diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 25515-8.txt | 5639 | ||||
| -rw-r--r-- | 25515-8.zip | bin | 0 -> 115417 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 25515-h.zip | bin | 0 -> 124403 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 25515-h/25515-h.htm | 5345 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
7 files changed, 11000 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/25515-8.txt b/25515-8.txt new file mode 100644 index 0000000..bd144d1 --- /dev/null +++ b/25515-8.txt @@ -0,0 +1,5639 @@ +Project Gutenberg's De roman van den schaatsenrijder, by Cyriel Buysse + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De roman van den schaatsenrijder + +Author: Cyriel Buysse + +Release Date: May 18, 2008 [EBook #25515] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER *** + + + + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman +and the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + + + + Nieuwe Romans + + Cyriel Buysse + + + De Roman van den Schaatsenrijder + + Maatschappij voor Goede en Goedkoope + Lectuur te Amsterdam--1918 + + + + + + + +DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER + +EERSTE DEEL + + + +I + +Het kleine plekje bij den Lusthof + + +Ik wil u een en ander vertellen uit het leven van een schaatsenrijder. + +Die schaatsenrijder ben ik. + +Ik heb zóóveel, in verschillende landen, op schaatsen gereden, dat het +schaatsenrijden in mijn leven een stuk leven op zichzelf geworden is. + +Ik herinner mij nog die jonge, sterke jaren mijner jeugd, met die +lange, saaie winters buiten, waar het ijs dan eensklaps, als onder +de macht eener tooverroede, kleur en fleur en beweging in bracht. + +Het was er ineens, na eindelooze dagen van grijze eentonigheid; ineens, +op een frisschen, prikkelenden morgen: velden en boomen wit-berijpt, +de harde grond klinkend onder de voetstappen, de neusgaten der paarden +dampend en de zon die nevelig-oranje aan den blauw-wazigen einder +oprees met korte, gouden stralen, die alom miljoenen en miljoenen +diamanten deden fonkelen. + +Even buiten 't dorp, op korten afstand van ons huis, lag de +Lusthof. Die Lusthof heette te zijn het zomerverblijf van den +dorpsnotaris. 'n Zonderlinge fantaisie! Een villa-achtig gebouwtje +in roode steen met châlet-dak, zoo iets als men ziet afgebeeld op +goedkoope chromos en prent-briefkaarten. Het lag aan den voorkant +langs den trekweg van 't kanaal en aan de achterzijde grensde het aan +een stuk weiland, dat gedeeltelijk tot lusttuintje was ingericht. Er +stonden banken, er waren priëeltjes, er lag een vijvertje met roode +vischjes en een fonteintje, dat tusschen rotsblokken van sintels +opspoot; en op een grasveldje prijkte een groote, glazen bol, waarin +de gansche omgeving zich wanstaltig en gedrochtelijk weerkaatste. + +De dorpsnotaris, die in het dorp zelf, op nog geen tien minuten +afstands, een prachtig oud huis, met een heerlijken, uitgestrekten +tuin bewoonde, kwam 's zomers, op den Lusthof, af en toe enkele uren +doorbrengen. Een onzinnig idee, een dorpsprotserige aberratie, om te +kunnen zeggen, dat hij een "binnen" en een "buiten" had. Hij deed er +niets; er was ook niets te doen; hij liep een paar keer rondom zijn +onnoozel tuintje, keek naar de schaarsche bloemen en deed even het +fonteintje spuiten; en ten slotte ging hij zitten op een bank tegen +den achtergevel van het huis, waar hij dan nurksch bleef vóór zich +uit staren, tot hij er eindelijk genoeg van had en met trage, stramme +schreden door de velden naar het dorp terugkeerde. De villa zelve, +voor zoover ik weet, is nooit ook maar één enkelen dag bewoond geweest. + +Wat voor mij en een paar andere jongens van mijn leeftijd de +aantrekkelijkheid van den Lusthof uitmaakte, was het kleine stukje +weiland dat achter het tuintje lag en geregeld 's winters onder +water liep. Dat kwam zoo omdat de gekke notaris de eene helft van +het stuk weiland, dat hij in lusttuin had herschapen, eenigszins +had laten ophoogen en daardoor al het water naar het laag-liggend +gedeelte had gedreven. Het vormde daar een soort plasje van niet +meer dan een paar honderd vierkante meters oppervlakte en zóó ondiep, +dat het dadelijk bevroor en zonder eenig gevaar kon bereden worden, +terwijl er op de grootere wateren nog in de verste verte maar geen +sprake was van schaatsenrijden. + +Daar, op dat plekje, heb ik als jonge jongen mijn eerste +schaatsenschreden gewaagd. O, dat _eerste_ komen op het maagdelijk +ijs, het donker ijs, donker als water, met het gras dat er nog groen +doorheen schijnt, als door een schoonen, breeden spiegel! Zal het +reeds dragen, na die slechts een of twee nachten vorst, of zal het +kraken en breken, met modderig-opspattend water, over den mooien, +gladden spiegel? Een voet gewaagd en eens gedrukt. Het kraakt, er +komen sterren in, maar het schijnt toch te kunnen dragen. Jawel, het +draagt, het draagt; het kraakt al minder een eind verder; ik schuif +er glijdend overheen; ik voel mijn hart popelen en mijn oogen stralen; +ik keer terug naar den kant en bind met hijgende haast mijn schaatsen +aan. Ik ben alweer de eerste, de éérste; ik geef het mooie voorbeeld, +dat straks met uitgelaten vreugde door de verraste schooljongens +nagevolgd zal worden. Ik sta op mijn schaatsen op het maagdelijk +donker ijs, ik rijd er overheen, ik voel mij zweven als een vogel, +een dolle blijheid zweept mij op, er bestaat niets meer voor mij op +de wereld behalve het verrukkelijk genot van 't schaatsenrijden! + +De zachte zon rijst hooger aan den einder en glinstert over +de wonderschoone tooverwereld van zilveren rijp en fonkelende +diamanten. Daar ligt het dorpje stil te baden in die heerlijkheid, +met de cijfers en de wijzers van de uurplaat op den kerktoren die +tintelen als goud; daar staat de oude, houten molen droomerig op zijn +berm, als een sterke, kalme reus, die met gekruiste armen in starende +bespiegeling van al zijn vroegere vermoeienis schijnt uit te rusten; +daar komen in de verte reeds de schooljongens, die nog niets vermoeden, +die mij nog niet zien en als een troepje uitgelaten vogels klepperen en +snateren, de kragen opgetrokken, de schouders huiverend, de verkleumde +handjes in hun dikke, wollen wanten. Maar eensklaps hebben zij mij +ontdekt en zij komen gevlogen; en in een oogwenk is het ijsveldje vol +van hun drukte; en zij rennen, glijden, struikelen, buitelen en vallen, +terwijl het alom luid opdreunt van hun dolle, wilde, uitbundige pret. + +Maar.... daar komt meteen over het veld een strenge, stramme, donkere +gestalte aan: meneer de dorpsnotaris, bezitter van den Lusthof en van +'t verdronken stukje weiland, dat er bij behoort! + +De pret verstomt, de jongens dringen stil en schuchter op een +hoekje bij elkaar. Ik voel een groote, gróóte droefheid als 't ware +verstijvend over mij neerkomen en rijd nog slechts met lustelooze +slagen door. Wat zal hij zeggen! Zal hij onze vreugd verstoren, ons +met ruw gebaar, tyranisch van het heerlijk ijsveldje wegjagen! Daar +is hij. Met stramme beenen komt hij uit den hollen landweg, schrijdt +dwars over het weiland, langs den rand van het ijs heen, blijft daar +even onbewegelijk staan kijken. + +Hij zegt niets, maakt geen gebaar, schreeuwt geen bedreiging +uit. Ik rijd maar door, en doe mijn uiterste best om kalm en mooi +te rijden. Wie weet: misschien interesseert het hem, misschien kan +dàt hem nog vermurwen! Dat duurt zoo enkele minuten, in knellende +onzekerheid. Steeds roerloos staan de jongens op een hoopje, als +versteend door mijn durf, zonder zelven nog iets te durven. Dan gaat +hij eindelijk langzaam heen. Wij verademen, verádemen! Maar nog even +staat hij en dadelijk weer prangt de griezeling. Zal hij nu toch.... op +'t laatste oogenblik.... toen alles reeds gered scheen....? Neen; wat +hem daar nog even geboeid houdt is een molshoopje, niets anders dan een +versch molshoopje in 't korte gras. Hij trapt het open met den voet, +en goddank is hij eindelijk weg, weg op zijn schrale, stijve beenen, +door zijn hekje, in zijn onnoozel tuintje, waar het spuitfonteintje +nu gestold is, maar waar de gedrochtelijke glazen bal potsierlijk +glinstert in de heerlijk-stralende winterochtendzon. + +Als een troep jubelende musschen vliegt de knapenbende dadelijk weer +joelend over 't ijs. Zij rennen en glijden en zwieren daar nog een +poosje rond en dan spoeden zij zich huiswaarts, om algauw wat te +gaan eten en daarna terug te komen, met ijssleedjes en schaatsen, +voor den ganschen, langen namiddag, want zij hebben vrij dien middag, +niet omdat er ijs ligt, maar omdat het een donderdag is. + + + + +II + +DE "WAL" VAN 'T ARMENHUIS + + +Het kleine ijsveldje achter den Lusthof voldeed ons echter slechts +zoolang en in zooverre er geen betere gelegenheid te vinden was. Het +was al spoedig "doodgereden" en als het door bleef vriezen wendden +onze gretige jongensoogen zich gauw genoeg naar een andere richting. + +Op korten afstand van het dorp lag het Armenhuis, omgeven door een +prachtigen "wal." Daar was het heerlijk te rijden, maar het ijs moest +eerst goed sterk zijn, want de wal was diep en had menige gevaarlijke +plaats. Elken dag, vóór of na ons sjouwen bij den Lusthof, gingen +wij er eens naar kijken en het ijs probeeren, tot het eindelijk als +een jubel- en triomfkreet weerklonk: + +--De wal van 't Oarmhuis ligt stirk! + +Van dat oogenblik af, was het peuterveldje achter den Lusthof +definitief verlaten. + +Wij kwamen met onze schaatsen bij den vijver van het Armenhuis en 't +was een heele durf om er den eersten voet op te zetten. Ik herinner +mij meer dan eens daarheen gegaan te zijn en ook teruggekomen, zonder +mijn schaatsen te durven aantrekken. En ik herinner mij ook hoe Guus +Boevers, de waaghalzige zoon der groote boerderij, welke daar aan +den oever lag, ons eens minachtend om onzen angst bespotte en zelf, +in dolle vermetelheid, de eerste schreden op den dichtgevroren vijver +deed. Hij was groot, zwaar, lomp en dik en ik zie hem nog met geweld +op zijn breede klompen over 't ijs loopen, dat zienderoogen onder +zijn gewicht inzakte en akelig kraakte, alsof het ieder oogenblik zou +barsten. Maar het barstte niet en de waaghals kwam behouden terug aan +den oever en lachte ons uit en vroeg ons of we soms een varkensblaas +om onzen hals wilden binden, zoodat we niet zouden verdrinken als we +doorzakten. Toen schaamden wij ons diep en bonden onze schaatsen aan. + +Dat rijden op den vijver van het Armenhuis was een emotievol en +rijk-afwisselend genot. Het had iets griezeligs en tevens iets +gezelligs, dat andere ijsbanen niet hadden. 't Was eerst een +lange, rechte, tamelijk breede sloot, dan een bruuske, korte, +smalle bocht tusschen rechts en links overhangende struiken, dan de +eigenlijke vijverkom, breed en mooi, met een begroeid eilandje en een +eendenhuisje in het midden, dan weer een bocht, en een vernauwing en +eindelijk een tweede rechte lijn met een gewelfde steenen brug er +over, die zich, na een laatste, breede bocht, bij de eerste rechte +lijn aansloot. Zoo vormde het gansche erf van 't Armenhuis een +tamelijk groot eiland, waarop allerlei gebouwen stonden: de lange, +geelgekalkte, twee-verdiepingen-hooge vertrekken der oude-mannetjes en +oude-vrouwtjes, het hospitaal, de keukens, de kerk, de boerderij. Er +was daar altijd leven en beweging. Hier zag men de oudjes met moeite +kuieren, gebogen steunend op hun stokjes, of roerloos zittende in een +lange rij op een bank in de zon langs een muur, de stokjes, waarop +hunne handen leunden, dan gekneld tusschen hun knieën; daar waren 't de +weeskinderen, die kakelend onder elkander op een pleintje speelden of +hun les op zegden; nog verder was het de bedrijvigheid der boerderij, +het op-en-afrijden van karren en wagens, 't gekadanseerd geluid van +dorschvlegels in de schuur, 't eentonig zoemen van een wannemolen. De +nonnetjes die het gesticht beheerden liepen geruischloos heen en +weer: stille, zwarte verschijningen met witte borstdoeken en witte +kapjes, frissche gezichten en zacht-glimlachende oogen, op eens gansch +onverwacht ergens opduikend om een hoekje, opeens gansch onverwacht +ergens verdwijnend in een deurtje, als vlijtige, nijvere bijtjes, +die wel overal tegelijk zouden moeten zijn en zich maar nooit een +oogenblikje ontspanning of rust mogen gunnen. + +Dat alles reden wij voortdurend langs en wij zagen dat alles. En de +gansche vijver had voor ons een soort van eigen en van eigenaardig +leven, dat medeleefde in afwisseling en stemming, met wat langs zijn +oevers al gebeurde of met wat er was te zien. Het eerste rechte eind, +waar dikwijls langs den muur de oudjes zaten, was als iets strams en +stijfs en wel vervelend in zijn onbewogen eentonigheid. 't Had iets +inspannends om daar langs te rijden, alsof de gang verloomde en geremd +werd over het weerbarstig-schrapend ijs. Maar bij het witte kerkje met +zijn puntig klokketorentje werd het dadelijk veel lichter. Het was of +daar iets zachts stond te glimlachen en te troosten; en haast altijd +was daar ergens om en bij de silhouet van 't een of 't ander nonnetje, +komend uit het kerkje, gaande naar het kerkje, even naar ons opkijkend +met ingetogen blik en dadelijk weer de oogen van ons afwendend, zonder +dat men eigenlijk beseffen kon of het raadselachtig, stille wezen +ons vermaak wel goed dan afkeurde. Even voorbij het kerkje waren de +keukengebouwen en daarnaast het hospitaal. En wat wij ook al deden, +een onoverwinnelijk gevoel van displezier maakte zich daar van ons +meester. Het ijs lag er steeds onbetrouwbaar en had er een vuilgele +kleur; en juist in de bocht, de benauwde, smalle bocht waar takken +van heesters overheen hingen en waar het hospitaal stond, loosde een +vieze goot haast aanhoudend een grijs straaltje lauwachtig water, +dat daar het ijs totaal bedierf en ons noodzaakte langs den smallen +overkant bijna tot in het oevergras te rijden. Wij griezelden van dat +plekje. Het vergalde ons telkens, bij elken omrit, voor een poosje +'t genot van den tocht; en wij waren er allen vast van overtuigd, +dat dat akelig, grijs-lauw water zooiets was als het weeë aftreksel +van al de ziekten en de kwalen, waaraan die afgeleefde oude mannetjes +en vrouwtjes al sinds jaren laboreerden. Gek idee en dat zich toch +zoo onuitroeibaar-sterk in ons frisch en gezond kwajongens-gemoed +vastankerde! Nu nog, na al die jaren, zie ik duidelijk dat akelig-vies +waterstraaltje loopen en word ik er nog wee van als ik er aan denk. + +Doch wij kwamen spoedig op den grooten, ronden vijver met het +kleine eilandje en daar was alles wel loutere vreugd en genot. Men +kon er ruim in lange, breede slagen zwieren, het ijs was er gezond +en sterk en zuiver en de omgeving liefelijk en riant. Daar lag, +aan den rechteroever, midden in haar schoonen, naar den vijver +afglooienden boomgaard, de groote boerderij van Boevers, met roze +gebouwen en groen-en-witte geverfde deuren en luikjes; daar liep +een kronkelende landweg, beplant met hooge, forsche eiken en alom +den vijver groeiden heesters, waarin haast altijd fladderende benden +sijsjes hingen, lieve geel-en-bruine vogeltjes die zich te goed deden +aan de verdorde katjes van de elzestruiken en af en toe met fijne +piepstemmetjes jubel-kwetterden, heel fijn, heel zacht en ingetogen, +maar met verrukkelijke zilverklankjes, die schenen te getuigen van al +'t mooie dat ze zingen konden, als ze dat maar wilden. + +Daar hielden wij ons altijd gaarne heel lang op. Het kostte moeite +om er weg te komen. Er was voortdurende afwisseling en men ademde +er ruim en vrij. Een van de groote attracties was er het leven op +de boerderij van Boevers. Er was daar altijd iets te doen, iets te +zien of te hooren en niet zelden kwam de dikke Guus Boevers aan den +rand van 't ijs staan en bemoeide zich met onze bedrijvigheid. Ik +kan niet zeggen, dat wij zeer veel van hem hielden. Hij was ons wel +wat te spotzuchtig aangelegd en wij voelden steeds een beetje angst +voor hem. Maar het was een levendig-opgewekte kerel, een durver vol +verrassingen en dat boezemde ons wel belangstelling en ontzag voor hem +in. Hij kon daar zoo meedoogenloos met ons staan spotten, bewerend +dat wij knoeiers waren, dat wij niets van 't schaatsenrijden kenden +en hij ging weddenschappen met ons aan, dat hij, zonder schaatsen, +op zijn klompen, vlugger den vijver om zou toeren dan wij op onze +ijzers. En waarachtig, hij deed het; hij kwam met zijn vuile klompen +op het ijs, tot onze groote ontstemming en ergernis het ijs bemorsend; +en daar begon de wedren; hij met dreunende reuzenschreden loopend, +wij naast hem aanrijdend, met zwoegende armen en beenen; en zóó +reuzesterk en taai was hij, dat hij ons niet zelden overwon. Toen +juichte hij minachtend en schold ons uit voor luiaards en dreigde +ons zijn grooten waakhond achterna te zenden, om ons op te porren. + +Aan dat beest hadden wij allen een geweldigen hekel en Boevers wist +dat wel. Het was een groot, sterk dier met gele huid en donkere +snoet, die meestal, half in half uit zijn hok gelegen, ons roerloos, +met bloeddoorloopen oogen lag te beloeren, maar die als razend op +ons afgestoven kwam zoodra Guus Boevers hem maar even losliet. Zijn +bovenlip stond opgekruld, zijn wreede, witte tanden snauwden, zijn +grof geblaf klonk hol als uit een ton en hij raasde springend langs den +oever met ons mede, getergd en verwoed door 't gekras onzer schaatsen, +alsof hij ons elk oogenblik zou gaan verscheuren. Hij durfde zich +echter op den vijver niet wagen; telkens probeerde hij met één poot, +dien hij dadelijk, bij de eerste kille aanvoeling, weer introk, of hij +lepperde even met zijn zenuwachtige, roze tong over 't ijs, alsof hij +die geheele breede vlakte hoopte in te slikken om bij ons te komen; +doch daar bleef het bij, hij durfde niet en wij hadden innerlijke +pret in onzen haat en afkeer voor het beest, omdat hij machteloos +was. Maar eens op een ochtend tilde Guus Boevers, die graag zijn hond +tegen ons ophitste, het monster in zijn beide sterke armen op en kwam +er zoo mee op den vijver. + +Gillend vluchtten wij langs alle kanten weg, als een bende verschrikte +musschen. Boevers, proestlachend, zette zijn hond midden op de +ijsvlakte neer en schreeuwde: + +--Ala, Baron, pak ze! + +Het was een doodsbenauwend oogenblik. Wij zaten allen op het kleine +eenden-eilandje gevlucht en van daaruit keken wij met kloppend +hart. Maar onze angst veranderde al spoedig in wild-uitbundig hoon- +en spotgelach. Nooit heb ik koddiger en belachelijker tafereel +aanschouwd. De groote hond, doorgaans een en al bloeddorstige +verscheuringswoede, stond daar als een stramme, gedrochtelijke pop op +'t gladde ijs en wat hij ook al deed en hoe of hij zich ook inspande, +geen stap kwam hij verder. Hij gleed voortdurend uit en struikelde, +zijn dikke, grove pooten schoten van onder hem weg, hij viel op +zijn achterste, krabbelde met moeite weer overeind, gleed nogmaals +en viel opnieuw, als een onnoozel sukkelkind, dat zijn allereerste +schreden waagt. Hij jankte en piepte van ellende, hij hijgde amechtig +en lepperde weer af en toe met zijn lange, roze tong over het ijs, +alsof hij het wou opslikken, en zijn wreede oogen loerden gretig +naar den veiligen oever, het eenige doel waar al zijn krachten naar +streefden en dat hij machteloos poogde te bereiken. + +Wij gilden en sjouwden als wilden op ons eilandje. Wij kwamen er al +spoedig vandaan en omringden zwermend onzen stumperigen vijand en +zijn meester. Guus Boevers glimlachte zuur. "Ala, loeder!" schold +hij op zijn hond en trapte hem vrij onzacht met zijn klompen vooruit, +waarbij de hond telkens weer jankte en struikelde. Eindelijk was hij +aan den kant en liep zich druipstaartend in zijn hok verschuilen. + +Een luid hoezeegejouw steeg uit de jongensbende op. + +--Wacht 'n beetsen; 'k zal ulder goan hên! dreigde Guus, weer op +ons afkomend. + +Wij waren banger voor Guus dan voor zijn hond op het ijs en haastig +zwierden wij maar eens in volle vaart den vijver rond. + + + +Wat lijkt dat alles nu lang en ver verleden en toch staat het zoo +levendig nog in het geheugen! Ik herinner mij nog enkele van die +jongens en heb ook hun namen onthouden. Er was een Peetse Kins, +een Bruuntje Geelewie, en er waren drie broeders: Dolfken, Mielken +en Fontje Vervaet. En een drietal jaren geleden, juist één jaar vóór +den oorlog, die zoo schandelijk ons mooie land verwoest heeft, was +ik toevallig 's winters weer op 't dorp en uit oude herinnering ging +ik eens wandelen tot aan den "wal van 't Oarmhuis" waarop, naar men +mij vertelde, schaats gereden werd. + +'t Was er nog net precies zooals meer dan dertig jaar geleden, in mijn +jongen tijd. Nog steeds kuierden er de oude mannetjes en vrouwtjes +op stokjes en krukjes of zaten er peinzend uit te rusten in de zon; +nog steeds joelden er spelende kinderen op het pleintje vóór de kerk; +en ook de nonnetjes liepen er nog stil en ingetogen heen en weer; +en ook het vieze, grijslauw waterstraaltje stroelde nog, het ijs +bedervend, in de smalle bocht; en over den vijver reden jolig op en af +de jongens, zooals wij zooveel jaren vroeger zelf hadden gedaan. De +groote boerderij van Boevers stond daar nog altijd met dezelfde roze +muren en dezelfde wit-en-groen geverfde deuren en luikjes; en in +het hondenhok lag er een waakhond; en in de heesters om den vijver +hingen fladderende benden sijsjes, die van de droge katjes uit het +elzenhout genoten en af en toe heel zacht en liefelijk kweelden, +met zilverstemmetjes in ondertoon gehouden. + +Ik keek en hoorde dat alles aan met stillen weemoed en emotie. Het +was iets van mijn eigen, lang vervlogen, jonge jeugd, dat zich daar +afspeelde. Hoevelen zouden er nog wel in leven zijn van dezen die daar +met mij rondzwierden, en waar zouden zij wel zijn, en hoe zou het hun +verder in het leven zijn gegaan? Maar eensklaps bleef ik roerloos +staan en sperden zich mijn oogen open van verbazing. Wat?.... Wat +zag ik daar? Was dat niet precies een van mijn vroegere kameraadjes; +leek dat niet precies op Peetse Kins,.... wàs dat niet Peetse Kins +in eigen persoon, die slungelachtige, zestienjarige knaap, die daar +met de anderen ronddraaide! Het was immers niet mogelijk; het was +gezichts- en zinsbedrog; en toch: hij leek zóó sprekend, dat ik naar +hem toe ging en op den man af vroeg: + +--Hoe hiet-e gij, manneken? + +Vreemd keek hij mij aan en een lichte kleur kwam over zijn geelachtige +wangen. Zijn blauwe oogen schuchterden even en keken naar den grond, +net Peetse Kins wanneer hij gegeneerd was. Hij glimlachte bedeesd en +aarzelde met zijn antwoord. + +--Hoe hiet-e gij? drong ik nog eens, vriendelijk-bemoedigend aan. + +--Beziel Kins! + +--Zij-je gij misschien de zeune van Peetse Kins? + +--Joaj ik, meniere. + +Een stilte. Star keek ik hem aan. Een wereld van herinneringen golfde +door mijn gemoed. + +--En ou voader? Leeft hij nog? vroeg ik eindelijk. + +Een weeke glimlach zweefde over 's jongetjes gelaat. + +--O, nien hij, meniere, hij es al zeu laaë deud! + +Ach! wat trof mij dat pijnlijk! En wat was het vreemd, dat het mij zoo +pijnlijk trof! In al die lange jaren had ik zelfs niet eens meer aan +Peetse gedacht. Ik was hem totaal vergeten, ik had hem trouwens nooit +anders dan even op het ijs gekend en nu boezemde mij zijn levenslot +eensklaps een zoo diepe belangstelling in. + +--Wa was ou voader? vroeg ik zacht. + +--Wa blieft er ou, meniere? zei het knaapje, die mijn vraag niet +scheen te vatten. + +--Wa dat hij was? Wa dat hij dee veur zijn bestoan? lichtte ik toe. + +--Boereknecht, meniere. Hij es gestorven te gevolge van 'n verhitheid, +in den oesttijd. + +Om ons heen hadden zich van lieverlede de andere bengels in een +troepje geschaard, benieuwd om te weten wat die vreemde meneer aan hun +makkertje wel te vertellen had. En over het ijs kwam ook met trage, +stramme schreden een der oud-mannetjes uit het Armenhuis naar ons toe: +een klein, bleek ventje met grijze oogen, die mij oolijk aankeken, +terwijl hij stil glimlachte in zijn vollen, grijzen baard. Hij +spuwde van zich af een straaltje bruin tabakssap, veegde zijn mond, +glimlachte inniger en zei: + +--Da es toch precies zijn voader, e-woar, meniere? + +--Precies, antwoordde ik met overtuiging, zonder verder veel aandacht +aan het oudje te wijden. Maar hij zelf kwam zich opdringen, duwde +zijn verschrompeld gezicht onder mijn neus, keek mij strak aan, +met zijn lachende grijze oogen en ging voort: + +--Weet ge 't nog, meniere, den tijd da w'hier al te goar op de wal +reejen en da Guus Boevers mee zijne greuten hond achter ons kwam? + +Verbaasd keek ik het oudje aan. Hoe wist die? Hoe kon hij weten wat +er destijds.... Ik keek hem aan met scherper aandacht en eensklaps +kwam het mij voor alsof ik ook dàt gezicht reeds vroeger ergens had +gezien. Doch waar, in welke verre oorden, in welke lang vervlogen +tijden? Hij glimlachte, hij bleef maar aldoor glimlachen, zijn oolijke +grijze oogen strak op mij gevestigd; en eindelijk zei hij: + +--Meniere, 'k geleuve da ge mij nie'n herkent. + +--Nien ik, 'k 'n herken ou niet, antwoordde ik met volle oprechtheid. + +--Bruuntje Geelewie, herinnert-e gij ou Bruuntje Geelewie nie +meer? glimlachte hij. + +Bruuntje Geelewie! Ineens ging mij een helder licht op! En meteen +herleefde ik vol innige emotie, weer in het ver verleden. Bruuntje +Geelewie! Mijn tijdgenoot, mijn ijsmakker van vroeger, evenals +Peetse Kins, evenals Dolfken, Mielken en Fontje Vervaet, en +zooveel anderen! Was dàt Bruuntje Geelewie, dat sukkelventje uit +'t oud-mannenhuis, dat stakkerdje, dat menschenwrak! Een grenzelooze +weemoed greep mij aan en 't was alsof ik mijzelf daar zag staan, oud, +versleten, gebroken, een ruïne. + +--O, Bruuntje, zij-de gij Bruuntje! riep ik, haast niet kunnende +gelooven. + +--Zeker, meniere, zeker, herhaalde het ventje, nog meer verbaasd over +mijn ontdaanheid dan ik over zijn bedroevende aftakeling. En in korte, +stil-geresigneerde woorden, vertelde hij mij iets van zijn leven. + +Hij had zooveel en hard gewerkt. Tè veel, tè hard, om maar een hoop +geld te verdienen, zei hij. Hij ging ieder jaar naar Frankrijk, om +er den oogst te helpen doen. Hij en de andere Vlamingen, die met hem +medegingen, werkten daar om zoo te zeggen dag en nacht; en daar was +hij niet sterk genoeg voor, dat had hem geknakt. Hij was er doodziek +geworden, men had hem naar zijn land teruggebracht en zoo zat hij nu in +'t Armenhuis, om er zijn leven te eindigen. + +Zijn leven te eindigen! Nu reeds! Hoe oud was hij dan wel? + +--Twie en vijftig, zei hij glimlachend. + +Twee en vijftig! Hij zag er wel zeventig uit! En hij was jonger dan ik! + +Ik had daar wel willen weg zijn; en het speet mij, dat ik er gekomen +was. Ik voelde ineens den afstand, het verleden, al die lange, lange +jaren loodzwaar op mijn eigen leven drukken. Het kwam mij voor alsof +ik nog de eenig overgeblevene, de eenig levende was in een oord van +afgebeulden en van dooden. Maar ik dacht ook weer aan de anderen uit +dien tijd en wilde weten wat er ook van hen geworden was. + +--Guus Boevers? vroeg ik. + +--Deud, meniere; verongelukt mee zijn peirden. + +--Dolfke Vervoat? + +--Euk deud: deudgedronken! + +--Mielke Vervoat? + +--Noar Amerika. + +--Fontje Vervoat? + +--Euk noar Amerika. + +Ik zweeg. Een pijnlijk heimwee, een stille droefheid sloop in mij +neer, zoo iets gelijk de stille, grijze, kille mist, die alom over het +land ging hangen. 't Begon te avonden en te nevelen, een bleeke, roze +schemering tintte nog vagelijk het westen en in het grijs kerktorentje +van 't Armenhuis tampte in kadans een klokje. Enkele knapen bonden +reeds hun schaatsen af en de sijsjes in de elzestruiken waren druk +onder elkander aan het tjilpen en aan 't piepen, vóór ze zich ergens +tot de nachtrust gingen wegschuilen. + +Ik haalde iets uit mijn zak en gaf het aan Bruuntje. Zijn oogen +glommen en hij dankte mij vurig. Ik drukte hem de hand tot afscheid. + +--Zilt-e nog ne kier weere komen, meniere? vroeg hij, gretig mij +nastarend. + +--Zeker, Bruuntje, zeker. + +Maar ik voelde wel, dat ik er niet meer komen zou. + + + +Wat ben ik in mijn verhaal ver afgedwaald, of, beter gezegd, wat ben +ik hard den tijd vooruitgeloopen! Want er ligt nog zooveel in mijn +schaatsenrijdersleven tusschen dat ver verleden en de gebeurtenissen +van den tegenwoordigen tijd. Ik heb nog niet eens definitief van den +"wal van 't Oarmhuis" afscheid genomen en dat behoor ik toch te doen +alvorens verder te vertellen. + + + +Welnu, onze pret op den "wal van 't Oarmhuis" duurde tot de dooi +inviel, of.... totdat Stien Smijters "de boantjes kwam vermeurden." + +Stien Smijters!.... Ik wed dat nu nog, na zooveel lange jaren, onder de +hedendaagsche dorpsjeugd aldaar, een traditie van angst, haat en gruwel +tegen den naam en de herinnering van dien afschuwelijken man bestaat. + +Stien Smijters, een voorbestemde naam! Het was, toen ik hem als knaap +van vijftien leerde kennen, een oude, stoere, grijze, forsche kerel, +met een kreefte-rood, als 't ware roodgekookt gezicht, waarin twee +kleine, hard-blauwe varkensoogjes je valsch aanloerden. Nooit heb ik +dien vent zien glimlachen of lachen. Dat kon hij niet. Altijd stond +zijn tronie stug en norsch, alsof hij iedereen verdacht van kwaad en +overal vijanden zag. Het was een slecht gezicht. + +Hij was zoowat van alles in het Armenhuis. Toeziener, boer, +werkersbaas, ik weet niet wat al. Hij had geen vaste taak, doch men +zag hem overal. Soms reed hij met de paarden, soms stapte hij achter +den ploeg, soms stond hij als een sjouwer hout te klooven. Iedereen, +oud of jong, man of vrouw, van klein tot groot, was bang voor hem. Het +heette, dat hij de menschen soms ranselde met zijn zweep en dat zelfs +de nonnetjes hem vreesden. Maar zij hadden hem noodig: hij werkte als +een lastdier en waakte als een hond; hij dronk niet, ging nooit uit, +eischte niets voor zichzelf en dat alles verwekte een soort eerbied +en een grenzeloos ontzag. + +Ondanks zijn gevorderden leeftijd was hij sterk, ellendig sterk. Ik +geloof niet dat er een pootiger, sterker kerel in den omtrek was te +vinden. Wie onder zijn klauwen geraakte mocht beven en sidderen! + +Hij zag wel ons spel op het ijs, hoewel hij zich hield alsof hij +het niet zag. En ook wij hielden hem scherp-nauwkeurig in de gaten, +omdat wij precies wisten wat wij van hem te verwachten en te vreezen +hadden. Dat hing heelemaal af van den toestand van het ijs. Stien +Smijters, die nergens bang voor was, had een doodsangst om te +verdrinken. Er was geen sprake van dat hij zich op den vijver wagen +zou zoolang het ijs er niet muurdik en sterk lag, maar eenmaal als +'t zóóverre kwam, dan waren wij geen oogenblik meer veilig. + +Hij joeg ons niet weg, schold ons niet uit, sprak geen woord, maar +op een of anderen ochtend liep de afgrijselijke treurmare van mond +tot mond onder de schooljongens: + +--Stien Smijters hêt de boantjes op de wal van 't Oarmhuis vermeurd! + +Ik herinner mij nog die droefheid, die wanhoop telkens als dat ellendig +nieuws ons bereikte. 't Was om er bij te schreien en de moedeloosheid +zonk ons als een onmacht door de knieën. Wij wilden 't nog maar +niet zoo dadelijk gelooven, er bleef nog een kleine mogelijkheid, +een zwak straaltje hoop; maar jawel.... zoodra wij bij den vijver +kwamen zagen wij reeds van op een afstand de ellendige verwoesting: +overal vierkante bijten met de bijl gekapt, de uitgebroken stukken alom +over het ijs verspreid en meestal er reeds aan vastgevroren; en, tot +toppunt van ellende, hier en daar asch en sintels rondgestrooid, zoodat +alle mogelijkheid van ook nog maar eventjes te rijden onherroepelijk +verkeken was. + +Het is mij slechts één keer gelukt den lammeling zijn vernielingswerk +te zien verrichten, want hij deed dat meestal 's avonds, gemeen en +verraderlijk, nadat wij vertrokken waren. Maar dien keer, dien éénen +keer woonden we 't bij en wij hebben ons gewroken, of liever: hij zelf +heeft ons gewroken op een wijze waarin ik mij nu nog kan verkneuteren. + +Dat was op een zaterdagmiddag, na schooltijd. Wij hadden extra-les +gehad (extra-les wanneer er ijs is!) en kwamen haastig en hijgend +met onze schaatsen onder den arm op den vijver aan, toen het reeds +begon te schemeren. + +Hij was bezig!.... Reeds op een afstand hadden wij slagen gehoord, +als, van een houthakker die boomen velt. En wij dachten werkelijk dat +men ergens aan 't boomen omhakken was, toen wij hem eensklaps zagen, +den zwaren rug naar ons gekeerd, groote gaten slaande met zijn bijl in +'t schoone, sterke ijs! + +Onze woede en emotie waren onbeschrijfelijk. Eén wensch steeg als +een kreet uit aller hart: "Kon hij nu toch zelf maar door het ijs +zakken en verzuipen!" Doch die wensch hielp niets en een van ons, +Mielken Vervaet, die meestal niet malsch uitgevallen was, schreeuwde +hem razend een scheldwoord toe: + +--Smeirlap! + +Tot onze diepe verbazing ging hij kalm door met ijs hakken, zonder +in 't minst eenige notitie van de beleediging te nemen. Eerst later +vernamen wij, dat hij vrij doof was en den uitroep niet gehoord +had. Maar Mielken, en wij allen, nog heviger geprikkeld door zijn +ongestoordheid, holden om den vijver heen, kwamen vlak vóór hem +staan en herhaalden daar een tiental keeren, met gebalde vuisten, +het beleedigende scheldwoord: + +--Smeirlap! Smeirlap! Smeirlap! + +Toen keek hij op en verstond. Een soort van schok voer door zijn +lichaam, hij sprong naar den oever, met zijn bijl in de hand, klom +op den rand, zich aan de takken optillend, holde ons achterna. + +Wij, natuurlijk, hadden reeds het hazenpad gekozen. Wij renden uit +al onze kracht, heelemaal niet zoo zeker dat wij zouden ontsnappen, +want hij zat ons nauw op de hielen, toen wij eensklaps achter ons een +doffen smak en een gil hoorden en, schichtig omkijkend, hem tegen den +grond zagen liggen. Hij krabbelde weer op, maar, in plaats van ons +verder na te zitten, zagen wij hem stuiptrekkend tegen een boom gaan +staan en daar op zijn hoofd een vuilen zakdoek drukken, die dadelijk +breed-rood gekleurd was. Wij hoorden hem een paar keer kreunend zuchten +en dan keerde hij zich om, zonder een blik, zonder een woord, zijn bijl +onder den arm, als een dolle stier, die den genadeslag gekregen heeft. + +Ik herinner mij niet meer of wij hem dan ook nog triomfantelijk +nagejouwd en uitgefloten hebben. Het zal wel zoo iets van dien aard +geweest zijn. Maar wèl herinner ik mij dat wij ons nooit meer, zoolang +hij leefde,--en dat heeft nog wel enkele jaren geduurd--op den "wal +van het Oarmhuis" gewaagd hebben. + +Wij hadden ondertusschen andere oefeningsvelden ontdekt. + + + + +III + +DE MEYLEGEMSCHE MEERSCHEN + + +Even voorbij den Lusthof, achter een soort van dam waarover, dwars +door het weiland, een steenweg liep, strekten zich ver en wijd de +Meylegemsche Meerschen uit. + +Ik heb steeds een groote liefde gevoeld voor de Meylegemsche +Meerschen. Iets,--ik weet niet wat--, heeft mij daar altijd, van +kindsbeen af, aangetrokken en trekt er mij nu nog aan. + +Het waren breed-uitgestrekte weilanden, met verre boomen aan den +einder; gelegen tusschen den begroeiden berm van het kanaal links en +de opgolvende landouwen rechts, als een wijd en stil-glanzend groen +meer onder den schoonen, hoogen hemel. De strakke lijn langs het +kanaal met de evenwijdig van elkaar gespatiëerde boomen, had geen +bijzondere bekoring, maar de andere zijde, naar de velden toe, was +een en al liefelijke poëzie. Daar golfden korenakkers, daar somberden +bosschen, daar strekten zich dreven uit tot ver in 't land; daar +waren intieme hoekjes, die steeds zonnelachten, daar stonden huisjes +en boerderijtjes als geschilderd: roze, gele, groene, met pittoreske +stroodaken en blinkende ruitjes; en er lagen twee kleine dorpen aan +den rand: Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, elk met een ouderwetsch +kerktorentje, het eene grijs, het ander wit, die wijd over de boomen, +de landouwen en de weiden heen, als 't ware reikhalzend en een beetje +naijverig, van verre naar elkaar stonden te kijken. + +Meylegem-Zuid was mij 't liefst. Misschien wel omdat het +verst-verwijderd en daardoor voor mij zeldzamer te bereiken +was. Misschien ook wel eenvoudig omdat het Meylegem-Zuid heette en dat +zuid ons meer aantrekt dan noord. Misschien ook nog, omdat het een wit +kerkje had terwijl het ander grijs was en dat het witte vriendelijker +schitterde tusschen het groen dan 't grijze. En misschien eindelijk +ook wel om iets dat ik mij zelf toen nog niet kon bewust zijn en dat +zich eerst later openbaren zou. Hoe dan ook, Meylegem-Zuid was mij +het dierbaarst en een tocht in de richting van Meylegem-Noord was voor +mij meestal een aanloop om verder tot aan Meylegem-Zuid te geraken. + +'s Zomers waren die groote weilanden vol grazende koeien, bewaakt +door jonge koe-wachtertjes, die er een uitbundig vrij leven van +kleine wildemannen genoten. Er was daar altijd levenspret en luide +vroolijkheid; er klonk daar onophoudend juichgezang en zweepgeklap: +er brandden steeds houtvuurtjes waarin geslachte kikkers en gestolen +aardappelen gebraden werden en dikwijls zag men gansche benden +van die bengels, in de verte klein als kabouters, met schepnetten +de diepe, stille slooten en de snel-vliedende beekjes afvisschen +en zegevierend naar het dorp terugkomen met glinsterende vangsten +snoeken en baarzen, die nog amechtig-gapend tusschen de slijmerige +mazen lagen te spartelen. + +Maar in het najaar werd het er stil en verlaten en met November werden +een paar sluizen in 't kanaal geopend en in enkele dagen stroomde die +gansche, wijde vlakte vol blond en drassig water. Toen werd het als +een echte zee, zoo ver het oog kon reiken. Een wondere zee, levend +het eigen, geheimzinnig leven van een zee, nu eens doodstil zonder +een rimpeltje, dan weer klotsend, schuimend, bruisend, met echte, +woeste golven, maar aldoor eenzaam en verlaten, alsof het was een +oord van ramp en van verdelging. + +Behalve voor mij! Ik was intusschen een paar jaren ouder geworden +en ik bezat een licht en elegant roeibootje, waarmee ik 's zomers op +'t kanaal ging varen. En zoodra de groote Meylegemsche Meerschen goed +overstroomd waren, roeide ik in mijn schuitje een eind het kanaal op, +nam het er uit, droeg het op mijn sterke schouders over den berm heen +en lei het daar op 't blonde water der verdronken weilanden. + +O, ik herinner mij nog zoo goed die heerlijke, opwekkende tochten, die +overigens niet zonder eenig gevaar waren. Ik had mijn schuitje sierlijk +opgetooid, er woei een vlaggetje aan de punt,--een wit-en-rood, +ik zie het nog,--en zoo roeide ik in witte trui met forsche slagen +naar de dorpjes toe, die daar aan den overkant lagen te schitteren +of te droomen. Het water kabbelde en spatte, de kleine boot ging +met de korte golfjes op en neer gelijk een zeeschuitje en af en toe +raasde het mooie vlaggetje hartstochtelijk in den wind, alsof het +zich verzetten wilde tegen mijn onzinnig-roekelooze onderneming. Soms +bleef ik even midden in het breede water steken. Dan zat ik ergens +op een "bank" en ik moest ploeteren om er af te komen. Soms "voelde" +ik als 't ware onder mij den diepen afgrond van een sloot of beek, +en 't had iets griezeligs terwijl ik mij afvroeg hoe ik mij daar +wel redden zou indien mijn bootje juist op die plaats omsloeg. Maar +'t bootje sloeg nooit om en ik kwam eindelijk in kalmer water, langs +den verrukkelijken oeverrand, waar al de pittoreske boerderijtjes en +de stille dorpjes lagen. + +Wat was het daar aardig en hoe leek het alles anders dan het toch +in werkelijkheid was! Zoo'n dorpje, zoo'n boerderijtje, waar men +gewend is als voetwandelaar aan te komen en waar men ineens met zijn +schuitje komt aanleggen, 't heeft iets onwezenlijks, iets geks, +dat onweerstaanbaar doet glimlachen. En dat deden ook de menschen +van die dorpjes en die boerderijtjes, wanneer zij mij zoo van verre +over 't water zagen aankomen. Zij stonden vóór hun huisjes of in +hun boomgaarden op mij te wachten en 'k viel daar binnen als een +vreemde, rare vogel, die een wondertocht heeft ondernomen. Het was zoo +eigenaardig. De laatste bladeren hingen nog goud-en-bruin-glanzend +aan de heesters en de boomen, en die boomen en heesters stonden tot +dichtbij het water, soms tot in het water, en dat leek op mijn zoo +welbekende streek niet meer; het was iets anders, iets feeërisch, +iets uit de fantaisie van een droom. En het deed mij telkens zoo +vreemd aan, dat de boeren en boerinnen die daar heen en weer liepen +toch dezelfde menschen waren, die ik al zoo vele jaren kende; en dat +zij hun gewone taal spraken en hun gewone bezigheden verrichtten; +en dat daar koeien en varkens en kippen over het gras liepen; en dat +daar stoeiende en spelende kinderen waren; en dat daar een waakhond +vóór zijn hok lag, die hol en schor naar mij blafte, zooals alle +waakhonden op alle boerderijen doen. + +Eerst nadat ik zelf voet aan wal gezet had en den vasten bodem onder +mijn voeten voelde, kreeg ik het duidelijk besef der welbekende +werkelijkheid en meteen verzwond mijn illuzie en onderging ik iets +als een indruk van teleurstelling. Het leek alles zoo gewoon en zoo +nuchter; de droom daar, op het breede water, was veel schooner; +en ik spoedde mij terug naar mijn aardig rood-en-wit vlaggend, +licht schuitje; en als een vrije, wilde vogel zweefde ik er verder +mee weg over de breede oppervlakte, nu eens naar den eenen oever +en dan weer naar den anderen, telkens weer door nieuwe illuziën +verrast en aangetrokken; en zoo kwam ik tot aan 't verste uiteinde +der overstrooming, tot aan Meylegem-Zuid, dat reeds van verre zijn +ouderwetsch, zoo liefelijk wit kerkje in den kalmen waterspiegel +weerkaatste. + +De golfjes kwamen er tot aan den voet van 't kerkhof uitkabbelen +en heel het dorpje van slechts ettelijke huisjes lag daar aan den +rand: witte huisjes, roze huisjes, blauwe huisjes, groengeluikt +en kleingeruit, met één enkel, ietwat ruimer gebouw in het midden: +een tamelijk groote, lage, geelgeverfde herberg, waarop in groote, +zwarte letters stond geschilderd: _In het Gemeentehuis._ + +Daar lei ik vast en zeker altijd aan. Want daar was behalve 't +pittoreske der omgeving, iets dat mijn achttienjarig, frisch-en-vurig +jongenshart vol romantische illuziën onweerstaanbaar boeide; en dat +was Tieldeken, de dochter uit 't Gemeentehuis! + +Tieldeken was wel enkele jaren ouder dan ik, doch wat deed het er +toe en hoeveel heele jonge mannen hebben niet hun eerste liefde op +oudere meisjes of vrouwen gevestigd! Tieldeken kon zoowat vier of +vijf en twintig jaar zijn en 't komt mij voor alsof ik haar daar +nu nog levendig en frisch vóór mij zie staan: de wangen blozend, +de oogen stralend, den mond met witte tanden naar mij toe lachend +en 't bruine haar rechtop gekamd en ietwat kroezend om de slapen, +het mooiste haar, dat ik mij herinner ooit gezien te hebben. Voor +mij was Tieldeken niet alleen de bloem van Meylegem-Zuid, maar ook +het schoonste meisje dat ik kende in heel Vlaanderen. Zij was het +levende beeld-zelf der schoonheid van de gansche schoone streek; +haar onverwacht verschijnen, de eerste maal toen ik daar aanlandde, +was voor mij geweest gelijk een openbaring; haar wezen glansde als +'t ware over 't dorpje en de gansche streek en toen ik haar gezien +had begreep ik diep en duidelijk waarom Meylegem-Zuid mij zooveel +liever was dan Meylegem-Noord en hoe ook het heele landschap met al +zijn mooie, intieme, pittoreske poëzie alleen maar scheen te bestaan +omdat Meylegem-Zuid bestond en omdat op Meylegem-Zuid Tieldeken woonde. + +Ik landde aan en meestal ging de glazen portaaldeur van het +Gemeentehuis als van zelf dadelijk open en daar verscheen Tieldeken +op den drempel, stralend, blozend, lachend, met den geijkten groet: + +--Dag, meniere. Ge zij nog ne keer gekomen? + +--Joaj ik, Tieldeken. Hoe goat 't mee ou? + +--Ha goed, meniere.... En blozend kwam ze naar mij toe, keek met +verrukte oogen naar mijn schuitje, sloeg haar handen in elkaar +en zeide: + +--Ho! 'K'n weet toch niet hoe da ge dat durft, in azeu 'n klein +beutsen over die greute plas! + +Dan kreeg ik een kleur; dan vóélde ik mij een kleur krijgen. Want +wanneer ik zelf zoo van uit Meylegem-Zuid dien grooten plas overkeek +leek ook mij mijn onderneming een ontzettend waagstuk en kreeg ik den +indruk dat Tieldeken wel vermoeden kon, dat mij iets zeer-bizonder +boeiends op Meylegem-Zuid moest aantrekken. Wat dat zeer-bizondere was +wist ik maar al te duidelijk; en, omdat ik het zoo duidelijk wist, +kwam het mij voor alsof 't op mijn gezicht te lezen stond en dat +maakte mij ontzettend schuchter en bedeesd, terwijl ik mijn bootje +aan den oever vastmeerde en haar in de ouderwetsche herberg volgde. + +Soms was het er leeg als ik daar binnen kwam en soms waren er +klanten. En eigenlijk wist ik nooit precies wat mij wel 't aangenaamst +was: alleen met Tieldeken of in gezelschap van anderen. Met Tieldeken +alleen kwam er over mij een gevoel van knellende benauwdheid; en +als er daar bezoekers waren, dikwijls ruwe, lawaaierige kerels, +voelde ik mij ook allesbehalve op mijn gemak. Met Tieldeken alleen +wist ik soms minuten lang geen enkel woord te zeggen, en als daar +grove boerenkinkels zaten werd ik voortdurend gehinderd en geërgerd +door hun onbeschaamd optreden, door hun smakelooze grappen, door +hun ganschen toon en gansch hun houding, die kwetsend en als 't ware +ontheiligend was, tegenover zulk een mooi, en zacht, en bekoorlijk +wezen als Tieldeken. Eigenlijk voelde ik mij daar nooit zooals ik +was, of wezen wou. Iets lag altijd tusschen mij en haar: de sociale +afstand, de valsche positie waarin ik mij tegenover haar bevond; het +besef dat zij daar in haar kring was en ik niet en dat maakte haar +sterk en mij zwak en verlamde in mij elke mooie gelegenheid die ik +had om van het toevallig alleen-zijn met haar te genieten. Ik kón er +eenvoudig niet van profiteeren en 't minst voelde ik mij nog bekneld +wanneer geen vreemde bezoekers, maar wel haar vader of haar moeder +in de gelagkamer aanwezig waren. + +Tieldeken's vader was een reeds bejaarde, dikke man met goed gezicht +en langzame bewegingen. Men hoorde hem van 'k weet niet hoeverre +op zijn klompen aankomen en telkens als ik hem zoo hoorde drong +'t besef in mij door hoe gemakkelijk dat zou gaan om Tieldeken even +in de zij te knijpen en te zoenen, zonder dat de oude er iets van +merkte.... als ik het maar had durven wagen om eventjes Tieldeken te +knijpen en te zoenen. Het was zoo gek: als ik met Tieldeken alleen +was, durfde ik zelfs aan geen knijpen en geen zoenen denken; maar +zoodra de vader ergens buiten de gelagkamer langzaam op zijn klompen +rondliep, kittelden mijn vingers en jeukten mijn lippen om het wèl te +doen. Maar ik durfde niet, ik durfde niet! En ik leed verschrikkelijk +onder dat niet-durven en 't was mij als een pak van 't hart wanneer +de dikke man eindelijk traag binnenklompte en daarmee de bevlieging +tot zoenen en knijpen onmogelijk maakte. + +Tieldeken's moeder was ook al een vrij bejaarde vrouw, met rood +gezicht en afhangende wangen. Men kon merken dat zij vroeger mooi +moest zijn geweest, maar een tandelooze mond ontsierde haar heel +erg en daardoor had haar uitspraak iets lispeligs en brabbeligs, +dat haar wel eens onverstaanbaar maakte. Zij was ook wat doof en +dat deed vergissingen ontstaan. Het gebeurde herhaaldelijk, dat +zij b.v. borrels bracht wanneer glazen bier werden besteld en dan +ontsponnen zich soms gekke tooneelen. Met haar lispelenden mond kon +zij niet goed de s uitspreken en als zij "dreupels" wilde zeggen, +klonk het in haar brabbeltaal alsof zij "dreupelfs" zei. + +De boeren spotlachten, bootsten haar verdraaide uitspraak na. + +--Dreupelfs! We 'n hên gien dreupelfs besteld. W'hên pinten bier +gevroagd. + +De vrouw werd nijdig: + +--G'hêt wèl dreupelfs gevroagd! + +--We'n hen gien dreupelfs gevroagd! + +--'t Efs zeker, g'hêt wèl dreupelfs gevroagd! + +'t Werd een ellendig en bespottelijk gebrabbel en gekibbel en ik +leed er onder, ter wille van Tieldeken, die dat vernederend gedoe +moest bijwonen. Ik had die kinkels wel een oorveeg willen geven en +'t was mij telkens als een gevoel van verlossing wanneer de vader +traag aangeklompt kwam en door zijn verzoenende bemiddeling aan het +geschil een einde stelde. + +O, die boerenkinkels, wat deden ze soms gemeen en familiair met en +ten opzichte van 't mooie Tieldeken! Wat ik nooit zou gedurfd hebben: +eventjes in het voorbijgaan 't mooie meisje in den arm of de lenden +te knijpen, dat deden ze maar gewoon alsof het niets was en wanneer +Tieldeken zich ietwat boos maakte en met klappen dreigde, lachten +zij lomp en grof en maakten soms gewaagde toespelingen, die mij +'t rood van schaamte en van toorn naar de wangen joegen. + +Zoo was er eens een die mij zei, terwijl Tieldeken hem in den kelder +een glas bier ging halen: + +--'t Es 'n malsch poezeken, e-woar, meniere; moar 't es spijtig da +ze kromme bienen hêt. + +Een golf van bloed steeg naar mijn hoofd. Kromme beenen! Daar had ik +nooit iets van gemerkt. Hoe wist die kinkel....! + +--Hè-je da nog nie gezien, meniere! lachte hij om mijn +verbouwereerdheid. Let-e kier op als ze weere boven komt. + +Ik lette op en ja, waarachtig, er was wel iets van aan. Je kon het +eigenlijk meer raden dan zien; maar toch, er ontbrak iets aan de +mooie, rechte lijn, die bij zulk een mooi, flink meisje paste. Hoe +gek, dat ik het nooit had opgemerkt! Nu zag ik het wel degelijk, +ook aan haar gang, die een ietsje waggelachtigs had, als van een +lief, jong eendje. Maar tot dusver had ik nooit zoo bizonder naar +Tieldeken's beenen gekeken. Wat mij in haar boeide was haar frisch +gezicht, haar stralende oogen, haar mooie glimlachende tanden en ook +haar poezelige buste en haar malsche heupen, waarin ik zoo graag eens +had geknepen. Dat vond ik hèt mooie in haar, het ideaal en meteen +werkelijk--mooie; en de beenen, ach, dat was dan nog voor mij meer +'t alledaagsche, het gewone, het laag-bij-den-gronde. + +Die ruwe pummel, helaas, had met zijn lompe opmerking, iets aan de +volmaaktheid mijner illuzie verstoord. Wat ik nu ook deed, voortaan +zag ik altijd, naast Tieldeken's frissche schoonheid, het minder +sierlijke harer ietwat kromachtige beenen. En dat bedroefde mij, +terwijl het mij tevens toch ook een soort van troost bracht. Want +daardoor werd ik soms iets minder smoor-verliefd op Tieldeken en +voelde niet zoo sterk meer de schrijning bij het afscheidnemen van +mijn tot dus verre absoluut volkomen en volmaakte ideaal. Er bleef +mij trouwens nog ruim voldoende liefde en illuzie over. + +O, dat afscheid van Tieldeken, ik in mijn licht schuitje en zij aan den +oever van het breede water! Ik was slechts achttien jaar oud, doch ik +kende reeds de legende van Lohengrin en romantisch zong de zwanezang +in mijn verliefde ooren, terwijl ik statig wegroeide en haar gestalte +zag verminderen, verminderen, tot het zich in 't grijze van de vroege +avondnevelen versmolt. En dan liet ik verder mijn gedachten met het +bootje op het water gaan, en alles scheen mij zoo frisch en zoo schoon +en zoo zalig; er was in mij zulk een rijkheid van kracht en van leven, +dat het mij scheen alsof de gansche wereld mij daar toebehoorde. De +laatste teerroze gloed van den zonsondergang doezelde zacht-glanzend +over het ouderwetsche blank kerktorentje van Meylegem-Zuid in de verte; +de kleine ruitjes in de pittoreske boerderijen tintelden nog even langs +den wegdeinenden oever, een klokje tampte en een wilde-vogelenvlucht +streepte hoog met fijn geschreeuw naar 't westen; en over het somberend +water, dat met vale glanzingen tegen den zijkant van mijn schuitje +aanklotste, dreef ik midden in een grootsche eenzaamheid naar huis +terug, mijn gele spanen lichtend-glijdend, mijn rood-en-witte vaantje +flikkerend en wapperend en mijn gemoed vol van heldhaftige gevoelens, +waarin het beeld van 't schoone Tieldeken oprees gelijk een vizioen +van heerlijkheid, dat met mij meedreef en mij tot in de nuchtere +realiteit van het weer vasten voet aan vasten wal zetten boeiend +bleef begeleiden. + + + +En 's winters, als het lang en sterk genoeg bleef vriezen, vroren +ook de Meylegemsche Meerschen dicht! + +Dat was een der grootste en gewichtigste gebeurtenissen in ons +jonge-schaatsenrijdersleven. + +Dat was dan iets waar je van trilde als van een wonder, dat bijna +niet kón gebeuren. Wij gingen kijken, drie en vier maal daags, wij +waagden ons een eindje, maar griezelden van al de verraderlijke, +diepe slooten en putten die vol zwakke plaatsen en bedriegelijke +wakken onder de spiegelgladde oppervlakte verborgen lagen, tot het +eindelijk als een heldenmare alom verkondigd werd: "Die of die boer +van Meylegem-Zuid is op schaatsen over 't ijs tot aan ons dorp gekomen! + +Wat 'n emotie! Wij kwamen aan de groote vlakte, wij reden op, zoover +als we gewend waren te durven rijden; en daar waar onze krassen +en kringen eindigden, zagen wij, over het donkere, maagdelijk ijs, +recht vóór ons uit, in de richting van Meylegem, voor het eerst andere +krassen, die niet van _onze_ schaatsen waren! + +Het leken als 't ware kabalistische teekens, forsch-gedurfde +schreven van een kerel die zijn moed daar in het ijs gebeiteld had; +en wij volgden die nauwkeurig met ontzag en eerbied, zooals men +volgt de schreden van den eersten onverschrokken pionier door de +gevaarlijke woestijn. De breede vlakte strekte zich vóór ons uit, als +'t ware eindeloos. Wij waren daarin als kleine, donkere, verloren +stippen. Soms kraakte 't ijs, dat op zijn water viel, alsof er een +kanonschot was gelost en dan stonden wij allen even roerloos, bang +en aarzelend. Maar de harde, witte krassen van den koenen kerel, +die ons daar was voorgegaan, liepen ondanks alles steeds verder en +verder door en de gedachte dat hij daar in zijn eenzaamheid en vóór +alle anderen dezelfde gevaren had getrotseerd, staalde onzen moed +en dreef ons met hardnekkigheid naar het verwijderd doel. Wij kwamen +aan lage plaatsen, waar het ijs om zoo te zeggen op den grond lag en +waar de grassprietjes van 't weiland soms doorheen schoten. Dat gaf +ons het gevoel van veiligheid dat wij op vasten bodem reden. Maar +'t oogenblik daarna stonden wij pal vóór een ijs zoo zwart alsof het +open water was en niemand durfde er over heen. Daar lag een diepe put +of sloot en wij zagen tot op den helderen bodem, waar bronskleurige +waterplanten hun gestolde vormen afteekenden als grijpende handen +die ons in de griezelige diepte wilden trekken om ons daar vast te +houden. Wij draaiden er omheen en reden op en neer in de hoop van +ergens een minder akelige plek te vinden; doch overal, dwars door +het weiland, was het daar dezelfde breede, zwart-heldere diepte, +waarin wij soms, onder het ijs, groote, donkere waterkevers zagen +zwemmen, met een zilverig luchtblaasje onderaan hun staart. Zij +zwommen dwars, met pootenkrabbeling, naar den bodem waar de sinistere, +bronskleurige grijpplanten stonden en dat maakte onzen afkeer nog veel +heviger en de wanhoop greep ons aan, omdat wij verder wilden en niet +durfden. Maar ook over die plaats van angst en van gevaar, rechtuit, +zonder de minste afwijking, streepten de koene, forsche krassen van +den onbekenden held die daar voor 't eerst den weg gebaand had en +ten slotte volgden wij ook een vóór een zijn voorbeeld, met kloppend +hart, met flauwe beenen, elk oogenblik verwachtend door het barstend +ijs in 't diepe water neer te plonsen. Eerst toen 't gevaar voorbij +was lachten wij om onzen flauwen angst en van lieverlede schrikte +'t onbekende ons niet meer af en steeds verder en verder volgden wij +de sporen van den vermetelen voorganger, tot het zoo vurig-verlangde +doel, het schoone, blanke, ouderwetsch kerktorentje van Meylegem-Zuid +eindelijk, als een zalige veiligheidsbaken, in 't zicht kwam. + + + +O liefelijk Meylegem-Zuid, nog steeds en meer zou ik hymnen ter uwer +verheerlijking willen zingen! Al de poëzie van mijn gezonde, frissche +jeugd schijnt zich daar in mijn herinneringen te kristallizeeren. Ik +ken er elk huisje, elk boompje en de harmonieuze golvingen van 't +landschap er omheen deinen nog als 't ware wiegend en zoet-streelend +na in mijn geheugen. Want ik heb er mijn eerste liefde gekend en er +ook mijn eerste liefdesmart geleden! + +O, die dagen, die dagen, die schoone, rijke dagen! Heel het land +lag wit-besneeuwd, maar de Meylegemsche Meerschen waren eerst na +den sneeuwval dichtgevroren en dat was een feerie midden in een +feerie, want van op het heerlijk ijsveld zag ik, onder blauwen +hemel en stralende zon, een Vlaanderen dat ik nog niet kende, een +droom-Vlaanderen, een Vlaanderen uit een sprookje. + +De kleurige huisjes langs den oever stonden op een zacht-glooiend, +glinsterend-blank tapijt, midden in boomgaarden van tintelend-berijpte +boomen, die overweelderige bloeisels van ongekende lentepracht +schenen te dragen. Dat leefde, dat fonkelde en tintelde van miljoenen +en miljoenen kristalheldere lichtfacetten en men snoof met ruime +longen de scherp-prikkelende lucht op, alsof men bedwelmend heerlijke +geuren inademde. 't Was leven, léven en genieten; de wangen bloosden, +de oogen straalden en door het gansche lichaam stroomde een jonge, +forsche kracht, die onuitputtelijk en onvermoeibaar scheen. + +Ik reed en reed en 't woelde en 't duizelde in mij van overweldigende +heerlijkheid. Soms reed ik einden lang in vollen gang recht vóór mij +uit, zwierend en deinend, licht als een vliegende vogel; soms hield ik +mij een heele poos op een mooi, klein plekje op, en trok daar, omringd +door een troepje bewonderaars, sierlijke krullen en kringen, als een +artiest, die een kunstwerk ciseleert. En zoo kwam ik, als altijd, aan +'t heerlijke Meylegem-Zuid; en daar, vlak vóór Tieldeken's herberg, +was een verrukkelijke plek, uit den wind en glad als een spiegel, +waar ik aan mijn wild talent den vollen teugel vieren kon. + +Ik was zeer zeker, in al die jaren, de knapste rijder van de streek +geworden. En voor de kinkels, die daar pijprookend, met de handen in +hun broekzakken langs den oever stonden, maar bovenal voor Tieldeken, +die ook kwam kijken als 't daarbinnen in de herberg niet te druk was, +vertoonde ik mijn stoutste kunsten en genoot van een triomf welke de +eerste in mijn leven was. + +--Ha, meniere, gij keun rijjen, zille! klonk het om mij heen. En soms +sloeg Tieldeken haar handen van bewonderende verbazing in elkaar en +riep geestdriftig uit: + +--Ha moar meniere toch, woar hè-je gij da geleerd! + +--Hij rijdt zeu goed as boerke van Meylegem! beweerden enkelen. + +--Hij 'n doet: boerke van Meylegem ree nóg stirker! hielden anderen +vol. + +Boerke van Meylegem! Die naam klonk herhaaldelijk en hardnekkig +in mijn ooren en ik kon maar niet te weten komen, wie boerke van +Meylegem eigenlijk was. Wanneer ik er naar vroeg werd mij steeds +vaag en ontwijkend geantwoord. Boerke van Meylegem was de beste +schaatsenrijder uit de streek, dat wisten zij allen; maar als ik +informeerde waar hij woonde, en hoe oud hij was, en of hij nog wel +reed, en of hij reeds dat jaar op 't ijs geweest was, klonken de +antwoorden verward en tegenstrijdig. Jonge knapen beweerden van ja, +en dat zij hem gezien hadden, de week te voren, bij Meylegem-Noord +en dat hij wonderbaarlijk reed, zoo, met zijn eene been in de lucht +en zijn eene hand tegen het ijs. Hij sprong over drie mannen en vier +stoelen; hij reed zóó snel, dat geen renpaard hem zou kunnen inhalen; +hij vloog als 't ware over 't ijs. Maar oudere mannen zeiden dat het +allemaal onzin was, dat boerke van Meylegem inderdaad wel bestaan +had, maar reeds lang gestorven was. Het prikkelde mij, dat ik niet +achter de preciese waarheid kon komen; ik had dat vermaarde boerke +willen zien; ik had vooral willen weten of hij werkelijk sterker was +dan ik, en in die onzekerheid spande ik mij overweldigend in, haalde +kunsten uit waarbij ik hals en been dreigde te breken, om toch niet, +in Tieldeken's oogen, voor dat mysterieus en onuitstaanbaar boerke +van Meylegem te moeten onderdoen. + +Eens zag ik hem, bijna! 't Was op een zondagochtend, na de hoogmis. Ik +was daar, evenals tal van andere lui, op schaatsen tot aan het +oude kerkje gekomen, en had er de mis gehoord. O, 't was toch zoo +eigenaardig en poëtisch! Van op het ijs, waar de jeugd dolle pret +vierde, zag je, over het glooiend kerkhofje met half-ingesneeuwde +zerken, door het openstaand portaal, in de schemering der kerk, +de waskaarsen op het hoogaltaar branden. Je hoorde 't orgel en de +plechtige gezangen, het was alsof het kerkje zelf zijn vrome ziel naar +buiten uitzong, je zag de wemeling der sombere menschenmassa en de +opstijgende wierookwalmen verspreidden hun aroma's tot in de frissche, +prikkelende zonnelucht over het ijsveld. En terwijl je daarbinnen +was, zelfs nadat de deuren dicht gesloten waren, hoorde je nog het +pretgejoel der jeugd door alles heen en voelde je je beenen jeuken +om er weer aan mee te gaan doen. En nauwelijks had de pastoor het +"Ite missa est" gezongen of drommen menschen stroomden in de laatste +galmen van het orgel buiten en met hijgende haast werden opnieuw de +schaatsen aangebonden. + +Ik had de mijne juist aan en zwierde als een losgelaten vogel door +de drukte heen, toen plotseling de kreet klonk in mijn ooren: + +--Boerke van Meylegem! 't Es boerke van Meylegem! + +Mijn hart stond van emotie even stil. Ik zag een zwarte +menschenmassa, vlak vóór Tieldeken's herberg en vloog er naartoe. Een +schaatsenrijder,--een gewone boerenpummel--was daar met groote +arm-en-been-bewegingen aan 't zwieren, maar van het eerste oogenblik +bemerkte ik dat het niets te beteekenen had, dat het in de verste +verte geen kunst was, dat het niets was dan overdreven en onsierlijk +slingeren en zwaaien, zooals de eerste de beste rijder kon die maar +ietwat stevig op zijn beenen stond en niet bang voor vallen was. + +Boerke van Meylegem! Was dàt nu het beroemde boerke van Meylegem, +de dooddoener waarmee men zoo vaak mijn eigen, schoone kunst wilde +verkleinen! Mijn teleurstelling was zóó diep, dat ik eerst geen +woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken; en wat mij griefde, +wat mij ergerde, wat mij deed kroppen van minachtende verbittering, +was dat Tieldeken daar op den oever midden in de foule ook te kijken +stond; te kijken en te bewonderen, met haar mooie donkere oogen en +haar frisch-blozende wangen, te kijken, te bewonderen en te genieten, +alsof ze nu voor 't eerst zag schaatsenrijden, en heelemaal vergeten +was, dat ik het toch oneindig veel beter kon. + +--Es dà nou boerke van Meylegem? vroeg ik eindelijk, met van emotie +hikkende stem, aan een oud ventje, dat naast mij stond. + +--Moar nie nien 't meniere; 't'n es moar nen beslagmoaker; ge keun gij +veel scheunder rijjen, meniere, antwoordde 't mannetje met overtuiging. + +Dat deed mij goed. 't Was als een balsem op mijn wonde, als een +zacht-lavende weelde van troost, die verkwikkend door mijn gansche +lichaam stroomde. Ik zei niets, maar glimlachte en stil schoof ik mij +door 't gedrang in 't open plekje en begon daar ook te werken. Nog +nooit had ik mij sterker, lichter, veerkrachtiger gevoeld. Ik vloog +en zweefde letterlijk over het ijs en 'k zag de menigte, eerst wat +verbouwereerd, van lieverlede haar aandacht van den pummel afwenden en +op mij zich vestigen. De pummel zelf, in zijn triomfgenot verstoord, +keek mij dadelijk met valsche, vijandige oogen aan. Hij poogde mij te +overtroeven; hij overdreef nog zijn onsierlijke, niets-beteekenende +bewegingen; hij raasde langs mij heen alsof hij mij omver zou rijden +en in 't niet doen verzwinden; maar ik voelde mij licht, licht, en +vlug en handig, en zoo vast en zeker in mijn kunnen: ik was als van de +aarde opgetild en op wieken gedragen; ik zwierde en dreef en zwaaide +en zwenkte; ik zag daar Tieldeken op den oever staan en voelde als 't +ware heel mijn leven en mijn toekomst in haar handen; 't was overwinnen +of niet meer bestaan en ik wilde bestaan en ik wilde overwinnen. + +Eensklaps een kreet, met wild-opstijgend proestgelach. Ik hoorde +den kreet en zag meteen wat er gebeurde: de pummel, de lompe pummel, +midden in een van zijn dolste, gekste prul-bewegingen als een massa op +'t ijs neergesmakt en daar over zichzelf heenbuitelend en spartelend, +met slingerende armen en beenen, alsof hij letterlijk ontwricht +werd. Zijn dikke pet vloog af en verre van hem weg en toen hij +pijnlijk weer opkrabbelde bleek zijn broek gescheurd, maar zóó, +dat het hem niet mogelijk was zich nog verder te vertoonen. + +De menigte stoof lachend uit elkaar en even kraakte 't ijs onder het +woest gedrang. Ik hield mij goed; ik hield mij kalm, deftig. Nooit +heb ik scherper het heerlijk gevoel van victorie gesmaakt; nooit +heb ik er uiterlijk minder van laten blijken. Ik wisselde een blik +met Tieldeken, één enkele, en in haar mooie, geestdriftige oogen las +ik volop den glans mijner algeheele, onbetwistbare overwinning. Dat +was mijn heerlijke belooning. De pummel was verdwenen en ik bleef +zegevierend op het veld van eer mijn schoonste kunsten maken; ik, +en ik alleen nu, was omringd door honderden bewonderaars, en thans +galmde weer alom de kreet, die me bij mijn komst op 't ijs zoo diep +ontroerd had: + +--Boerke van Meylegem! 't Es boerke van Meylegem! + +Verbaasd keek ik op. Was hij daar nu toch werkelijk, de ijsheld, +de geduchte dooddoener, de sterkste onder de sterken, die alom +tegenwoordig scheen te zijn en nergens kon benaderd worden! Ik keek, +en zocht, en merkte niets; ik speurde vorschend ver over de hoofden +heen, maar vruchteloos. En toen begreep ik eindelijk dat ik, ikzelf +nu, boerke van Meylegem was; en dat boerke van Meylegem een mythe, +een symbool, een legendarische verschijning was: een personage die +niet bestond en wellicht nooit bestaan had, maar in wiens abstracte +wezen zich, volgens het landelijk bijgeloof, al de kunde, al de +opgewekte joligheid en al de roekelooze waaghalzerij van het heerlijke +schaatsenrijden vereenzelvigde. + + + +Nu moet ik eventjes mijn oogen sluiten en denken. Als mijn oogen open +zijn staat tusschen mijn blik en het heerlijk verleden te veel gewone, +nuchtere, alledaagsche realiteit. Maar als mijn oogen dicht zijn, zie +en voel ik weer alles zooals 't was, zonder dat iets mijn verbeelding +komt storen of hinderen. Dan ligt er als een doffe, doodsche vlakte +tusschen nu en toen en aan den schoonen einder, terwijl niets mijn +aandacht afleidt, rijst het beeld dat mij geboeid houdt in al zijn +zuivere, heldere, levende en trillende duidelijkheid op. + +'t Was op een vroegen avond, een maandagavond, ik herinner mij nog +heel goed den dag. + +De volle maan rees blozend als een groote sinaasappel in het lage +oosten op en de lucht was sonoor in de stilte en al de sterren bloeiden +in het eindeloos donkerblauw uitspansel. + +Ik had den ganschen dag gereden en was moede. Maar 't was zóó +schoon geweest den ganschen dag, zoo rijk van kleur en zon en +reine winterweelde, dat ik, hoewel moe, niet rusten kon en na +mijn avondmaal weer buiten ging, om ook nog van de nachtelijke +schoonheid te genieten. En plotseling ontstond een plan in mij, een +wel zeer overdreven en zelfs gek verlangen om nu nog eens, ondanks +al mijn moeheid, in de maan en in de nachtelijke eenzaamheid tot aan +Meylegem-Zuid te rijden. + +Ik aarzelde geen oogenblik. Zoo kwam het plan op; zoo moest het +worden uitgevoerd! Ik rende terug naar huis, nam mijn schaatsen, +vertelde 'k weet niet wat aan mijn verbaasde en vrij ontevreden +ouders en enkele minuten later stond ik alweer kant en klaar, vóór +de wijd-uitgestrekte ijsvlakte. + +Hooger was de volle maan in den helderen hemel gerezen en zij werd +kleiner en lichter van glans en vertoonde haar oud en welbekend +gezicht, dat steeds met stillen, meelijdenden spot op de wereld daar +beneden en het menschelijk gedoe schijnt neer te zien. Het eenzaam ijs +glinsterde vaag, met diaphane, lichtblauwe en violette glanzingen. Bij +plaatsen hing een fijne, bleeke nevel die alle contouren verwazigde en +dan weer verder waren 't groote, koele, klare lichtvlakten, als van +een uitgestorven wereld, zonder atmosfeer. De oevers droomden in een +grijsachtig, als het ware rook-omneveld onbestemde weg. Een bosch stond +zwart gelijk een hoogen muur van bazalt en de glooiende sneeuwvelden +tintelden soms, alsof zij met zilveren stuifmeel werden overpoeierd. + +Ondanks het reeds gevorderd uur, waren hier en daar nog menschen op +het ijs. Knapen stoeiden en ravotten nog, in de buurt van huisjes +waar weemoedig gele lichtjes pinkten en een enkele schaatser kwam +over de wijde vlakte in de sonore stilte aangereden, reeds in de +verte hoorbaar lang vóór men hem zag en dan van lieverlede uit de +feerische atmosfeer opdoemend, eerst klein als een kabouter, met gekke +arm-en-been-bewegingen, maar langzamerhand groeiend tot een flinke +en krachtige verschijning, tot een soort van reus-in-eenzaamheid, +die als het ware zwom en roeide over een fantastisch meer van dood +en stilte, waar hij het eenig overblijvend levend wezen was. + +Ik vond het tochtje heerlijk. Het was nog veel aangrijpender en +schooner dan ik mij had voorgesteld. Alle gevoel van moeheid was uit +mij verdwenen en ik had wel zoo den ganschen nacht willen doorzweven! + +Reeds vertoonde zich het torentje van Meylegem-Zuid in de verte. Wat +leek het lieflijk-intiem en poëtisch: de eene kant in 't duister, +de andere kant gansch tintelend-zilverwit, met den pikzwarten +rechthoek, van 't klokgat, dat staarde als een oog in den glanzenden +nacht. Daaronder een paar zwakke, gele pitjes en even verder, aan +den rand van het ijs, dat vagelijk glinsterde, de drie verlichte +ramen der gelagkamer van het Gemeentehuis. Tieldeken was dus nog op; +ik zou haar zien en ook nog eens van hààr schoonheid met mijn oogen +genieten. Wat zou ze verbaasd en verrast zijn, mij daar nog zoo laat +te zien aankomen! + +Als een geboeide vlinder vloog ik over 't ijs, recht naar die lichten +toe. Zóó sterk was ik er door geboeid en als 't ware verblind, dat ik +een oogenblik niets anders om mij heen meer zag en niet eens merkte +twee personen, een man en een vrouw die, innig omarmd, recht vóór +mij uit over het ijs wandelden. Ik zag het pas toen ik heel dicht +bij hen was en meteen hield ik stil, terwijl een geweldige emotie +mijn knieën deed knikken en den adem in mijn keel verkropte. + +Droomde ik? Was ik de speelbal eener nachtmerrie, of zag ik een +abominabele werkelijkheid gebeuren?.... Was dat Tieldeken, omarmd door +een man, door.... plotseling herkende ik hem.... door den pummel,--het +kwasi boerke-van-Meylegem--dien ik nog pas geleden op het ijs zoo +smadelijk overwonnen had!.... Het schemerde vóór mijn oogen en ik +weifelde en twijfelde. Ik wilde twijfelen, ik wilde niet gelooven, +ik kón den dood van al mijne illuziën, in die romantische omgeving, +in dien ongeëvenaard-heerlijken winternacht niet als een werkelijkheid +aannemen. + +Ik sloop hen na, als een dief op de loer. Zij hadden mij niet +gezien, niet gehoord; zij schoven verder over 't ijs, teeder omarmd, +amoureus-fluisterend; zij kwamen bij den oever aan een boschje, +dat zwart en hoekig op het ijsveld uitsprong. + +Nog steeds bleef ik twijfelen, wìlde ik twijfelen. Het kon niet, het +mocht niet, het zou niet. Ik schudde woest het vreeselijk denkbeeld +van mij af; ik had kunnen huilen en ik had kunnen razen en vloeken +van akeligheid en ellende. Mijn oogen stonden van afschuw wijd +opengespalkt, mijn mond gaapte wijd open om te brullen. + +Zij waren in den neveligen maneschijn om den hoek van 't donker +boschje blijven staan. Door het gewirwar der naakte twijgen heen +zag ik, tegen 't lichte sneeuwveld achter hen, duidelijk hun sombere +gestalten afgeteekend. Ik voelde mij als 't ware niet meer leven. Het +scheen mij toe alsof mijn gansche wezen aan een draadje hing. + +Ik zag, dat hij haar eensklaps met zijn beide armen omstrengelde en +wild tegen zich aandrukte. En meteen zag ik, dat hij haar een langen +plakzoen drukte op den mond! Ik zag dat, en ik wilde schreeuwen, +maar geen klank steeg uit mijn keel. Het bloed suisde in mijn ooren +en een seconde sloten zich mijn oogen. Ik voelde mij alsof ik flauw +ging vallen. Maar 't duurde slechts een oogenblik. Ik kwam weer bij +en toen zag en hoorde ik een soort van worsteling, en ik vernam heel +duidelijk haar stem, hààr welbekende stem: + +--Nie nie g'n meug nie, Frans; hier niet, wa peist ge dan! + +Ik wist dat zij het was, ik hoorde 't aan haar stem, dat zij het +was, en nog kón ik, nog wilde ik het niet gelooven. Maar hij werd +hartstochtelijker opgewonden, hij greep haar beet en haar rokken, +die opwoeien, ontblootten even haar ietwat scheeve enkels. Ik zag dat, +en toen eerst wist ik, toen eerst begreep ik; en ik slaakte een kreet, +een rauw gegil dat brulde door 't sonore van den helderen vriesnacht, +alsof een beest vermoord werd! + +Ik weet niet meer precies wat er daarna gebeurd is.... Ik herinner +mij slechts vagelijk haar snerpenden angstgil en zijn razend gevloek +en beider struikelende vlucht over het ijs, naar den nabijen oever +toe. Ik meen dat hij nog even, toen hij mij ontdekt had, met woeste +verwenschingen op mij afkwam, maar spoedig weer terugkeerde, toen +hij zag dat ik op schaatsen stond en hem in elk geval de baas zou +zijn. En haar,--dat althans herinner ik mij duidelijk,--haar zag +ik verder vluchten, vluchten, tot zij de herberg van haar ouders +had bereikt, en de deur openrukte en met een rinkelenden smak weer +dichtgooide. Het oogenblik daarna was alle licht daar uit en op het +spookachtig wit-en-zwarte torentje van Meylegem sloeg het langzaam +in de nachtelijke stilte tien uur: dat herinner ik mij nog heel goed, +heel duidelijk. + +Toen reed ik langzaam heen, gedrukt, en droef, en zwak, en ongelukkig +zooals ik nog nooit in mijn jong leven was geweest. De koude, strakke +ijsvlakte lag daar vóór mij als een vergane en uitgedoofde wereld, +waarop geen mensch meer leven kon. 't Was de totale eenzaamheid, +de absolute doodschheid en verlatenheid, de wanhoop en vernietiging +van alles; en ik snikte, ik snikte hardop in die groote desolatie; +ik snikte om ook maar voor altijd dood en voor eeuwig vergeten te zijn. + + + +O Meylegem-Zuid en o Tieldeken-schoon, wat is dat alles lang en lang +verleden! Wat heb ik later dikwijls met mijn wanhoopsmart van toen +gespot en wat heb ik het meer dan eens betreurd, dat ik toen nog zoo +jong en dom was en in mijn nuchtere, sentimenteele onervarenheid +niet guller heb genoten van wat gij toch wel geven kondet en ook +geven wildet. + +Want ik ben toch tot u teruggekomen, weet ge 't nog wel, o Tieldeken; +en gij zijt goed en lief geweest voor mij, zooals gij goed en lief +waart voor den pummel en voor nog veel anderen (dat heb ik eerst +later geweten, o Tieldeken) maar ik was toen veel te jong om wat +ge mij wel wildet geven naar waarde te schatten, en daardoor heb ik +meer bij u geleden dan genoten, Tieldeken; doch nu, na al die jaren, +blijft alleen het goede en lieve in mijn geheugen over en ik denk +weer aan u met teederheid en weemoed; en ik zie weer uw mooie oogen +die ik dicht zoende, en ik voel nog uw zacht en lenig lichaam dat +ik zoo hartstochtelijk omhelsde; en zelfs uw beenen zie ik nog, o, +Tieldeken: uw beenen die van boven welgevormd maar langs onder ietwat +krom waren, het eenigste wat u een beetje ontsierde en mij uw verlies +(ik zal het u thans maar bekennen) toen ik u toch eenmaal verliezen +moest, niet troosteloos-ondragelijk maakte. + + + +Waar zijt ge nu, o Tieldeken? Leeft ge nog en àls ge nog leeft, +wat is er van u geworden in de afgrijselijke ramp die 't schoone +vaderland geteisterd heeft? Zijt gij gevlucht, als zooveel duizenden en +duizenden, in nood en armoede, ergens in 't verre onbekende; of zijt ge +gebleven waar gij waart, op het mooie, poëtische Meylegem-Zuid, waar +nu de vreemde overweldiger, de vijand, heerscht? Zijt gij geworden +als uw moeder, een oude, vervallen vrouw, met nog overblijfselen +van vroeger schoonheid, maar met ingevallen, tandeloozen mond, die +"dreupelfs" bestelt en nijdig met de klanten kibbelt; of ligt gij reeds +lang in uw graf, ge weet wel, Tieldeken, daar op 't lieve kerkhofje +onder het oud en blank kerktorentje, dicht bij het ouderwetsche huis +waar gij altijd gewoond hebt en waar mijn eerste jongelingsliefde +zoo vurig voor u heeft gegloeid! O, Tieldeken, ziet gij nog wel ooit +de weidsche, overstroomde Meylegemsche Meerschen? Komt daar nog wel +ooit van verre een schuitje aangevaren, licht als een vogel, met +een wapperend en klapperend wit-en-rood vaantje op de scherpe punt; +en verschijnt daar 's winters, als alles glinsterend bevroren ligt, +nog wel eens een kunstrijder, die er voor 't oud gemeentehuis komt +ronddraaien, omringd door een opgetogen schaar bewonderaars, welke +nog het legendarisch en fabelachtig boerke-van-Meylegem meenen te zien? + +Wie zal het mij nu zeggen!.... + + + + +IV + +HET LAND IN + + +Die teedere herinnering aan 't mooie Tieldeken en aan het poëtische +Meylegem-Zuid heeft alweer mijne verbeelding en mijn pen op +hol gebracht. Ik ben weer veel te verre in mijn verhaal den tijd +voorbijgeloopen en ik moet terug, lange jaren terug, naar alles wat +nog tusschen toen en nu ligt. + +"Les fleuves," zei Pascal, "sont des chemins qui marchent." De +ijsvelden, zou ik er durven aan toevoegen, zijn wegen die trekken. Hoe +is het mogelijk thuis te blijven zitten, of zich op een en zelfde +plekje op te houden, terwijl men weet dat zich alom de vreugdewegen +uitstrekken, dat kanalen en rivieren dichtgevroren zijn en dat men zich +maar heeft te laten gaan, om spoedig en gemakkelijk te komen, waar +men anders niet komt, om tafereelen te aanschouwen en gebeurtenissen +bij te wonen, die men anders niet zal zien en niet zal bijwonen! + +Zoo ging het ons, in strenge winters, zoodra de groote waters sterk +lagen. Ik herinner mij dat dagelijks gaan kijken naar 't kanaal, dat +hopen en vreezen, dat rusteloos speuren naar den stroom, die overdag +weer afvrat wat de vorst des nachts aanbakte, tot weldra de open +geul versmalde en versmalde en eindelijk op een ochtend dicht lag, +hard-dicht, als één lange donker-glinsterende spiegel, zoover het oog +kon reiken, tusschen de kaarsrechte, met boomen beplante oevers van +'t kanaal. + +Dan kwam in ons een soort van koorts en hoop en vrees stegen ten +top. Zou het blijven vriezen; zou het ijs goed sterk worden; en +bovenal zou er niet vóór het goed sterk was, een sleeper doorheen +varen, die alles weer openbrak en al onze hoog-gespannen hoop als +ijle rook vervliegen deed? + +Somtijds, helaas! helaas! kwam er op 't allerlaatste oogenblik +werkelijk nog een sleeper door. Ik herinner mij een ochtend, een +schitterenden vries-ochtend, zoo een van die bladstille, grijs-lila +winter-ochtenden, waarin de zon aan neveligen einder opkomt, gansch +rood, gansch rond, als een bol zonder stralen, als een wonder uit +een nieuwe, pasgeboren, onbekende wereld. De handen waren verkleumd, +de ooren tintelden, de adem doomde alsof men rookte, maar de oogen +straalden en met mijn schaatsen onder den arm liep ik naar 't kanaal +toe, zoo goed als zeker dat er reeds op gereden werd. + +Toen, plotseling, hoorde ik iets dat mijn beenen verlamde en den +adem in mijn keel deed stokken: Een geloei, een gebrul, schor en +akelig-langgerekt, als een noodkreet van verwoesting: de stoomfluit +van een sleeper! + +Hoe was het mogelijk! 't Kanaal lag reeds enkele dagen dicht en dien +nacht had het gevroren, gevroren! Ik kon noch wilde het gelooven en +holde naar de vaart toe, om mij te overtuigen dat het slechts een +akelige zinsverbijstering van mij was. + +Helaas! helaas! drie maal, tien maal, honderd maal helaas! Zoodra +ik op den berm kwam zag ik een dikke, zwarte rookpluim en onder die +rookpluim de sombere sleeper, die als een vraatzuchtig beest door 't +mooie ijs geploegd kwam. Ik vloekte en meteen had ik kunnen snikken +van ellende. Ik zag die scherpe, zwarte punt door de spiegelgladde +oppervlakte boren; ik zag het ijs barsten als glas en ik hoorde het als +'t ware schreien onder 't kraken; ik zag de van elkaar gerukte schotsen +naar de oevers opkruien en zich daar in de wanhopigste verwarring +boven op elkander stapelen, ik zag het reddeloos vernietigen van al +die schoone hoop-in-belofte, die bijna reeds werkelijkheid was; en +zulk een woede greep mij aan, dat ik mijn beide vuisten balde naar +het werk van de vernielers en aan de zwarte, vuile mannen daar op +'t dek toeschreeuwde, dat ik hen allen met hun rotte schuit naar +den kelder wenschte. Zij lachten mij uit met hun gemeene, koolzwarte +tronies en uittartend lieten zij weer hun heesche stoomfluit brullen, +oorverdoovend lang en akelig, om te eischen dat men ginds even verder +in het dorp, de brug voor hen ophaalde. + + + +Dat waren dan de doodende gebeurtenissen, doch niet elk jaar trof +ons zulk een gruwelijke ramp. Er kwamen ook winters waarop het ijs +aan de vernielingszucht der menschen ontsnapte en dan werden wij de +triomfeerende helden van die heerlijkheid en ons genot kende geen +grenzen meer. + +O, die tochten, die tochten, die uren-en-die-dagenlange tochten over +de kanalen en rivieren van het schoone Vlaanderenland! + +Het kanaal op zichzelf was slechts een rechte, vrij eentonige +verbindingsweg en daar het vrij diep lag tusschen zijn oevers was er +omheen al niet veel te zien; maar aan het uiteinde van het kanaal was +er een sluis; en dan had men de Leie, de mooie, kronkelende, poëtische +Leie, de rivier der dichters en der schilders, die als het ware plat +over het land heen lag uitgeslingerd met langs haar grillige boorden de +schoonste ouderwetsche dorpjes, de kleurenrijkste boerderijtjes en de +verrukkelijkste vergezichten welke een artiesten-ziel zich droomen kan. + +O, witte kleine kerktorentjes, mooier en intiemer nog dan het liefelijk +Meylegem-Zuid; oude, oude torentjes van nietige dorpjes, zooals gij +u daar stond te spiegelen onder boomen, op een heuveltje, bij een +lus der rivier, gansch wit en grijs, met zwarte klokgaten-oogen; +lieve torentjes van Vlaanderen, bestaat gij nog? Ik durf aan u haast +niet meer denken, zóó zwaar drukken mij heimwee en vrees. Maar zooals +ik u tóén zag, in die heerlijke dagen, in die zacht-wazige atmosfeer +van wit, en roze, en mauve, teer doorzeefd van tintelend zonnegoud, +zoo zie ik u nog steeds in mijn geheugen en vergeet ik u nooit! + +Het was een wonder en ontroerend leven. Evenals de natuur zelve, +schenen de menschen van aard en karakter veranderd. Dat doet het +ijs. Het ijs maakt andere, nieuwe wezens van de menschen. Er ontstaat +ineens een ongekende broederlijkheid en vrijheid van omgang. De mensch +vertoont zich, schijnt zich althans te willen vertoonen, zooals hij +werkelijk is. En onder den invloed van het ijs, het schoone ijs der +schoone winterdagen, ontluikt de liefde, de lichte, vroolijke liefde +van een dag of van een uur, gelijk een mooie bloem die even geurt +en kleurt en fleurt en even gauw verwelken mag als zij ontstond, +zonder wrange spijt noch wroeging na te laten. + +O, wat al vluchtige, korte liefdes in dat frisch en licht, charmant +verleden! Wat al mooie boerinnetjes, wel zoo mooi en zelfs nog +mooier dan het aardige Tieldeken van Meylegem-Zuid, eventjes in +'t voorbijrijden gezien met blozende wangen en stralende oogen; +eventjes aangesproken, en de hand gedrukt en ook wel eens gezoend +en in de lenden geknepen, maar dan ook zonder spijt weer verder, +naar andere bekoringen, naar andere oogen en andere lippen, als een +vrije vogel van tak op tak, als een lichte en lichtzinnige kapel van +bloem tot bloem! Het had niets ernstigs te beteekenen, het vulde een +uur of een half uurtje van den vroolijken dag; het was een glimlach +en een streeling, een opwekkende prikkeling der zenuwen, iets als +de prikkeling der scherp-gezonde lucht, die alles zoo goed en zoo +licht en verrukkelijk maakte. Want de grond en de basis van al dat +heerlijke genot was en bleef toch steeds het element-zelf waardoor +en waarop het gebeurde: het ijs en het schaatsenrijden! En terwijl al +die lichte minnarijtjes als het ware om ons heen in de ijle atmosfeer +wegwoeien, zweefden wij zelven steeds verder en verder, verslonden +wij afstanden en dorpen en kwamen telkens weer in streken waar weer +alles nieuw was. Waar wij ook verschenen was het een verrassing, een +openbaring, en als 't ware een verovering. Bij ieder dorp, in elke +kleine stad vertoonden wij onze kunsten en genoten wij triomfen; +en telkens hoorden wij, evenals vroeger te Meylegem-Zuid, uit de +bewonderende scharen den kreet opgaan: "'t Es boerke van daar of +van daar!" want ieder dorp, elk gehucht, hoe klein en onbeduidend +ook, had zoo zijn legendarisch boerke, zijn ijsheld, dien niemand +ooit gezien had, maar dien allen kennen wilden en in elken knappen, +vreemden schaatsenrijder meenden te ontdekken. + +Toen dacht ik weer aan Tieldeken van Meylegem en voelde een soort +wroeging en heimwee. Wat had ik haar verwaarloosd, bijna vergeten! En +ik reed er weer eens heen en bleef er enkele uren; maar 't was reeds +dàt niet meer, de vrijheid trok, de onrust kwelde, de groote ijswegen +van 't schoone land lokten almachtig en de Meylegemsche Meerschen, +hoe ruim en heerlijk ook, waren reeds te klein geworden. + +Ik moest weer weg en verder, de wijde wereld in. + + + + +V + +DE GROOTE, DEFTIGE IJSLIEFDE + + +Dat rusteloos rijden en trekken, dat steeds verder en verder willen +komen en steeds meer willen zien en genieten, bracht mij ten slotte van +uit de schoone eenzaamheid der dorpen en der velden tot in de groote, +drukke stad, waar veel en veel duizenden menschen leefden. Ik maakte +er kennissen, die van lieverlede vrienden werden. Weldra verkeerde ik +er op intiemen voet met den Grooten Dichter, den Grooten Schilder, +den Grooten Musicus en nog veel anderen, allen hartstochtelijke +schaatsenrijders. Wij reden er samen gecompliceerde en mooie figuren +midden in een elegante drukte van dames en heeren, die ook reden +en ons zeer bewonderden. En zoo langzaam aan breidde de kring van +kennissen zich uit en wij werden allen mondaine rijders en weldra zag +men ons zwieren met mooie, geparfumeerde wezentjes, in rijke, bonten +mantels en 't werd een soort gedistingeerde hofmaking van elken dag, +waaruit,--zoo werd gefluisterd,--wel een paar chic-que huwelijken +zouden kunnen voortspruiten. + +Huwelijken!.... Ik geloof niet, dat een van ons allen daar een +oogenblik ernstig aan dacht. Misschien dachten de mama's er aan, +terwijl ze, vaag haar dochters chaperoneerend, met welwillenden +glimlach zich in sleedjes lieten voortduwen, en misschien wel +dachten de meisjes zelven aan iets dergelijks, want haar oogen +straalden zoo en zij schenen zoo intens van alles te genieten; doch +wij.... neen.... wij dachten alleen aan prettig schaatsenrijden en +een beetje los en aardig flirten. + +Maar hoe dan ook, de Groote Dichter reed stellig bij voorkeur met een +aardig snoetje, die een mooie, bruine pels en een toque met paarse +viooltjes droeg; de Groote Schilder, die lang en mager was, scheen +zijn keuze te hebben gevestigd op een mollig, frisch wezentje met +appelronde en roze wangen, en de Groote Musicus, vrij kort en dik van +figuur met fladderende krullokken, zooals een musicus betaamt, kleefde +vast aan een lang-opgeschoten, mager meisje, zeer elegant, maar ietwat +stijf en stroef in haar bewegingen. Ik alleen had nog niets vasts! + +Nog niets bepaalds, maar wel iets in 't zicht!.... + +Langs de lange banen die ik volgde om ter groote stad te komen, +langs de vele en sierlijke lussen en bochten der poëtische rivier, +rezen menige villa's, buitens en kasteelen op, die 's zomers allen +vroolijk bewoond, maar bijna zonder uitzondering 's winters stug en +dicht gesloten waren. + +Bijna allen, maar toch niet àllen! Een was er, ongeveer halverwege +tusschen mijn dorp en de groote stad, dat het gansche jaar door +werd bewoond. 't Was een baron, die daar vertoefde, burgemeester +der gemeente. Ik had wel eens zijn naam hooren noemen, maar hem zelf +nooit gezien. Ik wist ook niet dat hij gehuwd was en kinderen had en +'t kon mij trouwens ook niets schelen. + +Het was een mooi kasteel, lichtroze en grijs in harmonieuze +schakeeringen en het verhief zich tegen een achtergrond van statige +boomen, op een zacht-glooiend grasveld, bij een bocht van de rivier, +die daar een breeden inham maakte. 's Zomers moest men er voorzeker van +een heerlijk vergezicht genieten over de stille kronkelingen van het +water en de alomliggende weiden, bosschen en landouwen. Maar zelfs in +'t barre van den winter was het er liefelijk en mooi en het verwonderde +mij niet, dat de familie er 't gansche jaar door bleef wonen. Ik +keek er telkenmale naar met welgevallen wanneer ik daar voorbij reed +en alleen verbaasde 't mij dat de menschen die daar leefden niet +de heerlijke gelegenheid te baat namen om er volop van 't ijs te +profiteeren. Hoe is 't mogelijk! dacht ik telkens in mijzelf. En ik +had daar wel willen aan wal stappen en binnen gaan om hen te zeggen: +"Maar, menschen, komt nu toch op 't ijs, niemand in den ganschen +omtrek heeft zulk een prachtige gelegenheid, vlak vóór zijn deur!" + +'t Was of mijn stillen aanroep werkelijk geuit werd en of zij er +gehoor aan gaven. Eens, op een morgen, toen ik daar langs kwam, +waren zij werkelijk aan 't schaatsenrijden! Ik kende hen wel niet, +maar ik begreep dadelijk en instinctief, dat "zij" het waren. Dat +voelt men zoo, dat ziet men, dat hoeft niet gezegd. Met hun vijven +waren ze: een jongeling van zeventien of achttien, twee meisjes van +dertien of veertien, een juffer zonder leeftijd, die er uitzag als +een gouvernante en ten slotte een jonge dame van misschien acht en +twintig of dertig, een beeldschoone vrouw. + +'k Ben meer dan eens, met alles-verzengenden, plotselingen gloed, +verliefd geworden op het ijs, maar zóó totaal en overweldigend-verliefd +als ik dáár werd op 't eerste zicht, neen, dàt was mij nog niet +overkomen. Ik had maar één plotse afschuwelijke, alles-vernietigende +vrees: dat zij wellicht de moeder was der andere kinderen en dat mijn +vlam dus in den dop versmacht zou worden; doch op hetzelfde oogenblik +dat die gruwelangst door mijn ziel heen ijsde, hoorde ik de jongere +meisjes familiair haar naam "Olga! Olga!" uitroepen en het streek +als een zalvende balsem over mijn gefolterd hart. + +Zij was lang en slank van gestalte, maar met toch mooi-gevulde vormen, +en zij had schoone regelmatige trekken, en prachtig, donker haar, +en een gezond, frisch teint, en oogen.... oogen, zooals ik er nog +nooit zulke sprekende, bezielde, overweldigend-prachtige gezien +had. Haar gansche beeld boeide mij zoo totaal en absoluut, dat ik +staan bleef, als plotseling geremd, als vastgevroren, om haar te +bewonderen. Zij droeg een donkerblauwe japon en daarboven een witte +jersey en wit-wollen mutsje, en dat stond haar, dat mouleerde haar +mooi lichaam en sierde haar mooi hoofd, om er ziek van te worden! + +Zij reed niet goed. Men kon duidelijk merken, dat ze zich nog maar +weinig had geoefend. Haar bewegingen waren stroef en aarzelend, +maar hoe gracieus niettemin, hoe heerlijk en ontroerend gracieus, +wellicht juist omdat ze ietwat hulpbehoevend waren! Zij reed heen +en weer met de jongere meisjes, die ook al vrij gebrekkig reden, +evenals de gouvernante trouwens, die met moeite kraste en krabbelde, +en heelemaal geen elegance had. De jonge jongen, op een apart plekje, +poogde zich te oefenen in 't kunstrijden, maar 't was armzalig, hij +kende er nog niets van, hij struikelde en gleed uit en dreigde elk +oogenblik te zullen vallen. + +Ik stak een sigaretje op, schijnbaar achteloos, als om even uit +te blazen, zwierde een paar keer gewoon heen en weer en trok dan +plotseling, op het geschikte oogenblik, waar ze 't goed konden +zien, met zegevierend brio, een van mijn allerprachtigste, +allergecompliceerde kunstfiguren. + +Zij zagen het en stonden eensklaps stil, als 't ware pal van verbazing +en bewondering. + +--Olga! Olga! tu as vu, ça! riep een van de meisjes, in 't Fransch, +tot de ontroerende schoone. + +Ik, natuurlijk, deed, alsof ik niets gemerkt had. Maar mijn hart +klopte, klopte....! Ik schudde de asch van mijn sigaret, reed een +eind weg, keerde terug, nam mijn elan en waagde een figuur dat, +als het lukte, een van mijn gróót-triomfen was. + +Het lukte! Als een vogel zweefde en fladderde ik over het ijs en +achter mij ging weer een kreet op van bewondering, terwijl ze zich +nu allen in een groepje schaarden en kijkend stonden te wachten wat +er nog meer zou gebeuren. + +Iets in het diepste van mijn wezen zei mij, dat er nu niets meer +mocht gebeuren. De triomf was totaal, compleet, en kon slechts meer +bedorven worden. Ik had ineens, door mijn smorende liefde overweldigd, +tè veel gegeven; ik had meer gegeven dan ik werkelijk kon en ik hijgde +en duizelde van de inspanning. Mijn opgewekte zintuigen waren tot het +uiterste geprikkeld en gescherpt en 't zou mij welkom zijn geweest als +er nu plotseling met mij iets was gebeurd; een flauwte, een inzinking, +een klein accident, iets dat mij alle verder kunstenvertoon onmogelijk +maakte. En plotseling kreeg ik een geniale ingeving: ik begon een +kunsttoer, iets geweldigs van aanvang, alsof ik nu eens alle bekende +en onbekende wereldrecords ging slaan; maar meteen zorgde ik er voor +dat een van mijn schaatsen even over het ijs schraapte, en haperde, +en hobbelde, alsof er iets aan mankeerde of gebroken was. Ik remde +midden in mijn wildste zwieren, tilde den voet op, keek naar mijn +schaats, schudde bedenkelijk het hoofd en hinkte op één been naar den +oever toe. Ik hield het voorname groepje wel in 't oog, ik merkte +duidelijk een spijtige, teleurgestelde uitdrukking op de gezichten +en hoorde deze mij zoo zoet in 't oor klinkende woorden: + +--Quel dommage! Il a cassé un de ses patins! + +Ik was gaan zitten op den grasrand bij den kant en had mijn +rechterschaats losgemaakt. Ik keek ter sluiks en dacht: "Zouden ze +zich niet interesseeren? Zouden ze niet komen vragen wat scheelt +er?".... Helaas! zij kwamen niet. Ze bleven nog een poosje staan +kijken, wellicht wachtend of ik het gebrek kon repareeren en weer +met mijn kunsten zou beginnen; maar toen ze merkten dat er niets +van kwam, keerden ze zich weldra om en gingen kalm weer aan 't +knoei-rijden. Diep voelde ik mij ontnuchterd en teleurgesteld. Het +was zoo mooi begonnen, 't liep alles zoo prachtig van stapel en nu, +juist nu als het tot een triomf moest opbloeien, ging het als een +nachtkaars uit! Wat nu! Zou ik weer mijn schaats aantrekken en mij +in vertooning geven? Neen: ik voelde, dat ik dàt niet doen moest. Nu +was er nog als een aureool van slachtoffer om mij heen. Ik moest dien +dag slachtoffer blijven. Dat stond beter, grooter, verhevener. Nu +konden ze nog in hun herinnering bewonderen wat ze gezien hadden en +treuren om wat hun onthouden werd. Zij zouden er nog met elkander +over spreken, mij beklagen, hopen mij terug te zien. Ik stond op, +met mijn rechterschaats onder den arm en op mijn linkerbeen alleen, +dat 't sterkste van de twee was, zwierde ik over het ijs weg, licht en +krachtig nog ondanks mijn ongeval, waardig en zelfs groot,--ik voelde +het,--in den onverdienden tegenspoed die mij getroffen had. Even +voorbij de bocht keek ik eens om en zag, dat ze mij naoogden. Mijn +gemoed zwol van trots en ik ademde diep. Ik voelde dat ik indruk +had gemaakt, ja, dat ik overwonnen had. Er was daar een gehucht van +kleine huisjes aan den rand van 't water, waaronder een herbergje. Ik +wipte aan wal en stapte er binnen. Een dikke vrouw kwam naar mij toe, +groette mij vriendelijk, praatte dadelijk over 't mooie weer en vroeg +mij wat ik wenschte. Ik begreep terstond dat ik met een babbelkous te +doen had,--juist wat ik op dit oogenblik verlangde,--bestelde iets +en bracht al spoedig het gesprek op de baronsfamilie, die daar bij +'t kasteel ook zoo lustig aan het schaatsenrijden was. + +--Ha da ès toch wat, e-woar, meniere; en mejonkvreiw Quiline, die +doar euk nog aan mee doet! riep de dikke vrouw, de beide handen op +haar heupen zettend. + +Mejonkvrouw Quiline! Die mooie naam trof mij geweldig. Ik voelde dat +"zij" het was, dat "zij" het wezen moest. Het kon niet anders. + +--Is dat de oudste van die jonge dames! vroeg ik, mij met inspanning +zoo schijnbaar kalm en onbewogen mogelijk houdend. + +--Joa 't meniere; joa 't meniere, bevestigde de struische waardin. En +zij begon mij een gecompliceerd verhaal over mejonkvrouw Quiline, +een wees van adel, maar zonder fortuin, die bij haar oom, den baron, +inwoonde en zoo lief en zoo aardig was, zoo vriendelijk met alle +menschen, heelemaal niet trotsch of verwaand, "en zuk 'n scheun +vreiwe-meinsch, meniere, as 't 'n boeremeiske woare dat den helft van +'t dorp d'r zot van zoe leupen!" + +Een wees, dacht ik, en geen fortuin, hoewel van adel, en zoo lief +en zoo aardig, en misschien wel tegen haar zin gedwongen daar, +als behoeftige bloedverwante, bij haar oom in te wonen! Horizonnen +gingen heerlijk zacht-verleidend vóór mij open; horizonnen van geluk +en liefde, van levensblijde zaligheid in ideale toekomst! + +Zoodra ik met het babbelwijf had afgerekend trok ik weer mijn +schaatsen aan en weg was ik, in één adem door, naar de stad toe. Op +het ijs vond ik er dadelijk mijn vrienden: den Grooten Dichter, +den Grooten Schilder, den Grooten Musicus, als naar gewoonte druk +aan 't zwieren met de vriendinnetjes die ze zich uitgekozen hadden; +maar zij waren eenigszins ontstemd omdat het ijs zoo slecht werd in +de buurt der stad, zoo doodgereden; en zij vroegen mij of er op mijn +lange baan niet een of ander mooi en rustig plekje was, waar ze zich +beter zouden kunnen oefenen. + +Een licht ging vóór mij op. Ineens, met pijlsnelle gevolgtrekking, zag +ik de mogelijkheid in van heel dichtbij mijn ideaal te benaderen. In +mijn eentje,--dat voelde ik wel,--zou het mij lastig, zooal niet +onmogelijk zijn, met haar in aanraking te komen. Maar in gezelschap van +anderen, vooral als er dames bij waren, was er een zeer besliste kans +op. Mijn oogen straalden en ik voelde mijn wangen een kleur krijgen. + +--Ik weet een heerlijk plekje, prachtijs, zoowat drie kwartier rijdens +hier vandaan, vlak vóór 't kasteel van X. zei ik. + +Strak en ietwat aarzelend, keken zij mij even aan. Drie kwartier +rijdens, 't was wel een heel eind. Zou het werkelijk de moeite +loonen? Was het inderdaad zulk mooi ijs als ik zei en werd er daar +nog meer gereden? + +--De familie van den baron rijdt er dagelijks: een jonge man en +verschillende dames! antwoordde ik met geestdriftige overtuiging, alsof +dit op zichzelf wel een voldoende en afdoende argument moest wezen. + +Ik vrees wel en ik geloof ook, dat de vurigheid van mijn betoog op dat +oogenblik de warmte van mijn diepen hartstocht heeft verraden. Zij +keken mij allen een beetje verwonderd aan en de Groote Dichter zei +spottend: + +--Hohóó! En zijn er knappe meisjes onder? + +Ik kreeg een kleur als vuur. Ik voelde 't bloed onder mijn wangen +gloeien en stond daar even radeloos, zonder te kunnen antwoorden. Doch +wat ik ook al zeggen wou, 't bleek overbodig, zij hadden mijn geheim +op mijn benauwd gezicht gelezen en vierden er de dolste pret om. Zij +vroegen mij schertsend haar naam, haar leeftijd, en hoe zij er +uitzag en honderd dingen meer. Ik had wel 'k weet niet wat gegeven +als ik daar nooit over begonnen was; maar 't was te laat, zij raakten +opgewonden over het geval en ondanks mijn halsstarrige ontkenningen +en mijn verwoede tegenkanting wilden zij nu absoluut daarheen; en +er werd afgesproken, dat zij mij den volgenden ochtend, om elf uur, +op de aangewezen plek, vóór het kasteel, zouden verwachten. + +--Ik zal er niet zijn! riep ik razend, van spijt op mijn onderlip +bijtend. En 'k was ook vast besloten niet te komen. Ik was zóó +ontstemd, dat ik moeite had om niet te huilen en te schelden en ik +verliet hen dien avond als vijanden, die ik nooit terug zou zien. + +Ik sliep niet, dien nacht. Zelden heb ik mij zóó diep ongelukkig +gevoeld. 't Verdriet om Tieldeken van Meylegem, was niets daarbij +vergeleken. Hoe was het toch mogelijk dat ik zelf, met slechts een +paar onbezonnen woorden, in een oogwenk, mijn teedere illuzie, mijn +schoon ideaal, mijn frisch en jong geluk ontfleurd, geschonden en +vernietigd had! + +Half ziek van ellende stond ik op. Gedurende mijn woeligen, slapeloozen +nacht had ik gewenscht en gehoopt dat het weer zou veranderen, dat +het waaien, regenen, dooien zou; maar nog nooit had de winterzon zoo +heerlijk in rein-stillen hemel gestraald en gebloeid als dien ochtend +en dat verergerde mijn radelooze ontreddering, want nu zouden zij +zeker komen, evenals het vast en zeker was, dat ook de bewoners van +'t kasteel niet zouden nalaten van dit prachtig weer te profiteeren. + +Toch was ik vast besloten niet te gaan. Zoo zou ik mij wreken. Mij +wreken.... maar zelf meteen folterend lijden. 't Werd negen uur, +kwart over negen, half tien. Een rustelooze gejaagdheid zweepte mij +op, dreef mij voortdurend heen en weer, deed mij elk oogenblik mijn +horloge uithalen. Nog een half uur, nog een kwartier, en 't zou te +laat worden, ik zou er niet meer kùnnen komen! Of zou ik wellicht +toch.... al was 't maar op een afstand.... van verre.... ergens mij +verschuilen.... kijken, al was 't maar om te weten of ze werkelijk +gekomen waren, en hoe ze zich daar hielden....? Ik voelde mij +krankzinnig worden van onrust en ellende; en plotseling was mijn +besluit genomen: ik greep naar mijn schaatsen, vloog naar de deur, +holde buiten, kwam aan 't kanaal, bond aan en reed weg, alsof mijn +leven op het spel stond. + +Nog nooit had ik zóó gereden! Nu nog, als ik er aan terug denk, voel +ik als 't ware die wilde opzweeping, dat rijden op leven en dood, +dat hijgen en dat bonzen van mijn hart en de zweetstralen die in de +straffe winterzon langs mijn gloeiende wangen stroomden. "Die moet er +zijn!" riepen de schaatsenrijders, die mij als een bezetene langs hen +heen zagen razen. Eerst toen ik in de buurt van het kasteel gekomen +was, bedaarde ik een weinig. Ik kòn ook niet meer. Ik was letterlijk +op. Maar ik verademde in al mijn zwoegen, toen ik merkte dat mijn +inspanning niet tevergeefsch was geweest en de adellijke familie daar +rustig op 't gewone plekje aan 't rondrijden was, zonder een van mijn +gevaarlijke vrienden in hun nabijheid. Die waren er dus nog niet; +ik kon ze tegemoet rijden en eventueel tegenhouden; ik kon althans +een soort contrôle uitoefenen op hun optreden en zorgen, dat ze geen +gekheden uithaalden. Ik ging een oogenblik op den oever zitten om wat +te bekomen en toen reed ik kalm en langzaam verder, in de richting van +'t kasteel toe. + +Wat lag het daar mooi en deftig en sierlijk, gansch badend in +stralende winterzon en blauwen hemel en wat scheen het mij heerlijk +daar te mogen leven! Ik zag er mij reeds, in mijn rijke en vlugge +verbeelding, zittend aan een feestdisch naast haar en ik gloeide +van liefde en tranen van geluk en zelfverteedering kwamen in mijn +oogen. Daar reed ze weer, met haar nichtjes en de juffer en haar neef +op het verrukkelijk plekje heen en weer, en zij scheen mij nog veel +mooier en bekoorlijker dan al de vorige dagen; en ik fluisterde in +mij zelf haar naam, haar zachten, lieflijken naam: Quiline, en in mijn +sidderende verbeelding omarmde ik haar en zoende haar hartstochtelijk, +op de wangen, op de oogen, op de lippen.... + +In zulke ontbrandende stemming reed ik langzaam en schijnbaar kalm, +met sierlijke zwaaien voorbij. O, zoo dacht ik, ze moest eens weten, +ze moest eens voelen wat ik op dit oogenblik weet en voel! Zij zagen +mij en staakten even hun nog steeds vrij sukkelige oefening om mij +na te staren. Ik zwaaide en zwierde als een verliefde jonge God over +het ijs. Ik hoorde hun opmerking: "C'est lui, c'est le même!" en +'t zwol in mij van trots en van ontroering. Wat was ik blij dat +ik toch maar gekomen was! En wat een geluk dat ik er toch nog de +eerste was en de anderen een eind tegemoet kon rijden! Als die nu ook +maar kwamen! Zoozeer als ik hun komst eerst gevreesd had, zoo sterk +verlangde ik er nu naar. Ik voelde als het ware een triomfstemming +in en alom mij heen: een triomf, die eerst volmaakt zou worden, +als de anderen er nu getuigen van werden en er in medewerkten. + +Daar waren ze! Ik zag ze komen van verre, even voorbij het herbergje +der babbelkous, waar ik den vorigen dag gepleisterd had. Zij zwaaiden +naar mij met hun armen en op hun verhitte gezichten en in hun stralende +oogen glom reeds bij voorbaat ondeugende pret. + +--Is ze daar! riep de Groote Dichter mij toe. En de Groote Schilder +zond kushanden door de lucht, terwijl de Groote Musicus pathetisch +galmde: "Oh bel ange, ma Lucie!" De jonge dames giegelden en lachten. + +--Houen jullie toch wat stil! zei ik bezorgd en onrustig mijn +wenkbrauwen fronsend. + +Maar zij waren nu eenmaal dol opgewonden, zooals meer gebeurt met +stadsmenschen, wanneer ze buiten komen; en die opgewondenheid uitte +zich in vrij smakelooze uitbundigheden. Omdat een haan luid kraaide +op een boerderijtje langs den oever, begonnen zij ook allen schril te +kraaien. Omdat een waakhond blafte gingen zij ook aan 't blaffen en +omdat de babbelkous van 't herbergje met onbehouden nieuwsgierigheid +naar hun rumoerigen optocht kwam kijken, zetten zij ook allen groote +oogen van overdreven verbaasdheid op en riepen 't wijf in het Fransch +gekke dingen toe waarvan ze geen woord kon verstaan. + +--Asjeblief doe dat niet! smeekte ik diep ongelukkig, met het ellendig +gevoel dat mijn gansche triomf als sneeuw vóór de zon ging versmelten. + +Zij bedaarden een weinig. Zij reden kalmer naast mij door en toen +zij weldra in 't zicht van het mooie kasteel kwamen dat daar gansch +glinsterend roze in zonneglans te baden stond en de deftige familie +zagen, die zich bij den inham in het schaatsenrijden verlustigde, +scheen het wel eenigen indruk op hen te maken. De Groote Dichter had +woorden van waardeering en vooral de Groote Schilder jubelde, terwijl +de Groote Musicus even zijn pet afnam en zijn manen van voor het +voorhoofd wegschudde om beter te zien. De vrouwen waren typisch. Zij +keken al niet veel naar het kasteel en zijn mooie omgeving, maar zagen +dadelijk de schaatsenrijdende meisjes; en een gepinceerde uitdrukking +kwam om haar lippen, terwijl ze scherp-critisch het viertal opnamen. + +--Dewelke is het nu? vroeg spotachtig de Groote Dichter. + +--Zal ik het je zeggen! riep levendig het aardig snoetje, dat altijd +met hem reed: de grootste is het: die met haar blauwen rok en witte +trui! + +--Maar 't is al een oude! giegelden de twee anderen. + +Ik voelde 't bloed naar mijn wangen stijgen. Ik had wel onder het +ijs willen wegzinken! + +--Praat toch zoo hard niet! zuchtte ik wanhopig. + +De deftige familie had ons opgemerkt. Verwonderd door onze onverwachte +verschijning, stonden zij daar even op een rijtje, roerloos, met +belangstelling ons opnemend. Zij wisselden enkele woorden, glimlachten, +en gingen dan weer kalm doorrijden. Er was ik weet niet welke vage +stemming van stille, onverklaarbare hostiliteit. + +--Hoe oud is ze? kwam de Groote Dichter met schijnbaar-ernstige +belangstelling naar mij toe. + +--Weet ik het! klonk mijn ongeduldig, gesarde antwoord. + +--Het ijs is hier mooi, laten we maar wat figuren rijden, zei het +meisje van den Grooten Dichter, die dadelijk gemerkt had, dat de +deftige familie slechts een troepje knoeirijders was. + +En zij begon sierlijk te zweven. + +De anderen volgden haar voorbeeld. En dadelijk werden op het mooie +plekje eenige kunstfiguren getrokken, zooals het ijs er daar wellicht +nog nooit ontvangen had. + +Het scheen diepen indruk te maken. Weer stond de deftige familie +roerloos op een hoekje te kijken en van lieverlede, zonder het haast +te merken, namen wij meer en meer de plaats in, waar zij zich tot +dusver geoefend hadden. Ik zag het eensklaps met schrik en zei: + +--Laten we liever een eindje meer naar 't midden der rivier gaan, +ik vrees dat we hier hinderen. + +Maar de meisjes protesteerden luide: + +--Waarom? Het ijs is hier uitstekend en de rivier is toch geen privé +eigendom? + +Ik zweeg, geconsterneerd. Hoe durfden ze zoo onbescheiden op te +treden! Die stadslui, eenmaal buiten, hadden toch geen greintje +beschaving of tact meer! En weer speet het mij geweldig, en had +ik kunnen schreien van spijt en ellende, dat ik hen daar gebracht +had. Het verlamde mij totaal, al mijn pleizier was ineens weer weg, +ik reed geen steek meer, ik stond daar roerloos en benauwd te kijken, +in voortdurenden angst dat er iets vreeselijks gebeuren zou. + +De deftige familie, een enkel oogenblik geboeid, nam reeds geen +notitie meer van ons. Zij bleven in hun hoekje, dat steeds kleiner +werd en sukkelden daar knoeierig heen en weer en de stemming van +stille hostiliteit, die ik al van 't begin gevoeld had, scheen zich te +accentueeren, uit te breiden! 't Was ook te gek, zooals die steedsche +meisjes zich daar aanstelden. Omdat ze iet of wat konden kunstrijden, +deden zij alsof ze heldinnen waren in de sport en keken met onverholen +minachting en spot naar 't gewurm der anderen. "Niet fameus, het +rijden van je belle," riep een van haar mij in 't voorbijzwieren toe, +luid genoeg dat de freule het wellicht hooren kon. Ik had haar wel +kunnen omvergooien van woede en 't schaamterood steeg als een golf +naar mijn wangen. + +--Ik blijf hier niet; ik ga weg! riep ik eensklaps met luider stem, +in opstand komend. + +Met verbazing keken zij mij aan; en ook de deftige familie, die +blijkbaar mijn uitroep gehoord had, bleef even staan en drong op een +kluitje samen. + +--Wat heb je toch! Word je gek! vroeg spottend de Groote Dichter. + +Eensklaps verliet de jongeling, die met de deftige familie reed, +het ijs en op zijn schaatsen, met breede, onbehendige schreden, +als een die iets heel dringends mee te deelen heeft, liep hij dwars +over het glooiend grasveld naar 't kasteel toe. Ik zag hem door de +glazen vestibule-deur verdwijnen en voelde instinktmatig dat er iets +heel gewichtigs, wellicht iets vreeselijks gebeuren ging. De Groote +Schilder en de Groote Musicus merkten het ook en schertsten: + +--Hij gaat ons een glas port halen! + +Mijn hart klopte en mijn knieën knikten. Nog nooit had ik mij zoo +grenzeloos-ongelukkig gevoeld. "Asjeblief, schei toch uit," smeekte ik, +terwijl er tranen in mijn oogen kwamen. Maar zij lachten en spotten +nog veel harder toen ze dat zagen en vooral die ellendige stadsjuffers +hadden gemeene, onmeedoogende pret. + +In 't kasteel was de vestibule-deur weer opengegaan en langzaam, +met een soort aarzeling, kwam een huisknecht buiten en stapte dwars +over het gras naar de rivier toe. Hij was blootshoofds, droeg een +zwarte pantalon en een roze-en-wit-gestreept buisje en had een groote +witte schort aan, als een vrouw. Naast hem kwam ook de jongeling +weer buiten, die met groote, wijde waggelschreden, als een eend op +'t droge, naar de anderen terugliep. + +De knecht was bij den rand van 't ijs gekomen. Hij scheen een oogenblik +te weifelen, maar waagde zich toch eindelijk en kwam, voorzichtig en +stram schuivend, naar den Grooten Dichter toe. + +--Pardon, mossieu, begon hij in gebrekkig Fransch, mossieu le baron +demande si voulez patiner un peu plus loin; ça est ici pour la famille. + +--Qu'est-ce que vous me chantez là! riep brutaal de Groote Dichter, +spottend wenkbrauw-fronsend. + +--Vous dites, mossieu? vroeg de knecht bedeesd en niet begrijpend. + +Er was een oogenblik verbaasde, wederzijdsche stilte. Als een bende +ijsvogels kwamen de Groote Schilder, de Groote Musicus en de drie +dames om den huisknecht heen gezwermd. Ik, roerloos op een afstand, +wist niet waar te kruipen van ellende en schaamte. Dicht bij den oever, +op een kluitje, stond, insgelijks roerloos en in stomme afwachting, +de deftige familie. + +--Ça n'est pas ma faute, est-ce pas, mossieu! Moi faire ce qu'on me +commande, est-ce pas? zei de man schuchter-glimlachend, op een toon +van spijt en verontschuldiging. En hij wenkte met het hoofd achter zich +om naar het kasteel, om te beduiden dat het bevel daar vandaan kwam. + +Machinaal volgde mijn blik de richting, die hij aanwees en daar zag ik, +achter een der ramen, een streng gezicht met witte bakkebaarden. Onder +mijn star-geboeiden blik week het gezicht van voor het raam en +versmolt zich vagelijk in den schemerigen achtergrond der kamer, +als van een stillen, bleeken visch, die zich in de diepte van een +sloot laat zinken. + +Alle drie de Groote Artiesten en de meisjes waren hevig opgewonden. Zij +protesteerden luide en met heftige gebaren dat de rivier aan niemand +toebehoorde en dat zij ook voor niemand zouden wijken. + +--Verstoa-je gij Vloamsch, mijne vriend! riep eensklaps de Groote +Musicus heftig zijn manen schuddend, en zijn bol gezicht onder den +neus des huisknechts wringend. + +--Joa joajik, meniere, antwoordde deze argeloos en opgelucht dat hij +zijn natuurlijk dialect mocht spreken. + +--Hawèl, mijne vriend, zeg gij aan ouen baron dat hij.... en in zijn +verontwaardigde opgewondenheid liet de Groote Musicus iets los dat +de meisjes deed gillen en mijzelf als een oorveeg in 't gezicht trof. + +--Ploert! schreeuwde ik hem woedend toe. + +De huisknecht zei geen woord meer. Hij keerde zich om en verliet +het ijs en aan het andere eind van den inham wipte ook de deftige +familie op den oever en liep ijlings op haar schaatsen naar 't +kasteel terug. Achter het raam verschenen even geagiteerd de grijze +bakkebaarden, en drongen dadelijk weer in de schemerdiepte terug en +op het ijs stonden wij daar met ons zessen alleen, zegevierend maar +toch vernederd, in een pijnlijk bewustzijn, dat wij ons als schoeljes +gedragen hadden. Het kookte zóó hevig in mij van ergernis en woede, +dat ik recht op den Grooten Musicus afreed, hem met vlammende oogen +uitschold voor ik weet niet meer wat en hem op staanden voet in duel +provoceerde. Ik had mij wel nooit in de wapens geoefend, doch dat deed +er niet toe, ik provoceerde maar raak en stelde zelfs voor onverwijld +het geschil op het ijs uit te vechten. + +De pret van den dag was absoluut bedorven. De Groote Musicus haalde +zijn schouders op, schudde zijn manen en staarde mij sprakeloos met +de diepste minachting aan, de Groote Schilder en de Groote Dichter +werden ineens ernstig en de jonge dames waren bang en hadden tranen +in haar oogen. + +--Nou, ik geloof dat we maar beter terug zullen gaan, zei stil de +Groote Dichter. + +--Dat geloof ik ook! antwoordde ik luid, op uitdagenden toon. En in +een instinctief gebaar nam ik mijn pet af, groette kort en stijf, +met belachelijk en overdreven formalisme, en recht als een pijl reed +ik weg, in stugge, woeste vijandschap. + + + +Toen zakte 't eensklaps neer in mij, en 'k voelde mij ellendig slap +en mat en droevig. Het kostte mij groote moeite om niet als een klein +kind te schreien. + +Op zwakke beenen reed ik verder, tot in de eerste bocht waar men mij +niet meer zien kon en daar ging ik uitgeput en troosteloos op den +oever zitten, in de zachtstralende winterzon. + +Ik voelde mijn jongelingsleed als een grievend onrecht, als +een onverdienden smaad, welken het onmeedoogend noodlot op mij +neerwierp. Ik dacht aan de schoone jonkvrouw, aan de goddelijke +Quiline, die nu onherroepelijk voor mij verloren was en in de +liefdestobberijen van mijn jeugdig, ruim-beminnend hart, dacht ik +meteen aan het bekoorlijk Tieldeken van Meylegem, die ik de laatste +tijden zoo verwaarloosd had en die ik daarom ook totaal voor mij +verloren voelde. Mijn trouwe ijsvrienden, Quiline, Tieldeken, nu had ik +eensklaps niemand meer en nu eerst voelde ik recht wrang en hard hoe +koud en hoe verlaten het ijs is zonder liefde. De schoone, tintelende +vlakte strekte zich voor mij uit als een dorre, troostelooze, doodsche +woestijn. Ik was daar gansch alleen nu op die wijde uitgestrektheid +en 't werd mij in wanhoop te moede alsof ik ook alleen en van allen +verlaten op een uitgestorven wereld achterbleef. + +Ik nam mijn hoofd tusschen mijn handen en snikte.... + + + +Nu nog herinner ik mij hoe dat snikken en schreien mij goed deed. Het +suste stil en lenigde en laafde mijn diepe smart. Ik schreide goed en +diep uit, daar in de stilte en de eenzaamheid; en toen het eindelijk +luwde was ik zachtjes opgelucht en voelde ik een soort weldadige +matheid door mijn gansche lichaam soezen, terwijl mijn hongerige maag +naar sterkend voedsel vroeg. Ach ja, ik was jong en vermoeid en ik +had honger. 't Verlies van Tieldeken knaagde wel bitter, 't verlies +van Quiline knaagde nog bitterder; maar het bitterst van al knaagde en +klaagde mijn holle maag en toen ik aan het naastgelegen dorpje kwam, +waar een ouderwetsche herberg bij de brug stond, stapte ik zonder +aarzelen aan wal en ging er binnen. + + + +Drie gebakken eieren met ham, heerlijk bruin brood en echte boter +zonder margarine (die was Goddank toen nog niet uitgevonden) een goed +glas bier, een kopje koffie, een glaasje likeur en een sigaar,.... 't +begon me reeds beter te gaan en de zware droefheid versmolt al ietwat +in het vage. De zon streelde weldadig mijn wangen en mijn handen; +en door het raam genoot ik van een prachtig vergezicht: de bevroren +rivier kronkelend en slingerend door tintelende weiden, een houten +molentje op een aardig begroeiden heuvel, het dorp met glinsterend-wit +kerkje in de diepte, bosschen, landouwen en boerderijen rechts en +links in het besneeuwd verschiet en over dat alles heen de eindelooze +koepel van den blauwen hemel, waarin de groote zon langzaam naar 't +Westen neeg, oranje-rood, omsluierd met grijze en purperen nevelen, +als in een atmosfeer van heilig-stille en grootsche feerie. + +Slechts hier en daar een eenzaam schaatsenrijder meer over de verre +uitgestrektheid. Het leken op donkere vogels die huiverend voor +den komenden nacht naar hun mysterieuze nest terugvlogen: en alles +was zoo ruim, zoo plechtig en zoo grootsch, dat voor afzonderlijk +klein-menschelijk leed geen plaats meer scheen in zooveel weidsche +rust en heerlijkheid. + +Toen ik eindelijk opstond en vertrok was mijn droefheid gansch +geweken. Wat had ik mij belachelijk aangesteld! Wat een malle +droom, mijn dolle liefde voor die freule van 't kasteel, tienmaal +gekker nog dan mijn sentimenteele opwinding voor Tieldeken van +Meylegem! Bespottelijk: de eene was wel vijf of zes, de andere +misschien wel tien jaar ouder dan ik! Als een kleine jongen, als een +kwâjongen beschouwden ze mij, allebei! Ik mocht me schamen. + +Ik reed terug, in rustig tempo, en voelde mij als 't ware een nieuw en +ander mensch worden. Ik had tweemaal wanhopig-zwaar geleden, zooals +alleen de eerste jeugd door liefde lijden kan, maar de smart had +mij gesterkt en 'k was een man geworden. Ik reed terug naar huis en +'t was of ik een gansche nieuwe toekomst tegemoet ging. Het nog maar +pas gebeurde en geledene doezelde reeds in wazige verschieten weg +en nieuwe horizonnen gingen in de verte voor mij open, vol onbekende +levenslust, vol lokkende hartstochten en avonturen. + +'t Begon stilaan te duisteren. De scherpe vrieslucht prikte in de ooren +en deed de vingertoppen tintelen. De meer en meer verlaten ijsvlakte +glom hier en daar met harde, als het ware stalen glanzingen en het +stille sneeuwveld langs de oevers kleurde zich met doffe, violette +tinten, terwijl de gansche westenhemel roze werd, van een egaal en +zachtkens tanend roze, dat langzaam aan, tegen den lagen einder, +in lei-kleurige schemeringen uitstierf. Soms kraakte het ijs zonder +merkbare oorzaak en lange echo's dreunden na tot in de verte, als doffe +kanonsschoten; en een vlucht van wilde ganzen teekende haar scherpen +driehoek in de ijle lucht, heel hoog, héél hoog, zoodat men nauwelijks +het fijn gekrijsch kon hooren, als van klagende kinderstemmetjes. De +eerste sterren twinkelden mirakuleus.... + + + +Dien nacht werd ik midden in mijn slaap door vage onrust wakker. De +maan scheen in mijn kamer door de ijsbloemen der ramen tusschen de +gordijnen en 't kwam mij voor of er geluiden gonsden door de stilte, +zooals ik er in weken niet meer had gehoord. Huiverend stond ik op, +schoof de gordijnen weg, wreef over 't ijs der ruiten en staarde even +in den lichten hemel. + +Met verbazing zag ik de kale boomkruinen in den tuin heen en weer +schommelen en uit het westen kwamen donkere wolken aangedreven, +die even het gelaat der maan omsluierden en dan weer openrafelden. + +--De dooi! zei ik halfluid, met een soort schrik. En het was mij te +moede alsof luchtkasteelen in elkander stortten. + +--De dooi! herhaalde ik; en peinzend, en mijmerend en huiverend kroop +ik weer in mijn bed; en over de onberekenbare gevolgen van den dooi +lag ik onder het toenemend loeien van den wind te tobben en te zeuren, +en te twijfelen tot de slaap en de vermoeiheid weer mijn oogen sloten. + +Toen ik 's ochtends wakker werd en mijn gordijn optrok zag ik een +vuilen motregen uit donkergrijzen hemel sijpelen. Moest dàt nu 't +droevig einde zijn van zooveel opwindende, hartstochtelijk-genoten +dagen en de vernietiging van nog zooveel rijke illuzies in 't +verschiet?.... Weldra viel de regen met stroomen. Het regende en +regende, en het woei en het loeide, en de dagen volgden de dagen in +troostelooze, grijze en grauwe matheid op; en van al het schoone en +rijke en sterke en frissche bleef niets dan akelige slijk en vuile +weekheid over. + +En 't was of in den dooi van 't schoone, sterke ijs ook al de frissche +liefde, die in mij op 't ijs en door het ijs geboren was, in de +débâcle werd meegesleept. Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, de breede +overstroomde weiden, de poëtische witte kerktorentjes, de pittorekse +boerderijtjes, het lijnrecht kanaal, de lieve, kronkelende Leie, en +'t mooie Tieldeken, en de schoone freule, en de vrienden uit de stad, +alles wazigde en smolt weg, alles verdween alsof 't niet meer bestond +en wellicht nooit bestaan had. En wat nog wel het wonderbaarste was: +ik voelde geen weemoed, geen spijt, ik lei mij dadelijk getroost bij +'t onvermijdelijke neer en 't gaf mij een gevoel van groote rust, +wellicht omdat ik wist dat het zoo wezen moest en dat het ijs, ondanks +zijn schijnbare sterkte, iets was van brozen en vergankelijken aard, +zoo broos en zoo vergankelijk als de vele liefdes, die er in een +oogwenk op ontvlamden en even gauw als zij ontvlamd waren, onder de +eerste regenbui weer uitdoofden. + +En ook en bovenal, omdat ik jong was en dat er voor mij nog zooveel +mooie ijsvelden in het verschiet der toekomst lagen. + +De echte "happy hunting grounds," zooals de Indiaan zijn Paradijzen +noemt, waren nog niet door mij betreden. + + + + + + + +TWEEDE DEEL + +MAUD + + + +I + + +Ik herinner mij nog goed die eerste reis naar Amerika. + +Ik herinner mij die aankomst in New York op een stralenden +Septemberdag, onder een heilig-blauwen, sereen-stillen hemel, +zóó schoon, zóó rijk, dat ik nooit had kunnen denken, dat zoo iets +prachtigs op de wereld kon bestaan. + +Dat was het begin van wat de Amerikanen "Fall" of "Indian Summer" +noemen. + +Ik bleef slechts enkele dagen in New York, dat mij overdonderde +en benauwde. Ik nam de eerste de beste gelegenheid waar om die +overweldigende stad te verlaten en langs de bekoorlijke Hudson-River, +met een der pleizierbooten, naar Albany op te stoomen. + +Nooit heb ik dit eenig schouwspel van natuurpracht kunnen vergeten. Het +is nu jaren en jaren geleden, maar het beeld staat als 't ware nog +te leven, te trillen en te glanzen vóór mijn geest. + +Ik zie nog in mijn verbeelding enkele boompjes langs de rotsachtige +hellingen der oevers, gansch rood als vuur tegen de grijze rots, of +fonkelend-oranje tegen 't harde hemelsblauw; of wel teergroen, bijna +geelgroen als van een allereerste, weeke lente; of donkerpaars en +bijna zwart als blad van artificieele rouwkransen. Ik zie hardroode +slingerplanten, als strepen en beken van vloeiend bloed langs de +grijze rots tot in de diepte kronkelen; en op de boot zie ik dames, +in witte zomerkleeren, die tuilen van bladeren geplukt hebben, zooals +men bij ons tuilen van bloemen plukt; en op een van die tuilen komt +even een prachtige, groote, bruinroode vlinder zitten, met langzaam +op en neer knippende vleugels, als in zwaar-hijgend ademhalen. + +Ik ken niets rijkers en niets schooners op de wereld dan die gansche +Ooststreek van Amerika onder stralende zon en diep-helderblauwen hemel, +in haar Indian-Summer-najaarspracht. + + + +Zóó heb ik ook voor het eerst Niagara-Falls gezien. Wellicht +was mijn verbeeldingskracht, door romantische verhalen gevoed, +tot een te hooge verwachting opgevoerd. Ik herinner mij, dat het +eerste zicht een teleurstelling was. Vlak over de bruisende en +schuimende en stuivende watervallen stond een ellendige fabriek +met een rood-steenen schoorsteenpijp en dat bedierf den indruk +zoo totaal, dat men instinctmatig de handen vóór de oogen hield +om die monsterachtigheid niet meer te zien. Maar als men zijn rug +naar het gedrocht toekeerde en stroomopwaarts liep, met inspanning +ploeterend langs den oever en van rotsblok op rotsblok tusschen 't +ziedend water springend, dan was het tafereel van een overweldigende +grootschheid. Het gansche meer, tusschen de steile oevers gekneld, +kwam, als van een berg, met alles-vernielende kracht op je aanstormen +en je voelde de rots onder je voeten dreunen, terwijl het om je heen +schuimde, en bruisde, en suisde, en kolkte, om er duizelig van te +worden. Losgerukte takken en soms gansche ontwortelde boomen kwamen in +dien wilden chaos neergesleept, en dat brak dan op de rotsen dat men +'t hoorde kraken en dat men de witte splinters uit elkaar zag barsten +als van geradbraakte armen en beenen, terwijl de roode en oranje +bladerkruinen zich wrongen en kantelden en wentelden en tegen den +stroom schenen te vechten, als vlammende en glinsterende haardossen +parelnat van telkens overzwalpende en geeselende golfslagen. + +Van de groote watervallen zelven, daar waar de gansche rivier met +één plons van vijftig meter in de diepte stort, hield ik minder. Dat +heeft nooit op mij den overweldigenden indruk kunnen maken, dien +men, volgens de beschrijvingen der reisgidsen, op die plek dient te +ondergaan. Het is mij daar te watermolenachtig, te veel in 't groot +wat wij gewend zijn in het klein te zien. Dat komt ook al weer door +die afschuwelijke fabrieken daar in de buurt: door die brouwerij, of +die houtzagerij, of die electrische centrale, of wat het ook al wezen +mag. Maar even verder stroomafwaarts uit het zicht der vallen, in de +"Whirlpool Rapids" krijgt het schouwspel weer zijn gansche oerwilde +woestheid en daar heb ik meer dan eens uren aan den rand gezeten, +in strak-geboeide contemplatie. + +O, die vuurroode oevers van glanzende en stralende najaarspracht, met +den woedenden stroom in het midden en den diep-azuren hemel breed er +overheen gewelfd! 't Was of het schuimend water uit de diepte van de +aarde zelf opstormde en kolkte. 't Was iets als uit een andere, nog +ongevormde wereld en in verbeelding liet ik mij gaan en zag mij in +mijn schuitje op den wilden chaos dansen, zooals ik eertijds roeide +op de overstroomde vlakte van de Meylegemsche Meerschen, naar het +schoone Tieldeken toe. + +Tieldeken! Ja, ik dacht aan Tieldeken van Meylegem, daar bij +de wilde draaikolken van den Niagara, op zooveel duizend mijlen +afstands! Ik liet mij gaan op mijn gedachten, en een eindeloos +gevoel van eenzaamheid en heimwee kwam mij kwellen en ik cijferde +de onoverkomelijke ruimte weg en ik zag mij weer bij Tieldeken, in +de ouderwetsche herberg, bij het ouderwetsch, poëtisch kerkje. Ik +zag haar blozend-frisch gezicht, haar stralende oogen, haar mooi, +bruin, krullend haar, haar vriendelijken glimlach. Ik hoorde haar +beminnelijke stem, en ik hoorde ook den loggen klompstap van haar +vader en de brabbelstem harer moeder, die achter de schenktafel +"dreupelfs" ging halen. Ik zag en hoorde alles; al het aardige en +lieflijke en ook het tergende en kwellende: haar ontrouw, haar akelig +gescharrel met den boerenpummel en nog anderen; en ik zat daar stil +over te mijmeren en te peinzen, dààr, in die Amerikaansche wildernis, +zoo verre van haar weg, en uit dat alles groeide in mij een gevoel +van onuitsprekelijke teederheid, voor haar, voor het verleden, en +voor het gansche lieve, schoone Vlaanderen. Want in Amerika waren +geen Tieldekens van Meylegem. Het was daar alles hard, en stug, +en positief, en droog, zonder gevoeligheid noch poëzie. De dollar +was er heerscher van het leven en dat herinnerde mij nuchter-weg, +dat ik er eigenlijk ook niet voor mijn genoegen, maar wel voor de +verovering van den dollar heengekomen was. + + + + +II + + +Ik wrocht er dus voor den dollar en ik wrocht er lange en vele +dagen. Het was een harde, dorre, onbehagelijke strijd. Want de +Amerikaan is hard en dor en stug op stuk van zaken. Hij kent +geen tegemoetkoming noch medelijden voor een zwak en onervaren +mededinger. Zaken zijn zaken in den droogsten zin van 't woord voor hem +en niets is hem aangenamer dan een concurrent, vooral een buitenlander, +te kunnen fnuiken. Ik had er den indruk alsof het heele land van meer +dan tachtig miljoen inwoners tegen mij samenspande en of de gansche +samenleving er op was ingericht alleen om mij ten onder te brengen. + +'s Zondags, en in mijn vrije uren, ging ik er veel naar buiten wandelen +en in mijn heimweeïge verlatenheid en eenzaamheid, filosofeerde ik +zonder eind over den materialistischen struggle for life en over de +gansche, volgens mijn meening ongerijmde levensopvatting van al die +rijke Amerikanen. + +Wat hadden ze wel aan hun rijkdommen en aan hun leven? Meer dan eens, +in een bar of restauratie, had men mij zoo, met een soort eerbied, +een of ander man gewezen en gezegd: "Kijk eens, zie je daar dien +man. Hij is zonder een duit in 't land gekomen en nu is hij vijftig +miljoen dollar waard." + +Vijftig miljoen dollar waard! herhaalde ik in mezelf, en keek, en +mijmerde. Zoo'n man van vijftig miljoen dollar waard zat meestal op +een hooge kruk bij een schenktafel en slikte schrokkig een bord eten +in. 't Was of hij achterna gezeten werd door onzichtbare vijanden, +die hem zijn voedsel zouden rooven als hij zich niet haastte; hij had +geen tijd, geen tijd; hij moest in allerijl weer naar zijn "office" om +nog maar steeds meer geld te verdienen en met dat geld dan eindelijk +van het leven te genieten....? Wel neen: hij had immers geen tijd +daarvoor, en dat was ook zijn doel niet. Zijn doel was alleen maar +om boven zijn concurrenten te komen, om de eerste en de grootste te +zijn,--de eerste en de grootste van wat?--en om de kleinere, zooals +ik was, te fnuiken en van de markt te verdrijven. Zoo'n man werd niet +oud. Zoo'n man werd zenuwlijder, door zijn onverpoosd en overspannen +werken, of kreeg een maagkwaal, door zijn haastig, schrokkig eten; +en dan lagen daar de vijftig miljoen dollarswaarde, heusch te veel +om de slooten melk en mineraalwater,--de eenige weelde die hij zich +voortaan mocht veroorloven,--mede te betalen. + +Veel en veel heb ik in Amerika gefilosofeerd. En dat heeft mij altijd +in mijn tallooze beproevingen gesterkt en nooit heb ik gewenscht +een Yankee van vijftig miljoen dollar waard te zijn. Integendeel: +in Amerika, het land van 't geld, heb ik het geld leeren minachten +en mij rijk gevoeld in betrekkelijke armoede. + +Want ik droeg de levensrijkheid in mijzelf! "Le trésor de l'humble!" + + + +Zoo ging ik vele dagen wandelen en bewonderde de wilde schoonheid +der ietwat verwaarloosde, Amerikaansche natuur. De natuur op +zichzelve verwaarloost niets, is harmonieus en volmaakt in haar eigen +essentie. Alleen de wijze waarop de mensch van de natuur gebruik maakt, +de manier waarop hij er zich neerzet en vestigt, kan die harmonieuze +schoonheid diep verstoren. + +Een oerwoud, met alles wat er in leeft en ook met alles wat er in is +doodgegaan, blijft een prachtig harmonisch geheel op zichzelf. Een +akker met gouden, golvend koren, daar waar eens het oerwoud heeft +bestaan, kan ook zijn eigen, rijk-harmonieuze schoonheid hebben. Maar +onharmonisch leelijk is een stuk grond, waarop de een meter boven +den grond afgezaagde boomstammen zijn blijven staan en tusschen wier +zwarte, verdorde en verminkte stronken, koren is gezaaid. Zoo zijn +er vele landerijen, gansche gewesten in Amerika. De eerste pioniers, +welke daar aankwamen hadden geen tijd, geen tijd, evenals nu de beurs- +en handelslui, en zij zaagden maar de bosschen af, en ruimden slordig +op, en ploegden en zaaiden tusschen de geraamten van de stronken door, +zoo goed en zoo kwaad als het ging, om toch maar zoo gauw mogelijk +den oogst van dollars in te halen. + +Dat geeft aan 't land dikwijls een uitzicht van verwoesting. Het +lijkt wel of er een invasie van.... Barbaren is doorheen getrokken; +'t is of er oorlog heeft gewoed. + +Maar ach! er is nog zoo oneindig veel natuurschoon in Amerika +bewaard gebleven. En hier denk ik niet alleen aan de alom bekende +wereldwonderen, maar aan veel intieme plekjes, die in geen +toeristengids vermeld staan en toch een onuitwischbaren indruk in +mijn geheugen hebben nagelaten. + +Zoo zie ik nog in mijn verbeelding de met fruitboomen beplante wegen +van den staat Indiana. Blonde, rechte, meestal verwaarloosde wegen, +met breeden rand van dicht, kort gras; en daarop de fruitboomen: de +appelboomen en de pereboomen, tot in 't oneindige. De verschijning van +een menschelijk wezen was toen een zeldzaamheid in die streken. Je +ging, je wandelde, uren en uren en je zag mensch noch huis, je zag +alleen de fruitboomen, eindeloos, eindeloos, in de laat-stralende +najaarszon, onder den stillen, magnifieken, vlekkeloos-azuren +hemel. Wie had die boomen daar geplant en wie kwam er de weelde van +hun vruchten plukken? De appels bloosden rood als vuur tusschen het +bruin en geel der bladeren; de mooie peren schitterden als goud; +en onder elken stam lag het kortgroen gras er mee bezaaid, alsof +bij ieder boompje speelsche kinderen daar hun volle mandjes hadden +omgekeerd. Maar er waren ook geen kinderen; er was alleen de grootsche +eenzaamheid onder den diepen blauwen hemel; en je ging neerliggen op +'t gras, en je at van de heerlijke vruchten, en je vulde je zakken er +mee. Het was er plechtig van verlatenheid en stilte. Je hoorde niets +dan 't houterig gesjirp der krekels en je zag niets bewegen dan af +en toe een klein kapelletje, sterk-oranje met zwartbruine randen, +dat schitterde als een zonnespatje waar het fladderde, of wel op +een verdord bruin blaadje leek, als het met dichtgeknepen vleugels +op een halmpje of een sprietje zat. Er was daar ook een meertje, +stil en omringd door bosschen, dat lag te slapen in de zon. Riet +en biezen schoten er bij plaatsen woekerend uit op. En af en toe, +wanneer een visch even naar boven wipte, hoorde men een plons die +weerklonk als een snik in de stilte, terwijl het water ervan borrelde +en rimpelde en leefde, en dan weer in vlakke doodschheid tegen zijn +verlaten oevers ging uitdeinen. + + + + +III + + +Wat ben ik alweer verre afgedwaald! Ik ben immers de Schaatsenrijder +en zou van schaatsenrijden, ook in Amerika, vertellen. + +Laat ik het dus probeeren. + +Na de onvergelijkelijke en onvergetelijke pracht van 't najaar viel +de winter plotseling in met scherpe kou en sneeuw. + +Dat was geen sneeuw zooals wij die gewend waren te zien. Er dwarrelden +geen zachte, witte vlokken als donzige watjes door de lucht: wat +er viel was een soort grijsachtig stuifmeel, ijs-en-ijs-koud, en +voortgezwiept door een wind, die je den adem afsneed. Dat was de +welbekende, Amerikaansche "blizzard." + +Ik geloofde niet, dat zulke fijne sneeuw ook maar een enkelen dag +zou blijven liggen en nog minder verwachtte ik, dat ze zich tot +eenige hoogte kon ophoopen. Dat sneeuwen, echter, hield tweemaal +vier en twintig uren ononderbroken aan, waarna het ging vriezen +onder indigo-blauwen hemel en stralende zon; en toen ik op mijn +eerstvolgende wandeling zoo verre mogelijk het land in liep, woonde +ik daar wonderen bij. + +De "blizzard" had als 't ware met de sneeuw gespeeld. Op sommige +plaatsen hadden zich echte heuvels opgehoopt. Huisjes en villa's, +waar ik dikwijls omheen wandelde, lagen half onder de sneeuw bedolven, +niet meer te bereiken. In de tuinen schenen de boomen klein geworden, +als 't ware in den grond gedrukt; en op de rails van een spoorweg, +die tusschen twee steile bermen in een diepte lag, stond een lange +reizigerstrein ingesneeuwd en verlaten, de vuren uitgedoofd, de +portieren open, de locomotief, met onzichtbare wielen, tot halverhoogte +bedolven en begraven in de sneeuw. 't Was of ik in een nieuwe wereld +wandelde. Ik herkende de dingen en de landschappen niet meer. + +Maar de hemel was blauw als safier en de zon straalde zoo heerlijk +en warm en in die ongerepte heerlijkheid liep ik steeds verder en +verder, wadend tot over de enkels door al die glinsterende witheid, +als in de openbaringsweelde van steeds nieuw geschapen tooveroorden. Ik +kwam weldra aan een plek, waar ik reeds meerdere malen, gedurende de +glanzend-schoone najaarsdagen was geweest, een landelijk hotelletje +op een kleinen heuvel, omgeven door een mooi, groot bosch, waarin +een vijver lag. + +Wat was het daar nu prachtig in die ongerepte blankheid! Het +hotelletje, dat anders toch wit was, zag er nu bijna goor en grijs uit +in al die omgevende glinstering en 't uitgestrekte eikenbosch droeg +nog de rijke schoonheid van zijn laten herfsttooi: gansch rood alsof +het vonkte en brandde, rood als geronnen en gestold donker bloed op +'t blanke kleed der wereld, onder de eindelooze azuren hemeltent. + +De breede weg welke er dwars doorheen liep golfde flink op en neer +en toen ik op het hoogste punt gekomen was vond ik daar eensklaps en +gansch onverwacht een heel troepje kinderen en jonge menschen, die zich +vermaakten met sleedjes den weg af te glijden. In razende vaart gingen +zij, de eene helling af en een heel eind de andere op, en ook van af +het hotelletje werd er in tegenovergestelde richting gegleden, zoodat +de twee partijen ieder een kant van den weg hielden en elkaar zoo vlug +als sneltreinen passeerden, wel niet zonder eenig gevaar voor botsing, +maar in dolle, uitgelaten pret. Rechts en links van den weg stonden +oudere en bedaarder personen, glimlachend en belangstellend te kijken. + +Er zaten niet alleen kinderen en jonge mannen, er zaten ook jonge +meisjes op sommige van die sleedjes. En ik had er dadelijk een +opgemerkt, een die ik bewonderde en die mij boeide, en voor wie alleen +ik daar met koude voeten in de sneeuw bleef staan. + +Wat is dan ook wel natuurlijker, dan dat het schoone aantrekt en +boeit! En mooi was ze, om er van te duizelen, vooral wanneer je +zoowat vijf en twintig jaren oud bent en sinds langen tijd met geen +mooi meisje bent in aanraking geweest. + +Eerst dacht ik, dat ik mij wellicht door een illuzie, door een soort +"mirage" liet ontroeren. Zij zag er wel buitengewoon frisch en knap +uit, met blozende wangen en stralende oogen in de opwinding van het +pleizier, maar wie weet hoe of ze zijn zou in 't gewone doen: wellicht +te klein, geen mooi figuur, geen elegance, wie kon het zeggen, wie +kon daarover oordeelen in de dolle vaart van 't sleedje? Zoo dacht ik, +om mijn eigen gevoel en meteen de spijt over het waarschijnlijk voor +mij onbereikbare te onderdrukken, toen ze plotseling, vlak vóór mijn +voeten, met haar sleedje omkantelde en hals over kop in de dikke, +fijne, als een lichte wolk opstuivende sneeuw neerplofte. + +Alsof het van gisteren was herinner ik mij nog helder-duidelijk +wat ik op dat oogenblik als in een weerlicht zag en wat ik daarbij +instinctmatig deed en zei. + +Ik zag een donkerblauwe opwuivende rok en daaronder iets van 't fijnste +witte linnengoed en kantwerk; ik zag fijn-elegante, zwart-glimmende +laarzen en dof-zwarte kousen; ik zag heel even, als een lichtroze +bloem, iets van een knie.... + +Ik sprong toe, tilde haar op, vroeg haar, met bevende stem, of ze +zich niet bezeerd had. + +Zij lachte.... Zij lachte met de mooiste witte tanden die ik ooit +gezien heb en streek de losgeraakte haartjes weg van over hare +roze wangen. Zij dankte mij met schoone, lichtstralende oogen, zei +dat ze niet de minste pijn had, klopte de sneeuw van haar donkeren +pelsmantel, haalde, met het touw, het sleedje weer bij. Om haar heen, +in de prikkelende atmosfeer en de zon, zweefde een subtiele, heerlijke +lucht van viooltjes. + +Daar stond ik. Had ik nu niets meer te doen? Niets meer te +zeggen? Dommerik! Daar stond ik! Zij keek mij aan met een lieven +glimlach, alsof zij nog wel iets van mij verwachtte; maar daar stond +ik, daar stond ik, stom en dom als een paal en ik vond niets anders +in mijn nuchtere domheid dan een diepe buiging, ridicuul, met mijn +hoed in de hand en plechtig als een lijkbidder. Een paar menschen +kwamen naar haar toe, waaronder een ouder dametje met verlept gezicht +en felle oogen, die zij "Auntie" noemde; en meteen was ik vergeten, +o stommerik die ik was! en met de anderen ging zij langzaam mede, +haar sleedje na zich slepend, in de met haar wegzwevende, heerlijke +lucht van viooltjes.... + +Ik liep achter haar aan. Instinctmatig, als meegetrokken, als +meegezogen, volgde ik haar en de groep die haar vergezelde, met de +laffe, onderdanige gedweeheid van een hond. Ik was alweer verliefd, +ineens en smoorlijk; ik liep bedwelmd, als dronken, haar sierlijke +gestalte en den ontroerenden geur van de viooltjes na. + +Zij gingen naar 't hotelletje en als een automaat ging ik, op +eerbiedigen afstand, mede. Zij namen er plaats aan een tafeltje bij +een breed raam, met prachtig uitzicht op het wit-besneeuwde veld en +op het roode bosch; en in mijn eentje nam ik plaats bij een ander +tafeltje, vanwaar ik haar heel goed kon zien. Zij bestelden thee met +cake; en ook ik bestelde thee met cake. + +Er was met haar, behalve 't kleine, verlepte dametje met radde tong +en felle oogen welke zij "Auntie" noemde, nog een dame met voornaam +uiterlijk en grijs haar en een oudere heer met rood gezicht en grijzen +baard; en zonder er iets van te weten, maakte ik voor mijzelf uit, +dat dit haar ouders waren. + +Ik vond haar, nu ik haar zoo goed kon zien, van een volmaakte en +absolute schoonheid. Haar teint was van een frischheid, haar oogen +hadden een glans, en al haar bewegingen waren van een lenigheid +en gratie, zooals ik er nog nooit gezien had. Ik zag haar aan +alsof zij een goddelijk kind was op aarde en het verbaasde mij, +dat zij daar zoo alleen zat met die oudere menschen en er niet een +schaar aanbidders om haar heen zweefde en zwermde. Ik dacht even aan +Tieldeken van Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van 't kasteel en +voelde als 't ware 't rood der schaamte naar mijn wangen stijgen. Wat +waren die met deze schoonheid vergeleken! Hoe kon ik ooit op haar +verliefd geworden zijn, terwijl dit volmaakt-schoone wezen op aarde +bestond! Wat leek dat alles verre, en doodsch, en kleurloos, naast +deze alles-overweldigende pracht! Ik schaamde mij, ja, ik schaamde +mij voor mijn vroegere liefden. + +De zon ging langzaam onder en zond haar stillen luister over +'t indrukwekkend tafereel. De golvende sneeuwvelden werden +wazig-lichtmauve en het roode bosch bruinde en somberde, alsof het van +graniet werd. De bevroren vijver vóór het hotelletje versmolt zich met +de sneeuwvlakte; er was alleen nog maar een open plekje bij den kant, +dat zwart en rood zag in den avondgloed en waarin eendjes duikelden +en fladderden, zoodat je rilde van kou als je er alleen maar naar +keek. Heel in de verte gonsde enorm en dof het machtig geluid van New +York met af en toe de zware stemmen van de stoombootfluiten, die naar +elkaar schenen te roepen, als monsters en reuzen in nood. In de dalende +schemering der restauratiezaal begon de vulkachel rood te gloeien. + +Waar zou ze wonen? dacht ik bij mezelf: hier, op een der villa's in +de buurt, of in den maalstroom van het groote New York? De thee was +reeds geruimen tijd genut, de oude heer had een sigaar opgestoken, +"Auntie" met haar verlept gezicht en felle oogen babbelde en ratelde, +de voorname dame met de grijze haren luisterde en glimlachte en +'t jonge meisje zat in haar ravissante schoonheid tegen 't raam, +zonder dat een van allen toebereidselen tot opstaan scheen te +maken. Andere bezoekers kwamen opgewonden en met gloeiende wangen +binnen, de kellners hadden 't druk met bedienen en het werd langzaam +aan mijn tijd om heen te gaan, zonder dat ik er toe besluiten kon, +toen de familie eindelijk opstond en vertrok. + +Zij schreed rakelings langs mij heen en onze oogen wisselden een +snellen, vluchtigen blik. Ik rees half op van mijn stoel en groette +buigend. Zij groette licht terug met nauwelijks merkbaren glimlach. Het +geurde heerlijk naar viooltjes. Auntie keek mij in 't voorbijgaan aan +met scherpen blik en terwijl ze de deur uitging hoorde ik haar tegen +'t nichtje iets zeggen dat ik niet verstond, doch daarbij noemde ze +den naam van 't meisje en zoo wist ik, dat ze Maud heette. + +Maud! Ik vond dien naam zóó prachtig, zóó volmaakt bij haar +passend, dat het mij voorkwam alsof ze onmogelijk anders had kunnen +heeten. Maud! het was haar gansche type, haar uiterlijk en haar +innerlijk wezen, haar schoonheid en haar ziel! Maud! het was haar +gestalte, het waren haar oogen; het was haar glimlach en haar gratie; +het was haar kleur en haar parfum, die heerlijke viooltjes-geur die met +haar meeging! Heel even dacht ik weer aan het verleden: aan Tieldeken +van Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van het kasteel, welke ook +namen droegen die ik eertijds zoo bizonder mooi en passend vond. Maar +ach! het leek me nu of ik lompe boerinnen zag naast een prinses! Ik +volgde haar met geboeide oogen door het raam; en toen ik oordeelde dat +ze verre genoeg waren om geen schijn te geven van hinderlijk volgen, +stond ik sidderend op en verliet op mijn beurt het hotelletje. + +Daar zag ik haar gaan, donkere, elegante silhouet op lichte sneeuw, +als een jonge godin naast die drie andere, gewone menschen. Het +sleedje, dat ze nog steeds aan een touwtje achter zich aan sleepte, +was als een hondje, dat trouw met haar meehuppelde. Waar zou ze nu +toch wonen: hier, in die rustige buurt, in een van die mooie villa's, +of in het roezemoezige, geweldige New York? Ik zou het wel te weten +komen. Woonde ze hier in de buurt, dan kon ik haar ten allen tijde +gemakkelijk terugvinden. Woonde ze in New York, dan zou ik haar volgen, +haar blijven volgen, tot ik wist waar het was. + +Er waren drie gelegenheden om naar New York terug te keeren: de West +Shore Railroad, de Electrische, de Ferry. De aanlegplaats der booten +waren ze reeds voorbij. Dus niet over het water. Zij naderden het +station van de West Shore en ik dacht al dat ze links zouden inslaan, +toen ik ze eensklaps naar rechts zag wenden en een stijgenden zijweg +inslaan. Ik verademde! Ik verademde alsof ik van een zware dreiging +werd bevrijd. Het gaf mij plotseling een gevoel van diepe rust te +weten dat zij daar ergens woonde, in de vreedzame natuur, en niet in de +drukke, gevaarvolle stad. O! dat ik nu niet met haar mee mocht gaan, +dat ik haar nu alleen moest zien vertrekken met die oudere menschen, +die haar toch niet konden boeien, zoo dacht ik, die veel te oud en veel +te saai waren, voor haar frissche, mooie, levenslustige jeugd! Het +liefdes-ongeduld van mijn vijf en twintigjarigen leeftijd bruisde +in mij als een oproer. Was het niet onuitstaanbaar dat de domme, +maatschappelijke conventie mij belette te doen wat de gevoelens van +het hart mij ingaven? Was het niet gek en verdraaid zooals de wereld +in elkaar zat? Wat was er wel natuurlijker dan dat ik zoo maar ineens, +zonder de minste notitie van die belemmerende oude lui te nemen, naar +haar toe zou gaan, en mijn verliefde armen om haar middel slaan, en +haar zoenen op den mond,.... en een klap van haar hand in 't gezicht +te krijgen, dacht ik er dadelijk bij en moest in mezelf lachen omdat +ik mij zoo wild op mijn oer-instinkt had laten doordraven.... Maar +het verlangen en de liefde bleven in mij woelen, en half achter +een boom verscholen stond ik haar halsstarrig na te kijken, tot zij +boven op den heuvel was, daar even als een uitgeknipte schim zich +scherp tegen het avondrood afteekende, en dan, langzaam wegzinkend, +aan mijn blik verdween. + +Maud.... Maud.... murmelde ik in mezelf. En mijn wenkbrauwen fronsten +zich, en mijn tanden klemden op elkaar, in den hardnekkigen strijd, +die nu zou komen. Maar ik was er niet bang voor, ik voelde in mij de +kracht der overwinning en 't zong in mij, van hoop en schoonheid. + +Het lag op mijn weg om per electrischen trein naar New York terug +te keeren; maar dat leek mij nu zoo alledaagsch, zoo triviaal na al +het ideëel genotene; ik had behoefte aan poëzie, aan eenzaamheid, +aan bespiegeling en ik keerde een heel eind op mijn weg terug, om +liefst de boot te nemen. + +'k Was in een heerlijk-opgewonden stemming: opgewonden en toch +zacht. Het jubelde in mij, hartstochtelijk, en 'k glimlachte, heel +teer, heel zacht. + +Ik stond van voren op de boot en voelde de koude niet, die +anders scherp genoeg prikte. Het schouwspel was indrukwekkend, +grootsch. Achter de steile West-Shore, die reeds bijna zwart was en +doorprikt van vele lichtjes, ontvouwde zich, immens, de heerlijke +oranje-gele hemel, met een dun en bleek sikkeltje maan, dat daar +eenzaam en verloren scheen te zwemmen, als een zilvervischje in een +zee van goud. De breede rivier glom dof en vaal, alsof zij was van +log-vloeibare zeep; en aan de oosterzijde vingen de villa's en de +huizen, in de witte sneeuw die van lieverlede grijs en mauve werd, den +laatsten glans van het uitstervend daglicht op, met roode bibberingen +in hun ruiten, als van brand en bloed. + +De raderen van de stoomboot deden het water opbruisen en schuimen +en maakten een machtig en plechtig geluid. Men voelde er iets in +van de grootschheid der menschelijke krachten, die de elementen +overwinnen. Andere booten kwamen de onze tegemoet, groot en imposant +als drijvende kasteelen en zij hadden vele kleine lichtjes en twee +groote: een rood en een groen, die leken als de twee symbolen van +het leven zelf; hartstocht en smart! + +Hartstocht!.... Mijn enthousiaste, jeugdige oogen zagen alleen +het roode licht. Dat was de liefde, het vuur, de strijd, de +overwinning. Dat was Maud, de beeldschoone Maud, die daar nu ergens, op +dien donkeren oever bij de gezelligheid van 't haardvuur, in een mooie +villa zat, en die ik moest trachten te benaderen, te veroveren, zooals +de Graalridder, door den vuurkring heen, de Walküre veroverde. Het +groene licht, dat was de weemoed, het verleden. Dat was Tieldeken +van Meylegem, dat was jonkvrouw Quiline, dat was het mooie, groene +Vlaanderen, wel zacht, wel lief, wel boeiend en wel diep-ontroerend, +maar verre, o zoo verre, en zoo verbleekt en verwazigd, vergeten +bijna naast het rood en den gloed van den nieuwen hartstocht. + +De wereld stond voor mij open. Het was alsof de machtige boot, die +met zijn scherpen punt door de klotsende, vale golven van den Hudson +ploegde, voor mij alleen de groote, wijde wereld ter verovering +opende. Daar zag ik reeds, heel in de verte, de twinkelende lichten +van de reusachtige wereldstad. Een grootsche, somberblauwe smook hing +er als een titanensluier overheen en daarin blonken de lichten met +duizenden en duizenden, als voor een eindeloos triomffeest, als voor +een bovenaardsche feerie. Er waren er groote en kleine; er waren er +die op hun vaste plaats stonden te twinkelen en andere die heen en +weer zweefden; er waren er van alle kleuren: roode, gele, groene, +oranje, blauwe en violette; en hoog in den hemel schitterden er ook +heele risten, in vierkante of langwerpig-vierkante vakken, regelmatige +gloeipunten in den donkeren nachthemel, als vuurdobbelsteenen van +een reusachtig dominospel. Dat waren dan de verlichte hooge ramen +der geweldige "skyscrapers." + +De boot naderde zijn aanlegplaats. Hij scheen er recht op aan te varen, +alsof hij zoo meteen tot in de drukte en 't gewoel der straten door +zou dringen. Maar er dreven reeds geweldige ijsschotsen langs den oever +en de boot had te ploegen en te zwoegen en het ijs kraakte en barstte +en kruide, als in een machtig geluid van woesten strijd. En nogmaals +overwon het menschelijk genie de woede der vijandige elementen en +nogmaals ook was 't mij te moede alsof die strijd mijn eigen strijd +was tot verovering der schoone Maud. + +In de woeling der groote stad nam mijn opgewonden stemming geenszins +in heftigheid af. Na al mijn geweldige emoties van den afgeloopen +dag voelde ik een soort behoefte om mij in den diepen maalstroom des +levens te werpen. Ik had behoefte aan brillante en drukke omgeving, +aan een lekkeren maaltijd, aan het zien van mooie en elegante vrouwen, +aan het hooren van melodieuze, meeslepende muziek. En, ofschoon ik +daar niet precies op gekleed was, en het ook al niet zoo buitengewoon +convenieerde met den financieelen toestand van mijn beurs, toog ik +maar onversaagd, in mijn eentje, maar vol genoeg van gedachten en +gewaarwordingen voor tien, naar Martin's en liet mij daar royaal +bedienen. + +Ik was alleen en niet alleen: ik was met haar in mijn gedachten! Ik +was met haar, zij zat rechtover mij aan 't tafeltje; en samen +genoten wij van de fijne gerechten, van de mooie toiletten, van +de licht-bedwelmende, geen-inspanning-vergende restaurant-muziek, +gespeeld op een podium, door zwartharige, olijfkleurige kerels met +roode buisjes. Ik rookte sigaret op sigaret, mijn blikken droomden +verreweg, namen mijn gedachten mede naar 't verleden, naar 't +vaderland, naar het geliefde Vlaanderen. + +Hoe zou het daar nu zijn? Vroor het daar nu ook en werd er +schaatsgereden? Was Boerke van Meylegem op 't ijs en voerde hij +zijn minderwaardige kunsten uit, vlak vóór de herberg van het mooie +Tieldeken, ten aanschouwe van een bende gapende pummels en van +Tieldeken zelve? Waren mijn vroegere vrienden: de Groote Dichter, de +Groote Schilder, de Groote Musicus ook weer aan 't schaatsenrijden +en hadden zij nieuwe ijsvriendinnetjes opgescharreld? En jonkvrouw +Quiline, was die nog steeds aan 't knoeien zonder vooruitgang te maken, +met de andere knoei-rijders van 't Kasteel? Ik zag dat alles weer, +zoo duidelijk, zoo helder, en een groot en innig heimwee kroop in +mij. Ach, wat was ik ontrouw aan al dat frisch en schoon verleden! Hoe +voelde ik Tieldeken verwijtend treuren en hoe zag ik de freule met +minachting, als naar een renegaat, op mij neerkijken! Het golfde in +mij op en tranen kwamen in mijn oogen. Die muziek speelde ook zoo +bedwelmend, zoo verlammend. Ik bestelde een tweede pousje en stak +een groote sigaar op. Zoo kon ik nog wat blijven zitten, en peinzen, +en droomen. Zou ik het nu heusch doen? Zou ik haar ten huwelijk vragen +en mij hier voor goed in het vreemde land vestigen? Hoe zou dat alles +moeten gaan? Nadere kennis zien te maken met haar familie, vertellen +wie ik was, wat ik deed, hoe onze toekomst wezen zou. Dat alles kon +wel, behoorde tot de mogelijkheden, ja, tot de waarschijnlijkheden, +als ik inderdaad genoeg volharding had en een onverwoestbare, alle +bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar voelde. Voelde +ik nu werkelijk een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen +trotseerende liefde voor haar? Mijn opwinding was eenigszins geluwd, +de digestie werkte vernuchterend, de restauratie liep langzaam aan +leeg, de muziek verslapte, de koele werkelijkheid kwam sluiperig +aangrijnzen. Ik wist niet zoo precies meer wàt ik voelde en verlangde; +er bekroop mij een pijnlijke twijfel. De garçon bracht mij de rekening, +dubbel toegevouwen, als een vertrouwelijk document, op een bord. Ik +houd niet veel van dubbel-toegevouwen restauratie-nota's op een bord, +vooral niet in een luxe-restauratie. En hier bleek nogmaals, dat +mijn instinctieve weerzin niet ongegrond was. Ik schrikte letterlijk +van het bedrag en een waas weifelde vóór mijn oogen. O, die dollars, +die dollars! En dat men die toch hebben moest, en veel, om daar te +kunnen leven! Droomde ik? Had ik in mijn eentje voor zulk een bedrag +gebruikt, of had Maud toch werkelijk mede met mij aangezeten? Ik +staalde mijn gezicht en opende mijn beurs en in mij drong weer de +hardnekkig-stugge wil, niet alleen meer om Maud, maar om ook den +onontbeerlijken dollar te veroveren. Ja, ik wilde, ik zou! Weg, alle +verslappende, verlammende schimbeelden uit 't verleden! Maud en de +dollar,.... ik zag ze beiden voor mij, in voelbare bekoorlijkheid; en +ik rees op en vertrok in den nacht, alleen, maar sterk als duizend, met +het hypnotiseerend, te bereiken doel vóór mijn jonge, geestdriftige, +halsstarrig-stralende oogen. + + + + +IV + + +--Ja, zeker meneer, had de baas van het hotelletje geantwoord op +mijn vraag, of er daar ook 's winters op den vijver schaatsgereden +werd. Zeker, zoodra het ijs sterk genoeg is wordt de sneeuw opgeruimd +en is het hier een lustig leventje, meneer, van den ochtend tot den +avond. De heeren hebben meestal in de week niet veel tijd; maar we +krijgen des te meer dames en kinderen; en die houden er ook wel de +vroolijkheid in, wees dat maar zeker. + +De woorden brandden mij op de tong om hem iets over de mooie Maud +en haar familie te vragen; maar de liefde maakte mij schuchter; het +was of mijn gevoelens op mijn aangezicht zouden te lezen staan, en +'k durfde niet. + +Maar ondertusschen het vroor.... het vroor.... mijn ramen stonden +iederen ochtend vol van de sierlijkste ijsbloemen en een stralende, +oranje-roode zon tintelde daarin als een gouden stralenbol in +kanten-zilverweefsel. Was het niet vreeselijk en afschuwelijk op zulke +dagen, ter verovering van den ellendigen dollar op de kantoorkruk +te moeten zitten, in plaats van vrij als een vogel over het ijs te +zweven en van de schoonheid en de liefde te genieten? Ik voelde mij +half gek worden van zenuwachtigheid en ongeduld; en op een middag, +stralender en glanzender dan alle andere, hield ik het niet meer uit; +ik liet den boel in den steek, ik holde naar de West Shore trein, +om er gauw genoeg te zijn en twintig minuten later stapte ik uit te +X. en rende met mijn schaatsen onder den arm naar het hotelletje toe. + +Ik merkte, of, beter gezegd, ik "voelde," zoodra ik buiten het +stationnetje kwam, dat er schaats gereden werd. Menschen spoedden +zich, met sleedjes en schaatsen, in de richting waar ik zelf heen +wou en ik hoorde een paar straatjongens elkander toeroepen: + +--The ball is up! + +The ball is up! ik wist wat dat beteekende. Overal, zoodra er kon +gereden worden, werd een groote, roode bal, rood en groot gelijk een +winterzon, aan een paal opgeheschen en de liefhebbers wisten alom +wat dat beduiden wilde. + +The ball is up! Ik haastte mij, ik hijgde en zwoegde door de +glinsterende sneeuw; ik dacht en vreesde: als 't maar geen valsch +bericht is! Mijn oogen priemden in 't verschiet tusschen de villa's +en de boomen heen; en eensklaps zag ik hem: ik zag hem glanzend +hangen in de verte, zoo heerlijk rond en groot en rood vlak naast +het hotelletje; en meteen zag ik den schoongeveegden vijver en op +den vijver een bonte krioeling van menschen, die daar heen en weer +en door elkander zwierden! + +Mijn hart ging op; mijn hart ging open! Je moet schaatsenrijder zijn +en anderen zien rijden, om dat te kunnen voelen! Het is alsof er geen +ijs meer zou over zijn tegen dat je zelf op 't ijs gaat komen. Het +kittelt in je beenen; het maakt je dol en bijna kribbig. Het nevelde +vóór mijn oogen, ik vloog af op een bank waar nog een open plekje +was, ik maakte mijn schaatsen vast, met bevende vingers. Ik stond op, +ademde diep, gleed over 't ijs en zwierde.... + +Ik reed eerst een paar keer den ganschen vijver rond. 't Genot was +exclusief en absoluut. Ik zag niets anders, voelde niets anders, +dacht aan niets anders. 't Was als een soort van dronkenheid. Ik trok +een paar fijne, gecompliceerde figuren, voelde mij dadelijk zoo flink +en stevig op mijn schaatsen, alsof ik in weken niets anders gedaan +had. Mijn wangen gloeiden en mijn oogen tintelden. + +Er waren weinig heeren, tamelijk veel dames, heel veel kinderen. Ik +merkte dadelijk, dat zich daar geen buitengewone kunstrijders +oefenden. Ik had het prettig gevoel, dat ik daar een van de besten zou +zijn. Enkelen waren aan 't probeeren met figuren, doch 't ging maar +heel, heel matigjes en ook het rijden van de dames leek mij al niet +veel bizonders: het was probeeren, sukkelen, en nog al knoeien. Toch +was 't gezelschap wel elegant; ik merkte hier en daar een aardig +gezichtje en er was veel uitgelaten vroolijkheid en vrijheid, zooals +dat altijd is op 't ijs. + +Toen zag ik haar, háár, eensklaps! + +Ik zag haar heel op 't uiterst eindje van den vijver, in al haar +schoonheid en haar elegance, bedaard heen en weer rijdend met een jong +meisje dat het blonde haar nog los over de schouders droeg en dat zij, +eenigszins beschermend, begeleidend bij de hand hield. + +Het gaf mij een plotselinge emotie, alsof ik een bons in mijn maag +kreeg. Ik wilde dadelijk, als onweerstaanbaar aangetrokken, naar +haar toe, doch verroerde niet, als met lamheid geslagen. Even werd +het heel zwak in mijn beenen en het duizelde vóór mijn oogen, alsof +ik in zwijm zou gaan vallen. Dat duurde wel ettelijke minuten. Toen +begon ik stilaan te bekomen en reed langzaam in haar richting toe. + +Ik wist het zoo te schikken, dat ik haar zou tegenkomen als zij met +het kleine meisje van het eene eind naar het andere terugkeerde. Dat +lukte precies. Het had trouwens ook wel niet anders gekund. Ik zag haar +komen, maar zonder haar in het gezicht te durven aankijken. Ik zag +alleen tot even boven haar knieën, waar de donkerblauwe rok gracieus +iets van de vormen harer beenen liet raden; en ik zag natuurlijk ook +haar voeten, die fijntjes op de schaatsen stonden; en haar enkels, +die zoo volmaakt waren als enkels kunnen zijn. Eerst toen ze vlak +bij mij was, keek ik, als bij louter toeval op, deed even of ik +aarzelde, herkende haar, glimlachte, nam diep mijn hoed af. Ik zag haar +insgelijks glimlachen, vriendelijk teruggroeten, verder met het kleine +meisje doorrijden. Een lichte balsem van viooltjesgeur omzweefde als +een goddelijke hulde de vluchtige ontmoeting. Ik stel mij voor dat ik +heel bleek moet zijn geworden op dat oogenblik, want ik had het gevoel, +dat het bloed eensklaps langs alle kanten uit mij wegtrok, om zich 'k +weet niet waar te gaan verzamelen. Ik kreeg even 't wanhopig gevoel of +nu plotseling alle kracht uit mij was weggevloden en ik niet meer in +staat zou zijn nog de minste prestatie te leveren. Ik reed een eindje, +struikelde ellendig, viel bijna, als een gewone knoei-leerling. Ik +had wel kunnen schreien van droefheid en vernedering. + +Even moest ik aan den oever op een bank gaan zitten. Ik kòn niet +meer. O, liefde, bloem des levens, dacht ik smeekend, in mezelf, +verleen mij op dit beslissend oogenblik toch kracht in plaats +van zwakheid! Het werd iets beter. Het leek wel of mijn vrome bede +aanhoord was. Ik stond op, waagde mij weer op 't ijs. Ik trok enkele +krullen. Het ging wel, maar onbewust als 't ware, machinaal, buiten +mij om. Het was alsof een ander werkte, met _mijn_ beenen. Ik voelde +mijn beenen haast niet. Ik scheen te rijden met beenen, die niet de +mijne waren, die niet bij 't overige van mijn physiek wezen pasten. + +Daar kwam ze weer terug, met 't kleine meisje. Ze reed wel elegant, +maar dat gebeurde als van zelf, niet omdat ze iets bizonders kon, maar +omdat ze van zichzelve zoo elegant en mooi was. De beenen die onder mij +werkten gingen daarop ook weer vanzelven aan den gang en zij trokken +waarlijk heel mooie figuren, lastige dingen, die mij zelf ten zeerste +verbaasden. Enkele schaatsenrijders bleven staan en keken goedkeurend, +ja, bewonderend er naar. De beenen werkten verder door. Zij maakten +nòg mooier en gecompliceerder figuren en eensklaps zag ik ook háár +in den kring der toeschouwers staan, naast het meisje met de blonde +haren. Als verlamd staakten de beenen plotseling elke beweging. + +--Very lovely, indeed! klonk een vrouwenstem achter mij op. + +Fluks keek ik om en zag twee levendige oogen glimlachend op mij +gevestigd. En ik herkende 't bij-de-hand gezicht van "Auntie," die +mij vriendelijk toeknikte. Zij zat op een bank in de zon; en naast +haar zaten ook de oudere dame met grijze haren en de oude meneer, +die ik als de ouders van Maud beschouwde. + +Ik nam mijn hoedje af en groette. Ik groette en glimlachte; en de +beenen die onder mij werkten brachten mij als van zelf naar den +rand van het ijs toe, vlak vóór de bank, waar "Auntie" zich met haar +familieleden in 't heerlijk zonnetje zat te koesteren. + +"Auntie" stond dadelijk levendig op en vroeg mij waar ik zulke mooie +dingen wel geleerd had. + +Ik antwoordde dat dat gebeurd was in de "old country," in België, +waar ik altijd heel veel met mijn vrienden had gereden. + +--België.... is dat in "Germany?" vroeg "Auntie" met haar intelligente, +levendig-schitterende oogen. + +--Wel neen, antwoordde de oude heer in mijn plaats. België is een +apart koninkrijk, dat niets met "Germany" te maken heeft. + +Ik glimlachte en knikte, bevestigde dat inderdaad België niets met +"Germany" te maken had. "Auntie" vond dat wel eenigszins vreemd, +maar de oude heer herhaalde het nog eens met nadruk en ook de oude, +deftige dame met grijze haren knikte langzaam met het hoofd, om te +bevestigen dat haar man gelijk had. + +Maud en 't kleine meisje waren intusschen dichter bij gekomen. Ik zag +haar wel naderen, maar deed alsof ik het niet zag. Eerst toen ze heel +dichtbij waren keerde ik mij half om en groette weer, heel diep. + +Maud glimlachte. Zij glimlachte heel eigenaardig en fluisterde iets +tot 't kleine meisje, dat, als beschaamd of bedeesd, zich om haar +heen draaide en kronkelde. Toen keek de schoone Maud mij met haar +prachtige oogen aan en sprak, ook lichtelijk gegeneerd, terwijl zij +naar het kleintje wees: + +--Zij bewondert zóó uw kunsten en wou zoo graag dat u nog eens +iets deed. + +--Heusch? Wou je dat ook zoo graag leeren? vroeg ik op gemaakt-lossen +toon, mij tot het kleintje wendend. + +Zij draaide zich om Maud en knikte met het hoofd. + +--Nou dan, zei ik. + +Ik keerde mij om en de beenen kwamen in beweging. Ik voelde ze +niet meer. Ik kan hier de absolute en stellige verzekering geven, +dat ik mij machinaal voortbewoog op twee voorwerpen, die volstrekt +niet meer tot mijn lichaam schenen te behooren en waarover ik niet de +minste controle meer had. Ik geloof dat men er in had kunnen snijden +of prikken, zonder dat ik het voelde. Ik was ook zeer kortademig +en onder mijn hoed voelde ik het zweet in dikke droppels op mijn +voorhoofd parelen. Ik voerde 'k weet niet welke kunsten en figuren uit. + +--How lovely! Splendid! hoorde ik achter mij, als in een droom. + +Ik hield op, kon niet meer. Ik nam even mijn hoed af en veegde mijn +voorhoofd droog. + +Het kleine meisje jubelde; en ook Maud keek mij met stille bewondering +aan. Zij vroeg mij iets, hoe ik een bepaald figuur maakte; en ik +gaf haar met gehorte stem de uitlegging, en deed het haar nog eens +voor. Zij probeerde 't, struikelde, strekte een hand uit, die in _mijn_ +bevende hand terecht kwam. + +Het kleine meisje jubelde, wilde het ook probeeren. Met jonge kinderen +lukt dat gauw. Ik hield haar vast, zij maakte de krul, riep juichend +naar de bank toe: + +--Oom, Tante, ik kàn het! ik kàn het! + +Ik nam haar beide handen en stelde haar voor eens met mij rond te +rijden. Het ging buiten alle verwachting goed. Het kind was om dol +te worden van blijdschap. Al haar bedeesdheid was eensklaps over; +zij kliste zich aan mij vast, wou mij niet meer loslaten. + +--Violet, je mag meneer niet lastig vallen, zei "Auntie." + +Ik gaf "Auntie" en de verdere familie de stellige verzekering, dat +Violet mij in het minst niet lastig viel. En nog eens toerde ik met +'t opgetogen kleintje rond. + +Maar Maud was ook aan het studeeren; en toen ik met Violet bij de +bank kwam, vroeg ze mij of ik haar nog eens wijzen wou hoe die krul +gemaakt moest worden. + +Voor de tweede maal deed ik het haar voor en volgde met gespannen +aandacht haar beweging, terwijl ze zich oefende. + +--Neen, pardon, zoo niet, het linkerbeen naar achter, professeerde ik. + +Zij herbegon, maar het ging nog niet. "Auntie" mengde zich in de +les, riep, van op de bank: "naar achter, naar achter, het linkerbeen +naar achter." + +--Ach! ik zal het nooit kunnen leeren! kreet Maud wanhopig. + +--Mag ik u soms even vasthouden? vroeg ik. + +--Graag, antwoordde zij. + +Ik hield haar vast! Met beide handen hield ik haar zacht en stevig +vast! En de beenen die onder mij werkten werden eensklaps weer de +mijne; zij stonden forsch en kloek op het ijs, vertrouwbaar als +pilaren die het gansche gebouw mijner vurige liefde beschermend +stutten en droegen. + +--Zoo.... zoo.... zoo.... duwde ik haar zacht naar +rechts. Zoo.... zoo.... zoo.... trok ik haar weer naar links. En +het ging.... wij zweefden zacht en zwierden en een heerlijke +viooltjes-lucht dreef als een wierook met ons mee. Haar wangen +bloosden, haar mond glimlachte en haar oogen schitterden: zij genoot, +zij was tevreden en gelukkig.... gelukkig door mij! + + + +Ik weet niet meer hoe lang we zoo gereden hebben. De tijd hield geen +rekening meer. Ik herinner mij slechts, dat de sneeuw rondom den +vijver van lieverlede mauve tinten kreeg, dat de droge bladerkruinen +van het roode eikenbosch gansch purper werden en dat de ramen van het +hotelletje tintelend vuur weerkaatsten. Het aantal schaatsenrijders op +den vijver nam zienderoogen af; op de bank waar zij nog steeds zaten, +schenen Maud's familieleden sinds een poos een stil conciliabuul te +houden; en eensklaps stond de oude heer stram overeind, wenkte mij +tot zich en vroeg of ik soms zin had, met hem en zijn familie thee +te gaan gebruiken. + +Ik kreeg den indruk alsof de goede man mij zijn mooie dochter ten +huwelijk aanbood. Ik had een spontane beweging, alsof ik zou gaan +zeggen: "O, 't is te veel, meneer; 't is heusch te schitterend wat +u mij daar voorstelt!" Ik zei evenwel iets anders, wàt weet ik niet +meer; doch het resultaat was hetzelfde: ik bond mijn schaatsen af, +hielp Maud en Violet de hare afbinden en enkele minuten later zaten +wij allen gezellig om een tafeltje in 't lekkerwarm restaurant, +bij een der groote, heldere ramen, waarachter wij de schoone, roode +winterzon glanzend in het westen zagen ondergaan. + +Ik had een gevoel alsof mijn lot en mijn toekomst nu reeds +onherroepelijk beslist waren. Ik zat daar zoo goed, zoo vast, zoo +rustig, zoo veilig, dat het mij haast onmogelijk leek, dat daar nog +eenige verandering in zoude kunnen komen. Dat was nu eenmaal zoo, +en dat bleef zoo, ik had mij verder maar vanzelf te laten leven. De +Amerikaan is gastvrij van aard, maar ook nieuwsgierig. Hij wil heel +graag, en liefst zonder veel uitstel, zooveel mogelijk van de menschen +weten waarmee hij omgaat; en op de weinig bewimpelde vragen van mijn +gasten vertelde ik wie ik was, en wat mij naar Amerika had gebracht, +en wat mijn naaste toekomstplannen waren. De oude heer keurde dat goed, +knikte welwillend met het hoofd, deelde mij mede dat hij, hoewel niet +direkt meer in zaken betrokken, toch nog geregeld, uit oude gewoonte +en uit onverwoestbare belangstelling, drie en vier maal in de week +op zijn vroeger kantoor in New York kwam, dat thans in andere handen +was overgegaan. Zijn "line" was de houthandel geweest, zei hij; hij +was heel klein begonnen, had prachtige zaken gemaakt en zou er zeker +ook nog in gebleven zijn als zijn vrouw er maar niet herhaaldelijk +op had aangedrongen, "that he should sell out his business" om rustig +buiten te gaan leven. + +Mevrouw, die anders weinig sprak, mengde zich in 't gesprek. + +--Ik had niets meer aan mijn man; hij zat van 's ochtends tot 's +avonds op kantoor, beweerde zij. We gingen nooit eens naar theater, +nooit op reis. En de kinderen werden groot; we moesten hen toch in +"society" brengen. + +Tegenstrijdige gevoelens bestormden mijn ontvankelijk gemoed. De oude +heer was een "self-made man," dat zei hij zelf, en misschien wel een +tikje van een parvenu, dat liet hij doorschemeren. Dit schrikte mij +niet af, boezemde mij geen weerzin in; integendeel: het bracht mij +nader en gemakkelijker tot het voorwerp mijner vurige liefde. Maar +wel schrikten mij af de woorden van de moeder: "dat zij de kinderen +in "society" moest brengen. Society!.... dat waren diners, soupers, +bals, visites, concerten, theater! Society, dat was.... ja, hoe moet +ik het anders noemen, dat was de liefdesmarkt, de huwelijksbeurs; en +hoe zou ik, arme, eenzame, onbekende vreemdeling op die geduchte markt +tegen de met het terrein bekende en flink tot den strijd toegeruste +Amerikanen kunnen concurreeren? Ging Maud nu reeds in "society" +uit; en sinds wanneer? Het brandde op mijn lippen om het te vragen, +maar ik durfde niet. Ik voelde mij opeens zoo vreeselijk bedeesd, +zoo droef, zoo machteloos! + +Maar de oude heer sprong mij hulpvaardig bij. Society, zei hij, +niet zonder eenige minachting, lijkt me, voor een flinken, jongen +Amerikaan een vrij overbodige luxe. Dat moest eigenlijk onder vrouwen +blijven. Het houdt den jongen man van zijn ernstige bezigheden af; +het compromitteert meer dan eens zijn toekomst. Een man moet een +gentleman zijn, dat geef ik toe. Maar als hij netjes gekleed gaat en +net-gepoetste laarzen draagt, dan _is_ hij ook een gentleman. Meer +hoeft hij aan "society-life" niet te besteden. + +--O, vader! vader! riepen de dames verbolgen. Het kwam mij voor dat +Maud een lichte kleur kreeg en 't kleintje kronkelde zich lachend +op den schoot van "Auntie," gansch opgewonden door de prikkelende +discussie. + +Ik hield mij stil en zat benauwd te glimlachen. Ik had reeds meenen +op te merken dat Papa niet bijzonder geraffineerd was in zijn +manieren. Hij slurpte aan zijn kop en dronk terwijl hij at. 't Is 'n +proleet, dacht ik in mezelf en nogmaals was mij die gedachte troostend +en welkom, omdat ik voelde dat 't mij nader en gemakkelijker bracht +tot het prachtig voorwerp mijner dolle liefde. Ik voelde mijzelf, +in de oogen der dames, in waarde stijgen, naarmate Papa, door zijn +uitvallen, blijkbaar in maatschappelijke waarde daalde. Mama vroeg +mij, hoe de society-toestanden in de "old country" waren. "Pas nu +op! dacht ik in mezelf; pas nu in Godsnaam toch goed op! Spaar de +Papa, maar denk ook aan de Mama." Ik keek, als geïnspireerd, door +'t breede raam, waarachter de roode winterzon zoo schitterend onder +ging, nam even een moede, bijna geblaseerde houding aan en zei: + +--Ach, wij, in Europa, zijn zoo oud, vergeleken met u. Er heerschen +daar zooveel tradities, welke hier, in dit krachtige, frissche, +nieuwe land niet meer gangbaar zouden zijn. Wij zijn dikwijls +verfijnd, maar wel moe. Wij hebben schoone monumenten en prachtige +artisten, maar in het praktische leven staan wij zeker wel ten +achter. Misschien zou het goed zijn voor Amerika als het iets van +Europa's artistiek-verfijnde beschaving kon overnemen; en zeker +zou het heilzaam zijn voor ons als wij wat meer van Amerika's fut, +en durf, en voortgang, en ondernemingsgeest bezaten. + +Ziedaar! Het was gezegd! Voor wie nu de innige beteekenis der woorden +begreep, moest het duidelijk zijn dat het toekomst-geluk der wereld +verborgen lag in nauwere aaneensluiting der beide rassen. Meer +aaneensluiting tusschen de staten; en meer aaneensluiting tusschen +de individuen! Om kort te gaan en duidelijk te zijn, en met +een afzonderlijk voorbeeld de waarde van een gansche stelling +te bekrachtigen, een huwelijk b.v. tusschen een Europeaan en een +Amerikaansche zou het ideaal benaderen. Dit zeide ik natuurlijk niet +in zulke klare woorden, maar zoo was wel de zin en de beteekenis van +mijn betoog. + +Papa strekte zijn beide dikke handen uit, alsof hij volkomen mijn +woorden beaamde en Mama en "Auntie" jubelden, terwijl een zachte +gloed van geestdrift even in Maud's prachtige oogen schitterde. Het +gesprek werd intiemer, "Auntie" had het nog eens over België en +stelde voor de tweede maal de vraag of dat land dan toch werkelijk +niet in "Germany" lag. Papa werd bijna giftig en zei dat zulke +halsstarrige hardnekkigheid in de dwaling inderdaad aan krankzinnigheid +grensde. Maar "Auntie" liet zich dat maar zoo niet zeggen. Zij keek +mij strak met haar levendige, intelligente oogen aan en vroeg mij +met nadruk of ik er wel heel, héél zeker van was, dat België niet +in "Germany" lag. Het werd een lastig dilemma voor mij. Durfde ik +beweren dat België wèl in "Germany" lag, dan was ik voorgoed verloren +in de oogen van Papa en met Papa verloor ik waarschijnlijk ook Maud; +durfde ik beweren dat België niet in "Germany" lag, dan verbeurde ik de +sympathie van "Auntie," en, dit voelde ik héél sterk en instinctmatig, +"Auntie" met haar bij-de-handheid, kon mij, òf veel goed, òf veel kwaad +doen bij Maud. De liefde maakt laf, en slap, en zwak; en, in plaats +van rond voor de waarheid uit te komen, draaide ik schipperend om de +pot, zei dat ik mij best kon voorstellen, dat Amerikanen, gewend aan +zulke groote landen als het hunne was, een nietig strookje als België +op de wereldkaart niet zoo gemakkelijk ontdekten, en dat het niet de +eerste maal was dat België's bestaan als eigen koninkrijk in twijfel +werd getrokken, en dat zulks nog wel meer gebeuren zou,.... enfin, +de lafheid zelve, zoodat ik mij schaamde om mijn woorden en het als +een goddelijke zegening aanvaardde toen de kleine Violet, door een +wispelturig gebaar, haar kopje omgooide en mij van de heup tot de +knie met warme thee besproeide. + +Dat gaf een afleiding en Violet kreeg een standje; en, ik zou mij +niet meer kunnen herinneren naar aanleiding van wat, maar toen werd +er, zonder overgang, over kunst gesproken. Ik vertelde met vuur van +onze schrijvers en beeldhouwers en schilders. Papa viel mij dadelijk +in de rede en zei, genoegelijk en voldaan glimlachend, dat hij zich +ook zeer voor schilderkunst interesseerde en mij, met gelegenheid, +eenige mooie doeken in zijn huis zou laten zien. Mijn hart stond +even van emotie stil. Hoezoo! Waren we reeds zooverre gevorderd dat +ik bij hem aan huis zou mogen komen! Ik betuigde met geestdrift mijn +bereidheid om die wonderen te aanschouwen. + +--U zal dan meteen ook het werk van mijn dochter kunnen zien, +glimlachte Papa met vaderlijken trots. + +Als door een veer bewogen keerde ik mij tot de mooie Maud om. + +--O, werkelijk! Schildert u! jubelde ik. + +--Ach! het heeft niets te beteekenen, antwoordde zij blozend; en +richtte gegeneerd haar prachtige oogen ten gronde. + +Er werd een afspraak gemaakt. Den volgenden dag was de familie +verhinderd (society, dacht ik bij mezelf met diepe bitterheid) maar +den dag daarop, als ik tijd had, zouden ze mij op het ijs ontmoeten +en mij dan na het rijden naar hun villa meenemen. + +Of ik ook tijd had! In werkelijkheid had ik geen tijd, moest er mijn +ernstige zaken voor verwaarloozen, maar of ik ook tijd maken zou! Papa +bromde wel, dat men mij niet van mijn "business" mocht afhouden, daar +ik een flink "American" moest zien te worden; maar ik stelde Papa +gerust, gaf hem de stellige verzekering, dat ik juist heel toevallig +dien dag absoluut niets uit te voeren had. + +De zon was onder, haar roode na-gloed kleurde nog het gansche westen, +als voor een schimmenspel van reuzen, en de verlaten vijver kreeg +vale metaalglanzen, terwijl het eikenbosch langzamerhand tot zwarten +nacht versomberde tegen het strakke wit der sneeuw. + +Papa stond op en gaf het sein tot den aftocht. + +--Gaat u soms een eind met ons mee? vroeg hij. + +Wat hij mij vroeg was net wat ik verlangde en met mijn schaatsen in +de hand stapte ik naast de familie heen. + +De scherpe avondkoude prikte. Het zou nog eens flink vriezen, dien +nacht. Wat zal er van mij worden, dacht ik meteen, als het eens niet +meer vriest? Ik moest maar hopen, dat de dooi niet al te gauw zou +invallen; dat hij niet komen zou alvorens mijn liefde, alvorens _onze_ +liefde vast aan elkaar geklonken was. + +Ik liep een pas of tien vooruit, met Maud en "Auntie." De boomen +van den weg welfden hun naakte kruinen als een hoogen tunnel over +ons heen. Links in den donkerblauwen hemel blonk reeds een ster, +heel zuiver, heel helder, als een eenzaam, fijn juweel; rechts, in +'t rood der ondergegane zon, hing een fijn schilfertje maan, als +een antiek sieraad. Een bende wintervogels wiekte hoog, met fijne, +schrille kreten het glanzend westen in. + +Wij keuvelden over diverse dingen. "Auntie," die nog steeds +veel belang in de "old country" stelde, wilde o. a. weten hoe de +welgestelde menschen aldaar 's zomers leefden. Ik vertelde haar van +de buitenverblijven, van de bergen, van de luxe-badplaatsen. + +--Vrijwel hetzelfde als bij ons, meende "Auntie." En zij deelde mij +mede dat zij 's zomers meestal voor een poosje naar Newport gingen, +en dan naar Saratoga in de bergen en in den herfst naar Lennox, +allemaal plaatsen waar het heel aardig en "smart" was. + +"Society" sidderde ik in mijzelf. En weer dacht ik: "Als we nu maar +stevig genoeg aan elkaar geankerd zijn alvorens de dooi invalt!" + +Bij een kruispunt van den weg bleven zij staan. Daar moesten zij +de laan op naar hun villa en wachtten even op Papa en Mama, die met +Violet aangekuierd kwamen. + +Ik nam mijn hoed af en begon handdrukken te wisselen. Al de handdrukken +die ik wisselde waren, zooals van zelf spreekt, slechts aanleidingen +tot den afscheidshanddruk, dien ik met Maud zou wisselen. + +Ik voelde al mijn zintuigen tot het uiterste gespannen en gescherpt. Ik +keek haar aan met mijn enthousiaste oogen en 't kwam mij voor of +in haar afscheidsblik een ongewone teederheid van streeling en van +zachtheid lag. Ik drukte haar de hand en hield die eventjes, héél +eventjes langer dan strikt-noodig was in de mijne en 't kwam mij voor +alsof zij deze drukking ook heel eventjes met een extra-drukkingje +beantwoordde, alvorens mijn vingers los te laten. Het stroomde door +mijn heele lichaam heen als een electrische trilling; zoo iets dat +langs mijn armen naar mijn schouders opklom, daar even mij doorrilde +en dan langs mijn rug en langs mijn beenen in den grond verdween. + +Het stoomde als 't ware in mijn hoofd van woelende en gloeiende +gewaarwordingen en gedachten. Het was alsof ik grooter was geworden +en of mijn lichaam, evenals mijn geest, tot aan de ideale sterren +reikte. Ik liep met veerkrachtigen tred recht vóór mij uit, heuvel +op, heuvel af en toen ik ietwat tot bezinning kwam merkte ik, +dat ik èn de aanlegplaats der "ferry's" èn het station van de West +Shore Railroad reeds lang voorbij was. Never mind! Ik was niet in +een stemming om ergens te gaan zitten of te wachten; ik had behoefte +aan beweging; ik moest loopen, lóópen, en denken, en plannen maken, +en hardop praten in de nachtelijke eenzaamheid: en ik liep maar steeds +verder, gesticuleerend onder de sombere boomen; ik liep te voet naar +New York terug, niet meetellend mijn moeheid en den afstand, ik liep +als een gek, al het andere vergetend in de wilde opbruising van mijn +hartstochtelijke liefde. + +Af en toe bleef ik plotseling staan. Dan rees opeens, als een spook, +het beeld van het verleden vóór mij op. Wat! Zou ik werkelijk den +moed hebben mij voor altijd in het vreemde land te vestigen? Zou ik +nooit meer in 't lieve Vlaanderen gaan leven? Zou ik nooit meer de +bekoorlijke dorpjes Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, en de mooie, +kronkelende Leie en Tieldeken, en de freule van 't kasteel, en mijn +oude vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder en zelfs de +eenmaal diep-gehate Groote Musicus terugzien! Het suisde en woelde +pijnlijk in mijn overspannen hoofd; ik voelde mijn ziedende hersenpan +als een soort gistkuip waarin, onder mysterieuze en folterende werking, +mijn toekomst werd gebrouwen. Maar wie weet? Misschien zou zij zelve +wel in Vlaanderen willen komen leven? Als ik dàt kon bereiken, dan +was mijn overwinning totaal! Hoe trotsch zou ik zijn, met haar, in +al haar bloeiende, overweldigende schoonheid, ginds, in mijn land, +bij al wie mij kende! Wat een triomf om met haar over de Leie te +gaan schaatsenrijden en daar even op te houden in de bocht vóór het +kasteel, het trotsch kasteel, en haar schoonheid en de kunsten die +ik haar geleerd zou hebben te vertoonen voor de hoogmoedige freule, +en voor den verwaanden baron met zijn grijze bakkebaarden, en voor +al de lui die ons daar destijds zoo smadelijk genegeerd of bejegend +hadden! Dàt moest ik zien te bewerken en te bereiken; dàt was mijn +taak, mijn levenstaak, ik voelde het ineens met alles-overweldigenden +aandrang, en ik liep maar steeds verder en verder; luid-pratend +en gesticuleerend langs den wit-besneeuwden, eenzamen weg onder de +stralende tinteling van den sterrennacht heen, tot ik eindelijk in +'t verschiet de eerste lichtjes der geweldige wereldstad zag flikkeren. + +Daar begon, of, beter gezegd, daar eindigde de electrische tramlijn; +en niets is meer ontnuchterend en werkelijker dan het begin of het eind +van een electrische tramlijn. Daar gaat een matter-of-fact-stemming +van uit, die alle romantisme en ideaal terstond op 't tweede +plan verschuift. Ik zuchtte zwaar en mijn schoone illuzies zakten +op den geheimsten bodem mijns harten neer. De buurt was vuil en +banaal-leelijk, zooals elke buurt waar een electrische tramlijn +begint of eindigt; maar op den hoek was er toch nog een "bar" van +niet gansch onoogelijk uiterlijk en als vanzelf trad ik er binnen +en bestelde er een cocktail. Ik vroeg den "barkeeper" of hij mij wel +een Manhattan-cocktail zou kunnen toebereiden. + +--Cèrtainly, sir, antwoordde de man, met nadruk op de eerste +lettergreep, alsof het immers vanzelf sprak, dat in zulk een +merkwaardige gelegenheid als de zijne, de fijnste "drinks" werden +klaargemaakt. En inderdaad, het ding smaakte heerlijk, misschien ook +wel omdat ik zulken dorst had en zoo flink geloopen had. + +Ik stak een sigaret op en in den blauwen rook liet ik mijn droomen +gaan. Wat was het leven toch heerlijk en wat stond de schoone wereld +glanzend-wijd vóór mij open! Ik bestelde een tweeden cocktail. Een +zalige moeheid zonk loom in mijn beenen. Had ik nu maar een mooi +rijtuig met een vlug span paarden om mij thuis te brengen, dacht +ik. Thuis! Ik had daar immers geen thuis! Mijn huis was verre, verre, +in het mooie Vlaanderen. Even schroefde een heimweeïge emotie mij de +keel toe en ik kreeg tranen in mijn starre oogen. Neen, ik bezat hier +geen thuis; ik was hier de vreemdeling, bijna de banneling; maar zij +had wèl een thuis, een heerlijk home dat ik weldra zou mogen zien; +en ik droomde dat dat heerlijk home nu ook _mijn_ home was en dat +haar rijtuig met de mooie schimmels vóór de deur van 't kroegje stond, +om mij bij haar, in haar schoone armen, naar huis te voeren. Voor de +deur van 't kroegje stond inderdaad een rijtuig; maar 't was de zeer +prozaïsche electrische tram, waarvan de wattman en de conducteur den +beugel omsloegen. + +Ik betaalde, stond op, en vertrok met de electrische tram. + + + + +V + + +De dag, de groote dag, de dag van mijn bezoek bij Maud's familie, +was aangebroken. + +'t Was stralend mooi weer, nog mooier dan al de vorige dagen. De +winterzon glansde heerlijk en de stille, in het verschiet lichtgrijs- +en blauwwazige lucht was prikkelend zuiver en sonoor van geluiden +op den hard-bevroren grond. 't Was als een winterfeestdag in de +reine lucht. + +Al van in den vroegen ochtend had ik mij aandachtig in den spiegel +bekeken en bestudeerd welk pak en welke das mij het best zouden +staan. Dit is volstrekt geen geringe of onbeduidende zaak. Wij, mannen, +hebben ook zoo bitter weinig wat ons eenigszins kan opsieren. Mijn +teint was door de zon reeds flink gebruind; ik moest dus iets vinden +dat daarbij paste. Ik probeerde 't eerst met een donkergrijs pak en een +steenroode das. Het stond mij niet kwaad, maar 't maakte mij wat dik; +'t voldeed mij niet. + +Ik trok een zwart pak aan, met blauwe +das. Afschuwelijk! Afschuwelijk! 'k Zag er net uit als een burgerman +op zijn zondagsch. Ik wist niet hoe gauw ik dat uittrok. Toen paste ik +gewoon een donkerblauw pak aan met zwarte das en hield mij daarmee +tevreden. Het stond wat streng, wat dor, maar 't miste niet een +zekere, sobere distinctie. Een paarlen speld fleurde het trouwens +nog al op. Ik voelde mij daarin wel niets als een veroveraar, maar +ik viel me toch nog al mee wanneer ik mij in den spiegel bekeek. + +Om twaalf uur was het een heele kwestie wat ik wel eten zou. Er stond +Irish Stew op 't menu en daar hield ik heel veel van, maar ik dacht +er niet aan, vanwege de uien. Misschien zou het zelfs beter zijn +als ik maar heelemaal niets gebruikte. Dat maakt lichter, ideëeler, +spiritueeler. Een mensch die stevig gegeten heeft is dikwijls log en +loom en zwaar; een mensch, die een enkelen maaltijd laat voorbijgaan, +krijgt iets voornamers, iets superieurs. Maar.... de maag bestond ook +nog, en die is zeer materialistisch aangelegd, zoodat ik eindelijk +besloot te transigeeren: mijn inferieur wezen zou "iets" krijgen en +mijn superieur wezen ook iets; en dat loste zich op voor 't eerste +in een zeer fijne, maar heelemaal niet overvloedige "lobster-salad" +en voor het tweede in een glas spuitwater in plaats van bier. Daarmee +trok ik op. + +De familie was reeds druk aan 't schaatsenrijden, toen ik op het +ijs aankwam. Maud was met inspanning de krul aan 't instudeeren, +die ik haar twee dagen te voren geleerd had, en 't kleintje, Violet, +kwam naar mij toegevlogen van zooverre zij mij zag en riep jubelend +dat zij het kunstje kende, terwijl haar tante Maud nog steeds aan +'t knoeien en aan 't zwoegen was. Zij deed het mij voor, werkelijk +heel aardig; en toen beleefde ik een van mijn grootste triomfen: +ik merkte met den eersten oogopslag wat er nog aan 't werk van Maud +ontbrak: een kleinigheid, een niets, maar dat gedaan moest worden om +'t figuur te kunnen maken. Ik wees het haar, vroeg of ik haar even +bij de hand mocht nemen; en daar ging het ineens: zij snapte 't, +zij wàs er, zij maakte zonder moeite het figuur drie en vier maal +na elkaar; en zij keek mij met zulk een stralende dankbaarheid, met +zulk een glans, ja, met zulk een hartstocht en met zulk een liefde +in haar mooie oogen aan, dat ik er als bedwelmd onder werd en even +van emotie naast Papa en Mama en "Auntie" op de bank moest gaan zitten. + +Het was een gelukkige, een diep-gelukkige middag! Er komen zoo +van die dagen, waar alles meewerkt, evenals er andere dagen zijn, +waarop alles tegenvalt. Er hing als 't ware geluk en voorspoed in de +atmosfeer; alles was licht, alles was vroolijk, alles ging gemakkelijk +en als van zelf. Maud genoot; zij genoot als een frisch, jong kind in +juveniel geluk van 't kunstje dat ik haar geleerd had; zij was blij +en dankbaar en beschouwde mij als een soort redder en een held, als +een die voor haar ongekende hemelen van genot en van geluk geopend had. + +Wij reden en kringelden tot wij moe, doodmoe waren; wij reden ieder +op zichzelf en wij reden samen; en als wij samen reden was het, voor +mij althans, een zaligheid waarvoor geen woorden zijn te vinden; +wij reden en wij bleven rijden; en ik weet niet wanneer wij er wel +mee zouden uitgescheiden zijn, als niet de zon achter den heuvel +was verdwenen, wat voor onmiddellijk gevolg had, dat Papa en Mama en +"Auntie" eensklaps een ijzige koude voelden in hun rug, en meteen van +de bank opstonden, en verklaarden dat het tijd, hoog tijd was om nu +naar huis thee te gaan drinken, zooals afgesproken was. + +Wij bonden af en waren klaar. Dezelfde schoone avondzon die al die +laatste dagen mijn geluk beschenen had, ging met ons mee langs den +besneeuwden weg, verlichtte met haar laatste, oranje-gouden stralen +het weeldepad van al mijn zaligheid. Maud was zóó verrukkelijk schoon +in dien langzaam aan tanenden glans, dat zij mij weer voorkwam als +een soort godin, bij vergissing op de aarde neergedaald. Ik had haar, +als krankzinnig van hartstocht willen omhelzen; en ik had ook voor +haar in de sneeuw willen neerknielen, en haar aanbidden, en tranen +van geluk schreien aan haar voeten. + +Bij het kruispunt van den weg sloegen wij rechtsaf en stapten den +heuvel op. Waar zou het zijn? Waar zou het zijn? dacht ik bij elke +villa, die wij langs kwamen. Maar 't liep een heel eind verre: het +liep tot boven op den heuvel, tot op een punt waar heel alleen een +laatste, groote villa stond die, ik voelde 't instinctmatig, hààr +"home" wezen moest. + +Zoo was het ook. Papa keerde zich om, keek mij, met ietwat ijdelen +glimlach aan en zei: + +--We zijn er. + +Hij duwde een hekje open en wij betraden het erf, dat dik onder de +sneeuw lag. De boomen en de heesters droegen witte watten; een pad was +tot de stoep gebaand, die toegang gaf tot een veranda, welke rondom +'t huis liep. + +Het zicht van daar uit, was onvergelijkelijk grootsch en schoon. Ik +juichte, ik jubelde, ik vroeg of ik eens rond mocht loopen, om dat +te bewonderen. Zij vergezelden mij, om van mijn verrukking mede +te genieten. + +In 't Westen brandde de zon haar laatste, roode stralen weg over +een wijde uitgestrektheid van stilte en verlatenheid. De sneeuw +was roze en violet, een enkel huisje hier en daar stond als vergeten +kinderspeelgoed in de wijde ruimte; een bosch donkerde, dicht en zwart, +als een rouwkleed op 't glinsterend wit van een verderen heuvel. Een +paar fabrieksschoorsteenen staken hun rechte pijpen in de hoogte, +zonder de schoone rustige harmonie van het landschap te storen. + +Naar de oosterkim was 't schouwspel gansch verschillend. Daar lag in +de diepte de prachtige Hudson met zijn vaalgroen water tusschen 't +wit van de besneeuwde oevers. Kleine dingetjes dreven er in schuinsche +vaart dwars overheen, wijd-uitloopende, witte strepen achter zich naar +de kanten stuwend; en die kleine dingetjes waren de groote, machtige +"ferries" die heen en weer van en naar New York voeren. De huizen +tintelden van lichtjes aan de overzijde; en gansch aan 't einde van +den horizont, naar 't Zuiden toe, was 't of daar ergens een vulkaan +in werking was: lichtschichten flikkerden, rookkolken somberden +en een machtig-zware stem kwam in doffen ondertoon tot hier verre +aangewaaid: de grootsche stem van New York met al zijn duizenden, +en duizenden door elkander warrelende geluiden, waar af en toe, als +een noodkreet, de snerpende gil van een locomotief, of het langgerekt, +klagend geloei van een stoomboot-sirene, aangrijpend uit opklonk. + +Ik stond daar, en 'k had er uren kunnen blijven om te zien en te +genieten. Ik had er willen staan alleen met hààr en ons beiden van die +geweldige poëzie laten doordringen: een poëzie, grootsch en machtig +als de overweldigende, bijna vernietigende liefde, die in mijn boezem +voor haar bruisde. Maar "Auntie" kreeg het koud, "Auntie" was bang +voor "chills" en huiverde; en Papa opende met een fijn sleuteltje de +zwaar-bewerkte, eikenhouten voordeur en wij traden binnen. + +Hij draaide aan een knopje en in de "hall" ging electrisch licht +op. Het licht glom kleurrijk en gedempt in een hanglamp van groen, +rood en oranje glas en ik kreeg dadelijk een plechtigen en weelderigen +indruk, als in een oostersch paleis of in een kerk. Zware kasten +stonden tegen de wanden, rijke tapijten hingen aan de muren; een +donkerroode looper liep langs een monumentale trap naar boven. Links +hing een groot schilderij, zwaar, somber, onduidelijk. Ik ging er +recht op af, om alvast te bewonderen; maar Papa hield mij tegen, +zei dat ik daar maar niet moest naar kijken, wijl het niet veel te +beteekenen had. Hij hielp mij mijn jas uittrekken en haakte die aan +een gewei dat tot kapstok diende; en nog eens aan een knopje draaiend +duwde hij een zijdeur open en verzocht mij binnen te gaan. + +Ik liet de dames voor en trad in een salon, door Papa gevolgd. + +Door breede, heldere ramen zag ik den laatsten, rooden zonnegloed +in 't Westen, over het wijd-ingesneeuwde, eenzaam veld. 't +Was heerlijk-schoon, gelijk een vizie van apotheose. 't Was om +er naar te blijven staren en te droomen. De zachte warmte van +een gedempt-gloeiende vulkachel vulde 't vertrek met een egale, +koesterende luwheid en men had den indruk van veilig in een serre, +of in een lente-atmosfeer te staan, gezellig genietend met de oogen +van al 't schoone dat daarbuiten lag, zonder de onaangename scherpheid +van de koude te voelen. + +--O! hoe prachtig! Hoe prachtig! jubelde ik. + +Maar Papa deed zenuwachtig en als 't ware eenigszins gehinderd. Laat +ons de gordijnen dichthalen en licht aansteken zei hij; anders kunnen +wij de schilderijen niet goed zien. + +De schilderijen! 't Was waar ook! Ik was daar immers gekomen om zijn +schilderijen te bewonderen! Ik had het reeds vergeten, zoo diep had +mij het mooie vergezicht door de ramen geboeid. + +Mama drukte op een schelknop en Papa stak alvast een lamp met roze kap +op, die zacht op een onyxen tafeltje gloeide. Een hupsch dienstmeisje +kwam binnen en haar werd bevolen de gordijnen dicht te trekken en +theewater te brengen. + +Een voor een werden de schoone, weidsche tafereelen als 't ware +uitgewischt. 't Was of een groote, ruwe, schennende hand ze met +doodkleur oververfde. Het was alsof licht en ruimte uit de wereld +verdwenen. Toen dat gedaan was stak Papa nóg een paar lichten op; +en, zich met iets kinderlijk-triomfants tot mij omkeerend: + +--Look now! zei hij. + +Ik keek.... + +Wat er ook gebeuren kon en wat ik ook te zien mocht krijgen, vast +had ik mij voorgenomen in ieder geval te bewonderen. Ik was op alles +voorbereid, ook op het ergste; maar wat ik zag leek mij op 't eerste +gezicht nòg erger, dan het ergste dat ik mij had voorgesteld. + +Het waren in de eerste plaats portretten; en ik herkende Papa en Mama +en "Auntie" en ook, o gruwel, Maud! Zij waren geschilderd als door +een dolle neger, iets zóó geweldig onartistieks en leelijks, dat ik +de woorden op mijn tong voelde verstijven. Het waren als gekleurde +poppen uit een panopticum of kermis-kraam, van die dingen welke de +handen doen kittelen om er met ballen naar te gooien en waar men +'s nachts van droomt, in nachtmerrie-benauwing. Zij waren gefigeerd, +dood, gedrochtelijk. 't Was iets zóó overweldigend-affreus, dat ik +terstond besefte zelfs geen middenweg in mijn appreciatie te kunnen +gebruiken: ik moest ofwel mijn afkeer uitgillen, ofwel blindelings en +onvoorwaardelijk goedkeuren en bewonderen; en ik deed het laatste, met +een ignobele valschheid en lafheid, met de kruiperige lafheid van den +smoorverliefde: een daad, een wandaad, waar ik mij nu nog over schaam. + +Papa zette 'n hooge borst op, kuchte, kreunde als 't ware van +trotsch genoegen, terwijl Auntie's felle oogen flikkerden en Mama +met eenigszins bescheidener genoegen hoofdknikte en beaamde: + +--Oh yes, they are very lovely, indeed. + +Maud, met een zachte kleur over haar wangen, stond in stilte te +genieten. + +Opgetogen leidde Papa mij verder rond. Ik zag een knoeierig "sous-bois" +konterfeitsel uit een niet-bestaande streek, vuil plagiaat van +Courbet; een marine als van gegolfd karton waarop papieren schuitjes +dobberden, een berglandschap met sneeuwtoppen, als geklopte room op +chocolade. Maar glunderend bracht Papa mij bij 'n kleiner schilderijtje +in een hoek en zei, terwijl zijn stem even van emotie hikte: + +--En dit is 't fijnste wat ik heb. + +Het was een ijsgezicht uit Volendam, met de kleine poppenhuisjes +langs den dijk, met de witte kapjes en de witte klompjes, met de +visschers en de visschersvrouwen, die in hun nationale kleederdracht +op schaatsen reden. Het ding was akelig netjes en banaal geschilderd +als een chromo; 't was eigenlijk om bij te huilen en te snikken; maar +ik jubelde alweer met laffe uitbundigheid; ik zei dat het precies zoo +was in werkelijkheid en daarop omringden zij mij allen en deden mij +vertellen, en vroegen naar allerlei bijzonderheden uit die streek +en zeiden dat zij 't vaste voornemen hadden een of anderen dag dat +verrukkelijke land te gaan bezoeken. + +Horizonnen van zaligheid gingen in mijn verbeelding voor mij open. O, +zou ze toch werkelijk.... in de "old country", zoo heel dichtbij mijn +eigen land eens komen! En, als ze daar eenmaal was, wie weet of zij +er niet zou willen blijven, met mij.... met mij.... als mijn beminde, +als mijn vrouw! Het duizelde in mijn geest; het was tè schoon, tè +heerlijk, ik mocht mij niet zoo in vervoering laten meeslepen. Verder +liep ik rond, zag nog meer monsterdingen, bleef eindelijk voor den +vleugel staan, waarop een heele rij fotografieën prijkten. En daar +zag ik weer Papa, en Mama, en "Auntie" en ook Maud, doch nu in al +hare verrukkelijke schoonheid, in baljapon en laag gedecolleteerd, +als de prinses uit een sprookje. Ik werd er plotseling jaloersch van, +wild-jaloersch omdat anderen vóór mij haar zoo hadden mogen zien en ik +voelde 't heete bloed naar mijn wangen opgolven, terwijl een zwoele +hartstochtsnevel vóór mijn oogen schemerde. Meer andere, meestal +knappe portretten stonden naast het hare en Papa vertelde mij van +wie die waren: Isabel, zijn oudste dochter en Violet's moeder, die in +California woonde; Basil, zijn zoon, die in Philadelphia getrouwd was +en verder nog enkele familieleden en goede vrienden. Achter Maud's +portret stond dat van een jongmensch met banaal-knap gezicht en +donkere snor, die mij voorkwam eenigszins op haar te lijken. "Is dat +ook een zoon van u?" vroeg ik aan Papa. "No, a friend," antwoordde +hij, een vriend, die in New York woonde, maar voor 't oogenblik een +lange reis maakte voor handelszaken in Australia. + +Op een schrijftafeltje bij 't raam stond een kleine aquarel en ik +voelde (je kunt zoo van die voorgevoelens hebben) dat dit iets was, +dat Maud geschilderd had. Ik ging er naar toe, boog er mij over heen, +bekeek het met aandacht; en, mij weer oprichtende, kalm, met ernstige, +als 't ware beheerschte bewondering: + +--Dit is 'n aardig dingetje, zei ik. + +Ik zag het vuur over Maud's wangen komen en 'k dacht dat Papa van +overmoed ging omvallen. + +--Weet u van wie dat is! riep hij,.... En hij verklapte 't, zwellend +van vaderlijken trots. + +Ik hield mij heel, héél kalm en ernstig, alsof mij een gebeurtenis +werd meegedeeld van zulk een overweldigend gewicht, dat het besef +ervan eerst in mij moest bezinken. Ik ging weer naar het tafeltje toe, +bekeek de aquarel met uiterst ingespannen aandacht, richtte mij op, +staarde, alsof ik geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken, +het jong meisje aan. + +--'t Is buitengewoon knap! kon ik eindelijk uitspreken. + +Papa jubelde: + +--En zeggen dat ze er zoo met dozijnen heeft, boven, op haar +boudoir! Laat ze meneer toch eens zien, Maud. + +--Zou het u heusch interesseeren? vroeg zij blozend. + +Ik zou mij niet meer kunnen herinneren wat ik op die ontroerende +woorden antwoordde. Ik herinner mij enkel dat ik de felle, op mij +gerichte oogen van "Auntie" even met een eigenaardige uitdrukking +zag flikkeren en dat Mama mij vroeg of ik niet eerst even een kop +thee wilde drinken. + +Ik weet ook niet, of ik voor dan na 't bezoek op het boudoir die kop +gedronken heb. Dikwijls heb ik daar met spanning over nagedacht en +ben het nooit met mijzelf eens kunnen worden. Ik weet alleen dat ik +een kop gedronken heb, vóór of na 't bezoek op het boudoir. + +Maar wel weet ik nog dat de salondeur openging, dat ik met haar in de +"hall" kwam, in het mysterieuze gedempte licht der Moorsche hanglamp +van groen, rood en oranje glas, en dat ik over den donkerrooden looper +met haar de trap op ging. + +'t Was als een bruidsmarsch naar boven, als een nuptiale gang. Ik +had geen de minste moeite om mij in te denken in 't geval dat ik +met haar getrouwd was en dat wij samen, als man en vrouw, naar onze +slaapkamer gingen. Op 't eerste trapportaal duwde zij een witte deur +open, draaide licht aan, verzocht mij binnen te treden. + +Alles was er van een lichte kleur, amandelbloesemachtig-teer en 't +geurde er bedwelmend naar fijne viooltjes. Er waren gemakkelijke, +lichtkleurige fauteuils; er was een groote, lichte divan, breed als +een bed. + +Hier nu te blijven, dacht ik, en nooit meer weg te gaan! En even +sloot ik mijn bedwelmende oogen. Hier te blijven, haar in mijn armen +te nemen, haar te omhelzen en te zoenen, als in een hemel op aarde. En +'k wachtte, roerloos, strak, alsof het nu komen zou, alsof het vanzelf +zou gebeuren, omdat het werkelijk, zooals in mijn verbeelding, niet +anders kon. + +Zij ging naar den divan toe en haalde van achter de rugleuning een +lijvig album te voorschijn. Zij lei die op den divan open, schoof +twee stoelen bij en verzocht mij te gaan zitten. + +Ik nam plaats, machinaal, als in een droom. + +Ik hoorde haar lieve, zachte stem en begreep niet wat zij zei. Ik zag +haar langzaam, een voor een, de bladen van het album omkeeren en had +niet het minste benul van wàt ik zag. Ik uitte klanken, die van mijn +bewondering moesten getuigen, maar kende geen verschil tusschen een +landschap en een zeegezicht. Ik ging op kleuren af, op felle vlakken, +die nog eenigszins mijn elementair-geworden waarnemings-vermogen +troffen. En aldoor waande ik mij in een wonderoord, in een hemelschen +tuin, in een Paradijs, waar het heerlijk naar viooltjes geurde. + +Ik weet niet door welke kracht of welke vrees ik aan de verleiding heb +weerstaan mijn arm om haar middel te slaan en in wilden hartstocht +haar blanken hals te zoenen. Het had best kunnen gebeuren en nu +nog begrijp ik niet, dat het niet gebeurd is. Maar het is niet +gebeurd. Toen ik alles goed gezien had en bewonderd, deed zij het +album dicht, stond op en ging het weer op zijn plaats, achter de +rugleuning van den divan, schuiven. Daarmee was mijn bezoek op haar +kamer afgeloopen. Daarmee mocht ik heengaan, bevredigd of onbevredigd, +ik weet het zelf niet meer. Ik weet alleen dat plotseling een groote +kilheid in mij doordrong en dat ik huiverde, als van scherpe kou. Het +was alsof ik van een reuzen-inspanning verlost werd. Ik had het gevoel +dat ik tusschen twee uitersten had gestaan: een formidabele ramp en +een onuitsprekelijk geluk; en dat ik veilig aan de vreeselijke ramp +ontkomen was, zonder echter het hemelsche geluk te proeven. Ik werd +ineens heel kalm. De wilde crisis was over; ik kon gewoon weer als +een gewoon mensch voelen en denken. Ik beefde nog een weinig toen ik +met haar naar beneden kwam en ontweek machinaal den fel-vorschenden +blik van "Auntie;" maar ik kon althans spreken; ik kon in woorden mijn +waardeering en bewondering uiten en die zelfs met eenige consequentie +en welsprekendheid motiveeren. Zij luisterde met ernst naar mij; +zij keek mij aan, met dankbaarheid en sympathie. + +Toen dronk ik thee. Het zal me steeds een kwelling blijven mij niet +meer te kunnen herinneren, of ik, al dan niet, ook thee dronk vóór +ik met haar naar boven ging, maar dat ik thee dronk toen ik weer +beneden was, ja, dat herinner ik mij nog heel duidelijk. Ik dronk +thee en nam met bevende vingers een paar koekjes. En ik bleef niet te +lang voor dat eerste bezoek; ik wist heel goed mijn tijd te kiezen; +ik vertrok in het bewustzijn dat ik een gunstige impressie achterliet. + +Bij 't afscheidnemen drukten wij elkaar de hand. Onze oogen +keken elkander sprekend aan en ik hield haar vingers in de mijne, +misschien een halve seconde langer, dan volstrekt noodig was. Trok +zij instinctmatig hare hand terug, of liet ik die instinctmatig +los? Ik weet het niet meer. Maar die halve seconde voelde ik in mij, +als een duizelingwekkende overwinning. Ik liep bedwelmd naar de deur, +door Papa begeleid; en 't oogenblik daarna stond ik, in den scherpen +vriesavond, op de schemerwitte sneeuw van den eenzamen weg. + +Ik liep in snellen pas een honderd meters en bleef dan even staan. Al +de miljoenen sterren van den schoonen donkerblauwen hemel schenen +voor mij alleen te tintelen en te bloeien. Wat was de wereld groot +en mooi! Wat was het leven zalig! Ik stak een sigaret op en voelde +mijn oogen glinsteren in den nacht. En eensklaps had ik het besef +dat mijn bestaan heel waardevol en dierbaar was geworden en dat ik +heel goed er voor zorgen moest. Ik voelde mij ineens moe, doodmoe +en uitgeput, maar toch zalig-moe en uitgeput. Ik had genoeg gedaan, +dien dag; ik had het maximum bereikt van wat ik kon verwerken; en in +plaats van nu nog verre te gaan loopen, zooals ik eerst van plan was, +trok ik huiverig den kraag van mijn jas op en ging doodstil en kalm +in de wachtkamer van de West Shore op mijn trein zitten wachten. + +De gansche wereld woelde als 't ware in mij om en de menschen liepen +langs mij heen als in een droom. Ik was het centrum van 't bestaan +geworden. Even sprak ik hardop in 't stille van de wachtkamer en +merkte niet eens dat de overige reizigers mij vreemd aankeken. Toen +de trein voorkwam stapte ik er machinaal in en toen hij een half uur +later in het Pennsylvania Depot stilhield, stapte ik er machinaal uit, +zonder beseft te hebben dat ik er mee gereisd had. + +'t Was etenstijd en ik had honger, en toch zou ik niet eten. Mijn +maag pijnigde en mijn slokdarm was als dichtgeschroefd. Ik kocht +een krant, keek er in, gooide hem dadelijk weg. Ik nam hem weer op +en keek met inspanning naar de huwelijks-aankondigingen. Was ik nu +heelemaal overstuur en gek? + +Ik trad een "bar" binnen. Ik was er nauwelijks of reeds speet het +mij dàt ik er was. Ik liep er weer uit zonder iets te gebruiken. Ik +hoorde een kort hoongelach van den barkeeper. + +Toen begreep ik dat alles ontheiliging was, wat mij ook maar eventjes +aan de gedachte van háár kon onttrekken en zonder nog naar iets te +kijken of te zoeken liep ik recht naar mijn ongezellige pension-kamer +toe en sloot er mij met mijn ziedende gevoelens en gewaarwordingen op. + +Ik dronk veel water en rookte sigaretten, mijn strak-starende oogen +in het onbestemde vóór mij heen gevestigd. + +Ik had vizioenen waarin mijn gansche leven en verleden vóór mij +heen zweefde. Ik dacht aan mijn tehuis, aan 't schoone Vlaanderen, +aan mijn vrienden, aan Tieldeken van Meylegem, en aan de freule van +'t Kasteel. Er kwamen tranen in mijn oogen, die langzaam over mijn +wangen vloeiden.... + +Zoo overviel mij eindelijk de slaap. Rillend van de koude werd ik +wakker, gooide mijn kleeren uit, kroop in mijn bed. + +De torenklok van de Pennsylvania sloeg twaalf uur. + +Ik kroop tot mijn hoofd onder de dekens en droomde van Paradijzen. + + + + +VI + + +Kunst is een heerlijk iets. Kunst loutert de ziel van den mensch +en verheft hem hoog en nobel boven de kleinzielige sleur van 't +alledaagsche leven. Kunst is de bloem des levens. En kunst is liefde, +liefde in den schoonsten en den ruimsten zin van 't woord. + +Dit mocht ik met volzaligheid ervaren gedurende de vele dagen en de +lange weken, die op mijn eerste bezoek aan Maud's ouders volgden. + +Het ijs is niet eeuwig, tenzij aan de Noordpool en omgeving, en ook +wel,--'t spreekt van zelf,--aan de Zuidpool en omgeving; en met angst +zag ik de dagen langer worden en voelde ik de zon luwer en warmer +schijnen, terwijl het ijs op den vijver steeds zachter werd en de +sneeuw die er omheen lag zienderoogen wegsmolt. + +De lastige en gecompliceerde kringen welke onze schaatsen trokken +over de gladde oppervlakte lieten er,--schrijnende emblemen van alle +vergankelijkheid,--nog nauwelijks zichtbaar hun sporen na; en 't +werd mij meer en meer en o zoo droevig duidelijk hoe al die schoone +kunst voor goed verloren ging. Maar het lot waakte als een trouwe +beschermengel over mij en naarmate de ijskunst in het niet verzwond, +ontwaakte en leefde steeds intenser in mij,--en in ons beiden: in Maud +en mij,--de koesterende heerlijkheid van den breederen, blijvenden, +algemeenen kunstzin op. + +Dat was aldus gekomen door 't bezichtigen van die monster-schilderijen +in Papa's huis en vooral door 't bezoek op Maud's boudoirtje en het +bewonderen van haar aquarellen-album. + +Vast en zeker geloof ik, dat het ontstaan en 't zich ontwikkelen +van het kunstgevoel in 't algemeen, van dien ontroerenden tijd +in mijn leven dagteekent. Ik moet haar in die dagen dingen hebben +gezegd,--wàt al weet ik niet meer,--dingen, die het geloof in haar +levendig maakten, dat zij een groot talent als schilderes bezat, +terwijl ze van mij den indruk moest krijgen, dat ik, ondanks al mijn +verregaande bescheidenheid, over een buitengewoon ontwikkelden en +scherpen critischen kunstzin beschikte. + +Hoe dan ook: toen het ijsvermaak dien winter onherroepelijk onder den +alles nivelleerenden en verwaterenden dooi verloren en verdronken +was geraakt, hielden onze gezellige relaties daarmee niet op. Wel +integendeel. Ik vertelde haar van mijn voorname artistieke vrienden uit +de "old country;" van den Grooten Schilder, van den Grooten Dichter en +zelfs van den Grooten Musicus; en die verhalen boeiden haar bovenmatig; +haar wangen kleurden en haar oogen tintelden; zij had ze willen +kennen; zij snakte naar een meer artistiek en intellectueel milieu; +en zij bekende mij met treurnis dat haar gewone leven en omgeving in +Amerika haar dikwijls zoo banaal en zoo prozaïsch scheen. Zij had +de wereld willen zien, de artistieke wereld: Parijs, Londen, Rome; +zij stelde zich wonderen voor van 't heerlijk leven der artisten in +die groote steden en zij vroeg mij of ik daar niet dikwijls heentoog, +en er weken en maanden verbleef, om mij op te frisschen, om mij als +het ware aan die bron van louter heerlijkheid te laven en te herdoopen. + +Ik loog er maar wat raak op los. Ik vertelde van mijn bezoeken +in Parijs, welke zich in dien tijd feitelijk tot één enkel bezoek +bepaalden en van mijn herhaalde verblijven in schilders-milieux, +welke zich ook al beperkten tot één enkel milieu: dat van een +Belgisch schilder, die toentertijd in Frankrijk's hoofdstad woonde +en mij eens op zijn atelier ontvangen had. Inderdaad had ik haar meer +pikants kunnen vertellen over mijn vroegere verhouding tot het mooie +Tieldeken van Meylegem en tot de mooie freule van 't Kasteel; maar, +vreemd genoeg, daar dacht ik op dat oogenblik niet aan. + +Met dat al werd onze kennismaking gaandeweg intiemer en het duurde +niet lang of zij inviteerde mij om af en toe eens, als ik tijd had, +een uurtje bij haar te komen doorbrengen. + +Tijd of geen tijd, ik maakte tijd, natuurlijk; en zoo kwam het als +van zelf, dat ik daar ook wel eens bleef lunchen en dineeren, tot +het ten slotte een vaste regel werd, dat ik er elken Zondag kwam en +er geregeld het middagmaal gebruikte. + +Ik verscheen zoowat tegen vier uur en gebruikte thee met de gansche +familie. Dat was als de inleiding, als de inwijding tot het groot +geluk dat volgen zou. Zij zat daar, mijn aangebeden schoone, in den +banalen huiskring en zij deed mee als ik in het banaal gesprek over +banale dingen; maar onze oogen spraken tot elkaar een intiemere taal, +waarin heerlijke werelden van geluk zich soms in één enkelen zwijgenden +blik openbaarden. Ons lichamelijk wezen was daar, maar onze geest, +onze ziel, ons ideaal leefden, en trilden, en jubelden hoog en verre +daarboven en daarbuiten; en zoodra het behoorlijk kon stond zij op +en noodde zij mij om verder met haar alleen te gaan keuvelen. + +Met haar alleen! Telkens weer bracht het mijn gansche wezen als in +duizeling. Het was steeds weer voor mij van zulk een overweldigend +geluk, alsof een schoone hemel genadig voor mij openging. Ik volgde +haar, bij slecht weer op haar kamertje, bij mooi weer naar buiten, +in het lenteveld, waar nu de eerste bloemen fleurden; en het waren +ofwel bespiegelingen zonder eind in de geparfumeerde gezelligheid van +'t lichte boudoirtje, ofwel lange wandelingen door de velden en de +bosschen, in die mooie maar verwaarloosde Amerikaansche natuur, die, +zelfs tot in de onmiddellijke nabijheid der groote steden iets oerruws +en wilds behouden heeft. + +Ik kon het voor mijzelf nooit precies uitmaken wat ik wel prefereerde: +thuis bij haar te zijn of met haar te gaan wandelen. En eigenlijk was +het net eender, want waar ik ook met haar was, slechts één gedachte +bezielde en vervulde mij geheel en al: mijn vurige liefde en hoe ik +haar die eindelijk verklaren zou. + +Want dat dit moest en zou gebeuren zat zoo vast als een spijker in mijn +brein. Het zou en moest gebeuren, het kon niet anders; maar wanneer, +maar hoe: dat was de groote vraag! + +Booze plannen spookten in mijn geest, die mij tot een spoedige, +ja, tot een gebruskeerde beslissing stuwden. Een stem riep in mij, +geweldig-dringend: sla nu toch eenvoudig je arm om haar middel en +geef haar een zoen! En ik voelde werkelijk mijn arm, die naar haar +toe wilde en pijn deed, omdat ik hem tegenhield. Doe dat niet, hou +je stil, waarschuwde een andere stem in mij; en die nuchtere, koele +stem des verstands verstijfde mij, deed mij ijzen. En dan was er ook +nog een derde stem, een raadselachtige, die nooit iets duidelijks +zei, maar aldoor glimlachte en spotte. Die heimelijke stem deed mij +telkens denken aan 't gezicht van "Auntie" met haar felle spot-oogen; +en 'k was er banger voor dan voor de ernstig-waarschuwende stem, want +ofschoon ze niets duidelijks zei, dacht ik toch altijd weer te hooren: +"En vooral, maak je niet belachelijk!" + +Zoo was het dan ook wel een soort van verlichting voor mij als het +boudoir-uurtje of de wandeling in 't veld was afgeloopen. Dan was de +twijfelstrijd althans geëindigd en in 't gezelschap der gansche familie +voelde ik weer de geheime verstandhouding tusschen haar en mij, die +ons daar beiden op een apart en als 't ware superieur plan stelde. Dan +zeiden weer de oogen wat de mond nog niet had durven uitdrukken. Dan +voelde ik haar heel, heel dicht bij mij, veel dichter dan wanneer we +werkelijk alleen waren. Dan,.... ja,.... dan had ik misschien wel, +als het mogelijk was geweest, mijn arm om haar middel durven slaan +en op haar frissche wang een zoen geven. Dan voelde ik mij vrij en +onbevangen; en alleen de oogen van "Auntie," die ik altijd, altijd +raadselachtig om mij heen zag loeren, hielden het bewustzijn in mij +levendig, dat ik eigenlijk in het geheel niet vrij noch onbevangen was. + +Het diner was dikwijls iets heel eigenaardigs. Mijn Europeesche +smaak had zich van lieverlede wel wat aangepast aan de Amerikaansche +toebereiding der spijzen; maar toch kwamen nog telkens van die +verrassingen voor, waarop ik in het geheel niet geprepareerd was en +die mijn innerlijk-materieele wezen in plotselingen opstand deden +steigeren. Zoo werd ik eens vergast op "oystersoup." Dat waren uit +hun schaal gehaalde en in melk gekookte oesters. Als verschrompelde +stukjes caoutchouc of als doode slakken lagen zij daarin te zwemmen; +en het gerecht, dat sterk gepeperd en gekruid en met beschuit bestrooid +was, lag vol met groote, dikke, witte vellen. + +Ik dacht te zullen sterven. Ik had het gevoel, nog vóór ik één lepel +proefde, dat mijn keel als met een muur was dichtgemetseld en dat +het alles langs mijn neus zou uitkomen. + +--Houdt u er niet van! riep Papa met de grootste verbazing. + +--Jawel zeker, antwoordde ik machinaal, maar ik ben er niet aan +gewend. En ik proefde een lepel, met draaiende oogen. + +--Laat u 't maar staan, zei goedig Mama, die wel merkte dat ik +niet kòn. + +--Neemt u 't mij niet kwalijk? smeekte ik en lei mijn lepel neer. + +De anderen smulden er lustig op los, ook Maud. Zij vonden 't allen even +heerlijk. Papa slurpte van genoegen en Auntie's oogen flikkerden bijna +uitdagend, zóó fel genoot ze. Zij hadden allen het diepste meelijden +met mij en zeiden, met een soort van spijt, dat ik toch heusch nog +geen Amerikaan was. De kleine Violet keek over haar lepel naar mij op +en kreeg een lach-crisis. Zij vond het zoo "funny" die groote meneer, +die nog geen "oystersoup" kon eten! + +Na den eten nam Papa mij dan naar zijn werkkamer mee om een +likeurtje te drinken en een sigaar te rooken. Ook dàt was wel een +zware dobber. Papa strekte zich met de sigaar tusschen de lippen +in een gemakkelijken stoel uit alsof hij doodmoe was en begon over +"business" te praten. Aldoor, en nog, en uitsluitend, praatte +hij over "business." Het woord "dollar" klonk aanhoudend als een +hardnekkig leitmotiv in zijn gesprek door en de reusachtige fortuinen +schenen zich als 't ware in tastbare vormen om hem heen te stapelen, +terwijl zijn koonen bloosden van al de weelde die hij in en om zich +heen droeg. Telkens weer herhaalde hij hoe hij met niets begonnen +was, hoe hij gewerkt en gezwoegd had, hoe hij er eindelijk gekomen +was. Hij lag daar als de heldere, integrale parvenu die het hoogste +heeft bereikt wat een ordentelijk mensch kon wenschen te bereiken, +en die nu mag genieten, die nu móét genieten, vetgemest in een geluk, +dat slechts door ziekte of door 't einde van het leven meer verstoord +kon worden. Hij kreunde in zichzelf van wellustig genieten, hij +aanbad zichzelf, hij keerde zich soms half om op zijn fauteuil en +sloot even zijn oogen, om nog inniger en warmer te genieten. En hij +gaf mij goeden raad, hij ondervroeg mij over mijn eigen zaken met +welwillende genadigheid; hij achtte het niet uitgesloten, dat ik er +wellicht ook zou komen. + +--In dit land, orakelde hij, is plaats en rijkdom voor een ieder; +maar men moet willen. In Europa, voegde hij er met meelijdende +geringschatting aan toe, is alles te oud, te versleten; daar is niets +meer te beginnen. Er bestaat slechts één land op de wereld: Amerika. + +Daarmee was de sigaar doorgaans opgerookt en het likeurtje gelepperd +en wij gingen terug naar het salon, waar wij de dames vonden. Zij +ontvingen er ons met vriendelijken glimlach in een zachte atmosfeer +van gedempt licht en 't was voor mij als 't komen in een mooien tuin +met frissche bloemen na de barre rotswoestijn van Papa's gebusiness en +gedollar. Maud's oogen hadden dan meestal een lieflijken, vredigen +glans in het getemperd schijnsel van de lampen en Mama's grijze +haren golfden sierlijk en deftig om haar frisch gebleven gezicht, +terwijl Auntie's wezen in de halve schemering waar zij bij voorkeur +zitten ging, zich eenigszins verschrompelde en vertroebelde, met +minder fellen glans van oogen, alsof zoo bij het einde van den +dag een waas van droefheid kwam over haar toch eigenlijk mislukte +oude-vrijstersleven. Dan voelde ik nog sterker, door 't kontrast, al de +frissche jeugd en schoonheid van 't jong meisje; en 't zong in mij, o, +'t zong zoo heerlijk van intiem geluk en opwellende groote illuzies; +en ik voelde mijn jeugd en háár jeugd daar regeeren en alle mogelijke +rampen trotseeren en alle mogelijke hinderpalen overwinnen. + +Maar Papa, moe van al zijn dollar-gepraat-en-geluk, strekte zich +alweer op een leunstoel lang uit en Violet begon aan haar oogjes +te wrijven en zich, lichtzeurderig, tegen haar grootmoeder aan te +vleien. 't Werd tijd voor mij om heen te gaan en langzaam stond ik +op. Het moment van afscheidnemen was telkens als een geweldige en +angstwekkende gebeurtenis voor mij. Van de wijze waarop ze mij aankeek +en een hand gaf, hing het geluk van den dag en van de gansche, daarop +volgende week af. "Auntie" herleefde even uit de schemering weer op +en haar oogen flikkerden om dat waar te nemen. + +Soms keek Maud mij bij het afscheidnemen "gewoon" aan en gaf +ze mij "gewoon" de hand. Dan werd het koud in mij, alsof ik van +binnen verkilde en 't was alsof er diepe snikken naar mijn keel +opbonsden. Maar soms lachte zij met stralende oogen en drukte mijn hand +iets warmer en langer dan strikt noodig was; en dan kon ik niet gauw +genoeg weg zijn om met die laatste volzalige impressie te vertrekken; +dan liep ik als een gek, bijna luid-jubelend, het hoofd stoomend van +liefde, den weg af; en in den trein die mij terug naar New York voerde +zat ik glimlachend als een kind naar mijn geluk te staren. + + + + +VII + + +Maar dat moest eindigen en op een of andere wijze tot een beslissing +komen. De lente bloeide nu volop over het land en er hing alom als een +blijde, lichte feeststemming in de atmosfeer. De wereld herleefde na +den langen, guren winter, er heerschte drukte overal, men voelde als +'t ware toekomstplannen in ieder mensch dien men ontmoette. + +Ook Maud en haar ouders spraken reeds over wat ze dien zomer zouden +doen. Behalve 't gewone verblijf aan zee en te Saratoga gedurende de +heete maanden en de najaarsvacantie in het mooie Lennox, stond ook +nog een reisje in de Adirondacks voor Mei of Juni op 't programma. En +'t was reeds half April. + +Even was er sprake van geweest, of ik soms met hen mee zou gaan. Maar +Papa was dadelijk verontwaardigd opgevlogen, niet dat hij mijn +gezelschap ongewenscht achtte, maar wijl het immers vanzelf sprak, +dat een jonge man die zijn positie maken moest, niet zijn zaken in +den steek kon laten. Als Papa slechts had kunnen vermoeden hoe graag +ik wèl mijn zaken op dat oogenblik had in den steek gelaten, wat zou +hij met verbazing opgekeken hebben! Maar met dat alles was de kans +voor mij verbeurd en ik putte mij vruchteloos uit in gedachten hoe +ik haar vóór dat vertrek naar 't geduchte "society-leven" vast aan +mij verbinden zou. + +Het toeval kwam mij te hulp. Eens, terwijl ik op een glanzend-mooien +namiddag, na kantoortijd door Fifth Avenue slenterde zag ik, langs +het trottoir, twee gestalten vóór mij uit loopen, die ik in 't gewemel +van de elegante wandelaars terstond herkende: Maud en "Auntie!" + +Mijn hart stond even stil, en ook mijn beenen stonden stil. Ik had op +mijn verhaal te komen, om te beramen wat ik doen zou: haar ongemerkt +blijven volgen; of naar haar toe gaan en haar aanspreken! + +Terwijl ik, jagend van ontroering, twijfelde, bleven zij op haar +beurt stilstaan, geboeid door de uitstalling aan het raam van een +luxe-winkel. Zij keken met de grootste aandacht, heelemaal in beslag +genomen door iets wat ik niet zien kon; en, na een korte aarzeling, +trokken zij den winkel binnen. + +Ik had 't gevoel van iemand, die een prooi beloert, welke niet mag +ontsnappen. Ik moest en wilde en zou haar zien, wat er nu ook gebeurde; +en schijnbaar kalm ging ik naar den winkel toe, kalm en slenterend, +als een wandelaar die nu eenmaal goed den tijd heeft om alles op +te nemen wat hem ook maar eenigszins interesseeren kan. Ik zag een +roomkleurige rez-de-chaussée omlijst met goud en aan beide kanten +van de deur twee groote spiegelramen. Op een van die ramen stond in +sierlijke gouden letters slechts de voornaam "Véronique" geschilderd +en op het andere raam het woord "Modes." + +Met een bonzend hart en quasi-geboeide belangstelling keek ik naar de +uitstalling. Die was gauw genoeg gezien. Op een gedistingeerd fond +van lichtmauve fluweel verrees, tusschen crême kantgordijnen, een +ebbenhouten pin, en boven op die pin, een dameshoed: één enkele. Dat +was alles; verder niets! Achter het tweede raam precies hetzelfde +schouwspel: één enkele hoed op één enkele ebbenhouten pin, met +daaronder, tusschen de crême kantgordijnen, de gedistingeerde kale +vlakte van het lichtmauve fluweelen fond. Ik besefte dat ik daar +onmogelijk lang kon blijven staan en reeds bewoog ik mij, met een +zucht van teleurstelling, verder op, toen plotseling de deur geopend +werd en een schelle stem, Auntie's opgewekte stem, mijn naam uitriep, +terwijl "Auntie"-zelf, met een levendig gebaar der rechterhand, +mij tot zich wenkte. + +Ik veinsde de grootste en aangenaamste verrassing. Wel, wel, wat 'n +chance "Auntie" daar zoo gansch onverwacht te ontmoeten! Maar Auntie +liet mij den tijd niet aan mijn gevoelens van verbazing lucht te geven; +zij vertelde mij op gejaagden toon, dat Maud daarbinnen was om zich een +zomerhoed te koopen; maar dat het gesprek met die Fransche modiste, die +slechts gebroken Engelsch kon, niet vlotte; en dat ze mij juist voorbij +het raam zag passeeren en mij verzocht als tolk te willen dienen. + +Dat is de eerste maal van mijn leven geweest, dat ik als tolk heb +gefungeerd en nog voel ik er, na zooveel lange jaren, de emotie en +den trots van na. + +Maud stond daar, met de modiste, in den luxe-winkel en met een kleur +van dankbaarheid kwam ze naar mij toe en drukte mij, in een soort van +hartstochtelijke blijdschap, de hand. Dat staalde mij, dat ridderde +mij als 't ware in 't harnas en met hoog voorhoofd en vastberaden +blik stapte ik op de toonbank toe, waarachter madame Véronique in al +haar glorie troonde. + +Madame Véronique scheen daar te regeeren, als een hoogepriesteres +in haar tempel van de godheid Mode. Zij stond, groot en zwaar, +in glimmend-zwarte zijde, als gepantserd in haar ongenaakbaarheid +en zij zag mij tot haar naderen met een koelen, kouden blik van +geheime, stille hostiliteit. Blijkbaar verkocht zij haar hoeden als +gunsten; en zij verwaardigde zich eenige meesterstukken van haar +kunst, die achter haar in glazen kasten prijkten, te vertoonen, +en vermelde telkens daarbij, met nauwelijks bewegende lippen, de +duizelingwekkende hoedanigheden van het wonder en noemde even prijzen, +die mij, in figuurlijken zin, gewoon in zwijm deden vallen. Ik herinner +mij o. a. een zoogezegd "matelotje" met een of andere pompon of prul +er op, waarvoor ze "tirty dollàr" zooals ze 't in haar eigenaardig +taaltje uitdrukte, rekende. + +Maud glimlachte, genietend; Maud was gelukkig. Welke jonge mooie vrouw +is niet gelukkig in een mode-winkel? Zelfs de verschrompelde "Auntie" +was gelukkig en haar felle oogen flikkerden van genot. De mooie +Maud paste een voor een de dure hoeden op haar hoofd en bekeek zich +daarbij welgevallig in de spiegels. Al haar bewegingen waren van een +uitnemende gratie en wanneer ze zoo een kunststuk met beide opgeheven +armen boven op haar kapsel zette kreeg ik telkens den bedwelmenden +indruk, alsof die mooie armen streelend om mijn hoofd heen gingen, +om mij te omhelzen. + +Het was als een voortdurende gedaantewisseling, die telkens weer andere +gevoelens in mijn zwaar-verliefde ziel omwoelde. Soms zag zij er uit +als een aanbiddelijke jonge bruid en het was mij te moede of ik in de +kerk het orgel hoorde spelen, terwijl wij samen statig tot het altaar +naderden. Een ander tooisel stond haar veel te wuft en deed mij pijn; +een derde, dat te rijk was en te deftig, verwijderde haar van mij. + +De keuze was lastig. Voor de ramen stonden slechts de twee hoeden op +hun ebbenhouten pinnen,--dat was gewilde eenvoud, ter wille van de +deftige distinctie,--maar daarbinnen waren er genoeg; en er waren er +nog meer, want toen Maud bijna alles had gepast wat achter de glazen +kasten schitterde, drukte madame Véronique op een schelknop en een +binnendeur schoof plechtig open, en boven op een trapje van drie treden +verscheen een mooi jong meisje met blond haar en sierlijk-volle buste, +aan wie de hoogepriesteres een kort bevel gaf. + +Ik keek in een zaal, een soort van troonzaal met hooge, lichte ramen, +waar nog meer knappe, jonge meisjes over fijn werk gebogen zaten. Men +hadde gezegd, de ingetogen suivantes eener onzichtbare feeën-prinses in +gewijde aandacht bezig aan de schoonste wondermaaksels. En 't mooie, +blonde meisje bracht nog meer hoeden te voorschijn: hoeden die op haar +blank vuistje door de lucht schenen te zweven met sierlijk-wegdrijvende +kantensluiers; met bloemen die men meende te ruiken en met glinsterende +vogels die men dacht te zien vliegen; zij bracht er nog en nog, van +alle vormen en van alle kleuren, tot het oog er duizelig van werd en +de knieën van vermoeidheid knikten. + +Toen maakte Maud ten slotte een keuze: iets dat Papa wel met een +chèque zou betalen; en als toetje nam zij er ook nog 't matelotje bij: +dat van "Tirty dollàr." + +Madame Véronique neeg, genadig. Met mindere minachting en hostiliteit +keek zij mij aan en eventjes schemerde zelfs in haar oog iets +leuk-ondeugends als van heimelijke verstandhouding. Plechtig werden +de deuren van de troonzaal weer dichtgeschoven; en 't blonde meisje +begeleidde ons tot aan de deur, terwijl madame Véronique weer +hiëratisch-strak achter haar toonbank stond, als de onverstoorbare +godin, die het hoogheilige van haar altaar nooit verlaten mag. + +Ik ademde luid toen we weer buiten in de vroolijke drukte van Fifth +Avenue waren en de beide dames moesten hartelijk lachen en vonden, +dat ik een buitengewoon-geschikte tolk was geweest. Zij verkeerden +in een opgewekte stemming; er was ook iets aanstekelijks-opwindends +in de zachte lente-atmosfeer, die als een rooskleurig waas over de +deftige hooge huizen en het jeugdig groen der boomen tooverde; en, +daar wij in de buurt van "Sherry's" kwamen, stelden zij mij voor +in die chicque gelegenheid met haar thee te gaan drinken, wat ik +natuurlijk zonder aarzelen aannam. + +Het was er "chic," het was er "smart," nog meer dan ik wel dacht. Het +zat er vooral vol met elegante en overvloedig bejuweelde dames die +gewinkeld hadden en een symphonie van parfums steeg je van op den +drempel, niet zonder eenige benauwing, naar het hoofd. + +Hier heb je nu een stuk "society," zoo dacht ik, met een vagen weemoed +in mezelf; een proef, als 't ware, van wat deze, die ik zoo vurig +bemin, weldra, verre van mij weg, gaat opzoeken en genieten. Zij was +daar reeds in haar milieu, zij werd gegroet, van rechts en links en +groette terug, met den lieven glimlach van haar mooie oogen; en het was +mij te moede alsof ze reeds mijlen en mijlen van mij was verwijderd, +alsof ze langzaam aan werd opgenomen en verloren raakte in een kring, +waar ik haar nooit meer zou kunnen bereiken. + +--U kent hier zeker weinig menschen? vroeg "Auntie" die blijkbaar +met haar scherpen zin mijn bevreemding opmerkte. + +--Niemand, bekende ik, ietwat gegeneerd en vaag verdrietig. + +--Er komen hier veel lui, die wij ook 's zomers in Newport, Saratoga +en Lennox ontmoeten, deelde "Auntie" mij mee. 't Is nogal aardig, +begrijpt u; het wordt zoo'n beetje als één groote familie. + +Een dikke, hoewel nog betrekkelijk jonge meneer kwam voorbij, bizonder +elegant gekleed, met lakschoenen en witte slobkousen, die buigend +groette en even stilhield, alsof hij naar ons toe zou komen, om de +dames aan te spreken, maar die toch verder doorging, nadat hij een +vluchtigen en, naar het mij voorkwam, ietwat verwonderden en bijna +geringschattenden blik op mij had neergeworpen. + +--Mister Bunk, fluisterden gelijktijdig Maud en "Auntie," alsof 't +een heel bizondere personage gold. En met geboeide oogen zagen zij hem +verder gaan en nog aan vele tafeltjes groeten en handdrukken wisselen. + +--Dat is de beroemde mister Bunk, de groote valseur, die al de elegante +cotillons in Saratoga leidt, vertelde mij "Auntie," op een toon van +bewonderingsvolle vertrouwelijkheid. + +Ik voelde mij als door een wesp gestoken. Zonder eenige reden kreeg +ik plotseling een hekel aan dien poen; en het ontsnapte mij: + +--'n Valseur! Maar die man is veel te dik om te dansen! + +--Dat zou u niet zeggen als u hem walsen zag! antwoordde "Auntie" +snibbig. En Maud beaamde, door een zwijgend hoofdgeknik, haar tante's +woorden. + +Ik werd zenuwachtig. Ik voelde instinktmatig iets van gevaar, iets als +een te duchten vijand in dien man. Hij was daar in zijn atmosfeer, +in zijn milieu; en ik stond er buiten. Het prikkelde en ergerde +mij, dat ik er buiten stond. Dat was nu eenmaal de "society," hààr +"society," waar ik niet thuis bij hoorde; en ik wilde er bij behooren, +om harentwille! + +Er steeg een plotselinge vlam van waan en hoogmoed naar mijn +hoofd. Waarom zou ik ook niet eens groot en chic doen, zooals al die +lui welke daar zaten of rondliepen en die met het geld, dat trouwens +hun eenige beteekenis uitmaakte, konden gooien alsof het heelemaal +geen waarde had? Ik keek Maud en "Auntie" met strak-geïnspireerde +oogen aan en vroeg: + +--Zou u mij niet het genoegen willen doen, en zouden ook uw ouders +mij niet het genoegen willen doen, eens met mij te komen dineeren, +vóór het vertrek naar uw zomervacantie-oord? + +Verrast en eenigszins verwonderd keken Maud en "Auntie" mij, en daarna +ook elkander aan. + +--Gaarne.... ik toch wel.... en ook mijn ouders, denk ik, antwoordde +langzaam Maud, een lichte kleur krijgend. + +--Ik vind het dol, dól! jubelde "Auntie" met stralende oogen. Niets wat +ik liever doe dan eens in een fijn restaurant te gaan dineeren. Waar +zou het zijn? vroeg ze mij op den man af, mij met haar felle oogen +aankijkend. + +--Delmonico? stelde ik voor. Delmonico, of Martin's, als u 't verkiest, +of Waldorf Astoria, 't is mij eender. + +--Delmonico! Delmonico! Ik ben verzot op Delmonico! juichte "Auntie." + +Ook Maud vond dat een heel geschikte, aardige gelegenheid. Het werd +ineens bepaald en de datum voorloopig vastgesteld. Wij lachten en +jubelden alle drie en ik voelde mij trotsch als een prins. Mijn +vluchtige gedruktheid was heelemaal overwonnen; ik stond ineens als +'t ware midden in háár kring, in de "society" en de verwaande poen +van daar straks kon mij geen zier meer schelen. Ik zag hem nog een +oogenblik, terwijl wij opstonden om Sherry's te verlaten; ik zag hem, +gebogen steunend met zijn beide, zwaarberingde handen op een tafeltje, +waaraan elegante dames zaten, die met schitterenden tanden-glimlach +en levendige oogen tot hem neigden; en 't deed mij goed dat ik hem +eventjes moest storen om voorbij te kunnen: hij zette met zijn te dikke +lijf de smalle ruimte af waar wij doorheen moesten; en onder het wijken +gooide hij een halfvol kopje om, wat hem even met verbolgen blik naar +mij deed omzien, iets dat ik mij alweer in het geheel niet diende +aan te trekken, want het gebeurde was zijn schuld en niet de mijne. + +In de zachtroze lenteschemering, die 't drukke New York als met +een uitstraling van apotheose-licht overgoot, begeleidde ik Maud +en "Auntie" tot aan de West Shore ferry-boat; en, na nog eens de +afspraak herhaald te hebben, zag ik de zware boot met haar naar den +anderen oever wegvaren, terwijl de frischheid van den avond neerzeeg, +en aan den westerhemel, die groenachtige tinten van limpiditeit had, +een groote mooie zilveren ster reeds hing te schitteren. + + + + +VIII + + +Papa en Mama hadden, evenals Maud en "Auntie," mijn invitatie +aangenomen; en daags vóór den gestelden datum toog ik even naar den +restaurant Delmonico, om er met den baas, of een der chefs, het menu +op te maken. + +Ik werd er ongeveer ontvangen, zooals Maud bij madame Véronique +onthaald was geweest. 't Was in de stille uren; de garçons waren +langzaam en zorgvuldig bezig in de ruime zaal met rood tapijt de +tafeltjes te dekken; en een dikke meneer in rok, met glimmend-wit +plastronhemd en zwarte das kwam statig naar mij toe, nam mij even +vlug op met één blik, die gansch zijn oordeel over mij vast scheen +te vestigen, en vroeg mij, met een vette stem, in 't Fransch, wat +ik verlangde. + +Ik zei hem wat ik voor den volgenden dag zoo al wenschte. + +Zakelijk ging hij in zijn binnenzak, haalde een gedrukte spijskaart +te voorschijn, nam een potlood en begon voor te dragen. + +--Cinq potages bisque? vroeg hij. + +Ik knikte. + +--Du saumon à la Chambord? + +Ik knikte. + +--Une entrée: longe de veau; entrecôte Béarnaise; selle d'agneau! + +Ik aarzelde, er kwam in mij een spanning. + +--Longe de veau? herhaalde hij, mij met een greintje van meelijdende +geringschatting aankijkend. + +--Plutôt entrecôte Béarnaise, zei ik eindelijk. + +--Comme légume? ging hij voort, opteekenend. En, daar ik weer aarzelde, +mij helpend: + +--Tomates farcies, artichauts, céleri à la moëlle. + +--Céleri à la moëlle, echode ik machinaal. + +--Comme rôti? ging het verder. + +Gaat hij er niet haast mee uitscheiden! dacht ik bij mezelf. 't Was +warm daarbinnen en ik voelde mijn wangen gloeien. + +--Sarcelle; canard sauvage; dinde Maison? ging hij onverdroten voort. + +--Dinde Maison, echode ik nog eens, heelemaal onder zijn invloed en +machinaal reageerend op zijn laatste klanken. + +--Et comme dessert une omelette Sibérienne et une macédoine de +fruits? besloot hij, mij te nauwernood nog raadplegend. + +Ik knikte. + +Hij teekende op en er was een stilte. De garçons dekten rustig verder +hun tafeltjes en daarbuiten, achter de hooge, breede ramen, stroomde +het druk-mondaine leven van New York voorbij. + +--Hoeveel wordt dat dan samen? vroeg ik eindelijk, met inspanning en +matte stem. + +--Eh bien, comme nous avons dit, n'est-ce pas? En hij begon nog eens op +te sommen: Potage Bisque, Saumon à la Chambord, entrecôte Béarnaise.... + +--Ja maar.... de prijs.... te zamen.... stamelde ik met het rood der +schaamte op mijn wangen. + +--Oo.... zei hij, alsof ik iets heel bizonder geks gevraagd had; +en een bijna onnaspeurlijke glimlach kwam even op zijn lippen. + +Hij zette vlug wat cijfers onder elkaar, telde samen, zette er nog +iets bij, telde weer samen en noemde mij eindelijk een getal, waar ik, +evenals enkele dagen te voren bij madame Véronique, in figuurlijken +zin van omviel. Ik meende verkeerd begrepen te hebben, vroeg hem om +nog eens 't cijfer te herhalen, viel er nog eens, in figuurlijken zin, +van om. + +--'t Is goed, zei ik klankloos, terwijl de gansche ruime zaal, met +al haar tafeltjes en stoelen, vóór mijn bedwelmde oogen scheen te +dansen en te schemeren. + +Ik koos het tafeltje, of, beter gezegd, nam het tafeltje dat hij +mij aanwees; sprak af voor den volgenden dag om acht uur; en 't +oogenblik daarna stond ik buiten op 't trottoir, met het gevoel alsof +een schurksche goochelaar de laatste centen uit mijn portemonnaie +had weggemold. + +Ik nam een heldhaftig besluit. Ik zou dien dag alvast niets meer eten, +mitsgaders de drie eerste weken die op het diner zouden volgen, één +dagelijksche maaltijd derven. Zoo zou de wreede bres toch eenigszins +gestopt worden. + + + + +IX + + +Even vóór acht uur stond ik zenuwachtig-wachtend in Delmonico's +ontvang-salonnetje. Over den rooden looper van den marmeren gang +passeerden af en toe heeren in rok en witte das en gedecolleteerde +dames in ruischende sleepjaponnen, die glinsterden van sieraden +en juweelen. Zij verdwenen in de groote restauratie-zaal en telkens +golfde van daaruit een bouffee van muziek: voluptueus-kweelende violen +bespeeld door bruine kerels met donkere oogen en donkere snorren, +exotisch-opvallend in hun roode buisjes met gouden borduursels. + +Een oude hollandsche klok met speelwerk sloeg in zilverklank acht +ure. En eensklaps waren ze daar, zonder dat ik hen in mijn agitatie +had zien komen: Mama voorop, het witte kapsel als een sneeuwdos +op haar frisch gezicht, de oogen vriendelijk lachend en de valsche +tanden schitterend; "Auntie" een en al pittige levens-uitstraling en +voorwaar buitengewoon knap dien avond in haar bescheiden décolleté; +en Maud een bloem, de schoonste bloem der wereld, in 't wit, met iets +van groen en roze roosjes, om van te duizelen. Papa volgde, proletig +in zijn avondpak, alsof hij de portier was, die de deur zal opendoen. + +Onze intrede verwekte eenige sensatie. Sommige gasten aan de tafeltjes +keerden zich om; en ook de bruine kerels in hun roode jasjes keken +onder het violeren, met langoureuze oogen. Twee bedienden stonden +eerbiedig bij ons tafeltje te wachten. Zij schoven de stoelen bij en +een derde bracht een tuil met rozen aan. Een maître d'hôtel kwam naar +mij toe en bood mij stil de wijnkaart aan. Ik bestelde Mumm Cordon +Vert en ook Vichy water met ijs, omdat Mama daar naar vroeg. De +"bisque" werd opgediend. + +De zaal was vol en geanimeerd en gonsde van opgewekte beweging en +vroolijke geluiden. Er waren "beauty's" en schitterende toiletten, +die zich in de spiegelwanden reflecteerden. De violen kweelden en +zwollen hun tonen tot een soort wellust aan. Men voelde lust om zich +gemakkelijk in weelde uit te strekken of om stil op het rythme mee +te neuriën of zacht-heupwiegend te dansen. + +Maud keek mij aan met geestdriftige oogen. Zij had een heel licht +veegje rouge op haar wangen gelegd en dat gaf aan haar teint, dat toch +al zacht en frisch was, iets warms en bloeiends dat onweerstaanbaar +bekoorde. Het bloeide boven haar gedecolleteerden hals, die van een +roomige blankheid was; en de mooie armen en de zacht-golvende buste +verwekten droomen die bedwelmden. Ik sloeg even mijn oogen neer, +als verblind door te veel en te diep-ontroerende schoonheid. + +Papa at smakelijk en nogal luidruchtig; Mama gebruikte meer haar face +à main dan vork en mes; en "Auntie" zat van genoegen op haar stoel +te wippen en te trillen, als een eekhoorntje dat nootjes kraakt. Af +en toe keek zij mij aan, fiks en strak, met haar felle oogen, en +'t kwam mij voor alsof daar nu iets ongewoons in schitterde, iets +dat mij opzweepte en tevens verontrustte. Zij sloeg mij blijkbaar +gade, zij sloeg mijn oogen gade; en telkens wanneer deze zich, in +onweerstaanbare aantrekkingskracht op de ontroerend-schoone Maud +gingen vestigen, voelde ik Auntie's oogen op mij gepriemd en zag ik +haar glimlach, die iets raadselachtigs en bijna spottends had. Wat +was er toch? Wat wilde ze van mij! + +Na de entrecôte Béarnaise scheen Papa zich reeds wat verzadigd te +voelen; hij strekte zich in een gemakkelijke houding uit en begon +nu ook eens rond te kijken in de zaal, of hij daar ook menschen +kende. De dames hadden reeds herhaaldelijk, met lieven glimlach +naar mij totaal onbekende gasten gegroet, wat mij telkens heimelijk +een beetje hinderde; en nu ging ook Papa aan 't groeten, met korte, +harde, familiaire hoofdknikjes, en noemde daarbij namen, waarbij de +dames omkeken, en ook nog eens groetten. Er ontstond daar als 't ware +een soort van verbroedering waar ik, als vreemdeling, buiten gesloten +bleef en 't maakte mij verdrietig en chagrijnig; ik was er niet verre +van af te gaan denken, dat het eenigszins ontactvol van hen was, +terwijl ze toch mijn gasten waren. En, eigenaardig genoeg: niet de +dames, maar Papa, die anders niet zoo buitengewoon fijn-besnaard was, +scheen dat te voelen. Hij keek mij welwillend aan, glimlachte en zei: + +--U is hier natuurlijk nog een beetje vreemd, maar ik zal u wat op de +hoogte brengen. Ziet u die oude man, daar, met grijze snor, naast die +jonge dame in 't mauve met haar prachtige parels en briljanten! Dat +is een spoorwegkoning, meer dan vijftig miljoen dollars waard. Hij is +op meer dan zeventigjaren leeftijd hertrouwd met een heel jong meisje +zonder fortuin uit Nebraska, deze die nu naast hem zit. Zij draagt +voor meer dan honderd duizend dollars waarde aan parels en juweelen. + +De violen kweelden, af en toe knalde dof een champagne-kurk en de +animatie werd steeds vroolijker en levendiger, en Papa liet mij nog +meer beteekenisvolle mannen zien, telkens daarbij vermeldend hoeveel ze +"waard waren;" en Mama en "Auntie" en ook Maud waren ten diepste mee +geïnteresseerd, genietend van die weelde-in-cijfers zooals alleen +echte Amerikanen dat kunnen. Toen slaakte "Auntie" plotseling een +soort verrassingskreet en zei: + +--O! en mister Bunk zit daar ook, daar, bij dat raam! Kijk eens; +kijk eens: hij gebruikt nog steeds zijn toast met eieren, net als +in Saratoga! + +Het was een emotie! Allen keken om en zagen mister Bunk zijn eieren +eten. Hij merkte hun opvallende belangstelling, herkende hen, groette, +ernstig, plechtig bijna, met een volmaakt-correcte buiging. De dames +kregen een lichte kleur, groetten terug, namen weer haar gewone houding +aan. Mij had hij heel even, met een koel-strakken blik opgenomen. + +--Die man, meende Papa mij te moeten inlichten, is 'n aardig aantal +miljoen dollars "waard" en gaat door als de "arbitre des élégances" in +New York en eigenlijk ook wel in de "society" van heel Amerika. Sinds +jaren, waar hij ook komt, gebruikt hij voor zijn diner nooit iets +anders dan drie gekookte eieren, met toast en thee. Maar lastig als +hij is op de kwaliteit van die eieren, daar hebt u gewoon geen idee +van! Hij wil ze maar alleen gebruiken als ze afkomstig zijn van een +speciale "farm" daar ergens in de Catskill's Mountains, van boeren die +hij kent. In Newport, in Saratoga, in Lennox, onverschillig waar hij +verblijft, steeds komen zijn eieren uit diezelfde "farm." En ook hier, +in New York, moet Delmonico, waar hij geregeld eet als hij niet op +zijn clubs of bij families dineert, hem kunnen garandeeren, dat ze +daar vandaan komen. En wilt u nu eens weten wat hij voor zoo'n diner +van drie eieren met toast en een kop thee betaalt?.... + +Glimlachend naar mij toe gebogen staarde Papa mij aan, als om bij +voorbaat van mijn bewonderende verbazing te gemeten. En toen liet hij +'t cijfer los: + +--Vijf dollar, meneer! Vijf dollar en 'n dollar fooi aan den garçon: +samen zes dollar voor 'n maaltijd die zoowat een zestig cent waard is! + +De dames knikten, met een soort ingehouden admiratie, om te betuigen +dat Papa de zuivere waarheid sprak. + +Zwijgend keek ik den kerel aan, terwijl hij met een van zijn eieren +bezig was. Wat 'n sinistere vlegel! Wat 'n sombere bruut! Wat 'n +boeventronie! dacht ik in mezelf. En ik leed er onder, ik leed harde, +vlijmende pijnen, dat Maud zulk een aanstellerig wanschepsel kon +bewonderen. Hoe was het mogelijk! Hoe zag ze toch niet, hoe begreep +ze toch niet wat voor een abominabele poen die kerel wezen moest! Het +vergalde mijn avond, die vent wierp door zijn enkele tegenwoordigheid +een akelige schaduw over al mijn vreugde. + +Eensklaps had ik een geweldige emotie. Hij was klaar, had afgerekend +en stond op; en ik zag, ik vóélde, dat hij naar ons tafeltje toe +kwam! Zou hij heusch durven? Werkelijk! Daar was hij! Daar stond hij! + +Hij stond daar in rok en witte das, met zijn drie eieren en zijn +toast in zijn te dikke lichaam en hij boog groetend, met een akeligen +glimlach op de lippen, naar Mama en kuste haar de hand. + +In onwillekeurig walgen keerde ik even machinaal het hoofd om. Hij +groette "Auntie," hij groette Maud, hij groette Papa, en dan weer +tot Maud zich wendend hoorde ik hem vragen: + +--Goed nieuws van Reggy? + +--Heel goed, dank u, hoorde ik Maud antwoorden. + +--Wanneer verwacht u hem terug? vroeg nog de vlegel. + +--Waarschijnlijk tegen het eind der volgende maand, antwoordde Maud, +een lichte kleur krijgend. + +Hij glimlachte, fatterig voldaan, boog weer en vertrok, zonder met +een woord of een blik van mij notitie te hebben genomen. + +Even keek ik naar "Auntie" op. Haar oogen stonden strak op mij gepriemd +en haar lippen hadden een soort glimlach, die tot in 't diepste van +mijn ziel drong. + +Ik keek naar Maud. Er lag eensklaps iets vreemds en ernstigs over +haar gezicht. Zij leek mij plotseling zoo koud als ijs. Wat was er +toch gebeurd? En wie was die Reggy, waar de vlegel naar gevraagd +had? Was dat Maud's gehuwde broer, die in Philadelphia woonde? Of.... + +Opnieuw keek ik naar "Auntie" en 't werd kil in mij. Er was ineens +'n soort van gêne over ons gekomen; en even heerschte er een stilte, +die de muziek gelukkigerwijze door een meeslepende wals eenigszins +aanvulde. Ik voelde mijn hart jagen en kloppen, alsof het barsten ging. + +'t Diner was afgeloopen. De klok wees kwart over tien en Papa oordeelde +dat het tijd werd om de boot te halen. + +Met een bescheiden gebaar wenkte ik naar den maître d'hôtel om af +te rekenen. Hij knikte; en 't oogenblik daarna bracht hij mij, met +innemenden glimlach, de nota dichtgevouwen op een zilveren plateau, +als een vertrouwelijk document van zeer gewichtige beteekenis. + +Ik ontplooide die even en las een bedrag waar ik, nu voor de derde +maal in die enkele dagen, in figuurlijken zin van omviel. Maar ik +hield mij goed. Ik ging in mijn portefeuille, haalde er, onder den +vorm van bankpapier, een klein fortuintje uit, schoof het onder de +rekening, op de schaal. + +Mama was opgestaan. Met den vriendelijksten glimlach van al haar +valsche tanden reikte zij mij de hand en bedankte mij zeer, zéér +hartelijk. "Auntie" deed het zelfde, met oogen die flikkerden, en +ook Maud kwam mij danken, heel zacht en lief en vriendelijk, met een +langen, warmen handdruk en een uitdrukking van groote sympathie in haar +sprekenden blik. Papa, op zijn beurt, schudde mij krachtig beide handen +en voorspelde mij dat ik een prachtige carrière zou maken in Amerika, +ja, dat ik er millionnair zou worden. Hoe en waarom hij juist op dat +idee kwam terwijl hij me nagenoeg heel mijn beurs had zien ledigen, was +mij niet duidelijk en is het mij nu nog niet, maar zoo zei hij toch. + +Langzaam en statig laveerden wij tusschen de reeds half verlaten +tafeltjes heen. Er werd nog hier en daar geknikt en gegroet en de +bruine kerels met hun roode jassen en fluweeligen oogen speelden en +keken nog hartstochtelijker dan bij onze aankomst, en ik kreeg den +gekken indruk, dat ze met hun opgewonden gedoe de laatste centen uit +mijn beurs wegspeelden. + +Mantels en overjassen werden aangetrokken en wij kwamen aan den +ingang. Een lange file rijtuigen stond langs 't trottoir. Papa wenkte +er een, een bediende in livrei opende het portier en de familie +stapte in. + +Glimlachend stond ik nog even, in den zachten lentenacht, onder de +electrische booglampen te groeten en te wuiven. En een laatste maal zag +ik haar, háár alleen, in al haar betooverende schoonheid, met wit bont +om den goddelijken hals en met gansch haar ziel in den glinsterenden +afscheidsgroet van haar prachtige oogen. Toen reed het rijtuig heen.... + + + + +X + + +Dien nacht lag ik rusteloos te woelen in mijn bed zonder den slaap +te kunnen vinden. Ik voelde, dat het tot een punt van heftige crisis +in mijn leven was gekomen. Ik draaide en keerde mij om en mijn hart +klopte gejaagd, als met korte, harde hamerslagen. + +Hoe was de avond nu eindelijk geweest: een succes, of een +"failure?" Was ik een stap verder gekomen in het leven en het hart +van Maud, of bleef dat nog steeds 't zelfde: onzeker, raadselachtig, +twijfelachtig? Ik wist het zelf niet; heusch, ik wist het niet! Ik +voelde weer haar handdruk bij het afscheidnemen en zag de straling +harer prachtige oogen, welke mij van liefde deden sidderen; maar ik +herinnerde mij ook weer haar plotselinge koelheid en het soort gêne +dat over haar kwam, toen die kerel, die vent, die abominabele fat, +die walgelijke mister Bunk haar aan ons tafeltje kwam vragen, of zij +goed nieuws van Reggy had. + +Reggy!.... Reggy!.... Wie was die Reggy?.... Was dat de oudste zoon, +die in Philadelphia woonde? Heette hij werkelijk zoo? Had ik hem niet +een paar keer anders hooren noemen, terwijl ze mij zijn portret op de +piano toonden?.... Eensklaps kreeg ik als een bons in 't hart, terwijl +ik mij heel duidelijk herinnerde. Basil, heette hij, Basil! Ik zag +Papa nog naar de foto wijzen en hoorde 't hem nog zeggen! Reggy was +dus een ander; maar dan toch een die de familie kende, en goed kende, +aangezien ze nieuws van hem ontvingen. Wie was het dan wel en hoe kwam +het dat ze nooit met mij een enkel woord over hem gesproken hadden? + +Ik gooide mijn dekens van mij af, blies alsof ik stikte, sprong uit +mijn bed, haalde de gordijnen van mijn ramen op. Ik kon het niet langer +meer uithouden in de benauwde eenzaamheid; ik had kunnen snikken van +ellende en ik trok een van mijn vensters wijd open, haalde diep adem en +staarde wijd over de grootsche, nachtelijke eenzaamheid van New York. + +De lucht was zacht en zwoel en vol mysterieuze leven. De nachtelijke +lentehemel schemerde wazig-blauw doorprikt met vele stille lichten. De +stilte was indrukwekkend-grootsch en toch gonzend van diep-trillend +leven. Men voelde als 't ware de levende rust der geweldige stad. Er +droomde een zware rythmus in. En af en toe was het alsof de slapende +reus even ontwaakte: de fluit van een locomotief gilde, als een +schrille noodkreet; de stoomhoorn van een steamer brulde, in langgerekt +en schor geloei; en de roode en groene lichten aan den oever gulpten +in het kabbelend water neer, als brekende stralen van zwavel en bloed. + +Wat deed ze nu, op 't zelfde oogenblik, dat ik hier aan mijn open +venster stond te staren en te lijden? Zij sliep natuurlijk, in zalige, +onbezorgde rust; of zij droomde, maar niet van mij: zij droomde +van een ander, van dien mij onbekende, van dien Reggy, waarnaar +de walgelijke poen aan ons tafeltje was komen informeeren. O, die +vlegel, hoe haatte ik hem! Wat had ik hem graag tegen het te dikke lijf +willen aanvliegen en hem in het zelfvoldane gezicht willen schreeuwen: +Ploert! Bruut! Vraag excuus, smeek om genade, of 'k sla je den dikken +kop in! Mijn vuisten knelden in elkaar, mijn tanden knarsten; ik had +hem levend kunnen villen, hem verscheuren! + +Mijn hart joeg en klopte, rusteloos. Aan slapen was geen denken +meer. Wanhopig staarde ik in den nacht, over de oneindigheid van New +York en ik reikhalsde naar 't donkergrijze westen, in de richting +waar zij woonde, alsof het mogelijk was, dat ik haar zien kon. Haar +zien! Haar zien! Al de verlangens van mijn ziel, al de zintuigen +van mijn overspannen lichaam waren tot dat doel gericht. Om haar nu +nog eventjes te zien en met haar te mogen spreken, had ik jaren van +mijn leven willen afstaan. Het scheen mij toe of alles weer terecht +zou komen, of alles weer heel goed en zacht zou zijn, als ik haar ook +maar even zag en met haar sprak. Wie weet,.... wie weet!.... Misschien +toch was ook zij niet tevreden; misschien lag ook zij nu rusteloos en +slapeloos op haar eenzame kamer!.... Als ik mij nu aankleedde en met +den electrischen tram die, ik wist het, ook 's nachts nog om het half +uur reed.... Ik kon toch niet slapen; wie weet.... wie weet.... of +ik aan haar raam geen licht zou zien, of ze niet zou vóélen dat ik +komen moest, of ze mij niet wachtte....? + +Met jagende haast, zonder verder na te denken of te aarzelen, rukte +ik mijn kleeren aan. Ik keek op mijn horloge. Kwart over twee. Als ik +mij repte kon ik de electrische van half drie nog halen. Ik stopte +de veters in mijn laarzen zonder die aan te rijgen, nam hoed, stok +en jas, rende, in de duisternis, de trappen af. Het oogenblik daarna +liep ik door de stille straten in den lenteluwen nacht. + +Het licht van de electrische flikkerde in de verte en ik holde er +naartoe in stormpas om toch op 't uiterst oogenblik nog niet te laat +te komen. + +--Plenty of time; plenty of time, zei mij kalmeerend een bediende, +toen hij mij buiten adem aan zag rukken. + +--Gaat hij nog niet? vroeg ik wanhopig. + +In 't schijnsel van een lamp haalde de man zijn horloge uit. + +--Over zeven minuten; de andere moet nog eerst arriveeren, berichtte +hij. + +Ik ging in een hoek de veters van mijn laarzen aanrijgen en keek naar +de van binnen verlichte, wachtende tram. + +Er zaten een tiental menschen in: enkele slaperige arbeiders met +hun gereedschap; een paar jongelui die lachend pret maakten en wat +dronken schenen; een man eenzaam in een hoekje, met donkere snor en +peinzende oogen. + +De huizen daaromheen sliepen in duisternis, met dichte luiken. Mijn +scherp-gespitste waarnemingsvermogen merkte de dingen op; de gedachte +drong in mij dat de huizen, evenals de menschen, een eigen leven +leefden en dat zij, na 't volbrengen van hun dagtaak, moesten rusten +en slapen. Ik voelde sterk dat alles rust en slaap behoefde om normaal +te zijn en dat het abnormaal was als een tram zoo laat nog reed en +abnormaal ook wie daar nu mee reisde. Die menschen waren uit hun +natuurlijk leven, uit hun evenwicht geslagen, en zoo was ik ook, +ik die nu, door mijn zenuwen opgezweept, in dit vreemde oord, het +onbekende en het leege van den nacht instormde, om een hersenschim na +te jagen. Ik gaf mij zeer goed rekenschap van 't gekke mijner daad, +maar deed die toch. + +De telegraafdraden langs den spoorweg zongen mysterieus naar de +donkere verte, alsof zij geheimzinnig spraken en de electrische +draadleiding begon te trillen, met een geluid van zink. Toen kwam een +bleeke schemergloed ginds aan den einder boven op den heuvel klimmen +en weldra zag ik een helder lichtpunt, dat zienderoogen grooter werd +en flikkerend naderde. + +--Instappen! berichtte de conducteur; en de wattman kwam uit een +donker houten huisje en nam zijn plaats in op het voorbalcon. Zacht +en snel reed de electrische weg. + +Het hamerde en klopte in mij, en droog hikte mijn keel, met korte +tusschenpoozen. Ik voelde mij heel week en zwak. Ik benijdde de kalmte +van mijn medereizigers: de slaperige moeheid van de werklieden, de +zorgelooze jool der ietwat aangeschoten jongelui, de starende rust +van den man in den hoek met de donkere snor en de peinzende oogen. + +De tram hield op. Ik schrikte, machinaal. De conducteur riep een naam +en de vroolijke jongelui stapten licht-waggelend uit. Even verder +stopte hij weer; en op hun beurt verlieten de slaperige arbeiders +den wagen, met hun nacht-sjouwersgereedschap over den rug. Toen reed +de tram weer een heel eind, met alleen den donkeren man en mij op de +banken. Er waren geen huizen meer; het licht scheen flikkerend op de +langs den weg geplante boomen en maaide ze telkens, met een zwiep, +als 't ware in de duisternis om. De beugels trilden op den leiddraad, +met een geluid van zink. + +De tram hield stil. Hij was aan zijn terminus gekomen, en een andere +die gereed stond, reed weer af. + +Ik stapte uit, door den peinzenden man gevolgd. Ik zag een oogenblik +zijn donkere silhouet naast mij; en dan verdween hij, als door de +duisternis opgezogen. + +Al spoedig was ik voorbij de enkele slapende huizen die daar +stonden. Ik kende mijn weg en wende aan de duisternis, die lichter +scheen te worden. De villa's schemerden achter de boomen en veel +schoone sterren blonken in den stillen hemel. + +Bij den kruisweg nam ik links, den heuvel op. Ik zag den weg, +grijsachtig-blond, tusschen de donkerder velden. Er waren daar geen +boomen meer en de gansche hemelkoepel met al zijn sterren welfde er +ontzaglijk-grootsch over het slapend land. De lucht was heerlijk frisch +en zuiver en drong mij als een milde balsem in de longen. Zachter +klopte en hamerde het hart. + +Even bleef ik staan. Wat kwam ik daar nu eigenlijk doen? Ik kon geen +redelijk antwoord vinden. Een soort van nuchterheid zonk stilaan +in mij neer, ontgoochelend, maar meteen stillend, bedarend. 't Was +mij te moede alsof ik reeds mijn doel bereikt had en nu terug mocht +keeren. Heel duidelijk besefte ik nu het nuttelooze en onzinnige van +mijn daad, midden in die grootsche stilte, midden in die heilige rust +der gansche streek. Ik schaamde mij als 't ware; voelde den diepen +wanklank met de rustige omgeving. + +Schoorvoetend toog ik verder. Daar schemerde reeds, op korten afstand, +eenzaam op den heuvel, háár villa onder de sterren. En dat leek +alweer iets zoo gewoons, iets zoo natuurlijks, dat ik mijn geest +moest inspannen om te begrijpen hoe óngewoon en ónnatuurlijk ik daar +liep. Al mijn gekke illuzies dat zij mij wachtte, dat ik haar zien zou, +dat ik met haar spreken zou en dat mijn verder levenslot dien nacht +beslist zou worden, verdwenen als ijle rook bij het aanschouwen der +werkelijkheid uit mijn ontspannen hoofd; en ik stond eindelijk vóór +haar villa, en draaide er langzaam omheen en stelde, bijna met een +soort genoegen, vast, dat ook daar, evenals overal elders, alles stil +en rustig was, en dat nergens een lichtje door de luiken pinkte en +dat zij mij niet wachtte om de eenvoudige reden dat zij sliep, zooals +alle andere menschen in den omtrek op dat uur van den nacht sliepen. + +Ik glimlachte. Ik glimlachte in mijzelf en om mijzelf waar ik +daar roerloos stond te staren. En ik voelde hoe vreemd de wereld +is, terwijl ik overpeinsde, hoe ik, slechts enkele uren geleden, +tegenover haar zat, aan den feestdisch van een luxe-restauratie, +in een der meest-mondaine wereldsteden, en daar nu liep te zwerven +als een landlooper in 't holle van den nacht, opgezweept door de +onzinnige illuzie haar nog eventjes terug te zien. + +Stil droop ik af. Het was opeens heel kalm in mij geworden. Het zonk +en zeeg alles in mij neer, als frissche dauw op drooggeschroeide +loovers. Maar iets stond vast in mij: muur- en rotsvast: ik wilde en +zóu weten!.... Ik zou haar schrijven, morgen aan den dag; ik zou haar +schrijven mijn liefde, mijn hoop en mijn lijden,.... ik zou uit al +die folterende onzekerheid geraken en eindelijk weten wat het leven +voor mij in bewaring hield: onverdeeld geluk, of onafzienbare smart. + +Ik kwam terug aan de tramhalte, waar in de nachtelijke stilte en +eenzaamheid, de telegrafische draden geheimzinnig zongen. Wat zongen +zij: geluk of lijden? Het kwam er niet op aan: over enkele dagen zou +ik wéten.... + +Daar naderde de tram uit New York reeds in de verte. Ik was de eenige +reiziger voor den terugtocht. De beugel zong op zinken snaren en ik +stapte in. + +Aan 't oosten schemerde heel zacht het eerste ochtendlicht. Een vogel +piepte en ergens in de buurt kraaide een haan. + +De silhouetten van conducteur en wattman namen wezenlijker vormen aan. + +De dag,--de groote dag--was aangebroken. + + + + +XI + + +Ik schreef mijn brief in zachte spanning. Ik schreef hem, schreef +hem over, schreef hem nog eens. + +Mijn ziel zong erin en klaagde; en háár verrukkelijk-schoon beeld +stond aanhoudend vóór mijn geest en in verbeelding vóór mijn oogen. Ik +schreide en ik glimlachte. Ik jubelde en twijfelde; ik was vol hoop, +vol angst en vol van sterken hartstocht. Ik voelde in mij de kracht +om werelden te veroveren. + +Toen de brief geschreven was en in zijn omslag dicht gezegeld, liet +ik hem liggen en ging wandelen. Ik had te werken, maar ik werkte +niet. Ik ging wandelen. Nooit heb ik duidelijker gevoeld, dat er +plichten zijn welke nog sterker dringen dan het drukste werk. + +Ik wandelde den ganschen middag; ik luierde en slenterde door parken +en door straten; en er was in mij een soort van weerzin en van angst +om op mijn kamer, waar de brief te wachten lag, terug te keeren. Ik +dacht den ganschen dag door aan dien brief, en of het zoo wel goed was, +en of ik niets essentieels vergeten had, en of het nog niet beter, +mooier, aangrijpender en ontroerender kon. Zou het niet goed zijn +als ik hem nog eens openmaakte en hem overlas? Zou ik in elk geval +niet wachten tot den volgenden ochtend, er nog eens een nacht laten +overheen gaan, alvorens hem te verzenden? + +Langzaam, en twijfelend, keerde ik naar mijn kamer terug. Ik was moe +van den vorigen dag, zou nu maar gauw gaan slapen. Morgen zou ik weer +frisch zijn. + +Loom stapte ik de trappen op, opende mijn kamerdeur, draaide het +licht aan. + +Het eerste wat mij trof was 'n brief op mijn tafel. Geen handelsbrief, +zooals er meer kwamen; een "mondaine" brief, als ik het zoo mag +uitdrukken, een fijne enveloppe, met de hand van een vrouw. + +Zenuwachtig scheurde ik die open, keek en las. + +Het schemerde even vóór mijn oogen; ik zag niet goed, begreep niet +goed. + +Ik streek de hand over mijn voorhoofd, lei den brief neer, nam hem +weer op, en las, en spelde, woord voor woord. + +Toen begreep ik en een ontzettende emotie vol tegenstrijdige +gewaarwordingen stroomde als een heete gloed door gansch mijn wezen. + +Het was een brief van "Auntie." + +"Auntie" vroeg mij of ik haar den volgenden dag, om vier uur, in New +York, bij Sherry's, wilde komen spreken! "Auntie" schreef mij, dat +ze zeer verlangend was mij daar te zien, om mij iets mee te deelen, +dat zij als een plicht beschouwde en hoopte wel, dat niets mij zou +verhinderen om er te komen. + +Kort was het briefje, maar heel vriendelijk van toon; en in zijn +kort bestek omvatte het voor mij als 't ware de beschikking over mijn +gansche verder leven. + +Voor de tweede maal lei ik het briefje neer en keek mij in den spiegel +aan. Ik zag zoo wit als 't velletje papier waarop de ontzettende +woorden neergeschreven stonden en mijn voorhoofd was klam van +transpiratie. Mijn beenen voelden eensklaps zóó zwak, dat ik even +moest gaan zitten. + +Ik dronk een glas water en stak een sigaret op. + +Toen las ik nog eens, voor de derde maal.. + +Het leed geen twijfel: "Auntie" wou mij over Maud spreken! Dat +voelde ik zoo vast en zeker als de vier strakke muren, die mijn kamer +omsloten; maar wàt ze mij over Maud mee te deelen had, dat was het +raadsel, het onbekende, op welks openbaring ik bijna nog vier en +twintig uren had te wachten. + +Iets onvriendelijks kon het niet zijn. Daar was geen reden voor, daar +had ik geen aanleiding toe gegeven. De laatste blik dien Maud met mij +gewisseld had, toen ze reeds, vóór Delmonico's, met haar ouders in +het rijtuig zat, was er een geweest van sympathie, van uitstralende +sympathie, ja, bijna van liefde. + +Van liefde....! Dat woord hield mij vast, prangde mij, als een +klauw, om het hart. Van liefde....! Zou ze werkelijk liefde voor mij +voelen, en zou ze "Auntie" bezigen als afgezant, om.... ja, waarom +dan eigenlijk.... om mij te doen zeggen dat ze mij liefhad en haar +leven aan het mijne wenschte te verbinden....? + +Het leek mij vreemd; het leek mij gek; en toch.... wat anders? Ik had +haar immers nog niets gevraagd, nog niets gezegd dat haar kon doen +vermoeden, dat ik van plan was haar ten huwelijk te vragen. Mijn brief +was niet weg, gelukkig! gelukkig! Ik zag hem daar nog op mijn tafel +vóór mij liggen en ik strekte er de hand naar uit met zwak-bevende +vingers en stopte hem behoedzaam in mijn binnenzak, als vreesde ik, +dat hij vanzelf zou kunnen wegvliegen. + +'t Was vreemd, 't was gek; en toch: het kón bijna niet anders: +"Auntie" zou mij over liefde spreken, over de liefde van Maud en mij! + +Mijn rijke verbeelding maakte een sprong en ik zag mij vóór het feit +gesteld, dat mij levenslang aan haar verbond. Was ik nu niet gelukkig, +over-en-overgelukkig! Had ik nu niet bereikt waar ik al maanden lang +naar snakte? 't Was vreemd, o, 't was zoo vreemd, maar een soort +twijfel, een soort heimwee drong stilaan in mij. Ik dacht alweer +aan het verleden, aan mijn familie en mijn vrienden, aan 't zachte, +blonde, lieve Vlaanderen! Ik dacht aan de witte kerktorentjes der +vriendelijke dorpjes, aan Meylegem-Noord en aan Meylegem-Zuid, aan de +kalme lussen van de kronkelende Leie, waarin zich, op het groen der +weilanden de pittoreske roze en witte hoevetjes weerspiegelden. Ik +dacht aan Tieldeken en aan de jonkvrouw van 't kasteel; ik dacht aan +alles wat ik daar gelaten had en hoopte weer te zien en voelde de +diepste wortels en de geheimste vezels van mijn wezen mij nu pijnlijk +weer daarheen trekken, zooals de wortels en de vezels trekken van een +boom, dien men uit zijn oergrond los wil rukken. Zou ik het waarlijk +doen en voor altijd de banden van het zoet verleden afsnijden? Hield ik +werkelijk genoeg van haar? Was mijn leven zóó in 't hare opgegaan, dat +ik zonder haar niet meer bestond? Was zij de zusterziel, de eenige die +voor mij op aarde bestond en die ik wellicht vroeger in een ander leven +had ontmoet? Ik weifelde; ik twijfelde. Ik verlangde naar haar met den +vurigsten hartstocht, en ik aarzelde tezelfdertijd; ik vreesde haast +om dat zoo zeer begeerde voor altijd in mijn bezit te krijgen. Ik had +hààr gewild; en ook het andere. En ik wist wel dat zulks niet mogelijk +was, dat er een keuze móést geschieden; en dat die keuze, hoe ze ook +uitviel, mij of het een, of het andere zou doen betreuren. Ik leed, +zooals men lijdt wanneer men nog geen vijf en twintig is en in zich +de kracht gevoelt om gansch de wereld te bezitten. Ik leed zooals +men lijdt wanneer men nog niet werkelijk geleden heeft. + +Het hart klopte alweer en hamerde onstuimig. En voor de tweede maal +ging ik den nacht in vol kwellende onzekerheid en vol gejaagde woeling. + + + + +XII + + +Even vóór vier uur stond ik bij Sherry's ingang. Ik zou daar "Auntie" +opwachten. De zenuwachtige overspanning was in mij ten top gestegen en +ik voelde, dat ik geen seconde rustig zitten zou daarbinnen. IJsbeerend +liep ik langs het breede trottoir heen en weer tusschen de elegante +menigte, met scherpe aandacht de gezichten opnemend. Mijn keel hikte +droog en spasmodisch; elk oogenblik keek ik op mijn horloge. + +Toen ik zoowat voor de tiende maal weer bij den ingang even stilhield +ging achter mij de glazen draaideur rond en een bediende in wit +buisje met vergulde knoopen kwam naar mij toe en deelde mij mede dat +daarbinnen een dame op mij zat te wachten. + +Ik schrikte hevig, keerde mij om, bonsde tegen de draaideur, +strompelde binnen. Was "Auntie" dan tóch binnen gekomen zonder dat +ik het bemerkt had? + +Er waren nog maar weinig menschen en ik zag haar dadelijk,.... ik +zag haar felle oogen, in een hoekje, heelemaal achter in de ruime, +ietwat somberige zaal. Zij wenkte mij en ik spoedde mij naar haar +toe. Zij zat alvast met thee en gebakjes. Ik maakte mijn diepste +excuses, dat ik haar onwillekeurig laten wachten had. + +--Ik had u reeds gezien, vóór 't raam en dacht dat u zoudt binnenkomen, +glimlachte zij. Toen ik merkte dat u heen en weer bleef loopen, +heb ik u maar laten roepen. + +Zij wees mij een rieten leunstoel en verzocht mij te gaan +zitten. Thee? vroeg ze nog; en schonk mij alvast in. + +Ik nam plaats, lei mijn hoed naast mij, en keek haar even aan. Er +was iets ongewoons in het gezicht van "Auntie": iets straks, bijna +getrokkens. Het was alsof ook zij dien nacht niet had geslapen. Alleen +de oogen blonken, met hun gewone, onverwoestbare felheid. + +--Ik heb hier dit eenzaam plaatsje uitgekozen, om rustig te kunnen +praten, begon ze. Ik heb u iets te zeggen. Ik beschouw het als mijn +plicht u een gewichtige mededeeling te doen.... voor het misschien +te laat zou zijn, voegde zij er na eenige aarzeling aan toe. + +--Ik luister, zei ik, zenuwachtig hikkend. + +--Wellicht moet ik u pijn doen, sprak ze met gedempte stem, en +eensklaps heel diep-ernstige en werkelijk bedroefde oogen. + +--Wat is er? Wat is er toch? schrikte ik. En 't was alsof eensklaps +al mijn schoone luchtkasteelen vóór mijn voeten in gruzelementen +neerstortten. + +--O, schrik niet, voer ze voort; 't is beter nu dan later. Ik moet +u over Maud spreken. + +Ik knikte, zwijgend, onbekwaam een enkel woord te uiten. + +--Ik vrees, zei ze.... ik vrees.... dat heb ik althans meenen op te +merken--dat Maud u niet gansch onverschillig laat en dat u wellicht +ernstig aan haar zoudt kunnen denken. + +--Kàn dat niet? Màg dat niet? ontsnapte 't mij in plotse, ontembare +wanhoop. + +--Het màg wel, maar het kàn niet, antwoordde "Auntie" droevig. + +--Waarom? kreet ik dof. + +"Auntie" zuchtte, aarzelde. + +--Waarom! herhaalde ik dringender. + +--Omdat ze reeds verloofd is!! + +Het werd eensklaps heel stil in mij. Het werd doodstil, alsof mijn +leven meteen ophield te bestaan. Ik staarde "Auntie" roerloos aan, +met strakke oogen en mijn lippen gingen van elkaar, zonder een klank +te uiten. Ik zat als dood op mijn stoel. + +--Drink even van uw thee, zei "Auntie" bezorgd. + +Ik dronk, machinaal, zonder te proeven. + +--Herinnert u zich, dat mister Bunk eergisteren aan ons tafeltje kwam +vragen of wij goede berichten hadden van.... + +--Van die Reggy? kreet ik. + +--Juist, van Reggy.--Reggy Clarke, die op reis is in Australië voor +handelszaken en de volgende maand naar New York terug zal keeren, is +de intieme vriend van mister Bunk en sinds twee jaar met Maud verloofd. + +"Auntie" zweeg. Zij zag een weinig bleek en haar sterke oogen hadden +een ernstige uitdrukking. In mij gonsde en bruisde het als een +orkaan die niet tot uitbarsting kan komen. Met een pijnlijk-scherpe +perceptie zag en hoorde ik alles wat om mij heen gebeurde: "Auntie," +die zenuwachtig met haar lepel in het kopje roerde; de draaideur +bij den ingang, die voortdurend rondtolde en aldoor menschen in en +uitliet; de bedienden in witte buisjes met vergulde knoopen, die +bedrijvig heen en weer liepen. En dezelfde folterende helderheid, +die mij al die onbeduidende details zoo nauwkeurig deed opmerken, +leefde en trilde ook, niettegenstaande alle stormen en emoties, in +mijn diepste binnenste. Ik kon mijzelf als 't ware objectief ontleden, +mij exterioriseeren in de gedaante van een ander, die zou voelen en +zou lijden wat ik op dat oogenblik voelde en leed. Ik wist en hoorde +wat die ander in mijn plaats zou moeten antwoorden om zijn figuur te +redden: antwoorden, met zelfbeheersching, dat hij "Auntie" dankte voor +haar vertrouwelijke mededeeling, maar dat hij nooit ernstig aan zulke +dingen had gedacht, dat hij er nooit aan zoude hebben dùrven denken, +dat hij alleen de warmste sympathie en de grootste bewondering voor +Maud gevoeld had; en dat hij wel begreep, ofschoon met diepe spijt en +droefheid, dat 't nu uit moest wezen tusschen hen.... Zoo voelde ik te +moeten antwoorden, met waardigheid en ernst; maar ik kon niet, ik kòn +niet!.... de smart en de teleurstelling waren te overweldigend-groot, +mijn verwrongen gezicht verried mijn gevoelens en ik vond slechts +een kreet, een droeven noodkreet: + +--Waarom heeft nooit iemand daar over gesproken? Waarom heeft, zij +vooral, dat zoolang voor mij geheim gehouden! + +--Dat heb ik haar ook verweten; en zij zelve, trouwens, verwijt het +zich ook! viel "Auntie" levendig in. O, zij lijdt er onder, weet u, +want zij houdt van u. Den halven nacht heeft ze gehuild, na het diner +bij Delmonico. Tot twee uur ben ik bij haar op haar kamer gebleven! + +--Wat zegt u daar! kreet ik. + +--Jawel, antwoordde "Auntie" eenigszins verwonderd. Verbaast u dat +zoo zeer? + +Tranen kwamen in mijn oogen. De emotie overweldigde mij, plotseling. En +ik bekende haar, week en zwak, hoe ik daar ook dienzelfden nacht, +bijna op 't zelfde uur, rond hun villa gedoold had. + +"Auntie" was diep aangedaan. Zij drukte even mijn hand en haar harde +oogen kwamen eensklaps vol zachtheid. + +--Hoe jammer, hoe vreeselijk jammer dat het niet kan, maar het kàn +niet, zuchtte zij. + +Wij waren uitgesproken en een droeve stilte kwam in ons. Wat wij nu +nog verder zouden zeggen kon niets meer wezen dan een matte naklank +van hetgeen reeds was gezegd. Misschien, wie weet, zou er nog later +iets te zeggen zijn. Nu was er niets meer te zeggen. + +Langzaam rees "Auntie" op. + +--Is het nu uit? Zal ik nu niemand van u allen ooit meer zien, of +nog iets van u hooren? vroeg ik diep-neerslachtig. + +--Ik zal u schrijven, u op de hoogte houden als u 't wenscht, beloofde +"Auntie" plechtig. + +Ik wou haar nog eenige laatste woorden toevertrouwen voor Maud; +ik zocht naar die woorden in mijn overvol gemoed, en vond ze niet. + +--Adieu,.... adieu.... kon ik enkel snikken; en drukte een kus op +haar hand. + +Ik zag haar door de draaideur tollen en vlug voorbij het raam +passeeren. En gansch alleen, met al mijn zware droefheid, stond ik in +'t groote New York. + + + +Nooit meer heb ik iets van hen gehoord. Is Maud getrouwd? Heeft +"Auntie" ooit geschreven en raakte soms haar brief verloren? Ik weet +het niet. Nog lang heb ik wachtend gehoopt, maar stilaan is dat alles +weggetaand, zooals alles eens wegtaant: vreugde, droefheid, smart.... + +'t Was als een droom geweest; en droomen zijn slechts droomen.... + +Nu denk ik er somtijds nog aan, maar zonder bitterheid en zonder leed. + +Het is toch mooi geweest; het waren schoone dagen.... En het was +jong en frisch, naïef en onbezonnen! 't Was een illuzie, een roman: +de roman van een Schaatsenrijder! + +Nu is er slechts tragedie op de wereld.... + + + + + + + +End of Project Gutenberg's De roman van den schaatsenrijder, by Cyriel Buysse + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER *** + +***** This file should be named 25515-8.txt or 25515-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/5/5/1/25515/ + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman +and the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/25515-8.zip b/25515-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5f9219e --- /dev/null +++ b/25515-8.zip diff --git a/25515-h.zip b/25515-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..36e0832 --- /dev/null +++ b/25515-h.zip diff --git a/25515-h/25515-h.htm b/25515-h/25515-h.htm new file mode 100644 index 0000000..6d1915c --- /dev/null +++ b/25515-h/25515-h.htm @@ -0,0 +1,5345 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>De Roman van den Schaatsenrijder</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Cyriel Buysse"> +<meta name="DC.Creator" content="Cyriel Buysse"> +<meta name="DC.Title" content="De Roman van den Schaatsenrijder"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> +/* Standard CSS stylesheet */ + + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +} + +h1.docTitle +{ +font-size:1.6em; +line-height:2em; +} + +h2.byline +{ +font-size:1.1em; +font-weight:normal; +line-height:1.44em; +} + +span.docAuthor +{ +font-size:1.2em; +font-weight:bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size:1.2em; +font-weight:normal; +} + +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} + +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} + +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} + +.index +{ +font-size: 80%; +} + +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} + +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} + +h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left:10%; +margin-right:10%; + +} + +.alignleft +{ +text-align:left; +} + +.alignright +{ +text-align:right; +} + +.alignblock +{ +text-align:justify; +} + +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} + +p.poetry +{ +margin:0 10% 1.58em; +} + +p.line +{ +margin:0 10%; +} + +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} + +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} + +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} + +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} + + +div.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} + +.epigraph .bibl +{ +text-align: right; +} + +.epigraph .poem +{ +margin-left: 0; +} + +.epigraph .line +{ +margin-left: 0; +text-indent: 0; +} + +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} + +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} + +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} + +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} + +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} + +.leftnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} + +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} + + +.red +{ +color: red; +} + +.displayfootnote +{ +display: none; +} + +div.footnotes +{ +margin-top: 1em; +padding: 0; +} + +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align:left; +width:2em; +} + +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ +font-size: 80%; +} + + +.poem +{ +margin-left:5%; +position:relative; +text-align:left; +width:90%; +} + +.poem h4 +{ +font-weight:normal; +margin-left:5em; +} + +.poem .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left:-2.5em; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} + +.versenum +{ +font-weight:bold; +} + +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} + +.footnotes .line +{ +font-size:80%; +margin:0 5%; +} + +.poem .i0 +{ +display:block; +margin-left:2em; +} + +.poem .i1 +{ +display:block; +margin-left:3em; +} + +.poem .i2 +{ +display:block; +margin-left:4em; +} + +.poem .i3 +{ +display:block; +margin-left:5em; +} + +.poem .i4 +{ +display:block; +margin-left:6em; +} + +.poem .i5 +{ +display:block; +margin-left:7em; +} + +.poem .i6 +{ +display:block; +margin-left:8em; +} + +.poem .i7 +{ +display:block; +margin-left:9em; +} + +.poem .i8 +{ +display:block; +margin-left:10em; +} + +.poem .i9 +{ +display:block; +margin-left:11em; +} + +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} + + +.caps +{ +text-transform:uppercase; +} + +.fraktur +{ +font-family: 'Walbaum-Fraktur'; +} + +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} + +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ +text-align:center; +} + +h1,h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} + +h1.label,h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h5,h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} + +p,p.initial +{ +text-indent:0; +} + +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} + +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} + +.poem +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} + +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} + +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} + + +ul { list-style-type: disc; } +ol { list-style-type: decimal; } +ol.AL { list-style-type: lower-alpha; } +ol.AU { list-style-type: upper-alpha; } +ol.RU { list-style-type: upper-roman; } +ol.RL { list-style-type: lower-roman; } +.lsoff { list-style-type: none; } + +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } + + + + + +/* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml +" */ + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + +p.dropcap:first-letter +{ +color: #001FA4; +font-weight: bold; +} + + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +Project Gutenberg's De roman van den schaatsenrijder, by Cyriel Buysse + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De roman van den schaatsenrijder + +Author: Cyriel Buysse + +Release Date: May 18, 2008 [EBook #25515] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER *** + + + + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman +and the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + + + + + +</pre> + + +<div class="front"><div class="div1"> +<p class="aligncenter">De Roman van den Schaatsenrijder + + +</p> +</div> +<div class="titlePage"> +<h2 class="byline">Nieuwe Romans +<br> +<span class="docAuthor">Cyriel Buysse</span></h2> +<h1 class="docTitle">De Roman van den Schaatsenrijder</h1> +<h2 class="docImprint">Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur te Amsterdam—1918</h2> +</div><span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span></div> +<div class="body"> +<div class="div0"> +<h2 class="normal">De Roman van den Schaatsenrijder</h2> +<h2 class="label">Eerste Deel</h2> +<div class="div1"> +<h2 class="label">I</h2> +<h2 class="normal">Het kleine plekje bij den Lusthof</h2> +<p>Ik wil u een en ander vertellen uit het leven van een schaatsenrijder. + +</p> +<p>Die schaatsenrijder ben ik. + +</p> +<p>Ik heb zóóveel, in verschillende landen, op schaatsen gereden, dat het schaatsenrijden in mijn leven een stuk leven op zichzelf +geworden is. + +</p> +<p>Ik herinner mij nog die jonge, sterke jaren mijner jeugd, met die lange, saaie winters buiten, waar het ijs dan eensklaps, +als onder de macht eener tooverroede, kleur en fleur en beweging in bracht. + +</p> +<p>Het was er ineens, na eindelooze dagen van grijze eentonigheid; ineens, op een frisschen, <span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6">6</a>]</span>prikkelenden morgen: velden en boomen wit-berijpt, de harde grond klinkend onder de voetstappen, de neusgaten der paarden +dampend en de zon die nevelig-oranje aan den blauw-wazigen einder oprees met korte, gouden stralen, die alom miljoenen en +miljoenen diamanten deden fonkelen. + +</p> +<p>Even buiten ’t dorp, op korten afstand van ons huis, lag de Lusthof. Die Lusthof heette te zijn het zomerverblijf van den +dorpsnotaris. ’n Zonderlinge fantaisie! Een villa-achtig gebouwtje in roode steen met châlet-dak, zoo iets als men ziet afgebeeld +op goedkoope chromos en prent-briefkaarten. Het lag aan den voorkant langs den trekweg van ’t kanaal en aan de achterzijde +grensde het aan een stuk weiland, dat gedeeltelijk tot lusttuintje was ingericht. Er stonden banken, er waren priëeltjes, +er lag een vijvertje met roode vischjes en een fonteintje, dat tusschen rotsblokken van sintels opspoot; en op een grasveldje +prijkte een groote, glazen bol, waarin de gansche omgeving zich wanstaltig en gedrochtelijk weerkaatste. + +</p> +<p>De dorpsnotaris, die in het dorp zelf, op <span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7">7</a>]</span>nog geen tien minuten afstands, een prachtig oud huis, met een heerlijken, uitgestrekten tuin bewoonde, kwam ’s zomers, op +den Lusthof, af en toe enkele uren doorbrengen. Een onzinnig idee, een dorpsprotserige aberratie, om te kunnen zeggen, dat +hij een “binnen” en een “buiten” had. Hij deed er niets; er was ook niets te doen; hij liep een paar keer rondom zijn onnoozel +tuintje, keek naar de schaarsche bloemen en deed even het fonteintje spuiten; en ten slotte ging hij zitten op een bank tegen +den achtergevel van het huis, waar hij dan nurksch bleef vóór zich uit staren, tot hij er eindelijk genoeg van had en met +trage, stramme schreden door de velden naar het dorp terugkeerde. De villa zelve, voor zoover ik weet, is nooit ook maar één +enkelen dag bewoond geweest. + +</p> +<p>Wat voor mij en een paar andere jongens van mijn leeftijd de aantrekkelijkheid van den Lusthof uitmaakte, was het kleine stukje +weiland dat achter het tuintje lag en geregeld ’s winters onder water liep. Dat kwam zoo omdat de gekke notaris de eene helft +van het stuk weiland, dat hij in lusttuin had herschapen, <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8">8</a>]</span>eenigszins had laten ophoogen en daardoor al het water naar het laag-liggend gedeelte had gedreven. Het vormde daar een soort +plasje van niet meer dan een paar honderd vierkante meters oppervlakte en zóó ondiep, dat het dadelijk bevroor en zonder eenig +gevaar kon bereden worden, terwijl er op de grootere wateren nog in de verste verte maar geen sprake was van schaatsenrijden. + + +</p> +<p>Daar, op dat plekje, heb ik als jonge jongen mijn eerste schaatsenschreden gewaagd. O, dat <i>eerste</i> komen op het maagdelijk ijs, het donker ijs, donker als water, met het gras dat er nog groen doorheen schijnt, als door een +schoonen, breeden spiegel! Zal het reeds dragen, na die slechts een of twee nachten vorst, of zal het kraken en breken, met +modderig-opspattend water, over den mooien, gladden spiegel? Een voet gewaagd en eens gedrukt. Het kraakt, er komen sterren +in, maar het schijnt toch te kunnen dragen. Jawel, het draagt, het draagt; het kraakt al minder een eind verder; ik schuif +er glijdend overheen; ik voel mijn hart popelen en mijn oogen stralen; ik keer terug <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9">9</a>]</span>naar den kant en bind met hijgende haast mijn schaatsen aan. Ik ben alweer de eerste, de éérste; ik geef het mooie voorbeeld, +dat straks met uitgelaten vreugde door de verraste schooljongens nagevolgd zal worden. Ik sta op mijn schaatsen op het maagdelijk +donker ijs, ik rijd er overheen, ik voel mij zweven als een vogel, een dolle blijheid zweept mij op, er bestaat niets meer +voor mij op de wereld behalve het verrukkelijk genot van ’t schaatsenrijden! + +</p> +<p>De zachte zon rijst hooger aan den einder en glinstert over de wonderschoone tooverwereld van zilveren rijp en fonkelende +diamanten. Daar ligt het dorpje stil te baden in die heerlijkheid, met de cijfers en de wijzers van de uurplaat op den kerktoren +die tintelen als goud; daar staat de oude, houten molen droomerig op zijn berm, als een sterke, kalme reus, die met gekruiste +armen in starende bespiegeling van al zijn vroegere vermoeienis schijnt uit te rusten; daar komen in de verte reeds de schooljongens, +die nog niets vermoeden, die mij nog niet zien en als een troepje uitgelaten vogels klepperen en snateren, de kragen opgetrokken, +de schouders <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span>huiverend, de verkleumde handjes in hun dikke, wollen wanten. Maar eensklaps hebben zij mij ontdekt en zij komen gevlogen; +en in een oogwenk is het ijsveldje vol van hun drukte; en zij rennen, glijden, struikelen, buitelen en vallen, terwijl het +alom luid opdreunt van hun dolle, wilde, uitbundige pret. + +</p> +<p>Maar.... daar komt meteen over het veld een strenge, stramme, donkere gestalte aan: meneer de dorpsnotaris, bezitter van den +Lusthof en van ’t verdronken stukje weiland, dat er bij behoort! + +</p> +<p>De pret verstomt, de jongens dringen stil en schuchter op een hoekje bij elkaar. Ik voel een groote, gróóte droefheid als +’t ware verstijvend over mij neerkomen en rijd nog slechts met lustelooze slagen door. Wat zal hij zeggen! Zal hij onze vreugd +verstoren, ons met ruw gebaar, tyranisch van het heerlijk ijsveldje wegjagen! Daar is hij. Met stramme beenen komt hij uit +den hollen landweg, schrijdt dwars over het weiland, langs den rand van het ijs heen, blijft daar even onbewegelijk staan +kijken. + +</p> +<p>Hij zegt niets, maakt geen gebaar, schreeuwt <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span>geen bedreiging uit. Ik rijd maar door, en doe mijn uiterste best om kalm en mooi te rijden. Wie weet: misschien interesseert +het hem, misschien kan dàt hem nog vermurwen! Dat duurt zoo enkele minuten, in knellende onzekerheid. Steeds roerloos staan +de jongens op een hoopje, als versteend door mijn durf, zonder zelven nog iets te durven. Dan gaat hij eindelijk langzaam +heen. Wij verademen, verádemen! Maar nog even staat hij en dadelijk weer prangt de griezeling. Zal hij nu toch.... op ’t laatste +oogenblik.... toen alles reeds gered scheen....? Neen; wat hem daar nog even geboeid houdt is een molshoopje, niets anders +dan een versch molshoopje in ’t korte gras. Hij trapt het open met den voet, en goddank is hij eindelijk weg, weg op zijn +schrale, stijve beenen, door zijn hekje, in zijn onnoozel tuintje, waar het spuitfonteintje nu gestold is, maar waar de gedrochtelijke +glazen bal potsierlijk glinstert in de heerlijk-stralende winterochtendzon. + +</p> +<p>Als een troep jubelende musschen vliegt de knapenbende dadelijk weer joelend over ’t ijs. Zij rennen en glijden en zwieren +daar <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12">12</a>]</span>nog een poosje rond en dan spoeden zij zich huiswaarts, om algauw wat te gaan eten en daarna terug te komen, met ijssleedjes +en schaatsen, voor den ganschen, langen namiddag, want zij hebben vrij dien middag, niet omdat er ijs ligt, maar omdat het +een donderdag is. + + + +</p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">II</h2> +<h2 class="normal">De “wal” van ’t Armenhuis</h2> +<p>Het kleine ijsveldje achter den Lusthof voldeed ons echter slechts zoolang en in zooverre er geen betere gelegenheid te vinden +was. Het was al spoedig “doodgereden” en als het door bleef vriezen wendden onze gretige jongensoogen zich gauw genoeg naar +een andere richting. + +</p> +<p>Op korten afstand van het dorp lag het Armenhuis, omgeven door een prachtigen “wal.” Daar was het heerlijk te rijden, maar +het ijs moest eerst goed sterk zijn, want de wal was diep en had menige gevaarlijke plaats. Elken dag, vóór of na ons sjouwen +bij den Lusthof, gingen wij er eens naar kijken en het ijs probeeren, tot het eindelijk <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13">13</a>]</span>als een jubel- en triomfkreet weerklonk: + +</p> +<p>—De wal van ’t Oarmhuis ligt stirk! + +</p> +<p>Van dat oogenblik af, was het peuterveldje achter den Lusthof definitief verlaten. + +</p> +<p>Wij kwamen met onze schaatsen bij den vijver van het Armenhuis en ’t was een heele durf om er den eersten voet op te zetten. +Ik herinner mij meer dan eens daarheen gegaan te zijn en ook teruggekomen, zonder mijn schaatsen te durven aantrekken. En +ik herinner mij ook hoe Guus Boevers, de waaghalzige zoon der groote boerderij, welke daar aan den oever lag, ons eens minachtend +om onzen angst bespotte en zelf, in dolle vermetelheid, de eerste schreden op den dichtgevroren vijver deed. Hij was groot, +zwaar, lomp en dik en ik zie hem nog met geweld op zijn breede klompen over ’t ijs loopen, dat zienderoogen onder zijn gewicht +inzakte en akelig kraakte, alsof het ieder oogenblik zou barsten. Maar het barstte niet en de waaghals kwam behouden terug +aan den oever en lachte ons uit en vroeg ons of we soms een varkensblaas om onzen hals wilden binden, zoodat we niet zouden +verdrinken als we doorzakten. Toen schaamden <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14">14</a>]</span>wij ons diep en bonden onze schaatsen aan. + +</p> +<p>Dat rijden op den vijver van het Armenhuis was een emotievol en rijk-afwisselend genot. Het had iets griezeligs en tevens +iets gezelligs, dat andere ijsbanen niet hadden. ’t Was eerst een lange, rechte, tamelijk breede sloot, dan een bruuske, korte, +smalle bocht tusschen rechts en links overhangende struiken, dan de eigenlijke vijverkom, breed en mooi, met een begroeid +eilandje en een eendenhuisje in het midden, dan weer een bocht, en een vernauwing en eindelijk een tweede rechte lijn met +een gewelfde steenen brug er over, die zich, na een laatste, breede bocht, bij de eerste rechte lijn aansloot. Zoo vormde +het gansche erf van ’t Armenhuis een tamelijk groot eiland, waarop allerlei gebouwen stonden: de lange, geelgekalkte, twee-verdiepingen-hooge +vertrekken der oude-mannetjes en oude-vrouwtjes, het hospitaal, de keukens, de kerk, de boerderij. Er was daar altijd leven +en beweging. Hier zag men de oudjes met moeite kuieren, gebogen steunend op hun stokjes, of roerloos zittende in een lange +rij op een bank in de zon langs een muur, de stokjes, waarop hunne handen <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15">15</a>]</span>leunden, dan gekneld tusschen hun knieën; daar waren ’t de weeskinderen, die kakelend onder elkander op een pleintje speelden +of hun les op zegden; nog verder was het de bedrijvigheid der boerderij, het op-en-afrijden van karren en wagens, ’t gekadanseerd +geluid van dorschvlegels in de schuur, ’t eentonig zoemen van een wannemolen. De nonnetjes die het gesticht beheerden liepen +geruischloos heen en weer: stille, zwarte verschijningen met witte borstdoeken en witte kapjes, frissche gezichten en zacht-glimlachende +oogen, op eens gansch onverwacht ergens opduikend om een hoekje, opeens gansch onverwacht ergens verdwijnend in een deurtje, +als vlijtige, nijvere bijtjes, die wel overal tegelijk zouden moeten zijn en zich maar nooit een oogenblikje ontspanning of +rust mogen gunnen. + +</p> +<p>Dat alles reden wij voortdurend langs en wij zagen dat alles. En de gansche vijver had voor ons een soort van eigen en van +eigenaardig leven, dat medeleefde in afwisseling en stemming, met wat langs zijn oevers al gebeurde of met wat er was te zien. +Het eerste rechte eind, waar dikwijls langs den muur de oudjes zaten, was als iets strams en <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>stijfs en wel vervelend in zijn onbewogen eentonigheid. ’t Had iets inspannends om daar langs te rijden, alsof de gang verloomde +en geremd werd over het weerbarstig-schrapend ijs. Maar bij het witte kerkje met zijn puntig klokketorentje werd het dadelijk +veel lichter. Het was of daar iets zachts stond te glimlachen en te troosten; en haast altijd was daar ergens om en bij de +silhouet van ’t een of ’t ander nonnetje, komend uit het kerkje, gaande naar het kerkje, even naar ons opkijkend met ingetogen +blik en dadelijk weer de oogen van ons afwendend, zonder dat men eigenlijk beseffen kon of het raadselachtig, stille wezen +ons vermaak wel goed dan afkeurde. Even voorbij het kerkje waren de keukengebouwen en daarnaast het hospitaal. En wat wij +ook al deden, een onoverwinnelijk gevoel van displezier maakte zich daar van ons meester. Het ijs lag er steeds onbetrouwbaar +en had er een vuilgele kleur; en juist in de bocht, de benauwde, smalle bocht waar takken van heesters overheen hingen en +waar het hospitaal stond, loosde een vieze goot haast aanhoudend een grijs straaltje lauwachtig water, <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span>dat daar het ijs totaal bedierf en ons noodzaakte langs den smallen overkant bijna tot in het oevergras te rijden. Wij griezelden +van dat plekje. Het vergalde ons telkens, bij elken omrit, voor een poosje ’t genot van den tocht; en wij waren er allen vast +van overtuigd, dat dat akelig, grijs-lauw water zooiets was als het weeë aftreksel van al de ziekten en de kwalen, waaraan +die afgeleefde oude mannetjes en vrouwtjes al sinds jaren laboreerden. Gek idee en dat zich toch zoo onuitroeibaar-sterk in +ons frisch en gezond kwajongens-gemoed vastankerde! Nu nog, na al die jaren, zie ik duidelijk dat akelig-vies waterstraaltje +loopen en word ik er nog wee van als ik er aan denk. + +</p> +<p>Doch wij kwamen spoedig op den grooten, ronden vijver met het kleine eilandje en daar was alles wel loutere vreugd en genot. +Men kon er ruim in lange, breede slagen zwieren, het ijs was er gezond en sterk en zuiver en de omgeving liefelijk en riant. +Daar lag, aan den rechteroever, midden in haar schoonen, naar den vijver afglooienden boomgaard, de groote boerderij van Boevers, +met roze gebouwen en groen-en-witte geverfde <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18">18</a>]</span>deuren en luikjes; daar liep een kronkelende landweg, beplant met hooge, forsche eiken en alom den vijver groeiden heesters, +waarin haast altijd fladderende benden sijsjes hingen, lieve geel-en-bruine vogeltjes die zich te goed deden aan de verdorde +katjes van de elzestruiken en af en toe met fijne piepstemmetjes jubel-kwetterden, heel fijn, heel zacht en ingetogen, maar +met verrukkelijke zilverklankjes, die schenen te getuigen van al ’t mooie dat ze zingen konden, als ze dat maar wilden. + +</p> +<p>Daar hielden wij ons altijd gaarne heel lang op. Het kostte moeite om er weg te komen. Er was voortdurende afwisseling en +men ademde er ruim en vrij. Een van de groote attracties was er het leven op de boerderij van Boevers. Er was daar altijd +iets te doen, iets te zien of te hooren en niet zelden kwam de dikke Guus Boevers aan den rand van ’t ijs staan en bemoeide +zich met onze bedrijvigheid. Ik kan niet zeggen, dat wij zeer veel van hem hielden. Hij was ons wel wat te spotzuchtig aangelegd +en wij voelden steeds een beetje angst voor hem. Maar het was een levendig-opgewekte <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span>kerel, een durver vol verrassingen en dat boezemde ons wel belangstelling en ontzag voor hem in. Hij kon daar zoo meedoogenloos +met ons staan spotten, bewerend dat wij knoeiers waren, dat wij niets van ’t schaatsenrijden kenden en hij ging weddenschappen +met ons aan, dat hij, zonder schaatsen, op zijn klompen, vlugger den vijver om zou toeren dan wij op onze ijzers. En waarachtig, +hij deed het; hij kwam met zijn vuile klompen op het ijs, tot onze groote ontstemming en ergernis het ijs bemorsend; en daar +begon de wedren; hij met dreunende reuzenschreden loopend, wij naast hem aanrijdend, met zwoegende armen en beenen; en zóó +reuzesterk en taai was hij, dat hij ons niet zelden overwon. Toen juichte hij minachtend en schold ons uit voor luiaards en +dreigde ons zijn grooten waakhond achterna te zenden, om ons op te porren. + +</p> +<p>Aan dat beest hadden wij allen een geweldigen hekel en Boevers wist dat wel. Het was een groot, sterk dier met gele huid en +donkere snoet, die meestal, half in half uit zijn hok gelegen, ons roerloos, met bloeddoorloopen oogen lag te beloeren, maar +die <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span>als razend op ons afgestoven kwam zoodra Guus Boevers hem maar even losliet. Zijn bovenlip stond opgekruld, zijn wreede, witte +tanden snauwden, zijn grof geblaf klonk hol als uit een ton en hij raasde springend langs den oever met ons mede, getergd +en verwoed door ’t gekras onzer schaatsen, alsof hij ons elk oogenblik zou gaan verscheuren. Hij durfde zich echter op den +vijver niet wagen; telkens probeerde hij met één poot, dien hij dadelijk, bij de eerste kille aanvoeling, weer introk, of +hij lepperde even met zijn zenuwachtige, roze tong over ’t ijs, alsof hij die geheele breede vlakte hoopte in te slikken om +bij ons te komen; doch daar bleef het bij, hij durfde niet en wij hadden innerlijke pret in onzen haat en afkeer voor het +beest, omdat hij machteloos was. Maar eens op een ochtend tilde Guus Boevers, die graag zijn hond tegen ons ophitste, het +monster in zijn beide sterke armen op en kwam er zoo mee op den vijver. + +</p> +<p>Gillend vluchtten wij langs alle kanten weg, als een bende verschrikte musschen. Boevers, proestlachend, zette zijn hond midden +op de ijsvlakte neer en schreeuwde: +<span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span></p> +<p>—Ala, Baron, pak ze! + +</p> +<p>Het was een doodsbenauwend oogenblik. Wij zaten allen op het kleine eenden-eilandje gevlucht en van daaruit keken wij met +kloppend hart. Maar onze angst veranderde al spoedig in wild-uitbundig hoon- en spotgelach. Nooit heb ik koddiger en belachelijker +tafereel aanschouwd. De groote hond, doorgaans een en al bloeddorstige verscheuringswoede, stond daar als een stramme, gedrochtelijke +pop op ’t gladde ijs en wat hij ook al deed en hoe of hij zich ook inspande, geen stap kwam hij verder. Hij gleed voortdurend +uit en struikelde, zijn dikke, grove pooten schoten van onder hem weg, hij viel op zijn achterste, krabbelde met moeite weer +overeind, gleed nogmaals en viel opnieuw, als een onnoozel sukkelkind, dat zijn allereerste schreden waagt. Hij jankte en +piepte van ellende, hij hijgde amechtig en lepperde weer af en toe met zijn lange, roze tong over het ijs, alsof hij het wou +opslikken, en zijn wreede oogen loerden gretig naar den veiligen oever, het eenige doel waar al zijn krachten naar streefden +en dat hij machteloos poogde te bereiken. +<span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22">22</a>]</span></p> +<p>Wij gilden en sjouwden als wilden op ons eilandje. Wij kwamen er al spoedig vandaan en omringden zwermend onzen stumperigen +vijand en zijn meester. Guus Boevers glimlachte zuur. “Ala, loeder!” schold hij op zijn hond en trapte hem vrij onzacht met +zijn klompen vooruit, waarbij de hond telkens weer jankte en struikelde. Eindelijk was hij aan den kant en liep zich druipstaartend +in zijn hok verschuilen. + +</p> +<p>Een luid hoezeegejouw steeg uit de jongensbende op. + +</p> +<p>—Wacht ’n beetsen; ’k zal ulder goan hên! dreigde Guus, weer op ons afkomend. + +</p> +<p>Wij waren banger voor Guus dan voor zijn hond op het ijs en haastig zwierden wij maar eens in volle vaart den vijver rond. + +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Wat lijkt dat alles nu lang en ver verleden en toch staat het zoo levendig nog in het geheugen! Ik herinner mij nog enkele +van die jongens en heb ook hun namen onthouden. Er was een Peetse Kins, een Bruuntje Geelewie, en er waren drie broeders: +Dolfken, Mielken en Fontje Vervaet. En een drietal jaren geleden, <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23">23</a>]</span>juist één jaar vóór den oorlog, die zoo schandelijk ons mooie land verwoest heeft, was ik toevallig ’s winters weer op ’t +dorp en uit oude herinnering ging ik eens wandelen tot aan den “wal van ’t Oarmhuis” waarop, naar men mij vertelde, schaats +gereden werd. + +</p> +<p>’t Was er nog net precies zooals meer dan dertig jaar geleden, in mijn jongen tijd. Nog steeds kuierden er de oude mannetjes +en vrouwtjes op stokjes en krukjes of zaten er peinzend uit te rusten in de zon; nog steeds joelden er spelende kinderen op +het pleintje vóór de kerk; en ook de nonnetjes liepen er nog stil en ingetogen heen en weer; en ook het vieze, grijslauw waterstraaltje +stroelde nog, het ijs bedervend, in de smalle bocht; en over den vijver reden jolig op en af de jongens, zooals wij zooveel +jaren vroeger zelf hadden gedaan. De groote boerderij van Boevers stond daar nog altijd met dezelfde roze muren en dezelfde +wit-en-groen geverfde deuren en luikjes; en in het hondenhok lag er een waakhond; en in de heesters om den vijver hingen fladderende +benden sijsjes, die van de droge katjes uit het elzenhout genoten en af en toe heel zacht en liefelijk <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span>kweelden, met zilverstemmetjes in ondertoon gehouden. + +</p> +<p>Ik keek en hoorde dat alles aan met stillen weemoed en emotie. Het was iets van mijn eigen, lang vervlogen, jonge jeugd, dat +zich daar afspeelde. Hoevelen zouden er nog wel in leven zijn van dezen die daar met mij rondzwierden, en waar zouden zij +wel zijn, en hoe zou het hun verder in het leven zijn gegaan? Maar eensklaps bleef ik roerloos staan en sperden zich mijn +oogen open van verbazing. Wat?.... Wat zag ik daar? Was dat niet precies een van mijn vroegere kameraadjes; leek dat niet +precies op Peetse Kins,.... wàs dat niet Peetse Kins in eigen persoon, die slungelachtige, zestienjarige knaap, die daar met +de anderen ronddraaide! Het was immers niet mogelijk; het was gezichts- en zinsbedrog; en toch: hij leek zóó sprekend, dat +ik naar hem toe ging en op den man af vroeg: + +</p> +<p>—Hoe hiet-e gij, manneken? + +</p> +<p>Vreemd keek hij mij aan en een lichte kleur kwam over zijn geelachtige wangen. Zijn blauwe oogen schuchterden even en keken +naar den grond, net Peetse Kins <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25">25</a>]</span>wanneer hij <span class="corr" id="xd0e233" title="Bron: geneneerd">gegeneerd</span> was. Hij glimlachte bedeesd en aarzelde met zijn antwoord. + +</p> +<p>—Hoe hiet-e gij? drong ik nog eens, vriendelijk-bemoedigend aan. + +</p> +<p>—Beziel Kins! + +</p> +<p>—Zij-je gij misschien de zeune van Peetse Kins? + +</p> +<p>—Joaj ik, meniere. + +</p> +<p>Een stilte. Star keek ik hem aan. Een wereld van herinneringen golfde door mijn gemoed. + +</p> +<p>—En ou voader? Leeft hij nog? vroeg ik eindelijk. + +</p> +<p>Een weeke glimlach zweefde over ’s jongetjes gelaat. + +</p> +<p>—O, nien hij, meniere, hij es al zeu laaë deud! + +</p> +<p>Ach! wat trof mij dat pijnlijk! En wat was het vreemd, dat het mij zoo pijnlijk trof! In al die lange jaren had ik zelfs niet +eens meer aan Peetse gedacht. Ik was hem totaal vergeten, ik had hem trouwens nooit anders dan even op het ijs gekend en nu +boezemde mij zijn levenslot eensklaps een zoo diepe belangstelling in. + +</p> +<p>—Wa was ou voader? vroeg ik zacht. +<span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span></p> +<p>—Wa blieft er ou, meniere? zei het knaapje, die mijn vraag niet scheen te vatten. + +</p> +<p>—Wa dat hij was? Wa dat hij dee veur zijn bestoan? lichtte ik toe. + +</p> +<p>—Boereknecht, meniere. Hij es gestorven te gevolge van ’n verhitheid, in den oesttijd. + +</p> +<p>Om ons heen hadden zich van lieverlede de andere bengels in een troepje geschaard, benieuwd om te weten wat die vreemde meneer +aan hun makkertje wel te vertellen had. En over het ijs kwam ook met trage, stramme schreden een der oud-mannetjes uit het +Armenhuis naar ons toe: een klein, bleek ventje met grijze oogen, die mij oolijk aankeken, terwijl hij stil glimlachte in +zijn vollen, grijzen baard. Hij spuwde van zich af een straaltje bruin tabakssap, veegde zijn mond, glimlachte inniger en +zei: + +</p> +<p>—Da es toch precies zijn voader, e-woar, meniere? + +</p> +<p>—Precies, antwoordde ik met overtuiging, zonder verder veel aandacht aan het oudje te wijden. Maar hij zelf kwam zich opdringen, +duwde zijn verschrompeld gezicht onder mijn neus, keek mij strak aan, met zijn lachende grijze oogen en ging voort: +<span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span></p> +<p>—Weet ge ’t nog, meniere, den tijd da w’hier al te goar op de wal reejen en da Guus Boevers mee zijne greuten hond achter +ons kwam? + +</p> +<p>Verbaasd keek ik het oudje aan. Hoe wist die? Hoe kon hij weten wat er destijds.... Ik keek hem aan met scherper aandacht +en eensklaps kwam het mij voor alsof ik ook dàt gezicht reeds vroeger ergens had gezien. Doch waar, in welke verre oorden, +in welke lang vervlogen tijden? Hij glimlachte, hij bleef maar aldoor glimlachen, zijn oolijke grijze oogen strak op mij gevestigd; +en eindelijk zei hij: + +</p> +<p>—Meniere, ’k geleuve da ge mij nie’n herkent. + +</p> +<p>—Nien ik, ’k ’n herken ou niet, antwoordde ik met volle oprechtheid. + +</p> +<p>—Bruuntje Geelewie, herinnert-e gij ou Bruuntje Geelewie nie meer? glimlachte hij. + +</p> +<p>Bruuntje Geelewie! Ineens ging mij een helder licht op! En meteen herleefde ik vol innige emotie, weer in het ver verleden. +Bruuntje Geelewie! Mijn tijdgenoot, mijn ijsmakker van vroeger, evenals Peetse Kins, evenals Dolfken, Mielken en Fontje Vervaet, +<span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span>en zooveel anderen! Was dàt Bruuntje Geelewie, dat sukkelventje uit ’t oud-mannenhuis, dat stakkerdje, dat menschenwrak! Een +grenzelooze weemoed greep mij aan en ’t was alsof ik mijzelf daar zag staan, oud, versleten, gebroken, een ruïne. + +</p> +<p>—O, Bruuntje, zij-de gij Bruuntje! riep ik, haast niet kunnende gelooven. + +</p> +<p>—Zeker, meniere, zeker, herhaalde het ventje, nog meer verbaasd over mijn ontdaanheid dan ik over zijn bedroevende aftakeling. +En in korte, stil-geresigneerde woorden, vertelde hij mij iets van zijn leven. + +</p> +<p>Hij had zooveel en hard gewerkt. Tè veel, tè hard, om maar een hoop geld te verdienen, zei hij. Hij ging ieder jaar naar Frankrijk, +om er den oogst te helpen doen. Hij en de andere Vlamingen, die met hem medegingen, werkten daar om zoo te zeggen dag en nacht; +en daar was hij niet sterk genoeg voor, dat had hem geknakt. Hij was er doodziek geworden, men had hem naar zijn land teruggebracht +en zoo zat hij nu in ’t Armenhuis, om er zijn leven te eindigen. + +</p> +<p>Zijn leven te eindigen! Nu reeds! Hoe oud was hij dan wel? +<span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29">29</a>]</span></p> +<p>—Twie en vijftig, zei hij glimlachend. + +</p> +<p>Twee en vijftig! Hij zag er wel zeventig uit! En hij was jonger dan ik! + +</p> +<p>Ik had daar wel willen weg zijn; en het speet mij, dat ik er gekomen was. Ik voelde ineens den afstand, het verleden, al die +lange, lange jaren loodzwaar op mijn eigen leven drukken. Het kwam mij voor alsof ik nog de eenig overgeblevene, de eenig +levende was in een oord van afgebeulden en van dooden. Maar ik dacht ook weer aan de anderen uit dien tijd en wilde weten +wat er ook van hen geworden was. + +</p> +<p>—Guus Boevers? vroeg ik. + +</p> +<p>—Deud, meniere; verongelukt mee zijn peirden. + +</p> +<p>—Dolfke Vervoat? + +</p> +<p>—Euk deud: deudgedronken! + +</p> +<p>—Mielke Vervoat? + +</p> +<p>—Noar Amerika. + +</p> +<p>—Fontje Vervoat? + +</p> +<p>—Euk noar Amerika. + +</p> +<p>Ik zweeg. Een pijnlijk heimwee, een stille droefheid sloop in mij neer, zoo iets gelijk de stille, grijze, kille mist, die +alom over het land ging hangen. ’t Begon te avonden en <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30">30</a>]</span>te nevelen, een bleeke, roze schemering tintte nog vagelijk het westen en in het grijs kerktorentje van ’t Armenhuis tampte +in kadans een klokje. Enkele knapen bonden reeds hun schaatsen af en de sijsjes in de elzestruiken waren druk onder elkander +aan het tjilpen en aan ’t piepen, vóór ze zich ergens tot de nachtrust gingen wegschuilen. + +</p> +<p>Ik haalde iets uit mijn zak en gaf het aan Bruuntje. Zijn oogen glommen en hij dankte mij vurig. Ik drukte hem de hand tot +afscheid. + +</p> +<p>—Zilt-e nog ne kier weere komen, meniere? vroeg hij, gretig mij nastarend. + +</p> +<p>—Zeker, Bruuntje, zeker. + +</p> +<p>Maar ik voelde wel, dat ik er niet meer komen zou. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Wat ben ik in mijn verhaal ver afgedwaald, of, beter gezegd, wat ben ik hard den tijd vooruitgeloopen! Want er ligt nog zooveel +in mijn schaatsenrijdersleven tusschen dat ver verleden en de gebeurtenissen van den tegenwoordigen tijd. Ik heb nog niet +eens definitief van den “wal van ’t Oarmhuis” afscheid <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31">31</a>]</span>genomen en dat behoor ik toch te doen alvorens verder te vertellen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Welnu, onze pret op den “wal van ’t Oarmhuis” duurde tot de dooi inviel, of.... totdat Stien Smijters “de boantjes kwam vermeurden.” + + +</p> +<p>Stien Smijters!.... Ik wed dat nu nog, na zooveel lange jaren, onder de hedendaagsche dorpsjeugd aldaar, een traditie van +angst, haat en gruwel tegen den naam en de herinnering van dien afschuwelijken man bestaat. + +</p> +<p>Stien Smijters, een voorbestemde naam! Het was, toen ik hem als knaap van vijftien leerde kennen, een oude, stoere, grijze, +forsche kerel, met een kreefte-rood, als ’t ware roodgekookt gezicht, waarin twee kleine, hard-blauwe varkensoogjes je valsch +aanloerden. Nooit heb ik dien vent zien glimlachen of lachen. Dat kon hij niet. Altijd stond zijn tronie stug en norsch, alsof +hij iedereen verdacht van kwaad en overal vijanden zag. Het was een slecht gezicht. + +</p> +<p>Hij was zoowat van alles in het Armenhuis. <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32">32</a>]</span>Toeziener, boer, werkersbaas, ik weet niet wat al. Hij had geen vaste taak, doch men zag hem overal. Soms reed hij met de +paarden, soms stapte hij achter den ploeg, soms stond hij als een sjouwer hout te klooven. Iedereen, oud of jong, man of vrouw, +van klein tot groot, was bang voor hem. Het heette, dat hij de menschen soms ranselde met zijn zweep en dat zelfs de nonnetjes +hem vreesden. Maar zij hadden hem noodig: hij werkte als een lastdier en waakte als een hond; hij dronk niet, ging nooit uit, +eischte niets voor zichzelf en dat alles verwekte een soort eerbied en een grenzeloos ontzag. + +</p> +<p>Ondanks zijn gevorderden leeftijd was hij sterk, ellendig sterk. Ik geloof niet dat er een pootiger, sterker kerel in den +omtrek was te vinden. Wie onder zijn klauwen geraakte mocht beven en sidderen! + +</p> +<p>Hij zag wel ons spel op het ijs, hoewel hij zich hield alsof hij het niet zag. En ook wij hielden hem scherp-nauwkeurig in +de gaten, omdat wij precies wisten wat wij van hem te verwachten en te vreezen hadden. Dat hing heelemaal af van den toestand +van het ijs. Stien Smijters, die <span class="corr" id="xd0e349" title="Bron: nergers">nergens</span> bang voor <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span>was, had een doodsangst om te verdrinken. Er was geen sprake van dat hij zich op den vijver wagen zou zoolang het ijs er niet +muurdik en sterk lag, maar eenmaal als ’t zóóverre kwam, dan waren wij geen oogenblik meer veilig. + +</p> +<p>Hij joeg ons niet weg, schold ons niet uit, sprak geen woord, maar op een of anderen ochtend liep de afgrijselijke treurmare +van mond tot mond onder de schooljongens: + +</p> +<p>—Stien Smijters hêt de boantjes op de wal van ’t Oarmhuis vermeurd! + +</p> +<p>Ik herinner mij nog die droefheid, die wanhoop telkens als dat ellendig nieuws ons bereikte<span class="corr" id="xd0e360" title="Bron: ,">.</span> ’t Was om er bij te schreien en de moedeloosheid zonk ons als een onmacht door de knieën. Wij wilden ’t nog maar niet zoo +dadelijk gelooven, er bleef nog een kleine mogelijkheid, een zwak straaltje hoop; maar jawel.... zoodra wij bij den vijver +kwamen zagen wij reeds van op een afstand de ellendige verwoesting: overal vierkante bijten met de bijl gekapt, de uitgebroken +stukken alom over het ijs verspreid en meestal er reeds aan vastgevroren; en, tot toppunt van ellende, hier en daar asch en +sintels <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span>rondgestrooid, zoodat alle mogelijkheid van ook nog maar eventjes te rijden onherroepelijk verkeken was. + +</p> +<p>Het is mij slechts één keer gelukt den lammeling zijn vernielingswerk te zien verrichten, want hij deed dat meestal ’s avonds, +gemeen en verraderlijk, nadat wij vertrokken waren. Maar dien keer, dien éénen keer woonden we ’t bij en wij hebben ons gewroken, +of liever: hij zelf heeft ons gewroken op een wijze waarin ik mij nu nog kan verkneuteren. + +</p> +<p>Dat was op een zaterdagmiddag, na schooltijd. Wij hadden extra-les gehad (extra-les wanneer er ijs is!) en kwamen haastig +en hijgend met onze schaatsen onder den arm op den vijver aan, toen het reeds begon te schemeren. + +</p> +<p>Hij was bezig!.... Reeds op een afstand hadden wij slagen gehoord, als, van een houthakker die boomen velt. En wij dachten +werkelijk dat men ergens aan ’t boomen omhakken was, toen wij hem eensklaps zagen, den zwaren rug naar ons gekeerd, groote +gaten slaande met zijn bijl in ’t schoone, sterke ijs! +<span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span></p> +<p>Onze woede en emotie waren onbeschrijfelijk. Eén wensch steeg als een kreet uit aller hart: “Kon hij nu toch zelf maar door +het ijs zakken en verzuipen!” Doch die wensch hielp niets en een van ons, Mielken Vervaet, die meestal niet malsch uitgevallen +was, schreeuwde hem razend een scheldwoord toe: + +</p> +<p>—Smeirlap! + +</p> +<p>Tot onze diepe verbazing ging hij kalm door met ijs hakken, zonder in ’t minst eenige notitie van de beleediging te nemen. +Eerst later vernamen wij, dat hij vrij doof was en den uitroep niet gehoord had. Maar Mielken, en wij allen, nog heviger geprikkeld +door zijn ongestoordheid, holden om den vijver heen, kwamen vlak vóór hem staan en herhaalden daar een tiental keeren, met +gebalde vuisten, het beleedigende scheldwoord: + +</p> +<p>—Smeirlap! Smeirlap! Smeirlap! + +</p> +<p>Toen keek hij op en verstond. Een soort van schok voer door zijn lichaam, hij sprong naar den oever, met zijn bijl in de hand, +klom op den rand, zich aan de takken optillend, holde ons achterna. + +</p> +<p>Wij, natuurlijk, hadden reeds het hazenpad <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36">36</a>]</span>gekozen. Wij renden uit al onze kracht, heelemaal niet zoo zeker dat wij zouden ontsnappen, want hij zat ons nauw op de hielen, +toen wij eensklaps achter ons een doffen smak en een gil hoorden en, schichtig omkijkend, hem tegen den grond zagen liggen. +Hij krabbelde weer op, maar, in plaats van ons verder na te zitten, zagen wij hem stuiptrekkend tegen een boom gaan staan +en daar op zijn hoofd een vuilen zakdoek drukken, die dadelijk breed-rood gekleurd was. Wij hoorden hem een paar keer kreunend +zuchten en dan keerde hij zich om, zonder een blik, zonder een woord, zijn bijl onder den arm, als een dolle stier, die den +genadeslag gekregen heeft. + +</p> +<p>Ik herinner mij niet meer of wij hem dan ook nog triomfantelijk nagejouwd en uitgefloten hebben. Het zal wel zoo iets van +dien aard geweest zijn. Maar wèl herinner ik mij dat wij ons nooit meer, zoolang hij leefde,—en dat heeft nog wel enkele jaren +geduurd—op den “wal van het Oarmhuis” gewaagd hebben. + +</p> +<p>Wij hadden ondertusschen andere oefeningsvelden ontdekt. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37">37</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">III</h2> +<h2 class="normal">De Meylegemsche Meerschen</h2> +<p>Even voorbij den Lusthof, achter een soort van dam waarover, dwars door het weiland, een steenweg liep, strekten zich ver +en wijd de Meylegemsche Meerschen uit. + +</p> +<p>Ik heb steeds een groote liefde gevoeld voor de Meylegemsche Meerschen. Iets,—ik weet niet wat—, heeft mij daar altijd, van +<span class="corr" id="xd0e400" title="Bron: kinsdbeen">kindsbeen</span> af, aangetrokken en trekt er mij nu nog aan. + +</p> +<p>Het waren breed-uitgestrekte weilanden, met verre boomen aan den einder; gelegen tusschen den begroeiden berm van het kanaal +links en de opgolvende landouwen rechts, als een wijd en stil-glanzend groen meer onder den schoonen, hoogen hemel. De strakke +lijn langs het kanaal met de evenwijdig van elkaar gespatiëerde boomen, had geen bijzondere bekoring, maar de andere zijde, +naar de velden toe, was een en al liefelijke poëzie. Daar golfden korenakkers, daar somberden bosschen, daar strekten zich +dreven uit tot ver in ’t land; daar waren intieme hoekjes, die steeds zonnelachten, <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span>daar stonden huisjes en boerderijtjes als geschilderd: roze, gele, groene, met pittoreske stroodaken en blinkende ruitjes; +en er lagen twee kleine dorpen aan den rand: Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, elk met een ouderwetsch kerktorentje, het eene +grijs, het ander wit, die wijd over de boomen, de landouwen en de weiden heen, als ’t ware reikhalzend en een beetje naijverig, +van verre naar elkaar stonden te kijken. + +</p> +<p>Meylegem-Zuid was mij ’t liefst. Misschien wel omdat het verst-verwijderd en daardoor voor mij zeldzamer te bereiken was. +Misschien ook wel eenvoudig omdat het Meylegem-Zuid heette en dat zuid ons meer aantrekt dan noord. Misschien ook nog, omdat +het een wit kerkje had terwijl het ander grijs was en dat het witte vriendelijker schitterde tusschen het groen dan ’t grijze. +En misschien eindelijk ook wel om iets dat ik mij zelf toen nog niet kon bewust zijn en dat zich eerst later openbaren zou. +Hoe dan ook, Meylegem-Zuid was mij het dierbaarst en een tocht in de richting van Meylegem-Noord was voor mij meestal een +aanloop om verder tot aan Meylegem-Zuid te geraken. +<span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span></p> +<p>’s Zomers waren die groote weilanden vol grazende koeien, bewaakt door jonge koe-wachtertjes, die er een uitbundig vrij leven +van kleine wildemannen genoten. Er was daar altijd levenspret en luide vroolijkheid; er klonk daar <span class="corr" id="xd0e412" title="Bron: oponhoudend">onophoudend</span> juichgezang en zweepgeklap: er brandden steeds houtvuurtjes waarin geslachte kikkers en gestolen aardappelen gebraden werden +en dikwijls zag men gansche benden van die bengels, in de verte klein als kabouters, met schepnetten de diepe, stille slooten +en de snel-vliedende beekjes afvisschen en zegevierend naar het dorp terugkomen met glinsterende vangsten snoeken en baarzen, +die nog amechtig-gapend tusschen de slijmerige mazen lagen te spartelen. + +</p> +<p>Maar in het najaar werd het er stil en verlaten en met November werden een paar sluizen in ’t kanaal geopend en in enkele +dagen stroomde die gansche, wijde vlakte vol blond en drassig water. Toen werd het als een echte zee, zoo ver het oog kon +reiken. Een wondere zee, levend het eigen, geheimzinnig leven van een zee, nu eens doodstil <span class="corr" id="xd0e417" title="Bron: zondereen">zonder een</span> rimpeltje, dan weer klotsend, <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span>schuimend, bruisend, met echte, woeste golven, maar aldoor eenzaam en verlaten, alsof het was een oord van ramp en van verdelging. + + +</p> +<p>Behalve voor mij! Ik was intusschen een paar jaren ouder geworden en ik bezat een licht en elegant roeibootje, waarmee ik +’s zomers op ’t kanaal ging varen. En zoodra de groote Meylegemsche Meerschen goed overstroomd waren, roeide ik in mijn schuitje +een eind het kanaal op, nam het er uit, droeg het op mijn sterke schouders over den berm heen en lei het daar op ’t blonde +water der verdronken weilanden. + +</p> +<p>O, ik herinner mij nog zoo goed die heerlijke, opwekkende tochten, die overigens niet zonder eenig gevaar waren. Ik had mijn +schuitje sierlijk opgetooid, er woei een vlaggetje aan de punt,—een wit-en-rood, ik zie het nog,—en zoo roeide ik in witte +trui met forsche slagen naar de dorpjes toe, die daar aan den overkant lagen te schitteren of te droomen. Het water kabbelde +en spatte, de kleine boot ging met de korte golfjes op en neer gelijk een zeeschuitje en af en toe raasde het mooie vlaggetje +hartstochtelijk in den wind, alsof het zich verzetten wilde <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41">41</a>]</span>tegen mijn onzinnig-roekelooze onderneming. Soms bleef ik even midden in het breede water steken. Dan zat ik ergens op een +“bank” en ik moest ploeteren om er af te komen. Soms “voelde” ik als ’t ware onder mij den diepen afgrond van een sloot of +beek, en ’t had iets griezeligs terwijl ik mij afvroeg hoe ik mij daar wel redden zou indien mijn bootje juist op die plaats +omsloeg. Maar ’t bootje sloeg nooit om en ik kwam eindelijk in kalmer water, langs den verrukkelijken oeverrand, waar al de +pittoreske boerderijtjes en de stille dorpjes lagen. + +</p> +<p>Wat was het daar aardig en hoe leek het alles anders dan het toch in werkelijkheid was! Zoo’n dorpje, zoo’n boerderijtje, +waar men gewend is als voetwandelaar aan te komen en waar men ineens met zijn schuitje komt aanleggen, ’t heeft iets onwezenlijks, +iets geks, dat onweerstaanbaar doet glimlachen. En dat deden ook de menschen van die dorpjes en die boerderijtjes, wanneer +zij mij zoo van verre over ’t water zagen aankomen. Zij stonden vóór hun huisjes of in hun boomgaarden op mij te wachten en +’k viel daar binnen als een vreemde, <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span>rare vogel, die een wondertocht heeft ondernomen. Het was zoo eigenaardig. De laatste bladeren hingen nog goud-en-bruin-glanzend +aan de heesters en de boomen, en die boomen en heesters stonden tot dichtbij het water, soms tot in het water, en dat leek +op mijn zoo welbekende streek niet meer; het was iets anders, iets feeërisch, iets uit de fantaisie van een droom. En het +deed mij telkens zoo vreemd aan, dat de boeren en boerinnen die daar heen en weer liepen toch dezelfde menschen waren, die +ik al zoo vele jaren kende; en dat zij hun gewone taal spraken en hun gewone bezigheden verrichtten; en dat daar koeien en +varkens en kippen over het gras liepen; en dat daar stoeiende en spelende kinderen waren; en dat daar een waakhond vóór zijn +hok lag, die hol en schor naar mij blafte, zooals alle waakhonden op alle boerderijen doen. + +</p> +<p>Eerst nadat ik zelf voet aan wal gezet had en den vasten bodem onder mijn voeten voelde, kreeg ik het duidelijk besef der +welbekende werkelijkheid en meteen verzwond mijn illuzie en onderging ik iets als een <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43">43</a>]</span>indruk van teleurstelling. Het leek alles zoo gewoon en zoo nuchter; de droom daar, op het breede water, was veel schooner; +en ik spoedde mij terug naar mijn aardig rood-en-wit vlaggend, licht schuitje; en als een vrije, wilde vogel zweefde ik er +verder mee weg over de breede oppervlakte, nu eens naar den eenen oever en dan weer naar den anderen, telkens weer door nieuwe +illuziën verrast en aangetrokken; en zoo kwam ik tot aan ’t verste uiteinde der overstrooming, tot aan Meylegem-Zuid, dat +reeds van verre zijn ouderwetsch, zoo liefelijk wit kerkje in den kalmen waterspiegel weerkaatste. + +</p> +<p>De golfjes kwamen er tot aan den voet van ’t kerkhof uitkabbelen en heel het dorpje van slechts ettelijke huisjes lag daar +aan den rand: witte huisjes, roze huisjes, blauwe huisjes, groengeluikt en kleingeruit, met één enkel, ietwat ruimer gebouw +in het midden: een tamelijk groote, lage, geelgeverfde herberg, waarop in groote, zwarte letters stond geschilderd: <i>In het Gemeentehuis.</i> + +</p> +<p>Daar lei ik vast en zeker altijd aan. Want daar was behalve ’t pittoreske der <span class="corr" id="xd0e443" title="Bron: ongeving">omgeving</span>, <span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span>iets dat mijn achttienjarig, frisch-en-vurig jongenshart vol romantische illuziën onweerstaanbaar boeide; en dat was Tieldeken, +de dochter uit ’t Gemeentehuis! + +</p> +<p>Tieldeken was wel enkele jaren ouder dan ik, doch wat deed het er toe en hoeveel heele jonge mannen hebben niet hun eerste +liefde op oudere meisjes of vrouwen gevestigd! Tieldeken kon zoowat vier of vijf en twintig jaar zijn en ’t komt mij voor +alsof ik haar daar nu nog levendig en frisch vóór mij zie staan: de wangen blozend, de oogen stralend, den mond met witte +tanden naar mij toe lachend en ’t bruine haar rechtop gekamd en ietwat kroezend om de slapen, het mooiste haar, dat ik mij +herinner ooit gezien te hebben. Voor mij was Tieldeken niet alleen de bloem van Meylegem-Zuid, maar ook het schoonste meisje +dat ik kende in heel Vlaanderen. Zij was het levende beeld-zelf der schoonheid van de gansche schoone streek; haar onverwacht +verschijnen, de eerste maal toen ik daar aanlandde, was voor mij geweest gelijk een openbaring; haar wezen glansde als ’t +ware over ’t dorpje en de gansche streek en toen ik haar gezien had begreep <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span>ik diep en duidelijk waarom Meylegem-Zuid mij zooveel liever was dan Meylegem-Noord en hoe ook het heele landschap met al +zijn mooie, intieme, pittoreske poëzie alleen maar scheen te bestaan omdat Meylegem-Zuid bestond en omdat op Meylegem-Zuid +Tieldeken woonde. + +</p> +<p>Ik landde aan en meestal ging de glazen portaaldeur van het Gemeentehuis als van zelf dadelijk open en daar verscheen Tieldeken +op den drempel, stralend, blozend, lachend, met den geijkten groet: + +</p> +<p>—Dag, meniere. Ge zij nog ne keer gekomen? + +</p> +<p>—Joaj ik, Tieldeken. Hoe goat ’t mee ou? + +</p> +<p>—Ha goed, meniere.... En blozend kwam ze naar mij toe, keek met verrukte oogen naar mijn schuitje, sloeg haar handen in elkaar +en zeide: + +</p> +<p>—Ho! ’K’n weet toch niet hoe da ge dat durft, in azeu ’n klein beutsen over die greute plas! + +</p> +<p>Dan kreeg ik een kleur; dan vóélde ik mij een kleur krijgen. Want wanneer ik zelf zoo van uit Meylegem-Zuid dien grooten plas +overkeek leek ook mij mijn onderneming een <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span>ontzettend waagstuk en kreeg ik den indruk dat Tieldeken wel vermoeden kon, dat mij iets zeer-bizonder boeiends op Meylegem-Zuid +moest aantrekken. Wat dat zeer-bizondere was wist ik maar al te duidelijk; en, omdat ik het zoo duidelijk wist, kwam het mij +voor alsof ’t op mijn gezicht te lezen stond en dat maakte mij ontzettend schuchter en bedeesd, terwijl ik mijn bootje aan +den oever vastmeerde en haar in de ouderwetsche herberg volgde. + +</p> +<p>Soms was het er leeg als ik daar binnen kwam en soms waren er klanten. En eigenlijk wist ik nooit precies wat mij wel ’t aangenaamst +was: alleen met Tieldeken of in gezelschap van anderen. Met Tieldeken alleen kwam er over mij een gevoel van knellende benauwdheid; +en als er daar bezoekers waren, dikwijls ruwe, lawaaierige kerels, voelde ik mij ook allesbehalve op mijn gemak. Met Tieldeken +alleen wist ik soms minuten lang geen enkel woord te zeggen, en als daar grove boerenkinkels zaten werd ik voortdurend gehinderd +en geërgerd door hun onbeschaamd optreden, door hun smakelooze grappen, door hun ganschen toon en <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47">47</a>]</span>gansch hun houding, die kwetsend en als ’t ware ontheiligend was, tegenover zulk een mooi, en zacht, en bekoorlijk wezen als +Tieldeken. Eigenlijk voelde ik mij daar nooit zooals ik was, of wezen wou. Iets lag altijd tusschen mij en haar: de sociale +afstand, de valsche positie waarin ik mij tegenover haar bevond; het besef dat zij daar in haar kring was en ik niet en dat +maakte haar sterk en mij zwak en verlamde in mij elke mooie gelegenheid die ik had om van het toevallig alleen-zijn met haar +te genieten. Ik kón er eenvoudig niet van profiteeren en ’t minst voelde ik mij nog bekneld wanneer geen vreemde bezoekers, +maar wel haar vader of haar moeder in de gelagkamer aanwezig waren. + +</p> +<p>Tieldeken’s vader was een reeds bejaarde, dikke man met goed gezicht en langzame bewegingen. Men hoorde hem van ’k weet niet +hoeverre op zijn klompen aankomen en telkens als ik hem zoo hoorde drong ’t besef in mij door hoe gemakkelijk dat zou gaan +om Tieldeken even in de zij te knijpen en te zoenen, zonder dat de oude er iets van merkte.... als ik het maar had durven +<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48">48</a>]</span>wagen om eventjes Tieldeken te knijpen en te zoenen. Het was zoo gek: als ik met Tieldeken alleen was, durfde ik zelfs aan +geen knijpen en geen zoenen denken; maar zoodra de vader ergens buiten de gelagkamer langzaam op zijn klompen rondliep, kittelden +mijn vingers en jeukten mijn lippen om het wèl te doen. Maar ik durfde niet, ik durfde niet! En ik leed verschrikkelijk onder +dat niet-durven en ’t was mij als een pak van ’t hart wanneer de dikke man eindelijk traag binnenklompte en daarmee de bevlieging +tot zoenen en knijpen onmogelijk maakte. + +</p> +<p>Tieldeken’s moeder was ook al een vrij bejaarde vrouw, met rood gezicht en afhangende wangen. Men kon merken dat zij vroeger +mooi moest zijn geweest, maar een tandelooze mond ontsierde haar heel erg en daardoor had haar uitspraak iets lispeligs en +brabbeligs, dat haar wel eens onverstaanbaar maakte. Zij was ook wat doof en dat deed vergissingen ontstaan. Het gebeurde +herhaaldelijk, dat zij b.v. borrels bracht wanneer glazen bier werden besteld en dan ontsponnen zich soms gekke tooneelen. +Met haar lispelenden mond kon zij niet goed <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span>de s uitspreken en als zij “dreupels” wilde zeggen, klonk het in haar brabbeltaal alsof zij “dreupelfs” zei. + +</p> +<p>De boeren spotlachten, bootsten haar verdraaide uitspraak na. + +</p> +<p>—Dreupelfs! We ’n hên gien dreupelfs besteld. W’hên pinten bier gevroagd. + +</p> +<p>De vrouw werd nijdig: + +</p> +<p>—G’hêt wèl dreupelfs gevroagd! + +</p> +<p>—We’n hen gien dreupelfs gevroagd! + +</p> +<p>—’t Efs zeker, g’hêt wèl dreupelfs gevroagd! + +</p> +<p>’t Werd een ellendig en bespottelijk gebrabbel en gekibbel en ik leed er onder, ter wille van Tieldeken, die dat vernederend +gedoe moest bijwonen. Ik had die kinkels wel een oorveeg willen geven en ’t was mij telkens als een gevoel van verlossing +wanneer de vader traag aangeklompt kwam en door zijn verzoenende bemiddeling aan het geschil een einde stelde. + +</p> +<p>O, die boerenkinkels, wat deden ze soms gemeen en familiair met en ten opzichte van ’t mooie Tieldeken! Wat ik nooit zou gedurfd +hebben: eventjes in het voorbijgaan ’t mooie meisje in den arm of de lenden te knijpen, <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50">50</a>]</span>dat deden ze maar gewoon alsof het niets was en wanneer Tieldeken zich ietwat boos maakte en met klappen dreigde, lachten +zij lomp en grof en maakten soms gewaagde toespelingen, die mij ’t rood van schaamte en van toorn naar de wangen joegen. + +</p> +<p>Zoo was er eens een die mij zei, terwijl Tieldeken hem in den kelder een glas bier ging halen: + +</p> +<p>—’t Es ’n malsch poezeken, e-woar, meniere; moar ’t es spijtig da ze kromme bienen hêt. + +</p> +<p>Een golf van bloed steeg naar mijn hoofd. Kromme beenen! Daar had ik nooit iets van gemerkt. Hoe wist die kinkel....! + +</p> +<p>—Hè-je da nog nie gezien, meniere! lachte hij om mijn verbouwereerdheid. Let-e kier op als ze weere boven komt. + +</p> +<p>Ik lette op en ja, waarachtig, er was wel iets van aan. Je kon het eigenlijk meer raden dan zien; maar toch, er ontbrak iets +aan de mooie, rechte lijn, die bij zulk een mooi, flink meisje paste. Hoe gek, dat ik het nooit had opgemerkt! Nu zag ik het +wel degelijk, ook aan haar gang, die een ietsje waggelachtigs had, als van een lief, jong <span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51">51</a>]</span>eendje. Maar tot dusver had ik nooit zoo bizonder naar Tieldeken’s beenen gekeken. Wat mij in haar boeide was haar frisch +gezicht, haar stralende oogen, haar mooie glimlachende tanden en ook haar poezelige buste en haar malsche heupen, waarin ik +zoo graag eens had geknepen. Dat vond ik hèt mooie in haar, het ideaal en meteen werkelijk—mooie; en de beenen, ach, dat was +dan nog voor mij meer ’t alledaagsche, het gewone, het laag-bij-den-gronde. + +</p> +<p>Die ruwe pummel, helaas, had met zijn lompe opmerking, iets aan de volmaaktheid mijner illuzie verstoord. Wat ik nu ook deed, +voortaan zag ik altijd, naast Tieldeken’s frissche schoonheid, het minder sierlijke harer ietwat kromachtige beenen. En dat +bedroefde mij, terwijl het mij tevens toch ook een soort van troost bracht. Want daardoor werd ik soms iets minder smoor-verliefd +op Tieldeken en voelde niet zoo sterk meer de schrijning bij het afscheidnemen van mijn tot dus verre absoluut volkomen en +volmaakte ideaal. Er bleef mij trouwens nog ruim voldoende liefde en illuzie over. + +</p> +<p>O, dat afscheid van Tieldeken, ik in mijn <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52">52</a>]</span>licht schuitje en zij aan den oever van het breede water! Ik was slechts achttien jaar oud, doch ik kende reeds de legende +van Lohengrin en romantisch zong de zwanezang in mijn verliefde ooren, terwijl ik statig wegroeide en haar gestalte zag verminderen, +verminderen, tot het zich in ’t grijze van de vroege avondnevelen versmolt. En dan liet ik verder mijn gedachten met het bootje +op het water gaan, en alles scheen mij zoo frisch en zoo schoon en zoo zalig; er was in mij zulk een rijkheid van kracht en +van leven, dat het mij scheen alsof de gansche wereld mij daar toebehoorde. De laatste teerroze gloed van den zonsondergang +doezelde zacht-glanzend over het ouderwetsche blank kerktorentje van Meylegem-Zuid in de verte; de kleine ruitjes in de pittoreske +boerderijen tintelden nog even langs den wegdeinenden oever, een klokje tampte en een wilde-vogelenvlucht streepte hoog met +fijn geschreeuw naar ’t westen; en over het somberend water, dat met vale glanzingen tegen den zijkant van mijn schuitje aanklotste, +dreef ik midden in een grootsche eenzaamheid naar huis terug, mijn gele spanen <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53">53</a>]</span>lichtend-glijdend, mijn rood-en-witte vaantje flikkerend en wapperend en mijn gemoed vol van heldhaftige gevoelens, waarin +het beeld van ’t schoone Tieldeken oprees gelijk een vizioen van heerlijkheid, dat met mij meedreef en mij tot in de nuchtere +realiteit van het weer vasten voet aan vasten wal zetten boeiend bleef begeleiden. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>En ’s winters, als het lang en sterk genoeg bleef vriezen, vroren ook de Meylegemsche Meerschen dicht! + +</p> +<p>Dat was een der grootste en gewichtigste gebeurtenissen in ons jonge-schaatsenrijdersleven. + +</p> +<p>Dat was dan iets waar je van trilde als van een wonder, dat bijna niet kón gebeuren. Wij gingen kijken, drie en vier maal +daags, wij waagden ons een eindje, maar griezelden van al de verraderlijke, diepe slooten en putten die vol zwakke plaatsen +en bedriegelijke wakken onder de spiegelgladde oppervlakte verborgen lagen, tot het eindelijk als een heldenmare alom verkondigd +werd: “Die of die boer van Meylegem-Zuid is op <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span>schaatsen over ’t ijs tot aan ons dorp gekomen! + +</p> +<p>Wat ’n emotie! Wij kwamen aan de groote vlakte, wij reden op, zoover als we gewend waren te durven rijden; en daar waar onze +krassen en kringen eindigden, zagen wij, over het donkere, maagdelijk ijs, recht vóór ons uit, in de richting van Meylegem, +voor het eerst andere krassen, die niet van <i>onze</i> schaatsen waren! + +</p> +<p>Het leken als ’t ware kabalistische teekens, forsch-gedurfde schreven van een kerel die zijn moed daar in het ijs gebeiteld +had; en wij volgden die nauwkeurig met ontzag en eerbied, zooals men volgt de schreden van den eersten onverschrokken pionier +door de gevaarlijke woestijn. De breede vlakte strekte zich vóór ons uit, als ’t ware eindeloos. Wij waren daarin als kleine, +donkere, verloren stippen. Soms kraakte ’t ijs, dat op zijn water viel, alsof er een kanonschot was gelost en dan stonden +wij allen even roerloos, bang en aarzelend. Maar de harde, witte krassen van den koenen kerel, die ons daar was voorgegaan, +liepen ondanks alles steeds verder en verder door en de gedachte dat <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55">55</a>]</span>hij daar in zijn eenzaamheid en vóór alle anderen dezelfde gevaren had getrotseerd, staalde onzen moed en dreef ons met hardnekkigheid +naar het verwijderd doel. Wij kwamen aan lage plaatsen, waar het ijs om zoo te zeggen op den grond lag en waar de grassprietjes +van ’t weiland soms doorheen schoten. Dat gaf ons het gevoel van veiligheid dat wij op vasten bodem reden. Maar ’t oogenblik +daarna stonden wij pal vóór een ijs zoo zwart alsof het open water was en niemand durfde er over heen. Daar lag een diepe +put of sloot en wij zagen tot op den helderen bodem, waar bronskleurige waterplanten hun gestolde vormen afteekenden als grijpende +handen die ons in de griezelige diepte wilden trekken om ons daar vast te houden. Wij draaiden er omheen en reden op en neer +in de hoop van ergens een minder akelige plek te vinden; doch overal, dwars door het weiland, was het daar dezelfde breede, +zwart-heldere diepte, waarin wij soms, onder het ijs, groote, donkere waterkevers zagen zwemmen, met een zilverig luchtblaasje +onderaan hun staart. Zij zwommen dwars, met pootenkrabbeling, naar den <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56">56</a>]</span>bodem waar de sinistere, bronskleurige grijpplanten stonden en dat maakte onzen afkeer nog veel heviger en de wanhoop greep +ons aan, omdat wij verder wilden en niet durfden. Maar ook over die plaats van angst en van gevaar, rechtuit, zonder de minste +afwijking, streepten de koene, forsche krassen van den onbekenden held die daar voor ’t eerst den weg gebaand had en ten slotte +volgden wij ook een vóór een zijn voorbeeld, met kloppend hart, met flauwe beenen, elk oogenblik verwachtend door het barstend +ijs in ’t diepe water neer te plonsen. Eerst toen ’t gevaar voorbij was lachten wij om onzen flauwen angst en van lieverlede +schrikte ’t onbekende ons niet meer af en steeds verder en verder volgden wij de sporen van den vermetelen voorganger, tot +het zoo vurig-verlangde doel, het schoone, blanke, ouderwetsch kerktorentje van Meylegem-Zuid eindelijk, als een zalige veiligheidsbaken, +in ’t zicht kwam. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>O liefelijk Meylegem-Zuid, nog steeds en meer zou ik hymnen ter uwer verheerlijking willen zingen! Al de poëzie van mijn gezonde, +<span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57">57</a>]</span>frissche jeugd schijnt zich daar in mijn herinneringen te kristallizeeren. Ik ken er elk huisje, elk boompje en de harmonieuze +golvingen van ’t landschap er omheen deinen nog als ’t ware wiegend en zoet-streelend na in mijn geheugen. Want ik heb er +mijn eerste liefde gekend en er ook mijn eerste liefdesmart geleden! + +</p> +<p>O, die dagen, die dagen, die schoone, rijke dagen! Heel het land lag wit-besneeuwd, maar de Meylegemsche Meerschen waren eerst +na den sneeuwval dichtgevroren en dat was een feerie midden in een feerie, want van op het heerlijk ijsveld zag ik, onder +blauwen hemel en stralende zon, een Vlaanderen dat ik nog niet kende, een droom-Vlaanderen, een Vlaanderen uit een sprookje. + + +</p> +<p>De kleurige huisjes langs den oever stonden op een zacht-glooiend, glinsterend-blank tapijt, midden in boomgaarden van tintelend-berijpte +boomen, die overweelderige bloeisels van ongekende lentepracht schenen te dragen. Dat leefde, dat fonkelde en tintelde van +miljoenen en miljoenen kristalheldere lichtfacetten en men snoof met ruime longen <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58">58</a>]</span>de scherp-prikkelende lucht op, alsof men bedwelmend heerlijke geuren inademde. ’t Was leven, léven en genieten; de wangen +bloosden, de oogen straalden en door het gansche lichaam stroomde een jonge, forsche kracht, die onuitputtelijk en onvermoeibaar +scheen. + +</p> +<p>Ik reed en reed en ’t woelde en ’t duizelde in mij van overweldigende heerlijkheid. Soms reed ik einden lang in vollen gang +recht vóór mij uit, zwierend en deinend, licht als een vliegende vogel; soms hield ik mij een heele poos op een mooi, klein +plekje op, en trok daar, omringd door een troepje bewonderaars, sierlijke krullen en kringen, als een artiest, die een kunstwerk +ciseleert. En zoo kwam ik, als altijd, aan ’t heerlijke Meylegem-Zuid; en daar, vlak vóór Tieldeken’s herberg, was een verrukkelijke +plek, uit den wind en glad als een spiegel, waar ik aan mijn wild talent den vollen teugel vieren kon. + +</p> +<p>Ik was zeer zeker, in al die jaren, de knapste rijder van de streek geworden. En voor de kinkels, die daar pijprookend, met +de handen in hun broekzakken langs den <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59">59</a>]</span>oever stonden, maar bovenal voor Tieldeken, die ook kwam kijken als ’t daarbinnen in de herberg niet te druk was, vertoonde +ik mijn stoutste kunsten en genoot van een triomf welke de eerste in mijn leven was. + +</p> +<p>—Ha, meniere, gij keun rijjen, zille! klonk het om mij heen. En soms sloeg Tieldeken haar handen van bewonderende verbazing +in elkaar en riep geestdriftig uit: + +</p> +<p>—Ha moar meniere toch, woar hè-je gij da geleerd! + +</p> +<p>—Hij rijdt zeu goed as boerke van Meylegem! beweerden enkelen. + +</p> +<p>—Hij ’n doet: boerke van Meylegem ree nóg stirker! hielden anderen vol. + +</p> +<p>Boerke van Meylegem! Die naam klonk herhaaldelijk en hardnekkig in mijn ooren en ik kon maar niet te weten komen, wie boerke +van Meylegem eigenlijk was. Wanneer ik er naar vroeg werd mij steeds vaag en ontwijkend geantwoord. Boerke van Meylegem was +de beste schaatsenrijder uit de streek, dat wisten zij allen; maar als ik informeerde waar hij woonde, en hoe oud hij was, +en of hij nog wel reed, en of hij reeds dat jaar op ’t ijs geweest was, klonken de antwoorden <span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60">60</a>]</span>verward en tegenstrijdig. Jonge knapen beweerden van ja, en dat zij hem gezien hadden, de week te voren, bij Meylegem-Noord +en dat hij wonderbaarlijk reed, zoo, met zijn eene been in de lucht en zijn eene hand tegen het ijs. Hij sprong over drie +mannen en vier stoelen; hij reed zóó snel, dat geen renpaard hem zou kunnen inhalen; hij vloog als ’t ware over ’t ijs. Maar +oudere mannen zeiden dat het allemaal onzin was, dat boerke van Meylegem inderdaad wel bestaan had, maar reeds lang gestorven +was. Het prikkelde mij, dat ik niet achter de preciese waarheid kon komen; ik had dat vermaarde boerke willen zien; ik had +vooral willen weten of hij werkelijk sterker was dan ik, en in die onzekerheid spande ik mij overweldigend in, haalde kunsten +uit waarbij ik hals en been dreigde te breken, om toch niet, in Tieldeken’s oogen, voor dat mysterieus en onuitstaanbaar boerke +van Meylegem te moeten onderdoen. + +</p> +<p>Eens zag ik hem, bijna! ’t Was op een zondagochtend, na de hoogmis. Ik was daar, evenals tal van andere lui, op schaatsen +tot aan het oude kerkje gekomen, en had er de mis gehoord. O, ’t was toch zoo eigenaardig <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span>en poëtisch! Van op het ijs, waar de jeugd dolle pret vierde, zag je, over het glooiend kerkhofje met half-ingesneeuwde zerken, +door het openstaand portaal, in de schemering der kerk, de waskaarsen op het hoogaltaar branden. Je hoorde ’t orgel en de +plechtige gezangen, het was alsof het kerkje zelf zijn vrome ziel naar buiten uitzong, je zag de wemeling der sombere menschenmassa +en de opstijgende wierookwalmen verspreidden hun aroma’s tot in de frissche, prikkelende zonnelucht over het ijsveld. En terwijl +je daarbinnen was, zelfs nadat de deuren dicht gesloten waren, hoorde je nog het pretgejoel der jeugd door alles heen en voelde +je je beenen jeuken om er weer aan mee te gaan doen. En nauwelijks had de pastoor het “Ite missa est” gezongen of drommen +menschen stroomden in de laatste galmen van het orgel buiten en met hijgende haast werden opnieuw de schaatsen aangebonden. + + +</p> +<p>Ik had de mijne juist aan en zwierde als een losgelaten vogel door de drukte heen, toen plotseling de kreet klonk in mijn +ooren: +<span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62">62</a>]</span></p> +<p>—Boerke van Meylegem! ’t Es boerke van Meylegem! + +</p> +<p>Mijn hart stond van emotie even stil. Ik zag een zwarte menschenmassa, vlak vóór Tieldeken’s herberg en vloog er naartoe. +Een schaatsenrijder,—een gewone boerenpummel—was daar met groote arm-en-been-bewegingen aan ’t zwieren, maar van het eerste +oogenblik bemerkte ik dat het niets te beteekenen had, dat het in de verste verte geen kunst was, dat het niets was dan overdreven +en onsierlijk slingeren en zwaaien, zooals de eerste de beste rijder kon die maar ietwat stevig op zijn beenen stond en niet +bang voor vallen was. + +</p> +<p>Boerke van Meylegem! Was dàt nu het beroemde boerke van Meylegem, de dooddoener waarmee men zoo vaak mijn eigen, schoone kunst +wilde verkleinen! Mijn teleurstelling was zóó diep, dat ik eerst geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken; en wat +mij griefde, wat mij ergerde, wat mij deed kroppen van minachtende verbittering, was dat Tieldeken daar op den oever midden +in de foule ook te kijken stond; te kijken en te bewonderen, met haar <span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63">63</a>]</span>mooie donkere oogen en haar frisch-blozende wangen, te kijken, te bewonderen en te genieten, alsof ze nu voor ’t eerst zag +schaatsenrijden, en heelemaal vergeten was, dat ik het toch oneindig veel beter kon. + +</p> +<p>—Es dà nou boerke van Meylegem? vroeg ik eindelijk, met van emotie hikkende stem, aan een oud ventje, dat naast mij stond. + + +</p> +<p>—Moar nie nien ’t meniere; ’t’n es moar nen beslagmoaker; ge keun gij veel scheunder rijjen, meniere, antwoordde ’t mannetje +met overtuiging. + +</p> +<p>Dat deed mij goed. ’t Was als een balsem op mijn wonde, als een zacht-lavende weelde van troost, die verkwikkend door mijn +gansche lichaam stroomde. Ik zei niets, maar glimlachte en stil schoof ik mij door ’t gedrang in ’t open plekje en begon daar +ook te werken. Nog nooit had ik mij sterker, lichter, veerkrachtiger gevoeld. Ik vloog en zweefde letterlijk over het ijs +en ’k zag de menigte, eerst wat verbouwereerd, van lieverlede haar aandacht van den pummel afwenden en op mij zich vestigen. +De pummel zelf, in zijn triomfgenot verstoord, keek mij dadelijk met valsche, vijandige oogen <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64">64</a>]</span>aan. Hij poogde mij te overtroeven; hij overdreef nog zijn onsierlijke, niets-beteekenende bewegingen; hij raasde langs mij +heen alsof hij mij omver zou rijden en in ’t niet doen verzwinden; maar ik voelde mij licht, licht, en vlug en handig, en +zoo vast en zeker in mijn kunnen: ik was als van de aarde opgetild en op wieken gedragen; ik zwierde en dreef en zwaaide en +zwenkte; ik zag daar Tieldeken op den oever staan en voelde als ’t ware heel mijn leven en mijn toekomst in haar handen; ’t +was overwinnen of niet meer bestaan en ik wilde bestaan en ik wilde overwinnen. + +</p> +<p>Eensklaps een kreet, met wild-opstijgend proestgelach. Ik hoorde den kreet en zag meteen wat er gebeurde: de pummel, de lompe +pummel, midden in een van zijn dolste, gekste prul-bewegingen als een massa op ’t ijs neergesmakt en daar over zichzelf heenbuitelend +en spartelend, met slingerende armen en beenen, alsof hij letterlijk ontwricht werd. Zijn dikke pet vloog af en verre van +hem weg en toen hij pijnlijk weer opkrabbelde bleek zijn broek gescheurd, maar zóó, dat het hem niet mogelijk was zich nog +verder te vertoonen. +<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span></p> +<p>De menigte stoof lachend uit elkaar en even kraakte ’t ijs onder het woest gedrang. Ik hield mij goed; ik hield mij kalm, +deftig. Nooit heb ik scherper het heerlijk gevoel van victorie gesmaakt; nooit heb ik er uiterlijk minder van laten blijken. +Ik wisselde een blik met Tieldeken, één enkele, en in haar mooie, geestdriftige oogen las ik volop den glans mijner algeheele, +onbetwistbare overwinning. Dat was mijn heerlijke belooning. De pummel was verdwenen en ik bleef zegevierend op het veld van +eer mijn schoonste kunsten maken; ik, en ik alleen nu, was omringd door honderden bewonderaars, en thans galmde weer alom +de kreet, die me bij mijn komst op ’t ijs zoo diep ontroerd had: + +</p> +<p>—Boerke van Meylegem! ’t Es boerke van Meylegem! + +</p> +<p>Verbaasd keek ik op. Was hij daar nu toch werkelijk, de ijsheld, de geduchte dooddoener, de sterkste onder de sterken, die +alom tegenwoordig scheen te zijn en nergens kon benaderd worden! Ik keek, en zocht, en merkte niets; ik speurde vorschend +ver over de hoofden heen, maar vruchteloos. En toen begreep ik eindelijk dat ik, ikzelf nu, <span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span>boerke van Meylegem was; en dat boerke van Meylegem een mythe, een symbool, een legendarische verschijning was: een personage +die niet bestond en wellicht nooit bestaan had, maar in wiens abstracte wezen zich, volgens het landelijk bijgeloof, al de +kunde, al de opgewekte joligheid en al de roekelooze waaghalzerij van het heerlijke schaatsenrijden vereenzelvigde. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Nu moet ik eventjes mijn oogen sluiten en denken. Als mijn oogen open zijn staat tusschen mijn blik en het heerlijk verleden +te veel gewone, nuchtere, alledaagsche realiteit. Maar als mijn oogen dicht zijn, zie en voel ik weer alles zooals ’t was, +zonder dat iets mijn verbeelding komt storen of hinderen. Dan ligt er als een doffe, doodsche vlakte tusschen nu en toen en +aan den schoonen einder, terwijl niets mijn aandacht afleidt, rijst het beeld dat mij geboeid houdt in al zijn zuivere, heldere, +levende en trillende duidelijkheid op. + +</p> +<p>’t Was op een vroegen avond, een maandagavond, ik herinner mij nog heel goed den dag. +<span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67">67</a>]</span></p> +<p>De volle maan rees blozend als een groote sinaasappel in het lage oosten op en de lucht was sonoor in de stilte en al de sterren +bloeiden in het eindeloos donkerblauw uitspansel. + +</p> +<p>Ik had den ganschen dag gereden en was moede. Maar ’t was zóó schoon geweest den ganschen dag, zoo rijk van kleur en zon en +reine winterweelde, dat ik, hoewel moe, niet rusten kon en na mijn avondmaal weer buiten ging, om ook nog van de nachtelijke +schoonheid te genieten. En plotseling ontstond een plan in mij, een wel zeer overdreven en zelfs gek verlangen om nu nog eens, +ondanks al mijn moeheid, in de maan en in de nachtelijke eenzaamheid tot aan Meylegem-Zuid te rijden. + +</p> +<p>Ik aarzelde geen oogenblik. Zoo kwam het plan op; zoo moest het worden uitgevoerd! Ik rende terug naar huis, nam mijn schaatsen, +vertelde ’k weet niet wat aan mijn verbaasde en vrij ontevreden ouders en enkele minuten later stond ik alweer kant en klaar, +vóór de wijd-uitgestrekte ijsvlakte. + +</p> +<p>Hooger was de volle maan in den helderen hemel gerezen en zij werd kleiner en lichter <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span>van glans en vertoonde haar oud en welbekend gezicht, dat steeds met stillen, meelijdenden spot op de wereld daar beneden +en het menschelijk gedoe schijnt neer te zien. Het eenzaam ijs glinsterde vaag, met diaphane, lichtblauwe en violette glanzingen. +Bij plaatsen hing een fijne, bleeke nevel die alle contouren verwazigde en dan weer verder waren ’t groote, koele, klare lichtvlakten, +als van een uitgestorven wereld, zonder atmosfeer. De oevers droomden in een grijsachtig, als het ware rook-omneveld onbestemde +weg. Een bosch stond zwart gelijk een hoogen muur van bazalt en de glooiende sneeuwvelden tintelden soms, alsof zij met zilveren +stuifmeel werden overpoeierd. + +</p> +<p>Ondanks het reeds gevorderd uur, waren hier en daar nog menschen op het ijs. Knapen stoeiden en ravotten nog, in de buurt +van huisjes waar weemoedig gele lichtjes pinkten en een enkele schaatser kwam over de wijde vlakte in de sonore stilte aangereden, +reeds in de verte hoorbaar lang vóór men hem zag en dan van lieverlede uit de feerische atmosfeer opdoemend, eerst klein als +een <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69">69</a>]</span>kabouter, met gekke arm-en-been-bewegingen, maar langzamerhand groeiend tot een flinke en krachtige verschijning, tot een +soort van reus-in-eenzaamheid, die als het ware zwom en roeide over een fantastisch meer van dood en stilte, waar hij het +eenig overblijvend levend wezen was. + +</p> +<p>Ik vond het tochtje heerlijk. Het was nog veel aangrijpender en schooner dan ik mij had voorgesteld. Alle gevoel van moeheid +was uit mij verdwenen en ik had wel zoo den ganschen nacht willen doorzweven! + +</p> +<p>Reeds vertoonde zich het torentje van Meylegem-Zuid in de verte. Wat leek het lieflijk-intiem en poëtisch: de eene kant in +’t duister, de andere kant gansch tintelend-zilverwit, met den pikzwarten rechthoek, van ’t klokgat, dat staarde als een oog +in den glanzenden nacht. Daaronder een paar zwakke, gele pitjes en even verder, aan den rand van het ijs, dat vagelijk glinsterde, +de drie verlichte ramen der gelagkamer van het Gemeentehuis. Tieldeken was dus nog op; ik zou haar zien en ook nog eens van +hààr schoonheid met mijn oogen genieten. Wat <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span>zou ze verbaasd en verrast zijn, mij daar nog zoo laat te zien aankomen! + +</p> +<p>Als een geboeide vlinder vloog ik over ’t ijs, recht naar die lichten toe. Zóó sterk was ik er door geboeid en als ’t ware +verblind, dat ik een oogenblik niets anders om mij heen meer zag en niet eens merkte twee personen, een man en een vrouw die, +innig omarmd, recht vóór mij uit over het ijs wandelden. Ik zag het pas toen ik heel dicht bij hen was en meteen hield ik +stil, terwijl een geweldige emotie mijn knieën deed knikken en den adem in mijn keel verkropte. + +</p> +<p>Droomde ik? Was ik de speelbal eener nachtmerrie, of zag ik een abominabele werkelijkheid gebeuren?.... Was dat Tieldeken, +omarmd door een man, door.... plotseling herkende ik hem.... door den pummel,—het kwasi boerke-van-Meylegem—dien ik nog pas +geleden op het ijs zoo smadelijk overwonnen had!.... Het schemerde vóór mijn oogen en ik weifelde en twijfelde. Ik wilde twijfelen, +ik wilde niet gelooven, ik kón den dood van al mijne illuziën, in die romantische omgeving, in dien ongeëvenaard-heerlijken +<span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71">71</a>]</span>winternacht niet als een werkelijkheid aannemen. + +</p> +<p>Ik sloop hen na, als een dief op de loer. Zij hadden mij niet gezien, niet gehoord; zij schoven verder over ’t ijs, teeder +omarmd, amoureus-fluisterend; zij kwamen bij den oever aan een boschje, dat zwart en hoekig op het ijsveld uitsprong. + +</p> +<p>Nog steeds bleef ik twijfelen, wìlde ik twijfelen. Het kon niet, het mocht niet, het zou niet. Ik schudde woest het vreeselijk +denkbeeld van mij af; ik had kunnen huilen en ik had kunnen razen en vloeken van akeligheid en ellende. Mijn oogen stonden +van afschuw wijd opengespalkt, mijn mond gaapte wijd open om te brullen. + +</p> +<p>Zij waren in den neveligen maneschijn om den hoek van ’t donker boschje blijven staan. Door het gewirwar der naakte twijgen +heen zag ik, tegen ’t lichte sneeuwveld achter hen, duidelijk hun sombere gestalten afgeteekend. Ik voelde mij als ’t ware +niet meer leven. Het scheen mij toe alsof mijn gansche wezen aan een draadje hing. + +</p> +<p>Ik zag, dat hij haar eensklaps met zijn beide armen omstrengelde en wild tegen zich <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72">72</a>]</span>aandrukte. En meteen zag ik, dat hij haar een langen plakzoen drukte op den mond! Ik zag dat, en ik wilde schreeuwen, maar +geen klank steeg uit mijn keel. Het bloed suisde in mijn ooren en een seconde sloten zich mijn oogen. Ik voelde mij alsof +ik flauw ging vallen. Maar ’t duurde slechts een oogenblik. Ik kwam weer bij en toen zag en hoorde ik een soort van worsteling, +en ik vernam heel duidelijk haar stem, hààr welbekende stem: + +</p> +<p>—Nie nie g’n meug nie, Frans; hier niet, wa peist ge dan! + +</p> +<p>Ik wist dat zij het was, ik hoorde ’t aan haar stem, dat zij het was, en nog kón ik, nog wilde ik het niet gelooven. Maar +hij werd hartstochtelijker opgewonden, hij greep haar beet en haar rokken, die opwoeien, ontblootten even haar ietwat scheeve +enkels. Ik zag dat, en toen eerst wist ik, toen eerst begreep ik; en ik slaakte een kreet, een rauw gegil dat brulde door +’t sonore van den helderen vriesnacht, alsof een beest vermoord werd! + +</p> +<p>Ik weet niet meer precies wat er daarna gebeurd is.... Ik herinner mij slechts vagelijk <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73">73</a>]</span>haar snerpenden angstgil en zijn razend gevloek en beider struikelende vlucht over het ijs, naar den nabijen oever toe. Ik +meen dat hij nog even, toen hij mij ontdekt had, met woeste verwenschingen op mij afkwam, maar spoedig weer terugkeerde, toen +hij zag dat ik op schaatsen stond en hem in elk geval de baas zou zijn. En haar,—dat althans herinner ik mij duidelijk,—haar +zag ik verder vluchten, vluchten, tot zij de herberg van haar ouders had bereikt, en de deur openrukte en met een rinkelenden +smak weer dichtgooide. Het oogenblik daarna was alle licht daar uit en op het spookachtig wit-en-zwarte torentje van Meylegem +sloeg het langzaam in de nachtelijke stilte tien uur: dat herinner ik mij nog heel goed, heel duidelijk. + +</p> +<p>Toen reed ik langzaam heen, gedrukt, en droef, en zwak, en ongelukkig zooals ik nog nooit in mijn jong leven was geweest. +De koude, strakke ijsvlakte lag daar vóór mij als een vergane en uitgedoofde wereld, waarop geen mensch meer leven kon. ’t +Was de totale eenzaamheid, de absolute doodschheid en verlatenheid, de wanhoop en vernietiging <span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span>van alles; en ik snikte, ik snikte hardop in die groote desolatie; ik snikte om ook maar voor altijd dood en voor eeuwig vergeten +te zijn. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>O Meylegem-Zuid en o Tieldeken-schoon, wat is dat alles lang en lang verleden! Wat heb ik later dikwijls met mijn wanhoopsmart +van toen gespot en wat heb ik het meer dan eens betreurd, dat ik toen nog zoo jong en dom was en in mijn nuchtere, sentimenteele +onervarenheid niet guller heb genoten van wat gij toch wel geven kondet en ook geven wildet. + +</p> +<p>Want ik ben toch tot u teruggekomen, weet ge ’t nog wel, o Tieldeken; en gij zijt goed en lief geweest voor mij, zooals gij +goed en lief waart voor den pummel en voor nog veel anderen (dat heb ik eerst later geweten, o Tieldeken) maar ik was toen +veel te jong om wat ge mij wel wildet geven naar waarde te schatten, en daardoor heb ik meer bij u geleden dan genoten, Tieldeken; +doch nu, na al die jaren, blijft alleen het goede en lieve in mijn geheugen over en ik denk <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75">75</a>]</span>weer aan u met teederheid en weemoed; en ik zie weer uw mooie oogen die ik dicht zoende, en ik voel nog uw zacht en lenig +lichaam dat ik zoo hartstochtelijk omhelsde; en zelfs uw beenen zie ik nog, o, Tieldeken: uw beenen die van boven welgevormd +maar langs onder ietwat krom waren, het eenigste wat u een beetje ontsierde en mij uw verlies (ik zal het u thans maar bekennen) +toen ik u toch eenmaal verliezen moest, niet troosteloos-ondragelijk maakte. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Waar zijt ge nu, o Tieldeken? Leeft ge nog en àls ge nog leeft, wat is er van u geworden in de afgrijselijke ramp die ’t schoone +vaderland geteisterd heeft? Zijt gij gevlucht, als zooveel duizenden en duizenden, in nood en armoede, ergens in ’t verre +onbekende; of zijt ge gebleven waar gij waart, op het mooie, poëtische Meylegem-Zuid, waar nu de vreemde overweldiger, de +vijand, heerscht? Zijt gij geworden als uw moeder, een oude, vervallen vrouw, met nog overblijfselen van vroeger schoonheid, +maar met ingevallen, tandeloozen mond, die “dreupelfs” bestelt <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span>en nijdig met de klanten kibbelt; of ligt gij reeds lang in uw graf, ge weet wel, Tieldeken, daar op ’t lieve kerkhofje onder +het oud en blank kerktorentje, dicht bij het ouderwetsche huis waar gij altijd gewoond hebt en waar mijn eerste jongelingsliefde +zoo vurig voor u heeft gegloeid! O, Tieldeken, ziet gij nog wel ooit de weidsche, overstroomde Meylegemsche Meerschen? Komt +daar nog wel ooit van verre een schuitje aangevaren, licht als een vogel, met een wapperend en klapperend wit-en-rood vaantje +op de scherpe punt; en verschijnt daar ’s winters, als alles glinsterend bevroren ligt, nog wel eens een kunstrijder, die +er voor ’t oud gemeentehuis komt ronddraaien, omringd door een opgetogen schaar bewonderaars, welke nog het legendarisch en +fabelachtig boerke-van-Meylegem meenen te zien? + +</p> +<p>Wie zal het mij nu zeggen!.... + + + +</p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">IV</h2> +<h2 class="normal">Het Land in</h2> +<p>Die teedere herinnering aan ’t mooie Tieldeken en aan het poëtische Meylegem-Zuid <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77">77</a>]</span>heeft alweer mijne verbeelding en mijn pen op hol gebracht. Ik ben weer veel te verre in mijn verhaal den tijd voorbijgeloopen +en ik moet terug, lange jaren terug, naar alles wat nog tusschen toen en nu ligt. + +</p> +<p>“Les fleuves,” zei Pascal, “sont des chemins qui marchent.” De ijsvelden, zou ik er durven aan toevoegen, zijn wegen die trekken. +Hoe is het mogelijk thuis te blijven zitten, of zich op een en zelfde plekje op te houden, terwijl men weet dat zich alom +de vreugdewegen uitstrekken, dat kanalen en rivieren dichtgevroren zijn en dat men zich maar heeft te laten gaan, om spoedig +en gemakkelijk te komen, waar men anders niet komt, om tafereelen te aanschouwen en gebeurtenissen bij te wonen, die men anders +niet zal zien en niet zal bijwonen! + +</p> +<p>Zoo ging het ons, in strenge winters, zoodra de groote waters sterk lagen. Ik herinner mij dat dagelijks gaan kijken naar +’t kanaal, dat hopen en vreezen, dat rusteloos speuren naar den stroom, die overdag weer afvrat wat de vorst des nachts aanbakte, +tot weldra de open geul versmalde en versmalde en eindelijk op een ochtend <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span>dicht lag, hard-dicht, als één lange donker-glinsterende spiegel, zoover het oog kon reiken, tusschen de kaarsrechte, met +boomen beplante oevers van ’t kanaal. + +</p> +<p>Dan kwam in ons een soort van koorts en hoop en vrees stegen ten top. Zou het blijven vriezen; zou het ijs goed sterk worden; +en bovenal zou er niet vóór het goed sterk was, een sleeper doorheen varen, die alles weer openbrak en al onze hoog-gespannen +hoop als ijle rook vervliegen deed? + +</p> +<p>Somtijds, helaas! helaas! kwam er op ’t allerlaatste oogenblik werkelijk nog een sleeper door. Ik herinner mij een ochtend, +een schitterenden vries-ochtend, zoo een van die bladstille, grijs-lila winter-ochtenden, waarin de zon aan neveligen einder +opkomt, gansch rood, gansch rond, als een bol zonder stralen, als een wonder uit een nieuwe, pasgeboren, onbekende wereld. +De handen waren verkleumd, de ooren tintelden, de adem doomde alsof men rookte, maar de oogen straalden en met mijn schaatsen +onder den arm liep ik naar ’t kanaal toe, zoo goed als zeker dat er reeds op gereden werd. + +</p> +<p>Toen, plotseling, hoorde ik iets dat mijn <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79">79</a>]</span>beenen verlamde en den adem in mijn keel deed stokken: Een geloei, een gebrul, schor en akelig-langgerekt, als een noodkreet +van verwoesting: de stoomfluit van een sleeper! + +</p> +<p>Hoe was het mogelijk! ’t Kanaal lag reeds enkele dagen dicht en dien nacht had het gevroren, gevroren! Ik kon noch wilde het +gelooven en holde naar de vaart toe, om mij te overtuigen dat het slechts een akelige zinsverbijstering van mij was. + +</p> +<p>Helaas! helaas! drie maal, tien maal, honderd maal helaas! Zoodra ik op den berm kwam zag ik een dikke, zwarte rookpluim en +onder die rookpluim de sombere sleeper, die als een vraatzuchtig beest door ’t mooie ijs geploegd kwam. Ik vloekte en meteen +had ik kunnen snikken van ellende. Ik zag die scherpe, zwarte punt door de spiegelgladde <span class="corr" id="xd0e702" title="Bron: oppelvlakte">oppervlakte</span> boren; ik zag het ijs barsten als glas en ik hoorde het als ’t ware schreien onder ’t kraken; ik zag de van elkaar gerukte +schotsen naar de oevers opkruien en zich daar in de wanhopigste verwarring boven op elkander stapelen, ik zag het reddeloos +vernietigen van al die schoone hoop-in-belofte, die bijna reeds <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span>werkelijkheid was; en zulk een woede greep mij aan, dat ik mijn beide vuisten balde naar het werk van de vernielers en aan +de zwarte, vuile mannen daar op ’t dek toeschreeuwde, dat ik hen allen met hun rotte schuit naar den kelder wenschte. Zij +lachten mij uit met hun gemeene, koolzwarte tronies en uittartend lieten zij weer hun heesche stoomfluit brullen, oorverdoovend +lang en akelig, om te eischen dat men ginds even verder in het dorp, de brug voor hen ophaalde. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Dat waren dan de doodende gebeurtenissen, doch niet elk jaar trof ons zulk een gruwelijke ramp. Er kwamen ook winters waarop +het ijs aan de vernielingszucht der menschen ontsnapte en dan werden wij de triomfeerende helden van die heerlijkheid en ons +genot kende geen grenzen meer. + +</p> +<p>O, die tochten, die tochten, die uren-en-die-dagenlange tochten over de kanalen en rivieren van het schoone Vlaanderenland! + + +</p> +<p>Het kanaal op zichzelf was slechts een rechte, vrij eentonige verbindingsweg en daar het vrij diep lag tusschen zijn oevers +was er <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81">81</a>]</span>omheen al niet veel te zien; maar aan het uiteinde van het kanaal was er een sluis; en dan had men de Leie, de mooie, kronkelende, +poëtische Leie, de rivier der dichters en der schilders, die als het ware plat over het land heen lag uitgeslingerd met langs +haar grillige boorden de schoonste ouderwetsche dorpjes, de kleurenrijkste boerderijtjes en de verrukkelijkste vergezichten +welke een artiesten-ziel zich droomen kan. + +</p> +<p>O, witte kleine kerktorentjes, mooier en intiemer nog dan het liefelijk Meylegem-Zuid; oude, oude torentjes van nietige dorpjes, +zooals gij u daar stond te spiegelen onder boomen, op een heuveltje, bij een lus der rivier, gansch wit en grijs, met zwarte +klokgaten-oogen; lieve torentjes van Vlaanderen, bestaat gij nog? Ik durf aan u haast niet meer denken, zóó zwaar drukken +mij heimwee en vrees. Maar zooals ik u tóén zag, in die heerlijke dagen, in die zacht-wazige atmosfeer van wit, en roze, en +mauve, teer doorzeefd van tintelend zonnegoud, zoo zie ik u nog steeds in mijn geheugen en vergeet ik u nooit! + +</p> +<p>Het was een wonder en ontroerend leven. <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span>Evenals de natuur zelve, schenen de menschen van aard en karakter veranderd. Dat doet het ijs. Het ijs maakt andere, nieuwe +wezens van de menschen. Er ontstaat ineens een ongekende broederlijkheid en vrijheid van omgang. De mensch vertoont zich, +schijnt zich althans te willen vertoonen, zooals hij werkelijk is. En onder den invloed van het ijs, het schoone ijs der schoone +winterdagen, ontluikt de liefde, de lichte, vroolijke liefde van een dag of van een uur, gelijk een mooie bloem die even geurt +en kleurt en fleurt en even gauw verwelken mag als zij ontstond, zonder wrange spijt noch wroeging na te laten. + +</p> +<p>O, wat al vluchtige, korte liefdes in dat frisch en licht, charmant verleden! Wat al mooie boerinnetjes, wel zoo mooi en zelfs +nog mooier dan het aardige Tieldeken van Meylegem-Zuid, eventjes in ’t voorbijrijden gezien met blozende wangen en stralende +oogen; eventjes aangesproken, en de hand gedrukt en ook wel eens gezoend en in de lenden geknepen, maar dan ook zonder spijt +weer verder, naar andere bekoringen, naar andere oogen en andere lippen, als een vrije <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83">83</a>]</span>vogel van tak op tak, als een lichte en lichtzinnige kapel van bloem tot bloem! Het had niets ernstigs te beteekenen, het +vulde een uur of een half uurtje van den vroolijken dag; het was een glimlach en een streeling, een opwekkende prikkeling +der zenuwen, iets als de prikkeling der scherp-gezonde lucht, die alles zoo goed en zoo licht en verrukkelijk maakte. Want +de grond en de basis van al dat heerlijke genot was en bleef toch steeds het element-zelf waardoor en waarop het gebeurde: +het ijs en het schaatsenrijden! En terwijl al die lichte minnarijtjes als het ware om ons heen in de ijle atmosfeer wegwoeien, +zweefden wij zelven steeds verder en verder, verslonden wij afstanden en dorpen en kwamen telkens weer in streken waar weer +alles nieuw was. Waar wij ook verschenen was het een verrassing, een openbaring, en als ’t ware een verovering. Bij ieder +dorp, in elke kleine stad vertoonden wij onze kunsten en genoten wij triomfen; en telkens hoorden wij, evenals vroeger te +Meylegem-Zuid, uit de bewonderende scharen den kreet opgaan: ”’t Es boerke van daar of van daar!” want ieder dorp, elk gehucht, +<span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84">84</a>]</span>hoe klein en onbeduidend ook, had zoo zijn legendarisch boerke, zijn ijsheld, dien niemand ooit gezien had, maar dien allen +kennen wilden en in elken knappen, vreemden schaatsenrijder meenden te ontdekken. + +</p> +<p>Toen dacht ik weer aan Tieldeken van Meylegem en voelde een soort wroeging en heimwee. Wat had ik haar verwaarloosd, bijna +vergeten! En ik reed er weer eens heen en bleef er enkele uren; maar ’t was reeds dàt niet meer, de vrijheid trok, de onrust +kwelde, de groote ijswegen van ’t schoone land lokten almachtig en de Meylegemsche Meerschen, hoe ruim en heerlijk ook, waren +reeds te klein geworden. + +</p> +<p>Ik moest weer weg en verder, de wijde wereld in. + + + + +</p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">V</h2> +<h2 class="normal">De groote, deftige ijsliefde</h2> +<p>Dat rusteloos rijden en trekken, dat steeds verder en verder willen komen en steeds meer willen zien en genieten, bracht mij +ten slotte van uit de schoone eenzaamheid der dorpen en der velden tot in de groote, <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85">85</a>]</span>drukke stad, waar veel en veel duizenden menschen leefden. Ik maakte er kennissen, die van lieverlede vrienden werden. Weldra +verkeerde ik er op intiemen voet met den Grooten Dichter, den Grooten Schilder, den Grooten Musicus en nog veel anderen, allen +hartstochtelijke schaatsenrijders. Wij reden er samen gecompliceerde en mooie figuren midden in een elegante drukte van dames +en heeren, die ook reden en ons zeer bewonderden. En zoo langzaam aan breidde de kring van kennissen zich uit en wij werden +allen mondaine rijders en weldra zag men ons zwieren met mooie, geparfumeerde wezentjes, in rijke, bonten mantels en ’t werd +een soort gedistingeerde hofmaking van elken dag, waaruit,—zoo werd gefluisterd,—wel een paar chic-que huwelijken zouden kunnen +voortspruiten. + +</p> +<p>Huwelijken!.... Ik geloof niet, dat een van ons allen daar een oogenblik ernstig aan dacht. Misschien dachten de mama’s er +aan, terwijl ze, vaag haar dochters chaperoneerend, met welwillenden glimlach zich in sleedjes lieten voortduwen, en misschien +wel dachten de meisjes zelven aan <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86">86</a>]</span>iets dergelijks, want haar oogen straalden zoo en zij schenen zoo intens van alles te genieten; doch wij.... neen.... wij +dachten alleen aan prettig schaatsenrijden en een beetje los en aardig flirten. + +</p> +<p>Maar hoe dan ook, de Groote Dichter reed stellig bij voorkeur met een aardig snoetje, die een mooie, bruine pels en een toque +met paarse viooltjes droeg; de Groote Schilder, die lang en mager was, scheen zijn keuze te hebben gevestigd op een mollig, +frisch wezentje met appelronde en roze wangen, en de Groote Musicus, vrij kort en dik van figuur met fladderende krullokken, +zooals een musicus betaamt, kleefde vast aan een lang-opgeschoten, mager meisje, zeer elegant, maar ietwat stijf en stroef +in haar bewegingen. Ik alleen had nog niets vasts! + +</p> +<p>Nog niets bepaalds, maar wel iets in ’t zicht!.... + +</p> +<p>Langs de lange banen die ik volgde om ter groote stad te komen, langs de vele en sierlijke lussen en bochten der poëtische +rivier, rezen menige villa’s, buitens en kasteelen op, die ’s zomers allen vroolijk bewoond, <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87">87</a>]</span>maar bijna zonder uitzondering ’s winters stug en dicht gesloten waren. + +</p> +<p>Bijna allen, maar toch niet àllen! Een was er, ongeveer halverwege tusschen mijn dorp en de groote stad, dat het gansche jaar +door werd bewoond. ’t Was een baron, die daar vertoefde, burgemeester der gemeente. Ik had wel eens zijn naam hooren noemen, +maar hem zelf nooit gezien. Ik wist ook niet dat hij gehuwd was en kinderen had en ’t kon mij trouwens ook niets schelen. + + +</p> +<p>Het was een mooi kasteel, lichtroze en grijs in harmonieuze schakeeringen en het verhief zich tegen een achtergrond van statige +boomen, op een zacht-glooiend grasveld, bij een bocht van de rivier, die daar een breeden inham maakte. ’s Zomers moest men +er voorzeker van een heerlijk vergezicht genieten over de stille kronkelingen van het water en de alomliggende weiden, bosschen +en landouwen. Maar zelfs in ’t barre van den winter was het er liefelijk en mooi en het verwonderde mij niet, dat de familie +er ’t gansche jaar door bleef wonen. Ik keek er telkenmale naar met welgevallen wanneer ik daar voorbij reed en alleen verbaasde +<span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span>’t mij dat de menschen die daar leefden niet de heerlijke gelegenheid te baat namen om er volop van ’t ijs te profiteeren. +Hoe is ’t mogelijk! dacht ik telkens in mijzelf. En ik had daar wel willen aan wal stappen en binnen gaan om hen te zeggen: +“Maar, menschen, komt nu toch op ’t ijs, niemand in den ganschen omtrek heeft zulk een prachtige gelegenheid, vlak vóór zijn +deur!” + +</p> +<p>’t Was of mijn stillen aanroep werkelijk geuit werd en of zij er gehoor aan gaven. Eens, op een morgen, toen ik daar langs +kwam, waren zij werkelijk aan ’t schaatsenrijden! Ik kende hen wel niet, maar ik begreep dadelijk en instinctief, dat “zij” +het waren. Dat voelt men zoo, dat ziet men, dat hoeft niet gezegd. Met hun vijven waren ze: een jongeling van zeventien of +achttien, twee meisjes van dertien of veertien, een juffer zonder leeftijd, die er uitzag als een gouvernante en ten slotte +een jonge dame van misschien acht en twintig of dertig, een beeldschoone vrouw. + +</p> +<p>’k Ben meer dan eens, met alles-verzengenden, plotselingen gloed, verliefd geworden op het ijs, maar zóó totaal en overweldigend-verliefd +<span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89">89</a>]</span>als ik dáár werd op ’t eerste zicht, neen, dàt was mij nog niet overkomen. Ik had maar één plotse afschuwelijke, alles-vernietigende +vrees: dat zij wellicht de moeder was der andere kinderen en dat mijn vlam dus in den dop versmacht zou worden; doch op hetzelfde +oogenblik dat die gruwelangst door mijn ziel heen ijsde, hoorde ik de jongere meisjes familiair haar naam “Olga! Olga!” uitroepen +en het streek als een zalvende balsem over mijn gefolterd hart. + +</p> +<p>Zij was lang en slank van gestalte, maar met toch mooi-gevulde vormen, en zij had schoone regelmatige trekken, en prachtig, +donker haar, en een gezond, frisch teint, en oogen.... oogen, zooals ik er nog nooit zulke sprekende, bezielde, overweldigend-prachtige +gezien had. Haar gansche beeld boeide mij zoo totaal en absoluut, dat ik staan bleef, als plotseling geremd, als vastgevroren, +om haar te bewonderen. Zij droeg een donkerblauwe japon en daarboven een witte jersey en wit-wollen mutsje, en dat stond haar, +dat mouleerde haar mooi lichaam en sierde haar mooi hoofd, om er ziek van te worden! +<span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90">90</a>]</span></p> +<p>Zij reed niet goed. Men kon duidelijk merken, dat ze zich nog maar weinig had geoefend. Haar bewegingen waren stroef en aarzelend, +maar hoe gracieus niettemin, hoe heerlijk en ontroerend gracieus, wellicht juist omdat ze ietwat hulpbehoevend waren! Zij +reed heen en weer met de jongere meisjes, die ook al vrij gebrekkig reden, evenals de gouvernante trouwens, die met moeite +kraste en krabbelde, en heelemaal geen elegance had. De jonge jongen, op een apart plekje, poogde zich te oefenen in ’t kunstrijden, +maar ’t was armzalig, hij kende er nog niets van, hij struikelde en gleed uit en dreigde elk oogenblik te zullen vallen. + +</p> +<p>Ik stak een sigaretje op, schijnbaar achteloos, als om even uit te blazen, zwierde een paar keer gewoon heen en weer en trok +dan plotseling, op het geschikte oogenblik, waar ze ’t goed konden zien, met zegevierend brio, een van mijn allerprachtigste, +allergecompliceerde kunstfiguren. + +</p> +<p>Zij zagen het en stonden eensklaps stil, als ’t ware pal van verbazing en bewondering. + +</p> +<p>—Olga! Olga! <span lang="fr">tu as vu, <span class="corr" id="xd0e779" title="Bron: ca">ça</span></span>! riep een van <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91">91</a>]</span>de meisjes, in ’t Fransch, tot de ontroerende schoone. + +</p> +<p>Ik, natuurlijk, deed, alsof ik niets gemerkt had. Maar mijn hart klopte, klopte....! Ik schudde de asch van mijn sigaret, +reed een eind weg, keerde terug, nam mijn elan en waagde een figuur dat, als het lukte, een van mijn gróót-triomfen was. + +</p> +<p>Het lukte! Als een vogel zweefde en fladderde ik over het ijs en achter mij ging weer een kreet op van bewondering, terwijl +ze zich nu allen in een groepje schaarden en kijkend stonden te wachten wat er nog meer zou gebeuren. + +</p> +<p>Iets in het diepste van mijn wezen zei mij, dat er nu niets meer mocht gebeuren. De triomf was totaal, compleet, en kon slechts +meer bedorven worden. Ik had ineens, door mijn smorende liefde overweldigd, tè veel gegeven; ik had meer gegeven dan ik werkelijk +kon en ik hijgde en duizelde van de inspanning. Mijn opgewekte zintuigen waren tot het uiterste geprikkeld en gescherpt en +’t zou mij welkom zijn geweest als er nu plotseling met mij iets was gebeurd; een flauwte, een inzinking, een klein accident, +iets <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span>dat mij alle verder kunstenvertoon onmogelijk maakte. En plotseling kreeg ik een geniale ingeving: ik begon een kunsttoer, +iets geweldigs van aanvang, alsof ik nu eens alle bekende en onbekende wereldrecords ging slaan; maar meteen zorgde ik er +voor dat een van mijn schaatsen even over het ijs schraapte, en haperde, en hobbelde, alsof er iets aan mankeerde of gebroken +was. Ik remde midden in mijn wildste zwieren, tilde den voet op, keek naar mijn schaats, schudde bedenkelijk het hoofd en +hinkte op één been naar den oever toe. Ik hield het voorname groepje wel in ’t oog, ik merkte duidelijk een spijtige, teleurgestelde +uitdrukking op de gezichten en hoorde deze mij zoo zoet in ’t oor klinkende woorden: + +</p> +<p>—Quel dommage! Il a cassé un de ses patins! + +</p> +<p>Ik was gaan zitten op den grasrand bij den kant en had mijn rechterschaats losgemaakt. Ik keek ter sluiks en dacht: “Zouden +ze zich niet interesseeren? Zouden ze niet komen vragen wat scheelt er?”.... Helaas! zij kwamen niet. Ze bleven nog een poosje +staan kijken, wellicht wachtend of ik het <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93">93</a>]</span>gebrek kon repareeren en weer met mijn kunsten zou beginnen; maar toen ze merkten dat er niets van kwam, keerden ze zich weldra +om en gingen kalm weer aan ’t knoei-rijden. Diep voelde ik mij ontnuchterd en teleurgesteld. Het was zoo mooi begonnen, ’t +liep alles zoo prachtig van stapel en nu, juist nu als het tot een triomf moest opbloeien, ging het als een nachtkaars uit! +Wat nu! Zou ik weer mijn schaats aantrekken en mij in vertooning geven? Neen: ik voelde, dat ik dàt niet doen moest. Nu was +er nog als een aureool van slachtoffer om mij heen. Ik moest dien dag slachtoffer blijven. Dat stond beter, grooter, verhevener. +Nu konden ze nog in hun herinnering bewonderen wat ze gezien hadden en treuren om wat hun onthouden werd. Zij zouden er nog +met elkander over spreken, mij beklagen, hopen mij terug te zien. Ik stond op, met mijn rechterschaats onder den arm en op +mijn linkerbeen alleen, dat ’t sterkste van de twee was, zwierde ik over het ijs weg, licht en krachtig nog ondanks mijn ongeval, +waardig en zelfs groot,—ik voelde het,—in den onverdienden tegenspoed die mij <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94">94</a>]</span>getroffen had. Even voorbij de bocht keek ik eens om en zag, dat ze mij naoogden. Mijn gemoed zwol van trots en ik ademde +diep. Ik voelde dat ik indruk had gemaakt, ja, dat ik overwonnen had. Er was daar een gehucht van kleine huisjes aan den rand +van ’t water, waaronder een herbergje. Ik wipte aan wal en stapte er binnen. Een dikke vrouw kwam naar mij toe, groette mij +<span class="corr" id="xd0e800" title="Bron: vriiendelijk">vriendelijk</span>, praatte dadelijk over ’t mooie weer en vroeg mij wat ik wenschte. Ik begreep terstond dat ik met een babbelkous te doen +had,—juist wat ik op dit oogenblik verlangde,—bestelde iets en bracht al spoedig het gesprek op de baronsfamilie, die daar +bij ’t kasteel ook zoo lustig aan het schaatsenrijden was. + +</p> +<p>—Ha da ès toch wat, e-woar, meniere; en mejonkvreiw Quiline, die doar euk nog aan mee doet! riep de dikke vrouw, de beide +handen op haar heupen zettend. + +</p> +<p>Mejonkvrouw Quiline! Die mooie naam trof mij geweldig. Ik voelde dat “zij” het was, dat “zij” het wezen moest. Het kon niet +anders. + +</p> +<p>—Is dat de oudste van die jonge dames! <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95">95</a>]</span>vroeg ik, mij met inspanning zoo schijnbaar kalm en onbewogen mogelijk houdend. + +</p> +<p>—Joa ’t meniere; joa ’t meniere, bevestigde de struische waardin. En zij begon mij een gecompliceerd verhaal over mejonkvrouw +Quiline, een wees van adel, maar zonder fortuin, die bij haar oom, den baron, inwoonde en zoo lief en zoo aardig was, zoo +vriendelijk met alle menschen, heelemaal niet trotsch of verwaand, “en zuk ’n scheun vreiwe-meinsch, meniere, as ’t ’n boeremeiske +woare dat den helft van ’t dorp d’r zot van zoe leupen!” + +</p> +<p>Een wees, dacht ik, en geen fortuin, hoewel van adel, en zoo lief en zoo aardig, en misschien wel tegen haar zin gedwongen +daar, als behoeftige bloedverwante, bij haar oom in te wonen! Horizonnen gingen heerlijk zacht-verleidend vóór mij open; horizonnen +van geluk en liefde, van levensblijde zaligheid in ideale toekomst! + +</p> +<p>Zoodra ik met het babbelwijf had afgerekend trok ik weer mijn schaatsen aan en weg was ik, in één adem door, naar de stad +toe. Op het ijs vond ik er dadelijk mijn vrienden: den Grooten Dichter, den Grooten <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96">96</a>]</span>Schilder, den Grooten Musicus, als naar gewoonte druk aan ’t zwieren met de vriendinnetjes die ze zich uitgekozen hadden; +maar zij waren eenigszins ontstemd omdat het ijs zoo slecht werd in de buurt der stad, zoo doodgereden; en zij vroegen mij +of er op mijn lange baan niet een of ander mooi en rustig plekje was, waar ze zich beter zouden kunnen oefenen. + +</p> +<p>Een licht ging vóór mij op. Ineens, met pijlsnelle gevolgtrekking, zag ik de mogelijkheid in van heel dichtbij mijn ideaal +te benaderen. In mijn eentje,—dat voelde ik wel,—zou het mij lastig, zooal niet onmogelijk zijn, met haar in aanraking te +komen. Maar in gezelschap van anderen, vooral als er dames bij waren, was er een zeer besliste kans op. Mijn oogen straalden +en ik voelde mijn wangen een kleur krijgen. + +</p> +<p>—Ik weet een heerlijk plekje, prachtijs, zoowat drie kwartier rijdens hier vandaan, vlak vóór ’t kasteel van X. zei ik. + +</p> +<p>Strak en ietwat aarzelend, keken zij mij even aan. Drie kwartier rijdens, ’t was wel een heel eind. Zou het werkelijk de moeite +loonen? Was het inderdaad zulk mooi ijs <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span>als ik zei en werd er daar nog meer gereden? + +</p> +<p>—De familie van den baron rijdt er dagelijks: een jonge man en verschillende dames! antwoordde ik met geestdriftige overtuiging, +alsof dit op zichzelf wel een voldoende en afdoende argument moest wezen. + +</p> +<p>Ik vrees wel en ik geloof ook, dat de vurigheid van mijn betoog op dat oogenblik de warmte van mijn diepen hartstocht heeft +verraden. Zij keken mij allen een beetje verwonderd aan en de Groote Dichter zei spottend: + +</p> +<p>—Hohóó! En zijn er knappe meisjes onder? + +</p> +<p>Ik kreeg een kleur als vuur. Ik voelde ’t bloed onder mijn wangen gloeien en stond daar even radeloos, zonder te kunnen antwoorden. +Doch wat ik ook al zeggen wou, ’t bleek overbodig, zij hadden mijn geheim op mijn benauwd gezicht gelezen en vierden er de +dolste pret om. Zij vroegen mij schertsend haar naam, haar leeftijd, en hoe zij er uitzag en honderd dingen meer. Ik had wel +’k weet niet wat gegeven als ik daar nooit over begonnen was; maar ’t was te laat, zij raakten opgewonden over het geval en +ondanks mijn halsstarrige ontkenningen en mijn verwoede <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98">98</a>]</span>tegenkanting wilden zij nu absoluut daarheen; en er werd afgesproken, dat zij mij den volgenden ochtend, om elf uur, op de +aangewezen plek, vóór het kasteel, zouden verwachten. + +</p> +<p>—Ik zal er niet zijn! riep ik razend, van spijt op mijn onderlip bijtend. En ’k was ook vast besloten niet te komen. Ik was +zóó ontstemd, dat ik moeite had om niet te huilen en te schelden en ik verliet hen dien avond als vijanden, die ik nooit terug +zou zien. + +</p> +<p>Ik sliep niet, dien nacht. Zelden heb ik mij zóó diep ongelukkig gevoeld. ’t Verdriet om Tieldeken van Meylegem, was niets +daarbij vergeleken. Hoe was het toch mogelijk dat ik zelf, met slechts een paar onbezonnen woorden, in een oogwenk, mijn teedere +illuzie, mijn schoon ideaal, mijn frisch en jong geluk ontfleurd, geschonden en vernietigd had! + +</p> +<p>Half ziek van ellende stond ik op. Gedurende mijn woeligen, slapeloozen nacht had ik gewenscht en gehoopt dat het weer zou +veranderen, dat het waaien, regenen, dooien zou; maar nog nooit had de winterzon zoo heerlijk in rein-stillen hemel gestraald +en <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span>gebloeid als dien ochtend en dat verergerde mijn radelooze ontreddering, want nu zouden zij zeker komen, evenals het vast +en zeker was, dat ook de bewoners van ’t kasteel niet zouden nalaten van dit prachtig weer te profiteeren. + +</p> +<p>Toch was ik vast besloten niet te gaan. Zoo zou ik mij wreken. Mij wreken.... maar zelf meteen folterend lijden. ’t Werd negen +uur, kwart over negen, half tien. Een rustelooze gejaagdheid zweepte mij op, dreef mij voortdurend heen en weer, deed mij +elk oogenblik mijn horloge uithalen. Nog een half uur, nog een kwartier, en ’t zou te laat worden, ik zou er niet meer kùnnen +komen! Of zou ik wellicht toch.... al was ’t maar op een afstand.... van verre.... ergens mij verschuilen.... kijken, al was +’t maar om te weten of ze werkelijk gekomen waren, en hoe ze zich daar hielden....? Ik voelde mij krankzinnig worden van onrust +en ellende; en plotseling was mijn besluit genomen: ik greep naar mijn schaatsen, vloog naar de deur, holde buiten, kwam aan +’t kanaal, bond aan en reed weg, alsof mijn leven op het spel stond. +<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span></p> +<p>Nog nooit had ik zóó gereden! Nu nog, als ik er aan terug denk, voel ik als ’t ware die wilde opzweeping, dat rijden op leven +en dood, dat hijgen en dat bonzen van mijn hart en de zweetstralen die in de straffe winterzon langs mijn gloeiende wangen +stroomden. “Die moet er zijn!” riepen de schaatsenrijders, die mij als een bezetene langs hen heen zagen razen. Eerst toen +ik in de buurt van het kasteel gekomen was, bedaarde ik een weinig. Ik kòn ook niet meer. Ik was letterlijk op. Maar ik verademde +in al mijn zwoegen, toen ik merkte dat mijn inspanning niet tevergeefsch was geweest en de adellijke familie daar rustig op +’t gewone plekje aan ’t rondrijden was, zonder een van mijn gevaarlijke vrienden in hun nabijheid. Die waren er dus nog niet; +ik kon ze tegemoet rijden en eventueel tegenhouden; ik kon althans een soort contrôle uitoefenen op hun optreden en zorgen, +dat ze geen gekheden uithaalden. Ik ging een oogenblik op den oever zitten om wat te bekomen en toen reed ik kalm en langzaam +verder, in de richting van ’t kasteel toe. + +</p> +<p>Wat lag het daar mooi en deftig en sierlijk, <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101">101</a>]</span>gansch badend in stralende winterzon en blauwen hemel en wat scheen het mij heerlijk daar te mogen leven! Ik zag er mij reeds, +in mijn rijke en vlugge verbeelding, zittend aan een feestdisch naast haar en ik gloeide van liefde en tranen van geluk en +zelfverteedering kwamen in mijn oogen. Daar reed ze weer, met haar nichtjes en de juffer en haar neef op het verrukkelijk +plekje heen en weer, en zij scheen mij nog veel mooier en bekoorlijker dan al de vorige dagen; en ik fluisterde in mij zelf +haar naam, haar zachten, lieflijken naam: Quiline, en in mijn sidderende verbeelding omarmde ik haar en zoende haar hartstochtelijk, +op de wangen, op de oogen, op de lippen.... + +</p> +<p>In zulke ontbrandende stemming reed ik langzaam en schijnbaar kalm, met sierlijke zwaaien voorbij. O, zoo dacht ik, ze moest +eens weten, ze moest eens voelen wat ik op dit oogenblik weet en voel! Zij zagen mij en staakten even hun nog steeds vrij +sukkelige oefening om mij na te staren. Ik zwaaide en zwierde als een verliefde jonge God over het ijs. Ik hoorde hun opmerking: +“C’est lui, c’est le même!” en ’t zwol in mij <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span>van trots en van ontroering. Wat was ik blij dat ik toch maar gekomen was! En wat een geluk dat ik er toch nog de eerste was +en de anderen een eind tegemoet kon rijden! Als die nu ook maar kwamen! Zoozeer als ik hun komst eerst gevreesd had, zoo sterk +verlangde ik er nu naar. Ik voelde als het ware een triomfstemming in en alom mij heen: een triomf, die eerst volmaakt zou +worden, als de anderen er nu getuigen van werden en er in medewerkten. + +</p> +<p>Daar waren ze! Ik zag ze komen van verre, even voorbij het herbergje der babbelkous, waar ik den vorigen dag gepleisterd had. +Zij zwaaiden naar mij met hun armen en op hun verhitte gezichten en in hun stralende oogen glom reeds bij voorbaat ondeugende +pret. + +</p> +<p>—Is ze daar! riep de Groote Dichter mij toe. En de Groote Schilder zond kushanden door de lucht, terwijl de Groote Musicus +pathetisch galmde: “Oh bel ange, ma Lucie!” De jonge dames giegelden en lachten. + +</p> +<p>—Houen jullie toch wat stil! zei ik bezorgd en onrustig mijn wenkbrauwen fronsend. + +</p> +<p>Maar zij waren nu eenmaal dol opgewonden, <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103">103</a>]</span>zooals meer gebeurt met stadsmenschen, wanneer ze buiten komen; en die opgewondenheid uitte zich in vrij smakelooze uitbundigheden. +Omdat een haan luid kraaide op een boerderijtje langs den oever, begonnen zij ook allen schril te kraaien. Omdat een waakhond +blafte gingen zij ook aan ’t blaffen en omdat de babbelkous van ’t herbergje met onbehouden nieuwsgierigheid naar hun rumoerigen +optocht kwam kijken, zetten zij ook allen groote oogen van overdreven verbaasdheid op en riepen ’t wijf in het Fransch gekke +dingen toe waarvan ze geen woord kon verstaan. + +</p> +<p>—Asjeblief doe dat niet! smeekte ik diep ongelukkig, met het ellendig gevoel dat mijn gansche triomf als sneeuw vóór de zon +ging versmelten. + +</p> +<p>Zij bedaarden een weinig. Zij reden kalmer naast mij door en toen zij weldra in ’t zicht van het mooie kasteel kwamen dat +daar gansch glinsterend roze in zonneglans te baden stond en de deftige familie zagen, die zich bij den inham in het schaatsenrijden +verlustigde, scheen het wel eenigen indruk op hen te maken. De Groote Dichter had <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104">104</a>]</span>woorden van waardeering en vooral de Groote Schilder jubelde, terwijl de Groote Musicus even zijn pet afnam en zijn manen +van voor het voorhoofd wegschudde om beter te zien. De vrouwen waren typisch. Zij keken al niet veel naar het kasteel en zijn +mooie omgeving, maar zagen dadelijk de schaatsenrijdende meisjes; en een gepinceerde uitdrukking kwam om haar lippen, terwijl +ze scherp-critisch het viertal opnamen. + +</p> +<p>—Dewelke is het nu? vroeg spotachtig de Groote Dichter. + +</p> +<p>—Zal ik het je zeggen! riep levendig het aardig snoetje, dat altijd met hem reed: de grootste is het: die met haar blauwen +rok en witte trui! + +</p> +<p>—Maar ’t is al een oude! giegelden de twee anderen. + +</p> +<p>Ik voelde ’t bloed naar mijn wangen stijgen. Ik had wel onder het ijs willen wegzinken! + +</p> +<p>—Praat toch zoo hard niet! zuchtte ik wanhopig. + +</p> +<p>De deftige familie had ons opgemerkt. Verwonderd door onze onverwachte verschijning, stonden zij daar even op een rijtje, +roerloos, met belangstelling ons opnemend. <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105">105</a>]</span>Zij wisselden enkele woorden, glimlachten, en gingen dan weer kalm doorrijden. Er was ik weet niet welke vage stemming van +stille, onverklaarbare hostiliteit. + +</p> +<p>—Hoe oud is ze? kwam de Groote Dichter met schijnbaar-ernstige belangstelling naar mij toe. + +</p> +<p>—Weet ik het! klonk mijn ongeduldig, gesarde antwoord. + +</p> +<p>—Het ijs is hier mooi, laten we maar wat figuren rijden, zei het meisje van den Grooten Dichter, die dadelijk gemerkt had, +dat de deftige familie slechts een troepje knoeirijders was. + +</p> +<p>En zij begon sierlijk te zweven. + +</p> +<p>De anderen volgden haar voorbeeld. En dadelijk werden op het mooie plekje eenige kunstfiguren getrokken, zooals het ijs er +daar wellicht nog nooit ontvangen had. + +</p> +<p>Het scheen diepen indruk te maken. Weer stond de deftige familie roerloos op een hoekje te kijken en van lieverlede, zonder +het haast te merken, namen wij meer en meer de plaats in, waar zij zich tot dusver geoefend hadden. Ik zag het eensklaps met +schrik en zei: + +</p> +<p>—Laten we liever een eindje meer naar <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106">106</a>]</span>’t midden der rivier gaan, ik vrees dat we hier hinderen. + +</p> +<p>Maar de meisjes protesteerden luide: + +</p> +<p>—Waarom? Het ijs is hier uitstekend en de rivier is toch geen privé eigendom? + +</p> +<p>Ik zweeg, geconsterneerd. Hoe durfden ze zoo onbescheiden op te treden! Die stadslui, eenmaal buiten, hadden toch geen greintje +beschaving of tact meer! En weer speet het mij geweldig, en had ik kunnen schreien van spijt en ellende, dat ik hen daar gebracht +had. Het verlamde mij totaal, al mijn pleizier was ineens weer weg, ik reed geen steek meer, ik stond daar roerloos en benauwd +te kijken, in voortdurenden angst dat er iets vreeselijks gebeuren zou. + +</p> +<p>De deftige familie, een enkel oogenblik geboeid, nam reeds geen notitie meer van ons. Zij bleven in hun hoekje, dat steeds +kleiner werd en sukkelden daar knoeierig heen en weer en de stemming van stille hostiliteit, die ik al van ’t begin gevoeld +had, scheen zich te accentueeren, uit te breiden! ’t Was ook te gek, zooals die steedsche meisjes zich daar aanstelden. Omdat +ze iet of wat konden kunstrijden, deden zij alsof <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107">107</a>]</span>ze heldinnen waren in de sport en keken met onverholen minachting en spot naar ’t gewurm der anderen. “Niet fameus, het rijden +van je belle,” riep een van haar mij in ’t voorbijzwieren toe, luid genoeg dat de freule het wellicht hooren kon. Ik had haar +wel kunnen omvergooien van woede en ’t schaamterood steeg als een golf naar mijn wangen. + +</p> +<p>—Ik blijf hier niet; ik ga weg! riep ik eensklaps met luider stem, in opstand komend. + +</p> +<p>Met verbazing keken zij mij aan; en ook de deftige familie, die blijkbaar mijn uitroep gehoord had, bleef even staan en drong +op een kluitje samen. + +</p> +<p>—Wat heb je toch! Word je gek! vroeg spottend de Groote Dichter. + +</p> +<p>Eensklaps verliet de jongeling, die met de deftige familie reed, het ijs en op zijn schaatsen, met breede, onbehendige schreden, +als een die iets heel dringends mee te deelen heeft, liep hij dwars over het glooiend grasveld naar ’t kasteel toe. Ik zag +hem door de glazen vestibule-deur verdwijnen en voelde instinktmatig dat er iets heel gewichtigs, <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108">108</a>]</span>wellicht iets vreeselijks gebeuren ging. De Groote Schilder en de Groote Musicus merkten het ook en schertsten: + +</p> +<p>—Hij gaat ons een glas port halen! + +</p> +<p>Mijn hart klopte en mijn knieën knikten. Nog nooit had ik mij zoo grenzeloos-ongelukkig gevoeld. “Asjeblief, schei toch uit,” +smeekte ik, terwijl er tranen in mijn oogen kwamen. Maar zij lachten en spotten nog veel harder toen ze dat zagen en vooral +die ellendige stadsjuffers hadden gemeene, onmeedoogende pret. + +</p> +<p>In ’t kasteel was de vestibule-deur weer opengegaan en langzaam, met een soort aarzeling, kwam een huisknecht buiten en stapte +dwars over het gras naar de rivier toe. Hij was blootshoofds, droeg een zwarte pantalon en een roze-en-wit-gestreept buisje +en had een groote witte schort aan, als een vrouw. Naast hem kwam ook de jongeling weer buiten, die met groote, wijde waggelschreden, +als een eend op ’t droge, naar de anderen terugliep. + +</p> +<p>De knecht was bij den rand van ’t ijs gekomen. Hij scheen een oogenblik te weifelen, maar waagde zich toch eindelijk en kwam, +<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109">109</a>]</span>voorzichtig en stram schuivend, naar den Grooten Dichter toe. + +</p> +<p>—Pardon, mossieu, begon hij in gebrekkig Fransch, mossieu le baron demande si voulez patiner un peu plus loin; ça est ici +pour la famille. + +</p> +<p>—Qu’est-ce que vous me chantez là! riep brutaal de Groote Dichter, spottend wenkbrauw-fronsend. + +</p> +<p>—Vous dites, mossieu? vroeg de knecht bedeesd en niet begrijpend. + +</p> +<p>Er was een oogenblik verbaasde, wederzijdsche stilte. Als een bende ijsvogels kwamen de Groote Schilder, de Groote Musicus +en de drie dames om den huisknecht heen gezwermd. Ik, roerloos op een afstand, wist niet waar te kruipen van ellende en schaamte. +Dicht bij den oever, op een kluitje, stond, insgelijks roerloos en in stomme afwachting, de deftige familie. + +</p> +<p>—Ça n’est pas ma faute, est-ce pas, mossieu! Moi faire ce qu’on me commande, est-ce pas? zei de man schuchter-glimlachend, +op een toon van spijt en verontschuldiging. En hij wenkte met het hoofd achter zich <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110">110</a>]</span>om naar het kasteel, om te beduiden dat het bevel daar vandaan kwam. + +</p> +<p>Machinaal volgde mijn blik de richting, die hij aanwees en daar zag ik, achter een der ramen, een streng gezicht met witte +bakkebaarden. Onder mijn star-geboeiden blik week het gezicht van voor het raam en versmolt zich vagelijk in den schemerigen +achtergrond der kamer, als van een stillen, bleeken visch, die zich in de diepte van een sloot laat zinken. + +</p> +<p>Alle drie de Groote Artiesten en de meisjes waren hevig opgewonden. Zij protesteerden luide en met heftige gebaren dat de +rivier aan niemand toebehoorde en dat zij ook voor niemand zouden wijken. + +</p> +<p>—Verstoa-je gij Vloamsch, mijne vriend! riep eensklaps de Groote Musicus heftig zijn manen schuddend, en zijn bol gezicht +onder den neus des huisknechts wringend. + +</p> +<p>—Joa joajik, meniere, antwoordde deze argeloos en opgelucht dat hij zijn natuurlijk dialect mocht spreken. + +</p> +<p>—Hawèl, mijne vriend, zeg gij aan ouen baron dat hij.... en in zijn verontwaardigde opgewondenheid liet de Groote Musicus +iets <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111">111</a>]</span>los dat de meisjes deed gillen en mijzelf als een oorveeg in ’t gezicht <span class="corr" id="xd0e958" title="Bron: trog">trof</span>. + +</p> +<p>—Ploert! schreeuwde ik hem woedend toe<span class="corr" id="xd0e963" title="Niet in bron">.</span> + +</p> +<p>De huisknecht zei geen woord meer. Hij keerde zich om en verliet het ijs en aan het andere eind van den inham wipte ook de +deftige familie op den oever en liep ijlings op haar schaatsen naar ’t kasteel terug. Achter het raam verschenen even geagiteerd +de grijze bakkebaarden, en drongen dadelijk weer in de schemerdiepte terug en op het ijs stonden wij daar met ons zessen alleen, +zegevierend maar toch vernederd, in een pijnlijk bewustzijn, dat wij ons als schoeljes gedragen hadden. Het kookte zóó hevig +in mij van ergernis en woede, dat ik recht op den Grooten Musicus afreed, hem met vlammende oogen uitschold voor ik weet niet +meer wat en hem op staanden voet in duel provoceerde. Ik had mij wel nooit in de wapens geoefend, doch dat deed er niet toe, +ik provoceerde maar raak en stelde zelfs voor onverwijld het geschil op het ijs uit te vechten. + +</p> +<p>De pret van den dag was absoluut bedorven. De Groote Musicus haalde zijn schouders op, schudde zijn manen en staarde <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112">112</a>]</span>mij sprakeloos met de diepste minachting aan, de Groote Schilder en de Groote Dichter werden ineens ernstig en de jonge dames +waren bang en hadden tranen in haar oogen. + +</p> +<p>—Nou, ik geloof dat we maar beter terug zullen gaan, zei stil de Groote Dichter. + +</p> +<p>—Dat geloof ik ook! antwoordde ik luid, op uitdagenden toon. En in een instinctief gebaar nam ik mijn pet af, groette kort +en stijf, met belachelijk en overdreven formalisme, en recht als een pijl reed ik weg, in stugge, woeste vijandschap. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Toen zakte ’t eensklaps neer in mij, en ’k voelde mij ellendig slap en mat en droevig. Het kostte mij groote moeite om niet +als een klein kind te schreien. + +</p> +<p>Op zwakke beenen reed ik verder, tot in de eerste bocht waar men mij niet meer zien kon en daar ging ik uitgeput en troosteloos +op den oever zitten, in de zachtstralende winterzon. + +</p> +<p>Ik voelde mijn jongelingsleed als een grievend onrecht, als een onverdienden smaad, welken het onmeedoogend noodlot <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113">113</a>]</span>op mij neerwierp. Ik dacht aan de schoone jonkvrouw, aan de goddelijke Quiline, die nu onherroepelijk voor mij verloren was +en in de liefdestobberijen van mijn jeugdig, ruim-beminnend hart, dacht ik meteen aan het bekoorlijk Tieldeken van Meylegem, +die ik de laatste tijden zoo verwaarloosd had en die ik daarom ook totaal voor mij verloren voelde. Mijn trouwe ijsvrienden, +Quiline, Tieldeken, nu had ik eensklaps niemand meer en nu eerst voelde ik recht wrang en hard hoe koud en hoe verlaten het +ijs is zonder liefde. De schoone, tintelende vlakte strekte zich voor mij uit als een dorre, troostelooze, doodsche woestijn. +Ik was daar gansch alleen nu op die wijde uitgestrektheid en ’t werd mij in wanhoop te moede alsof ik ook alleen en van allen +verlaten op een uitgestorven wereld achterbleef. + +</p> +<p>Ik nam mijn hoofd tusschen mijn handen en snikte.... +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Nu nog herinner ik mij hoe dat snikken en schreien mij goed deed. Het suste stil en lenigde en laafde mijn diepe smart. Ik +<span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114">114</a>]</span>schreide goed en diep uit, daar in de stilte en de eenzaamheid; en toen het eindelijk luwde was ik zachtjes opgelucht en voelde +ik een soort weldadige matheid door mijn gansche lichaam soezen, terwijl mijn hongerige maag naar sterkend voedsel vroeg. +Ach ja, ik was jong en vermoeid en ik had honger. ’t Verlies van Tieldeken knaagde wel bitter, ’t verlies van Quiline knaagde +nog bitterder; maar het bitterst van al knaagde en klaagde mijn holle maag en toen ik aan het naastgelegen dorpje kwam, waar +een ouderwetsche herberg bij de brug stond, stapte ik zonder aarzelen aan wal en ging er binnen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Drie gebakken eieren met ham, heerlijk bruin brood en echte boter zonder margarine (die was Goddank toen nog niet uitgevonden) +een goed glas bier, een kopje koffie, een glaasje likeur en een sigaar,.... ’t begon me reeds beter te gaan en de zware droefheid +versmolt al ietwat in het vage. De zon streelde weldadig mijn wangen en mijn handen; en door het raam genoot ik van een prachtig +<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span>vergezicht: de bevroren rivier kronkelend en slingerend door tintelende weiden, een houten molentje op een aardig begroeiden +heuvel, het dorp met glinsterend-wit kerkje in de diepte, bosschen, landouwen en boerderijen rechts en links in het besneeuwd +verschiet en over dat alles heen de eindelooze koepel van den blauwen hemel, waarin de groote zon langzaam naar ’t Westen +neeg, oranje-rood, omsluierd met grijze en purperen nevelen, als in een atmosfeer van heilig-stille en grootsche feerie. + +</p> +<p>Slechts hier en daar een eenzaam schaatsenrijder meer over de verre uitgestrektheid. Het leken op donkere vogels die huiverend +voor den komenden nacht naar hun mysterieuze nest terugvlogen: en alles was zoo ruim, zoo plechtig en zoo grootsch, dat voor +afzonderlijk klein-menschelijk leed geen plaats meer scheen in zooveel weidsche rust en heerlijkheid. + +</p> +<p>Toen ik eindelijk opstond en vertrok was mijn droefheid gansch geweken. Wat had ik mij belachelijk aangesteld! Wat een malle +droom, mijn dolle liefde voor die freule van ’t kasteel, tienmaal gekker nog dan mijn <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116">116</a>]</span>sentimenteele opwinding voor Tieldeken van Meylegem! Bespottelijk: de eene was wel vijf of zes, de andere misschien wel tien +jaar ouder dan ik! Als een kleine jongen, als een kwâjongen beschouwden ze mij, allebei! Ik mocht me schamen. + +</p> +<p>Ik reed terug, in rustig tempo, en voelde mij als ’t ware een nieuw en ander mensch worden. Ik had tweemaal wanhopig-zwaar +geleden, zooals alleen de eerste jeugd door liefde lijden kan, maar de smart had mij gesterkt en ’k was een man geworden. +Ik reed terug naar huis en ’t was of ik een gansche nieuwe toekomst tegemoet ging. Het nog maar pas gebeurde en geledene doezelde +reeds in wazige verschieten weg en nieuwe horizonnen gingen in de verte voor mij open, vol onbekende levenslust, vol lokkende +hartstochten en avonturen. + +</p> +<p>’t Begon stilaan te duisteren. De scherpe vrieslucht prikte in de ooren en deed de vingertoppen tintelen. De meer en meer +verlaten ijsvlakte glom hier en daar met harde, als het ware stalen glanzingen en het stille sneeuwveld langs de oevers kleurde +zich met doffe, violette tinten, terwijl de <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117">117</a>]</span>gansche westenhemel roze werd, van een egaal en zachtkens tanend roze, dat langzaam aan, tegen den lagen einder, in lei-kleurige +schemeringen uitstierf. Soms kraakte het ijs zonder merkbare oorzaak en lange echo’s dreunden na tot in de verte, als doffe +kanonsschoten; en een vlucht van wilde ganzen teekende haar scherpen driehoek in de ijle lucht, heel hoog, héél hoog, zoodat +men nauwelijks het fijn gekrijsch kon hooren, als van klagende kinderstemmetjes. De eerste sterren twinkelden mirakuleus.... + +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Dien nacht werd ik midden in mijn slaap door vage onrust wakker. De maan scheen in mijn kamer door de ijsbloemen der ramen +tusschen de gordijnen en ’t kwam mij voor of er geluiden gonsden door de stilte, zooals ik er in weken niet meer had gehoord. +Huiverend stond ik op, schoof de gordijnen weg, wreef over ’t ijs der ruiten en staarde even in den lichten hemel. + +</p> +<p>Met verbazing zag ik de kale boomkruinen in den tuin heen en weer schommelen en <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span>uit het westen kwamen donkere wolken aangedreven, die even het gelaat der maan omsluierden en dan weer openrafelden. + +</p> +<p>—De dooi! zei ik halfluid, met een soort schrik. En het was mij te moede alsof luchtkasteelen in elkander stortten. + +</p> +<p>—De dooi! herhaalde ik; en peinzend, en mijmerend en huiverend kroop ik weer in mijn bed; en over de onberekenbare gevolgen +van den dooi lag ik onder het toenemend loeien van den wind te tobben en te zeuren, en te twijfelen tot de slaap en de vermoeiheid +weer mijn oogen sloten. + +</p> +<p>Toen ik ’s ochtends wakker werd en mijn gordijn optrok zag ik een vuilen motregen uit donkergrijzen hemel sijpelen. Moest +dàt nu ’t droevig einde zijn van zooveel opwindende, hartstochtelijk-genoten dagen en de vernietiging van nog zooveel rijke +illuzies in ’t verschiet?.... Weldra viel de regen met stroomen. Het regende en regende, en het woei en het loeide, en de +dagen volgden de dagen in troostelooze, grijze en grauwe matheid op; en van al het schoone en rijke en sterke en frissche +bleef <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119">119</a>]</span>niets dan akelige slijk en vuile weekheid over. + +</p> +<p>En ’t was of in den dooi van ’t schoone, sterke ijs ook al de frissche liefde, die in mij op ’t ijs en door het ijs geboren +was, in de débâcle werd meegesleept. Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, de breede overstroomde weiden, de poëtische witte kerktorentjes, +de pittorekse boerderijtjes, het lijnrecht kanaal, de lieve, kronkelende Leie, en ’t mooie Tieldeken, en de schoone freule, +en de vrienden uit de stad, alles wazigde en smolt weg, alles verdween alsof ’t niet meer bestond en wellicht nooit bestaan +had. En wat nog wel het wonderbaarste was: ik voelde geen weemoed, geen spijt, ik lei mij dadelijk getroost bij ’t onvermijdelijke +neer en ’t gaf mij een gevoel van groote rust, wellicht omdat ik wist dat het zoo wezen moest en dat het ijs, ondanks zijn +schijnbare sterkte, iets was van brozen en vergankelijken aard, zoo broos en zoo vergankelijk als de vele liefdes, die er +in een oogwenk op ontvlamden en even gauw als zij ontvlamd waren, onder de eerste regenbui weer uitdoofden. +<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120">120</a>]</span></p> +<p>En ook en bovenal, omdat ik jong was en dat er voor mij nog zooveel mooie ijsvelden in het verschiet der toekomst lagen. + +</p> +<p>De echte “happy hunting grounds,” zooals de Indiaan zijn Paradijzen noemt, waren nog niet door mij betreden. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121">121</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Tweede Deel</h2> +<h2 class="normal">Maud</h2> +<div class="div1"> +<h2 class="label">I</h2> +<p>Ik herinner mij nog goed die eerste reis naar Amerika. + +</p> +<p>Ik herinner mij die aankomst in New York op een stralenden Septemberdag, onder een heilig-blauwen, sereen-stillen hemel, zóó +schoon, zóó rijk, dat ik nooit had kunnen denken, dat zoo iets prachtigs op de wereld kon bestaan. + +</p> +<p>Dat was het begin van wat de Amerikanen “Fall” of “Indian Summer” noemen. + +</p> +<p>Ik bleef slechts enkele dagen in New York, dat mij overdonderde en benauwde. Ik nam de eerste de beste gelegenheid waar om +die overweldigende stad te verlaten en langs de bekoorlijke Hudson-River, met een der pleizierbooten, naar Albany op te stoomen. + + +</p> +<p>Nooit heb ik dit eenig schouwspel van natuurpracht kunnen vergeten. Het is nu jaren en jaren geleden, maar het beeld staat +<span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122">122</a>]</span>als ’t ware nog te leven, te trillen en te glanzen vóór mijn geest. + +</p> +<p>Ik zie nog in mijn verbeelding enkele boompjes langs de rotsachtige hellingen der oevers, gansch rood als vuur tegen de grijze +rots, of fonkelend-oranje tegen ’t harde hemelsblauw; of wel teergroen, bijna geelgroen als van een allereerste, weeke lente; +of donkerpaars en bijna zwart als blad van artificieele rouwkransen. Ik zie hardroode slingerplanten, als strepen en beken +van vloeiend bloed langs de grijze rots tot in de diepte kronkelen; en op de boot zie ik dames, in witte zomerkleeren, die +tuilen van bladeren geplukt hebben, zooals men bij ons tuilen van bloemen plukt; en op een van die tuilen komt even een prachtige, +groote, bruinroode vlinder zitten, met langzaam op en neer knippende vleugels, als in zwaar-hijgend ademhalen. + +</p> +<p>Ik ken niets rijkers en niets schooners op de wereld dan die gansche Ooststreek van Amerika onder stralende zon en diep-helderblauwen +hemel, in haar Indian-Summer-najaarspracht. +</p> +<hr class="tb"><p> +<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span></p> +<p>Zóó heb ik ook voor het eerst Niagara-Falls gezien. Wellicht was mijn verbeeldingskracht, door romantische verhalen gevoed, +tot een te hooge verwachting opgevoerd. Ik herinner mij, dat het eerste zicht een teleurstelling was. Vlak over de bruisende +en schuimende en stuivende watervallen stond een ellendige fabriek met een rood-steenen schoorsteenpijp en dat bedierf den +indruk zoo totaal, dat men instinctmatig de handen vóór de oogen hield om die monsterachtigheid niet meer te zien. Maar als +men zijn rug naar het gedrocht toekeerde en <span class="corr" id="xd0e1065" title="Bron: stoomopwaarts">stroomopwaarts</span> liep, met inspanning ploeterend langs den oever en van rotsblok op rotsblok tusschen ’t ziedend water springend, dan was +het tafereel van een overweldigende grootschheid. Het gansche meer, tusschen de steile oevers gekneld, kwam, als van een berg, +met alles-vernielende kracht op je aanstormen en je voelde de rots onder je voeten dreunen, terwijl het om je heen schuimde, +en bruisde, en suisde, en kolkte, om er duizelig van te worden. Losgerukte takken en soms gansche ontwortelde boomen kwamen +in dien wilden chaos neergesleept, <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124">124</a>]</span>en dat brak dan op de rotsen dat men ’t hoorde kraken en dat men de witte splinters uit elkaar zag barsten als van geradbraakte +armen en beenen, terwijl de roode en oranje bladerkruinen zich wrongen en kantelden en wentelden en tegen den stroom schenen +te vechten, als vlammende en glinsterende haardossen parelnat van telkens overzwalpende en geeselende golfslagen. + +</p> +<p>Van de groote watervallen zelven, daar waar de gansche rivier met één plons van vijftig meter in de diepte stort, hield ik +minder. Dat heeft nooit op mij den overweldigenden indruk kunnen maken, dien men, volgens de beschrijvingen der reisgidsen, +op die plek dient te ondergaan. Het is mij daar te watermolenachtig, te veel in ’t groot wat wij gewend zijn in het klein +te zien. Dat komt ook al weer door die afschuwelijke fabrieken daar in de buurt: door die brouwerij, of die houtzagerij, of +die electrische centrale, of wat het ook al wezen mag. Maar even verder stroomafwaarts uit het zicht der vallen, in de “Whirlpool +Rapids” krijgt het schouwspel weer zijn gansche oerwilde woestheid en daar heb ik <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125">125</a>]</span>meer dan eens uren aan den rand gezeten, in strak-geboeide contemplatie. + +</p> +<p>O, die vuurroode oevers van glanzende en stralende najaarspracht, met den woedenden stroom in het midden en den diep-azuren +hemel breed er overheen gewelfd! ’t Was of het schuimend water uit de diepte van de aarde zelf opstormde en kolkte. ’t Was +iets als uit een andere, nog ongevormde wereld en in verbeelding liet ik mij gaan en zag mij in mijn schuitje op den wilden +chaos dansen, zooals ik eertijds roeide op de overstroomde vlakte van de Meylegemsche Meerschen, naar het schoone Tieldeken +toe. + +</p> +<p>Tieldeken! Ja, ik dacht aan Tieldeken van Meylegem, daar bij de wilde draaikolken van den Niagara, op zooveel duizend mijlen +afstands! Ik liet mij gaan op mijn gedachten, en een eindeloos gevoel van eenzaamheid en heimwee kwam mij kwellen en ik cijferde +de onoverkomelijke ruimte weg en ik zag mij weer bij Tieldeken, in de ouderwetsche herberg, bij het ouderwetsch, poëtisch +kerkje. Ik zag haar blozend-frisch gezicht, haar stralende oogen, haar mooi, bruin, krullend haar, haar vriendelijken glimlach. +Ik hoorde <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span>haar beminnelijke stem, en ik hoorde ook den loggen klompstap van haar vader en de brabbelstem harer moeder, die achter de +schenktafel “dreupelfs” ging halen. Ik zag en hoorde alles; al het aardige en lieflijke en ook het tergende en kwellende: +haar ontrouw, haar akelig gescharrel met den boerenpummel en nog anderen; en ik zat daar stil over te mijmeren en te peinzen, +dààr, in die Amerikaansche wildernis, zoo verre van haar weg, en uit dat alles groeide in mij een gevoel van onuitsprekelijke +teederheid, voor haar, voor het verleden, en voor het gansche lieve, schoone Vlaanderen. Want in Amerika waren geen Tieldekens +van Meylegem. Het was daar alles hard, en stug, en positief, en droog, zonder gevoeligheid noch poëzie. De dollar was er heerscher +van het leven en dat herinnerde mij nuchter-weg, dat ik er eigenlijk ook niet voor mijn genoegen, maar wel voor de verovering +van den dollar heengekomen was. + + + + +</p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">II</h2> +<p>Ik wrocht er dus voor den dollar en ik wrocht er lange en vele dagen. Het was <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127">127</a>]</span>een harde, dorre, onbehagelijke strijd. Want de Amerikaan is hard en dor en stug op stuk van zaken. Hij kent geen tegemoetkoming +noch medelijden voor een zwak en onervaren mededinger. Zaken zijn zaken in den droogsten zin van ’t woord voor hem en niets +is hem aangenamer dan een concurrent, vooral een buitenlander, te kunnen fnuiken. Ik had er den indruk alsof het heele land +van meer dan tachtig miljoen inwoners tegen mij samenspande en of de gansche samenleving er op was ingericht alleen om mij +ten onder te brengen. + +</p> +<p>’s Zondags, en in mijn vrije uren, ging ik er veel naar buiten wandelen en in mijn heimweeïge verlatenheid en eenzaamheid, +filosofeerde ik zonder eind over den materialistischen struggle for life en over de gansche, volgens mijn meening ongerijmde +levensopvatting van al die rijke Amerikanen. + +</p> +<p>Wat hadden ze wel aan hun rijkdommen en aan hun leven? Meer dan eens, in een bar of restauratie, had men mij zoo, met een +soort eerbied, een of ander man gewezen en gezegd: “Kijk eens, zie je daar dien man. Hij is zonder een duit in ’t land gekomen +<span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128">128</a>]</span>en nu is hij vijftig miljoen dollar waard.” + +</p> +<p>Vijftig miljoen dollar waard! herhaalde ik in mezelf, en keek, en mijmerde. Zoo’n man van vijftig miljoen dollar waard zat +meestal op een hooge kruk bij een schenktafel en slikte schrokkig een bord eten in. ’t Was of hij achterna gezeten werd door +onzichtbare vijanden, die hem zijn voedsel zouden rooven als hij zich niet haastte; hij had geen tijd, geen tijd; hij moest +in allerijl weer naar zijn “office” om nog maar steeds meer geld te verdienen en met dat geld dan eindelijk van het leven +te genieten....? Wel neen: hij had immers geen tijd daarvoor, en dat was ook zijn doel niet. Zijn doel was alleen maar om +boven zijn concurrenten te komen, om de eerste en de grootste te zijn,—de eerste en de grootste van wat?—en om de kleinere, +zooals ik was, te fnuiken en van de markt te verdrijven. Zoo’n man werd niet oud. Zoo’n man werd zenuwlijder, door zijn onverpoosd +en overspannen werken, of kreeg een maagkwaal, door zijn haastig, schrokkig eten; en dan lagen daar de vijftig miljoen dollarswaarde, +heusch te veel om de slooten melk en mineraalwater,—de eenige weelde <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129">129</a>]</span>die hij zich voortaan mocht veroorloven,—mede te betalen. + +</p> +<p>Veel en veel heb ik in Amerika gefilosofeerd. En dat heeft mij altijd in mijn tallooze beproevingen gesterkt en nooit heb +ik gewenscht een Yankee van vijftig miljoen dollar waard te zijn. Integendeel: in Amerika, het land van ’t geld, heb ik het +geld leeren minachten en mij rijk gevoeld in betrekkelijke armoede. + +</p> +<p>Want ik droeg de levensrijkheid in mijzelf! “Le trésor de l’humble!” +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Zoo ging ik vele dagen wandelen en bewonderde de wilde schoonheid der ietwat verwaarloosde, Amerikaansche natuur. De natuur +op zichzelve verwaarloost niets, is harmonieus en volmaakt in haar eigen essentie. Alleen de wijze waarop de mensch van de +natuur gebruik maakt, de manier waarop hij er zich neerzet en vestigt, kan die harmonieuze schoonheid diep verstoren. + +</p> +<p>Een oerwoud, met alles wat er in leeft en ook met alles wat er in is doodgegaan, blijft een prachtig harmonisch geheel op +<span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130">130</a>]</span>zichzelf. Een akker met gouden, golvend koren, daar waar eens het oerwoud heeft bestaan, kan ook zijn eigen, rijk-harmonieuze +schoonheid hebben. Maar onharmonisch leelijk is een stuk grond, waarop de een meter boven den grond afgezaagde boomstammen +zijn blijven staan en tusschen wier zwarte, verdorde en verminkte stronken, koren is gezaaid. Zoo zijn er vele landerijen, +gansche gewesten in Amerika. De eerste pioniers, welke daar aankwamen hadden geen tijd, geen tijd, evenals nu de beurs- en +handelslui, en zij zaagden maar de bosschen af, en ruimden slordig op, en ploegden en zaaiden tusschen de geraamten van de +stronken door, zoo goed en zoo kwaad als het ging, om toch maar zoo gauw mogelijk den oogst van dollars in te halen. + +</p> +<p>Dat geeft aan ’t land dikwijls een uitzicht van verwoesting. Het lijkt wel of er een invasie van.... Barbaren is doorheen +getrokken; ’t is of er oorlog heeft gewoed. + +</p> +<p>Maar ach! er is nog zoo oneindig veel natuurschoon in Amerika bewaard gebleven. En hier denk ik niet alleen aan de alom bekende +wereldwonderen, maar aan veel <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span>intieme plekjes, die in geen toeristengids vermeld staan en toch een onuitwischbaren indruk in mijn geheugen hebben nagelaten. + + +</p> +<p>Zoo zie ik nog in mijn verbeelding de met fruitboomen beplante wegen van den staat Indiana. Blonde, rechte, meestal verwaarloosde +wegen, met breeden rand van dicht, kort gras; en daarop de fruitboomen: de appelboomen en de pereboomen, tot in ’t oneindige. +De verschijning van een menschelijk wezen was toen een zeldzaamheid in die streken. Je ging, je wandelde, uren en uren en +je zag mensch noch huis, je zag alleen de fruitboomen, eindeloos, eindeloos, in de laat-stralende najaarszon, onder den stillen, +magnifieken, vlekkeloos-azuren hemel. Wie had die boomen daar geplant en wie kwam er de weelde van hun vruchten plukken? De +appels bloosden rood als vuur tusschen het bruin en geel der bladeren; de mooie peren schitterden als goud; en onder elken +stam lag het kortgroen gras er mee bezaaid, alsof bij ieder boompje speelsche kinderen daar hun volle mandjes hadden omgekeerd. +Maar er waren ook geen kinderen; er was alleen de grootsche eenzaamheid <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132">132</a>]</span>onder den diepen blauwen hemel; en je ging neerliggen op ’t gras, en je at van de heerlijke vruchten, en je vulde je zakken +er mee. Het was er plechtig van verlatenheid en stilte. Je hoorde niets dan ’t houterig gesjirp der krekels en je zag niets +bewegen dan af en toe een klein kapelletje, sterk-oranje met zwartbruine randen, dat schitterde als een zonnespatje waar het +fladderde, of wel op een verdord bruin blaadje leek, als het met dichtgeknepen vleugels op een halmpje of een sprietje zat. +Er was daar ook een meertje, stil en omringd door bosschen, dat lag te slapen in de zon. Riet en biezen schoten er bij plaatsen +woekerend uit op. En af en toe, wanneer een visch even naar boven wipte, hoorde men een plons die weerklonk als een snik in +de stilte, terwijl het water ervan borrelde en rimpelde en leefde, en dan weer in vlakke doodschheid tegen zijn verlaten oevers +ging uitdeinen. + + + + +</p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label">III</h2> +<p>Wat ben ik alweer verre afgedwaald! Ik ben immers de Schaatsenrijder en zou van <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133">133</a>]</span>schaatsenrijden, ook in Amerika, vertellen. + +</p> +<p>Laat ik het dus probeeren. + +</p> +<p>Na de onvergelijkelijke en onvergetelijke pracht van ’t najaar viel de winter plotseling in met scherpe kou en sneeuw. + +</p> +<p>Dat was geen sneeuw zooals wij die gewend waren te zien. Er dwarrelden geen zachte, witte vlokken als donzige watjes door +de lucht: wat er viel was een soort grijsachtig stuifmeel, ijs-en-ijs-koud, en voortgezwiept door een wind, die je den adem +afsneed. Dat was de welbekende, Amerikaansche “blizzard.” + +</p> +<p>Ik geloofde niet, dat zulke fijne sneeuw ook maar een enkelen dag zou blijven liggen en nog minder verwachtte ik, dat ze zich +tot eenige hoogte kon ophoopen. Dat sneeuwen, echter, hield tweemaal vier en twintig uren ononderbroken aan, waarna het ging +vriezen onder indigo-blauwen hemel en stralende zon; en toen ik op mijn eerstvolgende wandeling zoo verre mogelijk het land +in liep, woonde ik daar wonderen bij. + +</p> +<p>De “blizzard” had als ’t ware met de sneeuw gespeeld. Op sommige plaatsen hadden zich echte heuvels opgehoopt. Huisjes en +villa’s, waar ik dikwijls omheen wandelde, <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span>lagen half onder de sneeuw bedolven, niet meer te bereiken. In de tuinen schenen de boomen klein geworden, als ’t ware in +den grond gedrukt; en op de rails van een spoorweg, die tusschen twee steile bermen in een diepte lag, stond een lange reizigerstrein +ingesneeuwd en verlaten, de vuren uitgedoofd, de portieren open, de locomotief, met onzichtbare wielen, tot halverhoogte bedolven +en begraven in de sneeuw. ’t Was of ik in een nieuwe wereld wandelde. Ik herkende de dingen en de landschappen niet meer. + + +</p> +<p>Maar de hemel was blauw als safier en de zon straalde zoo heerlijk en warm en in die ongerepte heerlijkheid liep ik steeds +verder en verder, wadend tot over de enkels door al die glinsterende witheid, als in de openbaringsweelde van steeds nieuw +geschapen tooveroorden. Ik kwam weldra aan een plek, waar ik reeds meerdere malen, gedurende de glanzend-schoone najaarsdagen +was geweest, een landelijk hotelletje op een kleinen heuvel, omgeven door een mooi, groot bosch, waarin een vijver lag. + +</p> +<p>Wat was het daar nu prachtig in die ongerepte <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135">135</a>]</span>blankheid! Het hotelletje, dat anders toch wit was, zag er nu bijna goor en grijs uit in al die omgevende glinstering en ’t +uitgestrekte eikenbosch droeg nog de rijke schoonheid van zijn laten herfsttooi: gansch rood alsof het vonkte en brandde, +rood als geronnen en gestold donker bloed op ’t blanke kleed der wereld, onder de eindelooze azuren hemeltent. + +</p> +<p>De breede weg welke er dwars doorheen liep golfde flink op en neer en toen ik op het hoogste punt gekomen was vond ik daar +eensklaps en gansch onverwacht een heel troepje kinderen en jonge menschen, die zich vermaakten met sleedjes den weg af te +glijden. In razende vaart gingen zij, de eene helling af en een heel eind de andere op, en ook van af het hotelletje werd +er in tegenovergestelde richting gegleden, zoodat de twee partijen ieder een kant van den weg hielden en elkaar zoo vlug als +sneltreinen passeerden, wel niet zonder eenig gevaar voor botsing, maar in dolle, uitgelaten pret. Rechts en links van den +weg stonden oudere en bedaarder personen, glimlachend en belangstellend te kijken. +<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span></p> +<p>Er zaten niet alleen kinderen en jonge mannen, er zaten ook jonge meisjes op sommige van die sleedjes. En ik had er dadelijk +een opgemerkt, een die ik bewonderde en die mij boeide, en voor wie alleen ik daar met koude voeten in de sneeuw bleef staan. + + +</p> +<p>Wat is dan ook wel natuurlijker, dan dat het schoone aantrekt en boeit! En mooi was ze, om er van te duizelen, vooral wanneer +je zoowat vijf en twintig jaren oud bent en sinds langen tijd met geen mooi meisje bent in aanraking geweest. + +</p> +<p>Eerst dacht ik, dat ik mij wellicht door een illuzie, door een soort “mirage” liet ontroeren. Zij zag er wel buitengewoon +frisch en knap uit, met blozende wangen en stralende oogen in de opwinding van het pleizier, maar wie weet hoe of ze zijn +zou in ’t gewone doen: wellicht te klein, geen mooi figuur, geen elegance, wie kon het zeggen, wie kon daarover oordeelen +in de dolle vaart van ’t sleedje? Zoo dacht ik, om mijn eigen gevoel en meteen de spijt over het waarschijnlijk voor mij onbereikbare +te onderdrukken, toen ze plotseling, vlak vóór mijn voeten, met haar sleedje omkantelde en <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137">137</a>]</span>hals over kop in de dikke, fijne, als een lichte wolk opstuivende sneeuw neerplofte. + +</p> +<p>Alsof het van gisteren was herinner ik mij nog helder-duidelijk wat ik op dat oogenblik als in een weerlicht zag en wat ik +daarbij instinctmatig deed en zei. + +</p> +<p>Ik zag een donkerblauwe opwuivende rok en daaronder iets van ’t fijnste witte linnengoed en kantwerk; ik zag fijn-elegante, +zwart-glimmende laarzen en dof-zwarte kousen; ik zag heel even, als een lichtroze bloem, iets van een knie.... + +</p> +<p>Ik sprong toe, tilde haar op, vroeg haar, met bevende stem, of ze zich niet bezeerd had. + +</p> +<p>Zij lachte.... Zij lachte met de mooiste witte tanden die ik ooit gezien heb en streek de losgeraakte haartjes weg van over +hare roze wangen. Zij dankte mij met schoone, lichtstralende oogen, zei dat ze niet de minste pijn had, klopte de sneeuw van +haar donkeren pelsmantel, haalde, met het touw, het sleedje weer bij. Om haar heen, in de prikkelende atmosfeer en de zon, +zweefde een subtiele, heerlijke lucht van viooltjes. + +</p> +<p>Daar stond ik. Had ik nu niets meer te <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span>doen? Niets meer te zeggen? Dommerik! Daar stond ik! Zij keek mij aan met een lieven glimlach, alsof zij nog wel iets van +mij verwachtte; maar daar stond ik, daar stond ik, stom en dom als een paal en ik vond niets anders in mijn nuchtere domheid +dan een diepe buiging, ridicuul, met mijn hoed in de hand en plechtig als een lijkbidder. Een paar menschen kwamen naar haar +toe, waaronder een ouder dametje met verlept gezicht en felle oogen, die zij “Auntie” noemde; en meteen was ik vergeten, o +stommerik die ik was! en met de anderen ging zij langzaam mede, haar sleedje na zich slepend, in de met haar wegzwevende, +heerlijke lucht van viooltjes.... + +</p> +<p>Ik liep achter haar aan. Instinctmatig, als meegetrokken, als meegezogen, volgde ik haar en de groep die haar vergezelde, +met de laffe, onderdanige gedweeheid van een hond. Ik was alweer verliefd, ineens en smoorlijk; ik liep bedwelmd, als dronken, +haar sierlijke gestalte en den ontroerenden geur van de viooltjes na. + +</p> +<p>Zij gingen naar ’t hotelletje en als een automaat ging ik, op eerbiedigen afstand, <span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139">139</a>]</span>mede. Zij namen er plaats aan een tafeltje bij een breed raam, met prachtig uitzicht op het wit-besneeuwde veld en op het +roode bosch; en in mijn eentje nam ik plaats bij een ander tafeltje, vanwaar ik haar heel goed kon zien. Zij bestelden thee +met cake; en ook ik bestelde thee met cake. + +</p> +<p>Er was met haar, behalve ’t kleine, verlepte dametje met radde tong en felle oogen welke zij “Auntie” noemde, nog een dame +met voornaam uiterlijk en grijs haar en een oudere heer met rood gezicht en grijzen baard; en zonder er iets van te weten, +maakte ik voor mijzelf uit, dat dit haar ouders waren. + +</p> +<p>Ik vond haar, nu ik haar zoo goed kon zien, van een volmaakte en absolute schoonheid. Haar teint was van een frischheid, haar +oogen hadden een glans, en al haar bewegingen waren van een lenigheid en gratie, zooals ik er nog nooit gezien had. Ik zag +haar aan alsof zij een goddelijk kind was op aarde en het verbaasde mij, dat zij daar zoo alleen zat met die oudere menschen +en er niet een schaar aanbidders om haar heen zweefde en zwermde. Ik dacht even <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140">140</a>]</span>aan <span class="corr" id="xd0e1179" title="Bron: Tieldeke">Tieldeken</span> van Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van ’t kasteel en voelde als ’t ware ’t rood der schaamte naar mijn wangen stijgen. +Wat waren die met deze schoonheid vergeleken! Hoe kon ik ooit op haar verliefd geworden zijn, terwijl dit volmaakt-schoone +wezen op aarde bestond! Wat leek dat alles verre, en doodsch, en kleurloos, naast deze alles-overweldigende pracht! Ik schaamde +mij, ja, ik schaamde mij voor mijn vroegere liefden. + +</p> +<p>De zon ging langzaam onder en zond haar stillen luister over ’t indrukwekkend tafereel. De golvende sneeuwvelden werden wazig-lichtmauve +en het roode bosch bruinde en somberde, alsof het van graniet werd. De bevroren vijver vóór het hotelletje versmolt zich met +de sneeuwvlakte; er was alleen nog maar een open plekje bij den kant, dat zwart en rood zag in den avondgloed en waarin eendjes +duikelden en fladderden, zoodat je rilde van kou als je er alleen maar naar keek. Heel in de verte gonsde enorm en dof het +machtig geluid van New York met af en toe de zware stemmen van de stoombootfluiten, die naar elkaar schenen <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141">141</a>]</span>te roepen, als monsters en reuzen in nood. In de dalende schemering der restauratiezaal begon de vulkachel rood te gloeien. + + +</p> +<p>Waar zou ze wonen? dacht ik bij mezelf: hier, op een der villa’s in de buurt, of in den maalstroom van het groote New York? +De thee was reeds geruimen tijd genut, de oude heer had een sigaar opgestoken, “Auntie” met haar verlept gezicht en felle +oogen babbelde en ratelde, de voorname dame met de grijze haren luisterde en glimlachte en ’t jonge meisje zat in haar ravissante +schoonheid tegen ’t raam, zonder dat een van allen toebereidselen tot opstaan scheen te maken. Andere bezoekers kwamen opgewonden +en met gloeiende wangen binnen, de kellners hadden ’t druk met bedienen en het werd langzaam aan mijn tijd om heen te gaan, +zonder dat ik er toe besluiten kon, toen de familie eindelijk opstond en vertrok. + +</p> +<p>Zij schreed rakelings langs mij heen en onze oogen wisselden een snellen, vluchtigen blik. Ik rees half op van mijn stoel +en groette buigend. Zij groette licht terug met nauwelijks merkbaren glimlach. Het geurde heerlijk naar viooltjes. Auntie +keek mij in ’t voorbijgaan <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span>aan met scherpen blik en terwijl ze de deur uitging hoorde ik haar tegen ’t nichtje iets zeggen dat ik niet verstond, doch +daarbij noemde ze den naam van ’t meisje en zoo wist ik, dat ze Maud heette. + +</p> +<p>Maud! Ik vond dien naam zóó prachtig, zóó volmaakt bij haar passend, dat het mij voorkwam alsof ze onmogelijk anders had kunnen +heeten. Maud! het was haar gansche type, haar uiterlijk en haar innerlijk wezen, haar schoonheid en haar ziel! Maud! het was +haar gestalte, het waren haar oogen; het was haar glimlach en haar gratie; het was haar kleur en haar parfum, die heerlijke +viooltjes-geur die met haar meeging! Heel even dacht ik weer aan het verleden: aan <span class="corr" id="xd0e1194" title="Bron: Tieldeke">Tieldeken</span> van Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van het kasteel, welke ook namen droegen die ik eertijds zoo bizonder mooi en passend +vond. Maar ach! het leek me nu of ik lompe boerinnen zag naast een prinses! Ik volgde haar met geboeide oogen door het raam; +en toen ik oordeelde dat ze verre genoeg waren om geen schijn te geven van hinderlijk volgen, stond ik sidderend op en verliet +op mijn beurt het hotelletje. +<span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143">143</a>]</span></p> +<p>Daar zag ik haar gaan, donkere, elegante silhouet op lichte sneeuw, als een jonge godin naast die drie andere, gewone menschen. +Het sleedje, dat ze nog steeds aan een touwtje achter zich aan sleepte, was als een hondje, dat trouw met haar meehuppelde. +Waar zou ze nu toch wonen: hier, in die rustige buurt, in een van die mooie villa’s, of in het roezemoezige, geweldige New +York? Ik zou het wel te weten komen. Woonde ze hier in de buurt, dan kon ik haar ten allen tijde gemakkelijk terugvinden. +Woonde ze in New York, dan zou ik haar volgen, haar blijven volgen, tot ik wist waar het was. + +</p> +<p>Er waren drie gelegenheden om naar New York terug te keeren: de West Shore Railroad, de Electrische, de Ferry. De aanlegplaats +der booten waren ze reeds voorbij. Dus niet over het water. Zij naderden het station van de West Shore en ik dacht al dat +ze links zouden inslaan, toen ik ze eensklaps naar rechts zag wenden en een stijgenden zijweg inslaan. Ik verademde! Ik verademde +alsof ik van een zware dreiging werd bevrijd. Het gaf mij plotseling een gevoel van diepe rust te weten dat zij daar <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144">144</a>]</span>ergens woonde, in de vreedzame natuur, en niet in de drukke, gevaarvolle stad. O! dat ik nu niet met haar mee mocht gaan, +dat ik haar nu alleen moest zien vertrekken met die oudere menschen, die haar toch niet konden boeien, zoo dacht ik, die veel +te oud en veel te saai waren, voor haar frissche, mooie, levenslustige jeugd! Het liefdes-ongeduld van mijn vijf en twintigjarigen +leeftijd bruisde in mij als een oproer. Was het niet onuitstaanbaar dat de domme, maatschappelijke conventie mij belette te +doen wat de gevoelens van het hart mij ingaven? Was het niet gek en verdraaid zooals de wereld in elkaar zat? Wat was er wel +natuurlijker dan dat ik zoo maar ineens, zonder de minste notitie van die belemmerende oude lui te nemen, naar haar toe zou +gaan, en mijn verliefde armen om haar middel slaan, en haar zoenen op den mond,.... en een klap van haar hand in ’t gezicht +te krijgen, dacht ik er dadelijk bij en moest in mezelf lachen omdat ik mij zoo wild op mijn oer-instinkt had laten doordraven.... +Maar het verlangen en de liefde bleven in mij woelen, en half achter <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145">145</a>]</span>een boom verscholen stond ik haar halsstarrig na te kijken, tot zij boven op den heuvel was, daar even als een uitgeknipte +schim zich scherp tegen het avondrood afteekende, en dan, langzaam wegzinkend, aan mijn blik verdween. + +</p> +<p>Maud.... Maud.... murmelde ik in mezelf. En mijn wenkbrauwen fronsten zich, en mijn tanden klemden op elkaar, in den hardnekkigen +strijd, die nu zou komen. Maar ik was er niet bang voor, ik voelde in mij de kracht der overwinning en ’t zong in mij, van +hoop en schoonheid. + +</p> +<p>Het lag op mijn weg om per electrischen trein naar New York terug te keeren; maar dat leek mij nu zoo alledaagsch, zoo triviaal +na al het ideëel genotene; ik had behoefte aan poëzie, aan eenzaamheid, aan bespiegeling en ik keerde een heel eind op mijn +weg terug, om liefst de boot te nemen. + +</p> +<p><span class="corr" id="xd0e1211" title="Bron: ’K was">’k Was</span> in een heerlijk-opgewonden stemming: opgewonden en toch zacht. Het jubelde in mij, hartstochtelijk, en ’k glimlachte, heel +teer, heel zacht. + +</p> +<p>Ik stond van voren op de boot en voelde de koude niet, die anders scherp genoeg <span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146">146</a>]</span>prikte. Het schouwspel was indrukwekkend, grootsch. Achter de steile West-Shore, die reeds bijna zwart was en doorprikt van +vele lichtjes, ontvouwde zich, immens, de heerlijke oranje-gele hemel, met een dun en bleek sikkeltje maan, dat daar eenzaam +en verloren scheen te zwemmen, als een zilvervischje in een zee van goud. De breede rivier glom dof en vaal, alsof zij was +van log-vloeibare zeep; en aan de oosterzijde vingen de villa’s en de huizen, in de witte sneeuw die van lieverlede grijs +en mauve werd, den laatsten glans van het uitstervend daglicht op, met roode bibberingen in hun ruiten, als van brand en bloed. + + +</p> +<p>De raderen van de stoomboot deden het water opbruisen en schuimen en maakten een machtig en plechtig geluid. Men voelde er +iets in van de grootschheid der menschelijke krachten, die de elementen overwinnen. Andere booten kwamen de onze tegemoet, +groot en imposant als drijvende kasteelen en zij hadden vele kleine lichtjes en twee groote: een rood en een groen, die leken +als de twee symbolen van het leven zelf; hartstocht en smart! +<span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147">147</a>]</span></p> +<p>Hartstocht!.... Mijn enthousiaste, jeugdige oogen zagen alleen het roode licht. Dat was de liefde, het vuur, de strijd, de +overwinning. Dat was Maud, de beeldschoone Maud, die daar nu ergens, op dien donkeren oever bij de gezelligheid van ’t haardvuur, +in een mooie villa zat, en die ik moest trachten te benaderen, te veroveren, zooals de Graalridder, door den vuurkring heen, +de Walküre veroverde. Het groene licht, dat was de weemoed, het verleden. Dat was <span class="corr" id="xd0e1223" title="Bron: Tieldeke">Tieldeken</span> van Meylegem, dat was jonkvrouw Quiline, dat was het mooie, groene Vlaanderen, wel zacht, wel lief, wel boeiend en wel diep-ontroerend, +maar verre, o zoo verre, en zoo verbleekt en verwazigd, vergeten bijna naast het rood en den gloed van den nieuwen hartstocht. + + +</p> +<p>De wereld stond voor mij open. Het was alsof de machtige boot, die met zijn scherpen punt door de klotsende, vale golven van +den Hudson ploegde, voor mij alleen de groote, wijde wereld ter verovering opende. Daar zag ik reeds, heel in de verte, de +twinkelende lichten van de reusachtige wereldstad. Een grootsche, somberblauwe smook hing <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span>er als een titanensluier overheen en daarin blonken de lichten met duizenden en duizenden, als voor een eindeloos triomffeest, +als voor een bovenaardsche feerie. Er waren er groote en kleine; er waren er die op hun vaste plaats stonden te twinkelen +en andere die heen en weer zweefden; er waren er van alle kleuren: roode, gele, groene, oranje, blauwe en violette; en hoog +in den hemel schitterden er ook heele risten, in vierkante of langwerpig-vierkante vakken, regelmatige gloeipunten in den +donkeren nachthemel, als vuurdobbelsteenen van een reusachtig dominospel. Dat waren dan de verlichte hooge ramen der geweldige +“skyscrapers.” + +</p> +<p>De boot naderde zijn aanlegplaats. Hij scheen er recht op aan te varen, alsof hij zoo meteen tot in de drukte en ’t gewoel +der straten door zou dringen. Maar er dreven reeds geweldige ijsschotsen langs den oever en de boot had te ploegen en te zwoegen +en het ijs kraakte en barstte en kruide, als in een machtig geluid van woesten strijd. En nogmaals overwon het menschelijk +genie de woede der vijandige elementen en nogmaals ook was ’t mij te moede alsof die <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149">149</a>]</span>strijd mijn eigen strijd was tot verovering der schoone Maud. + +</p> +<p>In de woeling der groote stad nam mijn opgewonden stemming geenszins in heftigheid af. Na al mijn geweldige emoties van den +afgeloopen dag voelde ik een soort behoefte om mij in den diepen maalstroom des levens te werpen. Ik had behoefte aan brillante +en drukke omgeving, aan een lekkeren maaltijd, aan het zien van mooie en elegante vrouwen, aan het hooren van melodieuze, +meeslepende muziek. En, ofschoon ik daar niet precies op gekleed was, en het ook al niet zoo buitengewoon convenieerde met +den financieelen toestand van mijn beurs, toog ik maar onversaagd, in mijn eentje, maar vol genoeg van gedachten en gewaarwordingen +voor tien, naar Martin’s en liet mij daar royaal bedienen. + +</p> +<p>Ik was alleen en niet alleen: ik was met haar in mijn gedachten! Ik was met haar, zij zat rechtover mij aan ’t tafeltje; en +samen genoten wij van de fijne gerechten, van de mooie toiletten, van de licht-bedwelmende, geen-inspanning-vergende restaurant-muziek, +gespeeld op een podium, door zwartharige, <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span>olijfkleurige kerels met roode buisjes. Ik rookte sigaret op sigaret, mijn blikken droomden verreweg, namen mijn gedachten +mede naar ’t verleden, naar ’t vaderland, naar het geliefde Vlaanderen. + +</p> +<p>Hoe zou het daar nu zijn? Vroor het daar nu ook en werd er schaatsgereden? Was Boerke van Meylegem op ’t ijs en voerde hij +zijn minderwaardige kunsten uit, vlak vóór de herberg van het mooie Tieldeken, ten aanschouwe van een bende gapende pummels +en van Tieldeken zelve? Waren mijn vroegere vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder, de Groote Musicus ook weer aan +’t schaatsenrijden en hadden zij nieuwe ijsvriendinnetjes opgescharreld? En jonkvrouw Quiline, was die nog steeds aan ’t knoeien +zonder vooruitgang te maken, met de andere knoei-rijders van ’t Kasteel? Ik zag dat alles weer, zoo duidelijk, zoo helder, +en een groot en innig heimwee kroop in mij. Ach, wat was ik ontrouw aan al dat frisch en schoon verleden! Hoe voelde ik Tieldeken +verwijtend treuren en hoe zag ik de freule met minachting, als naar een renegaat, op mij neerkijken! Het golfde in <span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151">151</a>]</span>mij op en tranen kwamen in mijn oogen. Die muziek speelde ook zoo bedwelmend, zoo verlammend. Ik bestelde een tweede pousje +en stak een groote sigaar op. Zoo kon ik nog wat blijven zitten, en peinzen, en droomen. Zou ik het nu heusch doen? Zou ik +haar ten huwelijk vragen en mij hier voor goed in het vreemde land vestigen? Hoe zou dat alles moeten gaan? Nadere kennis +zien te maken met haar familie, vertellen wie ik was, wat ik deed, hoe onze toekomst wezen zou. Dat alles kon wel, behoorde +tot de mogelijkheden, ja, tot de waarschijnlijkheden, als ik inderdaad genoeg volharding had en een onverwoestbare, alle bezwaren +en hinderpalen trotseerende liefde voor haar voelde. Voelde ik nu werkelijk een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen +trotseerende liefde voor haar? Mijn opwinding was eenigszins geluwd, de digestie werkte vernuchterend, de restauratie liep +langzaam aan leeg, de muziek verslapte, de koele werkelijkheid kwam sluiperig aangrijnzen. Ik wist niet zoo precies meer wàt +ik voelde en verlangde; er bekroop mij een pijnlijke twijfel. De garçon bracht mij de <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152">152</a>]</span>rekening, dubbel toegevouwen, als een vertrouwelijk document, op een bord. Ik houd niet veel van dubbel-toegevouwen restauratie-nota’s +op een bord, vooral niet in een luxe-restauratie. En hier bleek nogmaals, dat mijn instinctieve weerzin niet ongegrond was. +Ik schrikte letterlijk van het bedrag en een waas weifelde vóór mijn oogen. O, die dollars, die dollars! En dat men die toch +hebben moest, en veel, om daar te kunnen leven! Droomde ik? Had ik in mijn eentje voor zulk een bedrag gebruikt, of had Maud +toch werkelijk mede met mij aangezeten? Ik staalde mijn gezicht en opende mijn beurs en in mij drong weer de hardnekkig-stugge +wil, niet alleen meer om Maud, maar om ook den onontbeerlijken dollar te veroveren. Ja, ik wilde, ik zou! Weg, alle verslappende, +verlammende schimbeelden uit ’t verleden! Maud en de dollar,.... ik zag ze beiden voor mij, in voelbare bekoorlijkheid; en +ik rees op en vertrok in den nacht, alleen, maar sterk als duizend, met het hypnotiseerend, te bereiken doel vóór mijn jonge, +geestdriftige, halsstarrig-stralende oogen. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153">153</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1249" title="Bron: III">IV</span></h2> +<p>—Ja, zeker meneer, had de baas van het hotelletje geantwoord op mijn vraag, of er daar ook ’s winters op den vijver schaatsgereden +werd. Zeker, zoodra het ijs sterk genoeg is wordt de sneeuw opgeruimd en is het hier een lustig leventje, meneer, van den +ochtend tot den avond. De heeren hebben meestal in de week niet veel tijd; maar we krijgen des te meer dames en kinderen; +en die houden er ook wel de vroolijkheid in, wees dat maar zeker. + +</p> +<p>De woorden brandden mij op de tong om hem iets over de mooie Maud en haar familie te vragen; maar de liefde maakte mij schuchter; +het was of mijn gevoelens op mijn aangezicht zouden te lezen staan, en ’k durfde niet. + +</p> +<p>Maar ondertusschen het vroor.... het vroor.... mijn ramen stonden iederen ochtend vol van de sierlijkste ijsbloemen en een +stralende, oranje-roode zon tintelde daarin als een gouden stralenbol in kanten-zilverweefsel. Was het niet vreeselijk en +afschuwelijk op zulke dagen, ter verovering <span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span>van den ellendigen dollar op de kantoorkruk te moeten zitten, in plaats van vrij als een vogel over het ijs te zweven en van +de schoonheid en de liefde te genieten? Ik voelde mij half gek worden van zenuwachtigheid en ongeduld; en op een middag, stralender +en glanzender dan alle andere, hield ik het niet meer uit; ik liet den boel in den steek, ik holde naar de West Shore trein, +om er gauw genoeg te zijn en twintig minuten later stapte ik uit te X. en rende met mijn schaatsen onder den arm naar het +hotelletje toe. + +</p> +<p>Ik merkte, of, beter gezegd, ik “voelde,” zoodra ik buiten het stationnetje kwam, dat er schaats gereden werd. Menschen spoedden +zich, met sleedjes en schaatsen, in de richting waar ik zelf heen wou en ik hoorde een paar straatjongens elkander toeroepen: + + +</p> +<p>—The ball is up! + +</p> +<p>The ball is up! ik wist wat dat beteekende. Overal, zoodra er kon gereden worden, werd een groote, roode bal, rood en groot +gelijk een winterzon, aan een paal opgeheschen en de liefhebbers wisten alom wat dat beduiden wilde. +<span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155">155</a>]</span></p> +<p>The ball is up! Ik haastte mij, ik hijgde en zwoegde door de glinsterende sneeuw; ik dacht en vreesde: als ’t maar geen valsch +bericht is! Mijn oogen priemden in ’t verschiet tusschen de villa’s en de boomen heen; en eensklaps zag ik hem: ik zag hem +glanzend hangen in de verte, zoo heerlijk rond en groot en rood vlak naast het hotelletje; en meteen zag ik den schoongeveegden +vijver en op den vijver een bonte krioeling van menschen, die daar heen en weer en door elkander zwierden! + +</p> +<p>Mijn hart ging op; mijn hart ging open! Je moet schaatsenrijder zijn en anderen zien rijden, om dat te kunnen voelen! Het +is alsof er geen ijs meer zou over zijn tegen dat je zelf op ’t ijs gaat komen. Het kittelt in je beenen; het maakt je dol +en bijna kribbig. Het nevelde vóór mijn oogen, ik vloog af op een bank waar nog een open plekje was, ik maakte mijn schaatsen +vast, met bevende vingers. Ik stond op, ademde diep, gleed over ’t ijs en zwierde.... + +</p> +<p>Ik reed eerst een paar keer den ganschen vijver rond. ’t Genot was exclusief en absoluut. Ik zag niets anders, voelde niets +anders, <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span>dacht aan niets anders. ’t Was als een soort van dronkenheid. Ik trok <span class="corr" id="xd0e1274" title="Bron: en">een</span> paar fijne, gecompliceerde figuren, voelde mij dadelijk zoo flink en stevig op mijn schaatsen, alsof ik in weken niets anders +gedaan had. Mijn wangen gloeiden en mijn oogen tintelden. + +</p> +<p>Er waren weinig heeren, tamelijk veel dames, heel veel kinderen. Ik merkte dadelijk, dat zich daar geen buitengewone kunstrijders +oefenden. Ik had het prettig gevoel, dat ik daar een van de besten zou zijn. Enkelen waren aan ’t probeeren met figuren, doch +’t ging maar heel, heel matigjes en ook het rijden van de dames leek mij al niet veel bizonders: het was probeeren, sukkelen, +en nog al knoeien. Toch was ’t gezelschap wel elegant; ik merkte hier en daar een aardig gezichtje en er was veel uitgelaten +vroolijkheid en vrijheid, zooals dat altijd is op ’t ijs. + +</p> +<p>Toen zag ik haar, háár, eensklaps! + +</p> +<p>Ik zag haar heel op ’t uiterst eindje van den vijver, in al haar schoonheid en haar elegance, bedaard heen en weer rijdend +met een jong meisje dat het blonde haar nog los over de schouders droeg en dat zij, eenigszins <span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157">157</a>]</span>beschermend, begeleidend bij de hand hield. + +</p> +<p>Het gaf mij een plotselinge emotie, alsof ik een bons in mijn maag kreeg. Ik wilde dadelijk, als onweerstaanbaar aangetrokken, +naar haar toe, doch verroerde niet, als met lamheid geslagen. Even werd het heel zwak in mijn beenen en het duizelde vóór +mijn oogen, alsof ik in zwijm zou gaan vallen. Dat duurde wel ettelijke minuten. Toen begon ik stilaan te bekomen en reed +langzaam in haar richting toe. + +</p> +<p>Ik wist het zoo te schikken, dat ik haar zou tegenkomen als zij met het kleine meisje van het eene eind naar het andere terugkeerde. +Dat lukte precies. Het had trouwens ook wel niet anders gekund. Ik zag haar komen, maar zonder haar in het gezicht te durven +aankijken. Ik zag alleen tot even boven haar knieën, waar de donkerblauwe rok gracieus iets van de vormen harer beenen liet +raden; en ik zag natuurlijk ook haar voeten, die fijntjes op de schaatsen stonden; en haar enkels, die zoo volmaakt waren +als enkels kunnen zijn. Eerst toen ze vlak bij mij was, keek ik, als bij louter toeval op, deed even of ik aarzelde, herkende +haar, <span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158">158</a>]</span>glimlachte, nam diep mijn hoed af. Ik zag haar insgelijks glimlachen, vriendelijk teruggroeten, verder met het kleine meisje +doorrijden. Een lichte balsem van viooltjesgeur omzweefde als een goddelijke hulde de vluchtige ontmoeting. Ik stel mij voor +dat ik heel bleek moet zijn geworden op dat oogenblik, want ik had het gevoel, dat het bloed eensklaps langs alle kanten uit +mij wegtrok, om zich ’k weet niet waar te gaan verzamelen. Ik kreeg even ’t wanhopig gevoel of nu plotseling alle kracht uit +mij was weggevloden en ik niet meer in staat zou zijn nog de minste prestatie te leveren. Ik reed een eindje, struikelde ellendig, +viel bijna, als een gewone knoei-leerling. Ik had wel kunnen schreien van droefheid en vernedering. + +</p> +<p>Even moest ik aan den oever op een bank gaan zitten. Ik kòn niet meer. O, liefde, bloem des levens, dacht ik smeekend, in +mezelf, verleen mij op dit beslissend oogenblik toch kracht in plaats van zwakheid! Het werd iets beter. Het leek wel of mijn +vrome bede aanhoord was. Ik stond op, waagde mij weer op ’t ijs. Ik trok enkele <span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159">159</a>]</span>krullen. Het ging wel, maar onbewust als ’t ware, machinaal, buiten mij om. Het was alsof een ander werkte, met <i>mijn</i> beenen. Ik voelde mijn beenen haast niet. Ik scheen te rijden met beenen, die niet de mijne waren, die niet bij ’t overige +van mijn physiek wezen pasten. + +</p> +<p>Daar kwam ze weer terug, met ’t kleine meisje. Ze reed wel elegant, maar dat gebeurde als van zelf, niet omdat ze iets bizonders +kon, maar omdat ze van zichzelve zoo elegant en mooi was. De beenen die onder mij werkten gingen daarop ook weer vanzelven +aan den gang en zij trokken waarlijk heel mooie figuren, lastige dingen, die mij zelf ten zeerste verbaasden. Enkele schaatsenrijders +bleven staan en keken goedkeurend, ja, bewonderend er naar. De beenen werkten verder door. Zij maakten nòg mooier en gecompliceerder +figuren en eensklaps zag ik ook háár in den kring der toeschouwers staan, naast het meisje met de blonde haren. Als verlamd +staakten de beenen plotseling elke beweging. + +</p> +<p>—Very lovely, indeed! klonk een vrouwenstem achter mij op. +<span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160">160</a>]</span></p> +<p>Fluks keek ik om en zag twee levendige oogen glimlachend op mij gevestigd. En ik herkende ’t bij-de-hand gezicht van “Auntie,” +die mij vriendelijk toeknikte. Zij zat op een bank in de zon; en naast haar zaten ook de oudere dame met grijze haren en de +oude meneer, die ik als de ouders van Maud beschouwde. + +</p> +<p>Ik nam mijn hoedje af en groette. Ik groette en glimlachte; en de beenen die onder mij werkten brachten mij als van zelf naar +den rand van het ijs toe, vlak vóór de bank, waar “Auntie” zich met haar familieleden in ’t heerlijk zonnetje zat te koesteren. + + +</p> +<p>“<span class="corr" id="xd0e1309" title="Bron: Autie">Auntie</span>” stond dadelijk levendig op en vroeg mij waar ik zulke mooie dingen wel geleerd had. + +</p> +<p>Ik antwoordde dat dat gebeurd was in de “old country,” in België, waar ik altijd heel veel met mijn vrienden had gereden. + + +</p> +<p>—België.... is dat in “Germany?” vroeg “Auntie” met haar intelligente, levendig-schitterende oogen. + +</p> +<p>—Wel neen, antwoordde de oude heer in mijn plaats. België is een apart koninkrijk, dat niets met “Germany” te maken heeft. + + +</p> +<p>Ik glimlachte en knikte, bevestigde dat <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161">161</a>]</span>inderdaad België niets met “Germany” te maken had. “Auntie” vond dat wel eenigszins vreemd, maar de oude heer herhaalde het +nog eens met nadruk en ook de oude, deftige dame met grijze haren knikte langzaam met het hoofd, om te bevestigen dat haar +man gelijk had. + +</p> +<p>Maud en ’t kleine meisje waren intusschen dichter bij gekomen. Ik zag haar wel naderen, maar deed alsof ik het niet zag. Eerst +toen ze heel dichtbij waren keerde ik mij half om en groette weer, heel diep. + +</p> +<p>Maud glimlachte. Zij glimlachte heel eigenaardig en fluisterde iets tot ’t kleine meisje, dat, als beschaamd of bedeesd, zich +om haar heen draaide en kronkelde. Toen keek de schoone Maud mij met haar prachtige oogen aan en sprak, ook lichtelijk gegeneerd, +terwijl zij naar het kleintje wees: + +</p> +<p>—Zij bewondert zóó uw kunsten en wou zoo graag dat u nog eens iets deed. + +</p> +<p>—Heusch? Wou je dat ook zoo graag leeren? vroeg ik op gemaakt-lossen toon, mij tot het kleintje wendend. + +</p> +<p>Zij draaide zich om Maud en knikte met het hoofd. +<span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162">162</a>]</span></p> +<p>—Nou dan, zei ik. + +</p> +<p>Ik keerde mij om en de beenen kwamen in beweging. Ik voelde ze niet meer. Ik kan hier de absolute en stellige verzekering +geven, dat ik mij machinaal voortbewoog op twee voorwerpen, die volstrekt niet meer tot mijn lichaam schenen te behooren en +waarover ik niet de minste controle meer had. Ik geloof dat men er in had kunnen snijden of prikken, zonder dat ik het voelde. +Ik was ook zeer kortademig en onder mijn hoed voelde ik het zweet in dikke droppels op mijn voorhoofd parelen. Ik voerde ’k +weet niet welke kunsten en figuren uit. + +</p> +<p>—How lovely! Splendid! hoorde ik achter mij, als in een droom. + +</p> +<p>Ik hield op, kon niet meer. Ik nam even mijn hoed af en veegde mijn voorhoofd droog. + +</p> +<p>Het kleine meisje jubelde; en ook Maud keek mij met stille bewondering aan. Zij vroeg mij iets, hoe ik een bepaald figuur +maakte; en ik gaf haar met gehorte stem de uitlegging, en deed het haar nog eens voor. Zij probeerde ’t, struikelde, strekte +een hand uit, die in <i>mijn</i> bevende hand terecht kwam. +<span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163">163</a>]</span></p> +<p>Het kleine meisje jubelde, wilde het ook probeeren. Met jonge kinderen lukt dat gauw. Ik hield haar vast, zij maakte de krul, +riep juichend naar de bank toe: + +</p> +<p>—Oom, Tante, ik kàn het! ik kàn het! + +</p> +<p>Ik nam haar beide handen en stelde haar voor eens met mij rond te rijden. Het ging buiten alle verwachting goed. Het kind +was om dol te worden van blijdschap. Al haar bedeesdheid was eensklaps over; zij kliste zich aan mij vast, wou mij niet meer +loslaten. + +</p> +<p>—Violet, je mag meneer niet lastig vallen, zei “Auntie.” + +</p> +<p>Ik gaf “Auntie” en de verdere familie de stellige verzekering, dat Violet mij in het minst niet lastig viel. En nog eens toerde +ik met ’t opgetogen kleintje rond. + +</p> +<p>Maar Maud was ook aan het studeeren; en toen ik met Violet bij de bank kwam, vroeg ze mij of ik haar nog eens wijzen wou hoe +die krul gemaakt moest worden. + +</p> +<p>Voor de tweede maal deed ik het haar voor en volgde met gespannen aandacht haar beweging, terwijl ze zich oefende. + +</p> +<p>—Neen, pardon, zoo niet, het linkerbeen naar achter, professeerde ik. +<span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164">164</a>]</span></p> +<p>Zij herbegon, maar het ging nog niet. “Auntie” mengde zich in de les, riep, van op de bank: “naar achter, naar achter, het +linkerbeen naar achter.” + +</p> +<p>—Ach! ik zal het nooit kunnen leeren! kreet Maud wanhopig. + +</p> +<p>—Mag ik u soms even vasthouden?<span class="corr" id="xd0e1370" title="Bron: ’"></span> vroeg ik. + +</p> +<p>—Graag, antwoordde zij. + +</p> +<p>Ik hield haar vast! Met beide handen hield ik haar zacht en stevig vast! En de beenen die onder mij werkten werden eensklaps +weer de mijne; zij stonden forsch en kloek op het ijs, vertrouwbaar als pilaren die het gansche gebouw mijner vurige liefde +beschermend stutten en droegen. + +</p> +<p>—Zoo.... zoo.... zoo.... duwde ik haar zacht naar rechts. Zoo.... zoo.... zoo.... trok ik haar weer naar links. En het ging.... +wij zweefden zacht en zwierden en een heerlijke viooltjes-lucht dreef als een wierook met ons mee. Haar wangen bloosden, haar +mond glimlachte en haar oogen schitterden: zij genoot, zij was tevreden en gelukkig.... gelukkig door mij! +</p> +<hr class="tb"><p> +<span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165">165</a>]</span></p> +<p>Ik weet niet meer hoe lang we zoo gereden hebben. De tijd hield geen rekening meer. Ik herinner mij slechts, dat de sneeuw +rondom den vijver van lieverlede mauve tinten kreeg, dat de droge bladerkruinen van het roode eikenbosch gansch purper werden +en dat de ramen van het hotelletje tintelend vuur weerkaatsten. Het aantal schaatsenrijders op den vijver nam zienderoogen +af; op de bank waar zij nog steeds zaten, schenen Maud’s familieleden sinds een poos een stil conciliabuul te houden; en eensklaps +stond de oude heer stram overeind, wenkte mij tot zich en vroeg of ik soms zin had, met hem en zijn familie thee te gaan gebruiken. + + +</p> +<p>Ik kreeg den indruk alsof de goede man mij zijn mooie dochter ten huwelijk aanbood. Ik had een spontane beweging, alsof ik +zou gaan zeggen: “O, ’t is te veel, meneer; ’t is heusch te schitterend wat u mij daar voorstelt!” Ik zei evenwel iets anders, +wàt weet ik niet meer; doch het resultaat was hetzelfde: ik bond mijn schaatsen af, hielp Maud en Violet de hare afbinden +en enkele minuten later zaten wij allen gezellig om een tafeltje in ’t lekkerwarm restaurant, bij een der <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166">166</a>]</span>groote, heldere ramen, waarachter wij de schoone, roode winterzon glanzend in het westen zagen ondergaan. + +</p> +<p>Ik had een gevoel alsof mijn lot en mijn toekomst nu reeds onherroepelijk beslist waren. Ik zat daar zoo goed, zoo vast, zoo +rustig, zoo veilig, dat het mij haast onmogelijk leek, dat daar nog eenige verandering in zoude kunnen komen. Dat was nu eenmaal +zoo, en dat bleef zoo, ik had mij verder maar vanzelf te laten leven. De Amerikaan is gastvrij van aard, maar ook nieuwsgierig. +Hij wil heel graag, en liefst zonder veel uitstel, zooveel mogelijk van de menschen weten waarmee hij omgaat; en op de weinig +bewimpelde vragen van mijn gasten vertelde ik wie ik was, en wat mij naar Amerika had gebracht, en wat mijn naaste toekomstplannen +waren. De oude heer keurde dat goed, knikte welwillend met het hoofd, deelde mij mede dat hij, hoewel niet direkt meer in +zaken betrokken, toch nog geregeld, uit oude gewoonte en uit onverwoestbare belangstelling, drie en vier maal in de week op +zijn vroeger kantoor in New York kwam, dat thans in andere handen was overgegaan. <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167">167</a>]</span>Zijn “line” was de houthandel geweest, zei hij; hij was heel klein begonnen, had prachtige zaken gemaakt en zou er zeker ook +nog in gebleven zijn als zijn vrouw er maar niet herhaaldelijk op had aangedrongen, “that he should sell out his business” +om rustig buiten te gaan leven. + +</p> +<p>Mevrouw, die anders weinig sprak, mengde zich in ’t gesprek. + +</p> +<p>—Ik had niets meer aan mijn man; hij zat van ’s ochtends tot ’s avonds op kantoor, beweerde zij. We gingen nooit eens naar +theater, nooit op reis. En de kinderen werden groot; we moesten hen toch in “society” brengen. + +</p> +<p>Tegenstrijdige gevoelens bestormden mijn ontvankelijk gemoed. De oude heer was een “self-made man,” dat zei hij zelf, en misschien +wel een tikje van een parvenu, dat liet hij doorschemeren. Dit schrikte mij niet af, boezemde mij geen weerzin in; integendeel: +het bracht mij nader en gemakkelijker tot het voorwerp mijner vurige liefde. Maar wel schrikten mij af de woorden van de moeder: +“dat zij de kinderen in “society” moest brengen. Society!.... dat waren <span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168">168</a>]</span>diners, soupers, bals, visites, concerten, theater! Society, dat was.... ja, hoe moet ik het anders noemen, dat was de liefdesmarkt, +de huwelijksbeurs; en hoe zou ik, arme, eenzame, onbekende vreemdeling op die geduchte markt tegen de met het terrein bekende +en flink tot den strijd toegeruste Amerikanen kunnen concurreeren? Ging Maud nu reeds in “society” uit; en sinds wanneer? +Het brandde op mijn lippen om het te vragen, maar ik durfde niet. Ik voelde mij opeens zoo vreeselijk bedeesd, zoo droef, +zoo machteloos! + +</p> +<p>Maar de oude heer sprong mij hulpvaardig bij. Society, zei hij, niet zonder eenige minachting, lijkt me, voor een flinken, +jongen Amerikaan een vrij overbodige luxe. Dat moest eigenlijk onder vrouwen blijven. Het houdt den jongen man van zijn ernstige +bezigheden af; het compromitteert meer dan eens zijn toekomst. Een man moet een gentleman zijn, dat geef ik toe. Maar als +hij netjes gekleed gaat en net-gepoetste laarzen draagt, dan <i>is</i> hij ook een gentleman. Meer hoeft hij aan “society-life” niet te besteden. + +</p> +<p>—O, vader! vader! riepen de dames verbolgen. <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169">169</a>]</span>Het kwam mij voor dat Maud een lichte kleur kreeg en ’t kleintje kronkelde zich lachend op den schoot van “Auntie,” gansch +opgewonden door de prikkelende discussie. + +</p> +<p>Ik hield mij stil en zat benauwd te glimlachen. Ik had reeds meenen op te merken dat Papa niet bijzonder geraffineerd was +in zijn manieren. Hij slurpte aan zijn kop en dronk terwijl hij at. ’t Is ’n proleet, dacht ik in mezelf en nogmaals was mij +die gedachte troostend en welkom, omdat ik voelde dat ’t mij nader en gemakkelijker bracht tot het prachtig voorwerp mijner +dolle liefde. Ik voelde mijzelf, in de oogen der dames, in waarde stijgen, naarmate Papa, door zijn uitvallen, blijkbaar in +maatschappelijke waarde daalde. Mama vroeg mij, hoe de society-toestanden in de “old country” waren. “Pas nu op! dacht ik +in mezelf; pas nu in Godsnaam toch goed op! Spaar de Papa, maar denk ook aan de Mama.” Ik keek, als geïnspireerd, door ’t +breede raam, waarachter de roode winterzon zoo schitterend onder ging, nam even een moede, bijna geblaseerde houding aan en +zei: +<span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170">170</a>]</span></p> +<p>—Ach, wij, in Europa, zijn zoo oud, vergeleken met u. Er heerschen daar zooveel tradities, welke hier, in dit krachtige, frissche, +nieuwe land niet meer gangbaar zouden zijn. Wij zijn dikwijls verfijnd, maar wel moe. Wij hebben schoone monumenten en prachtige +artisten, maar in het praktische leven staan wij zeker wel ten achter. Misschien zou het goed zijn voor Amerika als het iets +van Europa’s artistiek-verfijnde beschaving kon overnemen; en zeker zou het heilzaam zijn voor ons als wij wat meer van Amerika’s +fut, en durf, en voortgang, en ondernemingsgeest bezaten.<span class="corr" id="xd0e1413" title="Bron: ”"></span> + +</p> +<p>Ziedaar! Het was gezegd! Voor wie nu de innige beteekenis der woorden begreep, moest het duidelijk zijn dat het toekomst-geluk +der wereld verborgen lag in nauwere aaneensluiting der beide rassen. Meer aaneensluiting tusschen de staten; en meer aaneensluiting +tusschen de individuen! Om kort te gaan en duidelijk te zijn, en met een afzonderlijk voorbeeld de waarde van een gansche +stelling te bekrachtigen, een huwelijk b.v. tusschen een Europeaan en een Amerikaansche zou het ideaal benaderen. Dit <span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171">171</a>]</span>zeide ik natuurlijk niet in zulke klare woorden, maar zoo was wel de zin en de beteekenis van mijn betoog. + +</p> +<p>Papa strekte zijn beide dikke handen uit, alsof hij volkomen mijn woorden beaamde en Mama en “Auntie” jubelden, terwijl een +zachte gloed van geestdrift even in Maud’s prachtige oogen schitterde. Het gesprek werd intiemer, “Auntie” had het nog eens +over België en stelde voor de tweede maal de vraag of dat land dan toch werkelijk niet in “Germany” lag. Papa werd bijna giftig +en zei dat zulke halsstarrige hardnekkigheid in de dwaling inderdaad aan krankzinnigheid grensde. Maar “Auntie” liet zich +dat maar zoo niet zeggen. Zij keek mij strak met haar levendige, intelligente oogen aan en vroeg mij met nadruk of ik er wel +heel, héél zeker van was, dat België niet in “Germany” lag. Het werd een lastig dilemma voor mij. Durfde ik beweren dat België +wèl in “Germany” lag, dan was ik voorgoed verloren in de oogen van Papa en met Papa verloor ik waarschijnlijk ook Maud; durfde +ik beweren dat België niet in “Germany” lag, dan verbeurde ik de sympathie van “Auntie,” en, dit voelde <span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172">172</a>]</span>ik héél sterk en instinctmatig, “Auntie” met haar bij-de-handheid, kon mij, òf veel goed, òf veel kwaad doen bij Maud. De +liefde maakt laf, en slap, en zwak; en, in plaats van rond voor de waarheid uit te komen, draaide ik schipperend om de pot, +zei dat ik mij best kon voorstellen, dat Amerikanen, gewend aan zulke groote landen als het hunne was, een nietig strookje +als België op de wereldkaart niet zoo gemakkelijk ontdekten, en dat het niet de eerste maal was dat België’s bestaan als eigen +koninkrijk in twijfel werd getrokken, en dat zulks nog wel meer gebeuren zou,.... enfin, de lafheid zelve, zoodat ik mij schaamde +om mijn woorden en het als een goddelijke zegening aanvaardde toen de kleine Violet, door een wispelturig gebaar, haar kopje +omgooide en mij van de heup tot de knie met warme thee besproeide. + +</p> +<p>Dat gaf een afleiding en Violet kreeg een standje; en, ik zou mij niet meer kunnen herinneren naar aanleiding van wat, maar +toen werd er, zonder overgang, over kunst gesproken. Ik vertelde met vuur van onze schrijvers en beeldhouwers en schilders. +Papa viel mij dadelijk in de rede en zei, <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173">173</a>]</span>genoegelijk en voldaan glimlachend, dat hij zich ook zeer voor schilderkunst interesseerde en mij, met gelegenheid, eenige +mooie doeken in zijn huis zou laten zien. Mijn hart stond even van emotie stil. Hoezoo! Waren we reeds zooverre gevorderd +dat ik bij hem aan huis zou mogen komen! Ik betuigde met geestdrift mijn bereidheid om die wonderen te aanschouwen. + +</p> +<p>—U zal dan meteen ook het werk van mijn dochter kunnen zien, glimlachte Papa met vaderlijken trots. + +</p> +<p>Als door een veer bewogen keerde ik mij tot de mooie Maud om. + +</p> +<p>—O, werkelijk! Schildert u! jubelde ik. + +</p> +<p>—Ach! het heeft niets te beteekenen, antwoordde zij blozend; en richtte gegeneerd haar prachtige oogen ten gronde. + +</p> +<p>Er werd een afspraak gemaakt. Den volgenden dag was de familie verhinderd (society, dacht ik bij mezelf met diepe bitterheid) +maar den dag daarop, als ik tijd had, zouden ze mij op het ijs ontmoeten en mij dan na het rijden naar hun villa meenemen. + + +</p> +<p>Of ik ook tijd had! In werkelijkheid had <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174">174</a>]</span>ik geen tijd, moest er mijn ernstige zaken voor verwaarloozen, maar of ik ook tijd maken zou! Papa bromde wel, dat men mij +niet van mijn “business” mocht afhouden, daar ik een flink “American” moest zien te worden; maar ik stelde Papa gerust, gaf +hem de stellige verzekering, dat ik juist heel toevallig dien dag absoluut niets uit te voeren had. + +</p> +<p>De zon was onder, haar roode na-gloed kleurde nog het gansche westen, als voor een schimmenspel van reuzen, en de verlaten +vijver kreeg vale metaalglanzen, terwijl het eikenbosch langzamerhand tot zwarten nacht versomberde tegen het strakke wit +der sneeuw. + +</p> +<p>Papa stond op en gaf het sein tot den aftocht. + +</p> +<p>—Gaat u soms een eind met ons mee? vroeg hij. + +</p> +<p>Wat hij mij vroeg was net wat ik verlangde en met mijn schaatsen in de hand stapte ik naast de familie heen. + +</p> +<p>De scherpe avondkoude prikte. Het zou nog eens flink vriezen, dien nacht. Wat zal er van mij worden, dacht ik meteen, als +<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175">175</a>]</span>het eens niet meer vriest? Ik moest maar hopen, dat de dooi niet al te gauw zou invallen; dat hij niet komen zou alvorens +mijn liefde, alvorens <i>onze</i> liefde vast aan elkaar geklonken was. + +</p> +<p>Ik liep een pas of tien vooruit, met Maud en “Auntie.” De boomen van den weg welfden hun naakte kruinen als een hoogen tunnel +over ons heen. Links in den donkerblauwen hemel blonk reeds een ster, heel zuiver, heel helder, als een eenzaam, fijn juweel; +rechts, in ’t rood der ondergegane zon, hing een fijn schilfertje maan, als een antiek sieraad. Een bende wintervogels wiekte +hoog, met fijne, schrille kreten het glanzend westen in. + +</p> +<p>Wij keuvelden over diverse dingen. “Auntie,” die nog steeds veel belang in de “old country” stelde, wilde o. a. weten hoe +de welgestelde menschen aldaar ’s zomers leefden. Ik vertelde haar van de buitenverblijven, van de bergen, van de luxe-badplaatsen. + + +</p> +<p>—Vrijwel hetzelfde als bij ons, meende “Auntie.” En zij deelde mij mede dat zij ’s zomers meestal voor een poosje naar Newport +gingen, en dan naar Saratoga <span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176">176</a>]</span>in de bergen en in den herfst naar Lennox, allemaal plaatsen waar het heel aardig en “smart” was. + +</p> +<p>“Society” sidderde ik in mijzelf. En weer dacht ik: “Als we nu maar stevig genoeg aan elkaar geankerd zijn alvorens de dooi +invalt!” + +</p> +<p>Bij een kruispunt van den weg bleven zij staan. Daar moesten zij de laan op naar hun villa en wachtten even op Papa en Mama, +die met Violet aangekuierd kwamen. + +</p> +<p>Ik nam mijn hoed af en begon handdrukken te wisselen. Al de handdrukken die ik wisselde waren, zooals van zelf spreekt, slechts +aanleidingen tot den afscheidshanddruk, dien ik met Maud zou wisselen. + +</p> +<p>Ik voelde al mijn zintuigen tot het uiterste gespannen en gescherpt. Ik keek haar aan met mijn enthousiaste oogen en ’t kwam +mij voor of in haar afscheidsblik een ongewone teederheid van streeling en van zachtheid lag. Ik drukte haar de hand en hield +die eventjes, héél eventjes langer dan strikt-noodig was in de mijne en ’t kwam mij voor alsof zij deze drukking ook heel +eventjes met een extra-drukkingje beantwoordde, <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177">177</a>]</span>alvorens mijn vingers los te laten. Het stroomde door mijn heele lichaam heen als een electrische trilling; zoo iets dat langs +mijn armen naar mijn schouders opklom, daar even mij doorrilde en dan langs mijn rug en langs mijn beenen in den grond verdween. + + +</p> +<p>Het stoomde als ’t ware in mijn hoofd van woelende en gloeiende gewaarwordingen en gedachten. Het was alsof ik grooter was +geworden en of mijn lichaam, evenals mijn geest, tot aan de ideale sterren reikte. Ik liep met veerkrachtigen tred recht vóór +mij uit, heuvel op, heuvel af en toen ik ietwat tot bezinning kwam merkte ik, dat ik èn de aanlegplaats der “ferry’s” èn het +station van de West Shore Railroad reeds lang voorbij was. Never mind! Ik was niet in een stemming om ergens te gaan zitten +of te wachten; ik had behoefte aan beweging; ik moest loopen, lóópen, en denken, en plannen maken, en hardop praten in de +nachtelijke eenzaamheid: en ik liep maar steeds verder, gesticuleerend onder de sombere boomen; ik liep te voet naar New York +terug, niet meetellend mijn moeheid en den <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178">178</a>]</span>afstand, ik liep als een gek, al het andere vergetend in de wilde opbruising van mijn hartstochtelijke liefde. + +</p> +<p>Af en toe bleef ik plotseling staan. Dan rees opeens, als een spook, het beeld van het verleden vóór mij op. Wat! Zou ik werkelijk +den moed hebben mij voor altijd in het vreemde land te vestigen? Zou ik nooit meer in ’t lieve Vlaanderen gaan leven? Zou +ik nooit meer de bekoorlijke dorpjes Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, en de mooie, kronkelende Leie en Tieldeken, en de freule +van ’t kasteel, en mijn oude vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder en zelfs de eenmaal diep-gehate Groote Musicus +terugzien! Het suisde en woelde pijnlijk in mijn overspannen hoofd; ik voelde mijn ziedende hersenpan als een soort gistkuip +waarin, onder mysterieuze en folterende werking, mijn toekomst werd gebrouwen. Maar wie weet? Misschien zou zij zelve wel +in Vlaanderen willen komen leven? Als ik dàt kon bereiken, dan was mijn overwinning totaal! Hoe trotsch zou ik zijn, met haar, +in al haar bloeiende, overweldigende schoonheid, ginds, in mijn land, bij al wie mij <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179">179</a>]</span>kende! Wat een triomf om met haar over de Leie te gaan schaatsenrijden en daar even op te houden in de bocht vóór het kasteel, +het trotsch kasteel, en haar schoonheid en de kunsten die ik haar geleerd zou hebben te vertoonen voor de hoogmoedige freule, +en voor den verwaanden baron met zijn grijze bakkebaarden, en voor al de lui die ons daar destijds zoo smadelijk genegeerd +of bejegend hadden! Dàt moest ik zien te bewerken en te bereiken; dàt was mijn taak, mijn levenstaak, ik voelde het ineens +met alles-overweldigenden aandrang, en ik liep maar steeds verder en verder; luid-pratend en gesticuleerend langs den wit-besneeuwden, +eenzamen weg onder de stralende tinteling van den sterrennacht heen, tot ik eindelijk in ’t verschiet de eerste lichtjes der +geweldige wereldstad zag flikkeren. + +</p> +<p>Daar begon, of, beter gezegd, daar eindigde de electrische tramlijn; en niets is meer ontnuchterend en werkelijker dan het +begin of het eind van een electrische tramlijn. Daar gaat een matter-of-fact-stemming van uit, die alle romantisme <span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180">180</a>]</span>en ideaal terstond op ’t tweede plan verschuift. Ik zuchtte zwaar en mijn schoone illuzies zakten op den geheimsten bodem +mijns harten neer. De buurt was vuil en banaal-leelijk, zooals elke buurt waar een electrische tramlijn begint of eindigt; +maar op den hoek was er toch nog een “bar” van niet gansch onoogelijk uiterlijk en als vanzelf trad ik er binnen en bestelde +er een cocktail. Ik vroeg den “barkeeper” of hij mij wel een Manhattan-cocktail zou kunnen toebereiden. + +</p> +<p>—Cèrtainly, sir, antwoordde de man, met nadruk op de eerste lettergreep, alsof het immers vanzelf sprak, dat in zulk een merkwaardige +gelegenheid als de zijne, de fijnste “drinks” werden klaargemaakt. En inderdaad, het ding smaakte heerlijk, misschien ook +wel omdat ik zulken dorst had en zoo flink geloopen had. + +</p> +<p>Ik stak een sigaret op en in den blauwen rook liet ik mijn droomen gaan. Wat was het leven toch heerlijk en wat stond de schoone +wereld glanzend-wijd vóór mij open! Ik bestelde een tweeden cocktail. Een zalige moeheid zonk loom in mijn beenen. Had <span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181">181</a>]</span>ik nu maar een mooi rijtuig met een vlug span paarden om mij thuis te brengen, dacht ik. Thuis! Ik had daar immers geen thuis! +Mijn huis was verre, verre, in het mooie Vlaanderen. Even schroefde een heimweeïge emotie mij de keel toe en ik kreeg tranen +in mijn starre oogen. Neen, ik bezat hier geen thuis; ik was hier de vreemdeling, bijna de banneling; maar zij had wèl een +thuis, een heerlijk home dat ik weldra zou mogen zien; en ik droomde dat dat heerlijk home nu ook <i>mijn</i> home was en dat haar rijtuig met de mooie schimmels vóór de deur van ’t kroegje stond, om mij bij haar, in haar schoone armen, +naar huis te voeren. Voor de deur van ’t kroegje stond inderdaad een rijtuig; maar ’t was de zeer prozaïsche electrische tram, +waarvan de wattman en de conducteur den beugel omsloegen. + +</p> +<p>Ik betaalde, stond op, en vertrok met de electrische tram. + + + + +</p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1499" title="Bron: IV">V</span></h2> +<p>De dag, de groote dag, de dag van mijn bezoek bij Maud’s familie, was aangebroken. + +</p> +<p>’t Was stralend mooi weer, nog mooier <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182">182</a>]</span>dan al de vorige dagen. De winterzon glansde heerlijk en de stille, in het verschiet lichtgrijs- en blauwwazige lucht was +prikkelend zuiver en sonoor van geluiden op den hard-bevroren grond. ’t Was als een winterfeestdag in de reine lucht. + +</p> +<p>Al van in den vroegen ochtend had ik mij aandachtig in den spiegel bekeken en bestudeerd welk pak en welke das mij het best +zouden staan. Dit is volstrekt geen geringe of onbeduidende zaak. Wij, mannen, hebben ook zoo bitter weinig wat ons eenigszins +kan opsieren. Mijn teint was door de zon reeds flink gebruind; ik moest dus iets vinden dat daarbij paste. Ik probeerde ’t +eerst met een donkergrijs pak en een steenroode das. Het stond mij niet kwaad, maar ’t maakte mij wat dik; ’t voldeed mij +niet. + +</p> +<p>Ik trok een zwart pak aan, met blauwe das. Afschuwelijk! Afschuwelijk! ’k Zag er net uit als een burgerman op zijn zondagsch. +Ik wist niet hoe gauw ik dat uittrok. Toen paste ik gewoon een donkerblauw pak aan met zwarte das en hield mij daarmee tevreden. +Het stond wat streng, wat dor, maar ’t miste niet een zekere, sobere distinctie. <span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183">183</a>]</span>Een paarlen speld fleurde het trouwens nog al op. Ik voelde mij daarin wel niets als een veroveraar, maar ik viel me toch +nog al mee wanneer ik mij in den spiegel bekeek. + +</p> +<p>Om twaalf uur was het een heele kwestie wat ik wel eten zou. Er stond Irish Stew op ’t menu en daar hield ik heel veel van, +maar ik dacht er niet aan, vanwege de uien. Misschien zou het zelfs beter zijn als ik maar heelemaal niets gebruikte. Dat +maakt lichter, ideëeler, spiritueeler. Een mensch die stevig gegeten heeft is dikwijls log en loom en zwaar; een mensch, die +een enkelen maaltijd laat voorbijgaan, krijgt iets voornamers, iets superieurs. Maar.... de maag bestond ook nog, en die is +zeer materialistisch aangelegd, zoodat ik eindelijk besloot te transigeeren: mijn inferieur wezen zou “iets” krijgen en mijn +superieur wezen ook iets; en dat loste zich op voor ’t eerste in een zeer fijne, maar heelemaal niet overvloedige “lobster-salad” +en voor het tweede in een glas spuitwater in plaats van bier. Daarmee trok ik op. + +</p> +<p>De familie was reeds druk aan ’t schaatsenrijden, toen ik op het ijs aankwam. Maud <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184">184</a>]</span>was met inspanning de krul aan ’t instudeeren, die ik haar twee dagen te voren geleerd had, en ’t kleintje, Violet, kwam naar +mij toegevlogen van zooverre zij mij zag en riep jubelend dat zij het kunstje kende, terwijl haar tante Maud nog steeds aan +’t knoeien en aan ’t zwoegen was. Zij deed het mij voor, werkelijk heel aardig; en toen beleefde ik een van mijn grootste +triomfen: ik merkte met den eersten oogopslag wat er nog aan ’t werk van Maud ontbrak: een kleinigheid, een niets, maar dat +gedaan moest worden om ’t figuur te kunnen maken. Ik wees het haar, vroeg of ik haar even bij de hand mocht nemen; en daar +ging het ineens: zij snapte ’t, zij wàs er, zij maakte zonder moeite het figuur drie en vier maal na elkaar; en zij keek mij +met zulk een stralende dankbaarheid, met zulk een glans, ja, met zulk een hartstocht en met zulk een liefde in haar mooie +oogen aan, dat ik er als bedwelmd onder werd en even van emotie naast Papa en Mama en “Auntie” op de bank moest gaan zitten. + + +</p> +<p>Het was een gelukkige, een diep-gelukkige middag! Er komen zoo van die dagen, waar <span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185">185</a>]</span>alles meewerkt, evenals er andere dagen zijn, waarop alles tegenvalt. Er hing als ’t ware geluk en voorspoed in de atmosfeer; +alles was licht, alles was vroolijk, alles ging gemakkelijk en als van zelf. Maud genoot; zij genoot als een frisch, jong +kind in juveniel geluk van ’t kunstje dat ik haar geleerd had; zij was blij en dankbaar en beschouwde mij als een soort redder +en een held, als een die voor haar ongekende hemelen van genot en van geluk geopend had. + +</p> +<p>Wij reden en kringelden tot wij moe, doodmoe waren; wij reden ieder op zichzelf en wij reden samen; en als wij samen reden +was het, voor mij althans, een zaligheid waarvoor geen woorden zijn te vinden; wij reden en wij bleven rijden; en ik weet +niet wanneer wij er wel mee zouden uitgescheiden zijn, als niet de zon achter den heuvel was verdwenen, wat voor onmiddellijk +gevolg had, dat Papa en Mama en “Auntie” eensklaps een ijzige koude voelden in hun rug, en meteen van de bank opstonden, en +verklaarden dat het tijd, hoog tijd was om nu naar huis thee te gaan drinken, zooals afgesproken was. +<span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186">186</a>]</span></p> +<p>Wij bonden af en waren klaar. Dezelfde schoone avondzon die al die laatste dagen mijn geluk beschenen had, ging met ons mee +langs den besneeuwden weg, verlichtte met haar laatste, oranje-gouden stralen het weeldepad van al mijn zaligheid. Maud was +zóó verrukkelijk schoon in dien langzaam aan tanenden glans, dat zij mij weer voorkwam als een soort godin, bij vergissing +op de aarde neergedaald. Ik had haar, als krankzinnig van hartstocht willen omhelzen; en ik had ook voor haar in de sneeuw +willen neerknielen, en haar aanbidden, en tranen van geluk schreien aan haar voeten. + +</p> +<p>Bij het kruispunt van den weg sloegen wij rechtsaf en stapten den heuvel op. Waar zou het zijn? Waar zou het zijn? dacht ik +bij elke villa, die wij langs kwamen. Maar ’t liep een heel eind verre: het liep tot boven op den heuvel, tot op een punt +waar heel alleen een laatste, groote villa stond die, ik voelde ’t instinctmatig, hààr “home” wezen moest. + +</p> +<p>Zoo was het ook. Papa keerde zich om, keek mij, met ietwat ijdelen glimlach aan en zei: +<span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187">187</a>]</span></p> +<p>—We zijn er. + +</p> +<p>Hij duwde een hekje open en wij betraden het erf, dat dik onder de sneeuw lag. De boomen en de heesters droegen witte watten; +een pad was tot de stoep gebaand, die toegang gaf tot een veranda, welke rondom ’t huis liep. + +</p> +<p>Het zicht van daar uit, was onvergelijkelijk grootsch en schoon. Ik juichte, ik jubelde, ik vroeg of ik eens rond mocht loopen, +om dat te bewonderen. Zij vergezelden mij, om van mijn verrukking mede te genieten. + +</p> +<p>In ’t Westen brandde de zon haar laatste, roode stralen weg over een wijde uitgestrektheid van stilte en verlatenheid. De +sneeuw was roze en violet, een enkel huisje hier en daar stond als vergeten kinderspeelgoed in de wijde ruimte; een bosch +donkerde, dicht en zwart, als een rouwkleed op ’t glinsterend wit van een verderen heuvel. Een paar fabrieksschoorsteenen +staken hun rechte pijpen in de hoogte, zonder de schoone rustige harmonie van het landschap te storen. + +</p> +<p>Naar de oosterkim was ’t schouwspel gansch verschillend. Daar lag in de diepte <span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188">188</a>]</span>de prachtige Hudson met zijn vaalgroen water tusschen ’t wit van de besneeuwde oevers. Kleine dingetjes dreven er in schuinsche +vaart dwars overheen, wijd-uitloopende, witte strepen achter zich naar de kanten stuwend; en die kleine dingetjes waren de +groote, machtige “ferries” die heen en weer van en naar New York voeren. De huizen tintelden van lichtjes aan de overzijde; +en gansch aan ’t einde van den horizont, naar ’t Zuiden toe, was ’t of daar ergens een vulkaan in werking was: lichtschichten +flikkerden, rookkolken somberden en een machtig-zware stem kwam in doffen ondertoon tot hier verre aangewaaid: de grootsche +stem van New York met al zijn duizenden, en duizenden door elkander warrelende geluiden, waar af en toe, als een noodkreet, +de snerpende gil van een locomotief, of het langgerekt, klagend geloei van een stoomboot-sirene, aangrijpend uit opklonk. + + +</p> +<p>Ik stond daar, en ’k had er uren kunnen blijven om te zien en te genieten. Ik had er willen staan alleen met hààr en ons beiden +van die geweldige poëzie laten doordringen: een poëzie, grootsch en machtig als de overweldigende, <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189">189</a>]</span>bijna vernietigende liefde, die in mijn boezem voor haar bruisde. Maar “Auntie” kreeg het koud, “Auntie” was bang voor “chills” +en huiverde; en Papa opende met een fijn sleuteltje de zwaar-bewerkte, eikenhouten voordeur en wij traden binnen. + +</p> +<p>Hij draaide aan een knopje en in de “hall” ging electrisch licht op. Het licht glom kleurrijk en gedempt in een hanglamp van +groen, rood en oranje glas en ik kreeg dadelijk een plechtigen en weelderigen indruk, als in een oostersch paleis of in een +kerk. Zware kasten stonden tegen de wanden, rijke tapijten hingen aan de muren; een donkerroode looper liep langs een monumentale +trap naar boven. Links hing een groot schilderij, zwaar, somber, onduidelijk. Ik ging er recht op af, om alvast te bewonderen; +maar Papa hield mij tegen, zei dat ik daar maar niet moest naar kijken, wijl het niet veel te beteekenen had. Hij hielp mij +mijn jas uittrekken en haakte die aan een gewei dat tot kapstok diende; en nog eens aan een knopje draaiend duwde hij een +zijdeur open en verzocht mij binnen te gaan. +<span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190">190</a>]</span></p> +<p>Ik liet de dames voor en trad in een salon, door Papa gevolgd. + +</p> +<p>Door breede, heldere ramen zag ik den laatsten, rooden zonnegloed in ’t Westen, over het wijd-ingesneeuwde, eenzaam veld. +’t Was heerlijk-schoon, gelijk een vizie van apotheose. ’t Was om er naar te blijven staren en te droomen. De zachte warmte +van een gedempt-gloeiende vulkachel vulde ’t vertrek met een egale, koesterende luwheid en men had den indruk van veilig in +een serre, of in een lente-atmosfeer te staan, gezellig genietend met de oogen van al ’t schoone dat daarbuiten lag, zonder +de onaangename scherpheid van de koude te voelen. + +</p> +<p>—O! hoe prachtig! Hoe prachtig! jubelde ik. + +</p> +<p>Maar Papa deed zenuwachtig en als ’t ware eenigszins gehinderd. Laat ons de gordijnen dichthalen en licht aansteken zei hij; +anders kunnen wij de schilderijen niet goed zien. + +</p> +<p>De schilderijen! ’t Was waar ook! Ik was daar immers gekomen om zijn schilderijen te bewonderen! Ik had het reeds vergeten, +<span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191">191</a>]</span>zoo diep had mij het mooie vergezicht door de ramen geboeid. + +</p> +<p>Mama drukte op een schelknop en Papa stak alvast een lamp met roze kap op, die zacht op een onyxen tafeltje gloeide. Een hupsch +dienstmeisje kwam binnen en haar werd bevolen de gordijnen dicht te trekken en theewater te brengen. + +</p> +<p>Een voor een werden de schoone, weidsche tafereelen als ’t ware uitgewischt. ’t Was of een groote, ruwe, schennende hand ze +met doodkleur oververfde. Het was alsof licht en ruimte uit de wereld verdwenen. Toen dat gedaan was stak Papa nóg een paar +lichten op; en, zich met iets kinderlijk-triomfants tot mij omkeerend: + +</p> +<p>—Look now! zei hij. + +</p> +<p>Ik keek.... + +</p> +<p>Wat er ook gebeuren kon en wat ik ook te zien mocht krijgen, vast had ik mij voorgenomen in ieder geval te bewonderen. Ik +was op alles voorbereid, ook op het ergste; maar wat ik zag leek mij op ’t eerste gezicht nòg erger, dan het ergste dat ik +mij had voorgesteld. + +</p> +<p>Het waren in de eerste plaats portretten; <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192">192</a>]</span>en ik herkende Papa en Mama en “Auntie” en ook, o gruwel, Maud! Zij waren geschilderd als door een dolle neger, iets zóó geweldig +onartistieks en leelijks, dat ik de woorden op mijn tong voelde verstijven. Het waren als gekleurde poppen uit een panopticum +of kermis-kraam, van die dingen welke de handen doen kittelen om er met ballen naar te gooien en waar men ’s nachts van droomt, +in nachtmerrie-benauwing. Zij waren gefigeerd, dood, gedrochtelijk. ’t Was iets zóó overweldigend-affreus, dat ik terstond +besefte zelfs geen middenweg in mijn appreciatie te kunnen gebruiken: ik moest ofwel mijn afkeer uitgillen, ofwel blindelings +en onvoorwaardelijk goedkeuren en bewonderen; en ik deed het laatste, met een ignobele valschheid en lafheid, met de kruiperige +lafheid van den smoorverliefde: een daad, een wandaad, waar ik mij nu nog over schaam. + +</p> +<p>Papa zette ’n hooge borst op, kuchte, kreunde als ’t ware van trotsch genoegen, terwijl Auntie’s felle oogen flikkerden en +Mama met eenigszins bescheidener genoegen hoofdknikte en beaamde: +<span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193">193</a>]</span></p> +<p>—Oh yes, they are very lovely, indeed. + +</p> +<p>Maud, met een zachte kleur over haar wangen, stond in stilte te genieten. + +</p> +<p>Opgetogen leidde Papa mij verder rond. Ik zag een knoeierig “sous-bois” konterfeitsel uit een niet-bestaande streek, vuil +plagiaat van Courbet; een marine als van gegolfd karton waarop papieren schuitjes dobberden, een berglandschap met sneeuwtoppen, +als geklopte room op chocolade. Maar glunderend bracht Papa mij bij ’n kleiner schilderijtje in een hoek en zei, terwijl zijn +stem even van emotie hikte: + +</p> +<p>—En dit is ’t fijnste wat ik heb. + +</p> +<p>Het was een ijsgezicht uit Volendam, met de kleine poppenhuisjes langs den dijk, met de witte kapjes en de witte klompjes, +met de visschers en de visschersvrouwen, die in hun nationale kleederdracht op schaatsen reden. Het ding was akelig netjes +en banaal geschilderd als een chromo; ’t was eigenlijk om bij te huilen en te snikken; maar ik jubelde alweer met laffe uitbundigheid; +ik zei dat het precies zoo was in werkelijkheid en daarop omringden zij mij allen en deden mij vertellen, en vroegen <span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194">194</a>]</span>naar allerlei bijzonderheden uit die streek en zeiden dat zij ’t vaste voornemen hadden een of anderen dag dat verrukkelijke +land te gaan bezoeken. + +</p> +<p>Horizonnen van zaligheid gingen in mijn verbeelding voor mij open. O, zou ze toch werkelijk.... in de “old country”, zoo heel +dichtbij mijn eigen land eens komen! En, als ze daar eenmaal was, wie weet of zij er niet zou willen blijven, met mij.... +met mij.... als mijn beminde, als mijn vrouw! Het duizelde in mijn geest; het was tè schoon, tè heerlijk, ik mocht mij niet +zoo in vervoering laten meeslepen. Verder liep ik rond, zag nog meer monsterdingen, bleef eindelijk voor den vleugel staan, +waarop een heele rij fotografieën prijkten. En daar zag ik weer Papa, en Mama, en “Auntie” en ook Maud, doch nu in al hare +verrukkelijke schoonheid, in baljapon en laag gedecolleteerd, als de prinses uit een sprookje. Ik werd er plotseling jaloersch +van, wild-jaloersch omdat anderen vóór mij haar zoo hadden mogen zien en ik voelde ’t heete bloed naar mijn wangen opgolven, +terwijl een zwoele hartstochtsnevel vóór mijn oogen <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195">195</a>]</span>schemerde. Meer andere, meestal knappe portretten stonden naast het hare en Papa vertelde mij van wie die waren: Isabel, zijn +oudste dochter en Violet’s moeder, die in California woonde; Basil, zijn zoon, die in Philadelphia getrouwd was en verder +nog enkele familieleden en goede vrienden. Achter Maud’s portret stond dat van een jongmensch met banaal-knap gezicht en donkere +snor, die mij voorkwam eenigszins op haar te lijken. “Is dat ook een zoon van u?” vroeg ik aan Papa. “No, a friend,” antwoordde +hij, een vriend, die in New York woonde, maar voor ’t oogenblik een lange reis maakte voor handelszaken in Australia. + +</p> +<p>Op een schrijftafeltje bij ’t raam stond een kleine aquarel en ik voelde (je kunt zoo van die voorgevoelens hebben) dat dit +iets was, dat Maud geschilderd had. Ik ging er naar toe, boog er mij over heen, bekeek het met aandacht; en, mij weer oprichtende, +kalm, met ernstige, als ’t ware beheerschte bewondering: + +</p> +<p>—Dit is ’n aardig dingetje, zei ik. + +</p> +<p>Ik zag het vuur over Maud’s wangen <span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196">196</a>]</span>komen en ’k dacht dat Papa van overmoed ging omvallen. + +</p> +<p>—Weet u van wie dat is! riep hij,.... En hij verklapte ’t, zwellend van vaderlijken trots. + +</p> +<p>Ik hield mij heel, héél kalm en ernstig, alsof mij een gebeurtenis werd meegedeeld van zulk een overweldigend gewicht, dat +het besef ervan eerst in mij moest bezinken. Ik ging weer naar het tafeltje toe, bekeek de aquarel met uiterst ingespannen +aandacht, richtte mij op, staarde, alsof ik geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken, het jong meisje aan. + +</p> +<p>—’t Is buitengewoon knap! kon ik eindelijk uitspreken. + +</p> +<p>Papa jubelde: + +</p> +<p>—En zeggen dat ze er zoo met dozijnen heeft, boven, op haar boudoir! Laat ze meneer toch eens zien, Maud. + +</p> +<p>—Zou het u heusch interesseeren? vroeg zij blozend. + +</p> +<p>Ik zou mij niet meer kunnen herinneren wat ik op die ontroerende woorden antwoordde. Ik herinner mij enkel dat ik de felle, +op mij gerichte oogen van “Auntie” even met een <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197">197</a>]</span>eigenaardige uitdrukking zag flikkeren en dat Mama mij vroeg of ik niet eerst even een kop thee wilde drinken. + +</p> +<p>Ik weet ook niet, of ik voor dan na ’t bezoek op het boudoir die kop gedronken heb. Dikwijls heb ik daar met spanning over +nagedacht en ben het nooit met mijzelf eens kunnen worden. Ik weet alleen dat ik een kop gedronken heb, vóór of na ’t bezoek +op het boudoir. + +</p> +<p>Maar wel weet ik nog dat de salondeur openging, dat ik met haar in de “hall” kwam, in het mysterieuze gedempte licht der Moorsche +hanglamp van groen, rood en oranje glas, en dat ik over den donkerrooden looper met haar de trap op ging. + +</p> +<p>’t Was als een bruidsmarsch naar boven, als een nuptiale gang. Ik had geen de minste moeite om mij in te denken in ’t geval +dat ik met haar getrouwd was en dat wij samen, als man en vrouw, naar onze slaapkamer gingen. Op ’t eerste trapportaal duwde +zij een witte deur open, draaide licht aan, verzocht mij binnen te treden. + +</p> +<p>Alles was er van een lichte kleur, amandelbloesemachtig-teer en ’t geurde er bedwelmend <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198">198</a>]</span>naar fijne viooltjes. Er waren gemakkelijke, lichtkleurige fauteuils; er was een groote, lichte divan, breed als een bed. + + +</p> +<p>Hier nu te blijven, dacht ik, en nooit meer weg te gaan! En even sloot ik mijn bedwelmende oogen. Hier te blijven, haar in +mijn armen te nemen, haar te omhelzen en te zoenen, als in een hemel op aarde. En ’k wachtte, roerloos, strak, alsof het nu +komen zou, alsof het vanzelf zou gebeuren, omdat het werkelijk, zooals in mijn verbeelding, niet anders kon. + +</p> +<p>Zij ging naar den divan toe en haalde van achter de rugleuning een lijvig album te voorschijn. Zij lei die op den divan open, +schoof twee stoelen bij en verzocht mij te gaan zitten. + +</p> +<p>Ik nam plaats, machinaal, als in een droom. + +</p> +<p>Ik hoorde haar lieve, zachte stem en begreep niet wat zij zei. Ik zag haar langzaam, een voor een, de bladen van het album +omkeeren en had niet het minste benul van wàt ik zag. Ik uitte klanken, die van mijn bewondering moesten getuigen, maar kende +geen verschil tusschen een landschap en een zeegezicht. Ik ging op kleuren af, op felle <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199">199</a>]</span>vlakken, die nog eenigszins mijn elementair-geworden waarnemings-vermogen troffen. En aldoor waande ik mij in een wonderoord, +in een hemelschen tuin, in een Paradijs, waar het heerlijk naar viooltjes geurde. + +</p> +<p>Ik weet niet door welke kracht of welke vrees ik aan de verleiding heb weerstaan mijn arm om haar middel te slaan en in wilden +hartstocht haar blanken hals te zoenen. Het had best kunnen gebeuren en nu nog begrijp ik niet, dat het niet gebeurd is. Maar +het is niet gebeurd. Toen ik alles goed gezien had en bewonderd, deed zij het album dicht, stond op en ging het weer op zijn +plaats, achter de rugleuning van den divan, schuiven. Daarmee was mijn bezoek op haar kamer afgeloopen. Daarmee mocht ik heengaan, +bevredigd of onbevredigd, ik weet het zelf niet meer. Ik weet alleen dat plotseling een groote kilheid in mij doordrong en +dat ik huiverde, als van scherpe kou. Het was alsof ik van een reuzen-inspanning verlost werd. Ik had het gevoel dat ik tusschen +twee uitersten had gestaan: een formidabele ramp en een onuitsprekelijk geluk; en dat ik veilig aan de vreeselijke <span class="pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200">200</a>]</span>ramp ontkomen was, zonder echter het hemelsche geluk te proeven. Ik werd ineens heel kalm. De wilde crisis was over; ik kon +gewoon weer als een gewoon mensch voelen en denken. Ik beefde nog een weinig toen ik met haar naar beneden kwam en ontweek +machinaal den fel-vorschenden blik van “Auntie;” maar ik kon althans spreken; ik kon in woorden mijn waardeering en bewondering +uiten en die zelfs met eenige consequentie en welsprekendheid motiveeren. Zij luisterde met ernst naar mij; zij keek mij aan, +met dankbaarheid en sympathie. + +</p> +<p>Toen dronk ik thee. Het zal me steeds een kwelling blijven mij niet meer te kunnen herinneren, of ik, al dan niet, ook thee +dronk vóór ik met haar naar boven ging, maar dat ik thee dronk toen ik weer beneden was, ja, dat herinner ik mij nog heel +duidelijk. Ik dronk thee en nam met bevende vingers een paar koekjes. En ik bleef niet te lang voor dat eerste bezoek; ik +wist heel goed mijn tijd te kiezen; ik vertrok in het bewustzijn dat ik een gunstige impressie achterliet. + +</p> +<p>Bij ’t afscheidnemen drukten wij elkaar <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201">201</a>]</span>de hand. Onze oogen keken elkander sprekend aan en ik hield haar vingers in de mijne, misschien een halve seconde langer, +dan volstrekt noodig was. Trok zij instinctmatig hare hand terug, of liet ik die instinctmatig los? Ik weet het niet meer. +Maar die halve seconde voelde ik in mij, als een duizelingwekkende overwinning. Ik liep bedwelmd naar de deur, door Papa begeleid; +en ’t oogenblik daarna stond ik, in den scherpen vriesavond, op de schemerwitte sneeuw van den eenzamen weg. + +</p> +<p>Ik liep in snellen pas een honderd meters en bleef dan even staan. Al de miljoenen sterren van den schoonen donkerblauwen +hemel schenen voor mij alleen te tintelen en te bloeien. Wat was de wereld groot en mooi! Wat was het leven zalig! Ik stak +een sigaret op en voelde mijn oogen glinsteren in den nacht. En eensklaps had ik het besef dat mijn bestaan heel waardevol +en dierbaar was geworden en dat ik heel goed er voor zorgen moest. Ik voelde mij ineens moe, doodmoe en uitgeput, maar toch +zalig-moe en uitgeput. Ik had genoeg gedaan, dien dag; ik had het maximum bereikt van wat <span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202">202</a>]</span>ik kon verwerken; en in plaats van nu nog verre te gaan loopen, zooals ik eerst van plan was, trok ik huiverig den kraag van +mijn jas op en ging doodstil en kalm in de wachtkamer van de West Shore op mijn trein zitten wachten. + +</p> +<p>De gansche wereld woelde als ’t ware in mij om en de menschen liepen langs mij heen als in een droom. Ik was het centrum van +’t bestaan geworden. Even sprak ik hardop in ’t stille van de wachtkamer en merkte niet eens dat de overige reizigers mij +vreemd aankeken. Toen de trein voorkwam stapte ik er machinaal in en toen hij een half uur later in het Pennsylvania Depot +stilhield, stapte ik er machinaal uit, zonder beseft te hebben dat ik er mee gereisd had. + +</p> +<p>’t Was etenstijd en ik had honger, en toch zou ik niet eten. Mijn maag pijnigde en mijn slokdarm was als dichtgeschroefd. +Ik kocht een krant, keek er in, gooide hem dadelijk weg. Ik nam hem weer op en keek met inspanning naar de huwelijks-aankondigingen. +Was ik nu heelemaal overstuur en gek? + +</p> +<p>Ik trad een “bar” binnen. Ik was er <span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203">203</a>]</span>nauwelijks of reeds speet het mij dàt ik er was. Ik liep er weer uit zonder iets te gebruiken. Ik hoorde een kort hoongelach +van den barkeeper. + +</p> +<p>Toen begreep ik dat alles ontheiliging was, wat mij ook maar eventjes aan de gedachte van háár kon onttrekken en zonder nog +naar iets te kijken of te zoeken liep ik recht naar mijn ongezellige pension-kamer toe en sloot er mij met mijn ziedende gevoelens +en gewaarwordingen op. + +</p> +<p>Ik dronk veel water en rookte sigaretten, mijn strak-starende oogen in het onbestemde vóór mij heen gevestigd. + +</p> +<p>Ik had vizioenen waarin mijn gansche leven en verleden vóór mij heen zweefde. Ik dacht aan mijn tehuis, aan ’t schoone Vlaanderen, +aan mijn vrienden, aan Tieldeken van Meylegem, en aan de freule van ’t Kasteel. Er kwamen tranen in mijn oogen, die langzaam +over mijn wangen vloeiden.... + +</p> +<p>Zoo overviel mij eindelijk de slaap. Rillend van de koude werd ik wakker, gooide mijn kleeren uit, kroop in mijn bed. + +</p> +<p>De torenklok van de Pennsylvania sloeg twaalf uur. +<span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204">204</a>]</span></p> +<p>Ik kroop tot mijn hoofd onder de dekens en droomde van Paradijzen. + + + + +</p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1678" title="Bron: V">VI</span></h2> +<p>Kunst is een heerlijk iets. Kunst loutert de ziel van den mensch en verheft hem hoog en <span class="corr" id="xd0e1682" title="Bron: nohel">nobel</span> boven de kleinzielige sleur van ’t alledaagsche leven. Kunst is de bloem des levens. En kunst is liefde, liefde in den schoonsten +en den ruimsten zin van ’t woord. + +</p> +<p>Dit mocht ik met volzaligheid ervaren gedurende de vele dagen en de lange weken, die op mijn eerste bezoek aan Maud’s ouders +volgden. + +</p> +<p>Het ijs is niet eeuwig, tenzij aan de Noordpool en omgeving, en ook wel,—’t spreekt van zelf,—aan de Zuidpool en omgeving; +en met angst zag ik de dagen langer worden en voelde ik de zon luwer en warmer schijnen, terwijl het ijs op den vijver steeds +zachter werd en de sneeuw die er omheen lag zienderoogen wegsmolt. + +</p> +<p>De lastige en gecompliceerde kringen welke onze schaatsen trokken over de gladde oppervlakte lieten er,—schrijnende emblemen +<span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205">205</a>]</span>van alle vergankelijkheid,—nog nauwelijks zichtbaar hun sporen na; en ’t werd mij meer en meer en o zoo droevig duidelijk +hoe al die schoone kunst voor goed verloren ging. Maar het lot waakte als een trouwe beschermengel over mij en naarmate de +ijskunst in het niet verzwond, ontwaakte en leefde steeds intenser in mij,—en in ons beiden: in Maud en mij,—de koesterende +heerlijkheid van den breederen, blijvenden, algemeenen kunstzin op. + +</p> +<p>Dat was aldus gekomen door ’t bezichtigen van die monster-schilderijen in Papa’s huis en vooral door ’t bezoek op Maud’s boudoirtje +en het bewonderen van haar aquarellen-album. + +</p> +<p>Vast en zeker geloof ik, dat het ontstaan en ’t zich ontwikkelen van het kunstgevoel in ’t algemeen, van dien ontroerenden +tijd in mijn leven dagteekent. Ik moet haar in die dagen dingen hebben gezegd,—wàt al weet ik niet meer,—dingen, die het geloof +in haar levendig maakten, dat zij een groot talent als schilderes bezat, terwijl ze van mij den indruk moest krijgen, dat +ik, ondanks al mijn verregaande <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206">206</a>]</span>bescheidenheid, over een buitengewoon ontwikkelden en scherpen critischen kunstzin beschikte. + +</p> +<p>Hoe dan ook: toen het ijsvermaak dien winter onherroepelijk onder den alles nivelleerenden en verwaterenden dooi verloren +en verdronken was geraakt, hielden onze gezellige relaties daarmee niet op. Wel integendeel. Ik vertelde haar van mijn voorname +artistieke vrienden uit de “old country;” van den Grooten Schilder, van den Grooten Dichter en zelfs van den Grooten Musicus; +en die verhalen boeiden haar bovenmatig; haar wangen kleurden en haar oogen tintelden; zij had ze willen kennen; zij snakte +naar een meer artistiek en intellectueel milieu; en zij bekende mij met treurnis dat haar gewone leven en omgeving in Amerika +haar dikwijls zoo banaal en zoo prozaïsch scheen. Zij had de wereld willen zien, de artistieke wereld: Parijs, Londen, Rome; +zij stelde zich wonderen voor van ’t heerlijk leven der artisten in die groote steden en zij vroeg mij of ik daar niet dikwijls +heentoog, en er weken en maanden verbleef, om mij op te frisschen, om mij als het ware aan <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207">207</a>]</span>die bron van louter heerlijkheid te laven en te herdoopen. + +</p> +<p>Ik loog er maar wat raak op los. Ik vertelde van mijn bezoeken in Parijs, welke zich in dien tijd feitelijk tot één enkel +bezoek bepaalden en van mijn herhaalde verblijven in schilders-milieux, welke zich ook al beperkten tot één enkel milieu: +dat van een Belgisch schilder, die toentertijd in Frankrijk’s hoofdstad woonde en mij eens op zijn atelier ontvangen had. +Inderdaad had ik haar meer pikants kunnen vertellen over mijn vroegere verhouding tot het mooie Tieldeken van Meylegem en +tot de mooie freule van ’t Kasteel; maar, vreemd genoeg, daar dacht ik op dat oogenblik niet aan. + +</p> +<p>Met dat al werd onze kennismaking gaandeweg intiemer en het duurde niet lang of zij inviteerde mij om af en toe eens, als +ik tijd had, een uurtje bij haar te komen doorbrengen. + +</p> +<p>Tijd of geen tijd, ik maakte tijd, natuurlijk; en zoo kwam het als van zelf, dat ik daar ook wel eens bleef lunchen en dineeren, +tot het ten slotte een vaste regel werd, dat ik er elken Zondag kwam en er geregeld het middagmaal gebruikte. +<span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208">208</a>]</span></p> +<p>Ik verscheen zoowat tegen vier uur en gebruikte thee met de gansche familie. Dat was als de inleiding, als de inwijding tot +het groot geluk dat volgen zou. Zij zat daar, mijn aangebeden schoone, in den banalen huiskring en zij deed mee als ik in +het banaal gesprek over banale dingen; maar onze oogen spraken tot elkaar een intiemere taal, waarin heerlijke werelden van +geluk zich soms in één enkelen zwijgenden blik openbaarden. Ons lichamelijk wezen was daar, maar onze geest, onze ziel, ons +ideaal leefden, en trilden, en jubelden hoog en verre daarboven en daarbuiten; en zoodra het behoorlijk kon stond zij op en +noodde zij mij om verder met haar alleen te gaan keuvelen. + +</p> +<p>Met haar alleen! Telkens weer bracht het mijn gansche wezen als in duizeling. Het was steeds weer voor mij van zulk een overweldigend +geluk, alsof een schoone hemel genadig voor mij openging. Ik volgde haar, bij slecht weer op haar kamertje, bij mooi weer +naar buiten, in het lenteveld, waar nu de eerste bloemen fleurden; en het waren ofwel bespiegelingen zonder eind in de geparfumeerde +gezelligheid van ’t lichte boudoirtje, <span class="pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209">209</a>]</span>ofwel lange wandelingen door de velden en de bosschen, in die mooie maar verwaarloosde Amerikaansche natuur, die, zelfs tot +in de onmiddellijke nabijheid der groote steden iets oerruws en wilds behouden heeft. + +</p> +<p>Ik kon het voor mijzelf nooit precies uitmaken wat ik wel prefereerde: thuis bij haar te zijn of met haar te gaan wandelen. +En eigenlijk was het net eender, want waar ik ook met haar was, slechts één gedachte bezielde en vervulde mij geheel en al: +mijn vurige liefde en hoe ik haar die eindelijk verklaren zou. + +</p> +<p>Want dat dit moest en zou gebeuren zat zoo vast als een spijker in mijn brein. Het zou en moest gebeuren, het kon niet anders; +maar wanneer, maar hoe: dat was de groote vraag! + +</p> +<p>Booze plannen spookten in mijn geest, die mij tot een spoedige, ja, tot een gebruskeerde beslissing stuwden. Een stem riep +in mij, geweldig-dringend: sla nu toch eenvoudig je arm om haar middel en geef haar een zoen! En ik voelde werkelijk mijn +arm, die naar haar toe wilde en pijn deed, omdat ik hem tegenhield. Doe dat niet, hou <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210">210</a>]</span>je stil, waarschuwde een andere stem in mij; en die nuchtere, koele stem des verstands verstijfde mij, deed mij ijzen. En +dan was er ook nog een derde stem, een raadselachtige, die nooit iets duidelijks zei, maar aldoor glimlachte en spotte. Die +heimelijke stem deed mij telkens denken aan ’t gezicht van “Auntie” met haar felle spot-oogen; en ’k was er banger voor dan +voor de ernstig-waarschuwende stem, want ofschoon ze niets duidelijks zei, dacht ik toch altijd weer te hooren: “En vooral, +maak je niet belachelijk!” + +</p> +<p>Zoo was het dan ook wel een soort van verlichting voor mij als het boudoir-uurtje of de wandeling in ’t veld was afgeloopen. +Dan was de twijfelstrijd althans geëindigd en in ’t gezelschap der gansche familie voelde ik weer de geheime verstandhouding +tusschen haar en mij, die ons daar beiden op een apart en als ’t ware superieur plan stelde. Dan zeiden weer de oogen wat +de mond nog niet had durven uitdrukken. Dan voelde ik haar heel, heel dicht bij mij, veel dichter dan wanneer we werkelijk +alleen waren. Dan,.... ja,.... dan had ik misschien wel, als het mogelijk was geweest, mijn arm om haar <span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211">211</a>]</span>middel durven slaan en op haar frissche wang een zoen geven. Dan voelde ik mij vrij en onbevangen; en alleen de oogen van +“Auntie,” die ik altijd, altijd raadselachtig om mij heen zag loeren, hielden het bewustzijn in mij levendig, dat ik eigenlijk +in het geheel niet vrij noch onbevangen was. + +</p> +<p>Het diner was dikwijls iets heel eigenaardigs. Mijn Europeesche smaak had zich van lieverlede wel wat aangepast aan de Amerikaansche +toebereiding der spijzen; maar toch kwamen nog telkens van die verrassingen voor, waarop ik in het geheel niet geprepareerd +was en die mijn innerlijk-materieele wezen in plotselingen opstand deden steigeren. Zoo werd ik eens vergast op “oystersoup.” +Dat waren uit hun schaal gehaalde en in melk gekookte oesters. Als verschrompelde stukjes caoutchouc of als doode slakken +lagen zij daarin te zwemmen; en het gerecht, dat sterk gepeperd en gekruid en met beschuit bestrooid was, lag vol met groote, +dikke, witte vellen. + +</p> +<p>Ik dacht te zullen sterven. Ik had het gevoel, nog vóór ik één lepel proefde, dat mijn keel als met een muur was dichtgemetseld +<span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212">212</a>]</span>en dat het alles langs mijn neus zou uitkomen. + +</p> +<p>—Houdt u er niet van! riep Papa met de grootste verbazing. + +</p> +<p>—Jawel zeker, antwoordde ik machinaal, maar ik ben er niet aan gewend. En ik proefde een lepel, met draaiende oogen. + +</p> +<p>—Laat u ’t maar staan, zei goedig Mama, die wel merkte dat ik niet kòn. + +</p> +<p>—Neemt u ’t mij niet kwalijk? smeekte ik en lei mijn lepel neer. + +</p> +<p>De anderen smulden er lustig op los, ook Maud. Zij vonden ’t allen even heerlijk. Papa slurpte van genoegen en Auntie’s oogen +flikkerden bijna uitdagend, zóó fel genoot ze. Zij hadden allen het diepste meelijden met mij en zeiden, met een soort van +spijt, dat ik toch heusch nog geen Amerikaan was. De kleine Violet keek over haar lepel naar mij op en kreeg een lach-crisis. +Zij vond het zoo “funny” die groote meneer, die nog geen “oystersoup” kon eten! + +</p> +<p>Na den eten nam Papa mij dan naar zijn werkkamer mee om een likeurtje te drinken en een sigaar te rooken. Ook dàt was wel +een zware dobber. Papa strekte zich met de <span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213">213</a>]</span>sigaar tusschen de lippen in een gemakkelijken stoel uit alsof hij doodmoe was en begon over “business” te praten. Aldoor, +en nog, en uitsluitend, praatte hij over “business.” Het woord “dollar” klonk aanhoudend als een hardnekkig leitmotiv in zijn +gesprek door en de reusachtige fortuinen schenen zich als ’t ware in tastbare vormen om hem heen te stapelen, terwijl zijn +koonen bloosden van al de weelde die hij in en om zich heen droeg. Telkens weer herhaalde hij hoe hij met niets begonnen was, +hoe hij gewerkt en gezwoegd had, hoe hij er eindelijk gekomen was. Hij lag daar als de heldere, integrale parvenu die het +hoogste heeft bereikt wat een ordentelijk mensch kon wenschen te bereiken, en die nu mag genieten, die nu móét genieten, vetgemest +in een geluk, dat slechts door ziekte of door ’t einde van het leven meer verstoord kon worden. Hij kreunde in zichzelf van +wellustig genieten, hij aanbad zichzelf, hij keerde zich soms half om op zijn fauteuil en sloot even zijn oogen, om nog inniger +en warmer te genieten. En hij gaf mij goeden raad, hij ondervroeg mij over mijn eigen zaken met welwillende <span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214">214</a>]</span>genadigheid; hij achtte het niet uitgesloten, dat ik er wellicht ook zou komen. + +</p> +<p>—In dit land, orakelde hij, is plaats en rijkdom voor een ieder; maar men moet willen. In Europa, voegde hij er met meelijdende +geringschatting aan toe, is alles te oud, te versleten; daar is niets meer te beginnen. Er bestaat slechts één land op de +wereld: Amerika. + +</p> +<p>Daarmee was de sigaar doorgaans opgerookt en het likeurtje gelepperd en wij gingen terug naar het salon, waar wij de dames +vonden. Zij ontvingen er ons met vriendelijken glimlach in een zachte atmosfeer van gedempt licht en ’t was voor mij als ’t +komen in een mooien tuin met frissche bloemen na de barre rotswoestijn van Papa’s gebusiness en gedollar. Maud’s oogen hadden +dan meestal een lieflijken, vredigen glans in het getemperd schijnsel van de lampen en Mama’s grijze haren golfden sierlijk +en deftig om haar frisch gebleven gezicht, terwijl Auntie’s wezen in de halve schemering waar zij bij voorkeur zitten ging, +zich eenigszins verschrompelde en vertroebelde, met minder fellen glans van oogen, alsof zoo bij het <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215">215</a>]</span>einde van den dag een waas van droefheid kwam over haar toch eigenlijk mislukte oude-vrijstersleven. Dan voelde ik nog sterker, +door ’t kontrast, al de frissche jeugd en schoonheid van ’t jong meisje; en ’t zong in mij, o, ’t zong zoo heerlijk van intiem +geluk en opwellende groote illuzies; en ik voelde mijn jeugd en háár jeugd daar regeeren en alle mogelijke rampen trotseeren +en alle mogelijke hinderpalen overwinnen. + +</p> +<p>Maar Papa, moe van al zijn dollar-gepraat-en-geluk, strekte zich alweer op een leunstoel lang uit en Violet begon aan haar +oogjes te wrijven en zich, lichtzeurderig, tegen haar grootmoeder aan te vleien. ’t Werd tijd voor mij om heen te gaan en +langzaam stond ik op. Het moment van afscheidnemen was telkens als een geweldige en angstwekkende gebeurtenis voor mij. Van +de wijze waarop ze mij aankeek en een hand gaf, hing het geluk van den dag en van de gansche, daarop volgende week af. “Auntie” +herleefde even uit de schemering weer op en haar oogen flikkerden om dat waar te nemen. + +</p> +<p>Soms keek Maud mij bij het afscheidnemen “gewoon” aan en gaf ze mij “gewoon” de <span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216">216</a>]</span>hand. Dan werd het koud in mij, alsof ik van binnen verkilde en ’t was alsof er diepe snikken naar mijn keel opbonsden. Maar +soms lachte zij met stralende oogen en drukte mijn hand iets warmer en langer dan strikt noodig was; en dan kon ik niet gauw +genoeg weg zijn om met die laatste volzalige impressie te vertrekken; dan liep ik als een gek, bijna luid-jubelend, het hoofd +stoomend van liefde, den weg af; en in den trein die mij terug naar New York voerde zat ik glimlachend als een kind naar mijn +geluk te staren. + + + + +</p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1764" title="Bron: VI">VII</span></h2> +<p>Maar dat moest eindigen en op een of andere wijze tot een beslissing komen. De lente bloeide nu volop over het land en er +hing alom als een blijde, lichte feeststemming in de atmosfeer. De wereld herleefde na den langen, guren winter, er heerschte +drukte overal, men voelde als ’t ware toekomstplannen in ieder mensch dien men ontmoette. + +</p> +<p>Ook Maud en haar ouders spraken reeds over wat ze dien zomer zouden doen. Behalve ’t gewone verblijf aan zee en te Saratoga +<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217">217</a>]</span>gedurende de heete maanden en de najaarsvacantie in het mooie Lennox, stond ook nog een reisje in de Adirondacks voor Mei +of Juni op ’t programma. En ’t was reeds half April. + +</p> +<p>Even was er sprake van geweest, of ik soms met hen mee zou gaan. Maar Papa was dadelijk verontwaardigd opgevlogen, niet dat +hij mijn gezelschap ongewenscht achtte, maar wijl het immers vanzelf sprak, dat een jonge man die zijn positie maken moest, +niet zijn zaken in den steek kon laten. Als Papa slechts had kunnen vermoeden hoe graag ik wèl mijn zaken op dat oogenblik +had in den steek gelaten, wat zou hij met verbazing opgekeken hebben! Maar met dat alles was de kans voor mij verbeurd en +ik putte mij vruchteloos uit in gedachten hoe ik haar vóór dat vertrek naar ’t geduchte “society-leven” vast aan mij verbinden +zou. + +</p> +<p>Het toeval kwam mij te hulp. Eens, terwijl ik op een glanzend-mooien namiddag, na kantoortijd door Fifth Avenue slenterde +zag ik, langs het trottoir, twee gestalten vóór mij uit loopen, die ik in ’t gewemel van de elegante wandelaars terstond herkende: +Maud en “Auntie!” +<span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218">218</a>]</span></p> +<p>Mijn hart stond even stil, en ook mijn beenen stonden stil. Ik had op mijn verhaal te komen, om te beramen wat ik doen zou: +haar ongemerkt blijven volgen; of naar haar toe gaan en haar aanspreken! + +</p> +<p>Terwijl ik, jagend van ontroering, twijfelde, bleven zij op haar beurt stilstaan, geboeid door de uitstalling aan het raam +van een luxe-winkel. Zij keken met de grootste aandacht, heelemaal in beslag genomen door iets wat ik niet zien kon; en, na +een korte aarzeling, trokken zij den winkel binnen. + +</p> +<p>Ik had ’t gevoel van iemand, die een prooi beloert, welke niet mag ontsnappen. Ik moest en wilde en zou haar zien, wat er +nu ook gebeurde; en schijnbaar kalm ging ik naar den winkel toe, kalm en slenterend, als een wandelaar die nu eenmaal goed +den tijd heeft om alles op te nemen wat hem ook maar eenigszins interesseeren kan. Ik zag een roomkleurige rez-de-chaussée +omlijst met goud en aan beide kanten van de deur twee groote spiegelramen. Op een van die ramen stond in sierlijke gouden +letters slechts de voornaam “Véronique” <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219">219</a>]</span>geschilderd en op het andere raam het woord “Modes.” + +</p> +<p>Met een bonzend hart en quasi-geboeide belangstelling keek ik naar de uitstalling. Die was gauw genoeg gezien. Op een gedistingeerd +fond van lichtmauve fluweel verrees, tusschen crême kantgordijnen, een ebbenhouten pin, en boven op die pin, een dameshoed: +één enkele. Dat was alles; verder niets! Achter het tweede raam precies hetzelfde schouwspel: één enkele hoed op één enkele +ebbenhouten pin, met daaronder, tusschen de crême kantgordijnen, de gedistingeerde kale vlakte van het lichtmauve fluweelen +fond. Ik besefte dat ik daar onmogelijk lang kon blijven staan en reeds bewoog ik mij, met een zucht van teleurstelling, verder +op, toen plotseling de deur geopend werd en een schelle stem, Auntie’s opgewekte stem, mijn naam uitriep, terwijl “Auntie”-zelf, +met een levendig gebaar der rechterhand, mij tot zich wenkte. + +</p> +<p>Ik veinsde de grootste en aangenaamste verrassing. Wel, wel, wat ’n chance “Auntie” daar zoo gansch onverwacht te ontmoeten! +Maar Auntie liet mij den tijd niet aan mijn <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220">220</a>]</span>gevoelens van verbazing lucht te geven; zij vertelde mij op gejaagden toon, dat Maud daarbinnen was om zich een zomerhoed +te koopen; maar dat het gesprek met die Fransche modiste, die slechts gebroken Engelsch kon, niet vlotte; en dat ze mij juist +voorbij het raam zag passeeren en mij verzocht als tolk te willen dienen. + +</p> +<p>Dat is de eerste maal van mijn leven geweest, dat ik als tolk heb gefungeerd en nog voel ik er, na zooveel lange jaren, de +emotie en den trots van na. + +</p> +<p>Maud stond daar, met de modiste, in den luxe-winkel en met een kleur van dankbaarheid kwam ze naar mij toe en drukte mij, +in een soort van hartstochtelijke blijdschap, de hand. Dat staalde mij, dat ridderde mij als ’t ware in ’t harnas en met hoog +voorhoofd en vastberaden blik stapte ik op de toonbank toe, waarachter madame Véronique in al haar glorie troonde. + +</p> +<p>Madame Véronique scheen daar te regeeren, als een hoogepriesteres in haar tempel van de godheid Mode. Zij stond, groot en +zwaar, in glimmend-zwarte zijde, als gepantserd in haar ongenaakbaarheid <span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221">221</a>]</span>en zij zag mij tot haar naderen met een koelen, kouden blik van geheime, stille hostiliteit. Blijkbaar verkocht zij haar hoeden +als gunsten; en zij verwaardigde zich eenige meesterstukken van haar kunst, die achter haar in glazen kasten prijkten, te +vertoonen, en vermelde telkens daarbij, met nauwelijks bewegende lippen, de duizelingwekkende hoedanigheden van het wonder +en noemde even prijzen, die mij, in figuurlijken zin, gewoon in zwijm deden vallen. Ik herinner mij o. a. een zoogezegd “matelotje” +met een of andere pompon of prul er op, waarvoor ze “tirty dollàr” zooals ze ’t in haar eigenaardig taaltje uitdrukte, rekende. + + +</p> +<p>Maud glimlachte, genietend; Maud was gelukkig. Welke jonge mooie vrouw is niet gelukkig in een mode-winkel? Zelfs de verschrompelde +“Auntie” was gelukkig en haar felle oogen flikkerden van genot. De mooie Maud paste een voor een de dure hoeden op haar hoofd +en bekeek zich daarbij welgevallig in de spiegels. Al haar bewegingen waren van een uitnemende gratie en wanneer ze zoo een +kunststuk met beide opgeheven <span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222">222</a>]</span>armen boven op haar kapsel zette kreeg ik telkens den bedwelmenden indruk, alsof die mooie armen streelend om mijn hoofd heen +gingen, om mij te omhelzen. + +</p> +<p>Het was als een voortdurende gedaantewisseling, die telkens weer andere gevoelens in mijn zwaar-verliefde ziel omwoelde. Soms +zag zij er uit als een aanbiddelijke jonge bruid en het was mij te moede of ik in de kerk het orgel hoorde spelen, terwijl +wij samen statig tot het altaar naderden. Een ander tooisel stond haar veel te wuft en deed mij pijn; een derde, dat te rijk +was en te deftig, verwijderde haar van mij. + +</p> +<p>De keuze was lastig. Voor de ramen stonden slechts de twee hoeden op hun ebbenhouten pinnen,—dat was gewilde eenvoud, ter +wille van de deftige distinctie,—maar daarbinnen waren er genoeg; en er waren er nog meer, want toen Maud bijna alles had +gepast wat achter de glazen kasten schitterde, drukte madame Véronique op een schelknop en een binnendeur schoof plechtig +open, en boven op een trapje van drie treden verscheen een mooi jong meisje met blond haar en sierlijk-volle buste, aan <span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223">223</a>]</span>wie de hoogepriesteres een kort bevel gaf. + +</p> +<p>Ik keek in een zaal, een soort van troonzaal met hooge, lichte ramen, waar nog meer knappe, jonge meisjes over fijn werk gebogen +zaten. Men hadde gezegd, de ingetogen suivantes eener onzichtbare feeën-prinses in gewijde aandacht bezig aan de schoonste +wondermaaksels. En ’t mooie, blonde meisje bracht nog meer hoeden te voorschijn: hoeden die op haar blank vuistje door de +lucht schenen te zweven met sierlijk-wegdrijvende kantensluiers; met bloemen die men meende te ruiken en met glinsterende +vogels die men dacht te zien vliegen; zij bracht er nog en nog, van alle vormen en van alle kleuren, tot het oog er duizelig +van werd en de knieën van vermoeidheid knikten. + +</p> +<p>Toen maakte Maud ten slotte een keuze: iets dat Papa wel met een chèque zou betalen; en als toetje nam zij er ook nog ’t matelotje +bij: dat van “Tirty dollàr.” + +</p> +<p>Madame Véronique neeg, genadig. Met mindere minachting en hostiliteit keek zij mij aan en eventjes schemerde zelfs in haar +oog iets leuk-ondeugends als van heimelijke <span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224">224</a>]</span>verstandhouding. Plechtig werden de deuren van de troonzaal weer dichtgeschoven; en ’t blonde meisje begeleidde ons tot aan +de deur, terwijl madame Véronique weer hiëratisch-strak achter haar toonbank stond, als de onverstoorbare godin, die het hoogheilige +van haar altaar nooit verlaten mag. + +</p> +<p>Ik ademde luid toen we weer buiten in de vroolijke drukte van Fifth Avenue waren en de beide dames moesten hartelijk lachen +en vonden, dat ik een buitengewoon-geschikte tolk was geweest. Zij verkeerden in een opgewekte stemming; er was ook iets aanstekelijks-opwindends +in de zachte lente-atmosfeer, die als een rooskleurig waas over de deftige hooge huizen en het jeugdig groen der boomen tooverde; +en, daar wij in de buurt van “Sherry’s” kwamen, stelden zij mij voor in die chicque gelegenheid met haar thee te gaan drinken, +wat ik natuurlijk zonder aarzelen aannam. + +</p> +<p>Het was er “chic,” het was er “smart,” nog meer dan ik wel dacht. Het zat er vooral vol met elegante en overvloedig bejuweelde +dames die gewinkeld hadden en een symphonie van parfums steeg je van op den <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225">225</a>]</span>drempel, niet zonder eenige benauwing, naar het hoofd. + +</p> +<p>Hier heb je nu een stuk “society,” zoo dacht ik, met een vagen weemoed in mezelf; een proef, als ’t ware, van wat deze, die +ik zoo vurig bemin, weldra, verre van mij weg, gaat opzoeken en genieten. Zij was daar reeds in haar milieu, zij werd gegroet, +van rechts en links en groette terug, met den lieven glimlach van haar mooie oogen; en het was mij te moede alsof ze reeds +mijlen en mijlen van mij was verwijderd, alsof ze langzaam aan werd opgenomen en verloren raakte in een kring, waar ik haar +nooit meer zou kunnen bereiken. + +</p> +<p>—U kent hier zeker weinig menschen? vroeg “Auntie” die blijkbaar met haar scherpen zin mijn bevreemding opmerkte. + +</p> +<p>—Niemand, bekende ik, ietwat gegeneerd en vaag verdrietig. + +</p> +<p>—Er komen hier veel lui, die wij ook ’s zomers in Newport, Saratoga en Lennox ontmoeten, deelde “Auntie” mij mee. ’t Is nogal +aardig, begrijpt u; het wordt zoo’n beetje als één groote familie. + +</p> +<p>Een dikke, hoewel nog betrekkelijk jonge <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226">226</a>]</span>meneer kwam voorbij, bizonder elegant gekleed, met lakschoenen en witte slobkousen, die buigend groette en even stilhield, +alsof hij naar ons toe zou komen, om de dames aan te spreken, maar die toch verder doorging, nadat hij een vluchtigen en, +naar het mij voorkwam, ietwat verwonderden en bijna geringschattenden blik op mij had neergeworpen. + +</p> +<p>—Mister Bunk, fluisterden gelijktijdig Maud en “Auntie,” alsof ’t een heel bizondere personage gold. En met geboeide oogen +zagen zij hem verder gaan en nog aan vele tafeltjes groeten en handdrukken wisselen. + +</p> +<p>—Dat is de beroemde mister Bunk, de groote valseur, die al de elegante cotillons in Saratoga leidt, vertelde mij “Auntie,” +op een toon van bewonderingsvolle vertrouwelijkheid. + +</p> +<p>Ik voelde mij als door een wesp gestoken. Zonder eenige reden kreeg ik plotseling een hekel aan dien poen; en het ontsnapte +mij: + +</p> +<p>—’n Valseur! Maar die man is veel te dik om te dansen! + +</p> +<p>—Dat zou u niet zeggen als u hem walsen <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227">227</a>]</span>zag! antwoordde “Auntie” snibbig. En Maud beaamde, door een zwijgend hoofdgeknik, haar tante’s woorden. + +</p> +<p>Ik werd zenuwachtig. Ik voelde instinktmatig iets van gevaar, iets als een te duchten vijand in dien man. Hij was daar in +zijn atmosfeer, in zijn milieu; en ik stond er buiten. Het prikkelde en ergerde mij, dat ik er buiten stond. Dat was nu eenmaal +de “society,” hààr “society,” waar ik niet thuis bij hoorde; en ik wilde er bij behooren, om harentwille! + +</p> +<p>Er steeg een plotselinge vlam van waan en hoogmoed naar mijn hoofd. Waarom zou ik ook niet eens groot en chic doen, zooals +al die lui welke daar zaten of rondliepen en die met het geld, dat trouwens hun eenige beteekenis uitmaakte, konden gooien +alsof het heelemaal geen waarde had? Ik keek Maud en “Auntie” met strak-geïnspireerde oogen aan en vroeg: + +</p> +<p>—Zou u mij niet het genoegen willen doen, en zouden ook uw ouders mij niet het genoegen willen doen, eens met mij te komen +dineeren, vóór het vertrek naar uw zomervacantie-oord? +<span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228">228</a>]</span></p> +<p>Verrast en eenigszins verwonderd keken Maud en “Auntie” mij, en daarna ook elkander aan. + +</p> +<p>—Gaarne.... ik toch wel.... en ook mijn ouders, denk ik, antwoordde langzaam Maud, een lichte kleur krijgend. + +</p> +<p>—Ik vind het dol, dól! jubelde “Auntie” met stralende oogen. Niets wat ik liever doe dan eens in een fijn restaurant te gaan +dineeren. Waar zou het zijn? vroeg ze mij op den man af, mij met haar felle oogen aankijkend. + +</p> +<p>—Delmonico? stelde ik voor. Delmonico, of Martin’s, als u ’t verkiest, of Waldorf Astoria, ’t is mij eender. + +</p> +<p>—Delmonico! Delmonico! Ik ben verzot op Delmonico! juichte “Auntie.” + +</p> +<p>Ook Maud vond dat een heel geschikte, aardige gelegenheid. Het werd ineens bepaald en de datum voorloopig vastgesteld. Wij +lachten en jubelden alle drie en ik voelde mij trotsch als een prins. Mijn vluchtige gedruktheid was heelemaal overwonnen; +ik stond ineens als ’t ware midden in háár kring, in de “society” en de verwaande poen van daar straks kon mij geen zier meer +schelen. Ik zag hem nog een oogenblik, <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229">229</a>]</span>terwijl wij opstonden om Sherry’s te verlaten; ik zag hem, gebogen steunend met zijn beide, zwaarberingde handen op een tafeltje, +waaraan elegante dames zaten, die met schitterenden tanden-glimlach en levendige oogen tot hem neigden; en ’t deed mij goed +dat ik hem eventjes moest storen om voorbij te kunnen: hij zette met zijn te dikke lijf de smalle ruimte af waar wij doorheen +moesten; en onder het wijken gooide hij een halfvol kopje om, wat hem even met verbolgen blik naar mij deed omzien, iets dat +ik mij alweer in het geheel niet diende aan te trekken, want het gebeurde was zijn schuld en niet de mijne. + +</p> +<p>In de zachtroze lenteschemering, die ’t drukke New York als met een uitstraling van apotheose-licht overgoot, begeleidde ik +Maud en “Auntie” tot aan de West Shore ferry-boat; en, na nog eens de afspraak herhaald te hebben, zag ik de zware boot met +haar naar den anderen oever wegvaren, terwijl de frischheid van den avond neerzeeg, en aan den westerhemel, die groenachtige +tinten van limpiditeit had, een groote mooie zilveren ster reeds hing te schitteren. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230">230</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1873" title="Bron: VII">VIII</span></h2> +<p>Papa en Mama hadden, evenals Maud en “Auntie,” mijn invitatie aangenomen; en daags vóór den gestelden datum toog ik even naar +den restaurant Delmonico, om er met den baas, of een der chefs, het menu op te maken. + +</p> +<p>Ik werd er ongeveer ontvangen, zooals Maud bij madame Véronique onthaald was geweest. ’t Was in de stille uren; de garçons +waren langzaam en zorgvuldig bezig in de ruime zaal met rood tapijt de tafeltjes te dekken; en een dikke meneer in rok, met +glimmend-wit plastronhemd en zwarte das kwam statig naar mij toe, nam mij even vlug op met één blik, die gansch zijn oordeel +over mij vast scheen te vestigen, en vroeg mij, met een vette stem, in ’t Fransch, wat ik verlangde. + +</p> +<p>Ik zei hem wat ik voor den volgenden dag zoo al wenschte. + +</p> +<p>Zakelijk ging hij in zijn binnenzak, haalde een gedrukte spijskaart te voorschijn, nam een potlood en begon voor te dragen. + + +</p> +<p>—Cinq potages bisque? vroeg hij. +<span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231">231</a>]</span></p> +<p>Ik knikte. + +</p> +<p>—Du saumon à la Chambord? + +</p> +<p>Ik knikte. + +</p> +<p>—Une entrée: longe de veau; entrecôte Béarnaise; selle d’agneau! + +</p> +<p>Ik aarzelde, er kwam in mij een spanning. + +</p> +<p>—Longe de veau? herhaalde hij, mij met een greintje van meelijdende geringschatting aankijkend. + +</p> +<p>—Plutôt entrecôte Béarnaise, zei ik eindelijk. + +</p> +<p>—Comme légume? ging hij voort, opteekenend. En, daar ik weer aarzelde, mij helpend: + +</p> +<p>—Tomates farcies, artichauts, céleri à la moëlle. + +</p> +<p>—Céleri à la moëlle, echode ik machinaal<span class="corr" id="xd0e1906" title="Niet in bron">.</span> + +</p> +<p>—Comme rôti? ging het verder. + +</p> +<p>Gaat hij er niet haast mee uitscheiden! dacht ik bij mezelf. ’t Was warm daarbinnen en ik voelde mijn wangen gloeien. + +</p> +<p>—Sarcelle; canard sauvage; dinde Maison? ging hij onverdroten voort. + +</p> +<p>—Dinde Maison, echode ik nog eens, heelemaal onder zijn invloed en machinaal reageerend op zijn laatste klanken. +<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232">232</a>]</span></p> +<p>—Et comme dessert une omelette Sibérienne et une macédoine de fruits? besloot hij, mij te nauwernood nog raadplegend. + +</p> +<p>Ik knikte. + +</p> +<p>Hij teekende op en er was een stilte. De garçons dekten rustig verder hun tafeltjes en daarbuiten, achter de hooge, breede +ramen, stroomde het druk-mondaine leven van New York voorbij. + +</p> +<p>—Hoeveel wordt dat dan samen? vroeg ik eindelijk, met inspanning en matte stem. + +</p> +<p>—Eh bien, comme nous avons dit, n’est-ce pas? En hij begon nog eens op te sommen: Potage Bisque, Saumon à la Chambord, entrecôte +Béarnaise.... + +</p> +<p>—Ja maar.... de prijs.... te zamen.... stamelde ik met het rood der schaamte op mijn wangen. + +</p> +<p>—Oo.... zei hij, alsof ik iets heel bizonder geks gevraagd had; en een bijna onnaspeurlijke glimlach kwam even op zijn lippen. + + +</p> +<p>Hij zette vlug wat cijfers onder elkaar, telde samen, zette er nog iets bij, telde weer samen en noemde mij eindelijk een +getal, waar ik, evenals enkele dagen te voren bij madame Véronique, in figuurlijken zin <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233">233</a>]</span>van omviel. Ik meende verkeerd begrepen te hebben, vroeg hem om nog eens ’t cijfer te herhalen, viel er nog eens, in figuurlijken +zin, van om. + +</p> +<p>—’t Is goed, zei ik klankloos, terwijl de gansche ruime zaal, met al haar tafeltjes en stoelen, vóór mijn bedwelmde oogen +scheen te dansen en te schemeren. + +</p> +<p>Ik koos het tafeltje, of, beter gezegd, nam het tafeltje dat hij mij aanwees; sprak af voor den volgenden dag om acht uur; +en ’t oogenblik daarna stond ik buiten op ’t trottoir, met het gevoel alsof een schurksche goochelaar de laatste centen uit +mijn portemonnaie had weggemold. + +</p> +<p>Ik nam een heldhaftig besluit. Ik zou dien dag alvast niets meer eten, mitsgaders de drie eerste weken die op het diner zouden +volgen, één dagelijksche maaltijd derven. Zoo zou de wreede bres toch eenigszins gestopt worden. + + + + +</p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e1944" title="Bron: VIII">IX</span></h2> +<p>Even vóór acht uur stond ik zenuwachtig-wachtend in Delmonico’s ontvang-salonnetje. Over den rooden looper van den marmeren +<span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234">234</a>]</span>gang passeerden af en toe heeren in rok en witte das en gedecolleteerde dames in ruischende sleepjaponnen, die glinsterden +van sieraden en juweelen. Zij verdwenen in de groote restauratie-zaal en telkens golfde van daaruit een bouffee van muziek: +voluptueus-kweelende violen bespeeld door bruine kerels met donkere oogen en donkere snorren, exotisch-opvallend in hun roode +buisjes met gouden borduursels. + +</p> +<p>Een oude hollandsche klok met speelwerk sloeg in zilverklank acht ure. En eensklaps waren ze daar, zonder dat ik hen in mijn +agitatie had zien komen: Mama voorop, het witte kapsel als een sneeuwdos op haar frisch gezicht, de oogen vriendelijk lachend +en de valsche tanden schitterend; “Auntie” een en al pittige levens-uitstraling en voorwaar buitengewoon knap dien avond in +haar bescheiden décolleté; en Maud een bloem, de schoonste bloem der wereld, in ’t wit, met iets van groen en roze roosjes, +om van te duizelen. Papa volgde, proletig in zijn avondpak, alsof hij de portier was, die de deur zal opendoen. + +</p> +<p>Onze intrede verwekte eenige sensatie. <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235">235</a>]</span>Sommige gasten aan de tafeltjes keerden zich om; en ook de bruine kerels in hun roode jasjes keken onder het violeren, met +langoureuze oogen. Twee bedienden stonden eerbiedig bij ons tafeltje te wachten. Zij schoven de stoelen bij en een derde bracht +een tuil met rozen aan. Een maître d’hôtel kwam naar mij toe en bood mij stil de wijnkaart aan. Ik bestelde Mumm Cordon Vert +en ook Vichy water met ijs, omdat Mama daar naar vroeg. De “bisque” werd opgediend. + +</p> +<p>De zaal was vol en geanimeerd en gonsde van opgewekte beweging en vroolijke geluiden. Er waren “beauty’s” en schitterende +toiletten, die zich in de spiegelwanden reflecteerden. De violen kweelden en zwollen hun tonen tot een soort wellust aan. +Men voelde lust om zich gemakkelijk in weelde uit te strekken of om stil op het rythme mee te neuriën of zacht-heupwiegend +te dansen. + +</p> +<p>Maud keek mij aan met geestdriftige oogen. Zij had een heel licht veegje rouge op haar wangen gelegd en dat gaf aan haar teint, +dat toch al zacht en frisch was, iets warms en bloeiends dat onweerstaanbaar <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236">236</a>]</span>bekoorde. Het bloeide boven haar gedecolleteerden hals, die van een roomige blankheid was; en de mooie armen en de zacht-golvende +buste verwekten droomen die bedwelmden. Ik sloeg even mijn oogen neer, als verblind door te veel en te diep-ontroerende schoonheid. + + +</p> +<p>Papa at smakelijk en nogal luidruchtig; Mama gebruikte meer haar face à main dan vork en mes; en “Auntie” zat van genoegen +op haar stoel te wippen en te trillen, als een eekhoorntje dat nootjes kraakt. Af en toe keek zij mij aan, fiks en strak, +met haar felle oogen, en ’t kwam mij voor alsof daar nu iets ongewoons in schitterde, iets dat mij opzweepte en tevens verontrustte. +Zij sloeg mij blijkbaar gade, zij sloeg mijn oogen gade; en telkens wanneer deze zich, in onweerstaanbare aantrekkingskracht +op de ontroerend-schoone Maud gingen vestigen, voelde ik Auntie’s oogen op mij gepriemd en zag ik haar glimlach, die iets +raadselachtigs en bijna spottends had. Wat was er toch? Wat wilde ze van mij! + +</p> +<p>Na de entrecôte Béarnaise scheen Papa zich reeds wat verzadigd te voelen; hij <span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237">237</a>]</span>strekte zich in een gemakkelijke houding uit en begon nu ook eens rond te kijken in de zaal, of hij daar ook menschen kende. +De dames hadden reeds herhaaldelijk, met lieven glimlach naar mij totaal onbekende gasten gegroet, wat mij telkens heimelijk +een beetje hinderde; en nu ging ook Papa aan ’t groeten, met korte, harde, familiaire hoofdknikjes, en noemde daarbij namen, +waarbij de dames omkeken, en ook nog eens groetten. Er ontstond daar als ’t ware een soort van verbroedering waar ik, als +vreemdeling, buiten gesloten bleef en ’t maakte mij verdrietig en chagrijnig; ik was er niet verre van af te gaan denken, +dat het eenigszins ontactvol van hen was, terwijl ze toch mijn gasten waren. En, eigenaardig genoeg: niet de dames, maar Papa, +die anders niet zoo buitengewoon fijn-besnaard was, scheen dat te voelen. Hij keek mij welwillend aan, glimlachte en zei: + + +</p> +<p>—U is hier natuurlijk nog een beetje vreemd, maar ik zal u wat op de hoogte brengen. Ziet u die oude man, daar, met grijze +snor, naast die jonge dame in ’t mauve met haar prachtige parels en briljanten! <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238">238</a>]</span>Dat is een spoorwegkoning, meer dan vijftig miljoen dollars waard. Hij is op meer dan zeventigjaren leeftijd hertrouwd met +een heel jong meisje zonder fortuin uit Nebraska, deze die nu naast hem zit. Zij draagt voor meer dan honderd duizend dollars +waarde aan parels en juweelen. + +</p> +<p>De violen kweelden, af en toe knalde dof een champagne-kurk en de animatie werd steeds vroolijker en levendiger, en Papa liet +mij nog meer beteekenisvolle mannen zien, telkens daarbij vermeldend hoeveel ze “waard waren;” en Mama en “Auntie” en ook +Maud waren ten diepste mee geïnteresseerd, genietend van die weelde-in-cijfers zooals alleen echte Amerikanen dat kunnen. +Toen slaakte “Auntie” plotseling een soort verrassingskreet en zei: + +</p> +<p>—O! en mister Bunk zit daar ook, daar, bij dat raam! Kijk eens; kijk eens: hij gebruikt nog steeds zijn toast met eieren, +net als in Saratoga! + +</p> +<p>Het was een emotie! Allen keken om en zagen mister Bunk zijn eieren eten. Hij merkte hun opvallende belangstelling, herkende +hen, groette, ernstig, plechtig bijna, <span class="pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239">239</a>]</span>met een volmaakt-correcte buiging. De dames kregen een lichte kleur, groetten terug, namen weer haar gewone houding aan. Mij +had hij heel even, met een koel-strakken blik opgenomen. + +</p> +<p>—Die man, meende Papa mij te moeten inlichten, is ’n aardig aantal miljoen dollars “waard” en gaat door als de “arbitre des +élégances” in New York en eigenlijk ook wel in de “society” van heel Amerika. Sinds jaren, waar hij ook komt, gebruikt hij +voor zijn diner nooit iets anders dan drie gekookte eieren, met toast en thee. Maar lastig als hij is op de kwaliteit van +die eieren, daar hebt u gewoon geen idee van! Hij wil ze maar alleen gebruiken als ze afkomstig zijn van een speciale “farm” +daar ergens in de Catskill’s Mountains, van boeren die hij kent. In Newport, in Saratoga, in Lennox, onverschillig waar hij +verblijft, steeds komen zijn <span class="corr" id="xd0e1982" title="Bron: eiren">eieren</span> uit diezelfde “farm.” En ook hier, in New York, moet Delmonico, waar hij geregeld eet als hij niet op zijn clubs of bij families +dineert, hem kunnen garandeeren, dat ze daar vandaan komen. En wilt u nu eens weten wat hij voor zoo’n <span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240">240</a>]</span>diner van drie eieren met toast en een kop thee betaalt?.... + +</p> +<p>Glimlachend naar mij toe gebogen staarde Papa mij aan, als om bij voorbaat van mijn bewonderende verbazing te gemeten. En +toen liet hij ’t cijfer los: + +</p> +<p>—Vijf dollar, meneer! Vijf dollar en ’n dollar fooi aan den garçon: samen zes dollar voor ’n maaltijd die zoowat een zestig +cent waard is! + +</p> +<p>De dames knikten, met een soort ingehouden admiratie, om te betuigen dat Papa de zuivere waarheid sprak. + +</p> +<p>Zwijgend keek ik den kerel aan, terwijl hij met een van zijn eieren bezig was. Wat ’n sinistere vlegel! Wat ’n sombere bruut! +Wat ’n boeventronie! dacht ik in mezelf. En ik leed er onder, ik leed harde, vlijmende pijnen, dat Maud zulk een aanstellerig +wanschepsel kon bewonderen. Hoe was het mogelijk! Hoe zag ze toch niet, hoe begreep ze toch niet wat voor een abominabele +poen die kerel wezen moest! Het vergalde mijn avond, die vent wierp door zijn enkele tegenwoordigheid een akelige schaduw +over al mijn vreugde. +<span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241">241</a>]</span></p> +<p>Eensklaps had ik een geweldige emotie. Hij was klaar, had afgerekend en stond op; en ik zag, ik vóélde, dat hij naar ons tafeltje +toe kwam! Zou hij heusch durven? Werkelijk! Daar was hij! Daar stond hij! + +</p> +<p>Hij stond daar in rok en witte das, met zijn drie eieren en zijn toast in zijn te dikke lichaam en hij boog groetend, met +een akeligen glimlach op de lippen, naar Mama en kuste haar de hand. + +</p> +<p>In onwillekeurig walgen keerde ik even machinaal het hoofd om. Hij groette “Auntie,” hij groette Maud, hij groette Papa, en +dan weer tot Maud zich wendend hoorde ik hem vragen: + +</p> +<p>—Goed nieuws van Reggy? + +</p> +<p>—Heel goed, dank u, hoorde ik Maud antwoorden. + +</p> +<p>—Wanneer verwacht u hem terug? vroeg nog de vlegel. + +</p> +<p>—Waarschijnlijk tegen het eind der volgende maand, antwoordde Maud, een lichte kleur krijgend. + +</p> +<p>Hij glimlachte, fatterig voldaan, boog weer en vertrok, zonder met een woord of een blik van mij notitie te hebben genomen. + +<span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242">242</a>]</span></p> +<p>Even keek ik naar “Auntie” op. Haar oogen stonden strak op mij gepriemd en haar lippen hadden een soort glimlach, die tot +in ’t diepste van mijn ziel drong. + +</p> +<p>Ik keek naar Maud. Er lag eensklaps iets vreemds en ernstigs over haar gezicht. Zij leek mij plotseling zoo koud als ijs. +Wat was er toch gebeurd? En wie was die Reggy, waar de vlegel naar gevraagd had? Was dat Maud’s gehuwde broer, die in Philadelphia +woonde? Of.... + +</p> +<p>Opnieuw keek ik naar “Auntie” en ’t werd kil in mij. Er was ineens ’n soort van gêne over ons gekomen; en even heerschte er +een stilte, die de muziek gelukkigerwijze door een meeslepende wals eenigszins aanvulde. Ik voelde mijn hart jagen en kloppen, +alsof het barsten ging. + +</p> +<p>’t Diner was afgeloopen. De klok wees kwart over tien en Papa oordeelde dat het tijd werd om de boot te halen. + +</p> +<p>Met een bescheiden gebaar wenkte ik naar den maître d’hôtel om af te rekenen. Hij knikte; en ’t oogenblik daarna bracht hij +mij, met innemenden glimlach, de nota dichtgevouwen op een zilveren plateau, <span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243">243</a>]</span>als een vertrouwelijk document van zeer gewichtige beteekenis. + +</p> +<p>Ik ontplooide die even en las een bedrag waar ik, nu voor de derde maal in die enkele dagen, in figuurlijken zin van omviel. +Maar ik hield mij goed. Ik ging in mijn portefeuille, haalde er, onder den vorm van bankpapier, een klein fortuintje uit, +schoof het onder de rekening, op de schaal. + +</p> +<p>Mama was opgestaan. Met den vriendelijksten glimlach van al haar valsche tanden reikte zij mij de hand en bedankte mij zeer, +zéér hartelijk. “Auntie” deed het zelfde, met oogen die flikkerden, en ook Maud kwam mij danken, heel zacht en lief en vriendelijk, +met een langen, warmen handdruk en een uitdrukking van groote sympathie in haar sprekenden blik. Papa, op zijn beurt, schudde +mij krachtig beide handen en voorspelde mij dat ik een prachtige carrière zou maken in Amerika, ja, dat ik er millionnair +zou worden. Hoe en waarom hij juist op dat idee kwam terwijl hij me nagenoeg heel mijn beurs had zien ledigen, was mij niet +duidelijk en is het mij nu nog niet, maar zoo zei hij toch. +<span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244">244</a>]</span></p> +<p>Langzaam en statig laveerden wij tusschen de reeds half verlaten tafeltjes heen. Er werd nog hier en daar geknikt en gegroet +en de bruine kerels met hun roode jassen en fluweeligen oogen speelden en keken nog hartstochtelijker dan bij onze aankomst, +en ik kreeg den gekken indruk, dat ze met hun opgewonden gedoe de laatste centen uit mijn beurs wegspeelden. + +</p> +<p>Mantels en overjassen werden aangetrokken en wij kwamen aan den ingang. Een lange file rijtuigen stond langs ’t trottoir. +Papa wenkte er een, een bediende in livrei opende het portier en de familie stapte in. + +</p> +<p>Glimlachend stond ik nog even, in den zachten lentenacht, onder de electrische booglampen te groeten en te wuiven. En een +laatste maal zag ik haar, háár alleen, in al haar betooverende schoonheid, met wit bont om den goddelijken hals en met gansch +haar ziel in den glinsterenden afscheidsgroet van haar prachtige oogen. Toen reed het rijtuig heen.... + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245">245</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e2039" title="Bron: IX">X</span></h2> +<p>Dien nacht lag ik rusteloos te woelen in mijn bed zonder den slaap te kunnen vinden. Ik voelde, dat het tot een punt van heftige +crisis in mijn leven was gekomen. Ik draaide en keerde mij om en mijn hart klopte gejaagd, als met korte, harde hamerslagen. + + +</p> +<p>Hoe was de avond nu eindelijk geweest: een succes, of een “failure?” Was ik een stap verder gekomen in het leven en het hart +van Maud, of bleef dat nog steeds ’t zelfde: onzeker, raadselachtig, twijfelachtig? Ik wist het zelf niet; heusch, ik wist +het niet! Ik voelde weer haar handdruk bij het afscheidnemen en zag de straling harer prachtige oogen, welke mij van liefde +deden sidderen; maar ik herinnerde mij ook weer haar plotselinge koelheid en het soort gêne dat over haar kwam, toen die kerel, +die vent, die abominabele fat, die walgelijke mister Bunk haar aan ons tafeltje kwam vragen, of zij goed nieuws van Reggy +had. + +</p> +<p>Reggy!.... Reggy!.... Wie was die <span class="pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246">246</a>]</span>Reggy?.... Was dat de oudste zoon, die in Philadelphia woonde? Heette hij werkelijk zoo? Had ik hem niet een paar keer anders +hooren noemen, terwijl ze mij zijn portret op de piano toonden?.... Eensklaps kreeg ik als een bons in ’t hart, terwijl ik +mij heel duidelijk herinnerde. Basil, heette hij, Basil! Ik zag Papa nog naar de foto wijzen en hoorde ’t hem nog zeggen! +Reggy was dus een ander; maar dan toch een die de familie kende, en goed kende, aangezien ze nieuws van hem ontvingen. Wie +was het dan wel en hoe kwam het dat ze nooit met mij een enkel woord over hem gesproken hadden? + +</p> +<p>Ik gooide mijn dekens van mij af, blies alsof ik stikte, sprong uit mijn bed, haalde de gordijnen van mijn ramen op. Ik kon +het niet langer meer uithouden in de benauwde eenzaamheid; ik had kunnen snikken van ellende en ik trok een van mijn vensters +wijd open, haalde diep adem en staarde wijd over de grootsche, nachtelijke eenzaamheid van New York. + +</p> +<p>De lucht was zacht en zwoel en vol mysterieuze leven. De nachtelijke lentehemel schemerde wazig-blauw doorprikt met vele <span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247">247</a>]</span>stille lichten. De stilte was indrukwekkend-grootsch en toch gonzend van diep-trillend leven. Men voelde als ’t ware de levende +rust der geweldige stad. Er droomde een zware rythmus in. En af en toe was het alsof de slapende reus even ontwaakte: de fluit +van een locomotief gilde, als een schrille noodkreet; de stoomhoorn van een steamer brulde, in langgerekt en schor geloei; +en de roode en groene lichten aan den oever gulpten in het kabbelend water neer, als brekende stralen van zwavel en bloed. + + +</p> +<p>Wat deed ze nu, op ’t zelfde oogenblik, dat ik hier aan mijn open venster stond te staren en te lijden? Zij sliep natuurlijk, +in zalige, onbezorgde rust; of zij droomde, maar niet van mij: zij droomde van een ander, van dien mij onbekende, van dien +Reggy, waarnaar de walgelijke poen aan ons tafeltje was komen informeeren. O, die vlegel, hoe haatte ik hem! Wat had ik hem +graag tegen het te dikke lijf willen aanvliegen en hem in het zelfvoldane gezicht willen schreeuwen: Ploert! Bruut! Vraag +excuus, smeek om genade, of ’k sla je den <span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248">248</a>]</span>dikken kop in! Mijn vuisten knelden in elkaar, mijn tanden knarsten; ik had hem levend kunnen villen, hem verscheuren! + +</p> +<p>Mijn hart joeg en klopte, rusteloos. Aan slapen was geen denken meer. Wanhopig staarde ik in den nacht, over de oneindigheid +van New York en ik reikhalsde naar ’t donkergrijze westen, in de richting waar zij woonde, alsof het mogelijk was, dat ik +haar zien kon. Haar zien! Haar zien! Al de verlangens van mijn ziel, al de zintuigen van mijn overspannen lichaam waren tot +dat doel gericht. Om haar nu nog eventjes te zien en met haar te mogen spreken, had ik jaren van mijn leven willen afstaan. +Het scheen mij toe of alles weer terecht zou komen, of alles weer heel goed en zacht zou zijn, als ik haar ook maar even zag +en met haar sprak. Wie weet,.... wie weet!.... Misschien toch was ook zij niet tevreden; misschien lag ook zij nu rusteloos +en slapeloos op haar eenzame kamer!.... Als ik mij nu aankleedde en met den electrischen tram die, ik wist het, ook ’s nachts +nog om het half uur reed.... Ik kon toch niet slapen; wie weet.... wie weet.... of ik aan <span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249">249</a>]</span>haar raam geen licht zou zien, of ze niet zou vóélen dat ik komen moest, of ze mij niet wachtte....? + +</p> +<p>Met jagende haast, zonder verder na te denken of te aarzelen, rukte ik mijn kleeren aan. Ik keek op mijn horloge. Kwart over +twee. Als ik mij repte kon ik de electrische van half drie nog halen. Ik stopte de veters in mijn laarzen zonder die aan te +rijgen, nam hoed, stok en jas, rende, in de duisternis, de trappen af. Het oogenblik daarna liep ik door de stille straten +in den lenteluwen nacht. + +</p> +<p>Het licht van de electrische flikkerde in de verte en ik holde er naartoe in stormpas om toch op ’t uiterst oogenblik nog +niet te laat te komen. + +</p> +<p>—Plenty of time; plenty of time, zei mij kalmeerend een bediende, toen hij mij buiten adem aan zag rukken. + +</p> +<p>—Gaat hij nog niet? vroeg ik wanhopig. + +</p> +<p>In ’t schijnsel van een lamp haalde de man zijn horloge uit. + +</p> +<p>—Over zeven minuten; de andere moet nog eerst arriveeren, berichtte hij. + +</p> +<p>Ik ging in een hoek de veters van mijn <span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250">250</a>]</span>laarzen aanrijgen en keek naar de van binnen verlichte, wachtende tram. + +</p> +<p>Er zaten een tiental menschen in: enkele slaperige arbeiders met hun gereedschap; een paar jongelui die lachend pret maakten +en wat dronken schenen; een man eenzaam in een hoekje, met donkere snor en peinzende oogen. + +</p> +<p>De huizen daaromheen sliepen in duisternis, met dichte luiken. Mijn scherp-gespitste waarnemingsvermogen merkte de dingen +op; de gedachte drong in mij dat de huizen, evenals de menschen, een eigen leven leefden en dat zij, na ’t volbrengen van +hun dagtaak, moesten rusten en slapen. Ik voelde sterk dat alles rust en slaap behoefde om normaal te zijn en dat het abnormaal +was als een tram zoo laat nog reed en abnormaal ook wie daar nu mee reisde. Die menschen waren uit hun natuurlijk leven, uit +hun evenwicht geslagen, en zoo was ik ook, ik die nu, door mijn zenuwen opgezweept, in dit vreemde oord, het onbekende en +het leege van den nacht instormde, om een hersenschim na te jagen. Ik gaf mij zeer goed rekenschap van ’t gekke mijner daad, +maar deed die toch. +<span class="pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251">251</a>]</span></p> +<p>De telegraafdraden langs den spoorweg zongen mysterieus naar de donkere verte, alsof zij geheimzinnig spraken en de electrische +draadleiding begon te trillen, met een geluid van zink. Toen kwam een bleeke schemergloed ginds aan den einder boven op den +heuvel klimmen en weldra zag ik een helder lichtpunt, dat zienderoogen grooter werd en flikkerend naderde. + +</p> +<p>—Instappen! berichtte de conducteur; en de wattman kwam uit een donker houten huisje en nam zijn plaats in op het voorbalcon. +Zacht en snel reed de electrische weg. + +</p> +<p>Het hamerde en klopte in mij, en droog hikte mijn keel, met korte tusschenpoozen. Ik voelde mij heel week en zwak. Ik benijdde +de kalmte van mijn medereizigers: de slaperige moeheid van de werklieden, de zorgelooze jool der ietwat aangeschoten jongelui, +de starende rust van den man in den hoek met de donkere snor en de peinzende oogen. + +</p> +<p>De tram hield op. Ik schrikte, machinaal. De conducteur riep een naam en de vroolijke jongelui stapten licht-waggelend uit. +Even verder stopte hij weer; en op hun beurt <span class="pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252">252</a>]</span>verlieten de slaperige arbeiders den wagen, met hun nacht-sjouwersgereedschap over den rug. Toen reed de tram weer een heel +eind, met alleen den donkeren man en mij op de banken. Er waren geen huizen meer; het licht scheen flikkerend op de langs +den weg geplante boomen en maaide ze telkens, met een zwiep, als ’t ware in de duisternis om. De beugels trilden op den leiddraad, +met een geluid van zink. + +</p> +<p>De tram hield stil. Hij was aan zijn terminus gekomen, en een andere die gereed stond, reed weer af. + +</p> +<p>Ik stapte uit, door den peinzenden man gevolgd. Ik zag een oogenblik zijn donkere silhouet naast mij; en dan verdween hij, +als door de duisternis opgezogen. + +</p> +<p>Al spoedig was ik voorbij de enkele slapende huizen die daar stonden. Ik kende mijn weg en wende aan de duisternis, die lichter +scheen te worden. De villa’s schemerden achter de boomen en veel schoone sterren blonken in den stillen hemel. + +</p> +<p>Bij den kruisweg nam ik links, den heuvel op. Ik zag den weg, grijsachtig-blond, tusschen de donkerder velden. Er waren daar +<span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253">253</a>]</span>geen boomen meer en de gansche hemelkoepel met al zijn sterren welfde er ontzaglijk-grootsch over het slapend land. De lucht +was heerlijk frisch en zuiver en drong mij als een milde balsem in de longen. Zachter klopte en hamerde het hart. + +</p> +<p>Even bleef ik staan. Wat kwam ik daar nu eigenlijk doen? Ik kon geen redelijk antwoord vinden. Een soort van nuchterheid zonk +stilaan in mij neer, ontgoochelend, maar meteen stillend, bedarend. ’t Was mij te moede alsof ik reeds mijn doel bereikt had +en nu terug mocht keeren. Heel duidelijk besefte ik nu het nuttelooze en onzinnige van mijn daad, midden in die grootsche +stilte, midden in die heilige rust der gansche streek. Ik schaamde mij als ’t ware; voelde den diepen wanklank met de rustige +omgeving. + +</p> +<p>Schoorvoetend toog ik verder. Daar schemerde reeds, op korten afstand, eenzaam op den heuvel, háár villa onder de sterren. +En dat leek alweer iets zoo gewoons, iets zoo natuurlijks, dat ik mijn geest moest inspannen om te begrijpen hoe óngewoon +en ónnatuurlijk ik daar liep. Al mijn gekke <span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254">254</a>]</span>illuzies dat zij mij wachtte, dat ik haar zien zou, dat ik met haar spreken zou en dat mijn verder levenslot dien nacht beslist +zou worden, verdwenen als ijle rook bij het aanschouwen der werkelijkheid uit mijn ontspannen hoofd; en ik stond eindelijk +vóór haar villa, en draaide er langzaam omheen en stelde, bijna met een soort genoegen, vast, dat ook daar, evenals overal +elders, alles stil en rustig was, en dat nergens een lichtje door de luiken pinkte en dat zij mij niet wachtte om de eenvoudige +reden dat zij sliep, zooals alle andere menschen in den omtrek op dat uur van den nacht sliepen. + +</p> +<p>Ik glimlachte. Ik glimlachte in mijzelf en om mijzelf waar ik daar roerloos stond te staren. En ik voelde hoe vreemd de wereld +is, terwijl ik overpeinsde, hoe ik, slechts enkele uren geleden, tegenover haar zat, aan den feestdisch van een luxe-restauratie, +in een der meest-mondaine wereldsteden, en daar nu liep te zwerven als een landlooper in ’t holle van den nacht, opgezweept +door de onzinnige illuzie haar nog eventjes terug te zien. + +</p> +<p>Stil droop ik af. Het was opeens heel kalm in mij geworden. Het zonk en zeeg <span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255">255</a>]</span>alles in mij neer, als frissche dauw op drooggeschroeide loovers. Maar iets stond vast in mij: muur- en rotsvast: ik wilde +en zóu weten!.... Ik zou haar schrijven, morgen aan den dag; ik zou haar schrijven mijn liefde, mijn hoop en mijn lijden,.... +ik zou uit al die folterende onzekerheid geraken en eindelijk weten wat het leven voor mij in bewaring hield: onverdeeld geluk, +of onafzienbare smart. + +</p> +<p>Ik kwam terug aan de tramhalte, waar in de nachtelijke stilte en eenzaamheid, de telegrafische draden geheimzinnig zongen. +Wat zongen zij: geluk of lijden? Het kwam er niet op aan: over enkele dagen zou ik wéten.... + +</p> +<p>Daar naderde de tram uit New York reeds in de verte. Ik was de eenige reiziger voor den terugtocht. De beugel zong op zinken +snaren en ik stapte in. + +</p> +<p>Aan ’t oosten schemerde heel zacht het eerste ochtendlicht. Een vogel piepte en ergens in de buurt kraaide een haan. + +</p> +<p>De silhouetten van conducteur en wattman namen wezenlijker vormen aan. + +</p> +<p>De dag,—de groote dag—was aangebroken. + + + +<span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256">256</a>]</span></p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e2129" title="Bron: X">XI</span></h2> +<p>Ik schreef mijn brief in zachte spanning. Ik schreef hem, schreef hem over, schreef hem nog eens. + +</p> +<p>Mijn ziel zong erin en klaagde; en háár verrukkelijk-schoon beeld stond aanhoudend vóór mijn geest en in verbeelding vóór +mijn oogen. Ik schreide en ik glimlachte. Ik jubelde en twijfelde; ik was vol hoop, vol angst en vol van sterken hartstocht. +Ik voelde in mij de kracht om werelden te veroveren. + +</p> +<p>Toen de brief geschreven was en in zijn omslag dicht gezegeld, liet ik hem liggen en ging wandelen. Ik had te werken, maar +ik werkte niet. Ik ging wandelen. Nooit heb ik duidelijker gevoeld, dat er plichten zijn welke nog sterker dringen dan het +drukste werk. + +</p> +<p>Ik wandelde den ganschen middag; ik luierde en slenterde door parken en door straten; en er was in mij een soort van weerzin +en van angst om op mijn kamer, waar de brief te wachten lag, terug te keeren. Ik dacht den ganschen dag door aan dien brief, +en of het zoo wel goed was, en of ik <span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257">257</a>]</span>niets essentieels vergeten had, en of het nog niet beter, mooier, aangrijpender en ontroerender kon. Zou het niet goed zijn +als ik hem nog eens openmaakte en hem overlas? Zou ik in elk geval niet wachten tot den volgenden ochtend, er nog eens een +nacht laten overheen gaan, alvorens hem te verzenden? + +</p> +<p>Langzaam, en twijfelend, keerde ik naar mijn kamer terug. Ik was moe van den vorigen dag, zou nu maar gauw gaan slapen. Morgen +zou ik weer frisch zijn. + +</p> +<p>Loom stapte ik de trappen op, opende mijn kamerdeur, draaide het licht aan. + +</p> +<p>Het eerste wat mij trof was ’n brief op mijn tafel. Geen handelsbrief, zooals er meer kwamen; een “mondaine” brief, als ik +het zoo mag uitdrukken, een fijne enveloppe, met de hand van een vrouw. + +</p> +<p>Zenuwachtig scheurde ik die open, keek en las. + +</p> +<p>Het schemerde even vóór mijn oogen; ik zag niet goed, begreep niet goed. + +</p> +<p>Ik streek de hand over mijn voorhoofd, lei den brief neer, nam hem weer op, en las, en spelde, woord voor woord. +<span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258">258</a>]</span></p> +<p>Toen begreep ik en een ontzettende emotie vol tegenstrijdige gewaarwordingen stroomde als een heete gloed door gansch mijn +wezen. + +</p> +<p>Het was een brief van “Auntie.” + +</p> +<p>“Auntie” vroeg mij of ik haar den volgenden dag, om vier uur, in New York, bij Sherry’s, wilde komen spreken! “Auntie” schreef +mij, dat ze zeer verlangend was mij daar te zien, om mij iets mee te deelen, dat zij als een plicht beschouwde en hoopte wel, +dat niets mij zou verhinderen om er te komen. + +</p> +<p>Kort was het briefje, maar heel vriendelijk van toon; en in zijn kort bestek omvatte het voor mij als ’t ware de beschikking +over mijn gansche verder leven. + +</p> +<p>Voor de tweede maal lei ik het briefje neer en keek mij in den spiegel aan. Ik zag zoo wit als ’t velletje papier waarop de +ontzettende woorden neergeschreven stonden en mijn voorhoofd was klam van transpiratie. Mijn beenen voelden eensklaps zóó +zwak, dat ik even moest gaan zitten. + +</p> +<p>Ik dronk een glas water en stak een sigaret op. + +</p> +<p>Toen las ik nog eens, voor de derde maal.. +<span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259">259</a>]</span></p> +<p>Het leed geen twijfel: “Auntie” wou mij over Maud spreken! Dat voelde ik zoo vast en zeker als de vier strakke muren, die +mijn kamer omsloten; maar wàt ze mij over Maud mee te deelen had, dat was het raadsel, het onbekende, op welks openbaring +ik bijna nog vier en twintig uren had te wachten. + +</p> +<p>Iets onvriendelijks kon het niet zijn. Daar was geen reden voor, daar had ik geen aanleiding toe gegeven. De laatste blik +dien Maud met mij gewisseld had, toen ze reeds, vóór Delmonico’s, met haar ouders in het rijtuig zat, was er een geweest van +sympathie, van uitstralende sympathie, ja, bijna van liefde. + +</p> +<p>Van liefde....! Dat woord hield mij vast, prangde mij, als een klauw, om het hart. Van liefde....! Zou ze werkelijk liefde +voor mij voelen, en zou ze “Auntie” bezigen als afgezant, om.... ja, waarom dan eigenlijk.... om mij te doen zeggen dat ze +mij liefhad en haar leven aan het mijne wenschte te verbinden....? + +</p> +<p>Het leek mij vreemd; het leek mij gek; en toch.... wat anders? Ik had haar immers <span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260">260</a>]</span>nog niets gevraagd, nog niets gezegd dat haar kon doen vermoeden, dat ik van plan was haar ten huwelijk te vragen. Mijn brief +was niet weg, gelukkig! gelukkig! Ik zag hem daar nog op mijn tafel vóór mij liggen en ik strekte er de hand naar uit met +zwak-bevende vingers en stopte hem behoedzaam in mijn binnenzak, als vreesde ik, dat hij vanzelf zou kunnen wegvliegen. + +</p> +<p>’t Was vreemd, ’t was gek; en toch: het kón bijna niet anders: “Auntie” zou mij over liefde spreken, over de liefde van Maud +en mij! + +</p> +<p>Mijn rijke verbeelding maakte een sprong en ik zag mij vóór het feit gesteld, dat mij levenslang aan haar verbond. Was ik +nu niet gelukkig, over-en-overgelukkig! Had ik nu niet bereikt waar ik al maanden lang naar snakte? ’t Was vreemd, o, ’t was +zoo vreemd, maar een soort twijfel, een soort heimwee drong stilaan in mij. Ik dacht alweer aan het verleden, aan mijn familie +en mijn vrienden, aan ’t zachte, blonde, lieve Vlaanderen! Ik dacht aan de witte kerktorentjes der vriendelijke dorpjes, aan +Meylegem-Noord en aan Meylegem-Zuid, <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261">261</a>]</span>aan de kalme lussen van de kronkelende Leie, waarin zich, op het groen der weilanden de pittoreske roze en witte hoevetjes +weerspiegelden. Ik dacht aan Tieldeken en aan de jonkvrouw van ’t kasteel; ik dacht aan alles wat ik daar gelaten had en hoopte +weer te zien en voelde de diepste wortels en de geheimste vezels van mijn wezen mij nu pijnlijk weer daarheen trekken, zooals +de wortels en de vezels trekken van een boom, dien men uit zijn oergrond los wil rukken. Zou ik het waarlijk doen en voor +altijd de banden van het zoet verleden afsnijden? Hield ik werkelijk genoeg van haar? Was mijn leven zóó in ’t hare opgegaan, +dat ik zonder haar niet meer bestond? Was zij de zusterziel, de eenige die voor mij op aarde bestond en die ik wellicht vroeger +in een ander leven had ontmoet? Ik weifelde; ik twijfelde. Ik verlangde naar haar met den vurigsten hartstocht, en ik aarzelde +tezelfdertijd; ik vreesde haast om dat zoo zeer begeerde voor altijd in mijn bezit te krijgen. Ik had hààr gewild; en ook +het andere. En ik wist wel dat zulks niet mogelijk was, dat er een keuze móést geschieden; en dat <span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262">262</a>]</span>die keuze, hoe ze ook uitviel, mij of het een, of het andere zou doen betreuren. Ik leed, zooals men lijdt wanneer men nog +geen vijf en twintig is en in zich de kracht gevoelt om gansch de wereld te bezitten. Ik leed zooals men lijdt wanneer men +nog niet werkelijk geleden heeft. + +</p> +<p>Het hart klopte alweer en hamerde onstuimig. En voor de tweede maal ging ik den nacht in vol kwellende onzekerheid en vol +gejaagde woeling. + + + + +</p> +</div> +<div class="div1"> +<h2 class="label"><span class="corr" id="xd0e2191" title="Bron: XI">XII</span></h2> +<p>Even vóór vier uur stond ik bij Sherry’s ingang. Ik zou daar “Auntie” opwachten. De zenuwachtige overspanning was in mij ten +top gestegen en ik voelde, dat ik geen seconde rustig zitten zou daarbinnen. IJsbeerend liep ik langs het breede trottoir +heen en weer tusschen de elegante menigte, met scherpe aandacht de gezichten opnemend. Mijn keel hikte droog en spasmodisch; +elk oogenblik keek ik op mijn horloge. + +</p> +<p>Toen ik zoowat voor de tiende maal weer bij den ingang even stilhield ging achter <span class="pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263">263</a>]</span>mij de glazen draaideur rond en een bediende in wit buisje met vergulde knoopen kwam naar mij toe en deelde mij mede dat daarbinnen +een dame op mij zat te wachten. + +</p> +<p>Ik schrikte hevig, keerde mij om, bonsde tegen de draaideur, strompelde binnen. Was “Auntie” dan tóch binnen gekomen zonder +dat ik het bemerkt had? + +</p> +<p>Er waren nog maar weinig menschen en ik zag haar dadelijk,.... ik zag haar felle oogen, in een hoekje, heelemaal achter in +de ruime, ietwat somberige zaal. Zij wenkte mij en ik spoedde mij naar haar toe. Zij zat alvast met thee en gebakjes. Ik maakte +mijn diepste excuses, dat ik haar onwillekeurig laten wachten had. + +</p> +<p>—Ik had u reeds gezien, vóór ’t raam en dacht dat u zoudt binnenkomen, glimlachte zij. Toen ik merkte dat u heen en weer bleef +loopen, heb ik u maar laten roepen. + +</p> +<p>Zij wees mij een rieten leunstoel en verzocht mij te gaan zitten. Thee? vroeg ze nog; en schonk mij alvast in. + +</p> +<p>Ik nam plaats, lei mijn hoed naast mij, en keek haar even aan. Er was iets ongewoons in het gezicht van “Auntie”: iets straks, +<span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264">264</a>]</span>bijna getrokkens. Het was alsof ook zij dien nacht niet had geslapen. Alleen de oogen blonken, met hun gewone, onverwoestbare +felheid. + +</p> +<p>—Ik heb hier dit eenzaam plaatsje uitgekozen, om rustig te kunnen praten, begon ze. Ik heb u iets te zeggen. Ik beschouw het +als mijn plicht u een gewichtige mededeeling te doen.... voor het misschien te laat zou zijn, voegde zij er na eenige aarzeling +aan toe. + +</p> +<p>—Ik luister, zei ik, zenuwachtig hikkend. + +</p> +<p>—Wellicht moet ik u pijn doen, sprak ze met gedempte stem, en eensklaps heel diep-ernstige en werkelijk bedroefde oogen. + +</p> +<p>—Wat is er? Wat is er toch? schrikte ik. En ’t was alsof eensklaps al mijn schoone luchtkasteelen vóór mijn voeten in gruzelementen +neerstortten. + +</p> +<p>—O, schrik niet, voer ze voort; ’t is beter nu dan later. Ik moet u over Maud spreken. + +</p> +<p>Ik knikte, zwijgend, onbekwaam een enkel woord te uiten. + +</p> +<p>—Ik vrees, zei ze.... ik vrees.... dat heb ik althans meenen op te merken—<span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265">265</a>]</span>dat Maud u niet gansch onverschillig laat en dat u wellicht ernstig aan haar zoudt kunnen denken. + +</p> +<p>—Kàn dat niet? Màg dat niet? ontsnapte ’t mij in plotse, ontembare wanhoop. + +</p> +<p>—Het màg wel, maar het kàn niet, antwoordde “Auntie” droevig. + +</p> +<p>—Waarom? kreet ik dof. + +</p> +<p>“Auntie” zuchtte, aarzelde. + +</p> +<p>—Waarom! herhaalde ik dringender. + +</p> +<p>—Omdat ze reeds verloofd is!! + +</p> +<p>Het werd eensklaps heel stil in mij. Het werd doodstil, alsof mijn leven meteen ophield te bestaan. Ik staarde “Auntie” roerloos +aan, met strakke oogen en mijn lippen gingen van elkaar, zonder een klank te uiten. Ik zat als dood op mijn stoel. + +</p> +<p>—Drink even van uw thee, zei “Auntie” bezorgd. + +</p> +<p>Ik dronk, machinaal, zonder te proeven. + +</p> +<p>—Herinnert u zich, dat mister Bunk eergisteren aan ons tafeltje kwam vragen of wij goede berichten hadden van.... + +</p> +<p>—Van die Reggy? kreet ik. + +</p> +<p>—Juist, van Reggy.—Reggy Clarke, die op reis is in Australië voor handelszaken <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266">266</a>]</span>en de volgende maand naar New York terug zal keeren, is de intieme vriend van mister Bunk en sinds twee jaar met Maud verloofd. + + +</p> +<p>“Auntie” zweeg. Zij zag een weinig bleek en haar sterke oogen hadden een ernstige uitdrukking. In mij gonsde en bruisde het +als een orkaan die niet tot uitbarsting kan komen. Met een pijnlijk-scherpe perceptie zag en hoorde ik alles wat om mij heen +gebeurde: “Auntie,” die zenuwachtig met haar lepel in het kopje roerde; de draaideur bij den ingang, die voortdurend rondtolde +en aldoor menschen in en uitliet; de bedienden in witte buisjes met vergulde knoopen, die bedrijvig heen en weer liepen. En +dezelfde folterende helderheid, die mij al die onbeduidende details zoo nauwkeurig deed opmerken, leefde en trilde ook, niettegenstaande +alle stormen en emoties, in mijn diepste binnenste. Ik kon mijzelf als ’t ware objectief ontleden, mij exterioriseeren in +de gedaante van een ander, die zou voelen en zou lijden wat ik op dat oogenblik voelde en leed. Ik wist en hoorde wat die +ander in mijn plaats zou moeten antwoorden om zijn figuur te redden: antwoorden, met <span class="pagenum">[<a id="pb267" href="#pb267">267</a>]</span>zelfbeheersching, dat hij “Auntie” dankte voor haar vertrouwelijke mededeeling, maar dat hij nooit ernstig aan zulke dingen +had gedacht, dat hij er nooit aan zoude hebben dùrven denken, dat hij alleen de warmste sympathie en de grootste bewondering +voor Maud gevoeld had; en dat hij wel begreep, ofschoon met diepe spijt en droefheid, dat ’t nu uit moest wezen tusschen hen.... +Zoo voelde ik te moeten antwoorden, met waardigheid en ernst; maar ik kon niet, ik kòn niet!.... de smart en de teleurstelling +waren te overweldigend-groot, mijn verwrongen gezicht verried mijn gevoelens en ik vond slechts een kreet, een droeven noodkreet: + + +</p> +<p>—Waarom heeft nooit iemand daar over gesproken? Waarom heeft, zij vooral, dat zoolang voor mij geheim gehouden! + +</p> +<p>—Dat heb ik haar ook verweten; en zij zelve, trouwens, verwijt het zich ook! viel “Auntie” levendig in. O, zij lijdt er onder, +weet u, want zij houdt van u. Den halven nacht heeft ze gehuild, na het diner bij Delmonico. Tot twee uur ben ik bij haar +op haar kamer gebleven! +<span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268">268</a>]</span></p> +<p>—Wat zegt u daar! kreet ik. + +</p> +<p>—Jawel, antwoordde “Auntie” eenigszins verwonderd. Verbaast u dat zoo zeer? + +</p> +<p>Tranen kwamen in mijn oogen. De emotie overweldigde mij, plotseling. En ik bekende haar, week en zwak, hoe ik daar ook dienzelfden +nacht, bijna op ’t zelfde uur, rond hun villa gedoold had. + +</p> +<p>“Auntie” was diep aangedaan. Zij drukte even mijn hand en haar harde oogen kwamen eensklaps vol zachtheid. + +</p> +<p>—Hoe jammer, hoe vreeselijk jammer dat het niet kan, maar het kàn niet, zuchtte zij. + +</p> +<p>Wij waren uitgesproken en een droeve stilte kwam in ons. Wat wij nu nog verder zouden zeggen kon niets meer wezen dan een +matte naklank van hetgeen reeds was gezegd. Misschien, wie weet, zou er nog later iets te zeggen zijn. Nu was er niets meer +te zeggen. + +</p> +<p>Langzaam rees “Auntie” op. + +</p> +<p>—Is het nu uit? Zal ik nu niemand van u allen ooit meer zien, of nog iets van u hooren? vroeg ik diep-neerslachtig. + +</p> +<p>—Ik zal u schrijven, u op de hoogte <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269">269</a>]</span>houden als u ’t wenscht, beloofde “Auntie” plechtig. + +</p> +<p>Ik wou haar nog eenige laatste woorden toevertrouwen voor Maud; ik zocht naar die woorden in mijn overvol gemoed, en vond +ze niet. + +</p> +<p>—Adieu,.... adieu.... kon ik enkel snikken; en drukte een kus op haar hand. + +</p> +<p>Ik zag haar door de draaideur tollen en vlug voorbij het raam passeeren. En gansch alleen, met al mijn zware droefheid, stond +ik in ’t groote New York. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Nooit meer heb ik iets van hen gehoord. Is Maud getrouwd? Heeft “Auntie” ooit geschreven en raakte soms haar brief verloren? +Ik weet het niet. Nog lang heb ik wachtend gehoopt, maar stilaan is dat alles weggetaand, zooals alles eens wegtaant: vreugde, +droefheid, smart.... + +</p> +<p>’t Was als een droom geweest; en droomen zijn slechts droomen.... + +</p> +<p>Nu denk ik er somtijds nog aan, maar zonder bitterheid en zonder leed. +<span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270">270</a>]</span></p> +<p>Het is toch mooi geweest; het waren schoone dagen.... En het was jong en frisch, naïef en onbezonnen! ’t Was een illuzie, +een roman: de roman van een Schaatsenrijder! + +</p> +<p>Nu is er slechts tragedie op de wereld.... + + + + + +</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> +<h3>Beschikbaarheid</h3> +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman en het on-line gedistribueerd correctie team +op <a href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. + +</p> +<p lang="en">This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give +it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p lang="en">This eBook is produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at <a href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. + +</p> +<h3>Codering</h3> +<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde +van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn +gemarkeerd met het corr-element. + +</p> +<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste +dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens. + +</p> +<h3>Documentgeschiedenis</h3> +<ol class="lsoff"> +<li>2008-05-17 Begonnen. + +</li> +</ol> +<h3>Externe Referenties</h3> +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.</p> +<h3>Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%"> +<tr> +<th>Plaats</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e233">Bladzijde 25</a></td> +<td width="40%">geneneerd</td> +<td width="40%">gegeneerd</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e349">Bladzijde 32</a></td> +<td width="40%">nergers</td> +<td width="40%">nergens</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e360">Bladzijde 33</a></td> +<td width="40%">,</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e400">Bladzijde 37</a></td> +<td width="40%">kinsdbeen</td> +<td width="40%">kindsbeen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e412">Bladzijde 39</a></td> +<td width="40%">oponhoudend</td> +<td width="40%">onophoudend</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e417">Bladzijde 39</a></td> +<td width="40%">zondereen</td> +<td width="40%">zonder een</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e443">Bladzijde 43</a></td> +<td width="40%">ongeving</td> +<td width="40%">omgeving</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e702">Bladzijde 79</a></td> +<td width="40%">oppelvlakte</td> +<td width="40%">oppervlakte</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e779">Bladzijde 90</a></td> +<td width="40%">ca</td> +<td width="40%">ça</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e800">Bladzijde 94</a></td> +<td width="40%">vriiendelijk</td> +<td width="40%">vriendelijk</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e958">Bladzijde 111</a></td> +<td width="40%">trog</td> +<td width="40%">trof</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e963">Bladzijde 111</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1065">Bladzijde 123</a></td> +<td width="40%">stoomopwaarts</td> +<td width="40%">stroomopwaarts</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1179">Bladzijde 140</a></td> +<td width="40%">Tieldeke</td> +<td width="40%">Tieldeken</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1194">Bladzijde 142</a></td> +<td width="40%">Tieldeke</td> +<td width="40%">Tieldeken</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1211">Bladzijde 145</a></td> +<td width="40%">’K was</td> +<td width="40%">’k Was</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1223">Bladzijde 147</a></td> +<td width="40%">Tieldeke</td> +<td width="40%">Tieldeken</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1249">Bladzijde 153</a></td> +<td width="40%">III</td> +<td width="40%">IV</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1274">Bladzijde 156</a></td> +<td width="40%">en</td> +<td width="40%">een</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1309">Bladzijde 160</a></td> +<td width="40%">Autie</td> +<td width="40%">Auntie</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1370">Bladzijde 164</a></td> +<td width="40%">’</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1413">Bladzijde 170</a></td> +<td width="40%">”</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1499">Bladzijde 181</a></td> +<td width="40%">IV</td> +<td width="40%">V</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1678">Bladzijde 204</a></td> +<td width="40%">V</td> +<td width="40%">VI</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1682">Bladzijde 204</a></td> +<td width="40%">nohel</td> +<td width="40%">nobel</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1764">Bladzijde 216</a></td> +<td width="40%">VI</td> +<td width="40%">VII</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1873">Bladzijde 230</a></td> +<td width="40%">VII</td> +<td width="40%">VIII</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1906">Bladzijde 231</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1944">Bladzijde 233</a></td> +<td width="40%">VIII</td> +<td width="40%">IX</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e1982">Bladzijde 239</a></td> +<td width="40%">eiren</td> +<td width="40%">eieren</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e2039">Bladzijde 245</a></td> +<td width="40%">IX</td> +<td width="40%">X</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e2129">Bladzijde 256</a></td> +<td width="40%">X</td> +<td width="40%">XI</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#xd0e2191">Bladzijde 262</a></td> +<td width="40%">XI</td> +<td width="40%">XII</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's De roman van den schaatsenrijder, by Cyriel Buysse + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER *** + +***** This file should be named 25515-h.htm or 25515-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/5/5/1/25515/ + +Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman +and the Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..5b33c9a --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #25515 (https://www.gutenberg.org/ebooks/25515) |
