dat stormenderhand, voor ’t gezigte van +Verdugo, slaande 80 mannen dood, en nam veele gevangenen mede.</p> +<p>Daar na nam Verdugo Eemetille weder in; zond twee booswichten in +’t leger by Kollum, om Graaf Willem te vermoorden: maar dezelve +ontdekt zynde, wierden gevangen genomen en onthoofd.</p> +<p>In den jaare 1590, in Maart, hebben eenige burgers en inwoonders van +Groningen hunne stad en Staat onder de bescherminge van de Koninginne +van Engeland gepresenteert: doch wierd hun geweigert. Waar op Verdugo, +meer volk van den Hertog van Parma ontfangen hebbende, de schans +Enematil besprong; trekkende van daar op Nieuwezyl<span class="corr" +id="xd20e2842" title="Niet in bron">.</span> Ondertusschen quam Graaf +Willem, Gouverneur van Friesland, afzakken, en legerde te Kollum; en +alhoewel de legers ruim een uur maar van malkander lagen, viel er +echter weêrzyds niets aanmerkelyks voor.</p> +<p>In den jaare 1591, den tweeden van July, won Prins Maurits Delfzyl; +waar in gevonden wierd 5 metaale stukken kanon, en 6 yzere gotelingen. +Daar na deeden die van Friesland deze schans grooter en sterker bouwen; +zelfs poogden zy daar van eene stad te maaken, en dezelve met groote +Privilegien te begiftigen: om alzo de burgery van Groningen daar te +trekken. Doch op <span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" +name="pb202">202</a>]</span>hoope van Groningen ook te krygen, is zulks +achter gebleven. Van hier trok het leger na de Opslag van Enematil, +leggende op een water, genaamt Nieuwezyl, en dwong de bezettinge door +geweld zich over te geeven, en met witte stokjes in hunne handen uit te +trekken, sterk zynde 150 mannen. Voorts vertrok de Graaf naar Enematil, +en beschoot de schans met 12 stukken <span class="corr" id="xd20e2849" +title="Bron: kauon">kanon</span>, tot dat de bezettinge zich op den +11de van July overgaven; als ook een weinig hier na de schans te +Lettelbert.</p> +<p>In den jaare 1592, in Augusty, heeft Prins Maurits de sterke vesting +Koeverden belegert. Graaf Fredrik van den Berg had het bevel daar +binnen, hebbende voor des Prinsen komste alle de huizen buiten de +vesting in brand doen steeken.</p> +<p>De belegeraars naderden hem met alle vlyt aan de loopgraaven, en +benamen hun de sluizen; waar door zy het water uit de gragten leiden. +Hier op begon het schieten aan weêrskanten dapper aan te gaan, +wordende aan weêrszyden verscheidene mynen onder de wallen +gegraven, die wel haast ter neêr of invielen. Den 7de van +September, quam Verdugo met zyn krygsmacht voor den dag springen, +hebbende alle witte hemden over hunne harnassen, om de belegerden te +ontzetten. Hier op maakte Prins Maurits zich gereed, telde zyn volk in +slagorder, met ’t grof geschut vooraan, en ontfong der vyanden +macht zo onbeleefd, dat door <span class="pagenum">[<a id="pb203" href= +"#pb203" name="pb203">203</a>]</span>’t losbranden van ’t +kanon, een meenigte van hen over hoop en in ’t moeras raakte. +Daar bleven in ’t geheel 300 mannen dood, behalven de gequetsten: +en van ’s Prinsen zyde bleven er maar 3 mannen dood en 6 +gequetsten, uitgenomen Graaf Willem van Nassau, die een schot, doch +zonder gevaar, door ’t dunne van zyn lyf kreeg. Daar na hebben +die van Koeverden zich den 12de van September aan Prins Maurits +overgegeven; mits met hunne vendelen, wapenen en brandende lonten uit +te mogen trekken, behalven de Artillery en amunitie; daar wierden in +gevonden 9 stukken kanon. Voorts is hier tot Gouverneur gestelt de Heer +van Nienoort.</p> +<p>In den jaare 1593, den 8ste van April, heeft Graaf Willem de +Bellingewolderzyl beginnen te versterken, om alzo het fort de Bourtange +te benaauwen. Hier tegen quam Verdugo met zyn leger by Vlagtwedde, in +’t geheel sterk zynde 2500 mannen, doch derfde niets uitvoeren +tegen dat vast maken.</p> +<p>Den 29ste van Augusty nam Graaf Willem Wedde in; als mede de vaste +pas Bourtange; ’t welk aanstonts sterker wierd gemaakt, eer +Verdugo daar by kon de komen.</p> +<p>Daar na heeft Verdugo de sterke schans van Aduarderzyl; na den +derden storm, met geweld ingenomen, slaande de geheele bezettinge dood. +Van daar trok hy naar Wedde; dat hy ook in nam, en sloeg van de 117 +mannen, die daar op waren, 50 dood. <span class="pagenum">[<a id= +"pb204" href="#pb204" name="pb204">204</a>]</span>Voorts legerde hy +zich voor de Bourtange; zynde dit fort tegenwoordig tamelyk sterk, en +alzo dat ’er geen geschut voor gebragt konde worden; de wallen +waren redelyk hoog, en de gragten wel voorzien van water. Vyf vendelen +soldaaten, onder den Gouverneur de Jonge, lagen daar in bezettinge. +Ondertusschen wierd Verdugo van andere gedagten; brak de belegeringe +op, en trachte Graaf Willem aan te tasten; doch te vergeefs; hoewel er +eenige schermutzelingen wierden gehouden, waar door veel volk is +gebleven. Daar op trok Graaf Willem naar de Bourtange, neemende Wedde +wederom in: en Verdugo naar Koeverden, beschanste daar de passagie; +maar zyn volk is door ongemakken voor ’t grootste gedeelte +verstorven of verloopen.</p> +<p>In den jaare 1594, den 12de van February, des nachts, hadden de +Groningers een aanslag op Delfzyl: doch die van binnen hen tydig gewaar +wordende, is ’er aan weêrskanten wel twee uuren lang scherp +gevogten. Tot geluk van het Fort, was ’er een oorlogschip, daar +omtrent leggende, dat wat nader aanquam, en de Groningers met 16 +stukken kanon dwars onder hun hoop sterk beschoot, dat zy met groote +schade moesten aftrekken, sleepende wel 35 sleden met dooden en +gequetsten met zich naar de stad, en noch 7 dooden, dieze lieten +leggen. Die van binnen verlooren een Kapitein, een Vendrig, een +Sergeant, en 9 Gemeenen. <span class="pagenum">[<a id="pb205" href= +"#pb205" name="pb205">205</a>]</span></p> +<p>Den 6de van May, quam Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau met +hun leger by Koeverden: welke aankomst van Verdugo bezigtigt zynde, hem +deed resolveeren zyne beschansinge by nacht op te ruimen. Overzulks +trok de Prins met zyn krygsbende direct naar Groningen; doende de stad +op den 20 dito berennen, en aanstonds opeischen. Doch kreeg tot +antwoord: Dat dit geen stad was, die zich zo haast konde overgeven. +Prins Maurits liet derhalven al zyn oorlogstuig aan land zetten, en het +kanon voor de stad planten. Onderwylen heeft Graaf Willem op den +laatsten van May de sterke schans Aduarderzyl aangetast, hebbende over +de 135 mannen tot bezettinge, en tot Commandant eenen Kapitein Prenger, +die aan Graaf Willem ten antwoord gaf, als hy de schans opeischte: Dat +hy het met hem zoude wagen, als met een meisje van 15 jaaren. Maar dit +geviel hem niet wel; want de vesting wierd kort daar na zo gruwelyk +sterk beschooten, datze dezelve met ’er haast beklommen en +inkreegen; doe wierd alles aan stukken geslagen wat ’er in was, +uitgenomen 8 a 9 perzoonen, die ’t ontquamen.</p> +<p>Ondertusschen had Prins Maurits eenige andere schansen ingenomen, +als Slogteren, Hogerbrugge, enz., waar door de leevensmiddelen in +’t leger zeer goedkoop wierden.</p> +<p>De Stad Groningen was zeer wel voorzien van een wel in de wapenen +geoeffende burgerye; <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" +name="pb206">206</a>]</span>en geeft ander guarnisoen binnen hebbende, +dan de slegtste burgerye en inwoonders, dewelke al voor langen tyd, als +soldaaten onder vendelen geoeffent, in plaats van bezetting, van den +Koning wierden betaalt: behalven deze, hadden zy krygsvolk van Verdugo +altoos onder haar gebied; en hadden nu onder het beleg 5 goede oude +vendelen daar van, onder den Overste Luitenant Laukema, buiten de stad, +op een gesterkte plaats aan ’t Schuitendiep. Van krygstuig, +voorraad enz., wasze alles wel voorzien. Die van de stad wenden +vervolgens alles aan wat hun dacht dat den vyand zoude krenken. Waarom +de Prins zyn begravinge van verre moest neemen, en aldaar zyne +batteryen opwerpen, mits digt onder de stad de belegerden +tegen-batteryen maakten; hebbende 400 groote tonnen met buskruit en +geschut meer, als andere steden. De Groningers deeden verscheidene +uitvallen, waar mede zy meenig braaf Kapitein en soldaat versloegen, en +zelfs eenige vendels binnen bragten: weshalven de loopgraaven versterkt +moesten worden. De belegeraars deeden alle afbreuk met hun geschut +dieze doen konden; doch vorderden nochtans weinig, tot dat zy een poort +met een brug, die na een rondeel liep, omverre hadden geschooten, +eenige bolwerken ondergraven, en eenige gragten aldaar vulden, alles +<span class="corr" id="xd20e2878" title="Bron: ouder">onder</span> de +bescherminge van ’t geschut: dis deed de trouwe burgery gedwee +worden, <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name= +"pb207">207</a>]</span>en begon naar verdrag uit te zien; overzulks zy +Jan te Boer met brieven aan Prins Maurits en Graaf Willem uitzonden, om +verdrag: wordende daarop weêrszyds gyselaars gegeven, en hielden +op van schieten. Maar de burgemeester Jarges, zynde een hard +Konings-gezinde, rukte een party voerlieden en schuitevoerders byeen, +en stonden op tegen die geene, die van verdrag hadden gesproken. Hier +na kregen de belegeraars een te smadelyk antwoord, te weeten, dat de +belegerden besloten hadden, noch een tyd lang hun ontzet af te wagten. +Hier op trad Maurits met Willem in de loopgraven, om een plaats tot een +nieuwe batterye af te zien; ondertusschen komt een kogel zo sterk tegen +de rondas, die Maurits voorgehouden wierd, dat hy achterover viel, doch +zonder hem te quetzen.</p> +<p>Den tweeden van July waren de belegeraars over de gragt, en wel 30 +voeten onder het rondeel gekomen, daar de heele stad haar winst of +verlies aan hing. Drie dagen daar aan was de myn 30 voeten diep, en +opgepropt met 5 a 6000 ponden buskruit, dat den 10de dito, des avonds, +na het gegevene teeken, in brand wierd gestoken; waar door een groot +gedeelte aarde, en alles wat ’er op was, in de lucht sprong, met +wel 140 menschen; waar van twee in ’t leger vielen, en de een +noch leevendig: hier op vielen drie vendelen Schotten los, die straks +meester van het rondeel waren, en alles, wat <span class= +"pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name="pb208">208</a>]</span>noch +leevendig bevonden wierd, doodsloegen, blyvende daar in ’t geheel +wel 200 dood. Daar boven sneuvelden 30 Schotten, behalven noch twee +Kapiteins. Dit bragt onder de gezamentlyke soldaaten, en onder de +allerhartigste burgerye zulk een schrik, bevreest zynde voor meer +ondergravingen, datzy op verdrag dagten. Over zulks zonden zy +Gecommitteerden uit, zo wegens de Geestelyke, Magistraat en Ambagten +der stad, als ook wegens den Overste Luitenant Laukema; en op Ostagiers +handelende van den 16de tot den 22ste van July, met Prins Maurits en +Graaf Willem van Nassau, zyn daar op met advis van den Raad van Staaten +eindelyk overeen gekomen. Dus is Groningen en de Ommelanden op den +24ste van July onder Maurits gebied gebragt, na dat ’er wel 10000 +schooten op waren gedaan, en 400 mannen voor zyn gebleven: waar tegen +de belegerden ook 300 soldaaten en veele burgers hebben verloren. In de +stad wierden gevonden 36 metaale stukken kanon, behalven de yzeren, en +wierd daar over Graaf Willem van Nassau tot Stadhouder gestelt. Prins +Maurits en Graaf Willem daar binnen komende, wierden verwellekomt door +den klokspeelder, speelende de wys van den 6den Psalm. Daar na wierd de +Magistraat verandert, wordende daar tot eerste Burgemeesters +aangestelt, Mello Conders, Joachim Alting, Harmen Koning en Egbert +Alberda. Voorts wierd de St. Martens <span class="pagenum">[<a id= +"pb209" href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span>Kerk van hare beelden +gezuivert, en de eerste predikatie van de Gereformeerden daar in +gedaan: doende de Magistraat en Burgerye daar na den eed van +getrouwigheid aan Graaf Willem, hunnen Stadhouder en aan de Staaten +Generaal.</p> +<p>In ’t zelve jaar is de Aartshertog Ernestus, van ’s +Konings wegen, in Nederland tot Stadhouder gezonden.</p> +<p>In den jaare 1596 is uit last van de algemeene Staaten en den Prins +van Oranje, het Collegie der Admiraliteit te Dokkum ingestelt; om alzo +bequaamelyk over het werven der oorlogschepen van Friesland alle zaaken +te kunnen beraamen.</p> +<p>In het zelve jaar, den 24ste van Augusty, is Graaf Willem van +Nassau, Stadhouder van Groningen, mede tot Gouverneur over het +Landschap Drenth aangestelt.</p> +<p>In dit jaar is de Cardinaal Albertus, Aartshertog van Oostenryk, tot +Stadhouder des Konings, in Nederland gekomen; die naderhand huuwde met +Isabelle, Dochter des Konings; en deze landen wierden hem tot een +huwelyks goed toegezegt.</p> +<p>Omtrent dezen tyd was ’er eene Friesche dochter, Margarita +genaamt, zynde een jong vrouwsperzoon, of moedige Amazoone, en lang van +persoon; deze heeft, in manskleederen, de Heeren Staaten zo binnen +Oostende als elders zeven jaaren gedient, buiten kennisse haarer +ouders, in alle eerbaarheid, eerst een spies gedraagen, en daar +<span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name= +"pb210">210</a>]</span>na een musquet gevoert, met een witte veder op +de hoed, als een kloek en onvertzaagt krygsgezel, ja onder de +Adelborsten gerekent, en zelve veele schansen om Groningen en Steenwyk +helpen inneemen. Ten laatsten bekent geworden by haar medegezel, als zy +een schoon hemd aandeed, hebbende groote borsten en rond opgewasschen, +meer dan andere welgevleesde jongmans: op zyn vraage, heeft ze hem +beleden, een vrouwsperzoon te zyn, dat hy verwonderende aanhoorde; is +daar op met eere verlieft geworden, en in ’t leger voor Koeverden +met haar getrouwt. Zy waren noch woonende binnen Groningen in den jaare +1602, en veele jaaren daar na, een winkel doende van vette waaren, in +alle stilheid en eerbaarheid huishoudende, en t’zamen geneerende. +Deze Amazoone heeft ook een lied gedicht, de jonge Dochters tot liefde +des krygs, om ’t Vaderland te beschermen, na haar voorbeeld +vermaanende. Zie E. v. Meteren<a class="noteref" id="xd20e2902src" +href="#xd20e2902" name="xd20e2902src">92</a>.</p> +<p>In den jaare 1597 verzogten die van Groningen aan de Staaten van +Friesland, om Drenth en Twenth geheel vry te maaken, en den vyand van +daar te vernestelen: welk verzoek uit last van de algemeene Staaten, +door hulp van den Prins van Oranje, wierd vastgestelt: en alle +sterktens en schansen, door de vyanden aldaar bezet, wierden +overwonnen, namentlyk, Grol, Ootmarsen, Oldenzeel, Lingen, enz. +<span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name= +"pb211">211</a>]</span></p> +<p>In dit zelve jaar, den eersten van Juny, is de Overste Sonoy, +gewezen Gouverneur van Noordholland, op Dyxterhuis, een Heerlykheid in +de Ommelanden, overleden; wordende deszelfs ligchaam tot Peterbuuren in +de kerk, in tegenwoordigheid van zyn Genade Graaf Willem van Nassau, +Stadhouder van Groningen, begraven.</p> +<p>Den 18de van Augusty was ’er een zwaare watervloed in deze +landen, waar door de Delfzylen en anderen uitbarsten, en veele menschen +en beesten verdronken.</p> +<p>Den 8ste van December is Graaf Willem door de Groningers met groote +toejuichinge ingehaalt.</p> +<p>In den jaare 1599 is te Groningen door de Heeren Burgermeesteren en +Raad het Burger-Weeshuis opgericht.</p> +<p>In den jaare 1600 is te Groningen. omtrent de Heere Poort, wederom +een kasteel gebouwt; zijnde ten zuidoosten van de stad, omtrent ter +plaatze daar weleer de kasteelen van Graaf Edzard van Oostfriesland, en +van den Hertog van Alva hadden geweest: welk kasteel over de 400000 +guldens quam te kosten. Ook wierd de burgerye ontwapent, en Jonker +Casper van Ewsum met 800 mannen op gemeld kasteel gelegt.</p> +<p>In dit zelve jaar ontstond ’er groote oneenigheid tusschen de +Heeren van den Lande en Steden, over het stuk van de gemeene lasten en +bezwaaringen te draagen: doch wierd door Gemachtigden van de algemeene +Staaten en den Stadhouder weder bygeleit. <span class="pagenum">[<a id= +"pb212" href="#pb212" name="pb212">212</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1605, den 10de van Augusty, zyn te Groningen door de +Heeren Burgemeesteren en Raad, in plaats van vier Kapiteinen der +burgerye, hier Hopmans genaamt, acht aangestelt; en doende de +Kapiteinen de nominatie van de Vendrigs, die door den Raad wierden +geëligeert op den zelfden dito.</p> +<p>Den 23ste van Augusty quam de Stadhouder Graaf Willem van Nassau met +18 vendelen, voetvolk en 6 compagnien ruiters binnen Groningen; waar +door de stad van het haar gedreigde quaad bevryd wierd. Ook gaf men de +burgerye hun geweer weder. Prins Maurits verzond ook eenige troupen ter +versterkinge van Koeverden en de Bourtange; zijnde deze plaatzen alle +met groote verbaastheid aangedaan, wegens de veroveringe van Lingen en +Oldenzeel, door de Spaanschen, onder het commando van den Marquis de +Spinola.</p> +<p>Ambrosius Spinola met zijn macht in Twenth zijnde, om op Friesland +een kans te waagen, en welk land de Koning van Spanje hem reeds ten +erve had geschonken; doch, God zij gedankt, hem nooit heeft kunnen +leveren, moest zich vergenoegen met Lingen en Oldenzeel, en dat +Friesland in groote benaauwtheid bragt. Maar Graaf Willem hield binnen +Koeverden een oog in ’t zeil, zo dat Spinola die plaats niet +derfde aantasten, en vertrok druipstaartende weder naar Vlaanderen, ook +eenigzints door de natte zomer verhindert.</p> +<p>In dit zelve jaar, in Maart, wierd met <span class="pagenum">[<a id= +"pb213" href="#pb213" name="pb213">213</a>]</span>den Spanjaard een +bestand van acht maanden geslooten.</p> +<p>In den jaare 1608 was ’t zo een harden winter, dat men van de +Friesche kusten naar de vooreilanden, als Ameland, Ter Schelling, en +ook naar Grind niet alleen, maar zelf naar de Hollandsche kusten van +Harlingen af met paard en slede konde overjaagen. Gelyk een Ariën +Wierds, den 9de van February uit de Haven rydende, voor ’t +poortsluiten te Amsterdam binnen quam. Ook drilde voor de Harlinger +haven op het ys een compagnie soldaaten.</p> +<p>In dit zelve jaar zyn de nieuwe fortificatiewerken van de Groningers +begonnen, wordende de stad aan de zuidkant daar door vergroot; ook is +een gedeelte van het Groninger kasteel, tegens de burgers aldaar +gebouwt, wederom afgebroken.</p> +<p>In den jaare 1609, den 9den van April, is te Antwerpen het +twaalfjaarig bestand geslooten, tusschen den Koning van Spanje en de +Staaten Generaal der vereenigde Nederlanden; zynde wegens de Provintie +van Groningen aldaar gecommitteert Abel Conders, Burgermeester te +Groningen, wordende het zelve op den 18de dito in ’s Hage +gepubliceert.</p> +<p>In den jaare 1610, op Nieuwejaarsdag, hebben de burgers van +Leeuwarden, na dat zy eenigen tyd met de Burgermeesteren oneens waren +geworden, de deur van ’t Raadhuis met een mast open geloopen, +verbreekende <span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name= +"pb214">214</a>]</span>de glazen, vensteren en alles wat hun voor +quam.</p> +<p>Een Jan Cornelisz. Femmes, bestond in dit jaar een reukelooze daad, +spruitende uit een wedspel, waar in hy aannam, om een rond jaar te +willen woonen op het Kamper Zand (dat een droogte is, gelegen tusschen +Ter Schelling en Ameland, loopende met alle etmaalse vloeden onder +water). Op voorwaarde gaf hy aan zyn medewedder paarden, wagen, +ploegen, en andere huismans gereetschappen; zullende hy, by aldien hy +zyn voorneemen een rond jaar uitvoerde, een groote zomme geld in +tegendeel genieten. Hier op bouwde Jan den 2de van Juny aldaar op +eenige roeden of stutten een huisje; en om het zelve by springvloeden +of hooge watertyden om hoog te heffen, gebruikte hy een tistel of +vyzel, waar door hy het om hoog kon opvyzelen, of doen zakken: en dus +hielde hy ’t het bestemde jaar volkomen uit; zynde eene +ongehoorde zaak.<a class="noteref" id="xd20e2949src" href="#xd20e2949" +name="xd20e2949src">93</a></p> +<p>In den jaare 1611, den 25ste van January, heeft Graaf Enno van +Oostfriesland de sterke vesting Lieroort aan haar Hoog Mogende de +Heeren Staaten Generaal overgegeven.</p> +<p>In den jaare 1612, en ’t volgende jaar, is de stad Groningen +rondom vergroot, doch meest naar ’t noorden, en is doe vervolgens +met zeven schoone groote poorten voorzien, <span class= +"pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name= +"pb215">215</a>]</span>benevens noch een kleen poortje bezyden het +Schuitendiep; hebbende een zeer breede en hooge wal, met 17 dwingers of +bastions en een diepe besloten gragt.</p> +<p>In den jaare 1614 is de Academie te Groningen opgericht, onder het +Stadhouderschap van Graaf Willem Lodewyk van Nassau. De inwydinge +geschiede op den 23ste van Augusty. De eerste Professoren zyn geweest +Ubbo Emmius, Professor in de Historiën en Grieksche Taal, als +eerste Rector Magnificus. Herman Ravensberg, Professor in de +Godgeleerdheid. Cornelius Pynaker, Professor in de Rechten. Nicolaas +Mulerius, Professor in de Medicynen en Mathesis. Johan Epinus, +Professor in de Philosophie en Ethicæ, en extr. in de Rechten, +Guill. Macdowel, Professor in de Philosophie, Logicis, Phys: & +Methaphysicis. De inleidings redevoeringe wierd uit naam der geheele +Provintie gedaan, door Do. Pancratius, stads Syndicus. Na ’t +eindigen derzelve, deed Do. Ravensberg een andere, op deze handelinge +passende. De eerste Rector in de Rechten, die hier zyn promotie bequam, +was Hugo van Nyeveen; houdende zyn inauguraal dispuit op den 13de van +November 1615, onder het Rectoraat van gemelden Professor +Ravensberg.</p> +<p>In den jaare 1616, den 18de van Maart, is Graaf Willem Lodewyk door +de Groningers zeer plechtig ingehaalt.</p> +<p>In den jaare 1618 is het Sapmeer droog <span class="pagenum">[<a id= +"pb216" href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span>gemaakt, en is het +volgende jaar met gruppen en een doorgaande vaart voorzien. Waar op is +gevolgt de aanvang en continuatie van deszelfs vaart of diep door +’t hooge en wilde Veen, van Sapmeer tot aan Zuidbroek.</p> +<p>In den jaare 1619 bequamen die van Staveren vernieuwinge en +handhavinge van hun onderrecht.</p> +<p>In dit zelve jaar, in July, is de Heerlykheid van Wedde, +Westerwolde, Bellingewolde en Bleyham gekogt van Willem van den Hove, +en den 2de Augusty in den Raad geapprobeert, voor de zomma van 140300 +guldens. Voorts heeft de stad deszelfs possessie aanvaart, en is den +21ste van September Edzard Rengers tot Drost, en Michiel Visscher tot +Richter van Bellingwolde en Bleyham gekoren.</p> +<p>In den jaare 1620, den laatsten van May, is binnen Leeuwarden +overleden Graaf Willem, Stadhouder van Friesland; tot wiens loffelyke +gedachtenisse die heerlyke begraafplaats of tombe in de Jacobyner Kerk +is opgeregt; alwaar hy met zyn Gemalinne na ’t leven in steen op +uitgehouwen is: en is zedert dien tyd de rustplaats der Stadhouders +altoos geweest en gebleven.</p> +<p>3. <span class="sc">Ernst Casimier</span>, Graave van Nassau, enz., +wierd, na ’t overlyden van zynen broeder, in de maand Augusty, +tot Stadhouder van Friesland verkooren. En die van Groningen, +Ommelanden en Drenth verkooren Prins Maurits tot hunnen Stadhouder. +<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name= +"pb217">217</a>]</span>In December begon het zo geweldig te vriesen, +dat men wederom naar Ter Schelling en Ameland met paard en slede +overjoeg. Het volgende jaar, den 2de van February, quam een Harlinger +schipper, met een sleetje en stok in de hand, van Friesland, over den +Fliestroom, te Harlingen binnen treden. Graaf Ernst, geleidende den +jongen Koning van Boheemen, quam met gezelschap van over de 100 sleden, +van Leeuwarden tot op de zee voor Harlingen afjaagen.</p> +<p>In den jaare 1621, den 29ste van Maart, is de Burgerye te Groningen +door de Heeren van den Raad in 12 vendelen verdeelt; wordende daar op +den 30ste dito de Officieren gekooren, en den 13de van April door hun +Edelheden goedgekeurt, dat voortaan de Vendrigs onder de Luitenants +zouden staan.</p> +<p>De volgende winter van het jaar 1621 en 1622 was het mede een harde +winter; waar in Anna Sophia, Gemalinne van den Stadhouder, +vergezelschapt met een compagnie soldaaten, en hun byhebbende +gereedschap, van Enkhuizen naar Staveren langs het ys overquam.</p> +<p>In den jaare 1622, in Augusty, deeden de Spanjaards een aanval op +Friesland, trekkende met 800 voetknegten en 70 ruiters door +Oudeberkoop, naar Schoot, om ’t Heerenveen te overvallen. En +vermits het Staaten Volk zich meest aan den Rhyn nedergeslagen +<span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name= +"pb218">218</a>]</span>had, waren slegts maar drie compagnien +verstrooit in de Zevenwouden gebleven; dewelke, naar ’t Veen +rukkende, den vyand, die een geweldigen storm deed op een schansje of +redout op den weg naar Schoot, wakker afkeerde, en veelen van zyn volk +deeden sneuvelen. De vyanden, misleid zynde, waren van gedachten +geweest, dat ’er boeren en geen soldaaten op het Veen lagen: en +trokken na dit treffen weder af op Ommen: alwaar zy door des Prinsen +volk van achteren bezet wierden, en in de kerk allen gevangen zyn +genomen.</p> +<p>In October is Ernst Lodewig, Graaf van Mansveld, met zyn +krygsbenden, wel 5000 mannen uitmaakende, in Oostfriesland gevallen, +bedervende de inwoonders en landen elendig, zelfs zodanig, dat zyn +eigen volk in den jaare 1624 meest van honger verliep. Hy had zyn +hoofdquartier in de vesting Lieroort; en eer hy vertrekken wilde, dwong +hy Graaf Enno van Oostfriesland een groote zomme geld af.</p> +<p>In den jaare 1623 was er een zwaare pestziekte in Groningen; als +mede een groot oproer over het draagen der dooden: want op den 5de van +Augusty zyn de oude lyken des voormiddags door de vrouwen, en de jonge +lyken des namiddags door de maagden ter aarde gebragt.</p> +<p>In den jaare 1624 deeden de Spanjaards, onder het bevel van Lucas +Cayro, Gouverneur van Lingen, een inval in den Oldambte; <span class= +"pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span>zy +staken verscheidene dorpen in brand, als Winschoot, Heiligerlee, +Noordbroek, Scheemda en Slogteren; verzonden in alle omleggende +plaatzen brieven van brandschattinge: waar door de huislieden afquamen +om de brand af te koopen. Maar het geruchte der aankomst van den +Oversten Stakenbroek, deed hen haastelyk de vlugt neemen, doch een +grooten roof mede voerende.</p> +<p>In den jaare 1625, den 8ste van Maart, is Oostfriesland door een +schrikkelyke watervloed aangetast, alle dyken doorbrekende of +beschadigende, zodanig datze met geen 800000 guldens te herstellen +waren; en de huislieden, door de Mansvelder troupen ten eenemaal +verarmt en bedorven zynde, hadden geen macht om die te repareren, dies +de zee daar uit en in spoelde.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 23ste van April, is Prins Maurits, na een +langduurige krankheid uitgekwynt zynde, in ’s Gravenhage +ontslaapen. En zyn broeder Frederik Hendrik wierd aanstonds in zyn +plaats tot opperste Veldoverste verkooren<span class="corr" id= +"xd20e3007" title="Niet in bron">.</span></p> +<p>In dit jaar is Graaf Ernst van Nassau tot Stadhouder van Groningen +en Ommelanden, en ’t Drenth aangenomen.</p> +<p>Den 29ste van December overleed binnen Groningen de Hooggeleerde en +wydvermaarde Ubbo Emmius, Professor dier Academie.</p> +<p>Omtrent den jaare 1627 is het groote Provinciale magazyn of +Artilleryhuis alhier gebouwt, en het Orgel in ’t H. +Geest-Gasthuis <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name= +"pb220">220</a>]</span>nieuw gemaakt: ook het Orgel in de groote kerk, +eertyds door Agricola gemaakt, vergroot en vernieuwt.</p> +<p>In den jaare 1628, in Augusty, is de Nieuwe of Lange-Akkerschans +volveerdigt, en daar in drie compagnien soldaaten tot bezettinge +gelegt, onder den Gouverneur Roussel; dewelke in October de Dylerschans +innamen; doch zyn ’er voort daar na door de Keizerschen wederom +uitgejaagt.</p> +<p>In den jaare 1631 wierd Prins Frederik Hendrik, behalven Holland en +Zeeland, ook het Stadhouderschap van Gelderland, Utrecht, en Overyssel +opgedraagen. Maar Stad en Lande hebben Graaf Ernst aangenomen.</p> +<p>In dit zelve jaar, in de maand van May, ontstond door ’t +geheele Land een geweldige oploop van ’t gemeene volk; waar door +beide, zo Opper- als Onderregenten, by hen verdagt wierden, en alle +aanzienlyke lieden in verachtinge quamen. En den eersten Augusty heeft +Graaf Ernst Oldenzeel ingenomen, en des zelfs vestingen afgeworpen.</p> +<p>In den jaare 1632 wierd Graaf Ernst, zo als hy van Venlo op Roermond +aankomende, en den grond aldaar bezigtigde, van de wal met een vuurroer +door ’t hoofd geschooten; en echter wierd hy dien dag noch +meester van de stad.</p> +<p>4. <span class="sc">Hendrik Ernst</span>, Graave van Nassau, enz., +wierd in de plaats van zynen vader tot Stadhouder van Friesland +aangenomen; en weinig tyd daar na mede van Groningen, enz. <span class= +"pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1633, omtrent Pinxter, was ’er een watervloed in +Oostfriesland, waar door al het koren op ’t land verdronk.</p> +<p>In dezen tyd trokken twee compagnien of 350 burgers uit Groningen +naar de Bourtange; dewelke op het verzoek van haar Hoog Mogende de +Staaten Generaal, en Advis van zyne Exellentie, op 10 stuivers daags +naar buiten zouden marcheren, om hun vaderland te dienen, en op de +vyanden te waaken; en hebben alzo hunne huizen en familien een tydlang +vrywillig verlaaten.</p> +<p>In den jaare 1634, wanneer de nieuwe Middelen, als Hoofd- en +Schoorsteengelden, enz., ter ondersteuning van den oorlog, eerst in +Friesland verpagt wierden, ontstond ’er in verscheidene steden en +dorpen een groote oploop; waar door zommige Heeren en heerenhuizen zeer +slegt mishandelt wierden: maar door inlegering van soldaaten wierden de +voornaamste belhamels gevat, en alzo weder tot stilte gebragt. In +’t begin van dit voorjaar strande aan Ameland een Walvis: ook +schryft men, dat ’er op dit zelve Eiland mede in dit jaar +vorsschen zyn geregent.</p> +<p>In den jaare 1635 was ’er te Groningen een zwaare pestziekte, +waar door over de 100 menschen in een week stierven.</p> +<p>In den jaare 1636 is Oostfriesland door twee watervloeden aangetast: +de eerste op den 24ste van Juny, en de andere op den 25ste van July, +waar door de huislieden, wegens gebrek van hooy, hunne beesten naar +<span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name= +"pb222">222</a>]</span>andere plaatzen in de kost moesten besteden.</p> +<p>In den jaare 1638, als het leger van den Prins voor de Graaf lag, en +Graaf Hendrik naar ’t huis te Gennip, om het zelve te +bezichtigen, gezonden was, gebeurde het dat zyn paard op zekere plaats +achteruit deinsde, en in een bedekte put tot op den grond nederschoot; +maar Graaf Hendrik zulks voelende, in aller haast zyn voeten uit de +beugels van de stegelreep rukkende, viel achter over de gemelde put +heenen; buiten welke val hy elendig had moeten omkomen en +versmooren.</p> +<p>In den jaare 1640, is Graaf Hendrik, zullende in de belegeringe van +Hulst een schansje of redout bespringen, doodelyk gewond geworden; na +hy en de zynen ongemeen manhaftig gestreden hadden; en onder andere zyn +broeder Graaf Willem, die reeds al op zyn derde paard was gestegen. En +den 17de van July overleed gemelde Graaf aan zyn quetzuur, die door +geheel Nederland zeer beklaagt wierd.</p> +<p>5. <span class="sc">Willem Frederik</span>, Graave van Nassau, enz., +wierd, na zyn broeders overlyden, tot Stadhouder van Friesland +aangenomen. En de Prins van Oranje verkreeg het Stadhouderschap van +Groningen en Ommelanden.</p> +<p>In den jaare 1643 is ’er in veele landen door ’t hooge +water een onwaardeerlyke schade geschied, zodanig als by menschen +geheugenisse niet was voorgevallen. In ’t dorp <span class= +"pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name= +"pb223">223</a>]</span>Gaast spoelden de dooden uit de graaven. Door +’t doorbreeken der dyken, was het land zo verre onder water, dat +men dwars over het land van Groningen naar Zwartsluis konde +overvaaren.</p> +<p>In den jaare 1645, den 22ste van January, is Oostfriesland wederom +door een watervloed overstroomt; waar door veele dyken wierden +gebroken, en tot Embden, zo ’er gezegt word, de Corps de Guarde +wegspoelde.</p> +<p>Dit jaar, den eersten van September, quam de Stadhouder Prins Willem +van Oranje te Groningen, om aldaar de doe zwevende verschillen by te +leggen; wordende door de Magistraat en burgerye met groote eertekenen +ingehaalt, ’t guarnisoen in de wapenen, benevens ’t +losbranden van het kanon, enz.</p> +<p>In dit zelve jaar, wierd de trekweg van Harlingen naar Leeuwarden +gemaakt.</p> +<p>In den jaare 1647, den 14de van Maart, is Frederik Hendrik, Prins +van Oranje, in ’s Gravenhage ontslaapen. En dien zelven dag deed +zynen Zoon, Willem de tweede, den eed van getrouwigheid aan de +Staaten.</p> +<p>In den jaare 1648, den 30ste van January, is binnen Munster in +Westfaalen, na een oorlog van over de 80 jaaren gevoert, eene vrede +gemaakt, tusschen den Koning van Spanje, en de Staaten der zeven +Provintien: door welke gemelde Koning deze Landen voor eigene en +vrygevogtene landen heeft moeten verklaaren; en zyn recht op dezelve +eeuwig en erflyk afgestaan. <span class="pagenum">[<a id="pb224" href= +"#pb224" name="pb224">224</a>]</span></p> +<p>In dit zelve jaar gebeurde binnen Dokkum, op ’t Raadhuis, een +gering doch merkwaardig geval, zinnebeeldig op bovenstaande vrede; men +zag een mossel een muis vangen: dat dus geschiede, een hoop mosselen +aldaar leggende, quam de muis daar zyn aas zoeken, en een treffende, +die gaapte, sloot de mossel haare schelpen toe, en de muis, in de zyde +gevat, was gevangen.</p> +<p>In den jaare 1650, den 27ste van October, is Prins Willem van +Oranje, in ’s Gravenhage, aan de kinderpokjes overleden.</p> +<p>In den jaare 1651, den 22ste van February, was ’er een +watervloed over de Groninger Provintie, en elders; waar door de dyken +wierden gebroken en groote schade geschiede.</p> +<p>Den 20ste van May is Graaf Willem Frederik van Nassau, Frieslands +Stadhouder, te Groningen ingereden; wordende door de Magistraat en +burgerye met groose staatsie opgehaalt, en ten zelven dage aldaar tot +Stadhouder en Gouverneur over Stad en Lande aangenomen, gehuldigt, en +in ’t openbaar beëedigt.</p> +<p>In den jaare 1653 is, uit vreeze voor de Engelschen, die zich voor +onze kusten vertoonden, op Ameland, Ter Schelling, Flieland, enz., een +goede wacht van krygsvolk gezet, om een waakend oog in ’t zeil te +houden.</p> +<p>Niet lang daar na quamen zy voor de zeegaten van Texel en ’t +Flie, met schrobbers <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" +name="pb225">225</a>]</span>en bezems op de masten braveerende; +willende daar door te verstaan geeven, dat zy als Meesters van de zee, +dezelve hadden schoon gemaakt.</p> +<p>Den 8ste van Augusty geschiede omtrent Texel het zeegevegt van drie +dagen, waar in de Admiraal Tromp door een musquetschoot wierd +getroffen, en dood op den overloop van ’t schip ter +neêrgeveld.</p> +<p>In den jaare 1654 was ’er geheel Europa door een groote +overvloed van graanen; alzo dat de Hollandsche kooplieden het zelve op +hunne korenzolders niet kunnende bergen, naar Friesland moesten +overvoeren.</p> +<p>In den jaare 1655, den 10de van November, zyn de eerste trekschuiten +tusschen Groningen en Leeuwarden gevaaren.</p> +<p>In den jaare 1656, den 8ste van Februarij, heeft de Magistraat van +Groningen, ter gelegentheid van de Raads-keur, voor de eerstemaal met +Goude Boonen beginnen te looten; zijnde het zelve bevoorens altoos met +gemeene Turksche Boonen gedaan.</p> +<p>In den jaare 1657, den 17de van October, waaide het drie dagen lang +zo een bittere stormende oosten wind, dat de zuiderzee en andere +binnenstroomen het water op veele plaatzen ontliep; zo dat men van +’t eilandje Ens droog over naar Friesland konde gaan. Odulfs +Kerk, en andere oudheden, lagen by Staveren geheel bloot. Waar op +volgde een felle en lange winter.</p> +<p>In het zelve jaar, den 23ste van October, <span class= +"pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name="pb226">226</a>]</span>zyn +te Groningen de 12 vendelen burgerye door de Heeren van den Raad tot op +18 vendelen vermeerdert.</p> +<p>Ook was ’er in dit jaar te Groningen zekere onlust; waar door +eenige huizen wierden geplondert: doch door den Stadhouder Prins Willem +wierdze wederom gestilt.</p> +<p>In den jaare 1659, den 6de van Juny, is de Vorst van Anhalt, Joan +Georg, met de Prinsesse Henrietta Catharina van Oranje, enz., zeer +prachtig te Groningen in de St. Martens Kerk getrouwt. De ingang van +gemelde kerk tot aan het Vorstelyke Trouw-Theater was rondom zeer +heerlyk behangen, en met tapyten belegt. De Prinsesse Bruid was zeer +prachtig gekleed, met een heerlyke kroon vol diamanten op haar hoofd, +enz., wordende verzelt van de Keurvorstinne van Brandenburg, Graaf +Willem van Nassau en zyne Gemalinne, Prins Maurits en meer andere +Grooten. Hier na wierd de geheele stad vervult van vreugde, zo door +konstige vuurwerken, losbranden van het kanon, enz.</p> +<p>In den jaare 1662, den 28ste van February, heeft Oostfriesland door +een watervloed wederom zeer veel geleden: want daar groote schade aan +dyken geschiede, en tusschen Delfzyl en Embden 8 schepen vergingen.</p> +<p>In den jaare 1663, den 30ste van October, liep Oostfriesland wederom +geheel onder; waar door veele beesten wierden weggerukt, en groote +schade aan dyken geschiede.</p> +<p>In den jaare 1664, den 6de van July, <span class="pagenum">[<a id= +"pb227" href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span>is door Graaf Willem, +Stadhouder van Friesland, de Eilerschans by verdrag verovert van den +Bisschop van Munster.</p> +<p>Den 21ste van Augusty, is Willem Frederik, gemelde Stadhouder, +binnen Leeuwarden, aan een quetzuur overleden; welke hy van onderen in +de kin door een pistool bekomen had, als hy de proef daar van zoude +neemen: schryvende zelf: <i>als zy geen vuur wilde geeven, doe zag ik +daar na, en willende den stempel daar uittrekken, zo ging ze in dien +tyd los</i>. Nalaatende een Prins van 8 jaaren en twee Prinsessen.</p> +<p>6. <span class="sc">Hendrik Casimier</span>, Graave van Nassau, +enz., aan wien de Staaten des Lands al in den jaare 1659, by survivance +of overlevinge, de toezegginge van ’t Stadhouderschap, by +’s Vaders leeven, hadden verleent, wierd nu mede het +Kapiteinschap Generaal over Friesland opgedraagen; om deze bedieninge +in het 20ste jaar zyns ouderdoms aan te vaarden.</p> +<p>In den jaare 1665, in January, als Prins Johan Maurits, +wederkeerende van Leeuwarden van de begraaffenis van Prins Willem +Frederik, Stadhouder van Friesland, en door Franeker reed, zo schoot hy +met zyn paard, op een oude valbrug zynde, in ’t water ter neder; +doch, schoon in gevaar van zyn leeven te verliezen, wierd hy echter +noch onbezeert gereddet.</p> +<p>Den 22ste van September trok de Bisschop van Munster, als een +huurling en in dienst <span class="pagenum">[<a id="pb228" href= +"#pb228" name="pb228">228</a>]</span>van Engeland<a class="noteref" id= +"xd20e3128src" href="#xd20e3128" name="xd20e3128src">94</a>, om +Nederland aan deze zyde te plaagen, met zyne macht Twenthe en Drenthe +in, daar hy alles verwoeste: en omtrent eene maand verloopen zynde, +boorde hy by ’t Roveen door; dat in Friesland geen kleene vrees +veroorzaakte. Doch, voor Ommerschans afgeslagen zynde, vertrok hy naar +Groningerland, en nam Winschooterzyl en Burgerschans in. Maar als hy +een goede borstweering by Heiligerlee vond, en de Bourtang, Koeverden, +Ommerschans en Friesland van alles wel voorzien zag, achte hy zich +gelukkig, zonder van Maurits volk bezet te worden, zelve weder uit te +geraaken.</p> +<p>Den 5de van December was ’er weder een zwaare watervloed in +veele Landen, die Zeeland, Holland, Friesland en de Ommelanden groote +schade toebragt.</p> +<p>In den jaare 1666, den 15de van July, heeft de dappere en manhafte +Zeeheld Tjerk Hiddes, Luitenant-Admiraal van Friesland, terwyl hy met +den Zeeuwschen Luitenant-Admiraal Jan Evertsz. den Engelschen Admiraal +van de witte vlag aan boord lag, en zeer moedig streed, zyn been te +gelyk met het leeven verlooren: zyn ligchaam wierd staatelyk binnen +Harlingen ter aarde bestelt.</p> +<p>Den 8ste van Augusty quamen de Engelschen, met menige scheepjes en +vyf branders binnen ’t Flie, daar zy de twee convojers, +<span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name= +"pb229">229</a>]</span>en een vloot van 170 koopvaarders in den brand +staken; van welke ook veelen door de vlam verteert wierden: waar onder +omtrent 30 schippers van Hindeloopen van hune schepen beroofd wierden; +en ook eenige die ’t ontvluchten. Daar op landen zy op Ter +Schelling, en staken een onnoozel weerloos visschers dorpje in den +brand: roemende in Engeland als of zy de geheele waereld gedwongen +hadden. Maar Gods wraak vervolgde hen al te spoedig, alzo het beste +gedeelte van de vermaarde stad Londen in vyf dagen, door een byna +onuitblusbaare brand, in de assche wierd gelegt, tot een onwaardeerlyke +schade van veele gegoede lieden. En de schade door 350 huizen, op Ter +Schelling in den brand gestooken, had een geringe overeenkomst, tegen +van hen ruim 35000 huizen door de vlammen verteert.</p> +<p>In den jaare 1672, wanneer Louis de veertiende, Koning van Vrankryk, +trachtende na het Oppergebied van geheel Europa, en reeds zulks in +’t werk stellende, het niet voor ’t geringste gedeelte van +zyne uitvoeringen achtede, de zeven Vereenigde Nederlanden alvoorens af +te loopen, om onder zyn geweld te brengen; en Friesland, een gedeelte +daar af zynde, na de gelykheid van de leden van het zelve ligchaam, kon +hier niet ongevoelig van zyn.</p> +<p>Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May, moet +voor een Schrikdag van geheel Nederland aangeteekent worden: +<span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name= +"pb230">230</a>]</span>van welken tyd zy geen 50 dagen konden tellen, +of was meer als 80 van hunne sterkste steden en vermaardste +beschansingen door den vyand ontbloot.</p> +<p>Doe wierd Nederland met 6 legers, op 6 verscheidene plaatsen, te +gelyk besprongen, namentlyk van 4 Franschen voor Orsou, Rynberk, Wezel, +Burik, en 2 Bisschopschen voor Grol en in Twenthe. Na alle bovengemelde +veroveringen, den vyand voorttrekkende, nam ook langs den Rhynstroom +alle plaatzen in.</p> +<p>Den 2de van Juny, ruktenze voorby Schenkenschans, daarze by ’t +Tolhuis, langs een droogte in den Rhyn, doorbraaken: zynde die plaats +door den Oversten A. W. van Ailua met eenige Friesen dies tyds bezet. +Waar op Mombas, schynende de Franschen eerst te willen tegen gaan, +dwars heen en weêr met zyn ruitery door het Friesche voetvolk +reed, dat zich zeer mannelyk weerde, alschoon zy door geduurig +omzwerven, dan naar Nieumegen, dan naar Doesburg, Zutfen en +Schenkeschans, zeer vermoeit en afgemat waren: geevende dien verraader +Mombas daar door gelegentheid, dat het Friesche voetvolk onder de +voeten van zyn ruitery, en diesvolgens in een groote verwarringe +geraakte, zo dat zy genootzaakt wierden om quartier of lyfsgenade te +roepen, en alzo elendig wierden overwonnen. Dit doorbreeken in de +Betuw, door dien men meende, dat des vyands macht aan den Rhyn +<span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name= +"pb231">231</a>]</span>verbrooken zoude worden, was een droevig begin +van alle volgende onheilen: waarom het ook in Holland zo een +verbaastheid verwekte, dat men geene woorden zou kunnen uitvinden om +het zelve uit te drukken. Waar op dat heel kort daar na het Sticht +Utrecht mede onder de macht des vyands quam.</p> +<p>Den 13de van Juny heeft geheel Overyssel zich by verdrag mede +schendig aan den vyand overgegeeven. En zo is Friesland, door ’t +verlies van de Kuinder, Blokzyl, Zwartsluis, Steenwyk, Ommerschans en +Roveen zyn plegtanker afgekapt geworden. Waar over de verbaastheid, +ontroeringe, en flaauwhartigheid, die de winkels innam, de handwerken +aan een zyde wierp, de Rechtbanken toesloot, de Academien en Schoolen +ledig maakten, de lieden van angst en benaauwtheid uit hunne huizen +deed loopen, den eenen tegen den andere aanstootende, en zo alles in +verwerringe bragt. De vreeze en benaauwdheid was te grooter, om dat +alles hen zo schielyk en onverwagt overquam: waar van geen eigener +beeldenis kan vertoont worden, als ieder gevoelig mensch zich, in +herdenking van dien tyd, in zyne gedachten voorstelle: en die het +slegts in een eenvoudig en naakt verhaal wilde te kennen geeven, zoude +woorden moeten uitvinden, om eenigzints uit te drukken. Om daar evenwel +iets van te zeggen, zullen wy daar over, als ook over de eerste +gevolgen van dien, de woorden van Mr. P. Valkenier, <span class= +"pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name= +"pb232">232</a>]</span>Pleitbezorger voor den Hove van Holland, hier by +voegen<a class="noteref" id="xd20e3155src" href="#xd20e3155" name= +"xd20e3155src">95</a>. Hy schryft:</p> +<p>«De tydinge van dit schandelyk en haastig overgaan van de +geheele Provintie van Overyssel, vloog aanstonds geheel Friesland en +Groningerland door, en verwekte aldaar zo een groote vreeze en +verbaastheid, als het doorbreeken der Franschen aan ’t Tolhuis, +en het verlies van Utrecht, in Holland veroorzaakte. Want elk stond +verlegen, en verwagte alle omzien den vyand. Niemand wist wien het +eerst zoude gelden; alzo het geheele land onbedekt, en zonder de minste +afsnydinge voor hem open lag. Elk wilde met zyne beste losse goederen +vluchten, maar niemand wist byna waar heen. Eenigen, die hunne goederen +uit de steden wilden vervoeren, wierden dezelve of door oploop, of door +plondering van ’t gemeene volk kwyt. De Overheden, die mede wat +meenden te bergen, moesten opentlyk het verwyt aanhooren, dat zy +verraaders waren, en de gemeente in deze algemeene nood wilden +verlaaten. De Regeeringe stond raadeloos, en het volk redenloos, alzo +het zelve, als een pot te vuur, opliep, en voorts alles <span class= +"pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span>in +verwarringe bragt. De Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland, ziende +dat de geheele last van dit onheil op hunne schouderen aanquam, wierden +te raade, om de Heeren Raaden van ’t Hof van Gerichte te +verzoeken, dat zy hen in deze verlegentheid met raad en daad geliefden +by te staan. Waar op beide die aanzienlyke vergaderingen, tusschen den +13de en 14de van Juny, ’s nachts, binnen Leeuwarden, in alle +stilheid byeen vergaderden: alwaar voorgestelt wierd, de bedroefde +staat van hunne Provintie. Hoe dat de doortocht van Meppel, regt naar +Dokkum, en voort de Dongerdeelen in ’t Bild door, tot Harlingen +toe, om haare hoogte, niet konde onder water gezet worden. Dat de twee +schansen, op die doortocht gelegen, als Breeberg en de Friesche Paalen, +genoegzaam geslegt waren, en geen wezen meer hadden. Dat het krygsvolk, +op hunne bezoldinge staande, tot bewaaringe der grenzen van andere +Provintien zodanig was gebruikt, dat ’er tot bezettinge van hunne +eigene Provintie, niet een eenige soldaat over was, als alleen eenige +compagnien onder den Luitenant-Generaal Ailua, die uit Overyssel quamen +afzakken. En dat hunne wapenhuizen en de wallen der steden van geschut, +wapenen en leevensmiddelen onvoorzien en geheel ontbloot waren, en alzo +in ’t geheel niet of weinig voorraad ter verweering. Hier op +begon men te beraadslagen, hoe men de Provintie op het <span class= +"pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name= +"pb234">234</a>]</span>beste zoude bewaaren uit den tegenwoordigen nood +en gedreigde gevaaren, die hen zo na boven ’t hoofd hingen. Waar +op wierd voorgeslagen, dat zulks zou moeten geschieden door een van +deze twee middelen: of gemeenzamerhand en met alle ernst trachten te +verweeren, en het uiterste te waagen: of dat men zich met een algemeene +overgeeving der Provintie uit die onheilen zoude redden: en ingevalle +van overgeeving, dat men dan behoorde indachtig te zyn, met wat +voorwaarden men de gemeene welvaart het best zoude kunnen +verzekeren.</p> +<p>«Na eenige onderlinge strydigheden, en na dat de Predikanten +der stad Leeuwarden mede in deze vergaderinge verschenen, die +byzonderlyk aanbevoolen, het stuk van godsdienst en gemeene vryheid, +wierden alle zwaarigheden aan eene zyde gestelt, en een moedig en +hartelijk besluit genomen, om, tot behoudinge van godsdienst en +vryheid, gezamentlyk het uiterste te waagen, en goed en bloed tot den +laatsten droppel aan te leggen. Men zond aanstonds uit het midden van +deze vergaderinge eenige Heeren aan hunne Hoog Mogende, aan de Staaten +van Holland, aan die van ’t Noorder Quartier, aan die van Stad en +Lande, en aan die van Amsterdam: welke alle, daar na, zonder troost of +de minste hulpe weder te rugge zyn gekomen. Men besloot, om alle +sluizen open, en alle Polders en bedykte landen onder water te zetten. +Men deed een opontbod van <span class="pagenum">[<a id="pb235" href= +"#pb235" name="pb235">235</a>]</span>alle Steden en Grietenyen; die +daar op met vreugde uittrokken na het Heerenveen, om zich daar met de +weinige aankomende krygslieden, onder den Heer Luitenant-Generaal +Ailua, te vereenigen, en een legertje uit te maaken; om daar mede den +vyand te verwagten, en te betoonen, dat zy noch van ’t regte +bloed der oude en beroemde Friesen waren, die in standvastigheid alle +volkeren overtroffen.” Dus schryft die Hollander.</p> +<p>En alschoon het geruchte, wegens dat merkelyk verlies van de +Friesche krygslieden aan het Tolhuis, van welke slegts maar eenige +weinigen door den Oversten Hans W. van Ailua, ter naauwernood uit Zwol +gered, naar de grenzen van Friesland, tot onder Leeuwarden quamen +afzakken, de verslagentheid niet verminderde; zo begon echter evenwel +de moed weder aan te wasschen, door ’t bovengemelde legertje, dat +ondertusschen tot 13 a 1400 soldaaten vermeerderde, behalven een goed +getal burgers en boeren, die ’er dagelyks toevloeiden. Dit +gemelde legertje wierd zeer voorzichtig, onder het beleid van den Heer +Ailua, op de grenzen in een geduurige beweeging gehouden, op dat +niemand van de Bevelhebbers konde weeten, hoe sterk of zwak het +was.</p> +<p>Middelertyd, als de vyand zyn aantocht over Steenwyk, op Friesland +had genomen, bequam hy tyding, dat de Friesen met de Groningers zich +wakker tot tegenweer stelden; waar over de Bisschop van Munster +<span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name= +"pb236">236</a>]</span>zeer bulderende en geweldig tegen de Friesen +uitvoer, barstende onder anderen in dezen Bisschops vloek uit: <i>Der +Teuffel hoole die Pfhaffen!</i> waar door hy de Predikanten van +Leeuwarden verstond. Des hy van voorneemen veranderde, achte het +dienstiger naar Koeverden te zetten, en heeft eerst d’ Eiler-, +Oude- en Nieuwe Schans, Winschooterzyl, en ’t Huis te Wedde, met +alles wat ’er by of omtrent was, zonder slag of stoot ingenomen: +de Bourtange eischte hy mede op, en bood aan den Commandeur of +Opperbevelhebber Prot 200000 guldens, en aan ieder Kapitein of Hoofdman +50000 guldens, by aldien zy zich wilden overgeeven. Maar de Bevelhebber +Prot gaf hierop tot antwoord: <i>dat hy eerst met den Bisschop wel een +gesprek wilde houden, daar hy hem zo veel kogels zou vereeren, als hem +guldens waren aangeboden</i>.</p> +<p>Hier na hield de Bisschop een krygsraad, en de vraag was, of men +Friesland, of Delfzyl, of Groningen zoude overvallen? Het laatste wierd +by hem beslooten. Doch van dien tyd af wierd hy wel degelyk in zyn raad +verbystert, en in zyn voortgang zodanig gestuit, dat hy daarna niet een +voet aarde meer heeft gewonnen.</p> +<p>Uit de zeesteden zond hy kapers uit, om de Zuiderzee onveilig te +maken: dat, zo men zegt, geen drie dagen voortgang had: want alle zyne +vaartuigen wierden hem afhandig gemaakt: gelyk ook eenige van zyn +<span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name= +"pb237">237</a>]</span>volk, meenende het eilandje Urk uit te +plonderen, wierden van de inwoonderen gevangelyk naar Enkhuizen +gevoert.</p> +<p>De steden ondertusschen, waar eenige schyn van bescherminge was, +herstelden haare vestingen. Gelyk mede aan elke zyde van den Zwarten +Weg, omtrent neeven Meedum wierd een schansje gebouwd, en by Tietjerk +een schoone borstweering, reikende langs de weg naar Hardegaryp.</p> +<p>En door dien men bedugt was, of men in ’t toekomende een +geweldigen vyand, of overlastige stroopers te gemoet zag, hebben die +van Hindeloopen, ten opzichte dat zy voor ’t grootste gedeelte +aan de zee genoeg bevryd waren, aan de zuidoostzyde, daar zy aan +’t land vast zyn, een vesting van drie bolwerken opgeworpen: +bestaande de werklieden uit de burgerye, die zulks uit eigen drift +gewillig bij der hand namen: maar, nadien zy by ongelegentheid van dien +tyd geen onderstand of fortificatiepenningen, in gelykheid van andere +steden, uit de Gemeene Lands Middelen hebben kunnen bekomen, zo +hebbenze het verdere opmaaken tot op beter gesteltheid van tyden willen +opschorten.</p> +<p>In deze dagen hebben de Bisschopschen uit de Kuinder de Lemmer +opgeeischt, en zoudenze overvallen hebben, ten waare zy de wagens met +vlugtelingen langs de wegen niet voor toevoer van krygsvolk hadden +aangezien: daar zij slegts een borstweering met eenige stukken geschut +op de zeedyk hadden <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238" +name="pb238">238</a>]</span>toegestelt; welks toegang zy in ’t +verborgen bedekten met heimelyk aan een gekeppelde eggen.</p> +<p>Den 4de van July heeft de Bisschop van Munster de sterke fortresse +Koeverden met een macht van 16000 mannen belegert, doende dezelven dag +noch aan de loopgraven werken. De twee volgende dagen liet hij zo een +groote menigte bommen en granaaten werpen, dat het tuighuis daar +binnen, met verscheide daar bystaande huizen, in brand geraakten. Den +7de dito liet hij de plaats opeischen, en eerlyke voorwaarden aan de +bezettinge aanbieden. Doch de Commandant Johan van Burum<a class= +"noteref" id="xd20e3212src" href="#xd20e3212" name= +"xd20e3212src">96</a>, na die niet willende luisteren, wierd ’er +overzulks aan weêrskanten noch dapper vuur gegeven, tot den 10de +der maand; wanneer de Bisschop de plaats voor de tweedemaal opeischte. +Ter zelver tyd zond de Commandant drie Officieren aan den Bisschop, die +den 12de de overgaaf der plaats, zonder consent van den Bevelhebber, +doch op eerlyke voorwaarden, beslooten. Maar de Bisschop had Koeverden +zo dra niet in ’t bezit, of betoonde <span class= +"pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239" name="pb239">239</a>]</span>zyne +trouwloosheid en barbaarsche wreedheid aan de uittrekkende +soldaaten.</p> +<p>Ondertusschen maakte de Overste Ailua, met 1200 uitgeloote of +gecommandeerde burgers en soldaaten, eenen aanslag op de Kuinder; +alwaar de Bisschopschen veel roof hadden te hoop gesleept. Zy zouden +het vermeestert hebben, en hadden reeds al 200 mannen van den vyand ter +nedergeschooten, ten ware de besprookene Hollandsche kaapers, wegens +onstuimig weder opgehouden, hadden kunnen aannaderen, en de vyand mede +geen haastig ontzet van 2000 mannen, zo uit Kampen, als Zwol had +bekomen. Waar op de Friesen, dit ziende, met verlies van 30 mannen, +weder aftrokken. En zy afgetrokken zynde, hebben de vyanden het zelve +uitgeplundert en hunnen buit vervoert.</p> +<p>Den 16de van July is de Friesche Brandwacht, leggende tusschen +Bergum en de Drachten, niet wel op hun hoede zynde, van 13 standaarden +Bisschopsche ruiters overvallen geworden. Doch zich in tyds noch naar +het gros van ’t leger te Bergum begeevende, quam het terstond in +roeren, en viel de ruitery daar op in. Waar door de vyanden achteruit +deinsden, en de Friesen alzo tot nevens hunne hinderlaagen uitlokkende, +die het byna te quaad zouden gehad hebben, door dien een party volk van +den vyand in ’t korenland verborgen lag; doch echter, door hunne +manmoedigheid, drevenze de Bisschopschen te rugge, met verlies van +<span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name= +"pb240">240</a>]</span>van 150 ruiters, en maar 25 van hunne +Friesen.</p> +<p>Daar na wierd de stad Groningen, op den 19de van July, door den +Bisschop van Munster en den Keurvorst van Keulen, met eene macht van +22000 mannen, aan de zuidkant by twee poorten belegert. De stad had tot +Gouverneur Karel Rabenhaupt, een dapper en ervaaren Kapitein. De Hertog +van Holstein Pleun had het bestier van het voetvolk, en de Colonel +Stoltzenburg van de ruitery. De bezetting bestond in ’t begin +maar uit 24 compagnien voetknegten, 4 standaarden ruiters, en 3 vendels +dragonders, die alle te zamen omtrent 2000 mannen uitmaakten. Maar zy +wierd meer dan de helft versterkt, door de 18 vendelen burgers, die +geweer voerden. Daar na wierden ’er noch vier compagnien van +Advocaaten en andere lieden, die tot dezen tyd toe vry van de wacht +hadden geweest, en een compagnie studenten, 150 mannen uitmaakende, +opgericht: en voor dat de stad noch geheel berent was, quamen ’er +200 met byltjes gewapende mannen, uit het regiment van Koningsmark +binnen.</p> +<p>De sterktens en magazynen waren in goeden staat, met overvloed van +wapenen, krygs- en leevensbehoeften voorzien; de Magistraat meende het +zo wel als het volk, en waren altemaal de bevelen van Rabenhaupt +onderdanig.</p> +<p>Deze Gouverneur de belegering al van <span class="pagenum">[<a id= +"pb241" href="#pb241" name="pb241">241</a>]</span>langerhand voorzien +hebbende, had derhalven alle de huizen en tuinen, die buiten die kant +van de stad stonden, doen verbranden of slegten. Op de eerste aantocht +der vyanden deed hy de sluizen openen, en de dyken doorsteeken, om alzo +het land rondom te laten onder loopen. Doch dit weerhield den +Munsterschen Bisschop niet, den 22ste van July zyne krygsbenden te doen +aannaderen, en dien zelven avond aan de loopgraven te laaten werken. Hy +deed den 27ste dito van een battery met 5 stukken kanon op de stad +schieten; maar de braave konstapels, waar van de stad voorzien was, +maakten de geheele battery, eer den dag ten einde was, onbruikbaar. Des +anderendaags liet de Bisschop de mortieren te werk stellen, en met +bomben en granaaten op de huizen werpen; doch door de goede voorzorg +van Rabenhaupt en de naarstigheid der Mennoniten deden ze weinig +schade. Maar de volgende dagen schooten de belegeraars geweldiger, waar +door in de stad groote schade wierd veroorzaakt; ’t welk de +inwoonders noodzaakte met hun huisgezin naar het noordergedeelte van de +stad, daar zy niet komen konden, te vertrekken.</p> +<p>Rabenhaupt schikte zyn mortieren zodanig op de wallen, dat hy op +’t laatste van de maand de wyken van den Bisschop, en van de +Keurvorst zeer begon te beschadigen. Hy liet verscheide uitvallen doen, +waar door de belegeraars genootzaakt wierden met verlies <span class= +"pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name="pb242">242</a>]</span>te +wyken, en nieuwe werken te beginnen. De burgers, die de beveelen des +Gouverneurs gehoorzaamden, droegen zich zo manhaftig, als de beste in +den oorlog geoeffende en geschikste krygsbenden. De Studenten queeten +zich op zo een verwonderenswaardige manier, dat de Staaten der +Provintie Gedenkpenningen tot hunner eer lieten slaan, om deszelfs +geheugenis voor de nakomelingen over te laaten. Inmiddels zagen de +belegeraars het getal hunner bomben verminderen, zonder veel uit te +werken; en daarom begonnenze in de maand Augusty met gloeiende kogels +te schieten: daar waren ’er geen dan de eerste die schade +bybragten, want door den grooten yver der Mennoniten wierden ’er +veelen uitgedooft. Daar na zond de Bisschop een trompetter en een +tamboer aan den Magistraat, om eerlyke aanbiedingen voor te stellen, +indien zy de stad wilden overgeeven. Doch hem wierd te kennen gegeven: +dat in ’t algemeen beslooten was, het uitterste af te wagten, en +de stad, die een nieuwe versterkinge van soldaaten, kruid en geld +bekomen had, van volk en allerlei behoeften voor veele maanden was +voorzien, te verdedigen.</p> +<p>Het vuur van ’t geschut en de bomben ging echter met dezelve +hevigheid voort, tot dat het den 25ste van Augusty op de middag begon +te verslappen, en de Bisschop de geheele hoop verloor van een generaale +storm te waagen. Na dien tyd hoorde men in zyn <span class= +"pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name= +"pb243">243</a>]</span>leger niet meer als met musquetten schieten; +’t welk de belegerden deed denken, dat zyn geschut onbruikbaar +was, en vreesden derhalven voor een krygslist: doch 300 van de +ongeduldigste mannen deeden een uitval op de loopgraven van den +Keurvorst van Keulen, daar zy een groot bloedbad maakten, en eenige +gevangenen mede in de stad bragten. De volgende nacht liet de vyand het +gros des legers opbreeken, laatende de mynen, die zy vervaardigt +hadden, springen, en verlieten alle hunne werken. Rabenhaupt kreeg hier +kondschap van, deed daar op den 27ste dito de batteryen in brand +steeken, de gragten vullen, en de wapenen, krygsbehoeftens en tuig, dat +de vyanden achtergelaaten hadden, daar uit halen. De stad wierd den +laatsten dag geheel verlaaten; welke dag door vasten en bidden gevierd +wierd, om God over deze gelukkige verlossinge te danken.</p> +<p>Het verlies der belegerden was zeer gering, na de groote meenigte +kogels, bomben, en granaaten, die op hen geschooten en geworpen waren; +en daar wierden geen 100 menschen verloren. Maar dat der vyanden was +zeer groot: van 22000 mannen, die zy in ’t begin des belegs sterk +waren geweest, gingen ’er maar 12000 te rug; waar onder men 1400 +zieken rekende: 600 quamen ’er in de stad overloopen, en 5000 +begaven zich naar andere plaatzen, zo dat ’er omtrent 4500 dooden +waren, waar onder de 3 Kolonellen, <span class="pagenum">[<a id="pb244" +href="#pb244" name="pb244">244</a>]</span>2 Luitenant-Kolonels en 63 +Kapiteinen wierden gevonden.</p> +<p>Den 13de van Augusty heeft de Heer Dirk Baard en Kapitein Hania, +geleidende 450 mannen van de Friesche burgery, en met verscheidene +vaartuigen omtrent Blanckenham landende, Blokzyl vermeestert: de +burgery van binnen had een goed gesprek met dezelve, en opende de +poorten, ter beschaaminge van geheel Overyssel. Aanmerkelyk was +’t, dat, terwyl de vyanden de zuiderpoort uitvluchten, zekere +Mennoniet veelen van dezelve in zyn huis riep, zeggende, dat zy zich +alle aldaar voor de eerste oploopentheid der Friesen konden verbergen, +en leverde alzo by de 70 Bisschopsche soldaaten in handen van de onzen +gevangen.</p> +<p>Den 2den van September, als de Kuinder, door het overgaan van +Blokzyl, nu van toevoer afgesneden was, heeft Kapitein Holbarent, met +240 mannen, een aanval op dezelve gemaakt, met gering verlies van volk, +alzo de Bisschopschen, schoon 250 mannen sterk, na eenige weinige +tegenstand, de vlucht namen; achterlaatende eenigen buit, een karos en +gespan van 6 paarden, en 28 gevangenen: zynde hunne voornaamste roof al +te vooren weggepakt.</p> +<p>Van den eersten September af begonnen de Groningers ook hunne handen +ruim te krygen. En alles van binnen wel bestelt hebbende, heeft de +Overste Jorman, met 2000 mannen, zo voetvolk als ruitery, Winschooten +<span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name= +"pb245">245</a>]</span>vermeestert. Waar op de vyand, door vreeze, de +Winschooterschans, Zyl, ’t Huis te Wedde, en Brugschans aanstonds +heeft verlaaten.</p> +<p>Tusschen den 8 en 9de van September, zyn de Bisschopschen, met een +groote furie, tot driemaalen in die zelve nacht, op de Schans van +’t Heerenveen aangevallen; doch telkens manmoedig afgeslagen, +alhoewel daar eene kleene bezetting in lag: hebbende de onzen voorheen +een Ritmeester, een Luitenant, een Cornet, en 4 ruiters gevangen +bekomen.</p> +<p>Den 17de van October is de Oude Schans door de Groningers, onder het +commando van den Oversten Eybergen, wederom belegert, en met grof +geschut beschooten. De belegeraars maakten zeer kort zo een +benaauwtheid, door hun sterk schieten, in deze schans, dat die van de +Nieuwe Schans, versterkt zynde met veel volk uit Munsterland, afquamen +om de belegerden te ontzetten. Doch Eybergen wierd zulks tydig gewaar, +zendende derhalven 250 mannen, onder het commando van den Oversten +Wachtmeester Wyllers, met twee stukken kanon vooraan, hun tegen, +stellende hen by Stoksterhorn in slagordre. Hier op quamen de vyanden, +omtrent 1500 mannen sterk zynde, den 25ste van October op hen los: maar +Wyllers hen zeer na onder het geschut laatende komen, deed hy tot twee +keeren een generaale losbrandinge onder de vyanden; <span class= +"pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span>waar +door zy ten eenemaal in confusie de vlugt namen, wordende veele +Bevelhebbers en soldaaten doodgeslagen en eenige gevangenen mede +gevoert.</p> +<p>Daar na verzogten die van de Oude Schans op den 27ste dezes te +capituleren: ’t welk den zelven avond noch wierd geslooten; +wordende de plaats voort des anderendaags met 7 vendelen Staatsche +troupen bezet.</p> +<p>Den 26ste van December heeft de Gouverneur Rabenhaupt, na dat hy +alles, wat tot den aanslag op Koeverden noodig was, had laten +vervaardigen, en waar toe een harde vorst, daar op een haastigen dooy +en zwaare nevel, hem grootelyks bevoordeelde, deed hy het ys in de +gragten om Groningen opbreeken. Hy gaf het opperbevel aan den Kolonel +Eybergen; dat van het voetvolk aan den Oversten Wachtmeester Wyllers; +en dat van de ruiterye aan den Majoor Jan Hendrik Sikkinge. Voorts liet +hy de konstapels en grenadiers aannaderen, en het overige van het +kleine leger, dat niet boven de 400 paarden en 1000 voetknegten sterk +was, begaf zich in aantocht op den 27ste der maand. Den 30ste dezes, +des morgens ten 3 uuren, quamen zy voor Koeverden, en verdeelden zich +in drie ligchaamen, ieder op zyn bestemde post. God gaf, om den aanslag +te begunstigen, met het aanbreken van den dag zo een zwaare mist, dat +de geene, die malkanderen aanraakten, zich niet konden onderscheiden. +Zy naderden daar op tot <span class="pagenum">[<a id="pb247" href= +"#pb247" name="pb247">247</a>]</span>aan de conterscharp, zonder +ontdekt te worden; maar door de biesbruggen over de gragt te leggen, +wierdenze van de schildwacht ontdekt; die daar op alarm maakte. Voorts +quam de bezettinge in de wapenen, en gaven dapper vuur van de wallen. +Doch dit weerhield de bespringers niet, van tot aan de afschutzels en +stormpaalen van de conterscharp te geraaken, die zy met bylen omverre +hakten.</p> +<p>Hier op wierden de wallen, doch met groote moeite en verlies van hun +volk, beklommen; zy geraakten ’er op, en overweldigde den vyand +met het rapier in de vuist, en wierden meester van de poorten des +kasteels. Hier op overstelpte de vreugde de overwinnaars zodanig, dat +de Bevelhebbers, in hunne eerste ontmoetinge op ’t kasteel, +geheel als verstomd waren: tot dat eene, als uit verrukkinge van zinnen +opryzende, zeide: <i>Wel hoe is het mogelyk!</i> Waar op dezelve zeer +wel voegende ten antwoord kreeg: <i>Dit is niet anders als Gods +hand.</i></p> +<p>De Gouverneur Jan de Mooy wierd ’er gedood, na dat hy zyn +plicht als Commandant zeer wel had waargenomen. Maar door zyn verlies +liet de bezettinge de moed zakken, waar van ’er 700 weerbaare +mannen in gevonden wierden; die daar na zagen, datze door de groote +meenigte hunner vyanden overmand waren, liepen ’er 200 de poort +uit; omtrent 150 zyn ’er gesneuvelt, en de rest lieten het geweer +vallen, en wierden <span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" +name="pb248">248</a>]</span>ten getalle van 400 tot krygsgevangenen +gemaakt, en in de kerk geslooten: ondertusschen stonden de overwinnaars +de soldaaten toe de plaats te plunderen; alwaar zo wel de soldaaten als +Officieren grooten buit bequamen; hebbende van hun kant in ’t +bespringen omtrent 60 mannen verlooren.</p> +<p>Deze buitengewoone daad trok de Hollanders, die onder het gebied der +Staaten, in een tyd dat Neêrland overweldigt scheen te worden, +uit hunne algemeene verslagentheid.</p> +<p>En veele zullen ’t noch indachtig zyn, hoedanig die +overwinning de gemoederen in Friesland en Groningen ontroerde, en van +vreugde veelen de traanen uit de oogen deeden barsten.</p> +<p>De Gouverneur Rabenhaupt wierd daar op van de Staaten, behalven +Luitenant-Generaal dezer Provintie van Groningen en Ommelanden, en van +Gouverneur der stad Groningen, met het Drossaartschap van het Landschap +Drenth en Gouverneur van Koeverden begiftigt. De Kolonel Eybergen wierd +Commandant binnen Koeverden, en Meester Meyndert van Thynen, die als +voornaamste wegwyzer der bespringers had gediend, wierd aldaar tot +Generaal-Commies gemaakt.</p> +<p>Van dien tyd af hebben de Groningers in ’t Graafschap Benthem, +Twenth, en tot onder Zwol en Deventer gestroopt; haalende van daar +gestadig veel roof, en met veele gelukkige schermutselingen op de +Bisschopschen. <span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name= +"pb249">249</a>]</span></p> +<p>In den jaare 1673 is ’er een vuur van oneenigheid opgeborsten +uit de gemeene beroeringen des volks tusschen de Heeren der Regeeringe, +die van de Gemeente zeer mistrouwd wierden, en dat al in ’t einde +van ’t verloopene jaar had beginnen te smeulen. De oude en nieuwe +Regeeringe wierd elk byzonder gehandhaafd, beide de Souverainiteit en +Oppergezag der Provintie vertoonende, de eene te Leeuwarden en de +andere te Sneek vergaderende, en neemende strydige besluiten tegen +malkanderen, zonder malkanderen te kunnen verstaan; dat zeer schadelyk +voor de Provintie was. Doch wierd gemeld verschil eindelyk weder door +Gelastigden van hunne Hoog Mogenden en den Heer Stadhouder, als +bemiddelaars, bemiddelt.</p> +<p>In ’t begin van ’t jaar, in January, bequam de Overste +Ailua, in een hevige schermutzeling tegen den Graave van der Lip, twee +trompetten en een vendel, die hy den Prins van Oranje vereerde.</p> +<p>In February quam ’er een gerucht, als of de Munsterschen een +inval op Friesland voorgenomen hadden: waar op een goed getal krygsvolk +uit Holland wierd overgescheept.</p> +<p>In April hebben de Heeren Staaten, ten Landsdage vergadert zynde, +beslooten, hoedaniger wyze men het Land zoude onder water zetten, +indien een hoogdringende nood zulks vereischte: als mede om aan +’t Heerenveen een schans te doen opwerpen, tot verzekeringe van +’t Land. Voorts wierden <span class="pagenum">[<a id="pb250" +href="#pb250" name="pb250">250</a>]</span>de overige posten wel +verzekert, hebbende Prins Johan Maurits het Oppergezach over de +Hollandsche krygslieden, Ailua over de Friesche, en Rabenhaupt over de +Groningers.</p> +<p>Den 29ste van April wierd een algemeen, opontbod der landzaaten en +burgery gedaan; wordende ieder huisgezin belast, een weerbaar man, +tusschen de 18 en 60 jaaren oud zynde, uit te leveren, en moetende +binnen 14 dagen met snaphaanen en pieken gereed zyn; zullende ieder +burger ter week 3 guldens soldy genieten.</p> +<p>Omtrent dezen tyd maakten de Friesche stroopers, uit het leger van +den Oversten Ailua, dagelyks een goeden buit.</p> +<p>Den 6de van Juny vertoonde zich Houttuin met 18 standaarden ruiters, +en 1500 voetknegten, aan de post te Sonnega, welke hy opeischte: andere +2000 ruiters, met eenige honderden voetvolk verzelt, wierden tusschen +Steenwyk en Blesse ontdekt, waar van een groot gedeelte te paard, elk +met een musquettier achter op, tot aan de Blesbrugge naderde: maar +wierd, door de hulp van de ruitery van Wolvega en Oudeberkoop, rustig +afgekeert. Waar op Prins Maurits met het gros van ’t leger, in +meeninge hem op den weg naar Steenwyk te onderscheppen, is afgekomen: +doch zy reeds te verre afgeweken zynde, zo zond hy eenig volk hen +achter na; waar uit zy verstonden, dat het gemelde voetvolk, behalven +de 2000 ruiters, <span class="pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" +name="pb251">251</a>]</span>noch 1000 mannen sterk was. Van den vyand +zyn twee Kapiteinen gedood, en 70 gequetsten wierden binnen Deventer +gebragt. Na dit voorval deed Prins Maurits een ongemeenen iever, om het +water in het land te doen loopen, dat door een sterken wind ook zeer +schielyk voortging; en om het ingelaatene te bewaaren, liet hy een dyk +in de Tjonger leggen: waar door het den vyand ondoenlyk wierd om ergens +te kunnen doorbreeken. Ondertusschen quamen 3 geheele compagnien +Munsterschen, met hunne Bevelhebbers, tot de onzen overloopen.</p> +<p>Den 10de van Juny heeft Rabenhaupt de Nieuwe Schans, na dat hy +dezelve den geheelen winter door geblokkeert had gehad, met geweld van +wapenen aangetast. Hy trok te water met veel volk, geschut en voorraad, +aan geene zyde, en posteerde zich op de Bonder dyk, en daar omtrent, om +de schans van drie zyden aan te doen.</p> +<p>De Bisschop van Munster deed aanstonds zyn uiterste best in ’t +werk stellen, om de belegerden te ontzetten; zendende derhalven een +Overste met 600 dragonders en 400 fantaisyns<a class="noteref" id= +"xd20e3310src" href="#xd20e3310" name="xd20e3310src">97</a>, om het +beleg door te breeken; doch wierden met groot verlies te rug gedreven. +Overzulks wierd de belegeringe sterker voortgezet: zo dat de Bisschop +voornam, tusschen den 29ste en 30ste van deze maand <span class= +"pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>noch +eene proef tot ontzet van deze plaats te neemen, en met een macht van +3500 mannen de post by Bonda te overvallen; meenende langs een nieuwe +passagie door ’t moeras heen eenige vyandlyke troupen af te +snyden: doch Rabenhaupt zulks tydig gewaar wordende, zond aanstonds 9 +vendelen, onder het commando van een Majoor, derwaards; die te zamen +den vyand niet alleen afgekeert, maar hun zelfs met een groote furie +hebben op de vlugt gedreven, laatende wel 300 zo dooden als gequetsten +achter.</p> +<p>Daar na, op den 18de dito, eischte Rabenhaupt de schans op: doch +kreeg tot antwoord: <i>Dat de Ravens dien Winter daar niet nestelen +zouden</i>. Hier op deed zyn Excellentie den Luitenant-Kolonel Tamminga +met zyn krygsbenden aannaderen, en tusschen den 21ste en 22ste de +aldaar leggende redoute aantasten. Des nachts ten een uur ging de +attaque aan, die zo sterk wierd voortgezet, datze, na eenigen +tegenstand, dezelve veroverden; vlugtende de Munsterschen met de +uiterste verbaastheid langs de conterscharp naar de schans: maar de +Staatschen volgden hen op de hielen, datze met hen in de poort, en +vervolgens in de schans geraakten; hoewel zeer weinigen in ’t +getal, dewyl zy door de engte van de passagie, maar eene t’effens +konden voortgaan: doch de vyand door deze onverhoedsche overval +nochtans verbaast zynde, denkende dat de geheele macht van de +Staatschen <span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name= +"pb253">253</a>]</span>binnen quam, wierpen de wapenen neêr en +riepen om quartier, terwyl Rabenhaupt, niet weetende van dit vervolg, +noch dapper op de schans schoot, daar ze al gewonnen was. Dat het meest +te verwonderen is, is dat niet meer als twee mannen van de Staatschen +in dit stormen zyn gebleven.</p> +<p>Den eersten van July quam Johan Maurits, vergezelt met de Heer +Scheltinga, Gedeputeerde, en den Oversten Ailua, geleidende een hoop +volk van 3000 ruiters, en 600 voetknegten, by zich hebbende 4 +veldstukken, van ’t Heerenveen, door Dieveren, om de +Munsterschen, leggende tusschen de Wyk en Staphorst, achter een +borstweering en schansje, doch zonder geschut, te vernestelen: als de +dragonders den aanval deeden, zo wierd des vyands Overste Post gewond +en gevangen, en op zyn woord van eer naar Hasselt gelaaten, neemende de +overigen de vlucht: die door de achterlaage gekeert zouden zyn geweest, +by aldien de bestelde 800 mannen uit Blokzyl, ter bestemder tyd op weg +zynde, die van Hasselt naar ’t Rooveen legt, had kunnen +tegenwoordig zyn. Van den vyand wierden ’er 20 by de onzen +gevangen genomen, waar onder 10 Bevelhebbers, en 17 of 18 gedood. De +onzen hebben 2 dragonders by misverstand geschooten.</p> +<p>Den 3de van Augusty hebben eenige dragonders de brandwacht der +Bisschopschen, bestaande in 18 ruiters, van tot onder Steenwyk +<span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254" name= +"pb254">254</a>]</span>weggehaalt, en in het leger op ’t +Heerenveen gebragt.</p> +<p>Den 5de van Augusty zyn 7 vyandlyke ruiters, met hunne volle +wapenrustinge, mede ingehaalt.</p> +<p>Den 25ste van Augusty zyn over de 8000 vyandlyke voetknegten, en 100 +cornetten of standaarden ruitery, van Steenwyk uittrekkende, op +Friesland aangekomen, die zich in zo veele benden afdeelden, dat zy de +schansjes by Meldam, als Blesbrug, Bekaf, Donkerbroek, Makkinga en +Wolvega, die maar bequaam waren om de huislieden voor strooperyen te +beschermen, te gelyk konden bespringen: omtrent 1000 paarden en een +regiment dragonders, quamen, onder ’t beleid van Houttuin op +Blesbrugge aanzetten, en anderen op Bekaf; ’t was een Mornas, die +de zynen door Makkinga, Donkerbroek en Nyjeberkoop, op Wolvega +aanvoerde, alwaar de Overste Ailua het gezach voerde over 6 regimenten, +als 3 te paard, 2 te voet en een dragonders.</p> +<p>Als Prins Maurits bemerkte, dat ’s vyands voornemen was, om +alle het bovengemelde van ’t Heerenveen af te snyden, zo +verwittigde hy den Overste Ailua en anderen, om gelykelyk naar ’t +Veen af te deinsen. Middelerwyl ontmoete de Graave van Dona met zyn 200 +soldaaten, op de heide van Meldam 150 vyandelyke ruiters, waar mede hy +een schermutseling hield, en schooten 26 Bisschopschen onder de voet, +benevens <span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name= +"pb255">255</a>]</span>2 Bevelhebbers, waar van hy de eene, een +Ritmeester zynde, met eigener piek doode. De onzen dus naar ’t +Veen de wyk genomen hebbende, zo wierden aanstonds eenigen naar de +Jouwer, en anderen naar Gordyk gezonden. Van waar 60 mannen, den vyand, +die over de Veenen meenden te komen, wierden tegengestelt; en met +dezelve in schermutseling geraakende, liet de vyand 14 dooden, 25 +gemeenen en 4 Bevelhebbers, als gevangenen na. Een andere party van 30 +mannen, vervielen in handen van den vyand: als ook een brandwacht van +15 dragonders achter Bekaf.</p> +<p>De Bisschopschen dus nu de voet al te Schoot hebbende, konden wel +ligt het Heerenveen trachten te overweldigen, om zo voort Friesland in +te trekken, alzo zy wagens mei stroowerk mede voerden, om de gragten te +kunnen vullen: waarom de Staaten van Friesland alomme de uitgeloote +manschap, ten spoedigste, zo by nacht als dag, derwaards deed +pressen.</p> +<p>Ondertusschen zo stelden zich de Bisschopschen als roofzieke wolven +aan, in ’t uitplonderen der onweerbare landzaaten: dat in die +gewesten weder een groot vluchten veroorzaakten.</p> +<p>Den eersten September vertrokken zy, hebbende wel 600 mannen laaten +zitten, zonder iets merkwaardigs uitgevoert te hebben; als dat zy het +bederf van die boeren wat verhaastenden. <span class="pagenum">[<a id= +"pb256" href="#pb256" name="pb256">256</a>]</span></p> +<p>Den eersten October is de dyk, die de Bisschop van Munster met veele +kosten over de Vecht gemaakt had, en meer als derdehalf uur gaans lang +was, alleen om Koeverden door water te benaauwen, door een stormwind +weggespoelt: waar door omtrent 1400 menschen verdronken. ’t Is +aanmerkelyk, dat dit geschiede juist op dien tyd, als men op ’t +Heerenveen raadpleegde, om die te overweldigen, en reeds daar toe al +3000 Friesche burgers om de grenzen, als ’t Veen en andere te +bezetten, waren uitgezonden.</p> +<p>Als de Prins, met de Keizersche en Spaansche Bondgenooten den vyand +buiten ’t Land lokte, om van krygsbodem te veranderen, in +’t Sticht Keulen en elders waren ingevallen; zo wierden de +Franschen daar door genoodzaakt, hunne veroverde plaatzen weder te +verlaaten, gelyk zy dit jaar alles verlieten, behalven de Graaf.</p> +<p>In den jaare 1674, den 10de van February, is er vrede gemaakt +tusschen den Koning van Engeland, en de Staaten Generaal, welke den 9de +van February, oude styl, te Londen van gemelden Koning wierd +geteekent.</p> +<p>Den 12de Maart zijn de Bisschopschen, omtrent 1000 mannen sterk, +over de hartgevroorene moerassen, by ’t klooster ter Appel, in +Groningerland gevallen, plonderende te Winschooten en daar omtrent. +Waar op Rabenhaupt Nyjenhuys met stormen, <span class="pagenum">[<a id= +"pb257" href="#pb257" name="pb257">257</a>]</span>en andere steden met +bezettinge innam, en maakte Twenthe geheel zuiver en vry.</p> +<p>De Bisschop sloot ondertusschen den vrede met den Keizer, die te +Keulen den 11de van April wierd geteekent: als mede daags daar aan met +de Heeren Staaten Generaal. In de Meymaand volgde de Bisschop van +Keulen mede. Waar op zy de overheerde plaatzen, die ze zoo schielyk +hadden overrompelt, noch haastiger weder moesten ontleedigen: en +’t geen zy zo greetig hadden ingeslokt, in weedom van hunne +harten, weder uitbraaken. En alzo zijn de drie verloorene Provintien +wederom aan de andere gehegt, en de bundel der Zeven Pylen weder te +zamen gebonden.</p> +<p>In den jaare 1675 was ’t een felle en lange winter; zo dat +laat in ’t voorjaar, van Harlingen naar Enkhuizen, over de +Zuider-Zee, veele menschen met geheele gezelschappen, en beesten op +’t ys overtrokken: ja eenigen hadden in ’t laatst van April +noch op ’t ys gestaan.</p> +<p>In Maart, hebben de Friesen, overwegende beide de loffelyke daaden +en voorzorge van ’t Huis van Nassau, en in ’t byzonder de +groote gevaaren, die zyn Vorstelyke Doorluchtigheid, onze Heer +Stadhouder, in groote manhaftigheid, had ten dienste van ’t +gemeen uitgestaan in de laatst voorigen slag in Henegouwen tegen de +Franschen, het Stadhouderschap hem erflyk opgedraagen: alle de Heeren, +zo van ’t Land als <span class="pagenum">[<a id="pb258" href= +"#pb258" name="pb258">258</a>]</span>Steden, leverden daar toe om de +eerste te zijn, te meer, alzo de Hollanders den Prins van Oranje mede +tot Erfstadhouder van hunne Provintie hadden aangenomen.</p> +<p>In het zelve jaar, den 12de van Augustij, is te Koeverden overleden +Karel Rabenhaupt, Baron van Zucha en Crombach, Luitenant-Generaal der +Vereenigde Nederlanden, wegens de Provintie van Stad en Lande, +Gouverneur van Groningen, mitsgaders Drossaart van ’t Landschap +Drenth, en Gouverneur der fortresse Koeverden: zijnde een krijgsman +geweest van een zonderling beleid en dapperheid. Tot ’s mans lof +heeft G. Bidloo, dit volgende bij zijne afbeeldinge gestelt:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Dit ’s <span class="sc">Rabenhaupt</span>, die +Dorsten won,</p> +<p class="line">Die Nuis en Lingen temmen kon;</p> +<p class="line">Die Karel, die Lamboy versloeg,</p> +<p class="line">Van Groeningen den Bisschop joeg;</p> +<p class="line">En knoopte aan zyn legerkrans</p> +<p class="line">Van Koeverden, de Nieuwe Schans.</p> +<p class="line">Zo waakt zyn’ staatzorg, deugd en hand</p> +<p class="line">Ten dienst van ’t Volk, en Kerk en Land.</p> +<p class="line">Zyn’ dapperheid is uit zyn weezen</p> +<p class="line">Zo wel, als uit zyn’ kling te leezen<a class= +"noteref" id="xd20e3394src" href="#xd20e3394" name= +"xd20e3394src">98</a>.</p> +</div> +<p class="firstpar">Als ’er tusschen den 26ste en 27ste van +October, met een noordweste wind, veele dyken, door de felle aanpersing +van ’t water, <span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259" +name="pb259">259</a>]</span>waren doorgebrooken, leeden die van +Friesland mede geen kleene last: want een gat van 30 roeden brak by +Staveren, en omtrent by Molkwerren was het niet veel kleender, zo dat +die geheele landstreek blank van ’t zeewater stond: ook was +’er een gat van 30 roeden breed en zeer diep, by Zwartsluis.</p> +<p>In het jaar 1676 was men bezig om op de vredehandeling der +Europische Prinsen, die in ’t voorgaande jaar te Nieumegen was +begonnen, alle geschillen, door welke Europa in de grootste verwerringe +gebragt was, te beslechten; terwyl de geweldige oorlogstrompetten noch +al geen minder krygstoerusting verkondigden, als voorheenen. Doch de +sterke rustgeevende Vredevorst gaf hier toe, dat uit het blaakend +oorlogsvuur schielyk ontsproot de heilzaame en zegenryke hoorn des +vredes: en dus wierd de roemruchtigste Vryheid der Friesen weder als +herbooren, en zy eindelyk verlost van de slaavernye des +duivels<a class="noteref" id="xd20e3403src" href="#xd20e3403" name= +"xd20e3403src">99</a>.</p> +<hr class="tb"> +<p>In den jaare 1677 zyn de opgerezene staatsgeschillen tusschen +Groningen en de Ommelanden, door de Heeren Staaten Generaal +<span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260" name= +"pb260">260</a>]</span>weder beslegt geworden; gelyk mede te +Deventer.</p> +<p>In den jaare 1678, den 15de van February, is te Groningen de +Landsdag weder aangevangen, na dat de Heere Osebrand Rengers van zyn +zesjaarige gevangenis was ontslagen en herstelt.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 10de van Augusty, is te Nieumegen, de vrede +tusschen den Koning van Vrankryk en de Staaten Generaal geslooten.</p> +<p>In den jaare 1679, den 10de van April, stond Albertina Agnes, moeder +van den Stadhouder Hendrik Kasimier, nu 20 jaaren oud zynde, haare +Voogdye af, en vertrok naar haare landgoederen in Duitschland.</p> +<p>In den jaare 1681, den 2de van Augusty, zyn te Groningen vier ringen +aan alle kanten van de zon gezien, en eenigen verhaalen, dat diergelyke +zich mede te Rome en Tubingen hebben vertoont.</p> +<p>In den jaare 1682, in May, is in Groningerland en Oostfriesland een +zeer hevige veeziekte geweest, waar door veel rundvee is gestorven: +doch op ’t uitgaan van het jaar is de sterfte weder +opgehouden.</p> +<p>Den 4de van November is Grietzyl, in Oostfriesland, door de +Baandenburgsche soldaaten overrompelt, die zich naderhand aldaar ook +hebben neêrgelegt, als ook te Norden en Embden.</p> +<p>In den jaare 1683, in November, is de Erfstadhouder van Friesland, +Hendrik Kasimier, <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" +name="pb261">261</a>]</span>en zyne Gemaalinne Amelia, te Leeuwarden, +met staatsiewagens en vertooningen, nevens een groot en prachtig +vuurwerk, ingehaald: doende, eenige dagen daar na, zynde den 17de van +September, ook zyne intrede binnen Groningen.</p> +<p>In den jaare 1686, in July, overleed de jonge Prins van Nassau, zoon +van den Erfstadhouder van Friesland, enz.; en omtrent een maand daar na +beviel de Vorstinne weder van een jongen Prins.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 22ste van November, wierd Groningerland, door +een afgrysselyke watervloed aangetast, al het omleggende land +overdekkende; waar door veele menschen en beesten het leeven verlooren. +Het getal der verdronkene menschen beliep 1558, geheel weggespoelde +huizen 631, en de zeer beschadigden 616, de verdronkene paarden 1387 en +de koeyen 7861.</p> +<p>In den jaare 1687, den 2de van May, overquam Groningen een tweede +ramp, door een schrikkelyke brand in de Veenen van Sapmeer, Wildervank +en Pekel A, waar door alle de gegravene turf tot duizende van vuuren, +eenige huizen en schepen verbranden, en de schade op eenige tonnen +gouds wierd geschat.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 14de van Augusty, is de Prins Jan Willem +Friso, te Dessau gebooren.</p> +<p>In den jaare 1688, den 11de van November, deed Prins Willem van +Oranje die <span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name= +"pb262">262</a>]</span>vermaarde overtocht naar Engeland; landende met +zyn byhebbende krygsbenden den 15de dezer in de haven van Torbay.</p> +<p>In den jaare 1689, den 11de van April, is de Prins van Oranje, +Willem, nevens Maria, zyn Gemalinne, te Londen met de gewoonlyke +plechtigheden gekroont als Koning en Koninginne van Engeland.</p> +<p>In den jaare 1690, den eersten van July, geschiede het bloedige +gevegt in de vlakte van Fleury, door de Franschen onder Luxenburg, en +de Geallieerden onder Waldek; waar van ’t weêrzyds verlies +op 16000 mannen wierd begroot.</p> +<p>In den jaare 1691, den 5de van February, is Koning Willem in +’s Gravenhaage met zeer groote vreugde en eerteekenen, door +praalpoorten, vol geschilderde zinnebeelden, opgehaalt en naar het Hof +gevoert.</p> +<p>In den jaare 1692, den 3de van Augusty, sloeg het voetvolk der +Geallieerden, onder den Hertog van Wirtenberg, tegens de Franschen +onder Luxenburg, by Steenkerken, doch met weinig voordeel.</p> +<p>In den jaare 1693, den 29ste van July, geschiede het gevegt by het +dorp Landen, tusschen de Geallieerden, onder Koning William en +Keur-Beyeren, en de Franschen onder Luxenburg, 80000 tegens 40000 +mannen: dus schade aan weêrszyden.</p> +<p>In den jaare 1694, den 15de van Augusty, wierd te Groningen +gejubileert van des stads overgang voor 100 jaaren aan der <span class= +"pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263" name= +"pb263">263</a>]</span>Staaten zyde, door het beleid van Prins Maurits +en Graaf Willem van Nassau; ook datze de Gereformeerde Religie aannam; +by welke gelegentheid ook medaillien geslagen wierden; waar op +staat:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Des Prinsen zwaard, met Godes arm,</p> +<p class="line">Bragt Paap en Spanjaard in alarm,</p> +<p class="line">Als leugen voor het licht verdween,</p> +<p class="line">Wier zuivre glans in templen scheen.</p> +<p class="line">Een regte vreugd voor klein en groot,</p> +<p class="line">Die Groningen sluit in haar schoot.</p> +<p class="line">Dit heeft des Heeren hand gedaan,</p> +<p class="line">En deze Penningen doen slaan.</p> +</div> +<p class="firstpar">In den jaare 1695, den 7de van January, is de +Koninginne van Engeland, Maria Stuart, eene zeer deugdzaame Prinsesse, +te Londen overleden.</p> +<p>In den jaare 1696, den 25ste van Maart, overleed te Leeuwarden +Hendrik Kasimier, Stadhouder van Friesland, enz., aan een borstquaal; +nalaatende een zoon en eenige dochters. Tot wiens lof L. Smids +zegt:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line xd20e2637">’t Was Frieslands Stedevoogd, Vorst +Willems Bloedverwant,</p> +<p class="line">Zoon, Neef en Naneef van drie nooit volpreezen +Helden,</p> +<p class="line xd20e2637">Gedrochtetemmers in ’t ontroerde +Nederland,</p> +<p class="line">Die, zich, gelyk een wal, voor haat en outer +stelden:</p> +<p class="line xd20e2637">Doch dit Geboorterecht nam Hendrik geenzins +aan,</p> +<p class="line xd20e2637">Maar stond na heldenroem, door eigene +oorlogsdaên.</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264" name= +"pb264">264</a>]</span></p> +<p>In dit zelve jaar, den 24ste van May, is op Oranjewoud, in +Friesland, overleden Albertina Agnes, moeder van den overledenen +Stadhouder, en dochter van Frederik Hendrik, Prins van Oranje, in den +ouderdom van 62 jaaren. En in de maand van Augusty, is Amelia, weduwe +van Hendrik Kasimier, Erfstadhouder van Friesland, enz., te Leeuwarden +van eene Prinsesse bevallen.</p> +<p>In den jaare 1697, den 20ste van September, is de algemeene vrede op +het huis Nieuburg, te Ryswyk, by ’s Gravenhaage, geslooten, +tusschen Engeland, Vrankryk, Spanje, het Duitsche Ryk en de Vereenigde +Nederlanden; zynde hier over den 6de van November alomme vreugdevuuren +aangestoken.</p> +<p>In den jaare 1698 zyn de sterke fortificatiewerken, aan de zuidkant +buiten Groningen, door den Generaal Koehoorn begonnen; en na eenige +jaaren met zeer vaste muuren opgemetzelt, en de halvemaanen of bastions +met bruggen en poorten voorzien.</p> +<p>In den jaare 1699, den 15de van November, is in Oostfriesland een +hooge watervloed ontstaan, waar door groote schade geschiede: want de +nieuwshermaakte dyk, om ’t dorp Gerdsweer, wierd byna geheel +vernielt; zes huizen spoelden geheel weg, eenigen wierden beschadigt, +en veele beesten zyn verdronken.</p> +<p>In den jaare 1700, den 27ste van November, heeft de Koning van +Sweden, Karel <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" name= +"pb265">265</a>]</span>de XIIde, met 12000 mannen geoeffende troupen, +80000 Moskovieters verslagen, op de vlugt gedreven, en aldus de stad +Nerva geweldiger hand ontzet.</p> +<p>In den jaare 1701, in het begin, namen de Franschen alle de steden +van de Spaansche Nederlanden in bezettinge; waar op de toebereidzels +ten oorlog door den Keizer wierden gemaakt.</p> +<p>Den 28ste van May trokken de Keizerschen, met groote moeite en +zwaaren arbeid, over het Alpische gebergte, in Tirol, maakende +vervolgens in Italien een doortogt met de degen in de vuist.</p> +<p>In den jaare 1702, den 19de van Maart, is Willem de derde, Koning +van Engeland, te Kensington overleden; zynde op de jagt met zyn paard +gestruikelt, waar door hy het sleutelbeen brak; wordende op den 23ste +van April daar aan volgende, in de Kapel van Westmunster, zonder +uiterlyke pracht, begraven. Hy wierd in de regeeringe opgevolgt door +Prinsesse Anna, Gemaalinne van Prins Georg van Denemarken.</p> +<p>Den 15de van May wierd byna overal de oorlog tegens den Koning van +Vrankryk gepubliceert.</p> +<p>Den 11 de van Juny, hebben die van Nieumegen, met een groote +dapperheid, der Franschen hevige aanval, onder den Maarschalk de +Bouflers, van hunne vestingen afgekeert en te rug gedreven.</p> +<p>Den 16de dito is Keizerszwaard van de Geallieerden belegert en +ingenomen. <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266" name= +"pb266">266</a>]</span></p> +<p>Den 15de van Augusty heeft Prins Eugenius de Franschen met groot +voordeel by Luzzara geslagen.</p> +<p>Den 8ste van September won Keur-Beyeren Ulm, in Swabenland.</p> +<p>Den 10de dito is Landau de Franschen ontweldigt; als ook den 23ste +dito Venlo, en den 2de van October Stevenswaart.</p> +<p>Den 7de van October wierd Roermond met geweld door de Geallieerden +tot overgaaf gedwongen, en den 13de dito is Luyk door de burgers aan de +Geallieerden overgegeven.</p> +<p>Den 22, 23 en 24ste dito, wierd de Fransche Zilvervloot, by Vigos, +door de Engelschen en Hollanders bemachtigt, geplondert, verbrand en +geruïneert.</p> +<p>In den jaare 1703, den 15de van February, is Rhynberg door de +wapenen des Konings van Pruyssen bemachtigt; en omtrent dezen tyd +Traarbach door Hessen-Kassel.</p> +<p>Den 8ste van April won de Beyervorst Regensburg.</p> +<p>Den eersten van May wierden de Polen door de Zweden, by Pultouw, +geslagen: den 10de dito wonnen de Franschen Tongeren, en den 15de dito +is Bon door de Geallieerden herwonnen.</p> +<p>Den eersten van July geschiede het bloedig gevegt by Eekeren en +Wilmerdonk, waar in de Hollandsche dapperheid in ’t byzonder +heeft uitgeblonken; onaangezien de Generaal Obdam genoodzaakt geweest +is naar Breda te vlugten. <span class="pagenum">[<a id="pb267" href= +"#pb267" name="pb267">267</a>]</span></p> +<p>Den 25ste dito is de stad Hoey den Franschen ontnomen.</p> +<p>Den 4de van September is Trente door de Franschen gebombardeert, en +Brizak door hun gewonnen; als mede den 27ste dito Limburg door +Marlboroug bemachtigt.</p> +<p>Den 14de van October wonnen de Zweden de stad Thoorn.</p> +<p>Den 8ste van December trof een ysselyke zuidweste stormwind, zo te +water als te lande, Engeland, Vlaanderen, Holland, Friesland, en meer +aangrenzende gewesten, waar door veele ongelukken gebeurden.</p> +<p>Den 16de dito is de stad Gelder door den Koning van Pruyssen +verovert.</p> +<p>In den jaare 1704, in February, wierd Prins Friso in Friesland +geavanceert; verwekkende dit eenig misnoegen by zommige andere +Provintien.</p> +<p>In dit zelve jaar, den 27ste van Maart, overleed Menno Koehoorn, in +’s Gravenhage; zynde lang ziekelyk geweest, en over de 70 jaaren +oud. J. de Recht heeft op zyn afbeeldzel dit eervaars toegepast:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Ziet hier een Held, beproefd in oorlogsblixem +vlammen;</p> +<p class="line">Die voor ’s Landt Vryheid spreekt uit monden van +metaal;</p> +<p class="line">Die ’t opgezwolle nat door dyken jaagd en +dammen,</p> +<p class="line">En ’s vyands krachten breekt door water, vuur en +staal,</p> +<p class="line">Den Vriessen Jupiter, die, met zyn donderslaagen,</p> +<p class="line">Den Franssen Faëton bonst uit zyn Zonnewagen.</p> +</div> +<p class="firstpar">Den 2de van July sloeg Marlboroug en <span class= +"pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name= +"pb268">268</a>]</span>Baden, in Beyeren, de Fransche en Beyersche +krygsmacht, by den Schellenberg; en op den zelven dag is Brugge door de +Geallieerden ook gebombardeert.</p> +<p>Den 3de dito is door de Geallieerden Donawerth bemachtigt, en den +11de dito Regensburg; als mede den 26, 27 en 28ste dito, de stad Namen, +doch zonder voordeel, gebombardeert.</p> +<p>Den 4de van Augusty heeft de Geallieerden vloot, onder +Hessen-Darmstad, Gibralter bemachtigt; en den 13de dito hebben de +Geallieerden, onder de Generaals Marlboroug en Eugenius, de Franschen +en Beyerschen by Hogstet geslagen; zynde hun verlies wel op 40000 +mannen begroot.</p> +<p>Den 18de van November wonnen de Geallieerden, onder den Erfprins van +Hessen-Kassel, Traarbach.</p> +<p>In den jaare 1705, den 5de van May, overleed te Weenen Keizer +Leopoldus, oud zynde 65 jaaren; wordende van zynen zoon Josefus in +’t Keizerryk gevolgt.</p> +<p>Den 5de van September zyn 96 schepen van de Groenlandsche vloot voor +Delfzyl gearriveert, hebbende in alles gevangen 1100 vissen.</p> +<p>Den 14de van October gaf Barcellona zich aan Koning Karel over. Ook +is Stanislaus omtrent dezen tyd tot Koning van Polen verklaart en +gekroont.</p> +<p>In den jaare 1706, den 23ste van May, sloegen de Geallieerden, onder +Marlboroug, <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name= +"pb269">269</a>]</span>tegens de Franschen, by Ramellies, en bequamen +een roemruchtige overwinninge; waar op zich verscheidene steden in +Braband en Vlaanderen hebben overgegeven. Den 6de van July wonnen de +Geallieerden Oostende: den 22ste van Augusty Meenen; den 5de van +September Dendermonde; en den 7de dito is Turin door Prins Eugenius +gewapenderhand ontzet: en den 3de van October is Aath mede door de +Geallieerden gewonnen.</p> +<p>In den jaare 1707, den 16de van April, leeden de Geallieerden een +groote neêrlaag in Spanje, by Almanza. Den 20ste van July, heeft +de stad Napels, met haar drie kasteelen, zich aan Koning Karel +onderworpen.</p> +<p>In dit zelve jaar, in Augusty, is Johan Willem Friso, Stadhouder van +Friesland, enz., getreden in zyn chargie als Generaal der Infantery of +voetknegten. L. Smids, voegde dit onder zyn afbeeldzel:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Als Friesland zag het beeld van Frieso; reeds in +’t weezen</p> +<p class="line">Oranjes yver en Nassouwers moed kon leezen</p> +<p class="line">Zo sprak zy, (drukkende dit konststuk aan haar +mond)</p> +<p class="line">Wat schooner dag beloofd my zulk een morgenstond!</p> +</div> +<p class="firstpar">In den jaare 1708, in February, is zyne Hoogheid +Jan Willem Friso, Prins van Oranje en Nassau, en der Friesen +Erfstadhouder, door de Edele Groot Mogende de Heeren Staaten van Stad +en Lande, tot Stadhouder over derzelver Provintie aangenomen. +<span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270" name= +"pb270">270</a>]</span></p> +<p>Den 5de van July is Gent en Brugge door de Franschen ingenomen; den +11de dito zyn de Franschen door de Geallieerden, onder Eugenius, +Marlboroug en Ouwerkerk, by Oudenaarden geslagen.</p> +<p>In Augusty wierd aan Prins Friso het Oppergezach der belegeringe van +Ryssel toevertrouwt, ondersteunt van Prins Eugenius; en wierd dit +meesterstuk der krygsbouwkunde by verdrag gewonnen den 22ste van +October, en ’t kasteel den 8ste van December. En den 30ste dito +wierd Brugge den Franschen weder ontnomen.</p> +<p>In den jaare 1709, den 4de van January, hebben de Franschen de stad +Gent wederom verlaaten.</p> +<p>Den 29ste van April is zyn Hoogheid Jan Willem Friso, Prins van +Oranje en Nassau, met Prinsesse Maria Louisa, dochter van den Landgraaf +van Hessen-Kassel, op het kasteel van Kassel met zeer groote +plechtigheid getrouwt.</p> +<p>Den 8ste van July wierd de Koning van Zweden, door de Moskovieters, +in de Ukranie, by Pultowa, ten eenemaal geslagen: den 28ste dito is de +stad Doornik aan de Geallieerden overgegaan: den 11de van September +geschiede het wreede en bloedige gevegt der Franschen en Geallieerden +by Malplaquet: en den 25ste dito wonnen de Geallieerden Bergen, in +Henegouwen.</p> +<p>In den jaare 1710, den 2de van January, is Prins Friso, nevens zyne +Gemalinne, te <span class="pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271" name= +"pb271">271</a>]</span>Leeuwarden, met een buitengemeene staatsie +ingehaalt. Als mede den 18de van Maart te Groningen.</p> +<p>Den 25ste van Juny is Douay door de Bondgenooten verovert: den 28ste +van Augusty Bethune: den 28ste van September St. Venant: den 8ste van +November Arien.</p> +<p>In den jare 1711, den 17de van April, is Keizer Josephus te Weenen +overleden, oud zynde 33 jaaren.</p> +<p>Den 14de van July, op den middag, is zyne Hoogheid, Prins Jan Willem +Friso, Frieslands en der Groningers Stadhouder, in ’t overvaaren +van ’t Hollandsche Diep, aan ’t Stryensche Sas, zeer +ongelukkig verdronken; wordende deszelfs ligchaam door een schipper, +van de Klundert komende, op den 22ste derzelver maand eerst gevonden en +opgevischt, voorts haar Dordrecht gebragt, en aldaar gebalsemt, en +vervolgens naar Leeuwarden gevoert: alwaar het op den 25ste van +February 1712 met eene heerlyke doch droevige lykstaatie in ’t +graf zyner Voorvaderen wierd bygezet.</p> +<p>En in hetzelve jaar, den eersten van September, is de Prinsesse van +Friesland, Weduwe van den Stadhouder, van een Prins bevallen, en +genaamt Willem Karel Hendrik Friso, zynde de tegenwoordige Stadhouder. +<span class="pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272" name= +"pb272">272</a>]</span></p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e368" href="#xd20e368src" name="xd20e368">1</a></span> Deze zeer +onbepaalde beschrijving van den alouden Staat der Provincie is in de +Bijvoegsels en Aantt. aangevuld.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e378" href="#xd20e378src" name="xd20e378">2</a></span> De regering +dezer Prinsen, zoo wel als die der opvolgende Hertogen en Koningen, +behoort tot het fabelachtig gedeelte der Historie, welke ook met +betrekking tot de gebroeders Friso, Saxo en Bruno (de laatste wordt +hier niet gemeld) zeer verschillend wordt voorgedragen. Zie de Bijv. en +Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e389" href="#xd20e389src" name="xd20e389">3</a></span> Verheerd, +d.i. overwonnen, te onder gebragt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e394" href="#xd20e394src" name="xd20e394">4</a></span> Gevolg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e397" href="#xd20e397src" name="xd20e397">5</a></span> Als de +zomer hoogde, d. i. in het midden van den zomer.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e417" href="#xd20e417src" name="xd20e417">6</a></span> Ook +<span class="sc">Hamconius</span> en <span class="sc">Cappidus van +Stavoren</span> beweren, dat er van Friso’s tijd af een wapen +heeft bestaan, hetwelk echter moeijelijk valt te gelooven, daar men het +er voor houden moet, dat in den tijd der kruistogten, dus niet vroeger +dan in het begin der XII eeuw, de familiewapens zijn uitgevonden. Men +zie over dit onderwerp de Bijv. en Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e460" href="#xd20e460src" name="xd20e460">7</a></span> Over de +groote en kleine Friesen zie Bijv. en Aantt. over den alouden staat van +Friesland.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e465" href="#xd20e465src" name="xd20e465">8</a></span> In de +Uitgave van 1677 staat: “Waar van heedendaachs noch top, noch +teil (tegel) te zien is.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e499" href="#xd20e499src" name="xd20e499">9</a></span> In de +I<span class="corr" id="xd20e501" title= +"Niet in bron"><sup>e</sup></span> uitgave staat: “Heeft de +Hertog hem bekeeven.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e522" href="#xd20e522src" name="xd20e522">10</a></span> Holle is +Olennius. Zie Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e525" href="#xd20e525src" name="xd20e525">11</a></span> d. i. +gedwongen om het beleg op te breken.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e539" href="#xd20e539src" name="xd20e539">12</a></span> Oxel, +Oksel, holligheid onder den arm.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e554" href="#xd20e554src" name="xd20e554">13</a></span> Het Gods +Hof of Aula Dei, kweekschool van Priesters, waarvan C. Stavriensis, S. +Petri, Hamconius en anderen spreken. Zie Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e561" href="#xd20e561src" name="xd20e561">14</a></span> d. i. +aangehitst, opgestookt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e586" href="#xd20e586src" name="xd20e586">15</a></span> Het +beknopt Chronykjen van Friesland opgesteld en bijeenverzameld door +<i>C. G. Jacoby</i>, Leeuwarden 1755, voornamelijk bestaande in een +uittreksel van <i>Ocko van Scharl</i>, vermeld slechts vijf Prinsen, +latende Adel en Ubbe buiten het spel, en springt dus een tijdvak van +bijna twee eeuwen over.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e617" href="#xd20e617src" name="xd20e617">16</a></span> Lees +Westerwierum.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e620" href="#xd20e620src" name="xd20e620">17</a></span> Lees: +tusschen Almenum en Terschelling. Verg. <span class= +"sc">Hamconius</span>, <i>Frisia</i>, <i>fol<span class="corr" id= +"xd20e630" title="Niet in bron">.</span></i> 14, die deze +gebeurtenissen van ’t Klif en der Meerminnen verhaalt, echter den +Duivel buiten het spel laat.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e664" href="#xd20e664src" name="xd20e664">18</a></span> Bij andere +Schrijvers <i>Basterd-Broeder</i> van Adelbold genoemd.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e683" href="#xd20e683src" name="xd20e683">19</a></span> Volgens +anderen door <i>Tiete</i> of <i>Titus</i> zelf gebouwd.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e701" href="#xd20e701src" name="xd20e701">20</a></span> De oude +Uitgave zegt: “Met een gaar geraapten hoop.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e717" href="#xd20e717src" name="xd20e717">21</a></span> Dit +geschiedde langs den geheelen Rijn tot aan de Noordzee, uit wantrouwen +tegen de Germanen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e731" href="#xd20e731src" name="xd20e731">22</a></span> Over de +verschillende gevoelens dezer benamingen hebben wij het noodig geacht +in de Bijvoegsels het een en ander aan te stippen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e747" href="#xd20e747src" name="xd20e747">23</a></span> Engeren, +Angeren.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e772" href="#xd20e772src" name="xd20e772">24</a></span> De +Ezumazijl nabij Ezonstad, alwaar in den tijd van <i>Foeke Sjoerds</i> +(Beschr. van O. en N. Friesland I. 240) nog eenige overblijfselen van +te zien zoude geweest zijn. Zie verder Aant. op ’t jaar 339.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e782" href="#xd20e782src" name="xd20e782">25</a></span> Over de +Geschiedenis der Gebroeders Hengst en Hors, die Brittanje zouden hebben +veroverd, zijn de Geleerden het mede niet eens. Zie daarop de Bijv. en +Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e809" href="#xd20e809src" name="xd20e809">26</a></span> ’t +Kasteel Grunenberg of Gronenberg was de oudste Burgt, volgens de +Friesche Overlevering, tusschen de Eems en het Vlie.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e821" href="#xd20e821src" name="xd20e821">27</a></span> Vergel. +<span class="sc">Westendorp</span>, <i>Jaarboek van en over +Groningen</i>, p. 24, op ’t jaar 409;—alsmede de +beschrijving der vrije <span class="corr" id="xd20e829" title= +"Bron: Schuilpaatsen">Schuilplaatsen</span> p. 110.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e862" href="#xd20e862src" name="xd20e862">28</a></span> Zie de +Aantt. op ’t jaar 808.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e878" href="#xd20e878src" name="xd20e878">29</a></span> Vergel. p. +23, waar ook van twee Lems of Willems gesproken wordt. Zie voorts Bijv. +en Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e890" href="#xd20e890src" name="xd20e890">30</a></span> Uit hoofde +van der Schrijveren verschil in de jaren, waarin de watervloeden hebben +plaats gehad, hebben wij in de Aantt. eene opgave, zoo naauwkeurig +mogelijk, geplaatst.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e902" href="#xd20e902src" name="xd20e902">31</a></span> Chlotarius +II.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e913" href="#xd20e913src" name="xd20e913">32</a></span> +<span class="sc">F. Sjoerds</span> voegt hierbij de woorden: <i lang= +"fy">an fen dead wir libben werden!</i> <span class="sc">Schot.</span> +<i>Fr. Hist.</i> heeft het tweeledig, zie p. 47 en 54.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e939" href="#xd20e939src" name="xd20e939">33</a></span> In de +Uitgave van 1677 staat: “naar den Franschen zin, En liet de +Christenen vryjelijk toe.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e961" href="#xd20e961src" name="xd20e961">34</a></span> Pepyn van +Herstal of de Dikke noemde zich Hertog en Prins der Franken, en was +Groot-Hofmeester.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1004" href="#xd20e1004src" name="xd20e1004">35</a></span> +Natuurlijke zoon van Pepyn; was Groot-Hofmeester.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1063" href="#xd20e1063src" name="xd20e1063">36</a></span> Van +daar Sant Michiels dom genaamd.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1089" href="#xd20e1089src" name="xd20e1089">37</a></span> Men zie +de Aant. op ’t jaar 830.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1116" href="#xd20e1116src" name="xd20e1116">38</a></span> Vergel. +op ’t jaar 463.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1134" href="#xd20e1134src" name="xd20e1134">39</a></span> +Godfried.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1137" href="#xd20e1137src" name="xd20e1137">40</a></span> Deze +belasting heette <i>Klipschild</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1193" href="#xd20e1193src" name="xd20e1193">41</a></span> Deze +togt geschiedde onder bevel van den Deenschen Koningszoon Hendrik. Van +tijd tot tijd moest het handwerk van zeerooverij worden herhaald op +alle kusten, om de jonge manschap te oefenen. Geloofwaardige Fransche +Kronyken vermelden het verwoesten door de Noren in 837 van drie +koopsteden: Antwerpen aan de Schelde, Witha of Wintland aan den mond +der Maas, en Groningen aan de Eems. <span class="sc">West.</span> +<i>Jaarb.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1204" href="#xd20e1204src" name="xd20e1204">42</a></span> Men zie +Aant. op ’t jaar 830.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1211" href="#xd20e1211src" name="xd20e1211">43</a></span> Zijn +zoon Lodewijk, bijgenaamd de Duitscher, volgde hem op.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1229" href="#xd20e1229src" name="xd20e1229">44</a></span> Thans +was Lodewijks zoon, Lodewijk de jonge, Heer der Friesche Landen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1237" href="#xd20e1237src" name="xd20e1237">45</a></span> +<span class="sc">Winsemius</span>: <i>Haadet goede wacht tyen da +Nordera oordt, Want vuyt da Grimma herna comt ws alle quaed +voort.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1249" href="#xd20e1249src" name="xd20e1249">46</a></span> Nu kwam +Lodewijks Broeder, Karel de Dikke aan het gebied. Zie voorts over dezen +strijd de Bijv.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1254" href="#xd20e1254src" name="xd20e1254">47</a></span> +Omstreeks dezen tijd werd Karel de Dikke onttroond, en de laatste van +den stam van Karel de Groote, die ’t Westen regeerde, met name +Arnulph, natuurlijke zoon van Karloman volgde hem op, regeerde drie +jaren en stierf, wordende door zijn zoon Lodewijk in ’t gebied +vervangen. Zie Aant. op het jaar 840.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1279" href="#xd20e1279src" name="xd20e1279">48</a></span> Een +veldvlugtige is een overlooper.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1301" href="#xd20e1301src" name="xd20e1301">49</a></span> Men zie +over deze begiftiging het <i>Jaarb.</i> van den Heer <span class= +"sc">Westendorp</span> op de jaren 1040 en 1046.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1336" href="#xd20e1336src" name="xd20e1336">50</a></span> Wij +hebben het niet ondienstig geacht over de Kruistogten der Friezen een +aangeschakeld verhaal in de Bijvoegsels eene plaats te +geven,—waardoor wij ons onthouden, van alle andere aanteekeningen +op de verschillende jaren, waarin dezelve zijn voorgevallen, ’t +welk anders noodig zoude zijn.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1345" href="#xd20e1345src" name="xd20e1345">51</a></span> Vergel. +<span class="sc">Westendorp</span> <i>Jaarb.</i> op 1112.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1360" href="#xd20e1360src" name="xd20e1360">52</a></span> Als +voren op ’t jaar 1143.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1369" href="#xd20e1369src" name="xd20e1369">53</a></span> Onder +de namen bekend van Frederik I, Aenobarbus, Roodbaard, ook Keizer +Frederik de Groote.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1378" href="#xd20e1378src" name="xd20e1378">54</a></span> Dit +verhaal komt hoofdzakelijk overeen met het <i>Jaarboek</i> van den Heer +<span class="sc">Westendorp</span>, de vermelding op den jaare +1160,—en andere Schrijvers.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1407" href="#xd20e1407src" name="xd20e1407">55</a></span> Of van +de St. Cistercie-orde. Deze Abdy is de vermaardste geworden in de +Ommelanden, bezittende aanzienelijke rijkdommen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1413" href="#xd20e1413src" name="xd20e1413">56</a></span> Over +dit voorval, ’t welk eene andere oorzaak gehad heeft, vergel. men +<span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> op ’t jaar 1195.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1426" href="#xd20e1426src" name="xd20e1426">57</a></span> +<i>Stoepens</i> zijn <i>Stoopen</i> of <i>Drinkkannen</i> geweest en +geenszins de <i>Stoepen</i> voor de deuren, waarvan anderen uit gebrek +aan taalkennis ooit de <i>Kloppers</i> aan de deuren gemaakt +hebben.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1445" href="#xd20e1445src" name="xd20e1445">58</a></span> +<i>Verweend</i> is verwaand; ook fier,—lekker opgebragt, +weelderig enz.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1463" href="#xd20e1463src" name="xd20e1463">59</a></span> Of +Grind.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1466" href="#xd20e1466src" name="xd20e1466">60</a></span> +Slegtigheid is hier eenvoudigheid, onbeschaafdheid.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1491" href="#xd20e1491src" name="xd20e1491">61</a></span> Men zie +over dezen strijd <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> op de +jaren 1226 enz.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1510" href="#xd20e1510src" name="xd20e1510">62</a></span> Vergel. +de Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1515" href="#xd20e1515src" name="xd20e1515">63</a></span> +<span class="sc">Westendorp</span> <i>Jaarb.</i> na ’t jaar 1232 +noemt de Reiderlanders en Emisgooërs, welke twist ontstaan was +door het verdrinken van een Reiderlander, omdat hij de lieden, die van +de jaarmarkt kwamen, had willen berooven.—Verg. denzelven I. +280.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1527" href="#xd20e1527src" name="xd20e1527">64</a></span> +<i>Upstalsboom, gelegen een uur gaans ten zuidwesten van Aurik. Alhier +stonden drie hooge eike boomen, met de takken en kroonen meest aan +malkanderen gegroeit, hebbende op 2 a 300 treden na geene huizen +omtrent. De Rechtspleeginge geschiede aldaar onder den blaauwen Hemel, +van de Regeerende en daar toe gerechtigde Perzoonen van alle de +Frieslanden, en richtede alhier over alle zwaare zaaken, welke bij de +mindere Collegien niet afgedaan wierden; als wanneer daar tenten +opgeslagen en banken van opgegraavene aarde wierden gemaakt.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1537" href="#xd20e1537src" name="xd20e1537">65</a></span> +<span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> I. 282 beschrijft kortelijk +dezen oorlog voornamelijk naar de verhalen van E. Beninga en Harkenroth +gevolgd, bewerende tevens dat het niet de <i>Eenrummers</i> maar de +<i>Emersen</i> geweest zijn.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1557" href="#xd20e1557src" name="xd20e1557">66</a></span> Voor de +zusters van de Cistercie-orde, opdat de schimmen der verslagenen mogten +verzoend worden. Het werd eerst aangelegd by Koevorden aan de A, doch +naderhand verplaatst.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1634" href="#xd20e1634src" name="xd20e1634">67</a></span> Is +gebeurd 21 Januarij 1256 op zijnen togt tegen de +West-Friesen.—Zie voorts de Aant. op Sikko Sjaardema in ’t +jaar 1239.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1682" href="#xd20e1682src" name="xd20e1682">68</a></span> Over +deze twisten zie men de algemeene Aanteekeningen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1700" href="#xd20e1700src" name="xd20e1700">69</a></span> Over +den juisten dag, waarop deze gruwelijke moord heeft plaats gehad, zijn +vele Schrijvers het niet eens en in zonderlingen twist +geraakt.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1754" href="#xd20e1754src" name="xd20e1754">70</a></span> <i>Dit +Zegel der vrye Frieslanden verbeelt een geheel gewapent Man, houdende +in zyn regterhand een Lans, en in de linkerhand een bloot Zwaard, dat +na de schouder opgeheven word, en staande onder een Boom.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1766" href="#xd20e1766src" name="xd20e1766">71</a></span> Men zie +<span class="sc">Westend.</span> <i>Jaarb.</i> over dezen strijd op de +jaren 1232 en 1233, die dezelve toeschrijft aan de partijschappen +tusschen de Vetkoopers en Schieringers, en waarin deze laatsten de +overhand behielden.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1867" href="#xd20e1867src" name="xd20e1867">72</a></span> <i>Deze +Proost Hiske had eene dochter, genaamt Reinske, welke met Hayo te +Westerwolde trouwde; en naderhand uit haare eigene goederen de Groote +Kerk met vier Torens te Mildwolde, in den Oldambte, heeft laaten +bouwen; zynde de zelve die voor enige jaaren is afgesleeten +geworden.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1898" href="#xd20e1898src" name="xd20e1898">73</a></span> +Vergelijk over deze list <span class="sc">Wins.</span> fol. 242. +<span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> p. 253. <span class= +"sc">Petrus Thab.</span> op dit jaar.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1931" href="#xd20e1931src" name="xd20e1931">74</a></span> Zoo als +meermalen was ook thans het eerste artikel van het verdrag: +“volkomen verzoening en een <i>eeuwige</i> vrede!” Bij +<span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> op dit jaar vindt men eene +reeks van voorwaarden.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1968" href="#xd20e1968src" name="xd20e1968">75</a></span> +Vergelijk <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> op hetzelfde +jaar.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1993" href="#xd20e1993src" name="xd20e1993">76</a></span> Te regt +wordt van hem gezegd dat zijn leven een strijd en worsteling op deze +wereld geweest is.—In dit jaar werd ook door de Friesen en +Groningers een verbond aangegaan ter wering bijzonder van dieverijen en +ander misdrijf. Vergel. Schwartz. Charterb. I. 526.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2005" href="#xd20e2005src" name="xd20e2005">77</a></span> Zie op +dit jaar <span class="sc">Westend.</span></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2057" href="#xd20e2057src" name="xd20e2057">78</a></span> De +Keizer Frederik de III. roemt hem wegens zijne ongemeene kunde in de +vrije kunsten, in de Keizerlijke regten, in het Kerkelijk regt, en +vooral zijne gevatheid en vaardigheid in de openbare zintwisten.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2084" href="#xd20e2084src" name="xd20e2084">79</a></span> Een der +heerlijkste werken der bouwkunde van de middeleeuwen. Men plaatste op +den toren een koperen paard van de grootte van eene gewone noordsche +kidde, hetwelk tot een windhaan diende en het teeken was van St. +Maarten van Utrecht. <span class="sc">West.</span></p> +<p class="footnote" lang="nl-1800"><span class="label"><a class= +"noteref" id="xd20e2177" href="#xd20e2177src" name= +"xd20e2177">80</a></span> Dus ook <span class="sc">Winsemius</span>, +<span class="sc">Schotanus</span> geeft de leus aldus op: <i lang= +"fy">Op uws Finne herne, lizze fjouwer klaer lotter Ljep-Ayen ijn ien +Nest.</i> Zie Aant.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2310" href="#xd20e2310src" name="xd20e2310">81</a></span> Vast +maken is zoo hier als op alle vorige en volgende plaatsen: +<i>Versterken</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2318" href="#xd20e2318src" name="xd20e2318">82</a></span> +<i>Spelen alle zeilen blank</i>: dit gezegde heeft zijn’ +oorsprong van de zeerooverij, waarin men van vriend en vijand kaapt en +rooft, wat men vangen en grijpen kan:—alles wegrooven wat men op +zee ontmoet. Zie <span class="sc">Winschootens</span> <i>Zeeman</i>, op +’t woord <span class="sc">Seil</span>, en <span class= +"sc">Weiland</span> N. T. <i>Woord.</i></p> +<p class="footnote" lang="nl-1800"><span class="label"><a class= +"noteref" id="xd20e2339" href="#xd20e2339src" name= +"xd20e2339">83</a></span> Hij smeet (zegt <span class= +"sc">Winsemius</span> fol. 446,) vele <i>Hollanders</i> in plaats van +Borgoenschen over boord, volgens <i>Martinus Ylst</i> uit de +overlevering van <i>Bonne Haisma</i> zijne medgezellen toeroepende: +<i lang="fy">Siuch faynten, ho kenne da deels kijetten swomma</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2372" href="#xd20e2372src" name="xd20e2372">84</a></span> Zie +hierover de Bijv. en Aantt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2388" href="#xd20e2388src" name="xd20e2388">85</a></span> +<i>Frederik Gaykinga, in den jaare 1360, Abt van Aduard zynde, had, tot +nadeel van zyn geslacht, hoewel tot eere, dit klooster met veele +goederen begiftigt; doch op zekere voorwaarden, waartoe zyn geslacht +altoos gerechtigt zou wezen. Bestaande ’t voornaamste hier in, +dat die van Gaykinga voor eeuwig zouden hebben alle jaar op St. Martens +avond een witte Zwaan, een Capoen, en een kanne Wyn, en zouden voor +altoos eene misse houden in ’t Kapittelhuis, en een brandende +lampe voor ’t geheele geslachte. Wanneer iemand van ’t +geslachte quam te verarmen, zoude aldaar voor zyn leeven de kost +hebben; ook wanneer zy met hun gezinde quamen, zoude de Abdy voor hun +geöpent, en de tafel gedekt worden, na de waardigheid des +geslachts, in de voornaamste kamer; benevens jaarlyks op St. Bernards +dag te gast genoodigt worden. Aldus was Hendrik op dit jaar genoodigt, +maar Jan en Frederik quamen van zelfs. Waar op, onder de monniken een +jalousie ontstond, die hun zeer qualyk bejegende, en waar door het +gevegt ontstond</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2475" href="#xd20e2475src" name="xd20e2475">86</a></span> +<span class="sc">Wins.</span> <i>Chronyck</i> fol. 519.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2496" href="#xd20e2496src" name="xd20e2496">87</a></span> +Kettermeester hetzelfde als Geloofsonderzoeker.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2514" href="#xd20e2514src" name="xd20e2514">88</a></span> In de +maanden Mei en Julij hadden er twee overstroomingen plaats, door +welken, vooral den laatsten, waarvan bij <span class="sc">Outhof</span> +geen gewag gemaakt wordt, ook vele menschen omkwamen.—Zie +<span class="sc">F. Arends</span> <i>Physische Geschichte der +Nordsee-kuste</i>. II. 96.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2602" href="#xd20e2602src" name="xd20e2602">89</a></span> Zie +over dezen strijd het uitvoerig verhaal van <span class= +"sc">Winsemius</span> <i>Chronyck</i>, fol. 565 volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2716" href="#xd20e2716src" name="xd20e2716">90</a></span> In den +eersten druk van 1677 staat: »Als de Stadhouder Rennenberg zich +door ontrou omgekeert hebbende tot de Papisten; die van +Leeuwarden,” enz.—Het woord <i>Papen</i> is overal in den +tekst behouden, omdat de Schrijver er de Roomschgezinden over ’t +algemeen, zoo leeken als priesters, mede bedoeld, en het dus hier voor +geen scheldwoord moet worden gehouden, evenmin als <i>Arminianen</i>, +<i>Menisten</i>, <i>Calvinisten</i>, enz.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2791" href="#xd20e2791src" name="xd20e2791">91</a></span> +Balthazar Gerards genaamd, geboren te Villefans in Bourgondien, oud 26 +a 27 jaren. Onder verschillende personen, die zich op ’t leven +des Prinsen toelagen, moet ook zekere Koopman te Vlissingen, Hans +Hanses, geweest zijn, wiens aanslag echter door eenen Fries, uit het +geslacht der <i>Auckama’s</i> ware ontdekt. Gevat zijnde had hij +beleden, daartoe middelen te hebben aangewend.—Gerards werd +daarna als Martelaar hoog vereerd en waardig geacht gecanoniseerd te +worden—onder de belooningen, wil men, was ook de verheffing der +familie in den adelstand.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2902" href="#xd20e2902src" name="xd20e2902">92</a></span> +<i>Nederl. Oorl. en Geschied. 1623</i>, fol. 474 <i>verso</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2949" href="#xd20e2949src" name="xd20e2949">93</a></span> Dit +voorval wordt omstandig beschreven bij <span class= +"sc">Winsemius</span>, <i>Chronyck</i> fol. 897.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3128" href="#xd20e3128src" name="xd20e3128">94</a></span> In de +druk van 1677 staat: (een gehuerde vleegel enz.)</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3155" href="#xd20e3155src" name="xd20e3155">95</a></span> Zie +’t <i>Verwerd Europa</i> ofte <i>Polityke</i> en <i>Historische +Beschryvinge</i> enz., <i>Amst. 1675</i>, <i>bl. 596</i> +volgg.—Van dezen Schrijver, welks werk twee jaren vroeger dan de +eerste druk van onze Kronyk was uitgekomen, is veel gebruik gemaakt en +daaruit overgenomen door onze Kronykschrijvers.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3212" href="#xd20e3212src" name="xd20e3212">96</a></span> <i>De +Leezer dient te weten, dat zekere Broersma hier eigentlyk Commandant +zynde, door de Staaten Generaal was opontboden; doch in plaats van in +den Haag te compareeren, ging hy over by den Bisschop van Munster, en +wierd aldus een verraader van zyn eigen Commandement.</i></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3310" href="#xd20e3310src" name="xd20e3310">97</a></span> +<i>Fantassin</i>, <i>Fant</i>: voetknechten, infanterie.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3394" href="#xd20e3394src" name="xd20e3394">98</a></span> +Mengel-Poezy, bl. 257.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3403" href="#xd20e3403src" name="xd20e3403">99</a></span> <i>en +der zonde</i>, voegt de eerste druk dezer Kronyk hierbij, waarmede zij +haar verhaal eindigt en de <i>Landverdeeling van <span class= +"sc">Friesland</span></i> volgen laat.</p> +</div> +</div> +<div id="landverdeeling" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e3634" class="main">Landverdeeling van Friesland.</h2> +<p class="firstpar">Schoon de aantekeningen van voorgaande +Geschiedenissen, zonder kennisse der gelegentheid van Landen en Steden, +in ’t naleezen noch nuttig, noch aangenaam kunnen zyn, zo +’er niet iets nevens of voor dezelve gemelt word: zo mogen de +leezers ook niet met al te langwylige verhandelingen derzelve +opgehouden worden; dewyl anders zo een beschryvinge op zich zelve en +hier van afgescheiden vereischt, die men de Landbeschryvinge noemt.</p> +<p>Waarom wy, tot verstand van de voorverhaalde Geschiedenissen, hier +van iets behoevende by te brengen, met een bloote verdeelinge van de +Landstreek, en een optellinge van Steden en Dorpen in iedere +afdeelinge, zonder van de beschryvinge iets te mogen aanroeren, den +eisch der voorgaande bladeren geacht voldaan te hebben. <span class= +"pagenum">[<a id="pb273" href="#pb273" name="pb273">273</a>]</span></p> +<p>De Landstreek van deze Provincie word in drie gedeeltens afgedeelt, +als Oostergo, Westergo en Zevenwouden. In voorige tyden bestond het in +de twee eersten alleen; die ook elk den naam van een Graafschap by +zommige Schrijvers hebben gevoert, en mogelijk ook in der daad zyn +geweest, zonder dat de Wouden als een byzonder deel wierden aangemerkt. +En zyn zo genaamt naar de Goën of Dorpen, in de Ooster- of +Westerverdeeling gelegen; en de Wouden, om de veelheid van ’t +geboomte, dat eertyds mogelyk meerder is geweest, als hedendaags: en zo +wat verlatynt zynde, wierden Estrachia, Westrachia en Forestensis +genaamt, by de Schryvers in die taal.</p> +<p>Deze Leden worden elk in een getal van mindere verdeelingen +onderscheiden, die wy Grietenyen noemen, naar de Bevelhebbers van ieder +gedeelte, die men een Grietman noemt, dat zo veel is als Overheer, want +gritte, greet, en greut, is groot te zeggen. Elke Grieteny vervat een +zeker getal Dorpen onder zich, staande onder de regeering van een +Grietman. De Steden zyn 11 in getal, rustende elk op haar eigen recht; +maakende te zamen in zaaken van regeering het vierde Lid van Staat. In +’t optellen van welke Dorpen, doordien zy naar de +verscheidentheid der byzondere spraaken (dialecten) of anderzins ook +verscheiden worden genoemt, zo komt in bedenkinge, welke wyze +gevoegelijkst mag gevolgt worden: want van de <span class= +"pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name= +"pb274">274</a>]</span>benaaminge der zelve zyn zommige +gebruikelyk,</p> +<p>1. In de gemeene taal, alleen Buitenpost, Donkerbroek.</p> +<p>2. In de Stadsspraak, als Nyega.</p> +<p>3. In de Landsspraak alleen, als Tjietjerk, Tjaalebird.</p> +<p>4. Gemengd, 1. uit de gemeene Stadsspraak, als Peperga, Lutkepost, +Nyjenhuis. 2. Uit de gemeene en Landsspraak, als Langewar, Suerig. En +3. uit Stads- en Landsspraak, als Tserkgaast, Molkweeren.</p> +<p>5. De zelve Dorpen, anders in ’t gemeen, als by stedelingen en +landlieden, als Nieukerk, Nykerk, Nytjerke: Molkweeren, Molkwarren.</p> +<p>6. Naar oude misspellinge, Hyelsum voor Jelsum; Hyaure voor Jaure of +Joure; en Greonterp voor Grien of Groenterp.</p> +<p>7. In verkorting, als Birdaard voor Birdewerd, Oestrum voor +Eestroom, Raard voor Raawerd, enz.</p> +<p>Waar op het wel billyk is, dat men in een schrift, in de gemeene +taal geschreven, als dit tegenwoordige, ook hier de naamen der Dorpen +in die zelve taal zoude stellen: doch nochtans hier niet vry staat +omtrent eenigen, als die haar oorsprong uit de byzondere spraaken +hebben, gelyk Tserkgaast, Adegae en Molkwarren: voor welke men (hoewel +mogelyk in gelyke zin, doch ongerymt) zou zeggen, Kerkburg, Ouddorp en +Melkfennen. Even ongerymt zoudenze alle <span class="pagenum">[<a id= +"pb275" href="#pb275" name="pb275">275</a>]</span>in de Stads- of +Landsspraak gestelt worden: en geheel overtollig in die alle te +gelyk.</p> +<p>Daarom hebben wy geacht dezelve veilig te mogen gebruiken, naar de +uitspraak die in de gemeene wandeling meest omgaat. Gelyk wy zien dat +in de Saxische bedeelinge, (achter dien Hertogs Wetten, in die tyden +gedrukt) en ook by Winsemius, Schotanus en anderen, geen eenerlei wyze +is gehouden.</p> +<div class="div2" id="oostergo"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e3669" class="main">I. Oostergo.</h3> +<p class="firstpar">Hierin zyn twee Steden gelegen, als Leeuwarden en +Dokkum. ’t Word verdeeld in 11 Grietenyen.</p> +<p>I. Leeuwarderadeel, heeft 14 Dorpen. ’t Word in 3 Trindels of +derdendeelen afgedeelt. 1. ’t Middeltrindel, is onder de klokslag +van Leeuwarden. 2. Zuidertrindel, Wirdum, Swichchum, Goutum, Huizum, +Hempens en Teerns. 3. Noordertrindel, Steens, Finckum, Hyjum, Britsum, +Kornjum, Jelsum, Lekkum en Meedum.</p> +<p>II. Ferwerderadeel, heeft 11 Dorpen, als, Ferwert, Hoogebeintum, +Blyje, Hallum, Marrum, Nykerk, Wanswert, Geenum, Jeslum, Reisum en +Lichtaard.</p> +<p>III. Westdongeradeel, heeft 14 Dorpen, als, Holwert, Tennaard, +Wierum, Nes, Hantumhuizen, (Raad, Bierum, Medent, <span class= +"pagenum">[<a id="pb276" href="#pb276" name= +"pb276">276</a>]</span>Germerhuizen, Nyjenhuis, zynde Gebuurten, +maakende eene stem,) Jaure, Betterwird, Bornmerhuizen, Bornwert, Raard, +Foudgum, Brantgum en Waaxens.</p> +<p>IV. Oostdongeradeel, heeft 13 Dorpen, als, Anjum, Engwierum, Ee, +Jouswier, Oestrum, Aalsum, Wetsens, Nyjewier, Nykerk, Paasens, +Ljuessens, Morre en Metselwier.</p> +<p>V. Kollumerland, heeft 6 Dorpen, als, Kollumerswaag, Westergeest, +Oudwoude, Kollum, Lutkewoude of Ausbuer en Buerom.</p> +<p>VI. Achtkarspelen, heeft 8 Dorpen, als, Surhuizen, Austynsga, +Harkma-opeinde, Droogeham, De Kooten, Op ’t Wyzel, Buitenpost en +Lutkepost.</p> +<p>VII. Dantumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Driesum, Wouterswoude, +Dantumerwoude, Murmelwoude, Akkerwoude, Rinsmageest, Sybrandahuis, +Janum, Birdaard, Roodkerk, Feenwouden en Swaagwesteinde.</p> +<p>VIII. Tjietjerksterdeel, heeft 14 Dorpen, als, Wyns, Oudkerk, +Oenkerk, Giekerk, Ryperkerk, Tjietjerk, Suwoude, Hardegaryp, Bergum, +Eestrum, Oostermeer, Sumeer, Garyp en Eernwoude.</p> +<p>IX. Smallingerland, heeft 7 Dorpen, als, Oudega, Nyjega, Opeinde, +Noorderdrachten, Suiderdrachten, Kortehem en Bornbergum.</p> +<p>X. Idaarderdeel, heeft 8 Dorpen, als, Idaard, Æaegum, +Roodahuizum, Friens, Grou, Warrega, Warstiens en Wartena. <span class= +"pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name="pb277">277</a>]</span></p> +<p>XI. Rawerderhem, heeft 6 Dorpen, als, Rawerd, Yrnsum, Poppingawier, +Tersool, Sybrandabuert en Deersum.</p> +</div> +<div class="div2" id="westergo"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e3700" class="main">II. Westergo.</h3> +<p class="firstpar">Hier in zyn 8 Steden, namentlyk, Bolswert, +Franeker, Sneek, Harlingen, Staveren, Workum, D’r Ylst en +Hindeloopen. ’t Word verdeelt in 9 Grietenyen.</p> +<p>I. Menaldumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Menaldum, Berlikum, Wier, +Beetgum, Englum, Marsum, Deinum, Boxum, Blessum, Dronryp, Schingen, +Slappeterp en ’t Klooster Anjum.</p> +<p>II. Franekerdeel, heeft 11 dorpen, als, Tjum, Hitsum, Achlum, +Midlum, Herbaajum, Doenjum, Boer, Ried, Peins, Sweins en Schalsum.</p> +<p>III. Barradeel, heeft 8 Dorpen, als, Minnertsga, Firdgum, +Tjiemaarum, Oosterbierum, Sixbierum, Pytersbierum, Winaldum, Almeenum, +nu meest binnen de muuren van Harlingen, daar het haare stem heeft in +de Kerk, en ’t Klooster Lidlum.</p> +<p>IV. Baarderdeel, heeft 16 Dorpen, als, Jorwert, Weidum, Mantgum, +Schillaard, Oosterwierum, Bozum, Wiewert, Britsert, Oosterlittens, +Winsum, Baard, Huins, Lyons, Hilaard, Jellum en Beers. <span class= +"pagenum">[<a id="pb278" href="#pb278" name="pb278">278</a>]</span></p> +<p>V. Hennaarderdeel, heeft 12 Dorpen, als, Hennaard, Ytens, +Lutkewierum, Oosterend, Hidaard, Wommels, Waaxens, Kubaard, Wielsryp, +Baajum, Spannum en Eedens.</p> +<p>VI. Wonzerdeel, heeft 27 Dorpen, als, Aarum, Allingwier, Burgwert, +Kornwert, Dedgum, Exmorre, Engwier, Ferwoude, Greonterp, Gaast, +Hartwert, Hichtum, Hiezlum, Idzegahuizen, Kunswert, Ruigelollum, +Longerhou, Makkum, Pinsum, Parrega, Pyaam, Schettens, Schraad, Suerig, +Tjerkwert, Witmaarsum en Wons.</p> +<p>VII. Wymertser- of Wymbritserdeel, heeft 28 Dorpen, dezelve worden +aangeteekent, als, Buitendyks: Oppenhuizen, Uitwellingerga, Jortryp, +Hommerts, Smallebregge, Woudseind, Ypekolsga, Indyk, Heeg, Gasmeer, +Nyjehuis, Santfirde, Oudega en Idzega. Binnendyks: Oosthem, Abbega, +Westhem, Wolsum, Nyland, Folsgaare, Tjaalehuizen, Ysbrechtum, Tirns, +Scharnegoutum, Goinga, Looienga, Gaau en Offingawier.</p> +<p>VIII. Heemelumer Oudephert en Noordwoude, heeft 9 Dorpen, als, +Heemelum, Koudum, Warns, Scharl, Molkwarren, Oudega, Nyjega, Elahuizen +en Kouderwoude.</p> +<p>IX. Het Bilt, heeft 3 Dorpen, als, St. Japikskerk, St. Annekerk en +L. Vrouwenkerk. <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" +name="pb279">279</a>]</span></p> +</div> +<div class="div2" id="zevenwouden"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e3725" class="main">III. Zevenwouden.</h3> +<p class="firstpar">Hier in legt de Stad Slooten alleen. ’t Word +verdeelt in 10 Grietenyen.</p> +<p>I. Uitingerdeel, heeft 6 Dorpen, als, Oudeboorn, Nes, Akrum, +Terhorne, Terkaple en Akmaryp.</p> +<p>II. Engwerden, heeft 4 Dorpen, als, Gersloot, Tjaalebird, +Luinjebird, Ter Trebant met Bansterschans, en noch een gedeelte van +’t Vlek Heerenveen.</p> +<p>III. Doniawerstal, heeft 14 Dorpen, als, Goingaryp, Broek, +Austerhaule, Nyjega, Oudouwer, St. Niklaasga, Doniaga, Tserkgaast, +Itskenhuizen, Leegemeer, Ter Oele, Indyken, Langweer en Bornswaag.</p> +<p>IV. Hasscherland, heeft 6 Dorpen, als, Westermeer, Snikswaag, +Hasscherdyken, Nyjehassche, Oudehassche en Hasscherschorne.</p> +<p>V. Schooterland, heeft 18 Dorpen, als, Hornsterswaag, Jubbega, +Schuerega, Oudehorn, Nyjehorn, Katlyk, Brongerga, Nybrongerga, +Melledam, Oudeschoot, Nyjeschoot, Rottum, St. Jansga, De Kleinegaast, +Haule, Roehel of Nyjega, Delfstrahuizen, Oudega en Uitdyken, en een +groot deel van ’t Vlek Heerenveen.</p> +<p>VI. Lemsterland, heeft 5 Dorpen, als, <span class="pagenum">[<a id= +"pb280" href="#pb280" name="pb280">280</a>]</span>Lemmer, Eesterga, +Follega, Oosterzee en Echten.</p> +<p>VII. Gaasterland, heeft 7 Dorpen, als, Wykel, Sundel, Nyjemardum, +Oudemardum, Mirns, Haarig, Ruigehuizen en ’t Vlek Balk.</p> +<p>VIII. Upsterland, heeft 13 Dorpen, als, Beets, Beetsterswaag, +Olterterp, Uereterp, Sygerswoude, Duerswoude, Wynjeterp, Hemryk, +Loppenhuizen, Wispel, Korteswaag, Langeswaag en Luxwoude.</p> +<p>IX. Stellingwarf-Oosteinde, heeft 10 Dorpen, als, Oudeberkoop, +Nyjeberkoop, Makkinga, Donkerbroek, Haule, Oosterwoude, Fochtele, +Appelsche, Langedyk en Elsloo.</p> +<p>X. Stellingwarf-Westeinde, heeft 20 Dorpen, als, Beuil, Noordwoude, +Finkinga, Steggerden, Peperga, Blesdyk, Nyjehoutpade, Oudehoutpade, +Wolvega, Sonnega, Oudetryne, Nyjetryne, Spangen, Scherpenseel, +Munnekebuuren, Oudelemmer, Nyjelemmer, Nyjehoutwoude, Oudehoutwoude en +Ter Idsert.</p> +<hr class="tb"> +<p class="xd20e102"><i>Geschreven in slaavernye, en gegeeven<br> +in April, in ’t Jaar<br> +onzes Heeren<br> +<span class="rm">1678</span>.</i> <span class="pagenum">[<a id="pb281" +href="#pb281" name="pb281">281</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="bijvoegsels" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e3769" class="main">Bijvoegsels en Aanteekeningen.</h2> +<p class="firstpar xref">Bladz. <a href="#pb2" class= +"pageref">2</a>.</p> +<p>Van den alouden staat onzer Provincie kan geene naauwkeurige +beschrijving worden gegeven, daar er niets dan onzekere berigten en +velerlei uiteenloopende gevoelens tot ons zijn overgekomen. Op eenigen +goeden grond echter mag men besluiten, dat omstreeks de vijfde eeuw +onzer jaartelling Friesland zich van Vlaanderen tot de Elve heeft +uitgestrekt, en hetzelve noordwaards den Eiderstroom tot grensscheiding +had, waardoor dan ook de kustbewoners aan deze rivier, nog heden ten +dage van den naam des Lands, dien van Strandfriezen dragen. Dat +Vlaanderen tot Friesland behoord hebbe, zoo als meermalen is beweerd, +valt zeer te betwijfelen, want aldaar was de grensscheiding.</p> +<p>Onder Koning Radboud I, en later nog ten tijde van Karel den Groote, +vinden wij de uitgestrektheid van dit Gewest van het land van Katzand +af, tusschen de rivier Sincfal of Zwene (de Suin of Zwin) bij +Sluis<a class="noteref" id="xd20e3780src" href="#xd20e3780" name= +"xd20e3780src">1</a>, tot aan de Elve: de Waal scheidde het +<span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name= +"pb282">282</a>]</span>van het gebied der Franken af en de Wezer was +tot oostelijke grenspaal gesteld. Al de landen dus aan de oevers der +Noordzee, van het Hertogdom Bremen tot aan Vlaanderen, maakten het +oorspronkelijk en overwonnen gebied der Friezen uit: het oorspronkelijk +of oud Friesland lag tusschen de Eems en het Vlie langs de +Noordzeekusten. Van de Eems tot den Wezer en aan geene zijde van het +Vlie, met een groot deel binnenlands tot aan het Zwin, was overheerd +land. Ook de eilanden tot den mond van de Eems behoorden den Friezen, +doch geenszins Helgoland, zeer verkeerdelijk voor Radbouds zetel +gehouden.</p> +<p>Weinige jaren voor ’s Heilands geboorte, werden de Friezen, +tusschen de Eems en het Vlie wonende, de <i>Groote Friezen</i>, en die +tusschen het Vlie en den Rijn de <i>Kleine Friezen</i> genaamd. De +eersten bewoonden dus gedeelten van Gelderland, Overijssel, Drenthe en +het Gooiland, alsmede de streken beoosten de Zuiderzee en de rivier +Flevo tot aan de Eems toe: de laatsten een gedeelte van Rijnland, +Kennemerland, Amstelland en Noord-Holland. Daarna werden deze +West-Friezen en gene Oost-Friezen geheeten. Een aantal kleine volken +van Germaanschen en Gallischen of Frankischen oorsprong hadden de +Friezen tot naburen.</p> +<p>Te dien tijde, eenige jaren namelijk voor Christus geboorte, toen de +Opperbevelhebber Claudius Drusus Nero, stiefzoon van den Keizer +Augustus, ook Friesland onder de magt der Romeinen wilde brengen, lag +tusschen West-Friesland (Noord-Holland) en het tegenwoordig Friesland +het groote meer Flevo. Het Graafschap Staveren beoosten het Vlie, wiens +uitwatering eerst tusschen Texel en Vlieland, daarna tusschen Vlieland +en Terschelling plaats had, paalde aan Noord-Holland. Het eiland Flevo, +door de verdeelde armen van het Vlie omvat, lag ter plaatse alwaar nu +de zandplaat <i>Bree-sand</i> zich bevindt. Uitgestrekte bosschen lagen +in den omtrek der stad Staveren, thans allen in zee verzwolgen. De +kleine rivier de IJssel liep in ’t meer Flevo, hetwelk na de +<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283" name= +"pb283">283</a>]</span>door Drusus gemaakte vereeniging van den Rijn +met den IJssel, door verschillende stroomen zich in de Middelzee +ontlastte<a class="noteref" id="xd20e3825src" href="#xd20e3825" name= +"xd20e3825src">2</a>. Deze zee besloeg een groot <span class= +"pagenum">[<a id="pb284" href="#pb284" name="pb284">284</a>]</span>deel +van het noorden der Provincie, scheidende Oostergo en Westergo, haren +loop nemende door de Grietenijen <span class="corr" id="xd20e3844" +title="Bron: Barradeel">Baarderadeel</span>, Idaarderadeel, +Hennaarderadeel, Rauwerderhem tot in Wijmbritseradeel, eindigende bij +Bolsward en Sneek. Bij de stad Uitgong, welligt nabij Berlikum had zij +hare uitwatering in de Wadden, en voorts tusschen Terschelling en +Ameland in de Noordzee.</p> +<p>Wij geven geene meer bepaalde beschrijving van den alouden staat der +Provincie, maar verwijzen den Lezer tot de breedvoeriger behandeling +hiervan te vinden in <span class="sc">Winsemius</span>, <span class= +"sc">Schotanus</span>, <span class="sc">Emmius</span>, <span class= +"sc">F. Sjoerds</span>, bijzonder het kort overzigt in den +<i>Tegenwoord. Staat van Friesland I deel</i>, en over de Groote en +Kleine Friezen de Aanteekeningen van <span class="sc">Siccama</span> op +de <i>Lex Frisionum</i> pag. 137 seq. Men vergelijke hierbij hetgeen +door den heer <span class="sc">Westendorp</span> in zijn <i>Jaarboek +van en voor de Provincie Groningen</i>, en door <span class= +"sc">Bilderdyk</span> in het 1 deel van zijne <i>Geschiedenis des +Vaderlands</i> (bepaald op bl. 18 en 251 volgg.) met betrekking tot de +oude Historie is geboekt:—als ook de <i>Geschiedenis der +Nederlandsche Taal</i> van den Hoogleeraar <span class="sc">A. +<span class="corr" id="xd20e3889" title= +"Bron: Ypey">Ypeij</span></span>, II. 106, die aldaar en elders +belangrijke bijvoegsels geeft tot den alouden staat van Friesland +betrekking hebbende.—Over de Middelzee, hare grenzen en +uitgestrektheid bevelen wij zeer aan de <i><span class="corr" id= +"xd20e3893" title="Bron: Bijdragen tot">Nasporingen betrekkelijk</span> +de Geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland</i>, door +<span class="sc">P. Brouwer Pz.</span> en <span class="sc">W. +Eekhoff</span><a class="noteref" id="xd20e3902src" href="#xd20e3902" +name="xd20e3902src">3</a>. Zie voorts de <i>Inleiding van mijn Tafereel +<span class="pagenum">[<a id="pb285" href="#pb285" name= +"pb285">285</a>]</span>van den Watervloed in Friesland</i>. Wij voegen +hierbij nog de aanmerking, ook door anderen gemaakt, van den Ridder +<span class="sc">Scheltema</span>, voorkomende in zijne als nog +onuitgegevene <i>Geschiedenis der Zuiderzee</i>, dat in vorengemelden +tijd welligt het Gooiland in Holland en Gaasterland in ons Gewest +aaneengehecht waren, verdienende het bijzondere opmerking dat de +grondgesteldheid gelijk is, en aan beide zijden de einden van eene +hooge aardrigchel, in Holland de Muiderberg en bij Staveren het Klif, +aanwezig is; even als de afgebrokene en tegen over elkander liggende +Krijtbergen in Frankrijk en Engeland zouden bewijzen dat eertijds hier +geene scheiding bestond. Waarschijnlijk stroomde er toen nog geen zout +water binnen den kreits der duinen van Terschelling af tot aan den +uitloop der Maas.—Belangrijke opmerkingen deelt de kundige +<span class="sc">F. Arends</span> ons mede in zijne Geschiedenis der +Noordzeekusten, in welke hij de veranderingen beschrijft, welke die +kusten door stormvloeden, gedurende een tijdvak van tweeduizend jaren +hebben ondergaan<a class="noteref" id="xd20e3938src" href="#xd20e3938" +name="xd20e3938src">4</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb286" href= +"#pb286" name="pb286">286</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb2" class= +"pageref">2</a>.—A<sup>o</sup> 313.</p> +<p>Wat betreft de heerschappij der Prinsen, Hertogen en Koningen over +Friesland, van den jare 313 voor Christus geboorte tot 773 of 775 jaren +na dezelve, waarvan de korte beschrijving in de eerste drie +hoofdstukken dezer kronijk begrepen is, daarin komt zeer veel +onwaarschijnlijks en fabelachtigs voor, zoodat wij niet gaarne op het +gezag van deze en andere Geschied- en Kronijkschrijvers alles voor +goede munt zouden aanprijzen: alles evenwel te verwerpen, gelijk ook +door Friesche Schrijvers-zelve geschied, is evenmin raadzaam. Men leze +en overwege hier naauwkeurig wat de geleerde Baron <span class= +"sc">thoe Schwartzenberg</span> en <span class= +"sc">Hohelansberg</span>, in de uitmuntende <i>Voorrede</i> voor zijn +<i>Charterboek</i> (vooral I. D. bl. 16 en 17), een geschrift, even +nuttig als het boek-zelf, op dit punt zegt, en aan wiens gevoelen wij +eene hooge waarde hechten. Het was voor den geleerden <span class= +"sc">Emmius</span> en in navolging van hem voor <span class="sc">Foeke +Sjoerds</span> en den schranderen <span class="sc">van Rhyn</span>, die +evenwel hier en daar niet zoo gestreng is, niet moeijelijk, het gezag +van andere Schrijvers te verwerpen, en, wat niet met krachtige bewijzen +gestaafd konde worden, voor fabels te verklaren. Maar men brenge ook de +meeningen van den Baron van <span class="sc"><span class="corr" id= +"xd20e3983" title="Bron: Shwartzenberg">Schwartzenberg</span></span> +ter toetse, en het lijdt geen’ twijfel, of de oordeelkundige +Lezer zal, even als wij, tot de uitkomst moeten komen, dat het gevoelen +der eerstgemelden aan gewigtige tegenbedenking is onderworpen. Het +groote en altijd herhaalde argument, waarom wij toch zoo weinig bij de +Romeinsche <span class="pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287" name= +"pb287">287</a>]</span>Schrijvers van alles, wat de kronijken bevatten, +vinden, zal toch wel niet als voldoende kunnen worden +beschouwd:—dan het is hier niet de plaats, daarover verder uit te +weiden, liever willen wij hier invoegen wat de zeer verdienstelijke +Oudheidkundige <span class="sc">N. Westendorp</span>, in zijn +<i>Jaarboek van en voor de Provincie Groningen</i> (I. 21 volgg.), op +dit onderwerp zegt:</p> +<p>»De Vriesche jaarboeken beginnen de lijst der Vriesche +koningen en vorsten reeds van vóór den tijd van ’s +Heilands geboorte af. Alhoewel wij ons geenszins met zekerheid op de +berigten dezer verzamelaars, ten aanzien dier opvolgingen, durven en +willen verlaten; nogtans deelen wij gansch niet in de twijfelzucht van +<span class="sc">Emmius</span> en van anderen, welke hem gevolgd zijn. +Vooreerst zijn er geene redenen, om zoo ten eenenmale de +geloofwaardigheid van <span class="sc">Cappidus Staurensis</span>, +geleefd omtrent 920, van <span class="sc">Occo Scharlensis</span>, +welke begon te schrijven in 903 en zulks vervolgde tot 970, van +<span class="sc">Johannes Vlieterpius</span>, Schrijver van den +potestaat <span class="sc">J. H. Martna</span> en der gemeene +Landsregteren, die <span class="sc">Occo’s</span> kronijk +grootendeels uit het H. S. vertaalde en hier en daar vermeerderde +(1370), van <span class="sc">M. Alvinus</span> (1400), van <span class= +"sc">Andreas Cornelius</span>, overleden te Harlingen in 1589, van +<span class="sc">Corn. Kempius</span> (1588), van <span class= +"sc">Vorperus Taboritha</span>, <span class="sc">Suffridus +Petri</span>, <span class="sc">Mart. Hamconius</span> (1624), van +<span class="sc">Bernh. Gerbr. Furmerius</span> (1613), en van meer +anderen, te verwerpen. Trouwens de Vriezen hadden weleer hunne barden +en bardengezangen: zoo hoorde nog de bisschop <span class= +"sc">Ludger</span>, eenen Vrieschen bard de daden der vroegere tijden +bezingen. <span class="sc">Andr. Cornelius</span> is ook in mijn oog +een achtingwaardig Schrijver. Deze verhaalt in de voorrede van zijn +werk, dat <span class="sc">Vlieterp</span> in eene zeer lange voorrede +berigtte, dat <span class="sc">Occo Scharlensis</span> in de voorrede +van zijn werk in het breede had ontvouwd, hoe zijn oude oom +<span class="sc">Solcko Forteman</span> het leven der Vriesche +koningen, prinsen en heeren, die van het begin af in Vriesland hadden +geregeerd, ten tijde van den laatsten Vrieschen koning <span class= +"pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name= +"pb288">288</a>]</span>Radbod naauwkeurig beschreven had: over welk +geschrift hij door dien koning zeer was vervolgd geworden. Schoon nu +dit opstel te dien tijde op koninklijk bevel was verbrand geworden, +nogtans waren al zijne overgeblevene schriften en boeken in handen van +<span class="sc">Occo</span> gekomen, door middel van <span class= +"sc">Gatje Takama</span> (zijnen vader), welke er vele fragmenten en +schoone stukken betrekkelijk Vriesland onder gevonden had. Deze schat +bewoog hem, om alles te verzamelen, wat overgebleven was, en wat hij +wist. Volgens getuigenis van <span class="sc">Suffridus Petri</span>, +zouden de bouwstoffen tot het werk van <span class="sc">Alvinus</span> +uit zoodanige oude liederen genomen zijn. Daarenboven heeft +<span class="sc">S. Petri</span> toegang gehad tot alle +kloosterkronijken en kloosterpapieren van Vriesland, waardoor hij in de +gelegenheid was, om meer ontwaar te worden dan anderen. Ook vinden wij +er geene de minste tegenstrijdigheid in, dat de Vriezen, even gelijk de +Kymry in Wallis en de Galen in Ierland, hunne geschiedenis aan de +bardenorde toevertrouwden, en dat deze ook hunne Taliesins gehad +hebben. Bij de Kymry en de Ieren zijn deze liederen nog grootendeels +behouden, en dalen mede tot vroegere tijden terug. De Vriesche +berigten, hoezeer vermengd met dichterlijke bijvoegselen en met +aanvullingen van verschillenden aard, verdienen waarlijk de aandacht +van onderzoeklievende mannen”<a class="noteref" id="xd20e4071src" +href="#xd20e4071" name="xd20e4071src">5</a>.</p> +<p>Betrekkelijk den oorsprong der Friezen vinden wij bij Grieksche noch +Romeinsche Schrijvers eenige voldoende berigten, uit hoofde zij hun +gezag van den aanvang niet in deze oorden gevestigd hebben. Over de +benaming en aanvankelijke regeringsvorm zijn ook verschillende +meeningen te berde gebragt. Het gevoelen ten dezen van den heer Mr. +<span class="sc">A. van Halmael</span> Jr. ook het onze zijnde, nemen +wij hier over, hetgeen in zijn <i>beknopt Overzigt der <span class= +"pagenum">[<a id="pb289" href="#pb289" name= +"pb289">289</a>]</span>Friesche Geschiedenis</i><a class="noteref" id= +"xd20e4086src" href="#xd20e4086" name="xd20e4086src">6</a> is +vermeld:</p> +<p>»De oorsprong van de namen <i>Friezen</i> en <i>Friesland</i> +heeft met dien van vele andere volkeren en landen dit gemeen, dat hij +hoogst onzeker is. Even onzeker schier is het te bepalen, op welke +wijze het land in de oudste tijden is geregeerd geworden; of er +één enkel persoon aan het spits der regering stond, en +zoo ja, welken naam hij droeg. Ook naar de uitgestrektheid van het +land, hetwelk den naam van <i>Friesland</i> droeg, en naar de gedaante +van hetzelve, kan men weinig meer dan gissen.”</p> +<p>»Het komt ons echter, wat het eerste betreft, niet +onwaarschijnlijk voor, dat de naam van <i>Friezen</i> niet anders dan +<i>vrijen</i> heeft beteekend, welken naam dat gedeelte der Germaansche +of Duitsche volkeren, <span class="pagenum">[<a id="pb290" href= +"#pb290" name="pb290">290</a>]</span>hetwelk het eerst <i>Friesland</i> +tot woonplaats verkozen heeft, zal hebben aangenomen, ten einde zich +daardoor te onderscheiden van andere stammen, die misschien minder +naijverig waren op hetgeen zij <i>Friezen</i> verstonden onder +vrijheid,—volkomen onafhankelijkheid van allen, die niet tot +hunnen eigenen stam behoorden, of tot de genen welke zij daarin +goedvonden aan te nemen”<a class="noteref" id="xd20e4151src" +href="#xd20e4151" name="xd20e4151src">7</a>.</p> +<p>»Wat der Regering betreft, één persoon schijnt +aan het hoofd der <i>Friezen</i> gestaan te hebben; niet evenwel +zonder, in openlijke aangelegenheden, den raad der <i>Wijsten</i>, dat +is <i>Oudsten</i> zijner landgenooten, in aangelegenheden van algemeen +belang, de meening van het geheele volk ingenomen, en dien van de +meerderheid gevolgd te hebben. Het komt ons wijders niet onaannemelijk +voor, dat die ééne persoon, meerder uitvoerder van +’s volks wil dan eigenmagtig gebieder, maar ook in de uitvoering +ongebonden, den naam van <i>Koning</i> droeg, welken naam wij, naar de +afleiding des woords, meenen aangeduid te hebben: <i>den eersten man +van het eerste <span class="rm">(d. i<span class="corr" id="xd20e4232" +title="Niet in bron">.</span> mannelijk)</span> geslacht, eens +heerschenden volks</i>.”</p> +<p>»Daarmede willen wij echter niet geacht worden, <span class= +"pagenum">[<a id="pb291" href="#pb291" name="pb291">291</a>]</span>de +geheele rij der <i>zeven</i> eerste Koningen (in kronijken +<i>Prinsen</i> genoemd), der <i>zeven</i> Hertogen en der <i>negen</i>, +dezen wederom vervangen hebbende Koningen, welke alle door onze +kronijkschrijvers met name genoemd worden, te erkennen.”</p> +<p>»Ook gelooven wij niet dat de oppermagt der Vorsten erfelijk +was, althans niet in de eerste tijden, hoewel meestal de zoon eens +konings, over wiens bewind het volk tevreden was, hem zal opgevolgd +zijn.”</p> +<hr class="tb"> +<p>Er bestaan over den oorsprong des Frieschen volks eenige +overleveringen en sagen uit den overouden tijd, in welken de +geschiedkundige waarheid, met de noodige versierselen en verdichtselen, +werd gehuld en bewaard gebleven is: jammer maar dat het en door den +geest der vroegere tijdperken, en door de wijze der overlevering zoo +moeijelijk is geworden waarheid en fabel van elkander te schiften. +Alles komt echter op dit punt neder, dat de Friezen geene +<i>aborigenes</i>, dat is inboorlingen van Friesland waren, maar over +zee naar deze landstreken waren aangekomen om dezelve te +bevolken<a class="noteref" id="xd20e4262src" href="#xd20e4262" name= +"xd20e4262src">8</a>. Wij willen kortelijk uit de geschiedenis enigen +dier sagen en volksvertellingen bijeenverzamelen en mededeelen, dewijl +onze kronijk slechts van eene enkele gewaagd.</p> +<p>Naar het gevoelen van <span class="sc">Joachim Hopper</span> zouden +de Friezen afkomstig zijn van de Hijperboreische volkeren, van wien zij +hunne taal, godsdienst en zeden hadden ontvangen<a class="noteref" id= +"xd20e4276src" href="#xd20e4276" name="xd20e4276src">9</a>. +<span class="pagenum">[<a id="pb292" href="#pb292" name= +"pb292">292</a>]</span></p> +<p><span class="sc">Cornelius Kempius</span> verhaalt dat een +Karthuizer, genaamd Reinerus de Friezen deed afstammen van een aantal +Joden, die door Vespasianus na de inneming: van Jeruzalem in ’t +leven gespaard, uit het Joodsche land verdreven en herwaarts in +ballingschap gezonden waren. »Doch de goede man (zoo zegt +<span class="sc">Van Rhyn</span><a class="noteref" id="xd20e4307src" +href="#xd20e4307" name="xd20e4307src">10</a>) moet <span class= +"sc">Tacitus</span> en andere schrijvers niet gelezen hebben, die hem +zouden onderricht hebben, dat de Vriezen hier al woonden omtrent de +tijden van Christus,”—dus voor Jeruzalems +verwoesting<a class="noteref" id="xd20e4313src" href="#xd20e4313" name= +"xd20e4313src">11</a>. Deze overlevering hoorde ook bij de oude +Pruissen te huis, wier voorouders door Salmanzar uit het Joodsche land +waren verdreven<a class="noteref" id="xd20e4322src" href="#xd20e4322" +name="xd20e4322src">12</a>.</p> +<p>Van Frankischen oorsprong schijnt navolgende sage door <span class= +"sc">Joannes Trithemius</span>, in navolging van <span class= +"sc">Hunibaldus</span>, geboekt in zijne geschiedenis der Frankische +koningen. Frisius was de zoon van koning Coglio; deze werd met +toestemming aller Franken Koning van Friesland, doch aan deze keus +verbonden zij de voorwaarde, dat hij en alle zijne opvolgers met hunne +onderdanen onder de Franken zouden staan, en tot schatting jaarlijks +tweehonderd en zestig koeijen leveren: daarenboven waren zij verpligt +als getrouwe vrienden en bondgenooten der Franken, dezen in alle +oorlogen bij te staan. De Friezen nu zouden, volgens het beweerde van +verschillende schrijvers<a class="noteref" id="xd20e4342src" href= +"#xd20e4342" name="xd20e4342src">13</a>, van dezen Koning den naam +gekregen hebben. Ook dit verhaal wordt door de geschiedschrijvers van +lateren tijd verworpen, <span class="pagenum">[<a id="pb293" href= +"#pb293" name="pb293">293</a>]</span>daar de Franken toen nog niet als +magtig volk zouden hebben bestaan, maar eerst driehonderd jaar na +Christus geboorte.—Het is echter vrij zeker, dat het Frankisch +gezag reeds zeer vroeg bij de Friezen heeft geheerscht; zelfs de +benaming dezer beide volken wordt vaak verwisseld. Deze geheele sage +zal echter van later dagteekening zijn dan anderen<a class="noteref" +id="xd20e4358src" href="#xd20e4358" name="xd20e4358src">14</a>.</p> +<p><span class="sc">Hubertus Thomas</span>, een Luikenaar, schreef een +boek over de Tongren en Eburonen, waarin hij met kracht van redenen +betoogde, dat de Friezen uit de oude Phrygeers of Trojanen herkomstig +waren, welk gevoelen ook anderen aankleefden<a class="noteref" id= +"xd20e4382src" href="#xd20e4382" name="xd20e4382src">15</a>. Grunus, +een voornaam Trojaan onder hen, had Groningen gebouwd, het gewest +Frisia en dus het volk met den naam van Friezen gedoopt. Vierhonderd +drie en dertig jaren voor Christus waren deze Trojanen, onder Marcomir, +in Duitschland bij de Saksen gekomen en naar den zeekant +afgezakt<a class="noteref" id="xd20e4393src" href="#xd20e4393" name= +"xd20e4393src">16</a>. Tot een vernuftig bewijs van zijne stelling +brengt <span class="sc">Thomas</span> bij, dat het stedeken Ylst niet +Elostum, zoo als sommige Latijnen zeggen, maar Iliacum, dus genaamd +naar Ilium, heeten moet, en dat Aschendorp in Groningerland, naar den +befaamden Ascanius ook den naam Ascania heeft gedragen.—Dit +verhaal schijnt van Oud-Duitsche geboorte te zijn<a class="noteref" id= +"xd20e4418src" href="#xd20e4418" name="xd20e4418src">17</a>.</p> +<p><span class="sc">Eggerik Beninga</span> beschrijft in zijne +Oost-Friesche <span class="pagenum">[<a id="pb294" href="#pb294" name= +"pb294">294</a>]</span>Kronijk<a class="noteref" id="xd20e4433src" +href="#xd20e4433" name="xd20e4433src">18</a> den oorsprong der Friezen +ook op deze wijze. Ten tijde dat Samuel regter over de kinderen Israels +was, nadat de wereld 2860 jaren had gestaan, was er een koning van +Assyrien, Diedictus genaamd, wiens gemalinne Albiona bij het volk in +kwaad geruchte stond. Op zekeren tijd liet zij alle hare zusters, twee +en dertig in getal, en allen aan koningen, vorsten en groote heeren +door den echt verbonden, bij zich komen, en, zich niet langer door hare +mannen willende laten regeren, sloten zij in ’t geheim een +verbond, dat elk zijnen echtgenoot zou om het leven brengen en dan +zelve het bestuur in handen nemen. Maar de zamenzwering werd ontdekt en +tot straf werden de 32 zusters, met al de medepligtigen, in een schip +zonder roer en zeilen gezet en zoo voor wind en stroom aan de willekeur +der woeste golven prijs gegeven. Na lang omzwervens kwamen zij ten +laatste aan een onbewoond eiland, hetwelk zij, naar den naam der oudste +zuster Albion noemden en langen tijd bewoonden. Uit deze zusters werd +het groote en wreede reuzengeslacht geteeld, dat door Brutus is +verslagen en op de vlugt gejaagd, welke vlugtelingen de Noordzee +opstevenden en naar een nieuw vaderland zochten. Dus aan de Friesche +kust gekomen, namen zij dit land ten deele met geweld in, en zetten +zich er neder. Brutus, nu Heer van Albion, herdoopte het eiland in +Brutannien en liet de stad Londen bouwen, dan ook hij werd op zijnen +tijd weder verdreven door het geweld der Friesche koningen Engistes en +Horses.—Zoo ver <span class="sc">Beninga</span>.—In +<span class="sc">Westendorp’s</span> <i>Kronyk</i> wordt +verhaald, dat de gevlugte reuzen, bij hunne aankomst aan den Frieschen +wal, onvermoeds door de ingezetenen des lands verdreven zijn, de Maas +zijn opgevaren en Slavenburg hebben gesticht.—Zoodat volgens dit +verhaal dan reeds het land bevolkt <span class="pagenum">[<a id="pb295" +href="#pb295" name="pb295">295</a>]</span>was<a class="noteref" id= +"xd20e4454src" href="#xd20e4454" name="xd20e4454src">19</a>. Deze +overlevering schijnt op de Kelten, de oudste bewoners van Brittannien +te slaan.</p> +<p>In bijna al de geschied- en kronijkschrijvers, zoo als ook in de +onze, vinden wij de volks-overlevering, welke ook in den Frieschen +geest geheel gestemd is, van de overkomst der drie gebroeders Saxo, +Bruno en Friso<a class="noteref" id="xd20e4463src" href="#xd20e4463" +name="xd20e4463src">20</a> vermeld, en wel van verschillenden vorm en +inhoud. Vooral wat betreft de afkomst van den stamvader Friso, daarover +is een groot verschil. De een maakt hem tot een Jood, de ander tot een +Macedonier, velen tot een Indiaan. Sommige oude schrijvers hebben de +waarheid van deze overlevering niet alleen niet in twijfel getrokken, +maar die tegen anders denkenden met hand en tand verdedigd. +<span class="sc">B. Furmerius</span> en vooral <span class= +"sc">Suffridus Petri</span> hebben zelfs, (de laatste in zijne +Apologie) <span class="sc">Ubbo Emmius</span> en anderen, die dit +verhaal voor eene fabel verklaarden, voor dwarsdrijvers, slechte +recensenten en vijanden des vaderlands verklaard. Andere Friesche +schrijvers, even als <span class="sc">Emmius</span>, verwerpen het ook +geheel, maar de meesten zijn ook getrouwe navolgers, ja zelfs +naschrijvers en napraters van <span class="sc">Emmius</span>, die als +de God der Historie werd aangebeden. Het valt niet te ontkennen, dat +zijn geschiedboek groote waarde heeft, doch ook onvoorwaardelijk in +zijne twijfelzucht te berusten is niet het veilig midden kiezen.</p> +<p>Uit hoofde men deze sage overal vindt, zullen wij dezelve in zijn +verband niet herhalen, evenmin als de geschiedenis der zeven zonen van +den Frieschen Aartsvader Friso, die de volkplanters in Jutland, Hessen +en Schotland zijn geweest. Men vindt een <span class="pagenum">[<a id= +"pb296" href="#pb296" name="pb296">296</a>]</span>beknopt verhaal +hiervan in het <i>Nabericht op Vriesland</i> van <span class="sc">van +Rhyn</span><a class="noteref" id="xd20e4494src" href="#xd20e4494" name= +"xd20e4494src">21</a>, dat altijd waardig is gelezen en herlezen te +worden. Daarin wordt ook vermeld hoe de West-Friezen, Keulenaars, +Frisiabonen of Nieuwe Friezen, Zwitsers en Graubunders, Franken, +Strand-Friezen en Eiderstedders, uit de oude Friezen zouden herkomstig +zijn; terwijl zij ook in Oud-Engeland of Brittannien, Ethiopien en +Chili in Amerika, zich zouden hebben voortgeplant. Van de vermelding +ten tweede male der Helvetiers of Zwitsers uit de Friezen +gesproten<a class="noteref" id="xd20e4541src" href="#xd20e4541" name= +"xd20e4541src">22</a>, ten tijde van den Potestaat Magnus Forteman is +eene geheel verschillende lezing in <i>de Corte Chronyck</i> van +<span class="sc">Sybe Jarichs</span><a class="noteref" id= +"xd20e4553src" href="#xd20e4553" name="xd20e4553src">23</a>, welke +zegt, dat de Friezen die onder Forteman tegen de Romeinen waren +opgetrokken, op den terugtogt ten deele in Lombardijen en Italien +metter woon waren gebleven, door een hoop volks meestal gedood werden, +zoodat er maar weinigen ontkwamen. Dezen nu zwierven op bergen en in +dalen rond, tot dat zij in Zwitserland gekomen, aldaar zich huizen +hebben gebouwd en een gedeelte lands bevolkt.</p> +<p><span class="sc">Menso Alting</span> beweert, dat de Friezen van een +en dezelfde afkomst zijn als al de Overrijnsche volkeren. Het +voorgeven, dat zij uit Phrygien, of de Indien herwaarts zijn gekomen, +acht hij voor zottengeklap <span class="pagenum">[<a id="pb297" href= +"#pb297" name="pb297">297</a>]</span>en eene lange reeks van +leugens<a class="noteref" id="xd20e4568src" href="#xd20e4568" name= +"xd20e4568src">24</a>. Hoezeer eene geheele vergelijking van al het +geschrevene over dit onderwerp, met een naauwkeurig oordeelkundig +onderzoek gepaard, een moeijelijke arbeid ware, en hoe bezwaarlijk men +ook welligt meerder licht in dezen ontvangen zou, was echter de +beproeving daarvan, en eene wijsgeerige beschouwing van alle nog +voorhanden zijnde werken en geschriften der moeite overwaardig en een +zeer verdienstelijk werk. Er is nog zoo veel aanwezig, geschikt tot +bruikbare bouwstoffen, hoezeer dan ook de vernielingswoede vele +belangrijke Charters voor altoos hebbe vernietigd, ja zelfs vele +gedenkstukken der oudheid door zorgelooze onnoozelheid het droevig lot +hebben moeten ondergaan van over de zeepalen te worden geworpen, en +welligt hun graf hebben gevonden in de diepte dier golven, welke over +de verzonken grondvesten der aloude Friesche Koningsstad henenrollen, +even als of men ook de laatste getuigen des voorvaderlijken roems in +hetzelfde graf voor eeuwig wilde begraven. Wenschelijk ware eene meer +algemeene belangstelling in het lot der Historie en in den goeden wil +dier Schrijvers, welke zonder zelfverheffing of eerbejag slechts hun +vaderland en de wetenschappen willen dienen, wier doel en handeling +niet door gloeijende eerzucht of geldgewin worden bestuurd.</p> +<p>Wij willen hiermede over alles wat den oorsprong der Friezen betreft +afstappen<a class="noteref" id="xd20e4578src" href="#xd20e4578" name= +"xd20e4578src">25</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb298" href= +"#pb298" name="pb298">298</a>]</span></p> +<hr class="tb"> +<p>Het ligt geheel buiten ons bestek, alles te verzamelen en te +vermelden wat door de geschiedschrijvers al niet geboekt, geoordeeld en +gegist is over het hoogst onzekere tijdvak van de eerste bewoners dezer +Friesche landen, tot op de geboorte van Christus Dit behoort tot eene +volledige Geschiedenis der Friezen; dan met eenige meerdere zekerheid +kunnen worden vermeld, de gebeurtenissen van de komst van den Veldheer +Drusus in Friesland af tot aan de heerschappij van Karel den Groote. +Wij willen derhalve overnemen, hetgeen de heer <span class="sc">van +Halmael</span> in zijn zeer belangrijk <i>Overzigt</i> over dit tijdvak +heeft geschreven<a class="noteref" id="xd20e4638src" href="#xd20e4638" +name="xd20e4638src">26</a>, in hetwelk men natuurlijk wel overeenkomst +met de kronijken, maar tevens ook vele afwijkingen van sommiger +stellingen zal ontdekken. Er heerscht echter over deze tijden ook nog +eene vale schemering, zoo geene duisternis; want de eerste Friesche +Koning, wiens naam en handelingen met genoegzame zekerheid kunnen +worden vermeld, heeft geregeerd in de zevende eeuw en heeft den troon +beklommen omtrent 590 of 630. Adgillus de Eerste was die Vorst: wie +echter zijn vader was, daarover hebben de geleerden het niet eens +kunnen worden.</p> +<p>Nu volgt het Overzigt: <span class="pagenum">[<a id="pb299" href= +"#pb299" name="pb299">299</a>]</span></p> +<p class="xsection">§ 2.</p> +<p>»Elf jaren voor Christus geboorte, vertoonde zich de veldheer +der werelddwingende Romeinen, Claudius Drusus Nero in het land der +Batavieren. Men zegt, ten einde de Germanen of Duitschers te straffen, +die in de landen, aan hunne grenzen liggende, en onder het oppergebied +der Romeinen staande, geplunderd hadden. Hij begaf zich langs den Rijn +in den Oceaan, ten einde de monden Van de Eems en Wezer te bezoeken, +tusschen welke de Cauchen of Chauken toen woonden. Aan hunne grenzen +raakte hij in groot gevaar, doch de Friezen, met welke hij bevorens in +een vriendschappelijk verbond was getreden, redden hem.”</p> +<p>»Een jaar later deed hij eene gracht graven, waardoor hij van +den Rijn, door den Ouden IJssel in het meer Flevo komen konde. Van daar +konde hij door de Middelzee en verder over de Wadden, in de Eems +geraken. De Friezen verbonden zich, waarschijnlijk omdat hij hun +beloofde, dat de Romeinen hen bijstaan zouden tegen hunne, immer +onrustige, Germaansche naburen, tot het jaarlijks leveren van een +bepaald aantal ossenhuiden. Ook schijnt hij ter hunner bescherming een +kasteel, aan de Noordzee te hebben aangelegd. Dat kasteel almede Flevo +of Flevum genoemd, plaatsen de oudheidkundigen op het tegenwoordig +eiland Grind, thans eene schulpplaat, niet verre van Terschelling. +Daaruit kon de Romeinsche bezetting spoedig de Eems bereiken<a class= +"noteref" id="xd20e4653src" href="#xd20e4653" name= +"xd20e4653src">27</a>.” <span class="pagenum">[<a id="pb300" +href="#pb300" name="pb300">300</a>]</span></p> +<p class="xsection">§ 3.</p> +<p>Jaren na Chr. 29. 48.</p> +<p>»Met de goede trouw, die van oudsher de Friezen kenschetste +(gelijk de Germanen over het algemeen), voldeden zij eenige jaren aan +hunne verbindtenis, en wel tot aan of in het jaar 29 na Christus +geboorte. Den Romeinschen veldheer Germanicus schijnen zij bijgestaan, +en zelfs zijn leger eenmaal eene groote dienst bewezen te hebben, met +hem zekere plant, door de Romeinen Brittenkruid genaamd, ter heeling +van de scheurbuik aan te wijzen<a class="noteref" id="xd20e4700src" +href="#xd20e4700" name="xd20e4700src">28</a>. In gemeld jaar eischte +zekere Olennius, <span class="pagenum">[<a id="pb301" href="#pb301" +name="pb301">301</a>]</span>een Romein, die met eenig bevelhebberschap, +misschien wel met dat van het kasteel Flevum, en met het invorderen der +zoogenaamde schatting belast was, eene soort van huiden, welke zij, +evenmin als de waarde van dien, leveren konden. Zij lieten zich eerst +daarvoor hunne ossen, toen hunne landerijen, eindelijk hunne vrouwen en +kinderen tot slaven afnemen, hopende dat men hunne bereidwilligheid +ziende, hun geregtigheid zou doen wedervaren. Maar, het zij de klagten +der armen het oor des Keizers niet bereiken konden, het zij de Keizer +zijne prefecten toeliet in het klein te plunderen, gelijk hij-zelf in +het groot deed, zij vonden geen gehoor, en begonnen den regvaardigsten +krijg. Zij grepen en doodden de hen kwellende knechten, en belegerden +Olennius in de Romeinsche sterkte. Wel moesten zij het beleg opbreken, +omdat er een aantal Romeinsche benden ter ontzet naderde, alles +onderwegen plunderende en verwoestende; doch, ofschoon de Romeinen, +volgens het zeggen hunner geschiedschrijvers, hen, evenwel niet zonder +aanvankelijke nederlagen en groot verlies, overwonnen, zij schijnen +hunne vrouwen en kinderen, en hunne landerijen toch terug bekomen te +hebben, en waarschijnlijk zijn zij zelfs wel van Romeinen en schatting +ontslagen geworden, of ontheven gebleven.”</p> +<p>»Althans men vindt niet weder van Romeinen hier te lande gewag +gemaakt, dan omtrent twintig jaren later. Toen, heet het, hebben de +Friezen zich aan den veldheer Corbulo onderworpen. Hij leidde weder +krijgsbezetting in Friesland, en stichtte er eene sterkte, zoo sommigen +meenen ter plaatse, waar nu Groningen ligt. Doch hij moest die +bezetting welhaast <span class="pagenum">[<a id="pb302" href="#pb302" +name="pb302">302</a>]</span>terugtrekken, op bevel van zijnen +toenmaligen Keizer, Claudius, die den Rijn tot grens des Rijks +bepaalde:—van eenige schatting wordt te dier gelegenheid niet +gesproken.”</p> +<p class="xsection">§ 4.</p> +<p>J. na Chr. 59.</p> +<p>»’t Schijnt evenwel dat de Friezen, wier naam, sedert +het gebeurde met Olennius, reeds onder de Germanen doorluchtig was +geworden, bondgenooten der Romeinen gebleven zijn.—Toen toch, +eenige jaren later, een deel der Friezen, onder aanvoering van Verritus +en Malorix<a class="noteref" id="xd20e4761src" href="#xd20e4761" name= +"xd20e4761src">29</a>, die men daarom niet voor Friesche Koningen +behoeft te houden, zich op eene ledige plek gronds, denkelijk aan den +linker Rijn-oever nedersloegen; toen daarop de Romeinsche gezaghebber +in dien oord hun aanzeide, dat zij die weder verlaten moesten, ten zij +de Keizer hun toestond, haar in te nemen, begaven Verritus en Malorix +zich, om ’s Vorsten toestemming te verkrijgen, naar Rome. Daar +bragt men hen in den schouwburg; zij zagen er de gezanten der volkeren, +die gezegd worden in trouw en liefde voor Rome uit te munten, op de +banken der Romeinsche Raadsheeren zitten, dat een eerbewijs heette. +Daarop begaven zij zich derwaarts, en zetten er zich insgelijks neder, +zeggende: dat geene stervelingen de Germanen in wapenen of trouw +overtroffen. De Friesche rondheid behaagde zelfs den wellevenden +Romeinen.” <span class="pagenum">[<a id="pb303" href="#pb303" +name="pb303">303</a>]</span></p> +<p class="xsection">§ 5.</p> +<p>J. na Chr. 240, 350, 418.</p> +<p>»Het komt ons voor, dat de Friezen, bij vervolg van tijd, nu +eens de zijde der Romeinen zullen gehouden hebben, in de oorlogen, +welke dezen bij voortduring tegen de Germaansche volkeren voeren +moesten; dan weder, zich met de laatstgemelden tegen de Romeinen zullen +vereenigd hebben. Van het laatste vinden wij een bewijs in den bekenden +oorlog, door de Batavieren, onder Claudius Civilis, tegen hunne +onderdrukkers ondernomen. Ook kan het zijn, dat zij somtijds inderdaad +aan hen onderworpen geweest zijn; doch zij raakten eindelijk buiten +alle betrekking tot dezelven. Gedeeltelijk voorzeker reeds, toen +onderscheidene Germaansche volkeren, onder den naam van Franken, +omtrent het jaar 240, vereenigd, zich ruim honderd jaren later, +vestigden in Taxandrie, waardoor men het voormalig eiland der +Batavieren met de zuidelijk daaraan grenzende landen, en een gedeelte +van Braband, misschien ook Zeeland moet verstaan.—Voor zoo verre +zij zelven, of althans een gedeelte hunner, tot dat verbond behoord +mogten hebben, en onder de Saliers mogen gerekend zijn, zijn zij +nogtans zekerlijk vrij en onafhankelijk gebleven, en dien Franken niet +onderworpen.—Geheel echter, toen die zelfde Franken, nog ongeveer +honderd jaren later, een koningrijk in Gallië, het tegenwoordige +Frankrijk, stichteden, hetgeen Rome erkende. Rome, dat Rijk, hetwelk +intusschen door zijnen opperheer, Theodosius den Groote, in twee +Keizerrijken, het Oostersch, hoofdstad Constantinopolen, en het +Westersch, hoofdstad Rome, was gesplitst geworden, en onder zijn eigen +gewigt bezweek, gelijk alle Staten zullen doen, die, als Rome, naar de +opperheerschappij der wereld trachten;—o troostrijke leer der +Geschiedenis!” <span class="pagenum">[<a id="pb304" href="#pb304" +name="pb304">304</a>]</span></p> +<p class="xsection">§ 6.</p> +<p>J. na Chr. 62, 68, 90, 183, 186.</p> +<p>»Als men het gezag onzer kronijken niet geheel wil +verwerpen,—en het zoude zoo ondienstig voor de beoefening der +geschiedenis als onbillijk jegens onze voorvaderen gehandeld zijn, +indien wij het deden,—leden de Friezen intusschen menigen +aanstoot van de Noordelijker en Noord-oostelijker volkeren, onder +onderscheidene namen, maar vooral onder dien van Deenen in gemelde +schriften voorkomende.</p> +<p>Reeds op het jaar 62, wordt van zulk eenen inval der Deenen in +Friesland gesproken, en jaarlijks schijnen zij, tot in 68, hunne +pogingen te hebben herhaald, meer om te plonderen, dan om zich hier te +vestigen. Op het jaar 90 vindt men van eenen inval der Noormannen +gewaagd. Omtrent 183 van eenen dergelijken der Gothen en Wenden. Op 186 +van eenen der Wilten, welke bij die gelegenheid de eerste grondslagen +van Wiltenburg, naderhand de stad Utrecht, zouden gelegd +hebben<a class="noteref" id="xd20e4802src" href="#xd20e4802" name= +"xd20e4802src">30</a>.</p> +<p>Zijn er inderdaad zulke invallen, bloot met oogmerk te plunderen, +geschied, dan mag men daaruit afnemen, dat deze landen minder arm dan +voorheen waren. De netten van eenige visschers, en het weinige vee van +eenige arme landbouwers, kunnen toch de roofzucht van tamelijk +afgelegene volkeren niet, bij herhaling, hebben aangelokt; en wanneer +het waar is, dat men hier, op zijne beurt zich bereidde tot eenen +zeetogt naar de landen dier lastige plonderaars (welken togt, uit +hoofde van een getroffen bestand, achterwege bleef), schijnt zulks +<span class="pagenum">[<a id="pb305" href="#pb305" name= +"pb305">305</a>]</span>eene regering aan te kondigen, die niet geheel +van magt en veêrkracht ontbloot was. Doch wij zullen hier niet +verder in treden, omdat onze bronnen niet zekerder en naauwkeuriger +zijn<a class="noteref" id="xd20e4824src" href="#xd20e4824" name= +"xd20e4824src">31</a>.”</p> +<p class="xsection">§ 7.</p> +<p>Jaren na Chr. 280, 449.</p> +<p>»Inmiddels hadden ook de Saksen zich van een gedeelte van ons +tegenwoordig Nederland meester gemaakt.—Dit volk, welks +oorspronkelijke woonplaats men denkelijk in het tegenwoordige Sleeswijk +en Holstein, over de Elve, langs de Noordzee, en op de eilanden aan de +kust dier zee moet zoeken, schoon het sedert lang zich westwaarts had +uitgebreid, kwam, waarschijnlijk over zee, eerst in Taxandrie (verg. +§ 5), en trad in verbond met de Franken, die hen de bezette +landstreek behouden lieten. Toen de Franken zich zuidelijker op +begaven, hebben de Saksen meerderen hunner landgenooten tot zich +gelokt, en zich meer en meer van de Franken afscheidende, en een +gedeelte hunner vorige woonplaatsen bezettende, eenen Staat op zich +zelven gaan uitmaken. Franken, Saksen en Friezen, waarin de kleindere +natien, die voorheen ook dezen grond bewoonden, versmolten waren, wat +met name van het overschot der voormalige Batavieren <span class= +"pagenum">[<a id="pb306" href="#pb306" name="pb306">306</a>]</span>mag +gezegd worden, die zich met de Friezen vereenigd hebben;—Franken, +Saksen en Friezen bezetteden alzoo het grootste deel van het +tegenwoordige Frankrijk en onze Nederlanden, en naarmate de Saksen +hunne vorige woonplaatsen verlieten, hebben de Friezen zich daarin +uitgebreid.”</p> +<p>»Toen de Franken nog aan de Friezen grensden, werd er een +gedeelte der eerstgemelden, bij zekere gelegenheid, door den +Romeinschen Keizer Probus naar de kust van Pontus overgebragt. Deze +Franken, gedreven door liefde tot den voormaligen grond, verlangden +daarna terug te keeren. Zij maakten zich meester van eenige Romeinsche +schepen, zeilen daarmede door den Bosphoros en den Hellespont tot in de +Middellandsche zee, plunderen de kusten van Asia, Griekenland, de rijke +stad Syrakuse op het eiland Sicilië; zeilen vervolgens door de +straat van Gibraltar, en zoo komen deze stoutmoedige roovers, langs de +kusten van Spanje en Frankrijk, door het kanaal, aan het strand der +Batavieren of aan dat der Friezen. Dit einde van hunnen togt, welke +eene reis om de wereld mag heeten, maakt het waarschijnlijk dat er ook +Friezen onder deze zeevaarders geweest zijn, en dat de eer dier +onderneming, aan welke men zijne bewondering niet kan weigeren, ook +gedeeltelijk aan onze voorouderen toekomt. Van oudsher was +verkleefdheid aan den vaderlandschen grond een hoofdtrek van het +Friesche karakter.”</p> +<p>»Nadat de Saksen de onmiddellijke naburen der Friezen geworden +waren, hebben zij met dezen in verbond geleefd. Ook mag men het +daarvoor houden, dat de lotgevallen der Saksen, bij de Schrijvers der +middeleeuwen vermeld, grootendeels mede die der Friezen geweest +zijn<a class="noteref" id="xd20e4848src" href="#xd20e4848" name= +"xd20e4848src">32</a>, die dan eerst weder met hunnen eigenen naam ten +tooneele verschijnen, nadat de Saksen oostwaarts wijken voor de +Franken, die zich op nieuw tot aan Friesland uitbreiden, en eindelijk +ook daar meester worden.” <span class="pagenum">[<a id="pb307" +href="#pb307" name="pb307">307</a>]</span></p> +<p>»Zoo is het b. v. bij de naauwkeurigste en oordeelkundigste +Geschiedschrijvers zeker, dat er Friezen geweest zijn onder de Saksers +en de met hen vereenigde Anglen (een ander noord-oostelijk volk), die +zich, onder aanvoering van Hengst en Hors, zoo men ze noemt, in 449 of +50 naar Brittanje, het tegenwoordige Engeland, begaven. En hoewel het +nagenoeg zeker is, dat de aanvoerders zelve Saksen waren, komt het ons +voor, dat zelfs het grootste gedeelte dier vreemdelingen uit Friezen +heeft bestaan.”</p> +<p>»Zij waren tot die overkomst uitgenoodigd geworden door de +Britten zelven, die hunne noordelijke grens-naburen, de Schotten en +Pikten, niet wederstaan konden. Van hen en van de dochter van Hengst, +de schoone Ronixa of Rovena, maken zoowel de Britsche kronijken als de +onze gewag.”</p> +<p>»Hier voor pleit ook de overeenkomst van de Engelsche met de +echt Friesche taal, beide dochters der Saksische, naderhand +Anglo-Saksische genaamd, d. i. dier taal, welke de in Brittanje +overgekomene Saksen, Anglen en Friezen spraken. De Britten tot hun +ongeluk te laat beseft hebbende, dat zij nimmer ter beslissing der +twisten op hun eiland, vreemden hadden moeten inhalen, moesten later +die vreemden tot hunne heeren aannemen, of hun vaderland ontwijken. +Velen begaven zich naar een gedeelte van Frankrijk, naderhand naar hen +Bretagne genaamd; de overigen versmolten in de Anglo-Saksen. De +tegenwoordige Engelschen en de Friezen mag men met regt broeders +kinderen heeten. Ware deze les voor de Friezen slechts niet evenzeer +verloren gegaan als voor zoo vele latere volkeren!”</p> +<p class="xsection">§ 8.</p> +<p>J. na C. 468, 496, 555, 562, 605, 628, 631.</p> +<p>»Doch toen de Saksen en Franken elkander wederkeerig te magtig +werden, ontstond er groote vijandschap <span class="pagenum">[<a id= +"pb308" href="#pb308" name="pb308">308</a>]</span>tusschen deze beide +strijdbare volkeren. Toen de Koning der Franken, Childerik, met zijnen +mededinger Egidius (Gilles) om de kroon twistte, kozen de Saksen de +zijde van den laatstgemelde, die hen om bijstand aanzocht. Staatkundig +was het, het verzoek van den zwakste in te willigen, ter vernedering en +verzwakking van den magtigste.—Maar de Saksers streden zoo +ongelukkig, dat zij genoodzaakt waren, zich aan Childerik te +onderwerpen, zelfs hem bij te staan in zijne oorlogen tegen andere +Duitsche volkeren. Daarna weder in oorlog geraakt met Childerik’s +zoon, Klovis, schoten zij ook tegen dezen te kort. Klovis verdeelde, +bij zijnen dood, zijn rijk onder zijne zonen, en dat gedeelte, hetwelk +vervolgens onder Oost-Frankrijk of Austrasie heeft behoord, grensde aan +de Saksen.—Eerst het aandeel van Theodorik I zijnde, geraakte het +later in handen van Klovis’ jongsten zoon, Chlotarius I. Deze met +de Saksen in oorlog geraakt, bragt hun verscheidene nederlagen toe. De +strijd werd telkens hervat, en eindigde met de oplegging eener +schatting aan den vijand, die van den Franken 500 koeijen jaarlijks te +leveren.”</p> +<p>»Evenmin gelukkig waren zij tegen Sigebert I, zoon van +Chlotarius I, en Koning van Austrasie, die hen sloeg aan het Boerdiep, +d. i. de Middelzee, dus in het hart van ons tegenwoordig +Friesland,—tegen Theodebert II en Theodorik II, kleinzonen van +voormelden Sigebert I, Koningen van Austrasie en Bourgonje,—tegen +Chlotarius II, Koning van geheel Frankrijk, en tegen Dagobert I, diens +zoon. Deze laatste schold hun de schatting kwijt, hun door Chlotarius I +opgelegd, mits zij de Slavoniers, een Noordsch volk, dat hem te magtig +was, beteugelden, ’t geen hun echter niet gelukte.”</p> +<p class="xsection">§ 9.</p> +<p>Jaren na Chr. 513, 677.</p> +<p>»Inmiddels hadden de Noordsche volkeren niet stil <span class= +"pagenum">[<a id="pb309" href="#pb309" name= +"pb309">309</a>]</span>gezeten. Nogtans vielen zij met meer zoo bij +voortduring op de Friezen aan als te voren. ’t Schijnt zelfs dat +dezen, of om in den stijl van dien tijd te spreken, de Saksen, hen +hebben bijgestaan tot het doen van eenen inval op het grondgebied van +den reeds vermelden Theodorik I. Toen Dagobert hun de schatting +kwijtschold, was Adgillus I Koning der Friezen. Hem kunnen wij prijzen +als een regtvaardig en edel Vorst. Hij vergunde het prediken van het +alleen zaligmakend Evangelie in deze landen. De heilige Wilfrid, +Bisschop van Jork in Brittanje, kwam van daar herwaarts. Zijne vijanden +aan het Engelsche hof, waartoe de Koning zelf schijnt behoord te +hebben, wanende dat hij naar Frankrijk was gegaan, wisten den +ondeugenden Ebroïn, toen Groot-Hofmeester bij den Koning van +Frankrijk, in hun belang te trekken. Deze schreef aan Adgillus, en +beloofde hem eene aanzienlijke som gelds, bijaldien hij hem den +Bisschop, levendig of dood, wilde overleveren. Adgillus was geen +Christen, maar de oude deugd der Duitschers (der Friezen vooral, zeggen +wij) woonde in zijn hart. Hij deed een’ brief, in +tegenwoordigheid van Wilfrid en zijne medgezellen, en in dien van +Ebroïns gezanten, luide voorlezen; vervolgens nam hij dien, +verscheurde hem, en leverde het overschot der vlam over, de Frankische +afgezondenen den smaad en der schaamte ter prooi latende.”</p> +<p>»Volgens onze kronijken, deed ook Adgillus zekere hoogten of +terpen opwerpen, opdat zich de landzaten daarop bergen mogten tegen de +overstroomingen, welke van oudsher deze landen met wee en jammer +overstelpten<a class="noteref" id="xd20e4885src" href="#xd20e4885" +name="xd20e4885src">33</a>.” <span class="pagenum">[<a id="pb310" +href="#pb310" name="pb310">310</a>]</span></p> +<p class="xsection">§ 10.</p> +<p>J. na Chr. 679, 685, 687, 711, 719.</p> +<p>»De opvolger van Adgillus, Radboud I, (of hij zijn zoon was, +wordt door sommigen, niet zonder grond, betwijfeld) regeerde niet +gelukkig.—Volgens de Kronijken, werd hij zelfs door de Denen +gevangen genomen en naar Denemarken gevoerd; naderhand echter weder +vrij gegeven. Het Frankische Rijk was een tijdlang ter prooi aan +binnenlandsche oneenigheden. Van deze schijnt Radboud zich aanvankelijk +bediend te hebben, ten einde zijn Rijk tot aan den mond der Schelde uit +te breiden. Dit echter wikkelde hem in eenen krijg met de Franken, die +voorlang de Saksen verdreven hadden uit de landstreken, welke Radboud +nu aan zich trok, en er meesters geworden waren.”</p> +<p>»De Koningen der Franken waren thans slechts Koningen in naam, +en de klem van het bewind was in handen (sedert 687) van den +Groot-Hofmeester Pepijn van Herstal, die zich Hertog en Prins der +Franken noemde. Pepijn schijnt Radboud een aanzienlijk gedeelte van +zijn Rijk ontweldigd te hebben, onder anderen Wiltenburg (Utrecht), +’t welk Pepijn vervolgens ten verblijve gaf aan Willebrord, door +den Paus tot Bisschop der Friezen verheven. Pepijn was een ijverig +Christen, en wist het Christendom wonder wel dienstbaar te maken aan +zijne staat- en heerschzuchtige oogmerken. Radboud haatte Pepijn en het +Christendom, hetwelk hem aan Pepijn onderwerpen moest. Daarom +verwoestte hij bij de eerste gelegenheid de beste den nieuwen +Bisschopszetel, doch moest weder voor Pepijn zwichten.”</p> +<p>»Op nieuw werd de prediking in Friesland hervat. Zelfs nam +Radboud’s dochter, Theodesinde of Teutsinda, het Christendom aan, +en werd de echtgenoote <span class="pagenum">[<a id="pb311" href= +"#pb311" name="pb311">311</a>]</span>van Grimoald, zoon van Pepijn. Dit +bewijst duidelijk, dat de zoo magtige Franken evenwel geene kans zagen, +zich de Friezen te onderwerpen, en dat Pepijn uit dien hoofde, zich +door zoodanig eene verbintenis, ten minste tegen hunne vijandschap, +poogde te verzetten.”</p> +<p>»Deze Grimoald werd daarna vermoord door zekeren Rangarius, +welke gezegd wordt tot de lijfwachten van Koning Radboud behoord te +hebben. Daarom wijten sommigen hem, anderen zijner dochter, dien moord. +Doch dit is ver van bewezen, en wij zien inderdaad niet, dat Radboud +enig belang bij den ondergang van Grimoald zoude gehad hebben, eene +reden te minder, om aan die beschuldiging geloof te slaan.—Wel +zegt een onzer Geschiedschrijvers, dat Radboud, die zich immer nog niet +ontzag de Christenen te vervolgen, niet beducht voor de wraak van +Pepijn, wiens jaren hoog geklommen waren, vreezen moest, dat Grimoald +den hoon, zijnen vader aangedaan, zou wreken, en hem daarom uit den weg +moest ruimen; doch wat zou hem dit gebaat hebben, daar Pepijn nog twee +andere volwassen zonen had, door geene echtverbindtenis aan Radboud +verbonden, en van welke hem dus zoodanig eene wraak nog veel meer stond +te vreezen?”</p> +<p>»Om een bewijs te geven, hoe verschillend de latere +Geschiedschrijvers de gebeurtenissen van dien tijd opvatten, en hoe +moeijelijk het daarom is, een overzigt van denzelven daar te stellen, +willen wij, hetgeen op dien moord volgde, op tweederlei wijze +verhalen.”</p> +<p><span class="corr" id="xd20e4913" title= +"Bron: «">»</span>Pepijn, zegt een der beroemdste +hedendaagsche Duitse Geschiedschrijvers<a class="noteref" id= +"xd20e4916src" href="#xd20e4916" name="xd20e4916src">34</a>, bepaalde +hierop, dat Theudoald, Grimoald’s onechte zoon, Hofmeester in +Austrasie zou worden, welke waardigheid alleen Pepijn eigenlijk had +bekleed, hoewel hij ook grooten invloed op de zaaken van West-Frankrijk +<span class="pagenum">[<a id="pb312" href="#pb312" name= +"pb312">312</a>]</span>(Neustrië of Neustrasie) had. Daarop deed +Plectrude, grootmoeder van Theudoald, de zonen van Pepijn bij zekere +Alpheid (of Alphaïda), Karel (Martel) en Hildebrand gevangen +nemen, opdat zij aan Theudoald de waardigheid van Groot-Hofmeester niet +betwisten zouden. Dit kon niet geschieden zonder voorkennis van +Pepijn.—Pepijn stierf. De West-Franken verkozen toen zekeren +Raginfrid tot hunnen Groot-Hofmeester. Daartegen verzetteden zich de +Oost-Franken, met Theudoald aan ’t hoofd. Er viel een veldslag +voor, dien de Neustrasiers wonnen. Theudoald nam de vlugt, en kwam kort +daarna om. Hierop ontkwam Karel Martel zijner gevangenis, en wilde zich +met het Groot-Hofmeesterschap van Austrasie te vreden houden. Ook dit +wilden de Neustrasiers hem niet laten. Nu streed hij dan om het geheel, +en het gelukte hem, Groot-Hofmeester over de beide Rijken, ook Hertog +en Prins te worden. Theudoald was voor het overige ouder dan Karel, die +omstreeks 690 geboren was.”</p> +<p>»Pepijn, zegt een der nieuwere en wijsgeerigste Fransche +Geschiedschrijvers<a class="noteref" id="xd20e4928src" href= +"#xd20e4928" name="xd20e4928src">35</a>, was Groot-Hofmeester over +geheel Frankrijk; eene van zijne grootste zorgen was, alle +onderscheiding tusschen Austrasie en Neustrië te doen verdwijnen; +maar hij was genoodzaakt, die onderscheiding weder op nieuw te maken, +ter gunste van zijne zonen. Toen Grimoald stierf, liet hij eenen zoon +na, Theudoald, oud ongeveer zes jaren. Dezen schonk Pepijn toen het +Groot-Hofmeesterschap van Neustrië. Toen stierf hij. Na zijnen +dood deed Plectrude Karel Martel gevangen nemen,—van Childebrand +(Hildebrand) wordt niet gesproken; dit had Pepijn voorzeker niet +gelast. Daardoor veroorzaakte zij dat Karel, die anders aan Theudoald +het Groot-Hofmeesterschap van Neustrië wel zou gelaten hebben, als +zich met dat van Austrasie kunnende vergenoegen, nu uit wraak, om den +hem aangedanen hoon, hem dat moest <span class="pagenum">[<a id="pb313" +href="#pb313" name="pb313">313</a>]</span>betwisten.—De grooten +van Neustrië, niet door een kind willende geregeerd worden, kozen +Raganfrid. Deze wilde Groot-Hofmeester van het geheele Rijk worden. Het +overige komt met het verhaal van den Duitscher nagenoeg overeen. Alleen +wordt, bij den Franschman, Ramfroy (Raganfrid) eerst na de nederlage +van degenen, die het voor Theudoald opnamen, tot Groot-Hofmeester +verkoren.”</p> +<p>»Zooveel is intusschen zeker, dat Raganfrid, die alleen wilde +heerschen, en eindigde met alles, op één Graafschap na, +te verliezen, naderhand echter zoo verstandig was, zich met hetzelve +tevrede te houden, hetwelk andere overweldigers, die in het eerste zijn +voorbeeld gevolgd hebben, niet deden; dat deze Raganfrid hulp zocht bij +Radboud, dien de Fransche Schrijvers slechts Hertog der Friezen +noemen;—hij mogt geen hooger rang dan Pepijn en Karel hebben. Dit +moet den doodvijand der Austrasiers welkom geweest zijn.—Hij trok +te veld, en overwon Karel, die hem afzonderlijk aanviel. Hij schijnt +zich vervolgens met de Neustrasiers vereenigd te hebben tot het beleg +van Keulen, in welke stad Plectrude zich onthield, die, nadat de +Neustrasiers hadden moeten aftrekken, omdat Karel hen in den rug +dreigde, hem tot den aftogt, door eene aanzienlijke som gelds, +overhaalde.”</p> +<p>»Hiermede was echter de krijg tusschen Karel en Radboud nog +niet geëindigd. Nadat Frankrijk-zelf was bevredigd geworden, +schijnt Radboud, die misschien zijne aanvallen op dat gedeelte van zijn +gebied, hetwelk hem door Pepijn was afgenomen, hernieuwd heeft, nog +eene nederlage aan de Middelzee te hebben geleden, en dien ten gevolge +op nieuw de prediking van het Christendom door geheel Friesland te +hebben moeten toestaan. Daarna verklaarde hij zich zelfs bereid den H. +Doop te ontvangen. Toen echter Wulfram, laatstelijk Bisschop van Sens, +gereed stond, hem dien toe te dienen, en hij bereids met den +éénen voet in de doopvonte stond, vroeg hij den Bisschop, +of hij zijne voorvaderen en de verstorvene Friesche Edelen ook in den +<span class="pagenum">[<a id="pb314" href="#pb314" name= +"pb314">314</a>]</span>hemel hervinden zoude? Wulfram’s onbedacht +antwoord: dat die in de hel waren, als ongedoopten, deed hem, onder het +zeggen, dat hij liever met zijne voorvaderen en vrienden in de hel, dan +met aan hem onbekende Christenen in den hemel zijn wilde, den voet +terugtrekken.”</p> +<p>»Volgens anderen zou dit al onder Pepijn zijn voorgevallen. +Sommigen verklaren de geheele gebeurtenis, welke den inborst van +Radboud nogtans volkomen kenschetst, voor eene fabel.”</p> +<p>»Kort daarop kwam Radboud te sterven.”</p> +<p class="xsection">§ 11.</p> +<p>J. na Chr. 734, 738, 744, 746, 754 of 755.</p> +<p>»Wie hem opvolgde, is niet geheel zeker; sommigen zeggen, zijn +zoon Adgillus II, anderen, zekeren Poppo. Misschien is het Radboud I +mogelijk geweest, zijn gebied, op het voorbeeld der Frankische +Koningen, onder zijne kinderen te deelen, en dan zal hij +Oost-Friesland, het land der groote Friezen, aan zijn oudsten zoon, +Adgillus II, en wat hem van het overige gebleven was (Noord-Holland), +aan diens broeder Poppo gegeven hebben.”</p> +<p>»Poppo oorloogde met Karel Martel. De twistappel, hetgeen den +Frieschen Koningen van het voormalig land der kleine Friezen ontnomen +was, was voorhanden. Poppo is waarschijnlijk in dien strijd gesneuveld, +zonder dat de Friezen meer gronds verloren; zijn broeder erfde zijn +Rijk, en verdeelde bij zijnen dood hetzelve weder onder zijne zonen, +Gondebald en Radboud II.”</p> +<p>»De laatste bekwam West- de eerstgemelde +Oost-Friesland.”</p> +<p>»Gondebald was een vreedzaam Vorst; maar Radboud II had den +aard en de denkenswijze van zijnen voorzaat van gelijken naam, en +bovenal diens afkeer van het Christendom overgeërfd. Met de Saksen +verbonden, beoorloogde hij Karoloman en <span class="pagenum">[<a id= +"pb315" href="#pb315" name="pb315">315</a>]</span>Pepijn den Korte, +zonen en opvolgers van Karel Martel, maar zonder vrucht. Daarentegen +stond hij zijn’ broeder, Pepijn, bij tegen de Saksen. Het schijnt +op aandrijving van Radboud geweest te zijn, dat de vrome Bonifacius, +Aartsbisschop van Maintz, het Christendom verkondigende, in het gebied +van Gondebald, omtrent het toenmalige vlek Dokkum, door de ongeloovige +Friezen vermoord is geworden. Althans Pepijn, toen reeds Koning der +Franken, heeft dien moord op hem gewroken, of dien, tot voorwendsel om +hem op nieuw te beoorlogen, genomen. Radboud moest de vlugt naar +Denemarken nemen, en misschien heeft hij zich toen eenigen tijd op het +eiland Helgoland opgehouden, en aldaar de afgodendienst in al haren +vorigen luister hersteld. Ook zou het kunnen zijn, dat Gondebald eerst +toen, na het vertrek van Radboud, de kroon verkregen heeft, en dat de +laatstgemelde tot dien tijd toe alleen in Friesland geheerscht had. In +dit geval zouden wij onderstellen mogen, dat Radboud de oudste zoon van +Adgillus II geweest is.”</p> +<hr class="tb"> +<p>Tot dusverre het Overzigt van den heer <span class="sc">v. +Halmael</span>, uit al de Geschiedschrijvers bijeengebragt en met zijn +eigen oordeel verrijkt. Het verschil in de jaren, waarin de +gebeurtenissen worden vermeld, is bij vele Schrijvers zeer opmerkelijk; +dan een opzettelijk onderzoek hierover, zou voor ons doel van weinig +nut zijn.—Wij zullen liever de korte geschiedenis van Radboud tot +aan zijnen dood vervolgen.</p> +<p>In den jare 768 stierf Pepijn, nalatende drie zonen, Karloman, Karel +en Gilles; welke beide eersten, daar de laatste tot den geestelijken +stand was opgebragt, het rijk verdeelden. Karloman viel Oost-Frankrijk +en Karel Friesland ten deel. Karel, door zijne regtschapenheid, vele +deugden en groote kundigheden, verwierf zich te regt den naam van +<i>den <span class="pagenum">[<a id="pb316" href="#pb316" name= +"pb316">316</a>]</span>Grooten</i><a class="noteref" id="xd20e4976src" +href="#xd20e4976" name="xd20e4976src">36</a>; maar zijne onrustige +broeder, wien twist en tweedragt liever was dan rust en vrede, +vervolgde hem steeds als een vijand. Dan slechts drie jaren werd hem +daartoe gegeven, want toen stelde de dood paal en perk aan deze +kwelling. Karel werd nu ook als Koning van Oost-Frankrijk erkend.</p> +<p>Radboud, de bittere vijand zoowel der Christenen als der Franken, +was in Friesland teruggekeerd, algemeen weder tot Koning erkend, en +begon zijnen woesten aard en wreede vervolging weder vrijen teugel te +vieren. Hij vereenigde zich met der Saksen Koning of Hertog Witekind, +ten einde Karels magt te fnuiken en op den troon te blijven. Meer dan +eens moest hij echter het onderspit delven, tot hij eindelijk gedrongen +werd weder naar de Denen de wijk te nemen. Een paar jaren daarna, +(gelijk sommige Schrijvers beweren) tijdens den togt van Karel naar +Spanje, waarin alwat Frankenland groot en edels opleverde, tot volkomen +nederlaag en vernieling werd gebragt, kwam de nog woelzieke Radboud in +Friesland, en hernam het bewind, doch slechts voor twee jaren +lang.—Karel’s legertroepen joegen den woesten Fries weder +naar Denemarken, zijn toevlugtsoord, alwaar hij in ballingschap zal +gestorven zijn. Geene zekere, zelfs flaauwe narigten van zijn +levenseinde, zijne familie of kinderen is aan de nakomelingschap +overgebragt.</p> +<p>In Oost-Friesland zijn nog overblijfselen uit den ouden tijd +aanwezig, zoo als de Kon-Rebberts- en Rabboltswegen, de Rabboltsbergen +en een deel van <span class="pagenum">[<a id="pb317" href="#pb317" +name="pb317">317</a>]</span>de heerbaan in Groningerland, welke +Radbodiweg genoemd wordt<a class="noteref" id="xd20e4988src" href= +"#xd20e4988" name="xd20e4988src">37</a>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb6" class="pageref">6</a>.</p> +<p>Over het <i>Friesche Wapen</i> meenen wij te mogen aanmerken, dat, +wanneer men het oude Wapen van Friesland, voorkomende bij <span class= +"sc">Winsemius</span>, <span class="sc">Hamconius</span> en anderen, +voor het familiewapen der Friesche Koningen houdt, de geschiedenis +hiermede in strijd is, als den oorsprong der Familienamen en Wapens uit +de tijden der Kruistogten, aangevangen in 1096, vermeldende; terwijl de +laatste Koning, Radboud II, omtrent den jare 775 de kroon verloor, en +waarschijnlijk kort daarop is gestorven. Sommigen hebben echter +beweerd, dat de oorsprong der Wapens reeds bij de oude Germanen te +zoeken zij; doch hoewel de schilden der voornaamste krijgshelden onder +hen werden beschilderd en versierd, vindt men geen bewijs voor de +regelmatige zamenstelling en afwisseling van kleuren naar bepaalde +regels, of van eenige figuren tot kenteeken aangenomen. Hebben de +Friezen, voor dat zij met de Romeinen bekend waren, vanen gebruikt, het +blijkt nergens uit, dat deze met figuren zouden zijn voorzien geweest; +en van de Romeinen konden zij die niet overnemen, daar deze wel effen +gekleurde en met goud gestikte vanen bezigden; doch van regelmatige +wapen-figuren vindt men niet vermeld<a class="noteref" id= +"xd20e5013src" href="#xd20e5013" name="xd20e5013src">38</a>. +<span class="pagenum">[<a id="pb318" href="#pb318" name= +"pb318">318</a>]</span></p> +<p>Het oude Friesche Wapen heeft zeer veel overeenkomst met die +wapenschilden, welke sedert de Kruistogten in gebruik kwamen, en dit +versterkt de meening, dat het niet van Friso’s tijd af als +Landswapen of als veldteeken is gevoerd.—<span class= +"sc">Hamconius</span> zegt, dat van Friso af tot Beroald het Wapen +bestaan hebbe uit een azuren schild, waarop drie zilveren balken, op +welke zeven roode plompebladeren (niet pompelbladeren, zegt +<span class="sc">Dodonaeus</span>) geplaatst waren.—Van Beroald +tot Radboud II werden er een balk met vier bladeren bijgevoegd, +zoodanig als Beroald het veranderde, toen hij, de dochter van Koning +Ridzard gehuwd hebbende, na den dood zijns schoonvaders Oost- en +West-Friesland vereenigde.—<span class="sc">Suffr. Petri</span> +plaatst de plompebladeren <i>tusschen</i> de balken en niet <i>op</i> +dezelve, strijdig met de regelen der Wapenkunde, welke niet toelaten, +dat men kleuren op kleuren, maar wel kleuren op metalen plaatst, gelijk +men dit bij de Schrijvers over de Heraldie zal vinden.—Koning +Haron zoude vroeger aan de Hertogen van West-Friesland een Wapen +gegeven hebben, met slechts één zilveren balk en vier +roode plompebladeren in het blaauwe schild.—Met de regering van +Karel den Groote kwamen de leeuwen en blokjes in het Landswapen.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb7" class= +"pageref">7</a>.—A<sup>o</sup> 245.</p> +<p><i>De Friesche Pateele en de Friesche Hoorn</i>. <span class= +"sc">Winsemius</span>, <i>Chron.</i> fol. 12, spreekt niet +uitdrukkelijk van de eigenlijke <i>Pateele</i> als door Adel ingesteld, +maar wel van de vriendenmaaltijden en andere bijeenkomsten, waarop men +zich, ook op Duitsche wijze, aan de dronkenschap overgaf: iets dat aan +geen tijdvak zeer vreemd is. Echter werd er spoedig <span class= +"pagenum">[<a id="pb319" href="#pb319" name="pb319">319</a>]</span>bij +de feesten een ceremonie- of zedemeester aangesteld, wien bij het +drinken vooral het toevoorzigt was gegeven. De kantteekening van +<span class="sc">Wins.</span> ter a. p. luidt: »<i><span class= +"ex">Die Vriesche Hoorn inghestelt met den +Schuttel.</span></i>”—Deze <i>Pateele</i> of schotel zou +uit dertien of veertien verschillende geregten bestaan hebben, en de +<i>Hoorn</i> een gewone stierenhoren geweest zijn. Wie nu de +geschiedenis van Adel voor eene fabel houden, beweren, dat de Friezen +het gebruik van uit Horens te drinken van de Denen en Noren hebben +overgenomen.—Dan stellig is het, dat het gebruik in overouden +tijd bestond; als ook, dat men later de Horens niet meer van gemeene +stieren, maar van Ur-ossen genomen heeft, dezelve zeer versierde en met +goud en zilver prachtig liet beslaan.—In de onuitgegeven +<i>Kronijk</i> van <span class="sc">Worp van Thabor</span>, Lib. I. +cap. 2, wordt hierover uitgewijd. Zie <span class= +"sc">Hamconius</span>, <i>Frisia</i>, fol 8; <span class= +"sc">Gabbema</span>, <i>Verh. van Leeuw.</i>, bl 13; <span class= +"sc">Alkemade</span>, <i>Displegtigheden, II</i>. 408 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb7" class= +"pageref">7</a>.—A<sup>o</sup> 245.</p> +<p><i>Adelingen.</i> Ofschoon er reeds in de vroegste tijden, en +welligt in Friesland vroeger dan elders, een stand van mannen bestond, +die men <i>Edelen</i> noemde, is het echter niet aannemelijk, dat zij +hunnen naam van dien van Prins Adel hebben ontvangen. Immers de +afleiding van het woord spreekt het tegen. Het zij voldoende, uit +meerderen hier het aangevoerde van de kundige en schrandere Vertalers +en Aanteekenaren op de <i>Oude Friesche Wetten</i> aan te halen, en als +het meest aannemelijk denkbeeld na te volgen. Aldaar, op bl. 132, lezen +wij: »Waar in het weezen van den Adel, onder de Duitsche volken, +bij ouds bestaan hebbe, kan met geen volkomen zekerheid bepaald +worden.—<span class="sc">Leibnits</span> (<i>Excerpt. +Mejerian.</i> p. 289) en <span class="sc">Gærtner</span> (<i>ad. +L. L. <span class="pagenum">[<a id="pb320" href="#pb320" name= +"pb320">320</a>]</span>Sax.</i> p. 21.) leiden het woord <i>Edelman</i> +af van het over oud woord <i><span class="ex">ot</span></i> of +<i><span class="ex">od</span> predium</i>, <i>possessio</i>, [een goed, +hetzij op het land of in de stad; bezit] (waar van <i><span class= +"ex">allod</span></i>), zoo dat <i>Edelman</i> zooveel zoude zijn als +<i><span class="ex">odelman</span></i>, <i>predii vel pagi +possessor</i>, [groot goed- of landbezitter] en stellen op dien grond +het oorspronglijk weezen van den Adel in de bezitting van aanzienlijke +vaste goederen.”—<span class="sc">Wachter</span> en anderen +stellen het wezen van den Adel in hooge geboorte; doch altijd blijft de +vraag, hoe de eerste edelman in de wereld gekomen zij.</p> +<p><i><span class="ex">Adel</span></i> dus van <i>od</i>, <i>ode</i>, +<i>ade</i>, <i>ede</i><a class="noteref" id="xd20e5200src" href= +"#xd20e5200" name="xd20e5200src">39</a>, <i>grond</i>, <i>bezitting</i> +afkomstig, zoo is <i>Edele</i>, <i>Edelman</i> oorspronkelijk een +grondbezitter. Daar nu deze Edellieden, als de aanzienlijkste personen, +natuurlijke voorregten genoten, tot hooger ambten en vooral tot hoogere +rangen in de krijgsdienst werden verkozen, hadden zij ook, in de +vroegste tijden namelijk, over hunne minderen het beheer en bestier, +zelfs eigene regtspleging en vrij gebied. In lateren tijd echter werden +er algemeene bepalingen, blijkbaar uit de alleroudste Friesche wetten +(<i>Lex Frisionum sive antiquae Frisiorum leges</i>) gemaakt, waaraan +de Edelen zich moesten houden. De afstammelingen der grondbezitters, +rijksten, traden, hoewel niet regtens, in de voorregten der ouders, met +het ontvangen van het ouderlijk erfdeel (<i>Ethel</i>, in ’t +Oud-Friesch). De rijken evenwel, die zich goederen aankochten, werden +niet onder den Adelstand opgenomen, omdat hunne voorouders niet onder +de Edelen hadden behoord: zoodat al zeer vroeg de Adel zijn voorregt +aan geboorte toekende.—Destijds bestonden nog bij den alouden +Frieschen Adel geene brieven, wapenen of teekenen van Adeldom, daar +deze eerst in de XI of XII eeuw in gebruik zijn gekomen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb321" href="#pb321" name="pb321">321</a>]</span></p> +<p>Ten tijde van den regerenden Vorst, Hertog Georg van Saxen, (1505) +werd op diens last een register van den Frieschen Adel +opgemaakt<a class="noteref" id="xd20e5243src" href="#xd20e5243" name= +"xd20e5243src">40</a>, in hetwelk de in de Grietenijen aanwezige +Edelen, met de wegens oorlogen of onlusten afwezigen, werden +opgeschreven. Hierdoor mogen wij vooronderstellen, dat van dien tijd af +de wezenlijke erkenning van den Adel heeft plaats gehad, en ook de +bepaalde erfopvolging is begonnen. De Friesche Adel onderscheidde zich +alzoo van die van andere landen, daar de eerste ten gevolge van vrij en +onafhankelijk bezit van goederen tot dien stand was verheven, terwijl +de andere ten gevolge van landgoederen, van zijnen Vorst ontvangen, +daartoe geraakte; ook werden er soms door den Vorst, zonder dit, in den +adelstand ingelijfd, dat is, in diens voorregten gelijk gesteld. Zoo +had men dan ook in Friesland niet de verdeeling in bijzondere rangen, +als Graven, Hertogen, Baronnen en Heeren,<a class="noteref" id= +"xd20e5252src" href="#xd20e5252" name="xd20e5252src">41</a>, maar +alleen den rang en titel van <span class="ex">Friesch Edelman</span>, +den hoogsten rang en titel, welken men voeren kon en wilde. Echter +verkoos men in den eersten tijd zich Raden, Hoofden en Aanvoerders in +oorlog en vrede, die dan <i>Heerschappen</i> en <i>Hovelingen</i>, en +in de steden, bepaaldelijk <i>Oldermannen</i> genoemd werden. Deze +posten bleven ook in de familiën.</p> +<p>Onder de regering van Keizer <span class="sc">Lotharius II</span> , +omstreeks den jare 1125, bestond er tweederlei Adel,—de +<i>Hoogere</i>, die onmiddelijk onder den Keizer was gesteld, en de +<i>Lagere</i>, die onder Hertogen en Graven behoorde te staan. Dan de +Friesche Edellieden wilden geene Hertogen of Graven van Friesland +<span class="pagenum">[<a id="pb322" href="#pb322" name= +"pb322">322</a>]</span>erkennen, maar alleen onder de oppermagt des +Keizers staan, even als hun land. Leenmannen te wezen was hun een +ondragelijk denkbeeld, even als het voorregt uit vorstengunst +gesproten, en zoo was dan ook de alleen begeerde titel van Friesch +Edelman geen mindere, dan die van Graaf en Hertog. Het gebruik bij den +Adel, om zich naar hunne landerijen en kasteelen te noemen, was in +Friesland minder algemeen, daar men voor geslachtsnaam veeltijds den +voornaam zijns Stamvaders nam. Men leze <span class="sc">v. +Halmael’s</span> <i>Oersicht oer Frieslâns Schijdnis</i>, +§ 24: <span class="ex">Friesch Jierboeckjen</span>, 1833. Vergel. +voorts het vertoog van Jonkheer <span class="sc">M. Hettema</span> over +den <i>Oorsprong van den Frieschen Adel</i>, voorkomende in het +<i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant</i> van den 27 November 1832; de +<i>Narede</i> van den Heer <span class="sc">v. Halmael</span> achter +zijn <i>Treurspel Ats Bonninga</i>; <span class="sc">F. Sjoerds</span>, +<i>Beschr. v. Friesland</i>, I. 470; <span class="sc">Wakker van +Zon</span>, zijn Boekje getit. <i>de Adel, door</i> <span class= +"sc">Anonymus Belga</span>, p. 16. volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb10" class= +"pageref">10</a>.—A<sup>o</sup> 59.</p> +<p>Over den Afgod <i>Stavo</i>, denzelfden met <i>Thor</i>, leze men +<span class="sc">Westendorp’s</span> <i>Verhandeling over het +gebruik der Noordsche Mythologie</i>, (in de Nieuwe Werken van de +Maatschappij der Nederl. Letterk. II. D. 1 St.) p. +29–33;—en vergelijke <i>Oudh. en Gest. van Vriesl.</i> I +283–285 en 485.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb12" class= +"pageref">12</a>—A<sup>o</sup> 4.</p> +<p><i>’t Roode Klif</i>. Al de wonderen van het Roode Klif, nabij +Stavoren, met en zonder het bestuur des Duivels, alhier en vervolgens +vermeld, kunnen wij op geenen goeden grond den waarheidlievenden Lezer +<span class="pagenum">[<a id="pb323" href="#pb323" name= +"pb323">323</a>]</span>aanbevelen. Echter willen deskundigen, na +ontdekking en onderzoek van eene soort van lava in den grond aanwezig, +het denkbeeld niet verwerpen, dat het Klif een vulkaan van minderen +rang is geweest, of ten minste daarvan eigenschappen heeft +gehad.—Over de menschenoffers in Friesland gebruikelijk, zie de +<i>Aant.</i> op ’t jaar 700.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb13" class= +"pageref">13</a>.—A<sup>o</sup> 29.</p> +<p>Deze <i>Holle</i>, <i>Olennius</i>, was Hoofdman eener Keurbende, en +Landvoogd van wege de Romeinen over Friesland. <span class="sc">F. +Sjoerds</span> (<i>Jaarb.</i> I. 128) noemt hem »een gemeen +persoon onder de <i>Voorpyllenaars</i>”<a class="noteref" id= +"xd20e5409src" href="#xd20e5409" name="xd20e5409src">42</a>.</p> +<p>De verklaring van <i>Holle</i> of <i>Hollo</i>, naar de Friesche +taal Hoofd, Hoofdman, vindt men bij <span class="sc">Hamc.</span> +<i>Fris.</i> p. 11, en bij <span class="sc">S. Petri</span>, <i>de +Frisior. Antiq. et Orig. Lib. I. Cap. IX</i>, welke laatste hem, echter +verkeerd, een Fries van afkomst noemt.—<i>Diocarus</i> ontving +eerst, volgens de kronijken, na de overwinning op de Romeinen den naam +van <i>Segon</i>. <span class="sc">Hamc.</span> I. I.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb13" class= +"pageref">13</a>.—A<sup>o</sup> 29.</p> +<p><i>Omtrent het woud Baduhenne</i>. Over den oorsprong en ligging van +dit in de Vaderlandsche Geschiedenis beroemde heilig woud is verschil +ontstaan, zoo als natuurlijk volgen moet, wanneer geene de <span class= +"pagenum">[<a id="pb324" href="#pb324" name= +"pb324">324</a>]</span>minste narigten uit de oudheid overblijven. Er +pleit echter meer voor, dat deszelfs ligging in de Wouden dan bij +Franeker geweest zij. Even zoo is het onzeker welke Godheid, aldaar +vereerd, door <i>Baduhenna</i> wordt aangeduid. Ook de Oudheidkenner +<span class="sc">Westendorp</span> heeft het onbeslist gelaten in zijne +genoemde Verhandeling. <span class="sc">v. Halmael</span>, in het +voorberigt voor zijn Treurspel <span class="sc">Adel</span> en +<span class="sc">Ida</span>, zegt<span class="corr" id="xd20e5496" +title="Bron: .">:</span> »De naam van het woud <i>Baduhenna</i> +is voorzeker door <span class="sc">Tacitus</span> verlatijnd. Wanneer +men er den uitgang <i>enna</i> of <i>henna</i> (dien wij, hoewel +misschien anders gewijzigd, ook in den naam <i>Nehalennia</i> +ontmoeten,) afwerpt, heeft <i>Badu</i> genoegzame overeenkomst met +<span class="sc">Balder</span>, om de onderstelling te rechtvaardigen, +dat <i>Baduhenna</i> een aan <span class="sc">Balder</span> geheiligd +woud was.” Dit komt ons geenszins vreemd voor, daar ook de +vereering van den in de Scandinavische godenleer zeer bekende Godheid +<span class="sc">Balder</span>, zoon der Godinne <span class= +"sc">Frigga</span>, voornamelijk en welligt uitsluitend tusschen den +Rijn en den Wezer plaats had, en aldaar in hoogen rang en van groot +gezag was.—Dat er in Friesland gewijde bosschen zijn geweest, is +buiten twijfel; jammer maar dat hunne ligging niet is nagespoord +geworden, en dit, met zoo vele andere zaken, voor een nageslacht +bewaard blijft, ’t welk alsdan in zijne nasporingen misschien +niets meer ontdekken zal, dan dat het eenige eeuwen te laat gekomen +is!—Vergel. <span class="sc">West.</span> zijne uitstekende +<i>Verh. over het gebruik der Noordsche Mythologie</i>. <span class= +"sc">Halma</span>, <i>Toneel der Vereenigde Nederlanden</i>, enz.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb15" class= +"pageref">15</a>—A<sup>o</sup> 59.</p> +<p><i>Vryt</i> of <i>Verritus en Malorix</i>,—of Maloriges. In de +Jaarboeken van <span class="sc">Tacitus</span>, het dertiende, is het +voorval dezer beide gezanten, welke hij regerende Vorsten noemt, in +zijne bijzonderheden omschreven, <span class="pagenum">[<a id="pb325" +href="#pb325" name="pb325">325</a>]</span>bepaaldelijk vermeldende +hunne vrijmoedigheid, toen zij in den schouwburg meer met de +aanschouwers dan met het spel zich bezig hielden, en van zitplaats +veranderden, om zich in het Raadsheerlijk gestoelte neder te zetten, +onder de afgezanten van andere volken, die men wegens trouw en +vriendschap bijzonder eer bewees. Deze aloude opregtheid, zoo als men +het noemde, beviel niet alleen aan het publiek, maar ook den Keizer +Nero zoo wel, (wien in eene kwade luim zulk een gedrag weleens zeer +mishaagd konde hebben) dat hij den Gezanten het belangrijk burgerregt +te <i>Rome</i> schonk.—Van de bekeering in den tekst vermeld, ook +bij <span class="sc">Winsemius</span> geboekt, wordt bij <span class= +"sc">Tacitus</span> niet gewaagd, zoo als het ook niet voor waarheid +wordt aangenomen, onder anderen door <span class="sc">Harkenroht</span> +in zijne <i>Oostfr. Oorsprongkelykheeden</i>, p. 24 en 29, dat Verritus +en Malorix, of zoo als zij anders mogen geheeten hebben, uit de +adellijke geslachten der <i>Hermana’s</i> en +<i>Cammingha’s</i> gesproten zijn, ’t welk door +<span class="sc">Suffr. Petri</span> en <span class= +"sc">Hamconius</span> wordt beweerd.—<span class="sc">P. +Nota</span>, in zijn <i><span class="corr" id="xd20e5599" title= +"Bron: Aanhanzel">Aanhangzel</span> betreffende de Oudheden van +Berlikum</i>, p. 79 in de noot, vermeent, in de woorden van +<span class="sc">Tacitus</span> de bevestiging te vinden, dat +<span class="sc">Verr.</span> en <span class="sc">Malor.</span> geene +Friesche maar Duitsche gezanten geweest zijn. Maar waarom kunnen zij +niet enkel Leidslieden van de uittrekkende Friezen geweest zijn, en een +ander Koning of Vorst der teruggeblevenen? Deze gebeurtenis, zegt +<span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> p. 15, behoort niet tot de +geschiedenis der Groote Friezen.</p> +<p>Betrekkelijk deze namen vinden wij bij <span class="sc">A. +Ypeij</span>, <i>Geschied. der Nederl. Tale, I.</i> D. bl. 161 noot, +onder de bewijzen, dat de oude Friezen vele namen met hunne buren +gemeen hadden, en er dus eene groote wederzijdsche gemeenschap van volk +en taal bestond, ’t navolgende: »Reeds onder de oudste +Vriezen schijnen er zulke algemeene namen in gebruik te zijn geweest. +Zulks toch mag men opmaken, uit de namen van twee <i>Vriesche</i> +gezanten van <i>Rome</i>, onder <span class="sc">Nero</span>, welke +<span class="sc">Tacitus</span> voor ons bewaard heeft, namelijk +<span class="sc">Verritus</span> en <span class="sc">Malorix</span>. +<span class="pagenum">[<a id="pb326" href="#pb326" name= +"pb326">326</a>]</span><i>Ann. Lib.</i> XIII C. 54. Indien ik mij niet +bedriege, waren dit, de nog bekende namen <span class= +"sc">Gerrit</span> en <span class="sc">Maurik</span>. De V toch, gelijk +wij weten, verandert ligtelijk in G, en de L in U. Gelijk de +Nederlanders in het algemeen van <span class="sc">Gerrit</span>, hun +<span class="sc">Geert</span> hebben, zoo hebben, naar het schijnt, de +Vriezen bijzonderlijk van <span class="sc">Maurik</span> hun +<span class="sc">Murk</span> gemaakt.”</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb16" class= +"pageref">16</a>.—A<sup>o</sup> 59.</p> +<p><i>Op ’t Oude Hof te Lewerden.</i> <span class="sc">Cappidus +van Staveren</span>, <span class="sc">Suffr. Petri</span> en +<span class="sc">Hamconius</span> zeggen, dat reeds voor Christus +geboorte <i>Leeuwarden</i> onder den naam van <i>Aula Dei</i>, dat is +Gods-Hof, bekend was, alwaar het opperhoofd der Druiden, Barden of +Priesters was gesteld. Hier was de leerschool van de Friezen, en +genoten zij onderwijs in de godsdienst, wetenschappen en wijsbegeerte. +Dit gesticht zoude te Oldehove gestaan en uitstekende mannen hebben +voortgebragt. Latere schrijvers verwerpen dit denkbeeld geheelenal. Wat +er van zij is moeijelijk op te sporen, nog moeijelijker te beslissen. +Verg. <i>Oudhed. en Gesticht.</i> I. 283, alwaar de kundige vertaler, +<span class="sc">v. Rhyn</span>, in den geest van <span class= +"sc">Emmius</span> steeds tot verwerpen genegen van de oude kronijken, +ook geen geloof daaraan hecht. Over de goden- en geloofsleer der +Druiden, hun priesterschap, beheer, en hun bestaan in het oude Friesche +Rijk, vergelijke men de meergemelde <i>Verhand.</i> van <span class= +"sc">Westendorp</span>, <i>over de Noordsche Mythologie</i>, p. 319 +volgg. en 331 volgg.—<span class="sc">v. Wijn</span>, <i>Huisz. +Leven, I.</i> 8, en <i>Hist. Avondst. I.</i> 123, zegt, dat de Germanen +en dus ook de Friezen geene Druiden of Barden gehad hebben: het +tegendeel wordt door <span class="sc">West.</span> bewezen;—zie +bl. 287 onzer Aanteekeningen.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb17" class= +"pageref">17</a>.—A<sup>o</sup> 94.</p> +<p><i>De Noormannen.</i> In dezen tijd, en gedurende <span class= +"pagenum">[<a id="pb327" href="#pb327" name="pb327">327</a>]</span>vele +eeuwen later, werd Friesland van tijd tot tijd door de Noren en Denen +vreeslijk geteisterd en geplonderd. Menigmalen behaalden de Friezen +eenen triomf op dezelven; doch ook dikwijls leden zij bloedige +nederlagen. <span class="sc">Ocko van Scharl</span> spreekt reeds van +eenen sterken inval op den jare 62, wanneer de Deensche Koning door +sommige Oostersche volken zou opgehitst zijn. In het jaar 69 wil men +dat de Friezen, het jaarlijks rooven, plunderen en moorden moede, eene +groote krijgsmagt naar Denemarken zonden, om ze in hun eigen land te +bevechten, dan storm en onweer hadden dezen togt belet. In ’t +volgend jaar echter sloten zij met den Koning een bestand, ’t +welk, hoe wonder ook, volkomen stand gehouden heeft tot den bepaalden +tijd. Deze boven bedoelde inval der Noormannen, welke anderen op den +jare 90 stellen, schijnt zeer geweldig geweest te zijn, en uit hoofde +van den weinigen wederstand aan deze zijde, daar de meeste Friezen in +Romeinsche dienst afwezig waren, hadden zij tijd en gelegenheid zich +aan moord en roof ter kele toe te verzadigen. <span class= +"sc">Picardt</span>, in zijne <i>Annales Drenthiae</i>, spreekt ook +alzoo van dit feit.—Zie de noot p. 305. <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 197.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb17" class="pageref">17</a>.</p> +<p><i>Onder zeven <span class="sc">Hertogen</span>.</i> Het algemeen +gevoelen is, <span class="corr" id="xd20e5771" title= +"Bron: dat men onder die">dat die</span> waardigheid van <i>Hertog</i>, +met welken titel thans dien van <i>Prins</i>, in navolging der naburige +volken, verwisseld werd, niet in eenen Hoogvorstelijken of Koninklijken +staat en magt bestaan hebbe, maar dat de Hertogen, Heervoerders, +Krijgsoversten of Opperbevelhebbers waren, aan welken het bestuur en +beleid des oorlogs, met alwat daartoe behoorde, was opgedragen. +<span class="pagenum">[<a id="pb328" href="#pb328" name= +"pb328">328</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb22" class= +"pageref">22</a>.—A<sup>o</sup> 248.</p> +<p><i>Dokkenburg.</i> Deze verklaring is zeer juist. Bij <span class= +"sc">Kiliaan</span> vinden wij <span class="sc">Docke</span>, +<i>(vetus) navale</i>: waaronder verstaan wordt: <i>stabulum</i> of +<i lang="la">armamentarium</i>, ligplaats der schepen, d. i. haven. Ook +bij denzelfden <span class="sc">Docke</span>, <i><span class= +"ex">Germ.</span> poppe</i>: en in den <span class= +"sc">Theutonista</span>, <i>Dock</i> of <i>Pupp, pupa, pupulla, +popje</i>.—<i><span class="ex">Docke van Stro</span></i>.</p> +<p>Over de stichting dezer stad zullen wij niet uitweiden; zij is na +Stavoren de oudste, en in allen opzigte zeer merkwaardig geworden. Men +leze hierover de <i>Oudheden en Gestichten</i>, <i>I.</i> 404, met de +aanmerkingen van <span class="sc">v. Rhyn</span>, die met <span class= +"sc">Emmius</span> de hooge oudheid betwijfelt. Wat voorts derzelver +geschiedenis betreft, zeer belangrijk is, om herlezen en vergeleken te +worden, de <i>korte Geschiedenis der stad Dokkum voor den Vrede van +Munster</i>, voorkomende in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder +Courant</i> van den 6 Julij 1830; alsmede de beide stukken in dezelfde +Couranten van 2 en 9 Maart te voren, ter verdediging strekkende tegen +de dikwijls kleingeestige en dwaze aanvallen tegen <i>Dokkum</i> en +deszelfs bewoners, vooral van lieden wier spelend vernuft zich door +duizend vervelende herhalingen van vroegere aardigheden tracht staande +te houden. In die stukken is eene naauwkeurige opgave der groote en +beroemde mannen, die <i>Dokkum</i> heeft opgeleverd, te vinden.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb23" class="pageref">23</a>.</p> +<p><i>In den jaare 289</i>,—of omstreeks dezen tijd, toen +Constantius Chlorus, door Keizer Diocletianus tot den rang van Roomsch +Koning verheven, Galliën met zijne grensprovincien onder zijn +gebied verkregen, en de Franken, Saksen en Friezen in Batavien had +overheerd, werden er velen door hem omgebragt, anderen verplaatst, +gevankelijk weggevoerd, in het Romeinsch leger ingelijfd, of tot harde +slavendiensten <span class="pagenum">[<a id="pb329" href="#pb329" name= +"pb329">329</a>]</span>vernederd. Uit verbittering en tot +weêrwraak moesten nu de Friezen, Overrijnsche Franken, Cauchen, +Chamaven en Bructeren in vereenigde magt, van den winter en den +digtgevrozen Rijn gebruik maken, om Constantius en zijn heir te +overvallen. Dan het goed krijgsgeluk diende hen niet zoo gunstig als +onze kronijk vermeld; de dooi viel in, het eiland werd door de Romeinen +omsingeld, de Friezen ingesloten, vermoord of gevangen, en nog dieper +onder ’t juk gebragt. Daarna is er met hen een verbond +gesloten.—<span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> p. +30.—<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 225 +volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb24" class="pageref">24</a>.</p> +<p><i>Omtrent den jaare 312</i>, enz. De kronijkschrijvers verhalen, +dat omstreeks dezen tijd door vijf aanzienlijke Edellieden, +West-Friesland (d. i. de landen ten westen het Flie) is bevolkt en +bebouwd. De in onze kronijk genoemde Diederik stichtte de hoofdplaats +Medemelaca, Medemblik, aldus genaamd naar de Godin Medea; Geerard +bouwde het dorp Opdijk; Roelaard, ’t dorp Wildenes, met een sterk +kasteel; Keno was stichter van Bennenbroek, en Adelbold van het dorp +Winckel.—Dit verhaal heeft eene meerdere beteekenis, dan wij +thans nog in staat zijn te geven. Over Medemblik zijn oorkonden van de +IX eeuw voorhanden.—Zie over den naamsoorsprong enz. den +<i>Tegenw. Staat van Holland</i>, <i>II.</i> 502.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb25" class= +"pageref">25</a>.—A<sup>o</sup> 334.</p> +<p><i>Friesche Buinen.</i> Op bl. 9 onzer kronijk wordt reeds gesproken +van West-Friesland, en zou deze benaming er dus vroeger geweest +zijn.—<span class="sc">Hamconius</span>, <span class= +"pagenum">[<a id="pb330" href="#pb330" name= +"pb330">330</a>]</span><i>Frisia</i>, bl. 5 en 9, zegt op +<i>Firsiabones</i>, dat <i>Bone</i> in ’t oud Friesch <i>Boer</i> +beteekende, en dus <i>Frisiabones</i>, <i>Friesche Boeren</i> zijn, +waarvoor onze kronijk <i>Plompaarts</i> geeft. <span class="sc">A. W. +Schrieck</span>, in <i>Orig. rerum Celt. et Belg.</i>, verklaart het +woord door <i>Frisii separatim habitantes</i>, Friezen die afgezonderd +van hun eigenlijk land en landgenooten woonden. <span class= +"sc">Alting</span>, <span class="sc">van Rhyn</span> en anderen +beweren, dat het woord beteekent <i>Friesche Waterbewoners</i>, +waarmede zich latere schrijvers hebben vereenigd, en ’t welk ook +door den geleerden <span class="sc">Ypeij</span>, in zijne +<i>Geschiedenis der Nederl. Tale</i>, <i>I.</i> bl. 164, en <i>II.</i> +bl 109 en volgg. nader is bevestigd. A beteekent <i>water</i>: +<span class="ex">buen</span>, <span class="ex">boen</span>, +<i>wonen</i>, <i>verblijf houden</i>, dus zijn <i>Frisiabones</i> +Friezen, die aan het water wonen; en deze uitlegging is de eenvoudigste +en de beste, wel zoo goed als de ongelukkige inval van <span class= +"sc">Junius</span> (<i>Batavia</i>, p. 48. Ed. 1652), om van +<i>Frisiabones</i>, <i>Friesche apen</i> te maken!—<span class= +"sc">Plinius</span> noemt dezelve als wonende tusschen het Vlie en het +Helium, monden van den Rijn. Dat deze Schrijver ook hier heeft +misgetast, bewijst <span class="sc">Schwartz</span>, <i>Voorr. I.</i> +26. <span class="sc">Tacitus</span> zwijgt er van, doch deze kan hen +gehouden hebben onder de Kleine Friezen te behooren. Het denkbeeld van +den Heer <span class="sc">Ypeij</span> is zeer aannemelijk, dat de +<i>Frisiabonen</i> eene volkplanting van echte Friezen zijn geweest, +wonende aan de linkerzijde van het Vlie in West-Friesland, +onderscheiden van de Kaninefaten, (waarschijnlijk aan de oevers der +Noordzee woonachtig) en van de Marsatii in de moerassige, naderhand +door de Zuiderzee overspoelde landen zich ophoudende, even zoo als de +eerste Bildtbewoners eene volkplanting was van oorspronkelijke +Noord-Hollanders.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb26" class= +"pageref">26</a>.—A<sup>o</sup> 339.</p> +<p><i>Die <span class="sc">Waarden</span> wierd genaamd.</i> (Zie ook +op de jaren 357 en 377.) Even zoo ook verhaalt <span class= +"sc">Winsemius</span>, <span class="pagenum">[<a id="pb331" href= +"#pb331" name="pb331">331</a>]</span><i>Chronique</i>, fol. 37 doch +naderhand; (fol. 40) noemt hij de stad <i>Norden</i>, om welke reden +weet ik niet; daarin is <span class="sc">Soet.</span> in zijn <i>Op- en +Nederganck van Stavoren</i>, p. 55, hem gevolgd, die door <span class= +"sc">Harkenroth</span>, <i>Oostfr. Oorsprongkel.</i> (p. 39 en 232) +daarover zeer gegispt wordt, dat hij Van Esonstad, Norden maken wil; en +toch heeft <span class="sc">Soet,</span> slechts het gezag van +<span class="sc">Wins.</span> gevolgd. Door de Noren en Denen zoowel +als door herhaalde watervloeden heeft die stad veel geleden, en is +dikwijls geplunderd en grootendeels afgebrand geworden. <span class= +"sc">Westend.</span> <i>Jaarb.</i> p. 19, stelt op ’t jaar 398 +het bouwen van Esonstad door den Koning Ubbo (Uffo). Over de oudheid +dezer stad heeft <span class="sc">Emmius</span> ook zijnen twijfel mede +gedeeld, doch <span class="sc">v. Rhyn</span> is hier wat toegevender +dan wel anders.—Zie <i>Oudh. en Gest. I.</i> 454 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb28" class="pageref">28</a> en +31.—A<sup>o</sup> 385 en 449.</p> +<p><i>Des Hengst en Hors, zijn zoonen</i> enz. <i>In den jaare 449, als +Hengst en Hors</i> enz.—De geschiedenis dezer Koningszonen is +belangrijk genoeg om in aandacht genomen te worden, en wij vinden er, +verondersteld zelfs dat wij onze kronijkschrijvers <span class="corr" +id="xd20e6091" title="Bron: verwer-werpen">verwerpen</span>, ook bij +den Engelschen Historieschrijver <span class="sc">Beda</span>, (<i>lib. +I. Cap.</i> 15) de vermelding van. Deze zegt dat zij de zoons van den +Saxischen Vorst <i>Vergistus</i> (achter-kleinzoon van Wodan), en dus +niet van Odolf Haron waren, hetgeen ook met de tijdrekening verkeerd +zoude uitkomen. Hierover is twist ontstaan, welke onbeslist is +gebleven: echter komt men daarin overeen, dat <i>Hengistus</i> en +<i>Hors</i> aan het hoofd van de Saksen, Friezen, Angelen en andere +naburige volken, door den Britschen Koning Vortigern te hulp geroepen, +derwaarts zijn getogen, en zich eindelijk meester van dat land hebben +gemaakt. Hunne geschiedenis is omstandig beschreven bij <span class= +"sc">Ocko van Scharl</span>; en hoezeer dezelve ook bij andere +<span class="pagenum">[<a id="pb332" href="#pb332" name= +"pb332">332</a>]</span>schrijvers in een romantisch gewaad is +gewikkeld, draagt zij, in onderlinge vergelijking gebragt, vele +kenmerken van oorspronkelijkheid. Wij kunnen hier in geene verdere +ontwikkeling treden, doch zullen voor dien het lust, de bronnen en +navolgingen aanwijzen, waarin de historie dezer gebroeders beschreven +staat, met derzelver verscheidenheden.—<span class="sc">Occo +Scharlensis</span>, <i>Chronyck</i>, op ’t jaar 385 en 441; +<span class="sc">Furmerius</span>, <i>Annal. Phrisic.</i> p. 124 en +144; <span class="sc">Winsem<span class="corr" id="xd20e6130" title= +"Niet in bron">.</span></span> <i>Chr.</i> fol 43 en 47; <span class= +"sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> fol<span class="corr" id= +"xd20e6143" title="Niet in bron">.</span> 39 en 53; <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 269 volgg.; <span class= +"sc">Emmius</span>, <i>Lib. III.</i> p. 39 seq.; <i>Oudheden en +Gestichten, Nabericht van</i> <span class="sc">v. Rhyn</span>, bl. 368; +<span class="sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. I.</i> 289; +<span class="sc">Beda</span>, <i>Hist. Eccl. Lib. I. cap.</i> 12 etc. +en <i>Chronicon</i>; <span class="sc">Jancko Douwama</span>, <i>Boeck +der Partijen</i>, p. 37; <span class="sc">Westend.</span> <i>Jaarb. +I.</i> bl. 26; <i>Overzigt</i> van <span class="sc">v. Halmael</span> +hiervoren § 7, jaar 449; <span class="sc">Gibbon</span>, <i>Hist. +of the decline and fall of the Rom. Emp. Ch.</i> 38. <i>IV.</i> 395; +<span class="sc">Hume</span>, <i>Hist. v. Engel. I.</i> 23 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb32" class="pageref">32</a>.</p> +<p><i>In den jaare 463</i>. Men vergelijke de tegenspraak in gemeld +<i>Nabericht</i> van <span class="sc">v. Rhyn</span>, p. 372.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb32" class= +"pageref">32</a>.—A<sup>o</sup> 496.</p> +<p><i>Deed Klodoveus, een inval in Friesland</i>. <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 290 en anderen verhalen, dat de +Friezen in dezen strijd het onderspit delfden, de Friezen en Saksen +terugkeerden, maar de Allemannen, welke in dezen strijd deelden, hun +gebied verloren; terwijl Koning Clovis, ingevolge hunne belofte, na de +overwinning in dezen hagchelijken kamp, met 3000 Franken, tot het +Christendom overging. Eenige jaren vroeger, omstreeks 476, was het +Westersche Keizerrijk <span class="pagenum">[<a id="pb333" href= +"#pb333" name="pb333">333</a>]</span>geheel ten gronde gegaan, en +niemand over de Maas en den Rijn gaf gehoor aan het Romeinsche +gezag.—Verg. <span class="sc">Bilderdyk</span>, <i>Geschiedenis +des Vaderlands</i>, <i>I.</i> 60 en 61.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb34" class= +"pageref">34</a>—A<sup>o</sup> 517.</p> +<p><i>Groningen, bij de Friesen Grins genaamt</i>. In 517 werd, luidens +het verhaal van eene der kronijken, Groninge of Groinge (Grens, Grins) +met een houten staketsel omgeven, ter beveiliging der veste. Deze wijze +van bevestiging was reeds veel vroeger bij de Germanen en Belgiërs +in gebruik, en behoeft, op dezen tijd, niet de minste verwondering te +verwekken.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb34" class= +"pageref">34</a>.—A<sup>o</sup> 527.</p> +<p><span class="sc">Richold</span>, <i>zijn oudste zoon</i>. Over de +geschiedenis in dit tijdvak is een bijzonder verschil ontstaan bij vele +schrijvers, daar de verwarringen, zoowel in den tijd als in de +personen, aanduiden, dat men het spoor bijster is geraakt, en men alzoo +tot gissingen zijne toevlugt heeft genomen, om uit de onderlinge +tegenspraak tot eenige waarschijnlijkheid te geraken. Ook onze kronijk +geeft geen meerder licht, maar is schijnbaar in den doolhof +medegedwaald. De opgave van den zoon en kleinzoon van Diderik, (zie op +’t jaar 334) beide Lem of Willem geheeten, en Dibbalds zoon van +denzelfden naam, waarvan <i>Haarlem</i> zijnen naam ontleende, is in +’t geheel niet in de haak, schoon ook <span class= +"sc">Winsemius</span> (fol. 36 en 48) hem hierin is voorgegaan. Verg. +<span class="sc">Scriverius</span> in zijden <i>Toets-steen</i> op het +<i>Oude Goutsche Chronycxken</i>, p. 204, 205. De andere kronijken +springen met die historie, tot op Adgillus tijd, wonder om, terwijl +<span class="pagenum">[<a id="pb334" href="#pb334" name= +"pb334">334</a>]</span>men het over diens vader maar geheel niet eens +kan worden.—Was Adgillus een Saks of een Fries? Beroald, Bertoald +of Berthold voerde volgens veler gevoelen het gebied over de Saksen, en +daar Ritserd, naderhand bijgenaamd Arundelius, in dien tijd Koning der +Hoog-Friezen was, (in onze kronijk bl. 36 genoemd) moet Adgillus diens +zoon geweest zijn. Dit is mede de gissing van <span class= +"sc">Emmius</span>, door <span class="sc">v. Rhyn</span> goedgekeurd, +en door <span class="sc">F. Sjoerds</span> (<i>Jaarb. I.</i> 334) +gevolgd. Het is ons wel voorgekomen, dat men Saksen en Friezen, Beroald +en Ridserd met en onder elkander heeft verward, en dat Beroald door de +Saksen tot Koning of Hertog was verkozen;—maar in hoeverre hij +ook een deel der Friezen beheerscht hebbe, en hoedanig van Odibbald af +de geslachtsopvolging geweest zij tot aan Adgillus, behoort tot een +nader naauwkeurig onderzoek. Verg. onder anderen <span class="sc">v. +Rhyn’s</span> <i>Nabericht</i>, bl. 376–382, te dezen +opzigte zeer duidelijk. Over Ridserd Arundelius, die een dapper en +vermaard Vorst moet geweest zijn, <span class="sc">West.</span> +<i>Jaarb.</i> bl 30 volgg. <span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. +Hist.</i> fol. 47.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb35" class="pageref">35</a></p> +<p><i>Watervloeden in Friesland.</i></p> +<p><i>In den jaare 570</i>. Dus ook <span class="sc">Winsemius</span>, +<span class="sc">Soet</span> en anderen, doch <span class= +"sc">Gutberleth</span>, in zijne Aanteekeningen op <span class= +"sc">Gabbema’s</span> <i>Watervloeden</i>, p. 14, vermeldt uit de +geschreven kronijk van <span class="sc">Ocko van Scharl</span>, hem ten +gebruike gegeven door Bern. Fullenius, den weêrgaloozen +Hoogleeraar in de Wiskunst in Frieslands Opperschool (gelijk hij zegt), +dat aldaar deze vloed gesteld wordt op den jare 533. Ook de +kronijkschrijver <span class="sc">Twisk</span> noemt hetzelfde jaar. +<span class="pagenum">[<a id="pb335" href="#pb335" name= +"pb335">335</a>]</span></p> +<p>Door <span class="sc">Dirk, Burger van Schoorl</span>, wordt in +diens kronijk als eerste Watervloed opgegeven die van 333 in +Noord-Holland, wanneer de Zijpe is ingebroken en 1200 jaren verdronken +heeft gelegen. De stad Grebbe, door de Romeinen gesticht, liggende aan +’t Eimer Swin, thans nabij het Nieuwe Diep, of een half uur gaans +benoorden Wieringen, zou toen verdronken zijn, schoon anderen dit +voorval later stellen<a class="noteref" id="xd20e6378src" href= +"#xd20e6378" name="xd20e6378src">43</a>. In 435 was er weder een zware +vloed over Friesland, zoo als ook in 516, in onze kronijk vermeld. Na +570 volgde die van 584, met het wonder zeldzame, vruchtbare jaar. In +586 of 626<a class="noteref" id="xd20e6403src" href="#xd20e6403" name= +"xd20e6403src">44</a>, of welligt in beide jaren, werd Friesland +alweder overstroomd. Een viertal jaren later begon de wijze Adgillus +vliedbergen en terpen te maken, en gaf der bedijking hare geboorte. +Vele menschen en veel vee verdronken in den vloed van 792 of 793, en +door al deze verwoestingen waren er een aantal steden, dorpen, +bosschen, alsmede eene groote uitgestrektheid lands verzwolgen en +vernietigd, waarvan de onder de golven der zee liggende zandbanken de +sporen van het vorig bestaan aanwijzen.</p> +<p>De St. Thomas vloed van den jare 806 was geducht voor Friesland; en +van dien tijd tot op de helft der XII eeuw moeten door verscheidene +overstroomingen Friesland, Noord-Holland, Zeeland en Vlaanderen +deerlijk zijn geteisterd, vooral in den jare 839 <span class= +"pagenum">[<a id="pb336" href="#pb336" name="pb336">336</a>]</span>zou +dit gewest bijna geheel overstroomd geweest zijn, en er eene gansche +omwenteling in den bodem van ons vaderland te weeg zijn gebragt.</p> +<p>De St. Juliaans-vloed in ’t begin van 1164 kostte het leven +aan duizenden van menschen en beesten; waarop de alles verwoestende +Allerheiligen-vloed van 1178 volgde, die de zeebaren tot aan Utrechts +wallen voortjoeg. In dezen tijd kreeg de Zuiderzee eene groote +uitgestrektheid; terwijl de baatzuchtige Friesche Abten vele +verderfelijke doorgravingen deden maken, die de zee in vernielende +krachten deed aanwinnen. Ook in 1200 stroomde een deel van Friesland +over; doch van den schrikkelijken watervloed in Noord-Holland, in 1212, +vindt men niets betrekkelijk Friesland vermeld. Dan bij den ijsselijken +Marcellus-vloed, in Januarij 1219, was geene overstrooming te +vergelijken, hetgeen dan ook bij de nakomelingschap ten spreekwoord is +geworden. Alwat tusschen den Wezer en de Schelde op en over de +oppervlakte van den grond aanwezig was, werd op vele plaatsen vernield +en vernietigd, en duizenden menschen van ’t leven beroofd. Dezen +vloed (zegt <span class="sc">Westend.</span> <i>Jaarb.</i> p. 238) +meenden velen te moeten toeschrijven aan de brooddronkenheid en de +woestheid van een zekeren Fries en kampvechter, die het hoogwaardig +sacrament te Wijtwerd en Uskwerd, ter plaatse waar men naderhand het +klooster van St. Jan stichtte, zeer hoonde en ontheiligde.</p> +<p>De jaren 1220, 1221, 1222, 1223, 1224, 1227, 1230, 1237, 1246, 1248, +1249, 1250, 1257, 1262, 1266, 1273, 1277, 1285, 1287, 1288 en 1290 +waren uiterst rampvol voor Friesland, en wie kan er zich een denkbeeld +van vormen? twintig overstroomingen in ééne en dezelfde +eeuw, in één en hetzelfde Gewest! En niet alleen door de +vloeden, maar ook omstreeks het midden dezer eeuw werd Friesland door +eene vernielende pest onder menschen en vee jammerlijk geteisterd, +terwijl haat en nijd, twist en tweedragt onder de ingezetenen aller +onheil ten top voerden.—In deze eeuw verdwenen Ezonstad, +<span class="pagenum">[<a id="pb337" href="#pb337" name= +"pb337">337</a>]</span>Camminghaburg bij Leeuwarden, Britsenburg aan de +Middelzee, de stedekens Wartena ten deele en Grind geheel.</p> +<p>In de veertiende eeuw werd Friesland acht malen gedeeltelijk +overstroomd, en wel ten jare 1313, in welke de beroemde <i>Wijbo +Sjoerds van Grovestins</i>, voornaam hoofd der Vetkoopers, het leven +liet, en op welke overstrooming weder eene pestziekte zoude gevolgd +zijn: voorts in 1334, 1336, 1361, 1377, 1380, 1387 en in 1400, de +Friesche vloed genaamd, welke van belang is geweest voor de opkomst van +Amsterdam, door het aanmerkelijk verwijden van het Marsdiep, het zeegat +tusschen Texel en den Helder.</p> +<p>Wederom vijftien overstroomingen in de XV eeuw, waren ons gewest ten +geesel en ter vernieling. In 1403 was de 3de Catharina’s vloed, +maar in 1421 rigtte de St. Elisabeth’s-vloed hare ijsselijke +verwoestingen aan, waarin de 72 dorpen in den Zuid-Hollandschen Waard +bedolven werden, zoodat er twintig geheel te niete gingen. De volgende +vloeden hadden plaats in 1425, 1426, 1427, 1428, 1429, 1434, 1437, +1446, 1464, 1470, 1474, 1477, en 1497; en geen wonder dat het land +overstroomde, want de onderlinge twist en tweedragt gaf aan den oorlog +voedsel, terwijl de eendragtige zorgen voor het behoud des lands +verloren waren. West-Workum, Westerbierum en Dijkshorne waren den +golven ter prooi geworden: niet alles echter was verlies, want de +Middelzee was nu geheel aangeslijkt, en gaf kostelijk land.</p> +<p>Ook in de XVI eeuw was Friesland even ongelukkig door den ramp der +vloeden, zoodat wel twintig malen in dit tijdvak het land overstroomde. +In de jaren 1502, 1503, 1509, 1516, 1517, 1520, 1524, 1525, wanneer er +drie vloeden in één jaar waren; in 1530, 1531 en 1532 +(misschien dezelfde), 1552 en 1559 rigtten zij vele verwoestingen aan. +Maar de geweldige Allerheiligen-vloed van 1570 heeft het gansche land +langs de zeekusten van Frankrijk tot aan Noorwegen toe, als in +ééne zee herschapen; terwijl in Friesland de schrik en +ellende, die land en inwoonderen in eenen <span class="pagenum">[<a id= +"pb338" href="#pb338" name="pb338">338</a>]</span>poel van jammeren +stortte, door geene pen waren te beschrijven, door geene woorden te +vermelden. Wel 20,000 menschen, zeggen de schrijvers, zijn in onze +Provincie omgekomen: 1800 telde men in ééne +Grietenij.—Daarna had men weder met dit onheil te kampen in 1572, +1573, 1575, 1577 en 1578. Toen evenwel, door tusschenkomst en dwang van +Caspar de Robles, werd er gedijkt en gedamd.</p> +<p>Hoewel nu de vloeden in de XVII eeuw minder waren dan in de vorige, +was evenwel de zee niet in banden te houden, maar brak nog dikwijls +door de dijken heen, en bedierf een deel van het zoo vaak geteisterd +gewest. In 1610 liep de zuidwesthoek onder: 1623, 1625, 1643, 1651, +1665 en 1675 waren noodlottige jaren, en vooral het jaar 1651, waarin +de St. Pieters-vloed, na dat in Januarij de algemeene +rivier-overstrooming in de Nederlanden had plaats gehad, in de volgende +maand vele oorden in Friesland verwoestte. Voor Noord-Holland was die +vloed verschrikkelijk.</p> +<p>In den aanvang der XVIII eeuw, en wel in 1701 en 1703, zoo ook in +1715, leden door de overstroomingen het land en de zeedijken veel +schade, dan door den 7 kersvloed in 1717 was de verwoesting groot, +vooral in Oost-Friesland.—Ten jare 1731 werd het paalwerk langs +de kusten, en sommige sluisdeuren door de wormen geheel doorknaagd en +verteerd. Bijna zestig jaren lang bleef Friesland voor storm en vloed +beveiligd, doch in 1775 en 1776 had de provincie door twee +overstroomingen, en vooral door de laatste, veel te lijden; dit was +echter niet te vergelijken bij den geduchten watervloed van den jare +1825, die langs de zeekusten van Noord-Jutland af tot Frankrijk toe, +zijne vernielende kracht heeft uitgeoefend.</p> +<p>Vergelijk de <i>Inleiding</i> voor mijn <i>Geschiedkundig Tafereel +van den Watervloed en de Overstroomingen in de Provincie Vriesland; +voorgevallen in 1825</i>, en alle de afzonderlijk daarin aangehaalde +schrijvers. <span class="sc">Westend.</span> <i>Jaarb. van +Groningen</i>, op de verschillende jaren, die echter vele +overstroomingen niet heeft vermeld.—Een zeer goed boek over de +laatste overstrooming <span class="pagenum">[<a id="pb339" href= +"#pb339" name="pb339">339</a>]</span>is dat van den kundigen +<span class="sc">F. Arends</span>, <i>Gemählde der Sturmfluthen +vom 3 bis 5 Februar 1825</i>: (zu haben bei dem Verfasser, 1826.) In +zijn verdienstelijk reeds aangehaald werk: <i>Physische Geschichte der +Nordsee-Küste</i>, geeft de Schrijver, in het tweede deel, eene +Geschiedenis van al de watervloeden, vermeerderd met vele +bijzonderheden, door vroegere schrijvers niet vermeld.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb37" class="pageref">37</a>.</p> +<p><i>In den jaare 628</i> enz. Het omstandig verhaal dezen +belangrijken strijd, vindt men bij alle latere geschiedschrijvers bijna +op dezelfde wijze geboekt, en komt in de hoofdzaak overeen. Echter bij +vergelijking der oudste Friesche jaarboeken, zal men eenige afwijking +van anderen vinden. Niet, zoo als deze willen, was Dagobert de +aanvallende partij in Friesland, of wilde dit land dadelijk overheeren; +maar de Saksen, onder Koning Berthold, wilden niet meer onder der +Franken gebied blijven, maar vrij zijn, des zij hunne krijgsboden aan +Klotaris zonden, om dien op een barschen toon den wil van hunnen Koning +te kennen te geven, hetwelk der Franken Opperhoofd dezen zoo hoog +afnam, dat, waren zij niet door de christelijke staatkunde van den +Bisschop van Meaux gered, hij hen welligt het hoofd voor de voeten had +doen leggen. Zij keerden, tot christenen gedoopt, met eere en +geschenken terug. Doch de Saksen verbonden zich met de Friezen, +volvoerden hun plan, rukten tegen Dagobert op, die zijnen vader te hulp +roept en de overwinning behaalt; en nu had er eene ijsselijke slagting +onder de Saksen en Friezen plaats. Die langer dan zijn zwaard +waren<a class="noteref" id="xd20e6481src" href="#xd20e6481" name= +"xd20e6481src">45</a>, dat is, die de wapenen <span class= +"pagenum">[<a id="pb340" href="#pb340" name= +"pb340">340</a>]</span>weder zouden kunnen voeren en geschikt ten +strijde waren, werden vermoord; vrouwen en kinders werden in Frankrijk +als slaven verkocht, en daarmede eindigde dit treurtooneel.—Dat +dit gevecht in Friesland bij de Middelzee plaats had, gelijk +<span class="sc">Rolevink</span>, en in navolging van hem <span class= +"sc">Furmerius</span>, <span class="sc">Winsemius</span> en anderen, +beweren, heeft geen schijn, daar men moet vooronderstellen, dat het +niet anders dan bij den Wezer kan hebben plaats gehad.</p> +<p>Dagobert moet omstreeks dezen tijd ook een christenkerk te Utrecht +gesticht, en den Bisschop van Keulen het beheer over de Friezen gegeven +hebben; dan dezen, te zeer nog aan hunne afgoden verslaafd, te stijf +van hoofd en stug van aard, boden te veel tegenstand, en men vorderde +dus weinig.</p> +<p>Dat ook deze Dagobert, als overheerder der Friezen, de insteller der +wetten is geweest, wordt bestreden en met grond betwijfeld.—Zie +daarover <span class="sc">Schwartz.</span>, <i>Charterb. Voorr. I.</i> +bl. 36, 37, 38. Men vindt deze gebeurtenis beschreven bij <span class= +"sc">Furmerius</span>, <i>Ann. Lib. III.</i> c. <i>IV.</i> p. 172; +<span class="sc">Wins.</span> <i>Chr.</i> fol. 52; <span class= +"sc">Schot.</span> <i>Hist.</i> fol. 47; <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 323; <span class="sc">Wagen.</span> +<i>Vad. Hist. I.</i> 331; <i>Tegenw. Staat v. Fr. I.</i> 221; <i>Oudh. +en Gest. II.</i> 111, 112 en 377; <span class="sc">Cerisier</span>, +<i>Gesch. d. Vereen. Ned. I.</i> 90; <span class="sc">Bilderdyk</span>, +<i>Gesch. d. Vaderl. I.</i> 66.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb37" class="pageref">37</a>.</p> +<p><span class="sc">Adgild</span> <i>wierd</i> enz. Over de regering +van den christelijken Adgillus en onchristelijken Radboud, is in het +Overzigt genoegzame melding gemaakt. <span class="sc">Schot.</span> +<i>Fr. Hist.</i> p. 55, zegt, dat volgens eene Hollandsche kronijk, +Radboud geen zoon van Adgillus, maar van Diederik, omtrent den jare 300 +Koning van Friesland, bewesten ’t Flie, geweest zou zijn. Wij +hebben echter die kronijk niet gevonden, en volgen liever het +getuigenis van alle overige geschiedschrijvers. <span class= +"pagenum">[<a id="pb341" href="#pb341" name="pb341">341</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb42" class= +"pageref">42</a>.—A<sup>o</sup> 695.</p> +<p><i>In Friesland, Holland en Teisterband</i>. Over het oude +graafschap <i>Teisterband</i>, in ’twelk het geheele Sticht, met +het land tusschen Maas en Rijn, en van daar oostwaarts, met Kleef, Berg +en Gulikerland, vervat werd, leze men <span class= +"sc">Bilderdyk</span>’s <i>Geschied. d. Vaderl. I.</i> bl. 161, +193 en 341 volgg. De afleiding is deze: <i>Bant</i>, <i>Ban</i> is +jurisdictie, regtsban, <i>Deister</i> is bogt, kromte van +<i>deisen</i>, thans <i>deinzen</i>, afwijken. Het wordt van ouds +algemeen op de kromte van eene rivier toegepast. Dus is <i>Teister</i> +of <i>Deisterbant</i> de <i>regtsban</i> (of ’t gezag) <i>van de +bogt</i> (de afwijking) des Rijns, waar hij van noordwaarts ten westen +afdeinst.—Vergel. de door <span class="sc">Bild.</span> zelven +vervaardigde kaart achter het <i>I.</i> deel.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb43" class="pageref">43</a>.</p> +<p><i>In den jaare 700</i>. In dezen tijd, en zelfs gedurende een +gedeelte der VIII eeuw, was geheel Friesland nog heidensch. De +<i>Menschen-offers</i>, door geheel Galliën, Germanie en +Scandinavie gebruikelijk, bij de Denen en Noren in zwang, vonden ook in +Friesland grooten bijval, zoodat het geenszins vreemd is, in dezen tijd +daarvan in de geschiedenis voorbeelden te vinden. Men heeft het verhaal +van den schoonen jongeling <i>Ovo</i>, door den Priester Wulfram van +den dood verlost, onder de fabels gesteld, dan tijden, zeden en +gewoonten in acht genomen, en de leer der ondervinding geraadpleegd, +zou ik niet weten, waarom, door deze of gene omstandigheid, hetzij aan +hooger magt toe te schrijven, of vindt men dit te ouderwets gedacht, +dan door een toeval, of wel door eene behendigheid des Priesters, dit +<span class="pagenum">[<a id="pb342" href="#pb342" name= +"pb342">342</a>]</span>voorval niet had kunnen plaats hebben<a class= +"noteref" id="xd20e6660src" href="#xd20e6660" name= +"xd20e6660src">46</a>. Men twijfelt toch, in weerwil der zonderlinge +tegenspraak van sommige geleerden, geenszins aan zoo vele bloedige +offeranden aan de Goden gebragt, aan het slagten, verdrinken of op eene +andere wijze dooden van zoo vele mannen, vrouwen, ja zelfs kinderen, +waarvan de geschiedenis in de eerste eeuwen voorbeelden, aangeeft: en +zou het dus zoo vreemd zijn, dat in de eerste tijden bij verbazende +natuurverschijnselen of andere gebeurtenissen, men in zijnen angst tot +het menschenoffer, (gelijk dat van een driejarig kind, bij het ontstaan +eener zoute welle) als het hoogste, waarmede men zijne Goden vereeren +kon, waarmede men rampen afweren en gunsten verwerven wilde, toevlugt +nam?</p> +<p>Zeer gegrond is de aanmerking, dat door deze volharding in de +afgodendienst overvloedig blijkt, hoe weinig der Romeinen gezag en +invloed op de Friezen werkte. Men leze over het offeren van menschen en +beesten de meergen. Verhandeling van <span class= +"sc">Westendorp</span>, <i>over het gebr. der Noordsche Mythologie</i>, +bepaaldelijk over de <i>Heilige gebruiken</i>, bl. 339 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb44" class="pageref">44</a>.</p> +<p><span class="sc">Adgild</span>, <i>de tweede</i>. Sommigen willen +liever tot opvolger van Radboud zijnen zoon Poppo, dan Adgillus hebben; +de een onder den titel van Koning, de ander onder dien van Hertog. De +gissing echter in § 11 van het Overzigt (bl. 315), komt mij zeer +aannemelijk voor. Zie <span class="sc">van Loon</span>, <i>Aloude Holl. +Hist. I.</i> 324<i>b</i><span class="corr" id="xd20e6713" title= +"Niet in bron">,</span> 325<i>a</i>; <i>Oudh. en Gest. Naber.</i> p. +393; <i>Bijv. en Aanm.</i> op <span class="sc">Wagenaar</span>, +<i>I.</i> 92; <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> p. 42. +<span class="pagenum">[<a id="pb343" href="#pb343" name= +"pb343">343</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb46" class= +"pageref">46</a>.—A<sup>o</sup> 736.</p> +<p><i>Is Bisschop Willebrord ontslaapen</i>. Deze heeft ongetwijfeld +den eersten grondslag gelegd, en groot nut aan Friesland gedaan, tot +bekeering der heidensche natie. Volgens <span class= +"sc">Wagenaar</span> (<i>I.</i> 378) stierf hij in slagtmaand 737, +nalatende een alleraanzienlijks vermogen, meest door de Franken hem +geschonken, hetwelk hij aan zijne geliefkoosde Abdij van Epternach, bij +Trier, uit eene gifte van Dagoberts Dochter gesticht, vermaakte. +Omstreeks dezen tijd schijnt ook de Priester Marcellus, die zeventig +jaren lang het Evangeliewerk verrigtte, in Friesland met goed gevolg +gepredikt te hebben.</p> +<p>Ook in dit tijdvak kwam de vrome en geleerde Bonifacius hier te +lande uit Engeland. Deze bestreed met kracht, verstand en godvruchtigen +ijver, niet alleen de heidensche bijgeloovigheden, ruwheid van zeden en +woestheid der Friezen, maar ging ook met ernst het zedebederf, de +onkunde, boosheid, onwettigheid en valsche leer der geestelijken te +keer, wier doel en middelen met de christelijke godsdienst zoo zeer in +strijd waren. Zie het op bl. <a href="#pb348" class="pageref">348</a> +aanbevolen werk van den heer <span class="sc">Glasius</span>, IV en V +Hoofdst.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb47" class= +"pageref">47</a>.—A<sup>o</sup> 749.</p> +<p><i>Priester Jan</i>.—Zie over dezen <i>Oudh. en Gest. II.</i> +84–86 en <i>Naber.</i> bl. 349.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb50" class="pageref">50</a>.</p> +<p><i>Vreemde</i> <span class="sc">Heeren</span>. De Heer <span class= +"sc">v. Halmael</span>, heeft zijn tweede Tijdperk van het Overzigt, +(gedeeltelijk geplaatst <span class="pagenum">[<a id="pb344" href= +"#pb344" name="pb344">344</a>]</span>in <i>’t Friesch +Jierboeckjen</i> van 1833) loopende van 773 tot 1498, zijnde van Karel +den Groote tot de regering van Albrecht, Hertog van Saksen, genoemd: +<i><span class="ex">Het Vrije Friesland</span></i>. Niet dadelijk +evenwel (zoo als ook de Schrijver aanmerkt) waren de Friezen vrij, maar +trapsgewijze onder Karel’s opvolgers werd die vrijheid verkregen, +niet door Karel zelven hen geschonken. En ook natuurlijk, want daar +onder de hoofdvoorwaarden het aannemen van de Christelijken Godsdienst, +en dus ook onderwerping aan een’ Bisschop behoorde, was het van +zelf, dat het onrustig en onstuimig karakter niet zoo dadelijk met die +zachte middelen te temmen was, waardoor dus menig opstand en oproer +dikwijls de reeds geschonken vrijdommen weder deden bekrimpen.</p> +<p>Karel verdeelde het tegenwoordig Friesland, naar het schijnt, in +drie Graafschappen: <i>Oostergouwe</i>, <i>Westergouwe</i> en +<i>Stavoren</i>. Het Graafschap <i>Islegouwe</i> (IJsselland), waarin +Oost- en West-stellingwerf begrepen zullen zijn, is welligt een +<i>Saksisch</i> en geen eigenlijk <i>Friesch</i> Graafschap geweest of +alzoo genoemd. Ieder Graafschap had zijn opperhoofd, bekleed met de +burgerlijke en militaire magt, en over eenige Graafschappen was een +Hertog, uitsluitend het bewind over de krijgsmagt voerende, +gesteld<a class="noteref" id="xd20e6833src" href="#xd20e6833" name= +"xd20e6833src">47</a>.</p> +<p>De wetten, naar welke Karel de Friesche Graafschappen in het +algemeen deed regeren, zijn die, welke onder den titel van <i>Leges +Frisionum</i> in druk zijn uitgegeven. Het eerste deel bevat de +overoude gewoonten der Friezen onder de Romeinen, met eenige wetten der +Franken, en het tweede, de ophelderende bijvoegselen van +<i>Sachsmund</i> en <i>Wulmar</i>. Echter beschouwen wij dit niet als +een volledig Corpus of wetboek, maar veeleer voor een handboek voor de +Keizerlijke Graven en Ambtenaren, om daarop regt te doen, ook ter +berekening der breuken en boeten. <span class="pagenum">[<a id="pb345" +href="#pb345" name="pb345">345</a>]</span>Hieruit zoowel als van elders +blijkt, dat de Friezen destijds in vier standen of klassen verdeeld +waren. <i>Edelen</i>, dit waren de rijksten, de begoedigsten; +<i>Vrijen</i>, minder gegoeden, echter onafhankelijken; <i>Liten</i>, +lijfeigene boeren, en <i>Slaven</i> of <i>Knechten</i>, geheel +dienstbaren.</p> +<p>Karel ontnam den Friezen het regt op de vaderlijke erfenis, alzoo +hun regt op de nagelatene goederen der ouders, dat is: het vrije bezit +der erf-<span class="corr" id="xd20e6873" title="Niet in bron">,</span> +stam- of landgoederen van den adel en van de welgeboren lieden; en +voerde dus het zoogenaamde <i>Leenregt</i> in. Deze algemeene hoon en +smaad werd weder uitgewischt door Karel’s wettigen zoon en +opvolger Lodewijk den Vrome of Godvruchtige<a class="noteref" id= +"xd20e6879src" href="#xd20e6879" name="xd20e6879src">48</a>, die zijne +regering begon met aan de Friezen dit regt, en met dit regt den eernaam +van <i>Vrije Friezen</i> weder te geven. Hij was een zeer menschlievend +Vorst, doch welligt wat al te vroom om zulk een groot gebied en een +onverlicht volk te regeren.—Zie <i>Friesch Jierboeckjen</i>, +1833, §§ 4 en 7; bijzonder <i>Charterboek, Voorrede I</i>. +bl. 40 volgg. en aldaar den Giftbrief; vergel. <span class= +"sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> bl. 55 volgg.</p> +<p>Ten opzigte der wijze, hoedanig de opgemelde wetten in geschrifte +gesteld zijn, verhaalt men, dat dit door twaalf deskundigen, (welk +getal men in regtszaken steeds hoog waardeerde,) door de Friezen +gekozen, uit de overleveringen moest geschieden. Doch men wilde liever +bij het oud regt blijven, dan deze zware taak te verrigten, en men was +dus onwillig. Des Keizers wil woog echter zwaarder, dan die der +twaalven, en het werk werd volbragt.</p> +<p>De Sage, zegt de Heer <span class="sc">Westendorp</span> (<i>Jaarb. +I.</i> 59), heeft deze gebeurtenis in een kostelijk kleed gestoken: +<span class="pagenum">[<a id="pb346" href="#pb346" name= +"pb346">346</a>]</span></p> +<p>»Daar deze twaalf wijzen dan onwillig waren, om de wetten der +Vriezen in schrift te stellen, zoo gaf de Keizer hun zeven dagen tijds +om tusschen de onthoofding, het levende begraven, of het ter prooi +geven aan de woeste golven in een stureloos schip, te kiezen. De wijzen +kozen lijdzaam en moedig het laatste. Men zette hen dan nu in een schip +zonder zeil, roer, riemen en anker, en liet hen voor wind en weder +drijven. Een der Wimoedes, Asega of Azinge geheeten, van het +Wilken-geslacht, en een der eerste Vriezen, die deze benaming droeg, +herinnerde in dezen nood zijnen mede-ambtgenooten aan eene door hem +gehoorde leerrede van Willebrord, nopens de verschijning van Christus +Jezus, voort na zijne opstanding, aan zijne, in druk gezetene, +vrienden, hoewel de deuren gesloten waren. Hij stelde hen tevens +ootmoedig voor, om de hulp, redding en tusschenkomst van Christus Jezus +in dit gevaar biddend af te smeeken. Dit geschiedde eenparig knielende. +En ziet, onder hun gebed vertoonde zich achter in het schip een man, +welke met zijne hand een kromhout hield, en die de twaalven wederom in +de haven terug bragt, vanwaar zij uitgegaan waren. Als nu de dertiende +met de twaalven te lande kwam, wierp hij het kromhout op den grond, en +terstond ontsprong aldaar eene bron, rondom welke allen gingen zitten: +een ieder verkwikte zich met het water van de bron. De dertiende, welke +aan de <span class="corr" id="xd20e6933" title= +"Bron: twaalve">twaalvde</span> volkomen gelijk en daarvan niet te +onderscheiden was, leerde hen en gaf hun in, welke regten zij, ter +gehoorzaming aan het keizerlijk bevel, zouden uitkiezen en beschrijven. +Als zij nu wel onderrigt waren, zagen zij den dertienden niet langer; +zij gingen aan hunne taak, en volbragten dezelve. »Zij kozen het +landregt, dat hen door Maria’s zoon geleerd was,” zegt een +der kronijken. Men legde deze verzameling den keizer en den paus voor, +en het werk verwierf de goedkeuring van beiden.”—Verg. de +<i>O. Fr. Wetten</i> en de belangrijke Aant. van bl. 103–114, +alwaar men in het verhaal van de twee Kon., Karel en Radboud, deze sage +vindt, zoo als ook bij <span class="sc">Beninga</span> en <span class= +"sc">Kempius</span>. <span class="pagenum">[<a id="pb347" href="#pb347" +name="pb347">347</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb50" class="pageref">50</a>.</p> +<p><i>In den jaare 777 is Ludger</i>. Het verwondert mij dat onze +kronijk, nog al gehecht aan bijzondere voorvallen, hier niet +<span class="corr" id="xd20e6955" title="Bron: vermeld">vermeldt</span> +de wonderbare redding van de moeder van dezen Ludger, te vinden in +<span class="sc">Schotanus</span>, <i>Beschryvinge v. Frieslandt</i>, +p. 22, overgenomen uit eenen (aldaar niet genoemden) Levensbeschrijver +van Ludger. Dus luidt hoofdzakelijk aldaar deze gebeurtenis. Wrisung, +de grootvader van Ludger, was der Christen-godsdienst toegedaan, en +werd dus door Radboud verdreven. Hij ging over het Vlie wonen, en +volvoerde zijn christelijk werk; zijn’ jongsten zoon Tjadgrim in +Utrecht ter leerschool bestellende. Deze huwde na zijns vaders dood +eene vrouw, genaamd Liafburg of Liatburg, waarbij hij drie zoons en ook +onzen Ludger verwekte. Deze Liafburg geboren zijnde, moest op last van +hare heidensche grootmoeder, verdrietig dat harer schoondochter alleen +meisjes werden geboren, door eene slavin worden verdronken; een regt +dat zij volgens<a id="xd20e6964" name="xd20e6964"></a> hare leer, op +jonggeboren kinderen hadden, om ze om te brengen en te offeren, mits +zij vooraf niets genuttigd of geproefd hadden. Dan het wichtje greep +met zijne handjes het vat of den emmer, waarin het gestoken werd, om +den rand, en worstelde dus tegen den dood. Eene buurvrouw dit ziende en +bewogen met het onnoozel schepsel, ontnam het der slavinne, liep in +haar huis en stak het een weinig honigs in den mond, waardoor het van +den offerdood was verlost. Zij voedde het kindje zorgvuldig op, gaf het +na den dood der grootmoeder aan de ouders terug, en dit meisje werd de +moeder van den geleerden en verdienstelijken Priester Ludger, van wien +men leest, dat hij de Friesche, Engelsche, Frankische en Latijnsche +talen vlug en vaardig sprak, en wiens leven en daden overal tot zijnen +lof zijn beschreven. Als opvolger van den braven Bonifacius en in diens +voetspoor <span class="pagenum">[<a id="pb348" href="#pb348" name= +"pb348">348</a>]</span>tredende, bekleedde deze wijdvermaarde Fries +eene aanzienlijke plaats onder de Christenherders, die boven velen, +godvruchtig, ijverig en standvastig in zijnen arbeid was.</p> +<p>Men vindt onder anderen de levensbeschrijving der eerste +Geloofpredikers bij <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Beschr. v. +<span class="rm">O. en N.</span> Friesland, VI Hoofdst.</i>—Over +Ludger, <span class="sc">Westendorp</span>, <i>I.</i> 64 en volgg. 89 +volgg.—die echter, tegen het verhaal van <span class= +"sc">Schotanus</span> aan, niet de moeder van Ludger den offerdood doet +ontkomen, maar Ludger zelf, waardoor de genoemde oorzaak zou wegvallen, +welke aanleiding tot het ombrengen van het jonggeboren kind had +gegeven. Maar belangrijk is ten dezen het werk van den heer +<span class="sc">B. Glasius</span>, <i>de Gesch. der Christ. Kerk en +Godsd. in de Nederl. vóór het vestigen der Herv.</i>, +waarvan het eerste deel het licht ziet, en waarin wij voor de eerste +pogingen ter verkondiging van het Christendom in ons Vaderland en der +Christenleeraars eene naauwkeurige en belangrijke beschrijving hebben +gevonden. Ook den beoefenaren der Friesche Historie zij dit werk bij +zonder aanbevolen<a class="noteref" id="xd20e6995src" href="#xd20e6995" +name="xd20e6995src">49</a>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb51" class= +"pageref">51</a>.—A<sup>o</sup> 784.</p> +<p><i>Zijn de Noormannen wederom met Wydekind</i>. In het Archief van +de oude Hannoversche stad Goslar is eene oorkonde aanwezig, bevattende +het gebed of de gelofte, waardoor de Saksen over hunnen aanvoerder +Witekind, in den krijg met Karel den Groote, heil en zegen afsmeekten +van hunnen God Wodan, wiens beeld op den Hartsberg vereerd werd. Dit is +de Duitsche tekst:</p> +<p>»<i lang="de">Heiliger, groszer Wodan! Hilf uns unserm Herrn +Wittikind, auch dem Kelta <span class="rm">(Unterfeldherrn)</span> von +dem aischen <span class="rm">(garstigen)</span> Karl-pfui dem +Schlächter! Ich gebe dir einen Ochsen und zwei Schaafe und den +Raub. Ich schlachte dir alle Gefangene auf deinem heiligen +Hartisberge!</i>” De geleerde <span class="sc">Ypeij</span> deelt +deze bede benevens eene <span class="pagenum">[<a id="pb349" href= +"#pb349" name="pb349">349</a>]</span>tweede oorkonde, twee of drie +jaren later gesteld, toen de Saksen zich aan Karel onderworpen hadden, +in de Nedersaksische spraak mede<a class="noteref" id="xd20e7027src" +href="#xd20e7027" name="xd20e7027src">50</a>, met een aantal +belangrijke taalkundige aanmerkingen vooral op het laatste +gedenkstuk.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb54" class= +"pageref">54</a>.—A<sup>o</sup> 808.</p> +<p><i>Omtrent dien zelven tijd liet Igle Tadema</i><span class="corr" +id="xd20e7058" title="Niet in bron">.</span> Het is zeker dat het meer +Flevo zich in dezen tijd en ook reeds vroeger merkelijk uitbreidde, +waartoe herhaalde stormen en watervloeden krachtig medewerkten, zoodat +het zoute water niet alleen de tegenwoordige kusten naderde, maar ook +van tijd tot tijd ondermijnde. Het is dus zeer mogelijk, dat bij het +graven van putten, gelijk ook op ’t jaar 513 van Juw Hoppers +wordt vermeld, er zout water is opgekomen, en het verhaal van +<span class="sc">Tadema</span> de gewone versiering heeft ondergaan, +zoo als van vele andere voorvallen, zonder dat het noodig zij het +geheel te verwerpen. Dat Igles zoon op bevel van zijnen vader het +landgoed bij het Kreil verkocht, en zich in Gaasterland vestigde, dit +is zeer natuurlijk, en dat de familie hier over wrokkend was en zich op +eene voor onzen tijd ijsselijk wreede wijze wraak verschafte, is ook +niet zoo vreemd.—Men leze deze schrikkelijke geschiedenis in +<span class="sc">O. v. Scharl</span>’s <i>Kronijk</i> op ’t +jaar 808, die echter ’t voorval met Juw Hoppers niet heeft +opgeteekend. Zie <span class="sc">Wins.</span> fol. 47 en 85; +<span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> fol. 53. <span class= +"pagenum">[<a id="pb350" href="#pb350" name="pb350">350</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb56" class="pageref">56</a>.</p> +<p><i>In den jaare 809, als er te Romen.</i> Op Kersdag van den jare +800 werd Karel de Groote in de hoofdkerk te Rome als Augustus en Caesar +der Romeinen over het Westen uitgeroepen, gezalfd, gekroond en +gehuldigd.</p> +<p>»De Friezen dienden hunnen nieuwen meester getrouw; doch +weinig geloof zoude ’t verhaal verdienen, dat zij met hem Rome +zouden hebben veroverd, gelijk onze en andere Kronijken op den jare 809 +of omstreeks dien tijd vermelden. Men kan dit feit hebben verward met +de verovering van Rome door Arnulph, den laatsten afstammeling van +dezen Karel, wien het vergund was den Westelijken Keizerskroon te +dragen, doch om gekroond te worden, de stad moest overwinnen, waarin de +Friezen beoosten het Flie hem bij stonden.” Dit is hoofdzakelijk, +met anderen, ook het gevoelen van den heer <span class="sc">v. +Halmael</span>: versterkende dit zijn gevoelen door het argument dat de +beschrijvers van het leven en de daden van Karel daarvan geen gewag +maken. Dan <span class="sc">Bilderdyk</span> is van een tegengesteld +begrip. »Het zijn de Friezen niet alleen, zegt hij, die van hunne +verovering gewagen. De Romanciers en Heldenboeken der middeleeuwen zijn +er vol van, dat de Friezen Rome voor Karel innamen. En waarom mag dit +niet zijn? Dat hij Friezen in zijne legers had, is zeker en boven alle +bedenkelijkheid; en daar hij ze ook in Spanje bij zich gehad heeft, +daar zij hem over de Pyreneën verzelden en hun trouw bewezen, +waarom mag het niet waar zijn, dat zij ’t ook over de Alpen +deden; en dat toen er een oproer in Rome bij Karels aannadering +ontstond, en de poorten hem gesloten werden, zoo als bij die Romanciers +deels gemeld, deels duidelijk ondersteld wordt, zij het waren, die de +poort gewonnen hebben, en hun dus in de stad gevoerd? Daar is iets zoo +natuurlijks in, zoo wel zamenhangende, en zoo wel passende op de zaak, +dat <span class="pagenum">[<a id="pb351" href="#pb351" name= +"pb351">351</a>]</span>het mij ten minste niet onaannemelijk voorkomt; +en dat zij eene belooning daarvoor gekregen hebben, geëvenredigd +aan het belang dat Karel in de bewezen dienst stelde, is mede zeer +waarschijnelijk. Het zij dat dit in 799 gebeurde, toen hij den +verdreven Paus Leo III op den zetel herstelde; waarbij het niet te +verwonderen is, zoo geweld en dapperheid en bestorming van eene poort +noodig was: het zij in 800 toen hem de keizerkroon opgezet wierd, en er +bij die gelegenheid mooglijk een oproer van de oude partij ontstond, +die men gefnuikt waande, maar zonder de Friezen van gevolge had kunnen +zijn. De zaak kan dus waar zijn; en men heeft onrecht een geheel volk +tegen te spreken, wanneer er eenige samenstemming in zijne overlevering +is met hetgeen van elders getuigd of voor waar en aangenomen is in een +tijd dat de geheugenis nog versch was.”—»Men behoeft +enz.”</p> +<p>Hoezeer dan ook de Bulle of open Brief van Karel den Groote +ontwijfelbaar valsch is, behoeft daarom het vermelde feit geen fabel te +zijn, en het is onbetwistbaar, dat er dikwijls valsche stukken zijn +gesmeed tot bewijs van wezenlijke waarheden, waarom ik mij dan ook met +de meening van <span class="sc">Bilderdyk</span> wel kan +vereenigen<a class="noteref" id="xd20e7105src" href="#xd20e7105" name= +"xd20e7105src">51</a>. Uit een der te <i>Oxford</i> berustende +handschriften, tot de nalatenschap van <i>Junius</i> behoorende, +getiteld: <i>Incipiunt Gesta Fresonum</i>, hetwelk door het Fr. +Genoots. wordt uitgegeven, zal ongetwijfeld dit gevoelen worden +versterkt.</p> +<p>Wij vinden op dezen jare 809, en ook vooral op het volgend jaar, +aangeteekend, dat er in alle provinciën eene geweldige runderpest +woedde, zoodat er bijkans geen os in het leger overbleef, welke ziekte +nog vele jaren voortduurde.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb58" class= +"pageref">58</a>.—A<sup>o</sup> 810.</p> +<p><i>Een schattinge van 200 ponden zilver.</i> Anderen <span class= +"pagenum">[<a id="pb352" href="#pb352" name= +"pb352">352</a>]</span>bepalen die op de helft. Deze belasting, onder +den naam van Klipschild, klinkschatting, werd dus genoemd omdat de +munten in een bekken moesten geworpen en de klank daarvan in de verte +gehoord worden. Zoo moesten ook de Engelschen lange jaren het +zoogenaamde <i>Deangeld</i> aan Godfried opbrengen. Zie <i>O. Fr. +Wetten</i>, bl. 130, in de Aanteekening.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb61" class= +"pageref">61</a>.—A<sup>o</sup> 808.</p> +<p><span class="sc">Magnus Forteman</span>. Dat deze de eerste +Potestaat is geweest, hebben latere schrijvers tegengesproken, op grond +dat deze waardigheid zijnen oorsprong uit Karel’s Bulle, welke +voor valsch verklaard is, moet hebben gekregen. Echter erkent men, +zelfs <span class="sc">Emmius</span> ook, dat de Friezen al van ouds +Potestaten hebben gehad, die, als de handhaving van het regt, of ander +algemeen belang, als er oorlog op handen was of <span class="corr" id= +"xd20e7164" title="Bron: onstaan">ontstaan</span> zou, verkozen werden. +De geschiedenis van Magnus Forteman kan niet gereedelijk voor waarheid +worden aangenomen; doch het bestaan van zoodanige gezagvoerders, als +door het Potestaatschap wordt bedoeld, kan men ten zijne tijde niet +betwisten.—Men leze hierover ter bevestiging <span class="sc">v. +Rhyn’s</span> <i>Nabericht</i>, bl. 410, 411, 417–420; +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 440–444, +464, 473; <i>II</i>. 9, 64, 84, 85 en de aldaar aangehaalde +schrijvers<a class="noteref" id="xd20e7183src" href="#xd20e7183" name= +"xd20e7183src">52</a>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb62" class= +"pageref">62</a>.—A<sup>o</sup> 826.</p> +<p><i>Anscharius</i>. Vermaarde Monnik uit het te Corveij gestichte +klooster, werd eerste Bisschop te Hamburg, later Aartsbisschop van +Bremen en Hamburg, en stierf in 865. <span class="pagenum">[<a id= +"pb353" href="#pb353" name="pb353">353</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb62" class="pageref">62</a>.</p> +<p><i>In den jaare 830 wierd <span class="sc">Adelbrik</span> van +<span class="sc">Adelen</span> tot Landsheer verkooren.</i> Adgillus II +had twee zoons en twee dochters nagelaten, van welke laatsten de eene +<i>Konovella</i> was geheeten. Deze was getrouwd met een aanzienlijk +Edelman van Sexbierum, Adelbrik, wonende op het slot Adelburg. Twee +zonen werden uit dezen echt geboren met namen <i>Adelbrik</i>, deze +Potestaat, en <i>Frederik van Adelen</i>, de Bisschop op den jare 838 +vermeld. Zie <span class="sc">Winsemius</span>, fol. 67, 83 en 105, +alwaar men hunne geschiedenis vermeld vindt. Uit dezen zou het beroemd +Friesch geslacht der <i>van Adelens</i> gesproten zijn.—Van den +Potestaat, wiens aanvankelijke regering door sommigen later gesteld +wordt, is weinig aangeteekend; doch van den moord des Bisschops zegt +ook onder anderen de heer <span class="sc">v. Halmael</span> +(<i>Friesch Jierb.</i> 1833, § 8), dat dit waarschijnlijk door +toedoen of op last van Keizer Lodewijks tweede echtgenoot, Judith, +dochter van Welf, Graaf van Beijeren, is geschied, wier huwelijk hij +bloedschendig verklaarde. »Had de man (voegt deze schrijver er +bij) zich niet bemoeid met zaken, welke hem niet onmiddelijk aangingen, +even als zoo vele andere geestelijken van vroegere en latere tijden, +hem was dit lot denkelijk niet wedervaren. Doch zijn voorbeeld heeft +misschien niemand geleerd het niet na te volgen, en de bemoeiallen zijn +nog niet uitgeroeid.”—Verg. <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II.</i> 23 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb63" class= +"pageref">63</a>.—A<sup>o</sup> 838.</p> +<p><i>De verderfelijke leere der Arriaanen.</i> <span class= +"sc">Arius</span>, geboren in Lijbië omstreeks den jare 300, +Priester te Alexandrie, wilde na den dood van Achillas in dit +<span class="pagenum">[<a id="pb354" href="#pb354" name= +"pb354">354</a>]</span>bisdom diens opvolger worden. Dit mislukte hem; +hij besloot ketter te worden, en verkondigde eene leer, welke door de +Synode van Alexandrie in 320, en door de kerkvergadering van Nicea in +325 veroordeeld werd. Arius, schoon gevangen gezet en gebannen, kreeg +talrijke en vermogende aanhangers, bragt de geheele kerk in tweespalt +en won de gunst van Konstantijn, die zich op de Ariaansche wijze liet +doopen, en zelf het Arianismus tot zijne hofreligie maakte. Arius, te +Alexandrie geweigerd, trok in 336 naar Konstantinopel en stierf bij +zijnen plegtigen intogt. Zijne leer echter begon nu eerst te leven en +bragt het geheele Oosten in beroering; doch de haarkloverijen en +spitsvondigheden der Arianen, die elkander onderling verketterden, +bezorgden eindelijk aan de Katholijke kerk de overwinning. Nu en dan +verhieven zij zich weder, doch sedert den ondergang van het +Longobardische rijk, liep ook hun rijk voornamelijk ten einde, en na de +VII eeuw werd de algemeene invloed van hun stelsel +krachteloos.—In Friesland, en vooral in Westergo, schijnt nog +later der Arianen leer gehuldigd te zijn; doch Bisschop Frederik, en na +hem de vermaarde Kanunnik Odulphus (Adolf), gingen ook hier deze +ketterijen met kracht te keer.—Zie <i>Algemeen Noodw. Woordenb. +der Zamenleving</i>, op de woorden <span class="sc">Arius</span> en +<span class="sc">Arianen</span>.</p> +<p>Onder de verschillende secten dier tijden maakten de Arianen den +meesten naam. Het stelsel van Arius was, dat de Zoon van God, die, ter +verlossinge der menschen, mensch werd, in waardigheid en natuur den +Vader niet gelijk stond, maar, vóór de schepping, door +den Vader als het voornaamste schepsel uit niets is +voortgebragt.—Verg. <span class="sc">B. Glasius</span>, <i>Gesch. +der Christ. Kerk en Godsdienst, I.</i> 37; <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II.</i> 22.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb64" class="pageref">64</a>.</p> +<p><i>In den jaare 840 overleed Lodewijk.</i>—Zijn opvolger +<span class="pagenum">[<a id="pb355" href="#pb355" name= +"pb355">355</a>]</span>Lodewijk de Duitscher, was een regtschapen en +godsdienstig Vorst, de stichter en grondvester van het Duitsche rijk. +Zijne zesendertig-jarige regering was zeer onstuimig, vol van bloedige +oorlogen en moorddadige gevechten tegen de telkens invallende Noordsche +volken. Hij verdeelde in of na 870 het rijk, door hem beheerscht, onder +zijne drie zonen, Karloman, Lodewijk en Karel, bijgenaamd de Dikke. +Lodewijk de Jongere bekwam in zijn aandeel, behalve andere landen, twee +deelen van Friesland, liggende ter regterzijde van den Rijn, en Karel +een deel, dat gelegen was aan de linkerzijde der Maas. Bij een nader +vergelijk tusschen de broeders schijnt geheel Friesland aan Lodewijk +den Jongere gekomen te zijn. Zijne regering was echter niet van langen +duur, daar hij in 877 overleed, wordende opgevolgd door zijnen broeder +Karel den Dikke, die, na den dood van zijnen oom, Karel den Kale, en +diens zoon Lodewijk den Stamelaar, in 879 gestorven, tot de keizerlijke +waardigheid werd verheven. Een gedeelte van Friesland werd door den +Keizer aan Gisla, dochter van Lotharius II, huwende met den Noordschen +Vorst Godfried, ten bruidschat gegeven, ten einde dezen tot vriend te +houden; waarom hij zich dan ook in 822 liet doopen. Deze daad kwam den +Friezen duur te staan, want hij heerschte als een tiran, liet zijne +onderdanen, zoo als men verhaalt met halsbanden boeijen, om ze bij elk +gering vergrijp of naar willekeur te doen ophangen, en maakte hen tot +lastdieren. Eindelijk werd hij ook van kant gemaakt.</p> +<p>In 880 (anderen stellen 881 en 884) vielen weder de Noormannen met +eene groote magt eerst in Saksen, daarna in Frankrijk, en het +tegenwoordig Friesland en Oost-Friesland, met oogmerk alwat Christen +was uit te roeijen. De Saksen wilden dien woedenden stroom stuiten, +doch hun leger werd vernield met diens Hertog, drie Bisschoppen, in +hoedanigheid van geestelijken het leger volgende, en twaalf Graven. +Verschrikkelijk was hun moorden, branden, plunderen en rooven, terwijl +zoo hier als <span class="pagenum">[<a id="pb356" href="#pb356" name= +"pb356">356</a>]</span>elders, landen en volken door die helsche benden +werden verwoest en geteisterd. Bij hunnen inval in Friesland moesten +zij het echter ontgelden, want aldaar leden zij de groote nederlaag, in +onze Kronijk bedoeld. Intusschen kwam het, wat ons Friesland betrof, +met Lodewijk tot een vergelijk. Daarna hadden zij, bij een inval in de +Maas, de steden Maastricht, Luik, Tongeren, Keulen, Bonn, Trier, Mentz +en andere plaatsen verwoest en de inwoners deerlijk mishandeld.</p> +<p>Karel de Dikke, in ’t bezit gekomen van het grootste gedeelte +der Monarchij van Karel den Groote, bezat te beperkte geestvermogens om +zulk een groot rijk te bestieren. Hij werd zwak en onmagtig, door zijne +onderdanen verstoten, onttroond en stierf in 888 in armoede en ellende +te Reichenau. Opgevolgd door Arnulph, die onder de Noormannen te Leuven +eene ijsselijke slagting aanrigtede, veroverde deze daarna Rome met +medehulp der Friezen, om aldaar gekroond te worden. Lodewijk, bij zijns +vaders dood nog geen acht jaren oud, en daarom <i>het Kind</i> +geheeten, volgde hem in het rijksgebied op, hetwelk echter bestuurd +werd door Hatto, Aartsbisschop van Mentz, Adalhero, Bisschop van +Augsburg, en Otto, Hertog van Saksen, zijnde de jonge Vorst onder +voogdij van Otto en Hatto gesteld. In zijn achttiende jaar stierf +Lodewijk, ongehuwd en zonder kinderen na te laten, en met hem was het +geslacht des Grooten Karels, en alzoo de Karolingische stam, +uitgestorven.</p> +<p>Over de volgende Vorsten en Regering, den oorsprong van het +graafschap Holland enz. verwijzen wij den Lezer tot het <i>Friesch +Jierboeckjen</i>, 1833, § 15 en volgenden. <span class= +"sc">West.</span> <i>Jaarb. I.</i> 131 volgg.; <span class= +"sc">Wagenaar</span>, <span class="sc">F. Sjoerds</span>, en anderen. +Belangrijk is ook de geschiedenis van den Deen Erik, Rorik of Roruk, +zoon des Deenschen Konings Heriold, waarvan in de aangehaalde +Schrijvers omstandig gewag gemaakt wordt; ook <span class= +"sc">Bilderdyk</span>, <i>I.</i> 100, 148 enz., voorts bl. 167 over den +oorsprong van het Graafschap Holland. <span class="pagenum">[<a id= +"pb357" href="#pb357" name="pb357">357</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb64" class= +"pageref">64</a>—A<sup>o</sup> 850.</p> +<p><i>De kerk van St. Walburg.</i>—Verg. de korte beschrijving +van <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> op ’t jaar +850.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb64" class="pageref">64</a>.</p> +<p><i>In den jaare 867.</i> In dit jaar werd het Benedictijner klooster +op het eiland Ameland, ’t welk ’s jaars te voren door den +Heer Haijo van Cammingha, ter plaatse daar de tempel der Godin Foste +gestaan had, was gesticht, met monniken bevolkt door Odilbaldus XII, +Bisschop van Utrecht. Uit hoofde echter dit klooster en zijne bewoners +aanhoudend door de zeeroovers werden geteisterd, is het na verloop van +bijna derdehalf eeuw onder Ferwerd, in Ferwerderadeel, verplaatst, door +de godvruchtige Anna van Cammingha, vrouw van Graaf Adolf van +Fronenberg. Het doel des Stichters was eene kweekschool voor de +wetenschappen, welke destijds bijzonder door de Benedictijnen werden +beoefend, aan te leggen. <i>Oudh. en Gest. II.</i> 286; <span class= +"sc">West.</span> <i>Jaarb. I.</i> 123; <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II.</i> 55, 56, 270, enz.</p> +<p>In den jare 873 kwam er een ontzettend aantal sprinkhanen over +Friesland, welke een duim dik waren, met zes vleugelen en zeer sterke +tanden voorzien. Zij vraten in één uur alles van het +veld, zeven à acht mijlen in den omtrek, en knaagden de takken +en basten der jonge boomen af. Na eene verschrikkelijke verwoesting, +dreef de wind hen zeewaarts; toen verdronken zij, doch door den vloed +werd deze geweldige massa op de oevers geworpen, en veroorzaakte eene +pestziekte.—<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II.</i> +65. <span class="pagenum">[<a id="pb358" href="#pb358" name= +"pb358">358</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb67" class="pageref">67</a>.</p> +<p><i>In den jaare 910.</i> Te regt klaagt de Heer <span class= +"sc">West.</span> bij den aanvang van het tweede Perk des Jaarboeks, +als ook de Schrijver van den <i>Tegenwoordige Staat van Friesland</i>, +over de weinige bijdragen en den schralen oogst, welke de geschiedenis +van Friesland ons in de tiende en elfde eeuwen oplevert. In dit tijdvak +zijn bij de Kronijk- en Geschiedschrijvers weinig belangrijke +bijzonderheden vermeld, en ook onze kronijk deelt er dus weinige +mede.</p> +<p>Friesland strekte zich te dien tijd uit van den Sincfal, de plaats +waar zich de rivier de Maas in zee ontlast, bij Ostende lot aan den +Wezer.—Later werd de verdeeling in zeven Zeelanden +daargestelt.—Van dezen besloeg ons tegenwoordig Friesland er +twee, en een deel van het derde Zeeland. <i>Friesch Jierb.</i> 1834, +§ 5; voorts <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb. I.</i> 211, en +de daar aangehaalde Schrijvers. <span class="sc">Wiarda</span>, <i>Von +den Landt. d. Fries, b. Upstalsboom, 3 Abschnitt</i>; <i>Meng. Leeuw. +Cour. 4 Oct. 1831<span class="corr" id="xd20e7420" title= +"Niet in bron">.</span></i></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb67" class= +"pageref">67</a>.—A<sup>o</sup> 910.</p> +<p><i>Westerman heeft</i> enz. <span class="sc">Adam Westerman</span>, +Predikant te Stavoren, heeft in den jare 1635 uitgegeven: <i>Korte +Beschrijvinge van de oude Anse-stad Stavoren; in welke aangewesen werd +haren Ouderdom, Opgang, Voortreffelijkheid, Afgang, en tegenwoordigen +Stand</i>. Eene herdruk daarvan verscheen te Amsterdam in 1684. De +Schrijver schijnt de kronijken gevolgd te zijn, en niet meer gegeven te +hebben dan <span class="sc">H. I. Soet</span>, in zijn: <i>Op- en +Neder-ganck van Stavoren</i>. Verg. <span class="sc">Pars</span>, +<i>Naamrol van de Batavise en Holl. Schrijvers</i>, bl. 141. +<span class="pagenum">[<a id="pb359" href="#pb359" name= +"pb359">359</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb67" class= +"pageref">67</a>.—A<sup>o</sup> 920 en 970.</p> +<p><i>Koppen van Stavoren—Okke van Scharl.</i> Het bestaan van de +schriften van dezen eersten wordt mede betwist. <span class= +"sc">Suffridus Petri</span><a class="noteref" id="xd20e7469src" href= +"#xd20e7469" name="xd20e7469src">53</a> zegt, dat hij van Andreas +Gryphius fragmenten ter leen gehad heeft, door den Priester Cappidus +van Stavoren zamengesteld, welke hem tot zijne geschriften zeer ten +dienste hadden gestaan;—doch ook deze zijne woorden, welke door +geene latere bewijzen bevestigd zijn, hebben geen geloof kunnen +vinden,—even min als zijn verhaal van <span class="sc">Ocko van +Scharl</span>. Volgens de overlevering hadden de Schriften van zijn +oudoom Solke, of Carel Solke Forteman, hem de bouwstof geleverd, voor +zijne bekende Kronijk, welke door Johannes Vlijtarp, Geheimschrijver +van den laatsten Potestaat, J. Hessel Martena, in de XIV eeuw is +aangevuld en verbeterd, en daarna door Andreas Cornelis, geboortig van +Stavoren en Organist te Harlingen, werd overgewerkt, vervolgd en na +diens dood uitgegeven in den jare 1597 te Leeuwarden, in folio, bij +Jacob Jansz, doch te Amsterdam gedrukt. Deze kronijk is herdrukt in +quarto, en te Leeuwarden uitgegeven bij Abraham Ferwerda in 1742. Een +tweede druk daarvan verscheen bij D. Balk te Workum in 1753, welke +echter zoo letterlijk, ja stiptelijk met al zijne versierselen gelijk +is aan den vorige, dat <i>alleen de titel</i> het onderscheid uitmaakt, +even als met de Leeuwarder en Franeker drukken van <span class= +"sc">Gysbert Japicx</span> <i>Rijmlerye</i> en de 3 laatste Uitgaven +onzer Kronijk.</p> +<p>Vele Schrijvers zijn van gevoelen, dat deze Kronijk geen het minste +geloof verdient, als gevuld met fabelen en bijgeloovigheden. +<span class="sc">Emmius</span>, in zijne <i>Refut. Apol.</i>, +<span class="sc">van Rhyn</span>, op de <i>Oudh. en Gest. I.</i> 51; +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Inleiding voor de Besch. van O. +<span class="pagenum">[<a id="pb360" href="#pb360" name= +"pb360">360</a>]</span>en N. Friesland</i>, en anderen beweren dit op +gelijke gronden; geen gezag aan <span class="sc">Suffridus Petri</span> +kunnende toekennen. Ook <span class="sc">de Wind</span>, in zijne +Inleiding voor de <i>Bibliotheek van Nederl. Geschiedschrijvers</i>, +heeft dit punt met oordeel behandeld. Zijn gevoelen stemt niet dat van +<span class="sc">Emmius</span> overeen: »Hoezeer dan ook, zegt +hij, Andreas Cornelis een handschrift moge voor zich gehad hebben, +waaruit hij de drie eerste boeken getrokken heeft, is het onbewezen dat +dit H. S. eene kronijk van O. van Scharl uit de tiende, en van J. +Vlijtarp uit de veertiende eeuw inhield. Veeleer zal dit H. S. het werk +geweest zijn van een Schrijver uit het begin der dertiende eeuw, die +deze fabelen heeft zamengeflanst, in dien tijd, toen bijbel en ware +geschiedenis in het kleed van een roman moesten gehuld worden, wilde +men dezelve aanhooren.” Wij willen de gronden van den kundigen +<span class="sc">de Wind</span> wel niet betwisten of wederleggen, als +hier niet voegende, dan ik kan er evenwel nog niet toe komen, om met +<span class="sc">Emmius</span> alles weg te redeneren; en zelfs naar +aanleiding van bovengemeld argument, blijf ik beweren, dat er veel +waarheid, hoe dan ook in fabelen gehuld, uit deze kronijk en andere +dergelijke schriften is op te sporen, waarom wij met den geleerden +<span class="sc">Westendorp</span> gereedelijk instemmen, dat er geene +voldoende redenen bestaan, de geloofwaardigheid dier oude Schrijvers +geheel te verwerpen. Zie voorts gem. <i>Biblioth. der Ned. +Geschiedschrijvers, II.</i> St. p. 223; <span class="sc">Suffr. +Petri</span>, D. 5. c. 9. en D. 7. c. 4, <i>de Script. Frisiae</i>; +<span class="sc">Schwartz</span>. <i>Chart. Voorr. II.</i> 67; onze +Aantt. bl. 286–288.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb68" class="pageref">68</a>.</p> +<p><i>Omtrent den jaare</i> 969 <span class="sc">Gosse Ludigman</span>. +Zie <span class="sc">v. Rhyn’s</span> <i>Nabericht</i>, bl. 417 +volgg. Vóór het huwelijk van des Potestaats dochter Tet, +met Sicco, zoon van Graaf Arnout, uit wien de Teilingen en <span class= +"pagenum">[<a id="pb361" href="#pb361" name= +"pb361">361</a>]</span>Brederoden stamden, is, schoon betwist, zeer +veel te zeggen, hoezeer ook <span class="sc">v. Rhyn</span> eene andere +uitlegging heeft.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb68" class= +"pageref">68</a>.—A<sup>o</sup> 998.</p> +<p><i>Het stedeke Uitgong verwoest.</i> De bouwing dezer stad is in de +hooge oudheid te zoeken, en zij moet in den vroegsten tijd zeer +belangrijk voor den handel en met eene goede haven voorzien zijn +geweest; liggende aan het Boerdiep of Middelzee. Na gemelde verwoesting +weder opgebouwd zijnde, werd zij in 1181 door een hevig en brand +geteisterd; dan tien jaren daarna werd de gansche stad door de +Noormannen geplunderd, en te vuur en te zwaard vernield, zoodat met +haar bestaan ook zelfs die naam voor altoos werd uitgewischt. De +inwoners schijnen zich metter woon naar Franeker te hebben begeven. +Hoezeer evenwel Uitgong eene stad of stedeke genoemd werd, vermeent men +echter, dat het met geene wallen of muren omringd, maar eene open +plaats geweest is: het had niettemin stads voorregten en het regt van +Oldermanschap. Wij kunnen over deze belangrijke plaats niet verder +uitweiden; wie daartoe lust hebbe, leze het <i>Aanhangsel betreffende +de Oudheden, en voornaamste Gebeurtenissen van Berlikum</i>, achter het +<i>Tweetal Leerredenen</i> van <span class="sc">Petrus Nota</span>, +(Franeker, 1781) waarin men alles in een kort bestek bij elkander heeft +en de Schrijvers vindt aangehaald.</p> +<p>Omstreeks dezen tijd sneuvelde de Hollandsche Graaf Arnout, in een +veldslag nabij Schagen in West-Friesland. De Friezen bleven altoos +weigeren de Graven als hunne Heeren te erkennen. De vermaarde Friesche +Edelman Adelbold, deelende in de gunst van den Keizer Otto III, werd +tot Bisschop van Utrecht benoemd. <span class="pagenum">[<a id="pb362" +href="#pb362" name="pb362">362</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb69" class= +"pageref">69</a>.—A<sup>o</sup> 1006–1010.</p> +<p><i>Deeden de Noormannen geweldige invallen.</i> De +geschiedschrijvers vermelden allen, met verschil nogtans van sommige +omstandigheden, deze invallen en gevechten op de jaren 1009 en 1010, en +daarmede hield dien geesel ook voor Friesland op: want dit was der +Noren laatste inval, welke echter nog vele menschenlevens kostte. De +meerdere uitbreiding van ’t Christendom, doch ook zwakheid in +strijdkrachten, zullen hiertoe veel bijgebragt hebben. <span class= +"sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II.</i> 171; <span class= +"sc">Wagenaar</span>, <i>II.</i> 135; <span class= +"sc">Bilderdyk</span>, <i>II.</i> 7. Deze Schrijver vermeld, een door +hem uit het Yslandsch overgebragt verhaal, van een inval der Noormannen +in ’t jaar 943, voorkomende in de <i>Eglo-Saga</i>, dat is, +Historie van Egil, hetwelk wij willen overnemen:</p> +<p><i>Uit</i> <span class="sc">Egils-Saga</span>, <i>Hafniae</i> 1809. +<i>Cap.</i> 72. <i>Ao.</i> 943.</p> +<div class="blockquote"> +<p class="firstpar">»Ambiorn was dien winter ’t huis op +zijn erf (of land); maar omtrent de lente <i>lustede ’t hem</i> +om ten krijg (zeeroof) te varen. Hij had veel goede schepen. Hij had +omtrent de lente drie lange schepen en die alle sterk. Hij had 300 man. +Hij had bedienden in zijn schip en was zeer wel gescheept. Hij had ook +menige <i>boeren</i>-zonen met zich. Egill besloot met hem te varen en +stuurde (beval) een schip. Ook voeren met hem vele van zijne luiden, +die hij met zich van IJsland genomen had. Een koopschip, dat hij van +IJsland gehad had, liet hij <i>vlieten</i> Oostwaarts naar Wik, (en) +nam daartoe mannen om met zijn pakkaadje te varen, en zij, Axinbiorn en +Egill hielden de lange schepen om meê te landen. Zoo dan +stevenden zij Zuidelijk naar Saxenland, en hier toefden zij tot den +somer en vingen veel buit, en voor den oogst of herfst keerden zij +Noordelijk en landden in Friesland. Op zekeren nacht, als het +weêr gunstig <span class="pagenum">[<a id="pb363" href="#pb363" +name="pb363">363</a>]</span>was, zeilden zij den mond van een rivier +op. (Want) daar is ’t kwaad te havenen, en een grooten inham. +Daar waren landwaart op groote vlakten en.... bosschen dichte bij. Daar +waren veel plasschen, want het had veel geregend; daar besloten zij op +(aan land) te gaan, en lieten eenige hunner lieden achter om de schepen +te bewaren. Zij gingen op midden tusschen de rivier en de bosschen. +Niet ver van daar was een dorp en daar woonden veel boeren. Het volk +liep uit het dorp naar ’t land, wat het mocht, en de roovers +achter hen. Zij kwamen aan een ander dorp en een derde: de lieden +vloden al wat zij konden; daar waren velden en groote vlakten; daar +waren grachten om de landerijen gegraven en stonden in ’t water, +en daar waren groote palen in de grachten gezet, daar waren om over te +gaan bruggen en planken over. Het landvolk vlood in de bosschen; maar +als de roovers ver in ’t dorp gekomen waren, zoo trokken de +Friezen te zamen in de bosschen, en als zij bij de 300 hoofden +bijéén waren, zoo trokken zij de roovers in ’t +gemoet, en geraakten met hen in strijd; en werd daar een groot gevecht, +tot de Friezen vluchteden, maar de roovers de vluchtenden vervolgden. +De hoop dorpelingen werd verstrooid, en zoo ging ’t ook met die +hen achter na vlogen; en dus bleven er weinige bij een. Egill vloog +hard achter hen en weinige mannen met hem. De Friezen kwamen daar aan +een gracht en trokken die over, en namen toen de brug weg. Toen kwam +Egill aan de andere kant en sprong dadelijk over de brug. Maar dat was +geen sprong voor een ander, en niemand deed het hem na, en zijn makkers +snelden naar hunne schepen om hulp te zoeken. En wanneer de Friezen +zagen, dat één man daar over was (en niet meer) zoo +keerden zij om en kwamen op hem aan. Maar hij verdedigde zich, de +gracht van achteren tot beschutsel. Daar vielen hem elf aan, met dat +gevolg, dat hij die allen neêrsloeg. Daarna schoof hij de brug en +kwam over de gracht. Toen, als hij nu zag dat alle naar de schepen +getrokken waren, hield hij zich dicht bij de bosschen; en <span class= +"pagenum">[<a id="pb364" href="#pb364" name="pb364">364</a>]</span>dus +trok Egill langs de bosschen en zoo naar de schepen, dat hij in +’t hout mocht kunnen wijken zoo ’t noodig ware. De roovers +hadden veel slachtvee naar ’t strand gedreven, en als zij aan de +schepen kwamen, slachtten sommige die, andere voerden ze te scheep van +daar; sommige maakten een schildburg. Want de Friezen waren opgekomen +in groote menigte en schoten op hen. Maar Egill kwam op en hij zag wat +gebeurde. Daar vloog hij ten snelste op dien hoop, en greep zijn +slagzwaard met beide handen, en wierp zijn schild op den rug. Hij +zwaaide zijn zwaard en sloeg op al wat daar voor stond, en maakte zoo +ruimte onder ’t volk, dat hij tot de zijnen kwam. Daarna gingen +zij ’t scheep en staken van land, en zeilden naar +Denemarken.”</p> +</div> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb70" class= +"pageref">70</a>.—A<sup>o</sup> 1064.</p> +<p><i>Den naam Harns.</i> Over den oorsprong van dezen naam, zie men +<i>Oudh. en Gest. II.</i> 142. Sommigen leiden dien af van de twee +adellijke Staten <i>Harliga</i> en <i>Harns</i>, waarbij, of op wier +grond de aanleg der stad gebouwd was, en welke beide namen, naar tijds +gewoonte, veel twist veroorzaakten, wie den boventoon behouden zou; +weer anderen willen dat de Friesche naam <i>Harns</i>, zijn oorsprong +had in de ligging der plaats aan een uithoek van de Middelzee en de +Wadden. Vergel. bl. 89 der kronijk.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb71" class="pageref">71</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus.</i> Wij laten hier +volgen een aaneengeschakeld verhaal van <span class="pagenum">[<a id= +"pb365" href="#pb365" name="pb365">365</a>]</span></p> +<div class="blockquote"> +<div class="body"> +<div class="div1"> +<h2 class="main">De Kruistogten der Friezen</h2> +<p class="firstpar"><span class="sc">naar Palestina<a class="noteref" +id="xd20e7705src" href="#xd20e7705" name= +"xd20e7705src">54</a>.</span></p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Zoo liet het Voorgeslacht het edel denkvermogen</p> +<p class="line">Zich rooven; alles lag voor ’t Bijgeloof +gebogen:</p> +<p class="line">Hem staat, met krommen hals, de trotsche +Huichlarij,</p> +<p class="line">En, ’t aangezigt vermomd, Bedrog, zijn vader, +bij.</p> +</div> +<p class="firstpar xd20e7739"><span class="sc">Haller.</span></p> +<p>In de Europesche geschiedenis maken de kruistogten een +allerbelangrijkst tijdvak uit. Door dezen werd Europa ontvolkt; +millioenen vonden in Hongarijen, Griekenland, Syrië, Palestina, +Egypte, in de Middellandsche zee en onder weg hun graf; door dezen +schoot het bijgeloof vaste wortelen, werd de Pauselijke stoel verheven +boven de troonen van wereldlijke regenten, wies het monnikendom door +blinde gehoorzaamheid aan, en ontstonden te voren onbekende +<span class="pagenum">[<a id="pb366" href="#pb366" name= +"pb366">366</a>]</span>orden, kloosters en prachtige kerken; door dezen +werden onnoemelijke schatten van Europa in Azië begraven, en +wereldlijke Vorsten werden, door de verwijdering van magtige vassalen, +despoten. Daarentegen gaven zij aanleiding dat kunsten en wetenschappen +van het eene volk tot het andere overgebragt en door Europa verbreid +werden. In deze Kruistogten hebben ook onze Voorvaderen, de Friezen, +deel genomen. Daar nu de geschiedenis van de Kruistogten door onze +historieschrijvers deels onaangeroerd blijft, deels stuksgewijze en +zonder zamenhang geleverd wordt, zoo veroorloof ik mij, onze lezers in +deze Bijvoegsels een aaneengeschakeld verhaal te geven.</p> +<p>Reeds ten jare 637 hadden de Saracenen onder hunnen Kalif Omar I +zich meester gemaakt van Palestina en de Heilige Stad, en zij bleven +meer dan vijfthalve eeuw in derzelver rustig bezit. Tegen het einde der +elfde Eeuw kwam Peter de Kluizenaar, een ondernemende dweeper, te Rome. +Hij schilderde met krachtige verwen de gruwelijke vervolgingen, die de +verdrukte Christenen van de Mohamedanen lijden moesten. Een bewegelijke +brief van Simon, den Patriarch van Jeruzalem, bevestigde zijne reden. +Paus Urbanus II gaf hem volmagt, om de wereldlijke Vorsten aan te +moedigen tot de bevrijding des Heiligen Lands uit de handen der +barbaren.</p> +<p>Daar liep Peter met het Krucifix in de hand, barrevoets en +blootshoofds Italië, Frankrijk en Duitschland af. Zijne dweeperij, +zijn prediken, de brief des Patriarchs en de Pauselijke Bulle verwekten +overal dorst naar Turkenbloed. In het jaar 1095 hield <span class= +"pagenum">[<a id="pb367" href="#pb367" name="pb367">367</a>]</span>de +Paus, eerst te Piacenza, en in November deszelfden jaars te Clermont in +Auvergne eene groote kerkvergadering. Na het eindigen eener vurige +rede, waarin de Paus een Kruistogt had bevolen, riep de ontelbare +verzamelde menigte uit: »<i>God wil het, God wil +het!</i>”—Ridders, die avonturen zochten; monniken, welken +het klooster te eng, te benaauwd was; verrukte vromen, die met den helm +op het hoofd en het zwaard in de hand den hemel dachten te verwerven; +schuldenaars, die zich van hunne schuldeischers wilden ontdoen; +gaauwdieven en booswichten, die de welverdiende straffen ontliepen; +straatslijpers, die het omzwerven boven eene eerlijke kostwinning +verkozen; knechten, die zich van het juk hunner heeren ontsloegen; in +één woord, allen, die het zwaard konden voeren, maakten +zich voor en na gereed tot eenen krijgstogt tegen de Saracenen. Alle +deze hemelhelden ontvingen, terstond bij hunne <span class="corr" id= +"xd20e7756" title="Bron: aanwer-een ving,">aanwerving, een</span> klein +kruis, dat zij op den schouder vastmaakten. Aan dit kruis kon, een +ieder zijnen landgenoot kennen<a class="noteref" id="xd20e7759src" +href="#xd20e7759" name="xd20e7759src">55</a>. Naar hetzelve werden de +soldaten Kruisbroeders<a id="xd20e7774" name="xd20e7774"></a>, en deze +togten Kruistogten of ook heilige Krijgstogten genoemd.</p> +<p>Er werd dan tot een heiligen krijgstogt besloten en een leger van +300,000 man onder verschillende hoofden bijeengebragt. Een Fransch +Ridder, Walter (Gautier), trok met 20,000 man vooruit. Deze +<span class="pagenum">[<a id="pb368" href="#pb368" name= +"pb368">368</a>]</span>Christelijke barbaren pleegden in Bulgariën +met moorden en stelen grooten moedwil; waarom de Bulgaren zich +vereenigden en schier deze gansche voorhoede nedersabelden. Peter de +Kluizenaar voerde zelf 20,000 man aan en volgde Wouter. Het ging hem +echter in Hongarije en Bulgariën niet veel beter. Hij kwam evenwel +met het gering overschot zijner troepen in Konstantinopel aan. Nog een +ander leger, dat op 200,000 man geschat wordt, en uit Duitschers, +Franschen en Engelschen bestond, leed buitengewoon veel door het zwaard +der Hongaren en meer nog door den honger en het gebrek. Een andere hoop +scheepte zich in, en kwam door de Middellandsche zee in Syrië. +Godfried van Bouillon voerde 80,000 Duitschers aan, en trok met dezen +naar Philopolis. In het jaar 1097 vereenigde zich het gansche +Christenleger, dat door eenige Schrijvers op 500,000 voetknechten en +130,000 ruiters wordt geschat, te Chalcedon. Nu vingen de Christenen +hunne ondernemingen tegen de Saracenen en Turken aan. Zij veroverden +Nicea, Antiochië, Cesarea en eindelijk in 1099 ook stormenderhand +Jeruzalem, alwaar Godfried van Bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen +tot Koning van Jeruzalem werd uitgeroepen.</p> +<p>In dezen eersten Kruistogt hebben ook de Friezen deel genomen. Zij +zijn om Frankrijk, Spanje en Italië henen naar Palestina gezeild. +De jaarboekschrijvers noemen ons de voornaamste Edellieden, die den +togt mede ondernomen hebben, als Tjepke Forteman, Jarich Ludinga, Epo +Hartman, Igo Galama, Feico Botnia, Eelco en Sicco Liauckama, en Ubbo +Harmana. Bij de belegering van Nicea zijn Hartman en Forteman, de +laatste van zijn geslacht, gesneuveld. Eelco Liauckama zoude zich +bijzonder onderscheiden hebben. Hij was Generaal over 3000 man +ruiterij, en werd eerst tot bevelhebber van Nicea aangesteld, doch ging +daarna, ontevreden over zijnen werkeloozen toestand, verder in +Palestina in garnizoen.</p> +<p>Harmana en Galama zijn in een veldslag,—en Eelco Liauckama en +Botnia bij de verovering van Jeruzalem zwaar gewond geworden. Na hunne +herstelling <span class="pagenum">[<a id="pb369" href="#pb369" name= +"pb369">369</a>]</span>zijn deze beiden eindelijk door Koning Godfried +tot ridder geslagen. Naderhand zijn nog verscheiden Friesche +Edellieden, Homminga, Roorda, Cammingha en Ockinga naar Palestina +getogen, en hebben onder Boudewijn, den tweeden Koning van Jeruzalem, +lauweren bevochten tegen de Saracenen. Daardoor stonden zij bij den +Koning en de voornaamste Hoofden van het Rijk in bijzondere +hoogachting. De faam hunner heldendaden drong gansch Europa door, en de +Koning wilde hen noode ontslaan uit zijne dienst. Hij geleidde hen in +persoon met honderd ruiters naar Jaffa, alwaar zij zich inscheepten, en +over Venetiën en Rome den 15 December 1106 in goeden welstand in +Friesland terugkwamen. Zij werden door hunne vrienden in plegtigen +optogt, met kruis en vanen, onder gejuich en blijdschap ontvangen. In +dit jaar zijn de meeste Friezen weder teruggekomen.</p> +<p>Watze Herama, vroeger teruggehouden door de ziekte van zijnen +reisgenoot Roorda om naar Palestina te reizen, schijnt in den jare 1119 +met dezen en andere Friesche Edelen, als Harmana, Homminga, Ockinga en +Cammingha, over Venetiën en Jaffa den togt te hebben aangenomen. +Zij streden in 1120 dapper, dan dit gevecht viel voor hen nadeelig uit. +Herama en Homminga werden verslagen. Koning Boudewijn met de Edelen, +waaronder ook Cammingha en Ockinga vielen den Parthen in handen; Roorda +en Harmana werden zwaar gewond, doch ook weder genezen en de gevangenen +uitgewisseld.</p> +<p>In het jaar 1145 liet Paus Eugenius III door den heiligen Bernard op +nieuw het Kruis prediken. Keizer Koenraad en Lodewijk VII van Frankrijk +namen zelven het Kruis aan. De togt werd in 1147 aangevangen, doch +liep, voornamelijk door de trouwloosheid des Oosterschen Keizers +Manuel, ongelukkig af. Na vruchtelooze belegering der stad Damascus, +trok het geringe overschot des Christen-legers weder huiswaarts.</p> +<p>Dezen tweeden heiligen krijg schijnen de Friezen niet mede +bijgewoond te hebben. De Paus echter <span class="pagenum">[<a id= +"pb370" href="#pb370" name="pb370">370</a>]</span>beval eenen dubbelen +Kruistogt ten zelfden tijde (1149): eenen naar Spanje om de Saracenen +te verdrijven, en een’ anderen tegen de ongeloovige Sclaven aan +de Oostzee. Tot beide Kruistogten hebben zich voornamelijk de +Westfalingers, Friezen en Hollanders laten gebruiken.</p> +<p>Helmold<span class="corr" id="xd20e7797" title= +"Niet in bron">,</span> een geschiedschrijver, die omtrent dezen tijd +leefde, laat eenen Frieschen Priester Gerlaf toen de Sclaven de Friezen +ingesloten hadden, aldus aanspreken:</p> +<p>»<i lang="la">Nescitis apud Slavos nulla gens detestabilior +Fresis? Sane foetet eis odor noster.</i>”</p> +<p>»Weet gij niet dat bij de Slavoniers geen volk zoo zeer +verfoeid wordt als de Friezen? Zij mogen ons waarlijk niet eenmaal +rieken<a class="noteref" id="xd20e7807src" href="#xd20e7807" name= +"xd20e7807src">56</a>.” Een duidelijk bewijs, dat de Friezen met +de Sclaven wakker aan den slag geweest zijn.</p> +<p>Intusschen werd de toestand der Christenen in het Oosten van tijd +tot tijd moeijelijker en gevaarlijker. De Sultan Saladin, deze om zijne +grootmoedigheid in de geschiedenis zoo bekende Vorst, veroverde ten +jare 1187 eindelijk Jeruzalem, en maakte een einde aan het Koningrijk, +dat 88 jaren bestaan had. Nu maakte de Paus een gruwelijk alarm, en +bewoog den Keizer Frederik Roodbaard (Barbarossa), Koning Filips II +(Philippus Augustus) van Frankrijk en Richard I (Leeuwenhart) van +Engeland om nog eenen Kruistogt te wagen. In 1189 brak het heirleger +op. De Friezen en Denen rustten 50 schepen uit, vereenigden zich met de +Hollanders en Vlamingen, hielden hier en daar in Spanje aan, geraakten +aldaar slaags met de Saracenen, voegden zich nabij Sicilië +<span class="pagenum">[<a id="pb371" href="#pb371" name= +"pb371">371</a>]</span>bij de Italiaansche vloot, en kwamen eindelijk +te Ptolomais (toen Acre genoemd) aan.</p> +<p>Ook in dezen krijgstogt, in welken de Keizer door een toeval het +leven verloor, rigtten de Christenen niets verder uit, dan dat zij +Ptolomais veroverden. Niettegenstaande dezen ongelukkigen uitslag, liet +de Paus Coelestinus in 1197 op nieuw het Kruis prediken. De Friezen +namen met de Denen en die van Lubek en Bremen hunnen gewonen weg om +Spanje, voegden zich op Cyprus bij het hoofdleger en landden weder te +Ptolomais. Ook op dezen togt maakten de Christenen geene de minste +verovering. Zij sloten evenwel met Saladin eenen wapenstilstand voor 6 +jaren.</p> +<p>Ten jare 1199 keerden de heilige krijgers, die in 1189 en 1197 zich +op reis begeven hadden, voor zooverre zij waren overgebleven, tot de +hunnen terug.</p> +<p>Zekerlijk kwamen deze Kruisvaarders vermagerd, hongerig en met +ledige handen huiswaarts; doch, gelijk vermeld wordt, had de generaal +der Friezen, Hartwijck, Aartsbisschop van Bremen, eenige beenderen der +Heilige Anna, en het zwaard, waarmede Petrus het oor van Malchus had +afgehouwen, medegebragt<a class="noteref" id="xd20e7849src" href= +"#xd20e7849" name="xd20e7849src">57</a>.</p> +<p>Het tijdstip, ’t welk ik thans nader, is voor ons des te +belangrijker, omdat de voornaamste feiten meestendeels door +gelijktijdige schrijvers en door bewijzen gestaafd worden. De Pausen +moedigden de wereldlijke Vorsten, toen de met Saladin geslotene +wapenstilstand ten einde liep, tot eenen nieuwen Kruistogt aan; doch +wegens de ongelukkige gevolgen der vorigen, bleef alles bij vrome +wenschen. Eindelijk was Paus Innocentius III zoo gelukkig, dat op eene +door hem in 1215 belegde kerk vergadering tot <span class= +"pagenum">[<a id="pb372" href="#pb372" name="pb372">372</a>]</span>een +nieuwen Kruistogt besloten werd. Hierop beval de Paus allen +Bisschoppen, in hunne kerspelen het Kruis te laten prediken. De +Aartsbisschop van Keulen zond den Keulschen Leeraar Olivier<a class= +"noteref" id="xd20e7862src" href="#xd20e7862" name= +"xd20e7862src">58</a> met bijzondere aanbevelingsbrieven van den Paus +naar Friesland. Deze predikte zelf het Kruis, en gaf aan eene menigte +Vicarien door het geheele land volmagt, om in zijne afwezigheid aflaten +te schenken en rekruten voor den heiligen krijg aan te werven. Hij liet +in de kerken uitgeholde, van boven met ijzer beslagene blokken +nederzetten, opdat ieder door eene daarin zich bevindende opening zijne +bijdragen tot bevordering der krijgstoerusting mogte storten. Het +prediken van Olivier had eenen buitengemeenen indruk gemaakt bij de +Friezen, zoodat een ongeloofelijk aantal het Kruis aannam. Zij schijnen +echter met de toebereidselen tot den optogt zich niet zoozeer gehaast +te hebben; ten minste herinnerde Olivier hun in eenen brief van den +jare 1216, dat, de Denen, Bremers en Keulenaars reeds eene groote vloot +uitrusteden, het ook tijd werd hunne schepen te bemannen.</p> +<p>Ook in dezen tijd had de geestvervoering tot overwinning van +’t Heilige Land zulk eene algemeene werking, dat duizenden van +kinders naar de zeeplaatsen liepen, om ook deel aan den strijd te +nemen, en hoewel door hunne ouders opgesloten, wisten zij hunne +gevangenis te ontkomen op allerlei wijzen, zonder dat de meesten daarna +immer zijn teruggekeerd. Zeker Schrijver<a class="noteref" id= +"xd20e7882src" href="#xd20e7882" name="xd20e7882src">59</a> verhaalt er +’t volgende van: »In <span class="pagenum">[<a id="pb373" +href="#pb373" name="pb373">373</a>]</span>’t jaar 1211 vereenigde +zich een groot aantal kinderen (men geeft het op voor 90,000), onder +aanvoering van een’ ouderen knaap, met het voornemen het Beloofde +Land weder te veroveren. De meesten kwamen uit Duitschland en wandelden +blijde naar Genua. Hier ondervonden zij echter uit onbekendheid, waar +eigenlijk het Beloofde Land lag, onoverkomelijke hinderpalen, om hunne +avontuurlijke onderneming verder ten uitvoer te brengen. Te Marseille +kwamen 30,000; een deel daarvan stierf van ellende, een deel werd +vermoord en de overigen als slaven aan de Saracenen +verkocht.”</p> +<p>De Hertog Leopold van Oostenrijk, Boudewijn van Vlaanderen, Lodewijk +van Savoijen, benevens verschillende Bisschoppen en Graven vereenigden +zich met den Koning Andreas van Hongarije en trokken te land naar +Palestina. Daarentegen scheepten de Graaf van Holland (Willem I) en de +Graaf van Wieden met de overigen zich op de Maas in, en stevenden door +de Middellandsche Zee naar Ptolomais, alwaar de verzamelplaats der +Kruisvaarders was. De Friezen behoorden tot de vloot des Graven van +Holland. Deze geheele reis tot op de aankomst in Ptolomais is van eenen +Kruisbroeder<a class="noteref" id="xd20e7911src" href="#xd20e7911" +name="xd20e7911src">60</a>, die den togt mede heeft gemaakt, +naauwkeurig beschreven geworden. Het reisverhaal daarvan is te vinden +in <span class="sc">Emo’s</span> <i>Chronicon</i> (p. +16–35), waaruit ik het volgende overneem:</p> +<p>»Op het einde van Mei 1217 ligtten de Friezen in den +Lauwerstroom de ankers, en staken met groote schepen, die zij Koggen +noemden, uit den stroom in zee. Onder Engeland ontmoetten zij eene +groote vloot, onder bevel der Graven van Holland en Wieden<a class= +"noteref" id="xd20e7934src" href="#xd20e7934" name= +"xd20e7934src">61</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb374" href= +"#pb374" name="pb374">374</a>]</span>Hier werden het plan des geheelen +togts en wetten ontworpen, waaraan een iegelijk moest gehoorzaam zijn. +De Graaf van Holland<a class="noteref" id="xd20e7961src" href= +"#xd20e7961" name="xd20e7961src">62</a> werd tot eersten Admiraal der +gansche vloot benoemd, die in twee afdeelingen afzeilde. De eene werd +door den Graaf van Holland zelven, de andere door dien van Wieden +aangevoerd, en de Friesche schepen behoorden onder het smaldeel des +Graven van Holland.</p> +<p>Eerst kwamen zij in de havens van St. Mattheus en vervolgens te Faro +(of Ferrol), eene stad in Gallicie, aan. De Kruisbroeders ontscheepten +zich hier, en gingen te voet in bedevaart naar St. Jacob van +Compostella. Hier bezochten zij de heilige overblijfsels +(reliquiën) des Apostels, en bragten hem hunne offers. Toen zij +weder scheep gegaan waren, voeren zij eerst wegens tegenwind +noordwaarts af, en laveerden eindelijk met veel moeite naar Portugal; +zij ankerden voor Salerno, lieten zich daar van den <span class= +"pagenum">[<a id="pb375" href="#pb375" name="pb375">375</a>]</span>Abt +te Alkubar vele wonderen en avonturen verhalen, en voeren na eenige +dagen den Taag op, totdat zij eindelijk te Lissabon aanlandden. De daar +aanwezige Bisschop wendde al de kunsten zijner welsprekendheid aan, om +het Kruisheir te bewegen tot het verdrijven der Saracenen uit Spanje. +Door verdelging dezer barbaren, zoo sprak hij, zouden de Christenen God +dezelfde dienst bewijzen, als wanneer zij, Hem ter eere, in Palestina +hunne handen in Saracenen-bloed wieschen. Sommigen lieten zich +begoochelen, en bleven met hunne schepen in de haven van Lissabon +liggen. De meeste Kruisvaarders echter en inzonderheid de Friezen +lieten zich van hun voornemen, om in het Heilige Land veroveringen te +maken, niet aftrekken. Zij ligtten vervolgens wederom het anker, en +voeren het gebergte St. Vincent om. Door hevigen storm moesten zij de +haven St. Maria binnenloopen. Deze was eene wel versterkte stad, +waarvan de hooge muren zoo dik waren, dat boven op dezelve twee ruiters +elkander konden voorbij rijden. Het leger was onderling niet eens, of +men de stad aantasten, dan wel met den eersten gunstigen wind weder +onder zeil gaan zoude. Toevallig vertoonden zich vele Saracenen voor de +stad<span class="corr" id="xd20e7983" title="Niet in bron">.</span> De +Friezen hieven een lofzang (Hymnus) aan, vielen op den vijand in, en +drongen hem binnen de stad terug. In de schemering zag een Fries eenen +Saraceen, die zich door middel van een koord van den muur liet +afzakken. Deze gelegenheid maakte hij zich ten nutte: hij doodde den +Saraceen en steeg naar boven. Als hij nu met dat touw velen zijner +makkers had opgetrokken, plantten zij een krijgsvaan boven op den muur: +deze koene strijders drongen vooruit tot aan de poort. De wacht, die +zich daar bevond, werd op het gezigt der Christenen door eene +plotselijke schrik bevangen, geraakte in wanorde, en kon niet beletten +dat de poort geopend werd. Het gansche leger drong binnen, en zoo werd +de stad veroverd, en nu rigteden de Christenen een groot bloedbad aan, +plunderden alles wat hen voorkwam, en staken tot afscheid de stad in +brand.</p> +<p>Vele Kruisbroeders, waarschijnlijk dweepzieke monniken, <span class= +"pagenum">[<a id="pb376" href="#pb376" name= +"pb376">376</a>]</span>hebben in de wolken het beeld der heilige Maria +gezien, welke over het geluk en de gedragingen der Christenen met +welbehagen glimlachte. De Priesters hadden moeten doen zien, dat de +heilige maagd tranen stortte over deze Christelijke barbaren!—Dit +geschiedde den 1 Augustus:—twee volle maanden hadden dus onze +Friezen reeds rondgezworven. Des anderen daags ligtten zij wederom de +ankers, voeren digt onder de Spaansche kusten langs, en landden te +Roden. Het gerucht van den gruwel der verwoesting in St. Maria was +reeds tot hier doorgedrongen. De bevreesde Saracenen hadden de stad +verlaten; de Christenen trokken de ontvolkte stad binnen, plunderden +dezelve, volgens loffelijke gewoonte, uit, en legden haar in de assche. +Eenige Christenen hadden zich op de bij de stad liggende wijnbergen +verspreid, in de hoop van ook daar nog eenigen buit te behalen; maar de +Saracenen lagen daar in sluipholen verborgen, kwamen onverwacht te +voorschijn, en vermoordden allen, die zich niet met de vlugt tot aan de +haven redden konden. Daarop gingen de Christenen naar Kadix, en ook +deze reeds destijds rijke stad was van de Saracenen verlaten. De +Kruisvaarders sloopten eene bij uitstek kostbare moskee tot den grond +toe, plunderden de stad en de omliggende landhuizen uit, en namen, van +roof verzadigd, het vroom besluit, deze prachtige stad door het vuur te +verwoesten.</p> +<p>Nu rigteden de Christelijke zeeroovers hunne koers naar de straat +van Gibraltar. Een zware storm uit het Oosten belette hun de doorvaart, +en verstrooide de vloot; 86 schepen, waaronder die der Friezen, liepen +in de havens van Sevila aan den mond der Guadalquivir binnen. Drie +dagen daarna liepen zij uit met eenen gunstigen wind, geraakten +gelukkig door de straat, verzeilden op den vierden dag daaraan uit +onkunde naar het eiland Ivica, en kwamen na eenige dagen te Tortoso aan +den mond van den Ebro. Zij gingen aan land om versch water in te nemen, +bleven hier twee dagen, en stevenden naar Barcelona, waar zij +verscheiden schepen <span class="pagenum">[<a id="pb377" href="#pb377" +name="pb377">377</a>]</span>hunner door den storm verstrooide vloot +aantroffen. In de haven van den H. Felicianus (St. Felice de Guixolis) +in Catalonië vonden zij het overschot derzelve weder.</p> +<p>De vloot ging weder onder zeil, en ankerde in de haven van St. +Mardrianus omtrent Marseille. Nu hielden zij zich digt langs de kusten +van Frankrijk en daarna van Italië, voeren Nizza, Pisa, Genua, +Livorno en andere steden voorbij, en kwamen eindelijk te Piombino in +Toskanen. In Piombino vertoefden zij 8 dagen, en rigtten nu hunnen +koers naar Messina op Sicilië; dan storm en tegenwind dwongen hen +om naar Civita Vecchia te zeilen. Daar het jaargetijde zoo verre was +verloopen, besloot men hier de winter kwartieren te betrekken, want het +was reeds 9 October toen de vloot in de haven van voornoemde stad voor +anker kwam. Vijftehalve maand had dus de vloot van huis af naar +Italië te zoek gebragt. Zulk een lange tijd kan ons niet +bevreemden, als men denkt, dat de vloot geenszins de volle zee, maar +altijd de kusten gehouden, en in vele havens vertoefd heeft. +Ondertusschen was de haven van Civita Vecchia niet ruim genoeg om de +schepen allen te bevatten, weshalve zich eenigen van de vloot +afscheidden. 18 Friesche bodems liepen de haven van Corneto binnen, +alwaar zij op uitdrukkelijken last van Paus Honorius III, inzonderheid +omdat zij in Spanje zoo dapper gestreden, zoo vele Saracenen onthalsd +en steden verwoest hadden, heerlijk onthaald werden; ja, de Paus had +zoo veel met hen op, dat hij hun tweemalen de Veronica (het in den +Zweetdoek afgedrukte gelaat des Heilands) liet zien. Tot den 21 Maart +1218 lagen de Friezen daar in de winterkwartieren. Bij hun vertrek +werden zij door de gezamenlijke ingezetenen met 158 vanen in heiligen +optogt tot aan de schepen begeleid. Zeer velen uit deze stad en het +omliggende land, van Viterbo, Sièna, Vetralla enz. scheepten +zich met 40 vanen met de Friezen in. De bevelhebber van Corneto liet +bij den aftogt het volk eenen kring maken, plaatste zich in het midden, +en <span class="pagenum">[<a id="pb378" href="#pb378" name= +"pb378">378</a>]</span>hield eene aanspraak, waarin hij de dapperheid +der Friezen roemde, en hun zijne mede vertrekkende landslieden +hartelijk aanbeval. Na het eindigen zijner rede overhandigde hij den +Friezen een Krijgsvaan, ten teeken des opperbevels over de +medetrekkende Italianen. Nu gingen zij aan boord, en vereenigden zich +met de van Civita Vecchia uitgeloopen vloot. Na eenige, hoewel niet +belangrijke tegenheden, landden zij te Sijracuze aan, waar zij den +palmzondag vierden. Onder Creta leden zij eenen zwaren storm, die de +vloot verstrooide, doch de meeste schepen liepen daar eene haven in. +Zij zeilden vervolgens Cnidus, Rhodus en Cyprus voorbij, en kwamen +eindelijk, den 26 April 1218, te Ptolomais aan.</p> +<p>In deze haven vonden zij Johannes, Koning van Jeruzalem, Andreas, +Koning van Hongarijen, den Koning van Cyprus, de Hertogen van +Oostenrijk en Beijeren en andere groote Heeren met het geheele +Christen-leger, hetwelk men op 80,000 man berekende. Ondertusschen +hadden die Kruisvaarders, welke zich door de reden des Bisschops hadden +laten overhalen in Lissabon te blijven, op de Saracenen in Portugal +eenige veroveringen gemaakt; doch op bevel van den Paus zijn zij van +daar opgebroken, en onder aanvoering van Graaf Willem van Holland met +eenen gunstigen wind, nog vroeger dan hunne voormalige togtgenooten, te +Ptolomais, de verzamelplaats van dezen Kruistogt, aangekomen.</p> +<p>Het thans weder vereenigde leger maakte het volgende plan: Damiate, +de sleutel van Egypte, zoude veroverd worden, dan ware het den +Christenen gemakkelijk Cairo en Alexandrië den ongeloovigen te +ontrukken<span class="corr" id="xd20e8002" title= +"Niet in bron">.</span> Wanneer op deze wijze Egypte in handen der +Christenen viel, zoo kon men den ongeloovigen in <span class="corr" id= +"xd20e8005" title="Bron: Syrie">Syrië</span> en Palestina de pas +van Egypte, van waar zij toevoer en rekruten ontvingen, afsnijden, en +zoo moesten dan Syrië en Palestina zich van zelf overgeven. +<i lang="la">Sed homo proponit; Deus disponit!</i>—»Doch de +mensch maakt plannen; God beschikt!”</p> +<p>Ingevolge dit plan ligtte de vloot het anker, en <span class= +"pagenum">[<a id="pb379" href="#pb379" name= +"pb379">379</a>]</span>stevende in 3 dagen naar Egypte. Met zeer veel +moeite liep zij den Nijl in, waar toen de manschap niet ver van Damiate +aan land stapte. Hier vertoonden zich vele Saraceensche ruiters aan het +strand, hetzij om de ontscheping te beletten, hetzij om de Christenen +te verkennen. Een gespierde Fries met breede schouders zwaaide zijne +lans, en daagde den eersten den besten Muzelman uit; eene gewoonte, die +sedert Goliath’s tijd en nog vroeger zich tot nu toe had staande +gehouden. Een Saraceensch ruiter reed voor, maar werd oogenblikkelijk +door den uitdager uit den zadel geligt en afgemaakt<a class="noteref" +id="xd20e8015src" href="#xd20e8015" name="xd20e8015src">63</a>. De +Saracenen beschouwden <span class="pagenum">[<a id="pb380" href= +"#pb380" name="pb380">380</a>]</span>dit als een kwaad voorteeken, en +trokken in de stad terug. Diamiate was eene voor dien tijd bijzonder +sterke stad; zij was met eenen driedubbelden muur, de een hooger dan de +ander, omgeven; digt langs den muur liep de Nijl met een’ krommen +arm om dezelve. Op de zijde der stad lag de voorstad, welke door +een’ sterken toren gedekt werd. Dezen toren kon men niet naderen, +daar zij op een eilandje stond, welks geheele oppervlakte door den voet +des torens werd beslagen, zoodat de toren uit het water scheen op te +rijzen. Tusschen dezen en eenen anderen even zoo gelegenen, ofschoon +kleineren toren, lag de haven, en van beide torens was eene zware keten +gespannen, om de haven te sluiten. Nadat men eenige vruchtelooze +aanvallen op de stad en den toren had gedaan, vonden de Duitschers uit +het Bisdom Keulen een kunstig werktuig uit, waarmede zij den toren +dachten te veroveren; doch ook dit mislukte.</p> +<p>De Zomer liep reeds ten einde, zoodat men aan de verovering der stad +begon te wanhopen. In dezen hagchelijken toestand kwamen de Friezen op +eenen bij zonderen inval. Zij klampten twee hunner grootste schepen aan +elkander, welke naar één breed schip geleken: op deze +beide schepen maakten zij vier sterke masten in een vierkant vast. +Tusschen deze masten rigtten zij een houten bolwerk op, dat zij met +sterke kruisgewijze gelegde balken <span class="pagenum">[<a id="pb381" +href="#pb381" name="pb381">381</a>]</span>verzorgden, en van buiten met +natte koehuiden overtrokken. Boven op het bolwerk hadden zij lange +ladders, die zij op den toren werpen en waarmede zij dan deszelfs +platte oppervlakte bereiken konden. Vervolgens sloegen zij op een ander +schip een lager bolwerk op met naar buiten vallende bruggen, om aan den +voet des torens te komen, en met deze beide werktuigen voeren de +Christenen tot aan den toren. De Saracenen benaauwden de belegeraars +met hunne pijlen, die zij van boven van den toren afschoten, en met het +Grieksche vuur, dat echter door de natte koehuiden weinig werking kon +doen. Gedurende dit gevecht lagen de Patriarch en gezamenlijke +Geestelijken op de knieën, hieven de gevouwene handen ten hemel, +en riepen God, doch inzonderheid Maria en St. Bartholomeus (het was +juist Bartholomeus-dag) om hulpe aan. Eindelijk gelukte het den +Christenen uit het bovenste bolwerk ladders op den toren te werpen. +Hendrik, een Luikenaar, en Haije, een Fries van Fivelingo uit +Groningerland, waren de eersten, die den toren beklommen. De eerste had +eene zware kolf en de laatste een ijzeren dorschvlegel, die met ijzeren +ringen aan elkander gezet en versterkt was, in de hand. Elke slag gold +eenen gekneusden kop, ontwrichten arm of stukken geslagen beenen; zoo +maaiden zij regts en links om zich henen, en maakten ruimte voor hunne +makkers. De Saracenen, die van boven van den toren naar beneden +gedrongen waren, wierpen Grieksch vuur uit, waardoor de Christenen zoo +bestookt werden, dat zij den toren weder moesten verlaten. Daar evenwel +de vijand ook den toren verlaten had, zoo kreeg het andere schip met +het lage bolwerk lucht. Men wierp de bruggen uit, en naderde den toren +van onderen. Als zij nu met alle magt op de poort aanvielen om die met +geweld te doen bezwijken, gaven de Saracenen den toren bij verdrag +over. Eenige buitenlandsche Schrijvers voegen hierbij, dat het groote +schip van voren met eene sterke ijzeren zaag is voorzien geweest, en +dat de ketting, door tegen haar <span class="pagenum">[<a id="pb382" +href="#pb382" name="pb382">382</a>]</span>met volle zeilen aan te +varen, is gesprongen<a class="noteref" id="xd20e8052src" href= +"#xd20e8052" name="xd20e8052src">64</a>.</p> +<p>Toen de Christenen den toren hadden, werd ook spoedig daarop de +voorstad bemagtigd; doch de stad zelve konden zij nog niet bemeesteren, +omdat zij bestendig uit het leger des Sultans Meleddin<a class= +"noteref" id="xd20e8072src" href="#xd20e8072" name= +"xd20e8072src">65</a> toevoer en ondersteuning ontving<span class= +"corr" id="xd20e8079" title="Niet in bron">.</span> Het Christen-leger +had ook veel te lijden van overstrooming des Nijls, waarom vast- en +biddagen werden ingesteld. Toen de Nijl naderhand binnen zijne oevers +terug trad, vernielden de Duitsche Kruisbroeders eene schipbrug, over +welke de belegerden toevoer ontvingen uit het Saraceensch +leger<span class="corr" id="xd20e8082" title="Niet in bron">.</span> +Toen wies der Christenen moed; zij wierpen zich tusschen het leger des +Sultans en de stad, en vielen hem eindelijk nu eens gelukkig, dan eens +ongelukkig, zelfs in zijn leger aan. De Sultan werd deze kwellingen +eindelijk moede, en bood den Christenen het vrije bezit van Palestina, +het kruis des Heilands, het ontslag der Christen-gevangenen en een +eeuwigen vrede aan. Het Kruisleger en vooral de Duitschers en Franschen +lieten zich het aanbod gaarne welgevallen, maar de Pauselijke Legaat +protesteerde en verlangde de geheele uitroeijing der Saracenen en +Turken. Deze zielenherders kregen eindelijk bij de Christelijke schapen +gehoor, men vocht nog een tijdlang met de ongeloovigen, en bereikte ten +laatste, op het einde van Aug. 1219, door bemagtiging van Damiate, +<span class="pagenum">[<a id="pb383" href="#pb383" name= +"pb383">383</a>]</span>welke stad schier geheel door de pest was +uitgestorven, het eerste gedeelte hunner wenschen. Natuurlijk viel hier +in deze rijke en weleer volkrijke stad weder kostelijken buit te maken, +dien de Christenen eerlijk onder elkander verdeelden.</p> +<p>Toen Damiate was overgegaan, trok de Sultan naar Cairo terug. Men +hield zich wederzijds langen tijd in dit en het volgende jaar stil, +doch eindelijk beval de Paus tegen den zin der meeste Christenen en +zelfs van Koning Johannes den vijand te vervolgen. Dit bevel kwam ter +kwader uur, daar de Nijl overstroomde, en groote verwoesting in het +Christenleger aanrigtte. Nu zagen zich de Christenen genoodzaakt met de +ongeloovigen vrede te sluiten. De vredesvoorwaarden waren deze: de +gevangenen zouden van wederzijden vrijgelaten worden; de Christenen +moesten Damiate ontruimen, en de Sultan moest hun het te voren door +Saladin veroverde Kruis des Heeren uitleveren. Deze was de eindelijke +vrucht des ganschen togts, want in Aug. 1221 werd Damiate weder +overgegeven. Zoo was dan wederom alles verloren, en de Christenen +trokken weder huiswaarts.”</p> +<p>Ik kan niet voorbij hier nog aan te voeren dat de bovengemelde +Olivier dezen Kruistogt in persoon heeft bijgewoond. Misschien is hij +zelf de vervaardiger van het Itinerarium (Reisverhaal) geweest. Uit het +leger voor Damiate heeft hij een brief aan de Abten, Prelaten en +Burgemeesteren (Consuls) in Friesland geschreven. Ik neem hier het +volgende uit over, dat den Friezen tot eer verstrekt:</p> +<p>»De Zegepraler in Israël, van wien alle goede gaven en +volmaakte giften afdalen, heeft uw vroom en in de moeijelijkheden der +vreemdelingschap volhardend volk op aarde groot gemaakt, bereidende hun +een’ triomfwagen, als hebbende eene eeuwige belooning bij +tijdelijken roem verdiend, dewelke zij nooit zullen verliezen, indien +zij den ingetreden weg ten einde toe blijven bewandelen. Bij Damiate +immers hebben zij zich door betoon van groote nedrigheid, +milddadigheid, gehoorzaamheid en stoutmoedigheid, bij de Saracenen +geducht, bij de Christenen <span class="pagenum">[<a id="pb384" href= +"#pb384" name="pb384">384</a>]</span>bemind gemaakt. Weshalve wij U, +Prelaten” enz., enz.</p> +<p>»Geschreven bij Damiate op het feest der H. +Kruisverheffing.”</p> +<p>De Patriarch van Jeruzalem gaf den Friezen bij hunnen aftogt eene +loffelijke getuigenis mede, waarin onder anderen het volgende +voorkomt:</p> +<p>—»en nadat zij met ons in Egypte zijn gekomen, hebben +zij veel leeds uitgestaan, zoo ten aanzien van hunne personen als van +hunne geldmiddelen. Wij hebben hen van hunne dienst ontslagen en laten +vertrekken, volgens de toelating door de Roomsche Kerk in de algemeene +kerkvergadering verleend. Wij geven eene loffelijke getuigenis aan het +Friesche Volk, daarom, dat zij eenen braven wandel hebben geleid, en +dapper en vroom gestreden hebben in de dienst van J. C. Weshalve wij u +vermanen en van uwe bescheidenheid in den Heere bidden, dat gij deze +zelfde Friezen, uit hunne vreemdelingschap terugkeerende, in gunst +moogt ontvangen,” enz.—</p> +<p>Zoo veel van dezen togt.</p> +<p>Naauwelijks waren de Kruisvaarders weder te huis gekomen, of de +heilige Vader Honorius II begon reeds weder alarm te blazen. Keizer +Frederik II nam zelf het Kruis aan, doch scheen zich, na den dood van +Honorius, om zijne gelofte weinig te bekommeren; hij werd door den +opvolger van Honorius, Paus Gregorius, in den ban gedaan, trad wakker +met den Heiligen Vader in het strijdperk, en ondernam eindelijk in 1228 +den Kruistogt. Terstond bij zijne aankomst boden hem de Saracenen eenen +10 jarigen wapenstilstand aan, waarbij zij hem Jeruzalem, Nazareth en +Sidon inruimden. Daarop liet hij zich tot Koning van Jeruzalem kroonen, +en keerde terstond daarna terug. Ook aan dezen togt hebben de Friezen +deel genomen, en zoowel de Paus Honorius, als de Keizer Frederik +moedigden de Friezen aan, den togt mede te ondernemen. De Paus streek +den Friezen in eenen brief van 1226 niet weinig honig om den mond. +Onder anderen zegt hij in dien brief:</p> +<p>»Voorwaar, daar de Friezen weleer met onderscheiding +<span class="pagenum">[<a id="pb385" href="#pb385" name= +"pb385">385</a>]</span>in den Kruistogt ter zee den Heere gediend +hebben in de overzeesche landen, zoodat uw gedenkboek van geslacht tot +geslacht met vermelding van uwen lof zal aangehaald worden, zoo hebben +wij noodig en raadzaam gedacht, ulieden als beroemde Kampvechters wel +bijzonder tot het volgen van dezen (togt) te moeten oproepen, vastelijk +hopende en vertrouwende, dat gij, die onder overige volken uitmunt in +grootmoedige dapperheid, den strijd des Heeren mannelijk en met kracht +zult strijden.</p> +<p>»Wij bidden u dan allen enz.”</p> +<p>En Keizer Frederik schrijft onder anderen:</p> +<p>»Want buitenlands is uw krijgsbeleid gevreesd en ondervonden +van die volken, tot welker uitroeijing gij weleer uwe krachten +loffelijk geoefend hebt, terwijl het bloed van uwe martelaren in de +dienst des Kruises geplengd, glansrijk blinkt, en hunne roemrijke +ligchamen door de bezetting en verovering van Damiate herdacht worden. +Ontbrande dan uwe dapperheid!—</p> +<p>»Gegeven te Salerno 1 Febr. 14de Indictie.”—</p> +<p>Olivier kwam ook weder in Mei 1224 in Friesland, en predikte eerst +in Groningen, daarna in Reiderland en in ’t Emderambt het Kruis; +voornamelijk echter hield hij zich te Uttum en Groothuizen (Huttum en +Usum zegt Emo) op, waar hij evenwel weinig uitwerkte. Vervolgens zond +hij door geheel Friesland herderlijke brieven rond, en vermaande de +Friezen met de Denen, Bremers en de Keulenaren, die reeds eene vloot +begonnen uit te rusten, gemeene zaak te maken, terwijl de eerste +bemoeijing der Geestelijken was, om geld voor den te ondernemen +Kruistogt te verzamelen. Onze geschiedschrijver Emo liet zich zelven +daartoe gebruiken, en bragt eene aanzienlijke som bijeen.</p> +<p>Den 22 Mei 1227 gingen de Friesche schepen bij Borkum onder zeil; de +manschap echter leed veel door allerlei gevaar, storm, ziekte en +honger, en kwam, merkelijk ontdaan, eindelijk in Palestina<a class= +"noteref" id="xd20e8123src" href="#xd20e8123" name= +"xd20e8123src">66</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb386" href= +"#pb386" name="pb386">386</a>]</span>Het einde van dezen togt heb ik +reeds boven kortelijk opgegeven.</p> +<p>In het jaar 1247 werd eene groote kerkvergadering te Lyon in +Frankrijk gehouden, op welke nogmaals een heilige krijg tegen de +ongeloovigen werd vastgesteld. Koning Lodewijk de Heilige nam zelf het +Kruis aan, en de Paus zond, op bijzonder verlangen des Konings, den +Bisschop Albert van Riga en Willibrand, een monnik uit het Mentzsche, +naar Friesland, alwaar zij alle Abten, Dekens, Priesters, Edellieden, +regterlijke Beambten en de voornaamste Mannen verzamelden, en hun den +Pauselijken lastbrief voorlazen. Terstond liet zich eene groote menigte +tot dezen togt aanwerven; maar toen den Friezen werd aangekondigd, dat +zij tegen Mei 1248 reeds tot den togt gereed moesten zijn, schreeuwden +allen, dat deze bepaalde tijd veel te kort was. Daarop werd de tijd des +aftogts tot Mei 1249 uitgesteld.</p> +<p>Deze Krijgstogt is voor de Christenen van rampzalige gevolgen +geweest, daar bijna het geheele Christelijke leger in Egypte, deels +door de pest, deels door het zwaard, werd vernield, en de Koning +Lodewijk zelf gevangen genomen. Door klinkende munt en eenen +schandelijken vrede kocht hij zijne vrijheid weder. Of nu de Friezen +dezen togt mede gedaan hebben, en werkelijk uitgezeild zijn of niet, +melden ons de geschiedschrijvers niet<a class="noteref" id= +"xd20e8137src" href="#xd20e8137" name="xd20e8137src">67</a>. +Waarschijnlijk <span class="pagenum">[<a id="pb387" href="#pb387" name= +"pb387">387</a>]</span>hebben de Friezen, daar zij te huis genoeg te +doen hadden, en den nieuw verkozen Roomsch Koning Willem reeds in 1248 +Aken hielpen veroveren, doch daarna met hem in onmin geraakten, en hem, +gelijk uit ’s Konings geschiedenis genoeg bekend is, in de +tegenwoordige provincie Friesland om hals bragten, aan dezen togt geen +deel genomen<a class="noteref" id="xd20e8148src" href="#xd20e8148" +name="xd20e8148src">68</a>.</p> +<p>Zeer aardig herinnert een Bisschop van Syrië in eenen uit +Ptolomais geschreven brief na het jaar 1260 hun aan hunne +pligten<span class="corr" id="xd20e8172" title="Niet in bron">.</span> +Hij noemt zich: »<i lang="la">Frater Thomas de ordine +Praedicatorium, Dominici praesepii et virginalis puerperii custos +indignus, Apostolicae Sedis Legatus.</i>” »Broeder Thomas +van de orde der predikheeren, onwaardige bewaker van de kribbe van +Dominicus en het maagdelijk kraambed, legaat van den Apostolischen +zetel.” Hij meldt daarin (de ruimte laat niet toe, den geheelen +merkwaardiger en kluchtigen brief hier in te lasschen) onder anderen, +dat de Friezen, die voor 10 en meer jaren het Kruis hebben aangenomen, +hunne kruisgeloften gestand doen, en opkomen, of wettige redenen van +hun uitblijven opgeven moeten. Daarbij verzoekt hij de Proosten en +Dekenen de Friesche vrouwen, welke het Kruis hebben aangenomen, den +togt af te raden, dewijl men, helaas, meermalen de treurige ervarenis +heeft gehad, dat door verleidingen des Satans deze vrome vrouwen reeds +aanstonds op weg afschuwelijke hoererij en echtbreuk bedreven hebben. +Wanneer deze goede kinderen slechts zooveel baar geld betaalden, als +hun de reis heen en weder zou kosten, dan konden zij rustig te huis +blijven, en nu besluit hij: <span class="pagenum">[<a id="pb388" href= +"#pb388" name="pb388">388</a>]</span></p> +<p>»Aan alle welke voornoemde vrouwen en anderen, die op +voorzeide wijze mogen verschoond worden, wij uit kracht van de aan ons +door den Apostolischen Stoel verleende volmagt die vergeving van zonden +schenken, welke zij zouden verwerven, zoo zij het Heilige Land in +persoon bezocht hadden.”</p> +<p>Koning Lodewijk nam in 1267 andermaal het Kruis aan, en zond naar +Friesland eenen monnik, Gerhard, om aldaar het Kruis te prediken. Deze +trok geheel Friesland door, doch hield zich den meesten tijd, volgens +getuigenis van den gelijktijdigen Schrijver Menco, in Norden op, alwaar +hij het Jakobiten-Klooster stichtte. Het gelukte hem ten behoeve van +dezen voorgenomen togt den ingezetenen groote sommen gelds uit de beurs +te praten, en een groot getal strijdbare mannen te overreden, zich met +het Kruis te laten teekenen.</p> +<p>Thans werd eene betere orde ingevoerd. Opdat niet wederom allerlei +janhagel den togt mede ondernemen, en zich op kosten van het Kruisleger +mesten, of ook weerlooze vrouwen vervolgens wanorde in het leger +veroorzaken mogten, werd uitdrukkelijk bevolen dat alle vrouwen, zonder +onderscheid, te huis blijven, en ieder Kruissoldaat 7 mark sterling aan +klinkende munt, vervolgens 7 ton boter, een halven os, een ham, een +half mudde meel en zoovele wapens en kleederen, als hij zou noodig +hebben, medenemen moesten.</p> +<p>In 1269, kort voor Paschen, scheepten de Friezen zich in. Zij +verzamelden zich bij Borkum, en moesten daar 20 dagen wegens westelijke +tegenwinden blijven liggen. De uitgeloopene Friesche vloot bestond, +behalve de kleine schepen, uit 50 koggen. Met goeden wind landden zij, +na volgens gewoonte vooraf in eenige havens te zijn binnengevallen, te +Marseille aan. De Koning van Frankrijk had met de Friezen afgesproken +hen tot St. Jan in te wachten; dan daar deze tijd verstreken was, zoo +was de Koning met zijne vloot reeds voor de aankomst der Friezen naar +Tunis afgezeild. De Sultan had een <span class="pagenum">[<a id="pb389" +href="#pb389" name="pb389">389</a>]</span>sterk leger naar Afrika +gezonden, waarom de Koning vreesde, dat de Turken, na den aftogt der +Christen troepen, in Sicilie, Italie, Frankrijk en Spanje eene +afwending zouden maken. Daar ook de Saracenen in Syrië en +Palestina veel ondersteuning en levensmiddelen ontvingen van de +Barbarijsche kusten, zoo achtte hij het voordeelig eerst Tunis te +verwoesten. De Friezen morden over dezen togt, en wilden liever naar +Palestina, doch lieten zich ten laatste door eenen geestelijken +overreden den Koning na te zeilen. Bij hunne aankomst vernamen zij wel, +dat de Koning de Ongeloovigen geslagen en Tunis reeds ingesloten had, +doch tevens dat hij zelf kort daarna aan de pest gestorven was. Op dit +berigt wilden de Friezen oogenblikkelijk weder naar Syrië +afzeilen; dan, daar juist ten zelfden tijde de broeder des overledenen +Konings Lodewijk, de Koning Karel van Napels, met eene versche vloot +aankwam, zoo lieten zij zich bewegen, daar te blijven. De belegering +werd dan ijverig voortgezet; de Saracenen deden eenen uitval op eene +afdeeling Duitschers en Friezen, die verspreid nabij de stad ginds en +herwaarts liepen, om den vijand uit zijne verschansingen te +lokken<span class="corr" id="xd20e8189" title="Niet in bron">.</span> +De Christenen togen aanvankelijk in wanorde terug, maar herstelden zich +weldra weder, rukten als één man tegen den vijand op, en +dreven hem tot eene rivier, die voorbij Tunis stroomt<span class="corr" +id="xd20e8192" title="Niet in bron">.</span> Vele Ongeloovigen +sneuvelden door het zwaard, de meesten echter verdronken in den vloed. +De stad kon door storm niet ligt veroverd worden, omdat de pest in het +Christenleger eene groote verwoesting had aangerigt: desniettemin +werden de belegerden zoo benaauwd, dat zij den Christenen eenen vrede +aanboden. De inhoud der aangenomene vredes-voorwaarden was, dat de +gevangenen van wederzijde bevrijd,—Tunis aan Koning Karel eene +jaarlijksche schatting betalen,—en de Christenen op de +Middellandsche Zee door geene zeeroovers zouden ontrust worden. Het +leger werd daarop ontbonden, en de meeste Italianen en Franschen gingen +weder naar huis; dan de Friezen, Duitschers en Engelschen <span class= +"pagenum">[<a id="pb390" href="#pb390" name= +"pb390">390</a>]</span>vervolgden hunne reis en zeilden naar Palestina. +Onder weg leden zij veel door storm en ziekte, en kwamen in veel +verminderd getal eindelijk te Ptolomais aan, alwaar zij het +Christen-leger in eenen jammerlijken toestand en verderfelijke +oneenigheid aantroffen, welke tweespalt de Saracenen zich ten nutte, en +vele veroveringen hadden gemaakt. Intusschen werden de Friezen door de +Tempelheeren wel ontvangen en kostelijk onthaald: zij werden naar Tyrus +gevoerd, alwaar men aanzienlijke hulptroepen van de Christenheid en +bijzonderlijk van Koning Karel van Napels verwachtte, doch daar deze +uitbleven, zoo kregen ook de Friezen het heimwee. Hunne uit den storm +nog overgeblevene schepen waren zoo jammerlijk gesteld, dat zij geen +zee konden bouwen, zoodat zij zich in vreemde vaartuigen moesten +inschepen, en van elkander afgescheiden, sommigen door Italië, +anderen door Frankrijk afzonderlijk terugkwamen. De meesten echter +hadden hunnen dood in Afrika, in de <span class="corr" id="xd20e8197" +title="Bron: Middellansche">Middellandsche</span> Zee en in Palestina +gevonden, terwijl het geringe in het Vaderland terugkeerend overschot +ledige buidels, hongerige magen en zieke ligchamen mede terugbragt.</p> +<p>Van nu af aan waren de Christenen te zwak om den Turken het spits te +bieden. De eene vesting ging na de andere over. Antiochië, +Cesarea, Joppe en andere steden kwamen in handen der Turken. Ten jare +1291 werden ook Ptolomais, Tyrus en Berytus heroverd. Zoo behielden dus +de Christenen der Latijnsche Kerk, die ter verovering en beheersching +des Heiligen Lands, zoo vele millioenen verspilden, en zoo veel bloeds +deden stroomen, in Palestina geen voet gronds. Paus Nikolaas IV, wien +dit zeer ter harte ging, wekte wel alle geestelijke en wereldlijke +Vorsten tot eenen nieuwen togt op, doch zijne pogingen waren +vruchteloos<a class="noteref" id="xd20e8203src" href="#xd20e8203" name= +"xd20e8203src">69</a>.</p> +<p>Palestina, ontbloot van allen bijstand, verzonk weder <span class= +"pagenum">[<a id="pb391" href="#pb391" name="pb391">391</a>]</span>in +de oude slavernij, die misschien dragelijker was, dan de heerschappij +van teugellooze schraapzuchtige Christenen.—En dit was het einde +der heilige oorlogen of vrome razernij, die omtrent twee honderd jaren +gewoed, en Europa omtrent zeven millioenen menschen en onmetelijke +schatten gekost heeft.</p> +<p>Wat nu het goed en kwaad betreft, het is moeijelijk te beslissen of +de Kruistogten meer voordeel dan nadeel aan Europa hebben toegebragt. +Dus oordeelt er de Duitsche Geleerde <span class="sc">J. G. Mair</span> +over<a class="noteref" id="xd20e8218src" href="#xd20e8218" name= +"xd20e8218src">70</a>. <span class="sc">Heeren</span> is door zijn +onderzoek der gevolgen van de Kruistogten voor Europa<a class="noteref" +id="xd20e8227src" href="#xd20e8227" name="xd20e8227src">71</a> tot het +gunstig resultaat gekomen, dat zij wel niet op eens eene betere wereld +schiepen, maar die voor de nakomelingschap hebben voorbereid.</p> +<p><span class="sc">Wakker van Zon</span> heeft, in zijne <i>Bijdrage +tot de Geschiedenis der Kruisvaarten</i>, voor ons Vaderland daarin +weinig voordeel kunnen vinden, en laat het nadeel ver het overwigt +behouden; zelfs in de heftigheid van zijn betoog uitroepende: +»Rede! Deugd <span class="pagenum">[<a id="pb392" href="#pb392" +name="pb392">392</a>]</span>en Godsdienst! wij leggen op uw heilig +altaar de plegtige en onherroepelijke bekentenis af—, dat de +Kruisvaarten ons Vaderland tot eene bron van onuitrekenbare ellende +verstrekt hebben!”—</p> +<p>Zoo zijn er meerdere gevoelens van geleerden uitgebragt, terwijl die +Schrijvers, welke niet overdrijven, maar den middelweg hebben +bewandeld, zoo als <span class="sc">Heeren</span> en <span class= +"sc">Luden</span>, gewis den voorrang boven anderen verdienen<a class= +"noteref" id="xd20e8262src" href="#xd20e8262" name= +"xd20e8262src">72</a>.</p> +<p>Voor Friesland waren gewis de gevolgen ook van groot belang. De +burgerlijke vrijheid is er zeer door bevorderd: want een slaaf werd +vrij man, en de haat en wraak der aanzienlijke geslachten werden +getemperd. Het werkzame deel des volks werd door den landbouw als +anderszins voor armoede beveiligd, en de zedelijke beschaving zal er +allengs bij gewonnen hebben. De handel in de X eeuw nog in zijne +kindschheid, moet eene eeuw na den aanvang der Kruistogten te Stavoren +reeds tot grooten bloei zijn gekomen: want deze stad en Bolsward tot de +Hanzesteden behoorende, voerden hunne koopwaren naar Brugge, werwaarts +de Lombarden hunne Oostersche goederen bragten, om dezelve zoo door de +Hanzesteden weder in het Noorden te verspreiden. De welvaart, pracht en +weelde der XIII en XIV eeuwen kunnen van deze gevolgen +getuigen.—Kunsten en wetenschappen, altoos met den handel zich +parende, moesten ook wel in Friesland toenemen.—Dan het nadeel +heeft zich ook voor dit gewest geopenbaard, en in de onheilen moest het +dus ook aandeel hebben.</p> +</div> +</div> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb393" href="#pb393" name= +"pb393">393</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb72" class="pageref">72</a>.</p> +<p>Omtrent den jare 1100 was er een voornaam Bouwkunstenaar, zijnde een +Fries, die voor den Bisschop van Utrecht eene fraaije kerk bouwde, doch +misnoegd over deszelfs behandeling, den Bisschop om het leven bragt. +Dit zal het bedoelde geval zijn ’t welk voorkomt in <span class= +"sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>. 285.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb72" class="pageref">72</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1110</i>. Door dezen strijd en nederlaag bleef de +vrijheid van Oost-Friesland bewaard, en de Friesche Graafschappen +Oostergo en Westergo genoten een aantal jaren rust en vrede.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb73" class="pageref">73</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1119 ontstond</i>. Het verhaal van dezen twist +tusschen Floris II en den Frieschen Edelman Galama is naauwkeurig +opgeteekend door <span class="sc">Gabbema</span> in zijne +<i>Watervloeden</i>, p. 50 en 51, en bij de Kronijkschrijvers met +eenige kleine veranderingen vermeld. <i>Zie Tegenw. Staat van +Friesland, I</i>. 315; <span class="sc">F. Sjoerds</span>, +<i>Jaarb<span class="corr" id="xd20e8337" title="Niet in bron">.</span> +II</i>. 318, welke te regt in <span class="sc">Wagenaar</span> +(<i>II</i>. 213,) verbetert, dat Galama niet in dezen twist is +omgekomen, en ook een eigenlijke <i>Fries</i> geen Westfries +was<span class="corr" id="xd20e8351" title="Niet in bron">.</span> +<span class="sc">Schotanus</span>, van dit voorval niet sprekende, +heeft men de waarheid daarvan betwijfeld, waarom ook welligt +<span class="sc">Cerisier</span> (<i>Geschiedenis der Nederl. I</i>. +214) niet voor de echtheid wil instaan. <span class= +"sc">Bilderdyk</span>, altijd <i>kwaadaardigst</i> tegen <span class= +"sc">Wagenaar</span>, zegt in zijne <i>Gesch. des Vaderl. II</i>. 34: +»<span class="sc">Wagenaar</span>, altijd <i>kwaadaardigst</i> +tegen de braafste <span class="pagenum">[<a id="pb394" href="#pb394" +name="pb394">394</a>]</span>Vorsten, brengt tegen Floris in, »dat +zijne uitmuntendheden van geest en lichaam niet verhinderden, dat de +Edelen dezer landen hunne vrijheden tegen het Grafelijk geweld, dat met +den aanwas van ’s Graven macht meer dan te voren gevoeld werd, +moediglijk verdedigen durfden.”” »En tot bewijs van +dit Grafelijk geweld en het moedig verdedigen van de vrijheden daar +tegen, komt den moedwil van Galama voor den dag.——Het geval +(waar of onwaar, want men twijfelt er aan) is eenvoudig. De Graaf (wien +naar het Leenrecht, als Vorst of wegens den Keizer regeerende, wouden +en wildernissen behooren, en alle jacht die niet afgestaan is) in het +bosch van <i>Kreil</i> (aan den rand der Zuiderzee, die nu dit gedeelte +verzwolgen heeft) jagende, vindt daar jagers van Galama, wien hij als +naar stijle, de daarmeê verbeurde honden ontnemen doet. Galama +verneemt dit, stuift op, zoekt den Graaf in het bosch, spreekt den +Graaf (onbesuisd, zegt <span class="sc">Wagenaar</span>) en onvoeglijk +aan, en bij Floris aanmerking op dien onbehoorlijken toon en taal, valt +hem met den blooten degen op het lijf en doorboort hem den +arm!—Zie daar” enz.; hier volgt weder eene onbehoorlijke +uitval op <span class="sc">Wagenaar</span> en een schampschot op de +onschendbaarheid en wijsheid, gezeten hebbende in de majestueuze +Amsterdammer paruiken.</p> +<p>Dit is dus met een kort woord aan Galama zijn regt ontnomen, hem als +overtreder des Roomschen regts veroordeeld, en Floris geregtvaardigd. +Wij houden het er daarentegen voor, dat het niet bewezen is of Graaf +Floris in het Kreilerwoud iets had te zeggen, en zoo niet, dan +beschouwen wij de daad van Galama (niet gelijk <span class= +"sc">Bilderdyk</span>) als die van een dolleman, maar van een +regtschapen Fries, die zich door geen Hollandschen Graaf naar willekeur +liet regeren en behandelen, hoe deze dan ook het Kreil, Galama’s +eigendom, mogt beschouwen. Waarom dit voorval onder de verdichtselen +geplaatst zou moeten worden, daarvoor kunnen wij geene reden vinden. +<i>Friesch Jierb. 1833</i>, § 22; <i>Bijvoegsels</i> op +<span class="sc">Wagenaar</span>, <i>II</i>. D. bl. 72. <span class= +"pagenum">[<a id="pb395" href="#pb395" name="pb395">395</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb73" class="pageref">73</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1143</i>. In onze kronijk wordt niet vermeld, zoo +als bij andere Schrijvers, dat omstreeks dezen tijd, onder de regering +van Keizer Koenraad III, vele bewoners der tegenwoordige Nederlanden, +op verzoek van den Graaf van Holstein, Adolf, na de verdrijving der +Obodriten, eenige landstreken aan de Elve gingen bewonen, en hoezeer +door deze woeste Wandalen weder aangevallen, met ongehoorde dapperheid +tegen dezen streden, en eindelijk, door den stoutmoedigen Priester +Gerlacus aangepord en voorgegaan, met behulp van ’s Graven volk +de volkomene overwinning behaalden<a class="noteref" id="xd20e8422src" +href="#xd20e8422" name="xd20e8422src">73</a>.</p> +<p>De Graafschappen Oostergo en Westergo werden door dezen Keizer +Koenraad weder aan den Utrechtschen Bisschop geschonken, welke +schenking twee jaren daarna bij eenen giftbrief werd bevestigd. Hoe +echter de Friezen over deze en dergelijke brieven dachten en hunne +vrijheid wisten te handhaven, ziet men beschreven bij <span class= +"sc">Emmius</span>, bijzonder in het VI boek, bl. 103 zijner Friesche +Geschiedenis.</p> +<p>Eenige jaren hierna in 1157, of gelijk <span class= +"sc">Emmius</span> in 1165, is het vermaarde klooster Ludingakerk +bewesten Franeker gesticht, waarvan Wigboldus de eerste Abt is +geworden. Uit deze Abdij, met aanzienlijke landerijen en rijkdommen +begiftigd, en van den Roomsch Koning Willem II met het eiland Flieland +beschonken, kwamen de kloosters van Anjum, Achlum, Oegeklooster en +anderen voort. Tusschen Flieland en Terschelling, toen nog aaneen, +groef men, tot bevordering der aanslijking, om nog al meer voordeelen +te genieten, eene wijde gracht, tegen wil en raad van den verstandigen +Lidlumer Abt, Gerhardus, <span class="pagenum">[<a id="pb396" href= +"#pb396" name="pb396">396</a>]</span>waardoor men de woedende zee het +land vernielen liet, dat noodig was te behouden ter voorkoming van de +latere ellende door storm en vloed ontstaan. <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>. 377; <i>Oudh. en Gest. II</i>. +131.</p> +<p>In 1163 stichtte men het klooster Mariengaard onder Hallum, onder +opzigt en beleid van den waarlijk vromen Pastoor der kerk te Hallum, +Frederik, die daar eerste Abt werd, en de order der Premonstratenzers +omhelsd had. Doordien er een grooter toeloop was dan het klooster +bevatten kon, werd door den Abt, ter plaatse Bartlehiem genoemd in +Tietjerksteradeel, een nonnenklooster, onder den naam <i>Bethlehem</i>, +gebouwd. Onder de waardige Abten die deze kloosters telden, is de +godvruchtige Syardus hoog geroemd. Deze en vele anderen, die het zoo +goed met de godsdienst meenden, waren echter onbestand tegen het +ongeschikte, wanhebbelijk en zedeloos leven der +kloosterlingen.—<i>Oudh. en Gest. I</i>. 385; <i>Tegenw. Staat. +I</i>. 345<span class="corr" id="xd20e8479" title= +"Niet in bron">.</span></p> +<p>In den jare 1165 werd de Abdij Klaarkamp in Dantumadeel gesticht, +onder ’t beheer van den dorpe Rinsumageest, door vrouwe Clara, +eene rijke en godvruchtige weduwe. De Bernardiner of Cistercienzer +monniken, ook naar hunne kleeding witte en zwarte monniken genoemd, die +aanvankelijk om hunnen stichtelijken wandel en goede zeden zeer geroemd +zijn geworden, hebben hetzelve onder den eersten Abt, Eiso betrokken, +en vele kloosters in Friesland en Holland hebben onder deze Abdij +gestaan. De Abt van Klaarkamp had onder de Prelaten ter +Landsvergadering de eerste plaats.</p> +<p>Deze eeuw was dus bijzonder vruchtbaar in het voortbrengen van +Abdijen, Kloosters, geestelijke Gestichten en Kerken<span class="corr" +id="xd20e8486" title="Niet in bron">.</span> In den jare 1182 werd ook +door Sybe van Lidlum met hulpe van Tjalling Donia van Winsum, tusschen +Tjummarum en Oosterbierum, het Lidlumer Klooster gesticht, ’t +welk na verloop van eene halve eeuw is verplaatst. Het was gesteld +onder de order der Reguliere Kanunniken. <i>Oudh. <span class= +"pagenum">[<a id="pb397" href="#pb397" name="pb397">397</a>]</span>en +Gest. II</i>. 162; <span class="sc">Schotanus</span>, <i>Beschryvinge +von Frieslandt</i>, Quarto, p. 311 en verv.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb76" class= +"pageref">76</a>.—A<sup>o</sup> 1170.</p> +<p><i>Omtrent dezen tijd, is</i> <span class="sc">Saake +Reinalda</span>, <i>overleden</i>. De Geschiedenis vermeldt dezen +Potestaat als een kundig, ervaren, braaf, edelmoedig en vredelievend +man, die in allen opzigte, vrij van vooroordeel en ongepaste eerzucht, +het belang zijner landgenoten zoodanig behartigde, dat de Edelen, de +Staten en het Volk hem levenslang tot hunnen Landsheer wilden +verkiezen, welk voorregt hij echter niet begeerde, als strijdig met +zijne beginselen en ’t gebruik der voorvaderen.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb77" class="pageref">77</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1190</i>. Omstreeks dezen tijd vindt men bij de +meeste geschiedschrijvers het eerst gewag gemaakt van Leeuwarden als +stad; doch er zijn er, die beweren, dat reeds ten jare 1149 de stad bij +dien naam zou bekend geweest zijn, daarbij aanhalende de twee brieven +door den Abt Wybaldus geschreven, voorkomende in het <i>Charterboek</i> +van <span class="sc">van Schwartzenberg</span>, <i>I</i>. 76, de een +aan de gemeente van Leeuwarden, houdende klagten over de zorgeloosheid +van vier Priesters aldaar, en de andere aan den Utrechtschen Bisschop, +Heribertus, betrekkelijk den slechten toestand der kerk.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb77" class= +"pageref">77</a>.—A<sup>o</sup> 1192.</p> +<p><i>Als Froonakker en Godsakker</i>. De Tempelschattingen +<span class="pagenum">[<a id="pb398" href="#pb398" name= +"pb398">398</a>]</span>dienden bij de Franken tot onderhoud der +Priesterschap, tot instandhouding van de godsdienst, tot aanschaffing +der offerdieren, tot bekostiging der openbare feesten en tot +verzekering van regt en veiligheid. Wij vinden in de Friesche +geschiedenis der IX en X eeuw ook de Tempelschattingen vermeld, welke +in iedere kapel, op zekere tijden, aan den Hemelkoning moesten worden +opgebragt; en wat betreft het bezit van landgoederen, meren, wouden en +stroomen, dit wordt genoeg opgehelderd uit de, bij de bevestiging des +Christendoms hier te lande, zoo rijkelijk door de Frankische vorsten +weggeschonken goederen, welke ongetwijfeld, voor een groot deel, mede +hiervan afkomstig waren. En zoo is men op het vermoeden gekomen, dat de +<i>Vroonlanden</i> en <i>Vroonakkers</i>, welke hier en daar weleer +aangetroffen werden, van deze landgoederen afkomstig waren, en dat +Franeker daarvan den naam zoude ontleend hebben. Verg. <span class= +"sc">Westendorp</span>, <i>Verhand. over het gebruik der Noordsche +Mythologie</i>, bl. 335.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb82" class= +"pageref">82</a>.—A<sup>o</sup> 1227.</p> +<p><i>Kastelein van Koevorden</i>. Een Kastelein was ambtman over een +regtsgebied; oorspronkelijk <i>kasteelman</i>, praefectus +arcis;—<i>Borchgreve</i>, burggraaf, slotvoogd, enz.—Verg. +den <i>Teuthonista</i> van <span class="sc">G. v. d. Schueren</span> en +<span class="sc">Kiliaan</span>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb85" class= +"pageref">85</a>.—A<sup>o</sup> 1230.</p> +<p><i>In den jaare 1230</i>. Het jaar te voren schrijven de kronijken +van eene groote zonsverduistering, gevolgd door geweldigen hagel, in +welk onweer de Edelman Sixtus Botnia met zijne vrouw zou zijn +omgekomen, alsmede Douwe Galama en Jolke Taijkama. <span class= +"pagenum">[<a id="pb399" href="#pb399" name="pb399">399</a>]</span>Over +den vloed van 1230, zie <span class="sc">Gabbema</span>, +<i>Watervloeden</i>, bl. 70; <span class="sc">Wins.</span> fol. 163; +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>. 543.</p> +<p>In of omtrent dezen tijd vindt men het eerst van de veenen en +turfgraverijen gewag gemaakt.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb86" class= +"pageref">86</a>.—A<sup>o</sup> 1231.</p> +<p><i>Door de Rechters van Upstalsboom</i>. Als hier ter plaatse zeer +gepast, nemen wij een gedeelte over van het belangrijk Overzigt, +geplaatst in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 4 October +1831</i>, getiteld: <i>Herinnering aan de Landdagen der Friezen bij +Upstalboom</i>, hoofdzakelijk getrokken uit het werk van <span class= +"sc">T. D. Wiarda</span> over dit onderwerp, en ons medegedeeld door +den kundigen beoefenaar der Friesche Geschiedenis, Taal-, en +Dichtkunde, Mr. <span class="sc">A. Telting</span>, Secretaris der stad +Franeker.</p> +<p>»Buiten de stad <i>Aurick</i> in <i>Oost-Friesland</i> is een +eerwaardige plek, rijk in herinneringen aan de vrijheidsmin en +volkstrouw onzer Friesche Vaderen. Deze plek draagt den naam van +<i>Upstalboom</i> (<i>Upstallisbeam</i>, <i>Opstalbeam</i>). Wij zullen +ons niet verdiepen in de verschillende gevoelens omtrent de afleiding +en beteekenis van dezen naam, dien sommigen voor eene zamenstelling +houden uit <i>Upstalling</i>, d. i. <i>hoveling</i>, eigenlijk <i>een +man uit een oud geslacht</i>, en <i>beam</i> of boom, beteekenende +alzoo een’ boom, waarbij zich de voornaamsten des volks +verzamelen,—anderen samengesteld achten uit <i>up</i> of +<i>öp</i>, <i>staal</i>, <i>boom</i>, d. i. bij den <i>opgerigten +boom</i>,—anderen weder uit <i>up</i> of <i>op</i>, <i>saal</i> +(<i>zaal</i>, de oude benaming van eene plaats, waar men geregt hield) +en <i>boom</i>,—en nog anderen eindelijk uit <i>up</i>, +<i>stoel</i> en <i>beam</i>, d<span class="corr" id="xd20e8718" title= +"Niet in bron">.</span> i. de boom, waar de stoel des gerigts wordt +gehouden. Wij laten de beslissing aan anderen over, maar meenen zooveel +met zekerheid uit dezen naam te mogen opmaken, dat daar een of meerdere +oude boomen hebben gestaan, onder welke zich de regters zullen hebben +<span class="pagenum">[<a id="pb400" href="#pb400" name= +"pb400">400</a>]</span>gezeteld, terwijl de verzamelde afgevaardigden +des volks zich daar om heen zullen hebben geschaard, alles +overeenkomstig de zeden der overige Germanen, die, het voor vrije +mannen onbetamelijk achtende in beslotene plaatsen te vergaderen, +daartoe uitgestrekte vlakten of heilige wouden verkozen. Een uur buiten +Aurick vertoont zich dan ook nog een heuvel, waarop naar luid der +overlevering drie groote eiken plagten te staan, en die algemeen als de +vergaderplaats wordt opgegeven. De landlieden noemen dien heuvel den +<i>Boombarg</i><span class="corr" id="xd20e8726" title= +"Niet in bron">.</span> Men heeft er ten aandenken later eenen grooten +beuk geplant, en de hoogte met eene kleine gracht omgeven. Daar +vergaderden op den eersten Dingsdag na het Pinksterfeest telken jare de +afgevaardigden der zeven Friesche Zeelanden. Men zag er de +geestelijkheid, de edelen en de vrijgeboren mannen uit geheel den Staat +zamenvloeijen, om de belangen des gemeenen Vaderlands voor te staan. De +eerste dagen der bijeenkomst waren der gastvrije vrolijkheid gewijd. +Auricks vrouwen en maagden ontvingen den aankomenden vreemdeling, en +bragten hem den welkomsbeker toe, met den groet: <i>het ghilt eele frye +Fryse</i>! Nog heden dansen hare nakomelingen op den Pinksterdag om den +Meiboom, en zingen haar volkslied:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">»Mayboom, Mayboom, holt die faste,</p> +<p class="line">Morgen krieg wy fremde lue toe gaste!”—</p> +</div> +<p class="firstpar">Wanneer de eerste dagen der gulle vreugde waren +vervlogen, en langzamerhand alle afgevaardigden zich ter bestemder +plaatse hadden vervoegd, ging men over tot de beraadslagingen. Er +werden voorstellen gedaan, en voor te besluiten trok het volk ter +onderlinge beraadslaging, zoo de overlevering wil, naar een nabij +gelegen dorp, dat vandaar den naam van <i>Rahde</i> zou verkregen +hebben. Voor den heuvel liggen twee akkers, nog de <i>Wandelakkers</i> +genaamd, waar men wil, dat de Rigters gedurende deze beraadslagingen +van het volk gewoon waren heen en weêr te wandelen. De besluiten +der vergadering werden in schrift gebragt, en met een zegel voorzien. +Dit zegel stelde voor een’ geharnasd’ man, met eene +<span class="pagenum">[<a id="pb401" href="#pb401" name= +"pb401">401</a>]</span>spies in de regter en een zwaard in de +linkerhand, staande onder een’ bladerrijken boom. Het groote doel +dezer landdagen was,—zoo als blijken kan uit verscheidene wetten, +tot op onze dagen bewaard gebleven, die daar gemaakt zijn,—om in +het belang van het geheele vrije land alle bestaande verschillen +zooveel mogelijk te beslechten, vrede en rust te stichten en te +bewaren, den weêrspanneling desnoods met geweld tot onderwerping +te noodzaken, zich tot gemeenschappelijke weer tegen vreemden aanval +telkens met nieuwe kracht en eendragtigen moed te verbinden, goede en +nuttige wetten in te stellen, de bestaande te herzien en zoo noodig te +verbeteren. De uitvoering der genomene besluiten berustte bij telken +jare op nieuw verkozene regters (zij worden in de <i lang="la">Leges +Upstalbomicae</i> van den jare 1323 § 23 <i lang="la">Judices +Zelandini</i> genoemd, bij <span class="sc">Emo</span> Abt van Werum, +in zijn <i>Chronicon</i>, <i lang="la">Jurati apud Upstallesbome</i>, +ook <i lang="la">Consules terrae</i>). Deze vertegenwoordigden dus de +hoogste magt in de vrije Zeelanden. Wanneer is men het eerst begonnen +deze landdagen te houden?—welke der Friesche Zeelanden hebben +daaraan deel genomen?—en wanneer hebben deze zamenkomsten +opgehouden?—ziet daar drie vragen, die ieder belangstellend lezer +zich al dadelijk voorstelt, en waarop wij kortelijk zullen trachten te +antwoorden.”</p> +<p>Wat nu betreft de eerste vraag, zoo komt het antwoord van den +Schrijver hierop neder, dat, ofschoon men met geene volkomene zekerheid +kan bepalen, wanneer de Upstalboomsche landdagen der Friezen een begin +hebben genomen, men echter met eenige waarschijnlijkheid kan besluiten, +dat zij, zoo al niet door Karel den Grooten zelven ingesteld, toch aan +den door hem te Upstalboom gevestigden regtszetel hunnen oorsprong te +danken hebben, en dat de Friezen al zeer vroeg deze regtsplaats, als in +het midden van Friesland gelegen, tot het houden hunner landdagen bij +uitnemendheid geschikt hebben gerekend. De vroegste vermelding eener +gezagsoefening van de Upstalboomsche Regters vindt men bij <span class= +"sc">Emmius</span> op het jaar 1214 aangeteekend. <span class= +"pagenum">[<a id="pb402" href="#pb402" name="pb402">402</a>]</span></p> +<p>In de eerste tijden namelijk van Karel den Grooten, zullen al de +Friezen van de Maas tot aan den Wezer deel hebben genomen aan die +landdagen. De landen over den Wezer schijnen, vóór de +indeeling van den Frieschen Staat in zeven Zeelanden, te zijn +afgescheiden, en zoo lang nu al deze landen zich in het bezit hunner +vrijheid hebben mogen verheugen, hebben zij ongetwijfeld mede deel +genomen aan de Upstalboomsche vergadering. Wanneer deze zamenkomsten +voor altijd hebben opgehouden kan men met geene zekerheid opgeven; doch +in de eerste helft der vijftiende eeuw, nadat er reeds onderscheidene +beletselen tot het bijeenkomen hadden plaats gehad, door de +dwingelandij van eenige magtige Hovelingen en vele partijschappen +onderling, moet zulks hebben plaats gehad. Zie voorts gemeld Overzigt. +<span class="sc">Schotanus</span>, <i>Fr. Hist.</i> bl. 170 volgg.; +<span class="sc">Harkenr.</span> <i>Oostfr. Oorsp.</i> 125–127; +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Besch. I</i>. 62.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb89" class= +"pageref">89</a>.—A<sup>o</sup> 1234.</p> +<p><i>Om de voorrang in ’t offeren.</i> Over dezen twist kan men +vergelijken <i>Oudh. en Gest. II</i>. 275; <i>Teg. Staat, I</i>. 360; +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Beschr. I</i>. 499.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb89" class= +"pageref">89</a>.—A<sup>o</sup> 1239.</p> +<p><span class="sc">Sikke Sjaarda</span> of <span class= +"sc">Sjaardema</span>. Over de geschiedenis van den <span class="corr" +id="xd20e8832" title="Bron: achsten">achtsten</span> Potestaat +Sjaerdema en den hier vermelden brief heerscht, eenige duisterheid. +<span class="sc">Emmius</span> (in zijn X Boek, p. 157) verklaart in +twee regels, na den dood van Willem II vermeld te hebben, dat hij +alles, wat in dat gedeelte der historie verhaald wordt van Sicco +Sjaerda, op eene smakelooze, laffe wijze (<i>insipide</i>), niet eens +der vermelding <span class="pagenum">[<a id="pb403" href="#pb403" name= +"pb403">403</a>]</span>waardig acht. <span class="sc">Hamconius</span> +en de kronijk van <span class="sc">O. v. Scharl</span> zwijgen van +dezen Potestaat; doch <span class="sc">van Rhyn</span> in het +meergedacht <i>Nabericht</i> wil deze gebeurtenis niet als ongerijmd +verwerpen. <span class="sc">Winsemius</span> (fol. 169) en <span class= +"sc">Schotanus</span> (40, bl. 100 en 127) verhalen ons de zaak, gelijk +die in onze kronijk voorkomt met inlassching des briefs van Sjaerdema, +welks echtheid evenwel wordt betwijfeld, en door sommigen voor een +valsch stuk gehouden. Bij het onderzoek: <i>Of de Graven van Holland, +regtens, ooit Heeren van Friesland waren</i>, geplaatst in het +<i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 25 Junij 1833</i>, heeft +de Schrijver, de Heer <span class="sc">v. Halmael</span>, aangemerkt, +dat de valschheid van dezen brief niet volgt uit de jaarteekening 1239 +bij <span class="sc">Winsemius</span>, daar het, uit het op den anderen +kant der bladzijde gestelde jaartal 1248, genoegzaam blijkt, dat +<i>dertich</i> eene drukfout is, en men <i>veertich</i> lezen moet. Ook +de Hoogleeraar <span class="sc">Ypeij</span>, houdt die dagteekening +voor een misslag; men zie zijne <i>Gesch. der Nederl. Taal, II</i>. +318. <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Fr. Jaarb. III</i>. 63, wil +den brief in 1254 geschreven hebben, dan dit is niet te +vooronderstellen. Wijders geeft de Schrijver van bovenvermeld onderzoek +nog in bedenking, twee punten: of de Roomsch-Koning den brief, op +welken die van Sjaerdema (zoo hij echt is) een antwoord is, niet +geschreven kan hebben in de hoop, dat de Friezen, schoon daartoe +onverpligt, hem, door bemiddeling van Sjaerdema en behoudens +vergoeding, vrijwillig tot hunnen Potestaat zouden +aannemen:—wijders, of niet beide brieven kunnen gezien hebben op +de Noord-Hollanders of eenigen hunner. Deze Noord-Hollanders kon en +mogt Willem als zijne onderdanen beschouwen, en daarbij rekenen, dat +zijn voorregtsbrief alleen de Friezen tusschen het Flie en de Lauwers +(of die, welke ten westen door het Flie begrensd werden) betrof; en +Sjaerdema kon evenzeer die Friezen, als onder zijn Potestaatschap +behoorende, aanmerken, daar zij toch van oudsher Friezen geweest waren, +en zich der Hollandsche heerschappij niet onderwerpen wilden. Dit +laatste schijnt mij wat eene zeer <span class="pagenum">[<a id="pb404" +href="#pb404" name="pb404">404</a>]</span>milde uitlegging, doch +overigens hebben de bedenkingen, mijns inziens, zeer veel grond, en ik +vind er geene zwarigheid in, het daarvoor te houden, dat Sjaerdema +weigerde den Koning behulpzaam te zijn, om Friesland onder zijn beheer +te krijgen: Sjaerdema moge hem als Keizer, en zoodanig als Souverein +over Friesland erkend hebben, dan wilde hem niet huldigen als +bijzonderen Heer of Graaf van deze Provincie. En er was een man van +dapperen moede, zoo als <span class="sc">Schotanus</span> (<i>Fr. +Hist.</i> bl. 118) hem noemt, noodig, om de listige aanslagen en +heimelijke ondernemingen van vermogende tegenstanders stout en krachtig +het hoofd te bieden, ten einde het eenmaal aangenomen beginsel, door +geen vreemden zich te laten regeren, vast te houden en te doen +gelden.</p> +<p>In den jare 1248 heeft Willem II de Bulle van van Karel, of het als +zoodanig genoemd stuk, hem door de Friezen aangeboden, met zijne +vrijheden en voorregten bekrachtigd, hoewel hij dat stuk niet in zijnen +Voorregtsbrief heeft ingelascht. Dat de Friezen in de verovering van +Aken, het gewigtigst deel hebben gehad, lijdt geen twijfel, hoezeer dan +ook <span class="sc">Bilderdyk</span> hiervan evenmin als van den +Voorregtsbrief eenig gewag maakt<a class="noteref" id="xd20e8908src" +href="#xd20e8908" name="xd20e8908src">74</a>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb95" class= +"pageref">95</a>.—A<sup>o</sup> 1263.</p> +<p><i>De kerk van het vermaarde klooster St. Bernard.</i> Deze kerk was +50 schreden lang en 25 breed. In <span class="pagenum">[<a id="pb405" +href="#pb405" name="pb405">405</a>]</span>het midden stelde men aan +iederen kant nog een gebouw, ieder van 25 schreden lang en 24 breed. +Het gebouw rustte op 26 pilaren, en het hooge verwufsel daarenboven +werd ondersteund door een aantal pilasters. Een groot en prachtig +altaar stond in ’t midden en elf anderen in evenveel sierlijke +kapellen; van binnen was alles even kostbaar en luisterrijk.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb95" class= +"pageref">95</a>.—A<sup>o</sup> 1268.</p> +<p><i>D’r Ylst</i>, verkorting voor Ter Ylst, volgens +<span class="sc">Emmius</span>, is de regte naam <i>Yleke</i> of +<i>Ylk</i>, daarna veranderd in <i>Yltz</i> en voorts in +<i>Ylst</i>.</p> +<p>Dat Ylst van ouds welvarender was dan Sneek, en toen dit laatste nog +een dorp was, reeds tot eene stad werd verheven, heeft veel schijn, en +wordt door <span class="sc">v. Rhyn</span> (<i>Oudh. en Gest. II</i>. +77), tegen <span class="sc">Emmius</span> aan, niet verworpen. In 1268 +was Sneek nog eene buurt of gehucht.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb96" class="pageref">96</a>.</p> +<p><i>In 1270 is te Bolswert het Broereklooster.</i> Reeds in de +achtste eeuw wil men dat Bolsward gesticht zoude zijn, welke stad +ongetwijfeld tot eene hooge oudheid opklimt. Eenige Edelen en +godvruchtige lieden bouwden dit klooster der Minderbroeders, waarvan de +kerk in ’t jaar 1281 werd gesticht, eerst door Gaudenten, +Franciskaner Monniken en naderhand door Observanten bewoond, die zich +naar de hervorming regelden.—<span class="sc">Schot.</span> +<i>Fr. Hist.</i> bl. 348; <i>Oudh. en Gest. II</i>. 11.</p> +<p>In den jare 1503 brandde het klooster af, doch het schijnt naderhand +weder opgebouwd. <span class="pagenum">[<a id="pb406" href="#pb406" +name="pb406">406</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb96" class= +"pageref">96</a>.—A<sup>o</sup> 1273.</p> +<p><i>Als ook een groote hongersnood.</i> Deze was een gevolg, deels +van de schaarschheid van geld, door de kruistogten veroorzaakt, deels +door de veepest en de slechte oogsten, maar ook door het bevel des +Munsterschen Bisschops, Gerard, om geene jaarmarkten te houden en allen +handel te staken, zoodat niemand van de Friezen vee, boter en kaas +wilde koopen; daarenboven kwam er van den overvloed van granen uit de +Oostzee niets over, daar ook de uitvoer zwaar belast werd. De ellende +steeg dus ten hoogsten top, en vele menschen stierven den hongerdood; +de liefdadigheid van sommige kloosterlingen alleen behield nog den +verarmden het leven. Die te voren hunne eigene landen bebouwden, +moesten in de dorpen gaan bedelen, of voor den kost in de steden en +voor de kloosters dienen. In de herfst steeg de nood ten top, een groot +aantal leefden van distels en zeker kruid, hondribbe +genoemd.—Verg. <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb. I</i>. +356; <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. III</i>. 101.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb97" class="pageref">97</a>.</p> +<p><i>Omtrent den jaare 1280.</i> De ware oorsprong der oude +Partijschappen, zoo in Friesland als andere Provincien en Landstreken, +is veelal met de oudheid zelve verdwenen, en de waarheid dus moeijelijk +uit te vinden. Vele zorgvolle nasporingen leveren dikwijls geringe +uitkomsten, want na het lezen en herlezen moet men nog vaak zijn +toevlugt nemen tot gissingen, en met een: »het komt mij, +behoudens beter, dus of zoo voor,” besluiten. Ook met betrekking +tot den eigenlijken aanleg en oorsprong der noodlottige verdeeldheden +tusschen de <i>Vetkoopers</i> en <i>Schieringers</i> bleef mijn +onderzoek zonder gewenscht <span class="pagenum">[<a id="pb407" href= +"#pb407" name="pb407">407</a>]</span>gevolg, daar ik hiervan een kort +verslag had willen geven, hoewel het niet dadelijk of noodwendig tot de +Bijvoegsels dezer Kronijk behoort: het zoude echter tot inlichting goed +te stade gekomen zijn. Het een en ander, hoe gebrekkig, wil ik deswege +mededeelen.</p> +<p><span class="sc">Jancko Douwama</span>, voornaam Friesch Edelman uit +het begin der XVI eeuw, geboren te Oldeboorn, een man, zoo als +<span class="sc">Schotanus</span> zegt (<i>Fr. Hist.</i> p. 617) +»van voortreffelijk verstand, groot van moede, een groot +beminnaar der vaderlandsche vrijheid, kloek van beleid; voorspoed en +tegenspoed met een gezet en wijs hart kunnende dragen, en die een beter +lot verdiend had, dan in eene gevangenis zijn leven te laten,” +heeft te Vilvoorden in den kerker, verstoken van eenig gebruik van +boeken of papieren, uit zijn geheugen over de Geschiedenis van +Friesland, bepaaldelijk ook van zijnen tijd, een geschrift +zamengesteld, getiteld: <span class="sc">Boeck der Partijen</span>, +waarin hij, afwijkende van anderen, over de <i>Vetkoopers</i> en +<i>Schieringers</i> dit vermeld<a class="noteref" id="xd20e9072src" +href="#xd20e9072" name="xd20e9072src">75</a>:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="firstpar xd20e102"><i><span class="sc">van den Anfanck der +Falsche Partije</span></i></p> +<p class="xd20e102">VAN</p> +<p class="xd20e102"><b>FRIESLANT</b>.</p> +</div> +<p>»Als in <i>Hollant</i> then ersten alsulcke commocie +anfanckelijcken vp gestanden were, bij de welcke <span class= +"pagenum">[<a id="pb408" href="#pb408" name= +"pb408">408</a>]</span>dattz vast in de landen al misselijck to ginck, +se funden then ersten geen groet wederstant, so begosten daer in +<i>Frieslant</i> oeck voel volcx nae to lusteren; ende dat concept, in +<i>Hollant</i> an gehewen, dochten hoer to mael goet ende wijslijck +gedaen to wesen; doer de welcke dat voele armen luden bij en ander +voergadderden. Dan se wolden niet worden genoempt <i>Hoecken</i>, +angeseen datse gene fiskers weren; oeck so dochten hoer dat to wesen +een smaetlijcke name; en oeck wolden se dat so gewaltlijcken niet doen, +alst in <i>Hollant</i> angehewen were; dan vnderstunden den rijcke +luden met goede woerden to vnderwijsen, dattz also voer Godt ende de +Werlt behoerden: Wel bet dan de ander in goet vermochten, dat he +sculdich were to helpen ende to bate to comen den armen, om sijn armoet +to verhoeden. Dan de rijcke luden wolden daer niet nae hoeren, doer de +welcke dat de arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten. +Doen het daer hen quam, dat se de rijcke begosten in der taske to +tasten, doen funden se hulp genoech; want daer voel Herscapen an de +landen weren, den gewoentlijcken weren met hoer nabueren to to tasten; +als se nv alsulcken oersaecke ende hulp hadden, doen sumeden se hoer +niet te tijdt, dattz hoer gheboeren mochten. Ende den rijcken luden +worden genoempt <i>Fetcopers</i>, ende dat daer vmme, dat se wal +hadden, en fette waer vermochten to koepen; en dan gaewen den rijcke +luden de arme weder een naeme, en noembden se <i>Scirongen</i>, ende +dat daer vmme, dat se erst met goede woerden vnderstanden hadden to +doen, datse nae met gewalt deden; want <i>Sckijren</i> is vp de +Friesche spraeke so voele gesecht als <i>spreken</i>; <i>Scirong</i> is +so voele als een <i>relaes</i>; <i>Scirongen</i> is so voele gesecht +als <i>voele groten woerden</i>. Nv ist waer, he behoert oeck wal to +konnen spreken, de een anders goet wil hebben, sunder daer wat willen +weder tegen gewen, dan allene woerden.”</p> +<p><span class="sc">Gabbema</span>, in zijn <i>Verhaal van +Leeuwaarden</i> (bl. 16 en 17), geeft hiervan eene verklaring, en een +bladzijde <span class="pagenum">[<a id="pb409" href="#pb409" name= +"pb409">409</a>]</span>vroeger een verhaal van eene andere oorzaak der +Partijschappen en beteekenis der woorden. Dit verhaal echter, ook bij +andere Schrijvers vermeld, alsof op zekeren maaltijd door den twist +tusschen twee kooplieden, over de keuze van den Sievard of Zedemeester +(thans zouden wij Ceremoniemeester <span class="corr" id="xd20e9148" +title="Bron: zeggende,">zeggen),</span> de eerste aanleiding daartoe +gegeven zou<a id="xd20e9151" name="xd20e9151"></a> hebben, vindt geen +algemeenen bijval.</p> +<p>Wanneer men nu de geschiedenis dier tijden raadpleegt, en tot den +oorsprong en aanleg der ongelukkige factie eenigzins wil besluiten, +komt, mijns oordeels, het resultaat hierop neder: dat de reeds vroeg +ontstane twisten tusschen verschillende adellijke of aanzienlijke +familien, zoo als die van Albada en Renalda, Gerbranda, Gratinga en +Douwe van Harns en andere Grooten, ter oorzake van den voorrang in het +offeren, uit hoogmoed, heerschzucht en ongebondenheid, aangeblazen door +bedorven Geestelijken, werkeloosheid en slapheid der Justitie, en +vernedering en onregt den minderen aangedaan, de eerste aanleiding tot, +en door den haat en veete onderling, dadelijk voedsel hebben gegeven, +aan de ongelukkigste en ellendigste der partijschappen, de grootste der +rampen, die ooit een land en volk treffen kan, den +<i>Burgeroorlog</i>.</p> +<p>De algemeene verbittering der adellijke geslachten onderling; de +aanmatiging van rijke en magtige Edelen en Grooten; de verheffing van +dezen in de eerste ambten en betrekkingen, waarvan men zich had meester +gemaakt; daar bij vernedering en onderdrukking van den niet rijken Adel +en de Patriciers, worden steeds, en te regte, als de grondslagen van +alle partijschappen gesteld, hoezeer dan ook eenig ander doel of +oogmerk werd voorgewend, en men eene geheel andere kleur aan zijne +handelingen trachtte te geven<a class="noteref" id="xd20e9160src" href= +"#xd20e9160" name="xd20e9160src">76</a>. Vandaar dat vele Edelen en +aanzienlijken, niet uit algemeen, maar uit eigen belang, uit +<span class="pagenum">[<a id="pb410" href="#pb410" name= +"pb410">410</a>]</span>nijd, afgunst en wraakzucht den burgertwist +begonnen, en zich aan het hoofd stelden, en eindelijk steden en +landschappen, Landsheeren en Vorsten daarin deden deelen.—Men +leze ter bevestiging de historie van de Hoekschen en Kabeljaauwschen in +Holland, der Heeckerens en Bronckhorsten in Gelderland, der Lokhorsten +en Lichtenbergers in Utrecht, der Blaauwvoetsche en Isengrine factie in +Vlaanderen, der Guelfen en Gibellinen in Italië, van de Roode en +Witte Roos in Engeland, en zoo vele anderen.</p> +<p>Zoo zal het dan ook wel in Friesland zijn geweest: want al ware eens +de minder aanzienlijke stand of ’t gemeene volk aanlegger van +deze partijschappen geworden, tot welke stelling bij enkele Schrijvers +aanleiding wordt gegeven, zonder hoofden van magt en aanzien zouden +dezelve geen voortgang hebben gehad. Tegen de invallen der Noormannen, +ter beveiliging van watervloeden, en uit hoofde van den toenemenden +overvloed en weelde der ingezetenen, was het getal der aanvankelijk +gebouwde steenen huizen of stinzen aanmerkelijk vermeerderd<a class= +"noteref" id="xd20e9173src" href="#xd20e9173" name= +"xd20e9173src">77</a>. Zij werden nu ook bijzonder tot betere en +sterkere vestingen gemaakt, om als Fries Heer tegen den aanvaller zich +te beveiligen, of zijn gezag eens regt te doen gelden. Koophandel en +fabrijken waren naar den aard der tijden, vooral onder den burgerstand, +in vollen bloei, en de hooggeschatte vrijheid was aller leus. Rijkdom, +magt, eer en aanzien baarden, zoo als altijd, nijd, afgunst en +overmoed, terwijl <span class="pagenum">[<a id="pb411" href="#pb411" +name="pb411">411</a>]</span>dezen door regeringloosheid en verwarring +geen teugel vonden. Elke vrije Fries van aanzien kon toch niet dulden, +dat een ander boven hem verheven werd of den meester speelde: wie der +eigenerfden kon voor den anderen bukken, en welk adellijk geslacht zou +aan het ander den voorrang toekennen? Zoo groeiden wrok en wrevel tot +eene hatelijke vijandschap aan; onderlinge tweespalt en verdeeldheid +deden den zwakkeren bijstand zoeken tegen den aanval der sterkeren: zoo +vormden zich geweldige partijen, en elke beleediging, elke twist, elke +kwetsing der eere moest met veel bloeds worden uitgewischt, niet tot +vernietiging der verdeeldheden, maar om al weder den grondslag te +leggen van nieuwen haat en vervolging. Dus werd de woede en vijandschap +der verschillende partijen ontzettend in die tijden: want men gunde den +andersdenkende licht noch leven, totdat na twee volle eeuwen van roof, +moord en verwoesting, verlies van goed, bloed en vrijheid het eindelijk +loon was der Friezen voor hunne boosheid en dwaasheden.</p> +<p>De Edelen in Oostergo behoorden in den aanvang tot de partij der +<i>Vetkoopers</i>, die zich over de Lauwers vrienden en bondgenooten +kozen, en met Groningen zich vereenigden. De Adel in Westergo vormde +hoofdzakelijk de <i>Schieringer</i>-partij, die bij de Hollanders +ondersteuning zocht. Evenwel voegden zich verschillende geslachten uit +de beide Goën, dan tot deze, dan tot gene partij; zelfs +familiën verdeelden zich, en dit gaf derzelver leden nieuw voedsel +tot scheuring en bederving. De factiën zelve volgden dus geen vast +stelsel van staatkunde, of trokken voor het algemeen welzijn, naar elks +verschillend gevoelen, partij; maar wanneer zij door buitenlandschen +aanval werden bedreigd of overvallen door anderen, dan wapenden zij +zich algemeen tegen den uitheemschen vijand. De <i>Schieringers</i> +hebben over ’t algemeen geijverd voor de aloude Friesche vrijheid +en onafhankelijkheid, als afkeerig van vreemde magt en invloed; +daarentegen zochten later de <i>Vetkoopers</i> de inzigten der +Hollandsche Graven te begunstigen. <span class="pagenum">[<a id="pb412" +href="#pb412" name="pb412">412</a>]</span>Gedurende het laatste +gedeelte der veertiende en ’t begin der vijftiende eeuw stond de +stad Groningen aan het hoofd der <i>Schieringers</i><span class="corr" +id="xd20e9205" title="Niet in bron">.</span> In 1491 echter sloten de +<i>Vetkoopers</i> met die stad een verbond, waarbij aan haar groote +magt over een deel van Friesland gegeven werd.</p> +<p>In dezen tijd stonden de <i>Vetkoopers</i> ook in verbindtenis met +de Kabeljaauwschen in Holland<a class="noteref" id="xd20e9216src" href= +"#xd20e9216" name="xd20e9216src">78</a>.</p> +<p>Wat nu den naamsoorsprong betreft, deze is onzeker, en heeft tot +verschillende gissingen aanleiding gegeven. Men zie daarover de +aangehaalde Schrijvers, welke echter geen genoegzame gronden opgeven, +om tot eenige zekerheid te besluiten<span class="corr" id="xd20e9236" +title="Niet in bron">.</span> Alle verklaringen echter vereenigen zich +hoofdzakelijk in dit punt, dat door <i>Vetkoopers</i> aanzienlijke en +vermogende personen worden aangeduid, en door <i>Schieringers</i> de +minder begoedigden en geringeren stand. De geleerde <span class= +"sc">Westendorp</span> (<i>Jaarb. I</i>. 355 en 356) voegt hier deze +opmerking bij: »dat men eenen man met een voorkomen van rijkdom +en gezag, ook thans nog eenen <i>Vetkooper</i>, en iemand, die +tamelijk, doch zuiver gekleed is, zonder eenig voorkomen, <i>Schier</i> +noemt. Zoo zegt men hier (in de Provincie Groningen) nog dagelijks: het +is een heele <i>Vetkooper</i>, en hij is <i>hemmel</i> en +<i>schier</i>; of ook: hij zit er goed, en, hij heeft eenen +<i>schieren</i> boedel, dat is, een’ <span class= +"pagenum">[<a id="pb413" href="#pb413" name= +"pb413">413</a>]</span>boedel zonder schulden.” In onze Provincie +zegt men wel: <i>hemmel</i> of <i>hemel</i> en <i>schien</i>, +beteekenende: <i>zindelijk</i>, <i>proper</i> (hoewel behoeftig) en +<i>schoon</i>. <i>Schier</i> beteekent altoos <i>graauw</i>, +<i>grijs</i>. Verg. <span class="sc">Wassenbergh</span>, +<i>Idioticon</i>, en <span class="sc">Epkema</span>, +<i>Woordenboek</i>.</p> +<p>Een der merkteekenen van onderkenning schijnt in het aanleggen der +turven aan den haard geweest te zijn, leggende de een het vuur boven en +de ander hetzelve onder.</p> +<p>Bij hunne gastmalen, dus wordt verhaald, werd steeds een bedekte +schotel op tafel gebragt, en na met eenen dronk indachtig te zijn +geweest aan de de verslagen Bondgenooten, na vermelding der +heldendaden, aanvuring en vernieuwing van ’t eedverbond, ontdekte +men den schotel, waarin de Zelen lagen, waarmede de opgegeten ossen +waren gebonden geweest, tot herinnering, dat het weder tijd was op +nieuwen roof en buit uit te gaan. Dit noemde men in onze landtaal: +’t <span class="sc">Horspil in de patele</span>. Over de +beteekenis van ’t woord <i>Horspil</i> hebben de taalgeleerden +getwist. In het zeer zeldzaam geworden Geschriftje: <i>Nuttigheid van +de Taalkennis der Middeleeuwen, alsmede van die der oude Vriesen</i>, +door <span class="sc">A. ten Broecke Hoekstra</span> (denkelijk in +’t jaar 1814 uitgegeven), p. 22 en 23, vinden wij het +volgende:</p> +<p>»<i>Horspil in de patele</i>, dus noemde men de Koezelen, +welke de Schieringers en Vetkoopers, bij het eindigen der maaltijden, +in den schotel legden, om hunne vrienden en dischgenooten weder tot +nieuwen roof uit te noodigen.—<span class="sc">V. Rooy</span> +vermoedt, dat <i>Hors</i> in het Oud-Vriesch eene algemeene benoeming +van <i>groot vee</i> geweest zij, en dus zoo wel eenen <i>os</i> of +eene <i>koe</i>, als een <i>paard</i>, beteekend hebbe.—Het is +mij onbegrijpelijk, hoe dat men, zoo weinig met der +taalsoorspronkelijkheid eens Lands bekend, aan uitleggingen van die +natuur zich wage; maar mijne verwondering rijst ten top, wanneer men, +daar de uitlegging er bijgevoegd, en door den Schrijver zelven +aangevoerd wordt, naar de beteekenis des woords gaat +rondtasten.”</p> +<p>»<i>Horspil</i> is eene verkorte uitspraak en schrijving +<span class="pagenum">[<a id="pb414" href="#pb414" name= +"pb414">414</a>]</span>van <i>horn-spil</i>: <i>horn</i> is hoorn, of +horen, cornu; en <i>spil, spel</i>, gereedschap, hier de <i>zelen</i>, +ook in Vriesland <i>horn-touwen</i> genoemd: zoo zegt men mede aldaar +<i>tornbeyen</i> (spreek uit <i>toân-beyen</i>) en dit voor +<i>thorn beyen, doren-bessen, braambessen</i>: de <i>ky bornje</i> +(spreek uit <i>boânje</i>) dat is: de koeijen bornen, +wateren<span class="corr" id="xd20e9394" title= +"Niet in bron">.</span>”</p> +<p>De geleerde Friesche Taalkenner <span class="sc">J. H. +Halbertsma</span> gaf mij hierop deze bedenking: »Deze uitlegging +van den heer <span class="sc">Hoekstra</span> voldoet niet volkomen aan +eenen taalkenner. In lettergrepen die met <i>rn</i> eindigen, laat de +Fries de <i>r</i> vallen, en houdt de <i>n</i>, gelijk in +<i>thoán, boán-je, koán</i> in plaats van +<i>thoarn, boarnje, koarn</i> (garst). In <i>hornspil</i> daarentegen +zou de <i>n</i> verdwenen en de <i>r</i> overgebleven zijn, waarvan ik +geen tweede voorbeeld in de Friesche taal ken. Indien men onderstellen +mag dat <span class="sc">Hamconius</span>, en in navolging <span class= +"sc">Gabbema</span>, met zijne gewone onnaauwkeurigheid in taalkundige +onderwerpen, <i>Hornspil</i> in <i>Horspil</i> bedorven hebben, is de +verklaring van <span class="sc">Hoekstra</span> volkomen juist. In +<i>hoernes hluud</i>, hoornen geluid (<i>Oude Fr. Wetten</i>, bl. 254), +<i>hornfia</i>, horenvee (<i>Chart. I</i>. 342), <i>hoernleggher</i>, +horenleger (<i>Chart. I</i>. 517), ziet men dat de <i>n</i> nooit van +haren post wijkt.”</p> +<p>Bij <span class="sc">v. Alkemade</span>, in <i>Nederl. +Displegtigheden, I</i>. 466, volgg., wordt hierover gehandeld, doch +hieruit zal men weinig licht scheppen, daar de Schrijver <i>Horspil</i> +voor <i>Paarde-tuig</i> of <i>toom</i> verklaard hebbende, met de +<i>koezelen</i> geen weg weet.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb100" class="pageref">100</a>.</p> +<p><i>Omtrent den jaare 1303.</i> Wij laten deze luchtverschijningen en +bloedregens, niet alleen bij <span class="sc">O. van Scharl</span> en +<span class="sc">Winsemius</span>, maar ook door <span class= +"sc">Schotanus</span> (fol. 164, quarto bl. 179) vermeld, daar; doch +zeker is het, dat deze en volgende jaren allernoodlottigst <span class= +"pagenum">[<a id="pb415" href="#pb415" name="pb415">415</a>]</span>voor +dit gewest waren; want de woede der Vetkooper- en Schieringer-partijen +steeg zoo hoog, dat men noch op weg, noch in huis of elders, bijna meer +veilig was. Het regt van den <span class="corr" id="xd20e9509" title= +"Bron: serkste">sterkste</span> gold alleen: teugelloos en wreedaardig +woelde men in zijnen ontzindheid voort, en spaarde geene jaren of +kunne; vooral de rijke huislieden waren in den dollen moedwil meesters +boven allen, waar het op moorden, branden en doodslaan aankwam. En +onder al dit kwaad, dat de menschen elkander brouwden, steeg de druk +der tijden nog hooger en hooger, daar geweldige regens en onweders de +vruchten <span class="corr" id="xd20e9513" title= +"Bron: der landbouw">van den landbouw</span> vernielden, waardoor kort +daarna dure tijden, groote hongersnood en pestziekten volgden. Dit +alles wordt ook beschreven in de kronijk van <span class="sc">Worp van +Thabor</span>. Zie voorts <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. +III</i>. 219 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb101" class= +"pageref">101</a>.—A<sup>o</sup> 1306.</p> +<p><i>Omtrent dezen tijd heeft J. Flieterp.</i> Zie onze aanteekeningen +op bl. 286, 288 en 359.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb101" class="pageref">101</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden.</i> Met den +dood van dezen braven Landsvader vermeerderde ook Frieslands ramp en +onheil; want met de twisten der Regters, die eene wijle tijds het land +bestuurden, namen de ondeugden der kerkelijken en wereldlijken toe; en +waar de geestelijkheid alleen voor haar staatkundig belang ijvert, gaat +regt en godsdienst te gelijk verloren. Men nam dus tot Upstalboom zijn +toevlugt, dat aanvankelijk een beteren toestand beloofde; doch toen de +partijgeest, onder den schijn van vrijheidszucht, weder <span class= +"pagenum">[<a id="pb416" href="#pb416" name="pb416">416</a>]</span>het +booze hoofd opwaarts stak, was het een jammer zonder einde.</p> +<p>In dit jaar werd aan de kerk te Ylst de eere gegund, om voor +dengenen die haar in bedevaart bezocht aflaat van zonden te schenken, +met al de gebruikelijke plegtigheden; dan ook door deze en andere +bijgeloovigheden was geen razende partijschap te dempen, waren geene +driften te koelen. Men zie den Aflaatsbrief in ’t <i>Charterb. +I</i>. 151. De kronijken verhalen vele schrikkelijke gebeurtenissen en +wonderen, in dezen tijd van hongersnood en ellende voorgevallen. Zie +ook <span class="sc">Westendorp</span>, <i>Jaarb. II</i>. +102–109.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb102" class= +"pageref">102</a>.—A<sup>o</sup> 1318.</p> +<p><i>In dezen tijd was Stavoren in het verbond der Anseesteden.</i> +Het merkwaardig Hanzee-verbond moet gesloten zijn aanvankelijk tusschen +de steden Lubek en Hamburg, in 1241, ter beveiliging van den zee- en +landhandel, destijds door roovers en vrijbuiters belemmerd en +benadeeld. Een aantal koopsteden traden tot dit verbond toe, als +hebbende dezelfde behoefte, en zoo werden de Friesche steden ook in +deze handelmaatschappij opgenomen. Daar zij echter eene groote zeemagt +ontwikkelde, en haar bestaan en invloed met die der vermogende Vorsten +van Europa dikwijls in strijd waren, ondervond zij van dezen vele +beletselen. Deze en andere omstandigheden veroorzaakten in 1630 haren +ondergang. Alleen Lubek, Hamburg en Bremen vernieuwden het verdrag.</p> +<p>De Etymologisten hebben, als naar gewoonte, over den oorsprong des +woords zeer getwist. <span class="sc">Kiliaan</span> verklaart +<i>Hans</i> als <i>Socius</i>, <i>Collega</i>, dus <i>Hans-steden</i> +voor <i>Sociae et liberae civitates</i>, enz. <span class= +"sc">Bilderdyk</span> (<i>Geslachtlijst</i>) zegt: »het woord is +<i>Hansbeker</i>, d. i. <i>oorbeker</i> van <i>hanse</i> of <i>anse</i> +(Lat. <i>ansa</i>) <i>oor</i>, <i>handvat</i>, <i>Hans-eê</i> is +dus <i>bekerverbond</i>, ’t geen men dwaaslijk <span class= +"pagenum">[<a id="pb417" href="#pb417" name= +"pb417">417</a>]</span><i>hans-eê-verbond</i> noemt. <span class= +"sc">Du Cange</span>, in zijn <i>Glossarium</i>, geeft nog andere +afleidingen, strijdig met die van <span class="sc">Bilderdyk</span>, +als ook de <i>Teuthonista</i> van <span class="sc">van der +Schueren</span>. Zie <span class="sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. +III</i>. 500, en <i>Aanmerkingen</i> daarop bl<span class="corr" id= +"xd20e9657" title="Niet in bron">.</span> 96, waar men het woord liefst +door <i>Broederschap</i> wil verklaren. <span class="sc">Bild.</span> +<i>Gesch. der Vad.</i> IV, 350.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb103" class="pageref">103</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1332.</i> De vrome en brave <i>Eelko Liauckama</i>, +Abt van Lidlum, werd in dit jaar vermoord. Men leze de korte +Levensschets in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 10 +December 1833</i>. Verg. <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. +III</i>. 329, en de aangehaalde Schrijvers.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb104" class= +"pageref">104</a>—A<sup>o</sup> 1342.</p> +<p><i>In dit zelve jaar, den 25 September, is Graaf Willem</i> enz. +Deze slag is voorgevallen den 26 of 27 September 1345<a class="noteref" +id="xd20e9703src" href="#xd20e9703" name="xd20e9703src">79</a> nabij +Warns, (niet <i>Werrega</i>, gelijk <span class="sc">Wagenaar</span> +vermeldt,) wordende het getal dooden bij sommige Schrijvers op slechts +3700 gesteld:—doch zeker is het, dat de meesten der Hollandsche +huizen er hun hoofd of een afstammeling lieten, dewijl het Hollandsche +leger derwijze werd geslagen en nagejaagd, dat er weinig meer dan +twintig levendig afkwamen, waaronder Jan van Beaumont behoorde, die +door zijn schildknaap, ondanks zijne wonde, met een vaartuig gered +werd. Het lijk des Graven werd tien dagen na den slag gevonden, en in +’t klooster Bloemkamp, bij Bolsward, begraven, <span class= +"pagenum">[<a id="pb418" href="#pb418" name="pb418">418</a>]</span>doch +later, zoo men wil, naar ’s Gravenhage vervoerd. Des Graven dood +gaf alom groote droefheid. Men verklaarde de goederen der Friezen +verbeurd, en eene wraakzuchtige bende begaf zich naar het eiland +Marken, stak een Monnikenklooster, tot de Abdij van Mariëngaarde +behoorende, in brand, en wierp de ongelukkige Cellebroeders in zee. +Verg. <span class="sc">Bilderdyk</span>, <i>Gesch. des Vaderl. III</i>. +118, volgg; <i>Teg. Staat, I</i>. 493, en de daar vermelde +Schrijvers.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb105" class= +"pageref">105</a>—A<sup>o</sup> 1348.</p> +<p>Onze kronijk maakt mede geen gewag van het Bestand, tusschen de +Friezen en den Graaf van Holland den 22 Junij 1348 gesloten. Dit voor +de Friesche Geschiedenis zeer gewigtig stuk, in ’t +<i>Charterb.</i> van <span class="sc">v. Schwartzenberg</span> niet +vermeld, komt voor als <i>II Bijlage</i> achter de uitmuntende +<i>Verhandeling over den oorsprong der Hoeksche en Kabeljaauwsche +twisten</i>, van den <i>Rijks-Archivarius</i> Mr. <span class="sc">J. +C. de Jonge</span> (<i>Leijden</i>, 1817). Het vredeverdrag werd +gesloten met de Edele en Aanzienlijke Mannen, Heer Willem, Hertog van +Beijeren, Graaf van Holland, Zeeland en West-Friesland en Heer Jan van +Beaumont, benevens de Ridderschap, Steden, overige Ingezetenen der +voorzeide Landen, door de Prelaten, Grietmannen, Hovelingen en de +geheele Gemeente der Landen van Oostergo en Westergo. Deze beloven +daarbij met algemeenen wijzen en rijpen rade aan hunne partijen en al +derzelver bondgenooten, een vast bestand zonder arg of list, gedurende +twintig aaneenvolgende jaren, van af den toen eerstvolgenden St. +Jacobsdag, om den kwaden twist tusschen hen ontstaan te bedaren, uit te +dooven en tot goed verdrag te brengen, en zulks op de volgende +voorwaarden:</p> +<p>Dat de onderdanen van den Graaf de grenzen dezer landen niet zouden +mogen overschrijden, zelfs niet om eenig schijnbaar gevaar te ontgaan; +met uitzondering <span class="pagenum">[<a id="pb419" href="#pb419" +name="pb419">419</a>]</span>echter van het geval, dat zij door storm of +dergelijke oorzaken in vrees en angst waren gebragt, als wanneer zij +met hunne goederen en personen, zich moesten houden aan het gezegde +bestand.</p> +<p>Dat, zoo zij echter hier plagten te vertoeven om koophandel te +drijven, zij ten allen tijde en zooveel hun behaagde de drie plaatsen +dezer landen, waar de waren ter koop aangeboden en markten gehouden +worden, namelijk Harich en Cornwerth in Westergo en Holwerth in +Oostergo, zouden mogen bezoeken en die weder verlaten, onder de hierna +te melden voorwaarde van dit zelfde bestand.</p> +<p>Dat het voorzegde bestand zich zoude uitstrekken tot alle rivieren, +zeeën, steden, dorpen en plaatsen, waar de wederzijdsche +ingezetenen mogten zamenkomen of elkander ontmoeten, buiten de grenzen +van beider gebied.</p> +<p>Dat zoo iemand door ingeving des Duivels of op eenige andere wijze +buiten belegden rade van regteren en hovelingen dezer landen, iemand +van ’s Graven onderdanen mogte beleedigen, dooden of zijner +goederen berooven, tegen den inhoud van dit verdrag, het bestand +daardoor niet gerekend zoude worden verbroken te zijn, maar dat den +beleedigden naar de wetten en gewoonten der plaats, waar het voorzegde +misdrijf had plaats gehad, door de gestelde regters voldoening en +schadevergoeding zoude verschaft worden, gelijk zulks in het omgekeerde +geval ook bij ’s Graven ambtenaren naar hunne wetten zou +gevorderd worden.</p> +<p>Dat, om ’s Graven wille, dit bestand, zich ook ter goeder +trouw uitstrekken zoude tot die van Stavoren, wier voorspraak Hij +geweest was, en dat hun ten volle vergund werd, om binnen de grenzen +dezer landen terug te keeren en er te verblijven.</p> +<p>Hierop wordt er het volgende slot bijgevoegd: Ten bewijze hiervan is +deze tegenwoordige bevestigd met de Zegels der Landen van Oostergo en +Westergo, der eerwaarde Heeren Abten van Bethanien en Klaarkamp in +Oostergo, Bloemkamp en Ludingakerk in Westergo, en der steden Dockum en +Leeuwarden in <span class="pagenum">[<a id="pb420" href="#pb420" name= +"pb420">420</a>]</span>Oostergo, Sneek en Bolsward in Westergo. Gegeven +in ’t jaar onzes Heeren 1348 Zondags na het feest der H. +Drieeenheid.</p> +<p>Dit is de zakelijke inhoud van het Bestand, welke aldus is +medegedeeld, met eenige zeer belangrijke ophelderende Aanteekeningen, +in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 31 Julij 1832</i>, +waarnaar wij den Lezer verwijzen.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb105" class="pageref">105</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1361.</i> Over deze merkwaardige Vergadering en +derzelver werkzaamheden leze men <span class="sc">Westend.</span> +<i>Jaarb. II</i>. 200, volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb106" class= +"pageref">106</a>.—A<sup>o</sup> 1388.</p> +<p><i>Folkmer Allena.</i> De Kronijkschrijver <span class="sc">E. +Beninga</span> deelt nopens dezen man een volksliedje mede, om deszelfs +vorm en oudheid merkwaardig. Het staat in de <i>Anal.</i> <span class= +"sc">v. Mattheus</span>, <i>IV</i>. 158 en 159, en in ’t +<i>Jaarboek</i> van <span class="sc">Westendorp</span>, <i>II</i>. 245, +met eene veranderde spelling.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb107" class= +"pageref">107</a>.—A<sup>o</sup> 1397.</p> +<p><i>In den jaare 1397.</i> Ik houd het er voor dat dit moet zijn +1396. Onze kronijk echter verwart deze en andere veldtogten met +elkander. Van dit ongelukkig gevecht vinden wij bij alle Schrijvers +uitvoerige vermelding. <span class="sc">Winsemius</span> stelt het ook +op 1397, tegen de aanteekeningen van <span class="sc">Edo van +Jonghama</span>, <span class="sc">Petrus van Thabor</span> en +<span class="sc">Emmius</span> aan. Hier moet ik opmerken, dat men bij +gelegenheid van dezen <span class="pagenum">[<a id="pb421" href= +"#pb421" name="pb421">421</a>]</span>merkwaardigen togt van Hertog +Albrecht van Beijeren tegen de Friezen het <i>eerst</i> gewag vindt +gemaakt, dat de schepen in deze landen van geschut en buskruid zijn +voorzien. Hiervan wordt melding gemaakt in een Handschrift, berustende +in ons Rijks-Archief, in ’t welk men leest, dat, op bevel van +Hertog Albrecht en deszelfs Raad, <i>Bussen</i>, <i>Kruid</i>, +<i>Steen</i>, <i>Schutte</i>, <i>Vierpannen</i>, <i>Torken</i> en +andere behoeften worden aangekocht, welke men in de groote schepen +noodig had<a class="noteref" id="xd20e9877src" href="#xd20e9877" name= +"xd20e9877src">80</a>. In een Hanzee-verbond van den jare 1418, waartoe +ook de Nederlandsche steden behoorden, wordt aan het scheepsvolk +verboden op lijfstraffe wapenen en buskruid te verkoopen<a class= +"noteref" id="xd20e9889src" href="#xd20e9889" name= +"xd20e9889src">81</a>. Twintig jaren later wordt onder de middelen van +verdediging en afbreuk op de schepen uitdrukkelijk van <i>Bussen</i>, +dat is, van kanon, melding gemaakt. Sedert dien tijd werd het geschut +en ook het handgeweer meer en meer algemeen, en op de schepen de gewone +wapenen<a class="noteref" id="xd20e9900src" href="#xd20e9900" name= +"xd20e9900src">82</a>.</p> +<p>Over den tijd der uitvinding van het buskruid is men oneens, daar +velen, niet te onregt, beweren, dat het vóór Berthold den +Zwarten reeds bestond. Zeker is het, dat het gebruik daarvan, hier te +lande eerst in 1350 of 1351 is geweest, en wel in het beleg van het +Kasteel Rozenburg, nabij Voorschoten.</p> +<p>Maar ik mag niet voorbijgaan het koddig verhaal van <span class= +"sc">Cornelis Kempius</span>, waarin hij beweert, dat een Friesch +Koning, met name Chimoscus, den Graaf van Holland <span class= +"pagenum">[<a id="pb422" href="#pb422" name="pb422">422</a>]</span>en +zijne twee zonen met een musket had doodgeschoten, en ook in een +tweegevecht, ter oorzake van ’s Graven dochter, de schoone +Olimpia, met Graaf Roeland van Vlaanderen, zijn schutgeweer gebruikt +had, zoodat de Friezen uitvinders van het buskruid zijn, hetwelk +<span class="sc">Hamconius</span> ook bevestigt, die mede Chimoscus +voor den uitvinder daarvan houdt. Wij evenwel betwijfelen het zeer, en +geven liever aan het dichterlijk vernuft van den geestigen Ariosto, aan +wien Kempius zijn verhaal ontleende, de eer dezer vinding. Verg. +<i>Oudh. en Gest. II</i>. 354–357. <span class="sc">E. +Beninga</span>, in zijne <i>Hist. van Oost-Vriesland</i> op de jaren +1379 en 1380, vermeldt, dat men destijds in de Friesche onlusten zich +van buskruid en geschut bediende. Zie <span class="sc">Driessen</span>, +<i>Mon. Groningana</i>, <i>II</i>. 399.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb109" class="pageref">109</a> en +110.</p> +<p><i>In den jaare 1400–1401.</i> Onder al de twisten en +oorlogen, de rampen en onheilen daaruit geboren, waren het niet altoos +de Friezen en onderlinge partijen, bij welke men de aanleiding en +oorzaak zoeken<a id="xd20e9945" name="xd20e9945"></a> moet<span class= +"corr" id="xd20e9947" title="Niet in bron">,</span> maar aanhitsing en +ondersteuning van buiten, alles naar staatkunde en eigenbelang +berekend, heerschzucht en vijandschap van Bisschoppen, Graven en +anderen, gaven meestal voedsel aan den burgeroorlog. Vandaar ook die +(zoo als men ze noemde) Groote, dat is, woeste en beruchte lieden dezer +eeuw. Onder de zeeroovers dier tijden was <i>Stortenbeker</i> een +befaamd man, in het drinken zoowel als in het vechten: dit blijkt uit +den bij hem gevonden grooten beker, toen hij gevangen genomen werd, +waarop dit kreupel vers stond:</p> +<p class="signed"><i>Ick Joncker Sissingha,</i><br> +<i>Van Groninga,</i><br> +<i>Dronck dees hensa,</i><br> +<i>In een flensa,</i><span class="pagenum">[<a id="pb423" href="#pb423" +name="pb423">423</a>]</span><br> +<i>Door myn kraga,</i><br> +<i>In myn maga.</i></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb111" class= +"pageref">111</a>.—A<sup>o</sup> 1404.</p> +<p><span class="sc">Sjoerd Wiarda</span>. Naar dezen Potestaat ontving +het slot te Goutum den naam van <i>Wiarda-State</i>, hetwelk hij reeds +in den jare 1404, toen hij met Harinxma tot Potestaat verkozen werd, +bewoonde. Ons werd de navolgende geschrevene aantekening, op +<span class="sc">Schotanus</span> zijne <i>Beschryvinge</i>, van den +Old-Raadsheer <span class="sc">Tjalling Edo van Sminia</span>, +medegedeeld:</p> +<p>»<i>Goutum</i>. Hier ligt de State <i>Wiarda</i>, een groot +sieraad van dit dorp, een schoon gebouw met zijn hovinge en graften, +bewoond bij den Hr. Jonkheer <span class="sc">Tiberius Pipinius van +Eminga</span>; wierde bijgenaamd <i>Schenkinsma</i>, gelijk daar ook +leggen <i>Putsma</i>, nieulinks met eene nieuwe hovinge en een +welbeplante opreed versiert door den Hr. Jonkheer <span class= +"sc">Ruurdt van Burmania</span>; en <i>Drinkuitsma</i> door denselven +afgebroken en geslegt, daar nabij gelegen. Deze drie plaatsen plegen +van drie Gebroederen bewoond te worden, die groot vermaak schepten in +’t drinken, en daarop roemden; tot hare gedachtenisse wierde dit +versje gemaakt:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Qui nos tres geminos superat certamine Bacchi</p> +<p class="line">Hic venit Alcides redivivus conteret Hydram.”</p> +</div> +<p class="firstpar">d. i. vrij overgezet:</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Eer dat ons dapper driemanschap,</p> +<p class="line xd20e2637">In Bacchus’ school volleerd,</p> +<p class="line">Worde in een Frieschen bekerstrijd</p> +<p class="line xd20e2637">Verslagen of verheerd;</p> +<p class="line">Eer zal de woeste Hercules</p> +<p class="line xd20e2637">Herrijzen uit zijn graf,</p> +<p class="line">En slaan een tweeden monsterdier</p> +<p class="line xd20e2637">Tienduizend koppen af!</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb424" href="#pb424" name= +"pb424">424</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb112" class="pageref">112</a>, op de +Noot.</p> +<p><i>Hiske Abdena</i> was Proost en Hoveling te Emden, een hoog +heerschzuchtig man, die zich aan het hoofd der Schieringers in +Oostfriesland had gesteld en in naauw verband met de Groningers stond. +Gevlugt naar Groningen, wilden de Schieringers hem ondersteunen, doch +de Vetkoopers hielden de partij van Keno ten Broek,—en ziehier +den oorsprong der partijnamen <i>Hisk-</i> of <i>Hikhorsters</i> en +<i>Bronkhorsters</i>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb113" class= +"pageref">113</a>.—A<sup>o</sup> 1414.</p> +<p><i>Ook liet Jarges het goud en zilver</i> enz. Niet alleen te +Fivelgo, maar ook te Midwolde en Loppersum, maakte hij zich meester van +het gouden en zilveren vaatwerk, en liet de ongezinde kerkvoogden +eenigen tijd vastzetten, om zoo zijn oogmerk te bereiken.</p> +<p>De Koppens-gulden was dezelfde met den Arendsgulden, welke naar de +tegenwoordige munt, eene waarde moet gehad hebben van 37½ cent. +In 1453 gold hij 7 braspenningen van 9 duiten ’t stuk: in 1491 +werd dezelve afgezet.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb115" class="pageref">115</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier.</i> <span class="sc">Fokke +Uken</span>, <span class="sc">Ukena</span> of <span class= +"sc">Ukessen</span>, Hoveling<a class="noteref" id="xd20e10103src" +href="#xd20e10103" name="xd20e10103src">83</a> te Evermoer <span class= +"pagenum">[<a id="pb425" href="#pb425" name="pb425">425</a>]</span>in +Leer, Heer van Aurich en Broekmerland of te Broekum, die eene groote en +belangrijke rol in de onlusten der Schieringers en Vetkoopers in +’t begin van de XV eeuw speelde, was uit eene voorname adellijke, +doch niet vermogende Oost-friesche familie gesproten. Zijn vader heette +<i>Uko</i> en zijne moeder <i>Amke van Lengen</i>. De ruïnen van +hunnen ouden burgt waren ten tijde van den geschiedschrijver +<span class="sc">Emmius</span> nog aanwezig: thans toont men slechts de +plaats aan, waar dezelve stond, op de veenakkers tusschen Aurich en +Leer. Nergens vindt men Fokke’s geboortejaar vermeld; doch hij +stierf, oud van jaren, den 29 Augustus 1435, gelijk sommigen beweren, +ten gevolge van het nuttigen van eene vergiftigde biersoep, door zijne +Echtgenoote <i>Hidde</i> hem toegediend. Hij trad als officier in +dienst van Keno ten Broek: zijne eerste vrouw was <i>Theda van +Reide</i>, bij welke hij twee zoons en twee dochters had: zijne tweede +vrouw was <i>Hidde van Dijkhuizen</i>, uit welk huwelijk zijne dochter +Ulske, gehuwd aan Unico Ripperda, sproot. Beide deze vrouwen bragten +hem een groot vermogen aan, en het gelukte hem zijne kinders aan zeer +aanzienlijke, rijke familiën uit te huwen. Hij was verstandig en +omzigtig in het aanleggen zijner plannen, dapper en koen aan de spits +zijns legers, onverschrokken in gevaren, trotsch in zijne handelingen, +die vermeerdering zijner magt en rijkdom ten doel hadden, en +wraakgierig tegen zijne vijanden. Van zijnen jeugdigen leeftijd wordt +nergens gewag gemaakt, en op het einde van de XIV eeuw is men het eerst +in de geschiedenis zijns gedachtig.</p> +<p>Er is eene korte levensbeschrijving van hem in ’t Latijn +zamengesteld uit <span class="sc">Emmius</span> en <span class= +"sc">Beninga</span>. De verdienstelijke <span class="sc">Wiarda</span> +echter heeft eene uitvoerige beschrijving van zijn leven en bedrijf +gegeven, en geplaatst in het Tijdschrift: <i>Ost-Friesische +Mannigfaltigkeiten, erster Jahrgang</i>, <i>Aurich</i> 1784, getrokken +uit de beste bronnen destijds in druk en handschrift aanwezig, en met +bijzondere naauwkeurigheid behandeld. Ik heb daarvan eene vertaling +gegeven <span class="pagenum">[<a id="pb426" href="#pb426" name= +"pb426">426</a>]</span>in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder Couranten +van den 4 en 11 September, 2 en 16 October 1832</i>, welke bijdrage tot +de geschiedenis van dien tijd zeer belangrijk is. Men verg. overigens +het <i>Jaarb.</i> van <span class="sc">Westendorp</span>, op +1411–1435. Het portret van <span class="sc">Ukena</span> bevindt +zich thans op het buitengoed van Jonkheer <span class="sc">Hora +Siccama</span> <i>van de Harkstede</i>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb116" class= +"pageref">116</a>.—A<sup>o</sup> 1420.</p> +<p><i>De Schieringers hij Catse geslagen.</i> <span class= +"sc">Schotanus</span> noemt ook <i>te Catze, aan een plaets geheeten +Palesloot</i>: <span class="sc">Petr. Thab.</span> <i>ter Colze</i>. +Volgens <span class="sc">Amersf.</span> en <span class= +"sc">Visser</span> moet men waarschijnlijk hierdoor den omtrek van +Koudum verstaan. <span class="sc">Winsem.</span> en <span class= +"sc">Emmius</span> plaatsen ook den slag omtrent <i>Palesloot</i>, +tusschen <i>Hindeloopen</i> en <i>Molkwerum</i>, op de kaart van +<span class="sc">Schotanus</span> nog aangeduid, zoo als ook de +<i>Fokke-graft</i> of <i>Fokke-sloot</i>, uit het Slootermeer komende, +en waarin Fokko, na zijne nederlaag bij Slooten, die op zijne +overwinning volgde, eene groote busse of stuk kanen, door hem uit +Groningen medegenomen, zinken liet.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb117" class="pageref">117</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1421.</i> Ook in dit jaar braken de Groningers met +Sikko Sjaerdema, Hoveling te Franeker, Hoofd der Schieringers. Zij +beschuldigden hem heimelijk den Graaf van Holland, Hertog Jan van +Beijeren, te zijn toegedaan, en met de vijandelijke vrijbuiters te +heulen—namen twee schepen met hout geladen, aan de kerk te +Franeker toebehoorende, weg, en zes Franeker burgers gevangen. Zij +<span class="pagenum">[<a id="pb427" href="#pb427" name= +"pb427">427</a>]</span>dreigden hem te zullen belegeren, indien hij +niet te Groningen kwam om zich te verantwoorden, of zijnen +twaalfjarigen zoon als gijzelaar zond. Tot dit laatste werd hij +genoodzaakt, deels voor zijne overeenkomst, deels voor de betaling +eener door deze Vetkoopers uitgeschrevene schatting van 1000 schilden +over de Schieringers, tusschen Stavoren en Gerkesbrugge. Sjaerdema kwam +zelf te Groningen en verantwoordde zich, weshalve hij zijnen eenigen +zoon terug begeerde. Men beloofde de terugzending, dan men hield geen +woord. Daarop zond hij een vertrouwd vriend, om het kind af te halen, +die het vond aan een ijzeren keten gesloten, waarmede hij in eene kamer +kon rondwandelen; doch ook deze moest onverrigter zake terugkeeren. Nog +in hetzelfde jaar overleed de knaap, volgens voorgeven, aan de pest: +doch men vermoedde, dat de Groningers hem hadden omgebragt; in het +volgend jaar stierf zijn vader. Zie <span class="sc">Westendorp</span>, +<i>Jaarb.</i> op ’t jaar 1421, en de aangehaalde Schrijvers. +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. IV</i>. 447.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb120" class= +"pageref">120</a>.—A<sup>o</sup> 1434.</p> +<p><i>Het Stapelrecht.</i> In ’t jaar 1430 vinden wij het eerst +hiervan betrekkelijk Groningen vermelding. Het woord <i>Stapel</i>, +eigenlijk een staf, stok of stut beteekenende; is ook een hoop van +dingen, die op een afzonderlijk steunsel opgehoopt of gestapeld zijn. +Vervolgens heeft <i>stapel</i> overdragtelijk de beteekenis van een +hoop koopwaren, die op eene bijzondere marktplaats opgestapeld waren, +en eindelijk van de <i>markt</i> of <i>verkoopplaats</i> zelve. Aldaar +moesten zekere van buiten inkomende goederen ter verkoop aangeboden, +voor een tijd opgestapeld en bij gebrek aan koopers vertold worden. +Dordrecht, Middelburg en andere steden waren in het bezit van het +Stapelregt der wijnen enz. Zeer verschillend was dit regt op +onderscheidene <span class="pagenum">[<a id="pb428" href="#pb428" name= +"pb428">428</a>]</span>plaatsen, en bepaalde zich tot allerhande +koopwaren.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb122" class= +"pageref">122</a>–123.</p> +<p><i>In den jaare 1453–1454.</i> Over deze gebeurtenissen is +verschillend geschreven, en men heeft het bij waarschijnlijkheid moeten +laten blijven. Verg. <span class="sc">S. Jarichs</span>, <span class= +"sc">Beninga</span> en <span class="sc">Emmius</span>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb128" class= +"pageref">128</a>.—A<sup>o</sup> 1478.</p> +<p><i>Haijo te Westerwolde.</i> <i>Hajo Addinga</i> van Westerwolde had +eed en hulde aan den Bisschop van Munster gedaan, en volgde zijnen +vader in het leen van Westerwolde op. Hij was een wreedaardig en woest +mensch, roofde en verkwistte met zijne trawanten, plaagde zijn volk, en +wie hem niet ter wille was werd gekluisterd, gepijnigd en gemarteld op +allerhande wijze. Den Priester van Onswedde, die hem zijn slecht gedrag +verweet, liet hij, de handen op den rug gebonden, aan den staart eens +paards voorgesleept, dus vaneen trappen en verscheuren. Een ander +Priester werd daarna ook jammerlijk om het leven gebragt, en zoo +pleegde hij vele gruwelen. Zie <span class="sc">West.</span> op +’t jaar 1477.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb129" class= +"pageref">129</a>.—A<sup>o</sup> 1486.</p> +<p><i>Rudolf Agricola.</i> Dezen, in zijnen tijd zoo vermaarden man, +noemde men den hersteller der Wetenschappen in het Duitsche Rijk, den +grootsten redenaar van zijnen tijd, den eersten Duitschen Hoogleeraar +<span class="pagenum">[<a id="pb429" href="#pb429" name= +"pb429">429</a>]</span>in de Grieksche, Latijnsche en Hebreeuwsche +talen; dengenen, die door geenen geleerde, ook zelfs van Italië, +werd overtroffen; eene ster der eerste grootte. <span class= +"sc">Westend.</span> <i>Jaarb. II</i>. 645.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb129" class="pageref">129</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1487.</i> Dit doelt op ’t zoogenaamde +<i>Bier-Oproer</i>. De Regering van Leeuwarden had, op aandrang der +burgerij, op nieuw eene ordonnantie afgekondigd, waarbij het gebruik +van het geliefde Haarlemmer Bier, <i>Kuit</i> genaamd, verboden, en +alleen het in de stad gebrouwen bier werd toegelaten. Eenige landlieden +overtraden dit gebod, waardoor tusschen hen en de brouwers, ondersteund +door de burgers, een gevecht ontstond. De landlieden, de minsten +zijnde, namen de vlugt op ’t Amelandshuis, destijds de stins van +den Schieringer <span class="sc">Pieter Cammingha</span>, hetwelk met +overmeestering en plundering bedreigd werd, daar <span class= +"sc">Cammingha</span> de gevlugte landlieden aan hunne vervolgers niet +wilde overgeven. Het gerucht hiervan bragt de Schieringers in Ooster- +en Westergo spoedig tegen het Vetkoopersgezinde Leeuwarden op de been, +die vervolgens deze stad innamen. Meester <span class="sc">Pieter +Sybrands Auckama</span>, bijgenaamd <i>Pinckert</i>, Olderman der stad, +sneuvelde in dit gevecht<a class="noteref" id="xd20e10376src" href= +"#xd20e10376" name="xd20e10376src">84</a>.</p> +<p>Dat het Haarlemmer Bier destijds een artikel van veel belang was, +blijkt onder anderen ook uit het <span class="pagenum">[<a id="pb430" +href="#pb430" name="pb430">430</a>]</span>door <span class= +"sc">Winsemius</span> op ’t jaar 1480 vermelde sprookje, (dus te +schrijven):</p> +<p class="signed"><i>De Leidske Lape,</i><br> +<i>In Harlimmer Tape,</i><br> +<i>In schiere iel</i><br> +<i>Bringt Frieslân yn’e wiel.</i></p> +<p>»Het Leidsche laken, Haarlemmer bier (Kuit genaamd) en +Schieraal, helpt Friesland in den grond.” Verg. hierbij +<span class="sc">Wassenbergh</span>, <i>Taalk. Bijdr. tot den Frieschen +Tongval, II</i>. St, bl. 17, noot f en bl. 156. <i>Vol van bier +zijn</i>, <i>te bier gaan</i>, <i>boven zijn bier zijn</i> en +dergelijke uitdrukkingen waren in dien tijd, zoowel in Holland als +Friesland, algemeen, daar het bier een algemeene drank was, en de +kracht daarvan, bij den overmatigen drinker, een bierroes ten gevolge +had.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb130" class= +"pageref">130</a>.—A<sup>o</sup> 1490.</p> +<p><i>In dit zelve jaar is de wijdberoemde Wesselius Ganzevoort.</i> +Hij werd geboren te Groningen in 1419, en overleed 1489. Deze hoogst +vermaarde en geleerde man, was ook een der edelste kweekelingen van de +stichting der Broederschap van <span class="sc">Gerard Groote</span>. +Zijne verlichte denkwijs vooral werd zeer geroemd, zoodat <span class= +"sc">Luther</span> zelf getuigde: »Indien ik vroeger de werken +van <span class="sc">Wessel</span> gelezen had, zouden mijne vijanden +mogen vooronderstellen, dat ik alles uit zijne schriften geput had. Het +geeft mij vreugde en kracht, en ik twijfel niet meer aan de waarheid +van hetgeen ik leer; wanneer ik tusschen hem en mij eene volslagene +overeenstemming van gedachten en zelfs van woorden bespeur.”</p> +<p>In de bestrijding van bijgeloof en dweepzucht kent men dezen man, +boven <span class="sc">Erasmus</span> zelfs den voorrang toe, terwijl +in al zijn streven tot dit doel, hij eene waarheidsliefde en eene +zedelijke kracht ontwikkelde, voor welke <span class= +"sc">Erasmus</span> niet vatbaar was. Als letterkundige, <span class= +"pagenum">[<a id="pb431" href="#pb431" name= +"pb431">431</a>]</span>wijsgeer, godgeleerde en geneeskundige was hij +bijna even groot; zijne matige leefwijze stak bijzonder af bij de +zwelgerij en dronkenschap van vele geleerde tijdgenooten, waardoor hij +dan ook tot zijn zeventigste jaar eene sterke gezondheid genoot. Hij +reisde de wereld door, om den schat zijner reeds verkregene kennis te +vermeerderen, en daarvan ten nutte der wereld dubbelde renten uit te +deelen. Van Paus Sixtus, wiens vriend en lijfarts hij was en die hem +tot bisschop wilde verheffen, verzocht hij alleen de gunst, om de +Handschriften van eenen Griekschen en Hebreeuwschen bijbel te mogen +bezitten. Zijne laatste levensdagen sleet hij in ’t klooster der +adellijke maagden te Groningen, in hetwelk hij overleed. Zie zijne +leerstellingen kortelijk aangeteekend bij <span class= +"sc">Westendorp</span>, <i>Jaarb.</i> op den jare 1489; en verg. de +<i>Verhandeling over de Broederschap</i> van <span class="sc">G. +Groote</span>, door <span class="sc">G. H. M. Delprat</span>, bl. +79–81, 112 en <i>Bijl. VII</i>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb131" class="pageref">131</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1492.</i> Men vergelijke op dit en de twee volgende +jaren, <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i>, die daarmede het +derde Tijdperk en het tweede Stuk van zijn werk eindigt, waarmede hij +den beoefenaren der Geschiedenis eene gewigtige dienst heeft bewezen, +<span class="sc">Petr. Thab.</span> op dezelfde jaren.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb133" class= +"pageref">133</a>.—A<sup>o</sup> 1496.</p> +<p><i>Onder den Oversten Fox.</i> <span class="sc">Nittert</span> of +<span class="sc">Nuttert Fox</span>, volgens <span class= +"sc">Gabbema</span> in Frankenland geboren, was bevelhebber van eene +bende de <i>Groote Garde</i> genaamd. Hij zelf droeg den naam van +<i>Grooten Kapitein</i>. <span class="sc">Petrus van Thabor</span> +vermeld hem als <i>Joncker Voecks</i> op ’t jaar 1498. Zie het +<i>Archief</i> van <span class="sc">Visser</span> <span class= +"pagenum">[<a id="pb432" href="#pb432" name="pb432">432</a>]</span>en +<span class="sc">Amersfoort</span>, <i>I</i>. 74, alwaar mede wordt +aangemerkt, dat in de middeleeuwen veelal de ellendige gewoonte +bestond, dat een hoop soldaten, die zeker niet tot de beste lieden +behoorden, onder een hoofd, door hen verkozen, zich vereenigden, en +vervolgens aan den meestbiedende, hetzelfde welke zaak hij voor had, +zich verhuurden. Zoo waren er zelfs benden, die geheel zonder +opperhoofd rondzwierven, zoo als de in onze Kronijk op bl. 150 +vermelden <i>Zwarten Hoop</i> of Saksische knechten. <span class= +"sc">Schotanus</span>, <i>Fr. Hist,</i> fol. 419, geeft hem den titel +van: »Capiteyn van een deel af-gedanckte Companyen, op de grensen +van Nederlandt omhengelende, op hoope van nieuwe +beroerten;”—doch roemt hem mede ook als een krijgshaftig en +stoutmoedig soldaat. <span class="sc">E. Beninga</span> maakte op de +jaren 1492 en 1499 van Fox melding. In eene noot op bl. 362 zijner +<i>Hist. van Oostfr.</i> wordt mede, gelijk in onze Kronijk op bl. 138, +beweerd, dat de plaats, waar hij vechtende stierf, naar hem +<i>Foxhol</i> genoemd zoude zijn; doch te onregt: want reeds in een +brief van 1460 komt dit gehucht voor als <i>Vossehol</i>. Zie +<i>Tegenw. Staat van Stad en Lande, I</i>. 225; <span class= +"sc">Bilderdyk</span>, <i>Gesch. des Vaderl. IV</i>. 316, noemt +<i>Fox</i> <span class="sc">Witterfox</span>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb138" class= +"pageref">138</a>.—A<sup>o</sup> 1499.</p> +<p><i>Den Hoogen Raad</i> enz. Ten tijde van Karel den Grooten schijnt +er reeds over geheel Friesland eene opperste Regtbank of Hof, misschien +wel door hemzelven ingesteld, bestaan te hebben en te Franeker geweest +te zijn, welk Hof nog in ’t begin der XV eeuw den naam droeg van +<i>dat hageste Keijzer riocht to Franeker</i>. Onder de woelende +twisten der Schieringers en Vetkoopers moest het zijn gezag verliezen, +doch bleef nog bestaan in die algemeene en hoogere Regtbank, aan welke +de vijf eerste Grietenijen in Westergo, hare twistgedingen, in het +laatste ressort onderwierpen. Thans hergaf de Hertog <span class= +"pagenum">[<a id="pb433" href="#pb433" name="pb433">433</a>]</span>dit +Geregtshof zijnen ouden luister, door de nieuwe instelling op st. +Jacobs dag (24 Julij) van ’t jaar 1499. Het bestond toen uit 12 +Leden, zes Geestelijken en zes Friesche Edelen, terwijl de Kanselier +Phlug het Voorzitters-ambt bekleedde. Op Sjaerdema-slot was het +aanvankelijk gezeteld, doch werd daarna naar Leeuwarden verplaatst. Men +vindt dit alles in het breede beschreven in mijne meergemelde +<i>Geschiedenis der Kanselarij te Leeuwarden</i>. Over de Wetten +vergelijke men onder anderen § 4 van het Overzigt in ’t +<i>Friesch Jierboeckjen</i> van 1833, en § 3 van 1834.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb138" class= +"pageref">138</a>.—A<sup>o</sup> 1500.</p> +<p><i>Fjouwer lotter-claer</i> enz. <span class= +"sc">Wassenbergh</span>, <i>Idioticon</i> op ’t woord +<i>Fenne</i>, vertaalt deze leus: »vier gelouterde (beproefde, in +het water onderzochte) klaare Kievitseieren, op den hoek van een aan +huis geleegen Kamp, in één nest.” Zie voorts +<span class="sc">Epkema</span>, <i>Woordenb.</i> op <span class= +"sc">Finne</span>, en <span class="sc">Weiland</span>, <i>N. T. +Woordb.</i> op <span class="sc">Veen</span>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb142" class="pageref">142</a>. - +A<sup>o</sup> 1504.</p> +<p><i>Weerdenbras.</i> <span class="sc">O. van Scharl</span>, op +’t jaar 1505, geeft den oorsprong op van deze benaming, welke +bevestigd wordt bij <span class="sc">Schot.</span> bl. 507 en 508, die +in zijn XIV en XV boek een zeer omstandig verhaal geeft, van den strijd +met Groningen en wat daartoe betrekking heeft. Ook bij <span class= +"sc">Winsemius</span>, <span class="sc">Emmius</span>, <span class= +"sc">Petr. van Thabor</span>, <span class="sc">Sicco</span> en +<span class="sc">Eggerik Beninga</span> enz.</p> +<p>Vitus Draaksdorp of Traxdorp, was, bij afwezigheid van Hertog Georg, +Opperbevelhebber over het krijgsvolk. Verg. <i>Archief</i> van +<span class="sc">Visser</span> en <span class="sc">Amersf.</span> +<i>II</i>. st. bl. 112; <i>Aantt.</i> op bl. 169. <span class= +"pagenum">[<a id="pb434" href="#pb434" name="pb434">434</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb146" class="pageref">146</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1511.</i> Zie <span class="sc">Gabbema</span>, bl. +265; <b>Winsemius</b> op dit jaar.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb147" class="pageref">147</a>, +149.—A<sup>o</sup> 1514.</p> +<p><i>Den 21 van July.—Hier na heeft Graaf Edzard.</i> Verg. +<i>Tegenw. Staat van Stad en Lande, I</i>. 303, volgg.; <span class= +"sc">Wins.</span> bl. 376 volgg; <span class="sc">Schot.</span> <i>XV +boek</i>, <span class="sc">Beninga</span>, <i>III</i>. B. bl. 490; +alwaar over de wreedheden der Saksen, de misleiding door graaf Edzard +en zijne vergelding daarvoor van den Gelderschen Hertog in het breede +gewaagd wordt. Zie gem. <i>Archief, II</i>. bl. 171–176, en de +<i>Aantt.</i> daarop; ook het <i>Nabericht</i> van <span class="sc">van +Rhyn</span>, bl. 537.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb150" class= +"pageref">150</a>.—A<sup>o</sup> 1515.</p> +<p><i>De zwarte Hoop.</i> Zie <i>Aantt.</i> op <span class="sc">Nittert +Fox</span>, bl. 431; <span class="sc">Petr. v. Thabor</span> zegt, dat +er verschillende uitleggingen van die benaming zijn, als: omdat zij met +den Hertog van Brunswijk gekomen waren, of omdat hun aangezigt was +zwart en leelijk geworden, wegens het lijden van koude en overlast in +den winter, of uithoofde dat hun bij den dood der Hertogen van +Brunswijk zwart laken was gegeven, tot teeken van rouw; het is +mogelijk, dat al het genoemde met elkander tot de benaming aanleiding +hebbe gegeven. <span class="pagenum">[<a id="pb435" href="#pb435" name= +"pb435">435</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb150" class="pageref">150</a> en +151.</p> +<p><i>Deze Groote Pier.</i> Gelijk het met vele groote en zeldzame +mannen gaat, die eene belangrijke rol in hunnen leeftijd hebben +gespeeld, en daarover verschillend worden beoordeeld, zoo is het ook +met <span class="sc">Groote Pier</span> gelegen. De een noemt hem een +roemruchtig held zonder wederga, die voor de vrijheid en voor Friesland +wonderen deed; anderen noemen hem een wreedaardig krijgsman en +verachtelijk zeeschuimer, die slechts roof en moord beoogde. Wanneer +men de geschiedenis van dien tijd naauwkeurig gadeslaat, den toestand +van <span class="sc">Groote Pier</span> en zijne bedoelingen beschouwt, +daarbij den geest des tijds, de wijze van oorlogen, vooral ter zee, het +Saksisch despotisme in tegenoverstelling van het Friesch karakter, en +de laagheid des Hertogen van Gelder in aanmerking neemt, dan zal de +onpartijdigheid ten voordeele van den man moeten beslissen, wiens +bedoelingen eerlijk waren, maar wiens daden het merk van ruwheid +droegen, en door de fortuin begunstigd in euvelmoed en woestheid +ontaard zijn. Zijn tijdgenoot <span class="sc">Petrus van Thabor</span> +schetst hem in zijn ware licht; woest en onbesuisd van aard, maar rond +en eerlijk van inborst. Zie het <i>Archief</i> van <span class= +"sc">Visser</span> en <span class="sc">Amersf.</span> <i>II</i>. 259. +In het <i>Gedenks. van Neerl. Heldend. ter Zee</i> van <span class= +"sc">Engelbert Gerrits</span>, <i>I</i>. 76 volgg., is de beoordeeling +minder juist. Zie voorts de schets van <span class="sc">Groote +Pier</span> en zijne daden in het <i>Mengelwerk der Leeuwarder Courant +van 11 Maart 1834</i>, door <span class="sc">W. Eekhoff</span> +zamengesteld, en de daar aangehaalde Schrijvers. Op welk eene wijze het +zeewezen in Friesland bestierd werd, leest men na het aangehaalde werk +van <span class="sc">de Jonge</span>, over het <i>Nederl. Zeewezen, +I</i>. 154 volgg. Tot in de XVI eeuw was het eene algemeene gewoonte, +de gevangenen zonder genade over boord te werpen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb436" href="#pb436" name="pb436">436</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb151" class= +"pageref">151</a>.—A<sup>o</sup> 1515.</p> +<p><i>Hertog Georg.</i> Aldus werd Friesland als ’t ware weder +verkocht, en, zooveel de Saks vermogt, geleverd voor honderd duizend +goudguldens. <span class="sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. IV</i>. +390, en <span class="sc">Bild.</span> <i>Gesch. V</i>. 11. maaken er +350,000 van, doch de Acte van afstand van den 19 Mei 1515, bij +<span class="sc">Schwartzenberg</span> in het tweede deel zijns +<i>Charterboeks</i> voorhanden, spreekt dit tegen. Een Rijnse gulden en +een Goudgulden hadden ieder 90 cents waarde.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb151" class="pageref">151</a>.</p> +<p><span class="sc">Karel</span> <i>de Vyfde</i>. Het <span class= +"corr" id="xd20e10913" title="Bron: belangrijkst">belangrijkste</span> +gedeelte van het <i>Boeck der Partijen</i> van <span class="sc">Jancko +Douwama</span> loopt over de gebeurtenissen onder het Saksisch bewind, +alsmede over de eerste regeringsjaren van Keizer Karel den Vijfden. Men +leert hierin die gebeurtenissen in Friesland, gedurende dit gewigtig +tijdvak, van eene geheel nieuwe en onbekende zijde kennen; en al ware +het, dat niet al de berigten van <span class="sc">Douwama</span> +volkomen geloof verdienden, zoo blijft het echter, bij de voorhanden +zijnde bescheiden, meestal onder den invloed van het Bourgondisch +bewind opgesteld, van het hoogste belang, door zijne tusschenkomst, ook +eens de gedachten van de andere partij te kunnen vernemen. Zie over +<span class="sc">J. Douwama</span> en zijne geschriften, het <i>Verslag +der Handelingen van het Prov. Friesch Genootschap</i>, bl. 57 +volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb151" class= +"pageref">151</a>.—A<sup>o</sup> 1515.</p> +<p><i>Graaf Floris van Ysselstein.</i> Floris van Egmond, <span class= +"pagenum">[<a id="pb437" href="#pb437" name="pb437">437</a>]</span>Heer +van IJsselstein, als Stadhouder gehuldigd zijnde, werden er +verschillende voorwaarden gemaakt. Zie <span class="sc">Gabbema</span>, +<i>Verh. van Leeuw.</i>, bl. 302; <span class="sc">Schot.</span> fol. +573, en <span class="sc">Wins.</span> fol. 431; welke eerste hem ook +<i>Floorken dunn’- bier</i> noemt.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb155" class= +"pageref">155</a>.—A<sup>o</sup> 1520.</p> +<p><i>Hendrik</i> en <i>Frederik Gaykinga</i>. Belangrijk is het +verhaal van <span class="sc">Sicco Beninga</span>, <i>Chronickel der +Vriescher Landen</i>, in de <i>Anal.</i> van <span class="sc">v. +Nidek</span>, bl. 321 volgg.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb158" class= +"pageref">158</a>.—A<sup>o</sup> 1523.</p> +<p><i>En Karel de vyfde tot Erfheer</i>. Verg. <span class= +"sc">Cerisier</span>, <i>Gesch. der Nederl. II</i>. 420–423; +<span class="sc">Schot.</span> fol. 621. Na lange en rustelooze +woelingen, het aanstoken van partijschappen, het voeden van den +burgerkrijg, en het vergieten van stroomen bloeds, genoot nu Friesland, +bewesten de Lauwers, met uitzondering van nog eenen inval der +Gelderschen, eene rust van bijna eene halve eeuw; terwijl de +voortdurende onlusten te Groningen veel onheils bleven stichten, en de +geest van muiterij de overhand behield.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb160" class="pageref">160</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1535</i>. Verg. <span class="sc">Wins.</span> fol. +506; <span class="sc">Schot</span>. 664 volgg.; <span class="sc">Egg. +Beninga</span>, die echter zeer onvolledig is in zijn verhaal. +<span class="sc">O. van Scharl</span> op ’t jaar 1535; +<span class="sc">Gabbema</span>, <i>Verh. van Leeuwaarden</i>, bl. 365 +volgg.<a class="noteref" id="xd20e11039src" href="#xd20e11039" name= +"xd20e11039src">85</a> <span class="pagenum">[<a id="pb438" href= +"#pb438" name="pb438">438</a>]</span></p> +<p>De Sententieboeken van het Hof van Friesland nagaande, vonden wij +onder vele vonnissen, bij welke in dit jaar een aantal Wederdoopers +veroordeeld zijn, om onthoofd te worden, twee derzelve van den 12 +April, houdende veroordeeling, de eene van 31 vrouwen en de andere van +twee, om verdronken te worden, uithoofde zij: »<i>onlangs +bevonden zyn in Oldeclooster myt de andere seditieuse ende oproerighe +persoonen der Secten van de Anabaptisten ende anderen van ’t +verbundt van dien zy adhœrerende.</i>”</p> +<p>Nog langen tijd daarna moesten er ook in Friesland maatregelen tegen +de woelingen der Wederdoopers worden genomen, onder anderen blijkbaar +uit de Brieven en Aanschrijvingen ter voorzieninge van de Landvoogdes, +Maria van Hongarijen, gerigt aan den President en Raden van het Hof van +Friesland. Van deze brieven zijn nog eenigen aanwezig in het Archief +van gemeld Hof, door de Landvoogdes onderteekend, welke niet in het +Charterboek vermeld zijn. Wij willen hier een’ van dezelven +overnemen:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="firstpar">MARIA, by der gratie Gods Coninginne<br> +Douagiere van Hongryen ende Beemen,<br> +Regente.</p> +<p>»<i>Lieue ende Besundere. Volgende den afscheet ende Resolutie +hier onlancx genomen, int bijwesen van v President, beroerende de +secten ende ketterien, zoo van wederdooperie als andere dwalingen, die +anderwers vpstaen <span class="pagenum">[<a id="pb439" href="#pb439" +name="pb439">439</a>]</span>in Vrieslant ende omliggenden landen. Wij +schicken jegenwoirdelick aldaer den Deken van sinte Marie tot Vtrecht, +Heer Herman Betinatius, ende meester Franchois Zonnius, Domheere +aldaer, bede doctueren in den heiligen scriften, bringers van desen, +Commissarisen van wegen des hieligen Stoeles van Roome, ende by Keys. +Majest. onsen Heere <span class="corr" id="xd20e11081" title= +"Bron: weauctoriseert">geauctoriseert</span>, om tegens de besmette van +den voirsz. secten te Inquireren ende procederen, alsoe behoiren zal, +gelijck ghy naeder by de voirsz. Commissarisen sult mogen verstaen. +Ende alsoe ons ernstich begeren es, dat tegens de voirsz. ketterien +geremedieert ende voirsien worde, beuelen ende ordineren v van wegen +zijner Majest., dat ghij de voirsz. Commissarisen Informatie doet +geuen, ende hun bericht van tgene deser zaken beroeren mach ende +notelick wesen sal: Doende hun voirts alle bijstant ende vorderingen +int volbringen van hueren laste v mogelick zijnde; Ende indien ghij +eenige ongeregeltheit beuint onder de geestelicheit desselfs lants, +sunderlinge in cloisteren ende godshuysen, sult hun sulcx mogen te +kennen geuen, ende samentlick daerinne voirsien, alst behoiren sal, +volgende den last die zij des hebben, zoe wel van ons, als van den +geestelicken ordinarisen. Ende want het zeer oirboirlick waere in desen +tijt eenige goede jonghen tonderhouden in die Vniuersiteit van Loeuen, +studerende in de heilige scriften, om metter tijt daer vuyt geleerde +priesters ende pastoirs in Vrieslant te ouercommen, zult ghij, zoe +verre v van node duncken zal, duer de voirmelte Commissarisen sulcx aen +den prelaten van Vrieslant laeten versoucken ende de selue onderwijsen, +dat zij ende yegelick van hun tot voirderinge der heiliger Religie, +ende der gemeene weltvaert des lants daertoe willen verstaen ende +contribueren. Lieue ende Besundere, onse heere God zij met v. Gescreuen +te Brussele den XVIJen van Octobre 1553.</i></p> +<p class="signed">(get.) <span class="sc">MARIE</span>. (onder stond) +<span class="sc">De Langhe</span>.</p> +</div> +<p>Het opschrift is: <i>Onsen Lieuen ende Besunderen, den President +ende Raden des Keysers, geordonneert in Vrieslant.</i> <span class= +"pagenum">[<a id="pb440" href="#pb440" name="pb440">440</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb163" class= +"pageref">163</a>.—A<sup>o</sup> 1538.</p> +<p><i>Vorperus Thaborita, Kanunnik te Thabor</i>. <span class="sc">Worp +van Thabor</span>, geboren omtrent het jaar 1538, <span class="corr" +id="xd20e11115" title="Bron: welligtaf komstig">wellicht +afkomstig</span> van het adellijk geslacht <i>Tziaerda</i>, was eerst +Pastoor in zijne geboorteplaats Rinsumageest, en daarna Prior van +’t Reguliere Kanonniken Klooster Thabor, te Tirns bij Sneek. Hij +schreef in de Latijnsche taal eene kronijk van Friesland, in drie +boeken verdeeld. Het eerste boek handelt over den oorsprong der Friezen +en hun Land, en eindigt met de heerschappij van Karel den Grooten. Het +tweede loopt tot het bestuur der Graven van Holland, en het derde +eindigt met den tijd zijns levens. Baron <span class="sc">v. +Schwartzenberg</span> heeft vijf afschriften van die kronijk met +elkander vergeleken, getuigt zeer gunstig van dezelve, en had het plan +tot de uitgave gevormd. Dit is niet tot stand gekomen, en die uitgave +bleef tot heden achter, zoodat het wel niet te hopen, maar toch te +vreezen is, dat met zoo vele anderen, ook dit merkwaardig gedenkstuk +der oudheid, het licht niet zal gegund worden. In de Voorrede van het +II Deel van ’t Charterboek wordt een uitvoerig verslag van dit +Handschrift gegeven, waartoe wij den Lezer verwijzen. Aldaar staat ook +aangeteekend, hoe <span class="sc">Schotanus</span> in zijne +<i>Friesche Historie</i>, vele bladzijden uit den <i>Chronicon +Frisiae</i> van <span class="sc">Worp</span>, woordelijk vertaald, +heeft overgenomen, en voor zijn eigen arbeid laten doorgaan.</p> +<p>Een beter lot heeft in het belang der wetenschappen getroffen, het +geschrift van <span class="sc">Petrus van Thabor</span>, in onze +kronijk niet vermeld. Deze, wiens leeftijd voorviel tusschen de jaren +1460 en 1530, en welke hij voornamelijk als Leekebroeder in het +klooster Thabor<a class="noteref" id="xd20e11143src" href="#xd20e11143" +name="xd20e11143src">86</a> sleet, schreef eene uitvoerige <span class= +"pagenum">[<a id="pb441" href="#pb441" name= +"pb441">441</a>]</span>kronijk van Friesland, vooral ten doel hebbende +de gebeurtenissen, gedurende zijn eigen leven voorgevallen, met +naauwkeurigheid en waarheidsliefde te boeken, in den vorm van een +Dagboek. Daardoor is dit werk ook belangrijk voor de kennis van den +inwendigen burgerlijken en zedelijken toestand des Lands, terwijl het +van bijgeloof, wonderen en duivelskunsten geheel vrij is. De Heeren +<span class="sc">Amersfoordt</span> en <span class="sc">Visser</span>, +hebben daarvan de Uitgave in het <i>Archief voor Vaderl. en Vriesche +Geschiedenis</i> bezorgd, en verrijkt met een aantal uitmuntende +Aanteekeningen, hoofdzakelijk door den eersten bewerkt, welke van de +kunde en geleerdheid des vervaardigers getuigen.</p> +<p>Door dezen <span class="sc">Petrus van Thabor</span> is omstandiger +dan elders beschreven, de <i>Donia-oorlog</i>, eene der merkwaardigste +en treffendste burger- en familietwisten, door welke Friesland +meermalen werd geteisterd, welke geduurd heeft van 1458 tot 1496. Verg. +het <i>Archief, I</i>. p. 16–24 en de Aanteekeningen, alsmede de +aanmerkingen van den Heer <span class="sc">van Halmael</span>, benevens +het antwoord daarop van den Heer <span class="sc">Amersfoordt</span>, +in de <i>Leeuwarder Couranten van 14 en 21 Junij 1831; 3, 10, 17 April +en 1 Mei 1832</i>; welke stukken voor de geschiedenis van te veel +waarde zijn, om niet in een beter en duurzamer vorm te worden +overgegoten. <span class="pagenum">[<a id="pb442" href="#pb442" name= +"pb442">442</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb166" class= +"pageref">166</a>.—A<sup>o</sup> 1559.</p> +<p><i>Regnerus Predrinus</i> of Reinier van Winsum, geboren 1508, was +een zeer geleerd en verdienstelijk man en een der leerlingen uit het +Fraterhuis. Zijne gehoorzaal was met een toevloed van leerlingen +opgevuld, met welken hij de schriften van Plato, Aristoteles, +Demosthenes, Cicero en Quinctilianus behandelde. Gansche scharen uit +Oost- en West-Friesland, Braband, Vlaanderen, Duitschland, Frankrijk, +Italië, Spanje en Polen kwamen tot hem over, en vormden als het +ware eene Hoogeschool rondom hem. Kort na zijnen dood, in 1563, +verdween de gansche stichting der Broederschap. In 1582 deed de +Regering eene poging, om haar te doen herleven, door de aanstelling van +Antonius Folcard of Folkerts van Boornbergum, tot Overste, doch dit +besluit werd niet uitgevoerd. De oprigting der Hoogeschool in +Groningen, in het jaar 1614, gaf deswege eene nieuwe +schadeloosstelling. Reeds in den aanvang der XVI eeuw begon die +Broederschap voor de Hervorming van Luther te wijken: de minachting +voor de kloosterinrigtingen deed haar in die oorden te niete gaan; maar +in andere gewesten werd zij verdrongen door eene veel magtiger orde, +die met gesloten gelederen overal eene Broederschap vervolgde, welke +immer daarop roem kon dragen, dat zij noch dezelfde +verdedigingsmiddelen, noch dezelfde wapens kende. Het waren de +Jezuiten, die zich in hunne plaats stelden. <span class= +"sc">Delprat</span>, <i>Verh. over de Broederschap van</i> <span class= +"sc">G. Groote</span>, bl. 117 en 186. <span class="pagenum">[<a id= +"pb443" href="#pb443" name="pb443">443</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb169" class= +"pageref">169</a>.—A<sup>o</sup> 1566.</p> +<p><i>Waar op in ’t Latyn stond</i>. Moet zijn in ’t +Fransch. Zie over de Geuzennapjes <span class="sc">v. Alkemade</span>. +<i>Displegt. II</i>. 459 en <span class="sc">van Loon</span>, <i>Ned. +Hist. Penn. I</i>. 82. In het algemeen waren de nappen eigenlijk +uitgeholde houten bakken van middelmatige grootte, welke dienen moesten +om eenig vocht in zich te houden<span class="corr" id="xd20e11230" +title="Niet in bron">.</span> Zij waren, zoowel als de bedelzakken, het +kenteeken der bedelaars, en werden door dezen gebruikt, om er de soep +in te ontvangen, welke hun aan de kloosters werd uitgereikt, wanneer +zij het godsdienstig onderwijs genoten hadden. Tot gebruik over tafel, +om er elkander den dronk uit toe te brengen, afgezonderd zijnde, zijn +de nappen natuurlijk tot napjes gebragt. <span class="sc">Collot +d’Escury</span>, <i>Holl. Roem, II</i>. A. 111.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb170" class= +"pageref">170</a>.—A<sup>o</sup> 1567.</p> +<p><i>En een schip met Edelen</i>. Breedvoerig vindt men dit verhaal +bij <span class="sc">Wins.</span> fol. 538; verg. <span class= +"sc">Gabbema</span>, <i>Verh. van Leeuw.</i> bl. 493.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb172" class= +"pageref">172</a>—A<sup>o</sup> 1568.</p> +<p><i>Waarom Arenberg—op Graaf Adolf los rende</i>. Dat de beide +Graven door elkanders handen zouden zijn gesneuveld, wordt door +<span class="sc">van Meteren</span> en anderen tegengesproken, hoezeer +er eene oude overlevering is, welke dit vermeldt, en door onze kronijk +schijnt gevolgd te zijn. Het is mij ook voorgekomen, dat de Schrijver +of Schrijvers van <i>It aade Friesche Terp</i> zich op vele plaatsen +niet van de beste bronnen hebben bediend, dan het ligt niet in ons +plan, <span class="pagenum">[<a id="pb444" href="#pb444" name= +"pb444">444</a>]</span>over de verschillende gebeurtenissen breedvoerig +uit te weiden, en de gebreken allen aan te wijzen, waardoor wij het +bestek dezer Aanteekeningen verre zouden overschrijden. Men vergelijke +over dit geheele tijdvak den <i>Tegenwoordige Staat van Stad en Lande, +I</i>. Deel.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb174" class= +"pageref">174</a>.—A<sup>o</sup> 1568.</p> +<p><i>Den 7de van December</i>. Niet in December 1568 is dit gebeurd, +maar in het begin van Herfstmaand 1566: want reeds in 1567 werd de +Roomsche godsdienst weder hersteld, en in 1570 zond Alba <i>Cunerus +Petri</i> als Bisschop naar Leeuwarden, alwaar hij den 1 Februarij op +nieuw de kerken inwijdde, en de getrouw geblevene gemeente inzegende. +Zie <span class="sc">Gabbema</span>, <i>Verh. van Leeuw</i>. bl. 457, +die den 7 of 16 van Wintermaand noemt, gelijk ook <span class= +"sc">Wins.</span> en <span class="sc">Schot.</span> schrijven, terwijl +September moet worden gesteld. Verg. ook ten dezen het <i>Iets over de +Kerken, kloosters en voormalige gasthuizen binnen Leeuwarden</i>, van +den Heer <span class="sc">van Halmael</span>, geplaatst in het +<i>Mengelw. der Leeuward. Courant van den 14 Augustus 1832</i>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb178" class= +"pageref">178</a>.—A<sup>o</sup> 1574.</p> +<p><i>Casper Robles</i>. Verg. de <i>Inleiding van mijn Tafereel van +den Watervloed</i>, bl. XLI en XLII; <span class="sc">Scheltema</span>, +<i>Staatk. Nederland, II</i>. 250 en de aangehaalde Schrijvers; +<span class="sc">Outhof</span>, <i>Verhaal van alle hooge +Watervloeden</i>, bl. 535; <span class="sc">Dumbar</span>, <i>Analecta, +III</i>, in hetwelk door <span class="sc">Reinico Fresinga</span> van +<i>Frennicker</i> (zoo als hij zich onderschrijft), in diens +<i>Memorien</i>, ook een <i>cort verhaal van Billys gelegentheyt</i> +wordt gegeven<a class="noteref" id="xd20e11369src" href="#xd20e11369" +name="xd20e11369src">87</a>. <span class="pagenum">[<a id="pb445" href= +"#pb445" name="pb445">445</a>]</span>De beschrijving in ’t +Latijn, over de daden van de Robles in Friesland bedreven, door +<span class="sc">Johannes Carolus</span>, uitgegeven te Leeuwarden +1731, door de zorg van den beroemden <span class="sc">Petrus +Wesseling</span>, loopt slechts over een kort tijdsbestek, en is met +eene scherpe pen geschreven<a class="noteref" id="xd20e11391src" href= +"#xd20e11391" name="xd20e11391src">88</a>. Zie voorts <span class= +"sc">Gabbema</span>, <i>Verh. van Leeuwaarden</i>, bl. 534; +<span class="sc">Wins.</span> <i>Historiae, L. III</i>, en <i>Chron. +XVI</i> boek. Over het Kolonels- of Roblesdiep, <i>Tegenw. Staat van +Friesland, II</i>. 228.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb181" class= +"pageref">181</a>.—A<sup>o</sup> 1576.</p> +<p><i>Joachim Hopperus</i>. Deze zeer vermaarde man werd in den jare +1523 te Sneek geboren, uit een edel geslachte, bekleedde gewigtige +ambten, werd de stichter der Hoogeschool te Douaij, en behaalde als +Regtsgeleerde hoogen roem. Als Staatsman echter was hij te veel +hoveling, om, naar der Friezen aard, als zoodanig door hen op hoogen +prijs te worden gesteld. Men geeft hem zelfs na, dat de spotvogels hem +met den bijnaam van <i>Oui, Madame!</i> bestempelden, daar hij de +Landvoogdes in den Raad nimmer zoude tegenspreken. Hij was echter om +zijne groote kundigheden teregt zeer beroemd; en men <span class= +"pagenum">[<a id="pb446" href="#pb446" name="pb446">446</a>]</span>mag +nooit uit het oog verliezen, dat hij in zijne hooge betrekkingen +altoos, vooral in dien tijd, op een zeer gevaarlijk standpunt was +geplaatst. Zeer waardig is aan hem en zijne geschriften herdacht door +den geleerden <span class="sc">Gabinus de Wal</span>, in zijn klassiek +werk: <i>Oratio de claris Frisiae Jurisconsultis</i>, pag. 27 van de +Oratie, 90 volgg. der Aanteekeningen, en 428 der Bijvoegselen. Verg. +<span class="sc">Scheltema</span>, <i>Staatk. Nederl. I.</i> 492; +<span class="sc">Wins</span>. fol. 599. In de <i>Nalezingen</i> op +<span class="sc">Wagenaar</span> van <span class="sc">van Wyn</span> +zijn vele bijzonderheden uit de brieven van <span class= +"sc">Hopper</span> te vinden, en van zijn leven is eene goede +beschrijving aanwezig in de <i>Levens van Nederl. Mannen en Vrouwen, +IV</i> Deel. Onze voornaamste Geschiedschrijvers hebben van zijne +schriften gebruik gemaakt. Zijne brieven aan Viglius, welke de +Antwerpsche Bisschop, <i>de Nelis</i>, heeft laten drukken, en daarna +uitgegeven zijn, zijn hoogst belangrijk voor de geschiedenis. In de +bibliotheek te Brussel bevinden zich nog een aantal andere +oorspronkelijke brieven van hem en Viglius, in hunne landtaal +geschreven, bevattende vele zaken, welke zij elkander in ’t +geheim wilden mededeelen. Zie <span class="sc">de Wind</span>, +<i>Bibliotheek</i>, <i>II.</i> 172.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb181" class= +"pageref">181</a>.—A<sup>o</sup> 1576.</p> +<p><i>Ook overleed in dit zelve jaar</i>, <i>te Gent</i>, <i>Viglius +Swichemius ab Aita.</i> Een groot aantal geleerde en kundige mannen +hebben zich van tijd tot tijd bezig gehouden, met het beschrijven van +het leven en de daden van den wijdvermaarden Fries, <i>Wigle van Aytta +van Zwichum</i>, den 19den van Wijnmaand 1507, op de State +Barahuis<a class="noteref" id="xd20e11514src" href="#xd20e11514" name= +"xd20e11514src">89</a>, onder den dorpe Wirdum <span class= +"pagenum">[<a id="pb447" href="#pb447" name= +"pb447">447</a>]</span>geboren, uit eene der oudste en aanzienlijkste +Friesche geslachten, en gestorven den 8 van Bloeimaand 1577 binnen +Brussel. Onder deze geschriften verdient bijzondere opmerking, de +uitmuntende Redevoering van den Amsterdamschen <span class="sc">Rector +van Ommeren</span>, in welke (gelijk de Ridder <span class= +"sc">Scheltema</span> te regte vermeldt<a class="noteref" id= +"xd20e11539src" href="#xd20e11539" name="xd20e11539src">90</a>), het +karakter van <i>Viglius</i> van de beschuldiging van zwakheid en +ongelijkmatigheid meesterlijk is vrijgepleit<a class="noteref" id= +"xd20e11550src" href="#xd20e11550" name="xd20e11550src">91</a>.</p> +<p>Ook het uitstekend en krachtvolle <i>Verhaal van het leven en de +daden van Vigle van Ayta</i>, door Mr. A. <span class= +"sc">Telting</span> met oordeel en verstand zamengesteld, plaatst den +grooten man in een helder daglicht, en geeft hem de verdiende +eere<a class="noteref" id="xd20e11567src" href="#xd20e11567" name= +"xd20e11567src">92</a>, hoezeer anderen een minder gunstig oordeel over +hem hebben geveld. Verg. <span class="pagenum">[<a id="pb448" href= +"#pb448" name="pb448">448</a>]</span>hierover <i>Holland’s Roem +in Kunsten en Wetenschappen</i> door den Baron <span class="sc">Collot +d’ Escury</span>, <i>II</i>. 23 en <i>Aantt.</i> bl. 69. Deze +Schrijver maakt tevens gewag in de Aanteekeningen op zijn eerste Deel +van den glazen beker, door Viglius aan Keizer Karel toegebragt, toen +deze Utrecht bezocht heeft, en welke naderhand op vele gastmalen +gebruikt werd, wanneer men hem al drinkende ronddraaide, om met de +lippen dezelfde plaats te treffen, als die de Keizer had aangeroerd. Op +dezen beker, van dik bruin glas, thans in bezit van Z. E. den Minister +<span class="sc">van Maanen</span>, heeft Anna Maria Schurman met een +diamant het volgende geschreven en met haren naam onderteekend:</p> +<div class="lgouter"> +<h4><span class="sc">Viglius Zuichemius.</span></h4> +<div class="lg xd20e1232"> +<p class="line">Al ben ik duister,</p> +<p class="line">De naam geeft luister.</p> +</div> +</div> +<p class="firstpar">Zie <span class="sc">v. Alkemade</span>, +<i>Displegtigh. II</i>. 528. Uitvoerige melding van Viglius en zijne +geschriften vindt men in de aangehaalde <i>Oratie</i> van den +Hoogleeraar <span class="sc">de Wal</span>, bl. 31, 103, 430 volgg. +Verg. <span class="sc">de Wind</span>, <i>Bibliotheek, II</i>. 188.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb182" class= +"pageref">182</a>.—A<sup>o</sup> 1577.</p> +<p><i>Waar op de Graaf van Rennenberg.</i> Georg van Lalaing, Heer van +<span class="corr" id="xd20e11634" title="Bron: Velle">Ville</span> en +Graaf van Rennenberg, gesproten uit een der aanzienlijkste en oudste +stamhuizen van Henegouwen, reeds in de XII eeuw bekend, was een man van +grooten aanleg en kunde. Tot Stadhouder van Friesland, Groningen en +Overijssel benoemd, bekleedde hij in den aanvang het Staatsambt met +wijsheid en matigheid, doch later schandvlekte hij zich zelven in +’s Lands geschiedenis als eenen verrader. De verdienstelijke +Rijks-Archivarius <span class="sc">de Jonge</span><a class="noteref" +id="xd20e11639src" href="#xd20e11639" name="xd20e11639src">93</a> +vermeent, dat hij welligt door onze <span class="pagenum">[<a id= +"pb449" href="#pb449" name="pb449">449</a>]</span>Voorvaderen, om deze +daad, zonder inachtneming der omstandigheden, te streng veroordeeld; +doch wanneer wij bij den uitmuntenden Geschiedschrijver <span class= +"sc">A. Kluit</span>, in diens <i>Historie der Hollandsche +Staatsregering</i> (<i>I</i>. 176, noot), lezen, dat, hoezeer de ware +staatkundige redenen van den afval van Rennenberg, niet zoo zeer bekend +zijn, men het echter, naar aanleiding zijner eigenhandige brieven, aan +zijne vrienden geschreven, daarvoor moet houden, dat die redenen +gelegen waren in <i>jalouzij</i> op Nassau en bevordering van <i>eigen +grootheid</i>; hoe zal men dan nog voor zulk een boos en misdadig +opzet, in een Bestuurder des Lands, middelen ter verdediging kunnen +vinden? Zijn karakter vinden wij juist beschreven door een zijner +tijdgenooten, die de meeste gebeurtenissen zelf heeft bijgewoond, en +wel tot de Staatsgezinde partij behoorde, dan met onpartijdigheid een +uitgebreid verhaal van de jaren 1576 tot 1582 heeft gegeven. Dit is de +Franeker Burgemeester <span class="sc">Renico</span> of <span class= +"sc">Rienk Fresinga</span>, hier voren gemeld, wiens boeksken vooral +over dit tijdvak belangrijk is<a class="noteref" id="xd20e11675src" +href="#xd20e11675" name="xd20e11675src">94</a>. De onsterfelijke +<span class="sc">Hooft</span> geeft navolgende uitnemende +karakterschets van den Graaf:</p> +<p>»Hij was geweest een Heer, eedelaardigh, milddaadigh, heusch +en minlyk van zeeden; verfoeyer van wreetheit, geweldenaary, en +dronckenschap; betrachter der krystught, en lief den landzaaten, zonder +<span class="pagenum">[<a id="pb450" href="#pb450" name= +"pb450">450</a>]</span>nochtans de gunst der soldaaten te verliezen, +mits de zorghe die hy voor hunne betaaling droegh; hier beneevens +versiert met meer dan gemeene geleertheit; welgeoeffent in de +Grieksche, Latynsche, en andere taalen; zeer zoet op de wiskonstighe +weetenschapen, inzonderheit de maatzang. Al dat ’er in te +berispen scheen, was een’ blaakzuchtighe ruimborstigheit in +’t houden van hof en disch, booven zijn’ inkomst; een +toegeeven aan zyn’ geneigtheit tot vrouweeren; opstyghing van +moedt, als ’t geluk hem meede; stryking, als ’t hem teeghen +liep; en ’t ontzuivren van zyn’ eer en gewisse met +verandering van parthy. Eevenwel om de kosten zynes staatvoerens te +vergelden, schrobd’ hy nooit de gemeente, en stak maar eighe +middelen af. Zyn’ boelaadjen beleidd’ hy zoo heimelyk, dat +ze ten minste geen’ arghernis baarden. Onbestendigheit in voor- +en teeghenspoedt is de zeldzaamste der menschelijke zwakheeden niet. +Zyn’ trouwbreuk strekte eenen naaghel aan zyn’ doodkist, en +werd geboet met een berouw dat zyn’ ziel doorsneed: ’t en +zy hem ’t quaalyk beslaaghen meer dan ’t misdryf gezeurt +heeft. Oover Groninge, zeeker, in zyn’ ziekte, riep hy dikwyls, +wenschende ’t nooit gezien te hebben. Ook verbood hy in de +laatste daaghen, zyn’ zuster Kornelia, als het dwaallicht dat hem +verleidt had, onder zyn’ ooghen te koomen. De gemelde deughden, +en fraayigheden naa deughd zweemende, deeden hem beklaaghen, zelfs van +zyn’ meeste vyanden, dien ’t jammerde dat hy tot dien val +geraakt was.”</p> +<p>Verg. <span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> bl. 810 +volgg., bij welken Schrijver men op bl. 884 deze karakterschets +wedervindt, er (uit <span class="sc">Fresinga</span>) bijvoegende, dat +zijne zuster Kornelia hem ook had bekoord en gevleid, met het uitzigt +op een huwelijk met Maria van Brimeu, Gravinne van Megen, weduwe van +Lancelot Barlaimont, hetwelk echter mislukte. Zie <span class= +"sc">Wins.</span> <i>Chron. XVIII</i> Boek; <i>Histor.</i> p. 544; +<span class="sc">J. Bosscha</span>, <i>Neêrl. Heldend. te +Land</i>, bl. 257, 265, 266; welke <span class="pagenum">[<a id="pb451" +href="#pb451" name="pb451">451</a>]</span>laatste zijnen afval +toeschrijft, aan gemoedelijk bezwaar en ontzag voor de Katholijke +kerk.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb191" class= +"pageref">191</a>.—A<sup>o</sup> 1580.</p> +<p><i>Merode, Heer van Rummen.</i> De geschiedenis getuigt van hem als +van een edel, eerlijk en standvastig voorstander der vrijheid, getrouw +voor de goede zaak, dapper in den krijg, en wiens verkregen roem, door +zijn verstandig stadhouderlijk bestuur in Friesland is staande +gehouden. Er is nog in geschrifte van dien tijd, aanwezig een +<span class="sc">Journaal</span> <i>van voorgevallene saacken in +Friesland</i>, enz., <i>geholden bij</i> <span class="sc">Bernard van +Meroode</span>, <i>Stadholder</i>,—<i>van den 7 Julij 1580 tot +den 12 Junij 1583</i>: aan de achterzijde op den pergamenten omslag +staat: <span class="sc">Prothocol</span> <i>de la Secretairie du +Gowerneur de Frise</i>. Dit belangrijk Handschrift onderzoekende, +bevond ik dat hetzelve bevatte vele Commissiën, Instructiën, +Resolutiën, Ordonnantiën, bijzonder voor de Hoofden der +Krijgsmagt en voor de burgerlijke Besturen; voorts Paspoorten, +Sauvegardes, Brieven aan Vorsten en Edelen, Requesten, Plakkaten en +andere Staatsstukken, van welke slechts zeer weinigen in het +<i>Charterboek</i> van <span class="sc">Schwartzenb.</span> voorhanden +zijn, en wel alleen die, welke te vinden waren in de <i>Leeuwarder +Plakkaatb.</i></p> +<p>In 1583 verzocht Merode, uit hoofde van zijnen hoogen ouderdom, om +de gedurige onrust der tijden, de twist en tweedragt om het +Meesterschap tusschen de Staten en het Hof, en omdat de Edelen geen +ontzag voor hem hadden, zijn ontslag, en verkreeg zulks op eene zeer +vereerende wijze. Zijne Commissie van den Prins van Oranje, om in +zijnen naam Friesland te besturen, is van den 17 Junij 1580, <i>Chartb. +IV</i>. 172; <span class="sc">Wins.</span> fol. 670. Verg. <i>Leven van +Willem I</i>, door <span class="sc">L. F. de Beaufort</span>, <i>XI</i> +Boek. Bernard van Merode en zijn broeder Willem behoorden tot de +eersten, die onder den Prins dienst namen, en in het veld door +dapperheid en wijs beleid <span class="pagenum">[<a id="pb452" href= +"#pb452" name="pb452">452</a>]</span>uitmuntten. Dit geslacht heeft +aanzienlijke bezittingen in de Provincie Noord-Braband, doch behoorde +van overouden tijd tot den Belgischen Adel. Verg. <span class="sc">J. +Bosscha</span>, <i>Neêrl. Heldend. te Land</i>, bl. 243.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb196" class= +"pageref">196</a>.—A<sup>o</sup> 1584.</p> +<p>Wij laten hier volgen een kort overzigt van de <i><span class= +"sc">Stadhouders van Friesland</span>, uit het Huis van <span class= +"sc">Nassau</span></i>:</p> +<p class="pseudoh1">Willem Lodewijk.</p> +<p class="pseudoh2">Eerste Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Willem Lodewijk, Graaf van Nassau</span>, was de +zoon van <span class="sc">Johan den Ouden</span>, Graaf van +Nassau-Dillenburg, Broeder van Willem I. Hij werd geboren op den 13 +Maart 1560; huwde in den jare 1587 Prinses <span class= +"sc">Anna</span>, Dochter van zijnen Oom Willem I, verwekt bij diens +tweede Gemalinne Anna van Saksen<a class="noteref" id="xd20e11832src" +href="#xd20e11832" name="xd20e11832src">95</a>. Slechts ruim zeven +maanden duurde deze echt, daar de Prinses in den jare 1588 ten huize +van <span class="pagenum">[<a id="pb453" href="#pb453" name= +"pb453">453</a>]</span>Julius van Botnia, een der voornaamste Friesche +Edelen, ijveraar voor vrijheid en godsdienst, in den ouderdom van 26 +jaren te Franeker is overleden. WILLEM zelf is den 31 Mei 1620, ten +gevolge eener beroerte binnen Leeuwarden gestorven; zoo men verhaalt, +terwijl hij bezig was zijnen Neef Maurits bij geschrifte te raadplegen, +wat hem te doen zou staan, indien eens Maurits, zonder behoorlijke +schikkingen te hebben gemaakt, door een’ plotselingen dood werd +overvallen.</p> +<p>In 1583, in de plaats van Merode gesteld zijnde, werd hij op den 16 +October 1584 door de Staten van Friesland, op den Landsdag te Franeker, +tot absoluut Stadhouder en Gouverneur over dat Gewest, verkoren, nadat +men plegtig den Koning van Spanje afgezworen had.</p> +<p>Hij was een voortreffelijk Vorst, een dapper en bekwaam krijgsman, +een voorstander van de godsdienst, en, hoewel deelende in de kerkelijke +scheuring, meer gematigd dan Prins Maurits. Loffelijk getuigen +<span class="sc">Ubbo Emmius</span>, <span class="sc">van Reijd</span> +en <span class="sc">Willem van Haren</span> van zijne krijgskundige +verdiensten en grondige kennis, zoowel der theorie als praktijk. Als +beminnaar en hoogachter van letteren en geleerdheid, erkent men in hem +den Stichter der Friesche Hoogeschool, welke, zoowel als de geheele +Provincie, die door hem weder in rust gebragt werd, zijne bijzondere +bescherming heeft genoten. Ook aan hem mag de eer worden toegekend van +de oprigting der Groninger Akademie.</p> +<p>Hij regeerde van 1584 tot 1620.</p> +<p class="pseudoh1">Ernst Casimir.</p> +<p class="pseudoh2">Tweede Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Ernst Casimir, Graaf van Nassau</span>, Broeder van +<span class="sc">Willem Lodewijk</span>, werd diens Opvolger in +<span class="corr" id="xd20e11905" title="Bron: het het">het</span> +Stadhouderschap over Friesland. Hij was geboren den 22 of 24 December +1573, trouwde in den jare 1607 met <span class="sc">Anna Sophia</span>, +dochter van den <span class="pagenum">[<a id="pb454" href="#pb454" +name="pb454">454</a>]</span>den Hertog Julius van Brunswijk, welke +Prinses in 1642 is overleden. Uit dit huwelijk zijn twee zonen en twee +dochters geboren, welke laatsten jong en ongehuwd overleden zijn; de +beide zoons, Hendrik Casimir en Willem Frederik, zijn hem in de +regering opgevolgd. Na een aantal gewigtige zendingen ten dienste van +den Staat, werd hij eerst Stadhouder van Friesland, en daarna door +Groningen en Drenthe in die waardigheid erkend. In vele +krijgsverrigtingen muntte zijn beleid en dapperheid bijzonder uit; doch +in het beleg van Roermonde, op den 2 Junij 1632, trof een vijandelijke +musketkogel, terwijl hij de loopgraven bezigtigde, zoodanig zijn hoofd, +dat hij na verloop van drie uren daarna den geest gaf. Als staatsman +vond ik hem niet bijzonder vermeld: in het kerkelijke bezat hij minder +gematigdheid dan zijn broeder.</p> +<p>Hij regeerde van 1620 tot 1632.</p> +<p class="pseudoh1">Hendrik Casimir I.</p> +<p class="pseudoh2">Derde Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Hendrik Casimir I, Graaf van Nassau</span>, oudste +Zoon van <span class="sc">Ernst Casimir</span> en <span class="sc">Anna +Sophia</span>, werd in den jare 1611 geboren en is niet gehuwd geweest. +Men roemt hem als een dapper held, wiens leven in velerlei krijgstogten +werd gesleten, terwijl een schoon getuigenis wordt gegeven van zijn +godsdienstig, standvastig en braaf karakter. Zelfs zijner wederpartij +dwong hij zoodanige hoogachting af, dat een vijandlijk Officier bij +’s Vorsten doodberigt had uitgeroepen: »Nu is de braafste +Kapitein in Nederland gestorven!” Onder de beroerten in Friesland +in 1635 bewees hij ook dat Gewest groote diensten. Bij de belegering +van Hulst en Brugge trof hem een pistoolschot in den rug, welke wonde +hem op den 12 of 13 van Hooimaand 1640 den dood veroorzaakte.</p> +<p>Hij regeerde van 1632 tot 1640. <span class="pagenum">[<a id="pb455" +href="#pb455" name="pb455">455</a>]</span></p> +<p class="pseudoh1">Willem Frederik.</p> +<p class="pseudoh2">Vierde Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Willem Frederik, Graaf</span> of <span class= +"sc">Prins van Nassau</span>, jongste Zoon van <span class="sc">Ernst +Casimir</span>, werd te Arnhem op den 7 Augustus 1613 geboren, en trad +den 2 Mei 1652 in den echt met <span class="sc">Albertina Agnes</span>, +Dochter van <span class="sc">Frederik Hendrik</span>, Prins van Oranje. +Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: Prinses Amelia, met den +Hertog van Saksen-Eysenach getrouwd; Sophia Hedwich, omtrent derdehalf +jaren oud gestorven, en Hendrik Casimir. <span class="sc">Willem +Frederik</span> verlangde zijnen Broeder Hendrik op te volgen als +Stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, doch Frederik Hendrik, +begeerde over al de gewesten te heerschen. Hierover ontstond geschil, +en beide namen hunne maatregelen om tot hun doel te geraken. +<span class="sc">Willem Frederik</span> werd door de Staten van +Friesland tot Stadhouder, en Frederik Hendrik, door die van Groningen +en Drenthe verkozen. Gelijk alle twisten tusschen hooge personen +nadeelig werken voor Land en Volk, had ook dit geschil buitendien voor +den Vorst zeer onaangename gevolgen: want de magtiger Frederik dwong +zijnen mededinger tot menige vernedering. Op eene noodlottige wijze +verloor hij het leven: want bij het beproeven van een zadelpistool, +zullende dienen op zijne voorgenomene reis naar Westfalen, ging het +schot af, en trof hem dermate in het aangezigt, dat hij drie dagen +daarna overleed. Dit was op den 21 October 1664, terwijl de Stadhouder +te Leeuwarden resideerde.</p> +<p>Hij was een bekwaam krijgsman, bedreven in staatszaken en van +karakter uitstekend: daarenboven een beoefenaar en hoogschatter der +Letteren, waarvan de Hoogleeraar <span class="sc">Ulrik Huber</span> +getuigt, dat de werken van <span class="sc">Tacitus</span> en +<span class="sc">Seneca</span>, zoowel des nachts als des daags door +den Prins werden gelezen, en in <span class="pagenum">[<a id="pb456" +href="#pb456" name="pb456">456</a>]</span>het geheugen geprent. De +Franeker Hoogeschool verloor in hem eenen sterken voorstander en +verdediger.</p> +<p>Hij regeerde van 1640 tot 1664.</p> +<p class="pseudoh1">Albertina Agnes.</p> +<p class="pseudoh2">Voogdesse.</p> +<p><span class="sc">Albertina Agnes, Prinses van Oranje</span>, in +’s Gravenhage op den 29 April 1634 geboren, had gedurende den +tijd der voogdijschap over haren zoon Hendrik Casimir, die nog geen +acht jaren oud was bij den dood zijns Vaders, het bestuur over dit +Gewest, en verwierf zich veel gezag bij de Friezen. Zij was eene +verstandige, beminnelijke en zeer godsdienstige vrouw; eene +voortreffelijke echtgenoot, en eene waardige en zorgvuldige moeder voor +hare kinderen, welke zij allen, voor zich ten grave zag dalen. Den 24 +Mei 1696 overleed zij op hare lustplaats, het Oranjewoud, alwaar zij +een geruimen tijd van haren weduwlijken staat had doorgebragt.</p> +<p>Zij regeerde van 1664 tot 1679.</p> +<p class="pseudoh1">Hendrik Casimir II.</p> +<p class="pseudoh2">Vijfde Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Hendrik Casimir II, Prins van Nassau</span>, eenige +Zoon van <span class="sc">Willem Frederik</span> en <span class= +"sc">Albertina Agnes</span>, werd geboren op den 18 Januarij 1657. Op +zijn vijftiende jaar legde hij als Stadhouder den eed af, welke +waardigheid drie jaren later door de Staten van Friesland, Groningen en +Drenthe, voor zijne mannelijke nakomelingen, erfelijk verklaard werd. +Op zijn 22 jaar echter kreeg hij eerst het Stadhouderlijk bewind alleen +in handen. Den 16 November 1683 trad bij in den echt met <span class= +"sc">Amelia</span>, Prinses van Anhalt-Dessau, <span class= +"pagenum">[<a id="pb457" href="#pb457" name= +"pb457">457</a>]</span>Dochter van Johan Georg II, waarmede hij dertien +jaren vereenigd was, en uit welk huwelijk zijn gesproten zeven dochters +en twee zoons<span class="corr" id="xd20e12005" title= +"Niet in bron">:</span> Willem Georg Friso, die een jaar na zijne +geboorte is gestorven, en Johan Willem Friso, zijns Vaders +opvolger.</p> +<p>Zijne benoeming tot Kapitein-Generaal en andere voorvallen gaven +aanleiding tot twisten tusschen hem en Prins Willem III, welke echter +door diens uitzigt op de kroon van Engeland bedaarden, en in 1685, +onder bemiddeling van den vermaarden Hoogleeraar Joh. van der Waeijen, +daarna des Stadhouders Raadsman, geheel werden bijgelegd. Op zijn +zeventiende jaar stortte hij bij een gevegt, te stoutmoedig met den +degen in de vuist op den vijand indringende, met zijn paard in eene +laagte, ten gevolge van welken val, hij steeds onderhevig aan +bloedspuwingen is geweest; en door deze kwaal in zijne gezondheid +ondermijnd, overleed hij te Leeuwarden op den 25 Maart 1696.</p> +<p>Hij studeerde in den jare 1671 te Franeker, en gaf vele blijken van +verstand, oordeel en ervarenheid; dan vooral in het krijgswezen muntte +hij uit in moed, beleid en onverschrokkenheid. De dappere Generaal Hans +Willem, Baron van Aylva, die den Lande in een zeer netelig tijdperk +voortreffelijke diensten bewees, was hem een Leermeester zonder +wederga, en had hem den weg tot een onsterfelijken roem helpen banen. +Zijn dood was voor Friesland een zware slag, want in hem werd een +schrander, deugdzaam en edelmoedig Vorst, een magtig Beschermheer +verloren.</p> +<p>Hij regeerde van 1679 tot 1696.</p> +<p class="pseudoh1">Amelia.</p> +<p class="pseudoh2">Voogdesse.</p> +<p><span class="sc">Amelia, Prinses van Anhalt-Dessau</span>, geboren +in 1666, werd als Voogdesse erkend over haren zoon <span class= +"sc">Johan Willem Friso</span>, oud ruim acht <span class= +"pagenum">[<a id="pb458" href="#pb458" name= +"pb458">458</a>]</span>jaren bij het overlijden zijns Vaders, en had +tot zijne meerderjarigheid het bestuur in handen. Zij kocht voor haren +zoon de Heerlijkheid Ameland, voor 170,000 Karels guldens. Men vindt +weinige bijzondere berigten over haar vermeld: zij moet eene schoone, +vernuftige en schrandere vrouw geweest zijn, wier zucht echter tot +pracht en weelde der spaarzaamheid zeer in den weg stond. In den jare +1726 is zij in Duitschland gestorven.</p> +<p>Zij regeerde van 1696 tot 1707.</p> +<p class="pseudoh1">Johan Willem Friso.</p> +<p class="pseudoh2">Zesde Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Johan Willem Friso, Prins van Oranje-Nassau</span>, +geboren den 14 Augustus 1687 te Dessau, aanvaardde in 1707 het +Stadhouderschap over Friesland, en het jaar daarna over Groningen en +Ommelanden. Na den dood zijns Vaders nam Prins Willem III de zorg +zijner opvoeding op zich, en deze, zonder kinderen overlijdende, maakte +zijn geliefden kweekeling tot zijnen eenigen erfgenaam. Op den 1 Mei +1709 trad hij in den echt met <span class="sc">Maria Louisa</span>, +Prinses van Hessen-Cassel, uit welk huwelijk zijn geboren twee +kinderen: eene dochter Anna Charlotta Amelia, getrouwd met den Prins +van Baden-Durlach, en een zoon, Willem Karel Hendrik Friso. Op den 14 +Julij 1711 is de Stadhouder, in zijnen jeugdigen leeftijd, op eene +droevige wijze omgekomen, daar hij bij de overvaart van het Strijensche +Sas aan den Moerdijk, toen door een rukwind de pont werd omgeslagen, +zijn dood in de golven vond. Zijn krijgsroem was reeds gevestigd; zijne +deugden waren velen, en had hem een langer leven mogen te beurt vallen, +hij zou ongetwijfeld in ’s Lands geschiedenis eene luisterrijke +plaats hebben bekleed. Gedurende anderhalf jaar, in 1700 en 1701, heeft +de Prins te Franeker gestudeerd, en bijzonder het onderwijs van den +beroemden Fullenius genoten, waarna <span class="pagenum">[<a id= +"pb459" href="#pb459" name="pb459">459</a>]</span>hij, op begeerte van +zijnen Voogd, Prins Willem III, zich ook naar de Hoogeschool te Utrecht +begaf.</p> +<p>Hij regeerde van 1707 tot 1711.</p> +<p class="pseudoh1">Maria Louisa.</p> +<p class="pseudoh2">Voogdesse.</p> +<p><span class="sc">Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel</span>, een +der veertien kinderen van den Landgraaf <span class="sc">Karel</span> +en <span class="sc">Maria Amelia</span>, Prinses van Courland, is +geboren op den 17 Februarij 1688. Onder de leiding harer uitmuntende +moeder, wier evenbeeld zij werd, ontwikkelde zich in haren jeugdigen +leeftijd reeds den voortreffelijken aanleg tot deugd en bekwaamheid, +welke het sieraad eener vrouwe zijn, en de Vorstin bovendien tot een +verheven en magtig voorbeeld voor hare onderdanen stelt. Gedurende de +minderjarigheid van haren Zoon, bestuurde zij ’s Lands zaken met +beleid en verstand, zoodat zelfs de Staten van dit gewest, haar met een +geschenk van 5000 gulden vereerden, en eene levenslange jaarwedde van +eene gelijke som. Na den dood van Prins Willem IV en deszelfs Weduwe +werd haar weder de waarneming van het Stadhouderlijk bewind over +Friesland opgedragen, hetwelk zij met welgezindheid aanvaardde en met +ijver behartigde. Op den 9 April 1765, dus ruim 77 jaren oud, is deze +Vorstin te Leeuwarden overleden, en hare nagedachtenis is door alle +tijden bij de Friezen in zegening gebleven: want zij was godsdienstig, +nederig, milddadig en beminnelijk van karakter, zoodat men dan ook haar +steeds met den vereerenden lievelingsnaam van <i>Maryke-Mui</i> +bestempelde. Als Stadhouderes regeerde zij met wijsheid en +gematigdheid. Zoowel voor de stille rust als voor het woelige hofleven +geschikt, bragt zij in godsdienstige afzondering en vrolijke +uitspanning <span class="pagenum">[<a id="pb460" href="#pb460" name= +"pb460">460</a>]</span>vele dagen door in haren lusttuin Marienburg, +bij Leeuwarden, of op het geliefkoosd Oranjewoud<a class="noteref" id= +"xd20e12064src" href="#xd20e12064" name="xd20e12064src">96</a>.</p> +<p>Zij regeerde van 1711 tot 1731, wanneer haar zoon meerderjarig werd. +Van diens dood tot in 1759, in welk jaar hare schoondochter Prinses +Anna, is overleden, had zij eenig deel aan ’t Stadhouderlijk +bewind, en na dien tijd regeerde zij weder geheel tot 1765.</p> +<p class="pseudoh1">Willem Karel Hendrik Friso.</p> +<p class="pseudoh2">Zevende Stadhouder.</p> +<p>Willem Karel Hendrik Friso, of <span class="sc">Willem IV, Prins van +Oranje-Nassau</span>, werd te Leeuwarden geboren den eersten van +Herfstmaand 1711, zes weken na zijns Vaders overlijden. In den eersten +leeftijd onder het oog zijner verstandige moeder opgevoed, daarna door +de beroemdste geleerden, zoo als Wesseling, Hemsterhuis, Heineccius en +<span class="corr" id="xd20e12078" title= +"Bron: andederen">anderen</span>, aan de Friesche en Utrechtsche +Hoogescholen, onderwezen, moest zijn krachtvolle geest zich spoedig +ontwikkelen, en eene grondige kennis van zaken bekomen, welke den +echten Landsvader kenmerken, en zijn bestuur ten beste der onderdanen +doen gedijen. In den jare 1731 aanvaardde hij de waardigheid van +Stadhouder over Friesland, na reeds daarin over Groningen, Drenthe en +Gelderland te zijn bevestigd. In het merkwaardig jaar 1747 werd een +perk gesteld aan de verdeeldheden eener vijfenveertigjarige +Stadhouderlooze regering in de overige Provincien, en <span class= +"sc">Willem IV</span> tot Algemeen Stadhouder over al de gewesten +verkoren, met erfelijk-verklaring dier hooge waardigheden, zoowel in de +vrouwelijke als mannelijke linie. Hij trad in den echt met <span class= +"sc">Anna</span>, Kroonprinses van Groot-Brittanje op den 25 Maart +1734. De spruiten uit dezen echt waren, <span class="pagenum">[<a id= +"pb461" href="#pb461" name="pb461">461</a>]</span>behalve drie +dochters, welke allen kort na de geboorte zijn overleden, Prinses +Carolina en Prins Willem V. Hij regeerde gelijk het den Vorst betaamt, +wien zijn Land en Volk, als zijn eigen welzijn, zeer ter harte gaan. +Twee groote Nederlandsche Historieschrijvers, <span class= +"sc">Stuart</span> en <span class="sc">Scheltema</span>, getuigen beide +van hem: »dat hij de grootheid van zijn Huis alleen zocht in de +ware grootheid van den Staat; zijn hoogste eerzucht in de liefde zijns +Volks stellende.” Geen offer achtte hij te dier voor de belangen +der natie, en standvastig van geest volgde hij steeds het hem +aangewezen moeijelijk pad. Vele goede en beminnelijke hoedanigheden +waren van de Moeder op den Zoon overgegaan; godsvrucht en +christenliefde paarde zich aan opregtheid en eerlijkheid<a class= +"noteref" id="xd20e12096src" href="#xd20e12096" name= +"xd20e12096src">97</a>. Als vriend der geleerden en voorstander der +wetenschappen, vond ook de Friesche Hoogeschool in hem eenen ijverigen +Beschermheer. In den ouderdom van ruim veertig jaren bezweek zijn van +tijd tot tijd verzwakt ligchaam, onder de rusteloosheid van eenen +veelvuldigen zwaren arbeid. Hij stierf den 22 October 1751, en werd te +Delft in den Vorstelijken grafkelder van Willem I begraven.</p> +<p>Hij regeerde van 1731 tot 1751. <span class="pagenum">[<a id="pb462" +href="#pb462" name="pb462">462</a>]</span></p> +<p><span class="sc">Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje, Prinses van +Brunswijk-Lunenburg</span>, Gemalinne van <span class="sc">Willem +IV</span>, was de oudste Dochter van Koning <span class="sc">George +II</span>, en werd geboren den 2 November 1709. Zij was eene schoone +vrouw, helder en krachtvol van geest, kloek van verstand, edel van ziel +en grootmoedig van karakter; de geschiedenis getuigt van haar, dat zij +niet alleen vele voortreffelijke deugden, maar ook uitstekende talenten +bezat, zoodat zij in verschillende talen oordeelkundige werken over +godsdienst, geschiedenis en zedekunde geschreven heeft, en dit wel, +hetgeen bijzondere opmerking verdient, niet om te schitteren, maar tot +eigen oefening en anderer nut. Dat zij alzoo voor haren Gemaal een +onschatbaar kleinood was, zal wel geen betoog behoeven: want, ook in +staatszaken ervaren, ondersteunde zij in die oproerige tijden den +vredelievenden Vorst met wijzen raad. Na den dood van dezen had zij bij +het voeren des bewinds en ’t bestier der voogdij, eene +standvastigheid en kloekheid betoond, die den Grooten Frederik, op het +ontvangen van haar doodberigt, aan der Staten Gezant schrijven deed: +»Ik heb eene Vriendin verloren, die door hare grootmoedigheid, +wijsheid en eene hare kunne te boven gaande kracht van geest al mijne +achting verdiende.” Op den 12 van Louwmaand 1759 ontsliep zij in +den ouderdom van ruim 49 jaren te ’s Gravenhage, en werd bij +haren Gemaal te Delft begraven.</p> +<p>Zij regeerde als Gouvernante van 1751 tot 1759; terwijl echter het +beheer in Friesland aan de Staten en Prinses Maria Louisa was +opgedragen.</p> +<p class="pseudoh1">Carolina.</p> +<p class="pseudoh2">Regentesse.</p> +<p>Aan <span class="sc">Carolina, Prinses van Oranje</span>, eenige +overgeblevene dochter van <span class="sc">Willem IV</span>, geboren te +<span class="pagenum">[<a id="pb463" href="#pb463" name= +"pb463">463</a>]</span>Leeuwarden den 28 Februarij 1743, werden, na +<span class="corr" id="xd20e12138" title="Bron: den den">den</span> +dood harer Grootmoeder Maria Louisa, in den jare 1765, ten gevolge der +Landsverordeningen op de Voogdij, de Magistraatsbeschikkingen in de +Friesche steden opgedragen, tot aan de meerderjarigheid van haren +Broeder. Zij huwde in 1759, dus zestien jaren oud, na vele staatkundige +tegenstribbelingen, aan <span class="sc">Carel Christiaan, Prins van +Nassau-Weilburg</span>, gesproten uit de linie van <span class= +"sc">Walram</span>.</p> +<p>Zij regeerde tot in 1766.</p> +<p class="pseudoh1">Willem V.</p> +<p class="pseudoh2">Algemeen Stadhouder.</p> +<p><span class="sc">Willem V, Prins van Oranje-Nassau</span>, geboren +den 8 Maart 1748, aanvaardde het Stadhouderschap over al de Gewesten +den 8 Maart 1766. Hij trad in den echt den 4 October 1767 met +<span class="sc">Frederica Sophia Wilhelmina, Prinses van +Pruissen</span>, Nicht van Koning Frederik II, den 7 Aug. 1751 geboren. +Deze zijn de doorluchtige Ouders van onzen geëerbiedigden Koning. +Prins <span class="sc">Willem</span> overleed te Brunswijk in Grasmaand +1806, en zijne verhevene Gemalinne op het Loo 9 Junij 1820.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb201" class= +"pageref">201</a>.—A<sup>o</sup> 1591.</p> +<p><i>En 6 yzere gotelingen.</i> In dezen tijd was voornamelijk ook +eene soort van geschut in gebruik, genaamd <i>Gotelingen</i>, van 18, +8, 6, 4, 3 en 2½ pond, benevens metalen <i>Kartouwen</i>, +<i>Colverijns</i>, <i>Veldslangen</i>, <i>Sakers</i>, <i>Dranken</i>, +<i>Mignions</i> en anderen; die vooral op de schepen gebezigd werden. +<span class="sc"><span class="corr" id="xd20e12199" title= +"Bron: de">De</span> Jonge</span>, <i>Gesch. van het Zeewezen, I</i>. +402. Verg. <span class="sc">Kiliaan</span> op ’t woord. +<span class="pagenum">[<a id="pb464" href="#pb464" name= +"pb464">464</a>]</span></p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb208" class= +"pageref">208</a>.—A<sup>o</sup> 1594.</p> +<p><i>En op Ostagiers handelende.</i> <span class="sc">Ostagier</span>, +<span class="sc">Stagier</span> beteekent een <i>gijzelaar</i>; +vandaar: <i>op Ostagiers geven, handelen, nemen</i>, d. i. gijzelaars +ten onderpand geven of ontvangen. Zie <span class="sc">Kiliaan</span>. +Over dit merkwaardig beleg vergelijke men den <i>Tegenw. Staat van Stad +en Lande, I</i>. 518; <span class="sc">Wins.</span> fol. 817, enz.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb216" class= +"pageref">216</a>.—A<sup>o</sup> 1620.</p> +<p><i>Die heerlyke begraafplaats.</i> De Groote of Jacobijner kerk is +volgens <span class="sc">Gabbema</span>, <i>Verhaal van +Leeuwaarden</i>, gebouwd in den jare 1487, doch, volgens <span class= +"sc">J. van den Bosch</span>, in zijn meergem. werk, was zij reeds door +de Heeren van Cammingha en eenige rijke burgers in 1228 gesticht; en +daarna afgebrand zijnde, werd zij herbouwd in 1487. In derzelver Koor +aanschouwde men de prachtige marmeren graftombe van Graaf Willem van +Nassau en zijne Gemalinne Anna, onder welke tombe de Vorstelijke +Grafkelder zich bevond, waarin zijn bijgezet geworden:</p> +<ul> +<li>1. Prinses <span class="sc">Anna</span>, Gemalin van Willem +Lodewijk.</li> +<li>2. Graaf <span class="sc">Willem Lodewijk</span>, eerste +Stadhouder.</li> +<li>3. Graaf <span class="sc">Ernst Casimir</span>, tweede +Stadhouder.</li> +<li>4. Graaf <span class="sc">Hendrik Casimir</span>, derde +Stadhouder.</li> +<li>5. Prinses <span class="sc">Anna Sophia</span>, Weduwe van Graaf +Ernst Casimir.</li> +<li>6. Graaf <span class="sc">Willem Frederik</span>, vierde +Stadhouder.</li> +<li>7. Prinses <span class="sc">Sophia Hedwich</span>, dochter van +Graaf Willem <span class="corr" id="xd20e12302" title= +"Bron: Frederïk">Frederik</span>.</li> +<li>8. Prinses <span class="sc">Albertina Agnes</span>, Weduwe van +Graaf Willem Frederik.</li> +</ul> +<p>Nog stonden in dezen grafkelder twee kleine kisten, waarin +waarschijnlijk de dochters van Graaf <span class="pagenum">[<a id= +"pb465" href="#pb465" name="pb465">465</a>]</span>Ernst Casimir zijn +bijgezet; zoo bevonden er zich drie kleine houten kistjes, in welke +tinnen doozen, waren geplaatst, die ingewanden van gebalsemde +Vorstelijke lijken zullen hebben bevat.</p> +<p>Toen deze begraafplaats te klein geworden was is door Prinses Amelia +eene tweede aangelegd, in welke zijn bijgezet:</p> +<ul> +<li>1. Prins <span class="sc">Willem Georg Friso</span>, zoon van Prins +Casimir II, geboren te Leeuwarden 24 Junij 1685.</li> +<li>2. Prins <span class="sc">Hendrik Casimir II</span>, vijfde +Stadhouder.</li> +<li>3. Prins <span class="sc">Johan Willem Friso</span>, zesde +Stadhouder.</li> +<li>4. De tweede dochter van Prins <span class="sc">Willem IV</span>, +bij de geboorte gestorven 22 December 1739.</li> +<li>5. Prinses <span class="sc">Anna</span>, jongste dochter van Prins +Willem IV, geboren te Leeuwarden 15 November, en den 29 December 1746 +overleden.</li> +<li>6. Prinses <span class="sc">Maria Louisa</span>, weduwe van Prins +Johan Willem Friso.</li> +</ul> +<p>Van deze Vorstelijke begraafplaats en het marmeren grafgesticht is +niets meer overgebleven, dan het aandenken aan derzelver vorig bestaan. +Niet door den vernielenden tand des tijds, die al wat onvergankelijk +schijnt aan stukken knaagt, maar door den geesel der verwoesting en het +teugelloos geweld, uit overdreven vrijheidszucht, haat en partijschap +geboren, wier blinde drift zelfs de graven der afgestorvenen niet +eerbiedigt, zijn deze gedenkteekenen vernietigd. Dan wij willen de +treurige herinnering aan die tijden niet verlevendigen, en dergelijke +gebeurtenissen liever der vergetelheid overgeven.</p> +<p>Van de zeven Stadhouders, de Prinsessen Amelia, Maria Louisa en +Anna, benevens de Graven Johan Maurits, Adolf, Jan en Albert van +Nassau, zijn op het Hof te Leeuwarden nog uitmuntend geschilderde +beeldtenissen bewaard gebleven.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb221" class= +"pageref">221</a>.—A<sup>o</sup> 1636.</p> +<p>Een oud boekje getiteld: <i>Teghen-gifte teghen de <span class= +"pagenum">[<a id="pb466" href="#pb466" name= +"pb466">466</a>]</span>Peste</i>, door <span class="sc">Lucas +Trelcatius</span> beschreven, uitgegeven te Leeuwarden 1637, meldt in +een <i>Aenhanghsel</i>, dat de verschrikkelijke Pest, welke in dit jaar +in Holland heerschte ook tot Friesland was overgeslagen, en in de +dorpen nog heviger woedde dan in de steden, vooral in Anjum, Grouw, +Oldkerk, enz. terwijl binnen Leeuwarden ettelijke weken lang, bij en +over de 200 dooden werden begraven, waarna men de verwoesting in de +dorpen aangerigt kan afmeten.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb227" class= +"pageref">227</a>.—A<sup>o</sup> 1665.</p> +<p>De Veldmaarschalk Graaf <span class="sc">Johan Maurits van +Nassau</span> was de kleinzoon van Johan den Ouden, den Vader des +eersten Frieschen Stadhouders. Bij gelegenheid van dit ongeluk maakte +hij te Franeker zijn uiterste wille, en gaf die over ter bewaring aan +de Akademie. In 1679 overleed deze zachtaardige en brave man te +Bergendaal bij Kleef, alwaar zijne nederige grafstede nog jaarlijks +door vele reizenden bezigtigd wordt.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb229" class= +"pageref">229</a>.—A<sup>o</sup> 1672.</p> +<p><i>Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May.</i> +Voor dat men den tijd naar behooren geregeld en verdeeld had, of +willekeurig verdeelde, om te voorkomen dat de Saizoenen zich niet +verplaatsten, was het opzigt hierover aan de Priesters des volks +aanbevolen. Eene halve eeuw voor onze jaartelling maakte Julius Caesar +een einde aan de verwarde tijdsberekeningen en derzelver gevolgen in +zijnen Staat. Hij bepaalde het zonnejaar op 365 dagen en 6 uren. Het +burgerlijk jaar werd dus verordend: er zouden telkens drie +achtereenvolgende jaren ieder <span class="pagenum">[<a id="pb467" +href="#pb467" name="pb467">467</a>]</span>van 365 dagen loopen, en het +vierde of schrikkeljaar moest een dag meer dragen, welke dag in de +maand Februarij werd ingelascht. Het jaar bestond uit 12 eenigzins +ongelijke maanden, zoo als het nu nog bestaat. Dit was de +<i>Juliaansche Jaarrekening</i> of <i>Stijl</i>, <span class="sc">Oude +Stijl</span> genaamd.</p> +<p>De bepaling des zonnejaars van 365 dagen en 6 uren was echter ruim +elf minuten te groot genomen, hetwelk eene afwijking of verloop moest +veroorzaken, die dan ook na vier eeuwen tijds bij de viering van het +Paaschfeest, waarvan de berekening op de maan gegrond was, duidelijk +werd opgemerkt. Men nam maatregelen welke echter onvoldoende waren, en +gedurende vele eeuwen bleef dit gebrek bestaan, zoodat in de XVI eeuw +de lente-nachtevening van den 21 Maart op den 10 was +gekomen<span class="corr" id="xd20e12413" title="Niet in bron">.</span> +Eindelijk nam Paus Gregorius XIII zich de zaak ernstig ter harte, liet +door geleerden en deskundigen het ontwerp van Aloisius Lilius, een +geneesheer van Verona, onderzoeken, en na rijp beraad werd er in den +jare 1581, bij Apostolische Bulle, eene nieuwe verbetering aangekondigd +en bevolen. De sedert het Concilie van Nicea vervroegde tien dagen, +moesten in het jaar 1582 in de maand October worden uitgelaten, zoodat +men van den 4 dadelijk op den 15 telde. Het verschil van de elf +minuten, die men vroeger op het zonnejaar te veel gerekend had; werd +gevonden, door in vier eeuwen, telkens op het einde van ieder eeuw +één schrikkeljaar over te slaan; dus zoude het jaar 1600 +een schrikkeljaar blijven, maar 1700, 1800 en 1900 gemeene jaren van +365 dagen, en 2000 weder een schrikkeljaar zijn. Het zonnejaar werd +alzoo vastgesteld op 365 en het schrikkeljaar op 366 dagen. Deze +inrigting noemde men de <i>Gregoriaansche Jaarrekening</i> of +<i>Stijl</i>, en in tegenoverstelling van den Juliaanschen den +<span class="sc">Nieuwen Stijl</span>.</p> +<p>Door deze verstandige en doeltreffende instelling was er geene +afwijking of verloop van tijdsberekening in eeuwen meer te duchten; en +was men overal verstandig genoeg geweest, men zou niet geaarseld +<span class="pagenum">[<a id="pb468" href="#pb468" name= +"pb468">468</a>]</span>hebben daarin te berusten, dan vooroordeel, +dwaze driften, koppigheid en ongodsdienstige ijver, keerden +aanvankelijk in die woelige tijden van hervorming onder zoo vele goede +zaken ook deze. In de Catholijke Landen werd de verbeterde Calender +spoedig aangenomen, dan eerst in en omstreeks den aanvang der XVIII +eeuw, ging men daartoe in andere Landen, en ook in de Nederlanden over: +Braband, Vlaanderen, Zeeland en Holland waren de eerste gewesten, +daarna volgden Friesland, Groningen, Gelderland, Utrecht en Overijssel. +Dat deze instelling op ongelijke tijden aangenomen, en dus de een zich +van den Ouden, de ander van den Nieuwen Stijl bedienende, veel +verwarring te weeg bragt, is meermalen gebleken. Zoo schreef b. v. +Graaf Johan Maurits van Nassau, hiervoren gemeld, uit ’s +Gravenhage eene Missive aan den Rector en Senaat van de Akademie te +Franeker, op den 3 September 1670, en het antwoord op dezelve, drie +dagen na dien datum afgezonden, droeg de dagteekening van den 27 +Augustus. In Engeland heeft men eerst in 1752, en in Zweden een jaar +daarna, den Nieuwen Stijl ingevoerd: in Rusland volgt men nog den +Juliaanschen.</p> +<p>Ingevolge Resolutiën der Staten van Friesland van den 10 en 11 +October 1700 werd vastgesteld en bij Publicatie van den 12 dier maand +afgekondigd, dat op den 1 Januarij 1701, in plaats van den <i>Ouden +Stijl</i> de <i>Nieuwe</i> zou worden ingevoerd, en men op dien dag +niet den <i>eersten</i> maar den <i>twaalfden Januarij</i> zoude +schrijven, en aldus de telling vervolgen. Alzoo eindigde in Friesland +het jaar 1700 op Dingsdag den 31 December, en den volgenden dag, +Woensdag, heeft men 12 Januarij 1701 geschreven<a class="noteref" id= +"xd20e12443src" href="#xd20e12443" name="xd20e12443src">98</a>. In de +Provincie <span class="pagenum">[<a id="pb469" href="#pb469" name= +"pb469">469</a>]</span>Groningen is ten zelfde dage en op gelijke wijze +de Nieuwe Stijl ingevoerd.</p> +<p>Het verschil alzoo tusschen den Ouden en Nieuwen Stijl, door vele +schrijvers niet in acht genomen, waardoor misstellingen in de +dagteekeningen zijn ontstaan, of bij sommigen verkeerd aangeduid, +bestaat alleen hierin, dat men altoos <i>tien</i> dagen tellen moet bij +de dagteekening, welke de Oude of Juliaansche Jaarrekening +aangeeft.</p> +<p>Men vergelijke de <i>Historische Verhandeling over den zoogenaamden +Nieuwen Stijl</i> door den Oud-Hoogleeraar Mr. <span class="sc">J. W. +de Crane</span>, geplaatst in het <i>II</i>. Stuk van het +<i>Archief</i> der Heeren <span class="sc">Visser</span> en +<span class="sc">Amersfoordt</span>.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb259" class="pageref">259</a>.</p> +<p><i>In den jaare 1677.</i> Hetgeen hier volgt tot bladzijde 271 is +een bijvoegsel van den tweeden druk, en heeft niet uitsluitend +betrekking op Friesland, maar is meer eene kronijksgewijze opgave van +algemeene gebeurtenissen. Wij hebben ons moeten onthouden van eene +meerdere uitbreiding onzer Aanteekeningen over het belangrijk tijdvak +der geschiedenis in de laatste eeuwen, daar dezelve reeds tot een +aantal bladen zijn aangegroeid, en ons bestek geen grootere +uitvoerigheid gedoogde. Ook mogen wij <span class="pagenum">[<a id= +"pb470" href="#pb470" name="pb470">470</a>]</span>het daarvoor houden, +dat dit gedeelte der Historie, en bepaaldelijk die der Stadhouderlijke +Regering, den Lezer meer bekend zij, als zijnde daarover ook genoegzame +bronnen voorhanden. Wij hebben achterwege gelaten de onbelangrijke +beschrijving van den intogt des Prinsen J. W. Friso in Groningen, op +bl. 327 en 328 van den tweeden druk der kronijk voorkomende, als mede +de berijmde <i>Nareeden</i>, of zoo als achter den eersten druk staat, +<i>Aanspraak op Naaspraak</i>, hoewel tot onderschrift voerende: +’t <span class="sc">Kan niet beeter</span>; want wie zal thans +nog smaak vinden in verzen als deze?</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Wiens breinkas gestoffeerd met puik van waarde +stoffen,</p> +<p class="line">Zal ooit op eenge stoff, wiens loff maar stoff is +stoffen.</p> +</div> +<p class="firstpar">of</p> +<div class="lgouter xd20e1232"> +<p class="line">Een keurger keure, keur de keur, met keur in ’t +leezen;</p> +<p class="line">In ’t geen hy keurig keurt, met keur ’t zyn +uit te leesen.</p> +</div> +<p class="firstpar">Ook het <i>Treurig gesprek tusschen een Vreemdeling +en een Fries, over het verongelukken van</i> <span class="sc">Johan +Willem Friso</span>, in zeer middelmatig rijm van de door haren +tijdgenoot <span class="sc">Lucas Pater</span> en daarna door den heer +<span class="sc">J. de Vries</span> hoog verheven, door <span class= +"sc">Witsen Geysbeek</span> daarentegen diep vernederde Friesche +Dichteres <span class="sc">Jetske Reinou van der Malen</span>, hebben +wij gedacht veilig te kunnen weglaten.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb273" class="pageref">273</a>.</p> +<p><i>De Landstreek van deze Provincie.</i> Over deze verdeeling en het +bestuur der Graafschappen, vergelijke men onze <i>Aantt.</i> bl. 344; +§ 4 van het Overzigt in het <i>Friesch Jierboeckjen 1833</i>, en +de 2de § van dat van 1834. Over de benamingen van <i>Estrachia</i> +of <i>Austrachia</i> en <i>Westrachia</i>, moet ik nog wel aanmerken, +dat <span class="sc">Alting</span> in zijne <i>Descriptio agri Batavi +et Frisii</i>, of <i>Notit. Germ<span class="corr" id="xd20e12570" +title="Niet in bron">.</span> Inf.</i> zeer verkeerd <span class= +"pagenum">[<a id="pb471" href="#pb471" name="pb471">471</a>]</span>op +alle zijne kaarten de eilanden Ameland en Terschelling dus noemt, in +navolging van zekeren <span class="sc">Fredegarius</span>, een +Schrijver van de VII eeuw, (die echter voor <i>Austrachia +Anistrachia</i> schrijft,) als zullende beteekenen <i>Ooster-</i> en +<i>Wester-oog</i>, van <i>achia</i>, <i>age</i>, <i>oog</i>, welke +benaming dikwijls aan eilanden gegeven wordt, zoo als Schiermonnikoog, +Spikeroog, Langeroog enz. Te vergeefs zal men bij eenig Friesch +Schrijver die eilanden, dus genoemd, zoeken, maar wel vindt men, dat +eertijds <i>Westrachia</i> <span class="sc">Westergo</span>, en +<i>Austrachia</i> <span class="sc">Oostergo</span> beteekende. +<span class="sc">Winsemius</span> bevestigt zulks op den jare 728, toen +Karel Martel Oostergo en Westergo plonderde en verwoestte. In de +afbeelding van Oud-Friesland door <span class="sc">Schotanus</span>, de +eenige oude kaart, welke het best met de geschiedenis overeenkomt en +’t meest vertrouwen verdient, gevoegd in zijne <i>Beschr. van +Frieslandt</i> en achter de <i>Groote Atlas</i>, worden de streken +beoosten en bewesten de Burdo of Middelzee, welke ook het best door hem +is afgeteekend, te regte <i>Austrachia</i> en <i>Westrachia</i> +genoemd. Verg. <i>Oudh. en Gest. II</i>. 287, alwaar <span class= +"sc">v. Rhyn</span> in ’t breede hierover uitweidt, aan +<span class="sc">Fredegarius</span> geen gezag boven Friesche +Schrijvers toekennende. <span class="sc">Alting</span>, <i>II</i>. in +voc. <i>Austrachia Burdine, Westrachia</i>; <span class= +"sc">Brouwer</span> en <span class="sc">Eekhoff</span>, <i>Nasporingen +betrekkelijk de Middelzee</i>, bl. 31 noot, 116 en 117, waarin ook de +gebrekkigheid van de oude kaarten wordt aangetoond.</p> +<p class="xref">Bl. <a href="#pb273" class="pageref">273</a>.</p> +<p><i>Die men een Grietman noemt.</i> In het laatst der XIII en in het +begin der XIV eeuwen, wordt het eerst van Grietmannen gewaagd. Van ouds +moet de verkiezing door de gemeente, de ingezetenen of de bezitters der +stemhebbende Staten hebben plaats gehad. Zij hadden Assessoren of +Bijzitters en andere Regters van minderen rang onder zich, terwijl er +tevens Schouten hebben bestaan, welk ambt later <span class= +"pagenum">[<a id="pb472" href="#pb472" name= +"pb472">472</a>]</span>weder is vernietigd of in die des Grietmans is +overgegaan. Aanvankelijk waren zij Regters, maar in den drang en druk +der oproerige tijden, in welke geene regten geëerbiedigd werden, +moesten zij zich tot Beschermheeren verheffen, en wisten van hunne magt +en invloed een krachtig, soms al te krachtig gebruik te maken. Elke +Grietenij had één Grietman, voor één jaar +benoemd tot Hoofd; doch eene enkele uitzondering was er op dezen regel: +bij latere inrigting werd bepaald, dat ieder, die de vereischten bezat, +op zijn beurt den post van Grietman en Regter zoude waarnemen. Onder de +Hertogen van Saksen en daarna onder het Stadhouderlijk Bewind was de +begeving van dit ambt ook aan dezen en aan het Hof verbleven.</p> +<p>Maar nu den oorsprong van den naam <i>Grietman</i> te bepalen, dit +is eene moeijelijke zaak, waarover reeds vele geleerden zijn +geraadpleegd en veler gevoelen ter toetse is gebragt, doch het is als +nog onbeslist, welke beteekenis voor de eigenlijke en oorspronkelijke +moet worden gehouden. Onze Kronijk is er, mijns bedunkens, niet achter +en geen wonder, want de Heer <span class="sc">Beyma</span>, in zijn +<i>Tractatus de Grietmannis</i> geeft een aantal verschillende +gevoelens op, en na dezen Schrijver zijn er nog meerdere te berde +gebragt<a class="noteref" id="xd20e12680src" href="#xd20e12680" name= +"xd20e12680src">99</a>. Het meest aannemelijk gevoelen is, dat +<span class="pagenum">[<a id="pb473" href="#pb473" name= +"pb473">473</a>]</span>men den naam moet afleiden van het Oud-Friesche +<span class="sc">Greta</span>, <i>klagen</i> en dus <i>Greet-</i> of +<i>Grietman</i> degeen was, die aan de klagers regt verschafte. Zeer +belangrijk zijn de Aanteekeningen over de <span class= +"sc">Grietmannen</span> van de Heeren <span class="sc">H.</span> en +<span class="sc">W. v. S.</span> voorkomende in het <i>Mengelwerk der +Leeuwarder Couranten van den 15</i> en <i>29 Mei 1832</i>, tot welke +wij den Lezer verwijzen, als mede tot opgenoemd <i>Tractatus de +Grietmannis</i> van <span class="sc">C. L. van Beyma</span>, +<i>Franeq.</i> 1780.</p> +<p>Wat het kerkelijk Bestuur van Friesland in de vroegste tijden +aangaat, dit is ons niet klaar genoeg gebleken: later was dit gewest +den Bisschop van Utrecht onderworpen, die tot het Aartsbisdom van +Keulen behoorde. Friesland was verdeeld in Dekenschappen, waarvan de +Dekens door den Bisschop werden gekozen en met groot gezag en magt +bekleed. De Hoofdpriesters of Priesters in eene parochiekerk werden +<i>Personae</i> genoemd, en de mindere Priesters <i>Kapellanen</i>. De +Abten waren Oversten of Bestuurders der Kloosters en derzelver +aanhoorigheden: zij stonden op zich zelven, hadden vele voorregten, +samen de eerste plaats op de Landsdagen, en waren alleen den Paus +onderworpen: de Priors waren oorspronkelijk hoofden van minderen rang, +gelijk ook de Proosten, hoezeer dikwijls deze verschillende benamingen +door elkander gebruikt werden. Zie hierover onder anderen <i>Friesch +Jierb. 1833</i>. <i>Oersicht</i> § 4. <span class= +"pagenum">[<a id="pb475" href="#pb475" name="pb475">475</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3780" href="#xd20e3780src" name="xd20e3780">1</a></span> Dat de +<i>Schelde</i> en de <i>Sincfal</i>, later <i>Zwene</i> geheten, niet +dezelfde rivieren zijn, en dus niet voor elkander genomen moeten +worden, wordt behalve in de <i>Bijv.</i> voor het I. D. van +<span class="sc">Wagenaars</span> <i>Vad. Hist.</i> ook in het breede +betoogd door den Hoogleeraar <span class="sc">Ypeij</span>, in het II. +D. zijner <i>Geschiedenis der Nederl. Taal</i>, bl. 115 volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3825" href="#xd20e3825src" name="xd20e3825">2</a></span> Over +deze vergraving lezen wij in <span class="sc">Bilderdyks</span> +<i>Geschiedenis des Vaderlands</i>, I. 24: »’t Was +natuurlijk dat Drusus, geheel het zuidelijk Land zijner Landvoogdij +jaarlijks overstroomd ziende, bedacht was om het Rijnwater af te +leiden. Naderhand deed Corbulo ’t zelfde met den zoogenaamden +Vliet te graven. Maar beide ondernemingen hadden gelijke gevolgen: Het +verderf van een groot gedeelte Lands. Gelukkig Holland, zoo men nooit +gegraven en nooit gedijkt had! Wij zouden thans boven de rivieren +wonen, die het Land doorsnijden moesten, en er nu over heen loopen in +gemaakte goten, wier bodem steeds verhoogt door de vallende slib, en +die dus hoe langer hoe meer boven het land rijzen en in kracht en +gewelddadigheid hunne dijken overmeesteren; terwijl men haar nog +bovendien door de droogmaking van meeren, de noodige boezems onttrokken +heeft, om zich, bij voorkomende opzetting van boven, te kunnen +ontlasten, zonder hunne boorden te verwoesten.”—Hoezeer +deze en dergelijke gevoelens tegenstanders vinden, kan ik er echter +bijvoegen, dat met andere deskundigen ook de zeer bekwame +Waterbouwkundige <span class="sc">Cornelis Zillesen</span> in zijne +werken zeer tegen alle vergravingen ijvert. Nog op zijn negentigste +jaar heeft hij daartegen ernstig gewaarschuwd in zijn belangrijk +stukje, getiteld: <i>Iets over de natuurlijke oorzaken der steeds +toenemende Zeeoverstroomingen</i> (Rott. 1825), waarin hij ook beweert +en bewijst, dat de Alwijze Schepper der natuur voor de ontlasting des +waters had gezorgd, en dat, om van land water te maken, alleen daar +noodig was, waar door rivieren of binnenvaarten de kanalen verbeterd +moesten worden, terwijl de verhooging der rivierdijken en de daarin +begane misslagen zoodanig de inkeldering der binnenlanden en woningen +had veroorzaakt, dat bij elke doorbraak de rivieren die landen tot +hunne beddingen verkozen. Ook had deze maatregel een ander nadeel ten +gevolge, het onderhoud namelijk, tot groote kosten van den landbouw, op +plaatsen daar men reeds niet meer het water door sluizen kon ontlasten, +van 2000 watermolens alleen in Holland. De Schrijver geeft voorts +onkostbare behoedmiddelen aan de hand, en dit boekje verdient de +opmerking des onpartijdigen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3902" href="#xd20e3902src" name="xd20e3902">3</a></span> Door den +Emeritus Predikant <span class="sc">P. Brouwer</span>, een man van +kennis en verstand, was in geschriften nagelaten eene Nasporing en +Aanwijzing van den Loop en de Grenzen der opgeslijkte Middelzee, welk +stuk te gelijk wordt uitgegeven (terwijl deze ter perse is,) met een +zeer naauwkeurig en grondig Onderzoek naar de oorspronkelijke +uitgestrektheid, en den tijd en wijze van opslijking der Middelzee; +alsmede hoe Leeuwarden door haar is bespoeld geweest, zamengesteld door +den ijverigen beoefenaar der Geschiedenis <span class="sc">W. +Eekhoff</span>. Eene zeer aanbevelende Voorrede van den kundigen +<span class="sc">Worp v. Peyma</span> versiert dit werk. Het onderzoek +van Do. <span class="sc">Brouwer</span> bepaalt zich tot den omvang en +begrensdheid der Middelzee in de 13 eeuw. <span class= +"sc">Eekhoff</span> heeft getracht aan te toonen en tot eenen hoogen +trap van waarschijnlijkheid te brengen, welke in de oudste tijden de +grenzen dier Zee waren, kennende haar eene veel meerdere +uitgestrektheid toe, dan waarvan de geschiedenis gewaagt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e3938" href="#xd20e3938src" name="xd20e3938">4</a></span> Dit werk +getiteld: <i>Physische Geschichte der Nordsee-Küste und deren +Veränderungen durch Sturmfluthen seit der Cymbrischen Fluth bis +jetzt</i>, is in twee deelen uitgekomen te Emden 1833, en was het +<i>laatste</i> voortbrengsel van dezen verdienstelijken man, ten nutte +van zijn Vaderland, omdat hij dat Vaderland verlaten en zich naar een +ander werelddeel begeven moest, ten einde zich een voortdurend bestaan +te verschaffen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4071" href="#xd20e4071src" name="xd20e4071">5</a></span> +Vergelijk hierbij de Voorrede voor het II deel van ’t +<i>Charterboek</i>, p. 65 en 66.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4086" href="#xd20e4086src" name="xd20e4086">6</a></span> +Vervaardigd voor het, door ’t Friesch Genootschap uitgegeven, +<span class="ex">Friesch Jierboeckjen</span>. Het eerste gedeelte is +geplaatst in dat van 1831: <i>Kirt Oersicht oer Frieslâns +Schijdnis, fenne fierste tijd oon it jier 1814 to</i>, loopende dit +deel van de vroegste tijden af tot aan Karel den Groote, dat is, tot +aan ’t jaar 773 of daaromtrent. Dit tijdvak noemt de Schrijver +<i>het Fabelachtige Friesland</i>.</p> +<p class="footnote">Het tweede tijdperk, loopende tot op de aanneming +van Albrecht, Hertog van Saksen, tot Heer van <i>Friesland</i>, d. i., +tot aan 1498, wordt genoemd <i>het Vrije Friesland</i>.</p> +<p class="footnote">Het derde, de geschiedenis zullende bevatten van +1498 tot op de afzwering van Philips II., Koning van Spanje, als Heer +der Nederlanden, heet <i>het Overheerde Friesland</i>.</p> +<p class="footnote">Het vierde tijdvak, van 1584 tot aan 1795, tijdstip +van het vertrek van Prins Willem den V., laatste Stadhouder der VII +Vereenigde Gewesten, uit Holland, zal <i>het Stadhouderlijk +Friesland</i> genoemd worden.</p> +<p class="footnote">Het vijfde, zullende gaan van 1795 tot de +omwenteling van 1813, zal den naam ontvangen van <i>het Nieuwere +Friesland</i>.—Zie gem. Jierboeckjen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4151" href="#xd20e4151src" name="xd20e4151">7</a></span> Het +gevoelen van den heer <span class="sc">Hettema</span>, ontwikkeld in +zijn <i>Iets over de Geschiedenis van Friesland</i> (zie het Mengelwerk +van de Leeuwarder Courant van den 10 Augustus 1830, No. 64), vind ik +niet aannemelijk, dat namelijk <i>Friezen</i> hetzelfde zoude +beteekenen als <i>Frigen</i>, <i>Frisschen</i> of <i>vreemde</i> +volkplantingen;—hoezeer dan ook <span class="sc">M. Alting</span> +in zijne <i>Notitia Bat. et Frisiae Ant.</i> in voce <span class= +"ex">Frisii</span> deze beteekenis aan de hand geeft en daartoe +overhelt. <span class="sc">H. v. Rhyn</span>, in zijne <i>Aantt.</i> op +de Friesche <i>Oudhed. en Gest.</i> I. 43, en andere Geleerden houden +het met de beteekenis van <i>vrijen</i>. Dat de <i>frissche</i> of +<i>koude</i> landstreek den naam <i>Friezen</i> zou geschapen hebben, +zal toch wel geen’ ingang vinden.—Vergelijk ook de voorrede +van <span class="sc">Gutberleth</span>, voor <span class= +"sc">Gabbema’s</span> <i>Verh. van Leeuwaarden</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4262" href="#xd20e4262src" name="xd20e4262">8</a></span> Vg. bl. +206, II. deel van de <i>Bekn. Geschied. der Nederl. Taal</i> door +<span class="sc">A. Ypeij</span>, over de herkomst der +Friezen.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4276" href="#xd20e4276src" name="xd20e4276">9</a></span> +<span class="sc">Winsemius</span> in zijne <i>Chronique</i>, f. 6, en +<span class="sc">Suffr. Petri</span> <i>de Frisior. antiq. et orig.</i> +p. 234, noemen <span class="sc">Hoppers</span> een beroemd en +verdienstelijk man, de eer der Friesche natie; <span class="sc">v. +Rhyn</span> en na hem <span class="sc">F. Sjoerds</span> zeggen echter, +dat zijn gevoelen geene voorstanders heeft.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4307" href="#xd20e4307src" name="xd20e4307">10</a></span> Gemelde +Aantt. p. 44.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4313" href="#xd20e4313src" name="xd20e4313">11</a></span> Cf. +<span class="sc">Suffr. Petri</span> <i>de Fr. Or.</i> L. I. Cap. +XVIII.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4322" href="#xd20e4322src" name="xd20e4322">12</a></span> Zie +deswegens <span class="sc">v. Rhyn</span> t. a. p. en <span class= +"sc">Westendorp</span>, <i>Jaarboek van en voor Groningen</i>, p. +5.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4342" href="#xd20e4342src" name="xd20e4342">13</a></span> +<span class="sc">Hunibaldus</span>, <span class="sc">Trithemius</span>, +<span class="sc">Funccius</span>, <span class="sc">Panthaleo</span>; of +hebben zij zonder onderzoek elkander nageschreven?</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4358" href="#xd20e4358src" name="xd20e4358">14</a></span> +<span class="sc">Westendorp</span>, <i>Kronyk</i>, p. 6 en +7.—<span class="sc">V. Rhyn</span>, <i>ll.</i> <span class= +"sc">F. Sjoerds</span>, <i>Fr. Jaarb. I.</i> 14 enz.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4382" href="#xd20e4382src" name="xd20e4382">15</a></span> +<span class="sc">Wolfgang</span>, <span class="sc">Lazius</span> en +<span class="sc">Aventinus</span>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4393" href="#xd20e4393src" name="xd20e4393">16</a></span> Zie +<span class="sc">Westendorp</span>, p. 8. Van deze omstandigheid, in de +<i>Kronyk</i> van <span class="sc">Eggerik Beninga</span> vermeld, +maken <span class="sc">V. Rhyn</span>, <span class="sc">F. +Sjoerds</span> en anderen geen gewag.—Over andere +volksvertellingen der stichting van Groningen, zie men onder anderen +<span class="sc">West.</span>, p. 19.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4418" href="#xd20e4418src" name="xd20e4418">17</a></span> Men zie +ook wat <span class="sc">Bilderdyk</span>, <i>Geschied. des Vaderlands. +I.</i> 296 over de Sagen zegt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4433" href="#xd20e4433src" name="xd20e4433">18</a></span> Vergel. +<span class="sc">A. Matthæi</span> <i>veter. ævi Anal. T. +IV.</i> p. 9, de derde Ankomst der Fresen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4454" href="#xd20e4454src" name="xd20e4454">19</a></span> Bl. +6.—De Heer <span class="sc">Westendorp</span> zijne bronnen in +het I. deel van zijn Jaarboek nergens hebbende opgegeven, heb ik te +vergeefs gezocht naar den veranderden inhoud dier sage.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4463" href="#xd20e4463src" name="xd20e4463">20</a></span> Waarom +onze schrijver <i>Bruno</i> heeft verkiezen weg te laten, is mij een +raadsel, daar hij toch in alle andere kronijken mede zijne rol +speelt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4494" href="#xd20e4494src" name="xd20e4494">21</a></span> Achter +de <i>Oudheden en Gestichten van Vriesland</i> geplaatst, tot +aanvulling van vele onvermelde zaken in dit werk, in welks voorafspraak +bij de Friesche schrijvers luchtig beoordeelt. Hij verwerpt +<span class="sc">S. Petri</span>, <span class="sc">Furmerius</span>, +<span class="sc">Winsemius</span>, <span class="sc">Hamconius</span> en +<span class="sc">Zoeteboom</span>, en houdt zich aan <span class= +"sc">Emmius</span>, <span class="sc">Douza</span>, <span class= +"sc">Schotanus</span>, <span class="sc">Buchelius</span>, <span class= +"sc">Huetius</span> en <span class="sc">Alting</span>. <span class= +"sc">F. Sjoerds</span> komt met zijn oordeel zeer naauwkeurig overeen +in al wat <span class="sc">van Rhyn</span> geoordeeld heeft.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4541" href="#xd20e4541src" name="xd20e4541">22</a></span> Zie +gem. <i>Nabericht</i>, p. 350.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4553" href="#xd20e4553src" name="xd20e4553">23</a></span> Cf. +<span class="sc">M. B. v. Nidek</span>, <i>Anal. Medii aevi</i>, p. +140, drukfout voor 440.—</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4568" href="#xd20e4568src" name="xd20e4568">24</a></span> <i>Not. +Bat.</i> in voce <span class="ex">Frisii</span>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4578" href="#xd20e4578src" name="xd20e4578">25</a></span> Men +vergelijke voorts de <i>Chronyk</i> van <span class="sc">Eggerik +Beninga</span> in de <i>Ann.</i> van <span class= +"sc">Mattheus</span>.</p> +<p class="footnote">Onder verschillende schrijvers die over de Friezen +en derzelver oorsprong geschreven hebben, kwam mij als niet een der +geloofwaardigste voor, den minder bekenden en in <span class= +"sc">Mencker</span>’s <i>Gelerthen Lexicon</i>, door <span class= +"sc">Jöcher</span> uitgegeven, vermelden <span class="sc">Werner +Rolevink de Laer</span>, een Karthuizer Monnik te Keulen, uit Westfalen +geboortig. Hij bloeide omstreeks 1495, onderzocht vlijtig de H. +Schrift, leidde een godvruchtig leven en stierf in eenen hoogen +ouderdom. Deze heeft onder vele werken ook een ten titel voerende: +<i>De origine Frisionum</i> uitgegeven.—<span class="sc">Suffr. +Petri</span> in <i>Origine Frisionum</i> maakt gewag van hem op p. +237,—en <span class="sc">Furmerius</span> heeft bij het opstellen +zijner <i>Annales</i> gebruik van hem gemaakt.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4638" href="#xd20e4638src" name="xd20e4638">26</a></span> +<i>Friesch Jierboeckjen foar it jier 1831</i>, bl. XII en volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4653" href="#xd20e4653src" name="xd20e4653">27</a></span> Ook op +Texel stichtte Drusus een burgt, waarvan het bewijs nog aanwezig is in +den naam der hoofdplaats, terwijl grafheuvels en andere oudheden van +het verblijf der Romeinen in die streken getuigen.</p> +<p class="footnote">Waarschijnlijk is destijds de stad Grebbe gesticht, +welke gelegen heeft omtrent een half uur gaans benoorden Wieringen, aan +het tegenwoordig Amsteldiep. Omstreeks 1710 was er nog veel muurwerk +overig, en voorheen moet de massa van dat muurwerk ongelijk grooter +geweest zijn, vermits men om het midden der XVII eeuw zeer veel +duifsteen heeft opgehaald en met kagen naar Amsterdam +vervoerd.—Over het bestaan dezer stad is veel getwist en aan de +kronijkschrijvers <span class="sc">Twisk</span>, <span class= +"sc">Borger</span>, <span class="sc">Valkoog</span> en <span class= +"sc">Zoeteboom</span> voorheen (zoo als aan de oude Friesche kronijken) +allen geloof in dezen ontzegd; doch na de opsporingen en berigten van +<span class="sc">Paludanus</span> en anderen, in onzen leeftijd gedaan +en gegeven, is die twijfel opgehouden.—Dat Drusus in deze streken +dijken heeft aangelegd, is door de berigten en ontdekkingen van de +geleerde oudheidkundigen <span class="sc">A. Junius</span>, den Marquis +<span class="sc">de Saint Simon</span> en <span class="sc">R. +Paludanus</span> buiten twijfel gesteld.—<span class= +"sc">Scheltema</span>, <i>Geschiedenis der Zuiderzee</i>. M. S.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4700" href="#xd20e4700src" name="xd20e4700">28</a></span> Over +deze daad en het Brittenkruid vergelijke men <span class= +"sc">Plinius</span> XXV. 3. <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Fr. +Jaarb. I.</i> 125 en 126,—<i>Beschr. v. Fr<span class="corr" id= +"xd20e4715" title="Niet in bron">.</span> I.</i> 344. <span class= +"sc">Schotanus</span>, <i>Friesche Hist.</i> p. 8. <span class= +"sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> p. 14. <span class= +"sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. I.</i> 79. <span class="sc">H. +Cannegiet.</span> <i>Dissert. de Herba Brittanica</i> etc. p. +40.—<i>Tegenw. Staat van Friesl. I.</i> p. 19 volgg. en p. +126.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4761" href="#xd20e4761src" name="xd20e4761">29</a></span> +’t Zal met deze namen den <i>Romeinen</i>, als den lateren +<i>Franschen</i> met die van de Admiralen <span class="sc">Tjerk +Hiddes</span> en <span class="sc">van Duvenvoorde</span> gegaan zijn. +Dezen heetten zij <span class="sc">Kierkides</span> en <span class= +"sc">Vandenfort</span>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4802" href="#xd20e4802src" name="xd20e4802">30</a></span> Zie +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 203. <span class= +"sc">Schot</span>, <i>Fr. Hist.</i> bl. 26. <i>Tegenwoordige Staat van +Utrecht, I.</i> 13 volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4824" href="#xd20e4824src" name="xd20e4824">31</a></span> Ook +<span class="sc">Westendorp</span> (<i>Jaarb.</i> p. 16) heeft hier +geen licht verspreid, verklarende niet te weten, op welk gezag de +Jaarboekschrijvers van eenen inval der Noormannen in ’t jaar 90, +bij <span class="sc">F. Sjoerds</span> Gothen genoemd, +gewagen.—Dit punt verdiende mede een opzettelijk onderzoek, daar +men toch niet kan vooronderstellen, dat deze vermelde feiten, op +verschillende tijden geschied, uit de lucht gegrepen zouden zijn.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4848" href="#xd20e4848src" name="xd20e4848">32</a></span> Vergel. +<span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. I.</i> 220 en volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4885" href="#xd20e4885src" name="xd20e4885">33</a></span> +Vergelijk <span class="sc">Westendorp</span>, <i>Jaarb. van en over +Groningen</i>, p. 32 en volgg., zoo over deze als de opvolgende +tijdvakken, onder de regering der Koningen Radboud I, Adgillus II, +Gondebald en Radboud II., de laatste Koning over Friesland.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4916" href="#xd20e4916src" name="xd20e4916">34</a></span> +<span class="sc">Luden</span>, <i>Geschichte des Teutschen Volks</i>. +Een onwaardeerbaar boek!</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4928" href="#xd20e4928src" name="xd20e4928">35</a></span> +<span class="sc">Gaillard</span>, <i lang="fr">Histoire de +Charlemagne</i>. Niet een van de minsten, wat zijnen schrijftrant +betreft.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4976" href="#xd20e4976src" name="xd20e4976">36</a></span> Hoezeer +te dikwijls de kleine daden van groote mannen tot bouwstof moeten +dienen, om des Schrijvers historie met luister op te sieren, is echter +in de geschiedenis van dezen <i>Karel</i>, hoe dikwijls ook beschreven, +geen verdicht sieraad noodig: want altoos levert zij een grootsch +tafereel op van een merkwaardig Vorst, aan wien de wetenschappen en +letteren, maar vooral de vrijheid en onafhankelijkheid van geheel de +Christenheid, alles te danken hebben.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e4988" href="#xd20e4988src" name="xd20e4988">37</a></span> Over +deze en al de oude wegen in Oost-Friesland is eene zeer uitvoerige +beschrijving gegeven door <span class="sc">Fr. Arends</span>, in het +<i>Ostfrisisches Volks-Buch</i> van het jaar 1832, waarvan eene +gedeeltelijke vertaling door mij is gegeven, in het Mengelwerk der +Leeuwarder Courant.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5013" href="#xd20e5013src" name="xd20e5013">38</a></span> Men zie +hierover <span class="sc">Adam</span> en <span class= +"sc">Meijer</span>, <i>Römische Altherthümer</i>, II. D., en +vergelijke de <i>Aanteekeningen over het Oude Friesche Wapen</i>, in +het <i>Mengelw. Leeuw. Courant</i>, <i>20 Sept. 1831</i>. alwaar dit +breeder ontwikkeld is.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5200" href="#xd20e5200src" name="xd20e5200">39</a></span> +<span class="sc">Bilderdyk</span>, <i>Geslachtlyst</i> op het woord +<i>Adel</i>, zegt: het is slechts eene andere uitspraak van +<i>edel</i>; van <i>aad</i>, <i>oud</i>. Van deze meening moeten wij, +met anderen, verschillen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5243" href="#xd20e5243src" name="xd20e5243">40</a></span> Dit +Register is onder anderen te vinden bij <span class= +"sc">Winsemius</span>, <i>Chron.</i> fol. 402.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5252" href="#xd20e5252src" name="xd20e5252">41</a></span> +<i>Graven</i> waren Bestuurders namens den Vorst in de +Provinciën,—<i>Hertogen</i> waren +Legerhoofden,—<i>Baronnen</i> of <i>Baanderheeren</i> Hoofden van +een District—en <i>Heeren</i> Krijgsmannen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e5409" href="#xd20e5409src" name="xd20e5409">42</a></span> +<span class="sc">Tacitus</span> zegt: <i>Olennius</i> e primipilaribus +regendis Frisiis impositus.—De <i>Primipilares</i> behoorden tot +de eerste compagnie der Triariërs; vandaar <i>Primipilares</i> +scil. <i>Centurio</i>, de Hoofdman van die eerste compagnie: +<span class="sc">Stuart</span>, <i>Rom. Gesch. XXII</i>. noemt +<i>Olennius</i> een der eerste Hoplieden eener keurbende.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6378" href="#xd20e6378src" name="xd20e6378">43</a></span> Men +weet dat er over het bestaan van deze stad Grebbe bij de +oudheidkundigen is getwist. Aan de latere kronijkschrijvers +<span class="sc">Twisk</span>, <span class="sc">Borger</span>, +<span class="sc">Valkoog</span> en <span class="sc">Zoeteboom</span> +werd voorheen in dezen geloof ontzegd, doch na de opsporingen en +berigten van <span class="sc">Paludanus</span> en anderen, in onzen +leeftijd gedaan en gegeven, heeft de twijfel opgehouden. <span class= +"sc">Scheltema</span>, <i>Geschiedenis der Zuiderzee</i>. M.S.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6403" href="#xd20e6403src" name="xd20e6403">44</a></span> +<span class="sc">Westend.</span> <i>Jaarb.</i> spreekt in 662 van een +zwaren watervloed over <i>West-Friesland</i>. Deze heb ik niet kunnen +vinden; welligt is ’t eene drukfout voor 626.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6481" href="#xd20e6481src" name="xd20e6481">45</a></span> +<span class="sc">Westendorp</span>, <i>Jaarb.</i> p. 31 zegt: die +langer dan de <i>Spies</i> van Klotarius waren: dit zou nog al verschil +maken.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6660" href="#xd20e6660src" name="xd20e6660">46</a></span> Het is +beschreven onder anderen bij <span class="sc">Wins.</span> +<i>Chronique</i>, fol. 61; <span class="sc">West.</span> <i>Jaarb.</i> +p. 39. Vergel. <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Beschr. I.</i> +546.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6833" href="#xd20e6833src" name="xd20e6833">47</a></span> Over de +Graven en Hertogen vergelijke men <span class="sc">Bild.</span> +<i>Gesch. d. Vad. I.</i> 107 volgg.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6879" href="#xd20e6879src" name="xd20e6879">48</a></span> +Algemeen noemt men hem Lodewijk <i>den Vrome</i> doch <span class= +"sc">Bilderdijk</span> zegt (<i>Gesch. d. Vaderl. I.</i> 100. +<i>noot</i>), dat <i>pius</i> niet vroom beteekent, want dat vroom +eigenlijk is ’t geen de Romeinen <i>strenuus</i>, dapper, +noemen.—Beter noemden hem de Franschen, <i>le debonnaire</i>, de +Zachtmoedige.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e6995" href="#xd20e6995src" name="xd20e6995">49</a></span> +Uitgegeven te Leiden bij S. en J. Luchtmans, 1833.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7027" href="#xd20e7027src" name="xd20e7027">50</a></span> +<i>Gesch. d. Ned. Taal, II.</i> 136. De aanmerking van den Schrijver, +dat er in het woord <i>karelui</i> in den Neders. tekst door +onachtzaamheid of onkunde der afschrijvers een misslag begaan is, en +dit <i>Karelen</i> of <i>Karels</i> zal moeten zijn, zal ook in den +Duitschen tekst gelden, daar de Duitsche overzetter van <i>Karelui</i>, +<i>Karl-pfui</i> schijnt gemaakt te hebben.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7105" href="#xd20e7105src" name="xd20e7105">51</a></span> Zie de +Aanteek. op den jare 1239. <i>Fr. Jierb.</i> 1833, §§ 5 en +14; <span class="sc">Bild.</span> <i>Gesch. I.</i> 89, 92–94, 252 +en 296.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7183" href="#xd20e7183src" name="xd20e7183">52</a></span> +<span class="sc">Westendorp</span> maakt geen gewag van deze +Potestaten. Ook <span class="sc">Bild.</span> laat dit punt +onaangeroerd.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7469" href="#xd20e7469src" name="xd20e7469">53</a></span> De +Script. Frisiae, Dec. VII. C. 3 et Dec. XII. C. 6.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7705" href="#xd20e7705src" name="xd20e7705">54</a></span> Wij +hebben dit verhaal hoofdzakelijk getrokken uit een door den +geschiedkundigen <span class="sc">T. D. Wiarda</span> bewerkt stuk, +zamengesteld uit de Friesche en andere Kronijk- en Geschiedschrijvers, +benevens eenige Handschriften. Men vindt het in het Tijdschrift +<i>Ost-Friesische Mannigfaltigkeiten</i>, <i>3 Jahrgang</i>, +<i>Aurich</i>, 1786.—Waar het ons noodig dacht, hebben wij eenige +veranderingen en vermeerderingen gemaakt. <span class= +"sc">Wiarda</span> heeft alle zijne bronnen naauwkeurig aangewezen, +welke aanhalingen wij hebben achterwege gelaten, doch eenige +ophelderende aanteekeningen er bij gevoegd. In het <i>Mengelw. der +Leeuwarder Couranten</i> van 4 Junij, 6, 20 Aug. en 10 Sep. 1833, in +welke wij dit stuk als eene bijdrage geven, zijn de eersten te +vinden.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7759" href="#xd20e7759src" name="xd20e7759">55</a></span> De +meeste Geschiedschrijvers spreken van roode kruisen. Dit kan van dezen +eersten Kruistogt waar zijn; doch in de volgenden hebben voorzeker de +onderscheidene natiën zich door de kleuren kenbaar gemaakt. +»De Koning van Frankrijk neemt met de zijnen roode, de Koning van +Engeland met de zijnen witte, de Graaf van Vlaanderen met de zijnen +groene kruisen aan:”</p> +<p class="footnote"><b><i lang="la">Et Rex Franciae cum suis rubeas +cruces, Rex Angliae cum suis albas, Comis Flandrensis cum suis virides +suscipiunt.</i> <span class="sc">Andr. Sylv. Marcian</span>: <i>ad ann. +1188</i>.</b></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7807" href="#xd20e7807src" name="xd20e7807">56</a></span> +<span class="sc">Helmoldi</span> <i>Chron. Slav.</i> L. 2. C. 66. Dit +geval vindt men beter en omstandiger vermeld bij <span class="sc">F. +Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>, 361–363.—<span class= +"sc">Schotanus</span> zegt: »Onse reuck is stanck in hare +neus-gaten.”—</p> +<p class="footnote">Volgens <span class="sc">Ebert</span>, <i>Bibliogr. +Lexicon</i>, is de Kronijk van <i>Helmold</i> naar het H. S. te Lubeck +uitgegeven in den jare 1659, en met nooten voorzien door <i>H. +Bangertus</i> in quarto;—de eerste druk echter is van 1556.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7849" href="#xd20e7849src" name="xd20e7849">57</a></span> Van de +groote bijgeloovigheid dier tijden kan men zich bijna geen denkbeeld +maken. Het ontbrak in Friesland niet aan kruisen in de lucht: misschien +reeds de vliegeruitvinding, om het volk te verbijsteren. <span class= +"sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>, 491.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7862" href="#xd20e7862src" name="xd20e7862">58</a></span> Deze +<span class="sc">Olivier</span> werd in 1223 Bisschop te Paderborn en +in 1226 Kardinaal. Vid. <span class="sc">Nic. Schat</span>. <i>Hist. +Westph.</i> L. XX, p. 996 seq.—Deze <span class="sc">N. +Schaten</span> was een Jesuit in Westfalen, geboren 1608, heeft ook de +daden van Karel den Groote beschreven: zijne geschiedenis van Westfalen +kwam het eerst uit in 1690. <span class="sc">Ebert</span> in voce.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7882" href="#xd20e7882src" name="xd20e7882">59</a></span> +<span class="sc">K. Muchler</span>, <i>Abendzeitung</i>, <i>August.</i> +1831. <span class="sc">F. Sjoerds</span>, <i>Jaarb. II</i>, 492; +<span class="sc">J. C. Maier</span>, <i>Geschiedenis der +kruistogten</i>, p. 187.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7911" href="#xd20e7911src" name="xd20e7911">60</a></span> +Misschien van <span class="sc">Olivier</span> zelven, die den togt mede +gedaan, en ook eene <i>Historia Damiatina</i> (Geschiedenis van +Damiate) geschreven heeft. <span class="sc">Eccard</span> heeft in +<i>Corp. Hist. med. aevi</i> dezelve doen afdrukken. Het spijt mij, dat +mij dit werk, ’t welk ik hier met nut gebruiken kon, niet ten +dienste staat.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7934" href="#xd20e7934src" name="xd20e7934">61</a></span> Het +<i>Itinerarium</i> zegt van 12 schepen. <span class="sc">Emmius</span>, +die dit Itinerarium desgelijks in Mspt. (want het was toen nog niet +afgedrukt) voor zich had, spreekt van 212 schepen. Het eerste is zeker +eene drukfout. Ook in de <i>Wijsgeerige en Staatkundige Geschiedenis +der Wereld, van</i> <span class="sc">K. H. L. Pölitz</span>, door +<span class="sc">Wits. Geysbeek</span> vertaald, wordt slechts van 12 +schepen gemeld; dan volgens <span class="sc">F. Sjoerds</span>, +<i>Jaarb. II</i>, 493 en anderen, stak Graaf Willem met 12 schepen uit +de Maas in zee, wordende gevolgd van een groot aantal volks. Naar +Engeland overstekende, vereenigden zich de Hollandsche en Friesche +vloten met die der Engelschen, onder bevel van George, Grave van Wight, +welke vereenigde vloten uit 212 schepen zullen bestaan hebben.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e7961" href="#xd20e7961src" name="xd20e7961">62</a></span> Volgens +de woorden van <span class="sc">Emo’s</span> <i>Chronicon</i>: +(vid <span class="sc">Matth.</span> <i>Analecta vet. aev.</i> II, +26)—<i>Comes de Wetha Praedux totius classis est electus, +posteriore custodia Comiti Hollandiae deputata, quem Ducem et Dominum +jam totus sibi delegerat exercitus.</i>—was niet den Graaf van +Holland, maar den Graaf van Wieden het Opper-Admiraalschap +opgedragen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8015" href="#xd20e8015src" name="xd20e8015">63</a></span> Wij +willen hierbij voegen, hetgene voorkomt in het geslachtregister van +Friesche <i>Adellijke Familien</i>, opgemaakt door <span class="sc">S. +v. Adelen van Cronenburgh</span>, en vervolgd door <span class="sc">P. +van Albada ter Oele</span> (M. S.), betrekkelijk het Geslacht der +<i>Roordaas</i>, die eertijds in hun wapen mede rozen boven de baar +voerden, maar dit naderhand hebben veranderd.</p> +<p class="footnote">De oorzaak van deze verandering is dit: +»’t Is gebeurd ten tijde dat veel verscheidene Natiën, +gelijk de Friezen, in ’t H. Land waren getogen, om hetzelve uit +de handen en het geweld der Saracenen of Turken te verlossen, dat onder +anderen verscheidene Edellingen uit Friesland, ook die van het Geslacht +van <i>Roorda</i>, met de menigte aldaar zijn geweest, onder welke zoo +het gebeurde, tusschen de beide heiren van de Christenen en Saracenen, +dat er een uitnemend groot, stout en vaillant Moorsch Prins was uit het +Saraceensche heir, die voor het Christen-leger zeer hoogmoedig ging +braveeren, uitdagende aldaar een van de vaillantste Ridderen der +Christenen, om met hem een kampslag te slaan; zoo heeft er terstond een +stoutmoedige edele Fries uit het geslacht van <i>Roorda</i> verlof van +zijnen Prins begeerd, om met dezen man een kampslag te doen; ’t +welk hem toegestaan zijnde, is hij in het aanzien van beide legers +tegen dezen Moor in het veld getreden, en heeft aldaar zulk eene +forsigheid met feiten van wapens bedreven, dat hij ten laatste dezen +Moor heeft overweldigd, ter neêr gehouwen en onthoofd, het hooft +ook tot een teeken van victorien op de poot van zijn geweer naar het +Christen-leger triumphantlijk gebragt; alwaar hij bij alle de Prinsen, +Heeren en Ridders zeer loffelijk van zijne stoutmoedigheid zeer +geprezen, en mede Ridder geslagen en eerlijk ontvangen is. En is hem +ook, alsmede zijnen nakomelingen, tot een teeken en memorie van eene +zoo vrome daad, een <i>Moriaanshoofd</i> in zijn schild en wapens +vereerd, gelijk zijn geslacht nog tegenwoordig voert, benevens zeer +loffelijke brieven en attestatie met Prinsen en Heeren Zegelen +bevestigd.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8052" href="#xd20e8052src" name="xd20e8052">64</a></span> In het +<i lang="fr">Grand Theatre Historique, T. III</i>, p. 328 vindt men de +plaat van dit met eene zaag voorziene schip. De stad Haarlem eigent +zich dit schip toe. Men vindt daarom nog in de groote kerk zelfs een +model van dat schip. Ook maken er de Dokkumers aanspraak op. Zij hebben +er een model van tot windwijzer op den toren der groote kerk gemaakt. +<span class="sc">Idsinga</span>, <i>Staatsregt van Groningen</i>, p. +126.—<span class="sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. II</i>, +350.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8072" href="#xd20e8072src" name="xd20e8072">65</a></span> +<i>Meleddin</i> was de oudste zoon van den Sultan Saphaddin, die +gedurende het beleg van Damiate gestorven was<span class="corr" id= +"xd20e8076" title="Niet in bron">.</span></p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8123" href="#xd20e8123src" name="xd20e8123">66</a></span> De te +voren vermelde verovering der stad Damiate plaatst <span class= +"sc">Beninga</span> verkeerdelijk in het jaar 1229, in de Geschiedenis +dezes Kruistogts onder Frederik II.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8137" href="#xd20e8137src" name="xd20e8137">67</a></span> Dat zij +aan dezen Kruistogt geen deel genomen hebben, is genoegzaam zeker, want +op verzoek van den Koning Willem had de Kardinaal Caputio, namens den +Paus, de Friezen van hunnen Kruistogt naar het H. Land ontslagen, mits +zij Willem Aken hielpen veroveren, waarop zij bij gansche scharen naar +zijn leger optrokken, natuurlijkerwijze dezen togt ver de voorkeur +gevende, boven den meer verwijderden naar Palestina. Verg. <span class= +"sc">J. Meerman</span>, <i>Gesch. van Graaf Willem van Holland, Roomsch +Koning, I</i>. 263–264.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8148" href="#xd20e8148src" name="xd20e8148">68</a></span> Willem +is, gelijke bekend staat, en onze Kronijk zegt, niet in Friesland, maar +te Hoogwoude in Noord-Holland door de West-Friezen vermoord. Zie +<span class="sc">Meerman</span>, als voren. De opgave van <span class= +"sc">Wiarda</span> is dus hier onjuist. Vergelijk <span class= +"sc">Wagenaar</span>, <i>Vad. Hist. II</i>. 401; <span class= +"sc">Bilderdyk</span>, <i>Geschiedenis des Vaderlands, II</i>. 151, +152.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8203" href="#xd20e8203src" name="xd20e8203">69</a></span> Tot +dusver loopt het verhaal van <span class="sc">Wiarda</span>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8218" href="#xd20e8218src" name="xd20e8218">70</a></span> Zie het +slot van aangehaalde werk: <i>Proeve van eene Geschiedenis der +Kruistogten en derzelver gevolgen</i>, bl. 546, waarin echter zeer +uitroerig over de voordeelen en weinig over de nadeelen wordt +gesproken.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8227" href="#xd20e8227src" name="xd20e8227">71</a></span> Dit +uitmuntend werk is door den zeer kundigen <span class="sc">Steenbergen +van Goor</span> in den jare 1823 uit het Hoogduitsch vertaald en met +vele belangrijke aanmerkingen voorzien. Het gevoelen van dezen was het +volgende: »Dat <span class="sc">Europa</span> door de Kruistogten +veel geleden heeft, zal niemand ontkennen; maar dat het tevens door +dezelve in burgerlijke vrijheid, beschaving, verlichting, koophandel en +kunstvlijt veel, zeer veel heeft gewonnen, is onbetwistbaar. En nu +vrage men, of die voordeelen <i>destijds</i> voor eenen minderen prijs +te verkrijgen zouden geweest zijn?” Ook <span class= +"sc">Luden</span> in zijne <i>Allgemeine Geschichte der Völker und +Staaten des Mittelalters</i>, is ten dezen niet genoeg aan te +bevelen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8262" href="#xd20e8262src" name="xd20e8262">72</a></span> Verg. +<span class="sc">Styl</span>, <i>Opkomst en Bloei der Nederlanden</i>, +bl. 28; <i>Tegenwoordige Staat van Friesland, I</i>. 312; <span class= +"sc">West.</span>, <i>Jaarb. I</i>. 209; <span class= +"sc">Cerisier</span>, <i>Geschiedenis der Nederlanden, I</i>. 209.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8422" href="#xd20e8422src" name="xd20e8422">73</a></span> Verg. +<span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> bl. 92; <span class= +"sc">Egger</span>. <span class="sc">Beninga</span>, <i>Kronijk</i>, bl. +101; <span class="sc">Dumbar</span>, <i>Analecta, I</i>. 333.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e8908" href="#xd20e8908src" name="xd20e8908">74</a></span> Vergel. +<i>Gesch. des Vaderl. II</i>. 130, waar het anders had behooren vermeld +te zijn. Over de Bulle van Karel <i>Byv. en Aanm.</i> op <span class= +"sc">Wagenaar</span>, <i>I</i>. 107, en <span class="sc">A. +Kluit</span>, <i>Hist. der Holl. Staatsr. V</i>. 52, die het vrij zeker +stelt, dat voor den jare 1300 dat stuk bestond. Aantt. <i>O. Fr. +Wett.</i> 109, 112. Zie over den dood van Willem, onze noot op bl. 387, +<i>Tegenw. Staat, I</i>. 409 en 410.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9072" href="#xd20e9072src" name="xd20e9072">75</a></span> Op bl. +20 en 21; welk Geschiedverhaal met de andere Geschriften van +<span class="sc">Jancko Douwama</span> worden uitgegeven door het +<i>Provinciaal Genootschap ter beoefening der Friesche Geschied-, +Oudheid- en Taalkunde</i>, waarvan de eerste aflevering in den jare +1830 is uitgekomen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9160" href="#xd20e9160src" name="xd20e9160">76</a></span> Verg. +<span class="sc">H. W. Tydeman</span>, <i>Over de Hoeksche en +Kabeljaauwsche twisten</i>, bl. 111.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9173" href="#xd20e9173src" name="xd20e9173">77</a></span> +<span class="sc">Winsemius</span>, fol. 174: »Wat meer is die +oude gheschreven Chroniquen ghetuygen, dat door ’t selve quaedt +van tweedracht, die inghesetenen deser landen, nu in ryckdom ende +weelde sittende, alle hare macht aengheleyt te hebben tot stiftinghe +der Stinsen ende vasticheden, in sulcken aentale, dat in een Dorp +’t begrijp van dertich huysen, hebbende, <i>sesthien</i> Stinsen +uyt den ouden <i>Vrieschen</i> Steen gemaeckt (welcke van hardicheyt +een vlintsteen ghelyck was) ghevonden zyn.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9216" href="#xd20e9216src" name="xd20e9216">78</a></span> Over +het vroeger tijdvak en de gesloten verbonden en overeenkomsten zijn +belangrijk de <i>Monumenta Groningana veteris aevi inedita</i>, door +den geleerden <span class="sc">Keuchenius Driessen</span> uitgegeven, +en met uitnemende Aanteekeningen verrijkt; bijzonder zijne Aantt. op +bl. 335, 398, 475, 493, 797 en 831. Verg. <i>Iets over den Oorsprong en +de Partijnamen der Schieringers en Vetkoopers</i>, door den Heer +<span class="sc">P. Burggraaff</span>, in No. I van het <i>Tijdschrift +voor Onderwijzers</i>, die alleen als oorzaak der twisten beschouwt: +het ontstaan, de uitbreiding en het toenemend aanzien van den vierden +stand der maatschappij dien der burgers.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9703" href="#xd20e9703src" name="xd20e9703">79</a></span> In de +eerste druk van onze kronijk staat ook dit jaar vermeld.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9877" href="#xd20e9877src" name="xd20e9877">80</a></span> Dit H. +S. is de oorspronkelijke Grafelijke Rekening van den Heer Garbrand van +der Couster, Proost van Berghen in Henegouwen, ende Jorghel, mijns +Heeren Camerling, van ’t geen sy ontfaen hebben van mijnen lieven +Heere van Holland, toter reyze behoef van Oistvrieslant; verrekend en +gesloten op den 18 Maart 1396, hofstijl, d. i. 1397. Zie de uitmuntende +<i>Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen</i>, door den Archivarius +<span class="sc">de Jonge</span>, <i>I</i>. 30 en 31.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9889" href="#xd20e9889src" name="xd20e9889">81</a></span> +<span class="sc">Wagenaar</span>, <i>V. H. III</i>. 502.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e9900" href="#xd20e9900src" name="xd20e9900">82</a></span> +<span class="sc">de Jonge</span>, t. a. p.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10103" href="#xd20e10103src" name="xd20e10103">83</a></span> +<i>Hoveling.</i> De Edellieden, die op vaste burgten, sloten of stinzen +woonden, werden in Friesland <i>Hovelingen</i> genoemd. Verg. +<i>Archief voor Vaderl. en Vriesche Geschiedenis</i> van <span class= +"sc">Visser</span> en <span class="sc">Amersfoordt</span>, <i>Aant. +I</i>. bl. 25.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e10376" href="#xd20e10376src" name="xd20e10376">84</a></span> De +Geschiedschrijvers vermelden dit voorval breedvoerig: <span class= +"sc">O. v. Scharl</span>. quarto, bl. 245–247<span class="corr" +id="xd20e10381" title="Bron: .">;</span> <span class="sc">Wins.</span> +<i>Chron.</i> fol. 306; <span class="sc">Schot.</span> <i>Fr. Hist.</i> +fol. 372; <span class="sc">Gabbema</span>, <i>Verhaal van Leeuw</i>. +164; <span class="sc">Petr. Thaborita</span> op ’t jaar 1487; +<i>Kronijk en Beschrijving van de stad Sneek</i>, door <span class= +"sc">Napjus</span>, 2e dr. bl. 11, enz. De Heer <span class="sc">van +Halmael</span> heeft in een gedicht dit feit herdacht. Zie +<i>Mengelwerk der Leeuw. Courant, 20 April 1830</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11039" href="#xd20e11039src" name="xd20e11039">85</a></span> +Onder de oudere Schrijvers heeft de geleerde en verdienstelijke +Historieschrijver <span class="sc">Lambertus Hortensius</span> van +<span class="sc">Montfoort</span>, in zijn werk: <i lang="la">de +tumultu Anabaptistarum</i>, te Bazel in 1548 uitgegeven, van dit oproer +in Friesland een getrouw verslag gedaan. In de zeldzame Hollandsche +vertaling van 1659, in klein Octavo, versierd met fraaije plaatjes, is +ook eene afbeelding van de belegering des kloosters. <span class= +"sc">De Wind</span>, <i>Bibliotheek, I</i>. 150 noemt een’ druk +van 1660.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11143" href="#xd20e11143src" name="xd20e11143">86</a></span> Vele +oude kloosters, en ook het Convent Thabor, waren zeer uitgebreid en +groot gebouwd, zoodat zij zelfs een aantal krijgslieden konden bevatten +en verzorgen. Deze Schrijver verhaalt, dat zijn Convent de navolgende +gebouwen had: een Molkenhuis, Bakhuis, Waschhuis, Schoenmakershuis, +Poorthuis, Bouwhuis, Timmerhuis (welligt met het Bouwhuis hetzelfde), +Koehuis, Molkenhuis, Brouwhuis, Ziekenhuis, verscheidene Dormters, +slaapplaatsen der Geestelijken en Leeken, eene Kloosterkerk, Sacristij, +Capittelhuis enz., voorts Binnenhof, Tuin, Bosch en Boomgaard.—De +bewoners waren Geestelijken, Leeken, Priesters en Monniken: Beambten +waren er velen, als Bouwmeester, Opzigter, Kellener, Molkenmeester, +Portier, Biermeester enz., terwijl er voor de gewone behoeften een +aantal bedienden nodig waren.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11369" href="#xd20e11369src" name="xd20e11369">87</a></span> Deze +<i>Memorien</i> zijn eerst uitgegeven in 1564, daarna door <span class= +"sc">Dumbar</span> in zijne <i>Analecta</i> geplaatst, met vele +bijgevoegde aanteekeningen, uithoofde dit werk uiterst zeldzaam was +geworden. Zie Aantt. op bl. 182 der kronijk.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11391" href="#xd20e11391src" name="xd20e11391">88</a></span> De +titel is: <span class="sc">Joannis Caroli</span> <i>de rebus</i> +<span class="sc">Casparis</span> <i>â</i> <span class= +"sc">Robles</span> <i>Billaei in Frisia gestis commentariorum Libri +IV</i>. De Schrijver, geboren te Antwerpen in de laatste helft der XVI +eeuw, was lid van den Grooten Raad te Mechelen, uithoofde van welke +betrekking hij in den jare 1567 in Friesland kwam, en Algemeen +Geregtsverzorger (Procureur Generaal) werd. Hij legde daarna zijne +ambten neder, werd Franciskaner Monnik, doch stierf nog voor het einde +van zijn proefjaar in 1598.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11514" href="#xd20e11514src" name="xd20e11514">89</a></span> +<i>Bara-Huis</i>, <i>Bara-Stins</i> en <i>Bara-Conven</i>t +waarschijnlijk dus genoemd naar den naam des stichters, die even +onbekend is als den tijd waarin de stichting heeft plaats gehad. Men +kan echter voor zeker stellen, dat de Middelzee nog in volle kracht +was, toen de bouwing heeft plaats gehad. In de burgeroorlogen der +Friesche partijen werden er <i>meene dagen</i>, vergaderingen en +bijeenkomsten, gehouden. Twee boereplaatsen zijn aldaar nu aanwezig, +waarvan de eene waarschijnlijk op den bouwval van het Convent zal zijn +aangelegd, en in de tweede boerderij, aan den straatweg gelegen, wordt +de naam nog bewaard.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11539" href="#xd20e11539src" name="xd20e11539">90</a></span> +<i>Staatkundig Nederland, I.</i> 49. Aldaar wordt ook melding gemaakt +van de marmeren poort van Viglius, voorzien met zijne spreuk: <i>Vita +mortalium Vigilia</i> (het leven der stervelingen is eene nachtwake), +geplaatst in de voorzaal der Kanselarij. Doch dit was zij weleer, want +ook dit eerwaardig gedenkstuk der oudheid moest in de algemeene +vernietiging deelen.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11550" href="#xd20e11550src" name="xd20e11550">91</a></span> Deze +redevoering is uitgesproken in een Letterkundig Genootschap te +Amsterdam na 1795, en na ’s mans dood gedrukt en uitgegeven, door +de zorg van den verdienstelijken Hoogleeraar <span class="sc">H. W. +Tydeman</span>, in de <i>Mnemosijne</i>, XIV Deel.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11567" href="#xd20e11567src" name="xd20e11567">92</a></span> Deze +Verhandeling, in het openbaar uitgesproken, is daarna geplaatst in het +<i>Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van 23 en 30 Maart 1830</i>.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11639" href="#xd20e11639src" name="xd20e11639">93</a></span> Zie +<i>de Unie van Brussel des jaars 1577, naar het oorspronkelijke +uitgegeven</i> door Mr. <span class="sc">J. C. de Jonge</span>, bl. 95 +en 166–169.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11675" href="#xd20e11675src" name="xd20e11675">94</a></span> Zie +<i>het Cort Verhael van Rennenburgs leven</i>, op bl. 469–473 +zijner <i>Memorien</i>. Dit geschrift heeft hoofdzakelijk tot bouwstof +gediend voor de Schrijvers van den <i>Tegenwoordige Staat van Stad en +Lande, I</i>. 420 tot 502, bevattende Rennenberg’s geschiedenis; +voor <span class="sc">van Meteren</span>, in het breede ’t beleg +van Steenwijk vermeldende en voor <span class="sc">Wagenaar</span> over +dit tijdvak, welke ook schijnt te betwijfelen: »of hem de kwaade +uitslag zyns bedryfs niet meer dan de snoodheid en ’t verraad +gesmert hebbe.”</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e11832" href="#xd20e11832src" name="xd20e11832">95</a></span> Van +dit Huwelijk wordt bij <span class="sc">Winsemius</span>, <span class= +"sc">Wagenaar</span> en anderen geene melding gemaakt. <span class= +"sc">Kok</span>, <i>Vaderl. Woordenb.</i> zegt dat Graaf Willem niet +getrouwd is geweest. Wij hebben ook misstellingen en veel verschil in +de dagteekeningen ontdekt, en daarom de opschriften der grafzerken, zoo +ver vermeld, gevolgd. Men vergelijke onder anderen over deze en de +volgende Stadhouders <span class="sc">Johannes van den Bosch</span>, +<i>de Heeren Stadhouderen van Vriesland</i>,—<i>beschreven</i>, +enz.;—<i>de Redevoering van</i> <span class="sc">A. G. +Camper</span>, bij de inhuldiging van Vrieslands Athenaeum +uitgesproken, met het eerste bijvoegsel, en <i>Holland’s +Roem</i>, door den Baron <span class="sc">Collot d’Escury</span>, +<i>IV</i>. <i>Aantt.</i> bl. 220, 221.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12064" href="#xd20e12064src" name="xd20e12064">96</a></span> Over +de begraving der Vorstelijke Familiën, zie de Noot op den jare +1620.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12096" href="#xd20e12096src" name="xd20e12096">97</a></span> Uit +eene verzameling van eigenhandige en vertrouwelijke Brieven van den +Stadhouder, geschreven van de jaren 1734 tot 1747, aan zijnen Vriend en +Raadsman den Heere <i>van der Mieden</i>, Raadsheer in het Hof van +Holland, mij goedgunstig door deszelfs Neef, Mr. <i>J. Schonck</i>, +Raad in het Hoog Geregtshof te ’s Gravenhage, medegedeeld, blijkt +des Vorsten uitnemend karakter. Ook is deze hoogst belangrijke +Correspondentie tevens bevattende een aantal eigenhandige brieven van +Prinses Anna, den Baron H. van Aylva, den Hertog Lodewijk van +Brunswijk, den Opperstalmeester Grovestins, den Secretaris van Prinses +Anna, de Larrey en anderen, voor de geschiedenis van dien tijd van +hooge waarde.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12443" href="#xd20e12443src" name="xd20e12443">98</a></span> In +ons Gewest bleef echter van die invoering tot op den huidigen dag een +gebruik over, bij anderen niet aangenomen, zijn oorsprong ontleenende +uit het verschil van dagen, door den Ouden en Nieuwen Stijl ontstaan. +Alle verhuringen en verhuizingen hebben plaats op den 12 Mei, niet op +den eersten; zoo komen alle dienstboden op den 12 Mei en 12 November, +welke dagen men <i>oude Mei</i> en <i>oude Allerheiligen</i> noemt, in +hunne diensten; dit gebruik is gewettigd geworden bij eene nadere +Publicatie der Provinciale Staten van 29 Januarij 1701. Men verkoopt en +verhuurt de Zathen en Landen enz. te aanvaarden, voor de landen St. +Petri, dat is den 5 Maart, (oude Sint Pieter), en voor de huizinge en +schuur den 12 Mei; overigens rigt men zich in alles naar den gewonen +Gregoriaanschen Almanak.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e12680" href="#xd20e12680src" name="xd20e12680">99</a></span> In +de nagelatene Adversaria van een’ onzer verdienstelijke Friesche +Geleerden, vond ik nog deze aanteekening op het woord <span class= +"sc">Grietman</span>: »De geregtelijke tweegevechten werden +gehouden in eene plaats het <i>Krijtveld</i> genaamd. <i>Kryt</i> staat +voor het Hoogd. <i>griet</i> of <i>gries</i>, (gruis), dat volgens +<span class="sc">Veit Weber</span>, <i>Sagen der Vorzeit</i>, B. 11. p. +101, beteekent het <i>Steenzand</i>, waarmede de kampplaats wordt +bestrooid. Kan de benaming <i>Grietman</i> hiervan ook eenig licht +erlangen? Hij zoude dan oorspronkelijk de Opziener over zulk eene +Regterlijke kampplaats, Hoofd van zulk eene Regtspleging geweest zijn, +en het zou dan eigenlijk hetzelfde beteekenen als in de Oude Wetten +’t woord <i>grieswart</i>, <i>grieswärtel</i>, +<i>tournooivoogd</i>, of volgens nog ouder schrijfwijs +<i>greiswärtel</i>. Zie <span class="sc">Haltaus</span>, <i>Gloss. +Germ. med. aev.</i> p. 753, die hetzelve drie beteekenissen toekent, +welke met die waardigheid overeenkomen. Het woord <i>greta</i>, waarvan +het afgeleid wordt bij <span class="sc">Beyma</span>, is, meen ik, +oorspronkelijk ook alleen gebruikt van <i>oproeping</i> of +<i>dagvaarding ten kampstrijd</i>; (si vacat, hoc ulterius +demonstrabo).”</p> +<p class="footnote">»<span class="sc">Huydecoper</span> op +<span class="sc">Melis Stoke</span>, <i>III</i>. 54, legt <i>krijt</i> +uit door <i>kring</i> (kreis, kreits), doch ten aanzien van onze +gissing over den oorsprong van het Woord <i>Grietman</i> is dit +hetzelfde.”</p> +<p class="footnote">B. A.</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div id="register" class="div1 index"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e12826" class="main">Register op de Bijvoegsels en +Aanteekeningen.</h2> +<div class="transcribernote indextoc"><a href="#xd20e12830">A</a> | +<a href="#xd20e13045">B</a> | <a href="#xd20e13170">C</a> | <a href= +"#xd20e13220">D</a> | <a href="#xd20e13286">E</a> | <a href= +"#xd20e13311">F</a> | <a href="#xd20e13463">G</a> | <a href= +"#xd20e13605">H</a> | <a href="#xd20e13699">I</a> | <a href= +"#xd20e13749">K</a> | <a href="#xd20e13880">L</a> | <a href= +"#xd20e13980">M</a> | <a href="#xd20e14097">N</a> | <a href= +"#xd20e14116">O</a> | <a href="#xd20e14166">P</a> | <a href= +"#xd20e14272">R</a> | <a href="#xd20e14363">S</a> | <a href= +"#xd20e14483">T</a> | <a href="#xd20e14541">U</a> | <a href= +"#xd20e14571">V</a> | <a href="#xd20e14645">W</a> | <a href= +"#xd20e14809">Y</a> | <a href="#xd20e14820">Z</a></div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e12830" class="main">A.</h3> +<p class="firstpar"><i>Abdena</i>, <a href="#pb424" class= +"pageref">424</a>.<br> +<i>Addinga</i>, <a href="#pb428" class="pageref">428</a>.<br> +Adel, <a href="#pb319" class="pageref">319</a>.<br> +<i>Adelen</i>. (<i>Ad. v</i>.), <a href="#pb353" class= +"pageref">353</a>.<br> +<i>Adgillus</i>, <a href="#pb333" class="pageref">333</a>, <a href= +"#pb335" class="pageref">335</a>, <a href="#pb340" class= +"pageref">340</a>,-2.<br> +<i>Adolf</i>, <a href="#pb443" class="pageref">443</a>.<br> +Aflaten, <a href="#pb416" class="pageref">416</a>.<br> +<i>Agricola</i>, <a href="#pb428" class="pageref">428</a>.<br> +<i>Aytta</i>, <a href="#pb446" class="pageref">446</a>.<br> +Aylva. (<i>H. W. v.</i>), <a href="#pb457" class="pageref">457</a>.<br> +Aken, <a href="#pb386" class="pageref">386</a>,-7, <a href="#pb404" +class="pageref">404</a>.<br> +<i>Alb. Agnes</i>, <a href="#pb455" class="pageref">455</a>,-6, +<a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Ameland, <a href="#pb357" class="pageref">357</a>, <a href="#pb458" +class="pageref">458</a>.<br> +<i>Amelia</i>, <a href="#pb456" class="pageref">456</a>,-7.<br> +<i>Anna</i>, <a href="#pb465" class="pageref">465</a>.<br> +<i>Anna v. Gr. Br</i>, <a href="#pb460" class="pageref">460</a>,-2.<br> +<i>Anna. v. Saks</i>, <a href="#pb452" class="pageref">452</a>.<br> +<i>Anna Sophia</i>, <a href="#pb453" class="pageref">453</a>, <a href= +"#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +<i>Anscharius</i>, <a href="#pb352" class="pageref">352</a>.<br> +<i>Aremberg</i>, <a href="#pb443" class="pageref">443</a>.<br> +Arianen, <a href="#pb353" class="pageref">353</a>.<br> +<i>Arundelius</i>, <a href="#pb334" class="pageref">334</a>.<br> +<i>Auckama</i>, <a href="#pb429" class="pageref">429</a>.<br> +Aula Dei, <a href="#pb326" class="pageref">326</a>.<br> +Austrachia, <a href="#pb470" class="pageref">470</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13045" class="main">B.</h3> +<p class="firstpar">Baduhenna, <a href="#pb323" class= +"pageref">323</a>.<br> +Bara-Huis, <a href="#pb446" class="pageref">446</a>.<br> +Barden, <a href="#pb287" class="pageref">287</a>, <a href="#pb326" +class="pageref">326</a>.<br> +Begraafplaats, <a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Beker, <a href="#pb422" class="pageref">422</a>, <a href="#pb448" +class="pageref">448</a>.<br> +Berlikum, <a href="#pb361" class="pageref">361</a>.<br> +Bernard. (Kerk v. St.), <a href="#pb404" class="pageref">404</a>.<br> +Bestand. (1348), <a href="#pb418" class="pageref">418</a>.<br> +Bier-Oproer, <a href="#pb429" class="pageref">429</a>.<br> +Bolsward, <a href="#pb405" class="pageref">405</a>.<br> +<i>Bonifacius</i>, <a href="#pb343" class="pageref">343</a>.<br> +<i>Botnia</i>, <a href="#pb398" class="pageref">398</a>.<br> +Bouwkunstenaar, <a href="#pb393" class="pageref">393</a>.<br> +Brieven, <a href="#pb439" class="pageref">439</a>, <a href="#pb446" +class="pageref">446</a>, <a href="#pb461" class="pageref">461</a>.<br> +Brittenkruid, <a href="#pb300" class="pageref">300</a>.<br> +<span class="pagenum">[<a id="pb476" href="#pb476" name= +"pb476">476</a>]</span> Bulle v. <i>Karel</i>, <a href="#pb351" class= +"pageref">351</a>, <a href="#pb404" class="pageref">404</a>.<br> +Buskruid, <a href="#pb421" class="pageref">421</a>.<br> +Bussen, <a href="#pb421" class="pageref">421</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13170" class="main">C.</h3> +<p class="firstpar"><i>Carel Chr</i>, <a href="#pb463" class= +"pageref">463</a>.<br> +<i>Carolina</i>, <a href="#pb462" class="pageref">462</a>.<br> +<i>Carolus</i>, <a href="#pb445" class="pageref">445</a>.<br> +Catze, <a href="#pb426" class="pageref">426</a>.<br> +<i>Clovis</i>, <a href="#pb332" class="pageref">332</a><span class= +"corr" id="xd20e13209" title="Niet in bron">.</span><br> +<i>Cunerus Petri</i>, <a href="#pb444" class="pageref">444</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13220" class="main">D.</h3> +<p class="firstpar"><i>Dagobert</i>, <a href="#pb339" class= +"pageref">339</a>.<br> +<i>Dijkhuizen</i> (<i>H. v.</i>), <a href="#pb425" class= +"pageref">425</a>.<br> +Dokkenburg, <a href="#pb328" class="pageref">328</a>.<br> +Dokkum, <a href="#pb328" class="pageref">328</a>.<br> +<i>Douwama</i>, <a href="#pb436" class="pageref">436</a>.<br> +<i>Draaksdorp</i>, <a href="#pb433" class="pageref">433</a>.<br> +Drinkuitsma, <a href="#pb423" class="pageref">423</a>.<br> +<i>Drusus</i>, <a href="#pb283" class="pageref">283</a>, <a href= +"#pb299" class="pageref">299</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13286" class="main">E.</h3> +<p class="firstpar">Egils-saga, <a href="#pb362" class= +"pageref">362</a>.<br> +<i>Ernst Cas</i>, <a href="#pb453" class="pageref">453</a>, <a href= +"#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Esonstad, <a href="#pb331" class="pageref">331</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13311" class="main">F.</h3> +<p class="firstpar">Fjouwer lott. enz., <a href="#pb433" class= +"pageref">433</a>.<br> +<i>Floorken dunn’ bier</i>, <a href="#pb437" class= +"pageref">437</a>.<br> +<i>Floris II</i>, <a href="#pb393" class="pageref">393</a>.<br> +<i>Floris v. Egm</i>, <a href="#pb437" class="pageref">437</a>.<br> +Fokke-sloot, <a href="#pb426" class="pageref">426</a>.<br> +<i>Folkerts</i>, <a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +<i>Forteman</i>, <a href="#pb352" class="pageref">352</a>.<br> +<i>Fox</i>, <a href="#pb431" class="pageref">431</a>.<br> +Foxhol, <a href="#pb432" class="pageref">432</a>.<br> +Franeker, <a href="#pb398" class="pageref">398</a>, <a href="#pb432" +class="pageref">432</a>.<br> +Fraterhuis, <a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +<i>Fred. Hendrik</i>, <a href="#pb455" class="pageref">455</a>.<br> +<i>Frederika S. W.</i>, <a href="#pb463" class="pageref">463</a>.<br> +<i>Fresinga</i>, <a href="#pb444" class="pageref">444</a>,-9.<br> +Friesland. (Prins. over), <a href="#pb286" class="pageref">286</a>.<br> +Friesland. (Staat v.), <a href="#pb281" class="pageref">281</a>.<br> +Friezen. (Gesch. der), <a href="#pb299" class="pageref">299</a>.<br> +Friezen. (Kruist. der), <a href="#pb365" class="pageref">365</a>.<br> +Friezen. (Oors. d.), <a href="#pb289" class="pageref">289</a>, <a href= +"#pb291" class="pageref">291</a>.<br> +<i>Frisiabones</i>, <a href="#pb329" class="pageref">329</a>.<br> +Froonakker, <a href="#pb397" class="pageref">397</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13463" class="main">G.</h3> +<p class="firstpar"><i>Gaykinga’s</i>, <a href="#pb437" class= +"pageref">437</a>.<br> +<i>Galama’s</i>, <a href="#pb393" class="pageref">393</a>,-8.<br> +<i>Ganzevoort</i>, <a href="#pb430" class="pageref">430</a>.<br> +Gebed der Saks, <a href="#pb348" class="pageref">348</a>.<br> +<i>Georg</i> (Hertog), <a href="#pb436" class="pageref">436</a>.<br> +Geregtshof, <a href="#pb433" class="pageref">433</a>.<br> +Geschut, <a href="#pb421" class="pageref">421</a>.<br> +Geuzennapjes, <a href="#pb443" class="pageref">443</a>.<br> +Godsakker, <a href="#pb397" class="pageref">397</a>.<br> +Gods-Hof, <a href="#pb326" class="pageref">326</a>.<br> +Goteling, <a href="#pb463" class="pageref">463</a>.<br> +<span class="pagenum">[<a id="pb477" href="#pb477" name= +"pb477">477</a>]</span> Goutum, <a href="#pb423" class= +"pageref">423</a>.<br> +Graaf v. Holl, <a href="#pb418" class="pageref">418</a>.<br> +Graafschappen, <a href="#pb344" class="pageref">344</a>.<br> +Grafkelder, <a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Grebbe, <a href="#pb300" class="pageref">300</a>.<br> +Grietman, <a href="#pb471" class="pageref">471</a>.<br> +<i>Groote</i> (<i>Ger</i>.), <a href="#pb430" class="pageref">430</a>, +<a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +Gulden. (Arends-), <a href="#pb424" class="pageref">424</a>.<br> +Gulden. (Goud-), <a href="#pb436" class="pageref">436</a>.<br> +Gulden. (Koppens-), <a href="#pb424" class="pageref">424</a>.<br> +Gulden. (Rijnse), <a href="#pb436" class="pageref">436</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13605" class="main">H.</h3> +<p class="firstpar">Hanzee-verbond, <a href="#pb416" class= +"pageref">416</a>.<br> +Harns, <a href="#pb364" class="pageref">364</a>.<br> +<i>Hend. Cas. I</i>, <a href="#pb454" class="pageref">454</a>, <a href= +"#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +<i>Hend. Cas. II</i>, <a href="#pb456" class="pageref">456</a>, +<a href="#pb465" class="pageref">465</a>.<br> +<i>Heng. en Hors</i>, <a href="#pb331" class="pageref">331</a>.<br> +Hertogen, <a href="#pb327" class="pageref">327</a>.<br> +Hof. (Oude), <a href="#pb326" class="pageref">326</a>.<br> +Hongersnood, <a href="#pb406" class="pageref">406</a>.<br> +<i>Hooft</i>, <a href="#pb449" class="pageref">449</a>.<br> +Hoorn. (Friesche), <a href="#pb318" class="pageref">318</a>.<br> +<i>Hopper</i>, <a href="#pb445" class="pageref">445</a>.<br> +Horspil, <a href="#pb413" class="pageref">413</a>.<br> +Hovelingen, <a href="#pb424" class="pageref">424</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13699" class="main">I. J.</h3> +<p class="firstpar"><i>Jarges</i>, <a href="#pb424" class= +"pageref">424</a>.<br> +Jezuiten, <a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +<i>Joh. Mauritz</i>, <a href="#pb466" class="pageref">466</a>.<br> +<i>Joh de Oude</i>, <a href="#pb452" class="pageref">452</a>.<br> +<i>Joh. W. Friso</i>, <a href="#pb457" class="pageref">457</a>,-8, +<a href="#pb465" class="pageref">465</a>.<br> +Islegouwe, <a href="#pb344" class="pageref">344</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13749" class="main">K.</h3> +<p class="firstpar">Kapellanen, <a href="#pb473" class= +"pageref">473</a>.<br> +<i>Karel de Dikke</i>, <a href="#pb355" class="pageref">355</a>.<br> +<i>Karel de Gr</i>, <a href="#pb316" class="pageref">316</a>, <a href= +"#pb344" class="pageref">344</a>, <a href="#pb350" class= +"pageref">350</a>.<br> +<i>Karel v. Hess.-C</i>, <a href="#pb459" class="pageref">459</a>.<br> +<i>Karel de Kale</i>, <a href="#pb357" class="pageref">357</a>.<br> +<i>Karel V</i>, <a href="#pb436" class="pageref">436</a>,-7.<br> +Kastelein, <a href="#pb398" class="pageref">398</a>.<br> +Kerk. (Groote), <a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Klaarkamp, <a href="#pb396" class="pageref">396</a>.<br> +Klif. (’t Roode), <a href="#pb322" class="pageref">322</a>.<br> +Klipschild, <a href="#pb351" class="pageref">351</a>.<br> +Kloosters, <a href="#pb357" class="pageref">357</a>, <a href="#pb395" +class="pageref">395</a>,-6, <a href="#pb405" class="pageref">405</a>, +<a href="#pb440" class="pageref">440</a>.<br> +<i>Klotaris</i>, <a href="#pb339" class="pageref">339</a>.<br> +<i>Koenraad III</i>, <a href="#pb395" class="pageref">395</a>.<br> +Kronijkschrijvers, <a href="#pb287" class="pageref">287</a>.<br> +Kruistogten, <a href="#pb365" class="pageref">365</a>.<br> +Kuit, <a href="#pb429" class="pageref">429</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13880" class="main">L.</h3> +<p class="firstpar"><i>Lalaing</i>, <a href="#pb448" class= +"pageref">448</a>.<br> +Leeuwarden, <a href="#pb397" class="pageref">397</a>.<br> +Leges Fris, <a href="#pb344" class="pageref">344</a>.<br> +Lem, <a href="#pb333" class="pageref">333</a>.<br> +<i>Lengen</i> (<i>A. v.</i>), <a href="#pb425" class= +"pageref">425</a>.<br> +<i>Liauckama</i> (<i>E.</i>), <a href="#pb417" class= +"pageref">417</a>.<br> +Lidlum, <a href="#pb396" class="pageref">396</a>.<br> +<span class="pagenum">[<a id="pb478" href="#pb478" name= +"pb478">478</a>]</span> <i>Lodew. de Duitscher</i>, <a href="#pb354" +class="pageref">354</a>.<br> +<i>Lodew. de Jongere</i>, <a href="#pb355" class="pageref">355</a>.<br> +<i>Lodew. ’t Kind</i>,356.<br> +<i>Lodew. de Vrome</i>, <a href="#pb345" class="pageref">345</a>.<br> +<i>Ludger</i>, <a href="#pb347" class="pageref">347</a>.<br> +Ludingakerk, <a href="#pb395" class="pageref">395</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e13980" class="main">M.</h3> +<p class="firstpar"><i>Malen</i>. (<i>J. R. v. d.</i>), <a href= +"#pb470" class="pageref">470</a>.<br> +<i>Malorix</i>, <a href="#pb302" class="pageref">302</a>, <a href= +"#pb324" class="pageref">324</a>.<br> +<i>Marcellus</i>, <a href="#pb343" class="pageref">343</a>.<br> +<i>Maria Amelia</i>, <a href="#pb459" class="pageref">459</a>.<br> +<i>Maria v. Hong</i>, <a href="#pb438" class="pageref">438</a>.<br> +<i>Maria Louisa</i>, <a href="#pb458" class="pageref">458</a>,-9, +<a href="#pb465" class="pageref">465</a>.<br> +Mariengaard, <a href="#pb396" class="pageref">396</a>, <a href="#pb418" +class="pageref">418</a>.<br> +Marken, <a href="#pb418" class="pageref">418</a>.<br> +<i>Martena</i>, <a href="#pb415" class="pageref">415</a>.<br> +<i>Maryke-Mui</i>, <a href="#pb459" class="pageref">459</a>.<br> +Medemblik, <a href="#pb329" class="pageref">329</a>.<br> +Menschen-offers, <a href="#pb341" class="pageref">341</a>.<br> +<i>Merode</i>, <a href="#pb451" class="pageref">451</a>.<br> +Middelzee, <a href="#pb284" class="pageref">284</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14097" class="main">N.</h3> +<p class="firstpar">Noord-Holland, <a href="#pb329" class= +"pageref">329</a>.<br> +Noormann, <a href="#pb326" class="pageref">326</a>, <a href="#pb355" +class="pageref">355</a>, <a href="#pb362" class="pageref">362</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14116" class="main">O.</h3> +<p class="firstpar">Offeren, <a href="#pb402" class= +"pageref">402</a>.<br> +<i>Olennius</i>, <a href="#pb301" class="pageref">301</a>, <a href= +"#pb323" class="pageref">323</a>.<br> +Ostagiers, <a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Overlever, <a href="#pb291" class="pageref">291</a>, <a href="#pb346" +class="pageref">346</a>, <a href="#pb362" class="pageref">362</a>.<br> +Overzigt, <a href="#pb298" class="pageref">298</a>.<br> +<i>Ovo</i>, <a href="#pb341" class="pageref">341</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14166" class="main">P.</h3> +<p class="firstpar">Palesloot, <a href="#pb426" class= +"pageref">426</a>.<br> +Patele, <a href="#pb318" class="pageref">318</a>, <a href="#pb413" +class="pageref">413</a>.<br> +Persona, <a href="#pb473" class="pageref">473</a>.<br> +Pest, <a href="#pb466" class="pageref">466</a>.<br> +<i>Petri</i>. (<i>Cun.</i>), <a href="#pb444" class= +"pageref">444</a>.<br> +<i>Pier</i>. (<i>Groote</i>), <a href="#pb435" class= +"pageref">435</a>.<br> +<i>Pinckert</i>, <a href="#pb429" class="pageref">429</a>.<br> +Portretten, <a href="#pb426" class="pageref">426</a>, <a href="#pb465" +class="pageref">465</a>.<br> +Potestaten, <a href="#pb352" class="pageref">352</a>.<br> +<i>Predrinus</i>, <a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +<i>Priester-Jan</i>, <a href="#pb343" class="pageref">343</a>.<br> +Priors, <a href="#pb473" class="pageref">473</a>.<br> +Proosten, <a href="#pb473" class="pageref">473</a>.<br> +Putsma, <a href="#pb423" class="pageref">423</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14272" class="main">R.</h3> +<p class="firstpar">Raad. (Hooge), <a href="#pb432" class= +"pageref">432</a>.<br> +<i>Radboud</i>, <a href="#pb310" class="pageref">310</a>, <a href= +"#pb316" class="pageref">316</a>.<br> +Regtbank, <a href="#pb432" class="pageref">432</a>.<br> +<i>Reide.</i> (<i>Th. v.</i>), <a href="#pb425" class= +"pageref">425</a>.<br> +<i>Reinalda</i>, <a href="#pb397" class="pageref">397</a>.<br> +<i>Reinier v. Wins</i>, <a href="#pb442" class="pageref">442</a>.<br> +<i>Rennenberg</i>, <a href="#pb448" class="pageref">448</a>.<br> +<i>Ridserd</i>, <a href="#pb334" class="pageref">334</a>.<br> +<i>Robles</i>, <a href="#pb444" class="pageref">444</a>.<br> +Rome, <a href="#pb350" class="pageref">350</a>.<br> +Roorda, <a href="#pb379" class="pageref">379</a>. <span class= +"pagenum">[<a id="pb479" href="#pb479" name="pb479">479</a>]</span></p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14363" class="main">S.</h3> +<p class="firstpar">Sagen, <a href="#pb291" class="pageref">291</a>, +<a href="#pb346" class="pageref">346</a>, <a href="#pb362" class= +"pageref">362</a>.<br> +<i>Scharl.</i> (<i>O. v.</i>), <a href="#pb287" class= +"pageref">287</a>, <a href="#pb359" class="pageref">359</a>.<br> +Schelde, <a href="#pb281" class="pageref">281</a>.<br> +Schenkinsma, <a href="#pb423" class="pageref">423</a>.<br> +Schieringers, <a href="#pb406" class="pageref">406</a>.<br> +<i>Sjaerdema’s</i>, <a href="#pb402" class="pageref">402</a>, +<a href="#pb426" class="pageref">426</a>.<br> +Sincfal, <a href="#pb281" class="pageref">281</a>.<br> +<i>Sophia Hedwich</i>, <a href="#pb455" class="pageref">455</a>, +<a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +Sprinkhanen, <a href="#pb357" class="pageref">357</a>.<br> +Stadhouders, <a href="#pb452" class="pageref">452</a>.<br> +Stapelregt, <a href="#pb427" class="pageref">427</a>.<br> +Stavo, <a href="#pb322" class="pageref">322</a>.<br> +<i>Stavoren</i>. (<i>Kopp. v</i>.), <a href="#pb359" class= +"pageref">359</a>.<br> +Stijl. (O. en N.), <a href="#pb466" class="pageref">466</a>.<br> +<i>Stortenbeker</i>, <a href="#pb422" class="pageref">422</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14483" class="main">T.</h3> +<p class="firstpar"><i>Tadema</i>, <a href="#pb349" class= +"pageref">349</a>.<br> +<i>Taijkama</i>, <a href="#pb398" class="pageref">398</a>.<br> +Thabor. (Convent), <a href="#pb440" class="pageref">440</a>.<br> +<i>Thabor</i>. (<i>P. v</i>.), <a href="#pb440" class= +"pageref">440</a>.<br> +<i>Thabor</i>. (<i>W. v</i>.), <a href="#pb440" class= +"pageref">440</a>.<br> +Teisterband, <a href="#pb341" class="pageref">341</a>.<br> +Tempelschatting, <a href="#pb398" class="pageref">398</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14541" class="main">U.</h3> +<p class="firstpar">Uitgong, <a href="#pb361" class= +"pageref">361</a>.<br> +<i>Uken</i>, <a href="#pb424" class="pageref">424</a>.<br> +<i>Uko</i>, <a href="#pb425" class="pageref">425</a>.<br> +Upstalsboom, <a href="#pb399" class="pageref">399</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14571" class="main">V.</h3> +<p class="firstpar">Vergraven, <a href="#pb283" class= +"pageref">283</a>, <a href="#pb336" class="pageref">336</a>.<br> +<i>Verritus</i>, <a href="#pb302" class="pageref">302</a>, <a href= +"#pb324" class="pageref">324</a>.<br> +Vetkoopers, <a href="#pb406" class="pageref">406</a>.<br> +<i>Viglius</i>, <a href="#pb446" class="pageref">446</a>.<br> +<i>Vlytarp</i>, <a href="#pb359" class="pageref">359</a>.<br> +Volksliedje, <a href="#pb420" class="pageref">420</a>.<br> +Volksverh, <a href="#pb291" class="pageref">291</a>, <a href="#pb346" +class="pageref">346</a>, <a href="#pb362" class="pageref">362</a>.<br> +Vossehol, <a href="#pb432" class="pageref">432</a>.<br> +Vredeverd. (1348), <a href="#pb418" class="pageref">418</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14645" class="main">W.</h3> +<p class="firstpar">Waarden, <a href="#pb330" class= +"pageref">330</a>.<br> +Wapens, <a href="#pb317" class="pageref">317</a>, <a href="#pb379" +class="pageref">379</a>.<br> +Watervloeden, <a href="#pb334" class="pageref">334</a>.<br> +Wederdoopers, <a href="#pb437" class="pageref">437</a>.<br> +Weerdenbras, <a href="#pb433" class="pageref">433</a>.<br> +<i>Westerman</i>, <a href="#pb358" class="pageref">358</a>.<br> +Westrachia, <a href="#pb470" class="pageref">470</a>.<br> +Wetten, <a href="#pb344" class="pageref">344</a>.<br> +<i>Wiarda</i>, <a href="#pb423" class="pageref">423</a>.<br> +Wiarda-State, <a href="#pb423" class="pageref">423</a>.<br> +<i>Willebrod</i>, <a href="#pb343" class="pageref">343</a>.<br> +<i>Willem I</i>, <a href="#pb452" class="pageref">452</a>.<br> +<i>Willem III</i>, <a href="#pb457" class="pageref">457</a>,-8.<br> +<i>Willem IV</i>, <a href="#pb460" class="pageref">460</a>,-5.<br> +<i>Willem V</i>, <a href="#pb463" class="pageref">463</a>.<br> +<i>Willem</i> (Graaf), <a href="#pb417" class="pageref">417</a>.<br> +<i>Willem Georg Fr</i>, <a href="#pb457" class="pageref">457</a>, +<a href="#pb465" class="pageref">465</a>.<br> +<i>Willem Frederik</i>, <a href="#pb455" class="pageref">455</a>, +<a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +<span class="pagenum">[<a id="pb480" href="#pb480" name= +"pb480">480</a>]</span> <i>Willem Lod</i>, <a href="#pb452" class= +"pageref">452</a>, <a href="#pb464" class="pageref">464</a>.<br> +<i>Winsum</i>. (<i>R. v</i>.), <a href="#pb442" class= +"pageref">442</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14809" class="main">Y.</h3> +<p class="firstpar">Ylst, <a href="#pb405" class="pageref">405</a>, +<a href="#pb416" class="pageref">416</a>.</p> +</div> +<div class="div2"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h3 id="xd20e14820" class="main">Z.</h3> +<p class="firstpar">Zwarte Hoop, <a href="#pb432" class= +"pageref">432</a>, <a href="#pb434" class="pageref">434</a>.<br> +Zwene, <a href="#pb281" class="pageref">281</a>.</p> +</div> +</div> +<div id="drukfouten" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<h2 id="xd20e14836" class="main">Drukfouten.</h2> +<p lang="nl" class="firstpar transcribernote">De expliciet aangegeven +drukfouten zijn in deze editie van de tekst verbeterd.</p> +<div class="table"> +<table> +<tr valign="top"> +<td valign="top">Op Bladz. 66,</td> +<td valign="top" colspan="3">281 tot 372, komt meermalen in den 2den en +3den naamval voor: Karel den Groote; ook Lodewijk den Vrome, +Godvruchtige, Jongere, Karel den Dikke, den Kale; men voege achter +’t bijv. naamwoord eene n.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">284</td> +<td valign="top">staat:</td> +<td valign="top">Barradeel, lees: Baarderadeel.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top"><i>Bijdragen tot de Gesch</i>. lees: <i>Nasporingen +betrekkelijk de Gesch</i>.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">327</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">dat men onder die waardigh. lees: dat die +waardigheid.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">336</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">1178 lees: 1170.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">367</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">bij hunne aanwer-een ving, lees: bij hunne aanwerving, +een.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">415</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">der landbouw, lees: van den landb.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">439</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top"><i>weauctoriseert</i>, » +<i>geauctoriseert</i>.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top">» »</td> +<td valign="top">448</td> +<td valign="top">»</td> +<td valign="top">Heer van Velle, » Heer van Ville.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td valign="top" colspan="4">De Bladz. 391 is verkeerdelijk gemerkt +191.</td> +</tr> +</table> +</div> +<p>De Lezer gelieve geringere drukfeilen, als: Friesen voor Friezen, +<i>Firsiabones</i> voor <i>Fris</i>.; <span class="sc">Theutonista voor +Teuthon</span>.; geene voor geen; noordwaards voor noordwaarts of +dergelijken over het hoofd te zien.</p> +</div> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<ul> +<li><a href="#voorberigt">Voorberigt.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e159">I</a></span></li> +<li><a href="#kronyk">Friesche Kronyk.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e356">1</a></span> +<ul> +<li><a href="#zevenprinsen">De Heeren, onder welks Gebied de Friesen +van tyd tot tyd geweest zyn.: I. Onder zeven Prinsen.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e374">2</a></span></li> +<li><a href="#zevenhertogen">II. Onder zeven Hertogen.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e596">17</a></span></li> +<li><a href="#negenkoningen">III. Onder negen Koningen.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e796">30</a></span></li> +<li><a href="#vreemdeheren">IV. Vreemde Heeren.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e1048">50</a></span></li> +<li><a href="#landsheeren">V. Landsheeren, of +Potestaaten.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e1150">59</a></span></li> +<li><a href="#erfheeren">VI. Erfheeren.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2146">134</a></span> +<ul> +<li><a href="#albrecht">1. Albrecht, Hertog van Saxen.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2149">134</a></span></li> +<li><a href="#k6.2">2. Georg, Hertog van Saxen.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2204">140</a></span></li> +<li><a href="#bourgandien">2. het Huis van Bourgondien.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2298">151</a></span> +<ul> +<li><a href="#karel5">1. Karel de Vyfde.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e2301">151</a></span></li> +<li><a href="#philippus2">2. Philippus de Tweede, Koning van +Spanje.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e2486">164</a></span></li> +</ul> +</li> +</ul> +</li> +<li><a href="#stadhouders">VII. Stadhouders der +Staaten.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e2737">191</a></span></li> +</ul> +</li> +<li><a href="#landverdeeling">Landverdeeling van +Friesland.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e3634">272</a></span> +<ul> +<li><a href="#oostergo">I. Oostergo.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e3669">275</a></span></li> +<li><a href="#westergo">II. Westergo.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e3700">277</a></span></li> +<li><a href="#zevenwouden">III. Zevenwouden.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e3725">279</a></span></li> +</ul> +</li> +<li><a href="#bijvoegsels">Bijvoegsels en +Aanteekeningen.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e3769">281</a></span></li> +<li><a href="#register">Register op de Bijvoegsels en +Aanteekeningen.</a><span class="tocPagenum"><a class="pageref" href= +"#xd20e12826">475</a></span></li> +<li><a href="#drukfouten">Drukfouten.</a><span class= +"tocPagenum"><a class="pageref" href="#xd20e14836">480</a></span></li> +</ul> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> +<p class="firstpar">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen +overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de +Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a class= +"exlink" title="Externe link" href= +"http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie +team op <a class="exlink" title="Externe link" href= +"http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> +<p>De tekst van dit boek, dat in 1677 voor het eerst verscheen wordt +toegeschreven aan de Friese taalpedagoog Johannes Hilarides.</p> +<p>Deze tekst is gebaseerd op scan beschikbaar gemaakt door Google +(<a class="exlink" title="Externe link" href= +"http://books.google.nl/books?id=Zgs-AAAAYAAJ">1</a>, <a class="exlink" +title="Externe link" href= +"http://books.google.nl/books?id=tKQBAAAAYAAJ">2</a>; Kopie op het +<a class="exlink" title="Externe link" href= +"http://www.archive.org/details/itaadefrieschet00leeugoog">Internet +Archive</a>).</p> +<p>Een alternative kopie is beschikbaar bij <a class="exlink" title= +"Externe link" href= +"http://www.wumkes.nl/index.php?volg=1&id=43">wumkes.nl</a>.</p> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p class="firstpar">Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is +geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in +het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd +met het corr-element.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2010-08-20 Begonnen.</li> +</ul> +<h3 class="main">Externe Referenties</h3> +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn +dat deze links voor u niet werken.</p> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%" summary= +"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e406">5</a></td> +<td class="width40">ge-genoemt</td> +<td class="width40">genoemt</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e496">12</a></td> +<td class="width40">verachtelyde</td> +<td class="width40">verachtelyke</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e501">12</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40"><sup>e</sup></td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e579">17</a></td> +<td class="width40">plonderde</td> +<td class="width40">plonderden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e630">19</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e814">31</a></td> +<td class="width40">versloegze</td> +<td class="width40">versloeg ze</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e829">31</a></td> +<td class="width40">Schuilpaatsen</td> +<td class="width40">Schuilplaatsen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e846">33</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e852">33</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e875">34</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1098">53</a></td> +<td class="width40">Fries-gestelt</td> +<td class="width40">Friesland gestelt</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1162">61</a></td> +<td class="width40">aaangeteekent</td> +<td class="width40">aangeteekent</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1645">95</a></td> +<td class="width40">instorte</td> +<td class="width40">instortte</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1915">116</a></td> +<td class="width40">doodgegeslagen</td> +<td class="width40">doodgeslagen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2077">128</a></td> +<td class="width40">ordre</td> +<td class="width40">orde</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2290">150</a></td> +<td class="width40">zeinschepen</td> +<td class="width40">zeilschepen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2406">157</a></td> +<td class="width40">,</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2746">192</a></td> +<td class="width40">lang</td> +<td class="width40">langs</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2751">192</a></td> +<td class="width40">ge-geslagen</td> +<td class="width40">geslagen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2806">197</a></td> +<td class="width40">verdroken</td> +<td class="width40">verdronken</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2842">201</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2849">202</a></td> +<td class="width40">kauon</td> +<td class="width40">kanon</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2878">206</a></td> +<td class="width40">ouder</td> +<td class="width40">onder</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3007">219</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3844">284</a></td> +<td class="width40">Barradeel</td> +<td class="width40">Baarderadeel</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3889">284</a></td> +<td class="width40">Ypey</td> +<td class="width40">Ypeij</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3893">284</a></td> +<td class="width40">Bijdragen tot</td> +<td class="width40">Nasporingen betrekkelijk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3983">286</a></td> +<td class="width40">Shwartzenberg</td> +<td class="width40">Schwartzenberg</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4232">290</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href= +"#xd20e4715">n.v.t.</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4913">311</a></td> +<td class="width40">«</td> +<td class="width40">»</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e5496">324</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">:</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e5599">325</a></td> +<td class="width40">Aanhanzel</td> +<td class="width40">Aanhangzel</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e5771">327</a></td> +<td class="width40">dat men onder die</td> +<td class="width40">dat die</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6091">331</a></td> +<td class="width40">verwer-werpen</td> +<td class="width40">verwerpen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6130">332</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6143">332</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6713">342</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6873">345</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6933">346</a></td> +<td class="width40">twaalve</td> +<td class="width40">twaalvde</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6955">347</a></td> +<td class="width40">vermeld</td> +<td class="width40">vermeldt</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6964">347</a></td> +<td class="width40">,</td> +<td class="width40">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7058">349</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7164">352</a></td> +<td class="width40">onstaan</td> +<td class="width40">ontstaan</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7420">358</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7756">367</a></td> +<td class="width40">aanwer-een ving,</td> +<td class="width40">aanwerving, een</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7774">367</a></td> +<td class="width40">-</td> +<td class="width40">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7797">370</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e7983">375</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8002">378</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8005">378</a></td> +<td class="width40">Syrie</td> +<td class="width40">Syrië</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8076">382</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8079">382</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8082">382</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8172">387</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8189">389</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8192">389</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8197">390</a></td> +<td class="width40">Middellansche</td> +<td class="width40">Middellandsche</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8337">393</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8351">393</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8479">396</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8486">396</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8718">399</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8726">400</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e8832">402</a></td> +<td class="width40">achsten</td> +<td class="width40">achtsten</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9148">409</a></td> +<td class="width40">zeggende,</td> +<td class="width40">zeggen),</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9151">409</a></td> +<td class="width40">,</td> +<td class="width40">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9205">412</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9236">412</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9394">414</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9509">415</a></td> +<td class="width40">serkste</td> +<td class="width40">sterkste</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9513">415</a></td> +<td class="width40">der landbouw</td> +<td class="width40">van den landbouw</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9657">417</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9945">422</a></td> +<td class="width40">;</td> +<td class="width40">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e9947">422</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e10381">429</a></td> +<td class="width40">.</td> +<td class="width40">;</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e10913">436</a></td> +<td class="width40">belangrijkst</td> +<td class="width40">belangrijkste</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e11081">439</a></td> +<td class="width40">weauctoriseert</td> +<td class="width40">geauctoriseert</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e11115">440</a></td> +<td class="width40">welligtaf komstig</td> +<td class="width40">wellicht afkomstig</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e11230">443</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e11634">448</a></td> +<td class="width40">Velle</td> +<td class="width40">Ville</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e11905">453</a></td> +<td class="width40">het het</td> +<td class="width40">het</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12005">457</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">:</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12078">460</a></td> +<td class="width40">andederen</td> +<td class="width40">anderen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12138">463</a></td> +<td class="width40">den den</td> +<td class="width40">den</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12199">463</a></td> +<td class="width40">de</td> +<td class="width40">De</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12302">464</a></td> +<td class="width40">Frederïk</td> +<td class="width40">Frederik</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12413">467</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e12570">470</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e13209">476</a></td> +<td class="width40">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40">.</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's It aade Friesche Terp, by Johannes Hilarides + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP *** + +***** This file should be named 33563-h.htm or 33563-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/3/5/6/33563/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. (This book was produced from scanned images of +public domain material from the Google Print project.) + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/old/33563-h/images/book.png b/old/33563-h/images/book.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..963d165 --- /dev/null +++ b/old/33563-h/images/book.png diff --git a/old/33563-h/images/external.png b/old/33563-h/images/external.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ba4f205 --- /dev/null +++ b/old/33563-h/images/external.png |
