summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/29075-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:46:44 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:46:44 -0700
commitc63d1a182740b3a48b2b05d4949ca019f3af23d1 (patch)
tree699b11a28af158aebabceee646f4224d4229a05b /29075-8.txt
initial commit of ebook 29075HEADmain
Diffstat (limited to '29075-8.txt')
-rw-r--r--29075-8.txt3455
1 files changed, 3455 insertions, 0 deletions
diff --git a/29075-8.txt b/29075-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..74c708c
--- /dev/null
+++ b/29075-8.txt
@@ -0,0 +1,3455 @@
+The Project Gutenberg EBook of Dante en Beatrice, by Frederik Van Eeden
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Dante en Beatrice
+ En andere verzen
+
+Author: Frederik Van Eeden
+
+Release Date: June 8, 2009 [EBook #29075]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DANTE EN BEATRICE ***
+
+
+
+
+Produced by Anna Tuinman, Branko Collin and the Online
+Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DANTE EN BEATRICE
+
+EN ANDERE VERZEN
+
+DOOR FREDERIK VAN EEDEN.
+
+
+AMSTERDAM
+
+W. VERSLUYS
+
+MCMXVII
+
+
+TWEEDE DRUK.
+
+
+
+
+DANTE EN BEATRICE.
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+De volgende verzen ontstonden na 't herleezen van Dante's eerste
+ontmoeting met Beatrice, toen hij bijna neegen en zij acht jaren oud
+was, zooals beschreeven wordt in "Vita Nuova". Of Beatrice die Bice
+Portinari geweest is, waarvan Boccacio in zijn Leeven van Dante spreekt
+is niet zeeker. Dat zij nooit in werkelijkheid zou bestaan
+hebben--zooals G. Rosetti, La Farina e.a. beweeren--is niet te gelooven.
+Zij mooge een anderen naam gedragen hebben, het meisje in 't roode
+kleedje heeft bestaan, en is door Dante gezien en bemind. Potgieter
+vraagt of wij het hem ten goede houden, dat hij, in zijn Florence,
+Beatrice's kleed in plaats van rood, wit maakte, "voor de onschuld",
+zooals hij zegt. Het in deezen den Florentijn te willen verbeeteren is
+echter den Amsterdammer moeyelijk ten goede te houden. Het achtjarige
+meisje ging in 't rood, "zooals het haren leeftijd paste" zegt Dante.
+Tien jaren later, als volwassen maagd, werd zij door hem in wit gewaad
+gezien. Na deeze tweede ontmoeting zag hij Beatrice in een vizioen,
+naakt, in een bloedig laken gewikkeld in de armen van Amor, die haar
+Dante's hart te eeten gaf, en daarna opvoerde ter zaligheid. Beatrice's
+dood in de "Vita Nuova" valt volgens d'Ancona, in 1290 ongeveer. Vóór
+1298 trad Dante in 't huuwelijk met Gemma Donati. Vier jaren later ging
+hij alleen in ballingschap en schreef Hel, Vagevuur en Paradijs.
+
+
+
+
+EERSTE DEEL.
+
+
+
+I.
+
+
+ Een vizioen van wonderhoog genucht
+ heeft mij, toen 'k in de poort mijns najaars staarde
+ en langs reeds winterige velden waarde,
+ den dag, den nacht en weer den dag verlucht.
+
+ Het was zoo fijn en lieflijk als 't gerucht
+ der voogels, die in herfstnacht naar hun gaarde
+ in 't zuiden trekken, hoog, hoog oover d'aarde,
+ zacht snaterend in ongeziene vlucht.
+
+ Het was zoo scherp en kleurig als van vlinders
+ de vleugel-cier--als zij zich rustend zonnen
+ op gloedbescheenen muur,--en zoo vol diep
+
+ geheimenis, alsof er uit de bronnen
+ van alle licht en vreugde¯een lokstem riep:
+
+ Ik zag een stoet van bloembekranste kinders.
+
+
+
+
+II.
+
+
+ Een meisje¯in kleedje, heerelijk getint
+ van zacht en zeedig rood, met wat sieraden
+ als 't kind die draagt, naar 't haar heur ouders raden,
+ het ranke lijfje¯omstrikt met blinkend lint,
+
+ zag 'k in gewoel van bloemen en gewaden
+ als heldre ster die vóór alle¯andren blindt,
+ en 'k zag hoe haar genootjes vroolijk traden
+ om haar, als eene die elk 't minnigst vindt
+
+ en als de schoonste zonder spijt wil roemen,
+ daar zij, hoe mooi en goed zij is, niet speurt.
+
+ Ik hoor haar kindernaam vertrouwlijk noemen,
+ de knapen roepen "Bice!" en werpen bloemen
+
+ naar 't blonde haar. Verleegen lachend beurt
+ zij de oogen naar haar ouders op, en kleurt.
+
+
+
+
+III.
+
+
+ Toen zag 'k twee felle donker-vuurige¯oogen,
+ in streng en ernstig knapen-aangezicht,
+ onafgewend naar 't lieflijk wicht gericht
+ door óóvermacht'ge tooverkracht getoogen.
+
+ De kind'ren eeten. Hij zit aan, doch zwicht
+ voor lust naar 't lekkers niet, maar onverwoogen
+ drinken zijn blikken 't jonge, lieve licht,
+ 't éénige wat zij nog te zien vermoogen.
+
+ 't Feestvolk stroomt uit, hij volgt, als weezenloos,
+ 't lieftallig weezen dat haar macht niet weet
+ en niet vermoedt wat gloed zij deed ontbranden.
+
+ Hij treedt haar toe, heft stamelend de handen,
+ beroert de bloemen die zij draagt, haar kleed...
+ en zwijmt doodsbleek,--geslaag'ne voor altoos.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+ O meester, zag ik met mijn geest de bron
+ des ongelijkbren liefdestrooms, wiens vloeden
+ na eeuwen nog een dorre waereld voeden,
+ die zulke weelde zelf niet baren kon?
+
+ Als Nijl het Nijldal, blaakrend in de zon,
+ drenkt hij het rotsig land van droeve' en moeden,
+ nog voelt een dichterhart of 't moest verbloeden
+ zoo 't zijner heerlijkheid zich niet bezon.
+
+ Bekoorlijke oorsprong van zoo grootsche macht!
+ Het kinderfeest, de blanke bloemenstad,
+ de schoone maatschappij, nog jong en blijde--
+
+ Zóó sluipt het eerste glinster-sprankje nat
+ uit woudenrijk gebergt, en babbelt zacht
+ waar kreekels sjirpe' op stilbezonde weide.
+
+
+
+
+V.
+
+
+ Heeft dan ook uw geweld'ge ziel geleeden
+ dat allerteerste, allerzoetste leed?--
+ Door dagen vuurig en door nachten heet
+ zaagt gij die onbeschrijfb're lieflijkheeden:
+
+ dat roode kleedje, 't lint, die ranke leeden,
+ die ooge-starren.... O ik weet!.... ik weet!....
+ en naar de zoete folter dieper beet
+ hebt gij om uitkomst of begrip gebeeden.
+
+ Doch toen het ruuwe leeven, koel en straf,
+ den wonder-broozen kinderdroom wou breeken,
+ dreef 't u van haar op verre weegen af,
+ maar kon den innerlijken glans niet bleeken.
+
+ Dood mocht haar lijf en aardsche vreugd u rooven,
+ dien eersten luister liet gij u niet dooven.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+ Wie ben ik, als ik denk aan u, mijn held!
+ ik kleine,¯in 't klein-gevoelend volk begraven--
+ maar toch!--wat zoeten drank van min zij gaven,
+ mijns harten hart bleef zoeken, onverzeld,
+
+ naar minder niet, dan wat uw mond mocht laven,
+ kristallen dronk, uit eeuw'ge rots geweld.
+ Datzelfde, waar uw Godlijk lied van meldt,
+ heb ik voor alle tijden willen staven.
+
+ Uw stroom is majestatisch neergedonderd
+ met wentelsprongen tot den blanken plas,
+ maar als een zwoel, vermaledijd moeras
+ houdt U van mij mijn tijd en volk gezonderd.
+
+ En daar was géén, ik zeg u, die verstond
+ de taal der stroeve plooyen om mijn mond.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+ Gij die uw ooverwonnen smart deed schijnen
+ als fakkel-licht, de duistere eeuwen dóór,
+ en liet in vuur uw zondaars-hart verreinen
+ en hield het brandende¯aan de waereld vóór,
+
+ hebt Gij dan ook die zwartste mijner pijnen
+ gekend, verwonnen en als meteoor
+ doen schrijven aan den nachtwand vuur'ge lijnen,
+ den menschen-volken tot belichtend spoor?
+
+ Ik weet een donker wee, dat klacht niet kent,
+ të eenzaam en të innig voor gedichten,
+ hebt gij dat óók aan uw zielsfirmament
+ genageld en als richt-gesternt doen lichten?
+
+ Hiér antwoordt géén, maar Gij woont hoog, ai wend
+ tot onzen God u, die weet, en zal richten.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+ De voogel Waarheid mijmert bij mijn hand
+ en peilt met ingetrokken kop de gronden
+ des heemels,--als verlangend naar zijn land
+ terug, van waar hem d'Almacht heeft gezonden.
+
+ Ik wacht in ootmoed, heilige gezant!
+ Nooit werd gij zoo vertrouwelijk bevonden.
+ Vertoef! en doe mij weeten en verkonden,
+ eer gij ter opvaart weer de wieken spant.
+
+ Ook hij, de zanger, hield u niet gevangen
+ in zijner lied'ren goudenkoordig want
+ en kon ter uwer woonsteê niet gelangen
+ eer zij, die hij beminde,¯uit Liefde's hand
+ zijn hart met al zijn bitterheid verteerde
+ en zóó tot 's Heemels Lichthof weederkeerde.
+
+
+
+
+IX.
+
+
+ Het was dezelfde wonderbare vonk
+ die oover mijnen opgang heeft geglommen,
+ waaruit de groote gloeden zijn geklommen,
+ die hij, de meester, onzer waereld schonk--
+
+ en die hem veilig voerde door de drommen
+ van spooken in hun gruuwlijken spelonk,
+ tot waar de starrenkrans der zaal'gen blonk
+ in 't Licht, waarvoor zijn liederen verstommen.
+
+ Zoozeer verscheiden zijn twee menschen niet
+ door ééne Hand uit eender stof geweeven,
+ of 'k weet, wat al die wond'ren groeyen liet
+ is 't zelfde, wat mijn kinderziel deed beeven...
+
+ O àl te machtig, àl te teer ontroeren!
+ mijn hand ligt stil--kan 't schrijftuig niet meer voeren.
+
+
+
+
+X.
+
+
+ Mijn hart heeft bitterheeden als de Dood
+ en diepten waar geen woorden van gewagen,
+ is daar wel Liefde sterk genoeg en groot,
+ die 't kan verzwelgen en ten Heemel dragen?
+
+ Ik blader vluchtig thans in 't boek der dagen
+ en leg het duisterst zonder deernis bloot,
+ tot schuuwe schimmen angstig rond mij klagen:
+ "Gedenk! Gedenk! Gedenk!--éér gij verstoot!"
+
+ Hebt Gij, mijn zanger, ongeschokt vernoomen
+ den doodssnik van uw allerschoonste waan?
+ en zijt gij vast de treeden opgegaan
+ bestroomd van 't bloed der teerste, liefste droomen?
+
+ Welk Licht-verschiet was 't dat u schrijden deed
+ zoozeer als God, zóó liefdrijk en zóó wreed?
+
+
+
+
+XI.
+
+
+ Er drijft een zeldsaam gisten, zeldsaam dringen
+ de jonge ziel in haren opgang uit.
+ Zij breekt den schors van waan die haar omsluit
+ en neigt tot nadering aan vreemde dingen.
+
+ Door 't naaste, wat niet-eigen is, gestuit
+ baart zij dan teedre ranken, die 't omringen
+ en gansch tot eigen-worden willen dwingen--
+ en geeft zich vangeling aan de¯eigen buit.
+
+ 't Gaat dan om eeuwig heil! want ach! wie beurt
+ wat aan een schaduw zich heeft willen hechten?
+ En vast kan zich geen tweedemaal vervlechten
+ de rank, na d'eersten opgroei afgescheurd.
+
+ Dan worden alle klanken, alle kleuren
+ van 't Leeven weer een vreemd, vèr-af gebeuren.
+
+
+
+
+XII.
+
+
+ De schakel brak,--de Dood hield u gescheiden,
+ het Leeven sleepte u op zijn deining voort,
+ en, onder nieuwen liefde-groei versmoord,
+ ging schuil het glanzend schoon der eerste tijden.
+
+ Nochthans, nochthans voltrok zich ongestoord
+ het heilig Wonder, dat Gelieven beiden
+ door de¯eigen liefde¯elkaar tot God geleiden,--
+ en werd geboekstaafd in ontzach'lijk Woord.
+
+ Ik zie het aan en huiv'ring grijpt mijn ziel,
+ wij hadden van die Liefde een zwak vermoeden,
+ verrukt alree door 't ongeveer bevroeden--
+ Gedoog, dat ik voor haar gewisheid kniel.
+
+ Mijn hoofd buigt neer, omgolfd door staat'ge klanken,
+ laat de arme vreemd'ling in úw Tempel danken.
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+ Wat zegt het najaar dat de blaren strooit,
+ het rul-geworden zomerloof doet zwijgen
+ van voogellied,--en leevens-weeke twijgen
+ met harde doodspracht van kristallen tooit?
+
+ Wat zal het leeven van zijn schoon herkrijgen,
+ door Tijd en Dood van zijnen bloei berooid?
+ Wat houdt er stand en ziet zijn groei voltooid
+ terwijl de welkende geslachten zijgen?
+
+ Er staat een boom, in lichten Hof geplant,
+ zijn takken reiken buiten 't ruim der heem'len,
+ zijn wortel voedt zich in der eeuwen zand,
+ zijn bloesem geurt, zijn looverdiepten weem'len
+ van voogelzang. Elk looverken een ziel
+ versterkt zijn machtig Leeven, éér het viel.
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+ Ze noemen Liefde wat de ziel doet zieden
+ in helle vreugde van een oogwenk duur,
+ in lijden leevenslang,--met ieder uur
+ zien ze haar vluchtige bekooring vlieden,--
+
+ een sidd'rend glimpjen onstandvastig vuur
+ in woestenij van donkre doods-gebieden,
+ waar alle dingen zonder zin geschieden
+ naar starre wet van ijzige natuur.
+
+ Maar Hij, die op vervaarlijken en verren
+ boet-vaart door kringen, waar geen stervling kwam,
+ kondschap van 't onnaspeur'lijke vernam,
+
+ Hij gaf éénzelfden naam aan d'ééne Macht,
+ die 't kinds-hart wekt met stralen luuw en zacht,
+ en die de Zon beweegt en d'andre sterren.
+
+
+
+
+
+TWEEDE DEEL.
+
+
+
+XV.
+
+
+ 't Zij dan door zesmaal honderd jaar gescheiden,
+ 't zij dan zóó ongelijk van maat en macht,
+ zijn telgen wij nochthans van één geslacht
+ en draagt één liefde-tronk ons, bloesems, beiden.
+
+ Als klank van verre kerk-klok in den nacht
+ d'eenzamen dwaler oover duistre heiden
+ vertroostend meldt waar zijn verwanten beiden,
+ waar hem de lang gederfde haardstee wacht,
+
+ zoo heeft van ver 't plechtstatige geluid,
+ bij d'eersten flaauwen aangalm uwer woorden,
+ mij 't trouwlijk thuis der eigen ziel geduid,
+
+ en d'ooren van 't verlaten kindje hoorden
+ met grooter vreugd de moeder niet, die 't riep,
+ dan ik die roepstem uit der eeuwen diep.
+
+
+
+
+XVI.
+
+
+ Mijn Land, mijn Land, hoe blinken spiegelklaar
+ uw vlieten in de riet-bewassen zoomen,
+ stil glijdt het bruine scheepszeil langs de boomen,
+ kalm ligt het vreedige gehuchtje daar
+
+ met toorenspitsje en moolentje, te droomen,
+ breed ooverwelfd door blanke wolkenschaar,
+ die statig aandrijft uit de kimmen, waar
+ het zee-ruim wacht op d'altijd gaande stroomen.
+
+ Mijn Land van weide en rustloos winde-lied,
+ gij hebt de pracht van Arno's bloemen niet
+ en niet de grootschheid van Ravenna's wouden,
+
+ mijn Land, toch deed gij mij, als Hem, verstaan
+ wat in 't verganklijke niet kan vergaan,
+ wat ons van 't aardsche leeven voegt te¯onthouden.
+
+
+
+
+XVII.
+
+
+ Gij werdt gebannen uit uw vaderstad,
+ gij moest het bittre brood der deernis eeten
+ en kondt Firenze's heuvlen niet vergeeten,
+ wat hulde en glans de vreemde voor u had,
+
+ en nimmer heeft één, zooals gij, geweeten
+ hoe scherpe weemoed geeft, op 't lijdenspad,
+ herdenken van verlooren vreugde-schat,
+ van vroegre banden ééns voor àl gereeten.
+
+ Maar wee mij! wat is mij? ik ga in 't land
+ mij booven allen dierbaar en gemeenzaam,
+ waar 'k jong was, ga ik aan der liefste hand,
+
+ en voel mij toch gebannen, arm en eenzaam!
+
+ Wie dreef mij uit? mijn held, wat was mijn schuld?
+ Wanneer is 't tij der ballingschap vervuld?
+
+
+
+
+XVIII.
+
+
+ Mijn hart smacht naar dat verre vaderland,
+ waarvan wij beide op aard een vóórglans zagen,
+ toen nauw-ontwaakt, in blijde kinderdagen,
+ zich ziel aan ziele spon met teedren band.
+
+ Toen, door dat bliksemfelle licht geslagen,
+ verhief zich ons verwonderde verstand,
+ en bleef om 't kernvuur van zoo schoonen brand
+ en om terugkeer naar dat licht-heil vragen.
+
+ Dit is mijn smart, dàt raakt het diepste weezen
+ van al mijn vreugde en leed, dàt geeft de klank
+ van innigheid aan deeze zwakke zangen--
+
+ Gij steegt omhoog, op wieken, sterk en blank,
+ van een grootmachtig, triomfant verlangen--
+
+ mijn wonde brandt nog altijd ongeneezen.
+
+
+
+
+XIX.
+
+
+ "_De Zeegenbrengster_" luidde uw naam, o milde,
+ aan wie de waereld zooveel zeegen dankt,
+ wier brooze leeven, marmervast verklankt,
+ den dorst zooveeler schoonheids-dorst'gen stilde.
+
+ Ach, blanke liefde-zuil, bloedrood omrankt
+ door vuurig lied,--één vriendlijk groeten tilde
+ den Held in 't licht,--dat uw zacht aanschijn wilde
+ nogmaals verlichten wie er doolt en wankt!
+
+ Het menschdom stroomt, langs onheilvolle weegen,
+ de stralende uitkomst angstig tegemoet.
+ Wee, den in duistren dwarrelstroom geboornen!
+ Wee, den voor reiner schoonheidslicht verloornen!
+ Hoe reiken zij de handen, om den zeegen
+ van Liefde's minnelijken, zachten groet.
+
+
+
+
+XX.
+
+
+ Men noemde u Beatrice, maar gij draagt
+ heil'ger benaming, onbekend den veelen.
+ Hij heet u "_Liefde_", wien de glans-tafreelen
+ van uw verheerlijkt weezen zijn gedaagd,
+
+ die kroonde uw zeedig hoofd met de juweelen
+ van zijn kleurfonklend woord. Naar Liefde vraagt
+ nog immer wat op aarde duldt en klaagt.--
+ Zal ooit haar adem 't waereld-aanzicht streelen?
+
+ Kom, Zeegenrijke! jammerlijk in nood
+ om uwen bijstand moet nog 't menschdom strijden.
+ Vermag nooit in terugkomst te ooverschrijden
+ uw blijde voet den drempel van den Dood?
+
+ Des Vreedes Ster! der onrust vijandinne!
+ Verhelder d'aard met uwen lach van minne!
+
+
+
+
+XXI.
+
+
+ Gij, Alighieri, "_Glans der Eeuw_" geheeten,
+ Ook U noem ik met wijdingsvoller Naam,
+ want _Liefde_ zaligt slechts met _Wijsheid_ saam
+ en alle Smart vergaat voor 't zoete Weeten.
+
+ Kom, Wijsheid! dat uw zeegnend licht beschaam
+ wie vreezen van de vrucht der kennis te eeten,
+ en breng' te schand wie lichtschuuw zich vermeeten
+ de kracht te keeren van uw vrijen Aâm.
+
+ Vaar als een frissche wind de velden oover,
+ de vuuren aller Liefde wakker aan!
+ doe aller Harten Vlammen samenslaan!
+ en vaag den Heemel schoon met éénen toover!
+
+ dat 't dwalend volk weer d'oogen opwaarts richt
+ en schouwt naar d'één'gen Oorsprong van Uw licht.
+
+
+
+
+XXII.
+
+
+ De Stem des Lichts, die dóórbreekt ooveral,
+ doet dreunend òp de gouden heemeldeuren,
+ en de verborgen duisternissen scheuren
+ door 't verre daveren van haar geschal,
+
+ dan baart de troostelooze nachtgrond kleuren,
+ dan bloeit de leelie in het diepste dal,
+ dan stort zich, als een gouden waterval,
+ vreugde in het hart van allen die daar treuren.
+
+ Voor Wijsheid's aanblik houdt geen jammer stand,
+ voor haar handheffing zwicht de vale ellende,
+ waar zij haar wèl-betoomde rossen mende
+ gloeit al het leevende in haar stralenbrand.
+
+ En als de bloem naar d'ongenaakbre Zon
+ wendt zich de ziel naar haar onkenbre Bron.
+
+
+
+
+XXIII.
+
+
+ Thans weet ge, als ik, dat d'Almacht hooger troont
+ dan uw goud-vleugelige zangen steegen,
+ en dat de ziel langs nog benarder weegen
+ 't hart des Heelal's moet vinden, waar Zij woont,
+
+ en dat alom daarbuiten is geleegen
+ de macht-kreits des Verdoemden, dien gij hoont,
+ en dat Gehenna geen verschrikking toont
+ zóóals die Nacht, waar alle Konden zweegen.
+
+ Wat is er Hel, 't en zij de Hel van Waan
+ waar, door een schijn verblijd, wij armen allen
+ verspeelen ons kortstondige bestaan,
+ om lachend in den muil des Doods te vallen?
+
+ En God ziet toe, hoe ons wuft leeven vlucht,
+ maar van zijn strengen mond valt geen gerucht.
+
+
+
+
+XXIV.
+
+
+ Wie eens uw watervelden heeft aanschouwd
+ o zee! waaroover zilvren glanzen glijen
+ en zag uw eindelooze golvenrijen
+ aanstrijken van de kimme, grijs en goud,
+
+ wie ééns met uwer blauwe woestenijen
+ schriklijk bestaan verzoend werd en vertrouwd,
+ en voelde aan uwe rotsen, grauw en oud,
+ d'ontroerde ziel tot ruimer bloei gedijen,
+
+ hoe kan die anders dan in smachtend dulden
+ de droefheid ondergaan van enger sfeer?
+ Hij kent geen vreede in 't veilig landschap meer
+ schoon aarde en zon hem elke wensch vervulden.
+ Hij wil de wijdheid der verlaten kusten
+ als kon hij nader dáár aan Gods hart rusten.
+
+
+
+
+XXV.
+
+
+ 't Is niet om mij, 't is om ons droef geslacht
+ dat nog die wonde branden blijft hierbinnen,
+ want ik moet haten teevens en beminnen
+ en liefde blijven geeven waar 'k veracht.
+
+ Zoo was Hij niet, die met gelijke kracht
+ geliefd heeft, en gehaat met ziel en zinnen,
+ en zich van 's Waerelds einddoel en beginnen
+ en d'eigen Waarheid zeeker heeft geacht.
+
+ Maar in mij gloort een vonk van nieuwen dag,
+ wèl ongewis nog en in hachlijk beeven,
+ maar voorboô van een ruimer, schooner leeven
+ dan 't allerschoonste wat mijn held ooit zag.
+
+ Zoo zal ik dan, welweetend, zonder klagen,
+ dit heilig lijdensmerk geduldig dragen.
+
+
+
+
+
+DES LEEVENS KERN.
+
+
+
+Des Leevens Kern.
+
+
+ Zooals de kleuren nu mijn hart opbeuren
+ deeden ze 't nooit, ook niet in versche jeugd,
+ en aller waer'ld zoet-zorgelijk gebeuren
+ heeft nooit zoo rechtstreeks mijn verstand verheugd.
+
+ Het Leeven spreekt nu met een klare stem.
+ Als 't carrillon des morgens van een tooren,
+ dreunt mij, die opziet, wislijk en met klem
+ de blijde noodzaak van elk ding in d'ooren.
+
+ Elk lijden waan, zonder bestand noch duur,
+ elk pijntje¯een wenk en richtvonk onzer weegen,
+ de waan een toornwolk rond Gods liefdevuur
+ hoe kloeker dóórgeboord, te eer ontsteegen.
+
+ En God geen ding, geen kracht, maar vriend en vader
+ digt bij mij, digt, den dag, den nacht--den nacht,
+ liever dan 't liefst en dan het naaste nader,
+ de vreugd van 't blijdst en van het schoonst de pracht.
+
+ Nu zie ik weer geranium en linde
+ met 't oog eens kinds, als waar ik pas ontwaakt
+ en zee en duin, die ik als kind zóó minde
+ mijn manlijk hart met voller vreugde raakt.
+
+ Ai, laat mijn blik verzwakken, 't lijf verouden!
+ wanneer herinnren faalt en denkkracht dooft
+ heb ik bereikt wat 'k eeuwig zal behouden,
+ dat vrij de ladder breek', ik borg het ooft.
+
+ Wie zou 'k nog haten, schoonheid is in allen,
+ 'k zie gansch den nacht niet om één vonkske licht
+ en waar een hart zich ópdoet, moet ook vallen
+ mijn liefdevloed, door eigen wigt gericht.
+
+ Het lust mij wat ik heb aan glans te spreiden,
+ niemand moog danken, nochthans blijft de lust,
+ om wisse vreugd trots ik 't onwisse lijden,
+ ik ken het zoete werk om zoeter rust.
+
+ Dat komt dewijl ik in een blind vertrouwen
+ d'onzichtbre kern van 't zichtbre Leeven zocht,
+ geduldig zooals dorst'ge bloemen schouwen
+ die zich ontvouwen voor het reegenvocht.
+
+ Dit's ál, onrust'ge, die mij mocht benijden,
+ geen meerder weetenschap en doet u nood:
+ blijf 's Leevens kern betrouwen--en de Dood
+ met àl zijn schrik moet eeuwig van u scheiden.
+
+
+
+
+Koele Mei-dag.
+
+
+ De blindend-blanke hagelwolken drijven
+ trotsch en geducht aan 't hardblaauw firmament
+ en dreigen met hun schaduw te verstijven
+ de schuchtre kindren van de jonge lent.
+
+ Van 't koele Noord varen ze stom en prachtig,
+ gekuifde sneeuwkop booven grauwen buik,
+ door den van toorn gebolden stoet onmachtig
+ groet lieve zon de beidende¯aard tersluik.
+
+ Toch drijft, niet-kleumsch, de beuk haar bleeke loover
+ ten twijgen uit, de tulpbloem flonkert koen,
+ de berk in 't sparbosch sprinkelt zich àl oover
+ met tintellooverkes van teeder groen.
+
+ De koekoek roept getrouw het voorjaar uit,
+ de mei houdt vol, bestendig langs de dreeven
+ schalt nachtegalenslag en lijsterfluit,
+ en alom zeegeviert het lichte leeven.
+
+
+
+
+De schat mijns harten.
+
+
+ Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte,
+ Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem,
+ Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteens
+ Wisslend geflonker.
+
+ Is het dan, is het dan waarlijk mijn eigenst, mijn innigst?
+ Heb ik het kostbaarst der waereld, wat bloed niet kan werven?
+ Hoe heeft vóór allen aan mij dan, aan mij zich voltrokken
+ 't Nameloos wonder?!
+ .............................................................
+ .............................................................
+ Het is mijn ster, het is de sterke liefde,
+ die niemand kan verstaan en niemand ziet,
+ die alom heerscht, die al vertroost wat griefde,
+ die stralend schoon uit alle dingen schiet.
+
+ Nu ken ik haar die heft en heelt en heiligt,
+ die zacht als water door geen kracht bezwijkt,
+ den Satan slaat en voor demoonen veiligt,
+ die immer buigend booven bergen reikt.
+
+ Haar glans ging òp toen ik geen vreugd meer vragend
+ in duldsaam beeven uitzag in den nacht,
+ toen heeft zij, mij in Liefstes oogen dagend,
+ beweezen haar onnoemelijke macht,
+
+ Dies roem ik God, zal van zijn Rijk gewagen,
+ spijt aller schijndeugd, spot of hindernis,
+ daar Hij der waereld doem zoo ligt leert dragen
+ en zacht voor Liefde's kindren is.
+ .............................................................
+ .............................................................
+ Altijd door moet ik weer denken de schoone gedachte,
+ Als ik ga slapen en 's nachts en des morgens, des morgens,
+ Als zij weer waarlijk in luister ontluikt uit den scheemer,
+ eeuwig waarachtig.
+
+ Hoofdschuddend lach ik tot bloemen, tot weiden, tot wolken,
+ d'armen strek ik der zee toe: "wéét ge het? wéét ge het?"
+ Tranen stroomen mijn wangen langs, mild als de slaaf weent
+ voelend verlossing.
+
+
+
+
+Het looverlied.
+
+
+ Hoe heerlijk onder bladgeruisch te gaan
+ van groote boomen die in duister staan,
+ weer naar hun machtig nachtgezang te luistren
+ hun wijd gezwatel en plechtstatig fluistren.
+
+ In langen winter zongen barre twijgen
+ een ander lied. Zij klaagden, of hun zwijgen
+ was angstig in den Januari-mist.--
+ Maar 't loover kwam toch weer--en hoor nu is 't
+
+ als een gelukkig volk dat zeegezingt.
+ Nu juicht het gansche lenteland, er klinkt
+ fijn geschalmei van voogels in de verte--
+ zoo fijn en klaar als 't tintelend gesternte
+
+ dat door de zwarte bladerschimmen kijkt
+ en met haar vaag beweegen komt en wijkt.
+ Ik ga door looverlied en sterreschijn
+ blij en gerust. Ook in mijn kleine brein
+
+ worden nu teedre liedekens gebooren
+ die 'k liefst mijn teeder lief wou laten hooren.
+ De wind die 't nachtland als een harpe streelt
+ in maatgang met mijn stille liedjens speelt.
+
+ Als nu mijn ziel reeds in dit brooze huis
+ het looverlied verstaat en 't zeegeruisch--
+ zal ik dan niet in sterker lijf herbooren
+ den juubelzang der gouden sterren hooren?
+
+
+
+
+Alles voor U.
+
+
+ Alles voor U,--wie is er nog betrouwbaar
+ dan Hij die 't licht en de gesternten maakt,
+ van wien al wat er tastbaar heet en schouwbaar,
+ al wat ons lijf beroert en raakt
+ is enkel een gedachte¯en teere droom?
+ De breede zee met witbeschuimden zoom,
+
+ zilv'rig beglansd door vluchtige lichten,
+ 't kantig gebergt, gloedrood in zonnevonken,
+ wat zijn ze, dan Uw droomgedichten?--
+ Gij denkt hem éve' en eeuwig pronken
+ de groote maaksels voor der schepslen oog.
+ Het vaste veld, de luchte wolkenboog,
+
+ Gij denkt, gij zingt zë,--als een blijde knaap
+ des morgens gaand langs glinsterende bronnen
+ zijn zangen zingt, gelukkig na den slaap,--
+ zoo zingt Gij waerelden en zonnen,
+ schrijdend langs schitterenden leevensvloed,
+ door U geleid, ontvangen en gevoed.--
+
+ Alles voor U,--gij mijn getrouwe God,
+ nu weet ik wèl waarom Gij mij deed vinden
+ begrijp zoo luttel, zooveel haat en spot,
+ zoo weinig vrinden en zooveel verblinden--
+ 't Was dat mijn hart, verbijsterd, keeren zou
+ tot U alleen, bron van begrijp en trouw.
+
+ Al wat ik nog aan lieven en aan leeven
+ te geeven heb, 't is al, 't is al voor U,
+ maar om Uw lieven wille kan ik geeven
+ den menschen méér aan liefde, dan tot nú--
+ Schoon zij mij al niet danken of verstaan
+ te lieflijker glanst mij Uw glimlach aan.
+
+ Hier is mijn hart,--ze noemden het ontrouw,
+ het was zoo wispeltuurig en zoo grillig,
+ verlatend vrind voor vrind en vrouw voor vrouw,
+ toch is 't standvastig en gewillig.
+ 't Zwierf als een schaap van weide op weide verder,
+ volgend het roepen van onzichtbren herder.
+
+ Als een wit vlinderken ging 't welgemoed
+ in zachte fladdervlucht door donker dal,
+ en zocht met vagen schijn een stellig goed:
+ Uw licht, Uw zoetheid ooveral,--
+ totdat het door de sombre denne-stammen,
+ den vrijen, hoogen heemel weer zag vlammen.
+
+ Hier zijn mijn oogen,--ach, zoo blind! zoo blind!
+ Voor zooveel vondsten hebben ze geglansd,
+ als die van 't kind, dat eenen glasscherf vindt
+ en roept: "een diamant!" en danst
+ in 't rond, de vingertjes aan bloed gesneeden.--
+ Hier is mijn stem,--die om zoo kleine reeden
+
+ geweeklaagd heeft, door vrees en twijfel zwak.
+ Zij deed de menschen luisteren en weenen,
+ totdat zij steeg en sterker klanken sprak....
+ toen heeft zij onoprecht gescheenen,--....
+ Vader! voor wien geen kunst noch liegen baat,
+ neem Gij haar aan in haar oprechten staat.
+
+ Neem alle sieraad met uw zuivre handen,
+ al wat er uitblonk van mijn weezen af,
+ op úw altaar mag door úw vuur verbranden
+ al wat mij trots en aanzien gaf.
+ Ik wil niet zooveel beeter zijn dan andren--
+ maar liever digt-bij in uw schaduw wandlen.
+
+ Voor U mijn naam, mijn eer, mijn kunst, mijn deugden,
+ ik begeer niets dan wat Gij stil hergeeft--
+ Maar leer mijn zinnen, die mij zóó verheugden,
+ hoe Gij, in al wat zij ontwaren, leeft.
+ Hoe ik mijn Liefste¯om U alleen bemin,
+ en hoe al 't schoone sluit uw schoonheid in.
+
+
+
+
+De Staf.
+
+
+ Onrust en donker alomme,
+ Bang als een doove-en-stomme,
+ tastend als blind ga ik omme--
+ Waar is mijn staf?
+
+ Ik lijd en moet veelen verdrieten,
+ ik geniet ook en doe wel genieten,
+ maar alle vreugd zie ik vlieten
+ in een graf.--
+
+ Ik weet wat alleenig mij rust geeft,
+ wat mijn angsten gesust heeft,
+ als 't kind dat moeder gekust heeft
+ vóór den nacht.
+
+ Dit is mijn staf--dat alle dingen zijn
+ gedachten van een dierbaar, minnend Weezen
+ gansch wáár, maar anders dan hun schijn.
+ Weet ik dat goed--weg zijn mijn vreezen.
+ Dan glijdt de vracht
+ van dat onrustige van mij af.
+ Dan voelt de blinde weer zijn staf
+ Dat is de kus die moeder gaf
+ aan 't kindekijn.
+
+ Maar vergeet ik het éven,
+ dan heeft mijn staf mij begeeven.
+ Wáár, wáár is hij gevallen?
+ Niemand weet het van u allen,
+ Geen één, geen één,
+ en ik sta weer weifelend en alleen,
+ bedenkend hoe toch alles vliet
+ in het niet.
+
+ Mocht ik een Godsgaaf bedingen--
+ ik vroeg sterke herinneringen
+ omtrent eeuwige dingen.
+
+
+
+
+Aan de Groote Dichters.
+
+
+ Blijft ons nabij, hoogtroonende getuigen
+ des Leevens, waar ons machteloos geslacht
+ geen zweem van kent, opdat ons niet te buigen
+ vermoog' hun laag gedacht'.
+
+ Kaats ons den schijn, als gouden looverhoofden
+ welvend uit diepten van een somber woud,
+ den schijn dier zon, waarin wij nóg geloofden
+ in schaduw droef en koud.
+
+ Hard drukt de last der schoonheidlooze dagen,
+ niet d'onze, maar der broederen rondom,
+ die ons bestaan door eigen derving dragen,
+ 't lijf der gerechten krom.
+
+ In zorgen gaan wij, Blijden van natuure,
+ Zangers voor God, van Schoonheid en Geluk,--
+ dat dan niet tot versterf van 't Hoogste duure
+ des meededoogens druk!
+
+ Richt óp ons hoofd, als gloedrood in den morgen
+ de zonbeglansde toppen van 't gebergt',
+ ontlokt ons schouwen aan de kleine zorgen
+ waarmee de waereld tergt.
+
+ Wat gij doorleefde in voeling onuitspreekbaar,
+ geen werk der waereld schoort het of genaakt
+ de hoogten waar voor altijd en onbreekbaar
+ uw ziel haar woonstee maakt.
+
+ Bóoven de kwaal en de armoe onzer tijden,
+ bóoven 't gevecht om ruimte¯en 't zwoegen om brood,
+ leert gij ons kalm op weidsche weegen schrijden
+ in weelden sterk en groot.
+
+ De waereld is een droom u, één uit velen,
+ en niet de schoonste,--de verklankte schijn,
+ 't verzinlijkt beeld blijft u toch vèr verscheelen
+ van 't ongelijkbaar zijn.
+
+ Maar juist door macht dier zeldsame genade
+ te kennen 't Licht waartoe ons oog niet reikt,
+ kleedt gij in wondre¯en óoverschoone wade
+ al wat op aarde prijkt.
+
+ d'Oogappels groot en donker op de vonken
+ van Gods verborgen wonderen gericht
+ hebt gij 't klein leeven rondom u geschonken
+ een rijkdom lief en licht.
+
+ Zoo gaaft gij, die mijn vriend zijt en gezelle,
+ schoon gansch verteerd in uw Godsliefdebrand,
+ juist door dat vuur een luister hoog en helle
+ aan 't heerlijk Vlaanderland.
+
+ Maar Goethe wist ook, dat waar twee zich vinden
+ in 't kamerkijn, de waereld breed en wijd
+ voor hunner liefde gloorie kan verzwinden
+ met al haar heerlijkheid.
+
+ En voor een gouden woord van Dante's lippen
+ een juubel-klinken uit Hebreeër-psalm
+ zien we¯al ons bangelijk getob verglippen
+ als spook voor klokkengalm.
+
+ Maar wee den dichter die niet staag blijft weeten
+ dat van Godsliefde alleen zijn dichtmacht stamt,
+ hij wordt bij 't stemloos volk teruggesmeeten
+ midde¯in zijn kracht verlamd.
+
+ Blijft ons nabij dan, dat wij niet vergeeten
+ de rechte waarde¯en zin van wat bestaat
+ en wij wat van den heemel is niet meeten
+ naar menschenmaat.
+
+
+
+
+Shelley's Epipsychidion.
+
+
+ Een vuurstorm van vervoerende gedachten
+ een woord vol flonkerende majesteit
+ verlicht opnieuw de scheemring mijner nachten
+ en breekt des leevens vale eenvormigheid.
+ Waar is een tweede woord als dit ontvaren
+ aan menschenmond, in al der menschheid jaren?
+
+ Dit is geen teeder lied van liefde en leed,
+ dit is geen mijmerende klacht van minne,
+ het is een donderende vrijheidskreet
+ en houdt het helderst vuur van wijsheid inne
+ dat ziedend in der menschheid boezem lag
+ en losbreekt met verbijsterenden slag.
+
+ Haar klank is uit geweldige geruchten
+ van donder, zee en stormen saamgesteld,
+ haar vaart is 't waarmee wolkendriften vluchten,
+ waarmee een meteoor den nacht doorsnelt,
+ haar opgang stijgt in ijlste ziele-luchten,
+ haar macht is meer dan àl wat menschen duchten.
+
+ Het is een fonkelende lans gedreeven
+ recht in den muil van goor en donker beest
+ dat 't schrikbevangen menschenhart doet beeven
+ maar machtloos deinst als 't niet meer wordt gevreesd.
+ De grimm'ge schimmen Waan en Dood vervagen
+ waar heldenvoet den eersten stap dorst wagen.
+
+ Het is een eenzaam, arendsjong, dat schouwend
+ in peilloos blauw, de stramme vlerken rekt
+ en eindlijk, innerlijken drang betrouwend,
+ den greet'gen hals ver van den rotskant strekt
+ en stort zich vreesloos in de ruime sfeeren
+ om d'eigen nooit-beproefde macht te leeren.
+
+ Ik spreek in koel bezinnen, noode drijft
+ heilige waarheid wel-betoomde woorden
+ tot koener vlucht, want deeze schoonheid blijft
+ der bliksemschichten helste, die doorboorden
+ wat als een somber neeveldek bezwaart
+ 't zwoel-broeyend menschenleeven deezer aard.
+
+ Het is alsof een volk verworpen slaven
+ roerloos gekneeveld ligt op donker land,
+ het lijf omschalmd, 't gelaat in stof begraven
+ terwijl een vaal gewolk de lucht bespant--
+ maar één verrijst en doet door machtig wringen
+ met luiden klank de bloed'ge boeyen springen.
+
+ Het ijzer valt, hij staat rechtop gericht,
+ en als een gloed-fontein met duizend kleuren
+ maakt zijn geroep den veegen heemel licht
+ en doet de vlam zijns woords den scheemer scheuren,
+ 't verworpen volk blijft stil en geeft geen teeken,
+ maar d'englen aan de hellepoort verbleeken.
+
+ Gij armen, die niets hoordet, niets begrijpt
+ gevoelloos in uw dof bestaan verlooren,
+ weet dat de vrucht der vrijheid is gerijpt.
+ Uit aardsche liefde is 't heemelsch kind gebooren
+ dat van uw doodsch geslacht den boei kan slaken
+ en uw verdoofde blikken glanzend maken.
+
+ Want niets heeft er vermoogen dan de Geest.
+ Zij sprak van Glans en Schoonheid, onvernoomen
+ door wie nog kruipen, siddrend voor het beest.
+ Doch wat haar bliks'mend wilswoord schiep, zal koomen.
+ Haar zeegen werkt, haar opvaart duldt geen kluister,
+ haar vrijheid daagt in nooit-vermoeden luister.
+
+
+
+
+Stem van Génerzijds.
+
+
+ Het was zoo licht toen ik moest scheiden
+ de spreeuwen kweelden luide en teer,
+ en een onnoemelijk verblijden
+ vervulde veld en atmosfeer.
+
+ Een plechtig en verblindend wonder
+ verrees,--als waar 't voor 't eerst,--de zon,
+ en bloem op bloem ontsloot zich onder
+ haar zeegen, naar zij kracht gewon.
+
+ De waereld scheen verbaasd te ontwaken
+ als vond haar 't licht voor d'eerste maal.
+ 'k Zag zwaluwen hun nestjes maken
+ en zwieren in den morgenstraal.
+
+ Ik zag de kiewiet om zijn jongen
+ klapwieken met bezorgd gerucht--
+ ik hoorde hoe de meerlen zongen
+ hun welkom in de luuwe lucht.
+
+ De wind bestreek de fonkel-vlieten,
+ de golfjes plapperden in 't lisch,
+ 't ging al van 't zoete licht genieten
+ en blonk van dauw en ruischte frisch.--
+
+ Ik was niet angstig om te sterven,
+ maar 't zag zoo luisterrijk op aard,
+ als had al 't schoon, dat ik ging derven,
+ zich in één uiterst uur vergaard.
+
+ Genooten goed, dat ging begeeven,
+ had ik u wel genoeg bemind?
+ Verheeven weelden van het leeven
+ nam ik u dankbaar, als een kind?
+
+ Wist ik mijn korte leevenswijding
+ te vieren als een heilig feest?
+ Is mij 't ontwaren tot verblijding,
+ 't bepeinzen tot een lust geweest?
+
+ Als vaagde ik zwarte spinneraggen
+ van oud en kostbaar schilderij,
+ zag 'k onontgonnen vreugden lachen
+ voor 't eerst van duistre spinsels vrij.--
+
+ O angst, o waan, o booze krankte
+ der menschen, die ons elk besmet,
+ die den hartstochtelijken dank te
+ bewijzen onzen God, ons let,
+
+ die ons doet weifelen en doet ijzen
+ en wroegen, klaaglijk en bedrukt,
+ waar 't leeuw'rikje' in zijn luchtpaleizen
+ omhoogvaart, juub'lend en verrukt.--
+
+ Hoor gij, die nog in 't licht moogt woonen,
+ dit woord uit 't eeuwig droomrijk aan:
+ "verdrijf die schimmige demoonen"
+ "die voor Gods lieflijk aanzicht staan!"
+
+ "Hard drukt de spijt om noodloos lijden,"
+ "Om gloorie, door een waan gemist".....
+
+ De¯aard was zoo licht, toen ik moest scheiden,
+ en zooveel schooner dan ik wist.--
+
+
+
+
+Een Minnezang.
+
+
+ Vraagt ge mij zangen?--Maar wie
+ maakte mijn leeven tot een harmonisch lied?
+ Weinigen die de melodiëen er van verstaan,
+ Maar gij toch wel?
+
+ Als ik aan u denk, denk ik aan de leeuw'rik
+ de leeuwrik die des nachts zingt onder de sterren,
+ alleen tusschen de zwarte, stille wolken,
+ gansch alleen booven de duistere aarde,--
+ de maan sluit slaaprig 't oog aan de kimme--
+ hij waakt en zingt.
+
+ Als ik aan u denk zingen zóó mijn gedachten,
+ de duistere aarde luistert niet.
+
+ Wie heeft mij de troost gebracht en de verzoening
+ toen ik mat was van strijden,
+ niet verslagen maar duldend zonder vreugde?
+ Wie heeft mijn wintersche dagen verkeerd in luuwte?
+ Wie heeft mij liefde doen kennen zonder bitterheid?
+ Wie heeft mijn blijdschap hersteld?
+
+ Gij weet hoe zwaar het is God te gedenken
+ in alle donkere gangen des leevens.
+ Maar door u heb ik Hem niet vergeeten.
+ Verlangt ge nog meer?
+
+ Verzoenster! met u vond ik de zee
+ de groote zee des vreedes--
+ en in de verre heemelen van rust heb ik gestaard,
+ zij het maar éven.
+
+ En mijn deemoed is ontbloeid naast de uwe,
+ en mijn getrouwheid is door de uwe gebooren,
+ en uw geduld is het mijne geworden
+ onder den zeegen uwer liefde.
+
+ Uwe oprechte oogen volgden al mijn beweegen
+ en hebben mijn hart en handen verlicht--
+ en de trage nevelen zijn opgeklaard
+ van mijn voorhoofd.
+
+ Welk heerlijk wonder als de vlagen staken,
+ als het gedonder der stormen ophoudt en de koude
+ reegen niet meer striemt,
+ als de zon door langsaam verzwindende wolken
+ warmte zendt op het verstilde loof,
+ als dan de reegenzware halmen zich rechten,
+ en de eerste voogelstemmetjes bedeesd weerklinken,
+ en het leeven van de ontelbare teedere weezentjes
+ die wat vreugde zoeken op 't gras, in de lucht, in 't water,
+ schuchterlijk hèrbegint.
+
+ Ach, zoo zoet was het weeder opleeven
+ onder den grooten zeegen uwer liefde,
+ seedert zijn mijn dagen zangen geweest.
+ Verlangt ge nòg meer?
+
+ Neem dan deeze ordelooze stroofen,
+ ook de leeuwrik zingt wild en zonder reegelmaat,
+ hij breekt af en herhaalt en herhaalt, als door àl te
+ machtigen aandrang
+ van zijn innigheid.
+
+
+
+
+In Memoriam.
+
+
+ Zoo werd u 't wigt der kommervolle dagen
+ ten lest te zwaar en naamt ge, t'enden raad,
+ uw daadkracht saam tot éénen wanhoopsdaad,
+ de pijlers breekend die niet konden schragen--
+
+ zachte, bescheiden broeder! teedre vrind!
+ te vroeg gebooren kind van beeter tijden,
+ waarin der menschen vluchtige uuren glijden
+ met ligter gang, en elk zijn bloeitijd vindt,--
+
+ zoon van een volk van blijde, wijze kind'ren,
+ die in bedachtsaam en gerust bestaan,
+ met fijnen glimlach zien Gods wond'ren aan
+ en niemand in zijn lucht gepeins verhind'ren.
+
+ Bestemd voor zulk een waereld, zulke volken,
+ waar men den nooit-gezienen groet als vrind
+ en d'eigen ziel in elk weerspiegeld vindt--
+ werd gij geworpen in de neevelkolken
+
+ van dit verbijsterd en mislukt geslacht,
+ van deeze warre tijden. Blij en goedig
+ stonden uw oogen in 't begin en moedig
+ toogt ge ten strijd met al uw kracht.
+
+ Maar ach! hier geldt niet eedelmoed, noch fijnheid
+ van geest, noch loyauteit, noch zwier, noch eer,
+ 't hoogst-streevend hart ligt allereerst ter neer,
+ ter sluik gemoord door onbespeurbre kleinheid,
+
+ want als een giftdamp vol miasmen, smoort
+ den eedlen geest het kleine, lage leeven
+ der duizenden, wien schoonheid is om 't eeven,
+ die spotten om oprecht en innig woord.
+
+ Meedoogenloos door 't strenge lot gebannen,
+ verweerloos, arme broeder! tot dien strijd,
+ beklom u 't weeten uwer machtloosheid
+ telken dag weer, met telkens weer vermannen.
+
+ Gij voelde 't als een monster, valsch en wreed,
+ door zwaardslag en verwonding onverstoorbaar,
+ gestadig nader, schaduwig, onhoorbaar,
+ bekruipen uw arm lichaam, nat van zweet.
+
+ Doch strijden moest ge¯of sterven! Niet gedoogd'
+ uw diep gevoelig hart de koele rust
+ des wèl-voldanen, die van veil'ge kust
+ naar storm-geslagen schepelingen oogt.
+
+ Als een die oogenlid-loos en gebonden
+ naar 't hachelijk worst'len van zijn landsvolk staart,
+ niet wenden kan het hoofd, noch heffen 't zwaard,
+ noch stelpen 't bloed of reinigen de wonden--
+
+ Zooals een die in droom zijn huis in vlam
+ ziet en in doodsgevaar zijn vrouw en kind'ren
+ maar kan het schrik'lijk onheil niet verhind'ren,
+ de stem verstikt, aan alle leeden lam--
+
+ Zoo liet der waereld vale, vage nood
+ u niet meer toe te waken of te slapen--
+ gij kondt niet stillen 't wee, noch beuren 't wapen--
+ wat bleef er uitkomst als de dood?
+
+ Dit is geen tijd voor teed'ren,--als de wagen
+ van Jaggernaut verplet hen 's Leevens wigt,--
+ toen hebt ge op 't eigen hooploos hart gericht
+ 't onnutte wapen, te zwaar om te dragen.
+
+ Was 't misdrijf?--Duister is Gods raad ons armen,
+ ons innigst geeven wordt het ruuwst geknot,
+ rondom is argwaan, weifeling en spot,--
+ zou Hij zich des oprechten niet erbarmen,
+
+ die streedt tot 't einde van zijn kracht, en viel?
+ En wie van ons, bedreigden, durft het wraken
+ zoo gij geen andre doortocht wist te maken
+ voor uw bemoeyelijkte ziel?
+
+ De dag dringt in mij met dezelfde pijnen
+ als die u folterden,--zoo ik nog sta,
+ ik noem 't geen kracht, ik noem het maar genâ,
+ zou mij uw val dan zwakheid schijnen?
+
+ * * * * *
+
+ Toen kwam er rust,--de rustelooze wind
+ suist eeuwig voort door 't glanzig helm der duinen,
+ waar digtbij zee, aan Holland's groene tuinen,
+ uw lijf zijn zonn'ge ligstee vind.
+
+ Zoo droome uw losgemaakte ziel in vreede
+ van 't schoone en goede wat ge vondt en deedt,
+ en van ons die u minden.--
+ Zacht betreed
+ ik nu met stillen dank de vreed'ge steede.
+
+
+
+
+Zelf-Schouw.
+
+
+ Mijn blanke dwaal-ster zie ik staan
+ in donkerblauwe¯omnachting--
+ op dorp en duinland schijnt de maan--
+ in mijn bevreedigd hart vangt aan
+ een diepe zelf-betrachting.
+
+ Ik ben wel een gezeegend wicht,
+ doch weet dat niet gestadig,--
+ maar als ik stil mijn aandacht richt
+ op 't innig zelf, komt steeds het Licht
+ en wijst het mij genadig.
+
+ Geslingerd ben ik her en der,
+ gedoold heb ik vervaarlijk--
+ doch schijnt mij mijn verheeven Ster
+ na elk verdwalen minder ver
+ en 't leeven min bezwaarlijk.
+
+ Een kleine en altijd heldre bron
+ van glinsterende blijheid,
+ verberg ik diep, en nooit verwon
+ mij 't leed, als ik maar woonen kon,
+ gerust, in haar nabijheid.
+
+ Doch 't wilde leeven lokt mij uit--
+ dan kamp en lijd ik deerlijk,--
+ tot ik weer hoor haar zacht geluid
+ en als een bruidegom zijn bruid
+ haar wéérvind, schoon en heerlijk.
+
+ Mijn arme lichaam, teer en broos,
+ doe ik mij wèl serveeren.--
+ tot ik het eenmaal, leeg en voos,
+ te rust zal leggen voor altoos,
+ als afgedragen kleeren.
+
+ Mijn hart behoudt geen spijt of nijd,
+ 't zoekt ook zijn lust niet grillig.--
+ Door onbesuisde teederheid
+ heeft het wel veelen leed bereid,
+ doch griefde 't niemand willig.
+
+ Mijn weezen heeft een tragen gang
+ 't wil tijd, zich te bezinnen,
+ 't vreest pijn te doen en mijmert lang,
+ maar vaart dan plotsling uit, nooit bang
+ iets hachlijks te beginnen.
+
+ Waarheid is mij, wat 't kindekijn
+ de borsten zijn die 't voeden,
+ doch weetend dat zij schoon moet zijn,
+ vergrijp ik mij aan schoonen schijn
+ vaak tot mijn handen bloeden.
+
+ En onontmoedigd, weederom
+ zoek ik wat goed en eerzaam
+ aan elk is, wien ik teegenkom--
+ want hoezeer onbesuisd en dom,
+ toch ben ik niet onleerzaam.
+
+ Ik acht mij maar een kleine man,
+ bedeesd en zwak van krachten,--
+ doch welke macht ter waereld kan
+ verslaan wie stijgt op vleuglen van
+ zijn godlijke gedachten?
+
+ 't Liefst ging ik als een zorgloos kind
+ aan vaders hand door 't leeven.
+ Doch hoe, zoo 'k hier geen vader vind,
+ zoo wijs, zoo sterk, zoo hoog-gezind,
+ om hem vertrouwelijk en blind
+ mijn kinderhand te geven?
+
+ Toen moest ik wel, met zware dracht,
+ den schijnbren hoogmoed dragen,
+ alleenstaand met begrip en klacht,--
+ en aan de sterren van den nacht
+ om eenen Vader vragen.
+
+ Mijn eigen, echte makelij
+ doet veelen zich bedriegen,
+ ze noemen 't spel en hoovaardij,
+ en als ik eerlijk spreek en blij
+ dan heeten ze 't me liegen.
+
+ Ik word geliefd, ik word gehaat,--
+ noch Eer is 't, noch Beschaming,--
+ want wie mijn weezen niet verstaat,
+ hij raakt mij niet, maar mint of smaadt
+ een pop, met mijn benaming.
+
+ Mijn Vader maakte mij gewis
+ aldus, opdat ik leere
+ hoe ijl der menschen oordeel is,
+ en ik mij van hun ergernis
+ tot Zijn vertroosting keere.
+
+
+
+
+Julius Oldach.
+
+
+ Wohl nicht umsonst trägt Frau Germania
+ so stolz die Krone und so hoch den Busen,
+ errang sie doch den Ehrenpreis der Musen
+ für Poësie und Musika.--
+ Jedoch es schien gar Manchem unterdessen
+ als hätte längst Sankt Lukas sie vergessen.
+
+ Sie schenkte einem Dichter oder Gleichen
+ ein weihe-volles Leben ohne Schmach,
+ und es umspült der göttlich klare Bach,
+ der Seelen Labsal, ihre Eichen.
+ Doch stand es schlimmer mit der Kunst der Farben,
+ nun ja! die Reiche soll doch auch mal darben.
+
+ Es brüstet sich zwar mancher Genius
+ den Holbein und den Dürer zu ersetzen,
+ doch giebt die ferne Nachwelt einen Fetzen
+ für Kaulbach und Cornelius?
+ Da giebt's viel Tuch, viel Akten, und Gewänder--
+ doch flüstert man: "es bleibt nur Oberländer".
+
+ Das neid'sche Schicksal, eifrig zu enttronen
+ wo es zu viel des Ruhmesstolzes fand,
+ nam Ihr, der Hohen, theilweis den Verstand,
+ sodass die biederen Teutonen
+ den Bismarck hundertmal in Erze giessen,
+ und Julius Oldach arm krepiren liessen.
+
+ Der Bäckerssohn mit festem Feuerblick,
+ er hat gemalt wie die von Gott erhellten
+ und seiner Seele ungeheure Welten
+ gedrängt auf tellergrosses Stück.
+ Doch hat's die Deutschen Herzen nicht erwärmt,
+ es hiess: "der Arme hab' sich todgehärmt".
+
+ Nicht doch!--es hat kein Mensch noch so volkommen
+ gesiegt wie er, in Kämpfen fürchterlich.
+ Wer war's der an Verwegenheit ihm glich
+ und siegreich ist davongekommen?
+ Und 's nimmt doch alles sich gar kleinlich aus.
+ Der hehre Geist wählt sich ein enges Haus.
+
+ Nach tausend Jahr und abertausend Jahren
+ da wird wohl mancher Schüler kaum noch rathen
+ was Zieten, Blücher, Roon und Moltke thaten,
+ ob's Krieger oder Krämer waren....
+ doch schmählich wird die blinde Welt genannt
+ die Oldach ein Jahrhundert lang verkannt.
+
+
+
+
+De Klok[1].
+
+
+ Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.--
+ Omlaag in de glinstrende gangen der stad
+ dwar'lden in vuurigen zwerm de lichtjes.
+ Peillooze nacht
+ toefde in den heemel bij flauwe, deinzende sterren.
+ _Posuït me in tenebris_--...
+ Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte...
+
+ Ver beneeden raasde de storm van Londen,
+ de ondiepe storm onzes leevens
+ onder afgronden van eeuwige stilte.
+ ..._et in umbra, mortis_.
+ In de donkre tooren hing de klok en wachtte.
+
+ Onder de klok, elk in zijne steede,
+ sliepen de strenge dooden.
+ _In tenebris stravi lectulum_....
+ Eén voor één, onder den machtigen tooren,
+ legden de leevenden hen.
+ Maar hun warm leeven slaapt met hen, inniger
+ dan wie gehuwd zijn, leeven dat voortgaat in sluimer,
+ leeven dat nimmer staakt, noch onderbreeking kent.
+ ..._et in polvere dormiam_.
+ De klok omhoog toefde booven de stad.
+
+ Toen, te middernacht, hoorde de wachter beneeden
+ in de donk're klok beslooten stemmen fluistren,
+ hoorbaar alleen voor hem, wachter te middernacht.
+ Spooken van klank bewoogen in de ijzeren stilte.
+ _Cor meum conturbatum est_--....
+ Dood--en de wolven van Vrees waarden in 't duister.
+
+ Spooken van klank, gevangen binne' in de stilte,
+ golfden rondom de klok, als in benauwen:
+ "verlos ons, o gij die toeft!"
+ "Doe ons reeg'nen rondom, verspreid ons als hagel van vrees,"
+ "Hoor! gij achtlooze stad, dronken van leeven!"
+ "Hoort! gij leevende zielen,"
+ "hoort! gij zielen van wie er moog waken, moog slapen"
+ ..._formido mortis cecidit super me_.
+ "Dit is de doem des Doods en géén ontkomt."
+
+ "Eénzaam zal hij liggen, geen gerief zal hem naken,"
+ "de dooden zijn van hem gescheiden, en de leevenden,"
+ "Dood duldt géén gezellen."
+ "Koud is zijn bed, hoezeer met warmte ontvangen,"
+ "zijn huisselijk bed, waar hij zóó lang sluimerde veilig."
+ "Zie, het ontvalt hem, Dood sleept in duisteren afgrond"
+ "langsaam zijn zwichtende vleesch."
+ "Zijn verduisterde oogen, nooit zal meer lamp hen verlichten,"
+ "liefde beroert hem niet, deernis mag hem niet bereiken."
+ _Sicut umbra quum declinat_.
+ Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.
+
+ Onder de stilte nog drongen de spookige stemmen:
+ "Gij in uw sluimer gewiegd door de duurende pols-slag"
+ "van het getemperde leeven, gij die nog waakt,"
+ "hoort! het woord van den Dood:"
+ "de gerechte sterft en ook de zondaars sterven,"
+ "Dood heeft maar één domein."
+ --_Unus introitus est omnibus ad vitam_--....
+ "Eénder is 't einde, of gij al rust of werkt,"
+ "of gij al wijsheid zoekt, of gij al zwoegt"
+ "jagend naar lust of macht."
+ "Met onverschillige hand reikt de Dood ééne gave",
+ "vult met duister het brein, de handen met stof."
+ ...--_et similis exitus_.
+ "Thans is de stonde des Doods en de stond der Geboorte."
+
+ "Gij, in de duistere stad, die baart deezen nacht,"
+ "tot wat eind uw moeyelijkheid, uwe smarten?"
+ _Sic et nos nati_--...
+ "Hem baarde zijn moeder in smart, toch met blijdschap."
+ "--Maar alles vervalt den Dood--"
+ "hem die in smart uit dit leeven verlost wordt"
+ ..._continuo desivimus esse_.
+ "Al het geboor'ne is een prooi des Doods,"
+
+ Toen, in volkoomen nacht, als nauwelijks hoorbaar
+ Londen omlaag nog maar fluisterend roerde als in sluimer,
+ ver daarbooven, booven zijn dwalende nevels,
+ onder de kalme sterren,
+ plechtig en diep sprak de klok in de stilte:
+ _Pax Deï_--...
+ sprak het met God als alleen, in zeegening.
+
+ Vreede allen zielen, vreede na zwoegen en drang,
+ vreede als van hem wiens werk is voleindigd!
+ Lof zij Goode! voor leeven en dood volbracht.
+ Dank zij Goode! den geever,
+ Als had een geest, bij 't ontstijgen van de aarde
+ éven toevend, het groote zeegenwoord gesprooken,
+ ... _quae exsuperat omnem sensum_.
+ sprak het de zware klok in des middernachts diep.
+
+ De machtige stem, aan de stilte zich bindend,
+ deinde weergalmend oover d'ontzachlijke stad
+ in lange golven van klank.
+ _Qui confidunt in Illo intelligent veritatem._
+ Hooge konde des Doods aan het Leeven.
+
+ Zooals de wind vaagt van het heemelgelaat
+ en onder zich ophoopt tot warre gestapelde massa
+ de gekruifde wolken, in plotslinge gloorie toonend
+ de sterren in hoogte oover hoogte,
+ zoo joeg de manende Dood van 't aanzicht des Leevens
+ verstrooyend de scheemrige neevlen van 't leevende.
+ _In lumine tuo videbimus lumen._
+ En het Leeven verrees, het klare, schoone Leeven.
+
+ Toen hoorde beneeden de wachter te middernacht
+ hoe het geluid van den Dood
+ oover de stad hong in zeegening,
+ het zeegende de stille dooden, de zwoegende leevenden,
+ alle gerechte zielen.
+
+ Liefdrijken en waarachtigen hoorden het in hun slaap,
+ verborgen in donk're slaapsteeden der volle stad.
+ _Pax est electis Ejus_.
+ En vreede vervulde de diepe bronnen des harten.
+
+ Ook de Geboorte zeegende het en de vreugde der moeders.
+ Want als in tijden van oudsher, nauwlijks herinnerd,
+ de blijde ziel van den doode
+ weerkwam op aard, welkom, tot welkom bereid,
+ zoo keert nu weer, na voltooying, verheldring, verblijding,
+ welkom de dierbare ziel tot den Vader.
+ _Justorum autem animae_....
+ Dit is de stonde des Doods en de stond der Geboorte.
+
+ En hij die rouwde in wake, onder den tooren,
+ hoorde dóór dat geluid d'ondoordringbare
+ majestatische stilt' des begravenen Tijds.
+ En de jaren van hem die gestorven was
+ hoorde hij vallen als water, gestort van een schaal
+ in de woelende, vage, vervormende zee.
+ De getelde jaren vielen
+ en mengden zich met 't oneindig verleeden.
+ ...._in manu Dei sunt_.
+ de klok luidde hen needer in d'Eeuwigheid.
+
+ Het statig geluid des Leevens, weidsch zich verrustigend,
+ hoorde hij en 't vloeyen aller wateren
+ tot de woeste, onvruchtbare, eind'looze zee,
+ en hoorde de stille wateren, gereezen uit de zee,
+ voedend en sierend eeuwiglijk de vruchtbare aarde.
+ en hij zag van hem die gestorven was
+ de jaren, heimlijk, verspreid, voeden der waereld hart,
+ _Non tanget illos tormentum mortis_--
+ en floerslooze sterren opluikend om de aarde.
+
+ Toen in den tooren, onder der starren schare,
+ booven de gescepterde dooden, de leevende werkers,
+ elk in zijn leeger van ruste,
+ zag hij 't aanweezen eens Engels, die zeegende
+ zorg en rust,--de Engel van Vreede onuitspreeklijk.
+ _Pax in aeternum Deï_.
+ Langsaam verstomde de klok in den luistrenden nacht.
+
+
+[Footnote 1: Naar het Engelsch van Margaret Wood. Lijkzang bij den dood
+van haren vader, Bisschop van Londen.]
+
+
+
+Vrees niet.
+
+
+ Lieve gezicht, met uw angstige oogen,
+ vrees niet! wat blinken uw blikken zoo bleek?
+ Denk onzer minne geweldig vermoogen
+ waar zooveel onrust en euvel voor week--
+ En dàn gedenk hoeveel volmacht'ger min
+ ons sluit met haar getrouwe vleuglen in.
+
+ Had je mij altijd door, avond en morgen,
+ bleef je mij ooveral eeuwig nabij,
+ dan zou je rustig zijn en niet meer zorgen--
+ waarom dan ben je nu angstig om mij?
+ Vergeet je den veel liever Minnaar dan
+ die nooit en nergens ons verlaten kan?
+
+
+
+
+Op de heuvelen.
+
+
+ 'k Zag der bewoude heuvlen donkre deining,
+ en de akkerkleeden, groen en geel geblokt,
+ ik zag der wolken blindende verschijning,
+ in 't welvend blauw teer-zilv'rig uitgevlokt,
+
+ ik zag rondom, als de verstijfde omlijning
+ van een azuuren hoogbewoogen zee,
+ 't wijd vergezicht, in eindlooze verfijning,
+ tot waar een glans-waas 't al vereev'nen dee.
+
+ Ik zag veel besjes tusschen grauw-groen loover
+ gloend-vermiljoen in najaars-zonneschijn,--
+ en diep in 't dal, stil-schuchter in den toover,
+ de kleine huisjes waar de menschen zijn.
+
+ Het was der aarde moederlijk ontmoeten
+ d at mij beving met nameloos ontzag,
+ 'k zag haar onsterf'lijk aangezicht mij groeten,
+ zij sloeg mij spraakloos met haar schoonen lach.
+
+ 'k Verstond een fluisterklank van haar gepeinzen,
+ als 't kind het eerste woord uit moeders mond,
+ terwijl zij 't weidsche licht-geluk liet deinzen
+ hel-stralend booven purpren horizont.
+
+ Een vlucht'ge glimp gewerd mij van haar denken
+ en mijn vervaard oog ving een ligt gerucht
+ van wat zij droomt, bij 't eeuwig ommezwenken
+ in majestatisch kalme heemel-vlucht.
+
+ Toen keerde ik in,--en vond mijn ziel zóó vreugdig
+ en mijn geluk met een zóó diep verschiet--
+ 'k hervond in al mijn leeven een zoo jeugdig
+ en een zoo onomfloerst genieten niet.
+
+ En toch!...waar bleeven thands de zoete liefden,
+ de hart-verlangens van mijn jongen tijd,
+ mij eenmaal 't dierst?--wat macht'ger drang verhief den
+ geest van hen weg, tot in deeze eenzaamheid?
+
+ Nu zie 'k hen als de kleine huisjes ginder,
+ met hun rook-vaantjes blauw in d'effen sfeer,
+ hun lieve trouwlijkheid geldt mij niet minder,
+ maar 't heem-genucht begrenst den blik niet meer.
+
+ Thans moet ik noode wijder ruimten peilen,
+ de ziel stijgt siddrend in doorzichtig Al,
+ onweetend waar zij weer tot rust verwijlen
+ wat nu haar voorig heil vervangen zal.
+
+ In wat hier helderst is kan 't oog niet staren,
+ en angstig zoekt het wat dan toevlucht geeft,
+ zoolang 't geen wonderteeken kan ontwaren
+ dat zegt wat leeven aarde en zonne leeft.
+
+ Het avondt zachtkens,--duizend, duizend wolkjes,
+ als fijn blank schuim met glans van parelmoer,
+ betrekken met hun raadselvolle kolkjes
+ in stillen wenk den blauwen heemelvloer,
+
+ en ik berust.--De lichtstem der planeeten
+ drong éven door, met de echo van een woord.
+ Wèl kan mijn ziel den wond'ren zin vergeeten,
+ niet, dat zij 't voor een oogwenk heeft gehoord.
+
+
+
+
+Het Gebergte.
+
+
+ De bergen gingen schuil en er ontstonden
+ sombre wolkvormen booven 't glanzig meer;
+ die dreeven weiflend, wentlend heen en weer,
+ stormden dan opwaarts, dreigden en verzwonden.
+ Wit schuim werd zichtbaar op het staalblauw vlak
+ en de seréniteit der wouden brak!
+
+ Waar hoog met zilvren letters stond geschreeven
+ der aarde schoonste en heiligste gedicht,
+ in eeuwge sneeuw en fonklend gletscher-licht,
+ was niet dan duister neevelgrauw gebleeven,
+ dat onontraadseld, onverstaan, onttoog
+ het woord der bergen aan mijn dorstend oog.
+
+ Ik had hen niet verstaan, schoon 'k dag aan dag,
+ in heevige aandacht, 't spel der harmonieën
+ van wit en grauw, bekleed door draperieën
+ van zonbeglansde wolkenvacht, bezag,
+ 't steeds wisslend licht op de altoos starre lijnen,
+ en 't zoet verkleuren bij des Lichts verdwijnen,
+
+ als een droefschoone roep om weederzien,
+ onder des heemels zacht verbleekend blauw.
+ Ik voelde 't aanzijn der mysteriën nauw
+ of, angstbeklommen, teevens hun ontvlien.
+ Sterk spreekt uw stem, gebergte! o sterker dan
+ de stem der zee, die zóó ontroeren kan;
+
+ maar 't luiden van uw zang is zóó verheeven,
+ en 't rhythme van uw leeven vloeit zóó traag,
+ dat ik onmachtig in beklemming draag
+ 't wigt van uw waarheid, onbewolkt gegeeven.
+ En dat bij 't glanslied van uw majesteit
+ mijn hart verwelkt en om verzachting schreit.
+
+ Ik zocht in liedren, die de menschen zingen,
+ wat zich het innigst aan uw schoonheid paart,
+ maar er weerklinkt geen menschenzang op aard,
+ die tot uw hooge machtsfeer dóór kan dringen.
+ En er ontstond een weemoed, die niet zweemt
+ naar uw geluk, en is uw Weezen vreemd.
+
+ Ik klom toen hoog naar de bezonde weiden
+ waar, opziend tot den blauwen ether, staan
+ kelken van dieper-blauwe gentiaan,
+ waar de arend in spiraal-vlucht zich laat glijden
+ door lucht zóó stil, zóó helder, zóó verreind,
+ dat 't àl in tastbaar licht gevangen schijnt.
+
+ Daar is de waereld als een droomgezicht
+ van licht en stilte,--booven 't sneeuwwit ronden
+ zich donkerblauw des heemels diepste gronden,
+ en alles laaft zich aan het gouden licht,
+ tot van het schamel gras de teerste sprieten,
+ in roerloos, onverzadelijk genieten.
+
+ Daar dronk ik ín een laafnis koel en zuiver,
+ en onderging de gloorie deezer wondren,
+ ik hoorde huivrend de lawinen dondren
+ in grim'gen afgrond,--en verwon den huiver,
+ tot 'k immermeer verlangend werd te kennen
+ en aan 't ontzachlijk Bijzijn te gewennen.
+
+ Toen schoot, uit 't Heiligdom dier heldre spanning,
+ de berg-storm los, als een verwoede hond,
+ zoodat 'k moest grijpen 't ijsveld waar ik stond,--
+ en dreef mij neer naar 't land van mijn verbanning.
+ Als bij het toornen van een reus, getergd,
+ fronsten zich de wolkbrauwen van 't gebergt.
+
+ 't Vervaarlijk Lijf van ros en grauw gesteent,
+ door sneeuw en blauwige ijsstroom ooverspreid,
+ omhulde zich tot wintersche eenzaamheid.--
+ En ik had niet begreepen,--niet geweend,--
+ mat waren al mijn vragen, al mijn beeden
+ 't pracht-harnas des Verheev'nen langs gegleeden.
+
+ Met al den last van leed, om niet gedragen,
+ al 't wigt van zorg, onwaardig voor mijn kracht,
+ smaad nauw vergeeven, kommer nauw verbracht,
+ met al wat m' in verwondering doet vragen
+ wat nog tot zulke grootsche Vreugden drijft,
+ waar mij zoo bitter veel te lijden blijft,--
+
+ met àl de in smart gekeetende gedachten,
+ met al den twijfel, dien geen reede sust,
+ met al de vragen, die in doffe rust
+ 't verlossingswerk der heilge Rhythmen wachten,
+ keerde ik weerom, zooals ik was gegaan,
+ en trad met 't oud geduld de doodsche baan.
+
+ Dag zonder troost! dag van deemoediging,
+ van kwijnend herfstlicht, jamm'rend windgezucht,
+ waarin het hart moet wenschen wat het ducht,
+ en van 't geduchtste de bespoediging......
+ Totdat een nijpend lieve melodie
+ de vale neevelwade scheurde.... en zie!--
+
+ En zie!--toch had de Onkenbre mij gewijd
+ en mij een sprank geschonken van zijn krachten,
+ zoodat ik rustig schouwde in dieper schachten
+ dan 'k ooit doorgronden kon in jonger tijd.
+ 'k Zag waangestalten vluchten langs de wanden
+ en de Vulkaan mijns diepsten Leevens branden.
+
+ Was 't dâárom dan, dat zoolang bleef geslooten
+ voor teerder zangen mijn gestrenge mond?
+ Was 't dáárom, dat 'k den welluid niet meer vond
+ waarmee voorheen de liefde-liedren vlooten,
+ hoewel nooit scherper ploeg van leed om liefde
+ den weeken harte-boodem dieper kliefde?
+
+ Vergleeden leeven! lieflijk heuvelland!
+ waar rond een wijd, blank meer de kusten glooyen
+ oopen voor 't licht, en zich aanminnig tooyen
+ met woud en wingert, rossig in den brand
+ van warme zon,--waar blijde menschen gaan,
+ waar stil en slank de popelreyen staan,
+
+ waar van dorpskerkjes vroome klokken galmen,
+ waar vriendlijk volk, geduldig en tevree,
+ als recht aanvaardt al 't kleine wel en wee,
+ en Zondags dankt in onverstane psalmen,--
+ waar men op heldren dag den sneeuwberg ziet
+ als heerlijke oogenlust in ver verschiet,
+
+ maar van zijn ijz'ge grimmigheid niet weet;--
+ waar wordt geliefd, gerouwd, geklaagd, gebeeden,
+ maar rust gevonde¯in liedren en gebeeden
+ en schoone Zaligheid in alle leed....
+ Vergleeden leeven! droefheid zonder naam
+ perst mij, als ik U zie, de lippen saam.
+
+ De droefheid van een vader, die vergrijsd
+ in zorgvol weeten, bij het ziekbed wijlend
+ van 't eenig kind, hoort hoe 't in koortsgloed ijlend
+ de pracht der bonte vizioenen prijst.--
+ O bittre glimlach om gewaande prachten!
+ O Vuurhel der verwoestende gedachten!
+
+ De glimlach van een martlaar, die vóór de ooven
+ in diepgeweld'ge zelfschouw, zich bezint,
+ en hoort bij 't scheiden zijn onschuldig kind
+ verrukt het spel der vlugge vlammen looven....
+ Gelukkig volk der blijde landen! weet
+ dat al uw waarheid nog verwoesting heet.
+
+ Maar ook des vuurs vernietiging is schijn.
+ Het kan de werking van 't bestaande wenden,
+ maar niet des weezens vaste kern doen enden,
+ of wat eenmaal bestaan heeft, niet doen zijn.
+ Het vluchtig schijnschoon kan alleen vergaan
+ door wat nóg schooner is, en blijft bestaan.
+
+ En weet het, allen! die in zulke beemden
+ van dierbre vreede en vruchtbaarheid gedijt,
+ dat ginds het barre Hooggebergt verbeidt
+ het uur, dat al dat lieve U zal ontvreemden,
+ het uur, dat al uw lichtjes zal verdonkren....
+ De sneeuwberg blijft in starre blijheid flonkren.
+
+ Gij, die de blindheid kiest, en mij beklaagt
+ om 't rustloos zoeken naar wat wein'gen deelen,
+ om 't trots verwerpen van 't geluk der veelen,
+ uw noodlot wordt ook geen moment verdaagd.
+ Ik zag d'onwrikbaarheid dier hooge Machten,
+ wier Heerlijkheid gena kent noch verzachten.
+
+ Uw vroomheid is hen schennis en Godslastring,
+ uw liefde haat, uw dankgebed een hoon,
+ als vijand teegen vijand staat hun schoon
+ oover het uwe, en stormen van verbastring
+ zullen verdervend door uw waereld woeden--
+ als door het lieflijk dal de gletscher-vloeden.
+
+ Wreed is de Liefde van wat onverganklijk
+ en hoog-verheeven is, en wreeder doet
+ het schijnen wie Zijn zeegening ontmoet
+ en wordt allengs voor Zijn geluk ontfanklijk,
+ zoodat hij liefdeloos heet en verblind,
+ naarmaat hij méér, met vaster liefde mint.
+
+ En alle trouw aan Hem die niet vergaat,
+ heet ontrouw onder menschen, die niet lijden
+ wat stoort hun kleine vreede en klein verblijden.
+ Maar wie zal klage' om wanbegrip en smaad
+ die na geduldig en hartstochtelijk dingen
+ één lichte zeegenwenk Hem kon ontwringen?
+
+ Nog eenmaal zie 'k de blank gekante kroonen
+ in klaren dag, in statig kalme pracht,
+ als wilden zij, vóór 't ingaan van den nacht,
+ nog éénmaal onomsluyerd aan mij toonen
+ hun stralend Heil, omgord door sombre wouden----
+ Gij gaaft, Gebergte!--Ik nam, en zal behouden!
+
+
+
+
+Goede Werking.
+
+
+ Veel kleine, nijdige dwazen
+ wilden mijn kaarsjen uitblazen,
+ toen werd het in mijn hand
+ een machtige fakkelbrand.
+
+
+
+
+Mijn Vrienden.
+
+
+ Ik droeg mijn baloorige vrienden
+ 't kwaad hart niet toe, dat ze verdienden.
+ Want al hebben ze mij soms deerlijk bezeerd,
+ ze hebben zichzelf nog méér geblameerd.
+
+ Op 't schande leeger, mij toegedacht,
+ liggen ze zelf eens, niet heel zacht,
+ en ik kan hen, met alle vergeevingsmacht,
+ van die zelfgespreide bedden
+ in der eeuwigheid niet meer redden.
+
+
+
+
+Dichter en Geleerde.
+
+
+ De Dichter is een neuswijs kind,
+ dat Leeven zoekt waar 't niemand vindt.
+ Hij spreekt met bergen, maan en zon
+ alsof dat alles leeven kon.
+ De Dood zelf lijkt hem een bedrog,
+ zelfs dáárin speurt hij 't leeven nog.
+
+ Maar de Natuurgeleerde
+ doet juist het omgekeerde.
+ Zijn heedendaagsche weetenschap
+ is wonder-slim, en wonder-knap,
+ want die verklaart, met wijsheid groot,
+ het Leeven door den Dood.
+
+
+
+
+Besluit.
+
+
+ De waereld scheen mij zoo droef-bevolkt
+ en de weg der menschen zoo'n harde baan,
+ dat ik meende wel altijd zorgen-bewolkt
+ en kommer-beladen door 't leeven te gaan.
+
+ Maar ik schepte een licht verblijden
+ uit een bronwel booven de tijden,
+ daarmee wil ik voortaan enk'len
+ der aandachtigsten besprenklen,
+
+ en de tijden doorschrijden met ligten tred,
+ en ooveral waar ik mijn schreeden zet
+ een lichtdrop plengen den droeven,
+ maar niet in hun duisternis toeven.
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+ Bladz.
+Dante en Beatrice.
+
+Inleiding 5
+I-XIV 8
+XV-XXV 25
+
+Andere Verzen.
+
+Des Leevens Kern 39
+Koele Mei-dag 41
+Schat mijns Harten 42
+Looverlied 44
+Alles voor U 46
+De Staf 49
+Aan de Groote Dichters 51
+Shelley's Epipsychidion 54
+Stem van Génerzijds 57
+Minnezang 60
+In memoriam 63
+Zelfschouw 67
+Julius Oldach 71
+De Klok 73
+Vrees niet 79
+Op de heuvelen 80
+Het Gebergte! 83
+Goede Werking 91
+Mijn Vrienden 92
+Dichter en Geleerde 93
+Besluit 94
+
+
+
+
+De Rivier.
+
+
+ De zoomerzon uit violetten damp
+ beglanst met kooperrooden schijn
+ de blanke vloeden van den Rijn--
+ die gaan door 't volkrijk land
+ in bochten breed en machtig--
+ de stille boomen ter weerskant
+ staan aan den zacht-bewaasden zoom
+ te spieglen als in droom.
+
+ Des diepsten Zelfs indachtig
+ zie ik de groote pracht rondom--
+ zoek in der ziele kerngrond om,
+ 't is daar al eeven prachtig.
+ Wat kan er zijn
+ nog bron van pijn?
+
+ Gij lieven allen die nog lijdt,
+ om mijnentwil in droefheid zijt
+ waar komt uw smart vandaan?
+ Waart gij maar diep, maar diep gegaan
+ in allerdiepste diepten
+ des Zelfs, gij vondt er enkel pracht.
+ Ik vond er enkel liefde.
+
+ Wat heeft u dan tot klacht gebracht?
+ Bestaat er kwaad
+ ook zonder haat?
+
+ Nu zie 'k der menschen wonderwerk
+ de graauwe, goud-bekruiste kerk,
+ een ruigt van spitsen, teer en sterk,
+ aan bleeken horizont.
+
+ O menschen, hoe hebt gij 't gedaan
+ 't Schoon wat ik in mijn binnenst vond
+ zie 'k heerlijk voor mij staan.
+
+ 't Betrouwen op Gods liefde en recht
+ voor eeuwig, machtig uitgezegd
+ in prachtbouw, fijn en hecht.
+
+ Laat, lieven, allen u verblijen,
+ niet minder vast, niet minder schoon
+ staat in de ziel uw heil'ge woon.
+ Wat valt er nog te schreyen?
+
+
+
+
+De Planeet.
+
+
+ Blank-glanzende planeet
+ betuurt aandachtig weeder,
+ strak-fonklend en teeder,
+ mijn stillen avond-weg--alsof zij weet--
+
+ Gaat hare hooge baan,
+ blij-beezig, zeer verheeven,
+ zelf wel vol moeizaam leeven,
+ doch ziet men 't haar sereenen blik niet aan.
+
+ Stelt mij mijn hart gerust,--
+ zóó hoog en zóó ontzachlijk!
+ Scheen 't àl daar-éven hachlijk,--
+ mijn ziel nu glimlacht weer in milden lust.
+
+ Haar scherp gekijk behaagt
+ wie eeven klaar durft schouwen,
+ wiens blik niet zal verflaauwen
+ door 't lastig leeven dat hij lachend draagt.
+
+ Als zij, mijn glans-planeet,
+ draag ik een volk van zorgen,
+ toch vindt mij elke morgen
+ tot strengen gang in heldre vreugd gereed.
+
+ Wat bergt zij, wonder-ster,
+ voor vreemd, gestaltrijk woelen?
+ Kent zij mijn licht bedoelen?
+ Eens ken ik 't hare--al is zij nóg zoo ver.
+
+
+
+
+Mijn Bloemenpleegster.
+
+
+ Goede verzorgster van de blijde bloemen,
+ die fleurig rond mij staan in elk seizoen,
+ ik blijf uw naam met eender wijding noemen
+ als toen.--
+
+ In veeler vrienden plaats vond ik een Vader,
+ in meenig scherp gevecht vocht ik mij vrij,
+ maar niemand kwam mijn diepsten hartsgrond nader
+ dan gij.--
+
+ Mijn leeven staat thans wonderbaar bescheenen
+ door glans dien gij niet kent en bijna vreest,
+ doch hij vermooit van al ding om mij heenen
+ ú 't meest.--
+
+ Door eigen leed alleen kunt gij mij deeren
+ gij doet mij lief, al doet ge mij verdriet,
+ ik moet u goed zijn, of ik 't zou begeeren
+ of niet.--
+
+ Zoo pleeg met mij in bloeme¯en kindren beiden
+ de schoonheid waar ons beider hart in leeft,
+ en wat ik u onwillig heb doen lijden,
+ vergeef 't!--
+
+
+
+
+
+VAN DE PASSIE-LOOZE LEELIE.
+
+EEN LIED IN HEBREEUWSCHEN DICHTVORM.
+
+Den eine Lilie blühet über Berg und Thal,
+an allen Enden der Erde. Wer da suchet der
+findet.
+
+Boehme.
+
+
+
+
+De Aanroep.
+
+_Aan de schimmen van Beethoven en Bach._
+
+
+ O mijn Broeders, en mijn Heiligen!
+ Mijn aldernaasten--bij God mijn bemiddelaars!
+
+ Als een eenzame wijlt mijn ziel onder eenzamen,
+ wie onder de leevenden kent mijn hart?
+
+ En God's aangezicht zal ik, leevende, niet zien,
+ Zijn glans blijft mij onthouden, hoe ik bid.
+
+ Want mijn onvergolden schuld is nog te geweldig
+ en te machtig zijn om mij de handen mijner zonde.
+
+ Onder lig ik, als een worstelaar, 't gelaat op de aarde,
+ tusschen God en mij ligt mijn kwaad op mijn lenden.
+
+ Daarom roep ik u, mijn Broeders, mijn aldernaasten,
+ dat gij mijn geroep opdraagt tot onzen God.
+
+ In de hallen des nachts stond ik en wrong mijn handen,
+ in de droomhallen, die ombuigen, dat men geen einde ziet.
+
+ En ik riep, maar mijn stem kon om hun hoogte de welvingen
+ niet aanraken,
+ ik riep: "Bach!" en nogmaals riep ik; "Bach!"
+
+ Want ik zocht u, ik, de nog in den lijve leevende,
+ ik zocht u, Broeders, die droomt in glansrijke eeuwigheid...
+
+ Daar waar het gaan der dagen niet meer bemerkt wordt,
+ waar de eeuwen rondom staan als kaarse-vlammen om 't altaar,
+
+ waar gij zweeft in sfeeren wichtloos, wilde ik koomen
+ zachtkens, en op uw hart leggen mijn schuchtere handen.
+
+ Ik haat mijn lippen die dit gerucht maken,
+ ik verwerp deeze onnut luidende woorden.
+
+ Want zij gaan onvast achter uw statige liederen,
+ als de stap eens doods-bedroefden achter de lijkbaar.
+
+ Omdat ik dronken ben van uw eevenmaat,
+ en een geslagene door uw harmonieën.
+
+ Ach, wat is het spreeken in beelden!
+ Wat is het doen luiden van lucht door keel of snaren!
+
+ Achter dat, diep daarachter is het onnoembare.
+ Wat is het? Wel u! gij zaligen, die het beseffen kunt.
+
+ Het is dansen, maar de dansers zijn er niet.
+ Het is beweegen, maar wie is 't die beweegt?
+
+ Het is spreeken, maar wat wordt gezegd?
+ De ooren verstaan, 't hart schreit om méér verstand.
+
+ Ik riep in de droomhallen, maar er was niemand.
+ Ik ging eindloos voort, maar de vreemdsoortige steenen zweegen,
+
+ Toen keerde ik weeder naar mijn slapende lijf,
+ ik zag het liggen, klam van gelatenheid.
+
+ En de dag wachtte, de koele, blanke jongeling,
+ welgemoed wachtte de morgen, onverschillige cipier.
+
+ Maar somwijlen--
+ roep ik ze in mijn droom, de genieën des lieds,
+ de engelen die u dienden roep ik dan machtiglijk.
+
+ Ik roep ze en zij koomen, en ze dienen ook mij,
+ zij zingen en beweegen hun bevallige handen.
+
+ Zoo weet gij dat ik uw broeder ben,
+ en gij wilt mij wel kennen, arm en klein als ik ben.
+
+ Schaamt u niet oover mij, om dit stamelen,
+ veracht mij niet, omdat ik te zwijgen niet vermocht.
+
+ Hebt gij ook niet het alledaagsche gedaan?
+ Hebt gij dan van uw verachtelijk praten nooit gewalgd?
+
+ Nu zijn de woorden verwaaid als papier-asch,
+ maar in rein-gegloeid gouden vlechtwerk van melodieën
+ ligt uwer ziel zacht gebed.
+
+ Om mijn naasten is 't dat ik spreeken moet--
+ om den arme praat ik; die smacht en geen recht vindt,
+
+ om den arme wiens ziel verschrompeld in kommernis,
+ om den rijke die zijn ziel vergiftigt met ongerechtigheid.
+
+ En ik praat, mijn hart ziedt, maar ik praat zachtkens,
+ ik leid mijn woorden, als een geduldig meester de kinderkens.
+
+ Met ijzeren toom houdt mijn liefde ze bedwongen,
+ ik schik ze bedachtsaam en vol zorg, want de arme smacht.
+
+ Een lantaarn oopen ik een handbreed voor der dwazen oogen,
+ honderd vuuren bouw ik rond hen, en ze zeggen: "wie ziet er wat?"
+
+ Ik luid de noodklok booven hun hoofden,
+ den doorn der waarheid plant ik in hun borst.
+
+ In tranen buig ik mij tot hun zweeren,
+ de kleeren mijner trots scheur ik, wijl zij naakt zijn.
+
+ Mijn stem is schor van zeggen en zij lachen,
+ mijn lippen beeven, en zij roepen: "zing fraayer!"
+
+ Maar dan, o mijn Broeders,
+ dan, in de dagen van verbittering,
+ ontmoet ik een zachte vlaag uwer schoonheid,
+ uw geest die nog omwaart onder 't droeve geslacht.
+
+ Uw lied hebt gij scheidend den menschen gelaten,
+ in zwarte teekenen geboekt houden zij het.
+
+ Uit aldoor stinkender poel rijst het zuiverlijk,
+ ooveral leeft het, onaangetast, in zeeën van leelijkheid.
+
+ Als de rooke eener veldbloem in vunze achterbuurt,
+ als een verdoolde vlinder in bloedig-donker slachthuis,
+
+ als het koeren eener woudduive in beurs-gezwatel,
+ als het donder-gromlen booven het gejoel eener dorpskermis.
+
+ Zoo blijft gij, herauten Gods, zijn heerlijkheid handhaven,
+ zijn licht doet gij eerbiedigen in helsche duisternis.
+
+ Waarlijk mag ik u heilgen noemen,
+ priesters noem ik u en bemiddelaars,
+
+ Zie de lieden saamkoomen, hun denken is nietigheid,
+ hun hart is laf, hun ziel uitgedoofd, loogen kwijlt hun mond.
+
+ Maar dan doen ze de doode teekenen leeven
+ en Gods waarheid licht óp uit leevenloos hout en snaren.
+
+ Al is hervonden voor een wijle, geloof en kennis,
+ weer weet ik, hoe alles goed is wat is, om Godswil.
+
+ Van uit uw doodsrust beweegt ge dan de leevenden--
+ van uit uw zaligdom zendt gij de roozen uwer goedheid nog.
+
+ Met zacht verwonden windselen stelpt gij mijn bloeden,
+ liefelijk omstrengelen de melodieën mijne ziel.
+
+ De blinkende mantel van uw liefde oopent wijd--
+ vertrouwelijk ligt mijn hoofd in uw schouderholte.
+
+ Waar de vloeren zijn, en de muuren, en de banken,
+ waar al het geziene en getaste is, rondom,
+
+ daar is een andere waereld, terzelfder uure,
+ daar is een groote, wijde zee, terzelfder plaatse,
+
+ daaroover zweef ik veilig, rondom in 't prachtige,
+ in gouden schoonheidslicht, werkelijker dan werkelijkheid.
+
+ Want deze leelijke waereld is een bange droom
+ het getaste en geziene is schim en ijdelheid,
+
+ maar de schoonheid staat er midden doorheen waarachtiglijk,
+ op deeze plaatsen, waar wij zijn, bestaan weezenlijker dingen.
+
+ Wat is het dan toch dat spreekt? Van waar die stemmen?
+ Hoor ik er niet die elkander vragen en elkander antwoorden?
+
+ Gij zijt het niet, mijn Broeders, gij waart enkel, zij zijn veelen,
+ gij spreekt één na d'ander, zij gelijkelijk, zonder verwarring.
+
+ Omspannen zij niet ruimte en tijd in geslooten hand?
+ Zien niet hun oogen de toekomst en elkanders harten?
+
+ Want hun stemmen worden tot één ding, zonder voorafspraak,
+ en spreekende, weet elk wat de ander zeggen zal.
+
+ Als dit niet het leeven der engelen is, wat is het?
+ Door u spreeken de gelukzaligen tot ons.
+
+ Hun kristallen wooning staat vast en waarachtig
+ dwars door onze huizen en kamers, die vaag als damp zijn.
+
+ Hun glans-gestalten beweegen door onze lichamen
+ als stoomschepen door neevelen des morgens op vlakke zee.
+
+ Zie, ik word ouder, het weeke verhardt in mij,
+ vast en rimpelig word ik, als een jonge boom die hout maakt.
+
+ in mijnen groei volhard ik strammiger,
+ ik kan niet leenig meer zwiepen met den wind.
+
+ Maar mijn bloemen zijn fijn en zoet-rookig als van ouds
+ en al mijn bladeren lispelen eeven teeder in laauwen wind.
+
+ Zoodanig mijn stam gegroeid is kan ik niet meer veranderen,
+ het gekromde kan ik niet meer recht maken in mij.
+
+ Maar mijn leevende twijgen bidden om vergeeving, telken jare,
+ en mijn bladeren beweenen mijne zonden.
+
+ De eene mensch is mij zooveel liever niet meer dan de andere
+ en den weekhartige ben ik tot aanstoot.
+
+ Maar verder gaat de geur mijner bloemen,
+ verder gaan mijne zaden en mijn schaduwen.
+
+ Grooter zijn mijn verrukkingen
+ en het licht des heemels ken ik beeter.
+
+ Zoo voert dan mijn stem op, gij machtigen in licht!
+ wat ik fluister teegen de aarde, zingt het onzen Vader,
+
+ den dank uws broeders, die de lavingen geproefd heeft,
+ het zoet dat gij van Hem in mijnen mond hebt gelegd.
+
+ Veele schulden zijn mij kwijtgescholden
+ en uw bericht omtrent Zijn erbarmen heb ik verstaan.
+
+ Maar ook het brood des doods zou ik willens gegeeten hebben,
+ volhardend in dankbaarheid.
+
+ Want ben ik niet Goodes, God kennende?
+ En zal Hij zichzelven vernietigen?
+
+ Doch weest gij mijn fakkel, en mijn vóórspraak,
+ mijn adem, en mijn marmer-treeden,
+
+ mijn licht-toorens, mijn sterke scheepen,
+ mijn beeken langs den weg, mijn vertrouwelingen.
+
+ Want mijn ziel wijlt als eene eenzame onder eenzamen
+ en wie is er van de leevenden die mijn hart kent?
+
+
+
+
+Het Antwoord.
+
+
+ Hoe ben ik beschaamd, ik wou zacht spreeken,
+ mijn waan brak, ik ben verneederd, en zoo gelukkig.
+
+ Met gevouwen handen in mijnen schoot zat ik neer,
+ omhoog ziend als wie een schat kreeg uit den heemel.
+
+ Trotsert, zeide mijn hart, zul je wéér groot doen?
+ Zul je wéér spreeken als een machtige oover zichzelf?
+
+ Ik lig neergeslagen als het graanveld na slag-reegen,
+ langsaam maar heft God's goede zon mij op.
+
+ Langsaam vervliegen in zijn licht de zware schitterende droppen,
+ de zoete tranen mijner verneedering
+
+ Wat weeten wij, dwalers, neuswijze kinderen,
+ wat kennen wij onzer eigene domeinen?
+
+ In wat woordpraal wanen we beslooten onze ziel?
+ Een kind hoort wel de gansche zee zelf in een kinkhoorn.
+
+ Op ons onmeetelijk weezen groeyen de kleine gedachten,
+ zooals kleine kruiden en mos op eeuwige gebergten.
+
+ Luid verkonden wij onze meeningen en besluiten,
+ zeggend: "Ik ben, ik wil, ik weet, ik doe."
+
+ Maar het gevaarte onzes weezens weet hiervan niet.
+ Ziet men 't mos op de bergen, als ze strak blinken aan
+ blaauwen horizon?
+
+ Waar is ik? Wie is de ik-zegger die recht heeft?
+ Voorwaar, er zal geen ik-zegger zijn buiten God.
+
+ De mensch zegt: ik wil, maar in hem wil de Eeuwige.
+ Wie zijn Zelf vatten wil, zijn hand tast in de oneindigheid.
+
+ Inwaarts tuurend door-ijlt onze blik de grondlooze
+ in zich kookerende verschieten, al heller en inniger,
+ waaraan geen einde is.
+
+ Ik riep omhoog als een eenzame zonder verwachting--
+ Hoezeer heeft het antwoord mij beschaamd!
+
+ En ik zeide Gods aangezicht niet te zullen zien.
+ Ik keek op van 't geschreevene, en zie! waar was Hij niet?
+
+ Ik zag Hem bij nacht en bij dag, in droom en in waken.
+ Ik zag Hem in't weemelend water, in de grashalmen voor mijn venster.
+
+ Ik zag Hem in 't licht der maan, ik zag Hem in de duisternis,
+ Zijn antwoord was in 't voogelzingen, ik hoorde Hem in de stilte.
+
+ In de eenzame stilte, als alleen 't bloed spreekt.
+ De vlinder heeft mij van hem gesprooken en de morgenzon
+
+ De bevonkte heemelen antwoordden, de verbazenden.
+ De storm sprak, ook het fluisteren der liefste was van Hem.
+
+ Zie, der teere bloemen fijn uitgebeelde kleur-gedachten,
+ om Hem alleen zijn zij aanbiddelijk.
+
+ Ik wist het alles, maar ik wist het toch niet.
+ Want ik zocht Hem immers waar mijn oogen niet reiken.
+
+ Dwaas, die in 't leedig staarde!
+ Zijn volheid omringt mij toch als den visch het water.
+
+ Maar wij willen Hem niet zoeken waar hij zich te kennen geeft.
+ Wij willen de heemelsche gloeden en de oopenbaringen terstond.
+
+ Het lofzingen zijner Engelen willen wij hooren,
+ Zijn lichttroon willen wij zien gevest in des Heelal's midden.
+
+ Met deeze handen van vleesch willen wij het eeuwige tasten,
+ Ons bevreedigt niet de vreugde van 't voorbijgaande
+
+ Toch heeft hij ons alleen deeze vreugden gegeeven
+ opdat wij Hem er in kennen zouden, en anders niet.
+
+ Hebben wij niet de lichte velden en het koele water,
+ de mooye bloemen naast ons en de geurige vruchten,
+
+ de dieren met hun wonderbaar weezen, elk een schoon raadsel,
+ de geheimen der natuurkracht, zoet om te doorgronden,
+
+ de eindelooze ruimte vol waerelden,
+ bevolkt met vreemde verbeeldingen.
+
+ en het heerlijke begrip en de muziek,
+ en elkander--O de liefde hebben wij immers!
+
+ Daarin alleen vinden wij Hem,
+ ooveral waar vreugd zeer heerlijk is en verheeven.
+
+ Waar wij lust vinden die sterker maakt en verheft,
+ waar wij de zielen voelen groeyen en stijgen in vreede.
+
+ Want Hij is licht en vreugdrijk, Zijn weezen is zaligheid,
+ smart is waar Hij niet is, lijden is gebrek aan Hem.
+
+ Daarom lijden zoozeer wie Hem 't meest begeeren,
+ dan komt Hij, hun heilige smart verkeerend in zaligheid.
+
+ Mijn hand trilt en van tranen zie ik 't geschreevene niet
+ omdat Hij mij zeggen laat meer dan ik wist te weeten,
+
+ omdat ik Hem zoo goed kan noemen, die mij zoo geslagen heeft,
+ omdat ik, de met zooveel smart gezeegende, Hem zoo danken moet.
+
+ In den nacht heb ik wel getwijfeld, in de naargeestige uuren,
+ maar hoe mijn gedachten zwerven, mijn hand schrijft geloof.
+
+ Zijn stem gaat door mijn lippen, ze reinigend,
+ verkwikt sta ik op van 't schrijven, glanzend mijn oogen.
+
+ Wij hoogmoedigen twijfelen, omdat vreugden vlieden.
+ Is God dan in 't vergankelijke?--En wat is er meer?
+
+ Maar de neederige leert zien hoe niets vergaat,
+ hij leert het altijd-duurende erkennen in 't vergankelijke.
+
+ De hoogmoedige vertrapt de teere schatten om hem,
+ door zijn vloeken hoort hij Gods zachte roepstem niet.
+
+ Maar wie de lijnen en kleuren eener bloem leerde liefhebben
+ tot hem heeft God gesprooken, als de meester tot een aandachtig kind.
+
+ En wie de schoonheid der avondstonden voelde tot hij schreide,
+ voorwaar! Gods eigen hand is hem zeegenend op 't hoofd gelegd.
+
+ Maar wie verrukt is geweest door gansch onzelfzuchtige liefde,
+ die zijn eevenmensch bemind heeft in festijnen van vreugde,
+
+ ja, hem heeft God zelf de lippen gekust,
+ hij heeft het vaderhart des Eeuwigen voelen kloppen.
+
+ Weest toch niet bang en verlaat u maar, goed-willigen,
+ waar zeer groote vreede is en vreugde, daar vindt gij Hem.
+
+ In heilige boeken heeft Hij zijn wet doen staven,
+ maar in elk hart schreef hij ze nog eens, méér kennelijk.
+
+ Met letters van lichtspreidende pijn,
+ vuurige woorden van felle heerlijkheid.
+
+ Acht het niet, wat menschen goed noemen en wat slecht,
+ laat u niet meedesleepen en niet verschrikken,
+
+ maar geeft acht op het innerlijk gericht,
+ vraagt de bevestiging van Gods eigen mond.
+
+ Hij spreekt zacht maar kennelijk,
+ aan sterke vreugde en rust zult gij Zijn woorden kennen.
+
+ Doch hij spreekt niet tot wie zelfzuchtig is en bevreesd.
+ In den storm van hartstocht verstomt Zijn geluid.
+
+ Door de poorten der verneedering komt Hij ons hart binnen.
+ Vreest niets en verlangt niets en alles geeft Hij u.
+
+ Laat los, bangelijken, oopent de krampachtige handen!
+ Laat los tijdelijk houvast, vertrouwt u moedig aan het eeuwige
+
+ Volgt aandachtig en geduldig, ziet niet angstig achterom,
+ zoo gij dwaalt, Hij zal u door smart terechtwijzen.
+
+ Zoo gaat blij en onverschrokken, zijn heerlijkheeden zoekend,
+ vreest zijn terechtwijzing niet, noch ontwijkt ze.
+
+ De menschen zullen u waarschuuwen en haten
+ maar God zal u troost geeven en macht oover hun boosheid.
+
+ Gaat als een wandelaar, die 's morgens uittrekt naar
+ mooye, onbekende landen,
+ gaat als een voogel die al zingende omhoog stijgt.
+
+ Hoe gemakkelijk is het zingen in den morgen
+ voor wie Gods lichte werken in zich heeft.
+
+ Hij vindt zonder zoeken, hij is echo van Zijn stem,
+ hij vertelt het gebeurende als een blij kind.
+
+ De wonderen staan zoo duidelijk voor zijn oogen.
+ Zij zeggen: "hier ben ik!" noemend hunnen naam.
+
+ Tot mooi-spreeken spant hij zich niet,
+ zijn gedachten zijn gezangen, welluid is zijn zelf-gesprek.
+
+ De menschen verlieten mij, de een na den ander,
+ veelen heb ik vriend genoemd. Waar zijn nu mijn vrienden?
+
+ Waar vind ik wijdheid van vertrouwen, dag aan dag?
+ Ook die mij 't zeerst liefhebben beklagen zich oover mij.
+
+ Omdat ik naauwkeuriger acht geef op het waarachtige,
+ omdat ik stoutmoediger waag te doen wat mij recht schijnt.
+
+ Maar waarlijk de Eenige heeft mij niet teleurgesteld,
+ mijn ziel is gelaten, mijn geluk stijgt dag aan dag.
+
+ Toch heb ik nu eerst al mijn zonden gezien,
+ opdoemend als rotsen rondom een schip in neevel.
+
+ Daaraan moest ik te pletter gaan, dacht mij.
+ Ik boog het hoofd geduldig, ik genoot den kwaden roep.
+
+ En zie! in veilige haven ben ik gevoerd,
+ rein ben ik, als toen ik gebaad was op den dag mijner geboorte.
+
+ O mijn Vader, vaak heb ik van wonderen gesprooken,
+ hoe anders zijn ze, nu ik ze waarachtig gebeuren zie.
+
+ Zoo is het ontmoeten van wijdvermaarde menschen,
+ zij bedroeven de verwachting, maar de droefheid wordt beschaamd.
+
+ Onze denk-beelden zijn grof en ontoereikend,
+ maar het Zijnde is ontzachlijk en zeer subtiel,
+
+ Hoelang reeds niet weet ik wat wij noodig hebben!
+ Ik wist het immers toen ik als knaapje naar school ging?
+
+ Vroome wijsheid behoeven wij, maar wie kent den weg er heen?
+ Nu ik in mijnen middag sta, nu eerst ken ik den weg.
+
+ De morgen verging, het schoone leeven neigde ten avond,
+ nog was de weg niet gevonden, en het doel zoo ver, zoo ver.
+
+ Nu is mijn tred vast, mijn ziel rustig--
+ maar ach! wie vergoedt den verlooren tijd?
+
+ Nu weet ik hoe de vroome wijze te leeven heeft,
+ zijn zwaren gang weet ik--en zijn onvergelijkelijke zeegeningen.
+
+ Nu weet ik waar de wateren des leevens vloeyen,
+ nu weet ik waar zij bloeit, de passie-looze Leelie,
+
+ de heilige bloem der vroome wijsheid,
+ die macht geeft oover het kwade en oover den dood.
+
+ Maar helaas, het is nog ver!
+ En hoeveel zijn de dagen die mij resten?
+
+ Hoe wordt het schoone en heilige leeven nog misbruikt!
+ Hoe vermorsen wij jammerlijk onze kostbaarheid!
+
+ Wij verkwisten ons duurste goed als onnoozele kinderen,
+ als het domme vee dat zijn voer vertrapt,
+
+ En toch is in ons bereik een leeven vol heerlijkheid,
+ de macht tot allerhoogste zeegeningen is ons geschonken.
+
+ De deur staat oopen tot wat alle droom en hoope oovertreft,
+ tot vreede en geluk op aarde en zaligheid in den heemel.
+
+ Zijn onze verbeeldingen niet schamel en klein?
+ Is ons denken niet armzaliger dan het bestaande?
+
+ Wie zal dan zijn hoope schooner wanen dan de werkelijkheid?
+ Wie zal Gods Heerlijkheeden in verbeelding te booven kunnen gaan?
+
+ Heerlijk, heerlijk is het leeven des vroom-wijzen.
+ In het leeven vindt hij zeegen, met den dood neemt hij genoegen.
+
+ Leevende zoekt hij de schatten die hij in sterven behouden zal,
+ hij ontvangt van 't Leeven wat de Dood niet ontneemt,
+
+ Hij gaat door zijn dagen als een blijmoedig strijder.
+ In zijn nachten proeft hij den voorsmaak van Gods belooning.
+
+ Het lijden weerstaat hij als een held.
+ als een reiziger die den straatroover oovermant en bindt.
+
+ Zijn blikken zijn als vuur, verzengend het slechte en leelijke,
+ de schoonheid schittert hem teegen waarheen hij schouwt.
+
+ Hij gaat door de droeve straten, de vuile achterbuurten.
+ maar de zwaarmoed smelt voor zijn oogen als ijzel.
+
+ Waar hij zijn hand oplegt, daar vliedt de doodsvrees,
+ het leeven wordt gesterkt en het geluk ontbloeit.
+
+ Hij weerstaat het kwade niet, maar het verwelkt voor zijn aanweezen,
+ het kan niet zijn waar hij is, door een Gods-wonder.
+
+ Hij leert te zien het waarachtige, maar het droeve en sombere niet,
+ want het waarachtige is vreugd en schoonheid, en is in alles.
+
+ Toch voelt hij alle lijden en is niet hard,
+ hij lijdt om den onweetende, den hartstochtelijke, den schijn-vroome.
+
+ Want hij weet dat hij niet zalig kan worden alleen,
+ hij wil niet de meerdere zijn booven zijn broeders.
+
+ Maar in een feest van veelen zou hij gelukkig zijn,
+ zijn wijsheid is een brandpunt van veele stralen lichts.
+
+ Zijn hartstochten zijn niet in hem verlooren gegaan,
+ maar bedwongen tot staat van leevendiger spankracht.
+
+ Zooals bedwongen beweeging tot hitte wordt, daarna tot licht,
+ zoo wordt zijn hartstocht stil en glansspreidend.
+
+ In sooberheid leeft hij en zeer groote reinheid,
+ door zorgvuldige orde leeft hij dubbel.
+
+ Geen zuivere vreugde is hem te gering,
+ verheeven is hij door natuurlijkheid.
+
+ Hij beijvert zich niet goed te doen,
+ hij doet goed zooals 't water omlaag vliet.
+
+ Hij legt zich niet toe op volmaaktheid,
+ maar God zeer liefhebbend wordt hij van zelve volmaakt.
+
+ Hij wenscht voor zich geen deugden noch zeegening,
+ God wenscht hij te gerieven, als zijn eenigsten, liefsten vriend.
+
+ Zoo koomen deugd en zeegen zijns ondanks,
+ uit nooddruft ontstralen hem blijmoed en goede werken.
+
+ De Schepper aller waereld is zijn innige vertrouwde,
+ Hem kent hij beeter dan vader, moeder, liefste of kind.
+
+ Van uur tot uur leeft hij met hem,
+ in bangen en langen, in verrukking en beproeving.
+
+ Hoe kennen wij onze lieven? wie heeft een ganschen mensch gezien?
+ Huid en oogen zien wij, wij voelen handen en hooren stem.
+
+ Maar de gansche mensch is onzen zinnen een verborgenheid.
+ Niets weeten wij van hem dan door bemiddeling.
+
+ Zouden wij dan niet eevenzeer onzen God kennen,
+ schoon wij niets van Hem weeten dan door bemiddeling?
+
+ En tot den vroom-wijze spreekt hij zeer onmiddelijk,
+ ja, meer onmiddelijk dan vader, moeder, liefste of kind.
+
+ En zooals een vriend den lieven vriend meedeelt van het zijne,
+ zoo geeft God van zijn eigenheeden aan wie zijn vriend is.
+
+ Van zijn goedheid geeft hij, van zijn vreede, van zijn zaligheid,
+ van zijn macht oover het kwade, van zijn kennis aller dingen,
+
+ ja, van zijn scheppingsmacht deelt hij meede.
+ Den mensch, zijn maaksel, maakt hij tot maker.
+
+ Maar wat ons lijfje is in de ruimte vol zonnen en waerelden,
+ dat zijn onze gedachtetjes in Gods gedachte.
+
+ Zie het vuurige zonnelijf door den befloersten kijker,
+ met zijn vlekken en vlammen, zijn aureolen.
+
+ zijn donkere kolken, zijn wervelstormen van vuur,
+ zijn ziedend rond-zwierende gloed-oceanen, zijn licht-orkanen,
+
+ zijn getakte vlam-fakkels millioenen mijlen hoog,
+ zijn hitte-sfeeren waarin de rotssteen vluchtig moet zijn.
+
+ Wij aanschouwen vlokken en kooksels en uitzwalpingen.
+ Sombere holten waarin duizend waerelden verzwinden kunnen.
+
+ Het is alles vervaarlijk, onbegrijpelijk, wij hooren geen geluid,
+ verblindend is het en doodstil, schijnbaar onbeweegelijk.
+
+ Maar wee ons! zoo het gehoord kon worden, wat ware het geluid!
+ Wee ons! wat ware de snelheid zoo wij nabij waren!
+
+ Aanschouw het langen tijd, verdiep u in het onbegrijpbare
+ Nochthans bestaat het, niet ééns, maar eindeloos veel malen.
+
+ Zooals dit stoffelijk bestaan is voor ons stoffelijk bestaan,
+ méér onbegrijpbaar nog is Gods geestelijk weezen voor het onze.
+
+ Doch ons klein lijf kent de geweldige zon als mild en liefelijk.
+ Dierbaar is zij ons en vertrouwd.--Wat dan der ziel?
+
+ Zoo leeft de vroomwijze met den almachtige in vertrouwd verkeer.
+ Hoezeer verheeven, niemand geringer vertrouwt hij gansch.
+
+ Vol geheimzinnige leidingen is ons leeven.
+ Onkenbare machten omringen ons met invloeden.
+
+ Ooveral, ook hier om ons, zijn ontelbare schepselen,
+ Engelen en démonen, heilige en ellendige.
+
+ Welke dwaas acht zich de hoogste creatuur?
+ Zou er geen schepsel meer zijn tusschen mensch en God?
+
+ Maar de vroom-wijze betrouwt God alleen en vreest niet.
+ Hoe anders zou hij heilig van onheilig onderkennen?
+
+ In het land der droomen beweegt hij zich welbewust en willekeurig.
+ Tempels en melodieën schept hij er door zijn woord.
+
+ Hij ziet de démonen en de geesten,
+ de gevaarlijken doet hij wijken in naam van God.
+
+ Licht-glimpen krijgt hij er van verborgen kennis,
+ van de dingen die ver weg zijn, van de dingen der toekomst.
+
+ Want de droomwaereld is de waereld waarin ziel en lijf
+ gescheiden zijn,
+ waarin tijd en ruimte verwijderde dingen worden.
+
+ Zoo leeft hij 's nachts in den scheemerenden voorhof van 't
+ génerzijds.
+ beproevend de toeneemende krachten zijner ziel.
+
+ Maar ook wakend zal er kracht van hem uitgaan,
+ zal hij booze machten beheerschen en het verborgene gewaarworden,
+
+ onder heiligen invloed schoone kunstwerken scheppen,
+ zieken geneezen, zwaarmoedigen beweegen tot geduld.
+
+ Maar al zijn macht is in zijn liefde tot den Volstrekten,
+ hij helpt alleen waar hij die liefde meedeelt.
+
+ Die liefde moet hij voelen zooals het lijf hitte voelt of pijn,
+ zoo echt en werkelijk, als het groote gevoel zijns leevens.
+
+ De kiem deezer liefde is oprechtheid onverbiddelijk,
+ wie de waarheid liefheeft bemint God immers reeds?
+
+ Wie zondigt in oprechtheid, voor hem is vergeeving,
+ ja, wie Satan liefhad in oprechtheid, zijn eind zou bij God zijn.
+
+ Wie zijn waarachtigen aard deemoediglijk volgen durft,
+ hij zal terechtkoomen,
+ maar wie booven zijn macht grijpt valt in duivels hand.
+
+ De wijze erkent zijn zwakheeden en kinderlijke begeerten,
+ hij zal niet trachten te leeven als een volmaakte,
+
+ Hij ooverspant zich niet tot onnatuurlijke heiligheid.
+ Hij zegt neederig: "ach! ware ik beeter, maar zóó ben ik".
+
+ Alleen door liefde tot waarheid wil hij beeter worden,
+ zoo wordt eens het heilige leeven hem natuur.
+
+ Hij zal durven doen wat alle waereld zonde heet,
+ zeggend: "ik weet niet beeter, God straffe mij dan zoo ik dwaal".
+
+ Om God noch mensch zal hij zijn weezen verkrachten,
+ weetend dat niemand met vóórwending gediend is.
+
+ De echtheid van zijn gevoel herproeft hij vóór alles.
+ Zelf-bedrog vreest hij als de eigenlijke hel.
+
+ Waren niet gansche menschgeslachten in de macht der loogen?
+ Maar in elken enkeling wordt de waarheid herbooren.
+
+ Zoo zal hij zijn innerlijk weezen zuiver houden,
+ als nieuwe leevens-bron en schatkamer der waarheid.
+
+ Er zijn er die vragen: Waar is God? Hoe zal ik Hem kennen?
+ En kan men zichzelf deeze liefde gebieden?
+
+ Maar woorden kunnen niets brengen waar niets is.
+ Een lamp der erkentenis zijn ze in verborgen schatkelders.
+
+ Neemt mijn lamp en doorzoekt uw binnenste,
+ Gij zult er schoone liefde vinden voor God,
+
+ liefde voor de waarheid, voor het waarachtige,
+ verlangen naar vreede en geluk, en naar kennis van het zijnde.
+
+ Elk onzen vader kennen wij door gelaat en stem,
+ aldus kennen wij God door waarheid en vreugde.
+
+ Van het licht zeggen wij: het is, maar de duisternis is niet,
+ zoo is de heilige vreugde werkelijk, maar de somberheid is niet.
+
+ En zooals de mensch meer leevend en persoonlijk is dan zand,
+ zoo is God meer leevend en persoonlijk dan de mensch.
+
+ Ja, Hij is het eenigst waarachtige leeven en de eenigste persoon,
+ Hij is de Ziel aller zielen, het volstrekte leeven.
+
+ Wie naar Hem het aanzicht rigt wordt ziende,
+ en ontvangt den sleutel aller raadselen.
+
+ Wat de mensch als waarheid liefheeft, het zal hem liefhebben,
+ noem het licht loogen en gij blijft in duister.
+
+ Maar verheft u en weest uzelven getrouw
+ en de heerlijkheeden uwer ziel zullen u ontroeren.
+
+ Zooals Hij, antwoordende, mij geringe ontroerd heeft,
+ toen Hij mijnen waan brak omdat ik Hem vertrouwen bleef.
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+_Eerste periode: Intreede._
+
+ De Waterleelie
+ De Lente
+ Bij 't verwachten der liefste
+ Avond in de stad
+ De Noordewind
+ Scheemering in 't woud
+ Na zonsondergang aan zee
+ Booze droom
+ De eigen uitvaart
+ Voor de liefste
+ Voor H
+ Het vizioen in Spanje.
+
+_2e periode: In lijdens vuur._
+
+ In lijdens vuur
+ Aan mijne liefde
+ Wandeling
+ Voor Tonnie
+ Onze tijd
+ De reegen
+ Twaalf sonnetten
+ To Lady W.
+ To the Lady Catherine of Belvoir
+ To John Ruskin
+ To an Indian Friend
+ De Geboorte eener Natie
+ Wijkrans van Drievoudzangen
+ God en mensch
+ Aarde
+ Jezus
+ Nemesis
+ De onterfden.
+
+_3e periode: Uitkomst._
+
+ 't Zeegeruisch
+ Herteken
+ Uitkomst
+ Leevenswonder
+ School der minne
+ Trots en deemoed
+ Hei-leeuwerik
+ De Rivier
+ De Planeet
+ Mijn Bloemenpleegster
+ De Passie-looze Leelie,
+ _De Aanroep_
+ _Het antwoord_.
+
+
+
+
+Transcriber's Notes
+
+- Added a table of contents at the start.
+- Original tables of contents have been retained for historical
+ interest.
+- I encoded the character tie symbol as such in the HTML version
+ (Unicode HTML character entity reference decimal 8256), and in the
+ TXT version as a free standing macron (which is in Latin-1).
+- I only "fixed" punctuation where the poem contained strong hints what
+ the correct punctuation would be. In the same vein I have not
+ normalized or "corrected" spelling, with a few minor exceptions
+ listed below.
+- An example of confusing punctuation that nevertheless follows a
+ certain logic. "Dank zij Goode! den geever," (page 76): the
+ comma is correct here despite the fact that the next line starts with
+ a capital. The indented text is a second voice interlaced with the
+ first. It's continuation appears to be both the next line and
+ "... _quae exsuperat omnem sensum_." Such cases make it
+ impossible for a mere transcriber to decide whether certain variant
+ spellings were intentional or accidental.
+- Fixed printer's error on page 16: "ootmood" to "ootmoed"
+ ("o" to "e").
+- Normalized punctuation on page 48: "en twijfel zwak," to
+ "en twijfel zwak." (comma to full-stop).
+- Fixed printer's error on page 52: "zwoege" -> "zwoegen"
+ (final "n" added).
+- Fixed printer's error on page 72: "Jahrhundert lang
+ verkannt," to "Jahrhundert lang verkannt." (comma to full-stop).
+- Fixed printer's error on page 107: "waereld, terzelfder
+ uure." to "waereld, terzelfder uure," (full-stop to comma).
+- Changed "Koele Meidag" in the table of contents on page 93 to
+ "Koele Mei-dag" to reflect the poem's actual title.
+- The scans for this ebook can be found at
+ http://www.archive.org/details/dante_en_beatrice.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Dante en Beatrice, by Frederik Van Eeden
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DANTE EN BEATRICE ***
+
+***** This file should be named 29075-8.txt or 29075-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/9/0/7/29075/
+
+Produced by Anna Tuinman, Branko Collin and the Online
+Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.