summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/33563-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '33563-0.txt')
-rw-r--r--33563-0.txt13413
1 files changed, 13413 insertions, 0 deletions
diff --git a/33563-0.txt b/33563-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..24a3e39
--- /dev/null
+++ b/33563-0.txt
@@ -0,0 +1,13413 @@
+The Project Gutenberg eBook of It aade Friesche Terp, by Johannes Hilarides
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: It aade Friesche Terp
+ of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen
+
+Author: Johannes Hilarides
+
+Editor: J. van Leeuwen
+
+Release Date: August 28, 2010 [eBook #33563]
+[Most recently updated: January 6, 2023]
+
+Language: Dutch
+
+Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg. (This book was produced from scanned images of
+public domain material from the Google Print project.)
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP ***
+
+
+
+
+ IT AADE FRIESCHE TERP
+
+ of
+
+ Kronyk
+ der Geschiedenissen van de
+ Vrye Friesen:
+
+ met
+ Bijvoegsels en Aanteekeningen.
+
+ van
+ J. van Leeuwen,
+ Griffier van de Regtbank te Leeuwarden.
+
+
+
+ te Leeuwarden, bij
+ J. Proost.
+
+ 1834.
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERIGT.
+
+
+In den jare 1677 werd te Leeuwarden uitgegeven de eerste druk dezer
+Kronijk ander den titel:
+
+
+ IT AADE FRIESCHE TERP,
+ Vertoonende
+ DE FRYE FRIESEN,
+
+ in haar Oorsprong, Opkomst en Voortgang: Als Landsbestiering,
+ Waapenhandel, Krychsdaaden, Weetenschap, Vreemde voorvallen, Yver
+ voor de Vryheit, Afgooderye, Godsdienst en Landstreek.
+
+ In 't gemeen bij een gehoopt,
+
+ Voor de Liefhebbers der Vryheit.
+
+
+Op dezen druk, beginnende met het jaar 313 voor Christus geboorte
+en eindigende 1677, volgde een tweede, uitgegeven te Haarlem 1743,
+getiteld: It aade Friesche Terp, of Kronyk der Geschiedenissen van de
+Vrye Friesen, met een Bijvoegsel gaande tot de geboorte van Willem
+Karel Hendrik Friso. Daarna zijn er nog twee Uitgaven in het licht
+verschenen de eerste te 's Gravenhage 1746 en de laatste te Leeuwarden
+bij Chalmot 1771, welke beiden als een tweede druk worden vermeld en,
+uitgezonderd het titelblad, ook letterlijk van inhoud zijn als die
+van 1743. Deze tweede druk is behalve het Bijvoegsel aanmerkelijk
+vermeerderd en aangevuld met een aantal gebeurtenissen, tot Friesland
+en Groningen betrekking hebbende, welke in de eerste druk niet zijn
+vermeld, terwijl taal, stijl en spelling naar het gebruik van dien tijd
+zijn veranderd. Het Motto, op de keerzijde des titels of op den titel
+zelven geplaatst, was het gezegde van Aeneas Silvius of Paus Pius II:
+Een Fries weigert niet voor de Vrijheid zelfs in de dood te gaan.
+
+Ofschoon ook deze Kronijk met de gewone sprookjes, fabelen en wonderen
+uit den ouden tijd is voorzien, bevat zij echter een beknopt verhaal
+van de meest belangrijke voorvallen uit de verschillende Friesche
+Geschiedschrijvers getrokken. Wie echter de Schrijvers of Opstellers
+zijn geweest is mij niet gebleken.
+
+Uit hoofde dit boekje van tijd tot tijd zeldzamer was geworden, komende
+de eerste druk bijna nimmer voor, ondernam de Boekhandelaar Proost
+alhier eene nieuwe Uitgave, noodigde mij uit die te willen verzorgen,
+en er tevens zoodanige Aanteekeningen en Bemerkingen bij te voegen,
+als voor de beoefening en opheldering der Friesche Historie, bijzonder
+over de XV eerste eeuwen, nuttig en dienstig zouden kunnen zijn. Aan
+dit verzoek voldoende, meende ik den tweeden druk der Kronijk in
+deze Uitgave getrouw te moeten volgen, mij alleen veroorlovende de
+ongelijkheid in de spelling, en de te groote afwijking hier en daar
+in de taal wat te verbeteren.
+
+Bij het doorlezen der kronijken, geschiedboeken, en andere schriften
+heb ik voor de Bijvoegsels en Aantekeningen, daaruit overgenomen of
+kortelijk aangestipt, wat mij voor mijn oogmerk belangrijk toescheen
+en dienen kon de Geschiedenis toe te lichten. Als een hoofddoel van
+dezen arbeid heb ik getracht den minder geoefenden tot eigen onderzoek
+en nasporing den weg aan te wijzen, weshalve ik al de Schrijvers en
+Geschriften naauwkeurig heb aangeteekend, in welken de uitvoeriger
+behandeling der zaken te vinden is, en de geschiedenis beter wordt
+voorgesteld. Ben ik in deze mijne poging, om anderen van nut te zijn,
+ten deele geslaagd, meer voldoening begeer ik niet.
+
+Over de waarde en geloofwaardigheid der oude kronijken en
+geschiedverhalen heb ik met een enkel woord mijne meening gezegd,
+en mijne stelling blijven verdedigen, dat aan dezelven daarom zoo
+weinig gezag wordt toegekend, omdat zij nimmer oordeelkundig zijn
+onderzocht en met de nog vele voorhanden zijnde bronnen vergeleken;
+dat geen Schrijver van lateren tijd, de Geschiedenis der Friezen ter
+harte heeft genomen, waardoor zij dus bij velen onbekend gebleven,
+bij anderen opzettelijk is achterwege gelaten; en dat men te ver
+is gegaan om door het Werk van Ubbo Emmius, die als de Feniks aller
+Geschiedschrijvers, gelijk Dousa hem noemt, gehuldigd werd, Frieslands
+Historie voor voldongen te houden, daar hij geen kritiesch onderzoek
+in het werk heeft kunnen stellen, als verstoken van de noodige
+hulpmiddelen en bronnen. Niet dat ik de waarde van dezen te regt
+hooggeschatten Schrijver wil verkleinen of iets nieuws voortbrengen,
+daartoe is mijne kennis te gering: evenmin wil ik als een voorstander
+van de leer der oude kronijken met hunne fabels en wonderen beschouwd
+worden; maar het is alleen om aan te toonen hoe verkeerd men handelt
+onvoorwaardelijk het gezag van anderen te volgen, en zonder eigen
+overweging en grondig onderzoek onze oude Schrijvers te verwerpen. En
+dit is niet mijn oordeel alleen, hetwelk op de ondervinding steunt;
+maar vele geleerde en schrandere mannen, zoo als: v. Schwartzenberg,
+Ypeij, Visser, Amersfoordt, Westendorp, v. Halmael en anderen, die de
+Friesche Historie bestudeerden, hebben in hunne geschriften ditzelfde
+beweerd, tevens de noodzakelijkheid betoogende, welke er sinds lang
+heeft bestaan, om de zeer belangrijke Geschiedenis van dit Gewest
+van de vroegste tijden af beter te leeren kennen, te onderzoeken en
+waarderen, zoodat eene zorgvuldige en oordeelkundige beschrijving,
+naar den geest en de smaak des tegenwoordigen tijd ingerigt, allezins
+wenschelijk ware. Daartoe heb ik reeds in den jare 1827 alle mijne
+pogingen in het werk gesteld, en een plan, hetwelk veel belangstelling,
+aanmoediging en ondersteuning, ook bij den Heere Staatsraad,
+Gouverneur en Gedeputeerde Staten van dit Gewest, heeft gevonden,
+tot stand trachten te brengen, dan door omstandigheden, geheel van
+mij onafhankelijk, is hetzelve onvolvoerd gebleven [4]. Een gelijk
+lot heeft een tweede Ontwerp van den Heer van Halmael en mij, tot
+de Uitgave van een Geslacht- en Wapenboek van den Adel in Friesland,
+een werk hoogst gewigtig voor de Geschiedenis, moeten ondergaan. Ik
+heb alzoo mijnen wil getoond, en daar ik tot geene Uitgaven op eene
+andere dan de door mij voorgestelde wijze besluiten kan, laat ik het
+nu aan ieder wie het luste over, om ter liefde voor de Geschiedenis,
+ter wille onzer Landgenooten en ten nutte voor de Nakomelingschap
+hunne middelen aan te wenden, hopende dat zij met een beter gevolg
+in de erkende behoefte [5] en den algemeenen wensch van hen, die de
+wetenschappen op prijs stellen, mogen voorzien.
+
+Voor het Titelplaatje koos ik de aloude adellijke State van den
+Potestaat Wiarda te Goutum, thans het eigendom van en bewoond
+door de Familie v. Cammingha, welke met Martena-State te Cornjum,
+bijna de eenigen zijn, die, in den voorvaderlijken tijd gesticht,
+nog de algemeene slooping zijn ontkomen; want ook Tjaerda-Stins
+te Rinsumageest zal spoedig, naar het voorbeeld van Liauckama
+te Sexbierum, Hania te Holwerd, Holdinga te Anjum, Nieuw-Botnia
+te Franeker en zoo vele anderen binnen weinige jaren vernietigd,
+in eene puinhoop verkeeren.
+
+
+ Den 11 Junij 1834.
+
+ J. van Leeuwen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+FRIESCHE KRONYK.
+
+
+Friesland, een van de zeven Vereenigde Nederlandsche Provintien zynde,
+legt aan de noordooster zyde van de Zuiderzee en Fliestroom, die het
+van Westfriesland afscheid: aan 't noordwesten word het bedekt van de
+Wadden, tusschen de Vooreilanden van de Noordzee, als Ter Schelling,
+Ameland en Schiermunniks Oog. Het riviertje de Lawers verdeelt het van
+de Groninger Ommelanden: van daar naar de zuidzyde is de Drenthe en
+het Stigt van Overyzel, loopende bij de Kuinder aan de Zuiderzee. Maar
+met de verdeelinge dezer landstreek willen wy den leezer niet ophouden.
+
+Van ouds was de wydte van zijne landpaalen vry verder uitgestrekt,
+als loopende van den Ouden Rhyn, die door Leyden aan Utrecht langs
+vloeyende, by Katwyk in zee uitliep: begrypende den geheelen zeekant
+en de Zuiderzee, diestyds noch droog zynde, tot aan den Eiderstroom,
+die het van Jutland afsnyd. Aan de landzyde van Westfalen, Overyzel,
+Gelderland, tot het Ryk van Nieumegen en Utrecht, binnen zyne grenzen.
+
+Welke alle door verscheidene vyanden en andere voorvallen, als by
+lappen afgescheurd zynde, het boven geschreven lapje land, zyne
+vryheid, te gelyk met den naam van Friesland, zonder bystelling van
+Oost of West, wel yverigst verdedigt hebben. [6]
+
+Dat is van 't Land, welks Inwoonderen de stoffe van ons schryven zal
+zyn, naar het gemeenzaamste gevoelen byeen gesteld, als hier na volgt.
+
+
+
+ De Heeren, onder welks Gebied de
+ Friesen van tyd tot tyd
+ geweest zyn.
+
+I. ONDER ZEVEN PRINSEN. [7]
+
+
+Het 313de jaar voor dat onze Zaligmaker geboren wierd, was de tyd dat
+Frieso, de eerste Prins van Friesland, en Voorganger der Stichters,
+door welke dit ons Vaderland eerst bevolkt wierd, hier te lande kwam:
+dat zich dusdaniger wyze heeft toegedragen.
+
+Als die roemruchtige en groote Alexander, die in het bloeyenste van zyn
+jeugd het meerendeel van Asia overweldigde, kreeg hy toeloop van veele
+volkeren, die hy of overwonnen hadde, of in die gewesten huis hielden;
+om zyne gelukkige wapenen tot zo veele spoedige overwinningen te
+helpen bevorderen. Onder deze vrywillige krygers waren zommige van de
+voornaamsten uit Persien, en hunne onderhoorige Saxen (Sacæ) de minsten
+niet. Dewelke, na dat Alexander overleden was, en die voorige verheerde
+[8] volkeren, door zijner Nazaaten oneenigheid, de handen ruim kregen,
+vreesden dat het hun t'eeniger tyd mogte gewrooken worden: zy maaken
+derhalve een besluit, om met malkanderen, naar de wyze van dien tyd,
+een veiliger land tot hun wooninge op te zoeken. Hunne Geleiders waren
+Frieso en Saxo, om hunne gezelligheid gebroeders gezegt, en eigentlyk
+zo genaamt, of naar den volksnaam van hunne landslieden zo bekent:
+welker eerste Persiaanen, en de andere hun gebuuren, uit de woestyn,
+die nu Belor heet, gemeenlyk Indiaanen genoemt zyn; om datze van ouds,
+allen die naar 't Oosten woonden, den naam van Indiaanen gaven. Des
+zij tot hunnen sleep [9] een vloot van 300 zeilen toetakelden, en
+staken 'er mede af van het land van Cilicien, in Notalia of kleen
+Asia, gelegen in de Zwarte Zee. Van waar zy, wonderlyk omkruissende,
+door verscheidene woeste zeën heen slingerden, tot dat zy eindelyk, na
+veele ondervindingen en verlies van de meeste schepen, met slechts 54
+stuks in de Oostzee zyn vervallen; en waar van 12 op het eiland Rugen,
+en 18 in Pruissen zijn aangeland: de overige 24 den Fliestroom (welke
+de Roomsche Schryvers den derden Mond des Rhyns noemen) inzeilende,
+hebben dit gewest, dat nu van hunnen naam Friesland genaamt word,
+aangedaan, landende ten west Staveren op de Kreil, daar nu de volle
+zee voor Enkhuizen is: alwaar zy, geen menschen vindende, en na zo een
+kommerlyk omzwerven, het eerste stand greepen, en die plaatze den naam
+gaven van Staden. Daar Frieso ook een Vryhuis voor de vlugtelingen
+bouwde, zelve een weinig oostelyker optrok, en een stad bouwde, die
+naderhand Staveren genaamt wierd. Doch als in het volgende jaar de
+zomer hoogde, [10] kwamen de Swaaven, die hier 's zomers huis hielden
+en 's winters landwaards in weeken, om de overwateringen van de zwaare
+stormen: want het land was doe noch met geen dyken omheinigt. Deze,
+om datze ruuwe en onervaarene krygslieden waren, zyn ligtelyk van
+de Friesen op de vlugt gedreven, die hun zetel hier nu door goede
+beschansingen gevestigt hadden.
+
+Frieso had by zyn wyf Hil zeven zoonen, die hy elk over een gedeelte
+des lands, dat in zeven Zeelanden was verdeelt, tot Voogden heeft
+gestelt. En daar toe eene dochter, welke hy Weemoed noemde, om dat
+haare moeder van haar in den arbeid was gestorven. Daartoe stelden
+hy zyn zoon Æsge over de Burgerlyke Rechten, en Scholte over de
+Halszaaken. Haaije maakte hy Priester der Druïden, over de bosschen
+der Afgoden. Gæle wierd Dykgraaf, om daar opzigt te houden. Hette
+verzond hy, om Voogd te zyn over de Katten, een volk in Duitschland,
+dat naar zynen naam nu noch Hessen genaamt word.
+
+In den jaare 308 trouwde Fyt (Vito) of Jutte, een van Friso's zoonen,
+de dochter van Bokke (Bocchus,) Koning van Jutland; zo als het
+naderhand, naar zynen naam genoemt is: en kreeg tot een huwelyksgoed,
+het land dat men nu noch heden Sleeswijk noemt.
+
+In den jaare 300, wanneer 'er verschil onder de Veehoeders ontstond,
+zyn de Saxen, by gemeenen raade, van hun gescheiden: en, op de Elve
+aangekomen zynde, hebben zich aan geen zyde, dat nu Noordballingen is,
+nedergeslagen. Houdende dat gewest noch den naam van Saxen en Sassen.
+
+Frieso heeft daar na het land, om dat het zeer laag en moerig was,
+met dyken van aarde, en zylen of sluizen, om het water te doen
+afloopen, tot hun gebruik bequaam gemaakt: en om de overwateringen
+van hooge vloeden alomme verhevene wieren doen opwerpen, en daar
+huizen laten opbouwen, het land met beschansingen versterkt, en
+met dorpen en buurten rondom lustig bevolkt. En, om de welstand en
+eenigheid des volks te bewaaren, liet hij goede wetten en heilzaame
+beveelen aankundigen.
+
+En uit dat broekachtig en waterig land, schynt het, dat zy het
+oude Friesche Wapen hebben genomen, hetwelk bestond uit 7 Plompen,
+beteekenende de 7 Waterlanden, op 3 Zilveren balken, in een Blaauw veld
+[11]. Gelijk die Plompen noch hedendaags in 't Wapen van Groningen
+te zien zyn. Hoewel de onweetende teekenaars daar nu 3 Herten van
+maken. Bezie hunne munten, tot op de duiten toe.
+
+In den jaare 245 is Frieso, na dat hy dit land 68 jaaren wijsselijk
+in vrede geregeert hadde, eindelyk gestorven, en na zyn vaderlyke
+Persiaansche wyze te Staveren staatelyk begraven.
+
+Aanstonds is Adel, zijn oudste zoon, in 's Vaders plaatze gevolgt:
+die zyne nagelaatene wetten bevestigt, vermeerdert, en in schrift
+gestelt heeft. Hy bragt in gebruik, om de bequaamheid der gemoederen
+te onderzoeken, dat 'er alomme gasteryen en drinkgelagen wierden
+gehouden, daar men malkanderen in 't omdrinken, met het geeven van de
+regterhand, zoude kussen of zoenen op zyn Persiaans: dat men nu noemt
+op zyn plat Fries. In de gasteryen deed hy de geregten by malkander
+in een grooten Schotel leggen, en belaste dat men uit een grooten
+Hoorn zoude omdrinken. Waar van wy noch zeggen, de Friesche Pateele,
+en de Friesche Hoorn, en by zommige Gilden noch in gebruik. Hy trouwde
+Swebyne, de dochter van den Koning der Swaaven, zyne gebuuren. Om zyn
+rechtvaardigheid, is hy by zyne onderdaanen en gebuuren zo vermaard
+geworden, dat alle, die wel regeerden, daar van Adelingen, en van
+Adel gezegt wierden. Welke benaamingen tot op den huidigen dag zyn
+overgebleven.
+
+Ubbe, Juttes zoon, om Jutland tegen den aanval der Deenen te bevryden,
+zette zyn zoon Fyt ter dezer dagen tot Voogd over Eiderland, en
+Hendrik, zyn jongste zoon, over Jutland; die ondertrouwd wierd met
+Signe, Dochter des Konings der Finnen.
+
+En in den jaare 234, Granus, vyfde Koning der Deenen, dit bemerkende,
+heeft zich vermomd, en Hendrik op den dag der bruiloft, nevens veele
+van zyne vrienden onvoorziens vermoord: en de Bruid, uit Finland
+wegvoerende, zelfs getrouwt: edoch dat hy twee jaaren daar na met de
+dood moest bekoopen.
+
+In den jaare 220 heeft Adel, Schotte, zyn broeder Scholtes zoon, naar
+'t land, dat naderhand Schotland is genaamt geworden, heen gezonden,
+op dat hy 't met volk zoude beplanten.
+
+In den jaare 201, Jutte, over de dood zyns broeders vergramd zynde,
+heeft de Deenen veele jaaren met zeerooveryen geplaagt: tot dat hy
+van Froote, achtste Koning der Deenen, in een zeeslag overwonnen
+wierd. Die daar op de geheele Friesche kust heeft uitgeplondert;
+zynde zulks van de Deenen voorheen nooit ondernomen: en voort het
+Flie inzeilende, heeft zelfs het voorste van Duitschland aangetast:
+en van daar is hy met zynen roof of buit naar Engeland overgestoken.
+
+In den jaare 151, is Adel, na dat hy in langduurige vrede loffelyk
+het Vaderland bestierd hadde, gestorven.
+
+Doe wierd Ubbe tot derde Prins in 's Vaders plaats van de Staaten
+des Lands aangenomen.
+
+In den jaare 131, als Ubbe, op 't aanraaden van zyne moeder Swobyne,
+zyn grootvader, Koning der Swaaven, om de vrindschap te versterken,
+eens bezogt hadde, heeft hy Keulen aan den Rhyn gesticht, ter plaatze
+daar nu Duts legt. Daarom zyn de Keulenaars by de Romeinen eertyds
+Ubii geheeten, van deze Ubbe.
+
+In den jaare 127 heeft Baate, zoon van den Koning der Katten, van
+Friesche afkomst, met zyn gezelschap zich eerstmaal in de Betuw
+nedergeslagen: daar hy Baatenburg en andere plaatzen stichte. Zynde
+de oorsprong van die bekende Bataviers, dewelke nu Hollanders genaamt
+worden.
+
+In den jaare 120 heeft Frieso de jonge getrouwd de dochter van Ubbe,
+welkers naame Frouw was. Deze Frieso was de zoon van Gryns, zoon
+van Gæle, zoon van Haaje, zoon van Frieso de eerste. Hy trok met
+een hoop over den Fliestroom, en bewoonde het land, dat van hem noch
+Westfriesland is genaamt, en in dien tyd gebynaamt, kleene Friesen
+[12]. Daar bouwde hy, omtrent duizent schreeden van Alkmaar, aan een
+inham van een arm der Rhyn, die Krabbendam van Kennemerland afscheid,
+de stad Vroonen, die zo ryk en vermaard door den koophandel wierd. Waar
+van hedendaags niets meer te zien is [13].
+
+In den jaare 71 overleed Ubbe; en Azinga Askon, zyn zoon, quam in
+zyn plaats: dezelve was een onrustig en eerzuchtig mensch: hy voerde
+verscheidene doch ongelukkige oorlogen met den Koning van Tongeren
+en de Baatenburgers.
+
+In den jaare 59 zyn eenige kooplieden uit Indiën, onder den noorder
+aspunt om, door storm en onweder aan de Duitsche kust vervallen, en,
+zo men meent, in Friesland aangeland.
+
+Azinga heeft Staveren met muuren omtrokken, en eerst dien naam
+gegeeven, naar een ruuwen onbeschaafden Staf, hunnen Afgod; daar
+zy God, na de wyze der ongeloovige volkeren, by in erkentenisse
+hielden; om dat God de menschen als een staf en leunstok is in alle
+gevaaren. Want het was by de Duitsche volkeren gemeen, om God door een
+stok, blok, of steen, op hunne wyze te dienen, door dien zy zulken
+hoogen achtinge wel van God hadden, dat zy hem met geen duidelyke
+gelykenisze, het zy van een mensch, of diergelyke konden afbeelden.
+
+In den jaare 10, ter gelegentheid, dat de Romeinen onder hunnen Overste
+Drusus de Baatenburgers, Geldersche, en nabuurige volkeren overwonnen
+hadde, heeft hy de Westfriesen ook aangetast, van welke hy jaarlyks
+slegts een getal ossenhuiden bedong: en, zullende de volkeren over
+den Eems mede aandoen, hebben de Friesen der Romeinen schepen, die
+door de ebbe op hunne wadden waren vast geraakt, uit het gevaar van
+vergaan verlost.
+
+Als Azinga nu in 't 71ste jaar zyner regeeringe was, is de hoope
+Izraëls, en de wensch aller Heidenen vervult geworden, als onze
+Zaligmaker Jezus Christus te Bethlehem, in het Joodsche Land, gebooren
+wierd, tot troost van die geene, die dien dag der zaligheid voor
+langen tyd hadden begeeren te zien: terwyl onze Voorvaderen noch in
+een dikke duisternis van onwetenheid gezeten waren.
+
+In den jaare 2, na de geboorte van Christus, Azinga ziende, dat de
+Westfriesen, door hulpe der Baatenburgers, onder de Romeinen gebragt,
+en van de Roomsche Overste Drusus met 50 Schansen langs den Rhyn
+wel bewaart waren, heeft hij de Baatenburgers geweldig bevogten, en
+veele ter neder gemaakt. Maar Azinga, door een pyl zwaar gewond zynde,
+vlugten de Friesen, hem brengende op zyn slot, omtrent een halve myl
+van Staveren, op de Kreil. De Friesen maakende ondertusschen, buiten
+zyn bevel, eenen tweeden aanslag, versloegen nochmaals 500 mannen;
+waar tegen zy 300 Mannen verlooren, en zyn alzo met overwinning en
+goeden buit weder gekeert.
+
+In den jaare 4 is Diokarus Seegen, neef van Azinga, Ridder geslagen
+van Brabo, eerste Hertog van Braband, en met groote eere weder in
+Friesland gekomen.
+
+Ook is by 't Roode Klif, niet verre van Staveren, een vlamme uit
+de aarde geborsten, welke 3 dagen duurde. Den 4den dag quam 'er een
+groote draak regt om hoog uitvliegen, die de aanschouwers een half
+uur lang geweldig verbaasde, en is weder in de spleete neder gerukt.
+
+In den jaare 5 heeft Azinga die van Tongeren den oorlog aangedaan,
+en veele van hen verslagen: doch Brabo, Hertog van Braband, die van
+Tongeren te hulpe komende, hebben zy Azinga gevangen gekregen. Doch
+om de erkentenisse van Diokarus Seegen, heeft gemelde Hertog hem
+alleen maar met verachtelyke woorden gestraft [14], en doe weder na
+Friesland gezonden.
+
+In den jaare 6 heeft Tiberius, Veldoverste der Romeinen, Kennemerland
+ingenomen.
+
+In den jaare 11 is Azinga Askon gestorven: en zyn Neef Diokarus Seegen
+quam in zyn plaats.
+
+In den jaare 15 heeft hy allomme door geheel Friesland schoolen
+voor de jeugd ingesteld; en in 't byzonder schermschoolen binnen de
+Hoofdstad Staveren en Dokkum; daar 't volk met allen yver driemaal
+'s weeks wierd onderwezen.
+
+In den jaare 16 en 17 zyn de Romeinen met hunne krygsbenden door, langs
+en om Friesland getrokken, om de nabuurige volkeren te beheerschen;
+zynde de Friesen met hun in een goed verbond.
+
+In den jaare 29, als de Westfriesen, door de gierigheid der Romeinsche
+Overste Holle [15], byna uitgeput waren, alzo hy van hun afeischte
+grooter ossenhuiden tot schattinge, als zy konden leveren, zo zyn zy
+tegen hem opgestaan, en hebben zyne aangestelde Tolmeester opgehangen,
+en het slot op het Flie, daar hy gevlugt was, sterk belegert. Maar,
+door den Romeinschen Overste der Duitschers Apronius opgeslagen
+zynde [16], hebben nochtans groote overwinninge tegens de Romeinen
+gehad: dewelke by de 900 mannen verlooren omtrent het woud Baduhenne;
+behalven noch 400 soldaaten, die uit vreeze voor de Friesen malkander
+doodsloegen. Waar door Diokarus ook den toenaam van Seegen schynt
+bekomen te hebben.
+
+Omtrent den jaare 44, als de Friesen wel met de Romeinen stonden, en
+dat Diokarus zich ook by den Roomschen Keizer Claudius ten stryde
+begeeven had, daar hy groote eer behaalde, was 'er een groote
+hongersnood in 't land.
+
+In den jaare 46, als Seegen den staat des lands loffelyk bedient had,
+is hy in tyd van vrede gestorven: en zyn oudste zoon Dibbald Seegen is
+de zesde Prins der Friesen geworden. Hy was een goedertierend Vorst
+omtrent zyne onderdaanen: maar aan de andere zyde zeer onrustig,
+en genegen tot den oorlog. Waarom hy zich naar 't Roomsche leger in
+Engeland begaf, daar hy veele ridderlyke daaden uitvoerde: laatende
+Friesland onder 't bestier van een aangestelden Landvoogd.
+
+In dien tyd was 'er in Friesland een kloek Ridder, genaamt Idsert
+Jetse, van een verwonderlyke kragt, waarom ook onder de wandeling
+Sterke Man geheeten, dezelve was acht voeten in de lengte groot, hy
+kon in ieder hand een tonne Bier 220 treeden verre dragen, neemende
+onder ieder oxel [17] een kaas, omze van 't ligchaam te doen afhouden:
+ook droeg hy 2 mannen een halve myl verre op zyne armen: een onbezuist
+paard, kon hy met zyn vuist slaan, dat het dood ter aarde viel: en
+wanneer hy toornig was, derfde hem geen mensch onder de oogen te komen.
+
+Na den jaare 48, is Corbulo, een Romeinsche Overste, de Westfriesen
+onvoorziens op 't lyf gekomen, wegens hunne wederspannigheid, daar hier
+boven van gezegt is: en gyzelaars te pande mede neemende, stelde hun
+de paalen, daar zy niet over mogten komen. Het welk men meent de Lek te
+zyn, die hy liet graaven tusschen de Maas en Rhyn, daar nu Holland is.
+
+In den jaare 52 quam Dibbald, van den Roomschen Keizer Claudius
+grootelyks begiftigt, weder in Friesland: met hem leidende den Overste
+van Camga; daar het edel geslachte van Camminga uit gesproten is.
+
+In den jaare 55, als Claudius gestorven was, is Dibbald oostwaards
+opgetrokken, brandende en blaakende zeer verwoed.
+
+In den jaare 59, zyn Vryt of Verritus en Malorix, nevens een goed
+gezelschap, in gezantschap tot den Keizer Nero naar Rome getrokken,
+ter oorzaake van de klagten der Romeinen, dat de Friesen hun met
+de akkerbouw al te na by den Rhyn quamen. Vryt was van 't Geslachte
+van Hermana, afkomstig van Manne, die een kindskind was van Frieso
+de eerste. En Malorix van Camminga. Behalven dat zy van den Keizer
+groote eerbewyzingen, nevens het burgerrecht van Romen verkreegen,
+zynde daar ook tot het Christelyk geloove bekeert. En Ægistus, een der
+70 Discipelen van Christus, quam met hun in Friesland, om daar ook die
+leere te verbreiden: doch Seerp, Zoon van Fyt, en derde Priester der
+Druïden, op 't Oude Hof te Lewerden [18], stond hem zeer tegen. Zo
+dat hy weinig vrugt in 't land deed, en wierd van de ongeloovigen
+dood geslagen.
+
+In den jaare 61, is Dibbald tegen de Duitschers opgetrokken, doch
+keerde met verlies van 800 mannen schandelyk weder naar huis.
+
+In den jaare 62, quamen de Deenen, opgemaakt [19] van de Duitschers,
+Friesland plonderen en verwoesten 6 geheele jaaren lang; want Dibbald
+lag ziek te bedde.
+
+In den jaare 69, trok Dibbald met een groote vloot schepen naar
+Deenemarken, om zyn leed te wreeken.
+
+In den jaare 77 deed hy de Gelderschen den oorlog aan: die hem
+zo wel onthaalden, dat hy 500 mannen verloor, en hy zelve in een
+teeringziekte verviel.
+
+In den jaare 85 overleed Dibbald, en wierd te Staveren begraven.
+
+En Tabbe is tot de zevende en laatste Prins van Friesland aangenomen,
+dewyl Dibbald zonder kinderen was gestorven. Hy was een der voornaamste
+van Dibbalds Veldoversten, een wreed en onstuimig man. Waarom hy ook
+geheele 7 jaaren onder den Roomschen Keizer Domitianus ten oorlog trok;
+laatende Friesland onder een Stadhouder.
+
+In den jaare 94 deeden de Noormannen een tocht op Friesland, dat zy
+plonderden en veel roof uit haalden. Waar over Tabbe t'huis onboden
+zynde, zy zich hebben weggemaakt. Hy ondernam eerst met een goede
+vloot, en doe te land, zyn wraak te neemen; maar had weinig voorspoed.
+
+Omtrent den jaare 100 was Harke, zoon van Seerp, de 4de Priester der
+Druïden op 't oude Hof.
+
+En in den jaare 130 is Tabbe, de laatste Prins, gestorven [20].
+
+
+
+
+
+II. ONDER ZEVEN HERTOGEN.
+
+
+In het zelve jaar 130 quam Askon in zyn vaders plaats, die zich,
+naar de manier der Romeinen, Hertog liet noemen.
+
+Sinne, de 5de Priester der Druïden, schreef in deze tyden tot Askon:
+om de Christenen uit het land te verjaagen, en de Afgoden des lands,
+na ouder gewoonte te dienen.
+
+In den jaare 155 is 'er weder eene groote vlamme op 't Roode Klif
+uitgeborsten, ter zelver plaatze, als boven verhaalt is: en alzo de
+menschen, daar omtrent woonende, daar zeer bevreest voor wierden,
+vroegen zy hunnen Afgod Staf: Wat daar van worden zou? Zo antwoorde
+hun de Duivel door den Staf, als eertyds tot Eva door de Slang. Dat
+zy voor dit vuur niet behoefden te vreezen; om dat 'er na eenigen
+tyd wel wat kouds op mogt volgen.
+
+In den jaare 163 deeden de Friesen, met de Oosterlingen en Katten
+een inval in Frankenland, daar zy 't zeer verwoesten.
+
+In den jaare 164 is in het zuidwesten, omtrent een halve myl van
+Staveren, een put gegraven, die zo veel zout water opgaf, dat men
+vreesde het geheele land zoude onderloopen. Waar over den Afgod Staf
+nochmaals om raad gevraagt zynde, hun ten antwoord gaf: het bloed
+van een driejarig kind daar in te gieten. Dat gedaan wierd, en waar
+na het ook ophield, dat 'er zelf geen water meer in de put bleef. Zo
+snakt de Duivel naar menschen bloed.
+
+Askon deed verscheidene fraaije dorpen stichten, als Westerbierum
+[21], niet verre van Flieland; en Dyxhorne, tusschen Almeenum,
+dat nu Harlingen genaamt word; Ter Schelling [22] en Westerbierum,
+die nu beide door de zee verdronken leggen.
+
+In den jaare 168 zyn 2 Meereminnen uit de Lauwers opgekomen; en
+door Friesland omzwervende, tot verwondering van veele lieden,
+hebben zich eindelyk by Westerbierum, van waar zy gekomen waren,
+weder ondergedompelt.
+
+In den jaare 173 is Askon, na een vreedzaame en loffelyke regeeringe,
+mede gestorven. Hy liet 4 zoonen na, namentlyk, Adelbold, Tiete,
+Richold en Radbout. Radbout vertrok naar Friesland, alwaar hy trouwde,
+en een zoon won, welke was Diderik, eerste Hertog van Westfriesland:
+van wien naderhand de Hertogen en Koningen van Westfriesland
+voortgesprooten zyn.
+
+Maar Adelbold wierd de 2de Hertog in zyn's vaders plaatze; en aanstonds
+beoorloogde hy zyne nagebuuren.
+
+In den jaare 174 vertrok zyn Broeder Tiete naar Romen: alwaar hy
+zich in goede konsten, en byzonder in die van de welspreekentheid
+oeffende. Waarom hy ook by den Keizer Antoninus, de Philosooph,
+wel bemint was.
+
+Na den jaare 175 had Godefroy Brabo, de zesde Hertog van Braband,
+oorlog met de Romeinen; daar Adelbold en Tiete hem met hun volk
+te hulpe quamen: alwaar Tiete, om zyn ongemeene dapperheid, Ridder
+geslagen wierd van Brabo.
+
+In den jaare 178, als Keizer Antoninus oorloogde met de volkeren,
+die tegen de Romeinen opstonden, heeft Adelbold zyn Broeder Tiete met
+hulpbenden tot den Keizer gezonden: die daar over zeer verblyd was,
+en zyne vyanden vrees aanjoeg, alzo zy op die tyding de vlugt namen.
+
+In den jaare 180 vielen de Friesen met een groote furie in Walsland,
+afloopende of bedervende al wat hun voor quam; waar doorze by hunne
+vyanden een grooten naam en verbaastheid hebben gemaakt.
+
+In den jaare 183 hebben de Wenden en Gotten, uit de Noordsche Landen
+opgeborsten, verscheidene volkeren overvallen. En van de Deenen
+afgekeert, quamen ze over de Elve, neemende hun zitplaats aan beide
+de zyden van de Weezer; en wierden van dien tyd af Oostfaalingen,
+nu Oosterlingen en Westfaalingen, geheeten. Van welke 1500 dachten
+in Friesland te vallen: maar wanneer zy zagen, dat de Friesen aan
+de andere zyde van de Eems goede beschansingen hadden, derfden zy
+niet onderneemen om over te komen. Waar op Tiete, hun van achteren
+bespringende, alle heeft geslaagen, behalven 400, die den Eems
+overzwommen; doch in Adelbolds handen vervielen, en die 'er goede
+buit van maakte.
+
+In den jaare 186, als Adelbold krank was geworden, wilde hy
+zyn broeder Tiete de landbestiering opdraagen. Welke het ernstig
+weigerde, doch echter moest aanneemen. Na welken tyd Adelbold noch
+veele jaaren leefde.
+
+Tiete Bojokalus, mogelyk Beukels, was de 3de Hertog van Friesland [23].
+
+In den jaare 187 wierd hy ingehuldigt, en regeerde het land met groote
+voorzigtigheid, houdende alomme vrede, zo buiten- als binnenslands.
+
+In den jaare 208 Adelbold gestorven zynde, is met een ongemeene pracht
+te Staveren in de groote kerk begraven.
+
+In den jaare 217 is voor de derdemaal op het Roode Klif eene vlamme
+opgeborsten, doch 18 treeden westelyker, als waar van wy hier boven
+gezegt hebben; dezelve vertoonde zich 11 dagen lang, tot verschrikkinge
+van die daar omtrent woonden. Tiete, na dat hy den Afgod Staf 3 dagen
+lang brandoffer toegedient hadde, zo gaf denzelven tot antwoord:
+Dat door ten gewapend Ridder 3 kannen water, uit de Noordzee gehaalt,
+moest in gegooten worden; alzo het anders niet zoude uitgaan. Zulks
+gedaan wordende, zo verdween de vlam. De Duivel kon ligt genoeg zien,
+dat het land door de slag van het water geweldig ondermynt wordende,
+de Noordsche golven daar wel haast haaren loop zouden neemen.
+
+In den jaare 240 is Tiete overleden: en zyn neef Ubbe, zoon van
+Richold, Tietes Broeder, is in 't zelve jaar tot 4de Hertog
+verkooren. Door dien hy zeer vredelievend was, heeft hy 't
+Land met treffelyke gebouwen, sterktens, vestingen, dorpen en
+steden verheerlykt. In 't 2de jaar van zyne regeeringe bouwde hy
+in Westfaalen, dat hy met volk bezet hadde, een slot, geevende het
+zelve den naam van Tiete, na zyn oom, of Tietenburg [24]. Het zelve
+is nu een stad, maakende met het omleggende gewest het graafschap uit,
+voerende beide den naam van Tekelenburg, en in zyn wapen noch tweemaal
+3 Plompen, nevens 2 Ankers, uit het oude Friesche wapen.
+
+In den jaare 248 stichte Ubbe aan de Lauwers een sterk kasteel,
+'t welk hy den naam gaf van Dokkenburg, dat zo veel gezegt is als
+Havenslot; want Dokke, zeggen de Geleerden, is in oud Duitsch een
+haven, doch word in Friesland ook in de beteekenis van een kinder
+poppetje gebruikt. Gemelde kasteel was zeer bequaam, om de haven
+tegen de zeeroovers te beschermen. Naderhand is 'er de stad Dokkum van
+geworden. Staveren heeft hy veel vergroot, en met heerlyke gebouwen
+aanzienlyk gemaakt.
+
+In den jaare 260, ten tyde als Hertog Haron een Heer des lands was,
+is 'er naauwelyks eenig landschap in gantsch Duitschland geweest,
+of het brande en blakerde van oorlog. In Zweeden, Noorwegen, Hessen,
+Friesland, enz. was alles op de been. Van dezen Haron zoude het dorp
+Haren alhier zyne benaminge ontfangen hebben.
+
+In den jaare 279 vielen de Baatenburgers in Friesland, en deeden veel
+quaad, eer de Friesen zich verweeren konden: maar als Ubbe hen met
+een party volk [25], zo spoedig als hy 't zelve byeen konde krygen,
+tegen quam, wierd 'er aan weêrskanten hardnekkig gevogten, en vielen
+wederzyds wel omtrent 500 mannen.
+
+In den jaare 289 zyn de Hollanders, Friesen, Drenthers, enz. in den
+winter, als de wateren bevrooren waren, met een schrikkelyk groot
+krygsheir den Rhyn gepasseert; inneemende de landen aan geene zyde
+dezelve gelegen, doodslaande en verwoestende voorts alles, daar maar
+Roomsche bezettinge inlag.
+
+In den jaare 299 overleed Ubbe, en wierd te Staveren, by zyn oom Tiete,
+in de groote kerk begraven.
+
+Om dat zyn oudste zoon Odilbald by den Keizer Diocletianus, wegens
+het inneemen van de stad Alexandria, in groote achting was, en hem
+tot wigtige zaaken in Egypten groote dienst deed, zo wierd Haron,
+Ubbes jongste zoon, tot 5de Hertog van Friesland verkooren, en trouwde
+de dochter van den Koning der Deenen.
+
+In den jaare 308 en eenige volgende jaaren, heeft Constantinus Magnus,
+Roomsch Keizer, deze landen wederom onder zyn gehoorzaamheid gebragt;
+doende de guarnisoenen versterken, nieuwe kasteelen bouwen, en de oude
+verbeteren [26]. Voorts alle de geene dreigende, die zich in volgende
+tyden zouden roeren, hen te vuure en zwaarde te zullen vervolgen.
+
+Omtrent den jaare 312 is Westfriesland, dat dus lang als verlaaten en
+woest had gelegen, van 5 voornaame mannen begonnen bebouwd te worden,
+en met dorpen en heerlykheden versiert. Waar van Diderik, zoon van
+Radbout, zoon van Askon, eerste Hertog der Friesen, wel de grootste
+aanleider was: dezelve heeft ook het eerste ontwerp van Medenblik
+gemaakt, en tot een Hoofdstad van Westfriesland gestelt.
+
+In den jaare 334 heeft Diderik, door deze nieuwe heerlykheden
+verhovaardigt zynde, den naam van Koning willen voeren. Waarom Haron,
+Hertog der Friesen, hem zo met wapenen te keer ging, dat hy binnen
+3 dagen te Staveren quam; en gemelde Diderik dwong zyne Koninglyke
+Kroon af te leggen. En Diderik, als overwonnen, zynen overwinnaar om
+vergiffenisse bad, die hem eindelyk toestond Hertog van Westfriesland
+te blyven: doch met eene eeuwige onderwerpinge onder hem en zyne
+nakomelingen. Diderik had een zoon en zoons zoon, die beide Lem of
+Willem genaamt waren. Van de laatste draagt Haarlem zynen naam.
+
+Van dien tyd af is de naam van Westfriesland geweest: ook zyn de
+inwoonders doe Friesche Buinen, dat is Plompaarts, (Frisiabones)
+genaamt [27].
+
+In den jaare 335 is Haron by 't Roode Klif overleden, en te Staveren
+by zynen vader in 't graf gelegt.
+
+Odilbald, Harons zoon, wierd aanstonds tot 6de Hertog verkooren. Hy
+was een dapper krygsman, en tot de landbestiering wel onderwezen.
+
+In den jaare 339 heeft hy Staveren noch wyder uitgezet, en hooger en
+breeder muuren daarom getrokken, en met diepe wyde gragten voorzien,
+en met heerlyker vryheden begiftigt. Het land liet hy alomme met
+meer buurten en dorpen bezetten, en dezelve met volk bewoonen. Aan
+de Lauwers, tusschen Dokkenburg en Schiermunniksoog, heeft hy mede
+een stad doen bouwen, die Waarden wierd genaamd, om het land voor
+zeerooveryen te beschermen.
+
+In den jaare 344 zyn de Westfaalingen, met die van Angria [28], hunne
+gebuuren, tusschen de Eems en de Lauwers, daar nu Groningerland is,
+ingevallen. Doch Odilbald heeft niet alleen hunnen roof ontjaagt,
+maar hen zelve in hun land vervolgt, dat hy onder zyn gebied bragt,
+en eenen Igle Laskon tot Overste daar in gestelt, die 't ook 65 jaaren
+trouwhartig bewaarde. Ook bouwde hy aldaar tot zekerheid 3 kasteelen,
+als in Angria, Soest en der Yburg: welke 2 laatste nu steden van die
+naamen zyn. Na gemelde overwinning, vertrok Odilbald weder tot zyn
+slot Dokkenburg.
+
+Hy bequam ook na eenige dagen tyding van den inval der Baatenburgers
+in Friesland. Dewelke van hem aangetast zynde, bleeven 'er wederzyds
+omtrent 400 dood: doch de Baatenburgers vlugtende, nam hy eenige
+van hunne sterktens in, en versloeg noch van de vlugtelingen wel 250
+vyanden: keerende met goeden buit weder te rugge. En leefde voortaan
+gerust, zonder eenige oorlogen.
+
+In den jaare 357 verbrande de onlangs gebouwde stad Waarden geheel af.
+
+In den jaare 359 overleed Odilbald, tot droefheid van zyn volk.
+
+In 't begin van den jaare 360 is Odolf Haron, de laatste Hertog
+verkooren. Zyne genegentheid was zeer tot den oorlog, en was door
+Laskon in den wapenhandel wel geoeffent en onderwezen.
+
+In den jaare 368 zyn die van Angria, de Westfaalingen en Gelderschen
+tegen Igle Laskon opgestaan. Doch Haron met een machtig leger
+afkomende, versloeg hen, plonderde Gelderland, en bragt het onder
+zyn gebied.
+
+Niet lang daar na zond Igle aan Haron een wolf, die over den huid met
+veelerlei zeldzaame afbeeldzels van hoofden bezet was. Haron vereerde
+denzelve aan den Keizer Valentinianus, als een wonderschepzel.
+
+In den jaare 376 vergaderde Odolf een grooten hoop volk by Staveren
+en Dokkenburg, waar mede hy in 't oost en zuidoost is opgetrokken,
+neemende aldaar verscheidene vestingen in, die hy met volk bezette.
+
+In den jaare 377, heeft Odolf de afgebrande stad Waarden weder
+opgebouwt, en Ezonstad genaamt, daar nu Emmerzyl is [29].
+
+In den jaare 385 kon Friesland zyne Inwoonders niet voeden, alzo de
+traage akkerbouw schaarsheid in levensmiddelen voortbragt, zo dat by
+gemeenen raade wierd goedgevonden, een gedeelte strydbaare mannen by
+lotinge uit te kiezen, om een ander land op te zoeken: ja de Hertog
+Odolf was zelve zo toegeevende, dat hy deze lotinge mede over zyne
+eigene zoonen liet gaan, en het lot mede op hen is gevallen: des
+Hengst en Hors, zyne zoonen, tot Hoofden van 't uitgelote volk gestelt
+zynde, hebben den Eiderstroom aangedaan, en aldaar zich nedergeslagen:
+want zy aan 't Hof van den Keizer Valentinianus zeer wel in krygs-
+en staatszaaken onderweezen waren; als ook by Karel Taxander, 10de
+Hertog van Braband, groote proeven van kloekmoedigheid hadden gegeeven;
+en ook by Laskon lang in Westfaalen geweest waren. Het land, dewyl het
+laag en broekig was, wierd met dyken en sluizen, tot haar gebruik ten
+nutte gemaakt: en gaven 't den naam van kleen Friesland, vervattende
+het land dat men nu Eiderstede, Angelen en Strantfriesen noemt [30].
+
+In den jaare 389 hebben de volkeren dezer landen aan de Romeinen
+schattinge geweigert te geeven, en daar by hunnen Raadsheer Sisinus met
+al zyn volk doodgeslagen. Daar op togen zy langs den Rhyn, en vielen
+zeer schrikkelyk op de Romeinen in, om hen uit het land tusschen Rhyn
+en Maas gelegen te verdryven; doch te sterken tegenstand vindende,
+moesten zy vrugteloos weêr te rug trekken.
+
+In den jaare 420 hebben deze volkeren wederom een schrikkelyk krygsheir
+byeen gezamelt, en in de wapenen gebragt; vallende voorts by Doesburg
+over den Rhyn, en hakten alles, wat zy van de Romeinen op de been
+vonden, kapot; voorts het gansche land doorstroopende, namen zy alle
+steden en sterktens tusschen Rhyn en Maas in bezettinge, en bevolkte
+dezelve met hun eigen natie.
+
+In den jaare 429 zyn in Friesland, alschoon Haron en de zyne
+afgodendienaars waren, door de Christenen 4 kloosters gesticht.
+
+In den jaare 432, Haron, wegens zynen ouderdom, de regeering moede
+geworden zynde, heeft met goedvinden van de Staaten des Lands, zyn
+zwager Offe in deszelfs plaatze gestelt.
+
+
+
+
+
+III. ONDER NEGEN KONINGEN.
+
+
+Zo wierd Richold Offe in Odolfs plaats verkooren, en is 1ste Koning
+geworden.
+
+In den jaare 435 zyn de Noormannen met een groote scheepsvloot in
+Groningerland geland, trekkende voorts voorby het Huis Groenenberg,
+in 't Drenth, roovende en plonderende alles wat ze konden krygen. Doch
+Richold, Koning der Friesen, heeft hen met zyn macht het land wederom
+doen ruimen.
+
+In den jaare 436 overleed Odolf Haron: van doe af aan heeft Richold
+den naam van Koning eerst aangenomen, om dat hy zyne gebuuren zulks
+zag doen: want hy meer land onder zyn gebied had, als iemand onder hen,
+te weeten, van de Fliestroom af tot de Eider, en geheel Westfaalen.
+
+In den jaare 442, zyn de Noormannen, een onrustig volk, leevende
+van den roof, om buit in Friesland gekomen; en hebben 't land tot
+den grond toe bedorven, maar Richold, een man van onbezweeken moede,
+trok hun by Grunenberg [31], nu Groningen, te gemoet; doch verloor in
+dien stryd, alzo zyn volk moede was van den tocht, by de 300 mannen,
+en, ten zy de nacht daar niet tusschen gekomen ware, zouden de vyanden
+hem met de zynen geheel verslagen hebben. Doch met het aanbreeken van
+den dag, is hy andermaal op de Noormannen aangevallen, en versloeg ze,
+dat 'er 900 op de vegtplaats dood bleven; de overige wierden van de
+landlieden verslagen, ja men weet niet dat 'er een van ontkomen is.
+
+In den jaare 449, als Hengst en Hors geweldige rooveryen op zee
+bedreeven, heeft Vortigern, der Britten Koning, hunne hulpe tegen
+de Pikten en Schotten gebruikt, die zy overwonnen; en stichten, na
+veel tegenstand, aan de voorkant van Engeland het Ryk, dat noch Kent
+genaamt word, en daar Hengst de 1ste Koning is geweest: geevende hunnen
+oorspronk aan de tegenwoordige Engelschen, gelyk de naam van Angelen en
+Angelboeren, te vooren gemeld, ook wel uitwyzen. 2 Friesche Edelingen,
+als Tæke Heerema en Douwe Hiddema, waren hunne Admiraalen, die ook
+het Eiland Frisland zouden opgedaan en dien naam gegeeven hebben.
+
+In den jaare 453 bouwde Richold tusschen Staveren en Medenblik een
+groote kerk, en stelde die tot een Vryhuis voor de ballingen [32]. En
+in 't volgende jaar maakte hy vrede met de Noormannen.
+
+In den jaare 463 bouwde hy binnen Staveren een kostelyk en koninglyk
+Huis, daar hy alle Prinsen en Hertogen van Frieso den 1sten af,
+tot zynen tyd toe, in liet afbeelden; met een naauwkeurig verhaal
+van hunne daaden en tyd van regeeringe daar by gestelt. Waar van het
+gerucht alomme verspreide tot vreemde volkeren, en nieuwsgierigheid
+verwekte, ja zelfs dat Karel de Schoone, Hertog van Braband, nevens
+zyne Hovelingen, zich naar Staveren begaven, om de pragt en deftigheid
+van dat werk met verwondering te bezichtigen.
+
+In den jaare 471, als Odilbald, Richolds zoon, aan Haddinge, der
+Noormannen Konings dogter, getrouwt was, wierd hy van zyn vader tot
+1ste Graaf van Tietenburg gestelt, dat nu Tekelenburg genaamt word.
+
+In den jaare 496, deed Klodoveus, (Klovis) zoon van Childrik, Koning
+van Vrankryk, een inval in Friesland, meenende hetzelve onder zyn
+gebied te brengen. Maar Richold heeft hem zoo wel ontfangen, dat hy
+met groote schande weder naar Vrankryk moest vlugten. Na dien tyd
+had Richold goede vrede, liet veele huizen, hoeven, heerlykheden en
+slooten, die wy stinzen noemen, alomme aanbouwen: ook stichte hy, tot
+vermaak van zyn hofgezin, een lustige Stins en Lusthof, in een woud,
+omtrent een myl verre van Staveren, dat naderhand een geweldige meer is
+geworden, die de Flusse genaamt word. En, eer dit jaar ten einde was
+geloopen, overleed hy, en wierd van zyn zoon naar Titenburg gevoert,
+en aldaar ter aarde bestelt.
+
+Odilbald, Graaf van Tietenburg, wierd in zyn's vaders plaats de 2de
+Koning der Friesen. Hy was een verstandig en beleefd man, goedertierend
+over zyne onderdaanen, en kloek tegen zyne vyanden. Zyne zoonen zond
+hy tot den Koning der Noormannen, om in den wapenhandel geoeffent
+te worden.
+
+In den jaare 513 zyn in een kelder, omtrent een halve myl van
+Dokkenburg, zeer subiet omgekomen 9 mannen, 3 vrouwen en 6 kinderen,
+zo men vermoede door een basiliskus. Waar op het huis aanstonds
+verbrand wierd, en men vernam geen quaad meer.
+
+Omtrent dezen tyd gebeurde het, ten huize van Yv Hopper, of Hopheer,
+tusschen Staveren en Hoorn, (daar de Zee noch het Hoornsche Hop
+genaamt word, en nu diepe baaren schiet; waar van men ook noch zegt:
+'t Hoornsche Hop, leegt den krop,) dat een dienstmaagd, als zy water
+uit de put schepte, een leevendige haring mede optrok. Waar door Hopper
+verschrikte, indachtig wordende, 't geen de Afgod Staf voorzegt had:
+dat na dat vuur, daar we op 't jaar 155 van gemeld hebben, wel wat
+kouds mogt volgen. Des hy zyne landen verkogt en verruilde, en alzo
+voorquam dat hy geen schade door de wegspoeling derzelver behoefde
+te lyden [33].
+
+In den jaare 516 is geheel Friesland byna door de zee onder geloopen,
+waar door meer dan 6000 menschen en veel vee is verdronken.
+
+In den jaare 517 zyn in Friesland ongemeene groote hagelsteenen
+gevallen, waar van zommige een halve voet breed en een heele voet lang
+waren, voortgedreven door een zwaaren wind. Groningen, by de Friesen
+Grins genaamt, is in dezen tyd met houte planken omheiningt geworden.
+
+In den jaare 527 is Odilbald te Dokkenburg gestorven, en te Tietenburg
+begraaven.
+
+Richold, zyn oudste zoon, quam door algemeene toestemminge der
+Staaten, terstond in zyn's vaders plaats. Om zyne deugden was hy by
+de landzaaten zeer bemint. Onder Richolds regeeringe had Dibbald
+het gezach over Westfriesland, en nam met verlof van Richold, zyn
+Beschermheer, den naam van Koning aan. Zyn zoon Lem, of Willem, bouwde
+een slot, dat het volk Heer Lems Slot noemde, en wierd naderhand een
+Stad, die nu noch daar van Haarlem genaamt is [34].
+
+In den jaare 548 hebben de Deenen het Graafschap Tietenburg jammerlyk
+geplaagt en uitgeplondert; doch de komste van Richold gewaar wordende,
+zyn doorgegaan. Waar op de Koning zyn Overste Harke, uit het edel
+geslachte der Rodmannen, een onverzaagden held, met een grooten
+hoop volk naar Deenemarken zond; die daar zeer brande en blaakte, en
+komende met een ryken buit weder in Friesland te rug. Middelerwyl zyn
+ook de Gelderschen en Westfaalingen wederspannig geworden; doch als
+Richold hen, met een groote macht van volk, in een slag overwonnen
+had, hebbenze om lyfsgenade moeten bidden, met belofte van eene
+eeuwige onderwerping.
+
+In Westfriesland werd Dibbald van de Baatenburgers mede zeer benaauwt;
+dat, ten waare Richold hem met geen machtige hand beschermt hadde, hy
+'t halve Land zoude kwyt geweest zyn: doch bequam nu, boven het zyne,
+noch verscheidene van hunne vestingen. Hy liet, na zyn overlyden,
+Ridzert Aurundulus in zyne plaats, die zyn kindskind was.
+
+In den jaare 570 ontstond 'er uit het noordwesten een vreesselyk
+onweder, dat 3 dagen aanhield, en Friesland jammerlyk onder water
+zette. Daar wierden op het Roode Klif 35 zwaare boomen uit den
+grond gerukt en ter neêr geworpen: en van het lusthof van den Koning
+Odilbald, aldaar gebouwd, wierd niet den eenen steen op den anderen
+gelaaten. Ook overleed Richold in dit zelve jaar [35].
+
+Beeroald volgde hem in 't landbestier, en quam terstond het gebied
+van Westfriesland weder op hem: want Aurundulus gestorven was, wiens
+dochter hy trouwde. Van inborst was hy zeer mild en vreedzaam. Hy gewan
+twee zoonen, als Adgild en Harke, die een onechte was; die hy deftig in
+de schoolen liet onderwyzen: doch Harke verlaatende de schoole buiten
+'s vaders kennisse, trok uit lust tot de wapenen naar Braband.
+
+In den jaare 606 wierd Harke uit Braband, met Pipyn van Landen,
+zoon van Karelman, ten hove gezonden naar Vrankryk: daar Harke,
+uit afgunst om zyne dapperheid, het hof heimelyk verlaatende, naar
+Schotland vertrok; en wierd Overste van 't Schotsche veldleger,
+en waar door hy huuwde aan de maagschap van den Koning van Schotland.
+
+In den jaare 612, Lotrik [36], der Franschen Koning, achtende dat de
+roemrugtigheid van Harke tot zyn nadeel zoude strekken, om Friesland
+niet te konnen overmeesteren, liet hem door verspieders ombrengen,
+tot groot leetwezen van den Schotschen Koning Eugenius.
+
+In den jaare 628 beeft Dagobert, nieuwe Koning van Oostvrankryk gestelt
+zynde van Lotrik zyn vader, Friesland willen onder zyn gebied brengen;
+op dat zy tot het Christelyk geloove zouden gebragt worden: des hy
+Soest, in Westfaalen, belegerde, wierd hem van Igle of Yge Gaalema
+een stuk van zyn helm en eenige hoofdhairen afgeslagen. Waarom hy
+zyn vader uit Vrankryk ontbood.
+
+Des Lotrik, in den jaare 630, een hoop volk byeen rukkende, onverwagt
+in Friesland viel. Waar over Beeroald hem omtrent het dorp Englum hef
+hoofd bied. En als Lotrik hem zag, die hy meinde al dood te zyn, zei hy
+op zyn plat Fries: Ach duw aade schiere bolle, bistu dir salm! [37] Het
+welk terstond voor Lotriks ooren komende, week hy niet uit den stryd,
+voor dat hy Beeroald gedood hadde. En heeft daarom alle Friesen, drie
+dagen lang, dood laaten slaan, die langer waren dan zyn zwaard. Van
+dien tyd af heeft Dagobert de Friesen veele landen ontnomen.
+
+Adgild wierd in zyn's vaders plaats tot 5de Koning van Friesland
+gestelt, wegens Lotrik, Koning van Vrankryk; en stelde 4 Friesche
+heeren tot Raaden nevens hem, die de Christenen wel mogten lyden. Maar
+de landen over de Zuiderzee, verstaande Westfriesland daar niet onder,
+wierden hem afgenomen: als mede dat zij buiten Drenth en Twente
+hadden bezeten; doch oostwaards aan bleef het in zyn geheel: en een
+jaarlyksche schattinge van 600 ossen of koeyen wierd hun opgelegt.
+
+In den jaare 652 was Friesland in gerustheid, midden in der Franschen
+oneenigheden; en Adgild leerde de Ingezetenen, voor de overstroomingen,
+hooge aardhoopen, die wy Terpen noemen, opwerpen; om by 't doorbreeken
+der zeedyken, met hunne beesten, goed en have aldaar de vlugt te
+neemen. Dagobert, Koning van Oostvrankryk, bouwde te dezer tyd een
+slot, nevens Wiltenburg, dat hy Utrecht benoemde, alwaar de schepen,
+die uit zee den Rhyn opvoeren, zich moesten vertollen. Welke plaats
+in voorigen tyd den Friesen had toebehoort. Hy gaf dit nieuw gebouwde
+Utrecht aan Thuinibert, Bisschop van Keulen, die daar aan de Thomas
+Kerk, een oeffenhuis van predikers, stichte, om de Friesen van hun
+ongeloove te bekeeren. Adgild had een zoon gewonnen, die Radbout heete,
+en eene dochter, Heile genaamt.
+
+Omtrent den jaare 671 hadden de Friesen eene goede vrede, terwyl 't
+rondom door de wapenen der Franschen als in den brand stond: want
+Adgild, erkennende van wien hy 't Ryk ontfangen hadde, deed alles
+naar der Franschen zinnelykheid [38], en liet de Christenen hunne
+godsdienst met alle vryheid oeffenen.
+
+In den jaare 672 vertrok Radbout naar Deenemarken, om zich in den
+wapenhandel te oeffenen: en wierd, ook aldaar noch meer in zyn
+ongeloove gesterkt.
+
+In den jaare 678 heeft Adgild, den Prediker van Utrecht, genaamt
+Kenochius, toegelaaten in Friesland te prediken. En Wilfrid,
+Aardsbisschop van Jork, zullende naar Romen reizen, doch door
+onweder in Friesland vervallen, wierd den geheelen winter huisvestinge
+gegeeven, inmiddels dezelve mede alomme de Christelyke leere verbreide
+en veele doopten: doch de Koning en zyn hofgezin begeerden van hun
+ongeloove niet af te wyken. Maar, om grootere voortplantinge te doen,
+zo vereischten meerdere arbeiders; des hy hier over schreef aan de
+Broederen in Engeland.
+
+In den jaare 679 overleed Adgild, en wierd te Staveren begraven.
+
+Radbout is de 6de Koning der Friesen geworden, in zyn's vaders
+plaatze: hy was onrustig en wreed van gemoed, en tot den oorlog zeer
+genegen. Hy nam het zeer euvel op, dat zyn vader zo gewillig onder
+de Franschen hadde gestaan: waarom hy ook de landen, die zy zyn vader
+hadden afgenomen, met het zwaard wilde wederhaalen. Des hy, om geld te
+bekomen, zyne onderdaanen onverdraagelyke schattingen opleide, en de
+onvermogenden gebruikte hy, door houte duimyzers, als slaaven. Want
+de Friesen lieten zich, buiten redenen, niet vrywillig om den tuin
+leiden. En om des te bequaamer tot zyn voorneemen te komen, voerde hy
+zyn hofgezin naar Staveren. Van waar hy optrok, en het slot Wiltenburg
+en Trajectum, nu beide Utrecht genaamt, weder veroverde. Ondertusschen
+was Wigbert, op het schryven van Wilfrid, naar Friesland vertrokken:
+doch is, wegens de onbekeerlykheid van het volk, na 2 jaaren, weder
+in Engeland te rugge gekomen.
+
+In den jaare 690, als Egbert, Bisschop van Jork, daar door tot
+mededogentheid ontroerd wierd over de Friesen, heeft hy 12 geleerde
+mannen, uit verscheidene kloosters, byeen vergadert; waar onder
+Willebrord, en zyn neeve Switbert, de voornaamste waren: dewelke
+allen den Rhyn inkomende, zyn te Utrecht aangeland, en, wegens de
+vredelievende eenvoudigheid van die tyden, hunne goederen in 't gemeen
+gebruikende, hebben zy met een heiligen yver, tot het onderwyzen der
+onweetende of afgodische Friesen, van daar een aanvang gemaakt. Maar
+alzo gemelde Friesen, in hunne afgodery noch als verzoopen lagen, wierd
+hun niet toegelaaten om Gods Woord te verkondigen, en met bedreiginge
+van leevensstraf, zo zy zulks ondernamen. Des zy de platte landen en
+aangrenzende landstreeken van Friesland zyn doorgewandelt, op dat zy
+noch eenigen voor Christus mogten gewinnen.
+
+In den jaare 693 heeft Pepyn, dies tyds Voorvegter der Franschen,
+en Hertog van Braband [39], Radbout weder uit Wiltenburg verjaagt:
+die zich van dien tyd af als balling op een eiland onthield, alwaar
+hy en zyn volk groote afgodery met eenen afgod Foste bedreeven;
+waar van gemelde eiland ook Fosteland, nu Heiligeland, genaamt is,
+leggende in de bogt van Jutland.
+
+In den jaare 694 quam Willebrord met de zynen op dat eiland,
+en begonnen, na eenige dagen daar geweest te hebben, Christus te
+verkondigen: maar konden niet meer als 3 menschen van hun ongeloove
+aftrekken, en, na zy de beelden van Jupiter en Foste afgeworpen hadden,
+dat Wigbert met de dood moest bekoopen, zynze door Radbout weder van
+daar verjaagt. Maar, als zy naar Pipyn vertrokken, wierdenze door
+deszelfs toedoen weder in Utrecht herstelt. Van welken tyd af zy zeer
+veel bekeerden.
+
+In den jaare 695 bouwde Willebrord, op de plaats van de afgeworpene
+kerk, binnen Utrecht, eene andere ter gedachtenisse van het kruis.
+
+Daar maaktenze een verdeling, en zonden van hen af, by tweeën en
+drieën, na de deelen van Duitschland, om de Christelyke leere aldaar
+mede onder de ongeloovigen voort te planten. Willebrord bleef te
+Utrecht; en Switbert, met twee medehelpers, vertrokken naar Wyk te
+Duurstede, daar nu Baatenburg is: alwaar zy door een wonderwerk
+veelen bekeerden. 't Welk zy te Utrecht boodschappende, zo zyn
+Willebrord en Switbert, om de zaaken wel te bestellen, tot Hoofden
+uitverkooren. Switbert vertrok naar Engeland, daar hy Bisschop
+wierd gemaakt, en deed, na zyne wederkomst, in Friesland, Holland,
+en Teisterband veele stichtinge.
+
+In den jaare 697 quam Willebrord weder te Utrecht, zynde in 't
+voorgaande jaar van den Paus te Romen aangestelt tot Bisschop der
+Friesen, daar in dien tyd de Groningers, Overysselschen, Utrechtschen,
+Hollanders, en Gelderschen mede onder begrepen waren; en stelde zynen
+zetel te Utrecht: Waar van zyne navolgers Bisschoppen van Utrecht
+zyn genaamt geworden, daar hy de eerste van was; en Switbert was
+zyn medehelper.
+
+Dit alles kon Radbout met geene goede oogen aanzien; waarom hy
+Gerlacus, een woedend krygsman en Overste van Fosteland of Heiligeland,
+woonende te Warns, alwaar hy ook een sterk slot gebouwd hadde, afzond,
+eerst om Baatenburg, en dan Utrecht te vermeesteren. Maar is van Pipyn
+zodanig overwonnen, dat hy hem veel buit moest achterlaaten, als mede
+eene belofte doen, om de Christenen in Friesland te vergunnen, Gods
+woord vry te mogen verkondigen. Ook wierd Willebrord ondertusschen
+van Pipyn aangemaant, om het heilige werk met yver in Friesland voort
+te zetten.
+
+In den jaare 698 verzond Willebrord veele vroome en geleerde mannen
+naar Friesland: maar hunne leere wierd niet aangenomen, en zy in
+tegendeel bespot, verjaagt en doodgeslagen.
+
+In den jaare 700 Wulfranus, Bisschop te Sens, een stad in Champagne,
+in Vrankryk, door den geest geroert zynde, is met brieven van
+voorschryvinge des Konings van Vrankryk, aan Radbout, in Friesland
+gekomen; daar hy, door zyne krachtige welsprekentheid, veel volk won,
+en ook den Koning byna bewoogen had, zo dat hy zelve begeerde gedoopt
+te zyn. Waar op hy Koning, met den Bisschop buiten Medenblik gaande,
+alwaar Radbout dien tyd zyn verblyf had, en reeds den eenen voet nu
+al in 't water gezet hebbende, vroeg hy gemelde Bisschop: Waar zyne
+voorouderen, die zonder den doop gestorven zyn, waren gebleven? De
+Bisschop dien ruuwen mensche, door onvoorzigtigheid, wat t'
+onbedagtelyk antwoordende, zeide: Dat buiten de kennisse van Christus,
+en den waaren God, met verachtinge van de heilige Sacramenten, geene
+zaligheid te bekomen was: en daarom moestenze in de helle zyn. Wel,
+antwoorde Radbout, dan zal 't my veel grooter eere en aanzien geeven,
+dat ik by myne voortreffelyke en beroemde Voorvaderen in de helle ben,
+als met een geringen hoop Christenen in den hemel. En trok aanstonds
+zyne voet te rugge uit het water, met beschimpinge van den Bisschop.
+
+In den jaare 719, als Radbout zag, dat de christenkennisse grootelyks
+in Friesland toenam, en zyne afgodendienst in verachtinge quam,
+is hy, ten deele uit spyt, en ten deele door een knaaging van zyn
+aangeroerd gemoed, na een zesjaarige uitteering, eindelyk binnen
+Medenblik overleden, en te Staveren begraven.
+
+Adgild, de tweede van dien naam, wierd van het volk tot zevende
+Koning verkooren, in zyn's vaders plaats. Hy regeerde het land in
+groote gerustheid en vrede. Ook liet hy de Christenen onverhindert in
+hunne oeffeningen; want hy had zelve de Christelyke leere aangenomen,
+en zich laaten doopen.
+
+In den jaare 726 quam Horne, een onechte zoon van Radbout, uit
+Deenemarken; en alschoon hy zyn vader in ongestuimigheid en wrevel
+gelyk was, heeft hy zich echter, door Adgilds toedoen, laaten
+doopen. Deze heeft de stad Hoorn gebouwd.
+
+Omtrent den jaare 728, als de christenkennisse te Utrecht zeer
+toenam, heeft Bisschop Willebrord wederom verscheidene leeraars
+naar Friesland gezonden. Welke, schoon zy vry en veilig konden gaan,
+evenwel weinig voordeel by de hardnekkige Friesen hebben kunnen doen:
+want de blindheid des volks, en zugt tot hunne afgoderye, was te
+groot. Een Veldoverste Richold, veinsde te willen zyn gedoopt, doch
+bespotte den Christendienaar op gelyke wyze, als wy hier boven van
+Radbout hebben aangeteekent.
+
+In den jaare 729 is Karel Martel, [40] Koning van Austrasia of
+Oostvrankryk, met een groote vloot schepen op de rivier de Burde
+aangekomen, zynde van den Bisschop Willebrord daar toe verzogt, om de
+Friesen te noodzaaken hunne afgoderye te verlaaten: hy overwon den
+Overste Poppe, zoon van Gerke; waar op hy Friesland zeer verwoeste;
+de afgodische kerkhoven en beelden uitroeide en verbrande, en veel
+roof mede nam. Na welke overwinninge, Willebrord alomme Christen
+kerken deed bouwen. En de Friesen, uit vreeze voor de Franschen,
+derfde de Christenen niet meer tegenstaan.
+
+In den jaare 736 is Bisschop Willebrord ontslaapen: uit zyne
+onderwyzingen zyn veele deftige leeraars voortgekomen, en is een
+werktuig geweest van de bekeering der Friesen, die hem daarom wel in
+goede erkentenisse mogen houden. In zyn plaats quam Bonifaas, als
+tweede Bisschop der Friesen, te Utrecht, en verbeterde het verval
+der kerke grootelyks, met ongemeene stichtinge, in deze landen.
+
+In den jaare 737 overleed Adgild, en is te Staveren by zyn vader in
+'t graf gelegt. Door hem is de stad Alkmaar gesticht. Eene van zyne
+dochters, Konovelle genaamt, was uitgehuuwt aan Adelbrik, een voornaam
+edelman, die omtrent Sixbierum een slot had gesticht, dat hy Adelburg
+noemde. Hy had veele kinderen, aan wien hy zyn goed by zyn leeven
+uitdeelde: daarom begeerde hy dat zy zich niet van Adelburg, maar
+van Adelen zouden laaten noemen; dat noch tot heden zo gebleven is.
+
+Gundebald, Adgilds zoon, wierd tot achtste Koning ingehuldigt: hy
+was, als zyn vader, mede tot het Christelyk geloove bekeert, en had
+gestadige vrede in zynen tyd. Hy heeft van 't kasteel Dokkenburg de
+stad Dokkum gebouwt.
+
+In den jaare 739 quam Saake Rodman, met eene uitmuntende geleerdheid
+en krygskunde voorzien, in Friesland, hebbende 13 jaaren op 't hof van
+den Keizer, Paus en Hertog van Venetien verkeert, waarom Gundebald
+hem tot zynen raadsman aannam: en deed groote weldadigheid aan de
+stamme der Rodmannen.
+
+In den jaare 749 overleed Gundebald, nalaatende twee zoonen, als
+Gundebald de tweede en Jan, welke om zyne vroomheid gebynaamt wierd
+Priester Jan, daar verscheidene vertellingtjes van zyn. Zyne dochter
+Taekle huuwde aan Haaje Kamminga, en haare dochter namaals met eenen
+Ode Botnia, Hertog van Zweeden; alwaar 't geslachte van Botnia uit
+voortgesprooten is.
+
+Radbout, de tweede van dien naam, is de laatste Koning der Friesen
+geweest; zynde de broeder van Gundebald, en zoon van Adgild de tweede:
+van welke hy veel verschilde, doordien hy in Deenemarken opgevoed,
+en in de afgoderye zeer gewoon was: hy wierd godloos en wreed, en
+alzo hy nog jong was, geen meester van zyne verkeerde hartstogten om
+dezelve te bedwingen.
+
+Zynen afgod Foste stelde hy op Ameland wederom ten toon: om de
+Christenen nochmaals dezelve te noodzaken, en van hun geloove af
+te trekken; of by weigering, strafte hy dezelve met de dood, of
+bande ze uit den lande. Dus handelde hy ook met Rodman en de zynen,
+om het Christen geloove, en beroofde hen van alle de waardigheden
+en eerampten, by Gundebald voorheen aan hen vergunt. Des Saake,
+zyne goederen verlaatende, tot den Koning van Vrankryk de vlugt nam;
+die hem in groote achtinge hield.
+
+In deze dagen had Solke Forteman de geschiedenissen en daaden
+der Friesen, van hunnen oorsprong af tot op zynen tyd toe, vlytig
+beschreven: en om dat hy Radbout zo veel eere niet gaf, als zyn
+gestorven broeder, die de Christelyke leere had voorgestaan, daar
+deze de vervloekte afgoderye weder op den troon trachte te stellen,
+zo wierd dit Radbout, door zyne benyders, en inzonderheid door toedoen
+van Syvert, Priester der Druïden, op 't Oude Hof, aangebragt: waar
+op Fortemans boeken voor zyne oogen wierden verbrand, en hy zelve in
+de gevangenis geworpen.
+
+In den jaare 752 heeft Bonifaas tweede Bisschop van Utrecht,
+goedgevonden, de Christenheid, die Radbout zo wreevelmoedig verdrukte,
+in Friesland wederom te herstellen: des hy met 51 leeraars te
+Almeenum, daar nu Harlingen is, aangekomen zynde, hebben zy zich
+eerst in Westergo verspreid, de afgoden te landewaarts omgeworpen,
+Christen kerken gesticht, en veel volk bekeert: en om andere mede te
+stichten, voeren zy de Burde ten einde, hunne tenten nederslaande by
+'t dorp Oudeboorn, alwaar zy mede eenige geestelyke voordeelen deeden.
+
+In den jaare 754, als 'er veele nieuwelingen gedoopt waren, zo beloofde
+Bonifaas hun de bevestiginge, naar de wyze der Roomsche kerk, op
+Pinxter binnen de stad Dokkum te geeven. Maar ter bestemder plaatze en
+tyd quam een hoop moordenaars, die den Bisschop en zyne medearbeiders
+wreedelyk vermoorden. Tot even voor de reformatie vertoonde men noch
+te Dokkum van dezen Bonifaas zyn herssenpan, Bisschops staf en andere
+overblyfzelen; dat zy het volk wilden doen gelooven.
+
+Omtrent den jaare 769 was in Friesland een dapper en geleerd edelman,
+genaamt Feye Forteman; welke namaals Veldoverste onder Karel den
+Groote wierd, en die zich mede tot het Christen geloove bekeerde.
+
+In den jaare 769 heeft Radbout een harden aanval op Utrecht gedaan,
+waar door hy haar geweldig plaagde; en van Pipyn geboden zynde,
+daar van af te zien, achte hy zulks weinig.
+
+In den jaare 775, als Radbout uit eigener booze driften, en door
+de opstookinge eerst van Syvert, en daar na van Okke, Priesters
+der afgodische Druïden, zeer verwoed tegen de Christenen te werk
+ging, klaagdenze zeer erbarmlyk aan Karel den Groote, Koning der
+Franschen. Welke Koning, na dat hy de Saxen overwonnen hadde, de
+Friesen mede beoorloogde, en Radbout in twee veldslagen, overwonnen
+hebbende, vluchte dezelve liever in Deenemarken, als dat hy de
+Christenen by verdrag of vredeverbond in 't land wilde vrye oeffening
+van hunne godsdienst vergunnen. En dit wierd de gelegentheid, dat de
+Koninglyke Heerschappye in Friesland een einde nam.
+
+
+
+
+
+IV. VREEMDE HEEREN.
+
+
+Karel de Groote, Friesland dus onder zyn heerschappye gebragt hebbende,
+heeft het zelve als een overheerd land of provintie gehouden, en stelde
+'er Landvoogden over, die 't in zynen naam bestierden of regeerden.
+
+Hy nam ook zeer ter harten, dat 'er vroome en geleerde mannen, om de
+Christenheid yverig voort te planten, wierden naar toe gezonden.
+
+In den jaare 777 is Ludger, die te Wierum in Friesland gebooren was,
+een man van eene uitsteekende geleerdheid, te Dokkum tot Priester
+aangestelt, van wege den Bisschop van Utrecht. Deze heeft de
+ongeloovigen stigtelijke onderwyzing gegeeven, en de afgodery geheel
+ten lande uitgeroeit.
+
+Gustavus (mogelyk Goffe of Gosling) Forteman heeft te Almeenum,
+dat nu Harlingen is, een kerk, van hout en met riet gedekt, ter
+gedachtenisse van den Engel Michaël [41], in dezen tyd laaten bouwen,
+om tot een vergaderplaats der Christenen te dienen. Na welk voorbeeld
+naderhand veele kerken gemaakt zyn.
+
+In den jaare 779 vielen de Noormannen by Westerbierum, daar boven van
+gemeld is, in Friesland, en versloegen den edelen Heermana: waarom
+de Friesen, zeer verbittert zynde, by de 400 Noormannen versloegen,
+en ontroofden hunnen geplonderden buit. Des de Noormannen, in hunne
+schepen vluchtende, doorgingen. Maar de Friesen afgetrokken zynde,
+zo quamen de Noormannen tusschen Kornwerd en Hindeloopen, dat doe
+noch een dorp was, weder te land, welke plaatzen zy uitplonderden,
+en daags daar aan verbranden. Doch die van Staveren, het eerste zulks
+gewaar wordende, verjoegenze nochmaals, veroverden van hen vyf schepen
+en al dien geroofden buit.
+
+In den jaare 784 zyn de Noormannen wederom met Wydekind, Hertog van
+Saxen, die door Karel den Groote overwonnen zynde, en in Deenemarken
+gevlucht was, op de Eems aangekomen: maar wierden door die van Staveren
+en Ezonstad met een goede vloot schepen van daar gejaagt. Zy noch
+eens wederkomende, moesten nochmaals het Amelander Gat weder uit:
+des de Friesen, hunne vyanden te gering achtende, maar zich zelve
+bedriegende, beslooten hunne vloot te Staveren en Ezonstad op te
+leggen, als zy deeden. 't Welk de Noormannen gewaar wordende, zo
+quamenze onverwagt de Friesen zodanig overrompelen, datze dezelve te
+vuur en te zwaard verdreven: en dewyl Wydekind en zy zeer hardnekkige
+afgodendienaars waren, dwongen ze de nieuwbekeerde lieden weder tot
+hunne afgoden; die zulks weigerden, wierden van hen verdelgt, waar
+door veelen vermoord wierden, en ten lande uitvlugten; onder welke
+Ludger en Wydekind zich mede bevonden.
+
+In den jaare 785 is Ludger, als Kerkenleeraar, in de Ommelanden
+gezonden, op 't bevel van Karel den Groote; na dat Wydekind by hem
+weder in genade was aangenomen, en de Friesen ook bevryd waren:
+daar hy op nieuws veele stichtinge deed.
+
+In den jaare 793 is Radbout in vreemde landen overleden, zonder dat
+men eigentlyk weet waar ter plaatze.
+
+In den jaare 793 zyn door het doorbreeken der dyken, veele menschen en
+beesten in Friesland verdronken. Waarom men alomme doe weder Terpen
+begon te maken, als voornaamentlyk te Koudum, Almeenum, Midlum,
+Hitsum, Winsum, Tjum, Dronryp en Uitgong, dat nu Berlikum genaamt word.
+
+In den jaare 797 vielen de Deenen met eenige schepen uit Jutland in
+de Lauwers, daar zy 't zeer verwoesten en afbranden: doch die van
+Staveren, Ezonstad en Dokkum rusteden ook een groote vloot uit,
+waar mede zy naar Jutland voeren, en haalden mede van daar eenen
+grooten roof.
+
+In den jaare 804 is te Uitgong, nu Berlikum, een wanschapen kind
+gebooren, zynde ruggelings aaneen, maar anders alle leden tweemaal,
+of het twee kinderen waren, en is drie weeken oud zynde overleden.
+
+Te dezer tyd woonde te Sixbierum, op het slot Adelen, Konovelle,
+dochter van Adgild den tweede, zevende Koning van Friesland, welke
+twee zoonen had, als Fredrik en Alfrik, die zy by den Bisschop van
+Utrecht liet onderwyzen; welke zo onderwezen waren in geleerdheid, dat
+dezelve beide, na den dood van den Bisschop, Bisschoppen wierden [42].
+
+In den jaare 806 wierd de afgod Foste op Ameland door de Christenen
+afgebrooken en uitgeroeit. In dit zelve jaar vielen heel zwaare
+hagelsteenen, zo groot als henne-eyeren, die veel schade deeden.
+
+Ook quamen de Deenen in dit jaar met vyf schepen 't Flie in, en
+verbranden Dyxherne en Sixbierum, behalven twee huizen en de kerk,
+en vertrokken met veel roof.
+
+In dit jaar overleed binnen Staveren de Overste, door Karel den Groote
+over Friesland gestelt, hebbende 30 jaaren het land geregeert. En na
+eenigen tyd, quam weder een andere in zyn plaats.
+
+En in dit zelve jaar, op St. Thomas dag, was 'er een zwaare watervloed
+over Friesland, waar door, zo anderen verhaalen, wel 600 menschen en
+een groot getal beesten verdronken, en groote schade geschiede.
+
+In den jaare 808 is Olaus, of Oele, zoon van den Koning van
+Deenemarken, in Friesland gevallen; en de Friesen, door zyne groote
+krygsmacht, bevreest geworden zynde, ja zo dat de Landvoogd in zyn
+moed byna bezweek; doch evenwel eindelyk door de Friesen tot den stryd
+aangemoedigt zynde, hervatten zy gezamentlyk een heldhaftig besluit, en
+gesterkt met de macht van Gaele, of Jelle (Gellius) Hardeman, Overste
+van Staveren, na eenige schermutselingen, versloegenze zyn geheele
+leger, neemende hem zelve, met noch 175 mannen op de Eems gevangen.
+
+In dit jaar wierd te Staveren de St. Nicolaas tooren, daar de afgod
+Stavo op gestaan had, door onweder van donder en blixem omgeworpen;
+en wierden veele menschen en beesten gedood. Omtrent dien zelven tyd,
+liet Igle Tadema, edelman, een zeer diepe put in zyn land graaven,
+omtrent in 't noorden van 't woud Kreil, van gedagten zynde, dat 'er
+aanstonds water zoude uit komen, doch bleef droog tot aan den avond
+van den vierden dag. Doe dacht hy een stemme te hooren, die ettelyke
+maalen riep: Verlaat dit land! Verlaat dit land! Waar op hy een weinig
+water op den grond van de put ziende, bevond dat het zout als zeewater
+was. Waarom gemelde put weder toegedempt wierd; om dat men indachtig
+wierd, als hier boven op het jaar 513 gezegt is, of 'er wel na volgen
+mogt, 't geen de Duivel door den afgod Staf gezegt had; te meer, om
+dat het zelve zynen grootvader ook wedervaaren was. Igle, de derde
+week daar na stervende, zo verruilde en verkogt zyn zoon Jouke, die
+hier alleen maar kennis van had, alle zyn's vaders landen en erven,
+op de Kreil gelegen; en kogt weêr anderen op Geesterland. Zyn neef,
+Sibbe Tadema, nam dit zeer euvel op, en vervolgde daarom Jouke zodanig,
+dat de stammen van Tadema en Rodman, daar gemelde Jouke eene dochter
+uit trouwen zoude, malkanderen op de bruiloft wreedelyk aanvogten
+en vernielden, ja zo dat er van beide stammen geen een leevendige
+ziele overbleef.
+
+In dit zelve jaar quamen twee walvissen, de eene 38 en de andere
+29 voeten lang, by Ezonstad, daar nu Emmerzyl is, by Oostmahorn,
+op strand aandryven. Ook is het paleis van Richold Offe, door een
+schielyke brand, geheel verteert [43].
+
+Ook quamen de Noormannen dit jaar schielyk te Ezonstad, hebbende
+dezelve ingenomen, geplondert en verbrand. Doch wierd weder haastig
+opgebouwd. En die van Staveren, Bolswert en Dokkum rusten hier op
+een Vloot uit tegen de Deenen, Jutten en Noormannen, die malkanderen
+met rooven en branden aan beide zyden zeer lastig vielen: doch ten
+laatsten bragten die van Staveren 6 Noordsche schepen met buit te
+Dokkum op; waar van zy uitdeelinge deeden aan die 't meeste schade
+geleden hadden. Ook overleed dit jaar de tweede Landvoogd, die Karel
+de Groote over Friesland gestelt hadde. Waar na gemelde Koning Karel,
+inboorlingen uit den Frieschen Adel, tot Landvoogden stelde, in plaats
+van Franschen.
+
+In dit zelve jaar noch is Magnus Forteman van den Koning tot Landvoogd
+verkooren, om het land in zynen naam te bestieren, even gelyk als de
+Franschen naar hunne wetten gedaan hadden: deze Magnus was een zoon
+van Gosse Forteman, waar van boven op 't jaar 777 is gemeld.
+
+In den jaare 809, als 'er te Romen tusschen den Paus en eenige Edelen
+een twist ontstaan was, waar door geheel Italien in oproer quam, en de
+Saraseenen in het land vielen, is Karel, met een groote macht, om zulks
+te dempen, derwaarts heen gerukt. Zo dra Forteman dit vernomen hadde,
+heeft hy de Friesen mede aangeport, om by deze gelegentheid, dewyl zy
+nu doch rust van de Noormannen hadden, den Keizer en de Franschen door
+gedienstigheid te helpen, om dezelve meer tot hunne gunst te trekken,
+en of 'er eens eene deur tot hunne voorige vryheid konde geöpent
+worden. Waar op gemelde Magnus, by gemeenen raade en bewilliging,
+met veele gewapende Friesen, na veele uitgestaane moeijelykheden, tot
+voor Romen is gekomen: gevallig ter zelver tyd, als de Romeinen een
+uitval op den Keizer deeden; het welk zy ziende, booden den Keizer
+hunne dienst aan, met gereedheid om op die uitgevallene Romers een
+kans te waagen. De Keizer hun verzoek toestaande, sloegen zy aanstonds
+hand aan 't werk, en bragten het, na eenige schermutselingen, zo verre,
+dat zy gemelde Romeinen weder naar binnen dreeven, en mede ter poorten
+indringende, maakten de Friesen zich meester van de stad; en Magnus
+plante zyn vendel op het hooge raadhuis, dat de Romeinen Capitolium
+noemen, hoe dat het de Franschen ook speet. Om welke daad Karel de
+Groote en Paus Leo de derde, de Friesen groote aanbiedingen van goud
+en zilver deeden: doch zy zulks van de hand wyzende, gaven te kennen,
+dat het hen alleen om de vryheid te doen was. Waar op zy van den
+Keizer en Paus, met een breedluidende Vrybrief voorzien zynde, op vrye
+voeten wierden gestelt, gelyk als zy ten tyde van Karel Martel waren
+geweest. Na hunne wederkomst wierd deze Vrybrief, met groote vreugde
+door Magnus in den Dom of Kerk te Almeenum ter bewaaringe gebragt,
+benevens een Vendel. Alwaar de Roomschgezinde wonderlyke vertellingtjes
+van weeten te verhaalen: dat de Harlingers noch, met den stryd van
+den Opperengel Michaël tegen den Draak, daar in geschildert, by hun
+stads Wapen voegen: en voert noch by ons den naam van Magnus Faene.
+
+In den jaare 810 zyn de Deenen, ten beveele van hunnen Koning Gotrik
+[44] met een vloot van 200 schepen, zeer schielyk aan de Friesche
+kust gekomen; en hebbende eerst de vooreilanden afgeloopen, wierden
+de Friesen in de derde slag overwonnen, en in Deensche slaavernye
+gebragt; moetende jaarlyks een schattinge van 200 ponden zilver
+opbrengen [45]. Om welke schattinge te ontfangen, heeft der Deenen
+Koning Landvoogden gestelt, en bouwde een tolhuis van 240 voeten lang,
+en in 12 egaale vertrekken afgedeelt; in welker eerste de Tolmeester of
+Landvoogd zich plaatste, en hebbende in de achterste een koper bekken
+geplaatst, alwaar de schatpenningen moesten in geworpen worden, dat
+dezelve klonken, of mogt voor geen betaalinge verstrekken, by aldien
+gemelde Tolmeester het geluid niet hadde gehoort.
+
+En verder word verhaalt, dat Gotrik mede gebood, dat de deuren van
+der Friesen huizen alle tegen het noorden moesten geplaatst worden,
+en van zo een laagte, dat de Friesen, niet zonder kniebuiginge, daar
+konden uit of in gaan: op dat zy in erkentenisse zouden houden, wie hun
+Landsheer was; en dat zy, ten teeken van slaavernye en dienstbaarheid,
+ook houte halsbanden moesten draagen, die van rys en tienen te zamen
+gevlochten waren.
+
+Deze slaavernye der Friesen by Karel den Groote vernomen zynde,
+zo verzamelde hy zeer spoedig uit alle omleggende landen veel
+krygsvolk byeen: doch, voor hy noch in aantocht was, wierden hem
+andere zwaarigheden geboodschapt; als de dood van zyn zoon Pipyn;
+gezanten van Constantinopolen en Corsica; behalven een gerucht, dat
+de Deenen weder naar hun land waren vertrokken, om dat hunne Koning,
+door gemaakte verbintenissen, om 't leeven was gebragt. Alle redenen,
+waarom Karel zich weder naar Aken heeft begeeven. En de Friesen, de
+handen nu ruim krygende, tasten hunne vryheid weder aan, voorneemende
+dezelve met alle mogelyke middelen tegen alle vyandelyke aanvallen
+te verdeedigen. Dus quam het bestier weder tot de volgende
+
+
+
+
+
+V. LANDSHEEREN, OF POTESTAATEN.
+
+
+Karel de Groote, overweegende de getrouwe manhaftigheid der Friesen, zo
+aan hem in 't verwinnen der Saraseenen, en Wydekind, Hertog van Saxen,
+als in verscheidene voorvallen aan zyne voorzaaten Pipyn en Karel
+Martel beweezen; benevens hunne genegentheid en gestadige diensten
+aan 't Fransche Ryk; verzelt met den onophoudelyken yver tegen de
+Noordsche volkeren, van welker slaavernye zy zich nu weder op nieuws,
+na 't ombrengen van Gotrik, hadden vry gemaakt: zo heeft hy hen noch
+in volkomener vryheid gestelt, en ontlast van de schattinge van eenige
+ponden zilver, die zy van voor eenige jaaren hadden moeten betaalen:
+vergunnende hun, ten blyke van volkomene vryheid, het recht, om hun
+land, als vrygevogtene, naar hunne eigene wetten te regeeren; daar
+toe een Overste uit de Edelen van hunne eigene landaard te verkiezen,
+om de landzaaken zo in oorlog als vrede te bestieren, die zy den naam
+van Potestaat, naar 't gebruik der Italiaanen, zouden geeven. Dezen
+Potestaat, dat is Landsheere, wierd van de Staaten een getal van mannen
+bygevoegt, om over alle voorvallende verschillen, twee of driemaal
+'s jaars, als byzitters of mederechters hun oordeel te vellen.
+
+Op dat nu de vryheid geen inbreuk zoude lyden, zo wierden de
+Landsheeren slegts voor een jaar verkooren: doch ter goeder trouwe
+wierden zy doorgaans wel langer toegelaaten.
+
+Welk vervolg, met de eventydige geschiedenissen, wy nu zullen ophaalen,
+zo als die uit de oude schriften na malkanderen zyn aangeteekent;
+maar het te dugten is, dat het eigentlyke getal wat onzeker is, alzo
+het land by vredestyd wel zonder Landsheere is geweest: doch als
+'er een uitlandsch vyand aannaderde, om hen te overvallen, wierd
+'er by gemeenen raade, alschoon zy binnen 's lands door twistige
+oneenigheden malkanderen verteerden, aanstonds een verkooren.
+
+Magnus Forteman, die des Keizers Stedehouder was, als boven op den
+jaare 808 gemeld is, wierd tot eerste Landsheer verkooren. Behalven
+het bovengemelde, heeft hy den Keizer noch verscheidene roemwaardige
+diensten, tot lof van zynen landaard, tegen de Saraseenen gedaan:
+maar van dezelve eindelyk in eenen stryd verslagen, en zyn ligchaam
+in het slagveld onder de dooden door zyne Friesche krygsknechten
+gevonden zynde, en die 't naar Romen bragten, is hy aldaar op eene
+heerlyke wyze in de St. Michiels kerk begraaven: welke kerk daarom
+met eene ryke begiftiging wierd voorzien, ten behoeve der Friesen,
+die naar Romen quamen, om het zelve te bezoeken. Ja Magnus wierd zelve
+onder de Roomsche Hulpgoden of Heiligen gestelt. Deze geheele historie
+staat ter gedachtenisse in gemelde kerk in een marmersteen uitgehouwen.
+
+In den jaare 814 is Karel de Groote, te gelyk Roomsch Keizer en Koning
+van Vrankryk, na een ongemeenen yver voor de Christen leere getoont
+te hebben, zo in zyne landen als in Friesland, om dezelve voort te
+planten, mede in den Heere gerust. En zyn zoon Louis, toegenaamt de
+Vroome, quam in zyn plaats aan het roer van regeeringe.
+
+In den jaare 819 is Fokke Ludigman, tot tweede Landsheer of Potestaat
+verkooren.
+
+In den jaare 821 vertoonden zich omtrent de Friesche kust 13 Deensche
+Zeeroovers: doch de Friesen door Ludigman, uit een waakzaame voorzorg,
+met goede schansen of kasteelen voorzien zynde, zo derfden zy het
+niet waagen om te landen, maar trokken weder af.
+
+In den jaare 826 wierd Anscharius, mogelyk Anske of Aanske, gebooren
+te Waarden, als wy boven gezegt hebben, van Keizer Lodewyk naar
+Deenemarken gezonden, om aldaar het Christen geloove te verkondigen;
+alwaar hy veelen bekeerde. Na twee jaaren wederkeerende, verzond
+hem gemelde Keizer naar Zweeden; alwaar hy blydelyk van dien Koning
+ontfangen wierd; en deed mede binnen een jaar overvloedige stichtinge
+ter bekeeringe. Ook is ten tyde van dezen Ludigman te Dokkum een
+klooster gebouwd, ter gedachtenis van Bonifaas, aldaar in voorigen
+tyd zoo jammerlyk vermoord.
+
+In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer verkooren,
+en had zyn woonstede te Sixbierum.
+
+In den jaare 835, als de Noormannen, na een schielyken inval in
+Friesland, door Keizer Lodewyk verdreven waren, zyn dezelve echter in
+'t volgende jaar weder gekomen, en dwongen de Friesen eene schattinge
+af [46].
+
+In den jaare 838 Frederik van Adelen [47], geboortig van Sixbierum,
+Bisschop te Utrecht, zullende de leere der kerke eens onderzoeken,
+en komende te Westergo in Friesland, bevond hy aldaar het volk met de
+verderfelyke leere der Arriaanen zeer besmet; en kunnende met zyne
+medehelpers dat hardnekkige volk van dit besmettende gevoelen niet
+afbrengen; zo resolveerde hy noch tot zyne hulpe te roepen, Adolf,
+Kanunnik te Utrecht, dewelke om zyne vroomheid tot Leeraar te Staveren
+wierd aangestelt; alwaar hy met eenen grooten yver zyn plicht waarnam;
+ook een klooster en kerk in het westen der stad heeft gebouwd: die
+namaals, doe de zee haaren loop daar kreeg, op de zuidzyde wierd
+herbouwt. Waar van, by een laag gety, het muurwerk noch te zien is,
+gelyk wy zelve hebben bevonden, leggende nu met gemelde stad geheel
+in zee verdronken.
+
+In den jaare 840 overleed Lodewyk de Vroome, Keizer des Roomschen Ryks
+[48]. Een Gustaaf Lappon quam met 800 Gotten aantrekken, om zich in
+Friesland neder te zetten: maar de Landsheer Adelbrik van Adelen trok
+den zelven met zyne byhebbende macht tegen, en versloegze by Kollum
+zodanig, dat 'er naauwlyks overbleven, die deze tyding van hunnen
+nederlaag in Zweeden konden brengen.
+
+In den jaare 850, of omtrent dezen tyd, of voort na het overlyden
+van den Bisschop Alfridus, hebben de burgers van Groningen de kerk
+van St. Walburg, tegen het overvallen der Noormannen gebouwt.
+
+In den jaare 867 was in Friesland en elders een groote watervloed,
+waar door groote schade aan menschen en beesten geschiede.
+
+In den jaare 876 quamen de Noormannen, na dat zy de Fransche kusten
+hadden uitgeplondert, weder in Friesland, eischende van de Friesen
+schattinge: doch afgeslagen zynde, deeden zy zwaare dreigementen
+van moord en brand: maar de Friesen, aangevoert van Hessel Hermana,
+vierde Landsheer, woonachtig te Minnersga, zynde een kloekmoedig en
+onvertzaagd krygsman, tasten dezelve manmoedig aan, en versloegze
+zodanig, dat hun Overste en 800 mannen van zyn volk op de vegtplaats
+sneuvelden; de overgeblevene bezette zy in een huis, alwaar deze
+beloften moesten doen, al hun geroofden buit van goud en zilver over te
+geeven, en nimmer weder in 't land te komen stroopen. In dit treffen
+wierd Hermana ook gewond, waar van hy stierf.
+
+Na hem wierd Yge Gaalema [49] tot vyfde Landsheer verkooren; hy
+was zeer ervaaren in den krygshandel. Van hem wierden langs de
+geheele Friesche kust schildwachten uitgezet, om zo op de invallen
+der Noormannen, als wel byzonder op het doorbreeken der dyken te
+passen. De vastigheden langs de zeekusten eens bezoekende, gaf hy die
+van Ezonstad een waarschouwinge, om voor de Noormannen een waakend
+oog in 't zeil te houden, zeggende:
+
+
+ Wacht jimme fen dy noordere oord:
+ Uit dy grims herne komt alle qwaed foort [50].
+
+
+En overleed in dit zelve jaar, nalaatende eenen zoon, genaamt
+Igle Gaalema.
+
+In den jaare 880 zyn de Noormannen, hebbende groot voordeel op de
+Saxen gehad, die zy geweldig plaagden, weder in Friesland gevallen,
+van meininge om het zelve geheel te verwoesten: doch by Norden, dat
+nu Embderland is, tegenstand vindende, zyn 'er wel 10377 Noormannen
+verslagen, behalven noch een grooter getal, die in de rivieren en
+poelen gejaagt wierden, en aldaar moesten verdrinken; alzo zy zeer
+ongeschikt, door malkanderen loopende, vlugten [51].
+
+In den jaare 890, of omtrent dezen tyd, bestonden de Groninger
+Ommelanden alleen in vyf, doch zeer wyduitgestrekte dorpen, doe genaamt
+Hugomonhi, Hunisga, Fivelga, Emisga en Federitga; en 't eilandje de
+Band genaamt, 't welk vermoed word gelegen te hebben tusschen het
+Dokummer Diep en de Lauwers [52].
+
+In den jaare 910, als Staveren haaren Koophandel in vreemde gewesten
+wyd en zyds verspreide, en haar recht tot de Heeselpoort van Nieumegen
+uitstrekte, waar van noch ten huidigen dage in een steen uitgehouwen
+staat, in het latyn: Dus verre is het Recht van Staveren, doe verbrande
+aldaar de kerk, toegewyd aan de Moedermaagd Maria, staande in 't
+westen der stad, daar men ging naar 't klooster van Odolf.
+
+Omtrent dezen tyd quam Ode Botnia, zoon van den Hertog van Botnia,
+grenzende aan het noorden van Zweeden, alwaar 't nu als een overheerd
+land onder behoort, en gelegen aan de noordelykste inham van de
+Oostzee; deze, wegens zyne vroomheid, verkreeg de dochter van Taeke
+Camminga tot zyne huisvrouwe, en bouwde een stins in Oostergo. En
+deze is de oorsprong van dat geslachte, dat noch onder den naam van
+Botnia heden bekent is.
+
+Westerman heeft uit oude schriften aangeteekent, dat in dit jaar te
+Hindeloopen de eerste huizen gebouwd zyn: het welk verstaan moet
+worden, van na dien brand, waar van wy hier boven op 't jaar 779
+hebben gesprooken.
+
+Omtrent den jaare 920 leefde Koppen van Staveren, of Cappidus
+Stavriensis, die de geschiedenissen der Friesen, van oude tyden af,
+heeft aangeteekent, daar nu slegts noch maar eenige overblyfzelen
+van zyn.
+
+En omtrent den jaare 970 leefde Okke van Scharl, Scharlensis, welke
+uit zommige overblyfzelen, nagelaaten van zynen, oom Solke Forteman,
+de daaden der Friesen heeft beschreven.
+
+Omtrent den jaare 989 Gosse Ludigman, nu zesde Landsheer zynde
+en woonende te Staveren, is tot hem veldvlugtig [53] uit Holland
+overgekomen een zoon van Aarnoud, Graave van Holland, die de Friesen
+Sikke noemden: welke van Ludigman minnelyk ontfangen wordende, en ook
+na eenigen tyd hem zyne dochter Tet ter vrouwe gaf; alwaar hy twee
+zoonen by overwon. En daar na, op den trouwdag van zynen broeder,
+weder in Holland ontbooden zynde, zo gaf hem zyn vader ten erfdeel
+eenige breede roeden land in Zuidholland en Kennemerland, en 't slot
+dat heden tusschen Haarlem en Beverwyk is gelegen, het welk daar van
+noch Brederoede of Brederode genaamt word.
+
+In den jaare 995 wierd te Westerbierum een kind met drie hoofden
+gebooren, ziende twee naar voren en het middelste naar achteren.
+
+In den jaare 998 is door de Noormannen het stedeke Uitgong geheel
+verwoest, en tot den grond toe vernietigt. Omtrent die plaats legt
+nu het dorp Berlikum.
+
+In den jaare 999 vertoonde zich boven Staveren een vreesselyke
+staartstar of comeet, 10 dagen lang: waar op een zwaare sterfte in
+veele landen is gevolgt.
+
+In den jaare 1006 was 'er byna de geheele waereld door een felle
+hongersnood, en groote sterfte in het land; dat zomtyds zelve de
+leevendige, in 't begraaven der afgestorvene ligchaamen, wel mede
+dood in de graven vielen.
+
+En in de naastvolgende jaaren deeden de Noormannen geweldige
+invallen in Westfriesland, daar de Friesen hen lieten begaan; om
+de landpaalen tegen de vyandelykheid der Graaven van Holland niet
+te ontblooten. Welke oorlogen met de Westfriesen, in deze eeuw
+voorgevallen, hier van ons overgeslagen worden.
+
+Omtrent dezen tyd zyn eenige Friesche Edelluiden uit de Weezer
+gevaaren, die om de Noord vreemde landen zogten op te doen; welke,
+boven Ysland omzeilende, na verlies van hunne schepen, aan de Goudkust,
+mogelyk Mexica, zyn vervallen; van waar zy het eerste goud en zilver
+in deze landen hebben gebragt.
+
+In den jaare 1040 is het Gôrecht door Keizer Hendrik, bygenaamt de
+Zwarte, aan de Stoel van Utrecht geschonken: waar uit naderhand een
+groote twist ontstond. Want de Groningers waren van gedachten, het
+Gôrecht alleen maar vergeeven te zyn: waar tegen de Bisschoppen en
+Clerigie van Utrecht staande hielden, dat de stad Groningen insgelyks
+aan hen was geschonken. 't Welk de Bisschoppen ook, met geweld en hunne
+geestelyke luister hebben door gedrongen, dat zy daar na honderden van
+jaaren Heeren van deze stad zyn geweest, doch niet absolutelyk [54].
+
+In den jaare 1042 wierd de stad Bremen door een booswigt in brand
+gestoken: waar door de Dom, des Bisschops Paleis en andere heilige
+huizen, met de schatten der kerksieraaden en boeken verbranden.
+
+In deze eeuw leefden verscheidene Friesche Edelen; als onder anderen
+een Julius Deekema, die diverse Gezantschappen voor Keizer Hendrik
+den tweede bediende.
+
+In den jaare 1045 zyn verscheidene Friesche Edelen, die met grooten
+lof gedient hadden in den oorlog van Keizer Hendrik den derde, tegen
+de Hongaaren en Poolen, wederom gekomen.
+
+In den jaare 1064, wanneer de Edelen te Almeenum, in St. Pieters
+kerk zouden ten offer gaan, is een Sasker toe Harns, (waar van de
+stad namaals den naam Harns, zo als wy dezelve in 't plat Fries noch
+benoemen, zoude gekreegen hebben,) zich in de voorrang stellende,
+door eenen Ruerd Jarckes Harliga op het kerkhof doodgeslagen. Zo
+veel kragtiger was diestyds de waereldsche eere, boven zaaken van
+godsdienst.
+
+In den jaare 1072 is Friesland door Egbertus, uit het Huis van Saxen,
+aan de andere zyde ingenomen. Doch ook door Keizer Hendrik, wel haast
+weêr tot afstand gedwongen, en hetzelve aan den Utrechtschen Bisschop
+geschonken: des hebben de Friesen zich tegen dat jok aangestelt,
+zo dat geen graaf van Holland, Utrechtsche Bisschoppen, of Saxische
+Vorsten, in het bezit van Friesland gekomen zyn.
+
+In den jaare 1076 was 'er een schrikkelyke harde winter, geduurende
+van St. Marten tot aan 't einde van Maart in 't volgende jaar; de
+Zuiderzee, Rhynstroom en andere rivieren waren zo sterk bevrooren,
+datze dien geheelen tyd als de aardbodem gebruikt wierden.
+
+Diderik de vyfde, Graave van Holland, de Westfriesen in eene zwaare
+slag overwonnen hebbende, zette het op Staveren aan; welke stad,
+na drie weeken tyd belegert te zyn geweest, genoodzaakt wierd zich
+over te geeven: doch kogt haar weder vry voor 1400 kroonen.
+
+In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus de tweede, alle de Christen
+Prinsen van Europa in 't voorgaande jaar hadde gaande gemaakt, om de
+ongeloovige Saraseenen uit Natolien en 't Joodsche land te verdryven;
+hebben zich veele Friesche Edelen en gemeene lieden daar mede heenen
+begeeven, geteekent met een rood wollen kruis op hunne schouders,
+onder 't geleide van eenen Peter, Ambiaansche heremyt: en zyn,
+na veele gevaaren en ongemakken uitgestaan te hebben, met eenen
+ongemeenen yver boven andere volkeren, in Natolien aangekomen.
+
+In den jaare 1097 overwonnenze aldaar verscheidene steden.
+
+En in den jaare 1099 is Jerusalem na 10 dagen belegerings ingenomen.
+
+Na den jaare 1100 trokken op dat gerucht noch derwaarts verscheidene
+uit den Frieschen adel; als mede noch veele na dezen tyd [55].
+
+In den jaare 1110 quam Hendrik de Dikke, zoon van Otte, Hertog
+Van Beijeren, om Friesland af te loopen, dat hem de Keizer reeds
+geschonken had: doch de Friesen, om hunne vryheid te beschermen,
+joegen zyn volk by Norden op de vlugt, en hy zelve wierd door de
+zeelieden aan 't strand gegreepen en in zee geworpen.
+
+In dit zelve jaar is Groningen, in plaatze van haare houtene
+omheininge, met wallen, gragten en een steenen muur omringd. Doch
+Godebald, de 24ste Bisschop van Utrecht, heeft in den jaare 1112 de
+Groningers gedwongen hunne noch nieuwsgemaakte vestingwerken wederom
+af te breeken; en hen geboden, zoodanig een versterken der stad zich
+nooit meer te onderwinden, voor dat de Utrechtsche Kerkvoogd daar in
+hadde bewilligt. Evenwel heeft deze stad van dien tyd af beginnen te
+floreeren en in rykdom toegenomen [56].
+
+In den jaare 1119 ontstond tusschen Gaale Yges Gaalema, en Floris
+de Vette, Graave van Holland, twist over den eigendom van 't bosch
+de Kreil, gelegen tusschen Enkhuizen en Staveren; tot zo verre
+dat Gaalema, den Graave aanvegtende, in zynen regterarm eene wond
+toebragt, om dat dezelve hem zyne jagers netten en ander tuig had
+afhandig gemaakt. Doch deze twist wierd weder bygelegt. Omtrent
+in dezen tyd stonden in Dyxherne, tusschen Almeenum en Flieland,
+de geweldige stinsen van Gratinga, Harliga en Harns.
+
+In den jaare 1143 hebben te Groningen eenige oproerige burgers, in
+afwezen van hunnen Bisschop, die naar Romen was, St. Walburgs kerk
+met vestingwerken versterkt; om daar door den Burggraaf tot eenige
+voor lang verzogte zaaken te dwingen. Maar Egbert, Heere van het slot
+Groenenberg, vermaande hen, van hun opzet te willen veranderen, doch te
+vergeefs: waar op hy aanstonds met zyn volk het slot belegerde, en zeer
+dapper aantaste; maar door deszelfs vastigheid niet kunnende vorderen,
+heeft hy zich te vreden moeten houden met de sterkte zeer naauw te
+besluiten; tot dat eindelyk de Bisschop, wederom gekomen zynde, hen
+met een troup soldaaten en krygstuig zodanig aantastede, dat zy zich
+by verdrag moesten overgeeven. Doe deed de Bisschop hen zweeren, van
+nooit meer tegen de Utrechtsche Stoel te zullen opstaan. Dus bestierde
+hy dit alles ten voordeele zyner broederen geevende aan den eenen,
+Leffert genaamt, het Burggraafschap van Groningen, en aan den anderen,
+Ludolf geheeten, het Kasteleinschap van Koeverden: waar uit naderhand
+groote onheilen zyn ontstaan [57].
+
+Ondertusschen quam de Paltsgraave, Gouverneur van Benthem, met
+zyne macht in Drenth vallen, en verwoeste dat land, zonder eenige
+tegenweer. Doch dit volk is naderhand door des Bisschops krygsbenden
+by Hemsen verslagen.
+
+In den jaare 1148 is de stad Utrecht voor 't grootste gedeelte
+afgebrand.
+
+In den jaare 1162, als Miliaan door den Keizer F. Barbarosse [58]
+geheel vernielt en geslegt wierd, is Hessel Martena, een Friesch
+Edelman, in de belegering omgekomen; na dat dezelve dapper gestreden,
+verscheidene bedieningen en bezendingen voor den Keizer had uitgevoert,
+en ridder geslagen zynde, bevel over 10000 krygsknegten had gehad. Een
+Ofke Reinalda onthield zich ook eenige jaaren in deze Italiaansche
+oorlogen van Barbarossa.
+
+In den jaare 1164 overleed Leffert, Burggraaf van Groningen, zonder
+mannelyke erfgenamen na te laaten; waar uit een zwaare oorlog
+ontstond. Want deze overledene had wel eene dochter nagelaaten,
+hebbende drie zoonen, die het recht van hunnen overledenen grootvader
+meinden te erven: maar die tegenwoordige Bisschop van Utrecht weigerde
+deze zoonen aan te neemen voor volle neeven van den voorigen Bisschop;
+van gedachten zynde, dat door deze dood het Leen verviel, en tot
+den Stoel van Utrecht was wedergekeert. De Gemeente was echter tot
+de zoonen genegen, en waren 'er ook reeds al in 't bezit; hoewel met
+vreeze voor des Bisschops geweld, waarom zy, tot afkeeringe van dien,
+den Hertog van Gelder om hulpe verzogten: die voorts met een goede
+krygsmacht afquam, en zich voor Groningen vertoonde. De Bisschop
+zulks gewaar wordende, trok aanstonds op het kasteel of den tooren,
+van waar hy in 't duistere des nachts de vlugt nam naar Floris, Graave
+van Holland. Daar op wierd het kasteel met groot geweld aangetast;
+tot eindelyk de vrede wierd gemaakt; onder voorwaarde, dat de Bisschop
+van deze zoonen zoude ontfangen 300 mark, en dan wederom ten vollen
+afstaan het Drost- of Burggraafschap van Groningen [59].
+
+In dit jaar was ook een verschrikkelyke watervloed over Friesland,
+Juliaans Vloed genaamt; waar door in Friesland en elders wel 100000
+menschen verdronken.
+
+In den jaare 1170, den derden November, is Nederland door een droevigen
+watervloed aangetast, waar door het zeewater met 'er haast voor Utrecht
+stond; kabeljauw en wytingen wierden voor de stads muuren gevangen,
+en veele menschen en beesten zyn verdronken.
+
+Omtrent dezen tyd, of eenige jaaren onbegreepen, is Saake Reinalda, de
+zevende Landvoogd, tot groote droefheid der Friesen, overleeden. Van
+hem word verhaalt, dat men hem noch tweemaalen voorstelde in de
+Landvoogdyschap te blyven: maar het zelve t'elkens weigerende,
+met dit antwoord: dat zulks strydig was tegens 's Lands wetten
+en vrybrieven. Verder verhaalt men, dat hy als Landvoogd goud- en
+zilvergeld liet munten.
+
+Omtrent den jaare 1182 vertoonden zich vier zonnen aan den hemel;
+ook zag men gewapende mannen in de lucht, en bloedregen viel op
+de aarde. Ook door een geweldig onweder, ondermengt met een dikke
+sneeuwjagt, zyn de dyken by Uitgong, een stedeke aan de Burde,
+doorgebrooken, waar door die landen geheel onderliepen. Niet lang daar
+na brande het gemelde steedje byna geheel af: en het overgeblevene
+wierd in vervolg van tyd door de Noormannen vernielt. Nu legt op
+dezelve plaats het dorp genaamt Berlikum of Beltjom.
+
+In den jaare 1190, of omtrent dezen tyd, is de stad Leeuwarden eerst
+met wallen versterkt.
+
+In den jaare 1192 is, door 't uitroeyen van Uitgong, Franeker tot
+meerder aanwas gekomen, wordende uitgelegt met twee naastgelegene
+akkers, als Froonakker en Godsakker, en zo tot een stad geworden;
+waar van zy ook eerst Froonakker genaamt wierd. Godsakker is aldaar
+noch hedendaags een bekende Straat.
+
+In dit zelve jaar, op den vyfden van Juny, is het vermaarde Klooster
+van St. Bernard [60], te Aduard begonnen; dat met eene prachtige
+kerk en 4 toorens pronkte, deftiger als 'er ooit tusschen de Eems en
+Lauwers te zien is geweest.
+
+In den jaare 1196 ontstond te Groningen onder de burgerye en hunnen
+Bisschop een groote onlust, over de kerk van St. Walburg. De burgerye
+was van gedachten, dat deze sterkte, eertyds tegen het overvallen der
+Noormannen gebouwt, de stad toe quam: en de Bisschop daar en tegen
+redeneerde, dat deze kerk van ouds af in zyner voorzaatens macht
+hadde gestaan. Dit liep zo hoog, dat de burgers de kerk, het dak
+en een gedeelte der muuren deeden afwerpen. Waar over de Bisschop zo
+toornig wierd, dat hy den Kastelein van Koeverden, zynde de voornaamste
+aanstooker van dit werk, benevens de burgers van Groningen, in den
+ban deed, en voorts ook met zyne macht naar Koeverden trekkende,
+dwong hy die plaats met geweld tot de overgaaf. Ondertusschen, als
+de Bisschop hier mede bezig was, hermaakte de Groningers hunne stads
+muuren weder op, na datze hunnen Bevelhebber hadden doodgeslagen [61].
+
+Omtrent den jaare 1200 was de stad Staveren noch, van oude tyden af,
+in groot gezach, en dreef zwaare koopmanschappen door alle de gewesten
+des waerelds, zo dat de inwoonderen, door weelde en dartelheid,
+zelfs goud aan hunne stoepens [62] lieten slaan. Waar van zy noch
+ten huidigen dagen genoemt worden: De verweende [63] Kinderen van
+Staveren. Ten blyke van dit gezegde, dient dit volgende: «eene zekere
+ryke koopvrouw verzond een schip naar Dansich, belastende den schipper,
+om van de allerkostelykste waren voor haar tot zyne ladinge weêrom
+te brengen: dezelve weder komende, en denkende zyne zaak wel verricht
+te hebben, quam met weite geladen aan de stad. 't Welk zyne koopvrouw
+verstaan hebbende, was daar over t' onvrede, en belaste den schipper,
+zyne lading, die zy verstond aan bakboord ingekregen te hebben, aan
+stuurboord weder in zee te werpen. Waar op de droogte, die men noch het
+Vrouwezand noemt, voor de haven is geschoten, als eene straffe over
+hunne verwaantheid; zo dat de haven, na verloop van tyd, noordelyker
+heeft moeten verlegt worden; gelyk zy nu noch is. En heeft gemelde
+stad, van dien tyd af, allengskens beginnen af te neemen, tot op
+haare tegenwoordige staat. Van boven verhaalde koopvrouw werd getuigt,
+dat zy zich eindelyk noch met den bedelzak heeft moeten behelpen."
+
+In den jaare 1210, verbrande, door een geweldige droogen zomer, het
+bosch de Flussen geheel af; en wierd, door het inscheuren van het
+zeewater, eerst een kleen meertje, en met 'er tyd tot die groote,
+als het heden is.
+
+Omtrent den jaare 1212 vielen 'er geweldige watervloeden over 't
+Land, waar door dyken, dammen, hoven en huizen wegspoelden, en wel
+100000 menschen verdronken: en by aldien niet veele op de terpen,
+stinsen en hooge boomen waren gevlugt, zou Friesland, tusschen den
+Rhyn en de Eems van zyne inwoonders zyn ontbloot geworden. Waar
+door het volk zo verarmt was geworden, dat zy de dyken, zo haastig
+niet kunnende herstellen, moesten laaten verwaarloozen; waar door
+met een noordwesten wind de zee, tusschen het Flie en Ter Schelling,
+geweldig haaren loop nam, en het land meer en meer overstroomde. Want
+in dien tyd was de Fliestroom noch maar een gemeene rivier, die
+Westfriesland van ons afscheide; zo dat gemelde aanpersing van water,
+met 'er tyd meer en meer toeneemende, eene oorzaak geweest is, dat
+de naastgelegene landzaaten afleidingen in gemelden stroom gemaakt
+hebben; alwaar de zee haaren loop inneemende, zyn de landeryen eerst
+in poelen en meeren afgescheurt.
+
+In den jaare 1219, den 16 van January, zyn deze landen wederom door
+een verschrikkelyken watervloed aangetast, die St. Marcellus Vloed is
+genaamt; verwoestende alomme de dyken, dorpen, kerken en kloosters,
+groot en kleen vee in meenigte opgeslokt, en waar van word aangeteekent
+mede wel 100000 menschen in verdronken zyn. Deze vloed heeft eene
+oorzaak geweest, dat de volkeren naderhand de stranden verlieten,
+en zich op hooge plaatzen, landwaards in, ter wooninge begaven.
+
+Omtrent den jaare 1220 is Gryn [64], gelegen tusschen het Flie
+en Almeenum, door Siardus, mogelyk Sierd Siersma, Abt van Lidlum,
+met gragten en wallen voorzien, en tot een stad gemaakt; alwaar ook
+een schoole van geleerdheid of Academie wierd gesticht. Niet lang na
+dezen tyd, als de lieden zeer eenvoudig en weinig Onderwezen waren,
+hebben de Roomsche Geestelyken, deze slegtigheid [65] des volks
+tot hun voordeel neemende, byna het derdendeel van de goederen en
+rykdommen des lands in hunne kloosters gesleept; en veele ryke lieden,
+om alles na hunne dood te behouden, tot het kloosterleeven bewoogen.
+
+In den jaare 1221, omtrent Driekoningen Dag, zyn door eenen watervloed
+wederom eenige duizenden menschen en beesten in Friesland om 't leeven
+geraakt. En den 24ste van February volgde een derde vloed: daar na
+een zeer groote droogte zonder regen, die de landen de teelkragt,
+om iets voort te brengen, deed verliezen. Hier op volgde, daags na
+St. Lambert, wederom een vloed, die de opgedroogde landen met zoute
+wateren vervulde.
+
+In den jaare 1222, in January, was 'er wederom een vloed over deze
+landen, waar door veele schade veroorzaakt wierd.
+
+In dezen tyd leed Groningen zwaare onheilen; want de stad van hare
+vestingen beroofd wezende, quam een ieder by dag en nacht daar in,
+bedryvende veele gruwelen van moorden en bloedstortingen zonder dat
+daar recht over wierd gedaan.
+
+In den jaare 1224 is Friesland wederom door het zoute water
+overstroomt; waar door over de 10000 menschen verdronken, en al wat
+meest van de beesten voorhanden was.
+
+In den jaare 1227 braken de Groninger onlusten wederom op, tusschen
+Rudolf, Kastelein van Koeverden, en Egbert, Burggraaf van Groningen,
+over deszelfs Burggraafschap. Doch de Utrechtsche Bisschop, Otto
+van der Lip, quam met 'er haast herwaards en vereenigde hen. Maar
+de Bisschop was zo dra niet vertrokken, of Rudolf, zynde misnoegt
+over het gemaakte verbond, heeft Egberts slot by den Ham aangetast
+en geruïneert; en daar op zelfs voor Groningen trekkende, wierd hy
+door die van zyn aanhang binnen gelaaten.
+
+Hier op moest Egbert de stad verlaaten, maar verzamelde daar en
+tegen een groote macht van Friesen, waar mede hy de stad voort weêr
+belegerde; schietende zo een zwaar vuur in dezelve, datze voor 't
+grootste gedeelte in weinig tyd verbrande, en hy haar overwon. Rudolf
+moest insgelyks vlugten, trok derhalven op Koeverden, en bragt byna
+het geheele Drenth in de wapenen; waar mede hy Groningen belegerde,
+en met groot geweld aantaste: doch de goede bezetting van binnen deed
+hen t'elkens afdeinzen. Ondertusschen quam de Bisschop van Utrecht
+mede herwaards, om Egbert te ontzetten, hebbende by hem een machtig
+leger van uitgelezene ruiters en soldaaten, met veele Grooten tot hunne
+Bevelhebbers, tot omtrent Koeverden; doende het daar ter neêr slaan,
+en den Gouverneur Rudolf opentlyk voor een rebel verklaaren.
+
+Rudolf brak aanstonds de belegeringe voor Groningen op, en marcheerde
+zeer moedig met zyne macht tot omtrent zyne vyanden, laatende alleen
+een moerassig land tusschen beide.
+
+Des anderen daags morgens quamen de vyanden voor den dag springen,
+om alzo Rudolf en de zynen te overvallen: maar hunne groote stoutheid
+bragt hen op de slagtbank; want zo als zy op de moerassige weide
+quamen, wierd 'er van achteren zodanig gedrongen, datze 'er voor 't
+meerendeel in bleven steeken. Doe viel Rudolf met de zynen op hen in,
+en hieuw zo vreesselyk onder die benaauwde vyanden, dat 'er in 't
+kort 500 door 't zwaard nedergezabelt wierden, of in 't moeras waren
+gesmoord, en waar onder de Bisschop zelve, die op eene zeer wreede
+wyze om 't leeven wierd gebragt; vervolgens de vlugtende nagezet,
+en veele perzoonen van grooten rang gevangen genomen [66].
+
+In den jaare 1228 quam de Utrechtsche Bisschop Wilbrand met een groote
+krygsmacht in 't Drenth, om de dood van zyn Voorzaat te wreeken. Hy
+pleegde dieshalven eene groote tirannye aan de inwoonders. Rudolf
+moest zelve ook voor hem buigen, geevende Koeverden weêr over. Doch
+Rudolf hernam door eene krygslist het kasteel van Koeverden wederom,
+slaande de geheele bezettinge daar in dood.
+
+Daar na heeft de Bisschop met een nieuw verzamelde macht, in den
+winter, onder de begunstiging van een felle vorst, wederom eene tocht
+herwaards gedaan; maar een zeer zwaar onweder van regen en haastige
+dooy deed hen alle de vlugt neemen, met achterlaatinge van alle hunne
+bagagie, ten voordeele van Rudolf.
+
+Na dezen bragt die Bisschop wederom een leger op de been, en hy op
+het Hardenberger Kasteel zynde, voorneemens om Koeverden te bestormen,
+komt Rudolf ondertusschen van het kasteel, om met den Bisschop in der
+minne te accordeeren. Maar de Bisschop, het tegendeel zoekende, nam
+den Gouverneur Rudolf, nevens zynen raadsman Hendrik van Graastorp,
+gevangen, doende hen schrikkelyk pynigen, voorts leevendig râbraaken
+en de ligchaamen op raderen stellen.
+
+In den jaare 1230, den 17de van February, zyn door een tempeest van
+donder en blixem, over Friesland gaande, veele huizen, verbrand en
+neêrgeworpen; en daar boven een watervloed, in welke veele duizenden
+menschen en beesten, verdronken [67].
+
+In dit zelve jaar waren de Reilanders en Asschendorpers [68] in
+eenen hevigen oorlog; maar de eerste gansch onkundig, vielen met
+hunne meeste Edelluiden in des vyands handen.
+
+In den jaare 1231 ontstond tusschen de dorpelingen van Uithuizen, en
+die Van Eendrum, een openbaare oorlog, over een kleen eilandje, aan de
+Noorder dyken gelegen. Dit verschil was bevoorens al uitgesprooken door
+de Rechters van Upstalsboom [69] ten voordeele van de Uithuizers. Doch
+die van Eendrum achte zich verongelykt, en wilden aan het gevelde
+vonnis niet gehoorzamen; gingen daarom by de Groningers om hulpe,
+die hen ten eersten met een groote hoop krygsbenden bysprongen,
+en dus gelykerhand de Uithuizers aantasteden en in hinderlaag bragten.
+
+Hier tegen kreegen de Uithuizers ook onderstand van de Drenthers,
+Drenthwolders, Vredewolders enz., trekkende ieder op hunne post. De
+Uithuizers wederom tegen die van Eendrum, slaande hen op de vlugt,
+en bequamen veel buit. Maar de Drenthers trokken voor Groningen,
+en stieten daar schrikkelyk het hoofd: want, nadatze daar drie dagen
+gelegen hadden, wierden zy door die van binnen, uitvallende, deerlyk
+verslagen, achterlaatende aan de Groningers 600 paarden, al hunne
+proviand enz. Door deze overwinninge kreegen de Eendrumers wederom
+moed; vallende daarop in des vyands land, en hielden 'er gruwelyk huis;
+want zelve staken zy de brand in de kerk Usquert, welke, behalven de
+andere geheiligde dingen daar in, met eene geweide hostie, verbrande;
+daar en boven wierden de vrouwen geschonden, en noch oude of jonge,
+lieden gespaart.
+
+Ondertusschen, als de Drenthers voor Groningen waren, quam Bisschop
+Wolbrand met zyne soldaaten voor Koeverden; neemende de stad en
+voorburg in, en zabelde alles neêr wat 'er in was, zonder zelve de
+noch in de wieg leggende kinderen te sparen: hier na gaf hy de plaats
+aan zyne soldaaten; die dezelve geheel uitplonderden en naderhand
+in brand staken. Maar het kasteel heeft hy, om zyne vastigheid,
+niet kunnen bemachtigen; alhoewel het echter op die of een anderen
+tyd ook ten eenemaal verdistrueert is geworden [70].
+
+In den jaare 1232, in September, was te Groningen een zamenkomst
+van die van Husingo, Westerlanders en hunne bondgenooten, welke dus
+gelykerhand in Fivelingo vielen, tot omtrent Wester-Embden: maar
+wierden door hunne partye zo deerlyk gehavent, datze met 'er haast de
+vlugt moesten neemen, met achterlaatinge van 400 dooden of gevangenen,
+en veele gekwetsten aan hunne vyanden.
+
+In den jaare 1233 is Otto de derde, Graaf van Holland, met een groote
+krygsmacht in 't Drenth gevallen; heeft de stad Koeverden, benevens
+de Drenthers, onder zyne gehoorzaamheid gebragt, en hen daar na
+gedwongen, behalven andere breuken te geeven, een klooster te bouwen
+[71], ter plaatze daar wel eer de Utrechtsche Bisschop Otto van der
+Lip verslagen was. Dit klooster is het volgende jaar aangevangen, en
+ter plaatze, daar nu Assen is, volbragt; zynde het zelve dat namaals
+en nu noch tegenwoordig tot het Gemeenelands Huis gebruikt word.
+
+In den jaare 1234 is het stedeke Wartena, door een harden storm,
+geheel weggespoelt. Het was gelegen in de Grietenye van Idaarderadeel,
+omtrent Grou: waar van nu noch een dorp van die zelven naam is.
+
+In dezen tyd is 'er weder twist ontstaan, om de voorrang in 't offeren,
+tusschen die van Albada en Reinalda te Waaxens, by Holwerd: waar
+uit naderhand de scheuringen tusschen de Schieringers en Vetkoopers
+gerezen zyn.
+
+De buurt, omtrent het westen van Almeenum, is in dit jaar tot een
+stad geworden, en met haare voorrechten voorzien. Maar, als 'er twist
+tusschen de Edelen van Harliga en Harns ontstond om den naam, zo heeft
+zy tot heden die beide naamen behouden, en word in de gemeene Spraak
+Harlingen, en in de Friesche landspraak Harns genoemt.
+
+In den jaare 1239 was Sikke Sjaarda of Sjaardema, Landsheer van
+Friesland. En Willem, Roomsch Keizer, en 21ste Graave van Holland,
+de stad Aken belegert hebbende, ontbood de Friesen tot zyn hulpe:
+welke de stad met water bezettede en overwonnen. Voor deze dienst,
+aan hem bewezen, bevestigde de Graave hunnen vrybrief, door Karel den
+Groote voorheen aan hen gegeven. Daar na verzogt hy Sjaardema, zo door
+groote giften van geld, als 't Erfstadhouderschap hem Friesland over
+te geeven. Maar dezelve sloeg des Graafs voorstel door een vinnigen
+brief plat af; schryvende aan hem: «Meent gy, dat ik, om my en myn
+geslacht te verheffen, een verraader wil zyn, en myne nakomelingen
+van de vryheid berooven, die onze Voorvaderen boven alle goederen
+geächt hebben?" En liet noch, ter beschimpinge en verachtinge van
+gemelden Graaf, goude penningen slaan, waar op aan de eene zyde in
+'t latyn, doch dus vertaald, stond: Sikke Sjaardema, Landsheer van
+Friesland: en aan de andere zyde: Libertas prævalet auro: dat in eene
+goede zin gezegt is: Liever Vry, als Ryk. Waarom hier na tusschen
+den gemelden Graaf en de Friesen een oorlog is ontstaan, waar in de
+eersten, overwonnen zynde, sneuvelde. Hega Holtwada schryft, dat dit
+voorgevallen is in den jaare 1255.
+
+In den jaare 1242 was te Groningen een zamenzweeringe gemaakt
+door de Gelkingen, tegen de drie nagelaatene zoonen van Egbert van
+Groenenberg. Zy vielen eerst op den oudsten en sloegen hem dood; maar
+de andere twee gingen vlugten, verzamelden, goede hulpe, en trokken
+op hunne vyanden af. Doe wierd 'er een burgerlyke oorlog binnen de
+stads vesten gevoert; leggende een ieder op zyn hoede, om zyne party
+afbreuk te doen; bedryvende groot geweld en bloedstortinge. Doch de
+meeste neêrlaagen vielen de autheurs van dit werk ten deel, die zelve
+veel volk verlooren, en de stad ook moesten ruimen. Hier op wierden
+hunne huizen aangetast, beroofd en verscheidene tot den grond toe
+geraseert, en in brand gestoken.
+
+In den jaare 1246 is te Groningen de St. Nikolaas kerk, nu der A,
+gebouwd; welke door Bisschop Otto van Utrecht in den jaare 1446, op
+verzoek der ingezetenen van de stad, tot een Parochiekerk is opgeregt.
+
+'t Zelve jaar, in November, was door zwaare storm en onweder een
+groote watervloed over Friesland, en elders, waar door aan menschen
+en goederen veele schade geschiede.
+
+In den jaare 1248 braken de Groninger onlusten wederom op, waar in, op
+den eersten November, Thetse door Rudolf van Pedesen wierd omgebragt.
+
+Den 19de der zelve maand volgde hier op een droevige watervloed,
+die zelve, behalven de buitendyken, de dyken van het diep genaamt,
+welke nu aan de Eems een zyl en verlaat hebben, wegspoelde.
+
+In 't begin van den jaare 1249 is wederom een watervloed over deze
+landen gegaan; wordende door een andere vloed op den 12de van February
+gevolgt; en daar na met eene zwaare pestellentie en duuren tyd.
+
+Evenwel was Groningen noch vol onlusten: want die van de stad,
+doe zeer wreed zynde, hielden het koren in dezen bedroefden tyd op
+een zeer hoogen prys, en daar boven wierd het vee, 't welk door de
+landlieden ter markt wierd gebragt, door eenige oproerige geesten
+aangetast en veel beschadigt.
+
+Omtrent dezen tyd is het Hof in 's Graavenhaage, benevens de groote
+Zaal aldaar, door Koning Willem den tweede, en 21ste Graaf van Holland,
+gebouwd.
+
+In den jaare 1250 was te Farmsum een Deken, Sikke genaamt, welke de
+Ommelandsche gemoederen zeer ontrustede: hy maakte zelve een verbond
+tusschen die van Hunsingo en Fivelingo; en dus met malkanderen te
+velde trekkende, wierpen zy het slot Groenenberg omverre, en poogden
+Groningen ook te belegeren.
+
+In dit en 't volgende jaar is Friesland wederom door twee watervloeden
+overstroomt geworden; waar door veele duizenden van menschen en
+beesten verdronken.
+
+In den jaare 1251 is Groningen door de Ommelanders belegert en
+verscheidene maalen bestormt; doch, door de goede bezettinge, wierden
+de bespringers t'elkens afgewezen. Nochtans hebben die van binnen
+zich, na een beleg van vier weeken, met verdrag aan hunne vyanden
+moeten overgeeven.
+
+Hier na wierd Groningen, door de ballingen wederom verrast, brengende
+in den eersten aanval Hendrik Butel om 't leeven, en roofde doe veele
+goederen van de Gelkingen.
+
+Op dit gerucht trokken de Ommelander bondgenooten wederom welgewapent
+voor de stad, welke haar door Conraad, Hoofd der Ballingen, zonder hun
+geweld af te wagten, wierd overgegeeven. Hier door geraakte Conraad in
+gyzeling; maar kort daar na, door schoone beloften, ook wederom los;
+brengende, hoewel tegen zyn gemaakt verbond, een hoop krygsvolk byeen,
+waar mede hy het Franciscaner Klooster verraste, laatende het zelve
+voort van volk en andere noodwendigheden voorzien. Ook namen zy alle
+steene huizen, die vast tegen hunne vyanden waren, in, en deeden die
+van proviand en oorlogstuig voorzien.
+
+De wederparty vlugte tot de kerken van St. Marten en St. Nicolaas;
+alwaar zy zo sterk wierden bevogten en in benaauwtheid gebragt,
+datze by de landlieden om verdere hulpe riepen. Hier op quamen die
+van Fivelingo af, ontzettede hen, en tastede der vyanden bezettinge
+zo sterk aan, datze hen, na groote bloestortinge, tot overgeevinge
+dwongen, doch Conraad ontstreek hen en ging in 't heetste van 't
+gevegt door.
+
+In den jaare 1254 is Groningen weder door Conraad met verrassinge
+ingenomen. De bespringers quamen heimelyk by nacht in de stad, en op
+St. Martens Kerk, houdende zich tot den morgenstond verborgen: doe,
+de trappen afloopende, vielen zy hunne partye op 't lyf, slaande
+9 mannen dood, en de andere salveerden zich, zo zy best konden:
+daarop is alles, wat 'er in de kerk gevonden wierd, prys gemaakt, en
+daar van een gedeelte aan de gehuurde soldaaten tot soldye gegeeven:
+waar door de stad door plonderinge en oproer vervult wierd.
+
+In den jaare 1255 is Hindeloopen, nu, na de brandstichtinge en
+uitplonderinge der Noordsche volkeren, weder haaren wasdom bekomen
+hebbende, tot een stad geworden, en met voorrechten en privilegien
+begiftigt of voorzien.
+
+In het zelve jaar, den 18 van January [72], is Willem de tweede,
+Graave van Holland, omtrent Hoogwoud van de boeren dood geslagen. Deze
+Graaf was van Alkmaar met een groote krygsmacht uitgetrokken,
+voor hebbende de Friesen, die tegens hem en zyn voorzaaten altoos
+wederspannig hadden geweest, met de wapenen te temmen, en onder zyne
+gehoorzaamheid te brengen. Maar de Graaf, door onvoorzigtigheid,
+te verre vooruit rydende, trapte het paard door het ys; waarop de
+boeren, van achter de struiken komende, hem dood sloegen.
+
+In den jaare 1257, den 10de van October, is Friesland weder door een
+watervloed overstroomt geworden; waar door de dyk in Groningerland,
+by Zonda, daar de rivier de Fivela met nieuw werk bedykt was, omverre
+wierd geworpen, en voorts het water over het land stroomde.
+
+In den jaare 1259 quam Hendrik, de achtste Bisschop van Utrecht, in
+Drenthwolde, nu 't Gôrecht, en vorderde groote sommen geld van de,
+inwoonders: doch wierd hem geweigert. Hierom deed hy de Drenthers
+aanstonds wapenen, en de naaste huizen van hunne partyen in brand
+steeken. Daar tegen verzamelde de Drenthwolders hunne macht ook byeen,
+en vielen aanstonds met eene groote hevigheid op de vyanden in;
+waar door zy in den eersten aanval 120 dood sloegen, veele quetsten,
+en eenige gevankelyk met zich sleepten.
+
+In den jaare 1262 wierd in Friesland eene aardbeevinge gevoelt, welke
+Groningen mede trof, inzonderheid het klooster Wittewyrum, waar door
+de toren instortte: hier op volgde een watervloed door de dyken,
+met verbreeking van de zyl Fismar, in den Oldambte.
+
+In den jaare 1263 is de kerk van het vermaarde klooster St. Bernard,
+te Aduwerd, ten tyde van Gayke, de zevende Abt, op eene zeer plechtige
+wyze ingewyd, na dat 'er ruim 200 monniken 23 volle jaaren aan hadden
+gearbeid, om de kerk op te bouwen en het werk voort te zetten.
+
+In den jaare 1266 was de tweede Marcellus vloed, waar door Friesland
+wederom wierd bezogt: evenwel raakte Fivelingo, door de sterke dyken,
+die de monnikken van Wyrum met die van Zonda en hunne nabuuren, daar
+'t voorige jaar tegen de Eems hadden gelegt, bevryd.
+
+In den jaare 1268 wierd D'rYlst, een kleene myl leggende van Sneek,
+en doe noch maar eene buurt, mede met Stads voorrechtbrieven of
+privilegien voorzien. Indien 'er eene Yle Stins geweest is, schynt
+het niet ongeloofelyk, dat het daar van haaren naam ontleent heeft,
+volgens gebruikelyke verkortinge en zamentrekking der woorden.
+
+In den jaare 1270 is te Bolswert het Broere Klooster gesticht, waar
+toe het houtwerk voor het grootste gedeelte van de Kreil, by Staveren,
+wierd gehaalt. Gelyk ook te Staveren, Hindeloopen en andere plaatzen
+in den Zuidhoek, nu noch wel hout, uit het gemelde bosch gehouwen,
+te zien is.
+
+In den jaare 1272 is door geheel Friesland eene zwaare sterfte onder
+het vee geweest, als ook een groote hongersnood onder de menschen.
+
+In den jaare 1273 zyn door eenen watervloed in Friesland wederom wel
+2000 menschen verdronken.
+
+In den jaare 1276, op goede Vrydag, beviel de Graavinne van Hennenberg
+te Loosduinen in het kraambed van 365 kinderen; wordende dezelve van
+haar oom, Bisschop Otto van Utrecht, in één bekke gedoopt: de knegtjes
+wierden Joannes, en de meisjes Elizabeth genaamt. Doch zy stierven alle
+nevens de moeder, en wierden te Loosduinen in 't klooster begraven.
+
+In den jaare 1277, den 25ste van December en den 13de van January 1278,
+heeft dit gewest door schrikkelyke watervloeden veel geleden; want
+door dezelve verdronken 33 dorpen en veele duizenden van menschen en
+beesten in den Dollaart; en doe is het begin gemaakt van dien grooten
+Inham, de Dollaart genaamt.
+
+Omtrent den jaare 1280, na dat de Friesen van de geduurige
+bespringingen der Graaven van Holland en der Noormannen, hunnen
+hals nu vryer hadden, zyn de oude wrokken, die in 't offeren om
+den voorrang zo meenigmaalen ontstaan waren, weder opgeborsten,
+en de stinsen, voorheenen tegen de uitlandsche vyanden gemaakt,
+wieschen nu in getal en meenigte: en onder schyn van bescherminge
+tegen de stormende watervloeden, wierden de landeryen en dorpen met
+hooge wieren van aarde digt te zamen gestampt, daar gemelde stinsen
+op gebouwd wierden. Waar uit eerst quaad nadenken, doe haat, nyd
+en eindelyk openbaare vyandschappen en moorderyen onder de Edelen
+ontstonden: het land wierd in tweeën verdeelt; die van Oostergo gaven
+de anderen den naam van Schieringers, om dat hunne landstreek, in
+broekig en waterachtig land bestaande, en hunne meeste kostwinning en
+handel in de visscherye van Schiere Aal, alwaar 't alomme van krielde,
+bestond of gelegen was. En zy zelve gaven zich den naam van Vetkoopers,
+om dat zy in hunne hooge landen en grasryke weiden met de vetweijeryen
+en landbezaaijingen meerendeels zich geneerden. Doch andere verhaalen
+om andere inzichten. Van alle welke twisten en oneenigheden wy niet van
+voorneemen zyn alle voorvallen te melden, om redenen dat die voor het
+meeste gedeelte tusschen byzondere Edelen zyn ontstaan, en daarom voor
+geene algemeene landtwisten zyn te houden: maar wy hebben voorgenomen
+te melden, de grootste gevallen, en die voor algemeene landtwisten
+te houden zyn, en tot eene daadelyke tweespalt des Gemeenen Lands
+zyn uitgeborsten, waar van wy alleen de voornaamste ontmoetingen,
+die steden en landen eenige merkelyke veranderinge aanbragten,
+hebben aangeteekent. Van welk alles in het gemeen geweeten dient,
+dat aan beide zyden dikwyls vredeverbonden gemaakt en verbrooken zyn,
+maar van ons niet alle aangeteekent, om dat wy kort willen zyn [73].
+
+In den jaare 1287 waayde het zo een geweldige stormwind, dat alle
+de dyken rondom Friesland doorbraaken, waar door kerken en huizen
+wegspoelden. Van het stedeke Gryn bleeven geen 10 huizen staan, en het
+getal der verdronkene menschen was wel 80000. By welke gelegentheid,
+Floris de vyfde, Graave van Holland, de macht der Friesen nu merkelyk
+verzwakt ziende, de Westfriesen met weinig moeite onder zyn gebied
+gebragt heeft, en een kasteel te Medenblik, nevens noch drie anderen,
+in 't gezigt der Oostersche Friesen, bouwde.
+
+In den jaare 1292 nam Graaf Floris de stad Staveren in, en begiftigde
+haar met verscheidene voorrechten.
+
+Omtrent dezen tyd begon in Friesland de wortel van die allerverdervende
+partyschap, Schieringers en Vetkoopers genaamt, aan te groeijen;
+zynde tot noch toe onder den Adel alleen beslooten; maar dat duurde
+niet lang, of de Gemeente wierd ook gedeelt en van een gescheurt. Ook
+begon men meer en meer steenhuizen of stinsen te bouwen, tot een
+toevlugt voor hen zelve, en afbreuk hunner vyanden.
+
+Gemelde scheuringe is eerst onder den Adel op de brasmaalen
+uitgebroeit, en kort daar na tot het gemeen over gegaan. De Vetkoopers
+of Vetwyders waren de Hollanders toegedaan: en de Schieringers,
+veel geringer van staat, hielden zich aan het Groninger verbond.
+
+In den jaare 1293 heeft Sneek, nu dagelyks in goede neeringe
+aanwasschende, mede stads voorrechten bekomen, tot groot nadeel
+van de nabuur-stad D'rYlst: maar in 't volgende jaar trof haar het
+ongelukkig lot van brand, welke gemelde stad tot op twee huizen na
+geheel in den asch leide en verteerde.
+
+In den jaare 1296, den 27ste van Juny [74], is Floris de vyfde en
+19de Graaf van Holland, door Gerrit van Velsen, Heer van Noordwyk,
+op eene moorddaadige wyze omgebragt.
+
+In den jaare 1299 namen de Friesen de drie nieuwgebouwde kasteelen
+der Hollanderen in, als ook Medenblik, nu reeds mede tot een stad
+geworden; en, na eenig stryden met de Graaven van Holland, moesten
+die Westfriesland weder verlaaten.
+
+Omtrent den jaare 1303 verscheen in de lucht, boven Scharl en Warns,
+verscheidene vertooningen van kryg en oorlog, met een ysselyk geroep:
+Help! help! De zon veranderde in bloed, en regen van bloed viel op
+de aarde.
+
+In den jaare 1305 verdroegen de Schieringers en Vetkoopers met
+malkanderen, om hunne twisten, door een gevegt van twee mannen uit
+hen, ten einde te brengen: dit werkstellig gemaakt zynde, bleven de
+Vetkoopers verwinnaars en de Schieringers verliezers.
+
+In den jaare 1306 quamen de Noormannen met eenige schepen in Friesland,
+om onder die inlandsche twisten, eenen roof uit het land te haalen:
+doch, Reiner Canga of Camminga, dies tyds Landsheer zynde, heeft hen
+met zyn byhebbende macht dapper afgeslagen; en over de 900 vyanden
+nedergemaakt hebbende, wierd hy zelve gequetst, waar van hy stierf,
+tot groote droefheid zyner landsgenooten.
+
+Na hem volgde J. Hessel Martena, hoewel tegen zynen zin, in het
+Landsheerlyke Gebied, om zyne uitmuntende vredelieventheid.
+
+Omtrent dezen tyd heeft Johannes Flieterp, Secretaris van Martena,
+onverwagt de beschryvinge, van Okke Scharlensis te Staveren gevonden;
+en dezelve uit het latyn vertaalt hebbende, met eenige van zyne eigene
+aanteekeningen, in het licht gegeeven.
+
+In dezen tyd wierden de Hollanders, die met hulpe der Westfriesen,
+Friesland dachten te berooven, dapper afgekeert: het welk Enkhuizen
+door eenen brand moest vergelden.
+
+In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden, hebbende het land
+tegen de aanvallen der vyanden dapper bevryd, en dezelve verscheidene
+maalen verjaagt. Om nu een nieuwen Landsheer te verkiezen, ontstond
+onder het Friesche volk een zwaare twist: de een begeerde die,
+en de ander weêr een anderen, maar alzo in dien tyd stormwinden en
+overstroomingen quamen, die wel 500 menschen wegsleepten, staartsterren
+gezien wierden, bloedregen neder viel, en andere teekenen aan den
+hemel zich vertoonden, zoo quamenze daar door tot bedaaren. Ook
+ontstond 'er in dezen tyd een vreesselyke hongersnood; waar uit
+droevige exempelen voortquamen: onder anderen, eene zekere Vrouw,
+hebbende haar goed by de landtwisten verteert, en te Sixbierum haar
+armoede verbergende, sloot haar huis toe en stierf alzo met haare
+Kinderen. En een weinig tyds hier na, heeft eene ongemeene sterfte
+het derdedeel der menschen weggenoomen.
+
+In den jaare 1318 quamen de Hollanders met een kleen vaartuig te Makkum
+en Kornwert aan land, meenende, onder het gewoel van deze inlandsche
+scheuringe, een goeden buit weg te sleepen: maar de Friesen spoelden
+hen de voeten, en hebben door hulpe van die zelve schepen Medenblik
+en Enkhuizen uitgeplondert.
+
+In dezen tyd was Staveren mede in het Verbond der Anseesteeden.
+
+En in dezen tyd bevryden de Friesen hun Land mede voor de aanvallen der
+Graaven van Gelder; als mede voor die der Hollanders en Westfriesen,
+nu wederom hunne vyanden geworden.
+
+In den jaare 1323 wierd van alle de Friesen beraamt, voortaan hunne
+generaale Rechts-Vergaderinge te Upstalboom, in Oostfriesland,
+te houden.
+
+In den jaare 1324, in November, zyn door een groot tempeest van donder
+en blixem, en een watervloed over Friesland en Holland gaande, veele
+menschen en beesten verdronken.
+
+In den jaare 1326, of omtrent dezen tyd, begon Appingadam in alle
+neeringe, ambagten en rykdom toe te neemen, zelfs Groningen gelyk
+te worden.
+
+In den jaare 1327, een weinig na Kersmis, zyn de privilegien en keuren
+van Appingadam, door de Staaten van Fivelingo, in een zeer plechtige
+byeenkomst opgestelt en goedgekeurt. Ook zyn dezelve, weinig dagen
+daar na, op een algemeenen Landdag, te Upstalsboom bevestigt, en met
+het Zegel [75] bekragtigt.
+
+In den jaare 1328 was de toestand der Schieringers en Vetkoopers zo
+verre gekomen, dat de zwakste party nu begon vreemde soldaaten in
+dienst te neemen.
+
+In den jaare 1332 zyn de wetten gemaakt van de waterlossinge by het
+Huis Groenenberg; waar uit een oorlog ontstond; want de Friesen
+van Humsterland, Vredewold enz., zich t'zamen voegende tegen de
+Groningers, geschiede het eerste gevegt in Hunsingo, en de tweede
+slag in Fivelingo, beide tot nadeel der landlieden. Maar de derde
+treffinge was zwaarder dan de eerste, en viel de Groningers ten deel.
+
+Daar na is het Huis Kortinge, by Selwert, zynde met eenige Drentsche
+Edelen bezet, door de landlieden stormenderhand ingenomen, en de
+gansche bezettinge daar in dood geslagen. Voorts wierd Groningen ook
+door hen overweldigt, wordende veele burgers in de eerste furie gedood,
+en 60 der voornaamste auteurs van die onlusten opentlyk op de markt,
+by de Pelster-, Gaddinge-, en Volkeringe Straat door 't zwaard onthoofd
+[76].
+
+In den jaare 1334, in November, op St. Klemens Dag, was 'er een groot
+onweêr van donder en blixem; en zo een watervloed, dat het zeewater
+over de dyken heen stroomde, waardoor veele menschen in Friesland en
+elders verdronken.
+
+In den jaare 1336 zyn te Bolswert 136 huizen verbrand. Ook wierd
+Friesland in dit jaar wederom door een watervloed aangetast, daar
+door veele menschen en beesten verdronken.
+
+In den jaare 1342 was het Aduarder klooster zo machtig en weelig
+geworden, dat hun verboden wierd, meer goederen en landeryen aan
+te koopen.
+
+In dit zelve jaar, den 25ste van September, is Graaf Willem van
+Holland, zo 'er gezegt word, in Friesland gevallen met over de 100000
+mannen: maar wierden van de Friesen zoodanig gehavent, dat zy met
+achterlaatinge van 18000 mannen, waar onder de Graaf, en omtrent 200
+Edelen, wederom moesten aftrekken; zynde dit de grootste overwinninge
+die de Zeelandsche Friesen ooit hebben bevogten. Want daar word gezegt,
+dat de Hollanders 10 mannen tegen de Friesen een sterk waren geweest.
+
+In den jaare 1346 waren die van Hunsingo met de stad Hamburg in oorlog;
+doch de Hamburgers den Frieschen koophandel niet kunnende missen,
+bragten door anderen zo veel te weeg, dat de zaak door wederzydsche
+gezanten is bygelegt geworden.
+
+In den jaare 1350 was 'er zulk eene vergiftige pest in en omtrent
+Friesland, dat de menschen al gaande en staande dood nedervielen,
+blyvende van 1000 naauwelyks 10 in 't leeven. ô Ysselyk verhaal!
+
+In den jaare 1361 is te Groningen eene generale vergadering gehouden
+van alle Magistraatsperzoonen in 't geheele vrye Friesland, tot
+conservatie van hunne rust en vrede.
+
+In den jaare 1364 heeft Hertog Aalbregt van Beyeren, Graave van
+Holland, het Eiland Ter Schelling in brand gestoken; doch niet zonder
+weêrzydsche bloedstortingen, want het in dien tyd onder Friesland
+behoorde.
+
+In den jaare 1368, den vierden van September, is Groningen door alle
+regeerende, en daar toe gerechtigde perzoonen, tusschen de Eems en
+Lauwers, gerechtigd tot de Stoel der gemeene Vergaderingen; 't welke
+zy voorheen maar naar gewoonte hadde geweest.
+
+In den jaare 1379 is Koeverden door de Rustringen en Oostringen,
+met Sibet en meer andere Hovelingen, ingenomen.
+
+In den jaare 1387 zyn in Friesland door een watervloed wederom veele
+menschen en beesten verdronken.
+
+In den jaare 1388 heeft Folkmer Allena het steedje Aurik,
+in Oostfriesland, ingenomen, en het slot zeer hevig laaten
+beschieten. Okko was Bevelhebber daar binnen, die, na stilstand van
+wapenen verkreegen te hebben, naar beneden in de stad ging, om over
+het verdrag te handelen; maar het zelve niet getroffen wordende, wierd
+Okke door zyne trouwlooze vyanden op den 26ste van July doorstoken;
+stervende alzo de eerste Ridder in Oostfriesland, Okko, Heer van
+Broekmerland.
+
+In den jaare 1392 is Leeuwarden, door 't aangroeyen der inlandsche
+oneenigheden, heimelyk aan de noordzyde in brand gestooken; waar door
+'t Prediker klooster en kerk verteerden.
+
+Hier na quamen de Hollanders met een machtig leger in Friesland
+vallen, tot omtrent Schooterzyl: alwaar zy door de Friesen wierden
+tegen gestaan, vegtende aan weêrskanten zeer scherp, tot beider groot
+verlies; want de Hollanders de overwinning hebbende, verlooren nochtans
+1300 mannen, zo aan dooden als gevangenen, en de Friesen daarentegen
+600 mannen.
+
+In den jaare 1397 was Yv Juwinga Landsheer, die van zommigen ook
+genoemt word Ju Jongama. In dien tyd quam Albrecht van Beyeren met
+eene macht van 18000 mannen in de Kuinre, dies tyds een Graafschap,
+om Friesland te overweldigen. En Juwinga, de Friesen tegen hem niet
+kunnende afraaden, om geen slag met hen te waagen, kreegen zy by
+Schooterzyl de nederlaag, en verlooren omtrent 500 mannen, als mede
+den Landsheer zelve. Daar na trok Albrecht naar de Lauwers; daar de
+Friesen hem tegenstonden. Ondertusschen verteerden de Schieringers
+en Vetkoopers malkander zodanig, door hunne oneenigheden, dat de
+Vetkoopers te raade wierden, voor hunne zyde het land aan Albrecht
+op te draagen; en de stad Staveren wierd hem ingeruimt. Doch van
+de Schieringers tegengestaan zynde, vertrok hy van de Lauwers, door
+geheel Oostergo en Westergo.
+
+In den jaare 1398 nam Albrecht Dokkum in, en deed de voornaamste
+der Schieringers naar Groningen vlugten; alwaar dezelve door eenen
+Koppen Jarges van Staveren gestyft zynde, benevens de Groningers,
+den Hertog weder tegen trokken, onder het geleide van Sikke Deekema,
+Gaale Hanja, en Ode Botnia.
+
+In dit zelve jaar, hebben eenige Ommelander Heeren, de Ommelanden
+heimelyk aan den Graaf van Holland opgedraagen. Maar doe de andere
+Heeren zulks gewaar wierden, en buiten weeten, zich tegens recht
+en privilegien overgelevert te zien aan hunne vyanden, beraamden
+daar op het jok af te schudden. Eppo Nittersum, zynde een Patroon
+der Schieringers, maakte hier aanstonts een begin van, neemende den
+tooren of vastigheid tusschen ten Post en Mude in, en sloeg het daar
+binnenleggende guarnisoen, uit Hollanders bestaande, altemaal dood,
+of deeden hen in de Damstervaart verdrinken. Ondertusschen wierd
+Groningen ook van den Graaf van Holland verzogt, hem voor haren Heere
+te neemen; doch te vergeefs.
+
+In den jaare 1399 namen zy Dokkum, Cammingaburg en het slot ter Luine,
+gelegen tusschen Kollummer en Oudwoudumerzyl, weder van den Hertog, en
+noodzaakten hem weder uit Friesland te vlugten; alleen noch behoudende
+de stad Staveren. Van waar Brederode, meenende de schans te Molkwerren,
+dat Winsemius ook Molkenhuizen noemt, in te neemen, doch mislukte:
+maar wierd van de Friesen geslagen, en hy zelve gevangen genomen. Doch
+weinig tyd hier na is de vrede geslooten in den Briel, tusschen Johan
+van Beyeren, Graaf van Holland, de Friesen en de stad Groningen en
+Ommelanden. Waar op de Graaf door de Groningers met 50 vette Ossen
+wierd vereert.
+
+De Friesen dus hunne vryheid weder bevogten en gewonnen hebbende,
+zyn de drie voornoemde Edelen, de een na den anderen tot Landsheeren
+verkooren; doch de een het op den anderen schuivende, hebben zy
+'t allen geweigert.
+
+In den jaare 1400, verzogten de Vetkoopers of Ballingen by den Bisschop
+van Utrecht, Frederik van Blankenheim, zyne hulpe, geevende hem een
+goede zomme geld, mits dat hy hen by de Groningers in voorige charges
+en goederen zoude herstellen. Waar op de Bisschop brieven en gezanten
+aan de Groningers afzond, hen zelfs ook gebiedende, de wapenen neêr
+te leggen: doch alles te vergeefs. Want die van Groningen en hunne
+Bondgenooten zeer moedig zynde, hebben ondertusschen onder het beleid
+van den Burgemeester Albert Wigbolts, Aapke Onstema's Huis, te Sauwert,
+met veel moeite ingenomen. Dit Huis was zeer sterk, hebbende muuren
+van 12 voeten dikte, met een wyde gragt om dezelve, en om welke noch
+een andere gragt heenen ging, bevattende 5 steene torens.
+
+Dit gerucht deed de Bisschop met zyn krygsmacht afkomen, doende de
+stad Groningen op St. Jacobs Dag aan de zuidzyde berennen: waar op
+veele schermutselingen volgden. Doch, na drie weeken belegs, heeft
+de Bisschop de stad wederom moeten verlaten, zich te vreden houdende
+alleen een Blokhuis te Blankeweer met volk wel te bezetten.
+
+Omtrent dezen tyd hebben de Groningers het Stapelrecht bekomen.
+
+In den jaare 1401 kogten de Groningers van den Bisschop van
+Munster zyne vriendschap voor 2000 guldens; mits dat hy zich by den
+Utrechtschen Bisschop niet zou voegen. Hier op trokken de Groningers
+met grooten moed in de Ommelanden, werpende veele steene huizen
+omverre, als van Snelgers huizen in den Dam; van daar na Ripperda's
+huis te Farmsum, maar met zo een goeden uitslag niet als by den
+eerste; want Ripperda, 400 zeeroovers tot bezetting gekregen hebbende,
+vielen op hen uit, en sloegen veelen van de Groningers dood. Waarom
+de Groningers aftrokken; doch maakten hunne krygsgereetschappen
+wederom in den Dam gereed, waar mede zy, na drie dagen toevens, weder
+derwaarts trokken; vallende doe met zo eene verwoedheid op gemeld
+huis en hunne vyanden aan, datze in 't kort overwinnaars wierden,
+en alles aan stukken hakten, of in 't water deeden verdrinken die 'er
+op waren. Daar na trokken de bondgenooten naar Termunten, en haalden
+het huis van Menno Houwerda omverre; als ook daar na Gockinga's huis,
+te Broeke.
+
+In den jaare 1404 zyn Sioerd Wiarda en Haring Harinxma, by gemeenen
+raade, tot Landsheeren verkooren; hebbende de eerste zyn opzicht
+in Oostergo, en de andere in Westergo. In dezen tyd zyn nochmaals
+eenige Friesche Edellieden naar het Joodsche Land vertrokken, om
+kunne krygslust oeffening te geeven.
+
+In den jaare 1405, den eersten van October, is de vrede tusschen
+den Bisschop van Utrecht en de stad Groningen geslooten; waar door
+weêrzyds gevangenen zouden los gelaaten, en de ballingen in hunne
+voorige goederen herstelt worden.
+
+In den jaare 1408 is Darrelt, in Oostfriesland, door de Hollanders
+ingenomen, en daar na getracht vast te maaken: doch Jonker Keno, van
+Broekmerland, heeft hun voornemen verydelt, en ter plaatze uit gejaagt.
+
+In den jaare 1409 heeft Jonker Keno Folkmer Allena's huis te
+Oosterhuizen, in Oostfriesland, ingenomen, neemende zyne zusters zoonen
+gevangen, en wierpze te Aurik in eene, vuile gevangkenisse, alwaar zy,
+door toedoen van zyne moeder, van honger en vuiligheid zyn gestorven.
+
+In den jaare 1412 waren de partyschappen in Friesland tusschen
+Schieringers en Vetkoopers schrikkelyk woedende: want de Vetkoopers,
+hebbende in eene vergadering voorgedragen, om de Schieringers ten
+eenemaal uit te roeijen, zonder zelve de kinderen in de wieg te
+spaaren. Hier om wierden de gemoederen der Schieringers noch meer
+ontsteeken; en daar zy hunne vyanden maar bespringen konden, sloegenze
+die dood.
+
+In den jaare 1413 is de stad Embden door Jonker Keno van Broekmerland
+ingenomen: waarom Proost Hiske, aldaar Heer zynde, naar Groningen de
+vlugt nam.
+
+Door deze overeenkomst van Proost Hiske, begon Groningen ook verdeelt
+te worden, door die alverdervende partyschappen van de Schieringers
+en Vetkoopers. Die van Rengers, Huginge, Clant, Clinge en Brugge,
+neigden naar de Vetkoopers, als zynde de Hollanders toegedaan: de
+andere waren meest alle in 't openbaar Schieringers; hun Opperhoofd
+was Koppen Jarges, houdende zich aan 't Groninger verbond.
+
+Deze Scheuringe veroorzaakte eene groote bloedstortinge; want de
+Schieringers wilden den gevlugte Proost Hiske [77] helpen, tegen
+zyn vyand Jonker Keno; en de Vetkoopers daar en tegen niet. Hier
+op stonden de Schieringers, als de sterkste party zynde, den 23ste
+van October uit haat op, en vielen op het Raadhuis aan, als de Raad
+vergadert was: zy doorstaken aanstonds den Burgemeester Jan Rengers
+en Albert Barelts, en Johan Hekman veele wonden toegebragt hebbende,
+wierpenze ter venster uit op de markt. Voorts bragten zy Hendrik
+Ottesz. Clant mede om 't leeven, als ook Allard Clant, daar hy aan
+tafel zat te eeten. Vervolgens deeden zy den Raad besluiten, dat alle
+de geene die van de Vetkoopers partye was, zich zonder eenig ophouden,
+uit de stad en de Ommelanden zouden vertrekken.
+
+In den jaare 1414 hebben de Friesen van Westergo de stad Staveren
+overrompelt; waar door Friesland geheel van het Hollandsche jok
+wierd vry gemaakt. Ook waren de Schieringers, onder Koppen Jarges,
+in Groningerland op hunne hoede: want de ballingen, hunne toevlugt by
+Jonker Keno genomen hebbende, deeden derhalve alle de aankomsten aan
+de Eems met krygsvolk bezetten: ook liet Jarges het goud en zilver
+uit de kerken in Fivelingo neemen, waar van te Kampen geld wierd
+geslagen; dat naderhand Koppens guldens genaamt wierd. Daar op nam
+de landbederving een begin, steekende twee sluizen te Reiderland in
+brand, en op verscheidene plaatzen de dyken door. Jonker Keno deed
+het zelfde aan de Groninger kant, doorsteekende mede op verscheidene
+plaatzen de dyken: moetende alzo het gemeene volk de dolle razernye
+der Grooten ontgelden.
+
+In den jaare 1415 hebben de ballingen of Vetkoopers hunne macht,
+benevens hunne vrienden, en die 't met hun hielden, te Eelde, in 't
+Drenth, byeen vergadert, waar mede zy op den 13de van September, des
+avonds, den dyk langs, stilletjes voor Groningen trekkende, en voorts
+over de stads muur klimmende, de sloten van de Aa Poort afhieuwen,
+en dus de stad, na veel bloed vergooten te hebben, innamen; hier op
+stakenze aanstonds drie huizen in brand, ten teeken voor Jonker Keno;
+welke met een vloot schepen voor Delfzyl leggende, ten eersten met zyn
+krygsvolk naar de stad afquam, en herstelde de ballingen aanstonds
+in hunne voorige bedieningen en goederen. Daar na trok Jonker Keno
+met zyn volk door de Ommelanden, en deed verscheidene van der vyanden
+heerenhuizen omverre werpen.
+
+In den jaare 1416 hebben de Groningers, met die van Hunsingo en
+Fivelingo, hunne oude verbonden wederom vernieuwt, na dat Jonker Keno
+vertrokken was; waar in alle vyandschappen en misdaaden vergeeven
+wierden.
+
+Ook heeft Proost Hiske, met hulpe zyner vrienden, de stad Embden
+wederom overweldigt en onder zyn gebied gebragt.
+
+In den jaare 1417 zijn de Vetkoopers door de Schieringers uit
+de Westerlauwers gejaagt. Maar Jonker Keno zulks berigt zynde,
+trok hen op den 10de van Juny by Noordhorn tegen; alwaar zeer hevig
+gevogten wordende, de Schieringers 500 dooden en 400 gevangenen lieten
+zitten. Korts hierna is Jonker Keno ziek geworden, en op 't Huis te
+Oldenburg overleden.
+
+In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier Dokkum ingenomen, geplondert
+en in brand gestoken; de bolwerken in de gragt geworpen, en al de
+huizen en stinsen der Schieringers geraseert, als mede ook het huis
+van A. Kamstra, bezuiden Dokkum: het blokhuis by Esumerzyl wierd
+stormerhand ingenomen, waar in vier mannen door den eersten aanval
+wierden gedood, en de rest der bezettinge, zynde zeeroovers, door
+beuls handen den kop afgeslagen. Doch in het volgende jaar quamen de
+Schieringers, onder 't geleide van Sikke Sjaardema, en wierden daar
+weder meester van.
+
+Des Okke van Broek, de zyde der Vetkoopers versterkende, quam met een
+hoop volk uit Embderland, dat hy tusschen Staveren en Hindeloopen aan
+land zettede, en met Sjaardema in een hevig gevegt raakte: waar in
+300 Schieringers verslagen, en 200 gevangen wierden; de overgeblevene
+vlugten naar Slooten, dat zy in allen spoed met eene wal versterkten
+of omtrokken: en wierden van hunne vyanden belegert: doch door hulp
+des Graaven van Holland weder ontzet.
+
+In den jaare 1419 hebben de Groningers den Bisschop van Utrecht,
+Frederik van Blankenheim, voor hunnen Beschermheer aangenomen,
+wordende hy in 't begin van Juny gehuldigt, en de Handvest op den
+11de dito geteekent.
+
+In den jaare 1420 liet Sjaardema, door des Graaven volk, Makkum met een
+bolwerk omringen. Maar zy, door een listigen brief van Tjeerd Ailua,
+Vetkooper te Witmarsum, wierden daar uitgelokt: en is doe die wal weder
+geslegt [78]. Ook trof men een veldslag by Hindeloopen, daar wel 200
+mannen wierden verslagen en verdronken, en noch zo veel gevangen.
+
+Den 30ste van April, in dat zelve jaar, is Bolswert door de
+Schieringers ingenomen, wordende aldaar een Jan Tjalling, Hoveling,
+met noch eenige Vetkoopers door de kling gejaagt, om dat zy voorheene
+eenen van Koppen Jarges volk hadden doodgeslagen.
+
+Daar na hebben de Vetkoopers, onder het commando van Fokko te Lier,
+op den 12de van May, de Schieringers by Catse geslagen; die daar 300
+dooden en 200 gevangenen verlooren.
+
+Den 26ste van September wonnen de Vetkoopers Staveren, alwaar Koppen
+Jarges, zeer dapper vegtende, het leeven verloor. Omtrent dezen
+tyd ontstond te Staveren een groote brand, waar door in 't kort 500
+huizen verteerden.
+
+In den jaare 1421 wierd Leeuwarden door de Vetkoopers vermeestert,
+en de Hollanders uit de Lemmer verdreven; daar hun sterk Blokhuis
+wierd omverre geworpen en geslegt.
+
+In 't zelve jaar, den 19de van November, is in Friesland, Holland
+en elders, een schrikkelyke watervloed geweest, waar door de dyken
+wierden gebroken, veele duizenden van menschen en beesten opgeslokt,
+en tusschen Dordrecht en Geertruidenberg 72 dorpen zyn vergaan.
+
+In den jaare 1422, in February, wierd 'er weder een verdrag van
+vrede [79] gemaakt tusschen de Schieringers en Vetkoopers. Waar op
+Dokkumerwal, en het slot op Esumerzyl geslegt wierden. Echter bleef
+by zommigen noch de twistgierigheid, waar door de zorg voor de dyken
+verwaarloost wordende, het water zoodanig inspoelde, dat het land
+drie jaaren lang tot aan Drenth en Stellingwerf met het zelve bezet
+bleef leggen.
+
+In dit zelve jaar hebben de Groningers de stad Slooten belegert;
+doch vrugteloos: want op St. Benedictus dag hebben de Hollanders de
+stad ontzet en de belegeraars geslagen.
+
+In den jaare 1424 was geheel Westergo in onrust, door de partyschappen
+van de geslachten Bonnema en Gerkema. De stins van Gerkema wierd
+overweldigt, en zelve met den vader daar in verbrand. Doch twee jaaren
+daar na wierd Fokko Bonnema ook verslagen.
+
+In den jaare 1426, in September, geschiede het bloedige gevegt van
+Fokko Ukens, Hoveling te Leer, tegen Nikolaas, Graaf van Oldenburg, en
+den Aartsbisschop van Breemen, by Deteren: alwaar Fokko, overwinnaar
+wezende, van de vyanden 5000 mannen doodsloeg, en 300 gevangenen
+bequam, waar onder veele heeren van grooten rang.
+
+In den jaare 1427, den 28ste van October, was 'er wederom een zwaare
+stryd van Fokko Ukens, tegen Jonker Okko van Broekmerland, tusschen
+Veenhuizen en Opgant; daar geschiede een groote bloedstortinge;
+want Fokko wel de overhand hebbende, verloor nochtans 4000 mannen;
+doch Okko verloor van zyne kant noch meer, en viel zelve in des vyands
+handen; alwaar hy, na zes jaaren in de gevangenisse gezeten te hebben,
+is komen te sterven.
+
+In dit zelve jaar deed de Geldersche Hertog, met een groote krygsmacht,
+een inval in 't landschap Drenth, steekende verscheide dorpen en
+buurtschappen in brand; vernielde het koren; roovende en plunderende
+alle de beste goederen, en dezelve met hem naar Gelderland sleepende.
+
+In den jaare 1428 sloeg Fokko Ukens de slag by Oterdum, tegen de
+Groningers; alwaar Fokko, wederom overwinnaar zynde, van de vyanden
+500 mannen doode, en veele gevangen nam, waar onder een Burgemeester
+van Groningen.
+
+In den jaare 1429, was Groningen en Hamburg wederom in Oorlog; want
+weêrzyds waren schepen ter zee met elkanderen geduurig in actie. In
+dezen tyd is overleden Proost Hiske van Embden.
+
+In den jaare 1430 zag men noch, by een laage ty, de kapel en ringmuur
+van 't kerkhof van Odulfs Klooster, by Staveren, in de zee.
+
+In den jaare 1431 hebben de Hamburgers, met een vloot schepen, voor
+Embden leggende, den Drost Imelo Abdema, zynde de zoon van Proost Hiske
+boven gemeld, onder schyn van vriendschap, op een gastmaal genoodigt;
+'t welke zy tot dien einde op een van de schepen hadden toegericht:
+maar de Drost aldaar gekomen zynde, en een buitengewoon glaasje wyn
+gedronken hebbende, staken zy ondertusschen in zee, en voerden hem
+alzoo over naar Hamburg; alwaar hy in groote elende 24 jaaren lang
+gevangen heeft gezeten: en de andere schepen zettede zich voor Embden,
+die de stad met geweld en dreigementen tot de overgave dwongen.
+
+In den jaare 1434 was Groningen met de Hamburgers noch in oorlog;
+by deze gelegentheid wierd Willem Wicheringe, Olderman of Hoofdman
+der Gilden, thans Olderman van 't Gildrecht genaamt in Groningen,
+willende het Stapelrecht voor de stad verdedigen, in een oploop van
+de landslieden te Farmsum doodgeslagen. Hier op wierd door de Heeren
+van de stad vergoedinge dier doodslag geeischt: doch wierd door Hayo
+Ripperda, Heer van Farmsum, geweigert, en begeerde den schuldige van
+het gedaane feyt niet over te leveren. Hier door ontstond eene groote
+tweespalt onder den Adel; want de Groningers eindelyk de wapenen
+aangordende, wilden Ripperda tot vergoedinge dwingen: doch hy zulks
+niet afwagtende, bood zich aan tot verdrag; 't welk op den 27ste van
+July deszelfden jaars wierd getroffen [80].
+
+In den jaare 1435 overleed de dappere Fokko Ukkens, Hoveling te Leer,
+op het Huis te Dykhuizen, by Appingadam, wordende in het klooster
+aldaar begraven.
+
+In den jaare 1437 hebben de Hamburgers en Embders der Hovelingen huizen
+in Oostfriesland om verre geworpen en geraseert, als te Oosterhuizen,
+Hinta, Grimmersum, Groothuizen enz., omdat ze tot geen toevlugt voor
+de vyanden zouden wezen.
+
+Ook was in dezen tyd een watervloed over deze landen, waar door groote
+schade aan menschen en beesten geschiede; als mede eene pestilentie,
+daar veele duizende menschen door stierven.
+
+In den jaare 1438, in Augusty, zonden de Groningers by nacht een schip
+met volk naar Termunten, en verrasten aldaar het kasteel. Zy joegen
+alle de Hamburgers daar uit, en stelden 'er wederom tot Commandant
+Lodewyk Hoornken. Daar na namen zy het huis van Eppo Gockinga, te
+Broeke, in, als mede de sterke toren te Bellingewolde, die zy ter
+neêr wierpen.
+
+In den jaare 1443 is het Stadshuis te Groningen gebouwt.
+
+Ter dezer tyd was Friesland wederom in groote onlusten; want die van
+Ripperda en Heemstra bedreven groote geweldenaaryen van moorden en
+branden tegen elkander.
+
+In den jaare 1444 is overleden de heer Eppo Gockinga [81], waar door
+het geheele Oldambt, volgens accoord en der Oldambsteren toestemminge,
+onder des stads jurisdictie is geraakt; wordende voorts door de
+Magistraat van Groningen een Drost gestelt, om de zaaken uit hunnen
+naam aldaar waar te neemen.
+
+In den jaare 1446 hebben die van Sjaardema, als hun huis, aan 't oosten
+van Franeker, bouwvallig begon te worden, een nieuw huis of Slot aan
+'t westereind van de stad gebouwd, op een plaats genaamt Kaale Hei,
+alwaar 't noch ten huidigen dage staat.
+
+In dit zelve jaar, na dat het vuur der Schieringers en Vetkoopers
+weêr ontstooken was, hebben de Vetkoopers de kerk en toren te Workum
+tegen de Schieringers versterkt. Doch deze laatsten hebben hunne
+vyanden aanstonts belegert; en de Overste Ketelhoet, die afgekomen
+was om de belegerden te ontzetten, geslagen; alwaar Ketelhoet zelve,
+en veele gemeenen zyn gedood en gevangen genomen [82].
+
+In den jaare 1448, even na St. Jan, is in Appingadam tusschen de steden
+Hamburg en Groningen de vrede geslooten, waar in alles wierd bygelegt,
+en de vrye handel open gemaakt.
+
+In den jaare 1453 is de Utrechtsche Bisschop, Roelof van Diepholt,
+door de Groningers voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt.
+
+Ook heeft Jonker Ulrich in dezen tyd, na dat hy van de Prelaaten,
+Hovelingen, enz., tot een Heere van Oostfriesland was aangenomen,
+de stad Embden met deszelfs burgt, als ook de burgt te Leeroort,
+van de Hamburgers gekogt voor 10000 mark.
+
+Omtrent dit jaar heeft Philip de Goede, Hertog van Bourgondien,
+en Graaf van Holland, eerst door veele laagen, en daar na door
+dreigementen, Friesland getracht te overmeesteren. Doch de Friesen
+hier tegen, maakten gezamenlyk eene onderlinge verbindtenisse, om
+hem met een gemeene macht tegen te gaan.
+
+In den jaare 1454 was te Groningen onder de burgerye een groote onlust,
+ter oorzaake van eene zekere resolutie, by den Raad genomen, dat geen
+inwoonder van de stad de waaren, welke van de landlieden ter markt
+wierden gebragt, zoude mogen koopen; maar dat deze door opkoopers,
+van den Raad daar toe gestelt, alleen zouden mogen worden opgekogt,
+en dus verder aan de ingezetenen uitgesleten worden. Maar een Warner
+Smith, Raadsheer der stad, stelde zich hier tegen, willende zelfs
+zyn gryzen kop daar by opzetten, om de burgers van die last te
+bevryden. Hy ging derhalven van het raadhuis, en maakte zulks aan
+de Bouwmeesters en Gildens bekent. De Raad dit vernomen hebbende, is
+aanstonds met 24 mannen vergadert; welke beslooten, dezen Raadsheer
+Warner Smith om 't leeven te laaten brengen. Weinig dagen hier na
+vergaderde de Raad weder, en deed den Raadsheer Smith door een stads
+Dienaar ontbieden: doch hy merkte het quaad; geevende daarom hier van
+aanstonds kennisse aan de Bouwmeesters en Gildens, en hun gebiedende,
+naauwe wacht te houden voor het Raadhuis. Hier op ging Smith met eene
+groote vrymoedigheid naar boven: maar den beul aan de deur vindende,
+trad hy in de Raadkamer, zeggende: «Wat, wilt gy uw gebod met bloed
+schryven; door de handen van een beul?" Onderwyl zagen eenige heeren
+uit de vensteren, en vernamen dat de geheele markt vol gewapende
+en oproerige menschen stond; derhalven wierden zy met de uiterste
+verbaastheid aangedaan, en veranderden gansch van resolutie: want de
+Raadsheer Smith wierd daar op niet alleen vry verklaart, maar zelfs
+de genomene resolutie ook wederom ingetrokken: waarom het gepeupel
+weêr vertrok.
+
+In den jaare 1455 is het Verbond tussen de stad Groningen en de
+Ommelanden voor den tyd van 10 jaaren vernieuwt. Waar op St. Martens
+toren is gefondeert, en na vyf jaaren voltrokken.
+
+In den jaare 1456 verscheen over Friesland eene ysselyke staartstar;
+waar op, eenige jaaren na malkanderen, een groote duurte omtrent
+de leevensmiddelen is gevolgt. Omtrent dezen tyd zoude, door de
+dapperheid der Friesen, die doorgaans den H. Kryg volgde, om de
+inlandsche oneenigheden te myden, wel 30000 Turken ter neder gemaakt
+zyn, in de groote overwinningen die de Hongaren bevogten.
+
+In dezen tyd deed Tanne Kankena een inval in Oostringen, neemende
+Jeveren in; en voerde daar na 300 menschen gevankelyk, als mede 3000
+stuks vee, naar Hargelingeland.
+
+Omtrent den jaare 1457 is Sneek byna geheel afgebrand, blyvende de
+dyk en 't nieuw zand maar alleen over. Doch veel tyd daar na is het
+weder opgebouwd.
+
+Niet lang daar na wierd Slooten mede byna geheel door 't vuur verteert;
+zynde in den brand gestooken uit twistende eergierigheid van eenige
+Edelen.
+
+In den jaare 1459 hebben de Groningers hunne stad met nieuwe wallen,
+gragten en poorten versterkt. Ook hebben zy David van Bourgondien,
+Bisschop van Utrecht, voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt.
+
+In den jaare 1461 is Harlingen mede door den brand geheel vernielt.
+
+In den jaare 1462, in October, sloegen de Vetkoopers tegen de
+Schieringers by Aalsum; waar in de laatste verscheidene Grooten,
+en omtrent 250 gemeenen verlooren.
+
+In den jaare 1465 is de Zyl of Sluis van Offingawier door storm en
+onweder weggescheurt; welke opening weder gestopt wierd door een stuk
+land, leggende buitendyks, en afgescheurt zynde, daar weder in dreef,
+terwyl het door enige varkens en schaapen beweid wierd.
+
+In den jaare 1470 heeft Karel de Stoute de Friesen wederom getracht
+onder 't Huis van Bourgondien te brengen, op gelyke wyze als zyn vader
+Philip, daar wy boven van gemeld hebben. Doch de Friesen vonden zich
+geraden nochmaals hunne vryheid te verdedigen. Omtrent dezen tyd,
+wierden tusschen Heemelum en Koudum, drie mannen en twee vrouwen
+doodgeslagen, zonder dat elders van eenige verdere schade gehoort
+wierd. En op Ameland quam een walvis, 83 voeten lang, aandryven.
+
+In den jaare 1471 hebben de Groningers, na dat de Hertog van Beyeren
+hun den oorlog hadde aangekondigt, hunne stad zeer vast gemaakt;
+maakende eene aarde wal buiten de gragt, aan de zuidkant, met zes
+steene torens: ook een steenhuis aan de inloopinge van de Hunse en
+Aa: als mede de Heere en daar na de Ooster poort; en hebbende de stad
+tegenwoordig acht poorten, daarze bevoorens 'er maar zes had gehad.
+
+Omtrent dezen tyd leefde de vermaarde en hooggeleerde jongeling
+Andreas Canter, van Groningen, welke 10 jaaren oud zynde, by den Keizer
+Frederik de derde ten Hove ontboden wierd, om zyne groote geleertheid
+[83].
+
+In den jaare 1472 wierd door Jonker Onno van Ewsum een zeer zwaare
+toren te Middelstum gebouwd, dat geheel strydig tegen de gemaakte
+verbonden was. De Groningers namen het daarom ook zeer qualyk; zendende
+eenige Gecommitteerden derwaarts, om het werk te bezigtigen. Hy quam
+ondertusschen zelve te Groningen, en betuigde niets quaads tegen de
+stad in den zin te hebben; maar dat hy alleen een schuilplaats tegen
+zyne vyanden zogt. Echter wierd hem door den Raad geordonneert, dat
+de zwaarte der muuren van 6 tot 3 voeten moesten vermindert worden,
+volgens hun gemaakt verbond. Doch Jonker Onno voer evenwel met het
+werk voort: en om andere zwaarigheden, dachten de Heeren van den Raad
+niet meer aan hem.
+
+In den jaare 1474 deed een watervloed, over Friesland gaande, veel
+schade aan menschen en beesten.
+
+In den jaare 1477, den 17de van September, was 'er de Cosmus en
+Damianus vloed: waar door in Friesland en elders zwaare schade
+geschiede. By 't klooster te Lidlum wierd een zeekalf gevangen; en in
+de gragt van Bolswert wierden mede twee zeldzame visschen gevangen,
+schynende de eene vleugelen te hebben, en de andere een zeehond te zyn.
+
+In den jaare 1478 hebben de Groningers het slot te Wedde, van Hayo,
+te Westerwolde, ingenomen en geslegt; maakende aanstonds op een andere
+plaats een nieuw slot, en noemde het zelve Pekel a Burg, of Pekelburg;
+alwaar de Groningers een Kastelein op stelden, welke over Westerwold
+en het deel van den Oldambt, aan de eene zyde van den Dollaart,
+zoude richten.
+
+In den jaare 1480 is binnen Bolswert een kind met twee hoofden
+gebooren. En te Leeuwarden zyn in dezen tyd de eerste Gildens in
+gestelt.
+
+In den jaare 1481 quamen de Keizerlyke Gezanten Steenbergen en Loo te
+Groningen, en presenteerden hunne brieven aan den Raad en de Gemeente,
+waar in de Keizer, den Burgemeesteren en Raaden in Groningen, het
+Potestaatschap van Wester-Lauwers eeuwig en erffelyk gaf, zonder te
+mogen beroepen worden, enz.; als mede met de ridderlyke orde wierden
+begiftigt, zo wel de toekomende als tegenwoordige Burgemeesteren
+en Raadsheeren dezer stad. Ook gaf hy hun het recht, om goude
+en zilvere munt te slaan. Doch het accoord wierd niet getroffen:
+waar van de voornaamste oorzaak was, zo men zegt, om dat de Keizer
+een jaarlyksche tribuit van 10000 rhynsche goudguldens eischte,
+te betalen uit de inkomsten van Friesland over de Lauwers: 't welk
+alhier te zwaar wierd geacht.
+
+In den jaare 1482 wierd het groote en vermaarde laatste verbond
+tusschen de stad Groningen en Ommelanden voor den tyd van 40 jaaren
+gemaakt. Waar na Stad en Lande heeft gefloreert, en in rykdommen
+toegenomen. Waar op voorts de hooge en zwaare St. Martens tooren is
+voltrokken [84].
+
+In den jaare 1486, in October, overleed te Heidelberg de Hooggeleerde
+en beroemde Rudolf Agricola; hy was te Baflo, in Groningerland
+gebooren, en zeer geleerd in de hebreeuwsche, grieksche en latynsche
+taalen; ook was hy een groot musicus, hebbende het groote en deftige
+orgel in St. Martens kerk te Groningen eerst nieuws gemaakt.
+
+In den jaare 1487 is de stad Leeuwarden door de Schieringers
+gewapenderhand ingenomen.
+
+Ook hebben de Groningers een rykgeladen Hollands schip, 't welk de
+Oostfriesen genomen hadden, hun op de Wadden weêr ontweldigt; wordende
+de roovers daar van te Groningen opgebragt, en den kop afgeslagen.
+
+Daar na trokken de Groningers 't Drenth in, en haalden Jonker Aapke
+Ewsums Huis te Roôn om verre. Als mede hadden zy, onder het bevel
+van Ulrich, te Dornum, een aanslag op den Dam; doch vrugteloos.
+
+Omtrent dezen tyd is een vrouwe ligchaam, 12 houtvoeten lang, uit de
+zee opgeworpen, en aan het strand van Ter Schelling komen aandryven.
+
+In den jaare 1490 vermeesterden de Vetkoopers, die nu voor 't
+meerendeel door verloop van hunne zaaken, in Holland gevlugt waren,
+de stad Workum; komende, onder 't geleide van Yge Gaalema, uit Holland
+over 't ys aantreeden.
+
+In dit zelve jaar is de wydberoemde Wesselius Gansefort, te Groningen
+gebooren, aldaar overleden; zynde door zyne theologische Studien
+zo beroemd, dat hy 't Licht der Waereld genaamt wierd. Hy was ook
+een groot medicus, hebbende Paus Sixtus de vierde eenige jaaren
+als Lyfmedicus gedient, en wierd in het geestelyke Maagde-Klooster
+begraven.
+
+In den jaare 1491 heeft Berlikum noch de voorrechten en vryheden van
+stads gerechtigheid gehad. Omtrent dezen tyd ontstonden in Friesland
+verscheidene branden aan huizen: ook vertoonden zich veele gezichten
+aan de lucht, als voorboden van droevige tyden.
+
+In dit zelve jaar hebben de Groningers die van Dokkum, Dongeradeel,
+enz., mede in hun verbond aangenomen, wordende het accoord voorts
+opgemaakt, en op St. Lamberts Dag van weêrszyden geteekent. Doch
+dit verbond heeft naderhand groote onlusten en bloedstortingen
+veroorzaakt. Want de Groningers zyn daar na met een groote krygsmacht
+in Friesland gevallen, om de malcontenten, die noch tegen dat verbond
+waren, tot gehoorzaamheid te brengen; smeeten veele steenenhuizen
+omverre, en zettede eenen Sikko Bolte voor Dokkum op een rad.
+
+In den jaare 1492 quamen de Leeuwarders mede in het Groninger
+verbond. Maar die van Sneek, en meer andere Hovelingen daar
+omtrent, bleven daar noch tegen; waarom zy met de Groningers, omtrent
+Leeuwarden, in gevegt traden, daar zy zeer ongelukkig vegtende, van hun
+100 mannen gedood, en 250 gevangen wierden. Doe stelden de Groningers
+een Gouverneur te Leeuwarden en Dokkum, die deze twee steden, en
+genoemde landen, uit hunnen naam, aldaar regeeren en bestellen zoude.
+
+In den jaare 1493 quam de Heer Otto van Langen, als Ambassadeur van
+den Keizer Frederik de derde, in Friesland, om de partyschappen
+en oorlogen, tusschen de Groningers en die van Sneek, met hunne
+aanhangers, by te leggen.
+
+Ook zyn de Friesen in dezen tyd in Munsterland gevallen, beroofden
+en staken verscheidene dorpen in brand, en sloegen veele menschen
+dood. Insgelyks deeden de Munsterschen wederom aan de andere kant,
+spaarende noch kerk, noch dorp in Friesland.
+
+In den jaare 1494 hebben de Groningers hunne Gezanten aan den Keizer
+Maximiliaan gezonden, die het gemaakte verbond met die van Oostergo
+confirmeerde, mits aan hem betaalende 10000, en aan den Hertog van
+Saxen 1000 rhynse guldens. Hier na zond de Keizer drie van zyne
+Hofraaden in Friesland, te Leeuwarden, Dokkum, enz.; alwaar zy
+de Groningers lieten huldigen, plicht en eed doen, uit naame des
+H. Roomschen Ryks.
+
+In dit zelve jaar heeft Keizer Maximiliaan de oude voorrechten
+en vryheden der Friesen op nieuws weder door brieven bevestigt;
+beveelende hun, als voorheen, wederom uit hunne eigene Edelen
+eenen Landsheer te verkiezen, op dat de verwoede handelingen en
+heillooze scheuringen eens ten einde mogten komen: dreigende hen,
+by nalaatigheid van dien, onder een vreemd Heer te willen zetten,
+met een eeuwig verlies van hunne vryheid; alzo hy zulks verstond,
+tot merkelyke ruste van het Duitsche Ryk, te behooren.
+
+Hier op wierd Julius Deekema, van Baard, by gemeenen raade, tot
+Landsheer of Potestaat verkooren, om dat hy een man was, vreedzaam
+van gemoed, en een haater van tweespalt.
+
+In dit zelve jaar, 's nachts omtrent twee uuren, hoorde men digt
+by Bolswert, een schrikkelyk geraas en getier, als van strydende
+heirlegers; zo dat de wacht, de ronde doende, in 't eerst meinde,
+dat 'er in der daad een gevegt omtrent de stad was.
+
+In den jaare 1495 hebben de Schieringers, gesterkt met de vreemde
+krygslieden van Hertog Albrecht, uit Holland gehaalt, en wel 2000
+uitmakende, Workum en Hottingahuis ingenomen: brandschattende
+Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en geheel Wymertserdeel. Koudum
+stakenze in den brand. Doe schattenze de Gaasterlanders. Deze riepen
+de Woudlieden om hulp: en zich daar tegen kantende, belegerdenze te
+gelyk Slooten.
+
+In den jaare 1496, in January, hebben de Schieringers, die zich
+met veele Geldersche krygslieden, onder den Oversten Fox, binnen
+Sneek versterkt hadden, een tocht ondernomen, om de Woudlieden
+en Gaasterlanders van 't beleg voor Slooten te doen opbreeken: de
+Woudlieden, yverende tegen de onderdrukkingen en brandschattingen der
+Schieringers, die nu dagelyks veele Gelderschen in het Land hadden
+gehaalt, stelden zich op Sneekermeer tot tegenweer; doch het ys,
+door hunne zwaarte, aan stukken barstende, verdronken 'er veelen;
+die staande bleeven, verweerden zich tot den laatsten man; zo dat
+'er over de 4500 Woudlieden omquamen, en de Overste Fox wierd zelve
+mede gequetst.
+
+De stad Harlingen door de Groningers, die naast eenige dagen in 't
+Land gekomen waren, in bezettinge genomen zynde, wierden door die van
+Franeker overrompelt; doch, door dien zy 't blokhuis der Groningers
+niet meester konden worden, moesten zy gemelde stad weder verlaaten,
+na alvoorens dezelve uitgeplondert te hebben, en een Busse of stuk
+Geschut, dat 'er ter verdediging der stad gevonden wierd, mede naar
+Franeker te neemen. Daar na vermeesterdenze echter het blokhuis,
+en de Groningers geraakten het Land uit.
+
+In den jaare 1497, wierden Redmer Vealma, Ridder, en Barent Conders,
+Burgermeester, met 7 a 8000 mannen, door de Groningers naar de
+Lemmer gezonden; welke by Takezyl een sterk Kasteel bouwden. Daar na
+kogten de Sneekers Jonker Fox met zyn krygsvolk uit Sneek, en geheel
+Westfriesland, voor 8000 rhynse guldens.
+
+
+
+
+
+VI. ERFHEEREN.
+
+1. Albrecht, Hertog van Saxen.
+
+
+In den jaare 1498 is Albrecht, Hertog van Saxen, door Keizer
+Maximiliaan in Friesland gezonden; hem aanstellende tot Erfstadhouder,
+of Erfpotestaat van Oostergo, Westergo, Sevenwouden, Groningen en
+Ommelanden, Ditmarsen, Strandfriesen, Wirsters en van Stellingwerf:
+zynde de Keizer, door quaade aandieningen van zyne Gezanten,
+verkeerdelyk onderricht omtrent de verschillen der Landzaaten: te
+weeten, als dat dezelve wel tot merkelyk nadeel van het Roomsche
+Ryk mogten uitvallen: heeft daarom de vryheid der Friesen omverre
+geworpen, alschoon dezelve van Karel den Grootes tyden af, ook
+by zynen vader Sigismund, en noch onlangs door hem zelve zo wel
+bevestigt was. Maar de voornaamste oorzaaken waren, dat Hertog
+Albrecht, hebbende de voogdyschap der Graaflykheid van Holland voor
+Philip van Oostenryk bedient, die in het voorgaande jaar mondig was
+geworden, eischte, voor de onkosten, die hy in den oorlog tusschen
+de Hoekschen en Kabeljauwschen te beslegten hadde gemaakt, een zomma
+van 350000 rhynsche guldens: ter verzekeringe voor die zomma, eer het
+konde opgebragt worden, heeft Maximiliaan Friesland, enz., als een
+leengoed des Roomschen Ryks, hem te pande gegeeven; tot 'er tyd toe dat
+gemelde 350000 rhynsche guldens door Philip of de zynen aan hem zouden
+opgebragt zyn. Waar op Albrecht van Saxen, op zyn luimen leggende,
+hoe hy een voet in het Land zoude krygen, heeft door heimelyke listen
+en bezendingen zo veel te weege gebragt, dat eenige Schieringers,
+die nu de zwaksten waren, een verbond met hem maakten. Doch de Hertog
+de Friesen in 't gemeen ongenegen vindende, besloot eerst om dezelve
+met geweld te bedwingen; maar in raad weder veranderende, bragt door
+verscheidene listen en bedriegeryen vreemde krygslieden in 't Land;
+waar door hy de Schieringers met veele geweldenaaryen tot verdrag
+bragt, en hem in Westergo innamen. Daar op zyn de Vetkoopers, na
+eenige vergeefsche tegenweer, mede tot de huldiging des Hertogs wegens
+Oostergo vereenigt. Alleen stond Leeuwarden, en eenige aanhang, hem
+noch tegen: doch na eenigen tyd belegert te zyn geweest, gaf het zich
+mede in het verdrag. Hier op liet de Hertog te Leeuwarden aanstonds
+een blokhuis bouwen, van de steenen der afgebrookene stinsen, die hy
+tegens wille van de eigenaars liet afwerpen, om tot gemeld blokhuis
+te gebruiken.
+
+In den jaare 1499 had Graaf Edzard van Oostfriesland het oog op
+Groningen, doch die van binnen zulks gewaar wordende, trokken uit,
+onder het bevel van Ulrich, te Dornum, met 200 mannen, neemende
+den Dam in en bezetteden de aankomsten aan de Eems, als Farmsum,
+Oterdum, Reide, enz., en deeden verscheidene Ommelander heerenhuizen
+omverre werpen. Evenwel trok Graaf Edzard met zyne krygsmacht over
+in den Oldambte, bestaande het geheele leger uit 2800 burgers en
+soldaaten, benevens de Ommelander Hovelingen, neemende aanstonds
+Pekel a Borg in. Daar na dwongen zy de Oldambsters 2200 rhynse
+guldens brandschattinge af; en trokken dus voort voorby Slochteren,
+tot in het klooster Wittewyrum: waar door de Groningers den Dam en de
+andere plaatsen verlieten; en dezelve door des Graaven volk wederom
+in bezettinge wierd genomen. Graaf Edzard zelfs quam met 1000 burgers
+over de Eems; hy was uit den Oldambte naar huis getrokken, en deed
+groot geweld van rooven, branden, en schattinge te vorderen. Doch
+de Groningers spaarden hunne vyanden ook niet. Nochtans maakte Graaf
+Edzard een kasteel te Oterdum, en den Dam vast tot een oorlogsstoel.
+
+Ondertusschen zonden de Groningers 400 soldaaten, met een goed gedeelte
+van oorlogsgereetschap voor het huis te Sauwert: 't welk ten eersten
+aan hun wierd overgegeven; wordende aldaar de vestingwerken afgeworpen,
+en de bezettinge gevangkelyk mede in de stad gevoert.
+
+Den 22ste van July is Jonker Fox met zyn volk, 250 mannen sterk
+zynde uit Friesland, over Drenth, naar Graaf Edzard willende, door de
+Groningers omtrent Cropewolde aangetast en geslagen; Fox zelve wilde
+zich niet overgeeven, schoon hy verscheidene wonden gekregen had,
+maar vogt, op zyn kniën leggende, zo lang tot hy den geest gaf. De
+Groningers hadden hier een groote overwinninge, want 30 bleeven 'er,
+behalven Fox zelve, van de vyanden dood, en 125 wierden 'er gevangen.
+
+Alhoewel deze Jonker Fox altoos der Groningers ergste vyand is geweest,
+hebbende zy hem evenwel, om zyne dapperheid, naar Groningen gevoert,
+en aldaar in de Minnebroeders kerk, met eeretekenen begraven. Door
+het verslaan van dezen Jonker Fox, heeft het plaatsje Foxhol zyne
+benaaminge bekomen.
+
+In dit zelve jaar, quam Hertog Albrecht, met zynen zoon Hendrik, te
+Harlingen aan; en wierd eerst te Franeker, en daar na te Leeuwarden
+op 't Oude Hof ingehuldigt. Binnen Franeker heeft hy, om eene goede
+bestellinge der wetten in den Lande te geeven, den Hoogen Raad,
+die wy nu noch het Hof van Friesland noemen, ingestelt.
+
+Daar na vertrok Hertog Albrecht uit Friesland, naar Meissen, in
+Duitschland, laatende zyn zoon Hendrik, aangestelt als Stadhouder,
+op het Hof binnen Franeker; zynde het Slot van Sjaardema. Doch deze
+niet wel onderrecht zynde, leide de gemeente ondraagelyke lasten op;
+waar door een groot oproer ontstond.
+
+In den jaare 1500 hebben de Friesen hem in Franeker met 16000
+mannen komen belegeren: en vooral waakende dat 'er geen meerder
+vreemd krygsvolk in 't Land wierd gebragt, zo namenze dit volgende
+voor hunne leuze: Fjouwer lotter-claer leep aayen op in finne herne
+in ien nest [85]. Die dit niet zeggen kon, achten zy een Uitlander
+te zyn, en wierd aanstonds veroordeelt om verdronken te worden. Om
+hunne belegeringe voort te zetten, en gemelde stad te vuur en te
+zwaard wel aan te tasten, hebben zy de Groningers ondertusschen voor
+vier stukken geschut, tot dit beleg benoodigt, alle het zilverwerk
+en andere kostelykheden, uit alle kerken en kloosters geligt zynde,
+te pande gegeven. Albrecht ondertusschen, met veel volk uit Meissen
+te rugge komende, slaat, met een onderstand van den Graaf van Holland,
+het leger voor Franeker weder op. Waar op die van Leeuwarden hunne stad
+verlaaten: en Hertog Hendrik trok daar weder in, bedryvende alomme veel
+moedwille, brengende veele Edelen en gemeene lieden in ballingschap.
+
+In dit zelve jaar is den Dam door de Groningers belegert, en zeer hevig
+beschooten, maar het afkomen van Graaf Edzard, en de overstroominge
+van het water, deed hen dezelve wederom verlaaten, en naar Groningen
+trekken. Waar op des Graaven volk, in moedwil uitbarstende, hier na
+de dorpen Wagenborgen, Uithuizen en Meden in brand stak, waar door
+veele huizen verteerden.
+
+Ook zynze daar na in de Marne gevallen, hebbende de Groningers,
+die met de landlieden te zamen vereenigt waren, geslagen; en daar
+na ongehoorde gruwelstukken van rooven, moorden en branden, vrouwen
+verkragten, en kerkschenderye bedreeven.
+
+Groningen wierd door de Saxen op den eersten van Augusty aan
+de noordzyde belegert, leggende het geheele leger voor de naaste
+molenbergen van de stad; van waar hetzelve, doch met weinig schade,
+15 a 16 dagen beschoten wierd. Maar hunne schepen van proviand en
+oorlogs-ammunutie lagen het Reidiep langs, waar by 1000 mannen Saxen
+tot dekking in Jarges tigchelwerk geposteerd waren.
+
+Onderwylen quam de Bisschop van Utrecht, met verscheidene heeren uit
+de Staaten des Lands in 't leger, en bewerkte zo veel tusschen den
+Hertog van Saxen en de stad Groningen, dat de vrede op den 21ste van
+Augusty te Aduard voor eenige maanden geteekent wierd. Waar op het
+beleg aanstonds wierd opgebroken, en 12000 soldaaten daar van naar
+Friesland gezonden; trekkende de Hertog zelve met het overige volk
+naar den Dam, en van daar naar Embden; daar hy, na eene ziekte en
+hoofdwonde, die hy door een musquetkogel in het beleg had ontfangen,
+op den 8ste van September is komen te sterven.
+
+
+
+
+
+2. Georg, Hertog van Saxen.
+
+
+Deze is, volgens het recht van erffenisse, in 's vaders plaats
+gekomen; na dat zyn broeder Hendrik zyn recht aan hem by verdrag had
+over gedaan.
+
+In den jaare 1501 hebben de Groningers 2000 soldaaten aangenomen,
+onder voorwaarde, dat zy hen den Dam zouden helpen winnen, waar
+voor zy dan zouden genieten, behalven de plondering, 7000 guldens,
+en al het geene dat zy tot dien aanslag noodig zouden hebben. Daar
+op zynze den 18de van May met malkander uitgetrokken, en berenden
+voorts den Dam aan drie kanten; neemende ondertusschen Delfzyl weg,
+en sloegen het daar binnenleggende guarnisoen dood. Vervolgens deeden
+zy verscheiden stormen op den Dam, en schooten 'er den brand in:
+maar die van binnen zich mannelyk kwytende, sloegen hen t'elkens
+af. Ondertusschen quam Graaf Edzard met 4000 mannen over de Eems,
+regt uit naar den Dam, stellende zyn krygsvolk, in drieën verdeelt, in
+slagorde, met het geschut vooraan, en marcheerde alzo op den weg van
+Jukwert, regts tegens hunne vyanden in; waar op het bloedvergieten
+aanging, en wierd 'er zo gruwelyk onder de Groningers geslagen,
+dat ze den Dam moesten verlaaten, en de vlugtende tot aan Groningen
+nagezet; die zo droevig verslagen of in de Damstervaart verdronken,
+dat 'er, naar 't zeggen van zommige, 3000 mannen wierden verlooren,
+waar onder vier Burgemeesters zoonen van Groningen, als Albert Jarges,
+Harmen Jarges, Gosen Schaffer, en Johan Mepsche. Daar na namen de
+Saxen het Huis te Mude in, en verbranden eenige molens en kapellen
+aan de noordzyde voor Groningen; ook op een na alle de molens en
+huizen aan de zuidkant, tot aan de gragtswal.
+
+In den jaare 1502 quam de jonge Hertog van Saxen in Groningerland, by
+hem hebbende zes Graaven, veele Edelen, 200 ruiters en 300 soldaaten,
+met allerlei veldstukken en bagagie. De eerste nacht bragt hy door
+te Aduard, mits naauwe wacht houdende voor de Groningers, hoewel
+'t bestand noch liep. Van daar trok hy naar den Dam, alwaar hem
+de burgers met kruissen en vaanen te gemoet traden, en met veele
+eeretekenen in haalden. Zy droegen altemaal vellen op hunne knieën,
+ten teeken van onderwerping: waar op de hovelingen uit de Ommelanden,
+in den Dam wezende, hem mede huldinge en eed hebben gedaan.
+
+In dezen tyd hebben de Groningers met Hertog Karel van Gelder een
+verbond gemaakt; mits dat de wederzydsche burgers in elkanders land
+een vryen koophandel zouden mogen dryven.
+
+In den jaare 1504 heeft Graaf Edzard, by de punterbrug, een zeer
+sterk kasteel laaten bouwen; 't welk naderhand Weerdenbras genaamt
+is geworden.
+
+In den jaare 1505 was te Harlingen een zwaare nood van water, waar door
+veele dyken doorbraken. Daar op volgde een groote droogte in den lande,
+waar door zwaare branden in de veenen wierden veroorzaakt: als ook
+te Hindeloopen, dat met 'er kerk voor 't meerendeel geheel verteerde.
+
+In dit zelve jaar, den 8ste van April, trok een party Groninger burgers
+en soldaaten naar Onderdendam, en bragten by hunne te rugkomst 14
+Saxische soldaaten en twee boeren gevankelyk mede in Groningen;
+waar door het oorlogsvuur weder ontstooken wierd.
+
+Den 20ste dito quam een troup Saxischen uit Aduard, in den nacht, by
+de Aa Poort, en verbranden aldaar 8 a 9 huizen. Daar tegen zonden de
+Groningers 4 a 500 mannen naar Oosterwyrum en de omleggende plaatzen,
+brandende het dorp Heveskes geheel af, en haalden een grooten buit van
+ossen, koeyen en schaapen van Wytwert, enz.; alwaar de kerken wierden
+aangetast, de goederen daar uit gehaalt, en naar Groningen gevoert.
+
+Den 22ste van Augusty wierden de Groningers en Saxischen te Haren
+handgemeen, alwaar de eersten 20, en de laatsten 100 mannen op het
+slagveld lieten leggen.
+
+Aldus de oorlog wederom een begin genomen hebbende, droeg de Hertog
+van Saxen het veldheerschap op aan Graaf Edzard van Oostfriesland,
+en Jonker Vitus, van Draaksdorf, die de Groningers 'er toegangen
+zeer naauw lieten bezetten: waar door die van binnen, zich zeer
+geprangt vindende, en van alle hulpe ontbloot ziende, wierd het
+gemeene volk nochtans, door de onmenschelyke wreedheden der Saxen,
+te meer verbittert: waarom de Groningers hunne bescherminge by iemand
+wilden zoeken. Hier op verkozenze Graaf Edzard, van Oostfriesland,
+voor hunnen Beschermheer; aan wien zy de stad opdroegen; waar van
+de artykelen in den jaare 1506, op den 24ste van April, wierden
+bezegelt, wordende in dezelve alle de privilegien en vryheden, die
+Groningen met haare ingezetenen ooit gehad hadden, behouden. Daar
+op quam de Graaf met zyne keurlyke krygsbenden, verzelt met veele
+Edelen, naar Groningen af; gaande de Magistraat van de Stad,
+benevens de jonge manschap en soldaaten, door de Poele Poort uit,
+hem tot aan Ooster Hoogebrug te gemoet, en deeden hem aldaar den
+eed van getrouwheid. By de Poele Poort gekomen zynde, ontfong hy uit
+handen van Burgemeesteren de sleutels van de stads poorten. Vervolgens
+wierd de Graaf met een prachtige staatsie, onder het losbranden van
+'t kanon, trommen- en trompettengeschal, luiden der klokken, enz.,
+ter stad ingehaalt; rydende alzo de Poelestraat door, naar de markt,
+alwaar het krygsvolk in volle wapenen, in ryen en gelederen geschaart
+stond, tot aan de hoek van de Gelkingestraat, daar het logement voor
+hem bereid was. Daags daar aan ging hy in St. Walburgs kerk, alwaar
+de burgers hem huldinge, pligt en eed deeden, volgens inhoud van het
+accoord. Daar na deed de Graaf een sterk en zwaar kasteel bouwen,
+tusschen de Steenstil en Ooster Poort, zynde voorzien met zeer wyde
+en diepe gragten en hooge wallen.
+
+In den jaare 1506 quam Hertog Georg in Friesland, en wierd
+ingehuldigt. Hy gebood, om over geheel Friesland te gebruiken
+de Workumer ellen, het Bolswerder loopen, de Leeuwarder kanne, de
+Keulsche wicht; en het Hof van Gerichte, by zynen vader te Franeker
+ingestelt, liet hy naar Leeuwarden vervoeren. Daar na liet hy het
+Bild allereerst bedyken, na dat het al eenige jaaren goed vast land
+was geweest, en by zynen vader Albrecht in eigendom ware genomen,
+zonder dat de Staaten des lands daar in bewilligt hadden.
+
+In dezen tyd heeft gemelde Hertog ook de Floreen Rente over den
+Lande gestelt, en elk naar hunne schattinge doen betaalen; waarom,
+om het zo veel te gemakkelyker in te vorderen, hy het Landschap in
+zyne hoofddeelen onderscheiden heeft: die wy nu Grietenyen noemen.
+
+In den jaare 1507 heeft de Hertog van Saxen, na dat Graaf Edzard
+Groningen in 't bezit had genomen, groote pretensien van den Graaf
+en de Groningers gevordert. Doch deze questien zyn te Constans op
+den Ryksdag gebragt, alwaar wederzydsche Gezanten wierden gezonden;
+maar naderhand ook te Keulen hervat.
+
+In dit zelve jaar is de vaart van Leeuwarden naar Franeker, en naar
+Bolswert begonnen gegraaven te worden.
+
+In den jaare 1508 is Norden, in Oostfriesland, door zyn eigen
+vuur voor 't meerendeel verbrand. En op den 16de van October was de
+tweede St. Gallus watervloed, welke in Oostfriesland en elders groote
+schade veroorzaakte: wordende in de zelve kabeljauw en wytingen voor
+Groningen gevangen.
+
+In den jaare 1509, den 26ste van September, was 'er een hooge
+watervloed over Friesland, Groningerland, en elders, waar door niet
+alleen verscheidene dyken zyn weggespoelt, maar ook veele menschen
+en beesten verdronken. By de Dollaart scheurde een stuk lands af, op
+welke 10 a 12 zwaare beesten te weiden gingen, van het overige land
+in den Oldambte, en dreef over de Dollaart, in Reiderland, alwaar
+het vast en behouden bleef zitten; 't welk naderhand een oorzaak van
+proces gaf tusschen die van 't verdrevene en 't aangespoelde stuk land.
+
+In den jaare 1511 ontstond 'er te Leeuwarden een zwaare brand, die
+wel 200 huizen verteerde.
+
+In den jaare 1512 wierd Koeverden door Roelof van Munster, gewezene
+Drost van 't Drenth, met verrassinge ingenomen. Doch zeer kort hier na,
+heeft de Bisschop Munster hem wederom belegert, en tot verlaatinge
+dier plaats gedwongen; stellende daar doe wederom tot Drost Adolf
+van Rechteren.
+
+In den jaare 1513 zond de Keizer Maximiliaan een scherp mandaat aan
+Graaf Edzard, hem gebiedende, op zwaare straffe, de stad Groningen
+te verlaaten, en dezelve aan den Hertog van Saxen in te ruimen:
+doch vrugteloos.
+
+In den jaare 1514, in het begin, deed de Hertog van Saxen, ziende
+dat hy 't met die van Groningen niet eens konde worden, een inval in
+Oostfriesland, doende allerlei wreedheden van moorden, brandschatten
+en branden. Zy belegerden zelfs Lieroort; doch dat zy, na de Hertog
+van Brunswyk zyn leeven daar voor had verlooren, moesten verlaaten.
+
+Den 7de van Juny wonnen de Saxen in Groningerland het sterke klooster
+Selwert, doende het zelve versterken, en met een sterk guarnisoen
+bezetten. Ook hebben zy Delfzyl met geweld ingenomen, slaande aldaar
+alles dood dat zy vonden, slegten de werken, en staken het plaatsje
+in brand.
+
+Voorts quam Graaf Edzard, na dat hy zyn eigen land tegen de Saxen
+had verdedigt, met 700 mannen hulptroepen te Groningen; die op den
+volgenden dag buiten de Bottinge Poort met de Saxen slaags raakten,
+waar door veelen sneuvelden.
+
+Den 21ste van July, trok de Hertog van Saxen met zyn leger, om
+zich aan Groningen en Graaf Edzard te wreeken, voor den Dam, doende
+die plaats aan drie zyden belegeren. Daar binnen waren 800 kloeke
+welgewapende mannen, een goede meenigte boeren, en een strydbaare
+burgerye tot bezettinge. Otto van Diepholt was Commandeur; benevens
+hem waren 'er noch eenige dappere Edelen. De belegeraars damden de
+slooten, en sloegen by nacht een brug over de vaart: zy aprocheerden,
+werkten in de aarde, en schooten met gloeijende kogels hevig op de
+stads vesten en poorten. Die van binnen queeten zich dapper: maar de
+groote menigte der vyanden stormde op den 3de van Augusty op de drie
+poorten te gelyk, met een afgrysselyk geweld: na dat zy t'elkens
+waren afgeslagen, met den jongen Hertog van Brunswyk achter hen,
+roepende vreesselyk, en dreef zyn volk alzo aan, tot dat zy eindelyk
+de belegerden overwonnen, en in de stad quamen; waar op het moorden
+aanging, wordende in de eerste furie noch kerken, noch autaaren,
+noch kraamhuizen gespaart. De jonge Hertog rende door de straaten,
+met het bloote zwaard in de hand, roepende: Sla dood, sla dood, tot
+wraake van myn Vader! Veelen zyn op de autaaren, eenige met de beelden
+omvat, en andere met het kruisifiks in hunne handen, omgebragt. Eylco
+Lewe stond met een lang slagzwaard in zyn hand, en sloeg zo gruwelyk
+onder de vyanden, dat 'er veelen met hem gedood wierden. Het getal
+der dooden wierd in alles op 1136 gerekent. Omtrent 200 soldaaten
+en weinige burgers wierden 'er gevangen genomen; doch 150 waren 'er
+reeds in den beginne der overval ontkomen. De Commandant Diepholt,
+en noch een Kapitein, wierden gekeetent en gevangkelyk naar Medenblik
+gevoert. De vrouwen en kinderen wierden ook gevangen gezet en gepynigt,
+om de verborgene schatten aan te wyzen; en daar na naakt en bloot
+ter stad uitgejaagt. En de schoonste maagden en jonge vrouwen wierden
+door de soldaaten eenigen tyd tot vuile lusten gehouden.
+
+Hier na heeft Graaf Edzard de Regeeringe van Groningen verlaaten:
+waar op de Groningers Karel van Egmond, Hertog van Gelderland, voor
+hunnen Beschutsheer hebben aangenomen; doende voorts den eed aan zyn
+Marschalk Willem van Ojen op den 3de van Novemb. in St. Walburgs kerk.
+
+In den jaare 1515, omtrent Driekoningen Dag, hebben de Saxischen
+uit den Dam de kerk en 't geheele dorp Farmsum geplondert en ten
+eenemaal verbrand.
+
+Den 17de van Maart namen de Groningers het kasteel of blokhuis by
+Aduwarderzyl in, en hebben het ten eenemaal geraseert en geslegt. Ook
+hebben zy, met hulpe Van Graaf Edzards volk, Delfzyl met geweld
+ingenomen: als mede den Dam, alwaar in 't uittrekken der Saxische
+troupen een groot tumult ontstond; want de burgers en eenige soldaaten,
+de oude bejegeningen noch in 't hoofd zittende, vielen in hunne
+achterhoede, plunderden de bagagie, en ontnamen hun vele goederen.
+
+Daar na quam de zwarte Hoop, zynde een zamengeraapt volk van ruim
+5000 koppen, in Friesland vallen; welke alle de dorpen, daarze aan
+quamen, in koolen zettede, als mede de steden Workum, Hindeloopen en
+Molkwerren ook afbranden.
+
+Ook hebben de Groningers het kasteel Weerdenbras, by de Punterbrug,
+ingenomen.
+
+Na dat Hertog Georg in voorige jaaren veel moeite met de Groningers en
+Graave van Oostfriesland hadde gehad, en de Graave met de Groningers
+hunne gerechtigheid aan Karel, Hertog van Gelderland, overgedraagen
+hadden, zo hebben de Gelderschen de Sevenwouden en 't grootste gedeelte
+van Westergo met een meenigte van volk afgeloopen. Waar op Georg
+van Saxen, geen middel ziende om de Friesen weêr onder zyn geweld te
+krygen, uit het land vertrokken is; laatende zynen Stadhouder Everwyn,
+Graave van Benthem, alhier.
+
+Ondertusschen maakten de Gelderschen in de Zuidhoek, als te Workum,
+Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en Slooten, zeilschepen; om in de
+Zuiderzee op het ontzet der Hollanders te kruizen: onder dewelke zich
+Groote Pier, geboortig van Kimswert, mede begeeven heeft. Deze Groote
+Pier was door de Saxischen van alle zyne goederen en welvaart beroofd,
+ook hadden zy het dorp, daar hy woonde, in brand gestooken: waarom hy
+met een aanhang van meer dan 500 vrienden, op gemelde schepen gegaan
+was: en hebbende verscheidene gelukkige zeeslagen met de Hollanders
+gehouden, en veele scheepen van hen genomen, zo maakte hy verder de
+geheele Zuiderzee vry.
+
+Hertog Georg, veel geld en moeiten te vergeefs verspilt hebbende,
+om de Friesen te vermeesteren, droeg, na alle zyne nederlagen, het
+erfrecht over aan den Prins van
+
+
+
+
+2. het Huis van Bourgondien.
+
+1. Karel de Vyfde.
+
+
+In dit zelve jaar 1515, Karel, Koning van Spanje, en na een korten tyd
+Keizer van 't Roomsche Ryk, nu Erfheer van Friesland geworden zynde,
+stelde Graaf Floris van Ysselstein tot Stadhouder aan; die zich met
+de zynen eerst alleen binnen Leeuwarden, Franeker en Harlingen moest
+verhouden: zynde het overige des Lands meest door de Gelderschen
+bezet; tot welkers voordeel Sneek en Slooten in dien tyd met muuren
+en sterktens zyn vast gemaakt [86].
+
+En gemelde Groote Pier, speelende alle zeilen blank [87], nam weg
+alles wat tegen de Gelderschen aanquam, werpende veele menschen
+overboord: en inzonderheid te Workum, dat hy inneemende, de Hollanders
+de voeten spoelde, daar by voegende dit grove Friesche vloekwoord:
+Sjug ho kenne dy D: tjietten swomme [88].
+
+In den jaare 1516, in April, is Delfzyl, na dat de Graaf Edzard
+zyne bezetting daar uit had genomen, door Boele Ripperda, van haare
+vestingen beroofd. Daar op zyn de Groningers, met hulpe van zommige
+Ommelanders, uitgetrokken, hebbende den Dam gedemanteleert, en voorts
+Weerdenbras ook geraseert. Verder, het kasteel van Graaf Edzard,
+te Groningen gebouwd, wederom afgebroken.
+
+In den jaare 1517 quam 'er weder zulk een hooge watervloed, dat
+het water eene elle boven de dyken stond; waar men de schade wel
+kan afmeeten.
+
+Groote Pier beschermde Sneek, tegen de belegeringe der Bourgoenschen;
+en nam Hindeloopen weder in, dat de gemelde Bourgoenschen vast gemaakt,
+en met 300 mannen bezet hadden: en daar na Medenblik, dat hy verbrande.
+
+In dit jaar wierd ook tusschen de Bourgoenschen en den Hertog
+van Gelderland een verdrag gemaakt, na dat aan weêrszyden veele
+vyandelykheden waren voorgevallen; waar door de steden nu van de eene
+en dan van de andere zyde waren ingenomen, en de platte landen veel
+geweld, moord en brand hadden geleden. Doch Groote Pier, met die de
+Gelderschen aanhingen, zich hier noch niet toe verstaande, bleven
+even standvastig tegen de Bourgoenschen, en begeerden Pier voor een
+Beschermheer der vryheid geacht te wezen; dat hy voorheen ook zoude
+gedaan hebben, byaldien het zommigen niet verbrod hadden. Als hy door
+eenen Hollander in een brief tot afstand geraaden wierd, bespotte hy
+hem met een rymtje na dien tyd, voegende boven het zelve al boertende
+deze Eeretytelen: Ik, Groote Pier, Koning van Friesland, Hertog van
+Sneek, Graaf van Slooten, Vryheer van Hindeloopen, en Capitein-Generaal
+van de Zuiderzee [89].
+
+Dus wierd de vereeniging door de Gelderschen verbrooken, en des
+Keizers volk moest, als voorheen, zich alleen in Leeuwarden, Franeker
+en Harlingen verhouden. Groote Pier deed ondertusschen de Keizerschen
+op de Zuiderzee veel afbreuk, neemende gestadig aan weg alles wat
+hem voorquam.
+
+In den jaare 1518 heeft de Hertog van Gelder het accoord van Maarschalk
+Willem van Ojen met de Magistraat van Groningen, uit zyn naam ingegaan,
+geconfirmeert en gezegelt.
+
+In den jaare 1519, den 6de van February, wierd te Arnhem het vorstelyke
+bruiloftsfeest van den Hertog van Gelder met de Hertoginne van Brunswyk
+Lunenburg zeer prachtig gehouden: zynde aldaar uit deze Provintie
+van Groningen mede verzogt, Ludolf Conders, en Klaas Schaffer,
+Burgemeesteren; Willem Frederiks, Priester van St. Martens kerk, wegens
+de stad; en Roelof Lennep, Ritmeester, wegens de Ommelanden. Dewelke
+allen zeer prachtig uitgedost waren; Willem op een wagen, en de anderen
+te paard, zynde alle de paarden eveneens met blinkende wapenen over
+hunne gansche ligchamen bedekt, verzelt met 30 ruiters, in heerlyke
+kleederen. Hunne geschenken, dieze voor het jonge paar mede bragten,
+bestonden in twee zilvere wynkannen, en twee zilvere schenkvaten,
+zeer konstig verguld en bearbeid, wegende over de 50 mark zilver. Daar
+nevens bragten zy 4 welgemeste ossen, van een buitengewoone zwaarte,
+en 4 schoone paarden.
+
+In dit zelve jaar, als Groote Pier bemerkte, dat de Gelderschen het
+land, even als de Saxischen voorheen, onder het juk van slaavernye
+meenden te brengen, zo quiteerde hy daarom zyn ampt, en zettede zich
+gerust binnen Sneek ter neêr, alwaar hy zyn leeven na eenigen tyd
+heeft geëindigt.
+
+In den jaare 1520 wierd het klooster te Aduard, het waereldsche gebied,
+mitsgaders het recht van patroonschap over Suidhorm en Wyrum ontnomen,
+om reden dat eenige monniken op St. Bernards dag, onder een gastmaal,
+dat jaarlyks wierd gehouden, twee Edellieden, Hendrik en Frederik
+Gaykinga, vegtenderhand hadden doodgeslagen. [90]
+
+Als Karel de vyfde nu tot Roomsch Keizer was verkooren, heeft hy in
+den jaare 1521 Georg Schenk tot Stadhouder over Friesland aangestelt:
+die, met zyn leger te Arum staande, de Geldersche steden, Sneek en
+Bolswert heeft gebrandschat: doch Stoffel van Meurs, Stadhouder der
+Gelderschen, vertrok naar Workum, dat hy vast maakte, om gemelde
+brandschatting der Bourgoenschen af te weeren.
+
+Hier op dreven de Sneekers de Gelderschen uit; het welk die van
+Bolswert, weinig tyd daar na, mede deeden.
+
+In dit zelve jaar, den 12de van May, is de Hertog van Gelder, door
+de Staaten der Ommelanden, mede tot hunnen beschutsheer aangenomen.
+
+In den jaare 1522, den tweede van November, quam de Hertog van Gelder
+te Groningen; wordende door de Magistraat buiten de Oosterpoort
+opgehaalt, en tot aan de St. Martens Kerk geleid; alwaar hy door
+Mr. Willem, Kerkheer, ontfangen wierd, die hem mede naar zyn huis
+nam en logeerde. Des anderen daags ontfing hy op het raadhuis de
+sleutelen van de stads poorten, en den eed van de Magistraat en
+de Gezworene Gemeente, en vervolgens in St. Walburgs kerk van het
+gemeen. Des Sondags daar aan wierd hy door de Magistraat der stad
+op het Heeren Wynhuis zeer prachtig ter maaltyd onthaalt. Daar na,
+de Hertog vertrokken zynde, zond hy Jasper van Marwyk als Stadhouder
+te Groningen, die zyn logiment nam op Munnikeholm.
+
+In den jaare 1523 bouwde Stoffel van Meurs een blokhuis te Workum,
+en den tooren versterkte hy met gragt en wallen, om de zeekust tegen
+de Bourgoenschen te beschermen. Maar wierden van Schenk vermeestert,
+die den tooren van boven af liet werpen, en het blokhuis met veel
+volk bezette. In welken tyd ook de geweldige Stins van Inthiema door
+de Keizerschen verbrand en vernietigt is. Doe zonden de Gelderschen
+eenige zeeroovers uit Dokkum; het welk de Bourgoenschen belegerden, en
+mede by verdrag inkreegen. Ook vlugten de Gelderschen van Bolswert naar
+Slooten; dat zich, belegert ziende, mede aan Schenk over gaf. En by
+een gemeen opbod der landlieden, zyn de Gelderschen t'eenemaal uit het
+land gejaagt: en Karel de vyfde tot Erfheer over Friesland bevestigt.
+
+Ook is Schenk en Wassenaar, uit naam des Keizers, in de Ommelanden
+gekomen, roovende en brandende zeer schielyk onder de landlieden;
+vervolgens ontboden zy hen om den Keizer te beëedigen te Noorthorm,
+mits tot boete geevende 32000 goudguldens.
+
+In den jaare 1525, des Vrydags voor St. Laurens, geraakte de stad
+Groningen in een groot oproer; alzo de Bouwmeesters en Gildens zich
+heimelyk verbonden hadden van hunne goederen 'er by op te zetten,
+om alle de accynsen, uitgenomen de wyn en het Hamburger bier, af te
+schaffen. Zy hadden dieshalven by de twee Bouwmeesters, noch 24 van
+de voornaamste personen uit de Gildens gekooren, die het zelve aan
+den Raad zouden voordraagen. Als deze voorstellinge op het raadhuis
+geschiede, stond de geheele markt van het gemeen bezet, raazende en
+tierende als verwoede menschen, die door des Overigheids redenen
+niet te stillen waren. Een groote hoop liep als woedende op het
+stadshuis, met een groot stuk hout in de handen, en stoote de deur
+van de raadkamer daar mede open; voorneemens om den geheelen Raad
+dood te slaan. De geene die beneden stonden, met bloote messen in
+hunne handen, riepen: Sla dood, sla dood; werpt ons de verraaders
+ter vensteren uit! Waar door de Raad zich genoodzaakt vond, deze
+gecommitteerden te zeggen, hunne begeerte te zullen voldoen: doende
+daar op de klok luiden, en hunne wille publiceren. Waar door het
+woedende gepeupel wederom vertrok.
+
+In den jaare 1527 was 'er wederom een groote onlust te Groningen,
+waar door omtrent verscheidene magistraatspersoonen hun leeven zouden
+verlooren hebben: want een Jan Gryp, zynde een groot oproermaker,
+trok zyn zwaard uit, en riep: Sla dood! en sloeg den Bouwmeester
+Jan.... onder den voet, houwende nochmaals verscheidene keeren naar
+hem; doch wierd, door toedoen van anderen, noch gelukkig gered. De
+Raad, vergadert zynde, vlood van het stadshuis; ziende ieder om een
+goed heenkomen. De Burgemeester Hillebrands, Roltman en Rein Duirds,
+met noch eenige andere Raadsheeren, liepen in de St. Martens kerk;
+maar de Burgemeester Ludolf Conders viel by de waag onder het gespuis;
+waar door hy nochtans door eenige raadsgezinde burgers gelukkig wierd
+ontzet, neemende daar op de vlugt, de Heere Poort uit, naar Helpman
+op zyn hofstede.
+
+Dit zelve jaar overleed Graaf Edzard van Oostfriesland, oud zynde 66
+jaaren, binnen Embden; wordende des Vrydags na vastenavond tot Norden
+begraven. Na hem succedeerde Graaf Enno daar op, in zyns vaders plaats.
+
+In den jaare 1530 heeft Keizer Karel aan zynen Stadhouder Schenk last
+gegeeven, om Dokkum en Slooten, welke Steden hy, na 't vertrek der
+Gelderschen, hadden doen vast maaken, de wallen wederom te slegten.
+
+In dit zelve jaar, den 10 van July, nam Graaf Enno van Oostfriesland
+Widmond door verrassinge in; en belegerde voorts Ezens; waar op
+hy verscheidene maalen stormde, en veel volk verloor; doch op den
+28ste van September hebben die van binnen zich aan hunne vyanden
+overgegeeven; waar op, Jonker Balthazar een voetval voor Graaf Enno
+doende, pardon bequam.
+
+In den jaare 1531 heeft Jonker Balthazar een hoop krygsvolk aangenomen,
+waar mede hy in Graaf Enno's land trekkende, alles in brand stak wat
+hem voor quam; sleepende een grooten buit met zich; en begaf zich
+naderhand onder den Vorst van Gelder.
+
+In den jaare 1533 heeft Jonker Balthazar den Overste Meindert van Ham
+met omtrent 2000 Geldersche soldaaten te Jemmigen, in Reiderland,
+gezonden: maar Graaf Enno hen te gemoet trekkende, heeft van hen
+een Vendel Gelderschen, welke by de Noorth verachtert waren, ter
+neêr geslagen. Doch een weinig tyd daar na, hebben de Gelderschen
+de Oostfrieschen aangegreepen, en deerlyk geslagen; waar door in 't
+geheel omtrent 400 mannen zyn gebleven, en waar onder veele braave
+persoonen van aanzien.
+
+In den jaare 1535, den 30ste van Maart, zyn omtrent 300 zo
+genaamde Wederdoopers, na datze hunne leere in Friesland openbaar
+hadden voorgestelt, byeen getrokken, overvallende Oldenklooster,
+by Bolswert, en namen het in; noodzaakende de monniken daar uit te
+vlugten; en van gedachten zynde, by aldien de Landsheer hen mogt komen
+bestormen, zouden de bestormers zelve door hunne eigene wapenen gedood
+worden. Maar de Gouverneur G. Schenk zulks gewaar wordende, zond een
+troup soldaaten derwaarts, en overweldigde het klooster aanstonds;
+waar door in de eerste furie het meestedeel dier arme menschen door de
+kling wierden gejaagt: 24 zyn 'er vervolgens aan galgen opgehangen,
+en 15 onthalst; en de vrouwen en maagden eenige te Leeuwarden, en
+andere in het Hempensermeer doen verdrinken.
+
+In den jaare 1536 heeft Menno Simons, Priester te Witmaarsum, zyn
+priesterambt verlaaten, en zich tot de Wederdoopers begeeven: waar
+van dezelve den naam van Mennisten hebben bekomen, zo als zy noch in
+Friesland, zonder onderscheid, allen genoemt worden.
+
+In dit zelve jaar, hebben de Groningers hunne hulpe aan den Hertog
+van Gelder tegens Graaf Enno van Oostfriesland opgezegt. Waar over
+de Hertog zeer te onvreden zynde, zyne krygsmacht deed vermeerderen,
+en den Overste Meinard van Ham met de zelve den 29ste van April naar
+den Dam zond; die aldaar ten eerste de vestingen deed versterken,
+steekende de voorstad by de Steenstil- en Poelepoort in brand;
+als ook de voorstad van de Ebbinge- en Botteringepoort; waar door,
+alzo de vlam over de wal quam, omtrent de Peperstraat 5 huizen en 30
+schepen verbrande.
+
+Waarom door de Staaten van Stad en Lande, door groote verbitteringe
+dieze tegens den Gelderschen Vorst gekregen hadden, geresolveerd
+wierd, zich aan het Huis van Bourgondien over te geeven; zendende
+derhalve hunne Gezanten aan Koningin Maria, zuster van Keizer Karel den
+vyfde, in Brabant, met verzoek, dat zy onder de bescherminge van zyn
+Keizerlyke Majesteit mogten aangenomen worden. De Koninginne heeft hen
+daar op met veele beleeftheid aangenomen, en voorts met een genoegzaame
+krygsmacht onder het bevel van Georg Schenk versterkt. Waar op Schenk
+den 7de van Juny met groote blydschap ter stad wierd ingehaalt, en
+als Stadhouder gehuldigt, doende de Raad en het Gemeen voorts den
+eed aan hem, uit naame des Keizers. Wordende dus de stad Groningen
+en Ommelanden aan de Nederlanden gehegt.
+
+Hier na trok Schenk te velde, en sloeg de Holsteinschen in
+Westerwolde; nam Delfzyl in; won den Dam, Wedde en Koeverden van de
+Gelderschen. Hier na is de vrede tusschen den Keizer en Hertog van
+Gelder geslooten, welke te Groningen op den 8ste van December van
+'t stadshuis gepubliceert is geworden.
+
+In den jaare 1538, of omtrent dezen tyd, overleed de trouwelooze
+Hertog Karel van Gelder, oud 70 jaaren; hebbende zyne nabuuren 50
+jaaren lang met verscheidene oorlogen beroert.
+
+En omtrent dien zelfden tyd leefde Vorperus Thaborita, Kanunnik
+te Thabor, by Sneek; die, tot op dien tyd, de oude Friesche
+Geschiedenissen heeft te zamen gestelt.
+
+In den jaare 1540 overleed Georg Schenk, Stadhouder van Groningen, in
+wiens plaats, hem opvolgde Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren. En
+den 24ste van September overleed Graaf Enno van Oostfriesland,
+wordende te Embden begraven.
+
+In den jaare 1542 is een watervloed over deze landen geweest, waar
+door veele schade aan menschen en beesten is veroorzaakt.
+
+In den jaare 1545, omtrent St. Jan, quam Koninginne Maria te Groningen;
+wordende aldaar door de Magistraat op eene zeer plechtige wyze
+ingehaalt, en met ryke geschenken beschonken.
+
+In den jaare 1546 is in 't Klooster Wittewyrum eene conferentie
+gehouden, over het verschil van de voorbyvaart van Embden, tusschen
+de Groningers en de Graavinne van Oostfriesland.
+
+In den jaare 1548 overleed Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren,
+en Stadhouder van Groningen, in wiens plaatze hem opvolgde Jan van
+Ligne, Graaf van Arenberg.
+
+In den jaare 1550 hebben de Groningers, benevens die van de Ommelanden,
+aan den Graaf van Arenberg hunnen eed gedaan, wegens Philippus den
+tweede, Koning van Spanje.
+
+In den jaare 1552 was 'er, na 't geweldig doorbreeken der dyken, en
+'t vloeijen van water, zulk een harde winter, dat men van Friesland
+naar Ter Schelling, van Medenblik naar Staveren, en van Amsterdam
+naar Kampen, met paard en slede, kon over de Zuiderzee ryden [91].
+
+In den jaare 1555 droeg Keizer Karel de vyfde de bestiering der
+Nederlanden over aan zynen zoon Philippus.
+
+
+
+
+2. Philippus de Tweede, Koning van Spanje.
+
+
+In dit jaar, Philippus de zeventien Nederlandsche Provintien van zynen
+vader verkreegen hebbende, in zo een vreedzaame en wettelyke stand,
+als Prins of Onderdaanen konden wenschen: kreeg het Land in tegendeel
+in Philippus te gelyk een nieuw Heer, met allerlei nasleep van onheilen
+en oproer. Want als hy niet wel overdagt hadde, dat zyn vader, door
+eene byzondere naarstigheid, op alles een wakend oog had gehouden,
+met overal zelve by te zyn; zo ondernam Philippus daar en tegen,
+deze Landen in goede rust te zullen houden door eenen Stadhouder,
+blyvende zelve in Spanje.
+
+In den jaare 1559, na Philippus de Nederlanden doorreist hadde,
+is hy weder naar Spanje vertrokken; bestellende het gebied der
+Landen aan Margareta, Hertoginne van Parma, zyne Bastartzuster: en
+iedere byzondere Provintie aan hunne Stadhouders, en Friesland aan
+bovengemelden Graaf van Arenberg; die ook het opzicht over Overyssel,
+Groningen en Lingen hadde.
+
+Onder deze aanstellinge gaf hy ook met eene last, die hy hun by zeer
+strenge placaaten, voor zyn vertrek, gegeven hadde, en die de waare
+oorzaaken van alle volgende onlusten zyn geweest; waar van deze drie
+de byzonderste waren: 1. Het aanstellen van 14 nieuwe Bisschoppen,
+boven de drie, die 'er voorheenen hadden geweest. 2. Het openbaar
+bevel, om de besluiten van het Consilie van Trenten in den Lande
+uit te voeren: daar toe aanstellende Inquisiteurs en Kettermeesters
+[92], om het volk wegens hun geloove te onderzoeken. En ten 3de. Het
+onderhouden van 4000 vreemde krygsknegten, ten laste van den Lande,
+en dat in tyd van vrede.
+
+In dit zelve jaar is te Groningen overleden Regnerus Predrinus,
+hebbende aldaar veel tyd Rector der Latynsche schoolen geweest,
+predikende op de feestdagen openlyk het Evangelium.
+
+De leere tegen de Pausselyke dwaalingen, nu door geheel Europa
+zich uitgebreid hebbende, en in Vrankryk en Engeland daarom veele
+vervolgingen geschiedende, zo quam 'er veel volk naar de Nederlanden
+vlugten. Welke vervolging strydig was tegen de oude privilegien en
+vryheden van den Lande, die de Koning hun beloofd hadde te behouden.
+
+De Edelen van den Lande ondertusschen, om zulk een voorneemen naar
+vermogen af te weeren, kantteden zich eerst tegen de dwingnagel van
+de bovengemelde 4000 soldaaten, waar door het volk grooten overlast
+wierd aangedaan, van gevoelen zynde, dat dan de Inquisitie weinig
+klem zoude hebben.
+
+Des zo beraadslaagdenze om den Koning te beweegen, dien last van
+soldaaten van hen af te ligten; en zyn, na veele moeijelykheden,
+naar Spanje afgescheept in den jaare 1561.
+
+In dit zelve jaar is Groningen, by het aanstellen van nieuwe
+Bisschoppen in de Nederlanden, tot een Bisdom verheven; en wierd tot
+eerste Bisschop aangestelt, Heer Johan Cnyf, Minnebroeder.
+
+In dezen tyd is wederom een watervloed over Oostfriesland gegaan,
+welke de dyken verbrekende, en veele beesten om 't leeven bragt [93].
+
+In den jaare 1564 is aan de Staaten van Friesland, nevens andere
+Provintien, bevel gezonden van de Hertoginne van Parma, om den nieuwen
+Bisschop Cunerus Petri aan te neemen, en in te huldigen tot Bisschop
+van Friesland; zyn zetel te stellen binnen Leeuwarden, en hem in alles
+de hand te bieden: het welk de Staaten weigerden; verzoekende daar
+van ontslagen te zyn, als strydig tegens hunne vryheden en voorrechten.
+
+In dit zelve jaar hebben de Engelschen de stapel der lakenhandel,
+in een tyd datze verschil met de Nederlanders hadden, te Embden
+geplant. Want daar quam den 23ste van May een groote vloot schepen
+met lakens, na dat 'er reeds 6 gekomen waren, te Embden aan. Waar
+over de vreugde in die Stad zo groot was, dat 'er eereschooten van
+weêrskanten wierden gedaan. Doch de blydschap, en het voordeel datze
+zich zelve daar van belooft hadden, verdween zeer haastig: over zulks
+de Engelschen, hun verschil met de Nederlanders vereenigt hebbende,
+van daar vertrokken, en bragten de lakens naar Antwerpen.
+
+In den jaare 1565, als de Inquisitie hoe langer hoe wreeder voortging,
+hebben de Edelen, na lange te vergeefs by de Hertoginne vertooningen
+en verzoekschriften te hebben ingelevert, den Graave van Egmond aan
+den Koning gezonden. Dewelke, na eenigen tyd, eerst antwoord bequam,
+en hier op uit quam, dat des Konings meininge was, dat zyne beveelen
+en strenge placaaten moesten uitgevoert worden. Derhalven heeft de
+Gemeente ondertusschen, uit onverduldigheid, om bovenstaand langdraadig
+antwoord des Konings, de kerken overvallen, en alle Roomsche beelden
+daar uit gestormt.
+
+Waar op in den jaare 1566 de Heer van Brederode, verzelt met meer
+dan 200 Edelen, uit alle Provintien, verzogten aan de Hertoginne
+te Brussel, om verzagtinge van die strenge beveelen des Konings te
+genieten. By welke gelegentheid de naam van Geusen, waar door de
+Gereformeerden beteekent worden, tot op dezen dag, van de geene die
+buiten zyn, zynen oorsprong heeft genomen: wat een van 't Hofgezin der
+Hertoginne, met naame de Heer van Barlemont, dezen hoop Edelen, die
+slegt in de kleederen waren, het eerste aan 't Hof ziende komen, zeide
+in de Fransche Spraak, dat 'er een hoop Bedelaars voor de poort waren;
+gebruikende het Frans woord Gueux, dat een Bedelaar beteekent. De
+Edelen dit verstaan hebbende, schaamden zich hier niet over; maar
+begeerden na dien dag altyd Geusen genaamt te zyn: waarom veelen van
+hen graauwe kleederen aantrokken, als de bedelende Graauwe Monniken,
+en houte nappen aan hunne zyde hongen, met zilvere plaatjes beslagen,
+waar op in 't Latyn stond: Het gaa den Geuzen wel: of vivent les Geux.
+
+Het voorige verzoek der Edelen naar den Koning gezonden zynde, maar
+het antwoord te laat aankomende, was 'er ondertusschen weder alomme
+door het land een algemeene kerkrooving en beeldstormerye ontstaan;
+en de Gereformeerden, door toelaatinge des Prinsen van Oranje,
+bouwden openbaarlyk kerken binnen Antwerpen. Waar op de burgers,
+zo te Leeuwarden als Sneek, mede de vryheid namen om de beelden uit
+hunne kerken te breeken, en de zuivere leere te doen stand grypen;
+daar veelen reeds opentlyke belydenisse van deeden. Ondertusschen
+hebben de Inquisitiemeesters den nieuwen Bisschop te Leeuwarden
+toegestaan, van de inkomsten der kloosters Mariengaard en Lidlum,
+tot zyn jaarlyks onderhoud, een zomma van 3000 ducaten; en 't verdere
+overschot ten behoeve voor monniken en paapen.
+
+In dit zelve jaar is de Minnebroeders kerk te Groningen door de
+Gereformeerden ingenomen, van de altaaren en beelden, met verlof
+van de Magistraat, gezuivert, en die hun stads arbeidsvolk bestelde,
+om de vloer van puin en belemmeringen te ontdoen, en bequaam tot de
+predikdienst te maaken. Doch deze zaak heeft naderhand, in den jaare
+1569, eenige werklieden het leeven gekost. In de Ommelander dorpen, als
+te Winsum, Garshuizen, Westerembden, Ten Post, Middelstum en elders,
+wierd de boer door den adel opgehitst, en veele kerken, geplondert,
+tegens dank en wil der Overheden.
+
+Arenberg, deze beeldstormerye verstaan hebbende, deed, uit last
+der Hertoginne, alle de predikanten het land uitjaagen, en alle
+Gereformeerden strengelyk vervolgen.
+
+Als mede, uit naam van den Koning van Spanje, zond hy op eene
+listige wyze, vier compagnien Hoogduitsche soldaten in Groningen;
+welke aldaar, gedurende hunne inquartieringe, wegens den Koning,
+veel moetwil bedreven aan de burgers, inzonderheid de Gereformeerden;
+neemende de stads sleutels na zich, ontwapende de burgerye, en deeden
+een jongman, om opgelegt verraad, vierendeelen.
+
+In den jaare 1567, als de Prins van Oranje zag, dat de zaken, na zo
+veele moeijelykheden, van erger tot erger vervielen, vertrok hy,
+met een groot gevolg van Edelen en andere aanzienlyke lieden naar
+Duitschland. En een schip met Edelen van Amsterdam naar Embden
+vlugtende zyn by Harlingen, door trouwloosheid van den schipper,
+in handen van Arenberg geraakt: waar onder de twee jonge Heeren van
+Baatenburg, en drie Friesche Edelen waren; die, nevens veele van de
+anderen, binnen weinig tyd daar na, te Brussel zyn omgebragt.
+
+De Koning van Spanje ziende, dat de verwerringe al grooter en grooter
+wierd, besloot zyne zuster van verdere moeite te ontlasten, en zond
+als Stadhouder in haar plaatze dien wreeden en alom beruchten Hertog
+van Alva; dewelke een groote krygsmacht mede bragt, van voornemen,
+om alles op een wreede en gruuwzame wyze te vervolgen; die ook dien
+weêrgaloozen bitteren bloedraad instelde, welke alles het onderste
+boven wentelde.
+
+In den jare 1568, als de vlugtelingen door de wreedheid van Duc d'Alva
+dagelyks meer wierden, zoo dagten zy op middelen, om weder in beteren
+stand in hun Land te komen. De Prins dan, veel volk vergaderende,
+begon van dezen tyd af den Hertog te beoorlogen.
+
+In dit zelve jaar, in May hebben de Graaven Lodewyk en Adolf van
+Nassau, nevens Graaf Joost van Schouwenburg en anderen, met hunne
+krygsmacht in Groningerland trekkende, het Huis te Wedde, den Dam,
+en daar na meer andere plaatzen ingenomen: hoewelze na een korten
+tyd gedwongen wierden den Dam wederom te verlaaten.
+
+Ondertusschen was de Graaf van Arenberg, nevens den Graaf van Megen,
+met hunne krijgsmacht en zes stukken kanon afgekomen: het welk van
+Graaf Lodewyk vernomen zynde, trok zyne krygsbenden bijeen, vallende
+den 24ste van May met eene groote dapperheid bij Heiligerlee op de
+vijanden in, voor dat de Graaf van Megen daar noch was bygekomen,
+en sloegen zoo furieus met hun nieuwgeworven krygsvolk onder hen,
+dat er in 't kort veelen wierden neergevelt. Waarom Arenberg met
+eene groote bitterheid op Graaf Adolf los rende; en, schoon hy
+eerst met een kogel doorschooten wierd, heeft hy nochtans dies te
+verwoeder, eerst met 't pistool, en daar na met het rapier Graaf
+Adolf ook doodelyk gewond; waarop zy alle beide zyn neêrgevallen,
+en niet verre van den anderen gestorven. De rest van Arenbergs leger,
+alzo 't volk geen kennisse van 't Land hadde, en van de Nassauschen
+omsingelt zynde, is meestendeels gequetst of dood gebleven. Omtrent
+1600 mannen, zo Spanjaarden als Duitschen, wierden 'er verslagen,
+waar onder vele perzoonen van rang; daar by bequam Lodewyk veel buit,
+als alle de bagagie van Arenberg, zyn zilverwerk, en daar en boven
+veel geld, dat tot betaalinge der soldaaten gekomen was, en zes
+stukken kanon. Graaf Adolf wierd te Wedde, en de Graaf van Arenberg
+in de kerk van het klooster te Heiligerlee begraven.
+
+Daar na trok Graaf Lodewyk met zyn leger voor Groningen, doende de stad
+aan twee zyden belegeren; maar de vastigheden van die plaats, groote
+bezettinge daar binnen, en den belegeraars zwaar geschut ontbreekende,
+deed hem niets vorderen: evenwel wierden 'er verscheidene aanvallen
+gedaan, inzonderheid op den 22ste van Juny, alwaar wel 200 van de
+Nassauschen, en veelen van de beleegerden sneuvelden. Maar het afkomen
+van den Hertog van Alva met een leger van 16000 mannen, deed hem de
+belegeringe den 14de van July opbreken, marcherende daar mede langs de
+Eems, om zich aldaar te versterken; doch de Hertog is hem zeer haastig
+nagetrokken, en heeft Graaf Lodewyk op den 21ste dito by Jemmingen
+aangetast, en zeer afgryzelyk met al zyn volk, dat niet vegten wilde,
+verslagen; daar bleven 'er weinigen over, en veelen wierden door
+'t zwaard gejaagd, of in 't water verdronken. Graaf Lodewyk zelve,
+als eenigen verhalen, ontquam het met zwemmen over de Eems; doch
+anderen willen, dat hy met een scheepje overgeraakt zoude zyn. Daar
+wierden verlooren 16 stukken kanon, omtrent 1500 paarden, 20 vendels,
+veele horenbeesten, en omtrent 7000 mannen.
+
+Daar na trok de Hertog langs de dyken naar Delfzyl, voorneemens om
+die plaats en Farmsum tot een stad te maaken, en dezelve Marseburg
+te noemen: doch de smeekinge der Groningers heeft zulks terug
+gehouden. Vervolgens hebben de Spaanschen in het aftrekken veele dorpen
+in brand gestoken, eenige duizenden van horenbeesten uit het land
+gedreven en groote schade gedaan. Voorts quam de Hertog te Groningen,
+en ordonneerde aldaar een kasteel te bouwen, tusschen de Ooster-
+en Heere Poort, met 5 bolwerken; dat het jaar daar aan is begonnen.
+
+Karel Brimeu, Graave van Megen, wierd Stadhouder van Friesland, van
+'s Konings wegen, na de dood van Arenberg.
+
+Den 7de van December is te Leeuwarden, voor de eerstemaal des Heeren
+Avondmaal openbaar, naar de wyze der Gereformeerden, uitgedeelt, na dat
+de gewapende burgery de beelden, door last van Burgemeesteren, uit de
+kerken geworpen hadden, niet tegenstaande des Konings Stadhouder, en
+'t Hof zich daar tegen stelden. Ook hebben zy den Koning afgeswooren,
+en zich door sterke burgerwachten bevestigt. Ook wierpen verscheidene
+paapen hun priesterlyk gewaad weg, en verkondigden nu het zuivere
+Woord des Heeren.
+
+In den jare 1569, in April, quam de Commissaris Quarre te Groningen,
+en informeerde zich wegens de kerkplonderinge en andere misdaaden,
+in den jaare 1566 gedaan. Waarop eenigen by den kop wierden gevat;
+doch de Bouwmeester, met twee arbeidsluiden braken uit de gevangkenis;
+maar de andere drie a vier zyn, niet tegenstaande het verlof van de
+Magistraat, om hunne begaane misdaad, op de markt onthoofd. hoofd.
+
+Voorts hier na quam de Bisschop Johan Cnyf ook te Groningen, neemende
+zijn logement in het huis dat nu des Stadhouders Hof is.
+
+Ook wierd door bevel van den Hertog van Alva een kasteel geordonneert;
+men bouwde het met vyf bastions, waarvan drie buiten en twee binnen
+de stad quamen te leggen: schietende het eene met haar punt op der
+Pelsterstraat, en het andere op de Gelkingestraat: waar van de gragt
+wierd aangelegt op 100 voeten wyd; en de benedenste voet van de wal
+op 75 voeten breed.
+
+In den jaare 1570, den 1ste November, is 'er een geweldig onweder,
+met een verschrikkelyke hooge watersnood, uit den noordwesten ontstaan;
+die tot heden met den naam van Allerheiligensvloed bekent is: waar door
+het water zeer hoog in Vlaanderen, Holland en Zeeland is opgeloopen,
+doch by den dag, en diensvolgens met minder schade, als in Friesland:
+alwaar het des avonds, omtrent 9 uuren, het geheele Land overstroomde
+tot aan Sevenwouden toe; blyvende Gaasterland, en wel voornaamentlyk
+Oud Mardum, Ruigehuizen en Sondel onbeschadigt. De schade aan menschen
+en beesten was ontelbaar, en is af te neemen uit 1800 menschen, die
+alleen in de Grieteny van Oostdongeradeel verdronken waren; daar de
+vloed tot elf voeten hooger, als een gemeen ty, was opgerezen. Van
+Sneek naar de Lemmer voer men regt uit op zeven en een halve voet
+water over 't vlakke land: râzeilen met drie masten dreven, met
+haar volle ladingen door de inbraaken der dyken. En een wieg, met
+een leevend kind en kat daar in, quam te Sneek aandryven.
+
+In den jaare 1571 hebben de Friesen alomme, gelyk ook die van Braband
+en Vlaanderen, de beelden bestormt, en de paapen en monniken weder
+het land uitgejaagt.
+
+In den jaare 1572, den 7de van January, overleed binnen Zwol, de
+Graaf van Megen, Gouverneur van Friesland, Groningen, enz. In wiens
+plaatze hem opvolgde Gillis van Barlamond, Heere van Hierges.
+
+In dit zelve jaar namen de Watergeusen den Briel in; en de Prins van
+Oranje wierd in 't openbaar voor een Hoofd der Vereenigde Bontgenooten
+verklaart. Diederik van Bronkhorst nam Sneek, Bolswert en Franeker in,
+alzo het volk daar meest uit verloopen was. En des Konings Colonel,
+Casper de Robles, Heer van Billi, daarentegen lag bezettinge op
+de zeedyken.
+
+Schouwenburgs volk, gesterkt met een party, van des Prinsen macht,
+dat van Ameland naar Oostmahorn over quam, heeft Dokkum ingenomen:
+maar de Colonel Robles, hen overvallende, heeft de plaats weder
+hernomen, laatende de soldaaten vermoorden en schenden, en de stad
+in brand steeken [94].
+
+In September is Joost van Schouwenburg, als Stadhouder by den Prins
+van Oranje over Friesland, te Sneek gekomen; en, na eenigen tyd,
+trok hy binnen Franeker, en zette zich op Sjaardema's Slot ter
+neder. Doch na zyn vertrek vielen zy weder in handen van Robles,
+gelyk ook die van Bolswert. Ondertusschen hebben 's Prinsen volk de
+zeekusten, behalven Harlingen en Staveren, weder onvry gemaakt; alwaar
+Gaasterland en de geheele zuidhoek veel verdriet heeft uitgestaan. En
+inzonderheid word verhaalt, dat die van Wykel van de roovers wierden
+overvallen; Wybren Wykel met zyn vrouwe Doed en dochter Bauk gedood;
+Foockel gevankelyk naar Enkhuizen gevoert, en noch eene van hunne
+zusters ter vensteren uitgeworpen; Hans, hunne broeder, ontquam het
+met de vlugt; en het huis wierd verbrand: van welker afkomst ons noch
+een aanzienlyk huisgezin in onze woonplaats bekent is. Robles moest
+hier na Sneek weder verlaaten. Diederik van Bronkhorst nam hier op
+Bolswert in; alwaar hy de Overigheid veranderde, en de Gereformeerden
+opentlyk liet prediken; welke eerste predikatie in de Broeren Kerk
+gedaan wierd. Hier van daan vertrok hy naar Sneek en Franeker, alwaar
+hy het Stadhoudersampt, in 't afzyn van Schouwenburg, bediende. Daar
+na nam 's Prinsen volk het blokhuis te Staveren in: maar daags daar
+aan herwonnen 's Konings volk het wederom, en staken de stad in brand.
+
+Schouwenburg, eenige schattinge by een vergadert hebbende, tot reddinge
+der Provintie, is, na hy de zelve ontfangen had, met dien geroofden
+buit uit den Lande doorgegaan.
+
+Ondertusschen heeft de Koning van Spanje, Don Louis de Requesens,
+Grootbevelhebber van Castilien, tot een Landvoogd der Nederlanden
+gezonden, in plaats van dien bloeddorstigen Hertog van Alva: die hier
+op aanstonds weder naar Spanje vertrok; welke roemde, dat 'er door
+zyn bevel wel 18000 menschen alleen door beuls handen in Nederland
+waren omgebragt, behalven die in den kryg waren gesneuvelt.
+
+In den jaare 1573, is Groningerland, Friesland en Embderland, door
+een watervloed aangetast: waar door de dyken wierden gebroken, en
+groote schade aan menschen en beesten geschiede.
+
+In den jaare 1574 heeft Casper Robles, om de verschillen en
+oneenigheden, al van oude tyden af, die ontstaan waren over het
+maaken der zeedyken, weg te neemen, uitgevonden, en volgens zyne
+gedachten en raad voorgewend, dezelve dyken, tegen zulke zwaare en
+hooge watervloeden, waar van zy zo menigmaalen de smerten gevoelt
+hadden, in beter order te brengen, en beginnen te verzwaaren. Wordende
+omtrent twee jaaren hier na, ter gedachtenisse van dit loffelyke werk,
+het Steene Beeld, dat noch heden by Harlingen op den dyk te zien is,
+op 's Lands kosten, opgeregt: dienende met eene tot een Scheidbeeld
+van de afdeelinge der dyken.
+
+Alschoon des Konings zaaken dagelyks te post verliepen, zo waren echter
+Staveren, Hindeloopen, de Schans te Makkum, Harlingen, en de geheele
+kust, na het doorgaan van Schouwenburg, weder met Robles volk bezet
+geworden. Doch Wouter Heegeman, Hopman van den Prins van Oranje, van
+Texel afvaarende, heeft Hindeloopen, by eene donkere nacht, met 300
+mannen overvallen en ingenomen. Waar op die van Enkhuizen hem kruid
+en lood toezonden, om de plaats te versterken. Doch op het gerucht
+van Robles volk, dat op hem aanquam, deed hem resolveeren, de stad
+uit te plonderen en in brand te steeken. De Drost van Staveren begon
+ook zyne vestingen, daags daar aan, weder te versterken.
+
+In den jaare 1575 Bartel Entes, met eenig volk van Ter Schelling
+afvaarende, lande op Oostmahorn, alwaar hy een schans opwierp: doch
+na eenige schermutselingen, wierd hy door 't volk van Robles daar
+weder uitgedreeven.
+
+In den jaare 1576 waaide het een geweldige storm, waar door veele
+boomen uit den grond wierden gerukt; en het dak van de Oude Hoofster
+Kerk te Leeuwarden, dat door oudheid geheel bouwvallig was geworden,
+deed instorten: en is tot op dezen dag niet weder opgebouwt. 't Was
+mogelyk een voorteeken, dat gelyk het heidendom, voor veele eeuwen,
+uit deze plaats uitgeroeit, alzo deze plaats het kerkhof was geweest,
+daar het altaar van den Afgod Staf gestaan had, en dezelve geviert
+wierd, alzo ook nu het gebouw des Pausdoms in deze Landen wel haast
+een geweldige krak zoude krygen. Waarom wy wel mogen zeggen:
+
+
+ Het oude Duivels Hof, door schynschrift
+ lang misbruikt,
+ Wat wonder, zo 't haar hoofd voor 't regt
+ Geloove duikt.
+
+
+In dit jaar hebben de Staaten en Voornaamste des Lands met malkanderen
+binnen Gent een verbond gemaakt, om de welvaart des Lands, met
+raad en daad des Prinsen van Oranje te helpen bevorderen: wordende
+gemeld verbond gemeenelyk de Pacificatie van Gent genaamt. Het welk
+de Koning daar na ook met zyne onderteekening bevestigde. De inhoud
+van dit verdrag bestond voor 't meest: 1. Dat de vreemde krygslieden
+uit het Land zouden gevoert worden. 2. Dat de gebruikelykste wyze van
+regeeren zoude vastgestelt worden. 3. Dat ieder Provintie de zaaken
+van Godsdienst zoude handhaven, na dat het tot ruste des volks het
+beste zoude geoordeelt worden.
+
+In dit jaar is te Madrid overleden Joachim Hopperus, geboortig van
+Heemelum; afkomstig van dat oud Geslacht der Hopheeren, waar van boven
+op het jaar 513 gemeld is; om zyne uitmuntende geleerdheid, heeft
+hy hooge bedieningen bekleed, als Professor der Rechten te Leuven;
+Heer van den Grooten Raad te Mechelen, en in den Geheimen Raad te
+Brussel, daar Viglius de voorzitplaats had; Heer van den Hoogen Raad
+der Nederlandsche Zaaken in Spanje, en 's Konings Zegelbewaarder;
+waar by hem de Koning tot Ridder van de Goude Spoor sloeg, te gelyk
+en op een uur met Don Jan van Oostenryk.
+
+Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab Aita,
+afkomstig van Swichum, by Leeuwarden; deze is mede om zyne uitsteekende
+geleerdheid in groot aanzien geweest, als Professor in de Rechten te
+Padua, in Italien, en na 't afslaan van veele eerampten, Ryksraad in
+de Kamer te Spiers; wederom wierd hy Professor te Ingolstad, Heer in
+den Grooten Raad te Mechelen, Praeses of Voorzitter in den Geheimen
+Raad en Raad van Staaten te Brussel, Ridder van 't Gulde Vlies, enz.
+
+In dit jaar, den 7de van October, is te Groningen de Bisschop Johan
+Cnyf, Minnebroeder, aan de pest overleden.
+
+Den 22ste van November ontstond te Groningen een groote onlust,
+door dien de Staaten Generaal, het oog op deze stad hebbende,
+eenen M. T. Stella herwaarts hadden gezonden, om de Magistraat en
+het krygsvolk tot het aannemen der Pacificatie van Gent te beweegen;
+als mede, dat zy 't met de Generaliteit zouden houden; waar voor zy
+beloofden, alle de achterstallige schulden, van de soldaten, die zeer
+groot waren, te zullen voldoen.
+
+De Gouverneur Robles, hier kennis van krygende, deed Stella aanstonts
+apprehenderen en pynigen, om alzo zyn commissie uit hem gewaar te
+worden: doch alles te vergeefs. Ondertusschen wist Stella door zyn
+bequaamheden in 't geheim aan de soldaaten te kennen te geeven,
+dat zo zy zich voor de Staaten wilden verklaren, zy van alle hunne
+achterstallen ten vollen voldaan zouden worden. Hier op waren de
+soldaaten aanstonds als vol vuur, namen ten eersten hunnen Gouverneur
+Casper de Robles, benevens eenige Spaansche Kapiteinen, of die 't
+met hun hielden, gevangen; loopende voorts naar de Waag, en haalden
+de daar staande wippe omverre, en verbrandeze op de Markt, roepende:
+Lang leeve de Prins! lang leeven de Staaten! Waar op zy aanstonds heen
+liepen en maakten Stella los; bragten hem op de Markt, en deeden hem
+in de naame der Staaten den eed van getrouwheid. Vervolgens zonden
+zy Gecommitteerden met Stella naar Brussel; die aldaar de stad aan
+de Staaten opdroegen, en een Gouverneur van hen verzogten: waar op
+de Graaf van Rennenberg is afgezonden geworden, die aldaar in den
+jare 1577, den 7de van January, met eenige heeren is aangekomen,
+en betaalden de soldaaten hunne achterstallen ten vollen, dat
+eenige tonnen gouds beliep. Waar op de Waalen den 13de van Maart
+ter stad uittrokken; daar die van binnen zeer over verblyd waren,
+om hunne gepleegden moetwille, daar ze nu van verlost wierden, dat ze
+vreugdevuuren daar over aanstaken; waar door de St. Martens toren in
+brand geraakte en zeer beschadigt wierd. Daar na kreeg Rennenberg
+Delfzyl, en stelde daar een nieuwen Commandeur. Voorts deeden
+de Groningers hem en de Generaliteit den eed van getrouwigheid;
+doende daar na het kasteel, door den Hertog van Alva gebouwt,
+wederom afbreeken.
+
+Op den eersten November deed de Gouverneur Rennenberg de Staaten van
+Stad en Lande te Groningen vergaderen, alwaar de Ommelander Jonkers
+en Hovelingen compareerden in groot getal, doch niet denkende, dat
+er iets quaads met hen voor handen was. Maar, als zy vergadert waren,
+voor Rennenberg zyn propositie nog had voorgesteld of gedaan, wierden
+beide de leden oneens; het welke niet verdraagen wierd; waar door
+de Heeren van de Ommelanden door de Heeren van de Stad zyn gevangen
+genomen, tot 24 in getal, en in leelyke gevangkenissen geworpen: niet
+tegenstaande het ontzach van hunnen Stadhouder, die daar tegenwoordig
+was. Daar op wierd de sterkte van Delfzyl den 20ste van December van
+hare vestingen berooft; waar afgevoert wierden 9 metaale en 7 yzere
+stukken kanon, en 14 bassen.
+
+In den jaare 1578 zyn des Konings Raaden en Grietmannen in Friesland
+afgezet, en andere Heeren voor hen in de plaats verkooren. Waarop de
+Gereformeerden, die noch in 't heimelijk hunne oeffeningen deeden,
+verzogten om in 't openbaar te moogen leeren en jaargeld te genieten,
+om hunne Predikanten eerlyk te kunnen onderhouden: 't welk door den
+Religions Vrede, tusschen den Aartshertog Matthias en den Prins van
+Oranje, toegestaan zynde, zo bequamen die van Leeuwarden de Jacobiner
+kerk tot hun gebruik; alwaar zij voor de tweedemaal de Roomsche
+beelden afwierpen, en dezelve kerk tot de zuivere godsdienst inweiden.
+
+In dit zelve jaar dagten de Ommelanders zich te wreeken; deeden
+derhalve in de maand February, onder den Heer Barthold Entes van
+Menteda, 12 vendelen soldaaten werven: maar de Groningers zulks gewaar
+wordende, vielen op hen uit, en verstrooidenze, waar van eenige wierden
+doodgeslagen, de vlugtenden nagezet, en Barthold Entes gevangkelyk
+van Koevorden mede naar Groningen gevoert; daar hy groot gevaar liep
+van met de andere gevangene Ommelanders onthoofd te worden. Doch de
+Aartshertog Matthias en de Staaten Generaal waren hunne voorspraaken,
+om het different by te leggen.
+
+Den 28ste van Maart heeft het zeewater in Groningerland, Oostfriesland
+en elders, groote schade gedaan, en veele menschen en beesten
+verdronken.
+
+In den jare 1579, om redenen, dat de Spanjaarden in geenen deele de
+articulen der Pacificatie van Gent na quamen, hebben de Staaten van
+Nederland goedgevonden, een naauwer verbintenisse te maaken binnen
+Utrecht, die men de nadere Unie van Utrecht noemt: waar in de zeven
+vereenigde Provintien, als Gelderland, Sutfen, Holland, Zeeland,
+Utrecht, Overyssel, Friesland, Groningen en Ommelanden, daar benevens
+Lingen en Drenth, hun eerste verbond maakten, bestaande voornaamentlyk
+in: 1. Dat deze Provintien een en gemeen zouden zyn, om nooit, onder
+wat naam ook, te mogen gescheiden worden: blyvende ieder nochtans
+by zyne eigene oude voorrechten. 2. Dat zy malkanderen, tegen alle
+vyandelyk geweld, met goed en bloed zullen helpen verdeedigen. En
+3. In de oeffeninge van Godsdienst de Pacificatie van Gent na te komen.
+
+In dit zelve jaar hebben de Heeren van de Ommelanden den Riligions
+Vrede mede aangenomen, insgelyks de Graave van Rennenberg; maar
+die van Groningen, uit haat tegen de Ommelanden, kantede zich hier
+tegen. Waarom Rennenberg een Landdag te Visvliet deed uitschryven,
+om alle questien aldaar tusschen de beide leden in der minne by te
+leggen. Doch de Groningers, als strydende tegen hunne verbonden,
+weigerden aldaar te compareren. Rennenberg deed derhalve zyn krygsmacht
+ontbieden, om zich van Groningen nochmaals te verzekeren; doende de
+stad voorts op den 22ste van May, aan de noordwestzyde, met omtrent
+2000 mannen, doch tot weinig schade der stad, berennen.
+
+Den eersten van Juny begonnen de belegeraars met die van binnen
+handgemeen te worden, neemende hun een groot getal beesten af. Daar
+tegen bragten die van de stad 2300 boeren uit hunne jurisdictien
+op de been: welke terstond met weinig krygsvolk op de vlugt wierden
+gedreven, en daar boven nog met geld geeven gestraft. Den 6de dito
+verstonden die van binnen, dat er buskruid in het leger ontbrak, deeden
+derhalven met hun geweld van welgewapende boeren en eenig krygsvolk,
+met het geschut voor aan, een uitval op de vyanden, hebbende by hen 600
+dienstmaagden, om het geschut te beschanssen. Dus in slagorde staande,
+wierd er aan weêrskanten dapper gevogten; waar door veele sneuvelden,
+en de partye genoodzaakt wierd te vlugten, welke tot aan de poorten,
+niet zonder verlies van volk, wierden vervolgt.
+
+Daar na begonnen die van binnen naar vrede te luisteren, geevende
+zich op den 10de van Juny aan de Staaten Generaal over: de Gouverneur
+Rennenberg deed zyn publyke intrede op St. Jans Dag in de stad;
+die aldaar de Magistraat veranderde, en dezelve met Staatsgezinden
+bezettede; den Riligions Vrede verkondigde, en de Gereformeerden de
+St. Walburgs en Minnebroeder kerk deed inruimen. Vervolgens heeft
+Rennenberg de fortresse Koevorden wederom vastgemaakt: doch toonde
+zeer kort daar na dat hy 't met de Staaten niet wel meende.
+
+Want in den jare 1580, den 3de van Maart, heeft de trouwlooze Graaf de
+stad wederom aan den Koning van Spanje gebragt, na dat hy dezelve maar
+9 maanden voor de Staaten Generaal als Gouverneur hadde geregeert. Hy
+had zyn voorneemen zo geheim weeten houden, dat, schoon hy beschuldigt
+wierd, van heimelyk correspondentie te houden met den Hertog van Parma,
+hy nochtans den Burgemeester Hillebrands, zynde de voornaamste daar
+die van de Gereformeerde religie zich op vertrouwden, des avonds,
+voor dat hy de stad onder zyn geweld bragt, bedroog, terwyl deze hem
+voorstelde alle de quade geruchten die er van hem gingen, en dat hy
+niet hoopte dat de Graaf iets quaads met hen voor hadde. Waar op de
+Graaf antwoorde: «ô Myn Vader! dien ik voor myn Vader houde! zou gy
+zulk een quaad vermoeden van my hebben? Wees hierin maar gerust:" en
+sloeg het hem dus uit den zin. Evenwel lag de Graaf op zyn luimen,
+laatende geen tyd passeeren; want op den tweeden van Maart, des
+avonds en des nachts, heeft hy met zyn geheele Hofgezin, en veele
+Spaanschgezinde burgers, als mede eenige verborgene krygsknegten,
+tegens den morgenstond, den 3de dito, hen gewapent. Zo dra als hy nu
+kennisse had bekomen, dat de Gereformeerde wacht in den dageraat was
+gaan slaapen, is hy met zyn volk, hebbende witte teekenen aan hunne
+linker armen, uit zyn logiment naar de Markt gereden, gewapent zynde
+van het hoofd tot de voeten, met de bloote sabel in de vuist, roepende:
+Sta by, sta by, goede Burgers! heden ben ik eerst regt Stadhouder dezer
+Landen. Op dit gerucht quam de Burgemeester Hillebrands, woonende
+in de Heerestraat, haastig met eenige Gereformeerden voor den dag
+springen, die direct op hem aanvielen: maar een van Rennenbergs knegts
+schoot op hem los, dat hy dood ter aarde viel. Waarom de anderen de
+vlugt namen. Eenigen wierden aanstonds gevangen genomen, en anderen
+verweerden zich noch in hunne huizen; maar daar bleef niemand dood
+als een perzoon. Voorts liepen en renden zij door de straaten,
+schietende naar allen, die het hoofd ter vensteren uitstaken. Daar
+na de stad doorzoekende, namen zy allen, die in der Spaanschgezinden
+ongunst stonden, tot over de 200 voornaamste burgers gevangen; waar
+van eenigen zeer qualyk wierden gehandelt; die evenwel naderhand door
+verscheidene middelen meest los quamen.
+
+Op dien zelven dag, als Rennenberg de stad voor den Koning van Spanje
+had hernomen, wierd dezelve wederom door Barthold Entes belegert, met
+13 vendelen soldaaten en 2 vendelen ruiters. Die van de stad maakten
+eenige beschansinge in de voorstad, gelegen op het Schuitendiep,
+en noch twee molenbergen buiten de stad, waarmede zy hunne beesten,
+die dagelyks in de weide gingen, beveiligden. Vervolgens zonden de
+Staaten Generaal den Graaf van Hohenlo, en Graaf Lodewyk van Nassau,
+met nog 16 vendelen naar 't beleg.
+
+Den 16de van May deeden de belegeraars eene attaque op 't
+Schuitendiep, alwaar zeer hevig gevogten wierd, en Barthold Entes
+zyn leeven verloor. Ondertusschen ontstond een gerugt in 't leger,
+dat de Spanjaarden, onder 't bevel van Marten Schenk, afquamen om
+Groningen te ontzetten. Hier op trok Hohenlo met eenige vendelen uit
+de belegeringe naar Hardenberg, Schenk te gemoet; alwaar het gevegt
+op den 16de van Juny, tot groote schade van den Graaf van Hohenlo,
+wierd gehouden. Overzulks wierd Groningen door Graaf Lodewyk, na ruim
+drie maanden belegert geweest te zyn, wederom verlaaten.
+
+Den 29 van July is Delfzyl door den Graaf van Rennenberg ingenomen;
+ook Enematil; doch wierd kort daar na door Hohenlo wederom herwonnen;
+ook joeg hy de Rennenbergschen uit de schans Weerdenbras, by de
+Ponterbrug, en nam daarop Koevorden in.
+
+Den eersten September is Enematil door de Rennenbergschen wederom
+ingenomen en geslegt.
+
+Den 4de dito wierd Hohenlo's volk by de Bourtange door de
+Rennenbergschen geslagen.
+
+Den 6de dito zyn de Rennenbergschen, door de Friesen uit Dokkum
+en Kollum, in 't klooster Aduard verrast en verslagen; waar op het
+klooster, uit vreeze van wederom overvallen te worden, is in brand
+gestoken; waar in de Rennenbergschen wel 300 mannen verlooren.
+
+Den 20ste dito won Rennenberg Koevorden; onder voorwaarde, dat de
+bezettinge, uit 200 mannen bestaande, met zydgeweer zouden mogen
+uittrekken.
+
+In dit zelve jaar, als de Stadhouder Rennenberg door ontrouw van de
+Staaten en Prins van Oranje was overgegaan tot den Koning van Spanje
+[95], en die van Leeuwarden door het blokhuis, dat noch vast was,
+en by hem bezet bleef, meende te dwingen, gelyk hy Groningen reeds
+al in zyne macht hadde; zo hebben de burgers, dit bemerkende, het
+zelve manmoedig ingenomen, en de wallen en sterktens geslegt: ook
+namen de Staaten de blokhuizen van Harlingen en Staveren mede in
+hunne macht, en roeiden uit de kerken der Paapen alle de beelden;
+en de kloosterinkomsten wierden allen geschikt tot onderhoud der
+Predikanten en schoolen.
+
+De Geestelyken dus uitgeroeit zynde, verkreegen die van Oostergo
+de eerste stem in hunne plaats; en de steden de vierde stem in
+landszaaken. Koevorden wierd vaster beschanst; en Harlingen met
+nieuwe wallen en gragten versterkt. En wegens de ongetrouwigheid
+van Rennenberg, zogten de Staaten zich van eenen anderen Stadhouder
+te voorzien.
+
+
+
+
+
+VII. STADHOUDERS DER STAATEN.
+
+
+1. Willem, Prins van Oranje, Graave van Nassau, enz., wierd van de
+Staaten van Friesland, om het Stadhouderschap van deze Provintie
+mede waar te neemen, begroet. Doch, om de moeijelykheden, daar de
+andere Provintien in stonden, gaf het hem ongelegentheid, om overal
+zelve te gaan; derhalven zond hy Merode, Heer van Rummen, om van
+zynent wegen het Stadhoudersampt als Luitenant te bedienen. Hier na
+belegerde Rennenberg Steenwyk; neemt de Kuinder en Slooten in; trekt
+naar Staveren, daar hy 't kasteel weder opbouwt; werpt te Makkum
+weder een nieuwe schans op, en stroopt langs de zeekust tot aan de
+Harlinger Poort. Waar door Friesland weder in 't uiterste gevaar quam
+om overwonnen te worden. Doch daarentegen ontzette de Overste Norrits
+Zwartsluis, 't kasteel van Hattem en Steenwyk; waardoor Rennenbergs
+loop ten eenemaal gestuit wierd, en al het voorgemelde weder by de
+Staaten herwonnen.
+
+De onzen verlooren ook een veldslag by Winsum, in Groningerland,
+dat Friesland in eene groote benaauwdheid bragt: maar als de Overste
+Norrits den vyand by Visvliet geslagen, en tot aan de poorten van
+Groningen verjaagt hadde, veranderde het zelve in vreugde. Even hier
+na wierd het bolwerk en wallen om Dokkum gemaakt.
+
+In den jaare 1581, in May, quamen de Rennenbergschen uit Aduard, om
+een schans op het Reidiep te maaken, om alzo den Heer van Nienoort
+uit zee af te snijden: doch hy wierd zulks tydig gewaar, en voorquam
+niet alleen hunne aanslag, maar bragt hen zelve in hinderlaag; waar
+door veelen der vyanden wierden verslagen.
+
+Daar na is Aduard door den Heer van Nienoort belegert; brengende
+grof geschut daar voor, om het klooster daar mede daadelijk te
+beschieten. Maar de Rennenbergschen van alom hunne macht byeen
+rukkende, trokken by Groningen over het Reidiep, om de belegerden te
+ontzetten. Nienoort was zulks wel verwittigt, maar door meerderheid
+van stemmen geresolveert de vyanden af te wagten: dewelke van achter
+het klooster straks quamen toeschieten: waar door de Nienoortschen de
+vlugt namen, achterlaatende verscheidene Officieren voor gevangenen, en
+eenige dooden aan hunne bespringers. Voorts trokken de Rennenbergschen
+op Aduarder-Zyl, en deeden het plaatsje aanstonds, doch vrugteloos,
+bestormen: maar met kanon daar voor komende, en een goede bresse
+geschoten zynde, quamen zy met de derde storm daar binnen; slaande
+doe alles dood wat 'er in was; waar onder Schelto Jarges, een zeer
+geleerd en dapper Kapitein.
+
+Den 9de van July sloeg Norrits de Rennenbergschen by Grypskerk, en
+vervolgden hen tot aan Groningen, waar van 700 mannen door de kling
+gejaagt, en veelen gevangen wierden genomen; vier stukken kanon,
+alle de bagagie, en veele paarden wierden tot buit gemaakt; zynde
+des overwinnaars verlies daar tegen zeer gering.
+
+Den 23ste dito is in Groningen overleden die trouwelooze Graaf van
+Rennenberg, Stadhouder van Groningen, enz.; zynde door eene knaaginge
+zyner confidentie geheel uitgeteert van mismoedigheid en berouw,
+om dat hy de Staaten Generaal zo ontrouw had behandelt; wordende
+begraven in St. Martens Kerk, in 't choor. Hy had in zynen laatsten
+levenstyd zyne zuster verstooten, die hem tot dezen afval vervoert
+had. Daar na is Francois de Verdugo wegens den Prins van Parma,
+als Stadhouder van Groningen, in des overleedens plaatze gestelt.
+
+De algemeene Staaten van gevoelen zynde, dat door deze geduurige
+vyandelykheden, de Koning van Spanje meer een openbaare vyand, als een
+beschermend Overheer was; hebben daarom geresolveert, hem van alle zyne
+voogdye af te zetten, en zyne gehoorzaamheid ten eenemaal afgezwooren:
+waar toe de Staaten van de andere Provintien, en Friesland mede, in
+dit zelve hebben bewilligt. Waarop des Konings wapenen alomme wierden
+afgebroken, uitgestreeken en vernietigt, de zegelen plat geklopt,
+en die der Staaten in deszelfs plaats gestelt.
+
+Rennenberg overleden zynde, heeft de Koning, die de landen daarom
+noch niet verlooren gaf, eenen Francois Verdugo, Heer van Schenge,
+tot Stadhouder gezonden; die met 1500 Waalen te Groningen komende,
+de Friesen zeer verslagen maakte.
+
+Aanstonds nam Verdugo Reide in. En kort daarna raakte hy in een gevegt
+tegen het Staaten volk, onder Norrits, by Noorthorn, dat hy deerlyk
+sloeg: alwaar omtrent de helft zo Grooten als gemeenen sneuvelde,
+en een groot gedeelte gevangen wierd genomen.
+
+Des de landlieden, in de wapenen gebragt zynde, hebben in 't dorp
+Oudeboorn een schans opgeworpen; welke van Verdugo aangevallen,
+maar afgeslagen is: waar op hy, na eenige plonderingen, uit het land
+weder vertrok.
+
+In den jaare 1582 heeft de Stad Groningen van den Koning van Spanje
+een bulle bekomen, omtrent het Stapelrecht.
+
+In den jaare 1583 heeft een Spaansch Overste, Taxis genaamt, Steenwyk
+door list ingenomen: en in Friesland vallende, de schans te Oudeboorn
+en Rotserschans ingenomen; en alomme het land door stroopingen en
+plonderingen geplaagt.
+
+In het zelve jaar in September is Oterdum door de Heeren van Nienoort
+en Azinga Entes verovert; jaagende de Spaanschen bezettinge daar uit,
+en deeden het plaatsje daar op versterken; waar mede zy veele dorpen
+daar omtrent tot contributie dwongen. Overzulks is Oterdum door de
+Spaanschen in de maand December wederom belegert: maar die van binnen
+dapper tegenstand biedende, is het beleg, wederom opgebroken.
+
+Omtrent dezen tyd overleed binnen deze sterkte de Heer van Nienoort,
+na eene langduurige ziekte, en wierd aldaar begraven; zynde een
+Edelman geweest, die naar zyn vermogen, groote diensten aan het
+Vaderland had gedaan.
+
+In den jaare 1584 heeft de Prins van Oranje den Graave van
+Merode uit Friesland opontboden, en Graaf Willem van Nassau tot
+Luitenant-Stadhouder in zyn plaats aangestelt. En, vermits de
+dagelyksche overvallen der vyanden, hebben de Staaten de schans in
+de Lemmer doen vast maaken.
+
+In dit zelve jaar, den 10de van July, wierd tot groote droefheid van
+den lande, binnen Delft, de Prins van Oranje, door een boosaardigen
+Franschman met een pistool doorschooten; zynde door de Spanjaarden
+daar toe verraadelyk omgekogt [96].
+
+2. Willem Lodewyk, Graave van Nassau, enz. wierd in deszelfs plaats
+van Luitenant-Stadhouder, door de Staaten van Friesland tot tweeden
+Stadhouder, na de afzweeringe van den Spanjaart, verkooren.
+
+Verdugo, de schans Oterdum op den 18de van September wederom belegert
+hebbende, liet dezelve aanstonds met twee stukken kanon beschieten:
+doch die van binnen, benevens de schepen die op de Eems lagen,
+bleven hun niet schuldig; waar door veelen van de belegeraars gedood
+en gequetst wierden. Daar na, in de maand December, wierd de schans
+gesecoureert door allerlei nooddruft, alhoewel de belegering noch
+zyn gang ging; doch met weinig voordeel. Maar op Lichtmissenacht in
+het volgende jaar, zyn de schansen van Verdugo voor Oterdum, door
+een geweldigen storm en watervloed weggespoelt; waar door veelen der
+belegeraars verdronken; zo dat Verdugo zich genootzaakt vond het beleg
+op te breken. Oterdum had weinig door 't water geleden, en wierd ten
+eersten herstelt met vier bolwerken, schoone gragten, en een haven,
+waar in omtrent 30 schepen te gelyk konden leggen, gemaakt.
+
+Den laatsten February deed Verdugo een vrugteloozen inval in
+Friesland. Maar de Westfriesen deeden insgelyks in Groningerland een
+inval van meer nadeel; verbrandende in de Marnkant, van Vierhuizen
+tot aan Baflo, meest alle de huizen af, om datze geen contributie
+wilden opbrengen.
+
+Omtrent dezen tyd, had Roelof Ketel een aanslag op Groningen, om deze
+plaats aan der Staaten zyde te brengen. Hy begaf zich derhalve met
+15 mannen daar binnen, verlaatende hem alleen op de slappigheid der
+wacht aan de poorten. Daar by was Graaf Willem van Nassau met 1500
+mannen in 't Drenth, om hem, zo de aanslag gelukte, by te springen:
+doch de zaak wierd ontdekt, en Roelof Ketel by den kop gevat zynde,
+wierd het hoofd afgeslagen en gevierendeelt.
+
+Insgelijks heeft Kapitein Schaay, leggende te Niezyl in bezettinge,
+een aanslag op Groningen gehad; zynde in een tyd dat de stad gebrek
+aan levensmiddelen had: maar dezelve voorts geproviandeert wordende,
+mislukte de aanslag.
+
+In den jaare 1585 hebben de Staaten de bestieringe der landen
+opgedragen aan Hendrik den derde, Koning van Vrankryk; maar die hen,
+om zyne eigene inlandsche oorlog, alwaar hy zelve zeer mede belemmert
+was, moeste afwyzen. Waar op hy Elisabeth, Koninginne van Engeland,
+tot bescherminge liet verzoeken: doch die Majesteit weigerde mede
+de volle heerschappye. Doch hier na, Prins Maurits in zyns vaders
+plaatze en bedieningen gestelt zynde, is van gemelde Koninginne
+de Graave van Leicester, als Overste van haare hulpbenden, naar de
+Nederlanden gezonden; die de Staaten naderhand tot Stadhouder der
+Nederlanden hebben aangenomen.
+
+Na dat de kloosterinkomsten, als wy boven reeds gemeld hebben, tot
+onderhoud van predikanten en schoolmeesters bestelt waren, heeft het
+de Staaten des Lands ook goed gedagt, uit de zelve ook een schoole
+van geleerdheid of Academie op te regten, en dezelve met bequaame
+leermeesters of professoren, en dat 'er verders toebehoort, mildelyk
+te voorzien; dezelve plaatzende binnen de Stad Franeker.
+
+In den jaare 1586 hebben de Spanjaards, over 't ys komende, alzo
+het zeer sterk gevrooren hadde, een uitval gedaan, trekkende met
+2500 voetknegten en 400 ruiters de Wouden in, door Lemsterland,
+en vernachtende omtrent Workum en Hindeloopen; van waar zy voorby
+Bolswert, over Marnzyl, door Schettens en Witmarsum, te Tjum zich
+nederzettende, quamen ten derden dage te Spannum en Winsum, welke
+dorpen zy beide in brand staken: en als zy veel gevlugt volk op de
+Winsumer toren gewaar wierden, zo stookten zy een zeer smookend vuur
+van onderen aan dezelve, om gemelde vlugtelingen te doen verstikken:
+waar door eene zwangere vrouw, gevoelende haare kleederen en
+hoofdhairen gezengt, uit de klokgaten sprong; en gevallen zynde,
+noch door een Spanjaard op de naakte borst getrapt, en zeer gewond
+geworden, waar door zy haare zinnen verloor: doch na twee maanden
+quam zy weder tot haare voorige kennis en verstand. En eene andere,
+met twee kinderen in haare armen, sprong uit het hoofd van den toren,
+en bragt het eene kind noch leevendig te Franeker. De onze in aller
+yl met 1000 voetknegten en een Cornet paarden daar na toe trekkende,
+vonden zich niet in staat om de vyanden te keer te gaan: des zy van
+Oosterlittens naar Boxum afweeken, op hoop van eenige hulp, om zich dan
+voordeeliger te kunnen te weêr stellen: maar de vyanden, hen spoedig
+nazettende, beletten dit, overvielenze, en een bloedige slag wierd
+getroffen, daar wederzyds veel volk sneuvelde; doch de onzen moesten
+eindelyk de vlugt neemen, zo naar Leeuwarden, als andere plaatzen;
+en een gedeelte wierd in de kerk bezet, en gevangen genomen. Van deze
+slag is zulken indruk in de gemoederen der menschen gebleven, dat 'er
+in Friesland niets bekender is, als deze Boxumer Slag, voorgevallen
+op den 17 January.
+
+In dit zelve jaar, ondernam Graaf Willem van Nassau een aanslag op
+Groningen: doch dezelve wierd door een zeer hoogen springvloed ontdekt
+en verydelt.
+
+In den jaare 1587, in September, had Graaf Willem van Nassau nochmaals
+eene vergeefsche aanslag op Groningen.
+
+Den 17de van December is een zwaare inbreuk van 't zoute water in de
+Ommelanden geweest, waar door alle hooge landen onder liepen, wezende
+het water byna zo hoog, als de Allerheiligen Vloed van den jaare 1570,
+maar deed zoo eene groote schade niet.
+
+In den jaare 1589, in 't begin van den zomer, had de Gouverneur Graaf
+Willem eene vergeefsche aanslag op Delfzyl; doch besprong Reide, en
+maakte daar een beschanst Eiland van: ook won hy de schans Eemetille;
+en kort daar na Swaagsterzyl en Soltkamp; zynde een schans in de mond
+van 't Reidiep, en dat stormenderhand, voor 't gezigte van Verdugo,
+slaande 80 mannen dood, en nam veele gevangenen mede.
+
+Daar na nam Verdugo Eemetille weder in; zond twee booswichten in 't
+leger by Kollum, om Graaf Willem te vermoorden: maar dezelve ontdekt
+zynde, wierden gevangen genomen en onthoofd.
+
+In den jaare 1590, in Maart, hebben eenige burgers en inwoonders van
+Groningen hunne stad en Staat onder de bescherminge van de Koninginne
+van Engeland gepresenteert: doch wierd hun geweigert. Waar op Verdugo,
+meer volk van den Hertog van Parma ontfangen hebbende, de schans
+Enematil besprong; trekkende van daar op Nieuwezyl. Ondertusschen
+quam Graaf Willem, Gouverneur van Friesland, afzakken, en legerde te
+Kollum; en alhoewel de legers ruim een uur maar van malkander lagen,
+viel er echter weêrzyds niets aanmerkelyks voor.
+
+In den jaare 1591, den tweeden van July, won Prins Maurits Delfzyl;
+waar in gevonden wierd 5 metaale stukken kanon, en 6 yzere
+gotelingen. Daar na deeden die van Friesland deze schans grooter
+en sterker bouwen; zelfs poogden zy daar van eene stad te maaken,
+en dezelve met groote Privilegien te begiftigen: om alzo de burgery
+van Groningen daar te trekken. Doch op hoope van Groningen ook te
+krygen, is zulks achter gebleven. Van hier trok het leger na de Opslag
+van Enematil, leggende op een water, genaamt Nieuwezyl, en dwong de
+bezettinge door geweld zich over te geeven, en met witte stokjes in
+hunne handen uit te trekken, sterk zynde 150 mannen. Voorts vertrok
+de Graaf naar Enematil, en beschoot de schans met 12 stukken kanon,
+tot dat de bezettinge zich op den 11de van July overgaven; als ook
+een weinig hier na de schans te Lettelbert.
+
+In den jaare 1592, in Augusty, heeft Prins Maurits de sterke vesting
+Koeverden belegert. Graaf Fredrik van den Berg had het bevel daar
+binnen, hebbende voor des Prinsen komste alle de huizen buiten de
+vesting in brand doen steeken.
+
+De belegeraars naderden hem met alle vlyt aan de loopgraaven,
+en benamen hun de sluizen; waar door zy het water uit de gragten
+leiden. Hier op begon het schieten aan weêrskanten dapper aan te
+gaan, wordende aan weêrszyden verscheidene mynen onder de wallen
+gegraven, die wel haast ter neêr of invielen. Den 7de van September,
+quam Verdugo met zyn krygsmacht voor den dag springen, hebbende alle
+witte hemden over hunne harnassen, om de belegerden te ontzetten. Hier
+op maakte Prins Maurits zich gereed, telde zyn volk in slagorder, met
+'t grof geschut vooraan, en ontfong der vyanden macht zo onbeleefd,
+dat door 't losbranden van 't kanon, een meenigte van hen over hoop
+en in 't moeras raakte. Daar bleven in 't geheel 300 mannen dood,
+behalven de gequetsten: en van 's Prinsen zyde bleven er maar 3
+mannen dood en 6 gequetsten, uitgenomen Graaf Willem van Nassau, die
+een schot, doch zonder gevaar, door 't dunne van zyn lyf kreeg. Daar
+na hebben die van Koeverden zich den 12de van September aan Prins
+Maurits overgegeven; mits met hunne vendelen, wapenen en brandende
+lonten uit te mogen trekken, behalven de Artillery en amunitie; daar
+wierden in gevonden 9 stukken kanon. Voorts is hier tot Gouverneur
+gestelt de Heer van Nienoort.
+
+In den jaare 1593, den 8ste van April, heeft Graaf Willem de
+Bellingewolderzyl beginnen te versterken, om alzo het fort de Bourtange
+te benaauwen. Hier tegen quam Verdugo met zyn leger by Vlagtwedde,
+in 't geheel sterk zynde 2500 mannen, doch derfde niets uitvoeren
+tegen dat vast maken.
+
+Den 29ste van Augusty nam Graaf Willem Wedde in; als mede de vaste
+pas Bourtange; 't welk aanstonts sterker wierd gemaakt, eer Verdugo
+daar by kon de komen.
+
+Daar na heeft Verdugo de sterke schans van Aduarderzyl; na den derden
+storm, met geweld ingenomen, slaande de geheele bezettinge dood. Van
+daar trok hy naar Wedde; dat hy ook in nam, en sloeg van de 117 mannen,
+die daar op waren, 50 dood. Voorts legerde hy zich voor de Bourtange;
+zynde dit fort tegenwoordig tamelyk sterk, en alzo dat 'er geen geschut
+voor gebragt konde worden; de wallen waren redelyk hoog, en de gragten
+wel voorzien van water. Vyf vendelen soldaaten, onder den Gouverneur
+de Jonge, lagen daar in bezettinge. Ondertusschen wierd Verdugo van
+andere gedagten; brak de belegeringe op, en trachte Graaf Willem
+aan te tasten; doch te vergeefs; hoewel er eenige schermutzelingen
+wierden gehouden, waar door veel volk is gebleven. Daar op trok
+Graaf Willem naar de Bourtange, neemende Wedde wederom in: en Verdugo
+naar Koeverden, beschanste daar de passagie; maar zyn volk is door
+ongemakken voor 't grootste gedeelte verstorven of verloopen.
+
+In den jaare 1594, den 12de van February, des nachts, hadden de
+Groningers een aanslag op Delfzyl: doch die van binnen hen tydig
+gewaar wordende, is 'er aan weêrskanten wel twee uuren lang scherp
+gevogten. Tot geluk van het Fort, was 'er een oorlogschip, daar omtrent
+leggende, dat wat nader aanquam, en de Groningers met 16 stukken kanon
+dwars onder hun hoop sterk beschoot, dat zy met groote schade moesten
+aftrekken, sleepende wel 35 sleden met dooden en gequetsten met zich
+naar de stad, en noch 7 dooden, dieze lieten leggen. Die van binnen
+verlooren een Kapitein, een Vendrig, een Sergeant, en 9 Gemeenen.
+
+Den 6de van May, quam Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau met hun
+leger by Koeverden: welke aankomst van Verdugo bezigtigt zynde, hem
+deed resolveeren zyne beschansinge by nacht op te ruimen. Overzulks
+trok de Prins met zyn krygsbende direct naar Groningen; doende
+de stad op den 20 dito berennen, en aanstonds opeischen. Doch
+kreeg tot antwoord: Dat dit geen stad was, die zich zo haast konde
+overgeven. Prins Maurits liet derhalven al zyn oorlogstuig aan land
+zetten, en het kanon voor de stad planten. Onderwylen heeft Graaf
+Willem op den laatsten van May de sterke schans Aduarderzyl aangetast,
+hebbende over de 135 mannen tot bezettinge, en tot Commandant eenen
+Kapitein Prenger, die aan Graaf Willem ten antwoord gaf, als hy de
+schans opeischte: Dat hy het met hem zoude wagen, als met een meisje
+van 15 jaaren. Maar dit geviel hem niet wel; want de vesting wierd
+kort daar na zo gruwelyk sterk beschooten, datze dezelve met 'er
+haast beklommen en inkreegen; doe wierd alles aan stukken geslagen wat
+'er in was, uitgenomen 8 a 9 perzoonen, die 't ontquamen.
+
+Ondertusschen had Prins Maurits eenige andere schansen ingenomen,
+als Slogteren, Hogerbrugge, enz., waar door de leevensmiddelen in
+'t leger zeer goedkoop wierden.
+
+De Stad Groningen was zeer wel voorzien van een wel in de wapenen
+geoeffende burgerye; en geeft ander guarnisoen binnen hebbende,
+dan de slegtste burgerye en inwoonders, dewelke al voor langen tyd,
+als soldaaten onder vendelen geoeffent, in plaats van bezetting,
+van den Koning wierden betaalt: behalven deze, hadden zy krygsvolk
+van Verdugo altoos onder haar gebied; en hadden nu onder het beleg 5
+goede oude vendelen daar van, onder den Overste Luitenant Laukema,
+buiten de stad, op een gesterkte plaats aan 't Schuitendiep. Van
+krygstuig, voorraad enz., wasze alles wel voorzien. Die van de
+stad wenden vervolgens alles aan wat hun dacht dat den vyand zoude
+krenken. Waarom de Prins zyn begravinge van verre moest neemen, en
+aldaar zyne batteryen opwerpen, mits digt onder de stad de belegerden
+tegen-batteryen maakten; hebbende 400 groote tonnen met buskruit en
+geschut meer, als andere steden. De Groningers deeden verscheidene
+uitvallen, waar mede zy meenig braaf Kapitein en soldaat versloegen,
+en zelfs eenige vendels binnen bragten: weshalven de loopgraaven
+versterkt moesten worden. De belegeraars deeden alle afbreuk met
+hun geschut dieze doen konden; doch vorderden nochtans weinig,
+tot dat zy een poort met een brug, die na een rondeel liep, omverre
+hadden geschooten, eenige bolwerken ondergraven, en eenige gragten
+aldaar vulden, alles onder de bescherminge van 't geschut: dis deed
+de trouwe burgery gedwee worden, en begon naar verdrag uit te zien;
+overzulks zy Jan te Boer met brieven aan Prins Maurits en Graaf Willem
+uitzonden, om verdrag: wordende daarop weêrszyds gyselaars gegeven,
+en hielden op van schieten. Maar de burgemeester Jarges, zynde een hard
+Konings-gezinde, rukte een party voerlieden en schuitevoerders byeen,
+en stonden op tegen die geene, die van verdrag hadden gesproken. Hier
+na kregen de belegeraars een te smadelyk antwoord, te weeten, dat
+de belegerden besloten hadden, noch een tyd lang hun ontzet af te
+wagten. Hier op trad Maurits met Willem in de loopgraven, om een
+plaats tot een nieuwe batterye af te zien; ondertusschen komt een
+kogel zo sterk tegen de rondas, die Maurits voorgehouden wierd,
+dat hy achterover viel, doch zonder hem te quetzen.
+
+Den tweeden van July waren de belegeraars over de gragt, en wel 30
+voeten onder het rondeel gekomen, daar de heele stad haar winst of
+verlies aan hing. Drie dagen daar aan was de myn 30 voeten diep,
+en opgepropt met 5 a 6000 ponden buskruit, dat den 10de dito, des
+avonds, na het gegevene teeken, in brand wierd gestoken; waar door een
+groot gedeelte aarde, en alles wat 'er op was, in de lucht sprong,
+met wel 140 menschen; waar van twee in 't leger vielen, en de een
+noch leevendig: hier op vielen drie vendelen Schotten los, die straks
+meester van het rondeel waren, en alles, wat noch leevendig bevonden
+wierd, doodsloegen, blyvende daar in 't geheel wel 200 dood. Daar
+boven sneuvelden 30 Schotten, behalven noch twee Kapiteins. Dit
+bragt onder de gezamentlyke soldaaten, en onder de allerhartigste
+burgerye zulk een schrik, bevreest zynde voor meer ondergravingen,
+datzy op verdrag dagten. Over zulks zonden zy Gecommitteerden uit,
+zo wegens de Geestelyke, Magistraat en Ambagten der stad, als ook
+wegens den Overste Luitenant Laukema; en op Ostagiers handelende van
+den 16de tot den 22ste van July, met Prins Maurits en Graaf Willem
+van Nassau, zyn daar op met advis van den Raad van Staaten eindelyk
+overeen gekomen. Dus is Groningen en de Ommelanden op den 24ste van
+July onder Maurits gebied gebragt, na dat 'er wel 10000 schooten op
+waren gedaan, en 400 mannen voor zyn gebleven: waar tegen de belegerden
+ook 300 soldaaten en veele burgers hebben verloren. In de stad wierden
+gevonden 36 metaale stukken kanon, behalven de yzeren, en wierd daar
+over Graaf Willem van Nassau tot Stadhouder gestelt. Prins Maurits
+en Graaf Willem daar binnen komende, wierden verwellekomt door den
+klokspeelder, speelende de wys van den 6den Psalm. Daar na wierd
+de Magistraat verandert, wordende daar tot eerste Burgemeesters
+aangestelt, Mello Conders, Joachim Alting, Harmen Koning en Egbert
+Alberda. Voorts wierd de St. Martens Kerk van hare beelden gezuivert,
+en de eerste predikatie van de Gereformeerden daar in gedaan: doende
+de Magistraat en Burgerye daar na den eed van getrouwigheid aan Graaf
+Willem, hunnen Stadhouder en aan de Staaten Generaal.
+
+In 't zelve jaar is de Aartshertog Ernestus, van 's Konings wegen,
+in Nederland tot Stadhouder gezonden.
+
+In den jaare 1596 is uit last van de algemeene Staaten en den Prins
+van Oranje, het Collegie der Admiraliteit te Dokkum ingestelt; om
+alzo bequaamelyk over het werven der oorlogschepen van Friesland alle
+zaaken te kunnen beraamen.
+
+In het zelve jaar, den 24ste van Augusty, is Graaf Willem van Nassau,
+Stadhouder van Groningen, mede tot Gouverneur over het Landschap
+Drenth aangestelt.
+
+In dit jaar is de Cardinaal Albertus, Aartshertog van Oostenryk, tot
+Stadhouder des Konings, in Nederland gekomen; die naderhand huuwde
+met Isabelle, Dochter des Konings; en deze landen wierden hem tot
+een huwelyks goed toegezegt.
+
+Omtrent dezen tyd was 'er eene Friesche dochter, Margarita genaamt,
+zynde een jong vrouwsperzoon, of moedige Amazoone, en lang van persoon;
+deze heeft, in manskleederen, de Heeren Staaten zo binnen Oostende
+als elders zeven jaaren gedient, buiten kennisse haarer ouders, in
+alle eerbaarheid, eerst een spies gedraagen, en daar na een musquet
+gevoert, met een witte veder op de hoed, als een kloek en onvertzaagt
+krygsgezel, ja onder de Adelborsten gerekent, en zelve veele schansen
+om Groningen en Steenwyk helpen inneemen. Ten laatsten bekent geworden
+by haar medegezel, als zy een schoon hemd aandeed, hebbende groote
+borsten en rond opgewasschen, meer dan andere welgevleesde jongmans:
+op zyn vraage, heeft ze hem beleden, een vrouwsperzoon te zyn, dat
+hy verwonderende aanhoorde; is daar op met eere verlieft geworden, en
+in 't leger voor Koeverden met haar getrouwt. Zy waren noch woonende
+binnen Groningen in den jaare 1602, en veele jaaren daar na, een winkel
+doende van vette waaren, in alle stilheid en eerbaarheid huishoudende,
+en t'zamen geneerende. Deze Amazoone heeft ook een lied gedicht, de
+jonge Dochters tot liefde des krygs, om 't Vaderland te beschermen,
+na haar voorbeeld vermaanende. Zie E. v. Meteren [97].
+
+In den jaare 1597 verzogten die van Groningen aan de Staaten van
+Friesland, om Drenth en Twenth geheel vry te maaken, en den vyand
+van daar te vernestelen: welk verzoek uit last van de algemeene
+Staaten, door hulp van den Prins van Oranje, wierd vastgestelt: en
+alle sterktens en schansen, door de vyanden aldaar bezet, wierden
+overwonnen, namentlyk, Grol, Ootmarsen, Oldenzeel, Lingen, enz.
+
+In dit zelve jaar, den eersten van Juny, is de Overste Sonoy, gewezen
+Gouverneur van Noordholland, op Dyxterhuis, een Heerlykheid in de
+Ommelanden, overleden; wordende deszelfs ligchaam tot Peterbuuren in
+de kerk, in tegenwoordigheid van zyn Genade Graaf Willem van Nassau,
+Stadhouder van Groningen, begraven.
+
+Den 18de van Augusty was 'er een zwaare watervloed in deze landen,
+waar door de Delfzylen en anderen uitbarsten, en veele menschen en
+beesten verdronken.
+
+Den 8ste van December is Graaf Willem door de Groningers met groote
+toejuichinge ingehaalt.
+
+In den jaare 1599 is te Groningen door de Heeren Burgermeesteren en
+Raad het Burger-Weeshuis opgericht.
+
+In den jaare 1600 is te Groningen. omtrent de Heere Poort, wederom
+een kasteel gebouwt; zijnde ten zuidoosten van de stad, omtrent ter
+plaatze daar weleer de kasteelen van Graaf Edzard van Oostfriesland,
+en van den Hertog van Alva hadden geweest: welk kasteel over de
+400000 guldens quam te kosten. Ook wierd de burgerye ontwapent,
+en Jonker Casper van Ewsum met 800 mannen op gemeld kasteel gelegt.
+
+In dit zelve jaar ontstond 'er groote oneenigheid tusschen de Heeren
+van den Lande en Steden, over het stuk van de gemeene lasten en
+bezwaaringen te draagen: doch wierd door Gemachtigden van de algemeene
+Staaten en den Stadhouder weder bygeleit.
+
+In den jaare 1605, den 10de van Augusty, zyn te Groningen door
+de Heeren Burgemeesteren en Raad, in plaats van vier Kapiteinen
+der burgerye, hier Hopmans genaamt, acht aangestelt; en doende de
+Kapiteinen de nominatie van de Vendrigs, die door den Raad wierden
+geëligeert op den zelfden dito.
+
+Den 23ste van Augusty quam de Stadhouder Graaf Willem van Nassau
+met 18 vendelen, voetvolk en 6 compagnien ruiters binnen Groningen;
+waar door de stad van het haar gedreigde quaad bevryd wierd. Ook gaf
+men de burgerye hun geweer weder. Prins Maurits verzond ook eenige
+troupen ter versterkinge van Koeverden en de Bourtange; zijnde deze
+plaatzen alle met groote verbaastheid aangedaan, wegens de veroveringe
+van Lingen en Oldenzeel, door de Spaanschen, onder het commando van
+den Marquis de Spinola.
+
+Ambrosius Spinola met zijn macht in Twenth zijnde, om op Friesland een
+kans te waagen, en welk land de Koning van Spanje hem reeds ten erve
+had geschonken; doch, God zij gedankt, hem nooit heeft kunnen leveren,
+moest zich vergenoegen met Lingen en Oldenzeel, en dat Friesland in
+groote benaauwtheid bragt. Maar Graaf Willem hield binnen Koeverden
+een oog in 't zeil, zo dat Spinola die plaats niet derfde aantasten,
+en vertrok druipstaartende weder naar Vlaanderen, ook eenigzints door
+de natte zomer verhindert.
+
+In dit zelve jaar, in Maart, wierd met den Spanjaard een bestand van
+acht maanden geslooten.
+
+In den jaare 1608 was 't zo een harden winter, dat men van de Friesche
+kusten naar de vooreilanden, als Ameland, Ter Schelling, en ook naar
+Grind niet alleen, maar zelf naar de Hollandsche kusten van Harlingen
+af met paard en slede konde overjaagen. Gelyk een Ariën Wierds,
+den 9de van February uit de Haven rydende, voor 't poortsluiten te
+Amsterdam binnen quam. Ook drilde voor de Harlinger haven op het ys
+een compagnie soldaaten.
+
+In dit zelve jaar zyn de nieuwe fortificatiewerken van de Groningers
+begonnen, wordende de stad aan de zuidkant daar door vergroot; ook
+is een gedeelte van het Groninger kasteel, tegens de burgers aldaar
+gebouwt, wederom afgebroken.
+
+In den jaare 1609, den 9den van April, is te Antwerpen het twaalfjaarig
+bestand geslooten, tusschen den Koning van Spanje en de Staaten
+Generaal der vereenigde Nederlanden; zynde wegens de Provintie
+van Groningen aldaar gecommitteert Abel Conders, Burgermeester te
+Groningen, wordende het zelve op den 18de dito in 's Hage gepubliceert.
+
+In den jaare 1610, op Nieuwejaarsdag, hebben de burgers van Leeuwarden,
+na dat zy eenigen tyd met de Burgermeesteren oneens waren geworden,
+de deur van 't Raadhuis met een mast open geloopen, verbreekende de
+glazen, vensteren en alles wat hun voor quam.
+
+Een Jan Cornelisz. Femmes, bestond in dit jaar een reukelooze daad,
+spruitende uit een wedspel, waar in hy aannam, om een rond jaar te
+willen woonen op het Kamper Zand (dat een droogte is, gelegen tusschen
+Ter Schelling en Ameland, loopende met alle etmaalse vloeden onder
+water). Op voorwaarde gaf hy aan zyn medewedder paarden, wagen,
+ploegen, en andere huismans gereetschappen; zullende hy, by aldien
+hy zyn voorneemen een rond jaar uitvoerde, een groote zomme geld in
+tegendeel genieten. Hier op bouwde Jan den 2de van Juny aldaar op
+eenige roeden of stutten een huisje; en om het zelve by springvloeden
+of hooge watertyden om hoog te heffen, gebruikte hy een tistel of
+vyzel, waar door hy het om hoog kon opvyzelen, of doen zakken: en dus
+hielde hy 't het bestemde jaar volkomen uit; zynde eene ongehoorde
+zaak. [98]
+
+In den jaare 1611, den 25ste van January, heeft Graaf Enno van
+Oostfriesland de sterke vesting Lieroort aan haar Hoog Mogende de
+Heeren Staaten Generaal overgegeven.
+
+In den jaare 1612, en 't volgende jaar, is de stad Groningen rondom
+vergroot, doch meest naar 't noorden, en is doe vervolgens met zeven
+schoone groote poorten voorzien, benevens noch een kleen poortje
+bezyden het Schuitendiep; hebbende een zeer breede en hooge wal,
+met 17 dwingers of bastions en een diepe besloten gragt.
+
+In den jaare 1614 is de Academie te Groningen opgericht, onder het
+Stadhouderschap van Graaf Willem Lodewyk van Nassau. De inwydinge
+geschiede op den 23ste van Augusty. De eerste Professoren zyn
+geweest Ubbo Emmius, Professor in de Historiën en Grieksche Taal,
+als eerste Rector Magnificus. Herman Ravensberg, Professor in de
+Godgeleerdheid. Cornelius Pynaker, Professor in de Rechten. Nicolaas
+Mulerius, Professor in de Medicynen en Mathesis. Johan Epinus,
+Professor in de Philosophie en Ethicæ, en extr. in de Rechten,
+Guill. Macdowel, Professor in de Philosophie, Logicis, Phys:
+& Methaphysicis. De inleidings redevoeringe wierd uit naam der
+geheele Provintie gedaan, door Do. Pancratius, stads Syndicus. Na 't
+eindigen derzelve, deed Do. Ravensberg een andere, op deze handelinge
+passende. De eerste Rector in de Rechten, die hier zyn promotie bequam,
+was Hugo van Nyeveen; houdende zyn inauguraal dispuit op den 13de van
+November 1615, onder het Rectoraat van gemelden Professor Ravensberg.
+
+In den jaare 1616, den 18de van Maart, is Graaf Willem Lodewyk door
+de Groningers zeer plechtig ingehaalt.
+
+In den jaare 1618 is het Sapmeer droog gemaakt, en is het volgende
+jaar met gruppen en een doorgaande vaart voorzien. Waar op is gevolgt
+de aanvang en continuatie van deszelfs vaart of diep door 't hooge
+en wilde Veen, van Sapmeer tot aan Zuidbroek.
+
+In den jaare 1619 bequamen die van Staveren vernieuwinge en handhavinge
+van hun onderrecht.
+
+In dit zelve jaar, in July, is de Heerlykheid van Wedde, Westerwolde,
+Bellingewolde en Bleyham gekogt van Willem van den Hove, en den
+2de Augusty in den Raad geapprobeert, voor de zomma van 140300
+guldens. Voorts heeft de stad deszelfs possessie aanvaart, en is den
+21ste van September Edzard Rengers tot Drost, en Michiel Visscher
+tot Richter van Bellingwolde en Bleyham gekoren.
+
+In den jaare 1620, den laatsten van May, is binnen Leeuwarden
+overleden Graaf Willem, Stadhouder van Friesland; tot wiens loffelyke
+gedachtenisse die heerlyke begraafplaats of tombe in de Jacobyner
+Kerk is opgeregt; alwaar hy met zyn Gemalinne na 't leven in steen op
+uitgehouwen is: en is zedert dien tyd de rustplaats der Stadhouders
+altoos geweest en gebleven.
+
+3. Ernst Casimier, Graave van Nassau, enz., wierd, na 't overlyden
+van zynen broeder, in de maand Augusty, tot Stadhouder van Friesland
+verkooren. En die van Groningen, Ommelanden en Drenth verkooren Prins
+Maurits tot hunnen Stadhouder. In December begon het zo geweldig te
+vriesen, dat men wederom naar Ter Schelling en Ameland met paard
+en slede overjoeg. Het volgende jaar, den 2de van February, quam
+een Harlinger schipper, met een sleetje en stok in de hand, van
+Friesland, over den Fliestroom, te Harlingen binnen treden. Graaf
+Ernst, geleidende den jongen Koning van Boheemen, quam met gezelschap
+van over de 100 sleden, van Leeuwarden tot op de zee voor Harlingen
+afjaagen.
+
+In den jaare 1621, den 29ste van Maart, is de Burgerye te Groningen
+door de Heeren van den Raad in 12 vendelen verdeelt; wordende daar op
+den 30ste dito de Officieren gekooren, en den 13de van April door hun
+Edelheden goedgekeurt, dat voortaan de Vendrigs onder de Luitenants
+zouden staan.
+
+De volgende winter van het jaar 1621 en 1622 was het mede een
+harde winter; waar in Anna Sophia, Gemalinne van den Stadhouder,
+vergezelschapt met een compagnie soldaaten, en hun byhebbende
+gereedschap, van Enkhuizen naar Staveren langs het ys overquam.
+
+In den jaare 1622, in Augusty, deeden de Spanjaards een aanval
+op Friesland, trekkende met 800 voetknegten en 70 ruiters door
+Oudeberkoop, naar Schoot, om 't Heerenveen te overvallen. En vermits
+het Staaten Volk zich meest aan den Rhyn nedergeslagen had, waren
+slegts maar drie compagnien verstrooit in de Zevenwouden gebleven;
+dewelke, naar 't Veen rukkende, den vyand, die een geweldigen storm
+deed op een schansje of redout op den weg naar Schoot, wakker afkeerde,
+en veelen van zyn volk deeden sneuvelen. De vyanden, misleid zynde,
+waren van gedachten geweest, dat 'er boeren en geen soldaaten op het
+Veen lagen: en trokken na dit treffen weder af op Ommen: alwaar zy
+door des Prinsen volk van achteren bezet wierden, en in de kerk allen
+gevangen zyn genomen.
+
+In October is Ernst Lodewig, Graaf van Mansveld, met zyn krygsbenden,
+wel 5000 mannen uitmaakende, in Oostfriesland gevallen, bedervende
+de inwoonders en landen elendig, zelfs zodanig, dat zyn eigen volk in
+den jaare 1624 meest van honger verliep. Hy had zyn hoofdquartier in
+de vesting Lieroort; en eer hy vertrekken wilde, dwong hy Graaf Enno
+van Oostfriesland een groote zomme geld af.
+
+In den jaare 1623 was er een zwaare pestziekte in Groningen; als
+mede een groot oproer over het draagen der dooden: want op den 5de
+van Augusty zyn de oude lyken des voormiddags door de vrouwen, en de
+jonge lyken des namiddags door de maagden ter aarde gebragt.
+
+In den jaare 1624 deeden de Spanjaards, onder het bevel van Lucas
+Cayro, Gouverneur van Lingen, een inval in den Oldambte; zy staken
+verscheidene dorpen in brand, als Winschoot, Heiligerlee, Noordbroek,
+Scheemda en Slogteren; verzonden in alle omleggende plaatzen brieven
+van brandschattinge: waar door de huislieden afquamen om de brand
+af te koopen. Maar het geruchte der aankomst van den Oversten
+Stakenbroek, deed hen haastelyk de vlugt neemen, doch een grooten
+roof mede voerende.
+
+In den jaare 1625, den 8ste van Maart, is Oostfriesland door een
+schrikkelyke watervloed aangetast, alle dyken doorbrekende of
+beschadigende, zodanig datze met geen 800000 guldens te herstellen
+waren; en de huislieden, door de Mansvelder troupen ten eenemaal
+verarmt en bedorven zynde, hadden geen macht om die te repareren,
+dies de zee daar uit en in spoelde.
+
+In dit zelve jaar, den 23ste van April, is Prins Maurits, na een
+langduurige krankheid uitgekwynt zynde, in 's Gravenhage ontslaapen. En
+zyn broeder Frederik Hendrik wierd aanstonds in zyn plaats tot opperste
+Veldoverste verkooren.
+
+In dit jaar is Graaf Ernst van Nassau tot Stadhouder van Groningen
+en Ommelanden, en 't Drenth aangenomen.
+
+Den 29ste van December overleed binnen Groningen de Hooggeleerde en
+wydvermaarde Ubbo Emmius, Professor dier Academie.
+
+Omtrent den jaare 1627 is het groote Provinciale magazyn of
+Artilleryhuis alhier gebouwt, en het Orgel in 't H. Geest-Gasthuis
+nieuw gemaakt: ook het Orgel in de groote kerk, eertyds door Agricola
+gemaakt, vergroot en vernieuwt.
+
+In den jaare 1628, in Augusty, is de Nieuwe of Lange-Akkerschans
+volveerdigt, en daar in drie compagnien soldaaten tot bezettinge
+gelegt, onder den Gouverneur Roussel; dewelke in October de Dylerschans
+innamen; doch zyn 'er voort daar na door de Keizerschen wederom
+uitgejaagt.
+
+In den jaare 1631 wierd Prins Frederik Hendrik, behalven Holland en
+Zeeland, ook het Stadhouderschap van Gelderland, Utrecht, en Overyssel
+opgedraagen. Maar Stad en Lande hebben Graaf Ernst aangenomen.
+
+In dit zelve jaar, in de maand van May, ontstond door 't geheele
+Land een geweldige oploop van 't gemeene volk; waar door beide, zo
+Opper- als Onderregenten, by hen verdagt wierden, en alle aanzienlyke
+lieden in verachtinge quamen. En den eersten Augusty heeft Graaf
+Ernst Oldenzeel ingenomen, en des zelfs vestingen afgeworpen.
+
+In den jaare 1632 wierd Graaf Ernst, zo als hy van Venlo op Roermond
+aankomende, en den grond aldaar bezigtigde, van de wal met een vuurroer
+door 't hoofd geschooten; en echter wierd hy dien dag noch meester
+van de stad.
+
+4. Hendrik Ernst, Graave van Nassau, enz., wierd in de plaats van
+zynen vader tot Stadhouder van Friesland aangenomen; en weinig tyd
+daar na mede van Groningen, enz.
+
+In den jaare 1633, omtrent Pinxter, was 'er een watervloed in
+Oostfriesland, waar door al het koren op 't land verdronk.
+
+In dezen tyd trokken twee compagnien of 350 burgers uit Groningen
+naar de Bourtange; dewelke op het verzoek van haar Hoog Mogende de
+Staaten Generaal, en Advis van zyne Exellentie, op 10 stuivers daags
+naar buiten zouden marcheren, om hun vaderland te dienen, en op de
+vyanden te waaken; en hebben alzo hunne huizen en familien een tydlang
+vrywillig verlaaten.
+
+In den jaare 1634, wanneer de nieuwe Middelen, als Hoofd- en
+Schoorsteengelden, enz., ter ondersteuning van den oorlog, eerst
+in Friesland verpagt wierden, ontstond 'er in verscheidene steden en
+dorpen een groote oploop; waar door zommige Heeren en heerenhuizen zeer
+slegt mishandelt wierden: maar door inlegering van soldaaten wierden
+de voornaamste belhamels gevat, en alzo weder tot stilte gebragt. In 't
+begin van dit voorjaar strande aan Ameland een Walvis: ook schryft men,
+dat 'er op dit zelve Eiland mede in dit jaar vorsschen zyn geregent.
+
+In den jaare 1635 was 'er te Groningen een zwaare pestziekte, waar
+door over de 100 menschen in een week stierven.
+
+In den jaare 1636 is Oostfriesland door twee watervloeden aangetast:
+de eerste op den 24ste van Juny, en de andere op den 25ste van July,
+waar door de huislieden, wegens gebrek van hooy, hunne beesten naar
+andere plaatzen in de kost moesten besteden.
+
+In den jaare 1638, als het leger van den Prins voor de Graaf lag,
+en Graaf Hendrik naar 't huis te Gennip, om het zelve te bezichtigen,
+gezonden was, gebeurde het dat zyn paard op zekere plaats achteruit
+deinsde, en in een bedekte put tot op den grond nederschoot; maar
+Graaf Hendrik zulks voelende, in aller haast zyn voeten uit de beugels
+van de stegelreep rukkende, viel achter over de gemelde put heenen;
+buiten welke val hy elendig had moeten omkomen en versmooren.
+
+In den jaare 1640, is Graaf Hendrik, zullende in de belegeringe van
+Hulst een schansje of redout bespringen, doodelyk gewond geworden;
+na hy en de zynen ongemeen manhaftig gestreden hadden; en onder
+andere zyn broeder Graaf Willem, die reeds al op zyn derde paard was
+gestegen. En den 17de van July overleed gemelde Graaf aan zyn quetzuur,
+die door geheel Nederland zeer beklaagt wierd.
+
+5. Willem Frederik, Graave van Nassau, enz., wierd, na zyn broeders
+overlyden, tot Stadhouder van Friesland aangenomen. En de Prins van
+Oranje verkreeg het Stadhouderschap van Groningen en Ommelanden.
+
+In den jaare 1643 is 'er in veele landen door 't hooge water een
+onwaardeerlyke schade geschied, zodanig als by menschen geheugenisse
+niet was voorgevallen. In 't dorp Gaast spoelden de dooden uit de
+graaven. Door 't doorbreeken der dyken, was het land zo verre onder
+water, dat men dwars over het land van Groningen naar Zwartsluis
+konde overvaaren.
+
+In den jaare 1645, den 22ste van January, is Oostfriesland wederom door
+een watervloed overstroomt; waar door veele dyken wierden gebroken,
+en tot Embden, zo 'er gezegt word, de Corps de Guarde wegspoelde.
+
+Dit jaar, den eersten van September, quam de Stadhouder Prins Willem
+van Oranje te Groningen, om aldaar de doe zwevende verschillen by te
+leggen; wordende door de Magistraat en burgerye met groote eertekenen
+ingehaalt, 't guarnisoen in de wapenen, benevens 't losbranden van
+het kanon, enz.
+
+In dit zelve jaar, wierd de trekweg van Harlingen naar Leeuwarden
+gemaakt.
+
+In den jaare 1647, den 14de van Maart, is Frederik Hendrik, Prins van
+Oranje, in 's Gravenhage ontslaapen. En dien zelven dag deed zynen
+Zoon, Willem de tweede, den eed van getrouwigheid aan de Staaten.
+
+In den jaare 1648, den 30ste van January, is binnen Munster in
+Westfaalen, na een oorlog van over de 80 jaaren gevoert, eene vrede
+gemaakt, tusschen den Koning van Spanje, en de Staaten der zeven
+Provintien: door welke gemelde Koning deze Landen voor eigene en
+vrygevogtene landen heeft moeten verklaaren; en zyn recht op dezelve
+eeuwig en erflyk afgestaan.
+
+In dit zelve jaar gebeurde binnen Dokkum, op 't Raadhuis, een gering
+doch merkwaardig geval, zinnebeeldig op bovenstaande vrede; men zag
+een mossel een muis vangen: dat dus geschiede, een hoop mosselen
+aldaar leggende, quam de muis daar zyn aas zoeken, en een treffende,
+die gaapte, sloot de mossel haare schelpen toe, en de muis, in de
+zyde gevat, was gevangen.
+
+In den jaare 1650, den 27ste van October, is Prins Willem van Oranje,
+in 's Gravenhage, aan de kinderpokjes overleden.
+
+In den jaare 1651, den 22ste van February, was 'er een watervloed
+over de Groninger Provintie, en elders; waar door de dyken wierden
+gebroken en groote schade geschiede.
+
+Den 20ste van May is Graaf Willem Frederik van Nassau, Frieslands
+Stadhouder, te Groningen ingereden; wordende door de Magistraat en
+burgerye met groose staatsie opgehaalt, en ten zelven dage aldaar tot
+Stadhouder en Gouverneur over Stad en Lande aangenomen, gehuldigt,
+en in 't openbaar beëedigt.
+
+In den jaare 1653 is, uit vreeze voor de Engelschen, die zich voor onze
+kusten vertoonden, op Ameland, Ter Schelling, Flieland, enz., een goede
+wacht van krygsvolk gezet, om een waakend oog in 't zeil te houden.
+
+Niet lang daar na quamen zy voor de zeegaten van Texel en 't Flie,
+met schrobbers en bezems op de masten braveerende; willende daar door
+te verstaan geeven, dat zy als Meesters van de zee, dezelve hadden
+schoon gemaakt.
+
+Den 8ste van Augusty geschiede omtrent Texel het zeegevegt van
+drie dagen, waar in de Admiraal Tromp door een musquetschoot wierd
+getroffen, en dood op den overloop van 't schip ter neêrgeveld.
+
+In den jaare 1654 was 'er geheel Europa door een groote overvloed
+van graanen; alzo dat de Hollandsche kooplieden het zelve op hunne
+korenzolders niet kunnende bergen, naar Friesland moesten overvoeren.
+
+In den jaare 1655, den 10de van November, zyn de eerste trekschuiten
+tusschen Groningen en Leeuwarden gevaaren.
+
+In den jaare 1656, den 8ste van Februarij, heeft de Magistraat van
+Groningen, ter gelegentheid van de Raads-keur, voor de eerstemaal met
+Goude Boonen beginnen te looten; zijnde het zelve bevoorens altoos
+met gemeene Turksche Boonen gedaan.
+
+In den jaare 1657, den 17de van October, waaide het drie dagen lang
+zo een bittere stormende oosten wind, dat de zuiderzee en andere
+binnenstroomen het water op veele plaatzen ontliep; zo dat men van
+'t eilandje Ens droog over naar Friesland konde gaan. Odulfs Kerk,
+en andere oudheden, lagen by Staveren geheel bloot. Waar op volgde
+een felle en lange winter.
+
+In het zelve jaar, den 23ste van October, zyn te Groningen de 12
+vendelen burgerye door de Heeren van den Raad tot op 18 vendelen
+vermeerdert.
+
+Ook was 'er in dit jaar te Groningen zekere onlust; waar door eenige
+huizen wierden geplondert: doch door den Stadhouder Prins Willem
+wierdze wederom gestilt.
+
+In den jaare 1659, den 6de van Juny, is de Vorst van Anhalt, Joan
+Georg, met de Prinsesse Henrietta Catharina van Oranje, enz., zeer
+prachtig te Groningen in de St. Martens Kerk getrouwt. De ingang
+van gemelde kerk tot aan het Vorstelyke Trouw-Theater was rondom
+zeer heerlyk behangen, en met tapyten belegt. De Prinsesse Bruid was
+zeer prachtig gekleed, met een heerlyke kroon vol diamanten op haar
+hoofd, enz., wordende verzelt van de Keurvorstinne van Brandenburg,
+Graaf Willem van Nassau en zyne Gemalinne, Prins Maurits en meer
+andere Grooten. Hier na wierd de geheele stad vervult van vreugde,
+zo door konstige vuurwerken, losbranden van het kanon, enz.
+
+In den jaare 1662, den 28ste van February, heeft Oostfriesland door
+een watervloed wederom zeer veel geleden: want daar groote schade
+aan dyken geschiede, en tusschen Delfzyl en Embden 8 schepen vergingen.
+
+In den jaare 1663, den 30ste van October, liep Oostfriesland wederom
+geheel onder; waar door veele beesten wierden weggerukt, en groote
+schade aan dyken geschiede.
+
+In den jaare 1664, den 6de van July, is door Graaf Willem, Stadhouder
+van Friesland, de Eilerschans by verdrag verovert van den Bisschop
+van Munster.
+
+Den 21ste van Augusty, is Willem Frederik, gemelde Stadhouder, binnen
+Leeuwarden, aan een quetzuur overleden; welke hy van onderen in de kin
+door een pistool bekomen had, als hy de proef daar van zoude neemen:
+schryvende zelf: als zy geen vuur wilde geeven, doe zag ik daar na,
+en willende den stempel daar uittrekken, zo ging ze in dien tyd
+los. Nalaatende een Prins van 8 jaaren en twee Prinsessen.
+
+6. Hendrik Casimier, Graave van Nassau, enz., aan wien de Staaten
+des Lands al in den jaare 1659, by survivance of overlevinge, de
+toezegginge van 't Stadhouderschap, by 's Vaders leeven, hadden
+verleent, wierd nu mede het Kapiteinschap Generaal over Friesland
+opgedraagen; om deze bedieninge in het 20ste jaar zyns ouderdoms aan
+te vaarden.
+
+In den jaare 1665, in January, als Prins Johan Maurits, wederkeerende
+van Leeuwarden van de begraaffenis van Prins Willem Frederik,
+Stadhouder van Friesland, en door Franeker reed, zo schoot hy met
+zyn paard, op een oude valbrug zynde, in 't water ter neder; doch,
+schoon in gevaar van zyn leeven te verliezen, wierd hy echter noch
+onbezeert gereddet.
+
+Den 22ste van September trok de Bisschop van Munster, als een huurling
+en in dienst van Engeland [99], om Nederland aan deze zyde te plaagen,
+met zyne macht Twenthe en Drenthe in, daar hy alles verwoeste: en
+omtrent eene maand verloopen zynde, boorde hy by 't Roveen door; dat
+in Friesland geen kleene vrees veroorzaakte. Doch, voor Ommerschans
+afgeslagen zynde, vertrok hy naar Groningerland, en nam Winschooterzyl
+en Burgerschans in. Maar als hy een goede borstweering by Heiligerlee
+vond, en de Bourtang, Koeverden, Ommerschans en Friesland van alles
+wel voorzien zag, achte hy zich gelukkig, zonder van Maurits volk
+bezet te worden, zelve weder uit te geraaken.
+
+Den 5de van December was 'er weder een zwaare watervloed in veele
+Landen, die Zeeland, Holland, Friesland en de Ommelanden groote
+schade toebragt.
+
+In den jaare 1666, den 15de van July, heeft de dappere en manhafte
+Zeeheld Tjerk Hiddes, Luitenant-Admiraal van Friesland, terwyl hy
+met den Zeeuwschen Luitenant-Admiraal Jan Evertsz. den Engelschen
+Admiraal van de witte vlag aan boord lag, en zeer moedig streed, zyn
+been te gelyk met het leeven verlooren: zyn ligchaam wierd staatelyk
+binnen Harlingen ter aarde bestelt.
+
+Den 8ste van Augusty quamen de Engelschen, met menige scheepjes
+en vyf branders binnen 't Flie, daar zy de twee convojers, en een
+vloot van 170 koopvaarders in den brand staken; van welke ook veelen
+door de vlam verteert wierden: waar onder omtrent 30 schippers van
+Hindeloopen van hune schepen beroofd wierden; en ook eenige die 't
+ontvluchten. Daar op landen zy op Ter Schelling, en staken een onnoozel
+weerloos visschers dorpje in den brand: roemende in Engeland als of
+zy de geheele waereld gedwongen hadden. Maar Gods wraak vervolgde hen
+al te spoedig, alzo het beste gedeelte van de vermaarde stad Londen
+in vyf dagen, door een byna onuitblusbaare brand, in de assche wierd
+gelegt, tot een onwaardeerlyke schade van veele gegoede lieden. En
+de schade door 350 huizen, op Ter Schelling in den brand gestooken,
+had een geringe overeenkomst, tegen van hen ruim 35000 huizen door
+de vlammen verteert.
+
+In den jaare 1672, wanneer Louis de veertiende, Koning van Vrankryk,
+trachtende na het Oppergebied van geheel Europa, en reeds zulks in
+'t werk stellende, het niet voor 't geringste gedeelte van zyne
+uitvoeringen achtede, de zeven Vereenigde Nederlanden alvoorens af te
+loopen, om onder zyn geweld te brengen; en Friesland, een gedeelte
+daar af zynde, na de gelykheid van de leden van het zelve ligchaam,
+kon hier niet ongevoelig van zyn.
+
+Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May, moet voor
+een Schrikdag van geheel Nederland aangeteekent worden: van welken
+tyd zy geen 50 dagen konden tellen, of was meer als 80 van hunne
+sterkste steden en vermaardste beschansingen door den vyand ontbloot.
+
+Doe wierd Nederland met 6 legers, op 6 verscheidene plaatsen, te
+gelyk besprongen, namentlyk van 4 Franschen voor Orsou, Rynberk,
+Wezel, Burik, en 2 Bisschopschen voor Grol en in Twenthe. Na alle
+bovengemelde veroveringen, den vyand voorttrekkende, nam ook langs
+den Rhynstroom alle plaatzen in.
+
+Den 2de van Juny, ruktenze voorby Schenkenschans, daarze by 't Tolhuis,
+langs een droogte in den Rhyn, doorbraaken: zynde die plaats door
+den Oversten A. W. van Ailua met eenige Friesen dies tyds bezet. Waar
+op Mombas, schynende de Franschen eerst te willen tegen gaan, dwars
+heen en weêr met zyn ruitery door het Friesche voetvolk reed, dat
+zich zeer mannelyk weerde, alschoon zy door geduurig omzwerven,
+dan naar Nieumegen, dan naar Doesburg, Zutfen en Schenkeschans,
+zeer vermoeit en afgemat waren: geevende dien verraader Mombas daar
+door gelegentheid, dat het Friesche voetvolk onder de voeten van
+zyn ruitery, en diesvolgens in een groote verwarringe geraakte,
+zo dat zy genootzaakt wierden om quartier of lyfsgenade te roepen,
+en alzo elendig wierden overwonnen. Dit doorbreeken in de Betuw, door
+dien men meende, dat des vyands macht aan den Rhyn verbrooken zoude
+worden, was een droevig begin van alle volgende onheilen: waarom het
+ook in Holland zo een verbaastheid verwekte, dat men geene woorden
+zou kunnen uitvinden om het zelve uit te drukken. Waar op dat heel
+kort daar na het Sticht Utrecht mede onder de macht des vyands quam.
+
+Den 13de van Juny heeft geheel Overyssel zich by verdrag mede schendig
+aan den vyand overgegeeven. En zo is Friesland, door 't verlies van
+de Kuinder, Blokzyl, Zwartsluis, Steenwyk, Ommerschans en Roveen zyn
+plegtanker afgekapt geworden. Waar over de verbaastheid, ontroeringe,
+en flaauwhartigheid, die de winkels innam, de handwerken aan een zyde
+wierp, de Rechtbanken toesloot, de Academien en Schoolen ledig maakten,
+de lieden van angst en benaauwtheid uit hunne huizen deed loopen,
+den eenen tegen den andere aanstootende, en zo alles in verwerringe
+bragt. De vreeze en benaauwdheid was te grooter, om dat alles hen
+zo schielyk en onverwagt overquam: waar van geen eigener beeldenis
+kan vertoont worden, als ieder gevoelig mensch zich, in herdenking
+van dien tyd, in zyne gedachten voorstelle: en die het slegts in
+een eenvoudig en naakt verhaal wilde te kennen geeven, zoude woorden
+moeten uitvinden, om eenigzints uit te drukken. Om daar evenwel iets
+van te zeggen, zullen wy daar over, als ook over de eerste gevolgen
+van dien, de woorden van Mr. P. Valkenier, Pleitbezorger voor den
+Hove van Holland, hier by voegen [100]. Hy schryft:
+
+«De tydinge van dit schandelyk en haastig overgaan van de geheele
+Provintie van Overyssel, vloog aanstonds geheel Friesland en
+Groningerland door, en verwekte aldaar zo een groote vreeze en
+verbaastheid, als het doorbreeken der Franschen aan 't Tolhuis, en het
+verlies van Utrecht, in Holland veroorzaakte. Want elk stond verlegen,
+en verwagte alle omzien den vyand. Niemand wist wien het eerst zoude
+gelden; alzo het geheele land onbedekt, en zonder de minste afsnydinge
+voor hem open lag. Elk wilde met zyne beste losse goederen vluchten,
+maar niemand wist byna waar heen. Eenigen, die hunne goederen uit
+de steden wilden vervoeren, wierden dezelve of door oploop, of door
+plondering van 't gemeene volk kwyt. De Overheden, die mede wat meenden
+te bergen, moesten opentlyk het verwyt aanhooren, dat zy verraaders
+waren, en de gemeente in deze algemeene nood wilden verlaaten. De
+Regeeringe stond raadeloos, en het volk redenloos, alzo het zelve,
+als een pot te vuur, opliep, en voorts alles in verwarringe bragt. De
+Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland, ziende dat de geheele last
+van dit onheil op hunne schouderen aanquam, wierden te raade, om de
+Heeren Raaden van 't Hof van Gerichte te verzoeken, dat zy hen in deze
+verlegentheid met raad en daad geliefden by te staan. Waar op beide
+die aanzienlyke vergaderingen, tusschen den 13de en 14de van Juny,
+'s nachts, binnen Leeuwarden, in alle stilheid byeen vergaderden:
+alwaar voorgestelt wierd, de bedroefde staat van hunne Provintie. Hoe
+dat de doortocht van Meppel, regt naar Dokkum, en voort de Dongerdeelen
+in 't Bild door, tot Harlingen toe, om haare hoogte, niet konde onder
+water gezet worden. Dat de twee schansen, op die doortocht gelegen,
+als Breeberg en de Friesche Paalen, genoegzaam geslegt waren,
+en geen wezen meer hadden. Dat het krygsvolk, op hunne bezoldinge
+staande, tot bewaaringe der grenzen van andere Provintien zodanig
+was gebruikt, dat 'er tot bezettinge van hunne eigene Provintie,
+niet een eenige soldaat over was, als alleen eenige compagnien onder
+den Luitenant-Generaal Ailua, die uit Overyssel quamen afzakken. En
+dat hunne wapenhuizen en de wallen der steden van geschut, wapenen
+en leevensmiddelen onvoorzien en geheel ontbloot waren, en alzo in
+'t geheel niet of weinig voorraad ter verweering. Hier op begon men
+te beraadslagen, hoe men de Provintie op het beste zoude bewaaren uit
+den tegenwoordigen nood en gedreigde gevaaren, die hen zo na boven
+'t hoofd hingen. Waar op wierd voorgeslagen, dat zulks zou moeten
+geschieden door een van deze twee middelen: of gemeenzamerhand en met
+alle ernst trachten te verweeren, en het uiterste te waagen: of dat
+men zich met een algemeene overgeeving der Provintie uit die onheilen
+zoude redden: en ingevalle van overgeeving, dat men dan behoorde
+indachtig te zyn, met wat voorwaarden men de gemeene welvaart het
+best zoude kunnen verzekeren.
+
+«Na eenige onderlinge strydigheden, en na dat de Predikanten der
+stad Leeuwarden mede in deze vergaderinge verschenen, die byzonderlyk
+aanbevoolen, het stuk van godsdienst en gemeene vryheid, wierden alle
+zwaarigheden aan eene zyde gestelt, en een moedig en hartelijk besluit
+genomen, om, tot behoudinge van godsdienst en vryheid, gezamentlyk
+het uiterste te waagen, en goed en bloed tot den laatsten droppel aan
+te leggen. Men zond aanstonds uit het midden van deze vergaderinge
+eenige Heeren aan hunne Hoog Mogende, aan de Staaten van Holland,
+aan die van 't Noorder Quartier, aan die van Stad en Lande, en aan
+die van Amsterdam: welke alle, daar na, zonder troost of de minste
+hulpe weder te rugge zyn gekomen. Men besloot, om alle sluizen open,
+en alle Polders en bedykte landen onder water te zetten. Men deed
+een opontbod van alle Steden en Grietenyen; die daar op met vreugde
+uittrokken na het Heerenveen, om zich daar met de weinige aankomende
+krygslieden, onder den Heer Luitenant-Generaal Ailua, te vereenigen,
+en een legertje uit te maaken; om daar mede den vyand te verwagten,
+en te betoonen, dat zy noch van 't regte bloed der oude en beroemde
+Friesen waren, die in standvastigheid alle volkeren overtroffen." Dus
+schryft die Hollander.
+
+En alschoon het geruchte, wegens dat merkelyk verlies van de Friesche
+krygslieden aan het Tolhuis, van welke slegts maar eenige weinigen
+door den Oversten Hans W. van Ailua, ter naauwernood uit Zwol gered,
+naar de grenzen van Friesland, tot onder Leeuwarden quamen afzakken,
+de verslagentheid niet verminderde; zo begon echter evenwel de moed
+weder aan te wasschen, door 't bovengemelde legertje, dat ondertusschen
+tot 13 a 1400 soldaaten vermeerderde, behalven een goed getal burgers
+en boeren, die 'er dagelyks toevloeiden. Dit gemelde legertje wierd
+zeer voorzichtig, onder het beleid van den Heer Ailua, op de grenzen
+in een geduurige beweeging gehouden, op dat niemand van de Bevelhebbers
+konde weeten, hoe sterk of zwak het was.
+
+Middelertyd, als de vyand zyn aantocht over Steenwyk, op Friesland
+had genomen, bequam hy tyding, dat de Friesen met de Groningers zich
+wakker tot tegenweer stelden; waar over de Bisschop van Munster
+zeer bulderende en geweldig tegen de Friesen uitvoer, barstende
+onder anderen in dezen Bisschops vloek uit: Der Teuffel hoole die
+Pfhaffen! waar door hy de Predikanten van Leeuwarden verstond. Des
+hy van voorneemen veranderde, achte het dienstiger naar Koeverden
+te zetten, en heeft eerst d' Eiler-, Oude- en Nieuwe Schans,
+Winschooterzyl, en 't Huis te Wedde, met alles wat 'er by of omtrent
+was, zonder slag of stoot ingenomen: de Bourtange eischte hy mede op,
+en bood aan den Commandeur of Opperbevelhebber Prot 200000 guldens,
+en aan ieder Kapitein of Hoofdman 50000 guldens, by aldien zy zich
+wilden overgeeven. Maar de Bevelhebber Prot gaf hierop tot antwoord:
+dat hy eerst met den Bisschop wel een gesprek wilde houden, daar hy
+hem zo veel kogels zou vereeren, als hem guldens waren aangeboden.
+
+Hier na hield de Bisschop een krygsraad, en de vraag was, of men
+Friesland, of Delfzyl, of Groningen zoude overvallen? Het laatste
+wierd by hem beslooten. Doch van dien tyd af wierd hy wel degelyk
+in zyn raad verbystert, en in zyn voortgang zodanig gestuit, dat hy
+daarna niet een voet aarde meer heeft gewonnen.
+
+Uit de zeesteden zond hy kapers uit, om de Zuiderzee onveilig te
+maken: dat, zo men zegt, geen drie dagen voortgang had: want alle
+zyne vaartuigen wierden hem afhandig gemaakt: gelyk ook eenige van
+zyn volk, meenende het eilandje Urk uit te plonderen, wierden van de
+inwoonderen gevangelyk naar Enkhuizen gevoert.
+
+De steden ondertusschen, waar eenige schyn van bescherminge was,
+herstelden haare vestingen. Gelyk mede aan elke zyde van den Zwarten
+Weg, omtrent neeven Meedum wierd een schansje gebouwd, en by Tietjerk
+een schoone borstweering, reikende langs de weg naar Hardegaryp.
+
+En door dien men bedugt was, of men in 't toekomende een geweldigen
+vyand, of overlastige stroopers te gemoet zag, hebben die van
+Hindeloopen, ten opzichte dat zy voor 't grootste gedeelte aan de
+zee genoeg bevryd waren, aan de zuidoostzyde, daar zy aan 't land
+vast zyn, een vesting van drie bolwerken opgeworpen: bestaande de
+werklieden uit de burgerye, die zulks uit eigen drift gewillig bij
+der hand namen: maar, nadien zy by ongelegentheid van dien tyd geen
+onderstand of fortificatiepenningen, in gelykheid van andere steden,
+uit de Gemeene Lands Middelen hebben kunnen bekomen, zo hebbenze het
+verdere opmaaken tot op beter gesteltheid van tyden willen opschorten.
+
+In deze dagen hebben de Bisschopschen uit de Kuinder de Lemmer
+opgeeischt, en zoudenze overvallen hebben, ten waare zy de wagens met
+vlugtelingen langs de wegen niet voor toevoer van krygsvolk hadden
+aangezien: daar zij slegts een borstweering met eenige stukken geschut
+op de zeedyk hadden toegestelt; welks toegang zy in 't verborgen
+bedekten met heimelyk aan een gekeppelde eggen.
+
+Den 4de van July heeft de Bisschop van Munster de sterke fortresse
+Koeverden met een macht van 16000 mannen belegert, doende dezelven
+dag noch aan de loopgraven werken. De twee volgende dagen liet hij zo
+een groote menigte bommen en granaaten werpen, dat het tuighuis daar
+binnen, met verscheide daar bystaande huizen, in brand geraakten. Den
+7de dito liet hij de plaats opeischen, en eerlyke voorwaarden aan de
+bezettinge aanbieden. Doch de Commandant Johan van Burum [101], na
+die niet willende luisteren, wierd 'er overzulks aan weêrskanten noch
+dapper vuur gegeven, tot den 10de der maand; wanneer de Bisschop de
+plaats voor de tweedemaal opeischte. Ter zelver tyd zond de Commandant
+drie Officieren aan den Bisschop, die den 12de de overgaaf der plaats,
+zonder consent van den Bevelhebber, doch op eerlyke voorwaarden,
+beslooten. Maar de Bisschop had Koeverden zo dra niet in 't bezit,
+of betoonde zyne trouwloosheid en barbaarsche wreedheid aan de
+uittrekkende soldaaten.
+
+Ondertusschen maakte de Overste Ailua, met 1200 uitgeloote of
+gecommandeerde burgers en soldaaten, eenen aanslag op de Kuinder;
+alwaar de Bisschopschen veel roof hadden te hoop gesleept. Zy zouden
+het vermeestert hebben, en hadden reeds al 200 mannen van den vyand
+ter nedergeschooten, ten ware de besprookene Hollandsche kaapers,
+wegens onstuimig weder opgehouden, hadden kunnen aannaderen, en de
+vyand mede geen haastig ontzet van 2000 mannen, zo uit Kampen, als
+Zwol had bekomen. Waar op de Friesen, dit ziende, met verlies van 30
+mannen, weder aftrokken. En zy afgetrokken zynde, hebben de vyanden
+het zelve uitgeplundert en hunnen buit vervoert.
+
+Den 16de van July is de Friesche Brandwacht, leggende tusschen Bergum
+en de Drachten, niet wel op hun hoede zynde, van 13 standaarden
+Bisschopsche ruiters overvallen geworden. Doch zich in tyds noch
+naar het gros van 't leger te Bergum begeevende, quam het terstond in
+roeren, en viel de ruitery daar op in. Waar door de vyanden achteruit
+deinsden, en de Friesen alzo tot nevens hunne hinderlaagen uitlokkende,
+die het byna te quaad zouden gehad hebben, door dien een party volk
+van den vyand in 't korenland verborgen lag; doch echter, door hunne
+manmoedigheid, drevenze de Bisschopschen te rugge, met verlies van
+van 150 ruiters, en maar 25 van hunne Friesen.
+
+Daar na wierd de stad Groningen, op den 19de van July, door den
+Bisschop van Munster en den Keurvorst van Keulen, met eene macht van
+22000 mannen, aan de zuidkant by twee poorten belegert. De stad had tot
+Gouverneur Karel Rabenhaupt, een dapper en ervaaren Kapitein. De Hertog
+van Holstein Pleun had het bestier van het voetvolk, en de Colonel
+Stoltzenburg van de ruitery. De bezetting bestond in 't begin maar
+uit 24 compagnien voetknegten, 4 standaarden ruiters, en 3 vendels
+dragonders, die alle te zamen omtrent 2000 mannen uitmaakten. Maar
+zy wierd meer dan de helft versterkt, door de 18 vendelen burgers,
+die geweer voerden. Daar na wierden 'er noch vier compagnien van
+Advocaaten en andere lieden, die tot dezen tyd toe vry van de wacht
+hadden geweest, en een compagnie studenten, 150 mannen uitmaakende,
+opgericht: en voor dat de stad noch geheel berent was, quamen 'er 200
+met byltjes gewapende mannen, uit het regiment van Koningsmark binnen.
+
+De sterktens en magazynen waren in goeden staat, met overvloed van
+wapenen, krygs- en leevensbehoeften voorzien; de Magistraat meende
+het zo wel als het volk, en waren altemaal de bevelen van Rabenhaupt
+onderdanig.
+
+Deze Gouverneur de belegering al van langerhand voorzien hebbende,
+had derhalven alle de huizen en tuinen, die buiten die kant van de
+stad stonden, doen verbranden of slegten. Op de eerste aantocht der
+vyanden deed hy de sluizen openen, en de dyken doorsteeken, om alzo het
+land rondom te laten onder loopen. Doch dit weerhield den Munsterschen
+Bisschop niet, den 22ste van July zyne krygsbenden te doen aannaderen,
+en dien zelven avond aan de loopgraven te laaten werken. Hy deed den
+27ste dito van een battery met 5 stukken kanon op de stad schieten;
+maar de braave konstapels, waar van de stad voorzien was, maakten
+de geheele battery, eer den dag ten einde was, onbruikbaar. Des
+anderendaags liet de Bisschop de mortieren te werk stellen, en met
+bomben en granaaten op de huizen werpen; doch door de goede voorzorg
+van Rabenhaupt en de naarstigheid der Mennoniten deden ze weinig
+schade. Maar de volgende dagen schooten de belegeraars geweldiger,
+waar door in de stad groote schade wierd veroorzaakt; 't welk de
+inwoonders noodzaakte met hun huisgezin naar het noordergedeelte van
+de stad, daar zy niet komen konden, te vertrekken.
+
+Rabenhaupt schikte zyn mortieren zodanig op de wallen, dat hy op 't
+laatste van de maand de wyken van den Bisschop, en van de Keurvorst
+zeer begon te beschadigen. Hy liet verscheide uitvallen doen, waar
+door de belegeraars genootzaakt wierden met verlies te wyken, en
+nieuwe werken te beginnen. De burgers, die de beveelen des Gouverneurs
+gehoorzaamden, droegen zich zo manhaftig, als de beste in den oorlog
+geoeffende en geschikste krygsbenden. De Studenten queeten zich op
+zo een verwonderenswaardige manier, dat de Staaten der Provintie
+Gedenkpenningen tot hunner eer lieten slaan, om deszelfs geheugenis
+voor de nakomelingen over te laaten. Inmiddels zagen de belegeraars
+het getal hunner bomben verminderen, zonder veel uit te werken; en
+daarom begonnenze in de maand Augusty met gloeiende kogels te schieten:
+daar waren 'er geen dan de eerste die schade bybragten, want door den
+grooten yver der Mennoniten wierden 'er veelen uitgedooft. Daar na
+zond de Bisschop een trompetter en een tamboer aan den Magistraat,
+om eerlyke aanbiedingen voor te stellen, indien zy de stad wilden
+overgeeven. Doch hem wierd te kennen gegeven: dat in 't algemeen
+beslooten was, het uitterste af te wagten, en de stad, die een nieuwe
+versterkinge van soldaaten, kruid en geld bekomen had, van volk en
+allerlei behoeften voor veele maanden was voorzien, te verdedigen.
+
+Het vuur van 't geschut en de bomben ging echter met dezelve hevigheid
+voort, tot dat het den 25ste van Augusty op de middag begon te
+verslappen, en de Bisschop de geheele hoop verloor van een generaale
+storm te waagen. Na dien tyd hoorde men in zyn leger niet meer als met
+musquetten schieten; 't welk de belegerden deed denken, dat zyn geschut
+onbruikbaar was, en vreesden derhalven voor een krygslist: doch 300
+van de ongeduldigste mannen deeden een uitval op de loopgraven van den
+Keurvorst van Keulen, daar zy een groot bloedbad maakten, en eenige
+gevangenen mede in de stad bragten. De volgende nacht liet de vyand
+het gros des legers opbreeken, laatende de mynen, die zy vervaardigt
+hadden, springen, en verlieten alle hunne werken. Rabenhaupt kreeg
+hier kondschap van, deed daar op den 27ste dito de batteryen in brand
+steeken, de gragten vullen, en de wapenen, krygsbehoeftens en tuig,
+dat de vyanden achtergelaaten hadden, daar uit halen. De stad wierd
+den laatsten dag geheel verlaaten; welke dag door vasten en bidden
+gevierd wierd, om God over deze gelukkige verlossinge te danken.
+
+Het verlies der belegerden was zeer gering, na de groote meenigte
+kogels, bomben, en granaaten, die op hen geschooten en geworpen waren;
+en daar wierden geen 100 menschen verloren. Maar dat der vyanden was
+zeer groot: van 22000 mannen, die zy in 't begin des belegs sterk
+waren geweest, gingen 'er maar 12000 te rug; waar onder men 1400
+zieken rekende: 600 quamen 'er in de stad overloopen, en 5000 begaven
+zich naar andere plaatzen, zo dat 'er omtrent 4500 dooden waren,
+waar onder de 3 Kolonellen, 2 Luitenant-Kolonels en 63 Kapiteinen
+wierden gevonden.
+
+Den 13de van Augusty heeft de Heer Dirk Baard en Kapitein Hania,
+geleidende 450 mannen van de Friesche burgery, en met verscheidene
+vaartuigen omtrent Blanckenham landende, Blokzyl vermeestert: de
+burgery van binnen had een goed gesprek met dezelve, en opende de
+poorten, ter beschaaminge van geheel Overyssel. Aanmerkelyk was 't,
+dat, terwyl de vyanden de zuiderpoort uitvluchten, zekere Mennoniet
+veelen van dezelve in zyn huis riep, zeggende, dat zy zich alle aldaar
+voor de eerste oploopentheid der Friesen konden verbergen, en leverde
+alzo by de 70 Bisschopsche soldaaten in handen van de onzen gevangen.
+
+Den 2den van September, als de Kuinder, door het overgaan van Blokzyl,
+nu van toevoer afgesneden was, heeft Kapitein Holbarent, met 240
+mannen, een aanval op dezelve gemaakt, met gering verlies van volk,
+alzo de Bisschopschen, schoon 250 mannen sterk, na eenige weinige
+tegenstand, de vlucht namen; achterlaatende eenigen buit, een karos
+en gespan van 6 paarden, en 28 gevangenen: zynde hunne voornaamste
+roof al te vooren weggepakt.
+
+Van den eersten September af begonnen de Groningers ook hunne handen
+ruim te krygen. En alles van binnen wel bestelt hebbende, heeft de
+Overste Jorman, met 2000 mannen, zo voetvolk als ruitery, Winschooten
+vermeestert. Waar op de vyand, door vreeze, de Winschooterschans, Zyl,
+'t Huis te Wedde, en Brugschans aanstonds heeft verlaaten.
+
+Tusschen den 8 en 9de van September, zyn de Bisschopschen, met een
+groote furie, tot driemaalen in die zelve nacht, op de Schans van 't
+Heerenveen aangevallen; doch telkens manmoedig afgeslagen, alhoewel
+daar eene kleene bezetting in lag: hebbende de onzen voorheen een
+Ritmeester, een Luitenant, een Cornet, en 4 ruiters gevangen bekomen.
+
+Den 17de van October is de Oude Schans door de Groningers, onder
+het commando van den Oversten Eybergen, wederom belegert, en met
+grof geschut beschooten. De belegeraars maakten zeer kort zo een
+benaauwtheid, door hun sterk schieten, in deze schans, dat die van de
+Nieuwe Schans, versterkt zynde met veel volk uit Munsterland, afquamen
+om de belegerden te ontzetten. Doch Eybergen wierd zulks tydig gewaar,
+zendende derhalven 250 mannen, onder het commando van den Oversten
+Wachtmeester Wyllers, met twee stukken kanon vooraan, hun tegen,
+stellende hen by Stoksterhorn in slagordre. Hier op quamen de vyanden,
+omtrent 1500 mannen sterk zynde, den 25ste van October op hen los:
+maar Wyllers hen zeer na onder het geschut laatende komen, deed hy tot
+twee keeren een generaale losbrandinge onder de vyanden; waar door zy
+ten eenemaal in confusie de vlugt namen, wordende veele Bevelhebbers
+en soldaaten doodgeslagen en eenige gevangenen mede gevoert.
+
+Daar na verzogten die van de Oude Schans op den 27ste dezes te
+capituleren: 't welk den zelven avond noch wierd geslooten; wordende de
+plaats voort des anderendaags met 7 vendelen Staatsche troupen bezet.
+
+Den 26ste van December heeft de Gouverneur Rabenhaupt, na dat hy alles,
+wat tot den aanslag op Koeverden noodig was, had laten vervaardigen, en
+waar toe een harde vorst, daar op een haastigen dooy en zwaare nevel,
+hem grootelyks bevoordeelde, deed hy het ys in de gragten om Groningen
+opbreeken. Hy gaf het opperbevel aan den Kolonel Eybergen; dat van het
+voetvolk aan den Oversten Wachtmeester Wyllers; en dat van de ruiterye
+aan den Majoor Jan Hendrik Sikkinge. Voorts liet hy de konstapels
+en grenadiers aannaderen, en het overige van het kleine leger, dat
+niet boven de 400 paarden en 1000 voetknegten sterk was, begaf zich
+in aantocht op den 27ste der maand. Den 30ste dezes, des morgens ten 3
+uuren, quamen zy voor Koeverden, en verdeelden zich in drie ligchaamen,
+ieder op zyn bestemde post. God gaf, om den aanslag te begunstigen,
+met het aanbreken van den dag zo een zwaare mist, dat de geene, die
+malkanderen aanraakten, zich niet konden onderscheiden. Zy naderden
+daar op tot aan de conterscharp, zonder ontdekt te worden; maar door
+de biesbruggen over de gragt te leggen, wierdenze van de schildwacht
+ontdekt; die daar op alarm maakte. Voorts quam de bezettinge in de
+wapenen, en gaven dapper vuur van de wallen. Doch dit weerhield de
+bespringers niet, van tot aan de afschutzels en stormpaalen van de
+conterscharp te geraaken, die zy met bylen omverre hakten.
+
+Hier op wierden de wallen, doch met groote moeite en verlies van
+hun volk, beklommen; zy geraakten 'er op, en overweldigde den vyand
+met het rapier in de vuist, en wierden meester van de poorten des
+kasteels. Hier op overstelpte de vreugde de overwinnaars zodanig,
+dat de Bevelhebbers, in hunne eerste ontmoetinge op 't kasteel,
+geheel als verstomd waren: tot dat eene, als uit verrukkinge van
+zinnen opryzende, zeide: Wel hoe is het mogelyk! Waar op dezelve zeer
+wel voegende ten antwoord kreeg: Dit is niet anders als Gods hand.
+
+De Gouverneur Jan de Mooy wierd 'er gedood, na dat hy zyn plicht
+als Commandant zeer wel had waargenomen. Maar door zyn verlies liet
+de bezettinge de moed zakken, waar van 'er 700 weerbaare mannen in
+gevonden wierden; die daar na zagen, datze door de groote meenigte
+hunner vyanden overmand waren, liepen 'er 200 de poort uit; omtrent
+150 zyn 'er gesneuvelt, en de rest lieten het geweer vallen, en
+wierden ten getalle van 400 tot krygsgevangenen gemaakt, en in de
+kerk geslooten: ondertusschen stonden de overwinnaars de soldaaten
+toe de plaats te plunderen; alwaar zo wel de soldaaten als Officieren
+grooten buit bequamen; hebbende van hun kant in 't bespringen omtrent
+60 mannen verlooren.
+
+Deze buitengewoone daad trok de Hollanders, die onder het gebied
+der Staaten, in een tyd dat Neêrland overweldigt scheen te worden,
+uit hunne algemeene verslagentheid.
+
+En veele zullen 't noch indachtig zyn, hoedanig die overwinning de
+gemoederen in Friesland en Groningen ontroerde, en van vreugde veelen
+de traanen uit de oogen deeden barsten.
+
+De Gouverneur Rabenhaupt wierd daar op van de Staaten, behalven
+Luitenant-Generaal dezer Provintie van Groningen en Ommelanden, en
+van Gouverneur der stad Groningen, met het Drossaartschap van het
+Landschap Drenth en Gouverneur van Koeverden begiftigt. De Kolonel
+Eybergen wierd Commandant binnen Koeverden, en Meester Meyndert van
+Thynen, die als voornaamste wegwyzer der bespringers had gediend,
+wierd aldaar tot Generaal-Commies gemaakt.
+
+Van dien tyd af hebben de Groningers in 't Graafschap Benthem, Twenth,
+en tot onder Zwol en Deventer gestroopt; haalende van daar gestadig
+veel roof, en met veele gelukkige schermutselingen op de Bisschopschen.
+
+In den jaare 1673 is 'er een vuur van oneenigheid opgeborsten uit
+de gemeene beroeringen des volks tusschen de Heeren der Regeeringe,
+die van de Gemeente zeer mistrouwd wierden, en dat al in 't einde
+van 't verloopene jaar had beginnen te smeulen. De oude en nieuwe
+Regeeringe wierd elk byzonder gehandhaafd, beide de Souverainiteit
+en Oppergezag der Provintie vertoonende, de eene te Leeuwarden en
+de andere te Sneek vergaderende, en neemende strydige besluiten
+tegen malkanderen, zonder malkanderen te kunnen verstaan; dat zeer
+schadelyk voor de Provintie was. Doch wierd gemeld verschil eindelyk
+weder door Gelastigden van hunne Hoog Mogenden en den Heer Stadhouder,
+als bemiddelaars, bemiddelt.
+
+In 't begin van 't jaar, in January, bequam de Overste Ailua, in een
+hevige schermutzeling tegen den Graave van der Lip, twee trompetten
+en een vendel, die hy den Prins van Oranje vereerde.
+
+In February quam 'er een gerucht, als of de Munsterschen een inval
+op Friesland voorgenomen hadden: waar op een goed getal krygsvolk
+uit Holland wierd overgescheept.
+
+In April hebben de Heeren Staaten, ten Landsdage vergadert zynde,
+beslooten, hoedaniger wyze men het Land zoude onder water zetten,
+indien een hoogdringende nood zulks vereischte: als mede om aan
+'t Heerenveen een schans te doen opwerpen, tot verzekeringe van
+'t Land. Voorts wierden de overige posten wel verzekert, hebbende
+Prins Johan Maurits het Oppergezach over de Hollandsche krygslieden,
+Ailua over de Friesche, en Rabenhaupt over de Groningers.
+
+Den 29ste van April wierd een algemeen, opontbod der landzaaten en
+burgery gedaan; wordende ieder huisgezin belast, een weerbaar man,
+tusschen de 18 en 60 jaaren oud zynde, uit te leveren, en moetende
+binnen 14 dagen met snaphaanen en pieken gereed zyn; zullende ieder
+burger ter week 3 guldens soldy genieten.
+
+Omtrent dezen tyd maakten de Friesche stroopers, uit het leger van
+den Oversten Ailua, dagelyks een goeden buit.
+
+Den 6de van Juny vertoonde zich Houttuin met 18 standaarden ruiters,
+en 1500 voetknegten, aan de post te Sonnega, welke hy opeischte: andere
+2000 ruiters, met eenige honderden voetvolk verzelt, wierden tusschen
+Steenwyk en Blesse ontdekt, waar van een groot gedeelte te paard,
+elk met een musquettier achter op, tot aan de Blesbrugge naderde:
+maar wierd, door de hulp van de ruitery van Wolvega en Oudeberkoop,
+rustig afgekeert. Waar op Prins Maurits met het gros van 't leger, in
+meeninge hem op den weg naar Steenwyk te onderscheppen, is afgekomen:
+doch zy reeds te verre afgeweken zynde, zo zond hy eenig volk hen
+achter na; waar uit zy verstonden, dat het gemelde voetvolk, behalven
+de 2000 ruiters, noch 1000 mannen sterk was. Van den vyand zyn twee
+Kapiteinen gedood, en 70 gequetsten wierden binnen Deventer gebragt. Na
+dit voorval deed Prins Maurits een ongemeenen iever, om het water in
+het land te doen loopen, dat door een sterken wind ook zeer schielyk
+voortging; en om het ingelaatene te bewaaren, liet hy een dyk in de
+Tjonger leggen: waar door het den vyand ondoenlyk wierd om ergens
+te kunnen doorbreeken. Ondertusschen quamen 3 geheele compagnien
+Munsterschen, met hunne Bevelhebbers, tot de onzen overloopen.
+
+Den 10de van Juny heeft Rabenhaupt de Nieuwe Schans, na dat hy dezelve
+den geheelen winter door geblokkeert had gehad, met geweld van wapenen
+aangetast. Hy trok te water met veel volk, geschut en voorraad,
+aan geene zyde, en posteerde zich op de Bonder dyk, en daar omtrent,
+om de schans van drie zyden aan te doen.
+
+De Bisschop van Munster deed aanstonds zyn uiterste best in 't werk
+stellen, om de belegerden te ontzetten; zendende derhalven een Overste
+met 600 dragonders en 400 fantaisyns [102], om het beleg door te
+breeken; doch wierden met groot verlies te rug gedreven. Overzulks
+wierd de belegeringe sterker voortgezet: zo dat de Bisschop voornam,
+tusschen den 29ste en 30ste van deze maand noch eene proef tot ontzet
+van deze plaats te neemen, en met een macht van 3500 mannen de post
+by Bonda te overvallen; meenende langs een nieuwe passagie door 't
+moeras heen eenige vyandlyke troupen af te snyden: doch Rabenhaupt
+zulks tydig gewaar wordende, zond aanstonds 9 vendelen, onder het
+commando van een Majoor, derwaards; die te zamen den vyand niet
+alleen afgekeert, maar hun zelfs met een groote furie hebben op de
+vlugt gedreven, laatende wel 300 zo dooden als gequetsten achter.
+
+Daar na, op den 18de dito, eischte Rabenhaupt de schans op: doch
+kreeg tot antwoord: Dat de Ravens dien Winter daar niet nestelen
+zouden. Hier op deed zyn Excellentie den Luitenant-Kolonel Tamminga met
+zyn krygsbenden aannaderen, en tusschen den 21ste en 22ste de aldaar
+leggende redoute aantasten. Des nachts ten een uur ging de attaque aan,
+die zo sterk wierd voortgezet, datze, na eenigen tegenstand, dezelve
+veroverden; vlugtende de Munsterschen met de uiterste verbaastheid
+langs de conterscharp naar de schans: maar de Staatschen volgden hen
+op de hielen, datze met hen in de poort, en vervolgens in de schans
+geraakten; hoewel zeer weinigen in 't getal, dewyl zy door de engte
+van de passagie, maar eene t'effens konden voortgaan: doch de vyand
+door deze onverhoedsche overval nochtans verbaast zynde, denkende dat
+de geheele macht van de Staatschen binnen quam, wierpen de wapenen
+neêr en riepen om quartier, terwyl Rabenhaupt, niet weetende van dit
+vervolg, noch dapper op de schans schoot, daar ze al gewonnen was. Dat
+het meest te verwonderen is, is dat niet meer als twee mannen van de
+Staatschen in dit stormen zyn gebleven.
+
+Den eersten van July quam Johan Maurits, vergezelt met de Heer
+Scheltinga, Gedeputeerde, en den Oversten Ailua, geleidende een
+hoop volk van 3000 ruiters, en 600 voetknegten, by zich hebbende 4
+veldstukken, van 't Heerenveen, door Dieveren, om de Munsterschen,
+leggende tusschen de Wyk en Staphorst, achter een borstweering en
+schansje, doch zonder geschut, te vernestelen: als de dragonders den
+aanval deeden, zo wierd des vyands Overste Post gewond en gevangen,
+en op zyn woord van eer naar Hasselt gelaaten, neemende de overigen
+de vlucht: die door de achterlaage gekeert zouden zyn geweest, by
+aldien de bestelde 800 mannen uit Blokzyl, ter bestemder tyd op weg
+zynde, die van Hasselt naar 't Rooveen legt, had kunnen tegenwoordig
+zyn. Van den vyand wierden 'er 20 by de onzen gevangen genomen,
+waar onder 10 Bevelhebbers, en 17 of 18 gedood. De onzen hebben 2
+dragonders by misverstand geschooten.
+
+Den 3de van Augusty hebben eenige dragonders de brandwacht der
+Bisschopschen, bestaande in 18 ruiters, van tot onder Steenwyk
+weggehaalt, en in het leger op 't Heerenveen gebragt.
+
+Den 5de van Augusty zyn 7 vyandlyke ruiters, met hunne volle
+wapenrustinge, mede ingehaalt.
+
+Den 25ste van Augusty zyn over de 8000 vyandlyke voetknegten, en
+100 cornetten of standaarden ruitery, van Steenwyk uittrekkende,
+op Friesland aangekomen, die zich in zo veele benden afdeelden,
+dat zy de schansjes by Meldam, als Blesbrug, Bekaf, Donkerbroek,
+Makkinga en Wolvega, die maar bequaam waren om de huislieden voor
+strooperyen te beschermen, te gelyk konden bespringen: omtrent
+1000 paarden en een regiment dragonders, quamen, onder 't beleid
+van Houttuin op Blesbrugge aanzetten, en anderen op Bekaf; 't was
+een Mornas, die de zynen door Makkinga, Donkerbroek en Nyjeberkoop,
+op Wolvega aanvoerde, alwaar de Overste Ailua het gezach voerde over
+6 regimenten, als 3 te paard, 2 te voet en een dragonders.
+
+Als Prins Maurits bemerkte, dat 's vyands voornemen was, om alle
+het bovengemelde van 't Heerenveen af te snyden, zo verwittigde
+hy den Overste Ailua en anderen, om gelykelyk naar 't Veen af
+te deinsen. Middelerwyl ontmoete de Graave van Dona met zyn 200
+soldaaten, op de heide van Meldam 150 vyandelyke ruiters, waar mede hy
+een schermutseling hield, en schooten 26 Bisschopschen onder de voet,
+benevens 2 Bevelhebbers, waar van hy de eene, een Ritmeester zynde, met
+eigener piek doode. De onzen dus naar 't Veen de wyk genomen hebbende,
+zo wierden aanstonds eenigen naar de Jouwer, en anderen naar Gordyk
+gezonden. Van waar 60 mannen, den vyand, die over de Veenen meenden
+te komen, wierden tegengestelt; en met dezelve in schermutseling
+geraakende, liet de vyand 14 dooden, 25 gemeenen en 4 Bevelhebbers,
+als gevangenen na. Een andere party van 30 mannen, vervielen in handen
+van den vyand: als ook een brandwacht van 15 dragonders achter Bekaf.
+
+De Bisschopschen dus nu de voet al te Schoot hebbende, konden wel ligt
+het Heerenveen trachten te overweldigen, om zo voort Friesland in te
+trekken, alzo zy wagens mei stroowerk mede voerden, om de gragten te
+kunnen vullen: waarom de Staaten van Friesland alomme de uitgeloote
+manschap, ten spoedigste, zo by nacht als dag, derwaards deed pressen.
+
+Ondertusschen zo stelden zich de Bisschopschen als roofzieke wolven
+aan, in 't uitplonderen der onweerbare landzaaten: dat in die gewesten
+weder een groot vluchten veroorzaakten.
+
+Den eersten September vertrokken zy, hebbende wel 600 mannen laaten
+zitten, zonder iets merkwaardigs uitgevoert te hebben; als dat zy
+het bederf van die boeren wat verhaastenden.
+
+Den eersten October is de dyk, die de Bisschop van Munster met
+veele kosten over de Vecht gemaakt had, en meer als derdehalf uur
+gaans lang was, alleen om Koeverden door water te benaauwen, door een
+stormwind weggespoelt: waar door omtrent 1400 menschen verdronken. 't
+Is aanmerkelyk, dat dit geschiede juist op dien tyd, als men op 't
+Heerenveen raadpleegde, om die te overweldigen, en reeds daar toe al
+3000 Friesche burgers om de grenzen, als 't Veen en andere te bezetten,
+waren uitgezonden.
+
+Als de Prins, met de Keizersche en Spaansche Bondgenooten den vyand
+buiten 't Land lokte, om van krygsbodem te veranderen, in 't Sticht
+Keulen en elders waren ingevallen; zo wierden de Franschen daar door
+genoodzaakt, hunne veroverde plaatzen weder te verlaaten, gelyk zy
+dit jaar alles verlieten, behalven de Graaf.
+
+In den jaare 1674, den 10de van February, is er vrede gemaakt tusschen
+den Koning van Engeland, en de Staaten Generaal, welke den 9de van
+February, oude styl, te Londen van gemelden Koning wierd geteekent.
+
+Den 12de Maart zijn de Bisschopschen, omtrent 1000 mannen sterk,
+over de hartgevroorene moerassen, by 't klooster ter Appel,
+in Groningerland gevallen, plonderende te Winschooten en daar
+omtrent. Waar op Rabenhaupt Nyjenhuys met stormen, en andere steden
+met bezettinge innam, en maakte Twenthe geheel zuiver en vry.
+
+De Bisschop sloot ondertusschen den vrede met den Keizer, die te
+Keulen den 11de van April wierd geteekent: als mede daags daar aan
+met de Heeren Staaten Generaal. In de Meymaand volgde de Bisschop van
+Keulen mede. Waar op zy de overheerde plaatzen, die ze zoo schielyk
+hadden overrompelt, noch haastiger weder moesten ontleedigen: en 't
+geen zy zo greetig hadden ingeslokt, in weedom van hunne harten, weder
+uitbraaken. En alzo zijn de drie verloorene Provintien wederom aan
+de andere gehegt, en de bundel der Zeven Pylen weder te zamen gebonden.
+
+In den jaare 1675 was 't een felle en lange winter; zo dat laat in
+'t voorjaar, van Harlingen naar Enkhuizen, over de Zuider-Zee, veele
+menschen met geheele gezelschappen, en beesten op 't ys overtrokken:
+ja eenigen hadden in 't laatst van April noch op 't ys gestaan.
+
+In Maart, hebben de Friesen, overwegende beide de loffelyke daaden
+en voorzorge van 't Huis van Nassau, en in 't byzonder de groote
+gevaaren, die zyn Vorstelyke Doorluchtigheid, onze Heer Stadhouder,
+in groote manhaftigheid, had ten dienste van 't gemeen uitgestaan
+in de laatst voorigen slag in Henegouwen tegen de Franschen, het
+Stadhouderschap hem erflyk opgedraagen: alle de Heeren, zo van 't
+Land als Steden, leverden daar toe om de eerste te zijn, te meer,
+alzo de Hollanders den Prins van Oranje mede tot Erfstadhouder van
+hunne Provintie hadden aangenomen.
+
+In het zelve jaar, den 12de van Augustij, is te Koeverden overleden
+Karel Rabenhaupt, Baron van Zucha en Crombach, Luitenant-Generaal
+der Vereenigde Nederlanden, wegens de Provintie van Stad en Lande,
+Gouverneur van Groningen, mitsgaders Drossaart van 't Landschap Drenth,
+en Gouverneur der fortresse Koeverden: zijnde een krijgsman geweest van
+een zonderling beleid en dapperheid. Tot 's mans lof heeft G. Bidloo,
+dit volgende bij zijne afbeeldinge gestelt:
+
+
+ Dit 's Rabenhaupt, die Dorsten won,
+ Die Nuis en Lingen temmen kon;
+ Die Karel, die Lamboy versloeg,
+ Van Groeningen den Bisschop joeg;
+ En knoopte aan zyn legerkrans
+ Van Koeverden, de Nieuwe Schans.
+ Zo waakt zyn' staatzorg, deugd en hand
+ Ten dienst van 't Volk, en Kerk en Land.
+ Zyn' dapperheid is uit zyn weezen
+ Zo wel, als uit zyn' kling te leezen [103].
+
+
+Als 'er tusschen den 26ste en 27ste van October, met een noordweste
+wind, veele dyken, door de felle aanpersing van 't water, waren
+doorgebrooken, leeden die van Friesland mede geen kleene last: want
+een gat van 30 roeden brak by Staveren, en omtrent by Molkwerren was
+het niet veel kleender, zo dat die geheele landstreek blank van 't
+zeewater stond: ook was 'er een gat van 30 roeden breed en zeer diep,
+by Zwartsluis.
+
+In het jaar 1676 was men bezig om op de vredehandeling der Europische
+Prinsen, die in 't voorgaande jaar te Nieumegen was begonnen, alle
+geschillen, door welke Europa in de grootste verwerringe gebragt was,
+te beslechten; terwyl de geweldige oorlogstrompetten noch al geen
+minder krygstoerusting verkondigden, als voorheenen. Doch de sterke
+rustgeevende Vredevorst gaf hier toe, dat uit het blaakend oorlogsvuur
+schielyk ontsproot de heilzaame en zegenryke hoorn des vredes: en
+dus wierd de roemruchtigste Vryheid der Friesen weder als herbooren,
+en zy eindelyk verlost van de slaavernye des duivels [104].
+
+
+
+In den jaare 1677 zyn de opgerezene staatsgeschillen tusschen
+Groningen en de Ommelanden, door de Heeren Staaten Generaal weder
+beslegt geworden; gelyk mede te Deventer.
+
+In den jaare 1678, den 15de van February, is te Groningen de Landsdag
+weder aangevangen, na dat de Heere Osebrand Rengers van zyn zesjaarige
+gevangenis was ontslagen en herstelt.
+
+In dit zelve jaar, den 10de van Augusty, is te Nieumegen, de vrede
+tusschen den Koning van Vrankryk en de Staaten Generaal geslooten.
+
+In den jaare 1679, den 10de van April, stond Albertina Agnes, moeder
+van den Stadhouder Hendrik Kasimier, nu 20 jaaren oud zynde, haare
+Voogdye af, en vertrok naar haare landgoederen in Duitschland.
+
+In den jaare 1681, den 2de van Augusty, zyn te Groningen vier ringen
+aan alle kanten van de zon gezien, en eenigen verhaalen, dat diergelyke
+zich mede te Rome en Tubingen hebben vertoont.
+
+In den jaare 1682, in May, is in Groningerland en Oostfriesland een
+zeer hevige veeziekte geweest, waar door veel rundvee is gestorven:
+doch op 't uitgaan van het jaar is de sterfte weder opgehouden.
+
+Den 4de van November is Grietzyl, in Oostfriesland, door de
+Baandenburgsche soldaaten overrompelt, die zich naderhand aldaar ook
+hebben neêrgelegt, als ook te Norden en Embden.
+
+In den jaare 1683, in November, is de Erfstadhouder van Friesland,
+Hendrik Kasimier, en zyne Gemaalinne Amelia, te Leeuwarden, met
+staatsiewagens en vertooningen, nevens een groot en prachtig vuurwerk,
+ingehaald: doende, eenige dagen daar na, zynde den 17de van September,
+ook zyne intrede binnen Groningen.
+
+In den jaare 1686, in July, overleed de jonge Prins van Nassau, zoon
+van den Erfstadhouder van Friesland, enz.; en omtrent een maand daar
+na beviel de Vorstinne weder van een jongen Prins.
+
+In dit zelve jaar, den 22ste van November, wierd Groningerland,
+door een afgrysselyke watervloed aangetast, al het omleggende
+land overdekkende; waar door veele menschen en beesten het leeven
+verlooren. Het getal der verdronkene menschen beliep 1558, geheel
+weggespoelde huizen 631, en de zeer beschadigden 616, de verdronkene
+paarden 1387 en de koeyen 7861.
+
+In den jaare 1687, den 2de van May, overquam Groningen een tweede ramp,
+door een schrikkelyke brand in de Veenen van Sapmeer, Wildervank en
+Pekel A, waar door alle de gegravene turf tot duizende van vuuren,
+eenige huizen en schepen verbranden, en de schade op eenige tonnen
+gouds wierd geschat.
+
+In dit zelve jaar, den 14de van Augusty, is de Prins Jan Willem Friso,
+te Dessau gebooren.
+
+In den jaare 1688, den 11de van November, deed Prins Willem van Oranje
+die vermaarde overtocht naar Engeland; landende met zyn byhebbende
+krygsbenden den 15de dezer in de haven van Torbay.
+
+In den jaare 1689, den 11de van April, is de Prins van Oranje, Willem,
+nevens Maria, zyn Gemalinne, te Londen met de gewoonlyke plechtigheden
+gekroont als Koning en Koninginne van Engeland.
+
+In den jaare 1690, den eersten van July, geschiede het bloedige
+gevegt in de vlakte van Fleury, door de Franschen onder Luxenburg,
+en de Geallieerden onder Waldek; waar van 't weêrzyds verlies op
+16000 mannen wierd begroot.
+
+In den jaare 1691, den 5de van February, is Koning Willem in 's
+Gravenhaage met zeer groote vreugde en eerteekenen, door praalpoorten,
+vol geschilderde zinnebeelden, opgehaalt en naar het Hof gevoert.
+
+In den jaare 1692, den 3de van Augusty, sloeg het voetvolk der
+Geallieerden, onder den Hertog van Wirtenberg, tegens de Franschen
+onder Luxenburg, by Steenkerken, doch met weinig voordeel.
+
+In den jaare 1693, den 29ste van July, geschiede het gevegt by het dorp
+Landen, tusschen de Geallieerden, onder Koning William en Keur-Beyeren,
+en de Franschen onder Luxenburg, 80000 tegens 40000 mannen: dus schade
+aan weêrszyden.
+
+In den jaare 1694, den 15de van Augusty, wierd te Groningen gejubileert
+van des stads overgang voor 100 jaaren aan der Staaten zyde, door
+het beleid van Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau; ook datze
+de Gereformeerde Religie aannam; by welke gelegentheid ook medaillien
+geslagen wierden; waar op staat:
+
+
+ Des Prinsen zwaard, met Godes arm,
+ Bragt Paap en Spanjaard in alarm,
+ Als leugen voor het licht verdween,
+ Wier zuivre glans in templen scheen.
+ Een regte vreugd voor klein en groot,
+ Die Groningen sluit in haar schoot.
+ Dit heeft des Heeren hand gedaan,
+ En deze Penningen doen slaan.
+
+
+In den jaare 1695, den 7de van January, is de Koninginne van Engeland,
+Maria Stuart, eene zeer deugdzaame Prinsesse, te Londen overleden.
+
+In den jaare 1696, den 25ste van Maart, overleed te Leeuwarden
+Hendrik Kasimier, Stadhouder van Friesland, enz., aan een borstquaal;
+nalaatende een zoon en eenige dochters. Tot wiens lof L. Smids zegt:
+
+
+ 't Was Frieslands Stedevoogd, Vorst Willems Bloedverwant,
+ Zoon, Neef en Naneef van drie nooit volpreezen Helden,
+ Gedrochtetemmers in 't ontroerde Nederland,
+ Die, zich, gelyk een wal, voor haat en outer stelden:
+ Doch dit Geboorterecht nam Hendrik geenzins aan,
+ Maar stond na heldenroem, door eigene oorlogsdaên.
+
+
+In dit zelve jaar, den 24ste van May, is op Oranjewoud, in Friesland,
+overleden Albertina Agnes, moeder van den overledenen Stadhouder, en
+dochter van Frederik Hendrik, Prins van Oranje, in den ouderdom van
+62 jaaren. En in de maand van Augusty, is Amelia, weduwe van Hendrik
+Kasimier, Erfstadhouder van Friesland, enz., te Leeuwarden van eene
+Prinsesse bevallen.
+
+In den jaare 1697, den 20ste van September, is de algemeene vrede
+op het huis Nieuburg, te Ryswyk, by 's Gravenhaage, geslooten,
+tusschen Engeland, Vrankryk, Spanje, het Duitsche Ryk en de Vereenigde
+Nederlanden; zynde hier over den 6de van November alomme vreugdevuuren
+aangestoken.
+
+In den jaare 1698 zyn de sterke fortificatiewerken, aan de zuidkant
+buiten Groningen, door den Generaal Koehoorn begonnen; en na eenige
+jaaren met zeer vaste muuren opgemetzelt, en de halvemaanen of bastions
+met bruggen en poorten voorzien.
+
+In den jaare 1699, den 15de van November, is in Oostfriesland een
+hooge watervloed ontstaan, waar door groote schade geschiede: want de
+nieuwshermaakte dyk, om 't dorp Gerdsweer, wierd byna geheel vernielt;
+zes huizen spoelden geheel weg, eenigen wierden beschadigt, en veele
+beesten zyn verdronken.
+
+In den jaare 1700, den 27ste van November, heeft de Koning van Sweden,
+Karel de XIIde, met 12000 mannen geoeffende troupen, 80000 Moskovieters
+verslagen, op de vlugt gedreven, en aldus de stad Nerva geweldiger
+hand ontzet.
+
+In den jaare 1701, in het begin, namen de Franschen alle de steden
+van de Spaansche Nederlanden in bezettinge; waar op de toebereidzels
+ten oorlog door den Keizer wierden gemaakt.
+
+Den 28ste van May trokken de Keizerschen, met groote moeite en zwaaren
+arbeid, over het Alpische gebergte, in Tirol, maakende vervolgens in
+Italien een doortogt met de degen in de vuist.
+
+In den jaare 1702, den 19de van Maart, is Willem de derde, Koning
+van Engeland, te Kensington overleden; zynde op de jagt met zyn
+paard gestruikelt, waar door hy het sleutelbeen brak; wordende op
+den 23ste van April daar aan volgende, in de Kapel van Westmunster,
+zonder uiterlyke pracht, begraven. Hy wierd in de regeeringe opgevolgt
+door Prinsesse Anna, Gemaalinne van Prins Georg van Denemarken.
+
+Den 15de van May wierd byna overal de oorlog tegens den Koning van
+Vrankryk gepubliceert.
+
+Den 11 de van Juny, hebben die van Nieumegen, met een groote
+dapperheid, der Franschen hevige aanval, onder den Maarschalk de
+Bouflers, van hunne vestingen afgekeert en te rug gedreven.
+
+Den 16de dito is Keizerszwaard van de Geallieerden belegert en
+ingenomen.
+
+Den 15de van Augusty heeft Prins Eugenius de Franschen met groot
+voordeel by Luzzara geslagen.
+
+Den 8ste van September won Keur-Beyeren Ulm, in Swabenland.
+
+Den 10de dito is Landau de Franschen ontweldigt; als ook den 23ste
+dito Venlo, en den 2de van October Stevenswaart.
+
+Den 7de van October wierd Roermond met geweld door de Geallieerden
+tot overgaaf gedwongen, en den 13de dito is Luyk door de burgers aan
+de Geallieerden overgegeven.
+
+Den 22, 23 en 24ste dito, wierd de Fransche Zilvervloot, by Vigos,
+door de Engelschen en Hollanders bemachtigt, geplondert, verbrand
+en geruïneert.
+
+In den jaare 1703, den 15de van February, is Rhynberg door de wapenen
+des Konings van Pruyssen bemachtigt; en omtrent dezen tyd Traarbach
+door Hessen-Kassel.
+
+Den 8ste van April won de Beyervorst Regensburg.
+
+Den eersten van May wierden de Polen door de Zweden, by Pultouw,
+geslagen: den 10de dito wonnen de Franschen Tongeren, en den 15de
+dito is Bon door de Geallieerden herwonnen.
+
+Den eersten van July geschiede het bloedig gevegt by Eekeren en
+Wilmerdonk, waar in de Hollandsche dapperheid in 't byzonder heeft
+uitgeblonken; onaangezien de Generaal Obdam genoodzaakt geweest is
+naar Breda te vlugten.
+
+Den 25ste dito is de stad Hoey den Franschen ontnomen.
+
+Den 4de van September is Trente door de Franschen gebombardeert,
+en Brizak door hun gewonnen; als mede den 27ste dito Limburg door
+Marlboroug bemachtigt.
+
+Den 14de van October wonnen de Zweden de stad Thoorn.
+
+Den 8ste van December trof een ysselyke zuidweste stormwind, zo
+te water als te lande, Engeland, Vlaanderen, Holland, Friesland,
+en meer aangrenzende gewesten, waar door veele ongelukken gebeurden.
+
+Den 16de dito is de stad Gelder door den Koning van Pruyssen verovert.
+
+In den jaare 1704, in February, wierd Prins Friso in Friesland
+geavanceert; verwekkende dit eenig misnoegen by zommige andere
+Provintien.
+
+In dit zelve jaar, den 27ste van Maart, overleed Menno Koehoorn,
+in 's Gravenhage; zynde lang ziekelyk geweest, en over de 70 jaaren
+oud. J. de Recht heeft op zyn afbeeldzel dit eervaars toegepast:
+
+
+ Ziet hier een Held, beproefd in oorlogsblixem vlammen;
+ Die voor 's Landt Vryheid spreekt uit monden van metaal;
+ Die 't opgezwolle nat door dyken jaagd en dammen,
+ En 's vyands krachten breekt door water, vuur en staal,
+ Den Vriessen Jupiter, die, met zyn donderslaagen,
+ Den Franssen Faëton bonst uit zyn Zonnewagen.
+
+
+Den 2de van July sloeg Marlboroug en Baden, in Beyeren, de Fransche
+en Beyersche krygsmacht, by den Schellenberg; en op den zelven dag
+is Brugge door de Geallieerden ook gebombardeert.
+
+Den 3de dito is door de Geallieerden Donawerth bemachtigt, en den 11de
+dito Regensburg; als mede den 26, 27 en 28ste dito, de stad Namen,
+doch zonder voordeel, gebombardeert.
+
+Den 4de van Augusty heeft de Geallieerden vloot, onder Hessen-Darmstad,
+Gibralter bemachtigt; en den 13de dito hebben de Geallieerden, onder
+de Generaals Marlboroug en Eugenius, de Franschen en Beyerschen by
+Hogstet geslagen; zynde hun verlies wel op 40000 mannen begroot.
+
+Den 18de van November wonnen de Geallieerden, onder den Erfprins van
+Hessen-Kassel, Traarbach.
+
+In den jaare 1705, den 5de van May, overleed te Weenen Keizer
+Leopoldus, oud zynde 65 jaaren; wordende van zynen zoon Josefus in
+'t Keizerryk gevolgt.
+
+Den 5de van September zyn 96 schepen van de Groenlandsche vloot voor
+Delfzyl gearriveert, hebbende in alles gevangen 1100 vissen.
+
+Den 14de van October gaf Barcellona zich aan Koning Karel over. Ook
+is Stanislaus omtrent dezen tyd tot Koning van Polen verklaart en
+gekroont.
+
+In den jaare 1706, den 23ste van May, sloegen de Geallieerden,
+onder Marlboroug, tegens de Franschen, by Ramellies, en bequamen
+een roemruchtige overwinninge; waar op zich verscheidene steden in
+Braband en Vlaanderen hebben overgegeven. Den 6de van July wonnen
+de Geallieerden Oostende: den 22ste van Augusty Meenen; den 5de van
+September Dendermonde; en den 7de dito is Turin door Prins Eugenius
+gewapenderhand ontzet: en den 3de van October is Aath mede door de
+Geallieerden gewonnen.
+
+In den jaare 1707, den 16de van April, leeden de Geallieerden een
+groote neêrlaag in Spanje, by Almanza. Den 20ste van July, heeft
+de stad Napels, met haar drie kasteelen, zich aan Koning Karel
+onderworpen.
+
+In dit zelve jaar, in Augusty, is Johan Willem Friso, Stadhouder van
+Friesland, enz., getreden in zyn chargie als Generaal der Infantery
+of voetknegten. L. Smids, voegde dit onder zyn afbeeldzel:
+
+
+ Als Friesland zag het beeld van Frieso; reeds in 't weezen
+ Oranjes yver en Nassouwers moed kon leezen
+ Zo sprak zy, (drukkende dit konststuk aan haar mond)
+ Wat schooner dag beloofd my zulk een morgenstond!
+
+
+In den jaare 1708, in February, is zyne Hoogheid Jan Willem Friso,
+Prins van Oranje en Nassau, en der Friesen Erfstadhouder, door de
+Edele Groot Mogende de Heeren Staaten van Stad en Lande, tot Stadhouder
+over derzelver Provintie aangenomen.
+
+Den 5de van July is Gent en Brugge door de Franschen ingenomen;
+den 11de dito zyn de Franschen door de Geallieerden, onder Eugenius,
+Marlboroug en Ouwerkerk, by Oudenaarden geslagen.
+
+In Augusty wierd aan Prins Friso het Oppergezach der belegeringe
+van Ryssel toevertrouwt, ondersteunt van Prins Eugenius; en wierd
+dit meesterstuk der krygsbouwkunde by verdrag gewonnen den 22ste van
+October, en 't kasteel den 8ste van December. En den 30ste dito wierd
+Brugge den Franschen weder ontnomen.
+
+In den jaare 1709, den 4de van January, hebben de Franschen de stad
+Gent wederom verlaaten.
+
+Den 29ste van April is zyn Hoogheid Jan Willem Friso, Prins van Oranje
+en Nassau, met Prinsesse Maria Louisa, dochter van den Landgraaf van
+Hessen-Kassel, op het kasteel van Kassel met zeer groote plechtigheid
+getrouwt.
+
+Den 8ste van July wierd de Koning van Zweden, door de Moskovieters,
+in de Ukranie, by Pultowa, ten eenemaal geslagen: den 28ste dito
+is de stad Doornik aan de Geallieerden overgegaan: den 11de van
+September geschiede het wreede en bloedige gevegt der Franschen en
+Geallieerden by Malplaquet: en den 25ste dito wonnen de Geallieerden
+Bergen, in Henegouwen.
+
+In den jaare 1710, den 2de van January, is Prins Friso, nevens zyne
+Gemalinne, te Leeuwarden, met een buitengemeene staatsie ingehaalt. Als
+mede den 18de van Maart te Groningen.
+
+Den 25ste van Juny is Douay door de Bondgenooten verovert: den 28ste
+van Augusty Bethune: den 28ste van September St. Venant: den 8ste
+van November Arien.
+
+In den jare 1711, den 17de van April, is Keizer Josephus te Weenen
+overleden, oud zynde 33 jaaren.
+
+Den 14de van July, op den middag, is zyne Hoogheid, Prins Jan Willem
+Friso, Frieslands en der Groningers Stadhouder, in 't overvaaren van
+'t Hollandsche Diep, aan 't Stryensche Sas, zeer ongelukkig verdronken;
+wordende deszelfs ligchaam door een schipper, van de Klundert komende,
+op den 22ste derzelver maand eerst gevonden en opgevischt, voorts haar
+Dordrecht gebragt, en aldaar gebalsemt, en vervolgens naar Leeuwarden
+gevoert: alwaar het op den 25ste van February 1712 met eene heerlyke
+doch droevige lykstaatie in 't graf zyner Voorvaderen wierd bygezet.
+
+En in hetzelve jaar, den eersten van September, is de Prinsesse van
+Friesland, Weduwe van den Stadhouder, van een Prins bevallen, en
+genaamt Willem Karel Hendrik Friso, zynde de tegenwoordige Stadhouder.
+
+
+
+
+
+
+LANDVERDEELING VAN FRIESLAND.
+
+
+Schoon de aantekeningen van voorgaande Geschiedenissen, zonder
+kennisse der gelegentheid van Landen en Steden, in 't naleezen
+noch nuttig, noch aangenaam kunnen zyn, zo 'er niet iets nevens of
+voor dezelve gemelt word: zo mogen de leezers ook niet met al te
+langwylige verhandelingen derzelve opgehouden worden; dewyl anders
+zo een beschryvinge op zich zelve en hier van afgescheiden vereischt,
+die men de Landbeschryvinge noemt.
+
+Waarom wy, tot verstand van de voorverhaalde Geschiedenissen, hier
+van iets behoevende by te brengen, met een bloote verdeelinge van
+de Landstreek, en een optellinge van Steden en Dorpen in iedere
+afdeelinge, zonder van de beschryvinge iets te mogen aanroeren,
+den eisch der voorgaande bladeren geacht voldaan te hebben.
+
+De Landstreek van deze Provincie word in drie gedeeltens afgedeelt,
+als Oostergo, Westergo en Zevenwouden. In voorige tyden bestond het
+in de twee eersten alleen; die ook elk den naam van een Graafschap
+by zommige Schrijvers hebben gevoert, en mogelijk ook in der daad
+zyn geweest, zonder dat de Wouden als een byzonder deel wierden
+aangemerkt. En zyn zo genaamt naar de Goën of Dorpen, in de Ooster-
+of Westerverdeeling gelegen; en de Wouden, om de veelheid van 't
+geboomte, dat eertyds mogelyk meerder is geweest, als hedendaags: en
+zo wat verlatynt zynde, wierden Estrachia, Westrachia en Forestensis
+genaamt, by de Schryvers in die taal.
+
+Deze Leden worden elk in een getal van mindere verdeelingen
+onderscheiden, die wy Grietenyen noemen, naar de Bevelhebbers van ieder
+gedeelte, die men een Grietman noemt, dat zo veel is als Overheer,
+want gritte, greet, en greut, is groot te zeggen. Elke Grieteny vervat
+een zeker getal Dorpen onder zich, staande onder de regeering van een
+Grietman. De Steden zyn 11 in getal, rustende elk op haar eigen recht;
+maakende te zamen in zaaken van regeering het vierde Lid van Staat. In
+'t optellen van welke Dorpen, doordien zy naar de verscheidentheid
+der byzondere spraaken (dialecten) of anderzins ook verscheiden worden
+genoemt, zo komt in bedenkinge, welke wyze gevoegelijkst mag gevolgt
+worden: want van de benaaminge der zelve zyn zommige gebruikelyk,
+
+1. In de gemeene taal, alleen Buitenpost, Donkerbroek.
+
+2. In de Stadsspraak, als Nyega.
+
+3. In de Landsspraak alleen, als Tjietjerk, Tjaalebird.
+
+4. Gemengd, 1. uit de gemeene Stadsspraak, als Peperga, Lutkepost,
+Nyjenhuis. 2. Uit de gemeene en Landsspraak, als Langewar, Suerig. En
+3. uit Stads- en Landsspraak, als Tserkgaast, Molkweeren.
+
+5. De zelve Dorpen, anders in 't gemeen, als by stedelingen en
+landlieden, als Nieukerk, Nykerk, Nytjerke: Molkweeren, Molkwarren.
+
+6. Naar oude misspellinge, Hyelsum voor Jelsum; Hyaure voor Jaure of
+Joure; en Greonterp voor Grien of Groenterp.
+
+7. In verkorting, als Birdaard voor Birdewerd, Oestrum voor Eestroom,
+Raard voor Raawerd, enz.
+
+Waar op het wel billyk is, dat men in een schrift, in de gemeene taal
+geschreven, als dit tegenwoordige, ook hier de naamen der Dorpen
+in die zelve taal zoude stellen: doch nochtans hier niet vry staat
+omtrent eenigen, als die haar oorsprong uit de byzondere spraaken
+hebben, gelyk Tserkgaast, Adegae en Molkwarren: voor welke men
+(hoewel mogelyk in gelyke zin, doch ongerymt) zou zeggen, Kerkburg,
+Ouddorp en Melkfennen. Even ongerymt zoudenze alle in de Stads- of
+Landsspraak gestelt worden: en geheel overtollig in die alle te gelyk.
+
+Daarom hebben wy geacht dezelve veilig te mogen gebruiken, naar
+de uitspraak die in de gemeene wandeling meest omgaat. Gelyk wy
+zien dat in de Saxische bedeelinge, (achter dien Hertogs Wetten,
+in die tyden gedrukt) en ook by Winsemius, Schotanus en anderen,
+geen eenerlei wyze is gehouden.
+
+
+
+
+
+I. OOSTERGO.
+
+
+Hierin zyn twee Steden gelegen, als Leeuwarden en Dokkum. 't Word
+verdeeld in 11 Grietenyen.
+
+I. Leeuwarderadeel, heeft 14 Dorpen. 't Word in 3 Trindels of
+derdendeelen afgedeelt. 1. 't Middeltrindel, is onder de klokslag
+van Leeuwarden. 2. Zuidertrindel, Wirdum, Swichchum, Goutum, Huizum,
+Hempens en Teerns. 3. Noordertrindel, Steens, Finckum, Hyjum, Britsum,
+Kornjum, Jelsum, Lekkum en Meedum.
+
+II. Ferwerderadeel, heeft 11 Dorpen, als, Ferwert, Hoogebeintum, Blyje,
+Hallum, Marrum, Nykerk, Wanswert, Geenum, Jeslum, Reisum en Lichtaard.
+
+III. Westdongeradeel, heeft 14 Dorpen, als, Holwert, Tennaard, Wierum,
+Nes, Hantumhuizen, (Raad, Bierum, Medent, Germerhuizen, Nyjenhuis,
+zynde Gebuurten, maakende eene stem,) Jaure, Betterwird, Bornmerhuizen,
+Bornwert, Raard, Foudgum, Brantgum en Waaxens.
+
+IV. Oostdongeradeel, heeft 13 Dorpen, als, Anjum, Engwierum, Ee,
+Jouswier, Oestrum, Aalsum, Wetsens, Nyjewier, Nykerk, Paasens,
+Ljuessens, Morre en Metselwier.
+
+V. Kollumerland, heeft 6 Dorpen, als, Kollumerswaag, Westergeest,
+Oudwoude, Kollum, Lutkewoude of Ausbuer en Buerom.
+
+VI. Achtkarspelen, heeft 8 Dorpen, als, Surhuizen, Austynsga,
+Harkma-opeinde, Droogeham, De Kooten, Op 't Wyzel, Buitenpost en
+Lutkepost.
+
+VII. Dantumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Driesum, Wouterswoude,
+Dantumerwoude, Murmelwoude, Akkerwoude, Rinsmageest, Sybrandahuis,
+Janum, Birdaard, Roodkerk, Feenwouden en Swaagwesteinde.
+
+VIII. Tjietjerksterdeel, heeft 14 Dorpen, als, Wyns, Oudkerk, Oenkerk,
+Giekerk, Ryperkerk, Tjietjerk, Suwoude, Hardegaryp, Bergum, Eestrum,
+Oostermeer, Sumeer, Garyp en Eernwoude.
+
+IX. Smallingerland, heeft 7 Dorpen, als, Oudega, Nyjega, Opeinde,
+Noorderdrachten, Suiderdrachten, Kortehem en Bornbergum.
+
+X. Idaarderdeel, heeft 8 Dorpen, als, Idaard, Æaegum, Roodahuizum,
+Friens, Grou, Warrega, Warstiens en Wartena.
+
+XI. Rawerderhem, heeft 6 Dorpen, als, Rawerd, Yrnsum, Poppingawier,
+Tersool, Sybrandabuert en Deersum.
+
+
+
+
+II. WESTERGO.
+
+
+Hier in zyn 8 Steden, namentlyk, Bolswert, Franeker, Sneek, Harlingen,
+Staveren, Workum, D'r Ylst en Hindeloopen. 't Word verdeelt in
+9 Grietenyen.
+
+I. Menaldumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Menaldum, Berlikum, Wier,
+Beetgum, Englum, Marsum, Deinum, Boxum, Blessum, Dronryp, Schingen,
+Slappeterp en 't Klooster Anjum.
+
+II. Franekerdeel, heeft 11 dorpen, als, Tjum, Hitsum, Achlum, Midlum,
+Herbaajum, Doenjum, Boer, Ried, Peins, Sweins en Schalsum.
+
+III. Barradeel, heeft 8 Dorpen, als, Minnertsga, Firdgum, Tjiemaarum,
+Oosterbierum, Sixbierum, Pytersbierum, Winaldum, Almeenum, nu meest
+binnen de muuren van Harlingen, daar het haare stem heeft in de Kerk,
+en 't Klooster Lidlum.
+
+IV. Baarderdeel, heeft 16 Dorpen, als, Jorwert, Weidum, Mantgum,
+Schillaard, Oosterwierum, Bozum, Wiewert, Britsert, Oosterlittens,
+Winsum, Baard, Huins, Lyons, Hilaard, Jellum en Beers.
+
+V. Hennaarderdeel, heeft 12 Dorpen, als, Hennaard, Ytens, Lutkewierum,
+Oosterend, Hidaard, Wommels, Waaxens, Kubaard, Wielsryp, Baajum,
+Spannum en Eedens.
+
+VI. Wonzerdeel, heeft 27 Dorpen, als, Aarum, Allingwier, Burgwert,
+Kornwert, Dedgum, Exmorre, Engwier, Ferwoude, Greonterp, Gaast,
+Hartwert, Hichtum, Hiezlum, Idzegahuizen, Kunswert, Ruigelollum,
+Longerhou, Makkum, Pinsum, Parrega, Pyaam, Schettens, Schraad, Suerig,
+Tjerkwert, Witmaarsum en Wons.
+
+VII. Wymertser- of Wymbritserdeel, heeft 28 Dorpen, dezelve worden
+aangeteekent, als, Buitendyks: Oppenhuizen, Uitwellingerga, Jortryp,
+Hommerts, Smallebregge, Woudseind, Ypekolsga, Indyk, Heeg, Gasmeer,
+Nyjehuis, Santfirde, Oudega en Idzega. Binnendyks: Oosthem, Abbega,
+Westhem, Wolsum, Nyland, Folsgaare, Tjaalehuizen, Ysbrechtum, Tirns,
+Scharnegoutum, Goinga, Looienga, Gaau en Offingawier.
+
+VIII. Heemelumer Oudephert en Noordwoude, heeft 9 Dorpen, als,
+Heemelum, Koudum, Warns, Scharl, Molkwarren, Oudega, Nyjega, Elahuizen
+en Kouderwoude.
+
+IX. Het Bilt, heeft 3 Dorpen, als, St. Japikskerk, St. Annekerk en
+L. Vrouwenkerk.
+
+
+
+
+
+III. ZEVENWOUDEN.
+
+
+Hier in legt de Stad Slooten alleen. 't Word verdeelt in 10 Grietenyen.
+
+I. Uitingerdeel, heeft 6 Dorpen, als, Oudeboorn, Nes, Akrum, Terhorne,
+Terkaple en Akmaryp.
+
+II. Engwerden, heeft 4 Dorpen, als, Gersloot, Tjaalebird, Luinjebird,
+Ter Trebant met Bansterschans, en noch een gedeelte van 't Vlek
+Heerenveen.
+
+III. Doniawerstal, heeft 14 Dorpen, als, Goingaryp, Broek, Austerhaule,
+Nyjega, Oudouwer, St. Niklaasga, Doniaga, Tserkgaast, Itskenhuizen,
+Leegemeer, Ter Oele, Indyken, Langweer en Bornswaag.
+
+IV. Hasscherland, heeft 6 Dorpen, als, Westermeer, Snikswaag,
+Hasscherdyken, Nyjehassche, Oudehassche en Hasscherschorne.
+
+V. Schooterland, heeft 18 Dorpen, als, Hornsterswaag, Jubbega,
+Schuerega, Oudehorn, Nyjehorn, Katlyk, Brongerga, Nybrongerga,
+Melledam, Oudeschoot, Nyjeschoot, Rottum, St. Jansga, De Kleinegaast,
+Haule, Roehel of Nyjega, Delfstrahuizen, Oudega en Uitdyken, en een
+groot deel van 't Vlek Heerenveen.
+
+VI. Lemsterland, heeft 5 Dorpen, als, Lemmer, Eesterga, Follega,
+Oosterzee en Echten.
+
+VII. Gaasterland, heeft 7 Dorpen, als, Wykel, Sundel, Nyjemardum,
+Oudemardum, Mirns, Haarig, Ruigehuizen en 't Vlek Balk.
+
+VIII. Upsterland, heeft 13 Dorpen, als, Beets, Beetsterswaag,
+Olterterp, Uereterp, Sygerswoude, Duerswoude, Wynjeterp, Hemryk,
+Loppenhuizen, Wispel, Korteswaag, Langeswaag en Luxwoude.
+
+IX. Stellingwarf-Oosteinde, heeft 10 Dorpen, als, Oudeberkoop,
+Nyjeberkoop, Makkinga, Donkerbroek, Haule, Oosterwoude, Fochtele,
+Appelsche, Langedyk en Elsloo.
+
+X. Stellingwarf-Westeinde, heeft 20 Dorpen, als, Beuil, Noordwoude,
+Finkinga, Steggerden, Peperga, Blesdyk, Nyjehoutpade, Oudehoutpade,
+Wolvega, Sonnega, Oudetryne, Nyjetryne, Spangen, Scherpenseel,
+Munnekebuuren, Oudelemmer, Nyjelemmer, Nyjehoutwoude, Oudehoutwoude
+en Ter Idsert.
+
+
+
+ Geschreven in slaavernye, en gegeeven
+ in April, in 't Jaar
+ onzes Heeren
+ 1678.
+
+
+
+
+
+
+
+BIJVOEGSELS EN AANTEEKENINGEN.
+
+
+Bladz. 2.
+
+
+Van den alouden staat onzer Provincie kan geene naauwkeurige
+beschrijving worden gegeven, daar er niets dan onzekere berigten en
+velerlei uiteenloopende gevoelens tot ons zijn overgekomen. Op eenigen
+goeden grond echter mag men besluiten, dat omstreeks de vijfde eeuw
+onzer jaartelling Friesland zich van Vlaanderen tot de Elve heeft
+uitgestrekt, en hetzelve noordwaards den Eiderstroom tot grensscheiding
+had, waardoor dan ook de kustbewoners aan deze rivier, nog heden
+ten dage van den naam des Lands, dien van Strandfriezen dragen. Dat
+Vlaanderen tot Friesland behoord hebbe, zoo als meermalen is beweerd,
+valt zeer te betwijfelen, want aldaar was de grensscheiding.
+
+Onder Koning Radboud I, en later nog ten tijde van Karel den Groote,
+vinden wij de uitgestrektheid van dit Gewest van het land van Katzand
+af, tusschen de rivier Sincfal of Zwene (de Suin of Zwin) bij Sluis
+[105], tot aan de Elve: de Waal scheidde het van het gebied der
+Franken af en de Wezer was tot oostelijke grenspaal gesteld. Al de
+landen dus aan de oevers der Noordzee, van het Hertogdom Bremen tot
+aan Vlaanderen, maakten het oorspronkelijk en overwonnen gebied der
+Friezen uit: het oorspronkelijk of oud Friesland lag tusschen de Eems
+en het Vlie langs de Noordzeekusten. Van de Eems tot den Wezer en aan
+geene zijde van het Vlie, met een groot deel binnenlands tot aan het
+Zwin, was overheerd land. Ook de eilanden tot den mond van de Eems
+behoorden den Friezen, doch geenszins Helgoland, zeer verkeerdelijk
+voor Radbouds zetel gehouden.
+
+Weinige jaren voor 's Heilands geboorte, werden de Friezen, tusschen
+de Eems en het Vlie wonende, de Groote Friezen, en die tusschen het
+Vlie en den Rijn de Kleine Friezen genaamd. De eersten bewoonden
+dus gedeelten van Gelderland, Overijssel, Drenthe en het Gooiland,
+alsmede de streken beoosten de Zuiderzee en de rivier Flevo tot aan
+de Eems toe: de laatsten een gedeelte van Rijnland, Kennemerland,
+Amstelland en Noord-Holland. Daarna werden deze West-Friezen en gene
+Oost-Friezen geheeten. Een aantal kleine volken van Germaanschen en
+Gallischen of Frankischen oorsprong hadden de Friezen tot naburen.
+
+Te dien tijde, eenige jaren namelijk voor Christus geboorte, toen
+de Opperbevelhebber Claudius Drusus Nero, stiefzoon van den Keizer
+Augustus, ook Friesland onder de magt der Romeinen wilde brengen, lag
+tusschen West-Friesland (Noord-Holland) en het tegenwoordig Friesland
+het groote meer Flevo. Het Graafschap Staveren beoosten het Vlie,
+wiens uitwatering eerst tusschen Texel en Vlieland, daarna tusschen
+Vlieland en Terschelling plaats had, paalde aan Noord-Holland. Het
+eiland Flevo, door de verdeelde armen van het Vlie omvat, lag ter
+plaatse alwaar nu de zandplaat Bree-sand zich bevindt. Uitgestrekte
+bosschen lagen in den omtrek der stad Staveren, thans allen in zee
+verzwolgen. De kleine rivier de IJssel liep in 't meer Flevo, hetwelk
+na de door Drusus gemaakte vereeniging van den Rijn met den IJssel,
+door verschillende stroomen zich in de Middelzee ontlastte [106]. Deze
+zee besloeg een groot deel van het noorden der Provincie, scheidende
+Oostergo en Westergo, haren loop nemende door de Grietenijen Barradeel,
+Idaarderadeel, Hennaarderadeel, Rauwerderhem tot in Wijmbritseradeel,
+eindigende bij Bolsward en Sneek. Bij de stad Uitgong, welligt nabij
+Berlikum had zij hare uitwatering in de Wadden, en voorts tusschen
+Terschelling en Ameland in de Noordzee.
+
+Wij geven geene meer bepaalde beschrijving van den alouden staat der
+Provincie, maar verwijzen den Lezer tot de breedvoeriger behandeling
+hiervan te vinden in Winsemius, Schotanus, Emmius, F. Sjoerds,
+bijzonder het kort overzigt in den Tegenwoord. Staat van Friesland
+I deel, en over de Groote en Kleine Friezen de Aanteekeningen van
+Siccama op de Lex Frisionum pag. 137 seq. Men vergelijke hierbij
+hetgeen door den heer Westendorp in zijn Jaarboek van en voor de
+Provincie Groningen, en door Bilderdyk in het 1 deel van zijne
+Geschiedenis des Vaderlands (bepaald op bl. 18 en 251 volgg.) met
+betrekking tot de oude Historie is geboekt:--als ook de Geschiedenis
+der Nederlandsche Taal van den Hoogleeraar A. Ypeij, II. 106,
+die aldaar en elders belangrijke bijvoegsels geeft tot den alouden
+staat van Friesland betrekking hebbende.--Over de Middelzee, hare
+grenzen en uitgestrektheid bevelen wij zeer aan de Bijdragen tot de
+Geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland, door P. Brouwer
+Pz. en W. Eekhoff [107]. Zie voorts de Inleiding van mijn Tafereel van
+den Watervloed in Friesland. Wij voegen hierbij nog de aanmerking, ook
+door anderen gemaakt, van den Ridder Scheltema, voorkomende in zijne
+als nog onuitgegevene Geschiedenis der Zuiderzee, dat in vorengemelden
+tijd welligt het Gooiland in Holland en Gaasterland in ons Gewest
+aaneengehecht waren, verdienende het bijzondere opmerking dat de
+grondgesteldheid gelijk is, en aan beide zijden de einden van eene
+hooge aardrigchel, in Holland de Muiderberg en bij Staveren het Klif,
+aanwezig is; even als de afgebrokene en tegen over elkander liggende
+Krijtbergen in Frankrijk en Engeland zouden bewijzen dat eertijds
+hier geene scheiding bestond. Waarschijnlijk stroomde er toen nog
+geen zout water binnen den kreits der duinen van Terschelling af tot
+aan den uitloop der Maas.--Belangrijke opmerkingen deelt de kundige
+F. Arends ons mede in zijne Geschiedenis der Noordzeekusten, in welke
+hij de veranderingen beschrijft, welke die kusten door stormvloeden,
+gedurende een tijdvak van tweeduizend jaren hebben ondergaan [108].
+
+
+Bl. 2.--Ao 313.
+
+Wat betreft de heerschappij der Prinsen, Hertogen en Koningen
+over Friesland, van den jare 313 voor Christus geboorte tot 773 of
+775 jaren na dezelve, waarvan de korte beschrijving in de eerste
+drie hoofdstukken dezer kronijk begrepen is, daarin komt zeer veel
+onwaarschijnlijks en fabelachtigs voor, zoodat wij niet gaarne op het
+gezag van deze en andere Geschied- en Kronijkschrijvers alles voor
+goede munt zouden aanprijzen: alles evenwel te verwerpen, gelijk ook
+door Friesche Schrijvers-zelve geschied, is evenmin raadzaam. Men leze
+en overwege hier naauwkeurig wat de geleerde Baron thoe Schwartzenberg
+en Hohelansberg, in de uitmuntende Voorrede voor zijn Charterboek
+(vooral I. D. bl. 16 en 17), een geschrift, even nuttig als het
+boek-zelf, op dit punt zegt, en aan wiens gevoelen wij eene hooge
+waarde hechten. Het was voor den geleerden Emmius en in navolging
+van hem voor Foeke Sjoerds en den schranderen van Rhyn, die evenwel
+hier en daar niet zoo gestreng is, niet moeijelijk, het gezag van
+andere Schrijvers te verwerpen, en, wat niet met krachtige bewijzen
+gestaafd konde worden, voor fabels te verklaren. Maar men brenge ook
+de meeningen van den Baron van Schwartzenberg ter toetse, en het lijdt
+geen' twijfel, of de oordeelkundige Lezer zal, even als wij, tot de
+uitkomst moeten komen, dat het gevoelen der eerstgemelden aan gewigtige
+tegenbedenking is onderworpen. Het groote en altijd herhaalde argument,
+waarom wij toch zoo weinig bij de Romeinsche Schrijvers van alles,
+wat de kronijken bevatten, vinden, zal toch wel niet als voldoende
+kunnen worden beschouwd:--dan het is hier niet de plaats, daarover
+verder uit te weiden, liever willen wij hier invoegen wat de zeer
+verdienstelijke Oudheidkundige N. Westendorp, in zijn Jaarboek van
+en voor de Provincie Groningen (I. 21 volgg.), op dit onderwerp zegt:
+
+»De Vriesche jaarboeken beginnen de lijst der Vriesche koningen en
+vorsten reeds van vóór den tijd van 's Heilands geboorte af. Alhoewel
+wij ons geenszins met zekerheid op de berigten dezer verzamelaars,
+ten aanzien dier opvolgingen, durven en willen verlaten; nogtans
+deelen wij gansch niet in de twijfelzucht van Emmius en van anderen,
+welke hem gevolgd zijn. Vooreerst zijn er geene redenen, om zoo
+ten eenenmale de geloofwaardigheid van Cappidus Staurensis, geleefd
+omtrent 920, van Occo Scharlensis, welke begon te schrijven in 903 en
+zulks vervolgde tot 970, van Johannes Vlieterpius, Schrijver van den
+potestaat J. H. Martna en der gemeene Landsregteren, die Occo's kronijk
+grootendeels uit het H. S. vertaalde en hier en daar vermeerderde
+(1370), van M. Alvinus (1400), van Andreas Cornelius, overleden te
+Harlingen in 1589, van Corn. Kempius (1588), van Vorperus Taboritha,
+Suffridus Petri, Mart. Hamconius (1624), van Bernh. Gerbr. Furmerius
+(1613), en van meer anderen, te verwerpen. Trouwens de Vriezen
+hadden weleer hunne barden en bardengezangen: zoo hoorde nog de
+bisschop Ludger, eenen Vrieschen bard de daden der vroegere tijden
+bezingen. Andr. Cornelius is ook in mijn oog een achtingwaardig
+Schrijver. Deze verhaalt in de voorrede van zijn werk, dat Vlieterp
+in eene zeer lange voorrede berigtte, dat Occo Scharlensis in de
+voorrede van zijn werk in het breede had ontvouwd, hoe zijn oude oom
+Solcko Forteman het leven der Vriesche koningen, prinsen en heeren,
+die van het begin af in Vriesland hadden geregeerd, ten tijde van den
+laatsten Vrieschen koning Radbod naauwkeurig beschreven had: over welk
+geschrift hij door dien koning zeer was vervolgd geworden. Schoon nu
+dit opstel te dien tijde op koninklijk bevel was verbrand geworden,
+nogtans waren al zijne overgeblevene schriften en boeken in handen
+van Occo gekomen, door middel van Gatje Takama (zijnen vader), welke
+er vele fragmenten en schoone stukken betrekkelijk Vriesland onder
+gevonden had. Deze schat bewoog hem, om alles te verzamelen, wat
+overgebleven was, en wat hij wist. Volgens getuigenis van Suffridus
+Petri, zouden de bouwstoffen tot het werk van Alvinus uit zoodanige
+oude liederen genomen zijn. Daarenboven heeft S. Petri toegang
+gehad tot alle kloosterkronijken en kloosterpapieren van Vriesland,
+waardoor hij in de gelegenheid was, om meer ontwaar te worden dan
+anderen. Ook vinden wij er geene de minste tegenstrijdigheid in, dat
+de Vriezen, even gelijk de Kymry in Wallis en de Galen in Ierland,
+hunne geschiedenis aan de bardenorde toevertrouwden, en dat deze
+ook hunne Taliesins gehad hebben. Bij de Kymry en de Ieren zijn
+deze liederen nog grootendeels behouden, en dalen mede tot vroegere
+tijden terug. De Vriesche berigten, hoezeer vermengd met dichterlijke
+bijvoegselen en met aanvullingen van verschillenden aard, verdienen
+waarlijk de aandacht van onderzoeklievende mannen" [109].
+
+Betrekkelijk den oorsprong der Friezen vinden wij bij Grieksche noch
+Romeinsche Schrijvers eenige voldoende berigten, uit hoofde zij hun
+gezag van den aanvang niet in deze oorden gevestigd hebben. Over
+de benaming en aanvankelijke regeringsvorm zijn ook verschillende
+meeningen te berde gebragt. Het gevoelen ten dezen van den heer
+Mr. A. van Halmael Jr. ook het onze zijnde, nemen wij hier over,
+hetgeen in zijn beknopt Overzigt der Friesche Geschiedenis [110]
+is vermeld:
+
+»De oorsprong van de namen Friezen en Friesland heeft met dien van vele
+andere volkeren en landen dit gemeen, dat hij hoogst onzeker is. Even
+onzeker schier is het te bepalen, op welke wijze het land in de oudste
+tijden is geregeerd geworden; of er één enkel persoon aan het spits
+der regering stond, en zoo ja, welken naam hij droeg. Ook naar de
+uitgestrektheid van het land, hetwelk den naam van Friesland droeg,
+en naar de gedaante van hetzelve, kan men weinig meer dan gissen."
+
+»Het komt ons echter, wat het eerste betreft, niet onwaarschijnlijk
+voor, dat de naam van Friezen niet anders dan vrijen heeft beteekend,
+welken naam dat gedeelte der Germaansche of Duitsche volkeren,
+hetwelk het eerst Friesland tot woonplaats verkozen heeft, zal hebben
+aangenomen, ten einde zich daardoor te onderscheiden van andere
+stammen, die misschien minder naijverig waren op hetgeen zij Friezen
+verstonden onder vrijheid,--volkomen onafhankelijkheid van allen,
+die niet tot hunnen eigenen stam behoorden, of tot de genen welke
+zij daarin goedvonden aan te nemen" [111].
+
+»Wat der Regering betreft, één persoon schijnt aan het hoofd der
+Friezen gestaan te hebben; niet evenwel zonder, in openlijke
+aangelegenheden, den raad der Wijsten, dat is Oudsten zijner
+landgenooten, in aangelegenheden van algemeen belang, de meening van
+het geheele volk ingenomen, en dien van de meerderheid gevolgd te
+hebben. Het komt ons wijders niet onaannemelijk voor, dat die ééne
+persoon, meerder uitvoerder van 's volks wil dan eigenmagtig gebieder,
+maar ook in de uitvoering ongebonden, den naam van Koning droeg,
+welken naam wij, naar de afleiding des woords, meenen aangeduid te
+hebben: den eersten man van het eerste (d. i. mannelijk) geslacht,
+eens heerschenden volks."
+
+»Daarmede willen wij echter niet geacht worden, de geheele rij
+der zeven eerste Koningen (in kronijken Prinsen genoemd), der zeven
+Hertogen en der negen, dezen wederom vervangen hebbende Koningen, welke
+alle door onze kronijkschrijvers met name genoemd worden, te erkennen."
+
+»Ook gelooven wij niet dat de oppermagt der Vorsten erfelijk was,
+althans niet in de eerste tijden, hoewel meestal de zoon eens konings,
+over wiens bewind het volk tevreden was, hem zal opgevolgd zijn."
+
+
+
+Er bestaan over den oorsprong des Frieschen volks eenige overleveringen
+en sagen uit den overouden tijd, in welken de geschiedkundige waarheid,
+met de noodige versierselen en verdichtselen, werd gehuld en bewaard
+gebleven is: jammer maar dat het en door den geest der vroegere
+tijdperken, en door de wijze der overlevering zoo moeijelijk is
+geworden waarheid en fabel van elkander te schiften. Alles komt
+echter op dit punt neder, dat de Friezen geene aborigenes, dat is
+inboorlingen van Friesland waren, maar over zee naar deze landstreken
+waren aangekomen om dezelve te bevolken [112]. Wij willen kortelijk uit
+de geschiedenis enigen dier sagen en volksvertellingen bijeenverzamelen
+en mededeelen, dewijl onze kronijk slechts van eene enkele gewaagd.
+
+Naar het gevoelen van Joachim Hopper zouden de Friezen afkomstig zijn
+van de Hijperboreische volkeren, van wien zij hunne taal, godsdienst
+en zeden hadden ontvangen [113].
+
+Cornelius Kempius verhaalt dat een Karthuizer, genaamd Reinerus de
+Friezen deed afstammen van een aantal Joden, die door Vespasianus
+na de inneming: van Jeruzalem in 't leven gespaard, uit het Joodsche
+land verdreven en herwaarts in ballingschap gezonden waren. »Doch de
+goede man (zoo zegt Van Rhyn [114]) moet Tacitus en andere schrijvers
+niet gelezen hebben, die hem zouden onderricht hebben, dat de Vriezen
+hier al woonden omtrent de tijden van Christus,"--dus voor Jeruzalems
+verwoesting [115]. Deze overlevering hoorde ook bij de oude Pruissen
+te huis, wier voorouders door Salmanzar uit het Joodsche land waren
+verdreven [116].
+
+Van Frankischen oorsprong schijnt navolgende sage door Joannes
+Trithemius, in navolging van Hunibaldus, geboekt in zijne geschiedenis
+der Frankische koningen. Frisius was de zoon van koning Coglio;
+deze werd met toestemming aller Franken Koning van Friesland, doch
+aan deze keus verbonden zij de voorwaarde, dat hij en alle zijne
+opvolgers met hunne onderdanen onder de Franken zouden staan, en tot
+schatting jaarlijks tweehonderd en zestig koeijen leveren: daarenboven
+waren zij verpligt als getrouwe vrienden en bondgenooten der Franken,
+dezen in alle oorlogen bij te staan. De Friezen nu zouden, volgens
+het beweerde van verschillende schrijvers [117], van dezen Koning den
+naam gekregen hebben. Ook dit verhaal wordt door de geschiedschrijvers
+van lateren tijd verworpen, daar de Franken toen nog niet als magtig
+volk zouden hebben bestaan, maar eerst driehonderd jaar na Christus
+geboorte.--Het is echter vrij zeker, dat het Frankisch gezag reeds
+zeer vroeg bij de Friezen heeft geheerscht; zelfs de benaming dezer
+beide volken wordt vaak verwisseld. Deze geheele sage zal echter van
+later dagteekening zijn dan anderen [118].
+
+Hubertus Thomas, een Luikenaar, schreef een boek over de Tongren en
+Eburonen, waarin hij met kracht van redenen betoogde, dat de Friezen
+uit de oude Phrygeers of Trojanen herkomstig waren, welk gevoelen ook
+anderen aankleefden [119]. Grunus, een voornaam Trojaan onder hen, had
+Groningen gebouwd, het gewest Frisia en dus het volk met den naam van
+Friezen gedoopt. Vierhonderd drie en dertig jaren voor Christus waren
+deze Trojanen, onder Marcomir, in Duitschland bij de Saksen gekomen en
+naar den zeekant afgezakt [120]. Tot een vernuftig bewijs van zijne
+stelling brengt Thomas bij, dat het stedeken Ylst niet Elostum, zoo
+als sommige Latijnen zeggen, maar Iliacum, dus genaamd naar Ilium,
+heeten moet, en dat Aschendorp in Groningerland, naar den befaamden
+Ascanius ook den naam Ascania heeft gedragen.--Dit verhaal schijnt
+van Oud-Duitsche geboorte te zijn [121].
+
+Eggerik Beninga beschrijft in zijne Oost-Friesche Kronijk [122]
+den oorsprong der Friezen ook op deze wijze. Ten tijde dat Samuel
+regter over de kinderen Israels was, nadat de wereld 2860 jaren had
+gestaan, was er een koning van Assyrien, Diedictus genaamd, wiens
+gemalinne Albiona bij het volk in kwaad geruchte stond. Op zekeren
+tijd liet zij alle hare zusters, twee en dertig in getal, en allen aan
+koningen, vorsten en groote heeren door den echt verbonden, bij zich
+komen, en, zich niet langer door hare mannen willende laten regeren,
+sloten zij in 't geheim een verbond, dat elk zijnen echtgenoot zou
+om het leven brengen en dan zelve het bestuur in handen nemen. Maar
+de zamenzwering werd ontdekt en tot straf werden de 32 zusters,
+met al de medepligtigen, in een schip zonder roer en zeilen gezet
+en zoo voor wind en stroom aan de willekeur der woeste golven prijs
+gegeven. Na lang omzwervens kwamen zij ten laatste aan een onbewoond
+eiland, hetwelk zij, naar den naam der oudste zuster Albion noemden
+en langen tijd bewoonden. Uit deze zusters werd het groote en wreede
+reuzengeslacht geteeld, dat door Brutus is verslagen en op de vlugt
+gejaagd, welke vlugtelingen de Noordzee opstevenden en naar een
+nieuw vaderland zochten. Dus aan de Friesche kust gekomen, namen zij
+dit land ten deele met geweld in, en zetten zich er neder. Brutus,
+nu Heer van Albion, herdoopte het eiland in Brutannien en liet de
+stad Londen bouwen, dan ook hij werd op zijnen tijd weder verdreven
+door het geweld der Friesche koningen Engistes en Horses.--Zoo ver
+Beninga.--In Westendorp's Kronyk wordt verhaald, dat de gevlugte
+reuzen, bij hunne aankomst aan den Frieschen wal, onvermoeds door
+de ingezetenen des lands verdreven zijn, de Maas zijn opgevaren en
+Slavenburg hebben gesticht.--Zoodat volgens dit verhaal dan reeds
+het land bevolkt was [123]. Deze overlevering schijnt op de Kelten,
+de oudste bewoners van Brittannien te slaan.
+
+In bijna al de geschied- en kronijkschrijvers, zoo als ook in de onze,
+vinden wij de volks-overlevering, welke ook in den Frieschen geest
+geheel gestemd is, van de overkomst der drie gebroeders Saxo, Bruno en
+Friso [124] vermeld, en wel van verschillenden vorm en inhoud. Vooral
+wat betreft de afkomst van den stamvader Friso, daarover is een groot
+verschil. De een maakt hem tot een Jood, de ander tot een Macedonier,
+velen tot een Indiaan. Sommige oude schrijvers hebben de waarheid van
+deze overlevering niet alleen niet in twijfel getrokken, maar die
+tegen anders denkenden met hand en tand verdedigd. B. Furmerius en
+vooral Suffridus Petri hebben zelfs, (de laatste in zijne Apologie)
+Ubbo Emmius en anderen, die dit verhaal voor eene fabel verklaarden,
+voor dwarsdrijvers, slechte recensenten en vijanden des vaderlands
+verklaard. Andere Friesche schrijvers, even als Emmius, verwerpen het
+ook geheel, maar de meesten zijn ook getrouwe navolgers, ja zelfs
+naschrijvers en napraters van Emmius, die als de God der Historie
+werd aangebeden. Het valt niet te ontkennen, dat zijn geschiedboek
+groote waarde heeft, doch ook onvoorwaardelijk in zijne twijfelzucht
+te berusten is niet het veilig midden kiezen.
+
+Uit hoofde men deze sage overal vindt, zullen wij dezelve in zijn
+verband niet herhalen, evenmin als de geschiedenis der zeven zonen
+van den Frieschen Aartsvader Friso, die de volkplanters in Jutland,
+Hessen en Schotland zijn geweest. Men vindt een beknopt verhaal
+hiervan in het Nabericht op Vriesland van van Rhyn [125], dat altijd
+waardig is gelezen en herlezen te worden. Daarin wordt ook vermeld
+hoe de West-Friezen, Keulenaars, Frisiabonen of Nieuwe Friezen,
+Zwitsers en Graubunders, Franken, Strand-Friezen en Eiderstedders,
+uit de oude Friezen zouden herkomstig zijn; terwijl zij ook in
+Oud-Engeland of Brittannien, Ethiopien en Chili in Amerika, zich
+zouden hebben voortgeplant. Van de vermelding ten tweede male der
+Helvetiers of Zwitsers uit de Friezen gesproten [126], ten tijde van
+den Potestaat Magnus Forteman is eene geheel verschillende lezing
+in de Corte Chronyck van Sybe Jarichs [127], welke zegt, dat de
+Friezen die onder Forteman tegen de Romeinen waren opgetrokken, op
+den terugtogt ten deele in Lombardijen en Italien metter woon waren
+gebleven, door een hoop volks meestal gedood werden, zoodat er maar
+weinigen ontkwamen. Dezen nu zwierven op bergen en in dalen rond,
+tot dat zij in Zwitserland gekomen, aldaar zich huizen hebben gebouwd
+en een gedeelte lands bevolkt.
+
+Menso Alting beweert, dat de Friezen van een en dezelfde afkomst zijn
+als al de Overrijnsche volkeren. Het voorgeven, dat zij uit Phrygien,
+of de Indien herwaarts zijn gekomen, acht hij voor zottengeklap en eene
+lange reeks van leugens [128]. Hoezeer eene geheele vergelijking van al
+het geschrevene over dit onderwerp, met een naauwkeurig oordeelkundig
+onderzoek gepaard, een moeijelijke arbeid ware, en hoe bezwaarlijk
+men ook welligt meerder licht in dezen ontvangen zou, was echter de
+beproeving daarvan, en eene wijsgeerige beschouwing van alle nog
+voorhanden zijnde werken en geschriften der moeite overwaardig en
+een zeer verdienstelijk werk. Er is nog zoo veel aanwezig, geschikt
+tot bruikbare bouwstoffen, hoezeer dan ook de vernielingswoede vele
+belangrijke Charters voor altoos hebbe vernietigd, ja zelfs vele
+gedenkstukken der oudheid door zorgelooze onnoozelheid het droevig lot
+hebben moeten ondergaan van over de zeepalen te worden geworpen, en
+welligt hun graf hebben gevonden in de diepte dier golven, welke over
+de verzonken grondvesten der aloude Friesche Koningsstad henenrollen,
+even als of men ook de laatste getuigen des voorvaderlijken roems in
+hetzelfde graf voor eeuwig wilde begraven. Wenschelijk ware eene meer
+algemeene belangstelling in het lot der Historie en in den goeden wil
+dier Schrijvers, welke zonder zelfverheffing of eerbejag slechts hun
+vaderland en de wetenschappen willen dienen, wier doel en handeling
+niet door gloeijende eerzucht of geldgewin worden bestuurd.
+
+Wij willen hiermede over alles wat den oorsprong der Friezen betreft
+afstappen [129].
+
+
+
+Het ligt geheel buiten ons bestek, alles te verzamelen en te vermelden
+wat door de geschiedschrijvers al niet geboekt, geoordeeld en gegist
+is over het hoogst onzekere tijdvak van de eerste bewoners dezer
+Friesche landen, tot op de geboorte van Christus Dit behoort tot
+eene volledige Geschiedenis der Friezen; dan met eenige meerdere
+zekerheid kunnen worden vermeld, de gebeurtenissen van de komst van
+den Veldheer Drusus in Friesland af tot aan de heerschappij van
+Karel den Groote. Wij willen derhalve overnemen, hetgeen de heer
+van Halmael in zijn zeer belangrijk Overzigt over dit tijdvak heeft
+geschreven [130], in hetwelk men natuurlijk wel overeenkomst met de
+kronijken, maar tevens ook vele afwijkingen van sommiger stellingen
+zal ontdekken. Er heerscht echter over deze tijden ook nog eene vale
+schemering, zoo geene duisternis; want de eerste Friesche Koning, wiens
+naam en handelingen met genoegzame zekerheid kunnen worden vermeld,
+heeft geregeerd in de zevende eeuw en heeft den troon beklommen omtrent
+590 of 630. Adgillus de Eerste was die Vorst: wie echter zijn vader
+was, daarover hebben de geleerden het niet eens kunnen worden.
+
+Nu volgt het Overzigt:
+
+
+§ 2.
+
+»Elf jaren voor Christus geboorte, vertoonde zich de veldheer
+der werelddwingende Romeinen, Claudius Drusus Nero in het land der
+Batavieren. Men zegt, ten einde de Germanen of Duitschers te straffen,
+die in de landen, aan hunne grenzen liggende, en onder het oppergebied
+der Romeinen staande, geplunderd hadden. Hij begaf zich langs den Rijn
+in den Oceaan, ten einde de monden Van de Eems en Wezer te bezoeken,
+tusschen welke de Cauchen of Chauken toen woonden. Aan hunne grenzen
+raakte hij in groot gevaar, doch de Friezen, met welke hij bevorens
+in een vriendschappelijk verbond was getreden, redden hem."
+
+»Een jaar later deed hij eene gracht graven, waardoor hij van den Rijn,
+door den Ouden IJssel in het meer Flevo komen konde. Van daar konde hij
+door de Middelzee en verder over de Wadden, in de Eems geraken. De
+Friezen verbonden zich, waarschijnlijk omdat hij hun beloofde,
+dat de Romeinen hen bijstaan zouden tegen hunne, immer onrustige,
+Germaansche naburen, tot het jaarlijks leveren van een bepaald aantal
+ossenhuiden. Ook schijnt hij ter hunner bescherming een kasteel, aan
+de Noordzee te hebben aangelegd. Dat kasteel almede Flevo of Flevum
+genoemd, plaatsen de oudheidkundigen op het tegenwoordig eiland Grind,
+thans eene schulpplaat, niet verre van Terschelling. Daaruit kon de
+Romeinsche bezetting spoedig de Eems bereiken [131]."
+
+
+§ 3.
+
+Jaren na Chr. 29. 48.
+
+»Met de goede trouw, die van oudsher de Friezen kenschetste
+(gelijk de Germanen over het algemeen), voldeden zij eenige jaren
+aan hunne verbindtenis, en wel tot aan of in het jaar 29 na Christus
+geboorte. Den Romeinschen veldheer Germanicus schijnen zij bijgestaan,
+en zelfs zijn leger eenmaal eene groote dienst bewezen te hebben,
+met hem zekere plant, door de Romeinen Brittenkruid genaamd,
+ter heeling van de scheurbuik aan te wijzen [132]. In gemeld jaar
+eischte zekere Olennius, een Romein, die met eenig bevelhebberschap,
+misschien wel met dat van het kasteel Flevum, en met het invorderen
+der zoogenaamde schatting belast was, eene soort van huiden, welke
+zij, evenmin als de waarde van dien, leveren konden. Zij lieten
+zich eerst daarvoor hunne ossen, toen hunne landerijen, eindelijk
+hunne vrouwen en kinderen tot slaven afnemen, hopende dat men hunne
+bereidwilligheid ziende, hun geregtigheid zou doen wedervaren. Maar,
+het zij de klagten der armen het oor des Keizers niet bereiken konden,
+het zij de Keizer zijne prefecten toeliet in het klein te plunderen,
+gelijk hij-zelf in het groot deed, zij vonden geen gehoor, en begonnen
+den regvaardigsten krijg. Zij grepen en doodden de hen kwellende
+knechten, en belegerden Olennius in de Romeinsche sterkte. Wel moesten
+zij het beleg opbreken, omdat er een aantal Romeinsche benden ter
+ontzet naderde, alles onderwegen plunderende en verwoestende; doch,
+ofschoon de Romeinen, volgens het zeggen hunner geschiedschrijvers,
+hen, evenwel niet zonder aanvankelijke nederlagen en groot verlies,
+overwonnen, zij schijnen hunne vrouwen en kinderen, en hunne landerijen
+toch terug bekomen te hebben, en waarschijnlijk zijn zij zelfs wel
+van Romeinen en schatting ontslagen geworden, of ontheven gebleven."
+
+»Althans men vindt niet weder van Romeinen hier te lande gewag gemaakt,
+dan omtrent twintig jaren later. Toen, heet het, hebben de Friezen zich
+aan den veldheer Corbulo onderworpen. Hij leidde weder krijgsbezetting
+in Friesland, en stichtte er eene sterkte, zoo sommigen meenen ter
+plaatse, waar nu Groningen ligt. Doch hij moest die bezetting welhaast
+terugtrekken, op bevel van zijnen toenmaligen Keizer, Claudius, die
+den Rijn tot grens des Rijks bepaalde:--van eenige schatting wordt
+te dier gelegenheid niet gesproken."
+
+
+§ 4.
+
+J. na Chr. 59.
+
+»'t Schijnt evenwel dat de Friezen, wier naam, sedert het gebeurde
+met Olennius, reeds onder de Germanen doorluchtig was geworden,
+bondgenooten der Romeinen gebleven zijn.--Toen toch, eenige jaren
+later, een deel der Friezen, onder aanvoering van Verritus en Malorix
+[133], die men daarom niet voor Friesche Koningen behoeft te houden,
+zich op eene ledige plek gronds, denkelijk aan den linker Rijn-oever
+nedersloegen; toen daarop de Romeinsche gezaghebber in dien oord
+hun aanzeide, dat zij die weder verlaten moesten, ten zij de Keizer
+hun toestond, haar in te nemen, begaven Verritus en Malorix zich, om
+'s Vorsten toestemming te verkrijgen, naar Rome. Daar bragt men hen
+in den schouwburg; zij zagen er de gezanten der volkeren, die gezegd
+worden in trouw en liefde voor Rome uit te munten, op de banken der
+Romeinsche Raadsheeren zitten, dat een eerbewijs heette. Daarop begaven
+zij zich derwaarts, en zetten er zich insgelijks neder, zeggende:
+dat geene stervelingen de Germanen in wapenen of trouw overtroffen. De
+Friesche rondheid behaagde zelfs den wellevenden Romeinen."
+
+
+§ 5.
+
+J. na Chr. 240, 350, 418.
+
+»Het komt ons voor, dat de Friezen, bij vervolg van tijd, nu eens
+de zijde der Romeinen zullen gehouden hebben, in de oorlogen,
+welke dezen bij voortduring tegen de Germaansche volkeren voeren
+moesten; dan weder, zich met de laatstgemelden tegen de Romeinen
+zullen vereenigd hebben. Van het laatste vinden wij een bewijs in
+den bekenden oorlog, door de Batavieren, onder Claudius Civilis,
+tegen hunne onderdrukkers ondernomen. Ook kan het zijn, dat zij
+somtijds inderdaad aan hen onderworpen geweest zijn; doch zij raakten
+eindelijk buiten alle betrekking tot dezelven. Gedeeltelijk voorzeker
+reeds, toen onderscheidene Germaansche volkeren, onder den naam van
+Franken, omtrent het jaar 240, vereenigd, zich ruim honderd jaren
+later, vestigden in Taxandrie, waardoor men het voormalig eiland
+der Batavieren met de zuidelijk daaraan grenzende landen, en een
+gedeelte van Braband, misschien ook Zeeland moet verstaan.--Voor zoo
+verre zij zelven, of althans een gedeelte hunner, tot dat verbond
+behoord mogten hebben, en onder de Saliers mogen gerekend zijn,
+zijn zij nogtans zekerlijk vrij en onafhankelijk gebleven, en dien
+Franken niet onderworpen.--Geheel echter, toen die zelfde Franken,
+nog ongeveer honderd jaren later, een koningrijk in Gallië, het
+tegenwoordige Frankrijk, stichteden, hetgeen Rome erkende. Rome, dat
+Rijk, hetwelk intusschen door zijnen opperheer, Theodosius den Groote,
+in twee Keizerrijken, het Oostersch, hoofdstad Constantinopolen, en
+het Westersch, hoofdstad Rome, was gesplitst geworden, en onder zijn
+eigen gewigt bezweek, gelijk alle Staten zullen doen, die, als Rome,
+naar de opperheerschappij der wereld trachten;--o troostrijke leer
+der Geschiedenis!"
+
+
+§ 6.
+
+J. na Chr. 62, 68, 90, 183, 186.
+
+»Als men het gezag onzer kronijken niet geheel wil verwerpen,--en het
+zoude zoo ondienstig voor de beoefening der geschiedenis als onbillijk
+jegens onze voorvaderen gehandeld zijn, indien wij het deden,--leden
+de Friezen intusschen menigen aanstoot van de Noordelijker en
+Noord-oostelijker volkeren, onder onderscheidene namen, maar vooral
+onder dien van Deenen in gemelde schriften voorkomende.
+
+Reeds op het jaar 62, wordt van zulk eenen inval der Deenen in
+Friesland gesproken, en jaarlijks schijnen zij, tot in 68, hunne
+pogingen te hebben herhaald, meer om te plonderen, dan om zich hier
+te vestigen. Op het jaar 90 vindt men van eenen inval der Noormannen
+gewaagd. Omtrent 183 van eenen dergelijken der Gothen en Wenden. Op 186
+van eenen der Wilten, welke bij die gelegenheid de eerste grondslagen
+van Wiltenburg, naderhand de stad Utrecht, zouden gelegd hebben [134].
+
+Zijn er inderdaad zulke invallen, bloot met oogmerk te plunderen,
+geschied, dan mag men daaruit afnemen, dat deze landen minder arm dan
+voorheen waren. De netten van eenige visschers, en het weinige vee
+van eenige arme landbouwers, kunnen toch de roofzucht van tamelijk
+afgelegene volkeren niet, bij herhaling, hebben aangelokt; en wanneer
+het waar is, dat men hier, op zijne beurt zich bereidde tot eenen
+zeetogt naar de landen dier lastige plonderaars (welken togt, uit
+hoofde van een getroffen bestand, achterwege bleef), schijnt zulks
+eene regering aan te kondigen, die niet geheel van magt en veêrkracht
+ontbloot was. Doch wij zullen hier niet verder in treden, omdat onze
+bronnen niet zekerder en naauwkeuriger zijn [135]."
+
+
+§ 7.
+
+Jaren na Chr. 280, 449.
+
+»Inmiddels hadden ook de Saksen zich van een gedeelte van
+ons tegenwoordig Nederland meester gemaakt.--Dit volk, welks
+oorspronkelijke woonplaats men denkelijk in het tegenwoordige Sleeswijk
+en Holstein, over de Elve, langs de Noordzee, en op de eilanden aan de
+kust dier zee moet zoeken, schoon het sedert lang zich westwaarts had
+uitgebreid, kwam, waarschijnlijk over zee, eerst in Taxandrie (verg. §
+5), en trad in verbond met de Franken, die hen de bezette landstreek
+behouden lieten. Toen de Franken zich zuidelijker op begaven, hebben
+de Saksen meerderen hunner landgenooten tot zich gelokt, en zich
+meer en meer van de Franken afscheidende, en een gedeelte hunner
+vorige woonplaatsen bezettende, eenen Staat op zich zelven gaan
+uitmaken. Franken, Saksen en Friezen, waarin de kleindere natien,
+die voorheen ook dezen grond bewoonden, versmolten waren, wat met
+name van het overschot der voormalige Batavieren mag gezegd worden,
+die zich met de Friezen vereenigd hebben;--Franken, Saksen en Friezen
+bezetteden alzoo het grootste deel van het tegenwoordige Frankrijk
+en onze Nederlanden, en naarmate de Saksen hunne vorige woonplaatsen
+verlieten, hebben de Friezen zich daarin uitgebreid."
+
+»Toen de Franken nog aan de Friezen grensden, werd er een gedeelte der
+eerstgemelden, bij zekere gelegenheid, door den Romeinschen Keizer
+Probus naar de kust van Pontus overgebragt. Deze Franken, gedreven
+door liefde tot den voormaligen grond, verlangden daarna terug te
+keeren. Zij maakten zich meester van eenige Romeinsche schepen, zeilen
+daarmede door den Bosphoros en den Hellespont tot in de Middellandsche
+zee, plunderen de kusten van Asia, Griekenland, de rijke stad Syrakuse
+op het eiland Sicilië; zeilen vervolgens door de straat van Gibraltar,
+en zoo komen deze stoutmoedige roovers, langs de kusten van Spanje
+en Frankrijk, door het kanaal, aan het strand der Batavieren of
+aan dat der Friezen. Dit einde van hunnen togt, welke eene reis om
+de wereld mag heeten, maakt het waarschijnlijk dat er ook Friezen
+onder deze zeevaarders geweest zijn, en dat de eer dier onderneming,
+aan welke men zijne bewondering niet kan weigeren, ook gedeeltelijk
+aan onze voorouderen toekomt. Van oudsher was verkleefdheid aan den
+vaderlandschen grond een hoofdtrek van het Friesche karakter."
+
+»Nadat de Saksen de onmiddellijke naburen der Friezen geworden
+waren, hebben zij met dezen in verbond geleefd. Ook mag men het
+daarvoor houden, dat de lotgevallen der Saksen, bij de Schrijvers
+der middeleeuwen vermeld, grootendeels mede die der Friezen geweest
+zijn [136], die dan eerst weder met hunnen eigenen naam ten tooneele
+verschijnen, nadat de Saksen oostwaarts wijken voor de Franken, die
+zich op nieuw tot aan Friesland uitbreiden, en eindelijk ook daar
+meester worden."
+
+»Zoo is het b. v. bij de naauwkeurigste en oordeelkundigste
+Geschiedschrijvers zeker, dat er Friezen geweest zijn onder de Saksers
+en de met hen vereenigde Anglen (een ander noord-oostelijk volk),
+die zich, onder aanvoering van Hengst en Hors, zoo men ze noemt,
+in 449 of 50 naar Brittanje, het tegenwoordige Engeland, begaven. En
+hoewel het nagenoeg zeker is, dat de aanvoerders zelve Saksen waren,
+komt het ons voor, dat zelfs het grootste gedeelte dier vreemdelingen
+uit Friezen heeft bestaan."
+
+»Zij waren tot die overkomst uitgenoodigd geworden door de Britten
+zelven, die hunne noordelijke grens-naburen, de Schotten en Pikten,
+niet wederstaan konden. Van hen en van de dochter van Hengst, de
+schoone Ronixa of Rovena, maken zoowel de Britsche kronijken als de
+onze gewag."
+
+»Hier voor pleit ook de overeenkomst van de Engelsche met de echt
+Friesche taal, beide dochters der Saksische, naderhand Anglo-Saksische
+genaamd, d. i. dier taal, welke de in Brittanje overgekomene Saksen,
+Anglen en Friezen spraken. De Britten tot hun ongeluk te laat beseft
+hebbende, dat zij nimmer ter beslissing der twisten op hun eiland,
+vreemden hadden moeten inhalen, moesten later die vreemden tot hunne
+heeren aannemen, of hun vaderland ontwijken. Velen begaven zich naar
+een gedeelte van Frankrijk, naderhand naar hen Bretagne genaamd; de
+overigen versmolten in de Anglo-Saksen. De tegenwoordige Engelschen
+en de Friezen mag men met regt broeders kinderen heeten. Ware deze
+les voor de Friezen slechts niet evenzeer verloren gegaan als voor
+zoo vele latere volkeren!"
+
+
+§ 8.
+
+J. na C. 468, 496, 555, 562, 605, 628, 631.
+
+»Doch toen de Saksen en Franken elkander wederkeerig te magtig
+werden, ontstond er groote vijandschap tusschen deze beide strijdbare
+volkeren. Toen de Koning der Franken, Childerik, met zijnen mededinger
+Egidius (Gilles) om de kroon twistte, kozen de Saksen de zijde van den
+laatstgemelde, die hen om bijstand aanzocht. Staatkundig was het, het
+verzoek van den zwakste in te willigen, ter vernedering en verzwakking
+van den magtigste.--Maar de Saksers streden zoo ongelukkig, dat zij
+genoodzaakt waren, zich aan Childerik te onderwerpen, zelfs hem bij te
+staan in zijne oorlogen tegen andere Duitsche volkeren. Daarna weder
+in oorlog geraakt met Childerik's zoon, Klovis, schoten zij ook tegen
+dezen te kort. Klovis verdeelde, bij zijnen dood, zijn rijk onder
+zijne zonen, en dat gedeelte, hetwelk vervolgens onder Oost-Frankrijk
+of Austrasie heeft behoord, grensde aan de Saksen.--Eerst het aandeel
+van Theodorik I zijnde, geraakte het later in handen van Klovis'
+jongsten zoon, Chlotarius I. Deze met de Saksen in oorlog geraakt,
+bragt hun verscheidene nederlagen toe. De strijd werd telkens hervat,
+en eindigde met de oplegging eener schatting aan den vijand, die van
+den Franken 500 koeijen jaarlijks te leveren."
+
+»Evenmin gelukkig waren zij tegen Sigebert I, zoon van Chlotarius I,
+en Koning van Austrasie, die hen sloeg aan het Boerdiep, d. i. de
+Middelzee, dus in het hart van ons tegenwoordig Friesland,--tegen
+Theodebert II en Theodorik II, kleinzonen van voormelden Sigebert I,
+Koningen van Austrasie en Bourgonje,--tegen Chlotarius II, Koning van
+geheel Frankrijk, en tegen Dagobert I, diens zoon. Deze laatste schold
+hun de schatting kwijt, hun door Chlotarius I opgelegd, mits zij de
+Slavoniers, een Noordsch volk, dat hem te magtig was, beteugelden,
+'t geen hun echter niet gelukte."
+
+
+§ 9.
+
+Jaren na Chr. 513, 677.
+
+»Inmiddels hadden de Noordsche volkeren niet stil gezeten. Nogtans
+vielen zij met meer zoo bij voortduring op de Friezen aan als te
+voren. 't Schijnt zelfs dat dezen, of om in den stijl van dien tijd te
+spreken, de Saksen, hen hebben bijgestaan tot het doen van eenen inval
+op het grondgebied van den reeds vermelden Theodorik I. Toen Dagobert
+hun de schatting kwijtschold, was Adgillus I Koning der Friezen. Hem
+kunnen wij prijzen als een regtvaardig en edel Vorst. Hij vergunde
+het prediken van het alleen zaligmakend Evangelie in deze landen. De
+heilige Wilfrid, Bisschop van Jork in Brittanje, kwam van daar
+herwaarts. Zijne vijanden aan het Engelsche hof, waartoe de Koning zelf
+schijnt behoord te hebben, wanende dat hij naar Frankrijk was gegaan,
+wisten den ondeugenden Ebroïn, toen Groot-Hofmeester bij den Koning
+van Frankrijk, in hun belang te trekken. Deze schreef aan Adgillus,
+en beloofde hem eene aanzienlijke som gelds, bijaldien hij hem den
+Bisschop, levendig of dood, wilde overleveren. Adgillus was geen
+Christen, maar de oude deugd der Duitschers (der Friezen vooral, zeggen
+wij) woonde in zijn hart. Hij deed een' brief, in tegenwoordigheid
+van Wilfrid en zijne medgezellen, en in dien van Ebroïns gezanten,
+luide voorlezen; vervolgens nam hij dien, verscheurde hem, en leverde
+het overschot der vlam over, de Frankische afgezondenen den smaad en
+der schaamte ter prooi latende."
+
+»Volgens onze kronijken, deed ook Adgillus zekere hoogten of terpen
+opwerpen, opdat zich de landzaten daarop bergen mogten tegen de
+overstroomingen, welke van oudsher deze landen met wee en jammer
+overstelpten [137]."
+
+
+§ 10.
+
+J. na Chr. 679, 685, 687, 711, 719.
+
+»De opvolger van Adgillus, Radboud I, (of hij zijn zoon was,
+wordt door sommigen, niet zonder grond, betwijfeld) regeerde niet
+gelukkig.--Volgens de Kronijken, werd hij zelfs door de Denen
+gevangen genomen en naar Denemarken gevoerd; naderhand echter weder
+vrij gegeven. Het Frankische Rijk was een tijdlang ter prooi aan
+binnenlandsche oneenigheden. Van deze schijnt Radboud zich aanvankelijk
+bediend te hebben, ten einde zijn Rijk tot aan den mond der Schelde
+uit te breiden. Dit echter wikkelde hem in eenen krijg met de Franken,
+die voorlang de Saksen verdreven hadden uit de landstreken, welke
+Radboud nu aan zich trok, en er meesters geworden waren."
+
+»De Koningen der Franken waren thans slechts Koningen in naam,
+en de klem van het bewind was in handen (sedert 687) van den
+Groot-Hofmeester Pepijn van Herstal, die zich Hertog en Prins der
+Franken noemde. Pepijn schijnt Radboud een aanzienlijk gedeelte van
+zijn Rijk ontweldigd te hebben, onder anderen Wiltenburg (Utrecht), 't
+welk Pepijn vervolgens ten verblijve gaf aan Willebrord, door den Paus
+tot Bisschop der Friezen verheven. Pepijn was een ijverig Christen,
+en wist het Christendom wonder wel dienstbaar te maken aan zijne staat-
+en heerschzuchtige oogmerken. Radboud haatte Pepijn en het Christendom,
+hetwelk hem aan Pepijn onderwerpen moest. Daarom verwoestte hij bij
+de eerste gelegenheid de beste den nieuwen Bisschopszetel, doch moest
+weder voor Pepijn zwichten."
+
+»Op nieuw werd de prediking in Friesland hervat. Zelfs nam Radboud's
+dochter, Theodesinde of Teutsinda, het Christendom aan, en werd de
+echtgenoote van Grimoald, zoon van Pepijn. Dit bewijst duidelijk,
+dat de zoo magtige Franken evenwel geene kans zagen, zich de Friezen
+te onderwerpen, en dat Pepijn uit dien hoofde, zich door zoodanig eene
+verbintenis, ten minste tegen hunne vijandschap, poogde te verzetten."
+
+»Deze Grimoald werd daarna vermoord door zekeren Rangarius, welke
+gezegd wordt tot de lijfwachten van Koning Radboud behoord te
+hebben. Daarom wijten sommigen hem, anderen zijner dochter, dien
+moord. Doch dit is ver van bewezen, en wij zien inderdaad niet,
+dat Radboud enig belang bij den ondergang van Grimoald zoude gehad
+hebben, eene reden te minder, om aan die beschuldiging geloof te
+slaan.--Wel zegt een onzer Geschiedschrijvers, dat Radboud, die
+zich immer nog niet ontzag de Christenen te vervolgen, niet beducht
+voor de wraak van Pepijn, wiens jaren hoog geklommen waren, vreezen
+moest, dat Grimoald den hoon, zijnen vader aangedaan, zou wreken,
+en hem daarom uit den weg moest ruimen; doch wat zou hem dit gebaat
+hebben, daar Pepijn nog twee andere volwassen zonen had, door geene
+echtverbindtenis aan Radboud verbonden, en van welke hem dus zoodanig
+eene wraak nog veel meer stond te vreezen?"
+
+»Om een bewijs te geven, hoe verschillend de latere Geschiedschrijvers
+de gebeurtenissen van dien tijd opvatten, en hoe moeijelijk het
+daarom is, een overzigt van denzelven daar te stellen, willen wij,
+hetgeen op dien moord volgde, op tweederlei wijze verhalen."
+
+»Pepijn, zegt een der beroemdste hedendaagsche Duitse
+Geschiedschrijvers [138], bepaalde hierop, dat Theudoald, Grimoald's
+onechte zoon, Hofmeester in Austrasie zou worden, welke waardigheid
+alleen Pepijn eigenlijk had bekleed, hoewel hij ook grooten invloed
+op de zaaken van West-Frankrijk (Neustrië of Neustrasie) had. Daarop
+deed Plectrude, grootmoeder van Theudoald, de zonen van Pepijn bij
+zekere Alpheid (of Alphaïda), Karel (Martel) en Hildebrand gevangen
+nemen, opdat zij aan Theudoald de waardigheid van Groot-Hofmeester
+niet betwisten zouden. Dit kon niet geschieden zonder voorkennis
+van Pepijn.--Pepijn stierf. De West-Franken verkozen toen zekeren
+Raginfrid tot hunnen Groot-Hofmeester. Daartegen verzetteden zich de
+Oost-Franken, met Theudoald aan 't hoofd. Er viel een veldslag voor,
+dien de Neustrasiers wonnen. Theudoald nam de vlugt, en kwam kort
+daarna om. Hierop ontkwam Karel Martel zijner gevangenis, en wilde
+zich met het Groot-Hofmeesterschap van Austrasie te vreden houden. Ook
+dit wilden de Neustrasiers hem niet laten. Nu streed hij dan om het
+geheel, en het gelukte hem, Groot-Hofmeester over de beide Rijken,
+ook Hertog en Prins te worden. Theudoald was voor het overige ouder
+dan Karel, die omstreeks 690 geboren was."
+
+»Pepijn, zegt een der nieuwere en wijsgeerigste Fransche
+Geschiedschrijvers [139], was Groot-Hofmeester over geheel Frankrijk;
+eene van zijne grootste zorgen was, alle onderscheiding tusschen
+Austrasie en Neustrië te doen verdwijnen; maar hij was genoodzaakt,
+die onderscheiding weder op nieuw te maken, ter gunste van zijne
+zonen. Toen Grimoald stierf, liet hij eenen zoon na, Theudoald, oud
+ongeveer zes jaren. Dezen schonk Pepijn toen het Groot-Hofmeesterschap
+van Neustrië. Toen stierf hij. Na zijnen dood deed Plectrude Karel
+Martel gevangen nemen,--van Childebrand (Hildebrand) wordt niet
+gesproken; dit had Pepijn voorzeker niet gelast. Daardoor veroorzaakte
+zij dat Karel, die anders aan Theudoald het Groot-Hofmeesterschap
+van Neustrië wel zou gelaten hebben, als zich met dat van Austrasie
+kunnende vergenoegen, nu uit wraak, om den hem aangedanen hoon, hem dat
+moest betwisten.--De grooten van Neustrië, niet door een kind willende
+geregeerd worden, kozen Raganfrid. Deze wilde Groot-Hofmeester van
+het geheele Rijk worden. Het overige komt met het verhaal van den
+Duitscher nagenoeg overeen. Alleen wordt, bij den Franschman, Ramfroy
+(Raganfrid) eerst na de nederlage van degenen, die het voor Theudoald
+opnamen, tot Groot-Hofmeester verkoren."
+
+»Zooveel is intusschen zeker, dat Raganfrid, die alleen wilde
+heerschen, en eindigde met alles, op één Graafschap na, te verliezen,
+naderhand echter zoo verstandig was, zich met hetzelve tevrede te
+houden, hetwelk andere overweldigers, die in het eerste zijn voorbeeld
+gevolgd hebben, niet deden; dat deze Raganfrid hulp zocht bij Radboud,
+dien de Fransche Schrijvers slechts Hertog der Friezen noemen;--hij
+mogt geen hooger rang dan Pepijn en Karel hebben. Dit moet den
+doodvijand der Austrasiers welkom geweest zijn.--Hij trok te veld,
+en overwon Karel, die hem afzonderlijk aanviel. Hij schijnt zich
+vervolgens met de Neustrasiers vereenigd te hebben tot het beleg
+van Keulen, in welke stad Plectrude zich onthield, die, nadat de
+Neustrasiers hadden moeten aftrekken, omdat Karel hen in den rug
+dreigde, hem tot den aftogt, door eene aanzienlijke som gelds,
+overhaalde."
+
+»Hiermede was echter de krijg tusschen Karel en Radboud nog niet
+geëindigd. Nadat Frankrijk-zelf was bevredigd geworden, schijnt
+Radboud, die misschien zijne aanvallen op dat gedeelte van zijn gebied,
+hetwelk hem door Pepijn was afgenomen, hernieuwd heeft, nog eene
+nederlage aan de Middelzee te hebben geleden, en dien ten gevolge
+op nieuw de prediking van het Christendom door geheel Friesland te
+hebben moeten toestaan. Daarna verklaarde hij zich zelfs bereid den
+H. Doop te ontvangen. Toen echter Wulfram, laatstelijk Bisschop
+van Sens, gereed stond, hem dien toe te dienen, en hij bereids
+met den éénen voet in de doopvonte stond, vroeg hij den Bisschop,
+of hij zijne voorvaderen en de verstorvene Friesche Edelen ook in
+den hemel hervinden zoude? Wulfram's onbedacht antwoord: dat die in
+de hel waren, als ongedoopten, deed hem, onder het zeggen, dat hij
+liever met zijne voorvaderen en vrienden in de hel, dan met aan hem
+onbekende Christenen in den hemel zijn wilde, den voet terugtrekken."
+
+»Volgens anderen zou dit al onder Pepijn zijn voorgevallen. Sommigen
+verklaren de geheele gebeurtenis, welke den inborst van Radboud
+nogtans volkomen kenschetst, voor eene fabel."
+
+»Kort daarop kwam Radboud te sterven."
+
+
+§ 11.
+
+J. na Chr. 734, 738, 744, 746, 754 of 755.
+
+»Wie hem opvolgde, is niet geheel zeker; sommigen zeggen, zijn
+zoon Adgillus II, anderen, zekeren Poppo. Misschien is het
+Radboud I mogelijk geweest, zijn gebied, op het voorbeeld der
+Frankische Koningen, onder zijne kinderen te deelen, en dan zal hij
+Oost-Friesland, het land der groote Friezen, aan zijn oudsten zoon,
+Adgillus II, en wat hem van het overige gebleven was (Noord-Holland),
+aan diens broeder Poppo gegeven hebben."
+
+»Poppo oorloogde met Karel Martel. De twistappel, hetgeen den Frieschen
+Koningen van het voormalig land der kleine Friezen ontnomen was,
+was voorhanden. Poppo is waarschijnlijk in dien strijd gesneuveld,
+zonder dat de Friezen meer gronds verloren; zijn broeder erfde zijn
+Rijk, en verdeelde bij zijnen dood hetzelve weder onder zijne zonen,
+Gondebald en Radboud II."
+
+»De laatste bekwam West- de eerstgemelde Oost-Friesland."
+
+»Gondebald was een vreedzaam Vorst; maar Radboud II had den aard en
+de denkenswijze van zijnen voorzaat van gelijken naam, en bovenal
+diens afkeer van het Christendom overgeërfd. Met de Saksen verbonden,
+beoorloogde hij Karoloman en Pepijn den Korte, zonen en opvolgers van
+Karel Martel, maar zonder vrucht. Daarentegen stond hij zijn' broeder,
+Pepijn, bij tegen de Saksen. Het schijnt op aandrijving van Radboud
+geweest te zijn, dat de vrome Bonifacius, Aartsbisschop van Maintz,
+het Christendom verkondigende, in het gebied van Gondebald, omtrent
+het toenmalige vlek Dokkum, door de ongeloovige Friezen vermoord is
+geworden. Althans Pepijn, toen reeds Koning der Franken, heeft dien
+moord op hem gewroken, of dien, tot voorwendsel om hem op nieuw te
+beoorlogen, genomen. Radboud moest de vlugt naar Denemarken nemen,
+en misschien heeft hij zich toen eenigen tijd op het eiland Helgoland
+opgehouden, en aldaar de afgodendienst in al haren vorigen luister
+hersteld. Ook zou het kunnen zijn, dat Gondebald eerst toen, na het
+vertrek van Radboud, de kroon verkregen heeft, en dat de laatstgemelde
+tot dien tijd toe alleen in Friesland geheerscht had. In dit geval
+zouden wij onderstellen mogen, dat Radboud de oudste zoon van Adgillus
+II geweest is."
+
+
+
+Tot dusverre het Overzigt van den heer v. Halmael, uit al
+de Geschiedschrijvers bijeengebragt en met zijn eigen oordeel
+verrijkt. Het verschil in de jaren, waarin de gebeurtenissen worden
+vermeld, is bij vele Schrijvers zeer opmerkelijk; dan een opzettelijk
+onderzoek hierover, zou voor ons doel van weinig nut zijn.--Wij zullen
+liever de korte geschiedenis van Radboud tot aan zijnen dood vervolgen.
+
+In den jare 768 stierf Pepijn, nalatende drie zonen, Karloman, Karel
+en Gilles; welke beide eersten, daar de laatste tot den geestelijken
+stand was opgebragt, het rijk verdeelden. Karloman viel Oost-Frankrijk
+en Karel Friesland ten deel. Karel, door zijne regtschapenheid,
+vele deugden en groote kundigheden, verwierf zich te regt den naam
+van den Grooten [140]; maar zijne onrustige broeder, wien twist en
+tweedragt liever was dan rust en vrede, vervolgde hem steeds als een
+vijand. Dan slechts drie jaren werd hem daartoe gegeven, want toen
+stelde de dood paal en perk aan deze kwelling. Karel werd nu ook als
+Koning van Oost-Frankrijk erkend.
+
+Radboud, de bittere vijand zoowel der Christenen als der Franken,
+was in Friesland teruggekeerd, algemeen weder tot Koning erkend,
+en begon zijnen woesten aard en wreede vervolging weder vrijen
+teugel te vieren. Hij vereenigde zich met der Saksen Koning of
+Hertog Witekind, ten einde Karels magt te fnuiken en op den troon
+te blijven. Meer dan eens moest hij echter het onderspit delven,
+tot hij eindelijk gedrongen werd weder naar de Denen de wijk te
+nemen. Een paar jaren daarna, (gelijk sommige Schrijvers beweren)
+tijdens den togt van Karel naar Spanje, waarin alwat Frankenland
+groot en edels opleverde, tot volkomen nederlaag en vernieling werd
+gebragt, kwam de nog woelzieke Radboud in Friesland, en hernam het
+bewind, doch slechts voor twee jaren lang.--Karel's legertroepen
+joegen den woesten Fries weder naar Denemarken, zijn toevlugtsoord,
+alwaar hij in ballingschap zal gestorven zijn. Geene zekere, zelfs
+flaauwe narigten van zijn levenseinde, zijne familie of kinderen is
+aan de nakomelingschap overgebragt.
+
+In Oost-Friesland zijn nog overblijfselen uit den ouden tijd aanwezig,
+zoo als de Kon-Rebberts- en Rabboltswegen, de Rabboltsbergen en een
+deel van de heerbaan in Groningerland, welke Radbodiweg genoemd wordt
+[141].
+
+
+Bl. 6.
+
+Over het Friesche Wapen meenen wij te mogen aanmerken, dat, wanneer
+men het oude Wapen van Friesland, voorkomende bij Winsemius,
+Hamconius en anderen, voor het familiewapen der Friesche Koningen
+houdt, de geschiedenis hiermede in strijd is, als den oorsprong der
+Familienamen en Wapens uit de tijden der Kruistogten, aangevangen in
+1096, vermeldende; terwijl de laatste Koning, Radboud II, omtrent
+den jare 775 de kroon verloor, en waarschijnlijk kort daarop is
+gestorven. Sommigen hebben echter beweerd, dat de oorsprong der Wapens
+reeds bij de oude Germanen te zoeken zij; doch hoewel de schilden der
+voornaamste krijgshelden onder hen werden beschilderd en versierd,
+vindt men geen bewijs voor de regelmatige zamenstelling en afwisseling
+van kleuren naar bepaalde regels, of van eenige figuren tot kenteeken
+aangenomen. Hebben de Friezen, voor dat zij met de Romeinen bekend
+waren, vanen gebruikt, het blijkt nergens uit, dat deze met figuren
+zouden zijn voorzien geweest; en van de Romeinen konden zij die niet
+overnemen, daar deze wel effen gekleurde en met goud gestikte vanen
+bezigden; doch van regelmatige wapen-figuren vindt men niet vermeld
+[142].
+
+Het oude Friesche Wapen heeft zeer veel overeenkomst met die
+wapenschilden, welke sedert de Kruistogten in gebruik kwamen,
+en dit versterkt de meening, dat het niet van Friso's tijd af als
+Landswapen of als veldteeken is gevoerd.--Hamconius zegt, dat van
+Friso af tot Beroald het Wapen bestaan hebbe uit een azuren schild,
+waarop drie zilveren balken, op welke zeven roode plompebladeren
+(niet pompelbladeren, zegt Dodonaeus) geplaatst waren.--Van Beroald
+tot Radboud II werden er een balk met vier bladeren bijgevoegd,
+zoodanig als Beroald het veranderde, toen hij, de dochter van Koning
+Ridzard gehuwd hebbende, na den dood zijns schoonvaders Oost- en
+West-Friesland vereenigde.--Suffr. Petri plaatst de plompebladeren
+tusschen de balken en niet op dezelve, strijdig met de regelen der
+Wapenkunde, welke niet toelaten, dat men kleuren op kleuren, maar wel
+kleuren op metalen plaatst, gelijk men dit bij de Schrijvers over de
+Heraldie zal vinden.--Koning Haron zoude vroeger aan de Hertogen van
+West-Friesland een Wapen gegeven hebben, met slechts één zilveren balk
+en vier roode plompebladeren in het blaauwe schild.--Met de regering
+van Karel den Groote kwamen de leeuwen en blokjes in het Landswapen.
+
+
+Bl. 7.--Ao 245.
+
+De Friesche Pateele en de Friesche Hoorn. Winsemius, Chron. fol. 12,
+spreekt niet uitdrukkelijk van de eigenlijke Pateele als door Adel
+ingesteld, maar wel van de vriendenmaaltijden en andere bijeenkomsten,
+waarop men zich, ook op Duitsche wijze, aan de dronkenschap overgaf:
+iets dat aan geen tijdvak zeer vreemd is. Echter werd er spoedig bij de
+feesten een ceremonie- of zedemeester aangesteld, wien bij het drinken
+vooral het toevoorzigt was gegeven. De kantteekening van Wins. ter
+a. p. luidt: »Die Vriesche Hoorn inghestelt met den Schuttel."--Deze
+Pateele of schotel zou uit dertien of veertien verschillende geregten
+bestaan hebben, en de Hoorn een gewone stierenhoren geweest zijn. Wie
+nu de geschiedenis van Adel voor eene fabel houden, beweren, dat de
+Friezen het gebruik van uit Horens te drinken van de Denen en Noren
+hebben overgenomen.--Dan stellig is het, dat het gebruik in overouden
+tijd bestond; als ook, dat men later de Horens niet meer van gemeene
+stieren, maar van Ur-ossen genomen heeft, dezelve zeer versierde en
+met goud en zilver prachtig liet beslaan.--In de onuitgegeven Kronijk
+van Worp van Thabor, Lib. I. cap. 2, wordt hierover uitgewijd. Zie
+Hamconius, Frisia, fol 8; Gabbema, Verh. van Leeuw., bl 13; Alkemade,
+Displegtigheden, II. 408 volgg.
+
+
+Bl. 7.--Ao 245.
+
+Adelingen. Ofschoon er reeds in de vroegste tijden, en welligt in
+Friesland vroeger dan elders, een stand van mannen bestond, die men
+Edelen noemde, is het echter niet aannemelijk, dat zij hunnen naam
+van dien van Prins Adel hebben ontvangen. Immers de afleiding van het
+woord spreekt het tegen. Het zij voldoende, uit meerderen hier het
+aangevoerde van de kundige en schrandere Vertalers en Aanteekenaren
+op de Oude Friesche Wetten aan te halen, en als het meest aannemelijk
+denkbeeld na te volgen. Aldaar, op bl. 132, lezen wij: »Waar in het
+weezen van den Adel, onder de Duitsche volken, bij ouds bestaan
+hebbe, kan met geen volkomen zekerheid bepaald worden.--Leibnits
+(Excerpt. Mejerian. p. 289) en Gærtner (ad. L. L. Sax. p. 21.) leiden
+het woord Edelman af van het over oud woord ot of od predium,
+possessio, [een goed, hetzij op het land of in de stad; bezit]
+(waar van allod), zoo dat Edelman zooveel zoude zijn als odelman,
+predii vel pagi possessor, [groot goed- of landbezitter] en stellen
+op dien grond het oorspronglijk weezen van den Adel in de bezitting
+van aanzienlijke vaste goederen."--Wachter en anderen stellen het
+wezen van den Adel in hooge geboorte; doch altijd blijft de vraag,
+hoe de eerste edelman in de wereld gekomen zij.
+
+Adel dus van od, ode, ade, ede [143], grond, bezitting afkomstig,
+zoo is Edele, Edelman oorspronkelijk een grondbezitter. Daar nu deze
+Edellieden, als de aanzienlijkste personen, natuurlijke voorregten
+genoten, tot hooger ambten en vooral tot hoogere rangen in de
+krijgsdienst werden verkozen, hadden zij ook, in de vroegste tijden
+namelijk, over hunne minderen het beheer en bestier, zelfs eigene
+regtspleging en vrij gebied. In lateren tijd echter werden er algemeene
+bepalingen, blijkbaar uit de alleroudste Friesche wetten (Lex Frisionum
+sive antiquae Frisiorum leges) gemaakt, waaraan de Edelen zich moesten
+houden. De afstammelingen der grondbezitters, rijksten, traden, hoewel
+niet regtens, in de voorregten der ouders, met het ontvangen van het
+ouderlijk erfdeel (Ethel, in 't Oud-Friesch). De rijken evenwel, die
+zich goederen aankochten, werden niet onder den Adelstand opgenomen,
+omdat hunne voorouders niet onder de Edelen hadden behoord: zoodat
+al zeer vroeg de Adel zijn voorregt aan geboorte toekende.--Destijds
+bestonden nog bij den alouden Frieschen Adel geene brieven, wapenen
+of teekenen van Adeldom, daar deze eerst in de XI of XII eeuw in
+gebruik zijn gekomen.
+
+Ten tijde van den regerenden Vorst, Hertog Georg van Saxen, (1505)
+werd op diens last een register van den Frieschen Adel opgemaakt
+[144], in hetwelk de in de Grietenijen aanwezige Edelen, met de wegens
+oorlogen of onlusten afwezigen, werden opgeschreven. Hierdoor mogen
+wij vooronderstellen, dat van dien tijd af de wezenlijke erkenning
+van den Adel heeft plaats gehad, en ook de bepaalde erfopvolging is
+begonnen. De Friesche Adel onderscheidde zich alzoo van die van andere
+landen, daar de eerste ten gevolge van vrij en onafhankelijk bezit van
+goederen tot dien stand was verheven, terwijl de andere ten gevolge van
+landgoederen, van zijnen Vorst ontvangen, daartoe geraakte; ook werden
+er soms door den Vorst, zonder dit, in den adelstand ingelijfd, dat is,
+in diens voorregten gelijk gesteld. Zoo had men dan ook in Friesland
+niet de verdeeling in bijzondere rangen, als Graven, Hertogen, Baronnen
+en Heeren, [145], maar alleen den rang en titel van Friesch Edelman,
+den hoogsten rang en titel, welken men voeren kon en wilde. Echter
+verkoos men in den eersten tijd zich Raden, Hoofden en Aanvoerders in
+oorlog en vrede, die dan Heerschappen en Hovelingen, en in de steden,
+bepaaldelijk Oldermannen genoemd werden. Deze posten bleven ook in
+de familiën.
+
+Onder de regering van Keizer Lotharius II , omstreeks den jare 1125,
+bestond er tweederlei Adel,--de Hoogere, die onmiddelijk onder den
+Keizer was gesteld, en de Lagere, die onder Hertogen en Graven behoorde
+te staan. Dan de Friesche Edellieden wilden geene Hertogen of Graven
+van Friesland erkennen, maar alleen onder de oppermagt des Keizers
+staan, even als hun land. Leenmannen te wezen was hun een ondragelijk
+denkbeeld, even als het voorregt uit vorstengunst gesproten, en zoo was
+dan ook de alleen begeerde titel van Friesch Edelman geen mindere, dan
+die van Graaf en Hertog. Het gebruik bij den Adel, om zich naar hunne
+landerijen en kasteelen te noemen, was in Friesland minder algemeen,
+daar men voor geslachtsnaam veeltijds den voornaam zijns Stamvaders
+nam. Men leze v. Halmael's Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, § 24:
+Friesch Jierboeckjen, 1833. Vergel. voorts het vertoog van Jonkheer
+M. Hettema over den Oorsprong van den Frieschen Adel, voorkomende
+in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 27 November 1832;
+de Narede van den Heer v. Halmael achter zijn Treurspel Ats Bonninga;
+F. Sjoerds, Beschr. v. Friesland, I. 470; Wakker van Zon, zijn Boekje
+getit. de Adel, door Anonymus Belga, p. 16. volgg.
+
+
+Bl. 10.--Ao 59.
+
+Over den Afgod Stavo, denzelfden met Thor, leze men Westendorp's
+Verhandeling over het gebruik der Noordsche Mythologie, (in de
+Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederl. Letterk. II. D. 1
+St.) p. 29-33;--en vergelijke Oudh. en Gest. van Vriesl. I 283-285
+en 485.
+
+
+Bl. 12--Ao 4.
+
+'t Roode Klif. Al de wonderen van het Roode Klif, nabij Stavoren,
+met en zonder het bestuur des Duivels, alhier en vervolgens vermeld,
+kunnen wij op geenen goeden grond den waarheidlievenden Lezer
+aanbevelen. Echter willen deskundigen, na ontdekking en onderzoek
+van eene soort van lava in den grond aanwezig, het denkbeeld niet
+verwerpen, dat het Klif een vulkaan van minderen rang is geweest, of
+ten minste daarvan eigenschappen heeft gehad.--Over de menschenoffers
+in Friesland gebruikelijk, zie de Aant. op 't jaar 700.
+
+
+Bl. 13.--Ao 29.
+
+Deze Holle, Olennius, was Hoofdman eener Keurbende, en Landvoogd
+van wege de Romeinen over Friesland. F. Sjoerds (Jaarb. I. 128)
+noemt hem »een gemeen persoon onder de Voorpyllenaars" [146].
+
+De verklaring van Holle of Hollo, naar de Friesche taal Hoofd,
+Hoofdman, vindt men bij Hamc. Fris. p. 11, en bij S. Petri, de
+Frisior. Antiq. et Orig. Lib. I. Cap. IX, welke laatste hem, echter
+verkeerd, een Fries van afkomst noemt.--Diocarus ontving eerst,
+volgens de kronijken, na de overwinning op de Romeinen den naam van
+Segon. Hamc. I. I.
+
+
+Bl. 13.--Ao 29.
+
+Omtrent het woud Baduhenne. Over den oorsprong en ligging van dit
+in de Vaderlandsche Geschiedenis beroemde heilig woud is verschil
+ontstaan, zoo als natuurlijk volgen moet, wanneer geene de minste
+narigten uit de oudheid overblijven. Er pleit echter meer voor, dat
+deszelfs ligging in de Wouden dan bij Franeker geweest zij. Even zoo
+is het onzeker welke Godheid, aldaar vereerd, door Baduhenna wordt
+aangeduid. Ook de Oudheidkenner Westendorp heeft het onbeslist gelaten
+in zijne genoemde Verhandeling. v. Halmael, in het voorberigt voor
+zijn Treurspel Adel en Ida, zegt: »De naam van het woud Baduhenna
+is voorzeker door Tacitus verlatijnd. Wanneer men er den uitgang
+enna of henna (dien wij, hoewel misschien anders gewijzigd, ook
+in den naam Nehalennia ontmoeten,) afwerpt, heeft Badu genoegzame
+overeenkomst met Balder, om de onderstelling te rechtvaardigen, dat
+Baduhenna een aan Balder geheiligd woud was." Dit komt ons geenszins
+vreemd voor, daar ook de vereering van den in de Scandinavische
+godenleer zeer bekende Godheid Balder, zoon der Godinne Frigga,
+voornamelijk en welligt uitsluitend tusschen den Rijn en den Wezer
+plaats had, en aldaar in hoogen rang en van groot gezag was.--Dat
+er in Friesland gewijde bosschen zijn geweest, is buiten twijfel;
+jammer maar dat hunne ligging niet is nagespoord geworden, en dit,
+met zoo vele andere zaken, voor een nageslacht bewaard blijft, 't
+welk alsdan in zijne nasporingen misschien niets meer ontdekken zal,
+dan dat het eenige eeuwen te laat gekomen is!--Vergel. West. zijne
+uitstekende Verh. over het gebruik der Noordsche Mythologie. Halma,
+Toneel der Vereenigde Nederlanden, enz.
+
+
+Bl. 15--Ao 59.
+
+Vryt of Verritus en Malorix,--of Maloriges. In de Jaarboeken van
+Tacitus, het dertiende, is het voorval dezer beide gezanten, welke
+hij regerende Vorsten noemt, in zijne bijzonderheden omschreven,
+bepaaldelijk vermeldende hunne vrijmoedigheid, toen zij in den
+schouwburg meer met de aanschouwers dan met het spel zich bezig
+hielden, en van zitplaats veranderden, om zich in het Raadsheerlijk
+gestoelte neder te zetten, onder de afgezanten van andere volken,
+die men wegens trouw en vriendschap bijzonder eer bewees. Deze aloude
+opregtheid, zoo als men het noemde, beviel niet alleen aan het publiek,
+maar ook den Keizer Nero zoo wel, (wien in eene kwade luim zulk een
+gedrag weleens zeer mishaagd konde hebben) dat hij den Gezanten het
+belangrijk burgerregt te Rome schonk.--Van de bekeering in den tekst
+vermeld, ook bij Winsemius geboekt, wordt bij Tacitus niet gewaagd,
+zoo als het ook niet voor waarheid wordt aangenomen, onder anderen
+door Harkenroht in zijne Oostfr. Oorsprongkelykheeden, p. 24 en 29,
+dat Verritus en Malorix, of zoo als zij anders mogen geheeten hebben,
+uit de adellijke geslachten der Hermana's en Cammingha's gesproten
+zijn, 't welk door Suffr. Petri en Hamconius wordt beweerd.--P. Nota,
+in zijn Aanhangzel betreffende de Oudheden van Berlikum, p. 79
+in de noot, vermeent, in de woorden van Tacitus de bevestiging te
+vinden, dat Verr. en Malor. geene Friesche maar Duitsche gezanten
+geweest zijn. Maar waarom kunnen zij niet enkel Leidslieden van de
+uittrekkende Friezen geweest zijn, en een ander Koning of Vorst der
+teruggeblevenen? Deze gebeurtenis, zegt West. Jaarb. p. 15, behoort
+niet tot de geschiedenis der Groote Friezen.
+
+Betrekkelijk deze namen vinden wij bij A. Ypeij, Geschied. der
+Nederl. Tale, I. D. bl. 161 noot, onder de bewijzen, dat de oude
+Friezen vele namen met hunne buren gemeen hadden, en er dus eene groote
+wederzijdsche gemeenschap van volk en taal bestond, 't navolgende:
+»Reeds onder de oudste Vriezen schijnen er zulke algemeene namen in
+gebruik te zijn geweest. Zulks toch mag men opmaken, uit de namen
+van twee Vriesche gezanten van Rome, onder Nero, welke Tacitus voor
+ons bewaard heeft, namelijk Verritus en Malorix. Ann. Lib. XIII
+C. 54. Indien ik mij niet bedriege, waren dit, de nog bekende namen
+Gerrit en Maurik. De V toch, gelijk wij weten, verandert ligtelijk in
+G, en de L in U. Gelijk de Nederlanders in het algemeen van Gerrit, hun
+Geert hebben, zoo hebben, naar het schijnt, de Vriezen bijzonderlijk
+van Maurik hun Murk gemaakt."
+
+
+Bl. 16.--Ao 59.
+
+Op 't Oude Hof te Lewerden. Cappidus van Staveren, Suffr. Petri
+en Hamconius zeggen, dat reeds voor Christus geboorte Leeuwarden
+onder den naam van Aula Dei, dat is Gods-Hof, bekend was, alwaar het
+opperhoofd der Druiden, Barden of Priesters was gesteld. Hier was de
+leerschool van de Friezen, en genoten zij onderwijs in de godsdienst,
+wetenschappen en wijsbegeerte. Dit gesticht zoude te Oldehove gestaan
+en uitstekende mannen hebben voortgebragt. Latere schrijvers verwerpen
+dit denkbeeld geheelenal. Wat er van zij is moeijelijk op te sporen,
+nog moeijelijker te beslissen. Verg. Oudhed. en Gesticht. I. 283,
+alwaar de kundige vertaler, v. Rhyn, in den geest van Emmius steeds
+tot verwerpen genegen van de oude kronijken, ook geen geloof daaraan
+hecht. Over de goden- en geloofsleer der Druiden, hun priesterschap,
+beheer, en hun bestaan in het oude Friesche Rijk, vergelijke
+men de meergemelde Verhand. van Westendorp, over de Noordsche
+Mythologie, p. 319 volgg. en 331 volgg.--v. Wijn, Huisz. Leven,
+I. 8, en Hist. Avondst. I. 123, zegt, dat de Germanen en dus ook de
+Friezen geene Druiden of Barden gehad hebben: het tegendeel wordt
+door West. bewezen;--zie bl. 287 onzer Aanteekeningen.
+
+
+Bl. 17.--Ao 94.
+
+De Noormannen. In dezen tijd, en gedurende vele eeuwen later,
+werd Friesland van tijd tot tijd door de Noren en Denen vreeslijk
+geteisterd en geplonderd. Menigmalen behaalden de Friezen eenen triomf
+op dezelven; doch ook dikwijls leden zij bloedige nederlagen. Ocko van
+Scharl spreekt reeds van eenen sterken inval op den jare 62, wanneer de
+Deensche Koning door sommige Oostersche volken zou opgehitst zijn. In
+het jaar 69 wil men dat de Friezen, het jaarlijks rooven, plunderen
+en moorden moede, eene groote krijgsmagt naar Denemarken zonden, om
+ze in hun eigen land te bevechten, dan storm en onweer hadden dezen
+togt belet. In 't volgend jaar echter sloten zij met den Koning een
+bestand, 't welk, hoe wonder ook, volkomen stand gehouden heeft tot
+den bepaalden tijd. Deze boven bedoelde inval der Noormannen, welke
+anderen op den jare 90 stellen, schijnt zeer geweldig geweest te zijn,
+en uit hoofde van den weinigen wederstand aan deze zijde, daar de
+meeste Friezen in Romeinsche dienst afwezig waren, hadden zij tijd en
+gelegenheid zich aan moord en roof ter kele toe te verzadigen. Picardt,
+in zijne Annales Drenthiae, spreekt ook alzoo van dit feit.--Zie de
+noot p. 305. F. Sjoerds, Jaarb. I. 197.
+
+
+Bl. 17.
+
+Onder zeven Hertogen. Het algemeen gevoelen is, dat men onder die
+waardigheid van Hertog, met welken titel thans dien van Prins,
+in navolging der naburige volken, verwisseld werd, niet in eenen
+Hoogvorstelijken of Koninklijken staat en magt bestaan hebbe, maar
+dat de Hertogen, Heervoerders, Krijgsoversten of Opperbevelhebbers
+waren, aan welken het bestuur en beleid des oorlogs, met alwat daartoe
+behoorde, was opgedragen.
+
+
+Bl. 22.--Ao 248.
+
+Dokkenburg. Deze verklaring is zeer juist. Bij Kiliaan vinden
+wij Docke, (vetus) navale: waaronder verstaan wordt: stabulum of
+armamentarium, ligplaats der schepen, d. i. haven. Ook bij denzelfden
+Docke, Germ. poppe: en in den Theutonista, Dock of Pupp, pupa, pupulla,
+popje.--Docke van Stro.
+
+Over de stichting dezer stad zullen wij niet uitweiden; zij is na
+Stavoren de oudste, en in allen opzigte zeer merkwaardig geworden. Men
+leze hierover de Oudheden en Gestichten, I. 404, met de aanmerkingen
+van v. Rhyn, die met Emmius de hooge oudheid betwijfelt. Wat voorts
+derzelver geschiedenis betreft, zeer belangrijk is, om herlezen en
+vergeleken te worden, de korte Geschiedenis der stad Dokkum voor den
+Vrede van Munster, voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant
+van den 6 Julij 1830; alsmede de beide stukken in dezelfde Couranten
+van 2 en 9 Maart te voren, ter verdediging strekkende tegen de dikwijls
+kleingeestige en dwaze aanvallen tegen Dokkum en deszelfs bewoners,
+vooral van lieden wier spelend vernuft zich door duizend vervelende
+herhalingen van vroegere aardigheden tracht staande te houden. In die
+stukken is eene naauwkeurige opgave der groote en beroemde mannen,
+die Dokkum heeft opgeleverd, te vinden.
+
+
+Bl. 23.
+
+In den jaare 289,--of omstreeks dezen tijd, toen Constantius Chlorus,
+door Keizer Diocletianus tot den rang van Roomsch Koning verheven,
+Galliën met zijne grensprovincien onder zijn gebied verkregen, en de
+Franken, Saksen en Friezen in Batavien had overheerd, werden er velen
+door hem omgebragt, anderen verplaatst, gevankelijk weggevoerd, in het
+Romeinsch leger ingelijfd, of tot harde slavendiensten vernederd. Uit
+verbittering en tot weêrwraak moesten nu de Friezen, Overrijnsche
+Franken, Cauchen, Chamaven en Bructeren in vereenigde magt, van den
+winter en den digtgevrozen Rijn gebruik maken, om Constantius en
+zijn heir te overvallen. Dan het goed krijgsgeluk diende hen niet zoo
+gunstig als onze kronijk vermeld; de dooi viel in, het eiland werd door
+de Romeinen omsingeld, de Friezen ingesloten, vermoord of gevangen,
+en nog dieper onder 't juk gebragt. Daarna is er met hen een verbond
+gesloten.--Schot. Fr. Hist. p. 30.--F. Sjoerds, Jaarb. I. 225 volgg.
+
+
+Bl. 24.
+
+Omtrent den jaare 312, enz. De kronijkschrijvers verhalen, dat
+omstreeks dezen tijd door vijf aanzienlijke Edellieden, West-Friesland
+(d. i. de landen ten westen het Flie) is bevolkt en bebouwd. De in
+onze kronijk genoemde Diederik stichtte de hoofdplaats Medemelaca,
+Medemblik, aldus genaamd naar de Godin Medea; Geerard bouwde het
+dorp Opdijk; Roelaard, 't dorp Wildenes, met een sterk kasteel; Keno
+was stichter van Bennenbroek, en Adelbold van het dorp Winckel.--Dit
+verhaal heeft eene meerdere beteekenis, dan wij thans nog in staat zijn
+te geven. Over Medemblik zijn oorkonden van de IX eeuw voorhanden.--Zie
+over den naamsoorsprong enz. den Tegenw. Staat van Holland, II. 502.
+
+
+Bl. 25.--Ao 334.
+
+Friesche Buinen. Op bl. 9 onzer kronijk wordt reeds gesproken
+van West-Friesland, en zou deze benaming er dus vroeger geweest
+zijn.--Hamconius, Frisia, bl. 5 en 9, zegt op Firsiabones, dat
+Bone in 't oud Friesch Boer beteekende, en dus Frisiabones, Friesche
+Boeren zijn, waarvoor onze kronijk Plompaarts geeft. A. W. Schrieck,
+in Orig. rerum Celt. et Belg., verklaart het woord door Frisii
+separatim habitantes, Friezen die afgezonderd van hun eigenlijk land
+en landgenooten woonden. Alting, van Rhyn en anderen beweren, dat
+het woord beteekent Friesche Waterbewoners, waarmede zich latere
+schrijvers hebben vereenigd, en 't welk ook door den geleerden
+Ypeij, in zijne Geschiedenis der Nederl. Tale, I. bl. 164, en
+II. bl 109 en volgg. nader is bevestigd. A beteekent water: buen,
+boen, wonen, verblijf houden, dus zijn Frisiabones Friezen, die
+aan het water wonen; en deze uitlegging is de eenvoudigste en de
+beste, wel zoo goed als de ongelukkige inval van Junius (Batavia,
+p. 48. Ed. 1652), om van Frisiabones, Friesche apen te maken!--Plinius
+noemt dezelve als wonende tusschen het Vlie en het Helium, monden
+van den Rijn. Dat deze Schrijver ook hier heeft misgetast, bewijst
+Schwartz, Voorr. I. 26. Tacitus zwijgt er van, doch deze kan hen
+gehouden hebben onder de Kleine Friezen te behooren. Het denkbeeld
+van den Heer Ypeij is zeer aannemelijk, dat de Frisiabonen eene
+volkplanting van echte Friezen zijn geweest, wonende aan de linkerzijde
+van het Vlie in West-Friesland, onderscheiden van de Kaninefaten,
+(waarschijnlijk aan de oevers der Noordzee woonachtig) en van de
+Marsatii in de moerassige, naderhand door de Zuiderzee overspoelde
+landen zich ophoudende, even zoo als de eerste Bildtbewoners eene
+volkplanting was van oorspronkelijke Noord-Hollanders.
+
+
+Bl. 26.--Ao 339.
+
+Die Waarden wierd genaamd. (Zie ook op de jaren 357 en 377.) Even
+zoo ook verhaalt Winsemius, Chronique, fol. 37 doch naderhand;
+(fol. 40) noemt hij de stad Norden, om welke reden weet ik niet;
+daarin is Soet. in zijn Op- en Nederganck van Stavoren, p. 55, hem
+gevolgd, die door Harkenroth, Oostfr. Oorsprongkel. (p. 39 en 232)
+daarover zeer gegispt wordt, dat hij Van Esonstad, Norden maken wil;
+en toch heeft Soet, slechts het gezag van Wins. gevolgd. Door de
+Noren en Denen zoowel als door herhaalde watervloeden heeft die stad
+veel geleden, en is dikwijls geplunderd en grootendeels afgebrand
+geworden. Westend. Jaarb. p. 19, stelt op 't jaar 398 het bouwen
+van Esonstad door den Koning Ubbo (Uffo). Over de oudheid dezer stad
+heeft Emmius ook zijnen twijfel mede gedeeld, doch v. Rhyn is hier
+wat toegevender dan wel anders.--Zie Oudh. en Gest. I. 454 volgg.
+
+
+Bl. 28 en 31.--Ao 385 en 449.
+
+Des Hengst en Hors, zijn zoonen enz. In den jaare 449, als Hengst en
+Hors enz.--De geschiedenis dezer Koningszonen is belangrijk genoeg
+om in aandacht genomen te worden, en wij vinden er, verondersteld
+zelfs dat wij onze kronijkschrijvers verwerpen, ook bij den Engelschen
+Historieschrijver Beda, (lib. I. Cap. 15) de vermelding van. Deze zegt
+dat zij de zoons van den Saxischen Vorst Vergistus (achter-kleinzoon
+van Wodan), en dus niet van Odolf Haron waren, hetgeen ook met de
+tijdrekening verkeerd zoude uitkomen. Hierover is twist ontstaan,
+welke onbeslist is gebleven: echter komt men daarin overeen, dat
+Hengistus en Hors aan het hoofd van de Saksen, Friezen, Angelen en
+andere naburige volken, door den Britschen Koning Vortigern te hulp
+geroepen, derwaarts zijn getogen, en zich eindelijk meester van dat
+land hebben gemaakt. Hunne geschiedenis is omstandig beschreven bij
+Ocko van Scharl; en hoezeer dezelve ook bij andere schrijvers in een
+romantisch gewaad is gewikkeld, draagt zij, in onderlinge vergelijking
+gebragt, vele kenmerken van oorspronkelijkheid. Wij kunnen hier in
+geene verdere ontwikkeling treden, doch zullen voor dien het lust, de
+bronnen en navolgingen aanwijzen, waarin de historie dezer gebroeders
+beschreven staat, met derzelver verscheidenheden.--Occo Scharlensis,
+Chronyck, op 't jaar 385 en 441; Furmerius, Annal. Phrisic. p. 124
+en 144; Winsem. Chr. fol 43 en 47; Schot. Fr. Hist. fol. 39 en 53;
+F. Sjoerds, Jaarb. I. 269 volgg.; Emmius, Lib. III. p. 39 seq.;
+Oudheden en Gestichten, Nabericht van v. Rhyn, bl. 368; Wagenaar,
+Vad. Hist. I. 289; Beda, Hist. Eccl. Lib. I. cap. 12 etc. en Chronicon;
+Jancko Douwama, Boeck der Partijen, p. 37; Westend. Jaarb. I. bl. 26;
+Overzigt van v. Halmael hiervoren § 7, jaar 449; Gibbon, Hist. of
+the decline and fall of the Rom. Emp. Ch. 38. IV. 395; Hume,
+Hist. v. Engel. I. 23 volgg.
+
+
+Bl. 32.
+
+In den jaare 463. Men vergelijke de tegenspraak in gemeld Nabericht
+van v. Rhyn, p. 372.
+
+
+Bl. 32.--Ao 496.
+
+Deed Klodoveus, een inval in Friesland. F. Sjoerds, Jaarb. I. 290
+en anderen verhalen, dat de Friezen in dezen strijd het onderspit
+delfden, de Friezen en Saksen terugkeerden, maar de Allemannen, welke
+in dezen strijd deelden, hun gebied verloren; terwijl Koning Clovis,
+ingevolge hunne belofte, na de overwinning in dezen hagchelijken kamp,
+met 3000 Franken, tot het Christendom overging. Eenige jaren vroeger,
+omstreeks 476, was het Westersche Keizerrijk geheel ten gronde gegaan,
+en niemand over de Maas en den Rijn gaf gehoor aan het Romeinsche
+gezag.--Verg. Bilderdyk, Geschiedenis des Vaderlands, I. 60 en 61.
+
+
+Bl. 34--Ao 517.
+
+Groningen, bij de Friesen Grins genaamt. In 517 werd, luidens het
+verhaal van eene der kronijken, Groninge of Groinge (Grens, Grins) met
+een houten staketsel omgeven, ter beveiliging der veste. Deze wijze
+van bevestiging was reeds veel vroeger bij de Germanen en Belgiërs
+in gebruik, en behoeft, op dezen tijd, niet de minste verwondering
+te verwekken.
+
+
+Bl. 34.--Ao 527.
+
+Richold, zijn oudste zoon. Over de geschiedenis in dit tijdvak
+is een bijzonder verschil ontstaan bij vele schrijvers, daar de
+verwarringen, zoowel in den tijd als in de personen, aanduiden, dat
+men het spoor bijster is geraakt, en men alzoo tot gissingen zijne
+toevlugt heeft genomen, om uit de onderlinge tegenspraak tot eenige
+waarschijnlijkheid te geraken. Ook onze kronijk geeft geen meerder
+licht, maar is schijnbaar in den doolhof medegedwaald. De opgave van
+den zoon en kleinzoon van Diderik, (zie op 't jaar 334) beide Lem of
+Willem geheeten, en Dibbalds zoon van denzelfden naam, waarvan Haarlem
+zijnen naam ontleende, is in 't geheel niet in de haak, schoon ook
+Winsemius (fol. 36 en 48) hem hierin is voorgegaan. Verg. Scriverius
+in zijden Toets-steen op het Oude Goutsche Chronycxken, p. 204,
+205. De andere kronijken springen met die historie, tot op Adgillus
+tijd, wonder om, terwijl men het over diens vader maar geheel niet
+eens kan worden.--Was Adgillus een Saks of een Fries? Beroald,
+Bertoald of Berthold voerde volgens veler gevoelen het gebied over
+de Saksen, en daar Ritserd, naderhand bijgenaamd Arundelius, in dien
+tijd Koning der Hoog-Friezen was, (in onze kronijk bl. 36 genoemd)
+moet Adgillus diens zoon geweest zijn. Dit is mede de gissing van
+Emmius, door v. Rhyn goedgekeurd, en door F. Sjoerds (Jaarb. I. 334)
+gevolgd. Het is ons wel voorgekomen, dat men Saksen en Friezen, Beroald
+en Ridserd met en onder elkander heeft verward, en dat Beroald door
+de Saksen tot Koning of Hertog was verkozen;--maar in hoeverre hij
+ook een deel der Friezen beheerscht hebbe, en hoedanig van Odibbald
+af de geslachtsopvolging geweest zij tot aan Adgillus, behoort tot een
+nader naauwkeurig onderzoek. Verg. onder anderen v. Rhyn's Nabericht,
+bl. 376-382, te dezen opzigte zeer duidelijk. Over Ridserd Arundelius,
+die een dapper en vermaard Vorst moet geweest zijn, West. Jaarb. bl
+30 volgg. Schot. Fr. Hist. fol. 47.
+
+
+Bl. 35
+
+Watervloeden in Friesland.
+
+In den jaare 570. Dus ook Winsemius, Soet en anderen, doch Gutberleth,
+in zijne Aanteekeningen op Gabbema's Watervloeden, p. 14, vermeldt uit
+de geschreven kronijk van Ocko van Scharl, hem ten gebruike gegeven
+door Bern. Fullenius, den weêrgaloozen Hoogleeraar in de Wiskunst
+in Frieslands Opperschool (gelijk hij zegt), dat aldaar deze vloed
+gesteld wordt op den jare 533. Ook de kronijkschrijver Twisk noemt
+hetzelfde jaar.
+
+Door Dirk, Burger van Schoorl, wordt in diens kronijk als eerste
+Watervloed opgegeven die van 333 in Noord-Holland, wanneer de Zijpe
+is ingebroken en 1200 jaren verdronken heeft gelegen. De stad Grebbe,
+door de Romeinen gesticht, liggende aan 't Eimer Swin, thans nabij
+het Nieuwe Diep, of een half uur gaans benoorden Wieringen, zou toen
+verdronken zijn, schoon anderen dit voorval later stellen [147]. In
+435 was er weder een zware vloed over Friesland, zoo als ook in 516,
+in onze kronijk vermeld. Na 570 volgde die van 584, met het wonder
+zeldzame, vruchtbare jaar. In 586 of 626 [148], of welligt in beide
+jaren, werd Friesland alweder overstroomd. Een viertal jaren later
+begon de wijze Adgillus vliedbergen en terpen te maken, en gaf der
+bedijking hare geboorte. Vele menschen en veel vee verdronken in
+den vloed van 792 of 793, en door al deze verwoestingen waren er een
+aantal steden, dorpen, bosschen, alsmede eene groote uitgestrektheid
+lands verzwolgen en vernietigd, waarvan de onder de golven der zee
+liggende zandbanken de sporen van het vorig bestaan aanwijzen.
+
+De St. Thomas vloed van den jare 806 was geducht voor Friesland; en
+van dien tijd tot op de helft der XII eeuw moeten door verscheidene
+overstroomingen Friesland, Noord-Holland, Zeeland en Vlaanderen
+deerlijk zijn geteisterd, vooral in den jare 839 zou dit gewest bijna
+geheel overstroomd geweest zijn, en er eene gansche omwenteling in
+den bodem van ons vaderland te weeg zijn gebragt.
+
+De St. Juliaans-vloed in 't begin van 1164 kostte het leven aan
+duizenden van menschen en beesten; waarop de alles verwoestende
+Allerheiligen-vloed van 1178 volgde, die de zeebaren tot aan
+Utrechts wallen voortjoeg. In dezen tijd kreeg de Zuiderzee eene
+groote uitgestrektheid; terwijl de baatzuchtige Friesche Abten vele
+verderfelijke doorgravingen deden maken, die de zee in vernielende
+krachten deed aanwinnen. Ook in 1200 stroomde een deel van Friesland
+over; doch van den schrikkelijken watervloed in Noord-Holland, in
+1212, vindt men niets betrekkelijk Friesland vermeld. Dan bij den
+ijsselijken Marcellus-vloed, in Januarij 1219, was geene overstrooming
+te vergelijken, hetgeen dan ook bij de nakomelingschap ten spreekwoord
+is geworden. Alwat tusschen den Wezer en de Schelde op en over de
+oppervlakte van den grond aanwezig was, werd op vele plaatsen vernield
+en vernietigd, en duizenden menschen van 't leven beroofd. Dezen vloed
+(zegt Westend. Jaarb. p. 238) meenden velen te moeten toeschrijven
+aan de brooddronkenheid en de woestheid van een zekeren Fries en
+kampvechter, die het hoogwaardig sacrament te Wijtwerd en Uskwerd,
+ter plaatse waar men naderhand het klooster van St. Jan stichtte,
+zeer hoonde en ontheiligde.
+
+De jaren 1220, 1221, 1222, 1223, 1224, 1227, 1230, 1237, 1246, 1248,
+1249, 1250, 1257, 1262, 1266, 1273, 1277, 1285, 1287, 1288 en 1290
+waren uiterst rampvol voor Friesland, en wie kan er zich een denkbeeld
+van vormen? twintig overstroomingen in ééne en dezelfde eeuw, in één en
+hetzelfde Gewest! En niet alleen door de vloeden, maar ook omstreeks
+het midden dezer eeuw werd Friesland door eene vernielende pest onder
+menschen en vee jammerlijk geteisterd, terwijl haat en nijd, twist en
+tweedragt onder de ingezetenen aller onheil ten top voerden.--In deze
+eeuw verdwenen Ezonstad, Camminghaburg bij Leeuwarden, Britsenburg
+aan de Middelzee, de stedekens Wartena ten deele en Grind geheel.
+
+In de veertiende eeuw werd Friesland acht malen gedeeltelijk
+overstroomd, en wel ten jare 1313, in welke de beroemde Wijbo Sjoerds
+van Grovestins, voornaam hoofd der Vetkoopers, het leven liet, en op
+welke overstrooming weder eene pestziekte zoude gevolgd zijn: voorts
+in 1334, 1336, 1361, 1377, 1380, 1387 en in 1400, de Friesche vloed
+genaamd, welke van belang is geweest voor de opkomst van Amsterdam,
+door het aanmerkelijk verwijden van het Marsdiep, het zeegat tusschen
+Texel en den Helder.
+
+Wederom vijftien overstroomingen in de XV eeuw, waren ons gewest ten
+geesel en ter vernieling. In 1403 was de 3de Catharina's vloed, maar in
+1421 rigtte de St. Elisabeth's-vloed hare ijsselijke verwoestingen aan,
+waarin de 72 dorpen in den Zuid-Hollandschen Waard bedolven werden,
+zoodat er twintig geheel te niete gingen. De volgende vloeden hadden
+plaats in 1425, 1426, 1427, 1428, 1429, 1434, 1437, 1446, 1464,
+1470, 1474, 1477, en 1497; en geen wonder dat het land overstroomde,
+want de onderlinge twist en tweedragt gaf aan den oorlog voedsel,
+terwijl de eendragtige zorgen voor het behoud des lands verloren
+waren. West-Workum, Westerbierum en Dijkshorne waren den golven ter
+prooi geworden: niet alles echter was verlies, want de Middelzee was
+nu geheel aangeslijkt, en gaf kostelijk land.
+
+Ook in de XVI eeuw was Friesland even ongelukkig door den ramp
+der vloeden, zoodat wel twintig malen in dit tijdvak het land
+overstroomde. In de jaren 1502, 1503, 1509, 1516, 1517, 1520, 1524,
+1525, wanneer er drie vloeden in één jaar waren; in 1530, 1531 en 1532
+(misschien dezelfde), 1552 en 1559 rigtten zij vele verwoestingen
+aan. Maar de geweldige Allerheiligen-vloed van 1570 heeft het gansche
+land langs de zeekusten van Frankrijk tot aan Noorwegen toe, als in
+ééne zee herschapen; terwijl in Friesland de schrik en ellende, die
+land en inwoonderen in eenen poel van jammeren stortte, door geene
+pen waren te beschrijven, door geene woorden te vermelden. Wel 20,000
+menschen, zeggen de schrijvers, zijn in onze Provincie omgekomen:
+1800 telde men in ééne Grietenij.--Daarna had men weder met dit
+onheil te kampen in 1572, 1573, 1575, 1577 en 1578. Toen evenwel, door
+tusschenkomst en dwang van Caspar de Robles, werd er gedijkt en gedamd.
+
+Hoewel nu de vloeden in de XVII eeuw minder waren dan in de vorige, was
+evenwel de zee niet in banden te houden, maar brak nog dikwijls door de
+dijken heen, en bedierf een deel van het zoo vaak geteisterd gewest. In
+1610 liep de zuidwesthoek onder: 1623, 1625, 1643, 1651, 1665 en
+1675 waren noodlottige jaren, en vooral het jaar 1651, waarin de
+St. Pieters-vloed, na dat in Januarij de algemeene rivier-overstrooming
+in de Nederlanden had plaats gehad, in de volgende maand vele oorden in
+Friesland verwoestte. Voor Noord-Holland was die vloed verschrikkelijk.
+
+In den aanvang der XVIII eeuw, en wel in 1701 en 1703, zoo ook in
+1715, leden door de overstroomingen het land en de zeedijken veel
+schade, dan door den 7 kersvloed in 1717 was de verwoesting groot,
+vooral in Oost-Friesland.--Ten jare 1731 werd het paalwerk langs
+de kusten, en sommige sluisdeuren door de wormen geheel doorknaagd
+en verteerd. Bijna zestig jaren lang bleef Friesland voor storm en
+vloed beveiligd, doch in 1775 en 1776 had de provincie door twee
+overstroomingen, en vooral door de laatste, veel te lijden; dit was
+echter niet te vergelijken bij den geduchten watervloed van den jare
+1825, die langs de zeekusten van Noord-Jutland af tot Frankrijk toe,
+zijne vernielende kracht heeft uitgeoefend.
+
+Vergelijk de Inleiding voor mijn Geschiedkundig Tafereel van
+den Watervloed en de Overstroomingen in de Provincie Vriesland;
+voorgevallen in 1825, en alle de afzonderlijk daarin aangehaalde
+schrijvers. Westend. Jaarb. van Groningen, op de verschillende jaren,
+die echter vele overstroomingen niet heeft vermeld.--Een zeer goed
+boek over de laatste overstrooming is dat van den kundigen F. Arends,
+Gemählde der Sturmfluthen vom 3 bis 5 Februar 1825: (zu haben bei
+dem Verfasser, 1826.) In zijn verdienstelijk reeds aangehaald werk:
+Physische Geschichte der Nordsee-Küste, geeft de Schrijver, in het
+tweede deel, eene Geschiedenis van al de watervloeden, vermeerderd
+met vele bijzonderheden, door vroegere schrijvers niet vermeld.
+
+
+Bl. 37.
+
+In den jaare 628 enz. Het omstandig verhaal dezen belangrijken strijd,
+vindt men bij alle latere geschiedschrijvers bijna op dezelfde wijze
+geboekt, en komt in de hoofdzaak overeen. Echter bij vergelijking
+der oudste Friesche jaarboeken, zal men eenige afwijking van anderen
+vinden. Niet, zoo als deze willen, was Dagobert de aanvallende partij
+in Friesland, of wilde dit land dadelijk overheeren; maar de Saksen,
+onder Koning Berthold, wilden niet meer onder der Franken gebied
+blijven, maar vrij zijn, des zij hunne krijgsboden aan Klotaris
+zonden, om dien op een barschen toon den wil van hunnen Koning te
+kennen te geven, hetwelk der Franken Opperhoofd dezen zoo hoog afnam,
+dat, waren zij niet door de christelijke staatkunde van den Bisschop
+van Meaux gered, hij hen welligt het hoofd voor de voeten had doen
+leggen. Zij keerden, tot christenen gedoopt, met eere en geschenken
+terug. Doch de Saksen verbonden zich met de Friezen, volvoerden hun
+plan, rukten tegen Dagobert op, die zijnen vader te hulp roept en de
+overwinning behaalt; en nu had er eene ijsselijke slagting onder de
+Saksen en Friezen plaats. Die langer dan zijn zwaard waren [149],
+dat is, die de wapenen weder zouden kunnen voeren en geschikt ten
+strijde waren, werden vermoord; vrouwen en kinders werden in Frankrijk
+als slaven verkocht, en daarmede eindigde dit treurtooneel.--Dat dit
+gevecht in Friesland bij de Middelzee plaats had, gelijk Rolevink,
+en in navolging van hem Furmerius, Winsemius en anderen, beweren,
+heeft geen schijn, daar men moet vooronderstellen, dat het niet anders
+dan bij den Wezer kan hebben plaats gehad.
+
+Dagobert moet omstreeks dezen tijd ook een christenkerk te Utrecht
+gesticht, en den Bisschop van Keulen het beheer over de Friezen
+gegeven hebben; dan dezen, te zeer nog aan hunne afgoden verslaafd,
+te stijf van hoofd en stug van aard, boden te veel tegenstand, en
+men vorderde dus weinig.
+
+Dat ook deze Dagobert, als overheerder der Friezen, de insteller
+der wetten is geweest, wordt bestreden en met grond betwijfeld.--Zie
+daarover Schwartz., Charterb. Voorr. I. bl. 36, 37, 38. Men vindt deze
+gebeurtenis beschreven bij Furmerius, Ann. Lib. III. c. IV. p. 172;
+Wins. Chr. fol. 52; Schot. Hist. fol. 47; F. Sjoerds, Jaarb. I. 323;
+Wagen. Vad. Hist. I. 331; Tegenw. Staat v. Fr. I. 221; Oudh. en
+Gest. II. 111, 112 en 377; Cerisier, Gesch. d. Vereen. Ned. I. 90;
+Bilderdyk, Gesch. d. Vaderl. I. 66.
+
+
+Bl. 37.
+
+Adgild wierd enz. Over de regering van den christelijken Adgillus
+en onchristelijken Radboud, is in het Overzigt genoegzame melding
+gemaakt. Schot. Fr. Hist. p. 55, zegt, dat volgens eene Hollandsche
+kronijk, Radboud geen zoon van Adgillus, maar van Diederik, omtrent
+den jare 300 Koning van Friesland, bewesten 't Flie, geweest zou
+zijn. Wij hebben echter die kronijk niet gevonden, en volgen liever
+het getuigenis van alle overige geschiedschrijvers.
+
+
+Bl. 42.--Ao 695.
+
+In Friesland, Holland en Teisterband. Over het oude graafschap
+Teisterband, in 'twelk het geheele Sticht, met het land tusschen Maas
+en Rijn, en van daar oostwaarts, met Kleef, Berg en Gulikerland,
+vervat werd, leze men Bilderdyk's Geschied. d. Vaderl. I. bl. 161,
+193 en 341 volgg. De afleiding is deze: Bant, Ban is jurisdictie,
+regtsban, Deister is bogt, kromte van deisen, thans deinzen,
+afwijken. Het wordt van ouds algemeen op de kromte van eene rivier
+toegepast. Dus is Teister of Deisterbant de regtsban (of 't gezag)
+van de bogt (de afwijking) des Rijns, waar hij van noordwaarts ten
+westen afdeinst.--Vergel. de door Bild. zelven vervaardigde kaart
+achter het I. deel.
+
+
+Bl. 43.
+
+In den jaare 700. In dezen tijd, en zelfs gedurende een gedeelte der
+VIII eeuw, was geheel Friesland nog heidensch. De Menschen-offers, door
+geheel Galliën, Germanie en Scandinavie gebruikelijk, bij de Denen
+en Noren in zwang, vonden ook in Friesland grooten bijval, zoodat
+het geenszins vreemd is, in dezen tijd daarvan in de geschiedenis
+voorbeelden te vinden. Men heeft het verhaal van den schoonen jongeling
+Ovo, door den Priester Wulfram van den dood verlost, onder de fabels
+gesteld, dan tijden, zeden en gewoonten in acht genomen, en de leer
+der ondervinding geraadpleegd, zou ik niet weten, waarom, door deze
+of gene omstandigheid, hetzij aan hooger magt toe te schrijven,
+of vindt men dit te ouderwets gedacht, dan door een toeval, of wel
+door eene behendigheid des Priesters, dit voorval niet had kunnen
+plaats hebben [150]. Men twijfelt toch, in weerwil der zonderlinge
+tegenspraak van sommige geleerden, geenszins aan zoo vele bloedige
+offeranden aan de Goden gebragt, aan het slagten, verdrinken of op eene
+andere wijze dooden van zoo vele mannen, vrouwen, ja zelfs kinderen,
+waarvan de geschiedenis in de eerste eeuwen voorbeelden, aangeeft: en
+zou het dus zoo vreemd zijn, dat in de eerste tijden bij verbazende
+natuurverschijnselen of andere gebeurtenissen, men in zijnen angst
+tot het menschenoffer, (gelijk dat van een driejarig kind, bij het
+ontstaan eener zoute welle) als het hoogste, waarmede men zijne Goden
+vereeren kon, waarmede men rampen afweren en gunsten verwerven wilde,
+toevlugt nam?
+
+Zeer gegrond is de aanmerking, dat door deze volharding in de
+afgodendienst overvloedig blijkt, hoe weinig der Romeinen gezag
+en invloed op de Friezen werkte. Men leze over het offeren van
+menschen en beesten de meergen. Verhandeling van Westendorp, over het
+gebr. der Noordsche Mythologie, bepaaldelijk over de Heilige gebruiken,
+bl. 339 volgg.
+
+
+Bl. 44.
+
+Adgild, de tweede. Sommigen willen liever tot opvolger van Radboud
+zijnen zoon Poppo, dan Adgillus hebben; de een onder den titel van
+Koning, de ander onder dien van Hertog. De gissing echter in § 11
+van het Overzigt (bl. 315), komt mij zeer aannemelijk voor. Zie van
+Loon, Aloude Holl. Hist. I. 324b, 325a; Oudh. en Gest. Naber. p. 393;
+Bijv. en Aanm. op Wagenaar, I. 92; West. Jaarb. p. 42.
+
+
+Bl. 46.--Ao 736.
+
+Is Bisschop Willebrord ontslaapen. Deze heeft ongetwijfeld den
+eersten grondslag gelegd, en groot nut aan Friesland gedaan, tot
+bekeering der heidensche natie. Volgens Wagenaar (I. 378) stierf hij in
+slagtmaand 737, nalatende een alleraanzienlijks vermogen, meest door de
+Franken hem geschonken, hetwelk hij aan zijne geliefkoosde Abdij van
+Epternach, bij Trier, uit eene gifte van Dagoberts Dochter gesticht,
+vermaakte. Omstreeks dezen tijd schijnt ook de Priester Marcellus,
+die zeventig jaren lang het Evangeliewerk verrigtte, in Friesland
+met goed gevolg gepredikt te hebben.
+
+Ook in dit tijdvak kwam de vrome en geleerde Bonifacius hier te lande
+uit Engeland. Deze bestreed met kracht, verstand en godvruchtigen
+ijver, niet alleen de heidensche bijgeloovigheden, ruwheid van zeden
+en woestheid der Friezen, maar ging ook met ernst het zedebederf, de
+onkunde, boosheid, onwettigheid en valsche leer der geestelijken te
+keer, wier doel en middelen met de christelijke godsdienst zoo zeer in
+strijd waren. Zie het op bl. 348 aanbevolen werk van den heer Glasius,
+IV en V Hoofdst.
+
+
+Bl. 47.--Ao 749.
+
+Priester Jan.--Zie over dezen Oudh. en Gest. II. 84-86 en
+Naber. bl. 349.
+
+
+Bl. 50.
+
+Vreemde Heeren. De Heer v. Halmael, heeft zijn tweede Tijdperk van het
+Overzigt, (gedeeltelijk geplaatst in 't Friesch Jierboeckjen van 1833)
+loopende van 773 tot 1498, zijnde van Karel den Groote tot de regering
+van Albrecht, Hertog van Saksen, genoemd: Het Vrije Friesland. Niet
+dadelijk evenwel (zoo als ook de Schrijver aanmerkt) waren de Friezen
+vrij, maar trapsgewijze onder Karel's opvolgers werd die vrijheid
+verkregen, niet door Karel zelven hen geschonken. En ook natuurlijk,
+want daar onder de hoofdvoorwaarden het aannemen van de Christelijken
+Godsdienst, en dus ook onderwerping aan een' Bisschop behoorde, was
+het van zelf, dat het onrustig en onstuimig karakter niet zoo dadelijk
+met die zachte middelen te temmen was, waardoor dus menig opstand en
+oproer dikwijls de reeds geschonken vrijdommen weder deden bekrimpen.
+
+Karel verdeelde het tegenwoordig Friesland, naar het schijnt, in drie
+Graafschappen: Oostergouwe, Westergouwe en Stavoren. Het Graafschap
+Islegouwe (IJsselland), waarin Oost- en West-stellingwerf begrepen
+zullen zijn, is welligt een Saksisch en geen eigenlijk Friesch
+Graafschap geweest of alzoo genoemd. Ieder Graafschap had zijn
+opperhoofd, bekleed met de burgerlijke en militaire magt, en over
+eenige Graafschappen was een Hertog, uitsluitend het bewind over de
+krijgsmagt voerende, gesteld [151].
+
+De wetten, naar welke Karel de Friesche Graafschappen in het algemeen
+deed regeren, zijn die, welke onder den titel van Leges Frisionum
+in druk zijn uitgegeven. Het eerste deel bevat de overoude gewoonten
+der Friezen onder de Romeinen, met eenige wetten der Franken, en het
+tweede, de ophelderende bijvoegselen van Sachsmund en Wulmar. Echter
+beschouwen wij dit niet als een volledig Corpus of wetboek, maar
+veeleer voor een handboek voor de Keizerlijke Graven en Ambtenaren, om
+daarop regt te doen, ook ter berekening der breuken en boeten. Hieruit
+zoowel als van elders blijkt, dat de Friezen destijds in vier
+standen of klassen verdeeld waren. Edelen, dit waren de rijksten,
+de begoedigsten; Vrijen, minder gegoeden, echter onafhankelijken;
+Liten, lijfeigene boeren, en Slaven of Knechten, geheel dienstbaren.
+
+Karel ontnam den Friezen het regt op de vaderlijke erfenis, alzoo hun
+regt op de nagelatene goederen der ouders, dat is: het vrije bezit
+der erf-, stam- of landgoederen van den adel en van de welgeboren
+lieden; en voerde dus het zoogenaamde Leenregt in. Deze algemeene
+hoon en smaad werd weder uitgewischt door Karel's wettigen zoon en
+opvolger Lodewijk den Vrome of Godvruchtige [152], die zijne regering
+begon met aan de Friezen dit regt, en met dit regt den eernaam van
+Vrije Friezen weder te geven. Hij was een zeer menschlievend Vorst,
+doch welligt wat al te vroom om zulk een groot gebied en een onverlicht
+volk te regeren.--Zie Friesch Jierboeckjen, 1833, §§ 4 en 7; bijzonder
+Charterboek, Voorrede I. bl. 40 volgg. en aldaar den Giftbrief;
+vergel. West. Jaarb. bl. 55 volgg.
+
+Ten opzigte der wijze, hoedanig de opgemelde wetten in geschrifte
+gesteld zijn, verhaalt men, dat dit door twaalf deskundigen, (welk
+getal men in regtszaken steeds hoog waardeerde,) door de Friezen
+gekozen, uit de overleveringen moest geschieden. Doch men wilde
+liever bij het oud regt blijven, dan deze zware taak te verrigten,
+en men was dus onwillig. Des Keizers wil woog echter zwaarder, dan
+die der twaalven, en het werk werd volbragt.
+
+De Sage, zegt de Heer Westendorp (Jaarb. I. 59), heeft deze gebeurtenis
+in een kostelijk kleed gestoken:
+
+»Daar deze twaalf wijzen dan onwillig waren, om de wetten der Vriezen
+in schrift te stellen, zoo gaf de Keizer hun zeven dagen tijds om
+tusschen de onthoofding, het levende begraven, of het ter prooi geven
+aan de woeste golven in een stureloos schip, te kiezen. De wijzen
+kozen lijdzaam en moedig het laatste. Men zette hen dan nu in een
+schip zonder zeil, roer, riemen en anker, en liet hen voor wind en
+weder drijven. Een der Wimoedes, Asega of Azinge geheeten, van het
+Wilken-geslacht, en een der eerste Vriezen, die deze benaming droeg,
+herinnerde in dezen nood zijnen mede-ambtgenooten aan eene door hem
+gehoorde leerrede van Willebrord, nopens de verschijning van Christus
+Jezus, voort na zijne opstanding, aan zijne, in druk gezetene,
+vrienden, hoewel de deuren gesloten waren. Hij stelde hen tevens
+ootmoedig voor, om de hulp, redding en tusschenkomst van Christus
+Jezus in dit gevaar biddend af te smeeken. Dit geschiedde eenparig
+knielende. En ziet, onder hun gebed vertoonde zich achter in het schip
+een man, welke met zijne hand een kromhout hield, en die de twaalven
+wederom in de haven terug bragt, vanwaar zij uitgegaan waren. Als nu
+de dertiende met de twaalven te lande kwam, wierp hij het kromhout
+op den grond, en terstond ontsprong aldaar eene bron, rondom welke
+allen gingen zitten: een ieder verkwikte zich met het water van de
+bron. De dertiende, welke aan de twaalvde volkomen gelijk en daarvan
+niet te onderscheiden was, leerde hen en gaf hun in, welke regten
+zij, ter gehoorzaming aan het keizerlijk bevel, zouden uitkiezen en
+beschrijven. Als zij nu wel onderrigt waren, zagen zij den dertienden
+niet langer; zij gingen aan hunne taak, en volbragten dezelve. »Zij
+kozen het landregt, dat hen door Maria's zoon geleerd was," zegt een
+der kronijken. Men legde deze verzameling den keizer en den paus
+voor, en het werk verwierf de goedkeuring van beiden."--Verg. de
+O. Fr. Wetten en de belangrijke Aant. van bl. 103-114, alwaar men
+in het verhaal van de twee Kon., Karel en Radboud, deze sage vindt,
+zoo als ook bij Beninga en Kempius.
+
+
+Bl. 50.
+
+In den jaare 777 is Ludger. Het verwondert mij dat onze kronijk, nog al
+gehecht aan bijzondere voorvallen, hier niet vermeldt de wonderbare
+redding van de moeder van dezen Ludger, te vinden in Schotanus,
+Beschryvinge v. Frieslandt, p. 22, overgenomen uit eenen (aldaar
+niet genoemden) Levensbeschrijver van Ludger. Dus luidt hoofdzakelijk
+aldaar deze gebeurtenis. Wrisung, de grootvader van Ludger, was der
+Christen-godsdienst toegedaan, en werd dus door Radboud verdreven. Hij
+ging over het Vlie wonen, en volvoerde zijn christelijk werk; zijn'
+jongsten zoon Tjadgrim in Utrecht ter leerschool bestellende. Deze
+huwde na zijns vaders dood eene vrouw, genaamd Liafburg of Liatburg,
+waarbij hij drie zoons en ook onzen Ludger verwekte. Deze Liafburg
+geboren zijnde, moest op last van hare heidensche grootmoeder,
+verdrietig dat harer schoondochter alleen meisjes werden geboren, door
+eene slavin worden verdronken; een regt dat zij volgens hare leer,
+op jonggeboren kinderen hadden, om ze om te brengen en te offeren,
+mits zij vooraf niets genuttigd of geproefd hadden. Dan het wichtje
+greep met zijne handjes het vat of den emmer, waarin het gestoken werd,
+om den rand, en worstelde dus tegen den dood. Eene buurvrouw dit ziende
+en bewogen met het onnoozel schepsel, ontnam het der slavinne, liep
+in haar huis en stak het een weinig honigs in den mond, waardoor het
+van den offerdood was verlost. Zij voedde het kindje zorgvuldig op,
+gaf het na den dood der grootmoeder aan de ouders terug, en dit meisje
+werd de moeder van den geleerden en verdienstelijken Priester Ludger,
+van wien men leest, dat hij de Friesche, Engelsche, Frankische en
+Latijnsche talen vlug en vaardig sprak, en wiens leven en daden overal
+tot zijnen lof zijn beschreven. Als opvolger van den braven Bonifacius
+en in diens voetspoor tredende, bekleedde deze wijdvermaarde Fries
+eene aanzienlijke plaats onder de Christenherders, die boven velen,
+godvruchtig, ijverig en standvastig in zijnen arbeid was.
+
+Men vindt onder anderen de levensbeschrijving der eerste
+Geloofpredikers bij F. Sjoerds, Beschr. v. O. en N. Friesland, VI
+Hoofdst.--Over Ludger, Westendorp, I. 64 en volgg. 89 volgg.--die
+echter, tegen het verhaal van Schotanus aan, niet de moeder van Ludger
+den offerdood doet ontkomen, maar Ludger zelf, waardoor de genoemde
+oorzaak zou wegvallen, welke aanleiding tot het ombrengen van het
+jonggeboren kind had gegeven. Maar belangrijk is ten dezen het werk
+van den heer B. Glasius, de Gesch. der Christ. Kerk en Godsd. in de
+Nederl. vóór het vestigen der Herv., waarvan het eerste deel het licht
+ziet, en waarin wij voor de eerste pogingen ter verkondiging van het
+Christendom in ons Vaderland en der Christenleeraars eene naauwkeurige
+en belangrijke beschrijving hebben gevonden. Ook den beoefenaren der
+Friesche Historie zij dit werk bij zonder aanbevolen [153].
+
+
+Bl. 51.--Ao 784.
+
+Zijn de Noormannen wederom met Wydekind. In het Archief van de
+oude Hannoversche stad Goslar is eene oorkonde aanwezig, bevattende
+het gebed of de gelofte, waardoor de Saksen over hunnen aanvoerder
+Witekind, in den krijg met Karel den Groote, heil en zegen afsmeekten
+van hunnen God Wodan, wiens beeld op den Hartsberg vereerd werd. Dit
+is de Duitsche tekst:
+
+»Heiliger, groszer Wodan! Hilf uns unserm Herrn Wittikind, auch
+dem Kelta (Unterfeldherrn) von dem aischen (garstigen) Karl-pfui
+dem Schlächter! Ich gebe dir einen Ochsen und zwei Schaafe und
+den Raub. Ich schlachte dir alle Gefangene auf deinem heiligen
+Hartisberge!" De geleerde Ypeij deelt deze bede benevens eene tweede
+oorkonde, twee of drie jaren later gesteld, toen de Saksen zich aan
+Karel onderworpen hadden, in de Nedersaksische spraak mede [154],
+met een aantal belangrijke taalkundige aanmerkingen vooral op het
+laatste gedenkstuk.
+
+
+Bl. 54.--Ao 808.
+
+Omtrent dien zelven tijd liet Igle Tadema. Het is zeker dat het meer
+Flevo zich in dezen tijd en ook reeds vroeger merkelijk uitbreidde,
+waartoe herhaalde stormen en watervloeden krachtig medewerkten,
+zoodat het zoute water niet alleen de tegenwoordige kusten naderde,
+maar ook van tijd tot tijd ondermijnde. Het is dus zeer mogelijk, dat
+bij het graven van putten, gelijk ook op 't jaar 513 van Juw Hoppers
+wordt vermeld, er zout water is opgekomen, en het verhaal van Tadema de
+gewone versiering heeft ondergaan, zoo als van vele andere voorvallen,
+zonder dat het noodig zij het geheel te verwerpen. Dat Igles zoon op
+bevel van zijnen vader het landgoed bij het Kreil verkocht, en zich
+in Gaasterland vestigde, dit is zeer natuurlijk, en dat de familie
+hier over wrokkend was en zich op eene voor onzen tijd ijsselijk
+wreede wijze wraak verschafte, is ook niet zoo vreemd.--Men leze deze
+schrikkelijke geschiedenis in O. v. Scharl's Kronijk op 't jaar 808,
+die echter 't voorval met Juw Hoppers niet heeft opgeteekend. Zie
+Wins. fol. 47 en 85; Schot. Fr. Hist. fol. 53.
+
+
+Bl. 56.
+
+In den jaare 809, als er te Romen. Op Kersdag van den jare 800 werd
+Karel de Groote in de hoofdkerk te Rome als Augustus en Caesar der
+Romeinen over het Westen uitgeroepen, gezalfd, gekroond en gehuldigd.
+
+»De Friezen dienden hunnen nieuwen meester getrouw; doch weinig
+geloof zoude 't verhaal verdienen, dat zij met hem Rome zouden
+hebben veroverd, gelijk onze en andere Kronijken op den jare 809 of
+omstreeks dien tijd vermelden. Men kan dit feit hebben verward met
+de verovering van Rome door Arnulph, den laatsten afstammeling van
+dezen Karel, wien het vergund was den Westelijken Keizerskroon te
+dragen, doch om gekroond te worden, de stad moest overwinnen, waarin
+de Friezen beoosten het Flie hem bij stonden." Dit is hoofdzakelijk,
+met anderen, ook het gevoelen van den heer v. Halmael: versterkende
+dit zijn gevoelen door het argument dat de beschrijvers van het leven
+en de daden van Karel daarvan geen gewag maken. Dan Bilderdyk is van
+een tegengesteld begrip. »Het zijn de Friezen niet alleen, zegt hij,
+die van hunne verovering gewagen. De Romanciers en Heldenboeken
+der middeleeuwen zijn er vol van, dat de Friezen Rome voor Karel
+innamen. En waarom mag dit niet zijn? Dat hij Friezen in zijne legers
+had, is zeker en boven alle bedenkelijkheid; en daar hij ze ook in
+Spanje bij zich gehad heeft, daar zij hem over de Pyreneën verzelden
+en hun trouw bewezen, waarom mag het niet waar zijn, dat zij 't ook
+over de Alpen deden; en dat toen er een oproer in Rome bij Karels
+aannadering ontstond, en de poorten hem gesloten werden, zoo als
+bij die Romanciers deels gemeld, deels duidelijk ondersteld wordt,
+zij het waren, die de poort gewonnen hebben, en hun dus in de stad
+gevoerd? Daar is iets zoo natuurlijks in, zoo wel zamenhangende, en zoo
+wel passende op de zaak, dat het mij ten minste niet onaannemelijk
+voorkomt; en dat zij eene belooning daarvoor gekregen hebben,
+geëvenredigd aan het belang dat Karel in de bewezen dienst stelde, is
+mede zeer waarschijnelijk. Het zij dat dit in 799 gebeurde, toen hij
+den verdreven Paus Leo III op den zetel herstelde; waarbij het niet te
+verwonderen is, zoo geweld en dapperheid en bestorming van eene poort
+noodig was: het zij in 800 toen hem de keizerkroon opgezet wierd, en
+er bij die gelegenheid mooglijk een oproer van de oude partij ontstond,
+die men gefnuikt waande, maar zonder de Friezen van gevolge had kunnen
+zijn. De zaak kan dus waar zijn; en men heeft onrecht een geheel volk
+tegen te spreken, wanneer er eenige samenstemming in zijne overlevering
+is met hetgeen van elders getuigd of voor waar en aangenomen is in
+een tijd dat de geheugenis nog versch was."--»Men behoeft enz."
+
+Hoezeer dan ook de Bulle of open Brief van Karel den Groote
+ontwijfelbaar valsch is, behoeft daarom het vermelde feit geen fabel
+te zijn, en het is onbetwistbaar, dat er dikwijls valsche stukken
+zijn gesmeed tot bewijs van wezenlijke waarheden, waarom ik mij
+dan ook met de meening van Bilderdyk wel kan vereenigen [155]. Uit
+een der te Oxford berustende handschriften, tot de nalatenschap van
+Junius behoorende, getiteld: Incipiunt Gesta Fresonum, hetwelk door
+het Fr. Genoots. wordt uitgegeven, zal ongetwijfeld dit gevoelen
+worden versterkt.
+
+Wij vinden op dezen jare 809, en ook vooral op het volgend jaar,
+aangeteekend, dat er in alle provinciën eene geweldige runderpest
+woedde, zoodat er bijkans geen os in het leger overbleef, welke ziekte
+nog vele jaren voortduurde.
+
+
+Bl. 58.--Ao 810.
+
+Een schattinge van 200 ponden zilver. Anderen bepalen die op de
+helft. Deze belasting, onder den naam van Klipschild, klinkschatting,
+werd dus genoemd omdat de munten in een bekken moesten geworpen
+en de klank daarvan in de verte gehoord worden. Zoo moesten ook
+de Engelschen lange jaren het zoogenaamde Deangeld aan Godfried
+opbrengen. Zie O. Fr. Wetten, bl. 130, in de Aanteekening.
+
+
+Bl. 61.--Ao 808.
+
+Magnus Forteman. Dat deze de eerste Potestaat is geweest, hebben
+latere schrijvers tegengesproken, op grond dat deze waardigheid
+zijnen oorsprong uit Karel's Bulle, welke voor valsch verklaard is,
+moet hebben gekregen. Echter erkent men, zelfs Emmius ook, dat de
+Friezen al van ouds Potestaten hebben gehad, die, als de handhaving
+van het regt, of ander algemeen belang, als er oorlog op handen
+was of ontstaan zou, verkozen werden. De geschiedenis van Magnus
+Forteman kan niet gereedelijk voor waarheid worden aangenomen; doch
+het bestaan van zoodanige gezagvoerders, als door het Potestaatschap
+wordt bedoeld, kan men ten zijne tijde niet betwisten.--Men leze
+hierover ter bevestiging v. Rhyn's Nabericht, bl. 410, 411, 417-420;
+F. Sjoerds, Jaarb. I. 440-444, 464, 473; II. 9, 64, 84, 85 en de
+aldaar aangehaalde schrijvers [156].
+
+
+Bl. 62.--Ao 826.
+
+Anscharius. Vermaarde Monnik uit het te Corveij gestichte klooster,
+werd eerste Bisschop te Hamburg, later Aartsbisschop van Bremen en
+Hamburg, en stierf in 865.
+
+
+Bl. 62.
+
+In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer
+verkooren. Adgillus II had twee zoons en twee dochters nagelaten,
+van welke laatsten de eene Konovella was geheeten. Deze was getrouwd
+met een aanzienlijk Edelman van Sexbierum, Adelbrik, wonende op het
+slot Adelburg. Twee zonen werden uit dezen echt geboren met namen
+Adelbrik, deze Potestaat, en Frederik van Adelen, de Bisschop op
+den jare 838 vermeld. Zie Winsemius, fol. 67, 83 en 105, alwaar men
+hunne geschiedenis vermeld vindt. Uit dezen zou het beroemd Friesch
+geslacht der van Adelens gesproten zijn.--Van den Potestaat, wiens
+aanvankelijke regering door sommigen later gesteld wordt, is weinig
+aangeteekend; doch van den moord des Bisschops zegt ook onder anderen
+de heer v. Halmael (Friesch Jierb. 1833, § 8), dat dit waarschijnlijk
+door toedoen of op last van Keizer Lodewijks tweede echtgenoot, Judith,
+dochter van Welf, Graaf van Beijeren, is geschied, wier huwelijk hij
+bloedschendig verklaarde. »Had de man (voegt deze schrijver er bij)
+zich niet bemoeid met zaken, welke hem niet onmiddelijk aangingen,
+even als zoo vele andere geestelijken van vroegere en latere tijden,
+hem was dit lot denkelijk niet wedervaren. Doch zijn voorbeeld heeft
+misschien niemand geleerd het niet na te volgen, en de bemoeiallen
+zijn nog niet uitgeroeid."--Verg. F. Sjoerds, Jaarb. II. 23 volgg.
+
+
+Bl. 63.--Ao 838.
+
+De verderfelijke leere der Arriaanen. Arius, geboren in Lijbië
+omstreeks den jare 300, Priester te Alexandrie, wilde na den dood
+van Achillas in dit bisdom diens opvolger worden. Dit mislukte hem;
+hij besloot ketter te worden, en verkondigde eene leer, welke door de
+Synode van Alexandrie in 320, en door de kerkvergadering van Nicea in
+325 veroordeeld werd. Arius, schoon gevangen gezet en gebannen, kreeg
+talrijke en vermogende aanhangers, bragt de geheele kerk in tweespalt
+en won de gunst van Konstantijn, die zich op de Ariaansche wijze liet
+doopen, en zelf het Arianismus tot zijne hofreligie maakte. Arius, te
+Alexandrie geweigerd, trok in 336 naar Konstantinopel en stierf bij
+zijnen plegtigen intogt. Zijne leer echter begon nu eerst te leven
+en bragt het geheele Oosten in beroering; doch de haarkloverijen en
+spitsvondigheden der Arianen, die elkander onderling verketterden,
+bezorgden eindelijk aan de Katholijke kerk de overwinning. Nu en
+dan verhieven zij zich weder, doch sedert den ondergang van het
+Longobardische rijk, liep ook hun rijk voornamelijk ten einde, en na
+de VII eeuw werd de algemeene invloed van hun stelsel krachteloos.--In
+Friesland, en vooral in Westergo, schijnt nog later der Arianen leer
+gehuldigd te zijn; doch Bisschop Frederik, en na hem de vermaarde
+Kanunnik Odulphus (Adolf), gingen ook hier deze ketterijen met kracht
+te keer.--Zie Algemeen Noodw. Woordenb. der Zamenleving, op de woorden
+Arius en Arianen.
+
+Onder de verschillende secten dier tijden maakten de Arianen den
+meesten naam. Het stelsel van Arius was, dat de Zoon van God, die, ter
+verlossinge der menschen, mensch werd, in waardigheid en natuur den
+Vader niet gelijk stond, maar, vóór de schepping, door den Vader als
+het voornaamste schepsel uit niets is voortgebragt.--Verg. B. Glasius,
+Gesch. der Christ. Kerk en Godsdienst, I. 37; F. Sjoerds,
+Jaarb. II. 22.
+
+
+Bl. 64.
+
+In den jaare 840 overleed Lodewijk.--Zijn opvolger Lodewijk de
+Duitscher, was een regtschapen en godsdienstig Vorst, de stichter en
+grondvester van het Duitsche rijk. Zijne zesendertig-jarige regering
+was zeer onstuimig, vol van bloedige oorlogen en moorddadige gevechten
+tegen de telkens invallende Noordsche volken. Hij verdeelde in of na
+870 het rijk, door hem beheerscht, onder zijne drie zonen, Karloman,
+Lodewijk en Karel, bijgenaamd de Dikke. Lodewijk de Jongere bekwam
+in zijn aandeel, behalve andere landen, twee deelen van Friesland,
+liggende ter regterzijde van den Rijn, en Karel een deel, dat gelegen
+was aan de linkerzijde der Maas. Bij een nader vergelijk tusschen de
+broeders schijnt geheel Friesland aan Lodewijk den Jongere gekomen te
+zijn. Zijne regering was echter niet van langen duur, daar hij in 877
+overleed, wordende opgevolgd door zijnen broeder Karel den Dikke, die,
+na den dood van zijnen oom, Karel den Kale, en diens zoon Lodewijk
+den Stamelaar, in 879 gestorven, tot de keizerlijke waardigheid werd
+verheven. Een gedeelte van Friesland werd door den Keizer aan Gisla,
+dochter van Lotharius II, huwende met den Noordschen Vorst Godfried,
+ten bruidschat gegeven, ten einde dezen tot vriend te houden; waarom
+hij zich dan ook in 822 liet doopen. Deze daad kwam den Friezen duur
+te staan, want hij heerschte als een tiran, liet zijne onderdanen,
+zoo als men verhaalt met halsbanden boeijen, om ze bij elk gering
+vergrijp of naar willekeur te doen ophangen, en maakte hen tot
+lastdieren. Eindelijk werd hij ook van kant gemaakt.
+
+In 880 (anderen stellen 881 en 884) vielen weder de Noormannen
+met eene groote magt eerst in Saksen, daarna in Frankrijk, en het
+tegenwoordig Friesland en Oost-Friesland, met oogmerk alwat Christen
+was uit te roeijen. De Saksen wilden dien woedenden stroom stuiten,
+doch hun leger werd vernield met diens Hertog, drie Bisschoppen,
+in hoedanigheid van geestelijken het leger volgende, en twaalf
+Graven. Verschrikkelijk was hun moorden, branden, plunderen en rooven,
+terwijl zoo hier als elders, landen en volken door die helsche benden
+werden verwoest en geteisterd. Bij hunnen inval in Friesland moesten
+zij het echter ontgelden, want aldaar leden zij de groote nederlaag,
+in onze Kronijk bedoeld. Intusschen kwam het, wat ons Friesland betrof,
+met Lodewijk tot een vergelijk. Daarna hadden zij, bij een inval in
+de Maas, de steden Maastricht, Luik, Tongeren, Keulen, Bonn, Trier,
+Mentz en andere plaatsen verwoest en de inwoners deerlijk mishandeld.
+
+Karel de Dikke, in 't bezit gekomen van het grootste gedeelte der
+Monarchij van Karel den Groote, bezat te beperkte geestvermogens om
+zulk een groot rijk te bestieren. Hij werd zwak en onmagtig, door zijne
+onderdanen verstoten, onttroond en stierf in 888 in armoede en ellende
+te Reichenau. Opgevolgd door Arnulph, die onder de Noormannen te
+Leuven eene ijsselijke slagting aanrigtede, veroverde deze daarna Rome
+met medehulp der Friezen, om aldaar gekroond te worden. Lodewijk, bij
+zijns vaders dood nog geen acht jaren oud, en daarom het Kind geheeten,
+volgde hem in het rijksgebied op, hetwelk echter bestuurd werd door
+Hatto, Aartsbisschop van Mentz, Adalhero, Bisschop van Augsburg,
+en Otto, Hertog van Saksen, zijnde de jonge Vorst onder voogdij
+van Otto en Hatto gesteld. In zijn achttiende jaar stierf Lodewijk,
+ongehuwd en zonder kinderen na te laten, en met hem was het geslacht
+des Grooten Karels, en alzoo de Karolingische stam, uitgestorven.
+
+Over de volgende Vorsten en Regering, den oorsprong van het graafschap
+Holland enz. verwijzen wij den Lezer tot het Friesch Jierboeckjen,
+1833, § 15 en volgenden. West. Jaarb. I. 131 volgg.; Wagenaar,
+F. Sjoerds, en anderen. Belangrijk is ook de geschiedenis van den
+Deen Erik, Rorik of Roruk, zoon des Deenschen Konings Heriold,
+waarvan in de aangehaalde Schrijvers omstandig gewag gemaakt wordt;
+ook Bilderdyk, I. 100, 148 enz., voorts bl. 167 over den oorsprong
+van het Graafschap Holland.
+
+
+Bl. 64--Ao 850.
+
+De kerk van St. Walburg.--Verg. de korte beschrijving van
+West. Jaarb. op 't jaar 850.
+
+
+Bl. 64.
+
+In den jaare 867. In dit jaar werd het Benedictijner klooster op het
+eiland Ameland, 't welk 's jaars te voren door den Heer Haijo van
+Cammingha, ter plaatse daar de tempel der Godin Foste gestaan had,
+was gesticht, met monniken bevolkt door Odilbaldus XII, Bisschop van
+Utrecht. Uit hoofde echter dit klooster en zijne bewoners aanhoudend
+door de zeeroovers werden geteisterd, is het na verloop van bijna
+derdehalf eeuw onder Ferwerd, in Ferwerderadeel, verplaatst, door
+de godvruchtige Anna van Cammingha, vrouw van Graaf Adolf van
+Fronenberg. Het doel des Stichters was eene kweekschool voor de
+wetenschappen, welke destijds bijzonder door de Benedictijnen werden
+beoefend, aan te leggen. Oudh. en Gest. II. 286; West. Jaarb. I. 123;
+F. Sjoerds, Jaarb. II. 55, 56, 270, enz.
+
+In den jare 873 kwam er een ontzettend aantal sprinkhanen over
+Friesland, welke een duim dik waren, met zes vleugelen en zeer sterke
+tanden voorzien. Zij vraten in één uur alles van het veld, zeven à acht
+mijlen in den omtrek, en knaagden de takken en basten der jonge boomen
+af. Na eene verschrikkelijke verwoesting, dreef de wind hen zeewaarts;
+toen verdronken zij, doch door den vloed werd deze geweldige massa
+op de oevers geworpen, en veroorzaakte eene pestziekte.--F. Sjoerds,
+Jaarb. II. 65.
+
+
+Bl. 67.
+
+In den jaare 910. Te regt klaagt de Heer West. bij den aanvang van het
+tweede Perk des Jaarboeks, als ook de Schrijver van den Tegenwoordige
+Staat van Friesland, over de weinige bijdragen en den schralen oogst,
+welke de geschiedenis van Friesland ons in de tiende en elfde eeuwen
+oplevert. In dit tijdvak zijn bij de Kronijk- en Geschiedschrijvers
+weinig belangrijke bijzonderheden vermeld, en ook onze kronijk deelt
+er dus weinige mede.
+
+Friesland strekte zich te dien tijd uit van den Sincfal, de plaats
+waar zich de rivier de Maas in zee ontlast, bij Ostende lot aan den
+Wezer.--Later werd de verdeeling in zeven Zeelanden daargestelt.--Van
+dezen besloeg ons tegenwoordig Friesland er twee, en een deel van het
+derde Zeeland. Friesch Jierb. 1834, § 5; voorts West. Jaarb. I. 211,
+en de daar aangehaalde Schrijvers. Wiarda, Von den Landt. d. Fries,
+b. Upstalsboom, 3 Abschnitt; Meng. Leeuw. Cour. 4 Oct. 1831.
+
+
+Bl. 67.--Ao 910.
+
+Westerman heeft enz. Adam Westerman, Predikant te Stavoren,
+heeft in den jare 1635 uitgegeven: Korte Beschrijvinge van de
+oude Anse-stad Stavoren; in welke aangewesen werd haren Ouderdom,
+Opgang, Voortreffelijkheid, Afgang, en tegenwoordigen Stand. Eene
+herdruk daarvan verscheen te Amsterdam in 1684. De Schrijver schijnt
+de kronijken gevolgd te zijn, en niet meer gegeven te hebben dan
+H. I. Soet, in zijn: Op- en Neder-ganck van Stavoren. Verg. Pars,
+Naamrol van de Batavise en Holl. Schrijvers, bl. 141.
+
+
+Bl. 67.--Ao 920 en 970.
+
+Koppen van Stavoren--Okke van Scharl. Het bestaan van de schriften
+van dezen eersten wordt mede betwist. Suffridus Petri [157] zegt,
+dat hij van Andreas Gryphius fragmenten ter leen gehad heeft, door
+den Priester Cappidus van Stavoren zamengesteld, welke hem tot zijne
+geschriften zeer ten dienste hadden gestaan;--doch ook deze zijne
+woorden, welke door geene latere bewijzen bevestigd zijn, hebben
+geen geloof kunnen vinden,--even min als zijn verhaal van Ocko van
+Scharl. Volgens de overlevering hadden de Schriften van zijn oudoom
+Solke, of Carel Solke Forteman, hem de bouwstof geleverd, voor zijne
+bekende Kronijk, welke door Johannes Vlijtarp, Geheimschrijver van
+den laatsten Potestaat, J. Hessel Martena, in de XIV eeuw is aangevuld
+en verbeterd, en daarna door Andreas Cornelis, geboortig van Stavoren
+en Organist te Harlingen, werd overgewerkt, vervolgd en na diens dood
+uitgegeven in den jare 1597 te Leeuwarden, in folio, bij Jacob Jansz,
+doch te Amsterdam gedrukt. Deze kronijk is herdrukt in quarto, en te
+Leeuwarden uitgegeven bij Abraham Ferwerda in 1742. Een tweede druk
+daarvan verscheen bij D. Balk te Workum in 1753, welke echter zoo
+letterlijk, ja stiptelijk met al zijne versierselen gelijk is aan
+den vorige, dat alleen de titel het onderscheid uitmaakt, even als
+met de Leeuwarder en Franeker drukken van Gysbert Japicx Rijmlerye
+en de 3 laatste Uitgaven onzer Kronijk.
+
+Vele Schrijvers zijn van gevoelen, dat deze Kronijk geen het minste
+geloof verdient, als gevuld met fabelen en bijgeloovigheden. Emmius, in
+zijne Refut. Apol., van Rhyn, op de Oudh. en Gest. I. 51; F. Sjoerds,
+Inleiding voor de Besch. van O. en N. Friesland, en anderen beweren
+dit op gelijke gronden; geen gezag aan Suffridus Petri kunnende
+toekennen. Ook de Wind, in zijne Inleiding voor de Bibliotheek van
+Nederl. Geschiedschrijvers, heeft dit punt met oordeel behandeld. Zijn
+gevoelen stemt niet dat van Emmius overeen: »Hoezeer dan ook, zegt
+hij, Andreas Cornelis een handschrift moge voor zich gehad hebben,
+waaruit hij de drie eerste boeken getrokken heeft, is het onbewezen
+dat dit H. S. eene kronijk van O. van Scharl uit de tiende, en van
+J. Vlijtarp uit de veertiende eeuw inhield. Veeleer zal dit H. S. het
+werk geweest zijn van een Schrijver uit het begin der dertiende eeuw,
+die deze fabelen heeft zamengeflanst, in dien tijd, toen bijbel en
+ware geschiedenis in het kleed van een roman moesten gehuld worden,
+wilde men dezelve aanhooren." Wij willen de gronden van den kundigen
+de Wind wel niet betwisten of wederleggen, als hier niet voegende,
+dan ik kan er evenwel nog niet toe komen, om met Emmius alles weg te
+redeneren; en zelfs naar aanleiding van bovengemeld argument, blijf
+ik beweren, dat er veel waarheid, hoe dan ook in fabelen gehuld,
+uit deze kronijk en andere dergelijke schriften is op te sporen,
+waarom wij met den geleerden Westendorp gereedelijk instemmen,
+dat er geene voldoende redenen bestaan, de geloofwaardigheid dier
+oude Schrijvers geheel te verwerpen. Zie voorts gem. Biblioth. der
+Ned. Geschiedschrijvers, II. St. p. 223; Suffr. Petri, D. 5. c. 9. en
+D. 7. c. 4, de Script. Frisiae; Schwartz. Chart. Voorr. II. 67;
+onze Aantt. bl. 286-288.
+
+
+Bl. 68.
+
+Omtrent den jaare 969 Gosse Ludigman. Zie v. Rhyn's Nabericht, bl. 417
+volgg. Vóór het huwelijk van des Potestaats dochter Tet, met Sicco,
+zoon van Graaf Arnout, uit wien de Teilingen en Brederoden stamden,
+is, schoon betwist, zeer veel te zeggen, hoezeer ook v. Rhyn eene
+andere uitlegging heeft.
+
+
+Bl. 68.--Ao 998.
+
+Het stedeke Uitgong verwoest. De bouwing dezer stad is in de hooge
+oudheid te zoeken, en zij moet in den vroegsten tijd zeer belangrijk
+voor den handel en met eene goede haven voorzien zijn geweest; liggende
+aan het Boerdiep of Middelzee. Na gemelde verwoesting weder opgebouwd
+zijnde, werd zij in 1181 door een hevig en brand geteisterd; dan tien
+jaren daarna werd de gansche stad door de Noormannen geplunderd, en
+te vuur en te zwaard vernield, zoodat met haar bestaan ook zelfs die
+naam voor altoos werd uitgewischt. De inwoners schijnen zich metter
+woon naar Franeker te hebben begeven. Hoezeer evenwel Uitgong eene
+stad of stedeke genoemd werd, vermeent men echter, dat het met geene
+wallen of muren omringd, maar eene open plaats geweest is: het had
+niettemin stads voorregten en het regt van Oldermanschap. Wij kunnen
+over deze belangrijke plaats niet verder uitweiden; wie daartoe lust
+hebbe, leze het Aanhangsel betreffende de Oudheden, en voornaamste
+Gebeurtenissen van Berlikum, achter het Tweetal Leerredenen van
+Petrus Nota, (Franeker, 1781) waarin men alles in een kort bestek
+bij elkander heeft en de Schrijvers vindt aangehaald.
+
+Omstreeks dezen tijd sneuvelde de Hollandsche Graaf Arnout, in een
+veldslag nabij Schagen in West-Friesland. De Friezen bleven altoos
+weigeren de Graven als hunne Heeren te erkennen. De vermaarde Friesche
+Edelman Adelbold, deelende in de gunst van den Keizer Otto III,
+werd tot Bisschop van Utrecht benoemd.
+
+
+Bl. 69.--Ao 1006-1010.
+
+Deeden de Noormannen geweldige invallen. De geschiedschrijvers
+vermelden allen, met verschil nogtans van sommige omstandigheden, deze
+invallen en gevechten op de jaren 1009 en 1010, en daarmede hield dien
+geesel ook voor Friesland op: want dit was der Noren laatste inval,
+welke echter nog vele menschenlevens kostte. De meerdere uitbreiding
+van 't Christendom, doch ook zwakheid in strijdkrachten, zullen
+hiertoe veel bijgebragt hebben. F. Sjoerds, Jaarb. II. 171; Wagenaar,
+II. 135; Bilderdyk, II. 7. Deze Schrijver vermeld, een door hem uit
+het Yslandsch overgebragt verhaal, van een inval der Noormannen in
+'t jaar 943, voorkomende in de Eglo-Saga, dat is, Historie van Egil,
+hetwelk wij willen overnemen:
+
+Uit Egils-Saga, Hafniae 1809. Cap. 72. Ao. 943.
+
+
+ »Ambiorn was dien winter 't huis op zijn erf (of land);
+ maar omtrent de lente lustede 't hem om ten krijg (zeeroof)
+ te varen. Hij had veel goede schepen. Hij had omtrent de lente
+ drie lange schepen en die alle sterk. Hij had 300 man. Hij had
+ bedienden in zijn schip en was zeer wel gescheept. Hij had ook
+ menige boeren-zonen met zich. Egill besloot met hem te varen
+ en stuurde (beval) een schip. Ook voeren met hem vele van zijne
+ luiden, die hij met zich van IJsland genomen had. Een koopschip,
+ dat hij van IJsland gehad had, liet hij vlieten Oostwaarts naar
+ Wik, (en) nam daartoe mannen om met zijn pakkaadje te varen,
+ en zij, Axinbiorn en Egill hielden de lange schepen om meê te
+ landen. Zoo dan stevenden zij Zuidelijk naar Saxenland, en hier
+ toefden zij tot den somer en vingen veel buit, en voor den oogst of
+ herfst keerden zij Noordelijk en landden in Friesland. Op zekeren
+ nacht, als het weêr gunstig was, zeilden zij den mond van een
+ rivier op. (Want) daar is 't kwaad te havenen, en een grooten
+ inham. Daar waren landwaart op groote vlakten en.... bosschen
+ dichte bij. Daar waren veel plasschen, want het had veel geregend;
+ daar besloten zij op (aan land) te gaan, en lieten eenige hunner
+ lieden achter om de schepen te bewaren. Zij gingen op midden
+ tusschen de rivier en de bosschen. Niet ver van daar was een
+ dorp en daar woonden veel boeren. Het volk liep uit het dorp naar
+ 't land, wat het mocht, en de roovers achter hen. Zij kwamen aan
+ een ander dorp en een derde: de lieden vloden al wat zij konden;
+ daar waren velden en groote vlakten; daar waren grachten om de
+ landerijen gegraven en stonden in 't water, en daar waren groote
+ palen in de grachten gezet, daar waren om over te gaan bruggen
+ en planken over. Het landvolk vlood in de bosschen; maar als de
+ roovers ver in 't dorp gekomen waren, zoo trokken de Friezen te
+ zamen in de bosschen, en als zij bij de 300 hoofden bijéén waren,
+ zoo trokken zij de roovers in 't gemoet, en geraakten met hen in
+ strijd; en werd daar een groot gevecht, tot de Friezen vluchteden,
+ maar de roovers de vluchtenden vervolgden. De hoop dorpelingen
+ werd verstrooid, en zoo ging 't ook met die hen achter na vlogen;
+ en dus bleven er weinige bij een. Egill vloog hard achter hen
+ en weinige mannen met hem. De Friezen kwamen daar aan een gracht
+ en trokken die over, en namen toen de brug weg. Toen kwam Egill
+ aan de andere kant en sprong dadelijk over de brug. Maar dat was
+ geen sprong voor een ander, en niemand deed het hem na, en zijn
+ makkers snelden naar hunne schepen om hulp te zoeken. En wanneer
+ de Friezen zagen, dat één man daar over was (en niet meer) zoo
+ keerden zij om en kwamen op hem aan. Maar hij verdedigde zich,
+ de gracht van achteren tot beschutsel. Daar vielen hem elf aan,
+ met dat gevolg, dat hij die allen neêrsloeg. Daarna schoof hij de
+ brug en kwam over de gracht. Toen, als hij nu zag dat alle naar
+ de schepen getrokken waren, hield hij zich dicht bij de bosschen;
+ en dus trok Egill langs de bosschen en zoo naar de schepen, dat
+ hij in 't hout mocht kunnen wijken zoo 't noodig ware. De roovers
+ hadden veel slachtvee naar 't strand gedreven, en als zij aan de
+ schepen kwamen, slachtten sommige die, andere voerden ze te scheep
+ van daar; sommige maakten een schildburg. Want de Friezen waren
+ opgekomen in groote menigte en schoten op hen. Maar Egill kwam
+ op en hij zag wat gebeurde. Daar vloog hij ten snelste op dien
+ hoop, en greep zijn slagzwaard met beide handen, en wierp zijn
+ schild op den rug. Hij zwaaide zijn zwaard en sloeg op al wat
+ daar voor stond, en maakte zoo ruimte onder 't volk, dat hij tot
+ de zijnen kwam. Daarna gingen zij 't scheep en staken van land,
+ en zeilden naar Denemarken."
+
+
+Bl. 70.--Ao 1064.
+
+Den naam Harns. Over den oorsprong van dezen naam, zie men Oudh. en
+Gest. II. 142. Sommigen leiden dien af van de twee adellijke Staten
+Harliga en Harns, waarbij, of op wier grond de aanleg der stad
+gebouwd was, en welke beide namen, naar tijds gewoonte, veel twist
+veroorzaakten, wie den boventoon behouden zou; weer anderen willen dat
+de Friesche naam Harns, zijn oorsprong had in de ligging der plaats aan
+een uithoek van de Middelzee en de Wadden. Vergel. bl. 89 der kronijk.
+
+
+Bl. 71.
+
+In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus. Wij laten hier volgen een
+aaneengeschakeld verhaal van
+
+
+
+
+
+DE KRUISTOGTEN DER FRIEZEN NAAR PALESTINA [158].
+
+
+ Zoo liet het Voorgeslacht het edel denkvermogen
+ Zich rooven; alles lag voor 't Bijgeloof gebogen:
+ Hem staat, met krommen hals, de trotsche Huichlarij,
+ En, 't aangezigt vermomd, Bedrog, zijn vader, bij.
+
+ Haller.
+
+In de Europesche geschiedenis maken de kruistogten een
+allerbelangrijkst tijdvak uit. Door dezen werd Europa ontvolkt;
+millioenen vonden in Hongarijen, Griekenland, Syrië, Palestina, Egypte,
+in de Middellandsche zee en onder weg hun graf; door dezen schoot het
+bijgeloof vaste wortelen, werd de Pauselijke stoel verheven boven de
+troonen van wereldlijke regenten, wies het monnikendom door blinde
+gehoorzaamheid aan, en ontstonden te voren onbekende orden, kloosters
+en prachtige kerken; door dezen werden onnoemelijke schatten van Europa
+in Azië begraven, en wereldlijke Vorsten werden, door de verwijdering
+van magtige vassalen, despoten. Daarentegen gaven zij aanleiding dat
+kunsten en wetenschappen van het eene volk tot het andere overgebragt
+en door Europa verbreid werden. In deze Kruistogten hebben ook onze
+Voorvaderen, de Friezen, deel genomen. Daar nu de geschiedenis van de
+Kruistogten door onze historieschrijvers deels onaangeroerd blijft,
+deels stuksgewijze en zonder zamenhang geleverd wordt, zoo veroorloof
+ik mij, onze lezers in deze Bijvoegsels een aaneengeschakeld verhaal
+te geven.
+
+Reeds ten jare 637 hadden de Saracenen onder hunnen Kalif Omar I zich
+meester gemaakt van Palestina en de Heilige Stad, en zij bleven meer
+dan vijfthalve eeuw in derzelver rustig bezit. Tegen het einde der
+elfde Eeuw kwam Peter de Kluizenaar, een ondernemende dweeper, te
+Rome. Hij schilderde met krachtige verwen de gruwelijke vervolgingen,
+die de verdrukte Christenen van de Mohamedanen lijden moesten. Een
+bewegelijke brief van Simon, den Patriarch van Jeruzalem, bevestigde
+zijne reden. Paus Urbanus II gaf hem volmagt, om de wereldlijke
+Vorsten aan te moedigen tot de bevrijding des Heiligen Lands uit de
+handen der barbaren.
+
+Daar liep Peter met het Krucifix in de hand, barrevoets en blootshoofds
+Italië, Frankrijk en Duitschland af. Zijne dweeperij, zijn prediken,
+de brief des Patriarchs en de Pauselijke Bulle verwekten overal dorst
+naar Turkenbloed. In het jaar 1095 hield de Paus, eerst te Piacenza,
+en in November deszelfden jaars te Clermont in Auvergne eene groote
+kerkvergadering. Na het eindigen eener vurige rede, waarin de Paus
+een Kruistogt had bevolen, riep de ontelbare verzamelde menigte uit:
+»God wil het, God wil het!"--Ridders, die avonturen zochten; monniken,
+welken het klooster te eng, te benaauwd was; verrukte vromen, die met
+den helm op het hoofd en het zwaard in de hand den hemel dachten te
+verwerven; schuldenaars, die zich van hunne schuldeischers wilden
+ontdoen; gaauwdieven en booswichten, die de welverdiende straffen
+ontliepen; straatslijpers, die het omzwerven boven eene eerlijke
+kostwinning verkozen; knechten, die zich van het juk hunner heeren
+ontsloegen; in één woord, allen, die het zwaard konden voeren, maakten
+zich voor en na gereed tot eenen krijgstogt tegen de Saracenen. Alle
+deze hemelhelden ontvingen, terstond bij hunne aanwerving, een
+klein kruis, dat zij op den schouder vastmaakten. Aan dit kruis kon,
+een ieder zijnen landgenoot kennen [159]. Naar hetzelve werden de
+soldaten Kruisbroeders, en deze togten Kruistogten of ook heilige
+Krijgstogten genoemd.
+
+Er werd dan tot een heiligen krijgstogt besloten en een leger
+van 300,000 man onder verschillende hoofden bijeengebragt. Een
+Fransch Ridder, Walter (Gautier), trok met 20,000 man vooruit. Deze
+Christelijke barbaren pleegden in Bulgariën met moorden en stelen
+grooten moedwil; waarom de Bulgaren zich vereenigden en schier deze
+gansche voorhoede nedersabelden. Peter de Kluizenaar voerde zelf
+20,000 man aan en volgde Wouter. Het ging hem echter in Hongarije en
+Bulgariën niet veel beter. Hij kwam evenwel met het gering overschot
+zijner troepen in Konstantinopel aan. Nog een ander leger, dat op
+200,000 man geschat wordt, en uit Duitschers, Franschen en Engelschen
+bestond, leed buitengewoon veel door het zwaard der Hongaren en meer
+nog door den honger en het gebrek. Een andere hoop scheepte zich in,
+en kwam door de Middellandsche zee in Syrië. Godfried van Bouillon
+voerde 80,000 Duitschers aan, en trok met dezen naar Philopolis. In
+het jaar 1097 vereenigde zich het gansche Christenleger, dat door
+eenige Schrijvers op 500,000 voetknechten en 130,000 ruiters wordt
+geschat, te Chalcedon. Nu vingen de Christenen hunne ondernemingen
+tegen de Saracenen en Turken aan. Zij veroverden Nicea, Antiochië,
+Cesarea en eindelijk in 1099 ook stormenderhand Jeruzalem, alwaar
+Godfried van Bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen tot Koning van
+Jeruzalem werd uitgeroepen.
+
+In dezen eersten Kruistogt hebben ook de Friezen deel genomen. Zij
+zijn om Frankrijk, Spanje en Italië henen naar Palestina gezeild. De
+jaarboekschrijvers noemen ons de voornaamste Edellieden, die den
+togt mede ondernomen hebben, als Tjepke Forteman, Jarich Ludinga,
+Epo Hartman, Igo Galama, Feico Botnia, Eelco en Sicco Liauckama, en
+Ubbo Harmana. Bij de belegering van Nicea zijn Hartman en Forteman,
+de laatste van zijn geslacht, gesneuveld. Eelco Liauckama zoude
+zich bijzonder onderscheiden hebben. Hij was Generaal over 3000 man
+ruiterij, en werd eerst tot bevelhebber van Nicea aangesteld, doch
+ging daarna, ontevreden over zijnen werkeloozen toestand, verder in
+Palestina in garnizoen.
+
+Harmana en Galama zijn in een veldslag,--en Eelco Liauckama en
+Botnia bij de verovering van Jeruzalem zwaar gewond geworden. Na
+hunne herstelling zijn deze beiden eindelijk door Koning Godfried tot
+ridder geslagen. Naderhand zijn nog verscheiden Friesche Edellieden,
+Homminga, Roorda, Cammingha en Ockinga naar Palestina getogen, en
+hebben onder Boudewijn, den tweeden Koning van Jeruzalem, lauweren
+bevochten tegen de Saracenen. Daardoor stonden zij bij den Koning
+en de voornaamste Hoofden van het Rijk in bijzondere hoogachting. De
+faam hunner heldendaden drong gansch Europa door, en de Koning wilde
+hen noode ontslaan uit zijne dienst. Hij geleidde hen in persoon
+met honderd ruiters naar Jaffa, alwaar zij zich inscheepten, en over
+Venetiën en Rome den 15 December 1106 in goeden welstand in Friesland
+terugkwamen. Zij werden door hunne vrienden in plegtigen optogt,
+met kruis en vanen, onder gejuich en blijdschap ontvangen. In dit
+jaar zijn de meeste Friezen weder teruggekomen.
+
+Watze Herama, vroeger teruggehouden door de ziekte van zijnen
+reisgenoot Roorda om naar Palestina te reizen, schijnt in den jare
+1119 met dezen en andere Friesche Edelen, als Harmana, Homminga,
+Ockinga en Cammingha, over Venetiën en Jaffa den togt te hebben
+aangenomen. Zij streden in 1120 dapper, dan dit gevecht viel voor hen
+nadeelig uit. Herama en Homminga werden verslagen. Koning Boudewijn
+met de Edelen, waaronder ook Cammingha en Ockinga vielen den Parthen
+in handen; Roorda en Harmana werden zwaar gewond, doch ook weder
+genezen en de gevangenen uitgewisseld.
+
+In het jaar 1145 liet Paus Eugenius III door den heiligen Bernard
+op nieuw het Kruis prediken. Keizer Koenraad en Lodewijk VII van
+Frankrijk namen zelven het Kruis aan. De togt werd in 1147 aangevangen,
+doch liep, voornamelijk door de trouwloosheid des Oosterschen Keizers
+Manuel, ongelukkig af. Na vruchtelooze belegering der stad Damascus,
+trok het geringe overschot des Christen-legers weder huiswaarts.
+
+Dezen tweeden heiligen krijg schijnen de Friezen niet mede bijgewoond
+te hebben. De Paus echter beval eenen dubbelen Kruistogt ten zelfden
+tijde (1149): eenen naar Spanje om de Saracenen te verdrijven, en
+een' anderen tegen de ongeloovige Sclaven aan de Oostzee. Tot beide
+Kruistogten hebben zich voornamelijk de Westfalingers, Friezen en
+Hollanders laten gebruiken.
+
+Helmold, een geschiedschrijver, die omtrent dezen tijd leefde, laat
+eenen Frieschen Priester Gerlaf toen de Sclaven de Friezen ingesloten
+hadden, aldus aanspreken:
+
+»Nescitis apud Slavos nulla gens detestabilior Fresis? Sane foetet
+eis odor noster."
+
+»Weet gij niet dat bij de Slavoniers geen volk zoo zeer verfoeid
+wordt als de Friezen? Zij mogen ons waarlijk niet eenmaal rieken
+[160]." Een duidelijk bewijs, dat de Friezen met de Sclaven wakker
+aan den slag geweest zijn.
+
+Intusschen werd de toestand der Christenen in het Oosten van tijd tot
+tijd moeijelijker en gevaarlijker. De Sultan Saladin, deze om zijne
+grootmoedigheid in de geschiedenis zoo bekende Vorst, veroverde ten
+jare 1187 eindelijk Jeruzalem, en maakte een einde aan het Koningrijk,
+dat 88 jaren bestaan had. Nu maakte de Paus een gruwelijk alarm, en
+bewoog den Keizer Frederik Roodbaard (Barbarossa), Koning Filips II
+(Philippus Augustus) van Frankrijk en Richard I (Leeuwenhart) van
+Engeland om nog eenen Kruistogt te wagen. In 1189 brak het heirleger
+op. De Friezen en Denen rustten 50 schepen uit, vereenigden zich
+met de Hollanders en Vlamingen, hielden hier en daar in Spanje aan,
+geraakten aldaar slaags met de Saracenen, voegden zich nabij Sicilië
+bij de Italiaansche vloot, en kwamen eindelijk te Ptolomais (toen
+Acre genoemd) aan.
+
+Ook in dezen krijgstogt, in welken de Keizer door een toeval het
+leven verloor, rigtten de Christenen niets verder uit, dan dat zij
+Ptolomais veroverden. Niettegenstaande dezen ongelukkigen uitslag,
+liet de Paus Coelestinus in 1197 op nieuw het Kruis prediken. De
+Friezen namen met de Denen en die van Lubek en Bremen hunnen gewonen
+weg om Spanje, voegden zich op Cyprus bij het hoofdleger en landden
+weder te Ptolomais. Ook op dezen togt maakten de Christenen geene de
+minste verovering. Zij sloten evenwel met Saladin eenen wapenstilstand
+voor 6 jaren.
+
+Ten jare 1199 keerden de heilige krijgers, die in 1189 en 1197 zich
+op reis begeven hadden, voor zooverre zij waren overgebleven, tot de
+hunnen terug.
+
+Zekerlijk kwamen deze Kruisvaarders vermagerd, hongerig en met ledige
+handen huiswaarts; doch, gelijk vermeld wordt, had de generaal der
+Friezen, Hartwijck, Aartsbisschop van Bremen, eenige beenderen der
+Heilige Anna, en het zwaard, waarmede Petrus het oor van Malchus had
+afgehouwen, medegebragt [161].
+
+Het tijdstip, 't welk ik thans nader, is voor ons des te belangrijker,
+omdat de voornaamste feiten meestendeels door gelijktijdige schrijvers
+en door bewijzen gestaafd worden. De Pausen moedigden de wereldlijke
+Vorsten, toen de met Saladin geslotene wapenstilstand ten einde liep,
+tot eenen nieuwen Kruistogt aan; doch wegens de ongelukkige gevolgen
+der vorigen, bleef alles bij vrome wenschen. Eindelijk was Paus
+Innocentius III zoo gelukkig, dat op eene door hem in 1215 belegde
+kerk vergadering tot een nieuwen Kruistogt besloten werd. Hierop
+beval de Paus allen Bisschoppen, in hunne kerspelen het Kruis
+te laten prediken. De Aartsbisschop van Keulen zond den Keulschen
+Leeraar Olivier [162] met bijzondere aanbevelingsbrieven van den Paus
+naar Friesland. Deze predikte zelf het Kruis, en gaf aan eene menigte
+Vicarien door het geheele land volmagt, om in zijne afwezigheid aflaten
+te schenken en rekruten voor den heiligen krijg aan te werven. Hij
+liet in de kerken uitgeholde, van boven met ijzer beslagene blokken
+nederzetten, opdat ieder door eene daarin zich bevindende opening zijne
+bijdragen tot bevordering der krijgstoerusting mogte storten. Het
+prediken van Olivier had eenen buitengemeenen indruk gemaakt bij de
+Friezen, zoodat een ongeloofelijk aantal het Kruis aannam. Zij schijnen
+echter met de toebereidselen tot den optogt zich niet zoozeer gehaast
+te hebben; ten minste herinnerde Olivier hun in eenen brief van den
+jare 1216, dat, de Denen, Bremers en Keulenaars reeds eene groote
+vloot uitrusteden, het ook tijd werd hunne schepen te bemannen.
+
+Ook in dezen tijd had de geestvervoering tot overwinning van 't
+Heilige Land zulk eene algemeene werking, dat duizenden van kinders
+naar de zeeplaatsen liepen, om ook deel aan den strijd te nemen, en
+hoewel door hunne ouders opgesloten, wisten zij hunne gevangenis te
+ontkomen op allerlei wijzen, zonder dat de meesten daarna immer zijn
+teruggekeerd. Zeker Schrijver [163] verhaalt er 't volgende van: »In
+'t jaar 1211 vereenigde zich een groot aantal kinderen (men geeft het
+op voor 90,000), onder aanvoering van een' ouderen knaap, met het
+voornemen het Beloofde Land weder te veroveren. De meesten kwamen
+uit Duitschland en wandelden blijde naar Genua. Hier ondervonden
+zij echter uit onbekendheid, waar eigenlijk het Beloofde Land lag,
+onoverkomelijke hinderpalen, om hunne avontuurlijke onderneming verder
+ten uitvoer te brengen. Te Marseille kwamen 30,000; een deel daarvan
+stierf van ellende, een deel werd vermoord en de overigen als slaven
+aan de Saracenen verkocht."
+
+De Hertog Leopold van Oostenrijk, Boudewijn van Vlaanderen, Lodewijk
+van Savoijen, benevens verschillende Bisschoppen en Graven vereenigden
+zich met den Koning Andreas van Hongarije en trokken te land naar
+Palestina. Daarentegen scheepten de Graaf van Holland (Willem I) en
+de Graaf van Wieden met de overigen zich op de Maas in, en stevenden
+door de Middellandsche Zee naar Ptolomais, alwaar de verzamelplaats
+der Kruisvaarders was. De Friezen behoorden tot de vloot des Graven
+van Holland. Deze geheele reis tot op de aankomst in Ptolomais is van
+eenen Kruisbroeder [164], die den togt mede heeft gemaakt, naauwkeurig
+beschreven geworden. Het reisverhaal daarvan is te vinden in Emo's
+Chronicon (p. 16-35), waaruit ik het volgende overneem:
+
+»Op het einde van Mei 1217 ligtten de Friezen in den Lauwerstroom
+de ankers, en staken met groote schepen, die zij Koggen noemden, uit
+den stroom in zee. Onder Engeland ontmoetten zij eene groote vloot,
+onder bevel der Graven van Holland en Wieden [165]. Hier werden het
+plan des geheelen togts en wetten ontworpen, waaraan een iegelijk moest
+gehoorzaam zijn. De Graaf van Holland [166] werd tot eersten Admiraal
+der gansche vloot benoemd, die in twee afdeelingen afzeilde. De eene
+werd door den Graaf van Holland zelven, de andere door dien van Wieden
+aangevoerd, en de Friesche schepen behoorden onder het smaldeel des
+Graven van Holland.
+
+Eerst kwamen zij in de havens van St. Mattheus en vervolgens te Faro
+(of Ferrol), eene stad in Gallicie, aan. De Kruisbroeders ontscheepten
+zich hier, en gingen te voet in bedevaart naar St. Jacob van
+Compostella. Hier bezochten zij de heilige overblijfsels (reliquiën)
+des Apostels, en bragten hem hunne offers. Toen zij weder scheep
+gegaan waren, voeren zij eerst wegens tegenwind noordwaarts af, en
+laveerden eindelijk met veel moeite naar Portugal; zij ankerden voor
+Salerno, lieten zich daar van den Abt te Alkubar vele wonderen en
+avonturen verhalen, en voeren na eenige dagen den Taag op, totdat zij
+eindelijk te Lissabon aanlandden. De daar aanwezige Bisschop wendde
+al de kunsten zijner welsprekendheid aan, om het Kruisheir te bewegen
+tot het verdrijven der Saracenen uit Spanje. Door verdelging dezer
+barbaren, zoo sprak hij, zouden de Christenen God dezelfde dienst
+bewijzen, als wanneer zij, Hem ter eere, in Palestina hunne handen
+in Saracenen-bloed wieschen. Sommigen lieten zich begoochelen,
+en bleven met hunne schepen in de haven van Lissabon liggen. De
+meeste Kruisvaarders echter en inzonderheid de Friezen lieten zich
+van hun voornemen, om in het Heilige Land veroveringen te maken,
+niet aftrekken. Zij ligtten vervolgens wederom het anker, en voeren
+het gebergte St. Vincent om. Door hevigen storm moesten zij de haven
+St. Maria binnenloopen. Deze was eene wel versterkte stad, waarvan
+de hooge muren zoo dik waren, dat boven op dezelve twee ruiters
+elkander konden voorbij rijden. Het leger was onderling niet eens,
+of men de stad aantasten, dan wel met den eersten gunstigen wind weder
+onder zeil gaan zoude. Toevallig vertoonden zich vele Saracenen voor
+de stad. De Friezen hieven een lofzang (Hymnus) aan, vielen op den
+vijand in, en drongen hem binnen de stad terug. In de schemering zag
+een Fries eenen Saraceen, die zich door middel van een koord van den
+muur liet afzakken. Deze gelegenheid maakte hij zich ten nutte: hij
+doodde den Saraceen en steeg naar boven. Als hij nu met dat touw velen
+zijner makkers had opgetrokken, plantten zij een krijgsvaan boven op
+den muur: deze koene strijders drongen vooruit tot aan de poort. De
+wacht, die zich daar bevond, werd op het gezigt der Christenen door
+eene plotselijke schrik bevangen, geraakte in wanorde, en kon niet
+beletten dat de poort geopend werd. Het gansche leger drong binnen,
+en zoo werd de stad veroverd, en nu rigteden de Christenen een groot
+bloedbad aan, plunderden alles wat hen voorkwam, en staken tot afscheid
+de stad in brand.
+
+Vele Kruisbroeders, waarschijnlijk dweepzieke monniken, hebben in de
+wolken het beeld der heilige Maria gezien, welke over het geluk en
+de gedragingen der Christenen met welbehagen glimlachte. De Priesters
+hadden moeten doen zien, dat de heilige maagd tranen stortte over deze
+Christelijke barbaren!--Dit geschiedde den 1 Augustus:--twee volle
+maanden hadden dus onze Friezen reeds rondgezworven. Des anderen
+daags ligtten zij wederom de ankers, voeren digt onder de Spaansche
+kusten langs, en landden te Roden. Het gerucht van den gruwel der
+verwoesting in St. Maria was reeds tot hier doorgedrongen. De bevreesde
+Saracenen hadden de stad verlaten; de Christenen trokken de ontvolkte
+stad binnen, plunderden dezelve, volgens loffelijke gewoonte, uit,
+en legden haar in de assche. Eenige Christenen hadden zich op de bij
+de stad liggende wijnbergen verspreid, in de hoop van ook daar nog
+eenigen buit te behalen; maar de Saracenen lagen daar in sluipholen
+verborgen, kwamen onverwacht te voorschijn, en vermoordden allen,
+die zich niet met de vlugt tot aan de haven redden konden. Daarop
+gingen de Christenen naar Kadix, en ook deze reeds destijds rijke
+stad was van de Saracenen verlaten. De Kruisvaarders sloopten eene
+bij uitstek kostbare moskee tot den grond toe, plunderden de stad
+en de omliggende landhuizen uit, en namen, van roof verzadigd, het
+vroom besluit, deze prachtige stad door het vuur te verwoesten.
+
+Nu rigteden de Christelijke zeeroovers hunne koers naar de straat van
+Gibraltar. Een zware storm uit het Oosten belette hun de doorvaart,
+en verstrooide de vloot; 86 schepen, waaronder die der Friezen, liepen
+in de havens van Sevila aan den mond der Guadalquivir binnen. Drie
+dagen daarna liepen zij uit met eenen gunstigen wind, geraakten
+gelukkig door de straat, verzeilden op den vierden dag daaraan uit
+onkunde naar het eiland Ivica, en kwamen na eenige dagen te Tortoso
+aan den mond van den Ebro. Zij gingen aan land om versch water
+in te nemen, bleven hier twee dagen, en stevenden naar Barcelona,
+waar zij verscheiden schepen hunner door den storm verstrooide vloot
+aantroffen. In de haven van den H. Felicianus (St. Felice de Guixolis)
+in Catalonië vonden zij het overschot derzelve weder.
+
+De vloot ging weder onder zeil, en ankerde in de haven van
+St. Mardrianus omtrent Marseille. Nu hielden zij zich digt langs de
+kusten van Frankrijk en daarna van Italië, voeren Nizza, Pisa, Genua,
+Livorno en andere steden voorbij, en kwamen eindelijk te Piombino in
+Toskanen. In Piombino vertoefden zij 8 dagen, en rigtten nu hunnen
+koers naar Messina op Sicilië; dan storm en tegenwind dwongen hen
+om naar Civita Vecchia te zeilen. Daar het jaargetijde zoo verre was
+verloopen, besloot men hier de winter kwartieren te betrekken, want
+het was reeds 9 October toen de vloot in de haven van voornoemde stad
+voor anker kwam. Vijftehalve maand had dus de vloot van huis af naar
+Italië te zoek gebragt. Zulk een lange tijd kan ons niet bevreemden,
+als men denkt, dat de vloot geenszins de volle zee, maar altijd de
+kusten gehouden, en in vele havens vertoefd heeft. Ondertusschen was
+de haven van Civita Vecchia niet ruim genoeg om de schepen allen
+te bevatten, weshalve zich eenigen van de vloot afscheidden. 18
+Friesche bodems liepen de haven van Corneto binnen, alwaar zij
+op uitdrukkelijken last van Paus Honorius III, inzonderheid omdat
+zij in Spanje zoo dapper gestreden, zoo vele Saracenen onthalsd en
+steden verwoest hadden, heerlijk onthaald werden; ja, de Paus had
+zoo veel met hen op, dat hij hun tweemalen de Veronica (het in den
+Zweetdoek afgedrukte gelaat des Heilands) liet zien. Tot den 21 Maart
+1218 lagen de Friezen daar in de winterkwartieren. Bij hun vertrek
+werden zij door de gezamenlijke ingezetenen met 158 vanen in heiligen
+optogt tot aan de schepen begeleid. Zeer velen uit deze stad en het
+omliggende land, van Viterbo, Sièna, Vetralla enz. scheepten zich
+met 40 vanen met de Friezen in. De bevelhebber van Corneto liet bij
+den aftogt het volk eenen kring maken, plaatste zich in het midden,
+en hield eene aanspraak, waarin hij de dapperheid der Friezen roemde,
+en hun zijne mede vertrekkende landslieden hartelijk aanbeval. Na het
+eindigen zijner rede overhandigde hij den Friezen een Krijgsvaan, ten
+teeken des opperbevels over de medetrekkende Italianen. Nu gingen zij
+aan boord, en vereenigden zich met de van Civita Vecchia uitgeloopen
+vloot. Na eenige, hoewel niet belangrijke tegenheden, landden zij te
+Sijracuze aan, waar zij den palmzondag vierden. Onder Creta leden
+zij eenen zwaren storm, die de vloot verstrooide, doch de meeste
+schepen liepen daar eene haven in. Zij zeilden vervolgens Cnidus,
+Rhodus en Cyprus voorbij, en kwamen eindelijk, den 26 April 1218,
+te Ptolomais aan.
+
+In deze haven vonden zij Johannes, Koning van Jeruzalem, Andreas,
+Koning van Hongarijen, den Koning van Cyprus, de Hertogen van
+Oostenrijk en Beijeren en andere groote Heeren met het geheele
+Christen-leger, hetwelk men op 80,000 man berekende. Ondertusschen
+hadden die Kruisvaarders, welke zich door de reden des Bisschops hadden
+laten overhalen in Lissabon te blijven, op de Saracenen in Portugal
+eenige veroveringen gemaakt; doch op bevel van den Paus zijn zij van
+daar opgebroken, en onder aanvoering van Graaf Willem van Holland met
+eenen gunstigen wind, nog vroeger dan hunne voormalige togtgenooten,
+te Ptolomais, de verzamelplaats van dezen Kruistogt, aangekomen.
+
+Het thans weder vereenigde leger maakte het volgende plan: Damiate,
+de sleutel van Egypte, zoude veroverd worden, dan ware het den
+Christenen gemakkelijk Cairo en Alexandrië den ongeloovigen te
+ontrukken. Wanneer op deze wijze Egypte in handen der Christenen viel,
+zoo kon men den ongeloovigen in Syrië en Palestina de pas van Egypte,
+van waar zij toevoer en rekruten ontvingen, afsnijden, en zoo moesten
+dan Syrië en Palestina zich van zelf overgeven. Sed homo proponit;
+Deus disponit!--»Doch de mensch maakt plannen; God beschikt!"
+
+Ingevolge dit plan ligtte de vloot het anker, en stevende in 3 dagen
+naar Egypte. Met zeer veel moeite liep zij den Nijl in, waar toen de
+manschap niet ver van Damiate aan land stapte. Hier vertoonden zich
+vele Saraceensche ruiters aan het strand, hetzij om de ontscheping te
+beletten, hetzij om de Christenen te verkennen. Een gespierde Fries
+met breede schouders zwaaide zijne lans, en daagde den eersten den
+besten Muzelman uit; eene gewoonte, die sedert Goliath's tijd en nog
+vroeger zich tot nu toe had staande gehouden. Een Saraceensch ruiter
+reed voor, maar werd oogenblikkelijk door den uitdager uit den zadel
+geligt en afgemaakt [167]. De Saracenen beschouwden dit als een kwaad
+voorteeken, en trokken in de stad terug. Diamiate was eene voor dien
+tijd bijzonder sterke stad; zij was met eenen driedubbelden muur,
+de een hooger dan de ander, omgeven; digt langs den muur liep de Nijl
+met een' krommen arm om dezelve. Op de zijde der stad lag de voorstad,
+welke door een' sterken toren gedekt werd. Dezen toren kon men niet
+naderen, daar zij op een eilandje stond, welks geheele oppervlakte
+door den voet des torens werd beslagen, zoodat de toren uit het
+water scheen op te rijzen. Tusschen dezen en eenen anderen even
+zoo gelegenen, ofschoon kleineren toren, lag de haven, en van beide
+torens was eene zware keten gespannen, om de haven te sluiten. Nadat
+men eenige vruchtelooze aanvallen op de stad en den toren had gedaan,
+vonden de Duitschers uit het Bisdom Keulen een kunstig werktuig uit,
+waarmede zij den toren dachten te veroveren; doch ook dit mislukte.
+
+De Zomer liep reeds ten einde, zoodat men aan de verovering der
+stad begon te wanhopen. In dezen hagchelijken toestand kwamen
+de Friezen op eenen bij zonderen inval. Zij klampten twee hunner
+grootste schepen aan elkander, welke naar één breed schip geleken:
+op deze beide schepen maakten zij vier sterke masten in een vierkant
+vast. Tusschen deze masten rigtten zij een houten bolwerk op, dat zij
+met sterke kruisgewijze gelegde balken verzorgden, en van buiten met
+natte koehuiden overtrokken. Boven op het bolwerk hadden zij lange
+ladders, die zij op den toren werpen en waarmede zij dan deszelfs
+platte oppervlakte bereiken konden. Vervolgens sloegen zij op een ander
+schip een lager bolwerk op met naar buiten vallende bruggen, om aan
+den voet des torens te komen, en met deze beide werktuigen voeren de
+Christenen tot aan den toren. De Saracenen benaauwden de belegeraars
+met hunne pijlen, die zij van boven van den toren afschoten, en met
+het Grieksche vuur, dat echter door de natte koehuiden weinig werking
+kon doen. Gedurende dit gevecht lagen de Patriarch en gezamenlijke
+Geestelijken op de knieën, hieven de gevouwene handen ten hemel, en
+riepen God, doch inzonderheid Maria en St. Bartholomeus (het was juist
+Bartholomeus-dag) om hulpe aan. Eindelijk gelukte het den Christenen
+uit het bovenste bolwerk ladders op den toren te werpen. Hendrik,
+een Luikenaar, en Haije, een Fries van Fivelingo uit Groningerland,
+waren de eersten, die den toren beklommen. De eerste had eene zware
+kolf en de laatste een ijzeren dorschvlegel, die met ijzeren ringen
+aan elkander gezet en versterkt was, in de hand. Elke slag gold
+eenen gekneusden kop, ontwrichten arm of stukken geslagen beenen;
+zoo maaiden zij regts en links om zich henen, en maakten ruimte voor
+hunne makkers. De Saracenen, die van boven van den toren naar beneden
+gedrongen waren, wierpen Grieksch vuur uit, waardoor de Christenen
+zoo bestookt werden, dat zij den toren weder moesten verlaten. Daar
+evenwel de vijand ook den toren verlaten had, zoo kreeg het andere
+schip met het lage bolwerk lucht. Men wierp de bruggen uit, en naderde
+den toren van onderen. Als zij nu met alle magt op de poort aanvielen
+om die met geweld te doen bezwijken, gaven de Saracenen den toren bij
+verdrag over. Eenige buitenlandsche Schrijvers voegen hierbij, dat
+het groote schip van voren met eene sterke ijzeren zaag is voorzien
+geweest, en dat de ketting, door tegen haar met volle zeilen aan te
+varen, is gesprongen [168].
+
+Toen de Christenen den toren hadden, werd ook spoedig daarop
+de voorstad bemagtigd; doch de stad zelve konden zij nog niet
+bemeesteren, omdat zij bestendig uit het leger des Sultans Meleddin
+[169] toevoer en ondersteuning ontving. Het Christen-leger had ook veel
+te lijden van overstrooming des Nijls, waarom vast- en biddagen werden
+ingesteld. Toen de Nijl naderhand binnen zijne oevers terug trad,
+vernielden de Duitsche Kruisbroeders eene schipbrug, over welke de
+belegerden toevoer ontvingen uit het Saraceensch leger. Toen wies der
+Christenen moed; zij wierpen zich tusschen het leger des Sultans en de
+stad, en vielen hem eindelijk nu eens gelukkig, dan eens ongelukkig,
+zelfs in zijn leger aan. De Sultan werd deze kwellingen eindelijk
+moede, en bood den Christenen het vrije bezit van Palestina, het kruis
+des Heilands, het ontslag der Christen-gevangenen en een eeuwigen vrede
+aan. Het Kruisleger en vooral de Duitschers en Franschen lieten zich
+het aanbod gaarne welgevallen, maar de Pauselijke Legaat protesteerde
+en verlangde de geheele uitroeijing der Saracenen en Turken. Deze
+zielenherders kregen eindelijk bij de Christelijke schapen gehoor,
+men vocht nog een tijdlang met de ongeloovigen, en bereikte ten
+laatste, op het einde van Aug. 1219, door bemagtiging van Damiate,
+welke stad schier geheel door de pest was uitgestorven, het eerste
+gedeelte hunner wenschen. Natuurlijk viel hier in deze rijke en weleer
+volkrijke stad weder kostelijken buit te maken, dien de Christenen
+eerlijk onder elkander verdeelden.
+
+Toen Damiate was overgegaan, trok de Sultan naar Cairo terug. Men
+hield zich wederzijds langen tijd in dit en het volgende jaar stil,
+doch eindelijk beval de Paus tegen den zin der meeste Christenen en
+zelfs van Koning Johannes den vijand te vervolgen. Dit bevel kwam
+ter kwader uur, daar de Nijl overstroomde, en groote verwoesting in
+het Christenleger aanrigtte. Nu zagen zich de Christenen genoodzaakt
+met de ongeloovigen vrede te sluiten. De vredesvoorwaarden waren
+deze: de gevangenen zouden van wederzijden vrijgelaten worden; de
+Christenen moesten Damiate ontruimen, en de Sultan moest hun het
+te voren door Saladin veroverde Kruis des Heeren uitleveren. Deze
+was de eindelijke vrucht des ganschen togts, want in Aug. 1221 werd
+Damiate weder overgegeven. Zoo was dan wederom alles verloren, en de
+Christenen trokken weder huiswaarts."
+
+Ik kan niet voorbij hier nog aan te voeren dat de bovengemelde Olivier
+dezen Kruistogt in persoon heeft bijgewoond. Misschien is hij zelf
+de vervaardiger van het Itinerarium (Reisverhaal) geweest. Uit het
+leger voor Damiate heeft hij een brief aan de Abten, Prelaten en
+Burgemeesteren (Consuls) in Friesland geschreven. Ik neem hier het
+volgende uit over, dat den Friezen tot eer verstrekt:
+
+»De Zegepraler in Israël, van wien alle goede gaven en volmaakte giften
+afdalen, heeft uw vroom en in de moeijelijkheden der vreemdelingschap
+volhardend volk op aarde groot gemaakt, bereidende hun een'
+triomfwagen, als hebbende eene eeuwige belooning bij tijdelijken
+roem verdiend, dewelke zij nooit zullen verliezen, indien zij den
+ingetreden weg ten einde toe blijven bewandelen. Bij Damiate immers
+hebben zij zich door betoon van groote nedrigheid, milddadigheid,
+gehoorzaamheid en stoutmoedigheid, bij de Saracenen geducht, bij de
+Christenen bemind gemaakt. Weshalve wij U, Prelaten" enz., enz.
+
+»Geschreven bij Damiate op het feest der H. Kruisverheffing."
+
+De Patriarch van Jeruzalem gaf den Friezen bij hunnen aftogt eene
+loffelijke getuigenis mede, waarin onder anderen het volgende voorkomt:
+
+--»en nadat zij met ons in Egypte zijn gekomen, hebben zij veel
+leeds uitgestaan, zoo ten aanzien van hunne personen als van hunne
+geldmiddelen. Wij hebben hen van hunne dienst ontslagen en laten
+vertrekken, volgens de toelating door de Roomsche Kerk in de algemeene
+kerkvergadering verleend. Wij geven eene loffelijke getuigenis aan
+het Friesche Volk, daarom, dat zij eenen braven wandel hebben geleid,
+en dapper en vroom gestreden hebben in de dienst van J. C. Weshalve
+wij u vermanen en van uwe bescheidenheid in den Heere bidden, dat
+gij deze zelfde Friezen, uit hunne vreemdelingschap terugkeerende,
+in gunst moogt ontvangen," enz.--
+
+Zoo veel van dezen togt.
+
+Naauwelijks waren de Kruisvaarders weder te huis gekomen, of de heilige
+Vader Honorius II begon reeds weder alarm te blazen. Keizer Frederik
+II nam zelf het Kruis aan, doch scheen zich, na den dood van Honorius,
+om zijne gelofte weinig te bekommeren; hij werd door den opvolger
+van Honorius, Paus Gregorius, in den ban gedaan, trad wakker met den
+Heiligen Vader in het strijdperk, en ondernam eindelijk in 1228 den
+Kruistogt. Terstond bij zijne aankomst boden hem de Saracenen eenen
+10 jarigen wapenstilstand aan, waarbij zij hem Jeruzalem, Nazareth
+en Sidon inruimden. Daarop liet hij zich tot Koning van Jeruzalem
+kroonen, en keerde terstond daarna terug. Ook aan dezen togt hebben
+de Friezen deel genomen, en zoowel de Paus Honorius, als de Keizer
+Frederik moedigden de Friezen aan, den togt mede te ondernemen. De
+Paus streek den Friezen in eenen brief van 1226 niet weinig honig om
+den mond. Onder anderen zegt hij in dien brief:
+
+»Voorwaar, daar de Friezen weleer met onderscheiding in den Kruistogt
+ter zee den Heere gediend hebben in de overzeesche landen, zoodat
+uw gedenkboek van geslacht tot geslacht met vermelding van uwen lof
+zal aangehaald worden, zoo hebben wij noodig en raadzaam gedacht,
+ulieden als beroemde Kampvechters wel bijzonder tot het volgen van
+dezen (togt) te moeten oproepen, vastelijk hopende en vertrouwende,
+dat gij, die onder overige volken uitmunt in grootmoedige dapperheid,
+den strijd des Heeren mannelijk en met kracht zult strijden.
+
+»Wij bidden u dan allen enz."
+
+En Keizer Frederik schrijft onder anderen:
+
+»Want buitenlands is uw krijgsbeleid gevreesd en ondervonden van
+die volken, tot welker uitroeijing gij weleer uwe krachten loffelijk
+geoefend hebt, terwijl het bloed van uwe martelaren in de dienst des
+Kruises geplengd, glansrijk blinkt, en hunne roemrijke ligchamen door
+de bezetting en verovering van Damiate herdacht worden. Ontbrande
+dan uwe dapperheid!--
+
+»Gegeven te Salerno 1 Febr. 14de Indictie."--
+
+Olivier kwam ook weder in Mei 1224 in Friesland, en predikte eerst
+in Groningen, daarna in Reiderland en in 't Emderambt het Kruis;
+voornamelijk echter hield hij zich te Uttum en Groothuizen (Huttum en
+Usum zegt Emo) op, waar hij evenwel weinig uitwerkte. Vervolgens zond
+hij door geheel Friesland herderlijke brieven rond, en vermaande de
+Friezen met de Denen, Bremers en de Keulenaren, die reeds eene vloot
+begonnen uit te rusten, gemeene zaak te maken, terwijl de eerste
+bemoeijing der Geestelijken was, om geld voor den te ondernemen
+Kruistogt te verzamelen. Onze geschiedschrijver Emo liet zich zelven
+daartoe gebruiken, en bragt eene aanzienlijke som bijeen.
+
+Den 22 Mei 1227 gingen de Friesche schepen bij Borkum onder zeil;
+de manschap echter leed veel door allerlei gevaar, storm, ziekte en
+honger, en kwam, merkelijk ontdaan, eindelijk in Palestina [170]. Het
+einde van dezen togt heb ik reeds boven kortelijk opgegeven.
+
+In het jaar 1247 werd eene groote kerkvergadering te Lyon in Frankrijk
+gehouden, op welke nogmaals een heilige krijg tegen de ongeloovigen
+werd vastgesteld. Koning Lodewijk de Heilige nam zelf het Kruis aan,
+en de Paus zond, op bijzonder verlangen des Konings, den Bisschop
+Albert van Riga en Willibrand, een monnik uit het Mentzsche, naar
+Friesland, alwaar zij alle Abten, Dekens, Priesters, Edellieden,
+regterlijke Beambten en de voornaamste Mannen verzamelden, en hun den
+Pauselijken lastbrief voorlazen. Terstond liet zich eene groote menigte
+tot dezen togt aanwerven; maar toen den Friezen werd aangekondigd,
+dat zij tegen Mei 1248 reeds tot den togt gereed moesten zijn,
+schreeuwden allen, dat deze bepaalde tijd veel te kort was. Daarop
+werd de tijd des aftogts tot Mei 1249 uitgesteld.
+
+Deze Krijgstogt is voor de Christenen van rampzalige gevolgen geweest,
+daar bijna het geheele Christelijke leger in Egypte, deels door de
+pest, deels door het zwaard, werd vernield, en de Koning Lodewijk
+zelf gevangen genomen. Door klinkende munt en eenen schandelijken
+vrede kocht hij zijne vrijheid weder. Of nu de Friezen dezen togt
+mede gedaan hebben, en werkelijk uitgezeild zijn of niet, melden ons
+de geschiedschrijvers niet [171]. Waarschijnlijk hebben de Friezen,
+daar zij te huis genoeg te doen hadden, en den nieuw verkozen Roomsch
+Koning Willem reeds in 1248 Aken hielpen veroveren, doch daarna met
+hem in onmin geraakten, en hem, gelijk uit 's Konings geschiedenis
+genoeg bekend is, in de tegenwoordige provincie Friesland om hals
+bragten, aan dezen togt geen deel genomen [172].
+
+Zeer aardig herinnert een Bisschop van Syrië in eenen uit Ptolomais
+geschreven brief na het jaar 1260 hun aan hunne pligten. Hij
+noemt zich: »Frater Thomas de ordine Praedicatorium, Dominici
+praesepii et virginalis puerperii custos indignus, Apostolicae Sedis
+Legatus." »Broeder Thomas van de orde der predikheeren, onwaardige
+bewaker van de kribbe van Dominicus en het maagdelijk kraambed,
+legaat van den Apostolischen zetel." Hij meldt daarin (de ruimte laat
+niet toe, den geheelen merkwaardiger en kluchtigen brief hier in te
+lasschen) onder anderen, dat de Friezen, die voor 10 en meer jaren
+het Kruis hebben aangenomen, hunne kruisgeloften gestand doen, en
+opkomen, of wettige redenen van hun uitblijven opgeven moeten. Daarbij
+verzoekt hij de Proosten en Dekenen de Friesche vrouwen, welke het
+Kruis hebben aangenomen, den togt af te raden, dewijl men, helaas,
+meermalen de treurige ervarenis heeft gehad, dat door verleidingen
+des Satans deze vrome vrouwen reeds aanstonds op weg afschuwelijke
+hoererij en echtbreuk bedreven hebben. Wanneer deze goede kinderen
+slechts zooveel baar geld betaalden, als hun de reis heen en weder
+zou kosten, dan konden zij rustig te huis blijven, en nu besluit hij:
+
+»Aan alle welke voornoemde vrouwen en anderen, die op voorzeide
+wijze mogen verschoond worden, wij uit kracht van de aan ons door
+den Apostolischen Stoel verleende volmagt die vergeving van zonden
+schenken, welke zij zouden verwerven, zoo zij het Heilige Land in
+persoon bezocht hadden."
+
+Koning Lodewijk nam in 1267 andermaal het Kruis aan, en zond naar
+Friesland eenen monnik, Gerhard, om aldaar het Kruis te prediken. Deze
+trok geheel Friesland door, doch hield zich den meesten tijd, volgens
+getuigenis van den gelijktijdigen Schrijver Menco, in Norden op, alwaar
+hij het Jakobiten-Klooster stichtte. Het gelukte hem ten behoeve van
+dezen voorgenomen togt den ingezetenen groote sommen gelds uit de
+beurs te praten, en een groot getal strijdbare mannen te overreden,
+zich met het Kruis te laten teekenen.
+
+Thans werd eene betere orde ingevoerd. Opdat niet wederom allerlei
+janhagel den togt mede ondernemen, en zich op kosten van het Kruisleger
+mesten, of ook weerlooze vrouwen vervolgens wanorde in het leger
+veroorzaken mogten, werd uitdrukkelijk bevolen dat alle vrouwen,
+zonder onderscheid, te huis blijven, en ieder Kruissoldaat 7 mark
+sterling aan klinkende munt, vervolgens 7 ton boter, een halven os,
+een ham, een half mudde meel en zoovele wapens en kleederen, als hij
+zou noodig hebben, medenemen moesten.
+
+In 1269, kort voor Paschen, scheepten de Friezen zich in. Zij
+verzamelden zich bij Borkum, en moesten daar 20 dagen wegens westelijke
+tegenwinden blijven liggen. De uitgeloopene Friesche vloot bestond,
+behalve de kleine schepen, uit 50 koggen. Met goeden wind landden zij,
+na volgens gewoonte vooraf in eenige havens te zijn binnengevallen, te
+Marseille aan. De Koning van Frankrijk had met de Friezen afgesproken
+hen tot St. Jan in te wachten; dan daar deze tijd verstreken was, zoo
+was de Koning met zijne vloot reeds voor de aankomst der Friezen naar
+Tunis afgezeild. De Sultan had een sterk leger naar Afrika gezonden,
+waarom de Koning vreesde, dat de Turken, na den aftogt der Christen
+troepen, in Sicilie, Italie, Frankrijk en Spanje eene afwending zouden
+maken. Daar ook de Saracenen in Syrië en Palestina veel ondersteuning
+en levensmiddelen ontvingen van de Barbarijsche kusten, zoo achtte hij
+het voordeelig eerst Tunis te verwoesten. De Friezen morden over dezen
+togt, en wilden liever naar Palestina, doch lieten zich ten laatste
+door eenen geestelijken overreden den Koning na te zeilen. Bij hunne
+aankomst vernamen zij wel, dat de Koning de Ongeloovigen geslagen en
+Tunis reeds ingesloten had, doch tevens dat hij zelf kort daarna aan
+de pest gestorven was. Op dit berigt wilden de Friezen oogenblikkelijk
+weder naar Syrië afzeilen; dan, daar juist ten zelfden tijde de broeder
+des overledenen Konings Lodewijk, de Koning Karel van Napels, met eene
+versche vloot aankwam, zoo lieten zij zich bewegen, daar te blijven. De
+belegering werd dan ijverig voortgezet; de Saracenen deden eenen uitval
+op eene afdeeling Duitschers en Friezen, die verspreid nabij de stad
+ginds en herwaarts liepen, om den vijand uit zijne verschansingen
+te lokken. De Christenen togen aanvankelijk in wanorde terug, maar
+herstelden zich weldra weder, rukten als één man tegen den vijand
+op, en dreven hem tot eene rivier, die voorbij Tunis stroomt. Vele
+Ongeloovigen sneuvelden door het zwaard, de meesten echter verdronken
+in den vloed. De stad kon door storm niet ligt veroverd worden, omdat
+de pest in het Christenleger eene groote verwoesting had aangerigt:
+desniettemin werden de belegerden zoo benaauwd, dat zij den Christenen
+eenen vrede aanboden. De inhoud der aangenomene vredes-voorwaarden was,
+dat de gevangenen van wederzijde bevrijd,--Tunis aan Koning Karel eene
+jaarlijksche schatting betalen,--en de Christenen op de Middellandsche
+Zee door geene zeeroovers zouden ontrust worden. Het leger werd
+daarop ontbonden, en de meeste Italianen en Franschen gingen weder
+naar huis; dan de Friezen, Duitschers en Engelschen vervolgden hunne
+reis en zeilden naar Palestina. Onder weg leden zij veel door storm
+en ziekte, en kwamen in veel verminderd getal eindelijk te Ptolomais
+aan, alwaar zij het Christen-leger in eenen jammerlijken toestand en
+verderfelijke oneenigheid aantroffen, welke tweespalt de Saracenen zich
+ten nutte, en vele veroveringen hadden gemaakt. Intusschen werden de
+Friezen door de Tempelheeren wel ontvangen en kostelijk onthaald: zij
+werden naar Tyrus gevoerd, alwaar men aanzienlijke hulptroepen van de
+Christenheid en bijzonderlijk van Koning Karel van Napels verwachtte,
+doch daar deze uitbleven, zoo kregen ook de Friezen het heimwee. Hunne
+uit den storm nog overgeblevene schepen waren zoo jammerlijk gesteld,
+dat zij geen zee konden bouwen, zoodat zij zich in vreemde vaartuigen
+moesten inschepen, en van elkander afgescheiden, sommigen door Italië,
+anderen door Frankrijk afzonderlijk terugkwamen. De meesten echter
+hadden hunnen dood in Afrika, in de Middellandsche Zee en in Palestina
+gevonden, terwijl het geringe in het Vaderland terugkeerend overschot
+ledige buidels, hongerige magen en zieke ligchamen mede terugbragt.
+
+Van nu af aan waren de Christenen te zwak om den Turken het spits te
+bieden. De eene vesting ging na de andere over. Antiochië, Cesarea,
+Joppe en andere steden kwamen in handen der Turken. Ten jare 1291
+werden ook Ptolomais, Tyrus en Berytus heroverd. Zoo behielden dus de
+Christenen der Latijnsche Kerk, die ter verovering en beheersching
+des Heiligen Lands, zoo vele millioenen verspilden, en zoo veel
+bloeds deden stroomen, in Palestina geen voet gronds. Paus Nikolaas
+IV, wien dit zeer ter harte ging, wekte wel alle geestelijke en
+wereldlijke Vorsten tot eenen nieuwen togt op, doch zijne pogingen
+waren vruchteloos [173].
+
+Palestina, ontbloot van allen bijstand, verzonk weder in de oude
+slavernij, die misschien dragelijker was, dan de heerschappij van
+teugellooze schraapzuchtige Christenen.--En dit was het einde der
+heilige oorlogen of vrome razernij, die omtrent twee honderd jaren
+gewoed, en Europa omtrent zeven millioenen menschen en onmetelijke
+schatten gekost heeft.
+
+Wat nu het goed en kwaad betreft, het is moeijelijk te beslissen of de
+Kruistogten meer voordeel dan nadeel aan Europa hebben toegebragt. Dus
+oordeelt er de Duitsche Geleerde J. G. Mair over [174]. Heeren is door
+zijn onderzoek der gevolgen van de Kruistogten voor Europa [175] tot
+het gunstig resultaat gekomen, dat zij wel niet op eens eene betere
+wereld schiepen, maar die voor de nakomelingschap hebben voorbereid.
+
+Wakker van Zon heeft, in zijne Bijdrage tot de Geschiedenis der
+Kruisvaarten, voor ons Vaderland daarin weinig voordeel kunnen vinden,
+en laat het nadeel ver het overwigt behouden; zelfs in de heftigheid
+van zijn betoog uitroepende: »Rede! Deugd en Godsdienst! wij leggen
+op uw heilig altaar de plegtige en onherroepelijke bekentenis af--,
+dat de Kruisvaarten ons Vaderland tot eene bron van onuitrekenbare
+ellende verstrekt hebben!"--
+
+Zoo zijn er meerdere gevoelens van geleerden uitgebragt, terwijl
+die Schrijvers, welke niet overdrijven, maar den middelweg hebben
+bewandeld, zoo als Heeren en Luden, gewis den voorrang boven anderen
+verdienen [176].
+
+Voor Friesland waren gewis de gevolgen ook van groot belang. De
+burgerlijke vrijheid is er zeer door bevorderd: want een slaaf werd
+vrij man, en de haat en wraak der aanzienlijke geslachten werden
+getemperd. Het werkzame deel des volks werd door den landbouw als
+anderszins voor armoede beveiligd, en de zedelijke beschaving zal
+er allengs bij gewonnen hebben. De handel in de X eeuw nog in zijne
+kindschheid, moet eene eeuw na den aanvang der Kruistogten te Stavoren
+reeds tot grooten bloei zijn gekomen: want deze stad en Bolsward
+tot de Hanzesteden behoorende, voerden hunne koopwaren naar Brugge,
+werwaarts de Lombarden hunne Oostersche goederen bragten, om dezelve
+zoo door de Hanzesteden weder in het Noorden te verspreiden. De
+welvaart, pracht en weelde der XIII en XIV eeuwen kunnen van deze
+gevolgen getuigen.--Kunsten en wetenschappen, altoos met den handel
+zich parende, moesten ook wel in Friesland toenemen.--Dan het nadeel
+heeft zich ook voor dit gewest geopenbaard, en in de onheilen moest
+het dus ook aandeel hebben.
+
+
+Bl. 72.
+
+Omtrent den jare 1100 was er een voornaam Bouwkunstenaar, zijnde een
+Fries, die voor den Bisschop van Utrecht eene fraaije kerk bouwde,
+doch misnoegd over deszelfs behandeling, den Bisschop om het leven
+bragt. Dit zal het bedoelde geval zijn 't welk voorkomt in F. Sjoerds,
+Jaarb. II. 285.
+
+
+Bl. 72.
+
+In den jaare 1110. Door dezen strijd en nederlaag bleef de vrijheid
+van Oost-Friesland bewaard, en de Friesche Graafschappen Oostergo en
+Westergo genoten een aantal jaren rust en vrede.
+
+
+Bl. 73.
+
+In den jaare 1119 ontstond. Het verhaal van dezen twist tusschen
+Floris II en den Frieschen Edelman Galama is naauwkeurig opgeteekend
+door Gabbema in zijne Watervloeden, p. 50 en 51, en bij de
+Kronijkschrijvers met eenige kleine veranderingen vermeld. Zie
+Tegenw. Staat van Friesland, I. 315; F. Sjoerds, Jaarb. II. 318,
+welke te regt in Wagenaar (II. 213,) verbetert, dat Galama niet in
+dezen twist is omgekomen, en ook een eigenlijke Fries geen Westfries
+was. Schotanus, van dit voorval niet sprekende, heeft men de waarheid
+daarvan betwijfeld, waarom ook welligt Cerisier (Geschiedenis der
+Nederl. I. 214) niet voor de echtheid wil instaan. Bilderdyk, altijd
+kwaadaardigst tegen Wagenaar, zegt in zijne Gesch. des Vaderl. II. 34:
+»Wagenaar, altijd kwaadaardigst tegen de braafste Vorsten, brengt
+tegen Floris in, »dat zijne uitmuntendheden van geest en lichaam niet
+verhinderden, dat de Edelen dezer landen hunne vrijheden tegen het
+Grafelijk geweld, dat met den aanwas van 's Graven macht meer dan te
+voren gevoeld werd, moediglijk verdedigen durfden."" »En tot bewijs
+van dit Grafelijk geweld en het moedig verdedigen van de vrijheden
+daar tegen, komt den moedwil van Galama voor den dag.----Het geval
+(waar of onwaar, want men twijfelt er aan) is eenvoudig. De Graaf
+(wien naar het Leenrecht, als Vorst of wegens den Keizer regeerende,
+wouden en wildernissen behooren, en alle jacht die niet afgestaan
+is) in het bosch van Kreil (aan den rand der Zuiderzee, die nu dit
+gedeelte verzwolgen heeft) jagende, vindt daar jagers van Galama,
+wien hij als naar stijle, de daarmeê verbeurde honden ontnemen
+doet. Galama verneemt dit, stuift op, zoekt den Graaf in het bosch,
+spreekt den Graaf (onbesuisd, zegt Wagenaar) en onvoeglijk aan, en bij
+Floris aanmerking op dien onbehoorlijken toon en taal, valt hem met
+den blooten degen op het lijf en doorboort hem den arm!--Zie daar"
+enz.; hier volgt weder eene onbehoorlijke uitval op Wagenaar en een
+schampschot op de onschendbaarheid en wijsheid, gezeten hebbende in
+de majestueuze Amsterdammer paruiken.
+
+Dit is dus met een kort woord aan Galama zijn regt ontnomen,
+hem als overtreder des Roomschen regts veroordeeld, en Floris
+geregtvaardigd. Wij houden het er daarentegen voor, dat het niet
+bewezen is of Graaf Floris in het Kreilerwoud iets had te zeggen, en
+zoo niet, dan beschouwen wij de daad van Galama (niet gelijk Bilderdyk)
+als die van een dolleman, maar van een regtschapen Fries, die zich door
+geen Hollandschen Graaf naar willekeur liet regeren en behandelen, hoe
+deze dan ook het Kreil, Galama's eigendom, mogt beschouwen. Waarom
+dit voorval onder de verdichtselen geplaatst zou moeten worden,
+daarvoor kunnen wij geene reden vinden. Friesch Jierb. 1833, § 22;
+Bijvoegsels op Wagenaar, II. D. bl. 72.
+
+
+Bl. 73.
+
+In den jaare 1143. In onze kronijk wordt niet vermeld, zoo als bij
+andere Schrijvers, dat omstreeks dezen tijd, onder de regering van
+Keizer Koenraad III, vele bewoners der tegenwoordige Nederlanden,
+op verzoek van den Graaf van Holstein, Adolf, na de verdrijving der
+Obodriten, eenige landstreken aan de Elve gingen bewonen, en hoezeer
+door deze woeste Wandalen weder aangevallen, met ongehoorde dapperheid
+tegen dezen streden, en eindelijk, door den stoutmoedigen Priester
+Gerlacus aangepord en voorgegaan, met behulp van 's Graven volk de
+volkomene overwinning behaalden [177].
+
+De Graafschappen Oostergo en Westergo werden door dezen Keizer Koenraad
+weder aan den Utrechtschen Bisschop geschonken, welke schenking twee
+jaren daarna bij eenen giftbrief werd bevestigd. Hoe echter de Friezen
+over deze en dergelijke brieven dachten en hunne vrijheid wisten te
+handhaven, ziet men beschreven bij Emmius, bijzonder in het VI boek,
+bl. 103 zijner Friesche Geschiedenis.
+
+Eenige jaren hierna in 1157, of gelijk Emmius in 1165, is het vermaarde
+klooster Ludingakerk bewesten Franeker gesticht, waarvan Wigboldus de
+eerste Abt is geworden. Uit deze Abdij, met aanzienlijke landerijen
+en rijkdommen begiftigd, en van den Roomsch Koning Willem II met het
+eiland Flieland beschonken, kwamen de kloosters van Anjum, Achlum,
+Oegeklooster en anderen voort. Tusschen Flieland en Terschelling, toen
+nog aaneen, groef men, tot bevordering der aanslijking, om nog al meer
+voordeelen te genieten, eene wijde gracht, tegen wil en raad van den
+verstandigen Lidlumer Abt, Gerhardus, waardoor men de woedende zee
+het land vernielen liet, dat noodig was te behouden ter voorkoming
+van de latere ellende door storm en vloed ontstaan. F. Sjoerds,
+Jaarb. II. 377; Oudh. en Gest. II. 131.
+
+In 1163 stichtte men het klooster Mariengaard onder Hallum, onder
+opzigt en beleid van den waarlijk vromen Pastoor der kerk te Hallum,
+Frederik, die daar eerste Abt werd, en de order der Premonstratenzers
+omhelsd had. Doordien er een grooter toeloop was dan het klooster
+bevatten kon, werd door den Abt, ter plaatse Bartlehiem genoemd in
+Tietjerksteradeel, een nonnenklooster, onder den naam Bethlehem,
+gebouwd. Onder de waardige Abten die deze kloosters telden, is
+de godvruchtige Syardus hoog geroemd. Deze en vele anderen, die
+het zoo goed met de godsdienst meenden, waren echter onbestand
+tegen het ongeschikte, wanhebbelijk en zedeloos leven der
+kloosterlingen.--Oudh. en Gest. I. 385; Tegenw. Staat. I. 345.
+
+In den jare 1165 werd de Abdij Klaarkamp in Dantumadeel gesticht,
+onder 't beheer van den dorpe Rinsumageest, door vrouwe Clara,
+eene rijke en godvruchtige weduwe. De Bernardiner of Cistercienzer
+monniken, ook naar hunne kleeding witte en zwarte monniken genoemd,
+die aanvankelijk om hunnen stichtelijken wandel en goede zeden zeer
+geroemd zijn geworden, hebben hetzelve onder den eersten Abt, Eiso
+betrokken, en vele kloosters in Friesland en Holland hebben onder
+deze Abdij gestaan. De Abt van Klaarkamp had onder de Prelaten ter
+Landsvergadering de eerste plaats.
+
+Deze eeuw was dus bijzonder vruchtbaar in het voortbrengen van Abdijen,
+Kloosters, geestelijke Gestichten en Kerken. In den jare 1182 werd
+ook door Sybe van Lidlum met hulpe van Tjalling Donia van Winsum,
+tusschen Tjummarum en Oosterbierum, het Lidlumer Klooster gesticht,
+'t welk na verloop van eene halve eeuw is verplaatst. Het was gesteld
+onder de order der Reguliere Kanunniken. Oudh. en Gest. II. 162;
+Schotanus, Beschryvinge von Frieslandt, Quarto, p. 311 en verv.
+
+
+Bl. 76.--Ao 1170.
+
+Omtrent dezen tijd, is Saake Reinalda, overleden. De Geschiedenis
+vermeldt dezen Potestaat als een kundig, ervaren, braaf, edelmoedig
+en vredelievend man, die in allen opzigte, vrij van vooroordeel en
+ongepaste eerzucht, het belang zijner landgenoten zoodanig behartigde,
+dat de Edelen, de Staten en het Volk hem levenslang tot hunnen
+Landsheer wilden verkiezen, welk voorregt hij echter niet begeerde,
+als strijdig met zijne beginselen en 't gebruik der voorvaderen.
+
+
+Bl. 77.
+
+In den jaare 1190. Omstreeks dezen tijd vindt men bij de meeste
+geschiedschrijvers het eerst gewag gemaakt van Leeuwarden als stad;
+doch er zijn er, die beweren, dat reeds ten jare 1149 de stad bij
+dien naam zou bekend geweest zijn, daarbij aanhalende de twee brieven
+door den Abt Wybaldus geschreven, voorkomende in het Charterboek van
+van Schwartzenberg, I. 76, de een aan de gemeente van Leeuwarden,
+houdende klagten over de zorgeloosheid van vier Priesters aldaar,
+en de andere aan den Utrechtschen Bisschop, Heribertus, betrekkelijk
+den slechten toestand der kerk.
+
+
+Bl. 77.--Ao 1192.
+
+Als Froonakker en Godsakker. De Tempelschattingen dienden bij de
+Franken tot onderhoud der Priesterschap, tot instandhouding van de
+godsdienst, tot aanschaffing der offerdieren, tot bekostiging der
+openbare feesten en tot verzekering van regt en veiligheid. Wij vinden
+in de Friesche geschiedenis der IX en X eeuw ook de Tempelschattingen
+vermeld, welke in iedere kapel, op zekere tijden, aan den Hemelkoning
+moesten worden opgebragt; en wat betreft het bezit van landgoederen,
+meren, wouden en stroomen, dit wordt genoeg opgehelderd uit de, bij
+de bevestiging des Christendoms hier te lande, zoo rijkelijk door
+de Frankische vorsten weggeschonken goederen, welke ongetwijfeld,
+voor een groot deel, mede hiervan afkomstig waren. En zoo is men
+op het vermoeden gekomen, dat de Vroonlanden en Vroonakkers, welke
+hier en daar weleer aangetroffen werden, van deze landgoederen
+afkomstig waren, en dat Franeker daarvan den naam zoude ontleend
+hebben. Verg. Westendorp, Verhand. over het gebruik der Noordsche
+Mythologie, bl. 335.
+
+
+Bl. 82.--Ao 1227.
+
+Kastelein van Koevorden. Een Kastelein was ambtman over een
+regtsgebied; oorspronkelijk kasteelman, praefectus arcis;--Borchgreve,
+burggraaf, slotvoogd, enz.--Verg. den Teuthonista van G. v. d. Schueren
+en Kiliaan.
+
+
+Bl. 85.--Ao 1230.
+
+In den jaare 1230. Het jaar te voren schrijven de kronijken van eene
+groote zonsverduistering, gevolgd door geweldigen hagel, in welk onweer
+de Edelman Sixtus Botnia met zijne vrouw zou zijn omgekomen, alsmede
+Douwe Galama en Jolke Taijkama. Over den vloed van 1230, zie Gabbema,
+Watervloeden, bl. 70; Wins. fol. 163; F. Sjoerds, Jaarb. II. 543.
+
+In of omtrent dezen tijd vindt men het eerst van de veenen en
+turfgraverijen gewag gemaakt.
+
+
+Bl. 86.--Ao 1231.
+
+Door de Rechters van Upstalsboom. Als hier ter plaatse zeer gepast,
+nemen wij een gedeelte over van het belangrijk Overzigt, geplaatst in
+het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 4 October 1831, getiteld:
+Herinnering aan de Landdagen der Friezen bij Upstalboom, hoofdzakelijk
+getrokken uit het werk van T. D. Wiarda over dit onderwerp, en ons
+medegedeeld door den kundigen beoefenaar der Friesche Geschiedenis,
+Taal-, en Dichtkunde, Mr. A. Telting, Secretaris der stad Franeker.
+
+»Buiten de stad Aurick in Oost-Friesland is een eerwaardige
+plek, rijk in herinneringen aan de vrijheidsmin en volkstrouw
+onzer Friesche Vaderen. Deze plek draagt den naam van Upstalboom
+(Upstallisbeam, Opstalbeam). Wij zullen ons niet verdiepen in de
+verschillende gevoelens omtrent de afleiding en beteekenis van dezen
+naam, dien sommigen voor eene zamenstelling houden uit Upstalling,
+d. i. hoveling, eigenlijk een man uit een oud geslacht, en beam of
+boom, beteekenende alzoo een' boom, waarbij zich de voornaamsten des
+volks verzamelen,--anderen samengesteld achten uit up of öp, staal,
+boom, d. i. bij den opgerigten boom,--anderen weder uit up of op, saal
+(zaal, de oude benaming van eene plaats, waar men geregt hield) en
+boom,--en nog anderen eindelijk uit up, stoel en beam, d. i. de boom,
+waar de stoel des gerigts wordt gehouden. Wij laten de beslissing aan
+anderen over, maar meenen zooveel met zekerheid uit dezen naam te mogen
+opmaken, dat daar een of meerdere oude boomen hebben gestaan, onder
+welke zich de regters zullen hebben gezeteld, terwijl de verzamelde
+afgevaardigden des volks zich daar om heen zullen hebben geschaard,
+alles overeenkomstig de zeden der overige Germanen, die, het voor
+vrije mannen onbetamelijk achtende in beslotene plaatsen te vergaderen,
+daartoe uitgestrekte vlakten of heilige wouden verkozen. Een uur buiten
+Aurick vertoont zich dan ook nog een heuvel, waarop naar luid der
+overlevering drie groote eiken plagten te staan, en die algemeen als
+de vergaderplaats wordt opgegeven. De landlieden noemen dien heuvel den
+Boombarg. Men heeft er ten aandenken later eenen grooten beuk geplant,
+en de hoogte met eene kleine gracht omgeven. Daar vergaderden op den
+eersten Dingsdag na het Pinksterfeest telken jare de afgevaardigden
+der zeven Friesche Zeelanden. Men zag er de geestelijkheid, de edelen
+en de vrijgeboren mannen uit geheel den Staat zamenvloeijen, om de
+belangen des gemeenen Vaderlands voor te staan. De eerste dagen der
+bijeenkomst waren der gastvrije vrolijkheid gewijd. Auricks vrouwen
+en maagden ontvingen den aankomenden vreemdeling, en bragten hem
+den welkomsbeker toe, met den groet: het ghilt eele frye Fryse! Nog
+heden dansen hare nakomelingen op den Pinksterdag om den Meiboom,
+en zingen haar volkslied:
+
+
+ »Mayboom, Mayboom, holt die faste,
+ Morgen krieg wy fremde lue toe gaste!"--
+
+
+Wanneer de eerste dagen der gulle vreugde waren vervlogen, en
+langzamerhand alle afgevaardigden zich ter bestemder plaatse
+hadden vervoegd, ging men over tot de beraadslagingen. Er werden
+voorstellen gedaan, en voor te besluiten trok het volk ter onderlinge
+beraadslaging, zoo de overlevering wil, naar een nabij gelegen dorp,
+dat vandaar den naam van Rahde zou verkregen hebben. Voor den heuvel
+liggen twee akkers, nog de Wandelakkers genaamd, waar men wil,
+dat de Rigters gedurende deze beraadslagingen van het volk gewoon
+waren heen en weêr te wandelen. De besluiten der vergadering werden
+in schrift gebragt, en met een zegel voorzien. Dit zegel stelde voor
+een' geharnasd' man, met eene spies in de regter en een zwaard in de
+linkerhand, staande onder een' bladerrijken boom. Het groote doel
+dezer landdagen was,--zoo als blijken kan uit verscheidene wetten,
+tot op onze dagen bewaard gebleven, die daar gemaakt zijn,--om in
+het belang van het geheele vrije land alle bestaande verschillen
+zooveel mogelijk te beslechten, vrede en rust te stichten en te
+bewaren, den weêrspanneling desnoods met geweld tot onderwerping te
+noodzaken, zich tot gemeenschappelijke weer tegen vreemden aanval
+telkens met nieuwe kracht en eendragtigen moed te verbinden, goede
+en nuttige wetten in te stellen, de bestaande te herzien en zoo
+noodig te verbeteren. De uitvoering der genomene besluiten berustte
+bij telken jare op nieuw verkozene regters (zij worden in de Leges
+Upstalbomicae van den jare 1323 § 23 Judices Zelandini genoemd, bij
+Emo Abt van Werum, in zijn Chronicon, Jurati apud Upstallesbome, ook
+Consules terrae). Deze vertegenwoordigden dus de hoogste magt in de
+vrije Zeelanden. Wanneer is men het eerst begonnen deze landdagen te
+houden?--welke der Friesche Zeelanden hebben daaraan deel genomen?--en
+wanneer hebben deze zamenkomsten opgehouden?--ziet daar drie vragen,
+die ieder belangstellend lezer zich al dadelijk voorstelt, en waarop
+wij kortelijk zullen trachten te antwoorden."
+
+Wat nu betreft de eerste vraag, zoo komt het antwoord van den Schrijver
+hierop neder, dat, ofschoon men met geene volkomene zekerheid kan
+bepalen, wanneer de Upstalboomsche landdagen der Friezen een begin
+hebben genomen, men echter met eenige waarschijnlijkheid kan besluiten,
+dat zij, zoo al niet door Karel den Grooten zelven ingesteld, toch aan
+den door hem te Upstalboom gevestigden regtszetel hunnen oorsprong te
+danken hebben, en dat de Friezen al zeer vroeg deze regtsplaats, als
+in het midden van Friesland gelegen, tot het houden hunner landdagen
+bij uitnemendheid geschikt hebben gerekend. De vroegste vermelding
+eener gezagsoefening van de Upstalboomsche Regters vindt men bij
+Emmius op het jaar 1214 aangeteekend.
+
+In de eerste tijden namelijk van Karel den Grooten, zullen al de
+Friezen van de Maas tot aan den Wezer deel hebben genomen aan die
+landdagen. De landen over den Wezer schijnen, vóór de indeeling
+van den Frieschen Staat in zeven Zeelanden, te zijn afgescheiden,
+en zoo lang nu al deze landen zich in het bezit hunner vrijheid
+hebben mogen verheugen, hebben zij ongetwijfeld mede deel genomen
+aan de Upstalboomsche vergadering. Wanneer deze zamenkomsten voor
+altijd hebben opgehouden kan men met geene zekerheid opgeven;
+doch in de eerste helft der vijftiende eeuw, nadat er reeds
+onderscheidene beletselen tot het bijeenkomen hadden plaats
+gehad, door de dwingelandij van eenige magtige Hovelingen en vele
+partijschappen onderling, moet zulks hebben plaats gehad. Zie
+voorts gemeld Overzigt. Schotanus, Fr. Hist. bl. 170 volgg.;
+Harkenr. Oostfr. Oorsp. 125-127; F. Sjoerds, Besch. I. 62.
+
+
+Bl. 89.--Ao 1234.
+
+Om de voorrang in 't offeren. Over dezen twist kan men vergelijken
+Oudh. en Gest. II. 275; Teg. Staat, I. 360; F. Sjoerds, Beschr. I. 499.
+
+
+Bl. 89.--Ao 1239.
+
+Sikke Sjaarda of Sjaardema. Over de geschiedenis van den achtsten
+Potestaat Sjaerdema en den hier vermelden brief heerscht, eenige
+duisterheid. Emmius (in zijn X Boek, p. 157) verklaart in twee
+regels, na den dood van Willem II vermeld te hebben, dat hij alles,
+wat in dat gedeelte der historie verhaald wordt van Sicco Sjaerda,
+op eene smakelooze, laffe wijze (insipide), niet eens der vermelding
+waardig acht. Hamconius en de kronijk van O. v. Scharl zwijgen van
+dezen Potestaat; doch van Rhyn in het meergedacht Nabericht wil
+deze gebeurtenis niet als ongerijmd verwerpen. Winsemius (fol. 169)
+en Schotanus (40, bl. 100 en 127) verhalen ons de zaak, gelijk die
+in onze kronijk voorkomt met inlassching des briefs van Sjaerdema,
+welks echtheid evenwel wordt betwijfeld, en door sommigen voor een
+valsch stuk gehouden. Bij het onderzoek: Of de Graven van Holland,
+regtens, ooit Heeren van Friesland waren, geplaatst in het Mengelwerk
+der Leeuwarder Courant van den 25 Junij 1833, heeft de Schrijver,
+de Heer v. Halmael, aangemerkt, dat de valschheid van dezen brief
+niet volgt uit de jaarteekening 1239 bij Winsemius, daar het,
+uit het op den anderen kant der bladzijde gestelde jaartal 1248,
+genoegzaam blijkt, dat dertich eene drukfout is, en men veertich
+lezen moet. Ook de Hoogleeraar Ypeij, houdt die dagteekening voor een
+misslag; men zie zijne Gesch. der Nederl. Taal, II. 318. F. Sjoerds,
+Fr. Jaarb. III. 63, wil den brief in 1254 geschreven hebben, dan dit is
+niet te vooronderstellen. Wijders geeft de Schrijver van bovenvermeld
+onderzoek nog in bedenking, twee punten: of de Roomsch-Koning den
+brief, op welken die van Sjaerdema (zoo hij echt is) een antwoord
+is, niet geschreven kan hebben in de hoop, dat de Friezen, schoon
+daartoe onverpligt, hem, door bemiddeling van Sjaerdema en behoudens
+vergoeding, vrijwillig tot hunnen Potestaat zouden aannemen:--wijders,
+of niet beide brieven kunnen gezien hebben op de Noord-Hollanders of
+eenigen hunner. Deze Noord-Hollanders kon en mogt Willem als zijne
+onderdanen beschouwen, en daarbij rekenen, dat zijn voorregtsbrief
+alleen de Friezen tusschen het Flie en de Lauwers (of die, welke ten
+westen door het Flie begrensd werden) betrof; en Sjaerdema kon evenzeer
+die Friezen, als onder zijn Potestaatschap behoorende, aanmerken, daar
+zij toch van oudsher Friezen geweest waren, en zich der Hollandsche
+heerschappij niet onderwerpen wilden. Dit laatste schijnt mij wat
+eene zeer milde uitlegging, doch overigens hebben de bedenkingen,
+mijns inziens, zeer veel grond, en ik vind er geene zwarigheid in,
+het daarvoor te houden, dat Sjaerdema weigerde den Koning behulpzaam
+te zijn, om Friesland onder zijn beheer te krijgen: Sjaerdema moge hem
+als Keizer, en zoodanig als Souverein over Friesland erkend hebben,
+dan wilde hem niet huldigen als bijzonderen Heer of Graaf van deze
+Provincie. En er was een man van dapperen moede, zoo als Schotanus
+(Fr. Hist. bl. 118) hem noemt, noodig, om de listige aanslagen en
+heimelijke ondernemingen van vermogende tegenstanders stout en krachtig
+het hoofd te bieden, ten einde het eenmaal aangenomen beginsel, door
+geen vreemden zich te laten regeren, vast te houden en te doen gelden.
+
+In den jare 1248 heeft Willem II de Bulle van van Karel, of het
+als zoodanig genoemd stuk, hem door de Friezen aangeboden, met zijne
+vrijheden en voorregten bekrachtigd, hoewel hij dat stuk niet in zijnen
+Voorregtsbrief heeft ingelascht. Dat de Friezen in de verovering van
+Aken, het gewigtigst deel hebben gehad, lijdt geen twijfel, hoezeer
+dan ook Bilderdyk hiervan evenmin als van den Voorregtsbrief eenig
+gewag maakt [178].
+
+
+Bl. 95.--Ao 1263.
+
+De kerk van het vermaarde klooster St. Bernard. Deze kerk was 50
+schreden lang en 25 breed. In het midden stelde men aan iederen
+kant nog een gebouw, ieder van 25 schreden lang en 24 breed. Het
+gebouw rustte op 26 pilaren, en het hooge verwufsel daarenboven werd
+ondersteund door een aantal pilasters. Een groot en prachtig altaar
+stond in 't midden en elf anderen in evenveel sierlijke kapellen;
+van binnen was alles even kostbaar en luisterrijk.
+
+
+Bl. 95.--Ao 1268.
+
+D'r Ylst, verkorting voor Ter Ylst, volgens Emmius, is de regte naam
+Yleke of Ylk, daarna veranderd in Yltz en voorts in Ylst.
+
+Dat Ylst van ouds welvarender was dan Sneek, en toen dit laatste nog
+een dorp was, reeds tot eene stad werd verheven, heeft veel schijn,
+en wordt door v. Rhyn (Oudh. en Gest. II. 77), tegen Emmius aan,
+niet verworpen. In 1268 was Sneek nog eene buurt of gehucht.
+
+
+Bl. 96.
+
+In 1270 is te Bolswert het Broereklooster. Reeds in de achtste eeuw
+wil men dat Bolsward gesticht zoude zijn, welke stad ongetwijfeld
+tot eene hooge oudheid opklimt. Eenige Edelen en godvruchtige lieden
+bouwden dit klooster der Minderbroeders, waarvan de kerk in 't jaar
+1281 werd gesticht, eerst door Gaudenten, Franciskaner Monniken
+en naderhand door Observanten bewoond, die zich naar de hervorming
+regelden.--Schot. Fr. Hist. bl. 348; Oudh. en Gest. II. 11.
+
+In den jare 1503 brandde het klooster af, doch het schijnt naderhand
+weder opgebouwd.
+
+
+Bl. 96.--Ao 1273.
+
+Als ook een groote hongersnood. Deze was een gevolg, deels van
+de schaarschheid van geld, door de kruistogten veroorzaakt, deels
+door de veepest en de slechte oogsten, maar ook door het bevel des
+Munsterschen Bisschops, Gerard, om geene jaarmarkten te houden en allen
+handel te staken, zoodat niemand van de Friezen vee, boter en kaas
+wilde koopen; daarenboven kwam er van den overvloed van granen uit de
+Oostzee niets over, daar ook de uitvoer zwaar belast werd. De ellende
+steeg dus ten hoogsten top, en vele menschen stierven den hongerdood;
+de liefdadigheid van sommige kloosterlingen alleen behield nog den
+verarmden het leven. Die te voren hunne eigene landen bebouwden,
+moesten in de dorpen gaan bedelen, of voor den kost in de steden
+en voor de kloosters dienen. In de herfst steeg de nood ten top,
+een groot aantal leefden van distels en zeker kruid, hondribbe
+genoemd.--Verg. West. Jaarb. I. 356; F. Sjoerds, Jaarb. III. 101.
+
+
+Bl. 97.
+
+Omtrent den jaare 1280. De ware oorsprong der oude Partijschappen,
+zoo in Friesland als andere Provincien en Landstreken, is veelal
+met de oudheid zelve verdwenen, en de waarheid dus moeijelijk uit te
+vinden. Vele zorgvolle nasporingen leveren dikwijls geringe uitkomsten,
+want na het lezen en herlezen moet men nog vaak zijn toevlugt nemen
+tot gissingen, en met een: »het komt mij, behoudens beter, dus of
+zoo voor," besluiten. Ook met betrekking tot den eigenlijken aanleg
+en oorsprong der noodlottige verdeeldheden tusschen de Vetkoopers en
+Schieringers bleef mijn onderzoek zonder gewenscht gevolg, daar ik
+hiervan een kort verslag had willen geven, hoewel het niet dadelijk
+of noodwendig tot de Bijvoegsels dezer Kronijk behoort: het zoude
+echter tot inlichting goed te stade gekomen zijn. Het een en ander,
+hoe gebrekkig, wil ik deswege mededeelen.
+
+Jancko Douwama, voornaam Friesch Edelman uit het begin der
+XVI eeuw, geboren te Oldeboorn, een man, zoo als Schotanus zegt
+(Fr. Hist. p. 617) »van voortreffelijk verstand, groot van moede,
+een groot beminnaar der vaderlandsche vrijheid, kloek van beleid;
+voorspoed en tegenspoed met een gezet en wijs hart kunnende dragen,
+en die een beter lot verdiend had, dan in eene gevangenis zijn leven
+te laten," heeft te Vilvoorden in den kerker, verstoken van eenig
+gebruik van boeken of papieren, uit zijn geheugen over de Geschiedenis
+van Friesland, bepaaldelijk ook van zijnen tijd, een geschrift
+zamengesteld, getiteld: Boeck der Partijen, waarin hij, afwijkende
+van anderen, over de Vetkoopers en Schieringers dit vermeld [179]:
+
+
+ van den Anfanck der Falsche Partije
+ VAN
+ FRIESLANT.
+
+
+»Als in Hollant then ersten alsulcke commocie anfanckelijcken vp
+gestanden were, bij de welcke dattz vast in de landen al misselijck to
+ginck, se funden then ersten geen groet wederstant, so begosten daer in
+Frieslant oeck voel volcx nae to lusteren; ende dat concept, in Hollant
+an gehewen, dochten hoer to mael goet ende wijslijck gedaen to wesen;
+doer de welcke dat voele armen luden bij en ander voergadderden. Dan
+se wolden niet worden genoempt Hoecken, angeseen datse gene fiskers
+weren; oeck so dochten hoer dat to wesen een smaetlijcke name;
+en oeck wolden se dat so gewaltlijcken niet doen, alst in Hollant
+angehewen were; dan vnderstunden den rijcke luden met goede woerden
+to vnderwijsen, dattz also voer Godt ende de Werlt behoerden: Wel
+bet dan de ander in goet vermochten, dat he sculdich were to helpen
+ende to bate to comen den armen, om sijn armoet to verhoeden. Dan
+de rijcke luden wolden daer niet nae hoeren, doer de welcke dat de
+arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten. Doen het
+daer hen quam, dat se de rijcke begosten in der taske to tasten,
+doen funden se hulp genoech; want daer voel Herscapen an de landen
+weren, den gewoentlijcken weren met hoer nabueren to to tasten;
+als se nv alsulcken oersaecke ende hulp hadden, doen sumeden se hoer
+niet te tijdt, dattz hoer gheboeren mochten. Ende den rijcken luden
+worden genoempt Fetcopers, ende dat daer vmme, dat se wal hadden,
+en fette waer vermochten to koepen; en dan gaewen den rijcke luden
+de arme weder een naeme, en noembden se Scirongen, ende dat daer
+vmme, dat se erst met goede woerden vnderstanden hadden to doen,
+datse nae met gewalt deden; want Sckijren is vp de Friesche spraeke
+so voele gesecht als spreken; Scirong is so voele als een relaes;
+Scirongen is so voele gesecht als voele groten woerden. Nv ist waer,
+he behoert oeck wal to konnen spreken, de een anders goet wil hebben,
+sunder daer wat willen weder tegen gewen, dan allene woerden."
+
+Gabbema, in zijn Verhaal van Leeuwaarden (bl. 16 en 17), geeft hiervan
+eene verklaring, en een bladzijde vroeger een verhaal van eene andere
+oorzaak der Partijschappen en beteekenis der woorden. Dit verhaal
+echter, ook bij andere Schrijvers vermeld, alsof op zekeren maaltijd
+door den twist tusschen twee kooplieden, over de keuze van den Sievard
+of Zedemeester (thans zouden wij Ceremoniemeester zeggen), de eerste
+aanleiding daartoe gegeven zou hebben, vindt geen algemeenen bijval.
+
+Wanneer men nu de geschiedenis dier tijden raadpleegt, en tot den
+oorsprong en aanleg der ongelukkige factie eenigzins wil besluiten,
+komt, mijns oordeels, het resultaat hierop neder: dat de reeds vroeg
+ontstane twisten tusschen verschillende adellijke of aanzienlijke
+familien, zoo als die van Albada en Renalda, Gerbranda, Gratinga en
+Douwe van Harns en andere Grooten, ter oorzake van den voorrang in
+het offeren, uit hoogmoed, heerschzucht en ongebondenheid, aangeblazen
+door bedorven Geestelijken, werkeloosheid en slapheid der Justitie, en
+vernedering en onregt den minderen aangedaan, de eerste aanleiding tot,
+en door den haat en veete onderling, dadelijk voedsel hebben gegeven,
+aan de ongelukkigste en ellendigste der partijschappen, de grootste
+der rampen, die ooit een land en volk treffen kan, den Burgeroorlog.
+
+De algemeene verbittering der adellijke geslachten onderling; de
+aanmatiging van rijke en magtige Edelen en Grooten; de verheffing
+van dezen in de eerste ambten en betrekkingen, waarvan men zich had
+meester gemaakt; daar bij vernedering en onderdrukking van den niet
+rijken Adel en de Patriciers, worden steeds, en te regte, als de
+grondslagen van alle partijschappen gesteld, hoezeer dan ook eenig
+ander doel of oogmerk werd voorgewend, en men eene geheel andere
+kleur aan zijne handelingen trachtte te geven [180]. Vandaar dat vele
+Edelen en aanzienlijken, niet uit algemeen, maar uit eigen belang,
+uit nijd, afgunst en wraakzucht den burgertwist begonnen, en zich aan
+het hoofd stelden, en eindelijk steden en landschappen, Landsheeren en
+Vorsten daarin deden deelen.--Men leze ter bevestiging de historie
+van de Hoekschen en Kabeljaauwschen in Holland, der Heeckerens
+en Bronckhorsten in Gelderland, der Lokhorsten en Lichtenbergers
+in Utrecht, der Blaauwvoetsche en Isengrine factie in Vlaanderen,
+der Guelfen en Gibellinen in Italië, van de Roode en Witte Roos in
+Engeland, en zoo vele anderen.
+
+Zoo zal het dan ook wel in Friesland zijn geweest: want al ware eens
+de minder aanzienlijke stand of 't gemeene volk aanlegger van deze
+partijschappen geworden, tot welke stelling bij enkele Schrijvers
+aanleiding wordt gegeven, zonder hoofden van magt en aanzien zouden
+dezelve geen voortgang hebben gehad. Tegen de invallen der Noormannen,
+ter beveiliging van watervloeden, en uit hoofde van den toenemenden
+overvloed en weelde der ingezetenen, was het getal der aanvankelijk
+gebouwde steenen huizen of stinzen aanmerkelijk vermeerderd [181]. Zij
+werden nu ook bijzonder tot betere en sterkere vestingen gemaakt,
+om als Fries Heer tegen den aanvaller zich te beveiligen, of zijn
+gezag eens regt te doen gelden. Koophandel en fabrijken waren naar
+den aard der tijden, vooral onder den burgerstand, in vollen bloei,
+en de hooggeschatte vrijheid was aller leus. Rijkdom, magt, eer en
+aanzien baarden, zoo als altijd, nijd, afgunst en overmoed, terwijl
+dezen door regeringloosheid en verwarring geen teugel vonden. Elke
+vrije Fries van aanzien kon toch niet dulden, dat een ander boven
+hem verheven werd of den meester speelde: wie der eigenerfden kon
+voor den anderen bukken, en welk adellijk geslacht zou aan het
+ander den voorrang toekennen? Zoo groeiden wrok en wrevel tot eene
+hatelijke vijandschap aan; onderlinge tweespalt en verdeeldheid
+deden den zwakkeren bijstand zoeken tegen den aanval der sterkeren:
+zoo vormden zich geweldige partijen, en elke beleediging, elke twist,
+elke kwetsing der eere moest met veel bloeds worden uitgewischt, niet
+tot vernietiging der verdeeldheden, maar om al weder den grondslag te
+leggen van nieuwen haat en vervolging. Dus werd de woede en vijandschap
+der verschillende partijen ontzettend in die tijden: want men gunde
+den andersdenkende licht noch leven, totdat na twee volle eeuwen van
+roof, moord en verwoesting, verlies van goed, bloed en vrijheid het
+eindelijk loon was der Friezen voor hunne boosheid en dwaasheden.
+
+De Edelen in Oostergo behoorden in den aanvang tot de partij der
+Vetkoopers, die zich over de Lauwers vrienden en bondgenooten
+kozen, en met Groningen zich vereenigden. De Adel in Westergo
+vormde hoofdzakelijk de Schieringer-partij, die bij de Hollanders
+ondersteuning zocht. Evenwel voegden zich verschillende geslachten
+uit de beide Goën, dan tot deze, dan tot gene partij; zelfs
+familiën verdeelden zich, en dit gaf derzelver leden nieuw voedsel
+tot scheuring en bederving. De factiën zelve volgden dus geen vast
+stelsel van staatkunde, of trokken voor het algemeen welzijn, naar elks
+verschillend gevoelen, partij; maar wanneer zij door buitenlandschen
+aanval werden bedreigd of overvallen door anderen, dan wapenden
+zij zich algemeen tegen den uitheemschen vijand. De Schieringers
+hebben over 't algemeen geijverd voor de aloude Friesche vrijheid
+en onafhankelijkheid, als afkeerig van vreemde magt en invloed;
+daarentegen zochten later de Vetkoopers de inzigten der Hollandsche
+Graven te begunstigen. Gedurende het laatste gedeelte der veertiende
+en 't begin der vijftiende eeuw stond de stad Groningen aan het hoofd
+der Schieringers. In 1491 echter sloten de Vetkoopers met die stad
+een verbond, waarbij aan haar groote magt over een deel van Friesland
+gegeven werd.
+
+In dezen tijd stonden de Vetkoopers ook in verbindtenis met de
+Kabeljaauwschen in Holland [182].
+
+Wat nu den naamsoorsprong betreft, deze is onzeker, en heeft tot
+verschillende gissingen aanleiding gegeven. Men zie daarover de
+aangehaalde Schrijvers, welke echter geen genoegzame gronden opgeven,
+om tot eenige zekerheid te besluiten. Alle verklaringen echter
+vereenigen zich hoofdzakelijk in dit punt, dat door Vetkoopers
+aanzienlijke en vermogende personen worden aangeduid, en door
+Schieringers de minder begoedigden en geringeren stand. De geleerde
+Westendorp (Jaarb. I. 355 en 356) voegt hier deze opmerking bij:
+»dat men eenen man met een voorkomen van rijkdom en gezag, ook thans
+nog eenen Vetkooper, en iemand, die tamelijk, doch zuiver gekleed
+is, zonder eenig voorkomen, Schier noemt. Zoo zegt men hier (in
+de Provincie Groningen) nog dagelijks: het is een heele Vetkooper,
+en hij is hemmel en schier; of ook: hij zit er goed, en, hij heeft
+eenen schieren boedel, dat is, een' boedel zonder schulden." In
+onze Provincie zegt men wel: hemmel of hemel en schien, beteekenende:
+zindelijk, proper (hoewel behoeftig) en schoon. Schier beteekent altoos
+graauw, grijs. Verg. Wassenbergh, Idioticon, en Epkema, Woordenboek.
+
+Een der merkteekenen van onderkenning schijnt in het aanleggen der
+turven aan den haard geweest te zijn, leggende de een het vuur boven
+en de ander hetzelve onder.
+
+Bij hunne gastmalen, dus wordt verhaald, werd steeds een bedekte
+schotel op tafel gebragt, en na met eenen dronk indachtig te
+zijn geweest aan de de verslagen Bondgenooten, na vermelding der
+heldendaden, aanvuring en vernieuwing van 't eedverbond, ontdekte
+men den schotel, waarin de Zelen lagen, waarmede de opgegeten ossen
+waren gebonden geweest, tot herinnering, dat het weder tijd was op
+nieuwen roof en buit uit te gaan. Dit noemde men in onze landtaal:
+'t Horspil in de patele. Over de beteekenis van 't woord Horspil hebben
+de taalgeleerden getwist. In het zeer zeldzaam geworden Geschriftje:
+Nuttigheid van de Taalkennis der Middeleeuwen, alsmede van die der
+oude Vriesen, door A. ten Broecke Hoekstra (denkelijk in 't jaar 1814
+uitgegeven), p. 22 en 23, vinden wij het volgende:
+
+»Horspil in de patele, dus noemde men de Koezelen, welke de
+Schieringers en Vetkoopers, bij het eindigen der maaltijden, in den
+schotel legden, om hunne vrienden en dischgenooten weder tot nieuwen
+roof uit te noodigen.--V. Rooy vermoedt, dat Hors in het Oud-Vriesch
+eene algemeene benoeming van groot vee geweest zij, en dus zoo wel
+eenen os of eene koe, als een paard, beteekend hebbe.--Het is mij
+onbegrijpelijk, hoe dat men, zoo weinig met der taalsoorspronkelijkheid
+eens Lands bekend, aan uitleggingen van die natuur zich wage; maar
+mijne verwondering rijst ten top, wanneer men, daar de uitlegging er
+bijgevoegd, en door den Schrijver zelven aangevoerd wordt, naar de
+beteekenis des woords gaat rondtasten."
+
+»Horspil is eene verkorte uitspraak en schrijving van horn-spil:
+horn is hoorn, of horen, cornu; en spil, spel, gereedschap, hier
+de zelen, ook in Vriesland horn-touwen genoemd: zoo zegt men mede
+aldaar tornbeyen (spreek uit toân-beyen) en dit voor thorn beyen,
+doren-bessen, braambessen: de ky bornje (spreek uit boânje) dat is:
+de koeijen bornen, wateren."
+
+De geleerde Friesche Taalkenner J. H. Halbertsma gaf mij hierop deze
+bedenking: »Deze uitlegging van den heer Hoekstra voldoet niet volkomen
+aan eenen taalkenner. In lettergrepen die met rn eindigen, laat de
+Fries de r vallen, en houdt de n, gelijk in thoán, boán-je, koán in
+plaats van thoarn, boarnje, koarn (garst). In hornspil daarentegen
+zou de n verdwenen en de r overgebleven zijn, waarvan ik geen tweede
+voorbeeld in de Friesche taal ken. Indien men onderstellen mag dat
+Hamconius, en in navolging Gabbema, met zijne gewone onnaauwkeurigheid
+in taalkundige onderwerpen, Hornspil in Horspil bedorven hebben, is
+de verklaring van Hoekstra volkomen juist. In hoernes hluud, hoornen
+geluid (Oude Fr. Wetten, bl. 254), hornfia, horenvee (Chart. I. 342),
+hoernleggher, horenleger (Chart. I. 517), ziet men dat de n nooit
+van haren post wijkt."
+
+Bij v. Alkemade, in Nederl. Displegtigheden, I. 466, volgg., wordt
+hierover gehandeld, doch hieruit zal men weinig licht scheppen, daar
+de Schrijver Horspil voor Paarde-tuig of toom verklaard hebbende,
+met de koezelen geen weg weet.
+
+
+Bl. 100.
+
+Omtrent den jaare 1303. Wij laten deze luchtverschijningen en
+bloedregens, niet alleen bij O. van Scharl en Winsemius, maar ook door
+Schotanus (fol. 164, quarto bl. 179) vermeld, daar; doch zeker is het,
+dat deze en volgende jaren allernoodlottigst voor dit gewest waren;
+want de woede der Vetkooper- en Schieringer-partijen steeg zoo hoog,
+dat men noch op weg, noch in huis of elders, bijna meer veilig was. Het
+regt van den sterkste gold alleen: teugelloos en wreedaardig woelde men
+in zijnen ontzindheid voort, en spaarde geene jaren of kunne; vooral de
+rijke huislieden waren in den dollen moedwil meesters boven allen, waar
+het op moorden, branden en doodslaan aankwam. En onder al dit kwaad,
+dat de menschen elkander brouwden, steeg de druk der tijden nog hooger
+en hooger, daar geweldige regens en onweders de vruchten der landbouw
+vernielden, waardoor kort daarna dure tijden, groote hongersnood en
+pestziekten volgden. Dit alles wordt ook beschreven in de kronijk
+van Worp van Thabor. Zie voorts F. Sjoerds, Jaarb. III. 219 volgg.
+
+
+Bl. 101.--Ao 1306.
+
+Omtrent dezen tijd heeft J. Flieterp. Zie onze aanteekeningen op
+bl. 286, 288 en 359.
+
+
+Bl. 101.
+
+In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden. Met den dood van
+dezen braven Landsvader vermeerderde ook Frieslands ramp en onheil;
+want met de twisten der Regters, die eene wijle tijds het land
+bestuurden, namen de ondeugden der kerkelijken en wereldlijken toe;
+en waar de geestelijkheid alleen voor haar staatkundig belang ijvert,
+gaat regt en godsdienst te gelijk verloren. Men nam dus tot Upstalboom
+zijn toevlugt, dat aanvankelijk een beteren toestand beloofde; doch
+toen de partijgeest, onder den schijn van vrijheidszucht, weder het
+booze hoofd opwaarts stak, was het een jammer zonder einde.
+
+In dit jaar werd aan de kerk te Ylst de eere gegund, om voor
+dengenen die haar in bedevaart bezocht aflaat van zonden te schenken,
+met al de gebruikelijke plegtigheden; dan ook door deze en andere
+bijgeloovigheden was geen razende partijschap te dempen, waren geene
+driften te koelen. Men zie den Aflaatsbrief in 't Charterb. I. 151. De
+kronijken verhalen vele schrikkelijke gebeurtenissen en wonderen, in
+dezen tijd van hongersnood en ellende voorgevallen. Zie ook Westendorp,
+Jaarb. II. 102-109.
+
+
+Bl. 102.--Ao 1318.
+
+In dezen tijd was Stavoren in het verbond der Anseesteden. Het
+merkwaardig Hanzee-verbond moet gesloten zijn aanvankelijk tusschen
+de steden Lubek en Hamburg, in 1241, ter beveiliging van den zee-
+en landhandel, destijds door roovers en vrijbuiters belemmerd en
+benadeeld. Een aantal koopsteden traden tot dit verbond toe, als
+hebbende dezelfde behoefte, en zoo werden de Friesche steden ook in
+deze handelmaatschappij opgenomen. Daar zij echter eene groote zeemagt
+ontwikkelde, en haar bestaan en invloed met die der vermogende Vorsten
+van Europa dikwijls in strijd waren, ondervond zij van dezen vele
+beletselen. Deze en andere omstandigheden veroorzaakten in 1630 haren
+ondergang. Alleen Lubek, Hamburg en Bremen vernieuwden het verdrag.
+
+De Etymologisten hebben, als naar gewoonte, over den oorsprong des
+woords zeer getwist. Kiliaan verklaart Hans als Socius, Collega,
+dus Hans-steden voor Sociae et liberae civitates, enz. Bilderdyk
+(Geslachtlijst) zegt: »het woord is Hansbeker, d. i. oorbeker van
+hanse of anse (Lat. ansa) oor, handvat, Hans-eê is dus bekerverbond,
+'t geen men dwaaslijk hans-eê-verbond noemt. Du Cange, in zijn
+Glossarium, geeft nog andere afleidingen, strijdig met die van
+Bilderdyk, als ook de Teuthonista van van der Schueren. Zie Wagenaar,
+Vad. Hist. III. 500, en Aanmerkingen daarop bl. 96, waar men het woord
+liefst door Broederschap wil verklaren. Bild. Gesch. der Vad. IV, 350.
+
+
+Bl. 103.
+
+In den jaare 1332. De vrome en brave Eelko Liauckama, Abt van
+Lidlum, werd in dit jaar vermoord. Men leze de korte Levensschets
+in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 10 December
+1833. Verg. F. Sjoerds, Jaarb. III. 329, en de aangehaalde Schrijvers.
+
+
+Bl. 104--Ao 1342.
+
+In dit zelve jaar, den 25 September, is Graaf Willem enz. Deze slag
+is voorgevallen den 26 of 27 September 1345 [183] nabij Warns, (niet
+Werrega, gelijk Wagenaar vermeldt,) wordende het getal dooden bij
+sommige Schrijvers op slechts 3700 gesteld:--doch zeker is het, dat de
+meesten der Hollandsche huizen er hun hoofd of een afstammeling lieten,
+dewijl het Hollandsche leger derwijze werd geslagen en nagejaagd,
+dat er weinig meer dan twintig levendig afkwamen, waaronder Jan van
+Beaumont behoorde, die door zijn schildknaap, ondanks zijne wonde,
+met een vaartuig gered werd. Het lijk des Graven werd tien dagen na
+den slag gevonden, en in 't klooster Bloemkamp, bij Bolsward, begraven,
+doch later, zoo men wil, naar 's Gravenhage vervoerd. Des Graven dood
+gaf alom groote droefheid. Men verklaarde de goederen der Friezen
+verbeurd, en eene wraakzuchtige bende begaf zich naar het eiland
+Marken, stak een Monnikenklooster, tot de Abdij van Mariëngaarde
+behoorende, in brand, en wierp de ongelukkige Cellebroeders in
+zee. Verg. Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. III. 118, volgg; Teg. Staat,
+I. 493, en de daar vermelde Schrijvers.
+
+
+Bl. 105--Ao 1348.
+
+Onze kronijk maakt mede geen gewag van het Bestand, tusschen de
+Friezen en den Graaf van Holland den 22 Junij 1348 gesloten. Dit voor
+de Friesche Geschiedenis zeer gewigtig stuk, in 't Charterb. van
+v. Schwartzenberg niet vermeld, komt voor als II Bijlage achter
+de uitmuntende Verhandeling over den oorsprong der Hoeksche en
+Kabeljaauwsche twisten, van den Rijks-Archivarius Mr. J. C. de Jonge
+(Leijden, 1817). Het vredeverdrag werd gesloten met de Edele en
+Aanzienlijke Mannen, Heer Willem, Hertog van Beijeren, Graaf van
+Holland, Zeeland en West-Friesland en Heer Jan van Beaumont, benevens
+de Ridderschap, Steden, overige Ingezetenen der voorzeide Landen,
+door de Prelaten, Grietmannen, Hovelingen en de geheele Gemeente der
+Landen van Oostergo en Westergo. Deze beloven daarbij met algemeenen
+wijzen en rijpen rade aan hunne partijen en al derzelver bondgenooten,
+een vast bestand zonder arg of list, gedurende twintig aaneenvolgende
+jaren, van af den toen eerstvolgenden St. Jacobsdag, om den kwaden
+twist tusschen hen ontstaan te bedaren, uit te dooven en tot goed
+verdrag te brengen, en zulks op de volgende voorwaarden:
+
+Dat de onderdanen van den Graaf de grenzen dezer landen niet zouden
+mogen overschrijden, zelfs niet om eenig schijnbaar gevaar te ontgaan;
+met uitzondering echter van het geval, dat zij door storm of dergelijke
+oorzaken in vrees en angst waren gebragt, als wanneer zij met hunne
+goederen en personen, zich moesten houden aan het gezegde bestand.
+
+Dat, zoo zij echter hier plagten te vertoeven om koophandel te drijven,
+zij ten allen tijde en zooveel hun behaagde de drie plaatsen dezer
+landen, waar de waren ter koop aangeboden en markten gehouden worden,
+namelijk Harich en Cornwerth in Westergo en Holwerth in Oostergo,
+zouden mogen bezoeken en die weder verlaten, onder de hierna te melden
+voorwaarde van dit zelfde bestand.
+
+Dat het voorzegde bestand zich zoude uitstrekken tot alle rivieren,
+zeeën, steden, dorpen en plaatsen, waar de wederzijdsche ingezetenen
+mogten zamenkomen of elkander ontmoeten, buiten de grenzen van
+beider gebied.
+
+Dat zoo iemand door ingeving des Duivels of op eenige andere wijze
+buiten belegden rade van regteren en hovelingen dezer landen, iemand
+van 's Graven onderdanen mogte beleedigen, dooden of zijner goederen
+berooven, tegen den inhoud van dit verdrag, het bestand daardoor niet
+gerekend zoude worden verbroken te zijn, maar dat den beleedigden naar
+de wetten en gewoonten der plaats, waar het voorzegde misdrijf had
+plaats gehad, door de gestelde regters voldoening en schadevergoeding
+zoude verschaft worden, gelijk zulks in het omgekeerde geval ook bij
+'s Graven ambtenaren naar hunne wetten zou gevorderd worden.
+
+Dat, om 's Graven wille, dit bestand, zich ook ter goeder trouw
+uitstrekken zoude tot die van Stavoren, wier voorspraak Hij geweest
+was, en dat hun ten volle vergund werd, om binnen de grenzen dezer
+landen terug te keeren en er te verblijven.
+
+Hierop wordt er het volgende slot bijgevoegd: Ten bewijze hiervan is
+deze tegenwoordige bevestigd met de Zegels der Landen van Oostergo
+en Westergo, der eerwaarde Heeren Abten van Bethanien en Klaarkamp in
+Oostergo, Bloemkamp en Ludingakerk in Westergo, en der steden Dockum
+en Leeuwarden in Oostergo, Sneek en Bolsward in Westergo. Gegeven in
+'t jaar onzes Heeren 1348 Zondags na het feest der H. Drieeenheid.
+
+Dit is de zakelijke inhoud van het Bestand, welke aldus is medegedeeld,
+met eenige zeer belangrijke ophelderende Aanteekeningen, in het
+Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 31 Julij 1832, waarnaar
+wij den Lezer verwijzen.
+
+
+Bl. 105.
+
+In den jaare 1361. Over deze merkwaardige Vergadering en derzelver
+werkzaamheden leze men Westend. Jaarb. II. 200, volgg.
+
+
+Bl. 106.--Ao 1388.
+
+Folkmer Allena. De Kronijkschrijver E. Beninga deelt nopens dezen man
+een volksliedje mede, om deszelfs vorm en oudheid merkwaardig. Het
+staat in de Anal. v. Mattheus, IV. 158 en 159, en in 't Jaarboek van
+Westendorp, II. 245, met eene veranderde spelling.
+
+
+Bl. 107.--Ao 1397.
+
+In den jaare 1397. Ik houd het er voor dat dit moet zijn 1396. Onze
+kronijk echter verwart deze en andere veldtogten met elkander. Van
+dit ongelukkig gevecht vinden wij bij alle Schrijvers uitvoerige
+vermelding. Winsemius stelt het ook op 1397, tegen de aanteekeningen
+van Edo van Jonghama, Petrus van Thabor en Emmius aan. Hier moet
+ik opmerken, dat men bij gelegenheid van dezen merkwaardigen togt
+van Hertog Albrecht van Beijeren tegen de Friezen het eerst gewag
+vindt gemaakt, dat de schepen in deze landen van geschut en buskruid
+zijn voorzien. Hiervan wordt melding gemaakt in een Handschrift,
+berustende in ons Rijks-Archief, in 't welk men leest, dat, op bevel
+van Hertog Albrecht en deszelfs Raad, Bussen, Kruid, Steen, Schutte,
+Vierpannen, Torken en andere behoeften worden aangekocht, welke
+men in de groote schepen noodig had [184]. In een Hanzee-verbond
+van den jare 1418, waartoe ook de Nederlandsche steden behoorden,
+wordt aan het scheepsvolk verboden op lijfstraffe wapenen en buskruid
+te verkoopen [185]. Twintig jaren later wordt onder de middelen van
+verdediging en afbreuk op de schepen uitdrukkelijk van Bussen, dat
+is, van kanon, melding gemaakt. Sedert dien tijd werd het geschut en
+ook het handgeweer meer en meer algemeen, en op de schepen de gewone
+wapenen [186].
+
+Over den tijd der uitvinding van het buskruid is men oneens, daar
+velen, niet te onregt, beweren, dat het vóór Berthold den Zwarten
+reeds bestond. Zeker is het, dat het gebruik daarvan, hier te lande
+eerst in 1350 of 1351 is geweest, en wel in het beleg van het Kasteel
+Rozenburg, nabij Voorschoten.
+
+Maar ik mag niet voorbijgaan het koddig verhaal van Cornelis Kempius,
+waarin hij beweert, dat een Friesch Koning, met name Chimoscus, den
+Graaf van Holland en zijne twee zonen met een musket had doodgeschoten,
+en ook in een tweegevecht, ter oorzake van 's Graven dochter, de
+schoone Olimpia, met Graaf Roeland van Vlaanderen, zijn schutgeweer
+gebruikt had, zoodat de Friezen uitvinders van het buskruid zijn,
+hetwelk Hamconius ook bevestigt, die mede Chimoscus voor den uitvinder
+daarvan houdt. Wij evenwel betwijfelen het zeer, en geven liever
+aan het dichterlijk vernuft van den geestigen Ariosto, aan wien
+Kempius zijn verhaal ontleende, de eer dezer vinding. Verg. Oudh. en
+Gest. II. 354-357. E. Beninga, in zijne Hist. van Oost-Vriesland op de
+jaren 1379 en 1380, vermeldt, dat men destijds in de Friesche onlusten
+zich van buskruid en geschut bediende. Zie Driessen, Mon. Groningana,
+II. 399.
+
+
+Bl. 109 en 110.
+
+In den jaare 1400-1401. Onder al de twisten en oorlogen, de rampen
+en onheilen daaruit geboren, waren het niet altoos de Friezen en
+onderlinge partijen, bij welke men de aanleiding en oorzaak zoeken
+moet, maar aanhitsing en ondersteuning van buiten, alles naar
+staatkunde en eigenbelang berekend, heerschzucht en vijandschap
+van Bisschoppen, Graven en anderen, gaven meestal voedsel aan den
+burgeroorlog. Vandaar ook die (zoo als men ze noemde) Groote, dat
+is, woeste en beruchte lieden dezer eeuw. Onder de zeeroovers dier
+tijden was Stortenbeker een befaamd man, in het drinken zoowel als
+in het vechten: dit blijkt uit den bij hem gevonden grooten beker,
+toen hij gevangen genomen werd, waarop dit kreupel vers stond:
+
+
+ Ick Joncker Sissingha,
+ Van Groninga,
+ Dronck dees hensa,
+ In een flensa,
+ Door myn kraga,
+ In myn maga.
+
+
+Bl. 111.--Ao 1404.
+
+Sjoerd Wiarda. Naar dezen Potestaat ontving het slot te Goutum den
+naam van Wiarda-State, hetwelk hij reeds in den jare 1404, toen
+hij met Harinxma tot Potestaat verkozen werd, bewoonde. Ons werd de
+navolgende geschrevene aantekening, op Schotanus zijne Beschryvinge,
+van den Old-Raadsheer Tjalling Edo van Sminia, medegedeeld:
+
+»Goutum. Hier ligt de State Wiarda, een groot sieraad van dit dorp, een
+schoon gebouw met zijn hovinge en graften, bewoond bij den Hr. Jonkheer
+Tiberius Pipinius van Eminga; wierde bijgenaamd Schenkinsma, gelijk
+daar ook leggen Putsma, nieulinks met eene nieuwe hovinge en een
+welbeplante opreed versiert door den Hr. Jonkheer Ruurdt van Burmania;
+en Drinkuitsma door denselven afgebroken en geslegt, daar nabij
+gelegen. Deze drie plaatsen plegen van drie Gebroederen bewoond te
+worden, die groot vermaak schepten in 't drinken, en daarop roemden;
+tot hare gedachtenisse wierde dit versje gemaakt:
+
+
+ Qui nos tres geminos superat certamine Bacchi
+ Hic venit Alcides redivivus conteret Hydram."
+
+
+d. i. vrij overgezet:
+
+
+ Eer dat ons dapper driemanschap,
+ In Bacchus' school volleerd,
+ Worde in een Frieschen bekerstrijd
+ Verslagen of verheerd;
+ Eer zal de woeste Hercules
+ Herrijzen uit zijn graf,
+ En slaan een tweeden monsterdier
+ Tienduizend koppen af!
+
+
+Bl. 112, op de Noot.
+
+Hiske Abdena was Proost en Hoveling te Emden, een hoog heerschzuchtig
+man, die zich aan het hoofd der Schieringers in Oostfriesland had
+gesteld en in naauw verband met de Groningers stond. Gevlugt naar
+Groningen, wilden de Schieringers hem ondersteunen, doch de Vetkoopers
+hielden de partij van Keno ten Broek,--en ziehier den oorsprong der
+partijnamen Hisk- of Hikhorsters en Bronkhorsters.
+
+
+Bl. 113.--Ao 1414.
+
+Ook liet Jarges het goud en zilver enz. Niet alleen te Fivelgo, maar
+ook te Midwolde en Loppersum, maakte hij zich meester van het gouden
+en zilveren vaatwerk, en liet de ongezinde kerkvoogden eenigen tijd
+vastzetten, om zoo zijn oogmerk te bereiken.
+
+De Koppens-gulden was dezelfde met den Arendsgulden, welke naar de
+tegenwoordige munt, eene waarde moet gehad hebben van 37 1/2 cent. In
+1453 gold hij 7 braspenningen van 9 duiten 't stuk: in 1491 werd
+dezelve afgezet.
+
+
+Bl. 115.
+
+In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier. Fokke Uken, Ukena of Ukessen,
+Hoveling [187] te Evermoer in Leer, Heer van Aurich en Broekmerland
+of te Broekum, die eene groote en belangrijke rol in de onlusten der
+Schieringers en Vetkoopers in 't begin van de XV eeuw speelde, was uit
+eene voorname adellijke, doch niet vermogende Oost-friesche familie
+gesproten. Zijn vader heette Uko en zijne moeder Amke van Lengen. De
+ruïnen van hunnen ouden burgt waren ten tijde van den geschiedschrijver
+Emmius nog aanwezig: thans toont men slechts de plaats aan, waar
+dezelve stond, op de veenakkers tusschen Aurich en Leer. Nergens vindt
+men Fokke's geboortejaar vermeld; doch hij stierf, oud van jaren,
+den 29 Augustus 1435, gelijk sommigen beweren, ten gevolge van het
+nuttigen van eene vergiftigde biersoep, door zijne Echtgenoote Hidde
+hem toegediend. Hij trad als officier in dienst van Keno ten Broek:
+zijne eerste vrouw was Theda van Reide, bij welke hij twee zoons
+en twee dochters had: zijne tweede vrouw was Hidde van Dijkhuizen,
+uit welk huwelijk zijne dochter Ulske, gehuwd aan Unico Ripperda,
+sproot. Beide deze vrouwen bragten hem een groot vermogen aan, en
+het gelukte hem zijne kinders aan zeer aanzienlijke, rijke familiën
+uit te huwen. Hij was verstandig en omzigtig in het aanleggen zijner
+plannen, dapper en koen aan de spits zijns legers, onverschrokken in
+gevaren, trotsch in zijne handelingen, die vermeerdering zijner magt
+en rijkdom ten doel hadden, en wraakgierig tegen zijne vijanden. Van
+zijnen jeugdigen leeftijd wordt nergens gewag gemaakt, en op het einde
+van de XIV eeuw is men het eerst in de geschiedenis zijns gedachtig.
+
+Er is eene korte levensbeschrijving van hem in 't Latijn zamengesteld
+uit Emmius en Beninga. De verdienstelijke Wiarda echter heeft
+eene uitvoerige beschrijving van zijn leven en bedrijf gegeven,
+en geplaatst in het Tijdschrift: Ost-Friesische Mannigfaltigkeiten,
+erster Jahrgang, Aurich 1784, getrokken uit de beste bronnen destijds
+in druk en handschrift aanwezig, en met bijzondere naauwkeurigheid
+behandeld. Ik heb daarvan eene vertaling gegeven in het Mengelwerk
+der Leeuwarder Couranten van den 4 en 11 September, 2 en 16 October
+1832, welke bijdrage tot de geschiedenis van dien tijd zeer belangrijk
+is. Men verg. overigens het Jaarb. van Westendorp, op 1411-1435. Het
+portret van Ukena bevindt zich thans op het buitengoed van Jonkheer
+Hora Siccama van de Harkstede.
+
+
+Bl. 116.--Ao 1420.
+
+De Schieringers hij Catse geslagen. Schotanus noemt ook te Catze,
+aan een plaets geheeten Palesloot: Petr. Thab. ter Colze. Volgens
+Amersf. en Visser moet men waarschijnlijk hierdoor den omtrek van
+Koudum verstaan. Winsem. en Emmius plaatsen ook den slag omtrent
+Palesloot, tusschen Hindeloopen en Molkwerum, op de kaart van Schotanus
+nog aangeduid, zoo als ook de Fokke-graft of Fokke-sloot, uit het
+Slootermeer komende, en waarin Fokko, na zijne nederlaag bij Slooten,
+die op zijne overwinning volgde, eene groote busse of stuk kanen,
+door hem uit Groningen medegenomen, zinken liet.
+
+
+Bl. 117.
+
+In den jaare 1421. Ook in dit jaar braken de Groningers met Sikko
+Sjaerdema, Hoveling te Franeker, Hoofd der Schieringers. Zij
+beschuldigden hem heimelijk den Graaf van Holland, Hertog Jan van
+Beijeren, te zijn toegedaan, en met de vijandelijke vrijbuiters te
+heulen--namen twee schepen met hout geladen, aan de kerk te Franeker
+toebehoorende, weg, en zes Franeker burgers gevangen. Zij dreigden
+hem te zullen belegeren, indien hij niet te Groningen kwam om zich te
+verantwoorden, of zijnen twaalfjarigen zoon als gijzelaar zond. Tot
+dit laatste werd hij genoodzaakt, deels voor zijne overeenkomst,
+deels voor de betaling eener door deze Vetkoopers uitgeschrevene
+schatting van 1000 schilden over de Schieringers, tusschen Stavoren
+en Gerkesbrugge. Sjaerdema kwam zelf te Groningen en verantwoordde
+zich, weshalve hij zijnen eenigen zoon terug begeerde. Men beloofde de
+terugzending, dan men hield geen woord. Daarop zond hij een vertrouwd
+vriend, om het kind af te halen, die het vond aan een ijzeren keten
+gesloten, waarmede hij in eene kamer kon rondwandelen; doch ook deze
+moest onverrigter zake terugkeeren. Nog in hetzelfde jaar overleed
+de knaap, volgens voorgeven, aan de pest: doch men vermoedde, dat
+de Groningers hem hadden omgebragt; in het volgend jaar stierf zijn
+vader. Zie Westendorp, Jaarb. op 't jaar 1421, en de aangehaalde
+Schrijvers. F. Sjoerds, Jaarb. IV. 447.
+
+
+Bl. 120.--Ao 1434.
+
+Het Stapelrecht. In 't jaar 1430 vinden wij het eerst hiervan
+betrekkelijk Groningen vermelding. Het woord Stapel, eigenlijk een
+staf, stok of stut beteekenende; is ook een hoop van dingen, die op
+een afzonderlijk steunsel opgehoopt of gestapeld zijn. Vervolgens
+heeft stapel overdragtelijk de beteekenis van een hoop koopwaren,
+die op eene bijzondere marktplaats opgestapeld waren, en eindelijk
+van de markt of verkoopplaats zelve. Aldaar moesten zekere van buiten
+inkomende goederen ter verkoop aangeboden, voor een tijd opgestapeld
+en bij gebrek aan koopers vertold worden. Dordrecht, Middelburg
+en andere steden waren in het bezit van het Stapelregt der wijnen
+enz. Zeer verschillend was dit regt op onderscheidene plaatsen,
+en bepaalde zich tot allerhande koopwaren.
+
+
+Bl. 122-123.
+
+In den jaare 1453-1454. Over deze gebeurtenissen is verschillend
+geschreven, en men heeft het bij waarschijnlijkheid moeten laten
+blijven. Verg. S. Jarichs, Beninga en Emmius.
+
+
+Bl. 128.--Ao 1478.
+
+Haijo te Westerwolde. Hajo Addinga van Westerwolde had eed en hulde aan
+den Bisschop van Munster gedaan, en volgde zijnen vader in het leen
+van Westerwolde op. Hij was een wreedaardig en woest mensch, roofde
+en verkwistte met zijne trawanten, plaagde zijn volk, en wie hem niet
+ter wille was werd gekluisterd, gepijnigd en gemarteld op allerhande
+wijze. Den Priester van Onswedde, die hem zijn slecht gedrag verweet,
+liet hij, de handen op den rug gebonden, aan den staart eens paards
+voorgesleept, dus vaneen trappen en verscheuren. Een ander Priester
+werd daarna ook jammerlijk om het leven gebragt, en zoo pleegde hij
+vele gruwelen. Zie West. op 't jaar 1477.
+
+
+Bl. 129.--Ao 1486.
+
+Rudolf Agricola. Dezen, in zijnen tijd zoo vermaarden man, noemde men
+den hersteller der Wetenschappen in het Duitsche Rijk, den grootsten
+redenaar van zijnen tijd, den eersten Duitschen Hoogleeraar in de
+Grieksche, Latijnsche en Hebreeuwsche talen; dengenen, die door geenen
+geleerde, ook zelfs van Italië, werd overtroffen; eene ster der eerste
+grootte. Westend. Jaarb. II. 645.
+
+
+Bl. 129.
+
+In den jaare 1487. Dit doelt op 't zoogenaamde Bier-Oproer. De
+Regering van Leeuwarden had, op aandrang der burgerij, op nieuw
+eene ordonnantie afgekondigd, waarbij het gebruik van het geliefde
+Haarlemmer Bier, Kuit genaamd, verboden, en alleen het in de stad
+gebrouwen bier werd toegelaten. Eenige landlieden overtraden dit gebod,
+waardoor tusschen hen en de brouwers, ondersteund door de burgers,
+een gevecht ontstond. De landlieden, de minsten zijnde, namen de vlugt
+op 't Amelandshuis, destijds de stins van den Schieringer Pieter
+Cammingha, hetwelk met overmeestering en plundering bedreigd werd,
+daar Cammingha de gevlugte landlieden aan hunne vervolgers niet wilde
+overgeven. Het gerucht hiervan bragt de Schieringers in Ooster- en
+Westergo spoedig tegen het Vetkoopersgezinde Leeuwarden op de been,
+die vervolgens deze stad innamen. Meester Pieter Sybrands Auckama,
+bijgenaamd Pinckert, Olderman der stad, sneuvelde in dit gevecht [188].
+
+Dat het Haarlemmer Bier destijds een artikel van veel belang was,
+blijkt onder anderen ook uit het door Winsemius op 't jaar 1480
+vermelde sprookje, (dus te schrijven):
+
+
+ De Leidske Lape,
+ In Harlimmer Tape,
+ In schiere iel
+ Bringt Frieslân yn'e wiel.
+
+
+»Het Leidsche laken, Haarlemmer bier (Kuit genaamd) en Schieraal, helpt
+Friesland in den grond." Verg. hierbij Wassenbergh, Taalk. Bijdr. tot
+den Frieschen Tongval, II. St, bl. 17, noot f en bl. 156. Vol van bier
+zijn, te bier gaan, boven zijn bier zijn en dergelijke uitdrukkingen
+waren in dien tijd, zoowel in Holland als Friesland, algemeen, daar
+het bier een algemeene drank was, en de kracht daarvan, bij den
+overmatigen drinker, een bierroes ten gevolge had.
+
+
+Bl. 130.--Ao 1490.
+
+In dit zelve jaar is de wijdberoemde Wesselius Ganzevoort. Hij werd
+geboren te Groningen in 1419, en overleed 1489. Deze hoogst vermaarde
+en geleerde man, was ook een der edelste kweekelingen van de stichting
+der Broederschap van Gerard Groote. Zijne verlichte denkwijs vooral
+werd zeer geroemd, zoodat Luther zelf getuigde: »Indien ik vroeger
+de werken van Wessel gelezen had, zouden mijne vijanden mogen
+vooronderstellen, dat ik alles uit zijne schriften geput had. Het
+geeft mij vreugde en kracht, en ik twijfel niet meer aan de waarheid
+van hetgeen ik leer; wanneer ik tusschen hem en mij eene volslagene
+overeenstemming van gedachten en zelfs van woorden bespeur."
+
+In de bestrijding van bijgeloof en dweepzucht kent men dezen man, boven
+Erasmus zelfs den voorrang toe, terwijl in al zijn streven tot dit
+doel, hij eene waarheidsliefde en eene zedelijke kracht ontwikkelde,
+voor welke Erasmus niet vatbaar was. Als letterkundige, wijsgeer,
+godgeleerde en geneeskundige was hij bijna even groot; zijne matige
+leefwijze stak bijzonder af bij de zwelgerij en dronkenschap van
+vele geleerde tijdgenooten, waardoor hij dan ook tot zijn zeventigste
+jaar eene sterke gezondheid genoot. Hij reisde de wereld door, om den
+schat zijner reeds verkregene kennis te vermeerderen, en daarvan ten
+nutte der wereld dubbelde renten uit te deelen. Van Paus Sixtus, wiens
+vriend en lijfarts hij was en die hem tot bisschop wilde verheffen,
+verzocht hij alleen de gunst, om de Handschriften van eenen Griekschen
+en Hebreeuwschen bijbel te mogen bezitten. Zijne laatste levensdagen
+sleet hij in 't klooster der adellijke maagden te Groningen, in hetwelk
+hij overleed. Zie zijne leerstellingen kortelijk aangeteekend bij
+Westendorp, Jaarb. op den jare 1489; en verg. de Verhandeling over
+de Broederschap van G. Groote, door G. H. M. Delprat, bl. 79-81,
+112 en Bijl. VII.
+
+
+Bl. 131.
+
+In den jaare 1492. Men vergelijke op dit en de twee volgende jaren,
+West. Jaarb., die daarmede het derde Tijdperk en het tweede Stuk van
+zijn werk eindigt, waarmede hij den beoefenaren der Geschiedenis eene
+gewigtige dienst heeft bewezen, Petr. Thab. op dezelfde jaren.
+
+
+Bl. 133.--Ao 1496.
+
+Onder den Oversten Fox. Nittert of Nuttert Fox, volgens Gabbema
+in Frankenland geboren, was bevelhebber van eene bende de Groote
+Garde genaamd. Hij zelf droeg den naam van Grooten Kapitein. Petrus
+van Thabor vermeld hem als Joncker Voecks op 't jaar 1498. Zie het
+Archief van Visser en Amersfoort, I. 74, alwaar mede wordt aangemerkt,
+dat in de middeleeuwen veelal de ellendige gewoonte bestond, dat een
+hoop soldaten, die zeker niet tot de beste lieden behoorden, onder
+een hoofd, door hen verkozen, zich vereenigden, en vervolgens aan den
+meestbiedende, hetzelfde welke zaak hij voor had, zich verhuurden. Zoo
+waren er zelfs benden, die geheel zonder opperhoofd rondzwierven, zoo
+als de in onze Kronijk op bl. 150 vermelden Zwarten Hoop of Saksische
+knechten. Schotanus, Fr. Hist, fol. 419, geeft hem den titel van:
+»Capiteyn van een deel af-gedanckte Companyen, op de grensen van
+Nederlandt omhengelende, op hoope van nieuwe beroerten;"--doch roemt
+hem mede ook als een krijgshaftig en stoutmoedig soldaat. E. Beninga
+maakte op de jaren 1492 en 1499 van Fox melding. In eene noot op
+bl. 362 zijner Hist. van Oostfr. wordt mede, gelijk in onze Kronijk
+op bl. 138, beweerd, dat de plaats, waar hij vechtende stierf, naar
+hem Foxhol genoemd zoude zijn; doch te onregt: want reeds in een
+brief van 1460 komt dit gehucht voor als Vossehol. Zie Tegenw. Staat
+van Stad en Lande, I. 225; Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. IV. 316,
+noemt Fox Witterfox.
+
+
+Bl. 138.--Ao 1499.
+
+Den Hoogen Raad enz. Ten tijde van Karel den Grooten schijnt er reeds
+over geheel Friesland eene opperste Regtbank of Hof, misschien wel
+door hemzelven ingesteld, bestaan te hebben en te Franeker geweest
+te zijn, welk Hof nog in 't begin der XV eeuw den naam droeg van dat
+hageste Keijzer riocht to Franeker. Onder de woelende twisten der
+Schieringers en Vetkoopers moest het zijn gezag verliezen, doch bleef
+nog bestaan in die algemeene en hoogere Regtbank, aan welke de vijf
+eerste Grietenijen in Westergo, hare twistgedingen, in het laatste
+ressort onderwierpen. Thans hergaf de Hertog dit Geregtshof zijnen
+ouden luister, door de nieuwe instelling op st. Jacobs dag (24 Julij)
+van 't jaar 1499. Het bestond toen uit 12 Leden, zes Geestelijken en
+zes Friesche Edelen, terwijl de Kanselier Phlug het Voorzitters-ambt
+bekleedde. Op Sjaerdema-slot was het aanvankelijk gezeteld, doch
+werd daarna naar Leeuwarden verplaatst. Men vindt dit alles in het
+breede beschreven in mijne meergemelde Geschiedenis der Kanselarij
+te Leeuwarden. Over de Wetten vergelijke men onder anderen § 4 van
+het Overzigt in 't Friesch Jierboeckjen van 1833, en § 3 van 1834.
+
+
+Bl. 138.--Ao 1500.
+
+Fjouwer lotter-claer enz. Wassenbergh, Idioticon op 't woord Fenne,
+vertaalt deze leus: »vier gelouterde (beproefde, in het water
+onderzochte) klaare Kievitseieren, op den hoek van een aan huis
+geleegen Kamp, in één nest." Zie voorts Epkema, Woordenb. op Finne,
+en Weiland, N. T. Woordb. op Veen.
+
+
+Bl. 142. - Ao 1504.
+
+Weerdenbras. O. van Scharl, op 't jaar 1505, geeft den oorsprong op
+van deze benaming, welke bevestigd wordt bij Schot. bl. 507 en 508,
+die in zijn XIV en XV boek een zeer omstandig verhaal geeft, van
+den strijd met Groningen en wat daartoe betrekking heeft. Ook bij
+Winsemius, Emmius, Petr. van Thabor, Sicco en Eggerik Beninga enz.
+
+Vitus Draaksdorp of Traxdorp, was, bij afwezigheid van Hertog Georg,
+Opperbevelhebber over het krijgsvolk. Verg. Archief van Visser en
+Amersf. II. st. bl. 112; Aantt. op bl. 169.
+
+
+Bl. 146.
+
+In den jaare 1511. Zie Gabbema, bl. 265; Winsemius op dit jaar.
+
+
+Bl. 147, 149.--Ao 1514.
+
+Den 21 van July.--Hier na heeft Graaf Edzard. Verg. Tegenw. Staat van
+Stad en Lande, I. 303, volgg.; Wins. bl. 376 volgg; Schot. XV boek,
+Beninga, III. B. bl. 490; alwaar over de wreedheden der Saksen, de
+misleiding door graaf Edzard en zijne vergelding daarvoor van den
+Gelderschen Hertog in het breede gewaagd wordt. Zie gem. Archief,
+II. bl. 171-176, en de Aantt. daarop; ook het Nabericht van van Rhyn,
+bl. 537.
+
+
+Bl. 150.--Ao 1515.
+
+De zwarte Hoop. Zie Aantt. op Nittert Fox, bl. 431; Petr. v. Thabor
+zegt, dat er verschillende uitleggingen van die benaming zijn, als:
+omdat zij met den Hertog van Brunswijk gekomen waren, of omdat hun
+aangezigt was zwart en leelijk geworden, wegens het lijden van koude
+en overlast in den winter, of uithoofde dat hun bij den dood der
+Hertogen van Brunswijk zwart laken was gegeven, tot teeken van rouw;
+het is mogelijk, dat al het genoemde met elkander tot de benaming
+aanleiding hebbe gegeven.
+
+
+Bl. 150 en 151.
+
+Deze Groote Pier. Gelijk het met vele groote en zeldzame mannen
+gaat, die eene belangrijke rol in hunnen leeftijd hebben gespeeld,
+en daarover verschillend worden beoordeeld, zoo is het ook met Groote
+Pier gelegen. De een noemt hem een roemruchtig held zonder wederga,
+die voor de vrijheid en voor Friesland wonderen deed; anderen
+noemen hem een wreedaardig krijgsman en verachtelijk zeeschuimer,
+die slechts roof en moord beoogde. Wanneer men de geschiedenis van
+dien tijd naauwkeurig gadeslaat, den toestand van Groote Pier en
+zijne bedoelingen beschouwt, daarbij den geest des tijds, de wijze van
+oorlogen, vooral ter zee, het Saksisch despotisme in tegenoverstelling
+van het Friesch karakter, en de laagheid des Hertogen van Gelder in
+aanmerking neemt, dan zal de onpartijdigheid ten voordeele van den
+man moeten beslissen, wiens bedoelingen eerlijk waren, maar wiens
+daden het merk van ruwheid droegen, en door de fortuin begunstigd
+in euvelmoed en woestheid ontaard zijn. Zijn tijdgenoot Petrus van
+Thabor schetst hem in zijn ware licht; woest en onbesuisd van aard,
+maar rond en eerlijk van inborst. Zie het Archief van Visser en
+Amersf. II. 259. In het Gedenks. van Neerl. Heldend. ter Zee van
+Engelbert Gerrits, I. 76 volgg., is de beoordeeling minder juist. Zie
+voorts de schets van Groote Pier en zijne daden in het Mengelwerk der
+Leeuwarder Courant van 11 Maart 1834, door W. Eekhoff zamengesteld,
+en de daar aangehaalde Schrijvers. Op welk eene wijze het zeewezen
+in Friesland bestierd werd, leest men na het aangehaalde werk van de
+Jonge, over het Nederl. Zeewezen, I. 154 volgg. Tot in de XVI eeuw
+was het eene algemeene gewoonte, de gevangenen zonder genade over
+boord te werpen.
+
+
+Bl. 151.--Ao 1515.
+
+Hertog Georg. Aldus werd Friesland als 't ware weder
+verkocht, en, zooveel de Saks vermogt, geleverd voor
+honderd duizend goudguldens. Wagenaar, Vad. Hist. IV. 390, en
+Bild. Gesch. V. 11. maaken er 350,000 van, doch de Acte van afstand
+van den 19 Mei 1515, bij Schwartzenberg in het tweede deel zijns
+Charterboeks voorhanden, spreekt dit tegen. Een Rijnse gulden en een
+Goudgulden hadden ieder 90 cents waarde.
+
+
+Bl. 151.
+
+Karel de Vyfde. Het belangrijkste gedeelte van het Boeck der
+Partijen van Jancko Douwama loopt over de gebeurtenissen onder het
+Saksisch bewind, alsmede over de eerste regeringsjaren van Keizer
+Karel den Vijfden. Men leert hierin die gebeurtenissen in Friesland,
+gedurende dit gewigtig tijdvak, van eene geheel nieuwe en onbekende
+zijde kennen; en al ware het, dat niet al de berigten van Douwama
+volkomen geloof verdienden, zoo blijft het echter, bij de voorhanden
+zijnde bescheiden, meestal onder den invloed van het Bourgondisch
+bewind opgesteld, van het hoogste belang, door zijne tusschenkomst,
+ook eens de gedachten van de andere partij te kunnen vernemen. Zie
+over J. Douwama en zijne geschriften, het Verslag der Handelingen
+van het Prov. Friesch Genootschap, bl. 57 volgg.
+
+
+Bl. 151.--Ao 1515.
+
+Graaf Floris van Ysselstein. Floris van Egmond, Heer van IJsselstein,
+als Stadhouder gehuldigd zijnde, werden er verschillende voorwaarden
+gemaakt. Zie Gabbema, Verh. van Leeuw., bl. 302; Schot. fol. 573,
+en Wins. fol. 431; welke eerste hem ook Floorken dunn'- bier noemt.
+
+
+Bl. 155.--Ao 1520.
+
+Hendrik en Frederik Gaykinga. Belangrijk is het verhaal van Sicco
+Beninga, Chronickel der Vriescher Landen, in de Anal. van v. Nidek,
+bl. 321 volgg.
+
+
+Bl. 158.--Ao 1523.
+
+En Karel de vyfde tot Erfheer. Verg. Cerisier, Gesch. der
+Nederl. II. 420-423; Schot. fol. 621. Na lange en rustelooze woelingen,
+het aanstoken van partijschappen, het voeden van den burgerkrijg,
+en het vergieten van stroomen bloeds, genoot nu Friesland, bewesten
+de Lauwers, met uitzondering van nog eenen inval der Gelderschen,
+eene rust van bijna eene halve eeuw; terwijl de voortdurende onlusten
+te Groningen veel onheils bleven stichten, en de geest van muiterij
+de overhand behield.
+
+
+Bl. 160.
+
+In den jaare 1535. Verg. Wins. fol. 506; Schot. 664 volgg.;
+Egg. Beninga, die echter zeer onvolledig is in zijn verhaal. O. van
+Scharl op 't jaar 1535; Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 365
+volgg. [189]
+
+De Sententieboeken van het Hof van Friesland nagaande, vonden wij
+onder vele vonnissen, bij welke in dit jaar een aantal Wederdoopers
+veroordeeld zijn, om onthoofd te worden, twee derzelve van den 12
+April, houdende veroordeeling, de eene van 31 vrouwen en de andere
+van twee, om verdronken te worden, uithoofde zij: »onlangs bevonden
+zyn in Oldeclooster myt de andere seditieuse ende oproerighe persoonen
+der Secten van de Anabaptisten ende anderen van 't verbundt van dien
+zy adhoererende."
+
+Nog langen tijd daarna moesten er ook in Friesland maatregelen tegen
+de woelingen der Wederdoopers worden genomen, onder anderen blijkbaar
+uit de Brieven en Aanschrijvingen ter voorzieninge van de Landvoogdes,
+Maria van Hongarijen, gerigt aan den President en Raden van het Hof van
+Friesland. Van deze brieven zijn nog eenigen aanwezig in het Archief
+van gemeld Hof, door de Landvoogdes onderteekend, welke niet in het
+Charterboek vermeld zijn. Wij willen hier een' van dezelven overnemen:
+
+
+ MARIA, by der gratie Gods Coninginne
+ Douagiere van Hongryen ende Beemen,
+ Regente.
+
+ »Lieue ende Besundere. Volgende den afscheet ende Resolutie hier
+ onlancx genomen, int bijwesen van v President, beroerende de
+ secten ende ketterien, zoo van wederdooperie als andere dwalingen,
+ die anderwers vpstaen in Vrieslant ende omliggenden landen. Wij
+ schicken jegenwoirdelick aldaer den Deken van sinte Marie tot
+ Vtrecht, Heer Herman Betinatius, ende meester Franchois Zonnius,
+ Domheere aldaer, bede doctueren in den heiligen scriften, bringers
+ van desen, Commissarisen van wegen des hieligen Stoeles van Roome,
+ ende by Keys. Majest. onsen Heere weauctoriseert, om tegens de
+ besmette van den voirsz. secten te Inquireren ende procederen,
+ alsoe behoiren zal, gelijck ghy naeder by de voirsz. Commissarisen
+ sult mogen verstaen. Ende alsoe ons ernstich begeren es, dat
+ tegens de voirsz. ketterien geremedieert ende voirsien worde,
+ beuelen ende ordineren v van wegen zijner Majest., dat ghij de
+ voirsz. Commissarisen Informatie doet geuen, ende hun bericht
+ van tgene deser zaken beroeren mach ende notelick wesen sal:
+ Doende hun voirts alle bijstant ende vorderingen int volbringen
+ van hueren laste v mogelick zijnde; Ende indien ghij eenige
+ ongeregeltheit beuint onder de geestelicheit desselfs lants,
+ sunderlinge in cloisteren ende godshuysen, sult hun sulcx mogen
+ te kennen geuen, ende samentlick daerinne voirsien, alst behoiren
+ sal, volgende den last die zij des hebben, zoe wel van ons, als
+ van den geestelicken ordinarisen. Ende want het zeer oirboirlick
+ waere in desen tijt eenige goede jonghen tonderhouden in die
+ Vniuersiteit van Loeuen, studerende in de heilige scriften,
+ om metter tijt daer vuyt geleerde priesters ende pastoirs in
+ Vrieslant te ouercommen, zult ghij, zoe verre v van node duncken
+ zal, duer de voirmelte Commissarisen sulcx aen den prelaten van
+ Vrieslant laeten versoucken ende de selue onderwijsen, dat zij
+ ende yegelick van hun tot voirderinge der heiliger Religie,
+ ende der gemeene weltvaert des lants daertoe willen verstaen
+ ende contribueren. Lieue ende Besundere, onse heere God zij met
+ v. Gescreuen te Brussele den XVIJen van Octobre 1553.
+
+
+ (get.) MARIE. (onder stond)
+ De Langhe.
+
+
+Het opschrift is: Onsen Lieuen ende Besunderen, den President ende
+Raden des Keysers, geordonneert in Vrieslant.
+
+
+Bl. 163.--Ao 1538.
+
+Vorperus Thaborita, Kanunnik te Thabor. Worp van Thabor, geboren
+omtrent het jaar 1538, wellicht afkomstig van het adellijk geslacht
+Tziaerda, was eerst Pastoor in zijne geboorteplaats Rinsumageest, en
+daarna Prior van 't Reguliere Kanonniken Klooster Thabor, te Tirns bij
+Sneek. Hij schreef in de Latijnsche taal eene kronijk van Friesland,
+in drie boeken verdeeld. Het eerste boek handelt over den oorsprong
+der Friezen en hun Land, en eindigt met de heerschappij van Karel den
+Grooten. Het tweede loopt tot het bestuur der Graven van Holland, en
+het derde eindigt met den tijd zijns levens. Baron v. Schwartzenberg
+heeft vijf afschriften van die kronijk met elkander vergeleken,
+getuigt zeer gunstig van dezelve, en had het plan tot de uitgave
+gevormd. Dit is niet tot stand gekomen, en die uitgave bleef tot
+heden achter, zoodat het wel niet te hopen, maar toch te vreezen is,
+dat met zoo vele anderen, ook dit merkwaardig gedenkstuk der oudheid,
+het licht niet zal gegund worden. In de Voorrede van het II Deel van 't
+Charterboek wordt een uitvoerig verslag van dit Handschrift gegeven,
+waartoe wij den Lezer verwijzen. Aldaar staat ook aangeteekend,
+hoe Schotanus in zijne Friesche Historie, vele bladzijden uit den
+Chronicon Frisiae van Worp, woordelijk vertaald, heeft overgenomen,
+en voor zijn eigen arbeid laten doorgaan.
+
+Een beter lot heeft in het belang der wetenschappen getroffen, het
+geschrift van Petrus van Thabor, in onze kronijk niet vermeld. Deze,
+wiens leeftijd voorviel tusschen de jaren 1460 en 1530, en welke hij
+voornamelijk als Leekebroeder in het klooster Thabor [190] sleet,
+schreef eene uitvoerige kronijk van Friesland, vooral ten doel
+hebbende de gebeurtenissen, gedurende zijn eigen leven voorgevallen,
+met naauwkeurigheid en waarheidsliefde te boeken, in den vorm van een
+Dagboek. Daardoor is dit werk ook belangrijk voor de kennis van den
+inwendigen burgerlijken en zedelijken toestand des Lands, terwijl het
+van bijgeloof, wonderen en duivelskunsten geheel vrij is. De Heeren
+Amersfoordt en Visser, hebben daarvan de Uitgave in het Archief voor
+Vaderl. en Vriesche Geschiedenis bezorgd, en verrijkt met een aantal
+uitmuntende Aanteekeningen, hoofdzakelijk door den eersten bewerkt,
+welke van de kunde en geleerdheid des vervaardigers getuigen.
+
+Door dezen Petrus van Thabor is omstandiger dan elders beschreven,
+de Donia-oorlog, eene der merkwaardigste en treffendste burger-
+en familietwisten, door welke Friesland meermalen werd geteisterd,
+welke geduurd heeft van 1458 tot 1496. Verg. het Archief, I. p. 16-24
+en de Aanteekeningen, alsmede de aanmerkingen van den Heer van Halmael,
+benevens het antwoord daarop van den Heer Amersfoordt, in de Leeuwarder
+Couranten van 14 en 21 Junij 1831; 3, 10, 17 April en 1 Mei 1832;
+welke stukken voor de geschiedenis van te veel waarde zijn, om niet
+in een beter en duurzamer vorm te worden overgegoten.
+
+
+Bl. 166.--Ao 1559.
+
+Regnerus Predrinus of Reinier van Winsum, geboren 1508, was een
+zeer geleerd en verdienstelijk man en een der leerlingen uit het
+Fraterhuis. Zijne gehoorzaal was met een toevloed van leerlingen
+opgevuld, met welken hij de schriften van Plato, Aristoteles,
+Demosthenes, Cicero en Quinctilianus behandelde. Gansche scharen uit
+Oost- en West-Friesland, Braband, Vlaanderen, Duitschland, Frankrijk,
+Italië, Spanje en Polen kwamen tot hem over, en vormden als het ware
+eene Hoogeschool rondom hem. Kort na zijnen dood, in 1563, verdween
+de gansche stichting der Broederschap. In 1582 deed de Regering eene
+poging, om haar te doen herleven, door de aanstelling van Antonius
+Folcard of Folkerts van Boornbergum, tot Overste, doch dit besluit werd
+niet uitgevoerd. De oprigting der Hoogeschool in Groningen, in het jaar
+1614, gaf deswege eene nieuwe schadeloosstelling. Reeds in den aanvang
+der XVI eeuw begon die Broederschap voor de Hervorming van Luther te
+wijken: de minachting voor de kloosterinrigtingen deed haar in die
+oorden te niete gaan; maar in andere gewesten werd zij verdrongen
+door eene veel magtiger orde, die met gesloten gelederen overal eene
+Broederschap vervolgde, welke immer daarop roem kon dragen, dat zij
+noch dezelfde verdedigingsmiddelen, noch dezelfde wapens kende. Het
+waren de Jezuiten, die zich in hunne plaats stelden. Delprat,
+Verh. over de Broederschap van G. Groote, bl. 117 en 186.
+
+
+Bl. 169.--Ao 1566.
+
+Waar op in 't Latyn stond. Moet zijn in 't Fransch. Zie over
+de Geuzennapjes v. Alkemade. Displegt. II. 459 en van Loon,
+Ned. Hist. Penn. I. 82. In het algemeen waren de nappen eigenlijk
+uitgeholde houten bakken van middelmatige grootte, welke dienen moesten
+om eenig vocht in zich te houden. Zij waren, zoowel als de bedelzakken,
+het kenteeken der bedelaars, en werden door dezen gebruikt, om er de
+soep in te ontvangen, welke hun aan de kloosters werd uitgereikt,
+wanneer zij het godsdienstig onderwijs genoten hadden. Tot gebruik
+over tafel, om er elkander den dronk uit toe te brengen, afgezonderd
+zijnde, zijn de nappen natuurlijk tot napjes gebragt. Collot d'Escury,
+Holl. Roem, II. A. 111.
+
+
+Bl. 170.--Ao 1567.
+
+En een schip met Edelen. Breedvoerig vindt men dit verhaal bij
+Wins. fol. 538; verg. Gabbema, Verh. van Leeuw. bl. 493.
+
+
+Bl. 172--Ao 1568.
+
+Waarom Arenberg--op Graaf Adolf los rende. Dat de beide Graven door
+elkanders handen zouden zijn gesneuveld, wordt door van Meteren en
+anderen tegengesproken, hoezeer er eene oude overlevering is, welke
+dit vermeldt, en door onze kronijk schijnt gevolgd te zijn. Het is mij
+ook voorgekomen, dat de Schrijver of Schrijvers van It aade Friesche
+Terp zich op vele plaatsen niet van de beste bronnen hebben bediend,
+dan het ligt niet in ons plan, over de verschillende gebeurtenissen
+breedvoerig uit te weiden, en de gebreken allen aan te wijzen, waardoor
+wij het bestek dezer Aanteekeningen verre zouden overschrijden. Men
+vergelijke over dit geheele tijdvak den Tegenwoordige Staat van Stad
+en Lande, I. Deel.
+
+
+Bl. 174.--Ao 1568.
+
+Den 7de van December. Niet in December 1568 is dit gebeurd, maar in
+het begin van Herfstmaand 1566: want reeds in 1567 werd de Roomsche
+godsdienst weder hersteld, en in 1570 zond Alba Cunerus Petri als
+Bisschop naar Leeuwarden, alwaar hij den 1 Februarij op nieuw de kerken
+inwijdde, en de getrouw geblevene gemeente inzegende. Zie Gabbema,
+Verh. van Leeuw. bl. 457, die den 7 of 16 van Wintermaand noemt,
+gelijk ook Wins. en Schot. schrijven, terwijl September moet worden
+gesteld. Verg. ook ten dezen het Iets over de Kerken, kloosters en
+voormalige gasthuizen binnen Leeuwarden, van den Heer van Halmael,
+geplaatst in het Mengelw. der Leeuward. Courant van den 14 Augustus
+1832.
+
+
+Bl. 178.--Ao 1574.
+
+Casper Robles. Verg. de Inleiding van mijn Tafereel van den Watervloed,
+bl. XLI en XLII; Scheltema, Staatk. Nederland, II. 250 en de
+aangehaalde Schrijvers; Outhof, Verhaal van alle hooge Watervloeden,
+bl. 535; Dumbar, Analecta, III, in hetwelk door Reinico Fresinga
+van Frennicker (zoo als hij zich onderschrijft), in diens Memorien,
+ook een cort verhaal van Billys gelegentheyt wordt gegeven [191]. De
+beschrijving in 't Latijn, over de daden van de Robles in Friesland
+bedreven, door Johannes Carolus, uitgegeven te Leeuwarden 1731, door de
+zorg van den beroemden Petrus Wesseling, loopt slechts over een kort
+tijdsbestek, en is met eene scherpe pen geschreven [192]. Zie voorts
+Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 534; Wins. Historiae, L. III,
+en Chron. XVI boek. Over het Kolonels- of Roblesdiep, Tegenw. Staat
+van Friesland, II. 228.
+
+
+Bl. 181.--Ao 1576.
+
+Joachim Hopperus. Deze zeer vermaarde man werd in den jare 1523 te
+Sneek geboren, uit een edel geslachte, bekleedde gewigtige ambten, werd
+de stichter der Hoogeschool te Douaij, en behaalde als Regtsgeleerde
+hoogen roem. Als Staatsman echter was hij te veel hoveling, om,
+naar der Friezen aard, als zoodanig door hen op hoogen prijs te
+worden gesteld. Men geeft hem zelfs na, dat de spotvogels hem met
+den bijnaam van Oui, Madame! bestempelden, daar hij de Landvoogdes
+in den Raad nimmer zoude tegenspreken. Hij was echter om zijne
+groote kundigheden teregt zeer beroemd; en men mag nooit uit het
+oog verliezen, dat hij in zijne hooge betrekkingen altoos, vooral
+in dien tijd, op een zeer gevaarlijk standpunt was geplaatst. Zeer
+waardig is aan hem en zijne geschriften herdacht door den geleerden
+Gabinus de Wal, in zijn klassiek werk: Oratio de claris Frisiae
+Jurisconsultis, pag. 27 van de Oratie, 90 volgg. der Aanteekeningen,
+en 428 der Bijvoegselen. Verg. Scheltema, Staatk. Nederl. I. 492;
+Wins. fol. 599. In de Nalezingen op Wagenaar van van Wyn zijn vele
+bijzonderheden uit de brieven van Hopper te vinden, en van zijn leven
+is eene goede beschrijving aanwezig in de Levens van Nederl. Mannen
+en Vrouwen, IV Deel. Onze voornaamste Geschiedschrijvers hebben van
+zijne schriften gebruik gemaakt. Zijne brieven aan Viglius, welke
+de Antwerpsche Bisschop, de Nelis, heeft laten drukken, en daarna
+uitgegeven zijn, zijn hoogst belangrijk voor de geschiedenis. In
+de bibliotheek te Brussel bevinden zich nog een aantal andere
+oorspronkelijke brieven van hem en Viglius, in hunne landtaal
+geschreven, bevattende vele zaken, welke zij elkander in 't geheim
+wilden mededeelen. Zie de Wind, Bibliotheek, II. 172.
+
+
+Bl. 181.--Ao 1576.
+
+Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab
+Aita. Een groot aantal geleerde en kundige mannen hebben zich van tijd
+tot tijd bezig gehouden, met het beschrijven van het leven en de daden
+van den wijdvermaarden Fries, Wigle van Aytta van Zwichum, den 19den
+van Wijnmaand 1507, op de State Barahuis [193], onder den dorpe Wirdum
+geboren, uit eene der oudste en aanzienlijkste Friesche geslachten,
+en gestorven den 8 van Bloeimaand 1577 binnen Brussel. Onder deze
+geschriften verdient bijzondere opmerking, de uitmuntende Redevoering
+van den Amsterdamschen Rector van Ommeren, in welke (gelijk de Ridder
+Scheltema te regte vermeldt [194]), het karakter van Viglius van
+de beschuldiging van zwakheid en ongelijkmatigheid meesterlijk is
+vrijgepleit [195].
+
+Ook het uitstekend en krachtvolle Verhaal van het leven en de daden
+van Vigle van Ayta, door Mr. A. Telting met oordeel en verstand
+zamengesteld, plaatst den grooten man in een helder daglicht,
+en geeft hem de verdiende eere [196], hoezeer anderen een minder
+gunstig oordeel over hem hebben geveld. Verg. hierover Holland's
+Roem in Kunsten en Wetenschappen door den Baron Collot d' Escury,
+II. 23 en Aantt. bl. 69. Deze Schrijver maakt tevens gewag in de
+Aanteekeningen op zijn eerste Deel van den glazen beker, door Viglius
+aan Keizer Karel toegebragt, toen deze Utrecht bezocht heeft, en welke
+naderhand op vele gastmalen gebruikt werd, wanneer men hem al drinkende
+ronddraaide, om met de lippen dezelfde plaats te treffen, als die de
+Keizer had aangeroerd. Op dezen beker, van dik bruin glas, thans in
+bezit van Z. E. den Minister van Maanen, heeft Anna Maria Schurman
+met een diamant het volgende geschreven en met haren naam onderteekend:
+
+
+ Viglius Zuichemius.
+
+ Al ben ik duister,
+ De naam geeft luister.
+
+
+Zie v. Alkemade, Displegtigh. II. 528. Uitvoerige melding van
+Viglius en zijne geschriften vindt men in de aangehaalde Oratie
+van den Hoogleeraar de Wal, bl. 31, 103, 430 volgg. Verg. de Wind,
+Bibliotheek, II. 188.
+
+
+Bl. 182.--Ao 1577.
+
+Waar op de Graaf van Rennenberg. Georg van Lalaing, Heer van Velle
+en Graaf van Rennenberg, gesproten uit een der aanzienlijkste en
+oudste stamhuizen van Henegouwen, reeds in de XII eeuw bekend, was
+een man van grooten aanleg en kunde. Tot Stadhouder van Friesland,
+Groningen en Overijssel benoemd, bekleedde hij in den aanvang
+het Staatsambt met wijsheid en matigheid, doch later schandvlekte
+hij zich zelven in 's Lands geschiedenis als eenen verrader. De
+verdienstelijke Rijks-Archivarius de Jonge [197] vermeent, dat hij
+welligt door onze Voorvaderen, om deze daad, zonder inachtneming
+der omstandigheden, te streng veroordeeld; doch wanneer wij bij
+den uitmuntenden Geschiedschrijver A. Kluit, in diens Historie der
+Hollandsche Staatsregering (I. 176, noot), lezen, dat, hoezeer de ware
+staatkundige redenen van den afval van Rennenberg, niet zoo zeer bekend
+zijn, men het echter, naar aanleiding zijner eigenhandige brieven,
+aan zijne vrienden geschreven, daarvoor moet houden, dat die redenen
+gelegen waren in jalouzij op Nassau en bevordering van eigen grootheid;
+hoe zal men dan nog voor zulk een boos en misdadig opzet, in een
+Bestuurder des Lands, middelen ter verdediging kunnen vinden? Zijn
+karakter vinden wij juist beschreven door een zijner tijdgenooten,
+die de meeste gebeurtenissen zelf heeft bijgewoond, en wel tot de
+Staatsgezinde partij behoorde, dan met onpartijdigheid een uitgebreid
+verhaal van de jaren 1576 tot 1582 heeft gegeven. Dit is de Franeker
+Burgemeester Renico of Rienk Fresinga, hier voren gemeld, wiens
+boeksken vooral over dit tijdvak belangrijk is [198]. De onsterfelijke
+Hooft geeft navolgende uitnemende karakterschets van den Graaf:
+
+»Hij was geweest een Heer, eedelaardigh, milddaadigh, heusch
+en minlyk van zeeden; verfoeyer van wreetheit, geweldenaary, en
+dronckenschap; betrachter der krystught, en lief den landzaaten,
+zonder nochtans de gunst der soldaaten te verliezen, mits de zorghe
+die hy voor hunne betaaling droegh; hier beneevens versiert met meer
+dan gemeene geleertheit; welgeoeffent in de Grieksche, Latynsche,
+en andere taalen; zeer zoet op de wiskonstighe weetenschapen,
+inzonderheit de maatzang. Al dat 'er in te berispen scheen, was een'
+blaakzuchtighe ruimborstigheit in 't houden van hof en disch, booven
+zijn' inkomst; een toegeeven aan zyn' geneigtheit tot vrouweeren;
+opstyghing van moedt, als 't geluk hem meede; stryking, als 't
+hem teeghen liep; en 't ontzuivren van zyn' eer en gewisse met
+verandering van parthy. Eevenwel om de kosten zynes staatvoerens te
+vergelden, schrobd' hy nooit de gemeente, en stak maar eighe middelen
+af. Zyn' boelaadjen beleidd' hy zoo heimelyk, dat ze ten minste geen'
+arghernis baarden. Onbestendigheit in voor- en teeghenspoedt is de
+zeldzaamste der menschelijke zwakheeden niet. Zyn' trouwbreuk strekte
+eenen naaghel aan zyn' doodkist, en werd geboet met een berouw dat
+zyn' ziel doorsneed: 't en zy hem 't quaalyk beslaaghen meer dan
+'t misdryf gezeurt heeft. Oover Groninge, zeeker, in zyn' ziekte,
+riep hy dikwyls, wenschende 't nooit gezien te hebben. Ook verbood hy
+in de laatste daaghen, zyn' zuster Kornelia, als het dwaallicht dat
+hem verleidt had, onder zyn' ooghen te koomen. De gemelde deughden,
+en fraayigheden naa deughd zweemende, deeden hem beklaaghen, zelfs van
+zyn' meeste vyanden, dien 't jammerde dat hy tot dien val geraakt was."
+
+Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 810 volgg., bij welken Schrijver
+men op bl. 884 deze karakterschets wedervindt, er (uit Fresinga)
+bijvoegende, dat zijne zuster Kornelia hem ook had bekoord en gevleid,
+met het uitzigt op een huwelijk met Maria van Brimeu, Gravinne van
+Megen, weduwe van Lancelot Barlaimont, hetwelk echter mislukte. Zie
+Wins. Chron. XVIII Boek; Histor. p. 544; J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te
+Land, bl. 257, 265, 266; welke laatste zijnen afval toeschrijft,
+aan gemoedelijk bezwaar en ontzag voor de Katholijke kerk.
+
+
+Bl. 191.--Ao 1580.
+
+Merode, Heer van Rummen. De geschiedenis getuigt van hem als van
+een edel, eerlijk en standvastig voorstander der vrijheid, getrouw
+voor de goede zaak, dapper in den krijg, en wiens verkregen roem,
+door zijn verstandig stadhouderlijk bestuur in Friesland is staande
+gehouden. Er is nog in geschrifte van dien tijd, aanwezig een
+Journaal van voorgevallene saacken in Friesland, enz., geholden
+bij Bernard van Meroode, Stadholder,--van den 7 Julij 1580 tot den
+12 Junij 1583: aan de achterzijde op den pergamenten omslag staat:
+Prothocol de la Secretairie du Gowerneur de Frise. Dit belangrijk
+Handschrift onderzoekende, bevond ik dat hetzelve bevatte vele
+Commissiën, Instructiën, Resolutiën, Ordonnantiën, bijzonder voor
+de Hoofden der Krijgsmagt en voor de burgerlijke Besturen; voorts
+Paspoorten, Sauvegardes, Brieven aan Vorsten en Edelen, Requesten,
+Plakkaten en andere Staatsstukken, van welke slechts zeer weinigen in
+het Charterboek van Schwartzenb. voorhanden zijn, en wel alleen die,
+welke te vinden waren in de Leeuwarder Plakkaatb.
+
+In 1583 verzocht Merode, uit hoofde van zijnen hoogen ouderdom, om de
+gedurige onrust der tijden, de twist en tweedragt om het Meesterschap
+tusschen de Staten en het Hof, en omdat de Edelen geen ontzag voor
+hem hadden, zijn ontslag, en verkreeg zulks op eene zeer vereerende
+wijze. Zijne Commissie van den Prins van Oranje, om in zijnen naam
+Friesland te besturen, is van den 17 Junij 1580, Chartb. IV. 172;
+Wins. fol. 670. Verg. Leven van Willem I, door L. F. de Beaufort,
+XI Boek. Bernard van Merode en zijn broeder Willem behoorden tot
+de eersten, die onder den Prins dienst namen, en in het veld door
+dapperheid en wijs beleid uitmuntten. Dit geslacht heeft aanzienlijke
+bezittingen in de Provincie Noord-Braband, doch behoorde van overouden
+tijd tot den Belgischen Adel. Verg. J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te
+Land, bl. 243.
+
+
+Bl. 196.--Ao 1584.
+
+Wij laten hier volgen een kort overzigt van de Stadhouders van
+Friesland, uit het Huis van Nassau:
+
+
+WILLEM LODEWIJK.
+EERSTE STADHOUDER.
+
+Willem Lodewijk, Graaf van Nassau, was de zoon van Johan den Ouden,
+Graaf van Nassau-Dillenburg, Broeder van Willem I. Hij werd geboren
+op den 13 Maart 1560; huwde in den jare 1587 Prinses Anna, Dochter
+van zijnen Oom Willem I, verwekt bij diens tweede Gemalinne Anna van
+Saksen [199]. Slechts ruim zeven maanden duurde deze echt, daar de
+Prinses in den jare 1588 ten huize van Julius van Botnia, een der
+voornaamste Friesche Edelen, ijveraar voor vrijheid en godsdienst,
+in den ouderdom van 26 jaren te Franeker is overleden. WILLEM zelf
+is den 31 Mei 1620, ten gevolge eener beroerte binnen Leeuwarden
+gestorven; zoo men verhaalt, terwijl hij bezig was zijnen Neef Maurits
+bij geschrifte te raadplegen, wat hem te doen zou staan, indien eens
+Maurits, zonder behoorlijke schikkingen te hebben gemaakt, door een'
+plotselingen dood werd overvallen.
+
+In 1583, in de plaats van Merode gesteld zijnde, werd hij op den
+16 October 1584 door de Staten van Friesland, op den Landsdag te
+Franeker, tot absoluut Stadhouder en Gouverneur over dat Gewest,
+verkoren, nadat men plegtig den Koning van Spanje afgezworen had.
+
+Hij was een voortreffelijk Vorst, een dapper en bekwaam krijgsman, een
+voorstander van de godsdienst, en, hoewel deelende in de kerkelijke
+scheuring, meer gematigd dan Prins Maurits. Loffelijk getuigen
+Ubbo Emmius, van Reijd en Willem van Haren van zijne krijgskundige
+verdiensten en grondige kennis, zoowel der theorie als praktijk. Als
+beminnaar en hoogachter van letteren en geleerdheid, erkent men in hem
+den Stichter der Friesche Hoogeschool, welke, zoowel als de geheele
+Provincie, die door hem weder in rust gebragt werd, zijne bijzondere
+bescherming heeft genoten. Ook aan hem mag de eer worden toegekend
+van de oprigting der Groninger Akademie.
+
+Hij regeerde van 1584 tot 1620.
+
+
+ERNST CASIMIR.
+TWEEDE STADHOUDER.
+
+Ernst Casimir, Graaf van Nassau, Broeder van Willem Lodewijk, werd
+diens Opvolger in het Stadhouderschap over Friesland. Hij was geboren
+den 22 of 24 December 1573, trouwde in den jare 1607 met Anna Sophia,
+dochter van den den Hertog Julius van Brunswijk, welke Prinses in
+1642 is overleden. Uit dit huwelijk zijn twee zonen en twee dochters
+geboren, welke laatsten jong en ongehuwd overleden zijn; de beide
+zoons, Hendrik Casimir en Willem Frederik, zijn hem in de regering
+opgevolgd. Na een aantal gewigtige zendingen ten dienste van den Staat,
+werd hij eerst Stadhouder van Friesland, en daarna door Groningen
+en Drenthe in die waardigheid erkend. In vele krijgsverrigtingen
+muntte zijn beleid en dapperheid bijzonder uit; doch in het beleg van
+Roermonde, op den 2 Junij 1632, trof een vijandelijke musketkogel,
+terwijl hij de loopgraven bezigtigde, zoodanig zijn hoofd, dat hij
+na verloop van drie uren daarna den geest gaf. Als staatsman vond
+ik hem niet bijzonder vermeld: in het kerkelijke bezat hij minder
+gematigdheid dan zijn broeder.
+
+Hij regeerde van 1620 tot 1632.
+
+
+HENDRIK CASIMIR I.
+DERDE STADHOUDER.
+
+Hendrik Casimir I, Graaf van Nassau, oudste Zoon van Ernst Casimir
+en Anna Sophia, werd in den jare 1611 geboren en is niet gehuwd
+geweest. Men roemt hem als een dapper held, wiens leven in velerlei
+krijgstogten werd gesleten, terwijl een schoon getuigenis wordt gegeven
+van zijn godsdienstig, standvastig en braaf karakter. Zelfs zijner
+wederpartij dwong hij zoodanige hoogachting af, dat een vijandlijk
+Officier bij 's Vorsten doodberigt had uitgeroepen: »Nu is de braafste
+Kapitein in Nederland gestorven!" Onder de beroerten in Friesland
+in 1635 bewees hij ook dat Gewest groote diensten. Bij de belegering
+van Hulst en Brugge trof hem een pistoolschot in den rug, welke wonde
+hem op den 12 of 13 van Hooimaand 1640 den dood veroorzaakte.
+
+Hij regeerde van 1632 tot 1640.
+
+
+WILLEM FREDERIK.
+VIERDE STADHOUDER.
+
+Willem Frederik, Graaf of Prins van Nassau, jongste Zoon van Ernst
+Casimir, werd te Arnhem op den 7 Augustus 1613 geboren, en trad den 2
+Mei 1652 in den echt met Albertina Agnes, Dochter van Frederik Hendrik,
+Prins van Oranje. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: Prinses
+Amelia, met den Hertog van Saksen-Eysenach getrouwd; Sophia Hedwich,
+omtrent derdehalf jaren oud gestorven, en Hendrik Casimir. Willem
+Frederik verlangde zijnen Broeder Hendrik op te volgen als Stadhouder
+van Friesland, Groningen en Drenthe, doch Frederik Hendrik, begeerde
+over al de gewesten te heerschen. Hierover ontstond geschil, en beide
+namen hunne maatregelen om tot hun doel te geraken. Willem Frederik
+werd door de Staten van Friesland tot Stadhouder, en Frederik Hendrik,
+door die van Groningen en Drenthe verkozen. Gelijk alle twisten
+tusschen hooge personen nadeelig werken voor Land en Volk, had ook dit
+geschil buitendien voor den Vorst zeer onaangename gevolgen: want de
+magtiger Frederik dwong zijnen mededinger tot menige vernedering. Op
+eene noodlottige wijze verloor hij het leven: want bij het beproeven
+van een zadelpistool, zullende dienen op zijne voorgenomene reis naar
+Westfalen, ging het schot af, en trof hem dermate in het aangezigt,
+dat hij drie dagen daarna overleed. Dit was op den 21 October 1664,
+terwijl de Stadhouder te Leeuwarden resideerde.
+
+Hij was een bekwaam krijgsman, bedreven in staatszaken en van karakter
+uitstekend: daarenboven een beoefenaar en hoogschatter der Letteren,
+waarvan de Hoogleeraar Ulrik Huber getuigt, dat de werken van Tacitus
+en Seneca, zoowel des nachts als des daags door den Prins werden
+gelezen, en in het geheugen geprent. De Franeker Hoogeschool verloor
+in hem eenen sterken voorstander en verdediger.
+
+Hij regeerde van 1640 tot 1664.
+
+
+ALBERTINA AGNES.
+VOOGDESSE.
+
+Albertina Agnes, Prinses van Oranje, in 's Gravenhage op den 29
+April 1634 geboren, had gedurende den tijd der voogdijschap over
+haren zoon Hendrik Casimir, die nog geen acht jaren oud was bij den
+dood zijns Vaders, het bestuur over dit Gewest, en verwierf zich
+veel gezag bij de Friezen. Zij was eene verstandige, beminnelijke en
+zeer godsdienstige vrouw; eene voortreffelijke echtgenoot, en eene
+waardige en zorgvuldige moeder voor hare kinderen, welke zij allen,
+voor zich ten grave zag dalen. Den 24 Mei 1696 overleed zij op hare
+lustplaats, het Oranjewoud, alwaar zij een geruimen tijd van haren
+weduwlijken staat had doorgebragt.
+
+Zij regeerde van 1664 tot 1679.
+
+
+HENDRIK CASIMIR II.
+VIJFDE STADHOUDER.
+
+Hendrik Casimir II, Prins van Nassau, eenige Zoon van Willem Frederik
+en Albertina Agnes, werd geboren op den 18 Januarij 1657. Op zijn
+vijftiende jaar legde hij als Stadhouder den eed af, welke waardigheid
+drie jaren later door de Staten van Friesland, Groningen en Drenthe,
+voor zijne mannelijke nakomelingen, erfelijk verklaard werd. Op zijn
+22 jaar echter kreeg hij eerst het Stadhouderlijk bewind alleen in
+handen. Den 16 November 1683 trad bij in den echt met Amelia, Prinses
+van Anhalt-Dessau, Dochter van Johan Georg II, waarmede hij dertien
+jaren vereenigd was, en uit welk huwelijk zijn gesproten zeven dochters
+en twee zoons: Willem Georg Friso, die een jaar na zijne geboorte is
+gestorven, en Johan Willem Friso, zijns Vaders opvolger.
+
+Zijne benoeming tot Kapitein-Generaal en andere voorvallen gaven
+aanleiding tot twisten tusschen hem en Prins Willem III, welke echter
+door diens uitzigt op de kroon van Engeland bedaarden, en in 1685,
+onder bemiddeling van den vermaarden Hoogleeraar Joh. van der Waeijen,
+daarna des Stadhouders Raadsman, geheel werden bijgelegd. Op zijn
+zeventiende jaar stortte hij bij een gevegt, te stoutmoedig met
+den degen in de vuist op den vijand indringende, met zijn paard in
+eene laagte, ten gevolge van welken val, hij steeds onderhevig aan
+bloedspuwingen is geweest; en door deze kwaal in zijne gezondheid
+ondermijnd, overleed hij te Leeuwarden op den 25 Maart 1696.
+
+Hij studeerde in den jare 1671 te Franeker, en gaf vele blijken van
+verstand, oordeel en ervarenheid; dan vooral in het krijgswezen muntte
+hij uit in moed, beleid en onverschrokkenheid. De dappere Generaal
+Hans Willem, Baron van Aylva, die den Lande in een zeer netelig
+tijdperk voortreffelijke diensten bewees, was hem een Leermeester
+zonder wederga, en had hem den weg tot een onsterfelijken roem helpen
+banen. Zijn dood was voor Friesland een zware slag, want in hem werd
+een schrander, deugdzaam en edelmoedig Vorst, een magtig Beschermheer
+verloren.
+
+Hij regeerde van 1679 tot 1696.
+
+
+AMELIA.
+VOOGDESSE.
+
+Amelia, Prinses van Anhalt-Dessau, geboren in 1666, werd als Voogdesse
+erkend over haren zoon Johan Willem Friso, oud ruim acht jaren bij het
+overlijden zijns Vaders, en had tot zijne meerderjarigheid het bestuur
+in handen. Zij kocht voor haren zoon de Heerlijkheid Ameland, voor
+170,000 Karels guldens. Men vindt weinige bijzondere berigten over haar
+vermeld: zij moet eene schoone, vernuftige en schrandere vrouw geweest
+zijn, wier zucht echter tot pracht en weelde der spaarzaamheid zeer
+in den weg stond. In den jare 1726 is zij in Duitschland gestorven.
+
+Zij regeerde van 1696 tot 1707.
+
+
+JOHAN WILLEM FRISO.
+ZESDE STADHOUDER.
+
+Johan Willem Friso, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 14 Augustus
+1687 te Dessau, aanvaardde in 1707 het Stadhouderschap over Friesland,
+en het jaar daarna over Groningen en Ommelanden. Na den dood zijns
+Vaders nam Prins Willem III de zorg zijner opvoeding op zich, en deze,
+zonder kinderen overlijdende, maakte zijn geliefden kweekeling tot
+zijnen eenigen erfgenaam. Op den 1 Mei 1709 trad hij in den echt met
+Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, uit welk huwelijk zijn geboren
+twee kinderen: eene dochter Anna Charlotta Amelia, getrouwd met den
+Prins van Baden-Durlach, en een zoon, Willem Karel Hendrik Friso. Op
+den 14 Julij 1711 is de Stadhouder, in zijnen jeugdigen leeftijd,
+op eene droevige wijze omgekomen, daar hij bij de overvaart van het
+Strijensche Sas aan den Moerdijk, toen door een rukwind de pont werd
+omgeslagen, zijn dood in de golven vond. Zijn krijgsroem was reeds
+gevestigd; zijne deugden waren velen, en had hem een langer leven
+mogen te beurt vallen, hij zou ongetwijfeld in 's Lands geschiedenis
+eene luisterrijke plaats hebben bekleed. Gedurende anderhalf jaar, in
+1700 en 1701, heeft de Prins te Franeker gestudeerd, en bijzonder het
+onderwijs van den beroemden Fullenius genoten, waarna hij, op begeerte
+van zijnen Voogd, Prins Willem III, zich ook naar de Hoogeschool te
+Utrecht begaf.
+
+Hij regeerde van 1707 tot 1711.
+
+
+MARIA LOUISA.
+VOOGDESSE.
+
+Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, een der veertien kinderen
+van den Landgraaf Karel en Maria Amelia, Prinses van Courland, is
+geboren op den 17 Februarij 1688. Onder de leiding harer uitmuntende
+moeder, wier evenbeeld zij werd, ontwikkelde zich in haren jeugdigen
+leeftijd reeds den voortreffelijken aanleg tot deugd en bekwaamheid,
+welke het sieraad eener vrouwe zijn, en de Vorstin bovendien tot een
+verheven en magtig voorbeeld voor hare onderdanen stelt. Gedurende
+de minderjarigheid van haren Zoon, bestuurde zij 's Lands zaken met
+beleid en verstand, zoodat zelfs de Staten van dit gewest, haar met
+een geschenk van 5000 gulden vereerden, en eene levenslange jaarwedde
+van eene gelijke som. Na den dood van Prins Willem IV en deszelfs
+Weduwe werd haar weder de waarneming van het Stadhouderlijk bewind
+over Friesland opgedragen, hetwelk zij met welgezindheid aanvaardde
+en met ijver behartigde. Op den 9 April 1765, dus ruim 77 jaren
+oud, is deze Vorstin te Leeuwarden overleden, en hare nagedachtenis
+is door alle tijden bij de Friezen in zegening gebleven: want zij
+was godsdienstig, nederig, milddadig en beminnelijk van karakter,
+zoodat men dan ook haar steeds met den vereerenden lievelingsnaam
+van Maryke-Mui bestempelde. Als Stadhouderes regeerde zij met
+wijsheid en gematigdheid. Zoowel voor de stille rust als voor het
+woelige hofleven geschikt, bragt zij in godsdienstige afzondering en
+vrolijke uitspanning vele dagen door in haren lusttuin Marienburg,
+bij Leeuwarden, of op het geliefkoosd Oranjewoud [200].
+
+Zij regeerde van 1711 tot 1731, wanneer haar zoon meerderjarig
+werd. Van diens dood tot in 1759, in welk jaar hare schoondochter
+Prinses Anna, is overleden, had zij eenig deel aan 't Stadhouderlijk
+bewind, en na dien tijd regeerde zij weder geheel tot 1765.
+
+
+WILLEM KAREL HENDRIK FRISO.
+ZEVENDE STADHOUDER.
+
+Willem Karel Hendrik Friso, of Willem IV, Prins van Oranje-Nassau,
+werd te Leeuwarden geboren den eersten van Herfstmaand 1711, zes
+weken na zijns Vaders overlijden. In den eersten leeftijd onder het
+oog zijner verstandige moeder opgevoed, daarna door de beroemdste
+geleerden, zoo als Wesseling, Hemsterhuis, Heineccius en anderen,
+aan de Friesche en Utrechtsche Hoogescholen, onderwezen, moest
+zijn krachtvolle geest zich spoedig ontwikkelen, en eene grondige
+kennis van zaken bekomen, welke den echten Landsvader kenmerken, en
+zijn bestuur ten beste der onderdanen doen gedijen. In den jare 1731
+aanvaardde hij de waardigheid van Stadhouder over Friesland, na reeds
+daarin over Groningen, Drenthe en Gelderland te zijn bevestigd. In het
+merkwaardig jaar 1747 werd een perk gesteld aan de verdeeldheden eener
+vijfenveertigjarige Stadhouderlooze regering in de overige Provincien,
+en Willem IV tot Algemeen Stadhouder over al de gewesten verkoren, met
+erfelijk-verklaring dier hooge waardigheden, zoowel in de vrouwelijke
+als mannelijke linie. Hij trad in den echt met Anna, Kroonprinses van
+Groot-Brittanje op den 25 Maart 1734. De spruiten uit dezen echt waren,
+behalve drie dochters, welke allen kort na de geboorte zijn overleden,
+Prinses Carolina en Prins Willem V. Hij regeerde gelijk het den Vorst
+betaamt, wien zijn Land en Volk, als zijn eigen welzijn, zeer ter
+harte gaan. Twee groote Nederlandsche Historieschrijvers, Stuart en
+Scheltema, getuigen beide van hem: »dat hij de grootheid van zijn
+Huis alleen zocht in de ware grootheid van den Staat; zijn hoogste
+eerzucht in de liefde zijns Volks stellende." Geen offer achtte
+hij te dier voor de belangen der natie, en standvastig van geest
+volgde hij steeds het hem aangewezen moeijelijk pad. Vele goede en
+beminnelijke hoedanigheden waren van de Moeder op den Zoon overgegaan;
+godsvrucht en christenliefde paarde zich aan opregtheid en eerlijkheid
+[201]. Als vriend der geleerden en voorstander der wetenschappen, vond
+ook de Friesche Hoogeschool in hem eenen ijverigen Beschermheer. In
+den ouderdom van ruim veertig jaren bezweek zijn van tijd tot tijd
+verzwakt ligchaam, onder de rusteloosheid van eenen veelvuldigen
+zwaren arbeid. Hij stierf den 22 October 1751, en werd te Delft in
+den Vorstelijken grafkelder van Willem I begraven.
+
+Hij regeerde van 1731 tot 1751.
+
+
+
+
+
+Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje, Prinses van
+Brunswijk-Lunenburg, Gemalinne van Willem IV, was de oudste Dochter
+van Koning George II, en werd geboren den 2 November 1709. Zij was
+eene schoone vrouw, helder en krachtvol van geest, kloek van verstand,
+edel van ziel en grootmoedig van karakter; de geschiedenis getuigt
+van haar, dat zij niet alleen vele voortreffelijke deugden, maar
+ook uitstekende talenten bezat, zoodat zij in verschillende talen
+oordeelkundige werken over godsdienst, geschiedenis en zedekunde
+geschreven heeft, en dit wel, hetgeen bijzondere opmerking verdient,
+niet om te schitteren, maar tot eigen oefening en anderer nut. Dat
+zij alzoo voor haren Gemaal een onschatbaar kleinood was, zal wel
+geen betoog behoeven: want, ook in staatszaken ervaren, ondersteunde
+zij in die oproerige tijden den vredelievenden Vorst met wijzen
+raad. Na den dood van dezen had zij bij het voeren des bewinds en
+'t bestier der voogdij, eene standvastigheid en kloekheid betoond,
+die den Grooten Frederik, op het ontvangen van haar doodberigt, aan
+der Staten Gezant schrijven deed: »Ik heb eene Vriendin verloren,
+die door hare grootmoedigheid, wijsheid en eene hare kunne te boven
+gaande kracht van geest al mijne achting verdiende." Op den 12 van
+Louwmaand 1759 ontsliep zij in den ouderdom van ruim 49 jaren te
+'s Gravenhage, en werd bij haren Gemaal te Delft begraven.
+
+Zij regeerde als Gouvernante van 1751 tot 1759; terwijl echter
+het beheer in Friesland aan de Staten en Prinses Maria Louisa was
+opgedragen.
+
+
+CAROLINA.
+REGENTESSE.
+
+Aan Carolina, Prinses van Oranje, eenige overgeblevene dochter van
+Willem IV, geboren te Leeuwarden den 28 Februarij 1743, werden, na
+den dood harer Grootmoeder Maria Louisa, in den jare 1765, ten gevolge
+der Landsverordeningen op de Voogdij, de Magistraatsbeschikkingen in
+de Friesche steden opgedragen, tot aan de meerderjarigheid van haren
+Broeder. Zij huwde in 1759, dus zestien jaren oud, na vele staatkundige
+tegenstribbelingen, aan Carel Christiaan, Prins van Nassau-Weilburg,
+gesproten uit de linie van Walram.
+
+Zij regeerde tot in 1766.
+
+
+WILLEM V.
+ALGEMEEN STADHOUDER.
+
+Willem V, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 8 Maart 1748, aanvaardde
+het Stadhouderschap over al de Gewesten den 8 Maart 1766. Hij trad
+in den echt den 4 October 1767 met Frederica Sophia Wilhelmina,
+Prinses van Pruissen, Nicht van Koning Frederik II, den 7 Aug. 1751
+geboren. Deze zijn de doorluchtige Ouders van onzen geëerbiedigden
+Koning. Prins Willem overleed te Brunswijk in Grasmaand 1806, en
+zijne verhevene Gemalinne op het Loo 9 Junij 1820.
+
+
+Bl. 201.--Ao 1591.
+
+En 6 yzere gotelingen. In dezen tijd was voornamelijk ook eene
+soort van geschut in gebruik, genaamd Gotelingen, van 18, 8, 6, 4,
+3 en 2-1/2 pond, benevens metalen Kartouwen, Colverijns, Veldslangen,
+Sakers, Dranken, Mignions en anderen; die vooral op de schepen gebezigd
+werden. De Jonge, Gesch. van het Zeewezen, I. 402. Verg. Kiliaan op
+'t woord.
+
+
+Bl. 208.--Ao 1594.
+
+En op Ostagiers handelende. Ostagier, Stagier beteekent een gijzelaar;
+vandaar: op Ostagiers geven, handelen, nemen, d. i. gijzelaars ten
+onderpand geven of ontvangen. Zie Kiliaan. Over dit merkwaardig
+beleg vergelijke men den Tegenw. Staat van Stad en Lande, I. 518;
+Wins. fol. 817, enz.
+
+
+Bl. 216.--Ao 1620.
+
+Die heerlyke begraafplaats. De Groote of Jacobijner kerk is volgens
+Gabbema, Verhaal van Leeuwaarden, gebouwd in den jare 1487, doch,
+volgens J. van den Bosch, in zijn meergem. werk, was zij reeds door
+de Heeren van Cammingha en eenige rijke burgers in 1228 gesticht;
+en daarna afgebrand zijnde, werd zij herbouwd in 1487. In derzelver
+Koor aanschouwde men de prachtige marmeren graftombe van Graaf Willem
+van Nassau en zijne Gemalinne Anna, onder welke tombe de Vorstelijke
+Grafkelder zich bevond, waarin zijn bijgezet geworden:
+
+
+ 1. Prinses Anna, Gemalin van Willem Lodewijk.
+ 2. Graaf Willem Lodewijk, eerste Stadhouder.
+ 3. Graaf Ernst Casimir, tweede Stadhouder.
+ 4. Graaf Hendrik Casimir, derde Stadhouder.
+ 5. Prinses Anna Sophia, Weduwe van Graaf Ernst Casimir.
+ 6. Graaf Willem Frederik, vierde Stadhouder.
+ 7. Prinses Sophia Hedwich, dochter van Graaf Willem Frederik.
+ 8. Prinses Albertina Agnes, Weduwe van Graaf Willem Frederik.
+
+
+Nog stonden in dezen grafkelder twee kleine kisten, waarin
+waarschijnlijk de dochters van Graaf Ernst Casimir zijn bijgezet; zoo
+bevonden er zich drie kleine houten kistjes, in welke tinnen doozen,
+waren geplaatst, die ingewanden van gebalsemde Vorstelijke lijken
+zullen hebben bevat.
+
+Toen deze begraafplaats te klein geworden was is door Prinses Amelia
+eene tweede aangelegd, in welke zijn bijgezet:
+
+
+ 1. Prins Willem Georg Friso, zoon van Prins Casimir II, geboren
+ te Leeuwarden 24 Junij 1685.
+ 2. Prins Hendrik Casimir II, vijfde Stadhouder.
+ 3. Prins Johan Willem Friso, zesde Stadhouder.
+ 4. De tweede dochter van Prins Willem IV, bij de geboorte gestorven
+ 22 December 1739.
+ 5. Prinses Anna, jongste dochter van Prins Willem IV, geboren te
+ Leeuwarden 15 November, en den 29 December 1746 overleden.
+ 6. Prinses Maria Louisa, weduwe van Prins Johan Willem Friso.
+
+
+Van deze Vorstelijke begraafplaats en het marmeren grafgesticht
+is niets meer overgebleven, dan het aandenken aan derzelver vorig
+bestaan. Niet door den vernielenden tand des tijds, die al wat
+onvergankelijk schijnt aan stukken knaagt, maar door den geesel der
+verwoesting en het teugelloos geweld, uit overdreven vrijheidszucht,
+haat en partijschap geboren, wier blinde drift zelfs de graven der
+afgestorvenen niet eerbiedigt, zijn deze gedenkteekenen vernietigd. Dan
+wij willen de treurige herinnering aan die tijden niet verlevendigen,
+en dergelijke gebeurtenissen liever der vergetelheid overgeven.
+
+Van de zeven Stadhouders, de Prinsessen Amelia, Maria Louisa en Anna,
+benevens de Graven Johan Maurits, Adolf, Jan en Albert van Nassau,
+zijn op het Hof te Leeuwarden nog uitmuntend geschilderde beeldtenissen
+bewaard gebleven.
+
+
+Bl. 221.--Ao 1636.
+
+Een oud boekje getiteld: Teghen-gifte teghen de Peste, door Lucas
+Trelcatius beschreven, uitgegeven te Leeuwarden 1637, meldt in
+een Aenhanghsel, dat de verschrikkelijke Pest, welke in dit jaar in
+Holland heerschte ook tot Friesland was overgeslagen, en in de dorpen
+nog heviger woedde dan in de steden, vooral in Anjum, Grouw, Oldkerk,
+enz. terwijl binnen Leeuwarden ettelijke weken lang, bij en over de
+200 dooden werden begraven, waarna men de verwoesting in de dorpen
+aangerigt kan afmeten.
+
+
+Bl. 227.--Ao 1665.
+
+De Veldmaarschalk Graaf Johan Maurits van Nassau was de kleinzoon van
+Johan den Ouden, den Vader des eersten Frieschen Stadhouders. Bij
+gelegenheid van dit ongeluk maakte hij te Franeker zijn uiterste
+wille, en gaf die over ter bewaring aan de Akademie. In 1679 overleed
+deze zachtaardige en brave man te Bergendaal bij Kleef, alwaar zijne
+nederige grafstede nog jaarlijks door vele reizenden bezigtigd wordt.
+
+
+Bl. 229.--Ao 1672.
+
+Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May. Voor dat
+men den tijd naar behooren geregeld en verdeeld had, of willekeurig
+verdeelde, om te voorkomen dat de Saizoenen zich niet verplaatsten,
+was het opzigt hierover aan de Priesters des volks aanbevolen. Eene
+halve eeuw voor onze jaartelling maakte Julius Caesar een einde aan de
+verwarde tijdsberekeningen en derzelver gevolgen in zijnen Staat. Hij
+bepaalde het zonnejaar op 365 dagen en 6 uren. Het burgerlijk jaar
+werd dus verordend: er zouden telkens drie achtereenvolgende jaren
+ieder van 365 dagen loopen, en het vierde of schrikkeljaar moest een
+dag meer dragen, welke dag in de maand Februarij werd ingelascht. Het
+jaar bestond uit 12 eenigzins ongelijke maanden, zoo als het nu nog
+bestaat. Dit was de Juliaansche Jaarrekening of Stijl, Oude Stijl
+genaamd.
+
+De bepaling des zonnejaars van 365 dagen en 6 uren was echter ruim
+elf minuten te groot genomen, hetwelk eene afwijking of verloop
+moest veroorzaken, die dan ook na vier eeuwen tijds bij de viering
+van het Paaschfeest, waarvan de berekening op de maan gegrond was,
+duidelijk werd opgemerkt. Men nam maatregelen welke echter onvoldoende
+waren, en gedurende vele eeuwen bleef dit gebrek bestaan, zoodat in
+de XVI eeuw de lente-nachtevening van den 21 Maart op den 10 was
+gekomen. Eindelijk nam Paus Gregorius XIII zich de zaak ernstig
+ter harte, liet door geleerden en deskundigen het ontwerp van
+Aloisius Lilius, een geneesheer van Verona, onderzoeken, en na rijp
+beraad werd er in den jare 1581, bij Apostolische Bulle, eene nieuwe
+verbetering aangekondigd en bevolen. De sedert het Concilie van Nicea
+vervroegde tien dagen, moesten in het jaar 1582 in de maand October
+worden uitgelaten, zoodat men van den 4 dadelijk op den 15 telde. Het
+verschil van de elf minuten, die men vroeger op het zonnejaar te veel
+gerekend had; werd gevonden, door in vier eeuwen, telkens op het einde
+van ieder eeuw één schrikkeljaar over te slaan; dus zoude het jaar
+1600 een schrikkeljaar blijven, maar 1700, 1800 en 1900 gemeene jaren
+van 365 dagen, en 2000 weder een schrikkeljaar zijn. Het zonnejaar
+werd alzoo vastgesteld op 365 en het schrikkeljaar op 366 dagen. Deze
+inrigting noemde men de Gregoriaansche Jaarrekening of Stijl, en in
+tegenoverstelling van den Juliaanschen den Nieuwen Stijl.
+
+Door deze verstandige en doeltreffende instelling was er geene
+afwijking of verloop van tijdsberekening in eeuwen meer te duchten;
+en was men overal verstandig genoeg geweest, men zou niet geaarseld
+hebben daarin te berusten, dan vooroordeel, dwaze driften, koppigheid
+en ongodsdienstige ijver, keerden aanvankelijk in die woelige tijden
+van hervorming onder zoo vele goede zaken ook deze. In de Catholijke
+Landen werd de verbeterde Calender spoedig aangenomen, dan eerst in
+en omstreeks den aanvang der XVIII eeuw, ging men daartoe in andere
+Landen, en ook in de Nederlanden over: Braband, Vlaanderen, Zeeland
+en Holland waren de eerste gewesten, daarna volgden Friesland,
+Groningen, Gelderland, Utrecht en Overijssel. Dat deze instelling
+op ongelijke tijden aangenomen, en dus de een zich van den Ouden,
+de ander van den Nieuwen Stijl bedienende, veel verwarring te weeg
+bragt, is meermalen gebleken. Zoo schreef b. v. Graaf Johan Maurits
+van Nassau, hiervoren gemeld, uit 's Gravenhage eene Missive aan
+den Rector en Senaat van de Akademie te Franeker, op den 3 September
+1670, en het antwoord op dezelve, drie dagen na dien datum afgezonden,
+droeg de dagteekening van den 27 Augustus. In Engeland heeft men eerst
+in 1752, en in Zweden een jaar daarna, den Nieuwen Stijl ingevoerd:
+in Rusland volgt men nog den Juliaanschen.
+
+Ingevolge Resolutiën der Staten van Friesland van den 10 en 11
+October 1700 werd vastgesteld en bij Publicatie van den 12 dier
+maand afgekondigd, dat op den 1 Januarij 1701, in plaats van den
+Ouden Stijl de Nieuwe zou worden ingevoerd, en men op dien dag niet
+den eersten maar den twaalfden Januarij zoude schrijven, en aldus
+de telling vervolgen. Alzoo eindigde in Friesland het jaar 1700 op
+Dingsdag den 31 December, en den volgenden dag, Woensdag, heeft men
+12 Januarij 1701 geschreven [202]. In de Provincie Groningen is ten
+zelfde dage en op gelijke wijze de Nieuwe Stijl ingevoerd.
+
+Het verschil alzoo tusschen den Ouden en Nieuwen Stijl, door vele
+schrijvers niet in acht genomen, waardoor misstellingen in de
+dagteekeningen zijn ontstaan, of bij sommigen verkeerd aangeduid,
+bestaat alleen hierin, dat men altoos tien dagen tellen moet bij de
+dagteekening, welke de Oude of Juliaansche Jaarrekening aangeeft.
+
+Men vergelijke de Historische Verhandeling over den zoogenaamden
+Nieuwen Stijl door den Oud-Hoogleeraar Mr. J. W. de Crane, geplaatst
+in het II. Stuk van het Archief der Heeren Visser en Amersfoordt.
+
+
+Bl. 259.
+
+In den jaare 1677. Hetgeen hier volgt tot bladzijde 271 is een
+bijvoegsel van den tweeden druk, en heeft niet uitsluitend betrekking
+op Friesland, maar is meer eene kronijksgewijze opgave van algemeene
+gebeurtenissen. Wij hebben ons moeten onthouden van eene meerdere
+uitbreiding onzer Aanteekeningen over het belangrijk tijdvak der
+geschiedenis in de laatste eeuwen, daar dezelve reeds tot een aantal
+bladen zijn aangegroeid, en ons bestek geen grootere uitvoerigheid
+gedoogde. Ook mogen wij het daarvoor houden, dat dit gedeelte
+der Historie, en bepaaldelijk die der Stadhouderlijke Regering,
+den Lezer meer bekend zij, als zijnde daarover ook genoegzame
+bronnen voorhanden. Wij hebben achterwege gelaten de onbelangrijke
+beschrijving van den intogt des Prinsen J. W. Friso in Groningen,
+op bl. 327 en 328 van den tweeden druk der kronijk voorkomende, als
+mede de berijmde Nareeden, of zoo als achter den eersten druk staat,
+Aanspraak op Naaspraak, hoewel tot onderschrift voerende: 't Kan niet
+beeter; want wie zal thans nog smaak vinden in verzen als deze?
+
+
+ Wiens breinkas gestoffeerd met puik van waarde stoffen,
+ Zal ooit op eenge stoff, wiens loff maar stoff is stoffen.
+
+
+of
+
+
+ Een keurger keure, keur de keur, met keur in 't leezen;
+ In 't geen hy keurig keurt, met keur 't zyn uit te leesen.
+
+
+Ook het Treurig gesprek tusschen een Vreemdeling en een Fries, over
+het verongelukken van Johan Willem Friso, in zeer middelmatig rijm
+van de door haren tijdgenoot Lucas Pater en daarna door den heer J. de
+Vries hoog verheven, door Witsen Geysbeek daarentegen diep vernederde
+Friesche Dichteres Jetske Reinou van der Malen, hebben wij gedacht
+veilig te kunnen weglaten.
+
+
+Bl. 273.
+
+De Landstreek van deze Provincie. Over deze verdeeling en het bestuur
+der Graafschappen, vergelijke men onze Aantt. bl. 344; § 4 van het
+Overzigt in het Friesch Jierboeckjen 1833, en de 2de § van dat van
+1834. Over de benamingen van Estrachia of Austrachia en Westrachia,
+moet ik nog wel aanmerken, dat Alting in zijne Descriptio agri Batavi
+et Frisii, of Notit. Germ. Inf. zeer verkeerd op alle zijne kaarten de
+eilanden Ameland en Terschelling dus noemt, in navolging van zekeren
+Fredegarius, een Schrijver van de VII eeuw, (die echter voor Austrachia
+Anistrachia schrijft,) als zullende beteekenen Ooster- en Wester-oog,
+van achia, age, oog, welke benaming dikwijls aan eilanden gegeven
+wordt, zoo als Schiermonnikoog, Spikeroog, Langeroog enz. Te vergeefs
+zal men bij eenig Friesch Schrijver die eilanden, dus genoemd, zoeken,
+maar wel vindt men, dat eertijds Westrachia Westergo, en Austrachia
+Oostergo beteekende. Winsemius bevestigt zulks op den jare 728,
+toen Karel Martel Oostergo en Westergo plonderde en verwoestte. In
+de afbeelding van Oud-Friesland door Schotanus, de eenige oude kaart,
+welke het best met de geschiedenis overeenkomt en 't meest vertrouwen
+verdient, gevoegd in zijne Beschr. van Frieslandt en achter de Groote
+Atlas, worden de streken beoosten en bewesten de Burdo of Middelzee,
+welke ook het best door hem is afgeteekend, te regte Austrachia en
+Westrachia genoemd. Verg. Oudh. en Gest. II. 287, alwaar v. Rhyn
+in 't breede hierover uitweidt, aan Fredegarius geen gezag boven
+Friesche Schrijvers toekennende. Alting, II. in voc. Austrachia
+Burdine, Westrachia; Brouwer en Eekhoff, Nasporingen betrekkelijk de
+Middelzee, bl. 31 noot, 116 en 117, waarin ook de gebrekkigheid van
+de oude kaarten wordt aangetoond.
+
+
+Bl. 273.
+
+Die men een Grietman noemt. In het laatst der XIII en in het begin
+der XIV eeuwen, wordt het eerst van Grietmannen gewaagd. Van ouds
+moet de verkiezing door de gemeente, de ingezetenen of de bezitters
+der stemhebbende Staten hebben plaats gehad. Zij hadden Assessoren of
+Bijzitters en andere Regters van minderen rang onder zich, terwijl er
+tevens Schouten hebben bestaan, welk ambt later weder is vernietigd
+of in die des Grietmans is overgegaan. Aanvankelijk waren zij Regters,
+maar in den drang en druk der oproerige tijden, in welke geene regten
+geëerbiedigd werden, moesten zij zich tot Beschermheeren verheffen,
+en wisten van hunne magt en invloed een krachtig, soms al te krachtig
+gebruik te maken. Elke Grietenij had één Grietman, voor één jaar
+benoemd tot Hoofd; doch eene enkele uitzondering was er op dezen regel:
+bij latere inrigting werd bepaald, dat ieder, die de vereischten bezat,
+op zijn beurt den post van Grietman en Regter zoude waarnemen. Onder
+de Hertogen van Saksen en daarna onder het Stadhouderlijk Bewind was
+de begeving van dit ambt ook aan dezen en aan het Hof verbleven.
+
+Maar nu den oorsprong van den naam Grietman te bepalen, dit is eene
+moeijelijke zaak, waarover reeds vele geleerden zijn geraadpleegd en
+veler gevoelen ter toetse is gebragt, doch het is als nog onbeslist,
+welke beteekenis voor de eigenlijke en oorspronkelijke moet worden
+gehouden. Onze Kronijk is er, mijns bedunkens, niet achter en geen
+wonder, want de Heer Beyma, in zijn Tractatus de Grietmannis geeft een
+aantal verschillende gevoelens op, en na dezen Schrijver zijn er nog
+meerdere te berde gebragt [203]. Het meest aannemelijk gevoelen is, dat
+men den naam moet afleiden van het Oud-Friesche Greta, klagen en dus
+Greet- of Grietman degeen was, die aan de klagers regt verschafte. Zeer
+belangrijk zijn de Aanteekeningen over de Grietmannen van de Heeren
+H. en W. v. S. voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten
+van den 15 en 29 Mei 1832, tot welke wij den Lezer verwijzen, als
+mede tot opgenoemd Tractatus de Grietmannis van C. L. van Beyma,
+Franeq. 1780.
+
+Wat het kerkelijk Bestuur van Friesland in de vroegste tijden aangaat,
+dit is ons niet klaar genoeg gebleken: later was dit gewest den
+Bisschop van Utrecht onderworpen, die tot het Aartsbisdom van Keulen
+behoorde. Friesland was verdeeld in Dekenschappen, waarvan de Dekens
+door den Bisschop werden gekozen en met groot gezag en magt bekleed. De
+Hoofdpriesters of Priesters in eene parochiekerk werden Personae
+genoemd, en de mindere Priesters Kapellanen. De Abten waren Oversten
+of Bestuurders der Kloosters en derzelver aanhoorigheden: zij stonden
+op zich zelven, hadden vele voorregten, samen de eerste plaats op de
+Landsdagen, en waren alleen den Paus onderworpen: de Priors waren
+oorspronkelijk hoofden van minderen rang, gelijk ook de Proosten,
+hoezeer dikwijls deze verschillende benamingen door elkander gebruikt
+werden. Zie hierover onder anderen Friesch Jierb. 1833. Oersicht § 4.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DRUKFOUTEN.
+
+
+Op Bladz. 66, 281 tot 372, komt meermalen in den 2den en 3den
+ naamval voor: Karel den Groote; ook Lodewijk den
+ Vrome, Godvruchtige, Jongere, Karel den Dikke,
+ den Kale; men voege achter 't bijv. naamwoord
+ eene n.
+
+» » 284 staat: Barradeel, lees: Baarderadeel.
+» » » » Bijdragen tot de Gesch. lees: Nasporingen
+ betrekkelijk de Gesch.
+» » 327 » dat men onder die waardigh. lees: dat die
+ waardigheid.
+» » 336 » 1178 lees: 1170.
+» » 367 » bij hunne aanwer-een ving, lees: bij hunne
+ aanwerving, een.
+» » 415 » der landbouw, lees: van den landb.
+» » 439 » weauctoriseert, » geauctoriseert.
+» » 448 » Heer van Velle, » Heer van Ville.
+
+De Bladz. 391 is verkeerdelijk gemerkt 191.
+
+
+De Lezer gelieve geringere drukfeilen, als: Friesen voor Friezen,
+Firsiabones voor Fris.; Theutonista voor Teuthon.; geene voor geen;
+noordwaards voor noordwaarts of dergelijken over het hoofd te zien.
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Een korte beschrijving van dit document.
+
+[2] Kort stukje promotionele tekst voor op de achterflap.
+
+[3] Kort extract uit de tekst.
+
+[4] Deze belangstelling is onder anderen ook gebleken uit de plaatsing
+van het Prospectus of Berigt, waarbij ik mijn oogmerk heb ontwikkeld,
+in de derde Mnemosyne, 1829, I. 278, en de aanbeveling van den
+Hoogleeraar H. W. Tydeman; als mede uit de opname van hetzelve in de
+Handleiding tot de kennis van het Staatsbestuur in het Koningrijk der
+Nederlanden, V. 646, alwaar tevens de wensch wordt geuit dat dit plan
+spoedig moge verwezenlijkt worden.
+
+[5] Ook tot een goed Schoolboek van de Geschiedenis van Friesland
+strekt zich deze behoefte uit.
+
+[6] Deze zeer onbepaalde beschrijving van den alouden Staat der
+Provincie is in de Bijvoegsels en Aantt. aangevuld.
+
+[7] De regering dezer Prinsen, zoo wel als die der opvolgende Hertogen
+en Koningen, behoort tot het fabelachtig gedeelte der Historie, welke
+ook met betrekking tot de gebroeders Friso, Saxo en Bruno (de laatste
+wordt hier niet gemeld) zeer verschillend wordt voorgedragen. Zie de
+Bijv. en Aantt.
+
+[8] Verheerd, d.i. overwonnen, te onder gebragt.
+
+[9] Gevolg.
+
+[10] Als de zomer hoogde, d. i. in het midden van den zomer.
+
+[11] Ook Hamconius en Cappidus van Stavoren beweren, dat er van
+Friso's tijd af een wapen heeft bestaan, hetwelk echter moeijelijk
+valt te gelooven, daar men het er voor houden moet, dat in den tijd
+der kruistogten, dus niet vroeger dan in het begin der XII eeuw,
+de familiewapens zijn uitgevonden. Men zie over dit onderwerp de
+Bijv. en Aantt.
+
+[12] Over de groote en kleine Friesen zie Bijv. en Aantt. over den
+alouden staat van Friesland.
+
+[13] In de Uitgave van 1677 staat: "Waar van heedendaachs noch top,
+noch teil (tegel) te zien is."
+
+[14] In de Ie uitgave staat: "Heeft de Hertog hem bekeeven."
+
+[15] Holle is Olennius. Zie Aantt.
+
+[16] d. i. gedwongen om het beleg op te breken.
+
+[17] Oxel, Oksel, holligheid onder den arm.
+
+[18] Het Gods Hof of Aula Dei, kweekschool van Priesters, waarvan
+C. Stavriensis, S. Petri, Hamconius en anderen spreken. Zie Aantt.
+
+[19] d. i. aangehitst, opgestookt.
+
+[20] Het beknopt Chronykjen van Friesland opgesteld en bijeenverzameld
+door C. G. Jacoby, Leeuwarden 1755, voornamelijk bestaande in een
+uittreksel van Ocko van Scharl, vermeld slechts vijf Prinsen, latende
+Adel en Ubbe buiten het spel, en springt dus een tijdvak van bijna
+twee eeuwen over.
+
+[21] Lees Westerwierum.
+
+[22] Lees: tusschen Almenum en Terschelling. Verg. Hamconius, Frisia,
+fol. 14, die deze gebeurtenissen van 't Klif en der Meerminnen
+verhaalt, echter den Duivel buiten het spel laat.
+
+[23] Bij andere Schrijvers Basterd-Broeder van Adelbold genoemd.
+
+[24] Volgens anderen door Tiete of Titus zelf gebouwd.
+
+[25] De oude Uitgave zegt: "Met een gaar geraapten hoop."
+
+[26] Dit geschiedde langs den geheelen Rijn tot aan de Noordzee,
+uit wantrouwen tegen de Germanen.
+
+[27] Over de verschillende gevoelens dezer benamingen hebben wij het
+noodig geacht in de Bijvoegsels het een en ander aan te stippen.
+
+[28] Engeren, Angeren.
+
+[29] De Ezumazijl nabij Ezonstad, alwaar in den tijd van Foeke Sjoerds
+(Beschr. van O. en N. Friesland I. 240) nog eenige overblijfselen
+van te zien zoude geweest zijn. Zie verder Aant. op 't jaar 339.
+
+[30] Over de Geschiedenis der Gebroeders Hengst en Hors, die Brittanje
+zouden hebben veroverd, zijn de Geleerden het mede niet eens. Zie
+daarop de Bijv. en Aantt.
+
+[31] 't Kasteel Grunenberg of Gronenberg was de oudste Burgt, volgens
+de Friesche Overlevering, tusschen de Eems en het Vlie.
+
+[32] Vergel. Westendorp, Jaarboek van en over Groningen, p. 24, op
+'t jaar 409;--alsmede de beschrijving der vrije Schuilplaatsen p. 110.
+
+[33] Zie de Aantt. op 't jaar 808.
+
+[34] Vergel. p. 23, waar ook van twee Lems of Willems gesproken
+wordt. Zie voorts Bijv. en Aantt.
+
+[35] Uit hoofde van der Schrijveren verschil in de jaren, waarin de
+watervloeden hebben plaats gehad, hebben wij in de Aantt. eene opgave,
+zoo naauwkeurig mogelijk, geplaatst.
+
+[36] Chlotarius II.
+
+[37] F. Sjoerds voegt hierbij de woorden: an fen dead wir libben
+werden! Schot. Fr. Hist. heeft het tweeledig, zie p. 47 en 54.
+
+[38] In de Uitgave van 1677 staat: "naar den Franschen zin, En liet
+de Christenen vryjelijk toe."
+
+[39] Pepyn van Herstal of de Dikke noemde zich Hertog en Prins der
+Franken, en was Groot-Hofmeester.
+
+[40] Natuurlijke zoon van Pepyn; was Groot-Hofmeester.
+
+[41] Van daar Sant Michiels dom genaamd.
+
+[42] Men zie de Aant. op 't jaar 830.
+
+[43] Vergel. op 't jaar 463.
+
+[44] Godfried.
+
+[45] Deze belasting heette Klipschild.
+
+[46] Deze togt geschiedde onder bevel van den Deenschen
+Koningszoon Hendrik. Van tijd tot tijd moest het handwerk van
+zeerooverij worden herhaald op alle kusten, om de jonge manschap te
+oefenen. Geloofwaardige Fransche Kronyken vermelden het verwoesten door
+de Noren in 837 van drie koopsteden: Antwerpen aan de Schelde, Witha of
+Wintland aan den mond der Maas, en Groningen aan de Eems. West. Jaarb.
+
+[47] Men zie Aant. op 't jaar 830.
+
+[48] Zijn zoon Lodewijk, bijgenaamd de Duitscher, volgde hem op.
+
+[49] Thans was Lodewijks zoon, Lodewijk de jonge, Heer der Friesche
+Landen.
+
+[50] Winsemius: Haadet goede wacht tyen da Nordera oordt, Want vuyt
+da Grimma herna comt ws alle quaed voort.
+
+
+[51] Nu kwam Lodewijks Broeder, Karel de Dikke aan het gebied. Zie
+voorts over dezen strijd de Bijv.
+
+[52] Omstreeks dezen tijd werd Karel de Dikke onttroond, en de
+laatste van den stam van Karel de Groote, die 't Westen regeerde,
+met name Arnulph, natuurlijke zoon van Karloman volgde hem op,
+regeerde drie jaren en stierf, wordende door zijn zoon Lodewijk in
+'t gebied vervangen. Zie Aant. op het jaar 840.
+
+[53] Een veldvlugtige is een overlooper.
+
+[54] Men zie over deze begiftiging het Jaarb. van den Heer Westendorp
+op de jaren 1040 en 1046.
+
+[55] Wij hebben het niet ondienstig geacht over de Kruistogten der
+Friezen een aangeschakeld verhaal in de Bijvoegsels eene plaats te
+geven,--waardoor wij ons onthouden, van alle andere aanteekeningen
+op de verschillende jaren, waarin dezelve zijn voorgevallen, 't welk
+anders noodig zoude zijn.
+
+[56] Vergel. Westendorp Jaarb. op 1112.
+
+[57] Als voren op 't jaar 1143.
+
+[58] Onder de namen bekend van Frederik I, Aenobarbus, Roodbaard,
+ook Keizer Frederik de Groote.--
+
+[59] Dit verhaal komt hoofdzakelijk overeen met het Jaarboek van
+den Heer Westendorp, de vermelding op den jaare 1160,--en andere
+Schrijvers.
+
+[60] Of van de St. Cistercie-orde. Deze Abdy is de vermaardste geworden
+in de Ommelanden, bezittende aanzienelijke rijkdommen.
+
+[61] Over dit voorval, 't welk eene andere oorzaak gehad heeft,
+vergel. men West. Jaarb. op 't jaar 1195.
+
+[62] Stoepens zijn Stoopen of Drinkkannen geweest en geenszins de
+Stoepen voor de deuren, waarvan anderen uit gebrek aan taalkennis
+ooit de Kloppers aan de deuren gemaakt hebben.
+
+[63] Verweend is verwaand; ook fier,--lekker opgebragt, weelderig
+enz.--
+
+[64] Of Grind.
+
+[65] Slegtigheid is hier eenvoudigheid, onbeschaafdheid.
+
+[66] Men zie over dezen strijd West. Jaarb. op de jaren 1226 enz.--
+
+[67] Vergel. de Aantt.
+
+[68] Westendorp Jaarb. na 't jaar 1232 noemt de Reiderlanders en
+Emisgooërs, welke twist ontstaan was door het verdrinken van een
+Reiderlander, omdat hij de lieden, die van de jaarmarkt kwamen,
+had willen berooven.--Verg. denzelven I. 280.
+
+[69] Upstalsboom, gelegen een uur gaans ten zuidwesten van
+Aurik. Alhier stonden drie hooge eike boomen, met de takken en kroonen
+meest aan malkanderen gegroeit, hebbende op 2 a 300 treden na geene
+huizen omtrent. De Rechtspleeginge geschiede aldaar onder den blaauwen
+Hemel, van de Regeerende en daar toe gerechtigde Perzoonen van alle
+de Frieslanden, en richtede alhier over alle zwaare zaaken, welke bij
+de mindere Collegien niet afgedaan wierden; als wanneer daar tenten
+opgeslagen en banken van opgegraavene aarde wierden gemaakt.
+
+[70] West. Jaarb. I. 282 beschrijft kortelijk dezen oorlog voornamelijk
+naar de verhalen van E. Beninga en Harkenroth gevolgd, bewerende
+tevens dat het niet de Eenrummers maar de Emersen geweest zijn.
+
+[71] Voor de zusters van de Cistercie-orde, opdat de schimmen der
+verslagenen mogten verzoend worden. Het werd eerst aangelegd by
+Koevorden aan de A, doch naderhand verplaatst.
+
+[72] Is gebeurd 21 Januarij 1256 op zijnen togt tegen de
+West-Friesen.--Zie voorts de Aant. op Sikko Sjaardema in 't jaar 1239.
+
+[73] Over deze twisten zie men de algemeene Aanteekeningen.
+
+[74] Over den juisten dag, waarop deze gruwelijke moord heeft plaats
+gehad, zijn vele Schrijvers het niet eens en in zonderlingen twist
+geraakt.--
+
+[75] Dit Zegel der vrye Frieslanden verbeelt een geheel gewapent Man,
+houdende in zyn regterhand een Lans, en in de linkerhand een bloot
+Zwaard, dat na de schouder opgeheven word, en staande onder een Boom.
+
+[76] Men zie Westend. Jaarb. over dezen strijd op de jaren 1232
+en 1233, die dezelve toeschrijft aan de partijschappen tusschen
+de Vetkoopers en Schieringers, en waarin deze laatsten de overhand
+behielden.
+
+[77] Deze Proost Hiske had eene dochter, genaamt Reinske, welke met
+Hayo te Westerwolde trouwde; en naderhand uit haare eigene goederen de
+Groote Kerk met vier Torens te Mildwolde, in den Oldambte, heeft laaten
+bouwen; zynde de zelve die voor enige jaaren is afgesleeten geworden.
+
+[78] Vergelijk over deze list
+Wins. fol. 242. Schot. Fr. Hist. p. 253. Petrus Thab. op dit jaar.
+
+[79] Zoo als meermalen was ook thans het eerste artikel van
+het verdrag: "volkomen verzoening en een eeuwige vrede!" Bij
+West. Jaarb. op dit jaar vindt men eene reeks van voorwaarden.
+
+[80] Vergelijk West. Jaarb. op hetzelfde jaar.
+
+[81] Te regt wordt van hem gezegd dat zijn leven een strijd en
+worsteling op deze wereld geweest is.--In dit jaar werd ook door de
+Friesen en Groningers een verbond aangegaan ter wering bijzonder van
+dieverijen en ander misdrijf. Vergel. Schwartz. Charterb. I. 526.
+
+[82] Zie op dit jaar Westend.
+
+[83] De Keizer Frederik de III. roemt hem wegens zijne ongemeene kunde
+in de vrije kunsten, in de Keizerlijke regten, in het Kerkelijk regt,
+en vooral zijne gevatheid en vaardigheid in de openbare zintwisten.
+
+[84] Een der heerlijkste werken der bouwkunde van de middeleeuwen. Men
+plaatste op den toren een koperen paard van de grootte van eene gewone
+noordsche kidde, hetwelk tot een windhaan diende en het teeken was
+van St. Maarten van Utrecht. West.
+
+[85] Dus ook Winsemius, Schotanus geeft de leus aldus op: Op uws Finne
+herne, lizze fjouwer klaer lotter Ljep-Ayen ijn ien Nest. Zie Aant.
+
+[86] Vast maken is zoo hier als op alle vorige en volgende plaatsen:
+Versterken.
+
+[87] Spelen alle zeilen blank: dit gezegde heeft zijn' oorsprong van de
+zeerooverij, waarin men van vriend en vijand kaapt en rooft, wat men
+vangen en grijpen kan:--alles wegrooven wat men op zee ontmoet. Zie
+Winschootens Zeeman, op 't woord Seil, en Weiland N. T. Woord.
+
+[88] Hij smeet (zegt Winsemius fol. 446,) vele Hollanders in plaats
+van Borgoenschen over boord, volgens Martinus Ylst uit de overlevering
+van Bonne Haisma zijne medgezellen toeroepende: Siuch faynten, ho
+kenne da deels kijetten swomma.
+
+[89] Zie hierover de Bijv. en Aantt.
+
+[90] Frederik Gaykinga, in den jaare 1360, Abt van Aduard zynde, had,
+tot nadeel van zyn geslacht, hoewel tot eere, dit klooster met veele
+goederen begiftigt; doch op zekere voorwaarden, waartoe zyn geslacht
+altoos gerechtigt zou wezen. Bestaande 't voornaamste hier in, dat die
+van Gaykinga voor eeuwig zouden hebben alle jaar op St. Martens avond
+een witte Zwaan, een Capoen, en een kanne Wyn, en zouden voor altoos
+eene misse houden in 't Kapittelhuis, en een brandende lampe voor 't
+geheele geslachte. Wanneer iemand van 't geslachte quam te verarmen,
+zoude aldaar voor zyn leeven de kost hebben; ook wanneer zy met hun
+gezinde quamen, zoude de Abdy voor hun geöpent, en de tafel gedekt
+worden, na de waardigheid des geslachts, in de voornaamste kamer;
+benevens jaarlyks op St. Bernards dag te gast genoodigt worden. Aldus
+was Hendrik op dit jaar genoodigt, maar Jan en Frederik quamen van
+zelfs. Waar op, onder de monniken een jalousie ontstond, die hun zeer
+qualyk bejegende, en waar door het gevegt ontstond.
+
+[91] Wins. Chronyck fol. 519.
+
+[92] Kettermeester hetzelfde als Geloofsonderzoeker.
+
+[93] In de maanden Mei en Julij hadden er twee overstroomingen plaats,
+door welken, vooral den laatsten, waarvan bij Outhof geen gewag
+gemaakt wordt, ook vele menschen omkwamen.--Zie F. Arends Physische
+Geschichte der Nordsee-kuste. II. 96.
+
+[94] Zie over dezen strijd het uitvoerig verhaal van Winsemius
+Chronyck, fol. 565 volgg.
+
+[95] In den eersten druk van 1677 staat: »Als de Stadhouder
+Rennenberg zich door ontrou omgekeert hebbende tot de Papisten; die
+van Leeuwarden," enz.--Het woord Papen is overal in den tekst behouden,
+omdat de Schrijver er de Roomschgezinden over 't algemeen, zoo leeken
+als priesters, mede bedoeld, en het dus hier voor geen scheldwoord moet
+worden gehouden, evenmin als Arminianen, Menisten, Calvinisten, enz.
+
+[96] Balthazar Gerards genaamd, geboren te Villefans in Bourgondien,
+oud 26 a 27 jaren. Onder verschillende personen, die zich op 't
+leven des Prinsen toelagen, moet ook zekere Koopman te Vlissingen,
+Hans Hanses, geweest zijn, wiens aanslag echter door eenen Fries,
+uit het geslacht der Auckama's ware ontdekt. Gevat zijnde had
+hij beleden, daartoe middelen te hebben aangewend.--Gerards werd
+daarna als Martelaar hoog vereerd en waardig geacht gecanoniseerd
+te worden--onder de belooningen, wil men, was ook de verheffing der
+familie in den adelstand.
+
+[97] Nederl. Oorl. en Geschied. 1623, fol. 474 verso.
+
+[98] Dit voorval wordt omstandig beschreven bij Winsemius, Chronyck
+fol. 897.
+
+[99] In de druk van 1677 staat: (een gehuerde vleegel enz.)
+
+[100] Zie 't Verwerd Europa ofte Polityke en Historische Beschryvinge
+enz., Amst. 1675, bl. 596 volgg.--Van dezen Schrijver, welks werk twee
+jaren vroeger dan de eerste druk van onze Kronyk was uitgekomen, is
+veel gebruik gemaakt en daaruit overgenomen door onze Kronykschrijvers.
+
+[101] De Leezer dient te weten, dat zekere Broersma hier eigentlyk
+Commandant zynde, door de Staaten Generaal was opontboden; doch in
+plaats van in den Haag te compareeren, ging hy over by den Bisschop
+van Munster, en wierd aldus een verraader van zyn eigen Commandement.
+
+[102] Fantassin, Fant: voetknechten, infanterie.--
+
+[103] Mengel-Poezy, bl. 257.
+
+[104] en der zonde, voegt de eerste druk dezer Kronyk hierbij,
+waarmede zij haar verhaal eindigt en de Landverdeeling van Friesland
+volgen laat.
+
+[105] Dat de Schelde en de Sincfal, later Zwene geheten, niet dezelfde
+rivieren zijn, en dus niet voor elkander genomen moeten worden, wordt
+behalve in de Bijv. voor het I. D. van Wagenaars Vad. Hist. ook in
+het breede betoogd door den Hoogleeraar Ypeij, in het II. D. zijner
+Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 115 volgg.
+
+[106] Over deze vergraving lezen wij in Bilderdyks Geschiedenis des
+Vaderlands, I. 24: »'t Was natuurlijk dat Drusus, geheel het zuidelijk
+Land zijner Landvoogdij jaarlijks overstroomd ziende, bedacht was
+om het Rijnwater af te leiden. Naderhand deed Corbulo 't zelfde met
+den zoogenaamden Vliet te graven. Maar beide ondernemingen hadden
+gelijke gevolgen: Het verderf van een groot gedeelte Lands. Gelukkig
+Holland, zoo men nooit gegraven en nooit gedijkt had! Wij zouden
+thans boven de rivieren wonen, die het Land doorsnijden moesten, en
+er nu over heen loopen in gemaakte goten, wier bodem steeds verhoogt
+door de vallende slib, en die dus hoe langer hoe meer boven het land
+rijzen en in kracht en gewelddadigheid hunne dijken overmeesteren;
+terwijl men haar nog bovendien door de droogmaking van meeren,
+de noodige boezems onttrokken heeft, om zich, bij voorkomende
+opzetting van boven, te kunnen ontlasten, zonder hunne boorden te
+verwoesten."--Hoezeer deze en dergelijke gevoelens tegenstanders
+vinden, kan ik er echter bijvoegen, dat met andere deskundigen ook
+de zeer bekwame Waterbouwkundige Cornelis Zillesen in zijne werken
+zeer tegen alle vergravingen ijvert. Nog op zijn negentigste jaar
+heeft hij daartegen ernstig gewaarschuwd in zijn belangrijk stukje,
+getiteld: Iets over de natuurlijke oorzaken der steeds toenemende
+Zeeoverstroomingen (Rott. 1825), waarin hij ook beweert en bewijst,
+dat de Alwijze Schepper der natuur voor de ontlasting des waters had
+gezorgd, en dat, om van land water te maken, alleen daar noodig was,
+waar door rivieren of binnenvaarten de kanalen verbeterd moesten
+worden, terwijl de verhooging der rivierdijken en de daarin begane
+misslagen zoodanig de inkeldering der binnenlanden en woningen
+had veroorzaakt, dat bij elke doorbraak de rivieren die landen tot
+hunne beddingen verkozen. Ook had deze maatregel een ander nadeel ten
+gevolge, het onderhoud namelijk, tot groote kosten van den landbouw,
+op plaatsen daar men reeds niet meer het water door sluizen kon
+ontlasten, van 2000 watermolens alleen in Holland. De Schrijver geeft
+voorts onkostbare behoedmiddelen aan de hand, en dit boekje verdient
+de opmerking des onpartijdigen.
+
+[107] Door den Emeritus Predikant P. Brouwer, een man van kennis
+en verstand, was in geschriften nagelaten eene Nasporing en
+Aanwijzing van den Loop en de Grenzen der opgeslijkte Middelzee,
+welk stuk te gelijk wordt uitgegeven (terwijl deze ter perse is,)
+met een zeer naauwkeurig en grondig Onderzoek naar de oorspronkelijke
+uitgestrektheid, en den tijd en wijze van opslijking der Middelzee;
+alsmede hoe Leeuwarden door haar is bespoeld geweest, zamengesteld
+door den ijverigen beoefenaar der Geschiedenis W. Eekhoff. Eene zeer
+aanbevelende Voorrede van den kundigen Worp v. Peyma versiert dit
+werk. Het onderzoek van Do. Brouwer bepaalt zich tot den omvang en
+begrensdheid der Middelzee in de 13 eeuw. Eekhoff heeft getracht aan
+te toonen en tot eenen hoogen trap van waarschijnlijkheid te brengen,
+welke in de oudste tijden de grenzen dier Zee waren, kennende haar eene
+veel meerdere uitgestrektheid toe, dan waarvan de geschiedenis gewaagt.
+
+[108] Dit werk getiteld: Physische Geschichte der Nordsee-Küste und
+deren Veränderungen durch Sturmfluthen seit der Cymbrischen Fluth
+bis jetzt, is in twee deelen uitgekomen te Emden 1833, en was het
+laatste voortbrengsel van dezen verdienstelijken man, ten nutte
+van zijn Vaderland, omdat hij dat Vaderland verlaten en zich naar
+een ander werelddeel begeven moest, ten einde zich een voortdurend
+bestaan te verschaffen.
+
+[109] Vergelijk hierbij de Voorrede voor het II deel van 't
+Charterboek, p. 65 en 66.
+
+[110] Vervaardigd voor het, door 't Friesch Genootschap uitgegeven,
+Friesch Jierboeckjen. Het eerste gedeelte is geplaatst in dat van 1831:
+Kirt Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, fenne fierste tijd oon it jier
+1814 to, loopende dit deel van de vroegste tijden af tot aan Karel
+den Groote, dat is, tot aan 't jaar 773 of daaromtrent. Dit tijdvak
+noemt de Schrijver het Fabelachtige Friesland.
+
+Het tweede tijdperk, loopende tot op de aanneming van Albrecht,
+Hertog van Saksen, tot Heer van Friesland, d. i., tot aan 1498,
+wordt genoemd het Vrije Friesland.
+
+Het derde, de geschiedenis zullende bevatten van 1498 tot op de
+afzwering van Philips II., Koning van Spanje, als Heer der Nederlanden,
+heet het Overheerde Friesland.
+
+Het vierde tijdvak, van 1584 tot aan 1795, tijdstip van het vertrek van
+Prins Willem den V., laatste Stadhouder der VII Vereenigde Gewesten,
+uit Holland, zal het Stadhouderlijk Friesland genoemd worden.
+
+Het vijfde, zullende gaan van 1795 tot de omwenteling van 1813, zal
+den naam ontvangen van het Nieuwere Friesland.--Zie gem. Jierboeckjen.
+
+[111] Het gevoelen van den heer Hettema, ontwikkeld in zijn Iets over
+de Geschiedenis van Friesland (zie het Mengelwerk van de Leeuwarder
+Courant van den 10 Augustus 1830, No. 64), vind ik niet aannemelijk,
+dat namelijk Friezen hetzelfde zoude beteekenen als Frigen, Frisschen
+of vreemde volkplantingen;--hoezeer dan ook M. Alting in zijne
+Notitia Bat. et Frisiae Ant. in voce Frisii deze beteekenis aan
+de hand geeft en daartoe overhelt. H. v. Rhyn, in zijne Aantt. op
+de Friesche Oudhed. en Gest. I. 43, en andere Geleerden houden het
+met de beteekenis van vrijen. Dat de frissche of koude landstreek
+den naam Friezen zou geschapen hebben, zal toch wel geen' ingang
+vinden.--Vergelijk ook de voorrede van Gutberleth, voor Gabbema's
+Verh. van Leeuwaarden.
+
+[112] Vg. bl. 206, II. deel van de Bekn. Geschied. der Nederl. Taal
+door A. Ypeij, over de herkomst der Friezen.--
+
+[113] Winsemius in zijne Chronique, f. 6, en Suffr. Petri de
+Frisior. antiq. et orig. p. 234, noemen Hoppers een beroemd en
+verdienstelijk man, de eer der Friesche natie; v. Rhyn en na hem
+F. Sjoerds zeggen echter, dat zijn gevoelen geene voorstanders heeft.
+
+[114] Gemelde Aantt. p. 44.
+
+[115] Cf. Suffr. Petri de Fr. Or. L. I. Cap. XVIII.
+
+[116] Zie deswegens v. Rhyn t. a. p. en Westendorp, Jaarboek van en
+voor Groningen, p. 5.
+
+[117] Hunibaldus, Trithemius, Funccius, Panthaleo; of hebben zij
+zonder onderzoek elkander nageschreven?
+
+[118] Westendorp, Kronyk, p. 6 en 7.--V. Rhyn, ll. F. Sjoerds,
+Fr. Jaarb. I. 14 enz.
+
+[119] Wolfgang, Lazius en Aventinus.
+
+[120] Zie Westendorp, p. 8. Van deze omstandigheid, in de Kronyk van
+Eggerik Beninga vermeld, maken V. Rhyn, F. Sjoerds en anderen geen
+gewag.--Over andere volksvertellingen der stichting van Groningen,
+zie men onder anderen West., p. 19.
+
+[121] Men zie ook wat Bilderdyk, Geschied. des Vaderlands. I. 296
+over de Sagen zegt.
+
+[122] Vergel. A. Matthæi veter. ævi Anal. T. IV. p. 9, de derde
+Ankomst der Fresen.
+
+[123] Bl. 6.--De Heer Westendorp zijne bronnen in het I. deel van
+zijn Jaarboek nergens hebbende opgegeven, heb ik te vergeefs gezocht
+naar den veranderden inhoud dier sage.
+
+[124] Waarom onze schrijver Bruno heeft verkiezen weg te laten, is
+mij een raadsel, daar hij toch in alle andere kronijken mede zijne
+rol speelt.
+
+[125] Achter de Oudheden en Gestichten van Vriesland geplaatst,
+tot aanvulling van vele onvermelde zaken in dit werk, in welks
+voorafspraak bij de Friesche schrijvers luchtig beoordeelt. Hij
+verwerpt S. Petri, Furmerius, Winsemius, Hamconius en Zoeteboom,
+en houdt zich aan Emmius, Douza, Schotanus, Buchelius, Huetius en
+Alting. F. Sjoerds komt met zijn oordeel zeer naauwkeurig overeen in
+al wat van Rhyn geoordeeld heeft.
+
+[126] Zie gem. Nabericht, p. 350.
+
+[127] Cf. M. B. v. Nidek, Anal. Medii aevi, p. 140, drukfout voor
+440.--
+
+[128] Not. Bat. in voce Frisii.
+
+[129] Men vergelijke voorts de Chronyk van Eggerik Beninga in de
+Ann. van Mattheus.
+
+Onder verschillende schrijvers die over de Friezen en derzelver
+oorsprong geschreven hebben, kwam mij als niet een der geloofwaardigste
+voor, den minder bekenden en in Mencker's Gelerthen Lexicon, door
+Jöcher uitgegeven, vermelden Werner Rolevink de Laer, een Karthuizer
+Monnik te Keulen, uit Westfalen geboortig. Hij bloeide omstreeks 1495,
+onderzocht vlijtig de H. Schrift, leidde een godvruchtig leven en
+stierf in eenen hoogen ouderdom. Deze heeft onder vele werken ook een
+ten titel voerende: De origine Frisionum uitgegeven.--Suffr. Petri
+in Origine Frisionum maakt gewag van hem op p. 237,--en Furmerius
+heeft bij het opstellen zijner Annales gebruik van hem gemaakt.
+
+[130] Friesch Jierboeckjen foar it jier 1831, bl. XII en volgg.
+
+[131] Ook op Texel stichtte Drusus een burgt, waarvan het bewijs nog
+aanwezig is in den naam der hoofdplaats, terwijl grafheuvels en andere
+oudheden van het verblijf der Romeinen in die streken getuigen.
+
+Waarschijnlijk is destijds de stad Grebbe gesticht, welke gelegen heeft
+omtrent een half uur gaans benoorden Wieringen, aan het tegenwoordig
+Amsteldiep. Omstreeks 1710 was er nog veel muurwerk overig, en voorheen
+moet de massa van dat muurwerk ongelijk grooter geweest zijn, vermits
+men om het midden der XVII eeuw zeer veel duifsteen heeft opgehaald en
+met kagen naar Amsterdam vervoerd.--Over het bestaan dezer stad is veel
+getwist en aan de kronijkschrijvers Twisk, Borger, Valkoog en Zoeteboom
+voorheen (zoo als aan de oude Friesche kronijken) allen geloof in dezen
+ontzegd; doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen,
+in onzen leeftijd gedaan en gegeven, is die twijfel opgehouden.--Dat
+Drusus in deze streken dijken heeft aangelegd, is door de berigten en
+ontdekkingen van de geleerde oudheidkundigen A. Junius, den Marquis
+de Saint Simon en R. Paludanus buiten twijfel gesteld.--Scheltema,
+Geschiedenis der Zuiderzee. M. S.
+
+[132] Over deze daad en het Brittenkruid vergelijke
+men Plinius XXV. 3. F. Sjoerds, Fr. Jaarb. I. 125
+en 126,--Beschr. v. Fr. I. 344. Schotanus,
+Friesche Hist. p. 8. West. Jaarb. p. 14. Wagenaar,
+Vad. Hist. I. 79. H. Cannegiet. Dissert. de Herba Brittanica
+etc. p. 40.--Tegenw. Staat van Friesl. I. p. 19 volgg. en p. 126.
+
+[133] 't Zal met deze namen den Romeinen, als den lateren Franschen
+met die van de Admiralen Tjerk Hiddes en van Duvenvoorde gegaan
+zijn. Dezen heetten zij Kierkides en Vandenfort.
+
+[134] Zie F. Sjoerds, Jaarb. I. 203. Schot,
+Fr. Hist. bl. 26. Tegenwoordige Staat van Utrecht, I. 13 volgg.
+
+[135] Ook Westendorp (Jaarb. p. 16) heeft hier geen licht verspreid,
+verklarende niet te weten, op welk gezag de Jaarboekschrijvers
+van eenen inval der Noormannen in 't jaar 90, bij F. Sjoerds Gothen
+genoemd, gewagen.--Dit punt verdiende mede een opzettelijk onderzoek,
+daar men toch niet kan vooronderstellen, dat deze vermelde feiten,
+op verschillende tijden geschied, uit de lucht gegrepen zouden zijn.
+
+[136] Vergel. F. Sjoerds, Jaarb. I. 220 en volgg.
+
+[137] Vergelijk Westendorp, Jaarb. van en over Groningen, p. 32 en
+volgg., zoo over deze als de opvolgende tijdvakken, onder de regering
+der Koningen Radboud I, Adgillus II, Gondebald en Radboud II., de
+laatste Koning over Friesland.
+
+[138] Luden, Geschichte des Teutschen Volks. Een onwaardeerbaar boek!
+
+[139] Gaillard, Histoire de Charlemagne. Niet een van de minsten,
+wat zijnen schrijftrant betreft.
+
+[140] Hoezeer te dikwijls de kleine daden van groote mannen tot
+bouwstof moeten dienen, om des Schrijvers historie met luister op te
+sieren, is echter in de geschiedenis van dezen Karel, hoe dikwijls
+ook beschreven, geen verdicht sieraad noodig: want altoos levert
+zij een grootsch tafereel op van een merkwaardig Vorst, aan wien de
+wetenschappen en letteren, maar vooral de vrijheid en onafhankelijkheid
+van geheel de Christenheid, alles te danken hebben.
+
+[141] Over deze en al de oude wegen in Oost-Friesland is eene zeer
+uitvoerige beschrijving gegeven door Fr. Arends, in het Ostfrisisches
+Volks-Buch van het jaar 1832, waarvan eene gedeeltelijke vertaling
+door mij is gegeven, in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant.
+
+[142] Men zie hierover Adam en Meijer, Römische Altherthümer, II. D.,
+en vergelijke de Aanteekeningen over het Oude Friesche Wapen,
+in het Mengelw. Leeuw. Courant, 20 Sept. 1831. alwaar dit breeder
+ontwikkeld is.
+
+[143] Bilderdyk, Geslachtlyst op het woord Adel, zegt: het is slechts
+eene andere uitspraak van edel; van aad, oud. Van deze meening moeten
+wij, met anderen, verschillen.
+
+[144] Dit Register is onder anderen te vinden bij Winsemius,
+Chron. fol. 402.
+
+[145] Graven waren Bestuurders namens den Vorst in de
+Provinciën,--Hertogen waren Legerhoofden,--Baronnen of Baanderheeren
+Hoofden van een District--en Heeren Krijgsmannen.
+
+[146] Tacitus zegt: Olennius e primipilaribus regendis Frisiis
+impositus.--De Primipilares behoorden tot de eerste compagnie der
+Triariërs; vandaar Primipilares scil. Centurio, de Hoofdman van die
+eerste compagnie: Stuart, Rom. Gesch. XXII. noemt Olennius een der
+eerste Hoplieden eener keurbende.
+
+[147] Men weet dat er over het bestaan van deze stad Grebbe bij de
+oudheidkundigen is getwist. Aan de latere kronijkschrijvers Twisk,
+Borger, Valkoog en Zoeteboom werd voorheen in dezen geloof ontzegd,
+doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, in onzen
+leeftijd gedaan en gegeven, heeft de twijfel opgehouden. Scheltema,
+Geschiedenis der Zuiderzee. M.S.
+
+[148] Westend. Jaarb. spreekt in 662 van een zwaren watervloed over
+West-Friesland. Deze heb ik niet kunnen vinden; welligt is 't eene
+drukfout voor 626.
+
+[149] Westendorp, Jaarb. p. 31 zegt: die langer dan de Spies van
+Klotarius waren: dit zou nog al verschil maken.
+
+[150] Het is beschreven onder anderen bij Wins. Chronique, fol. 61;
+West. Jaarb. p. 39. Vergel. F. Sjoerds, Beschr. I. 546.
+
+[151] Over de Graven en Hertogen vergelijke men
+Bild. Gesch. d. Vad. I. 107 volgg.
+
+[152] Algemeen noemt men hem Lodewijk den Vrome doch Bilderdijk zegt
+(Gesch. d. Vaderl. I. 100. noot), dat pius niet vroom beteekent,
+want dat vroom eigenlijk is 't geen de Romeinen strenuus,
+dapper, noemen.--Beter noemden hem de Franschen, le debonnaire,
+de Zachtmoedige.
+
+[153] Uitgegeven te Leiden bij S. en J. Luchtmans, 1833.
+
+[154] Gesch. d. Ned. Taal, II. 136. De aanmerking van den Schrijver,
+dat er in het woord karelui in den Neders. tekst door onachtzaamheid
+of onkunde der afschrijvers een misslag begaan is, en dit Karelen of
+Karels zal moeten zijn, zal ook in den Duitschen tekst gelden, daar de
+Duitsche overzetter van Karelui, Karl-pfui schijnt gemaakt te hebben.
+
+[155] Zie de Aanteek. op den jare 1239. Fr. Jierb. 1833, §§ 5 en 14;
+Bild. Gesch. I. 89, 92-94, 252 en 296.
+
+[156] Westendorp maakt geen gewag van deze Potestaten. Ook Bild. laat
+dit punt onaangeroerd.
+
+[157] De Script. Frisiae, Dec. VII. C. 3 et Dec. XII. C. 6.
+
+[158] Wij hebben dit verhaal hoofdzakelijk getrokken uit een door
+den geschiedkundigen T. D. Wiarda bewerkt stuk, zamengesteld uit de
+Friesche en andere Kronijk- en Geschiedschrijvers, benevens eenige
+Handschriften. Men vindt het in het Tijdschrift Ost-Friesische
+Mannigfaltigkeiten, 3 Jahrgang, Aurich, 1786.--Waar het ons
+noodig dacht, hebben wij eenige veranderingen en vermeerderingen
+gemaakt. Wiarda heeft alle zijne bronnen naauwkeurig aangewezen, welke
+aanhalingen wij hebben achterwege gelaten, doch eenige ophelderende
+aanteekeningen er bij gevoegd. In het Mengelw. der Leeuwarder Couranten
+van 4 Junij, 6, 20 Aug. en 10 Sep. 1833, in welke wij dit stuk als
+eene bijdrage geven, zijn de eersten te vinden.
+
+[159] De meeste Geschiedschrijvers spreken van roode kruisen. Dit
+kan van dezen eersten Kruistogt waar zijn; doch in de volgenden
+hebben voorzeker de onderscheidene natiën zich door de kleuren
+kenbaar gemaakt. »De Koning van Frankrijk neemt met de zijnen roode,
+de Koning van Engeland met de zijnen witte, de Graaf van Vlaanderen
+met de zijnen groene kruisen aan:"
+
+Et Rex Franciae cum suis rubeas cruces, Rex Angliae cum suis albas,
+Comis Flandrensis cum suis virides suscipiunt. Andr. Sylv. Marcian:
+ad ann. 1188.
+
+[160] Helmoldi Chron. Slav. L. 2. C. 66. Dit geval vindt men beter
+en omstandiger vermeld bij F. Sjoerds, Jaarb. II, 361-363.--Schotanus
+zegt: »Onse reuck is stanck in hare neus-gaten."--
+
+Volgens Ebert, Bibliogr. Lexicon, is de Kronijk van Helmold naar het
+H. S. te Lubeck uitgegeven in den jare 1659, en met nooten voorzien
+door H. Bangertus in quarto;--de eerste druk echter is van 1556.
+
+[161] Van de groote bijgeloovigheid dier tijden kan men zich bijna
+geen denkbeeld maken. Het ontbrak in Friesland niet aan kruisen
+in de lucht: misschien reeds de vliegeruitvinding, om het volk te
+verbijsteren. F. Sjoerds, Jaarb. II, 491.
+
+[162] Deze Olivier werd in 1223 Bisschop te Paderborn en in 1226
+Kardinaal. Vid. Nic. Schat. Hist. Westph. L. XX, p. 996 seq.--Deze
+N. Schaten was een Jesuit in Westfalen, geboren 1608, heeft ook
+de daden van Karel den Groote beschreven: zijne geschiedenis van
+Westfalen kwam het eerst uit in 1690. Ebert in voce.
+
+[163] K. Muchler, Abendzeitung, August. 1831. F. Sjoerds, Jaarb. II,
+492; J. C. Maier, Geschiedenis der kruistogten, p. 187.
+
+[164] Misschien van Olivier zelven, die den togt mede gedaan,
+en ook eene Historia Damiatina (Geschiedenis van Damiate)
+geschreven heeft. Eccard heeft in Corp. Hist. med. aevi dezelve doen
+afdrukken. Het spijt mij, dat mij dit werk, 't welk ik hier met nut
+gebruiken kon, niet ten dienste staat.
+
+[165] Het Itinerarium zegt van 12 schepen. Emmius, die dit Itinerarium
+desgelijks in Mspt. (want het was toen nog niet afgedrukt) voor zich
+had, spreekt van 212 schepen. Het eerste is zeker eene drukfout. Ook
+in de Wijsgeerige en Staatkundige Geschiedenis der Wereld, van
+K. H. L. Pölitz, door Wits. Geysbeek vertaald, wordt slechts van 12
+schepen gemeld; dan volgens F. Sjoerds, Jaarb. II, 493 en anderen,
+stak Graaf Willem met 12 schepen uit de Maas in zee, wordende gevolgd
+van een groot aantal volks. Naar Engeland overstekende, vereenigden
+zich de Hollandsche en Friesche vloten met die der Engelschen, onder
+bevel van George, Grave van Wight, welke vereenigde vloten uit 212
+schepen zullen bestaan hebben.
+
+[166] Volgens de woorden van Emo's Chronicon: (vid Matth. Analecta
+vet. aev. II, 26)--Comes de Wetha Praedux totius classis est electus,
+posteriore custodia Comiti Hollandiae deputata, quem Ducem et Dominum
+jam totus sibi delegerat exercitus.--was niet den Graaf van Holland,
+maar den Graaf van Wieden het Opper-Admiraalschap opgedragen.
+
+[167] Wij willen hierbij voegen, hetgene voorkomt in het
+geslachtregister van Friesche Adellijke Familien, opgemaakt door
+S. v. Adelen van Cronenburgh, en vervolgd door P. van Albada ter
+Oele (M. S.), betrekkelijk het Geslacht der Roordaas, die eertijds
+in hun wapen mede rozen boven de baar voerden, maar dit naderhand
+hebben veranderd.
+
+De oorzaak van deze verandering is dit: »'t Is gebeurd ten tijde dat
+veel verscheidene Natiën, gelijk de Friezen, in 't H. Land waren
+getogen, om hetzelve uit de handen en het geweld der Saracenen of
+Turken te verlossen, dat onder anderen verscheidene Edellingen uit
+Friesland, ook die van het Geslacht van Roorda, met de menigte aldaar
+zijn geweest, onder welke zoo het gebeurde, tusschen de beide heiren
+van de Christenen en Saracenen, dat er een uitnemend groot, stout en
+vaillant Moorsch Prins was uit het Saraceensche heir, die voor het
+Christen-leger zeer hoogmoedig ging braveeren, uitdagende aldaar een
+van de vaillantste Ridderen der Christenen, om met hem een kampslag
+te slaan; zoo heeft er terstond een stoutmoedige edele Fries uit het
+geslacht van Roorda verlof van zijnen Prins begeerd, om met dezen
+man een kampslag te doen; 't welk hem toegestaan zijnde, is hij in
+het aanzien van beide legers tegen dezen Moor in het veld getreden,
+en heeft aldaar zulk eene forsigheid met feiten van wapens bedreven,
+dat hij ten laatste dezen Moor heeft overweldigd, ter neêr gehouwen en
+onthoofd, het hooft ook tot een teeken van victorien op de poot van
+zijn geweer naar het Christen-leger triumphantlijk gebragt; alwaar
+hij bij alle de Prinsen, Heeren en Ridders zeer loffelijk van zijne
+stoutmoedigheid zeer geprezen, en mede Ridder geslagen en eerlijk
+ontvangen is. En is hem ook, alsmede zijnen nakomelingen, tot een
+teeken en memorie van eene zoo vrome daad, een Moriaanshoofd in zijn
+schild en wapens vereerd, gelijk zijn geslacht nog tegenwoordig voert,
+benevens zeer loffelijke brieven en attestatie met Prinsen en Heeren
+Zegelen bevestigd."
+
+[168] In het Grand Theatre Historique, T. III, p. 328 vindt men de
+plaat van dit met eene zaag voorziene schip. De stad Haarlem eigent
+zich dit schip toe. Men vindt daarom nog in de groote kerk zelfs een
+model van dat schip. Ook maken er de Dokkumers aanspraak op. Zij
+hebben er een model van tot windwijzer op den toren der groote
+kerk gemaakt. Idsinga, Staatsregt van Groningen, p. 126.--Wagenaar,
+Vad. Hist. II, 350.
+
+[169] Meleddin was de oudste zoon van den Sultan Saphaddin, die
+gedurende het beleg van Damiate gestorven was.
+
+[170] De te voren vermelde verovering der stad Damiate plaatst Beninga
+verkeerdelijk in het jaar 1229, in de Geschiedenis dezes Kruistogts
+onder Frederik II.
+
+[171] Dat zij aan dezen Kruistogt geen deel genomen hebben,
+is genoegzaam zeker, want op verzoek van den Koning Willem had
+de Kardinaal Caputio, namens den Paus, de Friezen van hunnen
+Kruistogt naar het H. Land ontslagen, mits zij Willem Aken hielpen
+veroveren, waarop zij bij gansche scharen naar zijn leger optrokken,
+natuurlijkerwijze dezen togt ver de voorkeur gevende, boven den meer
+verwijderden naar Palestina. Verg. J. Meerman, Gesch. van Graaf Willem
+van Holland, Roomsch Koning, I. 263-264.
+
+[172] Willem is, gelijke bekend staat, en onze Kronijk zegt, niet in
+Friesland, maar te Hoogwoude in Noord-Holland door de West-Friezen
+vermoord. Zie Meerman, als voren. De opgave van Wiarda is dus
+hier onjuist. Vergelijk Wagenaar, Vad. Hist. II. 401; Bilderdyk,
+Geschiedenis des Vaderlands, II. 151, 152.
+
+[173] Tot dusver loopt het verhaal van Wiarda.
+
+[174] Zie het slot van aangehaalde werk: Proeve van eene Geschiedenis
+der Kruistogten en derzelver gevolgen, bl. 546, waarin echter
+zeer uitroerig over de voordeelen en weinig over de nadeelen wordt
+gesproken.
+
+[175] Dit uitmuntend werk is door den zeer kundigen Steenbergen
+van Goor in den jare 1823 uit het Hoogduitsch vertaald en met vele
+belangrijke aanmerkingen voorzien. Het gevoelen van dezen was het
+volgende: »Dat Europa door de Kruistogten veel geleden heeft, zal
+niemand ontkennen; maar dat het tevens door dezelve in burgerlijke
+vrijheid, beschaving, verlichting, koophandel en kunstvlijt veel,
+zeer veel heeft gewonnen, is onbetwistbaar. En nu vrage men, of die
+voordeelen destijds voor eenen minderen prijs te verkrijgen zouden
+geweest zijn?" Ook Luden in zijne Allgemeine Geschichte der Völker
+und Staaten des Mittelalters, is ten dezen niet genoeg aan te bevelen.
+
+[176] Verg. Styl, Opkomst en Bloei der Nederlanden, bl. 28;
+Tegenwoordige Staat van Friesland, I. 312; West., Jaarb. I. 209;
+Cerisier, Geschiedenis der Nederlanden, I. 209.
+
+[177] Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 92; Egger. Beninga, Kronijk, bl. 101;
+Dumbar, Analecta, I. 333.
+
+[178] Vergel. Gesch. des Vaderl. II. 130, waar het anders had
+behooren vermeld te zijn. Over de Bulle van Karel Byv. en Aanm. op
+Wagenaar, I. 107, en A. Kluit, Hist. der Holl. Staatsr. V. 52,
+die het vrij zeker stelt, dat voor den jare 1300 dat stuk
+bestond. Aantt. O. Fr. Wett. 109, 112. Zie over den dood van Willem,
+onze noot op bl. 387, Tegenw. Staat, I. 409 en 410.
+
+[179] Op bl. 20 en 21; welk Geschiedverhaal met de andere Geschriften
+van Jancko Douwama worden uitgegeven door het Provinciaal Genootschap
+ter beoefening der Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, waarvan
+de eerste aflevering in den jare 1830 is uitgekomen.
+
+[180] Verg. H. W. Tydeman, Over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten,
+bl. 111.
+
+[181] Winsemius, fol. 174: »Wat meer is die oude gheschreven Chroniquen
+ghetuygen, dat door 't selve quaedt van tweedracht, die inghesetenen
+deser landen, nu in ryckdom ende weelde sittende, alle hare macht
+aengheleyt te hebben tot stiftinghe der Stinsen ende vasticheden,
+in sulcken aentale, dat in een Dorp 't begrijp van dertich huysen,
+hebbende, sesthien Stinsen uyt den ouden Vrieschen Steen gemaeckt
+(welcke van hardicheyt een vlintsteen ghelyck was) ghevonden zyn."
+
+[182] Over het vroeger tijdvak en de gesloten verbonden en
+overeenkomsten zijn belangrijk de Monumenta Groningana veteris
+aevi inedita, door den geleerden Keuchenius Driessen uitgegeven, en
+met uitnemende Aanteekeningen verrijkt; bijzonder zijne Aantt. op
+bl. 335, 398, 475, 493, 797 en 831. Verg. Iets over den Oorsprong
+en de Partijnamen der Schieringers en Vetkoopers, door den Heer
+P. Burggraaff, in No. I van het Tijdschrift voor Onderwijzers, die
+alleen als oorzaak der twisten beschouwt: het ontstaan, de uitbreiding
+en het toenemend aanzien van den vierden stand der maatschappij dien
+der burgers.
+
+[183] In de eerste druk van onze kronijk staat ook dit jaar vermeld.
+
+[184] Dit H. S. is de oorspronkelijke Grafelijke Rekening van den
+Heer Garbrand van der Couster, Proost van Berghen in Henegouwen,
+ende Jorghel, mijns Heeren Camerling, van 't geen sy ontfaen
+hebben van mijnen lieven Heere van Holland, toter reyze behoef van
+Oistvrieslant; verrekend en gesloten op den 18 Maart 1396, hofstijl,
+d. i. 1397. Zie de uitmuntende Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen,
+door den Archivarius de Jonge, I. 30 en 31.
+
+[185] Wagenaar, V. H. III. 502.
+
+[186] de Jonge, t. a. p.
+
+[187] Hoveling. De Edellieden, die op vaste burgten, sloten of stinzen
+woonden, werden in Friesland Hovelingen genoemd. Verg. Archief
+voor Vaderl. en Vriesche Geschiedenis van Visser en Amersfoordt,
+Aant. I. bl. 25.
+
+[188] De Geschiedschrijvers vermelden dit voorval breedvoerig:
+O. v. Scharl. quarto, bl. 245-247; Wins. Chron. fol. 306;
+Schot. Fr. Hist. fol. 372; Gabbema, Verhaal van Leeuw. 164;
+Petr. Thaborita op 't jaar 1487; Kronijk en Beschrijving van de stad
+Sneek, door Napjus, 2e dr. bl. 11, enz. De Heer van Halmael heeft
+in een gedicht dit feit herdacht. Zie Mengelwerk der Leeuw. Courant,
+20 April 1830.
+
+[189] Onder de oudere Schrijvers heeft de geleerde en verdienstelijke
+Historieschrijver Lambertus Hortensius van Montfoort, in zijn werk:
+de tumultu Anabaptistarum, te Bazel in 1548 uitgegeven, van dit oproer
+in Friesland een getrouw verslag gedaan. In de zeldzame Hollandsche
+vertaling van 1659, in klein Octavo, versierd met fraaije plaatjes,
+is ook eene afbeelding van de belegering des kloosters. De Wind,
+Bibliotheek, I. 150 noemt een' druk van 1660.
+
+[190] Vele oude kloosters, en ook het Convent Thabor, waren zeer
+uitgebreid en groot gebouwd, zoodat zij zelfs een aantal krijgslieden
+konden bevatten en verzorgen. Deze Schrijver verhaalt, dat zijn Convent
+de navolgende gebouwen had: een Molkenhuis, Bakhuis, Waschhuis,
+Schoenmakershuis, Poorthuis, Bouwhuis, Timmerhuis (welligt met het
+Bouwhuis hetzelfde), Koehuis, Molkenhuis, Brouwhuis, Ziekenhuis,
+verscheidene Dormters, slaapplaatsen der Geestelijken en Leeken,
+eene Kloosterkerk, Sacristij, Capittelhuis enz., voorts Binnenhof,
+Tuin, Bosch en Boomgaard.--De bewoners waren Geestelijken, Leeken,
+Priesters en Monniken: Beambten waren er velen, als Bouwmeester,
+Opzigter, Kellener, Molkenmeester, Portier, Biermeester enz.,
+terwijl er voor de gewone behoeften een aantal bedienden nodig waren.
+
+[191] Deze Memorien zijn eerst uitgegeven in 1564, daarna door Dumbar
+in zijne Analecta geplaatst, met vele bijgevoegde aanteekeningen,
+uithoofde dit werk uiterst zeldzaam was geworden. Zie Aantt. op
+bl. 182 der kronijk.
+
+[192] De titel is: Joannis Caroli de rebus Casparis â Robles Billaei
+in Frisia gestis commentariorum Libri IV. De Schrijver, geboren te
+Antwerpen in de laatste helft der XVI eeuw, was lid van den Grooten
+Raad te Mechelen, uithoofde van welke betrekking hij in den jare 1567
+in Friesland kwam, en Algemeen Geregtsverzorger (Procureur Generaal)
+werd. Hij legde daarna zijne ambten neder, werd Franciskaner Monnik,
+doch stierf nog voor het einde van zijn proefjaar in 1598.
+
+[193] Bara-Huis, Bara-Stins en Bara-Convent waarschijnlijk dus genoemd
+naar den naam des stichters, die even onbekend is als den tijd waarin
+de stichting heeft plaats gehad. Men kan echter voor zeker stellen,
+dat de Middelzee nog in volle kracht was, toen de bouwing heeft plaats
+gehad. In de burgeroorlogen der Friesche partijen werden er meene
+dagen, vergaderingen en bijeenkomsten, gehouden. Twee boereplaatsen
+zijn aldaar nu aanwezig, waarvan de eene waarschijnlijk op den bouwval
+van het Convent zal zijn aangelegd, en in de tweede boerderij, aan
+den straatweg gelegen, wordt de naam nog bewaard.
+
+[194] Staatkundig Nederland, I. 49. Aldaar wordt ook melding gemaakt
+van de marmeren poort van Viglius, voorzien met zijne spreuk: Vita
+mortalium Vigilia (het leven der stervelingen is eene nachtwake),
+geplaatst in de voorzaal der Kanselarij. Doch dit was zij weleer,
+want ook dit eerwaardig gedenkstuk der oudheid moest in de algemeene
+vernietiging deelen.
+
+[195] Deze redevoering is uitgesproken in een Letterkundig Genootschap
+te Amsterdam na 1795, en na 's mans dood gedrukt en uitgegeven,
+door de zorg van den verdienstelijken Hoogleeraar H. W. Tydeman,
+in de Mnemosijne, XIV Deel.
+
+[196] Deze Verhandeling, in het openbaar uitgesproken, is daarna
+geplaatst in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van 23 en 30
+Maart 1830.
+
+[197] Zie de Unie van Brussel des jaars 1577, naar het oorspronkelijke
+uitgegeven door Mr. J. C. de Jonge, bl. 95 en 166-169.
+
+[198] Zie het Cort Verhael van Rennenburgs leven, op bl. 469-473 zijner
+Memorien. Dit geschrift heeft hoofdzakelijk tot bouwstof gediend voor
+de Schrijvers van den Tegenwoordige Staat van Stad en Lande, I. 420 tot
+502, bevattende Rennenberg's geschiedenis; voor van Meteren, in het
+breede 't beleg van Steenwijk vermeldende en voor Wagenaar over dit
+tijdvak, welke ook schijnt te betwijfelen: »of hem de kwaade uitslag
+zyns bedryfs niet meer dan de snoodheid en 't verraad gesmert hebbe."
+
+[199] Van dit Huwelijk wordt bij Winsemius, Wagenaar en anderen geene
+melding gemaakt. Kok, Vaderl. Woordenb. zegt dat Graaf Willem niet
+getrouwd is geweest. Wij hebben ook misstellingen en veel verschil in
+de dagteekeningen ontdekt, en daarom de opschriften der grafzerken,
+zoo ver vermeld, gevolgd. Men vergelijke onder anderen over deze en de
+volgende Stadhouders Johannes van den Bosch, de Heeren Stadhouderen
+van Vriesland,--beschreven, enz.;--de Redevoering van A. G. Camper,
+bij de inhuldiging van Vrieslands Athenaeum uitgesproken, met het
+eerste bijvoegsel, en Holland's Roem, door den Baron Collot d'Escury,
+IV. Aantt. bl. 220, 221.
+
+[200] Over de begraving der Vorstelijke Familiën, zie de Noot op den
+jare 1620.
+
+[201] Uit eene verzameling van eigenhandige en vertrouwelijke Brieven
+van den Stadhouder, geschreven van de jaren 1734 tot 1747, aan zijnen
+Vriend en Raadsman den Heere van der Mieden, Raadsheer in het Hof van
+Holland, mij goedgunstig door deszelfs Neef, Mr. J. Schonck, Raad in
+het Hoog Geregtshof te 's Gravenhage, medegedeeld, blijkt des Vorsten
+uitnemend karakter. Ook is deze hoogst belangrijke Correspondentie
+tevens bevattende een aantal eigenhandige brieven van Prinses Anna,
+den Baron H. van Aylva, den Hertog Lodewijk van Brunswijk, den
+Opperstalmeester Grovestins, den Secretaris van Prinses Anna, de
+Larrey en anderen, voor de geschiedenis van dien tijd van hooge waarde.
+
+[202] In ons Gewest bleef echter van die invoering tot op den huidigen
+dag een gebruik over, bij anderen niet aangenomen, zijn oorsprong
+ontleenende uit het verschil van dagen, door den Ouden en Nieuwen
+Stijl ontstaan. Alle verhuringen en verhuizingen hebben plaats op
+den 12 Mei, niet op den eersten; zoo komen alle dienstboden op den
+12 Mei en 12 November, welke dagen men oude Mei en oude Allerheiligen
+noemt, in hunne diensten; dit gebruik is gewettigd geworden bij eene
+nadere Publicatie der Provinciale Staten van 29 Januarij 1701. Men
+verkoopt en verhuurt de Zathen en Landen enz. te aanvaarden, voor de
+landen St. Petri, dat is den 5 Maart, (oude Sint Pieter), en voor de
+huizinge en schuur den 12 Mei; overigens rigt men zich in alles naar
+den gewonen Gregoriaanschen Almanak.
+
+[203] In de nagelatene Adversaria van een' onzer verdienstelijke
+Friesche Geleerden, vond ik nog deze aanteekening op het woord
+Grietman: »De geregtelijke tweegevechten werden gehouden in eene
+plaats het Krijtveld genaamd. Kryt staat voor het Hoogd. griet
+of gries, (gruis), dat volgens Veit Weber, Sagen der Vorzeit,
+B. 11. p. 101, beteekent het Steenzand, waarmede de kampplaats
+wordt bestrooid. Kan de benaming Grietman hiervan ook eenig licht
+erlangen? Hij zoude dan oorspronkelijk de Opziener over zulk eene
+Regterlijke kampplaats, Hoofd van zulk eene Regtspleging geweest zijn,
+en het zou dan eigenlijk hetzelfde beteekenen als in de Oude Wetten
+'t woord grieswart, grieswärtel, tournooivoogd, of volgens nog ouder
+schrijfwijs greiswärtel. Zie Haltaus, Gloss. Germ. med. aev. p. 753,
+die hetzelve drie beteekenissen toekent, welke met die waardigheid
+overeenkomen. Het woord greta, waarvan het afgeleid wordt bij Beyma,
+is, meen ik, oorspronkelijk ook alleen gebruikt van oproeping of
+dagvaarding ten kampstrijd; (si vacat, hoc ulterius demonstrabo)."
+
+»Huydecoper op Melis Stoke, III. 54, legt krijt uit door kring (kreis,
+kreits), doch ten aanzien van onze gissing over den oorsprong van
+het Woord Grietman is dit hetzelfde."
+
+B. A.
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that:
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.