diff options
Diffstat (limited to '33563-0.txt')
| -rw-r--r-- | 33563-0.txt | 13413 |
1 files changed, 13413 insertions, 0 deletions
diff --git a/33563-0.txt b/33563-0.txt new file mode 100644 index 0000000..24a3e39 --- /dev/null +++ b/33563-0.txt @@ -0,0 +1,13413 @@ +The Project Gutenberg eBook of It aade Friesche Terp, by Johannes Hilarides + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: It aade Friesche Terp + of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrye Friesen + +Author: Johannes Hilarides + +Editor: J. van Leeuwen + +Release Date: August 28, 2010 [eBook #33563] +[Most recently updated: January 6, 2023] + +Language: Dutch + +Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. (This book was produced from scanned images of +public domain material from the Google Print project.) + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP *** + + + + + IT AADE FRIESCHE TERP + + of + + Kronyk + der Geschiedenissen van de + Vrye Friesen: + + met + Bijvoegsels en Aanteekeningen. + + van + J. van Leeuwen, + Griffier van de Regtbank te Leeuwarden. + + + + te Leeuwarden, bij + J. Proost. + + 1834. + + + + + + + +VOORBERIGT. + + +In den jare 1677 werd te Leeuwarden uitgegeven de eerste druk dezer +Kronijk ander den titel: + + + IT AADE FRIESCHE TERP, + Vertoonende + DE FRYE FRIESEN, + + in haar Oorsprong, Opkomst en Voortgang: Als Landsbestiering, + Waapenhandel, Krychsdaaden, Weetenschap, Vreemde voorvallen, Yver + voor de Vryheit, Afgooderye, Godsdienst en Landstreek. + + In 't gemeen bij een gehoopt, + + Voor de Liefhebbers der Vryheit. + + +Op dezen druk, beginnende met het jaar 313 voor Christus geboorte +en eindigende 1677, volgde een tweede, uitgegeven te Haarlem 1743, +getiteld: It aade Friesche Terp, of Kronyk der Geschiedenissen van de +Vrye Friesen, met een Bijvoegsel gaande tot de geboorte van Willem +Karel Hendrik Friso. Daarna zijn er nog twee Uitgaven in het licht +verschenen de eerste te 's Gravenhage 1746 en de laatste te Leeuwarden +bij Chalmot 1771, welke beiden als een tweede druk worden vermeld en, +uitgezonderd het titelblad, ook letterlijk van inhoud zijn als die +van 1743. Deze tweede druk is behalve het Bijvoegsel aanmerkelijk +vermeerderd en aangevuld met een aantal gebeurtenissen, tot Friesland +en Groningen betrekking hebbende, welke in de eerste druk niet zijn +vermeld, terwijl taal, stijl en spelling naar het gebruik van dien tijd +zijn veranderd. Het Motto, op de keerzijde des titels of op den titel +zelven geplaatst, was het gezegde van Aeneas Silvius of Paus Pius II: +Een Fries weigert niet voor de Vrijheid zelfs in de dood te gaan. + +Ofschoon ook deze Kronijk met de gewone sprookjes, fabelen en wonderen +uit den ouden tijd is voorzien, bevat zij echter een beknopt verhaal +van de meest belangrijke voorvallen uit de verschillende Friesche +Geschiedschrijvers getrokken. Wie echter de Schrijvers of Opstellers +zijn geweest is mij niet gebleken. + +Uit hoofde dit boekje van tijd tot tijd zeldzamer was geworden, komende +de eerste druk bijna nimmer voor, ondernam de Boekhandelaar Proost +alhier eene nieuwe Uitgave, noodigde mij uit die te willen verzorgen, +en er tevens zoodanige Aanteekeningen en Bemerkingen bij te voegen, +als voor de beoefening en opheldering der Friesche Historie, bijzonder +over de XV eerste eeuwen, nuttig en dienstig zouden kunnen zijn. Aan +dit verzoek voldoende, meende ik den tweeden druk der Kronijk in +deze Uitgave getrouw te moeten volgen, mij alleen veroorlovende de +ongelijkheid in de spelling, en de te groote afwijking hier en daar +in de taal wat te verbeteren. + +Bij het doorlezen der kronijken, geschiedboeken, en andere schriften +heb ik voor de Bijvoegsels en Aantekeningen, daaruit overgenomen of +kortelijk aangestipt, wat mij voor mijn oogmerk belangrijk toescheen +en dienen kon de Geschiedenis toe te lichten. Als een hoofddoel van +dezen arbeid heb ik getracht den minder geoefenden tot eigen onderzoek +en nasporing den weg aan te wijzen, weshalve ik al de Schrijvers en +Geschriften naauwkeurig heb aangeteekend, in welken de uitvoeriger +behandeling der zaken te vinden is, en de geschiedenis beter wordt +voorgesteld. Ben ik in deze mijne poging, om anderen van nut te zijn, +ten deele geslaagd, meer voldoening begeer ik niet. + +Over de waarde en geloofwaardigheid der oude kronijken en +geschiedverhalen heb ik met een enkel woord mijne meening gezegd, +en mijne stelling blijven verdedigen, dat aan dezelven daarom zoo +weinig gezag wordt toegekend, omdat zij nimmer oordeelkundig zijn +onderzocht en met de nog vele voorhanden zijnde bronnen vergeleken; +dat geen Schrijver van lateren tijd, de Geschiedenis der Friezen ter +harte heeft genomen, waardoor zij dus bij velen onbekend gebleven, +bij anderen opzettelijk is achterwege gelaten; en dat men te ver +is gegaan om door het Werk van Ubbo Emmius, die als de Feniks aller +Geschiedschrijvers, gelijk Dousa hem noemt, gehuldigd werd, Frieslands +Historie voor voldongen te houden, daar hij geen kritiesch onderzoek +in het werk heeft kunnen stellen, als verstoken van de noodige +hulpmiddelen en bronnen. Niet dat ik de waarde van dezen te regt +hooggeschatten Schrijver wil verkleinen of iets nieuws voortbrengen, +daartoe is mijne kennis te gering: evenmin wil ik als een voorstander +van de leer der oude kronijken met hunne fabels en wonderen beschouwd +worden; maar het is alleen om aan te toonen hoe verkeerd men handelt +onvoorwaardelijk het gezag van anderen te volgen, en zonder eigen +overweging en grondig onderzoek onze oude Schrijvers te verwerpen. En +dit is niet mijn oordeel alleen, hetwelk op de ondervinding steunt; +maar vele geleerde en schrandere mannen, zoo als: v. Schwartzenberg, +Ypeij, Visser, Amersfoordt, Westendorp, v. Halmael en anderen, die de +Friesche Historie bestudeerden, hebben in hunne geschriften ditzelfde +beweerd, tevens de noodzakelijkheid betoogende, welke er sinds lang +heeft bestaan, om de zeer belangrijke Geschiedenis van dit Gewest +van de vroegste tijden af beter te leeren kennen, te onderzoeken en +waarderen, zoodat eene zorgvuldige en oordeelkundige beschrijving, +naar den geest en de smaak des tegenwoordigen tijd ingerigt, allezins +wenschelijk ware. Daartoe heb ik reeds in den jare 1827 alle mijne +pogingen in het werk gesteld, en een plan, hetwelk veel belangstelling, +aanmoediging en ondersteuning, ook bij den Heere Staatsraad, +Gouverneur en Gedeputeerde Staten van dit Gewest, heeft gevonden, +tot stand trachten te brengen, dan door omstandigheden, geheel van +mij onafhankelijk, is hetzelve onvolvoerd gebleven [4]. Een gelijk +lot heeft een tweede Ontwerp van den Heer van Halmael en mij, tot +de Uitgave van een Geslacht- en Wapenboek van den Adel in Friesland, +een werk hoogst gewigtig voor de Geschiedenis, moeten ondergaan. Ik +heb alzoo mijnen wil getoond, en daar ik tot geene Uitgaven op eene +andere dan de door mij voorgestelde wijze besluiten kan, laat ik het +nu aan ieder wie het luste over, om ter liefde voor de Geschiedenis, +ter wille onzer Landgenooten en ten nutte voor de Nakomelingschap +hunne middelen aan te wenden, hopende dat zij met een beter gevolg +in de erkende behoefte [5] en den algemeenen wensch van hen, die de +wetenschappen op prijs stellen, mogen voorzien. + +Voor het Titelplaatje koos ik de aloude adellijke State van den +Potestaat Wiarda te Goutum, thans het eigendom van en bewoond +door de Familie v. Cammingha, welke met Martena-State te Cornjum, +bijna de eenigen zijn, die, in den voorvaderlijken tijd gesticht, +nog de algemeene slooping zijn ontkomen; want ook Tjaerda-Stins +te Rinsumageest zal spoedig, naar het voorbeeld van Liauckama +te Sexbierum, Hania te Holwerd, Holdinga te Anjum, Nieuw-Botnia +te Franeker en zoo vele anderen binnen weinige jaren vernietigd, +in eene puinhoop verkeeren. + + + Den 11 Junij 1834. + + J. van Leeuwen. + + + + + + + + +FRIESCHE KRONYK. + + +Friesland, een van de zeven Vereenigde Nederlandsche Provintien zynde, +legt aan de noordooster zyde van de Zuiderzee en Fliestroom, die het +van Westfriesland afscheid: aan 't noordwesten word het bedekt van de +Wadden, tusschen de Vooreilanden van de Noordzee, als Ter Schelling, +Ameland en Schiermunniks Oog. Het riviertje de Lawers verdeelt het van +de Groninger Ommelanden: van daar naar de zuidzyde is de Drenthe en +het Stigt van Overyzel, loopende bij de Kuinder aan de Zuiderzee. Maar +met de verdeelinge dezer landstreek willen wy den leezer niet ophouden. + +Van ouds was de wydte van zijne landpaalen vry verder uitgestrekt, +als loopende van den Ouden Rhyn, die door Leyden aan Utrecht langs +vloeyende, by Katwyk in zee uitliep: begrypende den geheelen zeekant +en de Zuiderzee, diestyds noch droog zynde, tot aan den Eiderstroom, +die het van Jutland afsnyd. Aan de landzyde van Westfalen, Overyzel, +Gelderland, tot het Ryk van Nieumegen en Utrecht, binnen zyne grenzen. + +Welke alle door verscheidene vyanden en andere voorvallen, als by +lappen afgescheurd zynde, het boven geschreven lapje land, zyne +vryheid, te gelyk met den naam van Friesland, zonder bystelling van +Oost of West, wel yverigst verdedigt hebben. [6] + +Dat is van 't Land, welks Inwoonderen de stoffe van ons schryven zal +zyn, naar het gemeenzaamste gevoelen byeen gesteld, als hier na volgt. + + + + De Heeren, onder welks Gebied de + Friesen van tyd tot tyd + geweest zyn. + +I. ONDER ZEVEN PRINSEN. [7] + + +Het 313de jaar voor dat onze Zaligmaker geboren wierd, was de tyd dat +Frieso, de eerste Prins van Friesland, en Voorganger der Stichters, +door welke dit ons Vaderland eerst bevolkt wierd, hier te lande kwam: +dat zich dusdaniger wyze heeft toegedragen. + +Als die roemruchtige en groote Alexander, die in het bloeyenste van zyn +jeugd het meerendeel van Asia overweldigde, kreeg hy toeloop van veele +volkeren, die hy of overwonnen hadde, of in die gewesten huis hielden; +om zyne gelukkige wapenen tot zo veele spoedige overwinningen te +helpen bevorderen. Onder deze vrywillige krygers waren zommige van de +voornaamsten uit Persien, en hunne onderhoorige Saxen (Sacæ) de minsten +niet. Dewelke, na dat Alexander overleden was, en die voorige verheerde +[8] volkeren, door zijner Nazaaten oneenigheid, de handen ruim kregen, +vreesden dat het hun t'eeniger tyd mogte gewrooken worden: zy maaken +derhalve een besluit, om met malkanderen, naar de wyze van dien tyd, +een veiliger land tot hun wooninge op te zoeken. Hunne Geleiders waren +Frieso en Saxo, om hunne gezelligheid gebroeders gezegt, en eigentlyk +zo genaamt, of naar den volksnaam van hunne landslieden zo bekent: +welker eerste Persiaanen, en de andere hun gebuuren, uit de woestyn, +die nu Belor heet, gemeenlyk Indiaanen genoemt zyn; om datze van ouds, +allen die naar 't Oosten woonden, den naam van Indiaanen gaven. Des +zij tot hunnen sleep [9] een vloot van 300 zeilen toetakelden, en +staken 'er mede af van het land van Cilicien, in Notalia of kleen +Asia, gelegen in de Zwarte Zee. Van waar zy, wonderlyk omkruissende, +door verscheidene woeste zeën heen slingerden, tot dat zy eindelyk, na +veele ondervindingen en verlies van de meeste schepen, met slechts 54 +stuks in de Oostzee zyn vervallen; en waar van 12 op het eiland Rugen, +en 18 in Pruissen zijn aangeland: de overige 24 den Fliestroom (welke +de Roomsche Schryvers den derden Mond des Rhyns noemen) inzeilende, +hebben dit gewest, dat nu van hunnen naam Friesland genaamt word, +aangedaan, landende ten west Staveren op de Kreil, daar nu de volle +zee voor Enkhuizen is: alwaar zy, geen menschen vindende, en na zo een +kommerlyk omzwerven, het eerste stand greepen, en die plaatze den naam +gaven van Staden. Daar Frieso ook een Vryhuis voor de vlugtelingen +bouwde, zelve een weinig oostelyker optrok, en een stad bouwde, die +naderhand Staveren genaamt wierd. Doch als in het volgende jaar de +zomer hoogde, [10] kwamen de Swaaven, die hier 's zomers huis hielden +en 's winters landwaards in weeken, om de overwateringen van de zwaare +stormen: want het land was doe noch met geen dyken omheinigt. Deze, +om datze ruuwe en onervaarene krygslieden waren, zyn ligtelyk van +de Friesen op de vlugt gedreven, die hun zetel hier nu door goede +beschansingen gevestigt hadden. + +Frieso had by zyn wyf Hil zeven zoonen, die hy elk over een gedeelte +des lands, dat in zeven Zeelanden was verdeelt, tot Voogden heeft +gestelt. En daar toe eene dochter, welke hy Weemoed noemde, om dat +haare moeder van haar in den arbeid was gestorven. Daartoe stelden +hy zyn zoon Æsge over de Burgerlyke Rechten, en Scholte over de +Halszaaken. Haaije maakte hy Priester der Druïden, over de bosschen +der Afgoden. Gæle wierd Dykgraaf, om daar opzigt te houden. Hette +verzond hy, om Voogd te zyn over de Katten, een volk in Duitschland, +dat naar zynen naam nu noch Hessen genaamt word. + +In den jaare 308 trouwde Fyt (Vito) of Jutte, een van Friso's zoonen, +de dochter van Bokke (Bocchus,) Koning van Jutland; zo als het +naderhand, naar zynen naam genoemt is: en kreeg tot een huwelyksgoed, +het land dat men nu noch heden Sleeswijk noemt. + +In den jaare 300, wanneer 'er verschil onder de Veehoeders ontstond, +zyn de Saxen, by gemeenen raade, van hun gescheiden: en, op de Elve +aangekomen zynde, hebben zich aan geen zyde, dat nu Noordballingen is, +nedergeslagen. Houdende dat gewest noch den naam van Saxen en Sassen. + +Frieso heeft daar na het land, om dat het zeer laag en moerig was, +met dyken van aarde, en zylen of sluizen, om het water te doen +afloopen, tot hun gebruik bequaam gemaakt: en om de overwateringen +van hooge vloeden alomme verhevene wieren doen opwerpen, en daar +huizen laten opbouwen, het land met beschansingen versterkt, en +met dorpen en buurten rondom lustig bevolkt. En, om de welstand en +eenigheid des volks te bewaaren, liet hij goede wetten en heilzaame +beveelen aankundigen. + +En uit dat broekachtig en waterig land, schynt het, dat zy het +oude Friesche Wapen hebben genomen, hetwelk bestond uit 7 Plompen, +beteekenende de 7 Waterlanden, op 3 Zilveren balken, in een Blaauw veld +[11]. Gelijk die Plompen noch hedendaags in 't Wapen van Groningen +te zien zyn. Hoewel de onweetende teekenaars daar nu 3 Herten van +maken. Bezie hunne munten, tot op de duiten toe. + +In den jaare 245 is Frieso, na dat hy dit land 68 jaaren wijsselijk +in vrede geregeert hadde, eindelyk gestorven, en na zyn vaderlyke +Persiaansche wyze te Staveren staatelyk begraven. + +Aanstonds is Adel, zijn oudste zoon, in 's Vaders plaatze gevolgt: +die zyne nagelaatene wetten bevestigt, vermeerdert, en in schrift +gestelt heeft. Hy bragt in gebruik, om de bequaamheid der gemoederen +te onderzoeken, dat 'er alomme gasteryen en drinkgelagen wierden +gehouden, daar men malkanderen in 't omdrinken, met het geeven van de +regterhand, zoude kussen of zoenen op zyn Persiaans: dat men nu noemt +op zyn plat Fries. In de gasteryen deed hy de geregten by malkander +in een grooten Schotel leggen, en belaste dat men uit een grooten +Hoorn zoude omdrinken. Waar van wy noch zeggen, de Friesche Pateele, +en de Friesche Hoorn, en by zommige Gilden noch in gebruik. Hy trouwde +Swebyne, de dochter van den Koning der Swaaven, zyne gebuuren. Om zyn +rechtvaardigheid, is hy by zyne onderdaanen en gebuuren zo vermaard +geworden, dat alle, die wel regeerden, daar van Adelingen, en van +Adel gezegt wierden. Welke benaamingen tot op den huidigen dag zyn +overgebleven. + +Ubbe, Juttes zoon, om Jutland tegen den aanval der Deenen te bevryden, +zette zyn zoon Fyt ter dezer dagen tot Voogd over Eiderland, en +Hendrik, zyn jongste zoon, over Jutland; die ondertrouwd wierd met +Signe, Dochter des Konings der Finnen. + +En in den jaare 234, Granus, vyfde Koning der Deenen, dit bemerkende, +heeft zich vermomd, en Hendrik op den dag der bruiloft, nevens veele +van zyne vrienden onvoorziens vermoord: en de Bruid, uit Finland +wegvoerende, zelfs getrouwt: edoch dat hy twee jaaren daar na met de +dood moest bekoopen. + +In den jaare 220 heeft Adel, Schotte, zyn broeder Scholtes zoon, naar +'t land, dat naderhand Schotland is genaamt geworden, heen gezonden, +op dat hy 't met volk zoude beplanten. + +In den jaare 201, Jutte, over de dood zyns broeders vergramd zynde, +heeft de Deenen veele jaaren met zeerooveryen geplaagt: tot dat hy +van Froote, achtste Koning der Deenen, in een zeeslag overwonnen +wierd. Die daar op de geheele Friesche kust heeft uitgeplondert; +zynde zulks van de Deenen voorheen nooit ondernomen: en voort het +Flie inzeilende, heeft zelfs het voorste van Duitschland aangetast: +en van daar is hy met zynen roof of buit naar Engeland overgestoken. + +In den jaare 151, is Adel, na dat hy in langduurige vrede loffelyk +het Vaderland bestierd hadde, gestorven. + +Doe wierd Ubbe tot derde Prins in 's Vaders plaats van de Staaten +des Lands aangenomen. + +In den jaare 131, als Ubbe, op 't aanraaden van zyne moeder Swobyne, +zyn grootvader, Koning der Swaaven, om de vrindschap te versterken, +eens bezogt hadde, heeft hy Keulen aan den Rhyn gesticht, ter plaatze +daar nu Duts legt. Daarom zyn de Keulenaars by de Romeinen eertyds +Ubii geheeten, van deze Ubbe. + +In den jaare 127 heeft Baate, zoon van den Koning der Katten, van +Friesche afkomst, met zyn gezelschap zich eerstmaal in de Betuw +nedergeslagen: daar hy Baatenburg en andere plaatzen stichte. Zynde +de oorsprong van die bekende Bataviers, dewelke nu Hollanders genaamt +worden. + +In den jaare 120 heeft Frieso de jonge getrouwd de dochter van Ubbe, +welkers naame Frouw was. Deze Frieso was de zoon van Gryns, zoon +van Gæle, zoon van Haaje, zoon van Frieso de eerste. Hy trok met +een hoop over den Fliestroom, en bewoonde het land, dat van hem noch +Westfriesland is genaamt, en in dien tyd gebynaamt, kleene Friesen +[12]. Daar bouwde hy, omtrent duizent schreeden van Alkmaar, aan een +inham van een arm der Rhyn, die Krabbendam van Kennemerland afscheid, +de stad Vroonen, die zo ryk en vermaard door den koophandel wierd. Waar +van hedendaags niets meer te zien is [13]. + +In den jaare 71 overleed Ubbe; en Azinga Askon, zyn zoon, quam in +zyn plaats: dezelve was een onrustig en eerzuchtig mensch: hy voerde +verscheidene doch ongelukkige oorlogen met den Koning van Tongeren +en de Baatenburgers. + +In den jaare 59 zyn eenige kooplieden uit Indiën, onder den noorder +aspunt om, door storm en onweder aan de Duitsche kust vervallen, en, +zo men meent, in Friesland aangeland. + +Azinga heeft Staveren met muuren omtrokken, en eerst dien naam +gegeeven, naar een ruuwen onbeschaafden Staf, hunnen Afgod; daar +zy God, na de wyze der ongeloovige volkeren, by in erkentenisse +hielden; om dat God de menschen als een staf en leunstok is in alle +gevaaren. Want het was by de Duitsche volkeren gemeen, om God door een +stok, blok, of steen, op hunne wyze te dienen, door dien zy zulken +hoogen achtinge wel van God hadden, dat zy hem met geen duidelyke +gelykenisze, het zy van een mensch, of diergelyke konden afbeelden. + +In den jaare 10, ter gelegentheid, dat de Romeinen onder hunnen Overste +Drusus de Baatenburgers, Geldersche, en nabuurige volkeren overwonnen +hadde, heeft hy de Westfriesen ook aangetast, van welke hy jaarlyks +slegts een getal ossenhuiden bedong: en, zullende de volkeren over +den Eems mede aandoen, hebben de Friesen der Romeinen schepen, die +door de ebbe op hunne wadden waren vast geraakt, uit het gevaar van +vergaan verlost. + +Als Azinga nu in 't 71ste jaar zyner regeeringe was, is de hoope +Izraëls, en de wensch aller Heidenen vervult geworden, als onze +Zaligmaker Jezus Christus te Bethlehem, in het Joodsche Land, gebooren +wierd, tot troost van die geene, die dien dag der zaligheid voor +langen tyd hadden begeeren te zien: terwyl onze Voorvaderen noch in +een dikke duisternis van onwetenheid gezeten waren. + +In den jaare 2, na de geboorte van Christus, Azinga ziende, dat de +Westfriesen, door hulpe der Baatenburgers, onder de Romeinen gebragt, +en van de Roomsche Overste Drusus met 50 Schansen langs den Rhyn +wel bewaart waren, heeft hij de Baatenburgers geweldig bevogten, en +veele ter neder gemaakt. Maar Azinga, door een pyl zwaar gewond zynde, +vlugten de Friesen, hem brengende op zyn slot, omtrent een halve myl +van Staveren, op de Kreil. De Friesen maakende ondertusschen, buiten +zyn bevel, eenen tweeden aanslag, versloegen nochmaals 500 mannen; +waar tegen zy 300 Mannen verlooren, en zyn alzo met overwinning en +goeden buit weder gekeert. + +In den jaare 4 is Diokarus Seegen, neef van Azinga, Ridder geslagen +van Brabo, eerste Hertog van Braband, en met groote eere weder in +Friesland gekomen. + +Ook is by 't Roode Klif, niet verre van Staveren, een vlamme uit +de aarde geborsten, welke 3 dagen duurde. Den 4den dag quam 'er een +groote draak regt om hoog uitvliegen, die de aanschouwers een half +uur lang geweldig verbaasde, en is weder in de spleete neder gerukt. + +In den jaare 5 heeft Azinga die van Tongeren den oorlog aangedaan, +en veele van hen verslagen: doch Brabo, Hertog van Braband, die van +Tongeren te hulpe komende, hebben zy Azinga gevangen gekregen. Doch +om de erkentenisse van Diokarus Seegen, heeft gemelde Hertog hem +alleen maar met verachtelyke woorden gestraft [14], en doe weder na +Friesland gezonden. + +In den jaare 6 heeft Tiberius, Veldoverste der Romeinen, Kennemerland +ingenomen. + +In den jaare 11 is Azinga Askon gestorven: en zyn Neef Diokarus Seegen +quam in zyn plaats. + +In den jaare 15 heeft hy allomme door geheel Friesland schoolen +voor de jeugd ingesteld; en in 't byzonder schermschoolen binnen de +Hoofdstad Staveren en Dokkum; daar 't volk met allen yver driemaal +'s weeks wierd onderwezen. + +In den jaare 16 en 17 zyn de Romeinen met hunne krygsbenden door, langs +en om Friesland getrokken, om de nabuurige volkeren te beheerschen; +zynde de Friesen met hun in een goed verbond. + +In den jaare 29, als de Westfriesen, door de gierigheid der Romeinsche +Overste Holle [15], byna uitgeput waren, alzo hy van hun afeischte +grooter ossenhuiden tot schattinge, als zy konden leveren, zo zyn zy +tegen hem opgestaan, en hebben zyne aangestelde Tolmeester opgehangen, +en het slot op het Flie, daar hy gevlugt was, sterk belegert. Maar, +door den Romeinschen Overste der Duitschers Apronius opgeslagen +zynde [16], hebben nochtans groote overwinninge tegens de Romeinen +gehad: dewelke by de 900 mannen verlooren omtrent het woud Baduhenne; +behalven noch 400 soldaaten, die uit vreeze voor de Friesen malkander +doodsloegen. Waar door Diokarus ook den toenaam van Seegen schynt +bekomen te hebben. + +Omtrent den jaare 44, als de Friesen wel met de Romeinen stonden, en +dat Diokarus zich ook by den Roomschen Keizer Claudius ten stryde +begeeven had, daar hy groote eer behaalde, was 'er een groote +hongersnood in 't land. + +In den jaare 46, als Seegen den staat des lands loffelyk bedient had, +is hy in tyd van vrede gestorven: en zyn oudste zoon Dibbald Seegen is +de zesde Prins der Friesen geworden. Hy was een goedertierend Vorst +omtrent zyne onderdaanen: maar aan de andere zyde zeer onrustig, +en genegen tot den oorlog. Waarom hy zich naar 't Roomsche leger in +Engeland begaf, daar hy veele ridderlyke daaden uitvoerde: laatende +Friesland onder 't bestier van een aangestelden Landvoogd. + +In dien tyd was 'er in Friesland een kloek Ridder, genaamt Idsert +Jetse, van een verwonderlyke kragt, waarom ook onder de wandeling +Sterke Man geheeten, dezelve was acht voeten in de lengte groot, hy +kon in ieder hand een tonne Bier 220 treeden verre dragen, neemende +onder ieder oxel [17] een kaas, omze van 't ligchaam te doen afhouden: +ook droeg hy 2 mannen een halve myl verre op zyne armen: een onbezuist +paard, kon hy met zyn vuist slaan, dat het dood ter aarde viel: en +wanneer hy toornig was, derfde hem geen mensch onder de oogen te komen. + +Na den jaare 48, is Corbulo, een Romeinsche Overste, de Westfriesen +onvoorziens op 't lyf gekomen, wegens hunne wederspannigheid, daar hier +boven van gezegt is: en gyzelaars te pande mede neemende, stelde hun +de paalen, daar zy niet over mogten komen. Het welk men meent de Lek te +zyn, die hy liet graaven tusschen de Maas en Rhyn, daar nu Holland is. + +In den jaare 52 quam Dibbald, van den Roomschen Keizer Claudius +grootelyks begiftigt, weder in Friesland: met hem leidende den Overste +van Camga; daar het edel geslachte van Camminga uit gesproten is. + +In den jaare 55, als Claudius gestorven was, is Dibbald oostwaards +opgetrokken, brandende en blaakende zeer verwoed. + +In den jaare 59, zyn Vryt of Verritus en Malorix, nevens een goed +gezelschap, in gezantschap tot den Keizer Nero naar Rome getrokken, +ter oorzaake van de klagten der Romeinen, dat de Friesen hun met +de akkerbouw al te na by den Rhyn quamen. Vryt was van 't Geslachte +van Hermana, afkomstig van Manne, die een kindskind was van Frieso +de eerste. En Malorix van Camminga. Behalven dat zy van den Keizer +groote eerbewyzingen, nevens het burgerrecht van Romen verkreegen, +zynde daar ook tot het Christelyk geloove bekeert. En Ægistus, een der +70 Discipelen van Christus, quam met hun in Friesland, om daar ook die +leere te verbreiden: doch Seerp, Zoon van Fyt, en derde Priester der +Druïden, op 't Oude Hof te Lewerden [18], stond hem zeer tegen. Zo +dat hy weinig vrugt in 't land deed, en wierd van de ongeloovigen +dood geslagen. + +In den jaare 61, is Dibbald tegen de Duitschers opgetrokken, doch +keerde met verlies van 800 mannen schandelyk weder naar huis. + +In den jaare 62, quamen de Deenen, opgemaakt [19] van de Duitschers, +Friesland plonderen en verwoesten 6 geheele jaaren lang; want Dibbald +lag ziek te bedde. + +In den jaare 69, trok Dibbald met een groote vloot schepen naar +Deenemarken, om zyn leed te wreeken. + +In den jaare 77 deed hy de Gelderschen den oorlog aan: die hem +zo wel onthaalden, dat hy 500 mannen verloor, en hy zelve in een +teeringziekte verviel. + +In den jaare 85 overleed Dibbald, en wierd te Staveren begraven. + +En Tabbe is tot de zevende en laatste Prins van Friesland aangenomen, +dewyl Dibbald zonder kinderen was gestorven. Hy was een der voornaamste +van Dibbalds Veldoversten, een wreed en onstuimig man. Waarom hy ook +geheele 7 jaaren onder den Roomschen Keizer Domitianus ten oorlog trok; +laatende Friesland onder een Stadhouder. + +In den jaare 94 deeden de Noormannen een tocht op Friesland, dat zy +plonderden en veel roof uit haalden. Waar over Tabbe t'huis onboden +zynde, zy zich hebben weggemaakt. Hy ondernam eerst met een goede +vloot, en doe te land, zyn wraak te neemen; maar had weinig voorspoed. + +Omtrent den jaare 100 was Harke, zoon van Seerp, de 4de Priester der +Druïden op 't oude Hof. + +En in den jaare 130 is Tabbe, de laatste Prins, gestorven [20]. + + + + + +II. ONDER ZEVEN HERTOGEN. + + +In het zelve jaar 130 quam Askon in zyn vaders plaats, die zich, +naar de manier der Romeinen, Hertog liet noemen. + +Sinne, de 5de Priester der Druïden, schreef in deze tyden tot Askon: +om de Christenen uit het land te verjaagen, en de Afgoden des lands, +na ouder gewoonte te dienen. + +In den jaare 155 is 'er weder eene groote vlamme op 't Roode Klif +uitgeborsten, ter zelver plaatze, als boven verhaalt is: en alzo de +menschen, daar omtrent woonende, daar zeer bevreest voor wierden, +vroegen zy hunnen Afgod Staf: Wat daar van worden zou? Zo antwoorde +hun de Duivel door den Staf, als eertyds tot Eva door de Slang. Dat +zy voor dit vuur niet behoefden te vreezen; om dat 'er na eenigen +tyd wel wat kouds op mogt volgen. + +In den jaare 163 deeden de Friesen, met de Oosterlingen en Katten +een inval in Frankenland, daar zy 't zeer verwoesten. + +In den jaare 164 is in het zuidwesten, omtrent een halve myl van +Staveren, een put gegraven, die zo veel zout water opgaf, dat men +vreesde het geheele land zoude onderloopen. Waar over den Afgod Staf +nochmaals om raad gevraagt zynde, hun ten antwoord gaf: het bloed +van een driejarig kind daar in te gieten. Dat gedaan wierd, en waar +na het ook ophield, dat 'er zelf geen water meer in de put bleef. Zo +snakt de Duivel naar menschen bloed. + +Askon deed verscheidene fraaije dorpen stichten, als Westerbierum +[21], niet verre van Flieland; en Dyxhorne, tusschen Almeenum, +dat nu Harlingen genaamt word; Ter Schelling [22] en Westerbierum, +die nu beide door de zee verdronken leggen. + +In den jaare 168 zyn 2 Meereminnen uit de Lauwers opgekomen; en +door Friesland omzwervende, tot verwondering van veele lieden, +hebben zich eindelyk by Westerbierum, van waar zy gekomen waren, +weder ondergedompelt. + +In den jaare 173 is Askon, na een vreedzaame en loffelyke regeeringe, +mede gestorven. Hy liet 4 zoonen na, namentlyk, Adelbold, Tiete, +Richold en Radbout. Radbout vertrok naar Friesland, alwaar hy trouwde, +en een zoon won, welke was Diderik, eerste Hertog van Westfriesland: +van wien naderhand de Hertogen en Koningen van Westfriesland +voortgesprooten zyn. + +Maar Adelbold wierd de 2de Hertog in zyn's vaders plaatze; en aanstonds +beoorloogde hy zyne nagebuuren. + +In den jaare 174 vertrok zyn Broeder Tiete naar Romen: alwaar hy +zich in goede konsten, en byzonder in die van de welspreekentheid +oeffende. Waarom hy ook by den Keizer Antoninus, de Philosooph, +wel bemint was. + +Na den jaare 175 had Godefroy Brabo, de zesde Hertog van Braband, +oorlog met de Romeinen; daar Adelbold en Tiete hem met hun volk +te hulpe quamen: alwaar Tiete, om zyn ongemeene dapperheid, Ridder +geslagen wierd van Brabo. + +In den jaare 178, als Keizer Antoninus oorloogde met de volkeren, +die tegen de Romeinen opstonden, heeft Adelbold zyn Broeder Tiete met +hulpbenden tot den Keizer gezonden: die daar over zeer verblyd was, +en zyne vyanden vrees aanjoeg, alzo zy op die tyding de vlugt namen. + +In den jaare 180 vielen de Friesen met een groote furie in Walsland, +afloopende of bedervende al wat hun voor quam; waar doorze by hunne +vyanden een grooten naam en verbaastheid hebben gemaakt. + +In den jaare 183 hebben de Wenden en Gotten, uit de Noordsche Landen +opgeborsten, verscheidene volkeren overvallen. En van de Deenen +afgekeert, quamen ze over de Elve, neemende hun zitplaats aan beide +de zyden van de Weezer; en wierden van dien tyd af Oostfaalingen, +nu Oosterlingen en Westfaalingen, geheeten. Van welke 1500 dachten +in Friesland te vallen: maar wanneer zy zagen, dat de Friesen aan +de andere zyde van de Eems goede beschansingen hadden, derfden zy +niet onderneemen om over te komen. Waar op Tiete, hun van achteren +bespringende, alle heeft geslaagen, behalven 400, die den Eems +overzwommen; doch in Adelbolds handen vervielen, en die 'er goede +buit van maakte. + +In den jaare 186, als Adelbold krank was geworden, wilde hy +zyn broeder Tiete de landbestiering opdraagen. Welke het ernstig +weigerde, doch echter moest aanneemen. Na welken tyd Adelbold noch +veele jaaren leefde. + +Tiete Bojokalus, mogelyk Beukels, was de 3de Hertog van Friesland [23]. + +In den jaare 187 wierd hy ingehuldigt, en regeerde het land met groote +voorzigtigheid, houdende alomme vrede, zo buiten- als binnenslands. + +In den jaare 208 Adelbold gestorven zynde, is met een ongemeene pracht +te Staveren in de groote kerk begraven. + +In den jaare 217 is voor de derdemaal op het Roode Klif eene vlamme +opgeborsten, doch 18 treeden westelyker, als waar van wy hier boven +gezegt hebben; dezelve vertoonde zich 11 dagen lang, tot verschrikkinge +van die daar omtrent woonden. Tiete, na dat hy den Afgod Staf 3 dagen +lang brandoffer toegedient hadde, zo gaf denzelven tot antwoord: +Dat door ten gewapend Ridder 3 kannen water, uit de Noordzee gehaalt, +moest in gegooten worden; alzo het anders niet zoude uitgaan. Zulks +gedaan wordende, zo verdween de vlam. De Duivel kon ligt genoeg zien, +dat het land door de slag van het water geweldig ondermynt wordende, +de Noordsche golven daar wel haast haaren loop zouden neemen. + +In den jaare 240 is Tiete overleden: en zyn neef Ubbe, zoon van +Richold, Tietes Broeder, is in 't zelve jaar tot 4de Hertog +verkooren. Door dien hy zeer vredelievend was, heeft hy 't +Land met treffelyke gebouwen, sterktens, vestingen, dorpen en +steden verheerlykt. In 't 2de jaar van zyne regeeringe bouwde hy +in Westfaalen, dat hy met volk bezet hadde, een slot, geevende het +zelve den naam van Tiete, na zyn oom, of Tietenburg [24]. Het zelve +is nu een stad, maakende met het omleggende gewest het graafschap uit, +voerende beide den naam van Tekelenburg, en in zyn wapen noch tweemaal +3 Plompen, nevens 2 Ankers, uit het oude Friesche wapen. + +In den jaare 248 stichte Ubbe aan de Lauwers een sterk kasteel, +'t welk hy den naam gaf van Dokkenburg, dat zo veel gezegt is als +Havenslot; want Dokke, zeggen de Geleerden, is in oud Duitsch een +haven, doch word in Friesland ook in de beteekenis van een kinder +poppetje gebruikt. Gemelde kasteel was zeer bequaam, om de haven +tegen de zeeroovers te beschermen. Naderhand is 'er de stad Dokkum van +geworden. Staveren heeft hy veel vergroot, en met heerlyke gebouwen +aanzienlyk gemaakt. + +In den jaare 260, ten tyde als Hertog Haron een Heer des lands was, +is 'er naauwelyks eenig landschap in gantsch Duitschland geweest, +of het brande en blakerde van oorlog. In Zweeden, Noorwegen, Hessen, +Friesland, enz. was alles op de been. Van dezen Haron zoude het dorp +Haren alhier zyne benaminge ontfangen hebben. + +In den jaare 279 vielen de Baatenburgers in Friesland, en deeden veel +quaad, eer de Friesen zich verweeren konden: maar als Ubbe hen met +een party volk [25], zo spoedig als hy 't zelve byeen konde krygen, +tegen quam, wierd 'er aan weêrskanten hardnekkig gevogten, en vielen +wederzyds wel omtrent 500 mannen. + +In den jaare 289 zyn de Hollanders, Friesen, Drenthers, enz. in den +winter, als de wateren bevrooren waren, met een schrikkelyk groot +krygsheir den Rhyn gepasseert; inneemende de landen aan geene zyde +dezelve gelegen, doodslaande en verwoestende voorts alles, daar maar +Roomsche bezettinge inlag. + +In den jaare 299 overleed Ubbe, en wierd te Staveren, by zyn oom Tiete, +in de groote kerk begraven. + +Om dat zyn oudste zoon Odilbald by den Keizer Diocletianus, wegens +het inneemen van de stad Alexandria, in groote achting was, en hem +tot wigtige zaaken in Egypten groote dienst deed, zo wierd Haron, +Ubbes jongste zoon, tot 5de Hertog van Friesland verkooren, en trouwde +de dochter van den Koning der Deenen. + +In den jaare 308 en eenige volgende jaaren, heeft Constantinus Magnus, +Roomsch Keizer, deze landen wederom onder zyn gehoorzaamheid gebragt; +doende de guarnisoenen versterken, nieuwe kasteelen bouwen, en de oude +verbeteren [26]. Voorts alle de geene dreigende, die zich in volgende +tyden zouden roeren, hen te vuure en zwaarde te zullen vervolgen. + +Omtrent den jaare 312 is Westfriesland, dat dus lang als verlaaten en +woest had gelegen, van 5 voornaame mannen begonnen bebouwd te worden, +en met dorpen en heerlykheden versiert. Waar van Diderik, zoon van +Radbout, zoon van Askon, eerste Hertog der Friesen, wel de grootste +aanleider was: dezelve heeft ook het eerste ontwerp van Medenblik +gemaakt, en tot een Hoofdstad van Westfriesland gestelt. + +In den jaare 334 heeft Diderik, door deze nieuwe heerlykheden +verhovaardigt zynde, den naam van Koning willen voeren. Waarom Haron, +Hertog der Friesen, hem zo met wapenen te keer ging, dat hy binnen +3 dagen te Staveren quam; en gemelde Diderik dwong zyne Koninglyke +Kroon af te leggen. En Diderik, als overwonnen, zynen overwinnaar om +vergiffenisse bad, die hem eindelyk toestond Hertog van Westfriesland +te blyven: doch met eene eeuwige onderwerpinge onder hem en zyne +nakomelingen. Diderik had een zoon en zoons zoon, die beide Lem of +Willem genaamt waren. Van de laatste draagt Haarlem zynen naam. + +Van dien tyd af is de naam van Westfriesland geweest: ook zyn de +inwoonders doe Friesche Buinen, dat is Plompaarts, (Frisiabones) +genaamt [27]. + +In den jaare 335 is Haron by 't Roode Klif overleden, en te Staveren +by zynen vader in 't graf gelegt. + +Odilbald, Harons zoon, wierd aanstonds tot 6de Hertog verkooren. Hy +was een dapper krygsman, en tot de landbestiering wel onderwezen. + +In den jaare 339 heeft hy Staveren noch wyder uitgezet, en hooger en +breeder muuren daarom getrokken, en met diepe wyde gragten voorzien, +en met heerlyker vryheden begiftigt. Het land liet hy alomme met +meer buurten en dorpen bezetten, en dezelve met volk bewoonen. Aan +de Lauwers, tusschen Dokkenburg en Schiermunniksoog, heeft hy mede +een stad doen bouwen, die Waarden wierd genaamd, om het land voor +zeerooveryen te beschermen. + +In den jaare 344 zyn de Westfaalingen, met die van Angria [28], hunne +gebuuren, tusschen de Eems en de Lauwers, daar nu Groningerland is, +ingevallen. Doch Odilbald heeft niet alleen hunnen roof ontjaagt, +maar hen zelve in hun land vervolgt, dat hy onder zyn gebied bragt, +en eenen Igle Laskon tot Overste daar in gestelt, die 't ook 65 jaaren +trouwhartig bewaarde. Ook bouwde hy aldaar tot zekerheid 3 kasteelen, +als in Angria, Soest en der Yburg: welke 2 laatste nu steden van die +naamen zyn. Na gemelde overwinning, vertrok Odilbald weder tot zyn +slot Dokkenburg. + +Hy bequam ook na eenige dagen tyding van den inval der Baatenburgers +in Friesland. Dewelke van hem aangetast zynde, bleeven 'er wederzyds +omtrent 400 dood: doch de Baatenburgers vlugtende, nam hy eenige +van hunne sterktens in, en versloeg noch van de vlugtelingen wel 250 +vyanden: keerende met goeden buit weder te rugge. En leefde voortaan +gerust, zonder eenige oorlogen. + +In den jaare 357 verbrande de onlangs gebouwde stad Waarden geheel af. + +In den jaare 359 overleed Odilbald, tot droefheid van zyn volk. + +In 't begin van den jaare 360 is Odolf Haron, de laatste Hertog +verkooren. Zyne genegentheid was zeer tot den oorlog, en was door +Laskon in den wapenhandel wel geoeffent en onderwezen. + +In den jaare 368 zyn die van Angria, de Westfaalingen en Gelderschen +tegen Igle Laskon opgestaan. Doch Haron met een machtig leger +afkomende, versloeg hen, plonderde Gelderland, en bragt het onder +zyn gebied. + +Niet lang daar na zond Igle aan Haron een wolf, die over den huid met +veelerlei zeldzaame afbeeldzels van hoofden bezet was. Haron vereerde +denzelve aan den Keizer Valentinianus, als een wonderschepzel. + +In den jaare 376 vergaderde Odolf een grooten hoop volk by Staveren +en Dokkenburg, waar mede hy in 't oost en zuidoost is opgetrokken, +neemende aldaar verscheidene vestingen in, die hy met volk bezette. + +In den jaare 377, heeft Odolf de afgebrande stad Waarden weder +opgebouwt, en Ezonstad genaamt, daar nu Emmerzyl is [29]. + +In den jaare 385 kon Friesland zyne Inwoonders niet voeden, alzo de +traage akkerbouw schaarsheid in levensmiddelen voortbragt, zo dat by +gemeenen raade wierd goedgevonden, een gedeelte strydbaare mannen by +lotinge uit te kiezen, om een ander land op te zoeken: ja de Hertog +Odolf was zelve zo toegeevende, dat hy deze lotinge mede over zyne +eigene zoonen liet gaan, en het lot mede op hen is gevallen: des +Hengst en Hors, zyne zoonen, tot Hoofden van 't uitgelote volk gestelt +zynde, hebben den Eiderstroom aangedaan, en aldaar zich nedergeslagen: +want zy aan 't Hof van den Keizer Valentinianus zeer wel in krygs- +en staatszaaken onderweezen waren; als ook by Karel Taxander, 10de +Hertog van Braband, groote proeven van kloekmoedigheid hadden gegeeven; +en ook by Laskon lang in Westfaalen geweest waren. Het land, dewyl het +laag en broekig was, wierd met dyken en sluizen, tot haar gebruik ten +nutte gemaakt: en gaven 't den naam van kleen Friesland, vervattende +het land dat men nu Eiderstede, Angelen en Strantfriesen noemt [30]. + +In den jaare 389 hebben de volkeren dezer landen aan de Romeinen +schattinge geweigert te geeven, en daar by hunnen Raadsheer Sisinus met +al zyn volk doodgeslagen. Daar op togen zy langs den Rhyn, en vielen +zeer schrikkelyk op de Romeinen in, om hen uit het land tusschen Rhyn +en Maas gelegen te verdryven; doch te sterken tegenstand vindende, +moesten zy vrugteloos weêr te rug trekken. + +In den jaare 420 hebben deze volkeren wederom een schrikkelyk krygsheir +byeen gezamelt, en in de wapenen gebragt; vallende voorts by Doesburg +over den Rhyn, en hakten alles, wat zy van de Romeinen op de been +vonden, kapot; voorts het gansche land doorstroopende, namen zy alle +steden en sterktens tusschen Rhyn en Maas in bezettinge, en bevolkte +dezelve met hun eigen natie. + +In den jaare 429 zyn in Friesland, alschoon Haron en de zyne +afgodendienaars waren, door de Christenen 4 kloosters gesticht. + +In den jaare 432, Haron, wegens zynen ouderdom, de regeering moede +geworden zynde, heeft met goedvinden van de Staaten des Lands, zyn +zwager Offe in deszelfs plaatze gestelt. + + + + + +III. ONDER NEGEN KONINGEN. + + +Zo wierd Richold Offe in Odolfs plaats verkooren, en is 1ste Koning +geworden. + +In den jaare 435 zyn de Noormannen met een groote scheepsvloot in +Groningerland geland, trekkende voorts voorby het Huis Groenenberg, +in 't Drenth, roovende en plonderende alles wat ze konden krygen. Doch +Richold, Koning der Friesen, heeft hen met zyn macht het land wederom +doen ruimen. + +In den jaare 436 overleed Odolf Haron: van doe af aan heeft Richold +den naam van Koning eerst aangenomen, om dat hy zyne gebuuren zulks +zag doen: want hy meer land onder zyn gebied had, als iemand onder hen, +te weeten, van de Fliestroom af tot de Eider, en geheel Westfaalen. + +In den jaare 442, zyn de Noormannen, een onrustig volk, leevende +van den roof, om buit in Friesland gekomen; en hebben 't land tot +den grond toe bedorven, maar Richold, een man van onbezweeken moede, +trok hun by Grunenberg [31], nu Groningen, te gemoet; doch verloor in +dien stryd, alzo zyn volk moede was van den tocht, by de 300 mannen, +en, ten zy de nacht daar niet tusschen gekomen ware, zouden de vyanden +hem met de zynen geheel verslagen hebben. Doch met het aanbreeken van +den dag, is hy andermaal op de Noormannen aangevallen, en versloeg ze, +dat 'er 900 op de vegtplaats dood bleven; de overige wierden van de +landlieden verslagen, ja men weet niet dat 'er een van ontkomen is. + +In den jaare 449, als Hengst en Hors geweldige rooveryen op zee +bedreeven, heeft Vortigern, der Britten Koning, hunne hulpe tegen +de Pikten en Schotten gebruikt, die zy overwonnen; en stichten, na +veel tegenstand, aan de voorkant van Engeland het Ryk, dat noch Kent +genaamt word, en daar Hengst de 1ste Koning is geweest: geevende hunnen +oorspronk aan de tegenwoordige Engelschen, gelyk de naam van Angelen en +Angelboeren, te vooren gemeld, ook wel uitwyzen. 2 Friesche Edelingen, +als Tæke Heerema en Douwe Hiddema, waren hunne Admiraalen, die ook +het Eiland Frisland zouden opgedaan en dien naam gegeeven hebben. + +In den jaare 453 bouwde Richold tusschen Staveren en Medenblik een +groote kerk, en stelde die tot een Vryhuis voor de ballingen [32]. En +in 't volgende jaar maakte hy vrede met de Noormannen. + +In den jaare 463 bouwde hy binnen Staveren een kostelyk en koninglyk +Huis, daar hy alle Prinsen en Hertogen van Frieso den 1sten af, +tot zynen tyd toe, in liet afbeelden; met een naauwkeurig verhaal +van hunne daaden en tyd van regeeringe daar by gestelt. Waar van het +gerucht alomme verspreide tot vreemde volkeren, en nieuwsgierigheid +verwekte, ja zelfs dat Karel de Schoone, Hertog van Braband, nevens +zyne Hovelingen, zich naar Staveren begaven, om de pragt en deftigheid +van dat werk met verwondering te bezichtigen. + +In den jaare 471, als Odilbald, Richolds zoon, aan Haddinge, der +Noormannen Konings dogter, getrouwt was, wierd hy van zyn vader tot +1ste Graaf van Tietenburg gestelt, dat nu Tekelenburg genaamt word. + +In den jaare 496, deed Klodoveus, (Klovis) zoon van Childrik, Koning +van Vrankryk, een inval in Friesland, meenende hetzelve onder zyn +gebied te brengen. Maar Richold heeft hem zoo wel ontfangen, dat hy +met groote schande weder naar Vrankryk moest vlugten. Na dien tyd +had Richold goede vrede, liet veele huizen, hoeven, heerlykheden en +slooten, die wy stinzen noemen, alomme aanbouwen: ook stichte hy, tot +vermaak van zyn hofgezin, een lustige Stins en Lusthof, in een woud, +omtrent een myl verre van Staveren, dat naderhand een geweldige meer is +geworden, die de Flusse genaamt word. En, eer dit jaar ten einde was +geloopen, overleed hy, en wierd van zyn zoon naar Titenburg gevoert, +en aldaar ter aarde bestelt. + +Odilbald, Graaf van Tietenburg, wierd in zyn's vaders plaats de 2de +Koning der Friesen. Hy was een verstandig en beleefd man, goedertierend +over zyne onderdaanen, en kloek tegen zyne vyanden. Zyne zoonen zond +hy tot den Koning der Noormannen, om in den wapenhandel geoeffent +te worden. + +In den jaare 513 zyn in een kelder, omtrent een halve myl van +Dokkenburg, zeer subiet omgekomen 9 mannen, 3 vrouwen en 6 kinderen, +zo men vermoede door een basiliskus. Waar op het huis aanstonds +verbrand wierd, en men vernam geen quaad meer. + +Omtrent dezen tyd gebeurde het, ten huize van Yv Hopper, of Hopheer, +tusschen Staveren en Hoorn, (daar de Zee noch het Hoornsche Hop +genaamt word, en nu diepe baaren schiet; waar van men ook noch zegt: +'t Hoornsche Hop, leegt den krop,) dat een dienstmaagd, als zy water +uit de put schepte, een leevendige haring mede optrok. Waar door Hopper +verschrikte, indachtig wordende, 't geen de Afgod Staf voorzegt had: +dat na dat vuur, daar we op 't jaar 155 van gemeld hebben, wel wat +kouds mogt volgen. Des hy zyne landen verkogt en verruilde, en alzo +voorquam dat hy geen schade door de wegspoeling derzelver behoefde +te lyden [33]. + +In den jaare 516 is geheel Friesland byna door de zee onder geloopen, +waar door meer dan 6000 menschen en veel vee is verdronken. + +In den jaare 517 zyn in Friesland ongemeene groote hagelsteenen +gevallen, waar van zommige een halve voet breed en een heele voet lang +waren, voortgedreven door een zwaaren wind. Groningen, by de Friesen +Grins genaamt, is in dezen tyd met houte planken omheiningt geworden. + +In den jaare 527 is Odilbald te Dokkenburg gestorven, en te Tietenburg +begraaven. + +Richold, zyn oudste zoon, quam door algemeene toestemminge der +Staaten, terstond in zyn's vaders plaats. Om zyne deugden was hy by +de landzaaten zeer bemint. Onder Richolds regeeringe had Dibbald +het gezach over Westfriesland, en nam met verlof van Richold, zyn +Beschermheer, den naam van Koning aan. Zyn zoon Lem, of Willem, bouwde +een slot, dat het volk Heer Lems Slot noemde, en wierd naderhand een +Stad, die nu noch daar van Haarlem genaamt is [34]. + +In den jaare 548 hebben de Deenen het Graafschap Tietenburg jammerlyk +geplaagt en uitgeplondert; doch de komste van Richold gewaar wordende, +zyn doorgegaan. Waar op de Koning zyn Overste Harke, uit het edel +geslachte der Rodmannen, een onverzaagden held, met een grooten +hoop volk naar Deenemarken zond; die daar zeer brande en blaakte, en +komende met een ryken buit weder in Friesland te rug. Middelerwyl zyn +ook de Gelderschen en Westfaalingen wederspannig geworden; doch als +Richold hen, met een groote macht van volk, in een slag overwonnen +had, hebbenze om lyfsgenade moeten bidden, met belofte van eene +eeuwige onderwerping. + +In Westfriesland werd Dibbald van de Baatenburgers mede zeer benaauwt; +dat, ten waare Richold hem met geen machtige hand beschermt hadde, hy +'t halve Land zoude kwyt geweest zyn: doch bequam nu, boven het zyne, +noch verscheidene van hunne vestingen. Hy liet, na zyn overlyden, +Ridzert Aurundulus in zyne plaats, die zyn kindskind was. + +In den jaare 570 ontstond 'er uit het noordwesten een vreesselyk +onweder, dat 3 dagen aanhield, en Friesland jammerlyk onder water +zette. Daar wierden op het Roode Klif 35 zwaare boomen uit den +grond gerukt en ter neêr geworpen: en van het lusthof van den Koning +Odilbald, aldaar gebouwd, wierd niet den eenen steen op den anderen +gelaaten. Ook overleed Richold in dit zelve jaar [35]. + +Beeroald volgde hem in 't landbestier, en quam terstond het gebied +van Westfriesland weder op hem: want Aurundulus gestorven was, wiens +dochter hy trouwde. Van inborst was hy zeer mild en vreedzaam. Hy gewan +twee zoonen, als Adgild en Harke, die een onechte was; die hy deftig in +de schoolen liet onderwyzen: doch Harke verlaatende de schoole buiten +'s vaders kennisse, trok uit lust tot de wapenen naar Braband. + +In den jaare 606 wierd Harke uit Braband, met Pipyn van Landen, +zoon van Karelman, ten hove gezonden naar Vrankryk: daar Harke, +uit afgunst om zyne dapperheid, het hof heimelyk verlaatende, naar +Schotland vertrok; en wierd Overste van 't Schotsche veldleger, +en waar door hy huuwde aan de maagschap van den Koning van Schotland. + +In den jaare 612, Lotrik [36], der Franschen Koning, achtende dat de +roemrugtigheid van Harke tot zyn nadeel zoude strekken, om Friesland +niet te konnen overmeesteren, liet hem door verspieders ombrengen, +tot groot leetwezen van den Schotschen Koning Eugenius. + +In den jaare 628 beeft Dagobert, nieuwe Koning van Oostvrankryk gestelt +zynde van Lotrik zyn vader, Friesland willen onder zyn gebied brengen; +op dat zy tot het Christelyk geloove zouden gebragt worden: des hy +Soest, in Westfaalen, belegerde, wierd hem van Igle of Yge Gaalema +een stuk van zyn helm en eenige hoofdhairen afgeslagen. Waarom hy +zyn vader uit Vrankryk ontbood. + +Des Lotrik, in den jaare 630, een hoop volk byeen rukkende, onverwagt +in Friesland viel. Waar over Beeroald hem omtrent het dorp Englum hef +hoofd bied. En als Lotrik hem zag, die hy meinde al dood te zyn, zei hy +op zyn plat Fries: Ach duw aade schiere bolle, bistu dir salm! [37] Het +welk terstond voor Lotriks ooren komende, week hy niet uit den stryd, +voor dat hy Beeroald gedood hadde. En heeft daarom alle Friesen, drie +dagen lang, dood laaten slaan, die langer waren dan zyn zwaard. Van +dien tyd af heeft Dagobert de Friesen veele landen ontnomen. + +Adgild wierd in zyn's vaders plaats tot 5de Koning van Friesland +gestelt, wegens Lotrik, Koning van Vrankryk; en stelde 4 Friesche +heeren tot Raaden nevens hem, die de Christenen wel mogten lyden. Maar +de landen over de Zuiderzee, verstaande Westfriesland daar niet onder, +wierden hem afgenomen: als mede dat zij buiten Drenth en Twente +hadden bezeten; doch oostwaards aan bleef het in zyn geheel: en een +jaarlyksche schattinge van 600 ossen of koeyen wierd hun opgelegt. + +In den jaare 652 was Friesland in gerustheid, midden in der Franschen +oneenigheden; en Adgild leerde de Ingezetenen, voor de overstroomingen, +hooge aardhoopen, die wy Terpen noemen, opwerpen; om by 't doorbreeken +der zeedyken, met hunne beesten, goed en have aldaar de vlugt te +neemen. Dagobert, Koning van Oostvrankryk, bouwde te dezer tyd een +slot, nevens Wiltenburg, dat hy Utrecht benoemde, alwaar de schepen, +die uit zee den Rhyn opvoeren, zich moesten vertollen. Welke plaats +in voorigen tyd den Friesen had toebehoort. Hy gaf dit nieuw gebouwde +Utrecht aan Thuinibert, Bisschop van Keulen, die daar aan de Thomas +Kerk, een oeffenhuis van predikers, stichte, om de Friesen van hun +ongeloove te bekeeren. Adgild had een zoon gewonnen, die Radbout heete, +en eene dochter, Heile genaamt. + +Omtrent den jaare 671 hadden de Friesen eene goede vrede, terwyl 't +rondom door de wapenen der Franschen als in den brand stond: want +Adgild, erkennende van wien hy 't Ryk ontfangen hadde, deed alles +naar der Franschen zinnelykheid [38], en liet de Christenen hunne +godsdienst met alle vryheid oeffenen. + +In den jaare 672 vertrok Radbout naar Deenemarken, om zich in den +wapenhandel te oeffenen: en wierd, ook aldaar noch meer in zyn +ongeloove gesterkt. + +In den jaare 678 heeft Adgild, den Prediker van Utrecht, genaamt +Kenochius, toegelaaten in Friesland te prediken. En Wilfrid, +Aardsbisschop van Jork, zullende naar Romen reizen, doch door +onweder in Friesland vervallen, wierd den geheelen winter huisvestinge +gegeeven, inmiddels dezelve mede alomme de Christelyke leere verbreide +en veele doopten: doch de Koning en zyn hofgezin begeerden van hun +ongeloove niet af te wyken. Maar, om grootere voortplantinge te doen, +zo vereischten meerdere arbeiders; des hy hier over schreef aan de +Broederen in Engeland. + +In den jaare 679 overleed Adgild, en wierd te Staveren begraven. + +Radbout is de 6de Koning der Friesen geworden, in zyn's vaders +plaatze: hy was onrustig en wreed van gemoed, en tot den oorlog zeer +genegen. Hy nam het zeer euvel op, dat zyn vader zo gewillig onder +de Franschen hadde gestaan: waarom hy ook de landen, die zy zyn vader +hadden afgenomen, met het zwaard wilde wederhaalen. Des hy, om geld te +bekomen, zyne onderdaanen onverdraagelyke schattingen opleide, en de +onvermogenden gebruikte hy, door houte duimyzers, als slaaven. Want +de Friesen lieten zich, buiten redenen, niet vrywillig om den tuin +leiden. En om des te bequaamer tot zyn voorneemen te komen, voerde hy +zyn hofgezin naar Staveren. Van waar hy optrok, en het slot Wiltenburg +en Trajectum, nu beide Utrecht genaamt, weder veroverde. Ondertusschen +was Wigbert, op het schryven van Wilfrid, naar Friesland vertrokken: +doch is, wegens de onbekeerlykheid van het volk, na 2 jaaren, weder +in Engeland te rugge gekomen. + +In den jaare 690, als Egbert, Bisschop van Jork, daar door tot +mededogentheid ontroerd wierd over de Friesen, heeft hy 12 geleerde +mannen, uit verscheidene kloosters, byeen vergadert; waar onder +Willebrord, en zyn neeve Switbert, de voornaamste waren: dewelke +allen den Rhyn inkomende, zyn te Utrecht aangeland, en, wegens de +vredelievende eenvoudigheid van die tyden, hunne goederen in 't gemeen +gebruikende, hebben zy met een heiligen yver, tot het onderwyzen der +onweetende of afgodische Friesen, van daar een aanvang gemaakt. Maar +alzo gemelde Friesen, in hunne afgodery noch als verzoopen lagen, wierd +hun niet toegelaaten om Gods Woord te verkondigen, en met bedreiginge +van leevensstraf, zo zy zulks ondernamen. Des zy de platte landen en +aangrenzende landstreeken van Friesland zyn doorgewandelt, op dat zy +noch eenigen voor Christus mogten gewinnen. + +In den jaare 693 heeft Pepyn, dies tyds Voorvegter der Franschen, +en Hertog van Braband [39], Radbout weder uit Wiltenburg verjaagt: +die zich van dien tyd af als balling op een eiland onthield, alwaar +hy en zyn volk groote afgodery met eenen afgod Foste bedreeven; +waar van gemelde eiland ook Fosteland, nu Heiligeland, genaamt is, +leggende in de bogt van Jutland. + +In den jaare 694 quam Willebrord met de zynen op dat eiland, +en begonnen, na eenige dagen daar geweest te hebben, Christus te +verkondigen: maar konden niet meer als 3 menschen van hun ongeloove +aftrekken, en, na zy de beelden van Jupiter en Foste afgeworpen hadden, +dat Wigbert met de dood moest bekoopen, zynze door Radbout weder van +daar verjaagt. Maar, als zy naar Pipyn vertrokken, wierdenze door +deszelfs toedoen weder in Utrecht herstelt. Van welken tyd af zy zeer +veel bekeerden. + +In den jaare 695 bouwde Willebrord, op de plaats van de afgeworpene +kerk, binnen Utrecht, eene andere ter gedachtenisse van het kruis. + +Daar maaktenze een verdeling, en zonden van hen af, by tweeën en +drieën, na de deelen van Duitschland, om de Christelyke leere aldaar +mede onder de ongeloovigen voort te planten. Willebrord bleef te +Utrecht; en Switbert, met twee medehelpers, vertrokken naar Wyk te +Duurstede, daar nu Baatenburg is: alwaar zy door een wonderwerk +veelen bekeerden. 't Welk zy te Utrecht boodschappende, zo zyn +Willebrord en Switbert, om de zaaken wel te bestellen, tot Hoofden +uitverkooren. Switbert vertrok naar Engeland, daar hy Bisschop +wierd gemaakt, en deed, na zyne wederkomst, in Friesland, Holland, +en Teisterband veele stichtinge. + +In den jaare 697 quam Willebrord weder te Utrecht, zynde in 't +voorgaande jaar van den Paus te Romen aangestelt tot Bisschop der +Friesen, daar in dien tyd de Groningers, Overysselschen, Utrechtschen, +Hollanders, en Gelderschen mede onder begrepen waren; en stelde zynen +zetel te Utrecht: Waar van zyne navolgers Bisschoppen van Utrecht +zyn genaamt geworden, daar hy de eerste van was; en Switbert was +zyn medehelper. + +Dit alles kon Radbout met geene goede oogen aanzien; waarom hy +Gerlacus, een woedend krygsman en Overste van Fosteland of Heiligeland, +woonende te Warns, alwaar hy ook een sterk slot gebouwd hadde, afzond, +eerst om Baatenburg, en dan Utrecht te vermeesteren. Maar is van Pipyn +zodanig overwonnen, dat hy hem veel buit moest achterlaaten, als mede +eene belofte doen, om de Christenen in Friesland te vergunnen, Gods +woord vry te mogen verkondigen. Ook wierd Willebrord ondertusschen +van Pipyn aangemaant, om het heilige werk met yver in Friesland voort +te zetten. + +In den jaare 698 verzond Willebrord veele vroome en geleerde mannen +naar Friesland: maar hunne leere wierd niet aangenomen, en zy in +tegendeel bespot, verjaagt en doodgeslagen. + +In den jaare 700 Wulfranus, Bisschop te Sens, een stad in Champagne, +in Vrankryk, door den geest geroert zynde, is met brieven van +voorschryvinge des Konings van Vrankryk, aan Radbout, in Friesland +gekomen; daar hy, door zyne krachtige welsprekentheid, veel volk won, +en ook den Koning byna bewoogen had, zo dat hy zelve begeerde gedoopt +te zyn. Waar op hy Koning, met den Bisschop buiten Medenblik gaande, +alwaar Radbout dien tyd zyn verblyf had, en reeds den eenen voet nu +al in 't water gezet hebbende, vroeg hy gemelde Bisschop: Waar zyne +voorouderen, die zonder den doop gestorven zyn, waren gebleven? De +Bisschop dien ruuwen mensche, door onvoorzigtigheid, wat t' +onbedagtelyk antwoordende, zeide: Dat buiten de kennisse van Christus, +en den waaren God, met verachtinge van de heilige Sacramenten, geene +zaligheid te bekomen was: en daarom moestenze in de helle zyn. Wel, +antwoorde Radbout, dan zal 't my veel grooter eere en aanzien geeven, +dat ik by myne voortreffelyke en beroemde Voorvaderen in de helle ben, +als met een geringen hoop Christenen in den hemel. En trok aanstonds +zyne voet te rugge uit het water, met beschimpinge van den Bisschop. + +In den jaare 719, als Radbout zag, dat de christenkennisse grootelyks +in Friesland toenam, en zyne afgodendienst in verachtinge quam, +is hy, ten deele uit spyt, en ten deele door een knaaging van zyn +aangeroerd gemoed, na een zesjaarige uitteering, eindelyk binnen +Medenblik overleden, en te Staveren begraven. + +Adgild, de tweede van dien naam, wierd van het volk tot zevende +Koning verkooren, in zyn's vaders plaats. Hy regeerde het land in +groote gerustheid en vrede. Ook liet hy de Christenen onverhindert in +hunne oeffeningen; want hy had zelve de Christelyke leere aangenomen, +en zich laaten doopen. + +In den jaare 726 quam Horne, een onechte zoon van Radbout, uit +Deenemarken; en alschoon hy zyn vader in ongestuimigheid en wrevel +gelyk was, heeft hy zich echter, door Adgilds toedoen, laaten +doopen. Deze heeft de stad Hoorn gebouwd. + +Omtrent den jaare 728, als de christenkennisse te Utrecht zeer +toenam, heeft Bisschop Willebrord wederom verscheidene leeraars +naar Friesland gezonden. Welke, schoon zy vry en veilig konden gaan, +evenwel weinig voordeel by de hardnekkige Friesen hebben kunnen doen: +want de blindheid des volks, en zugt tot hunne afgoderye, was te +groot. Een Veldoverste Richold, veinsde te willen zyn gedoopt, doch +bespotte den Christendienaar op gelyke wyze, als wy hier boven van +Radbout hebben aangeteekent. + +In den jaare 729 is Karel Martel, [40] Koning van Austrasia of +Oostvrankryk, met een groote vloot schepen op de rivier de Burde +aangekomen, zynde van den Bisschop Willebrord daar toe verzogt, om de +Friesen te noodzaaken hunne afgoderye te verlaaten: hy overwon den +Overste Poppe, zoon van Gerke; waar op hy Friesland zeer verwoeste; +de afgodische kerkhoven en beelden uitroeide en verbrande, en veel +roof mede nam. Na welke overwinninge, Willebrord alomme Christen +kerken deed bouwen. En de Friesen, uit vreeze voor de Franschen, +derfde de Christenen niet meer tegenstaan. + +In den jaare 736 is Bisschop Willebrord ontslaapen: uit zyne +onderwyzingen zyn veele deftige leeraars voortgekomen, en is een +werktuig geweest van de bekeering der Friesen, die hem daarom wel in +goede erkentenisse mogen houden. In zyn plaats quam Bonifaas, als +tweede Bisschop der Friesen, te Utrecht, en verbeterde het verval +der kerke grootelyks, met ongemeene stichtinge, in deze landen. + +In den jaare 737 overleed Adgild, en is te Staveren by zyn vader in +'t graf gelegt. Door hem is de stad Alkmaar gesticht. Eene van zyne +dochters, Konovelle genaamt, was uitgehuuwt aan Adelbrik, een voornaam +edelman, die omtrent Sixbierum een slot had gesticht, dat hy Adelburg +noemde. Hy had veele kinderen, aan wien hy zyn goed by zyn leeven +uitdeelde: daarom begeerde hy dat zy zich niet van Adelburg, maar +van Adelen zouden laaten noemen; dat noch tot heden zo gebleven is. + +Gundebald, Adgilds zoon, wierd tot achtste Koning ingehuldigt: hy +was, als zyn vader, mede tot het Christelyk geloove bekeert, en had +gestadige vrede in zynen tyd. Hy heeft van 't kasteel Dokkenburg de +stad Dokkum gebouwt. + +In den jaare 739 quam Saake Rodman, met eene uitmuntende geleerdheid +en krygskunde voorzien, in Friesland, hebbende 13 jaaren op 't hof van +den Keizer, Paus en Hertog van Venetien verkeert, waarom Gundebald +hem tot zynen raadsman aannam: en deed groote weldadigheid aan de +stamme der Rodmannen. + +In den jaare 749 overleed Gundebald, nalaatende twee zoonen, als +Gundebald de tweede en Jan, welke om zyne vroomheid gebynaamt wierd +Priester Jan, daar verscheidene vertellingtjes van zyn. Zyne dochter +Taekle huuwde aan Haaje Kamminga, en haare dochter namaals met eenen +Ode Botnia, Hertog van Zweeden; alwaar 't geslachte van Botnia uit +voortgesprooten is. + +Radbout, de tweede van dien naam, is de laatste Koning der Friesen +geweest; zynde de broeder van Gundebald, en zoon van Adgild de tweede: +van welke hy veel verschilde, doordien hy in Deenemarken opgevoed, +en in de afgoderye zeer gewoon was: hy wierd godloos en wreed, en +alzo hy nog jong was, geen meester van zyne verkeerde hartstogten om +dezelve te bedwingen. + +Zynen afgod Foste stelde hy op Ameland wederom ten toon: om de +Christenen nochmaals dezelve te noodzaken, en van hun geloove af +te trekken; of by weigering, strafte hy dezelve met de dood, of +bande ze uit den lande. Dus handelde hy ook met Rodman en de zynen, +om het Christen geloove, en beroofde hen van alle de waardigheden +en eerampten, by Gundebald voorheen aan hen vergunt. Des Saake, +zyne goederen verlaatende, tot den Koning van Vrankryk de vlugt nam; +die hem in groote achtinge hield. + +In deze dagen had Solke Forteman de geschiedenissen en daaden +der Friesen, van hunnen oorsprong af tot op zynen tyd toe, vlytig +beschreven: en om dat hy Radbout zo veel eere niet gaf, als zyn +gestorven broeder, die de Christelyke leere had voorgestaan, daar +deze de vervloekte afgoderye weder op den troon trachte te stellen, +zo wierd dit Radbout, door zyne benyders, en inzonderheid door toedoen +van Syvert, Priester der Druïden, op 't Oude Hof, aangebragt: waar +op Fortemans boeken voor zyne oogen wierden verbrand, en hy zelve in +de gevangenis geworpen. + +In den jaare 752 heeft Bonifaas tweede Bisschop van Utrecht, +goedgevonden, de Christenheid, die Radbout zo wreevelmoedig verdrukte, +in Friesland wederom te herstellen: des hy met 51 leeraars te +Almeenum, daar nu Harlingen is, aangekomen zynde, hebben zy zich +eerst in Westergo verspreid, de afgoden te landewaarts omgeworpen, +Christen kerken gesticht, en veel volk bekeert: en om andere mede te +stichten, voeren zy de Burde ten einde, hunne tenten nederslaande by +'t dorp Oudeboorn, alwaar zy mede eenige geestelyke voordeelen deeden. + +In den jaare 754, als 'er veele nieuwelingen gedoopt waren, zo beloofde +Bonifaas hun de bevestiginge, naar de wyze der Roomsche kerk, op +Pinxter binnen de stad Dokkum te geeven. Maar ter bestemder plaatze en +tyd quam een hoop moordenaars, die den Bisschop en zyne medearbeiders +wreedelyk vermoorden. Tot even voor de reformatie vertoonde men noch +te Dokkum van dezen Bonifaas zyn herssenpan, Bisschops staf en andere +overblyfzelen; dat zy het volk wilden doen gelooven. + +Omtrent den jaare 769 was in Friesland een dapper en geleerd edelman, +genaamt Feye Forteman; welke namaals Veldoverste onder Karel den +Groote wierd, en die zich mede tot het Christen geloove bekeerde. + +In den jaare 769 heeft Radbout een harden aanval op Utrecht gedaan, +waar door hy haar geweldig plaagde; en van Pipyn geboden zynde, +daar van af te zien, achte hy zulks weinig. + +In den jaare 775, als Radbout uit eigener booze driften, en door +de opstookinge eerst van Syvert, en daar na van Okke, Priesters +der afgodische Druïden, zeer verwoed tegen de Christenen te werk +ging, klaagdenze zeer erbarmlyk aan Karel den Groote, Koning der +Franschen. Welke Koning, na dat hy de Saxen overwonnen hadde, de +Friesen mede beoorloogde, en Radbout in twee veldslagen, overwonnen +hebbende, vluchte dezelve liever in Deenemarken, als dat hy de +Christenen by verdrag of vredeverbond in 't land wilde vrye oeffening +van hunne godsdienst vergunnen. En dit wierd de gelegentheid, dat de +Koninglyke Heerschappye in Friesland een einde nam. + + + + + +IV. VREEMDE HEEREN. + + +Karel de Groote, Friesland dus onder zyn heerschappye gebragt hebbende, +heeft het zelve als een overheerd land of provintie gehouden, en stelde +'er Landvoogden over, die 't in zynen naam bestierden of regeerden. + +Hy nam ook zeer ter harten, dat 'er vroome en geleerde mannen, om de +Christenheid yverig voort te planten, wierden naar toe gezonden. + +In den jaare 777 is Ludger, die te Wierum in Friesland gebooren was, +een man van eene uitsteekende geleerdheid, te Dokkum tot Priester +aangestelt, van wege den Bisschop van Utrecht. Deze heeft de +ongeloovigen stigtelijke onderwyzing gegeeven, en de afgodery geheel +ten lande uitgeroeit. + +Gustavus (mogelyk Goffe of Gosling) Forteman heeft te Almeenum, +dat nu Harlingen is, een kerk, van hout en met riet gedekt, ter +gedachtenisse van den Engel Michaël [41], in dezen tyd laaten bouwen, +om tot een vergaderplaats der Christenen te dienen. Na welk voorbeeld +naderhand veele kerken gemaakt zyn. + +In den jaare 779 vielen de Noormannen by Westerbierum, daar boven van +gemeld is, in Friesland, en versloegen den edelen Heermana: waarom +de Friesen, zeer verbittert zynde, by de 400 Noormannen versloegen, +en ontroofden hunnen geplonderden buit. Des de Noormannen, in hunne +schepen vluchtende, doorgingen. Maar de Friesen afgetrokken zynde, +zo quamen de Noormannen tusschen Kornwerd en Hindeloopen, dat doe +noch een dorp was, weder te land, welke plaatzen zy uitplonderden, +en daags daar aan verbranden. Doch die van Staveren, het eerste zulks +gewaar wordende, verjoegenze nochmaals, veroverden van hen vyf schepen +en al dien geroofden buit. + +In den jaare 784 zyn de Noormannen wederom met Wydekind, Hertog van +Saxen, die door Karel den Groote overwonnen zynde, en in Deenemarken +gevlucht was, op de Eems aangekomen: maar wierden door die van Staveren +en Ezonstad met een goede vloot schepen van daar gejaagt. Zy noch +eens wederkomende, moesten nochmaals het Amelander Gat weder uit: +des de Friesen, hunne vyanden te gering achtende, maar zich zelve +bedriegende, beslooten hunne vloot te Staveren en Ezonstad op te +leggen, als zy deeden. 't Welk de Noormannen gewaar wordende, zo +quamenze onverwagt de Friesen zodanig overrompelen, datze dezelve te +vuur en te zwaard verdreven: en dewyl Wydekind en zy zeer hardnekkige +afgodendienaars waren, dwongen ze de nieuwbekeerde lieden weder tot +hunne afgoden; die zulks weigerden, wierden van hen verdelgt, waar +door veelen vermoord wierden, en ten lande uitvlugten; onder welke +Ludger en Wydekind zich mede bevonden. + +In den jaare 785 is Ludger, als Kerkenleeraar, in de Ommelanden +gezonden, op 't bevel van Karel den Groote; na dat Wydekind by hem +weder in genade was aangenomen, en de Friesen ook bevryd waren: +daar hy op nieuws veele stichtinge deed. + +In den jaare 793 is Radbout in vreemde landen overleden, zonder dat +men eigentlyk weet waar ter plaatze. + +In den jaare 793 zyn door het doorbreeken der dyken, veele menschen en +beesten in Friesland verdronken. Waarom men alomme doe weder Terpen +begon te maken, als voornaamentlyk te Koudum, Almeenum, Midlum, +Hitsum, Winsum, Tjum, Dronryp en Uitgong, dat nu Berlikum genaamt word. + +In den jaare 797 vielen de Deenen met eenige schepen uit Jutland in +de Lauwers, daar zy 't zeer verwoesten en afbranden: doch die van +Staveren, Ezonstad en Dokkum rusteden ook een groote vloot uit, +waar mede zy naar Jutland voeren, en haalden mede van daar eenen +grooten roof. + +In den jaare 804 is te Uitgong, nu Berlikum, een wanschapen kind +gebooren, zynde ruggelings aaneen, maar anders alle leden tweemaal, +of het twee kinderen waren, en is drie weeken oud zynde overleden. + +Te dezer tyd woonde te Sixbierum, op het slot Adelen, Konovelle, +dochter van Adgild den tweede, zevende Koning van Friesland, welke +twee zoonen had, als Fredrik en Alfrik, die zy by den Bisschop van +Utrecht liet onderwyzen; welke zo onderwezen waren in geleerdheid, dat +dezelve beide, na den dood van den Bisschop, Bisschoppen wierden [42]. + +In den jaare 806 wierd de afgod Foste op Ameland door de Christenen +afgebrooken en uitgeroeit. In dit zelve jaar vielen heel zwaare +hagelsteenen, zo groot als henne-eyeren, die veel schade deeden. + +Ook quamen de Deenen in dit jaar met vyf schepen 't Flie in, en +verbranden Dyxherne en Sixbierum, behalven twee huizen en de kerk, +en vertrokken met veel roof. + +In dit jaar overleed binnen Staveren de Overste, door Karel den Groote +over Friesland gestelt, hebbende 30 jaaren het land geregeert. En na +eenigen tyd, quam weder een andere in zyn plaats. + +En in dit zelve jaar, op St. Thomas dag, was 'er een zwaare watervloed +over Friesland, waar door, zo anderen verhaalen, wel 600 menschen en +een groot getal beesten verdronken, en groote schade geschiede. + +In den jaare 808 is Olaus, of Oele, zoon van den Koning van +Deenemarken, in Friesland gevallen; en de Friesen, door zyne groote +krygsmacht, bevreest geworden zynde, ja zo dat de Landvoogd in zyn +moed byna bezweek; doch evenwel eindelyk door de Friesen tot den stryd +aangemoedigt zynde, hervatten zy gezamentlyk een heldhaftig besluit, en +gesterkt met de macht van Gaele, of Jelle (Gellius) Hardeman, Overste +van Staveren, na eenige schermutselingen, versloegenze zyn geheele +leger, neemende hem zelve, met noch 175 mannen op de Eems gevangen. + +In dit jaar wierd te Staveren de St. Nicolaas tooren, daar de afgod +Stavo op gestaan had, door onweder van donder en blixem omgeworpen; +en wierden veele menschen en beesten gedood. Omtrent dien zelven tyd, +liet Igle Tadema, edelman, een zeer diepe put in zyn land graaven, +omtrent in 't noorden van 't woud Kreil, van gedagten zynde, dat 'er +aanstonds water zoude uit komen, doch bleef droog tot aan den avond +van den vierden dag. Doe dacht hy een stemme te hooren, die ettelyke +maalen riep: Verlaat dit land! Verlaat dit land! Waar op hy een weinig +water op den grond van de put ziende, bevond dat het zout als zeewater +was. Waarom gemelde put weder toegedempt wierd; om dat men indachtig +wierd, als hier boven op het jaar 513 gezegt is, of 'er wel na volgen +mogt, 't geen de Duivel door den afgod Staf gezegt had; te meer, om +dat het zelve zynen grootvader ook wedervaaren was. Igle, de derde +week daar na stervende, zo verruilde en verkogt zyn zoon Jouke, die +hier alleen maar kennis van had, alle zyn's vaders landen en erven, +op de Kreil gelegen; en kogt weêr anderen op Geesterland. Zyn neef, +Sibbe Tadema, nam dit zeer euvel op, en vervolgde daarom Jouke zodanig, +dat de stammen van Tadema en Rodman, daar gemelde Jouke eene dochter +uit trouwen zoude, malkanderen op de bruiloft wreedelyk aanvogten +en vernielden, ja zo dat er van beide stammen geen een leevendige +ziele overbleef. + +In dit zelve jaar quamen twee walvissen, de eene 38 en de andere +29 voeten lang, by Ezonstad, daar nu Emmerzyl is, by Oostmahorn, +op strand aandryven. Ook is het paleis van Richold Offe, door een +schielyke brand, geheel verteert [43]. + +Ook quamen de Noormannen dit jaar schielyk te Ezonstad, hebbende +dezelve ingenomen, geplondert en verbrand. Doch wierd weder haastig +opgebouwd. En die van Staveren, Bolswert en Dokkum rusten hier op +een Vloot uit tegen de Deenen, Jutten en Noormannen, die malkanderen +met rooven en branden aan beide zyden zeer lastig vielen: doch ten +laatsten bragten die van Staveren 6 Noordsche schepen met buit te +Dokkum op; waar van zy uitdeelinge deeden aan die 't meeste schade +geleden hadden. Ook overleed dit jaar de tweede Landvoogd, die Karel +de Groote over Friesland gestelt hadde. Waar na gemelde Koning Karel, +inboorlingen uit den Frieschen Adel, tot Landvoogden stelde, in plaats +van Franschen. + +In dit zelve jaar noch is Magnus Forteman van den Koning tot Landvoogd +verkooren, om het land in zynen naam te bestieren, even gelyk als de +Franschen naar hunne wetten gedaan hadden: deze Magnus was een zoon +van Gosse Forteman, waar van boven op 't jaar 777 is gemeld. + +In den jaare 809, als 'er te Romen tusschen den Paus en eenige Edelen +een twist ontstaan was, waar door geheel Italien in oproer quam, en de +Saraseenen in het land vielen, is Karel, met een groote macht, om zulks +te dempen, derwaarts heen gerukt. Zo dra Forteman dit vernomen hadde, +heeft hy de Friesen mede aangeport, om by deze gelegentheid, dewyl zy +nu doch rust van de Noormannen hadden, den Keizer en de Franschen door +gedienstigheid te helpen, om dezelve meer tot hunne gunst te trekken, +en of 'er eens eene deur tot hunne voorige vryheid konde geöpent +worden. Waar op gemelde Magnus, by gemeenen raade en bewilliging, +met veele gewapende Friesen, na veele uitgestaane moeijelykheden, tot +voor Romen is gekomen: gevallig ter zelver tyd, als de Romeinen een +uitval op den Keizer deeden; het welk zy ziende, booden den Keizer +hunne dienst aan, met gereedheid om op die uitgevallene Romers een +kans te waagen. De Keizer hun verzoek toestaande, sloegen zy aanstonds +hand aan 't werk, en bragten het, na eenige schermutselingen, zo verre, +dat zy gemelde Romeinen weder naar binnen dreeven, en mede ter poorten +indringende, maakten de Friesen zich meester van de stad; en Magnus +plante zyn vendel op het hooge raadhuis, dat de Romeinen Capitolium +noemen, hoe dat het de Franschen ook speet. Om welke daad Karel de +Groote en Paus Leo de derde, de Friesen groote aanbiedingen van goud +en zilver deeden: doch zy zulks van de hand wyzende, gaven te kennen, +dat het hen alleen om de vryheid te doen was. Waar op zy van den +Keizer en Paus, met een breedluidende Vrybrief voorzien zynde, op vrye +voeten wierden gestelt, gelyk als zy ten tyde van Karel Martel waren +geweest. Na hunne wederkomst wierd deze Vrybrief, met groote vreugde +door Magnus in den Dom of Kerk te Almeenum ter bewaaringe gebragt, +benevens een Vendel. Alwaar de Roomschgezinde wonderlyke vertellingtjes +van weeten te verhaalen: dat de Harlingers noch, met den stryd van +den Opperengel Michaël tegen den Draak, daar in geschildert, by hun +stads Wapen voegen: en voert noch by ons den naam van Magnus Faene. + +In den jaare 810 zyn de Deenen, ten beveele van hunnen Koning Gotrik +[44] met een vloot van 200 schepen, zeer schielyk aan de Friesche +kust gekomen; en hebbende eerst de vooreilanden afgeloopen, wierden +de Friesen in de derde slag overwonnen, en in Deensche slaavernye +gebragt; moetende jaarlyks een schattinge van 200 ponden zilver +opbrengen [45]. Om welke schattinge te ontfangen, heeft der Deenen +Koning Landvoogden gestelt, en bouwde een tolhuis van 240 voeten lang, +en in 12 egaale vertrekken afgedeelt; in welker eerste de Tolmeester of +Landvoogd zich plaatste, en hebbende in de achterste een koper bekken +geplaatst, alwaar de schatpenningen moesten in geworpen worden, dat +dezelve klonken, of mogt voor geen betaalinge verstrekken, by aldien +gemelde Tolmeester het geluid niet hadde gehoort. + +En verder word verhaalt, dat Gotrik mede gebood, dat de deuren van +der Friesen huizen alle tegen het noorden moesten geplaatst worden, +en van zo een laagte, dat de Friesen, niet zonder kniebuiginge, daar +konden uit of in gaan: op dat zy in erkentenisse zouden houden, wie hun +Landsheer was; en dat zy, ten teeken van slaavernye en dienstbaarheid, +ook houte halsbanden moesten draagen, die van rys en tienen te zamen +gevlochten waren. + +Deze slaavernye der Friesen by Karel den Groote vernomen zynde, +zo verzamelde hy zeer spoedig uit alle omleggende landen veel +krygsvolk byeen: doch, voor hy noch in aantocht was, wierden hem +andere zwaarigheden geboodschapt; als de dood van zyn zoon Pipyn; +gezanten van Constantinopolen en Corsica; behalven een gerucht, dat +de Deenen weder naar hun land waren vertrokken, om dat hunne Koning, +door gemaakte verbintenissen, om 't leeven was gebragt. Alle redenen, +waarom Karel zich weder naar Aken heeft begeeven. En de Friesen, de +handen nu ruim krygende, tasten hunne vryheid weder aan, voorneemende +dezelve met alle mogelyke middelen tegen alle vyandelyke aanvallen +te verdeedigen. Dus quam het bestier weder tot de volgende + + + + + +V. LANDSHEEREN, OF POTESTAATEN. + + +Karel de Groote, overweegende de getrouwe manhaftigheid der Friesen, zo +aan hem in 't verwinnen der Saraseenen, en Wydekind, Hertog van Saxen, +als in verscheidene voorvallen aan zyne voorzaaten Pipyn en Karel +Martel beweezen; benevens hunne genegentheid en gestadige diensten +aan 't Fransche Ryk; verzelt met den onophoudelyken yver tegen de +Noordsche volkeren, van welker slaavernye zy zich nu weder op nieuws, +na 't ombrengen van Gotrik, hadden vry gemaakt: zo heeft hy hen noch +in volkomener vryheid gestelt, en ontlast van de schattinge van eenige +ponden zilver, die zy van voor eenige jaaren hadden moeten betaalen: +vergunnende hun, ten blyke van volkomene vryheid, het recht, om hun +land, als vrygevogtene, naar hunne eigene wetten te regeeren; daar +toe een Overste uit de Edelen van hunne eigene landaard te verkiezen, +om de landzaaken zo in oorlog als vrede te bestieren, die zy den naam +van Potestaat, naar 't gebruik der Italiaanen, zouden geeven. Dezen +Potestaat, dat is Landsheere, wierd van de Staaten een getal van mannen +bygevoegt, om over alle voorvallende verschillen, twee of driemaal +'s jaars, als byzitters of mederechters hun oordeel te vellen. + +Op dat nu de vryheid geen inbreuk zoude lyden, zo wierden de +Landsheeren slegts voor een jaar verkooren: doch ter goeder trouwe +wierden zy doorgaans wel langer toegelaaten. + +Welk vervolg, met de eventydige geschiedenissen, wy nu zullen ophaalen, +zo als die uit de oude schriften na malkanderen zyn aangeteekent; +maar het te dugten is, dat het eigentlyke getal wat onzeker is, alzo +het land by vredestyd wel zonder Landsheere is geweest: doch als +'er een uitlandsch vyand aannaderde, om hen te overvallen, wierd +'er by gemeenen raade, alschoon zy binnen 's lands door twistige +oneenigheden malkanderen verteerden, aanstonds een verkooren. + +Magnus Forteman, die des Keizers Stedehouder was, als boven op den +jaare 808 gemeld is, wierd tot eerste Landsheer verkooren. Behalven +het bovengemelde, heeft hy den Keizer noch verscheidene roemwaardige +diensten, tot lof van zynen landaard, tegen de Saraseenen gedaan: +maar van dezelve eindelyk in eenen stryd verslagen, en zyn ligchaam +in het slagveld onder de dooden door zyne Friesche krygsknechten +gevonden zynde, en die 't naar Romen bragten, is hy aldaar op eene +heerlyke wyze in de St. Michiels kerk begraaven: welke kerk daarom +met eene ryke begiftiging wierd voorzien, ten behoeve der Friesen, +die naar Romen quamen, om het zelve te bezoeken. Ja Magnus wierd zelve +onder de Roomsche Hulpgoden of Heiligen gestelt. Deze geheele historie +staat ter gedachtenisse in gemelde kerk in een marmersteen uitgehouwen. + +In den jaare 814 is Karel de Groote, te gelyk Roomsch Keizer en Koning +van Vrankryk, na een ongemeenen yver voor de Christen leere getoont +te hebben, zo in zyne landen als in Friesland, om dezelve voort te +planten, mede in den Heere gerust. En zyn zoon Louis, toegenaamt de +Vroome, quam in zyn plaats aan het roer van regeeringe. + +In den jaare 819 is Fokke Ludigman, tot tweede Landsheer of Potestaat +verkooren. + +In den jaare 821 vertoonden zich omtrent de Friesche kust 13 Deensche +Zeeroovers: doch de Friesen door Ludigman, uit een waakzaame voorzorg, +met goede schansen of kasteelen voorzien zynde, zo derfden zy het +niet waagen om te landen, maar trokken weder af. + +In den jaare 826 wierd Anscharius, mogelyk Anske of Aanske, gebooren +te Waarden, als wy boven gezegt hebben, van Keizer Lodewyk naar +Deenemarken gezonden, om aldaar het Christen geloove te verkondigen; +alwaar hy veelen bekeerde. Na twee jaaren wederkeerende, verzond +hem gemelde Keizer naar Zweeden; alwaar hy blydelyk van dien Koning +ontfangen wierd; en deed mede binnen een jaar overvloedige stichtinge +ter bekeeringe. Ook is ten tyde van dezen Ludigman te Dokkum een +klooster gebouwd, ter gedachtenis van Bonifaas, aldaar in voorigen +tyd zoo jammerlyk vermoord. + +In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer verkooren, +en had zyn woonstede te Sixbierum. + +In den jaare 835, als de Noormannen, na een schielyken inval in +Friesland, door Keizer Lodewyk verdreven waren, zyn dezelve echter in +'t volgende jaar weder gekomen, en dwongen de Friesen eene schattinge +af [46]. + +In den jaare 838 Frederik van Adelen [47], geboortig van Sixbierum, +Bisschop te Utrecht, zullende de leere der kerke eens onderzoeken, +en komende te Westergo in Friesland, bevond hy aldaar het volk met de +verderfelyke leere der Arriaanen zeer besmet; en kunnende met zyne +medehelpers dat hardnekkige volk van dit besmettende gevoelen niet +afbrengen; zo resolveerde hy noch tot zyne hulpe te roepen, Adolf, +Kanunnik te Utrecht, dewelke om zyne vroomheid tot Leeraar te Staveren +wierd aangestelt; alwaar hy met eenen grooten yver zyn plicht waarnam; +ook een klooster en kerk in het westen der stad heeft gebouwd: die +namaals, doe de zee haaren loop daar kreeg, op de zuidzyde wierd +herbouwt. Waar van, by een laag gety, het muurwerk noch te zien is, +gelyk wy zelve hebben bevonden, leggende nu met gemelde stad geheel +in zee verdronken. + +In den jaare 840 overleed Lodewyk de Vroome, Keizer des Roomschen Ryks +[48]. Een Gustaaf Lappon quam met 800 Gotten aantrekken, om zich in +Friesland neder te zetten: maar de Landsheer Adelbrik van Adelen trok +den zelven met zyne byhebbende macht tegen, en versloegze by Kollum +zodanig, dat 'er naauwlyks overbleven, die deze tyding van hunnen +nederlaag in Zweeden konden brengen. + +In den jaare 850, of omtrent dezen tyd, of voort na het overlyden +van den Bisschop Alfridus, hebben de burgers van Groningen de kerk +van St. Walburg, tegen het overvallen der Noormannen gebouwt. + +In den jaare 867 was in Friesland en elders een groote watervloed, +waar door groote schade aan menschen en beesten geschiede. + +In den jaare 876 quamen de Noormannen, na dat zy de Fransche kusten +hadden uitgeplondert, weder in Friesland, eischende van de Friesen +schattinge: doch afgeslagen zynde, deeden zy zwaare dreigementen +van moord en brand: maar de Friesen, aangevoert van Hessel Hermana, +vierde Landsheer, woonachtig te Minnersga, zynde een kloekmoedig en +onvertzaagd krygsman, tasten dezelve manmoedig aan, en versloegze +zodanig, dat hun Overste en 800 mannen van zyn volk op de vegtplaats +sneuvelden; de overgeblevene bezette zy in een huis, alwaar deze +beloften moesten doen, al hun geroofden buit van goud en zilver over te +geeven, en nimmer weder in 't land te komen stroopen. In dit treffen +wierd Hermana ook gewond, waar van hy stierf. + +Na hem wierd Yge Gaalema [49] tot vyfde Landsheer verkooren; hy +was zeer ervaaren in den krygshandel. Van hem wierden langs de +geheele Friesche kust schildwachten uitgezet, om zo op de invallen +der Noormannen, als wel byzonder op het doorbreeken der dyken te +passen. De vastigheden langs de zeekusten eens bezoekende, gaf hy die +van Ezonstad een waarschouwinge, om voor de Noormannen een waakend +oog in 't zeil te houden, zeggende: + + + Wacht jimme fen dy noordere oord: + Uit dy grims herne komt alle qwaed foort [50]. + + +En overleed in dit zelve jaar, nalaatende eenen zoon, genaamt +Igle Gaalema. + +In den jaare 880 zyn de Noormannen, hebbende groot voordeel op de +Saxen gehad, die zy geweldig plaagden, weder in Friesland gevallen, +van meininge om het zelve geheel te verwoesten: doch by Norden, dat +nu Embderland is, tegenstand vindende, zyn 'er wel 10377 Noormannen +verslagen, behalven noch een grooter getal, die in de rivieren en +poelen gejaagt wierden, en aldaar moesten verdrinken; alzo zy zeer +ongeschikt, door malkanderen loopende, vlugten [51]. + +In den jaare 890, of omtrent dezen tyd, bestonden de Groninger +Ommelanden alleen in vyf, doch zeer wyduitgestrekte dorpen, doe genaamt +Hugomonhi, Hunisga, Fivelga, Emisga en Federitga; en 't eilandje de +Band genaamt, 't welk vermoed word gelegen te hebben tusschen het +Dokummer Diep en de Lauwers [52]. + +In den jaare 910, als Staveren haaren Koophandel in vreemde gewesten +wyd en zyds verspreide, en haar recht tot de Heeselpoort van Nieumegen +uitstrekte, waar van noch ten huidigen dage in een steen uitgehouwen +staat, in het latyn: Dus verre is het Recht van Staveren, doe verbrande +aldaar de kerk, toegewyd aan de Moedermaagd Maria, staande in 't +westen der stad, daar men ging naar 't klooster van Odolf. + +Omtrent dezen tyd quam Ode Botnia, zoon van den Hertog van Botnia, +grenzende aan het noorden van Zweeden, alwaar 't nu als een overheerd +land onder behoort, en gelegen aan de noordelykste inham van de +Oostzee; deze, wegens zyne vroomheid, verkreeg de dochter van Taeke +Camminga tot zyne huisvrouwe, en bouwde een stins in Oostergo. En +deze is de oorsprong van dat geslachte, dat noch onder den naam van +Botnia heden bekent is. + +Westerman heeft uit oude schriften aangeteekent, dat in dit jaar te +Hindeloopen de eerste huizen gebouwd zyn: het welk verstaan moet +worden, van na dien brand, waar van wy hier boven op 't jaar 779 +hebben gesprooken. + +Omtrent den jaare 920 leefde Koppen van Staveren, of Cappidus +Stavriensis, die de geschiedenissen der Friesen, van oude tyden af, +heeft aangeteekent, daar nu slegts noch maar eenige overblyfzelen +van zyn. + +En omtrent den jaare 970 leefde Okke van Scharl, Scharlensis, welke +uit zommige overblyfzelen, nagelaaten van zynen, oom Solke Forteman, +de daaden der Friesen heeft beschreven. + +Omtrent den jaare 989 Gosse Ludigman, nu zesde Landsheer zynde +en woonende te Staveren, is tot hem veldvlugtig [53] uit Holland +overgekomen een zoon van Aarnoud, Graave van Holland, die de Friesen +Sikke noemden: welke van Ludigman minnelyk ontfangen wordende, en ook +na eenigen tyd hem zyne dochter Tet ter vrouwe gaf; alwaar hy twee +zoonen by overwon. En daar na, op den trouwdag van zynen broeder, +weder in Holland ontbooden zynde, zo gaf hem zyn vader ten erfdeel +eenige breede roeden land in Zuidholland en Kennemerland, en 't slot +dat heden tusschen Haarlem en Beverwyk is gelegen, het welk daar van +noch Brederoede of Brederode genaamt word. + +In den jaare 995 wierd te Westerbierum een kind met drie hoofden +gebooren, ziende twee naar voren en het middelste naar achteren. + +In den jaare 998 is door de Noormannen het stedeke Uitgong geheel +verwoest, en tot den grond toe vernietigt. Omtrent die plaats legt +nu het dorp Berlikum. + +In den jaare 999 vertoonde zich boven Staveren een vreesselyke +staartstar of comeet, 10 dagen lang: waar op een zwaare sterfte in +veele landen is gevolgt. + +In den jaare 1006 was 'er byna de geheele waereld door een felle +hongersnood, en groote sterfte in het land; dat zomtyds zelve de +leevendige, in 't begraaven der afgestorvene ligchaamen, wel mede +dood in de graven vielen. + +En in de naastvolgende jaaren deeden de Noormannen geweldige +invallen in Westfriesland, daar de Friesen hen lieten begaan; om +de landpaalen tegen de vyandelykheid der Graaven van Holland niet +te ontblooten. Welke oorlogen met de Westfriesen, in deze eeuw +voorgevallen, hier van ons overgeslagen worden. + +Omtrent dezen tyd zyn eenige Friesche Edelluiden uit de Weezer +gevaaren, die om de Noord vreemde landen zogten op te doen; welke, +boven Ysland omzeilende, na verlies van hunne schepen, aan de Goudkust, +mogelyk Mexica, zyn vervallen; van waar zy het eerste goud en zilver +in deze landen hebben gebragt. + +In den jaare 1040 is het Gôrecht door Keizer Hendrik, bygenaamt de +Zwarte, aan de Stoel van Utrecht geschonken: waar uit naderhand een +groote twist ontstond. Want de Groningers waren van gedachten, het +Gôrecht alleen maar vergeeven te zyn: waar tegen de Bisschoppen en +Clerigie van Utrecht staande hielden, dat de stad Groningen insgelyks +aan hen was geschonken. 't Welk de Bisschoppen ook, met geweld en hunne +geestelyke luister hebben door gedrongen, dat zy daar na honderden van +jaaren Heeren van deze stad zyn geweest, doch niet absolutelyk [54]. + +In den jaare 1042 wierd de stad Bremen door een booswigt in brand +gestoken: waar door de Dom, des Bisschops Paleis en andere heilige +huizen, met de schatten der kerksieraaden en boeken verbranden. + +In deze eeuw leefden verscheidene Friesche Edelen; als onder anderen +een Julius Deekema, die diverse Gezantschappen voor Keizer Hendrik +den tweede bediende. + +In den jaare 1045 zyn verscheidene Friesche Edelen, die met grooten +lof gedient hadden in den oorlog van Keizer Hendrik den derde, tegen +de Hongaaren en Poolen, wederom gekomen. + +In den jaare 1064, wanneer de Edelen te Almeenum, in St. Pieters +kerk zouden ten offer gaan, is een Sasker toe Harns, (waar van de +stad namaals den naam Harns, zo als wy dezelve in 't plat Fries noch +benoemen, zoude gekreegen hebben,) zich in de voorrang stellende, +door eenen Ruerd Jarckes Harliga op het kerkhof doodgeslagen. Zo +veel kragtiger was diestyds de waereldsche eere, boven zaaken van +godsdienst. + +In den jaare 1072 is Friesland door Egbertus, uit het Huis van Saxen, +aan de andere zyde ingenomen. Doch ook door Keizer Hendrik, wel haast +weêr tot afstand gedwongen, en hetzelve aan den Utrechtschen Bisschop +geschonken: des hebben de Friesen zich tegen dat jok aangestelt, +zo dat geen graaf van Holland, Utrechtsche Bisschoppen, of Saxische +Vorsten, in het bezit van Friesland gekomen zyn. + +In den jaare 1076 was 'er een schrikkelyke harde winter, geduurende +van St. Marten tot aan 't einde van Maart in 't volgende jaar; de +Zuiderzee, Rhynstroom en andere rivieren waren zo sterk bevrooren, +datze dien geheelen tyd als de aardbodem gebruikt wierden. + +Diderik de vyfde, Graave van Holland, de Westfriesen in eene zwaare +slag overwonnen hebbende, zette het op Staveren aan; welke stad, +na drie weeken tyd belegert te zyn geweest, genoodzaakt wierd zich +over te geeven: doch kogt haar weder vry voor 1400 kroonen. + +In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus de tweede, alle de Christen +Prinsen van Europa in 't voorgaande jaar hadde gaande gemaakt, om de +ongeloovige Saraseenen uit Natolien en 't Joodsche land te verdryven; +hebben zich veele Friesche Edelen en gemeene lieden daar mede heenen +begeeven, geteekent met een rood wollen kruis op hunne schouders, +onder 't geleide van eenen Peter, Ambiaansche heremyt: en zyn, +na veele gevaaren en ongemakken uitgestaan te hebben, met eenen +ongemeenen yver boven andere volkeren, in Natolien aangekomen. + +In den jaare 1097 overwonnenze aldaar verscheidene steden. + +En in den jaare 1099 is Jerusalem na 10 dagen belegerings ingenomen. + +Na den jaare 1100 trokken op dat gerucht noch derwaarts verscheidene +uit den Frieschen adel; als mede noch veele na dezen tyd [55]. + +In den jaare 1110 quam Hendrik de Dikke, zoon van Otte, Hertog +Van Beijeren, om Friesland af te loopen, dat hem de Keizer reeds +geschonken had: doch de Friesen, om hunne vryheid te beschermen, +joegen zyn volk by Norden op de vlugt, en hy zelve wierd door de +zeelieden aan 't strand gegreepen en in zee geworpen. + +In dit zelve jaar is Groningen, in plaatze van haare houtene +omheininge, met wallen, gragten en een steenen muur omringd. Doch +Godebald, de 24ste Bisschop van Utrecht, heeft in den jaare 1112 de +Groningers gedwongen hunne noch nieuwsgemaakte vestingwerken wederom +af te breeken; en hen geboden, zoodanig een versterken der stad zich +nooit meer te onderwinden, voor dat de Utrechtsche Kerkvoogd daar in +hadde bewilligt. Evenwel heeft deze stad van dien tyd af beginnen te +floreeren en in rykdom toegenomen [56]. + +In den jaare 1119 ontstond tusschen Gaale Yges Gaalema, en Floris +de Vette, Graave van Holland, twist over den eigendom van 't bosch +de Kreil, gelegen tusschen Enkhuizen en Staveren; tot zo verre +dat Gaalema, den Graave aanvegtende, in zynen regterarm eene wond +toebragt, om dat dezelve hem zyne jagers netten en ander tuig had +afhandig gemaakt. Doch deze twist wierd weder bygelegt. Omtrent +in dezen tyd stonden in Dyxherne, tusschen Almeenum en Flieland, +de geweldige stinsen van Gratinga, Harliga en Harns. + +In den jaare 1143 hebben te Groningen eenige oproerige burgers, in +afwezen van hunnen Bisschop, die naar Romen was, St. Walburgs kerk +met vestingwerken versterkt; om daar door den Burggraaf tot eenige +voor lang verzogte zaaken te dwingen. Maar Egbert, Heere van het slot +Groenenberg, vermaande hen, van hun opzet te willen veranderen, doch te +vergeefs: waar op hy aanstonds met zyn volk het slot belegerde, en zeer +dapper aantaste; maar door deszelfs vastigheid niet kunnende vorderen, +heeft hy zich te vreden moeten houden met de sterkte zeer naauw te +besluiten; tot dat eindelyk de Bisschop, wederom gekomen zynde, hen +met een troup soldaaten en krygstuig zodanig aantastede, dat zy zich +by verdrag moesten overgeeven. Doe deed de Bisschop hen zweeren, van +nooit meer tegen de Utrechtsche Stoel te zullen opstaan. Dus bestierde +hy dit alles ten voordeele zyner broederen geevende aan den eenen, +Leffert genaamt, het Burggraafschap van Groningen, en aan den anderen, +Ludolf geheeten, het Kasteleinschap van Koeverden: waar uit naderhand +groote onheilen zyn ontstaan [57]. + +Ondertusschen quam de Paltsgraave, Gouverneur van Benthem, met +zyne macht in Drenth vallen, en verwoeste dat land, zonder eenige +tegenweer. Doch dit volk is naderhand door des Bisschops krygsbenden +by Hemsen verslagen. + +In den jaare 1148 is de stad Utrecht voor 't grootste gedeelte +afgebrand. + +In den jaare 1162, als Miliaan door den Keizer F. Barbarosse [58] +geheel vernielt en geslegt wierd, is Hessel Martena, een Friesch +Edelman, in de belegering omgekomen; na dat dezelve dapper gestreden, +verscheidene bedieningen en bezendingen voor den Keizer had uitgevoert, +en ridder geslagen zynde, bevel over 10000 krygsknegten had gehad. Een +Ofke Reinalda onthield zich ook eenige jaaren in deze Italiaansche +oorlogen van Barbarossa. + +In den jaare 1164 overleed Leffert, Burggraaf van Groningen, zonder +mannelyke erfgenamen na te laaten; waar uit een zwaare oorlog +ontstond. Want deze overledene had wel eene dochter nagelaaten, +hebbende drie zoonen, die het recht van hunnen overledenen grootvader +meinden te erven: maar die tegenwoordige Bisschop van Utrecht weigerde +deze zoonen aan te neemen voor volle neeven van den voorigen Bisschop; +van gedachten zynde, dat door deze dood het Leen verviel, en tot +den Stoel van Utrecht was wedergekeert. De Gemeente was echter tot +de zoonen genegen, en waren 'er ook reeds al in 't bezit; hoewel met +vreeze voor des Bisschops geweld, waarom zy, tot afkeeringe van dien, +den Hertog van Gelder om hulpe verzogten: die voorts met een goede +krygsmacht afquam, en zich voor Groningen vertoonde. De Bisschop +zulks gewaar wordende, trok aanstonds op het kasteel of den tooren, +van waar hy in 't duistere des nachts de vlugt nam naar Floris, Graave +van Holland. Daar op wierd het kasteel met groot geweld aangetast; +tot eindelyk de vrede wierd gemaakt; onder voorwaarde, dat de Bisschop +van deze zoonen zoude ontfangen 300 mark, en dan wederom ten vollen +afstaan het Drost- of Burggraafschap van Groningen [59]. + +In dit jaar was ook een verschrikkelyke watervloed over Friesland, +Juliaans Vloed genaamt; waar door in Friesland en elders wel 100000 +menschen verdronken. + +In den jaare 1170, den derden November, is Nederland door een droevigen +watervloed aangetast, waar door het zeewater met 'er haast voor Utrecht +stond; kabeljauw en wytingen wierden voor de stads muuren gevangen, +en veele menschen en beesten zyn verdronken. + +Omtrent dezen tyd, of eenige jaaren onbegreepen, is Saake Reinalda, de +zevende Landvoogd, tot groote droefheid der Friesen, overleeden. Van +hem word verhaalt, dat men hem noch tweemaalen voorstelde in de +Landvoogdyschap te blyven: maar het zelve t'elkens weigerende, +met dit antwoord: dat zulks strydig was tegens 's Lands wetten +en vrybrieven. Verder verhaalt men, dat hy als Landvoogd goud- en +zilvergeld liet munten. + +Omtrent den jaare 1182 vertoonden zich vier zonnen aan den hemel; +ook zag men gewapende mannen in de lucht, en bloedregen viel op +de aarde. Ook door een geweldig onweder, ondermengt met een dikke +sneeuwjagt, zyn de dyken by Uitgong, een stedeke aan de Burde, +doorgebrooken, waar door die landen geheel onderliepen. Niet lang daar +na brande het gemelde steedje byna geheel af: en het overgeblevene +wierd in vervolg van tyd door de Noormannen vernielt. Nu legt op +dezelve plaats het dorp genaamt Berlikum of Beltjom. + +In den jaare 1190, of omtrent dezen tyd, is de stad Leeuwarden eerst +met wallen versterkt. + +In den jaare 1192 is, door 't uitroeyen van Uitgong, Franeker tot +meerder aanwas gekomen, wordende uitgelegt met twee naastgelegene +akkers, als Froonakker en Godsakker, en zo tot een stad geworden; +waar van zy ook eerst Froonakker genaamt wierd. Godsakker is aldaar +noch hedendaags een bekende Straat. + +In dit zelve jaar, op den vyfden van Juny, is het vermaarde Klooster +van St. Bernard [60], te Aduard begonnen; dat met eene prachtige +kerk en 4 toorens pronkte, deftiger als 'er ooit tusschen de Eems en +Lauwers te zien is geweest. + +In den jaare 1196 ontstond te Groningen onder de burgerye en hunnen +Bisschop een groote onlust, over de kerk van St. Walburg. De burgerye +was van gedachten, dat deze sterkte, eertyds tegen het overvallen der +Noormannen gebouwt, de stad toe quam: en de Bisschop daar en tegen +redeneerde, dat deze kerk van ouds af in zyner voorzaatens macht +hadde gestaan. Dit liep zo hoog, dat de burgers de kerk, het dak +en een gedeelte der muuren deeden afwerpen. Waar over de Bisschop zo +toornig wierd, dat hy den Kastelein van Koeverden, zynde de voornaamste +aanstooker van dit werk, benevens de burgers van Groningen, in den +ban deed, en voorts ook met zyne macht naar Koeverden trekkende, +dwong hy die plaats met geweld tot de overgaaf. Ondertusschen, als +de Bisschop hier mede bezig was, hermaakte de Groningers hunne stads +muuren weder op, na datze hunnen Bevelhebber hadden doodgeslagen [61]. + +Omtrent den jaare 1200 was de stad Staveren noch, van oude tyden af, +in groot gezach, en dreef zwaare koopmanschappen door alle de gewesten +des waerelds, zo dat de inwoonderen, door weelde en dartelheid, +zelfs goud aan hunne stoepens [62] lieten slaan. Waar van zy noch +ten huidigen dagen genoemt worden: De verweende [63] Kinderen van +Staveren. Ten blyke van dit gezegde, dient dit volgende: «eene zekere +ryke koopvrouw verzond een schip naar Dansich, belastende den schipper, +om van de allerkostelykste waren voor haar tot zyne ladinge weêrom +te brengen: dezelve weder komende, en denkende zyne zaak wel verricht +te hebben, quam met weite geladen aan de stad. 't Welk zyne koopvrouw +verstaan hebbende, was daar over t' onvrede, en belaste den schipper, +zyne lading, die zy verstond aan bakboord ingekregen te hebben, aan +stuurboord weder in zee te werpen. Waar op de droogte, die men noch het +Vrouwezand noemt, voor de haven is geschoten, als eene straffe over +hunne verwaantheid; zo dat de haven, na verloop van tyd, noordelyker +heeft moeten verlegt worden; gelyk zy nu noch is. En heeft gemelde +stad, van dien tyd af, allengskens beginnen af te neemen, tot op +haare tegenwoordige staat. Van boven verhaalde koopvrouw werd getuigt, +dat zy zich eindelyk noch met den bedelzak heeft moeten behelpen." + +In den jaare 1210, verbrande, door een geweldige droogen zomer, het +bosch de Flussen geheel af; en wierd, door het inscheuren van het +zeewater, eerst een kleen meertje, en met 'er tyd tot die groote, +als het heden is. + +Omtrent den jaare 1212 vielen 'er geweldige watervloeden over 't +Land, waar door dyken, dammen, hoven en huizen wegspoelden, en wel +100000 menschen verdronken: en by aldien niet veele op de terpen, +stinsen en hooge boomen waren gevlugt, zou Friesland, tusschen den +Rhyn en de Eems van zyne inwoonders zyn ontbloot geworden. Waar +door het volk zo verarmt was geworden, dat zy de dyken, zo haastig +niet kunnende herstellen, moesten laaten verwaarloozen; waar door +met een noordwesten wind de zee, tusschen het Flie en Ter Schelling, +geweldig haaren loop nam, en het land meer en meer overstroomde. Want +in dien tyd was de Fliestroom noch maar een gemeene rivier, die +Westfriesland van ons afscheide; zo dat gemelde aanpersing van water, +met 'er tyd meer en meer toeneemende, eene oorzaak geweest is, dat +de naastgelegene landzaaten afleidingen in gemelden stroom gemaakt +hebben; alwaar de zee haaren loop inneemende, zyn de landeryen eerst +in poelen en meeren afgescheurt. + +In den jaare 1219, den 16 van January, zyn deze landen wederom door +een verschrikkelyken watervloed aangetast, die St. Marcellus Vloed is +genaamt; verwoestende alomme de dyken, dorpen, kerken en kloosters, +groot en kleen vee in meenigte opgeslokt, en waar van word aangeteekent +mede wel 100000 menschen in verdronken zyn. Deze vloed heeft eene +oorzaak geweest, dat de volkeren naderhand de stranden verlieten, +en zich op hooge plaatzen, landwaards in, ter wooninge begaven. + +Omtrent den jaare 1220 is Gryn [64], gelegen tusschen het Flie +en Almeenum, door Siardus, mogelyk Sierd Siersma, Abt van Lidlum, +met gragten en wallen voorzien, en tot een stad gemaakt; alwaar ook +een schoole van geleerdheid of Academie wierd gesticht. Niet lang na +dezen tyd, als de lieden zeer eenvoudig en weinig Onderwezen waren, +hebben de Roomsche Geestelyken, deze slegtigheid [65] des volks +tot hun voordeel neemende, byna het derdendeel van de goederen en +rykdommen des lands in hunne kloosters gesleept; en veele ryke lieden, +om alles na hunne dood te behouden, tot het kloosterleeven bewoogen. + +In den jaare 1221, omtrent Driekoningen Dag, zyn door eenen watervloed +wederom eenige duizenden menschen en beesten in Friesland om 't leeven +geraakt. En den 24ste van February volgde een derde vloed: daar na +een zeer groote droogte zonder regen, die de landen de teelkragt, +om iets voort te brengen, deed verliezen. Hier op volgde, daags na +St. Lambert, wederom een vloed, die de opgedroogde landen met zoute +wateren vervulde. + +In den jaare 1222, in January, was 'er wederom een vloed over deze +landen, waar door veele schade veroorzaakt wierd. + +In dezen tyd leed Groningen zwaare onheilen; want de stad van hare +vestingen beroofd wezende, quam een ieder by dag en nacht daar in, +bedryvende veele gruwelen van moorden en bloedstortingen zonder dat +daar recht over wierd gedaan. + +In den jaare 1224 is Friesland wederom door het zoute water +overstroomt; waar door over de 10000 menschen verdronken, en al wat +meest van de beesten voorhanden was. + +In den jaare 1227 braken de Groninger onlusten wederom op, tusschen +Rudolf, Kastelein van Koeverden, en Egbert, Burggraaf van Groningen, +over deszelfs Burggraafschap. Doch de Utrechtsche Bisschop, Otto +van der Lip, quam met 'er haast herwaards en vereenigde hen. Maar +de Bisschop was zo dra niet vertrokken, of Rudolf, zynde misnoegt +over het gemaakte verbond, heeft Egberts slot by den Ham aangetast +en geruïneert; en daar op zelfs voor Groningen trekkende, wierd hy +door die van zyn aanhang binnen gelaaten. + +Hier op moest Egbert de stad verlaaten, maar verzamelde daar en +tegen een groote macht van Friesen, waar mede hy de stad voort weêr +belegerde; schietende zo een zwaar vuur in dezelve, datze voor 't +grootste gedeelte in weinig tyd verbrande, en hy haar overwon. Rudolf +moest insgelyks vlugten, trok derhalven op Koeverden, en bragt byna +het geheele Drenth in de wapenen; waar mede hy Groningen belegerde, +en met groot geweld aantaste: doch de goede bezetting van binnen deed +hen t'elkens afdeinzen. Ondertusschen quam de Bisschop van Utrecht +mede herwaards, om Egbert te ontzetten, hebbende by hem een machtig +leger van uitgelezene ruiters en soldaaten, met veele Grooten tot hunne +Bevelhebbers, tot omtrent Koeverden; doende het daar ter neêr slaan, +en den Gouverneur Rudolf opentlyk voor een rebel verklaaren. + +Rudolf brak aanstonds de belegeringe voor Groningen op, en marcheerde +zeer moedig met zyne macht tot omtrent zyne vyanden, laatende alleen +een moerassig land tusschen beide. + +Des anderen daags morgens quamen de vyanden voor den dag springen, +om alzo Rudolf en de zynen te overvallen: maar hunne groote stoutheid +bragt hen op de slagtbank; want zo als zy op de moerassige weide +quamen, wierd 'er van achteren zodanig gedrongen, datze 'er voor 't +meerendeel in bleven steeken. Doe viel Rudolf met de zynen op hen in, +en hieuw zo vreesselyk onder die benaauwde vyanden, dat 'er in 't +kort 500 door 't zwaard nedergezabelt wierden, of in 't moeras waren +gesmoord, en waar onder de Bisschop zelve, die op eene zeer wreede +wyze om 't leeven wierd gebragt; vervolgens de vlugtende nagezet, +en veele perzoonen van grooten rang gevangen genomen [66]. + +In den jaare 1228 quam de Utrechtsche Bisschop Wilbrand met een groote +krygsmacht in 't Drenth, om de dood van zyn Voorzaat te wreeken. Hy +pleegde dieshalven eene groote tirannye aan de inwoonders. Rudolf +moest zelve ook voor hem buigen, geevende Koeverden weêr over. Doch +Rudolf hernam door eene krygslist het kasteel van Koeverden wederom, +slaande de geheele bezettinge daar in dood. + +Daar na heeft de Bisschop met een nieuw verzamelde macht, in den +winter, onder de begunstiging van een felle vorst, wederom eene tocht +herwaards gedaan; maar een zeer zwaar onweder van regen en haastige +dooy deed hen alle de vlugt neemen, met achterlaatinge van alle hunne +bagagie, ten voordeele van Rudolf. + +Na dezen bragt die Bisschop wederom een leger op de been, en hy op +het Hardenberger Kasteel zynde, voorneemens om Koeverden te bestormen, +komt Rudolf ondertusschen van het kasteel, om met den Bisschop in der +minne te accordeeren. Maar de Bisschop, het tegendeel zoekende, nam +den Gouverneur Rudolf, nevens zynen raadsman Hendrik van Graastorp, +gevangen, doende hen schrikkelyk pynigen, voorts leevendig râbraaken +en de ligchaamen op raderen stellen. + +In den jaare 1230, den 17de van February, zyn door een tempeest van +donder en blixem, over Friesland gaande, veele huizen, verbrand en +neêrgeworpen; en daar boven een watervloed, in welke veele duizenden +menschen en beesten, verdronken [67]. + +In dit zelve jaar waren de Reilanders en Asschendorpers [68] in +eenen hevigen oorlog; maar de eerste gansch onkundig, vielen met +hunne meeste Edelluiden in des vyands handen. + +In den jaare 1231 ontstond tusschen de dorpelingen van Uithuizen, en +die Van Eendrum, een openbaare oorlog, over een kleen eilandje, aan de +Noorder dyken gelegen. Dit verschil was bevoorens al uitgesprooken door +de Rechters van Upstalsboom [69] ten voordeele van de Uithuizers. Doch +die van Eendrum achte zich verongelykt, en wilden aan het gevelde +vonnis niet gehoorzamen; gingen daarom by de Groningers om hulpe, +die hen ten eersten met een groote hoop krygsbenden bysprongen, +en dus gelykerhand de Uithuizers aantasteden en in hinderlaag bragten. + +Hier tegen kreegen de Uithuizers ook onderstand van de Drenthers, +Drenthwolders, Vredewolders enz., trekkende ieder op hunne post. De +Uithuizers wederom tegen die van Eendrum, slaande hen op de vlugt, +en bequamen veel buit. Maar de Drenthers trokken voor Groningen, +en stieten daar schrikkelyk het hoofd: want, nadatze daar drie dagen +gelegen hadden, wierden zy door die van binnen, uitvallende, deerlyk +verslagen, achterlaatende aan de Groningers 600 paarden, al hunne +proviand enz. Door deze overwinninge kreegen de Eendrumers wederom +moed; vallende daarop in des vyands land, en hielden 'er gruwelyk huis; +want zelve staken zy de brand in de kerk Usquert, welke, behalven de +andere geheiligde dingen daar in, met eene geweide hostie, verbrande; +daar en boven wierden de vrouwen geschonden, en noch oude of jonge, +lieden gespaart. + +Ondertusschen, als de Drenthers voor Groningen waren, quam Bisschop +Wolbrand met zyne soldaaten voor Koeverden; neemende de stad en +voorburg in, en zabelde alles neêr wat 'er in was, zonder zelve de +noch in de wieg leggende kinderen te sparen: hier na gaf hy de plaats +aan zyne soldaaten; die dezelve geheel uitplonderden en naderhand +in brand staken. Maar het kasteel heeft hy, om zyne vastigheid, +niet kunnen bemachtigen; alhoewel het echter op die of een anderen +tyd ook ten eenemaal verdistrueert is geworden [70]. + +In den jaare 1232, in September, was te Groningen een zamenkomst +van die van Husingo, Westerlanders en hunne bondgenooten, welke dus +gelykerhand in Fivelingo vielen, tot omtrent Wester-Embden: maar +wierden door hunne partye zo deerlyk gehavent, datze met 'er haast de +vlugt moesten neemen, met achterlaatinge van 400 dooden of gevangenen, +en veele gekwetsten aan hunne vyanden. + +In den jaare 1233 is Otto de derde, Graaf van Holland, met een groote +krygsmacht in 't Drenth gevallen; heeft de stad Koeverden, benevens +de Drenthers, onder zyne gehoorzaamheid gebragt, en hen daar na +gedwongen, behalven andere breuken te geeven, een klooster te bouwen +[71], ter plaatze daar wel eer de Utrechtsche Bisschop Otto van der +Lip verslagen was. Dit klooster is het volgende jaar aangevangen, en +ter plaatze, daar nu Assen is, volbragt; zynde het zelve dat namaals +en nu noch tegenwoordig tot het Gemeenelands Huis gebruikt word. + +In den jaare 1234 is het stedeke Wartena, door een harden storm, +geheel weggespoelt. Het was gelegen in de Grietenye van Idaarderadeel, +omtrent Grou: waar van nu noch een dorp van die zelven naam is. + +In dezen tyd is 'er weder twist ontstaan, om de voorrang in 't offeren, +tusschen die van Albada en Reinalda te Waaxens, by Holwerd: waar +uit naderhand de scheuringen tusschen de Schieringers en Vetkoopers +gerezen zyn. + +De buurt, omtrent het westen van Almeenum, is in dit jaar tot een +stad geworden, en met haare voorrechten voorzien. Maar, als 'er twist +tusschen de Edelen van Harliga en Harns ontstond om den naam, zo heeft +zy tot heden die beide naamen behouden, en word in de gemeene Spraak +Harlingen, en in de Friesche landspraak Harns genoemt. + +In den jaare 1239 was Sikke Sjaarda of Sjaardema, Landsheer van +Friesland. En Willem, Roomsch Keizer, en 21ste Graave van Holland, +de stad Aken belegert hebbende, ontbood de Friesen tot zyn hulpe: +welke de stad met water bezettede en overwonnen. Voor deze dienst, +aan hem bewezen, bevestigde de Graave hunnen vrybrief, door Karel den +Groote voorheen aan hen gegeven. Daar na verzogt hy Sjaardema, zo door +groote giften van geld, als 't Erfstadhouderschap hem Friesland over +te geeven. Maar dezelve sloeg des Graafs voorstel door een vinnigen +brief plat af; schryvende aan hem: «Meent gy, dat ik, om my en myn +geslacht te verheffen, een verraader wil zyn, en myne nakomelingen +van de vryheid berooven, die onze Voorvaderen boven alle goederen +geächt hebben?" En liet noch, ter beschimpinge en verachtinge van +gemelden Graaf, goude penningen slaan, waar op aan de eene zyde in +'t latyn, doch dus vertaald, stond: Sikke Sjaardema, Landsheer van +Friesland: en aan de andere zyde: Libertas prævalet auro: dat in eene +goede zin gezegt is: Liever Vry, als Ryk. Waarom hier na tusschen +den gemelden Graaf en de Friesen een oorlog is ontstaan, waar in de +eersten, overwonnen zynde, sneuvelde. Hega Holtwada schryft, dat dit +voorgevallen is in den jaare 1255. + +In den jaare 1242 was te Groningen een zamenzweeringe gemaakt +door de Gelkingen, tegen de drie nagelaatene zoonen van Egbert van +Groenenberg. Zy vielen eerst op den oudsten en sloegen hem dood; maar +de andere twee gingen vlugten, verzamelden, goede hulpe, en trokken +op hunne vyanden af. Doe wierd 'er een burgerlyke oorlog binnen de +stads vesten gevoert; leggende een ieder op zyn hoede, om zyne party +afbreuk te doen; bedryvende groot geweld en bloedstortinge. Doch de +meeste neêrlaagen vielen de autheurs van dit werk ten deel, die zelve +veel volk verlooren, en de stad ook moesten ruimen. Hier op wierden +hunne huizen aangetast, beroofd en verscheidene tot den grond toe +geraseert, en in brand gestoken. + +In den jaare 1246 is te Groningen de St. Nikolaas kerk, nu der A, +gebouwd; welke door Bisschop Otto van Utrecht in den jaare 1446, op +verzoek der ingezetenen van de stad, tot een Parochiekerk is opgeregt. + +'t Zelve jaar, in November, was door zwaare storm en onweder een +groote watervloed over Friesland, en elders, waar door aan menschen +en goederen veele schade geschiede. + +In den jaare 1248 braken de Groninger onlusten wederom op, waar in, op +den eersten November, Thetse door Rudolf van Pedesen wierd omgebragt. + +Den 19de der zelve maand volgde hier op een droevige watervloed, +die zelve, behalven de buitendyken, de dyken van het diep genaamt, +welke nu aan de Eems een zyl en verlaat hebben, wegspoelde. + +In 't begin van den jaare 1249 is wederom een watervloed over deze +landen gegaan; wordende door een andere vloed op den 12de van February +gevolgt; en daar na met eene zwaare pestellentie en duuren tyd. + +Evenwel was Groningen noch vol onlusten: want die van de stad, +doe zeer wreed zynde, hielden het koren in dezen bedroefden tyd op +een zeer hoogen prys, en daar boven wierd het vee, 't welk door de +landlieden ter markt wierd gebragt, door eenige oproerige geesten +aangetast en veel beschadigt. + +Omtrent dezen tyd is het Hof in 's Graavenhaage, benevens de groote +Zaal aldaar, door Koning Willem den tweede, en 21ste Graaf van Holland, +gebouwd. + +In den jaare 1250 was te Farmsum een Deken, Sikke genaamt, welke de +Ommelandsche gemoederen zeer ontrustede: hy maakte zelve een verbond +tusschen die van Hunsingo en Fivelingo; en dus met malkanderen te +velde trekkende, wierpen zy het slot Groenenberg omverre, en poogden +Groningen ook te belegeren. + +In dit en 't volgende jaar is Friesland wederom door twee watervloeden +overstroomt geworden; waar door veele duizenden van menschen en +beesten verdronken. + +In den jaare 1251 is Groningen door de Ommelanders belegert en +verscheidene maalen bestormt; doch, door de goede bezettinge, wierden +de bespringers t'elkens afgewezen. Nochtans hebben die van binnen +zich, na een beleg van vier weeken, met verdrag aan hunne vyanden +moeten overgeeven. + +Hier na wierd Groningen, door de ballingen wederom verrast, brengende +in den eersten aanval Hendrik Butel om 't leeven, en roofde doe veele +goederen van de Gelkingen. + +Op dit gerucht trokken de Ommelander bondgenooten wederom welgewapent +voor de stad, welke haar door Conraad, Hoofd der Ballingen, zonder hun +geweld af te wagten, wierd overgegeeven. Hier door geraakte Conraad in +gyzeling; maar kort daar na, door schoone beloften, ook wederom los; +brengende, hoewel tegen zyn gemaakt verbond, een hoop krygsvolk byeen, +waar mede hy het Franciscaner Klooster verraste, laatende het zelve +voort van volk en andere noodwendigheden voorzien. Ook namen zy alle +steene huizen, die vast tegen hunne vyanden waren, in, en deeden die +van proviand en oorlogstuig voorzien. + +De wederparty vlugte tot de kerken van St. Marten en St. Nicolaas; +alwaar zy zo sterk wierden bevogten en in benaauwtheid gebragt, +datze by de landlieden om verdere hulpe riepen. Hier op quamen die +van Fivelingo af, ontzettede hen, en tastede der vyanden bezettinge +zo sterk aan, datze hen, na groote bloestortinge, tot overgeevinge +dwongen, doch Conraad ontstreek hen en ging in 't heetste van 't +gevegt door. + +In den jaare 1254 is Groningen weder door Conraad met verrassinge +ingenomen. De bespringers quamen heimelyk by nacht in de stad, en op +St. Martens Kerk, houdende zich tot den morgenstond verborgen: doe, +de trappen afloopende, vielen zy hunne partye op 't lyf, slaande +9 mannen dood, en de andere salveerden zich, zo zy best konden: +daarop is alles, wat 'er in de kerk gevonden wierd, prys gemaakt, en +daar van een gedeelte aan de gehuurde soldaaten tot soldye gegeeven: +waar door de stad door plonderinge en oproer vervult wierd. + +In den jaare 1255 is Hindeloopen, nu, na de brandstichtinge en +uitplonderinge der Noordsche volkeren, weder haaren wasdom bekomen +hebbende, tot een stad geworden, en met voorrechten en privilegien +begiftigt of voorzien. + +In het zelve jaar, den 18 van January [72], is Willem de tweede, +Graave van Holland, omtrent Hoogwoud van de boeren dood geslagen. Deze +Graaf was van Alkmaar met een groote krygsmacht uitgetrokken, +voor hebbende de Friesen, die tegens hem en zyn voorzaaten altoos +wederspannig hadden geweest, met de wapenen te temmen, en onder zyne +gehoorzaamheid te brengen. Maar de Graaf, door onvoorzigtigheid, +te verre vooruit rydende, trapte het paard door het ys; waarop de +boeren, van achter de struiken komende, hem dood sloegen. + +In den jaare 1257, den 10de van October, is Friesland weder door een +watervloed overstroomt geworden; waar door de dyk in Groningerland, +by Zonda, daar de rivier de Fivela met nieuw werk bedykt was, omverre +wierd geworpen, en voorts het water over het land stroomde. + +In den jaare 1259 quam Hendrik, de achtste Bisschop van Utrecht, in +Drenthwolde, nu 't Gôrecht, en vorderde groote sommen geld van de, +inwoonders: doch wierd hem geweigert. Hierom deed hy de Drenthers +aanstonds wapenen, en de naaste huizen van hunne partyen in brand +steeken. Daar tegen verzamelde de Drenthwolders hunne macht ook byeen, +en vielen aanstonds met eene groote hevigheid op de vyanden in; +waar door zy in den eersten aanval 120 dood sloegen, veele quetsten, +en eenige gevankelyk met zich sleepten. + +In den jaare 1262 wierd in Friesland eene aardbeevinge gevoelt, welke +Groningen mede trof, inzonderheid het klooster Wittewyrum, waar door +de toren instortte: hier op volgde een watervloed door de dyken, +met verbreeking van de zyl Fismar, in den Oldambte. + +In den jaare 1263 is de kerk van het vermaarde klooster St. Bernard, +te Aduwerd, ten tyde van Gayke, de zevende Abt, op eene zeer plechtige +wyze ingewyd, na dat 'er ruim 200 monniken 23 volle jaaren aan hadden +gearbeid, om de kerk op te bouwen en het werk voort te zetten. + +In den jaare 1266 was de tweede Marcellus vloed, waar door Friesland +wederom wierd bezogt: evenwel raakte Fivelingo, door de sterke dyken, +die de monnikken van Wyrum met die van Zonda en hunne nabuuren, daar +'t voorige jaar tegen de Eems hadden gelegt, bevryd. + +In den jaare 1268 wierd D'rYlst, een kleene myl leggende van Sneek, +en doe noch maar eene buurt, mede met Stads voorrechtbrieven of +privilegien voorzien. Indien 'er eene Yle Stins geweest is, schynt +het niet ongeloofelyk, dat het daar van haaren naam ontleent heeft, +volgens gebruikelyke verkortinge en zamentrekking der woorden. + +In den jaare 1270 is te Bolswert het Broere Klooster gesticht, waar +toe het houtwerk voor het grootste gedeelte van de Kreil, by Staveren, +wierd gehaalt. Gelyk ook te Staveren, Hindeloopen en andere plaatzen +in den Zuidhoek, nu noch wel hout, uit het gemelde bosch gehouwen, +te zien is. + +In den jaare 1272 is door geheel Friesland eene zwaare sterfte onder +het vee geweest, als ook een groote hongersnood onder de menschen. + +In den jaare 1273 zyn door eenen watervloed in Friesland wederom wel +2000 menschen verdronken. + +In den jaare 1276, op goede Vrydag, beviel de Graavinne van Hennenberg +te Loosduinen in het kraambed van 365 kinderen; wordende dezelve van +haar oom, Bisschop Otto van Utrecht, in één bekke gedoopt: de knegtjes +wierden Joannes, en de meisjes Elizabeth genaamt. Doch zy stierven alle +nevens de moeder, en wierden te Loosduinen in 't klooster begraven. + +In den jaare 1277, den 25ste van December en den 13de van January 1278, +heeft dit gewest door schrikkelyke watervloeden veel geleden; want +door dezelve verdronken 33 dorpen en veele duizenden van menschen en +beesten in den Dollaart; en doe is het begin gemaakt van dien grooten +Inham, de Dollaart genaamt. + +Omtrent den jaare 1280, na dat de Friesen van de geduurige +bespringingen der Graaven van Holland en der Noormannen, hunnen +hals nu vryer hadden, zyn de oude wrokken, die in 't offeren om +den voorrang zo meenigmaalen ontstaan waren, weder opgeborsten, +en de stinsen, voorheenen tegen de uitlandsche vyanden gemaakt, +wieschen nu in getal en meenigte: en onder schyn van bescherminge +tegen de stormende watervloeden, wierden de landeryen en dorpen met +hooge wieren van aarde digt te zamen gestampt, daar gemelde stinsen +op gebouwd wierden. Waar uit eerst quaad nadenken, doe haat, nyd +en eindelyk openbaare vyandschappen en moorderyen onder de Edelen +ontstonden: het land wierd in tweeën verdeelt; die van Oostergo gaven +de anderen den naam van Schieringers, om dat hunne landstreek, in +broekig en waterachtig land bestaande, en hunne meeste kostwinning en +handel in de visscherye van Schiere Aal, alwaar 't alomme van krielde, +bestond of gelegen was. En zy zelve gaven zich den naam van Vetkoopers, +om dat zy in hunne hooge landen en grasryke weiden met de vetweijeryen +en landbezaaijingen meerendeels zich geneerden. Doch andere verhaalen +om andere inzichten. Van alle welke twisten en oneenigheden wy niet van +voorneemen zyn alle voorvallen te melden, om redenen dat die voor het +meeste gedeelte tusschen byzondere Edelen zyn ontstaan, en daarom voor +geene algemeene landtwisten zyn te houden: maar wy hebben voorgenomen +te melden, de grootste gevallen, en die voor algemeene landtwisten +te houden zyn, en tot eene daadelyke tweespalt des Gemeenen Lands +zyn uitgeborsten, waar van wy alleen de voornaamste ontmoetingen, +die steden en landen eenige merkelyke veranderinge aanbragten, +hebben aangeteekent. Van welk alles in het gemeen geweeten dient, +dat aan beide zyden dikwyls vredeverbonden gemaakt en verbrooken zyn, +maar van ons niet alle aangeteekent, om dat wy kort willen zyn [73]. + +In den jaare 1287 waayde het zo een geweldige stormwind, dat alle +de dyken rondom Friesland doorbraaken, waar door kerken en huizen +wegspoelden. Van het stedeke Gryn bleeven geen 10 huizen staan, en het +getal der verdronkene menschen was wel 80000. By welke gelegentheid, +Floris de vyfde, Graave van Holland, de macht der Friesen nu merkelyk +verzwakt ziende, de Westfriesen met weinig moeite onder zyn gebied +gebragt heeft, en een kasteel te Medenblik, nevens noch drie anderen, +in 't gezigt der Oostersche Friesen, bouwde. + +In den jaare 1292 nam Graaf Floris de stad Staveren in, en begiftigde +haar met verscheidene voorrechten. + +Omtrent dezen tyd begon in Friesland de wortel van die allerverdervende +partyschap, Schieringers en Vetkoopers genaamt, aan te groeijen; +zynde tot noch toe onder den Adel alleen beslooten; maar dat duurde +niet lang, of de Gemeente wierd ook gedeelt en van een gescheurt. Ook +begon men meer en meer steenhuizen of stinsen te bouwen, tot een +toevlugt voor hen zelve, en afbreuk hunner vyanden. + +Gemelde scheuringe is eerst onder den Adel op de brasmaalen +uitgebroeit, en kort daar na tot het gemeen over gegaan. De Vetkoopers +of Vetwyders waren de Hollanders toegedaan: en de Schieringers, +veel geringer van staat, hielden zich aan het Groninger verbond. + +In den jaare 1293 heeft Sneek, nu dagelyks in goede neeringe +aanwasschende, mede stads voorrechten bekomen, tot groot nadeel +van de nabuur-stad D'rYlst: maar in 't volgende jaar trof haar het +ongelukkig lot van brand, welke gemelde stad tot op twee huizen na +geheel in den asch leide en verteerde. + +In den jaare 1296, den 27ste van Juny [74], is Floris de vyfde en +19de Graaf van Holland, door Gerrit van Velsen, Heer van Noordwyk, +op eene moorddaadige wyze omgebragt. + +In den jaare 1299 namen de Friesen de drie nieuwgebouwde kasteelen +der Hollanderen in, als ook Medenblik, nu reeds mede tot een stad +geworden; en, na eenig stryden met de Graaven van Holland, moesten +die Westfriesland weder verlaaten. + +Omtrent den jaare 1303 verscheen in de lucht, boven Scharl en Warns, +verscheidene vertooningen van kryg en oorlog, met een ysselyk geroep: +Help! help! De zon veranderde in bloed, en regen van bloed viel op +de aarde. + +In den jaare 1305 verdroegen de Schieringers en Vetkoopers met +malkanderen, om hunne twisten, door een gevegt van twee mannen uit +hen, ten einde te brengen: dit werkstellig gemaakt zynde, bleven de +Vetkoopers verwinnaars en de Schieringers verliezers. + +In den jaare 1306 quamen de Noormannen met eenige schepen in Friesland, +om onder die inlandsche twisten, eenen roof uit het land te haalen: +doch, Reiner Canga of Camminga, dies tyds Landsheer zynde, heeft hen +met zyn byhebbende macht dapper afgeslagen; en over de 900 vyanden +nedergemaakt hebbende, wierd hy zelve gequetst, waar van hy stierf, +tot groote droefheid zyner landsgenooten. + +Na hem volgde J. Hessel Martena, hoewel tegen zynen zin, in het +Landsheerlyke Gebied, om zyne uitmuntende vredelieventheid. + +Omtrent dezen tyd heeft Johannes Flieterp, Secretaris van Martena, +onverwagt de beschryvinge, van Okke Scharlensis te Staveren gevonden; +en dezelve uit het latyn vertaalt hebbende, met eenige van zyne eigene +aanteekeningen, in het licht gegeeven. + +In dezen tyd wierden de Hollanders, die met hulpe der Westfriesen, +Friesland dachten te berooven, dapper afgekeert: het welk Enkhuizen +door eenen brand moest vergelden. + +In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden, hebbende het land +tegen de aanvallen der vyanden dapper bevryd, en dezelve verscheidene +maalen verjaagt. Om nu een nieuwen Landsheer te verkiezen, ontstond +onder het Friesche volk een zwaare twist: de een begeerde die, +en de ander weêr een anderen, maar alzo in dien tyd stormwinden en +overstroomingen quamen, die wel 500 menschen wegsleepten, staartsterren +gezien wierden, bloedregen neder viel, en andere teekenen aan den +hemel zich vertoonden, zoo quamenze daar door tot bedaaren. Ook +ontstond 'er in dezen tyd een vreesselyke hongersnood; waar uit +droevige exempelen voortquamen: onder anderen, eene zekere Vrouw, +hebbende haar goed by de landtwisten verteert, en te Sixbierum haar +armoede verbergende, sloot haar huis toe en stierf alzo met haare +Kinderen. En een weinig tyds hier na, heeft eene ongemeene sterfte +het derdedeel der menschen weggenoomen. + +In den jaare 1318 quamen de Hollanders met een kleen vaartuig te Makkum +en Kornwert aan land, meenende, onder het gewoel van deze inlandsche +scheuringe, een goeden buit weg te sleepen: maar de Friesen spoelden +hen de voeten, en hebben door hulpe van die zelve schepen Medenblik +en Enkhuizen uitgeplondert. + +In dezen tyd was Staveren mede in het Verbond der Anseesteeden. + +En in dezen tyd bevryden de Friesen hun Land mede voor de aanvallen der +Graaven van Gelder; als mede voor die der Hollanders en Westfriesen, +nu wederom hunne vyanden geworden. + +In den jaare 1323 wierd van alle de Friesen beraamt, voortaan hunne +generaale Rechts-Vergaderinge te Upstalboom, in Oostfriesland, +te houden. + +In den jaare 1324, in November, zyn door een groot tempeest van donder +en blixem, en een watervloed over Friesland en Holland gaande, veele +menschen en beesten verdronken. + +In den jaare 1326, of omtrent dezen tyd, begon Appingadam in alle +neeringe, ambagten en rykdom toe te neemen, zelfs Groningen gelyk +te worden. + +In den jaare 1327, een weinig na Kersmis, zyn de privilegien en keuren +van Appingadam, door de Staaten van Fivelingo, in een zeer plechtige +byeenkomst opgestelt en goedgekeurt. Ook zyn dezelve, weinig dagen +daar na, op een algemeenen Landdag, te Upstalsboom bevestigt, en met +het Zegel [75] bekragtigt. + +In den jaare 1328 was de toestand der Schieringers en Vetkoopers zo +verre gekomen, dat de zwakste party nu begon vreemde soldaaten in +dienst te neemen. + +In den jaare 1332 zyn de wetten gemaakt van de waterlossinge by het +Huis Groenenberg; waar uit een oorlog ontstond; want de Friesen +van Humsterland, Vredewold enz., zich t'zamen voegende tegen de +Groningers, geschiede het eerste gevegt in Hunsingo, en de tweede +slag in Fivelingo, beide tot nadeel der landlieden. Maar de derde +treffinge was zwaarder dan de eerste, en viel de Groningers ten deel. + +Daar na is het Huis Kortinge, by Selwert, zynde met eenige Drentsche +Edelen bezet, door de landlieden stormenderhand ingenomen, en de +gansche bezettinge daar in dood geslagen. Voorts wierd Groningen ook +door hen overweldigt, wordende veele burgers in de eerste furie gedood, +en 60 der voornaamste auteurs van die onlusten opentlyk op de markt, +by de Pelster-, Gaddinge-, en Volkeringe Straat door 't zwaard onthoofd +[76]. + +In den jaare 1334, in November, op St. Klemens Dag, was 'er een groot +onweêr van donder en blixem; en zo een watervloed, dat het zeewater +over de dyken heen stroomde, waardoor veele menschen in Friesland en +elders verdronken. + +In den jaare 1336 zyn te Bolswert 136 huizen verbrand. Ook wierd +Friesland in dit jaar wederom door een watervloed aangetast, daar +door veele menschen en beesten verdronken. + +In den jaare 1342 was het Aduarder klooster zo machtig en weelig +geworden, dat hun verboden wierd, meer goederen en landeryen aan +te koopen. + +In dit zelve jaar, den 25ste van September, is Graaf Willem van +Holland, zo 'er gezegt word, in Friesland gevallen met over de 100000 +mannen: maar wierden van de Friesen zoodanig gehavent, dat zy met +achterlaatinge van 18000 mannen, waar onder de Graaf, en omtrent 200 +Edelen, wederom moesten aftrekken; zynde dit de grootste overwinninge +die de Zeelandsche Friesen ooit hebben bevogten. Want daar word gezegt, +dat de Hollanders 10 mannen tegen de Friesen een sterk waren geweest. + +In den jaare 1346 waren die van Hunsingo met de stad Hamburg in oorlog; +doch de Hamburgers den Frieschen koophandel niet kunnende missen, +bragten door anderen zo veel te weeg, dat de zaak door wederzydsche +gezanten is bygelegt geworden. + +In den jaare 1350 was 'er zulk eene vergiftige pest in en omtrent +Friesland, dat de menschen al gaande en staande dood nedervielen, +blyvende van 1000 naauwelyks 10 in 't leeven. ô Ysselyk verhaal! + +In den jaare 1361 is te Groningen eene generale vergadering gehouden +van alle Magistraatsperzoonen in 't geheele vrye Friesland, tot +conservatie van hunne rust en vrede. + +In den jaare 1364 heeft Hertog Aalbregt van Beyeren, Graave van +Holland, het Eiland Ter Schelling in brand gestoken; doch niet zonder +weêrzydsche bloedstortingen, want het in dien tyd onder Friesland +behoorde. + +In den jaare 1368, den vierden van September, is Groningen door alle +regeerende, en daar toe gerechtigde perzoonen, tusschen de Eems en +Lauwers, gerechtigd tot de Stoel der gemeene Vergaderingen; 't welke +zy voorheen maar naar gewoonte hadde geweest. + +In den jaare 1379 is Koeverden door de Rustringen en Oostringen, +met Sibet en meer andere Hovelingen, ingenomen. + +In den jaare 1387 zyn in Friesland door een watervloed wederom veele +menschen en beesten verdronken. + +In den jaare 1388 heeft Folkmer Allena het steedje Aurik, +in Oostfriesland, ingenomen, en het slot zeer hevig laaten +beschieten. Okko was Bevelhebber daar binnen, die, na stilstand van +wapenen verkreegen te hebben, naar beneden in de stad ging, om over +het verdrag te handelen; maar het zelve niet getroffen wordende, wierd +Okke door zyne trouwlooze vyanden op den 26ste van July doorstoken; +stervende alzo de eerste Ridder in Oostfriesland, Okko, Heer van +Broekmerland. + +In den jaare 1392 is Leeuwarden, door 't aangroeyen der inlandsche +oneenigheden, heimelyk aan de noordzyde in brand gestooken; waar door +'t Prediker klooster en kerk verteerden. + +Hier na quamen de Hollanders met een machtig leger in Friesland +vallen, tot omtrent Schooterzyl: alwaar zy door de Friesen wierden +tegen gestaan, vegtende aan weêrskanten zeer scherp, tot beider groot +verlies; want de Hollanders de overwinning hebbende, verlooren nochtans +1300 mannen, zo aan dooden als gevangenen, en de Friesen daarentegen +600 mannen. + +In den jaare 1397 was Yv Juwinga Landsheer, die van zommigen ook +genoemt word Ju Jongama. In dien tyd quam Albrecht van Beyeren met +eene macht van 18000 mannen in de Kuinre, dies tyds een Graafschap, +om Friesland te overweldigen. En Juwinga, de Friesen tegen hem niet +kunnende afraaden, om geen slag met hen te waagen, kreegen zy by +Schooterzyl de nederlaag, en verlooren omtrent 500 mannen, als mede +den Landsheer zelve. Daar na trok Albrecht naar de Lauwers; daar de +Friesen hem tegenstonden. Ondertusschen verteerden de Schieringers +en Vetkoopers malkander zodanig, door hunne oneenigheden, dat de +Vetkoopers te raade wierden, voor hunne zyde het land aan Albrecht +op te draagen; en de stad Staveren wierd hem ingeruimt. Doch van +de Schieringers tegengestaan zynde, vertrok hy van de Lauwers, door +geheel Oostergo en Westergo. + +In den jaare 1398 nam Albrecht Dokkum in, en deed de voornaamste +der Schieringers naar Groningen vlugten; alwaar dezelve door eenen +Koppen Jarges van Staveren gestyft zynde, benevens de Groningers, +den Hertog weder tegen trokken, onder het geleide van Sikke Deekema, +Gaale Hanja, en Ode Botnia. + +In dit zelve jaar, hebben eenige Ommelander Heeren, de Ommelanden +heimelyk aan den Graaf van Holland opgedraagen. Maar doe de andere +Heeren zulks gewaar wierden, en buiten weeten, zich tegens recht +en privilegien overgelevert te zien aan hunne vyanden, beraamden +daar op het jok af te schudden. Eppo Nittersum, zynde een Patroon +der Schieringers, maakte hier aanstonts een begin van, neemende den +tooren of vastigheid tusschen ten Post en Mude in, en sloeg het daar +binnenleggende guarnisoen, uit Hollanders bestaande, altemaal dood, +of deeden hen in de Damstervaart verdrinken. Ondertusschen wierd +Groningen ook van den Graaf van Holland verzogt, hem voor haren Heere +te neemen; doch te vergeefs. + +In den jaare 1399 namen zy Dokkum, Cammingaburg en het slot ter Luine, +gelegen tusschen Kollummer en Oudwoudumerzyl, weder van den Hertog, en +noodzaakten hem weder uit Friesland te vlugten; alleen noch behoudende +de stad Staveren. Van waar Brederode, meenende de schans te Molkwerren, +dat Winsemius ook Molkenhuizen noemt, in te neemen, doch mislukte: +maar wierd van de Friesen geslagen, en hy zelve gevangen genomen. Doch +weinig tyd hier na is de vrede geslooten in den Briel, tusschen Johan +van Beyeren, Graaf van Holland, de Friesen en de stad Groningen en +Ommelanden. Waar op de Graaf door de Groningers met 50 vette Ossen +wierd vereert. + +De Friesen dus hunne vryheid weder bevogten en gewonnen hebbende, +zyn de drie voornoemde Edelen, de een na den anderen tot Landsheeren +verkooren; doch de een het op den anderen schuivende, hebben zy +'t allen geweigert. + +In den jaare 1400, verzogten de Vetkoopers of Ballingen by den Bisschop +van Utrecht, Frederik van Blankenheim, zyne hulpe, geevende hem een +goede zomme geld, mits dat hy hen by de Groningers in voorige charges +en goederen zoude herstellen. Waar op de Bisschop brieven en gezanten +aan de Groningers afzond, hen zelfs ook gebiedende, de wapenen neêr +te leggen: doch alles te vergeefs. Want die van Groningen en hunne +Bondgenooten zeer moedig zynde, hebben ondertusschen onder het beleid +van den Burgemeester Albert Wigbolts, Aapke Onstema's Huis, te Sauwert, +met veel moeite ingenomen. Dit Huis was zeer sterk, hebbende muuren +van 12 voeten dikte, met een wyde gragt om dezelve, en om welke noch +een andere gragt heenen ging, bevattende 5 steene torens. + +Dit gerucht deed de Bisschop met zyn krygsmacht afkomen, doende de +stad Groningen op St. Jacobs Dag aan de zuidzyde berennen: waar op +veele schermutselingen volgden. Doch, na drie weeken belegs, heeft +de Bisschop de stad wederom moeten verlaten, zich te vreden houdende +alleen een Blokhuis te Blankeweer met volk wel te bezetten. + +Omtrent dezen tyd hebben de Groningers het Stapelrecht bekomen. + +In den jaare 1401 kogten de Groningers van den Bisschop van +Munster zyne vriendschap voor 2000 guldens; mits dat hy zich by den +Utrechtschen Bisschop niet zou voegen. Hier op trokken de Groningers +met grooten moed in de Ommelanden, werpende veele steene huizen +omverre, als van Snelgers huizen in den Dam; van daar na Ripperda's +huis te Farmsum, maar met zo een goeden uitslag niet als by den +eerste; want Ripperda, 400 zeeroovers tot bezetting gekregen hebbende, +vielen op hen uit, en sloegen veelen van de Groningers dood. Waarom +de Groningers aftrokken; doch maakten hunne krygsgereetschappen +wederom in den Dam gereed, waar mede zy, na drie dagen toevens, weder +derwaarts trokken; vallende doe met zo eene verwoedheid op gemeld +huis en hunne vyanden aan, datze in 't kort overwinnaars wierden, +en alles aan stukken hakten, of in 't water deeden verdrinken die 'er +op waren. Daar na trokken de bondgenooten naar Termunten, en haalden +het huis van Menno Houwerda omverre; als ook daar na Gockinga's huis, +te Broeke. + +In den jaare 1404 zyn Sioerd Wiarda en Haring Harinxma, by gemeenen +raade, tot Landsheeren verkooren; hebbende de eerste zyn opzicht +in Oostergo, en de andere in Westergo. In dezen tyd zyn nochmaals +eenige Friesche Edellieden naar het Joodsche Land vertrokken, om +kunne krygslust oeffening te geeven. + +In den jaare 1405, den eersten van October, is de vrede tusschen +den Bisschop van Utrecht en de stad Groningen geslooten; waar door +weêrzyds gevangenen zouden los gelaaten, en de ballingen in hunne +voorige goederen herstelt worden. + +In den jaare 1408 is Darrelt, in Oostfriesland, door de Hollanders +ingenomen, en daar na getracht vast te maaken: doch Jonker Keno, van +Broekmerland, heeft hun voornemen verydelt, en ter plaatze uit gejaagt. + +In den jaare 1409 heeft Jonker Keno Folkmer Allena's huis te +Oosterhuizen, in Oostfriesland, ingenomen, neemende zyne zusters zoonen +gevangen, en wierpze te Aurik in eene, vuile gevangkenisse, alwaar zy, +door toedoen van zyne moeder, van honger en vuiligheid zyn gestorven. + +In den jaare 1412 waren de partyschappen in Friesland tusschen +Schieringers en Vetkoopers schrikkelyk woedende: want de Vetkoopers, +hebbende in eene vergadering voorgedragen, om de Schieringers ten +eenemaal uit te roeijen, zonder zelve de kinderen in de wieg te +spaaren. Hier om wierden de gemoederen der Schieringers noch meer +ontsteeken; en daar zy hunne vyanden maar bespringen konden, sloegenze +die dood. + +In den jaare 1413 is de stad Embden door Jonker Keno van Broekmerland +ingenomen: waarom Proost Hiske, aldaar Heer zynde, naar Groningen de +vlugt nam. + +Door deze overeenkomst van Proost Hiske, begon Groningen ook verdeelt +te worden, door die alverdervende partyschappen van de Schieringers +en Vetkoopers. Die van Rengers, Huginge, Clant, Clinge en Brugge, +neigden naar de Vetkoopers, als zynde de Hollanders toegedaan: de +andere waren meest alle in 't openbaar Schieringers; hun Opperhoofd +was Koppen Jarges, houdende zich aan 't Groninger verbond. + +Deze Scheuringe veroorzaakte eene groote bloedstortinge; want de +Schieringers wilden den gevlugte Proost Hiske [77] helpen, tegen +zyn vyand Jonker Keno; en de Vetkoopers daar en tegen niet. Hier +op stonden de Schieringers, als de sterkste party zynde, den 23ste +van October uit haat op, en vielen op het Raadhuis aan, als de Raad +vergadert was: zy doorstaken aanstonds den Burgemeester Jan Rengers +en Albert Barelts, en Johan Hekman veele wonden toegebragt hebbende, +wierpenze ter venster uit op de markt. Voorts bragten zy Hendrik +Ottesz. Clant mede om 't leeven, als ook Allard Clant, daar hy aan +tafel zat te eeten. Vervolgens deeden zy den Raad besluiten, dat alle +de geene die van de Vetkoopers partye was, zich zonder eenig ophouden, +uit de stad en de Ommelanden zouden vertrekken. + +In den jaare 1414 hebben de Friesen van Westergo de stad Staveren +overrompelt; waar door Friesland geheel van het Hollandsche jok +wierd vry gemaakt. Ook waren de Schieringers, onder Koppen Jarges, +in Groningerland op hunne hoede: want de ballingen, hunne toevlugt by +Jonker Keno genomen hebbende, deeden derhalve alle de aankomsten aan +de Eems met krygsvolk bezetten: ook liet Jarges het goud en zilver +uit de kerken in Fivelingo neemen, waar van te Kampen geld wierd +geslagen; dat naderhand Koppens guldens genaamt wierd. Daar op nam +de landbederving een begin, steekende twee sluizen te Reiderland in +brand, en op verscheidene plaatzen de dyken door. Jonker Keno deed +het zelfde aan de Groninger kant, doorsteekende mede op verscheidene +plaatzen de dyken: moetende alzo het gemeene volk de dolle razernye +der Grooten ontgelden. + +In den jaare 1415 hebben de ballingen of Vetkoopers hunne macht, +benevens hunne vrienden, en die 't met hun hielden, te Eelde, in 't +Drenth, byeen vergadert, waar mede zy op den 13de van September, des +avonds, den dyk langs, stilletjes voor Groningen trekkende, en voorts +over de stads muur klimmende, de sloten van de Aa Poort afhieuwen, +en dus de stad, na veel bloed vergooten te hebben, innamen; hier op +stakenze aanstonds drie huizen in brand, ten teeken voor Jonker Keno; +welke met een vloot schepen voor Delfzyl leggende, ten eersten met zyn +krygsvolk naar de stad afquam, en herstelde de ballingen aanstonds +in hunne voorige bedieningen en goederen. Daar na trok Jonker Keno +met zyn volk door de Ommelanden, en deed verscheidene van der vyanden +heerenhuizen omverre werpen. + +In den jaare 1416 hebben de Groningers, met die van Hunsingo en +Fivelingo, hunne oude verbonden wederom vernieuwt, na dat Jonker Keno +vertrokken was; waar in alle vyandschappen en misdaaden vergeeven +wierden. + +Ook heeft Proost Hiske, met hulpe zyner vrienden, de stad Embden +wederom overweldigt en onder zyn gebied gebragt. + +In den jaare 1417 zijn de Vetkoopers door de Schieringers uit +de Westerlauwers gejaagt. Maar Jonker Keno zulks berigt zynde, +trok hen op den 10de van Juny by Noordhorn tegen; alwaar zeer hevig +gevogten wordende, de Schieringers 500 dooden en 400 gevangenen lieten +zitten. Korts hierna is Jonker Keno ziek geworden, en op 't Huis te +Oldenburg overleden. + +In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier Dokkum ingenomen, geplondert +en in brand gestoken; de bolwerken in de gragt geworpen, en al de +huizen en stinsen der Schieringers geraseert, als mede ook het huis +van A. Kamstra, bezuiden Dokkum: het blokhuis by Esumerzyl wierd +stormerhand ingenomen, waar in vier mannen door den eersten aanval +wierden gedood, en de rest der bezettinge, zynde zeeroovers, door +beuls handen den kop afgeslagen. Doch in het volgende jaar quamen de +Schieringers, onder 't geleide van Sikke Sjaardema, en wierden daar +weder meester van. + +Des Okke van Broek, de zyde der Vetkoopers versterkende, quam met een +hoop volk uit Embderland, dat hy tusschen Staveren en Hindeloopen aan +land zettede, en met Sjaardema in een hevig gevegt raakte: waar in +300 Schieringers verslagen, en 200 gevangen wierden; de overgeblevene +vlugten naar Slooten, dat zy in allen spoed met eene wal versterkten +of omtrokken: en wierden van hunne vyanden belegert: doch door hulp +des Graaven van Holland weder ontzet. + +In den jaare 1419 hebben de Groningers den Bisschop van Utrecht, +Frederik van Blankenheim, voor hunnen Beschermheer aangenomen, +wordende hy in 't begin van Juny gehuldigt, en de Handvest op den +11de dito geteekent. + +In den jaare 1420 liet Sjaardema, door des Graaven volk, Makkum met een +bolwerk omringen. Maar zy, door een listigen brief van Tjeerd Ailua, +Vetkooper te Witmarsum, wierden daar uitgelokt: en is doe die wal weder +geslegt [78]. Ook trof men een veldslag by Hindeloopen, daar wel 200 +mannen wierden verslagen en verdronken, en noch zo veel gevangen. + +Den 30ste van April, in dat zelve jaar, is Bolswert door de +Schieringers ingenomen, wordende aldaar een Jan Tjalling, Hoveling, +met noch eenige Vetkoopers door de kling gejaagt, om dat zy voorheene +eenen van Koppen Jarges volk hadden doodgeslagen. + +Daar na hebben de Vetkoopers, onder het commando van Fokko te Lier, +op den 12de van May, de Schieringers by Catse geslagen; die daar 300 +dooden en 200 gevangenen verlooren. + +Den 26ste van September wonnen de Vetkoopers Staveren, alwaar Koppen +Jarges, zeer dapper vegtende, het leeven verloor. Omtrent dezen +tyd ontstond te Staveren een groote brand, waar door in 't kort 500 +huizen verteerden. + +In den jaare 1421 wierd Leeuwarden door de Vetkoopers vermeestert, +en de Hollanders uit de Lemmer verdreven; daar hun sterk Blokhuis +wierd omverre geworpen en geslegt. + +In 't zelve jaar, den 19de van November, is in Friesland, Holland +en elders, een schrikkelyke watervloed geweest, waar door de dyken +wierden gebroken, veele duizenden van menschen en beesten opgeslokt, +en tusschen Dordrecht en Geertruidenberg 72 dorpen zyn vergaan. + +In den jaare 1422, in February, wierd 'er weder een verdrag van +vrede [79] gemaakt tusschen de Schieringers en Vetkoopers. Waar op +Dokkumerwal, en het slot op Esumerzyl geslegt wierden. Echter bleef +by zommigen noch de twistgierigheid, waar door de zorg voor de dyken +verwaarloost wordende, het water zoodanig inspoelde, dat het land +drie jaaren lang tot aan Drenth en Stellingwerf met het zelve bezet +bleef leggen. + +In dit zelve jaar hebben de Groningers de stad Slooten belegert; +doch vrugteloos: want op St. Benedictus dag hebben de Hollanders de +stad ontzet en de belegeraars geslagen. + +In den jaare 1424 was geheel Westergo in onrust, door de partyschappen +van de geslachten Bonnema en Gerkema. De stins van Gerkema wierd +overweldigt, en zelve met den vader daar in verbrand. Doch twee jaaren +daar na wierd Fokko Bonnema ook verslagen. + +In den jaare 1426, in September, geschiede het bloedige gevegt van +Fokko Ukens, Hoveling te Leer, tegen Nikolaas, Graaf van Oldenburg, en +den Aartsbisschop van Breemen, by Deteren: alwaar Fokko, overwinnaar +wezende, van de vyanden 5000 mannen doodsloeg, en 300 gevangenen +bequam, waar onder veele heeren van grooten rang. + +In den jaare 1427, den 28ste van October, was 'er wederom een zwaare +stryd van Fokko Ukens, tegen Jonker Okko van Broekmerland, tusschen +Veenhuizen en Opgant; daar geschiede een groote bloedstortinge; +want Fokko wel de overhand hebbende, verloor nochtans 4000 mannen; +doch Okko verloor van zyne kant noch meer, en viel zelve in des vyands +handen; alwaar hy, na zes jaaren in de gevangenisse gezeten te hebben, +is komen te sterven. + +In dit zelve jaar deed de Geldersche Hertog, met een groote krygsmacht, +een inval in 't landschap Drenth, steekende verscheide dorpen en +buurtschappen in brand; vernielde het koren; roovende en plunderende +alle de beste goederen, en dezelve met hem naar Gelderland sleepende. + +In den jaare 1428 sloeg Fokko Ukens de slag by Oterdum, tegen de +Groningers; alwaar Fokko, wederom overwinnaar zynde, van de vyanden +500 mannen doode, en veele gevangen nam, waar onder een Burgemeester +van Groningen. + +In den jaare 1429, was Groningen en Hamburg wederom in Oorlog; want +weêrzyds waren schepen ter zee met elkanderen geduurig in actie. In +dezen tyd is overleden Proost Hiske van Embden. + +In den jaare 1430 zag men noch, by een laage ty, de kapel en ringmuur +van 't kerkhof van Odulfs Klooster, by Staveren, in de zee. + +In den jaare 1431 hebben de Hamburgers, met een vloot schepen, voor +Embden leggende, den Drost Imelo Abdema, zynde de zoon van Proost Hiske +boven gemeld, onder schyn van vriendschap, op een gastmaal genoodigt; +'t welke zy tot dien einde op een van de schepen hadden toegericht: +maar de Drost aldaar gekomen zynde, en een buitengewoon glaasje wyn +gedronken hebbende, staken zy ondertusschen in zee, en voerden hem +alzoo over naar Hamburg; alwaar hy in groote elende 24 jaaren lang +gevangen heeft gezeten: en de andere schepen zettede zich voor Embden, +die de stad met geweld en dreigementen tot de overgave dwongen. + +In den jaare 1434 was Groningen met de Hamburgers noch in oorlog; +by deze gelegentheid wierd Willem Wicheringe, Olderman of Hoofdman +der Gilden, thans Olderman van 't Gildrecht genaamt in Groningen, +willende het Stapelrecht voor de stad verdedigen, in een oploop van +de landslieden te Farmsum doodgeslagen. Hier op wierd door de Heeren +van de stad vergoedinge dier doodslag geeischt: doch wierd door Hayo +Ripperda, Heer van Farmsum, geweigert, en begeerde den schuldige van +het gedaane feyt niet over te leveren. Hier door ontstond eene groote +tweespalt onder den Adel; want de Groningers eindelyk de wapenen +aangordende, wilden Ripperda tot vergoedinge dwingen: doch hy zulks +niet afwagtende, bood zich aan tot verdrag; 't welk op den 27ste van +July deszelfden jaars wierd getroffen [80]. + +In den jaare 1435 overleed de dappere Fokko Ukkens, Hoveling te Leer, +op het Huis te Dykhuizen, by Appingadam, wordende in het klooster +aldaar begraven. + +In den jaare 1437 hebben de Hamburgers en Embders der Hovelingen huizen +in Oostfriesland om verre geworpen en geraseert, als te Oosterhuizen, +Hinta, Grimmersum, Groothuizen enz., omdat ze tot geen toevlugt voor +de vyanden zouden wezen. + +Ook was in dezen tyd een watervloed over deze landen, waar door groote +schade aan menschen en beesten geschiede; als mede eene pestilentie, +daar veele duizende menschen door stierven. + +In den jaare 1438, in Augusty, zonden de Groningers by nacht een schip +met volk naar Termunten, en verrasten aldaar het kasteel. Zy joegen +alle de Hamburgers daar uit, en stelden 'er wederom tot Commandant +Lodewyk Hoornken. Daar na namen zy het huis van Eppo Gockinga, te +Broeke, in, als mede de sterke toren te Bellingewolde, die zy ter +neêr wierpen. + +In den jaare 1443 is het Stadshuis te Groningen gebouwt. + +Ter dezer tyd was Friesland wederom in groote onlusten; want die van +Ripperda en Heemstra bedreven groote geweldenaaryen van moorden en +branden tegen elkander. + +In den jaare 1444 is overleden de heer Eppo Gockinga [81], waar door +het geheele Oldambt, volgens accoord en der Oldambsteren toestemminge, +onder des stads jurisdictie is geraakt; wordende voorts door de +Magistraat van Groningen een Drost gestelt, om de zaaken uit hunnen +naam aldaar waar te neemen. + +In den jaare 1446 hebben die van Sjaardema, als hun huis, aan 't oosten +van Franeker, bouwvallig begon te worden, een nieuw huis of Slot aan +'t westereind van de stad gebouwd, op een plaats genaamt Kaale Hei, +alwaar 't noch ten huidigen dage staat. + +In dit zelve jaar, na dat het vuur der Schieringers en Vetkoopers +weêr ontstooken was, hebben de Vetkoopers de kerk en toren te Workum +tegen de Schieringers versterkt. Doch deze laatsten hebben hunne +vyanden aanstonts belegert; en de Overste Ketelhoet, die afgekomen +was om de belegerden te ontzetten, geslagen; alwaar Ketelhoet zelve, +en veele gemeenen zyn gedood en gevangen genomen [82]. + +In den jaare 1448, even na St. Jan, is in Appingadam tusschen de steden +Hamburg en Groningen de vrede geslooten, waar in alles wierd bygelegt, +en de vrye handel open gemaakt. + +In den jaare 1453 is de Utrechtsche Bisschop, Roelof van Diepholt, +door de Groningers voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt. + +Ook heeft Jonker Ulrich in dezen tyd, na dat hy van de Prelaaten, +Hovelingen, enz., tot een Heere van Oostfriesland was aangenomen, +de stad Embden met deszelfs burgt, als ook de burgt te Leeroort, +van de Hamburgers gekogt voor 10000 mark. + +Omtrent dit jaar heeft Philip de Goede, Hertog van Bourgondien, +en Graaf van Holland, eerst door veele laagen, en daar na door +dreigementen, Friesland getracht te overmeesteren. Doch de Friesen +hier tegen, maakten gezamenlyk eene onderlinge verbindtenisse, om +hem met een gemeene macht tegen te gaan. + +In den jaare 1454 was te Groningen onder de burgerye een groote onlust, +ter oorzaake van eene zekere resolutie, by den Raad genomen, dat geen +inwoonder van de stad de waaren, welke van de landlieden ter markt +wierden gebragt, zoude mogen koopen; maar dat deze door opkoopers, +van den Raad daar toe gestelt, alleen zouden mogen worden opgekogt, +en dus verder aan de ingezetenen uitgesleten worden. Maar een Warner +Smith, Raadsheer der stad, stelde zich hier tegen, willende zelfs +zyn gryzen kop daar by opzetten, om de burgers van die last te +bevryden. Hy ging derhalven van het raadhuis, en maakte zulks aan +de Bouwmeesters en Gildens bekent. De Raad dit vernomen hebbende, is +aanstonds met 24 mannen vergadert; welke beslooten, dezen Raadsheer +Warner Smith om 't leeven te laaten brengen. Weinig dagen hier na +vergaderde de Raad weder, en deed den Raadsheer Smith door een stads +Dienaar ontbieden: doch hy merkte het quaad; geevende daarom hier van +aanstonds kennisse aan de Bouwmeesters en Gildens, en hun gebiedende, +naauwe wacht te houden voor het Raadhuis. Hier op ging Smith met eene +groote vrymoedigheid naar boven: maar den beul aan de deur vindende, +trad hy in de Raadkamer, zeggende: «Wat, wilt gy uw gebod met bloed +schryven; door de handen van een beul?" Onderwyl zagen eenige heeren +uit de vensteren, en vernamen dat de geheele markt vol gewapende +en oproerige menschen stond; derhalven wierden zy met de uiterste +verbaastheid aangedaan, en veranderden gansch van resolutie: want de +Raadsheer Smith wierd daar op niet alleen vry verklaart, maar zelfs +de genomene resolutie ook wederom ingetrokken: waarom het gepeupel +weêr vertrok. + +In den jaare 1455 is het Verbond tussen de stad Groningen en de +Ommelanden voor den tyd van 10 jaaren vernieuwt. Waar op St. Martens +toren is gefondeert, en na vyf jaaren voltrokken. + +In den jaare 1456 verscheen over Friesland eene ysselyke staartstar; +waar op, eenige jaaren na malkanderen, een groote duurte omtrent +de leevensmiddelen is gevolgt. Omtrent dezen tyd zoude, door de +dapperheid der Friesen, die doorgaans den H. Kryg volgde, om de +inlandsche oneenigheden te myden, wel 30000 Turken ter neder gemaakt +zyn, in de groote overwinningen die de Hongaren bevogten. + +In dezen tyd deed Tanne Kankena een inval in Oostringen, neemende +Jeveren in; en voerde daar na 300 menschen gevankelyk, als mede 3000 +stuks vee, naar Hargelingeland. + +Omtrent den jaare 1457 is Sneek byna geheel afgebrand, blyvende de +dyk en 't nieuw zand maar alleen over. Doch veel tyd daar na is het +weder opgebouwd. + +Niet lang daar na wierd Slooten mede byna geheel door 't vuur verteert; +zynde in den brand gestooken uit twistende eergierigheid van eenige +Edelen. + +In den jaare 1459 hebben de Groningers hunne stad met nieuwe wallen, +gragten en poorten versterkt. Ook hebben zy David van Bourgondien, +Bisschop van Utrecht, voor hunnen Beschermheer aangenomen en gehuldigt. + +In den jaare 1461 is Harlingen mede door den brand geheel vernielt. + +In den jaare 1462, in October, sloegen de Vetkoopers tegen de +Schieringers by Aalsum; waar in de laatste verscheidene Grooten, +en omtrent 250 gemeenen verlooren. + +In den jaare 1465 is de Zyl of Sluis van Offingawier door storm en +onweder weggescheurt; welke opening weder gestopt wierd door een stuk +land, leggende buitendyks, en afgescheurt zynde, daar weder in dreef, +terwyl het door enige varkens en schaapen beweid wierd. + +In den jaare 1470 heeft Karel de Stoute de Friesen wederom getracht +onder 't Huis van Bourgondien te brengen, op gelyke wyze als zyn vader +Philip, daar wy boven van gemeld hebben. Doch de Friesen vonden zich +geraden nochmaals hunne vryheid te verdedigen. Omtrent dezen tyd, +wierden tusschen Heemelum en Koudum, drie mannen en twee vrouwen +doodgeslagen, zonder dat elders van eenige verdere schade gehoort +wierd. En op Ameland quam een walvis, 83 voeten lang, aandryven. + +In den jaare 1471 hebben de Groningers, na dat de Hertog van Beyeren +hun den oorlog hadde aangekondigt, hunne stad zeer vast gemaakt; +maakende eene aarde wal buiten de gragt, aan de zuidkant, met zes +steene torens: ook een steenhuis aan de inloopinge van de Hunse en +Aa: als mede de Heere en daar na de Ooster poort; en hebbende de stad +tegenwoordig acht poorten, daarze bevoorens 'er maar zes had gehad. + +Omtrent dezen tyd leefde de vermaarde en hooggeleerde jongeling +Andreas Canter, van Groningen, welke 10 jaaren oud zynde, by den Keizer +Frederik de derde ten Hove ontboden wierd, om zyne groote geleertheid +[83]. + +In den jaare 1472 wierd door Jonker Onno van Ewsum een zeer zwaare +toren te Middelstum gebouwd, dat geheel strydig tegen de gemaakte +verbonden was. De Groningers namen het daarom ook zeer qualyk; zendende +eenige Gecommitteerden derwaarts, om het werk te bezigtigen. Hy quam +ondertusschen zelve te Groningen, en betuigde niets quaads tegen de +stad in den zin te hebben; maar dat hy alleen een schuilplaats tegen +zyne vyanden zogt. Echter wierd hem door den Raad geordonneert, dat +de zwaarte der muuren van 6 tot 3 voeten moesten vermindert worden, +volgens hun gemaakt verbond. Doch Jonker Onno voer evenwel met het +werk voort: en om andere zwaarigheden, dachten de Heeren van den Raad +niet meer aan hem. + +In den jaare 1474 deed een watervloed, over Friesland gaande, veel +schade aan menschen en beesten. + +In den jaare 1477, den 17de van September, was 'er de Cosmus en +Damianus vloed: waar door in Friesland en elders zwaare schade +geschiede. By 't klooster te Lidlum wierd een zeekalf gevangen; en in +de gragt van Bolswert wierden mede twee zeldzame visschen gevangen, +schynende de eene vleugelen te hebben, en de andere een zeehond te zyn. + +In den jaare 1478 hebben de Groningers het slot te Wedde, van Hayo, +te Westerwolde, ingenomen en geslegt; maakende aanstonds op een andere +plaats een nieuw slot, en noemde het zelve Pekel a Burg, of Pekelburg; +alwaar de Groningers een Kastelein op stelden, welke over Westerwold +en het deel van den Oldambt, aan de eene zyde van den Dollaart, +zoude richten. + +In den jaare 1480 is binnen Bolswert een kind met twee hoofden +gebooren. En te Leeuwarden zyn in dezen tyd de eerste Gildens in +gestelt. + +In den jaare 1481 quamen de Keizerlyke Gezanten Steenbergen en Loo te +Groningen, en presenteerden hunne brieven aan den Raad en de Gemeente, +waar in de Keizer, den Burgemeesteren en Raaden in Groningen, het +Potestaatschap van Wester-Lauwers eeuwig en erffelyk gaf, zonder te +mogen beroepen worden, enz.; als mede met de ridderlyke orde wierden +begiftigt, zo wel de toekomende als tegenwoordige Burgemeesteren +en Raadsheeren dezer stad. Ook gaf hy hun het recht, om goude +en zilvere munt te slaan. Doch het accoord wierd niet getroffen: +waar van de voornaamste oorzaak was, zo men zegt, om dat de Keizer +een jaarlyksche tribuit van 10000 rhynsche goudguldens eischte, +te betalen uit de inkomsten van Friesland over de Lauwers: 't welk +alhier te zwaar wierd geacht. + +In den jaare 1482 wierd het groote en vermaarde laatste verbond +tusschen de stad Groningen en Ommelanden voor den tyd van 40 jaaren +gemaakt. Waar na Stad en Lande heeft gefloreert, en in rykdommen +toegenomen. Waar op voorts de hooge en zwaare St. Martens tooren is +voltrokken [84]. + +In den jaare 1486, in October, overleed te Heidelberg de Hooggeleerde +en beroemde Rudolf Agricola; hy was te Baflo, in Groningerland +gebooren, en zeer geleerd in de hebreeuwsche, grieksche en latynsche +taalen; ook was hy een groot musicus, hebbende het groote en deftige +orgel in St. Martens kerk te Groningen eerst nieuws gemaakt. + +In den jaare 1487 is de stad Leeuwarden door de Schieringers +gewapenderhand ingenomen. + +Ook hebben de Groningers een rykgeladen Hollands schip, 't welk de +Oostfriesen genomen hadden, hun op de Wadden weêr ontweldigt; wordende +de roovers daar van te Groningen opgebragt, en den kop afgeslagen. + +Daar na trokken de Groningers 't Drenth in, en haalden Jonker Aapke +Ewsums Huis te Roôn om verre. Als mede hadden zy, onder het bevel +van Ulrich, te Dornum, een aanslag op den Dam; doch vrugteloos. + +Omtrent dezen tyd is een vrouwe ligchaam, 12 houtvoeten lang, uit de +zee opgeworpen, en aan het strand van Ter Schelling komen aandryven. + +In den jaare 1490 vermeesterden de Vetkoopers, die nu voor 't +meerendeel door verloop van hunne zaaken, in Holland gevlugt waren, +de stad Workum; komende, onder 't geleide van Yge Gaalema, uit Holland +over 't ys aantreeden. + +In dit zelve jaar is de wydberoemde Wesselius Gansefort, te Groningen +gebooren, aldaar overleden; zynde door zyne theologische Studien +zo beroemd, dat hy 't Licht der Waereld genaamt wierd. Hy was ook +een groot medicus, hebbende Paus Sixtus de vierde eenige jaaren +als Lyfmedicus gedient, en wierd in het geestelyke Maagde-Klooster +begraven. + +In den jaare 1491 heeft Berlikum noch de voorrechten en vryheden van +stads gerechtigheid gehad. Omtrent dezen tyd ontstonden in Friesland +verscheidene branden aan huizen: ook vertoonden zich veele gezichten +aan de lucht, als voorboden van droevige tyden. + +In dit zelve jaar hebben de Groningers die van Dokkum, Dongeradeel, +enz., mede in hun verbond aangenomen, wordende het accoord voorts +opgemaakt, en op St. Lamberts Dag van weêrszyden geteekent. Doch +dit verbond heeft naderhand groote onlusten en bloedstortingen +veroorzaakt. Want de Groningers zyn daar na met een groote krygsmacht +in Friesland gevallen, om de malcontenten, die noch tegen dat verbond +waren, tot gehoorzaamheid te brengen; smeeten veele steenenhuizen +omverre, en zettede eenen Sikko Bolte voor Dokkum op een rad. + +In den jaare 1492 quamen de Leeuwarders mede in het Groninger +verbond. Maar die van Sneek, en meer andere Hovelingen daar +omtrent, bleven daar noch tegen; waarom zy met de Groningers, omtrent +Leeuwarden, in gevegt traden, daar zy zeer ongelukkig vegtende, van hun +100 mannen gedood, en 250 gevangen wierden. Doe stelden de Groningers +een Gouverneur te Leeuwarden en Dokkum, die deze twee steden, en +genoemde landen, uit hunnen naam, aldaar regeeren en bestellen zoude. + +In den jaare 1493 quam de Heer Otto van Langen, als Ambassadeur van +den Keizer Frederik de derde, in Friesland, om de partyschappen +en oorlogen, tusschen de Groningers en die van Sneek, met hunne +aanhangers, by te leggen. + +Ook zyn de Friesen in dezen tyd in Munsterland gevallen, beroofden +en staken verscheidene dorpen in brand, en sloegen veele menschen +dood. Insgelyks deeden de Munsterschen wederom aan de andere kant, +spaarende noch kerk, noch dorp in Friesland. + +In den jaare 1494 hebben de Groningers hunne Gezanten aan den Keizer +Maximiliaan gezonden, die het gemaakte verbond met die van Oostergo +confirmeerde, mits aan hem betaalende 10000, en aan den Hertog van +Saxen 1000 rhynse guldens. Hier na zond de Keizer drie van zyne +Hofraaden in Friesland, te Leeuwarden, Dokkum, enz.; alwaar zy +de Groningers lieten huldigen, plicht en eed doen, uit naame des +H. Roomschen Ryks. + +In dit zelve jaar heeft Keizer Maximiliaan de oude voorrechten +en vryheden der Friesen op nieuws weder door brieven bevestigt; +beveelende hun, als voorheen, wederom uit hunne eigene Edelen +eenen Landsheer te verkiezen, op dat de verwoede handelingen en +heillooze scheuringen eens ten einde mogten komen: dreigende hen, +by nalaatigheid van dien, onder een vreemd Heer te willen zetten, +met een eeuwig verlies van hunne vryheid; alzo hy zulks verstond, +tot merkelyke ruste van het Duitsche Ryk, te behooren. + +Hier op wierd Julius Deekema, van Baard, by gemeenen raade, tot +Landsheer of Potestaat verkooren, om dat hy een man was, vreedzaam +van gemoed, en een haater van tweespalt. + +In dit zelve jaar, 's nachts omtrent twee uuren, hoorde men digt +by Bolswert, een schrikkelyk geraas en getier, als van strydende +heirlegers; zo dat de wacht, de ronde doende, in 't eerst meinde, +dat 'er in der daad een gevegt omtrent de stad was. + +In den jaare 1495 hebben de Schieringers, gesterkt met de vreemde +krygslieden van Hertog Albrecht, uit Holland gehaalt, en wel 2000 +uitmakende, Workum en Hottingahuis ingenomen: brandschattende +Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en geheel Wymertserdeel. Koudum +stakenze in den brand. Doe schattenze de Gaasterlanders. Deze riepen +de Woudlieden om hulp: en zich daar tegen kantende, belegerdenze te +gelyk Slooten. + +In den jaare 1496, in January, hebben de Schieringers, die zich +met veele Geldersche krygslieden, onder den Oversten Fox, binnen +Sneek versterkt hadden, een tocht ondernomen, om de Woudlieden +en Gaasterlanders van 't beleg voor Slooten te doen opbreeken: de +Woudlieden, yverende tegen de onderdrukkingen en brandschattingen der +Schieringers, die nu dagelyks veele Gelderschen in het Land hadden +gehaalt, stelden zich op Sneekermeer tot tegenweer; doch het ys, +door hunne zwaarte, aan stukken barstende, verdronken 'er veelen; +die staande bleeven, verweerden zich tot den laatsten man; zo dat +'er over de 4500 Woudlieden omquamen, en de Overste Fox wierd zelve +mede gequetst. + +De stad Harlingen door de Groningers, die naast eenige dagen in 't +Land gekomen waren, in bezettinge genomen zynde, wierden door die van +Franeker overrompelt; doch, door dien zy 't blokhuis der Groningers +niet meester konden worden, moesten zy gemelde stad weder verlaaten, +na alvoorens dezelve uitgeplondert te hebben, en een Busse of stuk +Geschut, dat 'er ter verdediging der stad gevonden wierd, mede naar +Franeker te neemen. Daar na vermeesterdenze echter het blokhuis, +en de Groningers geraakten het Land uit. + +In den jaare 1497, wierden Redmer Vealma, Ridder, en Barent Conders, +Burgermeester, met 7 a 8000 mannen, door de Groningers naar de +Lemmer gezonden; welke by Takezyl een sterk Kasteel bouwden. Daar na +kogten de Sneekers Jonker Fox met zyn krygsvolk uit Sneek, en geheel +Westfriesland, voor 8000 rhynse guldens. + + + + + +VI. ERFHEEREN. + +1. Albrecht, Hertog van Saxen. + + +In den jaare 1498 is Albrecht, Hertog van Saxen, door Keizer +Maximiliaan in Friesland gezonden; hem aanstellende tot Erfstadhouder, +of Erfpotestaat van Oostergo, Westergo, Sevenwouden, Groningen en +Ommelanden, Ditmarsen, Strandfriesen, Wirsters en van Stellingwerf: +zynde de Keizer, door quaade aandieningen van zyne Gezanten, +verkeerdelyk onderricht omtrent de verschillen der Landzaaten: te +weeten, als dat dezelve wel tot merkelyk nadeel van het Roomsche +Ryk mogten uitvallen: heeft daarom de vryheid der Friesen omverre +geworpen, alschoon dezelve van Karel den Grootes tyden af, ook +by zynen vader Sigismund, en noch onlangs door hem zelve zo wel +bevestigt was. Maar de voornaamste oorzaaken waren, dat Hertog +Albrecht, hebbende de voogdyschap der Graaflykheid van Holland voor +Philip van Oostenryk bedient, die in het voorgaande jaar mondig was +geworden, eischte, voor de onkosten, die hy in den oorlog tusschen +de Hoekschen en Kabeljauwschen te beslegten hadde gemaakt, een zomma +van 350000 rhynsche guldens: ter verzekeringe voor die zomma, eer het +konde opgebragt worden, heeft Maximiliaan Friesland, enz., als een +leengoed des Roomschen Ryks, hem te pande gegeeven; tot 'er tyd toe dat +gemelde 350000 rhynsche guldens door Philip of de zynen aan hem zouden +opgebragt zyn. Waar op Albrecht van Saxen, op zyn luimen leggende, +hoe hy een voet in het Land zoude krygen, heeft door heimelyke listen +en bezendingen zo veel te weege gebragt, dat eenige Schieringers, +die nu de zwaksten waren, een verbond met hem maakten. Doch de Hertog +de Friesen in 't gemeen ongenegen vindende, besloot eerst om dezelve +met geweld te bedwingen; maar in raad weder veranderende, bragt door +verscheidene listen en bedriegeryen vreemde krygslieden in 't Land; +waar door hy de Schieringers met veele geweldenaaryen tot verdrag +bragt, en hem in Westergo innamen. Daar op zyn de Vetkoopers, na +eenige vergeefsche tegenweer, mede tot de huldiging des Hertogs wegens +Oostergo vereenigt. Alleen stond Leeuwarden, en eenige aanhang, hem +noch tegen: doch na eenigen tyd belegert te zyn geweest, gaf het zich +mede in het verdrag. Hier op liet de Hertog te Leeuwarden aanstonds +een blokhuis bouwen, van de steenen der afgebrookene stinsen, die hy +tegens wille van de eigenaars liet afwerpen, om tot gemeld blokhuis +te gebruiken. + +In den jaare 1499 had Graaf Edzard van Oostfriesland het oog op +Groningen, doch die van binnen zulks gewaar wordende, trokken uit, +onder het bevel van Ulrich, te Dornum, met 200 mannen, neemende +den Dam in en bezetteden de aankomsten aan de Eems, als Farmsum, +Oterdum, Reide, enz., en deeden verscheidene Ommelander heerenhuizen +omverre werpen. Evenwel trok Graaf Edzard met zyne krygsmacht over +in den Oldambte, bestaande het geheele leger uit 2800 burgers en +soldaaten, benevens de Ommelander Hovelingen, neemende aanstonds +Pekel a Borg in. Daar na dwongen zy de Oldambsters 2200 rhynse +guldens brandschattinge af; en trokken dus voort voorby Slochteren, +tot in het klooster Wittewyrum: waar door de Groningers den Dam en de +andere plaatsen verlieten; en dezelve door des Graaven volk wederom +in bezettinge wierd genomen. Graaf Edzard zelfs quam met 1000 burgers +over de Eems; hy was uit den Oldambte naar huis getrokken, en deed +groot geweld van rooven, branden, en schattinge te vorderen. Doch +de Groningers spaarden hunne vyanden ook niet. Nochtans maakte Graaf +Edzard een kasteel te Oterdum, en den Dam vast tot een oorlogsstoel. + +Ondertusschen zonden de Groningers 400 soldaaten, met een goed gedeelte +van oorlogsgereetschap voor het huis te Sauwert: 't welk ten eersten +aan hun wierd overgegeven; wordende aldaar de vestingwerken afgeworpen, +en de bezettinge gevangkelyk mede in de stad gevoert. + +Den 22ste van July is Jonker Fox met zyn volk, 250 mannen sterk +zynde uit Friesland, over Drenth, naar Graaf Edzard willende, door de +Groningers omtrent Cropewolde aangetast en geslagen; Fox zelve wilde +zich niet overgeeven, schoon hy verscheidene wonden gekregen had, +maar vogt, op zyn kniën leggende, zo lang tot hy den geest gaf. De +Groningers hadden hier een groote overwinninge, want 30 bleeven 'er, +behalven Fox zelve, van de vyanden dood, en 125 wierden 'er gevangen. + +Alhoewel deze Jonker Fox altoos der Groningers ergste vyand is geweest, +hebbende zy hem evenwel, om zyne dapperheid, naar Groningen gevoert, +en aldaar in de Minnebroeders kerk, met eeretekenen begraven. Door +het verslaan van dezen Jonker Fox, heeft het plaatsje Foxhol zyne +benaaminge bekomen. + +In dit zelve jaar, quam Hertog Albrecht, met zynen zoon Hendrik, te +Harlingen aan; en wierd eerst te Franeker, en daar na te Leeuwarden +op 't Oude Hof ingehuldigt. Binnen Franeker heeft hy, om eene goede +bestellinge der wetten in den Lande te geeven, den Hoogen Raad, +die wy nu noch het Hof van Friesland noemen, ingestelt. + +Daar na vertrok Hertog Albrecht uit Friesland, naar Meissen, in +Duitschland, laatende zyn zoon Hendrik, aangestelt als Stadhouder, +op het Hof binnen Franeker; zynde het Slot van Sjaardema. Doch deze +niet wel onderrecht zynde, leide de gemeente ondraagelyke lasten op; +waar door een groot oproer ontstond. + +In den jaare 1500 hebben de Friesen hem in Franeker met 16000 +mannen komen belegeren: en vooral waakende dat 'er geen meerder +vreemd krygsvolk in 't Land wierd gebragt, zo namenze dit volgende +voor hunne leuze: Fjouwer lotter-claer leep aayen op in finne herne +in ien nest [85]. Die dit niet zeggen kon, achten zy een Uitlander +te zyn, en wierd aanstonds veroordeelt om verdronken te worden. Om +hunne belegeringe voort te zetten, en gemelde stad te vuur en te +zwaard wel aan te tasten, hebben zy de Groningers ondertusschen voor +vier stukken geschut, tot dit beleg benoodigt, alle het zilverwerk +en andere kostelykheden, uit alle kerken en kloosters geligt zynde, +te pande gegeven. Albrecht ondertusschen, met veel volk uit Meissen +te rugge komende, slaat, met een onderstand van den Graaf van Holland, +het leger voor Franeker weder op. Waar op die van Leeuwarden hunne stad +verlaaten: en Hertog Hendrik trok daar weder in, bedryvende alomme veel +moedwille, brengende veele Edelen en gemeene lieden in ballingschap. + +In dit zelve jaar is den Dam door de Groningers belegert, en zeer hevig +beschooten, maar het afkomen van Graaf Edzard, en de overstroominge +van het water, deed hen dezelve wederom verlaaten, en naar Groningen +trekken. Waar op des Graaven volk, in moedwil uitbarstende, hier na +de dorpen Wagenborgen, Uithuizen en Meden in brand stak, waar door +veele huizen verteerden. + +Ook zynze daar na in de Marne gevallen, hebbende de Groningers, +die met de landlieden te zamen vereenigt waren, geslagen; en daar +na ongehoorde gruwelstukken van rooven, moorden en branden, vrouwen +verkragten, en kerkschenderye bedreeven. + +Groningen wierd door de Saxen op den eersten van Augusty aan +de noordzyde belegert, leggende het geheele leger voor de naaste +molenbergen van de stad; van waar hetzelve, doch met weinig schade, +15 a 16 dagen beschoten wierd. Maar hunne schepen van proviand en +oorlogs-ammunutie lagen het Reidiep langs, waar by 1000 mannen Saxen +tot dekking in Jarges tigchelwerk geposteerd waren. + +Onderwylen quam de Bisschop van Utrecht, met verscheidene heeren uit +de Staaten des Lands in 't leger, en bewerkte zo veel tusschen den +Hertog van Saxen en de stad Groningen, dat de vrede op den 21ste van +Augusty te Aduard voor eenige maanden geteekent wierd. Waar op het +beleg aanstonds wierd opgebroken, en 12000 soldaaten daar van naar +Friesland gezonden; trekkende de Hertog zelve met het overige volk +naar den Dam, en van daar naar Embden; daar hy, na eene ziekte en +hoofdwonde, die hy door een musquetkogel in het beleg had ontfangen, +op den 8ste van September is komen te sterven. + + + + + +2. Georg, Hertog van Saxen. + + +Deze is, volgens het recht van erffenisse, in 's vaders plaats +gekomen; na dat zyn broeder Hendrik zyn recht aan hem by verdrag had +over gedaan. + +In den jaare 1501 hebben de Groningers 2000 soldaaten aangenomen, +onder voorwaarde, dat zy hen den Dam zouden helpen winnen, waar +voor zy dan zouden genieten, behalven de plondering, 7000 guldens, +en al het geene dat zy tot dien aanslag noodig zouden hebben. Daar +op zynze den 18de van May met malkander uitgetrokken, en berenden +voorts den Dam aan drie kanten; neemende ondertusschen Delfzyl weg, +en sloegen het daar binnenleggende guarnisoen dood. Vervolgens deeden +zy verscheiden stormen op den Dam, en schooten 'er den brand in: +maar die van binnen zich mannelyk kwytende, sloegen hen t'elkens +af. Ondertusschen quam Graaf Edzard met 4000 mannen over de Eems, +regt uit naar den Dam, stellende zyn krygsvolk, in drieën verdeelt, in +slagorde, met het geschut vooraan, en marcheerde alzo op den weg van +Jukwert, regts tegens hunne vyanden in; waar op het bloedvergieten +aanging, en wierd 'er zo gruwelyk onder de Groningers geslagen, +dat ze den Dam moesten verlaaten, en de vlugtende tot aan Groningen +nagezet; die zo droevig verslagen of in de Damstervaart verdronken, +dat 'er, naar 't zeggen van zommige, 3000 mannen wierden verlooren, +waar onder vier Burgemeesters zoonen van Groningen, als Albert Jarges, +Harmen Jarges, Gosen Schaffer, en Johan Mepsche. Daar na namen de +Saxen het Huis te Mude in, en verbranden eenige molens en kapellen +aan de noordzyde voor Groningen; ook op een na alle de molens en +huizen aan de zuidkant, tot aan de gragtswal. + +In den jaare 1502 quam de jonge Hertog van Saxen in Groningerland, by +hem hebbende zes Graaven, veele Edelen, 200 ruiters en 300 soldaaten, +met allerlei veldstukken en bagagie. De eerste nacht bragt hy door +te Aduard, mits naauwe wacht houdende voor de Groningers, hoewel +'t bestand noch liep. Van daar trok hy naar den Dam, alwaar hem +de burgers met kruissen en vaanen te gemoet traden, en met veele +eeretekenen in haalden. Zy droegen altemaal vellen op hunne knieën, +ten teeken van onderwerping: waar op de hovelingen uit de Ommelanden, +in den Dam wezende, hem mede huldinge en eed hebben gedaan. + +In dezen tyd hebben de Groningers met Hertog Karel van Gelder een +verbond gemaakt; mits dat de wederzydsche burgers in elkanders land +een vryen koophandel zouden mogen dryven. + +In den jaare 1504 heeft Graaf Edzard, by de punterbrug, een zeer +sterk kasteel laaten bouwen; 't welk naderhand Weerdenbras genaamt +is geworden. + +In den jaare 1505 was te Harlingen een zwaare nood van water, waar door +veele dyken doorbraken. Daar op volgde een groote droogte in den lande, +waar door zwaare branden in de veenen wierden veroorzaakt: als ook +te Hindeloopen, dat met 'er kerk voor 't meerendeel geheel verteerde. + +In dit zelve jaar, den 8ste van April, trok een party Groninger burgers +en soldaaten naar Onderdendam, en bragten by hunne te rugkomst 14 +Saxische soldaaten en twee boeren gevankelyk mede in Groningen; +waar door het oorlogsvuur weder ontstooken wierd. + +Den 20ste dito quam een troup Saxischen uit Aduard, in den nacht, by +de Aa Poort, en verbranden aldaar 8 a 9 huizen. Daar tegen zonden de +Groningers 4 a 500 mannen naar Oosterwyrum en de omleggende plaatzen, +brandende het dorp Heveskes geheel af, en haalden een grooten buit van +ossen, koeyen en schaapen van Wytwert, enz.; alwaar de kerken wierden +aangetast, de goederen daar uit gehaalt, en naar Groningen gevoert. + +Den 22ste van Augusty wierden de Groningers en Saxischen te Haren +handgemeen, alwaar de eersten 20, en de laatsten 100 mannen op het +slagveld lieten leggen. + +Aldus de oorlog wederom een begin genomen hebbende, droeg de Hertog +van Saxen het veldheerschap op aan Graaf Edzard van Oostfriesland, +en Jonker Vitus, van Draaksdorf, die de Groningers 'er toegangen +zeer naauw lieten bezetten: waar door die van binnen, zich zeer +geprangt vindende, en van alle hulpe ontbloot ziende, wierd het +gemeene volk nochtans, door de onmenschelyke wreedheden der Saxen, +te meer verbittert: waarom de Groningers hunne bescherminge by iemand +wilden zoeken. Hier op verkozenze Graaf Edzard, van Oostfriesland, +voor hunnen Beschermheer; aan wien zy de stad opdroegen; waar van +de artykelen in den jaare 1506, op den 24ste van April, wierden +bezegelt, wordende in dezelve alle de privilegien en vryheden, die +Groningen met haare ingezetenen ooit gehad hadden, behouden. Daar +op quam de Graaf met zyne keurlyke krygsbenden, verzelt met veele +Edelen, naar Groningen af; gaande de Magistraat van de Stad, +benevens de jonge manschap en soldaaten, door de Poele Poort uit, +hem tot aan Ooster Hoogebrug te gemoet, en deeden hem aldaar den +eed van getrouwheid. By de Poele Poort gekomen zynde, ontfong hy uit +handen van Burgemeesteren de sleutels van de stads poorten. Vervolgens +wierd de Graaf met een prachtige staatsie, onder het losbranden van +'t kanon, trommen- en trompettengeschal, luiden der klokken, enz., +ter stad ingehaalt; rydende alzo de Poelestraat door, naar de markt, +alwaar het krygsvolk in volle wapenen, in ryen en gelederen geschaart +stond, tot aan de hoek van de Gelkingestraat, daar het logement voor +hem bereid was. Daags daar aan ging hy in St. Walburgs kerk, alwaar +de burgers hem huldinge, pligt en eed deeden, volgens inhoud van het +accoord. Daar na deed de Graaf een sterk en zwaar kasteel bouwen, +tusschen de Steenstil en Ooster Poort, zynde voorzien met zeer wyde +en diepe gragten en hooge wallen. + +In den jaare 1506 quam Hertog Georg in Friesland, en wierd +ingehuldigt. Hy gebood, om over geheel Friesland te gebruiken +de Workumer ellen, het Bolswerder loopen, de Leeuwarder kanne, de +Keulsche wicht; en het Hof van Gerichte, by zynen vader te Franeker +ingestelt, liet hy naar Leeuwarden vervoeren. Daar na liet hy het +Bild allereerst bedyken, na dat het al eenige jaaren goed vast land +was geweest, en by zynen vader Albrecht in eigendom ware genomen, +zonder dat de Staaten des lands daar in bewilligt hadden. + +In dezen tyd heeft gemelde Hertog ook de Floreen Rente over den +Lande gestelt, en elk naar hunne schattinge doen betaalen; waarom, +om het zo veel te gemakkelyker in te vorderen, hy het Landschap in +zyne hoofddeelen onderscheiden heeft: die wy nu Grietenyen noemen. + +In den jaare 1507 heeft de Hertog van Saxen, na dat Graaf Edzard +Groningen in 't bezit had genomen, groote pretensien van den Graaf +en de Groningers gevordert. Doch deze questien zyn te Constans op +den Ryksdag gebragt, alwaar wederzydsche Gezanten wierden gezonden; +maar naderhand ook te Keulen hervat. + +In dit zelve jaar is de vaart van Leeuwarden naar Franeker, en naar +Bolswert begonnen gegraaven te worden. + +In den jaare 1508 is Norden, in Oostfriesland, door zyn eigen +vuur voor 't meerendeel verbrand. En op den 16de van October was de +tweede St. Gallus watervloed, welke in Oostfriesland en elders groote +schade veroorzaakte: wordende in de zelve kabeljauw en wytingen voor +Groningen gevangen. + +In den jaare 1509, den 26ste van September, was 'er een hooge +watervloed over Friesland, Groningerland, en elders, waar door niet +alleen verscheidene dyken zyn weggespoelt, maar ook veele menschen +en beesten verdronken. By de Dollaart scheurde een stuk lands af, op +welke 10 a 12 zwaare beesten te weiden gingen, van het overige land +in den Oldambte, en dreef over de Dollaart, in Reiderland, alwaar +het vast en behouden bleef zitten; 't welk naderhand een oorzaak van +proces gaf tusschen die van 't verdrevene en 't aangespoelde stuk land. + +In den jaare 1511 ontstond 'er te Leeuwarden een zwaare brand, die +wel 200 huizen verteerde. + +In den jaare 1512 wierd Koeverden door Roelof van Munster, gewezene +Drost van 't Drenth, met verrassinge ingenomen. Doch zeer kort hier na, +heeft de Bisschop Munster hem wederom belegert, en tot verlaatinge +dier plaats gedwongen; stellende daar doe wederom tot Drost Adolf +van Rechteren. + +In den jaare 1513 zond de Keizer Maximiliaan een scherp mandaat aan +Graaf Edzard, hem gebiedende, op zwaare straffe, de stad Groningen +te verlaaten, en dezelve aan den Hertog van Saxen in te ruimen: +doch vrugteloos. + +In den jaare 1514, in het begin, deed de Hertog van Saxen, ziende +dat hy 't met die van Groningen niet eens konde worden, een inval in +Oostfriesland, doende allerlei wreedheden van moorden, brandschatten +en branden. Zy belegerden zelfs Lieroort; doch dat zy, na de Hertog +van Brunswyk zyn leeven daar voor had verlooren, moesten verlaaten. + +Den 7de van Juny wonnen de Saxen in Groningerland het sterke klooster +Selwert, doende het zelve versterken, en met een sterk guarnisoen +bezetten. Ook hebben zy Delfzyl met geweld ingenomen, slaande aldaar +alles dood dat zy vonden, slegten de werken, en staken het plaatsje +in brand. + +Voorts quam Graaf Edzard, na dat hy zyn eigen land tegen de Saxen +had verdedigt, met 700 mannen hulptroepen te Groningen; die op den +volgenden dag buiten de Bottinge Poort met de Saxen slaags raakten, +waar door veelen sneuvelden. + +Den 21ste van July, trok de Hertog van Saxen met zyn leger, om +zich aan Groningen en Graaf Edzard te wreeken, voor den Dam, doende +die plaats aan drie zyden belegeren. Daar binnen waren 800 kloeke +welgewapende mannen, een goede meenigte boeren, en een strydbaare +burgerye tot bezettinge. Otto van Diepholt was Commandeur; benevens +hem waren 'er noch eenige dappere Edelen. De belegeraars damden de +slooten, en sloegen by nacht een brug over de vaart: zy aprocheerden, +werkten in de aarde, en schooten met gloeijende kogels hevig op de +stads vesten en poorten. Die van binnen queeten zich dapper: maar de +groote menigte der vyanden stormde op den 3de van Augusty op de drie +poorten te gelyk, met een afgrysselyk geweld: na dat zy t'elkens +waren afgeslagen, met den jongen Hertog van Brunswyk achter hen, +roepende vreesselyk, en dreef zyn volk alzo aan, tot dat zy eindelyk +de belegerden overwonnen, en in de stad quamen; waar op het moorden +aanging, wordende in de eerste furie noch kerken, noch autaaren, +noch kraamhuizen gespaart. De jonge Hertog rende door de straaten, +met het bloote zwaard in de hand, roepende: Sla dood, sla dood, tot +wraake van myn Vader! Veelen zyn op de autaaren, eenige met de beelden +omvat, en andere met het kruisifiks in hunne handen, omgebragt. Eylco +Lewe stond met een lang slagzwaard in zyn hand, en sloeg zo gruwelyk +onder de vyanden, dat 'er veelen met hem gedood wierden. Het getal +der dooden wierd in alles op 1136 gerekent. Omtrent 200 soldaaten +en weinige burgers wierden 'er gevangen genomen; doch 150 waren 'er +reeds in den beginne der overval ontkomen. De Commandant Diepholt, +en noch een Kapitein, wierden gekeetent en gevangkelyk naar Medenblik +gevoert. De vrouwen en kinderen wierden ook gevangen gezet en gepynigt, +om de verborgene schatten aan te wyzen; en daar na naakt en bloot +ter stad uitgejaagt. En de schoonste maagden en jonge vrouwen wierden +door de soldaaten eenigen tyd tot vuile lusten gehouden. + +Hier na heeft Graaf Edzard de Regeeringe van Groningen verlaaten: +waar op de Groningers Karel van Egmond, Hertog van Gelderland, voor +hunnen Beschutsheer hebben aangenomen; doende voorts den eed aan zyn +Marschalk Willem van Ojen op den 3de van Novemb. in St. Walburgs kerk. + +In den jaare 1515, omtrent Driekoningen Dag, hebben de Saxischen +uit den Dam de kerk en 't geheele dorp Farmsum geplondert en ten +eenemaal verbrand. + +Den 17de van Maart namen de Groningers het kasteel of blokhuis by +Aduwarderzyl in, en hebben het ten eenemaal geraseert en geslegt. Ook +hebben zy, met hulpe Van Graaf Edzards volk, Delfzyl met geweld +ingenomen: als mede den Dam, alwaar in 't uittrekken der Saxische +troupen een groot tumult ontstond; want de burgers en eenige soldaaten, +de oude bejegeningen noch in 't hoofd zittende, vielen in hunne +achterhoede, plunderden de bagagie, en ontnamen hun vele goederen. + +Daar na quam de zwarte Hoop, zynde een zamengeraapt volk van ruim +5000 koppen, in Friesland vallen; welke alle de dorpen, daarze aan +quamen, in koolen zettede, als mede de steden Workum, Hindeloopen en +Molkwerren ook afbranden. + +Ook hebben de Groningers het kasteel Weerdenbras, by de Punterbrug, +ingenomen. + +Na dat Hertog Georg in voorige jaaren veel moeite met de Groningers en +Graave van Oostfriesland hadde gehad, en de Graave met de Groningers +hunne gerechtigheid aan Karel, Hertog van Gelderland, overgedraagen +hadden, zo hebben de Gelderschen de Sevenwouden en 't grootste gedeelte +van Westergo met een meenigte van volk afgeloopen. Waar op Georg +van Saxen, geen middel ziende om de Friesen weêr onder zyn geweld te +krygen, uit het land vertrokken is; laatende zynen Stadhouder Everwyn, +Graave van Benthem, alhier. + +Ondertusschen maakten de Gelderschen in de Zuidhoek, als te Workum, +Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en Slooten, zeilschepen; om in de +Zuiderzee op het ontzet der Hollanders te kruizen: onder dewelke zich +Groote Pier, geboortig van Kimswert, mede begeeven heeft. Deze Groote +Pier was door de Saxischen van alle zyne goederen en welvaart beroofd, +ook hadden zy het dorp, daar hy woonde, in brand gestooken: waarom hy +met een aanhang van meer dan 500 vrienden, op gemelde schepen gegaan +was: en hebbende verscheidene gelukkige zeeslagen met de Hollanders +gehouden, en veele scheepen van hen genomen, zo maakte hy verder de +geheele Zuiderzee vry. + +Hertog Georg, veel geld en moeiten te vergeefs verspilt hebbende, +om de Friesen te vermeesteren, droeg, na alle zyne nederlagen, het +erfrecht over aan den Prins van + + + + +2. het Huis van Bourgondien. + +1. Karel de Vyfde. + + +In dit zelve jaar 1515, Karel, Koning van Spanje, en na een korten tyd +Keizer van 't Roomsche Ryk, nu Erfheer van Friesland geworden zynde, +stelde Graaf Floris van Ysselstein tot Stadhouder aan; die zich met +de zynen eerst alleen binnen Leeuwarden, Franeker en Harlingen moest +verhouden: zynde het overige des Lands meest door de Gelderschen +bezet; tot welkers voordeel Sneek en Slooten in dien tyd met muuren +en sterktens zyn vast gemaakt [86]. + +En gemelde Groote Pier, speelende alle zeilen blank [87], nam weg +alles wat tegen de Gelderschen aanquam, werpende veele menschen +overboord: en inzonderheid te Workum, dat hy inneemende, de Hollanders +de voeten spoelde, daar by voegende dit grove Friesche vloekwoord: +Sjug ho kenne dy D: tjietten swomme [88]. + +In den jaare 1516, in April, is Delfzyl, na dat de Graaf Edzard +zyne bezetting daar uit had genomen, door Boele Ripperda, van haare +vestingen beroofd. Daar op zyn de Groningers, met hulpe van zommige +Ommelanders, uitgetrokken, hebbende den Dam gedemanteleert, en voorts +Weerdenbras ook geraseert. Verder, het kasteel van Graaf Edzard, +te Groningen gebouwd, wederom afgebroken. + +In den jaare 1517 quam 'er weder zulk een hooge watervloed, dat +het water eene elle boven de dyken stond; waar men de schade wel +kan afmeeten. + +Groote Pier beschermde Sneek, tegen de belegeringe der Bourgoenschen; +en nam Hindeloopen weder in, dat de gemelde Bourgoenschen vast gemaakt, +en met 300 mannen bezet hadden: en daar na Medenblik, dat hy verbrande. + +In dit jaar wierd ook tusschen de Bourgoenschen en den Hertog +van Gelderland een verdrag gemaakt, na dat aan weêrszyden veele +vyandelykheden waren voorgevallen; waar door de steden nu van de eene +en dan van de andere zyde waren ingenomen, en de platte landen veel +geweld, moord en brand hadden geleden. Doch Groote Pier, met die de +Gelderschen aanhingen, zich hier noch niet toe verstaande, bleven +even standvastig tegen de Bourgoenschen, en begeerden Pier voor een +Beschermheer der vryheid geacht te wezen; dat hy voorheen ook zoude +gedaan hebben, byaldien het zommigen niet verbrod hadden. Als hy door +eenen Hollander in een brief tot afstand geraaden wierd, bespotte hy +hem met een rymtje na dien tyd, voegende boven het zelve al boertende +deze Eeretytelen: Ik, Groote Pier, Koning van Friesland, Hertog van +Sneek, Graaf van Slooten, Vryheer van Hindeloopen, en Capitein-Generaal +van de Zuiderzee [89]. + +Dus wierd de vereeniging door de Gelderschen verbrooken, en des +Keizers volk moest, als voorheen, zich alleen in Leeuwarden, Franeker +en Harlingen verhouden. Groote Pier deed ondertusschen de Keizerschen +op de Zuiderzee veel afbreuk, neemende gestadig aan weg alles wat +hem voorquam. + +In den jaare 1518 heeft de Hertog van Gelder het accoord van Maarschalk +Willem van Ojen met de Magistraat van Groningen, uit zyn naam ingegaan, +geconfirmeert en gezegelt. + +In den jaare 1519, den 6de van February, wierd te Arnhem het vorstelyke +bruiloftsfeest van den Hertog van Gelder met de Hertoginne van Brunswyk +Lunenburg zeer prachtig gehouden: zynde aldaar uit deze Provintie +van Groningen mede verzogt, Ludolf Conders, en Klaas Schaffer, +Burgemeesteren; Willem Frederiks, Priester van St. Martens kerk, wegens +de stad; en Roelof Lennep, Ritmeester, wegens de Ommelanden. Dewelke +allen zeer prachtig uitgedost waren; Willem op een wagen, en de anderen +te paard, zynde alle de paarden eveneens met blinkende wapenen over +hunne gansche ligchamen bedekt, verzelt met 30 ruiters, in heerlyke +kleederen. Hunne geschenken, dieze voor het jonge paar mede bragten, +bestonden in twee zilvere wynkannen, en twee zilvere schenkvaten, +zeer konstig verguld en bearbeid, wegende over de 50 mark zilver. Daar +nevens bragten zy 4 welgemeste ossen, van een buitengewoone zwaarte, +en 4 schoone paarden. + +In dit zelve jaar, als Groote Pier bemerkte, dat de Gelderschen het +land, even als de Saxischen voorheen, onder het juk van slaavernye +meenden te brengen, zo quiteerde hy daarom zyn ampt, en zettede zich +gerust binnen Sneek ter neêr, alwaar hy zyn leeven na eenigen tyd +heeft geëindigt. + +In den jaare 1520 wierd het klooster te Aduard, het waereldsche gebied, +mitsgaders het recht van patroonschap over Suidhorm en Wyrum ontnomen, +om reden dat eenige monniken op St. Bernards dag, onder een gastmaal, +dat jaarlyks wierd gehouden, twee Edellieden, Hendrik en Frederik +Gaykinga, vegtenderhand hadden doodgeslagen. [90] + +Als Karel de vyfde nu tot Roomsch Keizer was verkooren, heeft hy in +den jaare 1521 Georg Schenk tot Stadhouder over Friesland aangestelt: +die, met zyn leger te Arum staande, de Geldersche steden, Sneek en +Bolswert heeft gebrandschat: doch Stoffel van Meurs, Stadhouder der +Gelderschen, vertrok naar Workum, dat hy vast maakte, om gemelde +brandschatting der Bourgoenschen af te weeren. + +Hier op dreven de Sneekers de Gelderschen uit; het welk die van +Bolswert, weinig tyd daar na, mede deeden. + +In dit zelve jaar, den 12de van May, is de Hertog van Gelder, door +de Staaten der Ommelanden, mede tot hunnen beschutsheer aangenomen. + +In den jaare 1522, den tweede van November, quam de Hertog van Gelder +te Groningen; wordende door de Magistraat buiten de Oosterpoort +opgehaalt, en tot aan de St. Martens Kerk geleid; alwaar hy door +Mr. Willem, Kerkheer, ontfangen wierd, die hem mede naar zyn huis +nam en logeerde. Des anderen daags ontfing hy op het raadhuis de +sleutelen van de stads poorten, en den eed van de Magistraat en +de Gezworene Gemeente, en vervolgens in St. Walburgs kerk van het +gemeen. Des Sondags daar aan wierd hy door de Magistraat der stad +op het Heeren Wynhuis zeer prachtig ter maaltyd onthaalt. Daar na, +de Hertog vertrokken zynde, zond hy Jasper van Marwyk als Stadhouder +te Groningen, die zyn logiment nam op Munnikeholm. + +In den jaare 1523 bouwde Stoffel van Meurs een blokhuis te Workum, +en den tooren versterkte hy met gragt en wallen, om de zeekust tegen +de Bourgoenschen te beschermen. Maar wierden van Schenk vermeestert, +die den tooren van boven af liet werpen, en het blokhuis met veel +volk bezette. In welken tyd ook de geweldige Stins van Inthiema door +de Keizerschen verbrand en vernietigt is. Doe zonden de Gelderschen +eenige zeeroovers uit Dokkum; het welk de Bourgoenschen belegerden, en +mede by verdrag inkreegen. Ook vlugten de Gelderschen van Bolswert naar +Slooten; dat zich, belegert ziende, mede aan Schenk over gaf. En by +een gemeen opbod der landlieden, zyn de Gelderschen t'eenemaal uit het +land gejaagt: en Karel de vyfde tot Erfheer over Friesland bevestigt. + +Ook is Schenk en Wassenaar, uit naam des Keizers, in de Ommelanden +gekomen, roovende en brandende zeer schielyk onder de landlieden; +vervolgens ontboden zy hen om den Keizer te beëedigen te Noorthorm, +mits tot boete geevende 32000 goudguldens. + +In den jaare 1525, des Vrydags voor St. Laurens, geraakte de stad +Groningen in een groot oproer; alzo de Bouwmeesters en Gildens zich +heimelyk verbonden hadden van hunne goederen 'er by op te zetten, +om alle de accynsen, uitgenomen de wyn en het Hamburger bier, af te +schaffen. Zy hadden dieshalven by de twee Bouwmeesters, noch 24 van +de voornaamste personen uit de Gildens gekooren, die het zelve aan +den Raad zouden voordraagen. Als deze voorstellinge op het raadhuis +geschiede, stond de geheele markt van het gemeen bezet, raazende en +tierende als verwoede menschen, die door des Overigheids redenen +niet te stillen waren. Een groote hoop liep als woedende op het +stadshuis, met een groot stuk hout in de handen, en stoote de deur +van de raadkamer daar mede open; voorneemens om den geheelen Raad +dood te slaan. De geene die beneden stonden, met bloote messen in +hunne handen, riepen: Sla dood, sla dood; werpt ons de verraaders +ter vensteren uit! Waar door de Raad zich genoodzaakt vond, deze +gecommitteerden te zeggen, hunne begeerte te zullen voldoen: doende +daar op de klok luiden, en hunne wille publiceren. Waar door het +woedende gepeupel wederom vertrok. + +In den jaare 1527 was 'er wederom een groote onlust te Groningen, +waar door omtrent verscheidene magistraatspersoonen hun leeven zouden +verlooren hebben: want een Jan Gryp, zynde een groot oproermaker, +trok zyn zwaard uit, en riep: Sla dood! en sloeg den Bouwmeester +Jan.... onder den voet, houwende nochmaals verscheidene keeren naar +hem; doch wierd, door toedoen van anderen, noch gelukkig gered. De +Raad, vergadert zynde, vlood van het stadshuis; ziende ieder om een +goed heenkomen. De Burgemeester Hillebrands, Roltman en Rein Duirds, +met noch eenige andere Raadsheeren, liepen in de St. Martens kerk; +maar de Burgemeester Ludolf Conders viel by de waag onder het gespuis; +waar door hy nochtans door eenige raadsgezinde burgers gelukkig wierd +ontzet, neemende daar op de vlugt, de Heere Poort uit, naar Helpman +op zyn hofstede. + +Dit zelve jaar overleed Graaf Edzard van Oostfriesland, oud zynde 66 +jaaren, binnen Embden; wordende des Vrydags na vastenavond tot Norden +begraven. Na hem succedeerde Graaf Enno daar op, in zyns vaders plaats. + +In den jaare 1530 heeft Keizer Karel aan zynen Stadhouder Schenk last +gegeeven, om Dokkum en Slooten, welke Steden hy, na 't vertrek der +Gelderschen, hadden doen vast maaken, de wallen wederom te slegten. + +In dit zelve jaar, den 10 van July, nam Graaf Enno van Oostfriesland +Widmond door verrassinge in; en belegerde voorts Ezens; waar op +hy verscheidene maalen stormde, en veel volk verloor; doch op den +28ste van September hebben die van binnen zich aan hunne vyanden +overgegeeven; waar op, Jonker Balthazar een voetval voor Graaf Enno +doende, pardon bequam. + +In den jaare 1531 heeft Jonker Balthazar een hoop krygsvolk aangenomen, +waar mede hy in Graaf Enno's land trekkende, alles in brand stak wat +hem voor quam; sleepende een grooten buit met zich; en begaf zich +naderhand onder den Vorst van Gelder. + +In den jaare 1533 heeft Jonker Balthazar den Overste Meindert van Ham +met omtrent 2000 Geldersche soldaaten te Jemmigen, in Reiderland, +gezonden: maar Graaf Enno hen te gemoet trekkende, heeft van hen +een Vendel Gelderschen, welke by de Noorth verachtert waren, ter +neêr geslagen. Doch een weinig tyd daar na, hebben de Gelderschen +de Oostfrieschen aangegreepen, en deerlyk geslagen; waar door in 't +geheel omtrent 400 mannen zyn gebleven, en waar onder veele braave +persoonen van aanzien. + +In den jaare 1535, den 30ste van Maart, zyn omtrent 300 zo +genaamde Wederdoopers, na datze hunne leere in Friesland openbaar +hadden voorgestelt, byeen getrokken, overvallende Oldenklooster, +by Bolswert, en namen het in; noodzaakende de monniken daar uit te +vlugten; en van gedachten zynde, by aldien de Landsheer hen mogt komen +bestormen, zouden de bestormers zelve door hunne eigene wapenen gedood +worden. Maar de Gouverneur G. Schenk zulks gewaar wordende, zond een +troup soldaaten derwaarts, en overweldigde het klooster aanstonds; +waar door in de eerste furie het meestedeel dier arme menschen door de +kling wierden gejaagt: 24 zyn 'er vervolgens aan galgen opgehangen, +en 15 onthalst; en de vrouwen en maagden eenige te Leeuwarden, en +andere in het Hempensermeer doen verdrinken. + +In den jaare 1536 heeft Menno Simons, Priester te Witmaarsum, zyn +priesterambt verlaaten, en zich tot de Wederdoopers begeeven: waar +van dezelve den naam van Mennisten hebben bekomen, zo als zy noch in +Friesland, zonder onderscheid, allen genoemt worden. + +In dit zelve jaar, hebben de Groningers hunne hulpe aan den Hertog +van Gelder tegens Graaf Enno van Oostfriesland opgezegt. Waar over +de Hertog zeer te onvreden zynde, zyne krygsmacht deed vermeerderen, +en den Overste Meinard van Ham met de zelve den 29ste van April naar +den Dam zond; die aldaar ten eerste de vestingen deed versterken, +steekende de voorstad by de Steenstil- en Poelepoort in brand; +als ook de voorstad van de Ebbinge- en Botteringepoort; waar door, +alzo de vlam over de wal quam, omtrent de Peperstraat 5 huizen en 30 +schepen verbrande. + +Waarom door de Staaten van Stad en Lande, door groote verbitteringe +dieze tegens den Gelderschen Vorst gekregen hadden, geresolveerd +wierd, zich aan het Huis van Bourgondien over te geeven; zendende +derhalve hunne Gezanten aan Koningin Maria, zuster van Keizer Karel den +vyfde, in Brabant, met verzoek, dat zy onder de bescherminge van zyn +Keizerlyke Majesteit mogten aangenomen worden. De Koninginne heeft hen +daar op met veele beleeftheid aangenomen, en voorts met een genoegzaame +krygsmacht onder het bevel van Georg Schenk versterkt. Waar op Schenk +den 7de van Juny met groote blydschap ter stad wierd ingehaalt, en +als Stadhouder gehuldigt, doende de Raad en het Gemeen voorts den +eed aan hem, uit naame des Keizers. Wordende dus de stad Groningen +en Ommelanden aan de Nederlanden gehegt. + +Hier na trok Schenk te velde, en sloeg de Holsteinschen in +Westerwolde; nam Delfzyl in; won den Dam, Wedde en Koeverden van de +Gelderschen. Hier na is de vrede tusschen den Keizer en Hertog van +Gelder geslooten, welke te Groningen op den 8ste van December van +'t stadshuis gepubliceert is geworden. + +In den jaare 1538, of omtrent dezen tyd, overleed de trouwelooze +Hertog Karel van Gelder, oud 70 jaaren; hebbende zyne nabuuren 50 +jaaren lang met verscheidene oorlogen beroert. + +En omtrent dien zelfden tyd leefde Vorperus Thaborita, Kanunnik +te Thabor, by Sneek; die, tot op dien tyd, de oude Friesche +Geschiedenissen heeft te zamen gestelt. + +In den jaare 1540 overleed Georg Schenk, Stadhouder van Groningen, in +wiens plaats, hem opvolgde Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren. En +den 24ste van September overleed Graaf Enno van Oostfriesland, +wordende te Embden begraven. + +In den jaare 1542 is een watervloed over deze landen geweest, waar +door veele schade aan menschen en beesten is veroorzaakt. + +In den jaare 1545, omtrent St. Jan, quam Koninginne Maria te Groningen; +wordende aldaar door de Magistraat op eene zeer plechtige wyze +ingehaalt, en met ryke geschenken beschonken. + +In den jaare 1546 is in 't Klooster Wittewyrum eene conferentie +gehouden, over het verschil van de voorbyvaart van Embden, tusschen +de Groningers en de Graavinne van Oostfriesland. + +In den jaare 1548 overleed Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buuren, +en Stadhouder van Groningen, in wiens plaatze hem opvolgde Jan van +Ligne, Graaf van Arenberg. + +In den jaare 1550 hebben de Groningers, benevens die van de Ommelanden, +aan den Graaf van Arenberg hunnen eed gedaan, wegens Philippus den +tweede, Koning van Spanje. + +In den jaare 1552 was 'er, na 't geweldig doorbreeken der dyken, en +'t vloeijen van water, zulk een harde winter, dat men van Friesland +naar Ter Schelling, van Medenblik naar Staveren, en van Amsterdam +naar Kampen, met paard en slede, kon over de Zuiderzee ryden [91]. + +In den jaare 1555 droeg Keizer Karel de vyfde de bestiering der +Nederlanden over aan zynen zoon Philippus. + + + + +2. Philippus de Tweede, Koning van Spanje. + + +In dit jaar, Philippus de zeventien Nederlandsche Provintien van zynen +vader verkreegen hebbende, in zo een vreedzaame en wettelyke stand, +als Prins of Onderdaanen konden wenschen: kreeg het Land in tegendeel +in Philippus te gelyk een nieuw Heer, met allerlei nasleep van onheilen +en oproer. Want als hy niet wel overdagt hadde, dat zyn vader, door +eene byzondere naarstigheid, op alles een wakend oog had gehouden, +met overal zelve by te zyn; zo ondernam Philippus daar en tegen, +deze Landen in goede rust te zullen houden door eenen Stadhouder, +blyvende zelve in Spanje. + +In den jaare 1559, na Philippus de Nederlanden doorreist hadde, +is hy weder naar Spanje vertrokken; bestellende het gebied der +Landen aan Margareta, Hertoginne van Parma, zyne Bastartzuster: en +iedere byzondere Provintie aan hunne Stadhouders, en Friesland aan +bovengemelden Graaf van Arenberg; die ook het opzicht over Overyssel, +Groningen en Lingen hadde. + +Onder deze aanstellinge gaf hy ook met eene last, die hy hun by zeer +strenge placaaten, voor zyn vertrek, gegeven hadde, en die de waare +oorzaaken van alle volgende onlusten zyn geweest; waar van deze drie +de byzonderste waren: 1. Het aanstellen van 14 nieuwe Bisschoppen, +boven de drie, die 'er voorheenen hadden geweest. 2. Het openbaar +bevel, om de besluiten van het Consilie van Trenten in den Lande +uit te voeren: daar toe aanstellende Inquisiteurs en Kettermeesters +[92], om het volk wegens hun geloove te onderzoeken. En ten 3de. Het +onderhouden van 4000 vreemde krygsknegten, ten laste van den Lande, +en dat in tyd van vrede. + +In dit zelve jaar is te Groningen overleden Regnerus Predrinus, +hebbende aldaar veel tyd Rector der Latynsche schoolen geweest, +predikende op de feestdagen openlyk het Evangelium. + +De leere tegen de Pausselyke dwaalingen, nu door geheel Europa +zich uitgebreid hebbende, en in Vrankryk en Engeland daarom veele +vervolgingen geschiedende, zo quam 'er veel volk naar de Nederlanden +vlugten. Welke vervolging strydig was tegen de oude privilegien en +vryheden van den Lande, die de Koning hun beloofd hadde te behouden. + +De Edelen van den Lande ondertusschen, om zulk een voorneemen naar +vermogen af te weeren, kantteden zich eerst tegen de dwingnagel van +de bovengemelde 4000 soldaaten, waar door het volk grooten overlast +wierd aangedaan, van gevoelen zynde, dat dan de Inquisitie weinig +klem zoude hebben. + +Des zo beraadslaagdenze om den Koning te beweegen, dien last van +soldaaten van hen af te ligten; en zyn, na veele moeijelykheden, +naar Spanje afgescheept in den jaare 1561. + +In dit zelve jaar is Groningen, by het aanstellen van nieuwe +Bisschoppen in de Nederlanden, tot een Bisdom verheven; en wierd tot +eerste Bisschop aangestelt, Heer Johan Cnyf, Minnebroeder. + +In dezen tyd is wederom een watervloed over Oostfriesland gegaan, +welke de dyken verbrekende, en veele beesten om 't leeven bragt [93]. + +In den jaare 1564 is aan de Staaten van Friesland, nevens andere +Provintien, bevel gezonden van de Hertoginne van Parma, om den nieuwen +Bisschop Cunerus Petri aan te neemen, en in te huldigen tot Bisschop +van Friesland; zyn zetel te stellen binnen Leeuwarden, en hem in alles +de hand te bieden: het welk de Staaten weigerden; verzoekende daar +van ontslagen te zyn, als strydig tegens hunne vryheden en voorrechten. + +In dit zelve jaar hebben de Engelschen de stapel der lakenhandel, +in een tyd datze verschil met de Nederlanders hadden, te Embden +geplant. Want daar quam den 23ste van May een groote vloot schepen +met lakens, na dat 'er reeds 6 gekomen waren, te Embden aan. Waar +over de vreugde in die Stad zo groot was, dat 'er eereschooten van +weêrskanten wierden gedaan. Doch de blydschap, en het voordeel datze +zich zelve daar van belooft hadden, verdween zeer haastig: over zulks +de Engelschen, hun verschil met de Nederlanders vereenigt hebbende, +van daar vertrokken, en bragten de lakens naar Antwerpen. + +In den jaare 1565, als de Inquisitie hoe langer hoe wreeder voortging, +hebben de Edelen, na lange te vergeefs by de Hertoginne vertooningen +en verzoekschriften te hebben ingelevert, den Graave van Egmond aan +den Koning gezonden. Dewelke, na eenigen tyd, eerst antwoord bequam, +en hier op uit quam, dat des Konings meininge was, dat zyne beveelen +en strenge placaaten moesten uitgevoert worden. Derhalven heeft de +Gemeente ondertusschen, uit onverduldigheid, om bovenstaand langdraadig +antwoord des Konings, de kerken overvallen, en alle Roomsche beelden +daar uit gestormt. + +Waar op in den jaare 1566 de Heer van Brederode, verzelt met meer +dan 200 Edelen, uit alle Provintien, verzogten aan de Hertoginne +te Brussel, om verzagtinge van die strenge beveelen des Konings te +genieten. By welke gelegentheid de naam van Geusen, waar door de +Gereformeerden beteekent worden, tot op dezen dag, van de geene die +buiten zyn, zynen oorsprong heeft genomen: wat een van 't Hofgezin der +Hertoginne, met naame de Heer van Barlemont, dezen hoop Edelen, die +slegt in de kleederen waren, het eerste aan 't Hof ziende komen, zeide +in de Fransche Spraak, dat 'er een hoop Bedelaars voor de poort waren; +gebruikende het Frans woord Gueux, dat een Bedelaar beteekent. De +Edelen dit verstaan hebbende, schaamden zich hier niet over; maar +begeerden na dien dag altyd Geusen genaamt te zyn: waarom veelen van +hen graauwe kleederen aantrokken, als de bedelende Graauwe Monniken, +en houte nappen aan hunne zyde hongen, met zilvere plaatjes beslagen, +waar op in 't Latyn stond: Het gaa den Geuzen wel: of vivent les Geux. + +Het voorige verzoek der Edelen naar den Koning gezonden zynde, maar +het antwoord te laat aankomende, was 'er ondertusschen weder alomme +door het land een algemeene kerkrooving en beeldstormerye ontstaan; +en de Gereformeerden, door toelaatinge des Prinsen van Oranje, +bouwden openbaarlyk kerken binnen Antwerpen. Waar op de burgers, +zo te Leeuwarden als Sneek, mede de vryheid namen om de beelden uit +hunne kerken te breeken, en de zuivere leere te doen stand grypen; +daar veelen reeds opentlyke belydenisse van deeden. Ondertusschen +hebben de Inquisitiemeesters den nieuwen Bisschop te Leeuwarden +toegestaan, van de inkomsten der kloosters Mariengaard en Lidlum, +tot zyn jaarlyks onderhoud, een zomma van 3000 ducaten; en 't verdere +overschot ten behoeve voor monniken en paapen. + +In dit zelve jaar is de Minnebroeders kerk te Groningen door de +Gereformeerden ingenomen, van de altaaren en beelden, met verlof +van de Magistraat, gezuivert, en die hun stads arbeidsvolk bestelde, +om de vloer van puin en belemmeringen te ontdoen, en bequaam tot de +predikdienst te maaken. Doch deze zaak heeft naderhand, in den jaare +1569, eenige werklieden het leeven gekost. In de Ommelander dorpen, als +te Winsum, Garshuizen, Westerembden, Ten Post, Middelstum en elders, +wierd de boer door den adel opgehitst, en veele kerken, geplondert, +tegens dank en wil der Overheden. + +Arenberg, deze beeldstormerye verstaan hebbende, deed, uit last +der Hertoginne, alle de predikanten het land uitjaagen, en alle +Gereformeerden strengelyk vervolgen. + +Als mede, uit naam van den Koning van Spanje, zond hy op eene +listige wyze, vier compagnien Hoogduitsche soldaten in Groningen; +welke aldaar, gedurende hunne inquartieringe, wegens den Koning, +veel moetwil bedreven aan de burgers, inzonderheid de Gereformeerden; +neemende de stads sleutels na zich, ontwapende de burgerye, en deeden +een jongman, om opgelegt verraad, vierendeelen. + +In den jaare 1567, als de Prins van Oranje zag, dat de zaken, na zo +veele moeijelykheden, van erger tot erger vervielen, vertrok hy, +met een groot gevolg van Edelen en andere aanzienlyke lieden naar +Duitschland. En een schip met Edelen van Amsterdam naar Embden +vlugtende zyn by Harlingen, door trouwloosheid van den schipper, +in handen van Arenberg geraakt: waar onder de twee jonge Heeren van +Baatenburg, en drie Friesche Edelen waren; die, nevens veele van de +anderen, binnen weinig tyd daar na, te Brussel zyn omgebragt. + +De Koning van Spanje ziende, dat de verwerringe al grooter en grooter +wierd, besloot zyne zuster van verdere moeite te ontlasten, en zond +als Stadhouder in haar plaatze dien wreeden en alom beruchten Hertog +van Alva; dewelke een groote krygsmacht mede bragt, van voornemen, +om alles op een wreede en gruuwzame wyze te vervolgen; die ook dien +weêrgaloozen bitteren bloedraad instelde, welke alles het onderste +boven wentelde. + +In den jare 1568, als de vlugtelingen door de wreedheid van Duc d'Alva +dagelyks meer wierden, zoo dagten zy op middelen, om weder in beteren +stand in hun Land te komen. De Prins dan, veel volk vergaderende, +begon van dezen tyd af den Hertog te beoorlogen. + +In dit zelve jaar, in May hebben de Graaven Lodewyk en Adolf van +Nassau, nevens Graaf Joost van Schouwenburg en anderen, met hunne +krygsmacht in Groningerland trekkende, het Huis te Wedde, den Dam, +en daar na meer andere plaatzen ingenomen: hoewelze na een korten +tyd gedwongen wierden den Dam wederom te verlaaten. + +Ondertusschen was de Graaf van Arenberg, nevens den Graaf van Megen, +met hunne krijgsmacht en zes stukken kanon afgekomen: het welk van +Graaf Lodewyk vernomen zynde, trok zyne krygsbenden bijeen, vallende +den 24ste van May met eene groote dapperheid bij Heiligerlee op de +vijanden in, voor dat de Graaf van Megen daar noch was bygekomen, +en sloegen zoo furieus met hun nieuwgeworven krygsvolk onder hen, +dat er in 't kort veelen wierden neergevelt. Waarom Arenberg met +eene groote bitterheid op Graaf Adolf los rende; en, schoon hy +eerst met een kogel doorschooten wierd, heeft hy nochtans dies te +verwoeder, eerst met 't pistool, en daar na met het rapier Graaf +Adolf ook doodelyk gewond; waarop zy alle beide zyn neêrgevallen, +en niet verre van den anderen gestorven. De rest van Arenbergs leger, +alzo 't volk geen kennisse van 't Land hadde, en van de Nassauschen +omsingelt zynde, is meestendeels gequetst of dood gebleven. Omtrent +1600 mannen, zo Spanjaarden als Duitschen, wierden 'er verslagen, +waar onder vele perzoonen van rang; daar by bequam Lodewyk veel buit, +als alle de bagagie van Arenberg, zyn zilverwerk, en daar en boven +veel geld, dat tot betaalinge der soldaaten gekomen was, en zes +stukken kanon. Graaf Adolf wierd te Wedde, en de Graaf van Arenberg +in de kerk van het klooster te Heiligerlee begraven. + +Daar na trok Graaf Lodewyk met zyn leger voor Groningen, doende de stad +aan twee zyden belegeren; maar de vastigheden van die plaats, groote +bezettinge daar binnen, en den belegeraars zwaar geschut ontbreekende, +deed hem niets vorderen: evenwel wierden 'er verscheidene aanvallen +gedaan, inzonderheid op den 22ste van Juny, alwaar wel 200 van de +Nassauschen, en veelen van de beleegerden sneuvelden. Maar het afkomen +van den Hertog van Alva met een leger van 16000 mannen, deed hem de +belegeringe den 14de van July opbreken, marcherende daar mede langs de +Eems, om zich aldaar te versterken; doch de Hertog is hem zeer haastig +nagetrokken, en heeft Graaf Lodewyk op den 21ste dito by Jemmingen +aangetast, en zeer afgryzelyk met al zyn volk, dat niet vegten wilde, +verslagen; daar bleven 'er weinigen over, en veelen wierden door +'t zwaard gejaagd, of in 't water verdronken. Graaf Lodewyk zelve, +als eenigen verhalen, ontquam het met zwemmen over de Eems; doch +anderen willen, dat hy met een scheepje overgeraakt zoude zyn. Daar +wierden verlooren 16 stukken kanon, omtrent 1500 paarden, 20 vendels, +veele horenbeesten, en omtrent 7000 mannen. + +Daar na trok de Hertog langs de dyken naar Delfzyl, voorneemens om +die plaats en Farmsum tot een stad te maaken, en dezelve Marseburg +te noemen: doch de smeekinge der Groningers heeft zulks terug +gehouden. Vervolgens hebben de Spaanschen in het aftrekken veele dorpen +in brand gestoken, eenige duizenden van horenbeesten uit het land +gedreven en groote schade gedaan. Voorts quam de Hertog te Groningen, +en ordonneerde aldaar een kasteel te bouwen, tusschen de Ooster- +en Heere Poort, met 5 bolwerken; dat het jaar daar aan is begonnen. + +Karel Brimeu, Graave van Megen, wierd Stadhouder van Friesland, van +'s Konings wegen, na de dood van Arenberg. + +Den 7de van December is te Leeuwarden, voor de eerstemaal des Heeren +Avondmaal openbaar, naar de wyze der Gereformeerden, uitgedeelt, na dat +de gewapende burgery de beelden, door last van Burgemeesteren, uit de +kerken geworpen hadden, niet tegenstaande des Konings Stadhouder, en +'t Hof zich daar tegen stelden. Ook hebben zy den Koning afgeswooren, +en zich door sterke burgerwachten bevestigt. Ook wierpen verscheidene +paapen hun priesterlyk gewaad weg, en verkondigden nu het zuivere +Woord des Heeren. + +In den jare 1569, in April, quam de Commissaris Quarre te Groningen, +en informeerde zich wegens de kerkplonderinge en andere misdaaden, +in den jaare 1566 gedaan. Waarop eenigen by den kop wierden gevat; +doch de Bouwmeester, met twee arbeidsluiden braken uit de gevangkenis; +maar de andere drie a vier zyn, niet tegenstaande het verlof van de +Magistraat, om hunne begaane misdaad, op de markt onthoofd. hoofd. + +Voorts hier na quam de Bisschop Johan Cnyf ook te Groningen, neemende +zijn logement in het huis dat nu des Stadhouders Hof is. + +Ook wierd door bevel van den Hertog van Alva een kasteel geordonneert; +men bouwde het met vyf bastions, waarvan drie buiten en twee binnen +de stad quamen te leggen: schietende het eene met haar punt op der +Pelsterstraat, en het andere op de Gelkingestraat: waar van de gragt +wierd aangelegt op 100 voeten wyd; en de benedenste voet van de wal +op 75 voeten breed. + +In den jaare 1570, den 1ste November, is 'er een geweldig onweder, +met een verschrikkelyke hooge watersnood, uit den noordwesten ontstaan; +die tot heden met den naam van Allerheiligensvloed bekent is: waar door +het water zeer hoog in Vlaanderen, Holland en Zeeland is opgeloopen, +doch by den dag, en diensvolgens met minder schade, als in Friesland: +alwaar het des avonds, omtrent 9 uuren, het geheele Land overstroomde +tot aan Sevenwouden toe; blyvende Gaasterland, en wel voornaamentlyk +Oud Mardum, Ruigehuizen en Sondel onbeschadigt. De schade aan menschen +en beesten was ontelbaar, en is af te neemen uit 1800 menschen, die +alleen in de Grieteny van Oostdongeradeel verdronken waren; daar de +vloed tot elf voeten hooger, als een gemeen ty, was opgerezen. Van +Sneek naar de Lemmer voer men regt uit op zeven en een halve voet +water over 't vlakke land: râzeilen met drie masten dreven, met +haar volle ladingen door de inbraaken der dyken. En een wieg, met +een leevend kind en kat daar in, quam te Sneek aandryven. + +In den jaare 1571 hebben de Friesen alomme, gelyk ook die van Braband +en Vlaanderen, de beelden bestormt, en de paapen en monniken weder +het land uitgejaagt. + +In den jaare 1572, den 7de van January, overleed binnen Zwol, de +Graaf van Megen, Gouverneur van Friesland, Groningen, enz. In wiens +plaatze hem opvolgde Gillis van Barlamond, Heere van Hierges. + +In dit zelve jaar namen de Watergeusen den Briel in; en de Prins van +Oranje wierd in 't openbaar voor een Hoofd der Vereenigde Bontgenooten +verklaart. Diederik van Bronkhorst nam Sneek, Bolswert en Franeker in, +alzo het volk daar meest uit verloopen was. En des Konings Colonel, +Casper de Robles, Heer van Billi, daarentegen lag bezettinge op +de zeedyken. + +Schouwenburgs volk, gesterkt met een party, van des Prinsen macht, +dat van Ameland naar Oostmahorn over quam, heeft Dokkum ingenomen: +maar de Colonel Robles, hen overvallende, heeft de plaats weder +hernomen, laatende de soldaaten vermoorden en schenden, en de stad +in brand steeken [94]. + +In September is Joost van Schouwenburg, als Stadhouder by den Prins +van Oranje over Friesland, te Sneek gekomen; en, na eenigen tyd, +trok hy binnen Franeker, en zette zich op Sjaardema's Slot ter +neder. Doch na zyn vertrek vielen zy weder in handen van Robles, +gelyk ook die van Bolswert. Ondertusschen hebben 's Prinsen volk de +zeekusten, behalven Harlingen en Staveren, weder onvry gemaakt; alwaar +Gaasterland en de geheele zuidhoek veel verdriet heeft uitgestaan. En +inzonderheid word verhaalt, dat die van Wykel van de roovers wierden +overvallen; Wybren Wykel met zyn vrouwe Doed en dochter Bauk gedood; +Foockel gevankelyk naar Enkhuizen gevoert, en noch eene van hunne +zusters ter vensteren uitgeworpen; Hans, hunne broeder, ontquam het +met de vlugt; en het huis wierd verbrand: van welker afkomst ons noch +een aanzienlyk huisgezin in onze woonplaats bekent is. Robles moest +hier na Sneek weder verlaaten. Diederik van Bronkhorst nam hier op +Bolswert in; alwaar hy de Overigheid veranderde, en de Gereformeerden +opentlyk liet prediken; welke eerste predikatie in de Broeren Kerk +gedaan wierd. Hier van daan vertrok hy naar Sneek en Franeker, alwaar +hy het Stadhoudersampt, in 't afzyn van Schouwenburg, bediende. Daar +na nam 's Prinsen volk het blokhuis te Staveren in: maar daags daar +aan herwonnen 's Konings volk het wederom, en staken de stad in brand. + +Schouwenburg, eenige schattinge by een vergadert hebbende, tot reddinge +der Provintie, is, na hy de zelve ontfangen had, met dien geroofden +buit uit den Lande doorgegaan. + +Ondertusschen heeft de Koning van Spanje, Don Louis de Requesens, +Grootbevelhebber van Castilien, tot een Landvoogd der Nederlanden +gezonden, in plaats van dien bloeddorstigen Hertog van Alva: die hier +op aanstonds weder naar Spanje vertrok; welke roemde, dat 'er door +zyn bevel wel 18000 menschen alleen door beuls handen in Nederland +waren omgebragt, behalven die in den kryg waren gesneuvelt. + +In den jaare 1573, is Groningerland, Friesland en Embderland, door +een watervloed aangetast: waar door de dyken wierden gebroken, en +groote schade aan menschen en beesten geschiede. + +In den jaare 1574 heeft Casper Robles, om de verschillen en +oneenigheden, al van oude tyden af, die ontstaan waren over het +maaken der zeedyken, weg te neemen, uitgevonden, en volgens zyne +gedachten en raad voorgewend, dezelve dyken, tegen zulke zwaare en +hooge watervloeden, waar van zy zo menigmaalen de smerten gevoelt +hadden, in beter order te brengen, en beginnen te verzwaaren. Wordende +omtrent twee jaaren hier na, ter gedachtenisse van dit loffelyke werk, +het Steene Beeld, dat noch heden by Harlingen op den dyk te zien is, +op 's Lands kosten, opgeregt: dienende met eene tot een Scheidbeeld +van de afdeelinge der dyken. + +Alschoon des Konings zaaken dagelyks te post verliepen, zo waren echter +Staveren, Hindeloopen, de Schans te Makkum, Harlingen, en de geheele +kust, na het doorgaan van Schouwenburg, weder met Robles volk bezet +geworden. Doch Wouter Heegeman, Hopman van den Prins van Oranje, van +Texel afvaarende, heeft Hindeloopen, by eene donkere nacht, met 300 +mannen overvallen en ingenomen. Waar op die van Enkhuizen hem kruid +en lood toezonden, om de plaats te versterken. Doch op het gerucht +van Robles volk, dat op hem aanquam, deed hem resolveeren, de stad +uit te plonderen en in brand te steeken. De Drost van Staveren begon +ook zyne vestingen, daags daar aan, weder te versterken. + +In den jaare 1575 Bartel Entes, met eenig volk van Ter Schelling +afvaarende, lande op Oostmahorn, alwaar hy een schans opwierp: doch +na eenige schermutselingen, wierd hy door 't volk van Robles daar +weder uitgedreeven. + +In den jaare 1576 waaide het een geweldige storm, waar door veele +boomen uit den grond wierden gerukt; en het dak van de Oude Hoofster +Kerk te Leeuwarden, dat door oudheid geheel bouwvallig was geworden, +deed instorten: en is tot op dezen dag niet weder opgebouwt. 't Was +mogelyk een voorteeken, dat gelyk het heidendom, voor veele eeuwen, +uit deze plaats uitgeroeit, alzo deze plaats het kerkhof was geweest, +daar het altaar van den Afgod Staf gestaan had, en dezelve geviert +wierd, alzo ook nu het gebouw des Pausdoms in deze Landen wel haast +een geweldige krak zoude krygen. Waarom wy wel mogen zeggen: + + + Het oude Duivels Hof, door schynschrift + lang misbruikt, + Wat wonder, zo 't haar hoofd voor 't regt + Geloove duikt. + + +In dit jaar hebben de Staaten en Voornaamste des Lands met malkanderen +binnen Gent een verbond gemaakt, om de welvaart des Lands, met +raad en daad des Prinsen van Oranje te helpen bevorderen: wordende +gemeld verbond gemeenelyk de Pacificatie van Gent genaamt. Het welk +de Koning daar na ook met zyne onderteekening bevestigde. De inhoud +van dit verdrag bestond voor 't meest: 1. Dat de vreemde krygslieden +uit het Land zouden gevoert worden. 2. Dat de gebruikelykste wyze van +regeeren zoude vastgestelt worden. 3. Dat ieder Provintie de zaaken +van Godsdienst zoude handhaven, na dat het tot ruste des volks het +beste zoude geoordeelt worden. + +In dit jaar is te Madrid overleden Joachim Hopperus, geboortig van +Heemelum; afkomstig van dat oud Geslacht der Hopheeren, waar van boven +op het jaar 513 gemeld is; om zyne uitmuntende geleerdheid, heeft +hy hooge bedieningen bekleed, als Professor der Rechten te Leuven; +Heer van den Grooten Raad te Mechelen, en in den Geheimen Raad te +Brussel, daar Viglius de voorzitplaats had; Heer van den Hoogen Raad +der Nederlandsche Zaaken in Spanje, en 's Konings Zegelbewaarder; +waar by hem de Koning tot Ridder van de Goude Spoor sloeg, te gelyk +en op een uur met Don Jan van Oostenryk. + +Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab Aita, +afkomstig van Swichum, by Leeuwarden; deze is mede om zyne uitsteekende +geleerdheid in groot aanzien geweest, als Professor in de Rechten te +Padua, in Italien, en na 't afslaan van veele eerampten, Ryksraad in +de Kamer te Spiers; wederom wierd hy Professor te Ingolstad, Heer in +den Grooten Raad te Mechelen, Praeses of Voorzitter in den Geheimen +Raad en Raad van Staaten te Brussel, Ridder van 't Gulde Vlies, enz. + +In dit jaar, den 7de van October, is te Groningen de Bisschop Johan +Cnyf, Minnebroeder, aan de pest overleden. + +Den 22ste van November ontstond te Groningen een groote onlust, +door dien de Staaten Generaal, het oog op deze stad hebbende, +eenen M. T. Stella herwaarts hadden gezonden, om de Magistraat en +het krygsvolk tot het aannemen der Pacificatie van Gent te beweegen; +als mede, dat zy 't met de Generaliteit zouden houden; waar voor zy +beloofden, alle de achterstallige schulden, van de soldaten, die zeer +groot waren, te zullen voldoen. + +De Gouverneur Robles, hier kennis van krygende, deed Stella aanstonts +apprehenderen en pynigen, om alzo zyn commissie uit hem gewaar te +worden: doch alles te vergeefs. Ondertusschen wist Stella door zyn +bequaamheden in 't geheim aan de soldaaten te kennen te geeven, +dat zo zy zich voor de Staaten wilden verklaren, zy van alle hunne +achterstallen ten vollen voldaan zouden worden. Hier op waren de +soldaaten aanstonds als vol vuur, namen ten eersten hunnen Gouverneur +Casper de Robles, benevens eenige Spaansche Kapiteinen, of die 't +met hun hielden, gevangen; loopende voorts naar de Waag, en haalden +de daar staande wippe omverre, en verbrandeze op de Markt, roepende: +Lang leeve de Prins! lang leeven de Staaten! Waar op zy aanstonds heen +liepen en maakten Stella los; bragten hem op de Markt, en deeden hem +in de naame der Staaten den eed van getrouwheid. Vervolgens zonden +zy Gecommitteerden met Stella naar Brussel; die aldaar de stad aan +de Staaten opdroegen, en een Gouverneur van hen verzogten: waar op +de Graaf van Rennenberg is afgezonden geworden, die aldaar in den +jare 1577, den 7de van January, met eenige heeren is aangekomen, +en betaalden de soldaaten hunne achterstallen ten vollen, dat +eenige tonnen gouds beliep. Waar op de Waalen den 13de van Maart +ter stad uittrokken; daar die van binnen zeer over verblyd waren, +om hunne gepleegden moetwille, daar ze nu van verlost wierden, dat ze +vreugdevuuren daar over aanstaken; waar door de St. Martens toren in +brand geraakte en zeer beschadigt wierd. Daar na kreeg Rennenberg +Delfzyl, en stelde daar een nieuwen Commandeur. Voorts deeden +de Groningers hem en de Generaliteit den eed van getrouwigheid; +doende daar na het kasteel, door den Hertog van Alva gebouwt, +wederom afbreeken. + +Op den eersten November deed de Gouverneur Rennenberg de Staaten van +Stad en Lande te Groningen vergaderen, alwaar de Ommelander Jonkers +en Hovelingen compareerden in groot getal, doch niet denkende, dat +er iets quaads met hen voor handen was. Maar, als zy vergadert waren, +voor Rennenberg zyn propositie nog had voorgesteld of gedaan, wierden +beide de leden oneens; het welke niet verdraagen wierd; waar door +de Heeren van de Ommelanden door de Heeren van de Stad zyn gevangen +genomen, tot 24 in getal, en in leelyke gevangkenissen geworpen: niet +tegenstaande het ontzach van hunnen Stadhouder, die daar tegenwoordig +was. Daar op wierd de sterkte van Delfzyl den 20ste van December van +hare vestingen berooft; waar afgevoert wierden 9 metaale en 7 yzere +stukken kanon, en 14 bassen. + +In den jaare 1578 zyn des Konings Raaden en Grietmannen in Friesland +afgezet, en andere Heeren voor hen in de plaats verkooren. Waarop de +Gereformeerden, die noch in 't heimelijk hunne oeffeningen deeden, +verzogten om in 't openbaar te moogen leeren en jaargeld te genieten, +om hunne Predikanten eerlyk te kunnen onderhouden: 't welk door den +Religions Vrede, tusschen den Aartshertog Matthias en den Prins van +Oranje, toegestaan zynde, zo bequamen die van Leeuwarden de Jacobiner +kerk tot hun gebruik; alwaar zij voor de tweedemaal de Roomsche +beelden afwierpen, en dezelve kerk tot de zuivere godsdienst inweiden. + +In dit zelve jaar dagten de Ommelanders zich te wreeken; deeden +derhalve in de maand February, onder den Heer Barthold Entes van +Menteda, 12 vendelen soldaaten werven: maar de Groningers zulks gewaar +wordende, vielen op hen uit, en verstrooidenze, waar van eenige wierden +doodgeslagen, de vlugtenden nagezet, en Barthold Entes gevangkelyk +van Koevorden mede naar Groningen gevoert; daar hy groot gevaar liep +van met de andere gevangene Ommelanders onthoofd te worden. Doch de +Aartshertog Matthias en de Staaten Generaal waren hunne voorspraaken, +om het different by te leggen. + +Den 28ste van Maart heeft het zeewater in Groningerland, Oostfriesland +en elders, groote schade gedaan, en veele menschen en beesten +verdronken. + +In den jare 1579, om redenen, dat de Spanjaarden in geenen deele de +articulen der Pacificatie van Gent na quamen, hebben de Staaten van +Nederland goedgevonden, een naauwer verbintenisse te maaken binnen +Utrecht, die men de nadere Unie van Utrecht noemt: waar in de zeven +vereenigde Provintien, als Gelderland, Sutfen, Holland, Zeeland, +Utrecht, Overyssel, Friesland, Groningen en Ommelanden, daar benevens +Lingen en Drenth, hun eerste verbond maakten, bestaande voornaamentlyk +in: 1. Dat deze Provintien een en gemeen zouden zyn, om nooit, onder +wat naam ook, te mogen gescheiden worden: blyvende ieder nochtans +by zyne eigene oude voorrechten. 2. Dat zy malkanderen, tegen alle +vyandelyk geweld, met goed en bloed zullen helpen verdeedigen. En +3. In de oeffeninge van Godsdienst de Pacificatie van Gent na te komen. + +In dit zelve jaar hebben de Heeren van de Ommelanden den Riligions +Vrede mede aangenomen, insgelyks de Graave van Rennenberg; maar +die van Groningen, uit haat tegen de Ommelanden, kantede zich hier +tegen. Waarom Rennenberg een Landdag te Visvliet deed uitschryven, +om alle questien aldaar tusschen de beide leden in der minne by te +leggen. Doch de Groningers, als strydende tegen hunne verbonden, +weigerden aldaar te compareren. Rennenberg deed derhalve zyn krygsmacht +ontbieden, om zich van Groningen nochmaals te verzekeren; doende de +stad voorts op den 22ste van May, aan de noordwestzyde, met omtrent +2000 mannen, doch tot weinig schade der stad, berennen. + +Den eersten van Juny begonnen de belegeraars met die van binnen +handgemeen te worden, neemende hun een groot getal beesten af. Daar +tegen bragten die van de stad 2300 boeren uit hunne jurisdictien +op de been: welke terstond met weinig krygsvolk op de vlugt wierden +gedreven, en daar boven nog met geld geeven gestraft. Den 6de dito +verstonden die van binnen, dat er buskruid in het leger ontbrak, deeden +derhalven met hun geweld van welgewapende boeren en eenig krygsvolk, +met het geschut voor aan, een uitval op de vyanden, hebbende by hen 600 +dienstmaagden, om het geschut te beschanssen. Dus in slagorde staande, +wierd er aan weêrskanten dapper gevogten; waar door veele sneuvelden, +en de partye genoodzaakt wierd te vlugten, welke tot aan de poorten, +niet zonder verlies van volk, wierden vervolgt. + +Daar na begonnen die van binnen naar vrede te luisteren, geevende +zich op den 10de van Juny aan de Staaten Generaal over: de Gouverneur +Rennenberg deed zyn publyke intrede op St. Jans Dag in de stad; +die aldaar de Magistraat veranderde, en dezelve met Staatsgezinden +bezettede; den Riligions Vrede verkondigde, en de Gereformeerden de +St. Walburgs en Minnebroeder kerk deed inruimen. Vervolgens heeft +Rennenberg de fortresse Koevorden wederom vastgemaakt: doch toonde +zeer kort daar na dat hy 't met de Staaten niet wel meende. + +Want in den jare 1580, den 3de van Maart, heeft de trouwlooze Graaf de +stad wederom aan den Koning van Spanje gebragt, na dat hy dezelve maar +9 maanden voor de Staaten Generaal als Gouverneur hadde geregeert. Hy +had zyn voorneemen zo geheim weeten houden, dat, schoon hy beschuldigt +wierd, van heimelyk correspondentie te houden met den Hertog van Parma, +hy nochtans den Burgemeester Hillebrands, zynde de voornaamste daar +die van de Gereformeerde religie zich op vertrouwden, des avonds, +voor dat hy de stad onder zyn geweld bragt, bedroog, terwyl deze hem +voorstelde alle de quade geruchten die er van hem gingen, en dat hy +niet hoopte dat de Graaf iets quaads met hen voor hadde. Waar op de +Graaf antwoorde: «ô Myn Vader! dien ik voor myn Vader houde! zou gy +zulk een quaad vermoeden van my hebben? Wees hierin maar gerust:" en +sloeg het hem dus uit den zin. Evenwel lag de Graaf op zyn luimen, +laatende geen tyd passeeren; want op den tweeden van Maart, des +avonds en des nachts, heeft hy met zyn geheele Hofgezin, en veele +Spaanschgezinde burgers, als mede eenige verborgene krygsknegten, +tegens den morgenstond, den 3de dito, hen gewapent. Zo dra als hy nu +kennisse had bekomen, dat de Gereformeerde wacht in den dageraat was +gaan slaapen, is hy met zyn volk, hebbende witte teekenen aan hunne +linker armen, uit zyn logiment naar de Markt gereden, gewapent zynde +van het hoofd tot de voeten, met de bloote sabel in de vuist, roepende: +Sta by, sta by, goede Burgers! heden ben ik eerst regt Stadhouder dezer +Landen. Op dit gerucht quam de Burgemeester Hillebrands, woonende +in de Heerestraat, haastig met eenige Gereformeerden voor den dag +springen, die direct op hem aanvielen: maar een van Rennenbergs knegts +schoot op hem los, dat hy dood ter aarde viel. Waarom de anderen de +vlugt namen. Eenigen wierden aanstonds gevangen genomen, en anderen +verweerden zich noch in hunne huizen; maar daar bleef niemand dood +als een perzoon. Voorts liepen en renden zij door de straaten, +schietende naar allen, die het hoofd ter vensteren uitstaken. Daar +na de stad doorzoekende, namen zy allen, die in der Spaanschgezinden +ongunst stonden, tot over de 200 voornaamste burgers gevangen; waar +van eenigen zeer qualyk wierden gehandelt; die evenwel naderhand door +verscheidene middelen meest los quamen. + +Op dien zelven dag, als Rennenberg de stad voor den Koning van Spanje +had hernomen, wierd dezelve wederom door Barthold Entes belegert, met +13 vendelen soldaaten en 2 vendelen ruiters. Die van de stad maakten +eenige beschansinge in de voorstad, gelegen op het Schuitendiep, +en noch twee molenbergen buiten de stad, waarmede zy hunne beesten, +die dagelyks in de weide gingen, beveiligden. Vervolgens zonden de +Staaten Generaal den Graaf van Hohenlo, en Graaf Lodewyk van Nassau, +met nog 16 vendelen naar 't beleg. + +Den 16de van May deeden de belegeraars eene attaque op 't +Schuitendiep, alwaar zeer hevig gevogten wierd, en Barthold Entes +zyn leeven verloor. Ondertusschen ontstond een gerugt in 't leger, +dat de Spanjaarden, onder 't bevel van Marten Schenk, afquamen om +Groningen te ontzetten. Hier op trok Hohenlo met eenige vendelen uit +de belegeringe naar Hardenberg, Schenk te gemoet; alwaar het gevegt +op den 16de van Juny, tot groote schade van den Graaf van Hohenlo, +wierd gehouden. Overzulks wierd Groningen door Graaf Lodewyk, na ruim +drie maanden belegert geweest te zyn, wederom verlaaten. + +Den 29 van July is Delfzyl door den Graaf van Rennenberg ingenomen; +ook Enematil; doch wierd kort daar na door Hohenlo wederom herwonnen; +ook joeg hy de Rennenbergschen uit de schans Weerdenbras, by de +Ponterbrug, en nam daarop Koevorden in. + +Den eersten September is Enematil door de Rennenbergschen wederom +ingenomen en geslegt. + +Den 4de dito wierd Hohenlo's volk by de Bourtange door de +Rennenbergschen geslagen. + +Den 6de dito zyn de Rennenbergschen, door de Friesen uit Dokkum +en Kollum, in 't klooster Aduard verrast en verslagen; waar op het +klooster, uit vreeze van wederom overvallen te worden, is in brand +gestoken; waar in de Rennenbergschen wel 300 mannen verlooren. + +Den 20ste dito won Rennenberg Koevorden; onder voorwaarde, dat de +bezettinge, uit 200 mannen bestaande, met zydgeweer zouden mogen +uittrekken. + +In dit zelve jaar, als de Stadhouder Rennenberg door ontrouw van de +Staaten en Prins van Oranje was overgegaan tot den Koning van Spanje +[95], en die van Leeuwarden door het blokhuis, dat noch vast was, +en by hem bezet bleef, meende te dwingen, gelyk hy Groningen reeds +al in zyne macht hadde; zo hebben de burgers, dit bemerkende, het +zelve manmoedig ingenomen, en de wallen en sterktens geslegt: ook +namen de Staaten de blokhuizen van Harlingen en Staveren mede in +hunne macht, en roeiden uit de kerken der Paapen alle de beelden; +en de kloosterinkomsten wierden allen geschikt tot onderhoud der +Predikanten en schoolen. + +De Geestelyken dus uitgeroeit zynde, verkreegen die van Oostergo +de eerste stem in hunne plaats; en de steden de vierde stem in +landszaaken. Koevorden wierd vaster beschanst; en Harlingen met +nieuwe wallen en gragten versterkt. En wegens de ongetrouwigheid +van Rennenberg, zogten de Staaten zich van eenen anderen Stadhouder +te voorzien. + + + + + +VII. STADHOUDERS DER STAATEN. + + +1. Willem, Prins van Oranje, Graave van Nassau, enz., wierd van de +Staaten van Friesland, om het Stadhouderschap van deze Provintie +mede waar te neemen, begroet. Doch, om de moeijelykheden, daar de +andere Provintien in stonden, gaf het hem ongelegentheid, om overal +zelve te gaan; derhalven zond hy Merode, Heer van Rummen, om van +zynent wegen het Stadhoudersampt als Luitenant te bedienen. Hier na +belegerde Rennenberg Steenwyk; neemt de Kuinder en Slooten in; trekt +naar Staveren, daar hy 't kasteel weder opbouwt; werpt te Makkum +weder een nieuwe schans op, en stroopt langs de zeekust tot aan de +Harlinger Poort. Waar door Friesland weder in 't uiterste gevaar quam +om overwonnen te worden. Doch daarentegen ontzette de Overste Norrits +Zwartsluis, 't kasteel van Hattem en Steenwyk; waardoor Rennenbergs +loop ten eenemaal gestuit wierd, en al het voorgemelde weder by de +Staaten herwonnen. + +De onzen verlooren ook een veldslag by Winsum, in Groningerland, +dat Friesland in eene groote benaauwdheid bragt: maar als de Overste +Norrits den vyand by Visvliet geslagen, en tot aan de poorten van +Groningen verjaagt hadde, veranderde het zelve in vreugde. Even hier +na wierd het bolwerk en wallen om Dokkum gemaakt. + +In den jaare 1581, in May, quamen de Rennenbergschen uit Aduard, om +een schans op het Reidiep te maaken, om alzo den Heer van Nienoort +uit zee af te snijden: doch hy wierd zulks tydig gewaar, en voorquam +niet alleen hunne aanslag, maar bragt hen zelve in hinderlaag; waar +door veelen der vyanden wierden verslagen. + +Daar na is Aduard door den Heer van Nienoort belegert; brengende +grof geschut daar voor, om het klooster daar mede daadelijk te +beschieten. Maar de Rennenbergschen van alom hunne macht byeen +rukkende, trokken by Groningen over het Reidiep, om de belegerden te +ontzetten. Nienoort was zulks wel verwittigt, maar door meerderheid +van stemmen geresolveert de vyanden af te wagten: dewelke van achter +het klooster straks quamen toeschieten: waar door de Nienoortschen de +vlugt namen, achterlaatende verscheidene Officieren voor gevangenen, en +eenige dooden aan hunne bespringers. Voorts trokken de Rennenbergschen +op Aduarder-Zyl, en deeden het plaatsje aanstonds, doch vrugteloos, +bestormen: maar met kanon daar voor komende, en een goede bresse +geschoten zynde, quamen zy met de derde storm daar binnen; slaande +doe alles dood wat 'er in was; waar onder Schelto Jarges, een zeer +geleerd en dapper Kapitein. + +Den 9de van July sloeg Norrits de Rennenbergschen by Grypskerk, en +vervolgden hen tot aan Groningen, waar van 700 mannen door de kling +gejaagt, en veelen gevangen wierden genomen; vier stukken kanon, +alle de bagagie, en veele paarden wierden tot buit gemaakt; zynde +des overwinnaars verlies daar tegen zeer gering. + +Den 23ste dito is in Groningen overleden die trouwelooze Graaf van +Rennenberg, Stadhouder van Groningen, enz.; zynde door eene knaaginge +zyner confidentie geheel uitgeteert van mismoedigheid en berouw, +om dat hy de Staaten Generaal zo ontrouw had behandelt; wordende +begraven in St. Martens Kerk, in 't choor. Hy had in zynen laatsten +levenstyd zyne zuster verstooten, die hem tot dezen afval vervoert +had. Daar na is Francois de Verdugo wegens den Prins van Parma, +als Stadhouder van Groningen, in des overleedens plaatze gestelt. + +De algemeene Staaten van gevoelen zynde, dat door deze geduurige +vyandelykheden, de Koning van Spanje meer een openbaare vyand, als een +beschermend Overheer was; hebben daarom geresolveert, hem van alle zyne +voogdye af te zetten, en zyne gehoorzaamheid ten eenemaal afgezwooren: +waar toe de Staaten van de andere Provintien, en Friesland mede, in +dit zelve hebben bewilligt. Waarop des Konings wapenen alomme wierden +afgebroken, uitgestreeken en vernietigt, de zegelen plat geklopt, +en die der Staaten in deszelfs plaats gestelt. + +Rennenberg overleden zynde, heeft de Koning, die de landen daarom +noch niet verlooren gaf, eenen Francois Verdugo, Heer van Schenge, +tot Stadhouder gezonden; die met 1500 Waalen te Groningen komende, +de Friesen zeer verslagen maakte. + +Aanstonds nam Verdugo Reide in. En kort daarna raakte hy in een gevegt +tegen het Staaten volk, onder Norrits, by Noorthorn, dat hy deerlyk +sloeg: alwaar omtrent de helft zo Grooten als gemeenen sneuvelde, +en een groot gedeelte gevangen wierd genomen. + +Des de landlieden, in de wapenen gebragt zynde, hebben in 't dorp +Oudeboorn een schans opgeworpen; welke van Verdugo aangevallen, +maar afgeslagen is: waar op hy, na eenige plonderingen, uit het land +weder vertrok. + +In den jaare 1582 heeft de Stad Groningen van den Koning van Spanje +een bulle bekomen, omtrent het Stapelrecht. + +In den jaare 1583 heeft een Spaansch Overste, Taxis genaamt, Steenwyk +door list ingenomen: en in Friesland vallende, de schans te Oudeboorn +en Rotserschans ingenomen; en alomme het land door stroopingen en +plonderingen geplaagt. + +In het zelve jaar in September is Oterdum door de Heeren van Nienoort +en Azinga Entes verovert; jaagende de Spaanschen bezettinge daar uit, +en deeden het plaatsje daar op versterken; waar mede zy veele dorpen +daar omtrent tot contributie dwongen. Overzulks is Oterdum door de +Spaanschen in de maand December wederom belegert: maar die van binnen +dapper tegenstand biedende, is het beleg, wederom opgebroken. + +Omtrent dezen tyd overleed binnen deze sterkte de Heer van Nienoort, +na eene langduurige ziekte, en wierd aldaar begraven; zynde een +Edelman geweest, die naar zyn vermogen, groote diensten aan het +Vaderland had gedaan. + +In den jaare 1584 heeft de Prins van Oranje den Graave van +Merode uit Friesland opontboden, en Graaf Willem van Nassau tot +Luitenant-Stadhouder in zyn plaats aangestelt. En, vermits de +dagelyksche overvallen der vyanden, hebben de Staaten de schans in +de Lemmer doen vast maaken. + +In dit zelve jaar, den 10de van July, wierd tot groote droefheid van +den lande, binnen Delft, de Prins van Oranje, door een boosaardigen +Franschman met een pistool doorschooten; zynde door de Spanjaarden +daar toe verraadelyk omgekogt [96]. + +2. Willem Lodewyk, Graave van Nassau, enz. wierd in deszelfs plaats +van Luitenant-Stadhouder, door de Staaten van Friesland tot tweeden +Stadhouder, na de afzweeringe van den Spanjaart, verkooren. + +Verdugo, de schans Oterdum op den 18de van September wederom belegert +hebbende, liet dezelve aanstonds met twee stukken kanon beschieten: +doch die van binnen, benevens de schepen die op de Eems lagen, +bleven hun niet schuldig; waar door veelen van de belegeraars gedood +en gequetst wierden. Daar na, in de maand December, wierd de schans +gesecoureert door allerlei nooddruft, alhoewel de belegering noch +zyn gang ging; doch met weinig voordeel. Maar op Lichtmissenacht in +het volgende jaar, zyn de schansen van Verdugo voor Oterdum, door +een geweldigen storm en watervloed weggespoelt; waar door veelen der +belegeraars verdronken; zo dat Verdugo zich genootzaakt vond het beleg +op te breken. Oterdum had weinig door 't water geleden, en wierd ten +eersten herstelt met vier bolwerken, schoone gragten, en een haven, +waar in omtrent 30 schepen te gelyk konden leggen, gemaakt. + +Den laatsten February deed Verdugo een vrugteloozen inval in +Friesland. Maar de Westfriesen deeden insgelyks in Groningerland een +inval van meer nadeel; verbrandende in de Marnkant, van Vierhuizen +tot aan Baflo, meest alle de huizen af, om datze geen contributie +wilden opbrengen. + +Omtrent dezen tyd, had Roelof Ketel een aanslag op Groningen, om deze +plaats aan der Staaten zyde te brengen. Hy begaf zich derhalve met +15 mannen daar binnen, verlaatende hem alleen op de slappigheid der +wacht aan de poorten. Daar by was Graaf Willem van Nassau met 1500 +mannen in 't Drenth, om hem, zo de aanslag gelukte, by te springen: +doch de zaak wierd ontdekt, en Roelof Ketel by den kop gevat zynde, +wierd het hoofd afgeslagen en gevierendeelt. + +Insgelijks heeft Kapitein Schaay, leggende te Niezyl in bezettinge, +een aanslag op Groningen gehad; zynde in een tyd dat de stad gebrek +aan levensmiddelen had: maar dezelve voorts geproviandeert wordende, +mislukte de aanslag. + +In den jaare 1585 hebben de Staaten de bestieringe der landen +opgedragen aan Hendrik den derde, Koning van Vrankryk; maar die hen, +om zyne eigene inlandsche oorlog, alwaar hy zelve zeer mede belemmert +was, moeste afwyzen. Waar op hy Elisabeth, Koninginne van Engeland, +tot bescherminge liet verzoeken: doch die Majesteit weigerde mede +de volle heerschappye. Doch hier na, Prins Maurits in zyns vaders +plaatze en bedieningen gestelt zynde, is van gemelde Koninginne +de Graave van Leicester, als Overste van haare hulpbenden, naar de +Nederlanden gezonden; die de Staaten naderhand tot Stadhouder der +Nederlanden hebben aangenomen. + +Na dat de kloosterinkomsten, als wy boven reeds gemeld hebben, tot +onderhoud van predikanten en schoolmeesters bestelt waren, heeft het +de Staaten des Lands ook goed gedagt, uit de zelve ook een schoole +van geleerdheid of Academie op te regten, en dezelve met bequaame +leermeesters of professoren, en dat 'er verders toebehoort, mildelyk +te voorzien; dezelve plaatzende binnen de Stad Franeker. + +In den jaare 1586 hebben de Spanjaards, over 't ys komende, alzo +het zeer sterk gevrooren hadde, een uitval gedaan, trekkende met +2500 voetknegten en 400 ruiters de Wouden in, door Lemsterland, +en vernachtende omtrent Workum en Hindeloopen; van waar zy voorby +Bolswert, over Marnzyl, door Schettens en Witmarsum, te Tjum zich +nederzettende, quamen ten derden dage te Spannum en Winsum, welke +dorpen zy beide in brand staken: en als zy veel gevlugt volk op de +Winsumer toren gewaar wierden, zo stookten zy een zeer smookend vuur +van onderen aan dezelve, om gemelde vlugtelingen te doen verstikken: +waar door eene zwangere vrouw, gevoelende haare kleederen en +hoofdhairen gezengt, uit de klokgaten sprong; en gevallen zynde, +noch door een Spanjaard op de naakte borst getrapt, en zeer gewond +geworden, waar door zy haare zinnen verloor: doch na twee maanden +quam zy weder tot haare voorige kennis en verstand. En eene andere, +met twee kinderen in haare armen, sprong uit het hoofd van den toren, +en bragt het eene kind noch leevendig te Franeker. De onze in aller +yl met 1000 voetknegten en een Cornet paarden daar na toe trekkende, +vonden zich niet in staat om de vyanden te keer te gaan: des zy van +Oosterlittens naar Boxum afweeken, op hoop van eenige hulp, om zich dan +voordeeliger te kunnen te weêr stellen: maar de vyanden, hen spoedig +nazettende, beletten dit, overvielenze, en een bloedige slag wierd +getroffen, daar wederzyds veel volk sneuvelde; doch de onzen moesten +eindelyk de vlugt neemen, zo naar Leeuwarden, als andere plaatzen; +en een gedeelte wierd in de kerk bezet, en gevangen genomen. Van deze +slag is zulken indruk in de gemoederen der menschen gebleven, dat 'er +in Friesland niets bekender is, als deze Boxumer Slag, voorgevallen +op den 17 January. + +In dit zelve jaar, ondernam Graaf Willem van Nassau een aanslag op +Groningen: doch dezelve wierd door een zeer hoogen springvloed ontdekt +en verydelt. + +In den jaare 1587, in September, had Graaf Willem van Nassau nochmaals +eene vergeefsche aanslag op Groningen. + +Den 17de van December is een zwaare inbreuk van 't zoute water in de +Ommelanden geweest, waar door alle hooge landen onder liepen, wezende +het water byna zo hoog, als de Allerheiligen Vloed van den jaare 1570, +maar deed zoo eene groote schade niet. + +In den jaare 1589, in 't begin van den zomer, had de Gouverneur Graaf +Willem eene vergeefsche aanslag op Delfzyl; doch besprong Reide, en +maakte daar een beschanst Eiland van: ook won hy de schans Eemetille; +en kort daar na Swaagsterzyl en Soltkamp; zynde een schans in de mond +van 't Reidiep, en dat stormenderhand, voor 't gezigte van Verdugo, +slaande 80 mannen dood, en nam veele gevangenen mede. + +Daar na nam Verdugo Eemetille weder in; zond twee booswichten in 't +leger by Kollum, om Graaf Willem te vermoorden: maar dezelve ontdekt +zynde, wierden gevangen genomen en onthoofd. + +In den jaare 1590, in Maart, hebben eenige burgers en inwoonders van +Groningen hunne stad en Staat onder de bescherminge van de Koninginne +van Engeland gepresenteert: doch wierd hun geweigert. Waar op Verdugo, +meer volk van den Hertog van Parma ontfangen hebbende, de schans +Enematil besprong; trekkende van daar op Nieuwezyl. Ondertusschen +quam Graaf Willem, Gouverneur van Friesland, afzakken, en legerde te +Kollum; en alhoewel de legers ruim een uur maar van malkander lagen, +viel er echter weêrzyds niets aanmerkelyks voor. + +In den jaare 1591, den tweeden van July, won Prins Maurits Delfzyl; +waar in gevonden wierd 5 metaale stukken kanon, en 6 yzere +gotelingen. Daar na deeden die van Friesland deze schans grooter +en sterker bouwen; zelfs poogden zy daar van eene stad te maaken, +en dezelve met groote Privilegien te begiftigen: om alzo de burgery +van Groningen daar te trekken. Doch op hoope van Groningen ook te +krygen, is zulks achter gebleven. Van hier trok het leger na de Opslag +van Enematil, leggende op een water, genaamt Nieuwezyl, en dwong de +bezettinge door geweld zich over te geeven, en met witte stokjes in +hunne handen uit te trekken, sterk zynde 150 mannen. Voorts vertrok +de Graaf naar Enematil, en beschoot de schans met 12 stukken kanon, +tot dat de bezettinge zich op den 11de van July overgaven; als ook +een weinig hier na de schans te Lettelbert. + +In den jaare 1592, in Augusty, heeft Prins Maurits de sterke vesting +Koeverden belegert. Graaf Fredrik van den Berg had het bevel daar +binnen, hebbende voor des Prinsen komste alle de huizen buiten de +vesting in brand doen steeken. + +De belegeraars naderden hem met alle vlyt aan de loopgraaven, +en benamen hun de sluizen; waar door zy het water uit de gragten +leiden. Hier op begon het schieten aan weêrskanten dapper aan te +gaan, wordende aan weêrszyden verscheidene mynen onder de wallen +gegraven, die wel haast ter neêr of invielen. Den 7de van September, +quam Verdugo met zyn krygsmacht voor den dag springen, hebbende alle +witte hemden over hunne harnassen, om de belegerden te ontzetten. Hier +op maakte Prins Maurits zich gereed, telde zyn volk in slagorder, met +'t grof geschut vooraan, en ontfong der vyanden macht zo onbeleefd, +dat door 't losbranden van 't kanon, een meenigte van hen over hoop +en in 't moeras raakte. Daar bleven in 't geheel 300 mannen dood, +behalven de gequetsten: en van 's Prinsen zyde bleven er maar 3 +mannen dood en 6 gequetsten, uitgenomen Graaf Willem van Nassau, die +een schot, doch zonder gevaar, door 't dunne van zyn lyf kreeg. Daar +na hebben die van Koeverden zich den 12de van September aan Prins +Maurits overgegeven; mits met hunne vendelen, wapenen en brandende +lonten uit te mogen trekken, behalven de Artillery en amunitie; daar +wierden in gevonden 9 stukken kanon. Voorts is hier tot Gouverneur +gestelt de Heer van Nienoort. + +In den jaare 1593, den 8ste van April, heeft Graaf Willem de +Bellingewolderzyl beginnen te versterken, om alzo het fort de Bourtange +te benaauwen. Hier tegen quam Verdugo met zyn leger by Vlagtwedde, +in 't geheel sterk zynde 2500 mannen, doch derfde niets uitvoeren +tegen dat vast maken. + +Den 29ste van Augusty nam Graaf Willem Wedde in; als mede de vaste +pas Bourtange; 't welk aanstonts sterker wierd gemaakt, eer Verdugo +daar by kon de komen. + +Daar na heeft Verdugo de sterke schans van Aduarderzyl; na den derden +storm, met geweld ingenomen, slaande de geheele bezettinge dood. Van +daar trok hy naar Wedde; dat hy ook in nam, en sloeg van de 117 mannen, +die daar op waren, 50 dood. Voorts legerde hy zich voor de Bourtange; +zynde dit fort tegenwoordig tamelyk sterk, en alzo dat 'er geen geschut +voor gebragt konde worden; de wallen waren redelyk hoog, en de gragten +wel voorzien van water. Vyf vendelen soldaaten, onder den Gouverneur +de Jonge, lagen daar in bezettinge. Ondertusschen wierd Verdugo van +andere gedagten; brak de belegeringe op, en trachte Graaf Willem +aan te tasten; doch te vergeefs; hoewel er eenige schermutzelingen +wierden gehouden, waar door veel volk is gebleven. Daar op trok +Graaf Willem naar de Bourtange, neemende Wedde wederom in: en Verdugo +naar Koeverden, beschanste daar de passagie; maar zyn volk is door +ongemakken voor 't grootste gedeelte verstorven of verloopen. + +In den jaare 1594, den 12de van February, des nachts, hadden de +Groningers een aanslag op Delfzyl: doch die van binnen hen tydig +gewaar wordende, is 'er aan weêrskanten wel twee uuren lang scherp +gevogten. Tot geluk van het Fort, was 'er een oorlogschip, daar omtrent +leggende, dat wat nader aanquam, en de Groningers met 16 stukken kanon +dwars onder hun hoop sterk beschoot, dat zy met groote schade moesten +aftrekken, sleepende wel 35 sleden met dooden en gequetsten met zich +naar de stad, en noch 7 dooden, dieze lieten leggen. Die van binnen +verlooren een Kapitein, een Vendrig, een Sergeant, en 9 Gemeenen. + +Den 6de van May, quam Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau met hun +leger by Koeverden: welke aankomst van Verdugo bezigtigt zynde, hem +deed resolveeren zyne beschansinge by nacht op te ruimen. Overzulks +trok de Prins met zyn krygsbende direct naar Groningen; doende +de stad op den 20 dito berennen, en aanstonds opeischen. Doch +kreeg tot antwoord: Dat dit geen stad was, die zich zo haast konde +overgeven. Prins Maurits liet derhalven al zyn oorlogstuig aan land +zetten, en het kanon voor de stad planten. Onderwylen heeft Graaf +Willem op den laatsten van May de sterke schans Aduarderzyl aangetast, +hebbende over de 135 mannen tot bezettinge, en tot Commandant eenen +Kapitein Prenger, die aan Graaf Willem ten antwoord gaf, als hy de +schans opeischte: Dat hy het met hem zoude wagen, als met een meisje +van 15 jaaren. Maar dit geviel hem niet wel; want de vesting wierd +kort daar na zo gruwelyk sterk beschooten, datze dezelve met 'er +haast beklommen en inkreegen; doe wierd alles aan stukken geslagen wat +'er in was, uitgenomen 8 a 9 perzoonen, die 't ontquamen. + +Ondertusschen had Prins Maurits eenige andere schansen ingenomen, +als Slogteren, Hogerbrugge, enz., waar door de leevensmiddelen in +'t leger zeer goedkoop wierden. + +De Stad Groningen was zeer wel voorzien van een wel in de wapenen +geoeffende burgerye; en geeft ander guarnisoen binnen hebbende, +dan de slegtste burgerye en inwoonders, dewelke al voor langen tyd, +als soldaaten onder vendelen geoeffent, in plaats van bezetting, +van den Koning wierden betaalt: behalven deze, hadden zy krygsvolk +van Verdugo altoos onder haar gebied; en hadden nu onder het beleg 5 +goede oude vendelen daar van, onder den Overste Luitenant Laukema, +buiten de stad, op een gesterkte plaats aan 't Schuitendiep. Van +krygstuig, voorraad enz., wasze alles wel voorzien. Die van de +stad wenden vervolgens alles aan wat hun dacht dat den vyand zoude +krenken. Waarom de Prins zyn begravinge van verre moest neemen, en +aldaar zyne batteryen opwerpen, mits digt onder de stad de belegerden +tegen-batteryen maakten; hebbende 400 groote tonnen met buskruit en +geschut meer, als andere steden. De Groningers deeden verscheidene +uitvallen, waar mede zy meenig braaf Kapitein en soldaat versloegen, +en zelfs eenige vendels binnen bragten: weshalven de loopgraaven +versterkt moesten worden. De belegeraars deeden alle afbreuk met +hun geschut dieze doen konden; doch vorderden nochtans weinig, +tot dat zy een poort met een brug, die na een rondeel liep, omverre +hadden geschooten, eenige bolwerken ondergraven, en eenige gragten +aldaar vulden, alles onder de bescherminge van 't geschut: dis deed +de trouwe burgery gedwee worden, en begon naar verdrag uit te zien; +overzulks zy Jan te Boer met brieven aan Prins Maurits en Graaf Willem +uitzonden, om verdrag: wordende daarop weêrszyds gyselaars gegeven, +en hielden op van schieten. Maar de burgemeester Jarges, zynde een hard +Konings-gezinde, rukte een party voerlieden en schuitevoerders byeen, +en stonden op tegen die geene, die van verdrag hadden gesproken. Hier +na kregen de belegeraars een te smadelyk antwoord, te weeten, dat +de belegerden besloten hadden, noch een tyd lang hun ontzet af te +wagten. Hier op trad Maurits met Willem in de loopgraven, om een +plaats tot een nieuwe batterye af te zien; ondertusschen komt een +kogel zo sterk tegen de rondas, die Maurits voorgehouden wierd, +dat hy achterover viel, doch zonder hem te quetzen. + +Den tweeden van July waren de belegeraars over de gragt, en wel 30 +voeten onder het rondeel gekomen, daar de heele stad haar winst of +verlies aan hing. Drie dagen daar aan was de myn 30 voeten diep, +en opgepropt met 5 a 6000 ponden buskruit, dat den 10de dito, des +avonds, na het gegevene teeken, in brand wierd gestoken; waar door een +groot gedeelte aarde, en alles wat 'er op was, in de lucht sprong, +met wel 140 menschen; waar van twee in 't leger vielen, en de een +noch leevendig: hier op vielen drie vendelen Schotten los, die straks +meester van het rondeel waren, en alles, wat noch leevendig bevonden +wierd, doodsloegen, blyvende daar in 't geheel wel 200 dood. Daar +boven sneuvelden 30 Schotten, behalven noch twee Kapiteins. Dit +bragt onder de gezamentlyke soldaaten, en onder de allerhartigste +burgerye zulk een schrik, bevreest zynde voor meer ondergravingen, +datzy op verdrag dagten. Over zulks zonden zy Gecommitteerden uit, +zo wegens de Geestelyke, Magistraat en Ambagten der stad, als ook +wegens den Overste Luitenant Laukema; en op Ostagiers handelende van +den 16de tot den 22ste van July, met Prins Maurits en Graaf Willem +van Nassau, zyn daar op met advis van den Raad van Staaten eindelyk +overeen gekomen. Dus is Groningen en de Ommelanden op den 24ste van +July onder Maurits gebied gebragt, na dat 'er wel 10000 schooten op +waren gedaan, en 400 mannen voor zyn gebleven: waar tegen de belegerden +ook 300 soldaaten en veele burgers hebben verloren. In de stad wierden +gevonden 36 metaale stukken kanon, behalven de yzeren, en wierd daar +over Graaf Willem van Nassau tot Stadhouder gestelt. Prins Maurits +en Graaf Willem daar binnen komende, wierden verwellekomt door den +klokspeelder, speelende de wys van den 6den Psalm. Daar na wierd +de Magistraat verandert, wordende daar tot eerste Burgemeesters +aangestelt, Mello Conders, Joachim Alting, Harmen Koning en Egbert +Alberda. Voorts wierd de St. Martens Kerk van hare beelden gezuivert, +en de eerste predikatie van de Gereformeerden daar in gedaan: doende +de Magistraat en Burgerye daar na den eed van getrouwigheid aan Graaf +Willem, hunnen Stadhouder en aan de Staaten Generaal. + +In 't zelve jaar is de Aartshertog Ernestus, van 's Konings wegen, +in Nederland tot Stadhouder gezonden. + +In den jaare 1596 is uit last van de algemeene Staaten en den Prins +van Oranje, het Collegie der Admiraliteit te Dokkum ingestelt; om +alzo bequaamelyk over het werven der oorlogschepen van Friesland alle +zaaken te kunnen beraamen. + +In het zelve jaar, den 24ste van Augusty, is Graaf Willem van Nassau, +Stadhouder van Groningen, mede tot Gouverneur over het Landschap +Drenth aangestelt. + +In dit jaar is de Cardinaal Albertus, Aartshertog van Oostenryk, tot +Stadhouder des Konings, in Nederland gekomen; die naderhand huuwde +met Isabelle, Dochter des Konings; en deze landen wierden hem tot +een huwelyks goed toegezegt. + +Omtrent dezen tyd was 'er eene Friesche dochter, Margarita genaamt, +zynde een jong vrouwsperzoon, of moedige Amazoone, en lang van persoon; +deze heeft, in manskleederen, de Heeren Staaten zo binnen Oostende +als elders zeven jaaren gedient, buiten kennisse haarer ouders, in +alle eerbaarheid, eerst een spies gedraagen, en daar na een musquet +gevoert, met een witte veder op de hoed, als een kloek en onvertzaagt +krygsgezel, ja onder de Adelborsten gerekent, en zelve veele schansen +om Groningen en Steenwyk helpen inneemen. Ten laatsten bekent geworden +by haar medegezel, als zy een schoon hemd aandeed, hebbende groote +borsten en rond opgewasschen, meer dan andere welgevleesde jongmans: +op zyn vraage, heeft ze hem beleden, een vrouwsperzoon te zyn, dat +hy verwonderende aanhoorde; is daar op met eere verlieft geworden, en +in 't leger voor Koeverden met haar getrouwt. Zy waren noch woonende +binnen Groningen in den jaare 1602, en veele jaaren daar na, een winkel +doende van vette waaren, in alle stilheid en eerbaarheid huishoudende, +en t'zamen geneerende. Deze Amazoone heeft ook een lied gedicht, de +jonge Dochters tot liefde des krygs, om 't Vaderland te beschermen, +na haar voorbeeld vermaanende. Zie E. v. Meteren [97]. + +In den jaare 1597 verzogten die van Groningen aan de Staaten van +Friesland, om Drenth en Twenth geheel vry te maaken, en den vyand +van daar te vernestelen: welk verzoek uit last van de algemeene +Staaten, door hulp van den Prins van Oranje, wierd vastgestelt: en +alle sterktens en schansen, door de vyanden aldaar bezet, wierden +overwonnen, namentlyk, Grol, Ootmarsen, Oldenzeel, Lingen, enz. + +In dit zelve jaar, den eersten van Juny, is de Overste Sonoy, gewezen +Gouverneur van Noordholland, op Dyxterhuis, een Heerlykheid in de +Ommelanden, overleden; wordende deszelfs ligchaam tot Peterbuuren in +de kerk, in tegenwoordigheid van zyn Genade Graaf Willem van Nassau, +Stadhouder van Groningen, begraven. + +Den 18de van Augusty was 'er een zwaare watervloed in deze landen, +waar door de Delfzylen en anderen uitbarsten, en veele menschen en +beesten verdronken. + +Den 8ste van December is Graaf Willem door de Groningers met groote +toejuichinge ingehaalt. + +In den jaare 1599 is te Groningen door de Heeren Burgermeesteren en +Raad het Burger-Weeshuis opgericht. + +In den jaare 1600 is te Groningen. omtrent de Heere Poort, wederom +een kasteel gebouwt; zijnde ten zuidoosten van de stad, omtrent ter +plaatze daar weleer de kasteelen van Graaf Edzard van Oostfriesland, +en van den Hertog van Alva hadden geweest: welk kasteel over de +400000 guldens quam te kosten. Ook wierd de burgerye ontwapent, +en Jonker Casper van Ewsum met 800 mannen op gemeld kasteel gelegt. + +In dit zelve jaar ontstond 'er groote oneenigheid tusschen de Heeren +van den Lande en Steden, over het stuk van de gemeene lasten en +bezwaaringen te draagen: doch wierd door Gemachtigden van de algemeene +Staaten en den Stadhouder weder bygeleit. + +In den jaare 1605, den 10de van Augusty, zyn te Groningen door +de Heeren Burgemeesteren en Raad, in plaats van vier Kapiteinen +der burgerye, hier Hopmans genaamt, acht aangestelt; en doende de +Kapiteinen de nominatie van de Vendrigs, die door den Raad wierden +geëligeert op den zelfden dito. + +Den 23ste van Augusty quam de Stadhouder Graaf Willem van Nassau +met 18 vendelen, voetvolk en 6 compagnien ruiters binnen Groningen; +waar door de stad van het haar gedreigde quaad bevryd wierd. Ook gaf +men de burgerye hun geweer weder. Prins Maurits verzond ook eenige +troupen ter versterkinge van Koeverden en de Bourtange; zijnde deze +plaatzen alle met groote verbaastheid aangedaan, wegens de veroveringe +van Lingen en Oldenzeel, door de Spaanschen, onder het commando van +den Marquis de Spinola. + +Ambrosius Spinola met zijn macht in Twenth zijnde, om op Friesland een +kans te waagen, en welk land de Koning van Spanje hem reeds ten erve +had geschonken; doch, God zij gedankt, hem nooit heeft kunnen leveren, +moest zich vergenoegen met Lingen en Oldenzeel, en dat Friesland in +groote benaauwtheid bragt. Maar Graaf Willem hield binnen Koeverden +een oog in 't zeil, zo dat Spinola die plaats niet derfde aantasten, +en vertrok druipstaartende weder naar Vlaanderen, ook eenigzints door +de natte zomer verhindert. + +In dit zelve jaar, in Maart, wierd met den Spanjaard een bestand van +acht maanden geslooten. + +In den jaare 1608 was 't zo een harden winter, dat men van de Friesche +kusten naar de vooreilanden, als Ameland, Ter Schelling, en ook naar +Grind niet alleen, maar zelf naar de Hollandsche kusten van Harlingen +af met paard en slede konde overjaagen. Gelyk een Ariën Wierds, +den 9de van February uit de Haven rydende, voor 't poortsluiten te +Amsterdam binnen quam. Ook drilde voor de Harlinger haven op het ys +een compagnie soldaaten. + +In dit zelve jaar zyn de nieuwe fortificatiewerken van de Groningers +begonnen, wordende de stad aan de zuidkant daar door vergroot; ook +is een gedeelte van het Groninger kasteel, tegens de burgers aldaar +gebouwt, wederom afgebroken. + +In den jaare 1609, den 9den van April, is te Antwerpen het twaalfjaarig +bestand geslooten, tusschen den Koning van Spanje en de Staaten +Generaal der vereenigde Nederlanden; zynde wegens de Provintie +van Groningen aldaar gecommitteert Abel Conders, Burgermeester te +Groningen, wordende het zelve op den 18de dito in 's Hage gepubliceert. + +In den jaare 1610, op Nieuwejaarsdag, hebben de burgers van Leeuwarden, +na dat zy eenigen tyd met de Burgermeesteren oneens waren geworden, +de deur van 't Raadhuis met een mast open geloopen, verbreekende de +glazen, vensteren en alles wat hun voor quam. + +Een Jan Cornelisz. Femmes, bestond in dit jaar een reukelooze daad, +spruitende uit een wedspel, waar in hy aannam, om een rond jaar te +willen woonen op het Kamper Zand (dat een droogte is, gelegen tusschen +Ter Schelling en Ameland, loopende met alle etmaalse vloeden onder +water). Op voorwaarde gaf hy aan zyn medewedder paarden, wagen, +ploegen, en andere huismans gereetschappen; zullende hy, by aldien +hy zyn voorneemen een rond jaar uitvoerde, een groote zomme geld in +tegendeel genieten. Hier op bouwde Jan den 2de van Juny aldaar op +eenige roeden of stutten een huisje; en om het zelve by springvloeden +of hooge watertyden om hoog te heffen, gebruikte hy een tistel of +vyzel, waar door hy het om hoog kon opvyzelen, of doen zakken: en dus +hielde hy 't het bestemde jaar volkomen uit; zynde eene ongehoorde +zaak. [98] + +In den jaare 1611, den 25ste van January, heeft Graaf Enno van +Oostfriesland de sterke vesting Lieroort aan haar Hoog Mogende de +Heeren Staaten Generaal overgegeven. + +In den jaare 1612, en 't volgende jaar, is de stad Groningen rondom +vergroot, doch meest naar 't noorden, en is doe vervolgens met zeven +schoone groote poorten voorzien, benevens noch een kleen poortje +bezyden het Schuitendiep; hebbende een zeer breede en hooge wal, +met 17 dwingers of bastions en een diepe besloten gragt. + +In den jaare 1614 is de Academie te Groningen opgericht, onder het +Stadhouderschap van Graaf Willem Lodewyk van Nassau. De inwydinge +geschiede op den 23ste van Augusty. De eerste Professoren zyn +geweest Ubbo Emmius, Professor in de Historiën en Grieksche Taal, +als eerste Rector Magnificus. Herman Ravensberg, Professor in de +Godgeleerdheid. Cornelius Pynaker, Professor in de Rechten. Nicolaas +Mulerius, Professor in de Medicynen en Mathesis. Johan Epinus, +Professor in de Philosophie en Ethicæ, en extr. in de Rechten, +Guill. Macdowel, Professor in de Philosophie, Logicis, Phys: +& Methaphysicis. De inleidings redevoeringe wierd uit naam der +geheele Provintie gedaan, door Do. Pancratius, stads Syndicus. Na 't +eindigen derzelve, deed Do. Ravensberg een andere, op deze handelinge +passende. De eerste Rector in de Rechten, die hier zyn promotie bequam, +was Hugo van Nyeveen; houdende zyn inauguraal dispuit op den 13de van +November 1615, onder het Rectoraat van gemelden Professor Ravensberg. + +In den jaare 1616, den 18de van Maart, is Graaf Willem Lodewyk door +de Groningers zeer plechtig ingehaalt. + +In den jaare 1618 is het Sapmeer droog gemaakt, en is het volgende +jaar met gruppen en een doorgaande vaart voorzien. Waar op is gevolgt +de aanvang en continuatie van deszelfs vaart of diep door 't hooge +en wilde Veen, van Sapmeer tot aan Zuidbroek. + +In den jaare 1619 bequamen die van Staveren vernieuwinge en handhavinge +van hun onderrecht. + +In dit zelve jaar, in July, is de Heerlykheid van Wedde, Westerwolde, +Bellingewolde en Bleyham gekogt van Willem van den Hove, en den +2de Augusty in den Raad geapprobeert, voor de zomma van 140300 +guldens. Voorts heeft de stad deszelfs possessie aanvaart, en is den +21ste van September Edzard Rengers tot Drost, en Michiel Visscher +tot Richter van Bellingwolde en Bleyham gekoren. + +In den jaare 1620, den laatsten van May, is binnen Leeuwarden +overleden Graaf Willem, Stadhouder van Friesland; tot wiens loffelyke +gedachtenisse die heerlyke begraafplaats of tombe in de Jacobyner +Kerk is opgeregt; alwaar hy met zyn Gemalinne na 't leven in steen op +uitgehouwen is: en is zedert dien tyd de rustplaats der Stadhouders +altoos geweest en gebleven. + +3. Ernst Casimier, Graave van Nassau, enz., wierd, na 't overlyden +van zynen broeder, in de maand Augusty, tot Stadhouder van Friesland +verkooren. En die van Groningen, Ommelanden en Drenth verkooren Prins +Maurits tot hunnen Stadhouder. In December begon het zo geweldig te +vriesen, dat men wederom naar Ter Schelling en Ameland met paard +en slede overjoeg. Het volgende jaar, den 2de van February, quam +een Harlinger schipper, met een sleetje en stok in de hand, van +Friesland, over den Fliestroom, te Harlingen binnen treden. Graaf +Ernst, geleidende den jongen Koning van Boheemen, quam met gezelschap +van over de 100 sleden, van Leeuwarden tot op de zee voor Harlingen +afjaagen. + +In den jaare 1621, den 29ste van Maart, is de Burgerye te Groningen +door de Heeren van den Raad in 12 vendelen verdeelt; wordende daar op +den 30ste dito de Officieren gekooren, en den 13de van April door hun +Edelheden goedgekeurt, dat voortaan de Vendrigs onder de Luitenants +zouden staan. + +De volgende winter van het jaar 1621 en 1622 was het mede een +harde winter; waar in Anna Sophia, Gemalinne van den Stadhouder, +vergezelschapt met een compagnie soldaaten, en hun byhebbende +gereedschap, van Enkhuizen naar Staveren langs het ys overquam. + +In den jaare 1622, in Augusty, deeden de Spanjaards een aanval +op Friesland, trekkende met 800 voetknegten en 70 ruiters door +Oudeberkoop, naar Schoot, om 't Heerenveen te overvallen. En vermits +het Staaten Volk zich meest aan den Rhyn nedergeslagen had, waren +slegts maar drie compagnien verstrooit in de Zevenwouden gebleven; +dewelke, naar 't Veen rukkende, den vyand, die een geweldigen storm +deed op een schansje of redout op den weg naar Schoot, wakker afkeerde, +en veelen van zyn volk deeden sneuvelen. De vyanden, misleid zynde, +waren van gedachten geweest, dat 'er boeren en geen soldaaten op het +Veen lagen: en trokken na dit treffen weder af op Ommen: alwaar zy +door des Prinsen volk van achteren bezet wierden, en in de kerk allen +gevangen zyn genomen. + +In October is Ernst Lodewig, Graaf van Mansveld, met zyn krygsbenden, +wel 5000 mannen uitmaakende, in Oostfriesland gevallen, bedervende +de inwoonders en landen elendig, zelfs zodanig, dat zyn eigen volk in +den jaare 1624 meest van honger verliep. Hy had zyn hoofdquartier in +de vesting Lieroort; en eer hy vertrekken wilde, dwong hy Graaf Enno +van Oostfriesland een groote zomme geld af. + +In den jaare 1623 was er een zwaare pestziekte in Groningen; als +mede een groot oproer over het draagen der dooden: want op den 5de +van Augusty zyn de oude lyken des voormiddags door de vrouwen, en de +jonge lyken des namiddags door de maagden ter aarde gebragt. + +In den jaare 1624 deeden de Spanjaards, onder het bevel van Lucas +Cayro, Gouverneur van Lingen, een inval in den Oldambte; zy staken +verscheidene dorpen in brand, als Winschoot, Heiligerlee, Noordbroek, +Scheemda en Slogteren; verzonden in alle omleggende plaatzen brieven +van brandschattinge: waar door de huislieden afquamen om de brand +af te koopen. Maar het geruchte der aankomst van den Oversten +Stakenbroek, deed hen haastelyk de vlugt neemen, doch een grooten +roof mede voerende. + +In den jaare 1625, den 8ste van Maart, is Oostfriesland door een +schrikkelyke watervloed aangetast, alle dyken doorbrekende of +beschadigende, zodanig datze met geen 800000 guldens te herstellen +waren; en de huislieden, door de Mansvelder troupen ten eenemaal +verarmt en bedorven zynde, hadden geen macht om die te repareren, +dies de zee daar uit en in spoelde. + +In dit zelve jaar, den 23ste van April, is Prins Maurits, na een +langduurige krankheid uitgekwynt zynde, in 's Gravenhage ontslaapen. En +zyn broeder Frederik Hendrik wierd aanstonds in zyn plaats tot opperste +Veldoverste verkooren. + +In dit jaar is Graaf Ernst van Nassau tot Stadhouder van Groningen +en Ommelanden, en 't Drenth aangenomen. + +Den 29ste van December overleed binnen Groningen de Hooggeleerde en +wydvermaarde Ubbo Emmius, Professor dier Academie. + +Omtrent den jaare 1627 is het groote Provinciale magazyn of +Artilleryhuis alhier gebouwt, en het Orgel in 't H. Geest-Gasthuis +nieuw gemaakt: ook het Orgel in de groote kerk, eertyds door Agricola +gemaakt, vergroot en vernieuwt. + +In den jaare 1628, in Augusty, is de Nieuwe of Lange-Akkerschans +volveerdigt, en daar in drie compagnien soldaaten tot bezettinge +gelegt, onder den Gouverneur Roussel; dewelke in October de Dylerschans +innamen; doch zyn 'er voort daar na door de Keizerschen wederom +uitgejaagt. + +In den jaare 1631 wierd Prins Frederik Hendrik, behalven Holland en +Zeeland, ook het Stadhouderschap van Gelderland, Utrecht, en Overyssel +opgedraagen. Maar Stad en Lande hebben Graaf Ernst aangenomen. + +In dit zelve jaar, in de maand van May, ontstond door 't geheele +Land een geweldige oploop van 't gemeene volk; waar door beide, zo +Opper- als Onderregenten, by hen verdagt wierden, en alle aanzienlyke +lieden in verachtinge quamen. En den eersten Augusty heeft Graaf +Ernst Oldenzeel ingenomen, en des zelfs vestingen afgeworpen. + +In den jaare 1632 wierd Graaf Ernst, zo als hy van Venlo op Roermond +aankomende, en den grond aldaar bezigtigde, van de wal met een vuurroer +door 't hoofd geschooten; en echter wierd hy dien dag noch meester +van de stad. + +4. Hendrik Ernst, Graave van Nassau, enz., wierd in de plaats van +zynen vader tot Stadhouder van Friesland aangenomen; en weinig tyd +daar na mede van Groningen, enz. + +In den jaare 1633, omtrent Pinxter, was 'er een watervloed in +Oostfriesland, waar door al het koren op 't land verdronk. + +In dezen tyd trokken twee compagnien of 350 burgers uit Groningen +naar de Bourtange; dewelke op het verzoek van haar Hoog Mogende de +Staaten Generaal, en Advis van zyne Exellentie, op 10 stuivers daags +naar buiten zouden marcheren, om hun vaderland te dienen, en op de +vyanden te waaken; en hebben alzo hunne huizen en familien een tydlang +vrywillig verlaaten. + +In den jaare 1634, wanneer de nieuwe Middelen, als Hoofd- en +Schoorsteengelden, enz., ter ondersteuning van den oorlog, eerst +in Friesland verpagt wierden, ontstond 'er in verscheidene steden en +dorpen een groote oploop; waar door zommige Heeren en heerenhuizen zeer +slegt mishandelt wierden: maar door inlegering van soldaaten wierden +de voornaamste belhamels gevat, en alzo weder tot stilte gebragt. In 't +begin van dit voorjaar strande aan Ameland een Walvis: ook schryft men, +dat 'er op dit zelve Eiland mede in dit jaar vorsschen zyn geregent. + +In den jaare 1635 was 'er te Groningen een zwaare pestziekte, waar +door over de 100 menschen in een week stierven. + +In den jaare 1636 is Oostfriesland door twee watervloeden aangetast: +de eerste op den 24ste van Juny, en de andere op den 25ste van July, +waar door de huislieden, wegens gebrek van hooy, hunne beesten naar +andere plaatzen in de kost moesten besteden. + +In den jaare 1638, als het leger van den Prins voor de Graaf lag, +en Graaf Hendrik naar 't huis te Gennip, om het zelve te bezichtigen, +gezonden was, gebeurde het dat zyn paard op zekere plaats achteruit +deinsde, en in een bedekte put tot op den grond nederschoot; maar +Graaf Hendrik zulks voelende, in aller haast zyn voeten uit de beugels +van de stegelreep rukkende, viel achter over de gemelde put heenen; +buiten welke val hy elendig had moeten omkomen en versmooren. + +In den jaare 1640, is Graaf Hendrik, zullende in de belegeringe van +Hulst een schansje of redout bespringen, doodelyk gewond geworden; +na hy en de zynen ongemeen manhaftig gestreden hadden; en onder +andere zyn broeder Graaf Willem, die reeds al op zyn derde paard was +gestegen. En den 17de van July overleed gemelde Graaf aan zyn quetzuur, +die door geheel Nederland zeer beklaagt wierd. + +5. Willem Frederik, Graave van Nassau, enz., wierd, na zyn broeders +overlyden, tot Stadhouder van Friesland aangenomen. En de Prins van +Oranje verkreeg het Stadhouderschap van Groningen en Ommelanden. + +In den jaare 1643 is 'er in veele landen door 't hooge water een +onwaardeerlyke schade geschied, zodanig als by menschen geheugenisse +niet was voorgevallen. In 't dorp Gaast spoelden de dooden uit de +graaven. Door 't doorbreeken der dyken, was het land zo verre onder +water, dat men dwars over het land van Groningen naar Zwartsluis +konde overvaaren. + +In den jaare 1645, den 22ste van January, is Oostfriesland wederom door +een watervloed overstroomt; waar door veele dyken wierden gebroken, +en tot Embden, zo 'er gezegt word, de Corps de Guarde wegspoelde. + +Dit jaar, den eersten van September, quam de Stadhouder Prins Willem +van Oranje te Groningen, om aldaar de doe zwevende verschillen by te +leggen; wordende door de Magistraat en burgerye met groote eertekenen +ingehaalt, 't guarnisoen in de wapenen, benevens 't losbranden van +het kanon, enz. + +In dit zelve jaar, wierd de trekweg van Harlingen naar Leeuwarden +gemaakt. + +In den jaare 1647, den 14de van Maart, is Frederik Hendrik, Prins van +Oranje, in 's Gravenhage ontslaapen. En dien zelven dag deed zynen +Zoon, Willem de tweede, den eed van getrouwigheid aan de Staaten. + +In den jaare 1648, den 30ste van January, is binnen Munster in +Westfaalen, na een oorlog van over de 80 jaaren gevoert, eene vrede +gemaakt, tusschen den Koning van Spanje, en de Staaten der zeven +Provintien: door welke gemelde Koning deze Landen voor eigene en +vrygevogtene landen heeft moeten verklaaren; en zyn recht op dezelve +eeuwig en erflyk afgestaan. + +In dit zelve jaar gebeurde binnen Dokkum, op 't Raadhuis, een gering +doch merkwaardig geval, zinnebeeldig op bovenstaande vrede; men zag +een mossel een muis vangen: dat dus geschiede, een hoop mosselen +aldaar leggende, quam de muis daar zyn aas zoeken, en een treffende, +die gaapte, sloot de mossel haare schelpen toe, en de muis, in de +zyde gevat, was gevangen. + +In den jaare 1650, den 27ste van October, is Prins Willem van Oranje, +in 's Gravenhage, aan de kinderpokjes overleden. + +In den jaare 1651, den 22ste van February, was 'er een watervloed +over de Groninger Provintie, en elders; waar door de dyken wierden +gebroken en groote schade geschiede. + +Den 20ste van May is Graaf Willem Frederik van Nassau, Frieslands +Stadhouder, te Groningen ingereden; wordende door de Magistraat en +burgerye met groose staatsie opgehaalt, en ten zelven dage aldaar tot +Stadhouder en Gouverneur over Stad en Lande aangenomen, gehuldigt, +en in 't openbaar beëedigt. + +In den jaare 1653 is, uit vreeze voor de Engelschen, die zich voor onze +kusten vertoonden, op Ameland, Ter Schelling, Flieland, enz., een goede +wacht van krygsvolk gezet, om een waakend oog in 't zeil te houden. + +Niet lang daar na quamen zy voor de zeegaten van Texel en 't Flie, +met schrobbers en bezems op de masten braveerende; willende daar door +te verstaan geeven, dat zy als Meesters van de zee, dezelve hadden +schoon gemaakt. + +Den 8ste van Augusty geschiede omtrent Texel het zeegevegt van +drie dagen, waar in de Admiraal Tromp door een musquetschoot wierd +getroffen, en dood op den overloop van 't schip ter neêrgeveld. + +In den jaare 1654 was 'er geheel Europa door een groote overvloed +van graanen; alzo dat de Hollandsche kooplieden het zelve op hunne +korenzolders niet kunnende bergen, naar Friesland moesten overvoeren. + +In den jaare 1655, den 10de van November, zyn de eerste trekschuiten +tusschen Groningen en Leeuwarden gevaaren. + +In den jaare 1656, den 8ste van Februarij, heeft de Magistraat van +Groningen, ter gelegentheid van de Raads-keur, voor de eerstemaal met +Goude Boonen beginnen te looten; zijnde het zelve bevoorens altoos +met gemeene Turksche Boonen gedaan. + +In den jaare 1657, den 17de van October, waaide het drie dagen lang +zo een bittere stormende oosten wind, dat de zuiderzee en andere +binnenstroomen het water op veele plaatzen ontliep; zo dat men van +'t eilandje Ens droog over naar Friesland konde gaan. Odulfs Kerk, +en andere oudheden, lagen by Staveren geheel bloot. Waar op volgde +een felle en lange winter. + +In het zelve jaar, den 23ste van October, zyn te Groningen de 12 +vendelen burgerye door de Heeren van den Raad tot op 18 vendelen +vermeerdert. + +Ook was 'er in dit jaar te Groningen zekere onlust; waar door eenige +huizen wierden geplondert: doch door den Stadhouder Prins Willem +wierdze wederom gestilt. + +In den jaare 1659, den 6de van Juny, is de Vorst van Anhalt, Joan +Georg, met de Prinsesse Henrietta Catharina van Oranje, enz., zeer +prachtig te Groningen in de St. Martens Kerk getrouwt. De ingang +van gemelde kerk tot aan het Vorstelyke Trouw-Theater was rondom +zeer heerlyk behangen, en met tapyten belegt. De Prinsesse Bruid was +zeer prachtig gekleed, met een heerlyke kroon vol diamanten op haar +hoofd, enz., wordende verzelt van de Keurvorstinne van Brandenburg, +Graaf Willem van Nassau en zyne Gemalinne, Prins Maurits en meer +andere Grooten. Hier na wierd de geheele stad vervult van vreugde, +zo door konstige vuurwerken, losbranden van het kanon, enz. + +In den jaare 1662, den 28ste van February, heeft Oostfriesland door +een watervloed wederom zeer veel geleden: want daar groote schade +aan dyken geschiede, en tusschen Delfzyl en Embden 8 schepen vergingen. + +In den jaare 1663, den 30ste van October, liep Oostfriesland wederom +geheel onder; waar door veele beesten wierden weggerukt, en groote +schade aan dyken geschiede. + +In den jaare 1664, den 6de van July, is door Graaf Willem, Stadhouder +van Friesland, de Eilerschans by verdrag verovert van den Bisschop +van Munster. + +Den 21ste van Augusty, is Willem Frederik, gemelde Stadhouder, binnen +Leeuwarden, aan een quetzuur overleden; welke hy van onderen in de kin +door een pistool bekomen had, als hy de proef daar van zoude neemen: +schryvende zelf: als zy geen vuur wilde geeven, doe zag ik daar na, +en willende den stempel daar uittrekken, zo ging ze in dien tyd +los. Nalaatende een Prins van 8 jaaren en twee Prinsessen. + +6. Hendrik Casimier, Graave van Nassau, enz., aan wien de Staaten +des Lands al in den jaare 1659, by survivance of overlevinge, de +toezegginge van 't Stadhouderschap, by 's Vaders leeven, hadden +verleent, wierd nu mede het Kapiteinschap Generaal over Friesland +opgedraagen; om deze bedieninge in het 20ste jaar zyns ouderdoms aan +te vaarden. + +In den jaare 1665, in January, als Prins Johan Maurits, wederkeerende +van Leeuwarden van de begraaffenis van Prins Willem Frederik, +Stadhouder van Friesland, en door Franeker reed, zo schoot hy met +zyn paard, op een oude valbrug zynde, in 't water ter neder; doch, +schoon in gevaar van zyn leeven te verliezen, wierd hy echter noch +onbezeert gereddet. + +Den 22ste van September trok de Bisschop van Munster, als een huurling +en in dienst van Engeland [99], om Nederland aan deze zyde te plaagen, +met zyne macht Twenthe en Drenthe in, daar hy alles verwoeste: en +omtrent eene maand verloopen zynde, boorde hy by 't Roveen door; dat +in Friesland geen kleene vrees veroorzaakte. Doch, voor Ommerschans +afgeslagen zynde, vertrok hy naar Groningerland, en nam Winschooterzyl +en Burgerschans in. Maar als hy een goede borstweering by Heiligerlee +vond, en de Bourtang, Koeverden, Ommerschans en Friesland van alles +wel voorzien zag, achte hy zich gelukkig, zonder van Maurits volk +bezet te worden, zelve weder uit te geraaken. + +Den 5de van December was 'er weder een zwaare watervloed in veele +Landen, die Zeeland, Holland, Friesland en de Ommelanden groote +schade toebragt. + +In den jaare 1666, den 15de van July, heeft de dappere en manhafte +Zeeheld Tjerk Hiddes, Luitenant-Admiraal van Friesland, terwyl hy +met den Zeeuwschen Luitenant-Admiraal Jan Evertsz. den Engelschen +Admiraal van de witte vlag aan boord lag, en zeer moedig streed, zyn +been te gelyk met het leeven verlooren: zyn ligchaam wierd staatelyk +binnen Harlingen ter aarde bestelt. + +Den 8ste van Augusty quamen de Engelschen, met menige scheepjes +en vyf branders binnen 't Flie, daar zy de twee convojers, en een +vloot van 170 koopvaarders in den brand staken; van welke ook veelen +door de vlam verteert wierden: waar onder omtrent 30 schippers van +Hindeloopen van hune schepen beroofd wierden; en ook eenige die 't +ontvluchten. Daar op landen zy op Ter Schelling, en staken een onnoozel +weerloos visschers dorpje in den brand: roemende in Engeland als of +zy de geheele waereld gedwongen hadden. Maar Gods wraak vervolgde hen +al te spoedig, alzo het beste gedeelte van de vermaarde stad Londen +in vyf dagen, door een byna onuitblusbaare brand, in de assche wierd +gelegt, tot een onwaardeerlyke schade van veele gegoede lieden. En +de schade door 350 huizen, op Ter Schelling in den brand gestooken, +had een geringe overeenkomst, tegen van hen ruim 35000 huizen door +de vlammen verteert. + +In den jaare 1672, wanneer Louis de veertiende, Koning van Vrankryk, +trachtende na het Oppergebied van geheel Europa, en reeds zulks in +'t werk stellende, het niet voor 't geringste gedeelte van zyne +uitvoeringen achtede, de zeven Vereenigde Nederlanden alvoorens af te +loopen, om onder zyn geweld te brengen; en Friesland, een gedeelte +daar af zynde, na de gelykheid van de leden van het zelve ligchaam, +kon hier niet ongevoelig van zyn. + +Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May, moet voor +een Schrikdag van geheel Nederland aangeteekent worden: van welken +tyd zy geen 50 dagen konden tellen, of was meer als 80 van hunne +sterkste steden en vermaardste beschansingen door den vyand ontbloot. + +Doe wierd Nederland met 6 legers, op 6 verscheidene plaatsen, te +gelyk besprongen, namentlyk van 4 Franschen voor Orsou, Rynberk, +Wezel, Burik, en 2 Bisschopschen voor Grol en in Twenthe. Na alle +bovengemelde veroveringen, den vyand voorttrekkende, nam ook langs +den Rhynstroom alle plaatzen in. + +Den 2de van Juny, ruktenze voorby Schenkenschans, daarze by 't Tolhuis, +langs een droogte in den Rhyn, doorbraaken: zynde die plaats door +den Oversten A. W. van Ailua met eenige Friesen dies tyds bezet. Waar +op Mombas, schynende de Franschen eerst te willen tegen gaan, dwars +heen en weêr met zyn ruitery door het Friesche voetvolk reed, dat +zich zeer mannelyk weerde, alschoon zy door geduurig omzwerven, +dan naar Nieumegen, dan naar Doesburg, Zutfen en Schenkeschans, +zeer vermoeit en afgemat waren: geevende dien verraader Mombas daar +door gelegentheid, dat het Friesche voetvolk onder de voeten van +zyn ruitery, en diesvolgens in een groote verwarringe geraakte, +zo dat zy genootzaakt wierden om quartier of lyfsgenade te roepen, +en alzo elendig wierden overwonnen. Dit doorbreeken in de Betuw, door +dien men meende, dat des vyands macht aan den Rhyn verbrooken zoude +worden, was een droevig begin van alle volgende onheilen: waarom het +ook in Holland zo een verbaastheid verwekte, dat men geene woorden +zou kunnen uitvinden om het zelve uit te drukken. Waar op dat heel +kort daar na het Sticht Utrecht mede onder de macht des vyands quam. + +Den 13de van Juny heeft geheel Overyssel zich by verdrag mede schendig +aan den vyand overgegeeven. En zo is Friesland, door 't verlies van +de Kuinder, Blokzyl, Zwartsluis, Steenwyk, Ommerschans en Roveen zyn +plegtanker afgekapt geworden. Waar over de verbaastheid, ontroeringe, +en flaauwhartigheid, die de winkels innam, de handwerken aan een zyde +wierp, de Rechtbanken toesloot, de Academien en Schoolen ledig maakten, +de lieden van angst en benaauwtheid uit hunne huizen deed loopen, +den eenen tegen den andere aanstootende, en zo alles in verwerringe +bragt. De vreeze en benaauwdheid was te grooter, om dat alles hen +zo schielyk en onverwagt overquam: waar van geen eigener beeldenis +kan vertoont worden, als ieder gevoelig mensch zich, in herdenking +van dien tyd, in zyne gedachten voorstelle: en die het slegts in +een eenvoudig en naakt verhaal wilde te kennen geeven, zoude woorden +moeten uitvinden, om eenigzints uit te drukken. Om daar evenwel iets +van te zeggen, zullen wy daar over, als ook over de eerste gevolgen +van dien, de woorden van Mr. P. Valkenier, Pleitbezorger voor den +Hove van Holland, hier by voegen [100]. Hy schryft: + +«De tydinge van dit schandelyk en haastig overgaan van de geheele +Provintie van Overyssel, vloog aanstonds geheel Friesland en +Groningerland door, en verwekte aldaar zo een groote vreeze en +verbaastheid, als het doorbreeken der Franschen aan 't Tolhuis, en het +verlies van Utrecht, in Holland veroorzaakte. Want elk stond verlegen, +en verwagte alle omzien den vyand. Niemand wist wien het eerst zoude +gelden; alzo het geheele land onbedekt, en zonder de minste afsnydinge +voor hem open lag. Elk wilde met zyne beste losse goederen vluchten, +maar niemand wist byna waar heen. Eenigen, die hunne goederen uit +de steden wilden vervoeren, wierden dezelve of door oploop, of door +plondering van 't gemeene volk kwyt. De Overheden, die mede wat meenden +te bergen, moesten opentlyk het verwyt aanhooren, dat zy verraaders +waren, en de gemeente in deze algemeene nood wilden verlaaten. De +Regeeringe stond raadeloos, en het volk redenloos, alzo het zelve, +als een pot te vuur, opliep, en voorts alles in verwarringe bragt. De +Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland, ziende dat de geheele last +van dit onheil op hunne schouderen aanquam, wierden te raade, om de +Heeren Raaden van 't Hof van Gerichte te verzoeken, dat zy hen in deze +verlegentheid met raad en daad geliefden by te staan. Waar op beide +die aanzienlyke vergaderingen, tusschen den 13de en 14de van Juny, +'s nachts, binnen Leeuwarden, in alle stilheid byeen vergaderden: +alwaar voorgestelt wierd, de bedroefde staat van hunne Provintie. Hoe +dat de doortocht van Meppel, regt naar Dokkum, en voort de Dongerdeelen +in 't Bild door, tot Harlingen toe, om haare hoogte, niet konde onder +water gezet worden. Dat de twee schansen, op die doortocht gelegen, +als Breeberg en de Friesche Paalen, genoegzaam geslegt waren, +en geen wezen meer hadden. Dat het krygsvolk, op hunne bezoldinge +staande, tot bewaaringe der grenzen van andere Provintien zodanig +was gebruikt, dat 'er tot bezettinge van hunne eigene Provintie, +niet een eenige soldaat over was, als alleen eenige compagnien onder +den Luitenant-Generaal Ailua, die uit Overyssel quamen afzakken. En +dat hunne wapenhuizen en de wallen der steden van geschut, wapenen +en leevensmiddelen onvoorzien en geheel ontbloot waren, en alzo in +'t geheel niet of weinig voorraad ter verweering. Hier op begon men +te beraadslagen, hoe men de Provintie op het beste zoude bewaaren uit +den tegenwoordigen nood en gedreigde gevaaren, die hen zo na boven +'t hoofd hingen. Waar op wierd voorgeslagen, dat zulks zou moeten +geschieden door een van deze twee middelen: of gemeenzamerhand en met +alle ernst trachten te verweeren, en het uiterste te waagen: of dat +men zich met een algemeene overgeeving der Provintie uit die onheilen +zoude redden: en ingevalle van overgeeving, dat men dan behoorde +indachtig te zyn, met wat voorwaarden men de gemeene welvaart het +best zoude kunnen verzekeren. + +«Na eenige onderlinge strydigheden, en na dat de Predikanten der +stad Leeuwarden mede in deze vergaderinge verschenen, die byzonderlyk +aanbevoolen, het stuk van godsdienst en gemeene vryheid, wierden alle +zwaarigheden aan eene zyde gestelt, en een moedig en hartelijk besluit +genomen, om, tot behoudinge van godsdienst en vryheid, gezamentlyk +het uiterste te waagen, en goed en bloed tot den laatsten droppel aan +te leggen. Men zond aanstonds uit het midden van deze vergaderinge +eenige Heeren aan hunne Hoog Mogende, aan de Staaten van Holland, +aan die van 't Noorder Quartier, aan die van Stad en Lande, en aan +die van Amsterdam: welke alle, daar na, zonder troost of de minste +hulpe weder te rugge zyn gekomen. Men besloot, om alle sluizen open, +en alle Polders en bedykte landen onder water te zetten. Men deed +een opontbod van alle Steden en Grietenyen; die daar op met vreugde +uittrokken na het Heerenveen, om zich daar met de weinige aankomende +krygslieden, onder den Heer Luitenant-Generaal Ailua, te vereenigen, +en een legertje uit te maaken; om daar mede den vyand te verwagten, +en te betoonen, dat zy noch van 't regte bloed der oude en beroemde +Friesen waren, die in standvastigheid alle volkeren overtroffen." Dus +schryft die Hollander. + +En alschoon het geruchte, wegens dat merkelyk verlies van de Friesche +krygslieden aan het Tolhuis, van welke slegts maar eenige weinigen +door den Oversten Hans W. van Ailua, ter naauwernood uit Zwol gered, +naar de grenzen van Friesland, tot onder Leeuwarden quamen afzakken, +de verslagentheid niet verminderde; zo begon echter evenwel de moed +weder aan te wasschen, door 't bovengemelde legertje, dat ondertusschen +tot 13 a 1400 soldaaten vermeerderde, behalven een goed getal burgers +en boeren, die 'er dagelyks toevloeiden. Dit gemelde legertje wierd +zeer voorzichtig, onder het beleid van den Heer Ailua, op de grenzen +in een geduurige beweeging gehouden, op dat niemand van de Bevelhebbers +konde weeten, hoe sterk of zwak het was. + +Middelertyd, als de vyand zyn aantocht over Steenwyk, op Friesland +had genomen, bequam hy tyding, dat de Friesen met de Groningers zich +wakker tot tegenweer stelden; waar over de Bisschop van Munster +zeer bulderende en geweldig tegen de Friesen uitvoer, barstende +onder anderen in dezen Bisschops vloek uit: Der Teuffel hoole die +Pfhaffen! waar door hy de Predikanten van Leeuwarden verstond. Des +hy van voorneemen veranderde, achte het dienstiger naar Koeverden +te zetten, en heeft eerst d' Eiler-, Oude- en Nieuwe Schans, +Winschooterzyl, en 't Huis te Wedde, met alles wat 'er by of omtrent +was, zonder slag of stoot ingenomen: de Bourtange eischte hy mede op, +en bood aan den Commandeur of Opperbevelhebber Prot 200000 guldens, +en aan ieder Kapitein of Hoofdman 50000 guldens, by aldien zy zich +wilden overgeeven. Maar de Bevelhebber Prot gaf hierop tot antwoord: +dat hy eerst met den Bisschop wel een gesprek wilde houden, daar hy +hem zo veel kogels zou vereeren, als hem guldens waren aangeboden. + +Hier na hield de Bisschop een krygsraad, en de vraag was, of men +Friesland, of Delfzyl, of Groningen zoude overvallen? Het laatste +wierd by hem beslooten. Doch van dien tyd af wierd hy wel degelyk +in zyn raad verbystert, en in zyn voortgang zodanig gestuit, dat hy +daarna niet een voet aarde meer heeft gewonnen. + +Uit de zeesteden zond hy kapers uit, om de Zuiderzee onveilig te +maken: dat, zo men zegt, geen drie dagen voortgang had: want alle +zyne vaartuigen wierden hem afhandig gemaakt: gelyk ook eenige van +zyn volk, meenende het eilandje Urk uit te plonderen, wierden van de +inwoonderen gevangelyk naar Enkhuizen gevoert. + +De steden ondertusschen, waar eenige schyn van bescherminge was, +herstelden haare vestingen. Gelyk mede aan elke zyde van den Zwarten +Weg, omtrent neeven Meedum wierd een schansje gebouwd, en by Tietjerk +een schoone borstweering, reikende langs de weg naar Hardegaryp. + +En door dien men bedugt was, of men in 't toekomende een geweldigen +vyand, of overlastige stroopers te gemoet zag, hebben die van +Hindeloopen, ten opzichte dat zy voor 't grootste gedeelte aan de +zee genoeg bevryd waren, aan de zuidoostzyde, daar zy aan 't land +vast zyn, een vesting van drie bolwerken opgeworpen: bestaande de +werklieden uit de burgerye, die zulks uit eigen drift gewillig bij +der hand namen: maar, nadien zy by ongelegentheid van dien tyd geen +onderstand of fortificatiepenningen, in gelykheid van andere steden, +uit de Gemeene Lands Middelen hebben kunnen bekomen, zo hebbenze het +verdere opmaaken tot op beter gesteltheid van tyden willen opschorten. + +In deze dagen hebben de Bisschopschen uit de Kuinder de Lemmer +opgeeischt, en zoudenze overvallen hebben, ten waare zy de wagens met +vlugtelingen langs de wegen niet voor toevoer van krygsvolk hadden +aangezien: daar zij slegts een borstweering met eenige stukken geschut +op de zeedyk hadden toegestelt; welks toegang zy in 't verborgen +bedekten met heimelyk aan een gekeppelde eggen. + +Den 4de van July heeft de Bisschop van Munster de sterke fortresse +Koeverden met een macht van 16000 mannen belegert, doende dezelven +dag noch aan de loopgraven werken. De twee volgende dagen liet hij zo +een groote menigte bommen en granaaten werpen, dat het tuighuis daar +binnen, met verscheide daar bystaande huizen, in brand geraakten. Den +7de dito liet hij de plaats opeischen, en eerlyke voorwaarden aan de +bezettinge aanbieden. Doch de Commandant Johan van Burum [101], na +die niet willende luisteren, wierd 'er overzulks aan weêrskanten noch +dapper vuur gegeven, tot den 10de der maand; wanneer de Bisschop de +plaats voor de tweedemaal opeischte. Ter zelver tyd zond de Commandant +drie Officieren aan den Bisschop, die den 12de de overgaaf der plaats, +zonder consent van den Bevelhebber, doch op eerlyke voorwaarden, +beslooten. Maar de Bisschop had Koeverden zo dra niet in 't bezit, +of betoonde zyne trouwloosheid en barbaarsche wreedheid aan de +uittrekkende soldaaten. + +Ondertusschen maakte de Overste Ailua, met 1200 uitgeloote of +gecommandeerde burgers en soldaaten, eenen aanslag op de Kuinder; +alwaar de Bisschopschen veel roof hadden te hoop gesleept. Zy zouden +het vermeestert hebben, en hadden reeds al 200 mannen van den vyand +ter nedergeschooten, ten ware de besprookene Hollandsche kaapers, +wegens onstuimig weder opgehouden, hadden kunnen aannaderen, en de +vyand mede geen haastig ontzet van 2000 mannen, zo uit Kampen, als +Zwol had bekomen. Waar op de Friesen, dit ziende, met verlies van 30 +mannen, weder aftrokken. En zy afgetrokken zynde, hebben de vyanden +het zelve uitgeplundert en hunnen buit vervoert. + +Den 16de van July is de Friesche Brandwacht, leggende tusschen Bergum +en de Drachten, niet wel op hun hoede zynde, van 13 standaarden +Bisschopsche ruiters overvallen geworden. Doch zich in tyds noch +naar het gros van 't leger te Bergum begeevende, quam het terstond in +roeren, en viel de ruitery daar op in. Waar door de vyanden achteruit +deinsden, en de Friesen alzo tot nevens hunne hinderlaagen uitlokkende, +die het byna te quaad zouden gehad hebben, door dien een party volk +van den vyand in 't korenland verborgen lag; doch echter, door hunne +manmoedigheid, drevenze de Bisschopschen te rugge, met verlies van +van 150 ruiters, en maar 25 van hunne Friesen. + +Daar na wierd de stad Groningen, op den 19de van July, door den +Bisschop van Munster en den Keurvorst van Keulen, met eene macht van +22000 mannen, aan de zuidkant by twee poorten belegert. De stad had tot +Gouverneur Karel Rabenhaupt, een dapper en ervaaren Kapitein. De Hertog +van Holstein Pleun had het bestier van het voetvolk, en de Colonel +Stoltzenburg van de ruitery. De bezetting bestond in 't begin maar +uit 24 compagnien voetknegten, 4 standaarden ruiters, en 3 vendels +dragonders, die alle te zamen omtrent 2000 mannen uitmaakten. Maar +zy wierd meer dan de helft versterkt, door de 18 vendelen burgers, +die geweer voerden. Daar na wierden 'er noch vier compagnien van +Advocaaten en andere lieden, die tot dezen tyd toe vry van de wacht +hadden geweest, en een compagnie studenten, 150 mannen uitmaakende, +opgericht: en voor dat de stad noch geheel berent was, quamen 'er 200 +met byltjes gewapende mannen, uit het regiment van Koningsmark binnen. + +De sterktens en magazynen waren in goeden staat, met overvloed van +wapenen, krygs- en leevensbehoeften voorzien; de Magistraat meende +het zo wel als het volk, en waren altemaal de bevelen van Rabenhaupt +onderdanig. + +Deze Gouverneur de belegering al van langerhand voorzien hebbende, +had derhalven alle de huizen en tuinen, die buiten die kant van de +stad stonden, doen verbranden of slegten. Op de eerste aantocht der +vyanden deed hy de sluizen openen, en de dyken doorsteeken, om alzo het +land rondom te laten onder loopen. Doch dit weerhield den Munsterschen +Bisschop niet, den 22ste van July zyne krygsbenden te doen aannaderen, +en dien zelven avond aan de loopgraven te laaten werken. Hy deed den +27ste dito van een battery met 5 stukken kanon op de stad schieten; +maar de braave konstapels, waar van de stad voorzien was, maakten +de geheele battery, eer den dag ten einde was, onbruikbaar. Des +anderendaags liet de Bisschop de mortieren te werk stellen, en met +bomben en granaaten op de huizen werpen; doch door de goede voorzorg +van Rabenhaupt en de naarstigheid der Mennoniten deden ze weinig +schade. Maar de volgende dagen schooten de belegeraars geweldiger, +waar door in de stad groote schade wierd veroorzaakt; 't welk de +inwoonders noodzaakte met hun huisgezin naar het noordergedeelte van +de stad, daar zy niet komen konden, te vertrekken. + +Rabenhaupt schikte zyn mortieren zodanig op de wallen, dat hy op 't +laatste van de maand de wyken van den Bisschop, en van de Keurvorst +zeer begon te beschadigen. Hy liet verscheide uitvallen doen, waar +door de belegeraars genootzaakt wierden met verlies te wyken, en +nieuwe werken te beginnen. De burgers, die de beveelen des Gouverneurs +gehoorzaamden, droegen zich zo manhaftig, als de beste in den oorlog +geoeffende en geschikste krygsbenden. De Studenten queeten zich op +zo een verwonderenswaardige manier, dat de Staaten der Provintie +Gedenkpenningen tot hunner eer lieten slaan, om deszelfs geheugenis +voor de nakomelingen over te laaten. Inmiddels zagen de belegeraars +het getal hunner bomben verminderen, zonder veel uit te werken; en +daarom begonnenze in de maand Augusty met gloeiende kogels te schieten: +daar waren 'er geen dan de eerste die schade bybragten, want door den +grooten yver der Mennoniten wierden 'er veelen uitgedooft. Daar na +zond de Bisschop een trompetter en een tamboer aan den Magistraat, +om eerlyke aanbiedingen voor te stellen, indien zy de stad wilden +overgeeven. Doch hem wierd te kennen gegeven: dat in 't algemeen +beslooten was, het uitterste af te wagten, en de stad, die een nieuwe +versterkinge van soldaaten, kruid en geld bekomen had, van volk en +allerlei behoeften voor veele maanden was voorzien, te verdedigen. + +Het vuur van 't geschut en de bomben ging echter met dezelve hevigheid +voort, tot dat het den 25ste van Augusty op de middag begon te +verslappen, en de Bisschop de geheele hoop verloor van een generaale +storm te waagen. Na dien tyd hoorde men in zyn leger niet meer als met +musquetten schieten; 't welk de belegerden deed denken, dat zyn geschut +onbruikbaar was, en vreesden derhalven voor een krygslist: doch 300 +van de ongeduldigste mannen deeden een uitval op de loopgraven van den +Keurvorst van Keulen, daar zy een groot bloedbad maakten, en eenige +gevangenen mede in de stad bragten. De volgende nacht liet de vyand +het gros des legers opbreeken, laatende de mynen, die zy vervaardigt +hadden, springen, en verlieten alle hunne werken. Rabenhaupt kreeg +hier kondschap van, deed daar op den 27ste dito de batteryen in brand +steeken, de gragten vullen, en de wapenen, krygsbehoeftens en tuig, +dat de vyanden achtergelaaten hadden, daar uit halen. De stad wierd +den laatsten dag geheel verlaaten; welke dag door vasten en bidden +gevierd wierd, om God over deze gelukkige verlossinge te danken. + +Het verlies der belegerden was zeer gering, na de groote meenigte +kogels, bomben, en granaaten, die op hen geschooten en geworpen waren; +en daar wierden geen 100 menschen verloren. Maar dat der vyanden was +zeer groot: van 22000 mannen, die zy in 't begin des belegs sterk +waren geweest, gingen 'er maar 12000 te rug; waar onder men 1400 +zieken rekende: 600 quamen 'er in de stad overloopen, en 5000 begaven +zich naar andere plaatzen, zo dat 'er omtrent 4500 dooden waren, +waar onder de 3 Kolonellen, 2 Luitenant-Kolonels en 63 Kapiteinen +wierden gevonden. + +Den 13de van Augusty heeft de Heer Dirk Baard en Kapitein Hania, +geleidende 450 mannen van de Friesche burgery, en met verscheidene +vaartuigen omtrent Blanckenham landende, Blokzyl vermeestert: de +burgery van binnen had een goed gesprek met dezelve, en opende de +poorten, ter beschaaminge van geheel Overyssel. Aanmerkelyk was 't, +dat, terwyl de vyanden de zuiderpoort uitvluchten, zekere Mennoniet +veelen van dezelve in zyn huis riep, zeggende, dat zy zich alle aldaar +voor de eerste oploopentheid der Friesen konden verbergen, en leverde +alzo by de 70 Bisschopsche soldaaten in handen van de onzen gevangen. + +Den 2den van September, als de Kuinder, door het overgaan van Blokzyl, +nu van toevoer afgesneden was, heeft Kapitein Holbarent, met 240 +mannen, een aanval op dezelve gemaakt, met gering verlies van volk, +alzo de Bisschopschen, schoon 250 mannen sterk, na eenige weinige +tegenstand, de vlucht namen; achterlaatende eenigen buit, een karos +en gespan van 6 paarden, en 28 gevangenen: zynde hunne voornaamste +roof al te vooren weggepakt. + +Van den eersten September af begonnen de Groningers ook hunne handen +ruim te krygen. En alles van binnen wel bestelt hebbende, heeft de +Overste Jorman, met 2000 mannen, zo voetvolk als ruitery, Winschooten +vermeestert. Waar op de vyand, door vreeze, de Winschooterschans, Zyl, +'t Huis te Wedde, en Brugschans aanstonds heeft verlaaten. + +Tusschen den 8 en 9de van September, zyn de Bisschopschen, met een +groote furie, tot driemaalen in die zelve nacht, op de Schans van 't +Heerenveen aangevallen; doch telkens manmoedig afgeslagen, alhoewel +daar eene kleene bezetting in lag: hebbende de onzen voorheen een +Ritmeester, een Luitenant, een Cornet, en 4 ruiters gevangen bekomen. + +Den 17de van October is de Oude Schans door de Groningers, onder +het commando van den Oversten Eybergen, wederom belegert, en met +grof geschut beschooten. De belegeraars maakten zeer kort zo een +benaauwtheid, door hun sterk schieten, in deze schans, dat die van de +Nieuwe Schans, versterkt zynde met veel volk uit Munsterland, afquamen +om de belegerden te ontzetten. Doch Eybergen wierd zulks tydig gewaar, +zendende derhalven 250 mannen, onder het commando van den Oversten +Wachtmeester Wyllers, met twee stukken kanon vooraan, hun tegen, +stellende hen by Stoksterhorn in slagordre. Hier op quamen de vyanden, +omtrent 1500 mannen sterk zynde, den 25ste van October op hen los: +maar Wyllers hen zeer na onder het geschut laatende komen, deed hy tot +twee keeren een generaale losbrandinge onder de vyanden; waar door zy +ten eenemaal in confusie de vlugt namen, wordende veele Bevelhebbers +en soldaaten doodgeslagen en eenige gevangenen mede gevoert. + +Daar na verzogten die van de Oude Schans op den 27ste dezes te +capituleren: 't welk den zelven avond noch wierd geslooten; wordende de +plaats voort des anderendaags met 7 vendelen Staatsche troupen bezet. + +Den 26ste van December heeft de Gouverneur Rabenhaupt, na dat hy alles, +wat tot den aanslag op Koeverden noodig was, had laten vervaardigen, en +waar toe een harde vorst, daar op een haastigen dooy en zwaare nevel, +hem grootelyks bevoordeelde, deed hy het ys in de gragten om Groningen +opbreeken. Hy gaf het opperbevel aan den Kolonel Eybergen; dat van het +voetvolk aan den Oversten Wachtmeester Wyllers; en dat van de ruiterye +aan den Majoor Jan Hendrik Sikkinge. Voorts liet hy de konstapels +en grenadiers aannaderen, en het overige van het kleine leger, dat +niet boven de 400 paarden en 1000 voetknegten sterk was, begaf zich +in aantocht op den 27ste der maand. Den 30ste dezes, des morgens ten 3 +uuren, quamen zy voor Koeverden, en verdeelden zich in drie ligchaamen, +ieder op zyn bestemde post. God gaf, om den aanslag te begunstigen, +met het aanbreken van den dag zo een zwaare mist, dat de geene, die +malkanderen aanraakten, zich niet konden onderscheiden. Zy naderden +daar op tot aan de conterscharp, zonder ontdekt te worden; maar door +de biesbruggen over de gragt te leggen, wierdenze van de schildwacht +ontdekt; die daar op alarm maakte. Voorts quam de bezettinge in de +wapenen, en gaven dapper vuur van de wallen. Doch dit weerhield de +bespringers niet, van tot aan de afschutzels en stormpaalen van de +conterscharp te geraaken, die zy met bylen omverre hakten. + +Hier op wierden de wallen, doch met groote moeite en verlies van +hun volk, beklommen; zy geraakten 'er op, en overweldigde den vyand +met het rapier in de vuist, en wierden meester van de poorten des +kasteels. Hier op overstelpte de vreugde de overwinnaars zodanig, +dat de Bevelhebbers, in hunne eerste ontmoetinge op 't kasteel, +geheel als verstomd waren: tot dat eene, als uit verrukkinge van +zinnen opryzende, zeide: Wel hoe is het mogelyk! Waar op dezelve zeer +wel voegende ten antwoord kreeg: Dit is niet anders als Gods hand. + +De Gouverneur Jan de Mooy wierd 'er gedood, na dat hy zyn plicht +als Commandant zeer wel had waargenomen. Maar door zyn verlies liet +de bezettinge de moed zakken, waar van 'er 700 weerbaare mannen in +gevonden wierden; die daar na zagen, datze door de groote meenigte +hunner vyanden overmand waren, liepen 'er 200 de poort uit; omtrent +150 zyn 'er gesneuvelt, en de rest lieten het geweer vallen, en +wierden ten getalle van 400 tot krygsgevangenen gemaakt, en in de +kerk geslooten: ondertusschen stonden de overwinnaars de soldaaten +toe de plaats te plunderen; alwaar zo wel de soldaaten als Officieren +grooten buit bequamen; hebbende van hun kant in 't bespringen omtrent +60 mannen verlooren. + +Deze buitengewoone daad trok de Hollanders, die onder het gebied +der Staaten, in een tyd dat Neêrland overweldigt scheen te worden, +uit hunne algemeene verslagentheid. + +En veele zullen 't noch indachtig zyn, hoedanig die overwinning de +gemoederen in Friesland en Groningen ontroerde, en van vreugde veelen +de traanen uit de oogen deeden barsten. + +De Gouverneur Rabenhaupt wierd daar op van de Staaten, behalven +Luitenant-Generaal dezer Provintie van Groningen en Ommelanden, en +van Gouverneur der stad Groningen, met het Drossaartschap van het +Landschap Drenth en Gouverneur van Koeverden begiftigt. De Kolonel +Eybergen wierd Commandant binnen Koeverden, en Meester Meyndert van +Thynen, die als voornaamste wegwyzer der bespringers had gediend, +wierd aldaar tot Generaal-Commies gemaakt. + +Van dien tyd af hebben de Groningers in 't Graafschap Benthem, Twenth, +en tot onder Zwol en Deventer gestroopt; haalende van daar gestadig +veel roof, en met veele gelukkige schermutselingen op de Bisschopschen. + +In den jaare 1673 is 'er een vuur van oneenigheid opgeborsten uit +de gemeene beroeringen des volks tusschen de Heeren der Regeeringe, +die van de Gemeente zeer mistrouwd wierden, en dat al in 't einde +van 't verloopene jaar had beginnen te smeulen. De oude en nieuwe +Regeeringe wierd elk byzonder gehandhaafd, beide de Souverainiteit +en Oppergezag der Provintie vertoonende, de eene te Leeuwarden en +de andere te Sneek vergaderende, en neemende strydige besluiten +tegen malkanderen, zonder malkanderen te kunnen verstaan; dat zeer +schadelyk voor de Provintie was. Doch wierd gemeld verschil eindelyk +weder door Gelastigden van hunne Hoog Mogenden en den Heer Stadhouder, +als bemiddelaars, bemiddelt. + +In 't begin van 't jaar, in January, bequam de Overste Ailua, in een +hevige schermutzeling tegen den Graave van der Lip, twee trompetten +en een vendel, die hy den Prins van Oranje vereerde. + +In February quam 'er een gerucht, als of de Munsterschen een inval +op Friesland voorgenomen hadden: waar op een goed getal krygsvolk +uit Holland wierd overgescheept. + +In April hebben de Heeren Staaten, ten Landsdage vergadert zynde, +beslooten, hoedaniger wyze men het Land zoude onder water zetten, +indien een hoogdringende nood zulks vereischte: als mede om aan +'t Heerenveen een schans te doen opwerpen, tot verzekeringe van +'t Land. Voorts wierden de overige posten wel verzekert, hebbende +Prins Johan Maurits het Oppergezach over de Hollandsche krygslieden, +Ailua over de Friesche, en Rabenhaupt over de Groningers. + +Den 29ste van April wierd een algemeen, opontbod der landzaaten en +burgery gedaan; wordende ieder huisgezin belast, een weerbaar man, +tusschen de 18 en 60 jaaren oud zynde, uit te leveren, en moetende +binnen 14 dagen met snaphaanen en pieken gereed zyn; zullende ieder +burger ter week 3 guldens soldy genieten. + +Omtrent dezen tyd maakten de Friesche stroopers, uit het leger van +den Oversten Ailua, dagelyks een goeden buit. + +Den 6de van Juny vertoonde zich Houttuin met 18 standaarden ruiters, +en 1500 voetknegten, aan de post te Sonnega, welke hy opeischte: andere +2000 ruiters, met eenige honderden voetvolk verzelt, wierden tusschen +Steenwyk en Blesse ontdekt, waar van een groot gedeelte te paard, +elk met een musquettier achter op, tot aan de Blesbrugge naderde: +maar wierd, door de hulp van de ruitery van Wolvega en Oudeberkoop, +rustig afgekeert. Waar op Prins Maurits met het gros van 't leger, in +meeninge hem op den weg naar Steenwyk te onderscheppen, is afgekomen: +doch zy reeds te verre afgeweken zynde, zo zond hy eenig volk hen +achter na; waar uit zy verstonden, dat het gemelde voetvolk, behalven +de 2000 ruiters, noch 1000 mannen sterk was. Van den vyand zyn twee +Kapiteinen gedood, en 70 gequetsten wierden binnen Deventer gebragt. Na +dit voorval deed Prins Maurits een ongemeenen iever, om het water in +het land te doen loopen, dat door een sterken wind ook zeer schielyk +voortging; en om het ingelaatene te bewaaren, liet hy een dyk in de +Tjonger leggen: waar door het den vyand ondoenlyk wierd om ergens +te kunnen doorbreeken. Ondertusschen quamen 3 geheele compagnien +Munsterschen, met hunne Bevelhebbers, tot de onzen overloopen. + +Den 10de van Juny heeft Rabenhaupt de Nieuwe Schans, na dat hy dezelve +den geheelen winter door geblokkeert had gehad, met geweld van wapenen +aangetast. Hy trok te water met veel volk, geschut en voorraad, +aan geene zyde, en posteerde zich op de Bonder dyk, en daar omtrent, +om de schans van drie zyden aan te doen. + +De Bisschop van Munster deed aanstonds zyn uiterste best in 't werk +stellen, om de belegerden te ontzetten; zendende derhalven een Overste +met 600 dragonders en 400 fantaisyns [102], om het beleg door te +breeken; doch wierden met groot verlies te rug gedreven. Overzulks +wierd de belegeringe sterker voortgezet: zo dat de Bisschop voornam, +tusschen den 29ste en 30ste van deze maand noch eene proef tot ontzet +van deze plaats te neemen, en met een macht van 3500 mannen de post +by Bonda te overvallen; meenende langs een nieuwe passagie door 't +moeras heen eenige vyandlyke troupen af te snyden: doch Rabenhaupt +zulks tydig gewaar wordende, zond aanstonds 9 vendelen, onder het +commando van een Majoor, derwaards; die te zamen den vyand niet +alleen afgekeert, maar hun zelfs met een groote furie hebben op de +vlugt gedreven, laatende wel 300 zo dooden als gequetsten achter. + +Daar na, op den 18de dito, eischte Rabenhaupt de schans op: doch +kreeg tot antwoord: Dat de Ravens dien Winter daar niet nestelen +zouden. Hier op deed zyn Excellentie den Luitenant-Kolonel Tamminga met +zyn krygsbenden aannaderen, en tusschen den 21ste en 22ste de aldaar +leggende redoute aantasten. Des nachts ten een uur ging de attaque aan, +die zo sterk wierd voortgezet, datze, na eenigen tegenstand, dezelve +veroverden; vlugtende de Munsterschen met de uiterste verbaastheid +langs de conterscharp naar de schans: maar de Staatschen volgden hen +op de hielen, datze met hen in de poort, en vervolgens in de schans +geraakten; hoewel zeer weinigen in 't getal, dewyl zy door de engte +van de passagie, maar eene t'effens konden voortgaan: doch de vyand +door deze onverhoedsche overval nochtans verbaast zynde, denkende dat +de geheele macht van de Staatschen binnen quam, wierpen de wapenen +neêr en riepen om quartier, terwyl Rabenhaupt, niet weetende van dit +vervolg, noch dapper op de schans schoot, daar ze al gewonnen was. Dat +het meest te verwonderen is, is dat niet meer als twee mannen van de +Staatschen in dit stormen zyn gebleven. + +Den eersten van July quam Johan Maurits, vergezelt met de Heer +Scheltinga, Gedeputeerde, en den Oversten Ailua, geleidende een +hoop volk van 3000 ruiters, en 600 voetknegten, by zich hebbende 4 +veldstukken, van 't Heerenveen, door Dieveren, om de Munsterschen, +leggende tusschen de Wyk en Staphorst, achter een borstweering en +schansje, doch zonder geschut, te vernestelen: als de dragonders den +aanval deeden, zo wierd des vyands Overste Post gewond en gevangen, +en op zyn woord van eer naar Hasselt gelaaten, neemende de overigen +de vlucht: die door de achterlaage gekeert zouden zyn geweest, by +aldien de bestelde 800 mannen uit Blokzyl, ter bestemder tyd op weg +zynde, die van Hasselt naar 't Rooveen legt, had kunnen tegenwoordig +zyn. Van den vyand wierden 'er 20 by de onzen gevangen genomen, +waar onder 10 Bevelhebbers, en 17 of 18 gedood. De onzen hebben 2 +dragonders by misverstand geschooten. + +Den 3de van Augusty hebben eenige dragonders de brandwacht der +Bisschopschen, bestaande in 18 ruiters, van tot onder Steenwyk +weggehaalt, en in het leger op 't Heerenveen gebragt. + +Den 5de van Augusty zyn 7 vyandlyke ruiters, met hunne volle +wapenrustinge, mede ingehaalt. + +Den 25ste van Augusty zyn over de 8000 vyandlyke voetknegten, en +100 cornetten of standaarden ruitery, van Steenwyk uittrekkende, +op Friesland aangekomen, die zich in zo veele benden afdeelden, +dat zy de schansjes by Meldam, als Blesbrug, Bekaf, Donkerbroek, +Makkinga en Wolvega, die maar bequaam waren om de huislieden voor +strooperyen te beschermen, te gelyk konden bespringen: omtrent +1000 paarden en een regiment dragonders, quamen, onder 't beleid +van Houttuin op Blesbrugge aanzetten, en anderen op Bekaf; 't was +een Mornas, die de zynen door Makkinga, Donkerbroek en Nyjeberkoop, +op Wolvega aanvoerde, alwaar de Overste Ailua het gezach voerde over +6 regimenten, als 3 te paard, 2 te voet en een dragonders. + +Als Prins Maurits bemerkte, dat 's vyands voornemen was, om alle +het bovengemelde van 't Heerenveen af te snyden, zo verwittigde +hy den Overste Ailua en anderen, om gelykelyk naar 't Veen af +te deinsen. Middelerwyl ontmoete de Graave van Dona met zyn 200 +soldaaten, op de heide van Meldam 150 vyandelyke ruiters, waar mede hy +een schermutseling hield, en schooten 26 Bisschopschen onder de voet, +benevens 2 Bevelhebbers, waar van hy de eene, een Ritmeester zynde, met +eigener piek doode. De onzen dus naar 't Veen de wyk genomen hebbende, +zo wierden aanstonds eenigen naar de Jouwer, en anderen naar Gordyk +gezonden. Van waar 60 mannen, den vyand, die over de Veenen meenden +te komen, wierden tegengestelt; en met dezelve in schermutseling +geraakende, liet de vyand 14 dooden, 25 gemeenen en 4 Bevelhebbers, +als gevangenen na. Een andere party van 30 mannen, vervielen in handen +van den vyand: als ook een brandwacht van 15 dragonders achter Bekaf. + +De Bisschopschen dus nu de voet al te Schoot hebbende, konden wel ligt +het Heerenveen trachten te overweldigen, om zo voort Friesland in te +trekken, alzo zy wagens mei stroowerk mede voerden, om de gragten te +kunnen vullen: waarom de Staaten van Friesland alomme de uitgeloote +manschap, ten spoedigste, zo by nacht als dag, derwaards deed pressen. + +Ondertusschen zo stelden zich de Bisschopschen als roofzieke wolven +aan, in 't uitplonderen der onweerbare landzaaten: dat in die gewesten +weder een groot vluchten veroorzaakten. + +Den eersten September vertrokken zy, hebbende wel 600 mannen laaten +zitten, zonder iets merkwaardigs uitgevoert te hebben; als dat zy +het bederf van die boeren wat verhaastenden. + +Den eersten October is de dyk, die de Bisschop van Munster met +veele kosten over de Vecht gemaakt had, en meer als derdehalf uur +gaans lang was, alleen om Koeverden door water te benaauwen, door een +stormwind weggespoelt: waar door omtrent 1400 menschen verdronken. 't +Is aanmerkelyk, dat dit geschiede juist op dien tyd, als men op 't +Heerenveen raadpleegde, om die te overweldigen, en reeds daar toe al +3000 Friesche burgers om de grenzen, als 't Veen en andere te bezetten, +waren uitgezonden. + +Als de Prins, met de Keizersche en Spaansche Bondgenooten den vyand +buiten 't Land lokte, om van krygsbodem te veranderen, in 't Sticht +Keulen en elders waren ingevallen; zo wierden de Franschen daar door +genoodzaakt, hunne veroverde plaatzen weder te verlaaten, gelyk zy +dit jaar alles verlieten, behalven de Graaf. + +In den jaare 1674, den 10de van February, is er vrede gemaakt tusschen +den Koning van Engeland, en de Staaten Generaal, welke den 9de van +February, oude styl, te Londen van gemelden Koning wierd geteekent. + +Den 12de Maart zijn de Bisschopschen, omtrent 1000 mannen sterk, +over de hartgevroorene moerassen, by 't klooster ter Appel, +in Groningerland gevallen, plonderende te Winschooten en daar +omtrent. Waar op Rabenhaupt Nyjenhuys met stormen, en andere steden +met bezettinge innam, en maakte Twenthe geheel zuiver en vry. + +De Bisschop sloot ondertusschen den vrede met den Keizer, die te +Keulen den 11de van April wierd geteekent: als mede daags daar aan +met de Heeren Staaten Generaal. In de Meymaand volgde de Bisschop van +Keulen mede. Waar op zy de overheerde plaatzen, die ze zoo schielyk +hadden overrompelt, noch haastiger weder moesten ontleedigen: en 't +geen zy zo greetig hadden ingeslokt, in weedom van hunne harten, weder +uitbraaken. En alzo zijn de drie verloorene Provintien wederom aan +de andere gehegt, en de bundel der Zeven Pylen weder te zamen gebonden. + +In den jaare 1675 was 't een felle en lange winter; zo dat laat in +'t voorjaar, van Harlingen naar Enkhuizen, over de Zuider-Zee, veele +menschen met geheele gezelschappen, en beesten op 't ys overtrokken: +ja eenigen hadden in 't laatst van April noch op 't ys gestaan. + +In Maart, hebben de Friesen, overwegende beide de loffelyke daaden +en voorzorge van 't Huis van Nassau, en in 't byzonder de groote +gevaaren, die zyn Vorstelyke Doorluchtigheid, onze Heer Stadhouder, +in groote manhaftigheid, had ten dienste van 't gemeen uitgestaan +in de laatst voorigen slag in Henegouwen tegen de Franschen, het +Stadhouderschap hem erflyk opgedraagen: alle de Heeren, zo van 't +Land als Steden, leverden daar toe om de eerste te zijn, te meer, +alzo de Hollanders den Prins van Oranje mede tot Erfstadhouder van +hunne Provintie hadden aangenomen. + +In het zelve jaar, den 12de van Augustij, is te Koeverden overleden +Karel Rabenhaupt, Baron van Zucha en Crombach, Luitenant-Generaal +der Vereenigde Nederlanden, wegens de Provintie van Stad en Lande, +Gouverneur van Groningen, mitsgaders Drossaart van 't Landschap Drenth, +en Gouverneur der fortresse Koeverden: zijnde een krijgsman geweest van +een zonderling beleid en dapperheid. Tot 's mans lof heeft G. Bidloo, +dit volgende bij zijne afbeeldinge gestelt: + + + Dit 's Rabenhaupt, die Dorsten won, + Die Nuis en Lingen temmen kon; + Die Karel, die Lamboy versloeg, + Van Groeningen den Bisschop joeg; + En knoopte aan zyn legerkrans + Van Koeverden, de Nieuwe Schans. + Zo waakt zyn' staatzorg, deugd en hand + Ten dienst van 't Volk, en Kerk en Land. + Zyn' dapperheid is uit zyn weezen + Zo wel, als uit zyn' kling te leezen [103]. + + +Als 'er tusschen den 26ste en 27ste van October, met een noordweste +wind, veele dyken, door de felle aanpersing van 't water, waren +doorgebrooken, leeden die van Friesland mede geen kleene last: want +een gat van 30 roeden brak by Staveren, en omtrent by Molkwerren was +het niet veel kleender, zo dat die geheele landstreek blank van 't +zeewater stond: ook was 'er een gat van 30 roeden breed en zeer diep, +by Zwartsluis. + +In het jaar 1676 was men bezig om op de vredehandeling der Europische +Prinsen, die in 't voorgaande jaar te Nieumegen was begonnen, alle +geschillen, door welke Europa in de grootste verwerringe gebragt was, +te beslechten; terwyl de geweldige oorlogstrompetten noch al geen +minder krygstoerusting verkondigden, als voorheenen. Doch de sterke +rustgeevende Vredevorst gaf hier toe, dat uit het blaakend oorlogsvuur +schielyk ontsproot de heilzaame en zegenryke hoorn des vredes: en +dus wierd de roemruchtigste Vryheid der Friesen weder als herbooren, +en zy eindelyk verlost van de slaavernye des duivels [104]. + + + +In den jaare 1677 zyn de opgerezene staatsgeschillen tusschen +Groningen en de Ommelanden, door de Heeren Staaten Generaal weder +beslegt geworden; gelyk mede te Deventer. + +In den jaare 1678, den 15de van February, is te Groningen de Landsdag +weder aangevangen, na dat de Heere Osebrand Rengers van zyn zesjaarige +gevangenis was ontslagen en herstelt. + +In dit zelve jaar, den 10de van Augusty, is te Nieumegen, de vrede +tusschen den Koning van Vrankryk en de Staaten Generaal geslooten. + +In den jaare 1679, den 10de van April, stond Albertina Agnes, moeder +van den Stadhouder Hendrik Kasimier, nu 20 jaaren oud zynde, haare +Voogdye af, en vertrok naar haare landgoederen in Duitschland. + +In den jaare 1681, den 2de van Augusty, zyn te Groningen vier ringen +aan alle kanten van de zon gezien, en eenigen verhaalen, dat diergelyke +zich mede te Rome en Tubingen hebben vertoont. + +In den jaare 1682, in May, is in Groningerland en Oostfriesland een +zeer hevige veeziekte geweest, waar door veel rundvee is gestorven: +doch op 't uitgaan van het jaar is de sterfte weder opgehouden. + +Den 4de van November is Grietzyl, in Oostfriesland, door de +Baandenburgsche soldaaten overrompelt, die zich naderhand aldaar ook +hebben neêrgelegt, als ook te Norden en Embden. + +In den jaare 1683, in November, is de Erfstadhouder van Friesland, +Hendrik Kasimier, en zyne Gemaalinne Amelia, te Leeuwarden, met +staatsiewagens en vertooningen, nevens een groot en prachtig vuurwerk, +ingehaald: doende, eenige dagen daar na, zynde den 17de van September, +ook zyne intrede binnen Groningen. + +In den jaare 1686, in July, overleed de jonge Prins van Nassau, zoon +van den Erfstadhouder van Friesland, enz.; en omtrent een maand daar +na beviel de Vorstinne weder van een jongen Prins. + +In dit zelve jaar, den 22ste van November, wierd Groningerland, +door een afgrysselyke watervloed aangetast, al het omleggende +land overdekkende; waar door veele menschen en beesten het leeven +verlooren. Het getal der verdronkene menschen beliep 1558, geheel +weggespoelde huizen 631, en de zeer beschadigden 616, de verdronkene +paarden 1387 en de koeyen 7861. + +In den jaare 1687, den 2de van May, overquam Groningen een tweede ramp, +door een schrikkelyke brand in de Veenen van Sapmeer, Wildervank en +Pekel A, waar door alle de gegravene turf tot duizende van vuuren, +eenige huizen en schepen verbranden, en de schade op eenige tonnen +gouds wierd geschat. + +In dit zelve jaar, den 14de van Augusty, is de Prins Jan Willem Friso, +te Dessau gebooren. + +In den jaare 1688, den 11de van November, deed Prins Willem van Oranje +die vermaarde overtocht naar Engeland; landende met zyn byhebbende +krygsbenden den 15de dezer in de haven van Torbay. + +In den jaare 1689, den 11de van April, is de Prins van Oranje, Willem, +nevens Maria, zyn Gemalinne, te Londen met de gewoonlyke plechtigheden +gekroont als Koning en Koninginne van Engeland. + +In den jaare 1690, den eersten van July, geschiede het bloedige +gevegt in de vlakte van Fleury, door de Franschen onder Luxenburg, +en de Geallieerden onder Waldek; waar van 't weêrzyds verlies op +16000 mannen wierd begroot. + +In den jaare 1691, den 5de van February, is Koning Willem in 's +Gravenhaage met zeer groote vreugde en eerteekenen, door praalpoorten, +vol geschilderde zinnebeelden, opgehaalt en naar het Hof gevoert. + +In den jaare 1692, den 3de van Augusty, sloeg het voetvolk der +Geallieerden, onder den Hertog van Wirtenberg, tegens de Franschen +onder Luxenburg, by Steenkerken, doch met weinig voordeel. + +In den jaare 1693, den 29ste van July, geschiede het gevegt by het dorp +Landen, tusschen de Geallieerden, onder Koning William en Keur-Beyeren, +en de Franschen onder Luxenburg, 80000 tegens 40000 mannen: dus schade +aan weêrszyden. + +In den jaare 1694, den 15de van Augusty, wierd te Groningen gejubileert +van des stads overgang voor 100 jaaren aan der Staaten zyde, door +het beleid van Prins Maurits en Graaf Willem van Nassau; ook datze +de Gereformeerde Religie aannam; by welke gelegentheid ook medaillien +geslagen wierden; waar op staat: + + + Des Prinsen zwaard, met Godes arm, + Bragt Paap en Spanjaard in alarm, + Als leugen voor het licht verdween, + Wier zuivre glans in templen scheen. + Een regte vreugd voor klein en groot, + Die Groningen sluit in haar schoot. + Dit heeft des Heeren hand gedaan, + En deze Penningen doen slaan. + + +In den jaare 1695, den 7de van January, is de Koninginne van Engeland, +Maria Stuart, eene zeer deugdzaame Prinsesse, te Londen overleden. + +In den jaare 1696, den 25ste van Maart, overleed te Leeuwarden +Hendrik Kasimier, Stadhouder van Friesland, enz., aan een borstquaal; +nalaatende een zoon en eenige dochters. Tot wiens lof L. Smids zegt: + + + 't Was Frieslands Stedevoogd, Vorst Willems Bloedverwant, + Zoon, Neef en Naneef van drie nooit volpreezen Helden, + Gedrochtetemmers in 't ontroerde Nederland, + Die, zich, gelyk een wal, voor haat en outer stelden: + Doch dit Geboorterecht nam Hendrik geenzins aan, + Maar stond na heldenroem, door eigene oorlogsdaên. + + +In dit zelve jaar, den 24ste van May, is op Oranjewoud, in Friesland, +overleden Albertina Agnes, moeder van den overledenen Stadhouder, en +dochter van Frederik Hendrik, Prins van Oranje, in den ouderdom van +62 jaaren. En in de maand van Augusty, is Amelia, weduwe van Hendrik +Kasimier, Erfstadhouder van Friesland, enz., te Leeuwarden van eene +Prinsesse bevallen. + +In den jaare 1697, den 20ste van September, is de algemeene vrede +op het huis Nieuburg, te Ryswyk, by 's Gravenhaage, geslooten, +tusschen Engeland, Vrankryk, Spanje, het Duitsche Ryk en de Vereenigde +Nederlanden; zynde hier over den 6de van November alomme vreugdevuuren +aangestoken. + +In den jaare 1698 zyn de sterke fortificatiewerken, aan de zuidkant +buiten Groningen, door den Generaal Koehoorn begonnen; en na eenige +jaaren met zeer vaste muuren opgemetzelt, en de halvemaanen of bastions +met bruggen en poorten voorzien. + +In den jaare 1699, den 15de van November, is in Oostfriesland een +hooge watervloed ontstaan, waar door groote schade geschiede: want de +nieuwshermaakte dyk, om 't dorp Gerdsweer, wierd byna geheel vernielt; +zes huizen spoelden geheel weg, eenigen wierden beschadigt, en veele +beesten zyn verdronken. + +In den jaare 1700, den 27ste van November, heeft de Koning van Sweden, +Karel de XIIde, met 12000 mannen geoeffende troupen, 80000 Moskovieters +verslagen, op de vlugt gedreven, en aldus de stad Nerva geweldiger +hand ontzet. + +In den jaare 1701, in het begin, namen de Franschen alle de steden +van de Spaansche Nederlanden in bezettinge; waar op de toebereidzels +ten oorlog door den Keizer wierden gemaakt. + +Den 28ste van May trokken de Keizerschen, met groote moeite en zwaaren +arbeid, over het Alpische gebergte, in Tirol, maakende vervolgens in +Italien een doortogt met de degen in de vuist. + +In den jaare 1702, den 19de van Maart, is Willem de derde, Koning +van Engeland, te Kensington overleden; zynde op de jagt met zyn +paard gestruikelt, waar door hy het sleutelbeen brak; wordende op +den 23ste van April daar aan volgende, in de Kapel van Westmunster, +zonder uiterlyke pracht, begraven. Hy wierd in de regeeringe opgevolgt +door Prinsesse Anna, Gemaalinne van Prins Georg van Denemarken. + +Den 15de van May wierd byna overal de oorlog tegens den Koning van +Vrankryk gepubliceert. + +Den 11 de van Juny, hebben die van Nieumegen, met een groote +dapperheid, der Franschen hevige aanval, onder den Maarschalk de +Bouflers, van hunne vestingen afgekeert en te rug gedreven. + +Den 16de dito is Keizerszwaard van de Geallieerden belegert en +ingenomen. + +Den 15de van Augusty heeft Prins Eugenius de Franschen met groot +voordeel by Luzzara geslagen. + +Den 8ste van September won Keur-Beyeren Ulm, in Swabenland. + +Den 10de dito is Landau de Franschen ontweldigt; als ook den 23ste +dito Venlo, en den 2de van October Stevenswaart. + +Den 7de van October wierd Roermond met geweld door de Geallieerden +tot overgaaf gedwongen, en den 13de dito is Luyk door de burgers aan +de Geallieerden overgegeven. + +Den 22, 23 en 24ste dito, wierd de Fransche Zilvervloot, by Vigos, +door de Engelschen en Hollanders bemachtigt, geplondert, verbrand +en geruïneert. + +In den jaare 1703, den 15de van February, is Rhynberg door de wapenen +des Konings van Pruyssen bemachtigt; en omtrent dezen tyd Traarbach +door Hessen-Kassel. + +Den 8ste van April won de Beyervorst Regensburg. + +Den eersten van May wierden de Polen door de Zweden, by Pultouw, +geslagen: den 10de dito wonnen de Franschen Tongeren, en den 15de +dito is Bon door de Geallieerden herwonnen. + +Den eersten van July geschiede het bloedig gevegt by Eekeren en +Wilmerdonk, waar in de Hollandsche dapperheid in 't byzonder heeft +uitgeblonken; onaangezien de Generaal Obdam genoodzaakt geweest is +naar Breda te vlugten. + +Den 25ste dito is de stad Hoey den Franschen ontnomen. + +Den 4de van September is Trente door de Franschen gebombardeert, +en Brizak door hun gewonnen; als mede den 27ste dito Limburg door +Marlboroug bemachtigt. + +Den 14de van October wonnen de Zweden de stad Thoorn. + +Den 8ste van December trof een ysselyke zuidweste stormwind, zo +te water als te lande, Engeland, Vlaanderen, Holland, Friesland, +en meer aangrenzende gewesten, waar door veele ongelukken gebeurden. + +Den 16de dito is de stad Gelder door den Koning van Pruyssen verovert. + +In den jaare 1704, in February, wierd Prins Friso in Friesland +geavanceert; verwekkende dit eenig misnoegen by zommige andere +Provintien. + +In dit zelve jaar, den 27ste van Maart, overleed Menno Koehoorn, +in 's Gravenhage; zynde lang ziekelyk geweest, en over de 70 jaaren +oud. J. de Recht heeft op zyn afbeeldzel dit eervaars toegepast: + + + Ziet hier een Held, beproefd in oorlogsblixem vlammen; + Die voor 's Landt Vryheid spreekt uit monden van metaal; + Die 't opgezwolle nat door dyken jaagd en dammen, + En 's vyands krachten breekt door water, vuur en staal, + Den Vriessen Jupiter, die, met zyn donderslaagen, + Den Franssen Faëton bonst uit zyn Zonnewagen. + + +Den 2de van July sloeg Marlboroug en Baden, in Beyeren, de Fransche +en Beyersche krygsmacht, by den Schellenberg; en op den zelven dag +is Brugge door de Geallieerden ook gebombardeert. + +Den 3de dito is door de Geallieerden Donawerth bemachtigt, en den 11de +dito Regensburg; als mede den 26, 27 en 28ste dito, de stad Namen, +doch zonder voordeel, gebombardeert. + +Den 4de van Augusty heeft de Geallieerden vloot, onder Hessen-Darmstad, +Gibralter bemachtigt; en den 13de dito hebben de Geallieerden, onder +de Generaals Marlboroug en Eugenius, de Franschen en Beyerschen by +Hogstet geslagen; zynde hun verlies wel op 40000 mannen begroot. + +Den 18de van November wonnen de Geallieerden, onder den Erfprins van +Hessen-Kassel, Traarbach. + +In den jaare 1705, den 5de van May, overleed te Weenen Keizer +Leopoldus, oud zynde 65 jaaren; wordende van zynen zoon Josefus in +'t Keizerryk gevolgt. + +Den 5de van September zyn 96 schepen van de Groenlandsche vloot voor +Delfzyl gearriveert, hebbende in alles gevangen 1100 vissen. + +Den 14de van October gaf Barcellona zich aan Koning Karel over. Ook +is Stanislaus omtrent dezen tyd tot Koning van Polen verklaart en +gekroont. + +In den jaare 1706, den 23ste van May, sloegen de Geallieerden, +onder Marlboroug, tegens de Franschen, by Ramellies, en bequamen +een roemruchtige overwinninge; waar op zich verscheidene steden in +Braband en Vlaanderen hebben overgegeven. Den 6de van July wonnen +de Geallieerden Oostende: den 22ste van Augusty Meenen; den 5de van +September Dendermonde; en den 7de dito is Turin door Prins Eugenius +gewapenderhand ontzet: en den 3de van October is Aath mede door de +Geallieerden gewonnen. + +In den jaare 1707, den 16de van April, leeden de Geallieerden een +groote neêrlaag in Spanje, by Almanza. Den 20ste van July, heeft +de stad Napels, met haar drie kasteelen, zich aan Koning Karel +onderworpen. + +In dit zelve jaar, in Augusty, is Johan Willem Friso, Stadhouder van +Friesland, enz., getreden in zyn chargie als Generaal der Infantery +of voetknegten. L. Smids, voegde dit onder zyn afbeeldzel: + + + Als Friesland zag het beeld van Frieso; reeds in 't weezen + Oranjes yver en Nassouwers moed kon leezen + Zo sprak zy, (drukkende dit konststuk aan haar mond) + Wat schooner dag beloofd my zulk een morgenstond! + + +In den jaare 1708, in February, is zyne Hoogheid Jan Willem Friso, +Prins van Oranje en Nassau, en der Friesen Erfstadhouder, door de +Edele Groot Mogende de Heeren Staaten van Stad en Lande, tot Stadhouder +over derzelver Provintie aangenomen. + +Den 5de van July is Gent en Brugge door de Franschen ingenomen; +den 11de dito zyn de Franschen door de Geallieerden, onder Eugenius, +Marlboroug en Ouwerkerk, by Oudenaarden geslagen. + +In Augusty wierd aan Prins Friso het Oppergezach der belegeringe +van Ryssel toevertrouwt, ondersteunt van Prins Eugenius; en wierd +dit meesterstuk der krygsbouwkunde by verdrag gewonnen den 22ste van +October, en 't kasteel den 8ste van December. En den 30ste dito wierd +Brugge den Franschen weder ontnomen. + +In den jaare 1709, den 4de van January, hebben de Franschen de stad +Gent wederom verlaaten. + +Den 29ste van April is zyn Hoogheid Jan Willem Friso, Prins van Oranje +en Nassau, met Prinsesse Maria Louisa, dochter van den Landgraaf van +Hessen-Kassel, op het kasteel van Kassel met zeer groote plechtigheid +getrouwt. + +Den 8ste van July wierd de Koning van Zweden, door de Moskovieters, +in de Ukranie, by Pultowa, ten eenemaal geslagen: den 28ste dito +is de stad Doornik aan de Geallieerden overgegaan: den 11de van +September geschiede het wreede en bloedige gevegt der Franschen en +Geallieerden by Malplaquet: en den 25ste dito wonnen de Geallieerden +Bergen, in Henegouwen. + +In den jaare 1710, den 2de van January, is Prins Friso, nevens zyne +Gemalinne, te Leeuwarden, met een buitengemeene staatsie ingehaalt. Als +mede den 18de van Maart te Groningen. + +Den 25ste van Juny is Douay door de Bondgenooten verovert: den 28ste +van Augusty Bethune: den 28ste van September St. Venant: den 8ste +van November Arien. + +In den jare 1711, den 17de van April, is Keizer Josephus te Weenen +overleden, oud zynde 33 jaaren. + +Den 14de van July, op den middag, is zyne Hoogheid, Prins Jan Willem +Friso, Frieslands en der Groningers Stadhouder, in 't overvaaren van +'t Hollandsche Diep, aan 't Stryensche Sas, zeer ongelukkig verdronken; +wordende deszelfs ligchaam door een schipper, van de Klundert komende, +op den 22ste derzelver maand eerst gevonden en opgevischt, voorts haar +Dordrecht gebragt, en aldaar gebalsemt, en vervolgens naar Leeuwarden +gevoert: alwaar het op den 25ste van February 1712 met eene heerlyke +doch droevige lykstaatie in 't graf zyner Voorvaderen wierd bygezet. + +En in hetzelve jaar, den eersten van September, is de Prinsesse van +Friesland, Weduwe van den Stadhouder, van een Prins bevallen, en +genaamt Willem Karel Hendrik Friso, zynde de tegenwoordige Stadhouder. + + + + + + +LANDVERDEELING VAN FRIESLAND. + + +Schoon de aantekeningen van voorgaande Geschiedenissen, zonder +kennisse der gelegentheid van Landen en Steden, in 't naleezen +noch nuttig, noch aangenaam kunnen zyn, zo 'er niet iets nevens of +voor dezelve gemelt word: zo mogen de leezers ook niet met al te +langwylige verhandelingen derzelve opgehouden worden; dewyl anders +zo een beschryvinge op zich zelve en hier van afgescheiden vereischt, +die men de Landbeschryvinge noemt. + +Waarom wy, tot verstand van de voorverhaalde Geschiedenissen, hier +van iets behoevende by te brengen, met een bloote verdeelinge van +de Landstreek, en een optellinge van Steden en Dorpen in iedere +afdeelinge, zonder van de beschryvinge iets te mogen aanroeren, +den eisch der voorgaande bladeren geacht voldaan te hebben. + +De Landstreek van deze Provincie word in drie gedeeltens afgedeelt, +als Oostergo, Westergo en Zevenwouden. In voorige tyden bestond het +in de twee eersten alleen; die ook elk den naam van een Graafschap +by zommige Schrijvers hebben gevoert, en mogelijk ook in der daad +zyn geweest, zonder dat de Wouden als een byzonder deel wierden +aangemerkt. En zyn zo genaamt naar de Goën of Dorpen, in de Ooster- +of Westerverdeeling gelegen; en de Wouden, om de veelheid van 't +geboomte, dat eertyds mogelyk meerder is geweest, als hedendaags: en +zo wat verlatynt zynde, wierden Estrachia, Westrachia en Forestensis +genaamt, by de Schryvers in die taal. + +Deze Leden worden elk in een getal van mindere verdeelingen +onderscheiden, die wy Grietenyen noemen, naar de Bevelhebbers van ieder +gedeelte, die men een Grietman noemt, dat zo veel is als Overheer, +want gritte, greet, en greut, is groot te zeggen. Elke Grieteny vervat +een zeker getal Dorpen onder zich, staande onder de regeering van een +Grietman. De Steden zyn 11 in getal, rustende elk op haar eigen recht; +maakende te zamen in zaaken van regeering het vierde Lid van Staat. In +'t optellen van welke Dorpen, doordien zy naar de verscheidentheid +der byzondere spraaken (dialecten) of anderzins ook verscheiden worden +genoemt, zo komt in bedenkinge, welke wyze gevoegelijkst mag gevolgt +worden: want van de benaaminge der zelve zyn zommige gebruikelyk, + +1. In de gemeene taal, alleen Buitenpost, Donkerbroek. + +2. In de Stadsspraak, als Nyega. + +3. In de Landsspraak alleen, als Tjietjerk, Tjaalebird. + +4. Gemengd, 1. uit de gemeene Stadsspraak, als Peperga, Lutkepost, +Nyjenhuis. 2. Uit de gemeene en Landsspraak, als Langewar, Suerig. En +3. uit Stads- en Landsspraak, als Tserkgaast, Molkweeren. + +5. De zelve Dorpen, anders in 't gemeen, als by stedelingen en +landlieden, als Nieukerk, Nykerk, Nytjerke: Molkweeren, Molkwarren. + +6. Naar oude misspellinge, Hyelsum voor Jelsum; Hyaure voor Jaure of +Joure; en Greonterp voor Grien of Groenterp. + +7. In verkorting, als Birdaard voor Birdewerd, Oestrum voor Eestroom, +Raard voor Raawerd, enz. + +Waar op het wel billyk is, dat men in een schrift, in de gemeene taal +geschreven, als dit tegenwoordige, ook hier de naamen der Dorpen +in die zelve taal zoude stellen: doch nochtans hier niet vry staat +omtrent eenigen, als die haar oorsprong uit de byzondere spraaken +hebben, gelyk Tserkgaast, Adegae en Molkwarren: voor welke men +(hoewel mogelyk in gelyke zin, doch ongerymt) zou zeggen, Kerkburg, +Ouddorp en Melkfennen. Even ongerymt zoudenze alle in de Stads- of +Landsspraak gestelt worden: en geheel overtollig in die alle te gelyk. + +Daarom hebben wy geacht dezelve veilig te mogen gebruiken, naar +de uitspraak die in de gemeene wandeling meest omgaat. Gelyk wy +zien dat in de Saxische bedeelinge, (achter dien Hertogs Wetten, +in die tyden gedrukt) en ook by Winsemius, Schotanus en anderen, +geen eenerlei wyze is gehouden. + + + + + +I. OOSTERGO. + + +Hierin zyn twee Steden gelegen, als Leeuwarden en Dokkum. 't Word +verdeeld in 11 Grietenyen. + +I. Leeuwarderadeel, heeft 14 Dorpen. 't Word in 3 Trindels of +derdendeelen afgedeelt. 1. 't Middeltrindel, is onder de klokslag +van Leeuwarden. 2. Zuidertrindel, Wirdum, Swichchum, Goutum, Huizum, +Hempens en Teerns. 3. Noordertrindel, Steens, Finckum, Hyjum, Britsum, +Kornjum, Jelsum, Lekkum en Meedum. + +II. Ferwerderadeel, heeft 11 Dorpen, als, Ferwert, Hoogebeintum, Blyje, +Hallum, Marrum, Nykerk, Wanswert, Geenum, Jeslum, Reisum en Lichtaard. + +III. Westdongeradeel, heeft 14 Dorpen, als, Holwert, Tennaard, Wierum, +Nes, Hantumhuizen, (Raad, Bierum, Medent, Germerhuizen, Nyjenhuis, +zynde Gebuurten, maakende eene stem,) Jaure, Betterwird, Bornmerhuizen, +Bornwert, Raard, Foudgum, Brantgum en Waaxens. + +IV. Oostdongeradeel, heeft 13 Dorpen, als, Anjum, Engwierum, Ee, +Jouswier, Oestrum, Aalsum, Wetsens, Nyjewier, Nykerk, Paasens, +Ljuessens, Morre en Metselwier. + +V. Kollumerland, heeft 6 Dorpen, als, Kollumerswaag, Westergeest, +Oudwoude, Kollum, Lutkewoude of Ausbuer en Buerom. + +VI. Achtkarspelen, heeft 8 Dorpen, als, Surhuizen, Austynsga, +Harkma-opeinde, Droogeham, De Kooten, Op 't Wyzel, Buitenpost en +Lutkepost. + +VII. Dantumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Driesum, Wouterswoude, +Dantumerwoude, Murmelwoude, Akkerwoude, Rinsmageest, Sybrandahuis, +Janum, Birdaard, Roodkerk, Feenwouden en Swaagwesteinde. + +VIII. Tjietjerksterdeel, heeft 14 Dorpen, als, Wyns, Oudkerk, Oenkerk, +Giekerk, Ryperkerk, Tjietjerk, Suwoude, Hardegaryp, Bergum, Eestrum, +Oostermeer, Sumeer, Garyp en Eernwoude. + +IX. Smallingerland, heeft 7 Dorpen, als, Oudega, Nyjega, Opeinde, +Noorderdrachten, Suiderdrachten, Kortehem en Bornbergum. + +X. Idaarderdeel, heeft 8 Dorpen, als, Idaard, Æaegum, Roodahuizum, +Friens, Grou, Warrega, Warstiens en Wartena. + +XI. Rawerderhem, heeft 6 Dorpen, als, Rawerd, Yrnsum, Poppingawier, +Tersool, Sybrandabuert en Deersum. + + + + +II. WESTERGO. + + +Hier in zyn 8 Steden, namentlyk, Bolswert, Franeker, Sneek, Harlingen, +Staveren, Workum, D'r Ylst en Hindeloopen. 't Word verdeelt in +9 Grietenyen. + +I. Menaldumerdeel, heeft 12 Dorpen, als, Menaldum, Berlikum, Wier, +Beetgum, Englum, Marsum, Deinum, Boxum, Blessum, Dronryp, Schingen, +Slappeterp en 't Klooster Anjum. + +II. Franekerdeel, heeft 11 dorpen, als, Tjum, Hitsum, Achlum, Midlum, +Herbaajum, Doenjum, Boer, Ried, Peins, Sweins en Schalsum. + +III. Barradeel, heeft 8 Dorpen, als, Minnertsga, Firdgum, Tjiemaarum, +Oosterbierum, Sixbierum, Pytersbierum, Winaldum, Almeenum, nu meest +binnen de muuren van Harlingen, daar het haare stem heeft in de Kerk, +en 't Klooster Lidlum. + +IV. Baarderdeel, heeft 16 Dorpen, als, Jorwert, Weidum, Mantgum, +Schillaard, Oosterwierum, Bozum, Wiewert, Britsert, Oosterlittens, +Winsum, Baard, Huins, Lyons, Hilaard, Jellum en Beers. + +V. Hennaarderdeel, heeft 12 Dorpen, als, Hennaard, Ytens, Lutkewierum, +Oosterend, Hidaard, Wommels, Waaxens, Kubaard, Wielsryp, Baajum, +Spannum en Eedens. + +VI. Wonzerdeel, heeft 27 Dorpen, als, Aarum, Allingwier, Burgwert, +Kornwert, Dedgum, Exmorre, Engwier, Ferwoude, Greonterp, Gaast, +Hartwert, Hichtum, Hiezlum, Idzegahuizen, Kunswert, Ruigelollum, +Longerhou, Makkum, Pinsum, Parrega, Pyaam, Schettens, Schraad, Suerig, +Tjerkwert, Witmaarsum en Wons. + +VII. Wymertser- of Wymbritserdeel, heeft 28 Dorpen, dezelve worden +aangeteekent, als, Buitendyks: Oppenhuizen, Uitwellingerga, Jortryp, +Hommerts, Smallebregge, Woudseind, Ypekolsga, Indyk, Heeg, Gasmeer, +Nyjehuis, Santfirde, Oudega en Idzega. Binnendyks: Oosthem, Abbega, +Westhem, Wolsum, Nyland, Folsgaare, Tjaalehuizen, Ysbrechtum, Tirns, +Scharnegoutum, Goinga, Looienga, Gaau en Offingawier. + +VIII. Heemelumer Oudephert en Noordwoude, heeft 9 Dorpen, als, +Heemelum, Koudum, Warns, Scharl, Molkwarren, Oudega, Nyjega, Elahuizen +en Kouderwoude. + +IX. Het Bilt, heeft 3 Dorpen, als, St. Japikskerk, St. Annekerk en +L. Vrouwenkerk. + + + + + +III. ZEVENWOUDEN. + + +Hier in legt de Stad Slooten alleen. 't Word verdeelt in 10 Grietenyen. + +I. Uitingerdeel, heeft 6 Dorpen, als, Oudeboorn, Nes, Akrum, Terhorne, +Terkaple en Akmaryp. + +II. Engwerden, heeft 4 Dorpen, als, Gersloot, Tjaalebird, Luinjebird, +Ter Trebant met Bansterschans, en noch een gedeelte van 't Vlek +Heerenveen. + +III. Doniawerstal, heeft 14 Dorpen, als, Goingaryp, Broek, Austerhaule, +Nyjega, Oudouwer, St. Niklaasga, Doniaga, Tserkgaast, Itskenhuizen, +Leegemeer, Ter Oele, Indyken, Langweer en Bornswaag. + +IV. Hasscherland, heeft 6 Dorpen, als, Westermeer, Snikswaag, +Hasscherdyken, Nyjehassche, Oudehassche en Hasscherschorne. + +V. Schooterland, heeft 18 Dorpen, als, Hornsterswaag, Jubbega, +Schuerega, Oudehorn, Nyjehorn, Katlyk, Brongerga, Nybrongerga, +Melledam, Oudeschoot, Nyjeschoot, Rottum, St. Jansga, De Kleinegaast, +Haule, Roehel of Nyjega, Delfstrahuizen, Oudega en Uitdyken, en een +groot deel van 't Vlek Heerenveen. + +VI. Lemsterland, heeft 5 Dorpen, als, Lemmer, Eesterga, Follega, +Oosterzee en Echten. + +VII. Gaasterland, heeft 7 Dorpen, als, Wykel, Sundel, Nyjemardum, +Oudemardum, Mirns, Haarig, Ruigehuizen en 't Vlek Balk. + +VIII. Upsterland, heeft 13 Dorpen, als, Beets, Beetsterswaag, +Olterterp, Uereterp, Sygerswoude, Duerswoude, Wynjeterp, Hemryk, +Loppenhuizen, Wispel, Korteswaag, Langeswaag en Luxwoude. + +IX. Stellingwarf-Oosteinde, heeft 10 Dorpen, als, Oudeberkoop, +Nyjeberkoop, Makkinga, Donkerbroek, Haule, Oosterwoude, Fochtele, +Appelsche, Langedyk en Elsloo. + +X. Stellingwarf-Westeinde, heeft 20 Dorpen, als, Beuil, Noordwoude, +Finkinga, Steggerden, Peperga, Blesdyk, Nyjehoutpade, Oudehoutpade, +Wolvega, Sonnega, Oudetryne, Nyjetryne, Spangen, Scherpenseel, +Munnekebuuren, Oudelemmer, Nyjelemmer, Nyjehoutwoude, Oudehoutwoude +en Ter Idsert. + + + + Geschreven in slaavernye, en gegeeven + in April, in 't Jaar + onzes Heeren + 1678. + + + + + + + +BIJVOEGSELS EN AANTEEKENINGEN. + + +Bladz. 2. + + +Van den alouden staat onzer Provincie kan geene naauwkeurige +beschrijving worden gegeven, daar er niets dan onzekere berigten en +velerlei uiteenloopende gevoelens tot ons zijn overgekomen. Op eenigen +goeden grond echter mag men besluiten, dat omstreeks de vijfde eeuw +onzer jaartelling Friesland zich van Vlaanderen tot de Elve heeft +uitgestrekt, en hetzelve noordwaards den Eiderstroom tot grensscheiding +had, waardoor dan ook de kustbewoners aan deze rivier, nog heden +ten dage van den naam des Lands, dien van Strandfriezen dragen. Dat +Vlaanderen tot Friesland behoord hebbe, zoo als meermalen is beweerd, +valt zeer te betwijfelen, want aldaar was de grensscheiding. + +Onder Koning Radboud I, en later nog ten tijde van Karel den Groote, +vinden wij de uitgestrektheid van dit Gewest van het land van Katzand +af, tusschen de rivier Sincfal of Zwene (de Suin of Zwin) bij Sluis +[105], tot aan de Elve: de Waal scheidde het van het gebied der +Franken af en de Wezer was tot oostelijke grenspaal gesteld. Al de +landen dus aan de oevers der Noordzee, van het Hertogdom Bremen tot +aan Vlaanderen, maakten het oorspronkelijk en overwonnen gebied der +Friezen uit: het oorspronkelijk of oud Friesland lag tusschen de Eems +en het Vlie langs de Noordzeekusten. Van de Eems tot den Wezer en aan +geene zijde van het Vlie, met een groot deel binnenlands tot aan het +Zwin, was overheerd land. Ook de eilanden tot den mond van de Eems +behoorden den Friezen, doch geenszins Helgoland, zeer verkeerdelijk +voor Radbouds zetel gehouden. + +Weinige jaren voor 's Heilands geboorte, werden de Friezen, tusschen +de Eems en het Vlie wonende, de Groote Friezen, en die tusschen het +Vlie en den Rijn de Kleine Friezen genaamd. De eersten bewoonden +dus gedeelten van Gelderland, Overijssel, Drenthe en het Gooiland, +alsmede de streken beoosten de Zuiderzee en de rivier Flevo tot aan +de Eems toe: de laatsten een gedeelte van Rijnland, Kennemerland, +Amstelland en Noord-Holland. Daarna werden deze West-Friezen en gene +Oost-Friezen geheeten. Een aantal kleine volken van Germaanschen en +Gallischen of Frankischen oorsprong hadden de Friezen tot naburen. + +Te dien tijde, eenige jaren namelijk voor Christus geboorte, toen +de Opperbevelhebber Claudius Drusus Nero, stiefzoon van den Keizer +Augustus, ook Friesland onder de magt der Romeinen wilde brengen, lag +tusschen West-Friesland (Noord-Holland) en het tegenwoordig Friesland +het groote meer Flevo. Het Graafschap Staveren beoosten het Vlie, +wiens uitwatering eerst tusschen Texel en Vlieland, daarna tusschen +Vlieland en Terschelling plaats had, paalde aan Noord-Holland. Het +eiland Flevo, door de verdeelde armen van het Vlie omvat, lag ter +plaatse alwaar nu de zandplaat Bree-sand zich bevindt. Uitgestrekte +bosschen lagen in den omtrek der stad Staveren, thans allen in zee +verzwolgen. De kleine rivier de IJssel liep in 't meer Flevo, hetwelk +na de door Drusus gemaakte vereeniging van den Rijn met den IJssel, +door verschillende stroomen zich in de Middelzee ontlastte [106]. Deze +zee besloeg een groot deel van het noorden der Provincie, scheidende +Oostergo en Westergo, haren loop nemende door de Grietenijen Barradeel, +Idaarderadeel, Hennaarderadeel, Rauwerderhem tot in Wijmbritseradeel, +eindigende bij Bolsward en Sneek. Bij de stad Uitgong, welligt nabij +Berlikum had zij hare uitwatering in de Wadden, en voorts tusschen +Terschelling en Ameland in de Noordzee. + +Wij geven geene meer bepaalde beschrijving van den alouden staat der +Provincie, maar verwijzen den Lezer tot de breedvoeriger behandeling +hiervan te vinden in Winsemius, Schotanus, Emmius, F. Sjoerds, +bijzonder het kort overzigt in den Tegenwoord. Staat van Friesland +I deel, en over de Groote en Kleine Friezen de Aanteekeningen van +Siccama op de Lex Frisionum pag. 137 seq. Men vergelijke hierbij +hetgeen door den heer Westendorp in zijn Jaarboek van en voor de +Provincie Groningen, en door Bilderdyk in het 1 deel van zijne +Geschiedenis des Vaderlands (bepaald op bl. 18 en 251 volgg.) met +betrekking tot de oude Historie is geboekt:--als ook de Geschiedenis +der Nederlandsche Taal van den Hoogleeraar A. Ypeij, II. 106, +die aldaar en elders belangrijke bijvoegsels geeft tot den alouden +staat van Friesland betrekking hebbende.--Over de Middelzee, hare +grenzen en uitgestrektheid bevelen wij zeer aan de Bijdragen tot de +Geschiedenis der voormalige Middelzee in Friesland, door P. Brouwer +Pz. en W. Eekhoff [107]. Zie voorts de Inleiding van mijn Tafereel van +den Watervloed in Friesland. Wij voegen hierbij nog de aanmerking, ook +door anderen gemaakt, van den Ridder Scheltema, voorkomende in zijne +als nog onuitgegevene Geschiedenis der Zuiderzee, dat in vorengemelden +tijd welligt het Gooiland in Holland en Gaasterland in ons Gewest +aaneengehecht waren, verdienende het bijzondere opmerking dat de +grondgesteldheid gelijk is, en aan beide zijden de einden van eene +hooge aardrigchel, in Holland de Muiderberg en bij Staveren het Klif, +aanwezig is; even als de afgebrokene en tegen over elkander liggende +Krijtbergen in Frankrijk en Engeland zouden bewijzen dat eertijds +hier geene scheiding bestond. Waarschijnlijk stroomde er toen nog +geen zout water binnen den kreits der duinen van Terschelling af tot +aan den uitloop der Maas.--Belangrijke opmerkingen deelt de kundige +F. Arends ons mede in zijne Geschiedenis der Noordzeekusten, in welke +hij de veranderingen beschrijft, welke die kusten door stormvloeden, +gedurende een tijdvak van tweeduizend jaren hebben ondergaan [108]. + + +Bl. 2.--Ao 313. + +Wat betreft de heerschappij der Prinsen, Hertogen en Koningen +over Friesland, van den jare 313 voor Christus geboorte tot 773 of +775 jaren na dezelve, waarvan de korte beschrijving in de eerste +drie hoofdstukken dezer kronijk begrepen is, daarin komt zeer veel +onwaarschijnlijks en fabelachtigs voor, zoodat wij niet gaarne op het +gezag van deze en andere Geschied- en Kronijkschrijvers alles voor +goede munt zouden aanprijzen: alles evenwel te verwerpen, gelijk ook +door Friesche Schrijvers-zelve geschied, is evenmin raadzaam. Men leze +en overwege hier naauwkeurig wat de geleerde Baron thoe Schwartzenberg +en Hohelansberg, in de uitmuntende Voorrede voor zijn Charterboek +(vooral I. D. bl. 16 en 17), een geschrift, even nuttig als het +boek-zelf, op dit punt zegt, en aan wiens gevoelen wij eene hooge +waarde hechten. Het was voor den geleerden Emmius en in navolging +van hem voor Foeke Sjoerds en den schranderen van Rhyn, die evenwel +hier en daar niet zoo gestreng is, niet moeijelijk, het gezag van +andere Schrijvers te verwerpen, en, wat niet met krachtige bewijzen +gestaafd konde worden, voor fabels te verklaren. Maar men brenge ook +de meeningen van den Baron van Schwartzenberg ter toetse, en het lijdt +geen' twijfel, of de oordeelkundige Lezer zal, even als wij, tot de +uitkomst moeten komen, dat het gevoelen der eerstgemelden aan gewigtige +tegenbedenking is onderworpen. Het groote en altijd herhaalde argument, +waarom wij toch zoo weinig bij de Romeinsche Schrijvers van alles, +wat de kronijken bevatten, vinden, zal toch wel niet als voldoende +kunnen worden beschouwd:--dan het is hier niet de plaats, daarover +verder uit te weiden, liever willen wij hier invoegen wat de zeer +verdienstelijke Oudheidkundige N. Westendorp, in zijn Jaarboek van +en voor de Provincie Groningen (I. 21 volgg.), op dit onderwerp zegt: + +»De Vriesche jaarboeken beginnen de lijst der Vriesche koningen en +vorsten reeds van vóór den tijd van 's Heilands geboorte af. Alhoewel +wij ons geenszins met zekerheid op de berigten dezer verzamelaars, +ten aanzien dier opvolgingen, durven en willen verlaten; nogtans +deelen wij gansch niet in de twijfelzucht van Emmius en van anderen, +welke hem gevolgd zijn. Vooreerst zijn er geene redenen, om zoo +ten eenenmale de geloofwaardigheid van Cappidus Staurensis, geleefd +omtrent 920, van Occo Scharlensis, welke begon te schrijven in 903 en +zulks vervolgde tot 970, van Johannes Vlieterpius, Schrijver van den +potestaat J. H. Martna en der gemeene Landsregteren, die Occo's kronijk +grootendeels uit het H. S. vertaalde en hier en daar vermeerderde +(1370), van M. Alvinus (1400), van Andreas Cornelius, overleden te +Harlingen in 1589, van Corn. Kempius (1588), van Vorperus Taboritha, +Suffridus Petri, Mart. Hamconius (1624), van Bernh. Gerbr. Furmerius +(1613), en van meer anderen, te verwerpen. Trouwens de Vriezen +hadden weleer hunne barden en bardengezangen: zoo hoorde nog de +bisschop Ludger, eenen Vrieschen bard de daden der vroegere tijden +bezingen. Andr. Cornelius is ook in mijn oog een achtingwaardig +Schrijver. Deze verhaalt in de voorrede van zijn werk, dat Vlieterp +in eene zeer lange voorrede berigtte, dat Occo Scharlensis in de +voorrede van zijn werk in het breede had ontvouwd, hoe zijn oude oom +Solcko Forteman het leven der Vriesche koningen, prinsen en heeren, +die van het begin af in Vriesland hadden geregeerd, ten tijde van den +laatsten Vrieschen koning Radbod naauwkeurig beschreven had: over welk +geschrift hij door dien koning zeer was vervolgd geworden. Schoon nu +dit opstel te dien tijde op koninklijk bevel was verbrand geworden, +nogtans waren al zijne overgeblevene schriften en boeken in handen +van Occo gekomen, door middel van Gatje Takama (zijnen vader), welke +er vele fragmenten en schoone stukken betrekkelijk Vriesland onder +gevonden had. Deze schat bewoog hem, om alles te verzamelen, wat +overgebleven was, en wat hij wist. Volgens getuigenis van Suffridus +Petri, zouden de bouwstoffen tot het werk van Alvinus uit zoodanige +oude liederen genomen zijn. Daarenboven heeft S. Petri toegang +gehad tot alle kloosterkronijken en kloosterpapieren van Vriesland, +waardoor hij in de gelegenheid was, om meer ontwaar te worden dan +anderen. Ook vinden wij er geene de minste tegenstrijdigheid in, dat +de Vriezen, even gelijk de Kymry in Wallis en de Galen in Ierland, +hunne geschiedenis aan de bardenorde toevertrouwden, en dat deze +ook hunne Taliesins gehad hebben. Bij de Kymry en de Ieren zijn +deze liederen nog grootendeels behouden, en dalen mede tot vroegere +tijden terug. De Vriesche berigten, hoezeer vermengd met dichterlijke +bijvoegselen en met aanvullingen van verschillenden aard, verdienen +waarlijk de aandacht van onderzoeklievende mannen" [109]. + +Betrekkelijk den oorsprong der Friezen vinden wij bij Grieksche noch +Romeinsche Schrijvers eenige voldoende berigten, uit hoofde zij hun +gezag van den aanvang niet in deze oorden gevestigd hebben. Over +de benaming en aanvankelijke regeringsvorm zijn ook verschillende +meeningen te berde gebragt. Het gevoelen ten dezen van den heer +Mr. A. van Halmael Jr. ook het onze zijnde, nemen wij hier over, +hetgeen in zijn beknopt Overzigt der Friesche Geschiedenis [110] +is vermeld: + +»De oorsprong van de namen Friezen en Friesland heeft met dien van vele +andere volkeren en landen dit gemeen, dat hij hoogst onzeker is. Even +onzeker schier is het te bepalen, op welke wijze het land in de oudste +tijden is geregeerd geworden; of er één enkel persoon aan het spits +der regering stond, en zoo ja, welken naam hij droeg. Ook naar de +uitgestrektheid van het land, hetwelk den naam van Friesland droeg, +en naar de gedaante van hetzelve, kan men weinig meer dan gissen." + +»Het komt ons echter, wat het eerste betreft, niet onwaarschijnlijk +voor, dat de naam van Friezen niet anders dan vrijen heeft beteekend, +welken naam dat gedeelte der Germaansche of Duitsche volkeren, +hetwelk het eerst Friesland tot woonplaats verkozen heeft, zal hebben +aangenomen, ten einde zich daardoor te onderscheiden van andere +stammen, die misschien minder naijverig waren op hetgeen zij Friezen +verstonden onder vrijheid,--volkomen onafhankelijkheid van allen, +die niet tot hunnen eigenen stam behoorden, of tot de genen welke +zij daarin goedvonden aan te nemen" [111]. + +»Wat der Regering betreft, één persoon schijnt aan het hoofd der +Friezen gestaan te hebben; niet evenwel zonder, in openlijke +aangelegenheden, den raad der Wijsten, dat is Oudsten zijner +landgenooten, in aangelegenheden van algemeen belang, de meening van +het geheele volk ingenomen, en dien van de meerderheid gevolgd te +hebben. Het komt ons wijders niet onaannemelijk voor, dat die ééne +persoon, meerder uitvoerder van 's volks wil dan eigenmagtig gebieder, +maar ook in de uitvoering ongebonden, den naam van Koning droeg, +welken naam wij, naar de afleiding des woords, meenen aangeduid te +hebben: den eersten man van het eerste (d. i. mannelijk) geslacht, +eens heerschenden volks." + +»Daarmede willen wij echter niet geacht worden, de geheele rij +der zeven eerste Koningen (in kronijken Prinsen genoemd), der zeven +Hertogen en der negen, dezen wederom vervangen hebbende Koningen, welke +alle door onze kronijkschrijvers met name genoemd worden, te erkennen." + +»Ook gelooven wij niet dat de oppermagt der Vorsten erfelijk was, +althans niet in de eerste tijden, hoewel meestal de zoon eens konings, +over wiens bewind het volk tevreden was, hem zal opgevolgd zijn." + + + +Er bestaan over den oorsprong des Frieschen volks eenige overleveringen +en sagen uit den overouden tijd, in welken de geschiedkundige waarheid, +met de noodige versierselen en verdichtselen, werd gehuld en bewaard +gebleven is: jammer maar dat het en door den geest der vroegere +tijdperken, en door de wijze der overlevering zoo moeijelijk is +geworden waarheid en fabel van elkander te schiften. Alles komt +echter op dit punt neder, dat de Friezen geene aborigenes, dat is +inboorlingen van Friesland waren, maar over zee naar deze landstreken +waren aangekomen om dezelve te bevolken [112]. Wij willen kortelijk uit +de geschiedenis enigen dier sagen en volksvertellingen bijeenverzamelen +en mededeelen, dewijl onze kronijk slechts van eene enkele gewaagd. + +Naar het gevoelen van Joachim Hopper zouden de Friezen afkomstig zijn +van de Hijperboreische volkeren, van wien zij hunne taal, godsdienst +en zeden hadden ontvangen [113]. + +Cornelius Kempius verhaalt dat een Karthuizer, genaamd Reinerus de +Friezen deed afstammen van een aantal Joden, die door Vespasianus +na de inneming: van Jeruzalem in 't leven gespaard, uit het Joodsche +land verdreven en herwaarts in ballingschap gezonden waren. »Doch de +goede man (zoo zegt Van Rhyn [114]) moet Tacitus en andere schrijvers +niet gelezen hebben, die hem zouden onderricht hebben, dat de Vriezen +hier al woonden omtrent de tijden van Christus,"--dus voor Jeruzalems +verwoesting [115]. Deze overlevering hoorde ook bij de oude Pruissen +te huis, wier voorouders door Salmanzar uit het Joodsche land waren +verdreven [116]. + +Van Frankischen oorsprong schijnt navolgende sage door Joannes +Trithemius, in navolging van Hunibaldus, geboekt in zijne geschiedenis +der Frankische koningen. Frisius was de zoon van koning Coglio; +deze werd met toestemming aller Franken Koning van Friesland, doch +aan deze keus verbonden zij de voorwaarde, dat hij en alle zijne +opvolgers met hunne onderdanen onder de Franken zouden staan, en tot +schatting jaarlijks tweehonderd en zestig koeijen leveren: daarenboven +waren zij verpligt als getrouwe vrienden en bondgenooten der Franken, +dezen in alle oorlogen bij te staan. De Friezen nu zouden, volgens +het beweerde van verschillende schrijvers [117], van dezen Koning den +naam gekregen hebben. Ook dit verhaal wordt door de geschiedschrijvers +van lateren tijd verworpen, daar de Franken toen nog niet als magtig +volk zouden hebben bestaan, maar eerst driehonderd jaar na Christus +geboorte.--Het is echter vrij zeker, dat het Frankisch gezag reeds +zeer vroeg bij de Friezen heeft geheerscht; zelfs de benaming dezer +beide volken wordt vaak verwisseld. Deze geheele sage zal echter van +later dagteekening zijn dan anderen [118]. + +Hubertus Thomas, een Luikenaar, schreef een boek over de Tongren en +Eburonen, waarin hij met kracht van redenen betoogde, dat de Friezen +uit de oude Phrygeers of Trojanen herkomstig waren, welk gevoelen ook +anderen aankleefden [119]. Grunus, een voornaam Trojaan onder hen, had +Groningen gebouwd, het gewest Frisia en dus het volk met den naam van +Friezen gedoopt. Vierhonderd drie en dertig jaren voor Christus waren +deze Trojanen, onder Marcomir, in Duitschland bij de Saksen gekomen en +naar den zeekant afgezakt [120]. Tot een vernuftig bewijs van zijne +stelling brengt Thomas bij, dat het stedeken Ylst niet Elostum, zoo +als sommige Latijnen zeggen, maar Iliacum, dus genaamd naar Ilium, +heeten moet, en dat Aschendorp in Groningerland, naar den befaamden +Ascanius ook den naam Ascania heeft gedragen.--Dit verhaal schijnt +van Oud-Duitsche geboorte te zijn [121]. + +Eggerik Beninga beschrijft in zijne Oost-Friesche Kronijk [122] +den oorsprong der Friezen ook op deze wijze. Ten tijde dat Samuel +regter over de kinderen Israels was, nadat de wereld 2860 jaren had +gestaan, was er een koning van Assyrien, Diedictus genaamd, wiens +gemalinne Albiona bij het volk in kwaad geruchte stond. Op zekeren +tijd liet zij alle hare zusters, twee en dertig in getal, en allen aan +koningen, vorsten en groote heeren door den echt verbonden, bij zich +komen, en, zich niet langer door hare mannen willende laten regeren, +sloten zij in 't geheim een verbond, dat elk zijnen echtgenoot zou +om het leven brengen en dan zelve het bestuur in handen nemen. Maar +de zamenzwering werd ontdekt en tot straf werden de 32 zusters, +met al de medepligtigen, in een schip zonder roer en zeilen gezet +en zoo voor wind en stroom aan de willekeur der woeste golven prijs +gegeven. Na lang omzwervens kwamen zij ten laatste aan een onbewoond +eiland, hetwelk zij, naar den naam der oudste zuster Albion noemden +en langen tijd bewoonden. Uit deze zusters werd het groote en wreede +reuzengeslacht geteeld, dat door Brutus is verslagen en op de vlugt +gejaagd, welke vlugtelingen de Noordzee opstevenden en naar een +nieuw vaderland zochten. Dus aan de Friesche kust gekomen, namen zij +dit land ten deele met geweld in, en zetten zich er neder. Brutus, +nu Heer van Albion, herdoopte het eiland in Brutannien en liet de +stad Londen bouwen, dan ook hij werd op zijnen tijd weder verdreven +door het geweld der Friesche koningen Engistes en Horses.--Zoo ver +Beninga.--In Westendorp's Kronyk wordt verhaald, dat de gevlugte +reuzen, bij hunne aankomst aan den Frieschen wal, onvermoeds door +de ingezetenen des lands verdreven zijn, de Maas zijn opgevaren en +Slavenburg hebben gesticht.--Zoodat volgens dit verhaal dan reeds +het land bevolkt was [123]. Deze overlevering schijnt op de Kelten, +de oudste bewoners van Brittannien te slaan. + +In bijna al de geschied- en kronijkschrijvers, zoo als ook in de onze, +vinden wij de volks-overlevering, welke ook in den Frieschen geest +geheel gestemd is, van de overkomst der drie gebroeders Saxo, Bruno en +Friso [124] vermeld, en wel van verschillenden vorm en inhoud. Vooral +wat betreft de afkomst van den stamvader Friso, daarover is een groot +verschil. De een maakt hem tot een Jood, de ander tot een Macedonier, +velen tot een Indiaan. Sommige oude schrijvers hebben de waarheid van +deze overlevering niet alleen niet in twijfel getrokken, maar die +tegen anders denkenden met hand en tand verdedigd. B. Furmerius en +vooral Suffridus Petri hebben zelfs, (de laatste in zijne Apologie) +Ubbo Emmius en anderen, die dit verhaal voor eene fabel verklaarden, +voor dwarsdrijvers, slechte recensenten en vijanden des vaderlands +verklaard. Andere Friesche schrijvers, even als Emmius, verwerpen het +ook geheel, maar de meesten zijn ook getrouwe navolgers, ja zelfs +naschrijvers en napraters van Emmius, die als de God der Historie +werd aangebeden. Het valt niet te ontkennen, dat zijn geschiedboek +groote waarde heeft, doch ook onvoorwaardelijk in zijne twijfelzucht +te berusten is niet het veilig midden kiezen. + +Uit hoofde men deze sage overal vindt, zullen wij dezelve in zijn +verband niet herhalen, evenmin als de geschiedenis der zeven zonen +van den Frieschen Aartsvader Friso, die de volkplanters in Jutland, +Hessen en Schotland zijn geweest. Men vindt een beknopt verhaal +hiervan in het Nabericht op Vriesland van van Rhyn [125], dat altijd +waardig is gelezen en herlezen te worden. Daarin wordt ook vermeld +hoe de West-Friezen, Keulenaars, Frisiabonen of Nieuwe Friezen, +Zwitsers en Graubunders, Franken, Strand-Friezen en Eiderstedders, +uit de oude Friezen zouden herkomstig zijn; terwijl zij ook in +Oud-Engeland of Brittannien, Ethiopien en Chili in Amerika, zich +zouden hebben voortgeplant. Van de vermelding ten tweede male der +Helvetiers of Zwitsers uit de Friezen gesproten [126], ten tijde van +den Potestaat Magnus Forteman is eene geheel verschillende lezing +in de Corte Chronyck van Sybe Jarichs [127], welke zegt, dat de +Friezen die onder Forteman tegen de Romeinen waren opgetrokken, op +den terugtogt ten deele in Lombardijen en Italien metter woon waren +gebleven, door een hoop volks meestal gedood werden, zoodat er maar +weinigen ontkwamen. Dezen nu zwierven op bergen en in dalen rond, +tot dat zij in Zwitserland gekomen, aldaar zich huizen hebben gebouwd +en een gedeelte lands bevolkt. + +Menso Alting beweert, dat de Friezen van een en dezelfde afkomst zijn +als al de Overrijnsche volkeren. Het voorgeven, dat zij uit Phrygien, +of de Indien herwaarts zijn gekomen, acht hij voor zottengeklap en eene +lange reeks van leugens [128]. Hoezeer eene geheele vergelijking van al +het geschrevene over dit onderwerp, met een naauwkeurig oordeelkundig +onderzoek gepaard, een moeijelijke arbeid ware, en hoe bezwaarlijk +men ook welligt meerder licht in dezen ontvangen zou, was echter de +beproeving daarvan, en eene wijsgeerige beschouwing van alle nog +voorhanden zijnde werken en geschriften der moeite overwaardig en +een zeer verdienstelijk werk. Er is nog zoo veel aanwezig, geschikt +tot bruikbare bouwstoffen, hoezeer dan ook de vernielingswoede vele +belangrijke Charters voor altoos hebbe vernietigd, ja zelfs vele +gedenkstukken der oudheid door zorgelooze onnoozelheid het droevig lot +hebben moeten ondergaan van over de zeepalen te worden geworpen, en +welligt hun graf hebben gevonden in de diepte dier golven, welke over +de verzonken grondvesten der aloude Friesche Koningsstad henenrollen, +even als of men ook de laatste getuigen des voorvaderlijken roems in +hetzelfde graf voor eeuwig wilde begraven. Wenschelijk ware eene meer +algemeene belangstelling in het lot der Historie en in den goeden wil +dier Schrijvers, welke zonder zelfverheffing of eerbejag slechts hun +vaderland en de wetenschappen willen dienen, wier doel en handeling +niet door gloeijende eerzucht of geldgewin worden bestuurd. + +Wij willen hiermede over alles wat den oorsprong der Friezen betreft +afstappen [129]. + + + +Het ligt geheel buiten ons bestek, alles te verzamelen en te vermelden +wat door de geschiedschrijvers al niet geboekt, geoordeeld en gegist +is over het hoogst onzekere tijdvak van de eerste bewoners dezer +Friesche landen, tot op de geboorte van Christus Dit behoort tot +eene volledige Geschiedenis der Friezen; dan met eenige meerdere +zekerheid kunnen worden vermeld, de gebeurtenissen van de komst van +den Veldheer Drusus in Friesland af tot aan de heerschappij van +Karel den Groote. Wij willen derhalve overnemen, hetgeen de heer +van Halmael in zijn zeer belangrijk Overzigt over dit tijdvak heeft +geschreven [130], in hetwelk men natuurlijk wel overeenkomst met de +kronijken, maar tevens ook vele afwijkingen van sommiger stellingen +zal ontdekken. Er heerscht echter over deze tijden ook nog eene vale +schemering, zoo geene duisternis; want de eerste Friesche Koning, wiens +naam en handelingen met genoegzame zekerheid kunnen worden vermeld, +heeft geregeerd in de zevende eeuw en heeft den troon beklommen omtrent +590 of 630. Adgillus de Eerste was die Vorst: wie echter zijn vader +was, daarover hebben de geleerden het niet eens kunnen worden. + +Nu volgt het Overzigt: + + +§ 2. + +»Elf jaren voor Christus geboorte, vertoonde zich de veldheer +der werelddwingende Romeinen, Claudius Drusus Nero in het land der +Batavieren. Men zegt, ten einde de Germanen of Duitschers te straffen, +die in de landen, aan hunne grenzen liggende, en onder het oppergebied +der Romeinen staande, geplunderd hadden. Hij begaf zich langs den Rijn +in den Oceaan, ten einde de monden Van de Eems en Wezer te bezoeken, +tusschen welke de Cauchen of Chauken toen woonden. Aan hunne grenzen +raakte hij in groot gevaar, doch de Friezen, met welke hij bevorens +in een vriendschappelijk verbond was getreden, redden hem." + +»Een jaar later deed hij eene gracht graven, waardoor hij van den Rijn, +door den Ouden IJssel in het meer Flevo komen konde. Van daar konde hij +door de Middelzee en verder over de Wadden, in de Eems geraken. De +Friezen verbonden zich, waarschijnlijk omdat hij hun beloofde, +dat de Romeinen hen bijstaan zouden tegen hunne, immer onrustige, +Germaansche naburen, tot het jaarlijks leveren van een bepaald aantal +ossenhuiden. Ook schijnt hij ter hunner bescherming een kasteel, aan +de Noordzee te hebben aangelegd. Dat kasteel almede Flevo of Flevum +genoemd, plaatsen de oudheidkundigen op het tegenwoordig eiland Grind, +thans eene schulpplaat, niet verre van Terschelling. Daaruit kon de +Romeinsche bezetting spoedig de Eems bereiken [131]." + + +§ 3. + +Jaren na Chr. 29. 48. + +»Met de goede trouw, die van oudsher de Friezen kenschetste +(gelijk de Germanen over het algemeen), voldeden zij eenige jaren +aan hunne verbindtenis, en wel tot aan of in het jaar 29 na Christus +geboorte. Den Romeinschen veldheer Germanicus schijnen zij bijgestaan, +en zelfs zijn leger eenmaal eene groote dienst bewezen te hebben, +met hem zekere plant, door de Romeinen Brittenkruid genaamd, +ter heeling van de scheurbuik aan te wijzen [132]. In gemeld jaar +eischte zekere Olennius, een Romein, die met eenig bevelhebberschap, +misschien wel met dat van het kasteel Flevum, en met het invorderen +der zoogenaamde schatting belast was, eene soort van huiden, welke +zij, evenmin als de waarde van dien, leveren konden. Zij lieten +zich eerst daarvoor hunne ossen, toen hunne landerijen, eindelijk +hunne vrouwen en kinderen tot slaven afnemen, hopende dat men hunne +bereidwilligheid ziende, hun geregtigheid zou doen wedervaren. Maar, +het zij de klagten der armen het oor des Keizers niet bereiken konden, +het zij de Keizer zijne prefecten toeliet in het klein te plunderen, +gelijk hij-zelf in het groot deed, zij vonden geen gehoor, en begonnen +den regvaardigsten krijg. Zij grepen en doodden de hen kwellende +knechten, en belegerden Olennius in de Romeinsche sterkte. Wel moesten +zij het beleg opbreken, omdat er een aantal Romeinsche benden ter +ontzet naderde, alles onderwegen plunderende en verwoestende; doch, +ofschoon de Romeinen, volgens het zeggen hunner geschiedschrijvers, +hen, evenwel niet zonder aanvankelijke nederlagen en groot verlies, +overwonnen, zij schijnen hunne vrouwen en kinderen, en hunne landerijen +toch terug bekomen te hebben, en waarschijnlijk zijn zij zelfs wel +van Romeinen en schatting ontslagen geworden, of ontheven gebleven." + +»Althans men vindt niet weder van Romeinen hier te lande gewag gemaakt, +dan omtrent twintig jaren later. Toen, heet het, hebben de Friezen zich +aan den veldheer Corbulo onderworpen. Hij leidde weder krijgsbezetting +in Friesland, en stichtte er eene sterkte, zoo sommigen meenen ter +plaatse, waar nu Groningen ligt. Doch hij moest die bezetting welhaast +terugtrekken, op bevel van zijnen toenmaligen Keizer, Claudius, die +den Rijn tot grens des Rijks bepaalde:--van eenige schatting wordt +te dier gelegenheid niet gesproken." + + +§ 4. + +J. na Chr. 59. + +»'t Schijnt evenwel dat de Friezen, wier naam, sedert het gebeurde +met Olennius, reeds onder de Germanen doorluchtig was geworden, +bondgenooten der Romeinen gebleven zijn.--Toen toch, eenige jaren +later, een deel der Friezen, onder aanvoering van Verritus en Malorix +[133], die men daarom niet voor Friesche Koningen behoeft te houden, +zich op eene ledige plek gronds, denkelijk aan den linker Rijn-oever +nedersloegen; toen daarop de Romeinsche gezaghebber in dien oord +hun aanzeide, dat zij die weder verlaten moesten, ten zij de Keizer +hun toestond, haar in te nemen, begaven Verritus en Malorix zich, om +'s Vorsten toestemming te verkrijgen, naar Rome. Daar bragt men hen +in den schouwburg; zij zagen er de gezanten der volkeren, die gezegd +worden in trouw en liefde voor Rome uit te munten, op de banken der +Romeinsche Raadsheeren zitten, dat een eerbewijs heette. Daarop begaven +zij zich derwaarts, en zetten er zich insgelijks neder, zeggende: +dat geene stervelingen de Germanen in wapenen of trouw overtroffen. De +Friesche rondheid behaagde zelfs den wellevenden Romeinen." + + +§ 5. + +J. na Chr. 240, 350, 418. + +»Het komt ons voor, dat de Friezen, bij vervolg van tijd, nu eens +de zijde der Romeinen zullen gehouden hebben, in de oorlogen, +welke dezen bij voortduring tegen de Germaansche volkeren voeren +moesten; dan weder, zich met de laatstgemelden tegen de Romeinen +zullen vereenigd hebben. Van het laatste vinden wij een bewijs in +den bekenden oorlog, door de Batavieren, onder Claudius Civilis, +tegen hunne onderdrukkers ondernomen. Ook kan het zijn, dat zij +somtijds inderdaad aan hen onderworpen geweest zijn; doch zij raakten +eindelijk buiten alle betrekking tot dezelven. Gedeeltelijk voorzeker +reeds, toen onderscheidene Germaansche volkeren, onder den naam van +Franken, omtrent het jaar 240, vereenigd, zich ruim honderd jaren +later, vestigden in Taxandrie, waardoor men het voormalig eiland +der Batavieren met de zuidelijk daaraan grenzende landen, en een +gedeelte van Braband, misschien ook Zeeland moet verstaan.--Voor zoo +verre zij zelven, of althans een gedeelte hunner, tot dat verbond +behoord mogten hebben, en onder de Saliers mogen gerekend zijn, +zijn zij nogtans zekerlijk vrij en onafhankelijk gebleven, en dien +Franken niet onderworpen.--Geheel echter, toen die zelfde Franken, +nog ongeveer honderd jaren later, een koningrijk in Gallië, het +tegenwoordige Frankrijk, stichteden, hetgeen Rome erkende. Rome, dat +Rijk, hetwelk intusschen door zijnen opperheer, Theodosius den Groote, +in twee Keizerrijken, het Oostersch, hoofdstad Constantinopolen, en +het Westersch, hoofdstad Rome, was gesplitst geworden, en onder zijn +eigen gewigt bezweek, gelijk alle Staten zullen doen, die, als Rome, +naar de opperheerschappij der wereld trachten;--o troostrijke leer +der Geschiedenis!" + + +§ 6. + +J. na Chr. 62, 68, 90, 183, 186. + +»Als men het gezag onzer kronijken niet geheel wil verwerpen,--en het +zoude zoo ondienstig voor de beoefening der geschiedenis als onbillijk +jegens onze voorvaderen gehandeld zijn, indien wij het deden,--leden +de Friezen intusschen menigen aanstoot van de Noordelijker en +Noord-oostelijker volkeren, onder onderscheidene namen, maar vooral +onder dien van Deenen in gemelde schriften voorkomende. + +Reeds op het jaar 62, wordt van zulk eenen inval der Deenen in +Friesland gesproken, en jaarlijks schijnen zij, tot in 68, hunne +pogingen te hebben herhaald, meer om te plonderen, dan om zich hier +te vestigen. Op het jaar 90 vindt men van eenen inval der Noormannen +gewaagd. Omtrent 183 van eenen dergelijken der Gothen en Wenden. Op 186 +van eenen der Wilten, welke bij die gelegenheid de eerste grondslagen +van Wiltenburg, naderhand de stad Utrecht, zouden gelegd hebben [134]. + +Zijn er inderdaad zulke invallen, bloot met oogmerk te plunderen, +geschied, dan mag men daaruit afnemen, dat deze landen minder arm dan +voorheen waren. De netten van eenige visschers, en het weinige vee +van eenige arme landbouwers, kunnen toch de roofzucht van tamelijk +afgelegene volkeren niet, bij herhaling, hebben aangelokt; en wanneer +het waar is, dat men hier, op zijne beurt zich bereidde tot eenen +zeetogt naar de landen dier lastige plonderaars (welken togt, uit +hoofde van een getroffen bestand, achterwege bleef), schijnt zulks +eene regering aan te kondigen, die niet geheel van magt en veêrkracht +ontbloot was. Doch wij zullen hier niet verder in treden, omdat onze +bronnen niet zekerder en naauwkeuriger zijn [135]." + + +§ 7. + +Jaren na Chr. 280, 449. + +»Inmiddels hadden ook de Saksen zich van een gedeelte van +ons tegenwoordig Nederland meester gemaakt.--Dit volk, welks +oorspronkelijke woonplaats men denkelijk in het tegenwoordige Sleeswijk +en Holstein, over de Elve, langs de Noordzee, en op de eilanden aan de +kust dier zee moet zoeken, schoon het sedert lang zich westwaarts had +uitgebreid, kwam, waarschijnlijk over zee, eerst in Taxandrie (verg. § +5), en trad in verbond met de Franken, die hen de bezette landstreek +behouden lieten. Toen de Franken zich zuidelijker op begaven, hebben +de Saksen meerderen hunner landgenooten tot zich gelokt, en zich +meer en meer van de Franken afscheidende, en een gedeelte hunner +vorige woonplaatsen bezettende, eenen Staat op zich zelven gaan +uitmaken. Franken, Saksen en Friezen, waarin de kleindere natien, +die voorheen ook dezen grond bewoonden, versmolten waren, wat met +name van het overschot der voormalige Batavieren mag gezegd worden, +die zich met de Friezen vereenigd hebben;--Franken, Saksen en Friezen +bezetteden alzoo het grootste deel van het tegenwoordige Frankrijk +en onze Nederlanden, en naarmate de Saksen hunne vorige woonplaatsen +verlieten, hebben de Friezen zich daarin uitgebreid." + +»Toen de Franken nog aan de Friezen grensden, werd er een gedeelte der +eerstgemelden, bij zekere gelegenheid, door den Romeinschen Keizer +Probus naar de kust van Pontus overgebragt. Deze Franken, gedreven +door liefde tot den voormaligen grond, verlangden daarna terug te +keeren. Zij maakten zich meester van eenige Romeinsche schepen, zeilen +daarmede door den Bosphoros en den Hellespont tot in de Middellandsche +zee, plunderen de kusten van Asia, Griekenland, de rijke stad Syrakuse +op het eiland Sicilië; zeilen vervolgens door de straat van Gibraltar, +en zoo komen deze stoutmoedige roovers, langs de kusten van Spanje +en Frankrijk, door het kanaal, aan het strand der Batavieren of +aan dat der Friezen. Dit einde van hunnen togt, welke eene reis om +de wereld mag heeten, maakt het waarschijnlijk dat er ook Friezen +onder deze zeevaarders geweest zijn, en dat de eer dier onderneming, +aan welke men zijne bewondering niet kan weigeren, ook gedeeltelijk +aan onze voorouderen toekomt. Van oudsher was verkleefdheid aan den +vaderlandschen grond een hoofdtrek van het Friesche karakter." + +»Nadat de Saksen de onmiddellijke naburen der Friezen geworden +waren, hebben zij met dezen in verbond geleefd. Ook mag men het +daarvoor houden, dat de lotgevallen der Saksen, bij de Schrijvers +der middeleeuwen vermeld, grootendeels mede die der Friezen geweest +zijn [136], die dan eerst weder met hunnen eigenen naam ten tooneele +verschijnen, nadat de Saksen oostwaarts wijken voor de Franken, die +zich op nieuw tot aan Friesland uitbreiden, en eindelijk ook daar +meester worden." + +»Zoo is het b. v. bij de naauwkeurigste en oordeelkundigste +Geschiedschrijvers zeker, dat er Friezen geweest zijn onder de Saksers +en de met hen vereenigde Anglen (een ander noord-oostelijk volk), +die zich, onder aanvoering van Hengst en Hors, zoo men ze noemt, +in 449 of 50 naar Brittanje, het tegenwoordige Engeland, begaven. En +hoewel het nagenoeg zeker is, dat de aanvoerders zelve Saksen waren, +komt het ons voor, dat zelfs het grootste gedeelte dier vreemdelingen +uit Friezen heeft bestaan." + +»Zij waren tot die overkomst uitgenoodigd geworden door de Britten +zelven, die hunne noordelijke grens-naburen, de Schotten en Pikten, +niet wederstaan konden. Van hen en van de dochter van Hengst, de +schoone Ronixa of Rovena, maken zoowel de Britsche kronijken als de +onze gewag." + +»Hier voor pleit ook de overeenkomst van de Engelsche met de echt +Friesche taal, beide dochters der Saksische, naderhand Anglo-Saksische +genaamd, d. i. dier taal, welke de in Brittanje overgekomene Saksen, +Anglen en Friezen spraken. De Britten tot hun ongeluk te laat beseft +hebbende, dat zij nimmer ter beslissing der twisten op hun eiland, +vreemden hadden moeten inhalen, moesten later die vreemden tot hunne +heeren aannemen, of hun vaderland ontwijken. Velen begaven zich naar +een gedeelte van Frankrijk, naderhand naar hen Bretagne genaamd; de +overigen versmolten in de Anglo-Saksen. De tegenwoordige Engelschen +en de Friezen mag men met regt broeders kinderen heeten. Ware deze +les voor de Friezen slechts niet evenzeer verloren gegaan als voor +zoo vele latere volkeren!" + + +§ 8. + +J. na C. 468, 496, 555, 562, 605, 628, 631. + +»Doch toen de Saksen en Franken elkander wederkeerig te magtig +werden, ontstond er groote vijandschap tusschen deze beide strijdbare +volkeren. Toen de Koning der Franken, Childerik, met zijnen mededinger +Egidius (Gilles) om de kroon twistte, kozen de Saksen de zijde van den +laatstgemelde, die hen om bijstand aanzocht. Staatkundig was het, het +verzoek van den zwakste in te willigen, ter vernedering en verzwakking +van den magtigste.--Maar de Saksers streden zoo ongelukkig, dat zij +genoodzaakt waren, zich aan Childerik te onderwerpen, zelfs hem bij te +staan in zijne oorlogen tegen andere Duitsche volkeren. Daarna weder +in oorlog geraakt met Childerik's zoon, Klovis, schoten zij ook tegen +dezen te kort. Klovis verdeelde, bij zijnen dood, zijn rijk onder +zijne zonen, en dat gedeelte, hetwelk vervolgens onder Oost-Frankrijk +of Austrasie heeft behoord, grensde aan de Saksen.--Eerst het aandeel +van Theodorik I zijnde, geraakte het later in handen van Klovis' +jongsten zoon, Chlotarius I. Deze met de Saksen in oorlog geraakt, +bragt hun verscheidene nederlagen toe. De strijd werd telkens hervat, +en eindigde met de oplegging eener schatting aan den vijand, die van +den Franken 500 koeijen jaarlijks te leveren." + +»Evenmin gelukkig waren zij tegen Sigebert I, zoon van Chlotarius I, +en Koning van Austrasie, die hen sloeg aan het Boerdiep, d. i. de +Middelzee, dus in het hart van ons tegenwoordig Friesland,--tegen +Theodebert II en Theodorik II, kleinzonen van voormelden Sigebert I, +Koningen van Austrasie en Bourgonje,--tegen Chlotarius II, Koning van +geheel Frankrijk, en tegen Dagobert I, diens zoon. Deze laatste schold +hun de schatting kwijt, hun door Chlotarius I opgelegd, mits zij de +Slavoniers, een Noordsch volk, dat hem te magtig was, beteugelden, +'t geen hun echter niet gelukte." + + +§ 9. + +Jaren na Chr. 513, 677. + +»Inmiddels hadden de Noordsche volkeren niet stil gezeten. Nogtans +vielen zij met meer zoo bij voortduring op de Friezen aan als te +voren. 't Schijnt zelfs dat dezen, of om in den stijl van dien tijd te +spreken, de Saksen, hen hebben bijgestaan tot het doen van eenen inval +op het grondgebied van den reeds vermelden Theodorik I. Toen Dagobert +hun de schatting kwijtschold, was Adgillus I Koning der Friezen. Hem +kunnen wij prijzen als een regtvaardig en edel Vorst. Hij vergunde +het prediken van het alleen zaligmakend Evangelie in deze landen. De +heilige Wilfrid, Bisschop van Jork in Brittanje, kwam van daar +herwaarts. Zijne vijanden aan het Engelsche hof, waartoe de Koning zelf +schijnt behoord te hebben, wanende dat hij naar Frankrijk was gegaan, +wisten den ondeugenden Ebroïn, toen Groot-Hofmeester bij den Koning +van Frankrijk, in hun belang te trekken. Deze schreef aan Adgillus, +en beloofde hem eene aanzienlijke som gelds, bijaldien hij hem den +Bisschop, levendig of dood, wilde overleveren. Adgillus was geen +Christen, maar de oude deugd der Duitschers (der Friezen vooral, zeggen +wij) woonde in zijn hart. Hij deed een' brief, in tegenwoordigheid +van Wilfrid en zijne medgezellen, en in dien van Ebroïns gezanten, +luide voorlezen; vervolgens nam hij dien, verscheurde hem, en leverde +het overschot der vlam over, de Frankische afgezondenen den smaad en +der schaamte ter prooi latende." + +»Volgens onze kronijken, deed ook Adgillus zekere hoogten of terpen +opwerpen, opdat zich de landzaten daarop bergen mogten tegen de +overstroomingen, welke van oudsher deze landen met wee en jammer +overstelpten [137]." + + +§ 10. + +J. na Chr. 679, 685, 687, 711, 719. + +»De opvolger van Adgillus, Radboud I, (of hij zijn zoon was, +wordt door sommigen, niet zonder grond, betwijfeld) regeerde niet +gelukkig.--Volgens de Kronijken, werd hij zelfs door de Denen +gevangen genomen en naar Denemarken gevoerd; naderhand echter weder +vrij gegeven. Het Frankische Rijk was een tijdlang ter prooi aan +binnenlandsche oneenigheden. Van deze schijnt Radboud zich aanvankelijk +bediend te hebben, ten einde zijn Rijk tot aan den mond der Schelde +uit te breiden. Dit echter wikkelde hem in eenen krijg met de Franken, +die voorlang de Saksen verdreven hadden uit de landstreken, welke +Radboud nu aan zich trok, en er meesters geworden waren." + +»De Koningen der Franken waren thans slechts Koningen in naam, +en de klem van het bewind was in handen (sedert 687) van den +Groot-Hofmeester Pepijn van Herstal, die zich Hertog en Prins der +Franken noemde. Pepijn schijnt Radboud een aanzienlijk gedeelte van +zijn Rijk ontweldigd te hebben, onder anderen Wiltenburg (Utrecht), 't +welk Pepijn vervolgens ten verblijve gaf aan Willebrord, door den Paus +tot Bisschop der Friezen verheven. Pepijn was een ijverig Christen, +en wist het Christendom wonder wel dienstbaar te maken aan zijne staat- +en heerschzuchtige oogmerken. Radboud haatte Pepijn en het Christendom, +hetwelk hem aan Pepijn onderwerpen moest. Daarom verwoestte hij bij +de eerste gelegenheid de beste den nieuwen Bisschopszetel, doch moest +weder voor Pepijn zwichten." + +»Op nieuw werd de prediking in Friesland hervat. Zelfs nam Radboud's +dochter, Theodesinde of Teutsinda, het Christendom aan, en werd de +echtgenoote van Grimoald, zoon van Pepijn. Dit bewijst duidelijk, +dat de zoo magtige Franken evenwel geene kans zagen, zich de Friezen +te onderwerpen, en dat Pepijn uit dien hoofde, zich door zoodanig eene +verbintenis, ten minste tegen hunne vijandschap, poogde te verzetten." + +»Deze Grimoald werd daarna vermoord door zekeren Rangarius, welke +gezegd wordt tot de lijfwachten van Koning Radboud behoord te +hebben. Daarom wijten sommigen hem, anderen zijner dochter, dien +moord. Doch dit is ver van bewezen, en wij zien inderdaad niet, +dat Radboud enig belang bij den ondergang van Grimoald zoude gehad +hebben, eene reden te minder, om aan die beschuldiging geloof te +slaan.--Wel zegt een onzer Geschiedschrijvers, dat Radboud, die +zich immer nog niet ontzag de Christenen te vervolgen, niet beducht +voor de wraak van Pepijn, wiens jaren hoog geklommen waren, vreezen +moest, dat Grimoald den hoon, zijnen vader aangedaan, zou wreken, +en hem daarom uit den weg moest ruimen; doch wat zou hem dit gebaat +hebben, daar Pepijn nog twee andere volwassen zonen had, door geene +echtverbindtenis aan Radboud verbonden, en van welke hem dus zoodanig +eene wraak nog veel meer stond te vreezen?" + +»Om een bewijs te geven, hoe verschillend de latere Geschiedschrijvers +de gebeurtenissen van dien tijd opvatten, en hoe moeijelijk het +daarom is, een overzigt van denzelven daar te stellen, willen wij, +hetgeen op dien moord volgde, op tweederlei wijze verhalen." + +»Pepijn, zegt een der beroemdste hedendaagsche Duitse +Geschiedschrijvers [138], bepaalde hierop, dat Theudoald, Grimoald's +onechte zoon, Hofmeester in Austrasie zou worden, welke waardigheid +alleen Pepijn eigenlijk had bekleed, hoewel hij ook grooten invloed +op de zaaken van West-Frankrijk (Neustrië of Neustrasie) had. Daarop +deed Plectrude, grootmoeder van Theudoald, de zonen van Pepijn bij +zekere Alpheid (of Alphaïda), Karel (Martel) en Hildebrand gevangen +nemen, opdat zij aan Theudoald de waardigheid van Groot-Hofmeester +niet betwisten zouden. Dit kon niet geschieden zonder voorkennis +van Pepijn.--Pepijn stierf. De West-Franken verkozen toen zekeren +Raginfrid tot hunnen Groot-Hofmeester. Daartegen verzetteden zich de +Oost-Franken, met Theudoald aan 't hoofd. Er viel een veldslag voor, +dien de Neustrasiers wonnen. Theudoald nam de vlugt, en kwam kort +daarna om. Hierop ontkwam Karel Martel zijner gevangenis, en wilde +zich met het Groot-Hofmeesterschap van Austrasie te vreden houden. Ook +dit wilden de Neustrasiers hem niet laten. Nu streed hij dan om het +geheel, en het gelukte hem, Groot-Hofmeester over de beide Rijken, +ook Hertog en Prins te worden. Theudoald was voor het overige ouder +dan Karel, die omstreeks 690 geboren was." + +»Pepijn, zegt een der nieuwere en wijsgeerigste Fransche +Geschiedschrijvers [139], was Groot-Hofmeester over geheel Frankrijk; +eene van zijne grootste zorgen was, alle onderscheiding tusschen +Austrasie en Neustrië te doen verdwijnen; maar hij was genoodzaakt, +die onderscheiding weder op nieuw te maken, ter gunste van zijne +zonen. Toen Grimoald stierf, liet hij eenen zoon na, Theudoald, oud +ongeveer zes jaren. Dezen schonk Pepijn toen het Groot-Hofmeesterschap +van Neustrië. Toen stierf hij. Na zijnen dood deed Plectrude Karel +Martel gevangen nemen,--van Childebrand (Hildebrand) wordt niet +gesproken; dit had Pepijn voorzeker niet gelast. Daardoor veroorzaakte +zij dat Karel, die anders aan Theudoald het Groot-Hofmeesterschap +van Neustrië wel zou gelaten hebben, als zich met dat van Austrasie +kunnende vergenoegen, nu uit wraak, om den hem aangedanen hoon, hem dat +moest betwisten.--De grooten van Neustrië, niet door een kind willende +geregeerd worden, kozen Raganfrid. Deze wilde Groot-Hofmeester van +het geheele Rijk worden. Het overige komt met het verhaal van den +Duitscher nagenoeg overeen. Alleen wordt, bij den Franschman, Ramfroy +(Raganfrid) eerst na de nederlage van degenen, die het voor Theudoald +opnamen, tot Groot-Hofmeester verkoren." + +»Zooveel is intusschen zeker, dat Raganfrid, die alleen wilde +heerschen, en eindigde met alles, op één Graafschap na, te verliezen, +naderhand echter zoo verstandig was, zich met hetzelve tevrede te +houden, hetwelk andere overweldigers, die in het eerste zijn voorbeeld +gevolgd hebben, niet deden; dat deze Raganfrid hulp zocht bij Radboud, +dien de Fransche Schrijvers slechts Hertog der Friezen noemen;--hij +mogt geen hooger rang dan Pepijn en Karel hebben. Dit moet den +doodvijand der Austrasiers welkom geweest zijn.--Hij trok te veld, +en overwon Karel, die hem afzonderlijk aanviel. Hij schijnt zich +vervolgens met de Neustrasiers vereenigd te hebben tot het beleg +van Keulen, in welke stad Plectrude zich onthield, die, nadat de +Neustrasiers hadden moeten aftrekken, omdat Karel hen in den rug +dreigde, hem tot den aftogt, door eene aanzienlijke som gelds, +overhaalde." + +»Hiermede was echter de krijg tusschen Karel en Radboud nog niet +geëindigd. Nadat Frankrijk-zelf was bevredigd geworden, schijnt +Radboud, die misschien zijne aanvallen op dat gedeelte van zijn gebied, +hetwelk hem door Pepijn was afgenomen, hernieuwd heeft, nog eene +nederlage aan de Middelzee te hebben geleden, en dien ten gevolge +op nieuw de prediking van het Christendom door geheel Friesland te +hebben moeten toestaan. Daarna verklaarde hij zich zelfs bereid den +H. Doop te ontvangen. Toen echter Wulfram, laatstelijk Bisschop +van Sens, gereed stond, hem dien toe te dienen, en hij bereids +met den éénen voet in de doopvonte stond, vroeg hij den Bisschop, +of hij zijne voorvaderen en de verstorvene Friesche Edelen ook in +den hemel hervinden zoude? Wulfram's onbedacht antwoord: dat die in +de hel waren, als ongedoopten, deed hem, onder het zeggen, dat hij +liever met zijne voorvaderen en vrienden in de hel, dan met aan hem +onbekende Christenen in den hemel zijn wilde, den voet terugtrekken." + +»Volgens anderen zou dit al onder Pepijn zijn voorgevallen. Sommigen +verklaren de geheele gebeurtenis, welke den inborst van Radboud +nogtans volkomen kenschetst, voor eene fabel." + +»Kort daarop kwam Radboud te sterven." + + +§ 11. + +J. na Chr. 734, 738, 744, 746, 754 of 755. + +»Wie hem opvolgde, is niet geheel zeker; sommigen zeggen, zijn +zoon Adgillus II, anderen, zekeren Poppo. Misschien is het +Radboud I mogelijk geweest, zijn gebied, op het voorbeeld der +Frankische Koningen, onder zijne kinderen te deelen, en dan zal hij +Oost-Friesland, het land der groote Friezen, aan zijn oudsten zoon, +Adgillus II, en wat hem van het overige gebleven was (Noord-Holland), +aan diens broeder Poppo gegeven hebben." + +»Poppo oorloogde met Karel Martel. De twistappel, hetgeen den Frieschen +Koningen van het voormalig land der kleine Friezen ontnomen was, +was voorhanden. Poppo is waarschijnlijk in dien strijd gesneuveld, +zonder dat de Friezen meer gronds verloren; zijn broeder erfde zijn +Rijk, en verdeelde bij zijnen dood hetzelve weder onder zijne zonen, +Gondebald en Radboud II." + +»De laatste bekwam West- de eerstgemelde Oost-Friesland." + +»Gondebald was een vreedzaam Vorst; maar Radboud II had den aard en +de denkenswijze van zijnen voorzaat van gelijken naam, en bovenal +diens afkeer van het Christendom overgeërfd. Met de Saksen verbonden, +beoorloogde hij Karoloman en Pepijn den Korte, zonen en opvolgers van +Karel Martel, maar zonder vrucht. Daarentegen stond hij zijn' broeder, +Pepijn, bij tegen de Saksen. Het schijnt op aandrijving van Radboud +geweest te zijn, dat de vrome Bonifacius, Aartsbisschop van Maintz, +het Christendom verkondigende, in het gebied van Gondebald, omtrent +het toenmalige vlek Dokkum, door de ongeloovige Friezen vermoord is +geworden. Althans Pepijn, toen reeds Koning der Franken, heeft dien +moord op hem gewroken, of dien, tot voorwendsel om hem op nieuw te +beoorlogen, genomen. Radboud moest de vlugt naar Denemarken nemen, +en misschien heeft hij zich toen eenigen tijd op het eiland Helgoland +opgehouden, en aldaar de afgodendienst in al haren vorigen luister +hersteld. Ook zou het kunnen zijn, dat Gondebald eerst toen, na het +vertrek van Radboud, de kroon verkregen heeft, en dat de laatstgemelde +tot dien tijd toe alleen in Friesland geheerscht had. In dit geval +zouden wij onderstellen mogen, dat Radboud de oudste zoon van Adgillus +II geweest is." + + + +Tot dusverre het Overzigt van den heer v. Halmael, uit al +de Geschiedschrijvers bijeengebragt en met zijn eigen oordeel +verrijkt. Het verschil in de jaren, waarin de gebeurtenissen worden +vermeld, is bij vele Schrijvers zeer opmerkelijk; dan een opzettelijk +onderzoek hierover, zou voor ons doel van weinig nut zijn.--Wij zullen +liever de korte geschiedenis van Radboud tot aan zijnen dood vervolgen. + +In den jare 768 stierf Pepijn, nalatende drie zonen, Karloman, Karel +en Gilles; welke beide eersten, daar de laatste tot den geestelijken +stand was opgebragt, het rijk verdeelden. Karloman viel Oost-Frankrijk +en Karel Friesland ten deel. Karel, door zijne regtschapenheid, +vele deugden en groote kundigheden, verwierf zich te regt den naam +van den Grooten [140]; maar zijne onrustige broeder, wien twist en +tweedragt liever was dan rust en vrede, vervolgde hem steeds als een +vijand. Dan slechts drie jaren werd hem daartoe gegeven, want toen +stelde de dood paal en perk aan deze kwelling. Karel werd nu ook als +Koning van Oost-Frankrijk erkend. + +Radboud, de bittere vijand zoowel der Christenen als der Franken, +was in Friesland teruggekeerd, algemeen weder tot Koning erkend, +en begon zijnen woesten aard en wreede vervolging weder vrijen +teugel te vieren. Hij vereenigde zich met der Saksen Koning of +Hertog Witekind, ten einde Karels magt te fnuiken en op den troon +te blijven. Meer dan eens moest hij echter het onderspit delven, +tot hij eindelijk gedrongen werd weder naar de Denen de wijk te +nemen. Een paar jaren daarna, (gelijk sommige Schrijvers beweren) +tijdens den togt van Karel naar Spanje, waarin alwat Frankenland +groot en edels opleverde, tot volkomen nederlaag en vernieling werd +gebragt, kwam de nog woelzieke Radboud in Friesland, en hernam het +bewind, doch slechts voor twee jaren lang.--Karel's legertroepen +joegen den woesten Fries weder naar Denemarken, zijn toevlugtsoord, +alwaar hij in ballingschap zal gestorven zijn. Geene zekere, zelfs +flaauwe narigten van zijn levenseinde, zijne familie of kinderen is +aan de nakomelingschap overgebragt. + +In Oost-Friesland zijn nog overblijfselen uit den ouden tijd aanwezig, +zoo als de Kon-Rebberts- en Rabboltswegen, de Rabboltsbergen en een +deel van de heerbaan in Groningerland, welke Radbodiweg genoemd wordt +[141]. + + +Bl. 6. + +Over het Friesche Wapen meenen wij te mogen aanmerken, dat, wanneer +men het oude Wapen van Friesland, voorkomende bij Winsemius, +Hamconius en anderen, voor het familiewapen der Friesche Koningen +houdt, de geschiedenis hiermede in strijd is, als den oorsprong der +Familienamen en Wapens uit de tijden der Kruistogten, aangevangen in +1096, vermeldende; terwijl de laatste Koning, Radboud II, omtrent +den jare 775 de kroon verloor, en waarschijnlijk kort daarop is +gestorven. Sommigen hebben echter beweerd, dat de oorsprong der Wapens +reeds bij de oude Germanen te zoeken zij; doch hoewel de schilden der +voornaamste krijgshelden onder hen werden beschilderd en versierd, +vindt men geen bewijs voor de regelmatige zamenstelling en afwisseling +van kleuren naar bepaalde regels, of van eenige figuren tot kenteeken +aangenomen. Hebben de Friezen, voor dat zij met de Romeinen bekend +waren, vanen gebruikt, het blijkt nergens uit, dat deze met figuren +zouden zijn voorzien geweest; en van de Romeinen konden zij die niet +overnemen, daar deze wel effen gekleurde en met goud gestikte vanen +bezigden; doch van regelmatige wapen-figuren vindt men niet vermeld +[142]. + +Het oude Friesche Wapen heeft zeer veel overeenkomst met die +wapenschilden, welke sedert de Kruistogten in gebruik kwamen, +en dit versterkt de meening, dat het niet van Friso's tijd af als +Landswapen of als veldteeken is gevoerd.--Hamconius zegt, dat van +Friso af tot Beroald het Wapen bestaan hebbe uit een azuren schild, +waarop drie zilveren balken, op welke zeven roode plompebladeren +(niet pompelbladeren, zegt Dodonaeus) geplaatst waren.--Van Beroald +tot Radboud II werden er een balk met vier bladeren bijgevoegd, +zoodanig als Beroald het veranderde, toen hij, de dochter van Koning +Ridzard gehuwd hebbende, na den dood zijns schoonvaders Oost- en +West-Friesland vereenigde.--Suffr. Petri plaatst de plompebladeren +tusschen de balken en niet op dezelve, strijdig met de regelen der +Wapenkunde, welke niet toelaten, dat men kleuren op kleuren, maar wel +kleuren op metalen plaatst, gelijk men dit bij de Schrijvers over de +Heraldie zal vinden.--Koning Haron zoude vroeger aan de Hertogen van +West-Friesland een Wapen gegeven hebben, met slechts één zilveren balk +en vier roode plompebladeren in het blaauwe schild.--Met de regering +van Karel den Groote kwamen de leeuwen en blokjes in het Landswapen. + + +Bl. 7.--Ao 245. + +De Friesche Pateele en de Friesche Hoorn. Winsemius, Chron. fol. 12, +spreekt niet uitdrukkelijk van de eigenlijke Pateele als door Adel +ingesteld, maar wel van de vriendenmaaltijden en andere bijeenkomsten, +waarop men zich, ook op Duitsche wijze, aan de dronkenschap overgaf: +iets dat aan geen tijdvak zeer vreemd is. Echter werd er spoedig bij de +feesten een ceremonie- of zedemeester aangesteld, wien bij het drinken +vooral het toevoorzigt was gegeven. De kantteekening van Wins. ter +a. p. luidt: »Die Vriesche Hoorn inghestelt met den Schuttel."--Deze +Pateele of schotel zou uit dertien of veertien verschillende geregten +bestaan hebben, en de Hoorn een gewone stierenhoren geweest zijn. Wie +nu de geschiedenis van Adel voor eene fabel houden, beweren, dat de +Friezen het gebruik van uit Horens te drinken van de Denen en Noren +hebben overgenomen.--Dan stellig is het, dat het gebruik in overouden +tijd bestond; als ook, dat men later de Horens niet meer van gemeene +stieren, maar van Ur-ossen genomen heeft, dezelve zeer versierde en +met goud en zilver prachtig liet beslaan.--In de onuitgegeven Kronijk +van Worp van Thabor, Lib. I. cap. 2, wordt hierover uitgewijd. Zie +Hamconius, Frisia, fol 8; Gabbema, Verh. van Leeuw., bl 13; Alkemade, +Displegtigheden, II. 408 volgg. + + +Bl. 7.--Ao 245. + +Adelingen. Ofschoon er reeds in de vroegste tijden, en welligt in +Friesland vroeger dan elders, een stand van mannen bestond, die men +Edelen noemde, is het echter niet aannemelijk, dat zij hunnen naam +van dien van Prins Adel hebben ontvangen. Immers de afleiding van het +woord spreekt het tegen. Het zij voldoende, uit meerderen hier het +aangevoerde van de kundige en schrandere Vertalers en Aanteekenaren +op de Oude Friesche Wetten aan te halen, en als het meest aannemelijk +denkbeeld na te volgen. Aldaar, op bl. 132, lezen wij: »Waar in het +weezen van den Adel, onder de Duitsche volken, bij ouds bestaan +hebbe, kan met geen volkomen zekerheid bepaald worden.--Leibnits +(Excerpt. Mejerian. p. 289) en Gærtner (ad. L. L. Sax. p. 21.) leiden +het woord Edelman af van het over oud woord ot of od predium, +possessio, [een goed, hetzij op het land of in de stad; bezit] +(waar van allod), zoo dat Edelman zooveel zoude zijn als odelman, +predii vel pagi possessor, [groot goed- of landbezitter] en stellen +op dien grond het oorspronglijk weezen van den Adel in de bezitting +van aanzienlijke vaste goederen."--Wachter en anderen stellen het +wezen van den Adel in hooge geboorte; doch altijd blijft de vraag, +hoe de eerste edelman in de wereld gekomen zij. + +Adel dus van od, ode, ade, ede [143], grond, bezitting afkomstig, +zoo is Edele, Edelman oorspronkelijk een grondbezitter. Daar nu deze +Edellieden, als de aanzienlijkste personen, natuurlijke voorregten +genoten, tot hooger ambten en vooral tot hoogere rangen in de +krijgsdienst werden verkozen, hadden zij ook, in de vroegste tijden +namelijk, over hunne minderen het beheer en bestier, zelfs eigene +regtspleging en vrij gebied. In lateren tijd echter werden er algemeene +bepalingen, blijkbaar uit de alleroudste Friesche wetten (Lex Frisionum +sive antiquae Frisiorum leges) gemaakt, waaraan de Edelen zich moesten +houden. De afstammelingen der grondbezitters, rijksten, traden, hoewel +niet regtens, in de voorregten der ouders, met het ontvangen van het +ouderlijk erfdeel (Ethel, in 't Oud-Friesch). De rijken evenwel, die +zich goederen aankochten, werden niet onder den Adelstand opgenomen, +omdat hunne voorouders niet onder de Edelen hadden behoord: zoodat +al zeer vroeg de Adel zijn voorregt aan geboorte toekende.--Destijds +bestonden nog bij den alouden Frieschen Adel geene brieven, wapenen +of teekenen van Adeldom, daar deze eerst in de XI of XII eeuw in +gebruik zijn gekomen. + +Ten tijde van den regerenden Vorst, Hertog Georg van Saxen, (1505) +werd op diens last een register van den Frieschen Adel opgemaakt +[144], in hetwelk de in de Grietenijen aanwezige Edelen, met de wegens +oorlogen of onlusten afwezigen, werden opgeschreven. Hierdoor mogen +wij vooronderstellen, dat van dien tijd af de wezenlijke erkenning +van den Adel heeft plaats gehad, en ook de bepaalde erfopvolging is +begonnen. De Friesche Adel onderscheidde zich alzoo van die van andere +landen, daar de eerste ten gevolge van vrij en onafhankelijk bezit van +goederen tot dien stand was verheven, terwijl de andere ten gevolge van +landgoederen, van zijnen Vorst ontvangen, daartoe geraakte; ook werden +er soms door den Vorst, zonder dit, in den adelstand ingelijfd, dat is, +in diens voorregten gelijk gesteld. Zoo had men dan ook in Friesland +niet de verdeeling in bijzondere rangen, als Graven, Hertogen, Baronnen +en Heeren, [145], maar alleen den rang en titel van Friesch Edelman, +den hoogsten rang en titel, welken men voeren kon en wilde. Echter +verkoos men in den eersten tijd zich Raden, Hoofden en Aanvoerders in +oorlog en vrede, die dan Heerschappen en Hovelingen, en in de steden, +bepaaldelijk Oldermannen genoemd werden. Deze posten bleven ook in +de familiën. + +Onder de regering van Keizer Lotharius II , omstreeks den jare 1125, +bestond er tweederlei Adel,--de Hoogere, die onmiddelijk onder den +Keizer was gesteld, en de Lagere, die onder Hertogen en Graven behoorde +te staan. Dan de Friesche Edellieden wilden geene Hertogen of Graven +van Friesland erkennen, maar alleen onder de oppermagt des Keizers +staan, even als hun land. Leenmannen te wezen was hun een ondragelijk +denkbeeld, even als het voorregt uit vorstengunst gesproten, en zoo was +dan ook de alleen begeerde titel van Friesch Edelman geen mindere, dan +die van Graaf en Hertog. Het gebruik bij den Adel, om zich naar hunne +landerijen en kasteelen te noemen, was in Friesland minder algemeen, +daar men voor geslachtsnaam veeltijds den voornaam zijns Stamvaders +nam. Men leze v. Halmael's Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, § 24: +Friesch Jierboeckjen, 1833. Vergel. voorts het vertoog van Jonkheer +M. Hettema over den Oorsprong van den Frieschen Adel, voorkomende +in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 27 November 1832; +de Narede van den Heer v. Halmael achter zijn Treurspel Ats Bonninga; +F. Sjoerds, Beschr. v. Friesland, I. 470; Wakker van Zon, zijn Boekje +getit. de Adel, door Anonymus Belga, p. 16. volgg. + + +Bl. 10.--Ao 59. + +Over den Afgod Stavo, denzelfden met Thor, leze men Westendorp's +Verhandeling over het gebruik der Noordsche Mythologie, (in de +Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederl. Letterk. II. D. 1 +St.) p. 29-33;--en vergelijke Oudh. en Gest. van Vriesl. I 283-285 +en 485. + + +Bl. 12--Ao 4. + +'t Roode Klif. Al de wonderen van het Roode Klif, nabij Stavoren, +met en zonder het bestuur des Duivels, alhier en vervolgens vermeld, +kunnen wij op geenen goeden grond den waarheidlievenden Lezer +aanbevelen. Echter willen deskundigen, na ontdekking en onderzoek +van eene soort van lava in den grond aanwezig, het denkbeeld niet +verwerpen, dat het Klif een vulkaan van minderen rang is geweest, of +ten minste daarvan eigenschappen heeft gehad.--Over de menschenoffers +in Friesland gebruikelijk, zie de Aant. op 't jaar 700. + + +Bl. 13.--Ao 29. + +Deze Holle, Olennius, was Hoofdman eener Keurbende, en Landvoogd +van wege de Romeinen over Friesland. F. Sjoerds (Jaarb. I. 128) +noemt hem »een gemeen persoon onder de Voorpyllenaars" [146]. + +De verklaring van Holle of Hollo, naar de Friesche taal Hoofd, +Hoofdman, vindt men bij Hamc. Fris. p. 11, en bij S. Petri, de +Frisior. Antiq. et Orig. Lib. I. Cap. IX, welke laatste hem, echter +verkeerd, een Fries van afkomst noemt.--Diocarus ontving eerst, +volgens de kronijken, na de overwinning op de Romeinen den naam van +Segon. Hamc. I. I. + + +Bl. 13.--Ao 29. + +Omtrent het woud Baduhenne. Over den oorsprong en ligging van dit +in de Vaderlandsche Geschiedenis beroemde heilig woud is verschil +ontstaan, zoo als natuurlijk volgen moet, wanneer geene de minste +narigten uit de oudheid overblijven. Er pleit echter meer voor, dat +deszelfs ligging in de Wouden dan bij Franeker geweest zij. Even zoo +is het onzeker welke Godheid, aldaar vereerd, door Baduhenna wordt +aangeduid. Ook de Oudheidkenner Westendorp heeft het onbeslist gelaten +in zijne genoemde Verhandeling. v. Halmael, in het voorberigt voor +zijn Treurspel Adel en Ida, zegt: »De naam van het woud Baduhenna +is voorzeker door Tacitus verlatijnd. Wanneer men er den uitgang +enna of henna (dien wij, hoewel misschien anders gewijzigd, ook +in den naam Nehalennia ontmoeten,) afwerpt, heeft Badu genoegzame +overeenkomst met Balder, om de onderstelling te rechtvaardigen, dat +Baduhenna een aan Balder geheiligd woud was." Dit komt ons geenszins +vreemd voor, daar ook de vereering van den in de Scandinavische +godenleer zeer bekende Godheid Balder, zoon der Godinne Frigga, +voornamelijk en welligt uitsluitend tusschen den Rijn en den Wezer +plaats had, en aldaar in hoogen rang en van groot gezag was.--Dat +er in Friesland gewijde bosschen zijn geweest, is buiten twijfel; +jammer maar dat hunne ligging niet is nagespoord geworden, en dit, +met zoo vele andere zaken, voor een nageslacht bewaard blijft, 't +welk alsdan in zijne nasporingen misschien niets meer ontdekken zal, +dan dat het eenige eeuwen te laat gekomen is!--Vergel. West. zijne +uitstekende Verh. over het gebruik der Noordsche Mythologie. Halma, +Toneel der Vereenigde Nederlanden, enz. + + +Bl. 15--Ao 59. + +Vryt of Verritus en Malorix,--of Maloriges. In de Jaarboeken van +Tacitus, het dertiende, is het voorval dezer beide gezanten, welke +hij regerende Vorsten noemt, in zijne bijzonderheden omschreven, +bepaaldelijk vermeldende hunne vrijmoedigheid, toen zij in den +schouwburg meer met de aanschouwers dan met het spel zich bezig +hielden, en van zitplaats veranderden, om zich in het Raadsheerlijk +gestoelte neder te zetten, onder de afgezanten van andere volken, +die men wegens trouw en vriendschap bijzonder eer bewees. Deze aloude +opregtheid, zoo als men het noemde, beviel niet alleen aan het publiek, +maar ook den Keizer Nero zoo wel, (wien in eene kwade luim zulk een +gedrag weleens zeer mishaagd konde hebben) dat hij den Gezanten het +belangrijk burgerregt te Rome schonk.--Van de bekeering in den tekst +vermeld, ook bij Winsemius geboekt, wordt bij Tacitus niet gewaagd, +zoo als het ook niet voor waarheid wordt aangenomen, onder anderen +door Harkenroht in zijne Oostfr. Oorsprongkelykheeden, p. 24 en 29, +dat Verritus en Malorix, of zoo als zij anders mogen geheeten hebben, +uit de adellijke geslachten der Hermana's en Cammingha's gesproten +zijn, 't welk door Suffr. Petri en Hamconius wordt beweerd.--P. Nota, +in zijn Aanhangzel betreffende de Oudheden van Berlikum, p. 79 +in de noot, vermeent, in de woorden van Tacitus de bevestiging te +vinden, dat Verr. en Malor. geene Friesche maar Duitsche gezanten +geweest zijn. Maar waarom kunnen zij niet enkel Leidslieden van de +uittrekkende Friezen geweest zijn, en een ander Koning of Vorst der +teruggeblevenen? Deze gebeurtenis, zegt West. Jaarb. p. 15, behoort +niet tot de geschiedenis der Groote Friezen. + +Betrekkelijk deze namen vinden wij bij A. Ypeij, Geschied. der +Nederl. Tale, I. D. bl. 161 noot, onder de bewijzen, dat de oude +Friezen vele namen met hunne buren gemeen hadden, en er dus eene groote +wederzijdsche gemeenschap van volk en taal bestond, 't navolgende: +»Reeds onder de oudste Vriezen schijnen er zulke algemeene namen in +gebruik te zijn geweest. Zulks toch mag men opmaken, uit de namen +van twee Vriesche gezanten van Rome, onder Nero, welke Tacitus voor +ons bewaard heeft, namelijk Verritus en Malorix. Ann. Lib. XIII +C. 54. Indien ik mij niet bedriege, waren dit, de nog bekende namen +Gerrit en Maurik. De V toch, gelijk wij weten, verandert ligtelijk in +G, en de L in U. Gelijk de Nederlanders in het algemeen van Gerrit, hun +Geert hebben, zoo hebben, naar het schijnt, de Vriezen bijzonderlijk +van Maurik hun Murk gemaakt." + + +Bl. 16.--Ao 59. + +Op 't Oude Hof te Lewerden. Cappidus van Staveren, Suffr. Petri +en Hamconius zeggen, dat reeds voor Christus geboorte Leeuwarden +onder den naam van Aula Dei, dat is Gods-Hof, bekend was, alwaar het +opperhoofd der Druiden, Barden of Priesters was gesteld. Hier was de +leerschool van de Friezen, en genoten zij onderwijs in de godsdienst, +wetenschappen en wijsbegeerte. Dit gesticht zoude te Oldehove gestaan +en uitstekende mannen hebben voortgebragt. Latere schrijvers verwerpen +dit denkbeeld geheelenal. Wat er van zij is moeijelijk op te sporen, +nog moeijelijker te beslissen. Verg. Oudhed. en Gesticht. I. 283, +alwaar de kundige vertaler, v. Rhyn, in den geest van Emmius steeds +tot verwerpen genegen van de oude kronijken, ook geen geloof daaraan +hecht. Over de goden- en geloofsleer der Druiden, hun priesterschap, +beheer, en hun bestaan in het oude Friesche Rijk, vergelijke +men de meergemelde Verhand. van Westendorp, over de Noordsche +Mythologie, p. 319 volgg. en 331 volgg.--v. Wijn, Huisz. Leven, +I. 8, en Hist. Avondst. I. 123, zegt, dat de Germanen en dus ook de +Friezen geene Druiden of Barden gehad hebben: het tegendeel wordt +door West. bewezen;--zie bl. 287 onzer Aanteekeningen. + + +Bl. 17.--Ao 94. + +De Noormannen. In dezen tijd, en gedurende vele eeuwen later, +werd Friesland van tijd tot tijd door de Noren en Denen vreeslijk +geteisterd en geplonderd. Menigmalen behaalden de Friezen eenen triomf +op dezelven; doch ook dikwijls leden zij bloedige nederlagen. Ocko van +Scharl spreekt reeds van eenen sterken inval op den jare 62, wanneer de +Deensche Koning door sommige Oostersche volken zou opgehitst zijn. In +het jaar 69 wil men dat de Friezen, het jaarlijks rooven, plunderen +en moorden moede, eene groote krijgsmagt naar Denemarken zonden, om +ze in hun eigen land te bevechten, dan storm en onweer hadden dezen +togt belet. In 't volgend jaar echter sloten zij met den Koning een +bestand, 't welk, hoe wonder ook, volkomen stand gehouden heeft tot +den bepaalden tijd. Deze boven bedoelde inval der Noormannen, welke +anderen op den jare 90 stellen, schijnt zeer geweldig geweest te zijn, +en uit hoofde van den weinigen wederstand aan deze zijde, daar de +meeste Friezen in Romeinsche dienst afwezig waren, hadden zij tijd en +gelegenheid zich aan moord en roof ter kele toe te verzadigen. Picardt, +in zijne Annales Drenthiae, spreekt ook alzoo van dit feit.--Zie de +noot p. 305. F. Sjoerds, Jaarb. I. 197. + + +Bl. 17. + +Onder zeven Hertogen. Het algemeen gevoelen is, dat men onder die +waardigheid van Hertog, met welken titel thans dien van Prins, +in navolging der naburige volken, verwisseld werd, niet in eenen +Hoogvorstelijken of Koninklijken staat en magt bestaan hebbe, maar +dat de Hertogen, Heervoerders, Krijgsoversten of Opperbevelhebbers +waren, aan welken het bestuur en beleid des oorlogs, met alwat daartoe +behoorde, was opgedragen. + + +Bl. 22.--Ao 248. + +Dokkenburg. Deze verklaring is zeer juist. Bij Kiliaan vinden +wij Docke, (vetus) navale: waaronder verstaan wordt: stabulum of +armamentarium, ligplaats der schepen, d. i. haven. Ook bij denzelfden +Docke, Germ. poppe: en in den Theutonista, Dock of Pupp, pupa, pupulla, +popje.--Docke van Stro. + +Over de stichting dezer stad zullen wij niet uitweiden; zij is na +Stavoren de oudste, en in allen opzigte zeer merkwaardig geworden. Men +leze hierover de Oudheden en Gestichten, I. 404, met de aanmerkingen +van v. Rhyn, die met Emmius de hooge oudheid betwijfelt. Wat voorts +derzelver geschiedenis betreft, zeer belangrijk is, om herlezen en +vergeleken te worden, de korte Geschiedenis der stad Dokkum voor den +Vrede van Munster, voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant +van den 6 Julij 1830; alsmede de beide stukken in dezelfde Couranten +van 2 en 9 Maart te voren, ter verdediging strekkende tegen de dikwijls +kleingeestige en dwaze aanvallen tegen Dokkum en deszelfs bewoners, +vooral van lieden wier spelend vernuft zich door duizend vervelende +herhalingen van vroegere aardigheden tracht staande te houden. In die +stukken is eene naauwkeurige opgave der groote en beroemde mannen, +die Dokkum heeft opgeleverd, te vinden. + + +Bl. 23. + +In den jaare 289,--of omstreeks dezen tijd, toen Constantius Chlorus, +door Keizer Diocletianus tot den rang van Roomsch Koning verheven, +Galliën met zijne grensprovincien onder zijn gebied verkregen, en de +Franken, Saksen en Friezen in Batavien had overheerd, werden er velen +door hem omgebragt, anderen verplaatst, gevankelijk weggevoerd, in het +Romeinsch leger ingelijfd, of tot harde slavendiensten vernederd. Uit +verbittering en tot weêrwraak moesten nu de Friezen, Overrijnsche +Franken, Cauchen, Chamaven en Bructeren in vereenigde magt, van den +winter en den digtgevrozen Rijn gebruik maken, om Constantius en +zijn heir te overvallen. Dan het goed krijgsgeluk diende hen niet zoo +gunstig als onze kronijk vermeld; de dooi viel in, het eiland werd door +de Romeinen omsingeld, de Friezen ingesloten, vermoord of gevangen, +en nog dieper onder 't juk gebragt. Daarna is er met hen een verbond +gesloten.--Schot. Fr. Hist. p. 30.--F. Sjoerds, Jaarb. I. 225 volgg. + + +Bl. 24. + +Omtrent den jaare 312, enz. De kronijkschrijvers verhalen, dat +omstreeks dezen tijd door vijf aanzienlijke Edellieden, West-Friesland +(d. i. de landen ten westen het Flie) is bevolkt en bebouwd. De in +onze kronijk genoemde Diederik stichtte de hoofdplaats Medemelaca, +Medemblik, aldus genaamd naar de Godin Medea; Geerard bouwde het +dorp Opdijk; Roelaard, 't dorp Wildenes, met een sterk kasteel; Keno +was stichter van Bennenbroek, en Adelbold van het dorp Winckel.--Dit +verhaal heeft eene meerdere beteekenis, dan wij thans nog in staat zijn +te geven. Over Medemblik zijn oorkonden van de IX eeuw voorhanden.--Zie +over den naamsoorsprong enz. den Tegenw. Staat van Holland, II. 502. + + +Bl. 25.--Ao 334. + +Friesche Buinen. Op bl. 9 onzer kronijk wordt reeds gesproken +van West-Friesland, en zou deze benaming er dus vroeger geweest +zijn.--Hamconius, Frisia, bl. 5 en 9, zegt op Firsiabones, dat +Bone in 't oud Friesch Boer beteekende, en dus Frisiabones, Friesche +Boeren zijn, waarvoor onze kronijk Plompaarts geeft. A. W. Schrieck, +in Orig. rerum Celt. et Belg., verklaart het woord door Frisii +separatim habitantes, Friezen die afgezonderd van hun eigenlijk land +en landgenooten woonden. Alting, van Rhyn en anderen beweren, dat +het woord beteekent Friesche Waterbewoners, waarmede zich latere +schrijvers hebben vereenigd, en 't welk ook door den geleerden +Ypeij, in zijne Geschiedenis der Nederl. Tale, I. bl. 164, en +II. bl 109 en volgg. nader is bevestigd. A beteekent water: buen, +boen, wonen, verblijf houden, dus zijn Frisiabones Friezen, die +aan het water wonen; en deze uitlegging is de eenvoudigste en de +beste, wel zoo goed als de ongelukkige inval van Junius (Batavia, +p. 48. Ed. 1652), om van Frisiabones, Friesche apen te maken!--Plinius +noemt dezelve als wonende tusschen het Vlie en het Helium, monden +van den Rijn. Dat deze Schrijver ook hier heeft misgetast, bewijst +Schwartz, Voorr. I. 26. Tacitus zwijgt er van, doch deze kan hen +gehouden hebben onder de Kleine Friezen te behooren. Het denkbeeld +van den Heer Ypeij is zeer aannemelijk, dat de Frisiabonen eene +volkplanting van echte Friezen zijn geweest, wonende aan de linkerzijde +van het Vlie in West-Friesland, onderscheiden van de Kaninefaten, +(waarschijnlijk aan de oevers der Noordzee woonachtig) en van de +Marsatii in de moerassige, naderhand door de Zuiderzee overspoelde +landen zich ophoudende, even zoo als de eerste Bildtbewoners eene +volkplanting was van oorspronkelijke Noord-Hollanders. + + +Bl. 26.--Ao 339. + +Die Waarden wierd genaamd. (Zie ook op de jaren 357 en 377.) Even +zoo ook verhaalt Winsemius, Chronique, fol. 37 doch naderhand; +(fol. 40) noemt hij de stad Norden, om welke reden weet ik niet; +daarin is Soet. in zijn Op- en Nederganck van Stavoren, p. 55, hem +gevolgd, die door Harkenroth, Oostfr. Oorsprongkel. (p. 39 en 232) +daarover zeer gegispt wordt, dat hij Van Esonstad, Norden maken wil; +en toch heeft Soet, slechts het gezag van Wins. gevolgd. Door de +Noren en Denen zoowel als door herhaalde watervloeden heeft die stad +veel geleden, en is dikwijls geplunderd en grootendeels afgebrand +geworden. Westend. Jaarb. p. 19, stelt op 't jaar 398 het bouwen +van Esonstad door den Koning Ubbo (Uffo). Over de oudheid dezer stad +heeft Emmius ook zijnen twijfel mede gedeeld, doch v. Rhyn is hier +wat toegevender dan wel anders.--Zie Oudh. en Gest. I. 454 volgg. + + +Bl. 28 en 31.--Ao 385 en 449. + +Des Hengst en Hors, zijn zoonen enz. In den jaare 449, als Hengst en +Hors enz.--De geschiedenis dezer Koningszonen is belangrijk genoeg +om in aandacht genomen te worden, en wij vinden er, verondersteld +zelfs dat wij onze kronijkschrijvers verwerpen, ook bij den Engelschen +Historieschrijver Beda, (lib. I. Cap. 15) de vermelding van. Deze zegt +dat zij de zoons van den Saxischen Vorst Vergistus (achter-kleinzoon +van Wodan), en dus niet van Odolf Haron waren, hetgeen ook met de +tijdrekening verkeerd zoude uitkomen. Hierover is twist ontstaan, +welke onbeslist is gebleven: echter komt men daarin overeen, dat +Hengistus en Hors aan het hoofd van de Saksen, Friezen, Angelen en +andere naburige volken, door den Britschen Koning Vortigern te hulp +geroepen, derwaarts zijn getogen, en zich eindelijk meester van dat +land hebben gemaakt. Hunne geschiedenis is omstandig beschreven bij +Ocko van Scharl; en hoezeer dezelve ook bij andere schrijvers in een +romantisch gewaad is gewikkeld, draagt zij, in onderlinge vergelijking +gebragt, vele kenmerken van oorspronkelijkheid. Wij kunnen hier in +geene verdere ontwikkeling treden, doch zullen voor dien het lust, de +bronnen en navolgingen aanwijzen, waarin de historie dezer gebroeders +beschreven staat, met derzelver verscheidenheden.--Occo Scharlensis, +Chronyck, op 't jaar 385 en 441; Furmerius, Annal. Phrisic. p. 124 +en 144; Winsem. Chr. fol 43 en 47; Schot. Fr. Hist. fol. 39 en 53; +F. Sjoerds, Jaarb. I. 269 volgg.; Emmius, Lib. III. p. 39 seq.; +Oudheden en Gestichten, Nabericht van v. Rhyn, bl. 368; Wagenaar, +Vad. Hist. I. 289; Beda, Hist. Eccl. Lib. I. cap. 12 etc. en Chronicon; +Jancko Douwama, Boeck der Partijen, p. 37; Westend. Jaarb. I. bl. 26; +Overzigt van v. Halmael hiervoren § 7, jaar 449; Gibbon, Hist. of +the decline and fall of the Rom. Emp. Ch. 38. IV. 395; Hume, +Hist. v. Engel. I. 23 volgg. + + +Bl. 32. + +In den jaare 463. Men vergelijke de tegenspraak in gemeld Nabericht +van v. Rhyn, p. 372. + + +Bl. 32.--Ao 496. + +Deed Klodoveus, een inval in Friesland. F. Sjoerds, Jaarb. I. 290 +en anderen verhalen, dat de Friezen in dezen strijd het onderspit +delfden, de Friezen en Saksen terugkeerden, maar de Allemannen, welke +in dezen strijd deelden, hun gebied verloren; terwijl Koning Clovis, +ingevolge hunne belofte, na de overwinning in dezen hagchelijken kamp, +met 3000 Franken, tot het Christendom overging. Eenige jaren vroeger, +omstreeks 476, was het Westersche Keizerrijk geheel ten gronde gegaan, +en niemand over de Maas en den Rijn gaf gehoor aan het Romeinsche +gezag.--Verg. Bilderdyk, Geschiedenis des Vaderlands, I. 60 en 61. + + +Bl. 34--Ao 517. + +Groningen, bij de Friesen Grins genaamt. In 517 werd, luidens het +verhaal van eene der kronijken, Groninge of Groinge (Grens, Grins) met +een houten staketsel omgeven, ter beveiliging der veste. Deze wijze +van bevestiging was reeds veel vroeger bij de Germanen en Belgiërs +in gebruik, en behoeft, op dezen tijd, niet de minste verwondering +te verwekken. + + +Bl. 34.--Ao 527. + +Richold, zijn oudste zoon. Over de geschiedenis in dit tijdvak +is een bijzonder verschil ontstaan bij vele schrijvers, daar de +verwarringen, zoowel in den tijd als in de personen, aanduiden, dat +men het spoor bijster is geraakt, en men alzoo tot gissingen zijne +toevlugt heeft genomen, om uit de onderlinge tegenspraak tot eenige +waarschijnlijkheid te geraken. Ook onze kronijk geeft geen meerder +licht, maar is schijnbaar in den doolhof medegedwaald. De opgave van +den zoon en kleinzoon van Diderik, (zie op 't jaar 334) beide Lem of +Willem geheeten, en Dibbalds zoon van denzelfden naam, waarvan Haarlem +zijnen naam ontleende, is in 't geheel niet in de haak, schoon ook +Winsemius (fol. 36 en 48) hem hierin is voorgegaan. Verg. Scriverius +in zijden Toets-steen op het Oude Goutsche Chronycxken, p. 204, +205. De andere kronijken springen met die historie, tot op Adgillus +tijd, wonder om, terwijl men het over diens vader maar geheel niet +eens kan worden.--Was Adgillus een Saks of een Fries? Beroald, +Bertoald of Berthold voerde volgens veler gevoelen het gebied over +de Saksen, en daar Ritserd, naderhand bijgenaamd Arundelius, in dien +tijd Koning der Hoog-Friezen was, (in onze kronijk bl. 36 genoemd) +moet Adgillus diens zoon geweest zijn. Dit is mede de gissing van +Emmius, door v. Rhyn goedgekeurd, en door F. Sjoerds (Jaarb. I. 334) +gevolgd. Het is ons wel voorgekomen, dat men Saksen en Friezen, Beroald +en Ridserd met en onder elkander heeft verward, en dat Beroald door +de Saksen tot Koning of Hertog was verkozen;--maar in hoeverre hij +ook een deel der Friezen beheerscht hebbe, en hoedanig van Odibbald +af de geslachtsopvolging geweest zij tot aan Adgillus, behoort tot een +nader naauwkeurig onderzoek. Verg. onder anderen v. Rhyn's Nabericht, +bl. 376-382, te dezen opzigte zeer duidelijk. Over Ridserd Arundelius, +die een dapper en vermaard Vorst moet geweest zijn, West. Jaarb. bl +30 volgg. Schot. Fr. Hist. fol. 47. + + +Bl. 35 + +Watervloeden in Friesland. + +In den jaare 570. Dus ook Winsemius, Soet en anderen, doch Gutberleth, +in zijne Aanteekeningen op Gabbema's Watervloeden, p. 14, vermeldt uit +de geschreven kronijk van Ocko van Scharl, hem ten gebruike gegeven +door Bern. Fullenius, den weêrgaloozen Hoogleeraar in de Wiskunst +in Frieslands Opperschool (gelijk hij zegt), dat aldaar deze vloed +gesteld wordt op den jare 533. Ook de kronijkschrijver Twisk noemt +hetzelfde jaar. + +Door Dirk, Burger van Schoorl, wordt in diens kronijk als eerste +Watervloed opgegeven die van 333 in Noord-Holland, wanneer de Zijpe +is ingebroken en 1200 jaren verdronken heeft gelegen. De stad Grebbe, +door de Romeinen gesticht, liggende aan 't Eimer Swin, thans nabij +het Nieuwe Diep, of een half uur gaans benoorden Wieringen, zou toen +verdronken zijn, schoon anderen dit voorval later stellen [147]. In +435 was er weder een zware vloed over Friesland, zoo als ook in 516, +in onze kronijk vermeld. Na 570 volgde die van 584, met het wonder +zeldzame, vruchtbare jaar. In 586 of 626 [148], of welligt in beide +jaren, werd Friesland alweder overstroomd. Een viertal jaren later +begon de wijze Adgillus vliedbergen en terpen te maken, en gaf der +bedijking hare geboorte. Vele menschen en veel vee verdronken in +den vloed van 792 of 793, en door al deze verwoestingen waren er een +aantal steden, dorpen, bosschen, alsmede eene groote uitgestrektheid +lands verzwolgen en vernietigd, waarvan de onder de golven der zee +liggende zandbanken de sporen van het vorig bestaan aanwijzen. + +De St. Thomas vloed van den jare 806 was geducht voor Friesland; en +van dien tijd tot op de helft der XII eeuw moeten door verscheidene +overstroomingen Friesland, Noord-Holland, Zeeland en Vlaanderen +deerlijk zijn geteisterd, vooral in den jare 839 zou dit gewest bijna +geheel overstroomd geweest zijn, en er eene gansche omwenteling in +den bodem van ons vaderland te weeg zijn gebragt. + +De St. Juliaans-vloed in 't begin van 1164 kostte het leven aan +duizenden van menschen en beesten; waarop de alles verwoestende +Allerheiligen-vloed van 1178 volgde, die de zeebaren tot aan +Utrechts wallen voortjoeg. In dezen tijd kreeg de Zuiderzee eene +groote uitgestrektheid; terwijl de baatzuchtige Friesche Abten vele +verderfelijke doorgravingen deden maken, die de zee in vernielende +krachten deed aanwinnen. Ook in 1200 stroomde een deel van Friesland +over; doch van den schrikkelijken watervloed in Noord-Holland, in +1212, vindt men niets betrekkelijk Friesland vermeld. Dan bij den +ijsselijken Marcellus-vloed, in Januarij 1219, was geene overstrooming +te vergelijken, hetgeen dan ook bij de nakomelingschap ten spreekwoord +is geworden. Alwat tusschen den Wezer en de Schelde op en over de +oppervlakte van den grond aanwezig was, werd op vele plaatsen vernield +en vernietigd, en duizenden menschen van 't leven beroofd. Dezen vloed +(zegt Westend. Jaarb. p. 238) meenden velen te moeten toeschrijven +aan de brooddronkenheid en de woestheid van een zekeren Fries en +kampvechter, die het hoogwaardig sacrament te Wijtwerd en Uskwerd, +ter plaatse waar men naderhand het klooster van St. Jan stichtte, +zeer hoonde en ontheiligde. + +De jaren 1220, 1221, 1222, 1223, 1224, 1227, 1230, 1237, 1246, 1248, +1249, 1250, 1257, 1262, 1266, 1273, 1277, 1285, 1287, 1288 en 1290 +waren uiterst rampvol voor Friesland, en wie kan er zich een denkbeeld +van vormen? twintig overstroomingen in ééne en dezelfde eeuw, in één en +hetzelfde Gewest! En niet alleen door de vloeden, maar ook omstreeks +het midden dezer eeuw werd Friesland door eene vernielende pest onder +menschen en vee jammerlijk geteisterd, terwijl haat en nijd, twist en +tweedragt onder de ingezetenen aller onheil ten top voerden.--In deze +eeuw verdwenen Ezonstad, Camminghaburg bij Leeuwarden, Britsenburg +aan de Middelzee, de stedekens Wartena ten deele en Grind geheel. + +In de veertiende eeuw werd Friesland acht malen gedeeltelijk +overstroomd, en wel ten jare 1313, in welke de beroemde Wijbo Sjoerds +van Grovestins, voornaam hoofd der Vetkoopers, het leven liet, en op +welke overstrooming weder eene pestziekte zoude gevolgd zijn: voorts +in 1334, 1336, 1361, 1377, 1380, 1387 en in 1400, de Friesche vloed +genaamd, welke van belang is geweest voor de opkomst van Amsterdam, +door het aanmerkelijk verwijden van het Marsdiep, het zeegat tusschen +Texel en den Helder. + +Wederom vijftien overstroomingen in de XV eeuw, waren ons gewest ten +geesel en ter vernieling. In 1403 was de 3de Catharina's vloed, maar in +1421 rigtte de St. Elisabeth's-vloed hare ijsselijke verwoestingen aan, +waarin de 72 dorpen in den Zuid-Hollandschen Waard bedolven werden, +zoodat er twintig geheel te niete gingen. De volgende vloeden hadden +plaats in 1425, 1426, 1427, 1428, 1429, 1434, 1437, 1446, 1464, +1470, 1474, 1477, en 1497; en geen wonder dat het land overstroomde, +want de onderlinge twist en tweedragt gaf aan den oorlog voedsel, +terwijl de eendragtige zorgen voor het behoud des lands verloren +waren. West-Workum, Westerbierum en Dijkshorne waren den golven ter +prooi geworden: niet alles echter was verlies, want de Middelzee was +nu geheel aangeslijkt, en gaf kostelijk land. + +Ook in de XVI eeuw was Friesland even ongelukkig door den ramp +der vloeden, zoodat wel twintig malen in dit tijdvak het land +overstroomde. In de jaren 1502, 1503, 1509, 1516, 1517, 1520, 1524, +1525, wanneer er drie vloeden in één jaar waren; in 1530, 1531 en 1532 +(misschien dezelfde), 1552 en 1559 rigtten zij vele verwoestingen +aan. Maar de geweldige Allerheiligen-vloed van 1570 heeft het gansche +land langs de zeekusten van Frankrijk tot aan Noorwegen toe, als in +ééne zee herschapen; terwijl in Friesland de schrik en ellende, die +land en inwoonderen in eenen poel van jammeren stortte, door geene +pen waren te beschrijven, door geene woorden te vermelden. Wel 20,000 +menschen, zeggen de schrijvers, zijn in onze Provincie omgekomen: +1800 telde men in ééne Grietenij.--Daarna had men weder met dit +onheil te kampen in 1572, 1573, 1575, 1577 en 1578. Toen evenwel, door +tusschenkomst en dwang van Caspar de Robles, werd er gedijkt en gedamd. + +Hoewel nu de vloeden in de XVII eeuw minder waren dan in de vorige, was +evenwel de zee niet in banden te houden, maar brak nog dikwijls door de +dijken heen, en bedierf een deel van het zoo vaak geteisterd gewest. In +1610 liep de zuidwesthoek onder: 1623, 1625, 1643, 1651, 1665 en +1675 waren noodlottige jaren, en vooral het jaar 1651, waarin de +St. Pieters-vloed, na dat in Januarij de algemeene rivier-overstrooming +in de Nederlanden had plaats gehad, in de volgende maand vele oorden in +Friesland verwoestte. Voor Noord-Holland was die vloed verschrikkelijk. + +In den aanvang der XVIII eeuw, en wel in 1701 en 1703, zoo ook in +1715, leden door de overstroomingen het land en de zeedijken veel +schade, dan door den 7 kersvloed in 1717 was de verwoesting groot, +vooral in Oost-Friesland.--Ten jare 1731 werd het paalwerk langs +de kusten, en sommige sluisdeuren door de wormen geheel doorknaagd +en verteerd. Bijna zestig jaren lang bleef Friesland voor storm en +vloed beveiligd, doch in 1775 en 1776 had de provincie door twee +overstroomingen, en vooral door de laatste, veel te lijden; dit was +echter niet te vergelijken bij den geduchten watervloed van den jare +1825, die langs de zeekusten van Noord-Jutland af tot Frankrijk toe, +zijne vernielende kracht heeft uitgeoefend. + +Vergelijk de Inleiding voor mijn Geschiedkundig Tafereel van +den Watervloed en de Overstroomingen in de Provincie Vriesland; +voorgevallen in 1825, en alle de afzonderlijk daarin aangehaalde +schrijvers. Westend. Jaarb. van Groningen, op de verschillende jaren, +die echter vele overstroomingen niet heeft vermeld.--Een zeer goed +boek over de laatste overstrooming is dat van den kundigen F. Arends, +Gemählde der Sturmfluthen vom 3 bis 5 Februar 1825: (zu haben bei +dem Verfasser, 1826.) In zijn verdienstelijk reeds aangehaald werk: +Physische Geschichte der Nordsee-Küste, geeft de Schrijver, in het +tweede deel, eene Geschiedenis van al de watervloeden, vermeerderd +met vele bijzonderheden, door vroegere schrijvers niet vermeld. + + +Bl. 37. + +In den jaare 628 enz. Het omstandig verhaal dezen belangrijken strijd, +vindt men bij alle latere geschiedschrijvers bijna op dezelfde wijze +geboekt, en komt in de hoofdzaak overeen. Echter bij vergelijking +der oudste Friesche jaarboeken, zal men eenige afwijking van anderen +vinden. Niet, zoo als deze willen, was Dagobert de aanvallende partij +in Friesland, of wilde dit land dadelijk overheeren; maar de Saksen, +onder Koning Berthold, wilden niet meer onder der Franken gebied +blijven, maar vrij zijn, des zij hunne krijgsboden aan Klotaris +zonden, om dien op een barschen toon den wil van hunnen Koning te +kennen te geven, hetwelk der Franken Opperhoofd dezen zoo hoog afnam, +dat, waren zij niet door de christelijke staatkunde van den Bisschop +van Meaux gered, hij hen welligt het hoofd voor de voeten had doen +leggen. Zij keerden, tot christenen gedoopt, met eere en geschenken +terug. Doch de Saksen verbonden zich met de Friezen, volvoerden hun +plan, rukten tegen Dagobert op, die zijnen vader te hulp roept en de +overwinning behaalt; en nu had er eene ijsselijke slagting onder de +Saksen en Friezen plaats. Die langer dan zijn zwaard waren [149], +dat is, die de wapenen weder zouden kunnen voeren en geschikt ten +strijde waren, werden vermoord; vrouwen en kinders werden in Frankrijk +als slaven verkocht, en daarmede eindigde dit treurtooneel.--Dat dit +gevecht in Friesland bij de Middelzee plaats had, gelijk Rolevink, +en in navolging van hem Furmerius, Winsemius en anderen, beweren, +heeft geen schijn, daar men moet vooronderstellen, dat het niet anders +dan bij den Wezer kan hebben plaats gehad. + +Dagobert moet omstreeks dezen tijd ook een christenkerk te Utrecht +gesticht, en den Bisschop van Keulen het beheer over de Friezen +gegeven hebben; dan dezen, te zeer nog aan hunne afgoden verslaafd, +te stijf van hoofd en stug van aard, boden te veel tegenstand, en +men vorderde dus weinig. + +Dat ook deze Dagobert, als overheerder der Friezen, de insteller +der wetten is geweest, wordt bestreden en met grond betwijfeld.--Zie +daarover Schwartz., Charterb. Voorr. I. bl. 36, 37, 38. Men vindt deze +gebeurtenis beschreven bij Furmerius, Ann. Lib. III. c. IV. p. 172; +Wins. Chr. fol. 52; Schot. Hist. fol. 47; F. Sjoerds, Jaarb. I. 323; +Wagen. Vad. Hist. I. 331; Tegenw. Staat v. Fr. I. 221; Oudh. en +Gest. II. 111, 112 en 377; Cerisier, Gesch. d. Vereen. Ned. I. 90; +Bilderdyk, Gesch. d. Vaderl. I. 66. + + +Bl. 37. + +Adgild wierd enz. Over de regering van den christelijken Adgillus +en onchristelijken Radboud, is in het Overzigt genoegzame melding +gemaakt. Schot. Fr. Hist. p. 55, zegt, dat volgens eene Hollandsche +kronijk, Radboud geen zoon van Adgillus, maar van Diederik, omtrent +den jare 300 Koning van Friesland, bewesten 't Flie, geweest zou +zijn. Wij hebben echter die kronijk niet gevonden, en volgen liever +het getuigenis van alle overige geschiedschrijvers. + + +Bl. 42.--Ao 695. + +In Friesland, Holland en Teisterband. Over het oude graafschap +Teisterband, in 'twelk het geheele Sticht, met het land tusschen Maas +en Rijn, en van daar oostwaarts, met Kleef, Berg en Gulikerland, +vervat werd, leze men Bilderdyk's Geschied. d. Vaderl. I. bl. 161, +193 en 341 volgg. De afleiding is deze: Bant, Ban is jurisdictie, +regtsban, Deister is bogt, kromte van deisen, thans deinzen, +afwijken. Het wordt van ouds algemeen op de kromte van eene rivier +toegepast. Dus is Teister of Deisterbant de regtsban (of 't gezag) +van de bogt (de afwijking) des Rijns, waar hij van noordwaarts ten +westen afdeinst.--Vergel. de door Bild. zelven vervaardigde kaart +achter het I. deel. + + +Bl. 43. + +In den jaare 700. In dezen tijd, en zelfs gedurende een gedeelte der +VIII eeuw, was geheel Friesland nog heidensch. De Menschen-offers, door +geheel Galliën, Germanie en Scandinavie gebruikelijk, bij de Denen +en Noren in zwang, vonden ook in Friesland grooten bijval, zoodat +het geenszins vreemd is, in dezen tijd daarvan in de geschiedenis +voorbeelden te vinden. Men heeft het verhaal van den schoonen jongeling +Ovo, door den Priester Wulfram van den dood verlost, onder de fabels +gesteld, dan tijden, zeden en gewoonten in acht genomen, en de leer +der ondervinding geraadpleegd, zou ik niet weten, waarom, door deze +of gene omstandigheid, hetzij aan hooger magt toe te schrijven, +of vindt men dit te ouderwets gedacht, dan door een toeval, of wel +door eene behendigheid des Priesters, dit voorval niet had kunnen +plaats hebben [150]. Men twijfelt toch, in weerwil der zonderlinge +tegenspraak van sommige geleerden, geenszins aan zoo vele bloedige +offeranden aan de Goden gebragt, aan het slagten, verdrinken of op eene +andere wijze dooden van zoo vele mannen, vrouwen, ja zelfs kinderen, +waarvan de geschiedenis in de eerste eeuwen voorbeelden, aangeeft: en +zou het dus zoo vreemd zijn, dat in de eerste tijden bij verbazende +natuurverschijnselen of andere gebeurtenissen, men in zijnen angst +tot het menschenoffer, (gelijk dat van een driejarig kind, bij het +ontstaan eener zoute welle) als het hoogste, waarmede men zijne Goden +vereeren kon, waarmede men rampen afweren en gunsten verwerven wilde, +toevlugt nam? + +Zeer gegrond is de aanmerking, dat door deze volharding in de +afgodendienst overvloedig blijkt, hoe weinig der Romeinen gezag +en invloed op de Friezen werkte. Men leze over het offeren van +menschen en beesten de meergen. Verhandeling van Westendorp, over het +gebr. der Noordsche Mythologie, bepaaldelijk over de Heilige gebruiken, +bl. 339 volgg. + + +Bl. 44. + +Adgild, de tweede. Sommigen willen liever tot opvolger van Radboud +zijnen zoon Poppo, dan Adgillus hebben; de een onder den titel van +Koning, de ander onder dien van Hertog. De gissing echter in § 11 +van het Overzigt (bl. 315), komt mij zeer aannemelijk voor. Zie van +Loon, Aloude Holl. Hist. I. 324b, 325a; Oudh. en Gest. Naber. p. 393; +Bijv. en Aanm. op Wagenaar, I. 92; West. Jaarb. p. 42. + + +Bl. 46.--Ao 736. + +Is Bisschop Willebrord ontslaapen. Deze heeft ongetwijfeld den +eersten grondslag gelegd, en groot nut aan Friesland gedaan, tot +bekeering der heidensche natie. Volgens Wagenaar (I. 378) stierf hij in +slagtmaand 737, nalatende een alleraanzienlijks vermogen, meest door de +Franken hem geschonken, hetwelk hij aan zijne geliefkoosde Abdij van +Epternach, bij Trier, uit eene gifte van Dagoberts Dochter gesticht, +vermaakte. Omstreeks dezen tijd schijnt ook de Priester Marcellus, +die zeventig jaren lang het Evangeliewerk verrigtte, in Friesland +met goed gevolg gepredikt te hebben. + +Ook in dit tijdvak kwam de vrome en geleerde Bonifacius hier te lande +uit Engeland. Deze bestreed met kracht, verstand en godvruchtigen +ijver, niet alleen de heidensche bijgeloovigheden, ruwheid van zeden +en woestheid der Friezen, maar ging ook met ernst het zedebederf, de +onkunde, boosheid, onwettigheid en valsche leer der geestelijken te +keer, wier doel en middelen met de christelijke godsdienst zoo zeer in +strijd waren. Zie het op bl. 348 aanbevolen werk van den heer Glasius, +IV en V Hoofdst. + + +Bl. 47.--Ao 749. + +Priester Jan.--Zie over dezen Oudh. en Gest. II. 84-86 en +Naber. bl. 349. + + +Bl. 50. + +Vreemde Heeren. De Heer v. Halmael, heeft zijn tweede Tijdperk van het +Overzigt, (gedeeltelijk geplaatst in 't Friesch Jierboeckjen van 1833) +loopende van 773 tot 1498, zijnde van Karel den Groote tot de regering +van Albrecht, Hertog van Saksen, genoemd: Het Vrije Friesland. Niet +dadelijk evenwel (zoo als ook de Schrijver aanmerkt) waren de Friezen +vrij, maar trapsgewijze onder Karel's opvolgers werd die vrijheid +verkregen, niet door Karel zelven hen geschonken. En ook natuurlijk, +want daar onder de hoofdvoorwaarden het aannemen van de Christelijken +Godsdienst, en dus ook onderwerping aan een' Bisschop behoorde, was +het van zelf, dat het onrustig en onstuimig karakter niet zoo dadelijk +met die zachte middelen te temmen was, waardoor dus menig opstand en +oproer dikwijls de reeds geschonken vrijdommen weder deden bekrimpen. + +Karel verdeelde het tegenwoordig Friesland, naar het schijnt, in drie +Graafschappen: Oostergouwe, Westergouwe en Stavoren. Het Graafschap +Islegouwe (IJsselland), waarin Oost- en West-stellingwerf begrepen +zullen zijn, is welligt een Saksisch en geen eigenlijk Friesch +Graafschap geweest of alzoo genoemd. Ieder Graafschap had zijn +opperhoofd, bekleed met de burgerlijke en militaire magt, en over +eenige Graafschappen was een Hertog, uitsluitend het bewind over de +krijgsmagt voerende, gesteld [151]. + +De wetten, naar welke Karel de Friesche Graafschappen in het algemeen +deed regeren, zijn die, welke onder den titel van Leges Frisionum +in druk zijn uitgegeven. Het eerste deel bevat de overoude gewoonten +der Friezen onder de Romeinen, met eenige wetten der Franken, en het +tweede, de ophelderende bijvoegselen van Sachsmund en Wulmar. Echter +beschouwen wij dit niet als een volledig Corpus of wetboek, maar +veeleer voor een handboek voor de Keizerlijke Graven en Ambtenaren, om +daarop regt te doen, ook ter berekening der breuken en boeten. Hieruit +zoowel als van elders blijkt, dat de Friezen destijds in vier +standen of klassen verdeeld waren. Edelen, dit waren de rijksten, +de begoedigsten; Vrijen, minder gegoeden, echter onafhankelijken; +Liten, lijfeigene boeren, en Slaven of Knechten, geheel dienstbaren. + +Karel ontnam den Friezen het regt op de vaderlijke erfenis, alzoo hun +regt op de nagelatene goederen der ouders, dat is: het vrije bezit +der erf-, stam- of landgoederen van den adel en van de welgeboren +lieden; en voerde dus het zoogenaamde Leenregt in. Deze algemeene +hoon en smaad werd weder uitgewischt door Karel's wettigen zoon en +opvolger Lodewijk den Vrome of Godvruchtige [152], die zijne regering +begon met aan de Friezen dit regt, en met dit regt den eernaam van +Vrije Friezen weder te geven. Hij was een zeer menschlievend Vorst, +doch welligt wat al te vroom om zulk een groot gebied en een onverlicht +volk te regeren.--Zie Friesch Jierboeckjen, 1833, §§ 4 en 7; bijzonder +Charterboek, Voorrede I. bl. 40 volgg. en aldaar den Giftbrief; +vergel. West. Jaarb. bl. 55 volgg. + +Ten opzigte der wijze, hoedanig de opgemelde wetten in geschrifte +gesteld zijn, verhaalt men, dat dit door twaalf deskundigen, (welk +getal men in regtszaken steeds hoog waardeerde,) door de Friezen +gekozen, uit de overleveringen moest geschieden. Doch men wilde +liever bij het oud regt blijven, dan deze zware taak te verrigten, +en men was dus onwillig. Des Keizers wil woog echter zwaarder, dan +die der twaalven, en het werk werd volbragt. + +De Sage, zegt de Heer Westendorp (Jaarb. I. 59), heeft deze gebeurtenis +in een kostelijk kleed gestoken: + +»Daar deze twaalf wijzen dan onwillig waren, om de wetten der Vriezen +in schrift te stellen, zoo gaf de Keizer hun zeven dagen tijds om +tusschen de onthoofding, het levende begraven, of het ter prooi geven +aan de woeste golven in een stureloos schip, te kiezen. De wijzen +kozen lijdzaam en moedig het laatste. Men zette hen dan nu in een +schip zonder zeil, roer, riemen en anker, en liet hen voor wind en +weder drijven. Een der Wimoedes, Asega of Azinge geheeten, van het +Wilken-geslacht, en een der eerste Vriezen, die deze benaming droeg, +herinnerde in dezen nood zijnen mede-ambtgenooten aan eene door hem +gehoorde leerrede van Willebrord, nopens de verschijning van Christus +Jezus, voort na zijne opstanding, aan zijne, in druk gezetene, +vrienden, hoewel de deuren gesloten waren. Hij stelde hen tevens +ootmoedig voor, om de hulp, redding en tusschenkomst van Christus +Jezus in dit gevaar biddend af te smeeken. Dit geschiedde eenparig +knielende. En ziet, onder hun gebed vertoonde zich achter in het schip +een man, welke met zijne hand een kromhout hield, en die de twaalven +wederom in de haven terug bragt, vanwaar zij uitgegaan waren. Als nu +de dertiende met de twaalven te lande kwam, wierp hij het kromhout +op den grond, en terstond ontsprong aldaar eene bron, rondom welke +allen gingen zitten: een ieder verkwikte zich met het water van de +bron. De dertiende, welke aan de twaalvde volkomen gelijk en daarvan +niet te onderscheiden was, leerde hen en gaf hun in, welke regten +zij, ter gehoorzaming aan het keizerlijk bevel, zouden uitkiezen en +beschrijven. Als zij nu wel onderrigt waren, zagen zij den dertienden +niet langer; zij gingen aan hunne taak, en volbragten dezelve. »Zij +kozen het landregt, dat hen door Maria's zoon geleerd was," zegt een +der kronijken. Men legde deze verzameling den keizer en den paus +voor, en het werk verwierf de goedkeuring van beiden."--Verg. de +O. Fr. Wetten en de belangrijke Aant. van bl. 103-114, alwaar men +in het verhaal van de twee Kon., Karel en Radboud, deze sage vindt, +zoo als ook bij Beninga en Kempius. + + +Bl. 50. + +In den jaare 777 is Ludger. Het verwondert mij dat onze kronijk, nog al +gehecht aan bijzondere voorvallen, hier niet vermeldt de wonderbare +redding van de moeder van dezen Ludger, te vinden in Schotanus, +Beschryvinge v. Frieslandt, p. 22, overgenomen uit eenen (aldaar +niet genoemden) Levensbeschrijver van Ludger. Dus luidt hoofdzakelijk +aldaar deze gebeurtenis. Wrisung, de grootvader van Ludger, was der +Christen-godsdienst toegedaan, en werd dus door Radboud verdreven. Hij +ging over het Vlie wonen, en volvoerde zijn christelijk werk; zijn' +jongsten zoon Tjadgrim in Utrecht ter leerschool bestellende. Deze +huwde na zijns vaders dood eene vrouw, genaamd Liafburg of Liatburg, +waarbij hij drie zoons en ook onzen Ludger verwekte. Deze Liafburg +geboren zijnde, moest op last van hare heidensche grootmoeder, +verdrietig dat harer schoondochter alleen meisjes werden geboren, door +eene slavin worden verdronken; een regt dat zij volgens hare leer, +op jonggeboren kinderen hadden, om ze om te brengen en te offeren, +mits zij vooraf niets genuttigd of geproefd hadden. Dan het wichtje +greep met zijne handjes het vat of den emmer, waarin het gestoken werd, +om den rand, en worstelde dus tegen den dood. Eene buurvrouw dit ziende +en bewogen met het onnoozel schepsel, ontnam het der slavinne, liep +in haar huis en stak het een weinig honigs in den mond, waardoor het +van den offerdood was verlost. Zij voedde het kindje zorgvuldig op, +gaf het na den dood der grootmoeder aan de ouders terug, en dit meisje +werd de moeder van den geleerden en verdienstelijken Priester Ludger, +van wien men leest, dat hij de Friesche, Engelsche, Frankische en +Latijnsche talen vlug en vaardig sprak, en wiens leven en daden overal +tot zijnen lof zijn beschreven. Als opvolger van den braven Bonifacius +en in diens voetspoor tredende, bekleedde deze wijdvermaarde Fries +eene aanzienlijke plaats onder de Christenherders, die boven velen, +godvruchtig, ijverig en standvastig in zijnen arbeid was. + +Men vindt onder anderen de levensbeschrijving der eerste +Geloofpredikers bij F. Sjoerds, Beschr. v. O. en N. Friesland, VI +Hoofdst.--Over Ludger, Westendorp, I. 64 en volgg. 89 volgg.--die +echter, tegen het verhaal van Schotanus aan, niet de moeder van Ludger +den offerdood doet ontkomen, maar Ludger zelf, waardoor de genoemde +oorzaak zou wegvallen, welke aanleiding tot het ombrengen van het +jonggeboren kind had gegeven. Maar belangrijk is ten dezen het werk +van den heer B. Glasius, de Gesch. der Christ. Kerk en Godsd. in de +Nederl. vóór het vestigen der Herv., waarvan het eerste deel het licht +ziet, en waarin wij voor de eerste pogingen ter verkondiging van het +Christendom in ons Vaderland en der Christenleeraars eene naauwkeurige +en belangrijke beschrijving hebben gevonden. Ook den beoefenaren der +Friesche Historie zij dit werk bij zonder aanbevolen [153]. + + +Bl. 51.--Ao 784. + +Zijn de Noormannen wederom met Wydekind. In het Archief van de +oude Hannoversche stad Goslar is eene oorkonde aanwezig, bevattende +het gebed of de gelofte, waardoor de Saksen over hunnen aanvoerder +Witekind, in den krijg met Karel den Groote, heil en zegen afsmeekten +van hunnen God Wodan, wiens beeld op den Hartsberg vereerd werd. Dit +is de Duitsche tekst: + +»Heiliger, groszer Wodan! Hilf uns unserm Herrn Wittikind, auch +dem Kelta (Unterfeldherrn) von dem aischen (garstigen) Karl-pfui +dem Schlächter! Ich gebe dir einen Ochsen und zwei Schaafe und +den Raub. Ich schlachte dir alle Gefangene auf deinem heiligen +Hartisberge!" De geleerde Ypeij deelt deze bede benevens eene tweede +oorkonde, twee of drie jaren later gesteld, toen de Saksen zich aan +Karel onderworpen hadden, in de Nedersaksische spraak mede [154], +met een aantal belangrijke taalkundige aanmerkingen vooral op het +laatste gedenkstuk. + + +Bl. 54.--Ao 808. + +Omtrent dien zelven tijd liet Igle Tadema. Het is zeker dat het meer +Flevo zich in dezen tijd en ook reeds vroeger merkelijk uitbreidde, +waartoe herhaalde stormen en watervloeden krachtig medewerkten, +zoodat het zoute water niet alleen de tegenwoordige kusten naderde, +maar ook van tijd tot tijd ondermijnde. Het is dus zeer mogelijk, dat +bij het graven van putten, gelijk ook op 't jaar 513 van Juw Hoppers +wordt vermeld, er zout water is opgekomen, en het verhaal van Tadema de +gewone versiering heeft ondergaan, zoo als van vele andere voorvallen, +zonder dat het noodig zij het geheel te verwerpen. Dat Igles zoon op +bevel van zijnen vader het landgoed bij het Kreil verkocht, en zich +in Gaasterland vestigde, dit is zeer natuurlijk, en dat de familie +hier over wrokkend was en zich op eene voor onzen tijd ijsselijk +wreede wijze wraak verschafte, is ook niet zoo vreemd.--Men leze deze +schrikkelijke geschiedenis in O. v. Scharl's Kronijk op 't jaar 808, +die echter 't voorval met Juw Hoppers niet heeft opgeteekend. Zie +Wins. fol. 47 en 85; Schot. Fr. Hist. fol. 53. + + +Bl. 56. + +In den jaare 809, als er te Romen. Op Kersdag van den jare 800 werd +Karel de Groote in de hoofdkerk te Rome als Augustus en Caesar der +Romeinen over het Westen uitgeroepen, gezalfd, gekroond en gehuldigd. + +»De Friezen dienden hunnen nieuwen meester getrouw; doch weinig +geloof zoude 't verhaal verdienen, dat zij met hem Rome zouden +hebben veroverd, gelijk onze en andere Kronijken op den jare 809 of +omstreeks dien tijd vermelden. Men kan dit feit hebben verward met +de verovering van Rome door Arnulph, den laatsten afstammeling van +dezen Karel, wien het vergund was den Westelijken Keizerskroon te +dragen, doch om gekroond te worden, de stad moest overwinnen, waarin +de Friezen beoosten het Flie hem bij stonden." Dit is hoofdzakelijk, +met anderen, ook het gevoelen van den heer v. Halmael: versterkende +dit zijn gevoelen door het argument dat de beschrijvers van het leven +en de daden van Karel daarvan geen gewag maken. Dan Bilderdyk is van +een tegengesteld begrip. »Het zijn de Friezen niet alleen, zegt hij, +die van hunne verovering gewagen. De Romanciers en Heldenboeken +der middeleeuwen zijn er vol van, dat de Friezen Rome voor Karel +innamen. En waarom mag dit niet zijn? Dat hij Friezen in zijne legers +had, is zeker en boven alle bedenkelijkheid; en daar hij ze ook in +Spanje bij zich gehad heeft, daar zij hem over de Pyreneën verzelden +en hun trouw bewezen, waarom mag het niet waar zijn, dat zij 't ook +over de Alpen deden; en dat toen er een oproer in Rome bij Karels +aannadering ontstond, en de poorten hem gesloten werden, zoo als +bij die Romanciers deels gemeld, deels duidelijk ondersteld wordt, +zij het waren, die de poort gewonnen hebben, en hun dus in de stad +gevoerd? Daar is iets zoo natuurlijks in, zoo wel zamenhangende, en zoo +wel passende op de zaak, dat het mij ten minste niet onaannemelijk +voorkomt; en dat zij eene belooning daarvoor gekregen hebben, +geëvenredigd aan het belang dat Karel in de bewezen dienst stelde, is +mede zeer waarschijnelijk. Het zij dat dit in 799 gebeurde, toen hij +den verdreven Paus Leo III op den zetel herstelde; waarbij het niet te +verwonderen is, zoo geweld en dapperheid en bestorming van eene poort +noodig was: het zij in 800 toen hem de keizerkroon opgezet wierd, en +er bij die gelegenheid mooglijk een oproer van de oude partij ontstond, +die men gefnuikt waande, maar zonder de Friezen van gevolge had kunnen +zijn. De zaak kan dus waar zijn; en men heeft onrecht een geheel volk +tegen te spreken, wanneer er eenige samenstemming in zijne overlevering +is met hetgeen van elders getuigd of voor waar en aangenomen is in +een tijd dat de geheugenis nog versch was."--»Men behoeft enz." + +Hoezeer dan ook de Bulle of open Brief van Karel den Groote +ontwijfelbaar valsch is, behoeft daarom het vermelde feit geen fabel +te zijn, en het is onbetwistbaar, dat er dikwijls valsche stukken +zijn gesmeed tot bewijs van wezenlijke waarheden, waarom ik mij +dan ook met de meening van Bilderdyk wel kan vereenigen [155]. Uit +een der te Oxford berustende handschriften, tot de nalatenschap van +Junius behoorende, getiteld: Incipiunt Gesta Fresonum, hetwelk door +het Fr. Genoots. wordt uitgegeven, zal ongetwijfeld dit gevoelen +worden versterkt. + +Wij vinden op dezen jare 809, en ook vooral op het volgend jaar, +aangeteekend, dat er in alle provinciën eene geweldige runderpest +woedde, zoodat er bijkans geen os in het leger overbleef, welke ziekte +nog vele jaren voortduurde. + + +Bl. 58.--Ao 810. + +Een schattinge van 200 ponden zilver. Anderen bepalen die op de +helft. Deze belasting, onder den naam van Klipschild, klinkschatting, +werd dus genoemd omdat de munten in een bekken moesten geworpen +en de klank daarvan in de verte gehoord worden. Zoo moesten ook +de Engelschen lange jaren het zoogenaamde Deangeld aan Godfried +opbrengen. Zie O. Fr. Wetten, bl. 130, in de Aanteekening. + + +Bl. 61.--Ao 808. + +Magnus Forteman. Dat deze de eerste Potestaat is geweest, hebben +latere schrijvers tegengesproken, op grond dat deze waardigheid +zijnen oorsprong uit Karel's Bulle, welke voor valsch verklaard is, +moet hebben gekregen. Echter erkent men, zelfs Emmius ook, dat de +Friezen al van ouds Potestaten hebben gehad, die, als de handhaving +van het regt, of ander algemeen belang, als er oorlog op handen +was of ontstaan zou, verkozen werden. De geschiedenis van Magnus +Forteman kan niet gereedelijk voor waarheid worden aangenomen; doch +het bestaan van zoodanige gezagvoerders, als door het Potestaatschap +wordt bedoeld, kan men ten zijne tijde niet betwisten.--Men leze +hierover ter bevestiging v. Rhyn's Nabericht, bl. 410, 411, 417-420; +F. Sjoerds, Jaarb. I. 440-444, 464, 473; II. 9, 64, 84, 85 en de +aldaar aangehaalde schrijvers [156]. + + +Bl. 62.--Ao 826. + +Anscharius. Vermaarde Monnik uit het te Corveij gestichte klooster, +werd eerste Bisschop te Hamburg, later Aartsbisschop van Bremen en +Hamburg, en stierf in 865. + + +Bl. 62. + +In den jaare 830 wierd Adelbrik van Adelen tot Landsheer +verkooren. Adgillus II had twee zoons en twee dochters nagelaten, +van welke laatsten de eene Konovella was geheeten. Deze was getrouwd +met een aanzienlijk Edelman van Sexbierum, Adelbrik, wonende op het +slot Adelburg. Twee zonen werden uit dezen echt geboren met namen +Adelbrik, deze Potestaat, en Frederik van Adelen, de Bisschop op +den jare 838 vermeld. Zie Winsemius, fol. 67, 83 en 105, alwaar men +hunne geschiedenis vermeld vindt. Uit dezen zou het beroemd Friesch +geslacht der van Adelens gesproten zijn.--Van den Potestaat, wiens +aanvankelijke regering door sommigen later gesteld wordt, is weinig +aangeteekend; doch van den moord des Bisschops zegt ook onder anderen +de heer v. Halmael (Friesch Jierb. 1833, § 8), dat dit waarschijnlijk +door toedoen of op last van Keizer Lodewijks tweede echtgenoot, Judith, +dochter van Welf, Graaf van Beijeren, is geschied, wier huwelijk hij +bloedschendig verklaarde. »Had de man (voegt deze schrijver er bij) +zich niet bemoeid met zaken, welke hem niet onmiddelijk aangingen, +even als zoo vele andere geestelijken van vroegere en latere tijden, +hem was dit lot denkelijk niet wedervaren. Doch zijn voorbeeld heeft +misschien niemand geleerd het niet na te volgen, en de bemoeiallen +zijn nog niet uitgeroeid."--Verg. F. Sjoerds, Jaarb. II. 23 volgg. + + +Bl. 63.--Ao 838. + +De verderfelijke leere der Arriaanen. Arius, geboren in Lijbië +omstreeks den jare 300, Priester te Alexandrie, wilde na den dood +van Achillas in dit bisdom diens opvolger worden. Dit mislukte hem; +hij besloot ketter te worden, en verkondigde eene leer, welke door de +Synode van Alexandrie in 320, en door de kerkvergadering van Nicea in +325 veroordeeld werd. Arius, schoon gevangen gezet en gebannen, kreeg +talrijke en vermogende aanhangers, bragt de geheele kerk in tweespalt +en won de gunst van Konstantijn, die zich op de Ariaansche wijze liet +doopen, en zelf het Arianismus tot zijne hofreligie maakte. Arius, te +Alexandrie geweigerd, trok in 336 naar Konstantinopel en stierf bij +zijnen plegtigen intogt. Zijne leer echter begon nu eerst te leven +en bragt het geheele Oosten in beroering; doch de haarkloverijen en +spitsvondigheden der Arianen, die elkander onderling verketterden, +bezorgden eindelijk aan de Katholijke kerk de overwinning. Nu en +dan verhieven zij zich weder, doch sedert den ondergang van het +Longobardische rijk, liep ook hun rijk voornamelijk ten einde, en na +de VII eeuw werd de algemeene invloed van hun stelsel krachteloos.--In +Friesland, en vooral in Westergo, schijnt nog later der Arianen leer +gehuldigd te zijn; doch Bisschop Frederik, en na hem de vermaarde +Kanunnik Odulphus (Adolf), gingen ook hier deze ketterijen met kracht +te keer.--Zie Algemeen Noodw. Woordenb. der Zamenleving, op de woorden +Arius en Arianen. + +Onder de verschillende secten dier tijden maakten de Arianen den +meesten naam. Het stelsel van Arius was, dat de Zoon van God, die, ter +verlossinge der menschen, mensch werd, in waardigheid en natuur den +Vader niet gelijk stond, maar, vóór de schepping, door den Vader als +het voornaamste schepsel uit niets is voortgebragt.--Verg. B. Glasius, +Gesch. der Christ. Kerk en Godsdienst, I. 37; F. Sjoerds, +Jaarb. II. 22. + + +Bl. 64. + +In den jaare 840 overleed Lodewijk.--Zijn opvolger Lodewijk de +Duitscher, was een regtschapen en godsdienstig Vorst, de stichter en +grondvester van het Duitsche rijk. Zijne zesendertig-jarige regering +was zeer onstuimig, vol van bloedige oorlogen en moorddadige gevechten +tegen de telkens invallende Noordsche volken. Hij verdeelde in of na +870 het rijk, door hem beheerscht, onder zijne drie zonen, Karloman, +Lodewijk en Karel, bijgenaamd de Dikke. Lodewijk de Jongere bekwam +in zijn aandeel, behalve andere landen, twee deelen van Friesland, +liggende ter regterzijde van den Rijn, en Karel een deel, dat gelegen +was aan de linkerzijde der Maas. Bij een nader vergelijk tusschen de +broeders schijnt geheel Friesland aan Lodewijk den Jongere gekomen te +zijn. Zijne regering was echter niet van langen duur, daar hij in 877 +overleed, wordende opgevolgd door zijnen broeder Karel den Dikke, die, +na den dood van zijnen oom, Karel den Kale, en diens zoon Lodewijk +den Stamelaar, in 879 gestorven, tot de keizerlijke waardigheid werd +verheven. Een gedeelte van Friesland werd door den Keizer aan Gisla, +dochter van Lotharius II, huwende met den Noordschen Vorst Godfried, +ten bruidschat gegeven, ten einde dezen tot vriend te houden; waarom +hij zich dan ook in 822 liet doopen. Deze daad kwam den Friezen duur +te staan, want hij heerschte als een tiran, liet zijne onderdanen, +zoo als men verhaalt met halsbanden boeijen, om ze bij elk gering +vergrijp of naar willekeur te doen ophangen, en maakte hen tot +lastdieren. Eindelijk werd hij ook van kant gemaakt. + +In 880 (anderen stellen 881 en 884) vielen weder de Noormannen +met eene groote magt eerst in Saksen, daarna in Frankrijk, en het +tegenwoordig Friesland en Oost-Friesland, met oogmerk alwat Christen +was uit te roeijen. De Saksen wilden dien woedenden stroom stuiten, +doch hun leger werd vernield met diens Hertog, drie Bisschoppen, +in hoedanigheid van geestelijken het leger volgende, en twaalf +Graven. Verschrikkelijk was hun moorden, branden, plunderen en rooven, +terwijl zoo hier als elders, landen en volken door die helsche benden +werden verwoest en geteisterd. Bij hunnen inval in Friesland moesten +zij het echter ontgelden, want aldaar leden zij de groote nederlaag, +in onze Kronijk bedoeld. Intusschen kwam het, wat ons Friesland betrof, +met Lodewijk tot een vergelijk. Daarna hadden zij, bij een inval in +de Maas, de steden Maastricht, Luik, Tongeren, Keulen, Bonn, Trier, +Mentz en andere plaatsen verwoest en de inwoners deerlijk mishandeld. + +Karel de Dikke, in 't bezit gekomen van het grootste gedeelte der +Monarchij van Karel den Groote, bezat te beperkte geestvermogens om +zulk een groot rijk te bestieren. Hij werd zwak en onmagtig, door zijne +onderdanen verstoten, onttroond en stierf in 888 in armoede en ellende +te Reichenau. Opgevolgd door Arnulph, die onder de Noormannen te +Leuven eene ijsselijke slagting aanrigtede, veroverde deze daarna Rome +met medehulp der Friezen, om aldaar gekroond te worden. Lodewijk, bij +zijns vaders dood nog geen acht jaren oud, en daarom het Kind geheeten, +volgde hem in het rijksgebied op, hetwelk echter bestuurd werd door +Hatto, Aartsbisschop van Mentz, Adalhero, Bisschop van Augsburg, +en Otto, Hertog van Saksen, zijnde de jonge Vorst onder voogdij +van Otto en Hatto gesteld. In zijn achttiende jaar stierf Lodewijk, +ongehuwd en zonder kinderen na te laten, en met hem was het geslacht +des Grooten Karels, en alzoo de Karolingische stam, uitgestorven. + +Over de volgende Vorsten en Regering, den oorsprong van het graafschap +Holland enz. verwijzen wij den Lezer tot het Friesch Jierboeckjen, +1833, § 15 en volgenden. West. Jaarb. I. 131 volgg.; Wagenaar, +F. Sjoerds, en anderen. Belangrijk is ook de geschiedenis van den +Deen Erik, Rorik of Roruk, zoon des Deenschen Konings Heriold, +waarvan in de aangehaalde Schrijvers omstandig gewag gemaakt wordt; +ook Bilderdyk, I. 100, 148 enz., voorts bl. 167 over den oorsprong +van het Graafschap Holland. + + +Bl. 64--Ao 850. + +De kerk van St. Walburg.--Verg. de korte beschrijving van +West. Jaarb. op 't jaar 850. + + +Bl. 64. + +In den jaare 867. In dit jaar werd het Benedictijner klooster op het +eiland Ameland, 't welk 's jaars te voren door den Heer Haijo van +Cammingha, ter plaatse daar de tempel der Godin Foste gestaan had, +was gesticht, met monniken bevolkt door Odilbaldus XII, Bisschop van +Utrecht. Uit hoofde echter dit klooster en zijne bewoners aanhoudend +door de zeeroovers werden geteisterd, is het na verloop van bijna +derdehalf eeuw onder Ferwerd, in Ferwerderadeel, verplaatst, door +de godvruchtige Anna van Cammingha, vrouw van Graaf Adolf van +Fronenberg. Het doel des Stichters was eene kweekschool voor de +wetenschappen, welke destijds bijzonder door de Benedictijnen werden +beoefend, aan te leggen. Oudh. en Gest. II. 286; West. Jaarb. I. 123; +F. Sjoerds, Jaarb. II. 55, 56, 270, enz. + +In den jare 873 kwam er een ontzettend aantal sprinkhanen over +Friesland, welke een duim dik waren, met zes vleugelen en zeer sterke +tanden voorzien. Zij vraten in één uur alles van het veld, zeven à acht +mijlen in den omtrek, en knaagden de takken en basten der jonge boomen +af. Na eene verschrikkelijke verwoesting, dreef de wind hen zeewaarts; +toen verdronken zij, doch door den vloed werd deze geweldige massa +op de oevers geworpen, en veroorzaakte eene pestziekte.--F. Sjoerds, +Jaarb. II. 65. + + +Bl. 67. + +In den jaare 910. Te regt klaagt de Heer West. bij den aanvang van het +tweede Perk des Jaarboeks, als ook de Schrijver van den Tegenwoordige +Staat van Friesland, over de weinige bijdragen en den schralen oogst, +welke de geschiedenis van Friesland ons in de tiende en elfde eeuwen +oplevert. In dit tijdvak zijn bij de Kronijk- en Geschiedschrijvers +weinig belangrijke bijzonderheden vermeld, en ook onze kronijk deelt +er dus weinige mede. + +Friesland strekte zich te dien tijd uit van den Sincfal, de plaats +waar zich de rivier de Maas in zee ontlast, bij Ostende lot aan den +Wezer.--Later werd de verdeeling in zeven Zeelanden daargestelt.--Van +dezen besloeg ons tegenwoordig Friesland er twee, en een deel van het +derde Zeeland. Friesch Jierb. 1834, § 5; voorts West. Jaarb. I. 211, +en de daar aangehaalde Schrijvers. Wiarda, Von den Landt. d. Fries, +b. Upstalsboom, 3 Abschnitt; Meng. Leeuw. Cour. 4 Oct. 1831. + + +Bl. 67.--Ao 910. + +Westerman heeft enz. Adam Westerman, Predikant te Stavoren, +heeft in den jare 1635 uitgegeven: Korte Beschrijvinge van de +oude Anse-stad Stavoren; in welke aangewesen werd haren Ouderdom, +Opgang, Voortreffelijkheid, Afgang, en tegenwoordigen Stand. Eene +herdruk daarvan verscheen te Amsterdam in 1684. De Schrijver schijnt +de kronijken gevolgd te zijn, en niet meer gegeven te hebben dan +H. I. Soet, in zijn: Op- en Neder-ganck van Stavoren. Verg. Pars, +Naamrol van de Batavise en Holl. Schrijvers, bl. 141. + + +Bl. 67.--Ao 920 en 970. + +Koppen van Stavoren--Okke van Scharl. Het bestaan van de schriften +van dezen eersten wordt mede betwist. Suffridus Petri [157] zegt, +dat hij van Andreas Gryphius fragmenten ter leen gehad heeft, door +den Priester Cappidus van Stavoren zamengesteld, welke hem tot zijne +geschriften zeer ten dienste hadden gestaan;--doch ook deze zijne +woorden, welke door geene latere bewijzen bevestigd zijn, hebben +geen geloof kunnen vinden,--even min als zijn verhaal van Ocko van +Scharl. Volgens de overlevering hadden de Schriften van zijn oudoom +Solke, of Carel Solke Forteman, hem de bouwstof geleverd, voor zijne +bekende Kronijk, welke door Johannes Vlijtarp, Geheimschrijver van +den laatsten Potestaat, J. Hessel Martena, in de XIV eeuw is aangevuld +en verbeterd, en daarna door Andreas Cornelis, geboortig van Stavoren +en Organist te Harlingen, werd overgewerkt, vervolgd en na diens dood +uitgegeven in den jare 1597 te Leeuwarden, in folio, bij Jacob Jansz, +doch te Amsterdam gedrukt. Deze kronijk is herdrukt in quarto, en te +Leeuwarden uitgegeven bij Abraham Ferwerda in 1742. Een tweede druk +daarvan verscheen bij D. Balk te Workum in 1753, welke echter zoo +letterlijk, ja stiptelijk met al zijne versierselen gelijk is aan +den vorige, dat alleen de titel het onderscheid uitmaakt, even als +met de Leeuwarder en Franeker drukken van Gysbert Japicx Rijmlerye +en de 3 laatste Uitgaven onzer Kronijk. + +Vele Schrijvers zijn van gevoelen, dat deze Kronijk geen het minste +geloof verdient, als gevuld met fabelen en bijgeloovigheden. Emmius, in +zijne Refut. Apol., van Rhyn, op de Oudh. en Gest. I. 51; F. Sjoerds, +Inleiding voor de Besch. van O. en N. Friesland, en anderen beweren +dit op gelijke gronden; geen gezag aan Suffridus Petri kunnende +toekennen. Ook de Wind, in zijne Inleiding voor de Bibliotheek van +Nederl. Geschiedschrijvers, heeft dit punt met oordeel behandeld. Zijn +gevoelen stemt niet dat van Emmius overeen: »Hoezeer dan ook, zegt +hij, Andreas Cornelis een handschrift moge voor zich gehad hebben, +waaruit hij de drie eerste boeken getrokken heeft, is het onbewezen +dat dit H. S. eene kronijk van O. van Scharl uit de tiende, en van +J. Vlijtarp uit de veertiende eeuw inhield. Veeleer zal dit H. S. het +werk geweest zijn van een Schrijver uit het begin der dertiende eeuw, +die deze fabelen heeft zamengeflanst, in dien tijd, toen bijbel en +ware geschiedenis in het kleed van een roman moesten gehuld worden, +wilde men dezelve aanhooren." Wij willen de gronden van den kundigen +de Wind wel niet betwisten of wederleggen, als hier niet voegende, +dan ik kan er evenwel nog niet toe komen, om met Emmius alles weg te +redeneren; en zelfs naar aanleiding van bovengemeld argument, blijf +ik beweren, dat er veel waarheid, hoe dan ook in fabelen gehuld, +uit deze kronijk en andere dergelijke schriften is op te sporen, +waarom wij met den geleerden Westendorp gereedelijk instemmen, +dat er geene voldoende redenen bestaan, de geloofwaardigheid dier +oude Schrijvers geheel te verwerpen. Zie voorts gem. Biblioth. der +Ned. Geschiedschrijvers, II. St. p. 223; Suffr. Petri, D. 5. c. 9. en +D. 7. c. 4, de Script. Frisiae; Schwartz. Chart. Voorr. II. 67; +onze Aantt. bl. 286-288. + + +Bl. 68. + +Omtrent den jaare 969 Gosse Ludigman. Zie v. Rhyn's Nabericht, bl. 417 +volgg. Vóór het huwelijk van des Potestaats dochter Tet, met Sicco, +zoon van Graaf Arnout, uit wien de Teilingen en Brederoden stamden, +is, schoon betwist, zeer veel te zeggen, hoezeer ook v. Rhyn eene +andere uitlegging heeft. + + +Bl. 68.--Ao 998. + +Het stedeke Uitgong verwoest. De bouwing dezer stad is in de hooge +oudheid te zoeken, en zij moet in den vroegsten tijd zeer belangrijk +voor den handel en met eene goede haven voorzien zijn geweest; liggende +aan het Boerdiep of Middelzee. Na gemelde verwoesting weder opgebouwd +zijnde, werd zij in 1181 door een hevig en brand geteisterd; dan tien +jaren daarna werd de gansche stad door de Noormannen geplunderd, en +te vuur en te zwaard vernield, zoodat met haar bestaan ook zelfs die +naam voor altoos werd uitgewischt. De inwoners schijnen zich metter +woon naar Franeker te hebben begeven. Hoezeer evenwel Uitgong eene +stad of stedeke genoemd werd, vermeent men echter, dat het met geene +wallen of muren omringd, maar eene open plaats geweest is: het had +niettemin stads voorregten en het regt van Oldermanschap. Wij kunnen +over deze belangrijke plaats niet verder uitweiden; wie daartoe lust +hebbe, leze het Aanhangsel betreffende de Oudheden, en voornaamste +Gebeurtenissen van Berlikum, achter het Tweetal Leerredenen van +Petrus Nota, (Franeker, 1781) waarin men alles in een kort bestek +bij elkander heeft en de Schrijvers vindt aangehaald. + +Omstreeks dezen tijd sneuvelde de Hollandsche Graaf Arnout, in een +veldslag nabij Schagen in West-Friesland. De Friezen bleven altoos +weigeren de Graven als hunne Heeren te erkennen. De vermaarde Friesche +Edelman Adelbold, deelende in de gunst van den Keizer Otto III, +werd tot Bisschop van Utrecht benoemd. + + +Bl. 69.--Ao 1006-1010. + +Deeden de Noormannen geweldige invallen. De geschiedschrijvers +vermelden allen, met verschil nogtans van sommige omstandigheden, deze +invallen en gevechten op de jaren 1009 en 1010, en daarmede hield dien +geesel ook voor Friesland op: want dit was der Noren laatste inval, +welke echter nog vele menschenlevens kostte. De meerdere uitbreiding +van 't Christendom, doch ook zwakheid in strijdkrachten, zullen +hiertoe veel bijgebragt hebben. F. Sjoerds, Jaarb. II. 171; Wagenaar, +II. 135; Bilderdyk, II. 7. Deze Schrijver vermeld, een door hem uit +het Yslandsch overgebragt verhaal, van een inval der Noormannen in +'t jaar 943, voorkomende in de Eglo-Saga, dat is, Historie van Egil, +hetwelk wij willen overnemen: + +Uit Egils-Saga, Hafniae 1809. Cap. 72. Ao. 943. + + + »Ambiorn was dien winter 't huis op zijn erf (of land); + maar omtrent de lente lustede 't hem om ten krijg (zeeroof) + te varen. Hij had veel goede schepen. Hij had omtrent de lente + drie lange schepen en die alle sterk. Hij had 300 man. Hij had + bedienden in zijn schip en was zeer wel gescheept. Hij had ook + menige boeren-zonen met zich. Egill besloot met hem te varen + en stuurde (beval) een schip. Ook voeren met hem vele van zijne + luiden, die hij met zich van IJsland genomen had. Een koopschip, + dat hij van IJsland gehad had, liet hij vlieten Oostwaarts naar + Wik, (en) nam daartoe mannen om met zijn pakkaadje te varen, + en zij, Axinbiorn en Egill hielden de lange schepen om meê te + landen. Zoo dan stevenden zij Zuidelijk naar Saxenland, en hier + toefden zij tot den somer en vingen veel buit, en voor den oogst of + herfst keerden zij Noordelijk en landden in Friesland. Op zekeren + nacht, als het weêr gunstig was, zeilden zij den mond van een + rivier op. (Want) daar is 't kwaad te havenen, en een grooten + inham. Daar waren landwaart op groote vlakten en.... bosschen + dichte bij. Daar waren veel plasschen, want het had veel geregend; + daar besloten zij op (aan land) te gaan, en lieten eenige hunner + lieden achter om de schepen te bewaren. Zij gingen op midden + tusschen de rivier en de bosschen. Niet ver van daar was een + dorp en daar woonden veel boeren. Het volk liep uit het dorp naar + 't land, wat het mocht, en de roovers achter hen. Zij kwamen aan + een ander dorp en een derde: de lieden vloden al wat zij konden; + daar waren velden en groote vlakten; daar waren grachten om de + landerijen gegraven en stonden in 't water, en daar waren groote + palen in de grachten gezet, daar waren om over te gaan bruggen + en planken over. Het landvolk vlood in de bosschen; maar als de + roovers ver in 't dorp gekomen waren, zoo trokken de Friezen te + zamen in de bosschen, en als zij bij de 300 hoofden bijéén waren, + zoo trokken zij de roovers in 't gemoet, en geraakten met hen in + strijd; en werd daar een groot gevecht, tot de Friezen vluchteden, + maar de roovers de vluchtenden vervolgden. De hoop dorpelingen + werd verstrooid, en zoo ging 't ook met die hen achter na vlogen; + en dus bleven er weinige bij een. Egill vloog hard achter hen + en weinige mannen met hem. De Friezen kwamen daar aan een gracht + en trokken die over, en namen toen de brug weg. Toen kwam Egill + aan de andere kant en sprong dadelijk over de brug. Maar dat was + geen sprong voor een ander, en niemand deed het hem na, en zijn + makkers snelden naar hunne schepen om hulp te zoeken. En wanneer + de Friezen zagen, dat één man daar over was (en niet meer) zoo + keerden zij om en kwamen op hem aan. Maar hij verdedigde zich, + de gracht van achteren tot beschutsel. Daar vielen hem elf aan, + met dat gevolg, dat hij die allen neêrsloeg. Daarna schoof hij de + brug en kwam over de gracht. Toen, als hij nu zag dat alle naar + de schepen getrokken waren, hield hij zich dicht bij de bosschen; + en dus trok Egill langs de bosschen en zoo naar de schepen, dat + hij in 't hout mocht kunnen wijken zoo 't noodig ware. De roovers + hadden veel slachtvee naar 't strand gedreven, en als zij aan de + schepen kwamen, slachtten sommige die, andere voerden ze te scheep + van daar; sommige maakten een schildburg. Want de Friezen waren + opgekomen in groote menigte en schoten op hen. Maar Egill kwam + op en hij zag wat gebeurde. Daar vloog hij ten snelste op dien + hoop, en greep zijn slagzwaard met beide handen, en wierp zijn + schild op den rug. Hij zwaaide zijn zwaard en sloeg op al wat + daar voor stond, en maakte zoo ruimte onder 't volk, dat hij tot + de zijnen kwam. Daarna gingen zij 't scheep en staken van land, + en zeilden naar Denemarken." + + +Bl. 70.--Ao 1064. + +Den naam Harns. Over den oorsprong van dezen naam, zie men Oudh. en +Gest. II. 142. Sommigen leiden dien af van de twee adellijke Staten +Harliga en Harns, waarbij, of op wier grond de aanleg der stad +gebouwd was, en welke beide namen, naar tijds gewoonte, veel twist +veroorzaakten, wie den boventoon behouden zou; weer anderen willen dat +de Friesche naam Harns, zijn oorsprong had in de ligging der plaats aan +een uithoek van de Middelzee en de Wadden. Vergel. bl. 89 der kronijk. + + +Bl. 71. + +In den jaare 1096, wanneer Paus Urbanus. Wij laten hier volgen een +aaneengeschakeld verhaal van + + + + + +DE KRUISTOGTEN DER FRIEZEN NAAR PALESTINA [158]. + + + Zoo liet het Voorgeslacht het edel denkvermogen + Zich rooven; alles lag voor 't Bijgeloof gebogen: + Hem staat, met krommen hals, de trotsche Huichlarij, + En, 't aangezigt vermomd, Bedrog, zijn vader, bij. + + Haller. + +In de Europesche geschiedenis maken de kruistogten een +allerbelangrijkst tijdvak uit. Door dezen werd Europa ontvolkt; +millioenen vonden in Hongarijen, Griekenland, Syrië, Palestina, Egypte, +in de Middellandsche zee en onder weg hun graf; door dezen schoot het +bijgeloof vaste wortelen, werd de Pauselijke stoel verheven boven de +troonen van wereldlijke regenten, wies het monnikendom door blinde +gehoorzaamheid aan, en ontstonden te voren onbekende orden, kloosters +en prachtige kerken; door dezen werden onnoemelijke schatten van Europa +in Azië begraven, en wereldlijke Vorsten werden, door de verwijdering +van magtige vassalen, despoten. Daarentegen gaven zij aanleiding dat +kunsten en wetenschappen van het eene volk tot het andere overgebragt +en door Europa verbreid werden. In deze Kruistogten hebben ook onze +Voorvaderen, de Friezen, deel genomen. Daar nu de geschiedenis van de +Kruistogten door onze historieschrijvers deels onaangeroerd blijft, +deels stuksgewijze en zonder zamenhang geleverd wordt, zoo veroorloof +ik mij, onze lezers in deze Bijvoegsels een aaneengeschakeld verhaal +te geven. + +Reeds ten jare 637 hadden de Saracenen onder hunnen Kalif Omar I zich +meester gemaakt van Palestina en de Heilige Stad, en zij bleven meer +dan vijfthalve eeuw in derzelver rustig bezit. Tegen het einde der +elfde Eeuw kwam Peter de Kluizenaar, een ondernemende dweeper, te +Rome. Hij schilderde met krachtige verwen de gruwelijke vervolgingen, +die de verdrukte Christenen van de Mohamedanen lijden moesten. Een +bewegelijke brief van Simon, den Patriarch van Jeruzalem, bevestigde +zijne reden. Paus Urbanus II gaf hem volmagt, om de wereldlijke +Vorsten aan te moedigen tot de bevrijding des Heiligen Lands uit de +handen der barbaren. + +Daar liep Peter met het Krucifix in de hand, barrevoets en blootshoofds +Italië, Frankrijk en Duitschland af. Zijne dweeperij, zijn prediken, +de brief des Patriarchs en de Pauselijke Bulle verwekten overal dorst +naar Turkenbloed. In het jaar 1095 hield de Paus, eerst te Piacenza, +en in November deszelfden jaars te Clermont in Auvergne eene groote +kerkvergadering. Na het eindigen eener vurige rede, waarin de Paus +een Kruistogt had bevolen, riep de ontelbare verzamelde menigte uit: +»God wil het, God wil het!"--Ridders, die avonturen zochten; monniken, +welken het klooster te eng, te benaauwd was; verrukte vromen, die met +den helm op het hoofd en het zwaard in de hand den hemel dachten te +verwerven; schuldenaars, die zich van hunne schuldeischers wilden +ontdoen; gaauwdieven en booswichten, die de welverdiende straffen +ontliepen; straatslijpers, die het omzwerven boven eene eerlijke +kostwinning verkozen; knechten, die zich van het juk hunner heeren +ontsloegen; in één woord, allen, die het zwaard konden voeren, maakten +zich voor en na gereed tot eenen krijgstogt tegen de Saracenen. Alle +deze hemelhelden ontvingen, terstond bij hunne aanwerving, een +klein kruis, dat zij op den schouder vastmaakten. Aan dit kruis kon, +een ieder zijnen landgenoot kennen [159]. Naar hetzelve werden de +soldaten Kruisbroeders, en deze togten Kruistogten of ook heilige +Krijgstogten genoemd. + +Er werd dan tot een heiligen krijgstogt besloten en een leger +van 300,000 man onder verschillende hoofden bijeengebragt. Een +Fransch Ridder, Walter (Gautier), trok met 20,000 man vooruit. Deze +Christelijke barbaren pleegden in Bulgariën met moorden en stelen +grooten moedwil; waarom de Bulgaren zich vereenigden en schier deze +gansche voorhoede nedersabelden. Peter de Kluizenaar voerde zelf +20,000 man aan en volgde Wouter. Het ging hem echter in Hongarije en +Bulgariën niet veel beter. Hij kwam evenwel met het gering overschot +zijner troepen in Konstantinopel aan. Nog een ander leger, dat op +200,000 man geschat wordt, en uit Duitschers, Franschen en Engelschen +bestond, leed buitengewoon veel door het zwaard der Hongaren en meer +nog door den honger en het gebrek. Een andere hoop scheepte zich in, +en kwam door de Middellandsche zee in Syrië. Godfried van Bouillon +voerde 80,000 Duitschers aan, en trok met dezen naar Philopolis. In +het jaar 1097 vereenigde zich het gansche Christenleger, dat door +eenige Schrijvers op 500,000 voetknechten en 130,000 ruiters wordt +geschat, te Chalcedon. Nu vingen de Christenen hunne ondernemingen +tegen de Saracenen en Turken aan. Zij veroverden Nicea, Antiochië, +Cesarea en eindelijk in 1099 ook stormenderhand Jeruzalem, alwaar +Godfried van Bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen tot Koning van +Jeruzalem werd uitgeroepen. + +In dezen eersten Kruistogt hebben ook de Friezen deel genomen. Zij +zijn om Frankrijk, Spanje en Italië henen naar Palestina gezeild. De +jaarboekschrijvers noemen ons de voornaamste Edellieden, die den +togt mede ondernomen hebben, als Tjepke Forteman, Jarich Ludinga, +Epo Hartman, Igo Galama, Feico Botnia, Eelco en Sicco Liauckama, en +Ubbo Harmana. Bij de belegering van Nicea zijn Hartman en Forteman, +de laatste van zijn geslacht, gesneuveld. Eelco Liauckama zoude +zich bijzonder onderscheiden hebben. Hij was Generaal over 3000 man +ruiterij, en werd eerst tot bevelhebber van Nicea aangesteld, doch +ging daarna, ontevreden over zijnen werkeloozen toestand, verder in +Palestina in garnizoen. + +Harmana en Galama zijn in een veldslag,--en Eelco Liauckama en +Botnia bij de verovering van Jeruzalem zwaar gewond geworden. Na +hunne herstelling zijn deze beiden eindelijk door Koning Godfried tot +ridder geslagen. Naderhand zijn nog verscheiden Friesche Edellieden, +Homminga, Roorda, Cammingha en Ockinga naar Palestina getogen, en +hebben onder Boudewijn, den tweeden Koning van Jeruzalem, lauweren +bevochten tegen de Saracenen. Daardoor stonden zij bij den Koning +en de voornaamste Hoofden van het Rijk in bijzondere hoogachting. De +faam hunner heldendaden drong gansch Europa door, en de Koning wilde +hen noode ontslaan uit zijne dienst. Hij geleidde hen in persoon +met honderd ruiters naar Jaffa, alwaar zij zich inscheepten, en over +Venetiën en Rome den 15 December 1106 in goeden welstand in Friesland +terugkwamen. Zij werden door hunne vrienden in plegtigen optogt, +met kruis en vanen, onder gejuich en blijdschap ontvangen. In dit +jaar zijn de meeste Friezen weder teruggekomen. + +Watze Herama, vroeger teruggehouden door de ziekte van zijnen +reisgenoot Roorda om naar Palestina te reizen, schijnt in den jare +1119 met dezen en andere Friesche Edelen, als Harmana, Homminga, +Ockinga en Cammingha, over Venetiën en Jaffa den togt te hebben +aangenomen. Zij streden in 1120 dapper, dan dit gevecht viel voor hen +nadeelig uit. Herama en Homminga werden verslagen. Koning Boudewijn +met de Edelen, waaronder ook Cammingha en Ockinga vielen den Parthen +in handen; Roorda en Harmana werden zwaar gewond, doch ook weder +genezen en de gevangenen uitgewisseld. + +In het jaar 1145 liet Paus Eugenius III door den heiligen Bernard +op nieuw het Kruis prediken. Keizer Koenraad en Lodewijk VII van +Frankrijk namen zelven het Kruis aan. De togt werd in 1147 aangevangen, +doch liep, voornamelijk door de trouwloosheid des Oosterschen Keizers +Manuel, ongelukkig af. Na vruchtelooze belegering der stad Damascus, +trok het geringe overschot des Christen-legers weder huiswaarts. + +Dezen tweeden heiligen krijg schijnen de Friezen niet mede bijgewoond +te hebben. De Paus echter beval eenen dubbelen Kruistogt ten zelfden +tijde (1149): eenen naar Spanje om de Saracenen te verdrijven, en +een' anderen tegen de ongeloovige Sclaven aan de Oostzee. Tot beide +Kruistogten hebben zich voornamelijk de Westfalingers, Friezen en +Hollanders laten gebruiken. + +Helmold, een geschiedschrijver, die omtrent dezen tijd leefde, laat +eenen Frieschen Priester Gerlaf toen de Sclaven de Friezen ingesloten +hadden, aldus aanspreken: + +»Nescitis apud Slavos nulla gens detestabilior Fresis? Sane foetet +eis odor noster." + +»Weet gij niet dat bij de Slavoniers geen volk zoo zeer verfoeid +wordt als de Friezen? Zij mogen ons waarlijk niet eenmaal rieken +[160]." Een duidelijk bewijs, dat de Friezen met de Sclaven wakker +aan den slag geweest zijn. + +Intusschen werd de toestand der Christenen in het Oosten van tijd tot +tijd moeijelijker en gevaarlijker. De Sultan Saladin, deze om zijne +grootmoedigheid in de geschiedenis zoo bekende Vorst, veroverde ten +jare 1187 eindelijk Jeruzalem, en maakte een einde aan het Koningrijk, +dat 88 jaren bestaan had. Nu maakte de Paus een gruwelijk alarm, en +bewoog den Keizer Frederik Roodbaard (Barbarossa), Koning Filips II +(Philippus Augustus) van Frankrijk en Richard I (Leeuwenhart) van +Engeland om nog eenen Kruistogt te wagen. In 1189 brak het heirleger +op. De Friezen en Denen rustten 50 schepen uit, vereenigden zich +met de Hollanders en Vlamingen, hielden hier en daar in Spanje aan, +geraakten aldaar slaags met de Saracenen, voegden zich nabij Sicilië +bij de Italiaansche vloot, en kwamen eindelijk te Ptolomais (toen +Acre genoemd) aan. + +Ook in dezen krijgstogt, in welken de Keizer door een toeval het +leven verloor, rigtten de Christenen niets verder uit, dan dat zij +Ptolomais veroverden. Niettegenstaande dezen ongelukkigen uitslag, +liet de Paus Coelestinus in 1197 op nieuw het Kruis prediken. De +Friezen namen met de Denen en die van Lubek en Bremen hunnen gewonen +weg om Spanje, voegden zich op Cyprus bij het hoofdleger en landden +weder te Ptolomais. Ook op dezen togt maakten de Christenen geene de +minste verovering. Zij sloten evenwel met Saladin eenen wapenstilstand +voor 6 jaren. + +Ten jare 1199 keerden de heilige krijgers, die in 1189 en 1197 zich +op reis begeven hadden, voor zooverre zij waren overgebleven, tot de +hunnen terug. + +Zekerlijk kwamen deze Kruisvaarders vermagerd, hongerig en met ledige +handen huiswaarts; doch, gelijk vermeld wordt, had de generaal der +Friezen, Hartwijck, Aartsbisschop van Bremen, eenige beenderen der +Heilige Anna, en het zwaard, waarmede Petrus het oor van Malchus had +afgehouwen, medegebragt [161]. + +Het tijdstip, 't welk ik thans nader, is voor ons des te belangrijker, +omdat de voornaamste feiten meestendeels door gelijktijdige schrijvers +en door bewijzen gestaafd worden. De Pausen moedigden de wereldlijke +Vorsten, toen de met Saladin geslotene wapenstilstand ten einde liep, +tot eenen nieuwen Kruistogt aan; doch wegens de ongelukkige gevolgen +der vorigen, bleef alles bij vrome wenschen. Eindelijk was Paus +Innocentius III zoo gelukkig, dat op eene door hem in 1215 belegde +kerk vergadering tot een nieuwen Kruistogt besloten werd. Hierop +beval de Paus allen Bisschoppen, in hunne kerspelen het Kruis +te laten prediken. De Aartsbisschop van Keulen zond den Keulschen +Leeraar Olivier [162] met bijzondere aanbevelingsbrieven van den Paus +naar Friesland. Deze predikte zelf het Kruis, en gaf aan eene menigte +Vicarien door het geheele land volmagt, om in zijne afwezigheid aflaten +te schenken en rekruten voor den heiligen krijg aan te werven. Hij +liet in de kerken uitgeholde, van boven met ijzer beslagene blokken +nederzetten, opdat ieder door eene daarin zich bevindende opening zijne +bijdragen tot bevordering der krijgstoerusting mogte storten. Het +prediken van Olivier had eenen buitengemeenen indruk gemaakt bij de +Friezen, zoodat een ongeloofelijk aantal het Kruis aannam. Zij schijnen +echter met de toebereidselen tot den optogt zich niet zoozeer gehaast +te hebben; ten minste herinnerde Olivier hun in eenen brief van den +jare 1216, dat, de Denen, Bremers en Keulenaars reeds eene groote +vloot uitrusteden, het ook tijd werd hunne schepen te bemannen. + +Ook in dezen tijd had de geestvervoering tot overwinning van 't +Heilige Land zulk eene algemeene werking, dat duizenden van kinders +naar de zeeplaatsen liepen, om ook deel aan den strijd te nemen, en +hoewel door hunne ouders opgesloten, wisten zij hunne gevangenis te +ontkomen op allerlei wijzen, zonder dat de meesten daarna immer zijn +teruggekeerd. Zeker Schrijver [163] verhaalt er 't volgende van: »In +'t jaar 1211 vereenigde zich een groot aantal kinderen (men geeft het +op voor 90,000), onder aanvoering van een' ouderen knaap, met het +voornemen het Beloofde Land weder te veroveren. De meesten kwamen +uit Duitschland en wandelden blijde naar Genua. Hier ondervonden +zij echter uit onbekendheid, waar eigenlijk het Beloofde Land lag, +onoverkomelijke hinderpalen, om hunne avontuurlijke onderneming verder +ten uitvoer te brengen. Te Marseille kwamen 30,000; een deel daarvan +stierf van ellende, een deel werd vermoord en de overigen als slaven +aan de Saracenen verkocht." + +De Hertog Leopold van Oostenrijk, Boudewijn van Vlaanderen, Lodewijk +van Savoijen, benevens verschillende Bisschoppen en Graven vereenigden +zich met den Koning Andreas van Hongarije en trokken te land naar +Palestina. Daarentegen scheepten de Graaf van Holland (Willem I) en +de Graaf van Wieden met de overigen zich op de Maas in, en stevenden +door de Middellandsche Zee naar Ptolomais, alwaar de verzamelplaats +der Kruisvaarders was. De Friezen behoorden tot de vloot des Graven +van Holland. Deze geheele reis tot op de aankomst in Ptolomais is van +eenen Kruisbroeder [164], die den togt mede heeft gemaakt, naauwkeurig +beschreven geworden. Het reisverhaal daarvan is te vinden in Emo's +Chronicon (p. 16-35), waaruit ik het volgende overneem: + +»Op het einde van Mei 1217 ligtten de Friezen in den Lauwerstroom +de ankers, en staken met groote schepen, die zij Koggen noemden, uit +den stroom in zee. Onder Engeland ontmoetten zij eene groote vloot, +onder bevel der Graven van Holland en Wieden [165]. Hier werden het +plan des geheelen togts en wetten ontworpen, waaraan een iegelijk moest +gehoorzaam zijn. De Graaf van Holland [166] werd tot eersten Admiraal +der gansche vloot benoemd, die in twee afdeelingen afzeilde. De eene +werd door den Graaf van Holland zelven, de andere door dien van Wieden +aangevoerd, en de Friesche schepen behoorden onder het smaldeel des +Graven van Holland. + +Eerst kwamen zij in de havens van St. Mattheus en vervolgens te Faro +(of Ferrol), eene stad in Gallicie, aan. De Kruisbroeders ontscheepten +zich hier, en gingen te voet in bedevaart naar St. Jacob van +Compostella. Hier bezochten zij de heilige overblijfsels (reliquiën) +des Apostels, en bragten hem hunne offers. Toen zij weder scheep +gegaan waren, voeren zij eerst wegens tegenwind noordwaarts af, en +laveerden eindelijk met veel moeite naar Portugal; zij ankerden voor +Salerno, lieten zich daar van den Abt te Alkubar vele wonderen en +avonturen verhalen, en voeren na eenige dagen den Taag op, totdat zij +eindelijk te Lissabon aanlandden. De daar aanwezige Bisschop wendde +al de kunsten zijner welsprekendheid aan, om het Kruisheir te bewegen +tot het verdrijven der Saracenen uit Spanje. Door verdelging dezer +barbaren, zoo sprak hij, zouden de Christenen God dezelfde dienst +bewijzen, als wanneer zij, Hem ter eere, in Palestina hunne handen +in Saracenen-bloed wieschen. Sommigen lieten zich begoochelen, +en bleven met hunne schepen in de haven van Lissabon liggen. De +meeste Kruisvaarders echter en inzonderheid de Friezen lieten zich +van hun voornemen, om in het Heilige Land veroveringen te maken, +niet aftrekken. Zij ligtten vervolgens wederom het anker, en voeren +het gebergte St. Vincent om. Door hevigen storm moesten zij de haven +St. Maria binnenloopen. Deze was eene wel versterkte stad, waarvan +de hooge muren zoo dik waren, dat boven op dezelve twee ruiters +elkander konden voorbij rijden. Het leger was onderling niet eens, +of men de stad aantasten, dan wel met den eersten gunstigen wind weder +onder zeil gaan zoude. Toevallig vertoonden zich vele Saracenen voor +de stad. De Friezen hieven een lofzang (Hymnus) aan, vielen op den +vijand in, en drongen hem binnen de stad terug. In de schemering zag +een Fries eenen Saraceen, die zich door middel van een koord van den +muur liet afzakken. Deze gelegenheid maakte hij zich ten nutte: hij +doodde den Saraceen en steeg naar boven. Als hij nu met dat touw velen +zijner makkers had opgetrokken, plantten zij een krijgsvaan boven op +den muur: deze koene strijders drongen vooruit tot aan de poort. De +wacht, die zich daar bevond, werd op het gezigt der Christenen door +eene plotselijke schrik bevangen, geraakte in wanorde, en kon niet +beletten dat de poort geopend werd. Het gansche leger drong binnen, +en zoo werd de stad veroverd, en nu rigteden de Christenen een groot +bloedbad aan, plunderden alles wat hen voorkwam, en staken tot afscheid +de stad in brand. + +Vele Kruisbroeders, waarschijnlijk dweepzieke monniken, hebben in de +wolken het beeld der heilige Maria gezien, welke over het geluk en +de gedragingen der Christenen met welbehagen glimlachte. De Priesters +hadden moeten doen zien, dat de heilige maagd tranen stortte over deze +Christelijke barbaren!--Dit geschiedde den 1 Augustus:--twee volle +maanden hadden dus onze Friezen reeds rondgezworven. Des anderen +daags ligtten zij wederom de ankers, voeren digt onder de Spaansche +kusten langs, en landden te Roden. Het gerucht van den gruwel der +verwoesting in St. Maria was reeds tot hier doorgedrongen. De bevreesde +Saracenen hadden de stad verlaten; de Christenen trokken de ontvolkte +stad binnen, plunderden dezelve, volgens loffelijke gewoonte, uit, +en legden haar in de assche. Eenige Christenen hadden zich op de bij +de stad liggende wijnbergen verspreid, in de hoop van ook daar nog +eenigen buit te behalen; maar de Saracenen lagen daar in sluipholen +verborgen, kwamen onverwacht te voorschijn, en vermoordden allen, +die zich niet met de vlugt tot aan de haven redden konden. Daarop +gingen de Christenen naar Kadix, en ook deze reeds destijds rijke +stad was van de Saracenen verlaten. De Kruisvaarders sloopten eene +bij uitstek kostbare moskee tot den grond toe, plunderden de stad +en de omliggende landhuizen uit, en namen, van roof verzadigd, het +vroom besluit, deze prachtige stad door het vuur te verwoesten. + +Nu rigteden de Christelijke zeeroovers hunne koers naar de straat van +Gibraltar. Een zware storm uit het Oosten belette hun de doorvaart, +en verstrooide de vloot; 86 schepen, waaronder die der Friezen, liepen +in de havens van Sevila aan den mond der Guadalquivir binnen. Drie +dagen daarna liepen zij uit met eenen gunstigen wind, geraakten +gelukkig door de straat, verzeilden op den vierden dag daaraan uit +onkunde naar het eiland Ivica, en kwamen na eenige dagen te Tortoso +aan den mond van den Ebro. Zij gingen aan land om versch water +in te nemen, bleven hier twee dagen, en stevenden naar Barcelona, +waar zij verscheiden schepen hunner door den storm verstrooide vloot +aantroffen. In de haven van den H. Felicianus (St. Felice de Guixolis) +in Catalonië vonden zij het overschot derzelve weder. + +De vloot ging weder onder zeil, en ankerde in de haven van +St. Mardrianus omtrent Marseille. Nu hielden zij zich digt langs de +kusten van Frankrijk en daarna van Italië, voeren Nizza, Pisa, Genua, +Livorno en andere steden voorbij, en kwamen eindelijk te Piombino in +Toskanen. In Piombino vertoefden zij 8 dagen, en rigtten nu hunnen +koers naar Messina op Sicilië; dan storm en tegenwind dwongen hen +om naar Civita Vecchia te zeilen. Daar het jaargetijde zoo verre was +verloopen, besloot men hier de winter kwartieren te betrekken, want +het was reeds 9 October toen de vloot in de haven van voornoemde stad +voor anker kwam. Vijftehalve maand had dus de vloot van huis af naar +Italië te zoek gebragt. Zulk een lange tijd kan ons niet bevreemden, +als men denkt, dat de vloot geenszins de volle zee, maar altijd de +kusten gehouden, en in vele havens vertoefd heeft. Ondertusschen was +de haven van Civita Vecchia niet ruim genoeg om de schepen allen +te bevatten, weshalve zich eenigen van de vloot afscheidden. 18 +Friesche bodems liepen de haven van Corneto binnen, alwaar zij +op uitdrukkelijken last van Paus Honorius III, inzonderheid omdat +zij in Spanje zoo dapper gestreden, zoo vele Saracenen onthalsd en +steden verwoest hadden, heerlijk onthaald werden; ja, de Paus had +zoo veel met hen op, dat hij hun tweemalen de Veronica (het in den +Zweetdoek afgedrukte gelaat des Heilands) liet zien. Tot den 21 Maart +1218 lagen de Friezen daar in de winterkwartieren. Bij hun vertrek +werden zij door de gezamenlijke ingezetenen met 158 vanen in heiligen +optogt tot aan de schepen begeleid. Zeer velen uit deze stad en het +omliggende land, van Viterbo, Sièna, Vetralla enz. scheepten zich +met 40 vanen met de Friezen in. De bevelhebber van Corneto liet bij +den aftogt het volk eenen kring maken, plaatste zich in het midden, +en hield eene aanspraak, waarin hij de dapperheid der Friezen roemde, +en hun zijne mede vertrekkende landslieden hartelijk aanbeval. Na het +eindigen zijner rede overhandigde hij den Friezen een Krijgsvaan, ten +teeken des opperbevels over de medetrekkende Italianen. Nu gingen zij +aan boord, en vereenigden zich met de van Civita Vecchia uitgeloopen +vloot. Na eenige, hoewel niet belangrijke tegenheden, landden zij te +Sijracuze aan, waar zij den palmzondag vierden. Onder Creta leden +zij eenen zwaren storm, die de vloot verstrooide, doch de meeste +schepen liepen daar eene haven in. Zij zeilden vervolgens Cnidus, +Rhodus en Cyprus voorbij, en kwamen eindelijk, den 26 April 1218, +te Ptolomais aan. + +In deze haven vonden zij Johannes, Koning van Jeruzalem, Andreas, +Koning van Hongarijen, den Koning van Cyprus, de Hertogen van +Oostenrijk en Beijeren en andere groote Heeren met het geheele +Christen-leger, hetwelk men op 80,000 man berekende. Ondertusschen +hadden die Kruisvaarders, welke zich door de reden des Bisschops hadden +laten overhalen in Lissabon te blijven, op de Saracenen in Portugal +eenige veroveringen gemaakt; doch op bevel van den Paus zijn zij van +daar opgebroken, en onder aanvoering van Graaf Willem van Holland met +eenen gunstigen wind, nog vroeger dan hunne voormalige togtgenooten, +te Ptolomais, de verzamelplaats van dezen Kruistogt, aangekomen. + +Het thans weder vereenigde leger maakte het volgende plan: Damiate, +de sleutel van Egypte, zoude veroverd worden, dan ware het den +Christenen gemakkelijk Cairo en Alexandrië den ongeloovigen te +ontrukken. Wanneer op deze wijze Egypte in handen der Christenen viel, +zoo kon men den ongeloovigen in Syrië en Palestina de pas van Egypte, +van waar zij toevoer en rekruten ontvingen, afsnijden, en zoo moesten +dan Syrië en Palestina zich van zelf overgeven. Sed homo proponit; +Deus disponit!--»Doch de mensch maakt plannen; God beschikt!" + +Ingevolge dit plan ligtte de vloot het anker, en stevende in 3 dagen +naar Egypte. Met zeer veel moeite liep zij den Nijl in, waar toen de +manschap niet ver van Damiate aan land stapte. Hier vertoonden zich +vele Saraceensche ruiters aan het strand, hetzij om de ontscheping te +beletten, hetzij om de Christenen te verkennen. Een gespierde Fries +met breede schouders zwaaide zijne lans, en daagde den eersten den +besten Muzelman uit; eene gewoonte, die sedert Goliath's tijd en nog +vroeger zich tot nu toe had staande gehouden. Een Saraceensch ruiter +reed voor, maar werd oogenblikkelijk door den uitdager uit den zadel +geligt en afgemaakt [167]. De Saracenen beschouwden dit als een kwaad +voorteeken, en trokken in de stad terug. Diamiate was eene voor dien +tijd bijzonder sterke stad; zij was met eenen driedubbelden muur, +de een hooger dan de ander, omgeven; digt langs den muur liep de Nijl +met een' krommen arm om dezelve. Op de zijde der stad lag de voorstad, +welke door een' sterken toren gedekt werd. Dezen toren kon men niet +naderen, daar zij op een eilandje stond, welks geheele oppervlakte +door den voet des torens werd beslagen, zoodat de toren uit het +water scheen op te rijzen. Tusschen dezen en eenen anderen even +zoo gelegenen, ofschoon kleineren toren, lag de haven, en van beide +torens was eene zware keten gespannen, om de haven te sluiten. Nadat +men eenige vruchtelooze aanvallen op de stad en den toren had gedaan, +vonden de Duitschers uit het Bisdom Keulen een kunstig werktuig uit, +waarmede zij den toren dachten te veroveren; doch ook dit mislukte. + +De Zomer liep reeds ten einde, zoodat men aan de verovering der +stad begon te wanhopen. In dezen hagchelijken toestand kwamen +de Friezen op eenen bij zonderen inval. Zij klampten twee hunner +grootste schepen aan elkander, welke naar één breed schip geleken: +op deze beide schepen maakten zij vier sterke masten in een vierkant +vast. Tusschen deze masten rigtten zij een houten bolwerk op, dat zij +met sterke kruisgewijze gelegde balken verzorgden, en van buiten met +natte koehuiden overtrokken. Boven op het bolwerk hadden zij lange +ladders, die zij op den toren werpen en waarmede zij dan deszelfs +platte oppervlakte bereiken konden. Vervolgens sloegen zij op een ander +schip een lager bolwerk op met naar buiten vallende bruggen, om aan +den voet des torens te komen, en met deze beide werktuigen voeren de +Christenen tot aan den toren. De Saracenen benaauwden de belegeraars +met hunne pijlen, die zij van boven van den toren afschoten, en met +het Grieksche vuur, dat echter door de natte koehuiden weinig werking +kon doen. Gedurende dit gevecht lagen de Patriarch en gezamenlijke +Geestelijken op de knieën, hieven de gevouwene handen ten hemel, en +riepen God, doch inzonderheid Maria en St. Bartholomeus (het was juist +Bartholomeus-dag) om hulpe aan. Eindelijk gelukte het den Christenen +uit het bovenste bolwerk ladders op den toren te werpen. Hendrik, +een Luikenaar, en Haije, een Fries van Fivelingo uit Groningerland, +waren de eersten, die den toren beklommen. De eerste had eene zware +kolf en de laatste een ijzeren dorschvlegel, die met ijzeren ringen +aan elkander gezet en versterkt was, in de hand. Elke slag gold +eenen gekneusden kop, ontwrichten arm of stukken geslagen beenen; +zoo maaiden zij regts en links om zich henen, en maakten ruimte voor +hunne makkers. De Saracenen, die van boven van den toren naar beneden +gedrongen waren, wierpen Grieksch vuur uit, waardoor de Christenen +zoo bestookt werden, dat zij den toren weder moesten verlaten. Daar +evenwel de vijand ook den toren verlaten had, zoo kreeg het andere +schip met het lage bolwerk lucht. Men wierp de bruggen uit, en naderde +den toren van onderen. Als zij nu met alle magt op de poort aanvielen +om die met geweld te doen bezwijken, gaven de Saracenen den toren bij +verdrag over. Eenige buitenlandsche Schrijvers voegen hierbij, dat +het groote schip van voren met eene sterke ijzeren zaag is voorzien +geweest, en dat de ketting, door tegen haar met volle zeilen aan te +varen, is gesprongen [168]. + +Toen de Christenen den toren hadden, werd ook spoedig daarop +de voorstad bemagtigd; doch de stad zelve konden zij nog niet +bemeesteren, omdat zij bestendig uit het leger des Sultans Meleddin +[169] toevoer en ondersteuning ontving. Het Christen-leger had ook veel +te lijden van overstrooming des Nijls, waarom vast- en biddagen werden +ingesteld. Toen de Nijl naderhand binnen zijne oevers terug trad, +vernielden de Duitsche Kruisbroeders eene schipbrug, over welke de +belegerden toevoer ontvingen uit het Saraceensch leger. Toen wies der +Christenen moed; zij wierpen zich tusschen het leger des Sultans en de +stad, en vielen hem eindelijk nu eens gelukkig, dan eens ongelukkig, +zelfs in zijn leger aan. De Sultan werd deze kwellingen eindelijk +moede, en bood den Christenen het vrije bezit van Palestina, het kruis +des Heilands, het ontslag der Christen-gevangenen en een eeuwigen vrede +aan. Het Kruisleger en vooral de Duitschers en Franschen lieten zich +het aanbod gaarne welgevallen, maar de Pauselijke Legaat protesteerde +en verlangde de geheele uitroeijing der Saracenen en Turken. Deze +zielenherders kregen eindelijk bij de Christelijke schapen gehoor, +men vocht nog een tijdlang met de ongeloovigen, en bereikte ten +laatste, op het einde van Aug. 1219, door bemagtiging van Damiate, +welke stad schier geheel door de pest was uitgestorven, het eerste +gedeelte hunner wenschen. Natuurlijk viel hier in deze rijke en weleer +volkrijke stad weder kostelijken buit te maken, dien de Christenen +eerlijk onder elkander verdeelden. + +Toen Damiate was overgegaan, trok de Sultan naar Cairo terug. Men +hield zich wederzijds langen tijd in dit en het volgende jaar stil, +doch eindelijk beval de Paus tegen den zin der meeste Christenen en +zelfs van Koning Johannes den vijand te vervolgen. Dit bevel kwam +ter kwader uur, daar de Nijl overstroomde, en groote verwoesting in +het Christenleger aanrigtte. Nu zagen zich de Christenen genoodzaakt +met de ongeloovigen vrede te sluiten. De vredesvoorwaarden waren +deze: de gevangenen zouden van wederzijden vrijgelaten worden; de +Christenen moesten Damiate ontruimen, en de Sultan moest hun het +te voren door Saladin veroverde Kruis des Heeren uitleveren. Deze +was de eindelijke vrucht des ganschen togts, want in Aug. 1221 werd +Damiate weder overgegeven. Zoo was dan wederom alles verloren, en de +Christenen trokken weder huiswaarts." + +Ik kan niet voorbij hier nog aan te voeren dat de bovengemelde Olivier +dezen Kruistogt in persoon heeft bijgewoond. Misschien is hij zelf +de vervaardiger van het Itinerarium (Reisverhaal) geweest. Uit het +leger voor Damiate heeft hij een brief aan de Abten, Prelaten en +Burgemeesteren (Consuls) in Friesland geschreven. Ik neem hier het +volgende uit over, dat den Friezen tot eer verstrekt: + +»De Zegepraler in Israël, van wien alle goede gaven en volmaakte giften +afdalen, heeft uw vroom en in de moeijelijkheden der vreemdelingschap +volhardend volk op aarde groot gemaakt, bereidende hun een' +triomfwagen, als hebbende eene eeuwige belooning bij tijdelijken +roem verdiend, dewelke zij nooit zullen verliezen, indien zij den +ingetreden weg ten einde toe blijven bewandelen. Bij Damiate immers +hebben zij zich door betoon van groote nedrigheid, milddadigheid, +gehoorzaamheid en stoutmoedigheid, bij de Saracenen geducht, bij de +Christenen bemind gemaakt. Weshalve wij U, Prelaten" enz., enz. + +»Geschreven bij Damiate op het feest der H. Kruisverheffing." + +De Patriarch van Jeruzalem gaf den Friezen bij hunnen aftogt eene +loffelijke getuigenis mede, waarin onder anderen het volgende voorkomt: + +--»en nadat zij met ons in Egypte zijn gekomen, hebben zij veel +leeds uitgestaan, zoo ten aanzien van hunne personen als van hunne +geldmiddelen. Wij hebben hen van hunne dienst ontslagen en laten +vertrekken, volgens de toelating door de Roomsche Kerk in de algemeene +kerkvergadering verleend. Wij geven eene loffelijke getuigenis aan +het Friesche Volk, daarom, dat zij eenen braven wandel hebben geleid, +en dapper en vroom gestreden hebben in de dienst van J. C. Weshalve +wij u vermanen en van uwe bescheidenheid in den Heere bidden, dat +gij deze zelfde Friezen, uit hunne vreemdelingschap terugkeerende, +in gunst moogt ontvangen," enz.-- + +Zoo veel van dezen togt. + +Naauwelijks waren de Kruisvaarders weder te huis gekomen, of de heilige +Vader Honorius II begon reeds weder alarm te blazen. Keizer Frederik +II nam zelf het Kruis aan, doch scheen zich, na den dood van Honorius, +om zijne gelofte weinig te bekommeren; hij werd door den opvolger +van Honorius, Paus Gregorius, in den ban gedaan, trad wakker met den +Heiligen Vader in het strijdperk, en ondernam eindelijk in 1228 den +Kruistogt. Terstond bij zijne aankomst boden hem de Saracenen eenen +10 jarigen wapenstilstand aan, waarbij zij hem Jeruzalem, Nazareth +en Sidon inruimden. Daarop liet hij zich tot Koning van Jeruzalem +kroonen, en keerde terstond daarna terug. Ook aan dezen togt hebben +de Friezen deel genomen, en zoowel de Paus Honorius, als de Keizer +Frederik moedigden de Friezen aan, den togt mede te ondernemen. De +Paus streek den Friezen in eenen brief van 1226 niet weinig honig om +den mond. Onder anderen zegt hij in dien brief: + +»Voorwaar, daar de Friezen weleer met onderscheiding in den Kruistogt +ter zee den Heere gediend hebben in de overzeesche landen, zoodat +uw gedenkboek van geslacht tot geslacht met vermelding van uwen lof +zal aangehaald worden, zoo hebben wij noodig en raadzaam gedacht, +ulieden als beroemde Kampvechters wel bijzonder tot het volgen van +dezen (togt) te moeten oproepen, vastelijk hopende en vertrouwende, +dat gij, die onder overige volken uitmunt in grootmoedige dapperheid, +den strijd des Heeren mannelijk en met kracht zult strijden. + +»Wij bidden u dan allen enz." + +En Keizer Frederik schrijft onder anderen: + +»Want buitenlands is uw krijgsbeleid gevreesd en ondervonden van +die volken, tot welker uitroeijing gij weleer uwe krachten loffelijk +geoefend hebt, terwijl het bloed van uwe martelaren in de dienst des +Kruises geplengd, glansrijk blinkt, en hunne roemrijke ligchamen door +de bezetting en verovering van Damiate herdacht worden. Ontbrande +dan uwe dapperheid!-- + +»Gegeven te Salerno 1 Febr. 14de Indictie."-- + +Olivier kwam ook weder in Mei 1224 in Friesland, en predikte eerst +in Groningen, daarna in Reiderland en in 't Emderambt het Kruis; +voornamelijk echter hield hij zich te Uttum en Groothuizen (Huttum en +Usum zegt Emo) op, waar hij evenwel weinig uitwerkte. Vervolgens zond +hij door geheel Friesland herderlijke brieven rond, en vermaande de +Friezen met de Denen, Bremers en de Keulenaren, die reeds eene vloot +begonnen uit te rusten, gemeene zaak te maken, terwijl de eerste +bemoeijing der Geestelijken was, om geld voor den te ondernemen +Kruistogt te verzamelen. Onze geschiedschrijver Emo liet zich zelven +daartoe gebruiken, en bragt eene aanzienlijke som bijeen. + +Den 22 Mei 1227 gingen de Friesche schepen bij Borkum onder zeil; +de manschap echter leed veel door allerlei gevaar, storm, ziekte en +honger, en kwam, merkelijk ontdaan, eindelijk in Palestina [170]. Het +einde van dezen togt heb ik reeds boven kortelijk opgegeven. + +In het jaar 1247 werd eene groote kerkvergadering te Lyon in Frankrijk +gehouden, op welke nogmaals een heilige krijg tegen de ongeloovigen +werd vastgesteld. Koning Lodewijk de Heilige nam zelf het Kruis aan, +en de Paus zond, op bijzonder verlangen des Konings, den Bisschop +Albert van Riga en Willibrand, een monnik uit het Mentzsche, naar +Friesland, alwaar zij alle Abten, Dekens, Priesters, Edellieden, +regterlijke Beambten en de voornaamste Mannen verzamelden, en hun den +Pauselijken lastbrief voorlazen. Terstond liet zich eene groote menigte +tot dezen togt aanwerven; maar toen den Friezen werd aangekondigd, +dat zij tegen Mei 1248 reeds tot den togt gereed moesten zijn, +schreeuwden allen, dat deze bepaalde tijd veel te kort was. Daarop +werd de tijd des aftogts tot Mei 1249 uitgesteld. + +Deze Krijgstogt is voor de Christenen van rampzalige gevolgen geweest, +daar bijna het geheele Christelijke leger in Egypte, deels door de +pest, deels door het zwaard, werd vernield, en de Koning Lodewijk +zelf gevangen genomen. Door klinkende munt en eenen schandelijken +vrede kocht hij zijne vrijheid weder. Of nu de Friezen dezen togt +mede gedaan hebben, en werkelijk uitgezeild zijn of niet, melden ons +de geschiedschrijvers niet [171]. Waarschijnlijk hebben de Friezen, +daar zij te huis genoeg te doen hadden, en den nieuw verkozen Roomsch +Koning Willem reeds in 1248 Aken hielpen veroveren, doch daarna met +hem in onmin geraakten, en hem, gelijk uit 's Konings geschiedenis +genoeg bekend is, in de tegenwoordige provincie Friesland om hals +bragten, aan dezen togt geen deel genomen [172]. + +Zeer aardig herinnert een Bisschop van Syrië in eenen uit Ptolomais +geschreven brief na het jaar 1260 hun aan hunne pligten. Hij +noemt zich: »Frater Thomas de ordine Praedicatorium, Dominici +praesepii et virginalis puerperii custos indignus, Apostolicae Sedis +Legatus." »Broeder Thomas van de orde der predikheeren, onwaardige +bewaker van de kribbe van Dominicus en het maagdelijk kraambed, +legaat van den Apostolischen zetel." Hij meldt daarin (de ruimte laat +niet toe, den geheelen merkwaardiger en kluchtigen brief hier in te +lasschen) onder anderen, dat de Friezen, die voor 10 en meer jaren +het Kruis hebben aangenomen, hunne kruisgeloften gestand doen, en +opkomen, of wettige redenen van hun uitblijven opgeven moeten. Daarbij +verzoekt hij de Proosten en Dekenen de Friesche vrouwen, welke het +Kruis hebben aangenomen, den togt af te raden, dewijl men, helaas, +meermalen de treurige ervarenis heeft gehad, dat door verleidingen +des Satans deze vrome vrouwen reeds aanstonds op weg afschuwelijke +hoererij en echtbreuk bedreven hebben. Wanneer deze goede kinderen +slechts zooveel baar geld betaalden, als hun de reis heen en weder +zou kosten, dan konden zij rustig te huis blijven, en nu besluit hij: + +»Aan alle welke voornoemde vrouwen en anderen, die op voorzeide +wijze mogen verschoond worden, wij uit kracht van de aan ons door +den Apostolischen Stoel verleende volmagt die vergeving van zonden +schenken, welke zij zouden verwerven, zoo zij het Heilige Land in +persoon bezocht hadden." + +Koning Lodewijk nam in 1267 andermaal het Kruis aan, en zond naar +Friesland eenen monnik, Gerhard, om aldaar het Kruis te prediken. Deze +trok geheel Friesland door, doch hield zich den meesten tijd, volgens +getuigenis van den gelijktijdigen Schrijver Menco, in Norden op, alwaar +hij het Jakobiten-Klooster stichtte. Het gelukte hem ten behoeve van +dezen voorgenomen togt den ingezetenen groote sommen gelds uit de +beurs te praten, en een groot getal strijdbare mannen te overreden, +zich met het Kruis te laten teekenen. + +Thans werd eene betere orde ingevoerd. Opdat niet wederom allerlei +janhagel den togt mede ondernemen, en zich op kosten van het Kruisleger +mesten, of ook weerlooze vrouwen vervolgens wanorde in het leger +veroorzaken mogten, werd uitdrukkelijk bevolen dat alle vrouwen, +zonder onderscheid, te huis blijven, en ieder Kruissoldaat 7 mark +sterling aan klinkende munt, vervolgens 7 ton boter, een halven os, +een ham, een half mudde meel en zoovele wapens en kleederen, als hij +zou noodig hebben, medenemen moesten. + +In 1269, kort voor Paschen, scheepten de Friezen zich in. Zij +verzamelden zich bij Borkum, en moesten daar 20 dagen wegens westelijke +tegenwinden blijven liggen. De uitgeloopene Friesche vloot bestond, +behalve de kleine schepen, uit 50 koggen. Met goeden wind landden zij, +na volgens gewoonte vooraf in eenige havens te zijn binnengevallen, te +Marseille aan. De Koning van Frankrijk had met de Friezen afgesproken +hen tot St. Jan in te wachten; dan daar deze tijd verstreken was, zoo +was de Koning met zijne vloot reeds voor de aankomst der Friezen naar +Tunis afgezeild. De Sultan had een sterk leger naar Afrika gezonden, +waarom de Koning vreesde, dat de Turken, na den aftogt der Christen +troepen, in Sicilie, Italie, Frankrijk en Spanje eene afwending zouden +maken. Daar ook de Saracenen in Syrië en Palestina veel ondersteuning +en levensmiddelen ontvingen van de Barbarijsche kusten, zoo achtte hij +het voordeelig eerst Tunis te verwoesten. De Friezen morden over dezen +togt, en wilden liever naar Palestina, doch lieten zich ten laatste +door eenen geestelijken overreden den Koning na te zeilen. Bij hunne +aankomst vernamen zij wel, dat de Koning de Ongeloovigen geslagen en +Tunis reeds ingesloten had, doch tevens dat hij zelf kort daarna aan +de pest gestorven was. Op dit berigt wilden de Friezen oogenblikkelijk +weder naar Syrië afzeilen; dan, daar juist ten zelfden tijde de broeder +des overledenen Konings Lodewijk, de Koning Karel van Napels, met eene +versche vloot aankwam, zoo lieten zij zich bewegen, daar te blijven. De +belegering werd dan ijverig voortgezet; de Saracenen deden eenen uitval +op eene afdeeling Duitschers en Friezen, die verspreid nabij de stad +ginds en herwaarts liepen, om den vijand uit zijne verschansingen +te lokken. De Christenen togen aanvankelijk in wanorde terug, maar +herstelden zich weldra weder, rukten als één man tegen den vijand +op, en dreven hem tot eene rivier, die voorbij Tunis stroomt. Vele +Ongeloovigen sneuvelden door het zwaard, de meesten echter verdronken +in den vloed. De stad kon door storm niet ligt veroverd worden, omdat +de pest in het Christenleger eene groote verwoesting had aangerigt: +desniettemin werden de belegerden zoo benaauwd, dat zij den Christenen +eenen vrede aanboden. De inhoud der aangenomene vredes-voorwaarden was, +dat de gevangenen van wederzijde bevrijd,--Tunis aan Koning Karel eene +jaarlijksche schatting betalen,--en de Christenen op de Middellandsche +Zee door geene zeeroovers zouden ontrust worden. Het leger werd +daarop ontbonden, en de meeste Italianen en Franschen gingen weder +naar huis; dan de Friezen, Duitschers en Engelschen vervolgden hunne +reis en zeilden naar Palestina. Onder weg leden zij veel door storm +en ziekte, en kwamen in veel verminderd getal eindelijk te Ptolomais +aan, alwaar zij het Christen-leger in eenen jammerlijken toestand en +verderfelijke oneenigheid aantroffen, welke tweespalt de Saracenen zich +ten nutte, en vele veroveringen hadden gemaakt. Intusschen werden de +Friezen door de Tempelheeren wel ontvangen en kostelijk onthaald: zij +werden naar Tyrus gevoerd, alwaar men aanzienlijke hulptroepen van de +Christenheid en bijzonderlijk van Koning Karel van Napels verwachtte, +doch daar deze uitbleven, zoo kregen ook de Friezen het heimwee. Hunne +uit den storm nog overgeblevene schepen waren zoo jammerlijk gesteld, +dat zij geen zee konden bouwen, zoodat zij zich in vreemde vaartuigen +moesten inschepen, en van elkander afgescheiden, sommigen door Italië, +anderen door Frankrijk afzonderlijk terugkwamen. De meesten echter +hadden hunnen dood in Afrika, in de Middellandsche Zee en in Palestina +gevonden, terwijl het geringe in het Vaderland terugkeerend overschot +ledige buidels, hongerige magen en zieke ligchamen mede terugbragt. + +Van nu af aan waren de Christenen te zwak om den Turken het spits te +bieden. De eene vesting ging na de andere over. Antiochië, Cesarea, +Joppe en andere steden kwamen in handen der Turken. Ten jare 1291 +werden ook Ptolomais, Tyrus en Berytus heroverd. Zoo behielden dus de +Christenen der Latijnsche Kerk, die ter verovering en beheersching +des Heiligen Lands, zoo vele millioenen verspilden, en zoo veel +bloeds deden stroomen, in Palestina geen voet gronds. Paus Nikolaas +IV, wien dit zeer ter harte ging, wekte wel alle geestelijke en +wereldlijke Vorsten tot eenen nieuwen togt op, doch zijne pogingen +waren vruchteloos [173]. + +Palestina, ontbloot van allen bijstand, verzonk weder in de oude +slavernij, die misschien dragelijker was, dan de heerschappij van +teugellooze schraapzuchtige Christenen.--En dit was het einde der +heilige oorlogen of vrome razernij, die omtrent twee honderd jaren +gewoed, en Europa omtrent zeven millioenen menschen en onmetelijke +schatten gekost heeft. + +Wat nu het goed en kwaad betreft, het is moeijelijk te beslissen of de +Kruistogten meer voordeel dan nadeel aan Europa hebben toegebragt. Dus +oordeelt er de Duitsche Geleerde J. G. Mair over [174]. Heeren is door +zijn onderzoek der gevolgen van de Kruistogten voor Europa [175] tot +het gunstig resultaat gekomen, dat zij wel niet op eens eene betere +wereld schiepen, maar die voor de nakomelingschap hebben voorbereid. + +Wakker van Zon heeft, in zijne Bijdrage tot de Geschiedenis der +Kruisvaarten, voor ons Vaderland daarin weinig voordeel kunnen vinden, +en laat het nadeel ver het overwigt behouden; zelfs in de heftigheid +van zijn betoog uitroepende: »Rede! Deugd en Godsdienst! wij leggen +op uw heilig altaar de plegtige en onherroepelijke bekentenis af--, +dat de Kruisvaarten ons Vaderland tot eene bron van onuitrekenbare +ellende verstrekt hebben!"-- + +Zoo zijn er meerdere gevoelens van geleerden uitgebragt, terwijl +die Schrijvers, welke niet overdrijven, maar den middelweg hebben +bewandeld, zoo als Heeren en Luden, gewis den voorrang boven anderen +verdienen [176]. + +Voor Friesland waren gewis de gevolgen ook van groot belang. De +burgerlijke vrijheid is er zeer door bevorderd: want een slaaf werd +vrij man, en de haat en wraak der aanzienlijke geslachten werden +getemperd. Het werkzame deel des volks werd door den landbouw als +anderszins voor armoede beveiligd, en de zedelijke beschaving zal +er allengs bij gewonnen hebben. De handel in de X eeuw nog in zijne +kindschheid, moet eene eeuw na den aanvang der Kruistogten te Stavoren +reeds tot grooten bloei zijn gekomen: want deze stad en Bolsward +tot de Hanzesteden behoorende, voerden hunne koopwaren naar Brugge, +werwaarts de Lombarden hunne Oostersche goederen bragten, om dezelve +zoo door de Hanzesteden weder in het Noorden te verspreiden. De +welvaart, pracht en weelde der XIII en XIV eeuwen kunnen van deze +gevolgen getuigen.--Kunsten en wetenschappen, altoos met den handel +zich parende, moesten ook wel in Friesland toenemen.--Dan het nadeel +heeft zich ook voor dit gewest geopenbaard, en in de onheilen moest +het dus ook aandeel hebben. + + +Bl. 72. + +Omtrent den jare 1100 was er een voornaam Bouwkunstenaar, zijnde een +Fries, die voor den Bisschop van Utrecht eene fraaije kerk bouwde, +doch misnoegd over deszelfs behandeling, den Bisschop om het leven +bragt. Dit zal het bedoelde geval zijn 't welk voorkomt in F. Sjoerds, +Jaarb. II. 285. + + +Bl. 72. + +In den jaare 1110. Door dezen strijd en nederlaag bleef de vrijheid +van Oost-Friesland bewaard, en de Friesche Graafschappen Oostergo en +Westergo genoten een aantal jaren rust en vrede. + + +Bl. 73. + +In den jaare 1119 ontstond. Het verhaal van dezen twist tusschen +Floris II en den Frieschen Edelman Galama is naauwkeurig opgeteekend +door Gabbema in zijne Watervloeden, p. 50 en 51, en bij de +Kronijkschrijvers met eenige kleine veranderingen vermeld. Zie +Tegenw. Staat van Friesland, I. 315; F. Sjoerds, Jaarb. II. 318, +welke te regt in Wagenaar (II. 213,) verbetert, dat Galama niet in +dezen twist is omgekomen, en ook een eigenlijke Fries geen Westfries +was. Schotanus, van dit voorval niet sprekende, heeft men de waarheid +daarvan betwijfeld, waarom ook welligt Cerisier (Geschiedenis der +Nederl. I. 214) niet voor de echtheid wil instaan. Bilderdyk, altijd +kwaadaardigst tegen Wagenaar, zegt in zijne Gesch. des Vaderl. II. 34: +»Wagenaar, altijd kwaadaardigst tegen de braafste Vorsten, brengt +tegen Floris in, »dat zijne uitmuntendheden van geest en lichaam niet +verhinderden, dat de Edelen dezer landen hunne vrijheden tegen het +Grafelijk geweld, dat met den aanwas van 's Graven macht meer dan te +voren gevoeld werd, moediglijk verdedigen durfden."" »En tot bewijs +van dit Grafelijk geweld en het moedig verdedigen van de vrijheden +daar tegen, komt den moedwil van Galama voor den dag.----Het geval +(waar of onwaar, want men twijfelt er aan) is eenvoudig. De Graaf +(wien naar het Leenrecht, als Vorst of wegens den Keizer regeerende, +wouden en wildernissen behooren, en alle jacht die niet afgestaan +is) in het bosch van Kreil (aan den rand der Zuiderzee, die nu dit +gedeelte verzwolgen heeft) jagende, vindt daar jagers van Galama, +wien hij als naar stijle, de daarmeê verbeurde honden ontnemen +doet. Galama verneemt dit, stuift op, zoekt den Graaf in het bosch, +spreekt den Graaf (onbesuisd, zegt Wagenaar) en onvoeglijk aan, en bij +Floris aanmerking op dien onbehoorlijken toon en taal, valt hem met +den blooten degen op het lijf en doorboort hem den arm!--Zie daar" +enz.; hier volgt weder eene onbehoorlijke uitval op Wagenaar en een +schampschot op de onschendbaarheid en wijsheid, gezeten hebbende in +de majestueuze Amsterdammer paruiken. + +Dit is dus met een kort woord aan Galama zijn regt ontnomen, +hem als overtreder des Roomschen regts veroordeeld, en Floris +geregtvaardigd. Wij houden het er daarentegen voor, dat het niet +bewezen is of Graaf Floris in het Kreilerwoud iets had te zeggen, en +zoo niet, dan beschouwen wij de daad van Galama (niet gelijk Bilderdyk) +als die van een dolleman, maar van een regtschapen Fries, die zich door +geen Hollandschen Graaf naar willekeur liet regeren en behandelen, hoe +deze dan ook het Kreil, Galama's eigendom, mogt beschouwen. Waarom +dit voorval onder de verdichtselen geplaatst zou moeten worden, +daarvoor kunnen wij geene reden vinden. Friesch Jierb. 1833, § 22; +Bijvoegsels op Wagenaar, II. D. bl. 72. + + +Bl. 73. + +In den jaare 1143. In onze kronijk wordt niet vermeld, zoo als bij +andere Schrijvers, dat omstreeks dezen tijd, onder de regering van +Keizer Koenraad III, vele bewoners der tegenwoordige Nederlanden, +op verzoek van den Graaf van Holstein, Adolf, na de verdrijving der +Obodriten, eenige landstreken aan de Elve gingen bewonen, en hoezeer +door deze woeste Wandalen weder aangevallen, met ongehoorde dapperheid +tegen dezen streden, en eindelijk, door den stoutmoedigen Priester +Gerlacus aangepord en voorgegaan, met behulp van 's Graven volk de +volkomene overwinning behaalden [177]. + +De Graafschappen Oostergo en Westergo werden door dezen Keizer Koenraad +weder aan den Utrechtschen Bisschop geschonken, welke schenking twee +jaren daarna bij eenen giftbrief werd bevestigd. Hoe echter de Friezen +over deze en dergelijke brieven dachten en hunne vrijheid wisten te +handhaven, ziet men beschreven bij Emmius, bijzonder in het VI boek, +bl. 103 zijner Friesche Geschiedenis. + +Eenige jaren hierna in 1157, of gelijk Emmius in 1165, is het vermaarde +klooster Ludingakerk bewesten Franeker gesticht, waarvan Wigboldus de +eerste Abt is geworden. Uit deze Abdij, met aanzienlijke landerijen +en rijkdommen begiftigd, en van den Roomsch Koning Willem II met het +eiland Flieland beschonken, kwamen de kloosters van Anjum, Achlum, +Oegeklooster en anderen voort. Tusschen Flieland en Terschelling, toen +nog aaneen, groef men, tot bevordering der aanslijking, om nog al meer +voordeelen te genieten, eene wijde gracht, tegen wil en raad van den +verstandigen Lidlumer Abt, Gerhardus, waardoor men de woedende zee +het land vernielen liet, dat noodig was te behouden ter voorkoming +van de latere ellende door storm en vloed ontstaan. F. Sjoerds, +Jaarb. II. 377; Oudh. en Gest. II. 131. + +In 1163 stichtte men het klooster Mariengaard onder Hallum, onder +opzigt en beleid van den waarlijk vromen Pastoor der kerk te Hallum, +Frederik, die daar eerste Abt werd, en de order der Premonstratenzers +omhelsd had. Doordien er een grooter toeloop was dan het klooster +bevatten kon, werd door den Abt, ter plaatse Bartlehiem genoemd in +Tietjerksteradeel, een nonnenklooster, onder den naam Bethlehem, +gebouwd. Onder de waardige Abten die deze kloosters telden, is +de godvruchtige Syardus hoog geroemd. Deze en vele anderen, die +het zoo goed met de godsdienst meenden, waren echter onbestand +tegen het ongeschikte, wanhebbelijk en zedeloos leven der +kloosterlingen.--Oudh. en Gest. I. 385; Tegenw. Staat. I. 345. + +In den jare 1165 werd de Abdij Klaarkamp in Dantumadeel gesticht, +onder 't beheer van den dorpe Rinsumageest, door vrouwe Clara, +eene rijke en godvruchtige weduwe. De Bernardiner of Cistercienzer +monniken, ook naar hunne kleeding witte en zwarte monniken genoemd, +die aanvankelijk om hunnen stichtelijken wandel en goede zeden zeer +geroemd zijn geworden, hebben hetzelve onder den eersten Abt, Eiso +betrokken, en vele kloosters in Friesland en Holland hebben onder +deze Abdij gestaan. De Abt van Klaarkamp had onder de Prelaten ter +Landsvergadering de eerste plaats. + +Deze eeuw was dus bijzonder vruchtbaar in het voortbrengen van Abdijen, +Kloosters, geestelijke Gestichten en Kerken. In den jare 1182 werd +ook door Sybe van Lidlum met hulpe van Tjalling Donia van Winsum, +tusschen Tjummarum en Oosterbierum, het Lidlumer Klooster gesticht, +'t welk na verloop van eene halve eeuw is verplaatst. Het was gesteld +onder de order der Reguliere Kanunniken. Oudh. en Gest. II. 162; +Schotanus, Beschryvinge von Frieslandt, Quarto, p. 311 en verv. + + +Bl. 76.--Ao 1170. + +Omtrent dezen tijd, is Saake Reinalda, overleden. De Geschiedenis +vermeldt dezen Potestaat als een kundig, ervaren, braaf, edelmoedig +en vredelievend man, die in allen opzigte, vrij van vooroordeel en +ongepaste eerzucht, het belang zijner landgenoten zoodanig behartigde, +dat de Edelen, de Staten en het Volk hem levenslang tot hunnen +Landsheer wilden verkiezen, welk voorregt hij echter niet begeerde, +als strijdig met zijne beginselen en 't gebruik der voorvaderen. + + +Bl. 77. + +In den jaare 1190. Omstreeks dezen tijd vindt men bij de meeste +geschiedschrijvers het eerst gewag gemaakt van Leeuwarden als stad; +doch er zijn er, die beweren, dat reeds ten jare 1149 de stad bij +dien naam zou bekend geweest zijn, daarbij aanhalende de twee brieven +door den Abt Wybaldus geschreven, voorkomende in het Charterboek van +van Schwartzenberg, I. 76, de een aan de gemeente van Leeuwarden, +houdende klagten over de zorgeloosheid van vier Priesters aldaar, +en de andere aan den Utrechtschen Bisschop, Heribertus, betrekkelijk +den slechten toestand der kerk. + + +Bl. 77.--Ao 1192. + +Als Froonakker en Godsakker. De Tempelschattingen dienden bij de +Franken tot onderhoud der Priesterschap, tot instandhouding van de +godsdienst, tot aanschaffing der offerdieren, tot bekostiging der +openbare feesten en tot verzekering van regt en veiligheid. Wij vinden +in de Friesche geschiedenis der IX en X eeuw ook de Tempelschattingen +vermeld, welke in iedere kapel, op zekere tijden, aan den Hemelkoning +moesten worden opgebragt; en wat betreft het bezit van landgoederen, +meren, wouden en stroomen, dit wordt genoeg opgehelderd uit de, bij +de bevestiging des Christendoms hier te lande, zoo rijkelijk door +de Frankische vorsten weggeschonken goederen, welke ongetwijfeld, +voor een groot deel, mede hiervan afkomstig waren. En zoo is men +op het vermoeden gekomen, dat de Vroonlanden en Vroonakkers, welke +hier en daar weleer aangetroffen werden, van deze landgoederen +afkomstig waren, en dat Franeker daarvan den naam zoude ontleend +hebben. Verg. Westendorp, Verhand. over het gebruik der Noordsche +Mythologie, bl. 335. + + +Bl. 82.--Ao 1227. + +Kastelein van Koevorden. Een Kastelein was ambtman over een +regtsgebied; oorspronkelijk kasteelman, praefectus arcis;--Borchgreve, +burggraaf, slotvoogd, enz.--Verg. den Teuthonista van G. v. d. Schueren +en Kiliaan. + + +Bl. 85.--Ao 1230. + +In den jaare 1230. Het jaar te voren schrijven de kronijken van eene +groote zonsverduistering, gevolgd door geweldigen hagel, in welk onweer +de Edelman Sixtus Botnia met zijne vrouw zou zijn omgekomen, alsmede +Douwe Galama en Jolke Taijkama. Over den vloed van 1230, zie Gabbema, +Watervloeden, bl. 70; Wins. fol. 163; F. Sjoerds, Jaarb. II. 543. + +In of omtrent dezen tijd vindt men het eerst van de veenen en +turfgraverijen gewag gemaakt. + + +Bl. 86.--Ao 1231. + +Door de Rechters van Upstalsboom. Als hier ter plaatse zeer gepast, +nemen wij een gedeelte over van het belangrijk Overzigt, geplaatst in +het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 4 October 1831, getiteld: +Herinnering aan de Landdagen der Friezen bij Upstalboom, hoofdzakelijk +getrokken uit het werk van T. D. Wiarda over dit onderwerp, en ons +medegedeeld door den kundigen beoefenaar der Friesche Geschiedenis, +Taal-, en Dichtkunde, Mr. A. Telting, Secretaris der stad Franeker. + +»Buiten de stad Aurick in Oost-Friesland is een eerwaardige +plek, rijk in herinneringen aan de vrijheidsmin en volkstrouw +onzer Friesche Vaderen. Deze plek draagt den naam van Upstalboom +(Upstallisbeam, Opstalbeam). Wij zullen ons niet verdiepen in de +verschillende gevoelens omtrent de afleiding en beteekenis van dezen +naam, dien sommigen voor eene zamenstelling houden uit Upstalling, +d. i. hoveling, eigenlijk een man uit een oud geslacht, en beam of +boom, beteekenende alzoo een' boom, waarbij zich de voornaamsten des +volks verzamelen,--anderen samengesteld achten uit up of öp, staal, +boom, d. i. bij den opgerigten boom,--anderen weder uit up of op, saal +(zaal, de oude benaming van eene plaats, waar men geregt hield) en +boom,--en nog anderen eindelijk uit up, stoel en beam, d. i. de boom, +waar de stoel des gerigts wordt gehouden. Wij laten de beslissing aan +anderen over, maar meenen zooveel met zekerheid uit dezen naam te mogen +opmaken, dat daar een of meerdere oude boomen hebben gestaan, onder +welke zich de regters zullen hebben gezeteld, terwijl de verzamelde +afgevaardigden des volks zich daar om heen zullen hebben geschaard, +alles overeenkomstig de zeden der overige Germanen, die, het voor +vrije mannen onbetamelijk achtende in beslotene plaatsen te vergaderen, +daartoe uitgestrekte vlakten of heilige wouden verkozen. Een uur buiten +Aurick vertoont zich dan ook nog een heuvel, waarop naar luid der +overlevering drie groote eiken plagten te staan, en die algemeen als +de vergaderplaats wordt opgegeven. De landlieden noemen dien heuvel den +Boombarg. Men heeft er ten aandenken later eenen grooten beuk geplant, +en de hoogte met eene kleine gracht omgeven. Daar vergaderden op den +eersten Dingsdag na het Pinksterfeest telken jare de afgevaardigden +der zeven Friesche Zeelanden. Men zag er de geestelijkheid, de edelen +en de vrijgeboren mannen uit geheel den Staat zamenvloeijen, om de +belangen des gemeenen Vaderlands voor te staan. De eerste dagen der +bijeenkomst waren der gastvrije vrolijkheid gewijd. Auricks vrouwen +en maagden ontvingen den aankomenden vreemdeling, en bragten hem +den welkomsbeker toe, met den groet: het ghilt eele frye Fryse! Nog +heden dansen hare nakomelingen op den Pinksterdag om den Meiboom, +en zingen haar volkslied: + + + »Mayboom, Mayboom, holt die faste, + Morgen krieg wy fremde lue toe gaste!"-- + + +Wanneer de eerste dagen der gulle vreugde waren vervlogen, en +langzamerhand alle afgevaardigden zich ter bestemder plaatse +hadden vervoegd, ging men over tot de beraadslagingen. Er werden +voorstellen gedaan, en voor te besluiten trok het volk ter onderlinge +beraadslaging, zoo de overlevering wil, naar een nabij gelegen dorp, +dat vandaar den naam van Rahde zou verkregen hebben. Voor den heuvel +liggen twee akkers, nog de Wandelakkers genaamd, waar men wil, +dat de Rigters gedurende deze beraadslagingen van het volk gewoon +waren heen en weêr te wandelen. De besluiten der vergadering werden +in schrift gebragt, en met een zegel voorzien. Dit zegel stelde voor +een' geharnasd' man, met eene spies in de regter en een zwaard in de +linkerhand, staande onder een' bladerrijken boom. Het groote doel +dezer landdagen was,--zoo als blijken kan uit verscheidene wetten, +tot op onze dagen bewaard gebleven, die daar gemaakt zijn,--om in +het belang van het geheele vrije land alle bestaande verschillen +zooveel mogelijk te beslechten, vrede en rust te stichten en te +bewaren, den weêrspanneling desnoods met geweld tot onderwerping te +noodzaken, zich tot gemeenschappelijke weer tegen vreemden aanval +telkens met nieuwe kracht en eendragtigen moed te verbinden, goede +en nuttige wetten in te stellen, de bestaande te herzien en zoo +noodig te verbeteren. De uitvoering der genomene besluiten berustte +bij telken jare op nieuw verkozene regters (zij worden in de Leges +Upstalbomicae van den jare 1323 § 23 Judices Zelandini genoemd, bij +Emo Abt van Werum, in zijn Chronicon, Jurati apud Upstallesbome, ook +Consules terrae). Deze vertegenwoordigden dus de hoogste magt in de +vrije Zeelanden. Wanneer is men het eerst begonnen deze landdagen te +houden?--welke der Friesche Zeelanden hebben daaraan deel genomen?--en +wanneer hebben deze zamenkomsten opgehouden?--ziet daar drie vragen, +die ieder belangstellend lezer zich al dadelijk voorstelt, en waarop +wij kortelijk zullen trachten te antwoorden." + +Wat nu betreft de eerste vraag, zoo komt het antwoord van den Schrijver +hierop neder, dat, ofschoon men met geene volkomene zekerheid kan +bepalen, wanneer de Upstalboomsche landdagen der Friezen een begin +hebben genomen, men echter met eenige waarschijnlijkheid kan besluiten, +dat zij, zoo al niet door Karel den Grooten zelven ingesteld, toch aan +den door hem te Upstalboom gevestigden regtszetel hunnen oorsprong te +danken hebben, en dat de Friezen al zeer vroeg deze regtsplaats, als +in het midden van Friesland gelegen, tot het houden hunner landdagen +bij uitnemendheid geschikt hebben gerekend. De vroegste vermelding +eener gezagsoefening van de Upstalboomsche Regters vindt men bij +Emmius op het jaar 1214 aangeteekend. + +In de eerste tijden namelijk van Karel den Grooten, zullen al de +Friezen van de Maas tot aan den Wezer deel hebben genomen aan die +landdagen. De landen over den Wezer schijnen, vóór de indeeling +van den Frieschen Staat in zeven Zeelanden, te zijn afgescheiden, +en zoo lang nu al deze landen zich in het bezit hunner vrijheid +hebben mogen verheugen, hebben zij ongetwijfeld mede deel genomen +aan de Upstalboomsche vergadering. Wanneer deze zamenkomsten voor +altijd hebben opgehouden kan men met geene zekerheid opgeven; +doch in de eerste helft der vijftiende eeuw, nadat er reeds +onderscheidene beletselen tot het bijeenkomen hadden plaats +gehad, door de dwingelandij van eenige magtige Hovelingen en vele +partijschappen onderling, moet zulks hebben plaats gehad. Zie +voorts gemeld Overzigt. Schotanus, Fr. Hist. bl. 170 volgg.; +Harkenr. Oostfr. Oorsp. 125-127; F. Sjoerds, Besch. I. 62. + + +Bl. 89.--Ao 1234. + +Om de voorrang in 't offeren. Over dezen twist kan men vergelijken +Oudh. en Gest. II. 275; Teg. Staat, I. 360; F. Sjoerds, Beschr. I. 499. + + +Bl. 89.--Ao 1239. + +Sikke Sjaarda of Sjaardema. Over de geschiedenis van den achtsten +Potestaat Sjaerdema en den hier vermelden brief heerscht, eenige +duisterheid. Emmius (in zijn X Boek, p. 157) verklaart in twee +regels, na den dood van Willem II vermeld te hebben, dat hij alles, +wat in dat gedeelte der historie verhaald wordt van Sicco Sjaerda, +op eene smakelooze, laffe wijze (insipide), niet eens der vermelding +waardig acht. Hamconius en de kronijk van O. v. Scharl zwijgen van +dezen Potestaat; doch van Rhyn in het meergedacht Nabericht wil +deze gebeurtenis niet als ongerijmd verwerpen. Winsemius (fol. 169) +en Schotanus (40, bl. 100 en 127) verhalen ons de zaak, gelijk die +in onze kronijk voorkomt met inlassching des briefs van Sjaerdema, +welks echtheid evenwel wordt betwijfeld, en door sommigen voor een +valsch stuk gehouden. Bij het onderzoek: Of de Graven van Holland, +regtens, ooit Heeren van Friesland waren, geplaatst in het Mengelwerk +der Leeuwarder Courant van den 25 Junij 1833, heeft de Schrijver, +de Heer v. Halmael, aangemerkt, dat de valschheid van dezen brief +niet volgt uit de jaarteekening 1239 bij Winsemius, daar het, +uit het op den anderen kant der bladzijde gestelde jaartal 1248, +genoegzaam blijkt, dat dertich eene drukfout is, en men veertich +lezen moet. Ook de Hoogleeraar Ypeij, houdt die dagteekening voor een +misslag; men zie zijne Gesch. der Nederl. Taal, II. 318. F. Sjoerds, +Fr. Jaarb. III. 63, wil den brief in 1254 geschreven hebben, dan dit is +niet te vooronderstellen. Wijders geeft de Schrijver van bovenvermeld +onderzoek nog in bedenking, twee punten: of de Roomsch-Koning den +brief, op welken die van Sjaerdema (zoo hij echt is) een antwoord +is, niet geschreven kan hebben in de hoop, dat de Friezen, schoon +daartoe onverpligt, hem, door bemiddeling van Sjaerdema en behoudens +vergoeding, vrijwillig tot hunnen Potestaat zouden aannemen:--wijders, +of niet beide brieven kunnen gezien hebben op de Noord-Hollanders of +eenigen hunner. Deze Noord-Hollanders kon en mogt Willem als zijne +onderdanen beschouwen, en daarbij rekenen, dat zijn voorregtsbrief +alleen de Friezen tusschen het Flie en de Lauwers (of die, welke ten +westen door het Flie begrensd werden) betrof; en Sjaerdema kon evenzeer +die Friezen, als onder zijn Potestaatschap behoorende, aanmerken, daar +zij toch van oudsher Friezen geweest waren, en zich der Hollandsche +heerschappij niet onderwerpen wilden. Dit laatste schijnt mij wat +eene zeer milde uitlegging, doch overigens hebben de bedenkingen, +mijns inziens, zeer veel grond, en ik vind er geene zwarigheid in, +het daarvoor te houden, dat Sjaerdema weigerde den Koning behulpzaam +te zijn, om Friesland onder zijn beheer te krijgen: Sjaerdema moge hem +als Keizer, en zoodanig als Souverein over Friesland erkend hebben, +dan wilde hem niet huldigen als bijzonderen Heer of Graaf van deze +Provincie. En er was een man van dapperen moede, zoo als Schotanus +(Fr. Hist. bl. 118) hem noemt, noodig, om de listige aanslagen en +heimelijke ondernemingen van vermogende tegenstanders stout en krachtig +het hoofd te bieden, ten einde het eenmaal aangenomen beginsel, door +geen vreemden zich te laten regeren, vast te houden en te doen gelden. + +In den jare 1248 heeft Willem II de Bulle van van Karel, of het +als zoodanig genoemd stuk, hem door de Friezen aangeboden, met zijne +vrijheden en voorregten bekrachtigd, hoewel hij dat stuk niet in zijnen +Voorregtsbrief heeft ingelascht. Dat de Friezen in de verovering van +Aken, het gewigtigst deel hebben gehad, lijdt geen twijfel, hoezeer +dan ook Bilderdyk hiervan evenmin als van den Voorregtsbrief eenig +gewag maakt [178]. + + +Bl. 95.--Ao 1263. + +De kerk van het vermaarde klooster St. Bernard. Deze kerk was 50 +schreden lang en 25 breed. In het midden stelde men aan iederen +kant nog een gebouw, ieder van 25 schreden lang en 24 breed. Het +gebouw rustte op 26 pilaren, en het hooge verwufsel daarenboven werd +ondersteund door een aantal pilasters. Een groot en prachtig altaar +stond in 't midden en elf anderen in evenveel sierlijke kapellen; +van binnen was alles even kostbaar en luisterrijk. + + +Bl. 95.--Ao 1268. + +D'r Ylst, verkorting voor Ter Ylst, volgens Emmius, is de regte naam +Yleke of Ylk, daarna veranderd in Yltz en voorts in Ylst. + +Dat Ylst van ouds welvarender was dan Sneek, en toen dit laatste nog +een dorp was, reeds tot eene stad werd verheven, heeft veel schijn, +en wordt door v. Rhyn (Oudh. en Gest. II. 77), tegen Emmius aan, +niet verworpen. In 1268 was Sneek nog eene buurt of gehucht. + + +Bl. 96. + +In 1270 is te Bolswert het Broereklooster. Reeds in de achtste eeuw +wil men dat Bolsward gesticht zoude zijn, welke stad ongetwijfeld +tot eene hooge oudheid opklimt. Eenige Edelen en godvruchtige lieden +bouwden dit klooster der Minderbroeders, waarvan de kerk in 't jaar +1281 werd gesticht, eerst door Gaudenten, Franciskaner Monniken +en naderhand door Observanten bewoond, die zich naar de hervorming +regelden.--Schot. Fr. Hist. bl. 348; Oudh. en Gest. II. 11. + +In den jare 1503 brandde het klooster af, doch het schijnt naderhand +weder opgebouwd. + + +Bl. 96.--Ao 1273. + +Als ook een groote hongersnood. Deze was een gevolg, deels van +de schaarschheid van geld, door de kruistogten veroorzaakt, deels +door de veepest en de slechte oogsten, maar ook door het bevel des +Munsterschen Bisschops, Gerard, om geene jaarmarkten te houden en allen +handel te staken, zoodat niemand van de Friezen vee, boter en kaas +wilde koopen; daarenboven kwam er van den overvloed van granen uit de +Oostzee niets over, daar ook de uitvoer zwaar belast werd. De ellende +steeg dus ten hoogsten top, en vele menschen stierven den hongerdood; +de liefdadigheid van sommige kloosterlingen alleen behield nog den +verarmden het leven. Die te voren hunne eigene landen bebouwden, +moesten in de dorpen gaan bedelen, of voor den kost in de steden +en voor de kloosters dienen. In de herfst steeg de nood ten top, +een groot aantal leefden van distels en zeker kruid, hondribbe +genoemd.--Verg. West. Jaarb. I. 356; F. Sjoerds, Jaarb. III. 101. + + +Bl. 97. + +Omtrent den jaare 1280. De ware oorsprong der oude Partijschappen, +zoo in Friesland als andere Provincien en Landstreken, is veelal +met de oudheid zelve verdwenen, en de waarheid dus moeijelijk uit te +vinden. Vele zorgvolle nasporingen leveren dikwijls geringe uitkomsten, +want na het lezen en herlezen moet men nog vaak zijn toevlugt nemen +tot gissingen, en met een: »het komt mij, behoudens beter, dus of +zoo voor," besluiten. Ook met betrekking tot den eigenlijken aanleg +en oorsprong der noodlottige verdeeldheden tusschen de Vetkoopers en +Schieringers bleef mijn onderzoek zonder gewenscht gevolg, daar ik +hiervan een kort verslag had willen geven, hoewel het niet dadelijk +of noodwendig tot de Bijvoegsels dezer Kronijk behoort: het zoude +echter tot inlichting goed te stade gekomen zijn. Het een en ander, +hoe gebrekkig, wil ik deswege mededeelen. + +Jancko Douwama, voornaam Friesch Edelman uit het begin der +XVI eeuw, geboren te Oldeboorn, een man, zoo als Schotanus zegt +(Fr. Hist. p. 617) »van voortreffelijk verstand, groot van moede, +een groot beminnaar der vaderlandsche vrijheid, kloek van beleid; +voorspoed en tegenspoed met een gezet en wijs hart kunnende dragen, +en die een beter lot verdiend had, dan in eene gevangenis zijn leven +te laten," heeft te Vilvoorden in den kerker, verstoken van eenig +gebruik van boeken of papieren, uit zijn geheugen over de Geschiedenis +van Friesland, bepaaldelijk ook van zijnen tijd, een geschrift +zamengesteld, getiteld: Boeck der Partijen, waarin hij, afwijkende +van anderen, over de Vetkoopers en Schieringers dit vermeld [179]: + + + van den Anfanck der Falsche Partije + VAN + FRIESLANT. + + +»Als in Hollant then ersten alsulcke commocie anfanckelijcken vp +gestanden were, bij de welcke dattz vast in de landen al misselijck to +ginck, se funden then ersten geen groet wederstant, so begosten daer in +Frieslant oeck voel volcx nae to lusteren; ende dat concept, in Hollant +an gehewen, dochten hoer to mael goet ende wijslijck gedaen to wesen; +doer de welcke dat voele armen luden bij en ander voergadderden. Dan +se wolden niet worden genoempt Hoecken, angeseen datse gene fiskers +weren; oeck so dochten hoer dat to wesen een smaetlijcke name; +en oeck wolden se dat so gewaltlijcken niet doen, alst in Hollant +angehewen were; dan vnderstunden den rijcke luden met goede woerden +to vnderwijsen, dattz also voer Godt ende de Werlt behoerden: Wel +bet dan de ander in goet vermochten, dat he sculdich were to helpen +ende to bate to comen den armen, om sijn armoet to verhoeden. Dan +de rijcke luden wolden daer niet nae hoeren, doer de welcke dat de +arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten. Doen het +daer hen quam, dat se de rijcke begosten in der taske to tasten, +doen funden se hulp genoech; want daer voel Herscapen an de landen +weren, den gewoentlijcken weren met hoer nabueren to to tasten; +als se nv alsulcken oersaecke ende hulp hadden, doen sumeden se hoer +niet te tijdt, dattz hoer gheboeren mochten. Ende den rijcken luden +worden genoempt Fetcopers, ende dat daer vmme, dat se wal hadden, +en fette waer vermochten to koepen; en dan gaewen den rijcke luden +de arme weder een naeme, en noembden se Scirongen, ende dat daer +vmme, dat se erst met goede woerden vnderstanden hadden to doen, +datse nae met gewalt deden; want Sckijren is vp de Friesche spraeke +so voele gesecht als spreken; Scirong is so voele als een relaes; +Scirongen is so voele gesecht als voele groten woerden. Nv ist waer, +he behoert oeck wal to konnen spreken, de een anders goet wil hebben, +sunder daer wat willen weder tegen gewen, dan allene woerden." + +Gabbema, in zijn Verhaal van Leeuwaarden (bl. 16 en 17), geeft hiervan +eene verklaring, en een bladzijde vroeger een verhaal van eene andere +oorzaak der Partijschappen en beteekenis der woorden. Dit verhaal +echter, ook bij andere Schrijvers vermeld, alsof op zekeren maaltijd +door den twist tusschen twee kooplieden, over de keuze van den Sievard +of Zedemeester (thans zouden wij Ceremoniemeester zeggen), de eerste +aanleiding daartoe gegeven zou hebben, vindt geen algemeenen bijval. + +Wanneer men nu de geschiedenis dier tijden raadpleegt, en tot den +oorsprong en aanleg der ongelukkige factie eenigzins wil besluiten, +komt, mijns oordeels, het resultaat hierop neder: dat de reeds vroeg +ontstane twisten tusschen verschillende adellijke of aanzienlijke +familien, zoo als die van Albada en Renalda, Gerbranda, Gratinga en +Douwe van Harns en andere Grooten, ter oorzake van den voorrang in +het offeren, uit hoogmoed, heerschzucht en ongebondenheid, aangeblazen +door bedorven Geestelijken, werkeloosheid en slapheid der Justitie, en +vernedering en onregt den minderen aangedaan, de eerste aanleiding tot, +en door den haat en veete onderling, dadelijk voedsel hebben gegeven, +aan de ongelukkigste en ellendigste der partijschappen, de grootste +der rampen, die ooit een land en volk treffen kan, den Burgeroorlog. + +De algemeene verbittering der adellijke geslachten onderling; de +aanmatiging van rijke en magtige Edelen en Grooten; de verheffing +van dezen in de eerste ambten en betrekkingen, waarvan men zich had +meester gemaakt; daar bij vernedering en onderdrukking van den niet +rijken Adel en de Patriciers, worden steeds, en te regte, als de +grondslagen van alle partijschappen gesteld, hoezeer dan ook eenig +ander doel of oogmerk werd voorgewend, en men eene geheel andere +kleur aan zijne handelingen trachtte te geven [180]. Vandaar dat vele +Edelen en aanzienlijken, niet uit algemeen, maar uit eigen belang, +uit nijd, afgunst en wraakzucht den burgertwist begonnen, en zich aan +het hoofd stelden, en eindelijk steden en landschappen, Landsheeren en +Vorsten daarin deden deelen.--Men leze ter bevestiging de historie +van de Hoekschen en Kabeljaauwschen in Holland, der Heeckerens +en Bronckhorsten in Gelderland, der Lokhorsten en Lichtenbergers +in Utrecht, der Blaauwvoetsche en Isengrine factie in Vlaanderen, +der Guelfen en Gibellinen in Italië, van de Roode en Witte Roos in +Engeland, en zoo vele anderen. + +Zoo zal het dan ook wel in Friesland zijn geweest: want al ware eens +de minder aanzienlijke stand of 't gemeene volk aanlegger van deze +partijschappen geworden, tot welke stelling bij enkele Schrijvers +aanleiding wordt gegeven, zonder hoofden van magt en aanzien zouden +dezelve geen voortgang hebben gehad. Tegen de invallen der Noormannen, +ter beveiliging van watervloeden, en uit hoofde van den toenemenden +overvloed en weelde der ingezetenen, was het getal der aanvankelijk +gebouwde steenen huizen of stinzen aanmerkelijk vermeerderd [181]. Zij +werden nu ook bijzonder tot betere en sterkere vestingen gemaakt, +om als Fries Heer tegen den aanvaller zich te beveiligen, of zijn +gezag eens regt te doen gelden. Koophandel en fabrijken waren naar +den aard der tijden, vooral onder den burgerstand, in vollen bloei, +en de hooggeschatte vrijheid was aller leus. Rijkdom, magt, eer en +aanzien baarden, zoo als altijd, nijd, afgunst en overmoed, terwijl +dezen door regeringloosheid en verwarring geen teugel vonden. Elke +vrije Fries van aanzien kon toch niet dulden, dat een ander boven +hem verheven werd of den meester speelde: wie der eigenerfden kon +voor den anderen bukken, en welk adellijk geslacht zou aan het +ander den voorrang toekennen? Zoo groeiden wrok en wrevel tot eene +hatelijke vijandschap aan; onderlinge tweespalt en verdeeldheid +deden den zwakkeren bijstand zoeken tegen den aanval der sterkeren: +zoo vormden zich geweldige partijen, en elke beleediging, elke twist, +elke kwetsing der eere moest met veel bloeds worden uitgewischt, niet +tot vernietiging der verdeeldheden, maar om al weder den grondslag te +leggen van nieuwen haat en vervolging. Dus werd de woede en vijandschap +der verschillende partijen ontzettend in die tijden: want men gunde +den andersdenkende licht noch leven, totdat na twee volle eeuwen van +roof, moord en verwoesting, verlies van goed, bloed en vrijheid het +eindelijk loon was der Friezen voor hunne boosheid en dwaasheden. + +De Edelen in Oostergo behoorden in den aanvang tot de partij der +Vetkoopers, die zich over de Lauwers vrienden en bondgenooten +kozen, en met Groningen zich vereenigden. De Adel in Westergo +vormde hoofdzakelijk de Schieringer-partij, die bij de Hollanders +ondersteuning zocht. Evenwel voegden zich verschillende geslachten +uit de beide Goën, dan tot deze, dan tot gene partij; zelfs +familiën verdeelden zich, en dit gaf derzelver leden nieuw voedsel +tot scheuring en bederving. De factiën zelve volgden dus geen vast +stelsel van staatkunde, of trokken voor het algemeen welzijn, naar elks +verschillend gevoelen, partij; maar wanneer zij door buitenlandschen +aanval werden bedreigd of overvallen door anderen, dan wapenden +zij zich algemeen tegen den uitheemschen vijand. De Schieringers +hebben over 't algemeen geijverd voor de aloude Friesche vrijheid +en onafhankelijkheid, als afkeerig van vreemde magt en invloed; +daarentegen zochten later de Vetkoopers de inzigten der Hollandsche +Graven te begunstigen. Gedurende het laatste gedeelte der veertiende +en 't begin der vijftiende eeuw stond de stad Groningen aan het hoofd +der Schieringers. In 1491 echter sloten de Vetkoopers met die stad +een verbond, waarbij aan haar groote magt over een deel van Friesland +gegeven werd. + +In dezen tijd stonden de Vetkoopers ook in verbindtenis met de +Kabeljaauwschen in Holland [182]. + +Wat nu den naamsoorsprong betreft, deze is onzeker, en heeft tot +verschillende gissingen aanleiding gegeven. Men zie daarover de +aangehaalde Schrijvers, welke echter geen genoegzame gronden opgeven, +om tot eenige zekerheid te besluiten. Alle verklaringen echter +vereenigen zich hoofdzakelijk in dit punt, dat door Vetkoopers +aanzienlijke en vermogende personen worden aangeduid, en door +Schieringers de minder begoedigden en geringeren stand. De geleerde +Westendorp (Jaarb. I. 355 en 356) voegt hier deze opmerking bij: +»dat men eenen man met een voorkomen van rijkdom en gezag, ook thans +nog eenen Vetkooper, en iemand, die tamelijk, doch zuiver gekleed +is, zonder eenig voorkomen, Schier noemt. Zoo zegt men hier (in +de Provincie Groningen) nog dagelijks: het is een heele Vetkooper, +en hij is hemmel en schier; of ook: hij zit er goed, en, hij heeft +eenen schieren boedel, dat is, een' boedel zonder schulden." In +onze Provincie zegt men wel: hemmel of hemel en schien, beteekenende: +zindelijk, proper (hoewel behoeftig) en schoon. Schier beteekent altoos +graauw, grijs. Verg. Wassenbergh, Idioticon, en Epkema, Woordenboek. + +Een der merkteekenen van onderkenning schijnt in het aanleggen der +turven aan den haard geweest te zijn, leggende de een het vuur boven +en de ander hetzelve onder. + +Bij hunne gastmalen, dus wordt verhaald, werd steeds een bedekte +schotel op tafel gebragt, en na met eenen dronk indachtig te +zijn geweest aan de de verslagen Bondgenooten, na vermelding der +heldendaden, aanvuring en vernieuwing van 't eedverbond, ontdekte +men den schotel, waarin de Zelen lagen, waarmede de opgegeten ossen +waren gebonden geweest, tot herinnering, dat het weder tijd was op +nieuwen roof en buit uit te gaan. Dit noemde men in onze landtaal: +'t Horspil in de patele. Over de beteekenis van 't woord Horspil hebben +de taalgeleerden getwist. In het zeer zeldzaam geworden Geschriftje: +Nuttigheid van de Taalkennis der Middeleeuwen, alsmede van die der +oude Vriesen, door A. ten Broecke Hoekstra (denkelijk in 't jaar 1814 +uitgegeven), p. 22 en 23, vinden wij het volgende: + +»Horspil in de patele, dus noemde men de Koezelen, welke de +Schieringers en Vetkoopers, bij het eindigen der maaltijden, in den +schotel legden, om hunne vrienden en dischgenooten weder tot nieuwen +roof uit te noodigen.--V. Rooy vermoedt, dat Hors in het Oud-Vriesch +eene algemeene benoeming van groot vee geweest zij, en dus zoo wel +eenen os of eene koe, als een paard, beteekend hebbe.--Het is mij +onbegrijpelijk, hoe dat men, zoo weinig met der taalsoorspronkelijkheid +eens Lands bekend, aan uitleggingen van die natuur zich wage; maar +mijne verwondering rijst ten top, wanneer men, daar de uitlegging er +bijgevoegd, en door den Schrijver zelven aangevoerd wordt, naar de +beteekenis des woords gaat rondtasten." + +»Horspil is eene verkorte uitspraak en schrijving van horn-spil: +horn is hoorn, of horen, cornu; en spil, spel, gereedschap, hier +de zelen, ook in Vriesland horn-touwen genoemd: zoo zegt men mede +aldaar tornbeyen (spreek uit toân-beyen) en dit voor thorn beyen, +doren-bessen, braambessen: de ky bornje (spreek uit boânje) dat is: +de koeijen bornen, wateren." + +De geleerde Friesche Taalkenner J. H. Halbertsma gaf mij hierop deze +bedenking: »Deze uitlegging van den heer Hoekstra voldoet niet volkomen +aan eenen taalkenner. In lettergrepen die met rn eindigen, laat de +Fries de r vallen, en houdt de n, gelijk in thoán, boán-je, koán in +plaats van thoarn, boarnje, koarn (garst). In hornspil daarentegen +zou de n verdwenen en de r overgebleven zijn, waarvan ik geen tweede +voorbeeld in de Friesche taal ken. Indien men onderstellen mag dat +Hamconius, en in navolging Gabbema, met zijne gewone onnaauwkeurigheid +in taalkundige onderwerpen, Hornspil in Horspil bedorven hebben, is +de verklaring van Hoekstra volkomen juist. In hoernes hluud, hoornen +geluid (Oude Fr. Wetten, bl. 254), hornfia, horenvee (Chart. I. 342), +hoernleggher, horenleger (Chart. I. 517), ziet men dat de n nooit +van haren post wijkt." + +Bij v. Alkemade, in Nederl. Displegtigheden, I. 466, volgg., wordt +hierover gehandeld, doch hieruit zal men weinig licht scheppen, daar +de Schrijver Horspil voor Paarde-tuig of toom verklaard hebbende, +met de koezelen geen weg weet. + + +Bl. 100. + +Omtrent den jaare 1303. Wij laten deze luchtverschijningen en +bloedregens, niet alleen bij O. van Scharl en Winsemius, maar ook door +Schotanus (fol. 164, quarto bl. 179) vermeld, daar; doch zeker is het, +dat deze en volgende jaren allernoodlottigst voor dit gewest waren; +want de woede der Vetkooper- en Schieringer-partijen steeg zoo hoog, +dat men noch op weg, noch in huis of elders, bijna meer veilig was. Het +regt van den sterkste gold alleen: teugelloos en wreedaardig woelde men +in zijnen ontzindheid voort, en spaarde geene jaren of kunne; vooral de +rijke huislieden waren in den dollen moedwil meesters boven allen, waar +het op moorden, branden en doodslaan aankwam. En onder al dit kwaad, +dat de menschen elkander brouwden, steeg de druk der tijden nog hooger +en hooger, daar geweldige regens en onweders de vruchten der landbouw +vernielden, waardoor kort daarna dure tijden, groote hongersnood en +pestziekten volgden. Dit alles wordt ook beschreven in de kronijk +van Worp van Thabor. Zie voorts F. Sjoerds, Jaarb. III. 219 volgg. + + +Bl. 101.--Ao 1306. + +Omtrent dezen tijd heeft J. Flieterp. Zie onze aanteekeningen op +bl. 286, 288 en 359. + + +Bl. 101. + +In den jaare 1313 is de Landsheer Martena overleden. Met den dood van +dezen braven Landsvader vermeerderde ook Frieslands ramp en onheil; +want met de twisten der Regters, die eene wijle tijds het land +bestuurden, namen de ondeugden der kerkelijken en wereldlijken toe; +en waar de geestelijkheid alleen voor haar staatkundig belang ijvert, +gaat regt en godsdienst te gelijk verloren. Men nam dus tot Upstalboom +zijn toevlugt, dat aanvankelijk een beteren toestand beloofde; doch +toen de partijgeest, onder den schijn van vrijheidszucht, weder het +booze hoofd opwaarts stak, was het een jammer zonder einde. + +In dit jaar werd aan de kerk te Ylst de eere gegund, om voor +dengenen die haar in bedevaart bezocht aflaat van zonden te schenken, +met al de gebruikelijke plegtigheden; dan ook door deze en andere +bijgeloovigheden was geen razende partijschap te dempen, waren geene +driften te koelen. Men zie den Aflaatsbrief in 't Charterb. I. 151. De +kronijken verhalen vele schrikkelijke gebeurtenissen en wonderen, in +dezen tijd van hongersnood en ellende voorgevallen. Zie ook Westendorp, +Jaarb. II. 102-109. + + +Bl. 102.--Ao 1318. + +In dezen tijd was Stavoren in het verbond der Anseesteden. Het +merkwaardig Hanzee-verbond moet gesloten zijn aanvankelijk tusschen +de steden Lubek en Hamburg, in 1241, ter beveiliging van den zee- +en landhandel, destijds door roovers en vrijbuiters belemmerd en +benadeeld. Een aantal koopsteden traden tot dit verbond toe, als +hebbende dezelfde behoefte, en zoo werden de Friesche steden ook in +deze handelmaatschappij opgenomen. Daar zij echter eene groote zeemagt +ontwikkelde, en haar bestaan en invloed met die der vermogende Vorsten +van Europa dikwijls in strijd waren, ondervond zij van dezen vele +beletselen. Deze en andere omstandigheden veroorzaakten in 1630 haren +ondergang. Alleen Lubek, Hamburg en Bremen vernieuwden het verdrag. + +De Etymologisten hebben, als naar gewoonte, over den oorsprong des +woords zeer getwist. Kiliaan verklaart Hans als Socius, Collega, +dus Hans-steden voor Sociae et liberae civitates, enz. Bilderdyk +(Geslachtlijst) zegt: »het woord is Hansbeker, d. i. oorbeker van +hanse of anse (Lat. ansa) oor, handvat, Hans-eê is dus bekerverbond, +'t geen men dwaaslijk hans-eê-verbond noemt. Du Cange, in zijn +Glossarium, geeft nog andere afleidingen, strijdig met die van +Bilderdyk, als ook de Teuthonista van van der Schueren. Zie Wagenaar, +Vad. Hist. III. 500, en Aanmerkingen daarop bl. 96, waar men het woord +liefst door Broederschap wil verklaren. Bild. Gesch. der Vad. IV, 350. + + +Bl. 103. + +In den jaare 1332. De vrome en brave Eelko Liauckama, Abt van +Lidlum, werd in dit jaar vermoord. Men leze de korte Levensschets +in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 10 December +1833. Verg. F. Sjoerds, Jaarb. III. 329, en de aangehaalde Schrijvers. + + +Bl. 104--Ao 1342. + +In dit zelve jaar, den 25 September, is Graaf Willem enz. Deze slag +is voorgevallen den 26 of 27 September 1345 [183] nabij Warns, (niet +Werrega, gelijk Wagenaar vermeldt,) wordende het getal dooden bij +sommige Schrijvers op slechts 3700 gesteld:--doch zeker is het, dat de +meesten der Hollandsche huizen er hun hoofd of een afstammeling lieten, +dewijl het Hollandsche leger derwijze werd geslagen en nagejaagd, +dat er weinig meer dan twintig levendig afkwamen, waaronder Jan van +Beaumont behoorde, die door zijn schildknaap, ondanks zijne wonde, +met een vaartuig gered werd. Het lijk des Graven werd tien dagen na +den slag gevonden, en in 't klooster Bloemkamp, bij Bolsward, begraven, +doch later, zoo men wil, naar 's Gravenhage vervoerd. Des Graven dood +gaf alom groote droefheid. Men verklaarde de goederen der Friezen +verbeurd, en eene wraakzuchtige bende begaf zich naar het eiland +Marken, stak een Monnikenklooster, tot de Abdij van Mariëngaarde +behoorende, in brand, en wierp de ongelukkige Cellebroeders in +zee. Verg. Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. III. 118, volgg; Teg. Staat, +I. 493, en de daar vermelde Schrijvers. + + +Bl. 105--Ao 1348. + +Onze kronijk maakt mede geen gewag van het Bestand, tusschen de +Friezen en den Graaf van Holland den 22 Junij 1348 gesloten. Dit voor +de Friesche Geschiedenis zeer gewigtig stuk, in 't Charterb. van +v. Schwartzenberg niet vermeld, komt voor als II Bijlage achter +de uitmuntende Verhandeling over den oorsprong der Hoeksche en +Kabeljaauwsche twisten, van den Rijks-Archivarius Mr. J. C. de Jonge +(Leijden, 1817). Het vredeverdrag werd gesloten met de Edele en +Aanzienlijke Mannen, Heer Willem, Hertog van Beijeren, Graaf van +Holland, Zeeland en West-Friesland en Heer Jan van Beaumont, benevens +de Ridderschap, Steden, overige Ingezetenen der voorzeide Landen, +door de Prelaten, Grietmannen, Hovelingen en de geheele Gemeente der +Landen van Oostergo en Westergo. Deze beloven daarbij met algemeenen +wijzen en rijpen rade aan hunne partijen en al derzelver bondgenooten, +een vast bestand zonder arg of list, gedurende twintig aaneenvolgende +jaren, van af den toen eerstvolgenden St. Jacobsdag, om den kwaden +twist tusschen hen ontstaan te bedaren, uit te dooven en tot goed +verdrag te brengen, en zulks op de volgende voorwaarden: + +Dat de onderdanen van den Graaf de grenzen dezer landen niet zouden +mogen overschrijden, zelfs niet om eenig schijnbaar gevaar te ontgaan; +met uitzondering echter van het geval, dat zij door storm of dergelijke +oorzaken in vrees en angst waren gebragt, als wanneer zij met hunne +goederen en personen, zich moesten houden aan het gezegde bestand. + +Dat, zoo zij echter hier plagten te vertoeven om koophandel te drijven, +zij ten allen tijde en zooveel hun behaagde de drie plaatsen dezer +landen, waar de waren ter koop aangeboden en markten gehouden worden, +namelijk Harich en Cornwerth in Westergo en Holwerth in Oostergo, +zouden mogen bezoeken en die weder verlaten, onder de hierna te melden +voorwaarde van dit zelfde bestand. + +Dat het voorzegde bestand zich zoude uitstrekken tot alle rivieren, +zeeën, steden, dorpen en plaatsen, waar de wederzijdsche ingezetenen +mogten zamenkomen of elkander ontmoeten, buiten de grenzen van +beider gebied. + +Dat zoo iemand door ingeving des Duivels of op eenige andere wijze +buiten belegden rade van regteren en hovelingen dezer landen, iemand +van 's Graven onderdanen mogte beleedigen, dooden of zijner goederen +berooven, tegen den inhoud van dit verdrag, het bestand daardoor niet +gerekend zoude worden verbroken te zijn, maar dat den beleedigden naar +de wetten en gewoonten der plaats, waar het voorzegde misdrijf had +plaats gehad, door de gestelde regters voldoening en schadevergoeding +zoude verschaft worden, gelijk zulks in het omgekeerde geval ook bij +'s Graven ambtenaren naar hunne wetten zou gevorderd worden. + +Dat, om 's Graven wille, dit bestand, zich ook ter goeder trouw +uitstrekken zoude tot die van Stavoren, wier voorspraak Hij geweest +was, en dat hun ten volle vergund werd, om binnen de grenzen dezer +landen terug te keeren en er te verblijven. + +Hierop wordt er het volgende slot bijgevoegd: Ten bewijze hiervan is +deze tegenwoordige bevestigd met de Zegels der Landen van Oostergo +en Westergo, der eerwaarde Heeren Abten van Bethanien en Klaarkamp in +Oostergo, Bloemkamp en Ludingakerk in Westergo, en der steden Dockum +en Leeuwarden in Oostergo, Sneek en Bolsward in Westergo. Gegeven in +'t jaar onzes Heeren 1348 Zondags na het feest der H. Drieeenheid. + +Dit is de zakelijke inhoud van het Bestand, welke aldus is medegedeeld, +met eenige zeer belangrijke ophelderende Aanteekeningen, in het +Mengelwerk der Leeuwarder Courant van den 31 Julij 1832, waarnaar +wij den Lezer verwijzen. + + +Bl. 105. + +In den jaare 1361. Over deze merkwaardige Vergadering en derzelver +werkzaamheden leze men Westend. Jaarb. II. 200, volgg. + + +Bl. 106.--Ao 1388. + +Folkmer Allena. De Kronijkschrijver E. Beninga deelt nopens dezen man +een volksliedje mede, om deszelfs vorm en oudheid merkwaardig. Het +staat in de Anal. v. Mattheus, IV. 158 en 159, en in 't Jaarboek van +Westendorp, II. 245, met eene veranderde spelling. + + +Bl. 107.--Ao 1397. + +In den jaare 1397. Ik houd het er voor dat dit moet zijn 1396. Onze +kronijk echter verwart deze en andere veldtogten met elkander. Van +dit ongelukkig gevecht vinden wij bij alle Schrijvers uitvoerige +vermelding. Winsemius stelt het ook op 1397, tegen de aanteekeningen +van Edo van Jonghama, Petrus van Thabor en Emmius aan. Hier moet +ik opmerken, dat men bij gelegenheid van dezen merkwaardigen togt +van Hertog Albrecht van Beijeren tegen de Friezen het eerst gewag +vindt gemaakt, dat de schepen in deze landen van geschut en buskruid +zijn voorzien. Hiervan wordt melding gemaakt in een Handschrift, +berustende in ons Rijks-Archief, in 't welk men leest, dat, op bevel +van Hertog Albrecht en deszelfs Raad, Bussen, Kruid, Steen, Schutte, +Vierpannen, Torken en andere behoeften worden aangekocht, welke +men in de groote schepen noodig had [184]. In een Hanzee-verbond +van den jare 1418, waartoe ook de Nederlandsche steden behoorden, +wordt aan het scheepsvolk verboden op lijfstraffe wapenen en buskruid +te verkoopen [185]. Twintig jaren later wordt onder de middelen van +verdediging en afbreuk op de schepen uitdrukkelijk van Bussen, dat +is, van kanon, melding gemaakt. Sedert dien tijd werd het geschut en +ook het handgeweer meer en meer algemeen, en op de schepen de gewone +wapenen [186]. + +Over den tijd der uitvinding van het buskruid is men oneens, daar +velen, niet te onregt, beweren, dat het vóór Berthold den Zwarten +reeds bestond. Zeker is het, dat het gebruik daarvan, hier te lande +eerst in 1350 of 1351 is geweest, en wel in het beleg van het Kasteel +Rozenburg, nabij Voorschoten. + +Maar ik mag niet voorbijgaan het koddig verhaal van Cornelis Kempius, +waarin hij beweert, dat een Friesch Koning, met name Chimoscus, den +Graaf van Holland en zijne twee zonen met een musket had doodgeschoten, +en ook in een tweegevecht, ter oorzake van 's Graven dochter, de +schoone Olimpia, met Graaf Roeland van Vlaanderen, zijn schutgeweer +gebruikt had, zoodat de Friezen uitvinders van het buskruid zijn, +hetwelk Hamconius ook bevestigt, die mede Chimoscus voor den uitvinder +daarvan houdt. Wij evenwel betwijfelen het zeer, en geven liever +aan het dichterlijk vernuft van den geestigen Ariosto, aan wien +Kempius zijn verhaal ontleende, de eer dezer vinding. Verg. Oudh. en +Gest. II. 354-357. E. Beninga, in zijne Hist. van Oost-Vriesland op de +jaren 1379 en 1380, vermeldt, dat men destijds in de Friesche onlusten +zich van buskruid en geschut bediende. Zie Driessen, Mon. Groningana, +II. 399. + + +Bl. 109 en 110. + +In den jaare 1400-1401. Onder al de twisten en oorlogen, de rampen +en onheilen daaruit geboren, waren het niet altoos de Friezen en +onderlinge partijen, bij welke men de aanleiding en oorzaak zoeken +moet, maar aanhitsing en ondersteuning van buiten, alles naar +staatkunde en eigenbelang berekend, heerschzucht en vijandschap +van Bisschoppen, Graven en anderen, gaven meestal voedsel aan den +burgeroorlog. Vandaar ook die (zoo als men ze noemde) Groote, dat +is, woeste en beruchte lieden dezer eeuw. Onder de zeeroovers dier +tijden was Stortenbeker een befaamd man, in het drinken zoowel als +in het vechten: dit blijkt uit den bij hem gevonden grooten beker, +toen hij gevangen genomen werd, waarop dit kreupel vers stond: + + + Ick Joncker Sissingha, + Van Groninga, + Dronck dees hensa, + In een flensa, + Door myn kraga, + In myn maga. + + +Bl. 111.--Ao 1404. + +Sjoerd Wiarda. Naar dezen Potestaat ontving het slot te Goutum den +naam van Wiarda-State, hetwelk hij reeds in den jare 1404, toen +hij met Harinxma tot Potestaat verkozen werd, bewoonde. Ons werd de +navolgende geschrevene aantekening, op Schotanus zijne Beschryvinge, +van den Old-Raadsheer Tjalling Edo van Sminia, medegedeeld: + +»Goutum. Hier ligt de State Wiarda, een groot sieraad van dit dorp, een +schoon gebouw met zijn hovinge en graften, bewoond bij den Hr. Jonkheer +Tiberius Pipinius van Eminga; wierde bijgenaamd Schenkinsma, gelijk +daar ook leggen Putsma, nieulinks met eene nieuwe hovinge en een +welbeplante opreed versiert door den Hr. Jonkheer Ruurdt van Burmania; +en Drinkuitsma door denselven afgebroken en geslegt, daar nabij +gelegen. Deze drie plaatsen plegen van drie Gebroederen bewoond te +worden, die groot vermaak schepten in 't drinken, en daarop roemden; +tot hare gedachtenisse wierde dit versje gemaakt: + + + Qui nos tres geminos superat certamine Bacchi + Hic venit Alcides redivivus conteret Hydram." + + +d. i. vrij overgezet: + + + Eer dat ons dapper driemanschap, + In Bacchus' school volleerd, + Worde in een Frieschen bekerstrijd + Verslagen of verheerd; + Eer zal de woeste Hercules + Herrijzen uit zijn graf, + En slaan een tweeden monsterdier + Tienduizend koppen af! + + +Bl. 112, op de Noot. + +Hiske Abdena was Proost en Hoveling te Emden, een hoog heerschzuchtig +man, die zich aan het hoofd der Schieringers in Oostfriesland had +gesteld en in naauw verband met de Groningers stond. Gevlugt naar +Groningen, wilden de Schieringers hem ondersteunen, doch de Vetkoopers +hielden de partij van Keno ten Broek,--en ziehier den oorsprong der +partijnamen Hisk- of Hikhorsters en Bronkhorsters. + + +Bl. 113.--Ao 1414. + +Ook liet Jarges het goud en zilver enz. Niet alleen te Fivelgo, maar +ook te Midwolde en Loppersum, maakte hij zich meester van het gouden +en zilveren vaatwerk, en liet de ongezinde kerkvoogden eenigen tijd +vastzetten, om zoo zijn oogmerk te bereiken. + +De Koppens-gulden was dezelfde met den Arendsgulden, welke naar de +tegenwoordige munt, eene waarde moet gehad hebben van 37 1/2 cent. In +1453 gold hij 7 braspenningen van 9 duiten 't stuk: in 1491 werd +dezelve afgezet. + + +Bl. 115. + +In den jaare 1418 heeft Fokko te Lier. Fokke Uken, Ukena of Ukessen, +Hoveling [187] te Evermoer in Leer, Heer van Aurich en Broekmerland +of te Broekum, die eene groote en belangrijke rol in de onlusten der +Schieringers en Vetkoopers in 't begin van de XV eeuw speelde, was uit +eene voorname adellijke, doch niet vermogende Oost-friesche familie +gesproten. Zijn vader heette Uko en zijne moeder Amke van Lengen. De +ruïnen van hunnen ouden burgt waren ten tijde van den geschiedschrijver +Emmius nog aanwezig: thans toont men slechts de plaats aan, waar +dezelve stond, op de veenakkers tusschen Aurich en Leer. Nergens vindt +men Fokke's geboortejaar vermeld; doch hij stierf, oud van jaren, +den 29 Augustus 1435, gelijk sommigen beweren, ten gevolge van het +nuttigen van eene vergiftigde biersoep, door zijne Echtgenoote Hidde +hem toegediend. Hij trad als officier in dienst van Keno ten Broek: +zijne eerste vrouw was Theda van Reide, bij welke hij twee zoons +en twee dochters had: zijne tweede vrouw was Hidde van Dijkhuizen, +uit welk huwelijk zijne dochter Ulske, gehuwd aan Unico Ripperda, +sproot. Beide deze vrouwen bragten hem een groot vermogen aan, en +het gelukte hem zijne kinders aan zeer aanzienlijke, rijke familiën +uit te huwen. Hij was verstandig en omzigtig in het aanleggen zijner +plannen, dapper en koen aan de spits zijns legers, onverschrokken in +gevaren, trotsch in zijne handelingen, die vermeerdering zijner magt +en rijkdom ten doel hadden, en wraakgierig tegen zijne vijanden. Van +zijnen jeugdigen leeftijd wordt nergens gewag gemaakt, en op het einde +van de XIV eeuw is men het eerst in de geschiedenis zijns gedachtig. + +Er is eene korte levensbeschrijving van hem in 't Latijn zamengesteld +uit Emmius en Beninga. De verdienstelijke Wiarda echter heeft +eene uitvoerige beschrijving van zijn leven en bedrijf gegeven, +en geplaatst in het Tijdschrift: Ost-Friesische Mannigfaltigkeiten, +erster Jahrgang, Aurich 1784, getrokken uit de beste bronnen destijds +in druk en handschrift aanwezig, en met bijzondere naauwkeurigheid +behandeld. Ik heb daarvan eene vertaling gegeven in het Mengelwerk +der Leeuwarder Couranten van den 4 en 11 September, 2 en 16 October +1832, welke bijdrage tot de geschiedenis van dien tijd zeer belangrijk +is. Men verg. overigens het Jaarb. van Westendorp, op 1411-1435. Het +portret van Ukena bevindt zich thans op het buitengoed van Jonkheer +Hora Siccama van de Harkstede. + + +Bl. 116.--Ao 1420. + +De Schieringers hij Catse geslagen. Schotanus noemt ook te Catze, +aan een plaets geheeten Palesloot: Petr. Thab. ter Colze. Volgens +Amersf. en Visser moet men waarschijnlijk hierdoor den omtrek van +Koudum verstaan. Winsem. en Emmius plaatsen ook den slag omtrent +Palesloot, tusschen Hindeloopen en Molkwerum, op de kaart van Schotanus +nog aangeduid, zoo als ook de Fokke-graft of Fokke-sloot, uit het +Slootermeer komende, en waarin Fokko, na zijne nederlaag bij Slooten, +die op zijne overwinning volgde, eene groote busse of stuk kanen, +door hem uit Groningen medegenomen, zinken liet. + + +Bl. 117. + +In den jaare 1421. Ook in dit jaar braken de Groningers met Sikko +Sjaerdema, Hoveling te Franeker, Hoofd der Schieringers. Zij +beschuldigden hem heimelijk den Graaf van Holland, Hertog Jan van +Beijeren, te zijn toegedaan, en met de vijandelijke vrijbuiters te +heulen--namen twee schepen met hout geladen, aan de kerk te Franeker +toebehoorende, weg, en zes Franeker burgers gevangen. Zij dreigden +hem te zullen belegeren, indien hij niet te Groningen kwam om zich te +verantwoorden, of zijnen twaalfjarigen zoon als gijzelaar zond. Tot +dit laatste werd hij genoodzaakt, deels voor zijne overeenkomst, +deels voor de betaling eener door deze Vetkoopers uitgeschrevene +schatting van 1000 schilden over de Schieringers, tusschen Stavoren +en Gerkesbrugge. Sjaerdema kwam zelf te Groningen en verantwoordde +zich, weshalve hij zijnen eenigen zoon terug begeerde. Men beloofde de +terugzending, dan men hield geen woord. Daarop zond hij een vertrouwd +vriend, om het kind af te halen, die het vond aan een ijzeren keten +gesloten, waarmede hij in eene kamer kon rondwandelen; doch ook deze +moest onverrigter zake terugkeeren. Nog in hetzelfde jaar overleed +de knaap, volgens voorgeven, aan de pest: doch men vermoedde, dat +de Groningers hem hadden omgebragt; in het volgend jaar stierf zijn +vader. Zie Westendorp, Jaarb. op 't jaar 1421, en de aangehaalde +Schrijvers. F. Sjoerds, Jaarb. IV. 447. + + +Bl. 120.--Ao 1434. + +Het Stapelrecht. In 't jaar 1430 vinden wij het eerst hiervan +betrekkelijk Groningen vermelding. Het woord Stapel, eigenlijk een +staf, stok of stut beteekenende; is ook een hoop van dingen, die op +een afzonderlijk steunsel opgehoopt of gestapeld zijn. Vervolgens +heeft stapel overdragtelijk de beteekenis van een hoop koopwaren, +die op eene bijzondere marktplaats opgestapeld waren, en eindelijk +van de markt of verkoopplaats zelve. Aldaar moesten zekere van buiten +inkomende goederen ter verkoop aangeboden, voor een tijd opgestapeld +en bij gebrek aan koopers vertold worden. Dordrecht, Middelburg +en andere steden waren in het bezit van het Stapelregt der wijnen +enz. Zeer verschillend was dit regt op onderscheidene plaatsen, +en bepaalde zich tot allerhande koopwaren. + + +Bl. 122-123. + +In den jaare 1453-1454. Over deze gebeurtenissen is verschillend +geschreven, en men heeft het bij waarschijnlijkheid moeten laten +blijven. Verg. S. Jarichs, Beninga en Emmius. + + +Bl. 128.--Ao 1478. + +Haijo te Westerwolde. Hajo Addinga van Westerwolde had eed en hulde aan +den Bisschop van Munster gedaan, en volgde zijnen vader in het leen +van Westerwolde op. Hij was een wreedaardig en woest mensch, roofde +en verkwistte met zijne trawanten, plaagde zijn volk, en wie hem niet +ter wille was werd gekluisterd, gepijnigd en gemarteld op allerhande +wijze. Den Priester van Onswedde, die hem zijn slecht gedrag verweet, +liet hij, de handen op den rug gebonden, aan den staart eens paards +voorgesleept, dus vaneen trappen en verscheuren. Een ander Priester +werd daarna ook jammerlijk om het leven gebragt, en zoo pleegde hij +vele gruwelen. Zie West. op 't jaar 1477. + + +Bl. 129.--Ao 1486. + +Rudolf Agricola. Dezen, in zijnen tijd zoo vermaarden man, noemde men +den hersteller der Wetenschappen in het Duitsche Rijk, den grootsten +redenaar van zijnen tijd, den eersten Duitschen Hoogleeraar in de +Grieksche, Latijnsche en Hebreeuwsche talen; dengenen, die door geenen +geleerde, ook zelfs van Italië, werd overtroffen; eene ster der eerste +grootte. Westend. Jaarb. II. 645. + + +Bl. 129. + +In den jaare 1487. Dit doelt op 't zoogenaamde Bier-Oproer. De +Regering van Leeuwarden had, op aandrang der burgerij, op nieuw +eene ordonnantie afgekondigd, waarbij het gebruik van het geliefde +Haarlemmer Bier, Kuit genaamd, verboden, en alleen het in de stad +gebrouwen bier werd toegelaten. Eenige landlieden overtraden dit gebod, +waardoor tusschen hen en de brouwers, ondersteund door de burgers, +een gevecht ontstond. De landlieden, de minsten zijnde, namen de vlugt +op 't Amelandshuis, destijds de stins van den Schieringer Pieter +Cammingha, hetwelk met overmeestering en plundering bedreigd werd, +daar Cammingha de gevlugte landlieden aan hunne vervolgers niet wilde +overgeven. Het gerucht hiervan bragt de Schieringers in Ooster- en +Westergo spoedig tegen het Vetkoopersgezinde Leeuwarden op de been, +die vervolgens deze stad innamen. Meester Pieter Sybrands Auckama, +bijgenaamd Pinckert, Olderman der stad, sneuvelde in dit gevecht [188]. + +Dat het Haarlemmer Bier destijds een artikel van veel belang was, +blijkt onder anderen ook uit het door Winsemius op 't jaar 1480 +vermelde sprookje, (dus te schrijven): + + + De Leidske Lape, + In Harlimmer Tape, + In schiere iel + Bringt Frieslân yn'e wiel. + + +»Het Leidsche laken, Haarlemmer bier (Kuit genaamd) en Schieraal, helpt +Friesland in den grond." Verg. hierbij Wassenbergh, Taalk. Bijdr. tot +den Frieschen Tongval, II. St, bl. 17, noot f en bl. 156. Vol van bier +zijn, te bier gaan, boven zijn bier zijn en dergelijke uitdrukkingen +waren in dien tijd, zoowel in Holland als Friesland, algemeen, daar +het bier een algemeene drank was, en de kracht daarvan, bij den +overmatigen drinker, een bierroes ten gevolge had. + + +Bl. 130.--Ao 1490. + +In dit zelve jaar is de wijdberoemde Wesselius Ganzevoort. Hij werd +geboren te Groningen in 1419, en overleed 1489. Deze hoogst vermaarde +en geleerde man, was ook een der edelste kweekelingen van de stichting +der Broederschap van Gerard Groote. Zijne verlichte denkwijs vooral +werd zeer geroemd, zoodat Luther zelf getuigde: »Indien ik vroeger +de werken van Wessel gelezen had, zouden mijne vijanden mogen +vooronderstellen, dat ik alles uit zijne schriften geput had. Het +geeft mij vreugde en kracht, en ik twijfel niet meer aan de waarheid +van hetgeen ik leer; wanneer ik tusschen hem en mij eene volslagene +overeenstemming van gedachten en zelfs van woorden bespeur." + +In de bestrijding van bijgeloof en dweepzucht kent men dezen man, boven +Erasmus zelfs den voorrang toe, terwijl in al zijn streven tot dit +doel, hij eene waarheidsliefde en eene zedelijke kracht ontwikkelde, +voor welke Erasmus niet vatbaar was. Als letterkundige, wijsgeer, +godgeleerde en geneeskundige was hij bijna even groot; zijne matige +leefwijze stak bijzonder af bij de zwelgerij en dronkenschap van +vele geleerde tijdgenooten, waardoor hij dan ook tot zijn zeventigste +jaar eene sterke gezondheid genoot. Hij reisde de wereld door, om den +schat zijner reeds verkregene kennis te vermeerderen, en daarvan ten +nutte der wereld dubbelde renten uit te deelen. Van Paus Sixtus, wiens +vriend en lijfarts hij was en die hem tot bisschop wilde verheffen, +verzocht hij alleen de gunst, om de Handschriften van eenen Griekschen +en Hebreeuwschen bijbel te mogen bezitten. Zijne laatste levensdagen +sleet hij in 't klooster der adellijke maagden te Groningen, in hetwelk +hij overleed. Zie zijne leerstellingen kortelijk aangeteekend bij +Westendorp, Jaarb. op den jare 1489; en verg. de Verhandeling over +de Broederschap van G. Groote, door G. H. M. Delprat, bl. 79-81, +112 en Bijl. VII. + + +Bl. 131. + +In den jaare 1492. Men vergelijke op dit en de twee volgende jaren, +West. Jaarb., die daarmede het derde Tijdperk en het tweede Stuk van +zijn werk eindigt, waarmede hij den beoefenaren der Geschiedenis eene +gewigtige dienst heeft bewezen, Petr. Thab. op dezelfde jaren. + + +Bl. 133.--Ao 1496. + +Onder den Oversten Fox. Nittert of Nuttert Fox, volgens Gabbema +in Frankenland geboren, was bevelhebber van eene bende de Groote +Garde genaamd. Hij zelf droeg den naam van Grooten Kapitein. Petrus +van Thabor vermeld hem als Joncker Voecks op 't jaar 1498. Zie het +Archief van Visser en Amersfoort, I. 74, alwaar mede wordt aangemerkt, +dat in de middeleeuwen veelal de ellendige gewoonte bestond, dat een +hoop soldaten, die zeker niet tot de beste lieden behoorden, onder +een hoofd, door hen verkozen, zich vereenigden, en vervolgens aan den +meestbiedende, hetzelfde welke zaak hij voor had, zich verhuurden. Zoo +waren er zelfs benden, die geheel zonder opperhoofd rondzwierven, zoo +als de in onze Kronijk op bl. 150 vermelden Zwarten Hoop of Saksische +knechten. Schotanus, Fr. Hist, fol. 419, geeft hem den titel van: +»Capiteyn van een deel af-gedanckte Companyen, op de grensen van +Nederlandt omhengelende, op hoope van nieuwe beroerten;"--doch roemt +hem mede ook als een krijgshaftig en stoutmoedig soldaat. E. Beninga +maakte op de jaren 1492 en 1499 van Fox melding. In eene noot op +bl. 362 zijner Hist. van Oostfr. wordt mede, gelijk in onze Kronijk +op bl. 138, beweerd, dat de plaats, waar hij vechtende stierf, naar +hem Foxhol genoemd zoude zijn; doch te onregt: want reeds in een +brief van 1460 komt dit gehucht voor als Vossehol. Zie Tegenw. Staat +van Stad en Lande, I. 225; Bilderdyk, Gesch. des Vaderl. IV. 316, +noemt Fox Witterfox. + + +Bl. 138.--Ao 1499. + +Den Hoogen Raad enz. Ten tijde van Karel den Grooten schijnt er reeds +over geheel Friesland eene opperste Regtbank of Hof, misschien wel +door hemzelven ingesteld, bestaan te hebben en te Franeker geweest +te zijn, welk Hof nog in 't begin der XV eeuw den naam droeg van dat +hageste Keijzer riocht to Franeker. Onder de woelende twisten der +Schieringers en Vetkoopers moest het zijn gezag verliezen, doch bleef +nog bestaan in die algemeene en hoogere Regtbank, aan welke de vijf +eerste Grietenijen in Westergo, hare twistgedingen, in het laatste +ressort onderwierpen. Thans hergaf de Hertog dit Geregtshof zijnen +ouden luister, door de nieuwe instelling op st. Jacobs dag (24 Julij) +van 't jaar 1499. Het bestond toen uit 12 Leden, zes Geestelijken en +zes Friesche Edelen, terwijl de Kanselier Phlug het Voorzitters-ambt +bekleedde. Op Sjaerdema-slot was het aanvankelijk gezeteld, doch +werd daarna naar Leeuwarden verplaatst. Men vindt dit alles in het +breede beschreven in mijne meergemelde Geschiedenis der Kanselarij +te Leeuwarden. Over de Wetten vergelijke men onder anderen § 4 van +het Overzigt in 't Friesch Jierboeckjen van 1833, en § 3 van 1834. + + +Bl. 138.--Ao 1500. + +Fjouwer lotter-claer enz. Wassenbergh, Idioticon op 't woord Fenne, +vertaalt deze leus: »vier gelouterde (beproefde, in het water +onderzochte) klaare Kievitseieren, op den hoek van een aan huis +geleegen Kamp, in één nest." Zie voorts Epkema, Woordenb. op Finne, +en Weiland, N. T. Woordb. op Veen. + + +Bl. 142. - Ao 1504. + +Weerdenbras. O. van Scharl, op 't jaar 1505, geeft den oorsprong op +van deze benaming, welke bevestigd wordt bij Schot. bl. 507 en 508, +die in zijn XIV en XV boek een zeer omstandig verhaal geeft, van +den strijd met Groningen en wat daartoe betrekking heeft. Ook bij +Winsemius, Emmius, Petr. van Thabor, Sicco en Eggerik Beninga enz. + +Vitus Draaksdorp of Traxdorp, was, bij afwezigheid van Hertog Georg, +Opperbevelhebber over het krijgsvolk. Verg. Archief van Visser en +Amersf. II. st. bl. 112; Aantt. op bl. 169. + + +Bl. 146. + +In den jaare 1511. Zie Gabbema, bl. 265; Winsemius op dit jaar. + + +Bl. 147, 149.--Ao 1514. + +Den 21 van July.--Hier na heeft Graaf Edzard. Verg. Tegenw. Staat van +Stad en Lande, I. 303, volgg.; Wins. bl. 376 volgg; Schot. XV boek, +Beninga, III. B. bl. 490; alwaar over de wreedheden der Saksen, de +misleiding door graaf Edzard en zijne vergelding daarvoor van den +Gelderschen Hertog in het breede gewaagd wordt. Zie gem. Archief, +II. bl. 171-176, en de Aantt. daarop; ook het Nabericht van van Rhyn, +bl. 537. + + +Bl. 150.--Ao 1515. + +De zwarte Hoop. Zie Aantt. op Nittert Fox, bl. 431; Petr. v. Thabor +zegt, dat er verschillende uitleggingen van die benaming zijn, als: +omdat zij met den Hertog van Brunswijk gekomen waren, of omdat hun +aangezigt was zwart en leelijk geworden, wegens het lijden van koude +en overlast in den winter, of uithoofde dat hun bij den dood der +Hertogen van Brunswijk zwart laken was gegeven, tot teeken van rouw; +het is mogelijk, dat al het genoemde met elkander tot de benaming +aanleiding hebbe gegeven. + + +Bl. 150 en 151. + +Deze Groote Pier. Gelijk het met vele groote en zeldzame mannen +gaat, die eene belangrijke rol in hunnen leeftijd hebben gespeeld, +en daarover verschillend worden beoordeeld, zoo is het ook met Groote +Pier gelegen. De een noemt hem een roemruchtig held zonder wederga, +die voor de vrijheid en voor Friesland wonderen deed; anderen +noemen hem een wreedaardig krijgsman en verachtelijk zeeschuimer, +die slechts roof en moord beoogde. Wanneer men de geschiedenis van +dien tijd naauwkeurig gadeslaat, den toestand van Groote Pier en +zijne bedoelingen beschouwt, daarbij den geest des tijds, de wijze van +oorlogen, vooral ter zee, het Saksisch despotisme in tegenoverstelling +van het Friesch karakter, en de laagheid des Hertogen van Gelder in +aanmerking neemt, dan zal de onpartijdigheid ten voordeele van den +man moeten beslissen, wiens bedoelingen eerlijk waren, maar wiens +daden het merk van ruwheid droegen, en door de fortuin begunstigd +in euvelmoed en woestheid ontaard zijn. Zijn tijdgenoot Petrus van +Thabor schetst hem in zijn ware licht; woest en onbesuisd van aard, +maar rond en eerlijk van inborst. Zie het Archief van Visser en +Amersf. II. 259. In het Gedenks. van Neerl. Heldend. ter Zee van +Engelbert Gerrits, I. 76 volgg., is de beoordeeling minder juist. Zie +voorts de schets van Groote Pier en zijne daden in het Mengelwerk der +Leeuwarder Courant van 11 Maart 1834, door W. Eekhoff zamengesteld, +en de daar aangehaalde Schrijvers. Op welk eene wijze het zeewezen +in Friesland bestierd werd, leest men na het aangehaalde werk van de +Jonge, over het Nederl. Zeewezen, I. 154 volgg. Tot in de XVI eeuw +was het eene algemeene gewoonte, de gevangenen zonder genade over +boord te werpen. + + +Bl. 151.--Ao 1515. + +Hertog Georg. Aldus werd Friesland als 't ware weder +verkocht, en, zooveel de Saks vermogt, geleverd voor +honderd duizend goudguldens. Wagenaar, Vad. Hist. IV. 390, en +Bild. Gesch. V. 11. maaken er 350,000 van, doch de Acte van afstand +van den 19 Mei 1515, bij Schwartzenberg in het tweede deel zijns +Charterboeks voorhanden, spreekt dit tegen. Een Rijnse gulden en een +Goudgulden hadden ieder 90 cents waarde. + + +Bl. 151. + +Karel de Vyfde. Het belangrijkste gedeelte van het Boeck der +Partijen van Jancko Douwama loopt over de gebeurtenissen onder het +Saksisch bewind, alsmede over de eerste regeringsjaren van Keizer +Karel den Vijfden. Men leert hierin die gebeurtenissen in Friesland, +gedurende dit gewigtig tijdvak, van eene geheel nieuwe en onbekende +zijde kennen; en al ware het, dat niet al de berigten van Douwama +volkomen geloof verdienden, zoo blijft het echter, bij de voorhanden +zijnde bescheiden, meestal onder den invloed van het Bourgondisch +bewind opgesteld, van het hoogste belang, door zijne tusschenkomst, +ook eens de gedachten van de andere partij te kunnen vernemen. Zie +over J. Douwama en zijne geschriften, het Verslag der Handelingen +van het Prov. Friesch Genootschap, bl. 57 volgg. + + +Bl. 151.--Ao 1515. + +Graaf Floris van Ysselstein. Floris van Egmond, Heer van IJsselstein, +als Stadhouder gehuldigd zijnde, werden er verschillende voorwaarden +gemaakt. Zie Gabbema, Verh. van Leeuw., bl. 302; Schot. fol. 573, +en Wins. fol. 431; welke eerste hem ook Floorken dunn'- bier noemt. + + +Bl. 155.--Ao 1520. + +Hendrik en Frederik Gaykinga. Belangrijk is het verhaal van Sicco +Beninga, Chronickel der Vriescher Landen, in de Anal. van v. Nidek, +bl. 321 volgg. + + +Bl. 158.--Ao 1523. + +En Karel de vyfde tot Erfheer. Verg. Cerisier, Gesch. der +Nederl. II. 420-423; Schot. fol. 621. Na lange en rustelooze woelingen, +het aanstoken van partijschappen, het voeden van den burgerkrijg, +en het vergieten van stroomen bloeds, genoot nu Friesland, bewesten +de Lauwers, met uitzondering van nog eenen inval der Gelderschen, +eene rust van bijna eene halve eeuw; terwijl de voortdurende onlusten +te Groningen veel onheils bleven stichten, en de geest van muiterij +de overhand behield. + + +Bl. 160. + +In den jaare 1535. Verg. Wins. fol. 506; Schot. 664 volgg.; +Egg. Beninga, die echter zeer onvolledig is in zijn verhaal. O. van +Scharl op 't jaar 1535; Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 365 +volgg. [189] + +De Sententieboeken van het Hof van Friesland nagaande, vonden wij +onder vele vonnissen, bij welke in dit jaar een aantal Wederdoopers +veroordeeld zijn, om onthoofd te worden, twee derzelve van den 12 +April, houdende veroordeeling, de eene van 31 vrouwen en de andere +van twee, om verdronken te worden, uithoofde zij: »onlangs bevonden +zyn in Oldeclooster myt de andere seditieuse ende oproerighe persoonen +der Secten van de Anabaptisten ende anderen van 't verbundt van dien +zy adhoererende." + +Nog langen tijd daarna moesten er ook in Friesland maatregelen tegen +de woelingen der Wederdoopers worden genomen, onder anderen blijkbaar +uit de Brieven en Aanschrijvingen ter voorzieninge van de Landvoogdes, +Maria van Hongarijen, gerigt aan den President en Raden van het Hof van +Friesland. Van deze brieven zijn nog eenigen aanwezig in het Archief +van gemeld Hof, door de Landvoogdes onderteekend, welke niet in het +Charterboek vermeld zijn. Wij willen hier een' van dezelven overnemen: + + + MARIA, by der gratie Gods Coninginne + Douagiere van Hongryen ende Beemen, + Regente. + + »Lieue ende Besundere. Volgende den afscheet ende Resolutie hier + onlancx genomen, int bijwesen van v President, beroerende de + secten ende ketterien, zoo van wederdooperie als andere dwalingen, + die anderwers vpstaen in Vrieslant ende omliggenden landen. Wij + schicken jegenwoirdelick aldaer den Deken van sinte Marie tot + Vtrecht, Heer Herman Betinatius, ende meester Franchois Zonnius, + Domheere aldaer, bede doctueren in den heiligen scriften, bringers + van desen, Commissarisen van wegen des hieligen Stoeles van Roome, + ende by Keys. Majest. onsen Heere weauctoriseert, om tegens de + besmette van den voirsz. secten te Inquireren ende procederen, + alsoe behoiren zal, gelijck ghy naeder by de voirsz. Commissarisen + sult mogen verstaen. Ende alsoe ons ernstich begeren es, dat + tegens de voirsz. ketterien geremedieert ende voirsien worde, + beuelen ende ordineren v van wegen zijner Majest., dat ghij de + voirsz. Commissarisen Informatie doet geuen, ende hun bericht + van tgene deser zaken beroeren mach ende notelick wesen sal: + Doende hun voirts alle bijstant ende vorderingen int volbringen + van hueren laste v mogelick zijnde; Ende indien ghij eenige + ongeregeltheit beuint onder de geestelicheit desselfs lants, + sunderlinge in cloisteren ende godshuysen, sult hun sulcx mogen + te kennen geuen, ende samentlick daerinne voirsien, alst behoiren + sal, volgende den last die zij des hebben, zoe wel van ons, als + van den geestelicken ordinarisen. Ende want het zeer oirboirlick + waere in desen tijt eenige goede jonghen tonderhouden in die + Vniuersiteit van Loeuen, studerende in de heilige scriften, + om metter tijt daer vuyt geleerde priesters ende pastoirs in + Vrieslant te ouercommen, zult ghij, zoe verre v van node duncken + zal, duer de voirmelte Commissarisen sulcx aen den prelaten van + Vrieslant laeten versoucken ende de selue onderwijsen, dat zij + ende yegelick van hun tot voirderinge der heiliger Religie, + ende der gemeene weltvaert des lants daertoe willen verstaen + ende contribueren. Lieue ende Besundere, onse heere God zij met + v. Gescreuen te Brussele den XVIJen van Octobre 1553. + + + (get.) MARIE. (onder stond) + De Langhe. + + +Het opschrift is: Onsen Lieuen ende Besunderen, den President ende +Raden des Keysers, geordonneert in Vrieslant. + + +Bl. 163.--Ao 1538. + +Vorperus Thaborita, Kanunnik te Thabor. Worp van Thabor, geboren +omtrent het jaar 1538, wellicht afkomstig van het adellijk geslacht +Tziaerda, was eerst Pastoor in zijne geboorteplaats Rinsumageest, en +daarna Prior van 't Reguliere Kanonniken Klooster Thabor, te Tirns bij +Sneek. Hij schreef in de Latijnsche taal eene kronijk van Friesland, +in drie boeken verdeeld. Het eerste boek handelt over den oorsprong +der Friezen en hun Land, en eindigt met de heerschappij van Karel den +Grooten. Het tweede loopt tot het bestuur der Graven van Holland, en +het derde eindigt met den tijd zijns levens. Baron v. Schwartzenberg +heeft vijf afschriften van die kronijk met elkander vergeleken, +getuigt zeer gunstig van dezelve, en had het plan tot de uitgave +gevormd. Dit is niet tot stand gekomen, en die uitgave bleef tot +heden achter, zoodat het wel niet te hopen, maar toch te vreezen is, +dat met zoo vele anderen, ook dit merkwaardig gedenkstuk der oudheid, +het licht niet zal gegund worden. In de Voorrede van het II Deel van 't +Charterboek wordt een uitvoerig verslag van dit Handschrift gegeven, +waartoe wij den Lezer verwijzen. Aldaar staat ook aangeteekend, +hoe Schotanus in zijne Friesche Historie, vele bladzijden uit den +Chronicon Frisiae van Worp, woordelijk vertaald, heeft overgenomen, +en voor zijn eigen arbeid laten doorgaan. + +Een beter lot heeft in het belang der wetenschappen getroffen, het +geschrift van Petrus van Thabor, in onze kronijk niet vermeld. Deze, +wiens leeftijd voorviel tusschen de jaren 1460 en 1530, en welke hij +voornamelijk als Leekebroeder in het klooster Thabor [190] sleet, +schreef eene uitvoerige kronijk van Friesland, vooral ten doel +hebbende de gebeurtenissen, gedurende zijn eigen leven voorgevallen, +met naauwkeurigheid en waarheidsliefde te boeken, in den vorm van een +Dagboek. Daardoor is dit werk ook belangrijk voor de kennis van den +inwendigen burgerlijken en zedelijken toestand des Lands, terwijl het +van bijgeloof, wonderen en duivelskunsten geheel vrij is. De Heeren +Amersfoordt en Visser, hebben daarvan de Uitgave in het Archief voor +Vaderl. en Vriesche Geschiedenis bezorgd, en verrijkt met een aantal +uitmuntende Aanteekeningen, hoofdzakelijk door den eersten bewerkt, +welke van de kunde en geleerdheid des vervaardigers getuigen. + +Door dezen Petrus van Thabor is omstandiger dan elders beschreven, +de Donia-oorlog, eene der merkwaardigste en treffendste burger- +en familietwisten, door welke Friesland meermalen werd geteisterd, +welke geduurd heeft van 1458 tot 1496. Verg. het Archief, I. p. 16-24 +en de Aanteekeningen, alsmede de aanmerkingen van den Heer van Halmael, +benevens het antwoord daarop van den Heer Amersfoordt, in de Leeuwarder +Couranten van 14 en 21 Junij 1831; 3, 10, 17 April en 1 Mei 1832; +welke stukken voor de geschiedenis van te veel waarde zijn, om niet +in een beter en duurzamer vorm te worden overgegoten. + + +Bl. 166.--Ao 1559. + +Regnerus Predrinus of Reinier van Winsum, geboren 1508, was een +zeer geleerd en verdienstelijk man en een der leerlingen uit het +Fraterhuis. Zijne gehoorzaal was met een toevloed van leerlingen +opgevuld, met welken hij de schriften van Plato, Aristoteles, +Demosthenes, Cicero en Quinctilianus behandelde. Gansche scharen uit +Oost- en West-Friesland, Braband, Vlaanderen, Duitschland, Frankrijk, +Italië, Spanje en Polen kwamen tot hem over, en vormden als het ware +eene Hoogeschool rondom hem. Kort na zijnen dood, in 1563, verdween +de gansche stichting der Broederschap. In 1582 deed de Regering eene +poging, om haar te doen herleven, door de aanstelling van Antonius +Folcard of Folkerts van Boornbergum, tot Overste, doch dit besluit werd +niet uitgevoerd. De oprigting der Hoogeschool in Groningen, in het jaar +1614, gaf deswege eene nieuwe schadeloosstelling. Reeds in den aanvang +der XVI eeuw begon die Broederschap voor de Hervorming van Luther te +wijken: de minachting voor de kloosterinrigtingen deed haar in die +oorden te niete gaan; maar in andere gewesten werd zij verdrongen +door eene veel magtiger orde, die met gesloten gelederen overal eene +Broederschap vervolgde, welke immer daarop roem kon dragen, dat zij +noch dezelfde verdedigingsmiddelen, noch dezelfde wapens kende. Het +waren de Jezuiten, die zich in hunne plaats stelden. Delprat, +Verh. over de Broederschap van G. Groote, bl. 117 en 186. + + +Bl. 169.--Ao 1566. + +Waar op in 't Latyn stond. Moet zijn in 't Fransch. Zie over +de Geuzennapjes v. Alkemade. Displegt. II. 459 en van Loon, +Ned. Hist. Penn. I. 82. In het algemeen waren de nappen eigenlijk +uitgeholde houten bakken van middelmatige grootte, welke dienen moesten +om eenig vocht in zich te houden. Zij waren, zoowel als de bedelzakken, +het kenteeken der bedelaars, en werden door dezen gebruikt, om er de +soep in te ontvangen, welke hun aan de kloosters werd uitgereikt, +wanneer zij het godsdienstig onderwijs genoten hadden. Tot gebruik +over tafel, om er elkander den dronk uit toe te brengen, afgezonderd +zijnde, zijn de nappen natuurlijk tot napjes gebragt. Collot d'Escury, +Holl. Roem, II. A. 111. + + +Bl. 170.--Ao 1567. + +En een schip met Edelen. Breedvoerig vindt men dit verhaal bij +Wins. fol. 538; verg. Gabbema, Verh. van Leeuw. bl. 493. + + +Bl. 172--Ao 1568. + +Waarom Arenberg--op Graaf Adolf los rende. Dat de beide Graven door +elkanders handen zouden zijn gesneuveld, wordt door van Meteren en +anderen tegengesproken, hoezeer er eene oude overlevering is, welke +dit vermeldt, en door onze kronijk schijnt gevolgd te zijn. Het is mij +ook voorgekomen, dat de Schrijver of Schrijvers van It aade Friesche +Terp zich op vele plaatsen niet van de beste bronnen hebben bediend, +dan het ligt niet in ons plan, over de verschillende gebeurtenissen +breedvoerig uit te weiden, en de gebreken allen aan te wijzen, waardoor +wij het bestek dezer Aanteekeningen verre zouden overschrijden. Men +vergelijke over dit geheele tijdvak den Tegenwoordige Staat van Stad +en Lande, I. Deel. + + +Bl. 174.--Ao 1568. + +Den 7de van December. Niet in December 1568 is dit gebeurd, maar in +het begin van Herfstmaand 1566: want reeds in 1567 werd de Roomsche +godsdienst weder hersteld, en in 1570 zond Alba Cunerus Petri als +Bisschop naar Leeuwarden, alwaar hij den 1 Februarij op nieuw de kerken +inwijdde, en de getrouw geblevene gemeente inzegende. Zie Gabbema, +Verh. van Leeuw. bl. 457, die den 7 of 16 van Wintermaand noemt, +gelijk ook Wins. en Schot. schrijven, terwijl September moet worden +gesteld. Verg. ook ten dezen het Iets over de Kerken, kloosters en +voormalige gasthuizen binnen Leeuwarden, van den Heer van Halmael, +geplaatst in het Mengelw. der Leeuward. Courant van den 14 Augustus +1832. + + +Bl. 178.--Ao 1574. + +Casper Robles. Verg. de Inleiding van mijn Tafereel van den Watervloed, +bl. XLI en XLII; Scheltema, Staatk. Nederland, II. 250 en de +aangehaalde Schrijvers; Outhof, Verhaal van alle hooge Watervloeden, +bl. 535; Dumbar, Analecta, III, in hetwelk door Reinico Fresinga +van Frennicker (zoo als hij zich onderschrijft), in diens Memorien, +ook een cort verhaal van Billys gelegentheyt wordt gegeven [191]. De +beschrijving in 't Latijn, over de daden van de Robles in Friesland +bedreven, door Johannes Carolus, uitgegeven te Leeuwarden 1731, door de +zorg van den beroemden Petrus Wesseling, loopt slechts over een kort +tijdsbestek, en is met eene scherpe pen geschreven [192]. Zie voorts +Gabbema, Verh. van Leeuwaarden, bl. 534; Wins. Historiae, L. III, +en Chron. XVI boek. Over het Kolonels- of Roblesdiep, Tegenw. Staat +van Friesland, II. 228. + + +Bl. 181.--Ao 1576. + +Joachim Hopperus. Deze zeer vermaarde man werd in den jare 1523 te +Sneek geboren, uit een edel geslachte, bekleedde gewigtige ambten, werd +de stichter der Hoogeschool te Douaij, en behaalde als Regtsgeleerde +hoogen roem. Als Staatsman echter was hij te veel hoveling, om, +naar der Friezen aard, als zoodanig door hen op hoogen prijs te +worden gesteld. Men geeft hem zelfs na, dat de spotvogels hem met +den bijnaam van Oui, Madame! bestempelden, daar hij de Landvoogdes +in den Raad nimmer zoude tegenspreken. Hij was echter om zijne +groote kundigheden teregt zeer beroemd; en men mag nooit uit het +oog verliezen, dat hij in zijne hooge betrekkingen altoos, vooral +in dien tijd, op een zeer gevaarlijk standpunt was geplaatst. Zeer +waardig is aan hem en zijne geschriften herdacht door den geleerden +Gabinus de Wal, in zijn klassiek werk: Oratio de claris Frisiae +Jurisconsultis, pag. 27 van de Oratie, 90 volgg. der Aanteekeningen, +en 428 der Bijvoegselen. Verg. Scheltema, Staatk. Nederl. I. 492; +Wins. fol. 599. In de Nalezingen op Wagenaar van van Wyn zijn vele +bijzonderheden uit de brieven van Hopper te vinden, en van zijn leven +is eene goede beschrijving aanwezig in de Levens van Nederl. Mannen +en Vrouwen, IV Deel. Onze voornaamste Geschiedschrijvers hebben van +zijne schriften gebruik gemaakt. Zijne brieven aan Viglius, welke +de Antwerpsche Bisschop, de Nelis, heeft laten drukken, en daarna +uitgegeven zijn, zijn hoogst belangrijk voor de geschiedenis. In +de bibliotheek te Brussel bevinden zich nog een aantal andere +oorspronkelijke brieven van hem en Viglius, in hunne landtaal +geschreven, bevattende vele zaken, welke zij elkander in 't geheim +wilden mededeelen. Zie de Wind, Bibliotheek, II. 172. + + +Bl. 181.--Ao 1576. + +Ook overleed in dit zelve jaar, te Gent, Viglius Swichemius ab +Aita. Een groot aantal geleerde en kundige mannen hebben zich van tijd +tot tijd bezig gehouden, met het beschrijven van het leven en de daden +van den wijdvermaarden Fries, Wigle van Aytta van Zwichum, den 19den +van Wijnmaand 1507, op de State Barahuis [193], onder den dorpe Wirdum +geboren, uit eene der oudste en aanzienlijkste Friesche geslachten, +en gestorven den 8 van Bloeimaand 1577 binnen Brussel. Onder deze +geschriften verdient bijzondere opmerking, de uitmuntende Redevoering +van den Amsterdamschen Rector van Ommeren, in welke (gelijk de Ridder +Scheltema te regte vermeldt [194]), het karakter van Viglius van +de beschuldiging van zwakheid en ongelijkmatigheid meesterlijk is +vrijgepleit [195]. + +Ook het uitstekend en krachtvolle Verhaal van het leven en de daden +van Vigle van Ayta, door Mr. A. Telting met oordeel en verstand +zamengesteld, plaatst den grooten man in een helder daglicht, +en geeft hem de verdiende eere [196], hoezeer anderen een minder +gunstig oordeel over hem hebben geveld. Verg. hierover Holland's +Roem in Kunsten en Wetenschappen door den Baron Collot d' Escury, +II. 23 en Aantt. bl. 69. Deze Schrijver maakt tevens gewag in de +Aanteekeningen op zijn eerste Deel van den glazen beker, door Viglius +aan Keizer Karel toegebragt, toen deze Utrecht bezocht heeft, en welke +naderhand op vele gastmalen gebruikt werd, wanneer men hem al drinkende +ronddraaide, om met de lippen dezelfde plaats te treffen, als die de +Keizer had aangeroerd. Op dezen beker, van dik bruin glas, thans in +bezit van Z. E. den Minister van Maanen, heeft Anna Maria Schurman +met een diamant het volgende geschreven en met haren naam onderteekend: + + + Viglius Zuichemius. + + Al ben ik duister, + De naam geeft luister. + + +Zie v. Alkemade, Displegtigh. II. 528. Uitvoerige melding van +Viglius en zijne geschriften vindt men in de aangehaalde Oratie +van den Hoogleeraar de Wal, bl. 31, 103, 430 volgg. Verg. de Wind, +Bibliotheek, II. 188. + + +Bl. 182.--Ao 1577. + +Waar op de Graaf van Rennenberg. Georg van Lalaing, Heer van Velle +en Graaf van Rennenberg, gesproten uit een der aanzienlijkste en +oudste stamhuizen van Henegouwen, reeds in de XII eeuw bekend, was +een man van grooten aanleg en kunde. Tot Stadhouder van Friesland, +Groningen en Overijssel benoemd, bekleedde hij in den aanvang +het Staatsambt met wijsheid en matigheid, doch later schandvlekte +hij zich zelven in 's Lands geschiedenis als eenen verrader. De +verdienstelijke Rijks-Archivarius de Jonge [197] vermeent, dat hij +welligt door onze Voorvaderen, om deze daad, zonder inachtneming +der omstandigheden, te streng veroordeeld; doch wanneer wij bij +den uitmuntenden Geschiedschrijver A. Kluit, in diens Historie der +Hollandsche Staatsregering (I. 176, noot), lezen, dat, hoezeer de ware +staatkundige redenen van den afval van Rennenberg, niet zoo zeer bekend +zijn, men het echter, naar aanleiding zijner eigenhandige brieven, +aan zijne vrienden geschreven, daarvoor moet houden, dat die redenen +gelegen waren in jalouzij op Nassau en bevordering van eigen grootheid; +hoe zal men dan nog voor zulk een boos en misdadig opzet, in een +Bestuurder des Lands, middelen ter verdediging kunnen vinden? Zijn +karakter vinden wij juist beschreven door een zijner tijdgenooten, +die de meeste gebeurtenissen zelf heeft bijgewoond, en wel tot de +Staatsgezinde partij behoorde, dan met onpartijdigheid een uitgebreid +verhaal van de jaren 1576 tot 1582 heeft gegeven. Dit is de Franeker +Burgemeester Renico of Rienk Fresinga, hier voren gemeld, wiens +boeksken vooral over dit tijdvak belangrijk is [198]. De onsterfelijke +Hooft geeft navolgende uitnemende karakterschets van den Graaf: + +»Hij was geweest een Heer, eedelaardigh, milddaadigh, heusch +en minlyk van zeeden; verfoeyer van wreetheit, geweldenaary, en +dronckenschap; betrachter der krystught, en lief den landzaaten, +zonder nochtans de gunst der soldaaten te verliezen, mits de zorghe +die hy voor hunne betaaling droegh; hier beneevens versiert met meer +dan gemeene geleertheit; welgeoeffent in de Grieksche, Latynsche, +en andere taalen; zeer zoet op de wiskonstighe weetenschapen, +inzonderheit de maatzang. Al dat 'er in te berispen scheen, was een' +blaakzuchtighe ruimborstigheit in 't houden van hof en disch, booven +zijn' inkomst; een toegeeven aan zyn' geneigtheit tot vrouweeren; +opstyghing van moedt, als 't geluk hem meede; stryking, als 't +hem teeghen liep; en 't ontzuivren van zyn' eer en gewisse met +verandering van parthy. Eevenwel om de kosten zynes staatvoerens te +vergelden, schrobd' hy nooit de gemeente, en stak maar eighe middelen +af. Zyn' boelaadjen beleidd' hy zoo heimelyk, dat ze ten minste geen' +arghernis baarden. Onbestendigheit in voor- en teeghenspoedt is de +zeldzaamste der menschelijke zwakheeden niet. Zyn' trouwbreuk strekte +eenen naaghel aan zyn' doodkist, en werd geboet met een berouw dat +zyn' ziel doorsneed: 't en zy hem 't quaalyk beslaaghen meer dan +'t misdryf gezeurt heeft. Oover Groninge, zeeker, in zyn' ziekte, +riep hy dikwyls, wenschende 't nooit gezien te hebben. Ook verbood hy +in de laatste daaghen, zyn' zuster Kornelia, als het dwaallicht dat +hem verleidt had, onder zyn' ooghen te koomen. De gemelde deughden, +en fraayigheden naa deughd zweemende, deeden hem beklaaghen, zelfs van +zyn' meeste vyanden, dien 't jammerde dat hy tot dien val geraakt was." + +Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 810 volgg., bij welken Schrijver +men op bl. 884 deze karakterschets wedervindt, er (uit Fresinga) +bijvoegende, dat zijne zuster Kornelia hem ook had bekoord en gevleid, +met het uitzigt op een huwelijk met Maria van Brimeu, Gravinne van +Megen, weduwe van Lancelot Barlaimont, hetwelk echter mislukte. Zie +Wins. Chron. XVIII Boek; Histor. p. 544; J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te +Land, bl. 257, 265, 266; welke laatste zijnen afval toeschrijft, +aan gemoedelijk bezwaar en ontzag voor de Katholijke kerk. + + +Bl. 191.--Ao 1580. + +Merode, Heer van Rummen. De geschiedenis getuigt van hem als van +een edel, eerlijk en standvastig voorstander der vrijheid, getrouw +voor de goede zaak, dapper in den krijg, en wiens verkregen roem, +door zijn verstandig stadhouderlijk bestuur in Friesland is staande +gehouden. Er is nog in geschrifte van dien tijd, aanwezig een +Journaal van voorgevallene saacken in Friesland, enz., geholden +bij Bernard van Meroode, Stadholder,--van den 7 Julij 1580 tot den +12 Junij 1583: aan de achterzijde op den pergamenten omslag staat: +Prothocol de la Secretairie du Gowerneur de Frise. Dit belangrijk +Handschrift onderzoekende, bevond ik dat hetzelve bevatte vele +Commissiën, Instructiën, Resolutiën, Ordonnantiën, bijzonder voor +de Hoofden der Krijgsmagt en voor de burgerlijke Besturen; voorts +Paspoorten, Sauvegardes, Brieven aan Vorsten en Edelen, Requesten, +Plakkaten en andere Staatsstukken, van welke slechts zeer weinigen in +het Charterboek van Schwartzenb. voorhanden zijn, en wel alleen die, +welke te vinden waren in de Leeuwarder Plakkaatb. + +In 1583 verzocht Merode, uit hoofde van zijnen hoogen ouderdom, om de +gedurige onrust der tijden, de twist en tweedragt om het Meesterschap +tusschen de Staten en het Hof, en omdat de Edelen geen ontzag voor +hem hadden, zijn ontslag, en verkreeg zulks op eene zeer vereerende +wijze. Zijne Commissie van den Prins van Oranje, om in zijnen naam +Friesland te besturen, is van den 17 Junij 1580, Chartb. IV. 172; +Wins. fol. 670. Verg. Leven van Willem I, door L. F. de Beaufort, +XI Boek. Bernard van Merode en zijn broeder Willem behoorden tot +de eersten, die onder den Prins dienst namen, en in het veld door +dapperheid en wijs beleid uitmuntten. Dit geslacht heeft aanzienlijke +bezittingen in de Provincie Noord-Braband, doch behoorde van overouden +tijd tot den Belgischen Adel. Verg. J. Bosscha, Neêrl. Heldend. te +Land, bl. 243. + + +Bl. 196.--Ao 1584. + +Wij laten hier volgen een kort overzigt van de Stadhouders van +Friesland, uit het Huis van Nassau: + + +WILLEM LODEWIJK. +EERSTE STADHOUDER. + +Willem Lodewijk, Graaf van Nassau, was de zoon van Johan den Ouden, +Graaf van Nassau-Dillenburg, Broeder van Willem I. Hij werd geboren +op den 13 Maart 1560; huwde in den jare 1587 Prinses Anna, Dochter +van zijnen Oom Willem I, verwekt bij diens tweede Gemalinne Anna van +Saksen [199]. Slechts ruim zeven maanden duurde deze echt, daar de +Prinses in den jare 1588 ten huize van Julius van Botnia, een der +voornaamste Friesche Edelen, ijveraar voor vrijheid en godsdienst, +in den ouderdom van 26 jaren te Franeker is overleden. WILLEM zelf +is den 31 Mei 1620, ten gevolge eener beroerte binnen Leeuwarden +gestorven; zoo men verhaalt, terwijl hij bezig was zijnen Neef Maurits +bij geschrifte te raadplegen, wat hem te doen zou staan, indien eens +Maurits, zonder behoorlijke schikkingen te hebben gemaakt, door een' +plotselingen dood werd overvallen. + +In 1583, in de plaats van Merode gesteld zijnde, werd hij op den +16 October 1584 door de Staten van Friesland, op den Landsdag te +Franeker, tot absoluut Stadhouder en Gouverneur over dat Gewest, +verkoren, nadat men plegtig den Koning van Spanje afgezworen had. + +Hij was een voortreffelijk Vorst, een dapper en bekwaam krijgsman, een +voorstander van de godsdienst, en, hoewel deelende in de kerkelijke +scheuring, meer gematigd dan Prins Maurits. Loffelijk getuigen +Ubbo Emmius, van Reijd en Willem van Haren van zijne krijgskundige +verdiensten en grondige kennis, zoowel der theorie als praktijk. Als +beminnaar en hoogachter van letteren en geleerdheid, erkent men in hem +den Stichter der Friesche Hoogeschool, welke, zoowel als de geheele +Provincie, die door hem weder in rust gebragt werd, zijne bijzondere +bescherming heeft genoten. Ook aan hem mag de eer worden toegekend +van de oprigting der Groninger Akademie. + +Hij regeerde van 1584 tot 1620. + + +ERNST CASIMIR. +TWEEDE STADHOUDER. + +Ernst Casimir, Graaf van Nassau, Broeder van Willem Lodewijk, werd +diens Opvolger in het Stadhouderschap over Friesland. Hij was geboren +den 22 of 24 December 1573, trouwde in den jare 1607 met Anna Sophia, +dochter van den den Hertog Julius van Brunswijk, welke Prinses in +1642 is overleden. Uit dit huwelijk zijn twee zonen en twee dochters +geboren, welke laatsten jong en ongehuwd overleden zijn; de beide +zoons, Hendrik Casimir en Willem Frederik, zijn hem in de regering +opgevolgd. Na een aantal gewigtige zendingen ten dienste van den Staat, +werd hij eerst Stadhouder van Friesland, en daarna door Groningen +en Drenthe in die waardigheid erkend. In vele krijgsverrigtingen +muntte zijn beleid en dapperheid bijzonder uit; doch in het beleg van +Roermonde, op den 2 Junij 1632, trof een vijandelijke musketkogel, +terwijl hij de loopgraven bezigtigde, zoodanig zijn hoofd, dat hij +na verloop van drie uren daarna den geest gaf. Als staatsman vond +ik hem niet bijzonder vermeld: in het kerkelijke bezat hij minder +gematigdheid dan zijn broeder. + +Hij regeerde van 1620 tot 1632. + + +HENDRIK CASIMIR I. +DERDE STADHOUDER. + +Hendrik Casimir I, Graaf van Nassau, oudste Zoon van Ernst Casimir +en Anna Sophia, werd in den jare 1611 geboren en is niet gehuwd +geweest. Men roemt hem als een dapper held, wiens leven in velerlei +krijgstogten werd gesleten, terwijl een schoon getuigenis wordt gegeven +van zijn godsdienstig, standvastig en braaf karakter. Zelfs zijner +wederpartij dwong hij zoodanige hoogachting af, dat een vijandlijk +Officier bij 's Vorsten doodberigt had uitgeroepen: »Nu is de braafste +Kapitein in Nederland gestorven!" Onder de beroerten in Friesland +in 1635 bewees hij ook dat Gewest groote diensten. Bij de belegering +van Hulst en Brugge trof hem een pistoolschot in den rug, welke wonde +hem op den 12 of 13 van Hooimaand 1640 den dood veroorzaakte. + +Hij regeerde van 1632 tot 1640. + + +WILLEM FREDERIK. +VIERDE STADHOUDER. + +Willem Frederik, Graaf of Prins van Nassau, jongste Zoon van Ernst +Casimir, werd te Arnhem op den 7 Augustus 1613 geboren, en trad den 2 +Mei 1652 in den echt met Albertina Agnes, Dochter van Frederik Hendrik, +Prins van Oranje. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren: Prinses +Amelia, met den Hertog van Saksen-Eysenach getrouwd; Sophia Hedwich, +omtrent derdehalf jaren oud gestorven, en Hendrik Casimir. Willem +Frederik verlangde zijnen Broeder Hendrik op te volgen als Stadhouder +van Friesland, Groningen en Drenthe, doch Frederik Hendrik, begeerde +over al de gewesten te heerschen. Hierover ontstond geschil, en beide +namen hunne maatregelen om tot hun doel te geraken. Willem Frederik +werd door de Staten van Friesland tot Stadhouder, en Frederik Hendrik, +door die van Groningen en Drenthe verkozen. Gelijk alle twisten +tusschen hooge personen nadeelig werken voor Land en Volk, had ook dit +geschil buitendien voor den Vorst zeer onaangename gevolgen: want de +magtiger Frederik dwong zijnen mededinger tot menige vernedering. Op +eene noodlottige wijze verloor hij het leven: want bij het beproeven +van een zadelpistool, zullende dienen op zijne voorgenomene reis naar +Westfalen, ging het schot af, en trof hem dermate in het aangezigt, +dat hij drie dagen daarna overleed. Dit was op den 21 October 1664, +terwijl de Stadhouder te Leeuwarden resideerde. + +Hij was een bekwaam krijgsman, bedreven in staatszaken en van karakter +uitstekend: daarenboven een beoefenaar en hoogschatter der Letteren, +waarvan de Hoogleeraar Ulrik Huber getuigt, dat de werken van Tacitus +en Seneca, zoowel des nachts als des daags door den Prins werden +gelezen, en in het geheugen geprent. De Franeker Hoogeschool verloor +in hem eenen sterken voorstander en verdediger. + +Hij regeerde van 1640 tot 1664. + + +ALBERTINA AGNES. +VOOGDESSE. + +Albertina Agnes, Prinses van Oranje, in 's Gravenhage op den 29 +April 1634 geboren, had gedurende den tijd der voogdijschap over +haren zoon Hendrik Casimir, die nog geen acht jaren oud was bij den +dood zijns Vaders, het bestuur over dit Gewest, en verwierf zich +veel gezag bij de Friezen. Zij was eene verstandige, beminnelijke en +zeer godsdienstige vrouw; eene voortreffelijke echtgenoot, en eene +waardige en zorgvuldige moeder voor hare kinderen, welke zij allen, +voor zich ten grave zag dalen. Den 24 Mei 1696 overleed zij op hare +lustplaats, het Oranjewoud, alwaar zij een geruimen tijd van haren +weduwlijken staat had doorgebragt. + +Zij regeerde van 1664 tot 1679. + + +HENDRIK CASIMIR II. +VIJFDE STADHOUDER. + +Hendrik Casimir II, Prins van Nassau, eenige Zoon van Willem Frederik +en Albertina Agnes, werd geboren op den 18 Januarij 1657. Op zijn +vijftiende jaar legde hij als Stadhouder den eed af, welke waardigheid +drie jaren later door de Staten van Friesland, Groningen en Drenthe, +voor zijne mannelijke nakomelingen, erfelijk verklaard werd. Op zijn +22 jaar echter kreeg hij eerst het Stadhouderlijk bewind alleen in +handen. Den 16 November 1683 trad bij in den echt met Amelia, Prinses +van Anhalt-Dessau, Dochter van Johan Georg II, waarmede hij dertien +jaren vereenigd was, en uit welk huwelijk zijn gesproten zeven dochters +en twee zoons: Willem Georg Friso, die een jaar na zijne geboorte is +gestorven, en Johan Willem Friso, zijns Vaders opvolger. + +Zijne benoeming tot Kapitein-Generaal en andere voorvallen gaven +aanleiding tot twisten tusschen hem en Prins Willem III, welke echter +door diens uitzigt op de kroon van Engeland bedaarden, en in 1685, +onder bemiddeling van den vermaarden Hoogleeraar Joh. van der Waeijen, +daarna des Stadhouders Raadsman, geheel werden bijgelegd. Op zijn +zeventiende jaar stortte hij bij een gevegt, te stoutmoedig met +den degen in de vuist op den vijand indringende, met zijn paard in +eene laagte, ten gevolge van welken val, hij steeds onderhevig aan +bloedspuwingen is geweest; en door deze kwaal in zijne gezondheid +ondermijnd, overleed hij te Leeuwarden op den 25 Maart 1696. + +Hij studeerde in den jare 1671 te Franeker, en gaf vele blijken van +verstand, oordeel en ervarenheid; dan vooral in het krijgswezen muntte +hij uit in moed, beleid en onverschrokkenheid. De dappere Generaal +Hans Willem, Baron van Aylva, die den Lande in een zeer netelig +tijdperk voortreffelijke diensten bewees, was hem een Leermeester +zonder wederga, en had hem den weg tot een onsterfelijken roem helpen +banen. Zijn dood was voor Friesland een zware slag, want in hem werd +een schrander, deugdzaam en edelmoedig Vorst, een magtig Beschermheer +verloren. + +Hij regeerde van 1679 tot 1696. + + +AMELIA. +VOOGDESSE. + +Amelia, Prinses van Anhalt-Dessau, geboren in 1666, werd als Voogdesse +erkend over haren zoon Johan Willem Friso, oud ruim acht jaren bij het +overlijden zijns Vaders, en had tot zijne meerderjarigheid het bestuur +in handen. Zij kocht voor haren zoon de Heerlijkheid Ameland, voor +170,000 Karels guldens. Men vindt weinige bijzondere berigten over haar +vermeld: zij moet eene schoone, vernuftige en schrandere vrouw geweest +zijn, wier zucht echter tot pracht en weelde der spaarzaamheid zeer +in den weg stond. In den jare 1726 is zij in Duitschland gestorven. + +Zij regeerde van 1696 tot 1707. + + +JOHAN WILLEM FRISO. +ZESDE STADHOUDER. + +Johan Willem Friso, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 14 Augustus +1687 te Dessau, aanvaardde in 1707 het Stadhouderschap over Friesland, +en het jaar daarna over Groningen en Ommelanden. Na den dood zijns +Vaders nam Prins Willem III de zorg zijner opvoeding op zich, en deze, +zonder kinderen overlijdende, maakte zijn geliefden kweekeling tot +zijnen eenigen erfgenaam. Op den 1 Mei 1709 trad hij in den echt met +Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, uit welk huwelijk zijn geboren +twee kinderen: eene dochter Anna Charlotta Amelia, getrouwd met den +Prins van Baden-Durlach, en een zoon, Willem Karel Hendrik Friso. Op +den 14 Julij 1711 is de Stadhouder, in zijnen jeugdigen leeftijd, +op eene droevige wijze omgekomen, daar hij bij de overvaart van het +Strijensche Sas aan den Moerdijk, toen door een rukwind de pont werd +omgeslagen, zijn dood in de golven vond. Zijn krijgsroem was reeds +gevestigd; zijne deugden waren velen, en had hem een langer leven +mogen te beurt vallen, hij zou ongetwijfeld in 's Lands geschiedenis +eene luisterrijke plaats hebben bekleed. Gedurende anderhalf jaar, in +1700 en 1701, heeft de Prins te Franeker gestudeerd, en bijzonder het +onderwijs van den beroemden Fullenius genoten, waarna hij, op begeerte +van zijnen Voogd, Prins Willem III, zich ook naar de Hoogeschool te +Utrecht begaf. + +Hij regeerde van 1707 tot 1711. + + +MARIA LOUISA. +VOOGDESSE. + +Maria Louisa, Prinses van Hessen-Cassel, een der veertien kinderen +van den Landgraaf Karel en Maria Amelia, Prinses van Courland, is +geboren op den 17 Februarij 1688. Onder de leiding harer uitmuntende +moeder, wier evenbeeld zij werd, ontwikkelde zich in haren jeugdigen +leeftijd reeds den voortreffelijken aanleg tot deugd en bekwaamheid, +welke het sieraad eener vrouwe zijn, en de Vorstin bovendien tot een +verheven en magtig voorbeeld voor hare onderdanen stelt. Gedurende +de minderjarigheid van haren Zoon, bestuurde zij 's Lands zaken met +beleid en verstand, zoodat zelfs de Staten van dit gewest, haar met +een geschenk van 5000 gulden vereerden, en eene levenslange jaarwedde +van eene gelijke som. Na den dood van Prins Willem IV en deszelfs +Weduwe werd haar weder de waarneming van het Stadhouderlijk bewind +over Friesland opgedragen, hetwelk zij met welgezindheid aanvaardde +en met ijver behartigde. Op den 9 April 1765, dus ruim 77 jaren +oud, is deze Vorstin te Leeuwarden overleden, en hare nagedachtenis +is door alle tijden bij de Friezen in zegening gebleven: want zij +was godsdienstig, nederig, milddadig en beminnelijk van karakter, +zoodat men dan ook haar steeds met den vereerenden lievelingsnaam +van Maryke-Mui bestempelde. Als Stadhouderes regeerde zij met +wijsheid en gematigdheid. Zoowel voor de stille rust als voor het +woelige hofleven geschikt, bragt zij in godsdienstige afzondering en +vrolijke uitspanning vele dagen door in haren lusttuin Marienburg, +bij Leeuwarden, of op het geliefkoosd Oranjewoud [200]. + +Zij regeerde van 1711 tot 1731, wanneer haar zoon meerderjarig +werd. Van diens dood tot in 1759, in welk jaar hare schoondochter +Prinses Anna, is overleden, had zij eenig deel aan 't Stadhouderlijk +bewind, en na dien tijd regeerde zij weder geheel tot 1765. + + +WILLEM KAREL HENDRIK FRISO. +ZEVENDE STADHOUDER. + +Willem Karel Hendrik Friso, of Willem IV, Prins van Oranje-Nassau, +werd te Leeuwarden geboren den eersten van Herfstmaand 1711, zes +weken na zijns Vaders overlijden. In den eersten leeftijd onder het +oog zijner verstandige moeder opgevoed, daarna door de beroemdste +geleerden, zoo als Wesseling, Hemsterhuis, Heineccius en anderen, +aan de Friesche en Utrechtsche Hoogescholen, onderwezen, moest +zijn krachtvolle geest zich spoedig ontwikkelen, en eene grondige +kennis van zaken bekomen, welke den echten Landsvader kenmerken, en +zijn bestuur ten beste der onderdanen doen gedijen. In den jare 1731 +aanvaardde hij de waardigheid van Stadhouder over Friesland, na reeds +daarin over Groningen, Drenthe en Gelderland te zijn bevestigd. In het +merkwaardig jaar 1747 werd een perk gesteld aan de verdeeldheden eener +vijfenveertigjarige Stadhouderlooze regering in de overige Provincien, +en Willem IV tot Algemeen Stadhouder over al de gewesten verkoren, met +erfelijk-verklaring dier hooge waardigheden, zoowel in de vrouwelijke +als mannelijke linie. Hij trad in den echt met Anna, Kroonprinses van +Groot-Brittanje op den 25 Maart 1734. De spruiten uit dezen echt waren, +behalve drie dochters, welke allen kort na de geboorte zijn overleden, +Prinses Carolina en Prins Willem V. Hij regeerde gelijk het den Vorst +betaamt, wien zijn Land en Volk, als zijn eigen welzijn, zeer ter +harte gaan. Twee groote Nederlandsche Historieschrijvers, Stuart en +Scheltema, getuigen beide van hem: »dat hij de grootheid van zijn +Huis alleen zocht in de ware grootheid van den Staat; zijn hoogste +eerzucht in de liefde zijns Volks stellende." Geen offer achtte +hij te dier voor de belangen der natie, en standvastig van geest +volgde hij steeds het hem aangewezen moeijelijk pad. Vele goede en +beminnelijke hoedanigheden waren van de Moeder op den Zoon overgegaan; +godsvrucht en christenliefde paarde zich aan opregtheid en eerlijkheid +[201]. Als vriend der geleerden en voorstander der wetenschappen, vond +ook de Friesche Hoogeschool in hem eenen ijverigen Beschermheer. In +den ouderdom van ruim veertig jaren bezweek zijn van tijd tot tijd +verzwakt ligchaam, onder de rusteloosheid van eenen veelvuldigen +zwaren arbeid. Hij stierf den 22 October 1751, en werd te Delft in +den Vorstelijken grafkelder van Willem I begraven. + +Hij regeerde van 1731 tot 1751. + + + + + +Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje, Prinses van +Brunswijk-Lunenburg, Gemalinne van Willem IV, was de oudste Dochter +van Koning George II, en werd geboren den 2 November 1709. Zij was +eene schoone vrouw, helder en krachtvol van geest, kloek van verstand, +edel van ziel en grootmoedig van karakter; de geschiedenis getuigt +van haar, dat zij niet alleen vele voortreffelijke deugden, maar +ook uitstekende talenten bezat, zoodat zij in verschillende talen +oordeelkundige werken over godsdienst, geschiedenis en zedekunde +geschreven heeft, en dit wel, hetgeen bijzondere opmerking verdient, +niet om te schitteren, maar tot eigen oefening en anderer nut. Dat +zij alzoo voor haren Gemaal een onschatbaar kleinood was, zal wel +geen betoog behoeven: want, ook in staatszaken ervaren, ondersteunde +zij in die oproerige tijden den vredelievenden Vorst met wijzen +raad. Na den dood van dezen had zij bij het voeren des bewinds en +'t bestier der voogdij, eene standvastigheid en kloekheid betoond, +die den Grooten Frederik, op het ontvangen van haar doodberigt, aan +der Staten Gezant schrijven deed: »Ik heb eene Vriendin verloren, +die door hare grootmoedigheid, wijsheid en eene hare kunne te boven +gaande kracht van geest al mijne achting verdiende." Op den 12 van +Louwmaand 1759 ontsliep zij in den ouderdom van ruim 49 jaren te +'s Gravenhage, en werd bij haren Gemaal te Delft begraven. + +Zij regeerde als Gouvernante van 1751 tot 1759; terwijl echter +het beheer in Friesland aan de Staten en Prinses Maria Louisa was +opgedragen. + + +CAROLINA. +REGENTESSE. + +Aan Carolina, Prinses van Oranje, eenige overgeblevene dochter van +Willem IV, geboren te Leeuwarden den 28 Februarij 1743, werden, na +den dood harer Grootmoeder Maria Louisa, in den jare 1765, ten gevolge +der Landsverordeningen op de Voogdij, de Magistraatsbeschikkingen in +de Friesche steden opgedragen, tot aan de meerderjarigheid van haren +Broeder. Zij huwde in 1759, dus zestien jaren oud, na vele staatkundige +tegenstribbelingen, aan Carel Christiaan, Prins van Nassau-Weilburg, +gesproten uit de linie van Walram. + +Zij regeerde tot in 1766. + + +WILLEM V. +ALGEMEEN STADHOUDER. + +Willem V, Prins van Oranje-Nassau, geboren den 8 Maart 1748, aanvaardde +het Stadhouderschap over al de Gewesten den 8 Maart 1766. Hij trad +in den echt den 4 October 1767 met Frederica Sophia Wilhelmina, +Prinses van Pruissen, Nicht van Koning Frederik II, den 7 Aug. 1751 +geboren. Deze zijn de doorluchtige Ouders van onzen geëerbiedigden +Koning. Prins Willem overleed te Brunswijk in Grasmaand 1806, en +zijne verhevene Gemalinne op het Loo 9 Junij 1820. + + +Bl. 201.--Ao 1591. + +En 6 yzere gotelingen. In dezen tijd was voornamelijk ook eene +soort van geschut in gebruik, genaamd Gotelingen, van 18, 8, 6, 4, +3 en 2-1/2 pond, benevens metalen Kartouwen, Colverijns, Veldslangen, +Sakers, Dranken, Mignions en anderen; die vooral op de schepen gebezigd +werden. De Jonge, Gesch. van het Zeewezen, I. 402. Verg. Kiliaan op +'t woord. + + +Bl. 208.--Ao 1594. + +En op Ostagiers handelende. Ostagier, Stagier beteekent een gijzelaar; +vandaar: op Ostagiers geven, handelen, nemen, d. i. gijzelaars ten +onderpand geven of ontvangen. Zie Kiliaan. Over dit merkwaardig +beleg vergelijke men den Tegenw. Staat van Stad en Lande, I. 518; +Wins. fol. 817, enz. + + +Bl. 216.--Ao 1620. + +Die heerlyke begraafplaats. De Groote of Jacobijner kerk is volgens +Gabbema, Verhaal van Leeuwaarden, gebouwd in den jare 1487, doch, +volgens J. van den Bosch, in zijn meergem. werk, was zij reeds door +de Heeren van Cammingha en eenige rijke burgers in 1228 gesticht; +en daarna afgebrand zijnde, werd zij herbouwd in 1487. In derzelver +Koor aanschouwde men de prachtige marmeren graftombe van Graaf Willem +van Nassau en zijne Gemalinne Anna, onder welke tombe de Vorstelijke +Grafkelder zich bevond, waarin zijn bijgezet geworden: + + + 1. Prinses Anna, Gemalin van Willem Lodewijk. + 2. Graaf Willem Lodewijk, eerste Stadhouder. + 3. Graaf Ernst Casimir, tweede Stadhouder. + 4. Graaf Hendrik Casimir, derde Stadhouder. + 5. Prinses Anna Sophia, Weduwe van Graaf Ernst Casimir. + 6. Graaf Willem Frederik, vierde Stadhouder. + 7. Prinses Sophia Hedwich, dochter van Graaf Willem Frederik. + 8. Prinses Albertina Agnes, Weduwe van Graaf Willem Frederik. + + +Nog stonden in dezen grafkelder twee kleine kisten, waarin +waarschijnlijk de dochters van Graaf Ernst Casimir zijn bijgezet; zoo +bevonden er zich drie kleine houten kistjes, in welke tinnen doozen, +waren geplaatst, die ingewanden van gebalsemde Vorstelijke lijken +zullen hebben bevat. + +Toen deze begraafplaats te klein geworden was is door Prinses Amelia +eene tweede aangelegd, in welke zijn bijgezet: + + + 1. Prins Willem Georg Friso, zoon van Prins Casimir II, geboren + te Leeuwarden 24 Junij 1685. + 2. Prins Hendrik Casimir II, vijfde Stadhouder. + 3. Prins Johan Willem Friso, zesde Stadhouder. + 4. De tweede dochter van Prins Willem IV, bij de geboorte gestorven + 22 December 1739. + 5. Prinses Anna, jongste dochter van Prins Willem IV, geboren te + Leeuwarden 15 November, en den 29 December 1746 overleden. + 6. Prinses Maria Louisa, weduwe van Prins Johan Willem Friso. + + +Van deze Vorstelijke begraafplaats en het marmeren grafgesticht +is niets meer overgebleven, dan het aandenken aan derzelver vorig +bestaan. Niet door den vernielenden tand des tijds, die al wat +onvergankelijk schijnt aan stukken knaagt, maar door den geesel der +verwoesting en het teugelloos geweld, uit overdreven vrijheidszucht, +haat en partijschap geboren, wier blinde drift zelfs de graven der +afgestorvenen niet eerbiedigt, zijn deze gedenkteekenen vernietigd. Dan +wij willen de treurige herinnering aan die tijden niet verlevendigen, +en dergelijke gebeurtenissen liever der vergetelheid overgeven. + +Van de zeven Stadhouders, de Prinsessen Amelia, Maria Louisa en Anna, +benevens de Graven Johan Maurits, Adolf, Jan en Albert van Nassau, +zijn op het Hof te Leeuwarden nog uitmuntend geschilderde beeldtenissen +bewaard gebleven. + + +Bl. 221.--Ao 1636. + +Een oud boekje getiteld: Teghen-gifte teghen de Peste, door Lucas +Trelcatius beschreven, uitgegeven te Leeuwarden 1637, meldt in +een Aenhanghsel, dat de verschrikkelijke Pest, welke in dit jaar in +Holland heerschte ook tot Friesland was overgeslagen, en in de dorpen +nog heviger woedde dan in de steden, vooral in Anjum, Grouw, Oldkerk, +enz. terwijl binnen Leeuwarden ettelijke weken lang, bij en over de +200 dooden werden begraven, waarna men de verwoesting in de dorpen +aangerigt kan afmeten. + + +Bl. 227.--Ao 1665. + +De Veldmaarschalk Graaf Johan Maurits van Nassau was de kleinzoon van +Johan den Ouden, den Vader des eersten Frieschen Stadhouders. Bij +gelegenheid van dit ongeluk maakte hij te Franeker zijn uiterste +wille, en gaf die over ter bewaring aan de Akademie. In 1679 overleed +deze zachtaardige en brave man te Bergendaal bij Kleef, alwaar zijne +nederige grafstede nog jaarlijks door vele reizenden bezigtigd wordt. + + +Bl. 229.--Ao 1672. + +Den eersten van Juny, of na de oude Styl den 22ste van May. Voor dat +men den tijd naar behooren geregeld en verdeeld had, of willekeurig +verdeelde, om te voorkomen dat de Saizoenen zich niet verplaatsten, +was het opzigt hierover aan de Priesters des volks aanbevolen. Eene +halve eeuw voor onze jaartelling maakte Julius Caesar een einde aan de +verwarde tijdsberekeningen en derzelver gevolgen in zijnen Staat. Hij +bepaalde het zonnejaar op 365 dagen en 6 uren. Het burgerlijk jaar +werd dus verordend: er zouden telkens drie achtereenvolgende jaren +ieder van 365 dagen loopen, en het vierde of schrikkeljaar moest een +dag meer dragen, welke dag in de maand Februarij werd ingelascht. Het +jaar bestond uit 12 eenigzins ongelijke maanden, zoo als het nu nog +bestaat. Dit was de Juliaansche Jaarrekening of Stijl, Oude Stijl +genaamd. + +De bepaling des zonnejaars van 365 dagen en 6 uren was echter ruim +elf minuten te groot genomen, hetwelk eene afwijking of verloop +moest veroorzaken, die dan ook na vier eeuwen tijds bij de viering +van het Paaschfeest, waarvan de berekening op de maan gegrond was, +duidelijk werd opgemerkt. Men nam maatregelen welke echter onvoldoende +waren, en gedurende vele eeuwen bleef dit gebrek bestaan, zoodat in +de XVI eeuw de lente-nachtevening van den 21 Maart op den 10 was +gekomen. Eindelijk nam Paus Gregorius XIII zich de zaak ernstig +ter harte, liet door geleerden en deskundigen het ontwerp van +Aloisius Lilius, een geneesheer van Verona, onderzoeken, en na rijp +beraad werd er in den jare 1581, bij Apostolische Bulle, eene nieuwe +verbetering aangekondigd en bevolen. De sedert het Concilie van Nicea +vervroegde tien dagen, moesten in het jaar 1582 in de maand October +worden uitgelaten, zoodat men van den 4 dadelijk op den 15 telde. Het +verschil van de elf minuten, die men vroeger op het zonnejaar te veel +gerekend had; werd gevonden, door in vier eeuwen, telkens op het einde +van ieder eeuw één schrikkeljaar over te slaan; dus zoude het jaar +1600 een schrikkeljaar blijven, maar 1700, 1800 en 1900 gemeene jaren +van 365 dagen, en 2000 weder een schrikkeljaar zijn. Het zonnejaar +werd alzoo vastgesteld op 365 en het schrikkeljaar op 366 dagen. Deze +inrigting noemde men de Gregoriaansche Jaarrekening of Stijl, en in +tegenoverstelling van den Juliaanschen den Nieuwen Stijl. + +Door deze verstandige en doeltreffende instelling was er geene +afwijking of verloop van tijdsberekening in eeuwen meer te duchten; +en was men overal verstandig genoeg geweest, men zou niet geaarseld +hebben daarin te berusten, dan vooroordeel, dwaze driften, koppigheid +en ongodsdienstige ijver, keerden aanvankelijk in die woelige tijden +van hervorming onder zoo vele goede zaken ook deze. In de Catholijke +Landen werd de verbeterde Calender spoedig aangenomen, dan eerst in +en omstreeks den aanvang der XVIII eeuw, ging men daartoe in andere +Landen, en ook in de Nederlanden over: Braband, Vlaanderen, Zeeland +en Holland waren de eerste gewesten, daarna volgden Friesland, +Groningen, Gelderland, Utrecht en Overijssel. Dat deze instelling +op ongelijke tijden aangenomen, en dus de een zich van den Ouden, +de ander van den Nieuwen Stijl bedienende, veel verwarring te weeg +bragt, is meermalen gebleken. Zoo schreef b. v. Graaf Johan Maurits +van Nassau, hiervoren gemeld, uit 's Gravenhage eene Missive aan +den Rector en Senaat van de Akademie te Franeker, op den 3 September +1670, en het antwoord op dezelve, drie dagen na dien datum afgezonden, +droeg de dagteekening van den 27 Augustus. In Engeland heeft men eerst +in 1752, en in Zweden een jaar daarna, den Nieuwen Stijl ingevoerd: +in Rusland volgt men nog den Juliaanschen. + +Ingevolge Resolutiën der Staten van Friesland van den 10 en 11 +October 1700 werd vastgesteld en bij Publicatie van den 12 dier +maand afgekondigd, dat op den 1 Januarij 1701, in plaats van den +Ouden Stijl de Nieuwe zou worden ingevoerd, en men op dien dag niet +den eersten maar den twaalfden Januarij zoude schrijven, en aldus +de telling vervolgen. Alzoo eindigde in Friesland het jaar 1700 op +Dingsdag den 31 December, en den volgenden dag, Woensdag, heeft men +12 Januarij 1701 geschreven [202]. In de Provincie Groningen is ten +zelfde dage en op gelijke wijze de Nieuwe Stijl ingevoerd. + +Het verschil alzoo tusschen den Ouden en Nieuwen Stijl, door vele +schrijvers niet in acht genomen, waardoor misstellingen in de +dagteekeningen zijn ontstaan, of bij sommigen verkeerd aangeduid, +bestaat alleen hierin, dat men altoos tien dagen tellen moet bij de +dagteekening, welke de Oude of Juliaansche Jaarrekening aangeeft. + +Men vergelijke de Historische Verhandeling over den zoogenaamden +Nieuwen Stijl door den Oud-Hoogleeraar Mr. J. W. de Crane, geplaatst +in het II. Stuk van het Archief der Heeren Visser en Amersfoordt. + + +Bl. 259. + +In den jaare 1677. Hetgeen hier volgt tot bladzijde 271 is een +bijvoegsel van den tweeden druk, en heeft niet uitsluitend betrekking +op Friesland, maar is meer eene kronijksgewijze opgave van algemeene +gebeurtenissen. Wij hebben ons moeten onthouden van eene meerdere +uitbreiding onzer Aanteekeningen over het belangrijk tijdvak der +geschiedenis in de laatste eeuwen, daar dezelve reeds tot een aantal +bladen zijn aangegroeid, en ons bestek geen grootere uitvoerigheid +gedoogde. Ook mogen wij het daarvoor houden, dat dit gedeelte +der Historie, en bepaaldelijk die der Stadhouderlijke Regering, +den Lezer meer bekend zij, als zijnde daarover ook genoegzame +bronnen voorhanden. Wij hebben achterwege gelaten de onbelangrijke +beschrijving van den intogt des Prinsen J. W. Friso in Groningen, +op bl. 327 en 328 van den tweeden druk der kronijk voorkomende, als +mede de berijmde Nareeden, of zoo als achter den eersten druk staat, +Aanspraak op Naaspraak, hoewel tot onderschrift voerende: 't Kan niet +beeter; want wie zal thans nog smaak vinden in verzen als deze? + + + Wiens breinkas gestoffeerd met puik van waarde stoffen, + Zal ooit op eenge stoff, wiens loff maar stoff is stoffen. + + +of + + + Een keurger keure, keur de keur, met keur in 't leezen; + In 't geen hy keurig keurt, met keur 't zyn uit te leesen. + + +Ook het Treurig gesprek tusschen een Vreemdeling en een Fries, over +het verongelukken van Johan Willem Friso, in zeer middelmatig rijm +van de door haren tijdgenoot Lucas Pater en daarna door den heer J. de +Vries hoog verheven, door Witsen Geysbeek daarentegen diep vernederde +Friesche Dichteres Jetske Reinou van der Malen, hebben wij gedacht +veilig te kunnen weglaten. + + +Bl. 273. + +De Landstreek van deze Provincie. Over deze verdeeling en het bestuur +der Graafschappen, vergelijke men onze Aantt. bl. 344; § 4 van het +Overzigt in het Friesch Jierboeckjen 1833, en de 2de § van dat van +1834. Over de benamingen van Estrachia of Austrachia en Westrachia, +moet ik nog wel aanmerken, dat Alting in zijne Descriptio agri Batavi +et Frisii, of Notit. Germ. Inf. zeer verkeerd op alle zijne kaarten de +eilanden Ameland en Terschelling dus noemt, in navolging van zekeren +Fredegarius, een Schrijver van de VII eeuw, (die echter voor Austrachia +Anistrachia schrijft,) als zullende beteekenen Ooster- en Wester-oog, +van achia, age, oog, welke benaming dikwijls aan eilanden gegeven +wordt, zoo als Schiermonnikoog, Spikeroog, Langeroog enz. Te vergeefs +zal men bij eenig Friesch Schrijver die eilanden, dus genoemd, zoeken, +maar wel vindt men, dat eertijds Westrachia Westergo, en Austrachia +Oostergo beteekende. Winsemius bevestigt zulks op den jare 728, +toen Karel Martel Oostergo en Westergo plonderde en verwoestte. In +de afbeelding van Oud-Friesland door Schotanus, de eenige oude kaart, +welke het best met de geschiedenis overeenkomt en 't meest vertrouwen +verdient, gevoegd in zijne Beschr. van Frieslandt en achter de Groote +Atlas, worden de streken beoosten en bewesten de Burdo of Middelzee, +welke ook het best door hem is afgeteekend, te regte Austrachia en +Westrachia genoemd. Verg. Oudh. en Gest. II. 287, alwaar v. Rhyn +in 't breede hierover uitweidt, aan Fredegarius geen gezag boven +Friesche Schrijvers toekennende. Alting, II. in voc. Austrachia +Burdine, Westrachia; Brouwer en Eekhoff, Nasporingen betrekkelijk de +Middelzee, bl. 31 noot, 116 en 117, waarin ook de gebrekkigheid van +de oude kaarten wordt aangetoond. + + +Bl. 273. + +Die men een Grietman noemt. In het laatst der XIII en in het begin +der XIV eeuwen, wordt het eerst van Grietmannen gewaagd. Van ouds +moet de verkiezing door de gemeente, de ingezetenen of de bezitters +der stemhebbende Staten hebben plaats gehad. Zij hadden Assessoren of +Bijzitters en andere Regters van minderen rang onder zich, terwijl er +tevens Schouten hebben bestaan, welk ambt later weder is vernietigd +of in die des Grietmans is overgegaan. Aanvankelijk waren zij Regters, +maar in den drang en druk der oproerige tijden, in welke geene regten +geëerbiedigd werden, moesten zij zich tot Beschermheeren verheffen, +en wisten van hunne magt en invloed een krachtig, soms al te krachtig +gebruik te maken. Elke Grietenij had één Grietman, voor één jaar +benoemd tot Hoofd; doch eene enkele uitzondering was er op dezen regel: +bij latere inrigting werd bepaald, dat ieder, die de vereischten bezat, +op zijn beurt den post van Grietman en Regter zoude waarnemen. Onder +de Hertogen van Saksen en daarna onder het Stadhouderlijk Bewind was +de begeving van dit ambt ook aan dezen en aan het Hof verbleven. + +Maar nu den oorsprong van den naam Grietman te bepalen, dit is eene +moeijelijke zaak, waarover reeds vele geleerden zijn geraadpleegd en +veler gevoelen ter toetse is gebragt, doch het is als nog onbeslist, +welke beteekenis voor de eigenlijke en oorspronkelijke moet worden +gehouden. Onze Kronijk is er, mijns bedunkens, niet achter en geen +wonder, want de Heer Beyma, in zijn Tractatus de Grietmannis geeft een +aantal verschillende gevoelens op, en na dezen Schrijver zijn er nog +meerdere te berde gebragt [203]. Het meest aannemelijk gevoelen is, dat +men den naam moet afleiden van het Oud-Friesche Greta, klagen en dus +Greet- of Grietman degeen was, die aan de klagers regt verschafte. Zeer +belangrijk zijn de Aanteekeningen over de Grietmannen van de Heeren +H. en W. v. S. voorkomende in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten +van den 15 en 29 Mei 1832, tot welke wij den Lezer verwijzen, als +mede tot opgenoemd Tractatus de Grietmannis van C. L. van Beyma, +Franeq. 1780. + +Wat het kerkelijk Bestuur van Friesland in de vroegste tijden aangaat, +dit is ons niet klaar genoeg gebleken: later was dit gewest den +Bisschop van Utrecht onderworpen, die tot het Aartsbisdom van Keulen +behoorde. Friesland was verdeeld in Dekenschappen, waarvan de Dekens +door den Bisschop werden gekozen en met groot gezag en magt bekleed. De +Hoofdpriesters of Priesters in eene parochiekerk werden Personae +genoemd, en de mindere Priesters Kapellanen. De Abten waren Oversten +of Bestuurders der Kloosters en derzelver aanhoorigheden: zij stonden +op zich zelven, hadden vele voorregten, samen de eerste plaats op de +Landsdagen, en waren alleen den Paus onderworpen: de Priors waren +oorspronkelijk hoofden van minderen rang, gelijk ook de Proosten, +hoezeer dikwijls deze verschillende benamingen door elkander gebruikt +werden. Zie hierover onder anderen Friesch Jierb. 1833. Oersicht § 4. + + + + + + + + + + + + +DRUKFOUTEN. + + +Op Bladz. 66, 281 tot 372, komt meermalen in den 2den en 3den + naamval voor: Karel den Groote; ook Lodewijk den + Vrome, Godvruchtige, Jongere, Karel den Dikke, + den Kale; men voege achter 't bijv. naamwoord + eene n. + +» » 284 staat: Barradeel, lees: Baarderadeel. +» » » » Bijdragen tot de Gesch. lees: Nasporingen + betrekkelijk de Gesch. +» » 327 » dat men onder die waardigh. lees: dat die + waardigheid. +» » 336 » 1178 lees: 1170. +» » 367 » bij hunne aanwer-een ving, lees: bij hunne + aanwerving, een. +» » 415 » der landbouw, lees: van den landb. +» » 439 » weauctoriseert, » geauctoriseert. +» » 448 » Heer van Velle, » Heer van Ville. + +De Bladz. 391 is verkeerdelijk gemerkt 191. + + +De Lezer gelieve geringere drukfeilen, als: Friesen voor Friezen, +Firsiabones voor Fris.; Theutonista voor Teuthon.; geene voor geen; +noordwaards voor noordwaarts of dergelijken over het hoofd te zien. + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een korte beschrijving van dit document. + +[2] Kort stukje promotionele tekst voor op de achterflap. + +[3] Kort extract uit de tekst. + +[4] Deze belangstelling is onder anderen ook gebleken uit de plaatsing +van het Prospectus of Berigt, waarbij ik mijn oogmerk heb ontwikkeld, +in de derde Mnemosyne, 1829, I. 278, en de aanbeveling van den +Hoogleeraar H. W. Tydeman; als mede uit de opname van hetzelve in de +Handleiding tot de kennis van het Staatsbestuur in het Koningrijk der +Nederlanden, V. 646, alwaar tevens de wensch wordt geuit dat dit plan +spoedig moge verwezenlijkt worden. + +[5] Ook tot een goed Schoolboek van de Geschiedenis van Friesland +strekt zich deze behoefte uit. + +[6] Deze zeer onbepaalde beschrijving van den alouden Staat der +Provincie is in de Bijvoegsels en Aantt. aangevuld. + +[7] De regering dezer Prinsen, zoo wel als die der opvolgende Hertogen +en Koningen, behoort tot het fabelachtig gedeelte der Historie, welke +ook met betrekking tot de gebroeders Friso, Saxo en Bruno (de laatste +wordt hier niet gemeld) zeer verschillend wordt voorgedragen. Zie de +Bijv. en Aantt. + +[8] Verheerd, d.i. overwonnen, te onder gebragt. + +[9] Gevolg. + +[10] Als de zomer hoogde, d. i. in het midden van den zomer. + +[11] Ook Hamconius en Cappidus van Stavoren beweren, dat er van +Friso's tijd af een wapen heeft bestaan, hetwelk echter moeijelijk +valt te gelooven, daar men het er voor houden moet, dat in den tijd +der kruistogten, dus niet vroeger dan in het begin der XII eeuw, +de familiewapens zijn uitgevonden. Men zie over dit onderwerp de +Bijv. en Aantt. + +[12] Over de groote en kleine Friesen zie Bijv. en Aantt. over den +alouden staat van Friesland. + +[13] In de Uitgave van 1677 staat: "Waar van heedendaachs noch top, +noch teil (tegel) te zien is." + +[14] In de Ie uitgave staat: "Heeft de Hertog hem bekeeven." + +[15] Holle is Olennius. Zie Aantt. + +[16] d. i. gedwongen om het beleg op te breken. + +[17] Oxel, Oksel, holligheid onder den arm. + +[18] Het Gods Hof of Aula Dei, kweekschool van Priesters, waarvan +C. Stavriensis, S. Petri, Hamconius en anderen spreken. Zie Aantt. + +[19] d. i. aangehitst, opgestookt. + +[20] Het beknopt Chronykjen van Friesland opgesteld en bijeenverzameld +door C. G. Jacoby, Leeuwarden 1755, voornamelijk bestaande in een +uittreksel van Ocko van Scharl, vermeld slechts vijf Prinsen, latende +Adel en Ubbe buiten het spel, en springt dus een tijdvak van bijna +twee eeuwen over. + +[21] Lees Westerwierum. + +[22] Lees: tusschen Almenum en Terschelling. Verg. Hamconius, Frisia, +fol. 14, die deze gebeurtenissen van 't Klif en der Meerminnen +verhaalt, echter den Duivel buiten het spel laat. + +[23] Bij andere Schrijvers Basterd-Broeder van Adelbold genoemd. + +[24] Volgens anderen door Tiete of Titus zelf gebouwd. + +[25] De oude Uitgave zegt: "Met een gaar geraapten hoop." + +[26] Dit geschiedde langs den geheelen Rijn tot aan de Noordzee, +uit wantrouwen tegen de Germanen. + +[27] Over de verschillende gevoelens dezer benamingen hebben wij het +noodig geacht in de Bijvoegsels het een en ander aan te stippen. + +[28] Engeren, Angeren. + +[29] De Ezumazijl nabij Ezonstad, alwaar in den tijd van Foeke Sjoerds +(Beschr. van O. en N. Friesland I. 240) nog eenige overblijfselen +van te zien zoude geweest zijn. Zie verder Aant. op 't jaar 339. + +[30] Over de Geschiedenis der Gebroeders Hengst en Hors, die Brittanje +zouden hebben veroverd, zijn de Geleerden het mede niet eens. Zie +daarop de Bijv. en Aantt. + +[31] 't Kasteel Grunenberg of Gronenberg was de oudste Burgt, volgens +de Friesche Overlevering, tusschen de Eems en het Vlie. + +[32] Vergel. Westendorp, Jaarboek van en over Groningen, p. 24, op +'t jaar 409;--alsmede de beschrijving der vrije Schuilplaatsen p. 110. + +[33] Zie de Aantt. op 't jaar 808. + +[34] Vergel. p. 23, waar ook van twee Lems of Willems gesproken +wordt. Zie voorts Bijv. en Aantt. + +[35] Uit hoofde van der Schrijveren verschil in de jaren, waarin de +watervloeden hebben plaats gehad, hebben wij in de Aantt. eene opgave, +zoo naauwkeurig mogelijk, geplaatst. + +[36] Chlotarius II. + +[37] F. Sjoerds voegt hierbij de woorden: an fen dead wir libben +werden! Schot. Fr. Hist. heeft het tweeledig, zie p. 47 en 54. + +[38] In de Uitgave van 1677 staat: "naar den Franschen zin, En liet +de Christenen vryjelijk toe." + +[39] Pepyn van Herstal of de Dikke noemde zich Hertog en Prins der +Franken, en was Groot-Hofmeester. + +[40] Natuurlijke zoon van Pepyn; was Groot-Hofmeester. + +[41] Van daar Sant Michiels dom genaamd. + +[42] Men zie de Aant. op 't jaar 830. + +[43] Vergel. op 't jaar 463. + +[44] Godfried. + +[45] Deze belasting heette Klipschild. + +[46] Deze togt geschiedde onder bevel van den Deenschen +Koningszoon Hendrik. Van tijd tot tijd moest het handwerk van +zeerooverij worden herhaald op alle kusten, om de jonge manschap te +oefenen. Geloofwaardige Fransche Kronyken vermelden het verwoesten door +de Noren in 837 van drie koopsteden: Antwerpen aan de Schelde, Witha of +Wintland aan den mond der Maas, en Groningen aan de Eems. West. Jaarb. + +[47] Men zie Aant. op 't jaar 830. + +[48] Zijn zoon Lodewijk, bijgenaamd de Duitscher, volgde hem op. + +[49] Thans was Lodewijks zoon, Lodewijk de jonge, Heer der Friesche +Landen. + +[50] Winsemius: Haadet goede wacht tyen da Nordera oordt, Want vuyt +da Grimma herna comt ws alle quaed voort. + + +[51] Nu kwam Lodewijks Broeder, Karel de Dikke aan het gebied. Zie +voorts over dezen strijd de Bijv. + +[52] Omstreeks dezen tijd werd Karel de Dikke onttroond, en de +laatste van den stam van Karel de Groote, die 't Westen regeerde, +met name Arnulph, natuurlijke zoon van Karloman volgde hem op, +regeerde drie jaren en stierf, wordende door zijn zoon Lodewijk in +'t gebied vervangen. Zie Aant. op het jaar 840. + +[53] Een veldvlugtige is een overlooper. + +[54] Men zie over deze begiftiging het Jaarb. van den Heer Westendorp +op de jaren 1040 en 1046. + +[55] Wij hebben het niet ondienstig geacht over de Kruistogten der +Friezen een aangeschakeld verhaal in de Bijvoegsels eene plaats te +geven,--waardoor wij ons onthouden, van alle andere aanteekeningen +op de verschillende jaren, waarin dezelve zijn voorgevallen, 't welk +anders noodig zoude zijn. + +[56] Vergel. Westendorp Jaarb. op 1112. + +[57] Als voren op 't jaar 1143. + +[58] Onder de namen bekend van Frederik I, Aenobarbus, Roodbaard, +ook Keizer Frederik de Groote.-- + +[59] Dit verhaal komt hoofdzakelijk overeen met het Jaarboek van +den Heer Westendorp, de vermelding op den jaare 1160,--en andere +Schrijvers. + +[60] Of van de St. Cistercie-orde. Deze Abdy is de vermaardste geworden +in de Ommelanden, bezittende aanzienelijke rijkdommen. + +[61] Over dit voorval, 't welk eene andere oorzaak gehad heeft, +vergel. men West. Jaarb. op 't jaar 1195. + +[62] Stoepens zijn Stoopen of Drinkkannen geweest en geenszins de +Stoepen voor de deuren, waarvan anderen uit gebrek aan taalkennis +ooit de Kloppers aan de deuren gemaakt hebben. + +[63] Verweend is verwaand; ook fier,--lekker opgebragt, weelderig +enz.-- + +[64] Of Grind. + +[65] Slegtigheid is hier eenvoudigheid, onbeschaafdheid. + +[66] Men zie over dezen strijd West. Jaarb. op de jaren 1226 enz.-- + +[67] Vergel. de Aantt. + +[68] Westendorp Jaarb. na 't jaar 1232 noemt de Reiderlanders en +Emisgooërs, welke twist ontstaan was door het verdrinken van een +Reiderlander, omdat hij de lieden, die van de jaarmarkt kwamen, +had willen berooven.--Verg. denzelven I. 280. + +[69] Upstalsboom, gelegen een uur gaans ten zuidwesten van +Aurik. Alhier stonden drie hooge eike boomen, met de takken en kroonen +meest aan malkanderen gegroeit, hebbende op 2 a 300 treden na geene +huizen omtrent. De Rechtspleeginge geschiede aldaar onder den blaauwen +Hemel, van de Regeerende en daar toe gerechtigde Perzoonen van alle +de Frieslanden, en richtede alhier over alle zwaare zaaken, welke bij +de mindere Collegien niet afgedaan wierden; als wanneer daar tenten +opgeslagen en banken van opgegraavene aarde wierden gemaakt. + +[70] West. Jaarb. I. 282 beschrijft kortelijk dezen oorlog voornamelijk +naar de verhalen van E. Beninga en Harkenroth gevolgd, bewerende +tevens dat het niet de Eenrummers maar de Emersen geweest zijn. + +[71] Voor de zusters van de Cistercie-orde, opdat de schimmen der +verslagenen mogten verzoend worden. Het werd eerst aangelegd by +Koevorden aan de A, doch naderhand verplaatst. + +[72] Is gebeurd 21 Januarij 1256 op zijnen togt tegen de +West-Friesen.--Zie voorts de Aant. op Sikko Sjaardema in 't jaar 1239. + +[73] Over deze twisten zie men de algemeene Aanteekeningen. + +[74] Over den juisten dag, waarop deze gruwelijke moord heeft plaats +gehad, zijn vele Schrijvers het niet eens en in zonderlingen twist +geraakt.-- + +[75] Dit Zegel der vrye Frieslanden verbeelt een geheel gewapent Man, +houdende in zyn regterhand een Lans, en in de linkerhand een bloot +Zwaard, dat na de schouder opgeheven word, en staande onder een Boom. + +[76] Men zie Westend. Jaarb. over dezen strijd op de jaren 1232 +en 1233, die dezelve toeschrijft aan de partijschappen tusschen +de Vetkoopers en Schieringers, en waarin deze laatsten de overhand +behielden. + +[77] Deze Proost Hiske had eene dochter, genaamt Reinske, welke met +Hayo te Westerwolde trouwde; en naderhand uit haare eigene goederen de +Groote Kerk met vier Torens te Mildwolde, in den Oldambte, heeft laaten +bouwen; zynde de zelve die voor enige jaaren is afgesleeten geworden. + +[78] Vergelijk over deze list +Wins. fol. 242. Schot. Fr. Hist. p. 253. Petrus Thab. op dit jaar. + +[79] Zoo als meermalen was ook thans het eerste artikel van +het verdrag: "volkomen verzoening en een eeuwige vrede!" Bij +West. Jaarb. op dit jaar vindt men eene reeks van voorwaarden. + +[80] Vergelijk West. Jaarb. op hetzelfde jaar. + +[81] Te regt wordt van hem gezegd dat zijn leven een strijd en +worsteling op deze wereld geweest is.--In dit jaar werd ook door de +Friesen en Groningers een verbond aangegaan ter wering bijzonder van +dieverijen en ander misdrijf. Vergel. Schwartz. Charterb. I. 526. + +[82] Zie op dit jaar Westend. + +[83] De Keizer Frederik de III. roemt hem wegens zijne ongemeene kunde +in de vrije kunsten, in de Keizerlijke regten, in het Kerkelijk regt, +en vooral zijne gevatheid en vaardigheid in de openbare zintwisten. + +[84] Een der heerlijkste werken der bouwkunde van de middeleeuwen. Men +plaatste op den toren een koperen paard van de grootte van eene gewone +noordsche kidde, hetwelk tot een windhaan diende en het teeken was +van St. Maarten van Utrecht. West. + +[85] Dus ook Winsemius, Schotanus geeft de leus aldus op: Op uws Finne +herne, lizze fjouwer klaer lotter Ljep-Ayen ijn ien Nest. Zie Aant. + +[86] Vast maken is zoo hier als op alle vorige en volgende plaatsen: +Versterken. + +[87] Spelen alle zeilen blank: dit gezegde heeft zijn' oorsprong van de +zeerooverij, waarin men van vriend en vijand kaapt en rooft, wat men +vangen en grijpen kan:--alles wegrooven wat men op zee ontmoet. Zie +Winschootens Zeeman, op 't woord Seil, en Weiland N. T. Woord. + +[88] Hij smeet (zegt Winsemius fol. 446,) vele Hollanders in plaats +van Borgoenschen over boord, volgens Martinus Ylst uit de overlevering +van Bonne Haisma zijne medgezellen toeroepende: Siuch faynten, ho +kenne da deels kijetten swomma. + +[89] Zie hierover de Bijv. en Aantt. + +[90] Frederik Gaykinga, in den jaare 1360, Abt van Aduard zynde, had, +tot nadeel van zyn geslacht, hoewel tot eere, dit klooster met veele +goederen begiftigt; doch op zekere voorwaarden, waartoe zyn geslacht +altoos gerechtigt zou wezen. Bestaande 't voornaamste hier in, dat die +van Gaykinga voor eeuwig zouden hebben alle jaar op St. Martens avond +een witte Zwaan, een Capoen, en een kanne Wyn, en zouden voor altoos +eene misse houden in 't Kapittelhuis, en een brandende lampe voor 't +geheele geslachte. Wanneer iemand van 't geslachte quam te verarmen, +zoude aldaar voor zyn leeven de kost hebben; ook wanneer zy met hun +gezinde quamen, zoude de Abdy voor hun geöpent, en de tafel gedekt +worden, na de waardigheid des geslachts, in de voornaamste kamer; +benevens jaarlyks op St. Bernards dag te gast genoodigt worden. Aldus +was Hendrik op dit jaar genoodigt, maar Jan en Frederik quamen van +zelfs. Waar op, onder de monniken een jalousie ontstond, die hun zeer +qualyk bejegende, en waar door het gevegt ontstond. + +[91] Wins. Chronyck fol. 519. + +[92] Kettermeester hetzelfde als Geloofsonderzoeker. + +[93] In de maanden Mei en Julij hadden er twee overstroomingen plaats, +door welken, vooral den laatsten, waarvan bij Outhof geen gewag +gemaakt wordt, ook vele menschen omkwamen.--Zie F. Arends Physische +Geschichte der Nordsee-kuste. II. 96. + +[94] Zie over dezen strijd het uitvoerig verhaal van Winsemius +Chronyck, fol. 565 volgg. + +[95] In den eersten druk van 1677 staat: »Als de Stadhouder +Rennenberg zich door ontrou omgekeert hebbende tot de Papisten; die +van Leeuwarden," enz.--Het woord Papen is overal in den tekst behouden, +omdat de Schrijver er de Roomschgezinden over 't algemeen, zoo leeken +als priesters, mede bedoeld, en het dus hier voor geen scheldwoord moet +worden gehouden, evenmin als Arminianen, Menisten, Calvinisten, enz. + +[96] Balthazar Gerards genaamd, geboren te Villefans in Bourgondien, +oud 26 a 27 jaren. Onder verschillende personen, die zich op 't +leven des Prinsen toelagen, moet ook zekere Koopman te Vlissingen, +Hans Hanses, geweest zijn, wiens aanslag echter door eenen Fries, +uit het geslacht der Auckama's ware ontdekt. Gevat zijnde had +hij beleden, daartoe middelen te hebben aangewend.--Gerards werd +daarna als Martelaar hoog vereerd en waardig geacht gecanoniseerd +te worden--onder de belooningen, wil men, was ook de verheffing der +familie in den adelstand. + +[97] Nederl. Oorl. en Geschied. 1623, fol. 474 verso. + +[98] Dit voorval wordt omstandig beschreven bij Winsemius, Chronyck +fol. 897. + +[99] In de druk van 1677 staat: (een gehuerde vleegel enz.) + +[100] Zie 't Verwerd Europa ofte Polityke en Historische Beschryvinge +enz., Amst. 1675, bl. 596 volgg.--Van dezen Schrijver, welks werk twee +jaren vroeger dan de eerste druk van onze Kronyk was uitgekomen, is +veel gebruik gemaakt en daaruit overgenomen door onze Kronykschrijvers. + +[101] De Leezer dient te weten, dat zekere Broersma hier eigentlyk +Commandant zynde, door de Staaten Generaal was opontboden; doch in +plaats van in den Haag te compareeren, ging hy over by den Bisschop +van Munster, en wierd aldus een verraader van zyn eigen Commandement. + +[102] Fantassin, Fant: voetknechten, infanterie.-- + +[103] Mengel-Poezy, bl. 257. + +[104] en der zonde, voegt de eerste druk dezer Kronyk hierbij, +waarmede zij haar verhaal eindigt en de Landverdeeling van Friesland +volgen laat. + +[105] Dat de Schelde en de Sincfal, later Zwene geheten, niet dezelfde +rivieren zijn, en dus niet voor elkander genomen moeten worden, wordt +behalve in de Bijv. voor het I. D. van Wagenaars Vad. Hist. ook in +het breede betoogd door den Hoogleeraar Ypeij, in het II. D. zijner +Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 115 volgg. + +[106] Over deze vergraving lezen wij in Bilderdyks Geschiedenis des +Vaderlands, I. 24: »'t Was natuurlijk dat Drusus, geheel het zuidelijk +Land zijner Landvoogdij jaarlijks overstroomd ziende, bedacht was +om het Rijnwater af te leiden. Naderhand deed Corbulo 't zelfde met +den zoogenaamden Vliet te graven. Maar beide ondernemingen hadden +gelijke gevolgen: Het verderf van een groot gedeelte Lands. Gelukkig +Holland, zoo men nooit gegraven en nooit gedijkt had! Wij zouden +thans boven de rivieren wonen, die het Land doorsnijden moesten, en +er nu over heen loopen in gemaakte goten, wier bodem steeds verhoogt +door de vallende slib, en die dus hoe langer hoe meer boven het land +rijzen en in kracht en gewelddadigheid hunne dijken overmeesteren; +terwijl men haar nog bovendien door de droogmaking van meeren, +de noodige boezems onttrokken heeft, om zich, bij voorkomende +opzetting van boven, te kunnen ontlasten, zonder hunne boorden te +verwoesten."--Hoezeer deze en dergelijke gevoelens tegenstanders +vinden, kan ik er echter bijvoegen, dat met andere deskundigen ook +de zeer bekwame Waterbouwkundige Cornelis Zillesen in zijne werken +zeer tegen alle vergravingen ijvert. Nog op zijn negentigste jaar +heeft hij daartegen ernstig gewaarschuwd in zijn belangrijk stukje, +getiteld: Iets over de natuurlijke oorzaken der steeds toenemende +Zeeoverstroomingen (Rott. 1825), waarin hij ook beweert en bewijst, +dat de Alwijze Schepper der natuur voor de ontlasting des waters had +gezorgd, en dat, om van land water te maken, alleen daar noodig was, +waar door rivieren of binnenvaarten de kanalen verbeterd moesten +worden, terwijl de verhooging der rivierdijken en de daarin begane +misslagen zoodanig de inkeldering der binnenlanden en woningen +had veroorzaakt, dat bij elke doorbraak de rivieren die landen tot +hunne beddingen verkozen. Ook had deze maatregel een ander nadeel ten +gevolge, het onderhoud namelijk, tot groote kosten van den landbouw, +op plaatsen daar men reeds niet meer het water door sluizen kon +ontlasten, van 2000 watermolens alleen in Holland. De Schrijver geeft +voorts onkostbare behoedmiddelen aan de hand, en dit boekje verdient +de opmerking des onpartijdigen. + +[107] Door den Emeritus Predikant P. Brouwer, een man van kennis +en verstand, was in geschriften nagelaten eene Nasporing en +Aanwijzing van den Loop en de Grenzen der opgeslijkte Middelzee, +welk stuk te gelijk wordt uitgegeven (terwijl deze ter perse is,) +met een zeer naauwkeurig en grondig Onderzoek naar de oorspronkelijke +uitgestrektheid, en den tijd en wijze van opslijking der Middelzee; +alsmede hoe Leeuwarden door haar is bespoeld geweest, zamengesteld +door den ijverigen beoefenaar der Geschiedenis W. Eekhoff. Eene zeer +aanbevelende Voorrede van den kundigen Worp v. Peyma versiert dit +werk. Het onderzoek van Do. Brouwer bepaalt zich tot den omvang en +begrensdheid der Middelzee in de 13 eeuw. Eekhoff heeft getracht aan +te toonen en tot eenen hoogen trap van waarschijnlijkheid te brengen, +welke in de oudste tijden de grenzen dier Zee waren, kennende haar eene +veel meerdere uitgestrektheid toe, dan waarvan de geschiedenis gewaagt. + +[108] Dit werk getiteld: Physische Geschichte der Nordsee-Küste und +deren Veränderungen durch Sturmfluthen seit der Cymbrischen Fluth +bis jetzt, is in twee deelen uitgekomen te Emden 1833, en was het +laatste voortbrengsel van dezen verdienstelijken man, ten nutte +van zijn Vaderland, omdat hij dat Vaderland verlaten en zich naar +een ander werelddeel begeven moest, ten einde zich een voortdurend +bestaan te verschaffen. + +[109] Vergelijk hierbij de Voorrede voor het II deel van 't +Charterboek, p. 65 en 66. + +[110] Vervaardigd voor het, door 't Friesch Genootschap uitgegeven, +Friesch Jierboeckjen. Het eerste gedeelte is geplaatst in dat van 1831: +Kirt Oersicht oer Frieslâns Schijdnis, fenne fierste tijd oon it jier +1814 to, loopende dit deel van de vroegste tijden af tot aan Karel +den Groote, dat is, tot aan 't jaar 773 of daaromtrent. Dit tijdvak +noemt de Schrijver het Fabelachtige Friesland. + +Het tweede tijdperk, loopende tot op de aanneming van Albrecht, +Hertog van Saksen, tot Heer van Friesland, d. i., tot aan 1498, +wordt genoemd het Vrije Friesland. + +Het derde, de geschiedenis zullende bevatten van 1498 tot op de +afzwering van Philips II., Koning van Spanje, als Heer der Nederlanden, +heet het Overheerde Friesland. + +Het vierde tijdvak, van 1584 tot aan 1795, tijdstip van het vertrek van +Prins Willem den V., laatste Stadhouder der VII Vereenigde Gewesten, +uit Holland, zal het Stadhouderlijk Friesland genoemd worden. + +Het vijfde, zullende gaan van 1795 tot de omwenteling van 1813, zal +den naam ontvangen van het Nieuwere Friesland.--Zie gem. Jierboeckjen. + +[111] Het gevoelen van den heer Hettema, ontwikkeld in zijn Iets over +de Geschiedenis van Friesland (zie het Mengelwerk van de Leeuwarder +Courant van den 10 Augustus 1830, No. 64), vind ik niet aannemelijk, +dat namelijk Friezen hetzelfde zoude beteekenen als Frigen, Frisschen +of vreemde volkplantingen;--hoezeer dan ook M. Alting in zijne +Notitia Bat. et Frisiae Ant. in voce Frisii deze beteekenis aan +de hand geeft en daartoe overhelt. H. v. Rhyn, in zijne Aantt. op +de Friesche Oudhed. en Gest. I. 43, en andere Geleerden houden het +met de beteekenis van vrijen. Dat de frissche of koude landstreek +den naam Friezen zou geschapen hebben, zal toch wel geen' ingang +vinden.--Vergelijk ook de voorrede van Gutberleth, voor Gabbema's +Verh. van Leeuwaarden. + +[112] Vg. bl. 206, II. deel van de Bekn. Geschied. der Nederl. Taal +door A. Ypeij, over de herkomst der Friezen.-- + +[113] Winsemius in zijne Chronique, f. 6, en Suffr. Petri de +Frisior. antiq. et orig. p. 234, noemen Hoppers een beroemd en +verdienstelijk man, de eer der Friesche natie; v. Rhyn en na hem +F. Sjoerds zeggen echter, dat zijn gevoelen geene voorstanders heeft. + +[114] Gemelde Aantt. p. 44. + +[115] Cf. Suffr. Petri de Fr. Or. L. I. Cap. XVIII. + +[116] Zie deswegens v. Rhyn t. a. p. en Westendorp, Jaarboek van en +voor Groningen, p. 5. + +[117] Hunibaldus, Trithemius, Funccius, Panthaleo; of hebben zij +zonder onderzoek elkander nageschreven? + +[118] Westendorp, Kronyk, p. 6 en 7.--V. Rhyn, ll. F. Sjoerds, +Fr. Jaarb. I. 14 enz. + +[119] Wolfgang, Lazius en Aventinus. + +[120] Zie Westendorp, p. 8. Van deze omstandigheid, in de Kronyk van +Eggerik Beninga vermeld, maken V. Rhyn, F. Sjoerds en anderen geen +gewag.--Over andere volksvertellingen der stichting van Groningen, +zie men onder anderen West., p. 19. + +[121] Men zie ook wat Bilderdyk, Geschied. des Vaderlands. I. 296 +over de Sagen zegt. + +[122] Vergel. A. Matthæi veter. ævi Anal. T. IV. p. 9, de derde +Ankomst der Fresen. + +[123] Bl. 6.--De Heer Westendorp zijne bronnen in het I. deel van +zijn Jaarboek nergens hebbende opgegeven, heb ik te vergeefs gezocht +naar den veranderden inhoud dier sage. + +[124] Waarom onze schrijver Bruno heeft verkiezen weg te laten, is +mij een raadsel, daar hij toch in alle andere kronijken mede zijne +rol speelt. + +[125] Achter de Oudheden en Gestichten van Vriesland geplaatst, +tot aanvulling van vele onvermelde zaken in dit werk, in welks +voorafspraak bij de Friesche schrijvers luchtig beoordeelt. Hij +verwerpt S. Petri, Furmerius, Winsemius, Hamconius en Zoeteboom, +en houdt zich aan Emmius, Douza, Schotanus, Buchelius, Huetius en +Alting. F. Sjoerds komt met zijn oordeel zeer naauwkeurig overeen in +al wat van Rhyn geoordeeld heeft. + +[126] Zie gem. Nabericht, p. 350. + +[127] Cf. M. B. v. Nidek, Anal. Medii aevi, p. 140, drukfout voor +440.-- + +[128] Not. Bat. in voce Frisii. + +[129] Men vergelijke voorts de Chronyk van Eggerik Beninga in de +Ann. van Mattheus. + +Onder verschillende schrijvers die over de Friezen en derzelver +oorsprong geschreven hebben, kwam mij als niet een der geloofwaardigste +voor, den minder bekenden en in Mencker's Gelerthen Lexicon, door +Jöcher uitgegeven, vermelden Werner Rolevink de Laer, een Karthuizer +Monnik te Keulen, uit Westfalen geboortig. Hij bloeide omstreeks 1495, +onderzocht vlijtig de H. Schrift, leidde een godvruchtig leven en +stierf in eenen hoogen ouderdom. Deze heeft onder vele werken ook een +ten titel voerende: De origine Frisionum uitgegeven.--Suffr. Petri +in Origine Frisionum maakt gewag van hem op p. 237,--en Furmerius +heeft bij het opstellen zijner Annales gebruik van hem gemaakt. + +[130] Friesch Jierboeckjen foar it jier 1831, bl. XII en volgg. + +[131] Ook op Texel stichtte Drusus een burgt, waarvan het bewijs nog +aanwezig is in den naam der hoofdplaats, terwijl grafheuvels en andere +oudheden van het verblijf der Romeinen in die streken getuigen. + +Waarschijnlijk is destijds de stad Grebbe gesticht, welke gelegen heeft +omtrent een half uur gaans benoorden Wieringen, aan het tegenwoordig +Amsteldiep. Omstreeks 1710 was er nog veel muurwerk overig, en voorheen +moet de massa van dat muurwerk ongelijk grooter geweest zijn, vermits +men om het midden der XVII eeuw zeer veel duifsteen heeft opgehaald en +met kagen naar Amsterdam vervoerd.--Over het bestaan dezer stad is veel +getwist en aan de kronijkschrijvers Twisk, Borger, Valkoog en Zoeteboom +voorheen (zoo als aan de oude Friesche kronijken) allen geloof in dezen +ontzegd; doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, +in onzen leeftijd gedaan en gegeven, is die twijfel opgehouden.--Dat +Drusus in deze streken dijken heeft aangelegd, is door de berigten en +ontdekkingen van de geleerde oudheidkundigen A. Junius, den Marquis +de Saint Simon en R. Paludanus buiten twijfel gesteld.--Scheltema, +Geschiedenis der Zuiderzee. M. S. + +[132] Over deze daad en het Brittenkruid vergelijke +men Plinius XXV. 3. F. Sjoerds, Fr. Jaarb. I. 125 +en 126,--Beschr. v. Fr. I. 344. Schotanus, +Friesche Hist. p. 8. West. Jaarb. p. 14. Wagenaar, +Vad. Hist. I. 79. H. Cannegiet. Dissert. de Herba Brittanica +etc. p. 40.--Tegenw. Staat van Friesl. I. p. 19 volgg. en p. 126. + +[133] 't Zal met deze namen den Romeinen, als den lateren Franschen +met die van de Admiralen Tjerk Hiddes en van Duvenvoorde gegaan +zijn. Dezen heetten zij Kierkides en Vandenfort. + +[134] Zie F. Sjoerds, Jaarb. I. 203. Schot, +Fr. Hist. bl. 26. Tegenwoordige Staat van Utrecht, I. 13 volgg. + +[135] Ook Westendorp (Jaarb. p. 16) heeft hier geen licht verspreid, +verklarende niet te weten, op welk gezag de Jaarboekschrijvers +van eenen inval der Noormannen in 't jaar 90, bij F. Sjoerds Gothen +genoemd, gewagen.--Dit punt verdiende mede een opzettelijk onderzoek, +daar men toch niet kan vooronderstellen, dat deze vermelde feiten, +op verschillende tijden geschied, uit de lucht gegrepen zouden zijn. + +[136] Vergel. F. Sjoerds, Jaarb. I. 220 en volgg. + +[137] Vergelijk Westendorp, Jaarb. van en over Groningen, p. 32 en +volgg., zoo over deze als de opvolgende tijdvakken, onder de regering +der Koningen Radboud I, Adgillus II, Gondebald en Radboud II., de +laatste Koning over Friesland. + +[138] Luden, Geschichte des Teutschen Volks. Een onwaardeerbaar boek! + +[139] Gaillard, Histoire de Charlemagne. Niet een van de minsten, +wat zijnen schrijftrant betreft. + +[140] Hoezeer te dikwijls de kleine daden van groote mannen tot +bouwstof moeten dienen, om des Schrijvers historie met luister op te +sieren, is echter in de geschiedenis van dezen Karel, hoe dikwijls +ook beschreven, geen verdicht sieraad noodig: want altoos levert +zij een grootsch tafereel op van een merkwaardig Vorst, aan wien de +wetenschappen en letteren, maar vooral de vrijheid en onafhankelijkheid +van geheel de Christenheid, alles te danken hebben. + +[141] Over deze en al de oude wegen in Oost-Friesland is eene zeer +uitvoerige beschrijving gegeven door Fr. Arends, in het Ostfrisisches +Volks-Buch van het jaar 1832, waarvan eene gedeeltelijke vertaling +door mij is gegeven, in het Mengelwerk der Leeuwarder Courant. + +[142] Men zie hierover Adam en Meijer, Römische Altherthümer, II. D., +en vergelijke de Aanteekeningen over het Oude Friesche Wapen, +in het Mengelw. Leeuw. Courant, 20 Sept. 1831. alwaar dit breeder +ontwikkeld is. + +[143] Bilderdyk, Geslachtlyst op het woord Adel, zegt: het is slechts +eene andere uitspraak van edel; van aad, oud. Van deze meening moeten +wij, met anderen, verschillen. + +[144] Dit Register is onder anderen te vinden bij Winsemius, +Chron. fol. 402. + +[145] Graven waren Bestuurders namens den Vorst in de +Provinciën,--Hertogen waren Legerhoofden,--Baronnen of Baanderheeren +Hoofden van een District--en Heeren Krijgsmannen. + +[146] Tacitus zegt: Olennius e primipilaribus regendis Frisiis +impositus.--De Primipilares behoorden tot de eerste compagnie der +Triariërs; vandaar Primipilares scil. Centurio, de Hoofdman van die +eerste compagnie: Stuart, Rom. Gesch. XXII. noemt Olennius een der +eerste Hoplieden eener keurbende. + +[147] Men weet dat er over het bestaan van deze stad Grebbe bij de +oudheidkundigen is getwist. Aan de latere kronijkschrijvers Twisk, +Borger, Valkoog en Zoeteboom werd voorheen in dezen geloof ontzegd, +doch na de opsporingen en berigten van Paludanus en anderen, in onzen +leeftijd gedaan en gegeven, heeft de twijfel opgehouden. Scheltema, +Geschiedenis der Zuiderzee. M.S. + +[148] Westend. Jaarb. spreekt in 662 van een zwaren watervloed over +West-Friesland. Deze heb ik niet kunnen vinden; welligt is 't eene +drukfout voor 626. + +[149] Westendorp, Jaarb. p. 31 zegt: die langer dan de Spies van +Klotarius waren: dit zou nog al verschil maken. + +[150] Het is beschreven onder anderen bij Wins. Chronique, fol. 61; +West. Jaarb. p. 39. Vergel. F. Sjoerds, Beschr. I. 546. + +[151] Over de Graven en Hertogen vergelijke men +Bild. Gesch. d. Vad. I. 107 volgg. + +[152] Algemeen noemt men hem Lodewijk den Vrome doch Bilderdijk zegt +(Gesch. d. Vaderl. I. 100. noot), dat pius niet vroom beteekent, +want dat vroom eigenlijk is 't geen de Romeinen strenuus, +dapper, noemen.--Beter noemden hem de Franschen, le debonnaire, +de Zachtmoedige. + +[153] Uitgegeven te Leiden bij S. en J. Luchtmans, 1833. + +[154] Gesch. d. Ned. Taal, II. 136. De aanmerking van den Schrijver, +dat er in het woord karelui in den Neders. tekst door onachtzaamheid +of onkunde der afschrijvers een misslag begaan is, en dit Karelen of +Karels zal moeten zijn, zal ook in den Duitschen tekst gelden, daar de +Duitsche overzetter van Karelui, Karl-pfui schijnt gemaakt te hebben. + +[155] Zie de Aanteek. op den jare 1239. Fr. Jierb. 1833, §§ 5 en 14; +Bild. Gesch. I. 89, 92-94, 252 en 296. + +[156] Westendorp maakt geen gewag van deze Potestaten. Ook Bild. laat +dit punt onaangeroerd. + +[157] De Script. Frisiae, Dec. VII. C. 3 et Dec. XII. C. 6. + +[158] Wij hebben dit verhaal hoofdzakelijk getrokken uit een door +den geschiedkundigen T. D. Wiarda bewerkt stuk, zamengesteld uit de +Friesche en andere Kronijk- en Geschiedschrijvers, benevens eenige +Handschriften. Men vindt het in het Tijdschrift Ost-Friesische +Mannigfaltigkeiten, 3 Jahrgang, Aurich, 1786.--Waar het ons +noodig dacht, hebben wij eenige veranderingen en vermeerderingen +gemaakt. Wiarda heeft alle zijne bronnen naauwkeurig aangewezen, welke +aanhalingen wij hebben achterwege gelaten, doch eenige ophelderende +aanteekeningen er bij gevoegd. In het Mengelw. der Leeuwarder Couranten +van 4 Junij, 6, 20 Aug. en 10 Sep. 1833, in welke wij dit stuk als +eene bijdrage geven, zijn de eersten te vinden. + +[159] De meeste Geschiedschrijvers spreken van roode kruisen. Dit +kan van dezen eersten Kruistogt waar zijn; doch in de volgenden +hebben voorzeker de onderscheidene natiën zich door de kleuren +kenbaar gemaakt. »De Koning van Frankrijk neemt met de zijnen roode, +de Koning van Engeland met de zijnen witte, de Graaf van Vlaanderen +met de zijnen groene kruisen aan:" + +Et Rex Franciae cum suis rubeas cruces, Rex Angliae cum suis albas, +Comis Flandrensis cum suis virides suscipiunt. Andr. Sylv. Marcian: +ad ann. 1188. + +[160] Helmoldi Chron. Slav. L. 2. C. 66. Dit geval vindt men beter +en omstandiger vermeld bij F. Sjoerds, Jaarb. II, 361-363.--Schotanus +zegt: »Onse reuck is stanck in hare neus-gaten."-- + +Volgens Ebert, Bibliogr. Lexicon, is de Kronijk van Helmold naar het +H. S. te Lubeck uitgegeven in den jare 1659, en met nooten voorzien +door H. Bangertus in quarto;--de eerste druk echter is van 1556. + +[161] Van de groote bijgeloovigheid dier tijden kan men zich bijna +geen denkbeeld maken. Het ontbrak in Friesland niet aan kruisen +in de lucht: misschien reeds de vliegeruitvinding, om het volk te +verbijsteren. F. Sjoerds, Jaarb. II, 491. + +[162] Deze Olivier werd in 1223 Bisschop te Paderborn en in 1226 +Kardinaal. Vid. Nic. Schat. Hist. Westph. L. XX, p. 996 seq.--Deze +N. Schaten was een Jesuit in Westfalen, geboren 1608, heeft ook +de daden van Karel den Groote beschreven: zijne geschiedenis van +Westfalen kwam het eerst uit in 1690. Ebert in voce. + +[163] K. Muchler, Abendzeitung, August. 1831. F. Sjoerds, Jaarb. II, +492; J. C. Maier, Geschiedenis der kruistogten, p. 187. + +[164] Misschien van Olivier zelven, die den togt mede gedaan, +en ook eene Historia Damiatina (Geschiedenis van Damiate) +geschreven heeft. Eccard heeft in Corp. Hist. med. aevi dezelve doen +afdrukken. Het spijt mij, dat mij dit werk, 't welk ik hier met nut +gebruiken kon, niet ten dienste staat. + +[165] Het Itinerarium zegt van 12 schepen. Emmius, die dit Itinerarium +desgelijks in Mspt. (want het was toen nog niet afgedrukt) voor zich +had, spreekt van 212 schepen. Het eerste is zeker eene drukfout. Ook +in de Wijsgeerige en Staatkundige Geschiedenis der Wereld, van +K. H. L. Pölitz, door Wits. Geysbeek vertaald, wordt slechts van 12 +schepen gemeld; dan volgens F. Sjoerds, Jaarb. II, 493 en anderen, +stak Graaf Willem met 12 schepen uit de Maas in zee, wordende gevolgd +van een groot aantal volks. Naar Engeland overstekende, vereenigden +zich de Hollandsche en Friesche vloten met die der Engelschen, onder +bevel van George, Grave van Wight, welke vereenigde vloten uit 212 +schepen zullen bestaan hebben. + +[166] Volgens de woorden van Emo's Chronicon: (vid Matth. Analecta +vet. aev. II, 26)--Comes de Wetha Praedux totius classis est electus, +posteriore custodia Comiti Hollandiae deputata, quem Ducem et Dominum +jam totus sibi delegerat exercitus.--was niet den Graaf van Holland, +maar den Graaf van Wieden het Opper-Admiraalschap opgedragen. + +[167] Wij willen hierbij voegen, hetgene voorkomt in het +geslachtregister van Friesche Adellijke Familien, opgemaakt door +S. v. Adelen van Cronenburgh, en vervolgd door P. van Albada ter +Oele (M. S.), betrekkelijk het Geslacht der Roordaas, die eertijds +in hun wapen mede rozen boven de baar voerden, maar dit naderhand +hebben veranderd. + +De oorzaak van deze verandering is dit: »'t Is gebeurd ten tijde dat +veel verscheidene Natiën, gelijk de Friezen, in 't H. Land waren +getogen, om hetzelve uit de handen en het geweld der Saracenen of +Turken te verlossen, dat onder anderen verscheidene Edellingen uit +Friesland, ook die van het Geslacht van Roorda, met de menigte aldaar +zijn geweest, onder welke zoo het gebeurde, tusschen de beide heiren +van de Christenen en Saracenen, dat er een uitnemend groot, stout en +vaillant Moorsch Prins was uit het Saraceensche heir, die voor het +Christen-leger zeer hoogmoedig ging braveeren, uitdagende aldaar een +van de vaillantste Ridderen der Christenen, om met hem een kampslag +te slaan; zoo heeft er terstond een stoutmoedige edele Fries uit het +geslacht van Roorda verlof van zijnen Prins begeerd, om met dezen +man een kampslag te doen; 't welk hem toegestaan zijnde, is hij in +het aanzien van beide legers tegen dezen Moor in het veld getreden, +en heeft aldaar zulk eene forsigheid met feiten van wapens bedreven, +dat hij ten laatste dezen Moor heeft overweldigd, ter neêr gehouwen en +onthoofd, het hooft ook tot een teeken van victorien op de poot van +zijn geweer naar het Christen-leger triumphantlijk gebragt; alwaar +hij bij alle de Prinsen, Heeren en Ridders zeer loffelijk van zijne +stoutmoedigheid zeer geprezen, en mede Ridder geslagen en eerlijk +ontvangen is. En is hem ook, alsmede zijnen nakomelingen, tot een +teeken en memorie van eene zoo vrome daad, een Moriaanshoofd in zijn +schild en wapens vereerd, gelijk zijn geslacht nog tegenwoordig voert, +benevens zeer loffelijke brieven en attestatie met Prinsen en Heeren +Zegelen bevestigd." + +[168] In het Grand Theatre Historique, T. III, p. 328 vindt men de +plaat van dit met eene zaag voorziene schip. De stad Haarlem eigent +zich dit schip toe. Men vindt daarom nog in de groote kerk zelfs een +model van dat schip. Ook maken er de Dokkumers aanspraak op. Zij +hebben er een model van tot windwijzer op den toren der groote +kerk gemaakt. Idsinga, Staatsregt van Groningen, p. 126.--Wagenaar, +Vad. Hist. II, 350. + +[169] Meleddin was de oudste zoon van den Sultan Saphaddin, die +gedurende het beleg van Damiate gestorven was. + +[170] De te voren vermelde verovering der stad Damiate plaatst Beninga +verkeerdelijk in het jaar 1229, in de Geschiedenis dezes Kruistogts +onder Frederik II. + +[171] Dat zij aan dezen Kruistogt geen deel genomen hebben, +is genoegzaam zeker, want op verzoek van den Koning Willem had +de Kardinaal Caputio, namens den Paus, de Friezen van hunnen +Kruistogt naar het H. Land ontslagen, mits zij Willem Aken hielpen +veroveren, waarop zij bij gansche scharen naar zijn leger optrokken, +natuurlijkerwijze dezen togt ver de voorkeur gevende, boven den meer +verwijderden naar Palestina. Verg. J. Meerman, Gesch. van Graaf Willem +van Holland, Roomsch Koning, I. 263-264. + +[172] Willem is, gelijke bekend staat, en onze Kronijk zegt, niet in +Friesland, maar te Hoogwoude in Noord-Holland door de West-Friezen +vermoord. Zie Meerman, als voren. De opgave van Wiarda is dus +hier onjuist. Vergelijk Wagenaar, Vad. Hist. II. 401; Bilderdyk, +Geschiedenis des Vaderlands, II. 151, 152. + +[173] Tot dusver loopt het verhaal van Wiarda. + +[174] Zie het slot van aangehaalde werk: Proeve van eene Geschiedenis +der Kruistogten en derzelver gevolgen, bl. 546, waarin echter +zeer uitroerig over de voordeelen en weinig over de nadeelen wordt +gesproken. + +[175] Dit uitmuntend werk is door den zeer kundigen Steenbergen +van Goor in den jare 1823 uit het Hoogduitsch vertaald en met vele +belangrijke aanmerkingen voorzien. Het gevoelen van dezen was het +volgende: »Dat Europa door de Kruistogten veel geleden heeft, zal +niemand ontkennen; maar dat het tevens door dezelve in burgerlijke +vrijheid, beschaving, verlichting, koophandel en kunstvlijt veel, +zeer veel heeft gewonnen, is onbetwistbaar. En nu vrage men, of die +voordeelen destijds voor eenen minderen prijs te verkrijgen zouden +geweest zijn?" Ook Luden in zijne Allgemeine Geschichte der Völker +und Staaten des Mittelalters, is ten dezen niet genoeg aan te bevelen. + +[176] Verg. Styl, Opkomst en Bloei der Nederlanden, bl. 28; +Tegenwoordige Staat van Friesland, I. 312; West., Jaarb. I. 209; +Cerisier, Geschiedenis der Nederlanden, I. 209. + +[177] Verg. Schot. Fr. Hist. bl. 92; Egger. Beninga, Kronijk, bl. 101; +Dumbar, Analecta, I. 333. + +[178] Vergel. Gesch. des Vaderl. II. 130, waar het anders had +behooren vermeld te zijn. Over de Bulle van Karel Byv. en Aanm. op +Wagenaar, I. 107, en A. Kluit, Hist. der Holl. Staatsr. V. 52, +die het vrij zeker stelt, dat voor den jare 1300 dat stuk +bestond. Aantt. O. Fr. Wett. 109, 112. Zie over den dood van Willem, +onze noot op bl. 387, Tegenw. Staat, I. 409 en 410. + +[179] Op bl. 20 en 21; welk Geschiedverhaal met de andere Geschriften +van Jancko Douwama worden uitgegeven door het Provinciaal Genootschap +ter beoefening der Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, waarvan +de eerste aflevering in den jare 1830 is uitgekomen. + +[180] Verg. H. W. Tydeman, Over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten, +bl. 111. + +[181] Winsemius, fol. 174: »Wat meer is die oude gheschreven Chroniquen +ghetuygen, dat door 't selve quaedt van tweedracht, die inghesetenen +deser landen, nu in ryckdom ende weelde sittende, alle hare macht +aengheleyt te hebben tot stiftinghe der Stinsen ende vasticheden, +in sulcken aentale, dat in een Dorp 't begrijp van dertich huysen, +hebbende, sesthien Stinsen uyt den ouden Vrieschen Steen gemaeckt +(welcke van hardicheyt een vlintsteen ghelyck was) ghevonden zyn." + +[182] Over het vroeger tijdvak en de gesloten verbonden en +overeenkomsten zijn belangrijk de Monumenta Groningana veteris +aevi inedita, door den geleerden Keuchenius Driessen uitgegeven, en +met uitnemende Aanteekeningen verrijkt; bijzonder zijne Aantt. op +bl. 335, 398, 475, 493, 797 en 831. Verg. Iets over den Oorsprong +en de Partijnamen der Schieringers en Vetkoopers, door den Heer +P. Burggraaff, in No. I van het Tijdschrift voor Onderwijzers, die +alleen als oorzaak der twisten beschouwt: het ontstaan, de uitbreiding +en het toenemend aanzien van den vierden stand der maatschappij dien +der burgers. + +[183] In de eerste druk van onze kronijk staat ook dit jaar vermeld. + +[184] Dit H. S. is de oorspronkelijke Grafelijke Rekening van den +Heer Garbrand van der Couster, Proost van Berghen in Henegouwen, +ende Jorghel, mijns Heeren Camerling, van 't geen sy ontfaen +hebben van mijnen lieven Heere van Holland, toter reyze behoef van +Oistvrieslant; verrekend en gesloten op den 18 Maart 1396, hofstijl, +d. i. 1397. Zie de uitmuntende Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen, +door den Archivarius de Jonge, I. 30 en 31. + +[185] Wagenaar, V. H. III. 502. + +[186] de Jonge, t. a. p. + +[187] Hoveling. De Edellieden, die op vaste burgten, sloten of stinzen +woonden, werden in Friesland Hovelingen genoemd. Verg. Archief +voor Vaderl. en Vriesche Geschiedenis van Visser en Amersfoordt, +Aant. I. bl. 25. + +[188] De Geschiedschrijvers vermelden dit voorval breedvoerig: +O. v. Scharl. quarto, bl. 245-247; Wins. Chron. fol. 306; +Schot. Fr. Hist. fol. 372; Gabbema, Verhaal van Leeuw. 164; +Petr. Thaborita op 't jaar 1487; Kronijk en Beschrijving van de stad +Sneek, door Napjus, 2e dr. bl. 11, enz. De Heer van Halmael heeft +in een gedicht dit feit herdacht. Zie Mengelwerk der Leeuw. Courant, +20 April 1830. + +[189] Onder de oudere Schrijvers heeft de geleerde en verdienstelijke +Historieschrijver Lambertus Hortensius van Montfoort, in zijn werk: +de tumultu Anabaptistarum, te Bazel in 1548 uitgegeven, van dit oproer +in Friesland een getrouw verslag gedaan. In de zeldzame Hollandsche +vertaling van 1659, in klein Octavo, versierd met fraaije plaatjes, +is ook eene afbeelding van de belegering des kloosters. De Wind, +Bibliotheek, I. 150 noemt een' druk van 1660. + +[190] Vele oude kloosters, en ook het Convent Thabor, waren zeer +uitgebreid en groot gebouwd, zoodat zij zelfs een aantal krijgslieden +konden bevatten en verzorgen. Deze Schrijver verhaalt, dat zijn Convent +de navolgende gebouwen had: een Molkenhuis, Bakhuis, Waschhuis, +Schoenmakershuis, Poorthuis, Bouwhuis, Timmerhuis (welligt met het +Bouwhuis hetzelfde), Koehuis, Molkenhuis, Brouwhuis, Ziekenhuis, +verscheidene Dormters, slaapplaatsen der Geestelijken en Leeken, +eene Kloosterkerk, Sacristij, Capittelhuis enz., voorts Binnenhof, +Tuin, Bosch en Boomgaard.--De bewoners waren Geestelijken, Leeken, +Priesters en Monniken: Beambten waren er velen, als Bouwmeester, +Opzigter, Kellener, Molkenmeester, Portier, Biermeester enz., +terwijl er voor de gewone behoeften een aantal bedienden nodig waren. + +[191] Deze Memorien zijn eerst uitgegeven in 1564, daarna door Dumbar +in zijne Analecta geplaatst, met vele bijgevoegde aanteekeningen, +uithoofde dit werk uiterst zeldzaam was geworden. Zie Aantt. op +bl. 182 der kronijk. + +[192] De titel is: Joannis Caroli de rebus Casparis â Robles Billaei +in Frisia gestis commentariorum Libri IV. De Schrijver, geboren te +Antwerpen in de laatste helft der XVI eeuw, was lid van den Grooten +Raad te Mechelen, uithoofde van welke betrekking hij in den jare 1567 +in Friesland kwam, en Algemeen Geregtsverzorger (Procureur Generaal) +werd. Hij legde daarna zijne ambten neder, werd Franciskaner Monnik, +doch stierf nog voor het einde van zijn proefjaar in 1598. + +[193] Bara-Huis, Bara-Stins en Bara-Convent waarschijnlijk dus genoemd +naar den naam des stichters, die even onbekend is als den tijd waarin +de stichting heeft plaats gehad. Men kan echter voor zeker stellen, +dat de Middelzee nog in volle kracht was, toen de bouwing heeft plaats +gehad. In de burgeroorlogen der Friesche partijen werden er meene +dagen, vergaderingen en bijeenkomsten, gehouden. Twee boereplaatsen +zijn aldaar nu aanwezig, waarvan de eene waarschijnlijk op den bouwval +van het Convent zal zijn aangelegd, en in de tweede boerderij, aan +den straatweg gelegen, wordt de naam nog bewaard. + +[194] Staatkundig Nederland, I. 49. Aldaar wordt ook melding gemaakt +van de marmeren poort van Viglius, voorzien met zijne spreuk: Vita +mortalium Vigilia (het leven der stervelingen is eene nachtwake), +geplaatst in de voorzaal der Kanselarij. Doch dit was zij weleer, +want ook dit eerwaardig gedenkstuk der oudheid moest in de algemeene +vernietiging deelen. + +[195] Deze redevoering is uitgesproken in een Letterkundig Genootschap +te Amsterdam na 1795, en na 's mans dood gedrukt en uitgegeven, +door de zorg van den verdienstelijken Hoogleeraar H. W. Tydeman, +in de Mnemosijne, XIV Deel. + +[196] Deze Verhandeling, in het openbaar uitgesproken, is daarna +geplaatst in het Mengelwerk der Leeuwarder Couranten van 23 en 30 +Maart 1830. + +[197] Zie de Unie van Brussel des jaars 1577, naar het oorspronkelijke +uitgegeven door Mr. J. C. de Jonge, bl. 95 en 166-169. + +[198] Zie het Cort Verhael van Rennenburgs leven, op bl. 469-473 zijner +Memorien. Dit geschrift heeft hoofdzakelijk tot bouwstof gediend voor +de Schrijvers van den Tegenwoordige Staat van Stad en Lande, I. 420 tot +502, bevattende Rennenberg's geschiedenis; voor van Meteren, in het +breede 't beleg van Steenwijk vermeldende en voor Wagenaar over dit +tijdvak, welke ook schijnt te betwijfelen: »of hem de kwaade uitslag +zyns bedryfs niet meer dan de snoodheid en 't verraad gesmert hebbe." + +[199] Van dit Huwelijk wordt bij Winsemius, Wagenaar en anderen geene +melding gemaakt. Kok, Vaderl. Woordenb. zegt dat Graaf Willem niet +getrouwd is geweest. Wij hebben ook misstellingen en veel verschil in +de dagteekeningen ontdekt, en daarom de opschriften der grafzerken, +zoo ver vermeld, gevolgd. Men vergelijke onder anderen over deze en de +volgende Stadhouders Johannes van den Bosch, de Heeren Stadhouderen +van Vriesland,--beschreven, enz.;--de Redevoering van A. G. Camper, +bij de inhuldiging van Vrieslands Athenaeum uitgesproken, met het +eerste bijvoegsel, en Holland's Roem, door den Baron Collot d'Escury, +IV. Aantt. bl. 220, 221. + +[200] Over de begraving der Vorstelijke Familiën, zie de Noot op den +jare 1620. + +[201] Uit eene verzameling van eigenhandige en vertrouwelijke Brieven +van den Stadhouder, geschreven van de jaren 1734 tot 1747, aan zijnen +Vriend en Raadsman den Heere van der Mieden, Raadsheer in het Hof van +Holland, mij goedgunstig door deszelfs Neef, Mr. J. Schonck, Raad in +het Hoog Geregtshof te 's Gravenhage, medegedeeld, blijkt des Vorsten +uitnemend karakter. Ook is deze hoogst belangrijke Correspondentie +tevens bevattende een aantal eigenhandige brieven van Prinses Anna, +den Baron H. van Aylva, den Hertog Lodewijk van Brunswijk, den +Opperstalmeester Grovestins, den Secretaris van Prinses Anna, de +Larrey en anderen, voor de geschiedenis van dien tijd van hooge waarde. + +[202] In ons Gewest bleef echter van die invoering tot op den huidigen +dag een gebruik over, bij anderen niet aangenomen, zijn oorsprong +ontleenende uit het verschil van dagen, door den Ouden en Nieuwen +Stijl ontstaan. Alle verhuringen en verhuizingen hebben plaats op +den 12 Mei, niet op den eersten; zoo komen alle dienstboden op den +12 Mei en 12 November, welke dagen men oude Mei en oude Allerheiligen +noemt, in hunne diensten; dit gebruik is gewettigd geworden bij eene +nadere Publicatie der Provinciale Staten van 29 Januarij 1701. Men +verkoopt en verhuurt de Zathen en Landen enz. te aanvaarden, voor de +landen St. Petri, dat is den 5 Maart, (oude Sint Pieter), en voor de +huizinge en schuur den 12 Mei; overigens rigt men zich in alles naar +den gewonen Gregoriaanschen Almanak. + +[203] In de nagelatene Adversaria van een' onzer verdienstelijke +Friesche Geleerden, vond ik nog deze aanteekening op het woord +Grietman: »De geregtelijke tweegevechten werden gehouden in eene +plaats het Krijtveld genaamd. Kryt staat voor het Hoogd. griet +of gries, (gruis), dat volgens Veit Weber, Sagen der Vorzeit, +B. 11. p. 101, beteekent het Steenzand, waarmede de kampplaats +wordt bestrooid. Kan de benaming Grietman hiervan ook eenig licht +erlangen? Hij zoude dan oorspronkelijk de Opziener over zulk eene +Regterlijke kampplaats, Hoofd van zulk eene Regtspleging geweest zijn, +en het zou dan eigenlijk hetzelfde beteekenen als in de Oude Wetten +'t woord grieswart, grieswärtel, tournooivoogd, of volgens nog ouder +schrijfwijs greiswärtel. Zie Haltaus, Gloss. Germ. med. aev. p. 753, +die hetzelve drie beteekenissen toekent, welke met die waardigheid +overeenkomen. Het woord greta, waarvan het afgeleid wordt bij Beyma, +is, meen ik, oorspronkelijk ook alleen gebruikt van oproeping of +dagvaarding ten kampstrijd; (si vacat, hoc ulterius demonstrabo)." + +»Huydecoper op Melis Stoke, III. 54, legt krijt uit door kring (kreis, +kreits), doch ten aanzien van onze gissing over den oorsprong van +het Woord Grietman is dit hetzelfde." + +B. A. + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IT AADE FRIESCHE TERP *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that: + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
