summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/25515-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '25515-8.txt')
-rw-r--r--25515-8.txt5639
1 files changed, 5639 insertions, 0 deletions
diff --git a/25515-8.txt b/25515-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..bd144d1
--- /dev/null
+++ b/25515-8.txt
@@ -0,0 +1,5639 @@
+Project Gutenberg's De roman van den schaatsenrijder, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De roman van den schaatsenrijder
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: May 18, 2008 [EBook #25515]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER ***
+
+
+
+
+Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman
+and the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Nieuwe Romans
+
+ Cyriel Buysse
+
+
+ De Roman van den Schaatsenrijder
+
+ Maatschappij voor Goede en Goedkoope
+ Lectuur te Amsterdam--1918
+
+
+
+
+
+
+
+DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER
+
+EERSTE DEEL
+
+
+
+I
+
+Het kleine plekje bij den Lusthof
+
+
+Ik wil u een en ander vertellen uit het leven van een schaatsenrijder.
+
+Die schaatsenrijder ben ik.
+
+Ik heb zóóveel, in verschillende landen, op schaatsen gereden, dat het
+schaatsenrijden in mijn leven een stuk leven op zichzelf geworden is.
+
+Ik herinner mij nog die jonge, sterke jaren mijner jeugd, met die
+lange, saaie winters buiten, waar het ijs dan eensklaps, als onder
+de macht eener tooverroede, kleur en fleur en beweging in bracht.
+
+Het was er ineens, na eindelooze dagen van grijze eentonigheid; ineens,
+op een frisschen, prikkelenden morgen: velden en boomen wit-berijpt,
+de harde grond klinkend onder de voetstappen, de neusgaten der paarden
+dampend en de zon die nevelig-oranje aan den blauw-wazigen einder
+oprees met korte, gouden stralen, die alom miljoenen en miljoenen
+diamanten deden fonkelen.
+
+Even buiten 't dorp, op korten afstand van ons huis, lag de
+Lusthof. Die Lusthof heette te zijn het zomerverblijf van den
+dorpsnotaris. 'n Zonderlinge fantaisie! Een villa-achtig gebouwtje
+in roode steen met châlet-dak, zoo iets als men ziet afgebeeld op
+goedkoope chromos en prent-briefkaarten. Het lag aan den voorkant
+langs den trekweg van 't kanaal en aan de achterzijde grensde het aan
+een stuk weiland, dat gedeeltelijk tot lusttuintje was ingericht. Er
+stonden banken, er waren priëeltjes, er lag een vijvertje met roode
+vischjes en een fonteintje, dat tusschen rotsblokken van sintels
+opspoot; en op een grasveldje prijkte een groote, glazen bol, waarin
+de gansche omgeving zich wanstaltig en gedrochtelijk weerkaatste.
+
+De dorpsnotaris, die in het dorp zelf, op nog geen tien minuten
+afstands, een prachtig oud huis, met een heerlijken, uitgestrekten
+tuin bewoonde, kwam 's zomers, op den Lusthof, af en toe enkele uren
+doorbrengen. Een onzinnig idee, een dorpsprotserige aberratie, om te
+kunnen zeggen, dat hij een "binnen" en een "buiten" had. Hij deed er
+niets; er was ook niets te doen; hij liep een paar keer rondom zijn
+onnoozel tuintje, keek naar de schaarsche bloemen en deed even het
+fonteintje spuiten; en ten slotte ging hij zitten op een bank tegen
+den achtergevel van het huis, waar hij dan nurksch bleef vóór zich
+uit staren, tot hij er eindelijk genoeg van had en met trage, stramme
+schreden door de velden naar het dorp terugkeerde. De villa zelve,
+voor zoover ik weet, is nooit ook maar één enkelen dag bewoond geweest.
+
+Wat voor mij en een paar andere jongens van mijn leeftijd de
+aantrekkelijkheid van den Lusthof uitmaakte, was het kleine stukje
+weiland dat achter het tuintje lag en geregeld 's winters onder
+water liep. Dat kwam zoo omdat de gekke notaris de eene helft van
+het stuk weiland, dat hij in lusttuin had herschapen, eenigszins
+had laten ophoogen en daardoor al het water naar het laag-liggend
+gedeelte had gedreven. Het vormde daar een soort plasje van niet
+meer dan een paar honderd vierkante meters oppervlakte en zóó ondiep,
+dat het dadelijk bevroor en zonder eenig gevaar kon bereden worden,
+terwijl er op de grootere wateren nog in de verste verte maar geen
+sprake was van schaatsenrijden.
+
+Daar, op dat plekje, heb ik als jonge jongen mijn eerste
+schaatsenschreden gewaagd. O, dat _eerste_ komen op het maagdelijk
+ijs, het donker ijs, donker als water, met het gras dat er nog groen
+doorheen schijnt, als door een schoonen, breeden spiegel! Zal het
+reeds dragen, na die slechts een of twee nachten vorst, of zal het
+kraken en breken, met modderig-opspattend water, over den mooien,
+gladden spiegel? Een voet gewaagd en eens gedrukt. Het kraakt, er
+komen sterren in, maar het schijnt toch te kunnen dragen. Jawel, het
+draagt, het draagt; het kraakt al minder een eind verder; ik schuif
+er glijdend overheen; ik voel mijn hart popelen en mijn oogen stralen;
+ik keer terug naar den kant en bind met hijgende haast mijn schaatsen
+aan. Ik ben alweer de eerste, de éérste; ik geef het mooie voorbeeld,
+dat straks met uitgelaten vreugde door de verraste schooljongens
+nagevolgd zal worden. Ik sta op mijn schaatsen op het maagdelijk
+donker ijs, ik rijd er overheen, ik voel mij zweven als een vogel,
+een dolle blijheid zweept mij op, er bestaat niets meer voor mij op
+de wereld behalve het verrukkelijk genot van 't schaatsenrijden!
+
+De zachte zon rijst hooger aan den einder en glinstert over
+de wonderschoone tooverwereld van zilveren rijp en fonkelende
+diamanten. Daar ligt het dorpje stil te baden in die heerlijkheid,
+met de cijfers en de wijzers van de uurplaat op den kerktoren die
+tintelen als goud; daar staat de oude, houten molen droomerig op zijn
+berm, als een sterke, kalme reus, die met gekruiste armen in starende
+bespiegeling van al zijn vroegere vermoeienis schijnt uit te rusten;
+daar komen in de verte reeds de schooljongens, die nog niets vermoeden,
+die mij nog niet zien en als een troepje uitgelaten vogels klepperen en
+snateren, de kragen opgetrokken, de schouders huiverend, de verkleumde
+handjes in hun dikke, wollen wanten. Maar eensklaps hebben zij mij
+ontdekt en zij komen gevlogen; en in een oogwenk is het ijsveldje vol
+van hun drukte; en zij rennen, glijden, struikelen, buitelen en vallen,
+terwijl het alom luid opdreunt van hun dolle, wilde, uitbundige pret.
+
+Maar.... daar komt meteen over het veld een strenge, stramme, donkere
+gestalte aan: meneer de dorpsnotaris, bezitter van den Lusthof en van
+'t verdronken stukje weiland, dat er bij behoort!
+
+De pret verstomt, de jongens dringen stil en schuchter op een
+hoekje bij elkaar. Ik voel een groote, gróóte droefheid als 't ware
+verstijvend over mij neerkomen en rijd nog slechts met lustelooze
+slagen door. Wat zal hij zeggen! Zal hij onze vreugd verstoren, ons
+met ruw gebaar, tyranisch van het heerlijk ijsveldje wegjagen! Daar
+is hij. Met stramme beenen komt hij uit den hollen landweg, schrijdt
+dwars over het weiland, langs den rand van het ijs heen, blijft daar
+even onbewegelijk staan kijken.
+
+Hij zegt niets, maakt geen gebaar, schreeuwt geen bedreiging
+uit. Ik rijd maar door, en doe mijn uiterste best om kalm en mooi
+te rijden. Wie weet: misschien interesseert het hem, misschien kan
+dàt hem nog vermurwen! Dat duurt zoo enkele minuten, in knellende
+onzekerheid. Steeds roerloos staan de jongens op een hoopje, als
+versteend door mijn durf, zonder zelven nog iets te durven. Dan gaat
+hij eindelijk langzaam heen. Wij verademen, verádemen! Maar nog even
+staat hij en dadelijk weer prangt de griezeling. Zal hij nu toch.... op
+'t laatste oogenblik.... toen alles reeds gered scheen....? Neen; wat
+hem daar nog even geboeid houdt is een molshoopje, niets anders dan een
+versch molshoopje in 't korte gras. Hij trapt het open met den voet,
+en goddank is hij eindelijk weg, weg op zijn schrale, stijve beenen,
+door zijn hekje, in zijn onnoozel tuintje, waar het spuitfonteintje
+nu gestold is, maar waar de gedrochtelijke glazen bal potsierlijk
+glinstert in de heerlijk-stralende winterochtendzon.
+
+Als een troep jubelende musschen vliegt de knapenbende dadelijk weer
+joelend over 't ijs. Zij rennen en glijden en zwieren daar nog een
+poosje rond en dan spoeden zij zich huiswaarts, om algauw wat te
+gaan eten en daarna terug te komen, met ijssleedjes en schaatsen,
+voor den ganschen, langen namiddag, want zij hebben vrij dien middag,
+niet omdat er ijs ligt, maar omdat het een donderdag is.
+
+
+
+
+II
+
+DE "WAL" VAN 'T ARMENHUIS
+
+
+Het kleine ijsveldje achter den Lusthof voldeed ons echter slechts
+zoolang en in zooverre er geen betere gelegenheid te vinden was. Het
+was al spoedig "doodgereden" en als het door bleef vriezen wendden
+onze gretige jongensoogen zich gauw genoeg naar een andere richting.
+
+Op korten afstand van het dorp lag het Armenhuis, omgeven door een
+prachtigen "wal." Daar was het heerlijk te rijden, maar het ijs moest
+eerst goed sterk zijn, want de wal was diep en had menige gevaarlijke
+plaats. Elken dag, vóór of na ons sjouwen bij den Lusthof, gingen
+wij er eens naar kijken en het ijs probeeren, tot het eindelijk als
+een jubel- en triomfkreet weerklonk:
+
+--De wal van 't Oarmhuis ligt stirk!
+
+Van dat oogenblik af, was het peuterveldje achter den Lusthof
+definitief verlaten.
+
+Wij kwamen met onze schaatsen bij den vijver van het Armenhuis en 't
+was een heele durf om er den eersten voet op te zetten. Ik herinner
+mij meer dan eens daarheen gegaan te zijn en ook teruggekomen, zonder
+mijn schaatsen te durven aantrekken. En ik herinner mij ook hoe Guus
+Boevers, de waaghalzige zoon der groote boerderij, welke daar aan
+den oever lag, ons eens minachtend om onzen angst bespotte en zelf,
+in dolle vermetelheid, de eerste schreden op den dichtgevroren vijver
+deed. Hij was groot, zwaar, lomp en dik en ik zie hem nog met geweld
+op zijn breede klompen over 't ijs loopen, dat zienderoogen onder
+zijn gewicht inzakte en akelig kraakte, alsof het ieder oogenblik zou
+barsten. Maar het barstte niet en de waaghals kwam behouden terug aan
+den oever en lachte ons uit en vroeg ons of we soms een varkensblaas
+om onzen hals wilden binden, zoodat we niet zouden verdrinken als we
+doorzakten. Toen schaamden wij ons diep en bonden onze schaatsen aan.
+
+Dat rijden op den vijver van het Armenhuis was een emotievol en
+rijk-afwisselend genot. Het had iets griezeligs en tevens iets
+gezelligs, dat andere ijsbanen niet hadden. 't Was eerst een
+lange, rechte, tamelijk breede sloot, dan een bruuske, korte,
+smalle bocht tusschen rechts en links overhangende struiken, dan de
+eigenlijke vijverkom, breed en mooi, met een begroeid eilandje en een
+eendenhuisje in het midden, dan weer een bocht, en een vernauwing en
+eindelijk een tweede rechte lijn met een gewelfde steenen brug er
+over, die zich, na een laatste, breede bocht, bij de eerste rechte
+lijn aansloot. Zoo vormde het gansche erf van 't Armenhuis een
+tamelijk groot eiland, waarop allerlei gebouwen stonden: de lange,
+geelgekalkte, twee-verdiepingen-hooge vertrekken der oude-mannetjes en
+oude-vrouwtjes, het hospitaal, de keukens, de kerk, de boerderij. Er
+was daar altijd leven en beweging. Hier zag men de oudjes met moeite
+kuieren, gebogen steunend op hun stokjes, of roerloos zittende in een
+lange rij op een bank in de zon langs een muur, de stokjes, waarop
+hunne handen leunden, dan gekneld tusschen hun knieën; daar waren 't de
+weeskinderen, die kakelend onder elkander op een pleintje speelden of
+hun les op zegden; nog verder was het de bedrijvigheid der boerderij,
+het op-en-afrijden van karren en wagens, 't gekadanseerd geluid van
+dorschvlegels in de schuur, 't eentonig zoemen van een wannemolen. De
+nonnetjes die het gesticht beheerden liepen geruischloos heen en
+weer: stille, zwarte verschijningen met witte borstdoeken en witte
+kapjes, frissche gezichten en zacht-glimlachende oogen, op eens gansch
+onverwacht ergens opduikend om een hoekje, opeens gansch onverwacht
+ergens verdwijnend in een deurtje, als vlijtige, nijvere bijtjes,
+die wel overal tegelijk zouden moeten zijn en zich maar nooit een
+oogenblikje ontspanning of rust mogen gunnen.
+
+Dat alles reden wij voortdurend langs en wij zagen dat alles. En de
+gansche vijver had voor ons een soort van eigen en van eigenaardig
+leven, dat medeleefde in afwisseling en stemming, met wat langs zijn
+oevers al gebeurde of met wat er was te zien. Het eerste rechte eind,
+waar dikwijls langs den muur de oudjes zaten, was als iets strams en
+stijfs en wel vervelend in zijn onbewogen eentonigheid. 't Had iets
+inspannends om daar langs te rijden, alsof de gang verloomde en geremd
+werd over het weerbarstig-schrapend ijs. Maar bij het witte kerkje met
+zijn puntig klokketorentje werd het dadelijk veel lichter. Het was of
+daar iets zachts stond te glimlachen en te troosten; en haast altijd
+was daar ergens om en bij de silhouet van 't een of 't ander nonnetje,
+komend uit het kerkje, gaande naar het kerkje, even naar ons opkijkend
+met ingetogen blik en dadelijk weer de oogen van ons afwendend, zonder
+dat men eigenlijk beseffen kon of het raadselachtig, stille wezen
+ons vermaak wel goed dan afkeurde. Even voorbij het kerkje waren de
+keukengebouwen en daarnaast het hospitaal. En wat wij ook al deden,
+een onoverwinnelijk gevoel van displezier maakte zich daar van ons
+meester. Het ijs lag er steeds onbetrouwbaar en had er een vuilgele
+kleur; en juist in de bocht, de benauwde, smalle bocht waar takken
+van heesters overheen hingen en waar het hospitaal stond, loosde een
+vieze goot haast aanhoudend een grijs straaltje lauwachtig water,
+dat daar het ijs totaal bedierf en ons noodzaakte langs den smallen
+overkant bijna tot in het oevergras te rijden. Wij griezelden van dat
+plekje. Het vergalde ons telkens, bij elken omrit, voor een poosje
+'t genot van den tocht; en wij waren er allen vast van overtuigd,
+dat dat akelig, grijs-lauw water zooiets was als het weeë aftreksel
+van al de ziekten en de kwalen, waaraan die afgeleefde oude mannetjes
+en vrouwtjes al sinds jaren laboreerden. Gek idee en dat zich toch
+zoo onuitroeibaar-sterk in ons frisch en gezond kwajongens-gemoed
+vastankerde! Nu nog, na al die jaren, zie ik duidelijk dat akelig-vies
+waterstraaltje loopen en word ik er nog wee van als ik er aan denk.
+
+Doch wij kwamen spoedig op den grooten, ronden vijver met het
+kleine eilandje en daar was alles wel loutere vreugd en genot. Men
+kon er ruim in lange, breede slagen zwieren, het ijs was er gezond
+en sterk en zuiver en de omgeving liefelijk en riant. Daar lag,
+aan den rechteroever, midden in haar schoonen, naar den vijver
+afglooienden boomgaard, de groote boerderij van Boevers, met roze
+gebouwen en groen-en-witte geverfde deuren en luikjes; daar liep
+een kronkelende landweg, beplant met hooge, forsche eiken en alom
+den vijver groeiden heesters, waarin haast altijd fladderende benden
+sijsjes hingen, lieve geel-en-bruine vogeltjes die zich te goed deden
+aan de verdorde katjes van de elzestruiken en af en toe met fijne
+piepstemmetjes jubel-kwetterden, heel fijn, heel zacht en ingetogen,
+maar met verrukkelijke zilverklankjes, die schenen te getuigen van al
+'t mooie dat ze zingen konden, als ze dat maar wilden.
+
+Daar hielden wij ons altijd gaarne heel lang op. Het kostte moeite
+om er weg te komen. Er was voortdurende afwisseling en men ademde
+er ruim en vrij. Een van de groote attracties was er het leven op
+de boerderij van Boevers. Er was daar altijd iets te doen, iets te
+zien of te hooren en niet zelden kwam de dikke Guus Boevers aan den
+rand van 't ijs staan en bemoeide zich met onze bedrijvigheid. Ik
+kan niet zeggen, dat wij zeer veel van hem hielden. Hij was ons wel
+wat te spotzuchtig aangelegd en wij voelden steeds een beetje angst
+voor hem. Maar het was een levendig-opgewekte kerel, een durver vol
+verrassingen en dat boezemde ons wel belangstelling en ontzag voor hem
+in. Hij kon daar zoo meedoogenloos met ons staan spotten, bewerend
+dat wij knoeiers waren, dat wij niets van 't schaatsenrijden kenden
+en hij ging weddenschappen met ons aan, dat hij, zonder schaatsen,
+op zijn klompen, vlugger den vijver om zou toeren dan wij op onze
+ijzers. En waarachtig, hij deed het; hij kwam met zijn vuile klompen
+op het ijs, tot onze groote ontstemming en ergernis het ijs bemorsend;
+en daar begon de wedren; hij met dreunende reuzenschreden loopend,
+wij naast hem aanrijdend, met zwoegende armen en beenen; en zóó
+reuzesterk en taai was hij, dat hij ons niet zelden overwon. Toen
+juichte hij minachtend en schold ons uit voor luiaards en dreigde
+ons zijn grooten waakhond achterna te zenden, om ons op te porren.
+
+Aan dat beest hadden wij allen een geweldigen hekel en Boevers wist
+dat wel. Het was een groot, sterk dier met gele huid en donkere
+snoet, die meestal, half in half uit zijn hok gelegen, ons roerloos,
+met bloeddoorloopen oogen lag te beloeren, maar die als razend op
+ons afgestoven kwam zoodra Guus Boevers hem maar even losliet. Zijn
+bovenlip stond opgekruld, zijn wreede, witte tanden snauwden, zijn
+grof geblaf klonk hol als uit een ton en hij raasde springend langs den
+oever met ons mede, getergd en verwoed door 't gekras onzer schaatsen,
+alsof hij ons elk oogenblik zou gaan verscheuren. Hij durfde zich
+echter op den vijver niet wagen; telkens probeerde hij met één poot,
+dien hij dadelijk, bij de eerste kille aanvoeling, weer introk, of hij
+lepperde even met zijn zenuwachtige, roze tong over 't ijs, alsof hij
+die geheele breede vlakte hoopte in te slikken om bij ons te komen;
+doch daar bleef het bij, hij durfde niet en wij hadden innerlijke
+pret in onzen haat en afkeer voor het beest, omdat hij machteloos
+was. Maar eens op een ochtend tilde Guus Boevers, die graag zijn hond
+tegen ons ophitste, het monster in zijn beide sterke armen op en kwam
+er zoo mee op den vijver.
+
+Gillend vluchtten wij langs alle kanten weg, als een bende verschrikte
+musschen. Boevers, proestlachend, zette zijn hond midden op de
+ijsvlakte neer en schreeuwde:
+
+--Ala, Baron, pak ze!
+
+Het was een doodsbenauwend oogenblik. Wij zaten allen op het kleine
+eenden-eilandje gevlucht en van daaruit keken wij met kloppend
+hart. Maar onze angst veranderde al spoedig in wild-uitbundig hoon-
+en spotgelach. Nooit heb ik koddiger en belachelijker tafereel
+aanschouwd. De groote hond, doorgaans een en al bloeddorstige
+verscheuringswoede, stond daar als een stramme, gedrochtelijke pop op
+'t gladde ijs en wat hij ook al deed en hoe of hij zich ook inspande,
+geen stap kwam hij verder. Hij gleed voortdurend uit en struikelde,
+zijn dikke, grove pooten schoten van onder hem weg, hij viel op
+zijn achterste, krabbelde met moeite weer overeind, gleed nogmaals
+en viel opnieuw, als een onnoozel sukkelkind, dat zijn allereerste
+schreden waagt. Hij jankte en piepte van ellende, hij hijgde amechtig
+en lepperde weer af en toe met zijn lange, roze tong over het ijs,
+alsof hij het wou opslikken, en zijn wreede oogen loerden gretig
+naar den veiligen oever, het eenige doel waar al zijn krachten naar
+streefden en dat hij machteloos poogde te bereiken.
+
+Wij gilden en sjouwden als wilden op ons eilandje. Wij kwamen er al
+spoedig vandaan en omringden zwermend onzen stumperigen vijand en
+zijn meester. Guus Boevers glimlachte zuur. "Ala, loeder!" schold
+hij op zijn hond en trapte hem vrij onzacht met zijn klompen vooruit,
+waarbij de hond telkens weer jankte en struikelde. Eindelijk was hij
+aan den kant en liep zich druipstaartend in zijn hok verschuilen.
+
+Een luid hoezeegejouw steeg uit de jongensbende op.
+
+--Wacht 'n beetsen; 'k zal ulder goan hên! dreigde Guus, weer op
+ons afkomend.
+
+Wij waren banger voor Guus dan voor zijn hond op het ijs en haastig
+zwierden wij maar eens in volle vaart den vijver rond.
+
+
+
+Wat lijkt dat alles nu lang en ver verleden en toch staat het zoo
+levendig nog in het geheugen! Ik herinner mij nog enkele van die
+jongens en heb ook hun namen onthouden. Er was een Peetse Kins,
+een Bruuntje Geelewie, en er waren drie broeders: Dolfken, Mielken
+en Fontje Vervaet. En een drietal jaren geleden, juist één jaar vóór
+den oorlog, die zoo schandelijk ons mooie land verwoest heeft, was
+ik toevallig 's winters weer op 't dorp en uit oude herinnering ging
+ik eens wandelen tot aan den "wal van 't Oarmhuis" waarop, naar men
+mij vertelde, schaats gereden werd.
+
+'t Was er nog net precies zooals meer dan dertig jaar geleden, in mijn
+jongen tijd. Nog steeds kuierden er de oude mannetjes en vrouwtjes
+op stokjes en krukjes of zaten er peinzend uit te rusten in de zon;
+nog steeds joelden er spelende kinderen op het pleintje vóór de kerk;
+en ook de nonnetjes liepen er nog stil en ingetogen heen en weer;
+en ook het vieze, grijslauw waterstraaltje stroelde nog, het ijs
+bedervend, in de smalle bocht; en over den vijver reden jolig op en af
+de jongens, zooals wij zooveel jaren vroeger zelf hadden gedaan. De
+groote boerderij van Boevers stond daar nog altijd met dezelfde roze
+muren en dezelfde wit-en-groen geverfde deuren en luikjes; en in
+het hondenhok lag er een waakhond; en in de heesters om den vijver
+hingen fladderende benden sijsjes, die van de droge katjes uit het
+elzenhout genoten en af en toe heel zacht en liefelijk kweelden,
+met zilverstemmetjes in ondertoon gehouden.
+
+Ik keek en hoorde dat alles aan met stillen weemoed en emotie. Het
+was iets van mijn eigen, lang vervlogen, jonge jeugd, dat zich daar
+afspeelde. Hoevelen zouden er nog wel in leven zijn van dezen die daar
+met mij rondzwierden, en waar zouden zij wel zijn, en hoe zou het hun
+verder in het leven zijn gegaan? Maar eensklaps bleef ik roerloos
+staan en sperden zich mijn oogen open van verbazing. Wat?.... Wat
+zag ik daar? Was dat niet precies een van mijn vroegere kameraadjes;
+leek dat niet precies op Peetse Kins,.... wàs dat niet Peetse Kins
+in eigen persoon, die slungelachtige, zestienjarige knaap, die daar
+met de anderen ronddraaide! Het was immers niet mogelijk; het was
+gezichts- en zinsbedrog; en toch: hij leek zóó sprekend, dat ik naar
+hem toe ging en op den man af vroeg:
+
+--Hoe hiet-e gij, manneken?
+
+Vreemd keek hij mij aan en een lichte kleur kwam over zijn geelachtige
+wangen. Zijn blauwe oogen schuchterden even en keken naar den grond,
+net Peetse Kins wanneer hij gegeneerd was. Hij glimlachte bedeesd en
+aarzelde met zijn antwoord.
+
+--Hoe hiet-e gij? drong ik nog eens, vriendelijk-bemoedigend aan.
+
+--Beziel Kins!
+
+--Zij-je gij misschien de zeune van Peetse Kins?
+
+--Joaj ik, meniere.
+
+Een stilte. Star keek ik hem aan. Een wereld van herinneringen golfde
+door mijn gemoed.
+
+--En ou voader? Leeft hij nog? vroeg ik eindelijk.
+
+Een weeke glimlach zweefde over 's jongetjes gelaat.
+
+--O, nien hij, meniere, hij es al zeu laaë deud!
+
+Ach! wat trof mij dat pijnlijk! En wat was het vreemd, dat het mij zoo
+pijnlijk trof! In al die lange jaren had ik zelfs niet eens meer aan
+Peetse gedacht. Ik was hem totaal vergeten, ik had hem trouwens nooit
+anders dan even op het ijs gekend en nu boezemde mij zijn levenslot
+eensklaps een zoo diepe belangstelling in.
+
+--Wa was ou voader? vroeg ik zacht.
+
+--Wa blieft er ou, meniere? zei het knaapje, die mijn vraag niet
+scheen te vatten.
+
+--Wa dat hij was? Wa dat hij dee veur zijn bestoan? lichtte ik toe.
+
+--Boereknecht, meniere. Hij es gestorven te gevolge van 'n verhitheid,
+in den oesttijd.
+
+Om ons heen hadden zich van lieverlede de andere bengels in een
+troepje geschaard, benieuwd om te weten wat die vreemde meneer aan hun
+makkertje wel te vertellen had. En over het ijs kwam ook met trage,
+stramme schreden een der oud-mannetjes uit het Armenhuis naar ons toe:
+een klein, bleek ventje met grijze oogen, die mij oolijk aankeken,
+terwijl hij stil glimlachte in zijn vollen, grijzen baard. Hij
+spuwde van zich af een straaltje bruin tabakssap, veegde zijn mond,
+glimlachte inniger en zei:
+
+--Da es toch precies zijn voader, e-woar, meniere?
+
+--Precies, antwoordde ik met overtuiging, zonder verder veel aandacht
+aan het oudje te wijden. Maar hij zelf kwam zich opdringen, duwde
+zijn verschrompeld gezicht onder mijn neus, keek mij strak aan,
+met zijn lachende grijze oogen en ging voort:
+
+--Weet ge 't nog, meniere, den tijd da w'hier al te goar op de wal
+reejen en da Guus Boevers mee zijne greuten hond achter ons kwam?
+
+Verbaasd keek ik het oudje aan. Hoe wist die? Hoe kon hij weten wat
+er destijds.... Ik keek hem aan met scherper aandacht en eensklaps
+kwam het mij voor alsof ik ook dàt gezicht reeds vroeger ergens had
+gezien. Doch waar, in welke verre oorden, in welke lang vervlogen
+tijden? Hij glimlachte, hij bleef maar aldoor glimlachen, zijn oolijke
+grijze oogen strak op mij gevestigd; en eindelijk zei hij:
+
+--Meniere, 'k geleuve da ge mij nie'n herkent.
+
+--Nien ik, 'k 'n herken ou niet, antwoordde ik met volle oprechtheid.
+
+--Bruuntje Geelewie, herinnert-e gij ou Bruuntje Geelewie nie
+meer? glimlachte hij.
+
+Bruuntje Geelewie! Ineens ging mij een helder licht op! En meteen
+herleefde ik vol innige emotie, weer in het ver verleden. Bruuntje
+Geelewie! Mijn tijdgenoot, mijn ijsmakker van vroeger, evenals
+Peetse Kins, evenals Dolfken, Mielken en Fontje Vervaet, en
+zooveel anderen! Was dàt Bruuntje Geelewie, dat sukkelventje uit
+'t oud-mannenhuis, dat stakkerdje, dat menschenwrak! Een grenzelooze
+weemoed greep mij aan en 't was alsof ik mijzelf daar zag staan, oud,
+versleten, gebroken, een ruïne.
+
+--O, Bruuntje, zij-de gij Bruuntje! riep ik, haast niet kunnende
+gelooven.
+
+--Zeker, meniere, zeker, herhaalde het ventje, nog meer verbaasd over
+mijn ontdaanheid dan ik over zijn bedroevende aftakeling. En in korte,
+stil-geresigneerde woorden, vertelde hij mij iets van zijn leven.
+
+Hij had zooveel en hard gewerkt. Tè veel, tè hard, om maar een hoop
+geld te verdienen, zei hij. Hij ging ieder jaar naar Frankrijk, om
+er den oogst te helpen doen. Hij en de andere Vlamingen, die met hem
+medegingen, werkten daar om zoo te zeggen dag en nacht; en daar was
+hij niet sterk genoeg voor, dat had hem geknakt. Hij was er doodziek
+geworden, men had hem naar zijn land teruggebracht en zoo zat hij nu in
+'t Armenhuis, om er zijn leven te eindigen.
+
+Zijn leven te eindigen! Nu reeds! Hoe oud was hij dan wel?
+
+--Twie en vijftig, zei hij glimlachend.
+
+Twee en vijftig! Hij zag er wel zeventig uit! En hij was jonger dan ik!
+
+Ik had daar wel willen weg zijn; en het speet mij, dat ik er gekomen
+was. Ik voelde ineens den afstand, het verleden, al die lange, lange
+jaren loodzwaar op mijn eigen leven drukken. Het kwam mij voor alsof
+ik nog de eenig overgeblevene, de eenig levende was in een oord van
+afgebeulden en van dooden. Maar ik dacht ook weer aan de anderen uit
+dien tijd en wilde weten wat er ook van hen geworden was.
+
+--Guus Boevers? vroeg ik.
+
+--Deud, meniere; verongelukt mee zijn peirden.
+
+--Dolfke Vervoat?
+
+--Euk deud: deudgedronken!
+
+--Mielke Vervoat?
+
+--Noar Amerika.
+
+--Fontje Vervoat?
+
+--Euk noar Amerika.
+
+Ik zweeg. Een pijnlijk heimwee, een stille droefheid sloop in mij
+neer, zoo iets gelijk de stille, grijze, kille mist, die alom over het
+land ging hangen. 't Begon te avonden en te nevelen, een bleeke, roze
+schemering tintte nog vagelijk het westen en in het grijs kerktorentje
+van 't Armenhuis tampte in kadans een klokje. Enkele knapen bonden
+reeds hun schaatsen af en de sijsjes in de elzestruiken waren druk
+onder elkander aan het tjilpen en aan 't piepen, vóór ze zich ergens
+tot de nachtrust gingen wegschuilen.
+
+Ik haalde iets uit mijn zak en gaf het aan Bruuntje. Zijn oogen
+glommen en hij dankte mij vurig. Ik drukte hem de hand tot afscheid.
+
+--Zilt-e nog ne kier weere komen, meniere? vroeg hij, gretig mij
+nastarend.
+
+--Zeker, Bruuntje, zeker.
+
+Maar ik voelde wel, dat ik er niet meer komen zou.
+
+
+
+Wat ben ik in mijn verhaal ver afgedwaald, of, beter gezegd, wat ben
+ik hard den tijd vooruitgeloopen! Want er ligt nog zooveel in mijn
+schaatsenrijdersleven tusschen dat ver verleden en de gebeurtenissen
+van den tegenwoordigen tijd. Ik heb nog niet eens definitief van den
+"wal van 't Oarmhuis" afscheid genomen en dat behoor ik toch te doen
+alvorens verder te vertellen.
+
+
+
+Welnu, onze pret op den "wal van 't Oarmhuis" duurde tot de dooi
+inviel, of.... totdat Stien Smijters "de boantjes kwam vermeurden."
+
+Stien Smijters!.... Ik wed dat nu nog, na zooveel lange jaren, onder de
+hedendaagsche dorpsjeugd aldaar, een traditie van angst, haat en gruwel
+tegen den naam en de herinnering van dien afschuwelijken man bestaat.
+
+Stien Smijters, een voorbestemde naam! Het was, toen ik hem als knaap
+van vijftien leerde kennen, een oude, stoere, grijze, forsche kerel,
+met een kreefte-rood, als 't ware roodgekookt gezicht, waarin twee
+kleine, hard-blauwe varkensoogjes je valsch aanloerden. Nooit heb ik
+dien vent zien glimlachen of lachen. Dat kon hij niet. Altijd stond
+zijn tronie stug en norsch, alsof hij iedereen verdacht van kwaad en
+overal vijanden zag. Het was een slecht gezicht.
+
+Hij was zoowat van alles in het Armenhuis. Toeziener, boer,
+werkersbaas, ik weet niet wat al. Hij had geen vaste taak, doch men
+zag hem overal. Soms reed hij met de paarden, soms stapte hij achter
+den ploeg, soms stond hij als een sjouwer hout te klooven. Iedereen,
+oud of jong, man of vrouw, van klein tot groot, was bang voor hem. Het
+heette, dat hij de menschen soms ranselde met zijn zweep en dat zelfs
+de nonnetjes hem vreesden. Maar zij hadden hem noodig: hij werkte als
+een lastdier en waakte als een hond; hij dronk niet, ging nooit uit,
+eischte niets voor zichzelf en dat alles verwekte een soort eerbied
+en een grenzeloos ontzag.
+
+Ondanks zijn gevorderden leeftijd was hij sterk, ellendig sterk. Ik
+geloof niet dat er een pootiger, sterker kerel in den omtrek was te
+vinden. Wie onder zijn klauwen geraakte mocht beven en sidderen!
+
+Hij zag wel ons spel op het ijs, hoewel hij zich hield alsof hij
+het niet zag. En ook wij hielden hem scherp-nauwkeurig in de gaten,
+omdat wij precies wisten wat wij van hem te verwachten en te vreezen
+hadden. Dat hing heelemaal af van den toestand van het ijs. Stien
+Smijters, die nergens bang voor was, had een doodsangst om te
+verdrinken. Er was geen sprake van dat hij zich op den vijver wagen
+zou zoolang het ijs er niet muurdik en sterk lag, maar eenmaal als
+'t zóóverre kwam, dan waren wij geen oogenblik meer veilig.
+
+Hij joeg ons niet weg, schold ons niet uit, sprak geen woord, maar
+op een of anderen ochtend liep de afgrijselijke treurmare van mond
+tot mond onder de schooljongens:
+
+--Stien Smijters hêt de boantjes op de wal van 't Oarmhuis vermeurd!
+
+Ik herinner mij nog die droefheid, die wanhoop telkens als dat ellendig
+nieuws ons bereikte. 't Was om er bij te schreien en de moedeloosheid
+zonk ons als een onmacht door de knieën. Wij wilden 't nog maar
+niet zoo dadelijk gelooven, er bleef nog een kleine mogelijkheid,
+een zwak straaltje hoop; maar jawel.... zoodra wij bij den vijver
+kwamen zagen wij reeds van op een afstand de ellendige verwoesting:
+overal vierkante bijten met de bijl gekapt, de uitgebroken stukken alom
+over het ijs verspreid en meestal er reeds aan vastgevroren; en, tot
+toppunt van ellende, hier en daar asch en sintels rondgestrooid, zoodat
+alle mogelijkheid van ook nog maar eventjes te rijden onherroepelijk
+verkeken was.
+
+Het is mij slechts één keer gelukt den lammeling zijn vernielingswerk
+te zien verrichten, want hij deed dat meestal 's avonds, gemeen en
+verraderlijk, nadat wij vertrokken waren. Maar dien keer, dien éénen
+keer woonden we 't bij en wij hebben ons gewroken, of liever: hij zelf
+heeft ons gewroken op een wijze waarin ik mij nu nog kan verkneuteren.
+
+Dat was op een zaterdagmiddag, na schooltijd. Wij hadden extra-les
+gehad (extra-les wanneer er ijs is!) en kwamen haastig en hijgend
+met onze schaatsen onder den arm op den vijver aan, toen het reeds
+begon te schemeren.
+
+Hij was bezig!.... Reeds op een afstand hadden wij slagen gehoord,
+als, van een houthakker die boomen velt. En wij dachten werkelijk dat
+men ergens aan 't boomen omhakken was, toen wij hem eensklaps zagen,
+den zwaren rug naar ons gekeerd, groote gaten slaande met zijn bijl in
+'t schoone, sterke ijs!
+
+Onze woede en emotie waren onbeschrijfelijk. Eén wensch steeg als
+een kreet uit aller hart: "Kon hij nu toch zelf maar door het ijs
+zakken en verzuipen!" Doch die wensch hielp niets en een van ons,
+Mielken Vervaet, die meestal niet malsch uitgevallen was, schreeuwde
+hem razend een scheldwoord toe:
+
+--Smeirlap!
+
+Tot onze diepe verbazing ging hij kalm door met ijs hakken, zonder
+in 't minst eenige notitie van de beleediging te nemen. Eerst later
+vernamen wij, dat hij vrij doof was en den uitroep niet gehoord
+had. Maar Mielken, en wij allen, nog heviger geprikkeld door zijn
+ongestoordheid, holden om den vijver heen, kwamen vlak vóór hem
+staan en herhaalden daar een tiental keeren, met gebalde vuisten,
+het beleedigende scheldwoord:
+
+--Smeirlap! Smeirlap! Smeirlap!
+
+Toen keek hij op en verstond. Een soort van schok voer door zijn
+lichaam, hij sprong naar den oever, met zijn bijl in de hand, klom
+op den rand, zich aan de takken optillend, holde ons achterna.
+
+Wij, natuurlijk, hadden reeds het hazenpad gekozen. Wij renden uit
+al onze kracht, heelemaal niet zoo zeker dat wij zouden ontsnappen,
+want hij zat ons nauw op de hielen, toen wij eensklaps achter ons een
+doffen smak en een gil hoorden en, schichtig omkijkend, hem tegen den
+grond zagen liggen. Hij krabbelde weer op, maar, in plaats van ons
+verder na te zitten, zagen wij hem stuiptrekkend tegen een boom gaan
+staan en daar op zijn hoofd een vuilen zakdoek drukken, die dadelijk
+breed-rood gekleurd was. Wij hoorden hem een paar keer kreunend zuchten
+en dan keerde hij zich om, zonder een blik, zonder een woord, zijn bijl
+onder den arm, als een dolle stier, die den genadeslag gekregen heeft.
+
+Ik herinner mij niet meer of wij hem dan ook nog triomfantelijk
+nagejouwd en uitgefloten hebben. Het zal wel zoo iets van dien aard
+geweest zijn. Maar wèl herinner ik mij dat wij ons nooit meer, zoolang
+hij leefde,--en dat heeft nog wel enkele jaren geduurd--op den "wal
+van het Oarmhuis" gewaagd hebben.
+
+Wij hadden ondertusschen andere oefeningsvelden ontdekt.
+
+
+
+
+III
+
+DE MEYLEGEMSCHE MEERSCHEN
+
+
+Even voorbij den Lusthof, achter een soort van dam waarover, dwars
+door het weiland, een steenweg liep, strekten zich ver en wijd de
+Meylegemsche Meerschen uit.
+
+Ik heb steeds een groote liefde gevoeld voor de Meylegemsche
+Meerschen. Iets,--ik weet niet wat--, heeft mij daar altijd, van
+kindsbeen af, aangetrokken en trekt er mij nu nog aan.
+
+Het waren breed-uitgestrekte weilanden, met verre boomen aan den
+einder; gelegen tusschen den begroeiden berm van het kanaal links en
+de opgolvende landouwen rechts, als een wijd en stil-glanzend groen
+meer onder den schoonen, hoogen hemel. De strakke lijn langs het
+kanaal met de evenwijdig van elkaar gespatiëerde boomen, had geen
+bijzondere bekoring, maar de andere zijde, naar de velden toe, was
+een en al liefelijke poëzie. Daar golfden korenakkers, daar somberden
+bosschen, daar strekten zich dreven uit tot ver in 't land; daar
+waren intieme hoekjes, die steeds zonnelachten, daar stonden huisjes
+en boerderijtjes als geschilderd: roze, gele, groene, met pittoreske
+stroodaken en blinkende ruitjes; en er lagen twee kleine dorpen aan
+den rand: Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, elk met een ouderwetsch
+kerktorentje, het eene grijs, het ander wit, die wijd over de boomen,
+de landouwen en de weiden heen, als 't ware reikhalzend en een beetje
+naijverig, van verre naar elkaar stonden te kijken.
+
+Meylegem-Zuid was mij 't liefst. Misschien wel omdat het
+verst-verwijderd en daardoor voor mij zeldzamer te bereiken
+was. Misschien ook wel eenvoudig omdat het Meylegem-Zuid heette en dat
+zuid ons meer aantrekt dan noord. Misschien ook nog, omdat het een wit
+kerkje had terwijl het ander grijs was en dat het witte vriendelijker
+schitterde tusschen het groen dan 't grijze. En misschien eindelijk
+ook wel om iets dat ik mij zelf toen nog niet kon bewust zijn en dat
+zich eerst later openbaren zou. Hoe dan ook, Meylegem-Zuid was mij
+het dierbaarst en een tocht in de richting van Meylegem-Noord was voor
+mij meestal een aanloop om verder tot aan Meylegem-Zuid te geraken.
+
+'s Zomers waren die groote weilanden vol grazende koeien, bewaakt
+door jonge koe-wachtertjes, die er een uitbundig vrij leven van
+kleine wildemannen genoten. Er was daar altijd levenspret en luide
+vroolijkheid; er klonk daar onophoudend juichgezang en zweepgeklap:
+er brandden steeds houtvuurtjes waarin geslachte kikkers en gestolen
+aardappelen gebraden werden en dikwijls zag men gansche benden
+van die bengels, in de verte klein als kabouters, met schepnetten
+de diepe, stille slooten en de snel-vliedende beekjes afvisschen
+en zegevierend naar het dorp terugkomen met glinsterende vangsten
+snoeken en baarzen, die nog amechtig-gapend tusschen de slijmerige
+mazen lagen te spartelen.
+
+Maar in het najaar werd het er stil en verlaten en met November werden
+een paar sluizen in 't kanaal geopend en in enkele dagen stroomde die
+gansche, wijde vlakte vol blond en drassig water. Toen werd het als
+een echte zee, zoo ver het oog kon reiken. Een wondere zee, levend
+het eigen, geheimzinnig leven van een zee, nu eens doodstil zonder
+een rimpeltje, dan weer klotsend, schuimend, bruisend, met echte,
+woeste golven, maar aldoor eenzaam en verlaten, alsof het was een
+oord van ramp en van verdelging.
+
+Behalve voor mij! Ik was intusschen een paar jaren ouder geworden
+en ik bezat een licht en elegant roeibootje, waarmee ik 's zomers op
+'t kanaal ging varen. En zoodra de groote Meylegemsche Meerschen goed
+overstroomd waren, roeide ik in mijn schuitje een eind het kanaal op,
+nam het er uit, droeg het op mijn sterke schouders over den berm heen
+en lei het daar op 't blonde water der verdronken weilanden.
+
+O, ik herinner mij nog zoo goed die heerlijke, opwekkende tochten, die
+overigens niet zonder eenig gevaar waren. Ik had mijn schuitje sierlijk
+opgetooid, er woei een vlaggetje aan de punt,--een wit-en-rood,
+ik zie het nog,--en zoo roeide ik in witte trui met forsche slagen
+naar de dorpjes toe, die daar aan den overkant lagen te schitteren
+of te droomen. Het water kabbelde en spatte, de kleine boot ging
+met de korte golfjes op en neer gelijk een zeeschuitje en af en toe
+raasde het mooie vlaggetje hartstochtelijk in den wind, alsof het
+zich verzetten wilde tegen mijn onzinnig-roekelooze onderneming. Soms
+bleef ik even midden in het breede water steken. Dan zat ik ergens
+op een "bank" en ik moest ploeteren om er af te komen. Soms "voelde"
+ik als 't ware onder mij den diepen afgrond van een sloot of beek,
+en 't had iets griezeligs terwijl ik mij afvroeg hoe ik mij daar
+wel redden zou indien mijn bootje juist op die plaats omsloeg. Maar
+'t bootje sloeg nooit om en ik kwam eindelijk in kalmer water, langs
+den verrukkelijken oeverrand, waar al de pittoreske boerderijtjes en
+de stille dorpjes lagen.
+
+Wat was het daar aardig en hoe leek het alles anders dan het toch
+in werkelijkheid was! Zoo'n dorpje, zoo'n boerderijtje, waar men
+gewend is als voetwandelaar aan te komen en waar men ineens met zijn
+schuitje komt aanleggen, 't heeft iets onwezenlijks, iets geks,
+dat onweerstaanbaar doet glimlachen. En dat deden ook de menschen
+van die dorpjes en die boerderijtjes, wanneer zij mij zoo van verre
+over 't water zagen aankomen. Zij stonden vóór hun huisjes of in
+hun boomgaarden op mij te wachten en 'k viel daar binnen als een
+vreemde, rare vogel, die een wondertocht heeft ondernomen. Het was zoo
+eigenaardig. De laatste bladeren hingen nog goud-en-bruin-glanzend
+aan de heesters en de boomen, en die boomen en heesters stonden tot
+dichtbij het water, soms tot in het water, en dat leek op mijn zoo
+welbekende streek niet meer; het was iets anders, iets feeërisch,
+iets uit de fantaisie van een droom. En het deed mij telkens zoo
+vreemd aan, dat de boeren en boerinnen die daar heen en weer liepen
+toch dezelfde menschen waren, die ik al zoo vele jaren kende; en dat
+zij hun gewone taal spraken en hun gewone bezigheden verrichtten;
+en dat daar koeien en varkens en kippen over het gras liepen; en dat
+daar stoeiende en spelende kinderen waren; en dat daar een waakhond
+vóór zijn hok lag, die hol en schor naar mij blafte, zooals alle
+waakhonden op alle boerderijen doen.
+
+Eerst nadat ik zelf voet aan wal gezet had en den vasten bodem onder
+mijn voeten voelde, kreeg ik het duidelijk besef der welbekende
+werkelijkheid en meteen verzwond mijn illuzie en onderging ik iets
+als een indruk van teleurstelling. Het leek alles zoo gewoon en zoo
+nuchter; de droom daar, op het breede water, was veel schooner;
+en ik spoedde mij terug naar mijn aardig rood-en-wit vlaggend,
+licht schuitje; en als een vrije, wilde vogel zweefde ik er verder
+mee weg over de breede oppervlakte, nu eens naar den eenen oever
+en dan weer naar den anderen, telkens weer door nieuwe illuziën
+verrast en aangetrokken; en zoo kwam ik tot aan 't verste uiteinde
+der overstrooming, tot aan Meylegem-Zuid, dat reeds van verre zijn
+ouderwetsch, zoo liefelijk wit kerkje in den kalmen waterspiegel
+weerkaatste.
+
+De golfjes kwamen er tot aan den voet van 't kerkhof uitkabbelen
+en heel het dorpje van slechts ettelijke huisjes lag daar aan den
+rand: witte huisjes, roze huisjes, blauwe huisjes, groengeluikt
+en kleingeruit, met één enkel, ietwat ruimer gebouw in het midden:
+een tamelijk groote, lage, geelgeverfde herberg, waarop in groote,
+zwarte letters stond geschilderd: _In het Gemeentehuis._
+
+Daar lei ik vast en zeker altijd aan. Want daar was behalve 't
+pittoreske der omgeving, iets dat mijn achttienjarig, frisch-en-vurig
+jongenshart vol romantische illuziën onweerstaanbaar boeide; en dat
+was Tieldeken, de dochter uit 't Gemeentehuis!
+
+Tieldeken was wel enkele jaren ouder dan ik, doch wat deed het er
+toe en hoeveel heele jonge mannen hebben niet hun eerste liefde op
+oudere meisjes of vrouwen gevestigd! Tieldeken kon zoowat vier of
+vijf en twintig jaar zijn en 't komt mij voor alsof ik haar daar
+nu nog levendig en frisch vóór mij zie staan: de wangen blozend,
+de oogen stralend, den mond met witte tanden naar mij toe lachend
+en 't bruine haar rechtop gekamd en ietwat kroezend om de slapen,
+het mooiste haar, dat ik mij herinner ooit gezien te hebben. Voor
+mij was Tieldeken niet alleen de bloem van Meylegem-Zuid, maar ook
+het schoonste meisje dat ik kende in heel Vlaanderen. Zij was het
+levende beeld-zelf der schoonheid van de gansche schoone streek;
+haar onverwacht verschijnen, de eerste maal toen ik daar aanlandde,
+was voor mij geweest gelijk een openbaring; haar wezen glansde als
+'t ware over 't dorpje en de gansche streek en toen ik haar gezien
+had begreep ik diep en duidelijk waarom Meylegem-Zuid mij zooveel
+liever was dan Meylegem-Noord en hoe ook het heele landschap met al
+zijn mooie, intieme, pittoreske poëzie alleen maar scheen te bestaan
+omdat Meylegem-Zuid bestond en omdat op Meylegem-Zuid Tieldeken woonde.
+
+Ik landde aan en meestal ging de glazen portaaldeur van het
+Gemeentehuis als van zelf dadelijk open en daar verscheen Tieldeken
+op den drempel, stralend, blozend, lachend, met den geijkten groet:
+
+--Dag, meniere. Ge zij nog ne keer gekomen?
+
+--Joaj ik, Tieldeken. Hoe goat 't mee ou?
+
+--Ha goed, meniere.... En blozend kwam ze naar mij toe, keek met
+verrukte oogen naar mijn schuitje, sloeg haar handen in elkaar
+en zeide:
+
+--Ho! 'K'n weet toch niet hoe da ge dat durft, in azeu 'n klein
+beutsen over die greute plas!
+
+Dan kreeg ik een kleur; dan vóélde ik mij een kleur krijgen. Want
+wanneer ik zelf zoo van uit Meylegem-Zuid dien grooten plas overkeek
+leek ook mij mijn onderneming een ontzettend waagstuk en kreeg ik den
+indruk dat Tieldeken wel vermoeden kon, dat mij iets zeer-bizonder
+boeiends op Meylegem-Zuid moest aantrekken. Wat dat zeer-bizondere was
+wist ik maar al te duidelijk; en, omdat ik het zoo duidelijk wist,
+kwam het mij voor alsof 't op mijn gezicht te lezen stond en dat
+maakte mij ontzettend schuchter en bedeesd, terwijl ik mijn bootje
+aan den oever vastmeerde en haar in de ouderwetsche herberg volgde.
+
+Soms was het er leeg als ik daar binnen kwam en soms waren er
+klanten. En eigenlijk wist ik nooit precies wat mij wel 't aangenaamst
+was: alleen met Tieldeken of in gezelschap van anderen. Met Tieldeken
+alleen kwam er over mij een gevoel van knellende benauwdheid; en
+als er daar bezoekers waren, dikwijls ruwe, lawaaierige kerels,
+voelde ik mij ook allesbehalve op mijn gemak. Met Tieldeken alleen
+wist ik soms minuten lang geen enkel woord te zeggen, en als daar
+grove boerenkinkels zaten werd ik voortdurend gehinderd en geërgerd
+door hun onbeschaamd optreden, door hun smakelooze grappen, door
+hun ganschen toon en gansch hun houding, die kwetsend en als 't ware
+ontheiligend was, tegenover zulk een mooi, en zacht, en bekoorlijk
+wezen als Tieldeken. Eigenlijk voelde ik mij daar nooit zooals ik
+was, of wezen wou. Iets lag altijd tusschen mij en haar: de sociale
+afstand, de valsche positie waarin ik mij tegenover haar bevond; het
+besef dat zij daar in haar kring was en ik niet en dat maakte haar
+sterk en mij zwak en verlamde in mij elke mooie gelegenheid die ik
+had om van het toevallig alleen-zijn met haar te genieten. Ik kón er
+eenvoudig niet van profiteeren en 't minst voelde ik mij nog bekneld
+wanneer geen vreemde bezoekers, maar wel haar vader of haar moeder
+in de gelagkamer aanwezig waren.
+
+Tieldeken's vader was een reeds bejaarde, dikke man met goed gezicht
+en langzame bewegingen. Men hoorde hem van 'k weet niet hoeverre
+op zijn klompen aankomen en telkens als ik hem zoo hoorde drong
+'t besef in mij door hoe gemakkelijk dat zou gaan om Tieldeken even
+in de zij te knijpen en te zoenen, zonder dat de oude er iets van
+merkte.... als ik het maar had durven wagen om eventjes Tieldeken te
+knijpen en te zoenen. Het was zoo gek: als ik met Tieldeken alleen
+was, durfde ik zelfs aan geen knijpen en geen zoenen denken; maar
+zoodra de vader ergens buiten de gelagkamer langzaam op zijn klompen
+rondliep, kittelden mijn vingers en jeukten mijn lippen om het wèl te
+doen. Maar ik durfde niet, ik durfde niet! En ik leed verschrikkelijk
+onder dat niet-durven en 't was mij als een pak van 't hart wanneer
+de dikke man eindelijk traag binnenklompte en daarmee de bevlieging
+tot zoenen en knijpen onmogelijk maakte.
+
+Tieldeken's moeder was ook al een vrij bejaarde vrouw, met rood
+gezicht en afhangende wangen. Men kon merken dat zij vroeger mooi
+moest zijn geweest, maar een tandelooze mond ontsierde haar heel
+erg en daardoor had haar uitspraak iets lispeligs en brabbeligs,
+dat haar wel eens onverstaanbaar maakte. Zij was ook wat doof en
+dat deed vergissingen ontstaan. Het gebeurde herhaaldelijk, dat
+zij b.v. borrels bracht wanneer glazen bier werden besteld en dan
+ontsponnen zich soms gekke tooneelen. Met haar lispelenden mond kon
+zij niet goed de s uitspreken en als zij "dreupels" wilde zeggen,
+klonk het in haar brabbeltaal alsof zij "dreupelfs" zei.
+
+De boeren spotlachten, bootsten haar verdraaide uitspraak na.
+
+--Dreupelfs! We 'n hên gien dreupelfs besteld. W'hên pinten bier
+gevroagd.
+
+De vrouw werd nijdig:
+
+--G'hêt wèl dreupelfs gevroagd!
+
+--We'n hen gien dreupelfs gevroagd!
+
+--'t Efs zeker, g'hêt wèl dreupelfs gevroagd!
+
+'t Werd een ellendig en bespottelijk gebrabbel en gekibbel en ik
+leed er onder, ter wille van Tieldeken, die dat vernederend gedoe
+moest bijwonen. Ik had die kinkels wel een oorveeg willen geven en
+'t was mij telkens als een gevoel van verlossing wanneer de vader
+traag aangeklompt kwam en door zijn verzoenende bemiddeling aan het
+geschil een einde stelde.
+
+O, die boerenkinkels, wat deden ze soms gemeen en familiair met en
+ten opzichte van 't mooie Tieldeken! Wat ik nooit zou gedurfd hebben:
+eventjes in het voorbijgaan 't mooie meisje in den arm of de lenden
+te knijpen, dat deden ze maar gewoon alsof het niets was en wanneer
+Tieldeken zich ietwat boos maakte en met klappen dreigde, lachten
+zij lomp en grof en maakten soms gewaagde toespelingen, die mij
+'t rood van schaamte en van toorn naar de wangen joegen.
+
+Zoo was er eens een die mij zei, terwijl Tieldeken hem in den kelder
+een glas bier ging halen:
+
+--'t Es 'n malsch poezeken, e-woar, meniere; moar 't es spijtig da
+ze kromme bienen hêt.
+
+Een golf van bloed steeg naar mijn hoofd. Kromme beenen! Daar had ik
+nooit iets van gemerkt. Hoe wist die kinkel....!
+
+--Hè-je da nog nie gezien, meniere! lachte hij om mijn
+verbouwereerdheid. Let-e kier op als ze weere boven komt.
+
+Ik lette op en ja, waarachtig, er was wel iets van aan. Je kon het
+eigenlijk meer raden dan zien; maar toch, er ontbrak iets aan de
+mooie, rechte lijn, die bij zulk een mooi, flink meisje paste. Hoe
+gek, dat ik het nooit had opgemerkt! Nu zag ik het wel degelijk,
+ook aan haar gang, die een ietsje waggelachtigs had, als van een
+lief, jong eendje. Maar tot dusver had ik nooit zoo bizonder naar
+Tieldeken's beenen gekeken. Wat mij in haar boeide was haar frisch
+gezicht, haar stralende oogen, haar mooie glimlachende tanden en ook
+haar poezelige buste en haar malsche heupen, waarin ik zoo graag eens
+had geknepen. Dat vond ik hèt mooie in haar, het ideaal en meteen
+werkelijk--mooie; en de beenen, ach, dat was dan nog voor mij meer
+'t alledaagsche, het gewone, het laag-bij-den-gronde.
+
+Die ruwe pummel, helaas, had met zijn lompe opmerking, iets aan de
+volmaaktheid mijner illuzie verstoord. Wat ik nu ook deed, voortaan
+zag ik altijd, naast Tieldeken's frissche schoonheid, het minder
+sierlijke harer ietwat kromachtige beenen. En dat bedroefde mij,
+terwijl het mij tevens toch ook een soort van troost bracht. Want
+daardoor werd ik soms iets minder smoor-verliefd op Tieldeken en
+voelde niet zoo sterk meer de schrijning bij het afscheidnemen van
+mijn tot dus verre absoluut volkomen en volmaakte ideaal. Er bleef
+mij trouwens nog ruim voldoende liefde en illuzie over.
+
+O, dat afscheid van Tieldeken, ik in mijn licht schuitje en zij aan den
+oever van het breede water! Ik was slechts achttien jaar oud, doch ik
+kende reeds de legende van Lohengrin en romantisch zong de zwanezang
+in mijn verliefde ooren, terwijl ik statig wegroeide en haar gestalte
+zag verminderen, verminderen, tot het zich in 't grijze van de vroege
+avondnevelen versmolt. En dan liet ik verder mijn gedachten met het
+bootje op het water gaan, en alles scheen mij zoo frisch en zoo schoon
+en zoo zalig; er was in mij zulk een rijkheid van kracht en van leven,
+dat het mij scheen alsof de gansche wereld mij daar toebehoorde. De
+laatste teerroze gloed van den zonsondergang doezelde zacht-glanzend
+over het ouderwetsche blank kerktorentje van Meylegem-Zuid in de verte;
+de kleine ruitjes in de pittoreske boerderijen tintelden nog even langs
+den wegdeinenden oever, een klokje tampte en een wilde-vogelenvlucht
+streepte hoog met fijn geschreeuw naar 't westen; en over het somberend
+water, dat met vale glanzingen tegen den zijkant van mijn schuitje
+aanklotste, dreef ik midden in een grootsche eenzaamheid naar huis
+terug, mijn gele spanen lichtend-glijdend, mijn rood-en-witte vaantje
+flikkerend en wapperend en mijn gemoed vol van heldhaftige gevoelens,
+waarin het beeld van 't schoone Tieldeken oprees gelijk een vizioen
+van heerlijkheid, dat met mij meedreef en mij tot in de nuchtere
+realiteit van het weer vasten voet aan vasten wal zetten boeiend
+bleef begeleiden.
+
+
+
+En 's winters, als het lang en sterk genoeg bleef vriezen, vroren
+ook de Meylegemsche Meerschen dicht!
+
+Dat was een der grootste en gewichtigste gebeurtenissen in ons
+jonge-schaatsenrijdersleven.
+
+Dat was dan iets waar je van trilde als van een wonder, dat bijna
+niet kón gebeuren. Wij gingen kijken, drie en vier maal daags, wij
+waagden ons een eindje, maar griezelden van al de verraderlijke,
+diepe slooten en putten die vol zwakke plaatsen en bedriegelijke
+wakken onder de spiegelgladde oppervlakte verborgen lagen, tot het
+eindelijk als een heldenmare alom verkondigd werd: "Die of die boer
+van Meylegem-Zuid is op schaatsen over 't ijs tot aan ons dorp gekomen!
+
+Wat 'n emotie! Wij kwamen aan de groote vlakte, wij reden op, zoover
+als we gewend waren te durven rijden; en daar waar onze krassen
+en kringen eindigden, zagen wij, over het donkere, maagdelijk ijs,
+recht vóór ons uit, in de richting van Meylegem, voor het eerst andere
+krassen, die niet van _onze_ schaatsen waren!
+
+Het leken als 't ware kabalistische teekens, forsch-gedurfde
+schreven van een kerel die zijn moed daar in het ijs gebeiteld had;
+en wij volgden die nauwkeurig met ontzag en eerbied, zooals men
+volgt de schreden van den eersten onverschrokken pionier door de
+gevaarlijke woestijn. De breede vlakte strekte zich vóór ons uit, als
+'t ware eindeloos. Wij waren daarin als kleine, donkere, verloren
+stippen. Soms kraakte 't ijs, dat op zijn water viel, alsof er een
+kanonschot was gelost en dan stonden wij allen even roerloos, bang
+en aarzelend. Maar de harde, witte krassen van den koenen kerel,
+die ons daar was voorgegaan, liepen ondanks alles steeds verder en
+verder door en de gedachte dat hij daar in zijn eenzaamheid en vóór
+alle anderen dezelfde gevaren had getrotseerd, staalde onzen moed
+en dreef ons met hardnekkigheid naar het verwijderd doel. Wij kwamen
+aan lage plaatsen, waar het ijs om zoo te zeggen op den grond lag en
+waar de grassprietjes van 't weiland soms doorheen schoten. Dat gaf
+ons het gevoel van veiligheid dat wij op vasten bodem reden. Maar
+'t oogenblik daarna stonden wij pal vóór een ijs zoo zwart alsof het
+open water was en niemand durfde er over heen. Daar lag een diepe put
+of sloot en wij zagen tot op den helderen bodem, waar bronskleurige
+waterplanten hun gestolde vormen afteekenden als grijpende handen
+die ons in de griezelige diepte wilden trekken om ons daar vast te
+houden. Wij draaiden er omheen en reden op en neer in de hoop van
+ergens een minder akelige plek te vinden; doch overal, dwars door
+het weiland, was het daar dezelfde breede, zwart-heldere diepte,
+waarin wij soms, onder het ijs, groote, donkere waterkevers zagen
+zwemmen, met een zilverig luchtblaasje onderaan hun staart. Zij
+zwommen dwars, met pootenkrabbeling, naar den bodem waar de sinistere,
+bronskleurige grijpplanten stonden en dat maakte onzen afkeer nog veel
+heviger en de wanhoop greep ons aan, omdat wij verder wilden en niet
+durfden. Maar ook over die plaats van angst en van gevaar, rechtuit,
+zonder de minste afwijking, streepten de koene, forsche krassen van
+den onbekenden held die daar voor 't eerst den weg gebaand had en
+ten slotte volgden wij ook een vóór een zijn voorbeeld, met kloppend
+hart, met flauwe beenen, elk oogenblik verwachtend door het barstend
+ijs in 't diepe water neer te plonsen. Eerst toen 't gevaar voorbij
+was lachten wij om onzen flauwen angst en van lieverlede schrikte
+'t onbekende ons niet meer af en steeds verder en verder volgden wij
+de sporen van den vermetelen voorganger, tot het zoo vurig-verlangde
+doel, het schoone, blanke, ouderwetsch kerktorentje van Meylegem-Zuid
+eindelijk, als een zalige veiligheidsbaken, in 't zicht kwam.
+
+
+
+O liefelijk Meylegem-Zuid, nog steeds en meer zou ik hymnen ter uwer
+verheerlijking willen zingen! Al de poëzie van mijn gezonde, frissche
+jeugd schijnt zich daar in mijn herinneringen te kristallizeeren. Ik
+ken er elk huisje, elk boompje en de harmonieuze golvingen van 't
+landschap er omheen deinen nog als 't ware wiegend en zoet-streelend
+na in mijn geheugen. Want ik heb er mijn eerste liefde gekend en er
+ook mijn eerste liefdesmart geleden!
+
+O, die dagen, die dagen, die schoone, rijke dagen! Heel het land
+lag wit-besneeuwd, maar de Meylegemsche Meerschen waren eerst na
+den sneeuwval dichtgevroren en dat was een feerie midden in een
+feerie, want van op het heerlijk ijsveld zag ik, onder blauwen
+hemel en stralende zon, een Vlaanderen dat ik nog niet kende, een
+droom-Vlaanderen, een Vlaanderen uit een sprookje.
+
+De kleurige huisjes langs den oever stonden op een zacht-glooiend,
+glinsterend-blank tapijt, midden in boomgaarden van tintelend-berijpte
+boomen, die overweelderige bloeisels van ongekende lentepracht
+schenen te dragen. Dat leefde, dat fonkelde en tintelde van miljoenen
+en miljoenen kristalheldere lichtfacetten en men snoof met ruime
+longen de scherp-prikkelende lucht op, alsof men bedwelmend heerlijke
+geuren inademde. 't Was leven, léven en genieten; de wangen bloosden,
+de oogen straalden en door het gansche lichaam stroomde een jonge,
+forsche kracht, die onuitputtelijk en onvermoeibaar scheen.
+
+Ik reed en reed en 't woelde en 't duizelde in mij van overweldigende
+heerlijkheid. Soms reed ik einden lang in vollen gang recht vóór mij
+uit, zwierend en deinend, licht als een vliegende vogel; soms hield ik
+mij een heele poos op een mooi, klein plekje op, en trok daar, omringd
+door een troepje bewonderaars, sierlijke krullen en kringen, als een
+artiest, die een kunstwerk ciseleert. En zoo kwam ik, als altijd, aan
+'t heerlijke Meylegem-Zuid; en daar, vlak vóór Tieldeken's herberg,
+was een verrukkelijke plek, uit den wind en glad als een spiegel,
+waar ik aan mijn wild talent den vollen teugel vieren kon.
+
+Ik was zeer zeker, in al die jaren, de knapste rijder van de streek
+geworden. En voor de kinkels, die daar pijprookend, met de handen in
+hun broekzakken langs den oever stonden, maar bovenal voor Tieldeken,
+die ook kwam kijken als 't daarbinnen in de herberg niet te druk was,
+vertoonde ik mijn stoutste kunsten en genoot van een triomf welke de
+eerste in mijn leven was.
+
+--Ha, meniere, gij keun rijjen, zille! klonk het om mij heen. En soms
+sloeg Tieldeken haar handen van bewonderende verbazing in elkaar en
+riep geestdriftig uit:
+
+--Ha moar meniere toch, woar hè-je gij da geleerd!
+
+--Hij rijdt zeu goed as boerke van Meylegem! beweerden enkelen.
+
+--Hij 'n doet: boerke van Meylegem ree nóg stirker! hielden anderen
+vol.
+
+Boerke van Meylegem! Die naam klonk herhaaldelijk en hardnekkig
+in mijn ooren en ik kon maar niet te weten komen, wie boerke van
+Meylegem eigenlijk was. Wanneer ik er naar vroeg werd mij steeds
+vaag en ontwijkend geantwoord. Boerke van Meylegem was de beste
+schaatsenrijder uit de streek, dat wisten zij allen; maar als ik
+informeerde waar hij woonde, en hoe oud hij was, en of hij nog wel
+reed, en of hij reeds dat jaar op 't ijs geweest was, klonken de
+antwoorden verward en tegenstrijdig. Jonge knapen beweerden van ja,
+en dat zij hem gezien hadden, de week te voren, bij Meylegem-Noord
+en dat hij wonderbaarlijk reed, zoo, met zijn eene been in de lucht
+en zijn eene hand tegen het ijs. Hij sprong over drie mannen en vier
+stoelen; hij reed zóó snel, dat geen renpaard hem zou kunnen inhalen;
+hij vloog als 't ware over 't ijs. Maar oudere mannen zeiden dat het
+allemaal onzin was, dat boerke van Meylegem inderdaad wel bestaan
+had, maar reeds lang gestorven was. Het prikkelde mij, dat ik niet
+achter de preciese waarheid kon komen; ik had dat vermaarde boerke
+willen zien; ik had vooral willen weten of hij werkelijk sterker was
+dan ik, en in die onzekerheid spande ik mij overweldigend in, haalde
+kunsten uit waarbij ik hals en been dreigde te breken, om toch niet,
+in Tieldeken's oogen, voor dat mysterieus en onuitstaanbaar boerke
+van Meylegem te moeten onderdoen.
+
+Eens zag ik hem, bijna! 't Was op een zondagochtend, na de hoogmis. Ik
+was daar, evenals tal van andere lui, op schaatsen tot aan het
+oude kerkje gekomen, en had er de mis gehoord. O, 't was toch zoo
+eigenaardig en poëtisch! Van op het ijs, waar de jeugd dolle pret
+vierde, zag je, over het glooiend kerkhofje met half-ingesneeuwde
+zerken, door het openstaand portaal, in de schemering der kerk,
+de waskaarsen op het hoogaltaar branden. Je hoorde 't orgel en de
+plechtige gezangen, het was alsof het kerkje zelf zijn vrome ziel naar
+buiten uitzong, je zag de wemeling der sombere menschenmassa en de
+opstijgende wierookwalmen verspreidden hun aroma's tot in de frissche,
+prikkelende zonnelucht over het ijsveld. En terwijl je daarbinnen
+was, zelfs nadat de deuren dicht gesloten waren, hoorde je nog het
+pretgejoel der jeugd door alles heen en voelde je je beenen jeuken
+om er weer aan mee te gaan doen. En nauwelijks had de pastoor het
+"Ite missa est" gezongen of drommen menschen stroomden in de laatste
+galmen van het orgel buiten en met hijgende haast werden opnieuw de
+schaatsen aangebonden.
+
+Ik had de mijne juist aan en zwierde als een losgelaten vogel door
+de drukte heen, toen plotseling de kreet klonk in mijn ooren:
+
+--Boerke van Meylegem! 't Es boerke van Meylegem!
+
+Mijn hart stond van emotie even stil. Ik zag een zwarte
+menschenmassa, vlak vóór Tieldeken's herberg en vloog er naartoe. Een
+schaatsenrijder,--een gewone boerenpummel--was daar met groote
+arm-en-been-bewegingen aan 't zwieren, maar van het eerste oogenblik
+bemerkte ik dat het niets te beteekenen had, dat het in de verste
+verte geen kunst was, dat het niets was dan overdreven en onsierlijk
+slingeren en zwaaien, zooals de eerste de beste rijder kon die maar
+ietwat stevig op zijn beenen stond en niet bang voor vallen was.
+
+Boerke van Meylegem! Was dàt nu het beroemde boerke van Meylegem,
+de dooddoener waarmee men zoo vaak mijn eigen, schoone kunst wilde
+verkleinen! Mijn teleurstelling was zóó diep, dat ik eerst geen
+woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken; en wat mij griefde,
+wat mij ergerde, wat mij deed kroppen van minachtende verbittering,
+was dat Tieldeken daar op den oever midden in de foule ook te kijken
+stond; te kijken en te bewonderen, met haar mooie donkere oogen en
+haar frisch-blozende wangen, te kijken, te bewonderen en te genieten,
+alsof ze nu voor 't eerst zag schaatsenrijden, en heelemaal vergeten
+was, dat ik het toch oneindig veel beter kon.
+
+--Es dà nou boerke van Meylegem? vroeg ik eindelijk, met van emotie
+hikkende stem, aan een oud ventje, dat naast mij stond.
+
+--Moar nie nien 't meniere; 't'n es moar nen beslagmoaker; ge keun gij
+veel scheunder rijjen, meniere, antwoordde 't mannetje met overtuiging.
+
+Dat deed mij goed. 't Was als een balsem op mijn wonde, als een
+zacht-lavende weelde van troost, die verkwikkend door mijn gansche
+lichaam stroomde. Ik zei niets, maar glimlachte en stil schoof ik mij
+door 't gedrang in 't open plekje en begon daar ook te werken. Nog
+nooit had ik mij sterker, lichter, veerkrachtiger gevoeld. Ik vloog
+en zweefde letterlijk over het ijs en 'k zag de menigte, eerst wat
+verbouwereerd, van lieverlede haar aandacht van den pummel afwenden en
+op mij zich vestigen. De pummel zelf, in zijn triomfgenot verstoord,
+keek mij dadelijk met valsche, vijandige oogen aan. Hij poogde mij te
+overtroeven; hij overdreef nog zijn onsierlijke, niets-beteekenende
+bewegingen; hij raasde langs mij heen alsof hij mij omver zou rijden
+en in 't niet doen verzwinden; maar ik voelde mij licht, licht, en
+vlug en handig, en zoo vast en zeker in mijn kunnen: ik was als van de
+aarde opgetild en op wieken gedragen; ik zwierde en dreef en zwaaide
+en zwenkte; ik zag daar Tieldeken op den oever staan en voelde als 't
+ware heel mijn leven en mijn toekomst in haar handen; 't was overwinnen
+of niet meer bestaan en ik wilde bestaan en ik wilde overwinnen.
+
+Eensklaps een kreet, met wild-opstijgend proestgelach. Ik hoorde
+den kreet en zag meteen wat er gebeurde: de pummel, de lompe pummel,
+midden in een van zijn dolste, gekste prul-bewegingen als een massa op
+'t ijs neergesmakt en daar over zichzelf heenbuitelend en spartelend,
+met slingerende armen en beenen, alsof hij letterlijk ontwricht
+werd. Zijn dikke pet vloog af en verre van hem weg en toen hij
+pijnlijk weer opkrabbelde bleek zijn broek gescheurd, maar zóó,
+dat het hem niet mogelijk was zich nog verder te vertoonen.
+
+De menigte stoof lachend uit elkaar en even kraakte 't ijs onder het
+woest gedrang. Ik hield mij goed; ik hield mij kalm, deftig. Nooit
+heb ik scherper het heerlijk gevoel van victorie gesmaakt; nooit
+heb ik er uiterlijk minder van laten blijken. Ik wisselde een blik
+met Tieldeken, één enkele, en in haar mooie, geestdriftige oogen las
+ik volop den glans mijner algeheele, onbetwistbare overwinning. Dat
+was mijn heerlijke belooning. De pummel was verdwenen en ik bleef
+zegevierend op het veld van eer mijn schoonste kunsten maken; ik,
+en ik alleen nu, was omringd door honderden bewonderaars, en thans
+galmde weer alom de kreet, die me bij mijn komst op 't ijs zoo diep
+ontroerd had:
+
+--Boerke van Meylegem! 't Es boerke van Meylegem!
+
+Verbaasd keek ik op. Was hij daar nu toch werkelijk, de ijsheld,
+de geduchte dooddoener, de sterkste onder de sterken, die alom
+tegenwoordig scheen te zijn en nergens kon benaderd worden! Ik keek,
+en zocht, en merkte niets; ik speurde vorschend ver over de hoofden
+heen, maar vruchteloos. En toen begreep ik eindelijk dat ik, ikzelf
+nu, boerke van Meylegem was; en dat boerke van Meylegem een mythe,
+een symbool, een legendarische verschijning was: een personage die
+niet bestond en wellicht nooit bestaan had, maar in wiens abstracte
+wezen zich, volgens het landelijk bijgeloof, al de kunde, al de
+opgewekte joligheid en al de roekelooze waaghalzerij van het heerlijke
+schaatsenrijden vereenzelvigde.
+
+
+
+Nu moet ik eventjes mijn oogen sluiten en denken. Als mijn oogen open
+zijn staat tusschen mijn blik en het heerlijk verleden te veel gewone,
+nuchtere, alledaagsche realiteit. Maar als mijn oogen dicht zijn, zie
+en voel ik weer alles zooals 't was, zonder dat iets mijn verbeelding
+komt storen of hinderen. Dan ligt er als een doffe, doodsche vlakte
+tusschen nu en toen en aan den schoonen einder, terwijl niets mijn
+aandacht afleidt, rijst het beeld dat mij geboeid houdt in al zijn
+zuivere, heldere, levende en trillende duidelijkheid op.
+
+'t Was op een vroegen avond, een maandagavond, ik herinner mij nog
+heel goed den dag.
+
+De volle maan rees blozend als een groote sinaasappel in het lage
+oosten op en de lucht was sonoor in de stilte en al de sterren bloeiden
+in het eindeloos donkerblauw uitspansel.
+
+Ik had den ganschen dag gereden en was moede. Maar 't was zóó
+schoon geweest den ganschen dag, zoo rijk van kleur en zon en
+reine winterweelde, dat ik, hoewel moe, niet rusten kon en na
+mijn avondmaal weer buiten ging, om ook nog van de nachtelijke
+schoonheid te genieten. En plotseling ontstond een plan in mij, een
+wel zeer overdreven en zelfs gek verlangen om nu nog eens, ondanks
+al mijn moeheid, in de maan en in de nachtelijke eenzaamheid tot aan
+Meylegem-Zuid te rijden.
+
+Ik aarzelde geen oogenblik. Zoo kwam het plan op; zoo moest het
+worden uitgevoerd! Ik rende terug naar huis, nam mijn schaatsen,
+vertelde 'k weet niet wat aan mijn verbaasde en vrij ontevreden
+ouders en enkele minuten later stond ik alweer kant en klaar, vóór
+de wijd-uitgestrekte ijsvlakte.
+
+Hooger was de volle maan in den helderen hemel gerezen en zij werd
+kleiner en lichter van glans en vertoonde haar oud en welbekend
+gezicht, dat steeds met stillen, meelijdenden spot op de wereld daar
+beneden en het menschelijk gedoe schijnt neer te zien. Het eenzaam ijs
+glinsterde vaag, met diaphane, lichtblauwe en violette glanzingen. Bij
+plaatsen hing een fijne, bleeke nevel die alle contouren verwazigde en
+dan weer verder waren 't groote, koele, klare lichtvlakten, als van
+een uitgestorven wereld, zonder atmosfeer. De oevers droomden in een
+grijsachtig, als het ware rook-omneveld onbestemde weg. Een bosch stond
+zwart gelijk een hoogen muur van bazalt en de glooiende sneeuwvelden
+tintelden soms, alsof zij met zilveren stuifmeel werden overpoeierd.
+
+Ondanks het reeds gevorderd uur, waren hier en daar nog menschen op
+het ijs. Knapen stoeiden en ravotten nog, in de buurt van huisjes
+waar weemoedig gele lichtjes pinkten en een enkele schaatser kwam
+over de wijde vlakte in de sonore stilte aangereden, reeds in de
+verte hoorbaar lang vóór men hem zag en dan van lieverlede uit de
+feerische atmosfeer opdoemend, eerst klein als een kabouter, met gekke
+arm-en-been-bewegingen, maar langzamerhand groeiend tot een flinke
+en krachtige verschijning, tot een soort van reus-in-eenzaamheid,
+die als het ware zwom en roeide over een fantastisch meer van dood
+en stilte, waar hij het eenig overblijvend levend wezen was.
+
+Ik vond het tochtje heerlijk. Het was nog veel aangrijpender en
+schooner dan ik mij had voorgesteld. Alle gevoel van moeheid was uit
+mij verdwenen en ik had wel zoo den ganschen nacht willen doorzweven!
+
+Reeds vertoonde zich het torentje van Meylegem-Zuid in de verte. Wat
+leek het lieflijk-intiem en poëtisch: de eene kant in 't duister,
+de andere kant gansch tintelend-zilverwit, met den pikzwarten
+rechthoek, van 't klokgat, dat staarde als een oog in den glanzenden
+nacht. Daaronder een paar zwakke, gele pitjes en even verder, aan
+den rand van het ijs, dat vagelijk glinsterde, de drie verlichte
+ramen der gelagkamer van het Gemeentehuis. Tieldeken was dus nog op;
+ik zou haar zien en ook nog eens van hààr schoonheid met mijn oogen
+genieten. Wat zou ze verbaasd en verrast zijn, mij daar nog zoo laat
+te zien aankomen!
+
+Als een geboeide vlinder vloog ik over 't ijs, recht naar die lichten
+toe. Zóó sterk was ik er door geboeid en als 't ware verblind, dat ik
+een oogenblik niets anders om mij heen meer zag en niet eens merkte
+twee personen, een man en een vrouw die, innig omarmd, recht vóór
+mij uit over het ijs wandelden. Ik zag het pas toen ik heel dicht
+bij hen was en meteen hield ik stil, terwijl een geweldige emotie
+mijn knieën deed knikken en den adem in mijn keel verkropte.
+
+Droomde ik? Was ik de speelbal eener nachtmerrie, of zag ik een
+abominabele werkelijkheid gebeuren?.... Was dat Tieldeken, omarmd door
+een man, door.... plotseling herkende ik hem.... door den pummel,--het
+kwasi boerke-van-Meylegem--dien ik nog pas geleden op het ijs zoo
+smadelijk overwonnen had!.... Het schemerde vóór mijn oogen en ik
+weifelde en twijfelde. Ik wilde twijfelen, ik wilde niet gelooven,
+ik kón den dood van al mijne illuziën, in die romantische omgeving,
+in dien ongeëvenaard-heerlijken winternacht niet als een werkelijkheid
+aannemen.
+
+Ik sloop hen na, als een dief op de loer. Zij hadden mij niet
+gezien, niet gehoord; zij schoven verder over 't ijs, teeder omarmd,
+amoureus-fluisterend; zij kwamen bij den oever aan een boschje,
+dat zwart en hoekig op het ijsveld uitsprong.
+
+Nog steeds bleef ik twijfelen, wìlde ik twijfelen. Het kon niet, het
+mocht niet, het zou niet. Ik schudde woest het vreeselijk denkbeeld
+van mij af; ik had kunnen huilen en ik had kunnen razen en vloeken
+van akeligheid en ellende. Mijn oogen stonden van afschuw wijd
+opengespalkt, mijn mond gaapte wijd open om te brullen.
+
+Zij waren in den neveligen maneschijn om den hoek van 't donker
+boschje blijven staan. Door het gewirwar der naakte twijgen heen
+zag ik, tegen 't lichte sneeuwveld achter hen, duidelijk hun sombere
+gestalten afgeteekend. Ik voelde mij als 't ware niet meer leven. Het
+scheen mij toe alsof mijn gansche wezen aan een draadje hing.
+
+Ik zag, dat hij haar eensklaps met zijn beide armen omstrengelde en
+wild tegen zich aandrukte. En meteen zag ik, dat hij haar een langen
+plakzoen drukte op den mond! Ik zag dat, en ik wilde schreeuwen,
+maar geen klank steeg uit mijn keel. Het bloed suisde in mijn ooren
+en een seconde sloten zich mijn oogen. Ik voelde mij alsof ik flauw
+ging vallen. Maar 't duurde slechts een oogenblik. Ik kwam weer bij
+en toen zag en hoorde ik een soort van worsteling, en ik vernam heel
+duidelijk haar stem, hààr welbekende stem:
+
+--Nie nie g'n meug nie, Frans; hier niet, wa peist ge dan!
+
+Ik wist dat zij het was, ik hoorde 't aan haar stem, dat zij het
+was, en nog kón ik, nog wilde ik het niet gelooven. Maar hij werd
+hartstochtelijker opgewonden, hij greep haar beet en haar rokken,
+die opwoeien, ontblootten even haar ietwat scheeve enkels. Ik zag dat,
+en toen eerst wist ik, toen eerst begreep ik; en ik slaakte een kreet,
+een rauw gegil dat brulde door 't sonore van den helderen vriesnacht,
+alsof een beest vermoord werd!
+
+Ik weet niet meer precies wat er daarna gebeurd is.... Ik herinner
+mij slechts vagelijk haar snerpenden angstgil en zijn razend gevloek
+en beider struikelende vlucht over het ijs, naar den nabijen oever
+toe. Ik meen dat hij nog even, toen hij mij ontdekt had, met woeste
+verwenschingen op mij afkwam, maar spoedig weer terugkeerde, toen
+hij zag dat ik op schaatsen stond en hem in elk geval de baas zou
+zijn. En haar,--dat althans herinner ik mij duidelijk,--haar zag
+ik verder vluchten, vluchten, tot zij de herberg van haar ouders
+had bereikt, en de deur openrukte en met een rinkelenden smak weer
+dichtgooide. Het oogenblik daarna was alle licht daar uit en op het
+spookachtig wit-en-zwarte torentje van Meylegem sloeg het langzaam
+in de nachtelijke stilte tien uur: dat herinner ik mij nog heel goed,
+heel duidelijk.
+
+Toen reed ik langzaam heen, gedrukt, en droef, en zwak, en ongelukkig
+zooals ik nog nooit in mijn jong leven was geweest. De koude, strakke
+ijsvlakte lag daar vóór mij als een vergane en uitgedoofde wereld,
+waarop geen mensch meer leven kon. 't Was de totale eenzaamheid,
+de absolute doodschheid en verlatenheid, de wanhoop en vernietiging
+van alles; en ik snikte, ik snikte hardop in die groote desolatie;
+ik snikte om ook maar voor altijd dood en voor eeuwig vergeten te zijn.
+
+
+
+O Meylegem-Zuid en o Tieldeken-schoon, wat is dat alles lang en lang
+verleden! Wat heb ik later dikwijls met mijn wanhoopsmart van toen
+gespot en wat heb ik het meer dan eens betreurd, dat ik toen nog zoo
+jong en dom was en in mijn nuchtere, sentimenteele onervarenheid
+niet guller heb genoten van wat gij toch wel geven kondet en ook
+geven wildet.
+
+Want ik ben toch tot u teruggekomen, weet ge 't nog wel, o Tieldeken;
+en gij zijt goed en lief geweest voor mij, zooals gij goed en lief
+waart voor den pummel en voor nog veel anderen (dat heb ik eerst
+later geweten, o Tieldeken) maar ik was toen veel te jong om wat
+ge mij wel wildet geven naar waarde te schatten, en daardoor heb ik
+meer bij u geleden dan genoten, Tieldeken; doch nu, na al die jaren,
+blijft alleen het goede en lieve in mijn geheugen over en ik denk
+weer aan u met teederheid en weemoed; en ik zie weer uw mooie oogen
+die ik dicht zoende, en ik voel nog uw zacht en lenig lichaam dat
+ik zoo hartstochtelijk omhelsde; en zelfs uw beenen zie ik nog, o,
+Tieldeken: uw beenen die van boven welgevormd maar langs onder ietwat
+krom waren, het eenigste wat u een beetje ontsierde en mij uw verlies
+(ik zal het u thans maar bekennen) toen ik u toch eenmaal verliezen
+moest, niet troosteloos-ondragelijk maakte.
+
+
+
+Waar zijt ge nu, o Tieldeken? Leeft ge nog en àls ge nog leeft,
+wat is er van u geworden in de afgrijselijke ramp die 't schoone
+vaderland geteisterd heeft? Zijt gij gevlucht, als zooveel duizenden en
+duizenden, in nood en armoede, ergens in 't verre onbekende; of zijt ge
+gebleven waar gij waart, op het mooie, poëtische Meylegem-Zuid, waar
+nu de vreemde overweldiger, de vijand, heerscht? Zijt gij geworden
+als uw moeder, een oude, vervallen vrouw, met nog overblijfselen
+van vroeger schoonheid, maar met ingevallen, tandeloozen mond, die
+"dreupelfs" bestelt en nijdig met de klanten kibbelt; of ligt gij reeds
+lang in uw graf, ge weet wel, Tieldeken, daar op 't lieve kerkhofje
+onder het oud en blank kerktorentje, dicht bij het ouderwetsche huis
+waar gij altijd gewoond hebt en waar mijn eerste jongelingsliefde
+zoo vurig voor u heeft gegloeid! O, Tieldeken, ziet gij nog wel ooit
+de weidsche, overstroomde Meylegemsche Meerschen? Komt daar nog wel
+ooit van verre een schuitje aangevaren, licht als een vogel, met
+een wapperend en klapperend wit-en-rood vaantje op de scherpe punt;
+en verschijnt daar 's winters, als alles glinsterend bevroren ligt,
+nog wel eens een kunstrijder, die er voor 't oud gemeentehuis komt
+ronddraaien, omringd door een opgetogen schaar bewonderaars, welke
+nog het legendarisch en fabelachtig boerke-van-Meylegem meenen te zien?
+
+Wie zal het mij nu zeggen!....
+
+
+
+
+IV
+
+HET LAND IN
+
+
+Die teedere herinnering aan 't mooie Tieldeken en aan het poëtische
+Meylegem-Zuid heeft alweer mijne verbeelding en mijn pen op
+hol gebracht. Ik ben weer veel te verre in mijn verhaal den tijd
+voorbijgeloopen en ik moet terug, lange jaren terug, naar alles wat
+nog tusschen toen en nu ligt.
+
+"Les fleuves," zei Pascal, "sont des chemins qui marchent." De
+ijsvelden, zou ik er durven aan toevoegen, zijn wegen die trekken. Hoe
+is het mogelijk thuis te blijven zitten, of zich op een en zelfde
+plekje op te houden, terwijl men weet dat zich alom de vreugdewegen
+uitstrekken, dat kanalen en rivieren dichtgevroren zijn en dat men zich
+maar heeft te laten gaan, om spoedig en gemakkelijk te komen, waar
+men anders niet komt, om tafereelen te aanschouwen en gebeurtenissen
+bij te wonen, die men anders niet zal zien en niet zal bijwonen!
+
+Zoo ging het ons, in strenge winters, zoodra de groote waters sterk
+lagen. Ik herinner mij dat dagelijks gaan kijken naar 't kanaal, dat
+hopen en vreezen, dat rusteloos speuren naar den stroom, die overdag
+weer afvrat wat de vorst des nachts aanbakte, tot weldra de open
+geul versmalde en versmalde en eindelijk op een ochtend dicht lag,
+hard-dicht, als één lange donker-glinsterende spiegel, zoover het oog
+kon reiken, tusschen de kaarsrechte, met boomen beplante oevers van
+'t kanaal.
+
+Dan kwam in ons een soort van koorts en hoop en vrees stegen ten
+top. Zou het blijven vriezen; zou het ijs goed sterk worden; en
+bovenal zou er niet vóór het goed sterk was, een sleeper doorheen
+varen, die alles weer openbrak en al onze hoog-gespannen hoop als
+ijle rook vervliegen deed?
+
+Somtijds, helaas! helaas! kwam er op 't allerlaatste oogenblik
+werkelijk nog een sleeper door. Ik herinner mij een ochtend, een
+schitterenden vries-ochtend, zoo een van die bladstille, grijs-lila
+winter-ochtenden, waarin de zon aan neveligen einder opkomt, gansch
+rood, gansch rond, als een bol zonder stralen, als een wonder uit
+een nieuwe, pasgeboren, onbekende wereld. De handen waren verkleumd,
+de ooren tintelden, de adem doomde alsof men rookte, maar de oogen
+straalden en met mijn schaatsen onder den arm liep ik naar 't kanaal
+toe, zoo goed als zeker dat er reeds op gereden werd.
+
+Toen, plotseling, hoorde ik iets dat mijn beenen verlamde en den
+adem in mijn keel deed stokken: Een geloei, een gebrul, schor en
+akelig-langgerekt, als een noodkreet van verwoesting: de stoomfluit
+van een sleeper!
+
+Hoe was het mogelijk! 't Kanaal lag reeds enkele dagen dicht en dien
+nacht had het gevroren, gevroren! Ik kon noch wilde het gelooven en
+holde naar de vaart toe, om mij te overtuigen dat het slechts een
+akelige zinsverbijstering van mij was.
+
+Helaas! helaas! drie maal, tien maal, honderd maal helaas! Zoodra
+ik op den berm kwam zag ik een dikke, zwarte rookpluim en onder die
+rookpluim de sombere sleeper, die als een vraatzuchtig beest door 't
+mooie ijs geploegd kwam. Ik vloekte en meteen had ik kunnen snikken
+van ellende. Ik zag die scherpe, zwarte punt door de spiegelgladde
+oppervlakte boren; ik zag het ijs barsten als glas en ik hoorde het als
+'t ware schreien onder 't kraken; ik zag de van elkaar gerukte schotsen
+naar de oevers opkruien en zich daar in de wanhopigste verwarring
+boven op elkander stapelen, ik zag het reddeloos vernietigen van al
+die schoone hoop-in-belofte, die bijna reeds werkelijkheid was; en
+zulk een woede greep mij aan, dat ik mijn beide vuisten balde naar
+het werk van de vernielers en aan de zwarte, vuile mannen daar op
+'t dek toeschreeuwde, dat ik hen allen met hun rotte schuit naar
+den kelder wenschte. Zij lachten mij uit met hun gemeene, koolzwarte
+tronies en uittartend lieten zij weer hun heesche stoomfluit brullen,
+oorverdoovend lang en akelig, om te eischen dat men ginds even verder
+in het dorp, de brug voor hen ophaalde.
+
+
+
+Dat waren dan de doodende gebeurtenissen, doch niet elk jaar trof
+ons zulk een gruwelijke ramp. Er kwamen ook winters waarop het ijs
+aan de vernielingszucht der menschen ontsnapte en dan werden wij de
+triomfeerende helden van die heerlijkheid en ons genot kende geen
+grenzen meer.
+
+O, die tochten, die tochten, die uren-en-die-dagenlange tochten over
+de kanalen en rivieren van het schoone Vlaanderenland!
+
+Het kanaal op zichzelf was slechts een rechte, vrij eentonige
+verbindingsweg en daar het vrij diep lag tusschen zijn oevers was er
+omheen al niet veel te zien; maar aan het uiteinde van het kanaal was
+er een sluis; en dan had men de Leie, de mooie, kronkelende, poëtische
+Leie, de rivier der dichters en der schilders, die als het ware plat
+over het land heen lag uitgeslingerd met langs haar grillige boorden de
+schoonste ouderwetsche dorpjes, de kleurenrijkste boerderijtjes en de
+verrukkelijkste vergezichten welke een artiesten-ziel zich droomen kan.
+
+O, witte kleine kerktorentjes, mooier en intiemer nog dan het liefelijk
+Meylegem-Zuid; oude, oude torentjes van nietige dorpjes, zooals gij
+u daar stond te spiegelen onder boomen, op een heuveltje, bij een
+lus der rivier, gansch wit en grijs, met zwarte klokgaten-oogen;
+lieve torentjes van Vlaanderen, bestaat gij nog? Ik durf aan u haast
+niet meer denken, zóó zwaar drukken mij heimwee en vrees. Maar zooals
+ik u tóén zag, in die heerlijke dagen, in die zacht-wazige atmosfeer
+van wit, en roze, en mauve, teer doorzeefd van tintelend zonnegoud,
+zoo zie ik u nog steeds in mijn geheugen en vergeet ik u nooit!
+
+Het was een wonder en ontroerend leven. Evenals de natuur zelve,
+schenen de menschen van aard en karakter veranderd. Dat doet het
+ijs. Het ijs maakt andere, nieuwe wezens van de menschen. Er ontstaat
+ineens een ongekende broederlijkheid en vrijheid van omgang. De mensch
+vertoont zich, schijnt zich althans te willen vertoonen, zooals hij
+werkelijk is. En onder den invloed van het ijs, het schoone ijs der
+schoone winterdagen, ontluikt de liefde, de lichte, vroolijke liefde
+van een dag of van een uur, gelijk een mooie bloem die even geurt
+en kleurt en fleurt en even gauw verwelken mag als zij ontstond,
+zonder wrange spijt noch wroeging na te laten.
+
+O, wat al vluchtige, korte liefdes in dat frisch en licht, charmant
+verleden! Wat al mooie boerinnetjes, wel zoo mooi en zelfs nog
+mooier dan het aardige Tieldeken van Meylegem-Zuid, eventjes in
+'t voorbijrijden gezien met blozende wangen en stralende oogen;
+eventjes aangesproken, en de hand gedrukt en ook wel eens gezoend
+en in de lenden geknepen, maar dan ook zonder spijt weer verder,
+naar andere bekoringen, naar andere oogen en andere lippen, als een
+vrije vogel van tak op tak, als een lichte en lichtzinnige kapel van
+bloem tot bloem! Het had niets ernstigs te beteekenen, het vulde een
+uur of een half uurtje van den vroolijken dag; het was een glimlach
+en een streeling, een opwekkende prikkeling der zenuwen, iets als
+de prikkeling der scherp-gezonde lucht, die alles zoo goed en zoo
+licht en verrukkelijk maakte. Want de grond en de basis van al dat
+heerlijke genot was en bleef toch steeds het element-zelf waardoor
+en waarop het gebeurde: het ijs en het schaatsenrijden! En terwijl al
+die lichte minnarijtjes als het ware om ons heen in de ijle atmosfeer
+wegwoeien, zweefden wij zelven steeds verder en verder, verslonden
+wij afstanden en dorpen en kwamen telkens weer in streken waar weer
+alles nieuw was. Waar wij ook verschenen was het een verrassing, een
+openbaring, en als 't ware een verovering. Bij ieder dorp, in elke
+kleine stad vertoonden wij onze kunsten en genoten wij triomfen;
+en telkens hoorden wij, evenals vroeger te Meylegem-Zuid, uit de
+bewonderende scharen den kreet opgaan: "'t Es boerke van daar of
+van daar!" want ieder dorp, elk gehucht, hoe klein en onbeduidend
+ook, had zoo zijn legendarisch boerke, zijn ijsheld, dien niemand
+ooit gezien had, maar dien allen kennen wilden en in elken knappen,
+vreemden schaatsenrijder meenden te ontdekken.
+
+Toen dacht ik weer aan Tieldeken van Meylegem en voelde een soort
+wroeging en heimwee. Wat had ik haar verwaarloosd, bijna vergeten! En
+ik reed er weer eens heen en bleef er enkele uren; maar 't was reeds
+dàt niet meer, de vrijheid trok, de onrust kwelde, de groote ijswegen
+van 't schoone land lokten almachtig en de Meylegemsche Meerschen,
+hoe ruim en heerlijk ook, waren reeds te klein geworden.
+
+Ik moest weer weg en verder, de wijde wereld in.
+
+
+
+
+V
+
+DE GROOTE, DEFTIGE IJSLIEFDE
+
+
+Dat rusteloos rijden en trekken, dat steeds verder en verder willen
+komen en steeds meer willen zien en genieten, bracht mij ten slotte van
+uit de schoone eenzaamheid der dorpen en der velden tot in de groote,
+drukke stad, waar veel en veel duizenden menschen leefden. Ik maakte
+er kennissen, die van lieverlede vrienden werden. Weldra verkeerde ik
+er op intiemen voet met den Grooten Dichter, den Grooten Schilder,
+den Grooten Musicus en nog veel anderen, allen hartstochtelijke
+schaatsenrijders. Wij reden er samen gecompliceerde en mooie figuren
+midden in een elegante drukte van dames en heeren, die ook reden
+en ons zeer bewonderden. En zoo langzaam aan breidde de kring van
+kennissen zich uit en wij werden allen mondaine rijders en weldra zag
+men ons zwieren met mooie, geparfumeerde wezentjes, in rijke, bonten
+mantels en 't werd een soort gedistingeerde hofmaking van elken dag,
+waaruit,--zoo werd gefluisterd,--wel een paar chic-que huwelijken
+zouden kunnen voortspruiten.
+
+Huwelijken!.... Ik geloof niet, dat een van ons allen daar een
+oogenblik ernstig aan dacht. Misschien dachten de mama's er aan,
+terwijl ze, vaag haar dochters chaperoneerend, met welwillenden
+glimlach zich in sleedjes lieten voortduwen, en misschien wel
+dachten de meisjes zelven aan iets dergelijks, want haar oogen
+straalden zoo en zij schenen zoo intens van alles te genieten; doch
+wij.... neen.... wij dachten alleen aan prettig schaatsenrijden en
+een beetje los en aardig flirten.
+
+Maar hoe dan ook, de Groote Dichter reed stellig bij voorkeur met een
+aardig snoetje, die een mooie, bruine pels en een toque met paarse
+viooltjes droeg; de Groote Schilder, die lang en mager was, scheen
+zijn keuze te hebben gevestigd op een mollig, frisch wezentje met
+appelronde en roze wangen, en de Groote Musicus, vrij kort en dik van
+figuur met fladderende krullokken, zooals een musicus betaamt, kleefde
+vast aan een lang-opgeschoten, mager meisje, zeer elegant, maar ietwat
+stijf en stroef in haar bewegingen. Ik alleen had nog niets vasts!
+
+Nog niets bepaalds, maar wel iets in 't zicht!....
+
+Langs de lange banen die ik volgde om ter groote stad te komen,
+langs de vele en sierlijke lussen en bochten der poëtische rivier,
+rezen menige villa's, buitens en kasteelen op, die 's zomers allen
+vroolijk bewoond, maar bijna zonder uitzondering 's winters stug en
+dicht gesloten waren.
+
+Bijna allen, maar toch niet àllen! Een was er, ongeveer halverwege
+tusschen mijn dorp en de groote stad, dat het gansche jaar door
+werd bewoond. 't Was een baron, die daar vertoefde, burgemeester
+der gemeente. Ik had wel eens zijn naam hooren noemen, maar hem zelf
+nooit gezien. Ik wist ook niet dat hij gehuwd was en kinderen had en
+'t kon mij trouwens ook niets schelen.
+
+Het was een mooi kasteel, lichtroze en grijs in harmonieuze
+schakeeringen en het verhief zich tegen een achtergrond van statige
+boomen, op een zacht-glooiend grasveld, bij een bocht van de rivier,
+die daar een breeden inham maakte. 's Zomers moest men er voorzeker van
+een heerlijk vergezicht genieten over de stille kronkelingen van het
+water en de alomliggende weiden, bosschen en landouwen. Maar zelfs in
+'t barre van den winter was het er liefelijk en mooi en het verwonderde
+mij niet, dat de familie er 't gansche jaar door bleef wonen. Ik
+keek er telkenmale naar met welgevallen wanneer ik daar voorbij reed
+en alleen verbaasde 't mij dat de menschen die daar leefden niet
+de heerlijke gelegenheid te baat namen om er volop van 't ijs te
+profiteeren. Hoe is 't mogelijk! dacht ik telkens in mijzelf. En ik
+had daar wel willen aan wal stappen en binnen gaan om hen te zeggen:
+"Maar, menschen, komt nu toch op 't ijs, niemand in den ganschen
+omtrek heeft zulk een prachtige gelegenheid, vlak vóór zijn deur!"
+
+'t Was of mijn stillen aanroep werkelijk geuit werd en of zij er
+gehoor aan gaven. Eens, op een morgen, toen ik daar langs kwam,
+waren zij werkelijk aan 't schaatsenrijden! Ik kende hen wel niet,
+maar ik begreep dadelijk en instinctief, dat "zij" het waren. Dat
+voelt men zoo, dat ziet men, dat hoeft niet gezegd. Met hun vijven
+waren ze: een jongeling van zeventien of achttien, twee meisjes van
+dertien of veertien, een juffer zonder leeftijd, die er uitzag als
+een gouvernante en ten slotte een jonge dame van misschien acht en
+twintig of dertig, een beeldschoone vrouw.
+
+'k Ben meer dan eens, met alles-verzengenden, plotselingen gloed,
+verliefd geworden op het ijs, maar zóó totaal en overweldigend-verliefd
+als ik dáár werd op 't eerste zicht, neen, dàt was mij nog niet
+overkomen. Ik had maar één plotse afschuwelijke, alles-vernietigende
+vrees: dat zij wellicht de moeder was der andere kinderen en dat mijn
+vlam dus in den dop versmacht zou worden; doch op hetzelfde oogenblik
+dat die gruwelangst door mijn ziel heen ijsde, hoorde ik de jongere
+meisjes familiair haar naam "Olga! Olga!" uitroepen en het streek
+als een zalvende balsem over mijn gefolterd hart.
+
+Zij was lang en slank van gestalte, maar met toch mooi-gevulde vormen,
+en zij had schoone regelmatige trekken, en prachtig, donker haar,
+en een gezond, frisch teint, en oogen.... oogen, zooals ik er nog
+nooit zulke sprekende, bezielde, overweldigend-prachtige gezien
+had. Haar gansche beeld boeide mij zoo totaal en absoluut, dat ik
+staan bleef, als plotseling geremd, als vastgevroren, om haar te
+bewonderen. Zij droeg een donkerblauwe japon en daarboven een witte
+jersey en wit-wollen mutsje, en dat stond haar, dat mouleerde haar
+mooi lichaam en sierde haar mooi hoofd, om er ziek van te worden!
+
+Zij reed niet goed. Men kon duidelijk merken, dat ze zich nog maar
+weinig had geoefend. Haar bewegingen waren stroef en aarzelend,
+maar hoe gracieus niettemin, hoe heerlijk en ontroerend gracieus,
+wellicht juist omdat ze ietwat hulpbehoevend waren! Zij reed heen
+en weer met de jongere meisjes, die ook al vrij gebrekkig reden,
+evenals de gouvernante trouwens, die met moeite kraste en krabbelde,
+en heelemaal geen elegance had. De jonge jongen, op een apart plekje,
+poogde zich te oefenen in 't kunstrijden, maar 't was armzalig, hij
+kende er nog niets van, hij struikelde en gleed uit en dreigde elk
+oogenblik te zullen vallen.
+
+Ik stak een sigaretje op, schijnbaar achteloos, als om even uit
+te blazen, zwierde een paar keer gewoon heen en weer en trok dan
+plotseling, op het geschikte oogenblik, waar ze 't goed konden
+zien, met zegevierend brio, een van mijn allerprachtigste,
+allergecompliceerde kunstfiguren.
+
+Zij zagen het en stonden eensklaps stil, als 't ware pal van verbazing
+en bewondering.
+
+--Olga! Olga! tu as vu, ça! riep een van de meisjes, in 't Fransch,
+tot de ontroerende schoone.
+
+Ik, natuurlijk, deed, alsof ik niets gemerkt had. Maar mijn hart
+klopte, klopte....! Ik schudde de asch van mijn sigaret, reed een
+eind weg, keerde terug, nam mijn elan en waagde een figuur dat,
+als het lukte, een van mijn gróót-triomfen was.
+
+Het lukte! Als een vogel zweefde en fladderde ik over het ijs en
+achter mij ging weer een kreet op van bewondering, terwijl ze zich
+nu allen in een groepje schaarden en kijkend stonden te wachten wat
+er nog meer zou gebeuren.
+
+Iets in het diepste van mijn wezen zei mij, dat er nu niets meer
+mocht gebeuren. De triomf was totaal, compleet, en kon slechts meer
+bedorven worden. Ik had ineens, door mijn smorende liefde overweldigd,
+tè veel gegeven; ik had meer gegeven dan ik werkelijk kon en ik hijgde
+en duizelde van de inspanning. Mijn opgewekte zintuigen waren tot het
+uiterste geprikkeld en gescherpt en 't zou mij welkom zijn geweest als
+er nu plotseling met mij iets was gebeurd; een flauwte, een inzinking,
+een klein accident, iets dat mij alle verder kunstenvertoon onmogelijk
+maakte. En plotseling kreeg ik een geniale ingeving: ik begon een
+kunsttoer, iets geweldigs van aanvang, alsof ik nu eens alle bekende
+en onbekende wereldrecords ging slaan; maar meteen zorgde ik er voor
+dat een van mijn schaatsen even over het ijs schraapte, en haperde,
+en hobbelde, alsof er iets aan mankeerde of gebroken was. Ik remde
+midden in mijn wildste zwieren, tilde den voet op, keek naar mijn
+schaats, schudde bedenkelijk het hoofd en hinkte op één been naar den
+oever toe. Ik hield het voorname groepje wel in 't oog, ik merkte
+duidelijk een spijtige, teleurgestelde uitdrukking op de gezichten
+en hoorde deze mij zoo zoet in 't oor klinkende woorden:
+
+--Quel dommage! Il a cassé un de ses patins!
+
+Ik was gaan zitten op den grasrand bij den kant en had mijn
+rechterschaats losgemaakt. Ik keek ter sluiks en dacht: "Zouden ze
+zich niet interesseeren? Zouden ze niet komen vragen wat scheelt
+er?".... Helaas! zij kwamen niet. Ze bleven nog een poosje staan
+kijken, wellicht wachtend of ik het gebrek kon repareeren en weer
+met mijn kunsten zou beginnen; maar toen ze merkten dat er niets
+van kwam, keerden ze zich weldra om en gingen kalm weer aan 't
+knoei-rijden. Diep voelde ik mij ontnuchterd en teleurgesteld. Het
+was zoo mooi begonnen, 't liep alles zoo prachtig van stapel en nu,
+juist nu als het tot een triomf moest opbloeien, ging het als een
+nachtkaars uit! Wat nu! Zou ik weer mijn schaats aantrekken en mij
+in vertooning geven? Neen: ik voelde, dat ik dàt niet doen moest. Nu
+was er nog als een aureool van slachtoffer om mij heen. Ik moest dien
+dag slachtoffer blijven. Dat stond beter, grooter, verhevener. Nu
+konden ze nog in hun herinnering bewonderen wat ze gezien hadden en
+treuren om wat hun onthouden werd. Zij zouden er nog met elkander
+over spreken, mij beklagen, hopen mij terug te zien. Ik stond op,
+met mijn rechterschaats onder den arm en op mijn linkerbeen alleen,
+dat 't sterkste van de twee was, zwierde ik over het ijs weg, licht en
+krachtig nog ondanks mijn ongeval, waardig en zelfs groot,--ik voelde
+het,--in den onverdienden tegenspoed die mij getroffen had. Even
+voorbij de bocht keek ik eens om en zag, dat ze mij naoogden. Mijn
+gemoed zwol van trots en ik ademde diep. Ik voelde dat ik indruk
+had gemaakt, ja, dat ik overwonnen had. Er was daar een gehucht van
+kleine huisjes aan den rand van 't water, waaronder een herbergje. Ik
+wipte aan wal en stapte er binnen. Een dikke vrouw kwam naar mij toe,
+groette mij vriendelijk, praatte dadelijk over 't mooie weer en vroeg
+mij wat ik wenschte. Ik begreep terstond dat ik met een babbelkous te
+doen had,--juist wat ik op dit oogenblik verlangde,--bestelde iets
+en bracht al spoedig het gesprek op de baronsfamilie, die daar bij
+'t kasteel ook zoo lustig aan het schaatsenrijden was.
+
+--Ha da ès toch wat, e-woar, meniere; en mejonkvreiw Quiline, die
+doar euk nog aan mee doet! riep de dikke vrouw, de beide handen op
+haar heupen zettend.
+
+Mejonkvrouw Quiline! Die mooie naam trof mij geweldig. Ik voelde dat
+"zij" het was, dat "zij" het wezen moest. Het kon niet anders.
+
+--Is dat de oudste van die jonge dames! vroeg ik, mij met inspanning
+zoo schijnbaar kalm en onbewogen mogelijk houdend.
+
+--Joa 't meniere; joa 't meniere, bevestigde de struische waardin. En
+zij begon mij een gecompliceerd verhaal over mejonkvrouw Quiline,
+een wees van adel, maar zonder fortuin, die bij haar oom, den baron,
+inwoonde en zoo lief en zoo aardig was, zoo vriendelijk met alle
+menschen, heelemaal niet trotsch of verwaand, "en zuk 'n scheun
+vreiwe-meinsch, meniere, as 't 'n boeremeiske woare dat den helft van
+'t dorp d'r zot van zoe leupen!"
+
+Een wees, dacht ik, en geen fortuin, hoewel van adel, en zoo lief
+en zoo aardig, en misschien wel tegen haar zin gedwongen daar,
+als behoeftige bloedverwante, bij haar oom in te wonen! Horizonnen
+gingen heerlijk zacht-verleidend vóór mij open; horizonnen van geluk
+en liefde, van levensblijde zaligheid in ideale toekomst!
+
+Zoodra ik met het babbelwijf had afgerekend trok ik weer mijn
+schaatsen aan en weg was ik, in één adem door, naar de stad toe. Op
+het ijs vond ik er dadelijk mijn vrienden: den Grooten Dichter,
+den Grooten Schilder, den Grooten Musicus, als naar gewoonte druk
+aan 't zwieren met de vriendinnetjes die ze zich uitgekozen hadden;
+maar zij waren eenigszins ontstemd omdat het ijs zoo slecht werd in
+de buurt der stad, zoo doodgereden; en zij vroegen mij of er op mijn
+lange baan niet een of ander mooi en rustig plekje was, waar ze zich
+beter zouden kunnen oefenen.
+
+Een licht ging vóór mij op. Ineens, met pijlsnelle gevolgtrekking, zag
+ik de mogelijkheid in van heel dichtbij mijn ideaal te benaderen. In
+mijn eentje,--dat voelde ik wel,--zou het mij lastig, zooal niet
+onmogelijk zijn, met haar in aanraking te komen. Maar in gezelschap van
+anderen, vooral als er dames bij waren, was er een zeer besliste kans
+op. Mijn oogen straalden en ik voelde mijn wangen een kleur krijgen.
+
+--Ik weet een heerlijk plekje, prachtijs, zoowat drie kwartier rijdens
+hier vandaan, vlak vóór 't kasteel van X. zei ik.
+
+Strak en ietwat aarzelend, keken zij mij even aan. Drie kwartier
+rijdens, 't was wel een heel eind. Zou het werkelijk de moeite
+loonen? Was het inderdaad zulk mooi ijs als ik zei en werd er daar
+nog meer gereden?
+
+--De familie van den baron rijdt er dagelijks: een jonge man en
+verschillende dames! antwoordde ik met geestdriftige overtuiging, alsof
+dit op zichzelf wel een voldoende en afdoende argument moest wezen.
+
+Ik vrees wel en ik geloof ook, dat de vurigheid van mijn betoog op dat
+oogenblik de warmte van mijn diepen hartstocht heeft verraden. Zij
+keken mij allen een beetje verwonderd aan en de Groote Dichter zei
+spottend:
+
+--Hohóó! En zijn er knappe meisjes onder?
+
+Ik kreeg een kleur als vuur. Ik voelde 't bloed onder mijn wangen
+gloeien en stond daar even radeloos, zonder te kunnen antwoorden. Doch
+wat ik ook al zeggen wou, 't bleek overbodig, zij hadden mijn geheim
+op mijn benauwd gezicht gelezen en vierden er de dolste pret om. Zij
+vroegen mij schertsend haar naam, haar leeftijd, en hoe zij er
+uitzag en honderd dingen meer. Ik had wel 'k weet niet wat gegeven
+als ik daar nooit over begonnen was; maar 't was te laat, zij raakten
+opgewonden over het geval en ondanks mijn halsstarrige ontkenningen
+en mijn verwoede tegenkanting wilden zij nu absoluut daarheen; en
+er werd afgesproken, dat zij mij den volgenden ochtend, om elf uur,
+op de aangewezen plek, vóór het kasteel, zouden verwachten.
+
+--Ik zal er niet zijn! riep ik razend, van spijt op mijn onderlip
+bijtend. En 'k was ook vast besloten niet te komen. Ik was zóó
+ontstemd, dat ik moeite had om niet te huilen en te schelden en ik
+verliet hen dien avond als vijanden, die ik nooit terug zou zien.
+
+Ik sliep niet, dien nacht. Zelden heb ik mij zóó diep ongelukkig
+gevoeld. 't Verdriet om Tieldeken van Meylegem, was niets daarbij
+vergeleken. Hoe was het toch mogelijk dat ik zelf, met slechts een
+paar onbezonnen woorden, in een oogwenk, mijn teedere illuzie, mijn
+schoon ideaal, mijn frisch en jong geluk ontfleurd, geschonden en
+vernietigd had!
+
+Half ziek van ellende stond ik op. Gedurende mijn woeligen, slapeloozen
+nacht had ik gewenscht en gehoopt dat het weer zou veranderen, dat
+het waaien, regenen, dooien zou; maar nog nooit had de winterzon zoo
+heerlijk in rein-stillen hemel gestraald en gebloeid als dien ochtend
+en dat verergerde mijn radelooze ontreddering, want nu zouden zij
+zeker komen, evenals het vast en zeker was, dat ook de bewoners van
+'t kasteel niet zouden nalaten van dit prachtig weer te profiteeren.
+
+Toch was ik vast besloten niet te gaan. Zoo zou ik mij wreken. Mij
+wreken.... maar zelf meteen folterend lijden. 't Werd negen uur,
+kwart over negen, half tien. Een rustelooze gejaagdheid zweepte mij
+op, dreef mij voortdurend heen en weer, deed mij elk oogenblik mijn
+horloge uithalen. Nog een half uur, nog een kwartier, en 't zou te
+laat worden, ik zou er niet meer kùnnen komen! Of zou ik wellicht
+toch.... al was 't maar op een afstand.... van verre.... ergens mij
+verschuilen.... kijken, al was 't maar om te weten of ze werkelijk
+gekomen waren, en hoe ze zich daar hielden....? Ik voelde mij
+krankzinnig worden van onrust en ellende; en plotseling was mijn
+besluit genomen: ik greep naar mijn schaatsen, vloog naar de deur,
+holde buiten, kwam aan 't kanaal, bond aan en reed weg, alsof mijn
+leven op het spel stond.
+
+Nog nooit had ik zóó gereden! Nu nog, als ik er aan terug denk, voel
+ik als 't ware die wilde opzweeping, dat rijden op leven en dood,
+dat hijgen en dat bonzen van mijn hart en de zweetstralen die in de
+straffe winterzon langs mijn gloeiende wangen stroomden. "Die moet er
+zijn!" riepen de schaatsenrijders, die mij als een bezetene langs hen
+heen zagen razen. Eerst toen ik in de buurt van het kasteel gekomen
+was, bedaarde ik een weinig. Ik kòn ook niet meer. Ik was letterlijk
+op. Maar ik verademde in al mijn zwoegen, toen ik merkte dat mijn
+inspanning niet tevergeefsch was geweest en de adellijke familie daar
+rustig op 't gewone plekje aan 't rondrijden was, zonder een van mijn
+gevaarlijke vrienden in hun nabijheid. Die waren er dus nog niet;
+ik kon ze tegemoet rijden en eventueel tegenhouden; ik kon althans
+een soort contrôle uitoefenen op hun optreden en zorgen, dat ze geen
+gekheden uithaalden. Ik ging een oogenblik op den oever zitten om wat
+te bekomen en toen reed ik kalm en langzaam verder, in de richting van
+'t kasteel toe.
+
+Wat lag het daar mooi en deftig en sierlijk, gansch badend in
+stralende winterzon en blauwen hemel en wat scheen het mij heerlijk
+daar te mogen leven! Ik zag er mij reeds, in mijn rijke en vlugge
+verbeelding, zittend aan een feestdisch naast haar en ik gloeide
+van liefde en tranen van geluk en zelfverteedering kwamen in mijn
+oogen. Daar reed ze weer, met haar nichtjes en de juffer en haar neef
+op het verrukkelijk plekje heen en weer, en zij scheen mij nog veel
+mooier en bekoorlijker dan al de vorige dagen; en ik fluisterde in
+mij zelf haar naam, haar zachten, lieflijken naam: Quiline, en in mijn
+sidderende verbeelding omarmde ik haar en zoende haar hartstochtelijk,
+op de wangen, op de oogen, op de lippen....
+
+In zulke ontbrandende stemming reed ik langzaam en schijnbaar kalm,
+met sierlijke zwaaien voorbij. O, zoo dacht ik, ze moest eens weten,
+ze moest eens voelen wat ik op dit oogenblik weet en voel! Zij zagen
+mij en staakten even hun nog steeds vrij sukkelige oefening om mij
+na te staren. Ik zwaaide en zwierde als een verliefde jonge God over
+het ijs. Ik hoorde hun opmerking: "C'est lui, c'est le même!" en
+'t zwol in mij van trots en van ontroering. Wat was ik blij dat
+ik toch maar gekomen was! En wat een geluk dat ik er toch nog de
+eerste was en de anderen een eind tegemoet kon rijden! Als die nu ook
+maar kwamen! Zoozeer als ik hun komst eerst gevreesd had, zoo sterk
+verlangde ik er nu naar. Ik voelde als het ware een triomfstemming
+in en alom mij heen: een triomf, die eerst volmaakt zou worden,
+als de anderen er nu getuigen van werden en er in medewerkten.
+
+Daar waren ze! Ik zag ze komen van verre, even voorbij het herbergje
+der babbelkous, waar ik den vorigen dag gepleisterd had. Zij zwaaiden
+naar mij met hun armen en op hun verhitte gezichten en in hun stralende
+oogen glom reeds bij voorbaat ondeugende pret.
+
+--Is ze daar! riep de Groote Dichter mij toe. En de Groote Schilder
+zond kushanden door de lucht, terwijl de Groote Musicus pathetisch
+galmde: "Oh bel ange, ma Lucie!" De jonge dames giegelden en lachten.
+
+--Houen jullie toch wat stil! zei ik bezorgd en onrustig mijn
+wenkbrauwen fronsend.
+
+Maar zij waren nu eenmaal dol opgewonden, zooals meer gebeurt met
+stadsmenschen, wanneer ze buiten komen; en die opgewondenheid uitte
+zich in vrij smakelooze uitbundigheden. Omdat een haan luid kraaide
+op een boerderijtje langs den oever, begonnen zij ook allen schril te
+kraaien. Omdat een waakhond blafte gingen zij ook aan 't blaffen en
+omdat de babbelkous van 't herbergje met onbehouden nieuwsgierigheid
+naar hun rumoerigen optocht kwam kijken, zetten zij ook allen groote
+oogen van overdreven verbaasdheid op en riepen 't wijf in het Fransch
+gekke dingen toe waarvan ze geen woord kon verstaan.
+
+--Asjeblief doe dat niet! smeekte ik diep ongelukkig, met het ellendig
+gevoel dat mijn gansche triomf als sneeuw vóór de zon ging versmelten.
+
+Zij bedaarden een weinig. Zij reden kalmer naast mij door en toen
+zij weldra in 't zicht van het mooie kasteel kwamen dat daar gansch
+glinsterend roze in zonneglans te baden stond en de deftige familie
+zagen, die zich bij den inham in het schaatsenrijden verlustigde,
+scheen het wel eenigen indruk op hen te maken. De Groote Dichter had
+woorden van waardeering en vooral de Groote Schilder jubelde, terwijl
+de Groote Musicus even zijn pet afnam en zijn manen van voor het
+voorhoofd wegschudde om beter te zien. De vrouwen waren typisch. Zij
+keken al niet veel naar het kasteel en zijn mooie omgeving, maar zagen
+dadelijk de schaatsenrijdende meisjes; en een gepinceerde uitdrukking
+kwam om haar lippen, terwijl ze scherp-critisch het viertal opnamen.
+
+--Dewelke is het nu? vroeg spotachtig de Groote Dichter.
+
+--Zal ik het je zeggen! riep levendig het aardig snoetje, dat altijd
+met hem reed: de grootste is het: die met haar blauwen rok en witte
+trui!
+
+--Maar 't is al een oude! giegelden de twee anderen.
+
+Ik voelde 't bloed naar mijn wangen stijgen. Ik had wel onder het
+ijs willen wegzinken!
+
+--Praat toch zoo hard niet! zuchtte ik wanhopig.
+
+De deftige familie had ons opgemerkt. Verwonderd door onze onverwachte
+verschijning, stonden zij daar even op een rijtje, roerloos, met
+belangstelling ons opnemend. Zij wisselden enkele woorden, glimlachten,
+en gingen dan weer kalm doorrijden. Er was ik weet niet welke vage
+stemming van stille, onverklaarbare hostiliteit.
+
+--Hoe oud is ze? kwam de Groote Dichter met schijnbaar-ernstige
+belangstelling naar mij toe.
+
+--Weet ik het! klonk mijn ongeduldig, gesarde antwoord.
+
+--Het ijs is hier mooi, laten we maar wat figuren rijden, zei het
+meisje van den Grooten Dichter, die dadelijk gemerkt had, dat de
+deftige familie slechts een troepje knoeirijders was.
+
+En zij begon sierlijk te zweven.
+
+De anderen volgden haar voorbeeld. En dadelijk werden op het mooie
+plekje eenige kunstfiguren getrokken, zooals het ijs er daar wellicht
+nog nooit ontvangen had.
+
+Het scheen diepen indruk te maken. Weer stond de deftige familie
+roerloos op een hoekje te kijken en van lieverlede, zonder het haast
+te merken, namen wij meer en meer de plaats in, waar zij zich tot
+dusver geoefend hadden. Ik zag het eensklaps met schrik en zei:
+
+--Laten we liever een eindje meer naar 't midden der rivier gaan,
+ik vrees dat we hier hinderen.
+
+Maar de meisjes protesteerden luide:
+
+--Waarom? Het ijs is hier uitstekend en de rivier is toch geen privé
+eigendom?
+
+Ik zweeg, geconsterneerd. Hoe durfden ze zoo onbescheiden op te
+treden! Die stadslui, eenmaal buiten, hadden toch geen greintje
+beschaving of tact meer! En weer speet het mij geweldig, en had
+ik kunnen schreien van spijt en ellende, dat ik hen daar gebracht
+had. Het verlamde mij totaal, al mijn pleizier was ineens weer weg,
+ik reed geen steek meer, ik stond daar roerloos en benauwd te kijken,
+in voortdurenden angst dat er iets vreeselijks gebeuren zou.
+
+De deftige familie, een enkel oogenblik geboeid, nam reeds geen
+notitie meer van ons. Zij bleven in hun hoekje, dat steeds kleiner
+werd en sukkelden daar knoeierig heen en weer en de stemming van
+stille hostiliteit, die ik al van 't begin gevoeld had, scheen zich te
+accentueeren, uit te breiden! 't Was ook te gek, zooals die steedsche
+meisjes zich daar aanstelden. Omdat ze iet of wat konden kunstrijden,
+deden zij alsof ze heldinnen waren in de sport en keken met onverholen
+minachting en spot naar 't gewurm der anderen. "Niet fameus, het
+rijden van je belle," riep een van haar mij in 't voorbijzwieren toe,
+luid genoeg dat de freule het wellicht hooren kon. Ik had haar wel
+kunnen omvergooien van woede en 't schaamterood steeg als een golf
+naar mijn wangen.
+
+--Ik blijf hier niet; ik ga weg! riep ik eensklaps met luider stem,
+in opstand komend.
+
+Met verbazing keken zij mij aan; en ook de deftige familie, die
+blijkbaar mijn uitroep gehoord had, bleef even staan en drong op een
+kluitje samen.
+
+--Wat heb je toch! Word je gek! vroeg spottend de Groote Dichter.
+
+Eensklaps verliet de jongeling, die met de deftige familie reed,
+het ijs en op zijn schaatsen, met breede, onbehendige schreden,
+als een die iets heel dringends mee te deelen heeft, liep hij dwars
+over het glooiend grasveld naar 't kasteel toe. Ik zag hem door de
+glazen vestibule-deur verdwijnen en voelde instinktmatig dat er iets
+heel gewichtigs, wellicht iets vreeselijks gebeuren ging. De Groote
+Schilder en de Groote Musicus merkten het ook en schertsten:
+
+--Hij gaat ons een glas port halen!
+
+Mijn hart klopte en mijn knieën knikten. Nog nooit had ik mij zoo
+grenzeloos-ongelukkig gevoeld. "Asjeblief, schei toch uit," smeekte ik,
+terwijl er tranen in mijn oogen kwamen. Maar zij lachten en spotten
+nog veel harder toen ze dat zagen en vooral die ellendige stadsjuffers
+hadden gemeene, onmeedoogende pret.
+
+In 't kasteel was de vestibule-deur weer opengegaan en langzaam,
+met een soort aarzeling, kwam een huisknecht buiten en stapte dwars
+over het gras naar de rivier toe. Hij was blootshoofds, droeg een
+zwarte pantalon en een roze-en-wit-gestreept buisje en had een groote
+witte schort aan, als een vrouw. Naast hem kwam ook de jongeling
+weer buiten, die met groote, wijde waggelschreden, als een eend op
+'t droge, naar de anderen terugliep.
+
+De knecht was bij den rand van 't ijs gekomen. Hij scheen een oogenblik
+te weifelen, maar waagde zich toch eindelijk en kwam, voorzichtig en
+stram schuivend, naar den Grooten Dichter toe.
+
+--Pardon, mossieu, begon hij in gebrekkig Fransch, mossieu le baron
+demande si voulez patiner un peu plus loin; ça est ici pour la famille.
+
+--Qu'est-ce que vous me chantez là! riep brutaal de Groote Dichter,
+spottend wenkbrauw-fronsend.
+
+--Vous dites, mossieu? vroeg de knecht bedeesd en niet begrijpend.
+
+Er was een oogenblik verbaasde, wederzijdsche stilte. Als een bende
+ijsvogels kwamen de Groote Schilder, de Groote Musicus en de drie
+dames om den huisknecht heen gezwermd. Ik, roerloos op een afstand,
+wist niet waar te kruipen van ellende en schaamte. Dicht bij den oever,
+op een kluitje, stond, insgelijks roerloos en in stomme afwachting,
+de deftige familie.
+
+--Ça n'est pas ma faute, est-ce pas, mossieu! Moi faire ce qu'on me
+commande, est-ce pas? zei de man schuchter-glimlachend, op een toon
+van spijt en verontschuldiging. En hij wenkte met het hoofd achter zich
+om naar het kasteel, om te beduiden dat het bevel daar vandaan kwam.
+
+Machinaal volgde mijn blik de richting, die hij aanwees en daar zag ik,
+achter een der ramen, een streng gezicht met witte bakkebaarden. Onder
+mijn star-geboeiden blik week het gezicht van voor het raam en
+versmolt zich vagelijk in den schemerigen achtergrond der kamer,
+als van een stillen, bleeken visch, die zich in de diepte van een
+sloot laat zinken.
+
+Alle drie de Groote Artiesten en de meisjes waren hevig opgewonden. Zij
+protesteerden luide en met heftige gebaren dat de rivier aan niemand
+toebehoorde en dat zij ook voor niemand zouden wijken.
+
+--Verstoa-je gij Vloamsch, mijne vriend! riep eensklaps de Groote
+Musicus heftig zijn manen schuddend, en zijn bol gezicht onder den
+neus des huisknechts wringend.
+
+--Joa joajik, meniere, antwoordde deze argeloos en opgelucht dat hij
+zijn natuurlijk dialect mocht spreken.
+
+--Hawèl, mijne vriend, zeg gij aan ouen baron dat hij.... en in zijn
+verontwaardigde opgewondenheid liet de Groote Musicus iets los dat
+de meisjes deed gillen en mijzelf als een oorveeg in 't gezicht trof.
+
+--Ploert! schreeuwde ik hem woedend toe.
+
+De huisknecht zei geen woord meer. Hij keerde zich om en verliet
+het ijs en aan het andere eind van den inham wipte ook de deftige
+familie op den oever en liep ijlings op haar schaatsen naar 't
+kasteel terug. Achter het raam verschenen even geagiteerd de grijze
+bakkebaarden, en drongen dadelijk weer in de schemerdiepte terug en
+op het ijs stonden wij daar met ons zessen alleen, zegevierend maar
+toch vernederd, in een pijnlijk bewustzijn, dat wij ons als schoeljes
+gedragen hadden. Het kookte zóó hevig in mij van ergernis en woede,
+dat ik recht op den Grooten Musicus afreed, hem met vlammende oogen
+uitschold voor ik weet niet meer wat en hem op staanden voet in duel
+provoceerde. Ik had mij wel nooit in de wapens geoefend, doch dat deed
+er niet toe, ik provoceerde maar raak en stelde zelfs voor onverwijld
+het geschil op het ijs uit te vechten.
+
+De pret van den dag was absoluut bedorven. De Groote Musicus haalde
+zijn schouders op, schudde zijn manen en staarde mij sprakeloos met
+de diepste minachting aan, de Groote Schilder en de Groote Dichter
+werden ineens ernstig en de jonge dames waren bang en hadden tranen
+in haar oogen.
+
+--Nou, ik geloof dat we maar beter terug zullen gaan, zei stil de
+Groote Dichter.
+
+--Dat geloof ik ook! antwoordde ik luid, op uitdagenden toon. En in
+een instinctief gebaar nam ik mijn pet af, groette kort en stijf,
+met belachelijk en overdreven formalisme, en recht als een pijl reed
+ik weg, in stugge, woeste vijandschap.
+
+
+
+Toen zakte 't eensklaps neer in mij, en 'k voelde mij ellendig slap
+en mat en droevig. Het kostte mij groote moeite om niet als een klein
+kind te schreien.
+
+Op zwakke beenen reed ik verder, tot in de eerste bocht waar men mij
+niet meer zien kon en daar ging ik uitgeput en troosteloos op den
+oever zitten, in de zachtstralende winterzon.
+
+Ik voelde mijn jongelingsleed als een grievend onrecht, als
+een onverdienden smaad, welken het onmeedoogend noodlot op mij
+neerwierp. Ik dacht aan de schoone jonkvrouw, aan de goddelijke
+Quiline, die nu onherroepelijk voor mij verloren was en in de
+liefdestobberijen van mijn jeugdig, ruim-beminnend hart, dacht ik
+meteen aan het bekoorlijk Tieldeken van Meylegem, die ik de laatste
+tijden zoo verwaarloosd had en die ik daarom ook totaal voor mij
+verloren voelde. Mijn trouwe ijsvrienden, Quiline, Tieldeken, nu had ik
+eensklaps niemand meer en nu eerst voelde ik recht wrang en hard hoe
+koud en hoe verlaten het ijs is zonder liefde. De schoone, tintelende
+vlakte strekte zich voor mij uit als een dorre, troostelooze, doodsche
+woestijn. Ik was daar gansch alleen nu op die wijde uitgestrektheid
+en 't werd mij in wanhoop te moede alsof ik ook alleen en van allen
+verlaten op een uitgestorven wereld achterbleef.
+
+Ik nam mijn hoofd tusschen mijn handen en snikte....
+
+
+
+Nu nog herinner ik mij hoe dat snikken en schreien mij goed deed. Het
+suste stil en lenigde en laafde mijn diepe smart. Ik schreide goed en
+diep uit, daar in de stilte en de eenzaamheid; en toen het eindelijk
+luwde was ik zachtjes opgelucht en voelde ik een soort weldadige
+matheid door mijn gansche lichaam soezen, terwijl mijn hongerige maag
+naar sterkend voedsel vroeg. Ach ja, ik was jong en vermoeid en ik
+had honger. 't Verlies van Tieldeken knaagde wel bitter, 't verlies
+van Quiline knaagde nog bitterder; maar het bitterst van al knaagde en
+klaagde mijn holle maag en toen ik aan het naastgelegen dorpje kwam,
+waar een ouderwetsche herberg bij de brug stond, stapte ik zonder
+aarzelen aan wal en ging er binnen.
+
+
+
+Drie gebakken eieren met ham, heerlijk bruin brood en echte boter
+zonder margarine (die was Goddank toen nog niet uitgevonden) een goed
+glas bier, een kopje koffie, een glaasje likeur en een sigaar,.... 't
+begon me reeds beter te gaan en de zware droefheid versmolt al ietwat
+in het vage. De zon streelde weldadig mijn wangen en mijn handen;
+en door het raam genoot ik van een prachtig vergezicht: de bevroren
+rivier kronkelend en slingerend door tintelende weiden, een houten
+molentje op een aardig begroeiden heuvel, het dorp met glinsterend-wit
+kerkje in de diepte, bosschen, landouwen en boerderijen rechts en
+links in het besneeuwd verschiet en over dat alles heen de eindelooze
+koepel van den blauwen hemel, waarin de groote zon langzaam naar 't
+Westen neeg, oranje-rood, omsluierd met grijze en purperen nevelen,
+als in een atmosfeer van heilig-stille en grootsche feerie.
+
+Slechts hier en daar een eenzaam schaatsenrijder meer over de verre
+uitgestrektheid. Het leken op donkere vogels die huiverend voor
+den komenden nacht naar hun mysterieuze nest terugvlogen: en alles
+was zoo ruim, zoo plechtig en zoo grootsch, dat voor afzonderlijk
+klein-menschelijk leed geen plaats meer scheen in zooveel weidsche
+rust en heerlijkheid.
+
+Toen ik eindelijk opstond en vertrok was mijn droefheid gansch
+geweken. Wat had ik mij belachelijk aangesteld! Wat een malle
+droom, mijn dolle liefde voor die freule van 't kasteel, tienmaal
+gekker nog dan mijn sentimenteele opwinding voor Tieldeken van
+Meylegem! Bespottelijk: de eene was wel vijf of zes, de andere
+misschien wel tien jaar ouder dan ik! Als een kleine jongen, als een
+kwâjongen beschouwden ze mij, allebei! Ik mocht me schamen.
+
+Ik reed terug, in rustig tempo, en voelde mij als 't ware een nieuw en
+ander mensch worden. Ik had tweemaal wanhopig-zwaar geleden, zooals
+alleen de eerste jeugd door liefde lijden kan, maar de smart had
+mij gesterkt en 'k was een man geworden. Ik reed terug naar huis en
+'t was of ik een gansche nieuwe toekomst tegemoet ging. Het nog maar
+pas gebeurde en geledene doezelde reeds in wazige verschieten weg
+en nieuwe horizonnen gingen in de verte voor mij open, vol onbekende
+levenslust, vol lokkende hartstochten en avonturen.
+
+'t Begon stilaan te duisteren. De scherpe vrieslucht prikte in de ooren
+en deed de vingertoppen tintelen. De meer en meer verlaten ijsvlakte
+glom hier en daar met harde, als het ware stalen glanzingen en het
+stille sneeuwveld langs de oevers kleurde zich met doffe, violette
+tinten, terwijl de gansche westenhemel roze werd, van een egaal en
+zachtkens tanend roze, dat langzaam aan, tegen den lagen einder,
+in lei-kleurige schemeringen uitstierf. Soms kraakte het ijs zonder
+merkbare oorzaak en lange echo's dreunden na tot in de verte, als doffe
+kanonsschoten; en een vlucht van wilde ganzen teekende haar scherpen
+driehoek in de ijle lucht, heel hoog, héél hoog, zoodat men nauwelijks
+het fijn gekrijsch kon hooren, als van klagende kinderstemmetjes. De
+eerste sterren twinkelden mirakuleus....
+
+
+
+Dien nacht werd ik midden in mijn slaap door vage onrust wakker. De
+maan scheen in mijn kamer door de ijsbloemen der ramen tusschen de
+gordijnen en 't kwam mij voor of er geluiden gonsden door de stilte,
+zooals ik er in weken niet meer had gehoord. Huiverend stond ik op,
+schoof de gordijnen weg, wreef over 't ijs der ruiten en staarde even
+in den lichten hemel.
+
+Met verbazing zag ik de kale boomkruinen in den tuin heen en weer
+schommelen en uit het westen kwamen donkere wolken aangedreven,
+die even het gelaat der maan omsluierden en dan weer openrafelden.
+
+--De dooi! zei ik halfluid, met een soort schrik. En het was mij te
+moede alsof luchtkasteelen in elkander stortten.
+
+--De dooi! herhaalde ik; en peinzend, en mijmerend en huiverend kroop
+ik weer in mijn bed; en over de onberekenbare gevolgen van den dooi
+lag ik onder het toenemend loeien van den wind te tobben en te zeuren,
+en te twijfelen tot de slaap en de vermoeiheid weer mijn oogen sloten.
+
+Toen ik 's ochtends wakker werd en mijn gordijn optrok zag ik een
+vuilen motregen uit donkergrijzen hemel sijpelen. Moest dàt nu 't
+droevig einde zijn van zooveel opwindende, hartstochtelijk-genoten
+dagen en de vernietiging van nog zooveel rijke illuzies in 't
+verschiet?.... Weldra viel de regen met stroomen. Het regende en
+regende, en het woei en het loeide, en de dagen volgden de dagen in
+troostelooze, grijze en grauwe matheid op; en van al het schoone en
+rijke en sterke en frissche bleef niets dan akelige slijk en vuile
+weekheid over.
+
+En 't was of in den dooi van 't schoone, sterke ijs ook al de frissche
+liefde, die in mij op 't ijs en door het ijs geboren was, in de
+débâcle werd meegesleept. Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, de breede
+overstroomde weiden, de poëtische witte kerktorentjes, de pittorekse
+boerderijtjes, het lijnrecht kanaal, de lieve, kronkelende Leie, en
+'t mooie Tieldeken, en de schoone freule, en de vrienden uit de stad,
+alles wazigde en smolt weg, alles verdween alsof 't niet meer bestond
+en wellicht nooit bestaan had. En wat nog wel het wonderbaarste was:
+ik voelde geen weemoed, geen spijt, ik lei mij dadelijk getroost bij
+'t onvermijdelijke neer en 't gaf mij een gevoel van groote rust,
+wellicht omdat ik wist dat het zoo wezen moest en dat het ijs, ondanks
+zijn schijnbare sterkte, iets was van brozen en vergankelijken aard,
+zoo broos en zoo vergankelijk als de vele liefdes, die er in een
+oogwenk op ontvlamden en even gauw als zij ontvlamd waren, onder de
+eerste regenbui weer uitdoofden.
+
+En ook en bovenal, omdat ik jong was en dat er voor mij nog zooveel
+mooie ijsvelden in het verschiet der toekomst lagen.
+
+De echte "happy hunting grounds," zooals de Indiaan zijn Paradijzen
+noemt, waren nog niet door mij betreden.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE DEEL
+
+MAUD
+
+
+
+I
+
+
+Ik herinner mij nog goed die eerste reis naar Amerika.
+
+Ik herinner mij die aankomst in New York op een stralenden
+Septemberdag, onder een heilig-blauwen, sereen-stillen hemel,
+zóó schoon, zóó rijk, dat ik nooit had kunnen denken, dat zoo iets
+prachtigs op de wereld kon bestaan.
+
+Dat was het begin van wat de Amerikanen "Fall" of "Indian Summer"
+noemen.
+
+Ik bleef slechts enkele dagen in New York, dat mij overdonderde
+en benauwde. Ik nam de eerste de beste gelegenheid waar om die
+overweldigende stad te verlaten en langs de bekoorlijke Hudson-River,
+met een der pleizierbooten, naar Albany op te stoomen.
+
+Nooit heb ik dit eenig schouwspel van natuurpracht kunnen vergeten. Het
+is nu jaren en jaren geleden, maar het beeld staat als 't ware nog
+te leven, te trillen en te glanzen vóór mijn geest.
+
+Ik zie nog in mijn verbeelding enkele boompjes langs de rotsachtige
+hellingen der oevers, gansch rood als vuur tegen de grijze rots, of
+fonkelend-oranje tegen 't harde hemelsblauw; of wel teergroen, bijna
+geelgroen als van een allereerste, weeke lente; of donkerpaars en
+bijna zwart als blad van artificieele rouwkransen. Ik zie hardroode
+slingerplanten, als strepen en beken van vloeiend bloed langs de
+grijze rots tot in de diepte kronkelen; en op de boot zie ik dames,
+in witte zomerkleeren, die tuilen van bladeren geplukt hebben, zooals
+men bij ons tuilen van bloemen plukt; en op een van die tuilen komt
+even een prachtige, groote, bruinroode vlinder zitten, met langzaam
+op en neer knippende vleugels, als in zwaar-hijgend ademhalen.
+
+Ik ken niets rijkers en niets schooners op de wereld dan die gansche
+Ooststreek van Amerika onder stralende zon en diep-helderblauwen hemel,
+in haar Indian-Summer-najaarspracht.
+
+
+
+Zóó heb ik ook voor het eerst Niagara-Falls gezien. Wellicht
+was mijn verbeeldingskracht, door romantische verhalen gevoed,
+tot een te hooge verwachting opgevoerd. Ik herinner mij, dat het
+eerste zicht een teleurstelling was. Vlak over de bruisende en
+schuimende en stuivende watervallen stond een ellendige fabriek
+met een rood-steenen schoorsteenpijp en dat bedierf den indruk
+zoo totaal, dat men instinctmatig de handen vóór de oogen hield
+om die monsterachtigheid niet meer te zien. Maar als men zijn rug
+naar het gedrocht toekeerde en stroomopwaarts liep, met inspanning
+ploeterend langs den oever en van rotsblok op rotsblok tusschen 't
+ziedend water springend, dan was het tafereel van een overweldigende
+grootschheid. Het gansche meer, tusschen de steile oevers gekneld,
+kwam, als van een berg, met alles-vernielende kracht op je aanstormen
+en je voelde de rots onder je voeten dreunen, terwijl het om je heen
+schuimde, en bruisde, en suisde, en kolkte, om er duizelig van te
+worden. Losgerukte takken en soms gansche ontwortelde boomen kwamen in
+dien wilden chaos neergesleept, en dat brak dan op de rotsen dat men
+'t hoorde kraken en dat men de witte splinters uit elkaar zag barsten
+als van geradbraakte armen en beenen, terwijl de roode en oranje
+bladerkruinen zich wrongen en kantelden en wentelden en tegen den
+stroom schenen te vechten, als vlammende en glinsterende haardossen
+parelnat van telkens overzwalpende en geeselende golfslagen.
+
+Van de groote watervallen zelven, daar waar de gansche rivier met
+één plons van vijftig meter in de diepte stort, hield ik minder. Dat
+heeft nooit op mij den overweldigenden indruk kunnen maken, dien
+men, volgens de beschrijvingen der reisgidsen, op die plek dient te
+ondergaan. Het is mij daar te watermolenachtig, te veel in 't groot
+wat wij gewend zijn in het klein te zien. Dat komt ook al weer door
+die afschuwelijke fabrieken daar in de buurt: door die brouwerij, of
+die houtzagerij, of die electrische centrale, of wat het ook al wezen
+mag. Maar even verder stroomafwaarts uit het zicht der vallen, in de
+"Whirlpool Rapids" krijgt het schouwspel weer zijn gansche oerwilde
+woestheid en daar heb ik meer dan eens uren aan den rand gezeten,
+in strak-geboeide contemplatie.
+
+O, die vuurroode oevers van glanzende en stralende najaarspracht, met
+den woedenden stroom in het midden en den diep-azuren hemel breed er
+overheen gewelfd! 't Was of het schuimend water uit de diepte van de
+aarde zelf opstormde en kolkte. 't Was iets als uit een andere, nog
+ongevormde wereld en in verbeelding liet ik mij gaan en zag mij in
+mijn schuitje op den wilden chaos dansen, zooals ik eertijds roeide
+op de overstroomde vlakte van de Meylegemsche Meerschen, naar het
+schoone Tieldeken toe.
+
+Tieldeken! Ja, ik dacht aan Tieldeken van Meylegem, daar bij
+de wilde draaikolken van den Niagara, op zooveel duizend mijlen
+afstands! Ik liet mij gaan op mijn gedachten, en een eindeloos
+gevoel van eenzaamheid en heimwee kwam mij kwellen en ik cijferde
+de onoverkomelijke ruimte weg en ik zag mij weer bij Tieldeken, in
+de ouderwetsche herberg, bij het ouderwetsch, poëtisch kerkje. Ik
+zag haar blozend-frisch gezicht, haar stralende oogen, haar mooi,
+bruin, krullend haar, haar vriendelijken glimlach. Ik hoorde haar
+beminnelijke stem, en ik hoorde ook den loggen klompstap van haar
+vader en de brabbelstem harer moeder, die achter de schenktafel
+"dreupelfs" ging halen. Ik zag en hoorde alles; al het aardige en
+lieflijke en ook het tergende en kwellende: haar ontrouw, haar akelig
+gescharrel met den boerenpummel en nog anderen; en ik zat daar stil
+over te mijmeren en te peinzen, dààr, in die Amerikaansche wildernis,
+zoo verre van haar weg, en uit dat alles groeide in mij een gevoel
+van onuitsprekelijke teederheid, voor haar, voor het verleden, en
+voor het gansche lieve, schoone Vlaanderen. Want in Amerika waren
+geen Tieldekens van Meylegem. Het was daar alles hard, en stug,
+en positief, en droog, zonder gevoeligheid noch poëzie. De dollar
+was er heerscher van het leven en dat herinnerde mij nuchter-weg,
+dat ik er eigenlijk ook niet voor mijn genoegen, maar wel voor de
+verovering van den dollar heengekomen was.
+
+
+
+
+II
+
+
+Ik wrocht er dus voor den dollar en ik wrocht er lange en vele
+dagen. Het was een harde, dorre, onbehagelijke strijd. Want de
+Amerikaan is hard en dor en stug op stuk van zaken. Hij kent
+geen tegemoetkoming noch medelijden voor een zwak en onervaren
+mededinger. Zaken zijn zaken in den droogsten zin van 't woord voor hem
+en niets is hem aangenamer dan een concurrent, vooral een buitenlander,
+te kunnen fnuiken. Ik had er den indruk alsof het heele land van meer
+dan tachtig miljoen inwoners tegen mij samenspande en of de gansche
+samenleving er op was ingericht alleen om mij ten onder te brengen.
+
+'s Zondags, en in mijn vrije uren, ging ik er veel naar buiten wandelen
+en in mijn heimweeïge verlatenheid en eenzaamheid, filosofeerde ik
+zonder eind over den materialistischen struggle for life en over de
+gansche, volgens mijn meening ongerijmde levensopvatting van al die
+rijke Amerikanen.
+
+Wat hadden ze wel aan hun rijkdommen en aan hun leven? Meer dan eens,
+in een bar of restauratie, had men mij zoo, met een soort eerbied,
+een of ander man gewezen en gezegd: "Kijk eens, zie je daar dien
+man. Hij is zonder een duit in 't land gekomen en nu is hij vijftig
+miljoen dollar waard."
+
+Vijftig miljoen dollar waard! herhaalde ik in mezelf, en keek, en
+mijmerde. Zoo'n man van vijftig miljoen dollar waard zat meestal op
+een hooge kruk bij een schenktafel en slikte schrokkig een bord eten
+in. 't Was of hij achterna gezeten werd door onzichtbare vijanden,
+die hem zijn voedsel zouden rooven als hij zich niet haastte; hij had
+geen tijd, geen tijd; hij moest in allerijl weer naar zijn "office" om
+nog maar steeds meer geld te verdienen en met dat geld dan eindelijk
+van het leven te genieten....? Wel neen: hij had immers geen tijd
+daarvoor, en dat was ook zijn doel niet. Zijn doel was alleen maar
+om boven zijn concurrenten te komen, om de eerste en de grootste te
+zijn,--de eerste en de grootste van wat?--en om de kleinere, zooals
+ik was, te fnuiken en van de markt te verdrijven. Zoo'n man werd niet
+oud. Zoo'n man werd zenuwlijder, door zijn onverpoosd en overspannen
+werken, of kreeg een maagkwaal, door zijn haastig, schrokkig eten;
+en dan lagen daar de vijftig miljoen dollarswaarde, heusch te veel
+om de slooten melk en mineraalwater,--de eenige weelde die hij zich
+voortaan mocht veroorloven,--mede te betalen.
+
+Veel en veel heb ik in Amerika gefilosofeerd. En dat heeft mij altijd
+in mijn tallooze beproevingen gesterkt en nooit heb ik gewenscht
+een Yankee van vijftig miljoen dollar waard te zijn. Integendeel:
+in Amerika, het land van 't geld, heb ik het geld leeren minachten
+en mij rijk gevoeld in betrekkelijke armoede.
+
+Want ik droeg de levensrijkheid in mijzelf! "Le trésor de l'humble!"
+
+
+
+Zoo ging ik vele dagen wandelen en bewonderde de wilde schoonheid
+der ietwat verwaarloosde, Amerikaansche natuur. De natuur op
+zichzelve verwaarloost niets, is harmonieus en volmaakt in haar eigen
+essentie. Alleen de wijze waarop de mensch van de natuur gebruik maakt,
+de manier waarop hij er zich neerzet en vestigt, kan die harmonieuze
+schoonheid diep verstoren.
+
+Een oerwoud, met alles wat er in leeft en ook met alles wat er in is
+doodgegaan, blijft een prachtig harmonisch geheel op zichzelf. Een
+akker met gouden, golvend koren, daar waar eens het oerwoud heeft
+bestaan, kan ook zijn eigen, rijk-harmonieuze schoonheid hebben. Maar
+onharmonisch leelijk is een stuk grond, waarop de een meter boven
+den grond afgezaagde boomstammen zijn blijven staan en tusschen wier
+zwarte, verdorde en verminkte stronken, koren is gezaaid. Zoo zijn
+er vele landerijen, gansche gewesten in Amerika. De eerste pioniers,
+welke daar aankwamen hadden geen tijd, geen tijd, evenals nu de beurs-
+en handelslui, en zij zaagden maar de bosschen af, en ruimden slordig
+op, en ploegden en zaaiden tusschen de geraamten van de stronken door,
+zoo goed en zoo kwaad als het ging, om toch maar zoo gauw mogelijk
+den oogst van dollars in te halen.
+
+Dat geeft aan 't land dikwijls een uitzicht van verwoesting. Het
+lijkt wel of er een invasie van.... Barbaren is doorheen getrokken;
+'t is of er oorlog heeft gewoed.
+
+Maar ach! er is nog zoo oneindig veel natuurschoon in Amerika
+bewaard gebleven. En hier denk ik niet alleen aan de alom bekende
+wereldwonderen, maar aan veel intieme plekjes, die in geen
+toeristengids vermeld staan en toch een onuitwischbaren indruk in
+mijn geheugen hebben nagelaten.
+
+Zoo zie ik nog in mijn verbeelding de met fruitboomen beplante wegen
+van den staat Indiana. Blonde, rechte, meestal verwaarloosde wegen,
+met breeden rand van dicht, kort gras; en daarop de fruitboomen: de
+appelboomen en de pereboomen, tot in 't oneindige. De verschijning van
+een menschelijk wezen was toen een zeldzaamheid in die streken. Je
+ging, je wandelde, uren en uren en je zag mensch noch huis, je zag
+alleen de fruitboomen, eindeloos, eindeloos, in de laat-stralende
+najaarszon, onder den stillen, magnifieken, vlekkeloos-azuren
+hemel. Wie had die boomen daar geplant en wie kwam er de weelde van
+hun vruchten plukken? De appels bloosden rood als vuur tusschen het
+bruin en geel der bladeren; de mooie peren schitterden als goud;
+en onder elken stam lag het kortgroen gras er mee bezaaid, alsof
+bij ieder boompje speelsche kinderen daar hun volle mandjes hadden
+omgekeerd. Maar er waren ook geen kinderen; er was alleen de grootsche
+eenzaamheid onder den diepen blauwen hemel; en je ging neerliggen op
+'t gras, en je at van de heerlijke vruchten, en je vulde je zakken er
+mee. Het was er plechtig van verlatenheid en stilte. Je hoorde niets
+dan 't houterig gesjirp der krekels en je zag niets bewegen dan af
+en toe een klein kapelletje, sterk-oranje met zwartbruine randen,
+dat schitterde als een zonnespatje waar het fladderde, of wel op
+een verdord bruin blaadje leek, als het met dichtgeknepen vleugels
+op een halmpje of een sprietje zat. Er was daar ook een meertje,
+stil en omringd door bosschen, dat lag te slapen in de zon. Riet
+en biezen schoten er bij plaatsen woekerend uit op. En af en toe,
+wanneer een visch even naar boven wipte, hoorde men een plons die
+weerklonk als een snik in de stilte, terwijl het water ervan borrelde
+en rimpelde en leefde, en dan weer in vlakke doodschheid tegen zijn
+verlaten oevers ging uitdeinen.
+
+
+
+
+III
+
+
+Wat ben ik alweer verre afgedwaald! Ik ben immers de Schaatsenrijder
+en zou van schaatsenrijden, ook in Amerika, vertellen.
+
+Laat ik het dus probeeren.
+
+Na de onvergelijkelijke en onvergetelijke pracht van 't najaar viel
+de winter plotseling in met scherpe kou en sneeuw.
+
+Dat was geen sneeuw zooals wij die gewend waren te zien. Er dwarrelden
+geen zachte, witte vlokken als donzige watjes door de lucht: wat
+er viel was een soort grijsachtig stuifmeel, ijs-en-ijs-koud, en
+voortgezwiept door een wind, die je den adem afsneed. Dat was de
+welbekende, Amerikaansche "blizzard."
+
+Ik geloofde niet, dat zulke fijne sneeuw ook maar een enkelen dag
+zou blijven liggen en nog minder verwachtte ik, dat ze zich tot
+eenige hoogte kon ophoopen. Dat sneeuwen, echter, hield tweemaal
+vier en twintig uren ononderbroken aan, waarna het ging vriezen
+onder indigo-blauwen hemel en stralende zon; en toen ik op mijn
+eerstvolgende wandeling zoo verre mogelijk het land in liep, woonde
+ik daar wonderen bij.
+
+De "blizzard" had als 't ware met de sneeuw gespeeld. Op sommige
+plaatsen hadden zich echte heuvels opgehoopt. Huisjes en villa's,
+waar ik dikwijls omheen wandelde, lagen half onder de sneeuw bedolven,
+niet meer te bereiken. In de tuinen schenen de boomen klein geworden,
+als 't ware in den grond gedrukt; en op de rails van een spoorweg,
+die tusschen twee steile bermen in een diepte lag, stond een lange
+reizigerstrein ingesneeuwd en verlaten, de vuren uitgedoofd, de
+portieren open, de locomotief, met onzichtbare wielen, tot halverhoogte
+bedolven en begraven in de sneeuw. 't Was of ik in een nieuwe wereld
+wandelde. Ik herkende de dingen en de landschappen niet meer.
+
+Maar de hemel was blauw als safier en de zon straalde zoo heerlijk
+en warm en in die ongerepte heerlijkheid liep ik steeds verder en
+verder, wadend tot over de enkels door al die glinsterende witheid,
+als in de openbaringsweelde van steeds nieuw geschapen tooveroorden. Ik
+kwam weldra aan een plek, waar ik reeds meerdere malen, gedurende de
+glanzend-schoone najaarsdagen was geweest, een landelijk hotelletje
+op een kleinen heuvel, omgeven door een mooi, groot bosch, waarin
+een vijver lag.
+
+Wat was het daar nu prachtig in die ongerepte blankheid! Het
+hotelletje, dat anders toch wit was, zag er nu bijna goor en grijs uit
+in al die omgevende glinstering en 't uitgestrekte eikenbosch droeg
+nog de rijke schoonheid van zijn laten herfsttooi: gansch rood alsof
+het vonkte en brandde, rood als geronnen en gestold donker bloed op
+'t blanke kleed der wereld, onder de eindelooze azuren hemeltent.
+
+De breede weg welke er dwars doorheen liep golfde flink op en neer
+en toen ik op het hoogste punt gekomen was vond ik daar eensklaps en
+gansch onverwacht een heel troepje kinderen en jonge menschen, die zich
+vermaakten met sleedjes den weg af te glijden. In razende vaart gingen
+zij, de eene helling af en een heel eind de andere op, en ook van af
+het hotelletje werd er in tegenovergestelde richting gegleden, zoodat
+de twee partijen ieder een kant van den weg hielden en elkaar zoo vlug
+als sneltreinen passeerden, wel niet zonder eenig gevaar voor botsing,
+maar in dolle, uitgelaten pret. Rechts en links van den weg stonden
+oudere en bedaarder personen, glimlachend en belangstellend te kijken.
+
+Er zaten niet alleen kinderen en jonge mannen, er zaten ook jonge
+meisjes op sommige van die sleedjes. En ik had er dadelijk een
+opgemerkt, een die ik bewonderde en die mij boeide, en voor wie alleen
+ik daar met koude voeten in de sneeuw bleef staan.
+
+Wat is dan ook wel natuurlijker, dan dat het schoone aantrekt en
+boeit! En mooi was ze, om er van te duizelen, vooral wanneer je
+zoowat vijf en twintig jaren oud bent en sinds langen tijd met geen
+mooi meisje bent in aanraking geweest.
+
+Eerst dacht ik, dat ik mij wellicht door een illuzie, door een soort
+"mirage" liet ontroeren. Zij zag er wel buitengewoon frisch en knap
+uit, met blozende wangen en stralende oogen in de opwinding van het
+pleizier, maar wie weet hoe of ze zijn zou in 't gewone doen: wellicht
+te klein, geen mooi figuur, geen elegance, wie kon het zeggen, wie
+kon daarover oordeelen in de dolle vaart van 't sleedje? Zoo dacht ik,
+om mijn eigen gevoel en meteen de spijt over het waarschijnlijk voor
+mij onbereikbare te onderdrukken, toen ze plotseling, vlak vóór mijn
+voeten, met haar sleedje omkantelde en hals over kop in de dikke,
+fijne, als een lichte wolk opstuivende sneeuw neerplofte.
+
+Alsof het van gisteren was herinner ik mij nog helder-duidelijk
+wat ik op dat oogenblik als in een weerlicht zag en wat ik daarbij
+instinctmatig deed en zei.
+
+Ik zag een donkerblauwe opwuivende rok en daaronder iets van 't fijnste
+witte linnengoed en kantwerk; ik zag fijn-elegante, zwart-glimmende
+laarzen en dof-zwarte kousen; ik zag heel even, als een lichtroze
+bloem, iets van een knie....
+
+Ik sprong toe, tilde haar op, vroeg haar, met bevende stem, of ze
+zich niet bezeerd had.
+
+Zij lachte.... Zij lachte met de mooiste witte tanden die ik ooit
+gezien heb en streek de losgeraakte haartjes weg van over hare
+roze wangen. Zij dankte mij met schoone, lichtstralende oogen, zei
+dat ze niet de minste pijn had, klopte de sneeuw van haar donkeren
+pelsmantel, haalde, met het touw, het sleedje weer bij. Om haar heen,
+in de prikkelende atmosfeer en de zon, zweefde een subtiele, heerlijke
+lucht van viooltjes.
+
+Daar stond ik. Had ik nu niets meer te doen? Niets meer te
+zeggen? Dommerik! Daar stond ik! Zij keek mij aan met een lieven
+glimlach, alsof zij nog wel iets van mij verwachtte; maar daar stond
+ik, daar stond ik, stom en dom als een paal en ik vond niets anders
+in mijn nuchtere domheid dan een diepe buiging, ridicuul, met mijn
+hoed in de hand en plechtig als een lijkbidder. Een paar menschen
+kwamen naar haar toe, waaronder een ouder dametje met verlept gezicht
+en felle oogen, die zij "Auntie" noemde; en meteen was ik vergeten,
+o stommerik die ik was! en met de anderen ging zij langzaam mede,
+haar sleedje na zich slepend, in de met haar wegzwevende, heerlijke
+lucht van viooltjes....
+
+Ik liep achter haar aan. Instinctmatig, als meegetrokken, als
+meegezogen, volgde ik haar en de groep die haar vergezelde, met de
+laffe, onderdanige gedweeheid van een hond. Ik was alweer verliefd,
+ineens en smoorlijk; ik liep bedwelmd, als dronken, haar sierlijke
+gestalte en den ontroerenden geur van de viooltjes na.
+
+Zij gingen naar 't hotelletje en als een automaat ging ik, op
+eerbiedigen afstand, mede. Zij namen er plaats aan een tafeltje bij
+een breed raam, met prachtig uitzicht op het wit-besneeuwde veld en
+op het roode bosch; en in mijn eentje nam ik plaats bij een ander
+tafeltje, vanwaar ik haar heel goed kon zien. Zij bestelden thee met
+cake; en ook ik bestelde thee met cake.
+
+Er was met haar, behalve 't kleine, verlepte dametje met radde tong
+en felle oogen welke zij "Auntie" noemde, nog een dame met voornaam
+uiterlijk en grijs haar en een oudere heer met rood gezicht en grijzen
+baard; en zonder er iets van te weten, maakte ik voor mijzelf uit,
+dat dit haar ouders waren.
+
+Ik vond haar, nu ik haar zoo goed kon zien, van een volmaakte en
+absolute schoonheid. Haar teint was van een frischheid, haar oogen
+hadden een glans, en al haar bewegingen waren van een lenigheid
+en gratie, zooals ik er nog nooit gezien had. Ik zag haar aan
+alsof zij een goddelijk kind was op aarde en het verbaasde mij,
+dat zij daar zoo alleen zat met die oudere menschen en er niet een
+schaar aanbidders om haar heen zweefde en zwermde. Ik dacht even aan
+Tieldeken van Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van 't kasteel en
+voelde als 't ware 't rood der schaamte naar mijn wangen stijgen. Wat
+waren die met deze schoonheid vergeleken! Hoe kon ik ooit op haar
+verliefd geworden zijn, terwijl dit volmaakt-schoone wezen op aarde
+bestond! Wat leek dat alles verre, en doodsch, en kleurloos, naast
+deze alles-overweldigende pracht! Ik schaamde mij, ja, ik schaamde
+mij voor mijn vroegere liefden.
+
+De zon ging langzaam onder en zond haar stillen luister over
+'t indrukwekkend tafereel. De golvende sneeuwvelden werden
+wazig-lichtmauve en het roode bosch bruinde en somberde, alsof het van
+graniet werd. De bevroren vijver vóór het hotelletje versmolt zich met
+de sneeuwvlakte; er was alleen nog maar een open plekje bij den kant,
+dat zwart en rood zag in den avondgloed en waarin eendjes duikelden
+en fladderden, zoodat je rilde van kou als je er alleen maar naar
+keek. Heel in de verte gonsde enorm en dof het machtig geluid van New
+York met af en toe de zware stemmen van de stoombootfluiten, die naar
+elkaar schenen te roepen, als monsters en reuzen in nood. In de dalende
+schemering der restauratiezaal begon de vulkachel rood te gloeien.
+
+Waar zou ze wonen? dacht ik bij mezelf: hier, op een der villa's in
+de buurt, of in den maalstroom van het groote New York? De thee was
+reeds geruimen tijd genut, de oude heer had een sigaar opgestoken,
+"Auntie" met haar verlept gezicht en felle oogen babbelde en ratelde,
+de voorname dame met de grijze haren luisterde en glimlachte en
+'t jonge meisje zat in haar ravissante schoonheid tegen 't raam,
+zonder dat een van allen toebereidselen tot opstaan scheen te
+maken. Andere bezoekers kwamen opgewonden en met gloeiende wangen
+binnen, de kellners hadden 't druk met bedienen en het werd langzaam
+aan mijn tijd om heen te gaan, zonder dat ik er toe besluiten kon,
+toen de familie eindelijk opstond en vertrok.
+
+Zij schreed rakelings langs mij heen en onze oogen wisselden een
+snellen, vluchtigen blik. Ik rees half op van mijn stoel en groette
+buigend. Zij groette licht terug met nauwelijks merkbaren glimlach. Het
+geurde heerlijk naar viooltjes. Auntie keek mij in 't voorbijgaan aan
+met scherpen blik en terwijl ze de deur uitging hoorde ik haar tegen
+'t nichtje iets zeggen dat ik niet verstond, doch daarbij noemde ze
+den naam van 't meisje en zoo wist ik, dat ze Maud heette.
+
+Maud! Ik vond dien naam zóó prachtig, zóó volmaakt bij haar
+passend, dat het mij voorkwam alsof ze onmogelijk anders had kunnen
+heeten. Maud! het was haar gansche type, haar uiterlijk en haar
+innerlijk wezen, haar schoonheid en haar ziel! Maud! het was haar
+gestalte, het waren haar oogen; het was haar glimlach en haar gratie;
+het was haar kleur en haar parfum, die heerlijke viooltjes-geur die met
+haar meeging! Heel even dacht ik weer aan het verleden: aan Tieldeken
+van Meylegem en aan jonkvrouw Quiline van het kasteel, welke ook
+namen droegen die ik eertijds zoo bizonder mooi en passend vond. Maar
+ach! het leek me nu of ik lompe boerinnen zag naast een prinses! Ik
+volgde haar met geboeide oogen door het raam; en toen ik oordeelde dat
+ze verre genoeg waren om geen schijn te geven van hinderlijk volgen,
+stond ik sidderend op en verliet op mijn beurt het hotelletje.
+
+Daar zag ik haar gaan, donkere, elegante silhouet op lichte sneeuw,
+als een jonge godin naast die drie andere, gewone menschen. Het
+sleedje, dat ze nog steeds aan een touwtje achter zich aan sleepte,
+was als een hondje, dat trouw met haar meehuppelde. Waar zou ze nu
+toch wonen: hier, in die rustige buurt, in een van die mooie villa's,
+of in het roezemoezige, geweldige New York? Ik zou het wel te weten
+komen. Woonde ze hier in de buurt, dan kon ik haar ten allen tijde
+gemakkelijk terugvinden. Woonde ze in New York, dan zou ik haar volgen,
+haar blijven volgen, tot ik wist waar het was.
+
+Er waren drie gelegenheden om naar New York terug te keeren: de West
+Shore Railroad, de Electrische, de Ferry. De aanlegplaats der booten
+waren ze reeds voorbij. Dus niet over het water. Zij naderden het
+station van de West Shore en ik dacht al dat ze links zouden inslaan,
+toen ik ze eensklaps naar rechts zag wenden en een stijgenden zijweg
+inslaan. Ik verademde! Ik verademde alsof ik van een zware dreiging
+werd bevrijd. Het gaf mij plotseling een gevoel van diepe rust te
+weten dat zij daar ergens woonde, in de vreedzame natuur, en niet in de
+drukke, gevaarvolle stad. O! dat ik nu niet met haar mee mocht gaan,
+dat ik haar nu alleen moest zien vertrekken met die oudere menschen,
+die haar toch niet konden boeien, zoo dacht ik, die veel te oud en veel
+te saai waren, voor haar frissche, mooie, levenslustige jeugd! Het
+liefdes-ongeduld van mijn vijf en twintigjarigen leeftijd bruisde
+in mij als een oproer. Was het niet onuitstaanbaar dat de domme,
+maatschappelijke conventie mij belette te doen wat de gevoelens van
+het hart mij ingaven? Was het niet gek en verdraaid zooals de wereld
+in elkaar zat? Wat was er wel natuurlijker dan dat ik zoo maar ineens,
+zonder de minste notitie van die belemmerende oude lui te nemen, naar
+haar toe zou gaan, en mijn verliefde armen om haar middel slaan, en
+haar zoenen op den mond,.... en een klap van haar hand in 't gezicht
+te krijgen, dacht ik er dadelijk bij en moest in mezelf lachen omdat
+ik mij zoo wild op mijn oer-instinkt had laten doordraven.... Maar
+het verlangen en de liefde bleven in mij woelen, en half achter
+een boom verscholen stond ik haar halsstarrig na te kijken, tot zij
+boven op den heuvel was, daar even als een uitgeknipte schim zich
+scherp tegen het avondrood afteekende, en dan, langzaam wegzinkend,
+aan mijn blik verdween.
+
+Maud.... Maud.... murmelde ik in mezelf. En mijn wenkbrauwen fronsten
+zich, en mijn tanden klemden op elkaar, in den hardnekkigen strijd,
+die nu zou komen. Maar ik was er niet bang voor, ik voelde in mij de
+kracht der overwinning en 't zong in mij, van hoop en schoonheid.
+
+Het lag op mijn weg om per electrischen trein naar New York terug
+te keeren; maar dat leek mij nu zoo alledaagsch, zoo triviaal na al
+het ideëel genotene; ik had behoefte aan poëzie, aan eenzaamheid,
+aan bespiegeling en ik keerde een heel eind op mijn weg terug, om
+liefst de boot te nemen.
+
+'k Was in een heerlijk-opgewonden stemming: opgewonden en toch
+zacht. Het jubelde in mij, hartstochtelijk, en 'k glimlachte, heel
+teer, heel zacht.
+
+Ik stond van voren op de boot en voelde de koude niet, die
+anders scherp genoeg prikte. Het schouwspel was indrukwekkend,
+grootsch. Achter de steile West-Shore, die reeds bijna zwart was en
+doorprikt van vele lichtjes, ontvouwde zich, immens, de heerlijke
+oranje-gele hemel, met een dun en bleek sikkeltje maan, dat daar
+eenzaam en verloren scheen te zwemmen, als een zilvervischje in een
+zee van goud. De breede rivier glom dof en vaal, alsof zij was van
+log-vloeibare zeep; en aan de oosterzijde vingen de villa's en de
+huizen, in de witte sneeuw die van lieverlede grijs en mauve werd, den
+laatsten glans van het uitstervend daglicht op, met roode bibberingen
+in hun ruiten, als van brand en bloed.
+
+De raderen van de stoomboot deden het water opbruisen en schuimen
+en maakten een machtig en plechtig geluid. Men voelde er iets in
+van de grootschheid der menschelijke krachten, die de elementen
+overwinnen. Andere booten kwamen de onze tegemoet, groot en imposant
+als drijvende kasteelen en zij hadden vele kleine lichtjes en twee
+groote: een rood en een groen, die leken als de twee symbolen van
+het leven zelf; hartstocht en smart!
+
+Hartstocht!.... Mijn enthousiaste, jeugdige oogen zagen alleen
+het roode licht. Dat was de liefde, het vuur, de strijd, de
+overwinning. Dat was Maud, de beeldschoone Maud, die daar nu ergens, op
+dien donkeren oever bij de gezelligheid van 't haardvuur, in een mooie
+villa zat, en die ik moest trachten te benaderen, te veroveren, zooals
+de Graalridder, door den vuurkring heen, de Walküre veroverde. Het
+groene licht, dat was de weemoed, het verleden. Dat was Tieldeken
+van Meylegem, dat was jonkvrouw Quiline, dat was het mooie, groene
+Vlaanderen, wel zacht, wel lief, wel boeiend en wel diep-ontroerend,
+maar verre, o zoo verre, en zoo verbleekt en verwazigd, vergeten
+bijna naast het rood en den gloed van den nieuwen hartstocht.
+
+De wereld stond voor mij open. Het was alsof de machtige boot, die
+met zijn scherpen punt door de klotsende, vale golven van den Hudson
+ploegde, voor mij alleen de groote, wijde wereld ter verovering
+opende. Daar zag ik reeds, heel in de verte, de twinkelende lichten
+van de reusachtige wereldstad. Een grootsche, somberblauwe smook hing
+er als een titanensluier overheen en daarin blonken de lichten met
+duizenden en duizenden, als voor een eindeloos triomffeest, als voor
+een bovenaardsche feerie. Er waren er groote en kleine; er waren er
+die op hun vaste plaats stonden te twinkelen en andere die heen en
+weer zweefden; er waren er van alle kleuren: roode, gele, groene,
+oranje, blauwe en violette; en hoog in den hemel schitterden er ook
+heele risten, in vierkante of langwerpig-vierkante vakken, regelmatige
+gloeipunten in den donkeren nachthemel, als vuurdobbelsteenen van
+een reusachtig dominospel. Dat waren dan de verlichte hooge ramen
+der geweldige "skyscrapers."
+
+De boot naderde zijn aanlegplaats. Hij scheen er recht op aan te varen,
+alsof hij zoo meteen tot in de drukte en 't gewoel der straten door
+zou dringen. Maar er dreven reeds geweldige ijsschotsen langs den oever
+en de boot had te ploegen en te zwoegen en het ijs kraakte en barstte
+en kruide, als in een machtig geluid van woesten strijd. En nogmaals
+overwon het menschelijk genie de woede der vijandige elementen en
+nogmaals ook was 't mij te moede alsof die strijd mijn eigen strijd
+was tot verovering der schoone Maud.
+
+In de woeling der groote stad nam mijn opgewonden stemming geenszins
+in heftigheid af. Na al mijn geweldige emoties van den afgeloopen
+dag voelde ik een soort behoefte om mij in den diepen maalstroom des
+levens te werpen. Ik had behoefte aan brillante en drukke omgeving,
+aan een lekkeren maaltijd, aan het zien van mooie en elegante vrouwen,
+aan het hooren van melodieuze, meeslepende muziek. En, ofschoon ik
+daar niet precies op gekleed was, en het ook al niet zoo buitengewoon
+convenieerde met den financieelen toestand van mijn beurs, toog ik
+maar onversaagd, in mijn eentje, maar vol genoeg van gedachten en
+gewaarwordingen voor tien, naar Martin's en liet mij daar royaal
+bedienen.
+
+Ik was alleen en niet alleen: ik was met haar in mijn gedachten! Ik
+was met haar, zij zat rechtover mij aan 't tafeltje; en samen
+genoten wij van de fijne gerechten, van de mooie toiletten, van
+de licht-bedwelmende, geen-inspanning-vergende restaurant-muziek,
+gespeeld op een podium, door zwartharige, olijfkleurige kerels met
+roode buisjes. Ik rookte sigaret op sigaret, mijn blikken droomden
+verreweg, namen mijn gedachten mede naar 't verleden, naar 't
+vaderland, naar het geliefde Vlaanderen.
+
+Hoe zou het daar nu zijn? Vroor het daar nu ook en werd er
+schaatsgereden? Was Boerke van Meylegem op 't ijs en voerde hij
+zijn minderwaardige kunsten uit, vlak vóór de herberg van het mooie
+Tieldeken, ten aanschouwe van een bende gapende pummels en van
+Tieldeken zelve? Waren mijn vroegere vrienden: de Groote Dichter, de
+Groote Schilder, de Groote Musicus ook weer aan 't schaatsenrijden
+en hadden zij nieuwe ijsvriendinnetjes opgescharreld? En jonkvrouw
+Quiline, was die nog steeds aan 't knoeien zonder vooruitgang te maken,
+met de andere knoei-rijders van 't Kasteel? Ik zag dat alles weer,
+zoo duidelijk, zoo helder, en een groot en innig heimwee kroop in
+mij. Ach, wat was ik ontrouw aan al dat frisch en schoon verleden! Hoe
+voelde ik Tieldeken verwijtend treuren en hoe zag ik de freule met
+minachting, als naar een renegaat, op mij neerkijken! Het golfde in
+mij op en tranen kwamen in mijn oogen. Die muziek speelde ook zoo
+bedwelmend, zoo verlammend. Ik bestelde een tweede pousje en stak
+een groote sigaar op. Zoo kon ik nog wat blijven zitten, en peinzen,
+en droomen. Zou ik het nu heusch doen? Zou ik haar ten huwelijk vragen
+en mij hier voor goed in het vreemde land vestigen? Hoe zou dat alles
+moeten gaan? Nadere kennis zien te maken met haar familie, vertellen
+wie ik was, wat ik deed, hoe onze toekomst wezen zou. Dat alles kon
+wel, behoorde tot de mogelijkheden, ja, tot de waarschijnlijkheden,
+als ik inderdaad genoeg volharding had en een onverwoestbare, alle
+bezwaren en hinderpalen trotseerende liefde voor haar voelde. Voelde
+ik nu werkelijk een onverwoestbare, alle bezwaren en hinderpalen
+trotseerende liefde voor haar? Mijn opwinding was eenigszins geluwd,
+de digestie werkte vernuchterend, de restauratie liep langzaam aan
+leeg, de muziek verslapte, de koele werkelijkheid kwam sluiperig
+aangrijnzen. Ik wist niet zoo precies meer wàt ik voelde en verlangde;
+er bekroop mij een pijnlijke twijfel. De garçon bracht mij de rekening,
+dubbel toegevouwen, als een vertrouwelijk document, op een bord. Ik
+houd niet veel van dubbel-toegevouwen restauratie-nota's op een bord,
+vooral niet in een luxe-restauratie. En hier bleek nogmaals, dat
+mijn instinctieve weerzin niet ongegrond was. Ik schrikte letterlijk
+van het bedrag en een waas weifelde vóór mijn oogen. O, die dollars,
+die dollars! En dat men die toch hebben moest, en veel, om daar te
+kunnen leven! Droomde ik? Had ik in mijn eentje voor zulk een bedrag
+gebruikt, of had Maud toch werkelijk mede met mij aangezeten? Ik
+staalde mijn gezicht en opende mijn beurs en in mij drong weer de
+hardnekkig-stugge wil, niet alleen meer om Maud, maar om ook den
+onontbeerlijken dollar te veroveren. Ja, ik wilde, ik zou! Weg, alle
+verslappende, verlammende schimbeelden uit 't verleden! Maud en de
+dollar,.... ik zag ze beiden voor mij, in voelbare bekoorlijkheid; en
+ik rees op en vertrok in den nacht, alleen, maar sterk als duizend, met
+het hypnotiseerend, te bereiken doel vóór mijn jonge, geestdriftige,
+halsstarrig-stralende oogen.
+
+
+
+
+IV
+
+
+--Ja, zeker meneer, had de baas van het hotelletje geantwoord op
+mijn vraag, of er daar ook 's winters op den vijver schaatsgereden
+werd. Zeker, zoodra het ijs sterk genoeg is wordt de sneeuw opgeruimd
+en is het hier een lustig leventje, meneer, van den ochtend tot den
+avond. De heeren hebben meestal in de week niet veel tijd; maar we
+krijgen des te meer dames en kinderen; en die houden er ook wel de
+vroolijkheid in, wees dat maar zeker.
+
+De woorden brandden mij op de tong om hem iets over de mooie Maud
+en haar familie te vragen; maar de liefde maakte mij schuchter; het
+was of mijn gevoelens op mijn aangezicht zouden te lezen staan, en
+'k durfde niet.
+
+Maar ondertusschen het vroor.... het vroor.... mijn ramen stonden
+iederen ochtend vol van de sierlijkste ijsbloemen en een stralende,
+oranje-roode zon tintelde daarin als een gouden stralenbol in
+kanten-zilverweefsel. Was het niet vreeselijk en afschuwelijk op zulke
+dagen, ter verovering van den ellendigen dollar op de kantoorkruk
+te moeten zitten, in plaats van vrij als een vogel over het ijs te
+zweven en van de schoonheid en de liefde te genieten? Ik voelde mij
+half gek worden van zenuwachtigheid en ongeduld; en op een middag,
+stralender en glanzender dan alle andere, hield ik het niet meer uit;
+ik liet den boel in den steek, ik holde naar de West Shore trein,
+om er gauw genoeg te zijn en twintig minuten later stapte ik uit te
+X. en rende met mijn schaatsen onder den arm naar het hotelletje toe.
+
+Ik merkte, of, beter gezegd, ik "voelde," zoodra ik buiten het
+stationnetje kwam, dat er schaats gereden werd. Menschen spoedden
+zich, met sleedjes en schaatsen, in de richting waar ik zelf heen
+wou en ik hoorde een paar straatjongens elkander toeroepen:
+
+--The ball is up!
+
+The ball is up! ik wist wat dat beteekende. Overal, zoodra er kon
+gereden worden, werd een groote, roode bal, rood en groot gelijk een
+winterzon, aan een paal opgeheschen en de liefhebbers wisten alom
+wat dat beduiden wilde.
+
+The ball is up! Ik haastte mij, ik hijgde en zwoegde door de
+glinsterende sneeuw; ik dacht en vreesde: als 't maar geen valsch
+bericht is! Mijn oogen priemden in 't verschiet tusschen de villa's
+en de boomen heen; en eensklaps zag ik hem: ik zag hem glanzend
+hangen in de verte, zoo heerlijk rond en groot en rood vlak naast
+het hotelletje; en meteen zag ik den schoongeveegden vijver en op
+den vijver een bonte krioeling van menschen, die daar heen en weer
+en door elkander zwierden!
+
+Mijn hart ging op; mijn hart ging open! Je moet schaatsenrijder zijn
+en anderen zien rijden, om dat te kunnen voelen! Het is alsof er geen
+ijs meer zou over zijn tegen dat je zelf op 't ijs gaat komen. Het
+kittelt in je beenen; het maakt je dol en bijna kribbig. Het nevelde
+vóór mijn oogen, ik vloog af op een bank waar nog een open plekje
+was, ik maakte mijn schaatsen vast, met bevende vingers. Ik stond op,
+ademde diep, gleed over 't ijs en zwierde....
+
+Ik reed eerst een paar keer den ganschen vijver rond. 't Genot was
+exclusief en absoluut. Ik zag niets anders, voelde niets anders,
+dacht aan niets anders. 't Was als een soort van dronkenheid. Ik trok
+een paar fijne, gecompliceerde figuren, voelde mij dadelijk zoo flink
+en stevig op mijn schaatsen, alsof ik in weken niets anders gedaan
+had. Mijn wangen gloeiden en mijn oogen tintelden.
+
+Er waren weinig heeren, tamelijk veel dames, heel veel kinderen. Ik
+merkte dadelijk, dat zich daar geen buitengewone kunstrijders
+oefenden. Ik had het prettig gevoel, dat ik daar een van de besten zou
+zijn. Enkelen waren aan 't probeeren met figuren, doch 't ging maar
+heel, heel matigjes en ook het rijden van de dames leek mij al niet
+veel bizonders: het was probeeren, sukkelen, en nog al knoeien. Toch
+was 't gezelschap wel elegant; ik merkte hier en daar een aardig
+gezichtje en er was veel uitgelaten vroolijkheid en vrijheid, zooals
+dat altijd is op 't ijs.
+
+Toen zag ik haar, háár, eensklaps!
+
+Ik zag haar heel op 't uiterst eindje van den vijver, in al haar
+schoonheid en haar elegance, bedaard heen en weer rijdend met een jong
+meisje dat het blonde haar nog los over de schouders droeg en dat zij,
+eenigszins beschermend, begeleidend bij de hand hield.
+
+Het gaf mij een plotselinge emotie, alsof ik een bons in mijn maag
+kreeg. Ik wilde dadelijk, als onweerstaanbaar aangetrokken, naar
+haar toe, doch verroerde niet, als met lamheid geslagen. Even werd
+het heel zwak in mijn beenen en het duizelde vóór mijn oogen, alsof
+ik in zwijm zou gaan vallen. Dat duurde wel ettelijke minuten. Toen
+begon ik stilaan te bekomen en reed langzaam in haar richting toe.
+
+Ik wist het zoo te schikken, dat ik haar zou tegenkomen als zij met
+het kleine meisje van het eene eind naar het andere terugkeerde. Dat
+lukte precies. Het had trouwens ook wel niet anders gekund. Ik zag haar
+komen, maar zonder haar in het gezicht te durven aankijken. Ik zag
+alleen tot even boven haar knieën, waar de donkerblauwe rok gracieus
+iets van de vormen harer beenen liet raden; en ik zag natuurlijk ook
+haar voeten, die fijntjes op de schaatsen stonden; en haar enkels,
+die zoo volmaakt waren als enkels kunnen zijn. Eerst toen ze vlak
+bij mij was, keek ik, als bij louter toeval op, deed even of ik
+aarzelde, herkende haar, glimlachte, nam diep mijn hoed af. Ik zag haar
+insgelijks glimlachen, vriendelijk teruggroeten, verder met het kleine
+meisje doorrijden. Een lichte balsem van viooltjesgeur omzweefde als
+een goddelijke hulde de vluchtige ontmoeting. Ik stel mij voor dat ik
+heel bleek moet zijn geworden op dat oogenblik, want ik had het gevoel,
+dat het bloed eensklaps langs alle kanten uit mij wegtrok, om zich 'k
+weet niet waar te gaan verzamelen. Ik kreeg even 't wanhopig gevoel of
+nu plotseling alle kracht uit mij was weggevloden en ik niet meer in
+staat zou zijn nog de minste prestatie te leveren. Ik reed een eindje,
+struikelde ellendig, viel bijna, als een gewone knoei-leerling. Ik
+had wel kunnen schreien van droefheid en vernedering.
+
+Even moest ik aan den oever op een bank gaan zitten. Ik kòn niet
+meer. O, liefde, bloem des levens, dacht ik smeekend, in mezelf,
+verleen mij op dit beslissend oogenblik toch kracht in plaats
+van zwakheid! Het werd iets beter. Het leek wel of mijn vrome bede
+aanhoord was. Ik stond op, waagde mij weer op 't ijs. Ik trok enkele
+krullen. Het ging wel, maar onbewust als 't ware, machinaal, buiten
+mij om. Het was alsof een ander werkte, met _mijn_ beenen. Ik voelde
+mijn beenen haast niet. Ik scheen te rijden met beenen, die niet de
+mijne waren, die niet bij 't overige van mijn physiek wezen pasten.
+
+Daar kwam ze weer terug, met 't kleine meisje. Ze reed wel elegant,
+maar dat gebeurde als van zelf, niet omdat ze iets bizonders kon, maar
+omdat ze van zichzelve zoo elegant en mooi was. De beenen die onder mij
+werkten gingen daarop ook weer vanzelven aan den gang en zij trokken
+waarlijk heel mooie figuren, lastige dingen, die mij zelf ten zeerste
+verbaasden. Enkele schaatsenrijders bleven staan en keken goedkeurend,
+ja, bewonderend er naar. De beenen werkten verder door. Zij maakten
+nòg mooier en gecompliceerder figuren en eensklaps zag ik ook háár
+in den kring der toeschouwers staan, naast het meisje met de blonde
+haren. Als verlamd staakten de beenen plotseling elke beweging.
+
+--Very lovely, indeed! klonk een vrouwenstem achter mij op.
+
+Fluks keek ik om en zag twee levendige oogen glimlachend op mij
+gevestigd. En ik herkende 't bij-de-hand gezicht van "Auntie," die
+mij vriendelijk toeknikte. Zij zat op een bank in de zon; en naast
+haar zaten ook de oudere dame met grijze haren en de oude meneer,
+die ik als de ouders van Maud beschouwde.
+
+Ik nam mijn hoedje af en groette. Ik groette en glimlachte; en de
+beenen die onder mij werkten brachten mij als van zelf naar den
+rand van het ijs toe, vlak vóór de bank, waar "Auntie" zich met haar
+familieleden in 't heerlijk zonnetje zat te koesteren.
+
+"Auntie" stond dadelijk levendig op en vroeg mij waar ik zulke mooie
+dingen wel geleerd had.
+
+Ik antwoordde dat dat gebeurd was in de "old country," in België,
+waar ik altijd heel veel met mijn vrienden had gereden.
+
+--België.... is dat in "Germany?" vroeg "Auntie" met haar intelligente,
+levendig-schitterende oogen.
+
+--Wel neen, antwoordde de oude heer in mijn plaats. België is een
+apart koninkrijk, dat niets met "Germany" te maken heeft.
+
+Ik glimlachte en knikte, bevestigde dat inderdaad België niets met
+"Germany" te maken had. "Auntie" vond dat wel eenigszins vreemd,
+maar de oude heer herhaalde het nog eens met nadruk en ook de oude,
+deftige dame met grijze haren knikte langzaam met het hoofd, om te
+bevestigen dat haar man gelijk had.
+
+Maud en 't kleine meisje waren intusschen dichter bij gekomen. Ik zag
+haar wel naderen, maar deed alsof ik het niet zag. Eerst toen ze heel
+dichtbij waren keerde ik mij half om en groette weer, heel diep.
+
+Maud glimlachte. Zij glimlachte heel eigenaardig en fluisterde iets
+tot 't kleine meisje, dat, als beschaamd of bedeesd, zich om haar
+heen draaide en kronkelde. Toen keek de schoone Maud mij met haar
+prachtige oogen aan en sprak, ook lichtelijk gegeneerd, terwijl zij
+naar het kleintje wees:
+
+--Zij bewondert zóó uw kunsten en wou zoo graag dat u nog eens
+iets deed.
+
+--Heusch? Wou je dat ook zoo graag leeren? vroeg ik op gemaakt-lossen
+toon, mij tot het kleintje wendend.
+
+Zij draaide zich om Maud en knikte met het hoofd.
+
+--Nou dan, zei ik.
+
+Ik keerde mij om en de beenen kwamen in beweging. Ik voelde ze
+niet meer. Ik kan hier de absolute en stellige verzekering geven,
+dat ik mij machinaal voortbewoog op twee voorwerpen, die volstrekt
+niet meer tot mijn lichaam schenen te behooren en waarover ik niet de
+minste controle meer had. Ik geloof dat men er in had kunnen snijden
+of prikken, zonder dat ik het voelde. Ik was ook zeer kortademig
+en onder mijn hoed voelde ik het zweet in dikke droppels op mijn
+voorhoofd parelen. Ik voerde 'k weet niet welke kunsten en figuren uit.
+
+--How lovely! Splendid! hoorde ik achter mij, als in een droom.
+
+Ik hield op, kon niet meer. Ik nam even mijn hoed af en veegde mijn
+voorhoofd droog.
+
+Het kleine meisje jubelde; en ook Maud keek mij met stille bewondering
+aan. Zij vroeg mij iets, hoe ik een bepaald figuur maakte; en ik
+gaf haar met gehorte stem de uitlegging, en deed het haar nog eens
+voor. Zij probeerde 't, struikelde, strekte een hand uit, die in _mijn_
+bevende hand terecht kwam.
+
+Het kleine meisje jubelde, wilde het ook probeeren. Met jonge kinderen
+lukt dat gauw. Ik hield haar vast, zij maakte de krul, riep juichend
+naar de bank toe:
+
+--Oom, Tante, ik kàn het! ik kàn het!
+
+Ik nam haar beide handen en stelde haar voor eens met mij rond te
+rijden. Het ging buiten alle verwachting goed. Het kind was om dol
+te worden van blijdschap. Al haar bedeesdheid was eensklaps over;
+zij kliste zich aan mij vast, wou mij niet meer loslaten.
+
+--Violet, je mag meneer niet lastig vallen, zei "Auntie."
+
+Ik gaf "Auntie" en de verdere familie de stellige verzekering, dat
+Violet mij in het minst niet lastig viel. En nog eens toerde ik met
+'t opgetogen kleintje rond.
+
+Maar Maud was ook aan het studeeren; en toen ik met Violet bij de
+bank kwam, vroeg ze mij of ik haar nog eens wijzen wou hoe die krul
+gemaakt moest worden.
+
+Voor de tweede maal deed ik het haar voor en volgde met gespannen
+aandacht haar beweging, terwijl ze zich oefende.
+
+--Neen, pardon, zoo niet, het linkerbeen naar achter, professeerde ik.
+
+Zij herbegon, maar het ging nog niet. "Auntie" mengde zich in de
+les, riep, van op de bank: "naar achter, naar achter, het linkerbeen
+naar achter."
+
+--Ach! ik zal het nooit kunnen leeren! kreet Maud wanhopig.
+
+--Mag ik u soms even vasthouden? vroeg ik.
+
+--Graag, antwoordde zij.
+
+Ik hield haar vast! Met beide handen hield ik haar zacht en stevig
+vast! En de beenen die onder mij werkten werden eensklaps weer de
+mijne; zij stonden forsch en kloek op het ijs, vertrouwbaar als
+pilaren die het gansche gebouw mijner vurige liefde beschermend
+stutten en droegen.
+
+--Zoo.... zoo.... zoo.... duwde ik haar zacht naar
+rechts. Zoo.... zoo.... zoo.... trok ik haar weer naar links. En
+het ging.... wij zweefden zacht en zwierden en een heerlijke
+viooltjes-lucht dreef als een wierook met ons mee. Haar wangen
+bloosden, haar mond glimlachte en haar oogen schitterden: zij genoot,
+zij was tevreden en gelukkig.... gelukkig door mij!
+
+
+
+Ik weet niet meer hoe lang we zoo gereden hebben. De tijd hield geen
+rekening meer. Ik herinner mij slechts, dat de sneeuw rondom den
+vijver van lieverlede mauve tinten kreeg, dat de droge bladerkruinen
+van het roode eikenbosch gansch purper werden en dat de ramen van het
+hotelletje tintelend vuur weerkaatsten. Het aantal schaatsenrijders op
+den vijver nam zienderoogen af; op de bank waar zij nog steeds zaten,
+schenen Maud's familieleden sinds een poos een stil conciliabuul te
+houden; en eensklaps stond de oude heer stram overeind, wenkte mij
+tot zich en vroeg of ik soms zin had, met hem en zijn familie thee
+te gaan gebruiken.
+
+Ik kreeg den indruk alsof de goede man mij zijn mooie dochter ten
+huwelijk aanbood. Ik had een spontane beweging, alsof ik zou gaan
+zeggen: "O, 't is te veel, meneer; 't is heusch te schitterend wat
+u mij daar voorstelt!" Ik zei evenwel iets anders, wàt weet ik niet
+meer; doch het resultaat was hetzelfde: ik bond mijn schaatsen af,
+hielp Maud en Violet de hare afbinden en enkele minuten later zaten
+wij allen gezellig om een tafeltje in 't lekkerwarm restaurant,
+bij een der groote, heldere ramen, waarachter wij de schoone, roode
+winterzon glanzend in het westen zagen ondergaan.
+
+Ik had een gevoel alsof mijn lot en mijn toekomst nu reeds
+onherroepelijk beslist waren. Ik zat daar zoo goed, zoo vast, zoo
+rustig, zoo veilig, dat het mij haast onmogelijk leek, dat daar nog
+eenige verandering in zoude kunnen komen. Dat was nu eenmaal zoo,
+en dat bleef zoo, ik had mij verder maar vanzelf te laten leven. De
+Amerikaan is gastvrij van aard, maar ook nieuwsgierig. Hij wil heel
+graag, en liefst zonder veel uitstel, zooveel mogelijk van de menschen
+weten waarmee hij omgaat; en op de weinig bewimpelde vragen van mijn
+gasten vertelde ik wie ik was, en wat mij naar Amerika had gebracht,
+en wat mijn naaste toekomstplannen waren. De oude heer keurde dat goed,
+knikte welwillend met het hoofd, deelde mij mede dat hij, hoewel niet
+direkt meer in zaken betrokken, toch nog geregeld, uit oude gewoonte
+en uit onverwoestbare belangstelling, drie en vier maal in de week
+op zijn vroeger kantoor in New York kwam, dat thans in andere handen
+was overgegaan. Zijn "line" was de houthandel geweest, zei hij; hij
+was heel klein begonnen, had prachtige zaken gemaakt en zou er zeker
+ook nog in gebleven zijn als zijn vrouw er maar niet herhaaldelijk
+op had aangedrongen, "that he should sell out his business" om rustig
+buiten te gaan leven.
+
+Mevrouw, die anders weinig sprak, mengde zich in 't gesprek.
+
+--Ik had niets meer aan mijn man; hij zat van 's ochtends tot 's
+avonds op kantoor, beweerde zij. We gingen nooit eens naar theater,
+nooit op reis. En de kinderen werden groot; we moesten hen toch in
+"society" brengen.
+
+Tegenstrijdige gevoelens bestormden mijn ontvankelijk gemoed. De oude
+heer was een "self-made man," dat zei hij zelf, en misschien wel een
+tikje van een parvenu, dat liet hij doorschemeren. Dit schrikte mij
+niet af, boezemde mij geen weerzin in; integendeel: het bracht mij
+nader en gemakkelijker tot het voorwerp mijner vurige liefde. Maar
+wel schrikten mij af de woorden van de moeder: "dat zij de kinderen
+in "society" moest brengen. Society!.... dat waren diners, soupers,
+bals, visites, concerten, theater! Society, dat was.... ja, hoe moet
+ik het anders noemen, dat was de liefdesmarkt, de huwelijksbeurs; en
+hoe zou ik, arme, eenzame, onbekende vreemdeling op die geduchte markt
+tegen de met het terrein bekende en flink tot den strijd toegeruste
+Amerikanen kunnen concurreeren? Ging Maud nu reeds in "society"
+uit; en sinds wanneer? Het brandde op mijn lippen om het te vragen,
+maar ik durfde niet. Ik voelde mij opeens zoo vreeselijk bedeesd,
+zoo droef, zoo machteloos!
+
+Maar de oude heer sprong mij hulpvaardig bij. Society, zei hij,
+niet zonder eenige minachting, lijkt me, voor een flinken, jongen
+Amerikaan een vrij overbodige luxe. Dat moest eigenlijk onder vrouwen
+blijven. Het houdt den jongen man van zijn ernstige bezigheden af;
+het compromitteert meer dan eens zijn toekomst. Een man moet een
+gentleman zijn, dat geef ik toe. Maar als hij netjes gekleed gaat en
+net-gepoetste laarzen draagt, dan _is_ hij ook een gentleman. Meer
+hoeft hij aan "society-life" niet te besteden.
+
+--O, vader! vader! riepen de dames verbolgen. Het kwam mij voor dat
+Maud een lichte kleur kreeg en 't kleintje kronkelde zich lachend
+op den schoot van "Auntie," gansch opgewonden door de prikkelende
+discussie.
+
+Ik hield mij stil en zat benauwd te glimlachen. Ik had reeds meenen
+op te merken dat Papa niet bijzonder geraffineerd was in zijn
+manieren. Hij slurpte aan zijn kop en dronk terwijl hij at. 't Is 'n
+proleet, dacht ik in mezelf en nogmaals was mij die gedachte troostend
+en welkom, omdat ik voelde dat 't mij nader en gemakkelijker bracht
+tot het prachtig voorwerp mijner dolle liefde. Ik voelde mijzelf,
+in de oogen der dames, in waarde stijgen, naarmate Papa, door zijn
+uitvallen, blijkbaar in maatschappelijke waarde daalde. Mama vroeg
+mij, hoe de society-toestanden in de "old country" waren. "Pas nu
+op! dacht ik in mezelf; pas nu in Godsnaam toch goed op! Spaar de
+Papa, maar denk ook aan de Mama." Ik keek, als geïnspireerd, door
+'t breede raam, waarachter de roode winterzon zoo schitterend onder
+ging, nam even een moede, bijna geblaseerde houding aan en zei:
+
+--Ach, wij, in Europa, zijn zoo oud, vergeleken met u. Er heerschen
+daar zooveel tradities, welke hier, in dit krachtige, frissche,
+nieuwe land niet meer gangbaar zouden zijn. Wij zijn dikwijls
+verfijnd, maar wel moe. Wij hebben schoone monumenten en prachtige
+artisten, maar in het praktische leven staan wij zeker wel ten
+achter. Misschien zou het goed zijn voor Amerika als het iets van
+Europa's artistiek-verfijnde beschaving kon overnemen; en zeker
+zou het heilzaam zijn voor ons als wij wat meer van Amerika's fut,
+en durf, en voortgang, en ondernemingsgeest bezaten.
+
+Ziedaar! Het was gezegd! Voor wie nu de innige beteekenis der woorden
+begreep, moest het duidelijk zijn dat het toekomst-geluk der wereld
+verborgen lag in nauwere aaneensluiting der beide rassen. Meer
+aaneensluiting tusschen de staten; en meer aaneensluiting tusschen
+de individuen! Om kort te gaan en duidelijk te zijn, en met
+een afzonderlijk voorbeeld de waarde van een gansche stelling
+te bekrachtigen, een huwelijk b.v. tusschen een Europeaan en een
+Amerikaansche zou het ideaal benaderen. Dit zeide ik natuurlijk niet
+in zulke klare woorden, maar zoo was wel de zin en de beteekenis van
+mijn betoog.
+
+Papa strekte zijn beide dikke handen uit, alsof hij volkomen mijn
+woorden beaamde en Mama en "Auntie" jubelden, terwijl een zachte
+gloed van geestdrift even in Maud's prachtige oogen schitterde. Het
+gesprek werd intiemer, "Auntie" had het nog eens over België en
+stelde voor de tweede maal de vraag of dat land dan toch werkelijk
+niet in "Germany" lag. Papa werd bijna giftig en zei dat zulke
+halsstarrige hardnekkigheid in de dwaling inderdaad aan krankzinnigheid
+grensde. Maar "Auntie" liet zich dat maar zoo niet zeggen. Zij keek
+mij strak met haar levendige, intelligente oogen aan en vroeg mij
+met nadruk of ik er wel heel, héél zeker van was, dat België niet
+in "Germany" lag. Het werd een lastig dilemma voor mij. Durfde ik
+beweren dat België wèl in "Germany" lag, dan was ik voorgoed verloren
+in de oogen van Papa en met Papa verloor ik waarschijnlijk ook Maud;
+durfde ik beweren dat België niet in "Germany" lag, dan verbeurde ik de
+sympathie van "Auntie," en, dit voelde ik héél sterk en instinctmatig,
+"Auntie" met haar bij-de-handheid, kon mij, òf veel goed, òf veel kwaad
+doen bij Maud. De liefde maakt laf, en slap, en zwak; en, in plaats
+van rond voor de waarheid uit te komen, draaide ik schipperend om de
+pot, zei dat ik mij best kon voorstellen, dat Amerikanen, gewend aan
+zulke groote landen als het hunne was, een nietig strookje als België
+op de wereldkaart niet zoo gemakkelijk ontdekten, en dat het niet de
+eerste maal was dat België's bestaan als eigen koninkrijk in twijfel
+werd getrokken, en dat zulks nog wel meer gebeuren zou,.... enfin,
+de lafheid zelve, zoodat ik mij schaamde om mijn woorden en het als
+een goddelijke zegening aanvaardde toen de kleine Violet, door een
+wispelturig gebaar, haar kopje omgooide en mij van de heup tot de
+knie met warme thee besproeide.
+
+Dat gaf een afleiding en Violet kreeg een standje; en, ik zou mij
+niet meer kunnen herinneren naar aanleiding van wat, maar toen werd
+er, zonder overgang, over kunst gesproken. Ik vertelde met vuur van
+onze schrijvers en beeldhouwers en schilders. Papa viel mij dadelijk
+in de rede en zei, genoegelijk en voldaan glimlachend, dat hij zich
+ook zeer voor schilderkunst interesseerde en mij, met gelegenheid,
+eenige mooie doeken in zijn huis zou laten zien. Mijn hart stond
+even van emotie stil. Hoezoo! Waren we reeds zooverre gevorderd dat
+ik bij hem aan huis zou mogen komen! Ik betuigde met geestdrift mijn
+bereidheid om die wonderen te aanschouwen.
+
+--U zal dan meteen ook het werk van mijn dochter kunnen zien,
+glimlachte Papa met vaderlijken trots.
+
+Als door een veer bewogen keerde ik mij tot de mooie Maud om.
+
+--O, werkelijk! Schildert u! jubelde ik.
+
+--Ach! het heeft niets te beteekenen, antwoordde zij blozend; en
+richtte gegeneerd haar prachtige oogen ten gronde.
+
+Er werd een afspraak gemaakt. Den volgenden dag was de familie
+verhinderd (society, dacht ik bij mezelf met diepe bitterheid) maar
+den dag daarop, als ik tijd had, zouden ze mij op het ijs ontmoeten
+en mij dan na het rijden naar hun villa meenemen.
+
+Of ik ook tijd had! In werkelijkheid had ik geen tijd, moest er mijn
+ernstige zaken voor verwaarloozen, maar of ik ook tijd maken zou! Papa
+bromde wel, dat men mij niet van mijn "business" mocht afhouden, daar
+ik een flink "American" moest zien te worden; maar ik stelde Papa
+gerust, gaf hem de stellige verzekering, dat ik juist heel toevallig
+dien dag absoluut niets uit te voeren had.
+
+De zon was onder, haar roode na-gloed kleurde nog het gansche westen,
+als voor een schimmenspel van reuzen, en de verlaten vijver kreeg
+vale metaalglanzen, terwijl het eikenbosch langzamerhand tot zwarten
+nacht versomberde tegen het strakke wit der sneeuw.
+
+Papa stond op en gaf het sein tot den aftocht.
+
+--Gaat u soms een eind met ons mee? vroeg hij.
+
+Wat hij mij vroeg was net wat ik verlangde en met mijn schaatsen in
+de hand stapte ik naast de familie heen.
+
+De scherpe avondkoude prikte. Het zou nog eens flink vriezen, dien
+nacht. Wat zal er van mij worden, dacht ik meteen, als het eens niet
+meer vriest? Ik moest maar hopen, dat de dooi niet al te gauw zou
+invallen; dat hij niet komen zou alvorens mijn liefde, alvorens _onze_
+liefde vast aan elkaar geklonken was.
+
+Ik liep een pas of tien vooruit, met Maud en "Auntie." De boomen
+van den weg welfden hun naakte kruinen als een hoogen tunnel over
+ons heen. Links in den donkerblauwen hemel blonk reeds een ster,
+heel zuiver, heel helder, als een eenzaam, fijn juweel; rechts, in
+'t rood der ondergegane zon, hing een fijn schilfertje maan, als
+een antiek sieraad. Een bende wintervogels wiekte hoog, met fijne,
+schrille kreten het glanzend westen in.
+
+Wij keuvelden over diverse dingen. "Auntie," die nog steeds
+veel belang in de "old country" stelde, wilde o. a. weten hoe de
+welgestelde menschen aldaar 's zomers leefden. Ik vertelde haar van
+de buitenverblijven, van de bergen, van de luxe-badplaatsen.
+
+--Vrijwel hetzelfde als bij ons, meende "Auntie." En zij deelde mij
+mede dat zij 's zomers meestal voor een poosje naar Newport gingen,
+en dan naar Saratoga in de bergen en in den herfst naar Lennox,
+allemaal plaatsen waar het heel aardig en "smart" was.
+
+"Society" sidderde ik in mijzelf. En weer dacht ik: "Als we nu maar
+stevig genoeg aan elkaar geankerd zijn alvorens de dooi invalt!"
+
+Bij een kruispunt van den weg bleven zij staan. Daar moesten zij
+de laan op naar hun villa en wachtten even op Papa en Mama, die met
+Violet aangekuierd kwamen.
+
+Ik nam mijn hoed af en begon handdrukken te wisselen. Al de handdrukken
+die ik wisselde waren, zooals van zelf spreekt, slechts aanleidingen
+tot den afscheidshanddruk, dien ik met Maud zou wisselen.
+
+Ik voelde al mijn zintuigen tot het uiterste gespannen en gescherpt. Ik
+keek haar aan met mijn enthousiaste oogen en 't kwam mij voor of
+in haar afscheidsblik een ongewone teederheid van streeling en van
+zachtheid lag. Ik drukte haar de hand en hield die eventjes, héél
+eventjes langer dan strikt-noodig was in de mijne en 't kwam mij voor
+alsof zij deze drukking ook heel eventjes met een extra-drukkingje
+beantwoordde, alvorens mijn vingers los te laten. Het stroomde door
+mijn heele lichaam heen als een electrische trilling; zoo iets dat
+langs mijn armen naar mijn schouders opklom, daar even mij doorrilde
+en dan langs mijn rug en langs mijn beenen in den grond verdween.
+
+Het stoomde als 't ware in mijn hoofd van woelende en gloeiende
+gewaarwordingen en gedachten. Het was alsof ik grooter was geworden
+en of mijn lichaam, evenals mijn geest, tot aan de ideale sterren
+reikte. Ik liep met veerkrachtigen tred recht vóór mij uit, heuvel
+op, heuvel af en toen ik ietwat tot bezinning kwam merkte ik,
+dat ik èn de aanlegplaats der "ferry's" èn het station van de West
+Shore Railroad reeds lang voorbij was. Never mind! Ik was niet in
+een stemming om ergens te gaan zitten of te wachten; ik had behoefte
+aan beweging; ik moest loopen, lóópen, en denken, en plannen maken,
+en hardop praten in de nachtelijke eenzaamheid: en ik liep maar steeds
+verder, gesticuleerend onder de sombere boomen; ik liep te voet naar
+New York terug, niet meetellend mijn moeheid en den afstand, ik liep
+als een gek, al het andere vergetend in de wilde opbruising van mijn
+hartstochtelijke liefde.
+
+Af en toe bleef ik plotseling staan. Dan rees opeens, als een spook,
+het beeld van het verleden vóór mij op. Wat! Zou ik werkelijk den
+moed hebben mij voor altijd in het vreemde land te vestigen? Zou ik
+nooit meer in 't lieve Vlaanderen gaan leven? Zou ik nooit meer de
+bekoorlijke dorpjes Meylegem-Noord en Meylegem-Zuid, en de mooie,
+kronkelende Leie en Tieldeken, en de freule van 't kasteel, en mijn
+oude vrienden: de Groote Dichter, de Groote Schilder en zelfs de
+eenmaal diep-gehate Groote Musicus terugzien! Het suisde en woelde
+pijnlijk in mijn overspannen hoofd; ik voelde mijn ziedende hersenpan
+als een soort gistkuip waarin, onder mysterieuze en folterende werking,
+mijn toekomst werd gebrouwen. Maar wie weet? Misschien zou zij zelve
+wel in Vlaanderen willen komen leven? Als ik dàt kon bereiken, dan
+was mijn overwinning totaal! Hoe trotsch zou ik zijn, met haar, in
+al haar bloeiende, overweldigende schoonheid, ginds, in mijn land,
+bij al wie mij kende! Wat een triomf om met haar over de Leie te
+gaan schaatsenrijden en daar even op te houden in de bocht vóór het
+kasteel, het trotsch kasteel, en haar schoonheid en de kunsten die
+ik haar geleerd zou hebben te vertoonen voor de hoogmoedige freule,
+en voor den verwaanden baron met zijn grijze bakkebaarden, en voor
+al de lui die ons daar destijds zoo smadelijk genegeerd of bejegend
+hadden! Dàt moest ik zien te bewerken en te bereiken; dàt was mijn
+taak, mijn levenstaak, ik voelde het ineens met alles-overweldigenden
+aandrang, en ik liep maar steeds verder en verder; luid-pratend
+en gesticuleerend langs den wit-besneeuwden, eenzamen weg onder de
+stralende tinteling van den sterrennacht heen, tot ik eindelijk in
+'t verschiet de eerste lichtjes der geweldige wereldstad zag flikkeren.
+
+Daar begon, of, beter gezegd, daar eindigde de electrische tramlijn;
+en niets is meer ontnuchterend en werkelijker dan het begin of het eind
+van een electrische tramlijn. Daar gaat een matter-of-fact-stemming
+van uit, die alle romantisme en ideaal terstond op 't tweede
+plan verschuift. Ik zuchtte zwaar en mijn schoone illuzies zakten
+op den geheimsten bodem mijns harten neer. De buurt was vuil en
+banaal-leelijk, zooals elke buurt waar een electrische tramlijn
+begint of eindigt; maar op den hoek was er toch nog een "bar" van
+niet gansch onoogelijk uiterlijk en als vanzelf trad ik er binnen
+en bestelde er een cocktail. Ik vroeg den "barkeeper" of hij mij wel
+een Manhattan-cocktail zou kunnen toebereiden.
+
+--Cèrtainly, sir, antwoordde de man, met nadruk op de eerste
+lettergreep, alsof het immers vanzelf sprak, dat in zulk een
+merkwaardige gelegenheid als de zijne, de fijnste "drinks" werden
+klaargemaakt. En inderdaad, het ding smaakte heerlijk, misschien ook
+wel omdat ik zulken dorst had en zoo flink geloopen had.
+
+Ik stak een sigaret op en in den blauwen rook liet ik mijn droomen
+gaan. Wat was het leven toch heerlijk en wat stond de schoone wereld
+glanzend-wijd vóór mij open! Ik bestelde een tweeden cocktail. Een
+zalige moeheid zonk loom in mijn beenen. Had ik nu maar een mooi
+rijtuig met een vlug span paarden om mij thuis te brengen, dacht
+ik. Thuis! Ik had daar immers geen thuis! Mijn huis was verre, verre,
+in het mooie Vlaanderen. Even schroefde een heimweeïge emotie mij de
+keel toe en ik kreeg tranen in mijn starre oogen. Neen, ik bezat hier
+geen thuis; ik was hier de vreemdeling, bijna de banneling; maar zij
+had wèl een thuis, een heerlijk home dat ik weldra zou mogen zien;
+en ik droomde dat dat heerlijk home nu ook _mijn_ home was en dat
+haar rijtuig met de mooie schimmels vóór de deur van 't kroegje stond,
+om mij bij haar, in haar schoone armen, naar huis te voeren. Voor de
+deur van 't kroegje stond inderdaad een rijtuig; maar 't was de zeer
+prozaïsche electrische tram, waarvan de wattman en de conducteur den
+beugel omsloegen.
+
+Ik betaalde, stond op, en vertrok met de electrische tram.
+
+
+
+
+V
+
+
+De dag, de groote dag, de dag van mijn bezoek bij Maud's familie,
+was aangebroken.
+
+'t Was stralend mooi weer, nog mooier dan al de vorige dagen. De
+winterzon glansde heerlijk en de stille, in het verschiet lichtgrijs-
+en blauwwazige lucht was prikkelend zuiver en sonoor van geluiden
+op den hard-bevroren grond. 't Was als een winterfeestdag in de
+reine lucht.
+
+Al van in den vroegen ochtend had ik mij aandachtig in den spiegel
+bekeken en bestudeerd welk pak en welke das mij het best zouden
+staan. Dit is volstrekt geen geringe of onbeduidende zaak. Wij, mannen,
+hebben ook zoo bitter weinig wat ons eenigszins kan opsieren. Mijn
+teint was door de zon reeds flink gebruind; ik moest dus iets vinden
+dat daarbij paste. Ik probeerde 't eerst met een donkergrijs pak en een
+steenroode das. Het stond mij niet kwaad, maar 't maakte mij wat dik;
+'t voldeed mij niet.
+
+Ik trok een zwart pak aan, met blauwe
+das. Afschuwelijk! Afschuwelijk! 'k Zag er net uit als een burgerman
+op zijn zondagsch. Ik wist niet hoe gauw ik dat uittrok. Toen paste ik
+gewoon een donkerblauw pak aan met zwarte das en hield mij daarmee
+tevreden. Het stond wat streng, wat dor, maar 't miste niet een
+zekere, sobere distinctie. Een paarlen speld fleurde het trouwens
+nog al op. Ik voelde mij daarin wel niets als een veroveraar, maar
+ik viel me toch nog al mee wanneer ik mij in den spiegel bekeek.
+
+Om twaalf uur was het een heele kwestie wat ik wel eten zou. Er stond
+Irish Stew op 't menu en daar hield ik heel veel van, maar ik dacht
+er niet aan, vanwege de uien. Misschien zou het zelfs beter zijn
+als ik maar heelemaal niets gebruikte. Dat maakt lichter, ideëeler,
+spiritueeler. Een mensch die stevig gegeten heeft is dikwijls log en
+loom en zwaar; een mensch, die een enkelen maaltijd laat voorbijgaan,
+krijgt iets voornamers, iets superieurs. Maar.... de maag bestond ook
+nog, en die is zeer materialistisch aangelegd, zoodat ik eindelijk
+besloot te transigeeren: mijn inferieur wezen zou "iets" krijgen en
+mijn superieur wezen ook iets; en dat loste zich op voor 't eerste
+in een zeer fijne, maar heelemaal niet overvloedige "lobster-salad"
+en voor het tweede in een glas spuitwater in plaats van bier. Daarmee
+trok ik op.
+
+De familie was reeds druk aan 't schaatsenrijden, toen ik op het
+ijs aankwam. Maud was met inspanning de krul aan 't instudeeren,
+die ik haar twee dagen te voren geleerd had, en 't kleintje, Violet,
+kwam naar mij toegevlogen van zooverre zij mij zag en riep jubelend
+dat zij het kunstje kende, terwijl haar tante Maud nog steeds aan
+'t knoeien en aan 't zwoegen was. Zij deed het mij voor, werkelijk
+heel aardig; en toen beleefde ik een van mijn grootste triomfen:
+ik merkte met den eersten oogopslag wat er nog aan 't werk van Maud
+ontbrak: een kleinigheid, een niets, maar dat gedaan moest worden om
+'t figuur te kunnen maken. Ik wees het haar, vroeg of ik haar even
+bij de hand mocht nemen; en daar ging het ineens: zij snapte 't,
+zij wàs er, zij maakte zonder moeite het figuur drie en vier maal
+na elkaar; en zij keek mij met zulk een stralende dankbaarheid, met
+zulk een glans, ja, met zulk een hartstocht en met zulk een liefde
+in haar mooie oogen aan, dat ik er als bedwelmd onder werd en even
+van emotie naast Papa en Mama en "Auntie" op de bank moest gaan zitten.
+
+Het was een gelukkige, een diep-gelukkige middag! Er komen zoo
+van die dagen, waar alles meewerkt, evenals er andere dagen zijn,
+waarop alles tegenvalt. Er hing als 't ware geluk en voorspoed in de
+atmosfeer; alles was licht, alles was vroolijk, alles ging gemakkelijk
+en als van zelf. Maud genoot; zij genoot als een frisch, jong kind in
+juveniel geluk van 't kunstje dat ik haar geleerd had; zij was blij
+en dankbaar en beschouwde mij als een soort redder en een held, als
+een die voor haar ongekende hemelen van genot en van geluk geopend had.
+
+Wij reden en kringelden tot wij moe, doodmoe waren; wij reden ieder
+op zichzelf en wij reden samen; en als wij samen reden was het, voor
+mij althans, een zaligheid waarvoor geen woorden zijn te vinden;
+wij reden en wij bleven rijden; en ik weet niet wanneer wij er wel
+mee zouden uitgescheiden zijn, als niet de zon achter den heuvel
+was verdwenen, wat voor onmiddellijk gevolg had, dat Papa en Mama en
+"Auntie" eensklaps een ijzige koude voelden in hun rug, en meteen van
+de bank opstonden, en verklaarden dat het tijd, hoog tijd was om nu
+naar huis thee te gaan drinken, zooals afgesproken was.
+
+Wij bonden af en waren klaar. Dezelfde schoone avondzon die al die
+laatste dagen mijn geluk beschenen had, ging met ons mee langs den
+besneeuwden weg, verlichtte met haar laatste, oranje-gouden stralen
+het weeldepad van al mijn zaligheid. Maud was zóó verrukkelijk schoon
+in dien langzaam aan tanenden glans, dat zij mij weer voorkwam als
+een soort godin, bij vergissing op de aarde neergedaald. Ik had haar,
+als krankzinnig van hartstocht willen omhelzen; en ik had ook voor
+haar in de sneeuw willen neerknielen, en haar aanbidden, en tranen
+van geluk schreien aan haar voeten.
+
+Bij het kruispunt van den weg sloegen wij rechtsaf en stapten den
+heuvel op. Waar zou het zijn? Waar zou het zijn? dacht ik bij elke
+villa, die wij langs kwamen. Maar 't liep een heel eind verre: het
+liep tot boven op den heuvel, tot op een punt waar heel alleen een
+laatste, groote villa stond die, ik voelde 't instinctmatig, hààr
+"home" wezen moest.
+
+Zoo was het ook. Papa keerde zich om, keek mij, met ietwat ijdelen
+glimlach aan en zei:
+
+--We zijn er.
+
+Hij duwde een hekje open en wij betraden het erf, dat dik onder de
+sneeuw lag. De boomen en de heesters droegen witte watten; een pad was
+tot de stoep gebaand, die toegang gaf tot een veranda, welke rondom
+'t huis liep.
+
+Het zicht van daar uit, was onvergelijkelijk grootsch en schoon. Ik
+juichte, ik jubelde, ik vroeg of ik eens rond mocht loopen, om dat
+te bewonderen. Zij vergezelden mij, om van mijn verrukking mede
+te genieten.
+
+In 't Westen brandde de zon haar laatste, roode stralen weg over
+een wijde uitgestrektheid van stilte en verlatenheid. De sneeuw
+was roze en violet, een enkel huisje hier en daar stond als vergeten
+kinderspeelgoed in de wijde ruimte; een bosch donkerde, dicht en zwart,
+als een rouwkleed op 't glinsterend wit van een verderen heuvel. Een
+paar fabrieksschoorsteenen staken hun rechte pijpen in de hoogte,
+zonder de schoone rustige harmonie van het landschap te storen.
+
+Naar de oosterkim was 't schouwspel gansch verschillend. Daar lag in
+de diepte de prachtige Hudson met zijn vaalgroen water tusschen 't
+wit van de besneeuwde oevers. Kleine dingetjes dreven er in schuinsche
+vaart dwars overheen, wijd-uitloopende, witte strepen achter zich naar
+de kanten stuwend; en die kleine dingetjes waren de groote, machtige
+"ferries" die heen en weer van en naar New York voeren. De huizen
+tintelden van lichtjes aan de overzijde; en gansch aan 't einde van
+den horizont, naar 't Zuiden toe, was 't of daar ergens een vulkaan
+in werking was: lichtschichten flikkerden, rookkolken somberden
+en een machtig-zware stem kwam in doffen ondertoon tot hier verre
+aangewaaid: de grootsche stem van New York met al zijn duizenden,
+en duizenden door elkander warrelende geluiden, waar af en toe, als
+een noodkreet, de snerpende gil van een locomotief, of het langgerekt,
+klagend geloei van een stoomboot-sirene, aangrijpend uit opklonk.
+
+Ik stond daar, en 'k had er uren kunnen blijven om te zien en te
+genieten. Ik had er willen staan alleen met hààr en ons beiden van die
+geweldige poëzie laten doordringen: een poëzie, grootsch en machtig
+als de overweldigende, bijna vernietigende liefde, die in mijn boezem
+voor haar bruisde. Maar "Auntie" kreeg het koud, "Auntie" was bang
+voor "chills" en huiverde; en Papa opende met een fijn sleuteltje de
+zwaar-bewerkte, eikenhouten voordeur en wij traden binnen.
+
+Hij draaide aan een knopje en in de "hall" ging electrisch licht
+op. Het licht glom kleurrijk en gedempt in een hanglamp van groen,
+rood en oranje glas en ik kreeg dadelijk een plechtigen en weelderigen
+indruk, als in een oostersch paleis of in een kerk. Zware kasten
+stonden tegen de wanden, rijke tapijten hingen aan de muren; een
+donkerroode looper liep langs een monumentale trap naar boven. Links
+hing een groot schilderij, zwaar, somber, onduidelijk. Ik ging er
+recht op af, om alvast te bewonderen; maar Papa hield mij tegen,
+zei dat ik daar maar niet moest naar kijken, wijl het niet veel te
+beteekenen had. Hij hielp mij mijn jas uittrekken en haakte die aan
+een gewei dat tot kapstok diende; en nog eens aan een knopje draaiend
+duwde hij een zijdeur open en verzocht mij binnen te gaan.
+
+Ik liet de dames voor en trad in een salon, door Papa gevolgd.
+
+Door breede, heldere ramen zag ik den laatsten, rooden zonnegloed
+in 't Westen, over het wijd-ingesneeuwde, eenzaam veld. 't
+Was heerlijk-schoon, gelijk een vizie van apotheose. 't Was om
+er naar te blijven staren en te droomen. De zachte warmte van
+een gedempt-gloeiende vulkachel vulde 't vertrek met een egale,
+koesterende luwheid en men had den indruk van veilig in een serre,
+of in een lente-atmosfeer te staan, gezellig genietend met de oogen
+van al 't schoone dat daarbuiten lag, zonder de onaangename scherpheid
+van de koude te voelen.
+
+--O! hoe prachtig! Hoe prachtig! jubelde ik.
+
+Maar Papa deed zenuwachtig en als 't ware eenigszins gehinderd. Laat
+ons de gordijnen dichthalen en licht aansteken zei hij; anders kunnen
+wij de schilderijen niet goed zien.
+
+De schilderijen! 't Was waar ook! Ik was daar immers gekomen om zijn
+schilderijen te bewonderen! Ik had het reeds vergeten, zoo diep had
+mij het mooie vergezicht door de ramen geboeid.
+
+Mama drukte op een schelknop en Papa stak alvast een lamp met roze kap
+op, die zacht op een onyxen tafeltje gloeide. Een hupsch dienstmeisje
+kwam binnen en haar werd bevolen de gordijnen dicht te trekken en
+theewater te brengen.
+
+Een voor een werden de schoone, weidsche tafereelen als 't ware
+uitgewischt. 't Was of een groote, ruwe, schennende hand ze met
+doodkleur oververfde. Het was alsof licht en ruimte uit de wereld
+verdwenen. Toen dat gedaan was stak Papa nóg een paar lichten op;
+en, zich met iets kinderlijk-triomfants tot mij omkeerend:
+
+--Look now! zei hij.
+
+Ik keek....
+
+Wat er ook gebeuren kon en wat ik ook te zien mocht krijgen, vast
+had ik mij voorgenomen in ieder geval te bewonderen. Ik was op alles
+voorbereid, ook op het ergste; maar wat ik zag leek mij op 't eerste
+gezicht nòg erger, dan het ergste dat ik mij had voorgesteld.
+
+Het waren in de eerste plaats portretten; en ik herkende Papa en Mama
+en "Auntie" en ook, o gruwel, Maud! Zij waren geschilderd als door
+een dolle neger, iets zóó geweldig onartistieks en leelijks, dat ik
+de woorden op mijn tong voelde verstijven. Het waren als gekleurde
+poppen uit een panopticum of kermis-kraam, van die dingen welke de
+handen doen kittelen om er met ballen naar te gooien en waar men
+'s nachts van droomt, in nachtmerrie-benauwing. Zij waren gefigeerd,
+dood, gedrochtelijk. 't Was iets zóó overweldigend-affreus, dat ik
+terstond besefte zelfs geen middenweg in mijn appreciatie te kunnen
+gebruiken: ik moest ofwel mijn afkeer uitgillen, ofwel blindelings en
+onvoorwaardelijk goedkeuren en bewonderen; en ik deed het laatste, met
+een ignobele valschheid en lafheid, met de kruiperige lafheid van den
+smoorverliefde: een daad, een wandaad, waar ik mij nu nog over schaam.
+
+Papa zette 'n hooge borst op, kuchte, kreunde als 't ware van
+trotsch genoegen, terwijl Auntie's felle oogen flikkerden en Mama
+met eenigszins bescheidener genoegen hoofdknikte en beaamde:
+
+--Oh yes, they are very lovely, indeed.
+
+Maud, met een zachte kleur over haar wangen, stond in stilte te
+genieten.
+
+Opgetogen leidde Papa mij verder rond. Ik zag een knoeierig "sous-bois"
+konterfeitsel uit een niet-bestaande streek, vuil plagiaat van
+Courbet; een marine als van gegolfd karton waarop papieren schuitjes
+dobberden, een berglandschap met sneeuwtoppen, als geklopte room op
+chocolade. Maar glunderend bracht Papa mij bij 'n kleiner schilderijtje
+in een hoek en zei, terwijl zijn stem even van emotie hikte:
+
+--En dit is 't fijnste wat ik heb.
+
+Het was een ijsgezicht uit Volendam, met de kleine poppenhuisjes
+langs den dijk, met de witte kapjes en de witte klompjes, met de
+visschers en de visschersvrouwen, die in hun nationale kleederdracht
+op schaatsen reden. Het ding was akelig netjes en banaal geschilderd
+als een chromo; 't was eigenlijk om bij te huilen en te snikken; maar
+ik jubelde alweer met laffe uitbundigheid; ik zei dat het precies zoo
+was in werkelijkheid en daarop omringden zij mij allen en deden mij
+vertellen, en vroegen naar allerlei bijzonderheden uit die streek
+en zeiden dat zij 't vaste voornemen hadden een of anderen dag dat
+verrukkelijke land te gaan bezoeken.
+
+Horizonnen van zaligheid gingen in mijn verbeelding voor mij open. O,
+zou ze toch werkelijk.... in de "old country", zoo heel dichtbij mijn
+eigen land eens komen! En, als ze daar eenmaal was, wie weet of zij
+er niet zou willen blijven, met mij.... met mij.... als mijn beminde,
+als mijn vrouw! Het duizelde in mijn geest; het was tè schoon, tè
+heerlijk, ik mocht mij niet zoo in vervoering laten meeslepen. Verder
+liep ik rond, zag nog meer monsterdingen, bleef eindelijk voor den
+vleugel staan, waarop een heele rij fotografieën prijkten. En daar
+zag ik weer Papa, en Mama, en "Auntie" en ook Maud, doch nu in al
+hare verrukkelijke schoonheid, in baljapon en laag gedecolleteerd,
+als de prinses uit een sprookje. Ik werd er plotseling jaloersch van,
+wild-jaloersch omdat anderen vóór mij haar zoo hadden mogen zien en ik
+voelde 't heete bloed naar mijn wangen opgolven, terwijl een zwoele
+hartstochtsnevel vóór mijn oogen schemerde. Meer andere, meestal
+knappe portretten stonden naast het hare en Papa vertelde mij van
+wie die waren: Isabel, zijn oudste dochter en Violet's moeder, die in
+California woonde; Basil, zijn zoon, die in Philadelphia getrouwd was
+en verder nog enkele familieleden en goede vrienden. Achter Maud's
+portret stond dat van een jongmensch met banaal-knap gezicht en
+donkere snor, die mij voorkwam eenigszins op haar te lijken. "Is dat
+ook een zoon van u?" vroeg ik aan Papa. "No, a friend," antwoordde
+hij, een vriend, die in New York woonde, maar voor 't oogenblik een
+lange reis maakte voor handelszaken in Australia.
+
+Op een schrijftafeltje bij 't raam stond een kleine aquarel en ik
+voelde (je kunt zoo van die voorgevoelens hebben) dat dit iets was,
+dat Maud geschilderd had. Ik ging er naar toe, boog er mij over heen,
+bekeek het met aandacht; en, mij weer oprichtende, kalm, met ernstige,
+als 't ware beheerschte bewondering:
+
+--Dit is 'n aardig dingetje, zei ik.
+
+Ik zag het vuur over Maud's wangen komen en 'k dacht dat Papa van
+overmoed ging omvallen.
+
+--Weet u van wie dat is! riep hij,.... En hij verklapte 't, zwellend
+van vaderlijken trots.
+
+Ik hield mij heel, héél kalm en ernstig, alsof mij een gebeurtenis
+werd meegedeeld van zulk een overweldigend gewicht, dat het besef
+ervan eerst in mij moest bezinken. Ik ging weer naar het tafeltje toe,
+bekeek de aquarel met uiterst ingespannen aandacht, richtte mij op,
+staarde, alsof ik geen woorden vond om mijn gevoelens uit te drukken,
+het jong meisje aan.
+
+--'t Is buitengewoon knap! kon ik eindelijk uitspreken.
+
+Papa jubelde:
+
+--En zeggen dat ze er zoo met dozijnen heeft, boven, op haar
+boudoir! Laat ze meneer toch eens zien, Maud.
+
+--Zou het u heusch interesseeren? vroeg zij blozend.
+
+Ik zou mij niet meer kunnen herinneren wat ik op die ontroerende
+woorden antwoordde. Ik herinner mij enkel dat ik de felle, op mij
+gerichte oogen van "Auntie" even met een eigenaardige uitdrukking
+zag flikkeren en dat Mama mij vroeg of ik niet eerst even een kop
+thee wilde drinken.
+
+Ik weet ook niet, of ik voor dan na 't bezoek op het boudoir die kop
+gedronken heb. Dikwijls heb ik daar met spanning over nagedacht en
+ben het nooit met mijzelf eens kunnen worden. Ik weet alleen dat ik
+een kop gedronken heb, vóór of na 't bezoek op het boudoir.
+
+Maar wel weet ik nog dat de salondeur openging, dat ik met haar in de
+"hall" kwam, in het mysterieuze gedempte licht der Moorsche hanglamp
+van groen, rood en oranje glas, en dat ik over den donkerrooden looper
+met haar de trap op ging.
+
+'t Was als een bruidsmarsch naar boven, als een nuptiale gang. Ik
+had geen de minste moeite om mij in te denken in 't geval dat ik
+met haar getrouwd was en dat wij samen, als man en vrouw, naar onze
+slaapkamer gingen. Op 't eerste trapportaal duwde zij een witte deur
+open, draaide licht aan, verzocht mij binnen te treden.
+
+Alles was er van een lichte kleur, amandelbloesemachtig-teer en 't
+geurde er bedwelmend naar fijne viooltjes. Er waren gemakkelijke,
+lichtkleurige fauteuils; er was een groote, lichte divan, breed als
+een bed.
+
+Hier nu te blijven, dacht ik, en nooit meer weg te gaan! En even
+sloot ik mijn bedwelmende oogen. Hier te blijven, haar in mijn armen
+te nemen, haar te omhelzen en te zoenen, als in een hemel op aarde. En
+'k wachtte, roerloos, strak, alsof het nu komen zou, alsof het vanzelf
+zou gebeuren, omdat het werkelijk, zooals in mijn verbeelding, niet
+anders kon.
+
+Zij ging naar den divan toe en haalde van achter de rugleuning een
+lijvig album te voorschijn. Zij lei die op den divan open, schoof
+twee stoelen bij en verzocht mij te gaan zitten.
+
+Ik nam plaats, machinaal, als in een droom.
+
+Ik hoorde haar lieve, zachte stem en begreep niet wat zij zei. Ik zag
+haar langzaam, een voor een, de bladen van het album omkeeren en had
+niet het minste benul van wàt ik zag. Ik uitte klanken, die van mijn
+bewondering moesten getuigen, maar kende geen verschil tusschen een
+landschap en een zeegezicht. Ik ging op kleuren af, op felle vlakken,
+die nog eenigszins mijn elementair-geworden waarnemings-vermogen
+troffen. En aldoor waande ik mij in een wonderoord, in een hemelschen
+tuin, in een Paradijs, waar het heerlijk naar viooltjes geurde.
+
+Ik weet niet door welke kracht of welke vrees ik aan de verleiding heb
+weerstaan mijn arm om haar middel te slaan en in wilden hartstocht
+haar blanken hals te zoenen. Het had best kunnen gebeuren en nu
+nog begrijp ik niet, dat het niet gebeurd is. Maar het is niet
+gebeurd. Toen ik alles goed gezien had en bewonderd, deed zij het
+album dicht, stond op en ging het weer op zijn plaats, achter de
+rugleuning van den divan, schuiven. Daarmee was mijn bezoek op haar
+kamer afgeloopen. Daarmee mocht ik heengaan, bevredigd of onbevredigd,
+ik weet het zelf niet meer. Ik weet alleen dat plotseling een groote
+kilheid in mij doordrong en dat ik huiverde, als van scherpe kou. Het
+was alsof ik van een reuzen-inspanning verlost werd. Ik had het gevoel
+dat ik tusschen twee uitersten had gestaan: een formidabele ramp en
+een onuitsprekelijk geluk; en dat ik veilig aan de vreeselijke ramp
+ontkomen was, zonder echter het hemelsche geluk te proeven. Ik werd
+ineens heel kalm. De wilde crisis was over; ik kon gewoon weer als
+een gewoon mensch voelen en denken. Ik beefde nog een weinig toen ik
+met haar naar beneden kwam en ontweek machinaal den fel-vorschenden
+blik van "Auntie;" maar ik kon althans spreken; ik kon in woorden mijn
+waardeering en bewondering uiten en die zelfs met eenige consequentie
+en welsprekendheid motiveeren. Zij luisterde met ernst naar mij;
+zij keek mij aan, met dankbaarheid en sympathie.
+
+Toen dronk ik thee. Het zal me steeds een kwelling blijven mij niet
+meer te kunnen herinneren, of ik, al dan niet, ook thee dronk vóór
+ik met haar naar boven ging, maar dat ik thee dronk toen ik weer
+beneden was, ja, dat herinner ik mij nog heel duidelijk. Ik dronk
+thee en nam met bevende vingers een paar koekjes. En ik bleef niet te
+lang voor dat eerste bezoek; ik wist heel goed mijn tijd te kiezen;
+ik vertrok in het bewustzijn dat ik een gunstige impressie achterliet.
+
+Bij 't afscheidnemen drukten wij elkaar de hand. Onze oogen
+keken elkander sprekend aan en ik hield haar vingers in de mijne,
+misschien een halve seconde langer, dan volstrekt noodig was. Trok
+zij instinctmatig hare hand terug, of liet ik die instinctmatig
+los? Ik weet het niet meer. Maar die halve seconde voelde ik in mij,
+als een duizelingwekkende overwinning. Ik liep bedwelmd naar de deur,
+door Papa begeleid; en 't oogenblik daarna stond ik, in den scherpen
+vriesavond, op de schemerwitte sneeuw van den eenzamen weg.
+
+Ik liep in snellen pas een honderd meters en bleef dan even staan. Al
+de miljoenen sterren van den schoonen donkerblauwen hemel schenen
+voor mij alleen te tintelen en te bloeien. Wat was de wereld groot
+en mooi! Wat was het leven zalig! Ik stak een sigaret op en voelde
+mijn oogen glinsteren in den nacht. En eensklaps had ik het besef
+dat mijn bestaan heel waardevol en dierbaar was geworden en dat ik
+heel goed er voor zorgen moest. Ik voelde mij ineens moe, doodmoe
+en uitgeput, maar toch zalig-moe en uitgeput. Ik had genoeg gedaan,
+dien dag; ik had het maximum bereikt van wat ik kon verwerken; en in
+plaats van nu nog verre te gaan loopen, zooals ik eerst van plan was,
+trok ik huiverig den kraag van mijn jas op en ging doodstil en kalm
+in de wachtkamer van de West Shore op mijn trein zitten wachten.
+
+De gansche wereld woelde als 't ware in mij om en de menschen liepen
+langs mij heen als in een droom. Ik was het centrum van 't bestaan
+geworden. Even sprak ik hardop in 't stille van de wachtkamer en
+merkte niet eens dat de overige reizigers mij vreemd aankeken. Toen
+de trein voorkwam stapte ik er machinaal in en toen hij een half uur
+later in het Pennsylvania Depot stilhield, stapte ik er machinaal uit,
+zonder beseft te hebben dat ik er mee gereisd had.
+
+'t Was etenstijd en ik had honger, en toch zou ik niet eten. Mijn
+maag pijnigde en mijn slokdarm was als dichtgeschroefd. Ik kocht
+een krant, keek er in, gooide hem dadelijk weg. Ik nam hem weer op
+en keek met inspanning naar de huwelijks-aankondigingen. Was ik nu
+heelemaal overstuur en gek?
+
+Ik trad een "bar" binnen. Ik was er nauwelijks of reeds speet het
+mij dàt ik er was. Ik liep er weer uit zonder iets te gebruiken. Ik
+hoorde een kort hoongelach van den barkeeper.
+
+Toen begreep ik dat alles ontheiliging was, wat mij ook maar eventjes
+aan de gedachte van háár kon onttrekken en zonder nog naar iets te
+kijken of te zoeken liep ik recht naar mijn ongezellige pension-kamer
+toe en sloot er mij met mijn ziedende gevoelens en gewaarwordingen op.
+
+Ik dronk veel water en rookte sigaretten, mijn strak-starende oogen
+in het onbestemde vóór mij heen gevestigd.
+
+Ik had vizioenen waarin mijn gansche leven en verleden vóór mij
+heen zweefde. Ik dacht aan mijn tehuis, aan 't schoone Vlaanderen,
+aan mijn vrienden, aan Tieldeken van Meylegem, en aan de freule van
+'t Kasteel. Er kwamen tranen in mijn oogen, die langzaam over mijn
+wangen vloeiden....
+
+Zoo overviel mij eindelijk de slaap. Rillend van de koude werd ik
+wakker, gooide mijn kleeren uit, kroop in mijn bed.
+
+De torenklok van de Pennsylvania sloeg twaalf uur.
+
+Ik kroop tot mijn hoofd onder de dekens en droomde van Paradijzen.
+
+
+
+
+VI
+
+
+Kunst is een heerlijk iets. Kunst loutert de ziel van den mensch
+en verheft hem hoog en nobel boven de kleinzielige sleur van 't
+alledaagsche leven. Kunst is de bloem des levens. En kunst is liefde,
+liefde in den schoonsten en den ruimsten zin van 't woord.
+
+Dit mocht ik met volzaligheid ervaren gedurende de vele dagen en de
+lange weken, die op mijn eerste bezoek aan Maud's ouders volgden.
+
+Het ijs is niet eeuwig, tenzij aan de Noordpool en omgeving, en ook
+wel,--'t spreekt van zelf,--aan de Zuidpool en omgeving; en met angst
+zag ik de dagen langer worden en voelde ik de zon luwer en warmer
+schijnen, terwijl het ijs op den vijver steeds zachter werd en de
+sneeuw die er omheen lag zienderoogen wegsmolt.
+
+De lastige en gecompliceerde kringen welke onze schaatsen trokken
+over de gladde oppervlakte lieten er,--schrijnende emblemen van alle
+vergankelijkheid,--nog nauwelijks zichtbaar hun sporen na; en 't
+werd mij meer en meer en o zoo droevig duidelijk hoe al die schoone
+kunst voor goed verloren ging. Maar het lot waakte als een trouwe
+beschermengel over mij en naarmate de ijskunst in het niet verzwond,
+ontwaakte en leefde steeds intenser in mij,--en in ons beiden: in Maud
+en mij,--de koesterende heerlijkheid van den breederen, blijvenden,
+algemeenen kunstzin op.
+
+Dat was aldus gekomen door 't bezichtigen van die monster-schilderijen
+in Papa's huis en vooral door 't bezoek op Maud's boudoirtje en het
+bewonderen van haar aquarellen-album.
+
+Vast en zeker geloof ik, dat het ontstaan en 't zich ontwikkelen
+van het kunstgevoel in 't algemeen, van dien ontroerenden tijd
+in mijn leven dagteekent. Ik moet haar in die dagen dingen hebben
+gezegd,--wàt al weet ik niet meer,--dingen, die het geloof in haar
+levendig maakten, dat zij een groot talent als schilderes bezat,
+terwijl ze van mij den indruk moest krijgen, dat ik, ondanks al mijn
+verregaande bescheidenheid, over een buitengewoon ontwikkelden en
+scherpen critischen kunstzin beschikte.
+
+Hoe dan ook: toen het ijsvermaak dien winter onherroepelijk onder den
+alles nivelleerenden en verwaterenden dooi verloren en verdronken
+was geraakt, hielden onze gezellige relaties daarmee niet op. Wel
+integendeel. Ik vertelde haar van mijn voorname artistieke vrienden uit
+de "old country;" van den Grooten Schilder, van den Grooten Dichter en
+zelfs van den Grooten Musicus; en die verhalen boeiden haar bovenmatig;
+haar wangen kleurden en haar oogen tintelden; zij had ze willen
+kennen; zij snakte naar een meer artistiek en intellectueel milieu;
+en zij bekende mij met treurnis dat haar gewone leven en omgeving in
+Amerika haar dikwijls zoo banaal en zoo prozaïsch scheen. Zij had
+de wereld willen zien, de artistieke wereld: Parijs, Londen, Rome;
+zij stelde zich wonderen voor van 't heerlijk leven der artisten in
+die groote steden en zij vroeg mij of ik daar niet dikwijls heentoog,
+en er weken en maanden verbleef, om mij op te frisschen, om mij als
+het ware aan die bron van louter heerlijkheid te laven en te herdoopen.
+
+Ik loog er maar wat raak op los. Ik vertelde van mijn bezoeken
+in Parijs, welke zich in dien tijd feitelijk tot één enkel bezoek
+bepaalden en van mijn herhaalde verblijven in schilders-milieux,
+welke zich ook al beperkten tot één enkel milieu: dat van een
+Belgisch schilder, die toentertijd in Frankrijk's hoofdstad woonde
+en mij eens op zijn atelier ontvangen had. Inderdaad had ik haar meer
+pikants kunnen vertellen over mijn vroegere verhouding tot het mooie
+Tieldeken van Meylegem en tot de mooie freule van 't Kasteel; maar,
+vreemd genoeg, daar dacht ik op dat oogenblik niet aan.
+
+Met dat al werd onze kennismaking gaandeweg intiemer en het duurde
+niet lang of zij inviteerde mij om af en toe eens, als ik tijd had,
+een uurtje bij haar te komen doorbrengen.
+
+Tijd of geen tijd, ik maakte tijd, natuurlijk; en zoo kwam het als
+van zelf, dat ik daar ook wel eens bleef lunchen en dineeren, tot
+het ten slotte een vaste regel werd, dat ik er elken Zondag kwam en
+er geregeld het middagmaal gebruikte.
+
+Ik verscheen zoowat tegen vier uur en gebruikte thee met de gansche
+familie. Dat was als de inleiding, als de inwijding tot het groot
+geluk dat volgen zou. Zij zat daar, mijn aangebeden schoone, in den
+banalen huiskring en zij deed mee als ik in het banaal gesprek over
+banale dingen; maar onze oogen spraken tot elkaar een intiemere taal,
+waarin heerlijke werelden van geluk zich soms in één enkelen zwijgenden
+blik openbaarden. Ons lichamelijk wezen was daar, maar onze geest,
+onze ziel, ons ideaal leefden, en trilden, en jubelden hoog en verre
+daarboven en daarbuiten; en zoodra het behoorlijk kon stond zij op
+en noodde zij mij om verder met haar alleen te gaan keuvelen.
+
+Met haar alleen! Telkens weer bracht het mijn gansche wezen als in
+duizeling. Het was steeds weer voor mij van zulk een overweldigend
+geluk, alsof een schoone hemel genadig voor mij openging. Ik volgde
+haar, bij slecht weer op haar kamertje, bij mooi weer naar buiten,
+in het lenteveld, waar nu de eerste bloemen fleurden; en het waren
+ofwel bespiegelingen zonder eind in de geparfumeerde gezelligheid van
+'t lichte boudoirtje, ofwel lange wandelingen door de velden en de
+bosschen, in die mooie maar verwaarloosde Amerikaansche natuur, die,
+zelfs tot in de onmiddellijke nabijheid der groote steden iets oerruws
+en wilds behouden heeft.
+
+Ik kon het voor mijzelf nooit precies uitmaken wat ik wel prefereerde:
+thuis bij haar te zijn of met haar te gaan wandelen. En eigenlijk was
+het net eender, want waar ik ook met haar was, slechts één gedachte
+bezielde en vervulde mij geheel en al: mijn vurige liefde en hoe ik
+haar die eindelijk verklaren zou.
+
+Want dat dit moest en zou gebeuren zat zoo vast als een spijker in mijn
+brein. Het zou en moest gebeuren, het kon niet anders; maar wanneer,
+maar hoe: dat was de groote vraag!
+
+Booze plannen spookten in mijn geest, die mij tot een spoedige,
+ja, tot een gebruskeerde beslissing stuwden. Een stem riep in mij,
+geweldig-dringend: sla nu toch eenvoudig je arm om haar middel en
+geef haar een zoen! En ik voelde werkelijk mijn arm, die naar haar
+toe wilde en pijn deed, omdat ik hem tegenhield. Doe dat niet, hou
+je stil, waarschuwde een andere stem in mij; en die nuchtere, koele
+stem des verstands verstijfde mij, deed mij ijzen. En dan was er ook
+nog een derde stem, een raadselachtige, die nooit iets duidelijks
+zei, maar aldoor glimlachte en spotte. Die heimelijke stem deed mij
+telkens denken aan 't gezicht van "Auntie" met haar felle spot-oogen;
+en 'k was er banger voor dan voor de ernstig-waarschuwende stem, want
+ofschoon ze niets duidelijks zei, dacht ik toch altijd weer te hooren:
+"En vooral, maak je niet belachelijk!"
+
+Zoo was het dan ook wel een soort van verlichting voor mij als het
+boudoir-uurtje of de wandeling in 't veld was afgeloopen. Dan was de
+twijfelstrijd althans geëindigd en in 't gezelschap der gansche familie
+voelde ik weer de geheime verstandhouding tusschen haar en mij, die
+ons daar beiden op een apart en als 't ware superieur plan stelde. Dan
+zeiden weer de oogen wat de mond nog niet had durven uitdrukken. Dan
+voelde ik haar heel, heel dicht bij mij, veel dichter dan wanneer we
+werkelijk alleen waren. Dan,.... ja,.... dan had ik misschien wel,
+als het mogelijk was geweest, mijn arm om haar middel durven slaan
+en op haar frissche wang een zoen geven. Dan voelde ik mij vrij en
+onbevangen; en alleen de oogen van "Auntie," die ik altijd, altijd
+raadselachtig om mij heen zag loeren, hielden het bewustzijn in mij
+levendig, dat ik eigenlijk in het geheel niet vrij noch onbevangen was.
+
+Het diner was dikwijls iets heel eigenaardigs. Mijn Europeesche
+smaak had zich van lieverlede wel wat aangepast aan de Amerikaansche
+toebereiding der spijzen; maar toch kwamen nog telkens van die
+verrassingen voor, waarop ik in het geheel niet geprepareerd was en
+die mijn innerlijk-materieele wezen in plotselingen opstand deden
+steigeren. Zoo werd ik eens vergast op "oystersoup." Dat waren uit
+hun schaal gehaalde en in melk gekookte oesters. Als verschrompelde
+stukjes caoutchouc of als doode slakken lagen zij daarin te zwemmen;
+en het gerecht, dat sterk gepeperd en gekruid en met beschuit bestrooid
+was, lag vol met groote, dikke, witte vellen.
+
+Ik dacht te zullen sterven. Ik had het gevoel, nog vóór ik één lepel
+proefde, dat mijn keel als met een muur was dichtgemetseld en dat
+het alles langs mijn neus zou uitkomen.
+
+--Houdt u er niet van! riep Papa met de grootste verbazing.
+
+--Jawel zeker, antwoordde ik machinaal, maar ik ben er niet aan
+gewend. En ik proefde een lepel, met draaiende oogen.
+
+--Laat u 't maar staan, zei goedig Mama, die wel merkte dat ik
+niet kòn.
+
+--Neemt u 't mij niet kwalijk? smeekte ik en lei mijn lepel neer.
+
+De anderen smulden er lustig op los, ook Maud. Zij vonden 't allen even
+heerlijk. Papa slurpte van genoegen en Auntie's oogen flikkerden bijna
+uitdagend, zóó fel genoot ze. Zij hadden allen het diepste meelijden
+met mij en zeiden, met een soort van spijt, dat ik toch heusch nog
+geen Amerikaan was. De kleine Violet keek over haar lepel naar mij op
+en kreeg een lach-crisis. Zij vond het zoo "funny" die groote meneer,
+die nog geen "oystersoup" kon eten!
+
+Na den eten nam Papa mij dan naar zijn werkkamer mee om een
+likeurtje te drinken en een sigaar te rooken. Ook dàt was wel een
+zware dobber. Papa strekte zich met de sigaar tusschen de lippen
+in een gemakkelijken stoel uit alsof hij doodmoe was en begon over
+"business" te praten. Aldoor, en nog, en uitsluitend, praatte
+hij over "business." Het woord "dollar" klonk aanhoudend als een
+hardnekkig leitmotiv in zijn gesprek door en de reusachtige fortuinen
+schenen zich als 't ware in tastbare vormen om hem heen te stapelen,
+terwijl zijn koonen bloosden van al de weelde die hij in en om zich
+heen droeg. Telkens weer herhaalde hij hoe hij met niets begonnen
+was, hoe hij gewerkt en gezwoegd had, hoe hij er eindelijk gekomen
+was. Hij lag daar als de heldere, integrale parvenu die het hoogste
+heeft bereikt wat een ordentelijk mensch kon wenschen te bereiken,
+en die nu mag genieten, die nu móét genieten, vetgemest in een geluk,
+dat slechts door ziekte of door 't einde van het leven meer verstoord
+kon worden. Hij kreunde in zichzelf van wellustig genieten, hij
+aanbad zichzelf, hij keerde zich soms half om op zijn fauteuil en
+sloot even zijn oogen, om nog inniger en warmer te genieten. En hij
+gaf mij goeden raad, hij ondervroeg mij over mijn eigen zaken met
+welwillende genadigheid; hij achtte het niet uitgesloten, dat ik er
+wellicht ook zou komen.
+
+--In dit land, orakelde hij, is plaats en rijkdom voor een ieder;
+maar men moet willen. In Europa, voegde hij er met meelijdende
+geringschatting aan toe, is alles te oud, te versleten; daar is niets
+meer te beginnen. Er bestaat slechts één land op de wereld: Amerika.
+
+Daarmee was de sigaar doorgaans opgerookt en het likeurtje gelepperd
+en wij gingen terug naar het salon, waar wij de dames vonden. Zij
+ontvingen er ons met vriendelijken glimlach in een zachte atmosfeer
+van gedempt licht en 't was voor mij als 't komen in een mooien tuin
+met frissche bloemen na de barre rotswoestijn van Papa's gebusiness en
+gedollar. Maud's oogen hadden dan meestal een lieflijken, vredigen
+glans in het getemperd schijnsel van de lampen en Mama's grijze
+haren golfden sierlijk en deftig om haar frisch gebleven gezicht,
+terwijl Auntie's wezen in de halve schemering waar zij bij voorkeur
+zitten ging, zich eenigszins verschrompelde en vertroebelde, met
+minder fellen glans van oogen, alsof zoo bij het einde van den
+dag een waas van droefheid kwam over haar toch eigenlijk mislukte
+oude-vrijstersleven. Dan voelde ik nog sterker, door 't kontrast, al de
+frissche jeugd en schoonheid van 't jong meisje; en 't zong in mij, o,
+'t zong zoo heerlijk van intiem geluk en opwellende groote illuzies;
+en ik voelde mijn jeugd en háár jeugd daar regeeren en alle mogelijke
+rampen trotseeren en alle mogelijke hinderpalen overwinnen.
+
+Maar Papa, moe van al zijn dollar-gepraat-en-geluk, strekte zich
+alweer op een leunstoel lang uit en Violet begon aan haar oogjes
+te wrijven en zich, lichtzeurderig, tegen haar grootmoeder aan te
+vleien. 't Werd tijd voor mij om heen te gaan en langzaam stond ik
+op. Het moment van afscheidnemen was telkens als een geweldige en
+angstwekkende gebeurtenis voor mij. Van de wijze waarop ze mij aankeek
+en een hand gaf, hing het geluk van den dag en van de gansche, daarop
+volgende week af. "Auntie" herleefde even uit de schemering weer op
+en haar oogen flikkerden om dat waar te nemen.
+
+Soms keek Maud mij bij het afscheidnemen "gewoon" aan en gaf
+ze mij "gewoon" de hand. Dan werd het koud in mij, alsof ik van
+binnen verkilde en 't was alsof er diepe snikken naar mijn keel
+opbonsden. Maar soms lachte zij met stralende oogen en drukte mijn hand
+iets warmer en langer dan strikt noodig was; en dan kon ik niet gauw
+genoeg weg zijn om met die laatste volzalige impressie te vertrekken;
+dan liep ik als een gek, bijna luid-jubelend, het hoofd stoomend van
+liefde, den weg af; en in den trein die mij terug naar New York voerde
+zat ik glimlachend als een kind naar mijn geluk te staren.
+
+
+
+
+VII
+
+
+Maar dat moest eindigen en op een of andere wijze tot een beslissing
+komen. De lente bloeide nu volop over het land en er hing alom als een
+blijde, lichte feeststemming in de atmosfeer. De wereld herleefde na
+den langen, guren winter, er heerschte drukte overal, men voelde als
+'t ware toekomstplannen in ieder mensch dien men ontmoette.
+
+Ook Maud en haar ouders spraken reeds over wat ze dien zomer zouden
+doen. Behalve 't gewone verblijf aan zee en te Saratoga gedurende de
+heete maanden en de najaarsvacantie in het mooie Lennox, stond ook
+nog een reisje in de Adirondacks voor Mei of Juni op 't programma. En
+'t was reeds half April.
+
+Even was er sprake van geweest, of ik soms met hen mee zou gaan. Maar
+Papa was dadelijk verontwaardigd opgevlogen, niet dat hij mijn
+gezelschap ongewenscht achtte, maar wijl het immers vanzelf sprak,
+dat een jonge man die zijn positie maken moest, niet zijn zaken in
+den steek kon laten. Als Papa slechts had kunnen vermoeden hoe graag
+ik wèl mijn zaken op dat oogenblik had in den steek gelaten, wat zou
+hij met verbazing opgekeken hebben! Maar met dat alles was de kans
+voor mij verbeurd en ik putte mij vruchteloos uit in gedachten hoe
+ik haar vóór dat vertrek naar 't geduchte "society-leven" vast aan
+mij verbinden zou.
+
+Het toeval kwam mij te hulp. Eens, terwijl ik op een glanzend-mooien
+namiddag, na kantoortijd door Fifth Avenue slenterde zag ik, langs
+het trottoir, twee gestalten vóór mij uit loopen, die ik in 't gewemel
+van de elegante wandelaars terstond herkende: Maud en "Auntie!"
+
+Mijn hart stond even stil, en ook mijn beenen stonden stil. Ik had op
+mijn verhaal te komen, om te beramen wat ik doen zou: haar ongemerkt
+blijven volgen; of naar haar toe gaan en haar aanspreken!
+
+Terwijl ik, jagend van ontroering, twijfelde, bleven zij op haar
+beurt stilstaan, geboeid door de uitstalling aan het raam van een
+luxe-winkel. Zij keken met de grootste aandacht, heelemaal in beslag
+genomen door iets wat ik niet zien kon; en, na een korte aarzeling,
+trokken zij den winkel binnen.
+
+Ik had 't gevoel van iemand, die een prooi beloert, welke niet mag
+ontsnappen. Ik moest en wilde en zou haar zien, wat er nu ook gebeurde;
+en schijnbaar kalm ging ik naar den winkel toe, kalm en slenterend,
+als een wandelaar die nu eenmaal goed den tijd heeft om alles op
+te nemen wat hem ook maar eenigszins interesseeren kan. Ik zag een
+roomkleurige rez-de-chaussée omlijst met goud en aan beide kanten
+van de deur twee groote spiegelramen. Op een van die ramen stond in
+sierlijke gouden letters slechts de voornaam "Véronique" geschilderd
+en op het andere raam het woord "Modes."
+
+Met een bonzend hart en quasi-geboeide belangstelling keek ik naar de
+uitstalling. Die was gauw genoeg gezien. Op een gedistingeerd fond
+van lichtmauve fluweel verrees, tusschen crême kantgordijnen, een
+ebbenhouten pin, en boven op die pin, een dameshoed: één enkele. Dat
+was alles; verder niets! Achter het tweede raam precies hetzelfde
+schouwspel: één enkele hoed op één enkele ebbenhouten pin, met
+daaronder, tusschen de crême kantgordijnen, de gedistingeerde kale
+vlakte van het lichtmauve fluweelen fond. Ik besefte dat ik daar
+onmogelijk lang kon blijven staan en reeds bewoog ik mij, met een
+zucht van teleurstelling, verder op, toen plotseling de deur geopend
+werd en een schelle stem, Auntie's opgewekte stem, mijn naam uitriep,
+terwijl "Auntie"-zelf, met een levendig gebaar der rechterhand,
+mij tot zich wenkte.
+
+Ik veinsde de grootste en aangenaamste verrassing. Wel, wel, wat 'n
+chance "Auntie" daar zoo gansch onverwacht te ontmoeten! Maar Auntie
+liet mij den tijd niet aan mijn gevoelens van verbazing lucht te geven;
+zij vertelde mij op gejaagden toon, dat Maud daarbinnen was om zich een
+zomerhoed te koopen; maar dat het gesprek met die Fransche modiste, die
+slechts gebroken Engelsch kon, niet vlotte; en dat ze mij juist voorbij
+het raam zag passeeren en mij verzocht als tolk te willen dienen.
+
+Dat is de eerste maal van mijn leven geweest, dat ik als tolk heb
+gefungeerd en nog voel ik er, na zooveel lange jaren, de emotie en
+den trots van na.
+
+Maud stond daar, met de modiste, in den luxe-winkel en met een kleur
+van dankbaarheid kwam ze naar mij toe en drukte mij, in een soort van
+hartstochtelijke blijdschap, de hand. Dat staalde mij, dat ridderde
+mij als 't ware in 't harnas en met hoog voorhoofd en vastberaden
+blik stapte ik op de toonbank toe, waarachter madame Véronique in al
+haar glorie troonde.
+
+Madame Véronique scheen daar te regeeren, als een hoogepriesteres
+in haar tempel van de godheid Mode. Zij stond, groot en zwaar,
+in glimmend-zwarte zijde, als gepantserd in haar ongenaakbaarheid
+en zij zag mij tot haar naderen met een koelen, kouden blik van
+geheime, stille hostiliteit. Blijkbaar verkocht zij haar hoeden als
+gunsten; en zij verwaardigde zich eenige meesterstukken van haar
+kunst, die achter haar in glazen kasten prijkten, te vertoonen,
+en vermelde telkens daarbij, met nauwelijks bewegende lippen, de
+duizelingwekkende hoedanigheden van het wonder en noemde even prijzen,
+die mij, in figuurlijken zin, gewoon in zwijm deden vallen. Ik herinner
+mij o. a. een zoogezegd "matelotje" met een of andere pompon of prul
+er op, waarvoor ze "tirty dollàr" zooals ze 't in haar eigenaardig
+taaltje uitdrukte, rekende.
+
+Maud glimlachte, genietend; Maud was gelukkig. Welke jonge mooie vrouw
+is niet gelukkig in een mode-winkel? Zelfs de verschrompelde "Auntie"
+was gelukkig en haar felle oogen flikkerden van genot. De mooie
+Maud paste een voor een de dure hoeden op haar hoofd en bekeek zich
+daarbij welgevallig in de spiegels. Al haar bewegingen waren van een
+uitnemende gratie en wanneer ze zoo een kunststuk met beide opgeheven
+armen boven op haar kapsel zette kreeg ik telkens den bedwelmenden
+indruk, alsof die mooie armen streelend om mijn hoofd heen gingen,
+om mij te omhelzen.
+
+Het was als een voortdurende gedaantewisseling, die telkens weer andere
+gevoelens in mijn zwaar-verliefde ziel omwoelde. Soms zag zij er uit
+als een aanbiddelijke jonge bruid en het was mij te moede of ik in de
+kerk het orgel hoorde spelen, terwijl wij samen statig tot het altaar
+naderden. Een ander tooisel stond haar veel te wuft en deed mij pijn;
+een derde, dat te rijk was en te deftig, verwijderde haar van mij.
+
+De keuze was lastig. Voor de ramen stonden slechts de twee hoeden op
+hun ebbenhouten pinnen,--dat was gewilde eenvoud, ter wille van de
+deftige distinctie,--maar daarbinnen waren er genoeg; en er waren er
+nog meer, want toen Maud bijna alles had gepast wat achter de glazen
+kasten schitterde, drukte madame Véronique op een schelknop en een
+binnendeur schoof plechtig open, en boven op een trapje van drie treden
+verscheen een mooi jong meisje met blond haar en sierlijk-volle buste,
+aan wie de hoogepriesteres een kort bevel gaf.
+
+Ik keek in een zaal, een soort van troonzaal met hooge, lichte ramen,
+waar nog meer knappe, jonge meisjes over fijn werk gebogen zaten. Men
+hadde gezegd, de ingetogen suivantes eener onzichtbare feeën-prinses in
+gewijde aandacht bezig aan de schoonste wondermaaksels. En 't mooie,
+blonde meisje bracht nog meer hoeden te voorschijn: hoeden die op haar
+blank vuistje door de lucht schenen te zweven met sierlijk-wegdrijvende
+kantensluiers; met bloemen die men meende te ruiken en met glinsterende
+vogels die men dacht te zien vliegen; zij bracht er nog en nog, van
+alle vormen en van alle kleuren, tot het oog er duizelig van werd en
+de knieën van vermoeidheid knikten.
+
+Toen maakte Maud ten slotte een keuze: iets dat Papa wel met een
+chèque zou betalen; en als toetje nam zij er ook nog 't matelotje bij:
+dat van "Tirty dollàr."
+
+Madame Véronique neeg, genadig. Met mindere minachting en hostiliteit
+keek zij mij aan en eventjes schemerde zelfs in haar oog iets
+leuk-ondeugends als van heimelijke verstandhouding. Plechtig werden
+de deuren van de troonzaal weer dichtgeschoven; en 't blonde meisje
+begeleidde ons tot aan de deur, terwijl madame Véronique weer
+hiëratisch-strak achter haar toonbank stond, als de onverstoorbare
+godin, die het hoogheilige van haar altaar nooit verlaten mag.
+
+Ik ademde luid toen we weer buiten in de vroolijke drukte van Fifth
+Avenue waren en de beide dames moesten hartelijk lachen en vonden,
+dat ik een buitengewoon-geschikte tolk was geweest. Zij verkeerden
+in een opgewekte stemming; er was ook iets aanstekelijks-opwindends
+in de zachte lente-atmosfeer, die als een rooskleurig waas over de
+deftige hooge huizen en het jeugdig groen der boomen tooverde; en,
+daar wij in de buurt van "Sherry's" kwamen, stelden zij mij voor
+in die chicque gelegenheid met haar thee te gaan drinken, wat ik
+natuurlijk zonder aarzelen aannam.
+
+Het was er "chic," het was er "smart," nog meer dan ik wel dacht. Het
+zat er vooral vol met elegante en overvloedig bejuweelde dames die
+gewinkeld hadden en een symphonie van parfums steeg je van op den
+drempel, niet zonder eenige benauwing, naar het hoofd.
+
+Hier heb je nu een stuk "society," zoo dacht ik, met een vagen weemoed
+in mezelf; een proef, als 't ware, van wat deze, die ik zoo vurig
+bemin, weldra, verre van mij weg, gaat opzoeken en genieten. Zij was
+daar reeds in haar milieu, zij werd gegroet, van rechts en links en
+groette terug, met den lieven glimlach van haar mooie oogen; en het was
+mij te moede alsof ze reeds mijlen en mijlen van mij was verwijderd,
+alsof ze langzaam aan werd opgenomen en verloren raakte in een kring,
+waar ik haar nooit meer zou kunnen bereiken.
+
+--U kent hier zeker weinig menschen? vroeg "Auntie" die blijkbaar
+met haar scherpen zin mijn bevreemding opmerkte.
+
+--Niemand, bekende ik, ietwat gegeneerd en vaag verdrietig.
+
+--Er komen hier veel lui, die wij ook 's zomers in Newport, Saratoga
+en Lennox ontmoeten, deelde "Auntie" mij mee. 't Is nogal aardig,
+begrijpt u; het wordt zoo'n beetje als één groote familie.
+
+Een dikke, hoewel nog betrekkelijk jonge meneer kwam voorbij, bizonder
+elegant gekleed, met lakschoenen en witte slobkousen, die buigend
+groette en even stilhield, alsof hij naar ons toe zou komen, om de
+dames aan te spreken, maar die toch verder doorging, nadat hij een
+vluchtigen en, naar het mij voorkwam, ietwat verwonderden en bijna
+geringschattenden blik op mij had neergeworpen.
+
+--Mister Bunk, fluisterden gelijktijdig Maud en "Auntie," alsof 't
+een heel bizondere personage gold. En met geboeide oogen zagen zij hem
+verder gaan en nog aan vele tafeltjes groeten en handdrukken wisselen.
+
+--Dat is de beroemde mister Bunk, de groote valseur, die al de elegante
+cotillons in Saratoga leidt, vertelde mij "Auntie," op een toon van
+bewonderingsvolle vertrouwelijkheid.
+
+Ik voelde mij als door een wesp gestoken. Zonder eenige reden kreeg
+ik plotseling een hekel aan dien poen; en het ontsnapte mij:
+
+--'n Valseur! Maar die man is veel te dik om te dansen!
+
+--Dat zou u niet zeggen als u hem walsen zag! antwoordde "Auntie"
+snibbig. En Maud beaamde, door een zwijgend hoofdgeknik, haar tante's
+woorden.
+
+Ik werd zenuwachtig. Ik voelde instinktmatig iets van gevaar, iets als
+een te duchten vijand in dien man. Hij was daar in zijn atmosfeer,
+in zijn milieu; en ik stond er buiten. Het prikkelde en ergerde
+mij, dat ik er buiten stond. Dat was nu eenmaal de "society," hààr
+"society," waar ik niet thuis bij hoorde; en ik wilde er bij behooren,
+om harentwille!
+
+Er steeg een plotselinge vlam van waan en hoogmoed naar mijn
+hoofd. Waarom zou ik ook niet eens groot en chic doen, zooals al die
+lui welke daar zaten of rondliepen en die met het geld, dat trouwens
+hun eenige beteekenis uitmaakte, konden gooien alsof het heelemaal
+geen waarde had? Ik keek Maud en "Auntie" met strak-geïnspireerde
+oogen aan en vroeg:
+
+--Zou u mij niet het genoegen willen doen, en zouden ook uw ouders
+mij niet het genoegen willen doen, eens met mij te komen dineeren,
+vóór het vertrek naar uw zomervacantie-oord?
+
+Verrast en eenigszins verwonderd keken Maud en "Auntie" mij, en daarna
+ook elkander aan.
+
+--Gaarne.... ik toch wel.... en ook mijn ouders, denk ik, antwoordde
+langzaam Maud, een lichte kleur krijgend.
+
+--Ik vind het dol, dól! jubelde "Auntie" met stralende oogen. Niets wat
+ik liever doe dan eens in een fijn restaurant te gaan dineeren. Waar
+zou het zijn? vroeg ze mij op den man af, mij met haar felle oogen
+aankijkend.
+
+--Delmonico? stelde ik voor. Delmonico, of Martin's, als u 't verkiest,
+of Waldorf Astoria, 't is mij eender.
+
+--Delmonico! Delmonico! Ik ben verzot op Delmonico! juichte "Auntie."
+
+Ook Maud vond dat een heel geschikte, aardige gelegenheid. Het werd
+ineens bepaald en de datum voorloopig vastgesteld. Wij lachten en
+jubelden alle drie en ik voelde mij trotsch als een prins. Mijn
+vluchtige gedruktheid was heelemaal overwonnen; ik stond ineens als
+'t ware midden in háár kring, in de "society" en de verwaande poen
+van daar straks kon mij geen zier meer schelen. Ik zag hem nog een
+oogenblik, terwijl wij opstonden om Sherry's te verlaten; ik zag hem,
+gebogen steunend met zijn beide, zwaarberingde handen op een tafeltje,
+waaraan elegante dames zaten, die met schitterenden tanden-glimlach
+en levendige oogen tot hem neigden; en 't deed mij goed dat ik hem
+eventjes moest storen om voorbij te kunnen: hij zette met zijn te dikke
+lijf de smalle ruimte af waar wij doorheen moesten; en onder het wijken
+gooide hij een halfvol kopje om, wat hem even met verbolgen blik naar
+mij deed omzien, iets dat ik mij alweer in het geheel niet diende
+aan te trekken, want het gebeurde was zijn schuld en niet de mijne.
+
+In de zachtroze lenteschemering, die 't drukke New York als met
+een uitstraling van apotheose-licht overgoot, begeleidde ik Maud
+en "Auntie" tot aan de West Shore ferry-boat; en, na nog eens de
+afspraak herhaald te hebben, zag ik de zware boot met haar naar den
+anderen oever wegvaren, terwijl de frischheid van den avond neerzeeg,
+en aan den westerhemel, die groenachtige tinten van limpiditeit had,
+een groote mooie zilveren ster reeds hing te schitteren.
+
+
+
+
+VIII
+
+
+Papa en Mama hadden, evenals Maud en "Auntie," mijn invitatie
+aangenomen; en daags vóór den gestelden datum toog ik even naar den
+restaurant Delmonico, om er met den baas, of een der chefs, het menu
+op te maken.
+
+Ik werd er ongeveer ontvangen, zooals Maud bij madame Véronique
+onthaald was geweest. 't Was in de stille uren; de garçons waren
+langzaam en zorgvuldig bezig in de ruime zaal met rood tapijt de
+tafeltjes te dekken; en een dikke meneer in rok, met glimmend-wit
+plastronhemd en zwarte das kwam statig naar mij toe, nam mij even
+vlug op met één blik, die gansch zijn oordeel over mij vast scheen
+te vestigen, en vroeg mij, met een vette stem, in 't Fransch, wat
+ik verlangde.
+
+Ik zei hem wat ik voor den volgenden dag zoo al wenschte.
+
+Zakelijk ging hij in zijn binnenzak, haalde een gedrukte spijskaart
+te voorschijn, nam een potlood en begon voor te dragen.
+
+--Cinq potages bisque? vroeg hij.
+
+Ik knikte.
+
+--Du saumon à la Chambord?
+
+Ik knikte.
+
+--Une entrée: longe de veau; entrecôte Béarnaise; selle d'agneau!
+
+Ik aarzelde, er kwam in mij een spanning.
+
+--Longe de veau? herhaalde hij, mij met een greintje van meelijdende
+geringschatting aankijkend.
+
+--Plutôt entrecôte Béarnaise, zei ik eindelijk.
+
+--Comme légume? ging hij voort, opteekenend. En, daar ik weer aarzelde,
+mij helpend:
+
+--Tomates farcies, artichauts, céleri à la moëlle.
+
+--Céleri à la moëlle, echode ik machinaal.
+
+--Comme rôti? ging het verder.
+
+Gaat hij er niet haast mee uitscheiden! dacht ik bij mezelf. 't Was
+warm daarbinnen en ik voelde mijn wangen gloeien.
+
+--Sarcelle; canard sauvage; dinde Maison? ging hij onverdroten voort.
+
+--Dinde Maison, echode ik nog eens, heelemaal onder zijn invloed en
+machinaal reageerend op zijn laatste klanken.
+
+--Et comme dessert une omelette Sibérienne et une macédoine de
+fruits? besloot hij, mij te nauwernood nog raadplegend.
+
+Ik knikte.
+
+Hij teekende op en er was een stilte. De garçons dekten rustig verder
+hun tafeltjes en daarbuiten, achter de hooge, breede ramen, stroomde
+het druk-mondaine leven van New York voorbij.
+
+--Hoeveel wordt dat dan samen? vroeg ik eindelijk, met inspanning en
+matte stem.
+
+--Eh bien, comme nous avons dit, n'est-ce pas? En hij begon nog eens op
+te sommen: Potage Bisque, Saumon à la Chambord, entrecôte Béarnaise....
+
+--Ja maar.... de prijs.... te zamen.... stamelde ik met het rood der
+schaamte op mijn wangen.
+
+--Oo.... zei hij, alsof ik iets heel bizonder geks gevraagd had;
+en een bijna onnaspeurlijke glimlach kwam even op zijn lippen.
+
+Hij zette vlug wat cijfers onder elkaar, telde samen, zette er nog
+iets bij, telde weer samen en noemde mij eindelijk een getal, waar ik,
+evenals enkele dagen te voren bij madame Véronique, in figuurlijken
+zin van omviel. Ik meende verkeerd begrepen te hebben, vroeg hem om
+nog eens 't cijfer te herhalen, viel er nog eens, in figuurlijken zin,
+van om.
+
+--'t Is goed, zei ik klankloos, terwijl de gansche ruime zaal, met
+al haar tafeltjes en stoelen, vóór mijn bedwelmde oogen scheen te
+dansen en te schemeren.
+
+Ik koos het tafeltje, of, beter gezegd, nam het tafeltje dat hij
+mij aanwees; sprak af voor den volgenden dag om acht uur; en 't
+oogenblik daarna stond ik buiten op 't trottoir, met het gevoel alsof
+een schurksche goochelaar de laatste centen uit mijn portemonnaie
+had weggemold.
+
+Ik nam een heldhaftig besluit. Ik zou dien dag alvast niets meer eten,
+mitsgaders de drie eerste weken die op het diner zouden volgen, één
+dagelijksche maaltijd derven. Zoo zou de wreede bres toch eenigszins
+gestopt worden.
+
+
+
+
+IX
+
+
+Even vóór acht uur stond ik zenuwachtig-wachtend in Delmonico's
+ontvang-salonnetje. Over den rooden looper van den marmeren gang
+passeerden af en toe heeren in rok en witte das en gedecolleteerde
+dames in ruischende sleepjaponnen, die glinsterden van sieraden
+en juweelen. Zij verdwenen in de groote restauratie-zaal en telkens
+golfde van daaruit een bouffee van muziek: voluptueus-kweelende violen
+bespeeld door bruine kerels met donkere oogen en donkere snorren,
+exotisch-opvallend in hun roode buisjes met gouden borduursels.
+
+Een oude hollandsche klok met speelwerk sloeg in zilverklank acht
+ure. En eensklaps waren ze daar, zonder dat ik hen in mijn agitatie
+had zien komen: Mama voorop, het witte kapsel als een sneeuwdos
+op haar frisch gezicht, de oogen vriendelijk lachend en de valsche
+tanden schitterend; "Auntie" een en al pittige levens-uitstraling en
+voorwaar buitengewoon knap dien avond in haar bescheiden décolleté;
+en Maud een bloem, de schoonste bloem der wereld, in 't wit, met iets
+van groen en roze roosjes, om van te duizelen. Papa volgde, proletig
+in zijn avondpak, alsof hij de portier was, die de deur zal opendoen.
+
+Onze intrede verwekte eenige sensatie. Sommige gasten aan de tafeltjes
+keerden zich om; en ook de bruine kerels in hun roode jasjes keken
+onder het violeren, met langoureuze oogen. Twee bedienden stonden
+eerbiedig bij ons tafeltje te wachten. Zij schoven de stoelen bij en
+een derde bracht een tuil met rozen aan. Een maître d'hôtel kwam naar
+mij toe en bood mij stil de wijnkaart aan. Ik bestelde Mumm Cordon
+Vert en ook Vichy water met ijs, omdat Mama daar naar vroeg. De
+"bisque" werd opgediend.
+
+De zaal was vol en geanimeerd en gonsde van opgewekte beweging en
+vroolijke geluiden. Er waren "beauty's" en schitterende toiletten,
+die zich in de spiegelwanden reflecteerden. De violen kweelden en
+zwollen hun tonen tot een soort wellust aan. Men voelde lust om zich
+gemakkelijk in weelde uit te strekken of om stil op het rythme mee
+te neuriën of zacht-heupwiegend te dansen.
+
+Maud keek mij aan met geestdriftige oogen. Zij had een heel licht
+veegje rouge op haar wangen gelegd en dat gaf aan haar teint, dat toch
+al zacht en frisch was, iets warms en bloeiends dat onweerstaanbaar
+bekoorde. Het bloeide boven haar gedecolleteerden hals, die van een
+roomige blankheid was; en de mooie armen en de zacht-golvende buste
+verwekten droomen die bedwelmden. Ik sloeg even mijn oogen neer,
+als verblind door te veel en te diep-ontroerende schoonheid.
+
+Papa at smakelijk en nogal luidruchtig; Mama gebruikte meer haar face
+à main dan vork en mes; en "Auntie" zat van genoegen op haar stoel
+te wippen en te trillen, als een eekhoorntje dat nootjes kraakt. Af
+en toe keek zij mij aan, fiks en strak, met haar felle oogen, en
+'t kwam mij voor alsof daar nu iets ongewoons in schitterde, iets
+dat mij opzweepte en tevens verontrustte. Zij sloeg mij blijkbaar
+gade, zij sloeg mijn oogen gade; en telkens wanneer deze zich, in
+onweerstaanbare aantrekkingskracht op de ontroerend-schoone Maud
+gingen vestigen, voelde ik Auntie's oogen op mij gepriemd en zag ik
+haar glimlach, die iets raadselachtigs en bijna spottends had. Wat
+was er toch? Wat wilde ze van mij!
+
+Na de entrecôte Béarnaise scheen Papa zich reeds wat verzadigd te
+voelen; hij strekte zich in een gemakkelijke houding uit en begon
+nu ook eens rond te kijken in de zaal, of hij daar ook menschen
+kende. De dames hadden reeds herhaaldelijk, met lieven glimlach
+naar mij totaal onbekende gasten gegroet, wat mij telkens heimelijk
+een beetje hinderde; en nu ging ook Papa aan 't groeten, met korte,
+harde, familiaire hoofdknikjes, en noemde daarbij namen, waarbij de
+dames omkeken, en ook nog eens groetten. Er ontstond daar als 't ware
+een soort van verbroedering waar ik, als vreemdeling, buiten gesloten
+bleef en 't maakte mij verdrietig en chagrijnig; ik was er niet verre
+van af te gaan denken, dat het eenigszins ontactvol van hen was,
+terwijl ze toch mijn gasten waren. En, eigenaardig genoeg: niet de
+dames, maar Papa, die anders niet zoo buitengewoon fijn-besnaard was,
+scheen dat te voelen. Hij keek mij welwillend aan, glimlachte en zei:
+
+--U is hier natuurlijk nog een beetje vreemd, maar ik zal u wat op de
+hoogte brengen. Ziet u die oude man, daar, met grijze snor, naast die
+jonge dame in 't mauve met haar prachtige parels en briljanten! Dat
+is een spoorwegkoning, meer dan vijftig miljoen dollars waard. Hij is
+op meer dan zeventigjaren leeftijd hertrouwd met een heel jong meisje
+zonder fortuin uit Nebraska, deze die nu naast hem zit. Zij draagt
+voor meer dan honderd duizend dollars waarde aan parels en juweelen.
+
+De violen kweelden, af en toe knalde dof een champagne-kurk en de
+animatie werd steeds vroolijker en levendiger, en Papa liet mij nog
+meer beteekenisvolle mannen zien, telkens daarbij vermeldend hoeveel ze
+"waard waren;" en Mama en "Auntie" en ook Maud waren ten diepste mee
+geïnteresseerd, genietend van die weelde-in-cijfers zooals alleen
+echte Amerikanen dat kunnen. Toen slaakte "Auntie" plotseling een
+soort verrassingskreet en zei:
+
+--O! en mister Bunk zit daar ook, daar, bij dat raam! Kijk eens;
+kijk eens: hij gebruikt nog steeds zijn toast met eieren, net als
+in Saratoga!
+
+Het was een emotie! Allen keken om en zagen mister Bunk zijn eieren
+eten. Hij merkte hun opvallende belangstelling, herkende hen, groette,
+ernstig, plechtig bijna, met een volmaakt-correcte buiging. De dames
+kregen een lichte kleur, groetten terug, namen weer haar gewone houding
+aan. Mij had hij heel even, met een koel-strakken blik opgenomen.
+
+--Die man, meende Papa mij te moeten inlichten, is 'n aardig aantal
+miljoen dollars "waard" en gaat door als de "arbitre des élégances" in
+New York en eigenlijk ook wel in de "society" van heel Amerika. Sinds
+jaren, waar hij ook komt, gebruikt hij voor zijn diner nooit iets
+anders dan drie gekookte eieren, met toast en thee. Maar lastig als
+hij is op de kwaliteit van die eieren, daar hebt u gewoon geen idee
+van! Hij wil ze maar alleen gebruiken als ze afkomstig zijn van een
+speciale "farm" daar ergens in de Catskill's Mountains, van boeren die
+hij kent. In Newport, in Saratoga, in Lennox, onverschillig waar hij
+verblijft, steeds komen zijn eieren uit diezelfde "farm." En ook hier,
+in New York, moet Delmonico, waar hij geregeld eet als hij niet op
+zijn clubs of bij families dineert, hem kunnen garandeeren, dat ze
+daar vandaan komen. En wilt u nu eens weten wat hij voor zoo'n diner
+van drie eieren met toast en een kop thee betaalt?....
+
+Glimlachend naar mij toe gebogen staarde Papa mij aan, als om bij
+voorbaat van mijn bewonderende verbazing te gemeten. En toen liet hij
+'t cijfer los:
+
+--Vijf dollar, meneer! Vijf dollar en 'n dollar fooi aan den garçon:
+samen zes dollar voor 'n maaltijd die zoowat een zestig cent waard is!
+
+De dames knikten, met een soort ingehouden admiratie, om te betuigen
+dat Papa de zuivere waarheid sprak.
+
+Zwijgend keek ik den kerel aan, terwijl hij met een van zijn eieren
+bezig was. Wat 'n sinistere vlegel! Wat 'n sombere bruut! Wat 'n
+boeventronie! dacht ik in mezelf. En ik leed er onder, ik leed harde,
+vlijmende pijnen, dat Maud zulk een aanstellerig wanschepsel kon
+bewonderen. Hoe was het mogelijk! Hoe zag ze toch niet, hoe begreep
+ze toch niet wat voor een abominabele poen die kerel wezen moest! Het
+vergalde mijn avond, die vent wierp door zijn enkele tegenwoordigheid
+een akelige schaduw over al mijn vreugde.
+
+Eensklaps had ik een geweldige emotie. Hij was klaar, had afgerekend
+en stond op; en ik zag, ik vóélde, dat hij naar ons tafeltje toe
+kwam! Zou hij heusch durven? Werkelijk! Daar was hij! Daar stond hij!
+
+Hij stond daar in rok en witte das, met zijn drie eieren en zijn
+toast in zijn te dikke lichaam en hij boog groetend, met een akeligen
+glimlach op de lippen, naar Mama en kuste haar de hand.
+
+In onwillekeurig walgen keerde ik even machinaal het hoofd om. Hij
+groette "Auntie," hij groette Maud, hij groette Papa, en dan weer
+tot Maud zich wendend hoorde ik hem vragen:
+
+--Goed nieuws van Reggy?
+
+--Heel goed, dank u, hoorde ik Maud antwoorden.
+
+--Wanneer verwacht u hem terug? vroeg nog de vlegel.
+
+--Waarschijnlijk tegen het eind der volgende maand, antwoordde Maud,
+een lichte kleur krijgend.
+
+Hij glimlachte, fatterig voldaan, boog weer en vertrok, zonder met
+een woord of een blik van mij notitie te hebben genomen.
+
+Even keek ik naar "Auntie" op. Haar oogen stonden strak op mij gepriemd
+en haar lippen hadden een soort glimlach, die tot in 't diepste van
+mijn ziel drong.
+
+Ik keek naar Maud. Er lag eensklaps iets vreemds en ernstigs over
+haar gezicht. Zij leek mij plotseling zoo koud als ijs. Wat was er
+toch gebeurd? En wie was die Reggy, waar de vlegel naar gevraagd
+had? Was dat Maud's gehuwde broer, die in Philadelphia woonde? Of....
+
+Opnieuw keek ik naar "Auntie" en 't werd kil in mij. Er was ineens
+'n soort van gêne over ons gekomen; en even heerschte er een stilte,
+die de muziek gelukkigerwijze door een meeslepende wals eenigszins
+aanvulde. Ik voelde mijn hart jagen en kloppen, alsof het barsten ging.
+
+'t Diner was afgeloopen. De klok wees kwart over tien en Papa oordeelde
+dat het tijd werd om de boot te halen.
+
+Met een bescheiden gebaar wenkte ik naar den maître d'hôtel om af
+te rekenen. Hij knikte; en 't oogenblik daarna bracht hij mij, met
+innemenden glimlach, de nota dichtgevouwen op een zilveren plateau,
+als een vertrouwelijk document van zeer gewichtige beteekenis.
+
+Ik ontplooide die even en las een bedrag waar ik, nu voor de derde
+maal in die enkele dagen, in figuurlijken zin van omviel. Maar ik
+hield mij goed. Ik ging in mijn portefeuille, haalde er, onder den
+vorm van bankpapier, een klein fortuintje uit, schoof het onder de
+rekening, op de schaal.
+
+Mama was opgestaan. Met den vriendelijksten glimlach van al haar
+valsche tanden reikte zij mij de hand en bedankte mij zeer, zéér
+hartelijk. "Auntie" deed het zelfde, met oogen die flikkerden, en
+ook Maud kwam mij danken, heel zacht en lief en vriendelijk, met een
+langen, warmen handdruk en een uitdrukking van groote sympathie in haar
+sprekenden blik. Papa, op zijn beurt, schudde mij krachtig beide handen
+en voorspelde mij dat ik een prachtige carrière zou maken in Amerika,
+ja, dat ik er millionnair zou worden. Hoe en waarom hij juist op dat
+idee kwam terwijl hij me nagenoeg heel mijn beurs had zien ledigen, was
+mij niet duidelijk en is het mij nu nog niet, maar zoo zei hij toch.
+
+Langzaam en statig laveerden wij tusschen de reeds half verlaten
+tafeltjes heen. Er werd nog hier en daar geknikt en gegroet en de
+bruine kerels met hun roode jassen en fluweeligen oogen speelden en
+keken nog hartstochtelijker dan bij onze aankomst, en ik kreeg den
+gekken indruk, dat ze met hun opgewonden gedoe de laatste centen uit
+mijn beurs wegspeelden.
+
+Mantels en overjassen werden aangetrokken en wij kwamen aan den
+ingang. Een lange file rijtuigen stond langs 't trottoir. Papa wenkte
+er een, een bediende in livrei opende het portier en de familie
+stapte in.
+
+Glimlachend stond ik nog even, in den zachten lentenacht, onder de
+electrische booglampen te groeten en te wuiven. En een laatste maal zag
+ik haar, háár alleen, in al haar betooverende schoonheid, met wit bont
+om den goddelijken hals en met gansch haar ziel in den glinsterenden
+afscheidsgroet van haar prachtige oogen. Toen reed het rijtuig heen....
+
+
+
+
+X
+
+
+Dien nacht lag ik rusteloos te woelen in mijn bed zonder den slaap
+te kunnen vinden. Ik voelde, dat het tot een punt van heftige crisis
+in mijn leven was gekomen. Ik draaide en keerde mij om en mijn hart
+klopte gejaagd, als met korte, harde hamerslagen.
+
+Hoe was de avond nu eindelijk geweest: een succes, of een
+"failure?" Was ik een stap verder gekomen in het leven en het hart
+van Maud, of bleef dat nog steeds 't zelfde: onzeker, raadselachtig,
+twijfelachtig? Ik wist het zelf niet; heusch, ik wist het niet! Ik
+voelde weer haar handdruk bij het afscheidnemen en zag de straling
+harer prachtige oogen, welke mij van liefde deden sidderen; maar ik
+herinnerde mij ook weer haar plotselinge koelheid en het soort gêne
+dat over haar kwam, toen die kerel, die vent, die abominabele fat,
+die walgelijke mister Bunk haar aan ons tafeltje kwam vragen, of zij
+goed nieuws van Reggy had.
+
+Reggy!.... Reggy!.... Wie was die Reggy?.... Was dat de oudste zoon,
+die in Philadelphia woonde? Heette hij werkelijk zoo? Had ik hem niet
+een paar keer anders hooren noemen, terwijl ze mij zijn portret op de
+piano toonden?.... Eensklaps kreeg ik als een bons in 't hart, terwijl
+ik mij heel duidelijk herinnerde. Basil, heette hij, Basil! Ik zag
+Papa nog naar de foto wijzen en hoorde 't hem nog zeggen! Reggy was
+dus een ander; maar dan toch een die de familie kende, en goed kende,
+aangezien ze nieuws van hem ontvingen. Wie was het dan wel en hoe kwam
+het dat ze nooit met mij een enkel woord over hem gesproken hadden?
+
+Ik gooide mijn dekens van mij af, blies alsof ik stikte, sprong uit
+mijn bed, haalde de gordijnen van mijn ramen op. Ik kon het niet langer
+meer uithouden in de benauwde eenzaamheid; ik had kunnen snikken van
+ellende en ik trok een van mijn vensters wijd open, haalde diep adem en
+staarde wijd over de grootsche, nachtelijke eenzaamheid van New York.
+
+De lucht was zacht en zwoel en vol mysterieuze leven. De nachtelijke
+lentehemel schemerde wazig-blauw doorprikt met vele stille lichten. De
+stilte was indrukwekkend-grootsch en toch gonzend van diep-trillend
+leven. Men voelde als 't ware de levende rust der geweldige stad. Er
+droomde een zware rythmus in. En af en toe was het alsof de slapende
+reus even ontwaakte: de fluit van een locomotief gilde, als een
+schrille noodkreet; de stoomhoorn van een steamer brulde, in langgerekt
+en schor geloei; en de roode en groene lichten aan den oever gulpten
+in het kabbelend water neer, als brekende stralen van zwavel en bloed.
+
+Wat deed ze nu, op 't zelfde oogenblik, dat ik hier aan mijn open
+venster stond te staren en te lijden? Zij sliep natuurlijk, in zalige,
+onbezorgde rust; of zij droomde, maar niet van mij: zij droomde
+van een ander, van dien mij onbekende, van dien Reggy, waarnaar
+de walgelijke poen aan ons tafeltje was komen informeeren. O, die
+vlegel, hoe haatte ik hem! Wat had ik hem graag tegen het te dikke lijf
+willen aanvliegen en hem in het zelfvoldane gezicht willen schreeuwen:
+Ploert! Bruut! Vraag excuus, smeek om genade, of 'k sla je den dikken
+kop in! Mijn vuisten knelden in elkaar, mijn tanden knarsten; ik had
+hem levend kunnen villen, hem verscheuren!
+
+Mijn hart joeg en klopte, rusteloos. Aan slapen was geen denken
+meer. Wanhopig staarde ik in den nacht, over de oneindigheid van New
+York en ik reikhalsde naar 't donkergrijze westen, in de richting
+waar zij woonde, alsof het mogelijk was, dat ik haar zien kon. Haar
+zien! Haar zien! Al de verlangens van mijn ziel, al de zintuigen
+van mijn overspannen lichaam waren tot dat doel gericht. Om haar nu
+nog eventjes te zien en met haar te mogen spreken, had ik jaren van
+mijn leven willen afstaan. Het scheen mij toe of alles weer terecht
+zou komen, of alles weer heel goed en zacht zou zijn, als ik haar ook
+maar even zag en met haar sprak. Wie weet,.... wie weet!.... Misschien
+toch was ook zij niet tevreden; misschien lag ook zij nu rusteloos en
+slapeloos op haar eenzame kamer!.... Als ik mij nu aankleedde en met
+den electrischen tram die, ik wist het, ook 's nachts nog om het half
+uur reed.... Ik kon toch niet slapen; wie weet.... wie weet.... of
+ik aan haar raam geen licht zou zien, of ze niet zou vóélen dat ik
+komen moest, of ze mij niet wachtte....?
+
+Met jagende haast, zonder verder na te denken of te aarzelen, rukte
+ik mijn kleeren aan. Ik keek op mijn horloge. Kwart over twee. Als ik
+mij repte kon ik de electrische van half drie nog halen. Ik stopte
+de veters in mijn laarzen zonder die aan te rijgen, nam hoed, stok
+en jas, rende, in de duisternis, de trappen af. Het oogenblik daarna
+liep ik door de stille straten in den lenteluwen nacht.
+
+Het licht van de electrische flikkerde in de verte en ik holde er
+naartoe in stormpas om toch op 't uiterst oogenblik nog niet te laat
+te komen.
+
+--Plenty of time; plenty of time, zei mij kalmeerend een bediende,
+toen hij mij buiten adem aan zag rukken.
+
+--Gaat hij nog niet? vroeg ik wanhopig.
+
+In 't schijnsel van een lamp haalde de man zijn horloge uit.
+
+--Over zeven minuten; de andere moet nog eerst arriveeren, berichtte
+hij.
+
+Ik ging in een hoek de veters van mijn laarzen aanrijgen en keek naar
+de van binnen verlichte, wachtende tram.
+
+Er zaten een tiental menschen in: enkele slaperige arbeiders met
+hun gereedschap; een paar jongelui die lachend pret maakten en wat
+dronken schenen; een man eenzaam in een hoekje, met donkere snor en
+peinzende oogen.
+
+De huizen daaromheen sliepen in duisternis, met dichte luiken. Mijn
+scherp-gespitste waarnemingsvermogen merkte de dingen op; de gedachte
+drong in mij dat de huizen, evenals de menschen, een eigen leven
+leefden en dat zij, na 't volbrengen van hun dagtaak, moesten rusten
+en slapen. Ik voelde sterk dat alles rust en slaap behoefde om normaal
+te zijn en dat het abnormaal was als een tram zoo laat nog reed en
+abnormaal ook wie daar nu mee reisde. Die menschen waren uit hun
+natuurlijk leven, uit hun evenwicht geslagen, en zoo was ik ook,
+ik die nu, door mijn zenuwen opgezweept, in dit vreemde oord, het
+onbekende en het leege van den nacht instormde, om een hersenschim na
+te jagen. Ik gaf mij zeer goed rekenschap van 't gekke mijner daad,
+maar deed die toch.
+
+De telegraafdraden langs den spoorweg zongen mysterieus naar de
+donkere verte, alsof zij geheimzinnig spraken en de electrische
+draadleiding begon te trillen, met een geluid van zink. Toen kwam een
+bleeke schemergloed ginds aan den einder boven op den heuvel klimmen
+en weldra zag ik een helder lichtpunt, dat zienderoogen grooter werd
+en flikkerend naderde.
+
+--Instappen! berichtte de conducteur; en de wattman kwam uit een
+donker houten huisje en nam zijn plaats in op het voorbalcon. Zacht
+en snel reed de electrische weg.
+
+Het hamerde en klopte in mij, en droog hikte mijn keel, met korte
+tusschenpoozen. Ik voelde mij heel week en zwak. Ik benijdde de kalmte
+van mijn medereizigers: de slaperige moeheid van de werklieden, de
+zorgelooze jool der ietwat aangeschoten jongelui, de starende rust
+van den man in den hoek met de donkere snor en de peinzende oogen.
+
+De tram hield op. Ik schrikte, machinaal. De conducteur riep een naam
+en de vroolijke jongelui stapten licht-waggelend uit. Even verder
+stopte hij weer; en op hun beurt verlieten de slaperige arbeiders
+den wagen, met hun nacht-sjouwersgereedschap over den rug. Toen reed
+de tram weer een heel eind, met alleen den donkeren man en mij op de
+banken. Er waren geen huizen meer; het licht scheen flikkerend op de
+langs den weg geplante boomen en maaide ze telkens, met een zwiep,
+als 't ware in de duisternis om. De beugels trilden op den leiddraad,
+met een geluid van zink.
+
+De tram hield stil. Hij was aan zijn terminus gekomen, en een andere
+die gereed stond, reed weer af.
+
+Ik stapte uit, door den peinzenden man gevolgd. Ik zag een oogenblik
+zijn donkere silhouet naast mij; en dan verdween hij, als door de
+duisternis opgezogen.
+
+Al spoedig was ik voorbij de enkele slapende huizen die daar
+stonden. Ik kende mijn weg en wende aan de duisternis, die lichter
+scheen te worden. De villa's schemerden achter de boomen en veel
+schoone sterren blonken in den stillen hemel.
+
+Bij den kruisweg nam ik links, den heuvel op. Ik zag den weg,
+grijsachtig-blond, tusschen de donkerder velden. Er waren daar geen
+boomen meer en de gansche hemelkoepel met al zijn sterren welfde er
+ontzaglijk-grootsch over het slapend land. De lucht was heerlijk frisch
+en zuiver en drong mij als een milde balsem in de longen. Zachter
+klopte en hamerde het hart.
+
+Even bleef ik staan. Wat kwam ik daar nu eigenlijk doen? Ik kon geen
+redelijk antwoord vinden. Een soort van nuchterheid zonk stilaan
+in mij neer, ontgoochelend, maar meteen stillend, bedarend. 't Was
+mij te moede alsof ik reeds mijn doel bereikt had en nu terug mocht
+keeren. Heel duidelijk besefte ik nu het nuttelooze en onzinnige van
+mijn daad, midden in die grootsche stilte, midden in die heilige rust
+der gansche streek. Ik schaamde mij als 't ware; voelde den diepen
+wanklank met de rustige omgeving.
+
+Schoorvoetend toog ik verder. Daar schemerde reeds, op korten afstand,
+eenzaam op den heuvel, háár villa onder de sterren. En dat leek
+alweer iets zoo gewoons, iets zoo natuurlijks, dat ik mijn geest
+moest inspannen om te begrijpen hoe óngewoon en ónnatuurlijk ik daar
+liep. Al mijn gekke illuzies dat zij mij wachtte, dat ik haar zien zou,
+dat ik met haar spreken zou en dat mijn verder levenslot dien nacht
+beslist zou worden, verdwenen als ijle rook bij het aanschouwen der
+werkelijkheid uit mijn ontspannen hoofd; en ik stond eindelijk vóór
+haar villa, en draaide er langzaam omheen en stelde, bijna met een
+soort genoegen, vast, dat ook daar, evenals overal elders, alles stil
+en rustig was, en dat nergens een lichtje door de luiken pinkte en
+dat zij mij niet wachtte om de eenvoudige reden dat zij sliep, zooals
+alle andere menschen in den omtrek op dat uur van den nacht sliepen.
+
+Ik glimlachte. Ik glimlachte in mijzelf en om mijzelf waar ik
+daar roerloos stond te staren. En ik voelde hoe vreemd de wereld
+is, terwijl ik overpeinsde, hoe ik, slechts enkele uren geleden,
+tegenover haar zat, aan den feestdisch van een luxe-restauratie,
+in een der meest-mondaine wereldsteden, en daar nu liep te zwerven
+als een landlooper in 't holle van den nacht, opgezweept door de
+onzinnige illuzie haar nog eventjes terug te zien.
+
+Stil droop ik af. Het was opeens heel kalm in mij geworden. Het zonk
+en zeeg alles in mij neer, als frissche dauw op drooggeschroeide
+loovers. Maar iets stond vast in mij: muur- en rotsvast: ik wilde en
+zóu weten!.... Ik zou haar schrijven, morgen aan den dag; ik zou haar
+schrijven mijn liefde, mijn hoop en mijn lijden,.... ik zou uit al
+die folterende onzekerheid geraken en eindelijk weten wat het leven
+voor mij in bewaring hield: onverdeeld geluk, of onafzienbare smart.
+
+Ik kwam terug aan de tramhalte, waar in de nachtelijke stilte en
+eenzaamheid, de telegrafische draden geheimzinnig zongen. Wat zongen
+zij: geluk of lijden? Het kwam er niet op aan: over enkele dagen zou
+ik wéten....
+
+Daar naderde de tram uit New York reeds in de verte. Ik was de eenige
+reiziger voor den terugtocht. De beugel zong op zinken snaren en ik
+stapte in.
+
+Aan 't oosten schemerde heel zacht het eerste ochtendlicht. Een vogel
+piepte en ergens in de buurt kraaide een haan.
+
+De silhouetten van conducteur en wattman namen wezenlijker vormen aan.
+
+De dag,--de groote dag--was aangebroken.
+
+
+
+
+XI
+
+
+Ik schreef mijn brief in zachte spanning. Ik schreef hem, schreef
+hem over, schreef hem nog eens.
+
+Mijn ziel zong erin en klaagde; en háár verrukkelijk-schoon beeld
+stond aanhoudend vóór mijn geest en in verbeelding vóór mijn oogen. Ik
+schreide en ik glimlachte. Ik jubelde en twijfelde; ik was vol hoop,
+vol angst en vol van sterken hartstocht. Ik voelde in mij de kracht
+om werelden te veroveren.
+
+Toen de brief geschreven was en in zijn omslag dicht gezegeld, liet
+ik hem liggen en ging wandelen. Ik had te werken, maar ik werkte
+niet. Ik ging wandelen. Nooit heb ik duidelijker gevoeld, dat er
+plichten zijn welke nog sterker dringen dan het drukste werk.
+
+Ik wandelde den ganschen middag; ik luierde en slenterde door parken
+en door straten; en er was in mij een soort van weerzin en van angst
+om op mijn kamer, waar de brief te wachten lag, terug te keeren. Ik
+dacht den ganschen dag door aan dien brief, en of het zoo wel goed was,
+en of ik niets essentieels vergeten had, en of het nog niet beter,
+mooier, aangrijpender en ontroerender kon. Zou het niet goed zijn
+als ik hem nog eens openmaakte en hem overlas? Zou ik in elk geval
+niet wachten tot den volgenden ochtend, er nog eens een nacht laten
+overheen gaan, alvorens hem te verzenden?
+
+Langzaam, en twijfelend, keerde ik naar mijn kamer terug. Ik was moe
+van den vorigen dag, zou nu maar gauw gaan slapen. Morgen zou ik weer
+frisch zijn.
+
+Loom stapte ik de trappen op, opende mijn kamerdeur, draaide het
+licht aan.
+
+Het eerste wat mij trof was 'n brief op mijn tafel. Geen handelsbrief,
+zooals er meer kwamen; een "mondaine" brief, als ik het zoo mag
+uitdrukken, een fijne enveloppe, met de hand van een vrouw.
+
+Zenuwachtig scheurde ik die open, keek en las.
+
+Het schemerde even vóór mijn oogen; ik zag niet goed, begreep niet
+goed.
+
+Ik streek de hand over mijn voorhoofd, lei den brief neer, nam hem
+weer op, en las, en spelde, woord voor woord.
+
+Toen begreep ik en een ontzettende emotie vol tegenstrijdige
+gewaarwordingen stroomde als een heete gloed door gansch mijn wezen.
+
+Het was een brief van "Auntie."
+
+"Auntie" vroeg mij of ik haar den volgenden dag, om vier uur, in New
+York, bij Sherry's, wilde komen spreken! "Auntie" schreef mij, dat
+ze zeer verlangend was mij daar te zien, om mij iets mee te deelen,
+dat zij als een plicht beschouwde en hoopte wel, dat niets mij zou
+verhinderen om er te komen.
+
+Kort was het briefje, maar heel vriendelijk van toon; en in zijn
+kort bestek omvatte het voor mij als 't ware de beschikking over mijn
+gansche verder leven.
+
+Voor de tweede maal lei ik het briefje neer en keek mij in den spiegel
+aan. Ik zag zoo wit als 't velletje papier waarop de ontzettende
+woorden neergeschreven stonden en mijn voorhoofd was klam van
+transpiratie. Mijn beenen voelden eensklaps zóó zwak, dat ik even
+moest gaan zitten.
+
+Ik dronk een glas water en stak een sigaret op.
+
+Toen las ik nog eens, voor de derde maal..
+
+Het leed geen twijfel: "Auntie" wou mij over Maud spreken! Dat
+voelde ik zoo vast en zeker als de vier strakke muren, die mijn kamer
+omsloten; maar wàt ze mij over Maud mee te deelen had, dat was het
+raadsel, het onbekende, op welks openbaring ik bijna nog vier en
+twintig uren had te wachten.
+
+Iets onvriendelijks kon het niet zijn. Daar was geen reden voor, daar
+had ik geen aanleiding toe gegeven. De laatste blik dien Maud met mij
+gewisseld had, toen ze reeds, vóór Delmonico's, met haar ouders in
+het rijtuig zat, was er een geweest van sympathie, van uitstralende
+sympathie, ja, bijna van liefde.
+
+Van liefde....! Dat woord hield mij vast, prangde mij, als een
+klauw, om het hart. Van liefde....! Zou ze werkelijk liefde voor mij
+voelen, en zou ze "Auntie" bezigen als afgezant, om.... ja, waarom
+dan eigenlijk.... om mij te doen zeggen dat ze mij liefhad en haar
+leven aan het mijne wenschte te verbinden....?
+
+Het leek mij vreemd; het leek mij gek; en toch.... wat anders? Ik had
+haar immers nog niets gevraagd, nog niets gezegd dat haar kon doen
+vermoeden, dat ik van plan was haar ten huwelijk te vragen. Mijn brief
+was niet weg, gelukkig! gelukkig! Ik zag hem daar nog op mijn tafel
+vóór mij liggen en ik strekte er de hand naar uit met zwak-bevende
+vingers en stopte hem behoedzaam in mijn binnenzak, als vreesde ik,
+dat hij vanzelf zou kunnen wegvliegen.
+
+'t Was vreemd, 't was gek; en toch: het kón bijna niet anders:
+"Auntie" zou mij over liefde spreken, over de liefde van Maud en mij!
+
+Mijn rijke verbeelding maakte een sprong en ik zag mij vóór het feit
+gesteld, dat mij levenslang aan haar verbond. Was ik nu niet gelukkig,
+over-en-overgelukkig! Had ik nu niet bereikt waar ik al maanden lang
+naar snakte? 't Was vreemd, o, 't was zoo vreemd, maar een soort
+twijfel, een soort heimwee drong stilaan in mij. Ik dacht alweer
+aan het verleden, aan mijn familie en mijn vrienden, aan 't zachte,
+blonde, lieve Vlaanderen! Ik dacht aan de witte kerktorentjes der
+vriendelijke dorpjes, aan Meylegem-Noord en aan Meylegem-Zuid, aan de
+kalme lussen van de kronkelende Leie, waarin zich, op het groen der
+weilanden de pittoreske roze en witte hoevetjes weerspiegelden. Ik
+dacht aan Tieldeken en aan de jonkvrouw van 't kasteel; ik dacht aan
+alles wat ik daar gelaten had en hoopte weer te zien en voelde de
+diepste wortels en de geheimste vezels van mijn wezen mij nu pijnlijk
+weer daarheen trekken, zooals de wortels en de vezels trekken van een
+boom, dien men uit zijn oergrond los wil rukken. Zou ik het waarlijk
+doen en voor altijd de banden van het zoet verleden afsnijden? Hield ik
+werkelijk genoeg van haar? Was mijn leven zóó in 't hare opgegaan, dat
+ik zonder haar niet meer bestond? Was zij de zusterziel, de eenige die
+voor mij op aarde bestond en die ik wellicht vroeger in een ander leven
+had ontmoet? Ik weifelde; ik twijfelde. Ik verlangde naar haar met den
+vurigsten hartstocht, en ik aarzelde tezelfdertijd; ik vreesde haast
+om dat zoo zeer begeerde voor altijd in mijn bezit te krijgen. Ik had
+hààr gewild; en ook het andere. En ik wist wel dat zulks niet mogelijk
+was, dat er een keuze móést geschieden; en dat die keuze, hoe ze ook
+uitviel, mij of het een, of het andere zou doen betreuren. Ik leed,
+zooals men lijdt wanneer men nog geen vijf en twintig is en in zich
+de kracht gevoelt om gansch de wereld te bezitten. Ik leed zooals
+men lijdt wanneer men nog niet werkelijk geleden heeft.
+
+Het hart klopte alweer en hamerde onstuimig. En voor de tweede maal
+ging ik den nacht in vol kwellende onzekerheid en vol gejaagde woeling.
+
+
+
+
+XII
+
+
+Even vóór vier uur stond ik bij Sherry's ingang. Ik zou daar "Auntie"
+opwachten. De zenuwachtige overspanning was in mij ten top gestegen en
+ik voelde, dat ik geen seconde rustig zitten zou daarbinnen. IJsbeerend
+liep ik langs het breede trottoir heen en weer tusschen de elegante
+menigte, met scherpe aandacht de gezichten opnemend. Mijn keel hikte
+droog en spasmodisch; elk oogenblik keek ik op mijn horloge.
+
+Toen ik zoowat voor de tiende maal weer bij den ingang even stilhield
+ging achter mij de glazen draaideur rond en een bediende in wit
+buisje met vergulde knoopen kwam naar mij toe en deelde mij mede dat
+daarbinnen een dame op mij zat te wachten.
+
+Ik schrikte hevig, keerde mij om, bonsde tegen de draaideur,
+strompelde binnen. Was "Auntie" dan tóch binnen gekomen zonder dat
+ik het bemerkt had?
+
+Er waren nog maar weinig menschen en ik zag haar dadelijk,.... ik
+zag haar felle oogen, in een hoekje, heelemaal achter in de ruime,
+ietwat somberige zaal. Zij wenkte mij en ik spoedde mij naar haar
+toe. Zij zat alvast met thee en gebakjes. Ik maakte mijn diepste
+excuses, dat ik haar onwillekeurig laten wachten had.
+
+--Ik had u reeds gezien, vóór 't raam en dacht dat u zoudt binnenkomen,
+glimlachte zij. Toen ik merkte dat u heen en weer bleef loopen,
+heb ik u maar laten roepen.
+
+Zij wees mij een rieten leunstoel en verzocht mij te gaan
+zitten. Thee? vroeg ze nog; en schonk mij alvast in.
+
+Ik nam plaats, lei mijn hoed naast mij, en keek haar even aan. Er
+was iets ongewoons in het gezicht van "Auntie": iets straks, bijna
+getrokkens. Het was alsof ook zij dien nacht niet had geslapen. Alleen
+de oogen blonken, met hun gewone, onverwoestbare felheid.
+
+--Ik heb hier dit eenzaam plaatsje uitgekozen, om rustig te kunnen
+praten, begon ze. Ik heb u iets te zeggen. Ik beschouw het als mijn
+plicht u een gewichtige mededeeling te doen.... voor het misschien
+te laat zou zijn, voegde zij er na eenige aarzeling aan toe.
+
+--Ik luister, zei ik, zenuwachtig hikkend.
+
+--Wellicht moet ik u pijn doen, sprak ze met gedempte stem, en
+eensklaps heel diep-ernstige en werkelijk bedroefde oogen.
+
+--Wat is er? Wat is er toch? schrikte ik. En 't was alsof eensklaps
+al mijn schoone luchtkasteelen vóór mijn voeten in gruzelementen
+neerstortten.
+
+--O, schrik niet, voer ze voort; 't is beter nu dan later. Ik moet
+u over Maud spreken.
+
+Ik knikte, zwijgend, onbekwaam een enkel woord te uiten.
+
+--Ik vrees, zei ze.... ik vrees.... dat heb ik althans meenen op te
+merken--dat Maud u niet gansch onverschillig laat en dat u wellicht
+ernstig aan haar zoudt kunnen denken.
+
+--Kàn dat niet? Màg dat niet? ontsnapte 't mij in plotse, ontembare
+wanhoop.
+
+--Het màg wel, maar het kàn niet, antwoordde "Auntie" droevig.
+
+--Waarom? kreet ik dof.
+
+"Auntie" zuchtte, aarzelde.
+
+--Waarom! herhaalde ik dringender.
+
+--Omdat ze reeds verloofd is!!
+
+Het werd eensklaps heel stil in mij. Het werd doodstil, alsof mijn
+leven meteen ophield te bestaan. Ik staarde "Auntie" roerloos aan,
+met strakke oogen en mijn lippen gingen van elkaar, zonder een klank
+te uiten. Ik zat als dood op mijn stoel.
+
+--Drink even van uw thee, zei "Auntie" bezorgd.
+
+Ik dronk, machinaal, zonder te proeven.
+
+--Herinnert u zich, dat mister Bunk eergisteren aan ons tafeltje kwam
+vragen of wij goede berichten hadden van....
+
+--Van die Reggy? kreet ik.
+
+--Juist, van Reggy.--Reggy Clarke, die op reis is in Australië voor
+handelszaken en de volgende maand naar New York terug zal keeren, is
+de intieme vriend van mister Bunk en sinds twee jaar met Maud verloofd.
+
+"Auntie" zweeg. Zij zag een weinig bleek en haar sterke oogen hadden
+een ernstige uitdrukking. In mij gonsde en bruisde het als een
+orkaan die niet tot uitbarsting kan komen. Met een pijnlijk-scherpe
+perceptie zag en hoorde ik alles wat om mij heen gebeurde: "Auntie,"
+die zenuwachtig met haar lepel in het kopje roerde; de draaideur
+bij den ingang, die voortdurend rondtolde en aldoor menschen in en
+uitliet; de bedienden in witte buisjes met vergulde knoopen, die
+bedrijvig heen en weer liepen. En dezelfde folterende helderheid,
+die mij al die onbeduidende details zoo nauwkeurig deed opmerken,
+leefde en trilde ook, niettegenstaande alle stormen en emoties, in
+mijn diepste binnenste. Ik kon mijzelf als 't ware objectief ontleden,
+mij exterioriseeren in de gedaante van een ander, die zou voelen en
+zou lijden wat ik op dat oogenblik voelde en leed. Ik wist en hoorde
+wat die ander in mijn plaats zou moeten antwoorden om zijn figuur te
+redden: antwoorden, met zelfbeheersching, dat hij "Auntie" dankte voor
+haar vertrouwelijke mededeeling, maar dat hij nooit ernstig aan zulke
+dingen had gedacht, dat hij er nooit aan zoude hebben dùrven denken,
+dat hij alleen de warmste sympathie en de grootste bewondering voor
+Maud gevoeld had; en dat hij wel begreep, ofschoon met diepe spijt en
+droefheid, dat 't nu uit moest wezen tusschen hen.... Zoo voelde ik te
+moeten antwoorden, met waardigheid en ernst; maar ik kon niet, ik kòn
+niet!.... de smart en de teleurstelling waren te overweldigend-groot,
+mijn verwrongen gezicht verried mijn gevoelens en ik vond slechts
+een kreet, een droeven noodkreet:
+
+--Waarom heeft nooit iemand daar over gesproken? Waarom heeft, zij
+vooral, dat zoolang voor mij geheim gehouden!
+
+--Dat heb ik haar ook verweten; en zij zelve, trouwens, verwijt het
+zich ook! viel "Auntie" levendig in. O, zij lijdt er onder, weet u,
+want zij houdt van u. Den halven nacht heeft ze gehuild, na het diner
+bij Delmonico. Tot twee uur ben ik bij haar op haar kamer gebleven!
+
+--Wat zegt u daar! kreet ik.
+
+--Jawel, antwoordde "Auntie" eenigszins verwonderd. Verbaast u dat
+zoo zeer?
+
+Tranen kwamen in mijn oogen. De emotie overweldigde mij, plotseling. En
+ik bekende haar, week en zwak, hoe ik daar ook dienzelfden nacht,
+bijna op 't zelfde uur, rond hun villa gedoold had.
+
+"Auntie" was diep aangedaan. Zij drukte even mijn hand en haar harde
+oogen kwamen eensklaps vol zachtheid.
+
+--Hoe jammer, hoe vreeselijk jammer dat het niet kan, maar het kàn
+niet, zuchtte zij.
+
+Wij waren uitgesproken en een droeve stilte kwam in ons. Wat wij nu
+nog verder zouden zeggen kon niets meer wezen dan een matte naklank
+van hetgeen reeds was gezegd. Misschien, wie weet, zou er nog later
+iets te zeggen zijn. Nu was er niets meer te zeggen.
+
+Langzaam rees "Auntie" op.
+
+--Is het nu uit? Zal ik nu niemand van u allen ooit meer zien, of
+nog iets van u hooren? vroeg ik diep-neerslachtig.
+
+--Ik zal u schrijven, u op de hoogte houden als u 't wenscht, beloofde
+"Auntie" plechtig.
+
+Ik wou haar nog eenige laatste woorden toevertrouwen voor Maud;
+ik zocht naar die woorden in mijn overvol gemoed, en vond ze niet.
+
+--Adieu,.... adieu.... kon ik enkel snikken; en drukte een kus op
+haar hand.
+
+Ik zag haar door de draaideur tollen en vlug voorbij het raam
+passeeren. En gansch alleen, met al mijn zware droefheid, stond ik in
+'t groote New York.
+
+
+
+Nooit meer heb ik iets van hen gehoord. Is Maud getrouwd? Heeft
+"Auntie" ooit geschreven en raakte soms haar brief verloren? Ik weet
+het niet. Nog lang heb ik wachtend gehoopt, maar stilaan is dat alles
+weggetaand, zooals alles eens wegtaant: vreugde, droefheid, smart....
+
+'t Was als een droom geweest; en droomen zijn slechts droomen....
+
+Nu denk ik er somtijds nog aan, maar zonder bitterheid en zonder leed.
+
+Het is toch mooi geweest; het waren schoone dagen.... En het was
+jong en frisch, naïef en onbezonnen! 't Was een illuzie, een roman:
+de roman van een Schaatsenrijder!
+
+Nu is er slechts tragedie op de wereld....
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De roman van den schaatsenrijder, by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROMAN VAN DEN SCHAATSENRIJDER ***
+
+***** This file should be named 25515-8.txt or 25515-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/5/5/1/25515/
+
+Produced by Anna Tuinman, Eline Visser, Jeroen Hellingman
+and the Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.