diff options
Diffstat (limited to '29075-8.txt')
| -rw-r--r-- | 29075-8.txt | 3455 |
1 files changed, 3455 insertions, 0 deletions
diff --git a/29075-8.txt b/29075-8.txt new file mode 100644 index 0000000..74c708c --- /dev/null +++ b/29075-8.txt @@ -0,0 +1,3455 @@ +The Project Gutenberg EBook of Dante en Beatrice, by Frederik Van Eeden + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Dante en Beatrice + En andere verzen + +Author: Frederik Van Eeden + +Release Date: June 8, 2009 [EBook #29075] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DANTE EN BEATRICE *** + + + + +Produced by Anna Tuinman, Branko Collin and the Online +Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + + + + + +DANTE EN BEATRICE + +EN ANDERE VERZEN + +DOOR FREDERIK VAN EEDEN. + + +AMSTERDAM + +W. VERSLUYS + +MCMXVII + + +TWEEDE DRUK. + + + + +DANTE EN BEATRICE. + + + + +INLEIDING. + + +De volgende verzen ontstonden na 't herleezen van Dante's eerste +ontmoeting met Beatrice, toen hij bijna neegen en zij acht jaren oud +was, zooals beschreeven wordt in "Vita Nuova". Of Beatrice die Bice +Portinari geweest is, waarvan Boccacio in zijn Leeven van Dante spreekt +is niet zeeker. Dat zij nooit in werkelijkheid zou bestaan +hebben--zooals G. Rosetti, La Farina e.a. beweeren--is niet te gelooven. +Zij mooge een anderen naam gedragen hebben, het meisje in 't roode +kleedje heeft bestaan, en is door Dante gezien en bemind. Potgieter +vraagt of wij het hem ten goede houden, dat hij, in zijn Florence, +Beatrice's kleed in plaats van rood, wit maakte, "voor de onschuld", +zooals hij zegt. Het in deezen den Florentijn te willen verbeeteren is +echter den Amsterdammer moeyelijk ten goede te houden. Het achtjarige +meisje ging in 't rood, "zooals het haren leeftijd paste" zegt Dante. +Tien jaren later, als volwassen maagd, werd zij door hem in wit gewaad +gezien. Na deeze tweede ontmoeting zag hij Beatrice in een vizioen, +naakt, in een bloedig laken gewikkeld in de armen van Amor, die haar +Dante's hart te eeten gaf, en daarna opvoerde ter zaligheid. Beatrice's +dood in de "Vita Nuova" valt volgens d'Ancona, in 1290 ongeveer. Vóór +1298 trad Dante in 't huuwelijk met Gemma Donati. Vier jaren later ging +hij alleen in ballingschap en schreef Hel, Vagevuur en Paradijs. + + + + +EERSTE DEEL. + + + +I. + + + Een vizioen van wonderhoog genucht + heeft mij, toen 'k in de poort mijns najaars staarde + en langs reeds winterige velden waarde, + den dag, den nacht en weer den dag verlucht. + + Het was zoo fijn en lieflijk als 't gerucht + der voogels, die in herfstnacht naar hun gaarde + in 't zuiden trekken, hoog, hoog oover d'aarde, + zacht snaterend in ongeziene vlucht. + + Het was zoo scherp en kleurig als van vlinders + de vleugel-cier--als zij zich rustend zonnen + op gloedbescheenen muur,--en zoo vol diep + + geheimenis, alsof er uit de bronnen + van alle licht en vreugde¯een lokstem riep: + + Ik zag een stoet van bloembekranste kinders. + + + + +II. + + + Een meisje¯in kleedje, heerelijk getint + van zacht en zeedig rood, met wat sieraden + als 't kind die draagt, naar 't haar heur ouders raden, + het ranke lijfje¯omstrikt met blinkend lint, + + zag 'k in gewoel van bloemen en gewaden + als heldre ster die vóór alle¯andren blindt, + en 'k zag hoe haar genootjes vroolijk traden + om haar, als eene die elk 't minnigst vindt + + en als de schoonste zonder spijt wil roemen, + daar zij, hoe mooi en goed zij is, niet speurt. + + Ik hoor haar kindernaam vertrouwlijk noemen, + de knapen roepen "Bice!" en werpen bloemen + + naar 't blonde haar. Verleegen lachend beurt + zij de oogen naar haar ouders op, en kleurt. + + + + +III. + + + Toen zag 'k twee felle donker-vuurige¯oogen, + in streng en ernstig knapen-aangezicht, + onafgewend naar 't lieflijk wicht gericht + door óóvermacht'ge tooverkracht getoogen. + + De kind'ren eeten. Hij zit aan, doch zwicht + voor lust naar 't lekkers niet, maar onverwoogen + drinken zijn blikken 't jonge, lieve licht, + 't éénige wat zij nog te zien vermoogen. + + 't Feestvolk stroomt uit, hij volgt, als weezenloos, + 't lieftallig weezen dat haar macht niet weet + en niet vermoedt wat gloed zij deed ontbranden. + + Hij treedt haar toe, heft stamelend de handen, + beroert de bloemen die zij draagt, haar kleed... + en zwijmt doodsbleek,--geslaag'ne voor altoos. + + + + +IV. + + + O meester, zag ik met mijn geest de bron + des ongelijkbren liefdestrooms, wiens vloeden + na eeuwen nog een dorre waereld voeden, + die zulke weelde zelf niet baren kon? + + Als Nijl het Nijldal, blaakrend in de zon, + drenkt hij het rotsig land van droeve' en moeden, + nog voelt een dichterhart of 't moest verbloeden + zoo 't zijner heerlijkheid zich niet bezon. + + Bekoorlijke oorsprong van zoo grootsche macht! + Het kinderfeest, de blanke bloemenstad, + de schoone maatschappij, nog jong en blijde-- + + Zóó sluipt het eerste glinster-sprankje nat + uit woudenrijk gebergt, en babbelt zacht + waar kreekels sjirpe' op stilbezonde weide. + + + + +V. + + + Heeft dan ook uw geweld'ge ziel geleeden + dat allerteerste, allerzoetste leed?-- + Door dagen vuurig en door nachten heet + zaagt gij die onbeschrijfb're lieflijkheeden: + + dat roode kleedje, 't lint, die ranke leeden, + die ooge-starren.... O ik weet!.... ik weet!.... + en naar de zoete folter dieper beet + hebt gij om uitkomst of begrip gebeeden. + + Doch toen het ruuwe leeven, koel en straf, + den wonder-broozen kinderdroom wou breeken, + dreef 't u van haar op verre weegen af, + maar kon den innerlijken glans niet bleeken. + + Dood mocht haar lijf en aardsche vreugd u rooven, + dien eersten luister liet gij u niet dooven. + + + + +VI. + + + Wie ben ik, als ik denk aan u, mijn held! + ik kleine,¯in 't klein-gevoelend volk begraven-- + maar toch!--wat zoeten drank van min zij gaven, + mijns harten hart bleef zoeken, onverzeld, + + naar minder niet, dan wat uw mond mocht laven, + kristallen dronk, uit eeuw'ge rots geweld. + Datzelfde, waar uw Godlijk lied van meldt, + heb ik voor alle tijden willen staven. + + Uw stroom is majestatisch neergedonderd + met wentelsprongen tot den blanken plas, + maar als een zwoel, vermaledijd moeras + houdt U van mij mijn tijd en volk gezonderd. + + En daar was géén, ik zeg u, die verstond + de taal der stroeve plooyen om mijn mond. + + + + +VII. + + + Gij die uw ooverwonnen smart deed schijnen + als fakkel-licht, de duistere eeuwen dóór, + en liet in vuur uw zondaars-hart verreinen + en hield het brandende¯aan de waereld vóór, + + hebt Gij dan ook die zwartste mijner pijnen + gekend, verwonnen en als meteoor + doen schrijven aan den nachtwand vuur'ge lijnen, + den menschen-volken tot belichtend spoor? + + Ik weet een donker wee, dat klacht niet kent, + të eenzaam en të innig voor gedichten, + hebt gij dat óók aan uw zielsfirmament + genageld en als richt-gesternt doen lichten? + + Hiér antwoordt géén, maar Gij woont hoog, ai wend + tot onzen God u, die weet, en zal richten. + + + + +VIII. + + + De voogel Waarheid mijmert bij mijn hand + en peilt met ingetrokken kop de gronden + des heemels,--als verlangend naar zijn land + terug, van waar hem d'Almacht heeft gezonden. + + Ik wacht in ootmoed, heilige gezant! + Nooit werd gij zoo vertrouwelijk bevonden. + Vertoef! en doe mij weeten en verkonden, + eer gij ter opvaart weer de wieken spant. + + Ook hij, de zanger, hield u niet gevangen + in zijner lied'ren goudenkoordig want + en kon ter uwer woonsteê niet gelangen + eer zij, die hij beminde,¯uit Liefde's hand + zijn hart met al zijn bitterheid verteerde + en zóó tot 's Heemels Lichthof weederkeerde. + + + + +IX. + + + Het was dezelfde wonderbare vonk + die oover mijnen opgang heeft geglommen, + waaruit de groote gloeden zijn geklommen, + die hij, de meester, onzer waereld schonk-- + + en die hem veilig voerde door de drommen + van spooken in hun gruuwlijken spelonk, + tot waar de starrenkrans der zaal'gen blonk + in 't Licht, waarvoor zijn liederen verstommen. + + Zoozeer verscheiden zijn twee menschen niet + door ééne Hand uit eender stof geweeven, + of 'k weet, wat al die wond'ren groeyen liet + is 't zelfde, wat mijn kinderziel deed beeven... + + O àl te machtig, àl te teer ontroeren! + mijn hand ligt stil--kan 't schrijftuig niet meer voeren. + + + + +X. + + + Mijn hart heeft bitterheeden als de Dood + en diepten waar geen woorden van gewagen, + is daar wel Liefde sterk genoeg en groot, + die 't kan verzwelgen en ten Heemel dragen? + + Ik blader vluchtig thans in 't boek der dagen + en leg het duisterst zonder deernis bloot, + tot schuuwe schimmen angstig rond mij klagen: + "Gedenk! Gedenk! Gedenk!--éér gij verstoot!" + + Hebt Gij, mijn zanger, ongeschokt vernoomen + den doodssnik van uw allerschoonste waan? + en zijt gij vast de treeden opgegaan + bestroomd van 't bloed der teerste, liefste droomen? + + Welk Licht-verschiet was 't dat u schrijden deed + zoozeer als God, zóó liefdrijk en zóó wreed? + + + + +XI. + + + Er drijft een zeldsaam gisten, zeldsaam dringen + de jonge ziel in haren opgang uit. + Zij breekt den schors van waan die haar omsluit + en neigt tot nadering aan vreemde dingen. + + Door 't naaste, wat niet-eigen is, gestuit + baart zij dan teedre ranken, die 't omringen + en gansch tot eigen-worden willen dwingen-- + en geeft zich vangeling aan de¯eigen buit. + + 't Gaat dan om eeuwig heil! want ach! wie beurt + wat aan een schaduw zich heeft willen hechten? + En vast kan zich geen tweedemaal vervlechten + de rank, na d'eersten opgroei afgescheurd. + + Dan worden alle klanken, alle kleuren + van 't Leeven weer een vreemd, vèr-af gebeuren. + + + + +XII. + + + De schakel brak,--de Dood hield u gescheiden, + het Leeven sleepte u op zijn deining voort, + en, onder nieuwen liefde-groei versmoord, + ging schuil het glanzend schoon der eerste tijden. + + Nochthans, nochthans voltrok zich ongestoord + het heilig Wonder, dat Gelieven beiden + door de¯eigen liefde¯elkaar tot God geleiden,-- + en werd geboekstaafd in ontzach'lijk Woord. + + Ik zie het aan en huiv'ring grijpt mijn ziel, + wij hadden van die Liefde een zwak vermoeden, + verrukt alree door 't ongeveer bevroeden-- + Gedoog, dat ik voor haar gewisheid kniel. + + Mijn hoofd buigt neer, omgolfd door staat'ge klanken, + laat de arme vreemd'ling in úw Tempel danken. + + + + +XIII. + + + Wat zegt het najaar dat de blaren strooit, + het rul-geworden zomerloof doet zwijgen + van voogellied,--en leevens-weeke twijgen + met harde doodspracht van kristallen tooit? + + Wat zal het leeven van zijn schoon herkrijgen, + door Tijd en Dood van zijnen bloei berooid? + Wat houdt er stand en ziet zijn groei voltooid + terwijl de welkende geslachten zijgen? + + Er staat een boom, in lichten Hof geplant, + zijn takken reiken buiten 't ruim der heem'len, + zijn wortel voedt zich in der eeuwen zand, + zijn bloesem geurt, zijn looverdiepten weem'len + van voogelzang. Elk looverken een ziel + versterkt zijn machtig Leeven, éér het viel. + + + + +XIV. + + + Ze noemen Liefde wat de ziel doet zieden + in helle vreugde van een oogwenk duur, + in lijden leevenslang,--met ieder uur + zien ze haar vluchtige bekooring vlieden,-- + + een sidd'rend glimpjen onstandvastig vuur + in woestenij van donkre doods-gebieden, + waar alle dingen zonder zin geschieden + naar starre wet van ijzige natuur. + + Maar Hij, die op vervaarlijken en verren + boet-vaart door kringen, waar geen stervling kwam, + kondschap van 't onnaspeur'lijke vernam, + + Hij gaf éénzelfden naam aan d'ééne Macht, + die 't kinds-hart wekt met stralen luuw en zacht, + en die de Zon beweegt en d'andre sterren. + + + + + +TWEEDE DEEL. + + + +XV. + + + 't Zij dan door zesmaal honderd jaar gescheiden, + 't zij dan zóó ongelijk van maat en macht, + zijn telgen wij nochthans van één geslacht + en draagt één liefde-tronk ons, bloesems, beiden. + + Als klank van verre kerk-klok in den nacht + d'eenzamen dwaler oover duistre heiden + vertroostend meldt waar zijn verwanten beiden, + waar hem de lang gederfde haardstee wacht, + + zoo heeft van ver 't plechtstatige geluid, + bij d'eersten flaauwen aangalm uwer woorden, + mij 't trouwlijk thuis der eigen ziel geduid, + + en d'ooren van 't verlaten kindje hoorden + met grooter vreugd de moeder niet, die 't riep, + dan ik die roepstem uit der eeuwen diep. + + + + +XVI. + + + Mijn Land, mijn Land, hoe blinken spiegelklaar + uw vlieten in de riet-bewassen zoomen, + stil glijdt het bruine scheepszeil langs de boomen, + kalm ligt het vreedige gehuchtje daar + + met toorenspitsje en moolentje, te droomen, + breed ooverwelfd door blanke wolkenschaar, + die statig aandrijft uit de kimmen, waar + het zee-ruim wacht op d'altijd gaande stroomen. + + Mijn Land van weide en rustloos winde-lied, + gij hebt de pracht van Arno's bloemen niet + en niet de grootschheid van Ravenna's wouden, + + mijn Land, toch deed gij mij, als Hem, verstaan + wat in 't verganklijke niet kan vergaan, + wat ons van 't aardsche leeven voegt te¯onthouden. + + + + +XVII. + + + Gij werdt gebannen uit uw vaderstad, + gij moest het bittre brood der deernis eeten + en kondt Firenze's heuvlen niet vergeeten, + wat hulde en glans de vreemde voor u had, + + en nimmer heeft één, zooals gij, geweeten + hoe scherpe weemoed geeft, op 't lijdenspad, + herdenken van verlooren vreugde-schat, + van vroegre banden ééns voor àl gereeten. + + Maar wee mij! wat is mij? ik ga in 't land + mij booven allen dierbaar en gemeenzaam, + waar 'k jong was, ga ik aan der liefste hand, + + en voel mij toch gebannen, arm en eenzaam! + + Wie dreef mij uit? mijn held, wat was mijn schuld? + Wanneer is 't tij der ballingschap vervuld? + + + + +XVIII. + + + Mijn hart smacht naar dat verre vaderland, + waarvan wij beide op aard een vóórglans zagen, + toen nauw-ontwaakt, in blijde kinderdagen, + zich ziel aan ziele spon met teedren band. + + Toen, door dat bliksemfelle licht geslagen, + verhief zich ons verwonderde verstand, + en bleef om 't kernvuur van zoo schoonen brand + en om terugkeer naar dat licht-heil vragen. + + Dit is mijn smart, dàt raakt het diepste weezen + van al mijn vreugde en leed, dàt geeft de klank + van innigheid aan deeze zwakke zangen-- + + Gij steegt omhoog, op wieken, sterk en blank, + van een grootmachtig, triomfant verlangen-- + + mijn wonde brandt nog altijd ongeneezen. + + + + +XIX. + + + "_De Zeegenbrengster_" luidde uw naam, o milde, + aan wie de waereld zooveel zeegen dankt, + wier brooze leeven, marmervast verklankt, + den dorst zooveeler schoonheids-dorst'gen stilde. + + Ach, blanke liefde-zuil, bloedrood omrankt + door vuurig lied,--één vriendlijk groeten tilde + den Held in 't licht,--dat uw zacht aanschijn wilde + nogmaals verlichten wie er doolt en wankt! + + Het menschdom stroomt, langs onheilvolle weegen, + de stralende uitkomst angstig tegemoet. + Wee, den in duistren dwarrelstroom geboornen! + Wee, den voor reiner schoonheidslicht verloornen! + Hoe reiken zij de handen, om den zeegen + van Liefde's minnelijken, zachten groet. + + + + +XX. + + + Men noemde u Beatrice, maar gij draagt + heil'ger benaming, onbekend den veelen. + Hij heet u "_Liefde_", wien de glans-tafreelen + van uw verheerlijkt weezen zijn gedaagd, + + die kroonde uw zeedig hoofd met de juweelen + van zijn kleurfonklend woord. Naar Liefde vraagt + nog immer wat op aarde duldt en klaagt.-- + Zal ooit haar adem 't waereld-aanzicht streelen? + + Kom, Zeegenrijke! jammerlijk in nood + om uwen bijstand moet nog 't menschdom strijden. + Vermag nooit in terugkomst te ooverschrijden + uw blijde voet den drempel van den Dood? + + Des Vreedes Ster! der onrust vijandinne! + Verhelder d'aard met uwen lach van minne! + + + + +XXI. + + + Gij, Alighieri, "_Glans der Eeuw_" geheeten, + Ook U noem ik met wijdingsvoller Naam, + want _Liefde_ zaligt slechts met _Wijsheid_ saam + en alle Smart vergaat voor 't zoete Weeten. + + Kom, Wijsheid! dat uw zeegnend licht beschaam + wie vreezen van de vrucht der kennis te eeten, + en breng' te schand wie lichtschuuw zich vermeeten + de kracht te keeren van uw vrijen Aâm. + + Vaar als een frissche wind de velden oover, + de vuuren aller Liefde wakker aan! + doe aller Harten Vlammen samenslaan! + en vaag den Heemel schoon met éénen toover! + + dat 't dwalend volk weer d'oogen opwaarts richt + en schouwt naar d'één'gen Oorsprong van Uw licht. + + + + +XXII. + + + De Stem des Lichts, die dóórbreekt ooveral, + doet dreunend òp de gouden heemeldeuren, + en de verborgen duisternissen scheuren + door 't verre daveren van haar geschal, + + dan baart de troostelooze nachtgrond kleuren, + dan bloeit de leelie in het diepste dal, + dan stort zich, als een gouden waterval, + vreugde in het hart van allen die daar treuren. + + Voor Wijsheid's aanblik houdt geen jammer stand, + voor haar handheffing zwicht de vale ellende, + waar zij haar wèl-betoomde rossen mende + gloeit al het leevende in haar stralenbrand. + + En als de bloem naar d'ongenaakbre Zon + wendt zich de ziel naar haar onkenbre Bron. + + + + +XXIII. + + + Thans weet ge, als ik, dat d'Almacht hooger troont + dan uw goud-vleugelige zangen steegen, + en dat de ziel langs nog benarder weegen + 't hart des Heelal's moet vinden, waar Zij woont, + + en dat alom daarbuiten is geleegen + de macht-kreits des Verdoemden, dien gij hoont, + en dat Gehenna geen verschrikking toont + zóóals die Nacht, waar alle Konden zweegen. + + Wat is er Hel, 't en zij de Hel van Waan + waar, door een schijn verblijd, wij armen allen + verspeelen ons kortstondige bestaan, + om lachend in den muil des Doods te vallen? + + En God ziet toe, hoe ons wuft leeven vlucht, + maar van zijn strengen mond valt geen gerucht. + + + + +XXIV. + + + Wie eens uw watervelden heeft aanschouwd + o zee! waaroover zilvren glanzen glijen + en zag uw eindelooze golvenrijen + aanstrijken van de kimme, grijs en goud, + + wie ééns met uwer blauwe woestenijen + schriklijk bestaan verzoend werd en vertrouwd, + en voelde aan uwe rotsen, grauw en oud, + d'ontroerde ziel tot ruimer bloei gedijen, + + hoe kan die anders dan in smachtend dulden + de droefheid ondergaan van enger sfeer? + Hij kent geen vreede in 't veilig landschap meer + schoon aarde en zon hem elke wensch vervulden. + Hij wil de wijdheid der verlaten kusten + als kon hij nader dáár aan Gods hart rusten. + + + + +XXV. + + + 't Is niet om mij, 't is om ons droef geslacht + dat nog die wonde branden blijft hierbinnen, + want ik moet haten teevens en beminnen + en liefde blijven geeven waar 'k veracht. + + Zoo was Hij niet, die met gelijke kracht + geliefd heeft, en gehaat met ziel en zinnen, + en zich van 's Waerelds einddoel en beginnen + en d'eigen Waarheid zeeker heeft geacht. + + Maar in mij gloort een vonk van nieuwen dag, + wèl ongewis nog en in hachlijk beeven, + maar voorboô van een ruimer, schooner leeven + dan 't allerschoonste wat mijn held ooit zag. + + Zoo zal ik dan, welweetend, zonder klagen, + dit heilig lijdensmerk geduldig dragen. + + + + + +DES LEEVENS KERN. + + + +Des Leevens Kern. + + + Zooals de kleuren nu mijn hart opbeuren + deeden ze 't nooit, ook niet in versche jeugd, + en aller waer'ld zoet-zorgelijk gebeuren + heeft nooit zoo rechtstreeks mijn verstand verheugd. + + Het Leeven spreekt nu met een klare stem. + Als 't carrillon des morgens van een tooren, + dreunt mij, die opziet, wislijk en met klem + de blijde noodzaak van elk ding in d'ooren. + + Elk lijden waan, zonder bestand noch duur, + elk pijntje¯een wenk en richtvonk onzer weegen, + de waan een toornwolk rond Gods liefdevuur + hoe kloeker dóórgeboord, te eer ontsteegen. + + En God geen ding, geen kracht, maar vriend en vader + digt bij mij, digt, den dag, den nacht--den nacht, + liever dan 't liefst en dan het naaste nader, + de vreugd van 't blijdst en van het schoonst de pracht. + + Nu zie ik weer geranium en linde + met 't oog eens kinds, als waar ik pas ontwaakt + en zee en duin, die ik als kind zóó minde + mijn manlijk hart met voller vreugde raakt. + + Ai, laat mijn blik verzwakken, 't lijf verouden! + wanneer herinnren faalt en denkkracht dooft + heb ik bereikt wat 'k eeuwig zal behouden, + dat vrij de ladder breek', ik borg het ooft. + + Wie zou 'k nog haten, schoonheid is in allen, + 'k zie gansch den nacht niet om één vonkske licht + en waar een hart zich ópdoet, moet ook vallen + mijn liefdevloed, door eigen wigt gericht. + + Het lust mij wat ik heb aan glans te spreiden, + niemand moog danken, nochthans blijft de lust, + om wisse vreugd trots ik 't onwisse lijden, + ik ken het zoete werk om zoeter rust. + + Dat komt dewijl ik in een blind vertrouwen + d'onzichtbre kern van 't zichtbre Leeven zocht, + geduldig zooals dorst'ge bloemen schouwen + die zich ontvouwen voor het reegenvocht. + + Dit's ál, onrust'ge, die mij mocht benijden, + geen meerder weetenschap en doet u nood: + blijf 's Leevens kern betrouwen--en de Dood + met àl zijn schrik moet eeuwig van u scheiden. + + + + +Koele Mei-dag. + + + De blindend-blanke hagelwolken drijven + trotsch en geducht aan 't hardblaauw firmament + en dreigen met hun schaduw te verstijven + de schuchtre kindren van de jonge lent. + + Van 't koele Noord varen ze stom en prachtig, + gekuifde sneeuwkop booven grauwen buik, + door den van toorn gebolden stoet onmachtig + groet lieve zon de beidende¯aard tersluik. + + Toch drijft, niet-kleumsch, de beuk haar bleeke loover + ten twijgen uit, de tulpbloem flonkert koen, + de berk in 't sparbosch sprinkelt zich àl oover + met tintellooverkes van teeder groen. + + De koekoek roept getrouw het voorjaar uit, + de mei houdt vol, bestendig langs de dreeven + schalt nachtegalenslag en lijsterfluit, + en alom zeegeviert het lichte leeven. + + + + +De schat mijns harten. + + + Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte, + Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem, + Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteens + Wisslend geflonker. + + Is het dan, is het dan waarlijk mijn eigenst, mijn innigst? + Heb ik het kostbaarst der waereld, wat bloed niet kan werven? + Hoe heeft vóór allen aan mij dan, aan mij zich voltrokken + 't Nameloos wonder?! + ............................................................. + ............................................................. + Het is mijn ster, het is de sterke liefde, + die niemand kan verstaan en niemand ziet, + die alom heerscht, die al vertroost wat griefde, + die stralend schoon uit alle dingen schiet. + + Nu ken ik haar die heft en heelt en heiligt, + die zacht als water door geen kracht bezwijkt, + den Satan slaat en voor demoonen veiligt, + die immer buigend booven bergen reikt. + + Haar glans ging òp toen ik geen vreugd meer vragend + in duldsaam beeven uitzag in den nacht, + toen heeft zij, mij in Liefstes oogen dagend, + beweezen haar onnoemelijke macht, + + Dies roem ik God, zal van zijn Rijk gewagen, + spijt aller schijndeugd, spot of hindernis, + daar Hij der waereld doem zoo ligt leert dragen + en zacht voor Liefde's kindren is. + ............................................................. + ............................................................. + Altijd door moet ik weer denken de schoone gedachte, + Als ik ga slapen en 's nachts en des morgens, des morgens, + Als zij weer waarlijk in luister ontluikt uit den scheemer, + eeuwig waarachtig. + + Hoofdschuddend lach ik tot bloemen, tot weiden, tot wolken, + d'armen strek ik der zee toe: "wéét ge het? wéét ge het?" + Tranen stroomen mijn wangen langs, mild als de slaaf weent + voelend verlossing. + + + + +Het looverlied. + + + Hoe heerlijk onder bladgeruisch te gaan + van groote boomen die in duister staan, + weer naar hun machtig nachtgezang te luistren + hun wijd gezwatel en plechtstatig fluistren. + + In langen winter zongen barre twijgen + een ander lied. Zij klaagden, of hun zwijgen + was angstig in den Januari-mist.-- + Maar 't loover kwam toch weer--en hoor nu is 't + + als een gelukkig volk dat zeegezingt. + Nu juicht het gansche lenteland, er klinkt + fijn geschalmei van voogels in de verte-- + zoo fijn en klaar als 't tintelend gesternte + + dat door de zwarte bladerschimmen kijkt + en met haar vaag beweegen komt en wijkt. + Ik ga door looverlied en sterreschijn + blij en gerust. Ook in mijn kleine brein + + worden nu teedre liedekens gebooren + die 'k liefst mijn teeder lief wou laten hooren. + De wind die 't nachtland als een harpe streelt + in maatgang met mijn stille liedjens speelt. + + Als nu mijn ziel reeds in dit brooze huis + het looverlied verstaat en 't zeegeruisch-- + zal ik dan niet in sterker lijf herbooren + den juubelzang der gouden sterren hooren? + + + + +Alles voor U. + + + Alles voor U,--wie is er nog betrouwbaar + dan Hij die 't licht en de gesternten maakt, + van wien al wat er tastbaar heet en schouwbaar, + al wat ons lijf beroert en raakt + is enkel een gedachte¯en teere droom? + De breede zee met witbeschuimden zoom, + + zilv'rig beglansd door vluchtige lichten, + 't kantig gebergt, gloedrood in zonnevonken, + wat zijn ze, dan Uw droomgedichten?-- + Gij denkt hem éve' en eeuwig pronken + de groote maaksels voor der schepslen oog. + Het vaste veld, de luchte wolkenboog, + + Gij denkt, gij zingt zë,--als een blijde knaap + des morgens gaand langs glinsterende bronnen + zijn zangen zingt, gelukkig na den slaap,-- + zoo zingt Gij waerelden en zonnen, + schrijdend langs schitterenden leevensvloed, + door U geleid, ontvangen en gevoed.-- + + Alles voor U,--gij mijn getrouwe God, + nu weet ik wèl waarom Gij mij deed vinden + begrijp zoo luttel, zooveel haat en spot, + zoo weinig vrinden en zooveel verblinden-- + 't Was dat mijn hart, verbijsterd, keeren zou + tot U alleen, bron van begrijp en trouw. + + Al wat ik nog aan lieven en aan leeven + te geeven heb, 't is al, 't is al voor U, + maar om Uw lieven wille kan ik geeven + den menschen méér aan liefde, dan tot nú-- + Schoon zij mij al niet danken of verstaan + te lieflijker glanst mij Uw glimlach aan. + + Hier is mijn hart,--ze noemden het ontrouw, + het was zoo wispeltuurig en zoo grillig, + verlatend vrind voor vrind en vrouw voor vrouw, + toch is 't standvastig en gewillig. + 't Zwierf als een schaap van weide op weide verder, + volgend het roepen van onzichtbren herder. + + Als een wit vlinderken ging 't welgemoed + in zachte fladdervlucht door donker dal, + en zocht met vagen schijn een stellig goed: + Uw licht, Uw zoetheid ooveral,-- + totdat het door de sombre denne-stammen, + den vrijen, hoogen heemel weer zag vlammen. + + Hier zijn mijn oogen,--ach, zoo blind! zoo blind! + Voor zooveel vondsten hebben ze geglansd, + als die van 't kind, dat eenen glasscherf vindt + en roept: "een diamant!" en danst + in 't rond, de vingertjes aan bloed gesneeden.-- + Hier is mijn stem,--die om zoo kleine reeden + + geweeklaagd heeft, door vrees en twijfel zwak. + Zij deed de menschen luisteren en weenen, + totdat zij steeg en sterker klanken sprak.... + toen heeft zij onoprecht gescheenen,--.... + Vader! voor wien geen kunst noch liegen baat, + neem Gij haar aan in haar oprechten staat. + + Neem alle sieraad met uw zuivre handen, + al wat er uitblonk van mijn weezen af, + op úw altaar mag door úw vuur verbranden + al wat mij trots en aanzien gaf. + Ik wil niet zooveel beeter zijn dan andren-- + maar liever digt-bij in uw schaduw wandlen. + + Voor U mijn naam, mijn eer, mijn kunst, mijn deugden, + ik begeer niets dan wat Gij stil hergeeft-- + Maar leer mijn zinnen, die mij zóó verheugden, + hoe Gij, in al wat zij ontwaren, leeft. + Hoe ik mijn Liefste¯om U alleen bemin, + en hoe al 't schoone sluit uw schoonheid in. + + + + +De Staf. + + + Onrust en donker alomme, + Bang als een doove-en-stomme, + tastend als blind ga ik omme-- + Waar is mijn staf? + + Ik lijd en moet veelen verdrieten, + ik geniet ook en doe wel genieten, + maar alle vreugd zie ik vlieten + in een graf.-- + + Ik weet wat alleenig mij rust geeft, + wat mijn angsten gesust heeft, + als 't kind dat moeder gekust heeft + vóór den nacht. + + Dit is mijn staf--dat alle dingen zijn + gedachten van een dierbaar, minnend Weezen + gansch wáár, maar anders dan hun schijn. + Weet ik dat goed--weg zijn mijn vreezen. + Dan glijdt de vracht + van dat onrustige van mij af. + Dan voelt de blinde weer zijn staf + Dat is de kus die moeder gaf + aan 't kindekijn. + + Maar vergeet ik het éven, + dan heeft mijn staf mij begeeven. + Wáár, wáár is hij gevallen? + Niemand weet het van u allen, + Geen één, geen één, + en ik sta weer weifelend en alleen, + bedenkend hoe toch alles vliet + in het niet. + + Mocht ik een Godsgaaf bedingen-- + ik vroeg sterke herinneringen + omtrent eeuwige dingen. + + + + +Aan de Groote Dichters. + + + Blijft ons nabij, hoogtroonende getuigen + des Leevens, waar ons machteloos geslacht + geen zweem van kent, opdat ons niet te buigen + vermoog' hun laag gedacht'. + + Kaats ons den schijn, als gouden looverhoofden + welvend uit diepten van een somber woud, + den schijn dier zon, waarin wij nóg geloofden + in schaduw droef en koud. + + Hard drukt de last der schoonheidlooze dagen, + niet d'onze, maar der broederen rondom, + die ons bestaan door eigen derving dragen, + 't lijf der gerechten krom. + + In zorgen gaan wij, Blijden van natuure, + Zangers voor God, van Schoonheid en Geluk,-- + dat dan niet tot versterf van 't Hoogste duure + des meededoogens druk! + + Richt óp ons hoofd, als gloedrood in den morgen + de zonbeglansde toppen van 't gebergt', + ontlokt ons schouwen aan de kleine zorgen + waarmee de waereld tergt. + + Wat gij doorleefde in voeling onuitspreekbaar, + geen werk der waereld schoort het of genaakt + de hoogten waar voor altijd en onbreekbaar + uw ziel haar woonstee maakt. + + Bóoven de kwaal en de armoe onzer tijden, + bóoven 't gevecht om ruimte¯en 't zwoegen om brood, + leert gij ons kalm op weidsche weegen schrijden + in weelden sterk en groot. + + De waereld is een droom u, één uit velen, + en niet de schoonste,--de verklankte schijn, + 't verzinlijkt beeld blijft u toch vèr verscheelen + van 't ongelijkbaar zijn. + + Maar juist door macht dier zeldsame genade + te kennen 't Licht waartoe ons oog niet reikt, + kleedt gij in wondre¯en óoverschoone wade + al wat op aarde prijkt. + + d'Oogappels groot en donker op de vonken + van Gods verborgen wonderen gericht + hebt gij 't klein leeven rondom u geschonken + een rijkdom lief en licht. + + Zoo gaaft gij, die mijn vriend zijt en gezelle, + schoon gansch verteerd in uw Godsliefdebrand, + juist door dat vuur een luister hoog en helle + aan 't heerlijk Vlaanderland. + + Maar Goethe wist ook, dat waar twee zich vinden + in 't kamerkijn, de waereld breed en wijd + voor hunner liefde gloorie kan verzwinden + met al haar heerlijkheid. + + En voor een gouden woord van Dante's lippen + een juubel-klinken uit Hebreeër-psalm + zien we¯al ons bangelijk getob verglippen + als spook voor klokkengalm. + + Maar wee den dichter die niet staag blijft weeten + dat van Godsliefde alleen zijn dichtmacht stamt, + hij wordt bij 't stemloos volk teruggesmeeten + midde¯in zijn kracht verlamd. + + Blijft ons nabij dan, dat wij niet vergeeten + de rechte waarde¯en zin van wat bestaat + en wij wat van den heemel is niet meeten + naar menschenmaat. + + + + +Shelley's Epipsychidion. + + + Een vuurstorm van vervoerende gedachten + een woord vol flonkerende majesteit + verlicht opnieuw de scheemring mijner nachten + en breekt des leevens vale eenvormigheid. + Waar is een tweede woord als dit ontvaren + aan menschenmond, in al der menschheid jaren? + + Dit is geen teeder lied van liefde en leed, + dit is geen mijmerende klacht van minne, + het is een donderende vrijheidskreet + en houdt het helderst vuur van wijsheid inne + dat ziedend in der menschheid boezem lag + en losbreekt met verbijsterenden slag. + + Haar klank is uit geweldige geruchten + van donder, zee en stormen saamgesteld, + haar vaart is 't waarmee wolkendriften vluchten, + waarmee een meteoor den nacht doorsnelt, + haar opgang stijgt in ijlste ziele-luchten, + haar macht is meer dan àl wat menschen duchten. + + Het is een fonkelende lans gedreeven + recht in den muil van goor en donker beest + dat 't schrikbevangen menschenhart doet beeven + maar machtloos deinst als 't niet meer wordt gevreesd. + De grimm'ge schimmen Waan en Dood vervagen + waar heldenvoet den eersten stap dorst wagen. + + Het is een eenzaam, arendsjong, dat schouwend + in peilloos blauw, de stramme vlerken rekt + en eindlijk, innerlijken drang betrouwend, + den greet'gen hals ver van den rotskant strekt + en stort zich vreesloos in de ruime sfeeren + om d'eigen nooit-beproefde macht te leeren. + + Ik spreek in koel bezinnen, noode drijft + heilige waarheid wel-betoomde woorden + tot koener vlucht, want deeze schoonheid blijft + der bliksemschichten helste, die doorboorden + wat als een somber neeveldek bezwaart + 't zwoel-broeyend menschenleeven deezer aard. + + Het is alsof een volk verworpen slaven + roerloos gekneeveld ligt op donker land, + het lijf omschalmd, 't gelaat in stof begraven + terwijl een vaal gewolk de lucht bespant-- + maar één verrijst en doet door machtig wringen + met luiden klank de bloed'ge boeyen springen. + + Het ijzer valt, hij staat rechtop gericht, + en als een gloed-fontein met duizend kleuren + maakt zijn geroep den veegen heemel licht + en doet de vlam zijns woords den scheemer scheuren, + 't verworpen volk blijft stil en geeft geen teeken, + maar d'englen aan de hellepoort verbleeken. + + Gij armen, die niets hoordet, niets begrijpt + gevoelloos in uw dof bestaan verlooren, + weet dat de vrucht der vrijheid is gerijpt. + Uit aardsche liefde is 't heemelsch kind gebooren + dat van uw doodsch geslacht den boei kan slaken + en uw verdoofde blikken glanzend maken. + + Want niets heeft er vermoogen dan de Geest. + Zij sprak van Glans en Schoonheid, onvernoomen + door wie nog kruipen, siddrend voor het beest. + Doch wat haar bliks'mend wilswoord schiep, zal koomen. + Haar zeegen werkt, haar opvaart duldt geen kluister, + haar vrijheid daagt in nooit-vermoeden luister. + + + + +Stem van Génerzijds. + + + Het was zoo licht toen ik moest scheiden + de spreeuwen kweelden luide en teer, + en een onnoemelijk verblijden + vervulde veld en atmosfeer. + + Een plechtig en verblindend wonder + verrees,--als waar 't voor 't eerst,--de zon, + en bloem op bloem ontsloot zich onder + haar zeegen, naar zij kracht gewon. + + De waereld scheen verbaasd te ontwaken + als vond haar 't licht voor d'eerste maal. + 'k Zag zwaluwen hun nestjes maken + en zwieren in den morgenstraal. + + Ik zag de kiewiet om zijn jongen + klapwieken met bezorgd gerucht-- + ik hoorde hoe de meerlen zongen + hun welkom in de luuwe lucht. + + De wind bestreek de fonkel-vlieten, + de golfjes plapperden in 't lisch, + 't ging al van 't zoete licht genieten + en blonk van dauw en ruischte frisch.-- + + Ik was niet angstig om te sterven, + maar 't zag zoo luisterrijk op aard, + als had al 't schoon, dat ik ging derven, + zich in één uiterst uur vergaard. + + Genooten goed, dat ging begeeven, + had ik u wel genoeg bemind? + Verheeven weelden van het leeven + nam ik u dankbaar, als een kind? + + Wist ik mijn korte leevenswijding + te vieren als een heilig feest? + Is mij 't ontwaren tot verblijding, + 't bepeinzen tot een lust geweest? + + Als vaagde ik zwarte spinneraggen + van oud en kostbaar schilderij, + zag 'k onontgonnen vreugden lachen + voor 't eerst van duistre spinsels vrij.-- + + O angst, o waan, o booze krankte + der menschen, die ons elk besmet, + die den hartstochtelijken dank te + bewijzen onzen God, ons let, + + die ons doet weifelen en doet ijzen + en wroegen, klaaglijk en bedrukt, + waar 't leeuw'rikje' in zijn luchtpaleizen + omhoogvaart, juub'lend en verrukt.-- + + Hoor gij, die nog in 't licht moogt woonen, + dit woord uit 't eeuwig droomrijk aan: + "verdrijf die schimmige demoonen" + "die voor Gods lieflijk aanzicht staan!" + + "Hard drukt de spijt om noodloos lijden," + "Om gloorie, door een waan gemist"..... + + De¯aard was zoo licht, toen ik moest scheiden, + en zooveel schooner dan ik wist.-- + + + + +Een Minnezang. + + + Vraagt ge mij zangen?--Maar wie + maakte mijn leeven tot een harmonisch lied? + Weinigen die de melodiëen er van verstaan, + Maar gij toch wel? + + Als ik aan u denk, denk ik aan de leeuw'rik + de leeuwrik die des nachts zingt onder de sterren, + alleen tusschen de zwarte, stille wolken, + gansch alleen booven de duistere aarde,-- + de maan sluit slaaprig 't oog aan de kimme-- + hij waakt en zingt. + + Als ik aan u denk zingen zóó mijn gedachten, + de duistere aarde luistert niet. + + Wie heeft mij de troost gebracht en de verzoening + toen ik mat was van strijden, + niet verslagen maar duldend zonder vreugde? + Wie heeft mijn wintersche dagen verkeerd in luuwte? + Wie heeft mij liefde doen kennen zonder bitterheid? + Wie heeft mijn blijdschap hersteld? + + Gij weet hoe zwaar het is God te gedenken + in alle donkere gangen des leevens. + Maar door u heb ik Hem niet vergeeten. + Verlangt ge nog meer? + + Verzoenster! met u vond ik de zee + de groote zee des vreedes-- + en in de verre heemelen van rust heb ik gestaard, + zij het maar éven. + + En mijn deemoed is ontbloeid naast de uwe, + en mijn getrouwheid is door de uwe gebooren, + en uw geduld is het mijne geworden + onder den zeegen uwer liefde. + + Uwe oprechte oogen volgden al mijn beweegen + en hebben mijn hart en handen verlicht-- + en de trage nevelen zijn opgeklaard + van mijn voorhoofd. + + Welk heerlijk wonder als de vlagen staken, + als het gedonder der stormen ophoudt en de koude + reegen niet meer striemt, + als de zon door langsaam verzwindende wolken + warmte zendt op het verstilde loof, + als dan de reegenzware halmen zich rechten, + en de eerste voogelstemmetjes bedeesd weerklinken, + en het leeven van de ontelbare teedere weezentjes + die wat vreugde zoeken op 't gras, in de lucht, in 't water, + schuchterlijk hèrbegint. + + Ach, zoo zoet was het weeder opleeven + onder den grooten zeegen uwer liefde, + seedert zijn mijn dagen zangen geweest. + Verlangt ge nòg meer? + + Neem dan deeze ordelooze stroofen, + ook de leeuwrik zingt wild en zonder reegelmaat, + hij breekt af en herhaalt en herhaalt, als door àl te + machtigen aandrang + van zijn innigheid. + + + + +In Memoriam. + + + Zoo werd u 't wigt der kommervolle dagen + ten lest te zwaar en naamt ge, t'enden raad, + uw daadkracht saam tot éénen wanhoopsdaad, + de pijlers breekend die niet konden schragen-- + + zachte, bescheiden broeder! teedre vrind! + te vroeg gebooren kind van beeter tijden, + waarin der menschen vluchtige uuren glijden + met ligter gang, en elk zijn bloeitijd vindt,-- + + zoon van een volk van blijde, wijze kind'ren, + die in bedachtsaam en gerust bestaan, + met fijnen glimlach zien Gods wond'ren aan + en niemand in zijn lucht gepeins verhind'ren. + + Bestemd voor zulk een waereld, zulke volken, + waar men den nooit-gezienen groet als vrind + en d'eigen ziel in elk weerspiegeld vindt-- + werd gij geworpen in de neevelkolken + + van dit verbijsterd en mislukt geslacht, + van deeze warre tijden. Blij en goedig + stonden uw oogen in 't begin en moedig + toogt ge ten strijd met al uw kracht. + + Maar ach! hier geldt niet eedelmoed, noch fijnheid + van geest, noch loyauteit, noch zwier, noch eer, + 't hoogst-streevend hart ligt allereerst ter neer, + ter sluik gemoord door onbespeurbre kleinheid, + + want als een giftdamp vol miasmen, smoort + den eedlen geest het kleine, lage leeven + der duizenden, wien schoonheid is om 't eeven, + die spotten om oprecht en innig woord. + + Meedoogenloos door 't strenge lot gebannen, + verweerloos, arme broeder! tot dien strijd, + beklom u 't weeten uwer machtloosheid + telken dag weer, met telkens weer vermannen. + + Gij voelde 't als een monster, valsch en wreed, + door zwaardslag en verwonding onverstoorbaar, + gestadig nader, schaduwig, onhoorbaar, + bekruipen uw arm lichaam, nat van zweet. + + Doch strijden moest ge¯of sterven! Niet gedoogd' + uw diep gevoelig hart de koele rust + des wèl-voldanen, die van veil'ge kust + naar storm-geslagen schepelingen oogt. + + Als een die oogenlid-loos en gebonden + naar 't hachelijk worst'len van zijn landsvolk staart, + niet wenden kan het hoofd, noch heffen 't zwaard, + noch stelpen 't bloed of reinigen de wonden-- + + Zooals een die in droom zijn huis in vlam + ziet en in doodsgevaar zijn vrouw en kind'ren + maar kan het schrik'lijk onheil niet verhind'ren, + de stem verstikt, aan alle leeden lam-- + + Zoo liet der waereld vale, vage nood + u niet meer toe te waken of te slapen-- + gij kondt niet stillen 't wee, noch beuren 't wapen-- + wat bleef er uitkomst als de dood? + + Dit is geen tijd voor teed'ren,--als de wagen + van Jaggernaut verplet hen 's Leevens wigt,-- + toen hebt ge op 't eigen hooploos hart gericht + 't onnutte wapen, te zwaar om te dragen. + + Was 't misdrijf?--Duister is Gods raad ons armen, + ons innigst geeven wordt het ruuwst geknot, + rondom is argwaan, weifeling en spot,-- + zou Hij zich des oprechten niet erbarmen, + + die streedt tot 't einde van zijn kracht, en viel? + En wie van ons, bedreigden, durft het wraken + zoo gij geen andre doortocht wist te maken + voor uw bemoeyelijkte ziel? + + De dag dringt in mij met dezelfde pijnen + als die u folterden,--zoo ik nog sta, + ik noem 't geen kracht, ik noem het maar genâ, + zou mij uw val dan zwakheid schijnen? + + * * * * * + + Toen kwam er rust,--de rustelooze wind + suist eeuwig voort door 't glanzig helm der duinen, + waar digtbij zee, aan Holland's groene tuinen, + uw lijf zijn zonn'ge ligstee vind. + + Zoo droome uw losgemaakte ziel in vreede + van 't schoone en goede wat ge vondt en deedt, + en van ons die u minden.-- + Zacht betreed + ik nu met stillen dank de vreed'ge steede. + + + + +Zelf-Schouw. + + + Mijn blanke dwaal-ster zie ik staan + in donkerblauwe¯omnachting-- + op dorp en duinland schijnt de maan-- + in mijn bevreedigd hart vangt aan + een diepe zelf-betrachting. + + Ik ben wel een gezeegend wicht, + doch weet dat niet gestadig,-- + maar als ik stil mijn aandacht richt + op 't innig zelf, komt steeds het Licht + en wijst het mij genadig. + + Geslingerd ben ik her en der, + gedoold heb ik vervaarlijk-- + doch schijnt mij mijn verheeven Ster + na elk verdwalen minder ver + en 't leeven min bezwaarlijk. + + Een kleine en altijd heldre bron + van glinsterende blijheid, + verberg ik diep, en nooit verwon + mij 't leed, als ik maar woonen kon, + gerust, in haar nabijheid. + + Doch 't wilde leeven lokt mij uit-- + dan kamp en lijd ik deerlijk,-- + tot ik weer hoor haar zacht geluid + en als een bruidegom zijn bruid + haar wéérvind, schoon en heerlijk. + + Mijn arme lichaam, teer en broos, + doe ik mij wèl serveeren.-- + tot ik het eenmaal, leeg en voos, + te rust zal leggen voor altoos, + als afgedragen kleeren. + + Mijn hart behoudt geen spijt of nijd, + 't zoekt ook zijn lust niet grillig.-- + Door onbesuisde teederheid + heeft het wel veelen leed bereid, + doch griefde 't niemand willig. + + Mijn weezen heeft een tragen gang + 't wil tijd, zich te bezinnen, + 't vreest pijn te doen en mijmert lang, + maar vaart dan plotsling uit, nooit bang + iets hachlijks te beginnen. + + Waarheid is mij, wat 't kindekijn + de borsten zijn die 't voeden, + doch weetend dat zij schoon moet zijn, + vergrijp ik mij aan schoonen schijn + vaak tot mijn handen bloeden. + + En onontmoedigd, weederom + zoek ik wat goed en eerzaam + aan elk is, wien ik teegenkom-- + want hoezeer onbesuisd en dom, + toch ben ik niet onleerzaam. + + Ik acht mij maar een kleine man, + bedeesd en zwak van krachten,-- + doch welke macht ter waereld kan + verslaan wie stijgt op vleuglen van + zijn godlijke gedachten? + + 't Liefst ging ik als een zorgloos kind + aan vaders hand door 't leeven. + Doch hoe, zoo 'k hier geen vader vind, + zoo wijs, zoo sterk, zoo hoog-gezind, + om hem vertrouwelijk en blind + mijn kinderhand te geven? + + Toen moest ik wel, met zware dracht, + den schijnbren hoogmoed dragen, + alleenstaand met begrip en klacht,-- + en aan de sterren van den nacht + om eenen Vader vragen. + + Mijn eigen, echte makelij + doet veelen zich bedriegen, + ze noemen 't spel en hoovaardij, + en als ik eerlijk spreek en blij + dan heeten ze 't me liegen. + + Ik word geliefd, ik word gehaat,-- + noch Eer is 't, noch Beschaming,-- + want wie mijn weezen niet verstaat, + hij raakt mij niet, maar mint of smaadt + een pop, met mijn benaming. + + Mijn Vader maakte mij gewis + aldus, opdat ik leere + hoe ijl der menschen oordeel is, + en ik mij van hun ergernis + tot Zijn vertroosting keere. + + + + +Julius Oldach. + + + Wohl nicht umsonst trägt Frau Germania + so stolz die Krone und so hoch den Busen, + errang sie doch den Ehrenpreis der Musen + für Poësie und Musika.-- + Jedoch es schien gar Manchem unterdessen + als hätte längst Sankt Lukas sie vergessen. + + Sie schenkte einem Dichter oder Gleichen + ein weihe-volles Leben ohne Schmach, + und es umspült der göttlich klare Bach, + der Seelen Labsal, ihre Eichen. + Doch stand es schlimmer mit der Kunst der Farben, + nun ja! die Reiche soll doch auch mal darben. + + Es brüstet sich zwar mancher Genius + den Holbein und den Dürer zu ersetzen, + doch giebt die ferne Nachwelt einen Fetzen + für Kaulbach und Cornelius? + Da giebt's viel Tuch, viel Akten, und Gewänder-- + doch flüstert man: "es bleibt nur Oberländer". + + Das neid'sche Schicksal, eifrig zu enttronen + wo es zu viel des Ruhmesstolzes fand, + nam Ihr, der Hohen, theilweis den Verstand, + sodass die biederen Teutonen + den Bismarck hundertmal in Erze giessen, + und Julius Oldach arm krepiren liessen. + + Der Bäckerssohn mit festem Feuerblick, + er hat gemalt wie die von Gott erhellten + und seiner Seele ungeheure Welten + gedrängt auf tellergrosses Stück. + Doch hat's die Deutschen Herzen nicht erwärmt, + es hiess: "der Arme hab' sich todgehärmt". + + Nicht doch!--es hat kein Mensch noch so volkommen + gesiegt wie er, in Kämpfen fürchterlich. + Wer war's der an Verwegenheit ihm glich + und siegreich ist davongekommen? + Und 's nimmt doch alles sich gar kleinlich aus. + Der hehre Geist wählt sich ein enges Haus. + + Nach tausend Jahr und abertausend Jahren + da wird wohl mancher Schüler kaum noch rathen + was Zieten, Blücher, Roon und Moltke thaten, + ob's Krieger oder Krämer waren.... + doch schmählich wird die blinde Welt genannt + die Oldach ein Jahrhundert lang verkannt. + + + + +De Klok[1]. + + + Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte.-- + Omlaag in de glinstrende gangen der stad + dwar'lden in vuurigen zwerm de lichtjes. + Peillooze nacht + toefde in den heemel bij flauwe, deinzende sterren. + _Posuït me in tenebris_--... + Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte... + + Ver beneeden raasde de storm van Londen, + de ondiepe storm onzes leevens + onder afgronden van eeuwige stilte. + ..._et in umbra, mortis_. + In de donkre tooren hing de klok en wachtte. + + Onder de klok, elk in zijne steede, + sliepen de strenge dooden. + _In tenebris stravi lectulum_.... + Eén voor één, onder den machtigen tooren, + legden de leevenden hen. + Maar hun warm leeven slaapt met hen, inniger + dan wie gehuwd zijn, leeven dat voortgaat in sluimer, + leeven dat nimmer staakt, noch onderbreeking kent. + ..._et in polvere dormiam_. + De klok omhoog toefde booven de stad. + + Toen, te middernacht, hoorde de wachter beneeden + in de donk're klok beslooten stemmen fluistren, + hoorbaar alleen voor hem, wachter te middernacht. + Spooken van klank bewoogen in de ijzeren stilte. + _Cor meum conturbatum est_--.... + Dood--en de wolven van Vrees waarden in 't duister. + + Spooken van klank, gevangen binne' in de stilte, + golfden rondom de klok, als in benauwen: + "verlos ons, o gij die toeft!" + "Doe ons reeg'nen rondom, verspreid ons als hagel van vrees," + "Hoor! gij achtlooze stad, dronken van leeven!" + "Hoort! gij leevende zielen," + "hoort! gij zielen van wie er moog waken, moog slapen" + ..._formido mortis cecidit super me_. + "Dit is de doem des Doods en géén ontkomt." + + "Eénzaam zal hij liggen, geen gerief zal hem naken," + "de dooden zijn van hem gescheiden, en de leevenden," + "Dood duldt géén gezellen." + "Koud is zijn bed, hoezeer met warmte ontvangen," + "zijn huisselijk bed, waar hij zóó lang sluimerde veilig." + "Zie, het ontvalt hem, Dood sleept in duisteren afgrond" + "langsaam zijn zwichtende vleesch." + "Zijn verduisterde oogen, nooit zal meer lamp hen verlichten," + "liefde beroert hem niet, deernis mag hem niet bereiken." + _Sicut umbra quum declinat_. + Zwijgend hing de klok in den tooren en wachtte. + + Onder de stilte nog drongen de spookige stemmen: + "Gij in uw sluimer gewiegd door de duurende pols-slag" + "van het getemperde leeven, gij die nog waakt," + "hoort! het woord van den Dood:" + "de gerechte sterft en ook de zondaars sterven," + "Dood heeft maar één domein." + --_Unus introitus est omnibus ad vitam_--.... + "Eénder is 't einde, of gij al rust of werkt," + "of gij al wijsheid zoekt, of gij al zwoegt" + "jagend naar lust of macht." + "Met onverschillige hand reikt de Dood ééne gave", + "vult met duister het brein, de handen met stof." + ...--_et similis exitus_. + "Thans is de stonde des Doods en de stond der Geboorte." + + "Gij, in de duistere stad, die baart deezen nacht," + "tot wat eind uw moeyelijkheid, uwe smarten?" + _Sic et nos nati_--... + "Hem baarde zijn moeder in smart, toch met blijdschap." + "--Maar alles vervalt den Dood--" + "hem die in smart uit dit leeven verlost wordt" + ..._continuo desivimus esse_. + "Al het geboor'ne is een prooi des Doods," + + Toen, in volkoomen nacht, als nauwelijks hoorbaar + Londen omlaag nog maar fluisterend roerde als in sluimer, + ver daarbooven, booven zijn dwalende nevels, + onder de kalme sterren, + plechtig en diep sprak de klok in de stilte: + _Pax Deï_--... + sprak het met God als alleen, in zeegening. + + Vreede allen zielen, vreede na zwoegen en drang, + vreede als van hem wiens werk is voleindigd! + Lof zij Goode! voor leeven en dood volbracht. + Dank zij Goode! den geever, + Als had een geest, bij 't ontstijgen van de aarde + éven toevend, het groote zeegenwoord gesprooken, + ... _quae exsuperat omnem sensum_. + sprak het de zware klok in des middernachts diep. + + De machtige stem, aan de stilte zich bindend, + deinde weergalmend oover d'ontzachlijke stad + in lange golven van klank. + _Qui confidunt in Illo intelligent veritatem._ + Hooge konde des Doods aan het Leeven. + + Zooals de wind vaagt van het heemelgelaat + en onder zich ophoopt tot warre gestapelde massa + de gekruifde wolken, in plotslinge gloorie toonend + de sterren in hoogte oover hoogte, + zoo joeg de manende Dood van 't aanzicht des Leevens + verstrooyend de scheemrige neevlen van 't leevende. + _In lumine tuo videbimus lumen._ + En het Leeven verrees, het klare, schoone Leeven. + + Toen hoorde beneeden de wachter te middernacht + hoe het geluid van den Dood + oover de stad hong in zeegening, + het zeegende de stille dooden, de zwoegende leevenden, + alle gerechte zielen. + + Liefdrijken en waarachtigen hoorden het in hun slaap, + verborgen in donk're slaapsteeden der volle stad. + _Pax est electis Ejus_. + En vreede vervulde de diepe bronnen des harten. + + Ook de Geboorte zeegende het en de vreugde der moeders. + Want als in tijden van oudsher, nauwlijks herinnerd, + de blijde ziel van den doode + weerkwam op aard, welkom, tot welkom bereid, + zoo keert nu weer, na voltooying, verheldring, verblijding, + welkom de dierbare ziel tot den Vader. + _Justorum autem animae_.... + Dit is de stonde des Doods en de stond der Geboorte. + + En hij die rouwde in wake, onder den tooren, + hoorde dóór dat geluid d'ondoordringbare + majestatische stilt' des begravenen Tijds. + En de jaren van hem die gestorven was + hoorde hij vallen als water, gestort van een schaal + in de woelende, vage, vervormende zee. + De getelde jaren vielen + en mengden zich met 't oneindig verleeden. + ...._in manu Dei sunt_. + de klok luidde hen needer in d'Eeuwigheid. + + Het statig geluid des Leevens, weidsch zich verrustigend, + hoorde hij en 't vloeyen aller wateren + tot de woeste, onvruchtbare, eind'looze zee, + en hoorde de stille wateren, gereezen uit de zee, + voedend en sierend eeuwiglijk de vruchtbare aarde. + en hij zag van hem die gestorven was + de jaren, heimlijk, verspreid, voeden der waereld hart, + _Non tanget illos tormentum mortis_-- + en floerslooze sterren opluikend om de aarde. + + Toen in den tooren, onder der starren schare, + booven de gescepterde dooden, de leevende werkers, + elk in zijn leeger van ruste, + zag hij 't aanweezen eens Engels, die zeegende + zorg en rust,--de Engel van Vreede onuitspreeklijk. + _Pax in aeternum Deï_. + Langsaam verstomde de klok in den luistrenden nacht. + + +[Footnote 1: Naar het Engelsch van Margaret Wood. Lijkzang bij den dood +van haren vader, Bisschop van Londen.] + + + +Vrees niet. + + + Lieve gezicht, met uw angstige oogen, + vrees niet! wat blinken uw blikken zoo bleek? + Denk onzer minne geweldig vermoogen + waar zooveel onrust en euvel voor week-- + En dàn gedenk hoeveel volmacht'ger min + ons sluit met haar getrouwe vleuglen in. + + Had je mij altijd door, avond en morgen, + bleef je mij ooveral eeuwig nabij, + dan zou je rustig zijn en niet meer zorgen-- + waarom dan ben je nu angstig om mij? + Vergeet je den veel liever Minnaar dan + die nooit en nergens ons verlaten kan? + + + + +Op de heuvelen. + + + 'k Zag der bewoude heuvlen donkre deining, + en de akkerkleeden, groen en geel geblokt, + ik zag der wolken blindende verschijning, + in 't welvend blauw teer-zilv'rig uitgevlokt, + + ik zag rondom, als de verstijfde omlijning + van een azuuren hoogbewoogen zee, + 't wijd vergezicht, in eindlooze verfijning, + tot waar een glans-waas 't al vereev'nen dee. + + Ik zag veel besjes tusschen grauw-groen loover + gloend-vermiljoen in najaars-zonneschijn,-- + en diep in 't dal, stil-schuchter in den toover, + de kleine huisjes waar de menschen zijn. + + Het was der aarde moederlijk ontmoeten + d at mij beving met nameloos ontzag, + 'k zag haar onsterf'lijk aangezicht mij groeten, + zij sloeg mij spraakloos met haar schoonen lach. + + 'k Verstond een fluisterklank van haar gepeinzen, + als 't kind het eerste woord uit moeders mond, + terwijl zij 't weidsche licht-geluk liet deinzen + hel-stralend booven purpren horizont. + + Een vlucht'ge glimp gewerd mij van haar denken + en mijn vervaard oog ving een ligt gerucht + van wat zij droomt, bij 't eeuwig ommezwenken + in majestatisch kalme heemel-vlucht. + + Toen keerde ik in,--en vond mijn ziel zóó vreugdig + en mijn geluk met een zóó diep verschiet-- + 'k hervond in al mijn leeven een zoo jeugdig + en een zoo onomfloerst genieten niet. + + En toch!...waar bleeven thands de zoete liefden, + de hart-verlangens van mijn jongen tijd, + mij eenmaal 't dierst?--wat macht'ger drang verhief den + geest van hen weg, tot in deeze eenzaamheid? + + Nu zie 'k hen als de kleine huisjes ginder, + met hun rook-vaantjes blauw in d'effen sfeer, + hun lieve trouwlijkheid geldt mij niet minder, + maar 't heem-genucht begrenst den blik niet meer. + + Thans moet ik noode wijder ruimten peilen, + de ziel stijgt siddrend in doorzichtig Al, + onweetend waar zij weer tot rust verwijlen + wat nu haar voorig heil vervangen zal. + + In wat hier helderst is kan 't oog niet staren, + en angstig zoekt het wat dan toevlucht geeft, + zoolang 't geen wonderteeken kan ontwaren + dat zegt wat leeven aarde en zonne leeft. + + Het avondt zachtkens,--duizend, duizend wolkjes, + als fijn blank schuim met glans van parelmoer, + betrekken met hun raadselvolle kolkjes + in stillen wenk den blauwen heemelvloer, + + en ik berust.--De lichtstem der planeeten + drong éven door, met de echo van een woord. + Wèl kan mijn ziel den wond'ren zin vergeeten, + niet, dat zij 't voor een oogwenk heeft gehoord. + + + + +Het Gebergte. + + + De bergen gingen schuil en er ontstonden + sombre wolkvormen booven 't glanzig meer; + die dreeven weiflend, wentlend heen en weer, + stormden dan opwaarts, dreigden en verzwonden. + Wit schuim werd zichtbaar op het staalblauw vlak + en de seréniteit der wouden brak! + + Waar hoog met zilvren letters stond geschreeven + der aarde schoonste en heiligste gedicht, + in eeuwge sneeuw en fonklend gletscher-licht, + was niet dan duister neevelgrauw gebleeven, + dat onontraadseld, onverstaan, onttoog + het woord der bergen aan mijn dorstend oog. + + Ik had hen niet verstaan, schoon 'k dag aan dag, + in heevige aandacht, 't spel der harmonieën + van wit en grauw, bekleed door draperieën + van zonbeglansde wolkenvacht, bezag, + 't steeds wisslend licht op de altoos starre lijnen, + en 't zoet verkleuren bij des Lichts verdwijnen, + + als een droefschoone roep om weederzien, + onder des heemels zacht verbleekend blauw. + Ik voelde 't aanzijn der mysteriën nauw + of, angstbeklommen, teevens hun ontvlien. + Sterk spreekt uw stem, gebergte! o sterker dan + de stem der zee, die zóó ontroeren kan; + + maar 't luiden van uw zang is zóó verheeven, + en 't rhythme van uw leeven vloeit zóó traag, + dat ik onmachtig in beklemming draag + 't wigt van uw waarheid, onbewolkt gegeeven. + En dat bij 't glanslied van uw majesteit + mijn hart verwelkt en om verzachting schreit. + + Ik zocht in liedren, die de menschen zingen, + wat zich het innigst aan uw schoonheid paart, + maar er weerklinkt geen menschenzang op aard, + die tot uw hooge machtsfeer dóór kan dringen. + En er ontstond een weemoed, die niet zweemt + naar uw geluk, en is uw Weezen vreemd. + + Ik klom toen hoog naar de bezonde weiden + waar, opziend tot den blauwen ether, staan + kelken van dieper-blauwe gentiaan, + waar de arend in spiraal-vlucht zich laat glijden + door lucht zóó stil, zóó helder, zóó verreind, + dat 't àl in tastbaar licht gevangen schijnt. + + Daar is de waereld als een droomgezicht + van licht en stilte,--booven 't sneeuwwit ronden + zich donkerblauw des heemels diepste gronden, + en alles laaft zich aan het gouden licht, + tot van het schamel gras de teerste sprieten, + in roerloos, onverzadelijk genieten. + + Daar dronk ik ín een laafnis koel en zuiver, + en onderging de gloorie deezer wondren, + ik hoorde huivrend de lawinen dondren + in grim'gen afgrond,--en verwon den huiver, + tot 'k immermeer verlangend werd te kennen + en aan 't ontzachlijk Bijzijn te gewennen. + + Toen schoot, uit 't Heiligdom dier heldre spanning, + de berg-storm los, als een verwoede hond, + zoodat 'k moest grijpen 't ijsveld waar ik stond,-- + en dreef mij neer naar 't land van mijn verbanning. + Als bij het toornen van een reus, getergd, + fronsten zich de wolkbrauwen van 't gebergt. + + 't Vervaarlijk Lijf van ros en grauw gesteent, + door sneeuw en blauwige ijsstroom ooverspreid, + omhulde zich tot wintersche eenzaamheid.-- + En ik had niet begreepen,--niet geweend,-- + mat waren al mijn vragen, al mijn beeden + 't pracht-harnas des Verheev'nen langs gegleeden. + + Met al den last van leed, om niet gedragen, + al 't wigt van zorg, onwaardig voor mijn kracht, + smaad nauw vergeeven, kommer nauw verbracht, + met al wat m' in verwondering doet vragen + wat nog tot zulke grootsche Vreugden drijft, + waar mij zoo bitter veel te lijden blijft,-- + + met àl de in smart gekeetende gedachten, + met al den twijfel, dien geen reede sust, + met al de vragen, die in doffe rust + 't verlossingswerk der heilge Rhythmen wachten, + keerde ik weerom, zooals ik was gegaan, + en trad met 't oud geduld de doodsche baan. + + Dag zonder troost! dag van deemoediging, + van kwijnend herfstlicht, jamm'rend windgezucht, + waarin het hart moet wenschen wat het ducht, + en van 't geduchtste de bespoediging...... + Totdat een nijpend lieve melodie + de vale neevelwade scheurde.... en zie!-- + + En zie!--toch had de Onkenbre mij gewijd + en mij een sprank geschonken van zijn krachten, + zoodat ik rustig schouwde in dieper schachten + dan 'k ooit doorgronden kon in jonger tijd. + 'k Zag waangestalten vluchten langs de wanden + en de Vulkaan mijns diepsten Leevens branden. + + Was 't dâárom dan, dat zoolang bleef geslooten + voor teerder zangen mijn gestrenge mond? + Was 't dáárom, dat 'k den welluid niet meer vond + waarmee voorheen de liefde-liedren vlooten, + hoewel nooit scherper ploeg van leed om liefde + den weeken harte-boodem dieper kliefde? + + Vergleeden leeven! lieflijk heuvelland! + waar rond een wijd, blank meer de kusten glooyen + oopen voor 't licht, en zich aanminnig tooyen + met woud en wingert, rossig in den brand + van warme zon,--waar blijde menschen gaan, + waar stil en slank de popelreyen staan, + + waar van dorpskerkjes vroome klokken galmen, + waar vriendlijk volk, geduldig en tevree, + als recht aanvaardt al 't kleine wel en wee, + en Zondags dankt in onverstane psalmen,-- + waar men op heldren dag den sneeuwberg ziet + als heerlijke oogenlust in ver verschiet, + + maar van zijn ijz'ge grimmigheid niet weet;-- + waar wordt geliefd, gerouwd, geklaagd, gebeeden, + maar rust gevonde¯in liedren en gebeeden + en schoone Zaligheid in alle leed.... + Vergleeden leeven! droefheid zonder naam + perst mij, als ik U zie, de lippen saam. + + De droefheid van een vader, die vergrijsd + in zorgvol weeten, bij het ziekbed wijlend + van 't eenig kind, hoort hoe 't in koortsgloed ijlend + de pracht der bonte vizioenen prijst.-- + O bittre glimlach om gewaande prachten! + O Vuurhel der verwoestende gedachten! + + De glimlach van een martlaar, die vóór de ooven + in diepgeweld'ge zelfschouw, zich bezint, + en hoort bij 't scheiden zijn onschuldig kind + verrukt het spel der vlugge vlammen looven.... + Gelukkig volk der blijde landen! weet + dat al uw waarheid nog verwoesting heet. + + Maar ook des vuurs vernietiging is schijn. + Het kan de werking van 't bestaande wenden, + maar niet des weezens vaste kern doen enden, + of wat eenmaal bestaan heeft, niet doen zijn. + Het vluchtig schijnschoon kan alleen vergaan + door wat nóg schooner is, en blijft bestaan. + + En weet het, allen! die in zulke beemden + van dierbre vreede en vruchtbaarheid gedijt, + dat ginds het barre Hooggebergt verbeidt + het uur, dat al dat lieve U zal ontvreemden, + het uur, dat al uw lichtjes zal verdonkren.... + De sneeuwberg blijft in starre blijheid flonkren. + + Gij, die de blindheid kiest, en mij beklaagt + om 't rustloos zoeken naar wat wein'gen deelen, + om 't trots verwerpen van 't geluk der veelen, + uw noodlot wordt ook geen moment verdaagd. + Ik zag d'onwrikbaarheid dier hooge Machten, + wier Heerlijkheid gena kent noch verzachten. + + Uw vroomheid is hen schennis en Godslastring, + uw liefde haat, uw dankgebed een hoon, + als vijand teegen vijand staat hun schoon + oover het uwe, en stormen van verbastring + zullen verdervend door uw waereld woeden-- + als door het lieflijk dal de gletscher-vloeden. + + Wreed is de Liefde van wat onverganklijk + en hoog-verheeven is, en wreeder doet + het schijnen wie Zijn zeegening ontmoet + en wordt allengs voor Zijn geluk ontfanklijk, + zoodat hij liefdeloos heet en verblind, + naarmaat hij méér, met vaster liefde mint. + + En alle trouw aan Hem die niet vergaat, + heet ontrouw onder menschen, die niet lijden + wat stoort hun kleine vreede en klein verblijden. + Maar wie zal klage' om wanbegrip en smaad + die na geduldig en hartstochtelijk dingen + één lichte zeegenwenk Hem kon ontwringen? + + Nog eenmaal zie 'k de blank gekante kroonen + in klaren dag, in statig kalme pracht, + als wilden zij, vóór 't ingaan van den nacht, + nog éénmaal onomsluyerd aan mij toonen + hun stralend Heil, omgord door sombre wouden---- + Gij gaaft, Gebergte!--Ik nam, en zal behouden! + + + + +Goede Werking. + + + Veel kleine, nijdige dwazen + wilden mijn kaarsjen uitblazen, + toen werd het in mijn hand + een machtige fakkelbrand. + + + + +Mijn Vrienden. + + + Ik droeg mijn baloorige vrienden + 't kwaad hart niet toe, dat ze verdienden. + Want al hebben ze mij soms deerlijk bezeerd, + ze hebben zichzelf nog méér geblameerd. + + Op 't schande leeger, mij toegedacht, + liggen ze zelf eens, niet heel zacht, + en ik kan hen, met alle vergeevingsmacht, + van die zelfgespreide bedden + in der eeuwigheid niet meer redden. + + + + +Dichter en Geleerde. + + + De Dichter is een neuswijs kind, + dat Leeven zoekt waar 't niemand vindt. + Hij spreekt met bergen, maan en zon + alsof dat alles leeven kon. + De Dood zelf lijkt hem een bedrog, + zelfs dáárin speurt hij 't leeven nog. + + Maar de Natuurgeleerde + doet juist het omgekeerde. + Zijn heedendaagsche weetenschap + is wonder-slim, en wonder-knap, + want die verklaart, met wijsheid groot, + het Leeven door den Dood. + + + + +Besluit. + + + De waereld scheen mij zoo droef-bevolkt + en de weg der menschen zoo'n harde baan, + dat ik meende wel altijd zorgen-bewolkt + en kommer-beladen door 't leeven te gaan. + + Maar ik schepte een licht verblijden + uit een bronwel booven de tijden, + daarmee wil ik voortaan enk'len + der aandachtigsten besprenklen, + + en de tijden doorschrijden met ligten tred, + en ooveral waar ik mijn schreeden zet + een lichtdrop plengen den droeven, + maar niet in hun duisternis toeven. + + + + + +INHOUD. + + Bladz. +Dante en Beatrice. + +Inleiding 5 +I-XIV 8 +XV-XXV 25 + +Andere Verzen. + +Des Leevens Kern 39 +Koele Mei-dag 41 +Schat mijns Harten 42 +Looverlied 44 +Alles voor U 46 +De Staf 49 +Aan de Groote Dichters 51 +Shelley's Epipsychidion 54 +Stem van Génerzijds 57 +Minnezang 60 +In memoriam 63 +Zelfschouw 67 +Julius Oldach 71 +De Klok 73 +Vrees niet 79 +Op de heuvelen 80 +Het Gebergte! 83 +Goede Werking 91 +Mijn Vrienden 92 +Dichter en Geleerde 93 +Besluit 94 + + + + +De Rivier. + + + De zoomerzon uit violetten damp + beglanst met kooperrooden schijn + de blanke vloeden van den Rijn-- + die gaan door 't volkrijk land + in bochten breed en machtig-- + de stille boomen ter weerskant + staan aan den zacht-bewaasden zoom + te spieglen als in droom. + + Des diepsten Zelfs indachtig + zie ik de groote pracht rondom-- + zoek in der ziele kerngrond om, + 't is daar al eeven prachtig. + Wat kan er zijn + nog bron van pijn? + + Gij lieven allen die nog lijdt, + om mijnentwil in droefheid zijt + waar komt uw smart vandaan? + Waart gij maar diep, maar diep gegaan + in allerdiepste diepten + des Zelfs, gij vondt er enkel pracht. + Ik vond er enkel liefde. + + Wat heeft u dan tot klacht gebracht? + Bestaat er kwaad + ook zonder haat? + + Nu zie 'k der menschen wonderwerk + de graauwe, goud-bekruiste kerk, + een ruigt van spitsen, teer en sterk, + aan bleeken horizont. + + O menschen, hoe hebt gij 't gedaan + 't Schoon wat ik in mijn binnenst vond + zie 'k heerlijk voor mij staan. + + 't Betrouwen op Gods liefde en recht + voor eeuwig, machtig uitgezegd + in prachtbouw, fijn en hecht. + + Laat, lieven, allen u verblijen, + niet minder vast, niet minder schoon + staat in de ziel uw heil'ge woon. + Wat valt er nog te schreyen? + + + + +De Planeet. + + + Blank-glanzende planeet + betuurt aandachtig weeder, + strak-fonklend en teeder, + mijn stillen avond-weg--alsof zij weet-- + + Gaat hare hooge baan, + blij-beezig, zeer verheeven, + zelf wel vol moeizaam leeven, + doch ziet men 't haar sereenen blik niet aan. + + Stelt mij mijn hart gerust,-- + zóó hoog en zóó ontzachlijk! + Scheen 't àl daar-éven hachlijk,-- + mijn ziel nu glimlacht weer in milden lust. + + Haar scherp gekijk behaagt + wie eeven klaar durft schouwen, + wiens blik niet zal verflaauwen + door 't lastig leeven dat hij lachend draagt. + + Als zij, mijn glans-planeet, + draag ik een volk van zorgen, + toch vindt mij elke morgen + tot strengen gang in heldre vreugd gereed. + + Wat bergt zij, wonder-ster, + voor vreemd, gestaltrijk woelen? + Kent zij mijn licht bedoelen? + Eens ken ik 't hare--al is zij nóg zoo ver. + + + + +Mijn Bloemenpleegster. + + + Goede verzorgster van de blijde bloemen, + die fleurig rond mij staan in elk seizoen, + ik blijf uw naam met eender wijding noemen + als toen.-- + + In veeler vrienden plaats vond ik een Vader, + in meenig scherp gevecht vocht ik mij vrij, + maar niemand kwam mijn diepsten hartsgrond nader + dan gij.-- + + Mijn leeven staat thans wonderbaar bescheenen + door glans dien gij niet kent en bijna vreest, + doch hij vermooit van al ding om mij heenen + ú 't meest.-- + + Door eigen leed alleen kunt gij mij deeren + gij doet mij lief, al doet ge mij verdriet, + ik moet u goed zijn, of ik 't zou begeeren + of niet.-- + + Zoo pleeg met mij in bloeme¯en kindren beiden + de schoonheid waar ons beider hart in leeft, + en wat ik u onwillig heb doen lijden, + vergeef 't!-- + + + + + +VAN DE PASSIE-LOOZE LEELIE. + +EEN LIED IN HEBREEUWSCHEN DICHTVORM. + +Den eine Lilie blühet über Berg und Thal, +an allen Enden der Erde. Wer da suchet der +findet. + +Boehme. + + + + +De Aanroep. + +_Aan de schimmen van Beethoven en Bach._ + + + O mijn Broeders, en mijn Heiligen! + Mijn aldernaasten--bij God mijn bemiddelaars! + + Als een eenzame wijlt mijn ziel onder eenzamen, + wie onder de leevenden kent mijn hart? + + En God's aangezicht zal ik, leevende, niet zien, + Zijn glans blijft mij onthouden, hoe ik bid. + + Want mijn onvergolden schuld is nog te geweldig + en te machtig zijn om mij de handen mijner zonde. + + Onder lig ik, als een worstelaar, 't gelaat op de aarde, + tusschen God en mij ligt mijn kwaad op mijn lenden. + + Daarom roep ik u, mijn Broeders, mijn aldernaasten, + dat gij mijn geroep opdraagt tot onzen God. + + In de hallen des nachts stond ik en wrong mijn handen, + in de droomhallen, die ombuigen, dat men geen einde ziet. + + En ik riep, maar mijn stem kon om hun hoogte de welvingen + niet aanraken, + ik riep: "Bach!" en nogmaals riep ik; "Bach!" + + Want ik zocht u, ik, de nog in den lijve leevende, + ik zocht u, Broeders, die droomt in glansrijke eeuwigheid... + + Daar waar het gaan der dagen niet meer bemerkt wordt, + waar de eeuwen rondom staan als kaarse-vlammen om 't altaar, + + waar gij zweeft in sfeeren wichtloos, wilde ik koomen + zachtkens, en op uw hart leggen mijn schuchtere handen. + + Ik haat mijn lippen die dit gerucht maken, + ik verwerp deeze onnut luidende woorden. + + Want zij gaan onvast achter uw statige liederen, + als de stap eens doods-bedroefden achter de lijkbaar. + + Omdat ik dronken ben van uw eevenmaat, + en een geslagene door uw harmonieën. + + Ach, wat is het spreeken in beelden! + Wat is het doen luiden van lucht door keel of snaren! + + Achter dat, diep daarachter is het onnoembare. + Wat is het? Wel u! gij zaligen, die het beseffen kunt. + + Het is dansen, maar de dansers zijn er niet. + Het is beweegen, maar wie is 't die beweegt? + + Het is spreeken, maar wat wordt gezegd? + De ooren verstaan, 't hart schreit om méér verstand. + + Ik riep in de droomhallen, maar er was niemand. + Ik ging eindloos voort, maar de vreemdsoortige steenen zweegen, + + Toen keerde ik weeder naar mijn slapende lijf, + ik zag het liggen, klam van gelatenheid. + + En de dag wachtte, de koele, blanke jongeling, + welgemoed wachtte de morgen, onverschillige cipier. + + Maar somwijlen-- + roep ik ze in mijn droom, de genieën des lieds, + de engelen die u dienden roep ik dan machtiglijk. + + Ik roep ze en zij koomen, en ze dienen ook mij, + zij zingen en beweegen hun bevallige handen. + + Zoo weet gij dat ik uw broeder ben, + en gij wilt mij wel kennen, arm en klein als ik ben. + + Schaamt u niet oover mij, om dit stamelen, + veracht mij niet, omdat ik te zwijgen niet vermocht. + + Hebt gij ook niet het alledaagsche gedaan? + Hebt gij dan van uw verachtelijk praten nooit gewalgd? + + Nu zijn de woorden verwaaid als papier-asch, + maar in rein-gegloeid gouden vlechtwerk van melodieën + ligt uwer ziel zacht gebed. + + Om mijn naasten is 't dat ik spreeken moet-- + om den arme praat ik; die smacht en geen recht vindt, + + om den arme wiens ziel verschrompeld in kommernis, + om den rijke die zijn ziel vergiftigt met ongerechtigheid. + + En ik praat, mijn hart ziedt, maar ik praat zachtkens, + ik leid mijn woorden, als een geduldig meester de kinderkens. + + Met ijzeren toom houdt mijn liefde ze bedwongen, + ik schik ze bedachtsaam en vol zorg, want de arme smacht. + + Een lantaarn oopen ik een handbreed voor der dwazen oogen, + honderd vuuren bouw ik rond hen, en ze zeggen: "wie ziet er wat?" + + Ik luid de noodklok booven hun hoofden, + den doorn der waarheid plant ik in hun borst. + + In tranen buig ik mij tot hun zweeren, + de kleeren mijner trots scheur ik, wijl zij naakt zijn. + + Mijn stem is schor van zeggen en zij lachen, + mijn lippen beeven, en zij roepen: "zing fraayer!" + + Maar dan, o mijn Broeders, + dan, in de dagen van verbittering, + ontmoet ik een zachte vlaag uwer schoonheid, + uw geest die nog omwaart onder 't droeve geslacht. + + Uw lied hebt gij scheidend den menschen gelaten, + in zwarte teekenen geboekt houden zij het. + + Uit aldoor stinkender poel rijst het zuiverlijk, + ooveral leeft het, onaangetast, in zeeën van leelijkheid. + + Als de rooke eener veldbloem in vunze achterbuurt, + als een verdoolde vlinder in bloedig-donker slachthuis, + + als het koeren eener woudduive in beurs-gezwatel, + als het donder-gromlen booven het gejoel eener dorpskermis. + + Zoo blijft gij, herauten Gods, zijn heerlijkheid handhaven, + zijn licht doet gij eerbiedigen in helsche duisternis. + + Waarlijk mag ik u heilgen noemen, + priesters noem ik u en bemiddelaars, + + Zie de lieden saamkoomen, hun denken is nietigheid, + hun hart is laf, hun ziel uitgedoofd, loogen kwijlt hun mond. + + Maar dan doen ze de doode teekenen leeven + en Gods waarheid licht óp uit leevenloos hout en snaren. + + Al is hervonden voor een wijle, geloof en kennis, + weer weet ik, hoe alles goed is wat is, om Godswil. + + Van uit uw doodsrust beweegt ge dan de leevenden-- + van uit uw zaligdom zendt gij de roozen uwer goedheid nog. + + Met zacht verwonden windselen stelpt gij mijn bloeden, + liefelijk omstrengelen de melodieën mijne ziel. + + De blinkende mantel van uw liefde oopent wijd-- + vertrouwelijk ligt mijn hoofd in uw schouderholte. + + Waar de vloeren zijn, en de muuren, en de banken, + waar al het geziene en getaste is, rondom, + + daar is een andere waereld, terzelfder uure, + daar is een groote, wijde zee, terzelfder plaatse, + + daaroover zweef ik veilig, rondom in 't prachtige, + in gouden schoonheidslicht, werkelijker dan werkelijkheid. + + Want deze leelijke waereld is een bange droom + het getaste en geziene is schim en ijdelheid, + + maar de schoonheid staat er midden doorheen waarachtiglijk, + op deeze plaatsen, waar wij zijn, bestaan weezenlijker dingen. + + Wat is het dan toch dat spreekt? Van waar die stemmen? + Hoor ik er niet die elkander vragen en elkander antwoorden? + + Gij zijt het niet, mijn Broeders, gij waart enkel, zij zijn veelen, + gij spreekt één na d'ander, zij gelijkelijk, zonder verwarring. + + Omspannen zij niet ruimte en tijd in geslooten hand? + Zien niet hun oogen de toekomst en elkanders harten? + + Want hun stemmen worden tot één ding, zonder voorafspraak, + en spreekende, weet elk wat de ander zeggen zal. + + Als dit niet het leeven der engelen is, wat is het? + Door u spreeken de gelukzaligen tot ons. + + Hun kristallen wooning staat vast en waarachtig + dwars door onze huizen en kamers, die vaag als damp zijn. + + Hun glans-gestalten beweegen door onze lichamen + als stoomschepen door neevelen des morgens op vlakke zee. + + Zie, ik word ouder, het weeke verhardt in mij, + vast en rimpelig word ik, als een jonge boom die hout maakt. + + in mijnen groei volhard ik strammiger, + ik kan niet leenig meer zwiepen met den wind. + + Maar mijn bloemen zijn fijn en zoet-rookig als van ouds + en al mijn bladeren lispelen eeven teeder in laauwen wind. + + Zoodanig mijn stam gegroeid is kan ik niet meer veranderen, + het gekromde kan ik niet meer recht maken in mij. + + Maar mijn leevende twijgen bidden om vergeeving, telken jare, + en mijn bladeren beweenen mijne zonden. + + De eene mensch is mij zooveel liever niet meer dan de andere + en den weekhartige ben ik tot aanstoot. + + Maar verder gaat de geur mijner bloemen, + verder gaan mijne zaden en mijn schaduwen. + + Grooter zijn mijn verrukkingen + en het licht des heemels ken ik beeter. + + Zoo voert dan mijn stem op, gij machtigen in licht! + wat ik fluister teegen de aarde, zingt het onzen Vader, + + den dank uws broeders, die de lavingen geproefd heeft, + het zoet dat gij van Hem in mijnen mond hebt gelegd. + + Veele schulden zijn mij kwijtgescholden + en uw bericht omtrent Zijn erbarmen heb ik verstaan. + + Maar ook het brood des doods zou ik willens gegeeten hebben, + volhardend in dankbaarheid. + + Want ben ik niet Goodes, God kennende? + En zal Hij zichzelven vernietigen? + + Doch weest gij mijn fakkel, en mijn vóórspraak, + mijn adem, en mijn marmer-treeden, + + mijn licht-toorens, mijn sterke scheepen, + mijn beeken langs den weg, mijn vertrouwelingen. + + Want mijn ziel wijlt als eene eenzame onder eenzamen + en wie is er van de leevenden die mijn hart kent? + + + + +Het Antwoord. + + + Hoe ben ik beschaamd, ik wou zacht spreeken, + mijn waan brak, ik ben verneederd, en zoo gelukkig. + + Met gevouwen handen in mijnen schoot zat ik neer, + omhoog ziend als wie een schat kreeg uit den heemel. + + Trotsert, zeide mijn hart, zul je wéér groot doen? + Zul je wéér spreeken als een machtige oover zichzelf? + + Ik lig neergeslagen als het graanveld na slag-reegen, + langsaam maar heft God's goede zon mij op. + + Langsaam vervliegen in zijn licht de zware schitterende droppen, + de zoete tranen mijner verneedering + + Wat weeten wij, dwalers, neuswijze kinderen, + wat kennen wij onzer eigene domeinen? + + In wat woordpraal wanen we beslooten onze ziel? + Een kind hoort wel de gansche zee zelf in een kinkhoorn. + + Op ons onmeetelijk weezen groeyen de kleine gedachten, + zooals kleine kruiden en mos op eeuwige gebergten. + + Luid verkonden wij onze meeningen en besluiten, + zeggend: "Ik ben, ik wil, ik weet, ik doe." + + Maar het gevaarte onzes weezens weet hiervan niet. + Ziet men 't mos op de bergen, als ze strak blinken aan + blaauwen horizon? + + Waar is ik? Wie is de ik-zegger die recht heeft? + Voorwaar, er zal geen ik-zegger zijn buiten God. + + De mensch zegt: ik wil, maar in hem wil de Eeuwige. + Wie zijn Zelf vatten wil, zijn hand tast in de oneindigheid. + + Inwaarts tuurend door-ijlt onze blik de grondlooze + in zich kookerende verschieten, al heller en inniger, + waaraan geen einde is. + + Ik riep omhoog als een eenzame zonder verwachting-- + Hoezeer heeft het antwoord mij beschaamd! + + En ik zeide Gods aangezicht niet te zullen zien. + Ik keek op van 't geschreevene, en zie! waar was Hij niet? + + Ik zag Hem bij nacht en bij dag, in droom en in waken. + Ik zag Hem in't weemelend water, in de grashalmen voor mijn venster. + + Ik zag Hem in 't licht der maan, ik zag Hem in de duisternis, + Zijn antwoord was in 't voogelzingen, ik hoorde Hem in de stilte. + + In de eenzame stilte, als alleen 't bloed spreekt. + De vlinder heeft mij van hem gesprooken en de morgenzon + + De bevonkte heemelen antwoordden, de verbazenden. + De storm sprak, ook het fluisteren der liefste was van Hem. + + Zie, der teere bloemen fijn uitgebeelde kleur-gedachten, + om Hem alleen zijn zij aanbiddelijk. + + Ik wist het alles, maar ik wist het toch niet. + Want ik zocht Hem immers waar mijn oogen niet reiken. + + Dwaas, die in 't leedig staarde! + Zijn volheid omringt mij toch als den visch het water. + + Maar wij willen Hem niet zoeken waar hij zich te kennen geeft. + Wij willen de heemelsche gloeden en de oopenbaringen terstond. + + Het lofzingen zijner Engelen willen wij hooren, + Zijn lichttroon willen wij zien gevest in des Heelal's midden. + + Met deeze handen van vleesch willen wij het eeuwige tasten, + Ons bevreedigt niet de vreugde van 't voorbijgaande + + Toch heeft hij ons alleen deeze vreugden gegeeven + opdat wij Hem er in kennen zouden, en anders niet. + + Hebben wij niet de lichte velden en het koele water, + de mooye bloemen naast ons en de geurige vruchten, + + de dieren met hun wonderbaar weezen, elk een schoon raadsel, + de geheimen der natuurkracht, zoet om te doorgronden, + + de eindelooze ruimte vol waerelden, + bevolkt met vreemde verbeeldingen. + + en het heerlijke begrip en de muziek, + en elkander--O de liefde hebben wij immers! + + Daarin alleen vinden wij Hem, + ooveral waar vreugd zeer heerlijk is en verheeven. + + Waar wij lust vinden die sterker maakt en verheft, + waar wij de zielen voelen groeyen en stijgen in vreede. + + Want Hij is licht en vreugdrijk, Zijn weezen is zaligheid, + smart is waar Hij niet is, lijden is gebrek aan Hem. + + Daarom lijden zoozeer wie Hem 't meest begeeren, + dan komt Hij, hun heilige smart verkeerend in zaligheid. + + Mijn hand trilt en van tranen zie ik 't geschreevene niet + omdat Hij mij zeggen laat meer dan ik wist te weeten, + + omdat ik Hem zoo goed kan noemen, die mij zoo geslagen heeft, + omdat ik, de met zooveel smart gezeegende, Hem zoo danken moet. + + In den nacht heb ik wel getwijfeld, in de naargeestige uuren, + maar hoe mijn gedachten zwerven, mijn hand schrijft geloof. + + Zijn stem gaat door mijn lippen, ze reinigend, + verkwikt sta ik op van 't schrijven, glanzend mijn oogen. + + Wij hoogmoedigen twijfelen, omdat vreugden vlieden. + Is God dan in 't vergankelijke?--En wat is er meer? + + Maar de neederige leert zien hoe niets vergaat, + hij leert het altijd-duurende erkennen in 't vergankelijke. + + De hoogmoedige vertrapt de teere schatten om hem, + door zijn vloeken hoort hij Gods zachte roepstem niet. + + Maar wie de lijnen en kleuren eener bloem leerde liefhebben + tot hem heeft God gesprooken, als de meester tot een aandachtig kind. + + En wie de schoonheid der avondstonden voelde tot hij schreide, + voorwaar! Gods eigen hand is hem zeegenend op 't hoofd gelegd. + + Maar wie verrukt is geweest door gansch onzelfzuchtige liefde, + die zijn eevenmensch bemind heeft in festijnen van vreugde, + + ja, hem heeft God zelf de lippen gekust, + hij heeft het vaderhart des Eeuwigen voelen kloppen. + + Weest toch niet bang en verlaat u maar, goed-willigen, + waar zeer groote vreede is en vreugde, daar vindt gij Hem. + + In heilige boeken heeft Hij zijn wet doen staven, + maar in elk hart schreef hij ze nog eens, méér kennelijk. + + Met letters van lichtspreidende pijn, + vuurige woorden van felle heerlijkheid. + + Acht het niet, wat menschen goed noemen en wat slecht, + laat u niet meedesleepen en niet verschrikken, + + maar geeft acht op het innerlijk gericht, + vraagt de bevestiging van Gods eigen mond. + + Hij spreekt zacht maar kennelijk, + aan sterke vreugde en rust zult gij Zijn woorden kennen. + + Doch hij spreekt niet tot wie zelfzuchtig is en bevreesd. + In den storm van hartstocht verstomt Zijn geluid. + + Door de poorten der verneedering komt Hij ons hart binnen. + Vreest niets en verlangt niets en alles geeft Hij u. + + Laat los, bangelijken, oopent de krampachtige handen! + Laat los tijdelijk houvast, vertrouwt u moedig aan het eeuwige + + Volgt aandachtig en geduldig, ziet niet angstig achterom, + zoo gij dwaalt, Hij zal u door smart terechtwijzen. + + Zoo gaat blij en onverschrokken, zijn heerlijkheeden zoekend, + vreest zijn terechtwijzing niet, noch ontwijkt ze. + + De menschen zullen u waarschuuwen en haten + maar God zal u troost geeven en macht oover hun boosheid. + + Gaat als een wandelaar, die 's morgens uittrekt naar + mooye, onbekende landen, + gaat als een voogel die al zingende omhoog stijgt. + + Hoe gemakkelijk is het zingen in den morgen + voor wie Gods lichte werken in zich heeft. + + Hij vindt zonder zoeken, hij is echo van Zijn stem, + hij vertelt het gebeurende als een blij kind. + + De wonderen staan zoo duidelijk voor zijn oogen. + Zij zeggen: "hier ben ik!" noemend hunnen naam. + + Tot mooi-spreeken spant hij zich niet, + zijn gedachten zijn gezangen, welluid is zijn zelf-gesprek. + + De menschen verlieten mij, de een na den ander, + veelen heb ik vriend genoemd. Waar zijn nu mijn vrienden? + + Waar vind ik wijdheid van vertrouwen, dag aan dag? + Ook die mij 't zeerst liefhebben beklagen zich oover mij. + + Omdat ik naauwkeuriger acht geef op het waarachtige, + omdat ik stoutmoediger waag te doen wat mij recht schijnt. + + Maar waarlijk de Eenige heeft mij niet teleurgesteld, + mijn ziel is gelaten, mijn geluk stijgt dag aan dag. + + Toch heb ik nu eerst al mijn zonden gezien, + opdoemend als rotsen rondom een schip in neevel. + + Daaraan moest ik te pletter gaan, dacht mij. + Ik boog het hoofd geduldig, ik genoot den kwaden roep. + + En zie! in veilige haven ben ik gevoerd, + rein ben ik, als toen ik gebaad was op den dag mijner geboorte. + + O mijn Vader, vaak heb ik van wonderen gesprooken, + hoe anders zijn ze, nu ik ze waarachtig gebeuren zie. + + Zoo is het ontmoeten van wijdvermaarde menschen, + zij bedroeven de verwachting, maar de droefheid wordt beschaamd. + + Onze denk-beelden zijn grof en ontoereikend, + maar het Zijnde is ontzachlijk en zeer subtiel, + + Hoelang reeds niet weet ik wat wij noodig hebben! + Ik wist het immers toen ik als knaapje naar school ging? + + Vroome wijsheid behoeven wij, maar wie kent den weg er heen? + Nu ik in mijnen middag sta, nu eerst ken ik den weg. + + De morgen verging, het schoone leeven neigde ten avond, + nog was de weg niet gevonden, en het doel zoo ver, zoo ver. + + Nu is mijn tred vast, mijn ziel rustig-- + maar ach! wie vergoedt den verlooren tijd? + + Nu weet ik hoe de vroome wijze te leeven heeft, + zijn zwaren gang weet ik--en zijn onvergelijkelijke zeegeningen. + + Nu weet ik waar de wateren des leevens vloeyen, + nu weet ik waar zij bloeit, de passie-looze Leelie, + + de heilige bloem der vroome wijsheid, + die macht geeft oover het kwade en oover den dood. + + Maar helaas, het is nog ver! + En hoeveel zijn de dagen die mij resten? + + Hoe wordt het schoone en heilige leeven nog misbruikt! + Hoe vermorsen wij jammerlijk onze kostbaarheid! + + Wij verkwisten ons duurste goed als onnoozele kinderen, + als het domme vee dat zijn voer vertrapt, + + En toch is in ons bereik een leeven vol heerlijkheid, + de macht tot allerhoogste zeegeningen is ons geschonken. + + De deur staat oopen tot wat alle droom en hoope oovertreft, + tot vreede en geluk op aarde en zaligheid in den heemel. + + Zijn onze verbeeldingen niet schamel en klein? + Is ons denken niet armzaliger dan het bestaande? + + Wie zal dan zijn hoope schooner wanen dan de werkelijkheid? + Wie zal Gods Heerlijkheeden in verbeelding te booven kunnen gaan? + + Heerlijk, heerlijk is het leeven des vroom-wijzen. + In het leeven vindt hij zeegen, met den dood neemt hij genoegen. + + Leevende zoekt hij de schatten die hij in sterven behouden zal, + hij ontvangt van 't Leeven wat de Dood niet ontneemt, + + Hij gaat door zijn dagen als een blijmoedig strijder. + In zijn nachten proeft hij den voorsmaak van Gods belooning. + + Het lijden weerstaat hij als een held. + als een reiziger die den straatroover oovermant en bindt. + + Zijn blikken zijn als vuur, verzengend het slechte en leelijke, + de schoonheid schittert hem teegen waarheen hij schouwt. + + Hij gaat door de droeve straten, de vuile achterbuurten. + maar de zwaarmoed smelt voor zijn oogen als ijzel. + + Waar hij zijn hand oplegt, daar vliedt de doodsvrees, + het leeven wordt gesterkt en het geluk ontbloeit. + + Hij weerstaat het kwade niet, maar het verwelkt voor zijn aanweezen, + het kan niet zijn waar hij is, door een Gods-wonder. + + Hij leert te zien het waarachtige, maar het droeve en sombere niet, + want het waarachtige is vreugd en schoonheid, en is in alles. + + Toch voelt hij alle lijden en is niet hard, + hij lijdt om den onweetende, den hartstochtelijke, den schijn-vroome. + + Want hij weet dat hij niet zalig kan worden alleen, + hij wil niet de meerdere zijn booven zijn broeders. + + Maar in een feest van veelen zou hij gelukkig zijn, + zijn wijsheid is een brandpunt van veele stralen lichts. + + Zijn hartstochten zijn niet in hem verlooren gegaan, + maar bedwongen tot staat van leevendiger spankracht. + + Zooals bedwongen beweeging tot hitte wordt, daarna tot licht, + zoo wordt zijn hartstocht stil en glansspreidend. + + In sooberheid leeft hij en zeer groote reinheid, + door zorgvuldige orde leeft hij dubbel. + + Geen zuivere vreugde is hem te gering, + verheeven is hij door natuurlijkheid. + + Hij beijvert zich niet goed te doen, + hij doet goed zooals 't water omlaag vliet. + + Hij legt zich niet toe op volmaaktheid, + maar God zeer liefhebbend wordt hij van zelve volmaakt. + + Hij wenscht voor zich geen deugden noch zeegening, + God wenscht hij te gerieven, als zijn eenigsten, liefsten vriend. + + Zoo koomen deugd en zeegen zijns ondanks, + uit nooddruft ontstralen hem blijmoed en goede werken. + + De Schepper aller waereld is zijn innige vertrouwde, + Hem kent hij beeter dan vader, moeder, liefste of kind. + + Van uur tot uur leeft hij met hem, + in bangen en langen, in verrukking en beproeving. + + Hoe kennen wij onze lieven? wie heeft een ganschen mensch gezien? + Huid en oogen zien wij, wij voelen handen en hooren stem. + + Maar de gansche mensch is onzen zinnen een verborgenheid. + Niets weeten wij van hem dan door bemiddeling. + + Zouden wij dan niet eevenzeer onzen God kennen, + schoon wij niets van Hem weeten dan door bemiddeling? + + En tot den vroom-wijze spreekt hij zeer onmiddelijk, + ja, meer onmiddelijk dan vader, moeder, liefste of kind. + + En zooals een vriend den lieven vriend meedeelt van het zijne, + zoo geeft God van zijn eigenheeden aan wie zijn vriend is. + + Van zijn goedheid geeft hij, van zijn vreede, van zijn zaligheid, + van zijn macht oover het kwade, van zijn kennis aller dingen, + + ja, van zijn scheppingsmacht deelt hij meede. + Den mensch, zijn maaksel, maakt hij tot maker. + + Maar wat ons lijfje is in de ruimte vol zonnen en waerelden, + dat zijn onze gedachtetjes in Gods gedachte. + + Zie het vuurige zonnelijf door den befloersten kijker, + met zijn vlekken en vlammen, zijn aureolen. + + zijn donkere kolken, zijn wervelstormen van vuur, + zijn ziedend rond-zwierende gloed-oceanen, zijn licht-orkanen, + + zijn getakte vlam-fakkels millioenen mijlen hoog, + zijn hitte-sfeeren waarin de rotssteen vluchtig moet zijn. + + Wij aanschouwen vlokken en kooksels en uitzwalpingen. + Sombere holten waarin duizend waerelden verzwinden kunnen. + + Het is alles vervaarlijk, onbegrijpelijk, wij hooren geen geluid, + verblindend is het en doodstil, schijnbaar onbeweegelijk. + + Maar wee ons! zoo het gehoord kon worden, wat ware het geluid! + Wee ons! wat ware de snelheid zoo wij nabij waren! + + Aanschouw het langen tijd, verdiep u in het onbegrijpbare + Nochthans bestaat het, niet ééns, maar eindeloos veel malen. + + Zooals dit stoffelijk bestaan is voor ons stoffelijk bestaan, + méér onbegrijpbaar nog is Gods geestelijk weezen voor het onze. + + Doch ons klein lijf kent de geweldige zon als mild en liefelijk. + Dierbaar is zij ons en vertrouwd.--Wat dan der ziel? + + Zoo leeft de vroomwijze met den almachtige in vertrouwd verkeer. + Hoezeer verheeven, niemand geringer vertrouwt hij gansch. + + Vol geheimzinnige leidingen is ons leeven. + Onkenbare machten omringen ons met invloeden. + + Ooveral, ook hier om ons, zijn ontelbare schepselen, + Engelen en démonen, heilige en ellendige. + + Welke dwaas acht zich de hoogste creatuur? + Zou er geen schepsel meer zijn tusschen mensch en God? + + Maar de vroom-wijze betrouwt God alleen en vreest niet. + Hoe anders zou hij heilig van onheilig onderkennen? + + In het land der droomen beweegt hij zich welbewust en willekeurig. + Tempels en melodieën schept hij er door zijn woord. + + Hij ziet de démonen en de geesten, + de gevaarlijken doet hij wijken in naam van God. + + Licht-glimpen krijgt hij er van verborgen kennis, + van de dingen die ver weg zijn, van de dingen der toekomst. + + Want de droomwaereld is de waereld waarin ziel en lijf + gescheiden zijn, + waarin tijd en ruimte verwijderde dingen worden. + + Zoo leeft hij 's nachts in den scheemerenden voorhof van 't + génerzijds. + beproevend de toeneemende krachten zijner ziel. + + Maar ook wakend zal er kracht van hem uitgaan, + zal hij booze machten beheerschen en het verborgene gewaarworden, + + onder heiligen invloed schoone kunstwerken scheppen, + zieken geneezen, zwaarmoedigen beweegen tot geduld. + + Maar al zijn macht is in zijn liefde tot den Volstrekten, + hij helpt alleen waar hij die liefde meedeelt. + + Die liefde moet hij voelen zooals het lijf hitte voelt of pijn, + zoo echt en werkelijk, als het groote gevoel zijns leevens. + + De kiem deezer liefde is oprechtheid onverbiddelijk, + wie de waarheid liefheeft bemint God immers reeds? + + Wie zondigt in oprechtheid, voor hem is vergeeving, + ja, wie Satan liefhad in oprechtheid, zijn eind zou bij God zijn. + + Wie zijn waarachtigen aard deemoediglijk volgen durft, + hij zal terechtkoomen, + maar wie booven zijn macht grijpt valt in duivels hand. + + De wijze erkent zijn zwakheeden en kinderlijke begeerten, + hij zal niet trachten te leeven als een volmaakte, + + Hij ooverspant zich niet tot onnatuurlijke heiligheid. + Hij zegt neederig: "ach! ware ik beeter, maar zóó ben ik". + + Alleen door liefde tot waarheid wil hij beeter worden, + zoo wordt eens het heilige leeven hem natuur. + + Hij zal durven doen wat alle waereld zonde heet, + zeggend: "ik weet niet beeter, God straffe mij dan zoo ik dwaal". + + Om God noch mensch zal hij zijn weezen verkrachten, + weetend dat niemand met vóórwending gediend is. + + De echtheid van zijn gevoel herproeft hij vóór alles. + Zelf-bedrog vreest hij als de eigenlijke hel. + + Waren niet gansche menschgeslachten in de macht der loogen? + Maar in elken enkeling wordt de waarheid herbooren. + + Zoo zal hij zijn innerlijk weezen zuiver houden, + als nieuwe leevens-bron en schatkamer der waarheid. + + Er zijn er die vragen: Waar is God? Hoe zal ik Hem kennen? + En kan men zichzelf deeze liefde gebieden? + + Maar woorden kunnen niets brengen waar niets is. + Een lamp der erkentenis zijn ze in verborgen schatkelders. + + Neemt mijn lamp en doorzoekt uw binnenste, + Gij zult er schoone liefde vinden voor God, + + liefde voor de waarheid, voor het waarachtige, + verlangen naar vreede en geluk, en naar kennis van het zijnde. + + Elk onzen vader kennen wij door gelaat en stem, + aldus kennen wij God door waarheid en vreugde. + + Van het licht zeggen wij: het is, maar de duisternis is niet, + zoo is de heilige vreugde werkelijk, maar de somberheid is niet. + + En zooals de mensch meer leevend en persoonlijk is dan zand, + zoo is God meer leevend en persoonlijk dan de mensch. + + Ja, Hij is het eenigst waarachtige leeven en de eenigste persoon, + Hij is de Ziel aller zielen, het volstrekte leeven. + + Wie naar Hem het aanzicht rigt wordt ziende, + en ontvangt den sleutel aller raadselen. + + Wat de mensch als waarheid liefheeft, het zal hem liefhebben, + noem het licht loogen en gij blijft in duister. + + Maar verheft u en weest uzelven getrouw + en de heerlijkheeden uwer ziel zullen u ontroeren. + + Zooals Hij, antwoordende, mij geringe ontroerd heeft, + toen Hij mijnen waan brak omdat ik Hem vertrouwen bleef. + + + + + +INHOUD. + + +_Eerste periode: Intreede._ + + De Waterleelie + De Lente + Bij 't verwachten der liefste + Avond in de stad + De Noordewind + Scheemering in 't woud + Na zonsondergang aan zee + Booze droom + De eigen uitvaart + Voor de liefste + Voor H + Het vizioen in Spanje. + +_2e periode: In lijdens vuur._ + + In lijdens vuur + Aan mijne liefde + Wandeling + Voor Tonnie + Onze tijd + De reegen + Twaalf sonnetten + To Lady W. + To the Lady Catherine of Belvoir + To John Ruskin + To an Indian Friend + De Geboorte eener Natie + Wijkrans van Drievoudzangen + God en mensch + Aarde + Jezus + Nemesis + De onterfden. + +_3e periode: Uitkomst._ + + 't Zeegeruisch + Herteken + Uitkomst + Leevenswonder + School der minne + Trots en deemoed + Hei-leeuwerik + De Rivier + De Planeet + Mijn Bloemenpleegster + De Passie-looze Leelie, + _De Aanroep_ + _Het antwoord_. + + + + +Transcriber's Notes + +- Added a table of contents at the start. +- Original tables of contents have been retained for historical + interest. +- I encoded the character tie symbol as such in the HTML version + (Unicode HTML character entity reference decimal 8256), and in the + TXT version as a free standing macron (which is in Latin-1). +- I only "fixed" punctuation where the poem contained strong hints what + the correct punctuation would be. In the same vein I have not + normalized or "corrected" spelling, with a few minor exceptions + listed below. +- An example of confusing punctuation that nevertheless follows a + certain logic. "Dank zij Goode! den geever," (page 76): the + comma is correct here despite the fact that the next line starts with + a capital. The indented text is a second voice interlaced with the + first. It's continuation appears to be both the next line and + "... _quae exsuperat omnem sensum_." Such cases make it + impossible for a mere transcriber to decide whether certain variant + spellings were intentional or accidental. +- Fixed printer's error on page 16: "ootmood" to "ootmoed" + ("o" to "e"). +- Normalized punctuation on page 48: "en twijfel zwak," to + "en twijfel zwak." (comma to full-stop). +- Fixed printer's error on page 52: "zwoege" -> "zwoegen" + (final "n" added). +- Fixed printer's error on page 72: "Jahrhundert lang + verkannt," to "Jahrhundert lang verkannt." (comma to full-stop). +- Fixed printer's error on page 107: "waereld, terzelfder + uure." to "waereld, terzelfder uure," (full-stop to comma). +- Changed "Koele Meidag" in the table of contents on page 93 to + "Koele Mei-dag" to reflect the poem's actual title. +- The scans for this ebook can be found at + http://www.archive.org/details/dante_en_beatrice. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Dante en Beatrice, by Frederik Van Eeden + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DANTE EN BEATRICE *** + +***** This file should be named 29075-8.txt or 29075-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/9/0/7/29075/ + +Produced by Anna Tuinman, Branko Collin and the Online +Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
